Skip to main content

Jaarrapport_LOP_s_in_actie_2013_2014_2014_2015.pdf

Page 1

1

Vlaanderen

is onderwijs & vorming

Lop’s in actie 2013-2014 en 2014-2015

AGODI

AGENTSCHAP VOOR ONDERWIJSDIENSTEN

www.onderwijs.vlaanderen.be


Colofon

Samenstelling Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi)

Verantwoordelijke uitgever Guy Janssens Administrateur-generaal Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel

Met medewerking van LOP-deskundigen: Marianne Bogaert, Emiel Bogemans, Ina Buvens, Jean-Paul De Beleyr, Katrien De Boyser, Jo De Potter, Ludo De Wilde, Ine Marck, Marleen Lombaert, Wilfried Sel, Carina Thomis en Inge Wagemakers LOP-voorzitters: Hilde Van Puyenbroeck en Jean-Pierre Verhaeghe, Sara De Meerleer en Patrick Vanspauwen

Eindredactie Jean-Paul De Beleyr, Goedele De Cock, Sara De Meerleer, Veerle Van de Velde, Patrick Vanspauwen

Vormgeving en fotografie Kim Baele Depotnummer D/2016/3241/253


Inhoudstafel

Overzicht tabellen Inleiding Deel 1: Waar zijn LOP’s mee bezig? Een analyse van de beleidsplanning en verslaggeving Deel 2: Inschrijvingsbeleid • Capaciteit bepalen • Welke rol is er voor de LOP’s? • Aanmelden: Wie, waar, hoe? • Aanmelden: Het proces • Het verhaal van zes LOP’s • Sociale mix en dubbele contingentering als instrument • Afspraken maken over voorrangsperiodes: Overwegingen, succesfactoren, discussiepunten • Communicatie over inschrijvingsafspraken • Een kijk van een LOP-voorzitter op inschrijvingsrecht • Hoe ondersteunt AgODi LOP-deskundigen in dit proces? Deel 3: Beleidsaanbevelingen Bijlage


3

Overzicht tabellen1

Deel 1: Deelname en samenwerkingsverbanden LOP’s 1

Deelnemers aan de LOP’s: Aantal opgenomen mandaten per partnerorganisatie

2

Werkgroepen basisonderwijs: Wat zijn de meest voorkomende thema’s?

3

Werkgroepen secundair onderwijs: Wat zijn de meest voorkomende thema’s?

4

Welke partners zijn gecoöpteerd in de LOP’s (basisonderwijs en secundair onderwijs)

5

Samenwerking met flankerend onderwijsbeleid: Formuleerde het LOP een advies op het niveau van de acties opgenomen in de meerjarenplanning van de gemeente (schooljaar 2013-2014)?

6

Samenwerking met flankerend onderwijsbeleid: Zijn er afspraken over de manier van samenwerking tussen LOP en de gemeente (schooljaar 20132014)?

Deel 2: Opdrachten van de LOP’s 7

Uitvoering van de omgevingsanalyse

8

Rond welke thema’s worden gegevens opgenomen in de lokale omgevingsanalyse die de LOP’s maken?

9

Anderstalige nieuwkomers: Welke gegevens verzamelt het LOP?

10

Kleuterparticipatie: Welke acties zijn genomen op het vlak van kleuterparticipatie?

Deel 3: Inschrijvingsrecht 11

Capaciteitsbepaling binnen de LOP’s – overzicht per onderwijsniveau

12

Aantal LOP’s met procedures voor de goedkeuring van capaciteitsverhogingen na de start van de inschrijvingen

13

Aantal goedgekeurde en afgekeurde capaciteitsverhogingen

14

Afspraken over het inschrijven van overcapaciteitsgroepen

15

Dubbele capaciteit: aantal scholen binnen de LOP’s dat gebruikmaakt van de mogelijkheid om dubbele capaciteit te bepalen

16

Dubbele contingentering: Aantal LOP’s waarvoor de relatieve aanwezigheid van indicatorleerlingen werd berekend …

17

Aantal LOP’s waar afspraken werden gemaakt over het inventariseren van en communiceren over uitgestelde inschrijvingen

18

Hoe verloopt de communicatie over inschrijvingsrecht binnen de LOP’s?

Deel 4: Overzicht van LOP-regio’s waarin wordt aangemeld

1

AgODi, eigen bevraging van de LOP-deskundigen over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015.


4


5

Inleiding

In 2002 gaan de LOP’s van start met een brede opdracht: het garanderen van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen op het grondgebied. De vertaling van die opdracht gebeurt in een aantal decretaal vastgelegde doelstellingen. Opeenvolgende ministers geven LOP’s ook bijkomende taken mee, onder meer rond kleuterparticipatie en het aanpakken van spijbelproblematieken. De lokale partners krijgen heel wat autonomie bij het invullen van deze opdrachten. Dat resulteert door de jaren heen in een waaier van doelstellingen, acties en resultaten. Om een zicht te krijgen op waar LOP’s mee bezig zijn, leggen we in het jaarverslag 2013-2014 en 2014-2015 de focus op een analyse van hun beleidsplanning en verslaggeving. Daarnaast gaan we in dit jaarverslag ook in op het inschrijvingsrecht. De meest recente wijzigingen aan de regelgeving hebben ervoor gezorgd dat de toepassing ervan een belangrijk thema is in elk LOP. Tijd om een eerste balans op te maken. Als bijlage bij dit jaarverslag zijn tabellen opgenomen, gebaseerd op eigen bevragingen bij de LOP-deskundigen over de werking van de LOP’s. Tot slot formuleren we een aantal beleidsaanbevelingen.


6

Deel 1 Waar zijn LOP’s mee bezig? Een analyse van de beleidsplanning en verslaggeving 1. Situering en aanpak De nieuwe Vlaamse Regering kondigt bij haar aantreden in 2014 aan werk te maken van een hertekening van het inschrijvingsbeleid op school. Ook de LOP’s en hun werking liggen daarbij opnieuw op de tekentafel. Eén van de vragen is waar de LOP’s naartoe gegroeid zijn in de loop van de jaren, wat ze vandaag doen, hoe ze functioneren. Het mag namelijk duidelijk zijn: de LOP’s zijn verre van eenheidsworst. Door de verschillen in grootteorde (van kleine tot heel grote steden), maar ook door verschillen in lokale uitdagingen en vooral in keuzes die lokale partners maken, is de LOPpraktijk in Vlaanderen even verscheiden. De praktijk van studiedagen, bovenlokaal overleg en systematische dataverzameling leert dat de decretale opdrachten zorgen voor een aantal gemene delers in de LOP-werking, zoals het maken van afspraken over inschrijvingen en aanmelden of over de toeleiding, opvang en opvolging van anderstalige nieuwkomers. Tegelijk geeft de regelgever de LOP’s de autonomie om lokale noden op maat aan te pakken: de diversiteit in lokale situaties zorgt voor een waaier aan verschillende doelen en initiatieven die op de werkvloer worden genomen. Terwijl in andere bijdragen in de jaarverslagen vooral de aandacht gaat naar de uitvoering van vooraf gedefinieerde decretale opdrachten, gaan we hier op zoek naar de verschillen door de eigen accenten die LOP’s leggen in hun werking. In het kader van strategische planning maken negen op tien LOP’s beleidsplannen voor de mandaatperiode 2014-2019. Onderwijs-, welzijnspartners, gemeentelijke diensten en andere niet-onderwijspartners formuleren daarin samen de visie, de doelen, de methoden en de initiatieven voor de LOP-werking die ze vooropstellen voor de komende jaren. Aan de hand van een analyse van die beleidsplannen, maar ook van verslaggeving - om haalbaarheidsredenen beperkt tot het schooljaar 2014-2015 - en focusgroepen met de deskundigen van de LOP’s komt een overzicht tot stand van de meest aanwezige thema’s en initiatieven aan de LOP-tafels over heel Vlaanderen.

2. Wat leren we uit de planning en verslaggeving van de LOP’s? 2.1 Over de missie en de visie Naast de expliciet gedefinieerde opdrachten voor de LOP’s, geeft het decreet de LOP’s de taak om ‘optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen’ te realiseren. Deze brede vlag laat lokale partners toe om in te spelen op de noden in de stad of gemeente en om gemeenschappelijke doelen en initiatieven daarop af te stemmen. Naast de vooraf gedefinieerde decretale opdrachten, formuleren zes op tien (58%) van de LOP’s op basis daarvan eigen bijkomende doelstellingen. De explicitering van de missie en visie van de LOP’s leggen in de marge ook een aantal andere zaken bloot: (1) Hoe kijken de partners aan de LOP-tafel zelf naar dit platform: vaak als net- en sectoroverschrijdende ontmoetingsplaats, als lerend netwerk, soms ook als drempelverlagend of mobiliserend forum.


7

(2) Welke waarden en principes stellen deze partners centraal: openheid, engagement, respect, gelijke kansen, pluralisme en solidariteit worden daarbij vaak genoemd. (3) Wat het LOP is en wat het doet: overleg en samenwerking organiseren, in vertrouwen en gelijkwaardigheid, informeren, sensibiliseren en activeren, bemiddelen en adviseren, draagvlak creëren en actie ondernemen.

2.2 Over de kernopdrachten van de LOP’s Bij de doelstellingen die de LOP’s zichzelf stellen, staan de opdrachten die in de regelgeving expliciet als LOP-opdracht werden geformuleerd centraal: • Opmaken van een lokale omgevingsanalyse Nagenoeg alle beleidsplannen noemen expliciete doelen en initiatieven over de decretale opdracht voor het opmaken van een lokale omgevingsanalyse. In meer dan de helft van de plannen is dat in sterke mate gespecifieerd. De lokale gegevensanalyse is niet nieuw: uit de monitoring van de LOP’s blijkt dat 74% op systematische basis de lokale onderwijsbalans opmaakt (jaarlijks/tweejaarlijks/driejaarlijks). Die basisanalyse houdt een spiegel voor, signaleert noden en kan lokale vragen (of soms ook: buikgevoelens) objectiveren. Een omgevingsanalyse laat de LOP’s toe om evidence-based te werken. Samen analyses maken, samen data interpreteren en duiden, kan ook de lokale datageletterdheid onder de partners versterken. Tegelijk laten de ontwikkelingen op het vlak van datawarehousing binnen het ministerie maar ook de concrete ondersteuning inzake gegevensbeheer vanuit AgODi toe aan de LOP’s om deze analyses te maken. Vaak zijn ook de provinciale diensten sociale planning een ondersteunende partner in de opmaak van kaarten op basis van het GIS-systeem, vergelijkende bovenlokale data of voor het kruisen van complexere data. In grote steden zoals Antwerpen en Gent heeft de stad zelf ook een inbreng: zij hebben doorgaans ook een studiedienst die hen ondersteunt. In de kleinere steden en gemeenten is die capaciteit er veelal niet. • Afspraken maken rond het onthaal en de opvolging van anderstalige nieuwkomers De meeste LOP’s nemen beleidsdoelstellingen op over het onthaal en de opvolging van anderstalige nieuwkomers. In drie op vier LOP’s is dat ook al sterk uitgewerkt in het beleidsplan. De gegevens waarop deze analyse betrekking heeft, dateren van voor de recente toename van het aantal anderstalige nieuwkomers. In schooljaar 2015-2016 staat het thema zonder uitzondering op de agenda van elk LOP. • Opdrachten inzake het inschrijvingsrecht Sinds de grondige wijzigingen in de regelgeving in 2011 en 2013, zijn de meeste LOP’s (erg) actief rond de implementatie en realisatie ervan. In de LOP’s in de steden Antwerpen, Gent en Brussel, die werken met een centraal aanmeldingssysteem dat heel wat aanmeldingen moet verwerken, staat deze decretale opdracht erg dominant op de LOP-agenda. Verderop in dit jaarverslag leest u meer over deze decretale opdracht. • Kleuterparticipatie 31 van de 41 LOP’s basisonderwijs gaan in hun planning al vrij ver in het uitwerken van doelstellingen en initiatieven rond kleuterparticipatie. Minimaal worden de niet-ingeschreven 4- en 5-jarige kleuters opgevolgd. In heel wat LOP’s contacteert een lokale partner met beroepsgeheim (vaak het clb) de ouders (al dan niet aan huis) om te achterhalen wat de reden is voor het niet-bezoeken van de kleuterschool en om de ouders te sensibiliseren waar dat mogelijk of nodig is. Een groot aantal LOP’s maakt ook werk van actieve participatie op school. Dat gaat over o.m. regelmatig schoollopen of elke dag op tijd op school komen. Heel veel LOP’s nemen ook voorschoolse trajecten naar de kleuterklas op. Soms is het LOP de trekker of katalysator, soms is het LOP een partner.


8

2.3 Over de lokale invulling van de centrale doelstellingen van het GOK-decreet Het GOK-decreet beoogt: a) Het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen, zowel basisonderwijs als secundair onderwijs. Voor zover dat mogelijk is, gebeurt dat in het basisonderwijs bij voorkeur in een school in hun buurt b) Het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie c) Het bevorderen van sociale mix en cohesie.

LOP’s definiëren op basis van de lokale situatie zelf opdrachten in de geest van het decreet. Het gaat om wat LOPleden als essentieel voor de werking van hun LOP zien. Zo lezen we in beleidsplannen en verslagen initiatieven rond (in volgorde van voorkomen): • Armoedebestrijding Het is de vaakst genoteerde lokaal gedefinieerde opdracht bij de LOP’s. We gaan hierop verder in de volgende paragraaf van dit hoofdstuk. • Ongekwalificeerde uitstroom en spijbelproblematieken In het beleidsplan van elk LOP secundair onderwijs staan doelstellingen en initiatieven (in verschillende mate uitgewerkt) rond de aanpak van vroegtijdig schoolverlaten en schoolmoeheid, rond spijbelen en andere aspecten van precaire schoolloopbanen in het secundair onderwijs (zittenblijven, waterval). Minstens wordt de vinger aan de pols gehouden door regelmatig samen data hierrond te evalueren. Verschillende LOP’s hebben een erg actieve werking rond definitieve uitsluitingen, tucht en leerrecht. Ook time-out en de aanpak van grensoverschrijdend gedrag zijn thema’s die vaak op de LOP-tafel komen. Opnieuw: omdat dat beantwoordt aan een lokaal ervaren nood om er gezamenlijk aan te werken. • Ouderbetrokkenheid De meeste LOP’s basisonderwijs, maar ook verschillende LOP’s secundair onderwijs, ontwikkelen initiatieven die de wederzijdse betrokkenheid van ouders en school moeten versterken in het belang van de schoolloopbaan van kinderen. Het gaat dan vaak om sensibilisering van ouders (en ook van leerkrachten) of om het ondersteunen van heldere communicatie tussen ouders en school. Vaak hanteren ouders namelijk andere taalregisters dan de school. • Doorstroming en oriëntatie doorheen het onderwijs Tussen basis- en secundair onderwijs wordt vooral aandacht besteed aan een niveauoverstijgende continuïteit in het zorgbeleid zoals door het ontwikkelen en opvolgen van de BASO-fiche . • Huiswerkbegeleiding en -beleid Lokaal voelen partners en stakeholders al eens de nood aan huiswerkbegeleiding op maat van kinderen (vaak uit kansarme of anderstalige gezinnen). Het LOP biedt een forum om daarover net- en sectoroverschrijdend afspraken te maken. Tegelijk of aansluitend worden vaak ook schooloverstijgende afspraken gemaakt over huiswerkbeleid.


9

• Cultuur-, sport- en vrijetijdsparticipatie Versterken van cultuur-, sport- en vrijetijdsparticipatie door samen te werken met welzijnsorganisaties en vaak ook de stad/gemeente en intermediaire organisaties. Verschillende LOP’s engageren zich om schoolkansenpassen en het naschoolse aanbod beter bekend te maken bij kansarme gezinnen. Het is namelijk bekend dat kinderen uit deze gezinnen minder vaak deelnemen aan het gestructureerde aanbod. • Capaciteitsproblemen Het opvolgen van capaciteitsproblemen via omgevingsanalyse en actieve deelname aan de taskforce capaciteit als die in de gemeente actief is. • Brede school Het bespreken en ondersteunen van initiatieven rond ‘brede school’. • Werken rond welbevinden Werken rond het versterken van het zelfbeeld van leerlingen, rond talentgericht werken, sensibiliseren rond zittenblijven/relatie GOK, pestproblematiek. • Werken rond doorstroom naar het buitengewoon onderwijs via omgevingsanalyses en sensibilisering. • Opzetten van werkgroepen rond specifieke doelgroepen in onderwijs, zoals Roma. De gemeente neemt op termijn die werkingen soms over. • Het opzetten of ondersteunen van voorschoolse projecten (kleuterparticipatie) waarbij ouders en kinderen kennismaken met de school en informatie krijgen over de klaswerking en schoolcultuur, over meertalig opvoeden, zindelijkheid, opvoedingsvragen en zo meer. • Het werken aan de beeldvorming rond de overgang naar het secundair onderwijs in de stad (bij een belangrijke uitstroom naar andere gemeenten na het basisonderwijs). • Het opzetten en deelnemen aan structureel overleg met lokale welzijnspartners en aan wijkgericht overleg rond onderwijs.

2.4 Over armoedebestrijding als centraal thema in heel wat LOP’s Armoedebestrijding komt als niet-decretale opdracht het vaakst voor in de beleidsplannen van de LOP’s. De analyse van de beleidsplannen geeft aan dat LOP’s rond een diversiteit van thema’s actief zijn, maar dat er ook heel wat gelijke noemers onderkend kunnen worden. Opnieuw komen de meest vernoemde subthema’s eerst aan bod. Elk LOP legt eigen accenten. Armoede en schoolkosten De helft van de LOP’s zet acties op die verschillende partners moeten sensibiliseren rond omgaan met schoolkosten. Dat gebeurt vooral in het secundair onderwijs, waar er tot op vandaag geen maximumfactuur bestaat en scholen vooral handelen volgens het principe van het goede huisvaderschap. De focus ligt in heel wat LOP’s zowel op schoolrekeningen laten (en kunnen) betalen, als op schoolkosten beheersen. Scholen moeten altijd op zoek naar de goedkoopste manier om iets te realiseren. Verschillende LOP’s hebben ook een schoolkostencode en een stappenplan om schoolkosten te beheersen. Vaak komt de stad tegemoet in de schoolkosten door het voorzien van onderwijscheques, kansenpassen of tegemoetkomingen rechtstreeks aan de scholen die geconfronteerd worden met onbetaalde schoolrekeningen.


10

Bij ongeveer één op drie (of 22 van de 70) LOP’s lezen we in het beleidsplan of de verslaggeving over erg actieve inzet op initiatieven rond school- en studietoelagen. Dat gebeurt onder meer door affiches en flyers te verspreiden (of op te maken in samenwerking met een lokale vereniging waar armen het woord nemen) en door in te zetten op een intense samenwerking tussen scholen, intermediaire organisaties, OCMW ’s en stadsdiensten. LOP’s organiseren (vaak samen met andere partners) zitdagen en infosessies. Tegelijk vragen de LOP’s al jaren een effectieve automatisering van de toekenning van schooltoelagen.

Lokale samenwerking bevorderen en signalen doorgeven Heel wat steden en gemeenten hebben vandaag een werking rond armoede bij kinderen. LOP’s lanceren verschillende proefprojecten die de gemeente na de evaluatie ervan al dan niet overneemt. LOP’s hebben een signaalfunctie naar zowel de lokale als Vlaamse overheid. Zo worden onder meer de drempels om digitaal de schooltoelage aan te vragen geanalyseerd. Ook met de OCMW’s werd overlegd in functie van de digitale aanvraag van de toelagen voor hun cliënten.

“

Het LOP is voor het OCMW een zeer belangrijke partner in de armoedebestrijding. Specifiek de bestrijding van kinderarmoede, een prioriteit in ons beleidsplan. Dankzij het LOP, waar wij ook lid van zijn, hebben wij rechtstreeks contact met het hele onderwijsnetwerk. Via de scholen en de clb’s bereiken wij alle kinderen en hun ouders. Dit netwerk betekent een sterke ondersteuning van onze werking. Zo hebben wij bijvoorbeeld de kansenpas kunnen uitbreiden tot onderwijsactiviteiten. Voor de gezinnen in armoede blijkt dat een enorme steun. Het contact en de samenwerking met de scholen gaat zeer vlot. We hopen dat die lokale samenwerking kan blijven bestaan.”

Guido Spanhove, Hoofd Sociale Dienst OCMW Oudenaarde


11

LOP’s en armoedebestrijding: enkele cijfers • in 17 LOP’s werden in 2014 afspraken met het OCMW gemaakt • 35 LOP’s sensibiliseren rond schoolkosten • 12 LOP’s versterken verenigingen om schooltoelagen aan te vragen • 12 LOP’s analyseren de schoolrekeningen over de scholen heen en voorzien samen in stappenplannen om dat aan te pakken • 20 LOP’s nemen initiatieven om te komen tot heldere communicatie naar kansarme ouders • 26 LOP’s nemen initiatieven om leerkrachten beter inzicht te geven in de leefsituatie van kansarme kinderen.

Ook genoemd, maar minder vaak: • samen een lokale visie ontwikkelen rond dit thema met de scholen • het kenbaar maken van de sociale kaart, het werken met sociaaleconomische foto’s in onderwijs (cf. omgevingsanalyses) • het uitwisselen van ervaring en expertise, binnenbrengen van externe deskundigen • sensibiliseren van andere partners • werkgroepen kansarmoede • schoolkostenactie door leerlingen • betrokkenheid bij het ontwikkelen van projecten rond kinderarmoede bij de stad • sensibiliseren van leerlingen of ouderbetrokkenheid in kansarme gezinnen ondersteunen • gezins- en opvoedingsondersteuning • voorschools traject naar kleuteronderwijs • onthaalbeleid scholen • forum voor kansarme ouders • samenwerking met brugfiguren.


12

Uitwisseling van expertise tussen de LOP’s Op vrijdag 8 mei 2015 organiseerde het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi) een zeer druk bijgewoonde studiedag voor LOP-voorzitters, LOP-deskundigen, LOP-leden, medewerkers van verschillende beleidsdomeinen en andere geïnteresseerden in VAC Gent. De studiedag kwam er op vraag van de gemandateerde LOP-voorzitters. De belangrijkste doelstellingen van de studiedag zijn enerzijds tonen hoe de lokale overlegplatforms voor gelijke onderwijskansen (LOP’s) actief zijn rond armoedebeleid en praktijkvoorbeelden daarvan breed ontsluiten en anderzijds de LOP’s verder informeren, enthousiasmeren en activeren rond armoedebeleid. Mevrouw Magda De Meyer (voorzitter van LOP Temse BaO) gaf de inleiding. Er waren presentaties van Albert Janssens (CeSMOO), Meryem Kanmaz (Minderhedenforum) en Bart Demyttenaere (auteur). Verder kwamen veel praktijkvoorbeelden uit de LOP’s en enkele boeiende schoolbezoeken in Gent aan bod.

Voor alle verslagen en sfeerbeelden van de studiedag: http://www.agodi.be/hoe-gaan-lop%E2%80%99s-aan-de-slag-rond-armoedebeleid .


13

“

Hoe zie jij de rol van het LOP? Wat betekent het LOP voor jou als we het hebben over armoedebestrijding? “Het LOP is heel belangrijk als overleg waar de verschillende diensten elkaar ontmoeten. Welzijnsorganisaties zitten aan tafel, het CAW is er, allerlei andere organisaties. Deze organisaties hebben vaak een heel andere invalshoek om naar de dingen te kijken. Dat is uniek voor het LOP: het LOP trekt alles veel ruimer dan alleen maar onderwijs of scholen. Vandaar dat er verschillende projecten in het secundair onderwijs bestaan. De stad neemt de regisseursrol op zich en het LOP is een mooi platform om van te vertrekken. De stad zit als partner ook mee aan de LOP-tafel.”

Hoe versterkt het jouw organisatie als het gaat over armoedebestrijding? “Wat armoedebestrijding betreft, is er in de stedelijke scholen het probleem van de onbetaalde schoolfacturen. Dat zal voor de andere onderwijsnetten niet anders zijn, vermoed ik. Alle scholen zullen ermee te maken krijgen. Het LOP is een goed platform om samen iets te doen. Zo hoeft niet elke school zelf een manier te zoeken om het probleem op te lossen. Met het LOP kunnen we meer structureel het probleem aanpakken. Het LOP zorgt voor meerwaarde door de verschillende partners bijeen te brengen. Zonder het LOP zouden onze projecten er niet zijn zoals het buddyproject, Cool Down, het time-outproject en het spijbelproject.”

Liesbeth Gosselin, Coördinator Flankerend onderwijsbeleid stad Dendermonde


14

3. Het LOP, een vlinder in de strijd tegen kansarmoede Een getuigenis van een LOP-voorzitter Hilde Van Puyenbroeck (gewezen) Voorzitter LOP Zele Basisonderwijs

Vier jaar geleden kreeg ik de vraag om voorzitter te worden van het LOP basisonderwijs in Zele. Geboren en getogen in Zele en zelf mama van vier prachtige en gezonde kinderen, voelde ik me meteen aangesproken door dat verhaal. Ik besefte maar al te goed dat de wieg waarin mijn kinderen geboren waren alle kansen bood, maar dat dat voor vele andere kinderen in Vlaanderen – namelijk voor één op tien kinderen – niet het geval was. Ik wilde daar mijn schouders onder zetten. Van opleiding ben ik klinisch kinderpsychologe en ik werkte op dat moment al een tiental jaar als diensthoofd studieadvies in de Arteveldehogeschool. Daar hield ik me onder meer bezig met het diversiteitsbeleid voor studenten in het hoger onderwijs. Mee kunnen werken aan een dergelijk gelijkekansenbeleid op lokaal vlak, nog eerder in de ontwikkeling en schoolcarrière van kinderen, leek me een bijzonder waardevol en aanvullend engagement op mijn professionele bezigheden.

Deskundige ondersteuning van het LOP “Maar hoe doe je dat? Hoe combineer je deze verantwoordelijkheid met een 4/5e job, vier kinderen en een man met een drukke baan?”, antwoordde ik met enige reserve. “Geen nood,” repliceerde LOP-deskundige Ludo, “ik ondersteun je wel waar nodig.” Aangezien ik ook aan mijn kinderen wilde tonen dat engagement belangrijk is en ik me gesteund wist door een expert, heb ik toegezegd. Zo zijn we dan van start gegaan in september 2010.

Tijd durven te nemen In het begin wist ik niet zo goed waar ik heen moest met het LOP. Welke waren de bevoegdheden, de mogelijkheden en de uitdagingen? Ik contacteerde daarom een ervaren LOP-voorzitter, Valeer Schodts, om in één van de eerste vergaderingen te komen vertellen over de werkzaamheden van het LOP in Diest. Ik was danig onder de indruk van de reikwijdte van zijn projecten en werkgroepen. Meteen werd me ook duidelijk hoeveel mensen je met dit platform kan verbinden en hoeveel mogelijkheden er zijn om een gelijkekansenbeleid vorm te geven. Ik merkte ook op dat de rest van de LOP-vergadering met grote ogen zat te kijken. Wel enthousiast, maar ook wel een beetje afwachtend. Hoe zouden wij dat in Zele klaarspelen? Valeer stelde ons gerust: ”Dit is een werk van jaren, ga zo snel als het kan en zo langzaam als het moet.” LOP-werking is een werk van lange adem met tussentijdse doelstellingen, evaluatie en bijstelling.

Omgevingsanalyse, noodzakelijk als startpunt Zele is een geografisch uitgestrekte gemeente. Er zijn heel wat wijken en gehuchten relatief ver van het centrum verwijderd. We kennen ook een heel uitgesproken demografische samenstelling. De omgevingsanalyse (20132) laat zien dat Zele één van de hoogste aandelen 0- tot 24-jarigen kent, namelijk 30,01% ten opzichte van 27,66% op provinciaal niveau. Zele heeft vergeleken met de provincie ook één van de hoogste aandelen kinderen die schoollopen in eigen gemeente, namelijk 89,21%.

2 Omgevingsanalyse Zele, geraadpleegd via http://www.google.be/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=1&sqi=2&ved=0CB4QFjAA&url=http %3A%2F%2Fwww.zele.be%2F571265.fil&ei=AzOhU8_lH4Ws0QXQ0IDQAQ&usg=AFQjCNH7nfKlTWVKZbpbodyT4pYUcu5Lsw&sig2=CjH2wGFawrVhk8agz IWzAA&bvm=bv.69137298,d.bGQ&cad=rja op 18 juni 2014.


15

De omgevingsanalyse van het LOP toont aan dat 18,43% van de kinderen een andere thuistaal heeft dan het Nederlands. Het gaat hoofdzakelijk om het Turks. 42,78% van de leerlingen in het basisonderwijs zijn indicatorleerlingen. Die cijfers liggen gevoelig hoger dan het provinciaal gemiddelde. Ook het gemiddelde inkomen per inwoner is 3,42% lager dan het Belgische gemiddelde. De Zeelse scholen weerspiegelen de samenstelling van de buurt waarin ze gelegen zijn. Het gevolg is dat er relatief meer indicatorleerlingen en/of Turkse kinderen in het centrum schoollopen (45%) dan in de wijken (25%). Een meer evenwichtige sociale mix nastreven vond het LOP van Zele daarom een prioriteit, naast bestrijding van kansarmoede, taalbeheersing en een succesvolle schoolcarrière.

Mensen en middelen Om een goed beleid te voeren heb je in eerste instantie gedreven en competente mensen nodig. Dat leek op het eerste zicht geen probleem te zijn als ik al dat schoon volk er rond de tafel zag: directies van alle netten, de schepen van onderwijs, het clb, de dienst samenleving van de gemeente, het OCM, ACW, Odice, vertegenwoordigers uit de moskee … een werkbare groep van een dertigtal mensen. Een klein LOP biedt het voordeel dat het heel dynamisch en organisch kan werken. Maar koken kost geld. Ook financiële middelen zijn van belang. En daar wringt het schoentje. De gemeentelijke schatkist is namelijk niet zo rijk gevuld. Hoe kan het ook anders als je ziet hoeveel mensen in Zele leven van een laag inkomen. Hoewel Zele terecht wordt aangestipt als LOP-gebied, komt het als niet-centrumstad vaak niet in aanmerking voor middelen uit het flankerend onderwijsbeleid. Zonde, toch? Hoewel niet op zo’n grote schaal, zijn de problemen in deze gemeente vaak even schrijnend als in een centrumstad.

Groot denken, klein beginnen Heel wat uitdagingen dus. Ik besloot te starten bij wat ik het beste kende vanuit mijn professionele context als diensthoofd studieadvies: de succesvolle schoolcarrière en met name het huiswerkbeleid. Het maakt een heel verschil voor een kind als hij of zij thuis betrokkenheid voelt bij het maken van de schooltaken. Als er thuis geen aandacht is voor het huiswerk, en dat hoeft niet noodzakelijk inhoudelijke aandacht te zijn, raakt een kind al snel gedemotiveerd om zich in te zetten. Zo vergroot het onderwijs de kloof tussen kansarme en kansrijke kinderen. Daarom nodigden we een expert uit van het steunpunt diversiteit en leren van de UGent die ons enerzijds uitlegde hoe ouders hun kinderen kunnen begeleiden, maar anderzijds hoe scholen ook een preventief huiswerkbeleid kunnen voeren. Eén school, met name de school waar mijn kinderen zelf schoolliepen, pikte de boodschap op en ging verder aan de slag met deze inzichten ten aanzien van haar leerkrachten en ouders. Er werden verschillende vormingsavonden ingericht. Een klein succesje, maar het gaf moed.

Een greep uit de projecten De bal ging zo aan het rollen. Mensen begonnen elkaar te vinden. De gemeente Zele deed zelf ook veel moeite om onze werking te faciliteren. Door de aanstelling van een halftijdse brugfiguur en een straathoekwerker stonden we al een stap verder. Lokalen werden ter beschikking gesteld. De communicatie vanuit het LOP werd ondersteund via de website en de lokale krant ‘de Zelenaar’. De medewerkers van de dienst ‘Samenleving’ namen het voortouw om de broodnodige externe fondsen te werven. Dat resulteerde in een aantal projecten waarvan ik er hieronder enkele beschrijf:

• Kleuterparticipatie: Samen met mama, papa, oma en opa op weg naar school’ – Super Sim wijst je de weg We richten een ‘voorschools traject in voor alle kinderen tussen twee en tweeënhalf jaar en hun ouders en grootouders’. Daarin worden de ouders, grootouders en kinderen voorbereid op de grote stap voor de eerste schooldag. Het aapje Super Sim is de mascotte van het project. Alle kinderen van twee jaar ontvangen ook een rugzakje van Super


16

Sim met informatie over de instap in school. In elke sessie komt een ander onderwerp aan bod dat te maken heeft met de schoolcarrière en de ontwikkeling van een kleuter in het algemeen (voorlezen, taalontwikkeling, zindelijkheid, positief opvoeden enz.) Ondertussen loopt het traject al vier jaar op rij en ontvangen we elk jaar een gemotiveerde groep ouders.

• Sensibilisering rond kansarmoede: Educatief Spel GELD-weg! Alle vijfde leerjaren van de Zeelse basisscholen krijgen een bezoek van een team maatschappelijk werkers van het OCMW Zele. Tijdens deze klasbezoeken wordt het educatief spel ‘GELD-weg’ gespeeld met de kinderen. De leerlingen moeten tijdens het spel met een fictief inkomen enkele waarheidsgetrouwe uitgaven maken zoals een doorsnee Belgisch gezin dat in de realiteit moet doen. Daarmee willen we de leerlingen aanmoedigen om kritisch om te gaan met geld. De achterliggende gedachte is preventie: Jong geleerd is oud gedaan. De reacties van zowel de leerkrachten als van de leerlingen zijn heel positief. In het beleidsplan van het LOP 2015-2021 willen we nog verder gaan. Het OCMW zal de komende jaren een coördinerende rol opnemen bij de uitwerking van een platform ter bestrijding van kinderarmoede waarbij we o.a. willen uitkomen bij een charter voor de scholen.

• Taalbeleid: met Lola in het taalbad en taalmama’s Tijdens de zomer wordt er een taalbad voor anderstalige kinderen georganiseerd. De vrolijke taterende eend Lola bereidt de kinderen op het einde van de zomervakantie opnieuw voor op het komende schooljaar. De bedoeling is om kinderen met een opfrissing van het Nederlands weer naar de klas te sturen. Het taalbad is bestemd voor kinderen die in september starten in de derde kleuterklas, het eerste of het tweede leerjaar. De kinderen kunnen in de namiddag aansluiten bij de activiteiten van de speelpleinwerking en oefenen het Nederlands in een speelse context met Nederlandssprekende vriendjes. Complementair daaraan loopt het project ‘Taalmama’s’ , een initiatief van het gemeentebestuur Zele en OCMW Zele. Turkstalige mama’s krijgen een ondersteuningscursus Nederlands. Daarmee willen we hen sterker maken. Zo kunnen zij hun kinderen beter begeleiden op school en worden ze ook weerbaarder op de arbeidsmarkt. De cursus wordt gegeven in het Turks. Zo kan er dieper worden ingegaan op de verschillen en de gelijkenissen tussen de Turkse en Nederlandse taal en verloopt het leerproces vlotter. Taalbeleid wordt een belangrijk issue de volgende jaren. We hebben namelijk gemerkt dat niet iedereen in het LOP er dezelfde visie op taal op nahoudt. Daarom willen we de partners hun visie op taal laten expliciteren. Leren van elkaar, materialen en expertises uitwisselen en professionalisering organiseren. We zullen ons daarbij laten bijstaan door externe taal- en procesexperten.

Het inschrijvingsbeleid Een dossier dat nu al een tweetal jaar de agenda van ons LOP beheerst, is de implementatie van het inschrijvingsdecreet. Voor het eerst waren scholen in een LOP-gebied verplicht om hun capaciteit te bepalen, de verhouding tussen indicator- en niet-indicatorleerlingen vast te leggen en te beslissen of ze al dan niet zouden werken met een aanmeldingsprocedure.


17

Het kostte veel tijd om aan alle partners de complexiteit van deze regelgeving uit te leggen. Daarna kwam de moeilijke oefening om het decreet te vertalen naar de eigen situatie en een aantal beslissingen te nemen. De discussies liepen soms hoog op, want het algemeen belang botste soms met de belangen van individuele scholen. Voor mij was het een evenwichtsoefening om tot een compromis te komen waarin alle partners zich konden vinden. Niet makkelijk, maar we gaven de moed niet op. We bleven praten en zoeken. In Zele hoopt men dat het decreet een hefboom zou kunnen worden om de sociale mix te bevorderen, zodat er een evenwichtigere verdeling zou kunnen komen van indicatorleerlingen tussen de wijk- en de centrumscholen. Het eerste jaar werden de capaciteiten hoog gezet, waardoor er geen verschuivingen plaatsvonden. Het tweede jaar werkten we met scherpere capaciteiten. Een verdere cijfermatige analyse zal moeten uitmaken of we onze doelstellingen (geen discriminatie, gelijke onderwijskansen en een betere sociale mix) daardoor beter benaderen. Algemeen ben ik geneigd te denken dat er nog vele andere hefbomen nodig zijn om tot een mooie sociale mix te komen zoals woonbeleid, mobiliteit en werkgelegenheid. Ik vrees dus dat de verwachtingen die het decreet schept op dit vlak niet helemaal ingelost zullen worden. Volgens mij zullen we wijs en met gezond verstand met dit dossier moeten omgaan. We moeten realistische concrete doelstellingen formuleren waarbij gelijke onderwijskansen en school in de buurt als leidraad gehanteerd worden. Gras groeit namelijk niet door eraan te trekken, maar door het met zorg te bemesten.

Een vlinder in de strijd tegen kansarmoede Een samenleving waar 10% van de kinderen in armoede leeft, mag ons niet koud laten. Meer dan ooit moeten we de krachten bundelen om dit onrecht tegen te gaan. Het LOP verbindt mensen en realiseert op lokaal vlak innovatieve projecten om kansarmoede tegen te gaan. Prof. Bea Cantillon gaf me in haar lezing voor VVOB op 19 juni 2014 een belangrijk inzicht in de plaats die het LOP inneemt in deze strijd. Zij onderscheidt drie motoren die kansarmoede kunnen tegengaan. De eerste motor is de herverdeling van de middelen via progressief universalisme, preventie en kostendekkende tussenkomsten. We proberen dan de grote olifant, de sociale zekerheid, meer te laten aansluiten bij diegenen die die het meest nodig hebben. De tweede motor is de sociale investering: investeren in opleiding van kansarme jongeren en hun ouders door inclusief onderwijs aan te bieden. Men probeert dan van de sociaal zwakkeren leeuwen te maken. Een derde motor is het realiseren van sociale projecten van onderuit zoals het LOP dat doet. Het zijn vlinders in de strijd tegen kansarmoede. We weten dat er nog vele andere zaken nodig zijn om deze strijd te winnen, maar we proberen via deze initiatieven wel mensen aan het denken te zetten en verandering te initiëren.

17 In Komen-Waasten, een stad in de provincie Henegouwen, is er één Nederlandstalige basisschool, nl. GO! De Taalkoffer. Deze basisschool wordt erkend en gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap.


18


19

Deel 2 Inschrijvingsbeleid Hoofdstuk 1 Capaciteit bepalen Welke rol is er voor de LOP’s? Zie volgende tabellen in bijlage: 11, 12, 13, 14 en 15

1. Capaciteit bepalen

1.1 In het basisonderwijs3 Capaciteit is het totale aantal leerlingen dat een schoolbestuur per niveau ziet als het maximale aantal leerlingen. Een schoolbestuur bepaalt autonoom de capaciteit(en) en kan daarbij rekening houden met bijvoorbeeld materiële omstandigheden of pedagogisch-didactische overwegingen. De verplichting om capaciteit(en) te bepalen, geldt voor elke school in het gewoon en buitengewoon onderwijs, behalve voor type 5-scholen in het buitengewoon onderwijs. Het bepalen van de capaciteit(en) voorafgaand aan de inschrijvingen verhoogt de transparantie voor leerlingen en ouders. Bij eventuele geschillen kan het duidelijkheid verschaffen over het rechtmatige karakter van een niet-gerealiseerde inschrijving. Een schoolbestuur kan namelijk maar de inschrijving van een leerling weigeren op basis van capaciteit als de desbetreffende capaciteit vóór de inschrijvingen is vastgelegd. De capaciteit verlagen tijdens de lopende inschrijvingsperiode kan niet. De capaciteit verhogen kan wel. De niveaus waarop een schoolbestuur de capaciteit voor elk van zijn scholen moet bepalen, verschillen al naargelang van het type onderwijs.

3 Decreet basisonderwijs.


20

Voor het gewoon basisonderwijs moet een schoolbestuur de capaciteit bepalen op volgende niveaus: •

de school of campus

•

de vestigingsplaats

•

het kleuteronderwijs

•

het lager onderwijs.

Daarnaast mag een schoolbestuur de capaciteit bepalen op één of beide van volgende niveaus: •

voor het kleuteronderwijs per geboortejaar

•

voor het lager onderwijs per leerjaar.

In het buitengewoon basisonderwijs moet een schoolbestuur voor elk van zijn scholen de capaciteit bepalen op volgende niveaus: •

de school

•

de vestigingsplaats

•

het kleuteronderwijs

•

het lager onderwijs

•

het type.

Er mag geen capaciteit bepaald worden op het niveau van de pedagogische eenheid. Een schoolbestuur kan bij het bekendmaken van de capaciteit(en) gebruikmaken van de eigen netwerken en de communicatiekanalen van andere lokale partners. Een schoolbestuur met scholen gelegen in LOP-gebied deelt de capaciteit(en) mee aan het LOP. Hoe lager het niveau waarop een schoolbestuur capaciteit bepaalt, hoe beter het schoolbestuur een evenwichtige instroom over verschillende geboorte- en leerjaren kan bewaken.

Onderstaande tabel leert ons meer over hoe de capaciteitsbepaling binnen LOP-gebieden verloopt.

Basisonderwijs – kleuteronderwijs 2013-2014 (41 LOP’s)

2014-2015 (41 LOP’s)

Sommige scholen bepalen capaciteit op niveau geboortejaar

16 (39%)

18 (44%)

Alle scholen bepalen capaciteit op niveau geboortejaar

18 (44%)

22 (54%)

Geen enkele school bepaalt capaciteit op niveau geboortejaar

4 (10%)

1 (2%)

Geen afspraken gemaakt

3 (7%)

0 (0%)

Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015


21

Basisonderwijs – lager onderwijs Sommige scholen bepalen capaciteit op niveau leerjaar

18 (44%)

17 (42%)

Alle scholen bepalen capaciteit op niveau leerjaar

17 (42%)

23 (56%)

Geen enkele school bepaalt capaciteit op niveau leerjaar

3 (7%)

1 (2%)

Geen afspraken gemaakt

3 (7%)

0 (0%)

Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

We stellen vast dat een overgroot deel van de scholen in het kleuteronderwijs capaciteiten bepaalt op het niveau van het geboortejaar (83% van de scholen in 2013-2014 en 98% van de scholen in 2014-2015). Eenzelfde evolutie stellen we vast in het lager onderwijs: een overgroot deel van de scholen bepaalt capaciteiten op het niveau van het leerjaar (86% van de scholen in 2013-2014 en 98% van de scholen in 2014-2015).

1.2 Secundair onderwijs4

1.2.1 Capaciteit bepalen (regelgeving vanaf 1 september 2014)5 De definitie voor capaciteit is in het secundair onderwijs dezelfde als die in het basisonderwijs. Ook het principe dat capaciteit tijdens de lopende inschrijvingsperiode niet verlaagd kan worden, maar alleen verhoogd kan worden, blijft gelden. Vóór de start van de inschrijvingsperiode moet een schoolbestuur voor elk van zijn scholen of vestigingsplaatsen of campus de capaciteit bepalen voor het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs op één van volgende niveaus: •

het structuuronderdeel (1A of 1B)

•

de combinatie van de beide structuuronderdelen (1A én 1B).

Voor het tweede leerjaar van de eerste graad, de tweede en de derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs moet een schoolbestuur voor zijn scholen gelegen in Brussel de capaciteit bepalen op één of meerdere van volgende niveaus: •

de school (of campus)

•

de vestigingsplaats

4 Codex secundair onderwijs. 5 Voor het schooljaar 2013-2014 waren scholen verplicht capaciteit te bepalen voor de structuuronderdelen 1A en 1B. Voor het tweede jaar van de eerste graad, de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs beslisten scholen autonoom of er capaciteit werd bepaald. Met ingang van 1 september 2014 wijzigt de regelgeving voor het bepalen van capaciteit. Een school- of centrumbestuur kan vanaf dan een bepaald niveau volzet verklaren, uitgezonderd voor het eerste leerjaar A en B, uitgezonderd voor hun scholen gelegen in Brussel en uitgezonderd voor het buitengewoon secundair onderwijs.


22

•

het structuuronderdeel

•

de combinatie van twee of meerdere structuuronderdelen.

Ook een centrumbestuur moet voor al zijn centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen gelegen in Brussel capaciteit bepalen op één of meerdere van volgende niveaus: •

het centrum (of campus)

•

de vestigingsplaats

•

het structuuronderdeel

•

de combinatie van twee of meerdere structuuronderdelen (= opleidingen).

In het buitengewoon secundair onderwijs moet (met uitzondering van type 5, waar dat niet verplicht is) een schoolbestuur voor elk van zijn scholen de capaciteit bepalen op één of meerdere van volgende niveaus: •

de school (of campus)

•

de vestigingsplaats

•

de opleidingsvorm

•

het type

•

het structuuronderdeel

•

de combinatie van twee of meerdere structuuronderdelen

•

de pedagogische eenheid, zoals bepaald in artikel 257 van de Codex secundair onderwijs.

Een schoolbestuur moet de inschrijving van een leerling weigeren als de vooropgestelde capaciteit is bereikt.

Onderstaande tabel leert ons meer over het bepalen van capaciteit in het eerste jaar van de eerste graad van het secundair onderwijs. Secundair onderwijs – eerste leerjaar van de eerste graad 2013-2014 (29 LOP’s)

2014-2015 (29 LOP’s)

Alle scholen bepalen capaciteit op het niveau van structuuronderdeel (1A of 1B)

24 (80%)

29 (100%)

Sommige scholen bepalen capaciteit op het niveau van structuuronderdeel (1A of 1B)

3 (10%)

Geen van de scholen bepalen capaciteit op het niveau van structuuronderdeel (1A of 1B) Geen afspraken gemaakt Totaal Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

2 (7%) 29 (100%)

29 (100%)


23

Hoewel de secundaire scholen de mogelijkheid hebben om capaciteit te bepalen voor 1A en 1B samen, verkiezen nu alle scholen om capaciteit te bepalen voor 1A en 1B apart (van 80% in 2013-2014 naar 100% in 2014-2015) (zie tabel hieronder). In minder dan de helft van de LOP’s secundair onderwijs zijn daarover afspraken gemaakt. Het meedelen van de capaciteit(en) voor scholen gelegen in LOP-gebied aan en via de communicatiekanalen van het LOP, is een algemeen gangbare praktijk.

1.2.2 Volzet verklaren School- of centrumbesturen kunnen vanaf 1 september 2014, uitgezonderd voor het eerste leerjaar A en B, uitgezonderd voor hun scholen gelegen in Brussel en uitgezonderd voor het buitengewoon secundair onderwijs, een bepaald niveau volzet verklaren. Op dat moment legt het school- of centrumbestuur het aantal leerlingen vast voor dat niveau. Volzet verklaren kan op een of meerdere van volgende niveaus: • De school, met uitzondering van het eerste leerjaar A en B • Per centrum voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen • Per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar A en B • Per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, al dan niet per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar A en B.

Een leerling kan pas voor een bepaald niveau geweigerd worden nadat een volzetverklaring voor het desbetreffende niveau gecommuniceerd is. Vanaf dan weigert het school- of centrumbestuur elke bijkomende inschrijving. Het school- of centrumbestuur meldt de volzetverklaring: • Aan het LOP, voor scholen en centra gelegen in LOP-gebied • Aan de school- of centrumbesturen van de scholen of centra gelegen in dezelfde gemeente, voor scholen of centra gelegen buiten het LOP-gebied. Het LOP kan afspraken maken over de manier waarop de volzetverklaring gecommuniceerd moet worden. Een volzetverklaring kan worden opgeheven. Elk school- of centrumbestuur dat een volzetverklaring opheft, doet daarvan een melding. In het geval dat de school of het centrum gelegen is in LOP-gebied, doet de school/het centrum daarvan melding aan het LOP en respecteert daarbij de afspraken die daarover binnen het LOP zijn gemaakt. In het geval dat de school of het centrum gelegen is buiten LOP-gebied, dan wordt melding gemaakt aan de school- of centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente. Als een school- of centrumbestuur de volzetverklaring van een niveau opheft, dan moet het school- of centrumbestuur (voor het opvullen van de vrijgekomen plaatsen) de chronologie van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, zoals genoteerd in het registerblad voor het betreffende niveau, respecteren tot en met de vijfde schooldag van oktober.


24

Onderstaande tabel leert ons in welke mate in het LOP afspraken zijn gemaakt over het volzet verklaren voor het voltijds gewoon secundair onderwijs (2e jaar van de 1e graad en hoger).

Secundair onderwijs – 2e jaar van de 1e graad en hoger 2013-2014 (29 LOP’s)

2014-2015 (29 LOP’s)

Oude regelgeving

Nieuwe regelgeving

16

9

Er zijn hierover afspraken gemaakt in het LOP

Er zijn hierover geen afspraken gemaakt in 13 het LOP Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

20

De onderstaande tabel leert ons in welke mate in het LOP over het volzet verklaren afspraken zijn gemaakt voor deeltijds onderwijs en de leertijd.

Secundair onderwijs – deeltijds onderwijs en de leertijd 2013-2014 (29 LOP’s)

2014-2015 (29 LOP’s)

16

6

Er zijn hierover afspraken gemaakt in het LOP

Er zijn hierover geen afspraken gemaakt in 13 het LOP Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

23

Afspraken maken over het volzet verklaren is aldus in minder LOP’s een issue als we het schooljaar 20142015 vergelijken met schooljaar 2013-2014. Dat geldt zowel voor de hogere leerjaren, als voor het deeltijds onderwijs en de leertijd.

2. Aan de slag in een taskforce capaciteit

2.1. Een historiek In heel wat LOP’s is er een taskforce capaciteit actief in de gemeente, vooral voor het basisonderwijs. In Brussel is er ook een taskforce voor het secundair onderwijs. De taak van een taskforce capaciteit is de lokale capaciteitsbehoeften op te volgen, voorstellen van capaciteitsuitbreiding van de lokale onderwijsverstrekkers in kaart te brengen en te integreren in een actieplan (of masterplan) met een langetermijnperspectief.


25

De regie van de taskforces wordt van bij het begin aan de gemeenten toevertrouwd. De partners die rond de tafel zitten in de taskforces zijn vaak ook lid van het lokale overlegplatform: • de lokale afgevaardigden van de verschillende onderwijsnetten • de gemandateerden van de schoolbesturen • de directies van scholen met capaciteitsproblemen • de schepenen en vertegenwoordigers van de gemeentelijke onderwijsadministratie. In het merendeel van de taskforces zijn de LOP-voorzitter en de LOP-deskundige ook betrokken als lid. Daarnaast zijn ook vertegenwoordigers van de stedenbouwkundige dienst, de dienst planologie of de dienst bevolking van de gemeente betrokken. Waar het LOP betrokken is bij de taskforce neemt de LOP-deskundige of -voorzitter doorgaans een actieve rol op in het toeleveren van cijfermateriaal. Het voorstellen van een door het LOP aangemaakte omgevingsanalyse kan voor de taskforce belangrijk zijn.

De omgevingsanalyse omvat doorgaans gegevens over: • lokale demografische ontwikkelingen en prognoses • lokale evoluties schoolbevolking • leerlingenstromen • ontwikkelingen op het vlak van ruimtelijke ordening (woonuitbreiding/inbreiding, nieuwe verkavelingen) in de gemeente • capaciteiten van de scholen in het kader van het inschrijvingsrecht • scholen met volverklaringen en vrije plaatsen per administratieve groep • weigeringen • grafische weergave van één of meerdere bovenstaande elementen. Capaciteitstekorten worden in de algemene vergadering van het LOP bespreekbaar gemaakt en leiden tot kritische reflecties, die uiteraard ook voorgelegd worden aan de taskforces capaciteit. Terwijl de schoolbesturen minder aanwezig zijn in de algemene vergadering van de LOP’s, zijn ze wel sterk vertegenwoordigd in de taskforces. Dat heeft vrijwel overal geleid tot een constructieve samenwerking. De uitvoering van de decretale opdrachten van de LOP’s, zoals het maken van een omgevingsanalyse en het maken van afspraken over het inschrijvingsbeleid, heeft als direct gevolg dat in de meeste gemeenten het LOP bij uitstek leverancier is van cijfermateriaal. Door volverklaringen en niet-gerealiseerde inschrijvingen systematisch te registreren, komen eventuele capaciteitsproblemen via het inschrijvingsbeleid sneller scherp in beeld.


26

Hoofdstuk 2 Aanmeldingsprocedures in Vlaanderen: redenen, toetsing en ervaringen 1. Wat is aanmelden? Aanmelden betekent dat ouders vooraf laten weten in welke school of scholen (vestigingsplaatsen) ze hun kind of kinderen willen inschrijven voor het daaropvolgende schooljaar. Ouders kunnen na hun aanmelding gedurende een aansluitende inschrijvingsperiode hun kind inschrijven in één van de opgegeven scholen6. Een aanmeldingsprocedure kan voor één of meer scholen worden opgestart. Terwijl ‘centraal aanmelden’ (op gemeenteniveau) in het basisonderwijs een zeer gangbare praktijk is, zijn het in het secundair onderwijs eerder individuele scholen of een aantal scholen samen die aanmelden. De toewijzing gebeurt op basis van criteria, die vooraf zijn bepaald. Heel wat aspecten van een aanmeldingsprocedure worden lokaal bepaald. Dat maakt dan ook dat aanmeldingsprocedures en aanmeldingsperiodes verschillen per gemeente of per school.

2. Waarom aanmelden? Scholen kunnen een beroep doen op een aanmeldingsprocedure om hun inschrijvingsproces te optimaliseren en/of om een evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen na te streven. ®

Bij capaciteitsproblemen kan het chronologisch inschrijven de gelijke onderwijskansen van leerlingen onvoldoende garanderen. Aanmelden kan kampeertoestanden en lange fysieke wachtrijen vermijden.

®

Ook zonder capaciteitsproblemen kunnen door aanmelden en inschrijven te ontkoppelen, de inschrijvingen meer transparant en eenduidig verlopen, met rechtszekerheid voor zowel school(bestuur) als ouder.

®

Via een aanmeldingsprocedure die gepaard gaat met een sterke communicatiecampagne kan een school of gemeente een meer evenredige verdeling stimuleren.

Bij het instellen van een aanmeldingsprocedure zijn vrijwilligheid en lokale consensus centrale uitgangspunten. De Vlaamse regering kan, in het licht van het optimaliseren van het inschrijvingsproces, scholen wél verplichten tot het instellen ervan. Zo zijn basisscholen uit de LOP’s Antwerpen, Brussel en Gent sinds het nieuwe inschrijvingsdecreet verplicht tot aanmelden. De verregaande autonomie bij het vormgeven van een aanmeldingsprocedure moet garanties bieden om enerzijds een lokaal draagvlak te vinden. Anderzijds zorgt het voor een goede afstemming van de procedure op de specifieke context. Die vrijheid koppelt de regelgever aan een controle en toetsing van de aanmeldingsprocedure door de Commissie inzake Leerlingenrechten aan de uitgangspunten van het inschrijvingsrecht. 6 Dat kan ook een niet-gerealiseerde inschrijving zijn. De leerling wordt dan ingeschreven in het inschrijvingsregister als een niet-gerealiseerde inschrijving. Die kan later omgezet worden in een gerealiseerde inschrijving als er plaats vrijkomt. Soms melden ouders kinderen aan voor een bepaalde leerlingengroep, ook al is er geen plaats. Ze willen hun kind dan in het inschrijvingsregister laten opnemen als een niet-gerealiseerde inschrijving.


27

3. Toetsing door de Commissie inzake Leerlingenrechten (CLR)7

3.1 Hoe gebeurt de toetsing door de CLR? Schoolbesturen, verscheidene schoolbesturen samen of LOP’s die een aanmeldingsprocedure willen organiseren, moeten voor de inschrijvingen voor schooljaar 2015-2016 uiterlijk op 15 september 2014 hun voorstel van aanmeldingsprocedure voorleggen aan de Commissie inzake Leerlingenrechten (CLR). Het decreet bepaalt welke onderdelen minimaal aanwezig moeten zijn in een aanmeldingsdossier. Die elementen moeten de commissie onder andere een zicht geven op de periodes waarin ouders hun kinderen aanmelden en inschrijven, op de manier waarop dat gebeurt, op de communicatie over de aanmeldingen, op de toepassing van de ordeningscriteria bij het toewijzen van de beschikbare plaatsen aan de aangemelde leerlingen, op de omgang met klachten en vragen. De commissie publiceert op haar website een sjabloon. Met behulp van dat sjabloon kunnen de initiatiefnemers een voorstel van aanmeldingsprocedure uitwerken en indienen. Het volgen van dat sjabloon garandeert dat alle elementen aan bod komen.

3.2 Over hoeveel dossiers gaat het voor inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016? Voor de inschrijvingen voor schooljaar 2015-2016 (die plaatsvinden in schooljaar 2014-2015) moeten alle initiatiefnemers een nieuw dossier indienen, vanwege de wijzigingen aan het inschrijvingsrecht in onderwijsdecreet XXIV. Initiatiefnemers die in het verleden al aanmeldden en hun dossier alleen wijzigen als gevolg van de nieuwe regelgeving, hoeven geen volledig dossier, maar alleen een beperkt dossier op basis van het minisjabloon, in te dienen. Nieuwe initiatiefnemers en initiatiefnemers die wel wijzigingen aanbrengen aan de aanmeldingsprocedure, moeten een volledig dossier indienen. Initiatiefnemers kunnen zijn: één schoolbestuur, verscheidene schoolbesturen samen of een LOP. De commissie behandelt in 2014 in totaal 32 aanmeldingsdossiers: 23 voor het basisonderwijs en negen voor het secundair onderwijs. Van de 32 initiatiefnemers zijn er twaalf individuele schoolbesturen, dertien LOP’s en in zeven dossiers betreft het een samenwerking van verschillende schoolbesturen. Van de zeven dossiers waarbij het een samenwerking van verschillende schoolbesturen betreft, zijn er drie dossiers van initiatiefnemers binnen het werkingsgebied van een LOP. De commissie keurt 26 dossiers goed, zes dossiers worden niet goedgekeurd (vijf dossiers basisonderwijs en één dossier secundair onderwijs). De initiatiefnemers van wie het dossier niet werd goedgekeurd hebben tot 30 november 2014 de kans om een aangepast dossier in te dienen bij de commissie of om het dossier ongewijzigd voor te leggen aan de Vlaamse regering. De zes initiatiefnemers kozen er allemaal voor om een gewijzigd dossier in te dienen bij de commissie. Die dossiers werden goedgekeurd.

7

Zie: http://www.agodi.be/commissie-inzake-leerlingenrechten.


28

3.3 Vaststellingen bij de manier waarop wordt aangemeld Bij het lezen van de aanmeldingsdossiers stelt de CLR vast: a) Met betrekking tot de middelen tot aanmelden Het LOP basisonderwijs Antwerpen en Gent werken met een website waarop ouders hun kinderen kunnen aanmelden. Ouders kunnen op verschillende plaatsen terecht voor hulp bij het aanmelden en kunnen in de loop van de aanmeldingsperiode nog gegevens wijzigen. Het systeem voorziet in een bewijs van aanmelding en in ondersteuning voor de scholen. Zo krijgen scholen onder andere per contingent een lijst van leerlingen die wel of niet ingeschreven hoeven te worden. Het is ook mogelijk om mededelingen van niet-gerealiseerde inschrijving vanuit het systeem te genereren enzovoort. Ook het LOP basisonderwijs Brussel werkt met een website voor de aanmeldingen van leerlingen uit de voorrangsgroepen ‘Nederlands’ en ‘indicator-/niet-indicatorleerlingen’. Kinderen uit de voorrangscategorieën ‘kinderen van dezelfde leefeenheid’ en ‘kinderen van personeelsleden’ melden de ouders rechtstreeks op school aan. Naast LOP basisonderwijs Brussel, Gent en Antwerpen werken ook enkele kleinere steden en gemeenten (zoals Kortrijk, Lokeren, Beringen ...) met een webapplicatie. In het algemeen stelt de commissie vast dat de aanmeldingsprocedures langs webapplicaties erg veel aandacht hebben voor de preventie van gebruikersfouten en het wegwerken van potentiële drempels. Basisscholen kiezen soms ook voor een fysieke aanmelding door de ouder op school. Dat is mogelijk, omdat tijd niet als ordeningscriterium geldt in het basisonderwijs. In het secundair onderwijs werkt de initiatiefnemer in drie van de zes uiteindelijk goedgekeurde aanmeldingsprocedures met telefonische aanmeldingen en in de drie andere dossiers met aanmeldingen langs een webapplicatie. De commissie hecht veel belang aan het feit of het aanmeldingssysteem in staat is om het te verwachten aantal aanmeldingen correct te verwerken. Dat is in het bijzonder het geval als de initiatiefnemer ordent op grond van chronologie: er is dan een grote toestroom van aanmeldingen te verwachten aan het begin van de aanmeldingsperiode. In één dossier werkt de initiatiefnemer met een telefonische aanmelding met twee buitenlijnen die alternerend opgenomen en verwerkt worden. De commissie keurt het betrokken dossier maar voor één schooljaar goed, omdat ze van oordeel is dat dit systeem mogelijk een grote hoeveelheid oproepen op hetzelfde moment niet zou kunnen behandelen. De commissie vraagt daarom om jaarlijks een evaluatie te maken. Eén initiatiefnemer legt, om de telefonische aanmelding vlotter te laten verlopen, vooraf een gegevensbank aan.


29

b) Met betrekking tot de manier waarop scholen hun capaciteiten, aanmeldingsmiddelen en aanmeldings- en inschrijvingsperiodes kenbaar maken In bijna alle dossiers kunnen de ouders en andere belanghebbenden de capaciteiten online raadplegen (op de schoolwebsite, in VRINT8 of op de website waarop ouders hun kind aanmelden). Verschillende initiatiefnemers ontwikkelen brochures of nemen de informatie over aanmelden, capaciteiten en beschikbare plaatsen op in de schoolbrochure. Die brochures verspreiden, gebeurt op de scholen en clb’s, en langs allerhande organisaties (zoals Kind & Gezin, OCMW, onthaalbureaus …). Heel vaak verstuurt men ook brieven en/of brochures naar de ouders van de jongste instappers die in de betrokken stad of gemeente(n) wonen. Scholen en andere lokale partners hangen ook affiches op met informatie over de aanmeldingen. De informatie over de aanmeldingen is ook altijd online terug te vinden. Daarnaast organiseren de meeste initiatiefnemers infoavonden en maken ze regelmatig gebruik van het informatieblad van de gemeente of van de lokale pers. Gezien de vroegere ervaring van de commissie met klachten als gevolg van een verwarrende communicatie, hecht ze zeer veel belang daaraan.

c) Met betrekking tot een verdere concretisering van de ordeningsprincipes In alle aanmeldingsdossiers voor het basisonderwijs maken initiatiefnemers gebruik van het afstandscriterium om de leerlingen te ordenen. Daarbij maken ze altijd gebruik van de afstand tot het domicilieadres van de leerling, meestal in combinatie met de afstand tot het werkadres en/ of schoolkeuze van één van de ouders. Heel wat initiatiefnemers maken voor de berekening van de afstanden gebruik van Google Maps met de optie ‘wandelen’. De commissie wijst steeds op de mogelijkheid dat niet alle wandelwegen in Google Maps zijn opgenomen en dat niet alle recente wijzigingen in het stratenpatroon zijn geïntegreerd. In aanmeldingsprocedures waarbij ouders kunnen kiezen uit verscheidene scholen (zoals in Gent, Brussel, Antwerpen, Zele, Beringen …), berekent een computerprogramma de afstanden. Heel wat LOP’s maken gebruik van de door het Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen (AGIV) aangereikte coördinaten. In het LOP basisonderwijs Brussel zet een bedrijf de adressen om in coördinaten. Hier blijft het mogelijk om manueel tussen te komen, bijvoorbeeld bij nieuwe verkavelingen. Toeval gebruikt men soms in combinatie met afstand en/of schoolkeuze. In het LOP basisonderwijs Antwerpen wordt een aantal plaatsen toegewezen op grond van toeval in combinatie met schoolkeuze. In het secundair onderwijs kiezen op één na alle initiatiefnemers voor chronologie als ordeningscriterium, in combinatie met schoolkeuze als ouders voor verscheidene scholen kunnen aanmelden.

8 VRINT staat voor Volle Richtingen Instrument. VRINT is te vinden op de website www.lop.be. Daarop kunnen de aangesloten LOP’s per school en per administratieve groep zowel de capaciteiten opgeven als info over volle/vrije groepen en het aantal weigeringen.


30

De andere initiatiefnemer opteert voor een combinatie van de ordeningscriteria schoolkeuze en toeval. In het dossier waar men toeval in combinatie met schoolkeuze als ordeningscriterium gebruikt, doet de initiatiefnemer een beroep op een computeralgoritme. Dit algoritme selecteert leerlingen bij toeval en wijst ze vervolgens toe aan de school van hoogste keuze waar nog in het passende contingent plaats was.

3.4

Aanmelden of niet aanmelden

De voorbije jaren zijn steeds meer LOP’s met een centrale aanmeldingsprocedure van start gegaan. Daarnaast kwam centraal aanmelden in nagenoeg alle LOP’s minstens ter sprake op een dagelijks bestuur of algemene vergadering. Een reden om niet te starten met een aanmeldingsprocedure is vaak dat de partners rond de tafel geen capaciteitsproblemen ervaren in de regio en het dus als ‘niet nodig’ zien. Maar zelfs als er voor de schoolpoort of in verschillende scholen in een gemeente gekampeerd wordt voor de schoolpoort, zijn scholen of schoolbesturen er om verschillende redenen niet altijd voor gewonnen om te werken met een centraal aanmeldingsregister.


31

Hoofdstuk 3 Aanmelden: het proces Het verhaal van zes LOP’s Zie bijlage deel 4 Scholen en LOP’s starten met een aanmeldingsprocedure om verschillende redenen. Eén van de belangrijkste redenen is ongetwijfeld dat er in sommige scholen of wijken een (te) grote vraag staat tegenover het altijd beperkte aanbod aan vrije plaatsen. Dat kan ontstaan door demografische ontwikkelingen (meer jonge gezinnen die in bepaalde buurten gaan wonen) of door de populariteit van bepaalde scholen. School- en gemeentebesturen, maar ook ouders, vermijden liever lange wachtrijen voor de schoolpoort en zeker kampeersituaties bij de start van de inschrijvingen. Het streven naar buurtscholen, en naar een betere sociale mix, naar het stroomlijnen van de inschrijvingsperiodes, naar minder planlast voor de scholen, zijn ook redenen om te starten met een aanmeldingsprocedure. Voor niet-onderwijspartners of intermediaire partners biedt aanmelden dan weer de mogelijkheid om in een geconcentreerde periode ouders uit kansarme gezinnen actief te ondersteunen bij de inschrijving. Er is ook de waarborg dat de inschrijvingen volgens duidelijke krijtlijnen en transparant verlopen. Voor deze bijdrage gaan we op bezoek bij zes LOP’s die met een centraal aanmeldingsregister9 werken. Het zijn LOP’s die werken in gemeenten van verschillende grootteorde en verspreid zijn over Vlaanderen. We kozen voor Antwerpen als LOP in een grootstad en voor Kortrijk, Lokeren, Hamme en Beringen als middelgrote en kleinere gemeenten. Al deze LOP’s werken met een centraal aanmeldingsregister voor de inschrijvingen in het basisonderwijs. Met een zesde voorbeeld verkennen we de toepassing van een centraal aanmeldingsregister in het secundair onderwijs, met name in Brussel. We krijgen er te horen wat de belangrijke kantel- en beslissingsmomenten zijn om te starten met een aanmeldingsprocedure of om de procedure bij te sturen in de loop van het verhaal.

9 Voor een overzicht van alle LOP-regio’s, die gebruik maken van een aanmeldingsprocedure, verwijzen we naar de bijlage.


32

1. Op bezoek bij zes LOP’s met een centraal aanmeldingsregister LOP Antwerpen Basisonderwijs: Meld je aan!

Aanmelden in LOP Antwerpen basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2010-2011 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

189

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Toeval / voorkeur 2) Afstand tot domicilie/werkadres 3) Schoolkeuze

(scholen kunnen zelf de verhouding tussen de verschillende ordeningscriteria bepalen) Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Vogelvlucht

Te verwachten aanmeldingen (load)?

11.000

Het LOP Basisonderwijs Antwerpen werkt sinds het schooljaar 2010-2011 met een centraal aanmeldingsregister. Alle scholen op het grondgebied nemen eraan deel en op jaarbasis melden ouders zo’n 11.000 kinderen aan op de website. De belangrijkste aanleiding om te starten met een aanmeldingsprocedure is - net als in andere LOP’s - de problematiek van lange wachtrijen aan de poorten van een aantal erg populaire scholen. De druk op de capaciteit begint midden jaren 2000 voor het eerst voelbaar te worden. Dat niet alle scholen meteen gewonnen zijn voor het werken met een centraal aanmeldingssysteem, blijkt onder meer uit het feit dat de algemene vergadering van het LOP een eerste voorstel voor een dergelijk systeem in het schooljaar 2008-2009 wegstemt. De beslissing om toch over te gaan naar digitaal aanmelden, komt er uiteindelijk onder meer onder druk van ouders, niet-onderwijspartners en de stad Antwerpen. Ook meer en meer scholen geraken ervan overtuigd om het inschrijvingsproces het best anders te organiseren. Een belangrijk discussiepunt bij de start van het werken met het Centraal Aanmeldingsregister (CAR): op basis van welke ordeningscriteria moet de rangschikking van leerlingen gebeuren? De discussie bestaat eruit dat sommige partners afstand als belangrijkste criterium naar voren schuiven, maar anderen ook chronologie als voorrangscriterium willen opnemen. De consensus bij de introductie is om minstens de helft van de plaatsen op basis van afstand te verdelen


33

en de andere helft (ook) op afstand of op chronologie. De poging om chronologie als ordeningscriterium op te nemen strandt echter op technische grenzen. Doordat ouders met zeer velen tegelijk aanmelden, ondervindt het systeem problemen van overbelasting. Dat was dan ook ‘einde verhaal’ voor chronologie als ordeningscriterium. Vanaf de inschrijvingen voor schooljaar 2011-2012 verlaten de LOP-leden de idee van chronologie en komt toeval (of voorkeur) als ordeningscriterium naar voren. Dat betekent dat er een toevalstrekking gebeurt uit de kinderen bij wie de school in de top drie staat en die geen toewijzing kunnen krijgen op basis van afstand tot het domicilie- of werkadres. Scholen kiezen zelf hoeveel plaatsen ze openstellen voor voorkeur (toeval) maar in elke school wijst men minstens de helft van de plaatsen toe op basis van afstand. Een uitdaging die vandaag en in de toekomst blijft bestaan, is een goede afstemming tussen het LOP en de stad. Terwijl de stad de financiering van het systeem voor haar rekening neemt en voor logistieke ondersteuning zorgt, neemt het lokale overlegplatform (waar de stad ook deel van uitmaakt) gezamenlijk belangrijke beslissingen over het CAR. Een goede afstemming voor technische problemen, een sterk kader van samenwerkingsafspraken, gekoppeld aan een haalbare en geconcretiseerde taakverdeling tussen LOP en stad, kan de goede afwikkeling van de toekomstige aanmeldingsperiodes alleen maar versterken.


34

LOP Beringen Basisonderwijs

Aanmelden in LOP Beringen basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor 2011-2012 schooljaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Instapjaar kleuteronderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

12

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Afstand domicilieadres leerling

(er is één school die het criterium toeval en afstand combineert) Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Vogelvlucht

Te verwachten aanmeldingen (load)?

300

Ook in het LOP Beringen BaO zijn lange wachtrijen - inclusief kamperende ouders - de belangrijkste reden waarom aanmelden in het vizier komt. Andere bekommernissen spelen ook mee wanneer alle scholen in de schoot van het LOP in 2011-2012 starten met een centraal aanmeldingsregister. Zo noemen de partners aan tafel een transparant en duidelijk inschrijvingsbeleid naar ouders en andere belanghebbenden voor iedereen een goede zaak. Daarnaast is voor het LOP aanmelden een instrument om naar sociale mix te streven. Een belangrijke uitdaging in Beringen bij de opstart is de consensus die nodig is om de nieuwe aanpak over alle kleuterscholen heen te laten gelden. Veel wijzigingen volgen er niet aan het aanmeldingssysteem door de jaren heen. De aanpassingen die ingegeven zijn door de wijziging in de regelgeving gebeuren uiteraard wel. Daarnaast trekt het LOP ook het aantal schoolkeuzes die ouders moeten aanduiden op van drie naar vijf mogelijke scholen. Het aanmeldingssysteem helpt om de inschrijvingen vlotter te laten verlopen, maar het lost tegelijk het capaciteitsprobleem niet op. Dat concentreert zich vooral in een vijftal scholen in Beringen. Dat blijft een probleem. Een andere uitdaging blijft er voor de ouders: er is namelijk de verwachting dat zij heel wat inspanningen leveren om verscheidene scholen beter te leren kennen alvorens de voorkeurscholen te kunnen aanduiden op de website.


35

In samenwerking met het LOP houdt de stad gegevens over leerlingengroepen met en zonder vrije plaatsen bij en actualiseert die continu. Scholen volgen de chronologie van de niet-gerealiseerde inschrijvingen een volledig schooljaar voor het opvullen van de vrije plaatsen. Dat vraagt inspanningen van zowel de scholen als van de stad. Het doel van het aanmeldingsregister is om de sociale mix, zoals vooropgesteld door het decreet basisonderwijs en onderschreven door de LOP-leden, daadwerkelijk te realiseren. Dat is een immense opdracht waarbij veel factoren spelen. Dat vraagt meer dan alleen het in het leven roepen van een performante aanmeldingsprocedure. Een actieve toeleiding en sensibilisering naar ouders om te kiezen voor de school in de buurt, is daarbij aan de orde.


36

LOP Lokeren Basisonderwijs

Aanmelden in LOP Lokeren basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2013-2014 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

15

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Afstand domicilie/werkadres 2) Schoolkeuze

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Vogelvlucht

Te verwachten aanmeldingen (load)?

350

De ‘buurtschool in verscheidenheid’ staat centraal in het inschrijvingsbeleid in Lokeren. Kansrijke ouders uit het centrum die hun kinderen naar scholen in de stadsrand en deelgemeenten brengen, kamperende ouders bij scholen in de rand, en sterk gesegregeerde schoolpopulaties: redenen genoeg voor de LOP-partners in Lokeren om in 2013-2014 met een versterkt gemeenschappelijk inschrijvingsbeleid en een centraal aanmeldingssysteem (CAR) te starten. Alle scholen stappen mee in de logica van een CAR. Tegelijk rijzen op de algemene vergaderingen ook heel wat vragen en bekommernissen over de toeleiding van ouders. Het is niet voldoende dat ouders de weg vinden naar de aanmeldingswebsite om aan sociale mix te werken. Als je wilt dat ouders voor de gemengde buurtschool kiezen, is het ook nodig dat ze deze school als een kwalitatief sterk alternatief in de buurt zien. Overtuigd van de sterkte van de centrumscholen investeert de stad mee in de toeleiding van kansrijke ouders naar buurtscholen die veel kinderen uit kansarme gezinnen tellen, door het project School-in-Zicht te financieren. In combinatie met het bestaande capaciteitsprobleem in en rond het centrum, heeft dit project in een aantal centrumscholen de situatie kunnen helpen keren. In andere scholen is er weinig sociale mix, ook omdat die er in de buurt (in bepaalde wijken en deelgemeenten) soms niet is. Werken aan desegregatie is per definitie ook een werk van zeer lange adem: alleen in het jongste instroomjaar is er een verschil te maken dat pas op langere termijn op schoolniveau voelbaar is. Tegelijk met de toeleiding van kansrijke ouders door School-in-Zicht informeren intermediaire organisaties kansarme gezinnen over de mogelijkheden die aanmelden hun biedt. De overgrote meerderheid van de kinderen die in Lokeren woont én schoolloopt, wordt tijdens de voorrangsperiodes ingeschreven en/of aangemeld. De ervaring is dat kansengroepen, mee dankzij de sterke ondersteuning vanuit intermediaire organisaties en de onderwijs- en integratiedienst, de weg naar aanmelden wel vinden, maar dat bij hen net als


37

bij kansrijke ouders de schoolkeuze mee wordt bepaald door de keuze van hun sociale netwerk (vrienden, familie, kennissen) en - meer dan bij kansrijke ouders - door nabijheid. De vraag aan hen is ook om niet alleen de ‘meest evidente’ keuze voor ogen te houden, maar ook de andere scholen in de buurt te overwegen. Het systeem ondergaat na verloop van tijd ook veranderingen. Zo komen er meer communicatiekanalen en vindt het aanmelden ook zijn weg naar andere intermediaire partners. Ook in de achtergrond wijzigt er heel wat: terwijl bij de start de toewijzingen en controles niet geautomatiseerd gebeuren, is dat later grotendeels wel het geval. Tegelijk blijft de kritische controle op gebruikersfouten mensenwerk. De toewijzingen en controles gebeuren onder een gedeelde verantwoordelijkheid van stad en onderwijsnetten. Eén van de belangrijkste uitdagingen bestaat erin om in de toekomst de buurtschool te kunnen blijven garanderen door er voldoende capaciteit te creëren en om de sociale mix die er in de buurt is, weerspiegeld te zien op elke school. In verschillende wijken staat de capaciteit namelijk onder druk en vallen leerlingen die in de buurt wonen, ook uit de boot. Een andere uitdaging is er dan weer een voor de beleidsmakers: door het feit dat instappers die de oudste zijn van een gezin niet aan de indicator die een laag inkomen meet, kunnen voldoen (geoperationaliseerd als het ontvangen hebben van een schooltoelage in de twee daaraan voorafgaande schooljaren) belanden heel wat indicatorleerlingen (circa 15%) in de poule van de niet-indicatorleerlingen. Dat geeft de scholen die de aanmeldingsresultaten ontvangen een vertekend beeld en zorgt ook voor de situatie waarbij indicatorleerlingen die op basis van ‘laag inkomen’ toegang zouden hebben verkregen op de school die soms niet krijgen als ze als ‘niet-indicatorleerling’ worden gerangschikt en uit de boot vallen op basis van afstand.


38

LOP Hamme Basisonderwijs

Aanmelden in LOP Hamme basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2013-2014 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

9

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Afstand domicilieadres leerling/werkadres ouder

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Wandelafstand

Te verwachten aanmeldingen (load)?

400

Voor het LOP Hamme basisonderwijs geven de nieuwe regels rond inschrijvingsrecht prikkels om in 2013-2014 met een centraal aanmeldingsregister te starten. De verplichte capaciteitsbepaling en het werken aan sociale mix via dubbele contingentering zijn zaken waarrond de LOP-leden actief willen werken. Op basis van de omgevingsanalyse is dan ook al enige tijd duidelijk dat in sommige scholen of vestigingsplaatsen er een capaciteitstekort is of dreigt. De gegevens over de relatieve aanwezigheid van indicator- en niet-indicatorleerlingen bevestigen dat er een onevenredige verdeling is over de scholen. Het is duidelijk dat bepaalde scholen gegeerd zijn en leerlingenstromen genereren van buiten de buurt. In 2014 dient het LOP een aangepast aanmeldingsdossier in. Tijd steken in analyse en in de evaluatie van de resultaten van de voorgaande procedure blijkt zinvol, want het zorgt ervoor dat de procedure wordt verfijnd en bijgestuurd kan worden waar nodig. Bij de eerste oefeningen waarbij scholen capaciteit moeten bepalen, ondervinden ze dat dit geen sinecure is, zeker als scholen ook rekening moeten houden met de beoogde sociale mix. De overzichten van capaciteit zijn een publiek instrument voor ouders dat hen ook iets vertelt over bijvoorbeeld het aantal en de grootte van de klassen. Ouders consulteren deze documenten actief, wat maakt dat het geen document is dat scholen zomaar snel invullen of wijzigen.


39

Wat verandert er door verschillende aanpassingen aan de aanmeldingsprocedure? Het aantal aanmeldingsperiodes ging van twee naar één. Een voorafgaande aanmeldingsperiode voor broers/zussen en voor kinderen van personeel wordt als omslachtig ervaren en als niet echt noodzakelijk. De scholen kennen die kinderen doorgaans. Broers en zussen en kinderen van personeel schrijven nu voorafgaand aan de aanmeldingsperiode rechtstreeks op school in. De evaluatie leert dat, ondanks het feit dat er veel en ruime communicatie is, er toch nog heel wat broers en zussen de periode missen. Zij worden daarna – tijdens de aanmeldingsperiode – wel opgevist dankzij de inspanningen van andere partners. De ervaring is ook dat aanmelden het werk op de scholen en in de secretariaten vereenvoudigt. Ze sparen heel wat tijd, krijgen hun lijsten kant en klaar en hoeven alleen nog de koppeling te maken met het eigen informaticasysteem. Eens de lijst er is, kunnen er afspraken gemaakt worden met de ouders en kan er tijd genomen worden voor een inschrijvingsgesprek. Bij lange wachtrijen aan de schoolpoort lukt dat uiteraard niet. Communicatie blijft een moeilijke opdracht. Alle doelgroepen bereiken is een tijdrovende klus voor de gemeentelijke diensten. De betrokkenen in Hamme zien in aanmelden een belangrijke hefboom om de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de scholen en schoolbesturen te duiden en waar nodig te corrigeren. Het is het instrument bij uitstek om tot openheid en openbaarheid van bestuur te komen. Het is ook een middel om de kinderen van de zgn. ‘zwakkere’ ouders rechten te laten gebruiken waarop ze per definitie recht hebben.


40

LOP Kortrijk Basisonderwijs: groeien naar een centraal elektronisch aanmeldingsregister

Aanmelden in LOP Kortrijk basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2013-2014 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

30

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Afstand domicilieadres leerling/ werkadres ouder 3) Toeval

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Vogelvlucht

Te verwachten aanmeldingen (load)?

750

Net als in andere centrumsteden is de capaciteitsdruk in het basisonderwijs in Kortrijk al enkele jaren voelbaar. Alle kinderen van Kortrijk kunnen nog wel in Kortrijk naar school, maar voor een aantal onder hen is dat niet langer naar de school van hun eerste keuze. Methodescholen, centrumscholen en scholen in de deelgemeente Heule moeten jaar na jaar kinderen weigeren en op de lijst van de niet-gerealiseerde inschrijvingen plaatsen. Ouders moeten op zoek naar oplossingen en alternatieven. Voor de schoolcarrière van hun oogappel zijn ze bereid ver te gaan. Wachtrijen en kampeertoestanden steken de kop op om dat felbegeerde plaatsje binnen te halen. Dat roept meteen de vraag op naar de gelijkheid van instroomkansen. Zijn alle ouders zich ervan bewust dat het aantal plaatsen in een aantal scholen beperkt is en dat je er snel bij moet zijn om je kind in te schrijven? Welke ouders kunnen zich wel en welke ouders kunnen zich niet veroorloven aan te schuiven aan de schoolpoort van hun favoriete school ? Voor een uur, voor een dag , voor een week of nog langer? Een belangrijke reden om te starten met aanmelden is het optimaliseren van het inschrijvingsproces. Scholen die geen capaciteitsdruk voelen, hebben niet de spontane neiging om te kiezen voor een aanmeldingsprocedure. Meestappen in het verhaal van de scholen in de buurt die tegen de capaciteitsgrens aantikken of aanbotsen, is geen vanzelfsprekendheid. Binnen het LOP is er weerstand bij de onderwijspartners (scholen en schoolbesturen) die, wegens een ruime


41

capaciteit, de nood aan een aanmeldingsprocedure niet ervaren. Scholen (en de betrokken schoolbesturen) die tegen de capaciteitsgrens aantikken en mogelijke kampeertoestanden verwachten, zijn voluit gewonnen voor aanmelden. Maar ook aan de kant van de ouders is er weerstand tegen verandering en blijft alles het liefst bij het oude. De illusie van zelf de touwtjes in handen te hebben om hun kind met 100% zekerheid in te schrijven in de school van hun keuze op basis van eigen verregaande inspanningen, is daar niet vreemd aan. Met andere woorden, ouders zijn niet altijd gelukkig met het invoeren van een aanmeldingsprocedure. Vooral dan ouders die het felbegeerde plaatsje niet toegewezen zien aan hun kind.

Welk traject legt het LOP Kortrijk daarin af? Voor de inschrijvingen voor het schooljaar 2011-2012 worden binnen het LOP gemeenschappelijke inschrijvingsperiodes afgesproken. Twee scholen geven aan een maximumcapaciteit te willen instellen. Beide scholen motiveren hun vraag aan de algemene vergadering van het LOP om van start te gaan met een experimentele aanmeldingsperiode zoals voorzien in de regelgeving. Voor schooljaar 2012-2013 gaan zes scholen met een experimentele aanmeldingsprocedure van start. Met de inschrijvingen voor het schooljaar 2013-2014 blijven er twee sporen mogelijk om de inschrijvingen te organiseren. Scholen met een verwacht capaciteitstekort opteren voor aanmelden, scholen met ruime capaciteit kiezen voor reguliere inschrijvingen in chronologische volgorde. De experimentele aanmeldingsprocedure wordt afgevoerd. Voor de inschrijvingen voor het schooljaar 2013-2014 geven vijftien van de 35 scholen, verdeeld over vijf schoolbesturen te kennen dat ze een aanmeldingsprocedure wilden starten. Het LOP dient namens de vijf schoolbesturen een aanmeldingsdossier in bij de Commissie inzake Leerlingenrechten. In een eerste versie werd het globale aanmeldingsdossier niet goedgekeurd.

Een herwerkt dossier per schoolbestuur krijgt de goedkeuring voor één schooljaar met als bijkomende vereiste een grondige evaluatie en de aanbeveling om een centraal aanmeldingsregister na te streven. Binnen het opzet aanmelden en inschrijven voor het schooljaar 2013-2014 melden ouders hun kind persoonlijk aan in de school of scholen van hun voorkeur. Een werkgroep ‘aanmeldingsdossier’ met afvaardiging uit de deelnemende schoolbesturen leidt het opzet en de verwerking van de aanmeldingen in goede banen. De evaluatie van deze manier van werken leidt tot het voorstel van het instellen van een centraal elektronische aanmeldingsprocedure voor het volledige LOP-gebied vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2014-2015. De algemene vergadering van 4 juni 2013 keurt het voorstel van aanmeldingsprocedure vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2014-2015 goed, op voorwaarde van de toevoeging van een minderheidsstandpunt. Twee scholen met een specifiek pedagogisch project en een ruim rekruteringsgebied zijn bezorgd over de instroom van leerlingen als bij een groeiend capaciteitsprobleem het criterium afstand tot de school (te) veel gewicht krijgt. In tijden van besparing voelt het stadsbestuur zich niet geroepen om het centraal elektronisch aanmeldingssysteem financieel te ondersteunen. De schoolbesturen stemmen ermee in om het systeem zelf te bekostigen naar rato van een maximumbedrag van 0,50 euro per ingeschreven leerling op datum van 1 februari 2013. Het verschil wordt bijgepast uit de LOP-middelen. De algemene vergadering van 3 juni 2014 geeft haar unanieme goedkeuring aan het voorliggende aanmeldingsdossier voor de inschrijvingen vanaf het schooljaar 2015-2016. Alle scholen blijven aan boord. Het stadsbestuur geeft een principiële toezegging voor financiële ondersteuning. Het LOP beseft ten volle dat ouders de vrije schoolkeuze bijzonder belangrijk vinden. Bij een (groeiend) capaciteitspro-


42

bleem botst de vrije schoolkeuze evenwel op haar grenzen. Is er voldoende plaats in de school van eerste keuze, dan wordt deze plaats automatisch toegewezen. Dat staat gelijk met het maximaal respecteren van de vrije schoolkeuze. Zijn er meer aanmeldingen dan vrije plaatsen, dan treden de rangordeningscriteria in werking met inachtneming van de voorrangsgroepen, zoals voorzien in het inschrijvingsdecreet en zoals vastgelegd in het aanmeldingsdossier. Het LOP BaO Kortrijk trekt daarbij de kaart van schoolkeuze als eerste criterium bij het rangordenen van de aangemelde kinderen. Tweede criterium is afstand tot de school. Dat is niet altijd naar de zin of tot grote tevredenheid van de goed geïnformeerde ouders. Die ouders zien hun kansen op een plaats in de school van hun eerste keuze slinken, omdat zij minder goed scoren op het afstandscriterium. In het eerste jaar werken met een centraal elektronische aanmeldingsprocedure wordt 82% van de aangemelde kinderen toegewezen aan de school van eerste keuze. 93% kan inschrijven in een school uit zijn top drie. Globaal wordt dat aangevoeld als een positief rapport. Het capaciteitsprobleem situeert zich in een aantal populaire scholen of in woonuitbreidingsgebied waar de capaciteit de potentiële instroom niet kan volgen. De vrije schoolkeuze van ouders kan tot op zeker hoogte gegarandeerd worden. Eens kinderen toegewezen worden aan scholen van vierde of vijfde keuze ervaren ouders dit niet langer als vrije schoolkeuze.


43

LOP Brussel Hoofdstedelijk Gewest Secundair onderwijs

Aanmelden in LOP Brussels Hoofdstedelijk Gewest secundair onderwijs Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2010-2011 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld

1A (+ 1B in één school)

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

21

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Nee

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Chronologie 3) Toeval

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd? Te verwachten aanmeldingen (load)?

6.512

Het LOP Brussel secundair onderwijs startte voor het eerst met een centraal aanmeldingssysteem in schooljaar 20092010. Voor de inschrijvingen voor schooljaar 2010-2011 zouden er geen wachtrijen meer zijn voor de schoolpoorten. Het capaciteitsprobleem binnen het LOP was vooral zichtbaar in enkele populaire scholen. De algemene vergadering van het LOP kiest voor een centraal aanmeldingssysteem met schoolkeuze en chronologie als ordeningscriteria. Het eerste jaar wordt er gewerkt met een elektronisch aanmeldingssysteem (website). Wegens technische problemen veroorzaakt door een overbelasting van het systeem, wordt al snel overgeschakeld naar het werken met een callcenter. Niet alle scholen zijn verplicht om in te stappen in het systeem. De scholen met een capaciteitsprobleem nemen deel en daarnaast kunnen andere scholen die dat wensen ook instappen. Er wordt alleen aangemeld voor het 1e leerjaar A. Ook het werken met een callcenter komt al snel ter discussie te staan. Enerzijds is dat door de technische en menselijke fouten die gemaakt werden. Anderzijds stelt een deel van de LOP-leden het ordeningscriterium chronologie in vraag. Dat veroorzaakt bij ouders stress of biedt volgens hen geen gelijke kansen aan alle kinderen. Iemand met een breed


44

sociaal netwerk kan heel wat mensen inschakelen om te bellen en heeft zo een grotere kans om snel geregistreerd te worden. De algemene vergadering van het LOP kan in juli 2013 geen consensus bereiken over de ordeningscriteria op basis waarvan de rangschikking van de aangemelde leerlingen moet gebeuren. Een deel van de LOP-leden wil de chronologie behouden. De anderen willen werken met toeval als ordeningscriterium. Alle LOP-leden waren het er wel over eens dat de maximalisatie van de eerste schoolkeuze gewaarborgd moest blijven. Schoolkeuze zou dus nog steeds het eerste criterium zijn waarop geordend wordt. Aangezien de algemene vergadering geen consensus kon bereiken, werd er beslist om niet te stemmen over een nieuwe aanmeldingsprocedure. In september 2013 werd er een tweede algemene vergadering georganiseerd. Er werd een nieuw voorstel ter stemming voorgelegd. Chronologie bleef behouden als ordeningscriterium, maar er zal worden gewerkt met een nieuw aanmeldingssysteem. Vanaf de inschrijvingen voor schooljaar 2014-2015 werkt LOP Brussel secundair onderwijs met het nieuwe aanmeldingssysteem. Het systeem voorziet een online registratieperiode. Tijdens deze periode krijgen ouders voldoende tijd om alle gegevens van hun kind te registreren. Na de registratieperiode wordt er nog een apart moment ingepland voor de tijdsregistratie. Op de dag van de tijdsregistratie moeten ouders op een vooraf bepaald tijdstip opnieuw inloggen op de website om de tijd van hun kind te registreren. Door het loskoppelen van de registratie van de gegevens en de tijdsregistratie wordt de foutenmarge kleiner. Bij de evaluatie van het nieuwe systeem komt de discussie rond de ordeningscriteria opnieuw ter sprake. De voorstanders om met toeval te werken wijzen erop dat het huidige systeem ook al een soort van loterij is. De snelheid van de internetverbinding op het moment van de registratie bepaalt de kansen van de aanmelders. In de meest populaire scholen zijn de plaatsen al na enkele seconden ingenomen. Daarnaast willen de voorstanders een systeem dat evenveel kansen biedt aan alle kinderen. Ook voor het huidige systeem geldt dat kinderen met een breed sociaal netwerk meer kans hebben om een plaats te vinden in de school van hun eerste keuze. Zo gebeurden er voor één aangemeld kind meer dan 200 verschillende tijdsregistraties.


45

Hoofdstuk 4 Sociale mix en dubbele contingentering als instrument Zie volgende tabel in bijlage: 16 1. Sociale mix en relatieve aanwezigheid 1.1 Het regelgevend kader Het bevorderen van sociale mix op school is een belangrijk uitgangspunt van het huidige inschrijvingsrecht. Scholen gelegen in een LOP-gebied zijn verplicht om engagementen op te nemen om een meer evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen te realiseren. Het LOP moet in dit kader afspraken maken over: a) De geografische gebieden en de niveaus binnen de scholen en vestigingsplaatsen waarvoor de relatieve aanwezigheid van indicatorleerlingen10 berekend wordt. Dat dient als maatstaf om engagementen te bepalen. b) De manier waarop ze de evenredige verdeling in de scholen wil realiseren.

LOP’s beschikken over heel wat beleidsruimte om invulling te geven aan sociale mix in hun scholen. LOP’s hebben daarbij alle ruimte om te bepalen wat zij verstaan onder een evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen en welke maatstaven zij hanteren om het bereiken van deze evenredige verdeling aan af te meten: • Zelf het geografisch niveau (referentiegebied) bepalen waarbinnen ze streven naar eenzelfde evenredige verdeling in de scholen als zinvol ervaren • Vrij in het bepalen aan welke cijfers (maatstaven) ze refereren bij het beoordelen van de evenredige verdeling in de scholen van het referentiegebied (b.v. relatieve aanwezigheid van indicatorleerlingen gebaseerd op schoollopende en/of wonende kinderen) • De keuze om te werken met ofwel de cijfers die over de huidige of de gewenste (toekomstige) situatie gaan • Zelf het tempo aangeven om een meer evenredige verdeling te bereiken. Ze kunnen daartoe zelf een groeipad uittekenen. 1.2 Interpretatie en signalen Niet alle LOP’s benutten vandaag de beleidsruimte om invulling te geven aan wat zij beschouwen als een ’gezonde sociale mix’ voor hun regio. LOP’s toetsen de mate van sociale mix vooral af aan de relatieve aanwezigheid van indicatorleerlingen onder de schoollopende leerlingen in het werkingsgebied (of deelgebieden ervan). Engagementen over het inschrijven van indicator- en niet-indicatorleerlingen leggen LOP’s vaak vast in functie van het bereiken van eenzelfde relatieve aanwezigheid van indicatorleerlingen in de leerlingenpopulatie van alle scholen in het referentiegebied. Daarbij houden LOP’s weinig rekening met de aanwezige dynamieken binnen en tussen deelgebieden, zoals in- en uitgaande leerlingenstromen:

10

D.i. het aandeel indicatorleerlingen op het totale aantal leerlingen.


46

• In welke mate wordt rekening gehouden met de marge aan vraag- en aanbodzijde in de afgebakende gebieden om te werken aan sociale mix? • In welke mate wordt rekening gehouden met lokale capaciteitstekorten waardoor kinderen in andere deelgebieden moeten schoollopen? • In welke mate wordt rekening gehouden met de keuzevrijheid van ouders en hun bereidheid om de stap naar andere scholen te zetten?11

Cijfers over relatieve aanwezigheid worden vaak ‘mechanisch’ toegepast waarbij ernaar gestreefd wordt om de relatieve aanwezigheid van schoollopende kinderen in het referentiegebied te laten weerspiegelen in de leerlingenpopulatie van alle scholen. Voor sommige LOP’s is deze werkwijze de meest correcte en wenselijke werkwijze. Andere LOP’s die cijfers in kaart brachten over ‘wie loopt er momenteel school’ en ‘wie woont er momenteel’, noteerden daarentegen soms zeer grote verschillen tussen deelregio’s. Het ontwikkelen van een visie op wat een gezonde sociale mix in de lokale context precies betekent, blijft nog vaak uit. Naar aanleiding van een evaluatie van de eerste resultaten van de nieuwe inschrijvingsafspraken, zien we wel dat in een aantal LOP’s gesprekken in deze richting worden opgestart.12 In regio’s met capaciteitsproblemen geven de scholen aan dat door een verplichte sociale mix, ze niet langer meer kunnen rekruteren uit de meest gemotiveerde ouders. Ook individuele ouders voelen zich door het verplichte karakter in hun keuzevrijheid beknot, als vrije plaatsen voor hun eigen kinderen in het gedrang komen. Ze hebben namelijk minder impact of kunnen geen garantie verkrijgen op het verwerven van een plaats. Dat tast het draagvlak voor maatregelen in het kader van sociale mix aan. De stem van zwakkere ouders horen we in deze discussie vaak veel minder.13 2. Dubbele contingentering 2.1 Regelgevend kader De voorrangsregeling waarbij indicator- en niet-indicatorleerlingen gelijktijdig worden ingeschreven, wordt beschouwd als een aangewezen instrument om sociale mix te bewerkstellingen. Inschrijven met behulp van het systeem van dubbele contingentering is minder stigmatiserend: indicator- en niet-indicatorleerlingen kunnen zich gelijktijdig aanbieden in de school. Er wordt ook gemotiveerd dat het systeem meer garanties biedt om de verhouding indicator- en nietindicatorleerlingen in de scholen door de tijd heen in balans te houden (vermijden van een jojo-effect).

De opeenvolgende stappen bij dubbele contingentering zijn: 1)

Een schoolbestuur bepaalt voor elk van zijn scholen twee contingenten voor de gelijktijdige inschrijving van indicator- en niet-indicatorleerlingen. Deze contingenten zijn gericht op het verkrijgen van een evenredige verdeling en worden vastgelegd op elk niveau waarvoor er een capaciteit is bepaald en waarvoor leerlingen worden ingeschreven.

2) Vervolgens verlopen binnen elke voorrangsperiode de inschrijvingen chronologisch én per contingent. Loopt het ene contingent vol, terwijl er in het andere contingent nog plaatsen vrij zijn, dan worden de bijkomende inschrijvingen voor dat ene contingent uitgesteld tot aan het einde van de betreffende voorrangsperiode. 11 Zie ook Verhaeghe, J.P. (2013). 12 Zie ook LOP-verslaggeving. 13 Zie o.a. Nota van de raad van bestuur van de Methodeschool De Buurt, Gent; interne nota AgODi over inschrijvingsrecht en kamperen, dd. 6 maart 2013.


47

3)

Na afloop van elke voorrangsperiode nemen de leerlingen die uitgesteld werden ingeschreven, de resterende plaatsen in het andere contingent in, zolang daar nog plaatsen beschikbaar zijn en met respect voor de chronologie.

4)

Als beide contingenten vol zijn, ontvangen alle leerlingen die uitgesteld werden ingeschreven en ook alle volgende leerlingen een mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving.

5)

Voor leerlingen die zich aanboden tijdens een voorrangsperiode, zijn scholen verplicht om, bij het vrijkomen van een plaats, de chronologie van de niet-gerealiseerde inschrijvingen (de weigeringslijst) in het betreffende contingent te respecteren tot de vijfde schooldag van oktober (voor de kleuters van het jongste geboortejaar tot en met de eerste schooldag van september).

2.2 Interpretatie en signalen 2.2.1 Contingentering en capaciteitsbepaling Omdat de contingenten bepaald moeten worden op elk niveau waarvoor de school een capaciteit heeft vastgelegd, staat en valt de techniek van dubbele contingentering met een transparante capaciteitsbepaling. Zo is bijvoorbeeld het bepalen van capaciteiten en contingenten op het moment dat men nog onvoldoende zicht heeft op de interne doorstroming van eigen leerlingen naar het volgende schooljaar, een probleem. LOP’s signaleren dat in regio’s zonder capaciteitsproblemen de effecten van dubbele contingentering sterk (volledig) afhankelijk zijn van een succesvol toeleidingsbeleid van ouders en een actief toelatingsbeleid van scholen. Zonder een flankerend beleid genereert een inschrijvingsbeleid aan de hand van dubbele contingentering in deze situaties alleen maar planlast met weinig kans op resultaat. In regio’s met capaciteitsproblemen is het nuttig verder te onderzoeken of uitgestelde inschrijvingen in combinatie met lange voorrangsperiodes en dus periodes van onzekerheid, aanleiding geven tot meer dubbele inschrijvingen. De praktische haalbaarheid van de techniek van dubbele contingentering hangt ook samen met de manier waarop de contingenten worden bepaald. Het aangaan van realistische engagementen is belangrijk om het aantal uitgestelde inschrijvingen binnen de perken te houden en een actief toelatingsbeleid van de scholen en toeleidingsbeleid van de ouders kansen van slagen te geven. 2.2.2 Complexe vervangingsregels en nood aan ondersteunende instrumenten LOP’s signaleren dat het inschrijven van de verschillende voorrangsgroepen met behulp van de techniek van dubbele contingentering, aanleiding geeft tot complexe inschrijvings- en vervangingsregels. Dat is in het bijzonder het geval als het aanbod van een school niet altijd logisch gespreid is over de verschillende vestigingsplaatsen en/of bij de inschrijvingen wordt gewerkt met dubbele capaciteiten.14

14 Men spreekt over dubbele capaciteit als de capaciteit van het bovenliggende niveau lager is dan de som van de onderliggende capaciteitsniveaus. Voorbeeld: Voor ieder leerjaar is de capaciteit bepaald op twintig leerlingen, voor het lager onderwijs is de capaciteit bepaald op 100 leerlingen. Voor ieder geboortejaar is de capaciteit bepaald op twintig leerlingen, voor het kleuteronderwijs is de capaciteit bepaald op 70 leerlingen. De capaciteit op schoolniveau is 170 leerlingen. In dit voorbeeld is de onderliggende capaciteit het leerjaar/geboortejaar en de bovenliggende capaciteit het lager/ kleuteronderwijs.


48

LOP’s signaleren dat de integratie van de inschrijvingsregels in de schoolsoftware moeizaam verloopt: • Softwareleveranciers blijven worstelen met een adequate interpretatie van de regelgeving • Aan de programmatie van tellers en vervangingsregels is een kostprijs verbonden • Daarbovenop is de regelgeving weinig stabiel. Dat genereert telkens nieuwe programmatiekosten • De LOP’s adviseren de scholen om bij problemen contact op te nemen met de softwareleveranciers. 2.3.3 Bewust omzeilen van engagementen met betrekking tot sociale mix Een aantal LOP-deskundigen signaleert dat scholen die het gedachtegoed van meer sociale mix in hun regio niet ondersteunen, gebruikmaken van mechanismen om de effecten van dubbele contingentering te neutraliseren: • Capaciteiten in de beide contingenten opdrijven, zodat niet uitgesteld ingeschreven hoeft te worden • Capaciteiten in de beide contingenten erg laag houden (gelijkstellen met de beschikbare plaatsen voor inschrijving), zodat de effecten van dubbele contingentering beperkt blijven.

Enkele LOP-deskundigen signaleren ook dat soms onrealistische engagementen worden genomen met betrekking tot het bewerkstelligen van meer sociale mix in hun regio, omdat sommige scholen een omgevingsanalyse ten gronde vrezen. Sommige LOP-deskundigen noteren dat het systeem van uitgestelde inschrijvingen nog ‘manoeuvreerruimte’ laat aan de scholen, bijvoorbeeld uitgesteld inschrijven met al de toezegging aan de ouders dat ze definitief zijn ingeschreven.

LOP-deskundigen signaleren ten slotte ook dat scholen zich in de communicatie van hun capaciteiten en beschikbare plaatsen niet willen profileren op de cijfers per contingent. Deze cijfers leiden bij ouders mogelijk tot een verkeerd beeld van de schoolsamenstelling. 2.3.5 Operationalisering sociale mix aan de hand van indicator- en niet-indicatorleerlingen LOP’s stellen zich ook vragen bij de relevantie van de indicatoren die worden gehanteerd bij het bewerkstellingen van meer sociale mix bij de inschrijvingen: • Deze indicatoren wijken af van de sociale indicatoren die worden gehanteerd bij het toekennen van werkingsmiddelen en extra omkadering aan de scholen. Dat verhoogt de transparantie en het draagvlak bij de scholen niet. • Het uitblijven van een operationalisering van de indicator ‘laag gezinsinkomen’ voor de leerlingen die wel aanspraak kunnen maken op een schooltoelage, maar (nog) geen bewijslast kunnen voorleggen, weegt eveneens op het draagvlak bij de scholen voor een beleid naar meer sociale mix.

LOP-deskundigen signaleren dat scholen het opvragen van de bewijslast voor de indicatorstatus van de leerlingen bij de inschrijvingen als belastend ervaren: • Het opvragen van privacygevoelige informatie bij het eerste contact met de ouders vinden scholen moeilijk. • Ouders hebben niet altijd de gepaste documenten bij zich, waardoor niet kan worden ingeschreven (creëert situaties in de grijze zone).


49

• De bewijslast voor het opleidingsniveau van de moeder moet gebeuren aan de hand van een document dat is opgemaakt voor andere doeleinden. In dit document wordt ook gevraagd naar de bewijslast voor indicatoren die niet worden gebruikt in het kader van het inschrijvingsrecht. • In het kader van DISCIMUS krijgen scholen het signaal dat gegevens over de indicatoren die eerder al werden opgevraagd en zijn opgenomen in de gegevensbanken van AgODi, niet opnieuw bevraagd hoeven te worden bij de ouders (planlastreductie). Dat is tegenstrijdig met de informatie die scholen krijgen in het kader van het inschrijvingsrecht. Scholen zijn vragende partij om bij de inschrijvingen ook een beroep te kunnen doen op informatie over de indicatoren in de gegevensbanken van AgODi.

Er bestaat ook discussie over de controle van de bewijslast van de indicatoren: • Niet alle scholen zien het als hun opdracht om de bewijslast van de indicatoren te controleren. De instructies daarover in de omzendbrieven zijn niet altijd even duidelijk. • De bewijslast voor sommige indicatoren is fraudegevoelig. Zo wordt het lage opleidingsniveau van de moeder bewezen aan de hand van een verklaring op eer. Bij capaciteitsproblemen bestaat de verleiding bij ouders om daar niet geheel naar waarheid op te antwoorden.

De meest actuele gegevens die AgODi kan geven over de indicatoren voor sociale mix, hebben betrekking op schoolfoto’s die teruggaan tot twee schooljaren voorafgaand aan het schooljaar waarvoor wordt ingeschreven. De sociale samenstelling in de buurt en in de scholen kan in tussentijd geëvolueerd zijn. Dat geeft in een aantal LOP’s aanleiding tot discussie over de relevantie en actualiteitswaarde van de afgesproken streefcijfers. Ouders uit sommige buurten voelen zich benadeeld, omdat onvoldoende rekening is gehouden met recente evoluties.


50

Hoofdstuk 5 Afspraken maken over voorrangsperiodes: gezamenlijke tijdslijn… een hobbelig parcours15 Leidt lokale autonomie er overal toe dat er tussen scholen uit eenzelfde regio gemakkelijk duidelijke, transparante en breed gedragen gemeenschappelijke afspraken worden gemaakt? Toegegeven: in het verleden gingen we daar al eens graag van uit. Ondertussen constateren we in het veld ook een aantal beperkingen en grenzen van deze aanpak, soms letterlijke. Dat wordt meteen duidelijk als we het proces om tot een gezamenlijke tijdslijn bij de inschrijvingen te komen binnen een LOP-regio onder de loep nemen. Al van bij de oprichting van de LOP’s zijn er LOP’s die investeren in een gezamenlijke tijdslijn bij de inschrijvingen. Als die gemeenschappelijk kan zijn voor alle scholen in het LOP-gebied geniet dat de voorkeur. Later komen daar de verschillende voorrangsperiodes en aanmeldingsprocedures bij, met eigen uitdagingen voor de tijdslijn.

Globaal onderscheiden we op dit moment drie scenario’s: 1. Voor een aantal LOP’s is die volstrekte gemeenschappelijkheid in de volledige LOP-regio een evidentie of het leunt daar toch dicht tegen aan. Zij kunnen nauwkeurig monitoren en evalueren welke effecten hun afspraken teweegbrengen. Ze komen vrij snel tot kleine aanpassingen en voeren makkelijk nieuwe gemeenschappelijke elementen toe. Het communiceren over de gemeenschappelijke afspraken ligt voor de hand en vergemakkelijkt het inschrijvingsproces voor ouders, leerlingen en intermediairs. 2. Andere LOP’s zijn nog op weg naar volledige gemeenschappelijkheid rond de tijdslijn voor inschrijvingen. Het besef dat gemeenschappelijkheid alleen maar voordelen biedt, is er al aanwezig. Hier en daar zorgen een aantal randvoorwaarden en/of discussiepunten voor vertraging of kleine afwijkingen tegenover de algemene regel. Aangezien er vanuit een basis van gemeenschappelijkheid vertrokken wordt, kan er toch centraal vanuit het LOP gecommuniceerd worden. 3. Ten slotte zijn er LOP’s waar er nog geen afstemming is, laat staan enige vorm van gemeenschappelijkheid. Scholen richten zich daar nog uitsluitend op de eigen tradities en gebruiken of focussen in het beste geval al op de andere scholen binnen dezelfde scholengemeenschap of -groep. De volgende discussiepunten, randvoorwaarden … komen daarbij zeker op tafel en zijn horden die moeten worden genomen om tot gedragen en coherente oplossingen te komen. Regelgeving motiveert

Nieuwe regelgeving over inschrijvingsrecht zet aan om er de eerder gemaakte afspraken aan af te toetsen of geeft die afspraken een nieuw elan. Partners voelen zich meer verplicht om tot gezamenlijkheid te komen. In een aantal LOP’s kan er zo sterke vooruitgang worden geboekt. Dat gebeurt door enerzijds knelpunten te ontmijnen en anderzijds de bestaande procedures te verbeteren. In andere LOP’s blijven verschillende inschrijvingsmethodes naast elkaar bestaan. Het hanteren van gemeenschappelijke data en procedure maakt het inschrijvingsbeleid voor ouders veel transparanter. 15 Op basis van de ervaringen van de LOP-deskundigen voor het secundair onderwijs in Gent, Leuven, Tienen, Antwerpen, Kortrijk-Menen en Brugge-Blankenberge.


51

Gelijke onderwijskansen voorop en de gedragenheid ervan

Soms zijn een aantal partners nog niet helemaal mee in het samenwerken en samen denken rond gelijke onderwijskansen, toch is er de bereidheid om de doelstellingen van het decreet na te streven. LOP’s gaan op zoek naar meer gelijke onderwijskansen voor ouders en leerlingen. Continuïteit in het inschrijvingsbeleid staat borg voor een transparant en gemakkelijk hanteerbaar systeem, waarbij niemand uit de boot valt. Discussiëren over de tijdslijn maakt de noodzaak duidelijk om eerst of gelijktijdig ook nog andere items te regelen rond het besluitvormingsproces. Binnen een aantal LOP’s gaat dat ook gepaard met aanpassingen in het besluitvormingsproces om er zeker van te zijn dat gezamenlijke afspraken breed worden gedragen. Het organigram van het LOP, het huishoudelijke reglement, het aanwezigheidsquorum en meerderheden die moeten worden behaald, ondergaan in de periode dat er over de tijdslijn wordt vergaderd vaak ingrijpende wijzigingen. In sommige LOP’s leidt dat proces tot wel vier gewone of buitengewone algemene vergaderingen op een jaar. Alles staat in het teken om het beslissingsproces vlot te laten verlopen. De pedagogische inkijk

Er groeit eensgezindheid over het zo laat mogelijk inschrijven. LOP’s vinden dat het werk op vlak van studieoriëntering van het BaO en van het clb gehonoreerd moet worden. Inschrijven vooraleer dat werk geheel of gedeeltelijk afgerond is, doet daar afbreuk aan. Daarenboven moeten ook ouders en leerlingen de tijd hebben om zich te informeren. Vaak zien we op infovergaderingen voor leerlingen uit het zesde leerjaar dat ook ouders opduiken uit het vijfde en zelfs vierde leerjaar. De leerlingen uit het zesde jaar zijn namelijk al ingeschreven. Voor het buitengewoon onderwijs stelt zich het probleem dat in geval van vroege inschrijvingen er nog geen zicht is op de doorstroming van het huidige leerlingenbestand (b.v. beperkte uitstroom in bepaalde opleidingsvormen en types). Vroeg inschrijven leidt hier alleen maar tot veel niet-gerealiseerde inschrijvingen met lange wachtlijsten en onzekerheden voor ouders en leerlingen tot gevolg. In verband met o.a. het opmaken van de verslagen sluiten ook de clb’s zich aan bij de vraag naar late inschrijvingsperiodes.

Campusvoorrang als spelbreker Een schoolbestuur met scholen gelegen binnen een LOP-gebied en gelegen op één campus16 kan ervoor kiezen om bij de overgang van het basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs voorrang te verlenen aan de leerlingen van de ‘campusschool’. Deze specifieke voorrangsgroep is voorzien omdat basisscholen en secundaire scholen van eenzelfde schoolbestuur én gelegen op dezelfde campus door zowel leerlingen en ouders als schoolbesturen als één school worden ervaren. Het gaat hier niet om een bij decreet verplichte voorrangsgroep. Als een schoolbestuur deze voorrangsgroep wil gebruiken, dan moet het LOP secundair onderwijs er haar goedkeuring aan verlenen bij dubbele meerderheid en na positief advies bij meerderheid van het betrokken LOP basisonderwijs of als er geen LOP basisonderwijs is, na positief advies bij meerderheid van de schoolbesturen van de lagere scholen en basisscholen gelegen in het LOP-gebied secundair onderwijs.

16 D.i.gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg.


52

De goedkeuring bij dubbele meerderheid binnen het betrokken LOP secundair onderwijs wordt bereikt wanneer enerzijds meer dan de helft van de aanwezige onderwijsparticipanten17 en anderzijds meer dan de helft van de aanwezige niet-onderwijsparticipanten18 er hun goedkeuring aan verlenen. Het positief advies bij meerderheid binnen het betrokken LOP basisonderwijs wordt bereikt wanneer het verleend wordt door enerzijds meer dan de helft van de aanwezige onderwijsparticipanten en anderzijds meer dan de helft van alle aanwezige participanten. Door de aard van het beslissingsproces, waarbij er eerst een gunstig advies moet zijn van het LOP BaO voelt een enkel LOP zich ‘gehinderd’ in de verwezenlijking van een gemeenschappelijke tijdslijn. Doordat in een aantal LOP’s de scholen van buitengewoon onderwijs vragen om campusvoorrang te geven, biedt dat een kans om het buitengewoon onderwijs meer te betrekken in de LOP-werking dan vroeger. In de meeste LOP’s wordt de campusvoorrang afgewezen. De leden van deze LOP’s hekelen vooral het discriminatoir karakter, want niet elke school heeft een campus. Het opnieuw ter beschikking stellen van alle plaatsen in de instapjaren, ook in de campusscholen, garandeert voor hen meer gelijke onderwijskansen. In een regio zonder capaciteitstekort stelt er zich geen probleem. Waar er wel een tekort is, zou campusvoorrang kunnen leiden tot nog bijkomende druk op de inschrijvingen in het basisonderwijs. Ouders willen namelijk zeker zijn van een plaatsje achteraf in het secundair onderwijs. In het buitengewoon onderwijs speelt dat nog meer door de aangepaste zorg die leerlingen krijgen en die ouders willen continueren. Toch kan je moeilijk aan ouders, die al jaren zelf voor de gepaste zorg voor hun kind ingestaan hebben, uitleggen dat ze beter al veel vroeger in het buitengewoon onderwijs ingeschreven hadden om zo een plaatsje te verzekeren. Met de invoering van het M-decreet is dat geen voor de hand liggende uitleg.

Elke rand heeft zijn rand(jes) De grenzen tussen scholen in een LOP-gebied en erbuiten worden heel scherp als het gaat over het vastleggen van de tijdslijn. Vroeg starten met de inschrijvingen roept wrevel op bij de scholen in de rand. Bij laat starten, ageren de eigen scholen in de LOP-regio. De angst om leerlingen te verliezen aan regio’s die vroeger starten dan de eigen regio, zit er traditioneel nog diep in. Concurrentiële overwegingen zetten scholen ertoe aan om gemeenschappelijke data af te spreken, ook met de rand. Door de afwezigheid van een LOP is het onderhandelen tussen individuele schoolbesturen vaak een tijdrovende en onzekere bezigheid, die heel wat ‘masseerwerk’ vereist. Daarenboven leidt elke overtuigde rand telkens weer tot bijkomende nieuwe randen met nieuwe uitdagingen tot gevolg. Sommige ‘randen’ nemen grote proporties aan. Zo vragen, voorlopig zonder gevolg, b.v. de verschillende LOP’s uit het Waasland en hun randen om de inschrijvingsdata te kunnen afstemmen met Gent. Dat zou tot één algemene OostVlaamse regeling kunnen leiden. De LOP’s uit deze regio vragen om dat centraal te regelen via een vaste tijdslijn voor iedereen over heel Vlaanderen. Die vraag leeft ook in andere regio’s. Veelzeggend is dat de hierboven beschreven spanningsvelden, drempels en moeilijk te nemen obstakels in dezelfde lijn liggen als de bevindingen na één jaar invoering van het nieuwe decreet inschrijvingsrecht van 2011/1219. Hierin werd al aangegeven dat: 17 Directies en besturen van scholen gewoon secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en clb’s gelegen in het LOP-gebied. 18 Vakorganisaties, ouderverenigingen, leerlingenraden, lokale socio-culturele en/of economische partners, organisaties van etnisch-culturele minderheden, verenigingen waar armen het woord nemen, integratiesector, onthaalbureau, schoolopbouwwerk. 19 Evaluatierapport. Het eerste implementatiejaar van het decreet inschrijvingsrecht., AgODi – Departement Onderwijs en Vorming.


53

• de lokale autonomie en afstemming leidt tot een groot gebrek aan eenvormigheid over de LOP-grenzen heen • dat de transparantie voor ouders, leerlingen en intermediairs niet ten goede komt • de angst om leerlingen te verliezen aan omliggende regio’s wegens vroegere inschrijvingsdata daar, de debatten stuurt • de gewenste richting waarin de inschrijvingsdata verschuiven naar later in het schooljaar is. Ondertussen is het spanningsveld alleen nog scherper gesteld en zien we dat er in meer en meer regio’s in Vlaanderen gestreefd wordt naar gemeenschappelijke tijdslijnen.


54

Hoofdstuk 6 Communicatie over inschrijvingsafspraken Zie ook volgende tabel in bijlage: 18 De decreetgever bepaalt dat afspraken over inschrijvingsbeleid maken, gepaard moet gaan met een duidelijke communicatie ervan naar ‘alle belanghebbenden’. Zowel de inschrijvingsperiodes als de capaciteiten (per contingent), en in het geval van aanmeldingen ook de vrije plaatsen (per contingent) en de volledige aanmeldingsprocedure, moeten duidelijk zijn voor iedereen die daarbij betrokken is. Het gaat dan over wie betrokken is op school (de directie, leerkrachten, secretariaat), bij de clb’s, bij de stad of bij intermediaire organisaties die ouders bijstaan en allerbelangrijkst: bij de ouders zelf die hun kind willen inschrijven in een school. In deze bijdrage beperken we ons tot de communicatie naar en met de meest belanghebbenden in dit verhaal: de ouders. Hoe krijg je als school of samen als gemeente of als LOP de afspraken tot bij alle ouders en hoe verkrijg je ook dat deze tijdens de correcte periode én met de nodige documenten hun kinderen aanmelden en/of inschrijven? We bekijken in twee zeer verschillende LOP’s (Bilzen/Tongeren BaO en Regio Mechelen BaO) hoe ze concreet aan de slag zijn gegaan.

1. Omstandigheden en afspraken verschillen, (goede) communicatie primeert De uitdagingen en oplossingen naar inschrijvingsbeleid zijn verschillend naargelang van de grootte van de gemeente, het niveau (basis of secundair) en de mate waarin er lokaal een evenwicht is tussen onderwijsaanbod en -vraag (capaciteit). De grote steden in Vlaanderen (Antwerpen, Gent en Brussel) kennen al geruime tijd een capaciteitsproblematiek in heel wat scholen en buurten. Ook kleinere steden en gemeenten blijven niet gespaard. Om orde te scheppen, worden daar afspraken gemaakt voor gemeenschappelijke inschrijvingsperiodes, gemeenschappelijke communicatiekanalen en (steeds vaker) ook voor een gemeenschappelijk aanmeldingssysteem. Soms is dat laatste er voor een aantal scholen, maar nog vaker is het aanmeldingssysteem er voor alle scholen van de gemeente. In andere gemeenten – zoals bijvoorbeeld de kustgemeenten, die geconfronteerd worden met een ontgroening van de bevolking – is er ruim voldoende capaciteit op de scholen. Zij voelen de nood minder om te investeren in uitgebreide debatten over een lokaal inschrijvingsbeleid. Dat neemt echter niet weg dat er wel soms gesprekken zijn over sociaaleconomische segregatie in het lokale onderwijsveld. Hoe ruim of beperkt de inschrijvingsafspraken ook zijn, het is in elke gemeente een bekommernis dat ouders op een duidelijke en laagdrempelige manier informatie krijgen over wanneer en hoe ze hun kinderen kunnen inschrijven op school. Scholen zijn ervoor verantwoordelijk dat ze de info over inschrijven aan ‘alle belanghebbenden’ communiceren. De efficiëntie gebiedt om dat – zeker in een LOP-gebied – gecoördineerd te laten verlopen. Communicatie over inschrijvingsafspraken is dan ook een centraal gegeven in heel wat LOP’s. De invulling van dit communicatieluik gebeurt altijd op maat van de lokale noden, in samenwerking met de lokale stakeholders. De LOP-deskundigen krijgen vanuit AgODi ook ondersteuning, toetsingskaders en mogelijkheden tot uitwisseling om lokaal de nodige puzzelstukken aan te leveren bij het opmaken van een gemeenschappelijk communicatieplan. In de LOP’s komen de partners rond de tafel, maken ze afspraken en zoeken ze samen naar de juiste kanalen om te communiceren.


55

2. Uit de praktijk gegrepen: het communicatieplan van twee LOP’s 2.1 LOP Basisonderwijs Bilzen en Tongeren In de Zuid-Limburgse LOP’s Basisonderwijs Tongeren en Bilzen is inschrijvingsbeleid voor het ingaan van het nieuwe inschrijvingsdecreet van mei 2011 geen prioritair agendapunt. Capaciteitsproblemen zijn er niet, voor gesprekken over inschrijvingsrecht is er weinig animo bij de lokale partners. LOP’s maken een aantal minimale afspraken over hoe ze het lokale inschrijvingsbeleid vorm willen geven (over capaciteiten, inschrijvingsperiodes, aanmelden of niet). De partners komen al snel tot een aantal afspraken: onder meer over gemeenschappelijke inschrijvingsperiodes in Bilzen en Tongeren, maar ook over het feit dat er een gemeenschappelijke communicatie over inschrijven moet plaatsvinden. Nadat het dagelijks bestuur de krijtlijnen vastlegt, en de algemene vergadering die goedkeurt, roept het LOP een ad hoc-werkgroep in het leven om te werken aan de opmaak en uitvoering van een gemeenschappelijk communicatieplan. De eerste versie van het communicatieplan hangt de werkgroep op aan de kapstok ‘wie’ zal communiceren (via welk kanaal, en waarover): de centrale overheid (die in eerste instantie een brede communicatiecampagne plant), het LOP, de scholen, de stad, de clb’s. Iedereen is mede-eigenaar van het communicatieplan. Het LOP maakt de eerste folder over inschrijven voor ouders (van toekomstige instappers) zelf en gaat later in zee met een private partner voor de opmaak.


56

Later hangt het LOP de communicatie aan een andere kapstok op, namelijk aan ‘wat en waarover communiceren’ (wat is de boodschap), om van daaruit te zoeken naar de beste partners en kanalen. De gemeenten worden door de tijd heen sterker betrokken partner, onder meer in het verspreiden van de folders naar ouders van instappers. Via de OCMW’s, die met kansengroepen werken, worden de teksten in de folders gescreend, zodat ze voldoende laagdrempelig worden. Het LOP ontwikkelt ook een checklist voor ouders die hun kind willen inschrijven. De kritische evaluatie van de afspraken en de communicatiecampagne gebeurt jaarlijks door het dagelijks bestuur in het begin van het schooljaar waarop de inschrijvingen betrekking hebben. Dat gebeurt in functie van eventuele bijsturingen voor de volgende inschrijvingscampagne. Het communicatieplanningsproces verloopt steeds vlotter. Er wordt meer geïnvesteerd in het verbeteren van de kwaliteit van de communicatie. Het decreet geeft in deze LOP’s de aanleiding tot een meer gestructureerd overleg over inschrijven. Het brengt partners rond de tafel voor wie het thema aanvankelijk niet prioritair (wegens geen problemen) is, maar die gaandeweg wel een modus vinden om daarmee om te gaan.

2.2 LOP Basisonderwijs Bonheiden, Mechelen, Sint-Katelijne-Waver en Zemst Tot en met de inschrijvingen voor het schooljaar 2012-2013 zijn er in de regio Mechelen geen afspraken rond gemeenschappelijke inschrijvingsperiodes. Voor de ouders en andere belanghebbenden wordt een lange lijst opgemaakt met de verschillende inschrijvingsperiodes per school. Voor ouders is dat weinig overzichtelijk en verscheidene LOP-partners vinden dat niet langer een wenselijke situatie. Vroege inschrijvingsdata zijn op dat moment een element in de concurrentie tussen scholen wat leidt tot bijzonder veel dubbele inschrijvingen. De besprekingen rond gemeenschappelijke inschrijvingsdata verlopen vaak stroef, omdat de LOP-regio erg uitgestrekt is en er bijgevolg ook veel scholen zijn die concurrentie ondervinden van de gemeenten aan de buitengrens van het LOP. Het inschrijvingsdecreet vormt in 2011 een kantelpunt, waardoor de gesprekken in een stroomversnelling komen. Vanaf het schooljaar 2013-2014 komen er – mee door de toenemende capaciteitsdruk in Mechelen – wel gemeenschappelijke inschrijvingsperiodes voor het LOP. De communicatie naar ouders wordt daardoor plots eenvoudiger te organiseren en overzichtelijker voor alle betrokkenen. Op www.lop.be komt een overzicht van de geboortejaren en leerjaren die volzet zijn, een belangrijke vraag van ouders en clb’s. Op dezelfde site komt onder de rubriek INFO VOOR OUDERS een overzicht van de belangrijkste veelgestelde vragen. Alle documenten die belangrijk zijn bij inschrijving worden vrij ter beschikking gesteld. Een werkgroep maakt een communicatieplan dat verder moet reiken dan de website. Een overzichtelijke brochure wordt het speerpunt van de communicatiecampagne. De belangrijkste LOP-partners stellen de tekst in de brochure mee op. De brochure wordt besproken in verenigingen waar armen het woord nemen en in de integratiesector. Na een aantal werkversies krijgt de brochure uiteindelijk een ruime goedkeuring. Ze wordt het scharnierpunt in het communicatieplan. De stad Mechelen en de gemeenten Zemst, Bonheiden en Sint-Katelijne-Waver leveren sindsdien adresetiketten van de kinderen van het jongste geboortejaar die zich kunnen inschrijven. Het LOP verzorgt het drukwerk en de verzending van al deze brochures. De brochures worden in januari verstuurd. Ze zijn ook te vinden aan alle balies van gemeentelijke


57

en stedelijke diensten en bij een breed netwerk van partners. Tegelijk verschijnen de affiche en een korte tekst in de gemeentelijke en stedelijke infobrochure en in de digitale communicatiekanalen. Alle kinderdagverblijven en crèches ontvangen een infopakket. In de voorbije jaren is het communicatieplan gaandeweg meer dan alleen maar een tijdslijn en een informatiepakket geworden. Belangrijke partners als Kind & Gezin, het Sociaal huis, Huis van het Kind, Samenlevingsopbouw, School in Zicht en de kinderwerking zijn door de vele contacten uitgegroeid tot een breed netwerk rond het LOP. Zij hebben toegang tot ouders die met digitale en papieren informatie soms moeilijk te bereiken zijn. De communicatie rond gemeenschappelijke inschrijvingsperiodes stimuleert allerlei dynamieken en laat samenwerkingsverbanden ontstaan waardoor het LOP een sterk geheel is geworden.


58

Hoofdstuk 7 De kijk van een LOP-voorzitter op inschrijvingsrecht20 Het vernieuwde inschrijvingsrecht in het Gentse LOP basisonderwijs Jean-Pierre Verhaeghe Voorzitter LOP Gent Basisonderwijs

Op 9 november 2011 keurt het Vlaamse Parlement het decreet op het inschrijvingsrecht goed. Nieuw voor Gent was uiteraard vooral de dubbele contingentering voor kansarm en kansrijk. Met het idee waren we tegen dan al wat vertrouwd. Het voorstel van decreet had een lange weg afgelegd doorheen allerlei adviserende instanties. Vanuit de Vlaamse Onderwijsraad was ook een omstandig advies geformuleerd. Verschillende LOP-voorzitters waren in de loop van het totstandkomingsproces ook ‘gehoord’.

Het concept van de dubbele contingentering was in Gent al ruim vóór de goedkeuring van het decreet op de Coördinatievergadering van het LOP ter sprake gekomen. Tot mijn verrassing was de teneur van de reacties: “Dat we daar niet eerder op gekomen waren! Een evenredige, gelijktijdige voorrang in álle scholen voor GOK- én niet-GOK-leerlingen ...”. Het leek het ei van Columbus wel. Want laat ons eerlijk zijn: de sinds 2005 bestaande regeling, met vrijwillige, dus niet in alle scholen geldende, eenzijdige voorrang hetzij voor GOK-leerlingen, hetzij voor niet-GOK-leerlingen in een aparte aanmeldings- en inschrijvingsperiode, was nooit een groot succes. Ze werd vooral gebruikt door scholen die al veel GOK-leerlingen hadden, in een poging om wat meer niet-GOK-leerlingen binnen te krijgen. Het systeem was moeilijk aan ouders uit te leggen. Voor de scholen met veel GOK-leerlingen die er gebruik van maakten, kwam het erop neer dat ze zich eigenlijk als ‘zwarte’ school moesten afficheren. En veel ouders die een ticket voor zo’n voorrangbiedende school verworven hadden, maakten van de reguliere aanmeldingsperiode gebruik om toch nog te proberen hun kind in een andere, ‘wittere’ school binnen te krijgen. De effecten op de sociale mix waren miniem.

20

Referenties:

Verhaeghe, J.P. (2013a). Het (de)segregerend effect van het werken met deelgebieden bij de toepassing van de evenredige verdeling van kansarme en kansrijke leerlingen. Het Gentse basisonderwijs als casestudy. Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 2012-13 (3-4), 205 – 225. Verhaeghe, J.P. (2013b). Het schoolinschrijvingsrecht. Een analyse van wat er is met aanbevelingen voor wat het kan worden. Gent: LOP Gent Basisonderwijs. Verhaeghe, J.P. & Goetmaeckers, J. (2013). Naar een betere sociale mix in het Gentse basisonderwijs? Een voorlopige evaluatie op basis van de inschrijvingen voor het schooljaar 2013-2014. Gent: LOP Gent Basisonderwijs. Verhaeghe, J.P. (2014). Sociale mix en vrije schoolkeuze. Reflecties vanuit Gentse ervaringen. De Geus. Magazine Vrijzinnige Actualiteit Oost-Vlaanderen, 46(3), 6-10.


59

Uitdaging 1: een nieuw elektronisch platform Het softwarepakket voor het Centraal Aanmeldingsregister (CAR) dat tussen 2008 en 2011 in samenwerking met Antwerpen ontwikkeld was, had van beide stedelijke overheden al grote investeringen gevergd. Ik was als LOP-voorzitter toch wel wat beducht voor de financiële consequenties van de op til staande nieuwe regeling. Op mijn voorzichtige opmerking daarover tijdens een coördinatievergadering van het LOP reageerde de vertegenwoordiger van de Stad Gent dat we toch het best meteen voor de full monty gingen. Dat betekende dus niet aansturen op een overgangsperiode, maar meteen voluit gaan. We besloten alvast wat verkennend werk te doen.

Uit een eerste gedachtewisseling tussen enkele betrokkenen uit Gent en Antwerpen op 29 juni 2011 in Gent bleek dat: • de nieuwe regels een volledig herdenken van de bestaande software van de huidige aanmeldingssystemen van Gent BaO en Antwerpen BaO zouden vergen • we van de gelegenheid het best gebruik zouden maken om de structuur van de software meer doordacht te maken. Zo zouden nieuwe aanpassingen eenvoudiger worden • we het best opteerden voor de ontwikkeling van een generiek platform dat verscheidene applicaties (door verschillende LOP’s) toelaat.

In de zomer van 2011 hield ik me alvast wat bezig met het vertalen van de decretale regels uit het voorstel van decreet naar een logica die voor softwareontwikkelaars als uitgangspunt genomen kon worden. Het idee van contingentering was niet nieuw. Dat hadden we in Gent en Antwerpen sinds 2010 al toegepast voor de verdeling van de vrije plaatsen volgens twee naast elkaar staande afstandsrangordeningen: één waarin alleen de afstand thuis – school een rol speelt, en een tweede waarin ook de afstand werkplek – school een rol speelt. Daardoor was de uitbreiding naar een systeem met een contingentering voor kansarm/kansrijk gauw gemaakt. De combinatie met de voorrangsregels voor broers en zussen en voor kinderen van personeelsleden lag moeilijker. Daarnaast maakte de verplichting om bij de cesuurbepaling ook rekening te houden met de indicatorstatus van de al ingeschreven leerlingen de zaken nog complexer, net zoals de vraag wat te doen met aangemelde leerlingen voor wie de status (indicator/niet-indicator) niet bepaald kon worden. Het document dat uit die analyses resulteerde, vormde de insteek van het LOP in het verdere overleg met ICT-specialisten. Voor mij was de bekommernis vooral dat wat uit die ICTwerkzaamheden zou resulteren, zou kloppen met de decretale regels en de afspraken binnen het LOP.

Uitdaging 2: een nieuwe omgevingsanalyse Na de goedkeuring van het decreet zijn we binnen het LOP meteen met een werkgroep aan de slag gegaan. De grote vraag was hoe de streefpercentages voor de verhouding kansarm/kansrijk bepaald moesten worden. Dat gaf aanleiding tot een heel nieuwe omgevingsanalyse. Daaruit kwam naar voren dat: • we voor het kleuteronderwijs enerzijds en voor het lager onderwijs anderzijds het best aparte streefwaarden zouden hanteren.


60

• de socio-demografische verschillen tussen wijken zo groot zijn, dat één streefwaarde voor heel Gent onrealistisch is en de segregatie binnen een wijk zelfs zou kunnen doen toenemen, tenzij men ervoor zou opteren om massaal (minstens 880) kinderen van de meest kansarme gebieden op transport te zetten naar meer kansrijke deelgemeenten. Maar – omdat de scholen daar ook vol zitten – zou dat alleen mogelijk zijn met een even groot dagelijks transport vanuit de meest kansrijke gebieden naar de meest kansarme. Ondoenbaar uiteraard. • in de meest kansarme wijken het aandeel kansarme kinderen in de scholen groter was dan in de buurt. Ons baseren op de verdeling kansarm/kansrijk bij de leerlingen die in een wijk schoollopen, zou de historisch gegroeide segregatie alleen maar bestendigen. We moeten dus wel vertrekken van de verhouding kansarm/kansrijk bij wie in een wijk woont. • enkele wijken als bufferzone fungeren. Het totale aantal kinderen dat er schoolloopt én het aandeel kansarme kinderen dat er schoolloopt, ligt er hoger dan het aantal/aandeel dat er woont. Om die bufferfunctie te kunnen vrijwaren, moesten we voor die wijken de streefwaarden wél weer baseren op de verhouding kansarm/kansrijk bij de kinderen die er schoollopen. • het grote capaciteitstekort in de meest kansarme wijken een grote rem zet op het bereiken van een betere sociale mix.

Bovenal werden we er ons bewust van dat de dubbele contingentering niet meer is dan een technisch hulpmiddel dat alleen maar effect kon hebben áls tegelijk van onderuit ook toeleidingsacties naar kansarme scholen in de buurt opgezet werden. Omgekeerd vormt de dubbele contingentering het noodzakelijke sluitstuk voor zulke toeleidingsacties, als we de ouders de nodige garanties willen kunnen bieden. Zo willen sommige Nederlandstalige ouders best wel de sprong naar een ‘zwarte’ school in de buurt wagen, maar dan wel alleen op voorwaarde dat hun kind er niet het enige Nederlandstalige in de klas zou zijn … (en twee of drie vinden ze dan ook niet genoeg). Voor de eigenlijke indeling in deelgebieden konden we vertrekken van een bestaande administratieve indeling van 25 stadswijken. Die werden samengevoegd – en deels hertekend – tot zestien deelgebieden. Klein genoeg om de afstand thuis – school haalbaar te houden voor ouders die hun peuter te voet naar school brengen. Tegelijk was dat voldoende groot om toevallige jaarlijkse schommelingen in de streefcijfers zo veel mogelijk te vermijden én om de mogelijkheden tot desegregatie voldoende groot te houden. Idealiter moest een deelgebied minstens 200 kleuters en minstens 200 lagere schoolkinderen tellen.

Oog en oor voor bekommernissen aan de basis Net zoals we in 2008 al gedaan hadden bij de allereerste introductie van ons CAR, organiseerden we vóór de bespreking en stemming in de algemene vergadering in het voorjaar 2012 besprekingen in kleinere groepen van LOP-leden. Deze discussies leidde tot de ‘minimum 5-regel’. Bij een capaciteit van minstens tien (per geboortejaar/ leerjaar) geldt per contingent een minimum van vijf leerlingen, wat ook de verhouding kansarm/kansrijk in de buurt is. Dat moet kleine scholen in bijvoorbeeld een buurt met een verhouding kansarm/kansrijk van 70/30 helpen verhinderen dat ze uiteindelijk toch een 100% concentratieschool worden. De wens van kansrijke ouders was namelijk dat hun kind toch niet in een uitgesproken minderheidspositie terecht zou komen. Op een gelijkaardige manier leidden dergelijke discussies in kleine groep bij de eerste evaluatie een jaar later (voorjaar 2013) tot het idee om voor de instappertjes met gecorrigeerde streefwaarden te werken. Er was namelijk vastgesteld dat de dubbele contingentering in het eerste jaar van de toepassing ervan tot scheeftrekkingen leidde, omdat instappertjes zonder oudere broer of zus niet konden aanvinken op het schooltoelagecriterium. Voldeden ze ook niet aan een van de andere indicatoren, dan moesten ze als kansrijk worden geteld, ook al werd algauw duidelijk dat ze in werkelijkheid kansarm waren (en het schooljaar erop wel aan het schooltoelagecriterium zouden voldoen). Dat bleek in sommige deelgebieden voor 15% tot 21% van die instappers het geval te zijn.


61

Het werd voor het LOP een bijzonder arbeidsintensief voorjaar 2012, met al op 6 maart een algemene vergadering. Tijdens de algemene vergadering werden de plannen voor het nieuwe CAR met grote dubbele meerderheid goedgekeurd (net op tijd, want drie dagen later werd mijn jongste dochter geboren). Niet alles werd echter goedgekeurd. Met enkele methodescholen hadden we ook een vraag tot afwijking voorbereid, zodat CAR bij hen – naar Antwerps voorbeeld – een deel van hun vrije plaatsen op basis van toeval aan niet-in-de-buurt-wonende kinderen kon toebedelen. De algemene vergadering wees die vragen tot afwijking af.

De miserie van 2013 Volgens plan werden de instappers die voorrang genoten als broer of zus of als kind van een personeelslid, al vooraf ingeschreven in oktober 2012. Zo kregen we beter zicht op het werkelijke aantal vrije plaatsen, wat nuttig is voor de organisatie van de toeleidingsacties. Dat was geen overbodige luxe, want het bleek algauw dat ruim 40% van alle vrije plaatsen in de instapklas naar die voorrangsgroep ging. In sommige scholen gingen alle of bijna alle vrije plaatsen in de instapklas naar broers en zussen van oudere leerlingen of (bijna) alle plaatsen uit één van beide contingenten. Tijdens en na de aanmeldingen riep dat bij sommige ouders van andere kinderen uit dat contingent de vraag op waarom hun kind niet binnen kon en zoveel andere, verder af wonende kinderen wél … Niet toevallig kregen we boze reacties daarover, vooral van kansrijke ouders. Zij zagen daarin een onrechtmatige bevoordeling van kansarme kinderen en een discriminatie van kansrijke kinderen. Dat was ten onrechte, maar het bleek niet altijd zo makkelijk om uit te leggen dat broers en zussen van oudere leerlingen ook al plaatsen in hun contingent innemen. De allereerste aanmeldingen volgens de nieuwe regeling vonden in februari 2013 plaats. Dat het technisch niet geheel vlekkeloos verliep, moeten we in dit verband als een kanjer van een understatement beschouwen. Aangezien die problemen ondertussen allemaal opgelost zijn, gaan we er niet verder op in. Erger vond ik de negatieve toonzetting in de pers. Voor Gent betrof het dan berichtgeving over een vermeende tendens onder ouders om te frauderen met achtergrondgegevens, kwestie van toch maar in de school van hoogste voorkeur binnen te raken. Welgeteld acht dergelijke klachten kregen we binnen, waarvan de helft uit één school. Het aantal ouders dat werkelijk met opzet de boel belazerde, kon je op minder dan de vingers van één hand tellen. Op een totaal aantal van 2.343 aangemelde kinderen kun je dat bezwaarlijk een tendens noemen.

Positieve resultaten in 2013 en 2014 Ondertussen werd het nieuwe inschrijvingsrecht in 2014 al voor de tweede keer in de praktijk omgezet. De resultaten waren vrij gelijklopend met 2013. Ruim 85% van alle Gentse instappertjes wordt aangemeld via CAR. Ruim 70% van de instappertjes kan in de school van hoogste voorkeur terecht. Het aandeel aangemelde instappertjes dat geen ticket verwierf, daalde van 6,5% (in 2013) naar 3,9% (in 2014). We combineerden die cijfers met het antwoord dat ouders gemiddeld geven op de vraag: Hoe tevreden zou u zijn met een plaats in een school van uw hoogste (resp. 2e, 3e, 4e, 5e of lagere) voorkeur? We kwamen dan uit op een globale tevredenheidsscore van 8,7 op 10. Een andere bevraging bevestigde die positieve score. Ruim 80% van de Gentse ouders vindt het aanmelden goed geregeld. In het bijzonder over de helpdesk is de tevredenheid heel groot. Ook driekwart van de Gentse scholen blijkt tevreden met de manier waarop het aanmelden geregeld is. In het najaar 2013 maakten we op basis van de inschrijvingen in maart (volgend op de aanmeldingsperiode) en van de late inschrijvingen tot eind september een eerste balans op van de impact van de nieuwe regelgeving op de sociale mix. Voor zeven deelgebieden werd een duidelijke desegregatietendens genoteerd. Die zeven vormen een staalkaart van Gent, met onder meer de meest kansarme deelgebieden (westelijke 19e-eeuwse gordel), een gemengd deelgebied en twee deelgebieden die fungeren als bufferzone. In één deelgebied werd een toegenomen segregatie vastgesteld. In


62

twee andere deelgebieden leidde het capaciteitstekort in een naburig kansarm deelgebied tot een disproportionele toename van het aantal kansarme instappertjes in telkens één school (telkens de school die het dichtst bij dat kansarme deelgebied ligt) en daarmee tot een verstoring van de evenredige verdeling binnen die twee deelgebieden. In de zes andere deelgebieden was het aantal instappers te klein (< 100) om al na één jaar tot duidelijke conclusies te komen. Deze positieve bevindingen steken schril af tegen de negatieve geluiden die men uit diverse hoeken in Vlaanderen kan horen: dat ouders zouden vinden dat ze niet vrij meer kunnen kiezen, dat kinderen terechtkomen in scholen die de ouders helemaal niet willen enz. Op die kritieken heb ik elders al gereageerd. Ook de fameuze carrousel waar sommigen over klagen, blijkt in Gent vrij beperkt te zijn. Amper 100 instappertjes (3% van het totaal) is daarbij betrokken. Dat is gemiddeld één per vestigingsplaats. Al ligt het in sommige scholen natuurlijk wel hoger. Die carrousel is echter een prijs die we bereid moeten zijn te betalen als we de vrije keuze van school en vestigingsplaats in ere willen houden en als we het vertrouwen van ouders in het aanmeldingssysteem en daarmee de effectiviteit van het aanmeldingssysteem willen behouden.

De toekomst In de nabije toekomst geven we er de voorkeur aan dat de decretale regeling die nu bestaat, verder alle kansen krijgt om in de praktijk tot volle wasdom te komen. Zo zijn we in Gent momenteel aan het bekijken hoe we de indeling in deelgebieden voor de bepaling van de streefwaarden bij de dubbele contingentering op een andere leest kunnen schoeien. We willen daarbij niet meer vertrekken van een historisch gegroeide administratieve indeling in stadswijken, maar van elke vestigingsplaats als middelpunt van een geografische omschrijving met een minimumaantal kinderen en afstanden die haalbaar zijn voor wie zijn kinderen te voet naar school brengt. Dat zo’n indeling tot elkaar overlappende deelgebieden leidt, maakt de oefening niet eenvoudig. Toch loont ze de moeite om te doen, omdat de huidige indeling lang niet alle scholen in het midden van hun omgeving plaatst. Ook willen we CAR verder uitbouwen tot een tool die scholen - nog beter dan nu al het geval is - ondersteunt bij alle administratieve handelingen die bij een inschrijving komen kijken. Nu al wordt, op vraag van verschillende scholen, CAR ook voor de ‘late inschrijvingen’ als online inschrijvingsinstrument ter beschikking gesteld. Met alle faciliteiten die nu al ingebouwd zijn (elektronisch inschrijvingsregister, check op dubbele inschrijving, automatische opmaak van documenten, automatisch aangeven van wie de volgende op de wachtlijst is om te contacteren, automatische mailing van ouders en andere scholen enz.). Vanuit de gedachte dat het niet meer dan fair is dat je de extra inspanningen die je van scholen vraagt, zo veel mogelijk compenseert. Een koppeling van CAR aan de gebruikte administratieve schoolsoftware en daarmee aan Discimus, is op dat vlak een logische volgende stap, net zoals het ter beschikking stellen van CAR aan andere LOP’s. Ten slotte lijkt ook een verdere uitbouw van de bestaande toeleidingsacties van wezenlijk belang voor de realisatie van de doelstellingen waarrond het allemaal draait. Daarnaast moeten we ons bezinnen over hoe we de resterende 15% (vooral kansarme) Gentse ouders, die nog geen gebruik maken van CAR, kunnen bereiken.


63


64

Hoofdstuk 8 Hoe ondersteunt AgODi LOP-deskundigen in dit proces? Het schooljaar 2013-2014: uitgelicht De centrale werking naar de LOP-deskundigen staat in schooljaar 2013-2014 sterk in het teken van inschrijvingsrecht. Elk deskundigenoverleg sluit af met een specifiek vragenuur rond inschrijvingsrecht. Tijdens dat vragenuur worden alle relevante vragen aan AgODi over het inschrijvingsrecht toegelicht. Het antwoord wordt ruimer gekaderd en ervaringen worden uitgewisseld. Alle behandelde vragen en antwoorden worden daarna ook ontsloten in een overzichtsdocument. Dat overzichtsdocument van het vragenuur vormt ook een handig naslagwerk voor vragen over inschrijvingsrecht waar collega’s mee geconfronteerd worden. Een tiental vragenuurtjes resulteren zo in 237 vragen en antwoorden. Er wordt gekozen om het vragenuurtje vrijblijvend aan te bieden aan de LOP-deskundigen. We stellen wel vast dat het vragenuurtje algauw een trouw publiek heeft dat meerwaarde ziet in het doorvragen rond bepaalde thema’s en het uitwisselen van ervaringen. In de rubriek beleids- en ander nieuws worden beleids- en andere ontwikkelingen met een focus op inschrijvingsrecht en belendende domeinen vanuit de eerste hand geduid. Naarmate de contouren van Onderwijsdecreet XXIV duidelijk worden, laat dat AgODi toe de LOP-deskundigen accuraat en snel te informeren waarbij ook aandacht gaat naar de manier waarop de LOP-deskundigen omgaan met deze ontwikkelingen. Ook andere regelgeving heeft een impact op inschrijvingsrecht. Zo zetten we in deze fase vooral in op de mogelijke impact van het M-decreet op het inschrijvingsrecht. Een belangrijke vernieuwing in het (vormings-)aanbod naar de LOP-deskundigen betreft het aanbieden van jaartrajecten. Jaartrajecten zijn op te vatten als interactieve sessies rond afgelijnde thema’s, die doorheen het jaar worden aangeboden. De ene sessie bouwt voort op de andere. Tussen de sessies hebben de deelnemers inoefengelegenheid en krijgen ze huiswerk mee. De drie trajecten in schooljaar 2013-2014 draaiden rond inschrijvingsrecht: • Omgaan met weerstanden: Ook na zoveel jaar LOP-werking blijft omgaan met weerstand een belangrijke topic. • Aanmelden 2014-2015: werkdruk beheersen De nood wordt ervaren om handvatten te krijgen rond het omgaan met duidelijke piekperioden, die samenhangen met de organisatie en het goede verloop van een aanmeldingsprocedure. • Aanmelden voor 2015-2016 Met een sterk vormings- en ondersteuningsaanbod rond aanmelden werken we aan een bredere groep LOP-deskundigen met expertise op vlak van aanmelden. AgODi organiseert in 2013-2014 verder ook nog een aantal specifieke sessies rond inschrijvingsrecht, waaronder een sessie over capaciteit in het SO. In andere sessies wordt ingezoomd op evaluatie en de rol van omgevingsanalyse in het uitwerken van inschrijvingsrecht. De sessies rond communicatie draaien rond enerzijds de theoretische kaders en anderzijds een uitwisseling rond praktische tips.


65

Accenten in het schooljaar 2014-2015 Vanuit het idee dat elke LOP-deskundige te allen tijde klaar moet zijn om een dossier aanmeldingsprocedure te begeleiden, wordt de basiscursus aanmelden hernomen voor alle collega’s die de opleiding nog niet gevolgd hebben. De permanente aandacht en ondersteuning voor aanmelden komt verder ruim aan bod in de ervaringsuitwisseling die wordt georganiseerd tussen LOP-deskundigen die actief zijn in LOP’s waar wordt aangemeld. Collega’s raken zo ook vertrouwd met de voor- en nadelen van verschillende systemen. We slagen er zo in redundantie in te bouwen. In oktober 2014 organiseert AgODi een uitwisselingsmoment met verificateurs en LOP-deskundigen. Raakvlakken situeren zich overwegend rond het thema inschrijvingsrecht. Op het miniseminarie van de LOP-deskundigen op 4 en 5 december 2014 in Mechelen komen drie thema’s met een duidelijke link naar inschrijvingsrecht aan bod.

a) Thema ‘beleid’: bezoek aan de dienst onderwijsondersteuning van de stad Mechelen en aan het project Busleyden van GO! scholengroep 2 b) Thema ‘sociale mix’: bezoek aan de OKAN-werking van TSM en KTA Wollemarkt c) Thema ‘bemiddeling’: uitwisseling rond ‘Bemiddelen in Mechelen’ in clb Het Kompas en kennismaken met het project ‘PrOS’ in CGG De Pont. Het proces om tot een hertekening van het inschrijvingsrecht te komen, wordt van nabij gevolgd en de LOPdeskundigen krijgen bij elk deskundigenoverleg een stand van zaken. Door het schooljaar heen worden nog specifieke items belicht. Enkele voorbeelden daarvan zijn: aanmelden voor type 9 (in september) en M-decreet en inschrijvingsrecht (op verscheidene momenten). Het schooljaar wordt afgesloten met een ervaringsuitwisseling rond praktijkvoorbeelden. Daarbij komen verschillende items over inschrijvingsrecht aan bod: ‘Debatavond rond sociale mix’ in Leuven en ‘Doelgericht communiceren naar ouders en scholen over aanmelden en inschrijven’ in Kortrijk.


66


67

Deel 3 Beleidsaanbevelingen

Capaciteit

De regie van de task forces capaciteit is dan wel toegewezen aan de gemeenten, toch zijn de LOP-voorzitter en LOP-deskundige, als afgevaardigden van het LOP, vaak heel actief betrokken in de werking van deze task forces. De uitvoering van de decretale opdrachten van de LOP’s, zoals het maken van een omgevingsanalyse en het maken van afspraken over het inschrijvingsbeleid, hebben als direct gevolg dat in veel gemeenten het LOP bij uitstek leverancier is van cijfermateriaal of data. Door de registratie van volverklaringen en niet-gerealiseerde inschrijvingen in het kader van het inschrijvingsrecht, hebben LOP’s een goed zicht op (aankomende) capaciteitsproblemen. Het verdient dan ook aanbeveling om de LOP’s systematisch te betrekken bij de werking van de task forces capaciteit.

Aanmelden

Het aantal LOP’s dat met een aanmeldingsprocedure werkt, neemt toe. In de LOP’s waar nog geen aanmeldingsprocedure is geïnstalleerd, komt aanmelden ter sprake op een dagelijks bestuur of algemene vergadering. Reden om niet te starten met een aanmeldingsprocedure is vaak dat de partners rond de tafel geen capaciteitsproblemen ervaren en de noodzaak niet zien om dergelijke procedure te starten. Maar zelfs als de capaciteitsproblemen er wel zijn en er voor schoolpoorten gekampeerd wordt, blijft er weerstand bestaan. Het verdient daarom aanbeveling om de kennis die in LOP’s is opgedaan over aanmelden, systematisch in te zetten in LOP-regio’s waar men overweegt om aan te melden. AgODi is voorstander om een structureel ondersteuningsaanbod uit te werken.

Sociale mix en dubbele contingentering

Werken aan sociale mix is per definitie een werk van lange adem. Vooral in het jongste instroomjaar is er een verschil te merken dat pas op langere termijn op schoolniveau voelbaar is. In regio’s zonder capaciteitsproblemen geven LOP’s aan dat de effecten van dubbele contingentering voor de scholen afhankelijk zijn van succesvolle toeleidingsacties van ouders naar alternatieve scholen. Voor deze scholen moeten de acties zich in eerste instantie richten naar (schoolkeuzeprocessen van) ouders. De praktische haalbaarheid van de techniek van dubbele contingentering hangt ook samen met de manier waarop de contingenten worden bepaald. Het aangaan van realistische engagementen is belangrijk om het aantal uitgestelde inschrijvingen binnen de perken te houden en een actief toelatingsbeleid van de scholen en toeleidingsbeleid van de ouders kansen van slagen te geven. De ondersteuning van de LOP’s vanuit AgODi zal zich dan ook op deze twee punten (realistische engagementen en belang van toeleidingsacties) concentreren. LOP’s stellen zich ook vragen bij de relevantie van de indicatoren die worden gehanteerd bij het bewerkstellingen van meer sociale mix bij de inschrijvingen: • Deze indicatoren wijken af van de indicatoren die worden gehanteerd bij het toekennen van werkingsmiddelen en


68

extra omkadering aan de scholen. Dat verhoogt de transparantie en het draagvlak bij de scholen niet. • De bewijslast voor het opleidingsniveau van de moeder moet gebeuren aan de hand van een document dat is opgemaakt voor andere doeleinden. In dit document wordt ook gevraagd naar de bewijslast voor indicatoren die niet worden gebruikt in het kader van het inschrijvingsrecht. • De bewijslast voor sommige indicatoren is fraudegevoelig. Zo wordt het lage opleidingsniveau van de moeder bewezen aan de hand van een verklaring op eer. Bij capaciteitsproblemen bestaat de verleiding bij ouders om daar niet geheel naar waarheid op te antwoorden. • De meest actuele gegevens die AgODi kan geven over de indicatoren voor sociale mix, hebben betrekking op schoolfoto’s die teruggaan tot twee schooljaren voorafgaand aan het schooljaar waarvoor wordt ingeschreven. De sociale samenstelling in de buurt en in de scholen kan in tussentijd geëvolueerd zijn. Dat geeft in een aantal LOP’s aanleiding tot discussie over de relevantie en actualiteitswaarde van de afgesproken streefcijfers. Ouders uit sommige buurten voelen zich benadeeld, omdat onvoldoende rekening is gehouden met recente evoluties.

Willen we op termijn het draagvlak voor sociale mix en dubbele contingentering behouden, dan moeten we overwegen of de verplichting van dubbele contingentering in LOP-regio’s zonder capaciteitsproblemen moet blijven bestaan. Daarnaast moeten we ook bekijken of de bewijslast voor de indicatoren verbeterd kan worden (minder planlast, minder gevoelig voor fraude, beschikbaar stellen van meer actuele gegevens).

Tijdslijn voor inschrijvingen

Er groeit (vooral binnen het secundair onderwijs) een eensgezindheid over het zo laat mogelijk inschrijven. LOP’s vinden dat het werk op vlak van studieoriëntering van het BaO en van het clb gehonoreerd moet worden. Inschrijven vooraleer dat werk geheel of gedeeltelijk afgerond is, doet daar afbreuk aan. Daarenboven moeten ook ouders en leerlingen de tijd hebben om zich te informeren. Vaak zien we op infovergaderingen voor leerlingen uit het zesde leerjaar vooral ouders opduiken uit het vijfde en zelfs vierde leerjaar. De leerlingen uit het zesde jaar zijn namelijk al ingeschreven. Een aantal LOP’s vraagt om een gemeenschappelijke tijdslijn centraal te regelen voor heel Vlaanderen.


69

Bijlage21 Deel 1 Deelname en samenwerkingsverbanden in de LOP’s Tabel 1: Deelnemers aan de LOP’s: Aantal opgenomen mandaten in de LOP’s per partnerorganisatie

2013-2014

Aantal opgenomen mandaten

2014-2015

Basis

Secundair

Basis

Secundair

Schooldirecties

1.486

869

1.426

848

Schoolbesturen

457

252

433

263

Clb’s

256

192

254

187

Besturen clb’s

41

24

78

50

Vakorganisaties

68

79

76

68

Ouderverenigingen

41

26

36

29

Organisaties etnisch-culturele minderheden

58

34

47

35

Verenigingen waar armen het woord nemen

38

30

29

28

Integratiesector

90

66

84

55

Onthaalbureau

37

34

33

32

Schoolopbouwwerk

55

31

51

29

Gemeentebesturen

88

68

100

76

Gecoöpteerde partnerorganisaties

183

107

163

96

1.812

2.810

1.796

Totaal aantal partners actief in de LOP’s (totaal aantal 2.898 opgenomen mandaten) Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

Tabel 2: Werkgroepen Werkgroepen basisonderwijs: Wat zijn de meest voorkomende thema’s? Aantal werkgroepen actief rond… (over de LOP’s heen)

2013-2014 (41 LOP’s)

2014-2015

Anderstalige nieuwkomers

24

14

Armoede

22

15

Brede school

6

5

Huiswerk

2

3

Inschrijvingsbeleid

28

25

21

AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015.

(41 LOP’s)


70

Opvoedingsondersteuning

6

7

Ouder- en schoolbetrokkenheid

3

1

Kleuterparticipatie

14

9

Participatie van specifieke doelgroepen

/

/

Schoolkosten /school- en studietoelagen

12

7

Schoolloopbaan en doorstroming

6

3

Taalbeleid: anderstaligheid/taalstimulering

26

15

14

20

Andere Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

Tabel 3: Werkgroepen Werkgroepen secundair onderwijs: Wat zijn de meest voorkomende thema’s? Aantal werkgroepen actief rond… (over de LOP’s heen)

2013-2014

2014-2015

(29 LOP’s)

(29 LOP’s)

Aansluiting onderwijs - arbeidsmarkt

5

6

Anderstalige nieuwkomers

18

11

Armoede

10

9

Inschrijvingsbeleid

16

9

Participatie van specifieke doelgroepen

/

/

Schoolkosten /school- en studietoelagen

10

11

Schoolloopbaan en doorstroming

11

13

Spijbelen en schoolverzuim

11

11

Taalbeleid: anderstaligheid/taalstimulering

7

6

Tuchtmaatregelingen en definitieve uitsluitingen / Time-out

14

13

10

16

Andere Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

Tabel 4: Welke partners zijn gecoöpteerd in de LOP’s (basisonderwijs en secundair onderwijs)? 2013-2014

2014-2015

Basis

Secundair

Basis

Secundair

(41 LOP’s)

(29 LOP’s)

(41 LOP’s)

(29 LOP’s)

Andere

22

14

7

6

Asiel

2

2

2

3

Belangenorganisatie

6

5

10

6

CAW/JAC

3

6

3

4

Gezinsbond/Gezinsraad

2

/

2

/

Hogeschool

2

4

1

2


71

Hulpverlening

10

7

11

6

Jeugdsector

7

Kind & Gezin/ kinderopvang

7

6

7

7

/

12

/

OCMW

20

8

18

9

Politie

2

1

2

2

Samenlevingsopbouw

4

1

5

2

Scholengemeenschap

1

/

3

2

VDAB

/

1

/

2

Vormingswerk 9 10 Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

4

6

Tabel 5: Samenwerking met flankerend onderwijsbeleid: Formuleerde het LOP een advies op het niveau van de acties opgenomen in de meerjarenplanning van de gemeente (uitsluitend schooljaar 2013-2014)?

Aantal LOP’s (70 LOP’s)

Ja, op vraag van de gemeente

45

Ja, op eigen initiatief

13

Neen 7 Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

Tabel 6: Samenwerking met flankerend onderwijsbeleid: Zijn er afspraken over de manier van samenwerking tussen LOP en de gemeente (uitsluitend schooljaar 2013-2014)?

Aantal LOP’s (70 LOP’s)

Ja, schriftelijk vastgelegd

19

Ja, mondelinge afspraken

56

Neen

15

Andere 11 Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015


72

Deel 2 Opdrachten van de LOP’s Omgevingsanalyse Tabel 7: Het uitvoeren van de omgevingsanalyse gebeurt…

2013-2014

2014-2015

70 LOP’s

70 LOP’s

Periodiek (vast format met vooraf afgebakende thema’s)

29

24

Ad hoc (op basis van lokaal gedefinieerde vragen)

60

41

Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

Tabel 8: Rond welke thema’s worden gegevens opgenomen in de lokale omgevingsanalyse die de LOP’s maken? (uitsluitend 2013-2014)

Thema’s

2013-2014 Basis

Secundair

41 LOP’s

29 LOP’s

Inkomen en armoede

11

7

Arbeidsmarkt

4

3

Huisvesting

4

3

Demografische ontwikkelingen

13

12

Kinderarmoede

15

4

Etniciteit

8

3

Onderwijslandschap

10

6

Leerlingenstromen

17

16

Relatieve Aanwezigheid indicator-/niet-indicatorleerlingen

28

18

Schoolse vertraging

13

15

Overgang van basis naar secundair onderwijs

12

11

Problematische afwezigheden/spijbelen

7

13

Ongekwalificeerde uitstroom

6

16

Kleuterparticipatie

20

4

Capaciteitsproblematiek

20

9

Anderstalige nieuwkomers

12

8

Tuchtmaatregelen/definitieve uitsluitingen

3

9

Andere 2 Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

3


73

Anderstalige nieuwkomers Tabel 9: Heeft het LOP gegevens verzameld en geïnterpreteerd met betrekking tot… 2013-2014

2014-2015

BaO

SO

BaO

SO

41 LOP’s

29 LOP’s

41 LOP’s

29 LOP’s

De instroom van AN in het onthaalonderwijs (incl. nietingeschreven minderjarige nieuwkomers)

20

15

1

3

De spreiding van AN over het (onthaal)onderwijs

13

9

3

3

De doorstroom van gewezen AN naar het regulier onderwijs

4

8

0

2

2

0

0

Andere 0 Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

Kleuterparticipatie Tabel 10: Welke acties zijn genomen op het vlak van kleuterparticipatie? 2013-2014

2014-2015

(41 LOP’s)

(41 LOP’s)

37

38

Toeleiding instapgerechtigde niet-ingeschreven kleuters

16

12

Toeleiding 4- en 5-jarige niet-ingeschreven kleuters

25

18

Inrichten voldoende aanbod kleuteronderwijs

3

3

Informeren van ouders over belang kleuteronderwijs

18

19

Informeren ouders/intermediairs over lokaal aanbod kleuteronderwijs

14

12

Sensibilisering scholen i.f.v. onthaal, intake, wijze van inschrijven

13

8

Sensibilisering m.b.t. meer regelmatige aanwezigheid kleuters

15

13

Sensibilisering m.b.t. meer tijdige aanwezigheid kleuters

9

8

Toeleiding niet-ingeschreven kleuters besproken op het LOP Lopende afspraken over toeleiding niet-ingeschreven kleuters

Lopende afspraken over sensibilisering m.b.t aanwezigheid van ingeschreven kleuters

Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015


74

Deel 3 Inschrijvingsrecht Capaciteitsbepaling Tabel 11: Capaciteitsbepaling binnen de LOP’s – overzicht per onderwijsniveau

Basisonderwijs - kleuteronderwijs 2013-2014

2014-2015

Aantal LOP’s

Aantal LOP’s

Sommige scholen bepalen capaciteit op niveau geboortejaar

16

18

Alle scholen bepalen capaciteit op niveau geboortejaar

18

22

Geen enkele school bepaalt capaciteit op niveau geboortejaar

4

1

Geen afspraken gemaakt

3

/

Totaal

41

41

Sommige scholen bepalen capaciteit op niveau leerjaar

18

17

Alle scholen bepalen capaciteit op niveau leerjaar

17

23

Geen enkele school bepaalt capaciteit op niveau leerjaar

3

1

Geen afspraken gemaakt

3

/

Totaal

41

41

Alle scholen bepalen capaciteit op het niveau van structuuronderdeel (1A of 1B)

24

29

Sommige scholen bepalen capaciteit op het niveau van structuuronderdeel (1A of 1B)

3

Geen enkele school bepaalt capaciteit op het niveau van structuuronderdeel (1A of 1B)

/

Geen afspraken gemaakt

2

Totaal

29

Basisonderwijs – lager onderwijs

Secundair onderwijs – eerste leerjaar van de eerste graad

29

Secundair onderwijs – hogere jaren (tweede jaar van de eerste graad en hoger) Er zijn daarover afspraken gemaakt in het LOP

16

9

Secundair onderwijs – deeltijds onderwijs en de leertijd Er zijn daarover afspraken gemaakt in het LOP 16 Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

6


75

Tabel 12: Aantal LOP’s met procedures voor de goedkeuring van capaciteitsverhogingen na de start van de inschrijvingen

2013-2014

2014-2015

Aantal LOP’s

Aantal LOP’s

Basis (41 LOP’s)

38

41

Secundair (29 LOP’s) 25 Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

28

Tabel 13: Aantal goedgekeurde en afgekeurde capaciteitsverhogingen Aantal LOP’s waar capaciteitsverhogingen werden goedgekeurd

2013-2014

2014-2015

BaO (41 LOP’s)

29

27

SO (29 LOP’s)

18

11

Aantal LOP’s waar capaciteitsverhogingen werden afgekeurd

BaO (41 LOP’s)

2013-2014

2014-2015

4

2

SO (29 LOP’s) 4 1 Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

Tabel 14: Afspraken over het inschrijven van overcapaciteitsgroepen Aantal LOP’s dat afspraken maakt hieromtrent:

2013-2014

2014-2015

5

5

2

4

Basis (41 LOP’s) Secundair (29 LOP’s) Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

Tabel 15: Dubbele capaciteit: aantal scholen binnen de LOP’s dat gebruikmaakt van de mogelijkheid om dubbele capaciteit te bepalen Aantal scholen binnen LOP-gebied:

2013-2014

2014-2015

35

41

Secundair 26 Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

24

Basis


76

Dubbele contingentering Tabel 16: Aantal LOP’s waarvoor de relatieve aanwezigheid van indicatorleerlingen werd berekend op niveau van werkingsgebied, fusiegemeente, deelgemeente of andere. Basisonderwijs (41 LOP’s) Werkingsgebied LOP

Secundair onderwijs (29 LOP’s)

2013-2014

2014-2015

2013-2014

2014-2015

24

30

23

24

Fusiegemeente

5

5

6

5

Deelgemeente

8

8

2

1

8

3

3

Andere deelgebieden 9 Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

Tabel 17: Aantal LOP’s waar afspraken werden gemaakt over het inventariseren van en communiceren over uitgestelde inschrijvingen

BaO (41 LOP’s)

SO (41 LOP’s)

2013-2014

2014-2015

2013-2014

2014-2015

9

7

5

3

10

9

2

Het inventariseren van het aantal uitgestelde inschrijvingen

Het communiceren van uitgestelde inschrijvingen naar de 12 ouders Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015

Tabel 18: Hoe verloopt de communicatie over inschrijvingsrecht binnen de LOP’s?

Basisonderwijs (41 LOP’s) 2013-2014

Secundair onderwijs (29 LOP’s)

2014-2015

2013-2014

2014-2015

35

40

21

25

- Capaciteiten

28

27

15

19

- Vrije plaatsen

18

29

8

17

- Voorrangs- en inschrijvingsperiodes

36

41

24

27

- Aanmeldingsprocedure

13

16

4

4

- Uitgestelde inschrijvingen

8

9

4

4

- Geweigerde leerlingen

17

14

9

9

31

32

13

15

Aantal LOP’s met een communicatieplan Communicatie gebeurt over…

Communicatie gebeurt via (kanalen) - Folder


77

- Mailing op papier

20

23

5

5

- Mailing via email

12

13

10

12

- Video

1

1

/

/

- Lokale pers

20

23

10

5

- Websites

35

36

23

23

- Gemeentelijk infoblad

31

39

17

16

- Infomomenten

22

19

11

8

- Affiches

18

20

2

5

37

20

22

Evaluatie van communicatieve acties (ja) 33 Bron: AgODi, eigen bevraging over de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015


78

Deel 4 Overzicht van LOP-regio’s waarin wordt aangemeld Aanmelden in het basisonderwijs Aanmelden in LOP Antwerpen basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2010-2011 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

189

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Toeval/voorkeur 2) Afstand tot domicilie/werkadres

(scholen kunnen zelf de verhouding tussen de verschillende ordeningscriteria bepalen)

3) Schoolkeuze

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Vogelvlucht

Te verwachten aanmeldingen (load)?

11.000

Aanmelden in LOP Beringen basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2011-2012 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Instapjaar kleuteronderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

12

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Afstand domicilieadres leerling

(er is één school die het criterium toeval en afstand combineert) Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Vogelvlucht

Te verwachten aanmeldingen (load)?

300


79

Aanmelden in LOP Lokeren basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2013-2014 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

15

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Afstand domicilieadres leerling/ werkadres ouder

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Vogelvlucht

Te verwachten aanmeldingen (load)?

350

Aanmelden in LOP Hamme basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2013-2014 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

9

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Afstand domicilieadres leerling/werkadres ouder

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Wandelafstand

Te verwachten aanmeldingen (load)?

400

Aanmelden in LOP Kortrijk basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2013-2014 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

30

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja


80

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Afstand domicilieadres leerling/werkadres ouder 3) Toeval

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Vogelvlucht

Te verwachten aanmeldingen (load)?

750

Aanmelden in LOP Gent basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2009-2010 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

91

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Afstand domicilieadres leerling/werkadres ouder 2) Toeval 3) Schoolkeuze

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Wandelafstand

Te verwachten aanmeldingen (load)?

9.238

Aanmelden in LOP Zele basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2013-2014 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

7

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Afstand domicilieadres leerling/werkadres ouder

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Wandelafstand

Te verwachten aanmeldingen (load)?

300


81

Aanmelden in LOP Bonheiden-Mechelen-Sint-Katelijne-Waver-Zemst basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: 2 betrokken schoolbesturen (2 bijna identieke aanmeldingsdossiers) LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2013-2014 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

2

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Nee

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Afstand domicilieadres leerling/werkadres ouder 2) Toeval 3) Schoolkeuze

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Wandelafstand

Te verwachten aanmeldingen (load)?

35 / 70

Aanmelden in LOP Willebroek basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2014-2015 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Instapjaar kleuteronderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

9

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Afstand domicilieadres leerling

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Vogelvlucht

Te verwachten aanmeldingen (load)?

130


82

Aanmelden in LOP Roeselare basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: stadsbestuur Roeselare LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2014-2015 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

3

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Neen

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Afstand domicilieadres leerling/ werkadres ouder 3) Toeval

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Wandelafstand via openbare weg

Te verwachten aanmeldingen (load)?

70

Aanmelden in LOP Beersel-Halle-Sint-Pieters-Leeuw basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2014-2015 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

15

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Nee

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Afstand domicilieadres leerling 3) Toeval

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Wandelafstand

Te verwachten aanmeldingen (load)?

596

Aanmelden in LOP Oudenaarde basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2013-2014 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

15


83 Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Afstand domicilieadres leerling 3) Toeval

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Vogelvlucht

Te verwachten aanmeldingen (load)?

200

Aanmelden in LOP Brussels Hoofdstedelijk Gewest basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2010-2011 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Alle geboortejaren en leerjaren basisonderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

132

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Afstand domicilieadres leerling/werkadres ouder 3) Toeval

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Vogelvlucht

Te verwachten aanmeldingen (load)?

6.300

Aanmelden in LOP Leopoldsburg basis Voor schooljaar 2015-2016 Initiatiefnemer: LOP LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2014-2015 jaar: Voor welk capaciteitsniveau wordt er aangemeld?

Instapjaar kleuteronderwijs

Hoeveel scholen gebruiken de aanmeldingsprocedure?

4

Zijn dat alle scholen uit het werkingsgebied?

Ja

Welke ordeningscriteria worden gehanteerd?

1) Schoolkeuze 2) Domicilieadres leerling

Hoe wordt afstand geoperationaliseerd?

Vogelvlucht

Te verwachten aanmeldingen (load)?

70

Aanmelden in LOP Ronse basis

AGODI Voor schooljaar 2015-2016 AGENTSCHAP VOOR Initiatiefnemer: LOP ONDERWIJSDIENSTEN

LOP gebruikt aanmeldingsprocedure sinds de inschrijvingen voor school- 2014-2015 jaar:


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Jaarrapport_LOP_s_in_actie_2013_2014_2014_2015.pdf by Vlaanderen-be - Issuu