Onderzoek naar het habitatgebruik van bever in relatie tot schadebeheer Verkenning van het ruimtegebruik voorafgaand aan mogelijke beheermaatregelen Frank Huysentruyt, Kristof Baert, Jim Casaer, Siege Van Ballaert, Joris Vernaillen, DaniĂŤl Van Der Beeck, Jan Vercammen
Auteurs: Frank Huysentruyt, Kristof Baert, Jim Casaer, Siege Van Ballaert, Joris Vernaillen, DaniĂŤl Van Der Beeck, Jan Vercammen Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Reviewers: Anneleen Rutten Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: Herman Teirlinckgebouw INBO Brussel Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel www.inbo.be e-mail: frank.huysentruyt@inbo.be Wijze van citeren: Huysentruyt F., Baert K., Casaer J., Van Ballaert S., Vernaillen J., Van Der Beeck D. & Vercammen J. (2020). Onderzoek naar het habitatgebruik van bever (Castor fiber) in relatie tot schadebeheer. Verkenning van het ruimtegebruik voorafgaand aan mogelijke beheermaatregelen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (17). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.18039745 D/2020/3241/128 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (17) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: INBO Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van: De Vlaamse Waterweg nv
Š 2020, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
ONDERZOEK NAAR HET HABITATGEBRUIK VAN BEVER
(CASTOR FIBER) IN RELATIE TOT SCHADEBEHEER Verkenning van het ruimtegebruik voorafgaand aan mogelijke beheermaatregelen Frank Huysentruyt, Kristof Baert, Jim Casaer, Siege Van Ballaert, Joris Vernaillen, Daniël Van Der Beeck, Jan Vercammen
doi.org/10.21436/inbor.18039745
www.inbo.be
Dankwoord Dit onderzoek gebeurde in opdracht van de Vlaamse Waterweg nv. We willen hen expliciet bedanken voor het vertrouwen in het INBO voor het uitvoeren van deze opdracht. Een samenwerking als deze laat ons toe het perspec ef van het technisch beheer van de waterlopen in Vlaanderen van nabij te leren kennen. Hierdoor kunnen we deze elementen beter in rekening brengen bij toekoms ge projecten rond het beheer van biodiversiteit in en rond grote waterlopen. We bedanken ook iedereen bij De Vlaamse Waterweg nv die bijdroeg aan het coÜrdineren van dit onderzoek, met hulp en ondersteuning op het terrein of met snelle antwoorden op technische vragen. Tijdens dit project konden we ook beroep doen op Miel Cnuts die, als student Agro- en Biotechnologie bij de Hogeschool PXL, zijn stage met bijhorende bachelorscrip e bij INBO uitvoerde. Het vele bijkomende veldwerk van Miel, zijn hulp bij datacontrole en -verkenning en zijn literatuurstudie vormden een waardevolle bijdrage aan het eindresultaat van dit project. Finaal willen we graag nog onze collega’s Axel Neukermans, Anneleen Ru en, Emma Cartuyvels en Kurt Schamp bedanken die bijsprongen waar nodig bij het veldwerk.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 1 van 32
Samenva ng De Europese bever neemt in Vlaanderen, nu de soort er in volle expansie is, ook schijnbaar minder geschikte habitats in, vaak met bijhorende risico’s op graafschade aan waterkerende dijken. Hierbij rijst de vraag hoe groot deze risico’s zijn en in welke mate ze beheersbaar kunnen worden gemaakt. De Vlaamse Waterweg nv vroeg daarom aan het INBO om langs een stuk van de Dijle en de Demer in Vlaams-Brabant de aanwezigheid van bevers en de manier waarop ze van dit gebied gebruik maken, in kaart te helpen brengen. Deze kennis is immers cruciaal voor een gebalanceerd schadebeheer waarbij maximaal ruimte kan worden gelaten voor de aanwezigheid van bever. Naast klassieke inventarisa emethodes bleek onderzoek via VHF-telemetrie een geschikte, maar arbeidsintensieve, aanvulling. In totaal konden 22 bevers van een zender worden voorzien, waarvan er 14 voldoende gegevens opleverden voor gedetailleerde analyse. De resultaten toonden weinig tot geen territoriumoverlap zodat het aantal vastgestelde territoria gelijk was aan het aantal aanwezige families. Op de Dijle tussen Werchter en Muizen, over een lengte van ongeveer 15 km, werden duidelijk drie verschillende territoria geïden ficeerd, elk met 5 – 6 km beze e rivierlengte. Hoewel het dus duidelijk is dat er binnen deze zone drie families aanwezig zijn, is het aantal aanwezige bevers moeilijker in te scha en en fluctueert dit doorheen het jaar waarschijnlijk tussen de 12 en 20 individuen. Door zeldzame intrusies van bevers uit naburige territoria en dispersie van jonge bevers uit meer stroomopwaarts gelegen territoria kan dit aantal wel jdelijk sterk oplopen, maar dit effect is van korte duur. We stelden vast dat, waar mogelijk, de bevers hun burchten aanlegden in bereikbare, dichtbij de rivier gelegen, afgekoppelde meanders en dat ze daar ook een aanzienlijk deel van hun jd spendeerden. Dit impliceert dat het behoud van deze meanders, het toegankelijk maken ervan of het verbeteren van hun kwaliteit als beverhabitat goede beheermaatregelen kunnen zijn. Omdat we voor zowel territoria met con nu bereikbare meanders, territoria met jdelijk droogvallende meanders, als territoria zonder bereikbare meanders, ongeveer een gelijke rivierlengte vaststelden lijkt de biologische draagkracht van het hier onderzochte systeem vrij constant te zijn en de hoeveelheid voedsel en leefgebied dus overal voldoende gewaarborgd. Hoewel aanpalende meanders dus een zeer belangrijk onderdeel van het beverhabitat kunnen uitmaken zijn ze geen ul eme voorwaarde voor de aanwezigheid van bevers. Wel zullen bevers die toegang hebben tot meanders met voldoende water, weinig verstoring en voldoende schuil- en voedselmogelijkheden, daar hun burcht aanleggen en er grote delen van hun jd spenderen. Dit zorgt in die zones voor een sterke daling van de kans op holen en uitgegraven rustplaatsen in de dijken van de hoofdwaterlopen. Door het sterk territoriale gedrag waarborgt de aanwezigheid van een beverfamilie verder het uitblijven van bijkomende ves ging van andere beverfamilies op de hoofdwaterloop in een brede zone. In func e van de draagkracht en van eventuele dijkschade zijn er daarom sterke aanwijzingen dat systemen met meer schuilmogelijkheden in de vorm van bereikbare aanpalende meanders minder risico op schade vertonen.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 2 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
Aanbevelingen voor beheer en/of beleid Dit project onderzocht via terreinobserva es en VHF-telemetrie op welke manier bevers zich gedragen binnen een riviersysteem dat gevoelig is aan structurele dijkschade door bevers. Het project slaagde erin de lokale beze ng in een studiegebied langs de Demer en de Dijle in kaart te brengen en iden ficeerde verschillende methodes om dit ook voor bevers op andere loca es in Vlaanderen op een efficiën e manier te doen. In func e van het beheersen van mogelijke structurele schade formuleert het project volgende aanbevelingen: • Naarmate de bever zich in Vlaanderen verder uitbreidt, neemt hij ook schijnbaar minder geschikte habitats in. Het totaal uitsluiten van de aanwezigheid van bevers in schadegevoelige zones wordt daardoor sterk bemoeilijkt. Het is daarom aangewezen om op grotere schaal eerder voor een preveneve, dijkschade-mi gerende aanpak te kiezen dan voor een aanpak die de aanwezigheid van bevers tegengaat. Het weren van bevers kan op die manier lokaal worden beperkt tot zeer schadegevoelige loca es. • De beheerop e om bevers toch volledig uit bepaalde brede zones te weren vergt bijkomend onderzoek naar de omgevingsvariabelen die hierbij een rol kunnen spelen. Bovendien moet worden nagegaan op welke manier deze informa e in een beheercontext aangewend zou kunnen worden. • De aanwezigheid van toegankelijke en geschikte rustzones, zoals bijvoorbeeld oude meanders, kan zorgen voor een gecontroleerde aanwezigheid van bevers in een groot gebied. De ves ging van een bever(familie) zal bijkomende ves ging van andere beverfamilies in deze zone helpen voorkomen, omwille van natuurlijk territoriaal gedrag. Dergelijke rustzones bevinden zich bij voorkeur dicht bij de hoofdwaterloop, hebben een gewaarborgde waterstand, voldoende beschu ng, voedsel en een minimum aan verstoring. Het uitgevoerde onderzoek vond ook indica es dat de aanwezigheid van dergelijke rustzones het risico op graafschade elders in het territorium helpt verlagen. Het is daarom aangewezen om in gebieden met bekende of verwachte beverac viteit voldoende geschikte rustzones te voorzien en de kwaliteit ervan te onderhouden. Deze aanbevelingen laten zich vertalen in een breed plan van aanpak voor het beheer van de aanwezigheid van bevers op waterlopen met risico op dijkschade: 1. Bij het vaststellen van de aanwezigheid van bevers in een bepaalde zone wordt via sporenonderzoek de spreiding van de aanwezige verschillende families en territoria in kaart gebracht. Dit kan via een sporenonderzoek op de oevers en in aanpalende rustgebieden, waarbij vooral wissels en knaag- en vraatsporen kunnen worden vastgesteld. Het is echter aangewezen om ook een sporenonderzoek vanaf het water (bv. per kano) uit te voeren, bij voorkeur bij lage of waar mogelijk verlaagde, waterstand, om zo ook de aanwezigheid van dagrustplaatsen (ondiepe holtes) en holen vast te kunnen stellen. Deze inventarisa es gebeuren bij voorkeur in twee verschillende seizoenen om een meer volledig beeld van het habitatgebruik te krijgen. 2. Na het iden ficeren van families en territoria via sporenclusters moeten, als nog niet door het sporenonderzoek gekend, de belangrijkste burcht(en) per territorium worden gelokaliseerd. Dit kan via een meer gedetailleerd sporenonderzoek of via nachtelijke observa es. Het vangen en zenderen van bevers kan daarbij helpen, maar is zeer arbeidsintensief en vergt de nodige we elijke afwijkingen. 3. Wanneer binnen een territorium de belangrijkste burcht(en) zich op een loca e bevinden waar de kans op schade onbestaande of minimaal is, is het aanbevolen deze loca e te vrijwaren en de geschiktheid ervan als beverhabitat te onderhouden of te verbeteren. Dit kan gaan over toegankelijkheid vanaf de hoofdwaterloop, de aanwezigheid van beschu ng en voedsel, het waarborgen van
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 3 van 32
een constante minimale waterdiepte en het beperken van verstoring. De aanwezigheid van een beverfamilie met burcht op een niet-schadegevoelige loca e is de beste manier om een lang stuk (tot ca. 5 km) waterloop te vrijwaren van andere bevers en om de kans op schade door de aanleg van holen in dijken te minimaliseren. 4. Als een burcht zich op een schadegevoelige loca e bevindt of wanneer een beze e geschikte loca e niet langer gevrijwaard kan worden, is het aangewezen om zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke burchtloca e, of rond zones met gekende ac viteit, op zoek te gaan naar een alterna eve geschikte zone waarbinnen de aanleg van een burcht kan worden getolereerd. Deze loca es bevinden zich bij voorkeur dicht bij de hoofdwaterloop, hebben een gewaarborgde waterstand, voldoende beschutng, voedsel en een minimum aan verstoring. Dit kan worden bereikt door het beter toegankelijk maken van geschikte maar afgesloten zones, of door het meer geschikt maken van tot dan toe minder geschikte zones door het voorzien van bijkomende oeveraanplan ngen, het verminderen van verstoring en het waarborgen van een minimale waterstand. 5. In de gevallen waarbij voor een gecontroleerde aanwezigheid van bever wordt gekozen is het aangeraden de toegang tot voedsel en beschu ng voldoende te waarborgen om onvoorspelbare verschuivingen van het habitatgebruik binnen het territorium te voorkomen. 6. Wanneer er geen alterna even aanwezig zijn, kan worden gekozen om een volledige zone onaantrekkelijk te maken voor bever. Dit kan inhouden dat op cruciale plaatsen voor oeverversteviging wordt gekozen, maar de verwach ng daarbij is dat, wanneer geen andere flankerende maatregelen worden genomen, de schade zich binnen het territorium zal verplaatsen als niet de volledige oever kan worden verstevigd. Flankerende maatregelen bestaan er vermoedelijk vooral uit dat de toegang tot voedselbronnen en de aanwezigheid van beschu ng in deze zone zoveel mogelijk wordt beperkt, zodat het territorium onvoldoende middelen biedt. Dit kan gaan van een intensief maaibeheer van de oevers tot het ontoegankelijk maken van aanpalende bossen, boomgaarden, tuinen en akkers. De effec viteit van dergelijke ingrepen op de aanwezigheid van bevers en de exacte ingrepen nodig voor het volledig weren van bever langs dit soort waterlopen vragen verder (literatuur)onderzoek. 7. Het louter wegvangen van bevers hee in de meeste gevallen weinig zin. Wanneer de omstandigheden van het territorium niet wijzigen zal het snel door een nieuwe familie worden ingenomen. Bij schade aan een specifieke loca e die nadien ontoegankelijk kan worden gemaakt, kan wegvangen wel effect hebben. Ook dan is uiterste voorzich gheid geboden en is het sterk aangewezen niet te vangen jdens de voorplan ngsperiode en gevangen bevers binnen hetzelfde territorium terug te plaatsen. Door het ontoegankelijk maken van een voordien sterk gebruikte loca e zal daarenboven een verschuiving van het habitatgebruik binnen het territorium optreden die moeilijk te voorspellen is. Het is daarom aangewezen een dergelijke ingreep te flankeren met het voorzien van alterna ef geschikt habitat voor de aanleg van een burcht binnen eenzelfde territorium, waarnaar bevers op dat moment kunnen worden verplaatst. Een andere mogelijkheid is het volledige habitat ongeschikt maken, waardoor de bevers het gebied zelfstandig zullen verlaten. 8. Elke vorm van beheer wordt het best begeleid door een goede en regelma ge opvolging door sporenonderzoek, zodat een verschuiving in het habitatgebruik jdig kan worden opgemerkt en er op kan worden ingespeeld. Daarnaast moet bij elke genomen maatregel, zowel posi ef als nega ef voor bever, de afweging omtrent mogelijke impact op andere aanwezige soorten en habitats worden gemaakt.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 4 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
English abstract As a result of its recent range expansion throughout Flanders, the European beaver has also started colonizing less favorable habitats, with associated risks of excava on damage to dikes. The ques on then arises of how great these risks are and to what extent they can be made manageable. The Vlaamse Waterweg nv therefore asked INBO to help map out the presence of beavers and the way in which they use a specific area along the Dyle and Demer river in Flemish Brabant. This knowledge is crucial to inform a balanced damage management that also maximizes opportuni es for beaver presence. Next to tradi onal inventory methods, research via VHF-telemetry proved to be a suitable, but labor-intensive, addi on. A total of 22 beavers could be provided with a transmi er, of which 14 provided sufficient data for detailed analysis. The results showed li le to no territory overlap, so that the number of established territories was equal to the number of families present. On the Dyle between Werchter and Muizen, a stretch of approximately 15 km, three dis nct territories were iden fied, each covering 5 – 6 km of river length. Although it is clear that there are three families within this zone, the number of beavers present is more difficult to es mate and probably fluctuates between 12 and 20 individuals throughout the year. Rare intrusions from beavers from neighboring territories and dispersion of young beavers from more upstream territories may temporarily increase this number, but this effect is short-lived. We found that, where possible, beavers built their dens in accessible, disconnected meanders close to the main river and that they also spent a significant amount of their me there. This implies that preserving these meanders, making them accessible or improving their quality as beaver habitat, can be good management measures. We also found that territories with con nuously accessible meanders, as well as territories with meanders that temporarily dry up and territories without any meanders, all roughly occupied the same river length. This implies that the biological carrying capacity of the system inves gated here is fairly constant and that food and habitat is sufficiently guaranteed throughout. Although adjacent meanders can form a very important part of the beaver habitat, they are not a prerequisite for beaver presence. Beavers that have access to meanders which hold sufficient water, have li le disturbance and provide sufficient shelter and food, will locate their den there and spend a large part of their me there, reducing the risk of burrows and excavated res ng places in the dikes of the main watercourses. Due to the strong territorial behavior, the presence of a beaver family further guarantees the absence of addi onal se lement of other beaver families on the main watercourse in a wide zone. In func on of the carrying capacity and possible dike damage, there are strong indica ons that systems with more hiding possibili es in the form of accessible adjacent meanders have less risk of damage.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 5 van 32
Inhoudsopgave
Dankwoord . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
1
Samenva ng . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
2
Aanbevelingen voor beheer en/of beleid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
3
English abstract . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
5
Inhoudsopgave . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
6
Lijst van figuren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
7
Lijst van tabellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
7
1
Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
8
1.1 1.2
Algemeen kader . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Doelstellingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
8 9
2
Materiaal en Methoden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.3 2.3.1
Inventarisa e . Telemetrie . . . Vangen . . . . Zenderen . . . Telemetrie . . . Dataverwerking Home range . .
3
Resultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
3.1 3.1.1 3.1.2 3.2 3.2.1 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.4 3.4.1 3.4.2 3.4.3 3.4.4
Inventarisa e . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . April 2017 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Augustus 2017 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Telemetrie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Vangen en zenderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Analyse . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Home ranges en rivierlengtes . . . . . . . . . . . . . . . . . . Seizoenaliteit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Gebruik meanders . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Casussen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Territorium Rijmenam-Muizen, Dijle . . . . . . . . . . . . . . Territorium Haacht-Rijmenam, Dijle . . . . . . . . . . . . . . . Territorium Betekom, Demer . . . . . . . . . . . . . . . . . . Overzicht van het meandergebruik in de verschillende casussen
4
Discussie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
26
5
Conclusies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
29
Referen es . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
32
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
10 . . . . . . .
10 11 11 11 13 14 14
16 . . . . . . . . . . . . . .
16 16 16 17 17 18 18 20 21 22 22 22 23 23
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 6 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
Lijst van figuren
Figuur 2.1 Figuur 2.2 Figuur 2.3 Figuur 2.4
Figuur 3.1 Figuur 3.2 Figuur 3.3 Figuur 3.4
Figuur 3.5 Figuur 3.6 Figuur 3.7 Figuur 3.8 Figuur 3.9
De verschillende types sporen die in kaart werden gebracht jdens de inventarisa es. Van links naar rechts: wissel, dagrustplaats en hol. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Beeld van een inloopkooi gemaakt door een wildcamera (links). Gevangen bever in kooi met wildcamera in de achtergrond (rechts). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . VHF-zender met uitwendige (links) en inwendige (rechts) antenne, aangebracht als staar ag bij bevers gevangen op de beneden-Dijle. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Verdeling van het aantal bezoeken in een gegeven maand over de verschillende jaren van de studie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Waargenomen sporen jdens de oeverinspec e op 17 april 2017. . . . . . . . . . . . Waargenomen sporen jdens de oeverinspec e op 30 augustus 2017. . . . . . . . . Verzamelde loca egegevens voor elk van de 14 bevers. . . . . . . . . . . . . . . . . Verandering in home range groo e bij variërende percentages van het aantal locaes gebruikt bij het bepalen van minimum convex polygonen voor de 14 bevers met geschikte data. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Home ranges voor de 14 bevers met geschikte data, berekend via MCP. . . . . . . . . Datapunten per seizoen voor twee bevers uit het territorium op de Dijle tussen Rijmenam en Muizen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Datapunten per seizoen voor twee bevers uit het territorium op de Dijle tussen Haacht en Rijmenam. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Datapunten per seizoen voor een bever uit het territorium op de Demer ter hoogte van Heikant . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Verdeling per maand van de waarnemingen van bevers op en buiten de aanwezige meanders in de drie verschillende territoria. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
10 11 12 14 16 17 19
19 20 23 24 24 25
Lijst van tabellen
Tabel 3.1 Tabel 3.2 Tabel 3.3 Tabel 3.4
Overzicht dataverzameling gezenderde bevers. . . . . . . . . . . . . . . . . Overzicht home range groo e (ha) en gebruikte rivierlengte (km) per bever. Overzicht home range groo es (ha) en aantal loca ebepalingen per seizoen. Overzicht waarnemingen binnen en buiten meanders. . . . . . . . . . . . .
. . . .
. . . .
. . . .
. . . .
. . . .
18 21 21 22
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 7 van 32
1 1.1
INLEIDING ALGEMEEN . . . . . . . . . . . . .KADER ......
De Europese bever, Castor fiber (hierna bever genoemd), was ooit algemeen en wijdverspreid in Europa, maar verdween midden 19e eeuw uit Vlaanderen en grote delen van Europa door intensieve bejaging en habitatverlies (Nolet & Rosell, 1998; Van Wijngaarden, 1966). Door herintroduc e-projecten en een toenemende bescherming van de soort nam hun aantal in Europa in de laatste decennia opnieuw toe (Halley et al, 2012; Nolet & Rosell, 1998) en verkeert de soort momenteel in een guns ge IUCN status (popula on increasing, least concern) (IUCN, 2019). Sinds het jaar 2000 komen ook in Vlaanderen opnieuw bevers voor, opgesplitst in twee deelpopula es (Agentschap voor Natuur en Bos, 2015; Verkem et al, 2003). Een eerste popula e situeert zich in het Maasbekken en is het resultaat van natuurlijke areaaluitbreiding via de Maas vanuit zowel Nederland als Wallonië. Een tweede popula e hee de Dijlevallei als kerngebied, een gevolg van clandes ene uitze ngen in dit bekken aan zowel Waalse als Vlaamse zijde (Agentschap voor Natuur en Bos, 2015; Verkem et al, 2003). De Vlaamse popula e werd in 2013 geschat op 150 – 200 dieren (Agentschap voor Natuur en Bos, 2015). Een recente evalua e van de monitoring van bever in Vlaanderen scha e de minimale popula e in 2014 op 70 territoria of 196 bevers, een aantal dat sterk toenam tot 159 territoria of 445 bevers in 2018 (Huysentruyt et al, 2019). Deze waarde bevindt zich net onder de 167 territoria die in het soortbeschermingsprogramma voor bever als guns ge staat van instandhouding voor de soort in Vlaanderen naar voor werd geschoven (Agentschap voor Natuur en Bos, 2015). De verwach ng is dan ook dat deze guns ge staat voor Vlaanderen in de komende jaren zal worden bereikt. Gezien het belang van het Dijlebekken voor bevers in Vlaanderen en de recente sterke toename van de soort in dit gebied, wordt al sinds enkele jaren hoge ac viteit van bevers in het Dijlebekken vastgesteld. Waar de situa e in dat bekken langs de grens met Wallonië weinig risico’s inhoudt, zorgt de aanwezigheid van waterkerende dijken verder stroomafwaarts ten noorden van Leuven wel voor een hogere kans op schade door bevers. Door het graven van holen en gangenstelsels bestaat immers het risico op schade aan deze dijken, met eventuele overstromingen van de achterliggende gebieden tot gevolg. Hierbij rijst de vraag hoe groot deze risico’s zijn en in welke mate ze beheersbaar kunnen worden gemaakt. In de regio tussen Werchter en Muizen (Vlaams-Brabant), een traject van ongeveer 15 km, vraagt de situa e in de laatste jaren s laan om ingrepen om verdere schade te voorkomen en bestaande schade te herstellen. Deze regio werd daarom door De Vlaamse Waterweg nv (voor 2018 Waterwegen en Zeekanaal) aangeduid als een zone waarin deze situa e moest worden onderzocht en geëvalueerd. Tijdens een verkennende inspec e in deze regio in 2015 stelde De Vlaamse Waterweg nv 45 aantas ngen door bevers vast, verspreid over drie clusters. Om meer zicht te krijgen op de omvang van deze aantas ngen, de aanwezigheid van bevers in het gebied en de manier waarop de bevers van dit gebied gebruik maken, werd in 2017 een project in samenwerking met INBO opgestart. Doorheen het project werd het studiegebied verder uitgebreid op de Demer tot Betekom, goed voor een studiegebied met een rivierlengte van ongeveer 20 km. Dit onderzoek werd in 2019 afgerond en de bevindingen ervan vormen de inhoud van dit rapport.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 8 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
1.2
DOELSTELLINGEN ..................
Binnen dit project werd in een eerste fase het schaderisico opnieuw in kaart gebracht via twee nieuwe gedetailleerde inventarisa es van de oevers van de Dijle tussen Werchter en Muizen. Daaropvolgend werd nagegaan in welke mate VHF-telemetrie een nu ge tool kon zijn om de ac viteit van de bevers ter plaatse te volgen. Hiervoor moest worden nagegaan of bevers makkelijk te vangen en van een zender te voorzien waren en hoelang en consistent dit kon worden opgevolgd. Binnen dit luik werden ook verschillende zendertypes geëvalueerd. Wanneer de methodiek geschikt bleek, had het opvolgen als doel informa e te bekomen over de exacte aantallen, de loca e van holen en burchten en de eventuele varia e erin doorheen de jd, de verplaatsingen van de bevers en het concrete gebruik en groo e van hun leefgebied. Al deze gegevens moeten toelaten om na te gaan wat de poten ële draagkracht voor bevers is van een systeem zoals het onderzochte stuk van de Dijle, met inbegrip van aanpalende vijvers en meanders. Deze informa e kan daarbij als basis dienen voor de opmaak van een beheerstrategie met concrete maatregelen die zowel bij de aanleg als bij het beheer van dijken kunnen worden toegepast om de impact van bevers te minimaliseren. De concrete vragen die in deze studie werden behandeld zijn: • In welke mate is VHF-telemetrie een goed, haalbaar en efficiënt onderzoeksinstrument voor het beantwoorden van deze vragen? • Hoeveel beverfamilies en individuele bevers zijn er naar scha ng aanwezig? • Hoe groot zijn de verschillende territoria en in welke mate is er overlap? • Afgaande op aantallen en territoriumgroo e, wat is de draagkracht van het systeem met inbegrip van aanpalende vijvers en meanders? • Wat is de rol van de aanpalende meanders en in welke mate bepalen de karakteris eken ervan het gebruik door bevers? • In welke mate kunnen preven eve maatregelen en/of strategisch beheer (bevers op geschikte locaes tolereren om erger te vermijden) bijdragen tot het beheersbaar maken van de risico’s? Aanvankelijk zou in een tweede fase ook worden nagegaan hoe bevers reageren op preven eve maatregelen die genomen worden tegen schade aan de waterkerende dijken of op andere geplande maatregelen in het gebied zoals herstelwerken of het heraansluiten van oude meanders op de hoofdwaterloop. Omdat deze werken echter pas op het einde van de onderzoeksperiode werden uitgevoerd, op een moment waarop nog weinig bevers met een ac eve zender in het gebied aanwezig waren, kon dit onderdeel niet rechtstreeks worden onderzocht. Het rapport gee daarom in zijn conclusies enkel weer wat, op basis van de gedane observa es, de te verwachten reac es zijn en doet vanuit die context aanbevelingen voor het verdere beheer. De studie werd uitgevoerd op de Dijle omdat dit gebied een kernzone vormt voor de beverpopula e met navenante schaderisico’s. De ervaringen die met deze studie opgedaan worden, zullen echter ook bruikbaar zijn op andere loca es in Vlaanderen waar zich gelijkaardige situa es voordoen.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 9 van 32
2
MATERIAAL EN METHODEN
2.1
INVENTARISATIE .................
In 2017 werden op 19 april en 30 augustus twee grondige inspec es van de Dijleoevers uitgevoerd vanop het water. Hier werd bij een gecontroleerd verlaagde waterstand met een kano vanaf de samenvloeiing van Demer en Dijle in Werchter tot aan de brug ter hoogte van de Brugstraat in Muizen gevaren. Door de lage waterstand werden holen die zich onder de waterlijn bevonden vanop het water goed zichtbaar. Tijdens de inventarisa es werden de beversporen opgedeeld in drie verschillende types (Figuur 2.1): • Wissels • Dagrustplaatsen • Holen Vooral holen vormen een structurele bedreiging voor de stabiliteit van de dijken. Ook sommige dagrustplaatsen kunnen in de dijk zijn ingegraven maar bevinden zich steeds boven de hoogwaterlijn en strekken zich veel minder diep (< 1 m) in de dijk uit. Op loca es waar verschillende beversporen zich op dezelfde plaats bevonden werden alle spoortypes beschreven maar werd de loca e getypeerd in volgorde van belang (hol > dagrustplaats > wissel) (zie ook verder Figuur 3.1 en 3.2). Deze aanpak zorgde ervoor dat een eerste indruk werd verkregen van een eventuele clustering van sporen binnen het studiegebied om zo een inscha ng van het aantal mogelijke territoria te krijgen. Daarnaast liet deze aanpak toe na te gaan op welke plaatsen het risico op structurele schade het hoogst was en of er seizoenale verschuivingen (voorjaar/zomer) optraden.
Figuur 2.1: De verschillende types sporen die in kaart werden gebracht jdens de inventarisa es. Van links naar rechts: wissel, dagrustplaats en hol.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 10 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
2.2 2.2.1
TELEMETRIE ............. Vangen
Voor het levend vangen van bevers werd binnen een ini ële verkenningsronde tussen juli en oktober 2017 geëxperimenteerd met inloopkooien en klapvallen (type Bailey). Gedurende deze periode werden vier bevers gevangen. Drie bevers werden in een kooi gevangen, de vierde (BE1004) werd met een schepnet gevangen op een betonnen vijver waarin het dier vast was komen te zi en. Op basis van deze ervaringen werd geopteerd om enkel een inloopkooi op het land met valdeuren aan beide zijden te gebruiken, een toepassing van het tunnelval-principe dat zijn effec viteit hee bewezen (Rosell & Kvinlaug, 1998). De hier gebruikte vallen hebben een afme ng van L 2,15 * B 0,60 * H 0,70 m en zijn vervaardigd uit bouwstaalma en van 8 mm met een maaswijdte van 5 cm (zie Figuur 2.2 links). Binnen dit project werden vanaf 2018 in totaal zeven van dergelijke vallen ingezet. De vallen werden uitgerust met wildcamera’s van het type Dörr Snapshot Mobil SSL GPRS 5.1 Black (zie Figuur 2.2 rechts). Deze camera’s sturen bij detec e van warmte en beweging een foto via e-mail door, zodat een directe controle vanop afstand mogelijk is en in geval van vangst snel mensen ter plaatse kunnen zijn. Na de proefperiode in 2017 werden binnen de projec ermijn in totaal nog vier bijkomende vangstperiodes georganiseerd (5 feb – 16 maa 2018, 28 mei – 11 jun 2018, 17 sep - 6 okt 2018 en 28 jan – 22 feb 2019). Binnen deze periodes werd een maximaal aantal vallen langere jd op plaatsen met gekende ac viteit opgesteld. In func e van ac viteit op camera’s, sporen en het aantal gekende dieren dat kon worden gevangen, werd het aantal vallen en loca es gaandeweg aangepast doorheen deze periodes zodat de vangstgegevens binnen dit project niet toelaten een analyse van de efficiën e op de verschillende jds ppen uit te voeren. Wel tonen de vangstgegevens van de gezenderde bevers aan dat zowel voorjaar (februari-mei) als het najaar (september-oktober) zeer geschikt zijn om te vangen, zoals ook beschreven in de literatuur (Rosell & Kvinlaug, 1998; Windels & Belant, 2016).
Figuur 2.2: Beeld van een inloopkooi gemaakt door een wildcamera (links). Gevangen bever in kooi met wildcamera in de achtergrond (rechts).
2.2.2
Zenderen
Gevangen bevers werden vanuit de kooi in een schepnet gedreven, waarin ze op de grond werden gefixeerd en waarbij hun ogen met een stuk stof werden afgedekt. Bevers die op deze manier gefixeerd worden, houden zich rus g zodat alle nodige handelingen in minder dan 30 minuten werden uitgevoerd. Vervolgens werden lichaamslengte (snuit-staart), staartlengte en staartbreedte genoteerd. Het geslacht werd niet
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 11 van 32
standaard bepaald, omdat dit enkel door palpa e van het baculum of het a appen van anaalkliersecreet mogelijk is, wat op het terrein moeilijk is. Er werd daarom geopteerd om naderhand op basis van waarnemingen en gedrag een inscha ng van het geslacht te maken. Na het verzamelen van deze biometrische gegevens werd ter iden fica e bij elke bever een onderhuidse transponder (PIT, type Trovan ID-100) ter hoogte van de linkerschouder geïmplanteerd. Vergelijkbare transponders worden gebruikt bij honden en ka en en laten toe teruggevonden of teruggevangen bevers te herkennen met behulp van een uitleesapparaat (type Trovan LID 560), ook wanneer andere merktekens verdwenen zouden zijn. In de staart werd verder, op enkele cen meter van de rand, een gemodificeerd oormerk met VHF-zender en mortaliteitssensor aangebracht (Arjo et al, 2008; Windels & Belant, 2016). Aanvankelijk werden zowel zenders met uitwendige antenne als met inwendige antenne gebruikt (Figuur 2.3). Zenders met een uitwendige antenne zouden een beter signaal kunnen genereren, wat bij een voornamelijk in het water levend zoogdier als de bever niet onbelangrijk is. Evenwel bleek snel dat zenders met uitwendige antenne sneller uit de staart scheurden. Om die reden werd jdens het project volledig overgeschakeld naar zenders met inwendige antenne. Vier van de uiteindelijk gebruikte zenders met uitwendige antenne waren van het type Advanced Telemetry Systems Tail Tag Transmi er (38 g) en twee van het type Sirtrack Ear Tag V2E 154B Whip (30 g). Er werden daarnaast 19 zenders met inwendige antenne aangebracht van het type Sirtrack Ear Tag V2E 154A Loop (27 g). Dit gee een totaal van 25 zenders op 22 opgevolgde bevers, een gevolg van het opnieuw zenderen van bevers bij wie de zender was verdwenen of waarvan de ba erijlevensduur was verstreken. Bij het manipuleren van gevangen bevers werd finaal, in func e van eventuele heriden fica e op cameravalfoto’s, een beeld van de staart gemaakt, nadat de zender werd geplaatst (zie ook Figuur 2.3) en werden bevers gewogen tot op 100 g nauwkeurig. Alle zenders werden geprogrammeerd op een frequen e van 30 pulsen/min en een mortaliteitsinterval van 6 uren, wat overeenkomt met een verwachte levensduur van de ba erij van 420 dagen. Eenmalig werd een gps datalogger met zender op een bever aangebracht. Ondanks het volgen van het protocol (Graf et al, 2016), ging deze echter al na 1 dag verloren en werden er geen verdere pogingen ondernomen om gps dataloggers te gebruiken.
Figuur 2.3: VHF-zender met uitwendige (links) en inwendige (rechts) antenne, aangebracht als staar ag bij bevers gevangen op de beneden-Dijle.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 12 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
2.2.3
Telemetrie
Bevers die van een zender waren voorzien konden worden opgevolgd via telemetrie. Dit laat toe de omgeving af te scannen op de speciďŹ eke frequen es die door elk van de ac eve beverzenders worden uitgezonden. Hiervoor gebruikten we een ontvanger, type Biotrack Sika receiver en twee verschillende types van antennes. In eerste instan e werd met behulp van een vaste, met een magneet op het dak van een wagen beves gde antenne, type Magmount omni-direc onal, de wijde omgeving al rijdend gescand. Het oppikken van een signaal (korte piep) op een bepaalde frequen e betekent dat de bever met de zender met die bepaalde frequen e in de buurt is, meestal binnen enkele honderden meters. Een monotoon signaal van 30 pulsen/min wees op een bever in rust, een licht verhoogd ritme (a ankelijk van het type zender) gaf aan dat de bever ac ef was en een sterk verhoogd ritme wees op langdurige inac viteit (> 6 u, mortaliteitssignaal). Na het oppikken van een signaal met de dakantenne werd lokaal overgeschakeld op het gebruik van een handantenne, type Lintec exible Yagi. Door met deze antenne telkens de rich ng te bepalen waarin het signaal het sterkst is, kon de exacte loca e van het signaal worden bepaald. Door het feit dat bevers zich voornamelijk op waterlopen ophouden, kon dit hoofdzakelijk worden gedaan door langs de jaagpaden op de dijken te rijden en daar vervolgens op verder te stappen. Dit resulteerde ofwel in een directe waarneming van de bever of in een signaal van een bever die zich op een vaste loca e onder de grond in een hol of burcht bevond zodat het telkens mogelijk was aan de hand van GPS en orthofoto’s binnen de Google MyMaps applica e op smartphone de exacte loca e van de bever op dat jds p te bepalen en online op te slaan. Bij het oppikken van een mortaliteitssignaal werd telkens geprobeerd om de zender en/of bever terug te vinden. Lukte dit niet dan werd jdens volgende controles nagegaan of het mortaliteitssignaal nog steeds op dezelfde loca e te horen was. Na beves ging werd deze zender als inac ef geregistreerd en werden bij verdere data-analyse de gegevens van deze zender beperkt tot en met het laatste ac eve signaal. Dit terreinwerk werd uitgevoerd op 212 verschillende momenten doorheen de studieperiode, verdeeld over de verschillende maanden zoals getoond in Figuur 2.4. Daaruit blijkt dat maandelijks minstens vijf veldbezoeken gebeurden, behalve in de tweede hel van 2019, toen er nog maar een beperkt aantal bevers met ac eve zenders in het gebied aanwezig waren. Met uitzondering van de maand juni werd elke maand in minstens twee verschillende jaren bemonsterd. Verder werden in elke maand over alle jaren minstens 10 veldbezoeken uitgevoerd, hier met uitzondering van de maand juli, waar in totaal zeven veldbezoeken plaatsvonden over twee verschillende jaren. In het totaal werden 445 uren gepresteerd aan telemetrie veldwerk, berekend als de jd tussen de registra e van de eerste lokalisa e en de laatste jdens eenzelfde bezoek. De duur van een enkel bezoek bedroeg gemiddeld 2.1 uur, met een maximum van 13.7 uur.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 13 van 32
2017
2018
2019
19 17
Aantal bezoeken
15 13 11 9 7 5 3 1
1
2
3
4
5
6
7
8
9 10 11 12
1
2
3
4
5
6
7
8
9 10 11 12
1
2
3
4
5
6
7
8
9 10 11 12
Maand
Figuur 2.4: Verdeling van het aantal bezoeken in een gegeven maand over de verschillende jaren van de studie.
2.3
DATAVERWERKING ...................
De verwerking van de gegevens gebeurde in het programma R versie 3.5.1. (R Core Team, 2019).
2.3.1
Home range
Als basis om het gedrag van de lokaal aanwezige bevers te analyseren wordt per bever de zogenaamde home range berekend. Deze term wordt vaak als synoniem voor territorium gebruikt, maar verschilt daar toch wezenlijk van (Burt, 1943). Een home range is het gehele gebied waarin een bepaald individu (of een groep) het grootste deel van zijn jd doorbrengt en dat wordt gebruikt om alle normale levensac viteiten te vervullen. Het is dus belangrijk dat binnen een dergelijk gebied voldoende middelen zoals burchten en holen, foerageer- en schuilplaatsen aanwezig zijn om het voortbestaan te garanderen. Een home range kan deels of geheel overlappen met soortgenoten en doorheen het jaar wijzigen in func e van specifieke noden. Een territorium is daarentegen een gebied dat door een individu (of groep) verdedigd wordt om er zeker van te zijn dat alleen zij gebruik kunnen maken van de aanwezige middelen (Campbell et al, 2005; Fryxell et al, 2014). Bevers leven in familieverband binnen een territorium dat jaarrond tegen soortgenoten wordt verdedigd en waarvan de grenzen met geursporen worden gemarkeerd (Campbell et al, 2005; Müller-Schwarze & Sun, 2003). Alle lee ijdsklassen en beide geslachten binnen een beverfamilie nemen deel aan de markering van de territoriumgrenzen en er is weinig verschil tussen de home range en het territorium (Müller-Schwarze & Sun, 2003). De foerageerplaatsen op het land die zich in de nabijheid van water bevinden, behoren daarbij tot de home range terwijl de dammen, holen, burchten en belangrijkste wissels onderdeel van het territorium zijn (Müller-Schwarze & Sun, 2003). De groo e van de home range kan doorheen het jaar verschillen a ankelijk van de kwaliteit van de leefomgeving en lokale popula edichtheden maar ook in func e van het geslacht: hoewel er in de regel geen verschil is in de groo e van home ranges van mannelijke en vrouwelijke bevers (Herr & Rosell, 2004; Korbelová et al, 2016), spenderen mannetjes in het voorjaar meer jd aan de grenzen van het territorium dan vrouwtjes, die op dat jds p van het jaar de jongen zogen (Müller-Schwarze & Sun, 2003; Rosell & Thomsen, 2006). Doorheen de tekst
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 14 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
wordt in dit rapport telkens enkel over territorium gesproken in kader van het ac ef verdedigde leefgebied van een familiegroep. De individuele home ranges worden bepaald door berekening van de Minimum Convex Polygon (MCP) voor de verzamelde loca es waar een bever werd waargenomen. Hierbij wordt een polygoon geconstrueerd die alle geregistreerde loca es van 1 dier bevat en waarbinnen geen enkele interne hoek groter is dan 180° (Burgman & Fox, 2003). Om een al te groot effect van uitschieters te vermijden wordt daarbij een percentage van de loca es die het verst van het centroïd van alle loca es samen zijn gelegen verwijderd. Het bepalen van het percentage dat binnen deze studie best geschikt was maakt deel uit van de analyses (zie 3.3.1) Voor de berekening van de MCP werd gebruik gemaakt van het adehabitatHR package in R (Calenge, 2006). MCP is een interna onale, makkelijk toe te passen, standaardmethode om home ranges te scha en, zeker in omstandigheden waarbij enkel met aanwezigheidsgegevens wordt gewerkt, zoals hier het geval is (Burgman & Fox, 2003). Toch kan de methode een vertekend beeld geven, bijvoorbeeld bij een specifieke onderliggende vorm van het eigenlijke habitat (Burgman & Fox, 2003). Alhoewel er methoden bestaan om dit aan te passen, zijn deze veel ingewikkelder en maar nu g bij het inscha en van verschillen en verschuivingen over langere termijn wat niet de doelstelling van dit onderzoek was. Voor dit onderzoek was het gebruik van MCP dus geoorloofd. Omdat veel onderzoeken naar bever met dezelfde problemen worden geconfronteerd bij het scha en van de exacte groo e van home ranges wordt in veel studies de rivier- of oeverlengte als maat voor de home range groo e gehanteerd (Campbell et al, 2005; Fustec et al, 2001). Deze methode onderschat de effeceve groo e van de home range maar werd eveneens in deze studie mee berekend om een vergelijking met andere studies over bever in Europa mogelijk te maken.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 15 van 32
3 3.1 3.1.1
RESULTATEN INVENTARISATIE ................. April 2017
Tijdens de eerste inventarisa e op 19 april 2017 werden 64 loca es met sporen aangetroen (getypeerd als 17 dagrustplaatsen, 7 holen en 40 wissels). Zoals te zien in Figuur 3.1, waren deze sporen verdeeld in drie verschillende clusters. Een eerste cluster bevond zich tussen Werchter en Haacht waar 39 van de 64 sporen werden gevonden, waaronder 6 holen en 11 dagrustplaatsen. In een tweede zone, gelegen tussen Haacht en Rijmenam, werden 15 sporen gevonden, waarvan 1 hol en 6 dagrustplaatsen. In een laatste zone, tussen Rijmenam en Muizen werden nog 10 wissels gevonden.
Figuur 3.1: Waargenomen sporen jdens de oeverinspec e op 17 april 2017.
3.1.2
Augustus 2017
De inventarisa e op 30 augustus 2017 leverde 54 loca es met sporen op (getypeerd als 4 dagrustplaatsen, 9 holen en 41 wissels). Deze aantallen zijn sterk vergelijkbaar met de inventarisa e in april 2017, enkel het aantal dagrustplaatsen lag beduidend lager. Dit kan echter een eect zijn van hogere vegeta e die het vinden van dit soort sporen in deze periode bemoeilijkt. Zoals te zien in Figuur 3.2, waren deze sporen opnieuw verdeeld in drie verschillende clusters, maar zijn er toch wat verschuivingen in vergelijking met april. Wanneer we dezelfde clustera akening hanteren als in april, lagen 24 van de 54 sporen in de cluster Werchter-Haacht, waarvan 8 holen en 2 dagrustplaatsen. In de tweede zone, tussen Haacht en Rijmenam,
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 16 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
werden 21 sporen gevonden, waarvan 1 holen en 2 dagrustplaatsen. In de laatste zone, tussen Rijmenam en Muizen werden opnieuw enkel 9 wissels waargenomen.
Figuur 3.2: Waargenomen sporen jdens de oeverinspec e op 30 augustus 2017.
3.2 3.2.1
TELEMETRIE ............. Vangen en zenderen
Zoals vermeld onder 2.2.1, werden jdens een eerste proefperiode in 2017 vier bevers gevangen om de vangmethode, zenderen en opvolgen via telemetrie te testen. De gegevens van twee van deze bevers bleken niet bruikbaar voor verdere verwerking. Beide andere bevers leverden wel al direct bruikbare data op. Samen met de bevers gevangen in de daaropvolgende vangsessies werden over de ganse projectperiode in totaal 24 verschillende bevers gevangen, waarvan er 22 met een zender werden uitgerust (Tabel 3.1). In de laatste sessie werd immers, door een gelimiteerd aantal zenders dat nog ter beschikking was, geopteerd om niet alle bevers te zenderen. Bevers die niet werden gezenderd, werden wel van een staar ag met iden ďŹ ca ecode en een onderhuidse PIT-tag voor iden ďŹ ca e voorzien. Bevers met een zender konden gemiddeld 158 dagen worden opgevolgd, variĂŤrend van 1 tot 643 dagen. Dit leverde gemiddeld 32 (0-165) datapunten per bever op. Dit betekent dat gemiddeld elke 3.4 dagen een lokalisa e kon worden bepaald. Al deze gegevens zijn informa ef, maar voor de verdere verwerking wordt enkel gebruik gemaakt van gegevens van bevers die minstens een volledige maand opgevolgd werden. Gezien het gemiddelde van 3.4 dagen tussen twee lokalisa es, werd daarbij geopteerd om ook een minimum van 10 verzamelde datapunten als ondergrens voor de verdere verwerking te hanteren. Dit zorgde ervoor dat 14 van de 22 gezenderde bevers geschikt waren voor verdere analyse. Tabel 3.1 leert dat van de 8 uit de dataset verwijderde bevers, er 7 zelfs 5 of minder datapunten hadden opgeleverd. Verder toont Tabel 3.1 dat door het verwijderen van deze bevers ook de meest extreme waarden in maximaal waargenomen afstand tussen twee punten werden verwijderd. Dit is logisch voor de bevers die geen data
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 17 van 32
Tabel 3.1: Overzicht dataverzameling gezenderde bevers. Bever BE1001 BE1002 BE1003 BE1004 BE1005 BE1006 BE1007 BE1008 BE1009 BE1010 BE1011 BE1012 BE1013 BE1014 BE1015 BE1016 BE1017 BE1018 BE1019 BE1020 BE1021 BE1023
Startdatum 22/10/2017 09/09/2017 29/09/2017 27/10/2017 17/02/2018 20/02/2018 05/03/2018 07/03/2018 13/03/2018 28/05/2018 02/06/2018 18/09/2018 21/09/2018 21/09/2018 02/10/2018 05/02/2019 05/02/2019 09/02/2019 09/02/2019 10/02/2019 10/02/2019 18/02/2019
Laatste datum 22/10/2017 29/12/2017 03/07/2019 28/10/2017 17/05/2019 03/04/2018 16/08/2018 23/05/2018 10/12/2018 10/09/2018 18/07/2019 02/10/2019 05/12/2018 20/11/2018 03/10/2019 05/02/2019 16/04/2019 10/02/2019 28/02/2019 06/08/2019 14/02/2019 06/03/2019
Aantal dagen 1 112 643 2 455 43 165 78 273 106 412 380 76 61 367 1 71 2 20 178 5 17
Aantal datapunten 0 69 165 1 108 18 16 16 75 28 22 50 38 22 34 0 5 2 11 20 3 2
Max. afstand 0.0 5.0 8.6 2.7 4.3 2.9 5.8 3.6 3.5 2.6 7.8 3.9 3.0 3.5 3.5 0.0 15.7 3.4 11.5 5.0 6.6 3.6
opleverden, maar zorgt er ook voor dat de twee hoogst vastgestelde afstanden uit de dataset verdwijnen. In beide gevallen gaat het dan ook vermoedelijk om bevers die zich niet vast of niet voor langere jd in het studiegebied bevonden. Dit zorgt er in zijn geheel voor dat de gemiddelde afstand van 4.85 ± 3.55 km voor de volledige dataset wordt bijgesteld tot 4.52 ± 1.81 km.
3.3 3.3.1
ANALYSE ......... Home ranges en rivierlengtes
Voor het berekenen van de oppervlakte van de home ranges via MCP werd in eerste instan e geanalyseerd hoeveel procent van de loca es bij voorkeur werd gebruikt en welk aandeel uitschieters dus kon worden verwijderd. Hiervoor werd de oppervlakte van de home range voor elke bever berekend gebruik makend van 50 tot 100 % van alle loca es, met intervallen van 5 %. Figuur 3.4 toont aan dat bij een gebruik van alle loca es, de home range groo e in veel gevallen dras sch toeneemt. Dit maakt duidelijk dat het om zeldzame verplaatsingen naar ver gelegen loca es gaat en die dus geen deel uitmaken de effec eve home range van dat individu. Ook bij 90 en 95 % van de loca es is in veel gevallen een toename merkbaar, maar deze toename is meer geleidelijk, waardoor de verplaatsingen die deze toenames veroorzaken, alhoewel minder frequent, toch als onderdeel van de home range kunnen worden beschouwd. Om deze redenen werd gekozen om telkens 95 % van loca es te gebruiken voor het berekenen van de home range oppervlaktes. De 95 % MCP home ranges worden gevisualiseerd in Figuur 3.5. Deze kaart toont een duidelijke opsplitsing van verschillende groepen home ranges of territoria. Zo kan de Dijle tussen Werchter en Muizen worden opgesplitst in een cluster Werchter-Haacht, een cluster Haacht-Rijmenam en een cluster RijmenamMuizen. De eerste van deze clusters strekt zich ten dele ook uit over een deel van de Laak, een kleine zijrivier
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 18 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
Figuur 3.3: Verzamelde loca egegevens voor elk van de 14 bevers.
800
Oppervlakte (ha)
600
400
200
0 50
60
70
80
90
100
percentage locaties gebruikt
Figuur 3.4: Verandering in home range groo e bij variĂŤrende percentages van het aantal loca es gebruikt bij het bepalen van minimum convex polygonen voor de 14 bevers met geschikte data.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 19 van 32
van de Dijle ter hoogte van Tremelo. Verder zijn er nog afzonderlijke territoria van bevers stroomopwaarts op de Dijle tot Rotselaar en op de Demer tot Betekom alsook stroomafwaarts tot Mechelen. Telkens valt de strikte territorialiteit op waarbij de home ranges van een aantal bevers heel sterk overlappen, maar waarbij de familiegroepen onderling zo goed als geen overlap vertonen. De gemiddelde berekende home range oppervlakte bedroeg 138.9 ha en varieerde van 28.9 tot 324.1 ha (Tabel 3.2). Naast de home range oppervlakte, werd ook de totale beze e rivierlengte van de hoofdrivieren berekend. Hiervoor werd een rechthoek geconstrueerd waarbinnen alle loca es van een individuele bever waren gelegen en werd de lengte van hetzij Dijle, hetzij Demer binnen deze rechthoek berekend. Omwille van de overlap van dergelijke rechthoeken voor bevers in de Demer met de nabijgelegen Laak, waar de in deze studie op de Demer gevangen en gezenderde bevers evenwel geen gebruik van maken (zie Figuur 3.3) werd de Laak hierbij buiten beschouwing gelaten. Omdat deze inscha ng toch vooral moet dienen om de capaciteit van een systeem als de Dijle tussen Werchter en Muizen in te kunnen scha en is deze aanpak echter de meest informa eve. De gemiddelde rivierlengte die door een individuele bever werd benut bedroeg 5.37 km, en varieerde van 2.54 km tot 12.27 km (Tabel 3.3).
Figuur 3.5: Home ranges voor de 14 bevers met geschikte data, berekend via MCP.
3.3.2
Seizoenaliteit
Om eventuele verschillen in home range groo e per semester na te gaan werd ook een berekening van de 95 % MCP per hal aar uitgevoerd. Hierbij werden alle loca egegevens die werden verzameld in de maanden april-september als zomer aangeduid en alle waarnemingen in de periode oktober-maart als winter (Tabel 3.3). Door het opsplitsen van de gegevens ontstaat echter vrij veel ruis op het berekenen van de oppervlaktes en door ongelijke verdeling van het aantal datapunten per hal aar is een eenduidige vergelijking moeilijk. Toch blijkt over alle punten heen het verschil, alhoewel soms individueel sterk verschillend, niet signiďŹ cant (t = -0.08, p = 0.94, df = 11). Om seizoenale verschillen in gedrag en territoriumgebruik te vergelijken, lijkt het dus meer aangewezen om het exact berekenen van home range groo e achterwege te laten en een meer tenta eve vergelijking uit te voeren van enkel die bevers waarvan veel gegevens over de verschillende seizoenen beschikbaar zijn. Deze aanpak komt verder aan bod onder 3.4.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 20 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
Tabel 3.2: Overzicht home range groo e (ha) en gebruikte rivierlengte (km) per bever. Bever BE1002 BE1003 BE1005 BE1006 BE1007 BE1008 BE1009 BE1010 BE1011 BE1012 BE1013 BE1014 BE1015 BE1020
Oppervlakte (95%MCP) 156.28 270.69 238.32 92.12 324.13 132.16 57.74 98.30 217.77 36.49 83.62 28.95 117.62 90.03
Rivierlengte 5.84 10.35 5.90 3.84 5.86 2.54 3.82 3.42 12.27 4.15 4.28 3.40 3.98 5.57
Tabel 3.3: Overzicht home range groo es (ha) en aantal loca ebepalingen per seizoen. Bever BE1002 BE1003 BE1005 BE1006 BE1007 BE1008 BE1009 BE1011 BE1012 BE1013 BE1014 BE1015 BE1020
3.3.3
Zomer 18.65 73.77 62.08 NA 313.14 0.01 47.73 322.54 30.61 65.79 12.45 30.66 17.61
Aantal zomer 11 51 47 NA 9 10 47 10 19 13 7 9 13
Winter 154.47 244.87 213.55 89.53 28.43 132.16 30.16 43.07 18.69 58.70 22.22 72.67 18.03
Aantal winter 59 114 77 19 8 7 30 13 33 25 16 27 8
Gebruik meanders
In totaal werden 716 loca ebepalingen weerhouden, waarvan er 243 (33.9 %) zich binnen een meander bevonden (Tabel 3.4). Dit aandeel vertoont wel een sterke seizoenaliteit, waar vooral de periode decemberfebruari erg belangrijk lijkt te zijn voor het gebruik van de meanders binnen de home range. Daarnaast lijkt het ook duidelijk dat meanders belangrijk zijn als rust- en voortplan ngsplaats. Van de 6 vastgestelde burchten met voortplan ng, bevonden er zich 3 burchten op een meander, 1 op een privĂŠvijver, en 2 in een dijk. Ook hier zorgt de vaak ongelijke verspreiding van datapunten in de jd en ruimte over de verschillende bevers voor wat onduidelijkheid maar lijkt de algemene trend van een verhoogd gebruik van de meanders in de winter wel duidelijk. Dit element zal ook meegenomen worden in een meer gedetailleerde bespreking van een aantal bevers onder 3.4.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 21 van 32
Tabel 3.4: Overzicht waarnemingen binnen en buiten meanders. Maand 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 NA
3.4 3.4.1
Aantal waarnemingen 34 91 78 56 76 37 17 27 62 134 64 35 5
Binnen meander 20 54 35 18 37 13 6 6 9 10 20 15 0
Aandeel 58.823529 59.340659 44.871795 32.142857 48.684210 35.135135 35.294118 22.222222 14.516129 7.462687 31.250000 42.857143 0.000000
CASUSSEN ........... Territorium Rijmenam-Muizen, Dijle
Binnen het territorium op de Dijle tussen Rijmenam en Muizen konden twee verschillende bevers (BE1003 en BE1009) langere jd worden opgevolgd (zie ook Tabel 3.1). In totaal waren beide bevers goed voor 240 waarnemingen over een periode van 643 dagen. Beide bevers, van wie individueel het geslacht niet kon worden bepaald, vormden gedurende die periode een koppel dat zijn hoofdburcht had op de grootste van twee frequent bezochte meanders langs de noordzijde van de Dijle (zie Figuur 3.6). Het territorium van beide bevers strekte zich strikt uit van de brug ter hoogte van de Brugstraat in Rijmenam tot die ter hoogte van de Brugstraat in Muizen. Tijdens de studieperiode werden slechts vier waarnemingen buiten dit territorium op de Dijle gedaan, naast zes waarnemingen op zijbeken van de Dijle (Weesbeek en Leibeek). Al deze verdere verplaatsingen werden door bever BE1003 gedaan (zie ook Figuur 3.5). Met uitzondering van twee verplaatsingen net voorbij de territoriumgrens in de zomer, vonden elk van deze verplaatsingen plaats in de herfst. Uit Tabel 3.3 blijkt dat verder dat de groo e van de home range van bever BE1003 in de lente- en zomermaanden inderdaad aanzienlijk kleiner was dan jdens de herfst en winter. Figuur 3.6 toont verder een sterk gebruik van de twee bijeen gelegen meanders op de rechteroever in elk seizoen, met de aanleg van burchten in elk van beide. Andere meanders binnen dit territorium waren niet bereikbaar voor bevers en werden op geen enkel moment gebruikt. Tijdens beide inventarisa es in 2017 werden in dit territorium enkel wissels vastgesteld, geen dagrustplaatsen of holen (Figuur 3.1, Figuur 3.2).
3.4.2
Territorium Haacht-Rijmenam, Dijle
Een tweede territorium waarbinnen bevers voor langere jd konden worden opgevolgd grenst aan het eerste territorium (3.4.1) op de Dijle en strekt zich uit van Haacht tot Rijmenam. Binnen dit territorium konden vier verschillende bevers worden opgevolgd, waarvan twee gedurende een volledig jaar jdens dezelfde periode (BE1005 en BE1015) (zie ook Tabel 3.1). In totaal waren beide bevers goed voor 142 waarnemingen over een periode van 455 dagen. Van bever BE1015 kon worden vastgesteld dat het een vrouwtje was en deze vormde gedurende de hier beschreven periode een koppel met bever BE1005. De hoofdburcht van dit koppel bevond zich op een meander op de linkeroever van de Dijle aan het einde van de Hoogdonk in Haacht (zie Figuur 3.7). Het territorium van beide bevers strekte zich uit van iets voor de brug van de Haachtsebaan in Haacht tot de brug ter hoogte van de Brugstraat in Rijmenam, maar met het zwaartepunt in de westelijke zone van dit territorium. Ook hier was de home range groo e van ĂŠĂŠn van beide bevers, in dit geval het mannetje BE1005, in de herfst en winter aanzienlijk groter dan jdens de
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 22 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
Figuur 3.6: Datapunten per seizoen voor twee bevers uit het territorium op de Dijle tussen Rijmenam en Muizen. lente en zomer, terwijl de home range groo e van het vrouwtje veel minder varia e vertoonde doorheen het jaar (Tabel 3.3). Figuur 3.7 toont ook in dit territorium een sterk gebruik van een grote meander. In tegenstelling tot het territorium beschreven in 3.4.1 kwam de meander hier gedurende de zomer droog te liggen zodat deze in de zomer en herfst zo goed als niet werd gebruikt. Een verder oostelijk gelegen grote meander in dit gebied, die is ingericht als visvijver en niet wordt omgeven door bomen of struiken, werd slechts heel sporadisch bezocht, zelfs niet jdens de periode dat de andere meander droog kwam te liggen. Tijdens de inventarisa es in 2017 werden in dit territorium, zowel in april als augustus, naast wissels, telkens 1 hol en verschillende dagrustplaatsen vastgesteld (Figuur 3.1, Figuur 3.2).
3.4.3
Territorium Betekom, Demer
In een laatste territorium konden we de mannelijke bever BE1012 langer dan een volledig jaar volgen. De home range van deze bever bevond zich op de Demer in de gemeente Betekom en strekte zich hoofdzakelijk uit van de brug van de Begijnendijksesteenweg tot de aan de meander aan de linkeroever ter hoogte van Blaashoek (Figuur 3.8). Van deze bever noteerden we 50 waarnemingen over een periode van 380 dagen. De meeste loca ebepalingen van deze bever bevonden zich op de meander waar de burcht zich bevond over elk seizoen. De groo e van de home range in de wintermaanden en zomermaanden vertoonde voor deze bever dan ook weinig verschil (Tabel 3.3).
3.4.4
Overzicht van het meandergebruik in de verschillende casussen
Figuur 3.9 gee de verdeling van waarnemingen binnen en buiten de meanders weer per maand voor elk van de drie hierboven besproken territoria (3.4.1, 3.4.2, 3.4.3). Daarin is duidelijk dat, los van de ongelijke verdeling van het totaal aantal waarnemingen per maand, de meanders in elk seizoen een belangrijk onderdeel van de territoria vormen. Het feit dat in elk van deze territoria ook de hoofdburchten waar de voortplan ng plaatsvond, zich op een meander bevond onderstreept deze vaststelling. Enkel in het territorium op de Dijle tussen Haacht en Rijmenam (3.4.2), waar de meander in de zomermaanden tot in de herfst grotendeels droog komt te liggen, valt het op dat het gebruik van deze meander door de aanwezige
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 23 van 32
Figuur 3.7: Datapunten per seizoen voor twee bevers uit het territorium op de Dijle tussen Haacht en Rijmenam.
Figuur 3.8: Datapunten per seizoen voor een bever uit het territorium op de Demer ter hoogte van Heikant
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 24 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
bevers in enkele maanden totaal wegvalt. Het feit dat dit ook duidelijk wordt in de gegevens van de maand oktober, waarin het aantal observa es wel zeer hoog was, toont aan dat deze vaststelling geen artefact als gevolg van beperkt beschikbare gegevens is. 1
2
3
40
Aantal waarnemingen
30
Op Meander ja
20
nee
10
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
Maand
Figuur 3.9: Verdeling per maand van de waarnemingen van bevers op en buiten de aanwezige meanders in de drie verschillende territoria.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 25 van 32
4
DISCUSSIE
De bekomen resultaten in deze studie beves gen dat het gebruik van VHF-telemetrie een geschikte methode is om een antwoord te krijgen op de gestelde vragen. De Dijle, en in een latere fase ook de Demer, vormt in de geviseerde zone een uitstekend studiegebied om bevers te vangen en vervolgens via telemetrie op te volgen om hun ruimtegebruik in kaart te brengen. Het zou daarbij ook mogelijk zijn om langdurige gedragsobserva es uit te voeren, maar dit was geen onderdeel van de vooropgestelde vragen binnen dit project. De al dan niet aanwezigheid van jaagpaden speelt hierin een belangrijke rol omdat ze de toegankelijkheid met wagens tot vlakbij de bevers mogelijk maakt. Toch blij de methode zeer arbeidsintensief aangezien er vijf vangsessies nodig waren om 22 bevers te zenderen, gecombineerd met 445 uren aan telemetrie om tot een totaal van 705 datapunten te komen. Dit resulteerde finaal in 14 bevers met bruikbare gegevens voor data-analyse en 5 bevers die jaarrond gegevens opleverden. Het gebruik van dataloggers met GPS kan een oplossing bieden maar werd hier niet gekozen omwille van de hoge kostprijs van deze dataloggers. Een experiment met één enkele datalogger volgens het protocol van Graf et al. (Graf et al, 2016). leidde tot snel verlies van deze datalogger zodat geen bijkomende gegevens konden worden verzameld. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om beverterritoria in kaart te brengen via terreinobserva es van sporen en met wildcamera’s. Deze aanpak kan tot een onderscha ng van de effec eve territoriumgroo e leiden (zie ook (John & Kostkan, 2009)), maar kan, wanneer het de bedoeling is om het aantal families en specifiek terreingebruik in kaart te brengen, zeker ook voldoende informa e opleveren. De groo e van de home range van bevers uit deze studie, berekend via 95 % MCP was gemiddeld 138 ha maar toonde aanzienlijke varia e. Deze wordt deels verklaard doordat het werken met polygonen binnen een sterk meanderend systeem een overscha ng kan opleveren als bevers zich strikt op de rivier zouden ophouden (Burgman & Fox, 2003; Graf et al, 2016). Een home range benadering met MCP is wel toepasbaar op watersystemen die weinig tot geen meanders hebben zoals meren, kanalen, rechte rivieren, vijvers en poelen. De nadelen van de MCP-methode zijn gekend en veel studies op bevers maken er dan ook geen gebruik van, wat de vergelijkbaarheid van met onze resultaten bemoeilijkt (Graf et al, 2016; Harris et al, 1990; Korbelová et al, 2016). Een bijkomend nadeel van de MCP-methode is dat het moeilijk is de intensiteit van het gebruik van bepaalde zones binnen de home range in te scha en. De MCP is namelijk sterk a ankelijk van occasionele datapunten waardoor het kerngebied niet al jd gekend is (Harris et al, 1990). Een oplossing hiervoor zou het gebruik van Kernel home ranges kunnen zijn (Worton, 1989). Toch hee ook deze methode problemen met overscha ngen bij sterk meanderend habitat en was het in dit geval geen meerwaarde omdat het op basis van de ruwe gegevens voldoende mogelijk was om de kerngebieden in de territoria aan te duiden. Figuur 3.5 toont dat in het onderzochte studiegebied slechts weinig loca ebepalingen buiten de rivierbedding lagen, waardoor de kans op overscha ng van de home range groo e, in sterk meanderende delen van de rivier, via MCP reëel was. Dit kon ten dele een effect zijn van het feit dat bevers op de Dijle en Demer, door de aanwezigheid van jaagpaden, makkelijker te vinden waren dan op loca es buiten de rivierbedding. Deze mogelijke bias werd op het terrein echter zoveel mogelijk vermeden door jdens elke inventarisa e alle gekende aanwezige ac eve zenders in het gebied te proberen opsporen en door gebruik te maken van de dakantenne (zie ook 2.2.3). Ondanks het feit dat de meeste waarnemingen binnen de rivierbeddingen werden gedaan met de bijhorende kans op overscha ng, was de analyse op basis van MCP-methode hier toch ook voldoende nu g omdat de methode rekening kan houden met eventuele punten buiten de rivierbedding en tegelijk in staat is om het effect van uitschieters te minimaliseren op basis van de afstand tot het centroïd van alle vastgestelde
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 26 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
loca es (Calenge, 2006). Op die manier bleek de effec eve home range van bijvoorbeeld bever BE1003 toch seizoenale verschillen te vertonen en strekte deze zich geregeld tot ver buiten de Dijle zelf uit. Ook de varia e in home range groo e van die bevers van wie het territorium zich deels op de Laak bevond, kon via deze methode beter worden ingeschat. Voor een vergelijking van onze resultaten met die van andere beverpopula es in Europa was het berekenen van de beze e rivierlengte evenwel een betere op e aangezien de meeste Europese studies rivier- of oeverlengtes als maat voor de home groo e van bevers vermelden (Campbell et al, 2005; Fustec et al, 2001; Graf et al, 2016; Rosell et al, 1998). Ook bij deze methode bestaat de mogelijkheid om een percentage uitschieters buiten beschouwing te laten maar ze is minder eenduidig en wordt niet overal toegepast (Campbell et al, 2005; Fustec et al, 2001). Ook in dit onderzoek werden geen uitschieters verwijderd en werd de volledige rivierlengte binnen de omtrek van alle waarnemingen als maat voor de home range groo e gebruikt. De gemiddelde gebruikte rivierlengte van bevers op de Dijle en Demer was 5.37 km, en varieerde van 2.54 km tot 12.27 km. Het is gekend dat de territoriumgroo e van bevers varieert onder invloed van de kwaliteit van het aanwezige habitat, waaronder de aanwezigheid van voldoende loo out, zodat in subop maal habitat een groter gebied nodig is om in de nodige levensmiddelen te voorzien (Campbell et al, 2005; Campbell-Palmer et al, 2016). Door de hoge verstevigde dijken met regulier maaibeheer van de oevervegeta es en het ontbreken van voldoende hou ge vegeta e met zachte houtsoorten, was de verwach ng dat bevers zeker op het onderzochte deel van de Dijle een grotere home range zouden beze en dan soortgenoten in meer op maal habitat. Dit lijkt slechts in beperkte mate het geval. Hoewel de meeste beschreven gebruikte rivierlengtes wel wat lager zijn op andere plaatsen in Europa (2.60 – 3.55 km) (Campbell et al, 2005; Graf et al, 2016; Rosell et al, 1998), sluit de waarde beschreven voor bevers op de Loire (5.54 km) (Fustec et al, 2001) wel dicht aan bij de hier gevonden waarde, maar de inscha ng daar gebeurde via een monitoring van sporen en is dus vermoedelijk een minder correcte weergave van de effec eve home range (Campbell et al, 2005). Een benadering met exclusie van uitschieters zou in onze studie, zoals opnieuw duidelijk in het geval van bever BE1003, wel in een lagere gemiddelde scha ng van de rivierlengte resulteren, maar zelfs dan is de vergelijkbaarheid met andere studies moeilijk eenduidig te maken. Verder werd in een complex vertakt systeem als de Biesbosch in Nederland een oeverlengte van 12.8 km beschreven (Campbell et al, 2005), maar die situa e is moeilijk vergelijkbaar met andere, lijnvormige riviersystemen. Van bevers die in kleinere riviersystemen met beperkte waterdiepte leven, waarin ze zijn aangewezen op het maken van dammen voor het creëren van geschikt habitat, is dan weer gekend dat ze kleinere home ranges beze en (Korbelová et al, 2016). Algemeen lijkt het correct om te concluderen dat de groo e van een bezet territorium door een groep bevers op de zones van de Dijle en Demer die hier werden bestudeerd slechts licht verschilt van andere bevers in Europa op rivieren en rond 5 km rivierlengte moet worden geschat. Door de beperkte varia e hierin en het kleine verschil met andere Europese popula es is de verwach ng dat deze waarde zich ruwweg laat extrapoleren naar andere gelijkaardige riviersystemen in Vlaanderen. Deze studie toont verder geen significant verschil aan tussen de gemiddelde home range groo e van bevers in het voor- en najaar. Dit kan een gevolg zijn van een tekort aan gegevens gezien het effect wel merkbaar bleek bij twee individuele bevers die voor langere jd konden worden opgevolgd (zie 3.4.1, 3.4.2). Deze toonden echter een grotere home range in het winterhal aar (Tabel 3.3), in tegenstelling tot de grotere home ranges beschreven voor bevers in de lente in Tsjechië (Korbelová et al, 2016) en het gekende effect van geslacht jdens de voortplan ngsperiode in het voorjaar (Müller-Schwarze & Sun, 2003; Rosell & Thomsen, 2006) (zie ook 2.3.1). Onze verzamelde gegevens kunnen wel een vertekend beeld geven omdat bij een van beide bevers de toegang tot de meander wegviel in de zomer en herfst, wat de noodzaak tot het vergroten van de home range mee kan hebben gestuurd (3.4.2). De analyse via MCP toont aan dat er weinig tot geen overlap is tussen de verschillende territoria en de overlap in home range tussen verschillende bevers maakt duidelijk dat het aantal territoria gelijk is aan het aantal families dat er aanwezig is. Op de Dijle tussen Werchter en Muizen zijn duidelijk drie verschillende territoria aanwezig die elk 5 – 6 km rivierlengte beslaan. Deze territoria worden geflankeerd door een beverterritorium hoger gelegen op de zijrivier Laak en een beverterritorium verder op de Dijle in Rotselaar
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 27 van 32
en verder op de Demer in Betekom. Tussen deze laatste twee territoria en het territorium Werchter-Haacht blijkt dat zowel op Demer als Dijle een minder beze e zone is te vinden (zie ook Figuur 3.3). Dit kan het gevolg zijn van bevers die mogelijk ontbreken in onze steekproef maar ook het gebrek aan sporen en zichtwaarnemingen van ongekende bevers in deze zones gee waarschijnlijk aan dat er zones bestaan die door hun inrich ng of ligging minder geschikt zijn voor de aanwezigheid van bever. Bepalen welke omgevingsvariabelen hierbij een rol spelen zou evenwel bijkomend onderzoek vergen. Toch moet in het algemeen worden gesteld dat het volledige gebied dat hier werd onderzocht verzadigd is met beverterritoria en dat er slechts weinig zones op zowel de Dijle als de Demer zijn waar geen beverac viteit is. Hoewel het dus duidelijk is dat er drie families aanwezig zijn op het stuk Dijle tussen Werchter en Muizen, is het aantal aanwezige bevers moeilijker in te scha en. Het aantal bevers in een familie varieert immers doorheen het jaar maar bestaat in de regel uit een monogaam koppel met hun jongen en nog enkele jongen van het voorbije jaar, bij uitzondering nog aangevuld met tweejarige jongen (Campbell et al, 2005; Fryxell, 2001; Herr & Rosell, 2004). Het dominante volwassen paar zijn echter de enige bevers die zich in dit gebied zullen voortplanten (Campbell et al, 2005; Herr & Rosell, 2004; Müller-Schwarze & Sun, 2003). Gemiddeld bestaat een familiegroep dus uit vier tot acht bevers (Campbell et al, 2005; Heidecke, 1986; Müller-Schwarze & Sun, 2003; Rosell et al, 1998). Op die manier moet het aantal residente bevers op dit stuk Dijle op 12 tot 24 individuen worden geschat, met fluctua es doorheen de seizoenen. Door zeldzame intrusies van bevers uit naburige territoria en dispersie van jonge bevers uit meer stroomopwaarts gelegen territoria kan dit aantal jdelijk sterk oplopen, maar dit effect is, als gevolg van sterke territorialiteit, van korte duur. De groo e van de familiegroep hee verder geen bijkomende invloed op de groo e van het beze e territorium en vermoedelijk speelt densiteit slechts een beperkte rol in de home range groo e bij bevers (Campbell et al, 2005), zodat wel verwacht kan worden dat het aantal territoria in het studiegebied onder de huidige omstandigheden onveranderd zal blijven. Wel is gekend dat bevers de voedselbronnen in hun territoria kunnen uitpu en waardoor ze ongeschikt kunnen worden en ze deze territoria verlaten (Campbell et al, 2005; Fryxell, 2001). In de meeste territoria werden door de aanwezige bevers burchten aangelegd in bereikbare, dichtbij de rivier gelegen, afgekoppelde meanders. De bevers spenderen een aanzienlijk deel van hun jd op deze meanders. Dit impliceert dat het behoud van deze meanders, het toegankelijk maken ervan of het verbeteren van hun kwaliteit als beverhabitat goede beheermaatregelen kunnen zijn. De bevindingen uit 3.4.2 tonen daarbij aan dat het belangrijk is dat er jaarrond voldoende water aanwezig blij in deze meanders, zodat bevers zich in drogere periodes niet hoeven te verplaatsen naar andere rustplaatsen langsheen de rivier. Zo zou de kans op graafac viteit en mogelijke schade in de dijken van de Dijle en Demer kunnen afnemen. Naast het feit dat er jaarrond voldoende water in de meanders aanwezig moet zijn, is vermoedelijk ook de mate van verstoring cruciaal en moet er voldoende voedsel in de onmiddellijke buurt te vinden zijn (Campbell et al, 2005; Müller-Schwarze & Sun, 2003). Ook dit wordt duidelijk uit de bevindingen in 3.4.2, waar een toegankelijke, als visvijver ingerichte, meander slechts zeer sporadisch werd gebruikt, ondanks de permanente aanwezigheid van voldoende water en een guns ge ligging dicht bij de hoofdwaterloop. De biologische draagkracht van het hier onderzochte systeem lijkt in dit geval dus vrij constant te zijn omdat zowel territoria met con nu bereikbare meanders (3.4.1), territoria met jdelijk droogvallende meanders (3.4.2), als territoria zonder bereikbare meanders (3.4.2), ongeveer een gelijke rivierlengte beslaan. De hoeveelheid voedsel en leefgebied blijkt dus overal voldoende gewaarborgd, alhoewel de kans op uitputng van voedselbronnen kan bestaan (Campbell et al, 2005; Fryxell, 2001). Evenwel is de aanwezigheid van landbouwgewassen als alterna eve voedselbronnen zoals maïs vermoedelijk ook belangrijk, gezien we het frequente gebruik ervan regelma g konden vaststellen. Met betrekking tot de draagkracht in func e van eventuele oeverschade zijn er sterke aanwijzingen dat systemen met meer schuilmogelijkheden in de vorm van bereikbare aanpalende meanders minder risico op schade vertonen. Bevers die toegang hebben tot geschikte meanders zullen daar hun burcht aanleggen en er grote delen van hun jd spenderen zodat de kans op holen en uitgegraven rustplaatsen in de dijken van de hoofdwaterlopen sterk vermindert. De aanwezigheid van een dergelijke beverfamilie waarborgt verder in een brede zone, door het sterk territoriale gedrag, het uitblijven van bijkomende ves ging van andere beverfamilies op de hoofdwaterloop.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 28 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
5
CONCLUSIES
Ter conclusie beantwoorden we de afzonderlijke vragen die het onderwerp vormden van deze studie en die werden opgelijst onder 1.2. Alhoewel sommige vragen niet geheel van elkaar kunnen worden losgekoppeld, worden voor de duidelijkheid alle vragen hieronder toch kort afzonderlijk behandeld. 1. In welke mate is VHF-telemetrie een goed, haalbaar en efficiënt onderzoeksinstrument voor het beantwoorden van deze vragen? De bekomen resultaten in deze studie beves gen dat het gebruik van VHF-telemetrie een geschikte methode is om een antwoord te krijgen op de gestelde vragen. De methode is wel zeer arbeidsintensief waarbij de aanwezigheid van jaagpaden helpt om de monitoring makkelijker en sneller te laten verlopen. Het gebruik van dataloggers met GPS kan hier een oplossing bieden maar deze zijn duur en deze methode vraagt verdere testen van het uitvoeringsprotocol. Naast VHF-telemetrie bestaat ook de mogelijkheid om beverterritoria in kaart te brengen via terreinobserva es van sporen en met wildcamera’s. Dit is een methode die, in func e van de gestelde vragen, zeker ook voldoende informa e kan opleveren. 2. Hoeveel beverfamilies en individuele bevers zijn er naar scha ng aanwezig? Op de Dijle tussen Werchter en Muizen zijn drie beverfamilies aanwezig in drie vrij strikt gescheiden territoria. Het aantal bevers fluctueert daarbij doorheen de seizoenen maar bedraagt gemiddeld 12. Naburige territoria bevinden zich op de Laak, stroomop en -afwaarts van het onderzochte stuk op de Dijle en op de Demer in Betekom. 3. Hoe groot zijn de verschillende territoria en in welke mate is er overlap? Op de hoofdwaterlopen beslaan de verschillende territoria telkens 5 – 6 km rivierlengte. Deze groo e lijkt nagenoeg constant doorheen het jaar. Door sterke territorialiteit is de overlap tussen deze territoria minimaal. 4. Afgaande op aantallen en territoriumgroo e, wat is de draagkracht van het systeem met inbegrip van aanpalende vijvers en meanders? De biologische draagkracht van het hier onderzochte systeem lijkt vrij constant te zijn omdat zowel territoria met con nu bereikbare meanders, territoria met jdelijk droogvallende meanders, als territoria zonder bereikbare meanders, ongeveer een gelijke rivierlengte beslaan. De hoeveelheid voedsel en leefgebied blijkt dus overal voldoende gewaarborgd. In func e van de draagkracht en in func e van eventuele dijkschade zijn er sterke aanwijzingen dat systemen met meer schuilmogelijkheden in de vorm van bereikbare aanpalende meanders minder risico op schade vertonen. 5. Wat is de rol van de aanpalende meanders en in welke mate bepalen de karakteris eken ervan het gebruik door bevers? De aanpalende meanders zijn een zeer belangrijk onderdeel van het beverhabitat maar vormen geen ul eme voorwaarde voor de aanwezigheid van bevers. Meanders met voldoende water, weinig verstoring en voldoende schuil- en voedselmogelijkheden blijken het meest geschikt. Bevers die toegang hebben tot dergelijke meanders zullen daar hun burcht aanleggen en er grote delen van hun jd spenderen zodat de kans op holen en uitgegraven rustplaatsen in de dijken van de hoofdwaterlopen sterk vermindert. De aanwezigheid van een beverfamilie waarborgt verder in een brede zone, door het sterk territoriale gedrag, het uitblijven van bijkomende ves ging van andere beverfamilies op de hoofdwaterloop. 6. In welke mate kunnen preven eve maatregelen en/of strategisch beheer (bevers op geschikte loca es tolereren om erger te vermijden) bijdragen tot het beheersbaar maken van de risico’s? Dit onderdeel vormde geen direct onderwerp van deze studie omdat jdens de periode dat de studie liep nog geen van dergelijke maatregelen op het terrein werden geïmplementeerd. Het directe effect
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 29 van 32
op het gedrag van de aanwezige bevers kon bijgevolg niet worden ingeschat. Toch kan nu al worden gesteld dat, gelet op het grote belang van de aanwezige meanders, het beheer van deze meanders een cruciale rol kan spelen binnen een preven ef beheer. De aanwezigheid van deze meanders kan zorgen voor gecontroleerde aanwezigheid van bevers in een brede zone. Een mogelijk alterna eve beheeraanpak zou het volledig onaantrekkelijk maken van een zone waarin bevers niet gewenst zijn inhouden, maar de resultaten van dit project laten niet toe te beoordelen op welke manier dit op de meest kosteneďŹƒciĂŤnte manier zou kunnen worden toegepast.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 30 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be
Referen es Agentschap voor Natuur en Bos (2015). Soortenbeschermingsprogramma voor de Europese bever (Castor fiber) in Vlaanderen. Agentschap voor Natuur en Bos, Brussel, België, 106 paginas. Arjo, W., Joos, R., Kochanny, C., Harper, J., Nolte, D. & Bergman, D. (2008). Assessment of transmi er models to monitor beaver Castor canadensis and C. fiber popula ons. Wildlife Biology 14 (3): 309–317. Burgman, M. & Fox, J. (2003). Bias in species range es mates from minimum convex polygons: implica ons for conserva on and op ons for improved planning. Animal Conserva on 6: 19–28. Burt, H. (1943). Territoriality and Home Range Concepts as Applied to Mammals. Journal of Mammalogy 24 (3): 346–352. Calenge, C. (2006). The package Adehabitat for the R so ware: tool for theanalysis of space and habitat use by animals. Ecological Modelling 197: 516–519. Campbell, R., Rosell, F., Nolet, B. & Dijkstra, V. (2005). Territory and group sizes in Eurasian beavers (Castor fiber): echoes of se lement and reproduc on? Behavioral Ecology and Sociobiology 58 (6): 597–607. Campbell-Palmer, R., Gow, D., Campbell, R., Dickinson, H., Girling, S., Gurnell, J., Halley, D., Jones, S., Lisle, S., Parker, H., Schwab, G. & F, R. (2016). The Eurasian Beaver Handbook: Ecology and Management of Castor fiber. Pelagic Publishing Ltd., Exeter, UK, 214 paginas. Fryxell, J. (2001). Habitat suitability and source–sink dynamics of beavers. Journal of Animal Ecology 70: 310–316. Fryxell, J., Sinclair, R. & Caughly, G. (2014). Wildlife Ecology, Conserva on, and Management. 3rd ed. WileyBlackwell, Chichester, UK, 524 paginas. Fustec, J., Lode, T., Le Jacques, D. & Cormier, J. (2001). Coloniza on, riparian habitat selec on and home range size in a reintroduced popula on of European beavers in the Loire. Freshwater Biology 46 (10): 1361–1371. Graf, P., M, M., A., Z., K, H. & F, R. (2016). Territory size and age explain movement pa erns in the Eurasian beaver. Mammalian Biology 81: 587–594. Halley, D., F, R. & A, S. (2012). Popula on and distribu on of Eurasian beaver (Castor fiber). Bal c Forestry 18 (1): 168–175. Harris, S., Cresswell, W., Forde, P., Trewhella, W., Woollard, T. & Wray, S. (1990). Home-range analysis using radio-tracking data - a review of problems and techniques par cularly as applied to the study of mammals. Mammal Review 20 (2/3): 97–123. Heidecke, D. (1986). Bestandssitua on und Schutz von Castor fiber albicus (Mammalia, Roden a, Castoridae). Zoologische Abhandlungen 9: 111–119. Herr, J. & Rosell, F. (2004). Use of space and movement pa erns in monogamous adult Eurasian beavers (Castor fiber). Journal of Zoology 262 (3): 257–264. Huysentruyt, F., Van Daele, T., Verschelde, P., Boone, N., Devisscher, S. & Vernaillen, J. (2019). Evalua e van de monitoring van bever (Castor fiber) in Vlaanderen: Kwaliteitscontrole in het kader van het soortbeschermingsprogramma. Rapporten van het Ins tuut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel, België, 19 paginas. John, F. & Kostkan, V. (2009). Composi onal analysis and GPS/GIS for study of habitat selec on by the European beaver, Castor fiber in the middle reaches of the Morava River. Folia Zoologica 58 (1): 76–86.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be doi.org/10.21436/inbor.18039745 pagina 31 van 32
Korbelová, J., Hamšíková, L., Maloň, J., Válková, L. & Vorel, A. (2016). Seasonal varia on in the home range size of the Eurasian beaver: do pa erns vary across habitats? Mammal Research 61 (3): 243–253. Müller-Schwarze, D. & Sun, L. (2003). The Beaver: Natural History of a Wetlands Engineer. Cornell University Press, New York, USA, 190 paginas. Nolet, B. & Rosell, F. (1998). Comeback of the beaver Castor fiber: An overview of old and new conserva on problems. Biological Conserva on 83 (2): 165–173. R Core Team (2019). R: A Language and Environment for Sta s cal Compu ng. R Founda on for Sta s cal Compu ng, Vienna, Austria. URL https://www.R-project.org/. Rosell, F., Bergan, F. & Parker, H. (1998). Scent-marking in the Eurasian beaver (Castor fiber) as a means of territory defense. Journal of Chemical Ecology 24 (2): 207–219. Rosell, F. & Kvinlaug, J. (1998). Methods for live-trapping beaver (Castor spp.). Fauna norvegica. Serie A. 19: 1–28. Rosell, F. & Thomsen, R. (2006). Sexual Dimorphism in Territorial Scent Marking by Adult Eurasian Beavers (Castor fiber). Journal of Chemical Ecology 32 (6): 1301–1315. Van Wijngaarden, A. (1966). De Bever Castor fiber in Nederland. Lutra 8 (3): 123–140. Verkem, S., De Maeseneer, J., Vandendriessche, B., Verbeylen, G. & Yskout, S. (2003). Zoogdieren in Vlaanderen. Ecologie en verspreiding van 1987 tot 2002. Natuurpunt Sutdie en JNM-Zoogdierenwerkgroep., Mechelen en Gent, België, 451 paginas. Windels, S. & Belant, J. (2016). Performance of tail-mounted transmi ers on American beavers Castor canadensis in a northern climate. Wildlife Biology 22 (3): 124–129. Worton, B. (1989). Kernel Methods for Es ma ng the U liza on Distribu on in Home-Range Studies. Ecology 70 (1): 164–168.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 32 van 32 doi.org/10.21436/inbor.18039745 www.inbo.be