Skip to main content

RLLL-RLLL-ADV-2021-005.pdf

Page 1

Raad Levenslang en Levensbreed Leren 12 januari 2021 RLLL-RLLL-ADV-2021-005

Screening van de regelgeving rond levenslang en levensbreed leren in het volwassenenonderwijs Advies voor het Vlaams actieplan levenslang leren

Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be


Advies op eigen initiatief Uitgebracht door de Raad Levenslang en Levensbreed Leren op 12 januari 2021 met eenparigheid van stemmen Voorbereiding: werkgroep Screening levenslang en levensbreed leren op 13 oktober 2020, 23 oktober 2020, 18 november 2020, 30 november 2020, 14 december 2020 en 5 januari 2021 onder voorzitterschap van Daisy Denolf Dossierbeheerder: Ewoud De Sadeleer

Vlaamse Onderwijsraad – Koning Albert II-laan 37 – BE-1030 Brussel – info@vlor.be – www.vlor.be


INHOUD 1 SITUERING

2

2 VISIE

3

3 AANBOD TOEGANKELIJK, FLEXIBEL EN OP MAAT

4

3.1 OPLEIDINGSPROFIELEN

5

3.1.1 Sterktes en zwaktes

5

3.1.2 Open modules en modules in maatwerk

6

3.1.3 Opleidingsprofielen future proof

8

3.2 BEROEPSKWALIFICATIES VERTALEN NAAR OPLEIDINGSTRAJECTEN

8

3.3 DUURTIJD PROCEDURE CURRICULUMONTWIKKELING

10

3.4 PROGRAMMATIEPROCEDURES

11

3.5 GELIJKTIJDIG GEÏNTEGREERD ONDERWIJS

11

3.6 E-INCLUSIE EN KWALITATIEF AFSTANDSLEREN

12

3.7 TOEGANKELIJKHEID

13

3.7.1 Vlaams Opleidingsverlof

14

3.7.2 Opleidingscheques

14

3.7.3 Loopbaanbegeleiding

15

3.7.4 NT2 en inburgeringsbeleid

15

3.7.5 Deeltijds kunstonderwijs

16

4 SAMENWERKING

16

4.1 ORIËNTERING EN TOELEIDING

16

4.2 OUTREACHEND WERKEN

17

4.3 GEMEENSCHAPPELIJK AANBOD VOOR SPECIFIEKE DOELGROEPEN

18

4.4 AFSTEMMING MET SECTOREN

18

4.5 SAMENWERKING BELONEN

19

5 CORRECTE FINANCIERING ALS BASISVOORWAARDE

19

5.1 AANBOD IN HET GEDRANG

19

5.2 INFRASTRUCTUUR, DIGITAAL ONDERWIJS EN DKO

21

6 SAMENVATTEND

23

1


1 Situering In dit advies op eigen initiatief vertrekt de Vlor van een screening van de regelgeving rond levenslang leren en levensbreed leren in het volwassenenonderwijs. Vanuit die screening komen we tot beleidsaanbevelingen die de positie van het volwassenenonderwijs als motor van het levenslang en levensbreed leren in Vlaanderen moeten versterken. Die beleidsaanbevelingen beogen in de eerste plaats handvaten aan te reiken voor het actieplan dat tegen juni 2021 zal worden opgemaakt door het Partnerschap Levenslang Leren. In de conceptnota ’de lerende samenleving’ lezen we dat het actieplan zal putten uit een screening van de regelgeving: ‘Er zal vooral gekeken worden naar welke zaken belemmerend (hindernissen) of net versterkend (hefbomen) werken voor individuen, ondernemingen en opleidingsverstrekkers. Ook zal Vlaanderen voor de diverse opdrachten gebenchmarkt worden tegenover andere excellente kennisregio’s. Dit moet resulteren in een voorstel van lijst van nieuwe, te hervormen of stop te zetten regelgeving. Op basis daarvan kan het platform levenslang leren voorstel van lijst tot nieuwe regelgeving, acties en formules uitwerken gebaseerd op draagvlak vanuit het veld.’1 In zijn advies over leercultuur in de volwasseneneducatie riep de Vlor al eerder op om systemische verandering mogelijk te maken. Naast een pleidooi voor het opzetten van proeftuinen,2 wees de Vlor op regellast: ‘Er zijn te veel regels die belemmerend werken. Samenwerkingen en synergieën tot stand brengen binnen de volwasseneducatie, blijkt vaak onmogelijk omdat de regelgeving dit niet toelaat. De Vlor vraagt een grondige scan te maken van de regelgeving, waarna bekeken moet worden welke regels moeten verdwijnen of herzien worden en welke nieuwe regelgeving eventueel nodig is. De raad wijst er wel op dat hervormde regelgeving meerdere doelen heeft. Het moet systemische verandering inzake levenslang leren mogelijk maken en moet zodanig opgesteld zijn dat het samenwerking tussen opleidingsverstrekkers bevordert. Tegelijk moet het het statuut van lerenden en lesgevers optimaliseren. Het kan niet de bedoeling zijn om louter te dereguleren.’3 Terzelfdertijd riep de raad in zijn advies over de conceptnota ‘de lerende samenleving’ op tot voorzichtigheid: ‘Ook het aanbod heeft een grote impact op de bereidheid tot leren. Vaak staan procedures en regels het creëren van een flexibel aanbod in de weg. De Vlor ondersteunt de opdracht van het Platform Levenslang Leren om de bestaande regelgeving te screenen met als doelstelling ze te stroomlijnen. Tegelijk waarschuwt de raad ervoor dat de draagkracht van lesgevers en organisaties niet mag overschreden worden: ook binnen onderwijs moet werkbaar werk een prioriteit zijn. Het regelluw maken mag eveneens niet leiden tot een concurrentiestrijd tussen de verschillende opleidingsverstrekkers. Van een race to the bottom wordt niemand beter, wel integendeel.’4

Vlaamse Regering (2020). Conceptnota De lerende samenleving. p. 11. Binnen die proeftuinen kan geëxperimenteerd worden in een regelluw kader en met afdoende financiering. 3 Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies 'Leercultuur in de volwasseneneducatie', 8 september 2020. p. 5. 4 Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over de conceptnota ‘De Lerende Samenleving’, 10 juli 2020. p. 5. 1 2

2


De Vlor heeft al vele adviezen uitgebracht om het levenslang en levensbreed leren in Vlaanderen te stimuleren. Dit advies focust specifiek op de regelgeving voor het volwassenenonderwijs, maar levenslang en levensbreed leren is uiteraard niet beperkt tot het volwassenenonderwijs. De Vlor geeft nog advies over twee andere onderwijsniveaus. Ten eerste bereidt hij ook een screening voor van de regelgeving in het hoger onderwijs. Ten tweede speelt ook het deeltijds kunstonderwijs (dko) een belangrijke rol in het geheel van levenslang en levensbreed leren. Dit voor zowel de persoonlijke ontwikkeling voor het aanbrengen van artistieke en creatieve competenties als op vlak van voorbereiding van een professionele loopbaan. We verwijzen voor de nodige aanpassingen van de regelgeving rond dko naar het Vlor-advies over de implementatie van het decreet deeltijds kunstonderwijs uit 2019 en stippen enkele punten opnieuw aan hieronder.5 Om de missie van het volwassenenonderwijs te kunnen realiseren, zijn volgende speerpunten belangrijk: meer samenwerking en synergieën, een flexibel aanbod op maat van cursisten6 en partners en het wegwerken van het mattheuseffect. Met deze bril screenen we de regelgeving op sterktes en lacunes. Daar waar nodig adviseren we om extra hefbomen in te bouwen in de regelgeving. In andere gevallen vragen we aanpassingen van specifieke procedures en of regelgeving. In alle voorgestelde maatregelen moet er rekening gehouden worden met de draagkracht van het personeel.

2 Visie Er is een algemene consensus dat de huidige participatie aan levenslang en levensbreed leren in Vlaanderen te laag is. De conceptnota ‘de lerende samenleving’ stelt vast dat demografische evoluties, globalisering, technologische ontwikkelingen en klimaatverandering de maatschappij voor bijzondere uitdagingen stellen en het levenslang leren hiervoor oplossingen moet aanreiken.7 De loopbaanversterkende functie van levenslang leren staat hier gewoonlijk centraal. Voortdurende technologische, ecologische en maatschappelijke evoluties maken het vandaag ondenkbaar dat we heel onze loopbaan dezelfde job zullen uitoefenen. Het zal erop aankomen om werknemers tijdig om- en bij te scholen opdat hun competenties valabel blijven op de arbeidsmarkt.8 Veel meer dan de conceptnota van de Vlaamse Regering benadrukt de Vlor dat het beleid levenslang leren niet enkel vanuit arbeidsmarktperspectief, in functie van een duurzame loopbaan, mag benaderen. De focus moet evenzeer liggen op het emancipatorisch perspectief van het levensbreed leren, waarbij de persoonlijke ontwikkeling, sociale participatie en maatschappelijke integratie van de lerende centraal staat. Werkgerelateerd leren is maar een

Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over de implementatie van het decreet deeltijds kunstonderwijs, 15 mei 2019. 6 In deze tekst gebruiken we consequent de benaming ‘cursisten’ om naar de lerenden te verwijzen. In het dko spreekt men evenwel steeds van leerlingen (ongeacht de leeftijd van de lerende). 7 Vlaamse Regering (2020). Conceptnota De lerende samenleving. p. 11. 8 Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Aanbevelingen voor het platform levenslang leren, 31 maart 2020. p. 1-2. 5

3


deel van leren, in een continuüm van brede naar zeer gerichte vorming. Levensbreed leren is ook cruciaal om de leergoesting of intrinsieke motivatie aan te wakkeren. Een prioritair doel van het beleid moet zijn om alle mensen de mogelijkheid te geven om volwaardig maatschappelijk te participeren. Daartoe moet het beleid zowel preventief als curatief inzetten op het weerbaar maken van mensen, en daarin is het levenslang én levensbreed leren in het volwassenenonderwijs een belangrijke hefboom. Een cruciale component van een strategie rond levenslang leren in Vlaanderen is dan ook om een doordacht inclusief beleid te voeren dat alle groepen van de samenleving kansen geeft om deel te nemen aan het volwassenenonderwijs. Dat zal leiden tot het vergroten van gelijke onderwijskansen en maximalisatie van talenten. 9 Voor deze screening zijn de drie functies10 van het volwassenenonderwijs richtinggevend. Ten eerste is het volwassenenonderwijs kwalificatiegericht en loopbaanversterkend. Dat wil zeggen dat mensen opgeleid worden naar een studiebewijs dat een voordeel biedt om te functioneren op de arbeidsmarkt. Het volwassenenonderwijs voorziet in de mogelijkheid om de eigen competenties te updaten, te upgraden en/of te heroriënteren. Ten tweede gaat het ook om tweedekansonderwijs, dat een kwalificatierecht garandeert aan ongekwalificeerde schoolverlaters en beschermt tegen nieuwe vormen van ongeletterdheid (bijvoorbeeld digitale ongeletterdheid). Ten derde is het volwassenonderwijs expliciet algemeen vormend: het aanbod moet competenties versterken die bijdragen tot brede persoonlijkheidsvorming (eigen leven in handen nemen), competenties die het mogelijk maken om in te spelen op snelle evoluties in de samenleving en die participatie aan zowel de arbeidsmarkt als de samenleving faciliteren. De algemeen vormende functie zorgt voor prikkels, het bewerkstelligt plezier in het leren en het versterkt de leervaardigheden en leermotivatie. Sterk ontwikkelde generieke competenties leiden ook tot meer duurzame werkzaamheid. Binnen dat geheel benadrukken we het belang van goede trajectbegeleiding en coaching van de lerende. De aanbevelingen uit deze screening van de regelgeving moeten ertoe bijdragen dat het volwassenenonderwijs in zijn gedifferentieerd aanbod (waaronder o.a. dko) zijn diverse rollen volwaardig kan opnemen en verder uitbouwen. Daartoe moeten opleidingsverstrekkers snel en flexibel kunnen voorzien in een aanbod op maat, dat inspeelt op de grote en snel veranderende vraag naar competentieontwikkeling (hoofdstuk 3). We pleiten in dit advies ook voor betere samenwerking tussen de actoren die het levenslang leren moeten vormgeven (hoofdstuk 4) en schetsen de financieringsvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor het volwassenenonderwijs om zijn rol te kunnen opnemen (hoofdstuk 5).

3 Aanbod toegankelijk, flexibel en op maat Om de deelname aan levenslang en levensbreed leren te verhogen, willen we het opleidingsaanbod in het volwassenenonderwijs versterken en toegankelijker maken. Dat kan door het aanbod op een flexibele manier, doelgerichter en meer op maat te organiseren. Om dat

9

Ibid. p. 3. Vlaamse Onderwijsraad (2019). Memorandum Vlor 2019-2024. Investeren met ambitie; Onderwijskansen voor iedereen. Brussel: Vlaamse Onderwijsraad. p. 30-31.

10

4


te realiseren, moeten onderwijsverstrekkers snel en gericht kunnen inspelen op de veranderende noden van cursisten, partners en de maatschappij/arbeidsmarkt. We pleiten er dan ook voor om de onderwijsverstrekkers meer vertrouwen en autonomie te geven op het vlak van curriculumontwikkeling en curriculumorganisatie.11 Er bestaan al verschillende manieren om het aanbod flexibeler, doelgerichter en meer op maat maken, zoals open modules en gelijktijdig geïntegreerd onderwijs. Wij pleiten er dan ook voor om verder in te zetten op die good practices en hun toepassingsgebied uit te breiden:

¬

¬ ¬

Curriculumontwikkeling (3.1 t.e.m. 3.4): we formuleren een aantal verbetervoorstellen om het werken met opleidingsprofielen te optimaliseren, onder andere door verder in te zetten op flexibele open modules en door de opleidingsprofielen zelf meer future proof te maken. We bepleiten meer ruimte om de beroepskwalificaties vanuit onderwijskundige inzichten te vertalen naar een opleiding. Tot slot doen we voorstellen om de procedures van curriculumontwikkeling en programmatie te vereenvoudigen. Organisatie (3.5 en 3.6): we formuleren een aantal voorstellen om het curriculum optimaler te organiseren, door verder in te zetten op gelijktijdig geïntegreerd leren en door de uitdagingen en opportuniteiten rond e-inclusie en afstandsleren aan te pakken. Toegankelijker aanbod (3.7): voor deze voorstellen focussen we ook op beleid dat niet tot het volwassenenonderwijs zelf behoort, maar wel een grote impact heeft op de instroom.

3.1 Opleidingsprofielen12 3.1.1

Sterktes en zwaktes

Een fundament van het opleidingsaanbod zijn de opleidingsprofielen, die bestaan uit een verkaveling van competenties (doelen) in modules die samen een certificaattraject vormen dat uniform is voor heel Vlaanderen. Die opleidingsprofielen worden gezamenlijk en netoverschrijdend ontwikkeld.13 Het werken met opleidingsprofielen kent een aantal belangrijke sterktes. Dergelijk profiel is steeds gebaseerd op een gevalideerd referentiekader zoals eindtermen, een erkende beroepskwalificatie, een Europees referentiekader (bv. ERK voor vreemde talen, DIGCOMP voor digitale competenties …) of een ander referentiekader. 14 Dat maakt het mogelijk om opleidingen af te stemmen op brede maatschappelijke tendensen en verwachtingen. Daarnaast zijn de opleidingsprofielen herkenbaar en uitwisselbaar, mede door het publiek karakter, waardoor opleidingen uit het volwassenenonderwijs in heel Vlaanderen naadloos op elkaar aansluiten.

Deze vraag ligt geheel in lijn met het advies van de Raad van State over de eindtermen secundair onderwijs: “er ernstige twijfels rijzen of de omvang en de gedetailleerdheid van de (...) eindtermen en onderwijsdoelen voor de onderwijsverstrekkers voldoende ruimte laten om de doelstellingen van het eigen pedagogische project te verwezenlijken”. 12 De Vlor spreekt zich in dit advies niet in detail uit over de toepassing van de opleidingsprofielen in de context van duaal leren in het volwassenenonderwijs, gezien de Vlor een omvattend advies zal voorbereiden over het op handen zijnde ontwerpdecreet rond duaal leren in het volwassenenonderwijs. We hopen alvast dat de cursisten van het volwassenenonderwijs alle kansen zullen krijgen in het duaal leren. 13 Ook de leerplannen, die gebaseerd zijn op de opleidingsprofielen, worden netoverschrijdend opgesteld. 14 Samen Volwassenenonderwijs (2020). Opleidingsprofielen. Brussel: Pedagogische begeleidingsdiensten van GO!, OVSG, POV, Katholiek Onderwijs Vlaanderen & Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs. 11

5


De link met het referentiekader wordt echter een nadeel als dat referentiekader zelf rigide is en als de relatie tussen opleidingsprofiel en referentiekader als zeer rigide wordt opgevat door de overheid. Die aanpak leidt tot te gedetailleerde opleidingsprofielen, die weinig ruimte laten voor aangepaste implementatie. Centra krijgen het zo bijzonder moeilijk om flexibel en gericht in te gaan op de veranderende noden van cursisten en de arbeidsmarkt. Ook in de context van samenwerking met partners (bv. VDAB, sectorfondsen, bedrijven …) is flexibiliteit een noodzaak. 3.1.2

Open modules en modules in maatwerk

Om deze uitdagingen het hoofd te bieden en meer flexibiliteit te bieden bestaan reeds goede instrumenten: open modules voor een aantal studie- en leergebieden en in de basiseducatie ook ‘modules in maatwerk’. We pleiten ervoor om het toepassingsgebied van deze instrumenten uit te breiden. Huidige mogelijkheden Modules in maatwerk zijn niet vervat in een goedgekeurd opleidingsprofiel, maar bevatten een combinatie van doelen uit goedgekeurde opleidingsprofielen van de basiseducatie. M.a.w. voor een module in maatwerk kan geput worden uit het geheel van doelen van de basiseducatie. De indeling in modules en opleidingen vormt geen begrenzing bij de invulling van maatwerk. Open modules bestaan voor zowel de basiseducatie als voor het secundair volwassenenonderwijs. In vergelijking met modules in maatwerk is de invulling ervan meer afgebakend. Op dit moment kunnen open modules ingericht worden: ¬ in de leergebieden wiskunde, Nederlands en alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie. De open modules omvatten een selectie van leerdoelen uit de opleidingsprofielen van de desbetreffende leergebieden; ¬ als geletterdheidsmodule in het secundair volwassenenonderwijs. Die open modules kunnen samengesteld worden op basis van een selectie van doelen uit de matrix Nederlands en Leren leren. De matrix is ruimer dan het OP geletterdheidsmodules; ¬ in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 van het secundair volwassenenonderwijs. Die open modules kunnen samengesteld worden op basis van een selectie van basiscompetenties uit de opleidingsprofielen; ¬ in het leergebied informatie- en communicatietechnologie van de basiseducatie en in de opleiding Start to ICT van het studiegebied ICT (vanaf het schooljaar 2020-2021).15 De open module ICT omvat uitsluitend eindtermen uit het leergebied informatie en communicatietechnologie en de open module Start to ICT omvat uitsluitend basiscompetenties uit de opleiding Start to ICT. Uitbreiding en versterking In het kader van de relance na de coronacrisis zou een uitbreiding van het concept van flexibele modules zeer wenselijk zijn. Zo dreigen er heel wat ontslagen, heel wat werknemers zullen zich

In OD XXXI wordt de mogelijkheid voorzien om zowel de opleiding ICT van de basiseducatie als de opleiding Start to ICT van het secundair volwassenenonderwijs onder de vorm van open modules in te richten, zodat cursisten gericht kunnen werken aan de digitale vaardigheden die ze nog ontbreken. Dit werd al tijdelijk voorzien in het kader van de coronacrisis en wordt structureel ingevoerd als het decreet wordt aangenomen.

15

6


moeten herscholen of omscholen en daarvoor zijn flexibele leerwegen nodig. 16 Vaak hebben die werknemers al heel wat competenties, maar situeren die zich over meerdere modules binnen een of meerdere opleidingen. Het is weinig motiverend voor de cursist een volledige module te moeten volgen wanneer slechts enkele competenties ontbreken. Ook vanuit kostprijs-perspectief is dit weinig efficiënt. We pleiten er dan ook voor om verder in te zetten op zulke flexibele modules en hun toepassing uit te breiden. Voor de basiseducatie vragen we om open modules te kunnen samenstellen met doelen geselecteerd over alle leergebieden heen. Die uitgebreide open modules geven cursisten een kans om op een geïntegreerde manier aan doelen uit verschillende leergebieden te werken. De combinatie van doelen uit verschillende leergebieden is al mogelijk in het systeem van modules in maatwerk, maar in vergelijking met dat systeem zouden twee drempels moeten worden weggewerkt. De Centra voor Basiseducatie (cbe) kunnen dat aanbod op maat van de cursisten nu pas inrichten op vraag van een partner, terwijl ze daarvoor zelf ook initiatief zouden moeten kunnen nemen buiten een samenwerkingsverband. Daarnaast vragen wij om centra de ruimte en het vertrouwen te bieden om deze modules te kunnen inrichten zonder verdere goedkeuring door de inspectie, aangezien de modules in maatwerk een combinatie zijn van doelen uit al goedgekeurde opleidingsprofielen. Het secundair volwassenenonderwijs heeft nood aan een andere vorm van flexibilisering. Hier is het nodig dat open modules ingezet kunnen worden in beroepsgerichte opleidingen om in te gaan op specifieke noden van cursisten en/of bedrijven en sectoren. Dat kan dan als vorm van ‘opvolgtraject’ na het doorlopen van een vrijstellings- of EVC-procedure (indien er hiaten zijn om een beroepskwalificatie te verwerven), of om in te gaan op specifieke noden uit een bepaalde sector die niet gevat kunnen worden binnen de voorziene modulestructuur. De open modules kunnen in combinatie met het reguliere aanbod voorzien worden in de cvo. De modules worden dan ingezet in het kader van het uittekenen van een individueel traject op maat van de cursist. Het huidige modulair aanbod binnen het volwassenenonderwijs biedt zeker mogelijkheden, maar de strakke regelgeving voor het uittekenen van een individueel traject vormt nog wel een hindernis. Open modules kunnen daar een antwoord op bieden. De cursist maakt dan deel uit van de ‘gewone’ klasgroep, maar kan door een systeem van binnen-klasdifferentiatie en gebruik van open modules beter begeleid worden. Zo kan hij vroeger zijn certificaat of deelcertificaat behalen binnen de voorgestelde periode van zijn individueel traject. Complementair aan de uitbreiding van zulke modules die werken op maat van de cursist, is er nood aan een performant systeem van erkenning van competenties. Het pas ingevoerde EVCdecreet dient van nabij opgevolgd en geëvalueerd te worden. Aanvullend op het EVC-decreet dient de ontwikkeling en onderhoud van een netoverschrijdend vrijstellingsinstrumentarium gestimuleerd en ondersteund te worden.

Een goed voorbeeld van zulke flexibele leerwegen vinden we in Denemarken. Er is geen sprake van een vastgelegd aantal lestijden voor de modules tweede taalonderwijs. Cursisten stromen dan ook wekelijks in en uit de modules. Zeker in de beginmodules wordt er vaak via co-teaching gewerkt (zie 3.5 Gelijktijdig geïntegreerd onderwijs).

16

7


Binnen deze context blijft de Vlor betreuren dat er te weinig rekening gehouden werd met zijn zeer fundamentele opmerkingen bij de decreten over EVC en GKK. 17 Door de beleidsdomeinen de autonomie te geven een beleid uit te werken zonder gelijk kwaliteitstoezicht en vast te houden aan strenge regels voor de onderwijsverstrekkers, werd er een ongelijk speelveld gecreëerd. Daarenboven komt het ongelijke kwaliteitstoezicht de transparantie over het civiel effect van de beroepskwalificatie die een cursist bereikt heeft op het einde van een traject niet ten goede: is er recht op een vrijstelling voor een onderwijskwalificatie of niet? In die zin pleiten we (nogmaals) voor meer flexibiliteit en snellere procedures voor de onderwijsverstrekkers voor de koppeling van beroepskwalificaties en curriculum, erkenning en programmatie en voor een gelijke kwaliteitsstandaard. Tot slot is het belangrijk dat het aanbod van leerinhouden (combinaties van bestaande modules en/of open modules) in kleine gehelen ook elk op zich gecertificeerd worden als bouwsteen in een breder traject.18 Dat draagt bij tot een civiel effect. Zo’n certificaten zouden kunnen aansluiten bij het concept van microcredentials en microdegrees, waar men binnen het hoger onderwijs en op Europees niveau steeds meer op inzet.19 3.1.3

Opleidingsprofielen future proof

Naast efficiëntere en korte procedures voor de ontwikkeling en goedkeuring van opleidingsprofielen valt er ook winst te boeken door de opleidingsprofielen zelf inhoudelijk meer future proof te maken. Dat betekent niet dat een opleidingsprofiel een generieke passe-partout wordt, maar wel dat er een gemeenschappelijke basis ontwikkeld kan worden met ruimte voor individuele noden/trajecten van cursisten en regionale noden (bv. van de arbeidsmarkt). Op die manier kunnen noodzakelijke actualiseringen flexibel worden doorgevoerd door de aanbieders. Uiteraard kan dat enkel als dat ook gepaard gaat met de mogelijkheid om de beroepskwalificatie vanuit onderwijskundige inzichten te vertalen naar een opleiding/opleidingsprofiel (zie 3.2). Een zeldzaam voorbeeld waar die duurzaamheid wel al is ingebouwd, zijn de ICT-opleidingen in het volwassenenonderwijs en de basiseducatie.20 De inhouden van de modules van de opleidingsprofielen zijn immers zodanig opgemaakt dat ze voldoende ruimte laten om steeds een actuele invulling mogelijk te maken. De modules/opleidingen zijn future proof en bijgevolg duurzaam omdat ze ruimte bieden aan de centra om eenzelfde module na verloop van tijd op het inhoudelijke niveau een andere invulling te geven (bv. wijzigende softwarepakketten, nieuwe mediatoepassingen enz..).

3.2 Beroepskwalificaties vertalen naar opleidingstrajecten De beroepskwalificaties zijn een cruciale tool om de beroepsopleidingen af te stemmen op de verwachtingen van de sector. Hoewel we het belang van de beroepskwalificatie als referentiekader erkennen, vinden we de strikte vertaling in onderwijstrajecten voor de cvo te

Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Advies over de uitvoeringsbesluiten bij de decreten over de erkenning van verworven competenties (EVC) en het geïntegreerd kwaliteitskader van beroepskwalificerende trajecten (GKK), 28 februari 2019. 18 Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies 'Leercultuur in de volwasseneneducatie', 8 september 2020. p. 6. 19 European Commission (2020). A European approach to micro-credentials output of the micro-credentials higher education consultation group. Luxembourg: EC. 20 Deze toepassing levert momenteel wel problemen om met het Vlaams Opleidingsverlof, zie paragraaf 3.7.1. 17

8


beperkend.21 In eerder uitgebrachte adviezen benadrukte de Vlor dat aanvullende algemene vorming en arbeidsmarktgerichte vorming geen twee onafhankelijke gehelen zijn die aan elkaar geplakt kunnen worden, zoals nu wordt gesuggereerd in het decreet van de Vlaamse Kwalificatiestructuur.22 Er is nood aan ruimte voor onderwijsverstrekkers om de beroepskwalificaties in een onderwijs/opleidingscontext te brengen, vertrekkende van het profiel van een lerende23 en rekening houdend met de organisatorische realiteit in het volwassenenonderwijs. We vragen vooral meer ruimte om de beroepskwalificaties vanuit onderwijskundige inzichten te vertalen naar een opleiding.24 Dat biedt de cvo de mogelijkheid om op hun eigen sterktes in te spelen, zoals de cursistenbegeleiding op maat en de koppeling met het luik algemene vorming. Die nood naar vertaling vanuit onderwijskundige inzichten geldt evenzeer voor het dko. Bij de vertaling van beroepskwalificaties naar opleidingstrajecten moet voldoende ruimte zijn voor een algemeen vormende component en levensbreed leren. Het volwassenenonderwijs wil via algemene vorming verder inzetten op generieke competenties, die cruciaal zijn om een duurzame loopbaan te garanderen. De cvo moeten dus steeds kunnen inzetten op generieke competenties en sleutelcompetenties, zoals het kritisch omgaan met informatie, sociale en socioemotionele vaardigheden, geletterdheidscompetenties etc. Cruciaal is dat algemene vorming niet mag losstaan van de beroepsopleiding, maar als een geheel geïntegreerd moet worden. Dat maakt het voor de leraar immers mogelijk om tijdens de les de noden van de cursisten te identificeren en hier flexibel op in te spelen (bijvoorbeeld aandacht voor arbeidsattitudes, digitale skills …). In die context vragen we om de regelgeving ook aan te passen opdat anderstalige nieuwkomers vanaf 16 jaar aanvullende algemene vorming kunnen volgen in het volwassenenonderwijs. 25 Met het oog op het bewerkstelligen van een bijkomende tweedekansleerweg via het deeltijds kunstonderwijs vragen we om de koppeling tussen de studiebewijzen uitgereikt in het dko en in de andere onderwijsniveaus te verduidelijken.26 We merken tot slot op dat voor de beroepskwalificerende opleidingen de competenties van het opleidingstraject moeten garanderen dat de cursist als beginnend beroepsbeoefenaar kan starten in de sector. Dat betekent ook dat bepaalde competenties uit de beroepskwalificaties die geschreven werden op het niveau van een volwaardig beroepsbeoefenaar nog verder ontwikkeld

Het zou ook interessant kunnen zijn om de hele systematiek van de beroepskwalificaties fundamenteel in vraag te stellen, gezien sommige competenties niet zomaar aan een beroep te plakken zijn. In deze screening beperken we ons tot suggesties die het huidige systeem kunnen verbeteren. 22 Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over de bouwstenen voor een slagkrachtig volwassenenonderwijs, 23 juni 2015. p. 12. Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Advies over het Rekenhofrapport over de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt, 26 maart 2015. 23 In vergelijking met een beroepsbeoefenaar, zie volgende bladzijde. 24 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Advies over het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse kwalificatiestructuur, 27 september 2012. 25 We vragen deze aanpassing door te voeren binnen de randvoorwaarden geschetst in: Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Meer kruisbestuiving tussen wegen naar een diploma secundair onderwijs, 24 september 2020. 26 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Meer kruisbestuiving tussen wegen naar een diploma secundair onderwijs, 24 september 2020. p. 11. Zie ook: Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over het voorontwerp van decreet betreffende het deeltijds kunstonderwijs, 27 juni 2017. En Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Eindtermen tweede en derde graad secundair onderwijs, 27 augustus 2020. 21

9


moeten worden tijdens de tewerkstelling. In het algemeen is er nood aan (meer) kwaliteitsvolle beroepskwalificaties, die op gezette tijden worden geactualiseerd zodat het opleidingsaanbod upto-date blijft.

3.3 Duurtijd procedure curriculumontwikkeling In het verleden bracht de Vlor de logge procedure voor curriculumontwikkeling al meermaals onder de aandacht.27 Het hele proces neemt minimum twee volledige schooljaren in beslag: na het voorstel en het besluit voor de ontwikkeling van opleidingsprofielen, volgt nog de ontwikkeling, de advisering en de beslissing van de opleidingsprofielen. Centra zijn daarbij ook afhankelijk van de ontwikkeling van een erkende beroepskwalificatie, waar dan nog minstens een jaar overgaat. In het geval het een nieuw studiegebied betreft, moet daar ook nog een aanvraag voor onderwijsbevoegdheid aan gekoppeld worden (met duurtijd van minstens een half jaar). Die trage procedure maakt het onmogelijk om snel en gericht in te spelen op technologische en maatschappelijke ontwikkelingen en de veranderende vraag naar competentieontwikkeling. Zo betekent de procedure een enorm nadeel om het aanbod van het volwassenenonderwijs up-todate te houden. Om het onderwijsaanbod in de centra actueel te houden, adviseerde de Vlor in het verleden al dat het belangrijk is om procedures voor beroepskwalificaties, onderwijskwalificaties en opleidingsprofielen zo kort mogelijk te houden, zonder afbreuk te doen aan het principe van inspraak van het brede onderwijsveld via de Vlor. Concreet stellen we voor het secundair volwassenenonderwijs voor om de opleidingsprofielen te vereenvoudigen en meer future proof te maken door enkel de activiteiten/competenties uit de beroepskwalificatie te clusteren in modules. De concretisering van de activiteiten (zoals vermeld in de beroepskwalificaties via de onderliggende vaardigheden en te integreren kennis) kan dan op leerplanniveau toegevoegd worden. Met betrekking tot de besluitvorming stelt de Vlor voor om het opleidingsprofiel en het bijhorend BVR op de bekwaamheidsbewijzen te bekrachtigen bij ministerieel besluit. Die verschillende ingrepen laten toe om de ontwikkeltijd van het opleidingsprofiel te verkorten. Leerplannen kunnen sneller en flexibeler aangepast worden wanneer er elementen in een beroepskwalificatie aangepast worden. De opleidingsprofielen worden op deze manier ook meer future proof. Daarnaast is het nuttig om een grondige vergelijking te maken tussen de procedures rond curriculumontwikkeling in de verschillende onderwijsniveaus (secundair vs volwassenenonderwijs etc.) en tussen verschillende opleidingsverstrekkers (VDAB, Syntra). Daaruit kan dan een voorstel komen naar meer uitwisselbaarheid en/of good practices. Het belang van de future proof erkende beroepskwalificaties kan in die context ook niet genoeg beklemtoond worden. Als de toepassing daarvan ook flexibel kan worden aangepast, moet de procedure in het kader van de opleidingsprofielen niet zo vaak worden opgestart en kan die steeds zeer grondig worden aangepakt.

Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over de bouwstenen voor een slagkrachtig volwassenenonderwijs, 23 juni 2015. p. 12.

27

10


3.4 Programmatieprocedures De centra voor volwassenenonderwijs moeten hun opleidingsaanbod flexibel kunnen inrichten. Het volwassenenonderwijs moet zich ook op een flexibele manier kunnen organiseren ten aanzien van een steeds groter aanbod van semipublieke en commerciële aanbieders. Enkele voorbeelden in procedures die tot problemen leiden: ¬ Planlast die samengaat met het gebruik van Dimona; ¬ Registratie van stagiairs in Dimona leidt tot bezoeken van deurwaarders (zij hebben immers geen inkomen aangegeven); ¬ Dubbele registraties bij samenwerking met VDAB. Een fundamentele vraag binnen die context is of programmatieprocedures op een andere manier aangepakt kunnen worden. Een mogelijke optie om flexibel in te spelen op regionale noden ligt bij het uitbreiden van het toepassingsgebied van de spoedprocedure voor programmatieaanvragen. Die spoedprocedure verkort de tijd voor het aanvragen van een onderwijsbevoegdheid. De rem in de spoedprocedure is momenteel dat alle cvo met dezelfde onderwijsbevoegdheid (studiegebied) van de vestigingsplaats akkoord moeten gaan met de aanvraag. We willen een oplossing voor het vetorecht die dat met zich meebrengt. In die zin wensen we te evolueren naar een meldingsplicht voor tijdelijke projecten waarvoor cvo de onderwijsbevoegdheid in een vestigingsplaats mankeren. Dat impliceert ook dat na een jaar de tijdelijke onderwijsbevoegdheid in de vestigingsplaats wordt stopgezet (melding op melding kan niet). In het geval het centrum de tijdelijke onderwijsbevoegdheid in die vestigingsplaats wil bestendigen dan moet het centrum een reguliere programmatieaanvraag indienen. We vragen ook een snellere afhandeling van de spoedprocedure, indien mogelijk binnen de maand. Tot slot vragen we dat de onderwijsbevoegdheid verleend wordt voor de duur van één jaar, met als startdatum de datum van toekenning van de onderwijsbevoegdheid. De koppeling aan het schooljaar dient dus losgelaten te worden. Dit doet geen afbreuk aan het advies van de Agentschappen Integratie en Inburgering en het Huis van het Nederlands Brussel voor studiegebieden NT2 en de onderwijscoördinator voor het opleidingsaanbod in de gevangenissen. Voor een efficiënte uitrol van duaal leren binnen het volwassenonderwijs stellen we alvast voor om de nieuwe regelgeving niet meteen te rigide te maken. Dat kan door niet te werken met programmatie-aanvragen, maar opleidingen die al worden aangeboden ook via de duale lesmethode mogelijk te maken door dat gewoon zo te registreren in DAVINCI. Daarnaast vinden we dat in een duale context beperkt contactonderwijs op de werkplek buiten de vestigingsplaats waarvoor het cvo onderwijsbevoegdheid heeft, mogelijk zou moeten zijn.

3.5 Gelijktijdig geïntegreerd onderwijs Gelijktijdig geïntegreerd onderwijs biedt een meerwaarde aan cursisten omdat verschillende modules inhoudelijk op elkaar afgestemd worden en dit de leermotivatie en het leerproces bevordert. Het ten volle geïntegreerd aanbieden van een traject biedt voordelen voor de cursist, voor het cvo/cbe en voor de maatschappij: ¬ Dat biedt kansen om door een versterkende aanpak in te zetten op cursisten uit kansengroepen.

11


¬ ¬ ¬

Een geïntegreerde aanpak komt de functionaliteit van de opleidingen en het leerrendement ten goede. Het leertraject kan in sommige gevallen substantieel ingekort worden. Dat maakt het voor volwassenen, die zich door omstandigheden moeilijk gedurende een langere tijd kunnen vrijmaken, toch mogelijk om deel te nemen aan een opleiding. De aanpak en navenante tijdswinst bewerkstelligt minder uitval van cursisten, daardoor kan de periode van economische inactiviteit beperkt worden. Dat laatste wordt in het bijzonder nog belangrijker in een post-corona tijdperk.

Gelijktijdig geïntegreerd onderwijs maakt ook co-teaching mogelijk en dat biedt mogelijkheden om nog meer op maat van de cursisten te werken. De leraar kan beter inspelen op de verschillen in cognitief vermogen, leervoorkeur en leertempo van cursisten, het maakt een geïntegreerde aanpak mogelijk waarbij ingezet wordt op versterking van sleutelcompetenties en vakgerelateerde competenties. Die aanpak biedt ook mogelijkheden om het aanbod van de cvo toegankelijker te maken voor kansengroepen zoals laaggeletterden, anderstaligen, mensen met leermoeilijkheden ... Ook de overgang van cbe naar cvo kan erdoor gefaciliteerd worden. Daarnaast biedt co-teaching ook heel wat mogelijkheden tot professionalisering van lesgevers over verschillende studie-/leergebieden heen wat ten goede komt aan de kwaliteit van het aanbod voor de cursist. Het huidig toepassingsgebied van het gelijktijdig geïntegreerd onderwijs is beperkt tot de organisatie van gelijktijdig geïntegreerde trajecten in de leergebieden alfa NT2 en NT2 van de basiseducatie en de studiegebieden NT2 van het secundair volwassenenonderwijs. Daarbij krijgt de cursist ten minste de helft van het aantal lestijden apart aangeboden. De andere helft van de lestijden kunnen gelijktijdig met een andere opleiding aangeboden worden zonder verlenging van de duur van die andere opleiding, op voorwaarde dat de gelijktijdige lessen door twee lesgevers worden gegeven. Voor de basiseducatie pleiten we ervoor om het toepassingsgebied uit te breiden naar alle modules uit alle leergebieden. Voor de cvo stellen we voor om het toepassingsgebied uit te breiden tot de organisatie van gelijktijdig geïntegreerde trajecten in: ¬ de geletterdheidsmodules; ¬ algemeen aanvullende vorming; ¬ de startmodules van de opleiding Start TO ICT uit het studiegebied Informatie- en communicatietechnologie van het secundair volwassenenonderwijs.

3.6 E-inclusie en kwalitatief afstandsleren Door de huidige coronacrisis werd het belang van e-inclusie en kwalitatief afstandsleren heel erg duidelijk. Alle lesgevers werden verplicht om de omslag te maken naar online lesgeven. Veel lesgevers hebben geëxperimenteerd en hebben hun skills in recordtempo geüpgraded. Toch is de nood naar verdere professionalisering hoog en hebben lesgevers verdere ondersteuning nodig met het implementeren van IT in hun les en het didactische aspect. In die context pleiten we ervoor om via vormen van co-teaching professionalisering in de klas te brengen. We stellen dus ook hier de klassieke een-op-een verhouding van de lesgever en de klas in vraag. Daarvoor hebben centra meer autonomie nodig om hun middelen te besteden en is er nood aan specifieke profielen die als ‘mediacoaches’ kunnen optreden.

12


De coronacrisis heeft ervoor gezorgd dat centra voor volwassenenonderwijs noodgedwongen zijn moeten overschakelen naar een tijdelijke werking met 100% afstandsonderwijs. Niemand in het onderwijsveld is vragende partij om in de toekomst alle onderwijs voltijds op afstand te organiseren, daarvoor waren er te veel ongewenste effecten.28 De ervaringen van de voorbije maanden hebben echter wel bij onderwijsinstellingen en organisaties tot een toekomstgerichte denkoefening geleid over wat afstandsonderwijs kan betekenen voor de kwaliteit van het leren. Er is een dynamiek ontstaan in sommige onderwijsinstellingen om verder te gaan met de introductie van vormen van afstandsleren. Voldoende aandacht voor begeleiding en interactie bleek hierbij cruciaal. We stellen vast dat heel wat opleidingen versneld omschakelen naar blended leeromgevingen waarbij een combinatie gemaakt wordt van contactonderwijs met afstandsonderwijs, eventueel verder aangevuld met werkplekleren. In het geval er voldaan is aan de randvoorwaarden op het vlak van begeleiding en interactie, pleiten wij ervoor om de afwijking waarbij 100% afstandsonderwijs in cvo mogelijk wordt te bestendigen. We merken immers dat voor enkele specifieke opleidingen en groepen cursisten in de cvo geen contactmomenten nodig zijn, ook niet voor de evaluatie. We beklemtonen dat de vraag naar het regelgevend verankeren van die mogelijkheid geen afbreuk doet aan de vraag om onder alle omstandigheden contactonderwijs te blijven garanderen binnen die opleidingen en voor die groepen cursisten waar afstandsonderwijs niet of niet goed werkt. We willen er ook op wijzen dat afstandsonderwijs géén synoniem is van of gelijkgesteld mag worden aan niet-begeleid werken. Afstandsonderwijs kan net leiden tot heel sterk begeleide en gepersonaliseerde leeromgevingen. We willen afstandsonderwijs zeker ook niet versmallen tot digitaal lesgeven. Ook voor het flexibel aanbieden van vormen van leren waarbij men niet uitgaat van klassikaal leren (bv. stages) moeten nog stappen gezet worden. Zo is het in de huidige regelgeving niet mogelijk om een cursist als vrijwilliger te laten werken om zijn taalvaardigheid te oefenen buiten het klaslokaal.

3.7 Toegankelijkheid De screening focuste tot hiertoe op de regelgeving volwassenenonderwijs. Er is ook regelgeving buiten het volwassenenonderwijs die participatie van volwassenen aan opleidingen en onderwijs bemoeilijkt of weinig stimuleert. We duiden hieronder enkele regelgevingen aan die ervoor zorgen dat mensen niet (voldoende) aangemoedigd worden om tot formeel leren over te gaan. We pleiten ervoor om de aangestipte beperkingen op bestaande en performante opleidingsincentives op te heffen en voldoende budgetten te voorzien zodat de instrumenten ruim kunnen worden ingezet.29

Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Voluit voor weerbaar onderwijs. Wat leren we uit de coronacrisis voor onderwijsbeleid? 26 november 2020. p. 18-24. 29 Een aantal beroepsgerichte opleidingen, zoals schoonheidsspecialiste, worden uitgesloten voor VOV vanuit een besparingslogica. 28

13


3.7.1

Vlaams Opleidingsverlof

Het Vlaams Opleidingsverlof (VOV) heeft enkele beperkingen: ¬ Het beleid wil iedereen stimuleren om deel te nemen aan vorming, maar sluit door middel van de screeningscriteria zowel breed vormende als minder arbeidsmarktgerichte opleidingen uit (geldt ook voor basisvaardigheden). We pleiten dan ook voor erkenning van alle opleidingen basiseducatie binnen het VOV, zoals dat ook in het federale stelsel Betaald Educatief Verlof het geval was, en van alle modules die passen binnen beroepsopleidingen. ¬ Levenslang leren moet onder andere inzetten op korte, snelle, competentiegerichte upskilling en reskilling, alsook transversale skills. Daarom pleiten wij voor VOV-erkenning van modules, losgekoppeld van de trajecten. Die erkenning van modules zou vanaf 20u mogelijk moeten zijn. De huidige norm van 32 uur heeft immers perverse effecten. Zo wordt het zeker voor laaggeletterde mensen in uitvoerende functies moeilijker om werkgevers te overtuigen. Heel wat arbeidsmarktgerichte opleidingen bevatten zelfs minder dan 32 lesuren, die moeten dan uitgerekt worden om in aanmerking te komen voor VOV. We bepleiten dus opleidingen op maat, die ook kort en krachtig kunnen zijn. ¬ Binnen het VOV worden de eerste stappen naar blended leren gezet. Wij vragen hiervoor echter nog meer flexibiliteit. VOV moet evolueren naar het erkennen van leeruitkomsten, onafhankelijk van de gevolgde leerweg (contactonderwijs, e-modules, werkplekleren, blended …). De methodiek gehanteerd voor de module moet tevens makkelijk aanpasbaar zijn, in functie van het leerproces van de lerende. ¬ Ook om recht te hebben op kinderbijslag, zijn de voorwaarden niet flexibel genoeg. Een cursist moet nu ingeschreven zijn voor minstens 17 lesuren per week (contactonderwijs) en regelmatig aanwezig zijn.30 ¬ Om in aanmerking te komen voor het Vlaams Opleidingsverlof mag een cursist niet tweemaal dezelfde opleiding volgen. Voor de bestaande ICT-opleidingen in het volwassenenonderwijs en de basiseducatie betekent dat een probleem. De opleidingsprofielen voor deze opleidingen zijn meer future proof en generiek geformuleerd, waardoor cursisten in dergelijke opleidingen/modules bij een tweede inschrijving toch een heel andere, bijvoorbeeld sterk geactualiseerde, inhoud aangereikt kunnen krijgen. De huidige regelgeving rond het Vlaams Opleidingsverlof laat die inschrijving echter niet toe en is hier dus niet afgestemd op het future proof karakter van de opleidingen. ¬ Hetzelfde geldt voor open modules in de basiseducatie, een cursist mag niet voor een tweede keer in een gelijknamige open module inschrijven, zelfs als de inhoud compleet verschillend is. ¬ We pleiten voor globale erkenning van gemeenschappelijke modules die voorkomen in verschillende opleidingen, om de administratieve last te beperkingen (bijvoorbeeld modules rond veiligheidsopleidingen en werken op hoogte). Wel moet een cursist die modules een tweede keer kunnen volgen als hij de module nog eens wil opnemen in een ander traject. 3.7.2

Opleidingscheques

De opleidingscheques zijn een andere goede incentive om je bij te scholen, we vragen dan ook om daar opnieuw meer op in te zetten. Concreet pleiten we ervoor om:

30

14

Hierin kunnen ook maximaal vier lesuren per week zelfstudie in het Open Leercentrum vervat zijn.


¬ ¬ ¬ ¬ 3.7.3

opleidingscheques beschikbaar te maken voor alle doelgroepen; geen breed vormende opleidingen of beroepsopleidingen uit te sluiten via screening; sterker te sensibiliseren; grotere budgetten te voorzien. Loopbaanbegeleiding

Loopbaancoaching leidt vaak tot bijscholing doordat leerdoelen en competentie-gaps helder worden. Op die manier kan het een waardevol instrument worden om levenslang leren te stimuleren. Op dit moment zijn er echter nog veel drempels om in aanmerking te komen voor loopbaanbegeleiding:31 ¬ Je moet minimum zeven jaar werkervaring in loondienst of als zelfstandige hebben opgebouwd; ¬ Je mag de afgelopen zes jaar geen loopbaanbegeleiding gevolgd hebben; ¬ Je moet aan het werk zijn;32 ¬ Een loopbaancentrum mag geen loopbaanbegeleiding met loopbaancheques aanbieden in een andere taal dan het Nederlands. Daarnaast pleiten we ervoor om de organisatie van (leer)loopbaanbegeleiding gedeeld te situeren onder de beleidsdomeinen onderwijs en werk.33 De levensbrede invulling van (oriëntering naar) opleiding en vorming voor volwassenen kan zo het best gegarandeerd worden. Voldoende investeringen zijn noodzakelijk om een volwaardige leerloopbaanbegeleiding te ontwikkelen. We kijken ook uit naar de ontwikkeling van een gepersonaliseerd platform waarop een geïntegreerde leer- en loopbaanrekening kan geconsulteerd en bijgewerkt worden, zoals vooropgesteld in het relanceplan Vlaamse Veerkracht, en vragen hierbij betrokken te worden. Wij pleiten al langer voor een maatregel als de leeraccount (ook in de vorm van verlof), die een werknemer meeneemt doorheen de loopbaan, over verschillende jobs, werkgevers en sectoren heen. 3.7.4

NT2 en inburgeringsbeleid

Anderstaligen (en ook specifieker inburgeraars) moeten aangemoedigd worden om deel te nemen aan het levenslang leren door het aanbod NT2 toegankelijker te maken. In de hertekening van het inburgeringstraject die de Vlaamse Regering voorstelt vinden we echter veel voorstellen die lijnrecht ingaan tegen de principes van succesvol NT2-onderwijs dat sociale participatie maximaliseert.34 We vragen om volgende drempels weg te werken: ¬ Financiële drempels: Lessen en toetsen worden betalend, de onkostenvergoeding voor cursisten is afgevoerd;

VDAB (2021). Kom ik in aanmerking voor loopbaancheques? Als je tijdelijk economisch werkloos bent, heb je ook recht op loopbaanbegeleiding als je aan de nodige voorwaarden voldoet. 33 Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over leerloopbaanbegeleiding, 8 mei 2018. p. 7. 34 Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Hertekening inburgeringstraject: drempels wegwerken. Advies over de conceptnota ‘Hertekening inburgeringstraject’, 6 oktober 2020. 31 32

15


¬

Resultaatsverbintenissen: We vragen om taaltesten en taalniveaus geen uitsluitend karakter te geven en niet te richten op het ontzeggen van toegang tot bepaalde maatschappelijke domeinen. In de plaats kan men permanent en procesmatig evalueren. Bij de opmaakt van de (eventueel gestandaardiseerde) testen moet er op maat van laaggeletterden gewerkt worden; Digitalisering: Contacturen zijn noodzakelijk voor velen in deze doelgroep, dus digitalisering is zeker geen algemene oplossing. Ook hier is de reflex digitaal = kostenbesparend de foute insteek.

¬

3.7.5

Deeltijds kunstonderwijs

Levenslang leren in het dko mag niet worden beperkt door het vastgelegd maximum aantal leerjaren dat je voor een bepaalde opleiding kan en mag volgen. Cursisten moeten de kans krijgen om zich verder te verdiepen in een bepaalde vaardigheid of discipline.

4 Samenwerking Hoewel we flexibiliteit en maatwerk moeten garanderen, moeten we tegelijk de versnippering tegengaan. Er moeten zoveel mogelijk synergieën tot stand worden gebracht tussen VDAB, de Syntra, de sectorfondsen en het volwassenenonderwijs. Ook de samenwerking tussen het volwassenenonderwijs, het secundair onderwijs, het hoger onderwijs en het dko (bijvoorbeeld rond aanvullende algemene vorming) kan versterkt worden. De mogelijke synergieën zien wij te realiseren op verschillende functies:

¬ ¬ ¬ ¬ ¬

oriëntering en toeleiding; outreachend werken; gemeenschappelijk aanbod voor specifieke doelgroepen; afstemming met sectoren; samenwerking belonen.

4.1 Oriëntering en toeleiding De oriëntering gebeurt best overkoepelend en laagdrempelig (zie ook het GOAL-project).35 Op dit ogenblik is toeleiding naar het volwassenenonderwijs nog altijd een zwak punt, dat zich vertaalt in de lage participatiecijfers aan het levenslang leren, zeker voor laaggeschoolden. We vestigen ook nog eens de aandacht op het bereiken van kansengroepen (ongekwalificeerde uitstroom, mensen in moeilijke sociale situaties, …). In de huidige crisis zijn zij de eersten die op werkloosheid terugvallen. Het is ook die groep die meest baat heeft bij om- of herscholing. Werken op de aanbodszijde is één ding, maar volstaat niet om die groepen te bereiken. We vragen de Vlaamse Regering dus meer in te zetten op (leer)loopbaanbegeleiding die zich zowel op de werkloopbaan als de levensloopbaan richt. Binnen die context dient het concept van de Leerwinkels verder ontwikkeld te worden, uiteraard in goede afstemming met een eventueel bijgestelde loopbaancoaching. Een samenwerking tussen de beleidsdomeinen Werk en Onderwijs dringt zich op. Werk moet daarbij verantwoordelijk zijn en blijven voor de

35

16

Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over leerloopbaanbegeleiding, 8 mei 2018.


(werk)loopbaanbegeleiding en Onderwijs voor de leerloopbaanbegeleiding. Idealiter wordt een systematiek van Leerwinkels opgezet in verschillende regio’s waarbij een actieve politiek gevoerd wordt om deze doelgroepen actief op te sporen en objectief toe te leiden naar het volwassenenonderwijs. Ook het dko en het sociaal-cultureel werk kunnen - ook via het delen van expertise in samenwerkingsinitiatieven - helpen om kansengroepen te bereiken en naar meer langdurig aanbod van volwassenenonderwijs toe te leiden. Momenteel bouwen centra op eigen initiatief en in verspreide slagorde een eigen netwerk op van mogelijke toeleiders. Dit gebeurt best gecoördineerd en binnen een eenduidig kader (cf. neutraal en onafhankelijk karakter). Het is eveneens relevant om verdere samenwerking tussen het volwassenenonderwijs en het secundair onderwijs en/of hoger onderwijs te bewerkstelligen. Hier beogen we het versterken van de samenwerking tussen het volwassenenonderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs, het voltijds secundair onderwijs en/of de graduaatsopleidingen binnen de hogescholen. Belangrijke focus daarbij is: vermijden van ongekwalificeerde uitstroom en NEET-situaties, vormgeven van zalmtrajecten … Voor voorstellen tot verdere samenwerking en coördinatie tussen deze onderwijsniveaus en -vormen (in het bijzonder voor de doelgroep van 18- tot 25-jarigen) verwijzen we ook naar ons advies ‘Meer kruisbestuiving tussen wegen naar een diploma secundair onderwijs’.36

4.2 Outreachend werken Om laaggeschoolde volwassenen en kwetsbare cursisten maximaal te bereiken, zal er naast de instrumenten als de leerwinkels ook outreachend gewerkt moeten worden. De coronacrisis maakte het immers extra duidelijk: de kwetsbare cursisten dreigen nog meer dan voordien tegen drempels aan te lopen om mee te kunnen in de samenleving. Van ouders wordt verwacht hun kinderen te ondersteunen in hun (digitaal) leerproces. Mensen in armoede worden voor nog meer financiële uitdagingen gesteld. Zij worden nog meer geconfronteerd met maatschappelijk en sociaal isolement door de afwezigheid van digitale middelen en/of vaardigheden. Werkloosheid gluurt voor veel kwetsbare groepen om de hoek en dat maakt (een goed en laagdrempelig aanbod van) levenslang leren cruciaal. We weten dat kwetsbare cursisten niet zomaar toegang hebben tot het aanbod van levenslang leren en we grijpen deze crisis dan ook aan om hen beter te bereiken en te zorgen voor een toeleiding op maat. Dat wil zeggen: we gaan naar de plaatsen waar potentiële cursisten zich bevinden, spelen in op leervragen die zich daar stellen en grijpen deze momenten aan om hen toe te leiden naar een gepast aanbod. In de eerste plaats, maar niet uitsluitend, focussen we hier op ouders van schoolgaande kinderen en mensen in armoede: groepen die bij uitstek getroffen worden door deze crisis.

Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Meer kruisbestuiving tussen wegen naar een diploma secundair onderwijs, 24 september 2020.

36

17


Het is belangrijk om deze outreach vanuit cvo als cbe samen te doen om efficiënt te kunnen doorverwijzen. Centra doen al grote inspanningen om de outreach te verhogen, maar willen dit intensifiëren en versterken. Daarvoor is financiële erkenning van deze activiteiten cruciaal. De strakke regelgeving met betrekking tot het onderwijsaanbod en de vestigingsplaatsen voor de cvo (procedures, planning) zorgt voor belangrijke moeilijkheden om naar het volwassenenonderwijs toe te gaan. Het aanbod kan dus ook dichterbij en laagdrempeliger beschikbaar worden door het doorvoeren van maatregelen zoals in dit advies voorgesteld, bijvoorbeeld het administratief toekennen van tijdelijke onderwijsbevoegdheden.

4.3 Gemeenschappelijk aanbod voor specifieke doelgroepen De coronacrisis zal zorgen voor een toename van het aantal werkzoekenden op de arbeidsmarkt. Velen van hen zullen zich moeten heroriënteren. Voor laaggeletterde werkzoekenden zijn de wegen naar beroepsopleidingen tot op heden zeer beperkt omwille van de hoge geletterdheidseisen in beroepsopleidingen. Al te vaak komen zij in opleidingen zoals poets- of groendienst terecht, terwijl er vele andere noden liggen op de arbeidsmarkt en deze volwassenen andere interesses en competenties hebben. Om de grote groep nieuwe werkzoekenden te versterken willen we enerzijds inzetten op flexibele leerwegen (zie hoofdstuk drie) en anderzijds op meer samenwerking. Zo kunnen we een toestroom van laaggeletterde werkzoekenden opvangen door aan de ene kant te zorgen voor toegankelijke beroepsopleidingen binnen de cvo en aan de andere kant voor geletterdheidsondersteuning door cbe, van zowel de instructeurs en lesgevers als van de cursisten. We willen hier een ruim aanbod mogelijk maken vertrekkende vanuit knelpuntberoepen en vanuit noden die zich ten gevolge van de coronacrisis aandienen (bijvoorbeeld fietsherstelling, ondersteuners in de zorg). Ten tweede pleiten we ervoor om de samenwerking met VDAB/Actiris te intensifiëren en structureel in te bedden. Er moet meer samenwerking gestimuleerd worden tussen de cvo en cbe onderling en anderzijds tussen de cbe/cvo en VDAB/Actiris. Zo kan vanuit de cbe en de cvo nog meer de nodige ondersteuning op vlak van geletterdheid en basisvaardigheden geboden worden, afgestemd op de noden van de werkzoekenden die zich aandienen bij VDAB/Actiris. Op dit moment werken de cvo en de cbe al samen met VDAB, maar dat gaat gepaard met de nodige uitdagingen. Zo kan de toestroom voor opleidingen die samen zijn opgezet, drastisch verminderen, waardoor heel wat inspanningen tenietgaan. We pleiten dan ook voor het stimuleren of zelfs verplichten van het opzetten van structurele samenwerkingen op langere termijn. Ook het delen van infrastructuur moet gestimuleerd worden, zowel aan de kant van de cvo/cbe als aan de kant van VDAB.

4.4 Afstemming met sectoren Rond duaal leren, dat er nu ook snel aankomt in het volwassenenonderwijs, zal er een sterke samenwerking moeten worden uitgebouwd tussen onderwijsactoren en sectoren (en grote bedrijven). Hier liggen volgens ons nog vele onbenutte kansen. Zo is er bij de totstandkoming van de sectorconvenanten (en de duale addenda) heel weinig overleg met het onderwijs om het convenant mee vorm te geven. Het volwassenenonderwijs

18


wordt dan ook vaak niet en zeker niet prominent opgenomen, terwijl de sectorconvenanten net moeten inzetten op afstemming onderwijs-arbeidsmarkt en levenslang leren. We vragen dat die dynamiek wordt omgekeerd en de sectoren incentives krijgen om sterk samen te werken met het (volwassenen)onderwijs. Daarnaast vragen we om in de sectorconvenants een specifieke opdracht naar geletterdheid op te nemen. Ook de onderwijsactoren moeten voldoende omkaderingsmiddelen krijgen om aan die onderhandelingen te kunnen participeren en samenwerking op te zetten. Een voorbeeld van een good practice waar meer sectoren op zouden moeten inzetten, is het afsluiten van onderwijsconvenants, zoals bijvoorbeeld de transportsector. Door het delen van materiaal, innovatie in de sector … worden de opleidingen die naar de sectoren toeleiden, versterkt.

4.5 Samenwerking belonen Een financiële samenwerkingsbonus (op moduleniveau) zou een belangrijke hefboom kunnen zijn om samenwerkingen te stimuleren en te belonen. Op dit moment wordt er een bonus toegekend wanneer cursisten hun hele traject hebben doorlopen. Een andere bonus zou kunnen worden toegekend voor het opzetten van samenwerkingsverbanden: er moeten immers manuren worden ingezet voor omkadering en overleg. Op deze manier worden centra gestimuleerd om meer outreachend te werken met armoedeorganisaties, bedrijven … Zo’n samenwerkingsbonus zou echter problemen kunnen opleveren in de huidige gesloten enveloppe van de cvo. Voor de samenwerking en outreaching die maatschappelijk zo cruciaal is, moet extra budgettaire ruimte voorzien worden binnen de bestaande omkaderingsnormen.

5 Correcte financiering als basisvoorwaarde In het Vlor-memorandum voor de Vlaamse Regering 2019-2024 wordt financiering naar voor geschoven als een van de kritische voorwaarden voor performant en weerbaar onderwijs.37 Door de crisis zijn de pijnpunten in die financiering nog eens op scherp gesteld. 38 De Vlor waardeert de bijkomende inspanningen die de Vlaamse Regering doet om de gevolgen van de crisis op te vangen. Die volstaan echter niet om alle meerkosten op te vangen, zeker niet voor de onderwijsniveaus en -vormen die er niet uit kunnen putten en die bovendien extra hard getroffen zijn omdat de crisis een grote impact heeft op hun inschrijvingen voor 2020-2021 en dus op de financiering, met name het deeltijds kunstonderwijs en het volwassenonderwijs.

5.1 Aanbod in het gedrang De Vlor verwijst opnieuw naar zijn fundamentele bemerkingen over de nood aan voldoende basisfinanciering voor de realisatie van de ruime opdracht van het volwassenenonderwijs en blijft

Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Investeren met ambitie. Onderwijskansen voor iedereen. Memorandum 2019-2024, 29 november 2018, p. 67. 38 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Voluit voor weerbaar onderwijs. Wat leren we uit de coronacrisis voor onderwijsbeleid? 26 november 2020. P. 16-17. 37

19


het ondoorzichtig karakter van het nieuwe financieringssysteem aanklagen.39 We vroegen de overheid al eerder om een grondige monitoring van de impact van het nieuwe financieringssysteem op te starten en op regelmatige basis te overleggen met de centra over de resultaten.40 We vroegen ook om voldoende aandacht te besteden aan de impact van de nieuwe financiering op het aanbod en drukten daarbij onze vrees uit voor een verschraling van dat aanbod. Daarnaast moet ook de impact op vlak van inschrijvingen, 'rendement' van samenwerkingen, (voldoende financiële ruimte voor) individuele begeleiding, coaching en afstandsonderwijs onder de loep worden genomen. De bedreiging van het aanbod (alsook andere impact van de financiering) is des te acuter door de schokken die het onderwijs heeft moeten verwerken tijdens de coronacrisis. We vragen dan ook met aandrang om de impact op de omkaderingsberekening te neutraliseren. Die impact zal immers groot zijn, zowel bij de open-endfinanciering (waarbij de grootte van de omkaderingsmiddelen voor het volgend jaar in een ‘open enveloppe’ rechtstreeks gelinkt is aan de inschrijvingen van het vorige jaar), als bij de semi-gesloten enveloppefinanciering (met groeinorm van 0,8%). Bij de financiering op basis van gesloten enveloppefinanciering is dit minder vanzelfsprekend: het te verdelen budget blijft immers hetzelfde. De verdeling van de punten zal echter worden scheefgetrokken, gezien de coronacrisis heeft gezorgd voor grote ongelijkheden tussen centra en tussen opleidingen. Enkele voorbeelden: ¬ Het was wel mogelijk om bepaalde cursussen digitaal voort te zetten, maar voor veel praktische cursussen was dit niet haalbaar. Ook voor (digitaal) laaggeletterden was het digitaal voortzetten van cursussen niet haalbaar en niet wenselijk. ¬ Sommige centra hebben hun cursussen stopgezet, waardoor de gestopte cursisten zich weer gratis kunnen inschrijven voor het nieuwe schooljaar. Andere centra hebben bijzondere inspanningen geleverd om het jaar toch af te maken, waardoor ze die nieuwe inschrijvingen mislopen, maar wel outputfinanciering genereerden. ¬ Sommige centra trachten hun inschrijvingen te maximaliseren, anderen schrijven heel voorzichtig in omwille van het gezondheidsrisico/veiligheidsrisico, mede ook afhankelijk van de infrastructurele mogelijkheden/beperkingen. Het gesloten financieringssysteem voor de cvo vergroot de onduidelijkheid over de middelen die een centrum zal ontvangen voor het volgende schooljaar. De toegekende financiering hangt immers niet enkel af van de eigen realisaties, maar vooral van de verhouding van een individueel centrum ten aanzien van de realisaties op Vlaams niveau. De coronacrisis verscherpt deze situatie. Dat is niet aanvaardbaar aangezien het handelt om een crisissituatie waarop centra geen impact hadden/hebben, én waar centra situationeel anders zijn mee omgegaan/omgaan. Centra die 15% of meer achteruitgaan zullen daarenboven, bij een groeinorm van 0,8%, jaren nodig hebben om het volume aan opleidingsaanbod terug op het niveau van 2019 te brengen, met alle personeelsgevolgen van dien.

Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over het volwassenenonderwijs als partner in levenslang en levensbreed leren; 11 juni 2019. p. 8. En Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over het financieringsdecreet volwassenenonderwijs, 3 oktober 2017. 40 Het Departement Onderwijs is intussen gestart met de nulmeting voor de evaluatie van het nieuw financieringssysteem van de centra voor basiseducatie (cbe) en de centra voor volwassenenonderwijs (cvo) dat op 1 september 2019 werd geïmplementeerd. Minister Weyts verwacht een eerste monitoringsrapport in 2021 en een globaal evaluatierapport tegen de start van het schooljaar 2023-2024. (Beleids- en Begrotingstoelichting 2021 Onderwijs en Vorming) 39

20


5.2 Infrastructuur, digitaal onderwijs en dko De werkingsmiddelen van het volwassenenonderwijs zijn zeer beperkt. In vergelijking met andere onderwijsniveaus en opleidingsverstrekkers zijn zij uitzonderlijk laag en dat in een context waar investeringen en infrastructuur van groot belang zijn. We vragen aan de overheid dan ook om een garantie voor een financiering van onderwijs (waaronder de infrastructuur in het volwassenenonderwijs) die voldoet aan de reële financieringsbehoeften. Naast de ‘klassieke’ nood aan voldoende en kwalitatief hoogstaande lokalen is een groot pijnpunt de basisuitrusting voor lesgevers en lerenden om te kunnen vormgeven en deelnemen aan vormen van digitaal onderwijs, naast de vaardigheid om met die uitrusting om te gaan. We vragen dan ook om in overleg met het onderwijsveld te bepalen wat de basisuitrusting is, zowel op vlak van hardware als van software, waarover alle lerenden en lesgevers moeten beschikken om gratis en veilig te kunnen vormgeven en deelnemen aan digitale vormen van onderwijs. De coronacrisis heeft duidelijk gemaakt dat momenteel niet alle lerenden kunnen bereikt worden via digitale weg. In die context moeten leraars met specifieke competenties aangetrokken kunnen worden. We pleiten ervoor om structureel ruimte te voorzien om meer mediacoaches in te zetten in de centra, zodat alle aanbod e-inclusief kan worden en alle cursisten mediawijs gemaakt kunnen worden. De mediacoaches willen we inzetten als co-teachers om lesgevers te ondersteunen en te versterken in e-leren (zie gelijktijdig geïntegreerd onderwijs in 3.5). De inzet van mediacoaches kan ook een variatie in e-leren mogelijk maken in de klas. Door de aanwezigheid van mediacoaches in de les kunnen er gelijktijdig verschillende leerpaden bewandeld worden door een groep cursisten: sommige zelfstandig digitaal (binnen of buiten de klas) terwijl anderen via digitale interactie aan de slag gaan met de mediacoach en weer anderen live met de lesgever. Op die manier kan zeer flexibel en echt op maat van de leer- en digitale noden van cursisten gewerkt worden. Naast mediacoaches is het nodig om ook andere profielen zoals deze van een ontwikkelaar van afstandsleermateriaal te kunnen inzetten. Een meerderheid van leerkrachten kiest ervoor om leerprocessen te begeleiden met behulp van leermateriaal. De ontwikkeling van aangepast afstandsleermateriaal zien veel leerkrachten echter liefst door iemand anders gebeuren. Op vele terreinen zijn commerciële spelers actief die kerntaken van onderwijs opnemen en dit publiek onterecht ook claimen, bijvoorbeeld door uitspraken over het afleveren van diploma’s en certificaten. De overheid moet daarin sterker regulerend optreden en daadwerkelijk opvolgen.41 Verwacht wordt dat de prijzen voor platformen en software zullen oplopen en dat de rol van private spelers in onderwijs zal groeien. De Vlor moet betrokken worden bij het opstellen van een ethische code over de ontwikkeling en het gebruik van onderwijssoftware. Bovendien moet de kwaliteit daarvan bewaakt worden.42

Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Investeren met ambitie. Onderwijskansen voor iedereen. Memorandum 2019-2024, 29 november 2018, p. 67. 42 Zoals aangekondigd in de Beleidsnota Onderwijs 2019-2024.

41

21


Ook specifiek voor het dko is de basisfinanciering ontoereikend en is de nood aan investeringsmiddelen voor infrastructuur groot. 43 Verder zijn enkele pijnpunten: ¬ De hervorming van het deeltijds kunstonderwijs werd doorgevoerd zonder dat er bijkomende middelen werden voorzien. Het nieuwe decreet kende een hele reeks bijkomende opdrachten toe aan het dko, maar legde hier geen bijkomende middelen naast. De uitvoering van deze nieuwe opdrachten, hoewel onderschreven door de academies, komt hierdoor in het gedrang. ¬ Er is nood aan een substantiële verhoging van de werkingsmiddelen en administratieve omkadering. ¬ Er is ook een grote nood aan middenkader en beleidsondersteuning.

Zie ook het Vlor-advies uit 2019: Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over de implementatie van het decreet deeltijds kunstonderwijs, 15 mei 2019.

43

22


6 Samenvattend Dit advies geeft handvaten voor het actieplan van het Partnerschap Levenslang Leren. Vanuit een screening van de regelgeving doet de Vlor beleidsaanbevelingen die de positie van het volwassenenonderwijs als motor van het levenslang en levensbreed leren in Vlaanderen moeten versterken. We vertrekken hiervoor vanuit de visie dat het beleid levenslang leren niet enkel in functie van een duurzame loopbaan mag benaderen; de focus moet evenzeer liggen op het emancipatorisch perspectief van het levensbreed leren. Onze aanbevelingen moeten ertoe bijdragen dat het volwassenenonderwijs zijn diverse rollen volwaardig kan opnemen en verder uitbouwen:

¬ ¬ ¬

kwalificatiegericht en loopbaanversterkend; tweedekansonderwijs; algemeen vormend.

Om de deelname aan levenslang en levensbreed leren te verhogen, moet het opleidingsaanbod toegankelijk, flexibel en op maat worden georganiseerd. Onderwijsverstrekkers moeten snel en gericht kunnen inspelen op de veranderende noden van cursisten, partners en de maatschappij/arbeidsmarkt. We vragen meer vertrouwen en autonomie op het vlak van curriculumontwikkeling en curriculumorganisatie. Concreet betekent dat dat de overheid:

¬

¬ ¬ ¬ ¬ ¬ ¬

verder moet inzetten op flexibele open modules en breid hun toepassing uit. Ook moeten de opleidingsprofielen meer future proof worden opgesteld, waardoor de aanbieders noodzakelijke actualiseringen kunnen doorvoeren. De huidige opleidingsprofielen zijn te gedetailleerd en laten te weinig ruimte voor aangepaste implementatie; meer ruimte moet geven om de beroepskwalificaties vanuit onderwijskundige inzichten te vertalen naar een opleiding, met voldoende aandacht voor algemene vorming en de eigenheid van de onderwijsvorm; de procedures voor beroepskwalificaties, onderwijskwalificaties en opleidingsprofielen zo kort mogelijk moet houden; het toepassingsgebied van de spoedprocedure voor programmatieaanvragen moet uitbreiden zodat de aanbieders flexibel kunnen inspelen op regionale noden; het toepassingsgebied van gelijktijdig geïntegreerd onderwijs moet uitbreiden. Dat soort trajecten biedt een meerwaarde aan cursisten, omdat verschillende modules inhoudelijk op elkaar afgestemd worden en dit de leermotivatie en het leerproces bevordert; de afwijking waarbij 100% afstandsonderwijs mogelijk wordt in bepaalde specifieke gevallen bestendigen én de randvoorwaarden op het vlak van begeleiding en interactie voorzien; de beperkingen op bestaande en performante opleidingsincentives opheffen en voldoende budget voorzien zodat deze instrumenten ruim kunnen worden ingezet. We doen voorstellen om drempels weg te nemen naar het Vlaams Opleidingsverlof, opleidingscheques, loopbaanbegeleiding, NT2-onderwijs (in het kader van inburgering) en het dko.

Hoewel we flexibiliteit en maatwerk moeten garanderen, moeten we tegelijk de versnippering tegengaan en inzetten op meer samenwerking. De Vlor pleit daarom voor synergieën tussen

23


VDAB, de Syntra, de sectorfondsen, de basiseducatie en het volwassenenonderwijs. Concreet vragen we de overheid om:

¬ ¬ ¬ ¬ ¬

meer in te zetten op (leer)loopbaanbegeleiding die zich zowel op de werkloopbaan als de levensloopbaan richt (en dus op de Leerwinkels);. outreaching financieel te erkennen zodat centra hun inspanningen verder kunnen intensifiëren om laaggeschoolde volwassenen en kwetsbare cursisten maximaal te bereiken; de samenwerking tussen enerzijds cvo en cbe en anderzijds tussen cbe/cvo en VDAB/Actiris om een gemeenschappelijk aanbod te voorzien voor specifieke doelgroepen zoals laaggeletterde werkzoekenden; beroepssectoren incentives te geven, om een sterke samenwerking uit te bouwen met het (volwassenen)onderwijs, door middel van afspraken in de sectorconvenants en het afsluiten van onderwijsconvenants; een financiële samenwerkingsbonus (op moduleniveau) te voorzien als hefboom voor samenwerking.

Tot slot vragen we om prioritair de grote impact van de coronacrisis op de omkaderingsberekening te neutraliseren, om een drastische verschraling van het aanbod te voorkomen. We herhalen verder onze fundamentele bemerkingen over de nood aan voldoende basisfinanciering voor de realisatie van de ruime opdracht van het volwassenenonderwijs en blijven we het ondoorzichtig karakter van het nieuwe financieringssysteem aanklagen. De Vlor vraagt de overheid om:

¬

¬ ¬

24

een grondige monitoring van de impact van het nieuwe financieringssysteem en overleg te starten op regelmatige basis met de centra over de resultaten. Daarbij moet aandacht zijn voor de impact op het aanbod, inschrijvingen, 'rendement' van samenwerkingen, (voldoende financiële ruimte voor) individuele begeleiding en coaching; voldoende basisfinanciering te voorzien voor de verschillende opdrachten van onderwijs aan volwassenen (ook voor het dko) en tegemoet te komen aan de infrastructurele noden; de nodige basisuitrusting te voorzien voor lesgevers en lerenden om te kunnen vormgeven en deelnemen aan vormen van digitaal onderwijs. Daarbij mag ook de vaardigheid om met die uitrusting om te gaan niet ontbreken.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook