Skip to main content

M&L_31_3.pdf

Page 1

^LJ


«M**-

1^

vu • •*

l^g^^l

Arte Constructo

Natuurlijke hydraulische kalk isolerend - dampopen - duurzaam - kalleien UNILIT CORICAL sanerend - ii )egen - pleiste metselen - tadelakt - natuurlijke bindmiddelen vette kalk

^32 (0)3 880 73 73 Jnfo@arteconstructo.be


31/3

Ml

LOGI E

EN AR

Tweemaandelijks tijdschrift van de Vlaamse overheid, Onroerend

Erfgoed

ISSN 0770-4948 Jaargang 31 nr. 3 MEI-JUNI2012

Inhoud

Het vissersvaartuig OO.i Martha {foto O. Pauwels}

Voorzitter Joris Bouve Eindredactie Marjan Buyle en Peter Van den Hove Kern redactie Marjan Buyle, Rudy De Graef, Joris Bouve, Herman Van den Bossche, Peter Van den Hove Redactie Leden: Anna Bergmans, Jo Braeken, Marc De Borgher, Anton Ervynck, Jos Cijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dieter Nuytten, Oswald Pauwels, Greet Plomteux, Paul Van den Bremt, Maarten Van Dijck, Christine Vanthillo, Tom Verhofstadt, Ünda Wylleman Ere-voorzitter: Edgard Coedleven Ere-leden: Marcel M. Celis, Jo De Schepper, Hedwig Van den Bossche, Suzanne Van Aerschot

Redactiesecretariaat Diane Torbeyns diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Tel. 02 553 16 13 Abonnementen* België: 4 0 € (losse nummers: 7 € ) Buitenland: 65 € CjP- of studentenkaart: 28 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. IBANBE48 3751 1109 8627 BIC BBRUBEBB van Monumenten 8c Landschappen Koning Albert U-laan 19 (bus 3) i 2 i o Brussel - Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Archeologisch onderzoek naar het kasteel van Schendelbeke Paul van Kempen en Peter Van den Hove

32

SO

De dierentuin van Antwerpen: een tuin- en bouwhistorisch verhaal

Het vissersvaartuig OD.i Martha Frank Becuwe en Willem Lanszweert

Marieke Jaenen

Website www.menl.be Advertentiewerving J. Casier - Brugge jancasier.brugge@telenet.be Vormgeving Bart Delva

Het tijdschrift M&L is opgenomen in het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen en gevalideerd als tijdschrift met peer review. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Druk die Keure - Brugge Fotografie Oswald Pauwels Verantwoordelijk uitgever Sonja Vanblaere Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel

1VI&LI 1


•HC"—'••-^••••1

Restauratie en Monumentenzorg

A. M. C O N S U L T T^.

IVI&L

AM Consult bvba Anthonis de Jonghestraat 6A B-9100SINT-NIKLAAS t: 03 780 61 53 f: 03 766 18 52 a.m. consult@skynet. be www. amconsult. be

Uw partner voor het opsporen van de oorzaken van: Vochtvlekken Schade aan pleisterwerk Waterinfiltraties Betonrot Schimmels Houtaantasting door zwam Condensvorming Houtaantasting door insecten Opstijgend vocht Regendoorslag Door: Gravimetrische vochtanalyse Kwantitatieve zoutanalyse RH en T datalogging Endoscopic Microscopisch onderzoek in situ en/of in het labo ifv de onderzoeksmethoden

Wij leveren: gefundeerd en praktisch behandelingsadvies voor een efficiënte aanpak van het probleem


•^ M&L ONLINE <-

1VI&L... dat is een tijdschrift en een reeks met een traditie van 30 jaar!

Kennismaken? Op onze website vind je een handig overzicht en kan je bovendien uitgeputte tijdschriftnummers gratis downloaden!


^

—;.^

f ^

•

T1T1W

^

^

*•.

II 'K^Kli

•

NIM

v

II

^•V •

Utt

Hï

il

•

HUXI

A. V ^ . vj "T T

^

f

,#*J

B.^r ] | lil II tl

'^

; De Egyptische temp in de dierentuin van ' (fotoC.OiavIj.T)


^

1

't allen zyden

doorschoten

In 1453 werd het kasteel van Schendelbeke belegerd en ingenomen door het leger van Filips de Goede. Enige genade was er niet: de Gentse bezetters kregen allen de doodstraf en het kasteel werd volledig vernield. Gelegen in een drassig weiland langsheen de Dender ontsnapte de site daarna lange tijd aan alle aandacht; tot de locatie in de jaren '60 en '70 door enkele lokale heemkundigen werd herontdekt. Archeologen Paul van Kempen en Peter Van den Hove brengen een synthese van oud en nieuw onderzoek naar deze opmerkelijk goed bewaarde archeologische site.

Een merkwaardige 'beestenhof Met een ontstaan dat teruggaat tot midden i9 de eeuw, biedt de Antwerpse dierentuin thans een staalkaart van oude en nieuwere paviljoenen en tuinaanleg. Marieke jaenen verdiepte zich in de soms bewogen geschiedenis van de dierentuin en in de evoluerende inzichten en realisaties van de aanleg van de Zoo, waarin het welzijn van de bewoners (de dieren) en de bezoekers altijd de rode draad was. Merkwaardige oude foto's ondersteunen de zoektocht naar het uitzicht en het verleden van deze historische plek.

Een vissersvaartuig in een museum Om tijdens Wereldoorlog II tegemoet te komen aan een nijpend gebrek aan vaartuigen om op sprot en haring te vissen, werd in die periode een vloot nieuwe boten gebouwd. Eén daarvan, nu gekend onder de naam OD.i Martha, werd na talrijke verbouwingen beschermd en gerestaureerd en vormt nu een blikvanger van het Nationaal Visserijmuseum in Oostduinkerke. Frank Becuwe en Willem Lanszweert waren betrokken bij het onderzoek naar de geschiedenis van het vaartuig en bij de museumopstelling en vertellen hoe de Martha uiteindelijk in rustig 'vaarwater' terecht kwam.


Archeologisch onderzoek naar het Kasteel van Schendelbeke Paul van Kempen en Peter Van den Hove

In de zomer van het jaar 1453 rukte het leger van de

't Schipken als locatie van de oudste

Bourgondische hertog vanuit Frans-Vlaanderen en

burcht?

Henegouwen op met als doel de herovering van de kastelen van Schendelbeke, Poeke en Gavere. Deze drie burchten vormden samen de zuidelijke verdediging van het Gentse kwartier. Het kasteel van Schendelbeke in Geraardsbergen werd op 27 juni ingenomen. Enkele dagen later viel het kasteel van Poeke en op 23 juli werden de Gentse milities definitief verslagen in Gavere. Na de inname werd het kasteel van Schendelbeke met de grond gelijk gemaakt en nooit meer heropgebouwd. In 1965 werden voor het eerst fundamenten van het kasteel aangetroffen bij de aanleg van de waterleiding ElstEspinette (1). In de jaren ' 7 ° werden op dezelfde plaats beperkte opgravingen uitgevoerd door enkele lokale historici. De resultaten van dit onderzoek waren toen reeds aanleiding voor een eerste poging tot bescherming van de site (2). in 2 0 0 9 nam de Vlaamse overheid het initiatief o m deze archeologische site verder te evalueren (3).

6

IM L

Het feit dat de heren van Schendelbeke al in 1088 worden genoemd en dat de heerlijkheid een eigen goed was, dat in leen werd gehouden van het graafschap Aalst, wijst er mogelijk op dat er in de IIde.I2de e e u w a i e e n kasteel in Schendelbeke stond (4). Op de vraag waar zich het oudste kasteel bevond is het meest voor de hand liggende antwoord de oude hoeve 't Schipken. Deze locatie, oorspronkelijk een eiland in de Dender, ligt in vogelvlucht op 520 meter van het latere kasteel en werd reeds in het verleden als mogelijke site van het oudste kasteel geduid. Dit kasteel was waarschijnlijk een castrale motte, een gangbaar kasteeltype in die periode en ook frequent voorkomend langsheen de Dender (5). Eén van de historische bronnen die verhaalt over de inname en de vernietiging van het kasteel van Schendelbeke, is een kroniek van de hand van Olivier de La Marche. Hij was in 1453 een schildknaap van Filips de Goede en getuige van wat zich in Schendelbeke afspeelde. In zijn memoires besteedt hij opmerkelijk veel aandacht aan de belegering van een kleine, met water omgeven toren dicht bij het eigenlijke kasteel, bemand door 20 Gentenaars (6). Deze toren werd door het leger van Filips de Goede eerst bestormd en ingenomen, alvorens de belegering van het eigenlijke kasteel begon. Vanuit de toren, die slechts één smalle ingang bezat hoog in de gesloten toren, werden de belegeraars met stenen bekogeld. De ingang kon slechts met een ladder bereikt worden. Na het in brand steken van de toegangsdeur kon de toren uiteindelijk veroverd worden. Het is aannemelijk dat deze toren het 'oude' kasteel van Schendelbeke was, dat in 1453 nog steeds


^'•^^ ^ i i ^ J ^ " ^ Q

I

/'"^S^Aii ^

^

Topografische situering van de kasteelsite (rood) en "( Schipken (© AGIV)

De hoeve 't Schipken midden de jaren '80 (foto }. Van den Hove)

IVI&LI 7


overeind stond en door het leger van de hertog werd ingenomen vooraleer de belegering van het eigenlijke kasteel van Schendelbeke begon (7). Van deze locatie is verder gekend dat het in 1473 in leen werd gehouden door Philips, bastaard van Boelaere. Het werd toen aangemerkt als een niets opbrengend eiland. Daarnaast is ook geweten dat Jehan van Ruyscheuere leenhouder was van "une petite motte située a Schendelbeke emprez Ie pont" (8). De aanduiding petite motte zou kunnen verwijzen naar de oorspronkelijke castrale motte, maar het toponiem 'motte' kan echter ook slaan op een licht verhoogde boerderij plaats (9). Vanaf de tweede helft van de i6 de eeuw wordt het terrein opnieuw bewoond. Er is dan, zo blijkt uit een proces verbaal van een lijkschouwing van 10 augustus 1572, sprake van een herberg die later 't Schipken wordt genoemd (10). Door aanslibbing van de zuidelijke Denderarm verdween het eiland geleidelijk. Vandaag de dag is in de oude hoeve 't Schipken een jeugdherberg ondergebracht.

Het kasteel in de 13de eeuw en 14de eeuw Het kasteel van Schendelbeke word voor het eerst vermeld in een oorkonde van Gilles Le Brun uit 1243 voor de abdij van Beaupré in Grimminge. Jan Ghellinck I wordt in een oorkonde uit 1335 vermeld als bouwheer van het kasteel (n). Het is onduidelijk of Jan Ghellinck I een nieuw kasteel bouwt of het kasteel herbouwt. Sommige historici gaan ervan uit dat Ghellinck het kasteel omstreeks 1300 grondig verbouwt (12). Het is echter waarschijnlijker dat in de oorkonde uit 1243 een ouder kasteel uit de ii de i2 de eeuw wordt bedoeld (cf. supra) en dat Jan Ghellinck omstreeks 1300 een nieuw kasteel bouwt. Jan Ghellinck II liet het kasteel, nadat hij in 1333 kinderloos stierf, na aan Jehan Ergot (of Hergoet). Uit de genoemde oorkonde blijkt verder dat Colard van Bailleul, heer van Rousoit en van Boelare, en zijn vrouw Mathilde van Liedekerke de burcht van Schendelbeke gekocht hebben van deze Jehan Ergot op de uitdrukkelijke voorwaarde dat ze dit kasteel

Gezicht op het onderzoeksgebied en de kasteelsite. Rechts situeert zich de Dender. Aan de horizont de parochiekerk van Schendelbeke (foto P. Van den Hove)

'^3f^.:'^, I 1VI L


opnieuw zullen verkopen aan Lodewijk van Nevers, de graaf van Vlaanderen, als deze hen daarom vraagt, en wel voor dezelfde prijs (13). Als de graaf binnen twee jaar geen verzoek tot verkoop doet, dan moeten ze het kasteel openhouden voor de graaf en zijn troepen. Zij moeten bovendien beloven dat het kasteel, in geval de graaf het niet koopt, steeds in het bezit van het huis van Boelare blijven zal. Op 31 mei 1335 verklaren de heer en de vrouw van Boelare zich akkoord met de verkoop van het kasteel aan de graaf van Vlaanderen. De graaf betaalt 20 pond groot voor het huis, het neerhof, de duiventoren en vier en half bunder grond (ongeveer 6 ha), 20 pond als vergoeding voor toernooipaarden en 50 solidi groot voor gedane kosten. Op 2 december 1336 is de aankoop van de heerlijkheid Schendelbeke door de graaf van Vlaanderen een feit. Het onderliggende doel van de aankoop van het kasteel van Schendelbeke was de versterking van de oostgrens van het Graafschap (14). In 1373 versterkte de nieuwe graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male (1330-1384), het kasteel om het zo te kunnen laten dienen als steunpunt voor zijn troepen. Hij stelde Lodewijk van Reingersvliete, baron van Boelare, aan als slotvoogd. In 1381 werd het kasteel echter door de Gentenaars (tijdens de Honderdjarige oorlog) veroverd en platgebrand. Van Reingervliete had de verplichting op zich genomen het kasteel in goede staat te houden en diende het dus opnieuw op te bouwen. Omdat dit hem veel geld koste vroeg hij aan Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, om het 'huis' met de drie stukken weide eromheen aan hem af te staan in volle erfelijke eigendom. Dit verzoek werd in 1389 ingewilligd (15).

van Schendelbeke werden ook regelmatig strooptochten georganiseerd. Op last van de hertog werd het kasteel onder leiding van Jean de Croy belegerd. Het relaas van deze verovering is uit meerdere historische documenten bekend.

Ruim een eeuw later zou het kasteel opnieuw deel uit gaan maken van strijdgewoel (16). Ditmaal van de strijd tussen de stad Gent en de Bourgondische hertog. Aanleiding was de centralistische politiek van Filips de Goede. Gent wilde, als laatste Vlaamse stad, aan zijn autonomie vasthouden. Om weerstand te bieden aan de hertog werd niet alleen de stad, maar ook het omliggende platteland gemobiliseerd. Achtereenvolgens werden de kastelen van Gavere, Poeke en Schendelbeke door Gentse milities ingenomen om van daaruit respectievelijk de gebieden rond de Leie, Schelde en Dender te kunnen controleren. Vanuit het kasteel

De belegering zelf duurde drie dagen, van maandag 25 juni tot woensdag 27 juni 1453. Het kasteel werd beschoten met zware donderbussen "soe dat sy de torren ende de muren Vallen zyden doorschoten" (17). Na de verovering bleef de hertog nog drie dagen bij het kasteel om er op toe te zien dat het kasteel werd afgebroken en om de krijgsgevangenen te berechten. Op aandringen van Jean van Croy kregen de krijgsgevangenen allen de doodstraf. Daarna trok de hertog naar Poeke en Gavere om daar de kastelen in te nemen. In Gavere werd uiteindelijk de beslissende veldslag geleverd, waarna Gent zich overgaf (18).

De belegering van het kasteel van Poeke (uit CAMERLINCKX. 2007, p. 28; archief familie de Preud'homme dHailly)

TVI&LI

9


De locatie van het kasteel

De ligging van het onderzoeksgebied (rode cirkel) op de kaart van Ferraris uit 1780, met aanduiding van de Dammersbeek ( © Koninklijke Bibliotheek van

Op geen enkele oude kaart is de locatie van het in 1453 verwoeste kasteel te achterhalen. Uit enkele kaarten is wel af te leiden dat de huidige perceelsgrenzen in grote lijnen teruggaan tot het einde van de i8 de eeuw. Op de Ferrariskaart van 1780 is de loop van de Dammersbeek herkenbaar (19). Zichtbaar is dat de Dammersbeek, komende vanuit het noordwesten, op het (westelijke) einde van de Pijlekaart in zuidoostelijke richting afbuigt, zich vervolgens splitst in een zuidwestelijke en noordoostelijke tak. De beide takken buigen na enkele tientallen meters recht naar de Dender af. De percelering wordt gekenmerkt door langwerpige

stroken die vertrekken vanaf de weg (Pijlekaart). Het is een kenmerkende perceelstructuur voor oude graslanden (zogenaamde beemden). Ten zuidwesten van het onderzoeksgebied lijkt de verkaveling later in zuidoostelijke richting uitgebreid te zijn. De nieuwe begrenzing van deze percelen, waarschijnlijk een sloot, vertoont een merkwaardig slingerachtig patroon en doet vermoeden dat hier oorspronkelijk de restanten van een oude geul aanwezig waren. Mogelijk gaat het hier om een oude tot sloot verworden loop van de zogenaamde Dammersbeek. Ter hoogte van de vermoedelijke kasteellocatie houdt de percelering plots op. Ondanks het feit dat er op oude kaarten en in het landschap geen met het blote oog zichtbare sporen van het kasteel zijn terug te vinden bleef, volgens sommige auteurs, de locatie van het kasteel bij de inwoners van Schendelbeke bekend door overlevering (20). Ook sprak de lokale bevolking nog steeds van de 'minnegracht'. Hiermee wordt wellicht een gracht bedoeld achter het perceel 1047P (op de grens met perceel 1047s) en de haaks daarop staande sloot (op de grens van perceel i047t en 1046k).

Ouder onderzoek Onderzoek in 1965 In 1965 kwamen de fundamenten van het kasteel bij toeval aan het licht tijdens de aanleg van de hogedrukwaterleiding Elst-Espinette. Er werd een klein deel van de weermuur en een flanktoren aangesneden (21). Van het onderzoek zijn een situatietekening en enkele dia's bewaard gebleven. De situatietekening geeft slechts een reconstructie van de muren van het kasteel op basis van de in de waterleidingsleuf aangetroffen resten. Er is geen natuurgetrouwe tekening op schaal gemaakt. Ook zijn geen baksteenformaten of metselverbanden van het muurwerk genoteerd. Desondanks zijn uit de beschikbare gegevens enkele zaken af te leiden. De muurresten van de noordoostelijke en noordwestelijke weermuur van het kasteel werden waargenomen. Deze muurresten stonden haaks op elkaar. Het onderlinge verband tussen deze muurresten is niet vast te stellen. Slechts bij de zuidelijke hoek is te zien dat de muurresten elkaar

10 I1VI L


Kaart van het noodonderzoek in 1965 (L. Vander Schueren)

Onderzoek uit 1965: doorbroken muren in de noordelijke profieiwand van de waterleidingsleuf (foto M. Cock)

V

^*• . /;'

V >

^msS

^1

1

•

M & L I 11


springend is een ijzeren punt (22) die, omwille van zijn grootte en typische vorm, wellicht de punt is geweest van een projectiel dat werd afgeschoten met een middeleeuws artillerietuig (cf. infra).

raken. De noordoostelijke muur was circa n o cm breed en de zuidwestelijke muur circa 120 cm. Het is echter de vraag of men destijds de volledige breedte van de muren heeft waargenomen. Tegen de noordelijke profielwand van de leidingsleuf werd over een breedte van 5 meter een fundament waargenomen. Op foto's is goed te zien dat de leidingsleuf dwars door het fundament is gegraven. Op basis van de 'breedte' van de aangetroffen muur werd aangenomen dat dit het fundament van een toren was. Op de situatietekening heeft men een ronde toren gereconstrueerd, maar helemaal zeker is dit niet. De vorm van de toren kan ook veelhoekig of D-vormig zijn geweest. Bovendien is het mogelijk dat bij de aanleg van de leidingsleuf het fundament van de noordhoek van het kasteel diagonaal is gecoupeerd. In dat geval is het niet zeker of er een toren lag. Tijdens de aanleg van de waterleiding zijn ook enkele losse vondsten geborgen. Meest in het oog

Onderzoek in 1971

In augustus 1971 werd een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd door enkele amateur-archeologen uit Schendelbeke onder leiding van Guido Capiau, die toen als historicus werkzaam was bij het museum in het Brusselse Jubelpark. Hoewel deze opgraving zou ondersteund zijn geweest door de Nationale Dienst voor Opgravingen (NDO) is in de archieven van deze organisatie (het huidige agentschap Onroerend Erfgoed) geen documentatie over het onderzoek teruggevonden. Een deel van de opgravingsdocumentatie was gelukkig nog in het bezit van de heer Marcel Cock. Omdat de opgravingsplattegrond niet voorzien was van Lambert-coördinaten konden de sleuven en de opgemeten muren echter niet

Overzichtsplan van de onderzoeken uit 1965 en 1971

legenda

(© RAAP en M. Codc|

onderzoek 1965

A

L

J

muurwerk

onderzoek 1971 muurwerk vermoedelijke ligging waterleiding sleufgrens 2

0

5 m

16790

72 I M & L

10 1260 116800

sleufnummer

RAAP 2009

k _ l


1

2

3

4

Onderzoek uit 1971: sleuf i gezien vanuit het zuidoosten (foto M. Cock)

Onderzoek uit 1971: de fundering in sleuf i gezien vanuit het noordwesten (foto M. Cock)

Onderzoek uit 1971: een muur en de aanzet van een grondboog in sleuf 4 gezien vanuit het noordoosten (foto M. Cock)

Onderzoek uit 1971: muren in sleuf 3 gezien vanuit het noordoosten (foto M. Cock)

IVI&LI

ii


De aanzet van een schietgat in Ledesteen, opgegraven in 1971 (foto M. Cock)

14 I M L

meteen gegeorefereerd worden. Wel was bekend dat de sleuven op het perceel met kadastraal nummer Sectie A 1047 zijn aangelegd, meer bepaald in de noordwestelijke hoek van het perceel. Op een overzichtsplan is tenslotte ook de ligging van de sleuven ten opzichte van elkaar weergegeven. In totaal werden 5 sleuven aangelegd van telkens 1 meter breed (23). Alle sleuven zijn met de hand gegraven.

buitenzijde van de muur in sleuf 1 was weggebroken, is het waarschijnlijk dat de muur iets breder was dan de waargenomen 1,5 meter. De kern van de muur in sleuf 1 bestaat uit zeer slordig, onregelmatig metselwerk. In de muurkern zijn veel halve, gebroken, stenen zichtbaar. De muur is met mortel gemetseld. Het parement aan de kasteelzijde bestaat uit een afwisseling van koppen- en strekkenlagen in onregelmatig verband.

Als de documentatie van het proefsleuvenonderzoek nader wordt bestudeerd, dan blijkt dat het kasteel een nagenoeg vierkante plattegrond bezat. De afstand tussen de noordwestelijke en zuidoostelijke muur van het kasteel bedraagt binnenwerks 21,40 meter. De afstand tussen de noordoostelijke muur en de zuidwestelijke muur van het kasteel bedraagt binnenwerks 22,10 meter. Aan de grachtzijde van het muurwerk bevindt zich een puinlaag van circa 4 tot 7 meter breed. Deze laag houdt waarschijnlijk verband met de afbraak van het kasteel (in de gracht geworpen puin). Van drie funderingen kon de dikte vastgesteld worden. De funderingen in de sleuven 2 en 5 bezaten zowel aan de binnen- als buitenzijde rechte zijden en waren respectievelijk 1,5 meter en 1,1 meter breed. Doordat het parement aan de

Het muurwerk in sleuf 4 werd omschreven als een vloer met naastgelegen gang en het muurwerk in sleuf 3 als een vloer met opgaand muurwerk van een ingestort gewelf. Uit de foto's van het onderzoek is op te maken dat de grondwaterstand op het terrein erg hoog is (circa 1 meter onder het maaiveld). Het is daarom onwaarschijnlijk dat - gezien de diepte van het aangetroffen muurwerk - de interpretatie van de funderingsresten in sleuven 3 en 4 juist is. De 'gang' zou dan immers geheel onder het grondwaterniveau liggen. Het is waarschijnlijker dat de zogenaamde 'vloeren' restanten zijn van funderingen en dat de waargenomen 'gewelven' geïnterpreteerd moeten worden als de bovenzijden van grond- of spaarbogen. Uit de profieltekeningen valt op te maken


dat de beide aangetroffen bogen circa 40 cm dik waren. Uit de foto's is op te maken dat de beide gewelven met mortel zijn gemetseld. Voor de fundering in sleuf 4 is weinig mortel gebruikt en de fundering in sleuf 3 lijkt geheel zonder mortel te zijn opgetrokken. Waarschijnlijk is dit het gevolg van de ligging onder het grondwater. De breedte van de fundering in sleuf 3 is niet vastgesteld, maar wordt op ongeveer 2 meter geschat. Hoewel tijdens de opgravingen geen baksteenformaten werden geregistreerd, zijn deze uit enkele bewaard gebleven bakstenen wel nog te achterhalen: 28x14x6,5 cm, ?xi3,5-14x7 cm en 25x12x5,5 cm (24). Mogelijk zijn de beide grotere formaten ouder dan het kleinere formaat. Het dateren op basis van enkel het baksteenformaat is echter gevaarlijk. Zo is bekend dat in de Leiestreek dergelijke formaten voorkomen in de overgang van de i}de naar de 14* eeuw (25). In die streek komt het in deze periode ook voor dat men verschillende baksteenformaten door elkaar heen gebruikte (26). De bakstenen kunnen daarom ook goed tot dezelfde periode behoren. Het geringe verschil in dikte van de bakstenen wijst hier ook op. Tijdens het onderzoek werden ook twee geprofileerde blokken Ledesteen gevonden. Afgezien van deze beide fragmenten werd geen zandsteen in situ in de muren aangetroffen. In bakstenen kastelen is het gebruik van natuursteen voor lijsten, profielen, boekblokken en kolommen gangbaar. Het is dus de vraag of in het kasteel grote hoeveelheden zandsteen verwerkt waren. Het feit dat het parement van de muur in sleuf 1 is weggebroken duidt mogelijk op de aanwezigheid van een natuurstenen klamp (27)Ander bouwmateriaal dat bij deze opgravingen werd aangetroffen zijn dakpanfragmenten (28), hoofdzakelijk roodbakken daktegels met een breedte van 14 tot 16,5 cm en een dikte van 1,3 tot 1,5 cm. Er werd één volledige ongeglazuurde daktegel gevonden (26,5x16,5x1,5 cm) aan de onderzijde voorzien van een rechthoekige nop waarmee de tegel aan de panlat werd bevestigd. Een aantal tegels waren voorzien van een glazuurband. Ook werd een gebogen nokpan van roodbakkende klei gevonden, voorzien van een circa 7 cm brede band groen glazuur.

Uit de proefsleuven werd ook een vrij grote hoeveelheid middeleeuwse keramiek geborgen. Het betrof hoofdzakelijk scherven grijs aardewerk. Op basis van de randvorm konden een aantal potvormen worden geïdentificeerd. Een groot deel van het grijze aardewerk betreft voorraadpotten (minimaal 37 exemplaren). De exemplaren te Schendelbeke hebben veelal een geprononceerde dekselgeul en een geultje op de bovenzijde. Deze randvorm wordt in de periode 1400-1550 gedateerd. Twee voorraadpotten bezaten een horizontaal geplaatst worstoor. Dergelijke horizontaal geplaatste worstoren komen vanaf de 15* eeuw voor (29). Naast fragmenten van voorraadvaten werden hoofdzakelijk fragmenten van minstens 17 teilen gevonden. Daarnaast werden nog fragmenten gevonden van minimaal twee kannen en drie kommen. De roodbakkende component onder het aardewerk was veel kleiner. Er werden onder andere resten van een teil, een steelpan en voet (van een grape?) gevonden. Naast het regionaal vervaardigde grijze en rode aardewerk en het handgevormde aardewerk werd ook geïmporteerd aardewerk uit Siegburg of Beauvais gevonden (3 fragmenten) en een scherf mogelijk afkomstig uit Brunsum-Schinveld. Het betrof hoofdzakelijk drinkgerei, zoals drinkschaaltjes en een beker. Het merendeel van het aardewerk kan in de I4de-i5de eeuw gedateerd worden (30), In het geval van deze site kunnen de scherven echter scherper gedateerd worden, namelijk in de 14* eeuw tot vóór juni 1453 (de definitieve verwoesting van het kasteel).

Aanwijzingen voor het gebruik van Espringales Tijdens de graafwerken in 1965 zijn een aantal vondsten geborgen waaronder ook een grote metalen punt, in enkele publicaties beschreven als enerzijds een 'bronzen lanspunt' en anderzijds als een 'ijzeren spies' (31). De vondst zelf is in privé bezit beland en kon niet meer worden teruggevonden. Wel zijn een foto en een gedetailleerde beschrijving bewaard gebleven. De ijzeren punt had een totale lengte van 15,8 cm. Het blad is massief, vierzijdig en afgeplat en heeft een lengte van 6,3 cm. Het uiteinde is kegelvormig en hol, heeft een lengte van 9,5 cm, en een maximale diameter van 2,5 cm. Onderaan is ook een kleine opening aanwezig om


Metalen pijlpunt gevonden op de

Detailfoto van een replica van

kasteelsite in Schendelbeke

een geladen springaal

(uit: COCK M. en DE CHOU F., 1978,

(uit: LIEBELiggS.p. 14)

de punt op een houten schacht vast te zetten. De vorm van het blad sluit meteen uit dat het om de punt van een lans of een speer gaat. In beide gevallen zou het blad groter zijn en tweezijdig afgeplat. De typische vierzijdig afgeplatte punt, die ook korter is dan de huls zelf, wijst erop dat het om een projectielpunt gaat die opvallend veel gelijkenis toon met de pijlpunt van een boog of een kruisboog. De grote afmetingen sluiten echter uit dat het om een pijlpunt voor een handwapen gaat. In het Algemeen Rijksarchief in Brussel bevindt zich, met betrekking tot deze vondst, een interessante historische bron. Het betreft een inspectieverslag uit 1338 van de steden Aalst, Geraardsbergen en Dendermonde én van de

Een springaal afgebeeld in The Romance of Alexander (1338-1344) {© The Bodleian Library, University of Oxford)

^

IM L

kastelen van Schendelbeke en Bornem, in opdracht van de graaf van Vlaanderen (32). In het document wordt er onder meer verslag uitgebracht over het aantal weerbare mannen met wapenuitrusting, de graanvoorraden, de reserves aan wijn en bier, én over de aanwezige werptuigen. Hieruit blijkt dat het kasteel van Schendelbeke omstreeks 1338 beschikte over drie espringales (33). Van het midden van de i}de eeuw tot het einde van de i4 de eeuw behoorden de espringales of springalen tot de krachtigste en meest gevreesde artillerie. Sommige bronnen spreken over verschrikkelijke machines, die grote pijlen of soms ook stenen afschoten, en waartegen geen enkel harnas bestand was (34). De werking van deze machines is lange

1 mi» cc ött öfttidm*/ ccft pifonvm jjuimtr € #0(aft:dli^anS/qu^nou5dmiönöT«nt


Onderzoek met de grondradar (foto RAAP)

tijd verkeerd begrepen en vaak werden ze verward met de beter bekende grote kruisboog of een katapult. Een uitgebreide studie van Jean Liebel over deze machines heeft echter veel duidelijkheid gebracht en laat over het uitzicht en de werking van springalen geen twijfel meer bestaan (35). De 70 tot 80 cm lange pijlen van een springaal konden een afstand van 180 meter overbruggen. Dat is verder dan de trebuchet of slingerblijde, een belangrijk belegeringswapen (36). Dit maakte de springalen uiteraard tot een geducht verdedigingswapen, dat bijna uitsluitend werd gebruikt vanop torens of was gepositioneerd boven toegangspoorten (37). Tijdens de slag bij Pevelenberg in 1304 werden door het Franse leger ondermeer een aantal espringaks in open veld gebruikt, maar deze werden door de Vlamingen vernietigd lang voor de eigenlijke slag begon (38). Het is dan ook niet verwonderlijk dat springalen vaak zijn vermeld in inventarissen van kastelen en steden en dat de kosten voor hun aankoop, herstelling en onderhoud terug te vinden zijn in stadsrekeningen (39).

Omwille van de specifieke tap-vorm aan de basis waren de pijlen voor een springaal niet geschikt voor andere wapens (40). Het is dan ook aannemelijk dat de pijlpunt die op de kasteelsite van Schendelbeke is aangetroffen van een springaal afkomstig is. Niet alleen de afmetingen en de typische vorm pleiten voor een dergelijke interpretatie. Dankzij hogergenoemde historisch bron weten we ook met zekerheid dat het kasteel was uitgerust met drie springalen. Voorts is uit het kasteel van Hasenburg (Zwitserland) een nagenoeg identieke projectielpunt bekend (41). De aanwezigheid van drie springalen is ook een indirecte aanwijzing dat het kasteel van Schendelbeke wellicht over minstens drie torens beschikte, iets wat het uitgevoerde archeologisch onderzoek tot op heden niet kon bevestigen.

Nieuw archeologisch onderzoek (42) Grondradaronderzoek In het volledige onderzoeksgebied heeft een geofysisch grondradaronderzoek plaatsgevonden. Tijdens de uitvoering bleek evenwel dat grote delen van het terrein vanwege de drassigheid niet toegankelijk waren voor de radarapparatuur.

Daarnaast bleek ook, in tegenstelling tot wat was verwacht, de klei een lastig medium te zijn voor radargolven. In de horizontale doorsneden is de mate waarin het radarsignaal op reflectoren (voorwerpen, structuren of veranderingen in de bodem) weerkaatste of reflecteerde op een bepaalde diepte zichtbaar. Op plaatsen waar het signaal reflecteerde, normaliter bij de aanwezigheid van bijvoorbeeld puin of fundamenten, is sprake van een sterke reflectie. Deze zones zijn weergegeven met donkergroene tinten. Zones met een zwakke reflectie, dus met een geringe weerkaatsing van het radarsignaal zijn weergegeven door middel van

Resultaten van het grondradaronderzoek; de kasteelzone (structuur A, lichtgroen tot geel) en de gracht van het kasteel (structuur B, donkergroen) (© RAAP)

1V1 L I

i7


Geologische interpretatie op basis van het booronderzoek |© RAAP)

lichtgroene tot gele tinten. In wat volgt worden de resultaten van het grondradaronderzoek besproken aan de hand van de meest informatieve doorsnede op i meter diepte. De resultaten van het grondradaronderzoek worden hoofdzakelijk veroorzaakt door de textuur van de bodem (grondsoort en bijmengsels). Slechts op één locatie zijn structuren zichtbaar die mogelijk verband houden met het kasteel. Hier werd een min of meer vierkante zone van circa 22 bij 22 meter met lage reflecties gemeten (A). Daaromheen is een zone met hoofdzakelijk middelhoge tot hoge reflecties gemeten (B). Zone B is zo'n 15 tot 20 meter breed en ligt rond de vierkante zone A. Op basis van deze kenmerken kan aangenomen worden dat zone B de voormalige gracht van het kasteel is en structuur A de locatie van het eigenlijke gebouw.

Onderzoek met de gutsboor op de kasteelsite (foto RAAP)

IVI L

Karterend booronderzoek De resultaten van het karterend booronderzoek bevestigen dit beeld in grote lijnen. In vrijwel alle boringen die ter hoogte van de structuren A en B zijn gezet werden in meer of in mindere mate brokjes puin van baksteen, mortel en leisteen aangetroffen. Met name ter plaatse van zone B werd veel tot zeer veel puin aangetroffen. In 8 boringen werd zelfs, op een diepte van gemiddeld 1,3 meter diepte, op een ondoordringbaar baksteen niveau gestoten dat naar alle waarschijnlijkheid verband houdt met muurfunderingen van het kasteel. In 16 boringen werd de gracht waargenomen. De vulling van de gracht kenmerkt zich over het algemeen door de aanwezigheid van veel tot zeer veel puin en mortel(lagen), soms in combinatie met ingewaaid zand, humusvlekken, rietresten, zandbrokken en veenbrokken. In de grachten bevindt zich in een zone van circa 4 tot 6 meter rondom het kasteel over het algemeen zeer veel puin. Ondanks de genoemde indicatoren was het vrij lastig om de gracht in de boringen te herkennen, omdat een duidelijke veenlaag of humeus pakket op de bodem ontbrak. Dit kan erop duiden dat de grachten maar een relatief korte tijd hebben open gelegen, ze regelmatig gebaggerd zijn of dat ze in verbinding stonden met stromend water waardoor veengroei geen kans kreeg. De dunne zandlagen die in een aantal boringen tussen 250 en 275 cm diepte zijn aangetroffen duiden op dit laatste. De bodem van de gracht werd op gemiddeld 205 cm diepte aan-

getroffen en de maximale diepte bedroeg 325 cm. De totale breedte van de gracht bedroeg circa 30 meter. Het diepste deel van de gracht was ongeveer 20 meter breed. In de randzone daarbuiten was de gracht relatief ondiep (ongeveer 150 cm). Afgezien van de locatie van het kasteel kon vastgesteld worden dat in het onderzoeksgebied vooral fluviatiele afzettingen voorkomen. Op basis van de boringen kan het gebied opgedeeld worden in vier zones met een aantal algemene kenmerken. In bijna het hele onderzoeksgebied wordt de bovengrond gekenmerkt door dikke kleipakketten. In het westelijke deel van het onderzoeksgebied werd leem aangetroffen, afgewisseld met zandlagen. Deze afzettingen kunnen geïnterpreteerd worden als colluvium. Vooral in het centrale deel is een dik kleipakket aanwezig. Vermoedelijk gaat het hier om zogenaamde komklei die wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van plantenresten en zoetwater-


116600

ML1/skas_9eolfnterprel

117000

116800

legenda boringen (tot ca. 3,75 m -Mv)

geomorfolgie en bodem

•

klei met dikke zand- en/of leempakketten

|

O

komklei

j dikke zand- en/of leempakketten binnen 1,5 m -Mv

•

komklei op veen

•

komklei op veen op leem

•

komklei op veen op zand

•

leem- en zandpakketten

; 1

komklei op veen

dikke zand- en/of leempakketten binnen 2,5 m -Mv geen zand- en/of kleipakketten binnen 4 m -Mv

overig grens onderzoeksgebied

komklei op dikke zand- of leempakketten •

komklei op sterk gelaagde klei

J5

ondoordringbaar

27

boornummer

M&L

19


komgronden

oeverwal

7//////////,

colluvium veen

Globale ligging van het kasteel ten opzichte van de afzettingen in het onderzoeksgebied (© RAAP)

,,• » I afzettingen met zwaardere textuur (zand/ leem) V/////A

holocene klei (komklei)

• M

globale situering boring g | o b a l e situering kasteel

schelpjes. In het noordelijke deel van deze zone is het bovenste kleipakket relatief homogeen, in het in het onderste pakket komen plaatselijk zand- en leemlaagjes voor. Deze gelaagde afzettingen wijzen op een actiever milieu, mogelijk oude geul- of oeverafzettingen. Onder de komafzettingen is een veenpakket aanwezig. In deze zone bevinden zich ook de resten van het kasteel. In het oostelijke deel van het onderzoeksgebied (richting de Dender), wordt het kleipakket minder dik. Hier worden de profielen gekenmerkt door dikke zand- en/of leemlagen binnen 2,5 meter diepte. Vermoedelijk gaat het hier deels om oeverafzettingen die later zijn afgedekt door komklei. In de boringen die direct ten westen van de Dender liggen, zijn geen dikke zand- of leempakketten aangetroffen binnen 4 meter beneden maaiveld. Het kleipakket wordt hier op enige diepte wel gekenmerkt door dunne zand- en leemlagen.

Elektrisch weerstandsonderzoek in de boomgaard in het onder-

Het kasteel bevindt zich dus in een gebied waar de kleiafzettingen relatief dik zijn. Hoewel meer zuidoostwaarts zand- en/of leempakketten (waarschijnlijk oever en/of geulafzettingen) dichter nabij het maaiveld voorkomen, lijkt men voor de locatie van het kasteel bewust te hebben gekozen voor een natter (kom-)gebied. Zoals reeds eerder aangegeven, vertoont de begrenzing van de percelen ten zuidwesten van het onderzoeksgebied een slingerachtig patroon en doet dat vermoeden dat hier oorspronkelijk (de restanten van) een oude geul aanwezig was. Ook in het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied lijkt deze geul aanwezig. Ze ligt in het gebied waar de komklei relatief dik is. Mogelijk gaat het hier om een oude loop van de

zoeksgebied (foto RAAP)

20 I M

L

zogenaamde Dammersbeek. Ter hoogte van de kasteellocatie houdt de percelering plots op. Misschien duidt dit erop dat de beek oorspronkelijk met de kasteelgrachten in verbinding stond. Mogelijk is in de ondergrond een oude geul aanwezig (de oude Dammersbeek?). Elektrisch weerstandsonderzoek Het elektrisch weerstandsonderzoek vond uitsluitend plaats in de zone waar eerder al de resten van het kasteel waren aangetroffen met het grondradaronderzoek. Wanneer men de resultaten van het weerstandsonderzoek (op een diepte van 1 meter) bekijkt valt direct de locatie van het kasteel op. Er is een rechthoekige zone zichtbaar (20 bij 22 meter) met lage tot middelhoge weerstandswaarden (grijs), met daaromheen een (7 tot 10 meter) brede zone met hoge tot zeer hoge weerstandswaarden (zwart). De zwarte zone wordt aan de noordzijde doorsneden door een circa 2 meter brede strook (west-oost georiënteerd) met lage tot zeer lage weerstandswaarden. Dit is de locatie van de hogedrukwaterleiding Elst-Espinette die in 1965 doorheen het gebied werd aangelegd. In het gedeelte ten noordoosten van de perceelsgrens zijn hoofdzakelijk lage tot zeer lage weerstandswaarden gemeten (lichtgrijs). Binnen deze zone zijn geen structuren te onderscheiden. In combinatie met de resultaten van het booronderzoek blijkt duidelijk dat de donkere zone grotendeels verband houdt met funderingen en/of


Resultaten van het weerstandsonderzoek met: een grijze zone (I), daarrond een donkergrijze zone (II), daarrond een lichtgrijze zone (lil) en de locatie van de waterleiding (IV) (© RAAP)

uitbraaksleuven van het kasteel, maar ook met puin van het kasteel dat deels in de slotgracht is beland. Centraal in het kasteel zijn geen duidelijke structuren te onderscheiden. Proefsleuven onderzoek Op basis van het geofysisch onderzoek en het booronderzoek werden uiteindelijk ook twee nieuwe proefsleuven ingepland. De eerste proefsleuf was 2 bij 15 meter en had een noordwestzuidoost oriëntatie. Het doel van deze sleuf was het lokaliseren van proefsleuf 4 uit 1971 en het daarin aangetroffen muurwerk. Vervolgens werd haaks op deze sleuf een tweede sleuf van circa 4 bij 12 meter aangelegd om te onderzoeken of zich op de zuidwesthoek van het kasteel een toren bevond. Deze proefsleuf heeft een noordoost-zuidwest oriëntatie. In de beide proefsleuven werd de oude sleuf 4 aangetroffen. Om het onderzoek uit 1971 zo nauwkeurig mogelijk te georefereren werd besloten om de volledige sleuf 4 in kaart te brengen.

Deze oude sleuf tekende zich duidelijk af als een rechthoekig spoor van recent 'geroerde' grond, circa 1 meter breed en 10 meter lang. In het zuidelijke deel van de tweede proefsleuf werden muren aangetroffen. Om met zekerheid te kunnen bepalen of zich hier een toren bevond is de sleuf uitgebreid. Met dit proefsleuvenonderzoek is de locatie van het kasteel definitief vast komen te staan. Tevens kon op basis van het onderzoek de exacte locatie van de in 1971 aangelegde proefsleuven bepaald worden. In de tweede proefsleuf werd de fundering van een zeshoekige toren op de zuidwesthoek van het kasteel blootgelegd en een deel van de fundering van de aansluitende weermuren. De fundering van de weermuur aan de noordzijde van de toren werd op een afstand van circa 4 meter van deze laatste gevonden. Tussen dit deel van de weermuur en de toren bevond zich op een dieper niveau een grondboog. Het betrof de boog die ook gedeeltelijk tijdens het sleuvenonderzoek van 1971 was aangetroffen en

M & L I 21


116780

•

116785

Of/

Overzicht van de opgegraven sporen: in het lichtrood de weermuren en de veelhoekige toren, in het donkerrood de aanzet van de grondboog en in het donkergrijs de oude proefsleuf uit 1971 (© RAAP)

33

RAAP 1:100 JAS 1 /skas.spoterkaert

De oude proefsleuf uit 1971 tekende zich in het vlak duidelijk af als een smalle donkere strook

22

M L

116785

2009


De bovenzijde van een grondboog {foto RAAP} Crondboog met aansluitend de weermuur van het kasteel (foto RAAP)

1VI&L I 23


Fundament van de weermuur gezien vanuit het noordwesten. Op de voorgrond het uitgebroken natuurstenen parement (foto RAAP)

De veelhoekige toren op de zuidwesthoek van het kasteel {i), de aanzet van de westelijke kasteelmuur (2) en de aanzet van de zuidelijke kasteelmuur (3)

toen nog werd geïnterpreteerd als 'gang' en 'gewelf. Op een nog dieper niveau kon worden vastgesteld dat de noordwestelijke weermuur koud op de grondboog was aangebracht. De breedte van de grondboog, volledig opgetrokken in baksteen, bedroeg 3 meter en was ook verbonden met de torenfundering. Op basis van de lengte van de grondboog blijkt dat de weermuur op het diepste niveau 2,15 meter breed was. Boven het maaiveld was de muur waarschijnlijk ongeveer 1,5 meter breed. De muur verbreedt zich middels enkele versnijdingen zowel naar binnen als buiten toe tot de genoemde breedte van 2,15 meter. Van het

24 IM

L

muurwerk is op sommige plekken nog minimaal 192 cm (in hoogte) bewaard gebleven. Hoewel dit niet kon worden aangetoond, maar gezien de ligging van het kasteel in de komklei, was de grondboog waarschijnlijk gefundeerd op houten heipalen (43). De opbouw van de verschillende muren is vrij uniform te noemen. Aan de buitenzijden hadden de muren, boven het loopvlak, een natuurstenen parement. Aan de binnenzijden was het parement in baksteen. Het natuurstenen parement van de torenmuur was nog deels aanwezig, maar bij het


Vloertegelfragment (foto RAAP)

noordelijke deel van de weermuur geheel uitgebroken. Voor het natuurstenen parement is hoofdzakelijk veldsteen gebruikt. De noordoostmuur van de veelhoekige hoektoren was zowel aan de buitenzijde als aan de binnenzijde een 'binnenmuur' (niet zichtbaar van buiten het kasteel) en bezat dus aan beide zijden een bakstenen parement. In de kern van de muur is gebruik gemaakt van halve bakstenen en brokken baksteen. Ook zijn delen alleen met mortel gevuld. Daar de brokken en halve bakstenen van vergelijkbaar formaat zijn als de overige in de fundering verwerkte bakstenen, betreft het waarschijnlijk geen hergebruik, maar is dit het gevolg van het aanbrengen van een natuurstenen parement. Het parement aan de binnenzijde van de kasteelmuur bestaat namelijk uit een strak baksteenmetselwerk. De muren zijn over het algemeen met vrij weinig mortel gemetseld. De delen met een natuurstenen parement vormen een uitzondering hierop. De aangetroffen funderingen behoren tot één bouwfase. Hoewel geen duidelijk uniform metselverband werd aangetroffen kunnen we toch spreken van een staand verband, zoals bij het noordelijke deel van de weermuur. Dit verband wordt vanaf het derde kwart van de i3de eeuw toegepast (44). Alle funderingen zijn in een vergelijkbaar baksteenformaat opgetrokken: 24/25,5 cm x 11,5/13 cm x 5,5/7,5 cm. Deze informatie wijst op een datering vanaf het laatste kwart van de i3 de eeuw tot de eerste helft van de i4 de eeuw (45). Deze datering sluit aan bij wat we weten uit een historische bron: omstreeks 1300 wordt het kasteel door Jan Ghellinck I gebouwd (46). Het aardewerk dat tijdens het onderzoek is aangetroffen levert geen scherpere datering op, maar het ontbreken van ouder aardewerk lijkt wel de historische datering van het kasteel rond 1300 te bevestigen. Het onderschrijft ook de eerder gestelde hypothese dat de voorloper van dit kasteel niet op dezelfde plaats heeft gestaan.

Op basis van een aantal vondsten uit de opgraving kunnen nog enkele bemerkingen gemaakt worden bij het uitzicht van het opgaand muurwerk. De kasteelmuren zijn, zoals eerder gezegd, aan de buitenzijde voorzien van een natuurstenen parement dat hoofdzakelijk uit veldsteen bestaat. Er is waarschijnlijk ook porfier en leperiaan-kalksteen

Nokpan met glazuurband opgegraven in 1971 (foto RAAP)

gebruikt. Vondsten afkomstig van de opgravingen uit 1971 wijzen er op dat ook Ledesteen in het muurwerk is verwerkt geweest. Ledesteen is onder meer gebruikt voor raam- en/of deuromlijstingen. Het is echter de vraag of de volledige buitengevel van het kasteel in natuursteen was opgetrokken of dat de natuursteenlagen beperkt waren tot de plint van het muurwerk. Relatief gezien bevindt zich in de puinlagen ter plaatse van de gracht veel meer baksteenpuin dan natuursteenbrokken. Dit zou een argument kunnen zijn voor de tweede optie. Grote delen van het parement aan de buitenzijde van het kasteel zijn echter na de verwoesting van het kasteel

1VI&L I 25


doelbewust uitgebroken. De vondst van een baksteenfragment voorzien van groene glazuur en met noppen versiering doet in ieder geval vermoeden dat bij delen van het opgaande muurwerk van het kasteel ook baksteen zichtbaar was. Met dergelijke geglazuurde bakstenen werden namelijk metseltekens (sierelementen) in het metselwerk aangebracht. De vondst van een driehoekig stuk leem doet dan weer vermoeden dat enkele wanden of gevels van het kasteel ook in vakwerk zijn uitgevoerd. Waarschijnlijk bevonden deze gevels zich aan de binnenplaatszijde van het kasteel. Tijdens het uitgevoerde onderzoek zijn er evenwel geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van gebouwen op de binnenplaats, maar de afwezigheid ervan kan ook niet uitgesloten worden. Daarvoor was het uitgevoerde onderzoek immers te beperkt in oppervlak. Op het binnenterrein van het kasteel zijn wel twee kleine houten paaltjes aangetroffen die misschien verband kunnen houden met bouwsels op de binnenplaats van het kasteel of een stijger die tijdens de bouw of een herstelling van het kasteel is aangebracht. Uit de vondst van grote hoeveelheden daktegels en nokpannen blijkt dat een aantal gebouwen een recht dakvlak moeten hebben gehad. Het is niet bekend of deze gebouwen op de binnenplaats stonden of dat er in de weermuur een vierkante of rechthoekige toren stond (bijvoorbeeld de poorttoren). Heel wat leisteenfragmenten wijzen er ook op dat, naast tegeldaken, het kasteel ook met leien afgedekte constructies had. Mogelijk is leisteen gebruikt als dakbedekking voor de toren. Een met bruinrode en geelgroene glazuur versierde vloertegel, vergelijkbaar met een in 1965 gevonden exemplaar, wijst erop dat een deel van het kasteel ook een rijk gedecoreerde vloer bezat.

Besluit Het kasteel van Schendelbeke was een vierkant gebouw en bezat binnenwerks een oppervlak van 21,40 meter bij 22,10 meter. De gracht rondom was ongeveer 20 tot 30 meter breed. Opmerkelijk is dat de rand van de burchtgracht, zoals die nu kan worden gereconstrueerd, zowel in het noorden als in het oosten nog min of meer samenvalt met een bestaande grachtstructuur. Deze nog bestaande

gracht/sloot is wellicht ook te associëren met de zogenaamde 'minnegracht', die volgens de lokale overlevering als sinds oudsher werd geduid als deel uitmakend van het kasteel van Schendelbeke. Op de zuidwesthoek lag een zeshoekige toren en ook op de noordwesthoek (vernield door de in 1965 aangelegde waterleiding) was mogelijk een (ronde?) toren aanwezig. Over de aanwezigheid van torens op de noordoost hoek en de zuidoost hoek kan geen uitsluitsel gegeven worden evenals over de aanwezigheid van andere gebouwen binnen de muren van het kasteel. Er zijn bij het onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een ouder kasteel (een woontoren of motte) op deze plaats (47). De aardewerkscherven die tijdens het onderzoek zijn aangetroffen zijn niet ouder dan de I4de eeuw. De aangetroffen funderingen kunnen op basis van het onderlinge verband, het gebruikte baksteenformaat en het metselverband allemaal tot één bouwfase gerekend worden. Rekening houdend met alle gegevens van het archeologisch onderzoek kan de bouw gesitueerd worden tussen het derde kwart van de i^de eeuw en de eerste helft van de I4de eeuw. Dit sluit aan bij de historische datering circa 1300. Het kasteel is aangelegd nabij de samenvloeiing van een beek (de oude Dammersbeek?) en de Dender, op ongeveer 520 meter van de oude hoeve 't Schipken. Het is op deze laatst genoemde locatie dat wellicht ook het oudste kasteel van Schendelbeke moet gesitueerd worden. Het vierkante grondplan van het kasteel past goed bij het kasteeltype dat in het begin van de 12e eeuw door de Franse koning is geïntroduceerd en sinds het derde kwart van de 13e eeuw in Nederland en Vlaanderen wordt toegepast (48). Voorbeelden van kastelen die in één bouwcampagne zijn opgetrokken en die eenzelfde datering hebben zijn schaars. Mogelijke voorbeelden zijn de koninklijke dwangburcht te Kortrijk (gebouwd tussen 1297 en 1302), het kasteel van Oudenaarde en het i3deeeuwse kasteel van Petegem (49). Een i4(ic-eeuws voorbeeld is het kasteel van Cleydael te Aartselaar. Ook in Nederland zijn dergelijke kastelen relatief zeldzaam (50). Kort na het kasteel van Schendelbeke werden ook de kastelen van Poeke en Gavere ingenomen. Hoewel, in tegenstelling tot het kasteel van Schendelbeke, beide kastelen iconografisch zijn


Reconstructie van de plattegrond van het kasteel op basis van de onderzoeksresultaten (©RAAP)

legenda weerstandswaarden

onderzoek boring met puin

hoog

midden

reconstructie laag

I

— ——-

overig

reconstructie kasteelmuren en torens mogelijke buitengrens gracht

putgrens ^

-

^

.

grens onderzoeksgebied

•

bonng met puin en grachtvulling

•

bonng met ondoordringbaar puin

RAAP

aangetroffen muurresten

2009

J J

•—I

1VI&L I 27


117000

JASl/skasJufwecon

Luchtfoto van het onderzoeksgebied met daarop geprojecteerd de plattegrond van het kasteel en de gracht (©AGIVenRAAP)

28 I M

L

116600

116800

117000


gedocumenteerd kunnen er weinig uitspraken worden gedaan over hun grondplan en opbouw (51). Het lijkt er evenwel op dat het kasteel van Poeke eveneens vierkant in grondplan was en voorzien van hoektorens. Op een kaart uit 1627 wordt, op de plaats van het huidige kasteel, nog steeds de ruïne (?) van een rechthoekig gebouw afgebeeld (52). Bovendien heeft een bouwhistorische prospectie in het kasteel van Poeke (na het ontpleisteren van de binnenmuren) aanwijzingen opgeleverd die doen vermoeden dat de twee westelijke hoektorens van het huidige kasteel ouder zijn en mogelijk behoren tot het in 1453 verwoeste kasteel (53). Om in één keer een groot vierkant kasteel te bouwen waren belangrijke sommen geld nodig. Dergelijke kastelen konden daarom alleen door landsheren of leden van de hoge adel worden gebouwd. Of dit ook in Schendelbeke het geval was, is niet bekend. Wel is geweten dat de graaf van Vlaanderen het kasteel kort na de bouw koopt, hetgeen ook bij het kasteel van Petegem het geval is (54). Deze kastelen hadden vrijwel uitsluitend een militaire functie en bezaten slechts een bescheiden woonfunctie. Het zeer waarschijnlijk ontbreken van grote gebouwen op het binnenterrein van het kasteel van Schendelbeke wijst hier op. Vierhoekige kastelen werden vaak als grensversterkingen gebouwd of als dwangburcht. In vergelijking met andere kastelen van het vierhoekige type, zeker deze die door de Franse koning zijn aangelegd, is het kasteel van Schendelbeke wat de omvang betreft van een bescheiden karakter.

Het gebied kent ook een erg hoge grondwaterstand waardoor archeologische, organische en archeobotanische resten bijzonder goed zijn geconserveerd. Het kasteel van Schendelbeke is dan ook een belangrijke archeologische zone. Om die reden werd er door het agentschap Onroerend Erfgoed een beschermingsdossier opgesteld en besliste de bevoegde minister op 7 maart 2012 om een procedure op te starten die het kasteel van Schendelbeke definitief moet beschermen als archeologische zone (55).

Paul van Kempen was als archeoloog verbonden aan het Archeologisch Adviesbureau RAAP en projectleider van dit onderzoek. Hij is nu archeoloog bij de gemeente Haarlem. Peter Van den Hove is als archeoloog verbonden aan het agentschap Onroerend Erfgoed.

Eindnoten

Een bescherming van de kasteelsite

(1) COCK M. en DE CHOU F. (red.), Schsnddheke van Prehistorie over Scentlabeke tot heden (tent. cat.), Schendelbeke, 1978, p. 24. (2) Op 28 april 1978 schreef de Directeur van de Nationale Dienst voor Opgravingen (NDO), een brief aan de Directeur-generaal van Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening met de vraag om, op grond van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972, de archeologische site te Schendelbeke als beschermde archeologische zone op te nemen. Aan dit schrijven werd echter nooit een gevolg gegeven.

Na de verwoesting van het kasteel bleef het archeologisch bodemarchief nagenoeg onaangeroerd en in optimale omstandigheden bewaard, in tegenstelling tot heel wat andere kasteelsites uit deze periode. De in 1965 aangelegde waterleiding veroorzaakte maar een beperkte verstoring. Het archeologisch onderzoek wees uit dat er na de sloop van het kasteel weliswaar enige recuperatie van bouwmateriaal is gebeurd, maar dat een groot deel van de fundamenten toch nog aanwezig zijn. Gezien de hoeveelheid puin in de grachten, lijkt het er op dat grote delen van de muren bij de sloop zijn neergetrokken in de grachten. Hierin bevinden zich wellicht nog tal van bouwkundige elementen.

(3) Onderzoek uitgevoerd door RAAP Archeologisch Adviesbureau onder leiding van Paul van Kempen. Een bijzonder woord van dank gaat uit naar Marcel Cock die in 1971 betrokken was bij de opgravingen van de kasteelsite en al zijn kennis en informatie ter beschikking stelde. (4) CAPIAU C, Beschouwingen over de rol van Schendelbeke tijdens de Bourgondische periode, in Het land van Aalst. 23,1-2, 1971, p. 48-54. (5) Zoals bijvoorbeeld de kastelen van Aalst en Ninove. Zie ook BERKERS M. e.a., Chateau d motte des anciens Pays/Bas méridionaux un état de la question après quinze ans de silence, in Chateau Gaillard, 23, 2008, p. 21-32; DE DECKER S., Vanuit de hoogte. Een vergelijkende studie van de inplanting van castrale moties in de provincie Oost-Vlaanderen, (onuitg. lic. verh.j, Gent, 1998. (6) ...assez pres de ld y auoit une autre tour. petite close d'eauë, en laquelle s'estoient retrait enuiron vingt compaignos...; DE LA MARCHE O., Mémoires, Brussel, 1616, p. 391.


(7) Tot deze conclusie lijkt ook Guido Capiau al te zijn geko- (33) men wanneer hij in 1971 schrijft: dit volledige relaas maakt ons bekend met het bestaan van een toren die niet ver van het kasteel stond en die we later willen bespreken: CAPIAU G., Beschouwingen over de rol van Schendelbeke tijdens de Bourgondische periode, in Het Land van Aalst, 1971, 1-2, p. 53; Later haalt ook Freddy De Chou de hypothese aan in zijn beschrijving van 't Schipken: De CHOU F.. GHYSBRECHT (34)

Uit hetzelfde document blijkt ook dat de stad Aalst vijf espringales heeft, Geraardsbergen zestien. Dendermonde vier en het kasteel van Bornem vijf. Daarnaast worden er ook nog twee andere tuigen genoemd: de ars a tour en de pelits ars (de grote boog en de hand- of voetboog). Het kasteel van Schendelbeke beschikte niet over deze laatst genoemde wapens. ...et assumptis instrumentis et tormentis quibusdam bellicis horribilibus, que maxima spicula, quibus nulla armatura resitere A. en GEERTS O., Twaalfhistorische hoeven uit Geraardsberpotest, projiciunt, et vocantur ad bellum vulgariter springale: gen. Toeristische kalender 19S6. Geraardsbergen, 1985. JOHNSTONE L, Annales Gandenses, Oxford, 1985, p. 54-55; (8) DE CHOU F., op. d(. ...which are called springalds, for discharging long darts, and (9) DE DECKER S., op. rit., p. 21. staves with sockets for casting stones, which caused great fear (10) VAN HERREWEGHEN G., De oude rechtsgeplogenheden in and damage: MAXWELL H.. Tlie Chronicle oflanercost 1272het Boelaarse, in Het land van Aalst, 14,1962, p. 232. 1346, Glasgow, 1913, p. 213-214. (n) COCK M. en DE CHOU F., op. at., p. 21. (35) LIEBEL J., Springalds and Great Crossbows, Leeds, 1998. (12) Ibidem, p. 23. (13) VAN CLEEMPUT |., De oostelijke limes van het Graafschap(36) Ibidem, p. 1. Vlaanderen in ryS, in Het land van Aalst, 1,1956, p. 233. (37) RATHGEN B., Das Geschütz im Mitttelalter, Berlin, 1928. (38) DEVRIES K., Infantry Warfare in the Early Fourteenth Cen(14) Ibidem, p. 235. tury, Woodbridge, 1998, p. 32-48. (15) COCK M. en DE CHOU F., op. rit., p. 23. (39) RATHGEN B., Fewer- und Femwaffen des 14. jahrhunderts in (16) CAPIAU G., 1971, op. rif. Flandem, in Zeitschrifi fur historische Waffenkunde, 7, 1915(17) SERRURE C. en BLOMMAERT PH. (eds.), Kronyk van 17, p. 277-279. Vlaenderen, iSjg-i&jo, Gent, p. 185. (40) LIEBEL J., op. rit., p. 17 (18) Zie hiervoor onder meer: HAEMERS ]., Sneyssens' helden(41) LIEBEL J., op. rit., p. 73. moed, Engels verraad en 40.000 doden? Feit enfictieomtrent (42) Voor het volledige rapport van dit onderzoek zie: VAN de Slagbij Gavere. (Zottegems genootschap voorgeschiedenis en KEMPEN P. en KEIJERS D., Archeologische evaluatie en oudheidkunde. Handelingen, 11), 2003, p. 224. waardering van een kasteelsite te Schendelbeke, gemeente Ger(19) KONINKLIJKE BIBLIOTHEEKVAN BELGIË, De Grote Ataardsbergen, provincie Oost-Vlaanderen (RAAP-rapport las van Ferraris. De eerste atlas van België. 1777 Kabinetskaart 1995), Weesp, 2009. van de Oostenrijkse Nederlanden en het Prinsbisdom Luik, (43) Zie bijvoorbeeld: GAWRONSKIJ. en VEERKAMP J., Over Tielt, 2009. staol, kleef en stuit. Funderingen in Amsterdam, (Amsterdam (20) CAPIAU G., op. rit., p. 49. Monumenten el Archeologie, 2), Amsterdam, 2003, p. 10-23. (21) CAPIAU G., Schendelbeke, in Archeologie, 2,1971, p. 104. (44) LEHOUCK A., Gebruik en productie van baksteen in de regio (22) COCK M. en DE CHOU F., op. rit., p. 28. Veume van circa 1200 tot circa 3550, in COOMANS TH. en {23) De sleuven hebben destijds geen nummer gekregen. Om VAN ROYEN H. (eds.), Joarhoefc Abdijmuseum Ten Duinen de bespreking van de resultaten van het proefsleuvenon1138. Medieval Brick Architecture in Flanders and Northern derzoek te vergemakkelijken zijn de sleuven nieuw geEurope: The Question of the cistercian Origin, {Novi Monastenummerd. Ook de waarneming uit 1965 en het verloop van rii, 7), Koksijde, 2008, p. p. 228; WETS Th., Vroege baksteen de waterleiding zijn op dit sleuvenplan toegevoegd. in Brugge, in COOMANS TH. en VAN ROYEN H. (eds.), (24) COCK M. en DE CHOU F., op. rit., p. 25. op. cit., p. 150. (25) DEBONNE V., Bouwen met baksteen in het Kortrijkse en het(45) Zie bijvoorbeeld: DEBONNE V.. op. cit.; LEHOUCK A., op. Oudenaardse tijdens de middeleeuwen, in COOMANS TH. en rit.; DEWILDE M., Bouwen met baksteen in middeleeuws VAN ROYEN H. (eds.), Jaarboek Abdijmuseum Ten Duinen leper, in COOMANS TH. en VAN ROYEN H. (eds.), op. cit., n}8. Medieval Brick Architecture in Flanders and Northern p. 238. Europe: The Question of the cistercian Origin, {Novi Monaste(46) COCK M. en DE CHOU F., op. rit., p. 21. rii, 7), Koksijde, 2008, p. 196. (47) Zoals bijvoorbeeld te Kuringen het geval was. Zie: AN(26) Ibidem, p. 199. NAERT R. en VAN IMPE L, Het "Prinsenhof' te Kuringen (27) Ibidem, p. 201. (Stad Hasselt), in Archeologie in Vlaanderen, 1,1991, p. 207(28) COCK M. en DE CHOU F., op. rit., p. 26. 212. (29) DE GROOTE K., Middeleeuws aardewerk in Vlaanderen. (48) CHATELAIN A.. La nouvelle architecture militaire du XHIe Techniek, typologie, chronologie en evolutie van het gebruiks- siècle en lie de France, in HOEKSTRA T. e.a., Liber Castellogoed in de regio Oudenaarde in de volle en late middeleeuwen rum. 40 variaties op het thema kasteel, Zutphen, 1981, p. 66(io'''-i6'>' eeuw), {Relicta monografiën, 1), deel 1, Brussel, 75; JANSSEN H., Tussen woningen versterking. Het kasteel in 2008. p. 136. de Middeleeuwen, in JANSSEN H. e.a., woo jaar Kastelen in (30) Ibidem, p. 374. Nederland. Functie en vorm door de eeuwen heen, Utrecht, (31) CAPIAU G., op. rit., p. 49; COCK M. en DE CHOU F., op. 1996, p. 58-61. rit., p. 33. (49) DESPRIET P., "Kortrijk ]j02". De koninklijke dwanghurcht, {Archeologische Monografiën van Zuid-Wesl-Vlaanderen, 50), (32) VAN CLEEMPUT ]., De oostelijke limes van het Graafschap Kortrijk, 2002; DE GROOTE, op. cit., p. 72-74. Vlaanderen in 1338, in Het land van Aalst, 1, 1956, p. 231(50) JANSSEN H., op. cit., p. 81-82. 242.


(JI) Het kasteel van Gavere is afgebeeld op een miniatuur van de slag bij Gavere in: Privikgiën m Statuten van Gent en Vlaanderen, na 1453 (Wenen, Österreichische Nationalbibliothek. Cod. 2583, fol. 340V), zie: CLARK G., Made in Flanders. The Master of the Ghent Privileges and Manuscript Painting in the Southern Netherlands in the Time of Philip the Good. Turnhout, 2000, p. 347; Van de belegering van het kasteel van Poeke is een afbeelding bewaard in Le Livre des faits de messire Jacques de Lalaing. Zie hiervoor: CAMERLINCKX J., Het kasteel van Poeke het mooiste landgoed van Vlaanderen, Aalter, 2007. p. 28. (52) CAMERLINCKX J., op. cit.. p. 48-49; Grenskaart tussen de kasselrijen Kortrijk en de Oudhurg. gemaakt door De Bersaques Loys in 1627 (STAM Gent, inv. 683). (53) Mondelinge mededeling van Koen Himpe (agentschap Onroerend Erfgoed), waarvoor dank. De twee westelijke torens zijn in grondplan afwijkend en asymmetrisch t.o,v. de rest van het gebouw en vertonen enkele oudere bouwsporen. Ze liggen ongeveer 20 meter uit elkaar. Het westelijke deel van het kasteel heeft aan de buitenzijde ook een afwijkende, in natuursteen opgebouwde, plint. Zie ook: DE CLERCQ W. en MORTIER S., Archeologische waarnemingen en noodonderzoek in het kasteel van Poeke. in Monumentenzorg en Cultuurpatrimonium. Jaarverslag van de Provincie Oost-Vlaanderen, 2001, p. 155-157. (54) DE GROOTE K., op. cit., deel 1, p. 74. (55) Ministerieel besluit van 7 maart 2012 houdende de inschrijving op het ontwerp van lijst van de voor bescherming vatbare archeologische zones van de kasteelsite van Schendelbeke (publicatie in het Belgisch Staatsblad 26 april 2012).

Onderzoek naar het kasteel van Schendelbeke (foto P. Van den Hove)

M&L I 31


De dierentuin van Antwerpen: een tuin- en bouwhistorisch verhaa Mariekejaenen

De dierentuin van Antwerpen heeft gedurende

Methodologische toelichting

170 jaar dankzij enkele vooruitstrevende architecten, hoveniers en directeurs de nieuwste technieken en inzichten toegepast om zowel de bezoekers als de bewoners in de meest optimale conditie in de dierentuin te laten vertoeven. O m aan deze doelstelling te blijven voldoen wordt er vandaag gewerkt aan een nieuw masterplan. In dit kader werd er in 2010 in opdracht van de Koninklijke Maatschappij der Dierkunde Antwerpen (KMDA) een tuin- en bouwhistorische studie van het Zoo p a t r i m o n i u m opgemaakt.

•

flSEAl \

Dl

Gravure van de volière voor de roofvogels, circa i86i KMDA-archief)

32 I M

L

Uit het tuin- en bouwhistorisch onderzoek bleek dat het historisch verhaal chronologisch onderverdeeld kan worden in vier perioden: 1843-1890, 1890-1914, 1914-1945 en 1945 tot nu (1). Deze onderverdeling gaat gepaard met het komen en gaan van vier huisarchitecten en de verscheidenheid aan beschikbaar bronnenmateriaal. Voor de periode 1843-1890 kon beroep gedaan worden op archivalische bronnen zoals de Grootboeken en de Notulen van de KMDA, bewaard in het Stadsarchief van Antwerpen (SAA) (2). Tot 1880-1890 werden hierin alle inkomsten, uitgaven, beslissingen en verslagen van vergadering nauwkeurig opgeschreven. Daarna beperkt de informatie zich enkel tot rekeningen. De originele ontwerpen van Charles Servais en de twee plattegronden van de tuin uit 1861 en 1874 zijn bewaard in het KMDAplannenarchief (3). De publicaties van Eugene Gens Promenade aujardin Zoologique d'Anvers (4) uit 1861 en van Hendrik Gobbers Bezoeken in den dierentuin van Antwerpen (5) uit 1885 zijn eveneens belangrijke bronnen. Naast enkele archivalische stukken uit het SAA werden voor de tweede periode voornamelijk iconografische bronnen gebruikt zoals de ontwerpplannen van de architect Emile Thielens, grondplannen, prentbriefkaarten en foto's van de tuin uit de beeldbank en het plannenarchief. Voor de periode na de Eerste Wereldoorlog werd beroep gedaan op het KMDA-plannenarchief, -beeldbank en haar in 1935 opgericht tijdschrift Onze Zoo. Deze publicatie zal overigens enkele malen van naam veranderen: Zoo; Zoo Antwerpen; Zoo Antwerpen, Planckendaal en Zoo Magazine. Voor het onderzoek naar de laatste 60 jaar kon maar beperkt beroep worden gedaan op


Binnenkrant Nr. 173 Bijlage bij M&L31/3 mei-juni 2012


enkel het ruwe materiaal voor aan, maar doet dat zo grondig

Literatuur

dat zelfs een eerste cursieve lezing voortdurend vragen oproept die veel verder dragen dan van een eenvoudige inventaris verwacht mag worden. Vragen naar de precieze relatie tussen de tekeningen en de glasmedaillons, tussen de verschillende

Ö

> Jan Van Damme

tekeningen onderling en de tekeningen en eventuele modelgravures. Vragen ook naar de atelierpraktijk. Wie leverde de mo-

ö

dellen en hoe lang bleven ze in gebruik? Circuleerde eenzelfde

• 1—1

• Silver-Stained Roundels and unipartite Panels before

PQ

the French Revolution, Flanders, vol.2, The Provinces of East and West Flanders (Corpus Vitrearum

Belgium,

model in meerdere ateliers of zelfs productiecentra? Zo is deze publicatie niet enkel een inventaris van tot nu toe te

Checklist Series)

vaak miskend erfgoed, maar is door de vele links naar tekenin-

C.J. Berserik en J.M.A. Caen

gen, gravures en schilderijen ook van belang voor de studie

Brepols, 2011, ISBN 978-1-905375-31-8.

van deze domeinen. Een onvolledig medaillon in de Bijlokecollectie (inv. nr. A.63-9-5/37) geeft een deel weer van een teke-

In 2007 verscheen bij Brepols een eerste deel van de inventaris

ning in de Engelse Koninklijke verzamelingen. Dat de die teke-

van glasmedaillons bewaard in Vlaanderen. Bijna als vanzelf-

ning in verband te brengen is met die met Tobias en de hemel-

sprekend kwam daarin eerst de provincie Antwerpen - met het

vaart van de engel Rafael in het Kupferstich-Kabinett in Dres-

bekende productiecentrum Antwerpen - aan de beurt.

den, wordt enkel duidelijk via de omweg van een uitgebreide

Eind 2011 verscheen een tweede deel, gewijd aan de provincies

serie glasmedaillons. Dezelfde compositie komt overigens

Oost- en West-Vlaanderen. De omvang van de oogst is zowel in

nogmaals voor in het al vernoemde Breviarium Mayer van den

pagina's als in aantal illustraties gemeten nog omvangrijker:

Bergh. Ook specialisten in de miniatuurkunst hebben er blijk-

bijna 700 pagina's en zowat 1200 foto's waarvan 900 in kleur.

baar belang bij zich in deze inventaris te verdiepen.

Daarvoor zijn enkele omvangrijke Brugse en Gentse museumcollecties verantwoordelijk, maar evenzeer een aantal tot nu toe

Voer voor locale heraldici en locale historici is niet alleen te

zo goed als onbekende kleine museale en private verzamelingen

vinden in de vele wapenschilden op de glasmedaillons, maar

en uitzonderlijk een bij opgravingen aan het licht gekomen stuk.

ook in de hoofdstukken gewijd aan medaillons met enkel opschriften of in de lijsten van verdwenen en enkel uit archivalia

Het opzet van de inventaris is hetzelfde gebleven: de individue-

of publicaties bekende exemplaren.

le medaillons worden kort en zakelijk beschreven naar voorstelling, materiaalgebruik en afmetingen. Die data worden aange-

De voorliggende publicatie is dus niet enkel een goudmijn met

vuld met gegevens over herkomst en literatuurverwijzingen.

vaak nooit eerder gepubliceerde documentatie voor historici en

Wat deze volumes zo boeiend maakt zijn echter de uitgebreide

kunsthistorici. Ze geeft vooral een mooie voorzet en een biedt

verwijzingen naar gerelateerde werken: tekeningen, gravures,

een uitvalsbasis voor verder onderzoek.

schilderijen, miniaturen en elders bewaarde medaillons, waarvan de meeste eveneens in kleur geïllustreerd werden. Enkele stukken zijn zo uitvoerig gedocumenteerd dat je de indruk krijgt dat een aantal puzzelstukken onvermoed op hun plaats vallen.

Mooi voorbeeld daarvan vormt een medaillon uit het Gentse Designmuseum (inv. nr.629) met de voorstelling van Jozef uit de put gehaald. De compositie van het medaillon komt overeen met die op een rond schilderijtje bewaard in de Staatliche Museen in Berlijn, dat behoort tot een hele reeks, verspreid over die musea, het Metropolitan in New York en de A/te Pinakothek in München. Meerdere van die composities verwijzen op hun beurt naar andere glasmedaillons, bewaard in Engelse kerken, in het Gentse STAM (inv. nr.9031), het Londense Victoria c( Albert, en private collecties. Daaraan kunnen dan weer tekeningen in Stuttgart, Bayonne, Parijs, Oxford en Berlijn gekoppeld worden. Ook in het befaamde Breviarium Mayer van de Bergh is de compositie terug te vinden. Het lag niet in het opzet van deze publicatie om de precieze relaties tussen al deze kunstwerken te beschrijven. Ze draagt er


Publicaties

Hoofdstuk 3 behandelt onder de titel 'De opdrachtgever van tuinonderzoek' het Plan van Onderzoek (PvO) waarin de opdrachtgever in samenwerking met de toezichthoudende overheden de scope en de diepgang van en voorgenomen tuin historisch onderzoek bepaalt in functie van de aard

y Herman Van Den Bossche

van het onderzoeksobject, de plannen en de wensen van de opdrachtgever, de eisen van vergunningverlenende overheden, de praktische uitvoer-

RICHTLIJNEN TUINHISTORISCH ONDERZOEK. VOOR WAARDESTELLINCEN VAN GROEN ERFGOED

baarheid. De brochure geeft twee ook in Vlaande-

Ronald van Immerseel van de Stichting Arcadië en Leo Hendriks

van Onderzoek: specificatie en definiëring van de

van de Rijksgebouwendienst (Nederland) hebben deze bro-

onderzoeksvraag'.

ren bruikbare kaderstukken met relevante vragenlijsten i.v.m. het PvO: 'Algemene informatie ten behoeve van het Plan van Onderzoek' en 'Plan

chure geschreven om het zorgvuldig omgaan met groen erf-

In hoofdstuk 4 wordt onder de titel 'De onder-

goed verder te professionaliseren. Zij richten zich in het alge-

zoeker: systematisch tuinhistorisch onderzoek

meen tot eigenaars, tuinhistorische onderzoekers, ontwerpers,

ingegaan op de diverse bronnen, het multidis-

toezichthouders en beheerders en in het bijzonder tot eige-

ciplinair karakter, de contexten, de rapportage,

naars/beheerders van wat zij noemen een cultuurhistorisch

de methodologie en de waardestelling zelf, volgens

waardevolle aanleg, de onderzoekers die de waarden van een

de auteurs het concluderend deel, na onderzoek en interpreta-

aanleg vaststellen en de toetsers die veranderingen in een

tie, waarin waarden worden toegekend aan de hand van vooraf

aanleg beoordelen/of daarvoor vergunning verlenen.

bepaalde criteria. Ondanks de complexheid van het onderwerp worden de criteria bevattelijk geduid. Ook de definities die aan

Na de inleiding met antwoorden op de vragen "Waarom tuln-

de basis van de verifieerbaarheid van de waardestelling liggen.

historlsch onderzoek?" en "Waarom richtlijnen voor tuinhistorisch onderzoek?" volgt hoofdstuk 2 dat handelt over de inbed-

Het document is beschikbaar via

ding van tuinhistorisch onderzoek in het proces van beheer en

http://www.cultureelerfgoed.nl/actueel/nieuws/

verandering. Hoe valt de cultuurhistorische waarde van een

tuinhistorisch-onderzoek-bron-waardevolle-kennis

aanleg te bepalen? De auteurs merken terecht op dat in het geval van een bescherming als monument (bij ons ook als landschap of stads- en dorpsgezicht) wel vastgesteld is dat ze

> Marjan Buyle

cultuurhistorische waarde hebben, maar zijn die waarden niet altijd in beeld gebracht. Betrokkenen moeten dus kunnen aantonen dat zij zorgvuldig met de erfgoedwaarden omgaan en de waardestelling op basis van tuinhistorisch onderzoek is daar-

HET BULLETIN VAN DE BRK-APROA NU ONLINE!

voor het geëigend instrument. Gemeentelijke, provinciale en rijksoverheden vragen tuinhistorisch onderzoek als toetsings-

Op de website van de Beroepsvereniging voor Conservators-

kader en/of als voorwaarde om in aanmerking te komen voor

Restaurateurs van Kunstvoorwerpen vzw (BRK-APROA) kan u

subsidiëring van beheer-, herstel of restauratiewerken. Dat is in

vanaf deze jaargang 2012 het volledige Bulletin

Vlaanderen niet anders.

online lezen. Nieuw is dat vanaf deze jaargang het

De auteurs publiceren een schema waarin men aangeeft hoe

Bulletin in kleur kan geconsulteerd worden.

tuinhistorisch onderzoek idealiter wordt ingebed in het proces

Het eerste nummer van 2012 is een themanum-

van verandering, beheer en onderhoud. Zij leggen ook terecht

mer over polychromie: zeer lezenswaardige arti-

de nadruk op de nodige onafhankelijkheid van de persoon of

kels onder andere over de i3de-eeuwse polychro-

het studiebureau dat de tuinhistorische studie uitvoert.

mie, over een is^-eeuws gepolychromeerd

Zij pleiten er ook geheel terecht voor dat tuinhistorisch onder-

Engels albasten beeld en over het gebruik van

zoek afgewerkt wordt voor de aanvang van werken. Maar in

glitters in de polychromie.

hun schema geven zij ook aandacht aan het parallel verloop

U kunt er ook de nummers van vorige jaargan-

van tuinhistorisch onderzoek en werkzaamheden, wat in de

gen online lezen, maar deze zijn met zwart-wit

praktijk blijkbaar niet enkel bij ons in Vlaanderen gebeurt.

foto's geïllustreerd. Vorig jaar was er onder

Interessant in hun procesbeschrijving (initiatief, programma,

andere een themanummer over metaalrestau-

ontwerp, uitwerkingen toetsing, uitwerking) is hun aandacht

ratie en een ander over de conservatie-restau-

voor de nazorg. Kennisoverdracht en -verspreiding via publica-

ratie van muurschilderingen. De artikelen worden gepubli-

ties zien zij als een essentieel onderdeel van de afronding van

ceerd in het Nederlands en in het Frans, occasioneel ook in het

het proces.

Engels en het Bulletin verschijnt om de drie maanden.


> Marjan Buyle

ZOMERS IN HINGENE Zopas verscheen het boek Zomers in Hingene. Het kasteel d'Ursel en zijn bewoners. Het geeft een kijk op de lange bouwgeschiedenis van het kasteel d'Ursel en op het leven in het kasteel. De bouwgeschiedenis wordt chronologisch aangepakt aan de hand van de opeenvolgende bewoners, van het eenvoudige steyne huys van Thlbault Barradot uit het midden van de i6 de eeuw vla het grondplan van 1620 door Conrad Schetz en de eerste graven d'Ursel tot de Ingrijpende i8de-eeuwse verbouwingen en vooral Interieuraankledingen In een mengeling van classicisme en rococo door de Italiaanse ontwerper Giovanni Nlccolo Servandoni. Hij tekende ook voor de nieuwe tuinaanleg. Het kasteel Is vooral gekend om haar unieke collectie wandbespanningen van veelkleurig beschilderd of bedrukt katoen en de talrijke Chinese behangpapieren. Ook ander papierbehang Is In het kasteel terug te vinden, zodat hier een staalkaart geboden wordt van papier behang van de i7 de tot de 20ste eeuw. Al sinds de late i7 de eeuw Importeerde de Verenigde OostIndische Compagnie beschilderd en bedrukt katoen uit Indlë. Verschillende deur- en schouwstukken In Hingene op basis van Chinese prenten bleven bewaard. Het zijn vaak collages van

Detail van de Sedes Sapientiae van de Sint-Janskerk in Luik, circa 1230, met originele polychromie (foto E. Mercier, © KIKIRPA Brussel) Er wordt gewerkt aan een inhoudsopgave van alle verschenen onderwerpen, zodat u binnenkort met de zoekfunctie op inhoud het artikel van uw keuze gemakkelijk kunt terugvinden. Op deze website vindt u eveneens informatie over de werking en de toetredingsvoorwaarden tot de beroepsvereniging, aankondigingen van studiedagen, congressen en andere evenementen, verslagen en programma's van de tweejaarlijkse studiedagen, die samen met het agentschap Onroerend Erfgoed georganiseerd worden. Alle lezingen van deze tweedaagse colloquia worden Integraal gepubliceerd In de Postprints. We kunnen ook al aankondigen dat het volgende BRK-APROA/

Sopraporte, gemaakt van Chinese prenten met westerse boordsels (foto M. Buyle)

Onroerend Erfgoed colloquium doorgaat volgend jaar op 21 en 22 november 2013 In het inmiddels vertrouwde Auditorium Hadewych In Brussel en dat als thema gekozen werd voor: De glans in de conservatie-restauratie / Lustre et briilance en conservation-restauration.

Bulletin van de BRK-APROA, te verkrijgen In gedrukte versie of gratis downloadbaar in kleur op de website van de beroepsvereniging: www.brk-aproa.org. Postprints van de vorige 5 colloquia kunnen besteld worden bij: marleanne.buyle@rwo.vlaanderen.be Postprints nr. 6 zijn momenteel bij de drukker.

Gezicht vanuit de gerestaureerde vestibule (foto M. Buyle)


scènes uit langere behangbanen, gecombineerd met westerse boordsels. In de i9 de eeuw was er een aanvoer van kamerhoge

Beschermingen

behangsels vanuit het Chinese Kanton, waar ze aan de lopende band werden beschilderd. Ook Europees behang is in grote mate vertegenwoordigd en het kasteel van Hingene kan daarom fungeren als een staalkaart van papier- en textielbehang

y Maarten Van Dijck en Axel Verhulst

van de i7 de tot de 20ste eeuw. Restanten werden zorgvuldig gedocumenteerd, om hun reconstructie mogelijk te maken. Soms kon het behang in situ gerestaureerd worden. In andere kamers werd gekozen voor recent papier met een historisch

VOORLOPIGE BESCHERMING VAN DE SLEEPSPITSEN 'BON CRÉDIT' EN 'MON DÉSIR'

verantwoord motief. Zeer sfeervolle foto's van 2002 van Nadine Tasseel tonen de

Op 23 mei 2012 ondertekende minister Bourgeois de voorlo-

bijna hopeloze toestand van het kasteel in die periode.

pige bescherming van de sleepspitsen Bon Crédit en Mon Désir.

Het gebouw was toen al in het bezit van de provincie Antwerpen

Deze beschermingen passen binnen de lopende campagne om

die aan de vooronderzoeken bezig was. Een klein decennium

het varend erfgoed te inventariseren en de meest waardevolle

later was de transformatie compleet, zoals blijkt uit de foto-

schepen te beschermen. Daarbij wordt er speciaal aandacht

reeks van Stefan Dewickere, al moeten er zelfs nu nog een

besteed aan de schepen die in de professionele binnenvaart

tiental wandbespanningen hersteld en teruggeplaatst worden.

hebben gevaren.

Een tweede deel in deze uitgave is gewijd aan het leven in het

Tussen ongeveer 1890 en 1970 was de spits, een binnenvracht-

kasteel, een onderzoeksdomein dat soms al eens vergeten

schip van 38,5m op 5,05m, beeldbepalend op onze kanalen.

wordt in studies van gebouwen. Hoe functioneerde dit ge-

In de jaren i960 bestond de binnenvaartvloot voor 60% uit

bouw? Wie gebruikte welke lokalen? Hoe was de circulatie

spitsen. Aanvankelijk werden de schepen gejaagd of gesleept,

georganiseerd? Wat betekende het voor de bewoners?

maar vanaf ongeveer 1945 verdrong de gemotoriseerde spits

Hoe werd er in geleefd? Hoe was dit gebouw aangekleed?

zijn gejaagde voorgangers. Van de groep sleepspitsen blijven

Interieuraankleding is per definitie tijds- en modegebonden en werd vaak aangepast en vernieuwd. De memoires van Hedwige d'Ursel (1902-1987) bieden een uitstekend insiders beeld van het leven op het kasteel in de lange zomermaanden. Ze beschrijft de ruimtes en het domein met een opvallende precisie en detaillering. Ook een schat aan informatie over het dagelijks leven wordt geboden door de drie tekenalbums van Antonine de Mun, die in 1872 huwde met haar achterneef Joseph d'Ursel. Naast gezichten van de omgeving tekent ze vooral scènes uit het dagelijks leven van de kinderen. Het boek is overvloedig voorzien van interessante iconografische documenten: foto's, tekeningen, schilderijen. Hoewel de restauratie niet meteen het onderwerp van het boek is, was een korte lijst van de uitvoerende onderzoekers en restaurateurs

De Mon Désir in het Bonapartedok (© foto Collectie Rijn- en Binnenvaartmuseum)

misschien wel op zijn plaats geweest. De auteurs hebben ervoor gekozen om het onderwerp te beperken tot het kasteel, maar af en toe een verwijzing naar het paviljoen De Notelaer, dat toch integraal deel uitmaakte van 'de zomers' van de kasteelbewoners, en wat meer duiding over het omringende parkdomein, zouden het onderwerp zinvol hebben aangevuld. De lay-out is duidelijk en overzichtelijk, de taal helder en begrijpelijk, ook voor een breder publiek. Een alleszins geslaagde uitgave.

BUNGENEERS J. en DE VLIEGER-DE WILDE K., Zomers in Hingene. Het kasteel d' Ursei en zijn bewoners, Leuven, 2012. Uitgegeven door het Davidsfonds. 287 pagina's en talrijke illustraties.

De Bon Crédit op de Verbindingsvaart in Gent (© foto M. Van Dijck, Onroerend Erfgoed)


vandaag slechts enkele exemplaren over. De twee meest gave

> Dirk Pauwels

exemplaren die momenteel gekend zijn, de Bon Crédit en de Mon Désir, werden nu voorlopig beschermd.

M Ö

De bouw en afmetingen van de sleepspitsen zijn nauw verbon-

CU

den met de bouw van de nieuwe kanalen en bijhorende sluis-

Ö Ö

complexen vanaf het begin van de negentiende eeuw.

• l—l

PQ

Om optimaal te renderen werd ervoor gezorgd dat de schepen

OVERPELT, PAROCHIEKERK SINT-MARTINUS, PASTORIE EN DELEN VAN HET URSULINENKLOOSTER Op 16 september 2011 werden de Parochiekerk Sint-Martinus,

perfect werden afgestemd op de afmetingen van de sluizen.

de pastorie en delen van het ursulinenklooster in Overpelt

Dit wordt treffend geïllustreerd door het zogenaamde gabarit

voorlopig beschermd bij Ontwerp van Lijst. De bescherming

Freycinet, genoemd naarde Franse ingenieur Freycinet.

maakt deel uit van de thematische selectie rond religieus erf-

Als Frans minister van Openbare Werken standaardiseerde hij

goed in neostijlen in Vlaanderen en Limburg.

de afmetingen van de Franse sluizen. Hij baseerde zich hierbij op de afmetingen van de toen in gebruik zijnde pénicheflaman-

De motivatie van de bescherming van de parochiekerk als

de waardoor de maximum scheepsmaten van ca. 38,5 meter

monument omvat een historische, een architectuurhistorische,

lengte en ca. 5,05 meter breedte bevestigd werden als een

een artistieke, een sociaal-culturele en een volkskundige waar-

gangbare standaardmaat.

de. De historische, waaronder architectuurhistorische, en artistieke waarden worden als volgt omschreven: de vroeg 20ste-

Beide schepen zijn een belangrijk transportwerkpaard van de

eeuwse Sint-Martinuskerk, die de voormalige parochiekerk

industriële revolutie, en zelf ook een technisch product van die

vervangt, werd in een zeldzame neoromaanse bouwtrant opge-

revolutie. België was het eerste land op het Europese vasteland

trokken binnen het oeuvre van het geassocieerde bouwmees-

waar de industriële revolutie zich voltrok. Met de industrialisa-

terarchitectenduo Martens-Lenertz. Het voor een plattelands-

tie ontstond een vraag naar vaartuigen die goedkoop buikpro-

kerk vrij rijk gestoffeerde interieur, waaronder elementen ont-

ducten zoals steenkool konden vervoeren. Balkvormige stom-

worpen voor de nieuwe kerk maar bijvoorbeeld net zozeer

pe vaartuigen zorgden op de kanalen voor het transport.

bewaarde cultuurgoederen die als enige materiële relicten

Nieuwe materialen (weiijzer en later staal), energiebronnen

getuigen van de oude kerk, heeft een onverbreekbaar histori-

(steenkool en cokes) en schaalvergroting vonden hun weg naar

sche band met het bedehuis en zijn voorgeschiedenis.

de scheepsbouwsector. De oudere types vaartuigen verdwenen

De sociaal-culturele en volkskundige waarden worden als volgt

uit de vaart door de snelle technologische ontwikkeling.

omschreven: De Sint-Martinuskerk getuigt van de eeuwen-

De Bon Crédit en de Mon Dés/V zijn voorbeelden van het nieuwe

lange verbondenheid van de inwoners van Overpelt met 'hun'

type binnenvrachtschepen dat de oudere types verdrongen.

patroonheilige. De aanwezige cultuurgoederen en aankleding in de parochiekerk geven ook een representatief beeld van de

De Bon Crédit uit 1898 is één van de oudste en meest gave

devotionele context ten tijde van de oprichting van de kerk.

voorbeelden van de overgangsfase tussen de gesleepte houten

De bescherming van de pastorie wordt gemotiveerd door de

vrachtschepen en de ijzer- en staalbouw. Meerdere elementen

historische en de architectuurhistorische waarde. Deze liggen

van het schip, zoals het 'lunetteroer' en het centrale woonge-

in de bouw vanaf 1728 door Emmanuel de Rodier, een premon-

deelte, zijn typisch voor oudere types binnenvrachtschepen

stratenzer kanunnik van de abdij van Floreffe, die het patro-

zoals de houten walen. De Mon Désir, gebouwd in 1913, is een

naatsrecht bezat, in de typische stilistische kenmerken van de

uniek, authentiek en gaaf voorbeeld van een sleepspits uit het

in Limburg zeldzame Maasstijl en in de behouden kostbare

begin van de twintigste eeuw. Het werd net zomin als de Bon Crédit gemotoriseerd. Op de Mon Désir z\]n het woonverblijf in het achteronder en de complete dekuitrusting, inclusief de lieren en ankers, bewaard gebleven. Op beide schepen is de centrale mastkast om de jaagmast te strijken nog aanwezig evenals een aantal van de originele houten luiken waarmee het ruim werd afgedekt (vrijwel compleet bij de Mon Désir). De Mon Désir heeft als onderdeel van het Rijn- en Binnenvaartmuseum een uitzonderlijke didactische waarde.

Sint-Martinuskerk in Overpelt, hoofaltaar en flankerende beelden (foto Onroerend Erfgoed)


De opdracht omvatte ook de bouw van een nieuwe pastorie, gelegen in de Alkenstraat nr. 5 en door middel van een chronogram 1891 gedateerd. Uit dit gebouw blijkt de vertrouwdheid van Hyacinth Martens met de traditionele baksteenarchitectuur, die verlevendigd wordt door het aanwenden van natuurstenen decoratieve en constructieve elementen. Tevens gemeenteraadslid van 1895 tot aan zijn dood in 1919, ijverde Martens voor de verdere uitbouw van zijn dorp, waaraan hij daadwerkelijk bijdroeg door de bouw van een veertigtal huizen, waaronder zowel boerderijen als villa's, het woonhuis met brouwerij Boesmans, een station van de buurtspoorwegen, een kapelanie en een parochiezaal. Bij het begin van de 20ste eeuw bouwde hij in de Oppenstraat de villa Grammen,

Exterieur pastorie (foto Onroerend Erfgoed)

waar hij vanaf 1913 zelf ging wonen. Door toedoen van zijn erkenning als bouwmeester en zijn

interieurafwerking, bestaande uit binnendeuren, een schouw

uitgesproken christelijke overtuiging werd hij ook veelvuldig

met gietijzeren haardplaat en Delftse tegels, stucplafonds en

gevraagd voor de realisatie van pastorieën, kerken, kapellen en

een witmarmeren schouw.

scholen in geheel Limburg. Ook voor restauratieprojecten werd

De lagere school van 1902, naar ontwerp van Hyacinth Martens,

hij gesolliciteerd, zoals dat van de Sint-Jan-Baptlstkerk van

in 1938 verhoogd door Jef Perriëns uit Overpelt, en de voorma-

Schulen.

lige naaischool van 1928-1929, in de jaren 1930 vergroot door

Door toedoen van de Koninklijke Commissie voor Monumen-

Perriëns, getuigen qua in- en exterieur van de historisch en

ten, waarvan Joris Helleputte deel uitmaakte, werd hem

architectuurhistorisch belangrijke bouwactiviteit van bouw-

samenwerking met architect Vincent Lenertz (1864-1914) uit

meester Hyacint Martens, van architect Jef Perriëns en van

Leuven aangeraden, en dit naar aanleiding van de nieuwbouw

twee Overpeltse ursulinen als gelegenheidsarchitecten.

van de Sint-Pietersbandenkerk te Lommei en de Sint-Niklaas-

Deze gebouwen zijn tevens sociaal-culturele getuigen van de

kerk te Neerpelt. Sindsdien zou hij zich blijvend met Lenertz

kenmerkende jarenlange pedagogische activiteiten van de

associëren. Martens was de man van het terrein, vertrouwd

ursulinengemeenschap. Ook de boerderij van het klooster

met de werf, de aannemers, de werklui en de benodigde mate-

(1908-1909), weerom ontworpen door Hyacinth Martens,

rialen, terwijl Lenertz de algemene leiding had en toekeek op

de Heilig-Hartkapel, de heiligenbeelden in de tuin (circa 1928-

het totaalconcept.

1929) en de beelden van de afgebroken Lourdesgrot (1929) en dito Calvarieberg (1933) maken integraal deel uit van het com-

Vincent Lenertz werd op 24 april 1864 geboren te Echternach

plex en geven op historisch, architectuurhistorisch en sociaal-

in het Groot-Hertogdom Luxemburg als landbouwerszoon.

cultureel vlak blijk van een rijke geschiedenis van bouwactivi-

Na te zijn opgemerkt door de gebroeders Zens, porseleinschil-

teit, arbeid en devotie.

ders in zijn geboortestad, werd hij tekenaar bij architekt Knepper in Diekirch. August Mullendorf, die overtuigd was van zijn

Er zijn weinig gegevens bekend over de bouwkundige opleiding

kunnen, nam het initiatief hem te introduceren bij Joris Helle-

van Hyacinth Martens, die op 30 augustus 1847 geboren werd

putte (1852-1926), die sinds 1874 was aangesteld als hoogle-

als zevende en laatste kind van Aldegonde Jorissen en Gerardus

raar architectuur aan de Leuvense universiteit, voorstander

Martens, timmerman in Stevoort. Men kan aannemen dat

was van een katholiek reveil in Vlaanderen en resoluut koos

Hyacinth de stiel heeft geleerd van zijn vader. Zeker staat het

voor de neogotische vormentaal. Op 2 mei 1885 werd Lenertz

vast dat hij, na het overlijden van zijn vader, als timmerman

als tekenaar ingeschreven in Leuven. Hij volgde er een univer-

werkzaam was in zijn geboortedorp. In de bouwkunde was hij

sitaire opleiding aan de Speciale Scholen voor burgerlijk genie,

een autodidact, op een ogenblik dat de mogelijkheden tot

waar hij architectuuronderricht kreeg van 1887 tot 1889.

architectuuronderwijs in die periode in Limburg uiterst beperkt

Hoogstwaarschijnlijk volgde hij de colleges van Helleputte.

waren.

In 1889 werd Lenertz aangesteld tot Directeur des travaux

De aankoop van een bouwgrond in 1881 waarop hij zelf een

graphiques aux Ecoles Spéclales de l'Unlversité de Louvain.

eigen woonhuis bouwde, was blijkbaar voor de inwoners van

Voor deze universiteit voerde hij diverse opdrachten uit, waar-

Stevoort een aansporing om hem als bouwmeester te be-

onder het Amerikaans college. Ook bouwde hij voor privé-

schouwen. Al vlug kon hij genieten van het vertrouwen van de

opdrachtgevers, waaronder een woonhuis met atelier voor

kerkelijke overheid, voor wie hij verschillende opdrachten uit-

beeldhouwer Paul Roemaet. Voor zich zelf bouwde hij een

voerde. In Stevoort werd hij zo belast met de vergroting van de

heden verdwenen woning aan de Tiensevest in 1911-1912.

Sint-Martinuskerk, waarvoor hij op 18 april 1891 de goedkeu-

Lenertz werd tijdens een wraakactie van de Duitsers op

ring kreeg van de Koninklijke Commissie voor Monumenten.

26 augustus 1914 vermoord.


Martens en Lenertz vulden elkaar aan. Terwijl de eerste een man van de ervaring was, kon de tweede bogen op een sterke vaktechniek en gedegen kennis van de architecturale en artistieke stromingen, als aanhanger van het gotische en neogoti-

Ö

sche idioom.

CU

Parochiekerk Sint-Martinus De plattegrond van de parochiekerk beschrijft een grotendeels in een rechthoekig (ten noorden van een halfronde doopkapel

• 1—I

voorzien) dwarsblok ingebouwde, vierkante westtoren, een

PQ

driebeuklg schip van vijf traveeën met merkelijk smallere zijbeuken, een transept met armen van telkens één travee met vlakke sluiting, ten zuidwesten en ten noordwesten voorzien van een driezijdig portaal, een koor van twee rechte traveeën met halfronde sluiting, geflankeerd door twee nevenkoren met dito inspringende sluiting, en een haakse rechthoekige sacristie ten zuidoosten, met rechthoekige aanbouw. Het is een baksteenbouw met gebruik van rodere baksteen, hard- en breuksteen. Het spel van zadeldaken, lessenaardaken, halfconische bedakingen en ingesnoerde naaldspits is zeer gevarieerd. Neoromaans zijn de ordonnerende spaarvelden in de opstanden van toren, westwerk, voormalige doopkapel en koorpartij, alsook de al dan niet gekoppelde rondbogige muuropeningen en oculi. Het interieur van de kerk is grotendeels bepleisterd en beschilderd. Gebedsruimte en sacristie werden in de loop der eeuwen rijkelijk gestoffeerd met meubilair, schilderijen en beelden.

t

Grafkruis ten noorden van Sint-Martinuskerk (foto Onroerend Erfgoed) Zo hangt er onder meer een monumentaal schilderij uit 1771 met de voorstelling de patroonheilige van de kerk, Sint-Martinus die zijn mantel deelt, een werk van Willem-Jacob Herreyns (1743-1827) dat het barokke hoofdaltaar van het oude, in 1912 afgebroken bedehuis sierde. Drie waardevolle hardstenen grafkruisen uit de i7 de en ig 0 6 eeuw staan ten noorden van de kerk. Pastorie De ten zuidwesten van de parochiekerk gelegen pastorie is opgetrokken in de voor Limburg zeldzame Maasstijl. Het is een alleenstaand dubbelhuis, van zeven traveeën en één bouwlaag, onder een leien wolfsdak. De baksteenbouw op een licht verhoogde begane grond heeft vooraan drie getraliede hardstenen keldergaten. Er is een aflijnende dubbele overhoekse muizentand. Het houtwerk bleef deels bewaard, onder meer de fraaie waaiervormige roedeverdeling van de aan de binnenkant getraliede bovenlichten van voor- en achterdeur. Beide deuren hebben sierlijke hardstenen steektrappen met geprofileerde treden en originele smeedijzeren leuningen. De eertijds beluikte, rechthoekige muuropeningen zijn gevat in vlakke kalkstenen omlijstingen met negblokken in regelmatig verband en neg- of sponningbeloop.

Exterieur Sint-Martinuskerk in Overpelt vanuit westen (foto Onroerend Erfgoed)

Het interieur van de pastorie kreeg, zoals hogerop gezegd, een kostbare afwerking.


Onderdelen van het ursulinenklooster Van dit complex was enkel het kloostergebouw zelf met kapel als

Colloquium

monument al beschermd (DL2516, bescherming van 25 maart 2009). De andere onderdelen, op dezelfde datum als dorpsgezicht beschermd, zijn nu ook als monument voorgedragen. De voormalige lagere school, naaischool en boerderij zijn een-

> Nathalie Van Roy

voudige bakstenen gebouwen. Via de deurtraveeën van de lagere school bereikt men de twee traphallen, die rechtstreeks - dus zonder laterale gang - toegang geven tot de klaslokalen. In deze hallen

Pauwenhok ursulinenklooster (foto Onroerend Erfgoed)

Op 31 mei en 1 juni 2012 werd in Brugge het congres "Werelderfgoed in de 2i s,e eeuw" georganiseerd door de stad Brugge,

bleven de granito

in samenwerking met het Agentschap Onroerend Erfgoed.

bordestrappen

Tijdens dit congres werd aandacht besteed aan de verschil-

met ijzeren, van

lende uitdagingen waarmee een werelderfgoedstad bij het

typische spiraal-

beheer en het bestuur ervan geconfronteerd wordt. Door met

motieven voor-

betrokkenen op verschillende niveaus van gedachten te wisse-

ziene borstwerin-

len, zal een zeer uitgebreid pakket van aandachtspunten in de

gen in art deco

finale conclusies verwerkt kunnen worden. Laat dit dan ook

behouden, in het

één van de belangrijkste conclusies zijn, namelijk dat de zorg

gehele schoolge-

voor het werelderfgoed dient gevoerd te worden vanuit een

bouw een aantal

samenwerking tussen gemeentebesturen, lokale overheden en

originele vloeren

Unesco. Binnen de verschillende workshops werd duidelijk dat

van cementtegels

we het erfgoed enkel op de kaart kunnen zetten vanuit een

en binnenschrijnwerk. Het interieur van de naaischool is ana-

bottom-up benadering. Het lokale draagvlak blijkt essentieel

loog uitgewerkt. De boerderij achter het kloostercomplex om-

om het behoud van het werelderfgoed te garanderen. Indien bij

vat een knechtjeswoning met stallingen en schuurtje, verder

de stedelijke ontwikkeling het erfgoed niet bij de eerste schets

een pauwen- en kippenhok. Diverse in de tuin opgestelde heiligenbeelden, waarvan som-

in een ontwerp betrokken wordt, dan zal het erfgoed op termijn niet kunnen blijven weerstaan aan de globale evolutie.

mige verwijzen naar de ursulinenorde, en een gecementeerde Heilig-Hartkapel vervolledigen de ruimtelijke context.

Hierbij is het echter ook zeer belangrijk dat men zich bewust is van de economische drijfkrachten die onze markt en onze

De neoromaanse parochiekerk Sint-Martinus, de pastorie in

maatschappij bepalen. Maar ook het erfgoed zelf kan een mo-

Maasstijl en de site van het ursulinenklooster met oude bomen

tor zijn voor economische ontwikkeling, denken we bijvoor-

liggen in eikaars onmiddellijke omgeving. Samen met de op

beeld maar aan het stimuleren van traditionele ambachten.

16 september 1966 al beschermde lindeboom voor de kerk, de

Het project Economie Value of Cultural Heritage werd opgezet

zogenaamde 'kerkelinde', vormen ze een mooi architecturaal

door de regio Castilla y León in Spanje en tracht vanuit dit

en landschappelijk geheel, dat door de bescherming wordt

oogpunt een methodologie te ontwikkelen om de economische

gevrijwaard.

waarden van erfgoed te kwantificeren. Door het verhaal van het werelderfgoed op alle niveaus en in alle talen te vertellen, kunnen we eigenaars, buurtbewoners en locale

Bibliografie

autoriteiten bewust maken van het feit dat dit erfgoed deel uit-

- PAUWELS D., dossiernr. DL2597, Hasselt, Vlaamse Overheid, Onroerend Erfgoed - Limburg, 2011 (met verdere bibliografie).

streven naar het behoud ervan. Dit kan enkel door een duidelijke

- PAUWELS D., Bouwen door de eeuwen heen. inventaris van het cuituurbezit in België. Architectuur. Deel 19/1 2. Provincie Limburg. Arrondissement Maaseik. Kanton Neerpelt, (Brussel-Turnhout), 2005, p. 356-360, fig. 180-181 (parochiekerk); p. 360-361, fig. 182 (pastorie); p. 362-368, PI. VIII, fig. 183-187 (delen van het ursulinenklooster).

keling van de werelderfgoedstad als levende stad.

maakt van ieder van ons en dat het onze taak is om continu te

- PAUWELS D., Het ursulinenklooster met lagere school van Overpelt, een creatie van Hyacinth Martens, met kapel van kanunnikjoannes Broux, in M&L (Tijdschrift voor Monumenten, Landschappen en Archeologie), 26, 4, 2007, p. 41-69 en 71.

beheersvisie, die uitgaat van de Outstanding Universal Values, maar die ook duidelijk rekening houdt met de blijvende ontwik-

Ook Unesco erkent deze visie en schrijft deze ook uit in haar Recommendation on the historie Urban Landscap (Draft 27/05/2011): "Conservation of the urban heritage should be integrated in general policy planning and practices and those related to the broader urban context. Policies should provide mechanisms for balancing conservation and sustainability in the short- and long-term. Special emphasis should be placed on the harmonious integration between the historic urban fabric and contemporary interventions."


De Principes de la Vaiette (2011) geven bovendien duidelijke criteria aan waaraan een interventie kan afgetoetst worden.

Romeinse graanmummie uit Cheikh Fadl (© KMKG Brussel)

Er wordt duidelijk gesteld dat een stedenbouwkundige ingreep een meerwaarde dient te bieden voor de kwaliteit van het leven

1905. De i9de-eeuwse schilderijen met het

en de architectuur in de stad. Hierbij dient steeds te worden

thema zijn wel verzameld in en rond zaal 57.

uitgegaan van de aanwezige erfgoedwaarden. We zouden daar-

Bij de achttien geselecteerde schilderijen

fl fl

om aan het begrip Sustainable Urban Development naast een

hoort een uitleg, die in de gratis bezoe-

sociale, economische en ecologische waarde best ook een

kersgids kan gelezen worden. Wat

PQ

culturele waarde koppelen, indien we het erfgoed wensen te

wordt opgediend en bereid, vertelt veel

blijven beschermen voor de toekomstige generaties. In de

over de geschiedenis, de sociale klas-

• i—i

IO

Principes de la Vaiette wordt finaal gewezen op de noodzaak van

sen, de leefgewoontes, de handelsrou-

een goed Management Plan of Plan de Cestion. Meerdere voor-

tes, jacht en visvangst, vergeten groen-

beelden van een dergelijk Management Plan werden door ver-

ten en fruit en zoveel meer.

schillende sprekers van uiteenlopende nationaliteiten bespro-

Eten en drinken zijn uiteraard een heel

ken tijdens het congres. Het is duidelijk dat het niet mogelijk is

breed en universeel thema. Het begint met

een werelderfgoedstad op een correcte manier te beheren en te

de oorsprong van de landbouw, die zich

bewaren voor de toekomst zonder een duidelijke visie en een

situeert vanaf 12000 vóór Christus, toen

x

afgelijnd kader. Het Managment Plan voor Brugge is nagenoeg

men zijn toevlucht nam tot in het wild groei-

afgerond en zal hierin een belangrijk voorbeeld zijn voor de

ende graansoorten. Landbouwtechnieken

andere Vlaamse werelderfgoedsteden.

evolueerden en graanselecties verzekerden een betere opbrengst. Brood was van in het begin een basisingrediënt. In het Oosten lag de klemtoon eerder op rijst. De geschiedenis van de specerijen is bijzonder boeiend. De zoektocht naar nieuwe specerijen leverde zelfs de ontdekking van Amerika op en de specerijenroutes ontwikkelden zich

Tentoonstelling

tot de belangrijkste handelsroutes over land en over zee. Ook de wijndruiventeelt en het wijn maken is eeuwenoud. Wijn

> Marjan Buyle

is een godendrank en zijn symbolische betekenis in cultuur en godsdienst is overduidelijk aanwezig in tal van kunst- en gebruiksvoorwerpen.

SMAKELIJK! GASTRONOMISCHE ONTDEKKINGEN DOOR DE EEUWEN HEEN

Dit zeer brede thema leidt tot het tentoonstellen van zeer uiteenlopende objecten: drinkbekers, schalen en kommen, koffieen theeserviezen, voorstellingen van maaltijden en van de

Dat men creatief kan omspringen met bestaande (enorme!)

maaltijdbereiding op schilderijen en beelden, speelgoed eet-

collecties, bewijst deze tentoonstelling in de Koninklijke musea

serviesjes, glas en keramiek.

van Brussel. Het is een origineel project, dat de aandacht vestigt op een aantal museumvoorwerpen, dat de geschiedenis vertelt van de eetgewoontes doorheen de eeuwen. Deze gebruiksvoorwerpen, die soms ook echte kunstwerken zijn, kan de bezoeker gaan ontdekken op twee verschillende locaties: het Jubelparkmuseum en het Museum voor Oude Kunst. In de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark wordt een staalkaart gepresenteerd van de oorsprong en de cultuurhistorische evolutie van granen, melk, specerijen, alcohol, suiker en de dranken thee, koffie en chocolade.

Glazen drinkhoorn uit einde 6d'' eeuw (© KMKG Brussel)

Vanuit de Nieuwe Wereld kwamen de aardappel en de aardbei. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van tweehonderd werken

De tentoonstellingen lopen van 16 mei tot 16 september

uit de meest diverse afdelingen van het museum.

2012 in het Jubelparkmuseum, Jubelpark 10 in Brussel en in

In het Museum voor Oude Kunst op de Kunstberg is een

het Museum voor Oude Kunst, Regentschapsstraat 3.

andere methode gebruikt: bij schilderijen die als thema eten en

Dagelijks open van i o u tot 17U. Gesloten op maandag.

drinken hebben, verwijst een sticker naar het opzet. Zo wordt

Bij de toegang is een gratis bezoekersgids inbegrepen.

de bezoeker begeleid vanaf het iS^-eeuwse schilderij van Pieter

Meer info op www.kmkg.be en www.fine-arts-museum.be

Aertsen tot en met het tafelstilleven van Isidore Verheyden uit


> Persbericht

In 1935 bouwde hij samen met zijn vriend en schrijverTheo Op de Beeck de dubbelwoning aan de Steenweg op Mol 64-66 in Turnhout. Dit gebouw is tot op vandaag het icoon voor moder-

'WEG VAN WALBURG'. ZEVEN REYNAERTPANELEN VAN HENRI VERBUECKEN

nistische architectuur in de Kempen. De woning is ondertussen door de Vlaamse Gemeenschap beschermd als monu-

Ö

ment, zowel aan de binnen- als de buitenzijde. De woning

CU

heeft een zakelijke vormgeving en een vernieuwde ruimtelijke

C

In het Reynaertjaar 1973 verwierf de stad Sint-Niklaas zeven

indeling. Het is opgebouwd in een sobere compositie van

merkwaardige doeken met Reynaerttaferelen naar Wilhelm von

kubistische baksteenvolumes met karakteristieke raampartijen

Kaulbach. Ze werden gemaakt ter versiering van een Antwerps

in metalen schrijnwerk die doorlopen over twee bouwlagen.

burgerhuis door meester-decorateur Henri Verbuecken op het

In 1937 wordt Jozef Schellekens benoemd tot provinciaal archi-

einde van de negentiende eeuw in de stijl van de Arts and

tect voor de Provincie Antwerpen, Arrondissement Turnhout.

Crafts Movement. De panelen, die lange tijd in het oud-ge-

In die hoedanigheid ontwerpt hij veel openbare gebouwen

meentehuis van Nieuwkerken hingen, hebben ondertussen een

zoals scholen en gemeentehuizen en leidt hij verschillende

vaste plaats verworven in kasteel Walburg. Tijdens de tentoon-

restauraties in de naoorlogse periode. Hij knoopt aan met de

stelling van de laureaten van de prijs Hulstaert is de tweede

sterke moderne vormentaal voor die tijd. In 1954 ontwerpt hij

verdieping van de Bib de schuilplaats voor deze merkwaardige,

het openluchttheater van het Rivierenhof in Deurneen in 1958

onderbelichte collectie uit het stadspatrimonium. In de expo

het strandgebouw aan de zwemvijver van het zilvermeer in

wordt de relatie tussen woord en beeld vastgelegd, onderzoeken we de iconografische bronnen en verkennen we het eind van de negentiende eeuw. Verbuecken blijkt veel meer dan een kopiist. Hij toont zich een knap tekenaar en voegt Kaulbachs tekeningen op een intelligente manier samen tot boeiende nieuwe composities.

Mol. Naast de ontwerpen voor schoolgebouwen, zoals deze van Oud-Turnhout, Noorderwijk, Weelde, Dessel en vele andere bouwde hij ook de gemeentehuizen voor onder meer Weelde en Varendonk en stond hij ook in voor de restauratie en heropbouw na de oorlog van markante gebouwen zoals de Sint-Dimpnakerk in Ceel en het gemeentehuis van Hoogstraten, naast vele andere.

Openingsuren van 10 juni tot 9 september 2012 di - vr: 10.00 - 19.00 uur za - zo: 09.30 - 12.30 uur gesloten op: 11, 21 juli en 15 augustus Meer info: de Bib, H. Heymanplein 3, 9100 Sint-Niklaas, 03 760 47 60, bib.publiekswerking@sint-niklaas.be, http://bib.sint-niklaas.be

> Persbericht

JOZEF S C H E L L E K E N S PROVINCIAAL ARCHITECT - KUNSTENAAR. TURNHOUT 2 0 1 2 CULTUURSTAD VAN VLAANDEREN Geboren en getogen Turnhoutenaar Jozef (Jef) Schellekens (1909 - 1963) ging als tekenaar in de leer bij toenmalig provinciaal architect Jules Taeymans en kreeg van deze de toelating ondertussen de studies architectuur te volgen aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (1931). Hij was studiegenoot van onder meer Victor Blommaert, Renaat Braem en Leon Stynen en studeerde in de zomer van 1933 af als primus van de klas en won de Prijs De Coster, die enkel werd toegekend aan bijzonder begaafde leerlingen.

Architect Jozef Schellekens (©AIM)

PP 11


It

n..i" .Av.

Ontwerptekeningen dubbelwoning Steenweg op Mol 66 in Turnhout, waarvan 1 deel eigen woning architect Jozef Schellekens (©AIM) Jozef Schellekens won in zijn carrière verschillende architec-

Gezien het belang van de architectuur van de woning en de

tuurprijzen, zoals de Prijs Henri Blomme (1934). In 1935 kreeg

maatschappelijke meerwaarde ervan voor de regio denken

hij de eerste prijs De Keyser en was hij laureaat van de driejaar-

Schellekens en Vanhaut na over een toekomstige publieke of

lijkse prijs van de Koninklijke Maatschappij der Bouwmeesters

semipublieke herbestemming voor de woning. Het is voor

van Antwerpen (KMBA). In 1936 was hij laureaat voor de Prijs

iedereen duidelijk dat er geen enkele overheid staat te trappe-

van Rome. Tijdens zijn loopbaan onderhield hij contacten met

len om de woning van Jozef Schellekens te verwerven, daar-

zijn collega's en vrienden, Stan Leurs, Jozef Muls en René Van

voor is er over hem in het verleden te weinig geschreven en

Steenbergen. Verder was hij een begenadigd schrijver van

dus ook te weinig gekend. Op dat moment wordt al gedacht

onder meer De architectuur in ons landschap en het stedebouw-

aan een mogelijkheid die het leven en werk van Jozef Schelle-

probleem (1941) in opdracht van het Provinciebestuur, dat te

kens, zowel op vlak van architectuur, kunst als literatuur, in

beschouwen is als de voorloper van het structuurplan voor de

beeld zou kunnen brengen om op die manier hulde te brengen

Kempen en in 1949 Turnhout, hoofdstad van de Kempen.

aan zijn maatschappelijke inbreng voor de grotere regio.

Tevens was hij briefwisselend lid van de Société Frangaise des

In 2010 wordt bekend dat Turnhout in 2012 cultuurstad van

Urbanistes en maakte hij kennis met de Franse stedenbouw-

Vlaanderen zal zijn. De familie is van oordeel dat het cultuur-

kundige Gaston Bardet.

jaar in dit ganse project een hefboom zou kunnen zijn en de

Jozef Schellekens was niet alleen architect, maar ook beeldend kunstenaar. Als jongeling ging hij naar de tekenacademie in Turnhout waar hij als laureaat eindigde. Later zal hij ook leraar en directeur worden van de stedelijke academie (1944 - 1945). Bovendien pleitte hij voor samenwerking tussen de beeldende kunsten en de architectuur. Jozef Schellekens overleed vroegtijdig in 1963 tijdens een vakantie aan het Zilvermeer in Mol en liet een enorme culturele erfenis achter. Zijn oeuvre bestaat niet alleen uit schilderkunst, maar ook uit beeldhouwkunst, pentekeningen, glaskunst, hout- en linosneden. Turnhout 2012, de aanleiding In 2001 steken zijn zoon architect hoogleraar Paul Schellekens en zijn neef architect Luc Vanhout de koppen bij elkaar om te onderzoeken of er een toekomstige bestemming kan worden gevonden voor de woning van hun vader en grootvader, die op dat moment nog bewoond wordt door zijn weduwe, mevrouw Mia Van den Bosch (1917 - 2012).

Ontwerpschets van architect Jozef Schellekens voor het openluchttheater Rivierenhof in Deurne (©AIM)


nazaten worden in 2011 bij elkaar geroepen. Alles komt in een stroomversnelling. Het idee wordt geopperd om in 2012 een

Varia

retrospectieve tentoonstelling te organiseren in de daartegen gerenoveerde woning en dit in samenwerking met 'Turnhout 2012'. Het is door toedoen van Prof. Inge Bertels, docente architectuurgeschiedenis van het departement 'Architectoni-

> Madeleine Manderyck

sche Ingenieurswetenschappen & Kunstwetenschappen en Archeologie' van de Vrije Universiteit Brussel dat de studente Francesca Vanschoonbeek - 3e bachelor, bereid werd gevonden een onderzoek te starten naar de architecturale realisaties van Jozef Schellekens binnen het vak '20ste-eeuwse architectuurhistorisch onderzoek'.

VOOR DE EEUWIGHEID? BEWAREN EN NIET BEWAREN VAN ROEREND RELIGIEUS ERFGOED. EXPERTENFORUM CRKC, LEUVEN ABDIJ VAN PARK, 7 JUNI 2012

De renovatiewerken van de woning zijn ondertussen ook vol-

Het Centrum voor religieuze Kunst en Cultuur vzw, gevestigd

op aan de gang en dit in overleg met de Afdeling Onroerend

in de Abdij van Park in Heverlee, erkend expertisecentrum voor

Erfgoed van het Vlaams Gewest. Veel vrijwilligers en bedrijven

religieus erfgoed in Vlaanderen en Brussel organsieerde op

hebben ondertussen hun schouders onder het project gezet.

donderdag 7 juni jl. een tweede expertenforum voor erfgoed-

Daarnaast wordt de retrospectieve tentoonstelling over Jozef

professionals rond het bewaren/niet-bewaren van roerend

Schellekens gelinkt aan de tentoonstelling die zal worden

religieus erfgoed. Het thema sloot aan bij het expertenforum

georganiseerd door de architectuurvereniging Ar-Tur

van november 2011 dat in het teken stond van de waardering

(www.ar-tur.be) over de 'Turnhoutse School', een groep van

en de selectie van roerend religieus erfgoed. Dit jaar was het

architecten uit de golden sixties met Lou Janssen, Paul Neefs

thema het bewaren van religieus erfgoed, hergebruik en deon-

en Rudy Schiltz en waarvan ook Paul Schellekens (zoon van)

tologie. De complexe eigenheid en de sterke symboolwaarde

en Carli Vanhout (schoonzoon van) deel uitmaakten. In feite

van dat erfgoed brengt specifieke problemen mee, vooral bij

kan worden gesteld dat de modernistische architectuur van

herbestemming van de gebouwen waarin het erfgoed zich

Jozef Schellekens in de jaren '30 tot '50, in de regio, de rode

bevindt. In situ bewaren kan soms conflicteren met mede- of

loper heeft gelegd voor de vooruitstrevende architectuur van

hergebruik, maar het onttrekken van de objecten aan hun con-

deze groep van jonge architecten in de jaren '60 en '70.

text kan anderzijds leiden tot betekenisverlies.

De architectuur van de 'Turnhoutse School' (voor het eerst op die manier uitgesproken door architect Renaat Braem) vormt

Het Agentschap Onroerend Erfgoed was gevraagd om het

evenzeer tot op vandaag een icoon voor het modernisme van

wettelijke kader te schetsen waarbinnen roerend erfgoed deel

die periode. Architect Luc Vanhout, kleinzoon van Jozef Schel-

kan uitmaken van een beschermd monument en hoe daar in

lekens en zoon van architect Carli Vanhout geeft vandaag de

de praktijk mee wordt omgegaan. Ondergetekende gaf een

leiding aan het architectenbureau Architects in Motion waar-

toelichting over de wettelijke bescherming van monumenten in

door al meer dan 80 jaar architectuur wordt beoefend in rech-

Vlaanderen en de voordelen en beperkingen die de bescher-

te familiale lijn.

ming met zich mee kan brengen. De basis vormt het Vlaamse monumentendecreet van 3 maart 1976 (met latere wijzigingen), meer bepaald art. 2 geeft de definitie van het begrip monument: "Een monument is een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, dat van algemeen belang is omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeolo-

De tentoonstelling rond Jozef Schellekens start op vrijdag

gische of andere sociaal-culturele waarde met inbegrip van de

31 augustus 2012 en zal vanaf dan te bezichtigen zijn,

cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonder-

iedere woensdag en zondag van 13.00 uur tot 18.00 uur.

heid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen."

De tentoonstelling kan in groep worden bezocht na af-

Deze definitie wordt gehanteerd sinds de decreetwijziging van

spraak via info@architectsinmotion.be of via het telefoon-

8 december 1998, in navolging van de Conventie van Granada

nummer 014 41 32 32 van Architects in Motion in samenwer-

inzake het behoud van het architectonisch erfgoed van Europa

king met Turnhout 2012, cultuurstad van Vlaanderen.

(1985). Deze definitie is ruimer dan het begrip uit het decreet

U vindt de woning aan de Steenweg op Mol 66 in Turnhout.

van 3 maart 1976 umet inbegrip van de roerende goederen, onroe-

De tentoonstelling 'Turnhoutse School' loopt van

rend door bestemming". Dit past in de evolutie van de heden-

24 november 2012 tot 31 januari 2013 in de vernieuwde

daagse erfgoedzorg, waarbij meer aandacht gaat naar "historie

Warande, Warandestraat 42, Turnhout.

complexes", historische ensembles, met de nadruk op de waardeversterkende band tussen onroerend en roerend erfgoed. Vervolgens werd er kort ingegaan op het besluit van de Vlaamse


regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene

•i-H

14

én direct zijn, moet aangetoond in de motivatie van de bescher-

voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monu-

ming. Verwijderen van de cultuurgoederen moet afbreuk doen

menten en stads- en dorpsgezichten, met latere wijzigingen; dit

aan de waarde van het onroerende goed. Zeker niet ólle waarde-

besluit preciseert de rechtsgevolgen van een wettelijke bescher-

volle voorwerpen zijn dus in de bescherming opgenomen!

ming als monument; hoofdstuk IV, art. 6-8 handelt uitsluitend

Voorbeelden uit de praktijk gaven aanleiding tot een aantal

over het interieur van de monumenten en de "cultuurgoede-

overwegingen.

ren". Zo is er de verplichting de cultuurgoederen die integre-

Bij behoud in situ blijft de ensemblewaarde gaaf, het kerkge-

rend deel uitmaken van het monument, in situ te bewaren.

bouw krijgt eigenlijk een museale functie. Maar, beantwoordt

Verplaatsingen, ook voor tentoonstellingen of restauratie kun-

het beheer aan deze hoge norm? Zijn er voldoende sterke part-

nen slechts onder voorwaarden worden toegestaan. Interieur

ners om als een echt erfgoedproject te functioneren? De Sint-

en cultuurgoederen moeten verder in goede staat bewaard

Audomaruskerk in Vinkem en de Sint-Aldegondiskerk in As zijn

worden en gevrijwaard van beschadiging. Ook geeft het besluit

mooie voorbeelden. Ook in het i7de-eeuwse franciscanenkloos-

een opsomming van werkzaamheden aan het interieur die

ter van Tielt, nu hoofdzetel van de Katholieke Charismatische

verboden zijn zonder voorafgaandelijke vergunning. De wette-

Vernieuwing kon het religieuze erfgoed grotendeels ter plaatse

lijke bescherming als monument met inbegrip van interieur en

blijven.

cultuurgoederen is voor de eigenaar een erfdienstbaarheid en

Vaak is er toch een spanningsveld tussen de nieuwe bestem-

een belangrijke inperking van het eigendomsrecht. De overheid

ming en het in situ bewaren. Blijft eigenheid van het interieur

dient er dus uiterst zorgvuldig mee om te gaan. Omwille van de

en van het bijbehorende religieuze patrimonium gevrijwaard

rechtszekerheid en om een uniforme toepassing van deze

en wat met het overaanbod aan objecten? Welke toekomst

bepalingen te garanderen wordt de interne nota Beleidskader

hebben zij? De herbestemming van de parochiekerk van Sint-

cultuurgoederen (juli 2009) gehanteerd: uitgangspunt van de

Jozef in Antwerpen tot een Russisch-Orthodox cultusgebouw

bescherming is het onroerende goed: de 'cultuurgoederen'

confronteert de verantwoordelijken met moeilijke beslissingen.

moeten integrerend deel uitmaken van het monument, moeten

Uitgangspunt is het zo integer mogelijke behoud van het inte-

een onverbreekbare band hebben met de waarden die aan de

rieur rekening houdende met de wensen van de nieuwe gebrui-

grondslag liggen van de bescherming. Die band moet wezenlijk

kers, die zich schikken naar de status als beschermd monument. Maar wat gedaan met het waardevolle en talrijk aanwezige liturgisch vaatwerk en textiel? Van groot belang is te be-

Antwerpen, Sint-Jozefskerk, liturgisch vaatwerk (foto M. Mees)

schikken over een volledige wetenschappelijke inventaris van het roerende erfgoed. Gelukkig neemt de Provincie Antwerpen die taak ter harte en Mare Mees werkt momenteel de inventarisatie verder af; absoluut noodzakelijk is het om daar vakspecialisten bij te betrekken. Zo bijvoorbeeld kon Frieda Sorber nog een waardevol tapijt uit ca. i860 identificeren, unieke getuige van een productie waarvan haast niets bewaard is gebleven. Behoud in situ, misschien moet dat niet altijd strikt op dezelfde plek? Is een groepering van religieus erfgoed in een centrumkerk een denkpiste? Christine Vanthillo signaleerde een initiatief in Bree om religieus erfgoed (vooral gewaden en vaatwerk) van kerken in deelgemeenten om Beek en Cerdingen over te brengen naar de centrumkerk Sint-Michiel in Bree. De waardevolle 17e en i8e-eeuwse objecten kunnen in de kleine kerkjes niet goed bewaard worden. Het Agentschap steunt het initiatief. Bij behoud in situ en niet-religieus hergebruik kan men ook de vraag stellen of de nieuwe gebruiker voldoende voeling heeft met de specifieke betekenis/waarde van het ter plaatse bewaarde religieuze patrimonium. Zo staan in het tot hotel herbestemde klooster Poortacker, aan de Oude Houtlei in Gent, allerlei liturgische objecten verspreid en 'herbestemd' in gangen, restaurant en kamers.

Vooral naar aanleiding van de sluiting van kloosters is er veel roerend erfgoed ex situ bewaard. Het kreeg soms een museale bestemming, belandde in een depot of werd voor hergebruik in een andere kerk overgebracht. Welke band met het onroerende erfgoed blijft er dan nog? Versnippering van het ensemble.


erfgoed. Via de dienst 'vraag en aanbod' wordt kerkelijk erfgoed herbestemd. Zo verhuisde het overbodige interieur van de in 1998 gesloten Tilburgse O.-L.-Vrouw van de Rozenkrans naar de Sint-Martinuskerk in Sint-Oedenrode. Veel religieuze objecten worden naar Oost-Europa gestuurd of naar de voor-

ö

malige kolonies, waar ze 'gerecycleerd' worden, misschien beter dan 'in depot voor de eeuwigheid'? Tot slot sprak Kristien Suenens, KADOC-KULeuven over de teruggavenpolitiek van archieven van internationale religieuze instituten in Vlaanderen/België. Een efficiënte en gewaarborg-

PQ

de archiefzorg en -valorisatie zijn daarbij het doel.

Voor de presentaties zie: http://www.crkc.bi

Antwerpen, Sint-Paulus, objecten uit het Gentse dominicanenklooster (foto M. Manderyck) verlies als collectie zijn het onvermijdelijke gevolg. Dit wordt

> Persbericht

geïllustreerd door het Kapucienessenklooster in de Antwerpse Sint-Rochusstraat, zinvol herbestemd tot campus voor het Instituut voor Tropische Geneeskunde. Die kocht een haast leeg klooster. Wat gebeurde met religieus patrimonium? De zusters spraken einde jaren 1990 het Bisdom aan, het

EEN VERNIEUWDE WEBSITE VOOR DE COMMISION ROYALE DES MONUMENTS, SITES el FOUILLES

CRKC maakte een inventaris en ondersteunde voor een goede herbestemming, zowel in s/'tu als ex situ. Vandaag is de collectie

De Commission royale des Monuments, Sites et Fouiiles (CRMSF)

verspreid en soms moeilijk traceerbaar. Gelukkig ging het

is het orgaan dat de Waalse overheid adviseert betreffende de

waardevolste Franciscaanse patrimonium naar het Museum

bescherming en de conservatie van het erfgoed. Hun web-

van de Minderbroeders in Sint-Truiden, waar het op een waar-

site daterende uit 2002 werd volledig herzien en kreeg een

dige en passende manier bewaard en ontsloten wordt.

nieuwe vormgeving. De site is nu meer interactief. Zo wordt

Soms komt kloosterbezit terecht in een parochiekerk, die een

er aan de bezoeker de mogelijkheid geboden op de hoogte te

religieuze band heeft met de oorspronkelijke instelling.

worden gehouden van specifieke thema's in de actualiteit,

Dat kan een goede oplossing zijn, mits de receptieve instelling

publicaties en CD's te bestellen of zich in te schrijven voor

het bijkomende erfgoedbeheer aankan. Het oude Dominica-

deelname aan activiteiten georganiseerd door de CMRSF.

nenklooster in Gent werd herbestemd tot campus Sint-Lucas. Het CRKC registreerde een groot deel van de collectie. Een aantal Dominicaanse objecten werd aangeboden aan de kerkfabriek van Sint-Paulus in Antwerpen, vroeger ook een kloosterkerk van de Dominicanen; dat de kerk een uitgebouwde schatkamer heeft en traditie in behoud en beheer van erfgoed speelde mee in de beslissing, evenals het feit dat de objecten hun liturgische functie zouden behouden.

De site zelf informeert de bezoeker over de rol en de ontstaansgeschiedenis van de Commissie, van de leden alsook van het secretariaat. Verder bevat de site een rubriek 'Patrimoine', een overzicht over de evolutie in de onroerend erfgoedsector (bouwkundig erfgoed, landschappen en archeologie), een link naar de wetgeving, een voorstelling van de belangrijke actoren en om af te ronden een aantal definities en cijfers.

Verder sprak Jan Klinckaert, directeur van het CRKC over het

Een belangrijk onderdeel van de site vormt het luik 'Centre

(kerk)juridische aspect van het roerende religieus erfgoed met

d'Archives et de Documentation' van de Koninklijke Commissie:

een overzicht van de geldende wetgevingen. Hij ging uiteraard

haar missie, de rol van het Wetenschappellijk Comité, alsook

in op het Vlaamse Eredienstendecreet van 7 mei 2004 en op

tal van praktische informatie met betrekking tot dit centrum.

enkele aspecten van het eigendomsrecht in verband met de

Ten slotte bevat de site een 'bibliotheek', waarbij een overzicht

roerende goederen, eigendom van parochiekerken in relatie tot

gegeven wordt van alle publicaties van het CRMSF.

het begrip 'openbaar domein'. Ook de diverse bepalingen in verband het beheer en behoud van kerkelijke voorwerpen volgens het Canoniek Recht lichtte hij toe. Tim Graas en Richard de Beer van Stichting Kerkelijke Kunst Nederland toonden via een aantal (veelal niette volgen) voorbeelden de grenzen van het hergebruik van roerend religieus

ö •T—I

U kan de site zelf exploreren op www.crmsf.be.

15


"De zoölogie is een bitje den hemel van Antwerpen. Het gaat er allemaal wat trager. Als ge in de zoölogie zijt, dan moet ge nieveranst nie naartoe. Dat is dessentie" uit 'Zoölogie' theateropvoering in 2002 van Marthaltentatief, geschreven door acteur en tekstschrijver Johan Petit


archivalische bronnen vanwege het summiere aanbod. De artikels uit het tijdschrift Zoo en de interviews met (oud-) personeelsleden werden hierdoor noodgedwongen een primaire bron. Bij het uitschrijven van dit artikel werd geopteerd om de onderverdeling van de studie te behouden en per hoofdstuk een samenvatting te geven van de belangrijkste veranderingen op tuin- en bouwhistorisch vlak.

1843-1890: ontstaan en uitbouw De allereerste dierentuinen waren menagerieën. Hier werden in de i7de en i8 de eeuw aan een aristocratisch of koninklijk hof wilde en exotische dieren in een tuin of een park van een paleis in gevangenschap gehouden. Deze dierentuinen waren louter bedoeld om de macht en weelde van het hof te tonen, want levende wilde dieren waren zeldzaam, duur in onderhoud en moeilijk te verkrijgen. Het meest bekende voorbeeld is de voormalige menagerie van Versailles. Tijdens de bouw van het kasteel van Versailles in de v]ie eeuw richtte Lodewijk XIV aan de zuidkant van het park van het paleis een menagerie op. De opzet was cirkelvormig met een paviljoen in het midden. In 1793 verhuisde de menagerie naar de publiek toegankelijke Jordin des Plantes in Parijs. De wandelaar kon daar naast planten nu ook dieren bewonderen. Vanaf de i9 de eeuw evolueerden meer menagerieën naar publiek toegankelijke dierentuinen, waar voornamelijk de burgerij in grote aangelegde (Engelse) tuinen inheemse en exotische dieren in verschillende paviljoentjes kon bewonderen. Naar het voorbeeld van Parijs verschenen in het Europa van de i9 dc eeuw verschillende dierentuinen waaronder The Gardens of Zoological Society in Regent's Park in Londen rond

1817, de Natura Artis Magistra in Amsterdam rond 1837 en de Zoologischer Garten in Berlijn rond 1844 (6). Jan Frans Loos, Antwerps schepen en burgemeester van 1848 tot 1863, bezocht de dierentuin Artis tijdens een zakenreis naar Amsterdam. Tijdens zijn bezoek werd het hem snel duidelijk dat Antwerpen ook een dierentuin moest hebben. Hij vond zijn partner in Jacques Kets, die eigenaar was van een 'kabinet van natuurlijke curiositeiten'. Dit kabinet, gelegen op een gehuurd stadseigendom aan de Kloosterstraat, was al in 1822 of 1824 toegankelijk voor een betalend publiek. Men kon er te midden van een schitterende tuin fazanten, zwanen en eenden bewonderen. In totaal waren er 282 vogelsoorten vertegenwoordigd door 402 opgezette

Het neoclassicistisch museum ontworpen door Auguste De Marbaix en Auguste Lambeau, gebouwd rond 1843-44 «n gesloopt in 1893 (uitGENS, 1861)

.

—

^

•^i^Hfe^«t-~ Êp^*-^

^Jm

Mi [tui .XNN^

M&L

33


exemplaren. Verder bevatte de collectie tropische dieren, schelpen en etnografische voorwerpen. Toen de stad op de gronden die Kets huurde een cavaleriekazerne wilde bouwen, stelde het stadsbestuur van Antwerpen voor om zijn verzameling onder te brengen in een museum in de dierentuin die Loos wilde bouwen (7).

Een 'cabane' voor herten (uitGENS, 1861)

Geschikte gronden met voldoende oppervlakte en mogelijkheid tot uitbreiding voor de exploitatie van een dierentuin waren binnen de stadswallen eenvoudigweg onbestaand. Het lag dus voor de hand dat men voor de bouw van de dierentuin gronden extra muros moest zoeken (8). Op 1 maart 1843 kocht Kets samen met verschillende partners, ondergebracht in de Koninklijke Maatschappij der Dierkunde van Antwerpen (KMDA) (9), een perceel op de gronden genaamd de 'Groenen hoek' buiten de stadwallen (10). Deze eerste aankoop van een hoveniersgrond van 1 ha 59a 40ca met woning toebehorend aan de familie De Coster-Van Gingelen was beslissend voor de Zoo en voor de omgeving (11). Vanaf het begin werd besloten om op dit eerste stuk grond een museum, een woning voor de directeur Kets en een café te bouwen. Zo werd in 1843-1844 gestart met de bouw van een neoclassicistisch

museum, dat gesloopt werd in 1893. Links en rechts daarvan kwamen twee vierkante paviljoentjes. Het neoclassicistisch apenpaleis links werd in 1881 afgebroken. Het koffiehuis in de vorm van een Javaanse plantershut, dat de KMDA zelf een café provisoir noemde, verdween in 1861. De directeurswoning, binnen de tuin opgetrokken als een Zwitserse chalet omringd met naaldbomen, werd afgebroken in 1894. De ingang was in de Carnotstraat. Hier gaven twee vierkante gebouwtjes toegang tot een smalle weg naar de dierentuin (12). Uit het KM D A-archief werd duidelijk dat de Maatschappij vanaf het ontstaan meer aandacht besteedde aan de constructie van de gebouwen dan aan de aanleg van de tuin. Voor het ontwerp van haar gebouwen stelde ze steeds een huisarchitect aan. Ingenieur Auguste De Marbaix (13) en daarna samen met architect Auguste Lambeau (14) waren de ontwerpers van de allereerste gebouwen. Om inspiratie op te doen voor de dierenverblijven en tuinornamenten bezochten Kets en Lambeau in 1844 de dierentuin van Amsterdam. De eerste jaren werden de dieren voornamelijk ondergebracht in verschillende kleine houten dierenkoten of cabanes. De berenkuil uit 1848, afgebroken in 1887, was hier een uitzondering op en was opgetrokken uit rotsen en traliewerk naar het ontwerp van de aannemer Sterling (15). Terwijl de Maatschappij de eerste gebouwen op het terrein inplantte, werd ook de tuin aangelegd. Architect E. van Cuyck werd aangesproken om een ontwerp te maken voor een Engelse tuin, waarvan het grondplan telkens mee kon evolueren met de aankoop van nieuwe terreinen (16). De KMDA koos voor een tuin met grote golvende grasperken, een gevarieerd patroon van slingerende wandelwegen en waterpartijen, een boeiende afwisseling van gegroepeerde beplanting, tuinornamenten met exotische inslag en, onder de invloed van de romantiek, ook enkele ruïnes, tempels en andere oude materialen. Het ontwerp van Van Cuyck voor het eerste aangekochte perceel werd uitgevoerd door het personeel van de Maatschappij. Deze startte met de aankoop van graszaad, een Japanse spirea, verschillende iepen, platanen, gewone robinia's, kastanjebomen en heel veel rozelaars.


Bomen, planten en bloemen werden in Vilvoorde, Wilrijk, Borgerhout en Burcht gekocht. De wandelwegen werden van in het begin met kiezeltjes bedekt. Toch veranderden deze bij regen al snel in modderpoelen. Deze toestand werd niet lang geduld, want al in 1849 liet de Maatschappij 32 ton van een ander soort kiezel aanvoeren, die in de scheepsruimten als ballast werd gebruikt. Dertig jaar later was men aan nieuwe kiezel toe en deed men beroep op porfier uit de steengroeven van Quenast (17).

eerste jaren geregeld de tuin, waarvoor ze ook extra werden betaald (19). Tussen 1843 en 1855 was het terrein van de dierentuin na een viertal aankopen zo goed als gevormd. Het oppervlak werd hierdoor zodanig groot dat de Maatschappij de aanleg en het onderhoud ervan overliet aan 'professionelen'. Vanaf 1852 deed men beroep op de firma Spoormans voor het onderhoud van de tuin (20). In dit jaar werden ook de eerste vijvers naar landschappelijk model aangelegd (21). De eerste waterpartij bevond zich in de noordelijke hoek, waar zich nu de Vlaamse tuin voor de melkerij uitstrekt. De aanvoer van water voor zowel de vijvers, de bekkens als de drinkvoorziening voor de dieren gebeurde door het graven van artesische putten, nadat gebleken was dat het grondwater de vijvers onvoldoende zuiver hield. In 1852 zorgde ingenieur Wood van de spoorwegen voor een aansluiting vanuit het station. Toen drie jaar later bleek dat het spoorwegpersoneel een scheikundig product bij het water mengde om verkalking tegen te gaan, kon de Zoo er niet langer gebruik van maken en stapte men terug over op het systeem van putwater. De KM DA sloot daarenboven aan op het stedelijk net dat verbonden was met de

De eerste jaren waren J. Wambecq en daarna J.J. Hoefkens en GJ. Van den Nest verantwoordelijk voor de inrichting van de tuin (18). Elk op zijn beurt onderhield de bestaande tuin, legde de nieuwe stukken tuin aan en kocht kiezels voor de wandelwegen, planten en versieringen voor de decoratie van de tuin aan naar het ontwerp van Van Cuyck. Ook directeur Kets was van het begin af aan heel betrokken bij de aanleg van de tuin. Zo vervoerde hij zelf verschillende bloemen, kocht heesters en plantte hij bloemen in de tuin. Kets had duidelijk een voorkeur voor fuchsia's, dahlia's, sneeuwwitjes en hortensia's. Ook zijn opvolger van 1865 tot 1888, zijn neef Jacques Vekemans, richtte zelf een gedeelte van de tuin in. Beiden onderhielden in de

Dit grondplan van de dierentuin uit 1861 geeft waarheidsgetrouw de aanleg van de tuin en de inplanting van de dierenverblijven weer. De aankopen van de

ZOOL 0 Gil BANVIRS

gronden aan de hand van kadastrale gegevens werden gedateerd en op het grondplan aangeduid om aan te tonen hoe de aanleg van de tuin in landschappelijke stijl telkens werd uitgebreid (M.jaenen )

f

> .<

1VI&LI 35


Het Moors geïnspireerd koffiehuis met oranjerie, ontwerp van Charles Servais, gebouwd in 1853 en afgebroken in 1900 (KMDA-beeldbank)


Herentalse Vaart. Nog vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was de Maatschappij op voorstel van de Antwerp Waterworks opnieuw aangesloten op het net van de Ploegstraat en de Provinciestraat (22). In 1850 werd een opmerkelijk aantal dieren aangekocht, wat natuurlijk gepaard ging met de bouw van nieuwe dierenverblijven. De eerste jaren bleven deze nog erg bescheiden qua omvang en architectuur. Na het overlijden van De Marbaix en het vertrek van Lambeau, die in 1850 zijn ontslag gaf om naar het buitenland te gaan, kwam architect Charles Servais (23) vanaf 1853 officieel in dienst van de Maatschappij (24). Servais zal in de dierentuin het exotisme gebruiken naar Angelsaksisch voorbeeld, dat tijdens de tweede helft van de i8dl" eeuw ook in andere Europese dierentuinen veel succes kende. De dierentuin was een uitgelezen plaats om Indische, Perzische, Egyptische en Moorse stijlen te hanteren, waarbij de exotische

sfeer van verre landen verwees naar de herkomst van de dieren (25). Servais' eerste ontwerp was het nieuwe Moors geïnspireerd koffiehuis. Vlak ernaast ontwierp hij een oranjerie in dezelfde stijl. Beide werden afgebroken in 1900. In 1854 tekende Servais de plannen voor de bekende Egyptische tempel en voor de roofvogelkooien. De KM DA had even bedenktijd nodig om deze ontwerpen goed te keuren, al duurde dit niet heel te lang, vermits de werken van start gingen in 1856 (26). Voor de constructie van de gebouwen deed men de eerste tien jaar meestal beroep op dezelfde vaklieden. Servais bleef verder werken met de werkmannen, waar Lambeau de allereerste jaren op beroep deed. J. Vriendts vervaardigde, naar ontwerp van Lambeau en Servais, in de beginjaren telkens het traliewerk van de dierenkooien (27). Het gebruik van kooien ter beveiliging van mens en dier zal gedurende de i9 de eeuw voor elk dierenverblijf standaard gebruikt worden.

Het derde en finale ontwerp van Charles Servais voor het berenverblijf. Het traliewerk is hier heel decoratief in de vorm van 'kermistenten' opgevat, gebouwd in 1890 en afgebroken rond 1967 ( K M D A-plannenarchief)

M&L I 37


verblijven stond gewoonlijk bol om de indruk te geven van een grotere ruimte (28).

De buitenkooien van het berenverblijf van Charles Servais, gebouwd in 1853 en afgebroken in 1900 (KMDA-beeldbank)

Servais's bouwplan voor het struisvogelverblijf uit 1871. Het ontwerp toont de indeling en opbouw van de binnenkooien. In 1895 zal Emile Thielens dit gebouw steen per steen laten afbreken en heropbouwen met dezelfde materialen in de vorm van een langwerpig gebouw voor okapi's (KM DA-plannenarchief)

38

IA/IL

De kooien voor de roofdieren en apen werden reeds in de 18^ eeuw ontworpen met een dubbel systeem. Vanaf 1856 werd het toenmalig hypermoderne Bessemer-procedé, dat de fabricatie van staal toeliet, gebruikt. Naar het voorbeeld van het apengebouw in dejardin des Plantes in Parijs, konden de bezoekers in Antwerpen in de winter de dieren langs de binnenzijde van het gebouw bekijken en in de zomer langs de open kooien wandelen, die voldoende hoog waren opgetrokken om de dieren optimaal te kunnen observeren. De kooien van de dieren, die warmte nodig hadden, werden naar het zuiden georiënteerd. Het traliewerk van de dieren-

Een plattegrond van de dierentuin uit 1861 (29) toont een eenheid in aanleg met verschillende perken die als puzzelstukken in elkaar passen en wandelpaden met een gelijke breedte. De grote vijvers waren deels of volledig afgeboord met rotsen of gras. De grasperken waren vrij open en golvend aangelegd met her en der enkele bomen. De beplanting van het merendeel van de bomen, planten en bloemen was gecentraliseerd in de hoeken van de perken en rond de dierenverblijven. Ondertussen werden door Charles Servais meer en meer grote dierenverblijven ontworpen in exotische stijl, zoals het Indisch Paleis van 1865 (verwoest tijdens WO II) en het Moors geïnspireerd struisvogelgebouw uit 1871, dat in 1895 door Emile Thielens verbouwd werd tot okapigebouw (30). In het kader van de tuin in landschappelijke stijl en in navolging van andere dierentuinen werd in 1877-78 door Charles Servais een romantisch ruïne-


De ingangen van het leeuwenpaleis werd geflankeerd door twee grote leeuwenbeelden van Alphonse Van Beurden. Momenteel staan de vier monumentale leeuwen aan de ingang van de Zoo. Links op de foto zijn de kooien van de kleine roofdieren (verz. H . Behets)

Voor het ontwerp van het nijlpaardencomplex, landschap met rotsen en pseudo-ruïnes van een gebouwd in 1886 en verbouwd in 1952 en 2002, aquaduct aangelegd door de Antwerpse rotsmakers (rocailleurs) Segard-Dupas, als verblijf voor moeflons, keerde Servais terug naar het exotisme en past een neo-Babylonische stijl toe (32). Daarna volgden nog Noord-Afrikaanse schapen en yaks. Dit verdween in enkele dierenverblijven, waar vandaag nog enkele 1909. De hele constructie was opgebouwd met hydraulisch cement van de firma Alexandre Dapsens sporen aanwezig zijn: de varkenskoten en pauwenuit Doornik (31). Naar het voorbeeld van de Berlijnse volière uit 1861, meermaals verbouwd tot 1991; het waaiervormig gebouw voor antilopen uit 1872, dierentuin (1870-1871) werd in 1876 een roofverbouwd in 1958; de eendenvolière uit 1876, dierenverblij f gebouwd, dat afgebroken werd rond verbouwd tot Vriesland in 1997; de volière met 1966. Het imposante gebouw werd door Charles rotonde uit 1878, verbouwd in 1961 en ten slotte het Servais ontworpen als een leeuwenpaleis. landelijke alpacaverblijf uit 1886, door Thielens De gekende exotische stijl van Servais' gebouwen naar ontwerp van Servais uitgebreid in 1900. was hier duidelijk niet op zijn plaats. Een gezicht op de voorgevel van

i H

het leeuwenpaleis, gebouwd in

•ti;

1876 en afgebroken rond 1966 (KMDA-beeldbank)

^ i r^Si^ V

fif.

ÊÊÊ Èk lib

^r^u: . ;

:

^

• up.

IVI&L I 39


bloemenkorven waarop vanuit verschillende invalshoeken overvloedig daglicht viel (33).

Het interieur van het leeuwenpaleis was zoals de meeste dierenverblijven ingericht volgens het i9de-eeuws museoiogisch concept. Waar in de musea de ovale banken de verwarmingselementen camoufleerden, dienden ze hier als plantenbak (KMDA-beeldbank)

De meeste dierenverblijven werden volgens het i9de-eeuws museologisch concept ontworpen zodat zowel de binnen- als de buitenkooien voor het publiek toegankelijk waren. Net als in de musea werd de binnenruimte zenithaal verlicht en de ovale banken centraal in de ruimte geplaatst. In de musea verbergen de banken de radiatoren, in de dierenverblijven werden de radiatoren vervangen door plantenbakken, want naast het tentoonstellen van exotische dieren presenteerde men er ook exotische planten. Voor iedere binnenkooi hingen weelderige

Op 4 mei 1880 tekende de Maatschappij een overeenkomst met de Société Anonyme du Panorama Anversois, geleid door Armand Auger jr. De KMDA zou dit domein aan de Ploegstraat, aan de achterzijde van de dierentuin, verwerven van de familie Le Clef. Na een termijn van 25 jaar zou deze grond samen met de op te richten panoramarotonde eigendom van de Maatschappij worden. De belangrijkste aandeelhouder van het panoramagenootschap was Charles Servais. Vanzelfsprekend zou hij dan ook de panoramarotonde ontwerpen. Hij creëerde een bouwwerk in Indisch-Moorse stijl. Alfred Cluysenaar (1837-1902) schilderde het panorama van de Slag van Worth, een cruciale episode uit de Frans-Pruisische oorlog, uitgevochten op 6 augustus 1870. Na 25 jaar werd het gebouw afgebroken om plaats te maken voor het aquarium en reptielenverblijf (34). Naarmate er meer en meer dierenverblijven werden toegevoegd, verkoos de KMDA de meeste dierenverblijven zoveel mogelijk aan de periferie op te trekken, om de grote middenstukken te vrijwaren.

De zuidwestelijke hoek deed rond 1900 dienst als speelplein voor kinderen. Op de achtergrond staat de panoramarotonde met ervoor de eendenvolière, beide naar ontwerp van Charles Servais. Deze volière zal door Emile Thielens bi) de verbouwing van de zuidwestelijke hoek heropgebouwd worden naast het aquarium. Tussen 1995-1997 werd de volière verbouwd tot Vriesland {verz. H. Behets)

AllVerS - Jardin ZoolOgiqUe. - Plaiae des jeux d'eniants.

40 I M

L


In 1876 was de periferie al volgebouwd. Bij de inplanting en constructie van deze nieuwe dierenverblijven moest de aanleg van de tuin steeds aangepast worden. In de i9 de eeuw werd het concept van de Engelse tuin redelijk goed bewaard, hoewel bij elke heraanleg natuurlijk bomen gerooid en/of verplant, vijvers aangepast en wegen verplaatst werden. De problematiek rond het toenmalig houten stationsgebouw ontstond in de tweede helft van de ig 06 eeuw (35). Om het houten station te 'camoufleren' werd een bescheiden heuveltje gecreëerd met daarop een standbeeld. In het najaar van 1886 groeide de eerste beroering rond de plannen voor de heraanleg van de spoorweg en de bouw van een nieuw station. Servais keerde zich in 1886 tegen bepaalde ontwerpen die schadelijk konden zijn voor de evolutie van de dierentuin. Ondanks veel tegenkanting was het in de winter van 1887-88 duidelijk dat een tracé op een verhoogde bedding langs de Pelikaanstraat zou worden aangelegd en een groot stationsgebouw 40m hoog de tuin aan de westelijke zijde zou overschaduwen (36).

1890-1914: tijden van hoogconjunctuur Na de dood van Charles Servais in 1892 werd Emile Thielens (37) de nieuwe huisarchitect. Zijn eerste opdracht was een klassiek opgebouwd dierenverblijf voor exotische vogels. Het rijkelijk versierd interieur werd uitgevoerd door decorateur Henri Verbuecken, met wie Thielens in de toekomst nog zal samenwerken. Thielens zal het exotisme van Servais niet verderzetten, maar met heel veel respect in stand houden. Zo zal hij het struisvogelverblijf van Servais uit 1871 in 1895 afbreken om het in dezelfde stijl en met dezelfde materialen naar een aangepast ontwerp herop te bouwen als okapigebouw (38). Rond 1894 wilde de Antwerpse Zoo ook een culturele instelling zijn, maar een passende infrastructuur ontbrak tot dan toe. Het aankopen van gronden binnen het bouwblok en het optrekken van dierenverblijven hadden terecht voorrang gekregen, maar de hoogconjunctuur van het ƒ n de siècle liet eindelijk nieuwe investeerders toe en gaf de KM DA nieuwe vooruitzichten. Thielens kreeg de opdracht om een feestzaalcomplex te ontwerpen op

de plaats van het voormalige museum naast het apenpaleis. De Maatschappij beschouwde de feestzaal als een sociëteitsgebouw dat uitsluitend bestemd was voor de leden: bijgevolg moest het een privé karakter hebben en liefst niet direct aan de openbare weg palen. Logischerwijze werd de gevel naar de tuin opgericht en niet naar het toenmalige Statieplein, nu het Koningin Astridplein (39). Thielens ontwierp een complex bestaande uit een feestzaal, een promenoir (Marmeren Zaal), restaurant, café, biljartzaal, het trappenhuis (Karel Verlatzaal), een museum, een leeszaal en een wintertuin. De aankleding van het interieur was van de hand van de gekende decorateurs Henri Verbuecken, Alban Chambon en Georges Hobé (40).

De voorgevel van het feestzaalcomplex rond 1935 (verz. H . Behets)

Met de bouw van het station en de aanleg van het Koningin Astridplein kreeg de Maatschappij na 25 jaar eindelijk de mogelijkheid om een waardevolle voorgevel en ingang te creëren. In 1899 ontwierp Thielens aansluitend op het feestzaalcomplex een administratiegebouw, een nieuw restaurant Poon Royal en twee ingangspaviljoentjes aan het Koningin Astridplein. Het administratiegebouw en de twee ingangspaviljoentjes werden bekroond met een beeldhouwwerk van Josué Dupon (1864-1935). Aangezien het Moorse koffiehuis verdween voor de creatie van de nieuwe ingang, ontwierp Thielens een nieuw restaurant in een neo-Lodewijk XVI-stijl. Vier jaar later werd de gevel aan het Koningin Astridplein uitgebreid met een « projet pour la construction d'une entree spéciale a la grande salie; habitation du directeur et 4 maisons boutiques ». Deze gebouwen huisvesten vandaag het Diamantmuseum (41). Na 1905 had de KMDA recht op de grond van de familie Le Clef, waar gedurende 25 jaar het Panorama van Wörth had gestaan. De KMDA verkocht het schilderij van Alfred Cluysenaar en

M & L I 41


Ontwerp van Emile Thielens voor de zuidwestelijke hoek, 1908. Het reptielenverblijf in de Romeinse tempel op de rotsstructuur van het aquarium sluit aan bij het panoramapark (KM DA plannenarchief)

De ingrijpende werken in de tuin voor de bouw van het aquarium en reptielenverblijf (KMDA-beeldbankj

brak het gebouw af, want ze had grootse plannen met de zuidwestelijke hoek van de tuin. Na meer dan 30 jaar wachten op een aquarium en reptielengebouw tekende Thielens in 1909 de plannen voor de modernisering van de zuidwestelijke hoek. Voor de heraanleg werd de hele hoek met de grond gelijk gemaakt. De gigantische spoorweghal van het station werd aanzien als een visueel obstakel. Er werd beslist om deze zoveel mogelijk aan het oog van de bezoeker te onttrekken. De constructie van een nieuw kunstmatig panoramapark werd als oplossing vooropgesteld. Thielens ontwierp het panoramapark naar de inzichten van Carl Hagenbeck (42) om dieren te plaatsen in een landschap, dat hun oorspronkelijke biotoop opriep. Thielens gebruikte het nieuwe Hennebiquesysteem (gewapend beton) om in de hoogte te werken, om zo meer oppervlakte te winnen voor zowel dierenverblijven als dienstruimten. Een wandelweg leidde de bezoeker de berg op over een brug en terug naar beneden. De binnenkooien van de dieren werden in de verdiepingen onder-

gebracht onder de omhooggaande wandelweg. Vanop de brug had de bezoeker een fantastisch uitzicht op de dierentuin en de onderliggende dierenverblijven. Om de biotoop van de dieren na te bootsen werd de gevel helemaal met similirots bekleed, waardoor de dieren in grotten leken te leven. Het ontwerp van dit rotsengeheel was van P. Jaquet, architecte paysagiste uit Brussel. De "travaux de rockers et rustiques" werden uitgevoerd door F. Dumilieu, een rocailleur uit Brussel gespecialiseerd in "decoration pittoresque de pares et jardins" (43). Jacquet maakte een plan en tekening van de rotswand van het aquarium en voorzag beplanting tussen de rotspartijen (44). Voor de gevel van het aquarium en reptielengebouw koos Thielens voor een Romeinse tempel op een rots. De voorgevel langs de dierentuin bestond uit twee bouwlagen, waarvan er eigenlijk maar één te zien was, namelijk de tempel. Ter hoogte van de rotswand werd het aquarium geïntegreerd en de tempel was bestemd voor de reptielen. Samen met de bouwplannen voor de nieuwe dierenverblijven ontwierp Thielens ook het landschappelijke aspect van de zuidwestelijke hoek (45).Verder was hij als huisarchitect ook verantwoordelijk voor het ontwerp van het hertenverblijf, gebouwd vóór 1900 en aangepast in 1991; het flamingorestaurant uit 1893, vernieuwd in 1983; het langwerpig verblijf van de Kongopauwen uit 1898; de melkerij uiti898, omgebouwd tot planetarium in 1971 en tot leslokalen in 1989; het makigebouw uit 1901 en het runderengebouw uit 1909 (46). In 1910 was de dierentuin uitgebouwd met nieuwe en grote constructies, maar de tuin had hieronder geleden. Na tien jaar landschappelijke versnippering werd de tuin opnieuw gehomogeniseerd. De wandelwegen waren breed en vrij recht getrokken, keurig afgewerkt met ijzeren boogjes.

42 I M

L


9 9

Langs de wandelpaden was er een lage begroeiing van gras of bloemen. Er werden sierperken aangelegd waar bloemen in eenvoudige patronen aangeplant waren. De bomen kregen de ruimte om hun kruin volledig te laten ontplooien. Er waren veel open graspartijen, waardoor er verschillende zichten op andere delen van de tuin en gebouwen gecreëerd werden. De tuin en beplanting werden zodanig ingericht dat er bepaalde doorzichten ontstonden: zo

kon bijvoorbeeld de bezoeker van het runderengebouw naar het feestzaalcomplex kijken. De vijvers dienden als rustpunt in de tuin en tegelijkertijd als verblijfplaats van verschillende vogelsoorten. De dierenperken zelfwaren heel sober en hadden weinig beplanting, enkel gras, rotspartijen en palmbomen. Ze waren meestal van de wandelwegen gescheiden door hoog traliewerk met daar rond vaak nog een balustrade om de bezoekers op afstand te Ontwerp van Emile Thielens voor het kangoeroeverblijf met afsluJtJngsmuur langs de Ommeganckstraat, 1898. Nu huisvesten er de _jr|

Kongopauwen

-

(KM D A-plannenarchief)

• !••

Cuft fv* o s

Co^r» >^CI>

Tv«a

«ÜKHIK!

t^-J TKwBe Ror^-il

il II II

II II I

IIII

Min

I II I

*—

Tl rRT MwUi

TVI&L

43


Prentbriefkaart met doorzicht van het runderengebouw naar het feestzalencomplex, rond 1910 (verz. H. Behets)

moest incasseren. Het roofdierengebouw, de volière en het verblijf van de struisvogels werden zwaar getroffen (48). Na de Eerste Wereldoorlog was één van de dringendste taken het opbouwen van een nieuw dierenbestand. Budgettair stond de Maatschappij niet sterk, maar de Zoo kon rekenen op de steun van het Belgisch Koloniale Bestuur en andere dierentuinen schonken dieren aan de Zoo. Verder was er niet veel ruimte voor nieuwe investeringen (49). Toch startte de KMDA rond 1935 met de modernisering van de dierentuin. De echte vernieuwing zal pas van start gaan na de Tweede Wereldoorlog, met directeur Walter van den Bergh en architect René Grosemans.

Prentbriefkaart met doorzicht naar de volière, rond 1900 (verz. H. Behets)

44 I M

L

De modernisering tijdens het interbellum was vooral gericht op de aanleg van bloemen en planten in de tuin en het creëren van een nieuw natuurlijk park met zo weinig mogelijk traliewerk. De tuin kreeg extra aandacht omdat deze na de oorlog het snelst te herstellen was. De toenmalige hoofdhouden, niet alleen voor hun eigen veiligheid, maar hovenier was Florent Block, die voor l'urbanisation ook voor die van de dieren. Zo konden de bezoekers zoologique zorgde. Hij volgde zijn vader Louis Block ze niet meer voederen, aanraken of eventueel op. Samen met zijn team creëerde hij met een groot 'mishandelen', want blijkbaar werden sommige aantal roze en rode geraniums en begonia's een dieren geslagen met wandelstokken en werden er pluimen uit de steerten der struisvogels getrokken (47). park vol bloemenweelde (50). In deze periode werden de speciale florale hoekjes in de tuin 1914-1945: de dierentuin wordt getroffen heraangelegd. In de richting van de Egyptische tempel, ter hoogte van de roofvogelkooien en het vogelpaleis, werd de i9de-eeuwse 'exotische hoek' Begin september 1914 verscheen de eerste Duitse geherwaardeerd. Een beetje verder werd de zeppelin boven Antwerpen. De directie wachtte niet om passende maatregelen te treffen voor het oorlogs- 'Mexicaanse tuin' en de 'Alpine tuin' heraangelegd. Er kwamen nieuwe decoratieve composities aan het gevaar. De roofdieren werden deels in de kelders van Indisch paleis en langsheen de volière voor de hun verblijven ondergebracht en deels in de dienststeltlopers. Hier werd er een "concours regional gebouwen, die door hun betonnen constructie beter d'ingénieux mariages de bégonias, d'agérates, de beschutting boden. De gevaarlijke dieren zoals centaures candides" aangelegd (51). In 1935-37 werd panters, tijgers, leeuwen, beren, een jaguar, een wolf de kleine vijver voor de melkerij gedempt om plaats en gifslangen werden neergeschoten. De uitdunning te maken voor een aangelegde 'Vlaamse tuin' in een van het dierenbestand gebeurde trapsgewijs. Op het stijl die bij de melkerij aansloot. In tegenstelling tot einde van de oorlog voelde de Maatschappij zich de andere tuintjes, had deze Vlaamse tuin een verplicht buffels, antilopen en andere herkauwers uit functioneel karakter omdat er ook in geteeld werd te schakelen en het vlees aan de beenhouwers in de (52). stad te verkopen. Het houden van de dieren was door de hoge prijs van het voeder niet langer te verantwoorden. Verder werd de feestzaal ingericht In het kader van de inzichten van Carl Hagenbeck als ziekenverblijf. In 1917 was het station opnieuw werd het traliewerk waar mogelijk systematisch een doelwit waardoor de dierentuin zes bommen verwijderd. Verder verdween rond 1936 ook het


Het buitenverblijf van de olifanten werd in het interbellum aangepast aan de inzichten van Carl Hagenbeck (KMDA-beeldbank)

traliewerk rond de buitenperken van de olifanten en de nijlpaarden. Een jaar vroeger was al besloten om de grote vogelkooi voor het runderengebouw af te breken (53). Op de fundering hiervan werden naar ontwerp van de nieuwe huisarchitect Emiel Van Averbeke, twee aparte dierenverblijven met het uitzicht van een blokhut voor watutsirunderen en bizons gebouwd (54). In de dierentuin zorgde men niet alleen voor ontspanning voor volwassenen, maar ook voor kinderen. In 1880 konden de kinderen op enkele dieren rondritjes maken, in 1887 kwam er een speeltuin en in 1939 een Baby-Zoo. Deze laatste situeerde zich op de grond van enkele afgebroken huizen langs de Ommeganckstraat achter de roofvogelkooien (55). In 1940 viel het Duitse leger België opnieuw binnen. Het scenario uit de Eerste Wereldoorlog herhaalde zich. Onmiddellijk na het uitbreken van het conflict werden 31 roofdieren neergeschoten. Op het einde van de oorlog kwam er een vliegende bom op de tuin terecht die veel schade toebracht aan het aquarium, het reptielen- en vogelgebouw. Verder troffen 16 bommen in 1944 naast de al genoemde verblijven ook het nijlpaardengebouw, de wintertuin en het museum. Alsof dat nog niet volstond nam de verzetsgroep De Witte Brigade vanaf 4 september 1944 voor twee maand haar intrek in de Zoo. Bij gebrek aan voldoende plaats werd een aantal mensen, verdacht van collaboratie, door het verzet in de lege leeuwenkooien opgesloten. Op 17 november 1944 was het de beurt aan de Britten om bezit te nemen van de dierentuin. Rond de kiosk verrezen barakken voor de soldaten en de feestzaal met de marmeren zaal werden ingericht als dancing (56) De Tweede Wereldoorlog zorgde voor heel wat meer schade aan de dierentuin dan de eerste. De verschillende bominslagen hadden er voor gezorgd dat er geen enkele ruit heel bleef (57). De meeste gebouwen leden algemene schade, maar het antilopengebouw en het leeuwenpaleis waren er erg aan toe. Ze werden in de komende jaren dan ook afgebroken om plaats te maken voor nieuwe moderne dierenverblijven. De KMDA vroeg een schadevergoeding aan voor de gebouwen, maar niet voor de beplanting of heraanleg van de tuin.

Het veilig onderbrengen van de dieren en de voortgang van het culturele leven van de Maatschappij was prioritair (58).

Tijdens WOU had het Indisch paleis voor antilopen ernstige schade opgelopen en werd noodgedwongen afgebroken (KMDA-beeldbank)

1945 tot nu: bouwen aan een modelzoo Het einde van de Tweede Wereldoorlog betekende voor de Zoo van Antwerpen een nieuw begin. De Maatschappij startte de heropbouw met een nieuwe directeur, Walter van den Bergh, en met diens nieuwe visie. In het begin van zijn ambtstermijn bezocht hij de dierentuinen van Vincennes, Bazel, Zurich, Londen, Whipsnade, Rotterdam, Amsterdam, Kopenhagen en Stockholm, om inspiratie op te doen voor de wederopbouw van de dierentuin in Antwerpen. Samen met de Raad van Bestuur kwam hij tot enkele conclusies. De nieuwe visie en het toekomstig uitzicht van de Zoo werden aan het publiek voorgesteld in het tijdschrift Zoo van juni 1948 (59). Er kwam een algemeen verbouwingsplan met werkprogramma, dat een geleidelijke en volledige modernisering van de dierentuin inhield. De nog bruikbare bestaande constructies werden geheel of gedeeltelijk ingeschakeld in dit nieuwe plan. De richtpunten van het plan betroffen vooral het meer rationeel aanwenden van het terrein, de reorganisatie van alle

M L

45


diensten en de wetenschappelijk en culturele uitbouw. In de dierentuin werden drie nauwkeurig vastgelegde typen van dierenverblijven voorzien, om in verhouding tot de oppervlakte veel verschillende dieren te kunnen exposeren:

f type: dierenverblijven met landelijk uitzicht moeten worden gelegen in het centrale gedeelte van de tuin. Door hun architectuur en hun botanisch karakter zouden zij de algemene tuinaanleg niet storend beïnvloeden".

"f type: zoals het bestaande runderengebouw Daar dergelijke verblijven uit hun aard zeer volumineus zijn en storend in het tuinbeeld werken, zullen ze bij voorkeur aan de rand van de tuin tot stand komen. De gebouwen voor de verzamelingen antilopen en hertachtigen zullen langsheen de Ommeganckstraat worden opgericht.

De oriëntatie van de gebouwen werd een belangrijke factor. De ruimte voor de dieren werd ingericht om hun activiteit te stimuleren, zodat de bezoeker hun leefgewoonten beter kon observeren. De diensten werden gereorganiseerd zodat de Zoo optimaal kon functioneren. Ze werden in één grote ruimte onder het groot panoramapark gecentraliseerd en op die manier aan het oog van de bezoeker onttrokken. Aansluitend kwam er een modern laboratorium met een donkere kamer, apotheek, bureau voor de veearts en observatiekamer. Verder voorzag men quarantaine hokken voor kleine en voor grote dieren, een slachtkamer, een lokaal voor autopsie, grote en kleine koelkasten voor vis en groenten, een economaat en een centrale keuken. Op die manier werd het terrein optimaal benut voor het welzijn van de dieren. Op het gebied van de gevulgariseerde wetenschap

2' type: zoals het groot panoramapark Er moesten parken voorkomen die door nivelleringswerken aan de bezoeker de illusie geven, dat de dieren over meer vrijheid beschikken en waarvan de hokken door rotsen aan het oog van de bezoekers worden onttrokken. Deze schijnbare holen zouden in werkelijkheid moderne nachtverblijven zijn, die aan alle eisen beantwoorden, die hygiëne en individuele verzorging stellen. Volgens dit type hoopte de KMDA het leeuwenpaleis, het nijlpaardengebouw en de Egyptische tempel te kunnen ombouwen.

Het ni)lpaardengebouw werd rond 1952 grondig gerenoveerd en bekleed met kunstrots (KMDA-beeldbank)

46 I M

L


werden schoolbezoeken aangemoedigd en kreeg het lerarenkorps documentatie op voorhand, om de bezoeken te kunnen voorbereiden, toelichten en later in de school verder uitdiepen. De wereldoorlog zorgde niet alleen voor beschadigde gebouwen, maar ook voor een heel beperkt dierenbestand. Het was belangrijk om zo snel mogelijk het maximale uit de tuinaanleg te halen om dit 'dieptepunt' te camoufleren en te compenseren. Zoals voor de dierenverblijven, de culturele en wetenschappelijke uitbouw van de Zoo, had Walter van den Bergh ook een duidelijke visie voor de tuin. Hij benadrukte het behoud van de doorzichten, het kort houden van het struikgewas, het aanleggen van sierperken en een vernieuwende creatie aan de ingang. Volgens de traditie waakte hij er ook over dat er telkens verzorgde planten in de dierenverblijven aanwezig waren. Van den Bergh zocht zelf naar andere kiezeltjes voor de wandelwegen, namelijk kleine ronde kiezeltjes, die zowel mens als dier geen pijn konden doen. De toenmalige hoofdhovenier L. Vlieghe stond samen met zijn team in voor de aanleg en de beplanting van de Zoo en bouwde de botanische tuin verder uit, waardoor de tuin voller kwam te staan met talrijke sier- en exotische planten. Reeds in 1949 deelde Vlieghe de beplanting van de tuin op in drie soorten: de bomen, de heesters en de bloemen. Jaarlijks werd geopteerd om zoveel mogelijk afwisseling in de beplantingen en dus ook in het algemeen uitzicht van de tuin te brengen.

Volgens het algemeen vernieuwings- en verbouwingsplan kreeg het centrale gedeelte van de tuin geleidelijk een rustiek karakter, terwijl de gebouwen meer en meer aan de rand van de Zoo kwamen te liggen. Met deze visie in het achterhoofd werd het nijlpaardengebouw niet meer in zijn oorspronkelijke staat hersteld. De nieuwe huisarchitect René Grosemans (60) en de museoloog Landois opteerden om het gebouw langs buiten een rustiek karakter te geven door het met rotsen te bekleden en het te omringen met planten, struiken en bloemen. Het idee was om de tuin om te toveren in een 'sprookjesvallei' (61). In 1957 ontwierp Grosemans het mensapengebouw dat op het grasperk vóór de roofvogelkooien werd gebouwd (62). Een jaar later werd architect Rie Haan belast met de renovatie van de Koningin Elisabethzaal. De nieuwe zaal werd aangekleed met recuperatiemateriaal van de Brusselse Expo '58, waaronder materialen van het Italiaans paviljoen, infrastructuur van het Duits paviljoen en zetels uit het Auditorium (63). Na lang wachten werd er in 1966 eindelijk gestart met de definitieve plannen voor een roofdierencomplex. Het zwaar beschadigde leeuwenpaleis van Servais werd afgebroken (64).

Grosemans ontwierp een nieuw roofdierencomplex, het zogenaamde Jubileumcomplex, met rondom een rotstuin die bij het panoramapark aansloot (65). Het huisvestte katachtige roofdieren, roofvogels, nachtdieren, beren en dolfijnen. Dit gebouw was zeer vooruitstrevend voor zijn tijd. Er werd opnieuw geopteerd voor een zo hoog mogelijk gebouw, teneinde de stationshal te camoufleren. Hierdoor was het mogelijk om op een beperkte oppervlakte op de verschillende verdiepingen dierenverblijven onder te brengen. De voorkeur van Grosemans om de gevels van de dierenverblijven af te werken met kunstrots werd in 1978 nogmaals toegepast voor het kleine apenverblijf naast de melkerij.

Bouw van het roofdierencomplex. Bovenaan is de bouw van het bassin voor de dolfijnen nog volop aan de gang (KMDA.beeldbank)

Terwijl de Maatschappij dierenverblijven plande en liet bouwen, werd de beplanting in de tuin uitgebreid onder leiding van de hoveniers L. Vlieghe en T. Walschap. Rond 1966 telde de tuin niet minder dan circa 1200 soorten en variëteiten, waaronder een mooie verzameling loofbomen, coniferen, een uitgebreide collectie palmen en vooral een benijdenswaardige orchideeënreeks van circa 35 genera in ongeveer 100 soorten en variëteiten. Blijkbaar kon de KM DA in het verleden steeds rekenen op ruil met verschillende botanische tuinen in binnen- en buitenland, waardoor de collectie aangegroeide (66). De hoveniers vonden dat de landschappelijke stijl nog te decoratief en te strak gehouden werd. De tuinstijl van de jaren '6o-'70 week daarvan af. Ze streefden naar een "recreatief doel, naar een ontspanning brengend geheel voor de mens." De tuin moest evolueren naar "een rustig geheel, naar evenwicht tussen ruimte en beplanting, naar evenwicht tussen horizontale en verticale motieven". Rust en orde, ruimte en werking, waren volgens de beide hoveniers de eigenschappen

M&LI 47


van de toenmalige' moderne' tuinstijl (67). Vanaf 1986 werden meer bloemperken aangelegd in mozaïekvorm. De hoveniers maakten zelf een aanlegplan, vaak geïnspireerd op historische plannetjes. Ze hadden een publicatie met mozaïekvormen uit 1900, waar men elk jaar een nieuwe variant aan toevoegde. Ondertussen werden de bestaande gebouwen gerestaureerd, gerenoveerd en aangepast aan de noden van de dieren. Tussen 1984 en 1997 waren Luc Fornoville en Guy Demoor werkzaam als restauratie-architecten. De nieuwste technieken werden gebruikt om de verblijfplaatsen van de dieren zo nauwkeurig mogelijk in te richten. Zo werd het reptielengebouw gemoderniseerd. Er werd een walk-through als tropische tuin ingericht, waar ongevaarlijke reptielen en enkele zeldzame rotsvogels verbleven. De structurele aanpassing vormde een zig-zag opstelling van de terraria rond een centrale gang. Zo werd het bewegen van een reptiel gestimuleerd door warmteen lichtbronnen en werden slangen van het publiek gescheiden door de open kooi te voorzien van een koude-luchtgordijn. Niet alleen werden nieuwere opvattingen aangaande huisvesting en verzorging toegepast, maar ook de architectuur evolueerde. Een aantal nieuwe opvattingen over hygiëne en airconditioning waren in de moderne dierentuinen doorgedrongen en werden optimaal toegepast. Vloerverwarming, luchtfiltering, luchtverwarmingen bevochtigingsystemen werden in de verblijven aangebracht. Gemakkelijk te onderhouden tegelvloeren en de epoxybehandeling van alle wanden lieten elke reiniging- of ontsmettingsmethode toe zonder schade. In de binnenkooien werden de dieren van het publiek gescheiden door pantserglas, zodat het publiek de dieren niets kon aanreiken. De klimaatregeling werd verschillend uitgewerkt voor publiek en dieren. De integratie van wetenschappelijke kennis en spitstechnologie is kenmerkend voor het vernieuwingsproces van de dierentuin in de naoorlogse periode (68).

In 1993 werd het 150-jarig bestaan van de Zoo gevierd en voor deze gelegenheid werd een souvenirshop gebouwd en werden de vier grote leeuwenbeelden van Alphons Van Beurden (18541938) van het voormalig leeuwenpaleis naar de ingang gebracht, om daar als een monumentale constructie de bezoekers te verwelkomen (69). In 2002 onderging de tuin nog een ingrijpende aanpassing in de zuidelijke hoek. Het nijlpaardengebouw werd vernieuwd en naar ontwerp van P. De Sterck en G. Dewaele werd een moerasbiotoop aangelegd. Dit betekende het einde van het uitgebreide grasperk met de grote vijver, maar de bezoeker kreeg nu de mogelijkheid om via een

houten pad langs een dichtbegroeide wandelweg op zoek te gaan naar de nijlpaarden (70). In het verleden heeft de Koninklijke Maatschappij der Dierkunde Antwerpen er altijd over gewaakt om de nieuwste inzichten en constructies toe te passen om het mens en dier in de dierentuin zo aangenaam mogelijk te maken. Momenteel maakt de Zoo zich opnieuw klaar om aan deze doelstelling te blijven voldoen.

Marieke Jaenen is bouwhistorica. Zij geeft les aan de Masteropleiding Monumenten- en Landschapszorg aan de Artesis Hogeschool Antwerpen en voert momenteel een doctoraatsonderzoek uit over Interieurafwerking in het interbellum: materiaalen kleurgebruik in Antwerpse woningen.

Eindnoten (1)

JAENEN M., Tuin- en bouwhistorische studie: Zoo-patrimonium (onuitg. studie), 2010. (2) Stadsarchief Antwerpen (SAA), KM D A-archief, i#55 (3) Het grootste deel van het KMDA- archief is geïnventariseerd en wordt in het Stadsarchief van Antwerpen bewaard. Het moderne archief (vanaf 1960-70), het plannenarchief en de briefprentkaarten van de beeldbank worden nog bewaard en beheerd in de gebouwen van de Zoo. (4) GENS E., Promenade au jardin Zoologique d'Anvers, Antwerpen, 1861. (5) GOBBERS H., Bezoeken in den dierentuin van Antwerpen, Mechelen, 1885. 6) BARATAY E. en HARDOUIN-FUGIER E., Zoo, A history of zoological gardens in de the west, Londen, 2 0 0 4 . (7) BAETENS R., De roep van het paradijs, i$o jaar Antwerpse Zoo, Tielt, 1993. (8) BAETENS R., op. at.; Kadaster Provincie Antwerpen, Kadastrale legger 1824. (9) Op dat ogenblik was het nog Maatschappij der Dierkunde Antwerpen. Pas in 1844 kregen ze de toestemming om zich de Koninklijke Maatschappij der Dierkunde Antwerpen te noemen. (10) Kadaster Provincie Antwerpen: Kadastrale legger 1843; BAETENS R., op. cit. (11) BAETENS R., op. cit. (12) GOBBERS H., op. cit. {13) Over Auguste De Marbaix is niet zoveel geweten. Hij was hoofdingenieur van Bruggen en Wegen. In de jaren 194043 had hij de leiding bij de aanleg van de Rijn- of havenspoorwerf. Daarna is hij tot aan zijn dood huisarchitect van de KM DA geweest. (14) Auguste Lambeau bouwde in 1854 het eerste houten (Centraal) station. (15) SAA, KMDA-archief, I # 5 6 - I # 5 7 ; Zoo, KMDA-archief, plannenarchief De berenkuil van Sterling werd afgebroken voor een nieuw ontwerp van Charles Servais. In het KMDA-plannenarchief zijn er drie verschillende ontwerpen van Servais aanwezig. Na twee ontwerpen geïnspireerd op een burcht werd uiteindelijk het derde, meer organisch opgebouwd dierenverblijf waar de kooien geconstrueerd zijn als 'kermistenten', gebouwd. (16) GENS E., op. cit. De eerste vier terreinen die in 1843,1848,1851 en 1855 werden aangekocht vormen nog steeds het hart van de Zoo. (17) SAA, KMDA-archief, I # 5 6 - I # 5 8 .


(18) SAA, KMDA-archief, ifyb. (19) SAA, KMDA-ardnef, i#56-i#58.Tijdens de eerste jaren van het bestaan van de dierentuin werd de aankoop van bomen, planten en bloemen zorgvuldig neergeschreven in het Grootboek met hun Latijnse naam. Vanaf 1880 worden de cijfers belangrijker en vermelde de KMDA de aankoopproducten niet meer. (20) GENS E., op. rit.; SAA, KMDA-archief, i#56 en i#57. Omdat er geen plannen van de tuinaanleg van de dierentuin bewaard zijn gebleven, is de publicatie van Eugene Gens uit 1861 een heel interessante bron. De bijgevoegde plattegrond van de dierentuin is de oudste iconografische bron met een overzicht van de dierentuin. Deze kaart met legende gaf de bezoeker ook een mogelijke wandelroute langs de perken en dierenverblijven. De gebouwen en de indeling van de perken zijn duidelijk uitgetekend. (21) Kadaster Provincie Antwerpen, Kadasterarchief, Kadastrale mutatieschets 1851. (22) BAETENS R., op. rif. (23) Charles Servais ^828-1892) kreeg zijn opleiding aan de Academie van Antwerpen tussen 1844 en 1848. In 1853 werd hij officieel de huisarchitect van de KM DA en zou dit blijven tot aan zijn dood in 1892. (24) Kadaster Provincie Antwerpen, Kadasterarchief, Kadastrale mutatieschets 1845.; SAA: KMDA-archief, i#56. (25) BAETENS R., op. rit.. (26) SAA, KMDA-archief, i#2; MmL, jg. 7, nr. 2,1988. (27) SAA, KMDA-archief, 1*56. (28) BAETENS R., op. rit. (29) GENS E., op. rit.: bijgevoegd grondplan in publicatie. (30) Zoo, KMDA-archief, plannenarchief; GOBBERS H., op. rit. (31) SAA, KMDA-archief, 1*2481. (32) Zoo, KMDA-archief, plannenarchief. (33) GOBBERS H., op. rit.; Zoo Magazine, jg. 35, nr. 2, oktober 1969; [AENEN M., Bouwhistorische studie: Jubileumcomplex, (onuitg. Studie), 2010. (34) GRIETEN S. en VERNIERS E., Kijkparadijzen voor het volk. Panorama's en diorama's in Antwerpen, Antwerpen. (35) GOBBERS H., op. cit. (36) BAETENS R., op. cit., p. 130-131. (37) Emile Thielens (1854-1911) studeerde aan de Academie van Antwerpen. Als huisarchitect van de KMDA bevestigde hij zijn reputatie en kreeg verschillende prestigieuze ontwerpen in Antwerpen, waaronder het gebouw van de Antwerpse Gasmaatschappij, de vroegere Banque de Reports en de Bank van Antwerpen. Daarnaast heeft hij ook een aantal privéwoningen in zowel art nouveau- als Lodewijk XVI-stijl gebouwd. Voor de uitvoering van vele projecten kon Thielens rekenen op de medewerking van E. Van Averbeke, die vanaf 1892 als tekenaar aan zijn bureau was verbonden. (38) Zoo, KMDA-archief, plannenarchief; SAA, KMDA-archief, I#2492.

(39) BAETENS R.. op. cit. (40) SAA, KMDA-archief, i#3007. Thielens had zelf veel decoratieve elementen en het glas-in-lood ontworpen. Hij liet zijn ontwerpen uitvoeren door Henri Verbuecken (18481926), die zelf ook instond voor het ontwerp en uitvoering van het schilderwerk in heel het complex. Georges Hobé {1854-1936) ontwierp het meubilair en de lichtapparatuur van de biljartzaal. Alban Chambon (1847-1928) was verantwoordelijk voor het meubilair van de feestzaal en de inrichting van het restaurant. In de feestzaal werd een grote luster gehangen zoals in de feestzaal van Hotel Metropole in Brussel. (41) Zoo, KMDA-archief, plannenarchief en beeldbank. (42) Carl Hagenbeck (1844-1913) was directeur van de Zoo van Hamburg. Hij was een voorstander van een natuurlijke afbakening van de dierenperken zonder tralies en paste deze visie toe in Hamburg. Hij verving het ijzerwerk met natte of droge grachten. (43) Zoo, KMDA-archief, plannenarchief; SAA, KMDA-archief, i#25i9. (44) SAA, KMDA-archief, 1*2493. (45) Zoo, KMDA-archief, plannenarchief. (46) Ibidem

(47) Zoo, KMDA-archief, plannenarchief en beeldbank: GOBBERS H., op. cit. Langs de ingang van de dierentuin waren rond 1885 enkele zwarte planken aan de muur bevestigd met allerlei opschriften, waaronder "Sedert eenigen tijd heeft het Bestuur bemerkt dat er in den Hof meer dan vroeger planten worden beschadigd, nesten van vogelen, die in vrijheid vliegen, geroofd, eieren weggenomen, ja! Dat men zich veroorloofd pluimen uit de steerten der struisvogels te trekken. Wie zich daaraan plichtig maakt en betrapt wordt, zal uit den Hof gejaagd en er niet meer in toegelaten worden. De ouders zijn verantwoordelijk voor hunne kinderen" (48) SAA, KMDA-archief, 1*3007; BAETENS R., op. rit. (49) BAETENS R., op. rif. (50) Onze Zoo, jg. 1,1935. (51) Ibidem (52) Zoo Antwerpen, jg. 55, nr. 2, oktober 1989. (53) Onze Zoo, jg. 2,1935. (54) Onze Zoo, november 1936 (55) SAA, KMDA-archief, 1*2496. (56) BAETENS R., op. rif. (57) SAA, KMDA-archief, 1*3004. (58) Ibidem (59) Zoo, jg. 14, juni 1948. (60) René Grosemans (1903-1978) studeerde aan de Academie van Antwerpen. Hij was er leraar constructie en beroepstechniek in het 3 d ' en 4^ jaar tussen 1948-58. Als architect verdiende hij zijn sporen op de Antwerpse Wereldtentoonstelling van 1930. Hij ontwierp er het paviljoen van Borgerhout, Polen, de Vrije Stad Danzig en Brasserie Bavaria. Vanaf 1934 was hij ook als bouwmeester bedrijvig in de nieuwe tentoonstellingswijk op het Kiel. (61) Zoo, jg. 18, oktober 1952. (62) Zoo, jg. 24, nr. 4, april 1959. (63) SAA, KMDA-archief, 1*2864, l ^ S I JAENEN M., Bouwhistorische studie: Koningin Elisabethzaal (onuitg. studie), 2010.

(64) JAENEN M., Bouwhistorische studie: fubileumcomplex (onuitg. studie), 2010; Zoo, jg. 31, nr. 3, januari 1966. (65) Het Jubileumcomplex werd opgericht ter gelegenheid van het 125-jarig jubileum. (66) Zoo Antwerpen, jg. 31, nr. 3, januari 1966 (67) Zoo Antwerpen, jg. 32, nr. 2, oktober 1966. (68) JAENEN M., Tuin- en bouwhistorische studie: Zoo-patrimonium (onuitg. studie), 2010. (69) Zoo Antwerpen, jg. 58, nr. 2, herfst 1992; Zoo, KMDAarchief. (70) VAN RUYSSEVELT A. en SCHREVENS F., Zoo beeldig. Wandelen langs beelden en gebouwen van Zoo Antwerpen, Antwerpen, 2007; Zoo, KMDA-archief.


Het vissersvaartuig OD.i Martha

Frank Becuwe en Willem Lanszweert

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werden de meeste vissersvaartuigen ingezet als vluchtboot o f in het oorlogsgebeuren ingeschakeld. Hierdoor ontstond een nijpend tekort aan kustvissersvaartuigen. O m de visserij niet blijvend te hypothekeren volgde er in de daaropvolgende oorlogsjaren een versnelde uitbouw van een vloot nieuwe kustvissersvaartuigen. De kustvisserij op

Eén van de vissersvaartuigen die toen voor deze kustvisserij werd gebouwd, was de Z.53 Gilbert-Robert, die later onder de naam OD.i Martha in het Nationaal Visserijmuseum van Oostduinkerke terecht kwam. Vandaag is dit sinds 1998 beschermd varend monument na een omwille van zijn zeer slechte bewaringstoestand ingrijpende restauratie het pronkstuk van het vernieuwde visserijmuseum (2). Als kustvissersvaartuig gebouwd

haring en sprot vormde toen immers een vitale schakel in de voedselvoorziening (i).

Zoals de meeste vaartuigen kende ook het vissersvaartuig OD.i Martha een bewogen geschiedenis en opeenvolgende benamingen. Het werd in 1942 in opdracht van de Heistenaar Georges De Groote (3) gebouwd op de werf E. Crabeels in Oostende. Deze scheepswerf, gelegen aan het Zwaaidok, was operationeel van 1929 tot 1951 en stelde een twintigtal mensen tewerk. Het eerste vaartuig dat er werd gebouwd, was het motorvaartuig O.260 Lindbergh. Het laatst gebouwde vaartuig was de houten Z.321 Maryla (4).

Het vissersvaartuig OD.7 Martha in het vernieuwde Nationaal Visserijmuseum (foto O. Pauwels)

50 I M

L

Het door De Groote bestelde houten vissersvaartuig werd in 1942 officieel ingeschreven als de Z.53 Gilbert-Robert, wat aangaf dat de thuishaven Zeebrugge was. Het vaartuig was 10,60 meter lang en 3,16 meter breed. Het brutogewicht bedroeg 7,88 ton, het nettogewicht 2,55 ton. Het was voornamelijk gebouwd uit eik en olm. De spanten waren bekleed met planken in zet- of karveelwerk. Hierbij worden de planken mooi naast elkaar aangebracht. Als de planken elkaar overlappen, spreekt men van klinkwerk. De romp van het vaartuig vertoonde een sterke zeeg, dit is een sterk in lengterichting gebogen deklijn met een, in dit geval, flink oplopend voorschip. Het vaartuig was ook gekenmerkt door een platte of vlakke achter-


M & L I 51


ca^

w

4-M4X.

MINISTERIE VAN VERKEERSWEZEN

KONJNKRIfK BELGIË

BEHEER VAN HET ZEEWEZEN

^ 'jti,? /

; v Z-te-tru-t«

MEETBRIEF

&

van het genaama gebouwd van

il\Mxk-JXovxxk.. f:v4<J<L tn

-4 Q *ll

hebbende

/C. 55. ^ ^ t dekkt& en

dubbele bodems voor waterballast. voerende de JOticfL^A^

(f

-ÊCvt

vlag.

if

bestuurdwoor den heer

^

entoebehoorendeaan Jtt.^wcDt

Ofoott.

Gr.

J^tUe^U^t

U 'WtyjU/^*-

Ungte v.n hrl ^ h i p v.n het «chtwyhk var. den voor.leven. .«H.. nl.n hniipri.r. tot den «chterk.nt v.n den «ehtw.teven

.

-i f,

^0\_

Gioot»te breedte buitenwerk» i O, -i V ni. HooBte jn het mjdden van het »chiD. v»n het ondervlak van het bovendek Nominale dnilkracht der machme

:

/-f lc • (tnoA*

lot op de wenermg n»"t den koliem :

5/ty ^AX ^

*B/JH)

//.H/IJ* f^urlk^nay-thJ&^m BRUTO-TONNENMAAT

GEMETEN

VOLGENS

/ , 5 i7>» .

" •-' ,

vuzp) REGEL A .

(AÏBeitieen Reglement van 2 Decembe( 1897. Hoofdst. ÜJ K u W k e meier

l° Ruimte onder het meeldek

.-

Lt, ói

•-

y.u

spiegel. Drie compartimenten verdeelden het schip: vooraan het logies of de verblijfplaats van de bemanning, middenin de bewaarruimte voor het vistuig en de gevangen vis, en achteraan de motorruimte. Logies en middenruim waren bereikbaar door middel van een luik in het dek. De motorruimte was bereikbaar via een opening in de achterwand van het middenruim (5). Voor de besturing van dit motorvaartuig was een roer, bewogen door een helmstok, voorzien. De eerste motor betrof een Deutz-dieselmotor van 20 pk uit 1941 (6). Volgens de meetbrief was het vaartuig uitgerust met één mast. De tuigage bestond uit een groot zeil met gaffel en boom en een met gaffel en boom uitgerust stagzeil.

2" Ruimte tnnchen het meetdek en het hovendek kub»^ Tonrtn

3° Besloten en overdekte ruimten op het bovendek

a Knmpasne (Peop) ƒ Zijhuizen (Side hoiuaa)

•

g. Kaartenkamer (Charte houte} fi. Overige ruimten i

*

Luikopcning i inhoud grooter dan l/K ten honderd van de bruto-tonnenmaat.

Totaal van de ruimle op hel bovendek

»»«)... Totaal van de brutctonnanmaal (over te dragen) V,.^.,.. ^*„.J,^/<vJ*

* cr^xou

>

ii,ii

f'"

ó4'u,u>i'é JM*V<i*™ Mi*u*/*^4.ö:gt*o.i?i>

De meetbrief van de Z53 GilbertRobert (collectie Nationaal Visserijmuseum)

Het vissersvaartuig Z.53 CilbertRobert (de latere OD.i Martha) in de havengeul van Nieuwpoort (collectie Nationaal Visserijmuseum)

Nog tijdens de oorlog, meer bepaald in 1943, werd de Deutz-motor in de Z.53 Gilbert-Robert vervangen door een dieselmotor met een groter vermogen, namelijk een Delauny-motor van 36/40 pk uit 1938 (7). Het vissen gebeurde toen in vlootverband met een twaalftal schepen samen, en onder het waakzaam oog van de bezetter. Als herkenningsteken werd op het voorschip van alle vissersvaartuigen een Belgische vlag geschilderd. Eén vaartuig werd 'uitgeloot' als wachtboot, waarop twee of drie Duitse militairen de vissersvloot bewaakten. Om de vaartuigen bij elkaar te houden bestond een seinsysteem, waarbij met vlaggetjes werd gezwaaid om de andere vaartuigen duidelijk te maken dat ze zich te ver van de groep bevonden en onmiddellijk dichterbij moesten komen. Toen alle vissersvaartuigen na de oorlog opnieuw werden ingeschreven kreeg de Z.53 Gilbert-Robert in 1946 een nieuw immatriculatienummer, namelijk Z.45]. Zowel de standplaats als de naam van het schip, dat nog steeds eigendom was van Georges De Groote, bleef behouden. Toen het vaartuig in november 1946 eigendom werd van de Nieuwpoortse visser Julien Puystiens (8), werd het opnieuw geregistreerd, nu als de N.45J Gilbert-Robert. In augustus 1950 veranderde het kustvaartuig opnieuw van eigenaar. Vermits Gerard Vanthuyne (g) eveneens van Nieuwpoort was, bleef het immatriculatienummer behouden. Nadat hij in december 1951 de Delauny-motor als schroot had verkocht aan een zekere Oscar

52 I M L


-,

ANGLO BELGIAN CY N.v ^

"

^

"

W e r k h u i M n : 3 9 , NS»erheillfk««i, O E N T . T e l . 10295

mm^Êm

DIESEL - MOTOREN MFER DAN TWIHTIQ JAKEN ONDERV1ND1NÜ IN MOTORENBOUW

DE A.B.C. MOTOR IS DE ZUINIGSTE Ken echte molenaarsmotor: Geheel «tufdlchl Keslolen, Alle organen zijn beschul Omluopsinering under tlruk, zoodus: Reinheid en Zekerheid. STAANDE MOTOR A.B.C. — 2 takt van 5 l o l 120 P K

Verbeke, deed Vanthuyne in januari 1952 ook het schip van de hand. De nieuwe eigenaars waren de gebroeders Engel en Louis Seys uit Oostduinkerke (10), die aan het schip diverse aanpassingen lieten uitvoeren. Als nieuwe krachtbron werd een ABC-motor {Anglo-Belgian Company) van 22/33 P^ u it 1945 geïnstalleerd (11). Het besturingssysteem werd aangepast, waaardoor het roer voortaan door middel van een stuurwiel, kettingen en kettinggeleiding bediend werd. Een kleine stuurcabine bood voortaan ook beschutting aan de stuurman. Tevens werd het schip uitgerust met een tweede mast met bijhorend tuigage. Tot slot werd omwille van de nieuwe vangstwijze met de haringkorre, voor het inhalen van het net een kaapstander voorzien die werd aangedreven door de scheepsmotor. Op 20 januari 1962 werd de N.451 geschrapt als vissersvaartuig. Tot dan was het ingezet voor de kustvisserij op haring, sprot, garnaal en platvissen. Het haringseizoen met de beeg (of drijfnetten) startte begin oktober en duurde tot begin december. Daarna volgde het sprotseizoen, dat liep tot eind februari. Tijdens de zomermaanden werd op garnaal en op diverse platvissoorten gevist. De netten die bij deze verschillende visserijen werden gebruikt, waren respectievelijk de drijfnetten, het stroopnet en het borden- of plankennet. Aan de haringvisserij met drijfnetten kwam een einde in de eerste helft van de jaren 1950. Ook de sprotvisserij taande na de Tweede Wereldoorlog en ging in dezelfde jaren teniet. Sprot verdween immers uit onze visgronden (12).

L I Q O R N D t MOTOREN A B C — 4 takt van 24 25 en 28 30 P K .

Publiciteit voor motoren van de Anglo-Belgian Company

S T A A N D E MOTOREN A B C — gebouwd met vergunning PAXMAN-RICARDO 4 takt van 11 tot 300 P.K.

(collectie Mola)

Uitstekend laag van verbruik zoowel van ruwolie als van smeefolie

LigEtnde type 25 H 4-la kt-Diesel.

Maten en kenmerken NIEUWH ULÜHIKOP-MOTORFN Mn oceme prljjtn

DIESEL-MOTOREN

2022

1617

3234

38 40

28/30

36500

31500

Typ* Oe»l cyllndm . . Toertn per minuut. Vetbr. In |r. p*r P.K -uur Prflueplicetrd-

. . .

16 77S

mr Brahanl-AiUwftperi fn l.iml^ri; Aeenl voor Ooil-VlMnrieien V

i- •!

'•

r Wral-Vlaandeien

23100

20500

16500 | 29000

Mf BKUVNINC'KX froiil Baud^uin, I I HBlJXI.IjhS

Mr. O ROSSION. Elizahcthlaan. 36

Mi J DE KEYS^R

•

QENT

Gouden Bo

Voor vissersvaartuigen zoals de N.453 Gilbert-Robert was duidelijk geen plaats meer. Vanaf de late jaren i960 rolden geen houten vissersvaartuigen meer van de scheepswerven, die het moeilijk hadden om het hoofd boven water te houden (14). Afgeschreven als vissersvaartuig werd de N.451 in augustus 1964 eigendom van het Westendse bedrijf Algemene Ondernemingen Soetaert SA. Na enkele verbouwingen, zoals de bouw van een ruimere stuurcabine, werd het schip onder de naam Marie Hélène ingezet als sleepboot.

Het kustvissersvaartuig N . ^ T Gilbert-Robert {de latere OD.i Martha) in de periode 1950-1962 (coilectie Nationaal Visserijmuseum)

Net zoals andere economische sectoren ontsnapte ook het visserijbedrijf niet aan de algemene tendens van modernisering en globalisering. Allerlei ontwikkelingen zoals het gebruik van stalen schepen, het aan boord plaatsen van krachtiger motoren die andere visserijmethoden met groter rendement mogelijk maakten, en het introduceren van elektriciteit en elektronische apparatuur aan boord, hebben uiteindelijk geleid tot het verdwijnen van de kleine houten kustvissersvaartuigen. Grotere, met krachtige motoren uitgeruste vaartuigen gingen in span vissen. Twee vissersvaartuigen sleepten hierbij samen één grote haringkorre (13).

TVI&L

53


Als mo(nu)ment van de visserij gekoesterd Blikvanger op het museumplein (1974-2005) In 1974 haalde de firma Soetaart het schip uit de vaart. Het werd echter niet gesloopt maar geschonken aan de toenmalige gemeente Oostduinkerke, die sinds de fusies in 1976 deel uitmaakt van de gemeente Koksijde, om het op het plein van het nieuw opgerichte Nationaal Visserijmuseum op te stellen. De aanpassingen door de firma Soetaert, waaronder de bouw van een ruim stuurhuis, werden daarbij ongedaan gemaakt. Onder leiding van conservator Gaston Desnerck werd het vaartuig door de gemeentelijke technische diensten opnieuw als vissersvaartuig ingericht. Herdoopt tot de OD.i Martha kreeg het een nieuwe toekomst als blikvanger op het museumplein (15). In 1998 werd het vissersvaartuig op basis van het monumentendecreet van 1976 - als een voorafname op het latere varend erfgoeddecreet (16) - beschermd als monument. Als één van de enige overgebleven vaartuigen van de Vlaamse vissersvloot die zowel de

De OD, 7 Martha op het oude binnenplein van het Nationaal Visserijmuseum in Oostduinkerke (collectie Monument in Ontwikkeling)

54 I M

L

Tweede Wereldoorlog als de sloopwoede van de jaren i 9 6 0 overleefde, was het vaartuig immers historisch waardevol (geworden). Daarenboven was het ook belangrijk als industrieel-archeologisch erfgoed, als voorbeeld van een goed bewaard houten kustvissersvaartuig uit de Tweede Wereldoorlog. De keuze om de Martha in open lucht op het museumplein op te stellen bleek nefast voor de bewaring van het vaartuig. De temperatuurschommelingen, gaande van extreme hitte in de zomermaanden tot vorst met ijsvorming (tussen de naden van de buitenhuid) in de winter, had een catastrofale uitwerking op de materialen van dit houten vaartuig, die voor een natte context bedoeld waren. De degradatie van het materiaal werd ongewild nog in de hand gewerkt door bij de opstelling op het museumplein de kiel vlak te plaatsen in plaats van licht hellend. Een vissersvaartuig heeft immers een kieltilling, wat inhoudt dat het achteraan dieper in het water ligt dan vooraan. Door het vaartuig op zijn volle kiellengte vlak op de grond te laten steunen


kwamen de lospoorten - de openingen voor het afvloeien van het water op het dek - niet op het diepste punt te liggen. Het regenwater bleef bijgevolg op het dek staan en lekte uiteindelijk weg via de naden, wat tot een geleidelijke verrotting leidde. Tot slot mag niet uit het oog verloren worden dat het vissersvaartuig tijdens de Tweede Wereldoorlog gebouwd werd. Om de toenmalige nood aan vissersvaartuigen in te vullen werd bij de bouw van deze nieuwe vaartuigen niet alleen te snel en bijgevolg te weinig kwalitatief gewerkt, maar er werd ook bespaard op de materialen. Essentiële verbandstukken werden wel eens weggelaten of onderdelen werden gebouwd met minderwaardige materialen, met minder duurzame schepen tot gevolg. Museumobject (sinds 2005) In de voorbije dertig jaar had het museum de badplaats Oostduinkerke een eigen, op zijn verleden geënt (cultuur)toeristisch profiel bezorgd. Om deze toeristische identiteit terug aan te scherpen besliste de gemeente Koksijde omstreeks 2003 om het Nationaal Visserijmuseum in Oostduinkerke uit te breiden en volledig opnieuw in te richten. Na aanbesteding werd het erfgoedbureau 'Monument in Ontwikkeling' uit Nieuwpoort als ontwerper geselecteerd. Onder de noemer 'Het zeil wordt in de top gezet' tekende dit bureau in nauwe samenwerking met de museumconservator een integraal revalorisatieconcept uit voor het museum en zijn omgeving (17). Twee keuzes waren daarbij bepalend.

Het oude kerkplein, waar het Nationaal Visserijmuseum was opgericht, moest opnieuw zijn verhaal vertellen en bijgevolg ook zijn rol van weleer als dorpsplein spelen. Tot kort na de Tweede Wereldoorlog stond op deze plaats immers de parochie- en visserskerk. Daarnaast moest het hernieuwde museum op een hedendaagse wijze optimaal invulling geven aan de vier museale basisfuncties: ten eerste het bestuderen, ten tweede het ontsluiten van het roerend en immaterieel erfgoedverhaal van de historische strand-, kust- en zeevisserij, ten derde het verzamelen en ten vierde het conserveren van de aan dit thema gelieerde materiële cultuur. Voor het kustvissersvaartuig OD.i Martha, het grootste 'object' uit de thematische collectie, hield dit in dat het als varend monument zou worden gerestaureerd en in klimatologische omstandigheden, aangepast aan de noden van een dergelijk museaal artefact, zou tentoongesteld worden. Naast de waarborg voor een behoud op lange termijn, had deze aanpak ook als meerwaarde dat het vaartuig door zijn integratie in het museale verhaal tezelfdertijd ook zijn immaterieel erfgoedverhaal vertelde.

Op de scheepswerf In zijn actieve bestaan onderging de OD.i Martha vooral wijzigingen en verbeteringen die er op de eerste plaats op gericht waren om zoveel mogelijk vis aan land te brengen. In zijn laatste operationele fase werd het vaartuig omgebouwd tot werk- en sleepboot. Het schip had met andere woorden tussen zijn tewaterlating en zijn laatste reis een

Zijaanzicht van het restauratieplan van de OD.1 Martha {collectie Monument in Ontwikkeling)

Monument in Ontwikkeling bvba

"MARTHA" ZIJAANZICHT bestaande toestand ABST_01 schaal 1:50 22/10/2003

M&LI 55


-

''

^ -

s

r

•

n

"e^

, .

_—-—

:L

1

35

^ ^

HORIZONTALE DOORSNEDE

^ > D

-

iy^ e«^

-

s

^

=- s ^

"MARTHA"

TN.

J

^

=

t=J, ü

=

.

g ^

^

"

Monument in Ontwikkeling bvba

•

"

bestaande toestand ABST_02 schaal 1:50 22/10/2003

Monument in Ontwikkeling bvba B U T M U voor PropctootwlMi«*rni Ir

"MARTHA" BOVENAANZICHT bestaande toestand ABSTJ)3 schaal 1 50 2?/10/2003

i. Bovenaanzicht van het restauratieplan van de OD.7 Martha, met dek en dekplanken (collectie Monument in Ontwikkeling) 2. Restauratieplan van de OD.7 Martha. Bovenaanzicht, met van links naar rechts: stuurhuis, motorkap, masten luik vooronder (collectie Monument in üntwikkchiiji)

Het weghalen door het scheepstimmerbednjf Lowyck van de OD.7 Martha in functie van de restauratie {collectie Monument in Ontwikkeling)

niet onbelangrijke ontwikkeling gekend. Bij de restauratie diende dan ook bepaald op welke periode of functie het hoofdaccent zou worden gelegd. Omdat de erfgoedwaarden, die doorslaggevend waren voor de bescherming, in eerste instantie op het kustvissersvaartuig betrekking hadden, lag een restauratie als (naoorlogs) kustvissersvaartuig dan ook voor de hand. Het restauratiebestek werd opgemaakt door 'Monument in Ontwikkeling', bijgestaan door een scheepsbouwkundige. De restauratiewerken werden toegewezen aan het scheepstimmerbedrijf Lowyck, gevestigd aan de Nieuwewerfkaai 5 in Oostende.

De optie om het vaartuig binnen een museale omgeving toegankelijk te stellen voor het publiek en op die manier de belevingswaarde en de affectie met de visserij in belangrijke mate te vergroten, hield echter ook enkele consequenties in die met de toenmalige afdeling Monumenten & Landschappen werden besproken. Zo was het gebruik van teer en vethoudende producten niet aangewezen. Voor het dichten van de naden tussen de dekplanken werd in de plaats geopteerd voor sicaflex. Ten slotte werd het hele schip nog behandeld met een kleurloze vernis op waterbasis, ter bescherming tegen houtworm. Dit gebeurt normaal niet met een varend schip. Maar omdat het schip niet op zeewater drijft, maar in een droge ruimte wordt bewaard, is een aantasting door houtworm mogelijk. Verder werden normaliter ingevette kabels blank gelaten. Om veiligheidsredenen werden ook de voor het publiek niet ongevaarlijke bedieningen van elementen zoals het vistuig, de lier en de blokken, geïmmobiliseerd. Daarom werd ook de trap naar het logies, het visruim en het motorruim afgesloten. Vóór de restauratie moest eerst alle inwendige ballast van ijzerresten en beton verwijderd worden. Na de restauratie werd deze ballast niet meer

56 I1VI&L


teruggeplaatst, hetgeen als voordeel heeft dat het scheepshout kan blijven ademen en het gewicht van het vaartuig binnen de perken blijft. Om de kleurenechtheid langer te behouden en het schilderwerk beter te beschermen tegen de soms wel belastende publieksimpact, werd geopteerd om de klassieke oliehoudende lakken te vervangen door de veel hardere en kleurvaste polyurethaan tweecomponenten lakken. Voor de kleurstelling werd teruggegrepen naar de traditionele kleuren van dergelijke vissersvaartuigen, namelijk rood voor de bovenzijde van het stuurhuis met witte bies rond de ramen, groen voor de onderzijde van het stuurhuis, wit voor het dak van het stuurhuis, zwart voor de romp met wit voor de zogenaamde moustache, rood voor het onderwaterschip, wit voor het logiesmim en het visruim, licht grijs voor het motorruim, groen voor de masten vanaf het dek tot de eerste beugel boven het dek, verder blank tot aan de onderste beugel van de masttop, en wit voor de masttop zelf, groen voor de luiken, licht grijs voor de binneninrichting van de stuurhut en zwart voor alle metalen onderdelen. Om een aantasting van het eikenhout alsook roestplekken op de romp en de spanten te voorkomen, werd gekozen voor roestvrije blinde bouten en andere bevestigingsmaterialen. Alle ijzeren onderdelen werden warm gegalvaniseerd. Het stuurhuis werd gereconstrueerd naar de toestand van 1952, en uitgerust met een stuurwiel met kabelbediening en geleiding, een kompas en, vóór het stuurwiel, een kleine platte boord waar klein materiaal kan worden opgelegd. Eén raam van het stuurhuis kan naar buiten toe openkantelen. Een kleine deur geeft toegang tot het stuurhuis. Het vaartuig werd voorzien van een plankennet. Om het vistuig overboord te kunnen zetten en om het te kunnen winden, werden de daartoe bestemde rollen in de zijkant ingewerkt. De lier kwam na behandeling opnieuw op het dek terecht. Het woongedeelte kreeg nieuwe kooien en biedt slaapplaats aan drie personen. Een luik en een trap geven toegang tot het logies. Het visruim middenin het vaartuig, toegankelijk via een groot luik, werd eveneens heringericht.

Omdat de originele motor die het vaartuig voortstuwde, al lang verdwenen was, werd een vergelijkbare oude motor ingebouwd die een dergelijk vaartuigtype zou kunnen voortbewegen. Alle bedieningskabels, uitlaat, tank, leidingen, isolatie, aandrijving van de lier en andere werden opnieuw aangebracht. Ook de metalen motorkap en de schouw werden teruggeplaatst. De masttop is voorzien van navigatielichten.

Door zijn zeer slechte bewaringstoestand diende de OD.7 Martha een harde restauratie te ondergaan (collectie Monument in Ontwikkeling)

In een museale context Op 24 juni 2006 werd het gerestaureerde kustvissersvaartuig OD.i Martha volledig afgewerkt, gekalfaat, geschilderd en gevernist, kortom klaar voor de afvaart ter visvangst, onder grote publieke belangstelling in het nieuwe museum geplaatst, vooraleer dit gebouw met een plat dak werd afgedekt. Bij het concipiëren van deze nieuwbouw en het bijhorende bezoekerscentrum werd immers niet alleen rekening gehouden met de omgeving en het vooropgestelde bouwprogramma maar in het bijzonder ook met het museaal-inhoudelijke concept. Het resultaat is een in cascadevorm opgebouwd volumespel dat de intimiteit van het oude kerkplein versterkt. Omwille van het identiteitsbepalend profiel van de strandvisserij als oudste visserijvorm voor het toeristische Oostduinkerke houdt het gevelmetselwerk van het nieuwe museumgebouw een verwijzing

M&LI 57


in naar het opeenstapelen van het bouwmateriaal als primaire bouwvorm. Door het dunbed-verlij men van deze machinale handvormbaksteen in de gevels krijgt het gebouw een massief en monolithisch karakter. Het gebouw fungeert bijgevolg als een geïntegreerde inhoudelijke drager en staat voor een geslaagde symbiose tussen vorm (ruimte) en inhoud (het Jorm /oiloivsyüwction-principe). In dit nieuwe museumgebouw neemt de OD.i Martha een centrale plaats in. Het werd dé kapstok waaraan het hernieuwde museum voortaan het Vlaamse kust- en zeevisserijverhaal in zijn vele aspecten ophangt. Op de gelijkvloerse verdieping brengt het vissersvaartuig, drijvend in een glaspartij die de waterlijn aangeeft, samen met zijn museale omgeving het verhaal van de effectieve beoefening van de kust- en zeevisserij. Om het schip ook typologisch te duiden staan haaks op de OD.i Martha tentoonstellingsvitrines met een twintigtal scheepsmodellen. Deze modellen, die net als de OD.i Martha tot in de kleinste details verzorgd zijn, bieden een overzicht van de belangrijkste types van vissersvaartuigen, die doorheen de eeuwen zowel voor de Vlaamse kust- als hoogzeevisserij werden gebruikt.

Het binnenbrengen van de OD.7 Martha in het nieuwe museumgebouw (collectie Monument in Ontwikkeling)

Mm

^

VfL m »i De in cascadevorm opgebouwde volumes van de meuwbouwuitbreiding (foto O. Pauwels)

58 I M

L

\t


Op het kelderniveau wordt in relatie met de OD.i Martha het verhaal verteld van wat zich onder de waterlijn afspeelt. De scheepsromp is vanuit de kelderverdieping zichtbaar vanuit 'visperspetief. De scheepsromp wordt er geflankeerd door twee grote zeewateraquaria die een habitat vormen voor de Noordzeevissen die in de geschiedenis van de Vlaamse visserij het meest werden bevist. In relatie tot deze 'vangst' wordt tot slot het vistuig, dat in het verleden bij de kust- en zeevisserij gebruikt werd, didactisch toegelicht. Bijzondere aandacht gaat hierbij naar het plankennet, de boomkor, de drijvende haringnetten en het stroopnet waarmee door de OD.i Martha werd gevist. De bovenverdieping laat de OD.i Martha met zijn masten en tuigage in volle glorie van bovenaf ervaren. Dit is dan ook de uitgelezen locatie om de economische betekenis van de Vlaamse visserij

te belichten. Vis werd verkocht op vismarkten en in vismijnen, bewaard in natuur- en later in kunstijs, vervoerd met treinen, vrachtwagens of eenvoudigweg met handkarren, en vooral vanaf de i9 de eeuw in steeds belangrijker mate in rokerijen en andere visateliers verwerkt: een heel traject, in functie van het ultieme einddoel: de menselijke visconsumptie.

Het massief en monolitisch karakter van de nieuwbouwuitbreiding (foto O. Pauwels)

Deze voor Vlaanderen vrij unieke presentatie van een varend monument zorgt ervoor dat de OD.i Martha ook in de toekomst zowel zijn materieel als immaterieel erfgoedverhaal kan blijven vertellen. Dit was evenwel maar mogelijk door de architecturale vormgeving volgens het form follows function-principe - minder dominant maar minstens even kwalitatief - af te stemmen op het aan de collectie opgehangen museale verhaal en zijn museografie.

1VI&L I 59


•

-kx"

De OD.i Martha op de gelijkvloerse verdieping in het nieuwe museum (foto O, Pauwels)

De OD.i Martha met zijn tuigage (foto O. Pauwels)

60 I M

L


:

•

'

-

•

:

'

tii

flli'

f(ll"

^

'm /

tr

. , .

Ik l De OD.i Martha gezien vanuit de kelderverdieping


De OD.7 Martha gezien vanop de bovenverdieping (foto O. Pauwels)

Restauratiefiche

Eindnoten (>)

• Ligging Pastoor Schmitzstraat 5, Oostduinkerke

(2)

(!) (4)

• Bouwheer Gemeente Koksijde

(SI

• Ontwerper Monument in Ontwikkeling bvba,

(6)

Nieuwpoort • Gunning Algemene offerteaanvraag • Uitvoerder restauratie Shipyard Lowyck nv, Oostende

(7) (X)

(9) (.0)

• Uitvoeringsperiode november 2005 tot juli 2006 • Restauratiepremie 251.858,21 (inclusief BTW) • Kostprijs 286.202,51 euro (inclusief BTW, exclusief

es)

ereloon)

(14)

• Premieverlener - Vlaamse Overheid, Onroerend Erfgoed

(15)

(60%) - Provincie West-Vlaanderen (20% koppelsubsidie) • Erfgoedconsulent Hilbrand De Vuyst (Vlaamse Overheid, Onroerend Erfgoed)

Frank Becuwe was vanuit Monument in Ontwikkeling bij dit project betrokken als historicus en museumontwerper. Willem Lanszweert was van 1988 tot 2010 conservator van het Nationaal Visserijmuseum. Samen zetten ze de museale verhaallijn uit en ontwikkelden ze met architect Rudy Vereecke van Monument in Ontwikkeling het integrale museumconcept.

62 I M&L

(16)

e?)

DE SOETE D., De Vlaamse zeevissers, Brugge, 2002, p. 39-43. Ministerieel Besluit van 26 juni 1998 Gevestigd aan de Brederostraat 22 in Heist DESNERCK G. en DESNERCK R., De Vlaamse Visserij en Vissersvaartuigen, Handzame, 1974, p. 178. In verband met de bouw van een houten vissersvaartuig, zie: BORREY R., Van boom tot schip. De houw van een houten vissersvaartuig te Oostende in woord en beeld, Oostende, 1979. Identificatienr. S.MA.H. 916. In verband met de motorbouwer Deutz, zie: BECUWE F., In de ban van Ceres. Kleinen grootmaalderijen in Vlaanderen (ca. 1850 - ca. 1950J (Relicta Monografieën, 2), Brussel, 2009, p. 202-204. Identificatienummer. 21.873 Gevestigd aan de Arsenaalstraat 1 in Nieuwpoort Gevestigd aan de Valkestraat 11 in Nieuwpoort Gevestigd aan de Polderstraat 23 in Oostduinkerke Serienummer 6034. In verband met de rnotorbouwer Anglo-Belgian Company (ABC), zie: BECUWE F„ op. cit., p. 191-193. LANSZWEERT W. en VERBANCK J. m.m.v. BEUN ], en VANDEN BERGHE R., Haringen sprot in drijf- en siroopnel, Oostduinkerke, 1986. Haven en visserij Nieuwpoort, Nieuwpoort, z.d., p. 17-18. LANSZWEERT W. en BECUWE F., De OD.i Martha. Beschermd monument in hel Nationaal Visserijmuseum, Koksijde, 2006. Gekend onder het kadastraal nummer Koksijde, 5de afdeling, sectie B, 1'" blad, nr. 33d Decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed, gewijzigd bij decreet van 10 maart 2006 BECUWE F. en VEREECKE R., Monumenlen-in-onlwikkeling. Erfgoedbehoud door ontwikkeling. Nieuwpoort, 2011, p. 4.


AN ARCHAEOLOGICAL EVALUATION OF THE SCHENDELBEKE CASTLE SITE

THE ANTWERP ZOO: THE BOTANICAL AND ARCHITECTURAL HISTORY

In 2009 the Flanders Heritage Agency commissioned

Between

1843 and

1855 Jan

Frans

Loos,

alderman

RAAP Archaeological Advice Agency to carry out an

and mayor o f Antwerp, and Jacques Kets had bought

archaeological evaluation at the site o f the castle of

together with a number o f associates under the wings

Schendelbeke, Ceraardsbergen in the province o f East

o f the Koninklijke Maatschappij der Dierkunde (Royal

Flanders. The aim o f this project was to

document

the remains o f the castle and locate the excavation trenches f r o m former archaeological campaigns. The research had a multldisclpllnary approach

consisting

Zoological

Society), some property extra muros. These

grounds formed the basis for the Zoo's site. The very first buildings were designed by Auguste De Marbalx and Auguste Lambeau. While the m u s e u m , the 'café provisior', the manager's residence and the wooden

o f a desktop assessment followed by fleldwork. The fleldwork consisted of a coring campaign, geophysical survey (magnetrometry & resistivity) and trial trenches. The results of the research were very encouraging. It

animal cages were being built, the architect E. Van Cuyck designed an English garden. As of 1853 Charles Servais was appointed resident architect. He introduced exotism In the zoo, as it was the Ideal place to use Indian,

was established that the castle was built around 1300 on

Persian, Egyptian and Moresque styles, thus referring to

the floodplain o f the river Dender. The corlngs suggest

the animals' origins. After Servais' death in 1892 he was

that the site lay close to a tributary o f the Dender. This

succeeded by Emile Thielens. During fin de siècle b o o m ,

situation explains the nature o f the foundations observed

a party hall was constructed, as well as an administrative

In the excavation trenches, which consisted o f masonry

building, a new entrance and the modernization o f the

arches, presumably supported by wooden piles. The

southwest corner with the reptile residence, aquarium

external face of the plinth at the base o f the castle walls

and the revolutionary

panoramic

park following the

was stone clad. It remains uncertain whether the castle

principles of Carl Hagenbeck.

walls were also stone clad. The castle measured 21.4 x

The zoo was severely struck during W W I and W W II

22.1 meters internally. A hexagonal tower was situated on

and was forced to shoot dangerous animals for security

the southwest corner. O n the north side evidence o f a

reasons. During the interbellum a lot o f effort was made

round tower was discovered. No evidence was found for

for the gardens, because these, as opposed to the animal

buildings In the courtyard within the castle walls. This

population, were quite easy to restore. In the meantime

suggests that the castle had a military function. The

several exterior cages were modernized by replacing

regularity In the foundations and the materials used,

railings with dry and wet ditches.

suggest that the castle was constructed in a single phase.

The end of W W II meant a new start for the Zoo. During

The square form o f the castle resembles a tradition that

the first decades the zoo was modernized by rationalizing

had its origins at the end o f the 13th century. The castle stood within a moat with a width o f 20 to 30 meters. The fleldwork failed to reveal evidence for a possible n t h or 12th century predecessor t o the castle. The location o f

the available space, a reorganization o f different services and a scientific and cultural development. By the end o f the 20th century the existing buildings were restored, renovated and equipped with the latest techniques to fulfil the animals' needs.

this oldest castle should probably be Investigated 520 meters further o n , near the ancient farmstead

'tSchipken.

It has been established that, according to the criteria set out by the Flemish authorities, the castle should be

In the past the KMDA has always made sure the latest constructions and insights were applied in order to make the stay o f both people and animals as pleasant as possible. Actually the Zoo is prepared to keep up these

considered a protected m o n u m e n t .

standards.

M&L I 63


THE FISHING VESSEL OD.i MARTHA

Monument in Ontwikkeling (monument in development) drafted a completely new concept for the museum and its surroundings. This included the restoration by the shipyard Lowyck, subsidized by the Flemish Government,

In order to provide in the essential herring and sprat fishery during World War II, the shortage of fishing vessels was addressed by building a new fishing fleet. One of these vessels was the OD.i Martha, listed as a protected (sailing) monument since 1998 and actually integrated into the renovated National Fishery Museum in Oostduinkerke as the museum's eye-catcher. This wooden vessel was delivered in 1942 by the Ostend shipyard E. Crabbeels and, because of its home port Zeebrugge, was originally registered as the Z.53 GilbertRobert. The ship was mainly made of oak and elm, measured 10,60 by 3,16 meters and weighed 7,88 ton gross and 2,55 ton net. Three compartments divided the ship into the crew's accommodation in the fore-castle, a storage space amidships for fishing tackle and the catch, and an engine compartment in the stern. The steering was done by means of a helm-controlled rudder. The original Deutz diesel engine of 20 HP was already replaced in 1943 by a more powerful Delauny engine of 36/40 HP. The rigging of this one-master consisted of a mainsail and a staysail, both with gaff and pole. After the war the Z.53 Cilbert-Robert was given the new number 2,451 following the compulsory new registration. Only few months later the vessel moved to Nieuwpoort and was registered as the N.451 Cilbert-Robert. The following owner made several modifications. It was equipped with an Anglo-Belgian Company engine of 22/23 HP and the steering was adapted. From then on the rudder was controlled by means of a steering wheel, chains and chain guides. A cockpit now offered protection to the steersman. A second mast with rigging was constructed as well as an engine-driven capstan for hauling in the herring trawl net. Due to the new methods of fishery, the N.451 could no longer be used as a fishing vessel as of 1961. The conversion to the towboat Marie-Hélène saved it from the breaker's yard. In 1974 the ship was taken out of service and, just like the OD.i Martha, was given a place on the square near the National Fishery Museum in Oostduinkerke. The conservation conditions on land however proved disastrous for the fishing boat.

where one opted for the coastal fishing vessel, since the heritage values which had led to the protection in 1998 mainly applied to this function. Since then the sailing monument has been integrated in an acclimatized new museum wing, designed in accordance with the principle of'form follows function'. Not only has its preservation thus been assured, but this quite unique presentation of the OD.i Martha is also an excellent museological incentive to tell the story of fishery, which was of course the initial purpose of its construction.


restoration works In eigen huis / Restauratie is meer dan nostalgie. Meer dan angstvallig bewaren wat ooit was. Restauratie blaast de pracht van ons erfgoed nieuw leven in en integreert het met de kracht van het hier en het nu. Daarom zijn restauratiewerken ons op het lijf geschreven. We slaan de brug tussen traditie en hightech. We hanteren de meest innovatieve bouwtechnieken, maar we hebben het grootste respect voor het oorspronkelijke karakter van ons erfgoed. Bij Denys beheersen we alle restauratie technieken en voeren we ze uit met eigen mensen en materieel. Dat is de beste garantie op feilloze kwaliteit binnen de gestelde stricte deadlines. Foto ! De koepet van de monumentate Sint-Pieterskerk in Gent (BE) schittert in zijn oorspronketijke storie. Denys restaureerde het interieur van de barokke koepel.

www.denys.com

• ENV5 __________->__________•

TUNNELLING WORKS / CIVIL WORKS / WATER WORKS / RESTORATION WORKS / BUILDING WORKS / PIPELINE WORKS / DREAM WORKS


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_31_3.pdf by Vlaanderen-be - Issuu