Skip to main content

indicatorenboek_2009.pdf

Page 1

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9


2

COLOFON Het Vlaams Indicatorenboek 2009 is een uitgave van het Expertisecentrum O&O Monitoring in opdracht van de Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel en van de Vlaamse Minister voor Onderwijs. Hoofdredactie:

Prof. dr. ir. Koenraad Debackere Prof. dr. Reinhilde Veugelers (Expertisecentrum O&O Monitoring)

ISSN:

1374-6294

Coรถrdinatie en tekstaanpassing:

Dani Vandepoel

Lay-out en druk:

Altera Grafische Vormgeving, Heverlee Drukkerij Van der Poorten, Kessel-Lo

Copyright 2009

Vlaamse Overheid Koning Albert II-laan 35, bus 10 B-1030 Brussel


3

I N H O U D S O P G AV E COLOFON

2

WOORD VOORAF

8

BIJ WIJZE VAN INLEIDING …

10

HOOFDSTUK 1: HET VLAAMS WTI-SYSTEEM: EEN OVERZICHT EN EEN BESPREKING

11

1.1

Situering

12

1.2

Vlaanderen: enkele kerncijfers

14

1.3

De actoren in het Vlaams WTI-systeem

16

1.3.1

De universiteiten

16

1.3.2

De Vlaamse onderzoeksinstellingen

17

1.3.3

De collectieve centra

18

1.3.4

De bedrijven

19

1.3.5

De hogescholen

19

1.3.6

De herverdelende mechanismen: IWT-Vlaanderen, FWO-Vlaanderen, 19

1.3.7

Het departement Economie, Wetenschap en Innovatie

21

1.3.8

De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid

22

1.3.9

De adviesorganen

23

1.3.10 De Steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek

23

1.3.11 Specifieke acties naar technologietransfer en diffusie

23

1.3.12 Sensibilisering

24

Conclusie

24

HOOFDSTUK 2: HET MENSELIJKE POTENTIEEL IN WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE IN VLAANDEREN: DE OPLEIDINGSPROFIELEN

25

2.1

Inleiding

26

2.2

Instroom in het Vlaamse hoger onderwijs: kwantificatie en stratificatie

26

2.3

Overzicht van de uitgereikte diploma’s

32

2.4

Internationale vergelijking

41

2.5

Besluit

44

HOOFDSTUK 3: ONDERZOEKSCARRIÈRES IN VLAANDEREN: INSTROOM, DOORSTROOM EN UITSTROOM VAN DOCTORAATSONDERZOEK

45

3.1

Onderzoekspotentieel

46

3.2

Doctoraatsproductie

48

3.3

Academische carrières

49

3.4

Andere onderzoekscarrières

50

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 0 0 9 I N H O U D S O P G AV E

1.4

Hercules, BOF en IOF


4

HOOFDSTUK 4: O&O-ACTIVITEITEN VAN DE VLAAMSE BEDRIJVEN

53

4.1

Inleiding

54

4.2

Methodologie

54

4.2.1

Populatie

54

4.2.2

Definities

55

4.2.3

Schattingen: inter- en extrapolatie

55

4.3

4.4

4.5

Resultaten voor de inventaris

56

4.3.1

Responsgraad

56

4.3.2

Totale O&O-cijfers

56

Resultaten voor de totale populatie

62

4.4.1

De totale O&O-uitgaven bij de Vlaamse bedrijven 2006 en 2007

62

4.4.2

Historische evolutie van de O&O-uitgaven van Vlaamse bedrijven

62

4.4.3

Evolutie van de O&O-uitgaven bij bedrijven als % van BBPR

Conclusie

Bijlage 1: Overzicht van de definities die gebruikt werden in de O&O-enquête van 2008

63 63 64

Bijlage 2: Belangrijkste etappes van de schattingsmethodologie van de O&O-gegevens bij de bedrijven

65

Bijlage 3: NACE-BEL 2008-classificatie

67

Bijlage 4: Top-50 bedrijven

68

HOOFDSTUK 5: ONDERZOEK EN ONTWIKKELING BINNEN DE NON-PROFIT SECTOR

69

5.1

Inleiding

70

5.2

Het O&O-personeel

71

5.3

De O&O-uitgaven geanalyseerd

76

5.4

Internationale vergelijking

81

5.5

Besluit

83

HOOFDSTUK 6 - DEEL 1: DE TOTALE O&O-UITGAVEN IN VLAANDEREN: GERD

85

6.1

De gebruikte indicatoren

86

6.2

GERD per uitvoeringssector

87

6.3

O&O-intensiteit: GERD als % van het BBPR voor Vlaanderen

89

6.4

Een internationale vergelijking

90

6.5

Conclusies

91

Appendix: Overzicht van de Collectieve Onderzoekscentra (BERD Collectieve Centra), Publieke Onderzoekscentra (GOVERD), en Particuliere Non-profit Instellingen (PNP)

HOOFDSTUK 6 - DEEL 2: HET TOTALE O&O-PERSONEEL BINNEN VLAANDEREN

91

93

6.1

Totaalbeeld en internationale vergelijking

94

6.2

Besluit

98


5

HOOFDSTUK 7: DE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE IN VLAANDEREN

99

7.1

Inleiding

100

7.2

Vlaamse overheidskredieten voor wetenschap, technologie en innovatie

101

7.3

Overheidskredieten voor de Vlaamse universiteiten

102

7.4

Besteding van de middelen verdeeld via het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (FWO)

105

7.5

Overheidskredieten voor industrieel onderzoek

105

7.6

Besteding van de middelen voor specialisatiebeurzen verdeeld via het Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT-Vlaanderen)

109

7.7

O&O-input voor de Vlaamse onderzoeksinstellingen IMEC, VITO, VIB en IBBT

109

7.8

O&O-input voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen

112

7.9

O&O-uitgaven in de publieke sector in Vlaanderen: een internationale vergelijking

112

7.10 Referenties

HOOFDSTUK 8: INNOVATIE-INSPANNINGEN VAN VLAAMSE ONDERNEMINGEN: KERNRESULTATEN VAN DE CIS-2007 ENQUĂŠTE

116

117

8.1

Inleiding

118

8.2

Methodologie

118

8.3

Analyse

119

8.4

Profiel van de respondenten

119

8.5

Innovatieactiviteit in Vlaanderen

119

8.5.1

De innovatieve onderneming

119

8.5.2

Ontwikkeling van nieuwe of duidelijk verbeterde producten en/of processen

120

8.5.3

Nog niet voltooide en/of stopgezette innovatieactiviteiten

120

8.6

Actoren in het innovatieproces van de onderneming

121

Innovatieactiviteiten in 2004

121

Onderzoek en ontwikkeling (O&O)

122

8.9

Publieke financiering van innovatie

122

8.10 Samenwerkingspatronen van innovatieve ondernemingen

122

8.11 Informatiebronnen

124

8.12 Bescherming van innovatie

124

8.13 Kennisbeheer

125

8.14 Historische vergelijking

126

8.15 Besluit

126

8.16 Referenties

127

Appendix: Sectoren (op basis van de NACE-BEL classificatie) weerhouden door Eurostat

127

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 0 0 9 I N H O U D S O P G AV E

8.7 8.8


6

HOOFDSTUK 9: BIBLIOMETRISCHE ANALYSE VAN HET VLAAMS ONDERZOEK IN DE LEVENS-, NATUUR- EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN. HET VLAAMS ONDERZOEK IN EUROPESE CONTEXT 129 9.1

Inleiding

130

9.2

Bibliometrische studies en de bibliografische gegevensbestanden van de ISI

130

9.3

Databronnen en dataverwerking

131

9.4

Bibliometrische indicatoren

132

9.5

De evolutie van de Vlaamse publicaties in de levens-, natuur- en technische wetenschappen

134

9.6

Het Vlaams publicatieprofiel in de levens-, natuur- en technische wetenschappen

137

9.7

De citatie-impact van de Vlaamse publicaties in de levens-, natuur- en technische wetenschappen

138

9.8

De internationale wetenschappelijke samenwerking van Vlaanderen

141

9.9

Slotbeschouwingen

146

9.10 Referenties

147

Bijlage

148

HOOFDSTUK 10: DE VLAAMSE TECHNOLOGIEPOSITIE: ANALYSE AAN DE HAND VAN USPTO- EN EPO-OCTROOIEN EN PCT-AANVRAGEN

149

10.1 Het belang van octrooistatistieken

150

10.2 Octrooien in België en Vlaanderen: EPO, PCT en USPTO

151

10.2.1 EPO toekenningen

152

10.2.2 Belgische/Vlaamse versus buitenlandse aanvragers

154

10.2.3 Internationale vergelijking

154

10.3. Technologieontwikkeling per type organisatie nader bekeken 10.3.1 Belangrijkste organisaties

156 157

10.4 Samenwerkingspatronen

158

10.5 Relatieve technologie-specialisatiepatronen

162

10.6 Conclusie

166

HOOFDSTUK 11: DE VLAAMSE WTI-ACTIVITEITEN IN EEN INTERNATIONALE CONTEXT

167

11.1 Inleiding

168

11.2 De Vlaamse deelname aan het Europese Kaderprogramma voor onderzoek

168

11.2.1 Inleiding

168

11.2.2 Evolutie van de Vlaamse deelname aan de opeenvolgende Kaderprogramma’s

169

11.2.3 De Vlaamse deelname aan het Zesde Kaderprogramma

170

11.2.4 Conclusies

175

11.3 ERA-NET

178

11.4 Nieuwe initiatieven van de Europese Commissie

178

11.5 Vlaamse deelname in het EUREKA-programma

179

11.5.1 Situering

179

11.5.2 EUREKA projecten

180

11.5.3 Verleende steun aan Vlaamse deelnemers in EUREKA (2000 – 2007)

180

11.5.4 Plaatsing in internationale context

182

11.6 Conclusie

182

11.7 Referentielijst

183


7

HOOFDSTUK 12: CONCLUSIES EN NABESCHOUWINGEN

185

12.1 Inspanningen voor O&O in Vlaanderen

186

12.2 Opleidingen: bachelor & master

186

12.3 Doctoraten

187

12.4 Resultaten: publicaties, octrooien en deelname aan internationale programma’s

188

12.5 Ter afronding

189

HOOFDSTUK 13: DE 11 VLAAMSE KERNINDICATOREN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE

191

Kernindicator 1

O&O-intensiteit: GERD als % van BBPR

192

Kernindicator 2

Overheidskredieten voor O&O (GBAORD) als % van BBPR

195

Kernindicator 3

Totaal O&O-personeel als % van de beroepsbevolking

198

Kernindicator 4

Nieuwe w&t-gediplomeerden (t.o.v. leeftijdsgroep 20-29 jaar)

200

Kernindicator 5

Totaal aantal innoverende bedrijven (in % van aantal bedrijven in de industrie- en dienstensector)

204

Kernindicator 6

Investeringen in risicokapitaal (‘Venture Capital’)

205

Kernindicator 7

Aantal aangevraagde EPO-octrooien met uitvinder van betreffend land of regio per miljoen inwoners

Kernindicator 8

van de totale omzet) Kernindicator 9

208

Aandeel van innovatieve producten in de omzet (nieuwe producten in % 210

Tewerkstellingsgraad in medium hightech en hightech industrie en diensten als % van de totale beroepsbevolking

213

Groei van het Bruto Binnenlands Product per Regio (BBPR)

215

Kernindicator 11

Exportaandeel van de hightech sectoren in Vlaanderen

217

Extra indicator

Fiscale maatregelen voor O&O

220

Kernindicator 10

223

Dossier 1: Bestedingsanalyse van het F.W.O.

224

Dossier 2: IWT-effectmetingen

234

Dossier 3: Een nieuwe generatie relationele kaarten voor de beoordeling van citatie-impact

241

Dossier 4: Onderwijs: kiem voor onderzoek en innovatie

249

Dossier 5: Impactevaluatie: instrumenten ter bevordering van private O&O-activiteit

256

Dossier 6: Biotechnologie in Vlaanderen

263

AUTEURSLIJST

268

LIJST VAN VOORNAAMSTE AFKORTINGEN

269

V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 0 0 9 I N H O U D S O P G AV E

DOSSIERS


8

WOORD VOORAF Met Vlaanderen in Actie hebben we de ambitie geuit om

Zo een indicatorensysteem brengt de volgende gegevens

Vlaanderen tegen 2020 een vaste en duurzame plaats te

in kaart: (1) de kredieten en de uitgaven voor wetenschap,

laten verwerven tussen de Europese topregio’s. Eén van de

technologie en innovatie van zowel de overheid als de private

cruciale voorwaarden voor het realiseren van die ambitie ligt in

sector, (2) de impact van het Vlaams wetenschappelijk

de aanwezigheid en het versterken van kennisinstellingen en

onderzoek aan de hand van bibliometrische indicatoren,

onderzoekscentra waar hoogstaand onderzoek op internationaal

(3) de Vlaamse technologiepositie op basis van Europese

niveau wordt verricht. Daar wordt immers de kiem gelegd

en Amerikaanse octrooien, en (4) het menselijk potentieel voor

voor wetenschappelijk onderzoek en de daaruit voortkomende

wetenschap, technologie en innovatie evenals de opleidings-

innovatieve wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen

profielen in deze kennisgenererende activiteiten, met bijzondere

die uiteindelijk leiden tot een versterking van ons economisch

aandacht voor de doctoraatsloopbanen. Ook de deelnames

weefsel in Vlaanderen.

aan internationale programma’s, zoals de Europese kaderprogramma’s, de ERA-netten en EUREKA, worden beschouwd

Om haar beleid daar optimaal op af te stemmen moet

als een belangrijke indicator om het Vlaams kennisgebeuren

de Vlaamse overheid niet alleen voldoende middelen ter

internationaal te situeren. Naast het aanleveren en het

beschikking stellen van onderzoek en ontwikkeling, maar heeft

ontwikkelen van deze gevalideerde indicatoren, voert het

zij ook beleidsindicatoren nodig die de ontwikkeling van het

Expertisecentrum ook onderzoek uit naar nieuwe en

Vlaams potentieel inzake wetenschap, technologie en innovatie

verbeterde indicatoren en indicatorensystemen.

in kaart brengen, opvolgen, ondersteunen en internationaal positioneren, zowel wat de geleverde inspanningen als de

Het Expertisecentrum O&O Monitoring speelt op die manier

behaalde resultaten betreft.

een belangrijke rol bij de toewijzing van onderzoeksmiddelen (tweede geldstroom) aan de Vlaamse universiteiten. Voor de

In het verleden zijn weliswaar al indicatoren ontwikkeld over

financiering van het fundamenteel, grensverleggend onderzoek

de investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Maar de

dat uitsluitend aan de universiteiten wordt verricht, beschikt de

aanwezige expertise was te veel verspreid over de verschillende

Vlaamse overheid over het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF).

beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid. Naarmate onderzoek

Betreffende performantiegedreven financiering van onderzoek

en innovatie belangrijker worden voor de samenleving, is de

speelt Vlaanderen een voortrekkersrol. Vanaf 2003 wordt een

studie ervan bovendien uitgegroeid tot een afzonderlijke

gedeelte van de BOF-middelen tussen de Vlaamse universiteiten

wetenschappelijke discipline. Het ontwikkelen van kwantitatieve

verdeeld op basis van enerzijds het aantal publicaties van

methoden om prestaties en realisaties van onderzoek en

auteurs verbonden aan deze instellingen die verschenen zijn in

innovatie in kaart te brengen, is daar een belangrijk onderdeel

internationale wetenschappelijke tijdschriften verwerkt voor de

van. De bundeling van deze expertise tot een efficiënt en

Science Citation Index (SCI), en anderzijds het aantal citaties dat

wetenschappelijk verantwoord systeem van gegevensinzameling

deze publicaties ontvangen. Vanaf 2008 is de verdeelsleutel

en de verwerking ervan tot beleidsrelevante indicatoren drongen

verruimd met de publicaties in de humane en sociale

zich dus op.

wetenschappen die verwerkt zijn in de ISI Thomson databank en tot de "proceedings" in de technische wetenschappen en

Daarom besliste de Vlaamse overheid in 2001 tot de oprichting

humane en sociale wetenschappen. Ook sinds 2008 wordt

van het “Steunpunt O&O Indicatoren”. Het Steunpunt werd

een gedeelte van de werkingsmiddelen van de universiteiten

operationeel in 2002 en werd begin dit jaar omgevormd

(eerste geldstroom) verdeeld op basis van onderzoeksresultaten,

tot het interuniversitair Expertisecentrum O&O Monitoring.

waarvoor het Expertisecentrum een deel van de informatie

Het Expertisecentrum ontwikkelt en onderhoudt een waaier

aanreikt.

van gevalideerde gegevens die gebruikt worden om beleidsvragen kwantitatief te ondersteunen. Het heeft ook de opdracht gekregen om een systeem van indicatoren uit te bouwen en te onderhouden.


9

Het werk van het Expertisecentrum blijft niet gereserveerd voor een kleine kring van beleidsmakers. Aan de hand van de indicatoren wordt sinds 2003 tweejaarlijks een Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie en Innovatie samengesteld. Het Expertisecentrum staat in voor de coördinatie en de aanmaak. Dankzij de samenwerking tussen de onderzoekers van het Expertisecentrum, de verschillende bevoegde administraties en de Vlaamse openbare instellingen beschikken we vandaag met het Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie en Innovatie 2009 over een gamma aan indicatoren die het mogelijk maken om het Vlaams beleid inzake wetenschap, technologie en innovatie op een periodieke basis in kaart te brengen en op te volgen in een internationaal perspectief. Vlaanderen stelt deze gegevens systematisch ter beschikking van supranationale instanties zoals de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en het statistisch bureau van de Europese Commissie (EUROSTAT). De Europese Commissie is overtuigd van de noodzaak om de evolutie van de lidstaten wat betreft de investeringen in Onderzoek en Ontwikkeling op te volgen en bij te dragen tot de verdere uitbouw van de Europese onderzoeksruimte. Een gestandaardiseerd instrumentarium van geijkte, valide en betrouwbare indicatoren zal deze inspanningen opvolgen en met mekaar vergelijken. Sinds 2007 zijn de gegevensbestanden over de verschillende aspecten van het Vlaams potentieel voor onderzoek en ontwikkeling – met respect voor de intellectuele eigendomsrechten – beschikbaar voor al wie betrokken is bij het Vlaams wetenschaps- en technologisch innovatiebeleid.

Indicatorenboek Wetenschap, Technologie en Innovatie 2009.

Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9

Wij wensen u veel professioneel genot toe met het Vlaams


10

BIJ WIJZE VAN INLEIDING …

boek kwamen dan ook tot stand onder impuls van een redactiegroep van experts behorend tot de verschillende

Wetenschap, technologie en innovatie worden onmiskenbaar

beleidsactoren uit het Vlaams Innovatiesysteem, die de staf van

de voornaamste hefbomen tot economische welvaart en sociaal

het Steunpunt O&O Indicatoren (sinds 2009 omgevormd

welzijn in de kenniseconomie van dit nieuwe millennium.

tot het Expertisecentrum O&O Monitoring) van de Vlaamse

De Vlaamse overheid heeft dan ook, naarmate ze door de

overheid bijstond in zijn opdracht dit Indicatorenboek te

regionalisering van de Belgische Staat over meer bevoegdheden

ontwikkelen. Elk van hen droeg bij tot de conceptie van dit

inzake wetenschaps-, technologie- en innovatiebeleid beschikte,

werk. Wij willen hen dan ook van harte danken voor de

veel aandacht besteed aan de verdere ontwikkeling van de

constructieve samenwerking om onder hoge tijdsdruk dit

kwaliteit en de slagkracht van het Vlaams wetenschaps-,

document af te werken:

technologie- en innovatiesysteem. Het brede spectrum van wetenschappelijk en technologisch onderzoek werd hierbij verder

• Mevrouw Michèle Oleo en Mevrouw Ingrid Reynaert van het

vervolledigd met maatregelen om het innovatievermogen

Kabinet van minister Ceysens en tevens voorzitter en onder-

van ondernemingen te verhogen, om de kleine en middelgrote

voorzitter van de stuurgroep van het Steunpunt O&O Indicatoren,

ondernemingen meer innovatiekansen te bieden, om de

• Mevrouw Linda De Kock van de Administratie Hoger Onderwijs,

mobiliteit van onderzoekers en kenniswerkers te stimuleren,

• Mevrouw Danielle Gilliot van de Vlaamse Interuniversitaire Raad,

om krachtenbundeling tussen innovatie-actoren gericht te

• Mevrouw Pascale Dengis, Mevrouw Kathleen D’ Hondt,

onderbouwen, en om het breder publiek dichter bij het

de Heer Peter Viaene en de Heer Koen Waeyaert,

wetenschaps- en innovatiegebeuren te betrekken.

Departement Economie, Wetenschap en Innovatie, • De Heren Eric Sleeckx en Donald Carchon van het IWT,

Het is dan ook nuttig en wenselijk om het geheel aan acties, en hun meetbare resultaten, in een coherent, regelmatig te verschijnen Indicatorenboek te bundelen. Dit is dan ook de doelstelling van dit werk dat de tijdsreeksen opgenomen in de

• De Heer Edwin Pelfrene van de Studiedienst van de Vlaamse Gemeenschap, • Mevrouw Daniëlle Raspoet en Mevrouw Kristien Vercoutere van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid,

Indicatorenboeken in 2003, 2005 en 2007, verder actualiseert

• Mevrouw Karen Vandevelde van het Expertisecentrum O&O

en uitbreidt. Zo wordt het mogelijk, dankzij de inspanningen

Monitoring/Steunpunt O&O Indicatoren, Universiteit Gent,

die de laatste jaren op het vlak van dataverzameling en

• Mevrouw Dani Vandepoel en de Heer Wolfgang Glänzel van

regionalisering van wetenschaps-, technologie- en innovatie

het Expertisecentrum O&O Monitoring/Steunpunt O&O

indicatoren op Vlaams niveau werden geleverd, een valide en

Indicatoren, K.U.Leuven,

internationaal vergelijkbaar overzicht te geven van de situatie in Vlaanderen op vlak van de bestedingen voor en de resultaten

die vanuit de redactieraad de nodige expert-inzichten en inbreng

van onderzoek, ontwikkeling en innovatie.

geleverd hebben bij het tot stand komen van de Vlaamse O&O-gegevens.

Na een overzicht van het wetenschaps-, technologie- en innovatie-systeem in Vlaanderen, worden de verschillende

Daarnaast danken we tevens alle auteurs die op basis van de

actoren, programma’s en hun resultaten in de daaropvolgende

inbreng van de redactiegroep, de verschillende hoofdstukken

hoofdstukken in detail besproken en, waar mogelijk, internationaal

en dossiers hebben geschreven en gedocumenteerd met actueel,

vergeleken. Alsdusdanig wordt een globaal overzicht bekomen

relevant en betrouwbaar cijfermateriaal.

van de respectievelijke actoren en hun bijdrage tot de werking van het Vlaams Innovatie Systeem. Aan de hand van zes

Zonder hun gezamenlijke inspanning was dit Indicatorenboek

dossiers, die dit boek afsluiten, worden bovendien een aantal

nooit tot stand kunnen komen.

recente studies inzake wetenschap en innovatie samengevat die in opdracht van de Vlaamse overheid werden uitgevoerd sinds

Een welgemeend woord van dank aan hen allen.

het verschijnen van de vorige editie van dit Indicatorenboek. Uiteraard kan dergelijk Indicatorenboek slechts tot stand

Prof. Koenraad Debackere en Prof. Reinhilde Veugelers

komen dankzij de bundeling van de inspanningen van vele

Redactie Werkgroep Vlaams Indicatorenboek

enthousiaste medewerkers. De redactie en het schrijven van dit

Leuven, 12 september 2009


11

HET VLAAMS WTI-SYSTEEM: EEN OVERZICHT EN EEN BESPREKING Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven) en Reinhilde Veugelers (K.U.Leuven)

01


12

1.1 SITUERING

De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB) fungeert als centraal adviesorgaan van de Vlaamse overheid inzake

In dit inleidend hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven

het WTI-beleid en staat aldus tussen alle beleidsactoren in.

van de voornaamste actoren in het Vlaams Wetenschap,

Daarnaast zijn er specifieke overlegorganen tussen actoren,

Technologie en Innovatie (afgekort als WTI)-systeem en van

zoals de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de Vlaamse

hun rol hierin. Sinds het begin van de jaren 1990 heeft dit

Hogescholen Raad (Vlhora) die ook inzake WTI-materies

Vlaams WTI-systeem volop vorm gekregen. Als gevolg van

coördinerend en adviserend optreden tussen en voor hun

de continu voortschrijdende federalisering van België werden

leden, doch wiens activiteitenspectrum uiteraard ruimer is dan

significante bevoegdheidspakketten inzake het WTI-beleid

enkel WTI-materies. Tot slot vermelden we ook de Commissie

en zijn implementatie ondergebracht bij de Gewesten en

voor Federale Samenwerking (de CFS) en haar werkgroep

Gemeenschappen. Bij de analyse van het Vlaamse WTI-beleid

CFS-STAT die instaat voor de coördinatie en de afspraken tussen

dient men dan ook rekening te houden met de specifieke

federale en regionale overheden inzake indicatorontwikkeling

Belgische federale staatsstructuur, die een onderscheid maakt

en -implementatie. Het is duidelijk dat dit landschap continu

tussen gewest- en gemeenschapsmateries. Voor wat betreft

in beweging is. Zo lopen er via het instrument van de

de betrokkenheid van de “private” sector (bedrijfssector en

IWT-haalbaarheidsstudies, dat in de loop van de jaren 2007 en

instellingen zonder winstoogmerk) en de Vlaamse overheid bij

2008 volledig operationeel werd, continu studies voor nieuwe

het “meten” van de resultaten van het WTI-beleid, wordt het

initiatieven inzake analyse en voorbereiding van mogelijke

Vlaams Gewest als territoriale entiteit gehanteerd. Het hoger

strategische onderzoekscentra en competentiepolen.

onderwijs is evenwel gemeenschapsmaterie. De politieke keuze van de Vlaamse Gemeenschap bestaat erin de Vlaamse publieke

Sinds 1995 heeft de Vlaamse overheid een uitgesproken

middelen die worden toegekend aan onderwijsinstellingen

stimuleringsbeleid

die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gevestigd, bij

De zogenaamde “inhaalbeweging” die in 1995 werd ingezet,

Vlaanderen te tellen en dit zowel voor wat betreft de

heeft ervoor gezorgd dat sinds 1995, de Vlaamse

statistieken die worden opgemaakt per financieringsbron als

overheidskredieten voor Onderzoek en Ontwikkeling (verder

voor wat betreft deze voor de uitvoering van het onderzoek.

afgekort als O&O) beduidend zijn toegenomen. Dit heeft

gevoerd

inzake

WTI-activiteiten.

ertoe geleid dat Vlaanderen anno 2007 een ratio van 2,03% De sleutelactoren in de conceptie en de uitvoering van dit

(berekend op Gewestniveau) of 2,06% (berekend op

Vlaams WTI-beleid zijn vandaag: het departement Economie,

Gemeenschapsniveau) van het Bruto Binnenlands Product

Wetenschap en Innovatie (EWI), het Vlaams Instituut voor

per Regio besteedt aan O&O-activiteiten, waarbij deze laatste

de bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch

naast onderzoek en ontwikkeling uiteraard ook een innovatie-

onderzoek

voor

component bevatten, zoals verder zal blijken uit de verschillende

Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen (FWO-Vlaanderen),

in

de

Industrie

hoofdstukken van dit Indicatorenboek. Daarmee scoort

de Hercules-Stichting ter financiering middelzware en zware

Vlaanderen nog steeds boven het Europees gemiddelde,

onderzoeksapparatuur,

strategische

al is de trend de laatste jaren, zoals in de meeste Europese

onderzoekscentra – de zogenaamde SOC’s – (IMEC, VITO,

landen, ook in Vlaanderen jammer genoeg dalend. Vooral aan

VIB en IBBT), de Vlaamse universiteiten en hun associaties

de kant van de bedrijfsuitgaven voor O&O is deze dalende

(K.U.Brussel, K.U.Leuven met campus Kortrijk, Universiteit

trend vrij persistent. De Vlaamse overheid is erin geslaagd haar

Hasselt met als zusteruniversiteit de tUL (transnationale

inspanningen op peil te houden, al blijkt ook daar verdere

Universiteit Limburg), U. Antwerpen, U. Gent en V.U.Brussel),

groei niet evident. Er blijven dus duidelijk nog heel wat

drie autonome kennisinstituten (ITG – Instituut voor Tropische

extra-inspanningen te leveren wil men de 3% norm halen die

Geneeskunde, de Vlerick Leuven Gent Management School

Europees Commissaris Busquin in 2002 heeft geïntroduceerd.

de

(IWT),

grote

het

Vlaamse

Fonds

en de UAMS Management School), en de competentiepolen die de brug slaan naar de diffusie en toepassing van nieuwe technologieën in het bedrijfsleven. De hogescholen die heel belangrijke actoren zijn in het toegepast wetenschappelijk onderzoek zijn, via de vorming van de associaties, met hun respectievelijke associatie-universiteiten verbonden.


13

Onderzoek, innovatie en welvaart zijn bijgevolg sleutel-

Daarnaast zijn er de sterk vraaggedreven, innovatiegerichte

begrippen geworden in het beleid van elk land of regio.

middelenconcentraties en platformen, de zogenaamde

Innovatie wordt daarbij eenvoudig en eenduidig gedefinieerd

competentiepolen, met als doel het bedrijfsweefsel maximaal

als de succesvolle transformatie van creativiteit en kennis in

te ondersteunen met kennistoepassingen op een specifiek

economische waarde. Innovatie is vandaag de centrale hefboom

thematisch domein. We vermelden hier de lopende initiatieven

tot waardecreatie. Waar het economisch weefsel in het Westen

van gerichte technologieontwikkeling voor de automobielindustrie

zich tot bijna het eind van de vorige eeuw kon handhaven door

(Flanders Drive), voor de mechatronica industrie (Flanders

zich te differentiëren op basis van productiviteit, kwaliteit en

Mechatronics), voor de ontwikkeling van geografische informatie-

flexibiliteit, is dit vandaag zondermeer uitgesloten. Uiteraard zijn

systemen (IncGeo), voor het ondersteunen van de toepassing

deze drie sleutelfactoren nog steeds van groot belang, doch het

van geavanceerde methodologieën voor materiaalkundig

zijn nodige voorwaarden tot competitiviteit en groei geworden.

onderzoek (Flanders Materials Research Centre of FLAMAC),

Volstaan doen ze al een tijdje niet meer. Innovatie en

voor de voedingsindustrie (Flanders Food), voor de design

internationalisatie zijn de echte welvaartsdifferentiatoren

industrie (Flanders InShape), voor de kunststoffenindustrie

geworden. Vlaanderen heeft gedurende de laatste vijftien jaar

(PlasticVision, in oprichting) en voor de ontwikkeling van

dan ook hard gewerkt aan het ondersteunen van deze

innovatieve arbeidsorganisaties (Flanders Synergy, in oprichting).

transformatieprocessen. Vandaag wordt daarom meer dan ooit de kritische vraag gesteld of we niet nog “beter” kunnen met ons

De laatste 5 jaar is, eerst onder impuls van minister Dirk Van

WTI-beleid. Dit “beter” kent een eenvoudig maar belangrijk

Mechelen, en later gestructureerd via de Hercules Stichting,

bijkomend beoordelingscriterium: welke resultaten worden

het belang van een goede onderzoeksinfrastructuur expliciet

behaald? De tijd van “input-denken” is immers aan actualisatie toe:

op de voorgrond gekomen. Deze onderzoeksinfrastructuur is

“outcome-denken” zal de komende jaren nieuwe normen stellen.

zowel voor het bedrijfsleven als voor de kennisinstellingen van groot belang wil men onderzoeksmatig internationaal

Het Vlaamse WTI-beleid wordt vandaag bij wijze van samen-

competitief blijven meespelen. Het Herculesinitiatief ter

vattend overzicht gekenmerkt door de volgende tendensen.

financiering van middelzware en zware apparatuur kent bijgevolg een gecombineerd aanbod- en vraaggericht karakter.

Ten eerste creëert het beleid aanzienlijke ruimte voor Ten derde hebben de Vlaamse O&O-actoren, zowel uit de

onderzoekswereld (op initiatief van de vorser) of vanuit

publieke sector als uit de private sector, ruim aandacht besteed

het bedrijfsleven (eigen O&O projecten) zelf ontstaan.

aan de verscheidenheid en complementariteit aan acties die

Significante hoeveelheden middelen zijn beschikbaar voor

noodzakelijk zijn om een voldoende verweven en tegelijk

“bottom-up” projectfinanciering. We vinden deze in grote mate

toegankelijk WTI-landschap (of Regionaal Innovatiesysteem) te

terug bij het IWT, het FWO-Vlaanderen en het Bijzonder

creëren. Dit heeft geleid tot het herkennen en erkennen van de

Onderzoeksfonds (het zogenaamde BOF) van de universiteiten.

nood aan netwerking en coördinatie op verschillende niveaus van het WTI-beleid. Het IWT speelt hierin een centrale rol.

Ten tweede heeft het Vlaamse WTI-beleid op gezette tijdstippen

De creatie van 5 regionale innovatiecentra, als een “joint-venture”

de nood herkend en erkend om voor bepaalde, toekomst-

tussen het IWT en het Vlaams Agentschap Ondernemen

gerichte speerpuntdomeinen een voldoende concentratie aan

(VLAO) kadert in dit regionaal beleid, naast uiteraard de andere

middelen te voorzien. Op regelmatige ogenblikken zijn er dus

vraaggedreven samenwerkings- en stimuleringsverbanden

meer “top-down” gerichte interventies die de vrijheidsgraden

(de zogenaamde TIS-verbanden).

voor “bottom-up” onderzoek en ontwikkeling aanvullen, integreren en bundelen tot meer slagkracht. Getuige hiervan zijn de vier

Ten vierde kan een Vlaams WTI-beleid onmogelijk plaatsvinden

grote strategische onderzoekscentra: IMEC (op het vlak van nano-

in een vacuüm. Toetsing van en alertheid voor de Vlaamse

en micro-elektronica), VITO (op het brede vlak van technologisch

aanwezigheid in Europese Kaderprogramma’s evenals in de

onderzoek), VIB (op het vlak van biotechnologie) en recent het

verschillende acties en programma’s van de Belgische federale

IBBT (op het vlak van breedbandtechnologie). Deze concentratie

overheid is en blijft dan ook een continu aandachtspunt van

is vaak het gevolg geweest van succesvolle “bottom-up”

het Vlaams WTI-beleid.

inspanningen én excellentie qua bereikte resultaten vanuit de onderzoekswereld, zowel de academische als de industriële.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 1

“bottom-up” initiatieven. Dit zijn initiatieven die vanuit de


14

Ten vijfde is de positie die Vlaanderen vandaag verworven heeft

Ten negende, heeft de Vlaamse overheid tevens voldoende oog

qua WTI-performantie mede het gevolg van de significante

voor de creatie van innovatieve beleidsinstrumenten ter stimulering

bedrijfsinvesteringen voor O&O. De rol van de private sector

van O&O. Zo verwijzen we heel expliciet naar de recente

in het Vlaams WTI-systeem mag dus helemaal niet worden

maatregelen die door de Vlaamse regering werden genomen

onderschat. Innovatie is en blijft immers een zaak van het

om innovatief aanbesteden mogelijk te maken en op die manier,

bedrijfsleven. Het zijn ondernemers en bedrijven die creativiteit

door de creatie van een markt voor innovatie, het innovatie-

en kennis transformeren tot marktresultaten en economische

gedrag van de Vlaamse ondernemingen verder te stimuleren.

waarde. Tot slot, en meer algemeen, de Vlaamse overheid heeft bij Ten zesde, heeft de Vlaamse overheid de laatste jaren expliciet

de regionalisering snel oog gehad voor het opdrijven van

veel aandacht besteed aan de verhoging van de mobiliteit

de O&O-intensiteit in Vlaanderen. In 1995 werd daartoe een

en diversiteit in de onderzoekspopulatie. Zo zijn er gericht

eerste significante “inhaalbeweging” opgestart. Deze wordt

maatregelen genomen om beloftevolle, zeer performante

sindsdien continu en op significante wijze verder gezet en

onderzoekers uit het buitenland naar Vlaanderen te halen

geactualiseerd conform de uitvoering van het Innovatiepact, dat

(het Odysseus programma) en om excellente onderzoekers

voor Vlaanderen het streven naar en het bereiken van de zopas

voldoende financiële armslag te geven (het Methusalem

vermelde 3% O&O-norm moet onderbouwen. Gelet op deze

programma). Mobiliteit tussen de Vlaamse universiteiten,

inhaalbeweging, gelet op de aanzienlijke middelen die door

kenniscentra en ook met het bedrijfsleven (via het Baekeland

de Vlaamse overheid worden ingezet in het kader van innovatie

programma) wordt eveneens structureel aangemoedigd.

en economische ontwikkeling, en gelet op voorgaande

Het stimuleren van diversiteit in de Vlaamse onderzoeks-

beschouwingen over resultaatgerichtheid, zal de Vlaamse

populatie, door onder andere het structureel stimuleren van

overheid de komende jaren terecht steeds meer expliciet

de vervrouwelijking van de onderzoekspopulatie, staat hoog op

aandacht besteden aan het op een valide en transparante wijze

de agenda van het WTI-beleid.

in kaart brengen van de resultaten of “outcomes” van deze investeringen en inspanningen.

Ten zevende, de omzetting van onderzoek in innovatie vereist een grote, niet aflatende inzet van financiële middelen.

Dit alles wordt dan ook een belangrijk beleidsaandachtspunt

De Vlaamse overheid heeft dan ook niet nagelaten om via

in de uitvoering van het Pact 2020 van de Vlaamse Regering

de Participatiemaatschappij voor Vlaanderen (PMV) de nodige

dat samen met het Vlaanderen-in-Actie programma een

financiële hefbomen te creëren onder de vorm van de

toekomstbeleid voor Vlaanderen uittekent rond zes doorbraken

investeringsvehikels Arkimedes en VINNOF (i.e. het Vlaams

naar 2020 (de open ondernemer, de lerende Vlaming,

Innovatiefonds).

het medisch centrum Vlaanderen, groen stedengewest, slimme draaischijf Europa, slagkrachtige overheid).

Ten achtste, naast subsidiemaatregelen, is er de laatste 5 jaar ook een beduidende en structurele toename van fiscale stimuli voor onderzoek en innovatie in België. Meer bepaald verdient

1.2 VLAANDEREN: ENKELE KERNCIJFERS

de gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers, in de kennisinstellingen en het bedrijfsleven,

De federalisering van de Belgische staat heeft ervoor gezorgd

meer dan een gewone vermelding. Het is een maatregel met

dat een statistisch apparaat op Vlaams niveau werd gecreëerd.

een significante financiële impact voor alle betrokken actoren.

Dit leidt tot volgende eerste-orde gegevens voor Vlaanderen,

Bovendien is de maatregel ook beleidsmatig heel cruciaal omdat

relevant voor verdere normalisatie van de WTI-gegevens.

hij aantoont dat de stimulering van onderzoek en innovatie in

In een eerste tabel wordt de evolutie van het Bruto Binnenlands

de toekomst waarschijnlijk steeds meer zal evolueren naar een

Product per Regio weergegeven. Het Bruto Binnenlands

mix van meer generieke fiscale stimuli en meer specifieke

Product (BBP) is een maat voor de welvaart welke gecreëerd

subsidiestimuli. Met andere woorden, de innovatie “policy mix”

wordt binnen een afgebakend gebied. De maat laat zich het

zal hierdoor mogelijks vrij ingrijpend veranderen.

eenvoudigst berekenen voor nationale staten, maar ook het Bruto Binnenlands Product per Regio (BBPR) voor regio’s of deelgebieden binnen nationale staten kan bepaald worden mits een aantal aannames.


15

Tabel 1.1:

Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen (lopende prijzen - in miljoenen euro)

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

106.704

113.183

118.163

120.045

126.808

131.198

136.579

144.325

148.202

152.974

157.412

166.378

173.170

182.981

189.566

Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering (september/oktober 2008)

Tabel 1.2:

Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen (constante prijzen, op basis van 2000: MSTI-deflator - in miljoenen euro)

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

116.908

121.463

125.278

126.590

132.295

134.092

139.105

144.325

145.258

147.211

149.043

153.836

156.177

161.868

164.472

Tabel 1.3:

Bevolking per Gewest per 1 januari 2008

Vlaams Gewest

Waals Gewest (incl. Duits. Gem.)

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Rijk

1-01-08

6.161.600

3.456.775

1.048.491

10.666.866

497,5

1-01-07

6.117.440

3.435.879

1.031.215

10.584.534

495,1

1-01-06

6.078.600

3.413.978

1.018.804

10.511.382

1-01-05

6.043.161

3.395.942

1.006.749

10.445.852

72.512

491,0

1-01-04

6.016.024

3.380.498

999.899

10.396.421

71.899

488,8

1-01-03

5.995.553

3.368.250

992.041

10.355.844

486,6

1-01-02

5.972.781

3.358.560

978.384

10.309.725

484,6

1-01-01

5.952.552

3.346.457

964.405

10.263.414

483,8

1-01-00

5.940.251

3.339.516

959.318

10.239.085

482,8

1-01-99

5.926.838

3.332.454

954.460

10.213.752

1-01-98

5.912.382

3.326.707

953.175

10.192.264

1-01-97

5.898.824

3.320.805

950.597

10.170.226

1-01-96

5.880.357

3.314.568

948.122

10.143.047

1-01-95

5.866.106

3.312.888

951.580

10.130.574

1-01-94

5.847.022

3.304.539

949.070

10.100.631

1-01-93

5.824.628

3.293.352

950.339

10.068.319

1-01-92

5.794.857

3.275.923

951.217

10.021.997

1-01-91

5.767.856

3.258.795

960.324

9.986.975

1-01-90

5.739.736

3.243.661

964.385

9.947.782

1-01-89

5.722.344

3.234.767

970.501

9.927.612

1-01-88

5.696.051

3.209.319

970.346

9.875.716

1-01-87

5.685.601

3.205.651

973.499

9.864.751

1-01-86

5.676.194

3.206.165

976.536

9.858.895

1-01-85

5.669.879

3.207.646

980.196

9.857.721

1-01-84

5.662.336

3.208.253

982.434

9.853.023

1-01-83

5.654.964

3.213.176

989.877

9.858.017

1-01-82

5.641.579

3.218.236

994.774

9.854.589

1-01-81

5.634.152

3.229.001

1.000.221

9.863.374

1-01-80

5.618.952

3.227.443

1.008.715

9.855.110

1-01-79

5.600.903

3.225.041

1.015.710

9.841.654

1-01-78

5.584.847

3.223.594

1.028.972

9.837.413

1-01-77

5.565.991

3.215.259

1.042.052

9.823.302

1-01-76

5.548.967

3.213.398

1.050.787

9.813.152

1-01-75

5.527.094

3.206.184

1.054.970

9.788.248

Stand op

Duitstalige Gemeenschap

EU27 (miljoen)

493,0

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 1


16

Het BBPR moet onderscheiden worden van het Bruto Regionaal

Ook voor wat betreft de vertaling van academisch onderzoek

Product (BRP), wat de tegenhanger is van het Bruto Nationaal

naar economisch relevante innovaties toe, wordt de rol van de

Product (BNP). Het BBPR is samengesteld uit de som van

universiteiten in toenemende mate erkend en belangrijk geacht

de bruto toegevoegde waarden (tegen basisprijs, in werkelijke

door de Vlaamse overheid. De laatste tien jaar heeft ze daartoe

prijzen) van alle bedrijfstakken binnen de geografische eenheid,

een passend wettelijk kader gecreëerd dat onder andere de

vermeerderd met de BTW op de producten en met de indirecte

eigendomsrechten van vindingen gemaakt door universitaire

belastingen bij de invoer, en verminderd met subsidies bij de

onderzoekers toewijst aan de universiteiten.

uitvoer. Verdiscontering van de BTW, de indirecte belastingen en de subsidies geschiedt overeenkomstig de verdeling van

Het Vlaamse universiteitslandschap heeft de laatste jaren nogal

de bruto toegevoegde waarde over de gewesten, wat maakt

wat beweging gekend. Zo werd in de periode 2000-2002

dat het aldus bepaalde BBPR een schatting betreft, weliswaar

de fusie van de drie Antwerpse universiteiten (RUCA, UFSIA

volgens de bepalingen van Eurostat, het Europees Bureau voor

en UIA) een feit met het ontstaan van de Universiteit

de Statistiek. Tabel 1.1 en tabel 1.2 geven de geschatte waarden

Antwerpen (UA) als geïntegreerd geheel. Daarnaast heeft de

van het BBPR voor het Vlaamse Gewest (en de andere gewesten)

UHasselt (UH) een grensoverschrijdende samenwerking met

voor opeenvolgende jaren van de periode 1993-2007, in lopende

de Universiteit Maastricht in Nederland, waarbij de tUL of de

prijzen en in constante prijzen.

transnationale Universiteit Limburg werd gecreëerd. Tot slot werden, samen met de Bachelor – Master hervormingen van

Een tweede gegeven, relevant voor de normalisering van

het Hoger Onderwijs in de Europese Unie, samenwerkings-

bepaalde WTI-gegevens, betreffen de bevolkingsgegevens.

verbanden of associaties tussen de Vlaamse universiteiten en de

De basisgegevens voor de bevolking woonachtig in het

Vlaamse hogescholen gevormd die de komende jaren het

Vlaamse Gewest zijn afgeleid uit de tabellen van het Nationaal

landschap van het hoger onderwijs in Vlaanderen drastisch

Instituut voor de Statistiek (N.I.S.) dat op zijn beurt aangewezen

verder zullen hertekenen en beïnvloeden.

is op de registraties van de loop van de bevolking door het Rijksregister. Aangenomen wordt dat de bevolking van de

De Vlaamse universiteiten hebben in de context van het

“Vlaamse Gemeenschap” is samengesteld uit de bevolking van

Vlaamse WTI-systeem een drievoudige opdracht, waarbij ze:

het Vlaamse Gewest en 20 procent van de bevolking van

(1) wetenschappelijk onderwijs verstrekken, (2) wetenschappelijk

het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Tabel 1.3 geeft de

onderzoek definiëren en uitvoeren, en (3) wetenschappelijke en

bevolkingsgegevens weer per 1 januari 2008.

technologische dienstverlening verzorgen aan de maatschappij in al haar geledingen, zowel sociaal als economisch. Het onderzoek aan de universiteiten wordt daarbij via een veelheid aan kanalen

1.3 DE ACTOREN IN HET VLAAMS WTI-SYSTEEM

onderzoek te financieren, dienen tevens de belangrijke

Het Vlaams WTI-systeem wordt gekenmerkt door een breed

van de betoelaging voor het Bijzonder Onderzoeksfonds,

spectrum aan actoren die elk hun eigen bijdrage leveren tot de

het FWO-Vlaanderen en de specialisatiebeurzen van het IWT,

implementatie van O&O- en innovatie-activiteiten. We vatten

met het oog op een versterking van het fundamenteel

ze hierna kort samen.

onderzoek. Daarnaast is er recent de werking van de Hercules-

gefinancierd. Naast de werkingstoelagen om het wetenschappelijk inspanningen vermeld te worden die geleverd worden op niveau

Stichting bijgekomen, die de financiering van middelzware en 1.3.1 De universiteiten

zware onderzoeksapparatuur voor haar rekening zal nemen. Via het FWO-Vlaanderen werden recent tevens belangrijke

Zoals verder zal blijken spelen de Vlaamse universiteiten een

excellentieprogramma’s

cruciale rol in het Vlaams WTI-systeem. Momenteel telt

Odysseus-programma (dat excellente onderzoekers terughaalt

Vlaanderen zes universiteiten: K.U.Brussel, K.U.Leuven, UHasselt,

naar Vlaanderen) en het Methusalem-programma (dat Vlaamse

U. Antwerpen, UGent en V.U.Brussel. Deze universiteiten zijn

excellente onderzoekers van een significante onderzoeks-

significante spelers in de wetenschapscreatie in Vlaanderen.

financiering voorziet).

Meer dan 85% van alle wetenschappelijke publicatie-output in Vlaanderen is immers afkomstig van deze zes universiteiten.

gefinancierd.

Het

betreft

het


17

Voor wat betreft de Vlaamse universiteiten worden de voorbije

Het IOF financiert onderzoeksmandaten en projecten die de

vijftien jaar niet enkel gekenmerkt door een significante

kennistransfer naar het bedrijfsleven toe moeten ondersteunen

toename van de onderzoeksintensiteit, doch tevens door een

en verder uitbouwen.

duidelijke aanpak inzake de kwaliteitsbewaking en -opvolging van het uitgevoerde onderzoek. Dit kwaliteitsbeleid is en blijft

1.3.2 De Vlaamse onderzoeksinstellingen

duidelijk een van de hoofdthema’s voor het management van de Vlaamse universiteiten voor de komende jaren. Temeer daar

Naast de universiteiten, die qua fundamenteel onderzoek de

vanaf het begrotingsjaar 2003 een gedeelte van de onderzoeks-

voornaamste actor in het Vlaams WTI-systeem zijn, heeft de

middelen die toegewezen worden aan de Vlaamse universiteiten,

Vlaamse overheid eveneens geopteerd voor een concentratie

met name van de middelen voor het Bijzonder Onderzoeksfonds

van middelen in een aantal strategische domeinen voor

aan de universiteiten, verdeeld worden op basis van de

wetenschappelijk en technologisch innovatieonderzoek. Dit heeft

publicatie- en citatieoutput van de betreffende instellingen.

geleid tot het ontstaan van vier grote Vlaamse onderzoekscentra. Gemeenschappelijke kenmerken van deze centra zijn:

De Vlaamse overheid heeft verder via verschillende decretale

hun financiering door de Vlaamse overheid op basis van

bepalingen op de valorisatie van academisch onderzoek

vijfjaarlijkse beheersovereenkomsten en hun oriëntatie naar de

sinds medio de jaren 1990 eveneens een aantal concrete

industrie toe. Zowel inhoudelijk als qua opdracht en concrete

beleidslijnen uitgestippeld die het voor universiteiten mogelijk

werking verschillen de vier centra van elkaar.

maken om de resultaten van hun wetenschappelijk onderzoek economisch te exploiteren. Zeer concreet is het nu mogelijk voor

Het Interuniversitair Micro-elektronica Centrum (IMEC) werd

de Vlaamse universiteiten op een consistente wijze te investeren

opgericht in 1985 in het kader van de DIRV-actie (Derde

in spin-off bedrijven die universitaire wetenschappelijke kennis

Industriële Revolutie Vlaanderen). Inspirator en oprichter van IMEC was wijlen Prof. R. Van Overstraeten van het departement

hebben daartoe, samen met financiers, participatiefondsen

Elektrotechniek van de K.U.Leuven. Het is het “oudste” van de

opgericht: het Gemma Frisius Fonds I & II aan de K.U.Leuven

vier onderzoekscentra en het is ondertussen geëvolueerd tot

samen met Fortis Private Equity en KBC Private Equity (het

het grootste, onafhankelijke micro-elektronica onderzoekscentrum

eerste Fonds werd opgericht in 1997, het tweede Fonds werd

in Europa. IMEC voert zowel industrieel basisonderzoek uit

opgericht in 2002), het Baekeland Fonds aan de UGent samen

als toegepast onderzoek. Een steeds toenemend gedeelte

met Fortis Private Equity en GIMV (opgericht in 1998) en

(meer dan 80% in 2006) van de inkomsten van IMEC ontstaat

recent gevolgd door het Baekeland II Fonds dat met ARKIV-

uit industriële samenwerkingen, waarvan de omvangrijke

steun werd opgericht, het Wendelen Fonds aan de UHasselt

“Industriële Affiliatie Programma’s” (de zogenaamde IAPs)

samen met Fortis Private Equity en KBC-Investco (opgericht in

internationaal tot de verbeelding spreken. IMEC ligt eveneens

1998 en stopgezet in 2002), het AIC aan de U.Antwerpen

aan de basis van meer dan 20 spin-off bedrijven.

(opgericht in 2001 samen met Anchis, Fortis Private Equity, GIMV en KBC-Investco), en het Brussels I3 Fund aan de V.U.Brussel

De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) is

(opgericht in 2002 samen met de GIMB, Fortis Private Equity,

ontstaan in 1993 als een gevolg van de diversificatie van de

KBC-Investco, Mercator en OMOB). En, niet minder belangrijk,

activiteiten van het Studiecentrum voor Kernenergie. De VITO

sinds 1998 heeft de Vlaamse overheid, zoals reeds aangehaald,

is actief op de brede domeinen van materiaaltechnologie en

een wettelijk kader gecreëerd waarbij de eigendomsrechten op

-onderzoek, milieu-onderzoek en toepassingen, energie,

academische vindingen aan de universiteit worden toegewezen.

procestechnologie, teledetectie en atmosferische processen.

Dit kader vormt het fundament waarop het valorisatiebeleid

De instelling richt zich daarbij zeer sterk op de noden van de

van de Vlaamse universiteiten is gestoeld.

industrie.

Met het oog op het verder stimuleren en versterken van het

Vervolgens is er het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB)

valorisatiegericht onderzoek, werd door de Vlaamse overheid

dat in 1995 als een virtueel instituut werd opgericht waarin

sinds een drietal jaar voor de universiteiten (en sinds 2006

de krachten van verschillende uitmuntende biotechnologie

eveneens voor de hogescholen toegankelijk) het Industrieel

laboratoria aan de Vlaamse universiteiten worden gebundeld.

Onderzoeksfonds (IOF) opgericht.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 1

commercieel valoriseren. Verschillende Vlaamse universiteiten


18

Deze bundeling moet niet enkel strategisch basisonderzoek

Verder dient vermeld dat sinds 2001 het Vlaams Instituut voor

verder versterken, doch eveneens de valorisatie van de

de Zee (VLIZ) tenvolle operationeel werd, met als doel het

onderzoeksresultaten op een meer effectieve en efficiënte wijze

aanzienlijk potentieel op het gebied van zeewetenschappelijk

mogelijk maken. Het VIB is actief op acht toekomstgerichte

onderzoek in Vlaanderen verder te bundelen en internationaal

onderzoeksdomeinen, met name moleculair biomedisch

te valoriseren door participatie aan belangrijke programma’s

onderzoek, plantgenetica, transgene technologie en gentherapie,

van Europese en multinationale organisaties te faciliteren.

humane genetica, immunologie en parasitologie, ontwikkelings-

Het VLIZ omvat eveneens het Vlaamse Maritiem Data Centrum.

biologie, moleculaire genetica en medicinaal proteïne onderzoek. Tot slot dienen ook de steeds vaker voorkomende en op innovatie Meer recent werd, op basis van de studie en inzichten van

gerichte platformen (de zogenaamde “competentiepolen”) te

Prof. Paul Lagasse, het IBBT opgericht (2004), het Instituut voor

worden vermeld, zoals deze op het vlak van technologie-

Breedbandtechnologie, dat als een vierde, vraaggedreven innovatie-

ontwikkeling voor de automobielindustrie (Flanders Drive), voor

instituut in het Vlaamse landschap van onderzoeksinstellingen

de mechatronica industrie (Flanders Mechatronics), voor de

opereert. Het IBBT richt zich als virtueel kennisinstituut op

ontwikkeling van geografische informatiesystemen (IncGeo),

economisch relevante toepassingen van breedbandtechnologie,

voor het ondersteunen van kennisopbouw op vlak van logistiek

zoals e-media en e-health toepassingen evenals medische

(Vlaams Instituut voor de Logistiek), voor de studie van mobiliteit

beeldverwerking. Op die manier wil de Vlaamse overheid zich

(Vlaams Insituut voor de Mobiliteit), voor de toepassing van

volop inschakelen in de belangrijke digitale evoluties van de

geavanceerde methodologieën voor materiaalonderzoek

21ste eeuw. De complementaire rol van het Vlaamse bedrijfs-

(Flanders Materials Research Center of FLAMAC), het kennis-

leven en kenniscentra op dit domein staat daarbij centraal.

initiatief op vlak van voedingstechnologie (Flanders Food), op vlak van productontwikkeling en –ontwerp (Flanders Inshape),

Naast deze vier “grote” onderzoekscentra, beschikt Vlaanderen

op vlak van kunststofverwerking (PlasticVision, in oprichting) en

nog over vier instellingen die opgericht werden op basis van

op het vlak van innovatieve arbeidsorganisatie (Flanders Synergy,

het Koninklijk Besluit van 1961 op de wetenschappelijke

in oprichting). Het betreft hier steeds publiek-private partnerships

instellingen. Hun opdracht bestaat erin wetenschappelijk

die voor een belangrijk technologisch toepassingsdomein een

onderzoek op hun domein op te volgen, de resultaten ervan in

complementaire krachtenbundeling nastreven tussen industriële

beleidsgerichte aandachtspunten te vertalen en eveneens

partners en academische onderzoeksgroepen.

zelf beleidsgericht onderzoek uit te voeren. Deze centra zijn: (1) het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE),

Het is duidelijk dat dit landschap continu in beweging is. Zo lopen

(2) het Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO),

er via het instrument van de IWT-haalbaarheidsstudies, dat in

(3) het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), en

de loop van de jaren 2007 en 2008 volledig operationeel werd,

(4) het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten – Antwerpen

continu studies voor nieuwe initiatieven inzake analyse en

(KMSKA).

voorbereiding van mogelijke strategische onderzoekscentra en competentiepolen.

Daarnaast beschikt Vlaanderen nog over drie autonome kennisinstellingen die nauwe banden hebben met een aantal

1.3.3 De collectieve centra

Vlaamse universiteiten. Het ITG, Instituut voor Tropische Geneeskunde, is een wereldleider op het domein van HIV- en

Deze elf centra (BIL, Centexbel, CORI, CRM, CWOKBN, OCCN,

AIDS-onderzoek. Met de twee managementscholen, de Vlerick

OCW, TCN, WTCB, WTCM, WTOCD)1 werden opgericht door

Leuven Gent Management School en de UAMS Management

de Belgische bedrijfsfederaties, meestal onder de vorm van

School, is Vlaanderen ook in de wereld van het management-

vzw’s, en doen in de eerste plaats aan toegepast onderzoek dat

onderwijs en -onderzoek prominent aanwezig in Europa en

relevant is voor de bedrijven uit hun sector.

de wereld.

1 BIL: Belgisch Instituut voor Lastechniek, Centexbel: Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Belgische Textielnijverheid, CoRI: Coatings Research Institute, CRM: Centrum voor Research in de Metallurgie, CWOBKN: Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek der Belgische Keramische Nijverheid, OCCN: Centrum voor Wetenschappelijk en Technisch Onderzoek der Cementnijverheid, OCW: Onderzoekscentrum voor de Wegenbouw, TCHN: Technisch Centrum der Houtnijverheid, WTCB: Wetenschappelijk en Technisch Centrum van het Bouwbedrijf, WTCM: Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Metaalverwerkende Nijverheid, WTOCD: Wetenschappelijk en Technisch Onderzoekscentrum voor Diamant


19

Daarnaast nemen zij vaak deel aan Europese, federale en

De Associaties universiteiten-hogescholen vormen een geschikt

Vlaamse onderzoeksprogramma’s en/of voeren zij zelf onderzoek

kader om in de volgende jaren het onderzoekspotentieel van

uit om hun kennisniveau op peil te houden. Meer specifiek, in

de hogescholen verder uit te bouwen. Ook de ontwikkeling

het kader van steunverlening via het IWT kunnen deze centra

van het Industrieel Onderzoeksfonds (IOF) op niveau van de

dergelijk onderzoek definiëren en uitvoeren. Tevens voeren zij,

associaties en hun hogescholen, moet hun rol in het toegepast

op vraag van individuele bedrijven, contractonderzoek uit.

onderzoek verder ondersteunen en vormgeven.

1.3.4 De bedrijven

1.3.6 De herverdelende mechanismen: IWT-Vlaanderen, FWO-Vlaanderen, Hercules, BOF en IOF

De bedrijven zijn niet weg te denken uit het Vlaams WTI-systeem. Zij nemen een vooraanstaande plaats in voor wat betreft

Het IWT-Vlaanderen (Instituut voor de Aanmoediging van

hun aandeel in het totaal aan WTI-uitgaven in Vlaanderen.

Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen) is de

Meer bepaald, staan de bedrijven in voor afgerond 70% van

operator voor het technologiebeleid in Vlaanderen. Het instituut

de O&O-financiering in het Vlaams Gewest. Het dient echter

bestaat sinds 1991. De basisfilosofie bestaat erin op te treden als

wel gezegd dat ze een zeer heterogene groep vormen.

“één loket voor de Vlaamse bedrijven.” Het staat in voor de financiering van het onderzoek met een economische finaliteit.

De meeste grote ondernemingen zijn duidelijk innovatie-actief.

Dit betreft zowel onderzoek dat op initiatief van een bedrijf

Sommige onder hen hebben aanzienlijke onderzoeksbudgetten.

wordt aangevraagd als de definitie en de implementatie van

Echter, gelet op de industriële textuur in Vlaanderen, behoort

instrumenten die gebruikt worden voor het stimuleren van

het merendeel van deze grote ondernemingen tot multi-

technologische innovatie.

nationale groepen zodat hun onderzoeksbeleid niet enkel in Ook de Vlaamse kennisinstellingen en intermediairen zijn

intensieve ondernemingen, is de laatste jaren een groep van

hierin belangrijke partners en ontvangen daartoe de nodige

hoog-technologische kleine en middelgrote ondernemingen

financiële steun. Het IWT speelt daarnaast ook een centrale rol

ontstaan die gestadig aangroeit, niettegenstaande de tegenslagen

bij het toekennen van specialisatie-beurzen voor doctoraats-

(en bijhorende falingen) die zich hebben voorgedaan in de

opleidingen en post-doctorale vorsers in wetenschappelijk en

periode 2000-2001 die volgde op het barsten van de “internet-

technologisch onderzoek aan de universiteiten. Verder ondersteunt

bubble.” Daarnaast is er een grote meerderheid van kleine en

het IWT het bedrijfsleven inzake deelname aan internationale

middelgrote ondernemingen die zelf niet aan onderzoek doet,

technologische programma’s, inzake de overdracht van

doch waarvan sommigen tot op zeker hoogte onderzoek

technologie en het zoeken naar partners, evenals inzake

uitbesteden, of nog, waarvan een aantal zeker innovatiegericht

(eerste lijns)begeleiding. Het IWT coördineert bovendien de

kan worden genoemd.

werkzaamheden van de technologische adviseerdiensten onder andere bij de sectoriële collectieve onderzoekscentra. Via haar

1.3.5 De hogescholen

eenheid Monitoring & Analyse speelt het IWT tevens een rol bij het waarnemen en het beleidsgericht evalueren van tendensen

In 1997 werd in opdracht van de Vlaamse regering door het

op het domein van technologische evolutie en innovatie

IWT de actie “HOBU-Fonds” gelanceerd. Het HOBU-fonds

in Vlaanderen.

werd ondertussen geactualiseerd en omgevormd tot het TETRA-fonds. Het wil enerzijds een impuls geven aan de

Sinds 2008 zijn, conform de Europese kaderregeling, nieuwe

opwaardering en de valorisatie van het technologisch

steunregels van kracht. Deze bouwen verder op de regels die op

onderzoek aan de Vlaamse hogescholen. Anderzijds wil men

5 oktober 2001 door de Vlaamse regering werden goedgekeurd.

via de hogescholen (vooral kleinere) bedrijven de mogelijkheid

Dit laatste financieringsbesluit verving het zogenaamde

bieden om op de hoogte te blijven van de mogelijkheden die

FIOV-besluit van 23 oktober 1991. Naast de administratieve

geboden worden door technologische ontwikkelingen. Op die

vereenvoudigingen en de verruiming van de subsidieerbare

manier worden de hogescholen verder gestimuleerd in hun

kosten die opgenomen werden in de steunregelgeving, wordt

opdracht om naast onderwijs, ook actief met toegepast

tevens aandacht besteed aan het economisch valorisatiepotentieel

technologisch onderzoek bezig te zijn.

in Vlaanderen van de goedgekeurde projecten.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 1

en vanuit Vlaanderen wordt bepaald. Naast de grote, innovatie-


20

De nieuwe steunregels die sinds 2008 van kracht zijn, leggen

Verder werd als “opvolger” van het STWW programma

de basissteunpercentages vast op respectievelijk 15%

(Strategische Technologieën voor Welzijn en Welvaart) en het

(experimentele ontwikkeling) en 40% (basisonderzoek).

GBOU-programma (Generisch Basisonderzoek aan de

Daarbovenop zijn er verschillende, cumuleerbare, additionaliteits-

Universiteiten), in 2002-2003 het SBO-programma opgestart

bonussen voorzien, die het steunpercentage tot maximaal 80%

(Strategisch Basisonderzoek). In het kader van het SBO-

kunnen doen oplopen. De bonussen betreffen, onder andere,

programma kunnen Vlaamse onderzoeksgroepen (zowel uit

de Duurzame Technologie Ontwikkelingsobjectieven van de

de kennisinstellingen als uit het bedrijfsleven) projecten voor

Vlaamse overheid (DTO, operationeel sinds 2002), KMO-

strategisch technologisch en maatschappelijk onderzoek indienen

additionaliteit, additionaliteiten voor samenwerkingsformules

waarvan de resultaten op termijn een duidelijke toegevoegde

en in het bijzonder samenwerking met kennisinstellingen.

waarde creëren op economisch of maatschappelijk vlak.

Tevens kunnen ondernemingen een beroep doen op een

Een basisdoelstelling is het realiseren van een brugfunctie

systeem van achtergestelde leningen die naast de subsidie kunnen

tussen de onderzoekswereld enerzijds en de economie en

worden toegekend. Dit laatste gebeurt in samenwerking met

maatschappij anderzijds. Het onderzoek wordt gekwalificeerd

PMV, de Participatie Maatschappij voor Vlaanderen.

als “strategisch basisonderzoek.” Dit houdt in dat het kwalitatief hoogwaardig onderzoek is, gericht op langere termijn, met een

Belangrijke evoluties in de activiteitenportfolio van het IWT,

uitgesproken origineel, creatief en grensverleggend karakter.

betreffen de Vlaamse Innovatie Samenwerkingsverbanden (VIS). Deze samenwerkingsverbanden willen actief innovatie in

Tot slot vermelden we naast deze verschillende maatregelen

Vlaanderen stimuleren door vier projecttypes te steunen: (1)

en steunmechanismen ook nog de steun aan de universitaire

thematische innovatiestimulering (TIS), (2) subregionale

interfacediensten ter ondersteuning van de exploitatie van het

innovatiestimulering (RIS), (3) technologische dienstverlening

onderzoek aan de Vlaamse universiteiten, de Eureka-steunregeling

(via de technologische adviseerdiensten), en (4) het collectief

(met de Medea+ projecten, Itea- en Pidea-projecten), de steun-

onderzoek. De projecten kunnen ingediend worden door een

regeling voor projecten uit de lucht- en ruimtevaart die sinds

vereniging van bedrijven en kennisinstellingen (federaties, vzw’s,

2002 van kracht is en de betrokkenheid van het IWT bij de

consortia of gelijkgestelde collectieve centra en subregionale

doorlichtingen betreffende meer omvangrijke subsidies voor de

actoren). Voor de uitvoering van het project kunnen zij een

ondersteuning van technologische innovatie (zoals Flanders

beroep doen op een brede waaier van kenniscentra

Drive, KMO-IT Centrum, Flanders Mechatronics, Incubatiepunt

(Collectieve Centra, hogescholen, universiteiten en grote

GeoInformatie, FLAMAC, Flanders Food, Flanders Inshape en

onderzoeksinstellingen). Het VIS-subsidiemechanisme betekende

PlasticVision). Om dit alles continu en recurrent te optimaliseren,

aldus een significante verruiming zowel naar de potentiële

worden er door het IWT op regelmatige tijdstippen effect-

projectindieners toe als naar de uitvoerende kenniscentra toe.

metingen gedaan van de betreffende maatregelen en

Met het VIS wordt het VIN, het Vlaams Innovatie Netwerk dat

gehanteerde instrumenten. Op die manier worden de

door het IWT wordt gecoördineerd, gevoed.

effectiviteit en de “outcomes” van de instrumenten bewaakt en waar nodig en wenselijk bijgestuurd.

Tevens wordt het KMO-programma continu bewaakt en verbeterd zodat een steeds betere dienstverlening naar de

Het FWO-Vlaanderen (Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek

Vlaamse KMO-populatie mogelijk wordt. In de loop van 2008

– Vlaanderen) verdeelt de middelen voor fundamenteel

werden de verschillende instrumenten in dit programma nog

onderzoek aan de universiteiten en dit vooral onder de vorm

verder gestroomlijnd en vereenvoudigd zodat de drempel voor

van (1) beurzen voor doctoraats- en post-doctorale

KMO’s om de weg naar het IWT te vinden nog transparanter

onderzoekers, (2) de financiering van onderzoeksprojecten, en

wordt. Het succes van het programma kan worden afgeleid uit

(3) de steun aan congressen en symposia. Daarnaast financiert

het aantal projectvoorstellen dat steeg tot meer dan 300 per

het FWO onderzoeksgemeenschappen waarin Vlaamse en

jaar sinds 2003, te vergelijken met een jaarlijks gemiddelde van

buitenlandse onderzoekers in een bepaalde discipline elkaar

111 de jaren daarvoor.

in een gestructureerd verband kunnen ontmoeten en onderzoekservaringen uitwisselen.


21

Dergelijke netwerken laten de deelnemende onderzoeks-

Sinds de verdeelsleutel voor 2003, werden deze drie criteria

eenheden toe aan te sluiten bij grote, prestigieuze

aangevuld met een criterium dat het aandeel van elke Vlaamse

internationale netwerken, die ondermeer door de European

universiteit in de totale Vlaamse academische publicatie- en

Science Foundation worden opgezet. Via het FWO-Vlaanderen

citatie-output in de Science Citation Index (geëxtraheerd uit de

worden tevens belangrijke excellentieprogramma’s gefinancierd.

Expanded Web-of- Science, ISI-Thomson) gedurende een

Het betreft het Odysseus-programma (dat excellente

tienjaar voortschrijdend tijdsvenster weergeeft. Voor 2003

onderzoekers terughaalt naar Vlaanderen) en het Methusalem-

telden de drie originele criteria hierbij voor 90% mee, terwijl de

programma (dat Vlaamse excellente onderzoekers van een

SCIE-output voor 10% in de verdeelsleutel meetelde. Deze

significante onderzoeksfinanciering voorziet).

verhouding evolueert ondertussen verder naar een 64/36 verhouding conform het in 2008 aangepaste en goedgekeurde

De belangrijke groei vanaf 1996 in de financiële middelen voor

BOF-besluit. Tevens werden de databestanden sinds BOF-

het fundamenteel niet-gericht onderzoek vanwege de Vlaamse

begrotingsjaar 2008 uitgebreid met de Social Science Citation

overheid, heeft het FWO een bijzondere impuls gegeven.

Index (SSCI), de Arts&Humanities Citation Index (AHCI) en de

Het onderzoekersbestand werd zowel op niveau van de

ISI Conference Proceedings publicatiedata (Science &

aspirant-doctorandi als op niveau van de postdoctorale

Technology evenals Social Sciences & Humanities Proceedings).

onderzoekers

aantal

In 2008 werd tevens een aanvang gemaakt met de

onderzoeksprojecten werd gevoelig opgetrokken. Deze groei

ontwikkeling van het Vlaams Academisch Bibliografisch

is de laatste jaren consequent verdergezet.

Bestand (VABB) voor de Sociale en Humane wetenschappen.

substantieel

versterkt.

Ook

het

Het VABB moet zorgen voor de betere vertegenwoordiging Tevens werden recent de krachten ter ondersteuning van de

van de sociale en humane wetenschappen in de BOF-tellingen.

financiering van middelzware en zware onderzoeksapparatuur

Het zal tegen 2011 operationeel zijn.

gebundeld in de Hercules-Stichting. De Hercules-Stichting zal via geëigende advies- en beslissingsorganen aanzienlijke hoeveelheden

Tot slot vermelden we het IOF (Industrieel Onderzoeksfonds)

middelen investeren in onderzoeksapparatuur. De Stichting

dat onderzoeksmiddelen verdeelt aan de Vlaamse universiteiten

opereert als een autonome instelling, echter met sterke banden

en hogescholen, op basis van een verdeelsleutel die rekening

met zowel IWT als FWO, zowel op niveau van het bestuur van

houdt met hun valorisatieresultaten (gebaseerd op gerealiseerde

de Stichting als op niveau van haar operationele werking.

inkomsten uit industrieel onderzoek, inkomsten uit Europese

Naast het FWO-Vlaanderen, dat een belangrijk financierings-

evenals spin-off aantallen). Het IOF wil op die manier het

instrument is voor het academisch wetenschappelijk onderzoek

strategisch basisonderzoek en de valorisatie ervan aan de

op initiatief van de vorser, dient tevens het Bijzonder

Vlaamse associaties stimuleren en financieel onderbouwen.

Onderzoeksfonds (of BOF) te worden vermeld. Het BOF is een interuniversitair verdelingsmechanisme dat aan de Vlaamse

1.3.7 Het departement Economie, Wetenschap en

universiteiten een significant onderzoeksbudget ter beschikking

Innovatie

stelt, het welk de universiteiten vervolgens intern kunnen verdelen aan grote (de zogenaamde GOA’s) en kleinere

Het departement Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI)

onderzoeksprojecten (projecttoelagen) op basis van een eigen,

van de Vlaamse overheid zorgt voor de voorbereiding en de

intern selectieproces dat vaak op “peer-review“ van een

evaluatie van het beleid over economie, wetenschap en

competitieve projectindiening gebaseerd is.

innovatie om zo bij te dragen tot meer welvaart en welzijn in Vlaanderen. De hefbomen hiervoor zijn het bevorderen van:

De middelen van het BOF zijn in de periode 1995-2007 nagenoeg vervijfvoudigd. Tot en met 2002 werden de BOF-

l

excellent wetenschappelijk onderzoek,

middelen interuniversitair verdeeld op basis van drie criteria,

l

een aantrekkelijk en duurzaam bedrijfsklimaat,

met name het aandeel in het aantal afgeleverde tweede

l

een creatieve, innovatieve en ondernemende samenleving.

cyclusdiploma’s over een vier jaar tijdsvenster (35%), het aandeel in het aantal afgeleverde doctoraten over een vier jaar tijdsvenster (50%) en het aandeel in de werkingsmiddelen van de betreffende universiteiten (15%).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 1

samenwerkingsprogramma’s, grootte van de octrooiportefeuilles


22

De strategische beleidsdoelstellingen van het departement EWI luiden als volgt:

De VRWB-begrotingsadviezen zijn inmiddels een begrip geworden. De Vlaamse regering is verplicht de VRWB vooraf te raadplegen over alle decreten en besluiten, die algemene

l

Stimuleren van excellent wetenschappelijk onderzoek

l

Maatschappelijk en economisch valoriseren van kennis

l

Stimuleren van creativiteit en innovatie

l

Bevorderen van ondernemerschap

Ook alle belangrijke acties en initiatieven op het vlak van

l

Versterken van het maatschappelijk draagvlak van wetenschap

wetenschaps- en technologiebeleid moeten aan de VRWB voor

en technologie

advies worden voorgelegd.

aangelegenheden inzake wetenschapsbeleid regelen en die instellingen betreffen die instaan voor de betrokken materies.

l

Creëren van een stimulerende bedrijfsomgeving

l

Bijdragen tot de realisatie van een efficiënte en effectieve

Bij zijn adviesverlening en om de gestelde problemen uit

overheid

te diepen, doet de VRWB beroep op vier permanente

Departement EWI ontwikkelen tot kenniscentrum in

commissies: Wetenschapsbeleid, Technologiebeleid, Begroting

l

Economie, Wetenschap en Innovatie

en Financiën en tot slot Federale en Internationale Samenwerking. Voor bijzondere vraagstukken of voor het uitvoeren van

Deze doelstellingen kunnen enkel gerealiseerd worden door

onderzoeksopdrachten worden ad hoc werkgroepen en

Vlaanderen in een internationale context te plaatsen.

externe deskundigen ingeschakeld. Sinds zijn ontstaan heeft de Raad zich continu verder ontplooid en ontwikkeld. Hij groeide

Om deze veelvuldige opdracht te volbrengen is het departement

inmiddels uit tot een volwaardig adviesinstrument voor het

ingedeeld in vier beleidsafdelingen: Ondernemen en Innoveren,

beleid. Naast de talrijke expliciet gevraagde adviezen, nam

Onderzoek, Strategie en Coördinatie en Kennisbeheer.

de VRWB zelf tal van initiatieven voor studiedagen, onderzoeksstudies en analyses. Daarbij heeft de VRWB steeds

1.3.8 De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid

een grote belangstelling aan de dag gelegd voor toekomstgerichte vraagstukken van het wetenschaps- en technologiebeleid.

De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB) is het hoogste adviesorgaan voor elke aangelegenheid rond

Getuige daarvan zijn het onderzoek naar betere deflatoren

wetenschaps- en technologiebeleid, zowel voor de Vlaamse

voor O&O-uitgaven en bestedingen, naar de problematiek van

regering als voor het Vlaams Parlement. De wettelijke basis is

“science sharing” en naar methodologieën voor wetenschaps-

het decreet van 15 december 1993. Dat versterkte de juridische

en technologieverkenning evenals het in kaart brengen van voor

basis van de Raad, die al in 1985 werd opgericht bij besluit van

Vlaanderen belangrijke wetenschaps- en technologie-evoluties

de Vlaamse regering. De Raad is samengesteld uit een

aan de hand van verkenningsstudies. Vermeldenswaard is

voorzitter en 16 leden, waarvan 6 uit het academisch milieu

zeker ook de VRWB studiereeks die een regelmatige output

afkomstig zijn, 6 uit de socio-economische middens, en 4 door

van gedegen studies en analyses inzake wetenschaps- en

de regering aangeduid zijn. Allen worden benoemd op basis

technologiebeleid garandeert. In deze context verwijzen we

van hun deskundigheid of betrokkenheid bij het wetenschapsen technologiebeleid in Vlaanderen. Vijf hoge ambtenaren uit de Vlaamse administratie nemen met raadgevende stem deel aan de vergaderingen. Tot 2002 was Prof. R. Dillemans voorzitter. Hij werd opgevolgd door de heer K. Vinck. Deze structuur vormt een uniek forum, waar vooraanstaande actoren uit de academische en uit de sociaal-economische wereld zich als een “raad van wijzen” beraden over de algemene krachtlijnen van het wetenschaps- en technologiebeleid in Vlaanderen. De VRWB is bevoegd om (op eigen initiatief of op verzoek) aanbevelingen te formuleren, onderzoek te verrichten en advies uit te brengen. Jaarlijks analyseert en bespreekt de Raad het Vlaams begrotingsbeleid voor wetenschap en technologie.

naar de recente studies aangaande samenwerking universiteit – industrie, wetenschapscommunicatie, de relatie tussen onderwijs en innovatie, en het translationeel biomedisch onderzoek.


23

1.3.9 De adviesorganen

1.3.11 Specifieke acties naar technologietransfer en diffusie

De

Koninklijke

Vlaamse

Academie

van

België

voor

Wetenschappen en Kunsten fungeert als de ontmoetingsplaats

Naast de hoger beschreven actoren, wordt het Vlaams WTI-

voor uitmuntende Vlaamse wetenschappers en is het

systeem gekenmerkt door een hoge mate van bekommernis

aanspreekpunt voor verschillende gelijkaardige organisaties

om de resultaten van wetenschappelijk en technologisch

overal ter wereld. De Academie vervult alsdusdanig de rol van

onderzoek evenals de innovatieve aanwendingen van deze

een Vlaams Kennis- en Cultuurforum, een rol die in de loop

resultaten, zo goed mogelijk te laten doorstromen naar zoveel

van 1998 werd vastgelegd. Voor wat de relatie tussen

mogelijk actoren in Vlaanderen. Daarom wordt vanuit de

technologie en economie betreft, dienen ook de activiteiten van

Vlaamse Regering en vanuit het IWT ruime aandacht besteed

de SERV (de Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen) met

aan transfer en diffusie van technologie.

de Stichting Technologie Vlaanderen (STV) te worden vermeld, die zich vooral richten op het uitvoeren van studies naar

Daartoe werden verschillende mechanismen in het leven

het Vlaamse socio-economisch weefsel, inclusief technologie-

geroepen, die hierna kort worden toegelicht. Sinds 1998 wordt

vraagstukken die zich daarbij kunnen stellen.

door de Vlaamse overheid een subsidie toegekend aan de universitaire interfacediensten met de bedoeling op deze wijze

1.3.10 De Steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek

de valorisatie-activiteiten van de universiteiten een duw in de rug te geven. Aan de Collectieve Centra zijn technologische

Met de oprichting van de steunpunten voor beleidsrelevant

adviesfuncties verbonden. Hun taak bestaat erin KMO’s te

onderzoek verzekert de Vlaamse overheid zich van een grotere

sensibiliseren voor nieuwe of vernieuwende technologische

stabiliteit in het beleidsondersteunend onderzoek en, hiermee

ontwikkelingen en het daarbijhorend eerstelijnsadvies. De Vlaamse

gepaard gaand, van de gestadige opbouw van een kritische

Innovatie Samenwerkingsverbanden (zie hoger) geven aan

kennismassa omtrent een aantal prioritaire beleidsthema’s.

deze diensten sinds 2001 een nieuwe en verruimde impuls.

De werking van de steunpunten wordt opgevolgd door het departement EWI, telkens in samenspraak met de Minister

Verwant aan de Collectieve Centra werden in de periode

bevoegd voor het beleidsdomein waarop het betreffende

1995-1997 een tiental clusters in het leven geroepen.

Steunpunt actief is.

Clusters werden daarbij gedefinieerd als een netwerk van bedrijven die onderling samenwerken of samenwerken met onderzoeksinstellingen op één of meerdere domeinen (zoals

worden gevormd door één of meer onderzoeksgroepen uit

wetenschappelijk onderzoek, productontwikkeling of opleiding).

één of meer universitaire instellingen die samen gedurende

Conform de beleidsopties van de Vlaamse Regering, werd

een 5-jaar periode wetenschappelijke ondersteuning bieden

naderhand beslist deze specifieke steunvorm niet verder te

aan de Vlaamse overheid:

verlengen, maar de bestaande initiatieven de kans te geven zich in te schakelen in het ruimer mechanisme van de Vlaamse

l

Fiscaliteit en Begroting;

Innovatie Samenwerkingsverbanden. Deze evolutie werd in

l

O&O-Indicatoren (vanaf 1 januari 2009 omgevormd tot

de periode 2001-2002 met goed gevolg volop in beweging

het Expertisecentrum O&O-Monitoring);

gezet en heeft vandaag geleid tot een brede portfolio aan

l

Ondernemen en Internationaal Ondernemen;

goedgekeurde en werkende samenwerkingsverbanden.

l

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

l

Werk en Sociale Economie;

Bij deze veelheid aan acties die ondernomen worden op het

l

Milieu en Gezondheid;

vlak van transfer en diffusie valt tot slot nog te vermelden dat

l

Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen;

de Vlaamse overheid steeds meer belang hecht aan valorisatie,

l

Buitenlands Beleid, Toerisme en Recreatie;

kennistransfer en samenwerking tussen de verschillende actoren

l

Studie en Schoolloopbanen;

in het Vlaams WTI-landschap. Deze centrale beleidsoptie komt

l

Cultuur, Jeugd en Sport;

heel zichtbaar tot uiting in de waaier aan stimuleringsmaatregelen

l

Mobiliteit en Openbare Werken;

(bvb. competentiepolen, regionale innovatiecentra, …) die

l

Ruimte en Wonen;

vandaag het Vlaams WTI-beleid en het resultaat ervan in

l

Duurzame Ontwikkeling;

de vorm van het VIN (het Vlaams Innovatie Netwerk dat door

l

Gelijkekansenbeleid.

het IWT wordt gecoördineerd), kenmerken.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 1

De veertien Steunpunten voor Beleidsrelevant Onderzoek


24

1.3.12 Sensibilisering Tot slot, de laatste jaren werd eveneens op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan het opzetten van een brede publiekssensibilisatie omtrent wetenschap, technologie en innovatie. De Stichting “Flanders Technology International” (FTI), Technopolis (een “doe-centrum” voor wetenschap en technologie dat in het najaar 1999 zijn deuren opende en werd voorbereid door FTI), de wetenschapsweek, en diverse communicatiecampagnes omtrent innovatie kaderen in die brede sensibilisatie activiteit. De campagne “jij bent Flanders’ Future” was daarvan een voorbeeld. Ook mediaprogramma’s zoals “Jongens en Wetenschap” kaderen in die sensibilisatieaanpak. In 2004 ging tot slot het initiatief Flanders Districts of Creativity (Flanders DC) van start dat de creativiteit en innovativiteit van de Vlaamse economie regionaal en internationaal moet ondersteunen.

1.4 CONCLUSIE In dit inleidend hoofdstuk werd een overzicht gegeven van de voornaamste actoren en instrumenten van het Vlaams WTI-systeem en WTI-beleid. Dit overzicht, dat in de volgende hoofdstukken verder wordt gedetailleerd, illustreert de inspanningen die in Vlaanderen de laatste jaren werden geleverd om het WTI-beleid op een internationaal vergelijkbaar en competitief niveau te brengen. In de volgende hoofdstukken worden deze resultaten verder besproken en wordt, waar mogelijk, eveneens de Vlaamse aanwezigheid in een internationale onderzoeks- en innovatie context bekeken.


25

H ET M E N S E LI J K E POTE NTI E E L IN WETENSCHAP, TECHNOLOGIE E N I N N OVAT I E I N V L A A N D E R E N Door Linda De Kock (Departement Onderwijs en Vorming) en Danielle Gilliot (VLIR)

02


26

2.1 INLEIDING

Een analyse van de evolutie van het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten over de laatste 10 jaar geeft het

Dit hoofdstuk beoogt door middel van een aantal statistieken

volgende beeld (tabel 2.1):

en grafieken een beeld te schetsen – huidige situatie en tendensen – van de aantrekkingskracht van het Vlaamse hoger

l

Terwijl in het eerste deel van de beschouwde periode het

onderwijs. In een eerste deel komt de instroom in het hoger

aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten

onderwijs aan bod. Vervolgens besteedt dit hoofdstuk aandacht

jaarlijks afnam (van 13.495 generatiestudenten in het

aan de gerealiseerde output – in de vorm van uitgereikte

academiejaar 1998-1999 tot 12.423 generatiestudenten in

diploma’s – van het hoger onderwijs. Op deze manier wordt

het academiejaar 2003-2004), kenden de universiteiten

getracht een overzicht te geven van de ‘kennis’rijkdom waaruit

vanaf het academiejaar 2004-2005 een gestage toename

men nu en in de nabije toekomst zal kunnen putten om het

van het aantal generatiestudenten. In het academiejaar

Vlaamse potentieel in WTI te realiseren.

2007-2008 werden 14.748 generatiestudenten geteld, dit zijn er 1.253 meer dan bij de start van de beschouwde

De cijfergegevens van de universiteiten van het academiejaar

periode – academiejaar 1998-1999. Het academiejaar

1998-1999 zijn afkomstig van de interuniversitaire databank

2004-2005 zorgde voor een ‘trendbreuk’ in de evolutie

inzake de Vlaamse universitaire studentenbevolking van de

van het aantal generatiestudenten. Deze ‘trendbreuk’ valt

Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR). Alle cijfergegevens van

samen met de invoering van de bachelor/masterstructuur.

de hogescholen, evenals de gegevens van de universiteiten

Verdere analyse is nodig om na te gaan of hier een – en zo

vanaf het academiejaar 1999-2000, komen uit de Databank

ja, welk – oorzakelijk verband bestaat tussen de introductie

Tertiair Onderwijs (DTO), Vlaams ministerie van Onderwijs en

van deze nieuwe structuur en de toegenomen instroom

Vorming.

in het universitair onderwijs.

De gegevens in hoofdstuk 2.4 (internationale vergelijking) zijn

l

Kijkt men naar de relatieve deelname van de Vlaamse

afkomstig van de stafdiensten van het Departement Onderwijs

achttienjarigen aan het universitair onderwijs, dan kan men

en Vorming en van de OESO (Education at a glance).

grosso modo stellen dat vanaf het academiejaar 2000-2001 deze participatie toenam. Terwijl in het academiejaar 1999-2000 slechts 16,8% van de potentiële doelgroep

2.2 INSTROOM IN HET VLAAMSE HOGER ONDERWIJS: KWANTIFICATIE EN STRATIFICATIE

was ingeschreven aan een Vlaamse universiteit, was in het academiejaar 2007-2008 dit percentage gestegen tot 19,9%. De eerste jaren was deze stijging hoofdzakelijk te wijten aan de daling van het aantal achttienjarigen, de laatste

Op 1 februari 2008 telde men in het Vlaamse hoger onderwijs

vier academiejaren – vanaf het academiejaar 2004-2005 –

42.908 generatiestudenten. Meer dan de helft van deze

nam ook het aantal achttienjarigen toe en is de relatief

generatiestudenten (53,0%) startte een professioneel gerichte

sterke toename van het aantal generatiestudenten aan

bacheloropleiding aan een hogeschool. De universiteiten en de

de universiteiten grotendeels verantwoordelijk voor de

academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen trokken

toegenomen participatie.

respectievelijk 34,4% en 12,6% aan van het totale aantal generatiestudenten.

Bij de hogescholen vindt men twee verschillende evoluties terug. Bij de professioneel gerichte bacheloropleidingen nam het aantal generatiestudenten tijdens de beschouwde periode onafgebroken toe: van 19.625 generatiestudenten in het academiejaar 19981999 tot 22.752 in het academiejaar 2007-2008. In dezelfde periode groeide de relatieve deelname van 25,9% naar 30,8% in 2005-2006 en 2006-2007, om vervolgens licht te dalen tot 30,6% in 2007-2008.


27

Tabel 2.1:

Het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (periode 1998-1999 t.e.m. 2007-2008) in verhouding tot het globaal aantal Vlaamse achttienjarigen Generatiestudenten Universiteiten

18 jarigen

Hogescholen

Relatieve deelname aan hoger onderwijs (%) Universiteiten

Academiejaar

Kan/ABA

Totaal

HO1C/PBA

HO2C/ABA

1998-1999

13.495

25.820

19.625

6.195

1999-2000

12.771

26.746

20.260

2000-2001

12.602

26.766

2001-2002

12.953

2002-2003

Hogescholen

Kan/ABA

Totaal

HO1C/PBA

HO2C/ABA

75.863

17,8

34,0

25,9

8,2

6.486

75.958

16,8

35,2

26,7

8,5

20.592

6.174

73.688

17,1

36,3

27,9

8,4

26.552

20.851

5.701

72.417

17,9

36,7

28,8

7,9

12.801

25.627

20.253

5.374

70.750

18,1

36,2

28,6

7,6

2003-2004

12.423

25.860

20.600

5.260

69.641

17,8

37,1

29,6

7,6

2004-2005

13.175

26.438

21.199

5.239

71.447

18,4

37,0

29,7

7,3

2005-2006

13.808

27.160

22.140

5.020

71.830

19,2

37,8

30,8

7,0

2006-2007

14.461

27.725

22.609

5.116

73.305

19,7

37,8

30,8

7,0

2007-2008

14.748

28.160

22.752

5.408

74.247

19,9

37,9

30,6

7,3

Bij analyses van de instroom van studenten in het hoger onderwijs wordt meestal de term 'generatiestudent' gehanteerd. De definitie van generatiestudent is in de loop van de laatste 10 jaar meermaals aangepast. Tot en met het academiejaar 1998-1999 werd binnen het universitair onderwijs een andere definitie gebruikt dan bij de hogescholen. Zo werd voor het universitair onderwijs de volgende definitie gehanteerd: 'Een generatiestudent is elke persoon die zich voor de eerste maal inschrijft aan een Belgische universiteit'. In deze groep werd meestal nog een onderscheid gemaakt tussen generatiestudenten ingeschreven in een eerste jaar en die in een niet-eerste jaar. Voor het schetsen van de evolutie van de universitaire studentenbevolking maakte men vooral gebruik van de generatiestudenten in een eerste jaar. Bij de hogescholen werd een generatiestudent als volgt beschreven: ‘Een generatiestudent is een student die zich voor de eerste maal inschrijft in het eerste jaar van een basisopleiding van het Vlaamse hoger onderwijs.’ Deze laatste definitie werd vanaf het academiejaar 1999-2000 gebruikt voor het gehele hoger onderwijs. Vanaf de invoering van de bachelor/masterstructuur in het Vlaamse hoger onderwijs – academiejaar 2004-2005 – wordt een generatiestudent als volgt gedefinieerd: ‘Een generatiestudent is een student die zich voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs en op 1 februari nog is ingeschreven.’ Enige voorzichtigheid is dan ook geboden bij de interpretatie van de gegevens inzake de evolutie van de generatiestudenten in het Vlaamse hoger onderwijs. Relatieve deelname aan hoger onderwijs: deze berekening geeft een indicatie voor de vermoedelijke participatiegraad in het hoger onderwijs. Afwijkingen zijn mogelijk onder meer omdat geen statistisch materiaal voorhanden is over het evenwicht tussen de instroom van studenten uit Franstalig België en uit het buitenland en de uitstroom naar Franstalige en buitenlandse universiteiten. Enige voorzichtigheid is hier ook geboden omdat een aantal dubbeltellingen kunnen voorkomen. De cijfers betreffende het aantal achttienjarigen woonachtig in Vlaanderen zijn afkomstig van het Nationaal Instituut voor Statistiek. Zij omvatten het aantal achttienjarigen woonachtig in het Vlaams Gewest +20% van het aantal achttienjarigen woonachtig in het Brussels Gewest.

Gebruikte afkortingen: Kan: kandidatuursopleidingen ABA: academisch gerichte bacheloropleidingen PBA: professioneel gerichte bacheloropleidingen HO1C: hogeschoolopleidingen van 1 cyclus HO2C: hogeschoolopleidingen van 2 cycli

De evolutie van het aantal generatiestudenten en van de

Globaal genomen kan men stellen dat meer dan de helft van

relatieve participatie in de academisch gerichte hogeschool-

de Vlaamse jongeren een kans waagt in het hoger onderwijs:

opleidingen vertoont een enigszins ander beeld. Globaal

in het academiejaar 2007-2008 startte 57,8% van de potentiële

genomen nam het aantal generatiestudenten aan de

doelgroep een opleiding in het Vlaamse hoger onderwijs. In het

hogeschoolopleidingen van twee cycli af van 6.195 studenten in

academiejaar 1998-1999 bedroeg dit aandeel 51,8%.

1998-1999 (met een maximum van 6.486 in het academiejaar 1999-2000) naar 5.020 generatiestudenten in 2005-2006. De laatste twee academiejaren nam het aantal generatiestudenten evenwel toe: tot 5.408 in het academiejaar 20072008. De participatiegraad daalde van 8,2% in 1998-1999 naar 7,0% in 2005-2006, en nam het laatste jaar toe tot 7,3%.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2

Vanaf het academiejaar 2004-2005 wordt in het Vlaamse hoger onderwijs de bachelor/masterstructuur ingevoerd. Deze structuur wordt geleidelijk – t.t.z. jaar na jaar – ingevoerd. Vanaf het academiejaar 2004-2005 worden dan ook de generatiestudenten in de nieuwe bacheloropleidingen (de professioneel gerichte en de academisch gerichte bacheloropleidingen) geteld.


28

Tabel 2.2:

Het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (1998-1999 t.e.m. 2007-2008) in verhouding tot het aantal Vlaamse achttienjarigen, uitgesplitst naar geslacht Mannen

Academiejaar

Generatie studenten

18 j. Vl.

1998-1999

6.194

38.642

1999-2000

5.771

39.051

2000-2001

5.598

2001-2002

Vrouwen %

Generatie studenten

18 j. Vl.

%

16,0

7.301

37.221

19,6

14,8

7.000

36.907

19,0

37.741

14,8

7.004

35.947

19,5

5.841

36.804

15,9

7.112

35.613

20,0

2002-2003

5.623

36.138

15,6

7.178

34.612

20,7

2003-2004

5.550

35.444

15,7

6.873

34.197

20,1

2004-2005

5.888

36.669

16,1

7.287

34.778

21,0

2005-2006

6.247

36.753

17,0

7.561

35.077

21,6

2006-2007

6.512

37.374

17,4

7.949

35.931

22,1

2007-2008

6.530

37.956

17,2

8.218

36.291

22,6

Universitair onderwijs

Hogescholenonderwijs

1998-1999

11.522

38.642

29,8

14.298

37.221

38,4

1999-2000

12.026

39.051

30,8

14.720

36.907

39,9

2000-2001

12.120

37.741

32,1

14.646

35.947

40,7

2001-2002

11.942

36.804

32,4

14.610

35.613

41,0

2002-2003

11.617

36.138

32,1

14.010

34.612

40,5

2003-2004

11.433

35.444

32,3

14.427

34.197

42,2

2004-2005

11.932

36.669

32,5

14.506

34.778

41,7

2005-2006

12.265

36.753

33,4

14.895

35.077

42,5

2006-2007

12.261

37.374

32,8

15.464

35.931

43,0

2007-2008

12.599

37.956

33,2

15.561

36.291

42,9

Op 1 februari 2008 maakten de vrouwelijke generatiestudenten

Tot en met het academiejaar 2003-2004 nam aan de

55,4% uit van het totaal aantal generatiestudenten in het

universiteiten het aantal mannelijke generatiestudenten

Vlaamse hoger onderwijs. Dit vrouwelijk overwicht komt ook

sterk af: van 6.194 generatiestudenten in het academiejaar

sterk tot uiting in de participatiegraad: 65,5% van de potentiële

1998-1999 tot 5.550 generatiestudenten in 2003-2004.

doelgroep (achttienjarige vrouwen wonende in het Vlaams

Pas de laatste academiejaren – vanaf 2004-2005 – kent het

Gewest +20% van de achttienjarige vrouwen wonende in het

universitair onderwijs terug een relatief sterke stijging van het

Brussels Gewest) startte in het academiejaar 2007-2008 een

aantal mannelijke generatiestudenten (6.530 mannelijke

opleiding in het hoger onderwijs. Bij de mannen bedroeg dit

generatiestudenten in 2007-2008).

percentage 50,4%. De evolutie van het aantal mannelijke generatiestudenten aan de Deze grotere deelname van vrouwen vindt men zowel terug bij

hogescholen kent een meer wisselend verloop: periodes van

de hogeschoolopleidingen als bij de universiteiten. Toch zijn er

aangroei worden afgewisseld met periodes van afname van het

een aantal verschillen. Met uitzondering van de academiejaren

aantal generatiestudenten. Globaal genomen kent het hogeschool-

1999-2000 en 2003-2004 kende het aantal vrouwelijke

onderwijs een aangroei van het aantal mannelijke generatie-

generatiestudenten aan de universiteiten een quasi onafgebroken

studenten over de beschouwde periode (11.522 generatiestudenten

stijging. Bekeken over de globale periode van 10 jaar nam het

in 1998-1999 en 12.599 generatiestudenten in 2007-2008).

aantal vrouwelijke generatiestudenten aan de universiteiten toe met 12,6%. Bij de hogescholen valt de onafgebroken toename

Dit alles weerspiegelt zich ook in de evolutie van de

van het aantal vrouwelijke generatiestudenten op vanaf het

participatiegraad. Bij de universiteiten nam in de beschouwde

academiejaar 2003-2004. Vergeleken met de start van de

periode de relatieve deelname van de achttienjarige mannen

beschouwde periode – academiejaar 1998-1999 – telde men in

toe van 16,0% naar 17,2%. Bij de hogescholen steeg dit

het academiejaar 2007-2008 8,8% meer vrouwelijke generatie-

percentage van 29,8% naar 33,2%. Bij de universiteiten

studenten aan de hogescholen.

groeide de vrouwelijke participatie van 19,6% naar 22,6%, bij de hogescholen van 38,4% naar 42,9%.


29

Tabel 2.3:

Aandeel van de verschillende studiegebieden in het geheel van inschrijvingen van de generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten (1998-1999 t.e.m. 2007-2008)

Academiejaar

98-99

99-00

00-01

01-02

02-03

03-04

04-05

05-06

06-07

07-08

Studiegebied

N

N

N

N

N

N

N

N

N

N

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

241

179

198

213

193

152

142

163

146

129

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht

37

42

31

34

46

46

51

33

45

34

Taal- en letterkunde

999

862

787

796

796

773

905

956

1.026

1.000

Geschiedenis

469

470

465

534

542

508

486

581

551

534

Archeologie en kunstwetenschappen

336

283

268

298

256

238

252

277

288

237

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

1.805

1.637

1.630

1.719

1.798

1.813

1.841

1.840

2.030

2.199

Psychologie en pedagogische wetenschappen

1.354

1.359

1.411

1.432

1.485

1.407

1.439

1.360

1.473

1.450

Economische en toegepaste economische wetenschappen

2.016

1.868

1.711

1.732

1.587

1.499

1.554

1.849

1.887

1.914

Politieke en sociale wetenschappen

1.151

1.168

1.183

1.122

1.208

1.128

1.101

1.207

1.240

1.278

Sociale gezondheidswetenschappen

133

81

80

87

89

108

120

148

144

160

Bewegings- en revalidatiewetenschappen

544

594

695

588

550

556

605

525

544

556

1.586

1.416

1.405

1.254

1.080

1.042

1.088

1.018

1.106

1.178

Toegepaste wetenschappen

770

741

687

1.036

860

821

964

1.032

1.004

1.156

Toegepaste biologische wetenschappen

620

541

523

451

439

416

408

400

414

464

Geneeskunde

377

343

358

345

404

531

612

686

668

556

Tandheelkunde

26

29

26

47

43

48

53

91

88

39

Diergeneeskunde

329

308

286

322

358

339

371

324

304

342

Farmaceutische wetenschappen

308

247

269

250

261

290

361

352

481

491

Biomedische wetenschappen

156

412

426

501

486

404

526

554

634

737

48

35

17

22

Wetenschappen

Verkeerskunde 191

163

192

320

304

248

377

371

275

TOTAAL

13.495

12.771

12.602

12.953

12.801

12.423

13.175

13.808

14.461

14.748

Academiejaar

98-99

99-00

00-01

01-02

02-03

03-04

04-05

05-06

06-07

07-08

Studiegebied

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

1,8%

1,4%

1,6%

1,6%

1,5%

1,2%

1,1%

1,2%

1,0%

0,9%

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht

0,3%

0,3%

0,2%

0,3%

0,4%

0,4%

0,4%

0,2%

0,3%

0,2%

Taal- en letterkunde

7,4%

6,7%

6,2%

6,1%

6,2%

6,2%

6,9%

6,9%

7,1%

6,8%

Geschiedenis

3,5%

3,7%

3,7%

4,1%

4,2%

4,1%

3,7%

4,2%

3,8%

3,6%

Archeologie en kunstwetenschappen

2,5%

2,2%

2,1%

2,3%

2,0%

1,9%

1,9%

2,0%

2,0%

1,6%

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

13,4%

12,8%

12,9%

13,3%

14,0%

14,6%

14,0%

13,3%

14,0%

14,9%

Psychologie en pedagogische wetenschappen

10,0%

10,6%

11,2%

11,1%

11,6%

11,3%

10,9%

9,8%

10,2%

9,8%

Economische en toegepaste economische wetenschappen

14,9%

14,6%

13,6%

13,4%

12,4%

12,1%

11,8%

13,4%

13,0%

13,0%

Politieke en sociale wetenschappen

8,5%

9,1%

9,4%

8,7%

9,4%

9,1%

8,4%

8,7%

8,6%

8,7%

Sociale gezondheidswetenschappen

1,0%

0,6%

0,6%

0,7%

0,7%

0,9%

0,9%

1,1%

1,0%

1,1%

Bewegings- en revalidatiewetenschappen

4,0%

4,7%

5,5%

4,5%

4,3%

4,5%

4,6%

3,8%

3,8%

3,8%

11,8%

11,1%

11,1%

9,7%

8,4%

8,4%

8,3%

7,4%

7,6%

8,0%

Toegepaste wetenschappen

5,7%

5,8%

5,5%

8,0%

6,7%

6,6%

7,3%

7,5%

6,9%

7,8%

Toegepaste biologische wetenschappen

4,6%

4,2%

4,2%

3,5%

3,4%

3,3%

3,1%

2,9%

2,9%

3,1%

Geneeskunde

2,8%

2,7%

2,8%

2,7%

3,2%

4,3%

4,6%

5,0%

4,6%

3,8%

Tandheelkunde

0,2%

0,2%

0,2%

0,4%

0,3%

0,4%

0,4%

0,7%

0,6%

0,3%

Diergeneeskunde

2,4%

2,4%

2,3%

2,5%

2,8%

2,7%

2,8%

2,3%

2,1%

2,3%

Farmaceutische wetenschappen

2,3%

1,9%

2,1%

1,9%

2,0%

2,3%

2,7%

2,5%

3,3%

3,3%

Biomedische wetenschappen

1,2%

3,2%

3,4%

3,9%

3,8%

3,3%

4,0%

4,0%

4,4%

5,0%

0,4%

0,3%

0,1%

0,1%

Wetenschappen

Verkeerskunde Gecombineerde studiegebieden TOTAAL

1,8%

1,5%

1,3%

1,5%

2,5%

2,4%

1,9%

2,7%

2,6%

1,9%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

De studiegebieden opgenomen in de tabellen zijn de studiegebieden zoals vastgelegd in het Structuurdecreet (decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen). Onder de noemer "Gecombineerde studiegebieden" ressorteren opleidingen die niet in ĂŠĂŠn studiegebied onder te brengen zijn.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2

238

Gecombineerde studiegebieden


30

Uit tabel 2.3 blijkt dat de evolutie van het aantal generatie-

Eenzelfde positieve evolutie vindt men terug in het

studenten in de beschouwde periode zich duidelijk verschillend

studie gebied Biomedische wetenschappen: van 404

manifesteert in de diverse studiegebieden. Bij de universiteiten

generatiestudenten in 2003-2004 naar 734 in 2007-2008.

springen de volgende tendensen in het oog: l l

Bekijkt men globaal de evolutie van het aantal generatiestudenten in de exacte en toegepaste wetenschappen

De studiegebieden Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen en Economische en toegepaste economische

(studiegebieden Wetenschappen, Toegepaste wetenschappen,

wetenschappen oefenen de grootste aantrekkingskracht uit

Toegepaste biologische wetenschappen, Farmacie en

op de generatiestudenten. Met respectievelijk 2.199 en

Biomedische wetenschappen), dan stelt men in het

1.914 generatiestudenten in het academiejaar 2007-2008

academiejaar 2004-2005 een kentering vast: na een quasi

trekken zij meer dan ĂŠĂŠn vierde (27,9%) van de

onafgebroken daling van het aantal generatiestudenten

instromende studenten aan. Opvallend hierbij is de sterke

vanaf het academiejaar 1998-1999, nam de instroom in

toename van het aantal generatiestudenten in het

de volgende academiejaren toe (van 2.973 generatie-

studiegebied Rechten, notariaat en criminologische

studenten in 2003-2004 naar 4.023 generatiestudenten

wetenschappen (+190 generatiestudenten in 2006-2007,

in 2007-2008). Deze stijging is vooral te wijten aan de

+169 generatiestudenten in 2007-2008). Het aantal

toegenomen populariteit van de studiegebieden Biomedische

generatiestudenten in het studiegebied Economische en

wetenschappen,

toegepaste economische wetenschappen blijft toenemen,

Toegepaste wetenschappen.

Farmaceutische

wetenschappen

en

maar minder sterk dan in de voorgaande jaren. l l

Door een versoepeling van de slaagvoorwaarden van het

Het studiegebied Psychologische en pedagogische

toelatingsexamen arts/tandarts steeg vanaf het academiejaar

wetenschappen blijft ook in het academiejaar 2007-2008

2002-2003 het aantal generatiestudenten in de opleiding

de derde plaats innemen (1.450 generatiestudenten).

Geneeskunde. Het aantal generatiestudenten in het

Het relatief aandeel van dit studiegebied blijft schommelen

academiejaar 2005-2006 bedroeg bijna het dubbele van

rond de 10%.

het aantal in 1999-2000. De laatste twee academiejaren nam het aantal generatiestudenten in het studiegebied

l

Geneeskunde opnieuw af.

Na de jarenlange continue afname van de instroom in het studiegebied Wetenschappen, neemt het aantal generatiestudenten de laatste twee academiejaren lichtjes

Eenzelfde evolutie vindt men terug in het studiegebied Tandheelkunde. Na een absoluut dieptepunt in de

2007-2008. Eenzelfde evolutie vindt men terug in het

academiejaren 1998-1999 t.e.m. 2000-2001 (minder dan

studiegebied Toegepaste biologische wetenschappen:

30 generatiestudenten) was er vanaf het academiejaar

vanaf het academiejaar 1998-1999 kende dit studiegebied

2001-2002 opnieuw een aangroei van het aantal

een continue daling van het aantal generatiestudenten.

generatiestudenten. Opvallend hierbij is de sterke toename

Vanaf het academiejaar 2006-2007 groeide het aantal

in het academiejaar 2005-2006: van 53 generatiestudenten

generatiestudenten aan: +14 generatiestudenten in 2006-

in 2004-2005 naar 91 generatiestudenten in 2005-2006.

2007; +50 generatiestudenten in 2007-2008. De evolutie

Ook hier zag men een terugval vanaf het academiejaar

van de laatste twee jaren neemt evenwel niet weg dat voor

2006-2007. In 2007-2008 was het aantal generatie-

beide studiegebieden het aantal generatiestudenten in

studenten zelfs afgenomen tot 39.

2007-2008 ongeveer 25% minder bedraagt dan in het begin van de beschouwde periode. l

l

toe: +88 studenten in 2006-2007; +72 studenten in

Het studiegebied Toegepaste wetenschappen zet zijn opmars (met uitzondering van het academiejaar 20062007) verder: van 821 generatiestudenten in 2003-2004 naar 1.156 generatiestudenten in 2007-2008.


31

Tabel 2.4:

Aandeel van de verschillende studiegebieden in het geheel van inschrijvingen van de generatiestudenten aan de Vlaamse hogescholen (1998-1999 t.e.m. 2007-2008)

Academiejaar Studiegebied

98-99

99-00

00-01

01-02

02-03

03-04

04-05

05-06

06-07

07-08

N

N

N

N

N

N

N

N

N

N

PBA/Opleidingen van één cyclus 495

467

421

534

546

580

533

559

543

19

21

29

39

40

25

52

46

48

47

242

245

259

253

268

407

462

476

473

490

Gezondheidszorg

2.733

2.380

2.398

2.175

2.293

2.502

2.695

3.138

3.478

3.691

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

7.377

7.043

7.332

7.026

6.436

6.073

6.170

6.705

6.578

6.744

Industriële wetenschappen en technologie

2.453

2.572

2.646

2.724

2.837

2.709

2.946

2.959

3.167

3.132

8

16

15

20

12

9

10

12

16

20

Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst Biotechniek

Muziek en podiumkunsten Nautische wetenschappen Onderwijs

4.284

5.269

5.307

5.796

5.463

5.604

5.584

5.300

559

21

37

5.042

4.964

Sociaal-agogisch werk

2.014

2.247

2.185

2.284

2.358

2.691

2.747

2.945

3.243

3.068

Totaal PBA/één cyclus

19.625

20.260

20.592

20.851

20.253

20.600

21.199

22.140

22.609

22.752

Architectuur

429

473

380

416

514

558

566

547

526

557

Audiovisuele en beeldende kunst

926

936

895

898

854

896

856

896

886

979

77

75

56

56

60

56

84

85

66

61

253

280

312

262

119

166

211

178

204

257

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

1.217

1.263

1.294

1.179

1.066

952

1.006

895

876

960

Industriële wetenschappen en technologie

2.107

2.234

2.061

1.781

1.660

1.577

1.425

1.380

1.363

1.469

263

262

305

246

272

236

267

267

298

303

97

106

ABA/Opleidingen van twee cycli

Biotechniek Gezondheidszorg

Muziek en podiumkunsten Nautische wetenschappen Produktontwikkeling

93

121

113

82

77

80

64

82

85

74

Toegepaste taalkunde

830

842

758

781

752

739

760

690

715

642

6.195

6.486

6.174

5.701

5.374

5.260

5.239

5.020

5.116

5.408

Algemeen totaal

25.820

26.746

26.766

26.552

25.627

25.860

26.438

27.160

27.725

28.160

Academiejaar

98-99

99-00

00-01

01-02

02-03

03-04

04-05

05-06

06-07

07-08

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

Architectuur

1,9%

1,7%

1,6%

2,0%

2,1%

2,2%

2,0%

2,1%

2,0%

2,0%

Audiovisuele en beeldende kunst

0,1%

0,1%

0,1%

0,1%

0,2%

0,1%

0,2%

0,2%

0,2%

0,2%

Biotechniek

0,9%

0,9%

1,0%

1,0%

1,0%

1,6%

1,7%

1,8%

1,7%

1,7%

Gezondheidszorg

10,6%

8,9%

9,0%

8,2%

8,9%

9,7%

10,2%

11,6%

12,5%

13,1%

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

28,6%

26,3%

27,4%

26,5%

25,1%

23,5%

23,3%

24,7%

23,7%

23,9%

Industriële wetenschappen en technologie

9,5%

9,6%

9,9%

10,3%

11,1%

10,5%

11,1%

10,9%

11,4%

11,1%

Muziek en podiumkunsten

0,0%

0,1%

0,1%

0,1%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,1%

0,1%

Totaal ABA/twee cycli

Studiegebied

PBA/Opleidingen van één cyclus

Onderwijs

16,6%

19,7%

19,8%

21,8%

21,3%

21,7%

21,1%

19,5%

0,1%

0,1%

18,2%

17,6%

Sociaal-agogisch werk

7,8%

8,4%

8,2%

8,6%

9,2%

10,4%

10,4%

10,8%

11,7%

10,9%

Totaal PBA/één cyclus

76,0%

75,7%

76,9%

78,5%

79,0%

79,7%

80,2%

81,5%

81,5%

80,8%

Architectuur

1,7%

1,8%

1,4%

1,6%

2,0%

2,2%

2,1%

2,0%

1,9%

2,0%

Audiovisuele en beeldende kunst

3,6%

3,5%

3,3%

3,4%

3,3%

3,5%

3,2%

3,3%

3,2%

3,5%

Biotechniek

0,3%

0,3%

0,2%

0,2%

0,2%

0,2%

0,3%

0,3%

0,2%

0,2%

Gezondheidszorg

1,0%

1,0%

1,2%

1,0%

0,5%

0,6%

0,8%

0,7%

0,7%

0,9%

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

4,7%

4,7%

4,8%

4,4%

4,2%

3,7%

3,8%

3,3%

3,2%

3,4%

Industriële wetenschappen en technologie

8,2%

8,4%

7,7%

6,7%

6,5%

6,1%

5,4%

5,1%

4,9%

5,2%

Muziek en podiumkunsten

1,0%

1,0%

1,1%

0,9%

1,1%

0,9%

1,0%

1,0%

1,1%

1,1%

ABA/Opleidingen van twee cycli

Nautische wetenschappen Produktontwikkeling Toegepaste taalkunde Totaal ABA/twee cycli Algemeen totaal

0,4%

0,5%

0,4%

0,3%

0,3%

0,3%

0,2%

0,3%

0,3%

0,4%

0,3%

0,3%

3,2%

3,1%

2,8%

2,9%

2,9%

2,9%

2,9%

2,5%

2,6%

2,3%

24,0%

24,3%

23,1%

21,5%

21,0%

20,3%

19,8%

18,5%

18,5%

19,2%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

De studiegebieden opgenomen in de tabellen zijn de studiegebieden zoals vastgelegd in het Structuurdecreet (decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen). De opleidingen van het studiegebied nautische wetenschappen werden vanaf het academiejaar 2006-2007 afgesplitst van het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2

Nautische wetenschappen


32

Op 1 februari 2008 volgden in het hogeschoolonderwijs

l

Vermeldenswaardig bij de professioneel gerichte opleidingen

80,8% van de generatiestudenten een professioneel gerichte

is de evolutie van het aantal generatiestudenten in het

bacheloropleiding en 19,2% een academisch gerichte bachelor-

studiegebied Gezondheidszorg: terwijl in het academiejaar

opleiding. Het aantal generatiestudenten in de professioneel

2001-2002 slechts 2.175 generatiestudenten instroomden

gerichte opleidingen blijft toenemen. De academisch gerichte

in dit studiegebied, telde men in het academiejaar

hogeschoolopleidingen kenden een afnemende instroom tot

2007-2008 3.691 generatiestudenten (+69%). Ook de

het academiejaar 2005-2006, de laatste twee academiejaren

academische opleidingen in dit studiegebied kenden

ziet men hier evenwel het aantal generatiestudenten toenemen.

gedurende de laatste vijf academiejaren een aangroei van het aantal generatiestudenten.

De meest in het oog springende tendensen bij de hogescholen zijn (tabel 2.4):

l

Bij de professioneel gerichte bacheloropleidingen zagen twee andere studiegebieden in de beschouwde periode het

l

l

Het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde

aantal generatiestudenten aanzienlijk toenemen, namelijk

blijft het grootste aantal generatiestudenten aantrekken:

het studiegebied Biotechniek (van 242 generatiestudenten

6.744 generatiestudenten in de professioneel gerichte

in het academiejaar 1998-1999 naar 490 generatiestudenten

bacheloropleidingen in het academiejaar 2007-2008 en

in 2007-2008) en het studiegebied Sociaal-agogisch

960 generatiestudenten in de academisch gerichte

werk (van 2.014 generatiestudenten naar 3.243 generatie-

bacheloropleidingen. Daarmee trekt dit studiegebied meer

studenten in 2006-2007). In het academiejaar 2007-2008

dan een kwart aan van het totale aantal generatiestudenten

heeft dit laatste studiegebied zijn groei niet kunnen verder

van de hogescholen.

zetten. De instroom nam af tot 3.068 generatiestudenten.

Op de tweede plaats komt het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie (3.132 generatiestudenten

l

Bij de academisch gerichte opleidingen valt – ondanks de schommelingen – de quasi continue afname van het aantal

in de professioneel gerichte bacheloropleidingen, 1.469

generatiestudenten in het studiegebied Toegepaste taalkunde

generatiestudenten in de academisch gerichte bachelor-

op (830 generatiestudenten in 1998-1999, 642 generatie-

opleidingen). Terwijl de professioneel gerichte opleidingen

studenten in 2007-2008).

binnen dit studiegebied hun generatiestudenten aanzienlijk zagen toenemen in de beschouwde periode, kenden de academisch gerichte opleidingen vanaf het academiejaar 2000-2001

een

gestage

afname

van

het

aantal

2.3 OVERZICHT VAN DE UITGEREIKTE DIPLOMA’S

generatiestudenten. In het ‘topjaar’ 1999-2000 startten nog 2.234 generatiestudenten in een academisch gerichte

Naast instroom is het eveneens belangrijk een goed zicht te

opleiding, in het academiejaar 2006-2007 was dit aantal al

krijgen op de uitstroom hoger onderwijs. In dit deel wordt

afgenomen tot 1.363. Enkel in het laatste academiejaar zag

dan ook stilgestaan bij de kwantificatie en de stratificatie van

men het aantal generatiestudenten opnieuw aangroeien:

de diploma’s uitgereikt in het Vlaamse hoger onderwijs.

+106. Mogelijke verklaringen van deze verminderde instroom zouden kunnen zijn: 1) de versoepeling en 2) de

Vanaf het academiejaar 2004-2005 wordt in het Vlaamse hoger

afschaffing van het toelatingsexamen voor burgerlijk

onderwijs de bachelor/masterstructuur ingevoerd. Deze structuur

ingenieur aan de universiteiten.`

wordt geleidelijk – t.t.z. jaar na jaar – ingevoerd. De eerste bachelordiploma’s werden uitgereikt in het academiejaar

l

Bij de professioneel gerichte opleidingen blijft het studie-

2006-2007. De meeste masteropleidingingen zijn gestart in

gebied Onderwijs het tweede grootste studiegebied,

het academiejaar 2007- 2008. In datzelfde jaar werden dan

dit ondanks een verminderende instroom vanaf het

ook de eerste masterdiploma’s uitgereikt.

academiejaar 2004-2005. In het academiejaar 2003-2004 stroomden nog 5.604 studenten in, in het academiejaar 2007-2008 was het aantal generatiestudenten afgenomen tot 4.964.


33

Een aantal mastersopleidingen zijn vroeger gestart, namelijk de

Om de continuïteit met het vorige Indicatorenboek in deze

masteropleidingen aan de tUL, de masteropleidingen volgend

overgangsperiode enigszins te bewaken, wordt in het hierna

op een professionele bacheloropleiding (zijnde de master in

volgende deel de volgende terminologie gebruikt:

het toerisme, de master in het sociaal werk en de master in de verpleegkunde en de vroedkunde) en een beperkt aantal

l

diploma’s eencyclusopleidingen (waaronder begrepen

Erasmus Mundus masters. De hierop betrekking hebbende

wordt de diploma’s van de eencyclusopleidingen, de diploma’s

masterdiploma’s werden dan ook vóór het academiejaar

van de professioneel gerichte bacheloropleidingen, de

2007-2008 uitgereikt.

diploma’s van de eencyclusopleidingen in afbouw) l

diploma’s tweede cyclus hogescholen (zijnde de diploma’s

De gegevens in de volgende figuren en tabellen gaan tot en

van de tweede cyclus van de tweecycliopleidingen aan de

met het academiejaar 2006-2007. De volgende diploma’s

hogescholen, en – indien van toepassing – de diploma’s

(basisopleidingen) werden in dat academiejaar uitgereikt:

masteropleidingen) l

l

diploma’s tweede cyclus universiteiten (zijnde de diploma’s

hogescholen:

tweede cyclus en – indien van toepassing – de diploma’s

- diploma’s professioneel gerichte bacheloropleidingen

masteropleidingen aan de universiteiten)

- diploma’s eencyclusopleidingen in afbouw

l

diploma’s voortgezette academische opleidingen (waaronder

- diploma’s academisch gerichte bacheloropleidingen

begrepen wordt de diploma’s van de master na master-

- diploma’s tweede cyclus van de tweecycliopleidingen

opleidingen en van de voortgezette academische opleidingen).

(licentiaten, handelsingenieur, …) - diploma’s masteropleidingen (zie voorgaande paragraaf) l

universiteiten: - diploma’s academisch gerichte bacheloropleidingen - diploma’s tweede cyclus (licentiaat, tandarts, arts,…) - diploma’s masteropleidingen (zie voorgaande paragraaf).

Figuur 2.1: Universiteiten: diploma’s per type diploma (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)

10.000

8.000

6.000

4.000

2.000

0 1997-1998

1998-1999

1999-2000

2000-2001

n 2de cyclus/master n VAO's (voortgezette academische opleiding) n AILO (academische initiële lerarenopleiding) n Doctoraat

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2

12.000


34

In het academiejaar 2006-2007 hebben de Vlaamse universiteiten

De voorbije vijf academiejaren (2002-2003 t.e.m. 2006-2007)

9.841 tweede cyclusdiploma’s uitgereikt, 3.825 diploma's in

werd het grootste aantal diploma's van de academische initiële

de voortgezette opleidingen, 1.091 doctoraatsdiploma's en

lerarenopleiding toegekend in de studiegebieden Taal- en

1.693 diploma's van een academische initiële lerarenopleiding.

letterkunde (1.658 uitgereikte diploma’s in de beschouwde

Ten opzichte van het academiejaar 1997-1998 betekent dit een

periode), Psychologische en pedagogische wetenschappen

toename van +14,0% voor het aantal tweede cyclusdiploma's,

(1.175), Wetenschappen (971), en Bewegings- en revalidatie-

+39,2% voor het aantal diploma's in de voortgezette academische

wetenschappen (805).

opleidingen, +62,3% voor het aantal doctoraatsdiploma's en +47,7% voor het aantal diploma’s van een academische

Het grootste aantal doctoraten in de periode 2002-2003 tot

initiële lerarenopleiding. De laatste twee academiejaren nam

2006-2007 werd uitgereikt in de studiegebieden Wetenschappen

het aantal uitgereikte tweede cyclusdiploma’s toe, het aantal

(1.273), Toegepaste wetenschappen (855), Geneeskunde (634)

diploma’s in de voortgezette academische opleidingen

en Toegepaste biologische wetenschappen (498). Deze vier

daarentegen nam af. De quasi continue stijging van het aantal

studiegebieden samen hebben 65,8% van het totaal aantal

uitgereikte diploma’s in de lerarenopleiding is stilgevallen in

doctoraten in de voorbije vijf academiejaren afgeleverd. Voor de

het academiejaar 2006-2007 (-97 diploma’s).

meeste studiegebieden werd in de voorbije vijf academiejaren

In het academiejaar 2006-2007 werd het grootste aantal

toename van het aantal doctoraten (in absolute cijfers,

tweede cyclusdiploma's uitgereikt in de studiegebieden

vergelijking uitgereikte diploma’s 2006-2007 ten opzichte van

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen (1.349),

2002-2003) vindt men terug in de studiegebieden Toegepaste

Economische en toegepaste economische wetenschappen (1.161)

wetenschappen en Geneeskunde.

een stijging van het aantal doctoraten waargenomen. De grootste

en Psychologische en pedagogische wetenschappen (1.144). Bij de tweede cyclusdiploma’s is het aantal vrouwelijke Het aantal uitgereikte diploma’s voortgezette academische

gediplomeerden aanzienlijk groter dan het aantal mannelijke

opleidingen in 2006-2007 was het grootst in de studiegebieden

gediplomeerden. In het academiejaar 2006-2007 werden 58%

Economische en toegepaste economische wetenschappen (840),

van het aantal diploma’s uitgereikt aan vrouwelijke studenten.

de gecombineerde studiegebieden (633), Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen (475), en Politieke en sociale wetenschappen (466).

Figuur 2.2: Universiteiten: tweedecyclusdiploma’s per geslacht (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)

6.000

5.000

4.000

3.000

2.000

1.000

0 1997-1998

n Mannen n Vrouwen

1998-1999

1999-2000

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007


35

Tabel 2.5:

Universiteiten: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2002-2003 t.e.m. 2006-2007)

Diploma

2002-2003 M

V

2003-2004 T

M

V

2004-2005 T

M

V

2005-2006 T

M

V

2006-2007 T

M

V

T

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen 2e cyclus/master

96

49

145

88

55

143

98

68

166

106

69

175

91

59

150

vao’s

16

16

32

22

24

46

34

15

49

26

14

40

12

10

22

ailo

18

14

32

26

18

44

24

28

52

32

26

58

25

16

41

doctoraat

12

3

15

10

6

16

19

6

25

25

6

31

17

11

28

48

113

34

38

72

41

27

68

50

23

73

1

31

15

46

29

22

51

32

19

51

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht 2e cyclus/master vao’s ailo doctoraat

Taal- en letterkunde 2e cyclus/master

79

33

112

65

1

2

3

1

5

17

22

10

14

24

10

11

21

6

20

26

5

13

18

15

2

17

21

2

23

21

4

25

17

2

19

16

4

20

164

404

568

140

417

557

163

419

582

145

429

574

133

391

524

vao’s

45

116

161

28

66

94

41

83

124

42

102

144

43

113

156

ailo

94

242

336

76

246

322

72

248

320

73

291

364

67

249

316

doctoraat

10

18

28

16

21

37

20

18

38

23

14

37

22

23

45 356

Geschiedenis 148

154

302

163

168

331

173

157

330

187

155

342

174

182

vao’s

19

23

42

15

18

33

19

16

35

21

17

38

16

19

35

ailo

45

65

110

45

76

121

42

70

112

66

74

140

54

87

141

9

6

15

12

5

17

6

6

12

12

3

15

11

7

18

2e cyclus/master

doctoraat

Archeologie en kunstwetenschappen 2e cyclus/master

46

141

187

61

149

210

52

141

193

36

144

180

59

121

180

vao’s

10

28

38

6

13

19

11

24

35

8

10

18

3

11

14

ailo

6

29

35

11

34

45

7

31

38

5

27

32

6

43

49

doctoraat

6

4

10

7

5

12

10

9

19

8

7

15

5

2

7

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen 578

807

1385

531

738

1.269

440

756

1.196

448

795

1.243

522

827

1.349

vao’s

280

236

516

255

301

556

275

298

573

222

302

524

201

274

475

ailo

11

44

55

14

53

67

15

45

60

13

44

57

9

51

60

doctoraat

16

5

21

10

9

19

12

7

19

12

10

22

14

10

24 1.144

Psychologie en pedagogische wetenschappen 203

755

958

169

783

952

146

815

961

165

927

1.092

184

960

vao’s

40

100

140

45

104

149

47

109

156

41

98

139

32

102

134

ailo

29

155

184

24

184

208

20

223

243

11

232

243

25

272

297

18

17

35

27

16

43

28

27

55

20

27

47 1.161

2e cyclus/master

21 21 42 Economische en toegepaste economische wetenschappen

doctoraat

2e cyclus/master

633

552

1.185

598

533

1.131

637

492

1.129

624

502

1.126

652

509

vao’s

648

450

1.098

654

444

1.098

596

364

960

470

322

792

523

317

840

ailo

23

69

92

29

79

108

19

63

82

20

73

93

20

86

106

doctoraat 31 Politieke en sociale wetenschappen

7

38

18

12

30

18

16

34

31

25

56

33

25

58

2e cyclus/master

295

459

754

353

484

837

337

486

823

340

507

847

354

556

910

vao’s

243

294

537

213

340

553

217

264

481

194

308

502

208

253

461

ailo

33

76

109

34

97

131

31

76

107

37

98

135

28

77

105

doctoraat 11 Sociale gezondheidswetenschappen

7

18

16

9

25

19

15

34

27

8

35

13

19

32

2e cyclus/master

29

193

222

41

186

227

26

181

207

18

141

159

15

140

155

vao’s

31

22

53

27

22

49

38

50

88

37

41

78

14

34

48

ailo

6

53

59

7

44

51

2

49

51

2

49

51

7

53

60

1

3

1

1

2

3

1

4

2

1

3

4

2

6 413

doctoraat 2 Bewegings- en revalidatiewetenschappen 122

123

245

148

253

401

158

259

417

163

268

431

171

242

vao’s

42

81

123

15

43

58

17

32

49

15

45

60

15

26

41

ailo

57

83

140

50

92

142

62

100

162

75

106

181

86

94

180

5

5

10

9

2

11

6

5

11

7

11

18

4

13

17

2e cyclus/master

doctoraat

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2

2e cyclus/master


36

Tabel 2.5:

Universiteiten: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2002-2003 t.e.m. 2006-2007) (vervolg)

Diploma

2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007

M

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

Wetenschappen 2e cyclus/master

T

465

366

831

530

313

843

448

275

723

441

276

717

500

268

768

vao’s

197

118

315

213

129

342

168

157

325

140

100

240

137

93

230

65

108

173

88

142

230

79

125

204

74

127

201

71

92

163

doctoraat

179

67

246

164

94

258

177

93

270

138

105

243

147

109

256

Toegepaste wetenschappen 2e cyclus/master

519

121

640

488

131

619

508

161

669

612

173

785

553

168

721

vao’s

309

113

422

320

169

489

311

153

464

177

105

282

185

116

301

5

10

15

13

7

20

17

11

28

16

17

33

7

8

15

107

18

125

130

15

145

143

35

178

143

56

199

180

28

208

ailo

ailo doctoraat

Toegepaste biologische wetenschappen 2e cyclus/master

214

185

399

200

196

396

170

209

379

189

167

356

180

189

369

vao’s

111

103

214

133

91

224

135

114

249

121

100

221

101

105

206

5

21

26

15

18

33

14

31

45

15

46

61

15

38

53

45

49

94

67

30

97

66

35

101

66

45

111

57

38

95 674

ailo doctoraat

Geneeskunde 339

494

833

265

432

697

219

360

579

237

381

618

237

437

vao’s

43

59

102

49

49

98

45

73

118

34

64

98

37

53

90

ailo

1

6

7

3

4

7

2

16

18

4

25

29

2

19

21

61

54

115

78

51

129

63

61

124

64

65

129

67

70

137

2e cyclus/master

30

35

65

25

25

50

18

28

46

26

46

72

29

40

69

vao’s

17

26

43

11

11

22

11

19

30

5

12

17

7

11

18

ailo

1

1

2

doctoraat

1

0

1

2

2

1

3

2

2e cyclus/master

doctoraat

Tandheelkunde

Diergeneeskunde 2e cyclus/master

2

2

63

108

171

70

122

192

50

110

160

54

111

165

39

118

vao’s

4

1

5

6

9

15

7

5

12

6

4

10

1

7

8

ailo

3

5

8

1

3

4

1

7

8

3

10

13

4

6

10

11

10

21

10

6

16

8

11

19

9

13

22

12

8

20

2e cyclus/master

60

178

238

37

147

184

34

176

210

41

174

215

47

158

205

vao’s

26

53

79

19

37

56

18

42

60

9

42

51

15

43

58

ailo

1

7

8

11

11

2

13

15

1

13

14

1

10

11

doctoraat

19

14

33

22

18

40

12

24

36

19

17

36

24

22

46

Biomedische wetenschappen 2e cyclus/master

44

183

227

58

205

263

50

225

275

55

211

266

68

206

274

4

2

6

3

3

6

3

1

4

doctoraat

157

Farmaceutische wetenschappen

vao’s ailo doctoraat

1

8

8

8

20

28

2

27

29

2

25

27

2

29

31

1

2

1

3

4

1

4

5

6

9

15

4

16

20

Verkeerskunde 2e cyclus/master vao’s ailo 1

doctoraat

1

Gecombineerde studiegebieden 2e cyclus/master 64

142

206

58

131

189

58

131

189

59

142

201

77

112

189

294

328

622

332

440

772

338

387

725

313

347

660

297

336

633

ailo

7

20

27

7

28

35

7

25

32

7

25

32

3

13

16

doctoraat

6

2

8

2

6

8

6

2

8

2

3

5

2

3

5

2e cyclus/master

4.191

5.482

9.673

4.088

5.516

9.604

3.819

5.487

9.306

3.987

5.645

9.632

4.135

5.706

9.841

vao's

2.376

2.169

4.545

2.364

2.310

4.674

2.363

2.222

4.585

1.913

2.058

3.971

1.882

1.943

3.825

ailo

415

1.033

1.448

461

1.170

1.631

428

1.199

1.627

462

1.328

1.790

437

1.256

1.693

doctoraat

568

294

862

612

312

924

639

368

1.007

642

428

1.070

654

437

1.091

vao’s

Totaal

Gebruikte afkortingen: vao’s: voortgezette academische opleidingen, ailo: academische initiële lerarenopleiding


37

De man-vrouw verhouding bij de uitgereikte tweede cyclus-

wetenschappen (58,6%), Toegepaste biologische wetenschappen

diploma’s verschilt sterk van studiegebied tot studiegebied.

(51,2%), Geneeskunde (64,8%), Tandheelkunde (58,0%) en in

In het academiejaar 2006-2007 was er een sterk vrouwelijk

de gecombineerde studiegebieden (59,3%) studeerden meer

overwicht in de studiegebieden Taal- en letterkunde (74,6%),

vrouwen af in een basisopleiding dan mannen. Een duidelijk

Psychologische en pedagogische wetenschappen (83,9%), Sociale

mannelijk overwicht was er daarentegen in de studiegebieden

gezondheidswetenschappen (90,3%), Diergeneeskunde (75,2%),

Toegepaste wetenschappen (76,7%) en Wetenschappen (65,1%).

Farmaceutische wetenschappen (77,1%) en Biomedische

Ook in de richtingen Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

wetenschappen (75,2%). Ook in de studiegebieden Archeologie

(60,7%), Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk

en kunstwetenschappen (67,2%), Geschiedenis (51,1%), Rechten,

recht (68,5%) en Economische en toegepaste economische

notariaat en criminologische wetenschappen (61,3%), Politieke

wetenschappen (56,2%) werd aan meer mannen dan vrouwen

en sociale wetenschappen (61,1%), Bewegings- en revalidatie-

een tweede cyclusdiploma uitgereikt.

Figuur 2.3: Universiteiten: diploma’s voortgezette academische opleidingen per geslacht (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)

2.500

2.000

1.500

1.000

500

0 1997-1998

1998-1999

1999-2000

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007

n Vrouwen

Figuur 2.4: Universiteiten: doctoraatsdiploma’s per geslacht (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)

700 600 500 400 300 200 100 0 1997-1998

n Mannen n Vrouwen

1998-1999

1999-2000

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2

n Mannen


38

Vanaf het academiejaar 2005-2006 werden er voor het eerst

In het academiejaar 2006-2007 hebben de Vlaamse

meer diploma’s van voortgezette academische opleidingen

hogescholen 18.202 diploma’s van eencyclusopleidingen

uitgereikt aan vrouwelijke studenten, namelijk 51,8% tegenover

uitgereikt en 4.754 tweede cyclusdiploma's. Ten opzichte van

48,2% aan mannelijke studenten. De globale afname van het

het academiejaar 1998-1998 betekent dit een toename van

aantal diploma’s in de voortgezette opleidingen heeft zich in

+12,2% voor het aantal diploma’s van de eencyclusopleidingen

het academiejaar 2006-2007 sterker doorgezet bij de

en een stijging van +10,1% voor het aantal tweede cyclus-

vrouwelijke studenten. Hierdoor verkleinde het vrouwelijke

diploma’s van de tweecycliopleidingen. Tijdens de beschouwde

overwicht: 50,8% van het aantal uitgereikte diploma’s ging in

periode schommelde het aandeel van de eencyclusdiploma’s

het academiejaar 2006-2007 naar vrouwelijke studenten.

in het totale aantal uitgereikte diploma’s van hogeschoolopleidingen (basisopleidingen) tussen de 78 en 80%.

Het grootste onevenwicht tussen mannen en vrouwen vindt men nog steeds terug bij het aantal uitgereikte doctoraats-

In het academiejaar 2006-2007 werd het grootste aantal

diploma’s. In de beschouwde periode van 10 jaar is het aantal

eencyclusdiploma's toegekend in de studiegebieden Handels-

doctoraatsdiploma’s uitgereikt aan vrouwen quasi verdubbeld

wetenschappen en Bedrijfskunde (5.548), Onderwijs (4.373)

(+96%). Ondanks deze aanzienlijke toename van het aantal

en Gezondheidszorg (2.693). De voorbije vijf academiejaren

vrouwelijke doctorandi blijft hun aandeel beperkt tot 40%:

werd de grootste toename van het aantal gediplomeerden in

in het academiejaar 2006-2007 reikten de universiteiten

absolute cijfers (vergelijking uitgereikte diploma’s 2006-2007

654 doctoraatsdiploma’s uit aan mannen tegenover 437 aan

t.o.v. 2002-2003) gemeten bij Sociaal-agogisch werk (+598),

vrouwen. In de beschouwde periode nam het aantal mannelijke

Onderwijs (+185) en Biotechniek (+164), terwijl het studie-

doctores toe met 46%.

gebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde (-922) werd geconfronteerd met de sterkste daling van het aantal gediplomeerden.

Figuur 2.5: Hogescholen: diploma’s per type (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)

20.000 18.000 16.000 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0 1997-1998

1998-1999

1999-2000

n Eén cyclus/PBA n Tweede cyclus tweecycliopleidingen

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007


39

Tabel 2.6:

Hogescholen: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2002-2003 t.e.m. 2006-2007)

Academiejaar Studiegebied

2002-2003 M

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

M

V

T

180

180

360

169

230

399

189

248

437

202

292

494

181

255

436

Opleidingen van één cyclus/PBA Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst

13

35

48

22

35

57

13

23

36

12

16

28

19

23

42

Biotechniek

169

76

245

150

71

221

179

81

260

195

182

377

196

213

409

Gezondheidszorg

333

2.222

2.555

354

2.203

2.557

352

2.229

2.581

383

2.335

2.718

335

2.358

2.693

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

2.982

3.488

6.470

2.940

3.270

6.210

2.805

3.187

5.992

2.638

3.038

5.676

2.647

2.901

5.548

Industriële wetenschappen en technologie

1.750

328

2.078

1.747

281

2.028

1.791

293

2.084

1.835

263

2.098

1.882

296

2.178

Muziek en podiumkunsten

1

8

9

2

4

6

1

8

9

2

9

11

1

5

6

13

1

14

20

1

21

Nautische wetenschappen Onderwijs

929

3.259

4.188

914

3.360

4.274

988

3.390

4.378

945

3.437

4.382

1.001

3.372

4.373

Sociaal-agogisch werk

365

1.533

1.898

353

1.608

1.961

390

1.712

2.102

437

1.873

2.310

458

2.038

2.496

Totaal diploma's één cyclus/PBA

6.722

11.129

17.851

6.651

11.062

17.713

6.708

11.171

17.879

6.662

11.446

18.108

6.740

11.462

18.202

Opleidingen van twee cycli: diploma's tweede cyclus Architectuur

131

128

259

121

172

293

103

137

240

99

160

259

127

199

326

Audiovisuele en beeldende kunst

564

260

362

622

255

322

577

252

314

566

280

327

607

240

324

Biotechniek

49

41

90

51

39

90

38

33

71

45

21

66

38

27

65

Gezondheidszorg

66

136

202

69

139

208

75

140

215

60

80

140

68

93

161

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

496

430

926

643

579

1.222

574

514

1.088

555

474

1.029

530

458

988

Industriële wetenschappen en technologie

1.486

348

1.834

1.483

300

1.783

1.387

272

1.659

1.546

260

1.806

1.444

224

1.668

Muziek en podiumkunsten

116

150

266

140

141

281

150

171

321

147

143

290

130

155

285

32

10

42

38

8

46

Nautische wetenschappen 45

26

71

57

25

82

41

34

75

35

21

56

40

12

52

Toegepaste taalkunde

88

397

485

85

360

445

85

364

449

106

395

501

106

436

542

4

9

13

35

50

85

24

33

57

Gecombineerd studiegebied Totaal tweede cyclusdiploma's

2.737

2.018

4.755

2.904

2.077

4.981

2.709

1.988

4.697

2.940

1.941

4.881

2.785

1.969

4.754

Algemeen totaal

9.459

13.147

22.606

9.555

13.139

22.694

9.417

13.159

22.576

9.602

13.387

22.989

9.525

13.431

22.956

De meeste tweede cyclusdiploma's werden in 2006-2007 uitgereikt in de studiegebieden Industriële Wetenschappen en technologie (1.668), Handelswetenschappen en Bedrijfskunde (988), Audiovisuele en Beeldende Kunst (564) en Toegepaste Taalkunde (542). Terwijl het aantal gediplomeerden in de studiegebieden Industriële wetenschappen en technologie (-166) en Audiovisuele en Beeldende Kunst (-58) in de voorbije vijf academiejaren het sterkst gedaald is, kenden de studiegebieden Architectuur (+67), Handelswetenschappen en bedrijfskunde (+62), Toegepaste Taalkunde (+57) en de gecombineerde studiegebieden (+57) de grootste toename van het aantal uitgereikte diploma’s.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2

Produktontwikkeling


40

Figuur 2.6: Hogescholen: eencyclusdiploma’s per geslacht (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)

12.000

10.000

8.000

6.000

4.000

2.000

0 1997-1998

1998-1999

1999-2000

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007

n Mannen n Vrouwen

Figuur 2.7: Hogescholen: tweede cyclusdiploma’s per geslacht (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)

3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0 1997-1998

1998-1999

1999-2000

2000-2001

2001-2002

2002-2003

2003-2004

2004-2005

2005-2006

2006-2007

n Mannen n Vrouwen

Bij de eencyclusdiploma's is het aantal vrouwelijke gediplomeerden

Kijkt men naar de man-vrouw verhouding per studiegebied

groter dan het aantal mannelijke gediplomeerden. In het

(tabel 2.6), dan merkt men op dat de Vlaamse hogescholen in

academiejaar 2006-2007 reikten de Vlaamse hogescholen

alle studiegebieden, met uitzondering van het studiegebied

63% van de eencyclusdiploma's (of 11.462) uit aan vrouwelijke

Industriële Wetenschappen en Technologie (en nautische

afgestudeerden, tegenover 37% (of 6.740) aan mannelijke

wetenschappen), meer eencyclusdiploma’s uitreikten aan

afgestudeerden. Bekeken over de periode 1997-2006 is deze

vrouwelijke dan aan mannelijke studenten.

verhouding nagenoeg constant gebleven.


41

In het academiejaar 2006-2007 waren de studiegebieden met

Bij de tweede cyclusdiploma's zijn eveneens verschillen in de

een sterk overwicht van vrouwelijk gediplomeerden de

man-vrouwverhouding tussen de studiegebieden merkbaar.

studiegebieden Onderwijs (77,1%), Sociaal-agogisch Werk

Het verschil tussen het aantal vrouwelijke en het aantal

(81,6%),

en

mannelijke gediplomeerden is vooral groot bij de studie-

Gezondheidszorg

Podiumkunsten

(83,3%).

(87,6%) Het

en

Muziek

Industriële

gebieden Industriële Wetenschappen en Technologie en de

Wetenschappen en Technologie daarentegen telde meer

studiegebied

Toegepaste Taalkunde met respectievelijk 86,6% mannelijke

mannelijke gediplomeerden (86,4%).

en 80,4% vrouwelijke afgestudeerden in 2006-2007.

De tweede cyclusdiploma's (van de tweecycliopleidingen) worden in tegenstelling tot de eencyclusdiploma’s nog steeds

2.4 INTERNATIONALE VERGELIJKING

overwegend aan mannelijke afgestudeerden uitgereikt, hoewel het aantal en het aandeel vrouwelijke gediplomeerden in de

Tabel 2.7 toont de percentages afgestudeerden in het hoger

beschouwde periode licht is toegenomen: van 40,4% in 1997-

onderwijs ten opzichte van de referentiepopulatie op typische

1998 tot 41,4% in 2006-2007 (met een voorlopig maximum

leeftijd van afstuderen voor het academiejaar 2005-2006.

van 42,4% in 2002-2003).

De tabel maakt een onderscheid naar het type programma dat doorlopen werd en naar de opleidingsduur.

Tabel 2.7:

Percentage afgestudeerden hoger onderwijs in verhouding tot de referentiepopulatie op de typische leeftijd van afstuderen, naar type programma en duur – internationale vergelijking (2005-2006)

Type B - tertiair onderwijs

Doctoraat of equivalent

Type A - tertiair onderwijs Totaal

Studieduur 3-4 jaar

Studieduur 5-6 jaar

Studieduur langer dan 6 jaar

Mannen

Vrouwen

M+V

Mannen

Vrouwen

M+V

M+V

M+ V

27,1

28,4

25,9

39,1

30,8

47,5

55,0

45,0

n

1,3

FR3

m

m

m

m

m

m

m

m

m

1,2

SP

14,5

13,0

16,1

32,9

25,5

40,8

45,0

55,0

n

1,0

VK

15,0

9,9

20,0

39,0

33,4

44,8

97,0

3,0

1,0

2,2

D

10,8

8,2

13,4

21,2

20,2

22,2

40,0

60,0

n

2,3

DEN

10,0

10,8

9,1

44,6

33,7

55,7

63,0

37,0

n

1,2

ZW

4,9

4,0

5,8

40,6

28,2

53,6

96,0

4,0

n

2,2

FIN

0,1

0,1

n

47,5

35,5

60,1

59,0

40,0

1,0

2,1

n

n

n

39,4

32,5

46,6

61,0

39,0

n

1,2

POR

8,7

6,5

10,9

32,9

21,5

44,7

33,0

67,0

n

3,3

OOS

7,4

7,1

7,8

21,5

20,2

22,8

29,0

71,0

n

1,9

NED

n

n

n

43,0

38,1

48,1

m

m

m

1,5

IT

m

m

m

m

m

m

m

m

m

1,3

32,5%

24,3%

40,9%

29,4%

25,8%

33,1%

14,9%

12,1%

2,4%

1,3%

9,1

7,9

10,4

37,3

29,8

45,2

64,0

34,0

1,0

1,4

BEL Vl Gemeenschap OES - x

M+V

Typische leeftijd van afstuderen: type B - tertiair onderwijs: 21 jaar type A - tertiair onderwijs: 22-25 jaar Voor de Vlaamse Gemeenschap verwijst de data naar het totale aantal behaalde diploma’s. Deze gegevens kunnen dubbeltellingen bevatten – studenten die meerdere diploma’s behalen worden meerdere malen in de data opgenomen. Afkortingen m data niet beschikbaar n grootte is verwaarloosbaar of nul

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2

M+V IER


42

De programmatypes zijn:

Uit deze tabel blijkt de uitzonderlijke positie van Vlaanderen m.b.t. het percentage diploma’s professioneel gerichte

l

l

l

type B - tertiair onderwijs, wat in Vlaanderen correspondeert

opleidingen en HOSP. Het Vlaamse percentage afgestudeerden

met de professioneel gerichte bacheloropleidingen (en de

van de academisch gerichte opleidingen situeert zich dan weer

eencyclusopleidingen in afbouw) en de HOSP-opleidingen

onder het OESO-landengemiddelde. Dit is ook het geval bij

(Hoger onderwijs voor sociale promotie);

de doctoraten. Deze cijfergegevens moeten evenwel met de

type A - tertiair onderwijs, zijnde de academische gerichte

nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden, de verschillen

opleidingen aan de hogescholen, de universiteiten,

in classificaties tussen de landen spelen hier immers sterk mee.

de Koninklijke Militaire School, de Protestantse Theologische

Globaal genomen kan men op basis van deze cijfers toch

Faculteit Brussel, de Evangelische Faculteit Heverlee en het

stellen dat de jongste generatie twintigers gemiddeld geschoold

Instituut voor Tropische Geneeskunde;

is in internationaal perspectief.

doctoraten of equivalent.

Tabel 2.8:

Procentuele verdeling van de diploma’s in het hoger onderwijs, naar studiedomein en type onderwijs (2004-2005)

Gezondheid en welzijn

Levenswetenschappen, natuurwetenschappen, landbouw

Wiskunde en computerwetenschappen

Humane wetenschappen, kunst en onderwijs

Sociale wetenschappen, economische en handelswetenschappen, recht en diensten

Ingenieurswetenschappen en industriële wetenschappen

onbekend

Vl. Gemeenschap

A B

9,1 26,0

10,0 1,6

5,2 3,0

28,2 32,6

36,1 26,6

11,4 10,2

n n

Denemarken

A B

28,2 2,4

4,8 6,3

4,7 8,3

25,5 4,7

27,1 63,6

9,8 14,7

n n

Duitsland

A B

13,1 49,5

9,8 2,9

7,6 0,5

22,3 7,8

31,3 20,7

15,9 17,2

n 1,3

Finland

A B

19,0 0,7

5,6 n

5,5 n

19,9 13,9

28,8 82,1

21,3 3,3

n n

Frankrijk

A B

8,1 21,4

9,8 0,6

6,1 5,5

18,9 3,8

45,1 47,9

11,9 20,8

n n

Ierland

A B

14,1 6,9

4,8 1,3

5,5 0,5

35,4 24,9

30,8 45,0

9,4 21,5

n n

Italië

A B

14,3 a

6,4 a

2,5 a

23,0 a

38,0 a

15,1 a

0,7 a

Nederland

A B

17,0 n

4,9 n

4,3 n

24,9 n

40,5 n

8,4 n

n n

Portugal

A B

17,7 18,2

7,5 2,7

5,7 6,4

27,4 13,0

30,5 39,1

11,3 20,6

n n

Oostenrijk

A B

8,7 14,5

8,3 n

7,1 n

19,8 32,7

41,6 10,2

14,5 38,1

0,1 n

Spanje

A B

14,6 12,9

7,6 0,6

5,1 11,8

22,9 14,0

35,4 39,0

14,3 21,7

0,1 n

Verenigd Koninkrijk

A B

12,0 39,3

8,7 8,9

7,3 6,7

27,3 20,3

34,7 18,4

8,7 5,2

1,3 1,2

Zweden

A B

25,7 11,5

4,7 4,4

3,8 9,2

23,5 15,3

24,4 42,1

17,9 17,4

n n

België

A B

13,2 21,8

10,4 1,4

4,5 4,1

24,4 31,3

36,5 25,2

10,9 8,2

0,2 8,1

OESO-x

A B

12,7 15,1

7,4 2,3

5,4 5,9

25,3 22,7

36,6 38,2

12,2 14,7

0,4 1,1

Kolom 1 specificeert het type programma - A correspondeert voor Vlaanderen met de academisch gerichte opleidingen (hogescholen, universiteiten, de Koninklijke Militaire School, de Protestantse Theologische Faculteit Brussel, de Evangelische Faculteit Heverlee, het Instituut voor Tropische Geneeskunde), met inbegrip van de doctoraten (ISCED 5A en 6); - B correspondeert met de professionele bacheloropleidingen (en de eencyclusopleidingen in afbouw) en de HOSP-opleidingen (ISCED 5B). Afkortingen a data niet toepasselijk n grootte is verwaarloosbaar of nul


43

Bekijken we in internationaal perspectief de procentuele verdeling

De percentages in tabel 2.8 hangen natuurlijk ook samen met

van de diploma’s hoger onderwijs over de verschillende studie-

de mate waarin deze opleidingsdomeinen in de onderwijstypes

domeinen (tabel 2.8), dan vallen de volgende elementen op:

(type A - tertiair onderwijs versus type B - tertiair onderwijs) worden aangeboden (zie ook tabel 2.7). Terwijl bijvoorbeeld in

l

voor wat betreft de academisch gerichte opleidingen (met

Vlaanderen de meeste studenten een lerarenopleiding volgen

inbegrip van de doctoraten) – categorie A – bevindt

in een professioneel gerichte bacheloropleiding aan een

Vlaanderen zich meestal in de buurt van het OESO-

hogeschool, situeert de lerarenopleiding zich in een aantal

landengemiddelde;

andere landen enkel op het niveau van het universitair onderwijs.

l

bij de professioneel gerichte opleidingen (categorie B) ligt in Vlaanderen het aandeel van de diploma’s in de

Figuur 2.8 geeft internationaal het percentage diploma’s in

studiedomeinen ‘Gezondheid en welzijn’ en ‘Humane

wiskunde, wetenschappen en technologie ten opzichte van

wetenschappen, kunsten en onderwijs’ veel hoger dan het

alle diploma’s in het hoger onderwijs. Het gaat hier steeds

OESO-gemiddelde. Het aandeel van het studiedomein

om alle opleidingen in het hoger onderwijs samen, zowel

‘Sociale

handels-

niet-universitair als universitair, en zowel basisopleidingen als

wetenschappen, recht en diensten’ in het aantal uitgereikte

voortgezette opleidingen en doctoraten. Denemarken, België

diploma’s is daarentegen aanzienlijk lager dan het OESO-

en Nederland zitten in de staart van het Europese peloton wat

gemiddelde.

het aandeel van deze diploma’s in wiskunde, wetenschappen

wetenschappen,

economische

en

en technologie ten opzichte van alle diploma’s hoger onderwijs betreft. Het percentage voor Vlaanderen ligt iets hoger dan voor België als geheel.

Figuur 2.8: Percentage diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs ten opzichte van alle diploma’s in het hoger onderwijs (evolutie 2001 – 2005)

26,2% 15,5% 16,3% 15,9%

Vl. Gem

17,1% 19,0%

20,5% 20,5% 19,6%

DEN

18,9% 19,3% 17,0%

22,2% 19,8% 18,9%

22,3%

21,6%

24,4% 24,1%

26,8% 28,1% 27,2%

25,9% 26,4% 27,2% 21,8%

30,5%

27,3% 25,8%

27,5% 28,4% 30,6%

OOS

29,5%

29,9% 29,4% 26,9%

32,1% 30,5% 26,6%

FR

20%

10%

0% IER

n 2001 n 2003 n 2005

ZW

FIN

VK

D

SP

EU25-x

IT

BEL

POR

NED

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2

30%

31,9% 29,9% 28,2%

40%


44

2.5 BESLUIT In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de kwantificatie en de stratificatie van de Vlaamse studentenbevolking. Kenmerkend zijn de hoge participatiegraad van de Vlaamse achttienjarigen aan het hoger onderwijs en de sterke vervrouwelijking van het academisch onderwijs en van de eencyclusopleidingen. De laatste academiejaren kent het hoger onderwijs een toename van het aantal generatiestudenten. Dit is zowel het geval voor de professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen (de vroegere eencylusopleidingen) als voor de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen en de universiteiten. Ook het aantal uitgereikte diploma's – zowel aan de hogescholen als aan de universiteiten – kent een toename. Een mogelijke impact van de recente hervormingen in het hoger onderwijs – de invoering van de bachelor-masterstructuur, de flexibilisering, het nieuwe financieringsdecreet – op de instroom, de doorstroom en de uitstroom, zal pas binnen enkele jaren zichtbaar zijn.


45

ONDERZOEKSCARRIÈRES IN VLAANDEREN: INSTROOM, D O O R ST R O O M E N U I TST R O O M VA N D O C TO R A ATS O N D E R ZO E K

Door Hannelore De Grande (UGent), Caroline Hoedemakers (UGent), Svetlana Jidkova (UGent), Annik Leyman (UGent), Gert Van der Goten (UGent), Karen Vandevelde (UGent) en Ronan Van Rossem (UGent)

03


46

De aanwezigheid van goed opgeleid onderzoekspotentieel is

Deze instroom in onderzoeksfuncties verschilt van discipline tot

een belangrijke indicator van de economische dynamiek en

discipline. Het aantal afgeleverde doctoraten moet uiteraard

innovatiekansen voor de toekomst. De investering in de

ook gezien worden als een functie van het potentieel aantal

opleiding van nieuwe onderzoekers is al een tiental jaar een

doctorandi, d.w.z, van het aantal afgestudeerden in de 2de

prioriteit van het Vlaamse wetenschapsbeleid – een investering

cyclus binnen hetzelfde studiegebied. In figuur 3.2 wordt

die ook vruchten afwerpt. Zowel op het niveau van instroom,

de ratio van het aantal doctoraten tegenover het aantal 2de

doorstroom als uitstroom van onderzoekscarrières vonden heel

cyclus diploma’s ook per studiegebied weergegeven voor het

wat verschuivingen plaats die deze nieuwe dynamiek en

academiejaar 2006-2007. De Science and Technology richtingen

ontplooiingskansen voor jonge onderzoekers bevestigen.

waar het grootste innovatiepotentieel wordt verwacht, voorzien ook de grootste doorstroming naar onderzoekscarrières. In de exacte, toegepaste en landbouwwetenschappen is de

3.1 ONDERZOEKSPOTENTIEEL

ratio doctoraten/2de cyclus diploma’s immers meer dan 25%.

Het aantal afgestudeerden op masterniveau dat instroomt

De toename in de instroom van doctoraatsonderzoek hangt

naar een positie als junior onderzoeker, is sterk toegenomen.

nauw samen met de toename in financiering voor doctoraats-

In figuur 3.1 wordt het stijgend aantal doctoraten afgezet

onderzoek. De invoering van de fiscaal vrijgestelde beurzen

tegenover het stijgend aantal afgestudeerden met een 2de

voor doctoraatsonderzoek en de extra investeringen vanuit

cyclus-diploma. Aangezien hier geen rekening is gehouden

het Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door

met de tijd die het vraagt om een doctoraat te behalen, wordt

Wetenschap en Technologie in Vlaanderen (IWT) en het Fonds

het percentage afgestudeerden dat werkelijk doorstroomt naar

voor Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (FWO) voor

een onderzoekspositie als doctorandus nog onderschat.

doctoraatsonderzoek, zorgden voor een bijzonder sterke

Deze figuur illustreert dat de stijging van het aantal doctoraten

toename in aanstellingen als “bursaal”. Het aantal assistenten

een vlucht nam rond de eeuwwisseling, en dat de trendbreuk

aangesteld door de universiteit om deeltijds lessen te

in feite reeds begonnen is in het midden van de jaren 90.

ondersteunen en deeltijds doctoraatsonderzoek te verrichten,

Deze cijfers bevestigen de evolutie die reeds kon worden

bleef zo goed als ongewijzigd in de laatste 15 jaar (figuur 3.3).

waargenomen in de VRWB-studie over de doctoraatsproductie in Vlaanderen van 2006.

Figuur 3.1: Ratio doctoraten – tweedecyclusdiploma’s aan Vlaamse universiteiten (Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs)

14%

12% 10,8%

11,1%

11,1%

20042005

20052006

20062007

9,6%

10%

8,9% 8,1%

8%

6,9%

6,9%

19911992

19921993

8,4% 7,8%

7,8%

7,7%

7,3%

7,2% 6,7%

6,6%

6%

4%

2%

0% 19931994

19941995

19951996

19961997

19971998

19981999

19992000

20002001

20012002

20022003

20032004


47

Figuur 3.2: Ratio doctoraten – tweedecyclusdiploma’s naar studiegebied (bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs, 2007-2008 – gegevens 2006-2007)

Wetenschappen Toegepaste wetenschappen Toegepaste biologische wetenschappen Farmaceutische wetenschappen Geneeskunde, tandheelkunde en sociale gezondheidswetenschappen Diergeneeskunde Geschiedenis, kunsten, letteren en wijsbegeerte Biomedische wetenschappen Economische en toegepaste economische wetenschappen Psychologie en pedagogische wetenschappen Bewegings- en revalidatiewetenschappen Politieke en sociale wetenschappen Gecombineerde studiegebieden (afbouw B&V) Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen 0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

Figuur 3.3: Personeelsaanstellingen aan Vlaamse universiteiten in juniorcategorieën (gegevens voor sommige jaargangen niet beschikbaar) (bron: VLIR-personeelsstatistieken)

8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 1992

1993

1994

1995

1996

n Assisterend academisch personeel

1997

1998

1999

2000

n Wetenschappelijk personeel

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

n Bursalen (incl. FWO-, IWT- en BOF-mandaathouders)

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 3

9.000


48

Figuur 3.4: Verhouding doctoraatsstudenten in Wetenschap en Technologie ten opzichte van de totale bevolking tussen 20 en 29 jaar, 2006 (Bron: Eurostat 2008. Cijfers ontbreken voor Nederland, Luxemburg en Griekenland)

3

2,5

2

1,5

1

0,5

n Mannen

Malta

Turkey

Iceland

Croatia

Cyprus

Latvia

Poland

Slovenia

Hungary

Romania

Italy

Bulgaria

Lithuania

BELGIUM

Spain

Denmark

Ireland

France

Norway

Portugal

Estonia

Slovakia

Austria

United Kingdom

Czech Republic

Switzerland

Sweden

Finland

0

n Vrouwen

Figuur 3.5: Aantal doctoraten uitgereikt aan Vlaamse universiteiten, per academiejaar (Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs)

1.200

1.000

800

600

400

200

0 19911992

19921993

n Mannen

19931994

19941995

19951996

19961997

19971998

19981999

19992000

20002001

20012002

20022003

20032004

20042005

20052006

20062007

n Vrouwen

In vergelijking met andere Europese landen moet het succes

3.2 DOCTORAATSPRODUCTIE

van deze investering in onderzoekspotentieel toch worden genuanceerd. In verhouding tot het totaal aantal inwoners in de

Een versterking van de instroom in doctoraatsonderzoek in

leeftijdscategorie 20-29 jaar, is BelgiĂŤ geen koploper voor wat

Vlaanderen wierp wel vruchten af in het aantal afgewerkte doctoraten.

het aantal doctoraatsstudenten in wetenschap en technologie

Zoals figuur 3.5 aangeeft, is het aantal doctoraten uitgereikt aan

betreft (figuur 3.4).

Vlaamse universiteiten in vijftien jaar tijd meer dan verdubbeld.


49

Figuur 3.6: Aandeel van drie grote wetenschapsgebieden in de doctoraatsproductie in Vlaanderen in de periode 1992-2008, per academiejaar. (Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs)

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 19911992

19921993

19931994

19941995

n Humane/sociale wetenschappen

19951996

19961997

19971998

19981999

19992000

n Exacte/toegepaste wetenschappen

20002001

20012002

20022003

20032004

20042005

20052006

20062007

n Medische wetenschappen

De stijging heeft zich vooral ingezet na het academiejaar 1999-

Kijken we met een meer verfijnde loep naar het aantal uitgereikte

2000. Aangezien het gemiddeld ruim vijf jaar duurt alvorens

doctoraten per wetenschapsgebied voor het academiejaar 2006-

doctoraatsonderzoek wordt bekroond met een doctoraats-

2007, dan zien we dat de Science and Technology domeinen, nl.

diploma, is deze stijging voor het grootste deel te danken aan

de wetenschappen, toegepaste wetenschappen en biomedische

de investeringsimpuls die begon midden de jaren ’90.

wetenschappen samen nog steeds de meerderheid van de

Het aandeel vrouwelijke doctors is in de periode 1992-2007

wetenschapsdisciplines waar de mogelijkheden tot economische

gestegen van 23% naar 40%, maar de mannelijke doctoraat-

valorisatie van kennis op de arbeidsmarkt het hoogst worden geacht.

doctoraatsdiploma’s afleveren (figuur 3.7). Dit zijn ook de

aandeel van 60% in de behaalde doctoraten (zie figuur 3.5). Figuur 3.6 geeft aan dat het aantal doctoraten steeg in alle

3.3 ACADEMISCHE CARRIÈRES

onderzoeksdisciplines, maar niet evenredig in elk van hen. De medische wetenschapsgebieden verdubbelden hun aandeel

Meer afgestudeerden met een doctoraat betekent ook een

in de totale doctoraatsproductie (van 11 naar 22%) midden de

wijziging in de verhouding tussen junior en senior onderzoekers.

jaren ’90, en behielden min of meer dit aandeel. Het aantal

Hoewel het aantal postdoctorale aanstellingen sterk toenam,

doctoraten in de exacte en toegepaste wetenschappen – lange tijd

bleven de aantallen relatief klein, terwijl het aantal plaatsen

de meest dominante studiegebieden voor doctoraatsonderzoek –

voor onderzoekers met een vaste aanstelling (ZAP-kader) zo

groeide iets minder snel. Het aandeel van deze wetenschaps-

goed als ongewijzigd bleef (figuur 3.8). Het effect daarvan is

gebieden verminderde aldus van 65% naar 51%. Het aandeel

tweevoudig. Enerzijds is de druk op professoren toegenomen

van de humane wetenschappen in de doctoraatsproductie

om steeds meer doctorandi te begeleiden: vandaag zijn er

steeg in deze periode in beperkte mate.

gemiddeld ongeveer drie junior onderzoekers per ZAP-lid, terwijl dat in 1992 slechts 1,3 was. Anderzijds is het uitzicht op een academische carrière steeds kleiner geworden voor de nieuwe generatie afgestudeerden met een doctoraat.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 3

houders blijven duidelijk in de meerderheid met een huidig


50

Figuur 3.7:

Aantal doctoraten uitgereikt in 2006-2007, uitgesplitst naar 13 studiedomeinen (Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs, 2007-2008)

2%

2% 2%

2%

n Wetenschappen

3%

n Ingenieurswetenschappen

24%

n Geneeskunde en gezondheidswetenschappen

4%

n Bio-ingenieurswetenschappen

4%

n Letteren en wijsbegeerte 5%

n Economie en bedrijfskunde n Psychologie en pedagogische wetenschappen n Farmaceutische wetenschappen

9%

19%

n Politieke en sociale wetenschappen n Rechtsgeleerdheid n Bewegings- en revalidatiewetenschappen

9%

n Diergeneeskunde n Godgeleerdheid en kerkelijk recht

15%

Figuur 3.8: Evolutie van aanstellingen in predoctorale en postdoctorale statuten enerzijds en het ZAP-kader anderzijds aan de Vlaamse universiteiten (Bron: VLIR-personeelsstatistieken)

9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 1992

n Predoc

1994

n ZAP

1996

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

n Postdoc

3.4 ANDERE ONDERZOEKSCARRIÈRES

Het onderzoeksteam van SOOI-Gent onderzocht ook of de huidige generatie doctorandi er een even brede visie op nahoudt

Een eenzijdige focus op academische carrières was echter niet de

voor wat de eigen carrièremogelijkheden betreft. Een survey

opzet van de overheidsinvestering in doctoraatsonderzoek. Nieuwe

uitgevoerd bij meer dan 2000 doctorandi aan Vlaamse

doctores worden veel meer dan vroeger verwacht hun onderzoeks-

universiteiten peilde naar de geprefereerde tewerkstellings-

ervaring te kunnen valoriseren op de arbeidsmarkt, en hun carrières

sectoren van de jongste generatie onderzoekers.

over de landsgrenzen en sectorgrenzen heen uit te bouwen.


51

Tabel 3.1:

Percentage respondenten dat de betreffende sector zijn eerste, tweede of derde voorkeur gaf, in een rangschikking van 1 tot 8 van de sectoren waar ze in de toekomst het liefst tewerkgesteld wilden zijn (Bron: Survey of Junior Researchers, 2008)

Universiteit Overheidssector Niet-universitaire onderwijsinstelling Non-profit sector Nijverheidssector Dienstverlenende sector Vrije beroepen Primaire sector

Tabel 3.2:

Humane wetenschappen 87,9% 62,7% 60,8%

Sociale en gedragswetenschappen 81,7% 58,5% 53,9%

26,8%

39,0%

22,8%

16,9%

49,7%

31,5%

3,3%

6,9%

34,3%

51,1%

21,6%

24,6%

18,3%

26,6%

24,3%

32,1%

14,6%

23,2%

24,5%

15,1%

16,1%

20,4%

27,0%

20,3%

2,0%

2,8%

9,1%

12,6%

6,2%

6,8%

Exacte wetenschappen 79,8% 54,1% 46,7%

Toegepaste wetenschappen 73,3% 55,1% 36,5%

Biomedische wetenschappen 81,5% 45,1% 45,1%

Totaal 80,5% 54,4% 47,9%

Verdeling van de doctorandi naar sectoren waarmee wordt samengewerkt tijdens het doctoraatsonderzoek (Bron: Survey of Junior Researchers, 2008)

Andere universiteiten Overheidssector Non-profit sector Niet-universitaire onderwijsinstellingen Nijverheidssector Dienstverlenende sector Vrije beroepen Primaire sector

Humane wetenschappen 43,5% 25,6% 14,6% 13,3%

Sociale en gedragswetenschappen 41,7% 32,7% 23,0% 15,1%

Exacte wetenschappen 53,8% 14,5% 6,5% 11,1%

Toegepaste wetenschappen 51,2% 23,3% 7,4% 13,2%

Biomedische wetenschappen 46,9% 16,9% 30,6% 11,5%

Totaal 47,9% 21,8% 16,5% 12,7%

2,6%

3,4%

9,3%

24,8%

5,4%

9,1%

4,2%

9,2%

4,3%

8,1%

2,6%

5,6%

3,2%

3,4%

1,1%

1,7%

6,2%

3,1%

0,0%

0,7%

2,2%

8,8%

3,2%

3,0%

Jonge onderzoekers werken vooral samen met andere

op in zijn top-3 van voorkeurssectoren voor een latere carrière.

universiteiten tijdens hun doctoraatsonderzoek, maar voor een

Deze voorkeur is sterker in de humane wetenschappen dan in de

belangrijk deel ook met de overheidssector (vooral in de sociale

andere wetenschapsdomeinen. Daarnaast zijn ook niet-universitaire

en gedragswetenschappen) en de non-profitsector (vooral in

onderwijsinstellingen en de overheidssector vrij populair.

de biomedische wetenschappen). Ongeveer een derde van de doctorandi in de toegepaste wetenschappen werkt samen

De nijverheidssector blijkt vooral voor onderzoekers uit de

met stakeholders in de nijverheidssector en/of de primaire

toegepaste wetenschappen (51%) en exacte wetenschappen

sector. In hetzelfde onderzoek werd ook gepeild naar het type

(34%) een aantrekkelijke werkgever te zijn. Interesse voor

samenwerking. Uit de resultaten bleek dat kennisuitwisseling

het uitoefenen van een vrij beroep is vooral sterk aanwezig

en dataverzameling de meest voorkomende samenwerkings-

in de humane en biomedische wetenschappen – een niet

vormen zijn.

onverwacht toekomstplan voor bijvoorbeeld juristen en geneeskundigen. Werken in de primaire sector spreekt

Via internationale mobiliteitservaringen versterken jonge

doctorandi in alle onderzoeksdomeinen het minste aan.

onderzoekers hun academisch profiel en ervaren ze nieuwe impulsen voor hun onderzoek. De mobiliteit van onderzoekers is

Dezelfde survey peilde ook naar de mate waarin jonge

reeds een aantal jaren een prioriteit van de Europese Commissie,

onderzoekers reeds tijdens de voorbereiding van hun

maar de meeste cijfers – voor zoverre al beschikbaar – wijzen

doctoraatsproefschrift samenwerken met andere sectoren,

alsnog niet op grote verschuivingen op dit vlak. Nauwelijks

aangezien dit een voorafspiegeling kan zijn van hun interesse

meer dan één op de tien jonge onderzoekers heeft reeds een

enerzijds en competenties anderzijds om later ook binnen deze

mobiliteitservaring van meer dan 1 maand voor onderzoek achter

sectoren te gaan werken (tabel 3.2).

de rug op het ogenblik van de bevraging.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 3

Meer dan driekwart van deze onderzoekers neemt de universiteit


52

Tabel 3.3:

Internationale mobiliteit van minimum

Over de carrières van onderzoekers met een doctoraats-

één maand bij jonge onderzoekers,

diploma zijn voorlopig geen Vlaamse, maar wel Belgische

uitgesplitst naar grote wetenschapsgebieden

cijfers beschikbaar uit de Careers of Doctorate Holders enquête,

(Bron: Survey of Junior Researchers, 2008)

uitgevoerd in 2005.

Onderzoeksverblijf in het buitenland 16,0% 15,4% 14,7% 10,6% 8,8% 12,9%

Toegepaste Wetenschappen Exacte Wetenschappen Humane wetenschappen Sociale en Gedragswetenschappen Biomedische Wetenschappen Totaal

Deze bevraging, zowel gericht naar recente afgestudeerden met een doctoraatsdiploma als naar de doctoraathouders van de oudere generatie, toont het hoger onderwijs nog als de sterkste afzetmarkt voor houders van een doctoraatsdiploma. De bedrijfswereld en overheidssector volgen in de lijst van belangrijke tewerkstellingssectoren voor doctores. In de komende jaren wordt deze bevraging ook in andere OESO-

Toch geeft volgens ditzelfde onderzoek bijna 65% van de

landen uitgevoerd, hetgeen op dat moment ook een

onderzoekers aan in de toekomst graag naar het buitenland te

internationale vergelijking zal toelaten.

willen voor hun (doctoraats)onderzoek. Tussen de bereidheid om internationale mobiliteitservaringen uit te bouwen en de

De huidige investeringen in het onderzoekspotentieel aan de

praktische uitvoering ervan, staan vermoedelijk nog een aantal

universiteiten zullen in de komende jaren echter ook een

obstakels in de weg.

weerslag vinden op de arbeidsmarkt. Verdere monitoring van nabij zal nodig zijn om na te gaan of deze investeringen ook de verwachte resultaten zullen oogsten op het terrein van de Europese en Vlaamse innovatiedoelstellingen.

Figuur 3.9: Verdeling houders van een doctoraatsdiploma over de verschillende sectoren (Bron: CDH-enquête, België, 2005)

Humane wetenschappen Sociale wetenschappen Landbouwwetenschappen Medische wetenschappen Engineering & technologie Natuurwetenschappen

0

20

40

n Bedrijfswereld n Overheid n Internationale organisatie n Secundair onderwijs n Hoger onderwijs n Private non-profit (vzw, internationale vereniging,...) n Zelfstandig n Andere

60

80

100


53

O & O - AC T I V I T E I T E N VA N DE VLAAMSE BEDRIJVEN

Door Petra Andries (K.U.Leuven), Anneleen Bruylant ( K.U.Leuven), Dirk Czarnitzki (K.U.Leuven), Machteld Hoskens (K.U.Leuven), Susanne Thorwarth (K.U.Leuven) en Annelies Wastyn ( K.U.Leuven)

04


54

4.1 INLEIDING

Vervolgens komt het O&O-personeel van deze bedrijven aan bod, met dezelfde opsplitsing. De grootste O&O-spelers in

Het stimuleren van O&O en innovatie neemt een centrale

Vlaanderen zijn vaak grote bedrijven. Toch zijn er ook heel wat

plaats in in het Vlaamse overheidsbeleid. Vlaanderen heeft zich

kleinere bedrijven die in termen van absolute grootte van

in 2003 in het Innovatiepact geschaard achter de Europese

budgetten en personeel minder O&O-actief zijn dan de grote

Lissabon-strategie en de Barcelona-doelstelling om de O&O-

spelers, maar relatief tegenover hun eigen activiteiten zeer

uitgaven te verhogen tot 3% van het BBPR (Bruto Binnenlands

intens betrokken zijn bij O&O-activiteiten. Daarom bespreken

Product van de Regio). De ambitie deze norm te behalen

we ook de O&O-intensiteit.

werd herbevestigd bij de ondertekening van het Pact 2020 op 20 januari 2009 in Hasselt. Dit houdt een formeel engagement

In een volgende sectie worden de totale O&O-cijfers gegeven,

in van alle betrokken actoren in het Vlaamse innovatielandschap

voor de hele populatie van bedrijven actief in Vlaanderen.

(overheid, bedrijfsleven, universiteiten en onderzoeksinstellingen)

Hier wordt ook de link naar het verleden gelegd. Daarna wordt

om door gezamenlijke en complementaire inspanningen tegen

de verhouding van de totale O&O-uitgaven van de Vlaamse

2014 de 3%-norm te halen. Het implementeren van de 3%-norm

bedrijven versus het Vlaamse Bruto Binnenlands Product

impliceert in eerste instantie dat goede O&O-gegevens

berekend. In deze sectie worden enkel de intra-muros O&O-

beschikbaar moeten zijn op Vlaams niveau.

uitgaven besproken, aangezien deze cijfers de basis vormen voor de Vlaamse BERD-cijfers. De cijfers voor O&O-personeel

De bedoeling van dit hoofdstuk is een inzicht te geven in de

worden in meer detail besproken in hoofdstuk 6 van dit

O&O-cijfers die verzameld werden met de meest recente

Indicatorenboek.

O&O-enquête bij de Vlaamse bedrijven en in de trends ten opzichte van de historische O&O-cijfers.

In een laatste sectie worden de belangrijkste conclusies van dit hoofdstuk betreffende de O&O-enquête van 2008 bij de

Belangrijk om op te merken is dat de hier gerapporteerde

Vlaamse bedrijven kort samengevat.

bedragen nog niet de volledige BERD-reeks van 2006 en 2007 weergeven (BERD: Business Expenditures on Research & Development). Immers, conform de afspraken inzake de

4.2 METHODOLOGIE

gehanteerde methodologie, moeten ook de O&O-uitgaven van de collectieve onderzoekscentra nog in rekening gebracht

De O&O-cijfers zijn gebaseerd op enquêtes bij bedrijven over

worden bij de berekening van de totale BERD voor Vlaanderen.

hun O&O-activiteiten in Vlaanderen. Voor deze oefening wordt

In een later hoofdstuk worden deze cijfers samengebracht tot

zo dicht mogelijk aangesloten bij de internationale standaarden

de volledige BERD-reeks. In dit hoofdstuk wordt enkel de

en de nationale implementatie hiervan. In de federale

bedrijvencomponent van de BERD besproken.

overleggroep CFS-STAT worden methodologische afspraken rond de O&O-statistieken voor België gemaakt. De daar

Vooreerst worden de methodologische aspecten van de O&O-

gemaakte afspraken liggen aan de basis van de O&O-cijfers die

enquête toegelicht. Daarna volgt een sectie volledig gewijd

in dit hoofdstuk gepresenteerd en gerapporteerd worden.

aan het cijfermateriaal dat verzameld werd. We concentreren ons hierbij enkel op de kernvariabelen, O&O-uitgaven en

4.2.1 Populatie

O&O-personeel. Ook voor de O&O-enquête van 2008 werd gewerkt met Eerst worden totale O&O-cijfers gegeven voor de inventaris

een inventaris van bedrijven waarvan geweten is of toch sterk

van O&O-actieve bedrijven, zowel voor O&O-uitgaven als

vermoed wordt dat ze aan O&O doen. De keuze voor deze

voor O&O-personeel. Vervolgens worden de intramurale O&O-

inventarisatieopzet is te relateren aan de scheve verdeling van

uitgaven van deze bedrijven van naderbij bekeken, opgesplitst

het O&O-gebeuren in Vlaanderen. Met deze methode worden

per sector en per grootteklasse. Zoals zal blijken, is het

de O&O-inspanningen van de grote ondernemingen en de

O&O-gebeuren in Vlaanderen sterk geconcentreerd bij een

bedrijven die als onderzoeksintensief bekend staan, geregistreerd,

beperkt aantal bedrijven. Er wordt dan ook aandacht besteed

en, zoals ook uit dit rapport zal blijken, zijn net zij verantwoordelijk

aan de O&O-concentratie.

voor een overgrote meerderheid van de O&O-uitgaven.


55

In de inventaris (of het repertorium) zitten twee groepen: de

Het totale bedrag voor Vlaanderen bestaat uit het totale

permanente inventaris (verder aangeduid als P) en de occasionele

O&O-bedrag van het repertorium (zowel P- als O-groep),

inventaris (verder aangeduid als O). Alleen bedrijven die voldoen

opgehoogd met een schatting voor bedrijven buiten dit

aan de P-criteria kunnen tot de P-groep behoren. Deze P-criteria

repertorium om eventuele ontbrekende gegevens op te vangen.

zijn de volgende:

Voorbeelden van ontbrekende gegevens buiten het repertorium zijn nieuwe bedrijven, verschuivingen van uitgaven in

l

l

l

bedrijven die in de O&O-enquête van 2008 geantwoord

bestaande bedrijven over de Vlaamse grenzen, opstarten van

hebben dat ze permanent aan O&O doen;

O&O in bestaande bedrijven, .... Voor de schatting van het

bedrijven die in de CIS 2007

1

geantwoord hebben

aandeel van deze bedrijven buiten het repertorium van

permanent aan O&O te doen;

gekende O&O-spelers werd gewerkt met een gestratificeerde

bedrijven uit de vorige P-inventaris die niet geantwoord

steekproef van 1.947 bedrijven uit een totale populatie van

hebben op de O&O-enquête van 2008, maar waarvan uit

12.422 bedrijven die (nog) niet behoorden tot het repertorium

andere bronnen geweten is of toch sterk vermoed wordt

en die 10 of meer werknemers hadden en vielen in de NACE-

dat ze permanente O&O-activiteiten hebben.

sectoren 05-46, 49-53, 58-66, 69-74, 78-822.

Daarnaast is er de occasionele inventaris, die deels wordt

4.2.2 Definities

aangehouden als een sluis om tot de permanente inventaris te komen. De groep van bedrijven met occasionele O&O-status

De definities van interne en externe O&O-activiteiten werden

bevat immers ook bedrijven die mogelijk aan O&O doen met

niet gewijzigd tegenover de vorige enquêtes en zijn de

een permanent karakter, maar die daarover nog geen uitsluitsel

toepassing van de Frascati Manual. Ze worden kort opgesomd

gegeven hebben, d.w.z. bedrijven die nog geen O&O-enquête

in bijlage 1.

invulden in het verleden of bedrijven die meldden dat zij op occasionele (= onregelmatige) wijze aan O&O doen.

4.2.3 Schattingen: inter- en extrapolatie

Het afzonderen van de O-inventaris is belangrijk voor de extrapolatie-oefening (cf. infra). Voorbeelden van criteria

De totale O&O-uitgaven bij Vlaamse bedrijven, alsmede het

waarop bedrijven geselecteerd werden om in de O-inventaris

corresponderende

opgenomen te worden, zijn:

bevatten de volgende componenten:

l

A) gerapporteerde en -waar nodig- gecorrigeerde O&O-

O&O-enquête verklaard hebben occasioneel O&O-

budgetten en O&O-personeel van de bedrijven die

niet-gerepertorieerde bedrijven die bij de CIS 2007

de niet antwoordende bedrijven uit de P-inventaris met

niet-gerepertorieerde bedrijven die geïdentificeerd zijn als

historische observaties;

bedrijven die subsidies en openbare O&O-contracten genieten

C) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor

(lijsten afkomstig van de Gewesten) alsook belastingvrijstellingen

de niet antwoordende bedrijven uit de P-inventaris zonder

niet-gerepertorieerde bedrijven die in 2006 of 2007 in België octrooien bekomen hebben;

l

geantwoord hebben; B) geïnterpoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor

verklaard hebben occasioneel aan O&O te doen;

voor bijkomend aan onderzoek toegewezen personeel; l

O&O-personeelsleden

bedrijven die in de O&O-enquête van 2008 of in de vorige activiteiten te verrichten;

l

aantal

niet-gerepertorieerde bedrijven die op andere lijsten voorkomen, zoals bv. spin-offs, of die door welke bron

bruikbare historische observaties; D) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor de niet antwoordende bedrijven uit de O-inventaris; E) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor de niet antwoordende bedrijven buiten de inventaris.

ook (media, ...) werden geïdentificeerd als bedrijven die O&O verrichten.

1 De Community Innovation Survey (CIS) is een enquête die momenteel tweejaarlijks wordt uitgevoerd bij alle EU-lidstaten en die peilt naar de innovatieactiviteiten bij de bedrijven. De CIS 2007 werd uitgevoerd in 2007 en bevraagt de periode 2004-2006. 2 In de O&O-enquête van 2008 werd de NACE-BEL-2008-codering gevolgd, die conform is aan de herziene Europese classificatie van economische activiteiten, NACE Rev. 2. Meer informatie hierover is te vinden in publicaties van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie op www.statbel.fgov.be/figures/nacebel2008_nl.asp.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4

l

totale


56

In bijlage 2 worden de belangrijkste etappes van de

4.3.2 Totale O&O-cijfers

gegevensverzameling en schattingen van de O&O-enquête De totale O&O-cijfers bevatten zowel de geobserveerde

2008 kort weergegeven.

gegevens als de inter- en extrapolaties voor de bedrijven in de permanente en occasionele inventaris. Omdat schattingen in se

4.3 RESULTATEN VOOR DE INVENTARIS

altijd onzeker zijn, werden verschillende scenario’s gevolgd, vooral met betrekking tot de extrapolaties, toch de meest gevoelige component. De verschillen in de resultaten van deze

4.3.1 Responsgraad

scenario’s voor de geëxtrapoleerde gegevens, tonen aan hoe Een hoge responsgraad is zeer belangrijk voor de

gevoelig deze schattingen zijn en legitimeren de keuze voor

betrouwbaarheid van de cijfers. De uiteindelijke responsgraad

deze sensitiviteitsanalyse.

van de bedrijven in het repertorium van O&O-actieve bedrijven in de O&O-enquête van 2008 bedraagt 45%: 1.113 van de

4.3.2.1

2.464 ondernemingen in dit repertorium hebben geantwoord.

De totale intramurale O&O-uitgaven binnen het repertorium

In de volgende tabellen wordt een overzicht gegeven van de De verwachte concentratie van de O&O-budgetten bij een

totale intramurale uitgaven van de bedrijven in het repertorium

beperkt aantal spelers impliceert dat we bij de opvolging van

volgens de verschillende scenario’s. Zoals aangegeven in

de respondenten een differentiële strategie gevolgd hebben.

sectie 4.2.3 van dit hoofdstuk werden verschillende schattings-

Bij de enquête van 2008 werd getracht om een zo hoog

methodes gevolgd voor de verschillende groepen in het

3

mogelijke respons te halen bij de belangrijkste O&O-spelers

repertorium (P-inventaris versus O-inventaris). De schattingen

in Vlaanderen. Van de top-50 O&O-bedrijven uit de vorige

en geobserveerde gegevens worden daarom ook opgesplitst

O&O-enquête waren er drie ondertussen gefuseerd of

weergegeven.

overgegaan in andere btw-nummers. Enkel de overgebleven entiteiten werden aangeschreven. Van de resterende 47 bedrijven

Het eerste scenario dat gerapporteerd wordt (tabel 4.1), gebruikt

heeft 94% geantwoord. Van de top 200 belangrijkste O&O-

alle bedrijven voor de extrapolatie en is eerder voorzichtig.

bedrijven uit de vorige O&O-enquête waren er 12 ondertussen

Het tweede scenario (tabel 4.2), dat het basisscenario is en dat

gefuseerd, overgenomen, overgegaan in een ander btw-

ook in het verleden gebruikt werd, is optimistischer. Voor de

nummer… Van de resterende 188 bedrijven heeft 66%

extrapolatie voor de bedrijven in het P-repertorium werden in

geantwoord. Daarvan hebben 9 bedrijven geen O&O-

dit scenario alleen cijfers van bedrijven met intramurale O&O

activiteiten (meer) in Vlaanderen. Dat er in het repertorium van

gebruikt; P-bedrijven die zeggen niet aan intramurale O&O te

O&O-actieve bedrijven toch een aanzienlijk aantal bedrijven

doen zijn dus verwijderd uit de extrapolatiebasis. De verschillen

antwoordt niet aan O&O te doen, geeft aan dat de

tussen beide scenario’s voor de totale cijfers zijn evenwel klein.

samenstelling van het repertoriumbestand nauwgezet dient

In beide scenario’s zien we een stijging van de totale budgetten

opgevolgd te worden. Dit is dan ook een betrachting die met

tussen 2006 en 2007.

de huidige enquête-ronde werd nagestreefd. 4.3.2.2 In de volgende secties worden de cijfers besproken. We geven

Het totale intramurale O&O-personeel binnen het repertorium

eerst de totale O&O-cijfers weer voor de inventarisbedrijven,

Voor het totale O&O-personeel werden eveneens beide scenario’s

zowel voor intramurale O&O-uitgaven als voor O&O-

gevolgd. De resultaten zijn weergegeven in tabellen 4.3 en 4.4.

personeel. Vervolgens worden beide van naderbij bekeken.

Net als bij de uitgaven voor intra muros O&O zien we een

Ook de O&O-intensiteit van deze bedrijven wordt bekeken.

stijging van het totale O&O-personeel tussen 2006 en 2007 en dit in beide scenario’s.

3 De rangschikking van de bedrijven in termen van ‘belangrijkheid’ gebeurde hier op basis van de historische O&O-cijfers die verzameld werden in de vorige O&O-enquête. De bedrijven werden gerangschikt op basis van hun gemiddelde uitgaven voor intramurale O&O voor de jaren 2004 en 2005.


57

Tabel 4.1: Inventaris

Totale intramurale O&O-uitgaven van de bedrijven in het repertorium volgens scenario 1 (in duizenden euro) Extrapolaties

Interpolaties

Observaties

Totaal

%

22.205 118.704 140.909 6%

6.269 451.993 458.262 19%

8.723 1.780.992 1.789.715 75%

37.198 2.351.689 2.388.886 100%

2% 98% 100%

25.520 130.962 156.482 6%

7.884 473.101 480.985 19%

9.911 1.886.332 1.896.243 75%

43.315 2.490.395 2.533.710 100%

2% 98% 100%

2006

O P Totaal % 2007

O P Totaal %

Tabel 4.2: Inventaris

Totale intramurale O&O-uitgaven van de bedrijven in het repertorium volgens scenario 2 (in duizenden euro) Extrapolaties

Interpolaties

Observaties

Totaal

%

22.205 121.628 143.833 6%

6.269 451.993 458.262 19%

8.723 1.780.992 1.789.715 75%

37.198 2.354.613 2.391.811 100%

2% 98% 100%

25.520 134.086 159.606 6%

7.884 473.101 480.985 19%

9.911 1.886.332 1.896.243 75%

43.315 2.493.519 2.536.834 100%

2% 98% 100%

2006

O P Totaal % 2007

O P Totaal %

Tabel 4.3: Inventaris

Totaal O&O-personeel (in FTE) van de bedrijven in het repertorium volgens scenario 1 Extrapolaties

Interpolaties

Observaties

Totaal

%

2006

324 1.476 1.800 9%

41 3.511 3.552 18%

166 13.766 13.932 72%

530 18.754 19.284 100%

3% 97% 100%

365 1.599 1.964 10%

43 2.967 3.010 15%

205 14.553 14.758 75%

613 19.119 19.732 100%

3% 97% 100%

2007

O P Totaal %

Tabel 4.4: Inventaris

Totaal O&O-personeel (in FTE) van de bedrijven in het repertorium volgens scenario 2 Extrapolaties

Interpolaties

Observaties

Totaal

%

2006

O P Totaal %

324 2.047 2.371 12%

41 3.511 3.552 18%

166 13.766 13.932 70%

530 19.325 19.855 100%

3% 97% 100%

365 2.183 2.548 13%

43 2.967 3.010 15%

205 14.553 14.758 73%

613 19.703 20.316 100%

3% 97% 100%

2007

O P Totaal %

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4

O P Totaal %


58

Gezien de relatief kleine verschillen tussen beide scenario’s,

l

Grootte

worden in wat volgt enkel de resultaten van het basisscenario,

Tabel 4.6 geeft de verdeling van de intramurale O&O-

scenario 2, in aanmerking genomen.

uitgaven over de grootteklassen. Het is duidelijk dat de grootste bedrijven het meest spenderen aan O&O, zeker

4.3.2.3

Intramurale O&O-uitgaven binnen het repertorium

als we het kleine aantal bedrijven dat hiervoor

nader bekeken

verantwoordelijk is in het achterhoofd houden.

De intramurale O&O-uitgaven van de inventarisbedrijven worden eerst opgesplitst volgens sector en grootteklasse. We sluiten

l

O&O-grootte en concentratie

deze sectie af met de verdeling over de verschillende types

Tabel 4.7 geeft de verdeling van de intramurale uitgaven

repertoriumbedrijven om de sterke concentratie aan te geven.

over de verschillende types repertoriumbedrijven. We zien dat de O&O-uitgaven sterk geconcentreerd zijn bij een

l

Sector

kleine groep van bedrijven. Dit bevestigt de validiteit van de

Uit de verdeling van de intramurale O&O-uitgaven over

keuze voor een inventarisbenadering.

de verschillende sectoren4 in tabel 4.5 blijkt duidelijk op welke sectoren de O&O-activiteiten in Vlaanderen gericht

De top-50 bedrijven met de hoogste uitgaven voor

zijn: het betreft de high-tech sectoren van de chemie,

intramurale O&O5 vertegenwoordigen 68%, respectievelijk

raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunst-

66% van de O&O-uitgaven in 2006 en 2007. De permanente

stoffen (NACE 19-22) en verder informatica-, elektronische,

O&O-besteders buiten deze top-50, vertegenwoordigen nog

optische producten en elektrische apparatuur (NACE 26-

eens 30%, respectievelijk 32%, van de O&O-budgetten

27) alsook de telecommunicatie, computerprogramma's,

in 2006 en 2007. De occasionele O&O-besteders

ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen

vertegenwoordigen ongeveer 2% van de O&O-budgetten6.

(NACE 61, 6201 en 71).

Tabel 4.5:

De verdeling van de intramurale O&O-uitgaven over de NACE-sectoren

Sector

2006

2007

Voeding en tabak

10-12

4%

4%

Textiel, kledij en leder

13-15

1%

1%

16-18,31

4%

1%

Chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen

19-22

37%

39%

Metaal en producten in metaal

24-25

5%

5%

Informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur

26-27

15%

16%

Papier, drukwerk en meubels

Machines en transport Overige industrie Telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen Overige diensten

NACE-codes

28-30

10%

10%

01-09,23,32-37,41-43

4%

4%

61,6201,71

15%

14%

45-53,58-60,62-70,73-99

5%

6%

4 Om deze nota niet onnodig te verzwaren, worden in de tabellen enkel de NACE-codes en beknopte omschrijvingen weergegeven. De volledige omschrijving van de NACE-sectoren is terug te vinden in bijlage 3. In deze bijlage wordt een beknopte versie van de NACE-classificatie gegeven. De uitgebreide versie is te raadplegen in een publicatie van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie op www.statbel.fgov.be/figures/nacebel2008_nl.asp. Merk op: vanaf 2008 volgen wij de NACE-BEL 2008, die conform is aan de herziene Europese classificatie van economische activiteiten, NACE Rev. 2. 5 De bedrijven werden gerangschikt op basis van hun gemiddelde uitgaven voor intramurale O&O voor de jaren 2006 en 2007 zoals afgeleid uit de huidige enquĂŞte. 6 Er dient hier nogmaals opgemerkt te worden dat in sectie 4.3 de totale resultaten voor de inventarisbedrijven besproken worden, en dat deze totale resultaten zowel observaties als schattingen bevatten (schattingen in geval van non-respons). Wanneer we enkel naar de observaties kijken, dan wordt de verdeling nog schever: het aandeel voor de O, P en top-50 bedrijven is dan respectievelijk minder dan 0.5%, en afgerond 22% en 78% voor de intramurale O&O-uitgaven van 2006, en 1%, 24% en 76% voor de intramurale O&O-uitgaven van 2007. Deze cijfers komen meer in de buurt van die welke gerapporteerd werden in het Vlaams Indicatorenboek 2007 voor de O&O-enquĂŞte van 2006 en die toen ook enkel gebaseerd waren op geobserveerde gegevens.


59

Tabel 4.6:

De verdeling van de intramurale O&O-uitgaven over de grootteklassen

Aantal werknemers 2006 2007

Tabel 4.7:

1 tot 9 2% 2%

50 tot 249 26% 27%

250 tot 499 9% 10%

500 of meer 56% 53%

De verdeling van de intramurale O&O-uitgaven over de types repertoriumbedrijven

Type repertoriumbedrijf 2006 2007

Tabel 4.8:

10 tot 49 8% 8%

O 2% 2%

P 31% 33%

Top-50 68% 65%

De verdeling van het O&O-personeel over de NACE-sectoren

Sector

2006

2007

Voeding en tabak

NACE-codes 10-12

6%

6%

Textiel, kledij en leder

13-15

1%

1%

16-18,31

4%

1%

Chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen

19-22

26%

28%

Metaal en producten in metaal

24-25

6%

6%

Informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur

26-27

17%

18%

Machines en transport

28-30

11%

11%

01-09,23,32-37,41-43

4%

4%

61,6201,71

17%

17%

45-53,58-60,62-70,73-99

8%

8%

Papier, drukwerk en meubels

Overige industrie Telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen Overige diensten

4.3.2.4

O&O-personeel in voltijdse equivalenten binnen

l

Grootte Bij de verdeling van het O&O-personeel over de grootte-

het repertorium nader bekeken

klassen (zie tabel 4.9) worden de vroegere conclusies

volgens sector en grootteklasse. Afsluitend volgt de verdeling

bevestigd: het merendeel van de O&O-personeelsleden is

over de verschillende types repertorium-bedrijven.

actief in een beperkt aantal grote bedrijven.

l

Sector

l

O&O-grootte en concentratie

In tabel 4.8 zien we dat de verdeling van het O&O-

Tabel 4.10 toont de sterke concentratie van het O&O-

personeel over de NACE-sectoren grotendeels gelijkaardig

personeel in de top-50 bedrijven. De concentratie is echter

is aan de verdeling van de intramurale O&O-uitgaven over

minder uitgesproken dan voor de O&O-uitgaven8.

de sectoren. Het aandeel van de sector chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen (NACE 19-22) ligt lager dan bij de verdeling van de O&O-uitgaven, wat wijst op een relatief kapitaal-intensief O&O-proces in deze sector7. Na de sector chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen zijn ook hier de sectoren informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur (NACE 26-27) en de telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen (NACE 61, 6201 en 71) de sectoren met een relatief hoger aandeel in het totaal.

7 De vierde fase van de klinische tests wordt niet meegerekend als O&O, volgens de richtlijnen van de Frascati manual rond O&O-enquĂŞtes. 8 Ook hier wordt de verdeling schever wanneer enkel gekeken wordt naar de geobserveerde gegevens: het aandeel voor de O, P en top-50 bedrijven is dan respectievelijk 1%, 31% en 68% voor het O&O-personeel in 2006, en 1%, 34% en 65% voor het O&O-personeel in 2007.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4

Eerst bespreken we de opsplitsingen van het O&O-personeel


60

Tabel 4.9:

De verdeling van het O&O-personeel over de grootteklassen

Aantal werknemers 2006 2007

1 tot 9 3% 3%

10 tot 49 11% 11%

50 tot 249 26% 28%

250 tot 499 11% 13%

500 of meer 48% 45%

Tabel 4.10: De verdeling van het O&O-personeel over de types repertorium-bedrijven Type repertoriumbedrijf 2006 2007

4.3.2.5

O 3% 3%

P 45% 47%

Top-50 53% 50%

Volgens de dimensie

O&O-intensiteit

De O&O-intensiteit van de bedrijven wordt in dit hoofdstuk

O&O-personeel

bekeken vanuit twee dimensies. Enerzijds wordt de verhouding

totaal personeel

intramurale O&O-uitgaven was de O&O-intensiteit 7,1% in 2006 en 7,2% in 2007.

omzet berekend. De tweede dimensie betreft de verhouding.

We zien dat de verhouding

O&O-personeel

intramurale O&O-uitgaven

totaal personeel

omzet

In deze berekeningen worden enkele de O&O-actieve

licht daalt in de beschouwde periode, terwijl

repertoriumbedrijven meegeteld. Eerst wordt de totale O&O-

O&O-personeel

intensiteit gegeven en daarna volgen de opsplitsingen volgens

totaal personeel

sector en grootteklasse. licht stijgt. Deze op het eerste gezicht tegenstrijdige l

Totaal

tendensen kunnen verklaard worden als we de onder-

Tabel 4.11 geeft de totale O&O-intensiteiten.

liggende basisgegevens bekijken (zie tabel 4.11). We zien

De O&O-intensiteit

dat zowel de omzet als de intramurale O&O-uitgaven stijgen, maar dat deze laatste stijging beperkter is. Bij de

intramurale O&O-uitgaven

personeelsgegevens is de situatie anders. Het totale

omzet

personeel en het O&O-personeel stijgen beide, maar de bedroeg 2,0% in 20069. In 2007 was dat 1,9%.

stijging is groter voor O&O-personeel.

Tabel 4.11: Totale O&O-intensiteit

Omzet* Intramurale O&O-uitgaven* Intramurale O&O-uitgaven omzet

2006

2007

111.254

121.594

groei 9,3%

2.197

2.341

6,5% -5,0%

2,0%

1,9%

Totaal personeel

275.796

280.643

1,8%

O&O-personeel

19.706

20.316

3,1%

7,1%

7,2%

1,4%

O&O-personeel totaal personeel * In miljoenen euro

9 Bij het relateren van de intramurale O&O-uitgaven aan de omzet werd enkel gewerkt met de subset van bedrijven waarvoor de omzet beschikbaar was, zo’n 76% van de repertoriumbedrijven in 2006 en 77% in 2007. Met name kleine bedrijven met minder dan 50 werknemers voldoen wel eens aan de criteria waarbij het hen toegelaten is een verkorte jaarrekening neer te leggen. Bijgevolg is voor hen geen omzet beschikbaar in de publiek consulteerbare bronnen. Van middelgrote en grote bedrijven is nagenoeg steeds hun omzet bekend.


61

l

Sector

Voor de dimensie

De O&O-intensiteiten zijn in tabel 4.12 en tabel 4.13

O&O-personeel

opgedeeld volgens sector. We zien in tabel 4.12 dat volgens

totaal personeel

de verhouding zijn het dezelfde drie sectoren in dezelfde volgorde die de

intramurale O&O-uitgaven

hoogste intensiteiten vertonen, zij het dat de percentages

omzet

hier iets hoger liggen11. de sector telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen (NACE 61, 6201 en 71) het meest O&O-intensief is, gevolgd door de sectoren informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur (NACE 2627) en chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen (NACE 19-22)10.

intramurale O&O-uitgaven Tabel 4.12: O&O-intensiteit:

per NACE-sector

omzet

Sector

2006

2007

10-12

0,6%

0,6%

Textiel, kleding en leder

13-15

0,6%

0,6%

16-18,31

2,1%

0,4%

Chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen

19-22

3,3%

3,5%

Metaal en producten in metaal

24-25

1,1%

1,0%

Informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur

26-27

4,8%

6,0%

Machines en transport

28-30

1,7%

1,6%

01-09,23,32-37,41-43

1,2%

1,1%

61,6201,71

10,6%

9,0%

45-53,58-60,62-70,73-99

0,5%

0,5%

Papier, drukwerk en meubels

Overige industrie Telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen Overige diensten

O&O-personeel Tabel 4.13: O&O-intensiteit:

totaal personeel

per NACE-sector

Sector

NACE-codes

2006

2007

Voeding en tabak

10-12

3,3%

3,3%

Textiel, kleding en leder

13-15

1,7%

1,9%

16-18,31

5,2%

2,0%

Chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen

19-22

10,9%

12,0%

Metaal en producten in metaal

24-25

4,8%

4,9%

Informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur

26-27

17,8%

19,7%

Papier, drukwerk en meubels

Machines en transport Overige industrie Telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen Overige diensten

28-30

5,3%

5,3%

01-09,23,32-37,41-43

3,5%

3,6%

61,6201,71

23,6%

22,8%

45-53,58-60,62-70,73-99

3,4%

3,5%

10 Wanneer we binnen de twee laatste groepen nog verder inzoomen op de sectoren farmaceutische producten (NACE 21) en ICT (NACE 26) dan zien we dat hun individuele intensiteiten nog hoger zijn: respectievelijk 15,3% en 5,2% voor farmaceutische producten en ICT in 2006, en 17,3% en 7,0% in 2007. Deze cijfers liggen in de lijn van die welke gerapporteerd werden in het Vlaams Indicatorenboek 2007. 11 Wanneer we hier verder inzoomen op de sectoren farmaceutische producten (NACE 21) en ICT (NACE 26), dan krijgen we ook hier voor beide hoge intensiteiten: respectievelijk 26,0% en 20,7% voor farmaceutische producten en ICT in 2006, en 28,3% en 23,7% in 2007. Deze cijfers liggen in de lijn van die welke gerapporteerd werden in het Vlaams Indicatorenboek 2007.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4

NACE-codes

Voeding en tabak


62

intramurale O&O-uitgaven Tabel 4.14: O&O-intensiteit:

omzet

Aantal werknemers 2006 2007

1 tot 9 4,2% 4,8%

per grootteklasse 10 tot 49 2,1% 2,3%

50 tot 249 2,5% 2,6%

250 tot 499 1,1% 1,3%

500 of meer 2,0% 1,8%

50 tot 249 7,8% 8,3%

250 tot 499 5,0% 5,8%

500 of meer 6,8% 6,4%

O&O-personeel Tabel 4.15: O&O-intensiteit:

totaal personeel

Aantal werknemers 2006 2007

l

1 tot 9 29,9% 31,6%

per grootteklasse 10 tot 49 10,2% 10,4%

Grootte

Tabel 4.16: Schatting van de O&O-bedragen buiten het

In tabellen 4.14 en 4.15 wordt de opsplitsing van de O&O-

repertorium van bekende O&O-spelers

intensiteiten per grootteklasse gegeven.

(in duizenden euro)

Voor de eerste dimensie intramurale O&O-uitgaven

2006

53.695

2007

63.765

omzet zijn de erg kleine bedrijven, met minder dan 10 werk-

Tabel 4.17: Totale intramurale O&O-uitgaven van de

nemers, relatief het meest O&O-intensief. Wanneer we

Vlaamse bedrijven (exclusief de O&O-uitgaven

de O&O-intensiteit bekijken op basis van het personeel,

van de collectieve centra, in duizenden euro)

zien we dat ook hier de kleinste bedrijven (1-9 werknemers) een hogere O&O-intensiteit hebben dan de andere spelers. Het is duidelijk dat deze kleine bedrijven in absolute termen

Scenario 1 Scenario 2

2006 2.442.581 2.445.506

2007 2.597.475 2.600.599

kleine O&O-spelers zijn, vergeleken met de top-50 bedrijven, maar dat ze intensief met O&O bezig zijn.

Tabel 4.16 geeft de resulterende bedragen voor de populatie van niet-repertoriumbedrijven weer. Tabel 4.17 geeft de totale som van O&O-uitgaven van de bedrijven in Vlaanderen weer,

4.4 RESULTATEN VOOR DE TOTALE POPULATIE

inclusief de opgehoogde bedragen. Belangrijk om op te merken is dat de hier gerapporteerde bedragen nog niet de volledige BERD-reeks voor 2006 en 2007 weergeven. Immers, ook de

4.4.1 De totale O&O-uitgaven bij de Vlaamse bedrijven in 2006 en 2007

O&O-uitgaven van de collectieve onderzoekscentra moeten nog in rekening gebracht worden bij de berekening van de totale BERD. In hoofdstuk 6 van dit Indicatorenboek worden

Zoals al aangegeven in sectie 4.2.3, over de gevolgde

deze cijfers samengebracht tot de volledige BERD-reeks.

methodologie, worden de O&O-uitgaven van de bedrijven in het repertorium opgehoogd met een schatting voor bedrijven buiten dit repertorium om eventueel ontbrekende gegevens op

4.4.2 Historische evolutie van de O&O-uitgaven van Vlaamse bedrijven

te vangen. In de O&O-enquĂŞte van 2008 werd gewerkt met een gestratificeerde steekproef hiervoor. Van de 1947

Bij de O&O-enquĂŞte van 2006 werden inspanningen

aangeschreven bedrijven antwoordden er 770, ofwel 40%.

geleverd om de historische reeks van O&O-cijfers te valideren.

Deze antwoorden werden gewogen om op die manier de

De gegevens van de O&O-enquĂŞte van 2008 kunnen dus in

bekomen resultaten te extrapoleren tot de beoogde populatie.

het kader van deze gecorrigeerde historische reeks bekeken worden. We zien in tabel 4.18 dat de dalende trend die sinds 2001 werd geobserveerd, sinds 2004 is omgekeerd. Ook voor de periode 2006-2007 constateren we een stijging in de totale intramurale O&O-uitgaven van de Vlaamse bedrijven.


63

Tabel 4.18: Historische evolutie van de O&O-uitgaven bij bedrijven (scenario 2, exclusief de O&O-uitgaven van de collectieve centra, in miljoenen euro) 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

1.357

1.421

1.472

1.614

1.804

1.897

2.119

2.426

2.659

2.412

2.332

2.313

2.441

2.446

2.601

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Tabel 4.19: Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen (in miljoenen euro) 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

106.704 113.183 118.163 120.045 126.808 131.198 136.579 144.325 148.202 152.974 157.412 166.378 173.170 182.981 189.566

Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering (september/oktober 2008)

Tabel 4.20: Evolutie van de O&O-uitgaven bij bedrijven als % van BBPR (scenario 2, exclusief de O&O-uitgaven van de collectieve centra) 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

1,27%

1,26%

1,25%

1,34%

1,42%

1,45%

1,55%

1,68%

1,79%

1,58%

1,48%

1,39%

1,41%

1,34%

1,37%

4.4.3 Evolutie van de O&O-uitgaven bij bedrijven als %

4.5 CONCLUSIE

van BBPR Dit hoofdstuk geeft een eerste inzicht in de voorlopige resultaten van de O&O-enquête van 2008 op basis van de

O&O-uitgaven bij bedrijven als % van het BBPR (Bruto

Vlaamse enquête-resultaten. Naarmate de Belgische gegevens

Binnenlands Product van de Regio) voor 2006 en 2007

beschikbaar komen, kunnen de extrapolaties van de O&O-

berekenen. Ten opzichte van de rapportering betreffende de

gegevens nog verder geoptimaliseerd worden. In verdere

O&O-enquête van 2006 werd een extra update gemaakt,

publicaties van het Expertisecentrum O&O Monitoring zal deze

namelijk de verrekening van de meest recente cijfers voor het

analyse nog verder verfijnd worden en zullen de resultaten met

Vlaamse BBP van de Studiedienst van de Vlaamse Regering.

betrekking tot de extrapolaties verder op punt gesteld worden.

12

(zie Tabel 4.19) .

De huidige resultaten zijn gebaseerd op uitgebreide controles en validatie van de onderliggende gerapporteerde brondata.

De ratio’s worden weergegeven in tabel 4.20. Deze ratio bedraagt in het basisscenario (scenario 2) 1,34% voor 2006 en

De stijgende trend in O&O-uitgaven bij onze Vlaamse

1,37% voor 2007. Hier laat de historische vergelijking zien dat

bedrijven die in vorige jaren werd vastgesteld, zet zich verder

deze percentages lager zijn dan in 2005. Deze lagere cijfers

in 2006 en 2007. Echter, gezien de uitermate sterke groei van

dienen echter genuanceerd te worden gezien de uitermate

het BBPR tussen 2005 en 2007, vertaalt deze uitgavenstijging

sterke groei van het BBPR tussen 2005 en 2007. Een groei,

zich niet in een verhoogde ratio voor de O&O-uitgaven bij

die tengevolge van de aanwezigheid in de noemer van

bedrijven als % van het BBPR. Deze bedraagt slechts 1,34%

de intensiteitsberekening, uiteraard extra uitdagingen stelt aan

voor 2006 en 1,37% voor 2007.

de benodigde groei van de O&O-uitgaven, die in de teller van de breuk terechtkomen.

In hoofdstuk 6 van dit Indicatorenboek worden deze cijfers verwerkt in de totale BERD (inclusief collectieve onderzoekscentra) en GERD (Gross Expenditures on Research and Development). Hierin zitten ook de uitgaven van de overheid, de onderwijsinstellingen, de non-profitinstellingen, ... vervat.

12 De historische cijfers voor het BBPR worden continu, ook retroactief, aangepast door de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Doordat dat het BBPR voor 2004 en 2005 recentelijk sterk werd aangepast door de verantwoordelijke studiediensten, verschillen de waarden in tabel 4.20 van de waarden in vorige edities van dit Indicatorenboek.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4

Vertrekkende van tabel 4.18 kunnen we de evolutie van de


64

niet-technologische veranderingen (geur, kleur, smaak,...).

BIJLAGE 1: OVERZICHT VAN DE DEFINITIES DIE GEBRUIKT WERDEN IN DE O&O-ENQUÊTE VAN 2008

l

Interne (intramurale / eigen) O&O wordt uitgevoerd binnen de eigen onderneming.

l

Uitgaven voor interne O&O zijn alle uitgaven die hiervoor gemaakt zijn.

‘Onderzoek en ontwikkeling’ (O&O)

Zowel lopende uitgaven (personeelskosten en algemene O&O omvat alle creatieve activiteiten die door de onderneming

kosten) als investeringen (grond, gebouwen, instrumenten

op een systematische manier ondernomen worden met

en apparatuur) zijn inbegrepen.

het oog op KENNISUITBREIDING OF KENNISCREATIE

De gerealiseerde uitgaven van het jaar moeten aangegeven

(ONDERZOEK), evenals het gebruik van deze kennis om

worden in hun totaliteit. Noch afschrijvingen noch de

NIEUWE TOEPASSINGEN te ontwikkelen (ONTWIKKELING).

resterende boekwaarde van vorige jaren mogen in

Kenmerkend voor O&O is het ‘nieuwheidskarakter’.

rekening gebracht worden. Voor ondernemingen van de farmaceutische sector

Ook het wegwerken van onzekerheden op wetenschappelijk of

(NACE 21) moeten de klinische testen (fasen 1, 2 en 3),

technisch vlak (zowel op bedrijfs- als op marktniveau) behoort

met uitzondering van de commercialisatiefase (fase 4), deel

tot de O&O-activiteiten van een onderneming. O&O omvat

uitmaken van de interne of externe uitgaven voor O&O.

drie activiteiten: fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en experimentele ontwikkeling.

l

Externe (extramurale / uitbestede) O&O wordt uitgevoerd door derden ten behoeve van de onderneming (op niveau

O&O is creatief werk en omvat dus geen aankoop van

van uw BTW-nummer).

technologie onder de vorm van octrooien en licenties, maar wel alle uitgaven die het bedrijf gemaakt heeft om kennis te

l

Uitgaven voor externe O&O zijn alle uitgaven die

ontwikkelen die kan resulteren in de aanvraag van octrooien of

hiervoor voor rekening van uw onderneming gemaakt zijn,

het generen van licentie-inkomsten.

ongeacht de financieringsbron. Uitgaven die buiten de onderneming gemaakt worden ter ondersteuning van de

Het begrip O&O moet zeer eng geïnterpreteerd worden:

interne (eigen) O&O (bvb. voor de aanschaf van O&O-

de uitwerking van een idee tot een praktische toepassing met

uitrusting), worden meegeteld.

eventuele prototypes (ontwikkeling) wordt wel nog beschouwd

De gerealiseerde uitgaven van het jaar moeten aangegeven

als O&O; de fasen die daarop volgen (design, testproductie,

worden in hun totaliteit. Noch afschrijvingen noch de

commercialisering…) niet meer. In geval van twijfel is het

resterende boekwaarde van vorige jaren mogen in

belangrijk het hoofddoel van de desbetreffende activiteiten te

rekening gebracht worden.

evalueren. Indien de voornaamste doelstelling erin bestaat om

Voor ondernemingen van de farmaceutische sector (NACE

technologisch nieuwe of sterk verbeterde producten, diensten

21) moeten de klinische testen (fasen 1, 2 en 3), met

of processen tot stand te brengen, moet men deze activiteiten

uitzondering van de commercialisatiefase (fase 4), deel

beschouwen als O&O.

uitmaken van de interne of externe uitgaven voor O&O.

Worden niet tot O&O gerekend: l

metingen of controles met een routinematig karakter en marktonderzoeken;

l

scholingen en training;

l

werkzaamheden i.v.m. het aanvragen van octrooien en licenties;

l

het operationeel maken van ingekochte technologie of geavanceerde (productie-)apparatuur;

l

het herschrijven van bestaande software en/of klantspecifiek maken van al op de markt gebrachte software;

l

onderzoek gericht op (esthetische) vormgeving en andere


65

BIJLAGE 2: BELANGRIJKSTE ETAPPES VAN DE SCHATTINGSMETHODOLOGIE VAN DE O&O-GEGEVENS BIJ DE BEDRIJVEN

5. Interpolatie voor niet-respondenten uit het P-repertorium l

Interpolatie aan de hand van een previsiecijfer. Voorwaarde: gegevens voor 2006 ontbreken, het previsiecijfer is

1. Samenstelling van het repertorium

beschikbaar voor 2006 (uit de vorige enquête) en l

Enquêtes van de inventaris van het wetenschappelijk

groei/afname van de previsie voor 2006 ten opzichte van

potentieel van België in 1994, 1996, 1998, 2000, 2002,

het gerapporteerde getal voor 2004 of 2005 is geen outlier

2004 en 2006 – luik privé-ondernemingen

vergeleken met de groeicijfers van de andere bedrijven in

l

CIS-enquêtes 1, 2, 3, 4 en 2007

die sector.

l

Jaarverslagen van de ondernemingen (Nationale Bank van

l

l

l

Interpolatie aan de hand van historische data + groeivoet.

België - Belfirst) enz.

Voorwaarde: vorige regel niet van toepassing, historische

Andere bronnen zoals toekenningen van octrooien en van

gegevens beschikbaar en de groei/afname van de

fiscale attesten voor O&O-personeel, …

historische gegevens van het bedrijf vormt geen outlier

Opsplitsing bedrijven die permanent dan wel occasioneel

vergeleken met die van de andere bedrijven binnen die

aan O&O doen (P en O)

sector. Het gebruikte groeicijfer is het gemiddelde van de groei van het bedrijf (uit historische data) en de gemiddelde groei van de sector waartoe het bedrijf behoort (voor 2006-

2. Consolidatie van het repertorium

2007), of enkel de laatste wanneer voor het bedrijf maar l

BTW-nummer, naam van de ondernemingen, adressen

l

Koppeling aan Belfirst (BTW-nummer, oprichtingsdatum,

één historische observatie beschikbaar is. l

juridische toestand, werkgelegenheid, omzet, activiteiten-

Interpolatie aan de hand van gegevens van de CIS 2007. Voorwaarde: beide vorige regels zijn niet van toepassing.

sector, contactgegevens) 6. Extrapolatie voor de niet-respondenten uit 3. Logische en coherentiecontroles van de enquête-

het P-repertorium

antwoorden Wanneer er geen bruikbare historische data beschikbaar zijn voor de niet-respondenten uit het P-repertorium, wordt er

van de boekjaren, de ratio O&O-uitgaven/O&O-personeel,

geëxtrapoleerd. Voor elk bedrijf wordt bepaald tot welke cel ze

de opsplitsing van de O&O-personeelsaantallen volgens functie

behoort, op basis van haar NACE-sector en grootteklasse.

en kwalificatieniveau, de gerapporteerde omzet/personeel ten opzichte van de Belfirst-omzet/Belfirst-personeel, het aantal O&O-personeelsleden in voltijdse equivalenten ≤ het aantal O&O-personeelsleden in fysieke eenheden, …

l

Voor het schatten van het O&O-personeel voor 2006 wordt de verhouding O&O-personeelgem_cel * Totaal personeelbedrijf Totaal personeelgem_cel

4. Aanvulling van gedeeltelijke antwoorden gebruikt. Als O&O-personeelgem_cel en Totaal personeelgem_cel Wanneer een bedrijf de O&O-gegevens slechts gedeeltelijk

worden respectievelijk het gemiddeld aantal O&O-

heeft ingevuld, gebeurt de schatting aan de hand van de

personeelsleden

antwoorden bij de vorige twee enquêtes, of wanneer die niet

personeelsleden berekend van de bedrijven uit de cel

beschikbaar zijn op basis van sectorgemiddelden. De hoeveelheid

waartoe het bedrijf behoort en dit voor 2006.

O&O-uitgaven per O&O-personeelslid is hierbij een veelgebruikte ratio.

en

het

gemiddeld

totaal

aantal

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4

Coherentietests en logische controles waaronder de controle


66

l

Hierna worden de geschatte O&O-uitgaven berekend voor 2006 aan de hand van de verhouding: O&O-uitgavengem_cel * Omzetbedrijf Omzetgem_cel Als O&O-uitgavengem_cel en Omzetgem_cel worden respectievelijk de gemiddelde O&O-uitgaven en de gemiddelde omzet berekend van de bedrijven uit de cel waartoe het bedrijf behoort en dit voor 2006.

l

Voor de O&O-gegevens van 2007 wordt een groeicijfer toegepast op de geschatte gegevens van 2006. Dit groeicijfer bestaat uit het gemiddelde van de groei van het bedrijf (afgeleid uit data van deze en de twee vorige enquĂŞtes) ĂŠn van de gemiddelde groei van de sector waartoe het bedrijf behoort. Indien de groei van een bedrijf niet berekend kan worden, wordt enkel de gemiddelde groei van de sector genomen.

7. Extrapolatie voor de niet-respondenten uit het O-repertorium l

Voor de bedrijven die occasioneel aan O&O doen (O-repertorium) wordt telkens het celgemiddelde genomen van de cel waartoe het bedrijf behoort13. Elk bedrijf behoort tot een specifieke cel op basis van haar NACE-sector en grootteklasse.

8. Extrapolatie voor de bedrijven buiten het repertorium l

Voor de schatting van het aandeel van de bedrijven buiten het repertorium in de O&O-cijfers werd gebruik gemaakt van een gestratificeerde steekproef van deze bedrijven. De bekomen steekproefresultaten worden gewogen om op die manier te kunnen veralgemenen naar de beoogde populatie van bedrijven buiten het repertorium van bekende O&O-spelers.

13 Voorlopig worden enkel de Vlaamse cijfers gebruikt om celgemiddelden te berekenen. In een later stadium, wanneer de Belgische cijfers beschikbaar zijn, kunnen voor de cellen waar er weinig Vlaamse observaties zijn, Belgische celgemiddelden gebruikt worden.


67

BIJLAGE 3: NACE-BEL 2008-CLASSIFICATIE Beschrijving

Code

Primaire sector

Landbouw, jacht, bosbouw en visserij Winning van delfstoffen

01, 02 en 03 05 tot 09

Verwerkende nijverheid

Voedingsmiddelen, dranken en tabak Voedingsmiddelen

10

Dranken

11

Tabaksproducten

12

Textiel, kleding, bontnijverheid en leernijverheid Textiel

13

Kleding en bontnijverheid

14

Leernijverheid en schoeisel

15

Hout, papier, drukkerijen Hout en kurk (exclusief meubels)

16

Papier en kartonnijverheid

17

Drukkerijen en reproductie van opgenomen media

18

Cokes, petroleum, kernbrandstof, chemische producten, rubber en kunststoffen Cokes en geraffineerde aardolieproducten

19

Chemische producten (exclusief farmaceutische producten)

20

Farmaceutische grondstoffen en producten

21

Rubber en kunststoffen

22

Niet-metaalhoudende minerale producten

23

Metallurgie

24

Vervaardiging van producten in metaal, machines, materialen, werktuigen en transport Producten in metaal (exclusief machines en werktuigen)

25

Informaticaproducten, elektronische en optische producten

26

Elektrische apparatuur

27

Machines, apparaten en werktuigen, n.e.g.

28

Motorvoertuigen, aanhangwagens en opleggers

29

Andere transportmiddelen

30 31, 32

Meubels

31

Overige industrie

32

Reparatie en installatie van machines en apparaten Productie en distributie van elektriciteit, gas, gekoelde lucht en water Recuperatie van recycleerbaar afval Bouwnijverheid

33 35, 36 37, 38 en 39 41, 42, 43

Dienstensector

Handel in en onderhoud en reparatie van motorvoertuigen en motorfietsen

45

Groothandel en handelsbemiddeling, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en -fietsen

46

Detailhandel, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en -fietsen Vervoer, opslag, posterijen en koeriers Hotels en restaurants Uitgeverijen Productiehuizen, programmeren en uitzenden van radio- en televisieprogramma’s Telecommunicatie Computerconsultancy en aanverwante activiteiten Ontwerpen en programmeren van computerprogramma’s Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatie Financiële instellingen (inclusief verzekeringen) Immobiliën en verhuur Overige zakelijke dienstverlening Architecten en ingenieurs; technische testen en toetsen Onderzoek en ontwikkeling Openbaar bestuur, sociale en collectieve diensten, ...

47 49, 50, 51, 52, 53 55, 56 58 59, 60 61 62 excl. 6201 6201 63 64, 65, 66 68, 77 69, 70, 73, 74, 78 tot 82 71 72 75, 84 tot 99

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4

Meubels, industrie n.e.g.


68

BIJLAGE 4: TOP-50 BEDRIJVEN

Bedrijven in top-50 voor de O&O-enquête van 2006 en van

De volgende tabel bevat 36 bedrijven die zowel in de O&O-

voor 2004-2005, en voor 2006-2007

2008 op basis van de gemiddelde intramurale O&O-uitgaven enquête van 2006 als die van 2008 tot de top-50 van grootste O&O-spelers in Vlaanderen behoorden. Deze lijst werd

• AGFA GEVAERT

samengesteld op basis van de gerapporteerde O&O-uitgaven

• ALCATEL-LUCENT BELL

die in de O&O-enquête van 2008 verzameld werden, en de

• AMI SEMICONDUCTOR BELGIUM

historische cijfers beschikbaar van de vorige O&O-enquête.

• ATLAS COPCO AIRPOWER

Voor de O&O-enquête van 2006, werden de bedrijven

• BARCO

gerangschikt op basis van hun gemiddelde uitgaven voor

• BAYER ANTWERPEN

intramurale O&O voor de jaren 2004 en 2005. Voor de O&O-

• BAYER BIOSCIENCE

enquête van 2008, werden de bedrijven gerangschikt op basis

• BEKAERT

van hun gemiddelde uitgaven voor intramurale O&O voor de

• CARGILL R&D CENTRE EUROPE

jaren 2006 en 2007. De doorsnede van de top-50 bedrijven

• CNH BELGIUM

voor beide edities wordt hieronder weergegeven.

• CYTEC SURFACE SPECIALTIES • DEVGEN • DU PONT DE NEMOURS (BELGIUM) • HANSEN TRANSMISSIONS INTERNATIONAL • ICOS VISION SYSTEMS • INNOGENETICS • JANSSEN PHARMACEUTICA • LABORELEC • LMS INTERNATIONAL • MICHEL VAN DE WIELE • NEWTEC CY • ONDERZOEKSCENTRUM VOOR AANWENDING VAN STAAL • PFIZER MANUFACTURING BELGIUM • PHILIPS INNOVATIVE APPLICATIONS • PUNCH GRAPHIX INTERNATIONAL • RECTICEL • ROBERT BOSCH PRODUKTIE • SESVANDERHAVE • SIEMENS • STMICROELECTRONICS BELGIUM • TENNECO AUTOMOTIVE EUROPE • THOMSON TELECOM BELGIUM • TIBOTEC-VIRCO VIROLOGY • TYCO ELECTRONICS RAYCHEM • UMICORE • VAN HOOL


69

ONDERZOEK EN ONTWIKKELING B I N N E N D E N O N-P R O F IT S E CTO R

Door Peter Viaene (EWI)

05


70

5.1 INLEIDING

Bij de berekening van de Vlaamse O&O-inspanningen wordt rekening gehouden met de specifieke Belgische

De Vlaamse cijfers uit deze analyse zijn afkomstig van de

federale staatsstructuur die gewest- en gemeenschapsmateries

tweejaarlijkse OESO O&O-enquête non-profit (editie 2008

onderscheidt. Het hoger onderwijs is immers een gemeenschaps-

met referentiejaren 2006 en 2007) waarin alle instellingen uit

materie wat toch wel van belang is in dit verhaal. Bij de

deze sector bevraagd worden naar hun inspanningen voor

gemeenschapsbenadering worden de O&O-inspanningen van

1

onderzoek en ontwikkeling (O&O) . Deze enquête wordt

alle instellingen binnen het hoger onderwijs – ook de Vlaamse

georganiseerd door het Departement Economie, Wetenschap

instellingen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest –

en Innovatie (EWI) en omvat alle instellingen waarvoor de

opgeteld. Bij de gewestbenadering daarentegen, geldt de

Vlaamse gemeenschap bevoegd is en/of die in het Vlaamse

territoriale opdeling en worden enkel de O&O-inspanningen in

Gewest gelegen zijn. Deze bevraging gebeurt in nauw overleg

rekening gebracht voor de instellingen uit het hoger onderwijs

en samenwerking met de andere bevoegde overheden

gelegen in het Vlaamse Gewest. Met het oog op de

(federaal, gemeenschappen en gewesten) met het oog op het

internationale vergelijking wordt meestal enkel het gewestcijfer

hanteren

de

opgenomen voor het hoger onderwijs bij de analyses. In sommige

verschillende beleidsniveaus. Door alle instanties wordt erover

gevallen worden toch beide cijfers (gewest- en gemeenschapscijfer)

gewaakt dat deze enquête

opgenomen naast het totaalcijfer voor de totale non-profit

van

een

uniforme

methodologie opgesteld

wordt

voor

volgens

internationaal vastgelegde definities uit de Frascati Manual.

sector. De territoriale opdeling is uiteraard wel van toepassing op de overige sectoren uit de non-profit sector: de publieke

De POD Wetenschapsbeleid is de eindverantwoordelijke wat

onderzoekscentra en de particuliere non-profit organisaties.

de aggregatie van de Belgische cijfers voor de non-profit sector én de profit sector betreft en zorgt voor de aanlevering van de

In de verdere analyse van de non-profit sector worden ook de

cijfers aan internationale organisaties. De geaggregeerde data

statistische O&O-gegevens voor de collectieve onderzoekscentra

uit deze enquête worden onder meer gebruikt voor Eurostat en

(met inbegrip van de competentiepolen) opgenomen.

voor internationale publicaties van de OESO zoals de ‘Main

De collectieve onderzoekscentra vormen een onderdeel van

Science and Technology Indicators’.

de profit sector en worden bijgevolg ook in de totaalcijfers voor het O&O-personeel en de O&O-uitgaven van de bedrijven

De non-profit sector binnen Vlaanderen bestaat uit drie grote

opgenomen. Door hun economische finaliteit (meestal

uitvoeringssectoren. De grootste sector wordt gevormd door

opgericht en voor het overgrote deel gefinancierd door de

het hoger onderwijs samengesteld uit de universiteiten, de

bedrijven zelf) zijn ze nauw verbonden met de ondernemingen

autonome universitaire onderzoekscentra en de hogescholen.

en worden ze in de internationale statistieken bij de bedrijven

De twee andere subsectoren worden gevormd door de

en de BERD-gegevens opgenomen. Deze collectieve centra

publieke Vlaamse onderzoekscentra enerzijds en de Vlaamse

worden gekenmerkt door het statuut van een non-profit

publieke en particuliere non-profitorganisaties anderzijds.

organisatie en streven niet onmiddellijk winstoogmerk na.

Voorbeelden van publieke Vlaamse onderzoekscentra zijn de

De bevraging van deze instellingen gebeurt dan ook volgens

vier grote onderzoeksinstellingen (VIB, VITO, IMEC en IBBT)

de methodiek van de OESO O&O-enquête non-profit.

en de Vlaamse wetenschappelijke instellingen die in het Vlaamse

Dit verklaart waarom de resultaten voor de collectieve

Gewest gelokaliseerd zijn zoals het ILVO. Een voorbeeld van

onderzoekscentra volledigheidshalve toch opgenomen worden

een Vlaamse publieke en particuliere non-profitorganisatie is de

in dit hoofdstuk.

KMDA (Zoo). Het grote kenmerk van de non-profit sector is zeker en vast de diversiteit, doordat die naast de universiteiten en hogescholen, ook publieke onderzoeksinstellingen bevat die sterk gespecialiseerd zijn op één of meerdere onderzoeksdomeinen.

Deze

sector

omvat

ook

enkele

kleinere

onderzoeksinstituten, die slechts in geringe mate O&Oactiviteiten verrichten naast andere activiteiten. 1 Definitie O&O: Het onderzoek en de experimentele ontwikkeling omvatten het creatieve werk dat systematisch plaatsvindt om de kennisvoorraad te vergroten, met inbegrip van die van de mens , de cultuur en de samenleving, alsmede het gebruik van deze kennisvoorraad om nieuwe toepassingen te ontwikkelen (OECD, 2002, Frascati Manual p.30)


71

De bevraging van de profit sector en de non-profit sector

Zo wordt het O&O-personeel opgedeeld naar universitaire

gebeurt door verschillende instanties zodat de analyse ook

diploma’s, diploma’s hoger onderwijs één cyclus en andere

verspreid wordt over twee hoofdstukken. Deze analyse

kwalificaties. Een tweede opdeling van menselijk potentieel is

concentreert zich op de resultaten van de O&O-enquête

gebaseerd op het beroep of de functie van het O&O-personeel

non-profit terwijl de resultaten uit de profit enquête, uitgevoerd

en deelt personeel op naar onderzoekers, technisch personeel

door het Expertisecentrum O&O Monitoring, terug te vinden

en administratief / overig personeel.

zijn onder hoofdstuk 4. Het totaalbeeld voor Vlaanderen (profit en non-profit) wordt verder in hoofdstuk 6 deel I en deel II

Figuur 5.1 toont aan hoe hoeveel O&O-actoren er actief zijn

bestudeerd. De bestaande tijdsreeks 1993-2005 uit het Vlaams

binnen de diverse subsectoren van de Vlaamse publieke

Indicatorenboek WTI 2005 wordt zo verder uitgebreid naar

onderzoekssector. Voor de volledigheid wordt ook het aantal

2006 en 2007. Dit laat een vergelijking toe met eerdere cijfers

collectieve centra als referentie weergegeven. De collectieve

uit vroegere versies van het Vlaams Indicatorenboek WTI2.

centra tellen heel wat O&O-actoren maar qua onderzoeksimpact zijn vooral het hoger onderwijs en de publieke onderzoekscentra de kernspelers binnen het onderzoekslandschap.

5.2 HET O&O-PERSONEEL Tabel 5.1 geeft een evolutie weer van het totale O&OMenselijk potentieel blijft een sleutelelement met het oog op

personeel (in voltijdse eenheden) in de non-profit sector tussen

het versterken van de huidige kennismaatschappij. De OESO

1993 en 2007. De stijging ten opzichte van de resultaten uit

Canberra Manual omschrijft en definieert twee benaderingen

de vorige O&O-enquête (2005) bedraagt ongeveer duizend

voor het meten van menselijk potentieel in ‘Science & Technology

extra voltijdse eenheden. De voorbije vijf jaar nam het cijfer

(S&T)’. De eerste benadering beklemtoont de opdeling aan de

voor O&O-personeel met ongeveer 26% toe tot ongeveer

hand van de formele kwalificaties of het opleidingsniveau van

13.900 voltijdse eenheden.

het O&O-personeel. Het hoger onderwijs realiseert de grootste stijging aan personeelsequivalent gedurende de voorbije vijf jaar ( +31,6%). Het hoger onderwijs blijft dé belangrijkste actor wat onderzoek

Figuur 5.1: Verdeling van de O&O-actoren over

betreft en haar plaats in het onderzoekslandschap blijft sterk

de non-profit sector

de belangrijkste subgroep met een aandeel van 90% in het

35

totale O&O-personeel voor het hoger onderwijs. De hogescholen 30

worden sinds 1998 naar hun O&O-inspanningen bevraagd,

25

en uit de meest recente resultaten blijkt dat het onderzoek

20

binnen de hogescholen elk jaar aan belang toeneemt. De stijging

15

voor 2007 bedraagt meer dan 60% ten opzichte van de cijfers uit 2005.

10 5

Collectieve onderzoekscentra

Publieke en particuliere non-profitorganisaties

Publieke onderzoekscentra

Hoger onderwijs

0

2 Een aandachtige lezer merkt verschillen op met de gegevens rondom O&O-personeel, O&O-uitgaven en de O&O-intensiteit gepubliceerd in het Vlaams Indicatorenboek WTI 2007. Die zijn te wijten aan nieuwe aggregaties op Belgisch niveau (personeel en uitgaven) en nieuwe berekeningen van het BBPR (Vlaams Gewest) aangeleverd door de Studiedienst van de Vlaamse regering (O&O-intensiteit).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5

verankerd. Binnen het hoger onderwijs vormen de universiteiten


72

Tabel 5.1:

200 210 220 270 300 320 330 510 400 410 420 490 400 410 420 490

130

Evolutie van het O&O-personeel uit de non-profit sector en de collectieve centra tussen 1993 en 2007

Publieke onderzoekscentra (gewest) Federale overheid (Vlaams Gewest) Vlaamse Gemeenschap/Gewest Lagere overheden Publieke en particuliere non-profitorganisaties (gewest) Semi-publieke instellingen Particuliere centra Internationale instellingen in BelgiĂŤ Hoger onderwijs (gewest) Universiteiten Zelfstandige universitaire onderzoekscentra Hogescholen Hoger onderwijs (gemeenschap) Universiteiten Zelfstandige universitaire onderzoekscentra Hogescholen Totaal non profit met hoger onderwijs gewest Totaal non profit met hoger onderwijs gemeenschap Collectieve onderzoekscentra*

1993

1996

1999

2002

2003

2004

2005

2006

2007

1.152,8

1.466,7

1.894,8

2.351,3

2.415,0

2.388,4

2.471,2

2.531,9

2.661,1

476,7

443,7

494,2

147,8

148,8

147,0

145,0

159,7

156,2

674,0

1.020,9

1.398,5

2.197,5

2.260,2

2.233,8

2.318,1

2.361,8

2.494,5

2,1

2,1

2,1

6,0

6,0

7,6

8,1

10,4

10,4

294,6

340,2

347,4

366,4

364,3

374,2

368,5

360,1

360,4

0,0

0,0

0,0

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

% groei 20022007 13,2%

-1,7%

5,0

8,4

8,4

28,1

27,0

36,9

31,2

22,8

23,1

289,6

331,8

339,0

338,0

337,0

337,0

337,0

337,0

337,0

5.975,3

5.603,0

7.458,5

8.279,6

8.610,7

9.759,8

9.987,3

10.385,4

10.894,6

5.842,9

5.454,3

7.210,5

7.692,6

7.998,7

9.124,3

9.281,0

9.503,7

9.879,5

132,3

148,7

151,1

179,8

187,3

251,5

263,2

278,5

294,4

0,0

0,0

97,0

407,2

424,7

384,0

443,1

603,2

720,7

7.132,3

6.541,7

8.679,9

9.416,7

9.773,0

11.031,0

11.338,0

11.748,0

12.322,0

7.000,0

6.393,0

8.400,4

8.750,5

9.078,2

10.274,5

10.485,4

10.750,8

11.144,3

132,3

148,7

151,1

179,8

187,3

251,5

263,2

278,5

294,4

0,0

0,0

128,4

486,4

507,5

505,0

589,4

718,7

883,3

7.422,6

7.409,8

9.700,7

10.997,3

11.390,0

12.522,4

12.827,0

13.277,4

13.916,0

26,5%

8.579,6

8.348,5

10.922,1

12.134,4

12.552,3

13.793,6

14.177,7

14.639,9

15.343,4

26,4%

311,9

363,4

425,2

468,0

474,1

325,1

361,3

405,9

415,6

31,6%

30,9%

Bron: CFS/STAT - POD Wetenschapsbeleid + eigen berekeningen voor 2006 en 2007 * als onderdeel van de bedrijven

De publieke onderzoekscentra kennen een beperktere stijging

Tot slot toont tabel 5.1 het effect van de gewest- en de

(+13,2% ten opzichte van 2002). Het totale O&O-personeel

gemeenschapbenadering voor het O&O-personeel in het hoger

binnen de publieke onderzoekscentra stijgt vooral dankzij

onderwijs. Bij het gebruik van de gemeenschapsbenadering ligt

bijkomende inspanningen binnen de vier grote kennisinstellingen

het totale O&O-personeel ongeveer 1.420 voltijdse eenheden

die Vlaanderen kenmerken (IMEC, VITO, VIB en IBBT).

hoger (correspondeert met 10% van het totaal) dan bij de

Na de sterke daling in 2002 voor het Vlaams deel van de

gewestbenadering, die de basis vormt voor de internationale

federale onderzoeksinstellingen (categorie 210) ten gevolge

vergelijking.

de Lambermontakkoorden die van landbouw een gewestbevoegdheid maakten en de betrokken onderzoekinstellingen

Tabel 5.2 deelt het O&O-personeelscijfer (in voltijdse

onder categorie 220 lieten ressorteren, lijken de O&O-

eenheden) op naar geslacht en/of uitvoeringssector. De verhouding

inspanningen in de categorie 210 zich te consolideren op

mannen/vrouwen bedraagt ongeveer 56/44 voor 2007.

hetzelfde niveau.

Ten opzichte van de cijfers uit 2005 wijkt deze verhouding niet of nauwelijks af. Bij het hoger onderwijs ligt het aandeel van

Uit de stijgende cijfers voor de collectieve onderzoekscentra

vrouwelijke O&O-personeelsleden met ongeveer 46% het

blijkt duidelijk dat de Vlaamse competentiepolen, die enkele

hoogst. Bij de publieke onderzoekscentra ligt dat aandeel met

jaren geleden opgericht werden door de Vlaamse Regering,

33% heel wat lager net als bij de collectieve onderzoekscentra

de voorbije jaren hun O&O-activiteiten verder ontplooien.

(27%), maar de representativiteit van dit cijfer ligt ook lager. Wanneer vrouwen O&O-activiteiten uitvoeren, gebeurt dit meestal (meer dan 80% van het totale O&O-cijfer) onder de koepel van het hoger onderwijs.


73

Tabel 5.2:

O&O-personeel naar geslacht en uitvoeringssector (in VTE) - 2007 Mannen Abs.

Vrouwen Rel.

Totaal

Abs.

Rel.

% Mannen

% Vrouwen 46,6%

Abs.

Hoger onderwijs (gewest)

5.814,1

74,7%

5.080,5

82,9%

10.894,6

53,4%

Universiteiten (gewest)

5.250,9

90,3%

4.628,5

91,1%

9.879,5

53,1%

46,9%

159,6

2,7%

134,8

2,7%

294,4

54,2%

45,8%

403,6

6,9%

317,1

6,2%

720,7

56,0%

44,0%

1.777,8

22,8%

883,2

14,4%

2.661,1

66,8%

33,2% 45,8%

Zelfstandige universitaire centra (gewest) Hogescholen (gewest) Publieke onderzoekscentra

195,3

2,5%

165,1

2,7%

360,4

54,2%

7.787,2

100,0%

6.128,8

100,0%

13.916,0

56,0%

44,0%

415,6

72,7%

27,3%

Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's* (gewest)

302,3

Collectieve onderzoekscentra**

Tabel 5.3:

113,3

O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens functie in VTE en als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2007

Totaal Onderzoekers

Technisch en gelijkgesteld personeel

Vrouwen Overig personeel

Totaal

Onderzoekers

Technisch en gelijkgesteld personeel

Onderzoekers

Overig personeel

Totaal

Technisch personeel

Overig personeel

%M

%V

%M

%V

%M

%V

Hoger onderwijs (gewest)

8.665,4

79,5%

1.504,1

725,1

10.894,6

3.655,1

71,9%

956,7

468,7

5.080,5

57,8%

42,2%

36,4%

63,6%

35,4%

64,6%

Universiteiten (gewest)

7.760,5

78,6%

1.413,6

705,4

9.879,5

3.266,9

70,6%

908,2

453,4

4.628,5

57,9%

42,1%

35,7%

64,3%

35,7%

64,3%

Zelfst universit. centra (gewest)

213,8

72,6%

78,0

2,7

294,4

89,8

66,6%

42,9

2,2

134,8

58,0%

42,0%

45,0%

55,0%

18,5%

81,5%

Hogescholen (gewest)

691,2

95,9%

12,6

17,0

720,7

298,4

94,1%

5,6

13,1

317,1

56,8%

43,2%

55,8%

44,2%

22,9%

77,1%

1.577,1

59,3%

709,3

374,7

2.661,1

480,8

54,4%

241,0

161,5

883,2

69,5%

30,5%

66,0%

34,0%

56,9%

43,1%

Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's* (gewest) Collectieve onderzoekscentra**

Tabel 5.4:

190,3

52,8%

98,1

72,0

360,4

74,3

45,0%

49,7

41,1

165,1

60,9%

39,1%

49,4%

50,6%

42,9%

57,1%

10.432,8

75,0%

2.311,5

1.171,8

13.916,0

4.210,2

68,7%

1.247,3

671,3

6.128,8

59,6%

40,4%

46,0%

54,0%

42,7%

57,3%

175,8

42,3%

211,0

28,8

415,6

40,7

35,9%

58,2

14,5

113,3

76,9%

23,1%

72,4%

27,6%

49,7%

50,3%

O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens kwalificatieniveau in VTE en als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2007

Totaal Diploma's één cycli

Andere kwalificaties

Totaal

Universitaire diploma's

Diploma's één cycli

Andere kwalificaties

Totaal

Diploma's een cycli

Andere kwalificaties

%M

%V

%M

%V

%M

%V

Hoger onderwijs (gewest)

9.163,9

84,1%

1.301,9

428,8

10.894,6

3.897,3

76,7%

938,2

245,0

5.080,5

57,5%

42,5%

27,9%

72,1%

42,9%

57,1%

Universiteiten (gewest)

8.255,9

83,6%

1.204,1

419,5

9.879,5

3.506,3

75,8%

882,8

239,4

4.628,5

57,5%

42,5%

26,7%

73,3%

42,9%

57,1%

Zelfst universit. centra (gewest)

258,8

87,9%

32,3

3,3

294,4

111,7

82,9%

21,7

1,4

134,8

56,8%

43,2%

32,8%

67,2%

57,6%

42,4%

Hogescholen (gewest)

649,2

90,1%

65,5

6,0

720,7

279,3

88,1%

33,7

4,2

317,1

57,0%

43,0%

48,6%

51,4%

30,6%

69,4%

1.772,6

66,6%

456,8

431,7

2.661,1

543,7

61,6%

243,8

95,8

883,2

69,3%

30,7%

46,6%

53,4%

77,8%

22,2%

Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's* (gewest) Collectieve onderzoekscentra**

214,4

59,5%

103,4

42,6

360,4

85,6

51,8%

53,4

26,1

165,1

60,1%

39,9%

48,4%

51,6%

38,7%

61,3%

11.150,8

80,1%

1.862,1

903,1

13.916,0

4.526,6

73,9%

1.235,3

366,9

6.128,8

59,4%

40,6%

33,7%

66,3%

59,4%

40,6%

240,0

57,8%

98,6

77,0

415,6

66,6

58,7%

32,7

14,1

113,3

72,3%

27,7%

66,9%

33,1%

81,7%

18,3%

* NPO = non-profit organisaties ** Als onderdeel van de bedrijven

Het O&O-personeel voor 2007 wordt in tabel 5.3 opgesplitst

Wanneer nu gekeken wordt naar de opsplitsing over de diverse

naar functie en naar geslacht. Uit deze cijfers blijkt dat 75% van

subsectoren voor 2007 blijkt het aandeel onderzoekers het

het O&O-personeel binnen de non-profit sector onderzoekers

grootst te zijn voor het hoger onderwijs (79,5% en een stijging

zijn. Dit aandeel neemt alsmaar toe (73,3% voor 2005 en 70%

ten opzichte van 2005). Bij de publieke onderzoekscentra

voor 2003). Bij de vrouwen stijgt het aandeel onderzoekers vrij

bedraagt het aandeel onderzoekers iets minder dan 60%, een

aanzienlijk tot 68,7% in 2007 (ten opzichte van 65,6% voor

cijfer dat heel licht daalde ten opzichte van 2005.

2005 en 62% voor 2003). Uit dezelfde tabel blijkt ook dat voor 2007 ongeveer 4 op 10 onderzoekers vrouwen zijn, een lichte stijging ten opzichte van 2005.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5

Universitaire diploma's

Universitaire diploma's

Vrouwen


74

Tabel 5.5:

O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens wetenschapsdomein (in VTE) - als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2007 Natuur- en exacte wetenschappen

Toegepaste wetenschappen

Medische wetenschappen

Landbouwwetenschappen

Sociale wetenschappen

Humane wetenschappen

Hoger onderwijs (gewest)

23,5%

16,6%

Publieke onderzoekscentra VROUWEN

20,0%

62,6%

24,4%

6,7%

18,4%

10,4%

0,1%

14,2%

0,2%

2,9%

Hoger onderwijs (gewest)

19,1%

8,4%

Publieke onderzoekscentra

29,5%

50,5%

30,8%

8,1%

22,2%

11,4%

0,2%

15,4%

0,2%

4,2%

TOTAAL

Zowel bij het technisch personeel als bij het overig personeel

Zo is het mogelijk om toch een beeld te krijgen in welke

(vaak administratief personeel) is er een meerderheid van de

onderzoeksdomeinen de publieke onderzoekscentra actief zijn.

vrouwen in de verhouding mannen/vrouwen voor de non-profit

De kern van de onderzoeksactiviteiten ligt vooral bij de

sector. Het aandeel van het mannelijk technisch personeel

toegepaste wetenschappen met een aandeel van 62,6% in

binnen de non-profit sector is wel gestegen ten opzichte van

het O&O-personeel (status quo in vergelijking met 2005).

2005. Toch vallen enkele verschillen op naar subsector. Bij de

Samen met de natuur- en exacte wetenschappen (20%) en

publieke onderzoekscentra zijn er zowel bij het technisch

de landbouwwetenschappen (14,2%) zijn dit de belangrijkste

personeel als bij het overig personeel meer mannen dan vrouwen

onderzoeksdomeinen bij de publieke onderzoekscentra.

tewerkgesteld. Het aandeel van het mannelijke technisch

Ten opzichte van de cijfers uit 2005 situeren de aandelen van

personeel stijgt vooral binnen de publieke onderzoekscentra.

de diverse wetenschapsdomeinen zich op hetzelfde niveau, en noteren enkel de exacte wetenschappen een beperkte stijging.

Tabel 5.4 gaat dieper in op het opleidingsniveau van het O&O-

Bij de vrouwen (publieke onderzoekscentra) stijgt het aandeel

personeel. Ongeveer 80% van het O&O-personeel had in

van de exacte wetenschappen tot 29,5% voor 2007 en dit ten

2007 minimaal een universitair diploma. In vergelijking met

nadele van de landbouwwetenschappen die hun aandeel zien

2005 is dit een stijging met ongeveer 1,5% en dit cijfer lag ook

dalen tot 15,4%.

al 3% hoger dan in 2003. Bij de vrouwen ligt het percentage met een universitair diploma nog altijd lager maar ook dit cijfer

Bij het hoger onderwijs zit er iets meer evolutie in de aandelen

stijgt (74% en een stijging van 2,7% ten opzichte van 2005).

van

Ongeveer 40% van het O&O-personeel met een universitair

wetenschappen worden het belangrijkste onderzoeksdomein

diploma zijn vrouwen en dit cijfer wijkt niet veel af van het cijfer

(+2,2% tot 24,4%) terwijl de natuur- en exacte wetenschappen

voor 2005. Twee kwart van O&O-personeel met een diploma

hun aandeel zien dalen tot 23,5% (-1,4%). De landbouw-

hoger onderwijs één cyclus zijn vrouwen in de non-profit, en

wetenschappen zijn de grootste verliezer ten opzichte van 2005

ook deze verhouding is de voorbije twee jaar amper gewijzigd.

met 3,3% tot ongeveer 7%. Het aandeel van de toegepaste

de

diverse

wetenschapsdomeinen.

De

medische

wetenschappen en de sociale wetenschappen stijgt telkens Wanneer de cijfers voor 2007 geanalyseerd worden voor de

licht (±1%).

verschillende subsectoren, valt op dat meer mannen dan vrouwen een universitair diploma in de publieke onderzoekscentra

Iets minder dan 31% van het vrouwelijk O&O-personeel uit

hebben en dat vrouwen vaker over een diploma hoger

het hoger onderwijs is actief in de medische wetenschappen

onderwijs 1 cyclus beschikken.

(+2,6% ten opzichte van 2005) voor 2007, gevolgd door

Tabel 5.5 geeft de verdeling weer van het totale O&O-

verricht in de sociale wetenschappen. Deze stijgingen gaan

22,2% (+2,4%) van het O&O-personeelseffectief dat onderzoek personeel voor het hoger onderwijs en de publieke

vooral ten koste van twee domeinen: de landbouwwetenschappen

onderzoekscentra naar wetenschapsdomein. Bij de publieke

(-2,9%) en de natuur- en exacte wetenschappen (-2,2%).

onderzoekscentra worden alle O&O-personeelsleden aan één wetenschapsdomein toegewezen op basis van de O&Oactiviteiten die bij de onderzoeksinstelling uitgevoerd worden.


75

Tabel 5.6:

O&O-personeel en onderzoekers in fysieke personen (totaal en naar geslacht) voor 2007

Uitgedrukt in fysieke personen

Onderzoekers (totaal)

O&O-personeel totaal

Onderzoekers (mannen)

O&O-personeel (mannen)

Onderzoekers (vrouwen)

Hoger onderwijs (gewest)

13.925

Hoger onderwijs (gemeenschap)

16.315

20.025

8.596

10.977

5.329

9.048

23.230

10.147

12.844

6.168

10.386

1.779

3.086

1.244

2.050

535

1.036

199

387

123

207

76

180

15.903

23.498

9.963

13.234

5.940

10.264

Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's (gewest)

O&O-personeel (vrouwen)

Figuur 5.2: Verdeling van het O&O-personeel binnen de non-profit sector (in VTE voor 2007)

Ter vergelijking de % verdeling van de O&O-uitgaven

2,6%

over de subsectoren (2007) 19,1% 3,3%

34,9% 78,3%

61,8%

n Overheid

n Non-profit organisatie

n Hoger onderwijs

Figuur 5.2 geeft de verdeling weer van het O&O-personeel

personen voor de non-profit sector voor 2007. Ongeveer

over de drie uitvoeringssectoren voor 2007 en legt ook de link

23.500 personen (ongeveer 1.400 meer dan in 2005) werkten

met de O&O-uitgaven (zie punt 5.3) per uitvoeringssector voor

in 2007 volledig of gedeeltelijk aan O&O-activiteiten. Dit cijfer

2007. Ongeveer 78,3% van het O&O-personeel is actief binnen

correspondeert voor 2007 met 13.900 voltijdse equivalenten

het hoger onderwijs tegenover ongeveer 19% bij de publieke

(zie tabel 5.1). Hiervan zijn er ongeveer 15.900 onderzoekers

onderzoekscentra. Wanneer verder gekeken wordt naar de

(ongeveer +800 ten opzichte van 2005), de ongeveer 7.600

spreiding van de O&O-uitgaven over de uitvoeringssectoren

(+600 in vergelijking met 2005) overige personeelsleden zijn

voor 2007, vallen toch wel enkele conclusies op. Het hoger

technisch en overig personeel. Dit cijfer kan verder opgedeeld

onderwijs vertegenwoordigt slechts ongeveer 61,8% van de

worden naar 5.940 (ongeveer +500) vrouwelijke onderzoekers

O&O-uitgaven en de publieke onderzoekscentra ongeveer

en 9.960 ( ongeveer +300) mannelijke onderzoekers. Tabel 5.6

35%. De aandelen van de subsectoren wijken niet significant

toont ook de verspreiding van de onderzoekers naar geslacht

af in vergelijking met de resultaten uit 2005 voor de diverse

en naar subsector binnen de non-profit.

sectoren.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5

Tabel 5.6 drukt de onderzoeksinspanningen uit in fysieke


76

5.3 DE O&O-UITGAVEN GEANALYSEERD

Uit de vergelijking met de cijfers voor de non-profit uit 2005 manifesteren zich slechts beperkte verschuivingen in de

De O&O-uitgaven vormen ook een cruciaal element voor het

aandeelcijfers. Het aandeel van de personeelskosten blijft

meten van de O&O-inspanningen. Bij de O&O-intensiteit drukt

nagenoeg constant en ook tussen werking en uitrusting (+1,3%

men de totale intramurale O&O-uitgaven uit in % van het

ten opzichte van 2005) en investeringen (-1,2% ten opzichte

Bruto Binnenlands Product (BBP). Op de Europese top in

van 2005) zijn de verschuivingen naar kostensoort beperkt.

Barcelona (maart 2002) hebben de Europese leiders

Ook uit de vergelijking van de gegevens voor de subsectoren

afgesproken om de O&O-intensiteit te verhogen tot 3% van

blijken beperkte wijzigingen ten opzichte van 2005. Bij de

het BBP tegen 2010 waarvan één derde of 1% zou

publieke onderzoekscentra verhoogt het aandeel van de

gefinancierd worden door de publieke sector en overige 2%

werkingskosten tot 33,2% (+1,7%) en stijgt het aandeel van de

door de private sector. Deze afspraak was een gevolg van een

personeelskosten tot 45,4% (+1.3%). Dit gebeurt ten koste van

vroegere Europese Top in Lissabon (maart 2000) om van

de investeringen, die hun aandeel zien dalen tot 21,4% (-3%).

Europa de meest ‘competitieve, kennisgebaseerde economie’ van de wereld te maken.

Tabel 5.9 deelt de O&O-uitgaven uit 2007 op naar financieringsbron.

Vijf

grote

bronnen

kunnen

hierbij

Tabel 5.7 geeft een overzicht van de O&O-uitgaven in

onderscheiden worden: de bedrijven, de overheden (federaal,

de periode 1993-2007 voor de non-profit sector. Hieruit blijkt

Vlaams en gedecentraliseerde overheid), non-profit organisaties,

dat de O&O-uitgaven de laatste vijf jaar met 39,5% gestegen

het hoger onderwijs (zoals het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF)

zijn. Uit dezelfde tabel blijkt ook dat de O&O-uitgaven sterker

en het TETRA-fonds) en het buitenland (buitenlandse bedrijven

gestegen zijn binnen de publieke onderzoekscentra (+48,8%)

en Europese en internationale organisaties). De overheid is de

dan bij het hoger onderwijs (+37%) tussen 2002 en 2007.

grootste financieringsbron met een aandeel van ongeveer

De O&O-uitgaven voor de publieke onderzoekscentra in

52%, gevolgd door het buitenland (aandeel van 23,5%) en de

absolute cijfers stegen heel wat sneller dan het O&O-personeel

bedrijven met een aandeel van 13,4%. In vergelijking met

(+13%) steeg voor deze sector tussen 2002 en 2007.

2005 verliezen de overheden (-5,7%) aan belang als financieringsbron, en wordt vooral het buitenland alsmaar een

Wanneer de absolute cijfers gecorrigeerd worden voor inflatie

belangrijker financieringsbron (+4,3%).

en op het prijsniveau 2000 gebracht worden, krijgt men de volgende resultaten. De stijging binnen de non-profit beloopt

Wanneer gekeken wordt naar de verdeling per subsector voor

dan nog altijd 25,8% en de stijging van de O&O-uitgaven

de non-profit vallen enkele verschillen op. Bij de publieke

binnen de publieke onderzoekscentra bedroeg de laatste vijf

onderzoekscentra vormt het buitenland nu dé belangrijkste

jaar 34,1%. Alle onderzoeksinstellingen uit de non-profit hebben

financieringsbron (45,9%), voor de gezamenlijke overheden

hun onderzoeksbudget de voorbije jaren aanzienlijk verhoogd.

met 42,6%. In vergelijking met de gegevens uit 2005 is het aandeel van het buitenland met 9,1% gestegen en daalt het

De O&O-uitgaven kunnen verder opgedeeld worden naar

overheidsaandeel met 9,2%.

kostensoort (zie tabel 5.8). Ongeveer 57,8% van de O&Ouitgaven zijn personeelskosten, 31,9% voor werking en

Bij het hoger onderwijs ligt het overheidsaandeel met 59,7%

uitrusting en 10,3% voor investeringen. Er vallen wel enkele

(in 2005 bedroeg dit aandeel nog 64%) en het aandeel van het

verschillen te onderkennen in de kostenstructuur van de

hoger onderwijs (BOF & TETRA-fonds) met 16,8% aanzienlijk

verschillend subsectoren. Bij het hoger onderwijs bedraagt het

hoger dan het cijfer voor de gehele publieke sector. Ook de

aandeel van de personeelskosten 64,6% terwijl dit bij de

bedrijven vormen met 15,3% een belangrijke financieringsbron

publieke onderzoekscentra maar 45,4% is. Het aandeel van

voor het hoger onderwijs.

de investeringen ligt bij de publieke onderzoekscentra met 21,4% heel wat hoger dan bijvoorbeeld in het hoger onderwijs

Bij de collectieve centra vormen niet langer de bedrijven (42,7%)

met 4,5%.

de grootste financieringsbron, maar de diverse overheden (50,9%). Dit hangt zeker samen met de verdere uitbouw van de

opgerichte

competentiepolen

ondersteund worden.

die

ook

financieel


77

Tabel 5.7:

Overzicht van de totale O&O-uitgaven in de non-profit sector en de collectieve centra (1993-2007)

Lopende prijzen (x 1000 EUR) 200 GOVERD 210 Federale overheid (Vlaams Gewest) 220 Vlaamse Gemeenschap/Gewest 270 Lagere overheden 300 PNP 320 Semi-publieke instellingen 330 Particuliere centra 510 Internationale instellingen in BelgiĂŤ 400 HERDgewest 410 Universiteiten 420 Zelfstandige universitaire onderzoekscentra 490 Hogescholen 400 HERDgemeenschap 410 Universiteiten 420 Zelfstandige universitaire onderzoekscentra 490 Hogescholen Totaal non-profit met HERDgewest Totaal non-profit met HERDgemeenschap 130 Collectieve onderzoekscentra*

1993

1996

1999

2002

2003

2004

2005

2006

2007

% groei 20022007

95.691

146.113

220.056

280.883

260.821

335.331

379.713

381.963

417.890

48,8%

23.326

23.156

27.159

17.057

16.647

17.192

17.901

18.586

19.111

71.572

122.070

191.976

263.298

243.320

316.424

360.042

360.845

396.384

793

887

920

527

853

1.715

1.769

2.533

2.395

29.084

31.671

32.722

36.266

36.225

36.881

38.125

38.579

40.038

0

0

0

69

71

83

92

94

95

308

245

251

1.712

1.344

1.314

1.342

1.241

1.664

28.775

31.426

32.471

34.485

34.810

35.483

36.690

37.244

38.279

311.321

367.428

460.294

540.688

600.367

624.288

667.078

688.549

739.171

302.180

357.006

442.553

499.532

555.866

581.057

619.723

631.443

668.211

9.142

10.422

11.024

17.764

19.248

21.922

23.757

25.365

29.001

0

0

6.717

23.391

25.254

21.308

23.598

31.741

41.959

362.415

411.515

516.221

608.738

666.994

691.694

737.940

740.821

796.164

353.232

401.048

496.219

562.511

617.197

640.463

681.287

673.325

712.870

9.183

10.467

11.073

17.764

19.248

21.922

23.757

25.365

29.001

0

0

8.930

28.463

30.549

29.308

32.896

42.131

54.293

436.096

545.212

713.072

857.837

897.413

996.499 1.084.915 1.109.092 1.197.099

39,5%

487.190

589.299

768.999

925.888

964.039 1.063.906 1.155.778 1.161.363 1.254.092

35,4%

22.380

31.172

43.151

47.233

46.812

36.681

44.486

42.663

49.339

4,5%

154.080

224.125

270.301

246.955

310.054

342.452

337.890

362.572

34,1%

33.398

33.327

34.900

34.299

34.100

34.384

34.128

34.738

-0,5%

387.462

468.806

520.317

568.449

577.228

601.618

609.101

641.323

23,3%

433.952

525.768

585.804

631.533

639.553

665.527

655.341

690.772

17,9%

574.940

726.258

825.517

849.702

921.382

978.454

981.119 1.038.633

25,8%

32.872

43.949

45.454

44.324

33.916

40.120

Constante prijzen op prijsniveau 2000 (x 1000 EUR) 104.842 200 GOVERD 300 PNP 31.865 400 HERDgew 341.093 400 HERDgem 397.073 Totaal non-profit met HERDgewest 477.799 130 Collectieve onderzoekscentra* 24.520

37.740

42.808

O&O bestedingen volgens kostensoort als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2007 Personeelskosten

Werking en uitrusting

Investeringen

HERDgew

64,6%

30,9%

4,5%

Universiteiten (gewest)

64,0%

31,9%

4,1%

Zelfstandige univ. onderzoekscentra (gewest)

56,6%

38,7%

4,7%

Hogescholen (gewest)

79,8%

10,0%

10,2%

GOVERD

45,4%

33,2%

21,4%

PNP

60,3%

36,4%

3,3%

Vlaamse NPO's (gewest)

57,8%

31,9%

10,3%

Collectieve onderzoekscentra*

54,8%

27,5%

17,7%

* Als onderdeel van de BERD

36,7%

30,8%

-5,8%

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5

Bron: CFS/STAT - POD Wetenschapsbeleid, MSTI-deflator OECD 2008/1 + eigen berekeningen 2006 en 2007 * Als onderdeel van de bedrijven; HERD = Higher Education Expenditures on R&D, GOVERD = Government Expenditures on R&D, PNP = Non-Profit Expenditures on R&D

Tabel 5.8:

10,4%


78

Tabel 5.9:

O&O-bestedingen volgens financieringsbron - als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2007 Bedrijven

Overheden

PNP's

Hoger Onderwijs**

Buitenland

HERDgew

15,3%

59,7%

0,9%

16,8%

7,3%

Universiteiten (gewest)

15,8%

60,6%

0,7%

16,4%

6,5%

Zelfstandige univ. onderzoekscentra (gewest)

17,0%

40,2%

6,2%

11,0%

25,6%

6,5%

58,3%

1,1%

26,7%

7,4%

11,1%

42,6%

0,4%

0,0%

45,9%

2,0%

7,0%

1,7%

0,0%

89,3%

Non-profit sector in Vlaanderen (gewest)

13,4%

52,0%

0,8%

10,3%

23,5%

Collectieve onderzoekscentra*

42,7%

50,9%

0,2%

0,2%

6,0%

Hogescholen (gewest) GOVERD PNP

* Als onderdeel van de BERD ** BOF en TETRA-fonds

Tabel 5.10: O&O-bestedingen volgens wetenschapsdomein - als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2007 Natuur- en exacte wetenschappen

Toegepaste wetenschappen

Medische wetenschappen

Landbouwwetenschappen

Sociale wetenschappen

Humane wetenschappen

HERD (gewest)

18,2%

17,5%

30,1%

9,3%

16,0%

8,9%

GOVERD

15,8%

75,7%

0,1%

6,5%

0,1%

1,8%

Tabel 5.11: Evolutie van de O&O-intensiteit van de non-proft sector en de collectieve onderzoekscentra tussen 1993-2007 en de opsplitsing voor de HERD voor 2007

HERDgew

O&O-intensiteit voor 2005 opgesplitst voor HERDgew en HERDgem

1993

1996

1999

2002

2003

2004

2005

2006

2007

0,29%

0,31%

0,34%

0,35%

0,38%

0,38%

0,39%

0,38%

0,39%

Universiteiten (gewest)

0,35% 0,02%

HERDgem

0,34%

0,34%

0,38%

0,40%

0,42%

0,42%

0,43%

0,40%

0,42%

Zelfstandige univ. onderzoekscentra (gewest)

GOVERD

0,09%

0,12%

0,16%

0,18%

0,17%

0,20%

0,22%

0,21%

0,22%

Hogescholen (gewest)

0,02%

PNP

0,03%

0,03%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

0,02%

Non-profit Vlaams gewest

0,41%

0,45%

0,52%

0,56%

0,57%

0,60%

0,63%

0,61%

0,63%

Universiteiten (gemeenschap)

0,38%

Zelfstandige univ. onderzoekscentra (gemeenschap) Hogescholen (gemeenschap)

0,02% 0,03%

Non-profit Vlaamse gemeenschap

0,46%

0,49%

0,56%

0,61%

0,61%

0,64%

0,67%

0,63%

0,66%

Collectieve onderzoekscentra*

0,02%

0,03%

0,03%

0,03%

0,03%

0,02%

0,03%

0,02%

0,03%

Bron: CFS/STAT, POD Wetenschapsbeleid, Studiedienst van de Vlaamse Regering (BBPR-Vlaanderen, cijfers september/oktober 2008) + eigen berekeningen * Als onderdeel van de bedrijven

Tabel 5.10 bestudeert voor 2007 de O&O-uitgaven uit de

In het hoger onderwijs blijven de medische wetenschappen het

publieke onderzoekscentra (GOVERD) en het hoger onderwijs

belangrijkste onderzoeksdomein met 30% (aandeel blijft

(gewestbenadering – HERDgew) naar wetenschapsdomein.

constant ten opzichte van 2005) gevolgd door de exacte en

Bij de GOVERD is de dominante positie van het onderzoeks-

natuurwetenschappen met 18,2% (-1,6% ten opzichte van 2005)

domein toegepaste wetenschappen overduidelijk met een

en de sociale wetenschappen met 16% (-1,1% ten opzichte

aandeel van 75,7% (+1% van het aandeel ten opzichte van

van 2005) als nummer twee en drie. Ook de landbouw-

2005) maar blijven de overige aandelen van de verschillende

wetenschappen verliezen terrein als onderzoeksdomein binnen

wetenschapdomeinen relatief stabiel op de landbouw-

het hoger onderwijs, namelijk van 11,2% naar 9,3%.

wetenschappen na (6,5% in plaats van 7,9%).


79

Wanneer de link met tabel 5.5 (de opsplitsing van het O&O-

In 2006 was er een lichte daling wat de O&O-intensiteit betreft

personeel) bestudeerd wordt, valt op dat de medische

voor de publieke sector, maar dankzij een stijging voor 2007

wetenschappen bij de HERD een groter aandeel (30,1%)

benadert de O&O-intensiteit opnieuw het niveau van 2005.

hebben in de O&O-uitgaven dan bij het O&O-personeel

De cijfers tonen ook aan dat de aanzienlijke stijging van de

(24,4%). Bij de exacte en natuurwetenschappen ligt het

O&O-uitgaven tussen 2005 en 2007 van ongeveer 112 miljoen

aandeel in de O&O-uitgaven (18,2%) lager dan het aandeel in

EUR (in reële en absolute cijfers) niet volstaat om het effect van

het O&O-personeel (23,5%). Bij de GOVERD is het overwicht

een sterk stijgende noemer (BBPR-Vlaanderen) ten gevolge

van de toegepaste wetenschappen in de O&O-uitgaven nog

inflatie en/of economische groei te compenseren.

opvallender ten opzichte van het aandeel in het O&O-personeel met 75,7% versus 62,6%. Het personeelseffectief aan O&O-

Tabel 5.12 gaat dieper in op de herkomst van de O&O-

personeel in de landbouwwetenschappen beloopt 14,2% van

uitgaven. De financiële middelen zijn niet enkel afkomstig van

het totaal maar neemt slechts 6,5% van de O&O-uitgaven voor

binnen- of buitenlandse bronnen, maar binnen elke categorie

haar rekening.

kunnen die nog verder opgesplitst worden. Met binnenlandse private financiering worden de binnenlandse bedrijven

Tabel 5.11 toont naast de O&O-intensiteit (O&O-uitgaven als

bedoeld terwijl met binnenlandse publieke financiering alle

% van het BBPR) voor de totale non-profit sector, ook de cijfers

overheidsfinanciering, de non-profit organisaties en het hoger

van alle subsectoren en die voor de collectieve centra tussen

onderwijs binnen Vlaanderen en België gedefinieerd wordt.

1993 en 2007. Op basis van de gewestberekening werd in 2007

Met buitenlandse private financiering worden de buitenlandse

door het hoger onderwijs 0,39% van het BBPR-Vlaanderen

bedrijven bedoeld en met buitenlandse publieke financiering

besteed aan O&O. Volgens de gemeenschapsbenadering

alle Europese en internationale organisaties.

bedraagt dit cijfer 0,42% voor het hoger onderwijs. De publieke onderzoekscentra noteren voor 2007 een O&O-intensiteit

Ongeveer 73,2% van alle O&O-middelen uit de non-profit zijn

van 0,22%. De totale O&O-intensiteit voor de non-profit

publieke middelen, de overige zijn van private oorsprong.

sector bedraagt 0,63% (gewestbenadering) en 0,66%

De binnenlandse O&O-middelen zijn hoofdzakelijk afkomstig

(gemeenschapsbenadering). De O&O-intensiteit voor de

van publieke instanties (82,5%), terwijl de buitenlandse O&O-

collectieve centra, als onderdeel van het totaalcijfer voor de

middelen voor meer dan de helft (56,8%) afkomstig zijn van de ondernemingen. Het private aandeel (48,6%) binnen de publieke

de O&O-intensiteit van de PNP, die stabiel blijft op 0,02%.

onderzoekscentra is veel hoger dan dit binnen het hoger onderwijs (15,6%). Bijna 82% van de buitenlandse onderzoeksmiddelen bij de publieke onderzoekscentra zijn afkomstig van buitenlandse ondernemingen wat zowel in absolute en relatieve cijfers aanzienlijke bedragen zijn.

Tabel 5.12: Private versus publieke financiering in de non-profit sector voor 2007

Totale O&O-uitgaven GOVERD

Binnenlandse herkomst (belgische bedrijven + overheid + pnp + hoger onderwijs)

Buitenlandse herkomst

Privaat

Publiek

Privaat

Publiek

Privaat

Publiek

48,6%

51,4%

20,5%

79,5%

81,7%

18,3% 96,5%

5,1%

94,9%

18,5%

81,5%

3,5%

HERDgew

15,6%

84,4%

16,5%

83,5%

3,5%

96,5%

Vlaamse NPO's (gewest)

26,8%

73,2%

17,5%

82,5%

56,8%

43,2%

Collectieve onderzoekscentra *

42,8%

57,2%

45,5%

54,5%

0,6%

99,4%

PNP

* Als onderdeel van de bedrijven

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5

BERD, blijft ongeveer constant op 0,03% van het BBPR net zoals


80

Tabel 5.13: Private versus publieke financiering & O&O-uitgaven (non-profit) voor 2007

O&O-uitgaven non-profit (gewest) O&O-uitgaven non-profit (gemeenschap)

Publiek gefinancierd 0,46% 0,49%

Privaat gefinancierd 0,17% 0,17%

Totale O&O-intensiteit 0,63% 0,66%

Tabel 5.14: Internationale vergelijking van het O&O-personeel (VTE) voor het hoger onderwijs Hoger onderwijs Onderzoekers (VTE)

Totaal O&O-personeel (VTE)

% aandeel onderzoekers

Vlaanderen (2007) (gewest)

8.665

10.895

79,5%

Vlaanderen (2007) (gemeenschap)

9.813

12.322

79,6%

België* (2006)

14.032

18.540

75,7%

Nederland (2003)

10.211

27.209

37,5%

Frankrijk (2005)

66.290

98.743

67,1%

Duitsland (2005)

70.843

100.002

70,8%

-

-

-

Japan (2006)

184.319

238.813

77,2%

EU-27*** (2005)

477.566

718.074

66,5%

8.893

12.322

72,2%

Finland (2006)

12.849

17.362

74,0%

Zweden (2006)

14.740

17.137

86,0%

7.512

9.420

79,7%

VS**

Denemarken (2006)

Noorwegen (2005)

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1 * Voorlopige cijfers ** Geen cijfers sinds 1999 beschikbaar *** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen

Tabel 5.15: Internationale vergelijking van het O&O-personeel (VTE) voor de overheidssector (publieke onderzoekscentra)

Vlaanderen (2007) (gewest) België* (2006) Nederland** (2006) Frankrijk*** (2005) Duitsland (2005) VS*** (2002) Japan (2006) EU-27* (2005) Denemarken (2006) Finland (2006) Zweden**** (2006) Noorwegen**** (2005)

Onderzoekers (VTE) 1.577 2.499 7.131 25.889 39.911 47.822 33.593 177.304 2.190 4.470 3.041 3.449

Publieke onderzoekscentra Totaal O&O-personeel (VTE) 2.661 3.861 12.765 49.645 76.254 63.196 317.693 3.305 7.408 3.618 5.147

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1 * Voorlopige cijfers voor België, Denemarken en EU, voor EU schatting door secretariaat ** Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra *** Defensieonderzoek uitgesloten voor Frankrijk en VS, enkel centrale of federale overheid voor VS **** Universitaire diploma's in plaats van onderzoekers

% aandeel onderzoekers 59,3% 64,7% 55,9% 52,1% 52,3% 53,2% 55,8% 66,3% 60,3% 84,1% 67,0%


81

De ondernemingen als financieringbron winnen aan belang ten

5.4 INTERNATIONALE VERGELIJKING

opzichte van 2005 (+3,4% tot nu 26,8%). Uit de detailcijfers per sector, blijkt duidelijk dat de private sector (zowel

In dit derde deel worden enkele Vlaamse kengetallen

binnenlandse als buitenlandse bedrijven) enorm belangrijk

internationaal vergeleken voor de publieke onderzoekscentra

is als financieringsbron voor de publieke onderzoekscentra. De

(GOVERD) en het hoger onderwijs (HERD). De volgende

publieke sector op haar beurt is dan weer de belangrijkste

variabelen komen aan bod: het aantal onderzoekers, het totale

financieringsbron geworden voor de collectieve centra.

O&O-personeel, de O&O-uitgaven, de O&O-intensiteit en gender en O&O.

Het cijfer voor de O&O-intensiteit uit tabel 5.11 is een belangrijke bron om na te gaan hoe het staat met de afspraken

Tabel 5.14 toont de internationale vergelijking voor het hoger

dat de publieke sector 1% van het BBPR zal financieren en de

onderwijs (onderzoekers en O&O-personeel). Het percentage

private sector 2%. De totale O&O-intensiteit bedraagt 0,63%

onderzoekers voor Vlaanderen (79,5%) is hoger dan de grote

van het BBPR of 0,66% naargelang de berekeningswijze

buurlanden Frankrijk, Duitsland en het EU-27 gemiddelde, maar

gewest of gemeenschap is. Wanneer die dan verder opgesplitst

verhoudt zich wisselend ten opzichte van de Scandinavische

worden naar de herkomst (privaat/publiek) geeft dit het

resultaten. Globaal genomen ligt (met uitzondering van

volgende resultaat (zie tabel 5.13). De publieke inspanningen

Noorwegen) het cijfer er voor het O&O-personeel hoger maar

binnen de non-profit sector bedragen 0,46% van het

het percentage onderzoekers ligt enkel hoger voor Zweden.

BBPR (volgens de gewestbenadering) en 0,49% (volgens de

Voor Vlaanderen werden zowel de gewest- als gemeenschaps-

gemeenschapsbenadering). De private inspanningen voor O&O

cijfers weergegeven bij de vergelijking, omdat dit duidelijk

binnen de non-profit belopen 0,17% van het BBPR. In vergelijking

aantoont dat het (in absolute cijfers) een verschil uitmaakt welke

met 2005 is het aandeel van de private inspanningen in de

basis gebruikt wordt voor een internationale vergelijking, terwijl

totale O&O-intensiteit voor de publieke sector toegenomen.

dit relatief gezien geen verschil uitmaakt.

Het aandeel van de private financiering in de totale O&Ointensiteit is immers gestegen van 23,4% in 2005 naar 26,8%

Tabel 5.15 vergelijkt Vlaanderen op internationaal vlak voor

in 2007.

O&O-personeel en onderzoekers binnen de publieke onderzoekscentra. Vlaanderen scoort lager dan de Scandinavische landen bij de vergelijking van het totale O&O-personeel.

de private en publieke inspanningen te evalueren omdat dezelfde

Het aandeel onderzoekers voor Vlaanderen ligt hoger dan

oefening moet gebeuren voor de profit sector. Daarom wordt

de buurlanden en iets hoger dan het EU-27 gemiddelde.

verwezen naar hoofdstuk 6 waarin de resultaten van de O&O-

Het percentage onderzoekers voor de publieke onderzoeks-

enquĂŞte voor de bedrijven ook geanalyseerd worden naar

centra ligt wĂŠl hoger bij de Scandinavische landen.

herkomst. Voor een totaalbeeld kan ook verwezen worden naar de 3% nota van het Expertisecentrum O&O Monitoring, die

Tabel 5.16 vergelijkt de O&O-uitgaven binnen de publieke

de totale O&O-intensiteit opdeelt naar private en publieke

onderzoekscentra (GOVERD) en binnen het hoger onderwijs

financiering.

(HERD) op internationaal vlak in miljoen (PPP $). Dit laat een meer objectieve vergelijking toe. De uitgaven voor de GOVERD liggen hoger voor Vlaanderen (de Vlaamse cijfers tonen een duidelijke stijging) dan voor Denemarken maar de kloof met de andere Scandinavische landen blijft toch aanzienlijk. Wat de HERD betreft valt op dat het cijfer voor Vlaanderen gestegen is (zowel gewest- als gemeenschapsbenadering) terwijl het cijfer voor Nederland in absolute termen gedaald is. Vlaanderen verkleint niet echt de kloof met de Scandinavische landen op het vlak van de absolute O&O-uitgaven voor het hoger onderwijs.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5

Het spreekt voor zich dat dit slechts voor een deel toelaat om


82

Tabel 5.16: Internationale vergelijking van de HERD

Tabel 5.17: Internationale vergelijking van de O&O-

en GOVERD (in lopende prijzen)

intensiteit voor de GOVERD en HERD

(uitgaven in miljoen PPP $)

HERD

GOVERD

Vlaanderen (2007) (gewest)

830,6

469,6

Vlaanderen (2007) (gemeenschap)

894,6

O&O-intensiteit

HERD

GOVERD

Vlaanderen (2007) (gewest)

0,39%

0,22%

Vlaanderen (2007) (gemeenschap)

0,42%

België* (2006)

1.441,5

557,8

België* (2006)

0,41%

0,16%

Nederland**,*** (2006)

2.543,4

1.408,3

Nederland**,*** (2006)

0,49%

0,24%

Frankrijk (2005)

7.527,7

7.167,9

Frankrijk (2005)

0,40%

0,37%

Duitsland*** (2005)

10.331,1

8.813,8

Duitsland*** (2005)

0,41%

0,35%

VS*,***** (2006)

49.091,0

38.247,5

VS*,**** (2005)

0,37%

0,31%

Japan (2006)

17.617,4

11.492,8

Japan (2006)

0,43%

0,28%

EU-27**** (2005)

51.070,0

31.483,9

EU-27***** (2005)

0,39%

0,24%

Denemarken* (2006)

1.214,1

312,2

Denemarken* (2006)

0,63%

0,16%

Finland (2006)

1.113,7

555,7

Finland (2006)

0,65%

0,32%

Zweden (2006)

2.412,6

530,7

Zweden (2006)

0,76%

0,17%

Noorwegen (2006)

1.112,9

577,3

Noorwegen (2006)

0,46%

0,24%

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1 * Schattingen voor VS, Denemarken en België, voor VS geen 'grote investeringen' bij HERD ** HERD cijfers voor 2003 *** Bevat ook ander instellingen dan publieke onderzoekscentra **** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen ***** Enkel federale overheid, geen lokale overheden

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1 * Voorlopige cijfers voor België, Denemarken, VS (GOVERD) ** HERD cijfers voor 2003 *** Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra **** Enkel federale overheid voor Zweden en VS, voor de VS geen 'grote investeringen' bij de HERD ***** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen

Tabel 5.18:

Tabel 5.19: Internationale vergelijking voor het % aandeel

Internationale vergelijking van de financiering van de HERD en GOVERD door de bedrijven

% door de bedrijven gefinancieerd

vrouwelijke onderzoekers (headcount)

HERD

GOVERD

% aandeel vrouwelijke onderzoekers

Vlaanderen (2007) (gewest)

15,30%

11,20%

België (2005)

10,90%

9,20%

6,80%

16,10%

Nederland*,** (2003)

HERD

GOVERD

Vlaanderen (2007) (gewest)

38,27%

30,07%

België (2005)

36,20%

31,40%

Nederland* (2003 en 2005)

29,00%

29,50%

1,60%

7,40%

Frankrijk** (2005)

34,20%

32,90%

Duitsland** (2005)

14,10%

9,90%

Duitsland (2005)

29,70%

28,50%

VS***,***** (2006)

4,90%

0,00%

VS***

-

-

Japan (2006)

2,90%

0,70%

Japan (2006)

22,10%

13,20%

EU-27**** (2005)

6,50%

8,50%

EU-27***

Denemarken (2005)

2,40%

2,10%

Finland (2006)

6,60%

12,70%

Zweden* (2005)

5,20%

1,50%

Noorwegen (2005)

4,70%

10,60%

Frankrijk (2005)

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1 * Knik in gegevensreeks (GOVERD en HERD) ** Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra *** Enkel federale overheid, geen lokale overheden **** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen (GOVERD) ***** VS: geen 'grote investeringen' bij de HERD, voorlopige cijfers

-

-

Denemarken (2005)

35,70%

36,40%

Finland (2006)

45,30%

42,80%

Zweden**** (2005)

48,30%

37,20%

Noorwegen***** (2005)

39,40%

37,40%

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1 * Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra, GOVERD (2005), HERD (2003), nationale schatting voor de HERD ** Defensieonderzoek uitgesloten *** Geen recente gegevens voor VS en EU-27 **** Universitaire diploma's ipv onderzoekers ***** Universitaire diploma's ipv onderzoekers bij GOVERD


83

Tabel 5.17 vergelijkt internationaal de O&O-intensiteit voor de

Tabel 5.19 vergelijkt het percentage vrouwelijke onderzoekers

HERD en de GOVERD. Tabel 5.16 toont aan dat het gebruik

binnen de publieke onderzoekscentra en het hoger onderwijs

van de gemeenschaps- of gewestbenadering toch wel van

op internationaal vlak. Vlaanderen scoort met 38,3% voor het

belang is bij een internationale vergelijking. Op basis van

hoger onderwijs niet zo slecht in vergelijking met Duitsland,

de gemeenschapsbenadering ligt de O&O-intensiteit van

Nederland en Frankrijk. In vergelijking met de Scandinavische

het hoger onderwijs ongeveer op het niveau van buurlanden

landen (met uitzondering van Denemarken) ligt het percentage

zoals Frankrijk en Duitsland en net iets hoger dan het EU-27

vrouwelijke onderzoekers voor het hoger onderwijs hier wel

gemiddelde. Wanneer men de gewestbenadering gebruikt

lager. Ook bij de publieke onderzoekscentra scoort Vlaanderen

voor Vlaanderen, scoort Vlaanderen gelijklopend met het

behoorlijk (beter dan Duitsland en Nederland maar iets lager

EU-27 gemiddelde en onder het niveau van Frankrijk en

dan Frankrijk). De cijfers voor Vlaanderen liggen wel nog een

Duitsland. De Scandinavische landen kennen een veel hogere

stuk onder die voor Noord-Europa. Vlaanderen volgt wel de

O&O-intensiteit voor het hoger onderwijs, variĂŤrend van 0,46%

internationale trend met een stijgend aandeel vrouwelijke

voor Noorwegen tot 0,76% voor Zweden. Globaal genomen is

onderzoekers zowel bij de publieke onderzoekscentra als bij

de internationale evolutie gelijklopend met de Vlaamse trend:

het hoger onderwijs.

de O&O-intensiteit van de HERD blijft de laatste jaren vrij stabiel of groeit slechts heel beperkt.

5.5 BESLUIT De O&O-intensiteit van de publieke onderzoekscentra (GOVERD) ligt hoger dan die van Zweden en Denemarken, maar ligt lager

Zowel het opleidingsniveau van het O&O-personeel als het

dan de buurlanden (zoals Nederland, Frankrijk en Duitsland)

percentage onderzoekers binnen de non-profit sector nemen

en de EU-27. De O&O-intensiteit voor de GOVERD voor

gestaag toe in vergelijking met 2005. Uit de opsplitsing naar

Vlaanderen blijft op het niveau van 2005 en internationaal

geslacht blijkt dezelfde stijgende tendens, ook al blijft er een

gezien is het beeld verschillend. Bij sommige landen merken

genderkloof zichtbaar zowel naar opleidingsniveau als naar

we een daling (Denemarken en Finland) terwijl het cijfer voor

functieopdeling. Er zijn ook verschillen merkbaar per subsector.

de meeste andere landen ongeveer op hetzelfde niveau blijft.

In de publieke onderzoekscentra hebben minder mensen een universitair diploma en ligt het percentage onderzoekers ook lager dan bij het hoger onderwijs. Het percentage vrouwen

op internationaal vlak. Vlaanderen kent het hoogste percentage

ten opzichte van het O&O-personeel ligt er ook lager.

voor de HERD qua financiering door de binnenlandse bedrijven

Vrouwen hebben vaker een diploma hoger onderwijs 1 cyclus

(15,3%) en dit cijfer is nog licht gestegen. Enkel Duitsland kent

binnen de publieke onderzoekscentra. Het aandeel van de

een enigszins vergelijkbaar cijfer. Het Europese gemiddelde

vrouwen in het totale O&O-personeel bleef in grootte-orde

bedraagt 6,5% wat een heel stuk lager is dan het Vlaamse cijfer.

ongeveer op hetzelfde niveau van 2005, afgerond naar 44%.

Ook binnen de GOVERD vormen de bedrijven (binnenlandse)

Wat de verdeling van het O&O-personeel naar wetenschaps-

voor Vlaanderen internationaal gezien een belangrijke

gebied (hoger onderwijs) betreft, valt vooral de daling op

financieringsbron met 11,2%. Het EU-27 gemiddelde bedraagt

voor de landbouwwetenschappen en de natuurwetenschappen

5,9%, een stuk lager. Enkel Nederland scoort ook vrij hoog voor

en de stijging van de sociale en de medische wetenschappen

financiering door de bedrijven in de GOVERD. Voor Zweden,

ten opzichte van 2005. De toegepaste wetenschappen vormen

Denemarken en Japan ligt het percentage van de GOVERD dat

hĂŠt onderzoeksdomein binnen de publieke onderzoekscentra.

door de bedrijven gefinancierd is lager dan 3%.

Voor het overige zijn de verschuivingen voor de publieke onderzoekscentra per wetenschapsdomein eerder beperkt. Bij het vrouwelijk O&O-personeel uit de publieke onderzoekscentra stijgt het aandeel van de natuur- en exacte wetenschappen en daalt het aandeel van de landbouwwetenschappen.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5

Tabel 5.18 vergelijkt de financiering van de GOVERD en HERD


84

Het totale O&O-personeel binnen het hoger onderwijs is

De internationale vergelijking toont aan dat Vlaanderen, wat de

tussen 2002 en 2007 met ongeveer een derde toegenomen,

HERD en GOVERD betreft, vrij wisselend maar in meerdere

terwijl de stijging binnen de publieke onderzoekscentra met

opzichten niet zo slecht presteert op Europees vlak maar dat de

ongeveer 13% een stuk lager ligt. De O&O-uitgaven stegen de

geleverde inspanningen zeker en vast gehandhaafd moeten

afgelopen vijf jaar sterker. Bij de publieke onderzoekscentra

worden wil de O&O-intensiteit verder verhoogd worden en

beliep de stijging bijna de helft terwijl de stijging voor het hoger

Vlaanderen zijn positie als sterke regio handhaven of versterken.

onderwijs met ongeveer een derde lager lag. Wat de O&O-uitgaven naar kostensoort voor de non-profit betreft voor 2007, vallen er weinig wijzigingen te melden ten opzichte van de gegevens uit 2005. De personeelskosten vormen de grootste kostensoort met 57,7%, gevolgd door de werkingskosten met een aandeel van 31,8% en tenslotte de investeringen met een aandeel van 10,5%. Bij de publieke onderzoekscentra ligt het investeringsaandeel met 21,4% merkbaar hoger maar ook hier blijft dit aandeel vrij constant. Het buitenland blijft aan belang winnen als financieringsbron ten koste van de overheid (binnenland). Het buitenland (omvat middelen van buitenlandse bedrijven ĂŠn Europese en internationale organisaties) vormt voor de publieke onderzoekscentra, met bijna de helft, dĂŠ belangrijkste financieringsbron. De stijging manifesteert zich bij alle subsectoren maar het buitenland blijft bij de publieke onderzoekscentra nog steeds groeien aan belang, een fenomeen dat bij vorige enquĂŞtes ook al zichtbaar was. De private financiering binnen de non-profit sector is ten opzichte van 2005 ook toegenomen. Binnen de publieke onderzoekscentra situeren de O&Ouitgaven zich vooral binnen de toegepaste wetenschappen en neemt de dominante positie nog lichtjes verder toe (ten koste van de landbouwwetenschappen) in vergelijking met 2005. Voor het hoger onderwijs behouden de medische wetenschappen hun positie als belangrijkste onderzoeksdomein op basis van de O&O-uitgaven maar is het aandeel van de toegepaste wetenschappen het sterkst gestegen ten opzichte van 2005. De O&O-intensiteit binnen de non-profit blijft vrij stabiel ten opzichte van 2005, op 0,63% volgens de gewestbenadering en 0,66% volgens de gemeenschapsbenadering. Wanneer de O&O-intensiteit opgedeeld wordt naar publiek en private financiering is 0,46% afkomstig van publieke financiering en 0,17% afkomstig van private financiering. Het aandeel van de private financiering is toegenomen ten opzichte van 2005.


85

DEEL 1 D E TOTA L E O & O - U I TG AV E N IN VLAANDEREN: GERD

Door Petra Andries (K.U.Leuven), Dirk Czarnitzki (K.U.Leuven), Koenraad Debackere (K.U.Leuven), Machteld Hoskens (K.U.Leuven), en Susanne Thorwarth (K.U.Leuven)

06


86

6.1 DE GEBRUIKTE INDICATOREN

De gezamenlijke inspanningen van alle sectoren leveren de totale bruto uitgaven voor O&O in een beschouwd geografisch

Vlaanderen heeft zich ten volle geëngageerd in de Europese

gebied. Dit zijn de Bruto Binnenlandse Uitgaven voor O&O

Lissabon-ambitie en vertaalde die in de Vlaamse context via het

(BUOO) of GERD (Gross Expenditure on R&D). Deze staat

Innovatiepact. Dit pact werd ondertekend in maart 2003 en

voor de som van de BERD, GOVERD, HERD en PNPs:

houdt een formeel engagement in van alle betrokken actoren in het Vlaamse innovatielandschap (overheid, bedrijfsleven,

GERD = BERD + GOVERD + HERD + PNP

universiteiten en onderzoeksinstellingen) om door gezamenlijke en complementaire inspanningen de 3% O&O-norm te realiseren.

Het gaat hier om de O&O-activiteiten die worden uitgevoerd

De ambitie deze norm te behalen werd herbevestigd bij de

binnen de statistische eenheid. Naar bestemming worden enkel

ondertekening van het Pact 2020 op 20 januari 2009 in

de intramurale uitgaven in rekening genomen, ongeacht de

Hasselt. Deze 3% norm specificeert dat de uitgaven voor O&O

herkomst van de middelen.

activiteiten in Vlaanderen over alle actoren heen, tegen 2014 ten minste 3% van het Bruto Binnenlands Product van de Regio

De O&O-intensiteit drukt de GERD uit relatief ten opzichte

(BBPR) moeten bedragen, verdeeld over zowel publieke als

van het Bruto Binnenlands Product van de Regio (BBPR).

private actoren. In het kader van deze 3% O&O-norm wordt

Deze indicator schakelt de invloed van de grootte van een

vandaag algemeen aanvaard dat de diverse Europese

gebied uit en is dus geschikt voor internationale vergelijkingen.

overheden ernaar streven om 1% voor hun rekening te nemen, terwijl het bedrijfsleven ernaar streeft 2% voor zijn rekening te

De internationale afspraken specificeren dat de allocatie naar regio’s

nemen. Dit streven heeft ondertussen in verschillende Europese

gebeurt via de geografische locatie van de responderende

landen en regio’s geleid tot het afsluiten van zogenaamde

entiteit. In de eigen Belgische context dient men evenwel

innovatiepacten of innovatieplatformen tussen publieke en

rekening te houden met de specifieke federale staatsstructuur,

private O&O-actoren.

die gewest- en gemeenschapsmateries onderscheidt. Bij het toepassen van de internationale definities voor de verschillende

Ter ondersteuning van deze beleidsoptie, is een continue

regio’s in België werd de volgende procedure afgesproken,

opvolging van de toestand aan de hand van recent en

binnen CFS-STAT. Voor de BERD, de GOVERD, de PNP en

internationaal vergelijkbaar cijfermateriaal nodig. Dit hoofdstuk

het BBP wordt het Gewest als territoriale entiteit gehanteerd.

levert de meest recent beschikbare cijfers over de totale O&O-

De HERD, de uitgaven in het hoger onderwijs, zijn echter een

uitgaven in Vlaanderen.

gemeenschapsmaterie. De O&O-activiteiten van de Vlaamse gemeenschapsinstellingen die in het Brussels Hoofdstedelijk

De bruto binnenlandse uitgaven voor O&O of GERD (Gross

Gewest zijn gevestigd horen bijgevolg bij de Vlaamse

Expenditures on Research and Development) worden in

Gemeenschap.

hoofdzaak geanalyseerd per uitvoeringssector, waar de uitgaven geïdentificeerd worden volgens locatie van activiteit:

De Gewestbenadering is de internationaal gehanteerde procedure om alle componenten van GERD en BBPR op éénzelfde eenheid,

Bedrijven: BERD: Business Expenditures on R&D: de

in casu het gewest, toe te passen. In dit hoofdstuk volgen we

bedrijvencomponent en de collectieve onderzoekscentra

deze internationale procedure. Desondanks rapporteren we

(COC)

ook ter vergelijking de Gemeenschapsbenadering. Het verschil

l

Overheden: GOVERD: Government Expenditures on R&D

tussen beide benaderingen, zijnde de uitgaven in Vlaamse

l

Hoger Onderwijs: HERD: Higher Education Expenditures

instellingen uit het hoger onderwijs gevestigd in het Brussels

on R&D (zowel universiteiten, als onderzoeksinstellingen

Hoofdstedelijk gewest, geeft een licht verschil voor de totale

verbonden aan universiteiten, als hogescholen)

GERD cijfers.

l

l

Instellingen zonder winstoogmerk: PNP: Not for Profit Organisations Expenditures on R&D (zowel semi-publieke als private organisaties en internationale organisaties)


87

6.2 GERD PER UITVOERINGSSECTOR

Waar historisch de GERD een opwaartse trend vertoonde en 2001 een piekjaar was, constateerden we een dalende trend in

In een eerste onderdeel wordt een overzicht gegeven van alle

de GERD voor de periode 2001-2003. Deze daling stabiliseerde

componenten van de GERD voor Vlaanderen. Het betreft hier

in 2004. Voor 2005 merkten we dat de GERD opnieuw steeg.

de BERD (met enerzijds de bedrijvencomponent (BERD-

In de recente cijfers zien we een beperkte daling in 2006 ten

bedrijven) en anderzijds de collectieve onderzoekscentra COC),

opzichte van 2005, opnieuw gevolgd door een stijging in 2007.

1

de GOVERD (O&O-uitgaven van de overheid) , de HERD (Hoger

Zowel de BERDbedrijven, de BERDcollectieve-onderzoekscentra,

Onderwijs) en de PNP (Instellingen zonder winstoogmerk).

de GOVERD, HERD, en PNP vertonen in constante prijzen

De berekening van de HERD kan, zoals eerder aangegeven,

voor het jaar 2007 een stijging ten opzichte van 2005.

op twee manieren gebeuren: volgens gewest en volgens gemeenschap. Tabel 6.1 geeft de internationaal vergelijkbare

Ter vergelijking, wordt in tabel 6.3 de gemeenschaps-

gewestbenadering in lopende prijzen.

benadering4 weergegeven in lopende prijzen, in tabel 6.4 volgt dezelfde benadering in constante prijzen (basisjaar 2000).

Om een correcte vergelijking over de tijd mogelijk te maken en reële trends te identificeren, drukken we in tabel 6.2 de GERD-

Uit deze resultaten blijkt dat de bedrijven het overgrote deel

cijfers uit in constante prijzen (met basis 2000). De deflator die

van de totale O&O-uitgaven voor hun rekening nemen: in 2007

binnen de overleggroep CFS-STAT gebruikt wordt om de

werden volgens de gewestbenadering 67,6% van de totale

O&O-uitgaven te herrekenen in constante prijzen is de OESO

O&O-uitgaven gerealiseerd door de bedrijven. De universiteiten

MSTI-deflator, specifiek voor O&O-uitgaven (Bron: OECD,

en hogescholen (HERD) zijn de tweede grootste uitvoerder met

Main Science and Technology Indicators, 2008/1)2.

(voor 2007) 19,2% van de totale GERD op gewestniveau.

Tabel 6.1:

GERD voor het Vlaams Gewest in miljoen euro (lopende prijzen)*

(in miljoen euro)

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

BERD-bedrijven

1.357

1.421

1.472

1.614

1.804

1.897

2.119

2.426

2.659

2.412

2.332

2.313

2.441

2.446

2.601

22

23

24

31

31

43

43

60

59

47

47

37

44

43

49

GOVERD

96

104

109

146

160

192

220

232

248

281

261

335

380

382

418

311

331

343

367

400

438

460

482

524

541

600

624

667

689

739

29

32

31

32

32

32

33

34

35

36

36

37

38

39

40

1.815

1.912

1.979

2.190

2.427

2.603

2.875

3.235

3.525

3.317

3.276

3.346

3.571

3.597

3.847

HERD gew. PNP GERD

Tabel 6.2:

GERD voor het Vlaams Gewest in miljoen euro (constante prijzen, op basis van 2000: MSTI-deflator)*

(in miljoen euro)

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

BERD-bedrijven

1.487

1.525

1.561

1.702

1.882

1.939

2.158

2.426

2.606

2.321

2.208

2.138

2.202

2.163

2.256

25

25

25

33

33

44

44

60

58

45

44

34

40

38

43

GOVERD

105

112

116

154

167

196

224

232

243

270

247

310

342

338

363

HERD gew.

341

355

364

387

417

448

469

482

514

520

568

577

602

609

641

32

35

33

33

33

33

33

34

34

35

34

34

34

34

35

1.989

2.051

2.098

2.310

2.532

2.660

2.928

3.235

3.455

3.192

3.102

3.094

3.220

3.182

3.338

Collectieve centra

PNP GERD

* Bron: Eigen berekeningen in coördinatie met Commissie Federale Samenwerking, CFS/STAT 3 1 De instellingen IMEC en VIB worden voor de gehele periode 1993-2007 ingedeeld bij GOVERD en niet bij HERD, zoals in het verleden het geval was. 2 Deze MSTI deflator is evenwel niet specifiek voor Vlaanderen. De door de VRWB ontwikkelde specifieke O&O-deflator voor Vlaanderen is niet beschikbaar voor de meest recente jaren. Specifiek voor Vlaanderen en beschikbaar voor de gehele tijdsperiode is de BBPR deflator, maar deze is niet specifiek voor O&O (cf. infra). 3 Zoals aangegeven in hoofdstuk 4 van dit Indicatorenboek, bevatten de BERDbedrijven cijfers voor 2006 en 2007 voor Vlaanderen extrapolaties bij de ontbrekende cijfers die gebaseerd zijn op enkel Vlaamse gegevens. Wanneer de cijfers voor België beschikbaar zullen zijn, kunnen de extrapolaties verder verfijnd worden, wat nog een lichte verandering in de BERDbedrijven tijdsreeks kan geven, conform met de Belgisch BERDbedrijven tijdsreeks. Deze laatste aanpassing is de zogenaamde top-down aanpassing van de tijdsreeks, in aanvulling op de bottom-up extrapolaties die nu gebeurd zijn. 4 Het verschil tussen de gewest- en de gemeenschapscijfers voor de HERD zijn de instellingen gelokaliseerd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: Vrije Universiteit Brussel, Katholieke Universiteit Brussel, Erasmushogeschool Brussel, EHSAL, Hogeschool voor Wetenschap en Kunst, en Universitair Instituut voor het Jodendom. Deze instellingen zijn niet opgenomen in de HERDgewest, maar wel in de HERDgemeenschap.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 6

Collectieve centra


88

Tabel 6.3:

GERD voor de Vlaamse Gemeenschap in miljoen euro (lopende prijzen)*

(in miljoen euro)

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

BERD-bedrijven

1.357

1.421

1.472

1.614

1.804

1.897

2.119

2.426

2.659

2.412

2.332

2.313

2.441

2.446

2.601

Collectieve centra

22

23

24

31

31

43

43

60

59

47

47

37

44

43

49

GOVERD

96

104

109

146

160

192

220

232

248

281

261

335

380

382

418

362

384

402

412

469

500

516

550

588

609

667

692

738

741

796

HERD gem. PNP GERD gem.

Tabel 6.4:

29

32

31

32

32

32

33

34

35

36

36

37

38

39

40

1.867

1.965

2.038

2.234

2.496

2.665

2.931

3.302

3.589

3.385

3.343

3.413

3.641

3.650

3.904

GERD voor de Vlaamse Gemeenschap in miljoen euro (constante prijzen, op basis van 2000: MSTI-deflator)*

(in miljoen euro)

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

BERD-bedrijven

1.487

1.525

1.561

1.702

1.882

1.939

2.158

2.426

2.606

2.321

2.208

2.138

2.202

2.163

2.256

25

25

25

33

33

44

44

60

58

45

44

34

40

38

43

GOVERD

105

112

116

154

167

196

224

232

243

270

247

310

342

338

363

HERD gem.

397

413

426

434

489

511

526

550

576

586

632

640

666

655

691

32

35

33

33

33

33

33

34

34

35

34

34

34

34

35

2.045

2.109

2.160

2.356

2.604

2.724

2.985

3.302

3.517

3.258

3.165

3.156

3.284

3.228

3.387

Collectieve centra

PNP GERD gem.

Tabel 6.5:

Het aandeel van de BERD en NonBERD in de GERD voor het Vlaams Gewest (gebaseerd op lopende prijzen)*

(in miljoen euro) BERD nonBERD GERD

1993 1.379 436 1.815

1994 1.444 467 1.912

1995 1.496 484 1.979

1996 1.645 545 2.190

1997 1.835 591 2.427

1998 1.940 662 2.603

1999 2.162 713 2.875

2000 2.486 748 3.235

2001 2.718 807 3.525

2002 2.459 858 3.317

2003 2.379 897 3.276

2004 2.349 996 3.346

2005 2.486 1.085 3.571

2006 2.488 1.109 3.597

2007 2.650 1.197 3.847

BERD/GERD nonBERD/GERD

0,76

0,76

0,76

0,75

0,76

0,75

0,75

0,77

0,77

0,74

0,73

0,70

0,70

0,69

0,69

0,24

0,24

0,24

0,25

0,24

0,25

0,25

0,23

0,23

0,26

0,27

0,30

0,30

0,31

0,31

Tabel 6.6:

Het aandeel van de BERD en NonBERD in de GERD voor de Vlaamse Gemeenschap (gebaseerd op lopende prijzen)*

(in miljoen euro) BERD nonBERD GERDgem

BERD/GERDgem nonBERD/GERDgem

1993 1.379 487 1.867

1994 1.444 521 1.965

1995 1.496 542 2.038

1996 1.645 589 2.234

1997 1.835 660 2.496

1998 1.940 725 2.665

1999 2.162 769 2.931

2000 2.486 816 3.302

2001 2.718 870 3.589

2002 2.459 926 3.385

2003 2.379 964 3.343

2004 2.349 1.064 3.413

2005 2.486 1.156 3.641

2006 2.488 1.161 3.650

2007 2.650 1.254 3.904

0,74

0,73

0,73

0,74

0,74

0,73

0,74

0,75

0,76

0,73

0,71

0,69

0,68

0,68

0,68

0,26

0,27

0,27

0,26

0,26

0,27

0,26

0,25

0,24

0,27

0,29

0,31

0,32

0,32

0,32

* Bron: Eigen berekeningen in coördinatie met Commissie Federale Samenwerking, CFS/STAT

Tabel 6.5 splitst de GERD op in twee categorieën van

Het aandeel van BERD in de totale GERD daalde in de periode

uitvoerders: privaat versus publiek. De eerste categorie omvat

2001-2004; een reflectie van de daling in de BERD uitgaven in

de BERD (bedrijvencomponent en collectieve onderzoeks-

de periode 2001-2004, die zich niet voordeed in de non-BERD

centra). De tweede categorie omvat de GOVERD, de HERD en

component. In de periode 2006-2007 lijken de aandelen van

de PNP. De O&O-uitgaven van beide categorieën worden

BERD en nonBERD zich echter te stabiliseren. Ter vergelijking

eerst in absolute getallen weergegeven en daarna procentueel

geeft tabel 6.6 de gemeenschapsbenadering.

ten opzichte van de totale GERD.


89

6.3 O&O-INTENSITEIT: GERD ALS % VAN HET BBPR VOOR VLAANDEREN

In tabel 6.8 worden ook de 2 componenten van de GERD (namelijk het BERD- en het nonBERDgedeelte) voorgesteld als percentage van het BBPR. Waar de BERD/BBPR-ratio een

Een van de meest gebruikte indicatoren om de O&O-activiteit van

dalende lijn vertoonde tussen 2001 en 2004, en lichtjes steeg

een regio weer te geven, is de O&O-intensiteit: het percentage

in 2005, zien we voor 2006 en 2007 opnieuw een lager

van het BBPR dat besteed wordt aan O&O. Tabel 6.7. geeft het

aandeel dan in 2005. De nonBERD/BBPR-ratio steeg over de

BBPR weer voor Vlaanderen in lopende prijzen.

gehele periode 1995-2005, en stabiliseert in 2006 en 2007. Volgens deze benadering krijgen we voor 2007 een

Wanneer we de totale O&O-uitgaven (GERD) uitdrukken als %

percentage van 1,40% uitgevoerd door de private sector en

van het BBPR bekomen we voor 2007 een percentage van

0,63% door de publieke sector.

2,03% voor de GERD op gewestniveau en 2,06% voor de GERD op gemeenschapsniveau. De volledige historische reeksen worden weergegeven in tabel 6.8 en 6.95. Na een stijging in 2005, zien we dat de totale O&O-uitgaven als percentage van het BBPR in 2006 opnieuw dalen tot 1,97% (gewestniveau). In 2007 zien we echter opnieuw een stijging tot 2,03%, maar de 3% doelstelling is duidelijk nog niet in zicht. Ter nuancering verwijzen we hierbij naar de uitermate sterke groei van het BBPR tussen 2005 en 2007. Een groei, die tengevolge van de aanwezigheid in de noemer van de intensiteitsberekening, uiteraard extra uitdagingen stelt aan de benodigde groei van de O&O-uitgaven, die in de teller van de

Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering (september/oktober 2008)

breuk terechtkomen.

Tabel 6.7:

Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen (lopende prijzen)

(in miljoen euro)

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering (september/oktober 2008)

Tabel 6.8:

BERD, nonBERD en GERD als percentage van het BBPR voor het Vlaams Gewest

(in %) BERD/BBRP nonBERD/BBRP GERD/BBRP

Tabel 6.9:

1993 1,29 0,41 1,70

1994 1,28 0,41 1,69

1995 1,27 0,41 1,68

1996 1,37 0,45 1,82

1997 1,45 0,47 1,91

1998 1,48 0,50 1,98

1999 1,58 0,52 2,11

2000 1,72 0,52 2,24

2001 1,83 0,54 2,38

2002 1,61 0,56 2,17

2003 1,51 0,57 2,08

2004 1,41 0,60 2,01

2005 1,44 0,63 2,06

2006 1,36 0,61 1,97

2007 1,40 0,63 2,03

2004 1,41 0,64 2,05

2005 1,44 0,67 2,10

2006 1,36 0,63 1,99

2007 1,40 0,66 2,06

BERD, nonBERD en GERD als percentage van het BBPR voor de Vlaamse Gemeenschap

(in %) BERD/BBRP nonBERD/BBRP GERD/BBRP

1993 1,29 0,46 1,75

1994 1,28 0,46 1,74

1995 1,27 0,46 1,72

1996 1,37 0,49 1,86

1997 1,45 0,52 1,97

1998 1,48 0,55 2,03

1999 1,58 0,56 2,15

2000 1,72 0,57 2,29

2001 1,83 0,59 2,42

2002 1,61 0,61 2,21

2003 1,51 0,61 2,12

5 De historische cijfers voor het BBPR worden continu, ook retroactief, aangepast door de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Doordat dat het BBPR voor 2004 en 2005 recentelijk sterk werd aangepast door de verantwoordelijke studiediensten, verschillen de waarden in tabel 6.8 en 6.9 van de waarden in vorige edities van dit Indicatorenboek.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 6

106.704 113.183 118.163 120.045 126.808 131.198 136.579 144.325 148.202 152.974 157.412 166.378 173.170 182.981 189.566


90

Tabel 6.10: Internationale vergelijking van de BERD/BBPR en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)* DK

DE

ES

FR

IE

IT

BERD/BBRP

1,62 (p)

1,77 (p)

0,67

1,34 (p)

0,89 (b)

0,55 (p)

Referentiejaar

2006

2007

2006

2006

2007

2007

NL

FI

0,96 (p) 2,44 (bp) 2006

2007

SE

UK

US

JP

2,79

1,10

1,84 (jp)

2,62

2006

2006

2006

2006

EU27

BE

1,11 (bp) 1,24 (p) 2006

2006

VLA 1,40 2007

Tabel 6.11: Internationale vergelijking van de nonBERD/BBPR en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)*

nonBERD/BBRP Referentiejaar

DK

DE

ES

FR

IE

IT

0,81 (p)

0,76 (p)

0,53

0,77 (p)

0,44 (b)

0,54

2006

2006

2006

2006

2007

2005

NL

FI

0,71 (cp) 0,97 (bp) 2007

2007

SE

UK

US

JP

0,94

0,68

0,78 (jp)

0,77

2006

2006

2006

2006

EU27

BE

0,65 (bp) 0,59 (p) 2006

VLA 0,63

2006

2007

BE

VLA

Tabel 6.12: Internationale vergelijking van de GERD/BBPR en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)* DK

DE

ES

FR

IE

GERD/BBRP

2,43 (p)

Referentiejaar

2006

IT

NL

FI

2,53 ( p)

1,20

2,11 (p)

2006

2006

2006

1,33 (b)

1,09

1,67 (cp)

3,41 (p)

2007

2005

2006

2007

SE

UK

US

JP

3,73

1,78

2,62 (jp)

3,39

2006

2006

2006

2006

EU27

1,76 (bp) 1,83 (p) 2006

2006

2,03 2007

* Bron:OECD, Main Science and Technology Indicators, 2008/1 b = schatting door Eurostat; c = nationale schatting; j = (meeste) kapitaaluitgaven niet meegerekend; p = provisioneel

6.4 EEN INTERNATIONALE VERGELIJKING

Bovendien zitten we ook nog ver onder de ratio’s voor de VS en Japan. Bij de vergelijking moeten we er rekening mee

Om de Vlaamse resultaten naar waarde te kunnen schatten, is

houden dat de cijfers per land betrekking hebben op een

een internationale vergelijking noodzakelijk. We vergelijken

verschillend referentiejaar (zie tabel 6.10).

6

Vlaanderen met andere Europese landen, de VS en Japan . Daarnaast kunnen ook de O&O-uitgaven in publieke In eerste instantie vergelijken we internationaal de grootste

instellingen in een internationale context geplaatst worden.

GERD component, zijnde de BERD (de bedrijvencomponent

Voor Vlaanderen wordt de nonBERD/BBPR ratio in 2007:

en de collectieve onderzoekscentra). Om het grootte-effect uit

0,63% (zie tabel 6.8). De internationale vergelijking wordt

te schakelen, drukken we de BERD uit als % van het BBP.

voorgesteld in tabel 6.11. Daaruit blijkt dat de Vlaamse ratio

We herhalen de procedure voor het non-BERD gedeelte

het EU-27 gemiddelde (0,65%) benadert, maar nog ver

(wat overeenkomt met de GOVERD, de HERD en de PNP).

verwijderd is van de ratio in onze buurlanden, VS, Japan en de Scandinavische landen.

De ratio BERD/BBPR komt voor Vlaanderen op 1,36% en 1,40%, respectievelijk voor 2006 en 2007 (zie tabel 6.8).

Wanneer we beide ratio’s per land samentellen, verkrijgen we

Wanneer we dit vergelijken met het gemiddelde van de EU-27

de totale O&O-uitgaven GERD/BBPR per land zie (tabel 6.12).

(1,11%) blijkt dat Vlaamse bedrijven relatief meer investeren in

Dit maakt duidelijk dat de Vlaamse ratio (2,03% in de inter-

O&O, ook in vergelijking met onze buurlanden Nederland,

nationaal vergelijkbare gewestbenadering) nog steeds hoger

Frankrijk en VK. Maar dit is nog beduidend lager dan in de

ligt dan het EU-gemiddelde (voor 27 landen), maar toch

EU-toplanden: Finland en Zweden.

beduidend lager dan de Scandinavische landen, de VS en Japan.

6 Een vergelijking met ander regio’s zou voor Vlaanderen meer relevant zijn. Maar internationaal vergelijkbare regionale cijfers zijn nog in ontwikkeling, en voorlopig nog niet voldoende gestandaardiseerd en regulier beschikbaar.


91

6.5 CONCLUSIES Waar historisch de GERD een opwaartse trend vertoonde en 2001 een piekjaar was, constateerden we een dalende trend voor de GERD voor de periode 2001-2003. Deze daling stabiliseerde

APPENDIX: OVERZICHT VAN DE COLLECTIEVE ONDERZOEKSCENTRA (BERD COLLECTIEVE CENTRA), PUBLIEKE ONDERZOEKSCENTRA (GOVERD), EN PARTICULIERE NON-PROFIT INSTELLINGEN (PNP)

in 2004. Voor 2005 merkten we dat de GERD opnieuw steeg. In de recente cijfers zien we een beperkte daling in 2006 ten

Collectieve Onderzoekscentra

opzichte van 2005, opnieuw gevolgd door een stijging in 2007. Collectieve centra bevatten zowel sectorale centra (die

de GOVERD, de HERD, en de PNP vertonen in constante

uitgesplitst worden naar de drie gewesten), autonome centra

prijzen voor het jaar 2007 een stijging ten opzichte van 2005.

als competentiepolen.

Wanneer we de totale O&O-uitgaven (GERD) uitdrukken als %

• Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Belgische Textielnijverheid (CENTEXBEL) - Vlaams Gewest • Sirris - Vlaams Gewest • Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw (OCW) Vlaams Gewest • Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB) - Vlaams Gewest • Wetenschappelijk en Technisch Onderzoekcentrum voor Diamant (WTOCD) • Centrum voor Research in de Metallurgie (CRM) Vlaams Gewest • Belgisch Instituut voor Lastechniek • Koninklijk Belgisch Instituut tot verbetering v/d biet • Proefcentrum Fruitteelt vzw • Proefcentrum voor de Sierteelt • Proefstation voor de groententeelt vzw • BECETEL • Provinciaal onderzoeks- en voorlichtingscentrum voor land- en tuinbouw • Provinciaal Proefcentrum van de Groententeelt O.-Vlaanderen vzw • Proefbedrijf voor Witloof • Vlaamse Rundveeteeltvereniging • Vlaams Centrum voor de Bewaring van Tuinbouwproducten (VCBT) vzw • Interprovinciaal Proefcentrum voor de Aardappelteelt O.-Vlaanderen (PCA) • Vlaams Kunststofcentrum (VKC) • Vlaams Instituut voor de Logistiek (VIL) • Flanders DRIVE Netwerk • Incubatiepuntvoor Geoinformatie (IncGEO) • Productinnovatie en industrieel design • Flanders Food vzw • Flanders Mechatronics Technology Centre (FMTC) • Flanders Materials Center (FLAMAC) • Flanders District of Creativity (Flanders DC) • Clusta vzw • Vlaams Instituut voor de Mobiliteit

van het BBPR bekomen we voor 2007 een percentage van 2,03% voor de GERD op gewestniveau en 2,06% voor de GERD op gemeenschapsniveau. In vergelijking met de EU, zit Vlaanderen daarmee behoorlijk boven het EU-gemiddelde, maar toch nog een stuk verwijderd van de 3% O&O-norm, de doelstelling voor 2014. Na een stijging in 2005, zien we dat de totale O&O-uitgaven als percentage van het BBPR in 2006 opnieuw dalen tot 1,97% (gewestniveau). In 2007 zien we echter opnieuw een stijging tot 2,03%. Deze cijfers dienen genuanceerd te worden gezien de uitermate sterke groei van het BBPR tussen 2005 en 2007. Ondernemingen staan – zoals verwacht – in voor het leeuwenaandeel van de O&O in Vlaanderen. BERD als % van het BBPR bedraagt in 2007 1,40% (ten opzichte van 1,44% in 2005), waarmee Vlaanderen boven het EU27-gemiddelde scoort. De niet-BERD component van O&O bestedingen als % van het BBPR bedraagt in Vlaanderen 0,63% voor 2007 (ten opzichte van 0,63% in 2005), wat het EU27-gemiddelde benadert.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 6

Zowel de BERDbedrijven, de BERDcollectieve-onderzoekscentra,


92

Publieke Onderzoekscentra

Particuliere Non-profit Instellingen

Dit luik omvat de vier 'grote' onderzoekscentra, de Vlaamse

De particuliere non-profit instellingen bevatten semi-publieke

wetenschappelijke instellingen gelegen in het Vlaams Gewest,

instellingen, particuliere instellingen en internationale instellingen

de federale onderzoekinstellingen die in het Vlaams Gewest

uit het Vlaams Gewest.

gelegen zijn, en de lokale onderzoeksinstellingen die aan de provincie gelinkt zijn.

• Vlaamse compostorganisatie (VLACO) • Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde

• Algemeen Rijksarchief en het Rijksarchief in de Provinciën Vlaams Gewest

• Mobiel 21 vzw • BIKIT

• Belgisch Historisch Instituut te Rome

• Von Karman Institute for Fluid Dynamics

• Studiecentrum voor Kernenergie - Mol

• Centrum voor Gemeenschappelijk Onderzoek van de EG

• Koninklijk Museum voor Midden-Afrika • Nationale Plantentuin van België • Koninklijk Museum voor Schone Kunsten - Antwerpen • Afdeling Waterbouwkundig Laboratorium en Hydrologisch onderzoek (WLH) • Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO) • Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde • VITO • IMEC • VIB • UNU_CRIS • Interdisciplinair Instituut Breedbandtechnologie (IBBT) • Provinciaal Centrum voor opsporing van metabole aandoeningen • Hooibeekhoeve • Proefbedrijf voor de veehouderij Onderstaande Vlaamse onderzoekinstellingen worden niet meegerekend voor de Vlaamse O&O cijfers, aangezien zij in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn: • Studiedienst Vlaamse Regering • Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) • Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed • Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België • Stichting Technologie Vlaanderen • viWTA


93

DEEL 2 H E T TOTA L E O & O - P E R S O N E E L BINNEN VLAANDEREN

Door Peter Viaene (EWI)

06


94

6.1 TOTAALBEELD EN INTERNATIONALE VERGELIJKING

Tabel 6.1 biedt een evolutieoverzicht van het O&O-personeel voor Vlaanderen tussen 1993 en 2007 voor de vier uitvoeringssectoren: de ondernemingen (BERD), de publieke

Menselijk potentieel (zowel de aanwezigheid als de kwaliteit) is

onderzoekscentra (GOVERD), het hoger onderwijs - gewest-

van groot belang in de verdere economische en technologische

benadering (HERD) en de publieke en particuliere non-profit

ontwikkeling van een land of regio. In de huidige globale

organisaties (PNP).

kenniseconomie staat kennis(ontwikkeling) centraal, zeker bij innovatie en economische groei. Daarom vormen zowel

Voor het hoger onderwijs binnen de Belgische staatsstructuur

investeringen in menselijk potentieel als kennisontwikkeling

bestaan er twee benaderingen voor het meten van het

belangrijke elementen in een omgeving waar concurrentie

O&O-personeel. Bij de gemeenschapsbenadering worden de

meer dan ooit geldt.

O&O-inspanningen van alle instellingen binnen het hoger onderwijs – ook de Vlaamse instellingen gelegen in het Brusselse 1

De OESO Canberra Manual onderscheidt voor het meten van

Hoofdstedelijk Gewest – verrekend. Bij de gewestbenadering geldt

menselijk potentieel twee benaderingen. De eerste benadering

de territoriale opdeling en worden enkel de O&O-inspanningen

kijkt naar het hoogste behaalde opleidingsniveau van het

van het hoger onderwijs uit het Vlaamse Gewest opgeteld.

O&O-personeel. Deze benadering is minder bruikbaar omdat

Voor de internationale vergelijking van het hoger onderwijs

er geen rekening gehouden wordt met onderzoekservaring,

wordt hier enkel het gewestcijfer gebruikt.

zelfontwikkeling en kennisuitbouw via bijvoorbeeld netwerking. De andere benadering voor het meten van menselijk potentieel

Bij de trendbreuk in de cijfers voor de bedrijven tussen 2001

vertrekt vanuit de functie van het personeelslid. Hierbij wordt

en 2002 is enige toelichting vereist. Er was een reële daling van

gekeken naar het type werk dat het O&O-personeel uitoefent.

het O&O-personeel (voltijdse eenheden) bij de bedrijven voor

Het gaat hierbij om de volgende categorieën: onderzoekers,

2002 en 2003 vast te stellen. Daarnaast werden ook correcties

technisch personeel en overig personeel (administratief personeel).

aangebracht voor bedrijven die op basis van de O&O-enquête 2004 geen O&O-activiteiten meer bleken uit te oefenen.

In dit hoofdstuk worden de Vlaamse cijfers afkomstig van twee

De cijfers voor 2001 bevatten uiteraard wel deze gegevens en

grote informatiebronnen geaggregeerd tot een totaalcijfer voor

verklaren de trendbreuk met 2002. Vanaf 2004 tot 2007 steeg

het Vlaamse Gewest. Enerzijds is er de bevraging die tweejaarlijks

het totale Vlaamse O&O-personeelscijfer opnieuw. Het totaal

door de Vlaamse overheid, Departement Economie, Wetenschap

O&O-personeel voor het Vlaamse Gewest, is de voorbije vijf

en Innovatie (EWI) georganiseerd wordt in samenwerking met

jaar toegenomen met 12,8% tot ongeveer 35.953 voltijdse

de POD Wetenschapsbeleid over de O&O-inspanningen uit de

equivalenten (VTE) in 2007. Daarenboven stegen de

non-profit (zie hoofdstuk 5). Anderzijds is er een bevraging,

personeelsinspanningen zowel voor de ondernemingen als

uitgevoerd door het Expertisecentrum O&O Monitoring,

voor de publieke sector. Tussen 2002 en 2007 was de stijging

die tweejaarlijks de O&O-inspanningen van de bedrijven

het grootst bij het hoger onderwijs (+31,6%), maar ook de

analyseert (zie hoofdstuk 4).

publieke onderzoekscentra (+13,2%) en de ondernemingen (+5,6%) noteerden een aanzienlijke groei.

Lichte aanpassingen aan de historische cijfers uit het Vlaams Indicatorenboek WTI 2007 duiden op gewijzigde geaggregeerde Belgische cijfers van de regionale resultaten. Het totale O&Opersoneel voor Vlaanderen (2007) wordt vervolgens verder opgesplitst naar geslacht, functie, opleiding, de combinatie functie én geslacht en het opleidingsniveau én geslacht. Voor de bedrijven (profit) gebeurt dit op basis van de geobserveerde ratio’s van de steekproefgegevens en niet op basis van alle gegevens voor alle ondernemingen.

1 De OESO Canberra Manual ‘The Measurement of Human Resources in Science and Technology” opgemaakt in samenwerking met de EU (Eurostat en DG Onderzoek).


95

Tabel 6.1:

Overzicht van het totale O&O personeel over de verschillende sectoren (1993-2007) 1993

1996

1999

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

13.205,6

16.549,6

19.700,7

23.708,2

20.865,1

20.454,1

20.663,1

21.360,3

21.417,9

22.036,6

5,6%

1.152,8

1.466,7

1.894,8

2.369,6

2.351,3

2.415,0

2.388,4

2.471,2

2.531,9

2.661,1

13,2%

O&O-personeel Vlaanderen Ondernemingen Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's* Hoger onderwijs (gewest) Totaal met hoger onderwijs gewest

%-groei 2002-2007

294,6

340,2

347,4

361,3

366,4

364,3

374,2

368,5

360,1

360,4

-1,7%

5.975,3

5.603,0

7.458,5

8.227,2

8.279,6

8.610,7

9.759,8

9.987,3

10.385,4

10.894,6

31,6%

20.628,2

23.959,4

29.401,4

34.666,2

31.862,4

31.844,1

33.185,5

34.187,3

34.695,2

35.952,6

12,8%

* NPO’s: non-profit organisaties

In tabel 6.2 wordt de internationale vergelijking van het Figuur 6.1: Het O&O personeel in het Vlaams Gewest

O&O-personeel voor Vlaanderen (2007) gemaakt samen met de verhouding ten opzichte van de totale bevolking. Het is

opgedeeld voor 2007

duidelijk dat deze cijfers enkel richtinggevend zijn om de prestaties van Vlaanderen internationaal te meten. Het gaat hier immers om een vergelijking van verschillende landen met elk hun eigen omvang (bevolking, onderwijssysteem) en hun 30,3%

wetenschappelijke structuur. Uit de vergelijking blijkt dat het O&O-personeel voor 2007 lager ligt in Vlaanderen dan vergelijkbare landen zoals Finland en Denemarken. Wanneer deze ratio van het O&O-personeel internationaal vergeleken wordt, levert dit volgende resultaten op. Vlaanderen scoort met

1,0%

61,3%

0,59% een stuk boven het Europese gemiddelde en ongeveer gelijklopend met de cijfers voor Duitsland en Nederland.

7,4%

De Scandinavische landen scoren heel wat hoger en het verschil is vrij aanzienlijk.

n Ondernemingen

n Publieke en particuliere NPO’s*

enkele verduidelijkingen noodzakelijk. De procentuele cijfers

n Publieke onderzoekscentra

n Hoger onderwijs (gewest)

voor de instellingen uit de publieke sector en de collectieve centra zijn niet gebaseerd op steekproeven maar hebben

* NPO’s: non-profit organisaties

telkens betrekking op alle instellingen uit de diverse sectoren. De vergelijkingsbasis voor de bedrijven is op een andere

In figuur 6.1 wordt de verdeling van het O&O-personeel over

manier opgebouwd. Enkel volledige (ingevulde) antwoorden uit

de verschillende O&O-actoren weergegeven. Hieruit blijkt

de beperkte steekproef bij de ondernemingen werden in de

dat ruim 61% van het O&O-personeel actief is binnen

analyseresultaten opgenomen. Dit verklaart het verschillende

de ondernemingen of de privé sector. Ongeveer 30% oefent

aantal antwoorden per variabele (geslacht, functie, opleidings-

O&O-activiteiten uit onder de koepel van het hoger onderwijs.

graad en de combinatie tussen meerdere variabelen).

De publieke onderzoekscentra noteren een O&O-aandeel van

Daarom werd de afspraak gemaakt met het Expertisecentrum

7,4% en de particuliere non-profitorganisaties tekenen het

O&O Monitoring, dat bij elke variabele uitdrukkelijk vermeld

kleinste aandeel (1,0%) op. De O&O-activiteiten concentreren

wordt op hoeveel bedrijven de geanalyseerde cijfers betrekking

zich bij de bedrijven en het hoger onderwijs en in mindere

hebben. De berekende ratio’s voor de bedrijven (voor tabel 6.3

mate bij de publieke onderzoekscentra. Ten opzichte van 2005

tot en met 6.7) kunnen dan ook niet zomaar toegepast worden

verliezen de ondernemingen wel lichtjes aandeel ten voordele

op het totale personeelscijfer voor O&O zoals vermeld in

van het hoger onderwijs. Voor de andere sectoren zijn er

tabel 6.1 voor 2007. Dit zou immers leiden tot statistische

nauwelijks verschillen merkbaar.

vertekeningen van de analyseresultaten. Daar de grootte van de verschillende steekproeven toegenomen is, neemt de representativiteit van de analyseresultaten wel toe.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 6

Bij de ratiogegevens uit tabel 6.3 tot en met tabel 6.7 zijn


96

Tabel 6.2:

Internationale vergelijking van het O&O-personeel Totale O&O-personeel (in VTE)

Totale bevolking

Aandeel in de totale bevolking

Vlaanderen (2007) (gewest)

35.953

6.117.440

0,59%

BelgiĂŤ* (2006)

55.161

10.543.000

0,52%

Nederland** (2006)

94.689

16.341.000

0,58%

Frankrijk (2005)

353.554

63.195.000

0,56%

Duitsland (2006)

489.145

82.366.000

0,59%

-

299.833.000

VS

935.182

127.755.000

2.258.669

493.872.000

0,46%

Denemarken* (2006)

45.182

5.437.000

0,83%

Finland (2006)

58.257

5.266.000

1,11%

Zweden (2006)

78.715

9.081.000

0,87%

Noorwegen* (2006)

31.745

4.661.000

0,68%

Japan (2004) EU-27** (2006)

0,73%

Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1+ Studiedienst Vlaamse Regering (bevolking-Vlaams Gewest) * Voorlopige cijfers ** Schattingen gemaakt door het secretariaat, voor Nederland (eigen berekeningen)

Tabel 6.3:

O&O-personeel naar functie voor 2007 (%-verdeling naar sector)

O&O personeel 2007

Onderzoekers

Technisch personeel

Overig personeel

Bedrijven*

63,9%

25,9%

10,1%

Collectieve centra

42,3%

50,8%

6,9%

Hoger onderwijs (gewest)

79,5%

13,8%

6,7%

Publieke onderzoekscentra

59,3%

26,7%

14,1%

Publieke en particuliere non-profit organisaties

52,8%

27,2%

20,0%

Private sector

Publieke sector

* Gebaseerd op antwoorden van 456 bedrijven

Tabel 6.4:

O&O-personeel naar diploma voor 2007 (%-verdeling per sector)

O&O personeel 2007

Universitaire diploma's

Diploma's hoger onderwijs 1 cyclus

Andere kwalificaties

Bedrijven*

58,5%

25,0%

16,6%

Collectieve centra

57,8%

23,7%

18,5%

Hoger onderwijs (gewest)

84,1%

12,0%

3,9%

Publieke onderzoekscentra

66,6%

17,2%

16,2%

Publieke en particuliere non-profit organisaties

59,5%

28,7%

11,8%

Private sector

Publieke sector

* Gebaseerd op antwoorden van 423 bedrijven

In tabel 6.3 wordt het O&O-personeel (publiek en privaat)

Het aandeel technici bij de bedrijven ligt merkbaar lager dan

voor 2007 opgesplitst naar functie. Het hoogste percentage

de enquĂŞteresultaten voor 2005. Bij de publieke sector blijft

onderzoekers (79,5%) is voor rekening van het hoger

het aandeel van het technisch personeel nagenoeg constant

onderwijs. Het aandeel onderzoekers bij de bedrijven

ten opzichte van 2005. Behalve voor het hoger onderwijs (een

(gebaseerd op meer observaties) bedraagt bijna 64%, een pak

lichte stijging) wijzigt het percentage onderzoekers ook

hoger dan de resultaten voor 2005.

nauwelijks in de publieke sector.


97

Tabel 6.5:

O&O-personeel naar geslacht voor 2007 (%-verdeling per sector)

O&O personeel 2007

Mannen

Vrouwen

Bedrijven*

72,5%

27,5%

Collectieve centra

72,7%

27,3%

Hoger onderwijs (gewest)

53,4%

46,6%

Publieke onderzoekscentra

66,8%

33,2%

Publieke en particuliere non-profit organisaties

54,2%

45,8%

Private sector

Publieke sector

* Gebaseerd op antwoorden van 529 bedrijven

Tabel 6.6:

O&O-personeel naar functie en geslacht voor 2007 (%-verdeling per sector)

O&O-personeel 2007

Onderzoekers

Technisch personeel

Ander personeel

Man

Vrouw

Man

Vrouw

Man

Vrouw

Bedrijven*,**,***

76,0%

24,0%

72,3%

27,7%

52,3%

47,7%

Collectieve centra

76,9%

23,1%

72,4%

27,6%

49,7%

50,3%

Hoger onderwijs (gewest)

57,8%

42,2%

36,4%

63,6%

35,4%

64,6%

Publieke onderzoekscentra

69,5%

30,5%

66,0%

34,0%

56,9%

43,1%

Publieke en particuliere non-profit organisaties

60,9%

39,1%

49,4%

50,6%

42,9%

57,1%

Private sector

Publieke sector

* Onderzoekers gebaseerd op antwoorden van 443 bedrijven ** Technisch personeel gebaseerd op antwoorden van 451 bedrijven ***Overig personeel gebaseerd op antwoorden van 482 bedrijven

In de publieke sector ligt het aandeel van de vrouwen hoger

diploma voor alle private en publieke deelsectoren. Ruim 58%

met ongeveer 33% bij de publieke onderzoekscentra

van het O&O-personeel uit de private sector heeft een

(een lichte daling ten opzichte van 2005) tot meer dan 46% bij

universitair diploma. Dit cijfer varieert van ongeveer 60% bij

het hoger onderwijs.

de publieke en particuliere non-profit organisaties en ongeveer 66% bij de publieke onderzoekscentra tot meer dan 84% bij

Tabel 6.6 combineert voor alle uitvoeringssectoren van de

het hoger onderwijs. Het feit dat heel wat studenten na hun

publieke en private sector twee variabelen: functie en geslacht.

universitaire basisopleiding een doctoraatsopleiding starten,

Bij de bedrijven ligt het aandeel vrouwelijk O&O-personeel

verklaart zeker en vast mee het hoge percentage universitaire

zowel bij de onderzoekers als bij het technisch personeel lager.

diploma’s bij het hoger onderwijs. Ten opzichte van 2005 ligt

Het percentage vrouwelijke onderzoekers bedraagt voor de

het percentage universitair geschoolden hoger voor de meeste

bevraagde bedrijven slechts 24%, toch een behoorlijke stijging

subsectoren van het publieke en private onderzoek.

in vergelijking met 2005 toen dit aandeel slechts 16% bedroeg. Ook het aandeel van de vrouwen (technisch personeel), op

Een andere invalshoek voor het vergelijken van de non-profit

basis van de steekproefgegevens bij de bedrijven, is gestegen

en de profit sector vormt de opdeling naar geslacht. In de

van ongeveer 21% in 2005 tot 28% in 2007. Bij de publieke

private sector is er op basis van de enquêteresultaten veel

sector varieert het aandeel van de vrouwelijke onderzoekers

meer mannelijk O&O-personeel actief (om en bij de 72,5%).

van 30,5% voor de publieke onderzoekscentra tot 42,2% voor

In vergelijking met 2005 is zowel het aandeel van het

het hoger onderwijs.

vrouwelijk O&O-personeel voor de bedrijven als voor de collectieve centra gestegen. Ook in 2005 kon er een stijging opgemerkt worden ten opzichte van 2003. De toename was dan wél meer uitgesproken.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 6

Tabel 6.4 geeft een opdeling van het O&O-personeel naar


98

Tabel 6.7:

O&O-personeel naar opleiding en geslacht voor 2007 (%-verdeling naar sector)

O&O-personeel 2007

Universitaire Diploma's

Diploma's hoger onderwijs 1 cyclus

Andere kwalificaties

Man

Vrouw

Man

Vrouw

Man

Vrouw

Bedrijven*,**,***

77,4%

22,6%

60,0%

40,0%

71,4%

28,6%

Collectieve centra

72,3%

27,7%

66,9%

33,1%

81,7%

18,3%

Hoger onderwijs (gewest)

57,5%

42,5%

27,9%

72,1%

42,9%

57,1%

Publieke onderzoekscentra

69,3%

30,7%

46,6%

53,4%

77,8%

22,2%

Publieke en particuliere non-profit organisaties

60,1%

39,9%

48,4%

51,6%

38,7%

61,3%

Private sector

Publieke sector

* Universitaire diploma's gebaseerd op antwoorden van 417 bedrijven ** Diploma's hoger onderwijs 1 cyclus gebaseerd op antwoorden van 439 bedrijven ***Andere kwalificaties gebaseerd op antwoorden van 439 bedrijven

Tabel 6.7 kijkt naar de variabelen geslacht én opleidingsniveau

Op basis van de geanalyseerde enquêtegegevens blijkt

voor het O&O-personeel. Slechts 22% van de universitair

duidelijk dat vrouwelijk O&O-personeel, en zeker vrouwelijke

geschoolde O&O-personeelsleden bij de bevraagde bedrijven

onderzoekers, toch nog altijd ondervertegenwoordigd blijven

zijn vrouwen. Uit de vergelijking voor alle sectoren is dit het

in de private sector. Net als in 2005, kan voor 2007 opnieuw

laagste cijfer. Het hoger onderwijs scoort met 42,5% universitair

een verbetering opgemerkt worden voor beide variabelen bij

geschoolde vrouwen het best. Ten opzichte van de gegevens

de ondernemingen. Wat het aandeel onderzoekers betreft die

voor 2005 is er voor alle subsectoren weinig verandering in de

tewerkgesteld zijn in de bedrijven is er ook een stijging

verhoudingen man/vrouw op te tekenen voor het universitaire

merkbaar ten opzichte van 2005. Beide vaststellingen bieden

personeel. Bij de diploma’s hoger onderwijs 1 cyclus ligt het

positieve signalen voor het privaat onderzoek in Vlaanderen.

aandeel vrouwen voor de bedrijven met ongeveer 40% hoger.

Al blijft de vaststelling, dat vrouwen er nog steeds onder-

Voor de private sector is het percentage gediplomeerden hoger

vertegenwoordigd zijn, extra aandacht verdienen.

onderwijs 1 cyclus wel aanzienlijk gestegen ten opzichte van 2005. Bij de overige sectoren blijven de verhoudingen hier

Wat de publieke sector betreft, blijven alle verhoudingen

relatief constant.

inzake opleidingsniveau, functie en gendersamenstelling relatief stabiel ten opzichte van 2005. Hoe dan ook, tussen het hoger onderwijs en de publieke onderzoekscentra

6.2 BESLUIT

bijvoorbeeld, blijven bepaalde verschillen op het vlak van geslacht en functie van het O&O-personeel overeind.

De positieve trend die tot uiting kwam uit de analyse van de personeelsgegevens voor 2004 en 2005, krijgt voor 2006 en 2007 een positief vervolg. Het O&O-personeel is op twee jaar tijd met ongeveer 1.700 voltijdse eenheden (correspondeert met 5% van het totaal) toegenomen. Deze stijging geldt zowel voor de ondernemingen als voor de publieke (sub)sector(en). Uit de internationale vergelijking blijkt dat Vlaanderen minder goed scoort in vergelijking met de Scandinavische landen wat het O&O-personeel en de verhouding ten opzichte tot de bevolking betreft. Vlaanderen scoort verhoudingsgewijs gelijklopend met de buurlanden en hoger dan het EU-27 gemiddelde.


99

DE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN I N N OVAT I E I N V L A A N D E R E N Door Koen Waeyaert (EWI)

07


100

7.1 INLEIDING

Door de systematische, jaarlijkse opmaak van het HBPWB kan ook de evolutie opgevolgd worden van de kredieten

De inspanningen van de overheid en de privé-sector voor

die aan de verschillende grote indelingen binnen het

onderzoek en ontwikkeling (O&O) en innovatie in het

wetenschappelijke en technologische innovatiebeleid worden

algemeen, zijn van groot belang voor de economische en

toegekend. Ondertussen werd een tijdreeks van zeventien jaar

maatschappelijke ontwikkeling van een land of regio. De input

(1993-2009) opgebouwd. Bovendien wordt ook jaarlijks een

voor O&O wordt gemeten aan de hand van de uitgaven en

bestedingsanalyse

het personeel. De input voor innovatie kan men ruimer zien als

Deze meet de daadwerkelijk benutte middelen voor

alle middelen die worden gespendeerd om wetenschap,

wetenschap en innovatie. Dit betekent dat wordt nagegaan in

technologie en innovatie te stimuleren.

hoeverre de geplande wetenschapskredieten werden besteed

voor

wetenschapsbeleid

uitgevoerd.

en waaraan. De uitgevoerde bestedingsanalyses van het De inspanningen voor O&O meet men op twee verschillende

wetenschapsbudget van 1997 tot en met 2007 geven aan dat

wijzen. Vooreerst kunnen ze afgeleid worden uit retrospectieve

het geplande budget ook daadwerkelijk voor praktisch 100%

surveys van de betrokken actoren (universiteiten, bedrijven, …)

werd benut en bovendien in grote mate in overeenstemming

die daadwerkelijk het onderzoek uitvoeren. Zij rapporteren

is met wat er gepland was. In de EWI-Speurgids 2008

hoeveel hun totale uitgaven bedroegen voor O&O voor werking,

(www.speurgids.be) werd de tijdreeks 1997-2006 behandeld.

personeel, uitrusting en investeringen. Gezien het retrospectieve karakter van de surveys is het moeilijk om zeer recente gegevens

OESO en EUROSTAT nemen de middelen voor O&O in

te bekomen. Verder kunnen een aantal landen slechts ruwe

statistieken op om de inspanningen van overheid en bedrijven

schattingen van de O&O-uitgaven geven, omdat ze moeilijk de

in de verschillende landen te kunnen vergelijken. Een goed

correcte O&O-uitgaven voor defensie kunnen inschatten.

gestructureerd en correct samengesteld HBPWB is dus van

Meer actuele informatie over de overheidssteun aan O&O kan

te verspreiden aangaande de Vlaamse inspanningen voor

afgeleid worden uit de begrotingsgegevens, de ‘Government

wetenschap, technologie en innovatie. Om een internationale

Budget Appropriations or Outlays for R&D’ (GBAORD).

vergelijking mogelijk te maken, gebruikt men bij de opmaak

Aangezien deze budgetten zijn afgeleid uit de begroting, kunnen

van het HBPWB de door de OESO gestandaardiseerde

ze gekoppeld worden aan de beleidslijnen en de socio-economische

methodologie en definities, zoals omschreven in de FRASCATI-

objectieven waarvoor ze bestemd zijn. Ze geven dus een beleid

handleiding. Hierin wordt de term ‘wetenschappelijke

weer op een bepaald moment in de tijd. Bovendien gaan deze

activiteiten’ onderverdeeld in:

cruciaal belang om op het internationale niveau correcte gegevens

budgetten ruimer: niet alleen O&O, maar ook de andere wetenschappelijke activiteiten die innovatie stimuleren, worden

l

Onderzoek en Ontwikkeling (O&O): ‘Op stelselmatige

mee in rekening gebracht: onderwijs en vorming (O&V) en

wijze uitvoeren van creatieve werkzaamheden met het doel

wetenschappelijke en technologische dienstverlening (W&T).

het kennisbestand, met inbegrip van kennis van mens,

Gezien het belang van de innovatieactiviteiten als geheel naast

cultuur en maatschappij, te vergroten en deze kennis te

de O&O-performantie zelf, is het noodzakelijk om ook hierover

gebruiken om nieuwe toepassingen te ontwerpen’.

meer inzicht te bekomen. l

Onderwijs en Vorming (O&V): ‘Alle activiteiten in het

De Vlaamse overheid maakt jaarlijks op systematische wijze het

kader van het gespecialiseerd niet-universitair hoger onderwijs,

Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschapsbeleid (HBPWB)

het universitair onderwijs, het post-universitair onderwijs en

op. Het HBPWB geeft een globaal budgettair overzicht van alle

verdere bijscholing en het georganiseerd, continu onderwijs

kredieten die in de verschillende beleidsdomeinen bestemd zijn

ten behoeve van wetenschappers en ingenieurs’.

voor activiteiten van wetenschap, technologie en innovatie. Het geeft de bestemming van de middelen aan en welke

l

Wetenschappelijke en Technologische Dienstverlening

de betrokken actoren zijn. Dit overzicht van de kredieten

(W&T): ‘Activiteiten met betrekking tot onderzoek en

per jaar, toont de inspanningen van de Vlaamse overheid om

ontwikkeling, die bijdragen tot het genereren, verspreiden

wetenschappelijke activiteiten in Vlaanderen te financieren.

en toepassen van wetenschappelijke en technische kennis’.

Er blijkt meteen ook uit welke accenten worden gelegd binnen het globale wetenschappelijke en technologische innovatiebeleid.


101

De analyse naar O&O, O&V en W&T wordt systematisch uitgevoerd op het HBPWB. Binnen O&O is er een verdere indeling volgens het type van onderzoek: l

7.2 VLAAMSE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE

Fundamenteel onderzoek: ‘Experimentele of theoretische

Figuur 7.1 en tabel 7.1 geven de evolutie van de HBPWB’s

werkzaamheden die in de eerste plaats tot doel hebben

tussen 1993 en 2009 weer, samen met de verdeling naar het

om nieuwe kennis te vergaren over de fundamenten die

type activiteit: O&O, O&V en W&T. Er is een aanzienlijke

aan verschijnselen en waarneembare feiten ten grondslag

stijging in de periode 1996 tot en met 1999 en tussen 2000

liggen, zonder daarbij een specifieke toepassing of een

en 2006. De oorzaak voor de daling in 2007 ligt bij het feit dat

specifiek gebruik op het oog te hebben’;

de eenmalige, niet structurele toekenning in 2005 en 2006 van telkens 75 miljoen euro via het VINNOF, niet werd herhaald

l

Toegepast onderzoek: ‘Oorspronkelijk onderzoek dat in de eerste plaats is gericht op een specifiek praktisch doel’;

in 2007. De sterke stijging in 2008 was er vooral dankzij een structurele toename van de beleidskredieten met 75 miljoen euro, in uitvoering van het Innovatiepact, naast belangrijke eenmalige

l

Experimentele ontwikkeling: ‘Systematische werkzaam-

financiële injecties: 45,1 miljoen euro uit het Financieringsfonds

heden op basis van bestaande, door onderzoek of

voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven (FFEU)

praktische ervaring opgedane kennis, die tot doel hebben

en 25,5 miljoen euro na ‘schrapping van encours’. In 2009 is

nieuwe of aanzienlijk verbeterde processen, systemen of

er in de initiële begroting een structurele toename van de Vlaamse

diensten in te voeren’.

overheidskredieten voor wetenschap, technologie en innovatie met 29 miljoen euro. Op die manier is er voor 2009 in totaal

Binnen de O&O-kredieten wordt nog verder aangegeven welke

een gepland krediet voor het wetenschapsbeleid (WB) van

de verdeling is over de verschillende onderzoeksdomeinen, zoals

1,804 miljard euro, waarvan 1,147 miljard O&O-kredieten.

die zijn geklasseerd volgens de NABS1-classificatie. Op het

Tabel 7.1 laat zien dat dit onderzoeksbudget in de laatste tien jaar

HBPWB wordt derhalve ook een volledige NABS-analyse

is verdubbeld.

doorgevoerd. W&T neemt slechts een klein aandeel in het HBWPB in. In 1993 is het O&V-aandeel nog groter dan dit voor O&O. Vanaf 1996

programma Wetenschapsbeleid (HBPWB) en de evolutie ervan

komt hier een kentering in. In 1996 zijn het O&O- en het O&V-

over de periode 1993-2009 voorgesteld. De verdeling van

aandeel nagenoeg gelijk. Van dan af stijgen de O&O-kredieten

de Vlaamse overheidskredieten over O&O, O&V en W&T,

gestaag, als gevolg van de jaarlijkse stijging – bijna exclusief

over de verschillende grote indelingen van het wetenschaps- en

bestemd voor O&O. In 1996 was het procentueel aandeel van

technologisch innovatiebeleid, en over de NABS-domeinen

O&O, O&V en W&T respectievelijk 49%, 47% en 4%. In 2009

wordt aangegeven.

is het O&O-aandeel gestegen tot 63,6%. O&V maakt nog slechts 31,8% en W&T 4,6% uit van het HBPWB 2009.

Vervolgens worden kerncijfers gegeven uit de analyse-input (bestedingen, personeel), onder meer van de Vlaamse

Een doorsnede doorheen het HBPWB kan gemaakt worden

universiteiten, de Vlaamse onderzoeksinstellingen en de

volgens zes grote indelingen:

Vlaamse wetenschappelijke instellingen. 1. Niet-gericht onderzoek aan de universiteiten Er wordt ook verwezen naar de Speurgidsen WTI 1996 – 2006

2. Werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen

en

3. Financiering van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe

de

EWI-Speurgidsen

2007-2009

en

de

website

www.speurgids.be.

technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven 4. Wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en VOI’s 5. Horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek en studies

1 Nomenclatuur voor de analyse en vergelijking van wetenschapsbegrotingen en -programma’s.

6. Allerhande uitgaven i.v.m. het algemene wetenschapsbeleid

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7

In punt 2 van dit hoofdstuk wordt het Horizontaal Begrotings-


102

Tabel 7.1:

Verdeling van het wetenschapsbudget over O&O, O&V en W&T, 1993-2009 (in miljoen euro) 1993

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009i

O&O

326,78

479,62

518,64

575,12

595,68

625,07

711,26

770,69

820,67

898,64

967,95

952,67

1.121,43

1.146,97

O&V

365,13

420,71

427,16

443,82

454,10

463,81

482,41

497,54

504,05

517,91

532,92

531,17

580,39

574,15

W&T

31,88

42,52

67,46

88,04

77,27

76,79

75,13

66,97

68,16

72,28

75,10

77,52

80,17

82,70

Totaal

723,79

942,86

1.013,26

1.106,98

1.127,06

1.165,67

1.268,80

1.335,20

1.392,87

1.488,83

1.575,97

1.561,36

1.781,99

1.803,82

Tabel 7.2:

Verdeling van het totale budget van het HBPWB 1993-2009 (in miljoen euro)

1. Niet-gericht onderzoek

1993

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009i

76,866

124,926

137,439

155,727

171,906

180,526

190,964

195,554

218,288

233,359

256,512

276,254

307,536

324,071

2.1 Werkingstoelagen universiteiten

401,472

464,636

479,022

489,009

500,975

512,265

539,532

561,284

577,947

594,462

615,590

636,374

682,729

695,568

2.2 Andere toelagen universiteiten

75,700

73,848

64,903

83,944

88,260

88,058

88,506

89,112

83,855

85,543

87,927

62,664

68,333

67,945

2.3 Andere instellingen

9,649

9,165

9,237

11,902

11,225

12,455

13,822

14,382

14,362

14,724

14,968

17,129

19,548

20,579

3. Industrieel onderzoek

120,864

178,442

207,867

219,446

216,199

227,163

292,746

330,105

378,606

433,491

465,475

427,392

545,538

542,549

4. Wet. instellingen, dep. diensten en VOI's

15,122

39,890

40,380

45,813

54,372

52,917

48,983

71,795

65,300

69,029

72,741

74,491

87,744

80,883

5. Sectorale initiatieven beleidsondersteunend onderzoek

17,337

29,850

41,704

39,338

43,771

68,867

67,338

50,500

31,201

33,857

36,434

37,070

40,428

41,325

22,099

32,704

61,800

40,348

23,417

26,911

22,465

23,314

24,365

26,325

29,982

30,131

30,903

6. Globaal wetenschapsbeleid Totaal

6,780 723,790

942,855 1.013,256 1.106,979 1.127,056 1.165,667 1.268,801 1.335,196 1.392,873 1.488,829 1.575,972 1.561,357 1.781,988 1.803,822

Tabel 7.2 toont de verdeling van het totale budget van het

Dit zijn meteen ook de twee grote polen van het

HBPWB over deze zes grote indelingen. De sterkste stijgingen

wetenschapsbeleid: het fundamenteel onderzoek als basis voor

situeren zich ter hoogte van het niet-gericht onderzoek en

het verdere technologisch innovatiebeleid.

de werkingsuitkeringen van de universiteiten enerzijds en ter hoogte van het industrieel onderzoek anderzijds. De procentuele verdeling van de O&O-kredieten over de nieuwe

7.3 OVERHEIDSKREDIETEN VOOR DE VLAAMSE UNIVERSITEITEN

NABS-codes voor 2009 wordt weergegeven in figuur 7.2. NABS staat voor nomenclatuur voor de analyse en vergelijking

De overheidskredieten voor de universiteiten bestaan uit

van wetenschapsbegrotingen en -programma’s en is een

de eerste en tweede geldstroom.

EU-classificatiesysteem dat de overheidskredieten voor O&O onderverdeelt naar sociaal-economische doelstellingen. Een revisie

De eerste geldstroom bevat de werkingsuitkeringen van de

van de NABS-classificatie uit 1993 drong zich op door de snelle

universiteiten. De werkingsuitkeringen zijn de middelen die

evolutie in sommige onderzoeksdomeinen. Het grootste

de universiteiten ontvangen voor hun gewone werking voor

kredietvolume is in 2009 voor het industrieel onderzoek (NABS 6)

academisch onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en

met 484 miljoen euro (42%). Dan volgt niet-gericht onderzoek

wetenschappelijke dienstverlening.

(NABS 13) samen met de algemene universiteitsfondsen (NABS 12): 538 miljoen euro (47%).


103

Figuur 7.1: Verdeling van het wetenschapsbudget over O&O, O&V en W&T, 1993-2009 (in miljoen euro)

2.000 1.800 1.600 1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009i

n O&O: Onderzoek en ontwikkeling n O&V: Onderwijs en vorming n W&T: Wetenschappelijke en technologische dienstverlening

Figuur 7.2: De procentuele verdeling van de O&O-kredieten over de NABS-codes

0,2% 1,6% 2,7%

n 2. Milieu (1,6%)

28,3%

n 4. Transport, telecommunicatie en andere infrastructuur (2,7%) n 6. IndustriĂŤle productie en technologie (42,2%) n 7. Gezondheid (1,0%) n 8. Landbouw (2,2%) n 9. Onderwijs (0,4%) 42,2%

n 10. Cultuur, recreatie, religie en massamedia (0,5%) n 11. Overheids- en maatschappelijke systemen, structuren en processen (2,2%)

18,7%

n 12. Algemene kennisopbouw: O&O gefinancierd uit 2,2% 0,5% 0,4% 2,2% 1,0%

algemene universiteitsfondsen (18,7%) n 13. Algemene kennisopbouw: O&O gefinancierd uit andere bronnen (28,3%)

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7

n 1. Exploratie en exploitatie van het aardse milieu (0,2%)


104

Tabel 7.3:

Werkingsuitkeringen aan de universiteiten (in miljoen euro)

KUBrussel K.U.Leuven UHasselt tUL UGent UA RUCA UFSIA UIA VUB Totaal werkingsuitkeringen Verhoging basissubsidie Aanvullende werkingsmiddelen BAMA Aanvullende werkingsmiddelen onderzoek in de humane wetenschappen Aanvullende werkingsmiddelen aanmoedigingsfonds voor beleidsspeerpunten Enveloppe hogescholenonderwijs academiseringsgelden (2 cycli) + elektrongelden LRM impulsfinanciering tUL Onderzoeksbetrokkenheid academische opleidingen aan de hogescholen Toelage associaties Rationalisatiefonds Algemeen totaal

1993

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

4,351

4,762

5,228

4,960

4,968

4,742

4,984

5,068

5,177

5,259

5,344

5,450

8,571

2009i 2,166

164,115

183,109

187,504

189,688

192,370

194,544

200,420

204,136

207,890

211,105

214,480

218,715

234,856

241,039

11,619

16,924

16,351

16,889

17,236

17,625

14,535

14,661

15,047

15,289

15,815

16,383

24,338

25,471

0,087

5,202

5,898

6,174

6,620

7,101

7,717

0,668

0,034

104,271

130,186

138,228

142,695

147,846

154,058

161,344

166,422

171,482

176,804

182,307

191,847

206,462

211,505

58,437

66,140

67,765

69,286

71,544

72,748

75,899

78,177

80,096

81,251

82,979

84,760

89,030

90,148

16,872

20,340

20,615

21,029

21,718

22,067

18,709

20,069

20,501

20,964

21,465

21,715

22,856

25,731

26,649

27,293

28,361

28,966

58,679

63,515

63,324

65,491

67,011

68,461

70,551

72,044

73,388

74,524

75,715

77,211

79,916

81,642

401,472

464,636

478,400

489,009

500,975

512,265

532,935

546,406

559,254

570,852

583,741

602,083

643,841

652,005

0,000

6,597

7,425

7,531

12,225

12,574

12,196

1,019

1,039

3,057

6,231

15,018

0,622

7,453

401,472

464,636

479,022

489,009

500,975

512,265

539,532

561,284

8,562

8,785

14,210

14,495

14,905

2,600

2,600

2,600

2,600

2,600

2,000

5,000

11,799

15,754

0,510

0,520

577,947

594,462

615,125

636,374

5,000

5,000

682,729

695,568

Figuur 7.3: De evolutie van de middelen voor het niet-gericht onderzoek verdeeld via FWO, BOF, IWT en Hercules (in miljoen euro)

160 140 120 100 80 60 40 20 0 1993

n FWO

1994

1995

n BOF

1996

n IWT

1997

1998

1999

n Hercules (50%)

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009i


105

Tabel 7.3 geeft een overzicht van de universitaire werkings-

Het relatieve aandeel en de evolutie van de middelen voor

toelagen voor de jaren 1993-2009. Van het totaal van de

het niet-gericht onderzoek verdeeld via FWO, BOF, IWT

kredieten voor wetenschapsbeleid nemen de werkingstoelagen

(1993-2009) en Hercules (vanaf 2007) worden op hun beurt

voor de universiteiten een belangrijk deel voor hun rekening.

gegeven in figuur 7.3.

Voor 2009 is dit 695,568 miljoen euro (39%). Van dit bedrag is 75% bestemd voor Onderwijs en Vorming (O&V), terwijl

fundamenteel, niet-gericht onderzoek.

7.4 BESTEDING VAN DE MIDDELEN VERDEELD VIA HET FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK VLAANDEREN (FWO)

Tabel 7.4 geeft de evolutie (1993-2009) van de middelen bestemd

De evolutie 1992-2008 van de Vlaamse overheidskredieten

voor het niet-gericht onderzoek aan de universiteiten – m.a.w.

voor het FWO, evenals de verdeling van de kredieten over de

het onderzoek op vrij initiatief van de vorser. De middelen van

drie luiken: de individuele kredieten en mandaten, de projecten

het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF) gaan rechtstreeks naar

en de diversen, is terug te vinden in tabel 7.5; de evolutie en

de universiteiten en worden door de onderzoeksraad verdeeld

verdeling van het globale mandatenbestand volgens

in functie van het universitaire onderzoeksbeleid. De middelen

wetenschapssector in de figuren 7.4 en 7.5; de evolutie en

voor de specialisatiebeurzen van het IWT en voor de mandaten

verdeling van de projectkredieten over de wetenschapssectoren

en projecten van het FWO worden indirect verdeeld door deze

in figuur 7.6 en 7.7.

25% gaat naar Onderzoek en Ontwikkeling (O&O). De tweede geldstroom omvat de middelen voor het

intermediairen, volgens vastgelegde kwaliteitscriteria en een evaluatie op basis van peer review. Op 26 oktober 2007 hechtte de Vlaamse Regering haar

7.5 OVERHEIDSKREDIETEN VOOR INDUSTRIEEL ONDERZOEK

definitieve goedkeuring aan het Besluit betreffende de De verdeling en evolutie van de middelen voor industrieel

Vlaanderen, het zogenaamde Herculesbesluit, en aan de

onderzoek over de periode 1993-2009 wordt gegeven in

statuten van de Herculesstichting. Op 10 februari 2008 werd

tabel 7.6. De evolutie van de onderscheiden beleidsinitiatieven

de Herculesstichting bij Koninklijk Besluit erkend als stichting

en bijhorende kredieten kunnen gevolgd worden over

van openbaar nut. Het Herculesfinancieringsmechanisme heeft

verschillende jaren. Een constante zijn de IWT-kredietlijnen en

als doelstelling aan Vlaamse onderzoekers performante

de onderzoeksinstellingen IMEC, VITO, VIB en IBBT, evenals STV.

onderzoeksinfrastructuur ter beschikking te stellen. Er wordt daarbij via financiële incentives gestreefd naar een maximale

De meest markante wijzigingen zijn de opkomst van het

samenwerking tussen de Vlaamse publieke kennisinstellingen

strategisch basisonderzoek en de aandacht voor het onderzoek

onderling en met derden. Het Herculesbesluit bepaalt dat

in de hogescholen. Vanaf 2003 zijn er extra middelen voor de

vanuit alle wetenschappelijke disciplines aanvragen kunnen

Vlaamse excellentiepolen en zijn ook door de defederalisering

worden ingediend en dat onderzoeksinfrastructuur zowel voor

van de beleidspost Landbouw de kredieten voor het landbouw-

grensverleggend als voor basisonderzoek kan worden

onderzoek ingeschreven in de Vlaamse begroting. In 2009 bedraagt

gesubsidieerd. Conform de bepalingen van het Herculesbesluit

het krediet voor IWT ten behoeve van het initiatief bedrijven en

is twee derden van de dotatie bestemd voor de subsidiëring

innovatiesamenwerkingsverbanden 129,96 miljoen euro.

van middelzware onderzoeksinfrastructuur en een derde voor zware infrastructuur. De Herculesmiddelen worden voor 50% bij het niet-gericht onderzoek gerekend, terwijl de andere helft bij het strategisch basisonderzoek ondergebracht wordt. Deze middelen stegen sterk door de forse inhaalbeweging van de Vlaamse regering én door een heroriëntering van de middelen met beleidsaccent op de stimulering van het fundamenteel, grensverleggend onderzoek.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7

subsidiëring van onderzoeks- en innovatie-infrastructuur in


106

Tabel 7.4:

Middelen voor het niet-gericht onderzoek (in miljoen euro)

Specialisatiebeurzen IWT FWO

1993

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009i

6,130

12,747

12,181

15,791

15,486

16,247

18,265

17,786

18,053

20,269

21,729

22,918

27,018

28,942

76,686

83,359

90,960

90,969

80,883

82,408

84,784

92,514

103,922

120,288

112,874

117,909

122,846

11,712

11,700

11,712

11,712

11,712

9,370

0,750

1,502

2,281

2,324

12,171

12,402

12,638

18,396

FWO - beurzen en mandaten FWO - projecten FWO - toelage projecten FWO - geassocieerde fondsen

2,573 29,767

FWO-Vlaanderen FWO-Vlaanderen (Nationale Loterij) FWO-Vlaanderen internationale onderzoeksfaciliteiten FWO-Vlaanderen Odysseus-programma FWO-Vlaanderen internationale wetenschappelijke samenwerking Totaal FWO-Vlaanderen

50,736

BOF

20,000

2,200

2,233

76,686

83,359

90,960

90,969

80,883

82,408

84,784

104,226

115,622

132,750

138,259

146,504

149,411

35,493

41,899

48,976

65,451

83,396

90,291

92,984

96,009

97,468

99,033

100,726

105,140

107,138

3,000

10,051

15,242

20,532

1,500

3,029

4,587

2,800

5,653

112,277

126,211

137,910

2,800

7,803

7,808

276,254

307,536

324,071

BOF - speciale fondsen BOF - overlegde programma’s BOF - subsidie BOF - Methusalem-programma BOF - ZAP-mandaten BOF - tenure track-stelsel 20,000

Totaal BOF

35,493

41,899

48,976

65,451

83,396

90,291

92,984

96,009

97,468

102,033

Hercules (50%*) Algemeen totaal

76,866

124,926

137,439

155,727

171,906

180,526

190,964

195,554

218,288

233,359

256,512

* De Herculesmiddelen worden voor 50% bij het niet-gericht onderzoek gerekend, terwijl de andere helft bij het strategisch basisonderzoek ondergebracht wordt.

Tabel 7.5:

Evolutie van de toelagespreiding over de actiemiddelen van het FWO (in miljoen euro)

Uitgaven

1992

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

Mandaten

28,06

38,84

43,28

49,26

53,72

55,57

44,55

49,66

51,53

56,33

57,23

60,19

67,59

76,48

45%

44%

46%

46%

48%

48%

42%

42%

40%

44%

41%

40%

41%

41%

Wetenschappelijke contacten

2,08 3%

2,73 3%

2,88 3%

2,33 2%

2,48 2%

2,20 2%

3,41 3%

2,66 2%

2,68 2%

2,94 2%

3,41 2%

3,59 2%

3,59 2%

4,03 2%

Kredieten aan navorsers

1,07

2,88

2,75

0,97

1,66

1,77

1,67

2,24

1,70

1,57

2,08

1,71

1,86

2,22

2%

3%

3%

1%

1%

2%

2%

2%

1%

1%

2%

1%

1%

1%

28,28 45%

39,74 45%

41,62* 44%

50,72* 47%

50,07* 45%

50,93 44%

53,02 49%

58,44 50%

67,27 53%

63,54 49%

70,61 51%

78,24 52%

85,73 52%

97,32 52%

2,85

3,89

4,36

4,51

4,51

4,59

4,67

4,66

4,87

4,94

5,08

5,58

5,59

5,69

5%

5%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

4%

62,34 100%

88,08 100%

94,89 100%

107,79 100%

112,44 100%

115,05 100%

107,32 100%

117,67 100%

128,05 100%

129,31 100%

138,41 100%

149,31 100%

164,36 100%

185,72 100%

Onderzoeksprojecten Diversen Totaal

De kostprijs van de permanente onderzoekers is continu opgenomen bij mandaten, terwijl die eertijds boekhoudkundig bij de onderzoeksprojecten hoorde. Vanaf 1/10/2000 zijn deze onderzoekers echter naar het ZAP overgeheveld. * Gelden voor het Max-Wildiersfonds worden besteed vanaf 2000 e.v.


107

Figuur 7.4: Evolutie van het mandatenbestand volgens wetenschapssector 1991-1996 (FWO)

300

250

200

150

100

50

0 1992

1991

1993

1994

1995

1996

n Natuur- en Exacte wetenschappen n Biomedische wetenschappen n Toegepaste wetenschappen n Taal- en Cultuurwetenschappen n Maatschappijwetenschappen

Figuur 7.5: Evolutie van het mandatenbestand volgens wetenschapsgebied 1996-2007 (FWO)

450 400

300 250 200 150 100 50 0 1996

1997

1998

1999

n Exacte wetenschappen n Biologische wetenschappen n Medische wetenschappen n Toegepaste wetenschappen n Cultuur- en taalwetenschappen n Gedrags- en maatschappijwetenschappen

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7

350


108

Figuur 7.6: Evolutie van de kredieten van de onderzoeksprojecten, uitgesplitst per wetenschapssector 1992-1997 (FWO) (in miljoen euro)

25

20

15

10

5

0 1992

1993

1994

1995

1996

1997

n Natuur- en Exacte wetenschappen n Biomedische wetenschappen n Toegepaste wetenschappen n Taal- en Cultuurwetenschappen n Maatschappijwetenschappen

Figuur 7.7: Evolutie van de kredieten van de onderzoeksprojecten, uitgesplitst per wetenschapsgebied 1998-2007 (FWO) (in miljoen euro)

25

20

15

10

5

0 1998

1999

2000

2001

n Exacte wetenschappen n Biologische wetenschappen n Medische wetenschappen n Toegepaste wetenschappen n Cultuur- en taalwetenschappen n Gedrags- en maatschappijwetenschappen

2002

2003

2004

2005

2006

2007


109

Figuur 7.8: Evolutie van de bursalen over de Vlaamse universiteiten in de periode 1994-2006

350 300

Aantal bursalen

250 200 150 100 50 0 1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

n K.U.Leuven n UGent n UA n VUB n UHasselt

7.7 O&O-INPUT VOOR DE VLAAMSE ONDERZOEKSINSTELLINGEN IMEC, VITO, VIB EN IBBT De input van middelen en personeel, en de evolutie over de periode 1993-2007, voor de onderzoeksinstellingen IMEC

Het IWT heeft sinds 1994 de opdracht de specialisatiebeurzen

(Interuniversitair Centrum voor Micro-elektronica), VITO

(doctoraatsbeurzen) te beheren. De evolutie van de IWT-

(Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek), VIB

specialisatiebeurzen over de universiteiten, wordt gegeven in

(Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie) en IBBT

figuur 7.8. Vanaf 2009 worden eveneens middelen voorzien

(Interdisciplinair Instituut voor BreedBand Technologie) wordt

voor het opstarten van een proefprogramma rond intersectorale

weergegeven in tabel 7.7.

mobiliteit tussen de academische wereld en het bedrijfsleven, het Baekeland-programma. Het basisprincipe voor dit programma is

IMEC genereert diverse inkomsten uit voornamelijk contract-

dat het bedrijf het onderzoeksonderwerp van het doctoraat

onderzoek, waarbij onderzoeksprojecten met regionale en

bepaalt en dat de onderzoeker een groot deel van zijn of haar

internationale partners worden uitgebouwd. De jaarlijkse

tijd in het bedrijf spendeert.

overheidstoelage stelt IMEC in staat om het basisonderzoek op lange termijn te financieren, waarmee de strategische

In 2009 wordt voor de specialisatiebeurzen een bedrag

‘background know-how’ wordt ondersteund, los van de specifieke

van 28,942 miljoen voorzien. De kredietbehoefte voor het

samenwerkingsverbanden. IMEC’s onderzoeksactiviteiten zijn

Baekeland-programma wordt geraamd op 2,967 miljoen euro.

georganiseerd in divisies, waarvan procestechnologie (microelektronica) de belangrijkste is. Daarnaast zijn er de onderzoeksdivisies in nanotechnologie, ontwerpmethodes en technologieën voor ICT-systemen.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7

7.6 BESTEDING VAN DE MIDDELEN VOOR SPECIALISATIEBEURZEN VERDEELD VIA HET INSTITUUT VOOR INNOVATIE DOOR WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE (IWT-VLAANDEREN)


110

Tabel 7.6:

Financiering van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe technologieĂŤn ten behoeve van het bedrijfsleven (in miljoen euro)

IWT - initiatief Vlaamse Regering (vroegere FIOV) IWT - initiatief bedrijven en innovatie samenwerkingsverbanden IWT - innovatieve mediaprojecten IWT - Vlaams Innovatie Netwerk (VIN) IWT - Vlaamse deelname aan de Europese programma's (VCP-werking) IWT - werking IWT - vergoeding geleverde prestaties IWT - landbouwonderzoek IWT - TETRA (HOBU) Fonds IWT - biomedisch onderzoek IWT - strategisch basisonderzoek SBO (GBOU) IWT - Baekeland-programma IMEC IMEC - herinvestering participatie in Finindus VITO VITO - beleidsdomein LNE VITO - FFEU VITO-Prodem VIB IBBT STV PWO Hercules (50%) Technopolis Biotech-fonds Vlaanderen Interfacediensten Industrieel Onderzoeksfonds (IOF) vzw Flanders DC FFEU - wetenschapsbeleid Vlaamse excellentiepolen Innovatie (Hermesfonds) EFRO (Hermesfonds) Participaties O&O via PMV PMV - VINNOF Onderzoek Staalindustrie Limburgplan FFEU: medische onderzoeksinfrastructuur - Vlaamse Biobank FFEU: digitale onderzoeksinfrastructuur - Supercomputer FFEU: opleidingsinfrastructuur campus industriĂŤle wetenschappen Totaal

1993

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009i

31,854

34,762

38,104

54,321

29,435

32,848

37,744

11,048

6,186

13,750

24,150

24,464

42,113

57,898

37,184

41,993

53,590

54,289

77,777

82,734

82,484

101,503

96,863

98,213

103,173

125,765

153,334

129,960

5,445

13,457

11,839

10,901

7,837

4,407

11,545

0,814

0,829

0,846

0,863

3,966

4,291

4,162

2,910

2,866

3,927

4,358

7,095

8,042

8,215

4,358

5,935

5,949

0,220

0,335

0,392

9,581

10,811

11,012

11,090

11,583

11,453

11,453

12,546

9,265

10,794

9,602

9,602

9,602

9,602

9,602

9,602

5,949

5,949

5,949

5,949

6,999

7,399

9,214

8,899

5,000

5,000

6,000

6,000

2,801

9,901

16,192

10,139

10,139

16,840

16,840

37,488

37,488

38,604

38,604

38,604

38,604

22,065

27,055

27,271

27,618

28,245

28,659

33,652

34,308

34,481

35,033

35,625

39,016

44,171

45,054

24,274

27,075

25,821

27,499

27,772

29,353

29,934

31,263

33,501

33,101

37,754

35,236

42,171

2,967

35,000 43,999 2,103 8,000

1,530

2,181

2,132

23,490

24,194

1,760

1,239 4,958

1,834

24,921 1,896

25,669 1,916

26,034 1,943

27,817 1,973

28,595

29,453

30,366

31,334

38,198

38,962

39,741

17,000

17,287

23,098

23,592

24,064

1,973

2,002

2,165

2,200

2,238

2,281

2,430

3,000

3,000

11,500

9,000

9,000

9,500

9,500

2,800

7,803

7,808

7,437 4,958 1,239

1,257

1,269

1,289

0,327

37,180

1,326

1,345

1,365

2,087

2,723

2,775

2,828

2,000

10,030

11,341

11,535

16,754

17,072

2,300

2,374

2,421

2,469

30,000

30,000

30,000

30,000

37,250

14,278

30,000

30,000 30,000

11,100 17,989 75,000

75,000

30,000 1,205 8,000 7,100

15,000 120,873

178,442

207,867

219,446

216,199

227,163

292,746

330,105

378,606

433,491

464,754

427,392

545,538

542,549


111

Tabel 7.7:

Input aan middelen en personeel voor de Vlaamse onderzoeksinstellingen IMEC, VITO, VIB en IBBT

Onderzoeksinstelling

Contractonderzoek (mln. EUR)

21,02 22,05

16,06 5,61

0,64 0,66

292 145

103 188

22,06 24,27

18,84 5,31

0,30 0,75

312 153

109 204

23,18 24,27

19,86 6,96

0,79 0,43

333 165

117 208

24,32 25,81

23,13 7,27

2,13 0,78

352 175

124 208

24,32 26,46 22,81

29,15 9,72 0,70

2,82 1,36 0,62

375 173 138

132 207 136

27,06 27,56 23,50

35,15 13,04 2,68

6,41 1,85 0,28

414 193 144

145 211 165

27,59 24,45 25,18

38,70 16,14 4,34

6,52 6,58 1,17

464 212 169

163 212 165

27,95 27,50 24,92

42,50 17,57 5,74

10,11 0,38 1,25

504 236 199

177 211 165

28,25 27,77 25,67

70,48 17,72 5,41

4,13 0,17 0,42

542 233 199

191 216 164

27,42 29,35 26,03

87,71 19,04 5,63

3,43 0,18 0,35

622 253 175

218 212 173

33,65 29,93 27,81

103,39 21,88 5,19

1,36 0,48

738 247 219

259 204 214

34,31 31,26 28,60

108,93 24,30 5,80

2,07 1,14

754 264 228

263 201 193

34,48 33,50 29,45

118,14 26,64 8,11

6,29 2,11

790 261 261

261 201 193

35,03 33,10 30,37 17,00

157,24 29,11 9,28 1,06

4,35 2,27 -

814 271 297 8

274 199 205

35,56 35,05 31,28 17,25

186,22 32,19 9,86 1,64

5,12 2,77 0,27

809 291 253 25

274 213 173 -

39,08 35,24 38,20 23,13

199,35 25,99 11,20 2,96

6,07 2,92 0,37

832 304 286 43

295 200 177 1

* Doctor, Burg. Ir., licentiaat, Ind. Ir. ** Het VIB werd opgericht in 1995 en werd operationeel in 1996 *** Globale basistoelage, recente referentietaken en doelfinanciering inbegrepen

Diverse (mln. EUR)

Personeel Hoger geschoold*

**** Personeel IMEC: alleen payroll (koppen) ***** Personeel IBBT centrale functies

Personeel Ander

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7

1992 IMEC VITO 1993 IMEC VITO 1994 IMEC VITO 1995 IMEC VITO 1996 IMEC VITO*** VIB** 1997 IMEC VITO VIB 1998 IMEC VITO VIB 1999 IMEC VITO VIB 2000 IMEC VITO VIB 2001 IMEC VITO VIB 2002 IMEC VITO VIB 2003 IMEC VITO VIB 2004 IMEC VITO VIB 2005 IMEC VITO VIB IBBT**** 2006 IMEC VITO VIB IBBT 2007 IMEC VITO VIB IBBT

Vlaamse overheid (toelage) (mln. EUR)


112

VITO voert contractonderzoek uit en ontwikkelt innovatieve

IBBT is gericht op onderzoek in Informatie- en Communicatie-

producten en processen in de domeinen energie, leefmilieu en

technologie (ICT) in het algemeen, en de ontwikkeling van

materialen, zowel voor de overheid als het bedrijfsleven en met

breedbandtoepassingen in het bijzonder. Dit onderzoek is

de nadruk op het bevorderen van duurzaam gebruik van

interdisciplinair en vraaggedreven en vindt plaats in nauwe

grondstoffen en energie. De onderzoeksactiviteiten zijn

samenwerking met zowel bedrijven als de overheid. Het heeft

georganiseerd in twee clusters van telkens vier expertisecentra

tot doel oplossingen te bieden voor complexe problemen en

die zich respectievelijk richten op wetenschappelijke diagnose

zo tegemoet te komen aan toekomstige uitdagingen van

(centra voor evaluatie en metingen) en innovatie (remediërende

de maatschappij. Toepassingen van IBBT onderzoek zijn er

en toegepaste productontwikkeling). VITO is binnen de eerste

binnen een breed gamma aan domeinen zoals eHealth en

cluster het Vlaams referentielaboratorium en structurele

ouderenzorg, mobiliteit en logistiek, nieuwe media en

wetenschappelijke partner van de Vlaamse milieuadministraties.

eGovernment. IBBT’s multidisciplinair onderzoek bouwt bruggen

VITO levert, net als IMEC, grote inspanningen voor het

tussen kennisinstellingen, de industrie en de overheid en verzekert

verwerven van meer contractwerk. Daarbij blijft het evenwel

de opbouw van hoogcompetent menselijk kapitaal.

prominent aanwezig op het internationaal wetenschapsforum, in het bijzonder dat van de Europese Kaderprogramma’s. Sedert 1996 verhoogde het personeelsbestand met 18%,

7.8 O&O–INPUT VOOR DE VLAAMSE WETENSCHAPPELIJKE INSTELLINGEN

een stijging die zich vooral bij hoger geschoolden situeert. De aantrekkelijkheid voor jonge onderzoekers wordt o.a.

De input aan middelen en personeel, en de evolutie over

gewaarborgd via een vlotte en erkende doorstroming naar

de periode 1993-2007, voor de Vlaamse wetenschappelijke

zowel de private als openbare sector.

instellingen word weergegeven in tabel 7.8.

VIB is een onderzoekscentrum voor biotechnologie waarin de mogelijkheden worden geëxploreerd rond de combinatie van innovatief basisonderzoek met technologie transfer. De ontwikkeling van industriële activiteiten in de biotechnologie-

7.9 O&O-UITGAVEN IN DE PUBLIEKE SECTOR IN VLAANDEREN: EEN INTERNATIONALE VERGELIJKING

sector is sterk afhankelijk van de aanwezigheid van een technologieplatform. Daartoe voert VIB, naast strategisch

Door de OESO worden de uitgaven voor O&O als een bijzonder

basisonderzoek via een groeiende publicatieperformantie, een

belangrijke indicator beschouwd voor het meten van de O&O-

proactief technologie-transferbeleid, met name het vertalen van

intensiteit en innovatie. Deze uitgaven kunnen worden uitgedrukt

uitvindingen in economische groei, nieuwe jobs en op termijn

in een percentage van het regionale BBP en worden gerelateerd

nieuwe producten. VIB fungeert meer en meer als –

aan het aantal inwoners. Als basisindicator worden de O&O-

internationale – katalysator voor de Vlaamse biotechbedrijven

uitgaven gefinancierd door de overheid genomen. Deze kan

en staat ondertussen bekend als centrum waar overheid en

worden uitgedrukt in de nationale munt, maar ook

publiek terecht kunnen voor correcte, wetenschappelijk

geconverteerd naar USD door gebruik te maken van de

onderbouwde informatie over biotechnologie en haar

purchasing power parities (PPP). Afgeleide indicatoren zijn

toepassingen. De sterke innovatieve oriëntatie zorgt dat

echter nodig om zinvolle vergelijkingen mogelijk te maken,

onderzoekers in een creatieve en autonome omgeving goed

bijvoorbeeld om de invloed van de omvang van het land of

kunnen functioneren.

de regio te elimineren.


113

Tabel 7.8: Wet. instelling

Vlaamse overheid (mln. EUR)

Andere inkomsten (mln. EUR)

Personeel Hoger geschoold*

Personeel Ander

0,75 0,55 0,45 0,27

0,05 0,35 0,23 0,35

25 11 17 17 17

9 20 43 9 64

0,75 0,70 0,53 0,28 1,07

0,29 0,30 0,56 0,15

29 12 17 17 17

11 22 71 9 64

1,20 1,22 0,54 0,28 0,72

0,24 0,53 0,71 0,01 0,23

31 15 18 17 17

13 23 60 9 64

1,19 1,54 0,59 0,29 1,47

0,38 0,41 0,66 0,02 0,43

31 22 19 17 19

13 31 65 9 63

1,48 1,94 0,42 0,28 1,49

0,37 0,36 0,68 0,02 0,30

30 22 19 17 20

17 33 64 9 62

1,77 2,11 0,74 0,29 1,52

1,43 0,49 0,92 0,10 0,65

48 26 20 17 20

21 38 76 9 62

1,89 2,33 0,94 0,30 1,53

1,16 0,59 0,03 0,03 1,08

38 31 18 17 25

20 44 55 9 75

2,85 2,40 0,82 0,31 1,79

0,82 0,69 0,03 0,03 0,98

54 31 20 17 25

16 50 55 9 75

3,84 3,02 2,56 1,59 4,23

0,83 0,64 0,03 0,03 0,29

61 41 31 20 25

28 70 73 9 75

4,36 3,84 3,60 1,62 4,74

0,97 1,02 0,03 0,03 1,02

96 44 60 21 25

28 66 84 9 75

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7

1992 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1993 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1994 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1995 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1996 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1997 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1998 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1999 IN IBW IAP CBGS KMSKA 2000** IN IBW IAP CBGS KMSKA 2001 IN IBW IAP CBGS KMSKA

Input aan middelen en personeel voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen


114

Tabel 7.8: Wet. instelling 2002 IN IBW IAP CBGS KMSKA 2003 IN IBW IAP CBGS KMSKA CLO CLE 2004 IN IBW VIOE CBGS KMSKA CLO CLE 2005 IN IBW VIOE CBGS*** KMSKA CLO CLE 2006 INBO**** ILVO***** VIOE KMSKA 2007 INBO ILVO VIOE KMSKA * **

Input aan middelen en personeel voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen (vervolg) Vlaamse overheid (mln. EUR)

Andere inkomsten (mln. EUR)

Personeel Hoger geschoold*

Personeel Ander

4,84 4,73 4,37 1,87 5,58

1,04 0,68 0,23 0,06 0,00

104 52 61 21 27

31 68 55 6 72

5,14 4,93 4,81 1,66 4,85 12,57 2,92

1,26 0,86 0,24 0,05 0,00 9,30 0,00

80 56 52 19 26 13 22

29 72 53 7 68 402 51

4,44 5,15 4,27 1,85 4,75 15,03 3,33

1,00 1,04 0,18 0,07 0,00 10,10 0,34

83 53 34 22 29 121 27

36 78 73 6 72 348 56

4,66 6,10 4,83 1,88 4,64 14,35 2,31

1,09 0,58 0,19 0,09 0,00 10,97 0,53

85 58 54 22 30 121 21

49 84 80 7 68 342 50

12,55 16,44 5,42 6,52

2,08 11,06 0,23 0

143 174 55 36

129 309 74 73

12,39 17,28 6,04 6,54

2,12 10,77 0,29 0

143 183 63 31

129 312 92 74

Doctor, burg. ir., bio-ingenieur, licentiaat, ind ir. Vanaf 2000 worden de salarissen en toelagen van het personeel voor de wetenschappelijke instellingen (behalve voor het IBW) vermeld als onderdeel van de middelen van de Vlaamse overheid. Deze informatie is gebaseerd op de O&O-uitgaven zoals vermeld in de OESO O&O-enquête en wordt toegevoegd aan de middelen afkomstig van de Vlaamse overheid. *** CBGS werd in 2006 opgeheven. **** Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is het resultaat van een fusie van IBW en IN. ***** Het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) is het resultaat van een fusie van CLE en CLO.


115

Tabel 7.9:

O&O-overheidskredieten als percentage

Tabel 7.9 geeft een overzicht van de overheidskredieten die in

BBP-Vlaanderen

Vlaanderen voor O&O beschikbaar zijn (Vlaamse kredieten + Vlaams aandeel van de federale kredieten + het aandeel in de

VLAAMSE OVERHEID

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009i

O&O-kredieten (in miljoen euro) 356,106 429,501 479,624 518,639 575,120 595,685 625,071 711,258 770,687 820,666 898,638 967,954 952,670 1.121,429 1.146,966

% O&O/ BBP-Vlaanderen 0,30 0,36 0,38 0,40 0,42 0,41 0,42 0,46 0,49 0,49 0,52 0,53 0,50 0,56 0,55

VLAAMSE OVERHEID + VLAAMS AANDEEL FEDERALE OVERHEID % O&O/ BBP-Vlaanderen 0,47 0,53 0,55 0,57 0,59 0,58 0,58 0,62 0,65 0,64 0,65 0,67 0,64 0,68 0,67

bruto binnenlands product per regio (BBPR). Tabel 7.10 geeft een vergelijking van Vlaanderen met de belangrijkste EU-landen, aangevuld met de Verenigde Staten en Japan. Er dient hier opgemerkt dat Vlaanderen quasi 60% van de bevolking van BelgiĂŤ levert, maar dat het Vlaamse aandeel van de federale O&O-kredieten zelfs niet de 56% bereikt, omdat de ESA-kredieten slechts voor 35,49 % Vlaanderen ten goede komen (Bron: VRWB). Het is duidelijk dat de cijfers voor O&O-overheidsuitgaven (GBAORD), uitgedrukt als % BBP, niet overal jaar na jaar stijgen. In sommige landen stagneert het, in andere is er zelfs een daling merkbaar over meerdere jaren. Weinig landen laten de laatste jaren een sterke stijging van de O&Ooverheidsinspanningen zien. Vergelijken we de meest recente cijfers van de geselecteerde landen met Vlaanderen, dan is te zien dat Vlaanderen lager scoort dan het EU27-gemiddelde. Op te merken valt nog dat sommige landen een substantieel deel van hun O&O-uitgaven voor defensie voorzien. De VS lopen daarbij op kop met 56,9% van hun O&O-budget voor defensie in 2006, het Verenigd Koninkrijk 28,3%, Frankrijk 22,4%, Zweden 16,8% en Spanje 16,6%. De Vlaamse overheid financiert helemaal geen onderzoek in de sector defensie.

VLAAMSE OVERHEID + VLAAMS AANDEEL FEDERALE + VLAAMS AANDEEL EU-OVERHEID

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009i

Vlaamse + Vlaams aandeel Federale + EU O&O-kredieten ** (in miljoen euro) 624,666 700,499 766,004 813,397 868,944 900,040 929,132 1.017,479 1.111,343 1.157,600 1.220,293 1.308,023 1.303,714 1.444,917 1.473,293

% O&O/ BBP-Vlaanderen 0,53 0,58 0,60 0,62 0,64 0,62 0,63 0,67 0,71 0,70 0,70 0,71 0,69 0,73 0,71

* Verdeelsleutel ESA aan 28,5% Vlaams (1991-1996) en 35,49% (1997-2009) (Bron: VRWB) en de rest van de federale kredieten aan 56% Vlaams (IMCWB-verdeelsleutel) ** Geraamd volgens berekende return van 2,38% voor het Vierde Kaderprogramma (1994-1998), 2,19% voor het Vijfde Kaderprogramma (1998-2002) en 2,12% voor het Zesde Kaderprogramma (2003-2006); dezelfde return werd aangehouden voor de jaren 2007-2009 Bron BBP-Vlaanderen in lopende prijzen: Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR) (september/oktober 2008)

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009i

Vlaamse + Vlaams aandeel Federale O&O-kredieten * (in miljoen euro) 560,943 635,777 700,282 746,675 801,221 831,317 859,410 946,757 1.023,271 1.069,527 1.132,220 1.219,950 1.215,642 1.356,845 1.385,221

EU-overheidskredieten) als % BBP-Vlaanderen – ofwel het


116

Tabel 7.10:

Internationale vergelijking van de O&O-overheidsuitgaven (GBAORD), uitgedrukt in %BBP(R) 1998

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Vlaanderen*

0,40

0,41

0,42

0,46

0,49

0,49

0,52

0,53

0,50

0,56

0,55

Vlaanderen**

0,57

0,58

0,58

0,62

0,65

0,64

0,65

0,67

0,64

0,68

0,67

Vlaanderen***

0,59

0,60

0,60

0,64

0,67

0,66

0,67

0,69

0,66

0,69

0,68

België

0,56

0,57

0,59

0,60

0,61

0,59

0,59

0,61

0,61

Duitsland

0,81

0,79

0,78

0,78

0,79

0,77

0,77

0,76

0,76

Frankrijk

0,96

0,96

0,99

1,00

0,99

0,96

0,97

0,81

0,77

Verenigd Koninkrijk

0,66

0,69

0,68

0,77

0,75

0,70

0,72

0,74

geen data

Ierland

0,27

0,30

0,32

0,33

0,37

0,46

0,49

0,49

0,53

Nederland

0,79

0,77

0,75

0,74

0,74

0,73

0,70

0,72

0,71

Denemarken

0,74

0,76

0,75

0,73

0,73

0,71

0,71

0,72

0,79

Finland

1,07

0,98

0,97

0,96

1,00

1,01

1,03

1,00

0,98

Zweden

0,76

0,70

0,82

0,88

0,92

0,88

0,87

0,85

geen data

Italië

0,56

0,64

0,68

geen data

geen data

geen data

0,67

0,61

geen data

Portugal

0,51

0,58

0,60

0,67

0,61

0,64

0,73

0,72

0,76

Spanje

0,55

0,60

0,66

0,74

0,73

0,80

0,84

1,00

geen data

Verenigde Staten

0,85

0,86

0,91

0,99

1,05

1,09

1,06

1,04

1,02

Japan

0,60

0,65

0,70

0,72

0,73

0,72

0,71

0,70

0,68

EU-25

0,71

0,72

0,73

0,75

0,74

0,74

0,73

0,74

geen data

EU-27

0,70

0,71

0,72

0,74

0,73

0,73

0,72

0,73

geen data

Main Science and Technology Indicators, OECD, Volume 2008/1 * Vlaamse overheidskredieten ** Vlaamse overheidskredieten + verdeelsleutel ESA aan 35,5% ESA (1997-2003) + rest federale kredieten aan 56% Vlaams ***Vlaamse overheidskredieten + Vlaams aandeel 56% van de federale kredieten

7.10 REFERENTIES • Speurgidsen WTI 1996-2006, EWI-Speurgidsen 2007-2009 en www.speurgids.be • ‘Main Science and Technology Indicators’, OECD, Volume 2008/1 • FWO-publicaties (bestedingsanalyses, jaarverslagen en jaarboeken), www.fwo.be (via Benno Hinnekint) • De Vlaamse deelname aan de ESA-ruimteonderzoeksprogramma’s, VRWB, Vlaams Indicatorenboek WTI 2005 • Basisgegevens BBP-Vlaanderen: Studiedienst van de Vlaamse Regering, Vlaamse overheid • IWT-Activiteitenverslagen 2001-2007


117

I N N OVAT I E - I N S PA N N VA N V L A A M S E O N D E R N E M I K E R N R E S U LTAT E DE CIS-2007 EN

INGEN NGEN: N VA N QUÊTE

Door Petra Andries (K.U.Leuven), Dirk Czarnitzki (K.U.Leuven), Machteld Hoskens (K.U.Leuven) en Hanna Hottenrott (K.U.Leuven)

08


118

8.1 INLEIDING

8.2 METHODOLOGIE

Op de Europese Raad van Lissabon in 2000 heeft de Europese

De methodologische aanbevelingen die Eurostat uitschreef

Unie de lat voor de toekomst zeer hoog gelegd: ze wil

voor het afnemen van de enquête in alle EU lidstaten werden

“de meest concurrerende economie ter wereld worden die in

nagenoeg volledig gevolgd op het niveau van de Vlaamse

staat is tot duurzame economische groei, met meer en betere

regio. Merk op dat het huidige rapport niet volledig

banen en een hechtere sociale samenhang” (Commissie van

vergelijkbaar is met eerdere afnames van de CIS in Vlaanderen,

de Europese Gemeenschappen, september 2000).

zoals het CIS3 rapport voor 2001 (Delanghe et al., 2003) en het CIS4 rapport (Aerts et al., 2007). Waar CIS4 meer sectoren

Doorheen de decennia heeft men verschillende factoren als

bevatte dan CIS3 (meer bepaald NACE-sectoren 45, 50, 52 en

drijfveer van het concurrentievermogen beschouwd. In de jaren

74 (excl. 74.2 en 74.3), die respectievelijk de bouwnijverheid;

’60 en ’70 van de 20ste eeuw lag de klemtoon op efficiëntie.

verkoop, onderhoud en reparatie van motorvoertuigen en

Tijdens de jaren ’70 verschoof de focus naar kwaliteit. De volgende

motorrijwielen; kleinhandel en overige zakelijke dienstverlening

decennia werd flexibiliteit de nieuwe kracht. Vanaf de jaren ’90

(met uitzondering van architecten, ingenieurs en aanverwante

is men innovatie gaan beschouwen als dé ultieme competitieve

technische adviesbureaus, alsook technische testen en toetsen)

kracht (Debackere, 2002, blz.2). Ook de Europese Unie is tot

vertegenwoordigen, en samen goed waren voor bijna 30% van

dat inzicht gekomen en doet dan ook heel wat inspanningen

de populatie), werden een aantal van deze bijkomende

om het innovatiepeil in de Unie op te krikken, om zo haar

sectoren niet bevraagd in de CIS2007-enquête. Meer bepaald

ambitieuze doelstelling te realiseren.

werden de NACE sectoren 1, 45, 50, 52, 74 (excl. 74.2 en 74.3), 85, 90 niet bevraagd. Net als bij CIS4, volgde de data-

Een krachtig meetinstrument om de innovatieactiviteiten te meten

voorbereiding van CIS2007 – veel meer dan bij vorige enquêtes

is hierbij een basisbehoefte. Sinds het begin van de jaren ’90

— de aanbevelingen van Eurostat met betrekking tot

werd hard gewerkt aan een instrumentarium om innovatie te

gegevensopkuis,

meten. Hieruit ontstond de “Oslo manual” (OECD, 1997), een

behandeling van non-respons, en het berekenen van gewichten

rapport van de OECD met richtlijnen voor de verzameling en

voor extrapolatie van steekproef- naar populatieresultaten.

imputatie

van

ontbrekende

waarden,

de interpretatie van gegevens i.v.m. technologische innovatie. De laatste jaren is het bewustzijn gegroeid dat innovatie breder

Voor de Vlaamse CIS-enquête wordt een steekproef getrokken

is dan technologische innovatie en werd gewerkt aan een

uit de populatie van Vlaamse ondernemingen op basis van

nieuwe versie van deze handleiding, waarin ook organisatorische

grootte (10 werknemers of meer) en sector. Een recente versie

en marketinginnovatie de nodige aandacht krijgen.

van het RSZ-werkgeversbestand van de Belgische Rijksdienst

Op basis van de principes in deze Oslo manual worden de

2006, fungeerde als referentiepopulatie. Deze data werden

innovatie-inspanningen in de Europese Unie systematisch

verfijnd op basis van informatie van het internet, de Algemene

gemeten aan de hand van een enquête: de Community

Directie Statistiek en Economische Informatie, en de Nationale

Innovation Survey (CIS). De Europese Commissie (Eurostat) is

Bank van België via Bureau Van Dijk. Uit deze resterende

de opdrachtgever. De eerste Vlaamse CIS-enquête werd

populatie van 9.793 bedrijven werden er uiteindelijk 4.901

voor Sociale Zekerheid (RSZ), namelijk de versie van 31 augustus

gehouden in 1993. Een tweede en derde CIS-enquête volgden

geselecteerd voor bevraging. Hiervan hadden 18 bedrijven

in 1996 en in 2000. In 2005 en 2007 werden de vierde en

minder dan 10 werknemers, en 22 bedrijven hadden 10 of meer

vijfde CIS-enquête gelanceerd door het huidige Steunpunt

werknemers en hoofdkwartieren in Brussel maar belangrijke

O&O Indicatoren in opdracht van de federale en regionale

activiteiten in Vlaanderen. Deze bedrijven werden bevraagd

overheden. In dit Indicatorenboek worden de belangrijkste

voor onderzoeksdoeleinden.

resultaten van de CIS2007-enquête beschreven. Na een korte schets van de methodologische aspecten gaan we over tot de kernresultaten.

In totaal beantwoordden 1.994 bedrijven de vragenlijst. Hiervan beantwoordden 34 enkel de algemene vragen, maar geen enkele kernvraag betreffende innovatie. Wanneer we deze 34 bedrijven buiten beschouwing laten, komen we dus tot 1.960 bruikbare antwoorden, of een responsratio van 40%.


119

8.3 ANALYSE

De overgrote meerderheid (72%) van de respondenten heeft exportactiviteiten. Ondernemingsgrootte is gerelateerd

De manier van rapporteren aan de hand van frequentie- en

aan exportgedrag: 67% van de kleine bedrijven, 78% van

kruistabellen wordt overgenomen uit het vorige Indicatoren-

de middelgrote bedrijven, en 79% van de grote bedrijven

boek. De twee dimensies van de steekproeftrekking worden

exporteert. De sectoren Chemie/Plastics en Textiel zijn het

– in een meer geaggregeerde vorm, voor de validiteit van de

meest exportgericht.

gegevens — vaak verwerkt in deze tabellen. De grootteklassen zijn: kleine bedrijven (10 tot 49 werknemers), middelgrote bedrijven (50 tot 249 werknemers) en grote bedrijven (vanaf

8.5 INNOVATIEACTIVITEIT IN VLAANDEREN

250 werknemers). De NACE-sectoren worden ondergebracht in elf grote categorieën. Deze worden weergegeven in tabel 8.1.

8.5.1 De innovatieve onderneming Eurostat toetst de innovativiteit van een onderneming op vier

Tabel 8.1:

Aggregaten van NACE-sectoren*

dimensies. Een onderneming is innovatief als ze voldoet aan minstens één van de volgende criteria:

Voeding/Tabak Textiel Papier/Hout Chemie/Plastics Metaal Machines/Voertuigen Elektronica Andere Industrieën Groothandel Transport/Financiële Diensten Informatiediensten

15, 16 17, 18, 19 20, 21, 22

l

de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde

23, 24, 25

producten (goederen of diensten) op de markt gebracht

27, 28

(tussen begin 2004 en eind 2006);

29, 34, 35 30, 31, 32, 33 10, 14, 26, 36, 37, 40, 41

l

de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde

51

productieprocessen geïntroduceerd, inclusief methoden om

60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67

producten en diensten te leveren (tussen begin 2004 en

72, 73, 74.2, 74.3

eind 2006);

* De appendix bevat een overzicht van de NACE-codes op 2-digit niveau l

de onderneming was eind 2006 bezig met activiteiten (inclusief O&O) om nieuwe of duidelijk verbeterde producten (goederen of diensten) of processen te

respondenten. Daarna worden de innovatieactiviteiten van de

ontwikkelen of op de markt te brengen, maar deze waren

respondenten besproken. Voor deze laatste analyses wordt

nog niet afgewerkt op het moment van bevraging;

steeds gewerkt met gewogen resultaten omdat op die manier de resultaten bekomen met de steekproef veralgemeend kunnen worden naar de beoogde populatie.

l

de onderneming heeft activiteiten (inclusief O&O) verricht om nieuwe of duidelijk verbeterde producten (goederen of diensten) of processen te ontwikkelen of op de markt te brengen, maar heeft deze voortijdig stopgezet (tussen

8.4 PROFIEL VAN DE RESPONDENTEN

begin 2004 en eind 2006).

Meer dan de helft (55%) van de respondenten maakt deel uit

Uit de dataset blijkt dat 56% van de Vlaamse ondernemingen

van een ondernemingsgroep. Van ongeveer 45% van deze

innovatief is. In figuur 8.1 wordt de groep van innovatieve

bedrijven is de hoofdzetel in België gevestigd. Daarna volgen

ondernemingen verdeeld over de verschillende dimensies van

bedrijven met hoofdzetel in Nederland (13%), de V.S. (11%),

innovativiteit. Deze dimensies zijn niet mutueel exclusief.

Duitsland (9%), Groot-Brittannië (4%), en Frankrijk (4%).

Procesinnovatie komt het vaakst voor bij de Vlaamse bedrijven.

Andere landen zijn o.a. Japan en Luxemburg.

Ongeveer 36% van hen deed aan procesinnovatie, wat betekent dat 64% van alle innovatieve Vlaamse bedrijven in de periode 2004-2006 een procesinnovatie introduceerde.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 8

In een eerste sectie wordt een profiel geschetst van de


120

Figuur 8.1: Innovatieve ondernemingen in Vlaanderen

75%

50%

59%

64%

63%

25%

0%

Niet-innovatief: 44%

0%

Innovatief: 56%

20%

40%

60%

80%

100%

n Product n Proces n Lopend/Afgebroken

In tabel 8.2 wordt de innovatiegraad gegeven per sector en grootteklasse. We zien dat de grote bedrijven meer innovatief

8.5.2 Ontwikkeling van nieuwe of duidelijk verbeterde producten en/of processen

zijn dan de kleinere bedrijven (82% versus 68% en 51%). De Elektronicasector is de meest innovatieve sector, aangezien

In tabel 8.3 ligt de klemtoon op het type innovatie dat door

79% van de bedrijven in deze sector innovatief is.

de Vlaamse bedrijven geïntroduceerd werd. We zien dat grote bedrijven en de middelgrote bedrijven meer product- en procesinnovaties introduceerden dan de kleine ondernemingen.

Tabel 8.2:

Innovatieve ondernemingen in Vlaanderen, opgedeeld volgens grootte en sector

8.5.3 Nog niet voltooide en/of stopgezette innovatieactiviteiten

Innovatiegraad Voeding/Tabak

66%

Textiel

60%

Bij innovatieactiviteiten heerst er altijd een grote mate van

Papier/Hout

65%

onzekerheid: niet alle innovatie-inspanningen leiden effectief

Chemie/Plastics

78%

tot een innovatie. Daarom loont het de moeite om ook te

Metaal

61%

Machines/Voertuigen

61%

Elektronica

79%

Andere Industrieën

54%

geïntroduceerd hebben. Het profiel van deze ondernemingen

Groothandel

54%

is weergegeven in de laatste kolom van tabel 8.3. Hieruit blijkt

Transport/Financiële Diensten

33%

dat heel wat bedrijven actief innovatie-inspanningen leveren,

Informatiediensten

75%

Totaal

56%

Kleine bedrijven

51%

Middelgrote bedrijven

68%

Grote bedrijven

82%

Totaal

56%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de doelpopulatie

kijken naar bedrijven die zich geëngageerd hebben in innovatieactiviteiten, maar (nog) geen succesvolle innovaties

maar dat dit niet noodzakelijk gereflecteerd wordt in de introductie van een innovatie. Ook hier hangt de mate van innovatieactiviteiten samen met de grootte van de bedrijven. Tot nu toe werden in de analyses alle bedrijven betrokken. In de volgende secties (8.6 t.e.m. 8.12) zullen we de eigenschappen van de groep van innovatieve ondernemingen (56%) verder onderzoeken.


121

Tabel 8.3:

Vlaamse bedrijven die een innovatie geïntroduceerd hebben Nieuw of duidelijk verbeterd product geïntroduceerd

Nieuw of duidelijk verbeterd proces geïntroduceerd

Lopende / afgebroken innovatieactiviteiten

Kleine bedrijven

29%

32%

30%

Middelgrote bedrijven

44%

49%

47%

Grote bedrijven

68%

67%

72%

Totaal

33%

36%

35%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de doelpopulatie

Tabel 8.4:

Wie heeft de nieuwe of duidelijk verbeterde producten ontwikkeld?

Kleine bedrijven Middelgrote bedrijven Grote bedrijven Totaal

In hoofdzaak de onderneming(sgroep) 74% 75% 83% 75%

De onderneming in samenwerking met andere bedrijven of instellingen 18% 19% 16% 18%

In hoofdzaak andere ondernemingen of instellingen 8% 6% 2% 7%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van productinnovatoren

Tabel 8.5:

Wie heeft de nieuwe of duidelijk verbeterde processen ontwikkeld?

Kleine bedrijven Middelgrote bedrijven Grote bedrijven Totaal

In hoofdzaak de onderneming(sgroep) 59% 60% 57% 59%

De onderneming in samenwerking met andere bedrijven of instellingen 27% 32% 35% 29%

In hoofdzaak andere ondernemingen of instellingen 14% 8% 8% 12%

8.6 ACTOREN IN HET INNOVATIEPROCES VAN DE ONDERNEMING

8.7 INNOVATIEACTIVITEITEN IN 2004 Innovatieactiviteiten

omvatten

een

brede

waaier

van

Uit vele analyses van het innovatiesysteem blijkt dat

engagement, gaande van O&O (intern of extern) tot aankoop

ondernemingen steeds vaker samenwerken met andere

van uitrusting en kennis. Deze verschillende activiteiten en het

organisaties voor innovatieactiviteiten. Daarom wordt in de CIS-

belang ervan zijn terug te vinden in tabel 8.6. Wat opvalt, is dat

enquête ook gepeild naar de actoren die betrokken zijn bij de

zelfs binnen de populatie van innovatieve Vlaamse bedrijven, er

ontwikkeling van een innovatie. De actoren die betrokken

grote verschillen in activiteiten bestaan. Meer bepaald zijn grote

waren bij de product- en procesinnovaties worden opgelijst in

bedrijven veel meer actief in de verschillende innovatieactiviteiten

tabellen 8.4 en 8.5. De cijfers duiden op het belang van andere

dan kleine bedrijven. Grote bedrijven zijn bijvoorbeeld zeer

organisaties in het innovatieproces. Bij procesinnovaties wordt

actief in interne O&O-activiteiten. Dit blijkt ook uit hoofdstuk 4

duidelijk meer samengewerkt (29%) dan bij productinnovaties

van dit Indicatorenboek, dat de resultaten van de profit

(18%). Ook introduceren meer bedrijven procesinnovaties die

O&O-enquête van 2008 beschrijft: het O&O-gebeuren in

door andere organisaties werden ontwikkeld (12% versus 7%

Vlaamse bedrijven is scheef verdeeld. Dit wordt verder

voor productinnovaties).

besproken in de volgende sectie.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 8

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van procesinnovatoren


122

Tabel 8.6:

Innovatieactiviteiten, opgedeeld naar ondernemingsgrootte

Interne O&O

Externe O&O

Aankoop van machines

Verwerving externe kennis

Training

Marktintroductie van innovaties

Andere voorbereidingen

Kleine bedrijven

54%

26%

68%

22%

60%

32%

29%

Middelgrote bedrijven

60%

36%

70%

22%

66%

40%

33%

Grote bedrijven

82%

64%

79%

38%

85%

64%

55%

Totaal

57%

30%

69%

23%

63%

36%

32%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren

8.8 ONDERZOEK EN ONTWIKKELING (O&O)

8.9 PUBLIEKE FINANCIERING VAN INNOVATIE

Van de innovatieve ondernemingen die intern aan O&O doen,

Van de Vlaamse innovatieve ondernemingen kon gemiddeld

doet gemiddeld 35% slechts occasioneel aan O&O en 65%

14% in de periode 2004-2006 een beroep doen op financiële

permanent. Grote bedrijven doen meer op systematische wijze

ondersteuning van de regionale overheid in de vorm van

aan O&O dan middelgrote bedrijven, en deze op hun beurt

beurzen en leningen inclusief subsidies en leningsgaranties

meer dan kleine bedrijven. Transport/Financiële Diensten (80%),

maar exclusief overheidsbestellingen. De nationale overheid

Papier/Hout (79%), Informatiediensten (75%) zijn sectoren

ondersteunde 8% van de innovatieve ondernemingen.

waar het overgrote deel van de innovatieve ondernemingen

Ongeveer 3% van de Vlaamse innovatoren ontving financiële

permanent aan O&O doet. Tabel 8.7 geeft meer cijfers.

steun van de Europese overheid; een derde hiervan via het zesde kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling van de Europese Unie. Deze percentages worden

Tabel 8.7:

Karakter van de O&O-activiteiten van

in tabel 8.8 verder opgesplitst naar sector en grootte.

de innovatieve ondernemingen

Sectoren van Elektronica, Informatiediensten en Chemie/Plastics worden relatief sterker ondersteund door de regionale

Permanent

Occasioneel

Voeding/Tabak

66%

34%

Textiel

63%

37%

in de sector Informatiediensten. We zien ook dat grote

Papier/Hout

79%

21%

ondernemingen meer fondsen ontvangen dan hun kleinere

Chemie/Plastics

65%

35%

tegenhangers.

Metaal

46%

54%

Machines/Voertuigen

69%

31%

Elektronica

71%

29%

Andere Industrieën

60%

40%

Groothandel

60%

40%

Transport/Financiële Diensten

80%

20%

Informatiediensten

75%

25%

Totaal

65%

35%

Kleine bedrijven

61%

39%

Middelgrote bedrijven

72%

28%

partner. Bij grote bedrijven ligt dit gemiddelde veel hoger

Grote bedrijven

81%

19%

(72%). Bedrijven in de Elektronica (54%), Chemie/Plastics en

Totaal

65%

35%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van O&O-actieve bedrijven

overheid. De Europese overheid financiert ook vooral bedrijven

8.10 SAMENWERKINGSPATRONEN VAN INNOVATIEVE ONDERNEMINGEN Gemiddeld werkt iets meer dan een derde (38%) van de innovatieve bedrijven voor innovatieprojecten samen met een

Machines/Voertuigen (50%) zijn ook relatief meer geneigd tot samenwerken. De percentages worden voorgesteld in tabel 8.9.


123

Tabel 8.8:

Publieke financiering van de innovatieactiviteiten Regionale overheid

Belgische overheid

EU

Europees Kaderprogramma

Voeding/Tabak

16%

7%

6%

1%

Textiel

22%

12%

5%

3%

Papier/Hout

12%

12%

6%

3%

Chemie/Plastics

24%

13%

4%

3%

Metaal

22%

13%

2%

0%

Machines/Voertuigen

20%

16%

1%

1%

Elektronica

30%

13%

7%

4%

Andere Industrieën

6%

4%

1%

0%

Groothandel

7%

3%

0%

0%

Transport/Financiële Diensten

5%

4%

0%

0%

Informatiediensten

27%

10%

11%

7%

Totaal

14%

8%

3%

1%

Kleine bedrijven

13%

6%

2%

1%

Middelgrote bedrijven

15%

11%

4%

2%

Grote bedrijven

28%

19%

9%

5%

Totaal

14%

8%

3%

1%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren

In deze samenwerkingsverbanden worden leveranciers (29%) en consultants/commerciële laboratoria/O&O bedrijven (22%) Tabel 8.9:

Samenwerkingspatronen van innovatieve

het vaakst genoemd als partners. Daarna volgen de klanten

ondernemingen

en concurrenten en andere bedrijven uit dezelfde industriële sector (partners voor 19% van de innovatoren). Universiteiten of

Voeding/Tabak

47%

Textiel

33%

Papier/Hout

43%

partner (voor 18% van de innovatoren). In tabel 8.10 wordt

Chemie/Plastics

52%

de verdeling weergegeven van het belang van elke partner

Metaal

42%

in samenwerkingsverbanden van Vlaamse bedrijven voor

Machines/Voertuigen

50%

Elektronica

54%

Andere Industrieën

25%

Groothandel

26%

Transport/Financiële Diensten

33%

Informatiediensten

46%

Totaal

38%

Kleine bedrijven

32%

Middelgrote bedrijven

47%

Grote bedrijven

72%

Totaal

38%

instellingen van hoger onderwijs zijn eveneens een belangrijke

innovatieactiviteiten.

Tabel 8.10: Belang van partners in samenwerkingsverbanden Leveranciers van uitrusting, materiaal, componenten en software Klanten of afnemers Andere bedrijven in de groep Universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs Consultants / Commerciële laboratoria / O&O-bedrijven Publieke onderzoeksinstellingen Concurrenten en andere bedrijven uit dezelfde industriële sector

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren

29% 19% 14% 18% 22% 13% 19%

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 8

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren


124

Tabel 8.11: Belang van partners in samenwerkingsverbanden, volgens geografische locatie België

EU

VS

Voeding/Tabak

48%

32%

7%

Andere landen 5%

Textiel

32%

19%

10%

3%

Papier/Hout

40%

38%

3%

5%

Chemie/Plastics

52%

42%

19%

14%

Metaal

41%

22%

1%

1%

Machines/Voertuigen

47%

35%

22%

12%

Elektronica

52%

36%

17%

13%

Andere Industrieën

24%

17%

2%

5%

Groothandel

24%

13%

3%

2%

Transport/Financiële Diensten

32%

16%

4%

2%

Informatiediensten

45%

30%

21%

10%

Totaal

36%

24%

8%

5%

Kleine bedrijven

31%

17%

4%

2%

Middelgrote bedrijven

44%

34%

11%

10%

Grote bedrijven

68%

62%

37%

25%

Totaal

36%

24%

8%

5%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren

Tabel 8.11 geeft weer hoeveel innovatieve bedrijven samen-

Universiteiten en andere instellingen van hoger onderwijs (5%)

werkingspartners hebben in België, de EU, de V.S. en in andere

en publieke of particuliere non-profit instellingen (3%) zijn iets

landen. We zien dat alle innovatoren – onafhankelijk van hun

minder belangrijk. Tabel 8.12 vat deze informatie kort samen.

grootte – vooral samenwerkingspartners binnen België hebben. Grote innovatieve ondernemingen (250 werknemers en meer) werken echter ook zeer veel samen met Europese partners.

8.12 BESCHERMING VAN INNOVATIE

Zij hebben ook duidelijk meer samenwerkingsverbanden in de V.S. en in andere landen dan hun kleinere tegenhangers.

Innovatie-inspanningen zijn zeer belangrijk, maar het is ook

Wanneer we naar de sectoren kijken, zien we dat Chemie/

belangrijk dat bedrijven de geleverde inspanningen voldoende

Plastics, Papier/Hout, Elektronica, en Machines/Voertuigen relatief

kunnen afschermen om zo de maximale opbrengst uit de

veel samenwerkingsverbanden met Europese partners hebben.

investering te realiseren. Een zeer belangrijke – maar zeker niet

Machines/Voertuigen, Chemie/Plastics en Informatiediensten

steeds waterdichte – manier is de aanvraag van een octrooi.

werken voor hun innovatie-inspanningen relatief veel samen

In eerste instantie kijken we in deze sectie naar de octrooi-

met partners in de V.S.

aanvragen. Deze geven een indicatie van de innovatieoutput die bedrijven proberen te beschermen. In de tweede kolom van tabel 8.13 wordt het percentage van innovatieve bedrijven

8.11 INFORMATIEBRONNEN

dat minstens één octrooiaanvraag ingediend heeft, weergegeven. Gemiddeld is dat slechts 6%. Grote bedrijven en bedrijven in

De informatiebronnen die aan de basis liggen van de

de sectoren Chemie, Elektronica, en Machines/Voertuigen zijn

innovatieactiviteiten werden ook bevraagd in de CIS2007.

duidelijk meer actief in octrooiaanvragen.

Uit de antwoorden blijkt dat de meeste informatie uit interne bronnen (53%) gehaald wordt. Andere belangrijke bronnen zijn

Naast octrooiaanvragen wordt er nog een hele waaier andere

leveranciers (31%), en klanten of afnemers (27%). In mindere

beschermingsmethoden toegepast. Tabel 8.13 geeft ook drie

mate zijn ook concurrenten (10%) een bron van informatie.

andere mogelijkheden: het registreren van industriële ontwerpen,

Naast deze actoren die rechtstreeks aan de onderneming

handelsmerken, en auteursrechten. We zien dat de handels-

verbonden zijn, spelen ook een aantal indirecte bronnen een rol,

merken het belangrijkst zijn, en dan vooral voor bedrijven in de

zoals beurzen en tentoonstellingen (15%), tijdschriften / publicaties

sectoren Chemie/Plastics, Elektronica, en Voeding/Tabak.

(9%), professionele associaties (7%) en consultants (7%).


125

Tabel 8.12: Informatiebronnen voor de innovatieactiviteiten Interne bronnen Onderneming zelf en andere bedrijven binnen de groep (voor ondernemingen die deel uitmaken van een groep) Marktbronnen Leveranciers van uitrusting, materiaal, componenten en software Klanten of afnemers Concurrenten en andere bedrijven uit dezelfde industriële sector Institutionele bronnen Consultants Universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs Publieke of particuliere non-profit instellingen Andere bronnen Beurzen, tentoonstellingen, conferenties Tijdschriften, publicaties Professionele associaties

53% 31% 27% 10% 7% 5% 3% 15% 9% 7%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren

Tabel 8.13: Bescherming van innovaties: verschillende methoden Industriële designs

Handelsmerken

Copyright

6%

1%

15%

2%

Textiel

3%

2%

7%

2%

Papier/Hout

4%

2%

8%

4%

20%

10%

20%

3%

8%

5%

7%

0%

Machines/Voertuigen

15%

6%

7%

1%

Elektronica

21%

12%

19%

7%

Andere Industrieën

10%

6%

10%

2%

Groothandel

4%

4%

9%

1%

Transport/Financiële Diensten

0%

0%

3%

0%

11%

3%

10%

6%

Totaal

6%

3%

9%

2%

Kleine bedrijven

4%

2%

7%

1%

Middelgrote bedrijven

11%

6%

12%

3%

Grote bedrijven

30%

11%

29%

6%

6%

3%

9%

2%

Chemie/Plastics Metaal

Informatiediensten

Totaal

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren

Ook

het

registreren

van

industriële

ontwerpen

en

8.13 KENNISBEHEER

auteursrechten blijken zeer relevant in de Elektronicasector. Grote ondernemingen zijn duidelijk meer actief in de vier

In dit deel onderzoeken we kennisbeheer in de Vlaamse

beschermingsmethoden die werden bevraagd.

bedrijven. We beschouwen hierbij zowel de niet-innovatieve als de innovatieve ondernemingen. Volgens de Oslo Manual, is de manier waarop bestaande kennis wordt gebruikt en uitgewisseld alsook de manier waarop nieuwe kennis wordt verkregen een essentieel onderdeel van de operaties van een onderneming. Zoals Davenport en Prusak (1998) uitleggen, omvat kennisbeheer een grote waaier aan technieken, technologiën en bestuurspraktijken, allen gericht op een grotere winst door een beter gebruik van het intellectuele kapitaal van de onderneming.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 8

Octrooien Voeding/Tabak


126

Tabel 8.14: Gebruik van technieken voor kennisbeheer Schriftelijk beleid betreffende kennisbeheer

20%

Stimuli voor werknemers om informatie te delen binnen het bedrijf

34%

Specifieke middelen om externe kennis te kunnen opsporen en verkrijgen

26%

Beleid om externe experts te betrekken bij projectgroepen indien nodig

17%

Regelmatig actualiseren van interne databanken of handleidingen betreffende gangbare praktijken, geleerde lessen, of advies van experts

34%

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de doelpopulatie

Zoals tabel 8.14 toont, gebruikt één derde van de Vlaamse

8.15

BESLUIT

bedrijven stimuli voor werknemers om informatie binnen de onderneming te delen, alsook een regelmatige update van

In dit hoofdstuk werden de CIS2007-resultaten kort samen-

interne databases of handboeken over praktijken, opgedane

gevat in een aantal kerntabellen. De innovatiegraad van de

ervaring of expertenadvies. Technieken om externe kennis te

Vlaamse bedrijfswereld bedraagt 56% wat vergelijkbaar is met

beheren worden minder frequent gebruikt: 26% van alle

cijfers voor de voorbije jaren. De meeste Vlaamse innovatieve

bedrijven gebruiken technieken om externe informatie buiten

bedrijven zijn procesinnovatoren (64%), maar productinnovatie

het bedrijf te vinden en te verkrijgen, en 17% heeft een beleid

komt bijna even vaak voor (59%). Ongeveer 63% van de

dat externe experten betrekt. In een vijfde van alle gevallen

innovatieve bedrijven heeft in de periode 2004-2006

bestaat er een geschreven beleid over kennisbeheer.

innovatieactiviteiten die lopend (maar nog niet afgewerkt) of afgebroken waren.

8.14 HISTORISCHE VERGELIJKING

Van de Vlaamse bedrijven die innoveren, ontving in de periode 2004-2006 gemiddeld 14% financiële ondersteuning van de

Zoals reeds aangegeven, omvatte CIS4 meer sectoren dan

regionale overheid, 8% van de nationale overheid, en 3% van

CIS3 en dan de recente CIS2007. We kunnen een historische

de Europese overheid. Vooral de grote ondernemingen

vergelijking maken door voor CIS4 deze extra sectoren buiten

ontvingen fondsen.

beschouwing te laten. Zoals blijkt uit tabel 8.15, blijft het percentage Samenwerkingverbanden voor innovatieprojecten blijken zeer

ondernemingen dat innoveert vrijwel stabiel.

belangrijk. Leveranciers, consultants/commerciële laboratioria/ O&O-bedrijven zijn de belangrijkste partners. Ook klanten en Tabel 8.15: Evolutie percentage innovatieve ondernemingen

concurrenten zijn belangrijke partners. Naast de bedrijven van de eigen groep vormen leveranciers en klanten een belangrijke

CIS3 (2000)

CIS4 (2005)

CIS (2007)

Alle bedrijven

58%

59%

56%

KMO's

58%

57%

54%

Grote bedrijven

83%

88%

82%

meer actief zijn in het beschermen van hun innovaties. Ook in

Low tech

55%

55%

53%

het gebruik van technieken voor kennisbeheer door zowel

High tech

71%

78%

71%

niet-innovatieve als innovatieve bedrijven ziet men dat interne

Industrie

69%

64%

64%

kennisstromen vaker op professionele manier beheerd worden

Diensten

49%

54%

49%

dan externe kennisstromen.

Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de doelpopulatie

bron van informatie voor innovatieactiviteiten. Het gebruik van verschillende

beschermingsmethoden

voor

innovatie

is

sectorafhankelijk. In het algemeen blijkt wel dat grote bedrijven


127

8.16

REFERENTIES

• DELANGHE, H., TIRI, M., LAROSSE, J., en CARCHON, D., Hoofdstuk 8: Innovatie-inspanningen van Vlaamse onder-

• AERTS, K., ANDRIES, P., CZARNITZKI, D. en HOSKENS, M.,

nemingen: een exploratie van de CIS3-enquête, pp. 103-124,

Hoofdstuk 7: Innovatie-kenmerken van Vlaamse onder-

in: Vlaams Indicatorenboek, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2003 (depotnr. D/2003/3241/173).

nemingen: kernresultaten van de CIS-4 enquête, pp. 117-130, in: Vlaams Indicatorenboek 2007, Steunpunt O&O Indicatoren,

• OECD/EUROSTAT, The Measurement of Scientific and Technological Activities. Proposed Guidelines for Collecting

2007 (ISBN 1374-6294). • Commissie van de Europese Gemeenschappen, Innovatie in

and Interpreting Technological Innovation Data: Oslo Manual,

een kenniseconomie, Brussel, September 2000. • DEBACKERE, K., Universities as Incubators, Science Alliance

Paris, OECD, 1997. • DAVENPORT, T. H. en PRUSAK L., Working knowledge:

Conference, Den Haag, 2002

How organizations manage what they know, Boston, MA: Harvard Business School Press, 1998.

APPENDIX: SECTOREN (OP BASIS VAN DE NACE-BEL 2003-CLASSIFICATIE) WEERHOUDEN DOOR EUROSTAT Primaire sector Winning van delfstoffen 10

Winning van steenkool, bruinkool en turf

11

Winning van aardolie en aardgas en aanverwante diensten

12

Winning van uranium- en thoriumerts

13

Winning van metaalertsen

14

Overige winning van delfstoffen

Verwerkende nijverheid Voedingsproducten, dranken en tabak Vervaardiging van voedingsmiddelen en dranken

16

Vervaardiging van tabaksproducten

Textiel, kleding, bontnijverheid en leernijverheid 17

Vervaardiging van textiel

18

Vervaardiging van kleding en bontnijverheid

19

Leernijverheid en vervaardiging van schoeisel

Hout, papier, drukkerijen 20

Houtindustrie en vervaardiging van artikelen van hout, kurk, rieten vlechtwerk

21

Papier- en kartonnijverheid

22

Uitgeverijen, drukkerijen en reproductie van opgenomen media

Cokes, petroleum, kernbrandstof, chemische producten, rubber en kunststoffen 23

Vervaardiging van cokes, geraffineerde aardolieproducten en splijt- en kweekstoffen

24

Chemische nijverheid

244

Farmaceutische nijverheid

25

Rubber- en kunststofnijverheid

Niet-metaalhoudende minerale producten 26

Vervaardiging van overige niet-metaalhoudende minerale producten

Metallurgie 27

Metallurgie

Vervaardiging van producten in metaal (exclusief machines en werktuigen) 28

Vervaardiging van producten van metaal

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 8

15


128

Machines, materialen, werktuigen en transport 29

Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen

30

Vervaardiging van elektrische en elektronische apparaten en instrumenten

31

Vervaardiging van elektrische machines en apparaten

32

Vervaardiging van audio-, video- en telecommunicatie-apparatuur

33

Vervaardiging van medische apparatuur, van precisie- en optische instrumenten en van uurwerken

34

Vervaardiging en assemblage van auto's, aanhangwagens en opleggers

35

Vervaardiging van overige transportmiddelen

Meubels, overige industrie 36

Vervaardiging van meubels, overige industrie

Recuperatie van recycleerbaar afval 37

Recuperatie van recycleerbaar afval

Productie en distributie van elektriciteit, gas en water 40

Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en warm water

41

Winning, zuivering en distributie van water

Dienstensector Groothandel 51

Groothandel en handelsbemiddeling, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en motorrijwielen

Vervoer, opslag 60

Vervoer te land

61

Vervoer over water

62

Luchtvaart

63

Vervoersondersteunende activiteiten

Post en telecommunicatie 64

Post en telecommunicatie

FinanciĂŤle instellingen (inclusief verzekeringen) 65

FinanciĂŤle instellingen

66

Verzekeringswezen

67

Hulpbedrijven ivm financiĂŤle instellingen

Informatica en aanverwante activiteiten 72

Informatica en aanverwante activiteiten

Onderzoek en ontwikkeling 73

Speur- en ontwikkelingswerk

Overige zakelijke dienstverlening 742

Technisch advies, architecten en ingenieurs

743

Technische tests en analyses


129

B I B L I O M E T R I S C H E A N A LY S E VA N H E T V L A A M S O N D E R ZO E K I N D E L E V E N S - , N AT U U R - E N TECHNISCHE WETENSCHAPPEN. HET VLAAMS ONDERZOEK IN EUROPESE CONTEXT

Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven), Wolfgang Glänzel (K.U.Leuven) en Bart Thijs (K.U.Leuven)

09


130

9.1 INLEIDING

Daarom kan men de wetenschap bestuderen aan de hand van de wetenschappelijke literatuur zelf, die tot op zekere hoogte

Bij het concipiëren, het opvolgen en het evalueren van het

een weerspiegeling vormt van de activiteiten.

O&O-beleid van de overheid maar ook van universiteiten, onderzoeksinstellingen en bedrijven, groeit de nood aan

De diverse wetenschappelijke domeinen hebben wel een eigen

kwantitatieve informatie. Hoewel kwantitatieve gegevens nooit

typische onderzoeks- en publicatiecultuur. Zo spelen in de

toelaten de werkelijkheid volledig te omschrijven, vormen ze

natuur- en levenswetenschappen tijdschriften een essentiële rol

wel onmisbare achtergrondinformatie.

in de communicatie tussen vakgenoten. Voor de technische wetenschappen nemen conferentieproceedings en rapporten

Naast informatie over onder meer de O&O-bestedingen door

daarnaast een belangrijke plaats in. De natuur- en levens-

de verschillende actoren en de verdeling van deze middelen over

wetenschappen en ook de basisdisciplines in de technische

de verschillende domeinen, hebben beleidsmakers ook behoefte

wetenschappen zijn bovendien sterk internationaal gericht –

aan gegevens over de wetenschappelijke en technologische

waarbij het Engels dominant is bij de informatieuitwisseling.

output. Bibliometrische analyses, die gebaseerd zijn op de bibliografische gegevens van publicaties vormen een van de

In deze disciplines kan dan ook een onderscheid worden

methoden om het onderzoekspotentieel in kaart te brengen.

gemaakt tussen de ‘centrale’ en de meer ‘perifere’ tijdschriften. De eerste zijn grosso modo de internationaal toonaangevende

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de omvang

publicaties, met een goed functionerend referee-systeem.

en de impact van het Vlaams onderzoek in de natuur-, levens-

De andere zijn wat minder belangrijk en vaak meer nationaal

en technische wetenschappen zoals dat kan worden zichtbaar

georiënteerd.

gemaakt aan de hand van publicaties verschenen in tijdschriften die worden verwerkt voor de Science Citation Index en aan de

Bibliometrische macro- en meso-analyses zijn vandaag de dag

hand van papers voorgesteld op internationale/nationale

dan ook ondenkbaar zonder te vertrekken van een

conferenties en opgenomen in de Proceedings databank.

veelomvattende, multidisciplinaire bibliografische databank. Voor de bibliometrische analyse van de onderzoeksprestaties van landen, regio’s, instituten en onderzoeksgroepen is

9.2 BIBLIOMETRISCHE STUDIES EN DE BIBLIOGRAFISCHE GEGEVENSBESTANDEN VAN DE ISI

bovendien de recurrente beschikbaarheid van een citatie-index een noodzakelijke voorwaarde. De bibliografische databestanden van het Amerikaanse Instituut voor Wetenschappelijke Informatie (Thomson Scientific – ISI, Philadelphia, PA, USA)

Bibliometrische analyses van publicaties laten toe onderzoeks-

vormen in deze optiek een onmisbaar vertrekpunt voor om

prestaties in kaart te brengen. Voor de wetenschapsbeoefening

het even welke bibliometrische analyse. Tijdens de voorbije

wordt hierbij een model gebruikt, waarvan we hier even de

vijfentwintig jaar is de Science Citation Index (SCI®) en later ook

krijtlijnen schetsen. Fundamenteel onderzoek leidt tot nieuwe

het Web of Science® een van de meest geaccepteerde en

inzichten in de mens en zijn omgeving. De praktische

onderzochte bronnen voor bibliometrische analyses geworden.

toepassing van de resultaten van dit soort onderzoek zijn echter

Hoewel er ook kritische bedenkingen te geven zijn (bijvoorbeeld

zelden onmiddellijk duidelijk en vragen vaak nog belangrijke

voor wat betreft de tijdschriftendekking en de aanpak van het

investeringen. Fundamenteel onderzoek wordt dan ook

ISI in verband met de dataverwerking bij de ontwikkeling en

grotendeels gefinancierd met publieke middelen. De resultaten

invulling van de SCI), zijn de unieke kenmerken van de SCI

ervan vormen een quasi-publiek goed. Ze maken deel uit van

tegenwoordig algemeen aanvaarde onderdelen geworden van

het cultureel en maatschappelijk patrimonium.

de bibliometrische technologie. Van deze kenmerken zijn vooral de volgende het vermelden waard:

Publicaties in de open literatuur vormen de meest gebruikte maar niet enige manier om deze resultaten bekend te maken.

l

Multidisciplinariteit: De SCI is uniek door zijn brede

Het is daarbij gebruikelijk dat onderzoekers door vermeldingen

dekking. Alle wetenschapsgebieden in de levens-

in voetnoten of in een referentielijst aangeven op welke wijze

wetenschappen, de natuurwetenschappen evenals de

ze voortbouwden op eerder werk.

basisdisciplines van de technische wetenschappen zijn in het gegevensbestand aanwezig.


131

l

Selectiviteit: alle wetenschappelijke tijdschriften die in de

9.3 DATABRONNEN EN DATAVERWERKING

SCI opgenomen zijn, werden op grond van kwantitatieve criteria (impactmaatstaven) gekozen en de selectie door ISI

Alle bibliometrische gegevens die in dit hoofdstuk gebruikt worden,

wordt in het algemeen ook door de opinie van experten in

zijn gebaseerd op de bibliografische ‘ruwe’ data geëxtraheerd

de betreffende disciplines gevalideerd en aanvaard.

uit de 1992-2007 cumulatieve databestanden van de Science Citation Index Expanded® (SCIE). Om de literatuurdekking

l

Volledige dekking: alle publicaties in tijdschriften die in

ietwat uit te breiden wordt als bijkomende databron de Science

de SCI opgenomen zijn, worden ook geïndexeerd.

& Technology Edition van de ISI Proceedings (STP) gebruikt. Omdat conferentiebijdragen ook in tijdschriften worden

l

Volledigheid van adressen: de werkadressen van alle

gepubliceerd is de overlap van de twee databronnen

auteurs worden vermeld. Dit kenmerk maakt dus de analyse

aanzienlijk. Bij de bijkomende publicaties gaat het echter om

van wetenschappelijke samenwerking en de toepassing van

conferentiebijdragen die niet reeds – bijv. in het kader van

een volledig of een gefractioneerd telschema (waarbij een

speciale journal issues – in het WoS zijn opgenomen. Bij de

publicatie geheel of gedeeltelijk aan bijvoorbeeld elke

“zuivere” proceedingsliteratuur kan echter enkel een publicatie-

auteur, instelling of land wordt toegewezen) mogelijk.

analyse gebeuren en geen citatie-analyse daar er met ISI nog geen overeenstemming bestaat over de juiste wijze waarop de

l

Bibliografische referenties: Samen met de documenten

impact moet berekend worden in geval van de Proceedings.

worden ook hun referenties verwerkt. De herdefinitie van

Bovendien is voor de periode 1992-1994 enkel één adres per

deze referenties als brondocumenten maakt het mogelijk

publicatie vermeld zodat voor deze periode ook geen analyse

om citatiepatronen te onderzoeken en citatie-indicatoren te

van wetenschappelijke samenwerking kan worden uitgevoerd.

construeren. De bibliometrische analyse die in het vervolg van dit hoofdstuk l

Beschikbaarheid: De SCI is beschikbaar als gedrukte

wordt weergegeven, is gebaseerd op de vier zogenaamde

versie, elektronisch op magneetband, on-line en als CD-editie.

‘relevante’ of ‘citeerbare’ documenttypes, namelijk (1) articles,

Vooral de laatstgenoemde was in de negentiger jaren zeer

(2) letters, (3) notes en (4) reviews. De publicaties van de laatste

populair. Een meer uitgebreide versie van dit databestand,

veertien jaar, d.w.z. van de periode 1992-2007, werden voor

de SCI expanded, is onderdeel van het Web of Science

deze analyses geselecteerd.

Dat is meestal on-line beschikbaar. De SCI Expanded (SCIE)

Sinds het verschijnen van de laatste editie van het Indicatoren-

heeft duidelijk een bredere tijdschriftendekking dan de

boek heeft Thomson – ISI regelmatig bestanden met correcties

‘gewone’ SCI. De volledige Web of Science bevat naast

aangeleverd. Deze gegevens corrigeren niet alleen bibliografische

de SCIE ook nog de SSCI (Social Science Citation Index) en

of citatiegegevens maar tevens worden ook volledige issues

de A&HCI (Arts&Humanities Citation Index).

aan vorige jaarlijkse volumes toegevoegd of in vroegere updates verwijderd. Door deze aanpassingen is het nu mogelijk

Er zijn zonder twijfel enkele kritische bedenkingen te

de SOOI gegevens met de actuele versie van het WoS in

formuleren over de databestanden van het ISI. Naast de twee

overeenstemming te brengen. Door deze aanpassingen

reeds genoemde aspecten (dekkingsgraad en verwerking bij

kunnen zowel de Vlaamse indicatoren alsook de kencijfers van

aanmaak) moet ook nog de oververtegenwoordiging van

de referentielanden lichtjes veranderen. Wij raden dus aan ook

publicaties afkomstig uit Engelstalige landen, in het bijzonder

telkens de actuele versie van het Indicatorenboek te raadplegen.

van publicaties uit de Verenigde Staten, vermeld worden. Ondanks deze bedenkingen is de SCIE momenteel de meest

Aan de basis van de toewijzing van publicaties aan Vlaanderen

geschikte bibliografische bron voor uitgebreide, alle vakgebieden

en aan de referentielanden lagen de werkadressen. De nationaliteit

omvattende, bibliometrische analyses.

van een auteur was dus niet doorslaggevend maar wel zijn of haar adres van institutionele affiliatie. Er is verder een ‘volledig’ telschema toegepast, met andere woorden, indien een publicatie co-auteurs met werkadressen in verschillende landen heeft, dan wordt deze publicatie aan alle betrokken landen als één volledige publicatie toegewezen.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9

(WoS®), dat eveneens door het ISI geproduceerd wordt.


132

Er wordt dus niet gefractioneerd tussen de landen. Doch in het geval een publicatie meer dan één werkadres in hetzelfde land

5. Klinische en experimentele geneeskunde I (algemene en interne geneeskunde)

vermeldt, dan wordt dit document enkel één keer aan het

6. Experimentele geneeskunde II (niet-interne vakken)

betrokken land toegewezen. Anderzijds kan ook één publicatie

7. Neuro- en gedragswetenschappen

van één auteur wel als afkomstig van twee landen en dus als

8. Chemie

een internationale co-publicatie beschouwd worden, indien deze

9. Fysica

auteur werkadressen in twee verschillende landen heeft vermeld.

10. Aard- en ruimtewetenschappen 11. Technische wetenschappen

De bepaling van Vlaamse publicaties was iets ingewikkelder

12. Wiskunde

dan die van de Europese referentielanden. Een document werd beschouwd als afkomstig van Vlaanderen op voorwaarde dat

De citatiegegevens werden bepaald via een op een speciale

het tenminste één (co)auteur een Vlaams werkadres heeft.

identificatiesleutel gebaseerd koppelingsalgoritme. Hierbij worden

Verder werden 20% van het aantal publicaties en citaties van

de individuele bronpublicaties gekoppeld met de individuele

alle brondocumenten die enkel een Brussels doch geen Vlaams

bestanddelen van de referentielijsten van alle bronpublicaties.

werkadres hebben, bij de berekening van de Vlaamse basis-

Het aantal citaties dat een bronpublicatie in elk jaar na het jaar

indicatoren gevoegd. Dit betekent concreet dat 20% van alle

van zijn publicatie krijgt is natuurlijk niet constant. Het is aan

instellingen met een Brussels werkadres aan Vlaanderen werden

veranderingen onderworpen die eigen zijn aan het proces van

toegewezen. Uitzonderingen vormen de Nederlandstalige Vrije

veroudering van (wetenschappelijke) informatie. Het citatieproces

Universiteit Brussel (VUB) die aan Vlaanderen wordt toegewezen

is dus niet homogeen. De keuze van een geschikt citatievenster

en ULB/UCL met toekenning aan Wallonië. Verder werden alle

is daarom van groot belang. Het in dit hoofdstuk gekozen

bijkomende Brusselse gegevens manueel geverifieerd en aan

venster is in overeenstemming met de resultaten van recente

de betreffende gemeenschap toegekend. Enkel op de federale

methodologische studies en met de praktische ervaring die

en andere niet onmiddellijk toekenbare instellingen werd dus

gangbaar is in het bibliometrisch onderzoek (bijv. Glänzel en

de 20/80 regel toegepast. Deze allocatieregel werd reeds in het

Schoepflin, 1995, van Raan, 2006). Er werd op basis van deze

Indicatorenboek 2005 toegepast.

inzichten een vast tijdvenster van drie jaar, beginnend met het jaar van publicatie, toegepast. Aldus werden bijvoorbeeld

Voor de vergelijkende analyses werden, net als in het

voor publicaties die in de jaargang 2003 van het SCI Expanded

Indicatorenboek 2007, de volgende elf Europese referentielanden

opgenomen zijn, alle citaties gedurende de periode 2003-2005

in aanmerking genomen: België, Denemarken, Duitsland,

geteld. Dankzij dit citatievenster konden alle tussen 1992 en

Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland, Spanje, Verenigd

2003 gepubliceerde en in het SCIE geïndexeerde documenten

Koningrijk en Zweden.

in aanmerking genomen worden voor de citatieanalyse.

De toewijzing van publicaties aan wetenschapsgebieden is gebaseerd op een disciplinetoekenning vertrekkend van het

9.4 BIBLIOMETRISCHE INDICATOREN

door het ISI ontwikkelde Subject Category System waarbij tijdschriften worden gegroepeerd in cognitief logische

Een basismaatstaf van de wetenschappelijke output is het aantal

disciplinegroepen. Het hier toegepaste disciplinestelsel is een

publicaties, of om precies te zijn, het aantal publicaties in het

verdere groepering van de afgerond 200 disciplinecodes van

gebruikte bibliografisch databestand. De dekkingsgraad en het

het ISI en bevat 60 deelgebieden en 12 hoofdgebieden. In het

profiel van de SCIE is onderworpen aan jaarlijkse wijzigingen

kader van deze studie werd het Vlaams onderzoek op niveau

en aanpassingen. Daarom moet het meten van de regionale of

van de hoofdgebieden geanalyseerd. Deze hoofdgebieden zijn:

nationale publicatieoutput altijd in samenhang met de ontwikkeling van het gegevensbestand als geheel beschouwd

1. Agronomie en omgevingswetenschappen

worden. Een logische consequentie hiervan is dat voor het

2. Biologie (op het organisme- en het supra-organismevlak)

onderzoek van publicatietrends, het nationale aandeel in het

3. Biowetenschappen (algemene, cellulaire en sub-cellulaire

totaal van de wereld-output gemeten wordt in plaats van de

biologie; genetica) 4. Biomedisch onderzoek

nationale publicatieoutput als dusdanig.


133

Het institutionele, regionale of nationale onderzoeksprofiel voor

De gemiddelde verwachte citatiefrequentie (Mean Expected

een gegeven systeem van wetenschapsgebieden kan door de

Citation Rate: MECR) geeft een vergelijkingswaarde voor de

zogeheten Activiteitsindex (AI) uitgedrukt worden. Frame heeft

feitelijke citatie-impact op basis van de impactmaatstaven van

deze indicator 1977 als een bibliometrische versie van de

de tijdschriften. Het verwachte aantal citaties van een publicatie

‘Comparative Advantage Index’ ingevoerd. De Activiteitsindex

is gedefinieerd als de gemiddelde citatiefrequentie van alle

voor landen wordt op de volgende manier gedefinieerd:

publicaties die in hetzelfde tijdschrift in hetzelfde jaar verschenen zijn. Om een compatibele verwachtingswaarde te kunnen definiëren, moeten natuurlijk de citatievensters

Ci / C AI =

, Wi / W

gehanteerd voor beide indicatoren (MOCR en MECR) overeenstemmen. In plaats van het citatievenster van één jaar t voor publicaties verschenen in de twee voorafgaande jaren

waarbij Ci /C het aandeel nationale publicaties in een gegeven

(t–1) en (t–2) (zoals gehanteerd in de definitie van de impact

gebied i in de nationale publicaties over alle gebieden en Wi /W

factor in de Journal Citation Report uitgegeven door het ISI), zal

het aandeel publicaties van de wereld in hetzelfde gebied i over

in dit hoofdstuk eveneens een venster van drie jaar toegepast

de publicaties van de wereld in alle gebieden is. In eerdere

worden. Voor een verzameling van publicaties die aan een

studies konden de volgende vier verschillende ‘paradigmatische’

bepaalde onderzoeksgroep, instituut, regio of land wordt

patronen in nationale publicatieprofielen onderscheiden worden

toegekend is deze indicator dus de verhouding van alle

(bijv. REIST-2, 1997):

individuele verwachte citatiefrequenties tot alle publicaties in de beschouwde verzameling.

1. 2. 3. 4.

Het ‘westerse’ model met biowetenschappen en medische wetenschappen als overheersende gebieden,

De derde indicator is de zogeheten relatieve citatiefrequentie

De typische patronen van de voormalige socialistische

(Relative Citation Rate: RCR). Deze indicator wordt gedefinieerd

landen met overheersende activiteit in chemie en fysica,

als het quotiënt van de gemiddelde geobserveerde en gemiddelde

Het ‘bio-omgevingsmodel’ met biologie en aard- en

verwachte citatiefrequentie, dus RCR = MOCR/MECR.

ruimtewetenschappen op de voorgrond en

RCR drukt uit of de publicaties van een onderzoeksgroep,

Het ‘Japans’ model met overheersende oriëntatie in de

instituut, regio of land meer of minder citaties hebben

richting van technische wetenschappen en chemie.

aangetrokken dan verwacht op basis van de citatiefrequenties

De neutrale waarde van deze indicator is 1. AI > 1 betekent dus

relatief ten opzichte van de citatiestandaard van de opgenomen

publicatieactiviteit boven de wereldstandaard, AI = 1 betekent

tijdschriften gemeten worden, is deze indicator veel minder

een publicatiepatroon overeenkomstig de wereldstandaard en

gevoelig voor de grote verschillen die tussen de citatiepraktijken

AI < 1 drukt uit dat de activiteit van het land in het betrokken

in de verschillende wetenschapsgebieden optreden.

onderzoeksgebied beneden de wereldstandaard ligt. RCR = 0 reflecteert ‘ongeciteerdheid’, RCR < 1 betekent dat de Drie indicatoren werden toegepast om verschillende aspecten

betrokken eenheid (onderzoeksgroep, instituut, regio of land)

van de impact van het Vlaams wetenschappelijk onderzoek in

lager dan de wereldstandaard presteert, RCR > 1 betekent hoger

de Europese context te kenmerken.

dan de wereldstandaard en RCR = 1 drukt uit dat de betrokken eenheid gemiddeld evenveel citaties heeft gekregen als werd

De eerste indicator is de gemiddelde geobserveerde citatie-

verwacht op basis van de citatiepatronen van de onderliggende

frequentie (Mean Observed Citation Rate: MOCR). Deze indicator

tijdschriften.

is gedefinieerd als het quotiënt van het aantal citaties geobserveerd in een bepaalde periode (bijv. drie jaar

De drie indicatoren werden geïntroduceerd door Schubert

beginnend met het jaar van publicatie) en het aantal aan de

et al. (1983) en worden sedertdien regelmatig toegepast

basis liggende publicaties. De MOCR weerspiegelt de feitelijke

in vergelijkende meso- en macrostudies. Versies van deze

impact van een onderzoeksgroep, instituut, regio of land.

indicatoren, namelijk Citations per Paper (CPP strookt met MOCR), Mean Citation Rate of Journal Packet (JCSm komt overeen met MECR) en CPP/JCSm (kom overeen met RCR) worden ook aan het CWTS in Leiden gebruikt (bijv. Moed et al., 1995).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9

van de tijdschriften. Omdat de citatiescores van de artikelen


134

9.5 DE EVOLUTIE VAN DE VLAAMSE PUBLICATIES IN DE LEVENS-, NATUUREN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN

Het aantal publicaties per hoofd neemt in alle referentielanden en in Vlaanderen toe – maar niet overal in dezelfde mate. De groei in Vlaanderen, België is duidelijk sterker dan in Duitsland en Frankrijk: terwijl hun per capita activiteit in 1992 nog op

Zoals in de derde sectie van dit hoofdstuk beschreven, waren

hetzelfde niveau was, is er in 2005 een geprononceerd verschil

de werkadressen doorslaggevend bij de toewijzing van

waarneembaar. De evolutie is nog duidelijker als de

publicaties aan Vlaanderen en aan de referentielanden. Er werd

proceedingsliteratuur word meegenomen. Hier heeft de per

een ‘volledig’ telschema gebruikt, d.w.z. indien een publicatie

capita productie in 2005 al het niveau van Nederland

co-auteurs met werkadressen in verschillende landen heeft, dan

bereikt en in 2007 overschreden (zie tabel 9.2). Enkel de

werd deze aan alle betrokken landen als één volledige

Scandinavische landen zijn nog productiever dan Vlaanderen.

publicatie toegewezen. Om de toename van publicaties en de wijzigingen aan de tijdschriftendekking van het SCI-Expanded

Tabel 9.3 geeft de evolutie van de publicatieoutput weer op

bronbestand te kunnen compenseren, werden het Vlaamse en

basis van het procentuele aandeel van Vlaanderen en de elf

het nationale aandeel in het wereldtotaal tijdens de periode

referentielanden in het wereldtotaal in alle wetenschapsgebieden

1992-2007 berekend. Tabel 9.1 geeft de evolutie van de

samen. Het Vlaamse aandeel in het wereldtotaal is vanaf 1992

publicatieoutput weer op basis van publicatie activiteit van

tot 2007 met bijna 60% gestegen. Deze ontwikkeling is tijdens

Vlaanderen en de elf referentielanden per 10.000 inwoners in

de eerste tien jaar van de volledige periode vergelijkbaar met

alle wetenschapsgebieden samen.

die van Finland. Hoewel het Vlaamse procentuele aandeel iets kleiner is dan dat van Finland, lopen hun beide trendlijnen tot

De berekening van de Vlaamse publicatieoutput, rekening houdend

en met 2001 nagenoeg parallel. Vanaf 2001 wordt de Finse

met Brusselse publicaties, is hoger beschreven. De bevolkings-

groei stopgezet om tijdens de laatste twee jaar weer te dalen.

tallen zijn gebaseerd op openbare informatie gepubliceerd

De Vlaamse groeidynamiek wordt enkel door die van Ierland

door EUROSTAT. Het aantal publicaties per 10.000 inwoners

en Spanje overtroffen. Op de oorzaken van de groei in die

splitst Vlaanderen en de referentielanden in twee groepen op:

laatstgenoemde landen werd op verschillende plaatsen gewezen

Landen met relatief lage output per hoofd – zoals Duitsland,

(bijv. Cano en Julian, 1992, Román en Méndez, 1994, Gómez

Frankrijk, Ierland, Italië en Spanje – en landen met hoge

et al., 1995, REIST-2, 1997). De ononderbroken stijging van deze

activiteit per hoofd – zoals de Scandinavische referentielanden,

landen kan namelijk in grote mate als een gevolg van de integratie

België en het Verenigde Koningrijk. De regio Vlaanderen maakt

van deze landen in de organisaties en de kaderprogramma’s

deel uit van de laatstgenoemde groep.

van de Europese Gemeenschap beschouwd worden.

Tabel 9.1:

Evolutie van de publicatieoutput van Vlaanderen en de elf referentielanden per 10.000 inwoners (alle vakgebieden samen; enkel tijdschriftenliteratuur)

Jaar 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007

VL

BEL

DNK

FIN

6.70

6.78

10.94

9.46

6.74

6.90

11.09

10.00

7.46

7.62

12.19

10.89

8.14

8.29

12.51

11.52

8.87

8.89

12.82

12.16

9.05

9.00

13.13

12.70

10.26

9.82

14.66

13.40

10.63

10.08

14.62

14.05

10.54

9.83

14.78

14.47

11.16

10.24

15.08

14.88

11.13

10.35

14.54

14.38

12.54

11.62

16.40

15.80

12.55

11.32

15.43

14.97

14.61

13.05

17.44

16.46

14.66

12.79

17.11

16.47

15.06

12.83

17.27

16.14

* Bevolkingsdata op basis van EUROSTAT

FRA 6.50 6.63 7.05 7.51 7.77 7.94 8.49 8.55 8.30 8.49 8.10 8.89 7.92 9.00 8.70 8.44

DEU 5.99 5.92 6.33 6.71 7.13 7.48 8.28 8.27 8.27 8.45 8.22 8.89 8.38 9.60 9.36 9.16

IRL

ITA

4.46

3.78

4.68

3.87

4.99

4.28

5.51

4.61

5.96

5.01

6.23

5.10

7.06

5.48

7.08

5.58

7.17

5.57

7.32

5.93

7.52

5.99

8.31

6.75

8.64

6.61

10.41

7.40

10.70

7.36

10.98

7.55

NLD 9.69 10.08 10.57 11.16 11.45 11.81 12.23 12.04 12.08 12.30 12.19 13.57 13.03 15.17 15.06 14.92

ESP

SWE

3.41

12.83

3.56

13.35

3.89

14.04

4.23

14.90

4.60

15.85

5.02

15.89

5.49

17.08

5.75

17.37

5.76

16.96

6.06

18.09

6.20

17.38

6.64

18.53

6.58

17.42

7.46

19.78

7.75

18.95

7.72

18.95

GBR 9.91 10.02 10.73 11.22 11.66 11.24 12.15 12.24 12.37 12.16 11.70 12.57 12.06 13.45 13.22 13.16


135

Tabel 9.2:

Evolutie van de publicatieoutput van Vlaanderen en de elf referentielanden per 10.000 inwoners (alle vakgebieden samen; tijdschriften- en proceedingsliteratuur)

Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

ESP

SWE

GBR

1992

6.81

6.88

11.04

9.53

6.60

6.08

4.48

3.87

9.86

3.42

13.01

10.04

1993

6.84

7.04

11.26

10.15

6.80

6.04

4.71

3.95

10.32

3.59

13.56

10.16

1994

8.55

8.72

13.60

12.26

8.09

7.29

5.57

5.08

12.26

4.23

15.56

12.18

1995

9.57

9.70

14.28

13.24

8.83

7.92

6.23

5.69

13.01

4.67

16.77

12.97

1996

10.14

10.13

14.11

13.87

8.79

8.31

6.49

5.88

13.01

5.07

17.47

13.12

1997

10.22

10.11

14.34

14.47

8.98

8.49

6.79

5.89

13.22

5.43

17.45

12.45

1998

11.62

11.05

15.92

15.34

9.47

9.41

7.66

6.35

13.87

6.04

18.75

13.46

1999

11.84

11.20

15.77

15.69

9.47

9.24

7.59

6.29

13.24

6.21

18.98

13.31

2000

11.75

10.93

15.97

16.20

9.11

9.23

7.69

6.28

13.33

6.18

18.50

13.47

2001

12.47

11.39

16.01

16.48

9.28

9.40

8.03

6.69

13.54

6.54

19.56

13.33

2002

12.73

11.65

15.77

16.80

9.15

9.37

8.44

6.94

13.68

6.86

19.19

13.07

2003

13.99

12.79

17.55

17.98

9.80

9.94

9.45

7.71

14.95

7.26

20.02

13.65

2004

14.06

12.52

16.44

16.79

8.79

9.41

9.57

7.48

14.25

7.19

18.84

13.07

2005

16.46

14.57

18.83

19.11

9.98

10.72

12.39

8.51

16.64

8.25

21.53

14.60

2006

16.29

13.95

18.02

18.31

9.54

10.26

11.99

8.24

16.33

8.44

20.36

14.15

2007

17.27

14.34

18.52

18.78

9.57

10.32

12.67

8.65

16.39

8.70

20.61

14.39

* Bevolkingsdata op basis van EUROSTAT

Tabel 9.3:

Evolutie van het aandeel van Vlaanderen en elf Europese referentielanden in het totaal van de databank (alle vakgebieden samen; enkel tijdschriftenliteratuur) VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

ESP

SWE

GBR

1992

0,61%

1,03%

0,86%

0,72%

5,65%

7,32%

0,24%

3,27%

2,23%

2,02%

1,69%

8,73%

1993

0,62%

1,06%

0,88%

0,77%

5,83%

7,34%

0,26%

3,37%

2,35%

2,13%

1,78%

8,92%

1994

0,65%

1,11%

0,91%

0,80%

5,84%

7,41%

0,26%

3,52%

2,34%

2,20%

1,77%

9,01%

1995

0,67%

1,15%

0,89%

0,80%

5,92%

7,47%

0,27%

3,60%

2,35%

2,27%

1,79%

8,96%

1996

0,72%

1,20%

0,90%

0,83%

6,00%

7,78%

0,29%

3,83%

2,36%

2,42%

1,87%

9,13%

1997

0,73%

1,22%

0,92%

0,87%

6,14%

8,17%

0,30%

3,90%

2,45%

2,64%

1,87%

8,81%

1998

0,80%

1,28%

0,99%

0,88%

6,34%

8,70%

0,33%

4,04%

2,45%

2,78%

1,93%

9,19%

1999

0,82%

1,30%

0,98%

0,91%

6,31%

8,56%

0,33%

4,05%

2,39%

2,88%

1,94%

9,17%

2000

0,82%

1,27%

1,00%

0,95%

6,17%

8,60%

0,34%

4,07%

2,43%

2,91%

1,90%

9,33%

2001

0,85%

1,30%

1,00%

0,95%

6,19%

8,60%

0,35%

4,24%

2,43%

3,02%

1,99%

9,00%

2002

0,85%

1,32%

0,97%

0,93%

5,96%

8,42%

0,36%

4,29%

2,44%

3,15%

1,92%

8,68%

2003

0,88%

1,36%

1,00%

0,93%

5,99%

8,30%

0,37%

4,42%

2,48%

3,12%

1,87%

8,54%

2004

0,91%

1,38%

0,97%

0,91%

5,75%

8,10%

0,41%

4,48%

2,48%

3,26%

1,83%

8,43%

2005

0,93%

1,39%

0,96%

0,88%

5,73%

8,07%

0,44%

4,41%

2,52%

3,27%

1,81%

8,22%

2006

0,94%

1,37%

0,95%

0,88%

5,60%

7,88%

0,46%

4,41%

2,51%

3,46%

1,75%

8,16%

2007

0,97%

1,39%

0,96%

0,87%

5,47%

7,71%

0,48%

4,56%

2,50%

3,51%

1,77%

8,19%

Er wordt een meer of minder grote stijging van de relatieve

Opmerkelijk is ook dat het aandeel van de Vlaamse publicaties

output van alle referentielanden waargenomen, hoewel de

in het Belgisch geheel duidelijk gestegen is, van om en bij de

groei in enkele landen (vooral Frankrijk en Verenigd Koningrijk)

58% in 1992 en 1993 tot ruim 70% in de jaren 2006 en 2007

in de laatste jaren eerder stagneert. Deze waarnemingen zijn

(vgl. tabel 9.3 en 9.4).

in lijn met de algemene groei van de publicatieoutput van de Europese Gemeenschap (REIST-2, 1997, REIST-3, 2003).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9

Jaar


136

Tabel 9.4:

Evolutie van het aandeel van Vlaanderen en elf Europese referentielanden in het totaal van de databank (alle vakgebieden samen; tijdschriften- en proceedingsliteratuur)

Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

ESP

SWE

GBR

1992

0,52%

0,88%

0,73%

0,61%

4,83%

6,26%

0,20%

2,82%

1,91%

1,71%

1,44%

7,46%

1993

0,53%

0,92%

0,76%

0,66%

5,05%

6,33%

0,22%

2,91%

2,04%

1,82%

1,53%

7,65%

1994

0,63%

1,08%

0,87%

0,76%

5,72%

7,28%

0,25%

3,57%

2,31%

2,04%

1,67%

8,72%

1995

0,66%

1,12%

0,85%

0,77%

5,80%

7,34%

0,25%

3,71%

2,28%

2,09%

1,68%

8,62%

1996

0,70%

1,16%

0,84%

0,80%

5,76%

7,69%

0,27%

3,81%

2,28%

2,26%

1,74%

8,70%

1997

0,71%

1,17%

0,86%

0,84%

5,94%

7,93%

0,28%

3,85%

2,34%

2,44%

1,76%

8,35%

1998

0,78%

1,23%

0,92%

0,86%

6,04%

8,45%

0,31%

4,00%

2,37%

2,61%

1,81%

8,70%

1999

0,80%

1,26%

0,92%

0,89%

6,10%

8,35%

0,31%

3,99%

2,30%

2,72%

1,85%

8,71%

2000

0,80%

1,25%

0,95%

0,94%

5,98%

8,46%

0,32%

4,04%

2,36%

2,76%

1,83%

8,96%

2001

0,83%

1,26%

0,92%

0,92%

5,91%

8,33%

0,33%

4,17%

2,33%

2,85%

1,87%

8,60%

2002

0,82%

1,25%

0,88%

0,91%

5,66%

8,05%

0,34%

4,18%

2,30%

2,92%

1,78%

8,14%

2003

0,84%

1,28%

0,92%

0,91%

5,66%

7,95%

0,36%

4,33%

2,35%

2,92%

1,73%

7,95%

2004

0,88%

1,31%

0,89%

0,88%

5,46%

7,79%

0,39%

4,34%

2,32%

3,05%

1,70%

7,83%

2005

0,89%

1,32%

0,88%

0,87%

5,42%

7,68%

0,44%

4,32%

2,35%

3,08%

1,68%

7,61%

2006

0,90%

1,29%

0,86%

0,85%

5,30%

7,46%

0,45%

4,27%

2,35%

3,26%

1,62%

7,54%

2007

0,92%

1,28%

0,85%

0,84%

5,13%

7,18%

0,46%

4,32%

2,27%

3,27%

1,59%

7,40%

Tabel 9.5:

Evolutie van het aandeel van Vlaamse publicaties in het wereldtotaal voor twaalf vakgebieden (enkel tijdschriftenliteratuur)

Jaar

AGRI

BIOL

BIOS

BIOM

CLI1

CLI2

NEUR

CHEM

PHYS

GEOS

ENGN

MATH

1992

0,53%

0,76%

0,89%

0,76%

0,76%

0,68%

0,33%

0,50%

0,61%

0,36%

0,52%

0,50%

1993

0,48%

0,75%

0,88%

0,80%

0,79%

0,70%

0,36%

0,53%

0,60%

0,27%

0,53%

0,48%

1994

0,48%

0,83%

0,95%

0,81%

0,79%

0,73%

0,40%

0,57%

0,63%

0,31%

0,52%

0,62%

1995

0,58%

0,92%

0,99%

0,75%

0,87%

0,72%

0,45%

0,56%

0,62%

0,31%

0,54%

0,63%

1996

0,68%

0,95%

1,04%

0,85%

0,80%

0,76%

0,38%

0,62%

0,78%

0,42%

0,63%

0,77%

1997

0,73%

0,98%

1,02%

0,91%

0,89%

0,81%

0,53%

0,63%

0,69%

0,37%

0,64%

0,74%

1998

0,88%

1,04%

1,10%

1,02%

1,01%

0,84%

0,57%

0,68%

0,76%

0,47%

0,74%

0,85%

1999

0,89%

1,11%

1,10%

0,97%

0,99%

0,85%

0,57%

0,73%

0,85%

0,49%

0,78%

0,89%

2000

0,91%

1,17%

1,01%

0,98%

1,00%

0,88%

0,58%

0,71%

0,80%

0,46%

0,80%

0,77%

2001

0,97%

1,19%

1,08%

0,97%

0,97%

0,87%

0,71%

0,76%

0,88%

0,49%

0,83%

0,91%

2002

1,03%

1,18%

1,03%

0,98%

0,99%

0,87%

0,72%

0,71%

0,88%

0,56%

0,87%

0,86%

2003

1,06%

1,20%

1,00%

0,91%

0,99%

0,87%

0,78%

0,74%

0,89%

0,60%

0,94%

0,98%

2004

1,11%

1,20%

1,04%

1,00%

1,05%

0,98%

0,82%

0,70%

0,97%

0,64%

0,96%

1,02%

2005

1,23%

1,28%

1,08%

0,98%

1,12%

0,94%

0,96%

0,75%

0,91%

0,68%

0,93%

0,94%

2006

1,11%

1,20%

1,04%

1,00%

1,05%

0,98%

0,83%

0,70%

0,97%

0,65%

0,96%

1,00%

2007

1,24%

1,28%

1,08%

0,98%

1,12%

0,94%

0,95%

0,75%

0,92%

0,68%

0,94%

0,95%

In tabel 9.5 en 9.6 is de ontwikkeling van de Vlaamse

Opvallend is ook dat het aandeel van de gebieden agronomie

publicatieoutput uitgesplitst naar twaalf wetenschapsgebieden

en omgevingswetenschappen (AGRI) en wiskunde (MATH)

(zie sectie drie van dit hoofdstuk) weergegeven. Uit deze tabel

ongeveer verdubbelde. Het Vlaamse aandeel in de neuro- en

blijkt dat het Vlaams aandeel in het wereldtotaal in alle

gedragswetenschappen (NEUR) is bijna verdrievoudigd.

vakgebieden tussen 1992 en 2007 is gestegen, maar dat de

Algemeen kan men stellen dat de groei sterker is in die

ontwikkeling en de groei in enkele levenswetenschappen, vooral

gebieden waar Vlaanderen minder actief is. Anderzijds is de

in de biowetenschappen (BIOS), het biomedisch onderzoek

stijging het langzaamst in die drie gebieden (BIOS, BIOM,

(BIOM), en de klinische en experimentele geneeskunde I

CLI1), waar de activiteit in 1992 duidelijk boven het Vlaams

(CLI1) eerder stagneert rond de millenniumwissel. Opvallend is

aandeel in alle gebieden samen (0.60%) was (vgl. tabel 9.5 en

de sterke groei in GEOS tijdens de laatste vier jaar. Maar ook

9.6). De analyse van de Vlaamse activiteit in de individuele

de klinische en experimentele geneeskunde vertoont vanaf

gebieden zal in het volgende deel van dit hoofdstuk aan de

2004 weer een opmerkelijke groei.

orde komen.


137

Tabel 9.6:

Evolutie van het aandeel van Vlaamse publicaties in het wereldtotaal voor twaalf vakgebieden (tijdschriften- en proceedingsliteratuur)

Jaar

AGRI

BIOL

BIOS

BIOM

CLI1

CLI2

NEUR

CHEM

PHYS

GEOS

ENGN

MATH

1992

0,53%

0,76%

0,89%

0,76%

0,76%

0,68%

0,33%

0,50%

0,61%

0,36%

0,52%

0,50%

1993

0,48%

0,75%

0,88%

0,80%

0,79%

0,70%

0,36%

0,53%

0,60%

0,27%

0,53%

0,48%

1994

0,53%

0,85%

0,94%

0,77%

0,79%

0,72%

0,42%

0,55%

0,60%

0,30%

0,51%

0,62%

1995

0,60%

0,89%

0,97%

0,74%

0,88%

0,74%

0,45%

0,54%

0,65%

0,33%

0,57%

0,64%

1996

0,68%

0,92%

1,01%

0,80%

0,79%

0,75%

0,37%

0,62%

0,75%

0,43%

0,62%

0,73%

1997

0,76%

0,98%

0,99%

0,88%

0,89%

0,80%

0,55%

0,60%

0,66%

0,34%

0,59%

0,77%

1998

0,85%

1,04%

1,07%

0,99%

1,02%

0,83%

0,56%

0,67%

0,75%

0,42%

0,69%

0,82%

1999

0,92%

1,10%

1,08%

0,92%

0,98%

0,85%

0,56%

0,71%

0,81%

0,52%

0,70%

0,85%

2000

0,95%

1,16%

1,00%

0,96%

1,00%

0,89%

0,57%

0,70%

0,77%

0,48%

0,74%

0,77%

2001

1,00%

1,19%

1,06%

0,98%

0,97%

0,87%

0,69%

0,76%

0,84%

0,47%

0,74%

0,90%

2002

0,99%

1,17%

1,02%

0,92%

0,98%

0,87%

0,72%

0,71%

0,80%

0,53%

0,73%

0,89%

2003

1,01%

1,14%

0,99%

0,87%

0,98%

0,85%

0,77%

0,73%

0,84%

0,54%

0,76%

0,89%

2004

1,11%

1,21%

1,03%

0,96%

1,04%

0,97%

0,81%

0,71%

0,90%

0,60%

0,80%

0,94%

2005

1,24%

1,27%

1,06%

0,93%

1,12%

0,92%

0,94%

0,74%

0,88%

0,61%

0,82%

0,90%

2006

1,06%

1,19%

1,02%

0,97%

1,05%

0,99%

0,82%

0,70%

0,94%

0,57%

0,81%

0,94%

2007

1,20%

1,26%

1,06%

0,91%

1,12%

0,95%

0,95%

0,76%

0,92%

0,69%

0,77%

0,83%

De trends in de ontwikkelingen op basis van tijdschriftenliteratuur

Vooral het aandeel van de universitaire sector is continu lichtjes

en van tijdschriften/publicaties plus conferentiemateriaal komen

gestegen. Bovenstaande gegevens stemmen nauw overeen met

tamelijk overeen. Opmerkelijke discrepanties tussen de betrokken

de resultaten van de vorige uitgaven van dit Indicatorenboek

indicatoren konden niet worden geobserveerd.

(vgl. Debackere, 1999, Debackere en Veugelers, 2003, 2005, 2007), maar lijken meer algemeen ook op de situatie in andere Europese landen (bijv. Katz en Hicks, 1998).

9.6 HET VLAAMS PUBLICATIEPROFIEL IN DE LEVENS-, NATUUR- EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN

De specialisatie van het Vlaams onderzoek tijdens de perioden 1992-1996, 1997-2001 en 2002-2007 wordt in figuur 9.2 op

Vooraleer de specialisatieprofielen van het Vlaams onderzoek te

werd reeds vroeger besproken. De wereldstandaard is in het

beschouwen, komt eerst een ander aspect van dit publicatie-

diagram door een regelmatige twaalfhoek aangeduid. Er dient

profiel aan de orde. Figuur 9.1 geeft voor drie deelperioden

op gewezen dat de Activiteitsindex, de relatieve activiteit met

van de periode 1992-2007 het procentuele aandeel van de

betrekking tot de wereldstandaard, een evenwichtsindicator is,

verschillende organisatietypen weer in de Vlaamse publicatieoutput

d.w.z. als de activiteit van een land in enkele gebieden boven

over alle gebieden samen. Ook hierbij werd een volledig

de wereldstandaard ligt, moet de activiteit in andere gebieden

telschema toegepast, d.w.z. indien een publicatie werkadressen

noodzakelijkerwijs beneden de standaard liggen.

van meer dan één organisatietype had, werd deze aan elk type als een volledige publicatie toegewezen. De procentuele

Het uurwerkdiagram beschrijft het profiel van Vlaanderen

aandelen kunnen dus op grond van deze meervoudige

eenduidig als Type 1, dit is het westers model met bio- en medische

toekenning niet tot 100% opgeteld worden.

wetenschappen als overheersende gebieden. Wel is het profiel van de tweede periode enigszins veranderd en wel in de

Het aandeel van instellingen voor hoger onderwijs, dus van

richting van de wereldstandaard, maar het ‘paradigmatische’

universiteiten en hogescholen, met meer dan 85% overheerst

basistype van het Vlaams profiel is onveranderd gebleven.

dit resultaat. Ruim 10% van alle Vlaamse SCIE documenten

Desondanks valt de sterke groei op van enkele vakgebieden

worden door medewerkers van publieke onderzoeksinstellingen

zoals vooral agronomie en omgevingswetenschappen (AGRI),

of administraties gepubliceerd. Private instellingen en ziekenhuizen

neuro- en gedragswetenschappen (NEUR) en wiskunde

dragen met respectievelijk rond de 7% en de 5% tot het Vlaamse

(MATH), waarop in het vorige deelhoofdstuk al gewezen werd

totaal bij (hierbij merken we op dat de publicaties van de

(vgl. figuur 9.2).

universitaire ziekenhuizen bij de universiteiten zelf werden geteld).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9

basis van de Activiteitsindex grafisch weergegeven. Deze indicator


138

Figuur 9.1: Verdeling per organisatietype van de Vlaamse publicaties op basis van de SCIE (boven: 1992-1996, midden: 1997-2001, beneden: 2002-2007)

0,1%

V

5,2%

IV

6,7%

III

10,0%

II

85,1%

I 0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

50%

55%

60%

65%

70%

75%

80%

85%

90%

95%

0,6%

V

4,9%

IV

6,6%

III

13,8%

II

86,3%

I 0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

50%

55%

60%

65%

70%

75%

80%

85%

90%

95%

0,8%

V

4,5%

IV

6,1%

III

11,2%

II

87,8%

I 0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

45%

50%

55%

60%

65%

70%

75%

80%

85%

90%

95%

(I Instelling voor hoger onderwijs, II Publieke onderzoeksinstelling of administratie, III Private instelling, IV Ziekenhuis, V Andere)

Samenvattend kan gesteld worden dat het Vlaamse publicatieprofiel gekenmerkt wordt door significant boven de wereldstandaard liggende activiteiten in de gebieden biologie

9.7 DE CITATIE-IMPACT VAN DE VLAAMSE PUBLICATIES IN DE LEVENS-, NATUUREN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN

(BIOL), biowetenschappen (BIOS), biomedisch onderzoek (BIOM) en klinische en experimentele geneeskunde I (CLI1) en

Het bibliometrische middel bij uitstek om de impact van publicaties

door beneden de wereldstandaard liggende activiteiten in de

te meten is de citatie. Citaties zijn primair een belangrijke vorm

gebieden neuro- en gedragswetenschappen (NEUR), chemie

van de mate waarin gebruik gemaakt wordt van wetenschappelijke

(CHEM) en aard- en ruimtewetenschappen (GEOS).

informatie in het kader van gedocumenteerde wetenschappelijke communicatie. Zij weerspiegelen de acceptatie en erkenning van gepubliceerde onderzoeksresultaten door de wetenschappelijke gemeenschap. Hoewel het aantal citaties niet rechtstreeks als kwaliteitsmaat kan beschouwd worden, drukt een groot aantal ontvangen citaties per publicatie wel een bepaalde impact uit.


139

Figuur 9.2: Het publicatie profiel van het Vlaams onderzoek in de perioden 1992-1996, 1997-2001 en 2002-2007 op basis van de Activiteitsindex AI (bron: SCIE)

AGRI 1.8

MATH

1.6

BIOL

1.4 1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8 0.6 0.4 0.2

GEOS

BIOM

0.0

CLI1

PHYS

n 1992-1996 n 1997-2001 CHEM

CLI2

n 2002-2007 n Wereldstandaard

NEUR

Allereerst moet erop gewezen worden dat de rechtstreekse

ontvangt gedurende enkele jaren na de publicatie, dan is het

vergelijking tussen de indicatorwaarden van Vlaanderen en de

waarschijnlijk dat de inhoud van deze publicatie geïntegreerd

referentielanden mogelijkerwijze tot verkeerde interpretaties

zal worden in de kennisbasis van dat onderzoeksdomein,

kan leiden omdat grote verschillen tussen de citatiepraktijken in

indien echter, na 5 of 10 jaar geen enkele referentie naar deze

de verschillende wetenschapsgebieden en deelgebieden

publicatie verwijst, dan zullen de bevindingen in die publicatie

optreden die door afwijkende nationale publicatieprofielen ook

niet bijdragen tot de hedendaagse wetenschappelijke

de nationale gemiddelde citatiefrequentie in alle vakgebieden

paradigma’s van het onderzoeksdomein in kwestie.” (Braun et

samen kunnen beïnvloeden. Op basis van het citatievenster

al., 1985).

van drie jaar dat in deze studie werd gebruikt, konden alleen de jaren 1992-2005 in aanmerking genomen worden.

De methodologische achtergrond van de citatieanalyses is reeds beschreven. Tabel 9.7 geeft de evolutie van de gemiddelde

De citatie-indicatoren met betrekking tot het wereldtotaal zijn

geobserveerde citatiefrequentie (MOCR) en de gemiddelde

tussen 1992 en 2005 met meer dan één derde gestegen.

verwachte (MECR) citatiefrequentie weer voor Vlaanderen,

De MOCR-waarden van Vlaanderen en alle referentielanden

voor elf Europese referentielanden en voor de wereld in alle

(behalve misschien Frankrijk en Zweden) stijgen sneller dan het

vakgebieden samen. Omdat beide citatiegemiddelden voor het

wereldtotaal. De groeisnelheid van de Franse citatie-impact stemt

wereldtotaal op het volledige gegevensbestand gebaseerd zijn,

ongeveer met de globale overeen. De relatieve daling van de

geldt voor het wereldtotaal de identiteit MOCR = MECR

Zweedse impact in de jaren 1990 werd in de literatuur al

(vgl. laatste kolom van tabel 9.7).

meermaals opgemerkt (bijv. Glänzel, 2000, Glänzel et al., 2003).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9

Met andere woorden, “indien een publicatie 5 of 10 citaties


140

Tabel 9.7:

Evolutie van de gemiddelde geobserveerde (MOCR) en verwachte (MECR) citatiefrequentie voor Vlaanderen en elf Europese referentielanden (alle vakgebieden samen; bron SCIE)

Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

ESP

SWE

GBR

Wereld

1992

MOCR MECR

4.17 3.54

3.86 3.53

4.14 3.57

3.85 3.26

3.52 3.38

3.63 3.26

3.04 2.73

3.25 3.34

4.34 3.74

2.59 2.90

4.21 3.69

3.94 3.56

3.24

1993

MOCR MECR

4.50 3.72

4.16 3.65

4.68 3.83

4.03 3.48

3.72 3.56

4.00 3.52

2.62 2.88

3.42 3.53

4.49 3.96

2.84 3.20

4.38 3.84

4.18 3.74

3.47

1994

MOCR MECR

4.45 3.82

4.36 3.84

4.63 3.92

4.38 3.60

3.84 3.67

4.16 3.66

3.12 2.99

3.71 3.68

4.77 4.13

3.06 3.30

4.71 4.01

4.25 3.83

3.52

1995

MOCR MECR

4.89 3.94

4.54 3.88

4.91 4.08

4.46 3.83

3.98 3.75

4.33 3.84

2.99 3.04

3.85 3.80

5.02 4.34

3.03 3.42

4.75 4.14

4.40 3.97

3.58

1996

MOCR MECR

4.65 3.73

4.42 3.70

4.74 4.08

4.47 3.74

4.01 3.74

4.35 3.84

3.01 2.80

3.80 3.78

4.79 4.22

3.26 3.52

4.75 4.06

4.30 3.92

3.55

1997

MOCR MECR

4.96 4.14

4.80 4.10

5.22 4.46

4.86 4.15

4.23 4.01

4.51 4.05

4.38 3.48

4.09 4.02

5.38 4.52

3.42 3.63

5.00 4.29

4.82 4.34

3.76

1998

MOCR MECR

4.90 4.07

4.63 4.01

5.32 4.40

4.90 4.06

4.28 4.03

4.53 4.03

3.95 3.37

4.26 4.05

5.31 4.54

3.49 3.67

5.04 4.34

4.79 4.33

3.79

1999

MOCR MECR

5.07 4.33

4.87 4.32

5.47 4.67

4.87 4.38

4.28 4.12

4.75 4.26

4.36 3.56

4.38 4.29

5.64 4.83

3.64 3.80

5.06 4.46

4.86 4.45

3.90

2000

MOCR MECR

4.90 4.37

4.76 4.35

5.55 4.70

5.15 4.43

4.47 4.27

4.82 4.33

3.91 3.61

4.44 4.38

5.59 4.92

3.95 3.91

5.26 4.58

4.98 4.51

3.93

2001

MOCR MECR

5.27 4.47

5.22 4.52

6.15 5.04

5.18 4.53

4.69 4.46

5.09 4.49

5.27 3.79

4.54 4.46

5.87 5.04

3.94 4.01

5.38 4.76

5.24 4.78

4.13

2002

MOCR MECR

5.40 4.59

5.25 4.57

5.87 4.97

5.44 4.62

4.76 4.54

5.22 4.60

4.73 4.04

4.81 4.55

5.97 5.24

4.02 4.06

5.49 4.83

5.60 5.00

4.17

2003

MOCR MECR

5.99 4.85

5.77 4.83

6.66 5.31

5.33 4.79

4.91 4.68

5.44 4.83

4.97 4.30

4.80 4.79

6.55 5.47

4.29 4.28

5.93 5.13

5.74 5.22

4.40

2004

MOCR MECR

5.98 5.13

5.91 5.17

6.93 5.62

5.63 4.96

5.37 5.06

5.94 5.24

5.21 4.68

5.23 5.06

6.97 5.88

4.90 4.66

6.33 5.42

6.19 5.57

4.64

2005

MOCR MECR

6.46 5.31

6.43 5.34

7.06 5.67

5.72 5.08

5.39 5.10

6.07 5.30

5.32 4.63

5.44 5.20

6.90 5.93

4.87 4.73

6.28 5.50

6.22 5.59

4.62

De enorme stijging van de citatie-impact in Spanje en Ierland

De twee rasterlijnen en de diagonale lijn in de relatieve

van meer dan 60% stemt overeen met de bovengenoemde

diagrammen geven drie standaarden aan en verdelen dus de map

algemene groei van het wetenschappelijk onderzoek in deze

in zes sectoren. De verticale rasterlijn geeft aan of de gemiddelde

landen. Vlaanderen heeft een relatief lage groeivoet, maar die

verwachte citatiefrequentie van een land beneden (links) of boven

groei begint op een zeer hoog niveau in 1992 dat onder de

(rechts) van de wereldstandaard ligt. De horizontale lijn geeft

referentielanden alleen met Zweden, Denemarken en

de afwijking van de gemiddelde geobserveerde citatiefrequentie

Nederland vergelijkbaar is. De evolutie en het niveau van de

van een land weer ten opzichte van de wereldstandaard.

citatie-impact van Nederland en Denemarken is ongetwijfeld

Uiteindelijk toont de bissectrice de identiteit RCR = 1. De door de

indrukwekkend. Ook op dit feit werd in de literatuur al meermaals

voorwaarden MECR < 1, MOCR < 1 en RCR < 1 gedefinieerde

de nadruk gelegd (bijv. Thijssen et al., 2000, Glänzel, 2001).

sector stemt overeen met een uiterst ongunstige situatie. De diametraal tegenoverliggende sector, die door de voorwaarden

De verwachte citatie-impact van Vlaanderen en van alle andere

MECR > 1, MOCR > 1 en RCR > 1 wordt bepaald, weerspiegelt

referentielanden is gestegen en wel ongeveer in gelijke mate

in tegenstelling daartoe de meest gunstige situatie qua de

als de MOCR. De geobserveerde waarde ligt voor Vlaanderen

citatie-impact. Twee observaties vallen op in figuur 9.3: het

en alle referentielanden (behalve Spanje en, in het begin van

uiteendrijven van de landencoördinaten langs de bissectrice en

de periode, ook Ierland en Italië) steeds boven de verwachte

de positieve evolutie van Spanje en vooral Ierland wat de

waarde. In overeenstemming met beide citatie-indicatoren kan

enorme stijging van hun geobserveerde citatiegemiddelde

men stellen dat Vlaanderen eenduidig tot de wetenschappelijke

weerspiegelt. Zoals figuur 9.3 visualiseert, bevindt Vlaanderen

top binnen de gekozen referentielanden behoort. Dit wordt

zich samen met Zweden, Denemarken en Nederland voor alle

door de relatieve positie kaarten in figuur 9.3 aanschouwelijk

drie deelperioden in de topgroep van de referentielanden

geïllustreerd.

hoewel de afstand tussen Denemarken en Nederland enerzijds en de andere referentielanden continu groeit.


141

Figuur 9.3 Relatieve citatiekaart van Vlaanderen en elf

Figuur 9.4 geeft de relatieve citatiefrequentie voor drie

Europese referentie landen (alle vakgebieden

deelperioden van telkens vier jaar (1992-1995, 1997-2000 en

samen; bron: SCIE), 1992-1995 (boven),

2002-2005). De relatieve citatiefrequentie van Vlaanderen is

1997-2000 (midden) en 2002-2005 (beneden)

in alle wetenschapsgebieden boven of tenminste gelijk aan de wereldstandaard. De levenswetenschappen en wiskunde hadden voor alle deelperioden een zeer hoge score. De indicatorwaarde van de natuurwetenschappen stemt met de wereldstandaard

(1992-1995) 6.5

overeen of bevindt zich enigszins boven de waarde van 1.0.

6.0

De relatieve citatiescores in de levenswetenschappen en

5.5

wiskunde zijn – vooral in het klinische onderzoek – toch iets hoger dan in de natuurwetenschappen. Opmerkelijk is ook de

MOCR

5.0 DK NL VL SE BE FI UK DE FR IT

4.5 4.0 3.5 3.0

IE

gestegen impact in de aard- en ruimtewetenschappen.

ES

2.5 2.5

3.0

3.5

4.0

4.5

5.0

5.5

6.0

6.5

9.8 DE INTERNATIONALE WETENSCHAPPELIJKE SAMENWERKING VAN VLAANDEREN

MECR

Belangrijke onderzoeksresultaten, die een gevolg van

(1997-2000) 6.5

internationale samenwerking zijn, worden in het kader van

6.0

gedocumenteerde wetenschappelijke communicatie meestal

5.5 DK

MOCR

5.0

ook in de wetenschappelijke literatuur gepubliceerd. Op die

NL

manier wordt wetenschappelijke samenwerking gereflecteerd

SE VLFI UK BE DE

4.5

door het ermee overeenstemmend co-auteursschap dat met

FR IT

behulp van bibliometrische methoden gemeten en geanalyseerd

IE

4.0

kan worden. Meerdere studies (bijv. Gómez et al., 1995, Glänzel

ES

3.5

et al., 1999, Glänzel en Schubert, 2004) hebben aangetoond

3.0

2.5

3.0

3.5

4.0

4.5

5.0

5.5

6.0

6.5

MECR

voor het bibliometrisch meten van internationale samenwerking is het aandeel van internationale co-publicaties in het nationale

(2002-2005)

totaal. Men beschouwt een publicatie als internationaal indien

7.0

6.0 5.5

MOCR

tenminste één co-auteur met een werkadres van een ander

DK NL

6.5

FI

5.0

IE

4.5

ES

land heeft meegewerkt aan de publicatie. Grote landen worden

VL SE UK BE DE

door een lager, kleine landen door een groter, aandeel van internationale co-publicaties in hun totale publicatieoutput

FR IT

gekenmerkt. Een rechtstreekse vergelijking is dus alleen zinvol tussen landen van ongeveer gelijke grootte.

4.0 3.5 3.0 3.0

sterk is toegenomen. Een eenvoudige maar duidelijke indicator

3.5

4.0

4.5

5.0

MECR

5.5

6.0

6.5

7.0

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9

dat internationale samenwerking tijdens de voorbije twintig jaar

2.5


142

Figuur 9.4: Relatieve citatiefrequentie voor Vlaanderen in twaalf vakgebieden (1992-1995, 1997-2000 en 2002-2005; bron: SCIE)

AGRI 1.8 1.6

MATH

BIOL

1.4 1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8 0.6 0.4 0.2

GEOS

BIOM

0.0

CLI1

PHYS

n 1992-1995 n 1997-2000 CHEM

n 2002-2005

CLI2

n Wereldstandaard NEUR

Tabel 9.8:

Evolutie van het aandeel internationale co-publicaties van Vlaanderen en elf Europese referentielanden (alle vakgebieden samen; bron: SCIE)

Jaar

VL

BEL

DNK

FIN

FRA

DEU

IRL

ITA

NLD

ESP

SWE

GBR

1992

33,7%

35,8%

34,5%

28,4%

27,1%

25,1%

29,4%

27,2%

27,5%

23,0%

31,9%

20,5%

1993

35,6%

37,7%

36,1%

28,2%

27,5%

26,5%

32,0%

28,4%

28,4%

24,8%

32,3%

21,2%

1994

38,0%

39,2%

38,1%

29,8%

28,8%

27,8%

32,1%

29,1%

30,2%

25,1%

34,1%

22,1%

1995

40,0%

40,6%

40,2%

32,1%

30,1%

29,0%

34,8%

30,1%

32,4%

26,4%

35,5%

24,0%

1996

41,1%

41,8%

41,8%

33,6%

31,8%

31,0%

34,7%

30,6%

34,1%

28,3%

37,1%

25,7%

1997

42,9%

43,7%

45,5%

35,8%

33,3%

31,9%

37,2%

32,0%

36,3%

28,6%

38,5%

27,7%

1998

45,2%

46,5%

47,7%

39,0%

35,8%

34,7%

43,9%

34,9%

39,8%

31,2%

41,7%

31,3%

1999

48,4%

49,6%

49,0%

41,4%

37,2%

36,4%

43,7%

35,6%

41,2%

32,3%

43,7%

32,6%

2000

48,8%

50,3%

49,5%

43,3%

39,5%

37,7%

45,5%

35,8%

44,0%

33,4%

44,8%

33,7%

2001

50,5%

51,7%

50,8%

42,1%

40,9%

39,8%

45,8%

36,8%

44,6%

34,5%

46,2%

35,8%

2002

52,4%

53,6%

51,4%

43,5%

42,4%

41,4%

47,9%

37,0%

46,0%

34,9%

48,1%

38,2%

2003

50,7%

53,3%

51,3%

45,7%

43,8%

43,1%

49,2%

37,4%

47,3%

36,5%

48,7%

39,2%

2004

51,6%

53,7%

52,3%

44,7%

45,3%

44,0%

49,5%

37,9%

48,0%

37,0%

49,2%

41,1%

2005

53,1%

55,3%

53,1%

46,1%

46,3%

44,7%

49,6%

39,2%

47,6%

38,5%

50,0%

42,4%

2004

56,0%

56,0%

55,7%

47,1%

47,4%

45,7%

51,6%

39,3%

49,4%

38,9%

51,5%

43,8%

2005

57,3%

57,3%

57,3%

49,9%

49,4%

48,0%

52,2%

40,3%

50,7%

40,2%

54,3%

45,5%


143

Tabel 9.8 geeft de evolutie weer van het aandeel aan

Figuur 9.5 geeft het publicatieprofiel van de internationale

internationale co-publicaties van Vlaanderen en elf Europese

co-publicaties van Vlaanderen over drie deelperioden weer.

referentielanden in alle vakgebieden samen. Het aandeel van

De vergelijking van dit profiel met het profiel van alle Vlaamse

internationale co-publicaties in Vlaanderen is net als in alle

publicaties toont een duidelijke polarisatie ten gunste van

referentielanden in aanzienlijke mate gestegen. Dit aandeel

biowetenschappen en fysica en ten nadele van de technische

is in de ‘grote’ landen zoals Verenigd Koningrijk, Duitsland,

wetenschappen en niet-interne geneeskunde. Deze waarneming

Frankrijk,

de

stemt overeen met de resultaten van de vorige Vlaams Indicatoren-

verwachtingen, kleiner dan in de andere referentielanden.

Italië

en

Spanje

overeenkomstig

met

boeken (Debackere, 1999, Debackere en Veugelers, 2003, 2005,

De ontwikkeling van de Vlaamse indicatorwaarden lijkt onder

2007). De daling van de relatieve samenwerkingsactiviteit in

de referentielanden van vergelijkbare grootte vooral op die van

biowetenschappen wordt gecompenseerd door de groeiende

Denemarken. Het percentage van meer dan 50% in de periode

co-publicatieactiviteit in de neuro- en gedragswetenschappen

2001–2005 ligt duidelijk hoger dan dat van Finland, Ierland,

(vgl. figuur 9.5). Het profiel ligt net zoals in het geval van de set

Nederland en Zweden.

van alle Vlaamse publicaties (vgl. figuur 9.2) in de tweede en derde deelperiode iets dichter bij de wereldstandaard dan tijdens de eerste deelperiode tussen 1992 en 1996.

Figuur 9.5: Het publicatieprofiel van de internationale co-publicaties van Vlaanderen, 1992-1996, 1997-2001 en 2002-2007

AGRI 1.8

MATH

1.6

BIOL

1.4 1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8

0.4 0.2

GEOS

BIOM

0.0

PHYS

CLI1 n 1992-1996 n 1997-2001 CHEM

CLI2

n 2002-2007 n Wereldstandaard

NEUR

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9

0.6


144

Figuur 9.6: De relatieve citatiefrequentie van de internationale co publicaties in Vlaanderen, 1992-1995, 1997-2000 en 2002-2005 (bron: SCIE)

AGRI 1.8

MATH

1.6

BIOL

1.4 1.2 1.0

ENGN

BIOS

0.8 0.6 0.4 0.2

GEOS

BIOM

0.0

CLI1

PHYS

n 1992-1995 n 1997-2000 CHEM

n 2002-2005

CLI2

n Wereldstandaard NEUR

Het is bijna een bibliometrische gemeenplaats dat internationale

uiteindelijk vier links: twee tussen Vlaanderen en Nederland,

co-publicaties gemiddeld meer citaties ontvangen dan ‘binnen-

een tussen Vlaanderen en Duitsland en uiteindelijk ook een link

landse’ publicaties (vgl. Glänzel, 2001). Figuur 9.6 geeft de

tussen Duitsland en Nederland. In de bibliometrische analyse

evolutie van de relatieve citatiefrequentie van de internationale

wordt dan in plaats van op basis van co-publicaties op basis van

co-publicaties in Vlaanderen tussen de eerste helft van de jaren

links gewerkt. Om de sterkte van de links tussen bepaalde

1990 en de tijd na de millenniumwissel. Hier kan de dezelfde

landen te kunnen meten wordt een geschikte similariteitsmaat

trend vastgesteld worden die ook bij alle Vlaamse publicaties

toegepast. De in deze optiek meest gebruikte maat is de

(vgl. figuur 9.4) waarneembaar was, maar in het geval van de

zogeheten cosinusmaat volgens Salton of Salton-maat (r). Hij is

co-publicaties wordt deze trend nog veel duidelijker.

op de volgende manier gedefinieerd:

pij

Een heel belangrijk aspect van internationale samenwerking is

r =

de analyse van de links tussen partners. In de bibliometrische

,

√ pi • pj

praktijk is de volgende methode daarbij gebruikelijk geworden. Eerst worden de werkadressen van elke publicatie naar partnerparen (in dit geval landen) opgesplitst. Daarna kunnen dan de

waarbij pij het aantal links tussen de landen i en j en pi (pj ) het

bibliometrische kenmerken van deze paren als co- publicatielinks

totaal aantal publicaties van het land i (j) is. De belangrijkste

geanalyseerd worden. Dus bepalen bijvoorbeeld twee Vlaamse

co-publicatielinks van Vlaanderen en hun ontwikkeling in

publicaties waarbij één publicatie nog werkadressen in Nederland

de jaren 1990 en rond de millenniumwissel zijn in figuur 9.7

en Duitsland en de andere een werkadres in Nederland heeft,

gevisualiseerd.


145

Figuur 9.7:

De geografische kaart van de belangrijkste co-publicatielinks van Vlaanderen op basis van de SCIE, 1992-1996 (links) en 1998-2002 (rechts) en 2004-2007 (beneden)

SWE

GBR

GBR

NLD DEU

VL

NLD

USA

DEU

VL

CHE

CHE FRA

FRA ESP

PRT

ITA

COD

RWA BDI

n 0,025 ≤ r < 0,05 n 0,015 ≤ r < 0,025 Bron geografische map: University of Alabama, Cartographic Research Lab

SWE

De algemene intensiteit van Vlaamse co-publicatielinks is

DNK GBR

beduidend toegenomen. Deze waarneming is in overeen-

NLD

USA VL

DEU

stemming met de globale trend die voor vele landen een POL

duidelijke intensivering van samenwerkingsrelaties weerspiegelt

CZE FRA

(vgl. Glänzel, 2001). Desondanks is de evolutie van enkele

CHE AUT HUN

Vlaamse co-publicatielinks opmerkelijk. Opvallend maar niet verbazend is vooral de sterke link met Nederland. De link met

ESP BGR ITA

Nederland is in alle deelperioden verreweg de sterkste internationale band. Deze band is de enige link boven de drempelwaarde van 5,0% in de tweede en derde deelperiode. De opvallende relatie met enkele Afrikaanse landen, vooral met Kongo, heeft een historische achtergrond en kan tenminste gedeeltelijk door de aanwezigheid van een neokoloniale binding

COD

gekenmerkt worden (vgl. Nagtegaal en de Bruin, 1994).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9

n r ≥ 0,05


146

De relaties met deze Afrikaanse landen werden stilaan naar

Het aandeel van de wetenschappelijke instellingen neemt toe in

het einde van de observatieperiode duidelijk zwakker (vgl.

de loop van de jaren 1990, om vervolgens te stabiliseren rond

figuur 9.7) en de sterkte van hun links met Vlaanderen

de 10%. Hierbij moeten we ook rekening houden met de rol

schommelt in de tweede en derde deelperiode rond de 1,5%

van het Interuniversitair Micro-elektronica Centrum (IMEC),

drempel. In tegenstelling tot deze ontwikkeling werden de

de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) en

Vlaamse co-publicatielinks met Europese landen, vooral met

op het einde van de beschouwde periode, ook het Vlaams

leden van de Europese Gemeenschap, intensiever. Behalve die

Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB). Het aandeel

in figuur 9.7 vermelde middelsterke en sterke links ligt de

van de Vlaamse bedrijven situeert zich rond de 7%, een lichte

intensiteit van samenwerking met andere Europese landen,

afname ten opzichte van de 8% die in de jaren 1980 werd

zoals met de Scandinavische landen Denemarken, Finland en

waargenomen (zoals blijkt uit de vorige edities van het Vlaams

Noorwegen, met de Midden-Europese landen Oostenrijk en

Indicatorenboek, Debackere 1999, Debackere en Veugelers,

Luxemburg en in Zuid-Europa met Griekenland in de laatste

2003, 2005, 2007). De verdeling van deze publicaties is echter

periode bij of net onder de 1,5% drempel. Naast de EU-relatie

erg vertekend, omdat een beperkt aantal bedrijven, met name

is de versterkte samenwerking met Noord-Amerika (naast de VS

Janssen Pharmaceutica en Innogenetics, het leeuwenaandeel

met r > 2,0% ook Canada met r = 1,2% in de laatste deelperiode),

voor hun rekening nemen.

maar ook met voormalig socialistische landen in Oost-Europa, zoals Hongarije, Polen, Tsjechië en Bulgarije met middelsterke

De vergelijking van de relatieve verdeling van de Vlaamse

samenwerkingsintensiteit zowel als met Roemenië en Rusland

publicaties over de grote wetenschapsdomeinen met deze van

net onder de drempelwaarde in 2004-2007, vermeldenswaard.

andere landen (-groepen) en met de gegevens van de volledige

Samenvattend kenmerkt de kaart in figuur 9.7 Vlaanderen als

database, geeft informatie over de specialisatie van het Vlaams

een in het Europees wetenschappelijke systeem volledig

onderzoek. Zowel in vergelijking met het profiel van de

geïntegreerde Europese regio met sterke bindingen, vooral tot

volledige SCIE als met het profiel van de Europese Unie,

zijn buurlanden.

hebben de publicaties in de klinische geneeskunde en de biowetenschappen een relatief groter gewicht t.o.v. de globale Vlaamse publicatieoutput. Het aandeel van de technische

9.9 SLOTBESCHOUWINGEN

wetenschappen is daarentegen eerder klein, doch het heeft enkele positieve evoluties doorgemaakt.

De omvang en de impact van het Vlaams potentieel in de natuur-, levens- en technische wetenschappen werd zichtbaar

Meer dan andere landen, heeft het Vlaams onderzoek een

gemaakt aan de hand van één erg relevante set van

internationale component en deze sterke internationalisering

indicatoren: de bibliometrische analyse van de publicaties,

lijkt nog verder te gaan. Er kunnen hiervoor een aantal

verschenen in de internationaal wetenschappelijke literatuur.

verklaringen worden aangereikt. België is een partner in diverse

Het aantal Vlaamse wetenschappelijke publicaties in deze

internationale onderzoeksinstellingen, zoals CERN, ESO,

disciplines is in de beschouwde periodes duidelijk gegroeid.

EMBO en ESRF. Daarnaast neemt Vlaanderen erg actief deel

Ook qua zichtbaarheid van de wetenschappelijke output behoort

aan multinationaal onderzoek, met voorop de Europese

Vlaanderen zonder meer tot de Europese top. Men kan dan

Kaderprogramma’s. Bovendien leiden de voortschrijdende

ook duidelijk stellen, dat de Vlaamse en Belgische onderzoekers

specialisatie en het toenemend interdisciplinair karakter van de

op een bijzonder efficiënte manier de beschikbare middelen

wetenschap ertoe dat Vlaamse onderzoekers geen geschikte

hebben aangewend. De productiviteit van Vlaanderen in de

collega's binnen Vlaanderen meer vinden, waarmee ze kunnen

natuur-, levens- en technische wetenschappen is immers

samenwerken. Ze zullen zich dan ook op een natuurlijke manier

spectaculair toegenomen.

richten op een buitenlandse partner. Bovendien overstijgen

De Vlaamse universiteiten staan in voor ongeveer 85%-90%

– men denke maar aan de studie van klimatologische

van de Vlaamse publicatieoutput. Dit hoge percentage hoeft

veranderingen. De snelle ontwikkeling van de informatie- en

niet te verbazen, omdat het overgrote deel van het fundamenteel

telecommunicatie-technologieën

onderzoek, waarvan de resultaten worden gepubliceerd in de

internationalisering.

bepaalde actuele wetenschappelijke problemen de landsgrenzen

open literatuur, aan universiteiten wordt verricht.

bevorderen

zeker

ook


147

De citaties die publicaties in de internationale wetenschappelijke

• GLÄNZEL, W. SCHUBERT, A., Analyzing scientific networks

literatuur oogsten, laten toe de internationale zichtbaarheid

through co-authorship, In: H.F.M. Moed, W. Glänzel, U.

ervan te analyseren. Het onderzoek, verricht in Vlaanderen

Schmoch (Eds), Handbook of Quantitative science and

tijdens de jaren 1990 en na de millenniumwissel, wordt

Technology Research. The use of Publication and patent

beduidend meer geciteerd dan het wereldgemiddelde.

statistics in studies on S&T Systems. Kluwer Academic

Wanneer het gemiddelde aantal citaties per publicatie wordt

Publishers, Dordrecht, The Netherlands, 2004, 257-276.

gerelateerd aan de gemiddelde impactfactor van de gebruikte

• GÓMEZ, I., FERNÁNDEZ, M.T. AND MÉNDEZ, A.,

tijdschriften, ligt deze score voor Vlaanderen even hoog of zelfs

Collaboration patterns of Spanish scientific publications in

hoger dan voor de meeste andere Europese landen.

different research areas and disciplines, In: Proceedings of the Biennial Conference of the International Society for Scientometrics and Informetrics (ed. by M.E.D. Koenig and A.

9.10 REFERENTIES

Bookstein), Learned Inf., Medford, NJ, 1995, pp. 187-196. • KATZ, J. S., HICKS, D. Indicators for systems of innovation,

• BRAUN, T., GLÄNZEL, W., SCHUBERT, A., Scientometrics

IDEA paper series, No. 12, Oslo: STEP Group, 1998.

indicators. A 32-country comparative evaluation of publishing

• MOED, H. F., DE BRUIN, R.E., VAN LEEUWEN, TH. N.,

performance and citation impact. World Scientific. Singapore

New bibliometric tools for the assessment of national research

Philadelphia. 1985.

performance: database description, overview of indicators

• CANO, F., JULIAN, S., Some Indicators in Spanish Scientific Production, Scientometrics, 24 (1), 1992, 43-59 • DEBACKERE, K. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, AWI en IWT, Depotnummer D/1999/ 3241/087, 1999. • DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O Statistieken, Depotnummer D/2003/3241/173, 2003. • DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O • DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O Indicatoren, ISSN 1374-6294, 2007.

and other neo-colonial patterns in the global network of science, Research Evaluation, 4 (2), 1994, 119-127. • REIST 2. The European Report on Science and Technology Indicators 1997, Second Edition. EUR 17639. European Commission 1997. Brussels. • REIST 3. The European Report on Science and Technology Indicators 2003, Third Edition. EUR 20025. European Commission 2003. Brussels. • ROMÁN, A., MÉNDEZ, A., The Spanish transition to democracy seen through the Spanish database ISOC, Scientometrics, 30, 1994, 201-212. • SCHUBERT, A., GLÄNZEL, W., BRAUN, T., Relative Citation

• GLÄNZEL, W., SCHOEPFLIN, U., A bibliometric study on

Rate: A New Indicator for Measuring the Impact of

ageing and reception processes of scientific literature, Journal

Publications. In: D. Tomov, L. Dimitrova (Eds.), Proceedings

of Information Science, 21 (1), 1995, 37-53.

of the 1st National Conference with International Participation

• GLÄNZEL, W., SCHUBERT, A., CZERWON, H.-J., A Bibliometric Analysis of International Scientific Co operation of the European Union (1985-1995), Scientometrics, 45, 1999, 185-202.

on Scientometrics and Linguistic of the Scientific Text, Varna 1983, 80-81. • THIJSSEN, R.J.W., VAN LEEUW, Th. N, HOLLANDERS, H., VERSPAGEN, B., Het Nederlands Observatorium van

• GLÄNZEL, W., Science in Scandinavia: A Bibliometric

Wetenschap en Technologie. Wetenschaps- en Technologie-

Approach, Scientometrics, 48, 2000, 121-150. (Correction:

Indicatoren 2000. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en

Scientometrics, 49 (2), 2000, 357)

Wetenschappen, 2000.

• GLÄNZEL, W., National Characteristics in International

• VAN RAAN, A.F.J., Comparison of the Hirsch-index with

Scientific Co authorship, Scientometrics, 51 (1), 2001, 69-115.

standard bibliometric indicators and with peer judgment for

• GLÄNZEL, W., DANELL, R., PERSSON, O., The decline of

147 chemistry research groups, Scientometrics, 67 (3), 2006,

Swedish neuroscience – decomposing a bibliometric national science indicator, Scientometrics, 57 (2), 2003, 197-213.

491-502.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9

Statistieken, Depotnummer D/2005/3241/150, 2005.

and first applications, Scientometrics, 33, 1995, 381-422. • NAGTEGAAL, L.W., DE BRUIN, R.E., The French connection


148

BIJLAGE Land/regio

Code

Vlaanderen

VL*

Oostenrijk

AUT

Burundi

BDI

Canada

CAN

Congo

COG

Democratische Republiek Congo

COD

Tsjechië

CZE

Denemarken

DNK

Finland

FIN

Frankrijk

FRA

Duitsland

DEU

Griekenland

GRC

Groot-Brittannië

GBR

Italië

ITA

Luxemburg

LUX

Nederland

NLD

Noorwegen

NOR

Polen

POL

Portugal

PRT

Rwanda

RWA

Russische Federatie

RUS

Senegal

SEN

Slovakije

SVK

Slovenië

SVN

Spanje

ESP

Verenigde Staten van Amerika

USA

Zweden

SWE

Zwitserland

CHE

* Vlaanderen heeft geen standaard ISI-code


149

DE VLAAMSE TECH NOLOGI EPOSITI E: A N A LY S E A A N D E H A N D VA N U S PTO- E N E PO- O CTR O O I E N E N P C T- A A N V R AG E N Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven), Mariette Du Plessis (K.U.Leuven), Bart Van Looy (K.U.Leuven), Tom Magerman (K.U.Leuven), Bert Peeters (K.U.Leuven), Xiaoyan Song (K.U.Leuven),

10


150

10.1 HET BELANG VAN OCTROOISTATISTIEKEN

Het is ook duidelijk dat octrooigegevens een inzicht kunnen geven in het proces van technologische vooruitgang. Daarbij zijn ze een van de indicatoren die kunnen gebruikt worden om een

Alvorens de analyse van de Vlaamse octrooigegevens aan te

beeld te krijgen van de mate van innovatie binnen een

vatten, schetsen we kort de achtergrond van octrooien en

organisatie, regio of innovatie-systeem. Hierbij dient opgemerkt

octrooisystemen. De Amerikaanse econoom Zvi Griliches (Journal

dat niet alle uitvindingen worden geoctrooieerd of nog, dat niet

of Economic Literature, 1990) geeft een duidelijke omschrijving

alle innovaties berusten op geoctrooieerde uitvindingen.

van wat het doel is van het proces van octrooieren.

Echter, zoals de daarnet geciteerde Griliches verder stelt: “In this desert of data, patent statistics loom up as a mirage of wonderful

“A patent is a document, issued by an authorized governmental

plentitude and objectivity”. Met andere woorden, voor wie

agency, granting the right to exclude anyone else from the

technologische vooruitgang wil meten, vormen octrooien een

production or use of a specific new device, apparatus or process

unieke en zeer betrouwbare bron van statistisch materiaal,

for a stated number of years. The grant is issued to the inventor of

ook al vormen ze slechts één van de benaderingen (naast

this device or process after an examination that focuses on both

bijvoorbeeld de rechtstreekse bevraging van onderzoeks-

the novelty of the claimed item and its potential utility. The right

instellingen en ondernemingen) die voor dergelijke meting

embedded in the patent can be assigned by the inventor to

mogelijk zijn. Dankzij hun betrouwbaarheid en hun

somebody else, usually to his employer, a corporation and/or

beschikbaarheid zijn octrooianalyses en octrooistatistieken de

sold to or licensed for use by somebody else. This right can be

laatste jaren dan ook uitgegroeid tot een basisonderdeel van

enforced only by the potential threat of or an actual suit in the

alle indicatorenstelsels voor Wetenschap, Technologie en

1

courts for infringement damages”.

Innovatie, zowel op Europees niveau als op OESO-niveau. Deze vaststelling wordt mee ingegeven door ettelijke jaren

Het octrooisysteem heeft als doelstelling de uitvinder te

van econometrisch onderzoek waarin wordt aangetoond dat

beschermen. Door het verlenen van een tijdelijk monopolie aan

technologie en kenniscreatie significante productiefactoren

de uitvinder, verzekert men voldoende vruchten uit innovatieve

zijn in het economische gebeuren. Met andere woorden,

inspanningen voor de uitvinder. Dit moet ervoor zorgen dat

economische vooruitgang wordt in sterke mate bepaald door

de prikkels om te innoveren voldoende hoog zijn en dat er

technologische vooruitgang. Voldoende reden dus om de

bijgevolg voldoende innovatieve inspanningen ondernomen

nodige aandacht te besteden aan de topografie van het

worden, die de technologische vooruitgang van ondernemingen,

octrooilandschap in Vlaanderen.

regio’s en landen ten goede komen. In ruil voor het toekennen van een monopolie wordt wel geëist dat de informatie

Hierbij richten we ons op de twee ‘grote’ octrooisystemen in

betreffende de vinding publiek wordt gemaakt. M.a.w. de

de wereld: het Amerikaanse octrooisysteem (op basis van

informatie vervat in het octrooidocument wordt publiek

de data van het U.S. Patent and Trademark Office, USPTO) en

toegankelijk en leidt zo tot een grotere diffusie van

het Europese octrooisysteem (op basis van de data van het

technologische innovaties. De rol die het octrooisysteem vervult

European Patent Office, EPO). Daarnaast wordt ook een analyse

in het verstrekken van informatie is belangrijk, aangezien dit het

verricht van aangevraagde octrooien die het PCT (‘Patent

nutteloos dupliceren van O&O-inspanningen kan vermijden en

Cooperation Treaty’) proces volgen. Deze procedure laat toe

zo tot snellere technologische vooruitgang kan bijdragen.

om een octrooiaanvraag in te dienen bij de 136 aangesloten

Tenslotte kan men stellen dat de aanwezigheid van duidelijk

landen; binnen de procedure wordt in een eerste fase een

afgelijnde eigendomsrechten dankzij het octrooisysteem, het

internationaal onderzoek uitgevoerd dat resulteert in een rapport

makkelijker maakt om technologische kennis te verhandelen.

inzake ‘prior art’ inclusief een eerste advies inzake octrooieer-

Dit laatste wordt weerspiegeld in het ontstaan van zogenaamde

baarheid. In een volgende fase heeft men twee opties.

2

“markets for technology.”

1 Grilliches, Z. (1990), ‘Patent Statistics as Economic Indicators: A Survey’, Journal of Economic Literature, 28, pp. 1661-1707. 2 Arora, A., Fosfuri, A. en A. Gambardella (2004), Markets for Technology, Cambridge, MA: The MIT Press.


151

Ofwel vraagt men een grondige internationale analyse inzake

Als regel hanteren we hier de logica dat een octrooi wordt

octrooieerbaarheid binnen het PCT protocol ofwel start men met

toegewezen aan een regio of land indien uitvinder of aanvrager

de uiteindelijke toekenningsprocedure die verder afgehandeld

deel uitmaakt van de regio of het land. In het geval van

door de gemachtigde regionale autoriteiten (USPTO, EPO,

co-uitvindingen of co-aanvragen waarbij verschillende landen of

JPO,…) waarvoor de aanvrager uiteindelijk bescherming

regio’s betrokken zijn worden deze octrooien geteld voor alle

vraagt. In het tweede geval wordt een aanvraag gepubliceerd

betrokken entiteiten (het zogenaamde ‘full count’ principe).

na 18 maanden; in het eerste geval verlengt men de termijn voorafgaandelijk aan publicatie tot 30 maanden. Bij de hierna gerapporteerde analyses moet steeds het

10.2 OCTROOIEN IN BELGIË EN VLAANDEREN: EPO, PCT EN USPTO

onderscheid gemaakt worden tussen het Amerikaans en het Europese octrooisysteem, te meer daar beide systemen niet

Zoals blijkt uit figuur 10.1, is de trend voor het aantal aangevraagde

steeds dezelfde procedures hanteren. Zo werden, tot voor kort

EPO-octrooien met Belgische zowel als Vlaamse aanvrager of

(d.i. 2000), Amerikaanse octrooien pas bekend gemaakt na

uitvinder, duidelijk positief en stijgend. Tegelijkertijd zien we na

toekenning, terwijl Europese octrooien 18 maanden na

1999 een zekere stagnatie optreden in het aantal aangevraagde

aanvraag al publiek worden gemaakt via publicatie in de

octrooien zowel voor Belgische als voor Vlaamse octrooien, met

‘European Gazette’. Bovendien stelt men vast dat de data die

name voor de periode 2001/2002. Vanaf 2003 stijgen de cijfers

betrekking hebben op aanvragen binnen het Amerikaans

opnieuw. Deze evolutie valt samen met een analoog patroon

octrooisysteem erg onvolledig zijn op het vlak van informatie

inzake O&O-uitgaven zoals elders in deze publicatie wordt

die betrekking heeft op de aanvrager. Voor de meerderheid

gerapporteerd. Uiteraard moeten we hierbij voor de jaren na

ontbreekt adresinformatie wat een allocatie naar landen en regio’s

2005 rekening houden met de EPO-publicatiepraktijk (waarbij

bemoeilijkt of onmogelijk maakt. Bovendien stelt men vast dat

octrooiaanvragen pas bekendgemaakt worden 18 maanden na

tal van deze aanvragen in een eerste fase worden ingediend

de aanvraag van het octrooi), wat de daling in aantallen

door professionele dienstverlenende bedrijven en wordt de

verklaart die optreden in 2006 en vooral 2007.3

‘reële’ aanvrager pas bekend bij toekenning. In die zin is het Wat betreft PCT aanvragen met Belgische aanvrager wordt een

aan de hand van USPTO aanvragen nog steeds niet mogelijk.

duidelijke stijgende trend vastgesteld. Daar waar dit bij het begin

De hier volgende analyses, betreffen dan ook indicatoren

van de jaren 1990 het een 200tal aanvragen betreft, stijgt dit

gebaseerd op het Europese systeem waarbij we gebruik kunnen

tot meer dan 1500 gedurende de laatste jaren. Deze groei is

maken van zowel aangevraagde als toegekende octrooien,

beduidend hoger dan de groei die geobserveerd wordt in het

terwijl we in het Amerikaanse systeem enkel zinvol kunnen

EPO systeem en duidt als dusdanig op een toenemend belang

rapporteren op het niveau van toegekende octrooien.

van internationale octrooiaanvragen door Vlaamse uitvinders of aanvragers.

Inzake PCT aanvragen dient opgemerkt dat zich een analoog probleem stelt, maar ditmaal op het niveau van adresinformatie.

Zoals reeds gesignaleerd in de inleiding, bevat de meerderheid

Enkel landcodes zijn systematisch beschikbaar, meer gedetailleerde

van de beschikbare PCT aanvragen geen adresinformatie zodat

adresgegevens die toelaten om een regionale distributie (op het

allocatie naar regio’s niet mogelijk is.

niveau Vlaanderen, Brussel, Wallonië) uit te werken ontbreken in regel. Ten slotte, betreffende ieder octrooi zijn verder nog twee onderscheiden hoofdanalyses mogelijk: de analyse naar aanvrager en de analyse naar uitvinder. De uitvinders zijn zij die het intellectuele vaderschap van het octrooi kunnen opeisen. De aanvragers zijn zij die de eigendomstitel van het octrooi dragen. Uitvinders zijn steeds individuen, aanvragers zijn vaak organisaties, in het bijzonder ondernemingen.

3 De data gebruikt voor deze analyses hebben betrekking op octrooi-aanvragen opgenomen in de Patstat versie April 2008 (publicatiedatum einde 2007).

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10

creëren van betrouwbare statistieken op land of regio niveau


152

Figuur 10.1: Aangevraagde EPO-octrooien met Belgische en/of Vlaamse aanvrager of uitvinder (periode 1978-2007)

2.500

0,9 0,8 0,7 0,6

1.500

0,5 0,4

1.000 0,3

Aandeel Vlaanderen

Aantal octrooien

2.000

0,2

500

0,1 0 2007

2006

2005

2004

2003

2001

2002

1999

2000

1998

1997

1996

1995

1994

1993

1991

1992

1990

1989

1988

1987

1986

1985

1984

1983

1981

1982

1979

1980

1978

0

Jaar van aanvraag

n BE n VL n Aandeel Vlaanderen

Figuur 10.2: Aangevraagde PCT octrooien met Belgische aanvrager en/of uitvinder (periode 1991-2007)

2.000 1.800 1.600

Aantal octrooien

1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0 1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Jaar van aanvraag

n BE

10.2.1 EPO toekenningen

Dit is afgerond 46%. De cijfers voor BelgiĂŤ en Vlaanderen zijn gelijkaardig. Merk op dat tot 1997 de verhouding tussen aantal

Bovenstaande EPO-analyses betreffen aangevraagde octrooien.

toegekende en aangevraagde octrooien ongeveer 65 Ă 70%

Uiteraard worden (of zijn nog) niet alle aangevraagde octrooien (al)

bedraagt4, dit cijfer daalt systematisch in de jaren nadien

toegekend. Van de 28.151 EPO-octrooien met Belgische aanvrager

omwille van de aanzienlijke tijdsvertragingen die optreden bij

of uitvinder werden er op het ogenblik van de analyses voor dit

het definitief toekennen van een octrooi.

Indicatorenboek 12.898 toegekend. 4 Deze proportie is gelijkaardig aan wat men observeert voor de referentielanden (zie infra), waaronder o.m. Duitsland, UK, US, Frankrijk, Nederland, Finland en Zweden.


153

Figuur 10.3: Distributie van toegekende EPO-octrooiaanvragen voor BelgiĂŤ en Vlaanderen (periode 1978-2006) evenals de verhouding toegekende tot aangevraagde EPO octrooien.

900

0,8

800

0,7 0,6

600

0,5

500 0,4 400 0,3

300

Verhouding

Aantal octrooien

700

0,2

200

0,1

100 0 2006

2005

2004

2003

2001

2002

1999

2000

1997

1998

1996

1995

1994

1993

1992

1991

1990

1989

1988

1987

1986

1985

1984

1983

1981

1982

1979

1980

1978

0

Jaar van aanvraag

n Aantal toegekende octrooien voor BE n Aantal toegekende octrooien voor VL n Verhouding toegekende/aangevraagde octrooien voor BE n Verhouding toegekende/aangevraagde octrooien voor VL

Figuur 10.4: Aantal toegekende USPTO-octrooien met Belgische versus Vlaamse aanvrager en/of uitvinder (periode 1980-2007)

0,8 0,7

1.000

0,5

600

0,4 0,3

400

0,2 200

0,1

0

Jaar van aanvraag

n BE n VL n Aandeel Vlaanderen

2007

2006

2005

2004

2002

2003

2001

2000

1999

1998

1997

1996

1995

1994

1993

1992

1991

1990

1989

1988

1987

1986

1985

1984

1983

1982

1981

1980

0

Aandeel Vlaanderen

Aantal octrooien

0,6 800

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10

1.200


154

Een analoge trend stelt men vast voor de toegekende USPTO

Ook hier betreft het merendeel Amerikaanse aanvragers

octrooien, zoals blijkt uit figuur 10.4. Ook hier is de dalende

(59%), gevolgd door Duitsland (9,7%), Frankrijk (9,1%),

trend vanaf 2002 te verklaren door vertragingen te wijten aan

Nederland (8,3%) en tenslotte het VK (4,8%). Het Vlaamse en

de USPTO toekenningspraktijk.

Belgische patroon valt hier nagenoeg samen.

De vergelijking van figuur 10.3 en 10.4 brengt aan het licht dat

10.2.3 Internationale vergelijking

de gemiddelde toekenningsperiode binnen het Europese octrooisysteem een langere tijdsperiode bestrijkt dan binnen

Uit de internationale vergelijking blijkt een significante toename

het Amerikaanse systeem. Waar men binnen EPO een afname

van octrooigedrag voor nagenoeg alle voor Vlaanderen en

waarneemt vanaf 1999 (terwijl de aanvragen een stijgende trend

België relevante ‘referentie’-landen, en dit zowel voor wat

laten zien, zie figuur 10.1), treedt deze systematische afname

EPO-octrooiaanvragen, PCT-aanvragen als USPTO-octrooien

binnen het USPTO systeem pas op na 2002. Daarnaast wordt

betreft. Noteer dat in vergelijking met de vorige edities van

het ook duidelijk dat er de laatste jaren meer Belgische en

het Indicatorenboek, de referentielanden zijn uitgebreid.

Vlaamse octrooiactiviteit is binnen het USPTO systeem dan

Naast de EU-15 wordt ook vergeleken met de VS, Japan,

binnen het EPO systeem. Het verschil in investeringen tussen

Korea, Canada en Zwitserland. De resultaten van die

beide systemen speelt hierbij ongetwijfeld een rol.

vergelijking worden weergegeven in tabellen 10.1, 10.2 en 10.3, waarbij voor alle landen de octrooivolumes per miljoen inwoners

10.2.2 Belgische/Vlaamse versus buitenlandse aanvragers

worden berekend. Binnen de referentiegroep bekleedt België een tiende plaats en Vlaanderen een achtste plaats voor

Wanneer men nagaat hoeveel van de octrooien waarbij Belgische

wat betreft het aantal EPO aanvragen (per miljoen inwoners).

en/of Vlaamse uitvinders zijn betrokken, een Belgische/Vlaamse

De rangschikking wordt aangevoerd in respectievelijke

dan wel buitenlandse aanvrager(s) hebben, dan worden de

volgorde door Zwitserland, Luxemburg5, Nederland, Zweden,

trends vanuit vorige Indicatorenboeken bevestigd. Bij alle

Finland, Duitsland en Oostenrijk. Vlaanderen situeert zich hier

Belgische EPO octrooiaanvragen is in 36% van de gevallen

in de buurt van Oostenrijk (positie 7/8). Waar deze positie van

geen Belgische aanvrager betrokken. Indien men enkel de

België en Vlaanderen – in het midden van de referentiegroep –

laatste tien jaar analyseert, dan schommelt dit aandeel rond

op het eerste zicht als ‘middelmatig’ kan overkomen, dient men

de 39%-40%, zonder nog een verdere trend te vertonen.

voor ogen te houden dat de gekozen referentielanden samen

Het leeuwenaandeel van deze octrooi-aanvragen betreft

instaan voor 95% van de octrooiactiviteiten; m.a.w. in een mondiale

Amerikaanse aanvragers (44%), gevolgd door Frankrijk en

rangschikking behouden België en Vlaanderen deze positie.

Duitsland (elk 15%) en tenslotte Nederland (11%) en het Verenigd Koninkrijk (5%). Wanneer men enkel de Vlaamse octrooi-

Inzake toegekende octrooien binnen het USPTO systeem

aanvragen bekijkt, stelt men vast dat in 40% van de gevallen

bekleden België en Vlaanderen respectievelijk een dertiende en

enkel buitenlandse aanvragers betrokken zijn. Qua betrokken

een elfde plaats. Koplopers zijn hier de VS, Zwitserland, Japan,

landen stelt men een analoog patroon vast als voor de

Luxemburg5, Finland, Zweden, Duitsland, Korea en Nederland.

Belgische situatie. Koplopers zijn de VS (38%), Frankrijk en

Vlaanderen laat wel o.m. Denemarken, Frankrijk, het VK, Italië

Duitsland (resp. 15,3 en 15,7%), Nederland (11,2) en VK (4,8%).

en Spanje achter zich.

De patronen inzake toegekende EPO octrooien zijn identiek, zowel op Belgisch als op Vlaams niveau.

Wat betreft PCT-aanvragen betreft bekleedt België een elfde plaats. De rangschikking wordt hier aangevoerd door Zwitserland,

Zoals reeds gemeld werd in de vorige Indicatorenboeken,

Zweden, Finland, Nederland, Luxemburg5, Denemarken,

liggen deze cijfers anders voor de toegekende USPTO octrooien.

Duitsland, Oostenrijk, Japan en de VS.

Hier is 50% van de octrooien waarbij Belgische uitvinders betrokken zijn exclusief in handen van buitenlandse aanvragers.

5 Inzake de positie van Luxemburg dient opgemerkt dat Luxemburg gekenmerkt wordt door een bevolkingsomvang van minder dan een half miljoen inwoners. De indicator octrooien/miljoen inwoners impliceert voor Luxemburg als enige land in de vergelijking dan ook een vermenigvuldiging van de absolute cijfers met een factor > 1 (+/-2). In absolute aantallen liggen de cijfers voor Luxemburg m.a.w. lager dan de cijfers in de tabellen op het eerste gezicht suggereren.


131,6

139,1

164,8

191,9

198,7

196,9

188,8

191,0

211,6

222,2

255,4

102,8

14,0

107,5

134,6

156,8

164,4

173,9

170,0

167,8

181,5

193,9

205,3

83,6

9,8

10

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

RANG 2004

AT

7

33,6

115,1

223,9

222,9

217,1

205,7

198,9

177,6

158,7

154,7

126,0

114,2

112,9

99,4

96,3

103,1

CA

17

30,9

80,7

79,5

73,0

70,3

72,5

72,9

61,2

55,5

42,3

36,0

32,3

28,5

25,8

27,1

CH

1

61,0

306,8

709,0

683,3

651,7

646,4

639,0

593,4

533,7

510,4

464,7

389,0

359,5

345,3

362,9

351,3

DE

6

43,8

163,2

306,3

299,6

295,2

297,5

302,4

292,2

267,3

242,7

210,6

177,1

168,2

156,2

152,9

152,2

DK

9

10,1

67,5

219,2

218,0

215,2

206,5

200,8

191,8

175,3

147,6

139,8

114,8

109,5

98,7

88,1

85,7

ES

19

3,6

15,2

30,7

27,2

25,7

26,1

23,6

21,2

19,6

17,5

13,7

10,8

11,3

11,0

9,0

9,0

FI

5

18,8

98,4

313,4

315,0

298,3

340,7

363,9

338,1

281,7

239,8

199,4

162,6

151,5

127,5

114,5

89,6

119,0 125,5 114,9 111,2 111,4 110,7 39,3 7,9 14

146,4 148,6 153,1 158,6 159,3 78,2 21,5 12

89,7

112,0

143,6

81,2

99,2 97,8

76,9

95,5

107,2

72,3

92,1

133,7

71,2

89,2

126,0

GB 71,7

FR 94,5

20

1,1

4,8

6,8

9,9

9,7

8,0

7,2

6,2

6,2

7,2

4,2

3,4

3,5

2,6

3,1

3,6

GR

IE

15

4,6

35,7

97,4

92,4

98,6

109,4

91,3

97,2

81,2

63,3

58,0

49,2

41,8

36,5

39,7

26,4

IT

16

12,5

45,6

79,9

83,0

80,8

78,2

76,2

71,9

65,1

62,4

55,7

49,4

44,2

42,8

42,3

45,2

JP

11

93,7

173,2

174,5

162,5

158,9

174,0

154,1

134,5

126,4

117,9

104,6

91,8

91,8

91,5

97,9

18

74,5

92,4

70,4

50,1

37,1

30,0

25,1

22,6

15,8

12,0

11,1

9,2

8,1

5,5

4,5

KR

LU

2

33,6

251,8

516,0

558,8

553,6

513,3

459,8

501,9

513,4

402,6

343,3

284,9

217,8

330,1

193,7

216,7

63,9

83,5

112,9

105,4

109,2

119,3

130,3

121,4

128,3

114,0

102,1

72,1

29,2

8,4

0,2

52,9

70,6

90,6

86,8

94,9

101,8

109,2

107,3

102,4

99,7

84,9

58,1

25,4

7,0

0,4

13

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

RANG 2004

AT

12

0,1

6,9

31,2

63,4

87,9

103,8

97,0

90,4

89,6

80,9

72,5

63,2

67,6

58,6

50,2

46,9

CA

9

12,2

44,0

88,1

124,4

150,3

155,9

167,1

161,2

155,2

143,4

118,0

122,1

100,0

90,9

79,8

CH

2

1,5

28,1

106,0

210,8

290,8

351,3

376,8

372,8

342,7

318,1

309,4

264,6

288,3

255,4

226,4

228,1

DE

7

0,3

11,5

55,0

109,5

139,9

173,6

175,7

172,2

164,5

142,3

139,0

119,4

118,0

103,3

92,4

93,6

DK

14

0,0

7,2

28,2

57,9

84,8

115,3

135,7

120,8

122,3

111,8

109,0

84,0

112,0

69,9

55,9

42,0

ES

19

0,0

0,7

3,6

7,1

9,1

10,3

11,7

10,3

9,1

8,3

8,8

7,7

7,1

6,0

4,9

5,0

FI

5

0,4

9,5

48,0

113,8

185,1

237,1

271,6

267,6

234,4

179,3

181,7

159,8

126,1

104,7

80,7

75,8

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10

11

VL

55,1

BE

44,7

JAAR

71,1 83,1 89,8 91,3 89,4 84,5 67,1 47,2 22,0 4,8 0,2 15

82,0 90,2 94,1 86,3 79,5 64,2 49,3 23,2 4,7 0,1 16

73,9

72,1 82,8

61,0

60,6 68,3

52,4

55,8

79,6

GB 47,2

FR 55,1

20

0,0

0,1

1,4

2,2

2,4

3,5

3,1

3,3

3,7

3,8

2,6

2,2

2,3

2,3

1,5

1,9

GR

17

0,9

6,1

23,6

42,8

56,3

78,3

78,4

72,5

66,0

66,0

50,1

39,3

36,9

41,5

23,5

23,0

IE

18

0,1

2,6

11,2

22,7

30,6

34,5

37,8

36,6

34,7

31,8

33,1

29,2

29,3

25,2

22,8

24,4

IT

3

34,4

122,0

214,1

269,8

302,3

333,4

312,3

280,5

274,2

294,9

253,7

239,4

215,1

184,8

187,8

JP

8

11,6

53,0

108,5

126,9

116,6

100,7

92,1

83,4

89,5

87,4

81,2

49,5

38,1

25,0

22,0

KR

4

0,0

6,3

51,6

170,3

217,0

311,5

332,9

353,0

223,0

240,2

214,6

193,1

159,1

188,6

123,3

127,5

LU

Tabel 10.2: Internationale vergelijking USPTO-octrooitoekenningen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager

8

123,1

99,2

104,0

1993

1995

114,3

90,5

1992

1994

VL

99,3

BE

83,2

JAAR

Tabel 10.1: Internationale vergelijking EPO-octrooiaanvragen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager NL

10

0,2

9,9

54,2

118,2

118,6

176,0

217,9

180,0

147,5

119,9

129,3

111,1

104,2

89,1

83,4

79,8

NL

3

16,9

107,0

343,3

348,5

357,3

333,5

302,4

277,3

236,7

219,3

200,4

178,2

163,5

154,5

150,7

151,1

PT

21

0,0

0,3

0,8

1,5

2,0

2,5

2,6

2,8

1,9

2,1

2,1

1,5

1,0

0,9

0,3

0,6

PT

21

0,9

5,5

9,2

7,5

6,0

5,4

5,7

5,2

5,5

3,9

3,7

2,7

3,6

2,7

2,0

2,4

SE

6

0,9

10,8

59,1

118,4

159,4

200,9

236,3

266,7

257,6

248,2

233,0

164,7

156,6

133,2

109,0

94,6

SE

4

10,8

93,2

306,5

339,1

313,7

325,6

346,7

336,3

310,1

288,4

256,4

214,7

184,0

149,9

135,9

125,2

US

1

30,6

107,0

208,6

297,7

355,4

375,9

382,6

367,9

352,7

360,3

309,3

327,4

275,1

247,3

236,1

US

13

45,3

124,9

124,9

124,4

120,6

125,7

125,4

116,9

108,6

97,3

92,0

84,0

78,6

76,8

76,5

0,3

10,2

42,8

89,7

120,0

147,7

159,5

158,0

143,3

133,8

130,4

111,1

109,3

94,4

78,4

74,8

Gemiddelde

14,5

88,5

207,8

206,7

199,5

195,5

192,9

186,7

171,1

154,2

135,5

115,3

104,6

102,4

93,1

91,2

Gemiddelde

155


38,1

40,1

52,1

56,0

58,7

80,2

92,8

107,6

129,4

128,4

151,6

163,1

178,8

198,1

92,9

29,4

33,9

40,0

47,1

54,2

71,0

81,4

94,2

97,0

95,0

115,8

132,3

163,6

168,3

77,7

11

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

RANG 2004

CA

15

106,7

100,5

92,7

86,2

88,8

85,4

71,4

55,2

53,0

44,3

37,3

33,1

29,4

24,4

24,9

CH

1

225,3

541,2

521,6

467,0

448,3

428,6

379,8

312,5

269,0

218,7

208,2

183,3

141,9

107,1

97,3

70,3

DE

7

99,8

228,9

221,2

205,5

192,3

189,6

183,0

162,8

138,1

120,7

101,9

81,7

67,7

54,6

46,4

40,7

DK

6

107,4

240,6

242,5

224,3

214,6

207,6

192,2

164,2

156,9

132,3

129,4

120,3

109,3

103,7

88,5

74,8

ES

18

13,1

30,8

31,5

23,8

22,4

22,2

18,7

15,6

14,1

12,2

10,3

8,4

6,4

4,5

4,1

2,9

FI

3

159,9

342,6

375,3

332,4

307,5

351,9

342,3

312,4

263,5

223,3

173,5

138,7

139,8

114,8

108,4

70,6

FR

13

53,2

120,8

120,0

106,8

102,8

98,8

91,5

78,8

67,6

60,3

50,5

41,2

34,4

30,1

25,8

24,6

Noot: wegens ontbrekende adresinformatie werd geen uitsplitsing naar Vlaanderen gedaan

8

AT

34,4

BE

23,9

JAAR

72,9 89,3 93,1 99,8 110,1 128,1 59,1 14

6,8 8,3 9,3 9,6 7,0 10,3 4,7 19

121,5 120,5 122,0 125,9 127,9 129,9 61,1 12

4,7

80,9 51,1

46,9

4,6

74,8

64,6

39,7

3,3

65,9

5,6

39,9

2,6

62,0

5,7

32,7

2,7

57,3

92,3

29,2

2,6

52,1

108,8

26,8

3,1

IE 15,7

GR

GB 46,0

17

22,1

50,7

50,4

45,7

43,3

41,3

36,2

30,7

24,6

21,4

19,0

14,5

12,2

10,7

8,6

7,9

IT

9

204,1

199,6

162,0

138,4

113,6

96,9

78,3

61,5

50,5

41,7

32,8

23,3

19,4

16,4

14,6

JP

16

109,2

95,3

73,5

59,2

51,8

47,3

32,5

19,0

11,3

7,2

6,8

4,5

4,3

2,9

2,1

KR

5

136,5

272,9

292,4

286,0

270,1

307,1

330,7

300,3

343,8

266,1

228,9

127,9

127,3

129,1

83,0

61,2

LU

Tabel 10.3: Internationale vergelijking PCT-octrooiaanvragen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager NL

4

132,2

331,0

342,8

320,4

317,0

280,9

246,4

217,4

179,7

150,4

139,8

120,5

103,5

60,7

48,1

29,2

PT

20

4,4

9,8

6,2

6,3

4,8

4,7

5,2

3,0

3,0

1,4

1,6

1,5

1,0

1,7

0,8

0,5

SE

2

132,9

365,1

364,6

351,6

319,8

366,8

415,9

369,5

366,3

377,4

325,3

256,8

225,9

153,4

128,0

106,9

10

188,6

183,2

69,1

169,5

158,6

152,6

186,3

157,4

153,3

174,9

152,9

159,8

161,9

120,1 133,5

116,0 140,5

90,3

73,1

78,8

104,4

64,3

65,9

104,7

52,2

57,6

91,4

35,0 44,1

49,9

Gemiddelde

US 45,6

156

10.3 TECHNOLOGIEONTWIKKELING PER TYPE ORGANISATIE NADER BEKEKEN

In tabel 10.4 en 10.5 wordt een overzicht geboden van de samenstelling van het weefsel qua organisatie-

EPO-octrooien en dit voor België en Vlaanderen.

type voor wat betreft het aantal aangevraagde

In deze tabel is tussen de categorieën niet

gefractioneerd geteld, wat betekent dat octrooien

met meerdere aanvragers worden toegewezen

aan elke type aanvrager. Dit zijn echter eerder

uitzonderlijke situaties. Ondernemingen nemen

het merendeel van de octrooiaanvragen voor hun

rekening (gemiddeld 85%). Daarnaast stelt men vast

dat het aandeel van octrooiaanvragen afkomstig

van universiteiten (inclusief de inter-universitaire

onderzoekscentra IMEC en VIB) stelselmatig groeit.

Een belangrijke breuklijn betreft 1996, waarin het aandeel

verdubbelde van 2 naar 4 %. Voor de laatste jaren van de octrooien van

met de groep van referentielanden). universiteiten

Binnen Europa behoren we hiermee tot de koplopers. bedraagt het aandeel van universiteiten een 7 à 8%.

De resultaten voor Vlaanderen laten een analoog

beeld zien: ook hier valt de stijging op van het

aandeel van de octrooiaanvragen door universiteiten

na 1995. Dit is de periode na de invoering van de

decreten betreffende de dienstverlenende opdracht

van de universiteiten (inclusief de bepaling van de

vermogensrechten op vindingen). Wat betreft het aandeel van academische octrooien scoort Vlaanderen

erg hoog (zelfs het hoogste aandeel in vergelijking


157

Tabel 10.4: Procentueel aandeel van verschillende types organisaties - BelgiĂŤ - EPO octrooiaanvragen Applicatie

Individu

Non Profit

Univ.

Onbekend

1991

Bedrijf 86,76

Overheid 0,44

Ziekenhuizen 0

6,18

3,09

2,94

0,59

1992

87,76

0,24

0

7,29

2,94

1,53

0,24

1993

89,60

0,54

0,11

5,09

1,95

2,49

0,22

1994

90,25

0,59

0

5,42

1,67

1,38

0,69

1995

86,51

1,20

0,09

5,91

3,14

2,68

0,46

1996

85,70

0,36

0

6,97

2,41

4,29

0,27

1997

86,70

1,36

0,07

5,36

1,72

4,29

0,50

1998

84,91

0,98

0,06

6,26

1,84

5,71

0,25

1999

85,76

0,69

0,06

4,86

1,85

6,31

0,46

2000

86,69

0,55

0

4,31

1,21

6,79

0,44

2001

84,16

0,95

0,06

5,63

1,95

7,03

0,22

2002

82,68

0,89

0,06

6,87

2,07

6,87

0,56

2003

84,47

1,24

0

5,16

0,98

7,43

0,72

2004

84,21

2,09

0

4,23

1,52

7,23

0,71

2005

82,22

1,26

0

5,40

1,85

8,78

0,50

2006

82,26

1,63

0,22

5,77

1,85

7,51

0,76

2007

83,65

0

0

2,88

1,92

10,58

0,96

Gemiddelde

85,55

0,88

0,04

5,51

2,00

5,52

0,50

Tabel 10.5: Procentueel aandeel van verschillende types organisaties - Vlaanderen - EPO octrooiaanvragen Bedrijf

Individu

Non Profit

Univ.

Onbekend

1991

85,28

Overheid 0

7,17

0,38

6,42

0,75

1992

87,71

0

7,82

1,68

2,51

0,28

1993

91,11

0

5,29

0,72

2,88

0

1994

89,71

0

7,35

0,49

1,47

0,98

1995

85,98

0

8,66

0,82

3,92

0,62

1996

82,70

0

8,02

0,63

8,23

0,42

1997

86,07

0

6,68

0,19

6,87

0,19

1998

77,76

0

9,36

1,07

11,35

0,46

1999

78,31

0

7,54

0,92

12,62

0,62

2000

77,24

0

7,76

0,52

13,62

0,86

2001

77,05

0

8,56

1,03

13,18

0,17

2002

79,79

0

9,05

0,75

10,41

0

2003

79,97

0

7,53

0,64

11,73

0,13

2004

80,26

0

6,01

1,05

12,16

0,52

2005

77,62

0

7,02

1,93

13,22

0,20

2006

78,19

0

7,19

0,93

12,76

0,93

2007

81,82

0

1,52

0

16,67

0

Gemiddelde

82,15

0

7,21

0,81

9,41

0,42

10.3.1 Belangrijkste organisaties

Daarnaast profileren ook een aantal kenniscentra, waaronder IMEC en VIB alsook een aantal Vlaamse en Franstalige

Wanneer we vervolgens kijken naar de grootste spelers (in

universiteiten zich als octrooi-aanvragers met een zichtbare

BelgiĂŤ/Vlaanderen) op het vlak van octrooiportefeuilles, wekt

schaalgrootte (meer dan 50 octrooiaanvragen voor de periode

het geen verwondering dat ondernemingen hier de dominante

1991-2007). In tabel 10.6 wordt het overzicht gegeven voor wat

rol spelen. Onder de bedrijven die een aanzienlijke portfolio

de EPO octrooiaanvragen betreft (een analoge lijst wordt

aan octrooi-activiteit hebben opgebouwd treffen we onder meer

bekomen aan de hand van toegekende USPTO-octrooien).

Agfa Gevaert, GlaxoSmithKline (GSK), Janssen Pharmaceutica, Alcatel Bell, UCB, Solvay, en Totalfina.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10

Applicatie


158

Tabel 10.6: Belangrijkste organisaties (gebaseerd op EPO octrooi-aanvragen sinds 1990)

Co-aanvragerschap in Vlaanderen schommelt rond de 9% voor de aangevraagde EPO-octrooien (analoge cijfers worden bekomen voor toegekende USPTO-octrooien), telkens voor

AGFA-GEVAERT ALCATEL BELL ARCELOR ATLAS COPCO BARCO BAYER BEKAERT CENTRE DE RECHERCHES METALLURGIQUES CNH BELGIUM CROPDESIGN CYTEC SURFACE SPECIALTIES DOW CORNING ELECTROLUX HOME PRODUCTS CORPORATION ESSELTE GB BOUCHERIE GLAVERBEL GLAXOSMITHKLINE HERAEUS ELECTRO-NITE INTERNATIONAL IMEC INEOS MANUFACTURING BELGIUM INERGY AUTOMOTIVE SYSTEM RESEARCH INNOGENETICS JANSSEN PHARMACEUTICA K.U.LEUVEN RESEARCH & DEVELOPMENT NV MICHEL VAN DE WIELE PICANOL SOFITECH SOLVAY SOREMARTEC TECHSPACE AERO TOTALFINA TYCO ELECTRONICS UCB UMICORE UNIVERSITE DE LIEGE UNIVERSITEIT GENT VITO VLAAMS INTERUNIVERSITAIR INSTITUUT VOOR BIOTECHNOLOGIE (VIB) VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL XEIKON

octrooien aangevraagd in de periode 1998-2007, en telkens ten opzichte van het totale aantal octrooien met Vlaamse aanvrager. Wanneer we enkel kijken naar co-aanvragen, stellen we vast dat een meerderheid van deze samenwerkingen een internationaal karakter heeft. Voor België heeft 63,2% van de co-aanvragersrelaties een internationale dimensie. Voor Vlaanderen is dit 56,3%. Wanneer we voor EPO een vergelijking maken met de referentielanden op het vlak van internationale samenwerking gemeten via co-aanvragerschappen, stelt men vast dat België en Vlaanderen dicht aanleunen bij de top-5 (met name, Nederland, Zwitserland, Luxemburg, het VK en Oostenrijk). Voor Nederland en het VK kan opgemerkt worden dat deze cijfers in belangrijke mate worden gedragen door de aanwezigheid van enkele multinationale ondernemingen die frequent kiezen voor co-octrooieren waarbij telkens twee vestigingen van dezelfde onderneming optreden als aanvrager (o.m. Unilever en Shell). In het geval van Shell en Unilever betreft het bovendien Nederlands-Britse ondernemingen met een heel eigen tweelanden bestuursstructuur. De cijfers i.v.m. co-aanvragen, dienen met de nodige omzichtigheid geïnterpreteerd te worden. De plaats (en dus land) van aanvraag kan verschillend zijn van de locatie van de uitvinding, zeker in multinationale ondernemingen die het beheer van intellectuele rechten centraliseren of hun aanvragen indienen vlakbij de locatie van octrooibureaus of advocatenkantoren (bijvoorbeeld Den Haag voor EPO-octrooien). Om

diezelfde

reden

wijst

een

co-aanvraag

niet

noodzakelijkerwijze op een daadwerkelijke samenwerking tussen verschillende organisaties. Het kan gaan om verschillende afdelingen van eenzelfde organisatie, wat zowel

10.4 SAMENWERKINGSPATRONEN

kan duiden op een effectieve samenwerking als op een strategische of praktische beslissing van de organisatie om

Octrooi-informatie kan ook gebruikt worden om patronen

de aanvraag (ten dele) door een andere afdeling te laten

inzake samenwerking in technologieontwikkeling te onderzoeken,

afhandelen. Vanuit dit perspectief biedt een analyse aan

specifiek door het fenomeen van meerdere aanvragers of

de hand van co-uitvinderschap een complementair beeld.

uitvinders, vermeld per octrooi, te analyseren. Zowel voor EPO- als voor USPTO-octrooien is er een duidelijk verschil tussen het voorkomen van co-aanvragerschap en co-uitvinderschap. Waar co-uitvinderschap in het merendeel van de gevallen voorkomt, blijven co-aanvragen beperkt tot een minderheid van de octrooien.


AT

17,0

3,6

13,0

18,6

22,8

23,9

19,8

20,2

18,0

17,0

13,3

CA

8,0

3,4

6,6

6,6

7,2

8,0

8,7

9,2

9,6

10,0

10,4

CH

11,0

8,6

10,9

13,4

13,6

13,7

12,8

12,6

9,4

8,6

6,5

DE

6,1

3,4

5,7

7,6

6,9

6,4

6,7

6,2

5,8

6,3

6,0

6,3

6,0

2,7

5,8

7,1

5,9

7,2

6,9

8,6

6,8

6,0

DK

ES

9,9

10,8

8,4

11,3

9,3

11,7

10,5

9,3

9,9

7,4

10,8

FI

2,9

1,1

3,5

2,7

3,3

3,0

3,3

2,9

2,9

3,7

2,4

12,5 12,9

10,8 11,7

8,1 6,5 11,9

8,0 6,9 9,7

12,6

12,6

10,0

13,2

13,9

8,9

11,2

12,4

10,3

10,4

GB 14,1

FR 9,3

GR

19,0

25,0

5,7

18,6

18,4

23,7

24,2

27,6

15,2

17,5

14,3

IE

11,6

12,5

12,0

11,6

10,3

8,7

8,8

9,2

13,7

16,7

12,1

IT

6,8

4,9

6,2

7,8

6,4

7,7

7,8

6,6

7,0

7,1

7,0

JP

7,7

5,4

7,2

8,8

8,6

8,7

8,1

7,8

7,6

7,4

7,4

KR

6,9

5,3

4,4

5,7

5,8

5,9

6,7

8,0

10,7

9,4

7,2

LU

6,8

9,1

5,9

12,9

5,8

7,1

3,8

9,0

3,0

3,1

8,3

NL

14,2

5,7

15,2

15,9

14,7

13,5

15,1

15,0

15,6

14,8

16,6

PT

10,9

0

7,9

17,0

13,3

14,9

5,3

10,9

17,1

13,2

9,1

SE

4,2

5,0

3,5

4,9

3,5

3,3

4,1

3,6

3,9

4,5

5,3

US

4,8

2,3

4,2

5,3

5,1

5,3

4,9

5,3

5,1

4,9

5,5

9,3

6,8

7,4

10,3

10,0

10,3

9,5

10,2

9,8

9,7

9,0

Gemiddelde

VL

58,5

65,7

57,4

50,0

66,7

52,5

61,6

58,7

66,7

25,0

56,3

BE

70,7

70,4

64,3

66,1

69,0

65,2

71,2

62,1

68,3

25,0

63,2

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Gemid.

AT

72,5

25,0

73,3

79,1

78,4

81,4

77,6

79,1

76,7

79,5

74,6

CA

54,7

0

62,2

62,8

60,0

55,9

65,2

60,1

62,7

59,1

58,8

CH

88,2

97,1

94,5

91,2

90,4

90,7

85,4

89,2

81,8

82,8

78,7

DE

47,9

38,9

48,1

55,2

55,3

54,9

49,7

45,8

41,2

44,0

46,0

DK

67,4

33,3

75,0

69,0

64,3

70,2

74,6

68,9

68,5

81,5

69,2

ES

31,0

28,6

51,2

26,1

31,2

34,8

22,1

26,2

26,2

25,6

37,5

FI

56,0

100

43,8

52,4

49,0

59,1

61,1

56,9

42,6

59,2

35,7

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10

JAAR

GB 79,2 78,2 79,2 78,3 75,0 77,4 77,9 77,4 81,5 81,8 78,6

FR 37,7 40,1 42,3 49,4 50,4 54,0 48,7 47,2 40,9 38,8 45,0

20,6

0

0

25,0

7,1

28,6

6,7

37,5

28,6

10,0

62,5

GR

65,0

100

61,5

55,9

58,6

76,0

77,8

62,5

54,1

54,1

50,0

IE

34,0

21,2

29,4

35,3

40,2

37,9

36,3

38,2

28,2

31,2

42,0

IT

15,9

7,4

13,0

15,1

15,4

20,1

15,6

15,9

16,4

21,4

19,2

JP

22,8

3,8

16,6

25,0

25,3

31,1

8,8

19,1

26,7

33,0

38,8

KR

83,7

0

100

100

100

100

100

76,9

80,0

80,0

100

LU

89,4

76,9

88,5

92,3

93,2

94,4

94,1

89,2

88,2

88,1

89,3

NL

44,4

33,3

55,6

37,5

57,1

50,0

40,0

50,0

20,0

100

PT

62,7

75,0

69,6

69,0

62,0

60,3

54,9

52,6

52,5

62,0

69,5

SE

47,7

58,8

45,9

45,9

45,5

48,0

45,3

46,9

44,0

49,5

47,2

US

54,6

39,8

55,4

57,2

55,8

59,5

56,5

54,7

52,9

54,1

60,2

Gemiddelde

Tabel 10.8: Internationale samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO co-aanvragen met aanvragers uit verschillende landen ten opzichte van het totaal aantal co-aangevraagde octrooien per land (aangevraagd in de periode 1998-2007) (%)

9,2

2005

10,5

9,1

9,2

2004

Gemid.

10,9

12,7

2003

7,3

9,8

11,3

2002

7,8

9,3

10,5

2001

9,6

9,3

11,4

2000

10,4

10,2

9,4

1999

2007

10,5

11,1

1998

2006

VL

8,0

BE

9,8

JAAR

Tabel 10.7: Samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO co-aanvragen ten opzichte van het totaal aantal aangevraagde octrooien per land (aangevraagd in de periode 1998-2007) (%)

159


75,7

75,4

74,1

72,4

72,4

73,5

71,7

50,2

40,0

67,5

72,9

71,7

71,0

71,2

70,9

71,9

71,0

68,3

62,1

70,0

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Gemid.

AT

55,6

41,8

57,2

61,6

60,4

59,0

58,3

60,2

51,9

54,1

51,5

CA

74,7

73,8

74,1

75,6

76,2

75,4

76,1

72,4

74,9

73,5

74,8

CH

63,2

60,5

63,1

67,8

66,1

66,7

65,3

63,4

61,8

60,1

57,1

DE

65,1

59,9

63,4

67,5

67,5

68,1

66,8

66,2

64,5

64,0

62,7

DK

58,7

44,9

59,8

62,2

62,3

61,4

64,6

59,0

55,9

60,1

56,4

ES

54,4

47,5

53,1

60,1

58,1

56,2

60,1

58,2

51,7

50,7

48,1

FI

61,3

48,3

57,8

68,2

66,5

64,0

65,9

63,2

59,0

58,8

60,9

FR

65,1

61,6

64,8

69,0

68,3

67,4

66,4

64,3

63,3

62,7

62,9

GB

63,5

54,8

63,1

66,9

65,8

66,3

65,9

63,7

63,6

63,9

61,3

GR

46,8

25,0

37,7

54,7

52,8

56,6

45,5

53,8

55,4

40,9

45,9

IE

70,6

66,7

70,4

69,2

70,8

76,7

73,6

64,3

70,5

71,7

72,1

IT

48,5

35,3

45,9

51,7

52,0

52,1

53,3

49,3

48,2

49,4

47,6

JP

72,1

65,7

68,4

72,1

71,9

73,7

74,6

73,0

74,0

73,9

73,4

KR

65,7

71,6

66,3

67,0

68,7

68,5

65,3

64,1

64,0

69,2

52,7

LU

63,4

22,2

66,2

68,8

60,3

74,1

73,0

68,8

58,4

75,0

67,6

NL

63,1

51,1

63,9

68,2

68,7

67,5

65,0

64,3

62,2

61,9

58,4

PT

58,1

50,0

51,9

56,5

58,6

63,2

63,4

45,3

62,8

69,6

60,0

SE

59,7

57,0

61,0

62,4

61,4

61,2

60,4

59,3

58,8

57,0

58,4

US

74,3

72,6

75,1

76,2

75,8

75,1

74,9

74,5

73,9

72,9

72,5

61,5

52,3

60,0

64,5

64,0

64,9

64,2

61,8

61,3

62,0

59,6

Gemiddelde

VL

37,3

45,3

47,9

45,1

47,5

45,4

48,7

46,2

39,9

21,4

42,5

BE

40,3

47,3

49,5

48,7

50,2

48,9

52,0

51,2

45,9

31,5

46,6

JAAR

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Gemid.

42,7

42,0

38,5

41,2

42,6

45,3

48,1

43,2

45,4

42,6

38,5

AT

37,5

31,8

30,1

33,3

35,5

39,9

43,4

43,9

40,3

40,4

36,0

CA

48,4

46,3

50,6

52,6

49,2

47,7

48,9

48,6

47,6

46,1

46,5

CH

17,0

12,5

16,6

19,6

18,6

19,0

17,9

17,6

16,8

16,8

14,9

DE

32,0

45,5

22,2

32,6

31,8

33,4

34,5

29,5

33,3

26,3

30,5

DK

34,5

22,7

34,3

37,2

36,7

38,3

36,5

33,7

36,2

35,0

34,9

ES

22,1

28,6

22,7

19,9

20,3

24,6

22,7

24,4

18,6

21,7

17,2

FI

22,4

12,6

20,8

25,3

25,7

24,8

25,0

25,0

22,0

21,5

20,8

FR

35,2

43,4

35,6

37,6

36,0

35,1

36,1

34,5

32,2

29,9

31,7

GB

53,7

0

55,0

63,4

52,6

60,0

52,5

66,7

72,2

40,7

73,5

GR

47,9

60,0

43,4

45,0

46,9

50,0

46,7

40,8

49,8

48,5

47,6

IE

17,9

9,3

15,8

21,1

18,5

17,5

19,3

20,6

18,6

18,7

19,4

IT

3,8

1,9

2,8

4,2

3,9

4,7

4,0

3,6

4,5

4,2

4,6

JP

8,2

3,6

3,8

6,1

6,8

7,7

7,5

8,7

12,5

11,5

13,9

KR

81,7

100

82,4

79,8

75,6

77,9

71,6

78,7

88,5

82,7

80,0

LU

26,5

33,1

26,3

25,3

28,5

26,0

22,7

23,7

25,8

27,7

26,3

NL

48,0

20,0

33,3

50,0

31,7

50,0

61,5

50,0

70,4

40,6

72,2

PT

27,7

28,9

31,7

29,1

26,4

25,2

28,6

28,2

26,7

28,6

23,8

SE

15,6

14,6

15,4

16,8

16,6

16,2

16,6

16,3

15,0

14,4

14,1

US

33,9

29,0

31,8

35,1

33,6

35,1

35,3

34,8

36,8

32,9

34,5

Gemiddelde

Tabel 10.10: Internationale samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO co-uitvindingen met uitvinders uit verschillende landen ten opzichte van het totaal aantal co-uitgevonden octrooien per land (aangevraagd in de periode 1998-2007) (%)

VL

69,9

BE

69,4

JAAR

Tabel 10.9: Samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO co-uitvindingen ten opzichte van het totaal aantal aangevraagde octrooien per land (aangevraagd in de periode 1998-2007) (%)

160


161

Co-uitvinderschap komt veel frequenter voor zowel in het geval

Figuur 10.5: Salton–map met Belgische internationale

van EPO- als van USPTO-octrooien. Co-uitvinderschap in

co-uitvindersrelaties (periode 1998-2007)

Vlaanderen schommelt rond de 72% voor aangevraagde EPOoctrooien (telkens voor octrooien aangevraagd in de periode 1998-2007, en telkens ten opzichte van het totale aantal octrooien met Vlaamse uitvinder). Voor België liggen de cijfers doorheen de jaren enkele procenten lager (1%-tot-2%). SE

Vlaanderen en België behoren hier samen met Canada, de VS,

FI

NO

Japan en Ierland tot de koplopers.

RU Wanneer we voor EPO een systematische vergelijking maken inzake internationale samenwerking – gemeten aan de hand van co-uitvinderschap – stellen we opnieuw vast dat België en

DK

CA

GB

NL

US

RU DE

BE

Vlaanderen hoge ratio’s behalen. Vergelijkbaar met Ierland,

HU

betreft het meer dan 40% van de co-uitgevonden octrooiaanvragen waarbij uitvinders van verschillende landen zijn

FRA

CH

AT

ESP

betrokken. ITA Om een kartografie te maken van de belangrijkste landen waarmee internationaal wordt samengewerkt tussen uitvinders werd gekeken naar het aantal aangevraagde EPO-octrooien

n >=0.01

(voor de periode 1998-2007) met minstens één uitvinder uit

n 0.005 =< r <0.01

Vlaanderen en minstens één uitvinder uit een ander land. Op

n 0.0025 =< r <0.005

basis daarvan is gebleken dat Vlaamse uitvinders samenwerken met aanvragers uit 57 landen. De belangrijkste landen waartussen uitvinders samenwerken zijn de VS (24%),

Figuur 10.6: Salton-map met Vlaamse internationale

Duitsland (21%), Nederland (15%), Frankrijk (12%), het VK

co-uitvindersrelaties (periode 1998-2007)

enigszins anders: de meest intensieve samenwerking situeert zich hier met VS (23%), Duitsland (20%), Frankrijk (16%), Nederland (12%) en Luxemburg (4%). Een meer systematisch beeld van samenwerkingspatronen aan de hand van

SE

geografische verdeling wordt geboden in figuren 10.5 en 10.6. Deze figuren geeft de Salton maten weer, berekend op het aandeel co-uitvindingen tussen de betreffende landen, volgens CA

de formule:

rij r =

,

GB

NL

US

DE

VL

√ ni • nj FRA

CH

ESP

In de teller staat het aantal applicaties met uitvinders afkomstig

ITA

uit land i en j (rij). Deze worden genormaliseerd aan de hand van de vierkantswortel van het product van de applicaties van betreffende landen (ni . nj ).

n >=0.01 n 0.005 =< r <0.01 n 0.0025 =< r <0.005

FI

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10

(9%) en Italië (3%). Voor België liggen deze cijfers toch


162

10.5 RELATIEVE TECHNOLOGIESPECIALISATIEPATRONEN

Deze index vergelijkt dus het aandeel van Belgische/Vlaamse octrooien in een bepaald technologiedomein met het aandeel dat dit domein heeft in andere landen. De waarde van deze

Octrooien worden doorgaans geklasseerd op basis van de

relatieve specialisatie-indices varieert van [0;+∞]. Een waarde

technologiedomeinen waartoe ze behoren. Voor deze analyses

kleiner dan 1 betekent dat land j een relatief nadeel heeft in de

hebben we de nomenclatuur en de bijbehorende IPC-klasse

betreffende categorie i. Waarden gelijk aan 1 stemmen overeen

(d.i. de ‘International Patent Classification’-indeling) aggregaten

met de neutrale positie van de index, terwijl waarden groter

gebruikt zoals die ontwikkeld werden door het Fraunhofer

dan 1 duiden op een relatief voordeel. De index corrigeert voor

Gesellschaft - Institut für Systemtechniek und Innovations-

de ‘grootte’ van het technologiedomein. Deze indicator is dus

forschung (FhG-ISI, Duitsland) in samenwerking met het Franse

erg geschikt voor het maken van vergelijkingen en het in kaart

Octrooibureau (INPI) en het Observatoire des Sciences et

brengen van veranderingen over tijdsperiodes net als voor het

Technologies (OST, Parijs). Deze klassificatie werd geactualiseerd

aangeven van de veranderingen in niveaus van specialisaties

naar aanleiding van de introductie van de achtste herziening

van een land of een groep van landen. De RTA-analyses

van de IPC-klassificatie (ingevoerd in 2006). Deze aanpassingen

gerapporteerd in deze sectie, werden uitgevoerd op de EPO-

leiden tot een klassificatie in 19 technologiedomeinen. De relatieve

aanvragen en op de toegekende USPTO-octrooien. Beide

verdeling EPO-octrooiaanvragen voor Vlaanderen en België over

databronnen leiden tot analoge conclusies, vandaar dat we

deze 19 technologiedomeinen is weergegeven in tabel 10.11.

enkel de EPO-rseultaten rapporteren.

De belangrijkste technologiedomeinen waarin Vlaamse en

Uit de RTA-analyses weergegeven in tabel 10.13 blijkt dat

Belgische EPO-octrooiaanvragen zich situeren zijn chemie en

Vlaanderen vooral een relatief sterke technologische positie

farmacie. Analoge patronen komen naar voor wanneer de USPTO

(RTA > 1,5) heeft opgebouwd in een aantal chemische domeinen,

data als uitgangspunt worden genomen (zie tabel 10.12).

machinebouw en tenslotte de brede categorie van technologieën die applicaties vinden in consumentenmarkten (“Textiles, wearing,

Een volgend belangrijk aandachtspunt betreft deze technologie-

leather, wood, paper, domestic appliances, furniture, food”).

domeinen waarin Vlaanderen en België een relatief sterke of zwakke positie innemen ten opzichte van belangrijke

Wanneer we de relatieve technologische sterkten (de RTA-

referentielanden. Daartoe maken we gebruik van de constructie

maten) vergelijken met economische performantie (gemeten

van relatieve specialisatie-indexen op niveau van technologie-

aan de hand van exportgegevens, hetgeen resulteert in een

klassen (op basis van de geaggregeerde IPC-(‘International

analoge ‘Relative Commercial Advantage’ of RCA-index, waarbij

Patent Classification’)-indeling zoals voorgeschreven door de

een RCA-waarde > 1 duidt op een grotere exportintensiteit van

eerder bediscussieerde Fraunhofer-nomenclatuur). Deze relatieve

de betreffende sector dan in de landen uit de referentiegroep),

specialisatie-indexen worden als volgt berekend:

dan stellen we vast dat voor België technologische en

RTAij= Relatieve Technologiespecialisatie in technologieklasse

p < 0,01). Het samenspel RTA/RCA wordt grafisch weergegeven

economische performantie in elkaars verlengde liggen (r=0,7, i

voor land j = (Pij /∑ i Pij ) / (∑ j Pij /∑ ij Pij )

in figuur 10.7 en 10.8. Voor Vlaanderen observeert men analoge trends, waarbij de sterkte inzake machinebouw opvalt.

• met categorie i : de Fraunhofer technologiedomeinen en Pi het aantal octrooien in klasse i ; • met i = 1 ... N (N = het aantal klassen in de studie); met j = 1 ... M (M = het aantal landen in de studie). Deze index geeft het aandeel van land j in technologiecategorie i weer, ten opzichte van het aandeel van alle landen in technologiecategorie i, rekening houdend met alle octrooien van land j en met alle octrooien over alle landen en categorieën heen. Als referentiegroep worden in deze analyse de EU-15 alsook de VS, Canada, Zwitserland, Japan en Korea opgenomen.


163

Tabel 10.11: Distributie van Belgische en Vlaamse EPO-octrooiaanvragen over 19 Fraunhofer technologiedomeinen, periode 1998-2007 Technologiedomein (noot: de originele Fraunhofer benamingen worden gebruikt)

Aandeel - BelgiĂŤ

Aandeel - Vlaanderen

1,24%

1,70%

12,97%

12,56%

Computers, Office Machinery (including data processing systems or methods)

4,80%

5,99%

Electrical machinery, apparatus, energy

2,21%

2,31%

Electronic components (including micro-structural technology)

2,78%

3,41%

Energy machinery

1,70%

1,63%

General machinery

2,87%

2,69%

Machine-tools

1,06%

1,08%

Measurement, control

4,75%

4,59%

Medical equipment

4,11%

3,61%

Metal products

1,77%

1,65%

Non-polymer materials

6,82%

5,59%

Optics

2,55%

3,23%

Pharmaceuticals (and Cosmetics)

11,72%

11,47%

Polymers, rubber, man-made fibres

Audio-visual electronics Basic chemicals, paints, soaps, petroleum products (including combinatorial chemistry)

13,11%

10,57%

Special machinery

7,84%

8,87%

Telecommunications

4,93%

5,93%

Textiles, wearing, leather, wood, paper, domestic appliances, furniture, food

8,53%

9,88%

Transport Totaal

4,23%

3,24%

100,0%

100,0%

Tabel 10.12: Distributie van Belgische en Vlaamse USPTO-octrooien over 19 Fraunhofer technologiedomeinen, periode 1998-2006 Technologiedomein (noot: de originele Fraunhofer benamingen worden gebruikt)

Aandeel - BelgiĂŤ

Aandeel - Vlaanderen 1,69%

17,30%

15,95%

Computers, Office Machinery (including data processing systems or methods)

6,32%

7,66%

Electrical machinery, apparatus, energy

2,25%

2,62%

Electronic components (including micro-structural technology)

4,80%

5,91%

Energy machinery

1,70%

1,64%

General machinery

2,44%

1,93%

Machine-tools

1,12%

1,25%

Measurement, control

4,43%

4,66%

Medical equipment

3,78%

3,17%

Metal products

0,75%

0,67%

Non-polymer materials

5,95%

5,24%

Optics

3,32%

4,02%

Pharmaceuticals (and Cosmetics)

12,08%

11,37%

Polymers, rubber, man-made fibres

Basic chemicals, paints, soaps, petroleum products (including combinatorial chemistry)

12,62%

10,24%

Special machinery

7,63%

8,77%

Telecommunications

4,51%

5,49%

Textiles, wearing, leather, wood, paper, domestic appliances, furniture, food

4,88%

5,22%

Transport Totaal

2,76%

2,51%

100,0%

100,0%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10

1,36%

Audio-visual electronics


0,87

0,52

0,80

0,57

0,77

0,65

0,73

1,20

1,28

1,58

1,63

0,67

1,66

0,50

1,82

0,50

0,55

0,71

0,54

0,86

0,56

0,79

0,74

0,78

1,46

1,01

1,20

1,96

1,44

0,56

1,44

0,65

Basic chemicals, paints, soaps, petroleum products (including combinatorial chemistry)

Computers, Office Machinery (including data processing systems or methods)

Electrical machinery, apparatus, energy

Electronic components (including microstructural technology)

Energy machinery

General machinery

Machine-tools

Measurement, control

Medical equipment

Metal products

Non-polymer materials

Optics

Pharmaceuticals (and Cosmetics)

Polymers, rubber, man-made fibres

Special machinery

Telecommunications

Textiles, wearing, leather, wood, paper, domestic appliances, furniture, food

Transport

1,18

0,58

0,62

1,77

VL

0,61

BE

0,45

Audio-visual electronics

JAAR

1,23

1,45

0,49

1,38

1,10

1,09

0,68

1,74

2,20

0,75

0,85

1,82

1,48

1,11

0,70

1,10

0,44

0,75

0,34

AT

0,73

0,87

1,86

0,81

0,79

1,50

0,72

0,82

0,70

0,94

1,10

0,68

0,81

0,76

0,48

0,96

1,08

0,84

0,61

CA

0,48

1,40

0,40

1,48

1,30

1,30

0,79

1,07

1,28

1,48

1,40

1,34

1,34

0,89

0,47

0,95

0,49

1,07

0,49

CH

1,73

1,02

0,69

1,34

1,07

0,73

0,68

1,12

1,66

0,73

1,06

1,51

1,28

1,59

0,78

1,27

0,55

1,02

0,45

DE

0,43

1,64

0,73

1,20

0,82

1,96

0,59

1,07

1,41

1,46

0,91

0,55

1,34

1,15

0,20

0,69

0,45

0,95

1,03

DK

1,30

2,03

0,62

1,21

1,03

1,41

0,51

1,06

2,30

0,71

0,54

0,95

1,42

0,95

0,23

0,99

0,56

1,06

0,34

ES

0,35

0,95

3,72

1,34

0,74

0,36

0,36

0,90

0,64

0,58

0,86

0,65

1,43

0,42

0,32

0,74

1,05

0,46

1,25

FI

1,36

1,09

1,21

0,92

1,14

1,04

0,77

0,99

1,28

0,68

0,85

0,78

1,01

0,98

0,67

1,19

0,83

0,92

1,07

FR

0,77

1,16

0,98

0,99

0,91

1,47

0,84

0,74

1,06

1,07

1,19

0,68

0,90

0,85

0,61

0,66

0,98

1,24

0,87

GB

0,70

1,20

0,92

0,95

0,90

1,35

0,77

1,34

2,75

1,17

0,79

1,48

0,93

0,93

0,63

0,86

0,59

0,94

1,05

GR

0,39

1,13

1,11

1,09

0,90

1,61

0,44

0,91

0,72

2,35

0,90

0,79

0,83

0,51

0,74

0,53

1,15

0,68

0,32

IE

1,17

2,01

0,45

1,98

1,37

0,71

0,54

1,18

2,18

0,90

0,63

1,77

1,60

1,39

0,63

1,04

0,37

0,72

0,23

IT

1,09

0,72

1,05

0,63

0,89

0,58

1,58

1,12

0,47

0,56

0,86

1,05

0,82

1,03

1,72

1,32

1,53

0,87

1,77

JP

0,35

1,49

2,03

0,32

0,52

0,57

1,14

0,55

0,42

0,36

0,46

0,33

0,97

0,60

1,91

1,01

1,98

0,51

3,17

KR

1,94

1,04

0,31

0,76

2,17

1,02

0,23

2,78

0,95

0,68

0,81

0,66

1,79

1,23

0,28

1,16

0,32

0,70

0,25

LU

0,40

1,24

1,04

1,06

0,98

0,77

1,56

0,70

0,76

0,85

0,86

0,47

0,89

0,40

1,39

0,77

1,48

1,13

2,21

NL

1,08

2,29

0,82

0,89

0,86

1,69

0,82

1,00

2,97

0,84

0,60

0,44

1,48

1,01

0,42

0,21

0,34

1,04

0,40

PT

1,10

0,86

2,01

1,15

0,68

1,03

0,55

0,98

1,09

1,37

0,95

1,80

1,05

1,11

0,46

0,68

0,70

0,56

0,57

SE

Tabel 10.13: RTA-waarden voor de EPO-aanvragen voor de periode 1998-2007 op basis van 19 Fraunhofer technologiedomeinen ten opzichte van de referentiegroep US

0,64

0,79

1,03

0,80

0,93

1,33

1,06

0,87

0,65

1,55

1,14

0,71

0,81

0,76

1,05

0,76

1,14

1,09

0,91

164


165

Figuur 10.7: Technologische versus export performantie van Belgische economische sectoren (RTA waarde; RCA waarde in label) 2

n Chemical, rubber, plastics and fuel products (1,49; 1,81) Food products, beverages and tobacco (1,26; 1,43) n

n Textile and leather products (1,56; 1,34)

Basic metals (0,89; 1,34) n

RCA export

n Manufacturing NEC; recycling (1,49; 1,55)

n Other non-metallic mineral products (1,58; 1,18)

1 n Motor vehicles, trailers and semi-trailers (0,47; 0,92) Electrical machinery and apparatus, NEC (0,69; 0,57) Office, accounting and Electricity, gas n computing machinery and water supply (0,43; 0,48) n n (0,76; 0,50) n Medical, precision Radio, television and communication and optical instruments equipment (0,59; 0,31) n (0,70; 0,40) n Other transport equipment (0,71; 0,20)

Wood and products of wood and cork (1,26; 0,88) Printing and n publishing (1,50; 0,79) n n Fabricated metal Pulp, paper products* (1,10; 0,76) and paper products n Machinery and (1,50; 0,78) equipment, NEC (1,05; 0,59)

* Except machinery and equipment

0

0

1

2

RTA EPO

Figuur 10.8: Technologische versus export performantie van Vlaamse economische sectoren (RTA waarde; RCA waarde in label) 3

RCA export

2

Textile and Food products, beverages leather products and tobacco (1,25; 1,42) (1,96; 1,49) n n Chemical, rubber, plastics n and fuel products (1,31; 1,31) n Wood and products of wood and cork (1,30; 1,24)

n Motor vehicles, trailers and semi-trailers (0,37; 1,49)

1

Basic metals (0,73; 0,87) n Other non-metallic mineral Office, accounting and computing n n products (1,27; 0,89) Pulp, paper and machinery (0,54; 0,80) n Electricity, gas and water supply n Fabricated metal paper products (1,69; 0,61) (0,64; 0,83) n products* (1,13; 0,69) n Electrical machinery and apparatus, n Machinery and n NEC (0,74; 0,63) equipment, NEC Printing and n Radio, television Medical, precision and optical instruments n (1,02; 0,51) publishing (1,69; 0,52) and communication (0,67; 0,38) Other transport equipment equipment * Except machinery and equipment (0,74; 0,39) (0,57; 0,14) n

0

0

1 RTA EPO

2

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10

n Manufacturing NEC; recycling (1,63; 2,40)


166

10.6 CONCLUSIE Er is de laatste jaren een blijvende, stijgende trend waar te nemen voor wat betreft octrooieren in Vlaanderen, en dit zowel in het EPO-systeem, het USPTO-systeem als in het PCTsysteem. Recente EU-statistieken bevestigen deze trend. Vlaanderen is over de periode 1991-2003 opgeklommen tot 255 octrooiaanvragen per miljoen inwoners en behoort daarmee tot de meer performante Europese regioâ&#x20AC;&#x2122;s. Ook de academische sector in Vlaanderen is in toenemende mate actief bij het aanvragen van octrooien als middel tot bescherming en valorisatie van het uitgevoerde onderzoek. Deze trend wordt ook op Belgisch niveau bevestigd. Meer nog, de academische sector in Vlaanderen behoort tot de Europese koplopers in dit domein. Tegelijk tonen de statistieken uit dit hoofdstuk aan dat er ook nog steeds ruimte voor verbetering is. Zo blijven octrooien sterk geconcentreerd bij een beperkt aantal grote multinationale ondernemingen, terwijl de kleine en middelgrote ondernemingen gemiddeld genomen opvallend afwezig zijn in het octrooilandschap (zie ook Vlaamse Indicatorenboeken 2003, 2005 en 2007). Daarentegen geldt wel zeer duidelijk dat de meest productieve ondernemingen inzake EPO- en USPTO-octrooien ook internationaal technologische topposities hebben weten uit te bouwen, wat dan weer duidt op een sterkte van de Vlaamse technologiepositie in een bedrijfseconomische context.


167

DE VLAAMSE WTI-ACTIVITEITEN I N E E N I N T E R N AT I O N A L E C O N T E X T

Door Pascale Dengis (EWI), Frank Monteny (IWT), Monica Van Langenhove (EWI) en Danny Van Steenkiste (IWT)

11


168

11.1 INLEIDING

In een eerste gedeelte van dit hoofdstuk wordt de evolutie

In dit hoofdstuk behandelen we de meest recente gegevens met

Kaderprogramma’s voor Onderzoek, Technologische Ontwikkeling

betrekking tot de Vlaamse aanwezigheid in de internationale

en Demonstratieactiviteiten (hierna afgekort tot KP). Het Vierde

WTI-context. Meer bepaald hebben we hierbij bijzondere

Kaderprogramma (KP4) liep van 1994 tot 1998, het Vijfde

aandacht voor de Vlaamse aanwezigheid in de Europese

(KP5) van 1998 tot 2002 en het Zesde (KP6) liep van 2002

Kaderprogramma’s, het ERA-NET en het EUREKA-programma.

tot 2006.

geschetst van de Vlaamse deelname aan de laatste Europese

De deelname aan de betreffende programma’s wordt permanent opgevolgd door de betrokken entiteiten van de

Vervolgens worden meer gedetailleerde resultaten weergegeven

Vlaamse Gemeenschap.

van het Zesde Kaderprogramma (KP6). De Vlaamse deelnemers worden ingedeeld in de volgende

11.2 DE VLAAMSE DEELNAME AAN HET EUROPESE KADERPROGRAMMA VOOR ONDERZOEK

categorieën: l

bedrijven;

l

universiteiten en hogescholen;

l

onderzoekscentra: hier onderscheiden we de Vlaamse Strategische Onderzoekscentra – SOC’s (IBBT, IMEC, VIB

11.2.1 Inleiding

en VITO), de collectieve centra (bvb. Centexbel en SIRRIS) Het Europese Kaderprogramma voor Onderzoek, Technologische

en de “andere wetenschappelijke instellingen” (bvb. ITG, VKI

Ontwikkeling en Demonstratieactiviteiten, het belangrijkste

en VLIZ). Tot deze laatste groep worden ook de Vlaamse

financieringsinstrument voor onderzoek binnen de Europese Unie

competentiepolen (bvb. FMTC) gerekend;

(EU), is een meerjarig onderzoeks- en stimuleringsprogramma

l

overige instellingen, waaronder overheidsinstellingen,

waarbinnen de activiteiten van de EU op het vlak van onderzoek

non-profit organisaties, EEI’s, internationale organisaties,

en technologische ontwikkeling op middellange termijn worden

GCO’s en andere instellingen die niet in de voorgaande

uitgezet. De achtereenvolgende kaderprogramma’s hebben tot

categorieën thuishoren.

doel de wetenschappelijke en technologische grondslagen van de Europese industrie te versterken, de ontwikkeling van de

Naast deze categorieën worden de begrippen “Vlaanderen”,

internationale concurrentiepositie van de EU te bevorderen,

“Wallonië” en “Brussel” gehanteerd. Deze begrippen worden

en tegemoet te komen aan de onderzoeksbehoeften van

afgebakend zoals hieronder aangegeven.

andere beleidsdomeinen van de EU. Bij “Vlaanderen” horen: In maart 2000 nam de Europese Raad in Lissabon een algemene

l

de bedrijven met hun zetel in het Vlaamse Gewest;

strategie aan om de EU tegen 2010 de meest concurrerende

l

de universiteiten en hogescholen die ressorteren onder de

en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken, in staat

Vlaamse Gemeenschap, daarbij inbegrepen de instellingen

tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang. Deze zogeheten Lissabon-

die zich bevinden in het Brusselse Gewest; l

strategie is opgebouwd uit een economische, een sociale en een ecologische pijler, en wordt gedragen door de

de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Vlaamse Gewest;

l

de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die

Barcelonanorm, die bepaalt dat de Europese lidstaten tegen

zich bevinden in het Vlaamse Gewest, daarbij inbegrepen

2010 3% van hun Bruto Nationaal Product (BNP) moeten

de in het Brusselse Gewest gevestigde instellingen die

besteden aan onderzoek en ontwikkeling.

rechtstreeks onder Vlaamse bevoegdheid vallen.

Het Zesde Kaderprogramma, dat liep van 2002 tot 2006 was in belangrijke mate afgestemd op de Lissabonstrategie. Het was immers specifiek gericht op de verdere uitbouw en versterking van de Europese Onderzoeksruimte, en aldus tot de realisatie van een Europese kennismaatschappij.


169

Bij “Wallonië” horen:

11.2.2 Evolutie van de Vlaamse deelname aan de

l

de bedrijven met hun zetel in het Waalse Gewest;

l

de universiteiten en hogescholen die ressorteren onder de

opeenvolgende Kaderprogramma’s

Franse Gemeenschap, daarbij inbegrepen de instellingen

11.2.2.1

Algemene cijfers

die zich bevinden in het Brusselse Gewest;

In tabel 11.1 zijn de kerncijfers weergegeven van de Vlaamse

l

de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Waalse Gewest;

deelname aan de laatste kaderprogramma’s. Wanneer men de

l

de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die

financiële return die Vlaanderen uit elk Kaderprogramma wist te

zich bevinden in het Waalse Gewest, daarbij inbegrepen

halen, vergelijkt over de opeenvolgende Kaderprogramma’s,

de in het Brusselse Gewest gevestigde instellingen die

dan kan een licht dalende tendens van het Vierde tot en met

rechtstreeks onder Waalse bevoegdheid vallen.

het Zesde Kaderprogramma (KP6) worden vastgesteld (zie tabel 11.1).

Bij “Brussel” horen: l

de bedrijven met hun zetel in het Brusselse Gewest;

l

de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Brusselse

11.2.2.2

Gewest; l

De Vlaamse deelname volgens deelnemerscategorieën

Bekijken we de verschillende deelnemerscategorieën onderling

de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die

(zie figuur 11.1 en figuur 11.2), dan zien we enkele lichte

zich bevinden in het Brusselse Gewest.

verschuivingen tussen het Vijfde en het Zesde Kaderprogramma. De categorie “universiteiten en hogescholen” wist in het Zesde

Bij “Brussel” worden dus alle deelnemers uit het Brusselse

Kaderprogramma haar koppositie te handhaven, met 42% van

Gewest gerekend, uitgezonderd:

de Vlaamse deelnames en 41% van de totale Vlaamse

(1) de deelnemers uit de categorie “universiteiten en hoge-

deelnametoelage. Daarmee liet deze categorie ongeveer

scholen”: die werden aan “Vlaanderen” resp. “Wallonië”

dezelfde relatieve participatie in het Zesde Kaderprogramma

toegekend;

optekenen als in het Vijfde Kaderprogramma (38% van de

(2) de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die

Vlaamse deelnames en 43% van de Vlaamse deelnametoelage).

onder Vlaamse resp. Waalse bevoegdheid vallen: die werden

De meest significante verschillen vallen te noteren bij de

aan “Vlaanderen” resp. “Wallonië” toegekend.

bedrijven en de onderzoekscentra. De bedrijven stonden in het Vijfde Kaderprogramma nog in voor 36% van de Vlaamse deelnames, goed voor 28% van de totale Vlaamse deelname-

gewesten gebeurde op basis van het adres van de deelnemer.

toelage voor dit kaderprogramma.

Tabel 11.1:

Algemene cijfers over de Vlaamse deelname aan de Europese Kaderprogramma’s

Aantal deelnames Aantal projecten Aantal deelnemende organisaties Aantal deelnames als coördinator (%) Ontvangen deelnametoelage Totaal EU-KP-budget besteed aan contracten Financiële return* Verwachte return

KP4

KP5

KP6

1.972

1.575

1.342

1.567

1.304

1.051

495

444

422

17,6%

21,4%

15,2%

273,4 miljoen euro

278,8 miljoen euro

352,3 miljoen euro

11,49 miljard euro

12,72 miljard euro

16,6 miljard euro

2,38%

2,19%

2,12%

2,1 – 2,3%

2,1 – 2,2%

±2,2%

* Het procentuele financiële aandeel van Vlaanderen in de totale toegekende Europese middelen.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11

De toewijzing van de deelnames aan de respectievelijke


170

Figuur 11.1: Evolutie van de Vlaamse deelname aan

Figuur 11.2: Evolutie van de Vlaamse deelname aan

de Europese Kaderprogramma’s volgens

de Europese Kaderprogramma’s volgens

deelnemerscategorie (aantal deelnames %)

deelnemerscategorie (deelnametoelage %)

KP4

KP4

KP5

KP5

KP6

KP6

0%

20%

40%

60%

80%

100%

0%

20%

Aantal deelnames (relatief)

40%

60%

80%

100%

Deelnametoelage (in miljoen euro) (relatief)

n Universiteiten en hogescholen

n Universiteiten en hogescholen

n Bedrijven

n Bedrijven

n Onderzoekscentra

n Onderzoekscentra

n Overige

n Overige

In het Zesde Kaderprogramma vielen die cijfers terug tot resp.

Het budgettaire zwaartepunt van de Vlaamse deelname aan

27% en 21%, en dat kwam blijkbaar vooral ten goede van

het Zesde Kaderprogramma lag bij de thematische prioriteit

de onderzoekscentra, want die zagen hun relatieve aandeel in

IST, die Vlaanderen 30% van zijn totale toelage voor deelname

de Vlaamse participatie van het Vijfde naar het Zesde

aan het Zesde Kaderprogramma opleverde (zie figuur 11.3).

Kaderprogramma toenemen van 19% naar 26% wat het aantal

De Vlaamse deelnametoelage voor IST kwam voor 40% op

deelnames betreft, en van 26% naar 34% op vlak van

rekening van de onderzoekscentra, en die prestatie mag bijna

ontvangen

de

volledig aan IMEC worden toegeschreven. De Vlaamse

onderzoekscentra in budgettaire termen de tweede grootste

bedrijven en universiteiten haalden resp. 32% en 27% van de

Vlaamse deelnemerscategorie in het Zesde Kaderprogramma.

Vlaamse IST-toelage naar zich toe. Bij de bedrijven waren Alcatel

De categorie “overige instellingen” tenslotte hield haar

Bell en Philips Innovative Technology Solutions sterk aanwezig

(beperkte) relatieve aandeel in de Vlaamse deelname aan de

in IST. De K.U.Leuven was budgettair gezien veruit de sterkste

opeenvolgende kaderprogramma’s nagenoeg constant.

universitaire vertegenwoordiger in deze thematische prioriteit.

11.2.3 De Vlaamse deelname aan het Zesde Kader-

Ook in LIFESCIHEALTH scoorde Vlaanderen budgettair goed:

deelnametoelage.

Daarmee

werden

programma

deze thematische prioriteit leverde Vlaanderen 15% van zijn totale toelage voor deelname aan het Zesde Kaderprogramma

11.2.3.1

Vlaamse deelnametoelage en return per prioriteit

op. In LIFESCIHEALTH waren vooral de universiteiten aan zet:

en per deelnemerscategorie

zij waren goed voor 63% van de Vlaamse deelnametoelage

In figuur 11.3 wordt de participatie van de verschillende

voor deze thematische prioriteit. Binnen deze categorie was

categorieën in de specifieke onderdelen (thematische prioriteiten

opnieuw de K.U.Leuven veruit de sterkste budgettaire speler.

en horizontale activiteiten) aan de hand van deelnametoelage

De onderzoekscentra haalden 27% van de Vlaamse

van het Zesde Kaderprogramma weergegeven.

LIFESCIHEALTH-toelage naar zich toe, en die middelen gingen bijna volledig naar het VIB.


171

Figuur 11.3: Vlaamse deelnametoelage per prioriteit en per deelnemerscategorie

LIFESCI HEALTH

n Universiteiten en hogescholen n Bedrijven

IST

n Onderzoekscentra

NMP

n Overige instellingen

AEROSPACE FOOD SUSTDEV CITIZENS SME SSP INCO POLICIES COORDINATION MOBILITY INNOVATION INFRASTRUCTURES SOCIETY EURATOM* 0

20

40

60

80

100

120

Deelnametoelage (in miljoen euro)

De specifieke onderdelen NMP, SUSTDEV en MOBILITY

De toelage die de Vlaamse onderzoekscentra voor hun

vertegenwoordigden elk ongeveer een tiende van de totale

deelname aan SUSTDEV ontvingen, ging bijna volledig naar

Vlaamse deelnametoelage voor het Zesde Kaderprogramma.

IMEC en VITO, die deze toelage onderling ongeveer evenredig

De Vlaamse NMP-toelage ging voor 41% naar de

verdeelden. In MOBILITY tenslotte waren de universiteiten en

universiteiten, en voor resp. 29% en 28% naar de bedrijven en

de

de onderzoekscentra. Ook in NMP was de K.U.Leuven

vertegenwoordigers: zij haalden resp. 44% en 41% van de

budgettair gezien de sterkste universitaire vertegenwoordiger,

Vlaamse MOBILITY-toelage naar zich toe. De sterkste

met de UGent als opvallende tweede in deze rangschikking.

budgettaire spelers binnen deze deelnemerscategorieën waren

onderzoekscentra

veruit

de

sterkste

budgettaire

resp. de K.U.Leuven en het VIB. Weinig verrassingen wat de Vlaamse vertegenwoordiging uit de deelnemerscategorie “onderzoekscentra” in NMP betreft:

Figuur 11.4 geeft aan welke financiële return Vlaanderen uit de

die rol was hoofdzakelijk weggelegd voor IMEC. De Vlaamse

verschillende onderdelen van het Zesde Kaderprogramma wist

deelnametoelage voor SUSTDEV was ongeveer evenredig

te behalen, en welk aandeel de verschillende deelnemers-

verdeeld over de universiteiten (35%), de onderzoekscentra

categorieën hierin hebben gehad.

(28%) en de bedrijven (26%). In SUSTDEV was UGent budgettair gezien de sterkste universitaire vertegenwoordiger, op de voet gevolgd door K.U.Leuven.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11

* Excl. “beheerste kernfusie”.


172

Figuur 11.4: Vlaamse return per prioriteit en per deelnemerscategorie

LIFESCI HEALTH

n Universiteiten en hogescholen n Bedrijven

IST

n Onderzoekscentra

NMP

n Overige instellingen

AEROSPACE FOOD SUSTDEV CITIZENS SME SSP INCO POLICIES COORDINATION MOBILITY INNOVATION INFRASTRUCTURES SOCIETY EURATOM* 0

1

2

3

4

5

6

7

Return (%)

* Excl. “beheerste kernfusie”.

Rekening houdend met een gemiddelde verwachte Vlaamse

De deelnemerscategorie “universiteiten en hogescholen” liet

return uit het Zesde Kaderprogramma van ongeveer 2,2%

een opvallend aandeel (meer dan 2/3) in de Vlaamse return

(de verticale band in figuur 11.4), kunnen we de prestatie van

optekenen bij de specifieke onderdelen CITIZENS (95%), FOOD

Vlaanderen in de specifieke onderdelen van het Zesde

(78%) en SSP (72%), en verder ook nog bij LIFESCIHEALTH

Kaderprogramma als volgt beoordelen:

(63%), SOCIETY (46%), MOBILITY (44%) en NMP (42%). De Vlaamse universiteiten stonden bijna in hun eentje in voor

l

“sterk tot zeer sterk” in EURATOM (6,11%), POLICIES

de financiële return die Vlaanderen uit CITIZENS wist te halen.

(3,41%) en INCO (3,05%);

Vooral de K.U.Leuven speelde hierin een belangrijke rol.

l

“boven verwachting” in IST (2,80%) en NMP (2,39%);

l

“(ongeveer) volgens verwachting” in SOCIETY (2,32%),

De bedrijven leverden een opvallende bijdrage in de Vlaamse

LIFESCIHEALTH (2,30%) en FOOD (2,11%);

return uit de onderdelen SME (42%), IST (32%), NMP (29%),

l

“minder dan verwacht” in MOBILITY (2,01%);

AEROSPACE (27%) en SUSTDEV (26%).

l

“zwak tot zeer zwak” in CITIZENS (1,98%), INNOVATION (1,98%), SSP (1,77%), INFRASTRUCTURES (1,74%), SME

De onderzoekscentra stonden haast volledig in voor de

(1,33%), SUSTDEV (1,31%), COORDINATION (1,25%) en

Vlaamse return uit EURATOM (84%), wat vooral aan het SCK

AEROSPACE (0,98%).

mag worden toegeschreven. Verder stond deze categorie ook nog in belangrijke mate in voor de Vlaamse return uit INFRASTRUCTURES (55%), INCO (50%), MOBILITY (41%), IST (40%) en AEROSPACE (38%).


173

De overige instellingen tenslotte hadden bij de meeste

De bedrijven stonden ook in voor de meeste deelnames aan de

onderdelen van het Zesde Kaderprogramma een eerder

coöperatieve onderzoeksprojecten (CRAFT) en de collectieve

beperkt aandeel in de Vlaamse return, maar stonden wel bijna

onderzoeksprojecten (CLR). Deze twee projecttypes waren dan

volledig in voor de financiële return die Vlaanderen wist te

ook specifiek gericht op KMO’s, wat ook wordt geïllustreerd

behalen uit COORDINATION (98%) en POLICIES (84%). Het

door het feit dat de Vlaamse bedrijfsdeelnames aan beide

IWT realiseerde bijna driekwart van de financiële return die

projecttypes (bijna) uitsluitend afkomstig waren van deze

Vlaanderen uit COORDINATION haalde. Ook in de Vlaamse

specifieke bedrijvengroep.

return uit INNOVATION (62%) en SOCIETY (46%) hadden de overige instellingen een significant aandeel.

11.2.3.3

Vlaamse topdeelnemers

De K.U.Leuven is nog steeds de grootste Vlaamse deelnemer. 11.2.3.2

Vlaamse deelname per projecttype en per

IMEC volgt op de tweede plaats met minder deelnames dan

deelnemerscategorie

UGent dat volgt op de derde plaats (zie tabel 11.2).

Zoals we kunnen vaststellen in figuur 11.5, waren de Vlaamse universiteiten en hogescholen relatief het meest prominent

Het eerste deelnemende Vlaamse bedrijf, Alcatel Bell NV,

aanwezig in de topnetwerken (NoE), de Marie Curie acties

komt in KP6 op de negende plaats. Philips Innovative

(MCA), de specifiek gerichte onderzoeksprojecten (STREP),

Technology Solutions volgt op de tiende plaats. Opmerkelijk is

de specifieke ondersteunende activiteiten (SSA) en de

dat Alcatel Bell NV met slechts vijf deelnames toch 12% van

coördinatiewerkzaamheden (CA). De Vlaamse deelnames

de totale Vlaamse deelnametoelage van alle Vlaamse bedrijven

aan de initiatieven met betrekking tot een geïntegreerde

vertegenwoordigt.

(onderzoeks)infrastructuur (II & I3) werden gelijk verdeeld tussen de deelnemerscategorieën “universiteiten en hogescholen”

De federale wetenschappelijke instelling ‘Studiecentrum voor

en “onderzoekscentra”. In de geïntegreerde projecten (IP) waren

Kernenergie’ (SCK) komt op de achtste plaats. VITO heeft voor

de meeste Vlaamse deelnames afkomstig van de bedrijven,

47 deelnames 10,2 miljoen euro binnengehaald.

gevolgd door de universiteiten en hogescholen.

Figuur 11.5: Vlaamse deelname per projecttype en per deelnemerscategorie (aantal deelnames in KP6)

n Universiteiten en hogescholen n Bedrijven

CLR

n Onderzoekscentra

CRAFT

n Overige instellingen

II & I3 IP MCA NoE SSA STREP 0%

20%

40% Aantal deelnames (relatief)

60%

80%

100%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11

CA


174

Tabel 11.2: Vlaamse topdeelnemers Instelling

Aantal deelnames

Deelnamebudget (meuro)

K.U.Leuven

265

74,0

IMEC

106

58,7

UGent

144

32,2

VIB

61

21,9

VUB

72

16,3

UA

63

15,3

VITO

47

10,2

SCK

36

9,5

5

9,0

17

8,4

Alcatel Bell NV Philips Innovative Technology Solutions

Tabel 11.3: Deelname van België aan het Zesde Kaderprogramma volgens regio (deelnametoelage in miljoen euro)

Regio Vlaanderen Brussel Wallonië Niet toegewezen Totaal België

Aantal deelnames 1.342 807 700 7 2.856

%1 47% 28% 25% 0% 100%

Aantal deelnemers 422 503 238 7 1.170

Aantal projecten 1.051 622 556 3 1.860

Aantal coördinatoren 204 147 100 0 451

%2 15% 18% 14% 0% 16%

Deelnametoelage 352,29 148,82 156,08 3,42 660,61

%1 53% 23% 24% 1% 100%

Return (%)3 2,12% 0,90% 0,94% 0,02% 3,98%

1 Procentueel aandeel van de waarde in de voorgaande kolom ten opzichte van het totaal uit die kolom. 2 Procentueel aandeel van het aantal coördinatoren (kolom 6) ten opzichte van het aantal deelnames (kolom 2). 3 Procentueel financieel aandeel van de deelnametoelage in de totale toegekende Europese middelen voor contractonderzoek (exclusief de werkingsmiddelen voor INTAS).

11.2.3.4

Vlaanderen binnen België

Bekijken we de deelname van België aan het Zesde Kader-

In tabel 11.3 wordt de deelname van Vlaanderen, Brussel en

programma volgens deelnemerscategorie (zie figuur 11.6),

Wallonië in de Belgische context geplaatst. België nam 2.856 keer

dan blijkt dat de resultaten van de afzonderlijke regio’s erg

deel aan 2.232 projecten en verwierf daarmee een deelname-

uiteenlopen, zoals ook al het geval was in het Vijfde Kader-

toelage van in totaal 660,61 miljoen euro. Uitgaande van

programma. Zo was de deelnametoelage van de universiteiten

een verwachte Belgische return van 3,87% kan worden gesteld

en hogescholen verdeeld tussen Vlaanderen en Wallonië,

dat België met een return van 3,98% sterk heeft geparticipeerd

met een licht overwicht voor Vlaanderen. De deelnametoelage

in het Zesde Kaderprogramma, maar met dit cijfer bleef België

van de bedrijven was vooral aan Vlaanderen toe te schrijven.

een stuk onder de return die het uit het Vijfde Kaderprogramma

Het deelnamebudget van de Brusselse en Waalse bedrijven

wist te halen (4,42%), en dit niettegenstaande een hogere

waren ongeveer van dezelfde grootteorde. De deelnametoelagen

deelnametoelage in absolute cijfers (voor zijn deelname aan het

van de onderzoekscentra waren overwegend uit Vlaanderen

Vijfde Kaderprogramma ontving België een totaalbedrag van

afkomstig. De deelnametoelagen van de overige instellingen

iets meer dan 567 miljoen euro).

tenslotte kwamen overwegend vanuit de Brusselse regio.

Vlaanderen stond in voor bijna de helft van de Belgische

11.2.3.5

deelnames aan het Zesde Kaderprogramma, en haalde

Vlaanderen wordt in wat volgt vergeleken met de grootste

Vlaanderen in de Europese rangschikking

daarmee iets meer dan de helft van de Belgische

deelnemende landen aan het Zesde Kaderprogramma. Het aantal

deelnametoelage voor dit kaderprogramma naar zich toe.

deelnames en de deelnametoelage worden in deze oefening

Brussel en Wallonië namen elk ongeveer een kwart van de

gerelateerd aan resp. het Bruto Binnenlands Product (BBP)

Belgische participatie in het Zesde Kaderprogramma voor hun

en het aantal inwoners in het desbetreffende land (of regio).

rekening. Brussel nam relatief gezien iets vaker de rol van

Hierbij werd gekeken naar de landen met minstens 1.000

projectcoördinator op zich dan Vlaanderen en Wallonië.

deelnames. Dat waren de landen die voor 1 mei 2004 lid waren van de EU (behalve Ierland en Luxemburg), en verder Hongarije, Noorwegen, Polen, Tsjechië en Zwitserland.


175

Figuur 11.6: Deelname van de Belgische regio’s in KP6 volgens deelnemerscategorie (in deelnametoelage)

n Vlaanderen

Universiteiten en hogescholen

n Brussel n Wallonië Bedrijven

n Niet toegewezen

Onderzoekscentra

Overige

0

25

50

75

100

125

150

175

200

225

250

Deelnametoelage (in miljoen euro)

De rangschikking gerelateerd aan het BBP (figuur 11.7a en

11.2.4 Conclusies

figuur 11.7b) wordt gedomineerd door de Scandinavische landen: achtereenvolgens Zweden, Denemarken en Finland.

Het budgettaire zwaartepunt van de Vlaamse deelname aan het

België en Vlaanderen nemen resp. de vierde en de achtste

Zesde Kaderprogramma lag bij de thematische prioriteit IST,

plaats in wanneer het aantal deelnames wordt gerelateerd aan

die Vlaanderen 30% van zijn totale toelage voor deelname aan

het BBP. Bij het relateren van de deelnametoelage aan het BBP

het Zesde Kaderprogramma opleverde. Ook in LIFESCIHEALTH

wordt dat resp. de vijfde en de zesde plaats, wat ook weer de

scoorde Vlaanderen budgettair goed: deze thematische

vrij hoge gemiddelde toelage per Vlaamse deelname bevestigt.

prioriteit leverde Vlaanderen 15% van zijn totale toelage voor deelname aan het Zesde Kaderprogramma op. De specifieke onderdelen NMP, SUSTDEV en MOBILITY vertegenwoordigden

11.7c en figuur 11.7d) zien we vergelijkbare resultaten voor

elk ongeveer een tiende van de totale Vlaamse deelname-

Vlaanderen en België. Vlaanderen komt op de negende en de

toelage voor het Zesde Kaderprogramma.

achtste plaats als we kijken naar resp. het aantal deelnames en de deelnametoelage, België telkens op de vijfde plaats. De top

Rekening houdend met een gemiddelde verwachte Vlaamse

wordt ook hier weer aangevoerd door de Scandinavische

return uit het Zesde Kaderprogramma van ongeveer 2,2%,

landen Denemarken, Zweden, Finland en Noorwegen, dat op

kunnen we de stellen dat Vlaanderen sterk tot zeer sterk

vlak van behaalde deelnametoelage wel wordt voorafgegaan

scoorde in de thematische programma’s EURATOM (6,11%),

door Nederland, België en Zwitserland, en op de voet wordt

POLICIES (3,41%), INCO (3,05%), IST (2,80%) en NMP (2,39%).

gevolgd door Vlaanderen.

Vlaanderen scoorde ongeveer volgens verwachting in SOCIETY (2,32%), LIFESCIHEALTH (2,30%) en FOOD (2,11%).

Uit deze vergelijking kan dus worden afgeleid dat Vlaanderen het helemaal niet slecht deed in het Zesde Kaderprogramma

Vlaanderen scoorde onder de verwachting in CITIZENS (1,98%),

(zeker niet in termen van behaalde deelnametoelage), en

INNOVATION (1,98%), SSP (1,77%), INFRASTRUCTURES

betere resultaten behaalde dan de grootste EU-lidstaten

(1,74%), SME (1,33%), SUSTDEV (1,31%), COORDINATION

Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Italië. Ook

(1,25%) en AEROSPACE (0,98%).

België behaalde zeer goede scores met een vierde of een vijfde plaats in de rangschikkingen.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11

In de rangschikking gerelateerd aan het aantal inwoners (figuur


176

Figuur 11.7: Vlaanderen in de Europese rangschikking

Zweden Denemarken Finland België Griekenland Zwitserland Nederland Vlaanderen Oostenrijk Hongarije Noorwegen Portugal Tsjechië Verenigd Koninkrijk Spanje Duitsland Frankrijk Italië Polen 0

2

4

6

8

10

12

2.500

3.000

Figuur 11.7a: Aantal deelnames / BBP (in miljard euro)

Zweden Denemarken Finland Nederland België Vlaanderen Zwitserland Oostenrijk Griekenland Noorwegen Verenigd Koninkrijk Duitsland Frankrijk Italië Hongarije Portugal Spanje Tsjechië Polen 0

500

1.000

1.500

2.000

Figuur 11.7b: Deelnametoelage (in duizend euro) / BBP (in miljard euro)


177

Figuur 11.7: Vlaanderen in de Europese rangschikking

Denemarken Zweden Noorwegen Finland België Zwitserland Nederland Oostenrijk Vlaanderen Griekenland Verenigd Koninkrijk Duitsland Frankrijk Hongarije Spanje Italië Portugal Tsjechië Polen 0

50

100

150

200

250

300

350

Figuur 11.7c: Aantal deelnames / miljoen inwoners

Zweden Denemarken

Finland België Zwitserland Noorwegen Vlaanderen Oostenrijk Verenigd Koninkrijk Griekenland Duitsland Frankrijk Italië Spanje Portugal Hongarije Tsjechië Polen 0

10

20

30

40

50

Figuur 11.7d: Deelnametoelage (in duizend euro) / duizend inwoners

60

70

80

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11

Nederland


178

De K.U.Leuven is nog steeds de grootste Vlaamse deelnemer. IMEC volgt op de tweede plaats met minder deelnames dan

11.4 NIEUWE INITIATIEVEN VAN DE EUROPESE COMMISSIE

UGent dat volgt op de derde plaats. Vlaanderen stond in voor bijna de helft van de Belgische deelnames aan het Zesde

Naast ERA-NET en INNO-NET heeft de Europese Commissie

Kaderprogramma, en haalde daarmee iets meer dan de helft

de ambitie om via zgn. art. 169 (Commissie en lidstaten) en

van de Belgische deelnametoelage voor dit kaderprogramma

art. 171 (Commissie en bedrijven en eventueel lidstaten) de

naar zich toe. Brussel en Wallonië namen elk ongeveer

samenwerking op het vlak van innovatie te bevorderen.

een kwart van de Belgische participatie in het Zesde

Alhoewel de ideeën daaromtrent al enkele jaren circuleerden,

Kaderprogramma voor hun rekening.

werden in 2007 belangrijke stappen genomen naar de uitvoering.

In de Europese rangschikkingen situeert Vlaanderen zich, wat

Vlaanderen is betrokken bij 2 art. 169 initiatieven, respectievelijk

betreft het aantal deelnames telkens op een 8ste plaats omringd

AAL en EUROSTARS, en 4 art. 171 initiatieven, ARTEMIS

door landen zoals Oostenrijk en Nederland. Vlaanderen bevindt

(Advanced Research and Technology for Embedded Intelligence

zich wat betreft de deelnametoelage op een 6de en 8ste plaats

and Systems), ENIAC (European Nanoelectronics Initiative

in de Europese rangschikkingen. België presteert zowel qua

Advisory Council), IMI (Innovative Medicines Initiative) en Fuel

aantal deelnames als deelnametoelage goed en eindigt tussen

Cells and Hydrogen.

de 4de en 5de plaats. In al deze initiatieven zullen de eerste selecties en projecten echter pas in 2008 opstarten.

11.3 ERA-NET Met ARTEMIS, ENIAC, IMI en Fuel Cells and Hydrogen , vier Het ERA-NET schema, is een initiatief dat werd opgestart

zogenaamde Joint Technology Initiatives’ (JTI), wil de Europese

binnen het Zesde Kaderprogramma (KP6) en wordt verder

Commissie grootschalige publiek-private samenwerking opzetten

gezet binnen KP7. Het wenst de samenwerking en coördinatie

tussen de EC en de (geïnteresseerde) lidstaten enerzijds en de

tussen de verschillende onderzoek- en innovatieprogramma’s

bedrijven anderzijds. De initiatieven behandelen respectievelijk

van de lidstaten en de geassocieerde staten te bevorderen.

‘embedded systems’, micro- en nanoelectronica, innovatie in de farmaceutische sector, en brandstofcellen.

De projectuitvoerders zijn overheidsorganisaties die verantwoordelijk zijn voor de financiering of het beheer van

AAL (‘Ambient Assisted Living’) is een art. 169 initiatief waarbij

onderzoekprogramma’s op nationaal of regionaal niveau

de Europese Commissie en lidstaten samenwerken. Het heeft

(Ministeries, agentschappen, ...), andere nationale organisaties

tot doel via het gebruik van ICT-middelen ruimere

die dergelijke programma’s financieren of beheren (bv.

mogelijkheden te bieden om oudere en/of zieke mensen zo

agentschappen die door de overheid onder publiek recht zijn

lang mogelijk comfortabel in hun gewone leefomgeving te

opgericht) en organisaties die op Europees niveau werkzaam

laten blijven. Los van het economisch doel draagt dit initiatief

zijn en ondermeer instaan voor de pan-Europese coördinatie

dus een belangrijk maatschappelijk doel.

van nationaal gefinancierd onderzoek. EUROSTARS is eveneens een art. 169 initiatief, opgezet vanuit In het totaal werden tot nu toe ongeveer 80 ERA-NET projecten

EUREKA. Het programma heeft geen thematische afbakening,

opgestart. Vlaanderen neemt, hoofdzakelijk via EWI, IWT, en

maar een specifieke doelgroep: onderzoek uitvoerende

FWO zeer actief deel aan meerdere projecten (zie tabel 11.4).

KMO’s (“Research Performing SME’s”). Het programma wil het gezamenlijke financieren van sterk marktgerichte en

De meeste projecten experimenteren met de organisatie

hoogtechnologische projecten, die door dergelijke KMO(’s)

van gemeenschappelijke oproepen tot internationale project-

worden gestuurd, vlotter laten lopen.

voorstellen. De deelnemers aan dergelijke projecten krijgen steun via de financieringsprogramma's van hun eigen land of regio. Vlaanderen neemt actief deel aan dergelijke oproepen.


179

Tabel 11.4: Vlaamse deelname in ERA-NET projecten (stand van zaken 2008) Organisatie

ERA-NET project

EWI

HY-CO

Co-ordination Action to Establish a Hydrogen and Fuel Cell ERA-Net

EWI

MARIN-ERA

A partnership of the leading marine RTD funding organisations in 13 member states

EWI

PLANT GENOMICS

European Research Area Plant Genomics

EWI

PV-ERA-NET

Networking and Integration of National and Regional Programmes in the field of Photovoltaic

EWI

VISION

Shared knowledge base of sustainable innovation policies

CLO - Dep. Zeevisserij

Mari-Fish

Coordination of European marine fisheries research

IWT

COMPERA

ERA-NET on national and regional Programmes and initiatives dedicated to the creation and support of Competence Research Centres

IWT

CORNET

ERA-Net on national and regional programmes and initiatives to promote research, and the dissemination of the results of that research, to the benefit of large communities of SMEs: Collective Research

IWT

ERACOBUILD

Strategic networking of RDI Programmes in construction and operation of buildings

IWT

EUROTRANS-BIO

European network of transnational collaborative RTD for SME projects in the field of biotechnology

IWT

EraSME

ERA-NET on National and Regional Programmes to promote innovation networking and co-operation between SME’s and research organisations

IWT

MANUNET

Walking towards an European regionally based research area on new processes and flexible manufacturing systems

IWT

MATERA & MATERA-Plus

ERA-NET Materials

IWT

MNT-ERA-NET

From micro- and nano-scale science to new technologies for Europe

IWT

SUSPRISE

Networking, coordination, cooperation and integration of national RTD programmes in the field of sustainable enterprise

FWO

ASPERA

Implementation of European Coordination in Astroparticle Physics

FWO

ASTROPHYSICS

Paving the way to a EuropeanAstrophysical Research Cycle that will ensure sustained co-operation between national/regional/European research and innovation programmes in the field of astrophysics

FWO

ERA-CHEMISTRY

Implementation of joint bottom-up European Programmes in Chemistry

FWO

EUROPOLAR

The European Polar Consortium: Strategic Coordination and networking of European Polar RTD Programmes

FWO

HERA

Humanities in the European Research Area

OVAM

SNOWMAN

Sustainable management of soil and groundwater under the pressure of soil pollution and soil contamination

Waterbouwkundig Laboratorium

CRUE

Flooding ERA-NET

ILVO

EUPHRESCO

Coordination of European Phytosanitary Research

Het netwerk verleent, na een internationale evaluatieprocedure, aan de goedgekeurde projecten een kwaliteitslabel. Voor cofinanciering kunnen de individuele partners terecht bij de eigen

11.5.1 Situering

nationale of regionale overheden, en dit op basis van de plaatselijke modaliteiten.

EUREKA is een intergouvernementeel initiatief voor de bevordering van de internationale samenwerking op het vlak

Bedrijven, en hiermee samenwerkende universiteiten en

van toegepast en marktgericht industrieel Onderzoek &

onderzoeksinstellingen, uit het Vlaams Gewest kunnen voor

Ontwikkeling. Het EUREKA netwerk omvat actueel 38 lidstaten

hun deelname in een project beroep doen op het IWT.

en de Europese Unie.

Het aanvragen van steun in het kader van EUREKA-projecten, en de evaluatie van deze aanvragen, gebeurt in overeenstemming

EUREKA hanteert, in tegenstelling tot het Kaderprogramma

met de gebruikelijke procedures van het IWT, en dit volgens

van de Europese Commissie, het ‘Bottom Up’ principe: de

de modaliteiten voor O&O bedrijfssteun of KMO-Innovatie-

partners in een O&O project bepalen zèlf de inhoud, het

projecten. In aanvulling op de basissteun hanteert het IWT, ter

samenwerkingsverband, en de timing van hun project.

stimulering van de internationale industriële samenwerking, een toeslag van 10% op kostenbasis.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11

11.5 VLAAMSE DEELNAME IN HET EUREKA- PROGRAMMA


180

11.5.2 EUREKA projecten

11.5.3 Verleende steun aan Vlaamse deelnemers in EUREKA (2000 – 2007)

Het EUREKA-programma maakt een onderscheid tussen projecten die op individueel initiatief van de betrokken bedrijven

De volgende tabellen en figuren leveren meer detail over de

tot stand komen, en projecten die gegenereerd worden in door

projecten met door IWT gesteunde Vlaamse partners. Hierbij is

de Europese grootindustrie opgezette "Clusters".

de categorie ‘Cluster’-projecten verder opgesplitst. In de periode 2000 – 2007 waren de volgende Cluster-organisaties actief:

De projecten van het eerste type, waarnaar we verwijzen met de term ‘INDIVIDUELE’-projecten, verkrijgen het EUREKA-label

l

MEDEA (looptijd van 1/1/1997 tot 1/1/2001) en vervolg-

na een evaluatie door de betrokken Nationale of Regionale

cluster MEDEA+ (1/1/2001 tot 1/1/2008): “Micro-

overheden op basis van een uniforme en internationaal

Electronics Development for European Applications”.

geaccepteerde procedure.

MEDEA+ is opgevolgd door CATRENE (Cluster for Application and Technology Research in Europe on NanoElectronics) vanaf 1/1/2008.

De EUREKA-Clusters oriënteren zich op een specifiek onderzoeksterrein of een industriële sector. De onderzoeks-

l

ITEA (1/10/1998 tot 1/1/2006) en ITEA II (1/1/2006 tot

doelstellingen worden geformuleerd in een “Road Map”,

1/1/2014):

en hieraan wordt invulling gegeven via de initiatie van

Advancement”.

“subprojecten”. Deze subprojecten verkrijgen het EUREKA-label

l

“Information

Technology

for

European

EURIMUS (30/6/1998 tot 30/6/2003) en EURIMUS II (1/1/2004 tot 1/1/2009): “EUReka Industrial Initiative for

na een evaluatie door het Technisch Comité van de Cluster.

Microsystems Uses”. De aanvragen voor cofinanciering worden door de betrokken

l

PIDEA (1/10/1998 tot 1/4/2004) en PIDEA+ (1/4/2004 tot

overheden behandeld synchroon met, of aansluitend op,

1/4/2009): “Packaging and Interconnection Development

de evaluaties voor het EUREKA-label. De beschrijvingen van

for European Applications”.

de projecten en deelnemende partners worden na verlening

Opm: In juni 2007 zijn de Clusters Eurimus II en Pidea+

van de EUREKA-label publiek gemaakt door de opname in

samengevoegd in de nieuwe Cluster EURIPIDES.

databases welke toegankelijk zijn via de EUREKA website

l

(http://www.eureka.be).

CELTIC (1/1/2004 tot 1/1/2009) “Cooperation for a European sustained Leadership in Telecommunications”.

l

EUROGIA (1/1/2004 tot 1/1/2008): “Eureka Oil & Gas

Tabel 11.5 toont het aantal nieuwe projecten waarin Vlaamse

Industry Initiative For Sustainable Development And A

partners actief zijn (2000-2007).

Secure Energy Supply In A Cleaner/Safer Future”.

Met uitzondering van 2002, toen geen MEDEA oproep werd behandeld, is de Vlaamse deelname aan EUREKA-projecten stabiel. Ze omvat een gemiddelde deelname aan 22 projecten per jaar, evenredig verdeeld tussen ‘INDIVIDUELE’ en ‘Cluster’ projecten.

Tabel 11.5: Aantal nieuwe projecten met Vlaamse partners

Individuele Projecten Cluster Projecten Totaal

2000 13 10 23

2001 9 17 26

2002 11 3 14

2003 12 9 21

2004 10 17 27

2005 12 11 23

2006 9 12 21

2007 10 15 25

Totaal 86 94 180


181

Tabel 11.6: Aantal gesteunde projecten, met project budget van de Vlaamse partners, en steuntoelagen van IWT 2000

2001

2002

2003

2004

2005

5

4

2006

2007

Totaal

3

9

45

6

35

Aantal Projecten

MEDEA EURIMUS ITEA PIDEA CELTIC INDIVIDUEEL Totaal

5

13

6

1

1

3

2

1

2

3

3

1

5

6

7

2

1

1

3

3

6 4

7

7

5

8

7

8

3

5

50

17

24

8

17

23

19

15

20

143

22,3

49,9

26,1

18,3

8,4

12,4

26,0

163,4

7,5

64,9

Budget (Miljoen €)

MEDEA EURIMUS ITEA PIDEA CELTIC INDIVIDUEEL Totaal

1,7

1,8

7,8

4,6

1,6

1,6

5,4

3,3

0,8

12,1

13,6

10,6

4,1

0,1

0,9

4,3

2,6

5,8 5,1

6,8

3,9

4,6

6,9

2,8

4,9

3,4

9,2

42,5

40,3

60,0

9,9

36,3

41,6

27,0

28,0

42,7

285,9

11,6

22,9

6,7

4,8

6,0

11,3

75,9

4,0

29,4

Steun (Miljoen €)

MEDEA EURIMUS ITEA PIDEA CELTIC INDIVIDUEEL Totaal

12,7

0,6

1,0

3,2

1,8

0,7

0,9

3,1

1,9

0,3

4,6

5,6

5,1

0,05

0,56

1,9

1,1

2,7

1,7

2,3

3,8

2,0

2,4

3,7

1,2

2,1

1,9

3,6

20,7

20,0

27,6

5,5

18,3

16,3

12,6

13,8

18,9

132,9

Gedurende de periode 2000 – 2007 werden de Vlaamse partners

Figuur 11.8: Aantal EUREKA-projecten met IWT steun aan

in 143 EUREKA-projecten door IWT gesteund. De totale

Vlaamse partners

investering van de Vlaamse bedrijven in deze projecten bedraagt 286 miljoen euro, hierin is begrepen 133 miljoen

25

euro steun vanwege IWT. Het jaargemiddelde voor steun

vertoont weinig variatie tussen de projecttypes, maar wel tussen afzonderlijke projecten: een gevolg van de impact van de aard van het onderzoekstype (industrieel onderzoek of ontwikkeling) en de mate van KMO-deelname. De omvang van de projecten verschilt sterk naargelang het type. Uitersten zijn weer te vinden bij de projecten van de MEDEA en

Aantal projecten

steunpercentage bedraagt 46%. Dit gemiddelde percentage

20

15

10

5

0 2000

2001

2002

MEDEA+ Cluster (gemiddeld Vlaams projectbudget 3,6 miljoen

n CELTIC

euro) en projecten van het ‘INDIVIDUELE’-type (gemiddeld

n PIDEA

Vlaams budget 0,8 miljoen euro). Na een lichte terugval in

n EURIMUS

de ordegrootte van projecten en het hieraan gekoppeld

n ITEA

steunvolume in 2005 en 2006, sluiten de resultaten van 2007

n MEDEA

terug aan bij het langlopend gemiddelde.

n INDIVIDUEEL

2003

2004

2005

2006

2007

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11

aan EUREKA-projecten is 17 miljoen euro, het gemiddeld


182

Figuur 11.9: Projectbudgetten van de Vlaamse partners,

Figuur 11.10: IWT steunbedragen aan de Vlaamse partners,

per deelprogramma

per deelprogramma

70

30

60

25

Miljoen Euro

Miljoen Euro

50 40 30

20 15 10

20 5

10

0

0 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2000

2001

2002

n CELTIC

n CELTIC

n PIDEA

n PIDEA

n EURIMUS

n EURIMUS

n ITEA

n ITEA

n MEDEA

n MEDEA

n INDIVIDUEEL

n INDIVIDUEEL

2003

2004

2005

2006

2007

11.5.4 Plaatsing in internationale context

11.6 CONCLUSIE

Recente analyses van het internationaal EUREKA secretariaat

Vlaanderen is en blijft nadrukkelijk aanwezig in de belangrijke

(“Facts & Tendencies 2007”) tonen aan dat België qua deelname

Europese programma’s voor wetenschappelijk onderzoek.

aan EUREKA systematisch bij de top 6 lidstaten behoort.

In het EUREKA-programma is het door IWT toegekende

Hierbij dient opgemerkt dat deze deelnames in meerderheid

steunvolume in 2007 opnieuw gestegen tot zijn gemiddelde

gebeuren als project-‘partners’, en in veel mindere mate als

peil. Vlaanderen neemt internationaal gezien een prominente

initiatiefnemer of project-‘coördinator’. Gezien de relatief

positie in het programma in. Vlaamse partners zijn daarnaast

hoge participatie van het Vlaams Gewest in de projecten van

niet onaardig vertegenwoordigd in ERANET door deelname

het ‘INDIVIDUELE’ type, en de overheersende deelname in

aan meer dan een kwart van alle door de Europese Commissie

de Cluster-projecten, kan gesteld worden dat Vlaanderen

opgezette projecten. In het Zesde Kaderprogramma behaalde

prominent aanwezig is in het internationaal EUREKA netwerk.

Vlaanderen net niet de verwachte return. De Vlaamse deelname neemt daarmee verder af over de Kaderprogramma’s heen, doch rekening houdend met de steeds verhoogde concurrentie door de toename van het aantal deelnemende landen, is dit resultaat vrij behoorlijk te noemen. Internationaal vergeleken scoort Vlaanderen binnen de top 10 van de sterkst deelnemende landen. Opvallend in de Vlaamse deelname is dat de onderzoekscentra hun deelname binnen het Zesde Kaderprogramma sterk hebben verhoogd, terwijl dat van de bedrijven is verminderd.


183

11.7 REFERENTIELIJST

Thematische prioriteiten: • LIFESCIHEALTH: Biowetenschappen, genomica en biotechnologie voor de gezondheid

• Vlaanderen in het Europese Vijfde Kaderprogramma voor Onderzoek (1998-2002); Dengis P., Dewallef E. en Verlaeckt K., 2005, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Wetenschap, Innovatie en Media, Administratie Wetenschap en Innovatie. • Vlaanderen in het Europese Zesde Kaderprogramma voor Onderzoek (2002-2006); Van Langenhove M., Dewallef E. en Dengis P., 2009, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Economie, Wetenschap en Innovatie.

• IST: Technologieën voor de informatiemaatschappij • NMP: Nanotechnologieën en nanowetenschappen, kennisgebaseerde multifunctionele materialen en nieuwe productieprocédés en –apparatuur • AEROSPACE: Lucht- en ruimtevaart • FOOD: Voedselkwaliteit en –veiligheid • SUSTDEV: Duurzame ontwikkeling, veranderingen in het aardsysteem en ecosystemen • CITIZENS: Burgers en bestuur in de kennismaatschappij • SME: Specifieke onderzoeksactiviteiten voor KMO’s

Afkortingen • EEI: European Economic Interest Group (Europees Economisch Samenwerkingsverband) • FMTC: Flanders Mechatronics Technology Centre • GCO: Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek

• SSP: Beleidsondersteuning en anticiperen op de wetenschappelijke en technologische behoeften van de EU • INCO: Specifieke activiteiten voor internationale samenwerking • POLICIES: Steun voor een samenhangende ontwikkeling van het beleid

• IBBT: Interdisciplinair instituut voor BreedBand Technologie

• COORDINATION: Steun voor de coördinatie van de activiteiten

• IMEC: Interuniversitair Micro-elektronica Centrum VZW

• MOBILITY: Menselijk potentieel en mobiliteit

• INTAS: International Association for Promotion of Cooperation

• INNOVATION: Onderzoek en innovatie

with Scientists from the Independent States of the Former

• INFRASTRUCTURES: Onderzoeksinfrastructuur

Soviet Union (FSU)

• SOCIETY: Wetenschap en samenleving

• ITG: Instituut voor Tropische Geneeskunde

• EURATOM: Euratom (exclusief FUSION)

• IWT-Vlaanderen: Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen

Projecttypes:

• SCK: Studiecentrum voor Kernenergie

• CLR: collectieve onderzoeksprojecten

• SIRRIS: Collectief centrum van de technologische industrie

• CRAFT: coöperatieve onderzoeksprojecten

• UA: Universiteit Antwerpen

• II en I3: specifieke acties ter promotie van onderzoeks-

• UGent: Universiteit Gent

infrastructuur

• VIB: Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie

• IP: geïntegreerde projecten

• VKI: von Karman Institute for fluid Dynamics

• MCA: Marie Curie acties ter bevordering en ontwikkeling

• VLIZ: Vlaams Instituut voor de Zee

van menselijk potentieel en mobiliteit

• VUB: Vrije Universiteit Brussel

• NoE: Excellentienetwerken

• VITO: Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek

• SSA: specifiek ondersteunende activiteiten

• KP4: Vierde Europese Kaderprogramma

• STREP: specifiek gerichte projecten

• KP5: Vijfde Europese Kaderprogramma • KP6: Zesde Europese Kaderprogramma

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11

• K.U.Leuven: Katholieke Universiteit Leuven

• CA: coördinatiewerkzaamheden


184


185

CONCLUSIES EN NABESCHOUWINGEN Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven) en Reinhilde Veugelers (K.U.Leuven)

12


186

Dit vierde Indicatorenboek biedt een bundeling van de inzet en

Ondernemingen staan – zoals verwacht – in voor het leeuwen-

de resultaten die de laatste vijftien jaar door de verschillende

aandeel van de uitgaven voor O&O in Vlaanderen. De uitgaven

actoren in het Vlaams Wetenschaps-, Technologie- en

van de bedrijven voor O&O, als % van het BBPR, bedragen in

Innovatielandschap zijn gerealiseerd. Het geeft een overzicht

2007 1,40% (ten opzichte van 1,44% in 2005), waarmee

van de sterke punten van dit landschap, maar ook van de

Vlaanderen boven het EU27-gemiddelde scoort. De niet-BERD

aandachtspunten die verdere inspanningen noodzaken. In elk

component van O&O bestedingen als % van het BBPR, bedraagt

geval tonen de resultaten aan dat inspanningen op vlak van

in Vlaanderen 0,63% voor 2007 (ten opzichte van 0,63% in

wetenschap, technologie en innovatie voldoende continuïteit

2005), wat het EU27-gemiddelde benadert. Dit aandeel is dus

en niveau van inspanning vergen vooraleer zich te vertalen

vrij stabiel gebleven gedurende de laatste jaren. We verwijzen

in relevante output en de eruit volgende welvaartscreatie.

tot slot expliciet naar het aandeel van de bedrijven in de

De resultaten van al deze inspanningen worden immers pas

O&O-uitgaven van het hoger onderwijs: met 15,3% van de

zichtbaar met een behoorlijke tijdsvertraging. Vandaar het

O&O-uitgaven in het hoger onderwijs gefinancierd door het

belang om, in Vlaanderen, de investeringen in wetenschap,

bedrijfsleven, haalt Vlaanderen de absolute top onder de

technologie en innovatie consequent verder te zetten én hun

OESO-landen.

resultaten op te volgen. Zeker met het oog op het streven naar de realisatie van de 3% O&O-norm, zoals vooropgesteld door de Europese Commissie op de top van Lissabon.

12.2 OPLEIDINGEN: BACHELOR & MASTER Op 1 februari 2008 telde men in het Vlaamse hoger onderwijs

12.1 INSPANNINGEN VOOR O&O IN VLAANDEREN

42.908 generatiestudenten. Meer dan de helft van deze generatiestudenten (53,0%) startte een professioneel gerichte bacheloropleiding aan een hogeschool. De universiteiten en de

Waar historisch de totale uitgaven voor O&O een opwaartse

academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen trokken

trend vertoonden en 2001 een piekjaar was, constateerden we

respectievelijk 34,4% en 12,6% aan van het totale aantal

een dalende trend voor de periode 2001-2003. Deze daling

generatiestudenten.

stabiliseerde in 2004. Voor 2005 merkten we dat de totale uitgaven voor O&O opnieuw stegen. In de recente cijfers zien

Een analyse van de evolutie van het aantal generatiestudenten

we een beperkte daling in 2006 ten opzichte van 2005,

aan de Vlaamse universiteiten over de laatste 10 jaar geeft het

opnieuw gevolgd door een stijging in 2007. Zowel de O&O-

volgende beeld. Terwijl in het eerste deel van de beschouwde

uitgaven van de bedrijven, de collectieve onderzoekscentra,

periode het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse

de overheid, het hoger onderwijs, en de non-profit sector

universiteiten jaarlijks afnam (van 13.495 generatiestudenten in

vertonen in constante prijzen voor het jaar 2007 een stijging

het academiejaar 1998-1999 tot 12.423 generatiestudenten in

ten opzichte van 2005.

het academiejaar 2003-2004), kenden de universiteiten vanaf het academiejaar 2004-2005 een gestage toename van het

Wanneer we de totale uitgaven voor O&O uitdrukken als %

aantal generatiestudenten. In het academiejaar 2007-2008

van het BBPR bekomen we voor 2007 een percentage van

werden 42.908 generatiestudenten geteld, dit zijn er 1.253

2,03% voor de GERD op gewestniveau en 2,06% voor de

meer dan bij de start van de beschouwde periode –

GERD op gemeenschapsniveau. In vergelijking met de EU,

academiejaar 1998-1999. Het academiejaar 2004-2005 zorgde

zit Vlaanderen daarmee behoorlijk boven het EU-gemiddelde,

voor een ‘trendbreuk’ in de evolutie van het aantal

maar is het toch nog een stuk verwijderd van de 3% O&O-

generatiestudenten. Deze ‘trendbreuk’ valt samen met de

norm, de doelstelling voor 2014. Na een stijging in 2005,

invoering van de bachelor/masterstructuur. Verdere analyse is

zien we dat de totale O&O-uitgaven als percentage van het

nodig om na te gaan of hier een – en zo ja, welk – oorzakelijk

BBPR in 2006 opnieuw dalen tot 1,97% (op gewestniveau).

verband bestaat tussen de introductie van deze nieuwe

In 2007 zien we echter opnieuw een stijging tot 2,03%.

structuur en de toegenomen instroom in het universitair

Deze cijfers dienen genuanceerd te worden gezien de uitermate

onderwijs.

sterke groei van het BBPR tussen 2005 en 2007.


187

Kijkt men naar de relatieve deelname van de Vlaamse achttien-

Op 1 februari 2008 maakten de vrouwelijke generatiestudenten

jarigen aan het universitair onderwijs, dan kan men stellen dat

55,4% uit van het totaal aantal generatiestudenten in het

vanaf het academiejaar 2000-2001 deze participatie toenam.

Vlaamse hoger onderwijs. Dit vrouwelijk overwicht komt ook

Terwijl in het academiejaar 1999-2000 slechts 16,8% van de

sterk tot uiting in de participatiegraad: 65,5% van de potentiële

potentiële doelgroep was ingeschreven aan een Vlaamse

doelgroep (achttienjarige vrouwen wonende in het Vlaams

universiteit, was in het academiejaar 2007-2008 dit percentage

Gewest + 20% van de achttienjarige vrouwen wonende in het

gestegen tot 19,9%. De eerste jaren was deze stijging

Brussels Gewest) startte in het academiejaar 2007-2008 een

hoofdzakelijk te wijten aan de daling van het aantal achttien-

opleiding in het hoger onderwijs. Bij de mannen bedroeg dit

jarigen, de laatste vier academiejaren – vanaf het academiejaar

percentage 50,4%.

2004-2005 – nam ook het aantal achttienjarigen toe en is de relatief sterke toename van het aantal generatiestudenten

Deze grotere deelname van vrouwen vindt men zowel terug bij

aan de universiteiten grotendeels verantwoordelijk voor de

de hogeschoolopleidingen als bij de universiteiten. Toch zijn er

toegenomen participatie.

een aantal verschillen. Met uitzondering van de academiejaren 1999-2000 en 2003-2004 kende het aantal vrouwelijke generatie-

Bij de hogescholen vindt men twee verschillende evoluties

studenten aan de universiteiten een quasi onafgebroken stijging.

terug. Bij de professionele bacheloropleidingen nam het aantal

Bekeken over de globale periode van 10 jaar nam het aantal

generatiestudenten tijdens de beschouwde periode onafgebroken

vrouwelijke generatiestudenten aan de universiteiten toe met

toe: van 19.625 generatiestudenten in het academiejaar 1998-

12,6%. Bij de hogescholen valt de onafgebroken toename van

1999 tot 22.752 in het academiejaar 2007-2008. In dezelfde

het aantal vrouwelijke generatiestudenten op vanaf het

periode groeide de relatieve deelname van 25,9% naar 30,8%

academiejaar 2003-2004. Vergeleken met de start van de

in 2005-2006 en 2006-2007, om vervolgens licht te dalen tot

beschouwde periode - academiejaar 1998-1999 – telde men in

30,6% in 2007-2008.

het academiejaar 2007-2008 8,8% meer vrouwelijke generatiestudenten aan de hogescholen.

De evolutie van het aantal generatiestudenten en van de Kortom, kenmerkend zijn de hoge participatiegraad van de

vertoont een enigszins ander beeld. Globaal genomen nam het

Vlaamse achttienjarigen aan het hoger onderwijs en de sterke

aantal generatiestudenten aan de hogeschoolopleidingen van

vervrouwelijking van het academisch onderwijs en van de

twee cycli af van 6.195 studenten in 1998-1999 (met een

professionele opleidingen. De laatste academiejaren kent het

maximum van 6.486 in het academiejaar 1999-2000) naar

hoger onderwijs een toename van het aantal generatie-

5.020 generatiestudenten in 2005-2006. De laatste twee

studenten. Dit is zowel het geval voor de professioneel gerichte

academiejaren nam het aantal generatiestudenten evenwel toe:

opleidingen aan de hogescholen (de vroegere eencylus-

tot 5.408 in het academiejaar 2007-2008. De participatiegraad

opleidingen) als voor de academisch gerichte opleidingen aan

daalde van 8,2% in 1998-1999 naar 7,0% in 2005-2006,

de hogescholen en de universiteiten.

en nam de laatste twee jaar toe tot 7,3%. Globaal genomen kan men stellen dat meer dan de helft van

12.3 DOCTORATEN

de Vlaamse jongeren een kans waagt in het hoger onderwijs: in het academiejaar 2007-2008 startte 57,8% van de potentiële

Het aantal afgestudeerden op masterniveau dat instroomt naar

doelgroep een opleiding in het Vlaamse hoger onderwijs. In het

een positie als junior onderzoeker, is gedurende de laatste 10 jaar

academiejaar 1998-1999 bedroeg dit aandeel 51,8%.

sterk toegenomen. De stijging van het aantal doctoraten nam een vlucht rond de eeuwwisseling. De trendbreuk begon in feite reeds in het midden van de jaren ‘90. Deze evolutie bevestigt het resultaat dat reeds kon worden waargenomen in de VRWB-studie over de doctoraatsproductie in Vlaanderen van 2006.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 12

relatieve participatie in de academische hogeschoolopleidingen


188

De toename in de instroom van doctoraatsonderzoek hangt

De aanwezigheid van de wetenschappelijke instellingen in de

nauw samen met de toename van financiering voor

publicatie-output nam de laatste jaren verder toe tot ruim 11%

doctoraatsonderzoek. De invoering van de fiscaal vrijgestelde

vandaag, vaak in samenwerking met een of meerdere Vlaamse

beurzen voor doctoraatsonderzoek en de extra investeringen

universiteiten. Deze evolutie wordt verklaard doordat het

vanuit het Instituut voor de aanmoediging van innovatie door

Interuniversitair Micro-electronica Centrum (IMEC), de Vlaamse

wetenschap en technologie in Vlaanderen (IWT) en het Fonds

Instelling voor Technologisch Onderzoek (Vito), het Vlaams

voor Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (FWO) voor

Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB), en ook het

doctoraatsonderzoek, zorgden voor een bijzonder sterke

Instituut voor Breedband Technologie (IBBT) nu op volle

toename in aanstellingen als “bursaal”. Het aantal assistenten

snelheid meedraaien in het Vlaams onderzoekslandschap.

aangesteld door de universiteit om deeltijds lessen te ondersteunen en deeltijds doctoraatsonderzoek te verrichten,

Het aandeel van de Vlaamse bedrijven situeert zich afgerond

bleef zo goed als ongewijzigd in de laatste 15 jaar.

op 6%. De verdeling van deze bedrijfspublicaties is bovendien erg scheef, omdat een zeer beperkt aantal bedrijven, met name

Het aandeel vrouwelijke doctors is in de periode 1992-2007

Janssen Pharmaceutica en Innogenetics, een significant deel

gestegen van 23% naar 40%, maar de mannelijke

van deze output voor hun rekening nemen.

doctoraathouders blijven duidelijk in de meerderheid met een huidig aandeel van 60% in de behaalde doctoraten. Het aantal

Er is de laatste jaren eveneens een duidelijke en continu stijgende

doctoraten steeg in alle onderzoeksdisciplines, maar niet

trend waar te nemen voor wat betreft octrooieren in Vlaanderen.

evenredig in elk van hen. De medische wetenschapsgebieden

Recente Europese statistieken bevestigen deze trend. Vlaanderen

verdubbelden hun aandeel in de totale doctoraatsproductie

is sinds begin de jaren 1990 sterk opgeklommen in de

(van 11 naar 22%) midden de jaren ’90, en behielden min of

Europese rangschikkingen van octrooiaantallen, met 255 EPO

meer dit aandeel. Het aantal doctoraten in de exacte en

octrooiaanvragen per miljoen inwoners in 2005. Vandaag

toegepaste wetenschappen – lange tijd de meest dominante

situeert Vlaanderen zich dan ook bij de meer performante

studiegebieden voor doctoraatsonderzoek – groeide iets

technologische regio’s in Europa. Het kan dan ook zonder al te

minder snel. Het aandeel van deze wetenschapsgebieden

veel blozen de vergelijking doorstaan met regio’s zoals Baden-

verminderde aldus van 65% naar 51%. Het aandeel van de

Wuerttemberg, Beieren, Hamburg, Nordrhein-Westfalen of

humane wetenschappen in de doctoraatsproductie steeg in

nog, Ile-de-France.

deze periode in beperkte mate. Vermeldenswaard is tevens de beduidende toename van het octrooigedrag aan de Vlaamse universiteiten. Wel zijn (net zoals

12.4 RESULTATEN: PUBLICATIES, OCTROOIEN EN DEELNAME AAN INTERNATIONALE PROGRAMMA’S

in de ons omringende landen) de kleine en middelgrote ondernemingen eerder afwezig in het octrooilandschap. Daarentegen geldt wel zeer duidelijk dat de meest ‘productieve’ ondernemingen inzake octrooinames, ook inter-

De Vlaamse en Belgische onderzoekers hebben in de periode

nationaal sterke competitieve posities hebben weten uit te

1992-2007 op een bijzonder efficiënte manier de beschikbare

bouwen. Globaal genomen blijft het echter ook voor

middelen aangewend. De wetenschappelijke productiviteit van

Vlaanderen, net zoals voor de meeste Europese landen,

Vlaanderen in de natuur-, levens- en technische wetenschappen

van prioritair belang om de kloof tussen technologische sterktes

is zoals blijkt spectaculair toegenomen. De Vlaamse universiteiten

en economische voordelen verder te dichten: in sommige

zijn mede verantwoordelijk voor afgerond 88% van de

sectoren is hij immers nog steeds (erg) groot.

Vlaamse publicatieoutput. Dit hoge percentage hoeft niet te verbazen, omdat het overgrote deel van het fundamenteel

Ten slotte dient gewezen op de sterke aanwezigheid van

onderzoek, waarvan de resultaten worden gepubliceerd in de

internationale samenwerking in het Vlaamse O&O-landschap.

open literatuur, aan de universiteiten wordt verricht.

De analyse van de Vlaamse deelnames aan diverse internationale programma’s (zoals Eureka en zijn diverse programmatorische assen, de Kaderprogramma’s en het ERANET) wijzen in die richting.


189

12.5 TER AFRONDING Ter afronding willen we wijzen op het belang dat aan de veelheid en de verscheidenheid aan actoren in het Vlaams WTIsysteem moet worden gehecht. Alhoewel dit niet tot uiting komt in de â&#x20AC;&#x2DC;traditioneleâ&#x20AC;&#x2122; WTI-indicatoren, zijn er op Vlaams niveau gedurende de laatste vijftien jaar significante inspanningen geleverd om de toegankelijkheid van het WTIinstrumentarium voor de verschillende geledingen van het bedrijfsleven zo goed en zo transparant mogelijk te maken. In die optiek dienen zeker de inspanningen vermeld te worden om waar mogelijk en nuttig ook de kleine en middelgrote ondernemingen bij het innovatiegebeuren te betrekken. De eigenheid van het Vlaams industrieel weefsel zorgt ervoor dat ook op het vlak van WTI-inspanningen de complementariteit tussen de verschillende geledingen van de ondernemingspopulatie (multinationaal versus regionaal, groot versus klein en middelgroot) moet worden in rekening gebracht. Er is nu dan ook een instrumentarium ontwikkeld dat met die eigenheid en complementariteiten rekening houdt. Naarmate al deze inspanningen worden volgehouden, zal uiteraard ook het statistisch apparaat waarover Vlaanderen beschikt om de resultaten van deze inspanningen te meten en in een internationale context te evalueren, verder evolueren en verfijnd worden. Dit Indicatorenboek vormt dan ook een verfijnd en geactualiseerd wordt. Aldus hopen we met dit Indicatorenboek een geĂŻntegreerd en consistent beeld te geven van de inspanningen en de resultaten van het WTI-beleid in Vlaanderen. Dit beleid moet Vlaanderen helpen zijn vooraanstaande plaats in de kenniseconomie van de 21ste eeuw verder te consolideren en uit te bouwen.

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 12

tastbaar resultaat van die inspanningen, dat op recurrente wijze


190


191

D E 11 V L A A M S E K E R N I N D I C ATO R E N VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE E N I N N OVAT I E Samenvatting op basis van het VRWB Advies bij de ‘Begroting Wetenschap en Innovatie 2009’ (in voorbereiding)

Door Vincent Thoen (VRWB) en Danielle Raspoet (VRWB)

13


192

DE 11 VLAAMSE KERNINDICATOREN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE De 11 kernindicatoren Wetenschap, Technologie en Innovatie die door de VRWB geselecteerd werden voor de opvolging van het Vlaamse Innovatiepact zijn weergegeven in de volgende tabel: KERNINDICATOREN I

GERD: Gross Expenditures on R&D (of BUOO: Bruto Binnenlandse Uitgaven voor Onderzoek en Ontwikkeling), uitgedrukt als % van het BBPR (ook wel de O&O-intensiteit genoemd). De 3%-norm vooropgesteld tijdens de Raad van Barcelona (maart 2002) slaat op deze maatstaf.

II

GBOARD: Government Budget Outlays or Appropriations on R&D (of de overheidskredieten voor O&O), uitgedrukt als % van het BBPR

III

Totaal O&O-personeel in % van de beroepsbevolking

IV

Nieuwe W&T-gediplomeerden (tov leeftijdsgroep 20-29 jaar)

V

Totaal aantal innoverende bedrijven (% van het aantal bedrijven in de industrie- en dienstensector)

VI

Investering van risicokapitaal in hightech-sectoren (% van het BBP)

VII

Aantal aangevraagde EPO-octrooien met Vlaamse uitvinder/miljoen inwoners

VIII

Nieuwe producten (als % van de totale omzet van de innovatieve bedrijven)

IX

Tewerkstellingsgraad - in medium-hightech en hightech industrie - in hightech diensten (uitgedrukt als % van de totale beroepsbevolking)

X

Groei van het Bruto Binnenlands Product per Regio (BBPR)

XI

Exportaandeel van de hightech sectoren in Vlaanderen

KERNINDICATOR 1: O&O-INTENSITEIT: GERD ALS % VAN BBPR Tabel 13.1: Totale intramurale uitgaven voor O&O als % van het BBPR in Vlaanderen, in lopende prijzen (1997-2007) 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

GERDgew/%BBPR

1,91%

1,98%

2,11%

2,24%

2,38%

2,17%

2,08%

2,01%

2,06%

1,97%

2,03%

GERDgem/%BBPR

1,97%

2,03%

2,15%

2,29%

2,42%

2,21%

2,12%

2,05%

2,10%

1,99%

2,06%

Bron: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring (3% nota 1993-2007, februari 2009)


193

Tabel 13.2: Internationale vergelijking van de O&O intensiteit (1997-2007) (GERD in % BBPR) 1997 1,91% 1,83% 1,92% 2,24% 2,70% 2,19% 1,27% 1,03% 1,99% 0,80% 1,77% 3,51% 1,83% 1,78% 2,56% 0,64% 3,07% 2,87% 2,48% 1,04%

Vlaanderen België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Spanje VK Zweden EU-15 EU-27 VS China Israël Japan Korea Rusland

1998 1,98% 1,86% 2,04% 2,27% 2,86% 2,14% 1,24% 1,05% 1,90% 0,87% 1,76% 3,59% 1,84% 1,79% 2,61% 0,65% 3,21% 3,00% 2,34% 0,95%

1999 2,11% 1,94% 2,18% 2,40% 3,16% 2,16% 1,18% 1,02% 1,96% 0,86% 1,82% 3,62% 1,89% 1,84% 2,65% 0,76% 3,69% 3,02% 2,25% 1,00%

2000 2,24% 1,97% 2,24% 2,45% 3,34% 2,15% 1,12% 1,05% 1,82% 0,91% 1,81% 1,91% 1,85% 2,73% 0,90% 4,45% 3,04% 2,39% 1,05%

2001 2,38% 2,08% 2,39% 2,46% 3,30% 2,20% 1,10% 1,09% 1,80% 0,92% 1,79% 4,25% 1,92% 1,86% 2,74% 0,95% 4,76% 3,12% 2,59% 1,18%

2002 2,17% 1,94% 2,51% 2,49% 3,36% 2,23% 1,10% 1,13% 1,72% 0,99% 1,79% 1,93% 1,87% 2,64% 1,07% 4,75% 3,17% 2,53% 1,25%

2003 2,08% 1,88% 2,58% 2,52% 3,43% 2,17% 1,17% 1,11% 1,76% 1,05% 1,75% 3,85% 1,92% 1,86% 2,67% 1,13% 4,44% 3,20% 2,63% 1,28%

2004 2,01% 1,87% 2,48% 2,49% 3,45% 2,15% 1,24% 1,10% 1,78% 1,06% 1,69% 3,62% 1,89% 1,82% 2,58% 1,23% 4,41% 3,17% 2,85% 1,15%

2005 2,06% 1,84% 2,45% 2,48% 3,48% 2,10% 1,25% 1,09% 1,72% 1,12% 1,73% 3,80% 1,89% 1,82% 2,61% 1,33% 4,51% 3,32% 2,98% 1,07%

2006 1,97% 1,88% 2,46% 2,54% 3,45% 2,10% 1,30% 1,14% 1,71% 1,20% 1,76% 3,74% 1,91% 1,84% 2,61% 1,42% 4,53% 3,39% 3,22% 1,07%

2007 2,03% 1,87% 2,55% 2,53% 3,47% 2,08% 1,31% 1,70% 1,22% 3,63% 1,91% 1,83% 2,68% 4,74%

1,12%

Bron: Vlaanderen: Vlaams Indicatorenboek (2003, 2005, 2007, 2009); rest: Eurostat (februari 2009) en OECD MSTI-2008/2

Figuur 13.1: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de O&O-intensiteit (GERD in % BBPR) (2007)

Israël

4,74%

Zweden

3,63%

Finland

3,47% 3,39%

VS

2,68%

Oostenrijk

2,56%

Denemarken

255%

Duitsland

2,53%

Frankrijk

2,08%

Vlaanderen

2,03%

EU-15

1,91%

België

1,87%

EU-27

1,83%

VK*

1,76%

Nederland

1,70%

China*

1,42%

Ierland

1,31%

Spanje

1,22%

Italië*

1,14%

Rusland 0,00%

1,12%

1,00%

2,00%

3,00%

Bron: Vlaanderen: Vlaams Indicatorenboek (2003, 2005, 2007, 2009); rest: Eurostat (februari 2009) en OECD MSTI-2008/2. Voor landen met een * is de waarde voor 2006 opgenomen.

4,00%

5,00%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13

Japan*


194

Figuur 13.2: Internationale vergelijking van de O&O-intensiteit (GERD in % BBPR) over de periode 1997-2007

5,00%

Vlaanderen België Denemarken

4,00%

Duitsland Finland Frankrijk

3,00%

Ierland Italië Nederland

2,00%

Spanje VK 1,00%

Zweden EU-15 EU-27

0,00% 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

VS

2007

China Israël Japan Korea

Bron: Vlaanderen: Vlaams Indicatorenboek (2003, 2005, 2007, 2009); rest: Eurostat (februari 2009) en OECD MSTI-2008/2

AANVULLENDE INDICATOR Tabel 13.3: Opsplitsing van GERD op Vlaams Gewestniveau t.o.v. BBPR (%), naar private versus publieke financiering

Privaat gefinancierd Publiek gefinancierd Totaal % GERDgewest/BBPR

2001 1,83 0,53 2,38

2003 1,53 0,56 2,08

Bron: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring (3% nota 1993-2007, februari 2009)

2005 1,46 0,60 2,06

2007 1,50 0,53 2,03


195

KERNINDICATOR 2: OVERHEIDSKREDIETEN VOOR O&O (GBAORD) ALS % VAN BBPR GBAORD (GOVERNMENT BUDGET APPROPRIATIONS OR OUTLAYS ON RESEARCH AND DEVELOPMENT) Tabel 13.4: Benaderende berekening van de overheidskredieten voor O&O in Vlaanderen als % van het BBPR (1997-2009) Overheidskredieten voor O&O in Vlaanderen (in miljoen euro) 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009i

Vlaamse overheid1

483,16

523,68

580,76

600,06

613,35

704,14

766,89

830,85

898,638

966,137

953,584

1.121,429

1.146,888

Federale overheid2

220,657

228,036

226,637

235,952

240,036

236,107

246,483

249,784

225,891

253,694

238,720

235,416

238,255

68,36

68,36

68,18

68,18

68,18

68,18

89,078

89,078

89,078

89,078

89,078

88,073

88,073

772,18

820,08

875,58

904,19

921,57

1.008,43

1.102,45

1.169,71

1.213,61

1.308,91

1.281,38

1.444,92

1.473,22

Europese kaderprogramma's3 Totale overheidskredieten BBPR4

123.744,30 127.552,60 134.050,10 141.703,40 145.068,80 148.852,10 153.555,83 160.097,30 170.768,67 180.284,92 188.487,88 198.853,61 207.087,85

O&O als % BBPR

0,62%

0,64%

0,65%

0,64%

0,64%

0,68%

0,72%

0,73%

0,71%

0,73%

0,68%

0,73%

0,71%

Bron: eigen berekeningen VRWB (t.e.m. 2007) + Departement EWI (MVG) (vanaf 2008) 1 Vlaamse overheid: zoals vastgelegd in het HBPWB - O&O-aandeel. De cijfers t.e.m. 2007 zijn afkomstig van eerdere VRWB-berekeningen; de cijfers voor 2008-2009 zijn afkomstig van het Departement EWI (MVG). 2 Overzicht van de overheidskredieten voor O&O van de federale overheid - Commissie Federale Samenwerking, Overleggroep CFS/STAT; berekeningen federaal wetenschapsbeleid. Als verdeelsleutel voor de ESA-kredieten wordt een returnpercentage van 28,5% voor Vlaanderen toegepast voor de periode 1991-1996 (VRWBAanbeveling 13, 1997). Voor de periode 1997-2009 wordt een ongewogen returnpercentage van 35,49% gehanteerd (uit voorlopige berekeningen van het Technisch Comité voor Ruimtevaartonderzoek van de VRWB). De rest van de federale kredieten worden berekend aan 56% voor Vlaanderen volgens de vastgestelde IMCWBverdeelsleutel van 56%N/44%F. 3 Voor de Kaderprogramma’s wordt de return voor Vlaanderen geraamd volgens het berekende returnpercentage van 2,52% voor het 3e EU-kaderprogramma (1991-1994), volgens het berekende returnpercentage 2,38% voor het 4e EU-kaderprogramma (1994-1998), volgens het berekende returnpercentage 2,19% voor het 5e EU-kaderprogramma (1998-2002) en 2,12% voor het 6de Kaderprogramma (2003-2006). We houden dit returnpercentage ook aan onder voorbehoud voor het 7e EUkaderprogramma (2007-2013) voor 2007, 2008 en 2009. 4 Bruto Binnenlands Product voor De Regio (BBPR) in lopende prijzen. De cijfers t.e.m. 2007 werden in eerdere VRWB-berekeningen gebruikt en werden integraal overgenomen uit het vorige Indicatorenboek; de cijfers voor 2008-2009 zijn afkomstig van de Studiedienst van de Vlaamse Regering (september/oktober 2008). i geeft aan dat het een raming betreft.

Vlaanderen België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Oostenrijk Spanje VK Zweden Zwitserland EU-27 EU-15 Japan Korea VS Rusland

1997 0,62% 0,55% 0,72% 0,84% 1,10% 0,99% 0,29% 0,59% 0,83% 0,62% 0,48% 0,72%

0,72% 0,78% 0,58% 0,87%

1998 0,64% 0,56% 0,74% 0,81% 1,07% 0,96% 0,27% 0,56% 0,79% 0,63% 0,55% 0,66% 0,76% 0,68% 0,70% 0,75% 0,60% 0,85% 0,77%

1999 0,65% 0,58% 0,79% 0,81% 1,04% 0,94% 0,27% 0,54% 0,78% 0,65% 0,56% 0,68% 0,72% 0,69% 0,74% 0,63% 0,62% 0,84% 0,40%

2000 0,64% 0,57% 0,76% 0,79% 0,98% 0,96% 0,30% 0,64% 0,77% 0,62% 0,60% 0,69% 0,70% 0,64% 0,71% 0,77% 0,65% 0,65% 0,86% 0,50%

2001 0,64% 0,59% 0,75% 0,78% 0,97% 0,99% 0,32% 0,68% 0,75% 0,66% 0,66% 0,68% 0,82% 0,72% 0,78% 0,70% 0,72% 0,91% 0,47%

2002 0,68% 0,60% 0,73% 0,78% 0,96% 1,00% 0,33%

2003 0,72% 0,61% 0,73% 0,79% 1,00% 0,99% 0,37%

2004 0,73% 0,59% 0,71% 0,77% 1,01% 0,96% 0,46%

0,74% 0,67% 0,74% 0,77% 0,88% 0,68% 0,75% 0,80% 0,72% 0,75% 0,99% 0,55%

0,74% 0,65% 0,73% 0,75% 0,92%

0,73% 0,66% 0,80% 0,70% 0,88% 0,75% 0,73% 0,78% 0,72% 0,78% 1,09% 0,71%

0,73% 0,78% 0,73% 0,77% 1,05% 0,61%

2005 0,71% 0,59% 0,71% 0,77% 1,03% 0,97% 0,49% 0,67% 0,70% 0,66% 0,84% 0,72% 0,87% 0,72% 0,76% 0,71% 0,83% 1,06% 0,63%

2006 0,73% 0,61% 0,72% 0,76% 1,01% 0,81% 0,49% 0,61% 0,72% 0,66% 1,00% 0,74% 0,85% 0,69% 0,70% 0,75% 0,70% 0,85% 1,04% 0,36%

2007 0,68% 0,61% 0,79% 0,76% 0,97% 0,75% 0,51% 0,73% 0,69% 1,06% 0,80%

0,68% 0,90% 1,03% 0,36%

Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen VRWB (t.e.m. 2007) en Departement EWI (MVG) (vanaf 2008); rest: Eurostat (januari 2009) en OECD MSTI-2008/2

2008 0,73%

0,95%

0,68%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13

Tabel 13.5: Internationale vergelijking van de overheidskredieten voor O&O (GBAORD) als % van het BBPR (1997-2008)


196

Figuur 13.3: Internationale postionering van Vlaanderen inzake de GBAORD als % BBPR (2007)

Spanje

1,06%

VS

1,03%

Finland

0,97%

Korea

0,90%

Zweden

0,80%

Denemarken

0,79%

Portugal

0,78%

Duitsland

0,76%

EU-15*

0,75%

Frankrijk

0,75%

VK*

0,74%

Nederland

0,73%

EU-27 *

0,70%

Oostenrijk

0,69%

Zwitserland

0,69%

Japan

0,68%

Vlaanderen

0,68%

ItaliĂŤ*

0,61%

BelgiĂŤ

0,61%

Ierland 0,00%

0,51%

0,20%

0,40%

0,60%

Bron: Vlaanderen: Departement EWI (MVG); rest: Eurostat (januari 2009) en OECD MSTI-2008/2 Voor landen met een * wordt de waarde van 2006 opgenomen.

0,80%

1,00%

1,06%

1,20%


197

Figuur 13.4: Internationale vergelijking van de overheidskredieten voor O&O (GBAORD) als % van het BBPR (1997-2008)

1,20%

Vlaanderen BelgiĂŤ 1,00%

Denemarken Duitsland Finland

0,80%

Frankrijk Ierland

0,60%

ItaliĂŤ Oostenrijk 0,40%

Nederland Spanje VK

0,2%

Zweden Zwitserland

0,00% 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

EU-15 EU-27 VS Japan Korea Rusland

Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen VRWB (t.e.m. 2007) en Departement EWI (MVG) (vanaf 2008); rest: Eurostat (januari 2009) en OECD MSTI-2008/2

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13


198

KERNINDICATOR 3: TOTAAL O&O-PERSONEEL ALS % VAN DE BEROEPSBEVOLKING Tabel 13.6: Totaal O&O-personeel als % van de beroepsbevolking (1997-2007) 1997 1,00% 1,02% 1,20% 1,16% 1,65% 1,19% 0,70%

Vlaanderen België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Noorwegen Spanje VK Zweden Zwitserland EU-27 EU-15 Japan Korea China Rusland

1,09% 1,09% 0,51% 0,94% 1,50% 0,68% 0,85% 0,95% 1,32% 0,63% 0,12% 1,44%

1998 1,07% 1,07% 1,24% 1,15% 1,84% 1,19% 0,72% 0,63% 1,10% 0,57% 1,01%

0,86% 0,97% 1,36% 0,60% 0,11% 1,34%

1999 1,14% 1,13% 1,27% 1,21% 1,96% 1,20% 0,71% 0,61% 1,09% 1,09% 0,58% 1,05% 1,52% 0,64% 0,88% 0,99% 1,36% 0,64% 0,11% 1,35%

2000 1,24% 1,21% 1,32% 1,23% 2,02% 1,23% 0,73% 0,63% 1,09%

2001 1,33% 1,30% 1,39% 1,21% 2,03% 1,24% 0,75% 0,64% 1,08% 1,15% 0,70% 1,08% 1,62% 0,68% 0,91% 1,04% 1,32% 0,74% 0,13% 1,42%

0,67% 1,04%

0,90% 1,02% 1,33% 0,62% 0,13% 1,40%

2002 1,21% 1,20% 1,49% 1,21% 2,09% 1,25% 0,74% 0,68% 1,04% 1,15% 0,72% 1,11%

0,92% 1,05% 1,28% 0,75% 0,14% 1,38%

2003 1,21% 1,19% 1,46% 1,20% 2,18% 1,25% 0,77% 0,67% 1,02% 1,22% 0,78% 1,09% 1,62% 0,75% 0,93% 1,05% 1,32% 0,81% 0,15% 1,35%

2004 1,23% 1,17% 1,48% 1,18% 2,23% 1,28% 0,82% 0,67% 1,08% 1,25% 0,80% 1,07% 1,61% 0,93% 1,05% 1,35% 0,83% 0,15% 1,30%

2005 1,25% 1,16% 1,51% 1,16% 2,18% 1,28% 0,83% 0,72% 1,05% 1,27% 0,84% 1,09% 1,68% 0,69% 0,95% 1,06% 1,39% 0,91% 0,18% 1,25%

2006 1,26% 1,19% 1,55% 1,17% 2,18% 1,32% 0,84% 0,78% 1,13% 1,30% 0,88% 1,12% 1,69%

2007 1,28% 1,19% 1,59% 1,20% 2,09%

1,69%

0,98% 1,10% 1,41% 0,99% 0,20% 1,24%

1,22%

0,84% 1,04% 1,35%

Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen VRWB op basis van gegevens SOOI/ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering (MVG); rest: OECD MSTI-2008/2

Figuur 13.5: Internationale positionering van Vlaanderen inzake O&O-personeel als % van de beroepsbevolking (2007)

2,09%

Finland 1,69%

Zweden 1,59%

Denemarken 1,41%

Japan*

1,35%

Noorwegen

1,32%

Frankrijk*

1,28%

Vlaanderen

1,26%

Oostenrijk

1,22%

Rusland

1,20%

Duitsland

1,19%

België

1,12%

VK*

1,10%

EU-15*

1,04%

Nederland

0,99%

Korea*

0,98%

EU-27* 0,88%

Spanje*

0,84%

Ierland

0,78%

Italië* 0,62%

Portugal China* 0,00%

0,20%

0,50%

1,00%

1,50%

2,00%

Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen VRWB op basis van gegevens SOOI/ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering (MVG); rest: OECD MSTI-2008/2 Voor landen met een * wordt de waarde van 2006 opgenomen.

2,50%


199

Figuur 13.6: Internationale vergelijking van het totaal O&O-personeel als % van de beroepsbevolking (1997-2007)

2,50%

Vlaanderen BelgiĂŤ Denemarken

2,00%

Finland Frankrijk Duitsland

1,50%

Ierland ItaliĂŤ Japan

1,00%

Korea Nederland 0,50%

Noorwegen Spanje Zweden

0,00% 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

VK EU-27 EU-15 China Rusland

Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen VRWB op basis van gegevens SOOI/ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering (MVG); rest: OECD MSTI-2008/2

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13


200

KERNINDICATOR 4: NIEUWE W&T-GEDIPLOMEERDEN (T.O.V. LEEFTIJDSGROEP 20-29 JAAR) Tabel 13.7: Evolutie van het aandeel hoger afgestudeerden in Vlaanderen in Wiskunde, Wetenschappen en Technologie t.o.v. leeftijdgroep van 20 t.e.m. 29 jaar (‰) (1998-2007) 1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

9,2

9,3

10,3

10,6

10,9

12,3

11,8

12,0

11,9

15,6

Bron: Departement Onderwijs & Vorming (MVG) Opmerking: Op het einde van het academiejaar 2006-2007 werden zowel in de "oude" als in de "nieuwe" structuur (BAMA) diploma's uitgereikt. Dit zorgt voor een stijging van het aantal afgestudeerden (vooral ISCED 5A). Het betreft hier concreet de impact van het in rekening brengen van de diploma's academische bachelor. Vergelijkingen met voorgaande academiejaren zijn daarom niet eenduidig.

Tabel 13.8: Internationale vergelijking van het aandeel hoger afgestudeerden in Wiskunde, Wetenschappen en Technologie t.o.v. de leeftijdsgroep 20 t.e.m. 29 jaar (‰) (1998-2006)

Vlaanderen België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Noorwegen Oostenrijk Portugal Spanje VK Zweden Zwitserland EU-27 EU-15 VS Japan

1998 9,2

1999 9,3

8,1 8,8 15,9 18,5 22,9 5,1 6 7,5 7,9 5,2 8 15,5 7,9

8,2 8,6 17,8 19 23,8 5,5 5,8 7,2 6,9 6,1 9,5 16 9,7

8,8 9,1 9,2 12,3

9,3 9,3 12,6

2000 10,3 9,7 11,7 8,2 16 19,6 24,2 5,7 5,8 7,9 7,2 6,3 9,9 18,5 11,6

2001 10,6 10,1 12,2 8 17,2 20,1 22,9 6.2 6,1 8,6 7,3 6,6 11,2 20 12,4

10 10 9,7 12,6

10,6 10,4 9,9 12,8

Bron: Vlaanderen: Departement Onderwijs & Vorming (MVG); rest: Eurostat (februari 2009)

2002 10,9 10,5 11,7 8,1 17,4 20,5 7,4 6,6 7,7 7,9 7,4 11,9 20,3 13,3 15,1 11,1 10,9 10 13

2003 12,3 11 12,5 8,4 17,4 22 24,2 9,1 7,3 9,3 8,2 8,2 12,6 21 13,9 14,1 12,1 11,9 10,9 13,2

2004 11,8 11,2 13,8 9

23,1 10,8 7,9 9 8,7 11 12,5 18,1 15,9 14,6 12,5

2005 12,0 10,9 14,7 9,7 17,7 22,5 24,5 12,4 8,6 9 9,8 12 11,8 18,4 14,4 16,1 13,2

10,2 13,4

10,6 13,7

2006 11,94 10,6 13,8 10,7 17,9 20,7 21,4 9,1 9 9,3 10,8 12,6 11,5 17,8 15,1 16,8 13 12,8 10,3 14,4


201

Figuur 13.7: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel hoger afgestudeerden in Wiskunde, Wetenschappen en Technologie t.o.v. de leeftijdsgroep 20 t.e.m. 29 jaar (2006) (‰)

Ierland

21,4

Frankrijk

20,7

Finland

17,9

VK

17,8

Zwitserland

16,8

Zweden

15,1

Japan

14,4

Denemarken

13,8

EU-27

13,0

EU-15

12,8

Portugal

12,6

Vlaanderen

11,9

Spanje

11,5

Oostenrijk

10,8

Duitsland

10,7

België

10,6

VS

10,3

Noorwegen

9,3

Italië

9,1

Nederland

9,0

0

5

10

20

25

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13

Bron: Vlaanderen: Departement Onderwijs & Vorming (MVG); rest: Eurostat (februari 2009)

15


202

AANVULLENDE INDICATOR: DIPLOMA'S W&T IN HOGER ONDERWIJS T.O.V. ALLE DIPLOMA'S HOGER ONDERWIJS Tabel 13.9: Evolutie van het percentage diploma’s in Wiskunde, Wetenschappen en Technologie in het hoger onderwijs in Vlaanderen t.o.v. alle diploma’s in het hoger onderwijs (%) (1998-2006) 1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

19,7%

19,8%

20,7%

20,5%

19,8%

20,5%

20,05%

20,32%

19,02%

Bron: Departement Onderwijs & Vorming (MVG)

Tabel 13.10: Internationale vergelijking van het percentage diploma’s in Wiskunde, Wetenschappen en Technologie in het hoger onderwijs t.o.v. alle diploma’s in het hoger onderwijs (%) (1998-2006) 1998 België

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

18,9

18,9

18,8

19,3

19,

18,5

17,8

2006

Vlaanderen

19,7

19,8

20,7

20,5

19,8

20,5

20,05

20,32

19,0

Denemarken

19,5

18,1

21,7

22,2

18,9

19,8

19,4

18,9

18,1

Duitsland

28,6

27,4

26,6

25,9

26,2

26,4

26,9

27,3

25,1

Finland

26,1

29,6

28,0

29,5

28,7

29,1

30,

29,4

Frankrijk

30,7

30,4

30,5

29,9

26,9

25,8

Ierland

32,1

32,6

34,5

31,9

30,2

29,9

28,3

28,2

25,9

Italië

24,2

23,9

23,1

22,3

22,9

23,3

22,7

22,4

22,7

Nederland

17,0

16,5

15,7

15,5

15,8

16,3

16,7

15,9

15,1

Noorwegen

12,9

16,4

16,8

17,1

16,0

18,3

16,4

15,9

15,7

Oostenrijk

33,5

29,9

30,1

27,5

29,7

28,4

28,8

30,5

32,2

Portugal

17,9

19,0

18,6

17,7

18,3

19,

22,1

23,

22,6

Spanje

21,9

23,5

25,0

26,8

27,2

28,1

27,9

27,

26,6

VK

26,2

25,8

27,9

27,3

26,8

25,8

23,1

22,4

22,0

Zweden

26,0

28,0

30,6

32,1

31,9

30,5

28,8

25,8

25,8

23,4

22,

21,9

23,

22,4

Zwitserland

29,4

EU 27

25,1

24,8

24,8

24,3

24,2

24,1

23,5

22,7

22,4

VS

17,0

17,1

17,2

17,5

17,4

18,5

16,5

16,8

16,1

Japan

24,9

25,2

25,2

22,7

23,2

23,1

22,8

22,6

22,2

Bron: Vlaanderen: Departement Onderwijs & Vorming (MVG); rest: Eurostat (februari 2009)


203

Figuur 13.8: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het percentage diploma’s in Wiskunde, Wetenschappen en Technologie in het hoger onderwijs t.o.v. alle diploma's in het hoger onderwijs (%) (2006)

Oostenrijk

32%

Finland

29%

Spanje

27%

Ierland

26%

Zweden

26%

Frankrijk

26%

Duitsland

25%

EU-15

25%

Italië

23%

Portugal

23%

Zwitserland

22%

EU-27

22%

Japan

22%

VK

22%

Vlaanderen

19%

Denemarken

18%

België

18%

VS

16%

Noorwegen

16%

Nederland

15%

0

5

10

15

25

30

35

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13

Bron: Vlaanderen: Departement Onderwijs & Vorming (MVG); rest: Eurostat (februari 2009)

20


204

KERNINDICATOR 5: TOTAAL AANTAL INNOVERENDE BEDRIJVEN (IN % VAN AANTAL BEDRIJVEN IN DE INDUSTRIE- EN DIENSTENSECTOREN) Tabel 13.11: Gecombineerde innovatie-indicator (% innovatieve bedrijven) volgens CIS-enquête

Alle bedrijven KMO’s Grote bedrijven Low tech High tech Industrie Diensten

CIS-3 (2001) 58% 58% 83% 55% 71% 69% 49%

CIS-4 (2005) 59% 57% 88% 55% 78% 64% 54%

Bron: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring (geëxtrapoleerde cijfers) (maart 2009)

CIS-2007 56% 54% 82% 53% 71% 64% 49%


205

KERNINDICATOR 6: INVESTERINGEN IN RISICOKAPITAAL ('VENTURE CAPITAL') Tabel 13.12: Internationale vergelijking van 'venture capital' investeringen in % BBP (1997-2007) 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

België

0,078%

0,106%

0,252%

0,205%

0,118%

0,084%

0,042%

0,063%

0,038%

0,169%

0,099%

Denemarken

0,015%

0,025%

0,050%

0,088%

0,165%

0,128%

0,106%

0,146%

0,401%

0,082%

0,093%

Duitsland

0,046%

0,068%

0,130%

0,184%

0,131%

0,064%

0,033%

0,044%

0,056%

0,041%

0,044%

Finland

0,086%

0,100%

0,109%

0,184%

0,157%

0,205%

0,131%

0,067%

0,096%

0,094%

0,210%

Frankrijk

0,044%

0,065%

0,118%

0,209%

0,088%

0,076%

0,091%

0,109%

0,083%

0,107%

0,076%

Ierland

0,051%

0,055%

0,090%

0,184%

0,108%

0,080%

0,060%

0,042%

0,064%

0,054%

0,060%

Italië

0,023%

0,051%

0,049%

0,124%

0,085%

0,069%

0,049%

0,036%

0,031%

0,067%

0,019%

Nederland

0,144%

0,165%

0,242%

0,330%

0,216%

0,191%

0,096%

0,084%

0,098%

0,092%

0,107%

Noorwegen

0,114%

0,104%

0,123%

0,166%

0,118%

0,093%

0,124%

0,100%

0,137%

0,089%

0,134%

Oostenrijk

0,004%

0,019%

0,028%

0,073%

0,060%

0,053%

0,045%

0,052%

0,043%

0,035%

0,018%

Portugal

0,042%

0,047%

0,047%

0,110%

0,059%

0,048%

0,082%

0,116%

0,133%

0,046%

0,070%

Spanje

0,039%

0,004%

0,085%

0,118%

0,134%

0,105%

0,127%

0,157%

0,085%

0,095%

0,094%

VK

0,104%

0,132%

0,203%

0,376%

0,167%

0,154%

0,163%

0,209%

0,292%

0,506%

0,238%

Zweden

0,029%

0,059%

0,191%

0,219%

0,368%

0,214%

0,143%

0,228%

0,305%

0,226%

0,223%

Zwitserland

0,016%

0,057%

0,158%

0,071%

0,058%

0,094%

0,052%

0,042%

0,107%

0,133%

0,144%

Europa

0,055%

0,076%

0,130%

0,215%

0,127%

0,098%

0,083%

0,098%

0,113%

0,145%

0,096%

Bron: EVCA

Figuur 13.9: Internationale positionering van België inzake 'venture capital' investeringen (als % van het BBP) (2007)

0,238%

VK 0,223%

Zweden 0,210%

Finland Zwitserland 0,134%

Noorwegen 0,107%

Nederland

0,099%

België

0,096%

Europa

0,094%

Spanje

0,093%

Denemarken 0,076%

Frankrijk

0,070%

Portugal

0,067%

Roemenië

0,060%

Ierland 0,044%

Duitsland 0,024%

Polen

0,019%

Italië

0,018%

Oostenrijk Hongarije

0,011%

Tsechië

0,011%

Griekenland 0,00%

Bron: EVCA

0,008%

0,05%

0,10%

0,15%

0,20%

0,25%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13

0,144%


206

Figuur 13.10: Internationale vergelijking van 'venture capital' investeringen (als % BBP) (1997-2007)

0,6

België Denemarken Duitsland

0,5

Finland Frankrijk

0,4

Ierland Italië 0,3

Nederland Noorwegen Oostenrijk

0,2

Portugal Spanje

0,1

VK Zweden 0,0 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

Zwitserland

2007

Europa

Bron: EVCA

AANVULLENDE INDICATOR: 'EARLY STAGE VENTURE CAPITAL' INVESTERINGEN Tabel 13.13: Internationale vergelijking van 'early stage' risicokapitaal investeringen (als % van BBP)(1997-2007)

België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Noorwegen Oostenrijk Portugal Spanje VK Zweden Zwitserland Europa Zwitserland Bron: EVCA

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

0,014%

0,063%

0,090%

0,103%

0,039%

0,042%

0,014%

0,017%

0,021%

0,012%

0,033%

0,002%

0,008%

0,019%

0,019%

0,084%

0,075%

0,050%

0,085%

0,051%

0,015%

0,047%

0,011%

0,024%

0,051%

0,080%

0,056%

0,027%

0,014%

0,016%

0,014%

0,011%

0,018%

0,008%

0,054%

0,056%

0,100%

0,104%

0,071%

0,059%

0,027%

0,044%

0,027%

0,040%

0,007%

0,020%

0,039%

0,079%

0,038%

0,026%

0,025%

0,028%

0,028%

0,030%

0,017%

0,002%

0,030%

0,046%

0,097%

0,033%

0,021%

0,025%

0,019%

0,023%

0,015%

0,017%

0,007%

0,015%

0,013%

0,044%

0,024%

0,005%

0,005%

0,002%

0,002%

0,002%

0,001%

0,047%

0,050%

0,091%

0,087%

0,043%

0,045%

0,008%

0,008%

0,004%

0,012%

0,022%

0,003%

0,010%

0,022%

0,059%

0,034%

0,272%

0,029%

0,016%

0,028%

0,013%

0,064%

0,002%

0,006%

0,007%

0,029%

0,020%

0,013%

0,013%

0,007%

0,012%

0,003%

0,006%

0,011%

0,014%

0,008%

0,025%

0,013%

0,008%

0,043%

0,027%

0,040%

0,010%

0,024%

0,004%

0,001%

0,016%

0,031%

0,017%

0,015%

0,008%

0,009%

0,013%

0,027%

0,011%

0,009%

0,014%

0,020%

0,099%

0,058%

0,036%

0,039%

0,047%

0,047%

0,227%

0,031%

0,002%

0,012%

0,111%

0,089%

0,097%

0,097%

0,064%

0,084%

0,053%

0,058%

0,086%

0,001%

0,028%

0,086%

0,022%

0,027%

0,045%

0,032%

0,021%

0,026%

0,024%

0,055%

0,009%

0,021%

0,040%

0,073%

0,044%

0,029%

0,021%

0,023%

0,022%

0,049%

0,021%

0,052%

0,075%

0,154%

0,319%

0,104%

0,042%

0,031%

0,031%

0,030%

0,031%

0,031%


207

Figuur 13.11: Internationale positionering van België inzake 'early stage' risicokapitaal investeringen (als % tov BBP) (2007)

0,086%

Zweden 0,064%

Noorwegen 0,055%

Zwitserland 0,047%

Denemarken 0,040%

Finland 0,033%

België VS

0,031%

VK

0,031% 0,024%

Portugal

0,022%

Nederland

0,021%

Europa

0,018%

Duitsland

0,017%

Ierland

0,017%

Frankrijk 0,011%

Spanje 0,006%

Oostenrijk

0,002%

Hongarije Roemenië

0,000%

0,00%

0,02%

0,04%

0,06%

0,08%

0,010%

Bron: EVCA

Figuur 13.12: Internationale vergelijking van 'early stage' risicokapitaalinvesteringen (als % tov BBP) (1997-2007)

België Denemarken Duitsland Finland

0,3%

Frankrijk Ierland Italië 0,2%

Nederland Noorwegen Oostenrijk Portugal

0,1%

Spanje VK Zweden 0,0% 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Zwitserland Europa VS

Bron: EVCA

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13

0,4%


208

KERNINDICATOR 7: AANTAL AANGEVRAAGDE EPO-OCTROOIEN MET UITVINDER VAN BETREFFEND LAND OF REGIO PER MILJOEN INWONERS Figuur 13.13: Aangevraagde EPO-octrooien in Vlaanderen met Vlaamse uitvinder/miljoen inwoners (1992-2005)

250

200

150

100

50

0 1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

Bron: eigen berekeningen VRWB a.h.v. data SOOI/ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering (MVG) (maart 2009) Opmerking: Deze cijfers verschillen van deze opgenomen in het hoofdstuk 10 rond patentaanvragen van het Vlaams Indicatorenboek. In dit hoofdstuk houdt men immers rekening met de octrooiaanvragen met Vlaamse uitvinder en/of Vlaamse aanvrager.

Tabel 13.14: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aantal aangevraagde EPO-octrooien met lokale uitvinder/miljoen inwoners (2005) VLA

BEL

EU-27

EU-15

DEN

DUI

FIN

FRA

IER

ITA

LUX

214,6

177,3

105,7

137,6

201,9

290,0

259,8

142,1

72,6

78,1

309,6

NED

OOS

SPA

ZWE

VK

ZWI

CAN

VS

KOR

JAP

234,6

196,8

30,0

242,0

102,4

483,0

75,8

114,3

89,9

68,9

Bron: eigen berekeningen VRWB a.h.v. data SOOI/ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering (MVG) (maart 2009)


209

Figuur 13.14: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aantal aangevraagde EPO-octrooien met lokale uitvinder/miljoen inwoners (2005)

Zwitserland

483,0

Luxemburg

309,6

Duitsland

290,0

Finland

259,8

Zweden

242,0

Nederland

234,6

Vlaanderen

214,6

Denemarken

201,9

Oostenrijk

196,8

BelgiĂŤ

177,3

Japan

168,9

Frankrijk

142,1

EU 15

137,6

VS

114,3

EU 27

105,7

VK

102,4

Korea

89,9

ItaliĂŤ

78,1

Canada

75,8

Ierland

72,6

Spanje

30,0

0

100

200

300

400

500

600

Bron: eigen berekeningen VRWB a.h.v. data SOOI/ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering (MVG) (maart 2009)

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13


210

KERNINDICATOR 8: AANDEEL VAN INNOVATIEVE PRODUCTEN IN DE OMZET (NIEUWE PRODUCTEN IN % VAN DE TOTALE OMZET) Tabel 13.15: Aandeel van innovatieve producten in de omzet van innovatieve bedrijven in Vlaanderen (omzet van nieuwe of significant verbeterde producten die ook nieuw voor de markt zijn t.o.v. de totale omzet van innovatieve bedrijven) (%) (2006) 2006 10,7% 11,8% 7,8%

Alle bedrijven Industrie Diensten

Bron: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring (maart 2009)

Figuur 13.15: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel van innovatieve producten in de omzet (voor alle innovatieve bedrijven) (%) (2006)

Malta

41,7%

Griekenland

22,8%

Bulgarije

17,0%

Tsjechië

16,0%

Slovakije

13,5%

Finland

13,3%

Hongarije

12,5%

Portugal

11,1%

Vlaanderen

10,7%

VK

10,6%

Spanje

10,5%

Duitsland

10,2%

Roemenië

10,1%

Nederland

10,0%

Litouwen

10,0%

EU-27

10,0%

Ierland

Alle bedrijven

9,6%

Slovenië

8,9%

Oostenrijk

8,3%

Polen

7,6%

Cyprus

7,5%

Luxemburg

7,4%

Denemarken

7,4%

Italië

7,3%

België

6,7%

Estland

6,3%

Letland

5,0%

Noorwegen

3,8%

0%

5%

10%

15%

20%

25%

Bron: Vlaanderen: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring; rest: Eurostat (maart 2009)

30%

35%

40%

45%


211

Figuur 13.16: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel van innovatieve producten in de omzet (voor de bedrijven uit de industrie) (%) (2006)

Malta

36,9%

Griekenland

31,1%

Bulgarije

20,3%

Tsjechië

18,6%

Finland

17,6%

Portugal

15,4%

Slovakije

15,1%

Duitsland

14,1%

Hongarije

14,0%

Litouwen

13,8%

EU-27

12,2%

VK

12,0%

Vlaanderen

11,8%

Ierland

11,6%

Denemarken

11,5%

Nederland

Industrie

11,2%

Spanje

11,0%

Oostenrijk

10,3%

Slovenië

10,0%

Polen

8,3%

Roemenië

8,3%

Cyprus

8,3%

Luxemburg

7,7%

Italië

7,5%

Letland

7,1% 6,9%

Estland

5,1%

Noorwegen

3,7%

0%

5%

10%

15%

20%

Bron: Vlaanderen: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring; rest: Eurostat (maart 2009)

25%

30%

35%

40%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13

België


212

Figuur 13.17: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel van innovatieve producten in de omzet (voor bedrijven uit de dienstensector) (%) (2006)

Malta

45,7%

Griekenland

12,8%

Roemenië

12,5%

Slovakije

9,3%

Spanje

8,8%

Hongarije

8,8%

Tsjechië

8,6%

Bulgarije

7,9%

Vlaanderen

7,8%

Luxemburg

Diensten

7,3%

Cyprus

7,2%

Slovenië

6,7%

Portugal

6,4%

België

6,4%

Polen

6,3%

Oostenrijk

6,2%

Italië

5,9%

Litouwen

4,4%

Denemarken

4,0%

Noorwegen

3,9%

0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

Bron: Vlaanderen: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring; rest: Eurostat (maart 2009)

35%

40%

45%

50%


213

KERNINDICATOR 9: TEWERKSTELLINGSGRAAD IN MEDIUM HIGHTECH EN HIGHTECH INDUSTRIE EN DIENSTEN ALS % VAN DE TOTALE BEROEPSBEVOLKING Tabel 13.16: Internationale vergelijking van de tewerkstellingsgraad in medium-hightech en hightech industrie (als % t.o.v. totale beroepsbevolking) (1997-2007)

EU 27 België Brussels HG Vlaams Gewest Waals Gewest Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Noorwegen Oostenrijk Portugal Spanje VK Zweden Zwitserland

1997

1998

1999

7,50% 4,02% 8,97% 5,45% 6,31% 10,84% 4,47% 7,12%

7,23% 4,30% 8,52% 5,43% 6,83% 11,04% 4,98% 7,00% 7,52% 7,64% 4,86% 5,05% 6,48% 3,65% 5,57% 7,78% 8,63% 7,95%

7,22% 3,76% 8,68% 5,17% 6,39% 10,88% 7,27% 7,26% 7,30% 7,63% 4,67% 4,75% 6,63% 3,75% 5,46% 7,60% 8,26% 7,62%

7,43% 5,11% 5,42% 6,46% 3,70% 5,43% 7,68% 8,62% 7,56%

2000 7,40% 7,09% 3,38% 8,64% 4,91% 6,44% 11,19% 7,25% 7,24% 6,94% 7,63% 4,45% 4,48% 6,77% 3,77% 5,38% 7,30% 7,90% 7,74%

2001 7,36% 6,90% 3,53% 8,35% 4,84% 7,00% 11,22% 7,45% 7,16% 7,29% 7,43% 4,29% 4,39% 6,48% 3,71% 5,49% 7,11% 7,72% 8,14%

2002 7,23% 6,60% 3,03% 7,87% 4,99% 6,31% 11,37% 7,40% 6,82% 6,83% 7,37% 4,07% 4,59% 6,58% 3,35% 5,31% 6,65% 7,27% 7,50%

2003 6,95% 6,41% 2,33% 7,67% 4,99% 6,12% 11,05% 6,87% 6,39% 6,29% 7,43% 4,04% 4,53% 6,20% 3,25% 5,06% 6,24% 7,03% 7,07%

2004 6,76% 6,40% 2,23% 7,77% 4,75% 5,97% 11,24% 6,81% 6,40% 6,51% 7,47% 3,57% 4,07% 6,25% 3,70% 4,87% 5,68% 7,07% 7,02%

2005 6,59% 6,52% 2,54% 8,03% 4,57% 6,10% 10,50% 6,78% 6,32% 6,02% 7,51% 3,29% 4,12% 6,29% 3,31% 4,68% 5,61% 6,51% 7,27%

2006 6,60% 6,33% 2,95% 7,57% 4,73% 6,01% 10,72% 6,83% 5,93% 5,66% 7,59% 3,13% 4,50% 6,96% 3,36% 4,48% 5,53% 6,33% 7,29%

2007 6,69% 6,31% 2,27% 7,60% 4,81% 6,03% 10,72% 7,03% 6,36% 5,26% 7,59% 3,15% 4,21% 6,66% 3,49% 4,48% 5,40% 6,20% 7,19%

Bron: Eurostat (februari 2009) en European Innovation Scoreboards

Figuur 13.18: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de tewerkstellingsgraad in medium-hightech en hightech industrie (als % t.o.v. totale beroepsbevolking) (2007)

10,72% 7,60%

Italië

7,59%

Zwitserland

7,19%

Finland

7,03%

EU-27

6,69%

Oostenrijk

6,66%

Frankrijk

6,36%

België

6,31%

Zweden

6,20%

Denemarken

6,03%

VK

5,40%

Ierland

5,26%

Waals Gewest

4,81%

Spanje

4,48%

Noorwegen

4,21%

Portugal

3,49%

Nederland

3,15%

Brussels HG 0,00%

2,27%

2,00%

4,00%

Bron: Eurostat (februari 2009) en European Innovation Scoreboards

6,00%

8,00%

10,00%

12,00%

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13

Duitsland Vlaams Gewest


214

Tabel 13.17: Internationale vergelijking van de tewerkstellingsgraad in hightech diensten (uitgedrukt als % t.o.v. totale beroepsbevolking) (1997-2007)

EU 27 België Brussels HG Vlaams Gewest Waals Gewest Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Noorwegen Oostenrijk Portugal Spanje VK Zweden Zwitserland

1997

1998

1999

3,34% 3,70% 3,03% 3,89% 3,90% 2,84% 3,05% 3,57%

3,45% 3,87% 3,27% 3,71% 4,15% 2,62% 3,83% 3,58% 3,79% 2,57% 3,37% 3,60% 2,49% 1,40% 1,95% 3,74% 4,38% 3,38%

3,24% 4,40% 3,00% 3,40% 4,51% 2,81% 4,26% 3,83% 3,99% 2,72% 3,60% 3,91% 2,67% 1,27% 2,16% 4,13% 4,76% 3,79%

2,63% 3,05% 3,49% 2,34% 1,54% 1,74% 3,58% 4,04% 3,63%

2000 3,21% 3,86% 5,23% 3,75% 3,70% 5,04% 3,03% 4,39% 3,86% 4,01% 2,93% 4,13% 3,77% 2,80% 1,19% 2,29% 4,29% 5,13% 3,73%

2001 3,42% 4,03% 4,62% 4,08% 3,76% 4,94% 3,21% 4,40% 4,08% 4,09% 3,06% 4,16% 4,37% 3,04% 1,45% 2,68% 4,72% 5,18% 4,31%

2002 3,36% 3,78% 5,00% 3,65% 3,68% 4,73% 3,33% 4,73% 4,07% 4,27% 3,02% 3,72% 4,10% 3,43% 1,51% 2,50% 4,40% 5,22% 4,08%

2003 3,32% 4,05% 5,54% 3,84% 4,04% 4,51% 3,32% 4,68% 4,10% 3,89% 2,93% 3,89% 3,85% 3,30% 1,48% 2,33% 4,33% 4,85% 4,29%

2004 3,22% 3,93% 5,22% 3,80% 3,84% 4,10% 3,35% 4,58% 3,84% 3,60% 3,07% 4,00% 3,92% 2,61% 1,39% 2,54% 4,33% 4,75% 4,19%

2005 3,28% 3,74% 4,01% 3,89% 3,34% 4,32% 3,34% 4,51% 3,99% 3,57% 2,98% 4,12% 3,81% 3,04% 1,81% 2,70% 4,28% 5,12% 3,96%

2006 3,31% 3,92% 4,24% 4,10% 3,46% 4,39% 3,47% 4,59% 3,88% 3,88% 3,06% 3,83% 3,92% 2,75% 1,85% 2,99% 4,21% 5,06% 3,79%

2007 3,29% 3,89% 4,70% 3,82% 3,80% 4,19% 3,44% 4,56% 3,42% 3,70% 3,12% 4,26% 3,82% 2,59% 1,70% 2,95% 4,34% 5,07% 3,75%

Bron: Eurostat (februari 2009) en European Innovation Scoreboards

Figuur 13.19: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de tewerkstellingsgraad in hightech diensten (uitgedrukt als % t.o.v. totale beroepsbevolking) (2007)

Zweden

5,07%

Brussels HG

4,70%

Finland

4,56%

VK

4,34%

Nederland

4,26%

Denemarken

4,19%

België

3,89%

Noorwegen

3,82%

Vlaams Gewest

3,82%

Waals Gewest

3,80%

Zwitserland

3,75%

Ierland

3,70%

Duitsland

3,44%

Frankrijk

3,42%

EU-27

3,29%

Italië

3,12%

Spanje

2,59%

Oostenrijk

2,59%

Portugal 0,00%

1,70%

1,00%

2,00%

Bron: Eurostat (februari 2009) en European Innovation Scoreboards

3,00%

4,00%

5,00%

6,00%


215

KERNINDICATOR 10: GROEI VAN HET BRUTO BINNENLANDS PRODUCT PER REGIO (BBPR) Tabel 13.18: Evolutie van het bruto binnenlands product voor Vlaanderen, respectievelijk in lopende prijzen en in volume, en van het reële groeipercentage van het Vlaamse BBPR

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009

BBPR lopende prijzen (in miljoen euro) 98.822,8 103.422,3 106.704,3 113.183,1 118.163,3 120.045,1 126.808,0 131.197,9 136.578,9 144.324,5 148.202,2 152.974,1 157.411,7 166.377,7 173.169,9 182.981,4 189.566,1 198.853,6 207.087,9

Volume (kettingeuro's met referentiejaar 2000, in miljoen euro) 115.210,2 117.099,5 116.749,5 121.376,1 125.151,4 126.423,7 132.102,2 134.118,2 139.043,8 144.324,5 144.865,0 146.605,2 148.110,5 152.752,5 155.052,0 160.312,3 164.920,6 167.813,0 170.827,2

Reële groeipercentage BBPR 1,64% -0,30% 3,96% 3,11% 1,02% 4,49% 1,53% 3,67% 3,80% 0,37% 1,20% 1,03% 3,13% 1,51% 3,39% 2,87% 1,75% 1,80%

Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering (september/oktober 2008) De laatste officiële prognoses van het Vlaamse BBPR zijn opgesteld vóór het uitbarsten van de (financiële) crisis. De economische groei voor 2008-2010 wordt in deze reeksen te optimistisch ingeschat. In december werd er een korte en niet-officiële update gedaan van de regionale vooruitzichten. De Vlaamse economische groei voor 2008-2010 werd toen naar beneden bijgesteld (reële groei BBPR, 2008: van 1,8% naar 1,5%; 2009 van 1,8% naar -0,2% en 2010: van 2,6% naar 1,8%).

Voor meer info, zie documenten van de NBB: Beknopt: http://www.nbb.be/doc/dq/N/METHOD/OVERHN05.pdf Meer uitgebreid, onderstaand document op blz. 13-21: http://www.nbb.be/doc/DQ/N/DQ3/HISTO/NNDC05.PDF

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13

Noot: Berekening in volume. Om de volumegroei van het BBP en zijn componenten te kennen moet uit de waarde-evolutie het effect van prijsveranderingen geëlimineerd worden. Tot voor kort werd gewerkt met een vast basisjaar. De prijsstructuur en de wegingen van dat vast basisjaar dienden om gedetailleerde reeksen en aggregaten in constante prijzen van het basisjaar te berekenen. Om de vijf jaar werd een nieuw basisjaar gekozen om rekening te houden met verandering in relatieve prijzen. De ervaring in diverse landen heeft echter uitgewezen dat bij snel wijzigende relatieve prijzen een vijfjaarlijkse update niet volstaat om een juist beeld te krijgen van de economische groei. Daarom werd door Eurostat besloten om over te stappen op een jaarlijkse update van het basisjaar. Dit komt neer op het meten van de groei in "ketting-volumemaatstaven". Bij de berekening van kettingindices wordt de volumegroei tussen twee opeenvolgende periodes t en t+1 berekend door de prijzen en gewichten van het jaar t te gebruiken. Bijvoorbeeld de toegevoegde waarde in volume tussen jaar 1 en 2 wordt berekend door de toegevoegde waarde van jaar 2 uitgedrukt in prijzen van jaar 1 te vergelijken met de toegevoegde waarde van jaar 1. Analoog wordt de groei tussen jaar 2 en 3 berekend door de toegevoegde waarde in jaar 3 uit te drukken in prijzen van jaar 2. Enzovoort voor volgende jaren. De wijzigingen tussen opeenvolgende periodes worden aan elkaar gelinkt (gecumuleerd) om aldus een kettingindex te bekomen. Wanneer tenslotte de kettingindex van een aggregaat toegepast wordt op het bedrag (niveau) van een referentiejaar, dan bekomt men een volumemaatstaf in "ketting <jaar T> €". Kettingindices meten accurater de veranderingen in economische groei, maar hebben als nadeel de zogenaamde 'non-additiviteit'. Dit wil zeggen dat toepassing van de kettingindices op de deelcomponenten van het BBP en vervolgens sommatie van deze deelcomponenten van het BBP niet hetzelfde zal zijn als loutere toepassing van kettingindices op het BBP zelf (tenminste vanaf het tweede jaar na het referentiejaar).


216

Figuur 13.20: Internationale vergelijking van de reële groeivoet van het BBPR (%) (1999-2006)

14,0%

Vlaanderen België

12,0%

Denemarken Duitsland

10,0%

Finland Frankrijk

8,0%

Ierland 6,0%

Italië Nederland

4,0%

Noorwegen Oostenrijk

2,0%

Spanje VK

0,0%

Zweden Zwitserland

-2,0%

EU 27 EU 15

-4,0% 1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

VS Japan

Bron: Vlaanderen: Studiedienst Vlaamse Regering (MVG); rest: Eurostat (maart 2009) Opmerking: ramingen voor 2008-2010


217

KERNINDICATOR 11: EXPORTAANDEEL VAN DE HIGHTECH SECTOREN IN VLAANDEREN Opmerking: Er zijn geen recente, gedetailleerde cijfers beschikbaar m.b.t. het export aandeel in medium- en hightech industrie en highttech diensten, noch op Vlaams noch op internationaal niveau. Er wordt daarom gekeken naar het aandeel van de hightech export in de totale export, waarvoor er wel Vlaamse en internationale gegevens beschikbaar zijn.

Tabel 13.19: Internationale vergelijking van de hightech export t.o.v. de totale export (in %) (1999-2006) 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

7,20%

8,70%

6,70%

6,30%

6,40%

6,50%

5,90%

7,85%

8,69%

8,98%

7,49%

7,42%

7,12%

7,05%

6,64%

13,88%

14,43%

13,99%

15,02%

13,45%

13,32%

14,86%

12,75%

14,19%

16,08%

15,80%

15,15%

14,76%

15,36%

14,79%

14,06%

20,69%

23,48%

21,14%

20,90%

20,58%

17,77%

21,34%

18,12%

23,96%

25,47%

25,60%

21,88%

20,74%

20,07%

19,07%

17,88%

39,40%

40,54%

40,80%

35,35%

29,91%

29,08%

29,54%

29,01%

7,51%

8,53%

8,58%

8,21%

7,10%

7,08%

6,94%

6,35%

15,07%

20,56%

27,91%

24,71%

29,63%

29,46%

37,99%

40,66%

21,86%

22,82%

22,28%

18,74%

18,81%

19,10%

20,25%

18,27%

4,42%

3,18%

3,95%

4,85%

3,96%

3,46%

2,93%

2,96%

11,89%

14,05%

14,66%

15,74%

15,33%

14,76%

12,81%

11,17%

4,37%

5,57%

6,94%

6,36%

7,48%

7,49%

6,85%

6,99%

5,94%

6,37%

6,11%

5,71%

5,91%

5,70%

5,65%

4,92%

27,35%

28,90%

29,80%

28,64%

24,43%

22,80%

22,14%

26,48%

17,83%

18,71%

14,23%

13,71%

13,12%

14,14%

14,23%

13,39%

20,34%

19,99%

21,20%

20,39%

21,58%

21,13%

21,19%

20,35%

20,41%

21,39%

21,23%

18,89%

18,57%

18,49%

18,74%

16,65%

30,08%

29,95%

28,71%

27,99%

27,00%

26,82%

26,15%

26,13%

25,13%

27,00%

24,73%

23,09%

22,75%

22,37%

21,15%

20,04%

15,23%

16,78%

18,60%

21,30%

24,83%

27,49%

28,35%

28,20%

69,13%

66,61%

65,68%

68,08%

66,34%

65,30%

63,13%

58,36%

4,61%

4,99%

5,15%

4,67%

4,64%

4,27%

4,16%

4,00%

3,95%

4,25%

3,28%

4,73%

4,37%

3,03%

1,60%

1,62%

52,81%

54,22%

51,90%

51,70%

48,09%

47,67%

46,20%

46,11%

28,87%

31,59%

26,90%

28,94%

29,72%

30,04%

29,55%

28,73%

7,19%

11,00%

10,50%

8,98%

6,29%

6,26%

6,87%

6,20%

Bron: Vlaanderen: SERA-rapport 2008 (SERV); rest: Eurostat (februari 2009)

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13

Vlaanderen België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Luxemburg Nederland Noorwegen Oostenrijk Portugal Spanje VK Zweden Zwitserland EU 27 VS Japan China (excl. HK) Filippijnen India Rusland Singapore Zuid-Korea Brazilië


218

Figuur 13.21: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel van de hightech export in de totale export (%) (2006)

Filippijnen

58,36%

Singapore

46,11%

Luxemburg

40,66%

Ierland

29,01%

Zuid-Korea

28,73%

China

28,20%

VK

26,48%

VS

26,13%

Zwitserland

20,35%

Japan

20,04%

Nederland

18,27%

Finland

18,12%

Frankrijk

17,88%

EU 27

16,65%

Duitsland

14,06%

Zweden

13,39%

Denemarken

12,75%

Oostenrijk

11,17%

Portugal

6,99%

België

6,64%

Italië

6,35%

Brazilië

6,20%

Vlaanderen

5,90%

Spanje

4,92%

India Noorwegen Rusland 0,00%

4,00% 2,96% 1,62%

10,00%

20,00%

Bron: Vlaanderen: SERA-rapport 2008 (SERV); rest: Eurostat (februari 2009)

30,00%

40,00%

50,00%

60,00%

70,00%


219

Figuur 13.22: Internationale vergelijking van het aandeel van de hightech export in totale export (%) (1999-2006)

60,0%

Vlaanderen BelgiĂŤ 50,0%

Denemarken Duitsland Finland

40,0%

Frankrijk Ierland

30,0%

ItaliĂŤ Nederland 20,0%

Spanje VK Zweden

10,0%

Zwitserland EU 27

0,0% 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

VS Japan China (excl. HK) Singapore Zuid-Korea

Bron: Vlaanderen: SERA-rapport 2008 (SERV); rest: Eurostat (februari 2009)

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13


220

EXTRA KERNINDICATOR: FISCALE MAATREGELEN VOOR O&O De waarde 1-ß geeft de mate aan waarin fiscale stimuli voor de private sector aanwezig zijn. De waarde van de ß-index geeft aan wat, voor de investering van USD 1 in O&O, de vereiste opbrengst voor belastingen moet zijn, om na belastingen geen verlies te maken. Een grotere waarde voor 1-ß duidt bijgevolg op een meer stimulerend fiscaal beleid.

Figuur 13.23: Internationale vergelijking van 1-ß voor grote bedrijven (2008)

Spanje

0,391

Frankrijk

0,367

China

0,339

Portugal

0,285

India

0,266

Brazilië

0,254

Noorwegen

0,207

Korea

0,180

Canada

0,179

Denemarken

0,161

Japan

0,118

VK

0,105

België

0,089

Oostenrijk

0,088

VS

0,066

Nederland

0,066

Ierland

0,049

Finland

-0,008

Zwitserland

-0,010

Griekenland

-0,011

Israël

-0,013

Zweden

-0,015

Italië

-0,023

Rusland

-0,024

Duitsland

-0,030

-0,1

0,0

Bron: OECD Science, Technology and Industry Outlook 2008

0,1

0,2

0,3

0,4

0,5


221

Figuur 13.24: Internationale vergelijking van 1-β voor KMO's (2008)

Spanje

0,391

Frankrijk

0,367

China

0,339

Canada

0,325

Portugal

0,285

India

0,266

Brazilië

0,254

Nederland

0,239

Noorwegen

0,232

VK

0,190

Japan

0,162

Denemarken

0,161

Korea

0,158

België

0,089

Oostenrijk

0,088

VS

0,066

Ierland

0,049

Finland

-0,08

Zwitserland

-0,010

Griekenland

-0,011

Israël

-0,013

Zweden

-0,015

Italië

-0,023

Rusland

-0,024

Duitsland

-0,030

-0,1

0,0

0,2

0,3

0,4

0,5

V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13

Bron: OECD Science, Technology and Industry Outlook 2008

0,1


222


223

DOSSIERS


224

D O S S I E R 1 : B E S T E D I N G S A N A LY S E VA N H E T F W O 2 0 02 - 2 0 07 Door Elisabeth Monard (FWO) en Hans Willems (FWO)

1.1 HET FWO IN HET VLAAMS INNOVATIESYSTEEM

Keuzes van economisch of maatschappelijk strategische domeinen zullen worden aangestuurd niet alleen vanuit maatschappelijke en socio-economische behoeften, maar ook

Het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (FWO),

vanuit excellente onderzoeksgroepen.

heeft als opdracht het stimuleren en ondersteunen van het kennisgrensverleggend fundamenteel wetenschappelijk

Het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek is de eerste

onderzoek in alle wetenschapsgebieden aan de universiteiten

cruciale schakel in de innovatieketen en voedingsbodem voor

van de Vlaamse Gemeenschap, met inbegrip van samen-

nieuwe technologieën en economische en maatschappelijke

werkingsverbanden tussen de Vlaamse universiteiten en andere

ontwikkelingen.

onderzoeksinstellingen. Het FWO financiert excellente en beloftevolle onderzoekers,

“Countries and regions that are able to sponsor

alsook onderzoeksprojecten na een interuniversitaire competitie

leading-edge research at the forefront of knowledge

en een evaluatie door binnen- en buitenlandse experten.

are the best positioned to maintain and advance their

Het enige criterium is de uitmuntende kwaliteit van onderzoeker

economies and, consequentially, the quality of their

en onderzoeksvoorstel, ongeacht de wetenschappelijke discipline,

citizens’ lives.”

de onthaalinstelling, gender, politieke of religieuze overtuiging.

European Research Council

Binnen het Vlaamse wetenschappelijke landschap is het FWO daarenboven één van de belangrijke agentschappen voor het

Het fundamenteel onderzoek is, in tegenstelling tot andere

financieren van reis- en verblijfbeurzen voor het buitenland.

onderzoekstypes, voornamelijk aangewezen op de financiële

Het promoten van internationale mobiliteit loopt als een rode

inbreng van de overheid, daar het zelden op korte termijn

draad door alle acties van het FWO.

tot economische of maatschappelijke valorisatie zal leiden. Ongeveer 50% van de overheidsmiddelen gaan nu naar

Het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, dat zich richt

fundamenteel onderzoek. Van de totale binnenlandse O&O-

op het uitdiepen van de kennis over de mens en zijn omgeving,

uitgaven wordt in Vlaanderen ca 72% gefinancierd door

draagt bij tot het verhogen van het maatschappelijk en cultureel

privé-bedrijven. Deze financiering is hoofdzakelijk bedoeld voor

niveau van onze samenleving. Het handhaven van een hoog

eerder korte-termijn onderzoek met een economische finaliteit.

kennisniveau door wetenschappelijk onderzoek is een garantie

Het kennisgrensverleggend niet-gericht onderzoek kan in

voor een hoogstaande opleiding van talentvolle jonge mensen

Vlaanderen alleen een beroep doen op overheidsmiddelen.

in een brede waaier van disciplines. Op langere termijn vormt deze kennis en het gevormde menselijke kapitaal de basis van

“Research is the most effective strategy to spend public funds”

het gericht, toegepast, technologisch, strategisch, beleids-

was één van de belangrijke conclusies van de internationale

ondersteunend en –voorbereidend onderzoek en vormt ze

conferentie van de European Science Foundation (ESF)

een essentieel onderdeel in het scheppen van welvaart en

betreffende de impact van Basic Research op de maatschappij

welzijn. Het kennisgrensverleggend onderzoek ligt tevens aan

en de economie1. Desalniettemin wordt er in Europa een

de basis van de kennisverruiming o.a. nodig voor de grote

deficiet geconstateerd in de financiering van fundamenteel

maatschappelijke uitdagingen (milieu, mobiliteit, gezondheid, …).

wetenschappelijk onderzoek.

1 Eén miljard Euro dat wordt geïnvesteerd in onderzoek leidt tot de creatie van 50.000 jobs. ESF, Science impact : Rethinking the impact of Basic Research on Society and the Economy. International Conference 10-11 May 2007, Vienna, p.16.


225

Fundamenteel onderzoek leidt vaak onverwacht tot belangrijke

1.2 MIDDELEN

technische toepassingen die niet gepland waren. Het uitvoeren van fundamenteel onderzoek vraagt ook vaak nieuwe toepassingen

Ongeveer 80% van de FWO-inkomsten zijn toelagen van

en technieken die dan op zichzelf belangrijk worden.

de Vlaamse overheid en 20% van de Federale overheid. De Vlaamse en de Federale regering stellen elk binnen de

Het FWO neemt in Vlaanderen een belangrijke positie in als

eigen bevoegdheid een beleidsnota op met de grote richtlijnen

het gaat om de financiering van fundamenteel wetenschappelijk

inzake het te volgen wetenschapsbeleid, waarin ook het FWO

onderzoek. De werking en de rol van het FWO binnen het

gevat wordt.

Vlaams fundamenteel wetenschappelijk onderzoeksgebeuren, heeft in de afgelopen jaren een hogere wetenschappelijke

In vergelijking met het jaar 2002 zijn de toelagen van de

performantie en visibiliteit van Vlaamse onderzoekers gefaciliteerd.

Vlaamse gemeenschap met 53,6% gestegen en bedragen ze voor 2007 127.247.000 EUR. In dit bedrag is de extra financiering inbegrepen die de Vlaamse regering heeft uitgetrokken voor het Brain Gain initiatief “Odysseus” en de financiering van onderzoek aan grote internationale faciliteiten “Big Science”.

Figuur 1.1: Toelage FWO

200.000 180.000 160.000 140.000

EURO

120.000 100.000

60.000 40.000 20.000 0 2002

2003

n Toelage Vlaamse overheid n Toelage Federale overheid n Fiscale en parafiscale maatregelen n Nationale loterij n Totaal

2004

2005

2006

2007

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

80.000


226

De toelagen van de Nationale Loterij stegen over dezelfde

1.3 BESTEDING

periode met 12,2% tot 11,712 miljoen EUR, de federale toelagen kenden een daling met 3,2%. Ze liepen terug van

In de periode 2002-2007 werd gemiddeld 41,8% besteed aan

11,620 miljoen EUR in 2002 naar 11,248 miljoen EUR in 2007.

mandaten en 51,0% aan onderzoeksprojecten. De afwijkingen

Anderzijds was er wel een forse toename van de federale fiscale

van de gemiddelden zijn voor beide uitgavenposten hoogstens

en parafiscale maatregelen. Waar deze in 2002 slechts

2%. De uitgaven voor mandaten en onderzoeksprojecten samen

754.000 EUR bedroegen stijgen deze in 2007, voornamelijk

bedroegen gedurende de periode 2002-2007 gemiddeld 92,8%.

dankzij het Maribel-initiatief, tot 25,084 miljoen EUR.

Voorts was dit percentage zeer constant, met een afwijking van hoogstens 1,5%.

Het zogenaamde Maribelfonds Onderzoek voor tewerkstelling in het fundamenteel onderzoek werd ingesteld door de

Een schematische weergave van de besteding van de middelen

Programmawet van 27 december 2006. De bedoeling van

van het FWO over de verschillende wetenschapsgebieden

dit fonds is om de tewerkstelling in het fundamenteel

maakt duidelijk dat de Medische en Exacte wetenschappen het

wetenschappelijk onderzoek te verhogen. Het FWO en het

meeste middelen naar zich toetrekken. Met respectievelijk 28%

FNRS krijgen samen iets meer dan 31 miljoen EUR

en 20% van de bestede middelen. De Biologische, Gedrags- en

terugbetaald van de bedragen die ze hebben afgedragen aan

Cultuurwetenschappen komen allen uit in de buurt van 14%,

de sociale zekerheid. Volgens een verdeelsleutel die rekening

waar de Toegepaste wetenschappen, die voor een belangrijk

houdt met enerzijds het aantal mandaathouders bij het FNRS

deel van hun financiering een beroep doen op het IWT, bij het

en de FRIA-beurzen en anderzijds de mandaten van het FWO

FWO 11% van de middelen krijgen toebedeeld.

en de specialisatiebeurzen van het IWT, krijgt het FWO een bedrag van 16,7 miljoen EUR ter beschikking.

Dat de Gedrags- en Cultuurwetenschappen voor hun financiering

Deze middelen wendt het FWO aan om het mandatenbestand

nauwelijks bij andere financieringskanalen terecht kunnen, verklaart

aanzienlijk uit te breiden.

waarom beide gebieden samen 28% van de middelen krijgen.

in hoge mate afhankelijk zijn van het FWO en buiten het BOF

Figuur 1.2: Besteding 2001-2007

60%

50%

40%

30%

20%

10%

0% 2002

2003

n Mandaten n Wetenschappelijke contacten n Kredieten aan navorsers n Onderzoeksprojecten n Diversen

2004

2005

2006

2007


227

Dankzij de inspanningen van de Vlaamse Regering was de

Figuur 1.3: Besteding 2007 per wetenschapsgebied

instroom van 150 aspiranten per jaar definitief verworven in 2000. De bijkomende inspanningen van de Vlaamse Regering

13%

gedurende de periode 2002-2007, maakten dat de instroom van aspiranten vanaf 2002 verhoogd kon worden. Het federale 14%

tewerkstellingsplan voor fundamenteel onderzoekers versterkt deze actie nog.

20%

1.4.2 Postdoctorale onderzoekers

11%

De postdoctorale mandaten en de fundamenteel klinische mandaten dragen bij tot de actie van het FWO om excellente onderzoekers te ondersteunen en een wetenschappelijke

14%

carrière uit te bouwen.

28%

In het beleidsplan 2002-2007 was één van de aandachtspunten n Toegepaste wetenschappen

de uitbreiding van het bestand postdoctoraal onderzoekers.

n Biologische wetenschappen

Deze uitbreiding werd gerealiseerd door een grotere instroom.

n Humane wetenschappen (= Gedrags- en Cultuurwetenschappen) n Exacte wetenschappen

Gedurende de periode 2000-2004 was er een gemiddelde

n Sociale wetenschappen

instroom van 100 nieuwe onderzoekers. Aangezien het mogelijk is

n Medische wetenschappen

om dit mandaat tweemaal te verlengen, waarbij beide verlengingen gepaard gaan met een selectieve reductie van 50%, staat een instroom van 100 onderzoekers per jaar gelijk met een totaal

1.4 HET AANTAL MANDAATHOUDERS GAAT IN STIJGENDE LIJN

bestand van 525 onderzoekers. Vanaf 2005 gaat de instroom van nieuwe postdoctorale onderzoekers in stijgende lijn. In 2007 is er een instroom van 178 nieuwe postdoctorale onderzoekers en 8 fundamenteel klinische onderzoekers. De volgende jaren

1.4.1 Predoctorale onderzoekers

wordt er gestreefd naar een bestand van 745 voor 2009 en 759 en 772 voor de twee volgende jaren.

liet onder meer toe om de instroom van nieuwe aspiranten en postdoctorale mandaathouders op te trekken. Tabel 1.1 geeft

De geleidelijke uitbouw van het bestand van fundamenteel

een globaal overzicht van alle predoctorale mandaathouders in

klinische mandaten is eveneens één van de beleidslijnen

dienst op 1 oktober van elk jaar. De aspirantenmandaten vormen

uitgezet door het FWO. Deze mandaten zijn belangrijk door

het belangrijkste element in de actie van het FWO om jonge

hun translationeel karakter. Hier wordt niet alleen gepleit voor

onderzoekers in staat te stellen een doctoraat op proefschrift

een grotere instroom, maar meer nog voor het in mindere

voor te bereiden.

mate reduceren van het bestand bij verlenging van het mandaat.

Tabel 1.1:

Aspiranten: bestand per wetenschapsgebied op 1 oktober 2002

2003

2004

2005

2006

87

77

71

76

73

91

Cultuur- en taalwetenschappen

119

122

118

110

117

121

Exacte wetenschappen

133

137

130

127

128

128

90

89

95

92

99

111

132

141

152

161

193

209

47

52

56

54

56

64

608

618

622

620

666

724

Biologische wetenschappen

Gedrags- en maatschappijwetenschappen Medische wetenschappen Toegepaste wetenschappen Totaal

2007

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

De belangrijke financiële impuls die het FWO mocht ontvangen,


228

Tabel 1.2:

Postdoctorale mandaten: bestand per wetenschapsgebied op 1 oktober 2002

2003

2004

2005

2006

Biologische wetenschappen

72

81

91

92

114

126

Cultuur- en taalwetenschappen

72

82

89

90

96

102

106

115

120

118

136

144

Exacte wetenschappen Gedrags- en maatschappijwetenschappen Medische wetenschappen Toegepaste wetenschappen Totaal

Tabel 1.3:

2007

50

51

58

59

65

78

118

114

122

129

134

157

39

41

40

40

44

56

457

484

520

528

589

663

Personeel Tech. 195 208 218 209 205 198

Bedrag 32.824 36.863 39.778 43.218 44.005 45.250

Uitrusting Bedrag 11.424 9.868 6.186 6.022 6.517 4.661

Werking Bedrag 12.581 13.614 14.459 17.101 17.890 18.548

Totaal Bedrag 56.829 60.345 60.423 66.341 68.412 68.459

Projecten in functie, bedragen in kEUR Aantal

2002 2003 2004 2005 2006 2007

805 886 905 1.006 1.013 1.030

Wet. 463 518 535 574 599 623

Vanaf 1 oktober 2005 werd het fundamenteel klinisch mandaat

Opvallend is de daling in 2004 van de uitgaven voor uitrusting.

omgevormd naar een mandaat van vijf jaar dat eenmaal voor

Dit is enerzijds te verklaren door de lage slaagkansen in 2004

eenzelfde periode kan verlengd worden.

en het vooruitzicht op extra budgetten via de “Big Science” financiering om apparatuur te financieren.

1.4.3 Projecten Over alle wetenschapsgebieden heen wordt gemiddeld 63% Naast het toekennen van onderzoeksmandaten, is het

van de middelen aan personeel, 24% van de middelen aan

ondersteunen van onderzoeksprojecten inzake kennisverleggend

werking en 12% van de middelen aan uitrusting besteed.

fundamenteel onderzoek één van de kerntaken van het FWO. De uitgaven voor het ondersteunen van onderzoeksprojecten

De gemiddelde bestedingen per wetenschapsgebied wijken

vormden gedurende de periode 2002-2007 gemiddeld meer

hier van af. Dit is een onmiddellijk gevolg van de wisselende

dan 50% van de totale uitgaven van het FWO.

behoeften voor onderzoeksfinanciering in de verschillende vakgebieden. Middelen voor projecten in de cultuur- en taal-

Projecten worden aangevraagd door een onderzoeksgroep.

wetenschappen en gedrags- en maatschappijwetenschappen

Een projectaanvraag kan personeel, zowel wetenschappelijk als

worden voor 89% besteed aan wetenschappelijk personeel,

technisch, uitrusting en werking omvatten. De post “uitrusting”

10% wordt besteed aan werking en slechts 1% aan uitrusting.

heeft betrekking op de aankoop van bijzondere apparatuur,

Deze bestedingen liggen anders in de andere wetenschaps-

noodzakelijk om het project te kunnen uitvoeren. “Werking”

gebieden, waar tussen 46% en 64% wordt besteed aan

voorziet dan weer in de ondersteuning van het onderzoek.

wetenschappelijk én technisch personeel. Het gedeelte technisch

Dit kan gaan van het bijwonen van congressen tot het onderhoud

personeel is substantieel, voor de medische wetenschappen ligt

van onderzoeksapparatuur. Het spreekt voor zich dat de

het ongeveer dubbel zo hoog als het wetenschappelijk

verdeling personeel/uitrusting/werking voor elke project -

personeel. Tussen de 14% en 19% wordt besteed aan uitrusting,

aanvraag verschillend zal zijn.

en in de biologische en medische wetenschappen wordt 32%, respectievelijk 39%, besteed aan werking. In de exacte en

Tabel 1.3 geeft een globaal overzicht van de onderzoeksprojecten in functie tijdens de periode 2000-2007. Uitgaven voor personeel blijven min of meer constant. Uitgaven voor werking stijgen licht.

toegepaste wetenschappen wordt 18% besteed aan werking.


229

1.5 SLAAGKANSEN

Aangezien de stijging van het aantal aspiranten reeds voor 2007 ingezet is en er voor jonge afgestudeerden een aantal

De slaagkans voor aanvragers van een aspirantenmandaat lag

alternatieve financieringsmogelijkheden zijn om een doctoraat

in de periode 1996-2000 op 42% en bereikte een dieptepunt

te behalen, kunnen we vanaf 2008 een verdere stijging van het

in 2004 met 29%, ondanks een toename van de beschikbare

aantal aanvragers voor een postdoctoraal mandaat verwachten.

middelen. In 2005 en 2006 bereikte de slaagkans 33% en 32%. Voor 2008 wordt een slaagkans van 29% verwacht. In

De evolutie van de slaagkansen voor aspiranten en postdoctorale

2005 werd de basistoelage verhoogd om de instroom

onderzoekers laat zich grafisch als volgt voorstellen. (Figuur 1.4)

aspiranten vanaf 1/10/2005 op 170 te brengen. In 2006 werd de basistoelage opnieuw verhoogd om de instroom aspiranten

Hoewel er ook voor de onderzoeksprojecten extra financiĂŤle

vanaf 1/10/2006 op 190 te brengen.

ruimte vrij kwam, resulteerde dit niet in een positieve tendens. Het slaagpercentage voor de projecten liep terug van 47%

Daarenboven is er dankzij het Maribelplan sinds 2007 extra

in 2002 tot 26% voor 2007 (2008:23%). Dit heeft vooral te

financiĂŤle ruimte zodat de instroom van aspiranten opnieuw

maken met een groeiende belangstelling voor deze vorm van

kan verhoogd worden tot 210. Het is de bedoeling om voor

financiering. Het aangevraagde bedrag steeg van 60,759

de slaagkansen voor aspiranten in de toekomst te streven naar

miljoen EUR in 2002 naar 97,720 miljoen EUR in 2007 (+61%).

een consolidatie op 35%.

Deze groeiende interesse is het gevolg van de grotere onderzoekspopulatie die in Vlaanderen bewust wordt

De inspanningen van de overheid om het postdoctoraal kader

nagestreefd. Dit maakt wel dat het streefdoel van 33% slaag-

te vergroten waren nog omvangrijker. Dit leidt inderdaad tot

kans nog ver af is.

een stijging van de slaagkansen. Toch is op korte en middellange termijn enige voorzichtigheid geboden. Vanaf 1 oktober 2007 zal het FWO ongeveer 712 aspiranten in dienst hebben.

Figuur 1.4: Slaagpercentage voor mandaten

50%

40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2002

n Aspiraten n Postdoctorale onderzoekers

2003

2004

2005

2006

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

45%


230

Figuur 1.5: Projecten-slaagpercentage

70%

60%

50%

40%

30%

20%

10%

0% 2002

2003

2004

2005

2006

2007

n Slaagpercentage (aantal) n Slaagpercentage (bedrag)

Gedurende de periode 2000-2007 was de gemiddelde

Deze inspanningen werpen duidelijk hun vruchten af. Zowel wat

slaagkans, berekend volgens het aantal toegekende projecten,

betreft de aspiranten als de postdoctorale onderzoekers,

52%. Sinds 2002 is deze slaagkans gedaald. De gemiddelde

lag het aantal vrouwelijke aanvragers in 2002 structureel lager

slaagkans, berekend volgens de toegekende bedragen, is 33%.

dan het aantal mannelijke aanvragers. Sindsdien zijn de

Sinds 2002 is ook dit percentage blijven dalen. Voor 2007 zijn

vrouwelijke onderzoekers duidelijk een inhaalbeweging gestart.

42% van de aangevraagde projecten toegekend, voor een

Het aantal vrouwelijke aanvragers is voor de predoctorale

bedrag van 25% van de totale aanvraagmassa.

mandaten met 136% gestegen, het aantal mannelijk mandaat aanvragen steeg daarentegen “slechts” met 45%. Voor de

In de periode 2002-2007 werd gemiddeld 73.792.000 EUR

postdoctorale

aangevraagd. We zien dat de aanvraagmassa in 2007 met

onderzoekers een stijging optekenen van 197% tegenover

46% gestegen is ten opzichte van 2002. Deze stijging is

128% voor de mannelijke onderzoekers.

mandaataanvragen

lieten

de

vrouwelijke

vergelijkbaar met de stijging van de middelen van het FWO. Het aantal vrouwelijke aanvragers voor een aspirantenmandaat bereikte, door de forse stijging, in 2005 reeds hetzelfde peil

1.6 GELIJKE KANSEN

als het aantal mannelijke aanvragers en in 2007 zijn er 9% meer vrouwelijke aanvragers dan mannelijke.

Het FWO heeft altijd veel aandacht besteed aan de genderproblematiek. Om beide geslachten evenveel kansen en

Voor de postdoctorale onderzoekers kan het aantal vrouwelijke

mogelijkheden te bieden, vindt het FWO het belangrijk om

aanvragers nog steeds niet wedijveren met het aantal mannelijke

zich naar de onderzoeker toe zeer flexibel op te stellen. In de

aanvragers. Het bestand postdoctorale onderzoekers bestaat

reglementen zijn dan ook voldoende garanties ingebouwd,

voor ongeveer 33% uit vrouwelijke onderzoekers. Door de kleine

zodat een onderzoekscarrière niet ten koste gaat van het

verschillen in slaagpercentages die in 2007 voor de vrouwen

persoonlijke en familiale aspect.

zelfs ietsje hoger lagen (38% tov 36%), is dit volledig te wijten aan het kleiner aantal vrouwelijke aanvragers.


231

Figuur 1.6: Evolutie mandatenbestand

450 400 350 300 250 200 150 100 50 0 2002

2003

2004

2005

2006

2007

n Man predoctoraal n Vrouw predoctoraal n Man postdoctoraal n Vrouw postdoctoraal

Op basis van de quasi gelijke verdeling in het aspiranten-

Tijdens de postdoctorale fase is het verwerven van buitenlandse

bestand, valt te verwachten dat binnen afzienbare tijd het aantal

expertise zo mogelijk nog belangrijker. Postdoctorale onderzoekers

vrouwelijke aanvragers ook hier structureel zal stijgen.

kunnen doorgroeien in een academische carrière. Om als leider van onderzoek op te treden en om als promotor van jonge onderzoekers op te treden is het, in de meeste

1.7 INTERNATIONALE MOBILITEIT

vakgebieden, ondenkbaar om geen gebruik te maken van een

Door onderzoek uit te voeren aan een buitenlandse universiteit,

onderzoekers dit netwerk op te bouwen.

in samenwerking met buitenlandse experten, eventueel onder leiding van een buitenlandse co-promotor, is de onderzoeker in

Het FWO werkt op verschillende manieren aan internationale

staat expertise te verwerven buiten zijn eigen onderzoekseenheid.

mobiliteit van enerzijds de mandaathouders van het FWO zelf, en anderzijds van alle onderzoekers verbonden aan een

Het verwerven van expertise, aanwezig in het buitenland, betekent

Vlaamse universiteit.

in vele vakgebieden voor de meeste doctoraatsproefschriften een belangrijke meerwaarde. Daarenboven wordt deze

Het FWO biedt verschillende mogelijkheden om internationale

verworven kennis verwerkt in een proefschrift (en publicaties)

samenwerking tussen onderzoekers en onderzoeksgroepen te

voor een doctoraat dat afgelegd wordt aan een Vlaamse

ondersteunen. Uitgaven om heel doelgericht internationale

universiteit. De mobiliteit van onderzoekers zorgt dus voor een

samenwerking te ondersteunen, maken iets meer dan 2% uit

import van buitenlandse kennis in Vlaanderen.

van de totale jaarlijkse besteding van het FWO. Dit kan weinig lijken, maar de internationalisering is reeds vervat in alle andere actiemiddelen van het FWO en is niet afhankelijk van deze specifieke actiemiddelen.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

internationaal netwerk. Net tijdens de postdoctorale fase dienen


232

Tabel 1.4:

Internationale mobiliteit van mandaathouders prédoctoraal

Maanden

postdoctoraal

2002

2003

2004

2005

2006

2007

0 tot 3

299

437

294

340

603

347

3 tot 6

3

15

6

0

28

6

6 tot 9

2

5

2

1

22

15

9 tot 12

10

0

0

14

0

2

Bovenstaande tabel geeft een globaal overzicht van de

Op dit ogenblik heeft het FWO met 18 landen bilaterale

internationale mobiliteit van de FWO-mandaathouders.

akkoorden afgesloten om de uitwisselingen van onderzoekers te stimuleren. In de periode 2001-2007 maakten in totaal

Eén van de belangrijkste instrumenten ter bevordering van de

518 onderzoekers gebruik van de mogelijkheden die deze

internationale mobiliteit die het FWO ter beschikking stelt van

akkoorden bieden. 124 Vlaamse onderzoekers trokken naar

de onderzoekers verbonden aan de Vlaamse universiteiten zijn

het buitenland en 394 buitenlandse onderzoekers kwamen

de FWO-reiskredieten.

voor enkele maanden naar Vlaanderen om hun onderzoek verder te zetten. De meest intensieve uitwisseling in het kader

Met een reiskrediet kan een onderzoeker een congres

van deze akkoorden gebeurt met Bulgarije, Polen, Roemenië

bijwonen of een studieverblijf doorvoeren aan een buitenlandse

en Argentinië.

instelling. Er wordt van de aanvragers verwacht dat zij een actieve bijdrage leveren aan het congres. Voor congressen binnen Europa beschikken de FWO-mandaathouders vanaf 1/10/2007 over een forfaitaire werkingstoelage. Figuur 1.7 beschrijft per jaar het aantal toegekende reiskredieten aan FWO-mandaathouders.

Figuur 1.7: Reiskredieten - studieverblijven en workshops per onderzoeker (aantallen)

70 60 50 40 30 20 10 0 2002

2003

n Aspirant FWO n Postdoctoraal onderzoeker FWO n Predoctoraal onderzoeker n Postdoctoraal onderzoeker

2004

2005

2006

2007


233

Een ander populair programma zijn de Visiting Postdoctoral Fellowships. Maar liefst 130 buitenlandse wetenschappers kwamen tussen 2002 en 2007 via dit programma voor een periode tussen drie en twaalf maanden onderzoek doen aan een Vlaamse universiteit. Meer cijfergegevens en extra informatie over deze en andere initiatieven, zoals de wetenschappelijke onderzoeksgemeenschappen of de beurzen voor wetenschappelijke opdrachten, zijn uitgebreid beschreven in de FWO Bestedingsanalyse 2002-2007, die raadpleegbaar is op de website van het FWO: www.fwo.be.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S


234

D O S S I E R 2 : I W T- E F F E C T M E T I N G E N Door Jeroen Fiers (IWT)

2.1 INLEIDING

Bovendien werd in het verleden eveneens al onderzoek gedaan naar zowel de input- als gedragsadditionaliteit van de

2.1.1 Het meten van effecten

individuele IWT bedrijfsprojecten ter bevordering van innovatie en O&O (cfr IWT-Studies 54 en 56).

In steeds toenemende mate wordt van politieke overheden en hun administraties transparantie gevraagd in de wijze waarop

De uitvoering en de resultaten van de hierboven vernoemde

publieke middelen beheerd en geïnvesteerd worden, en de

effectmetingen staan centraal in het vervolg van dit dossier.

mate waarin socio-economische meerwaarde ontstaat als gevolg van deze investeringen. Deze evolutie verklaart waarom de voorbije jaren het accent bij de analyse van beleidsprogramma’s meer en meer verschoven is naar de resultaten en de effecten van de instrumenten, daar waar in het verleden

2.2 EFFECTMETINGEN VAN PROGRAMMA’S VOOR COLLECTIEF ONDERZOEK EN KENNISVERSPREIDING

de focus vooral op de inputzijde lag. De beëindiging van een eerste cyclus van projecten vormde Ook bij de analyse van beleidsprogramma’s ter bevordering

voor het IWT de aanleiding om vijf programma’s voor collectief

van innovatie en onderzoek en ontwikkeling vinden we een

onderzoek en kennisverspreiding voor de eerste maal aan een

gelijkaardige verschuiving terug. Hierbij wordt er steeds meer

effectmeting te onderwerpen. Het ging om de programma’s:

gekeken naar de directe resultaten van de innovatieprogramma’s

Strategisch Basisonderzoek (SBO en zijn voorgangers

maar ook naar de effecten en zelfs de impact ervan (Verbeek

STWW en GBOU), TETRA-fonds (vroegere HOBU-fonds) en

et al, 2008). Parallel hiermee heeft ook het begrip additionaliteit,

de subprogramma’s Collectief Onderzoek (CO), Thematische

en in het bijzonder output- en gedragsadditionaliteit, aan

Innovatiestimulering (TIS) en Technologische Dienstverlening (TD)

aandacht gewonnen in de evaluatie van steunmaatregelen ter

binnen het Vlaamse Innovatiesamenwerkingsverband (VIS)1.

bevordering van innovatie en O&O (cfr IWT-studie 56).

In elk van de gevallen gaat het om een eerste reeks van afgeronde projecten die in al hun facetten onder de loep

2.1.2 Effectmetingen van de IWT-portfolio.

genomen werden.

Ook in Vlaanderen werd de voorbije jaren meer belang gehecht

Het collectieve karakter van de projecten is kenmerkend voor

aan beleidsevaluatie, performantie-evaluatie en impactevaluatie

elk van deze programma’s. De term collectief wijst er op dat

van het overheidsinstrumentarium ter bevordering van innovatie

het gaat om programma’s waarbij zowel kenniscentra als

en O&O. Deze worden beschouwd als hoekstenen voor de

projectuitvoerders kennis ontwikkelen en/of verspreiden in

opbouw van strategische intelligentie binnen het beleidsdomein.

functie van een grotere groep geïnteresseerde Vlaamse ondernemingen. Enerzijds vindt er bij deze projecten directe

Aangezien IWT-Vlaanderen, als beheerder van verschillende

kennisoverdracht plaats via de ondernemingen die door

steunprogramma’s ter bevordering van O&O en innovatie,

deelname in een gebruikerscommissie en/of stuurgroep

eveneens nood heeft aan inzichten over de werking, de resultaten

actief participeren in het project en anderzijds kunnen

en de effecten van deze programma’s, werden de voorbije jaren

de projectresultaten indirect tot bij een grotere groep onder-

vijf programma’s voor collectief onderzoek en kennisverspreiding

nemingen geraken via workshops, lezingen, vaktijdschriften,

voor de eerste maal aan een effectmeting onderworpen.

contractonderzoek,….

1 Het Vlaams Innovatiesamenwerkingsverband (VIS) is een steunprogramma dat als doel heeft technologische innovatie in Vlaamse bedrijven, en dan voornamelijk KMO’s, te stimuleren door sensibilisering (TIS), toegang te verschaffen door tot technologische kennis (CO) en door het bieden van ondersteuning bij de concrete toepassing van deze kennis (TD).


235

Tabel 2.1:

Overzicht van de programma’s die onderworpen werden aan een effectmeting Periode*

Aantal projecten

Steun (in milj. EURO)

Uitvoerder effectmeting

Strategisch Basisonderzoek (SBO en voorgangers STWW en GBOU)**

1998-2007

102

179,6

Collectief Onderzoek

2002-2006

78

24,7

Technopolis Dialogic

TETRA-fonds (en vroegere HOBU)

1997-2007

260

61,6

Samenwerkingsverband***

Thematische Innovatiestimulering

2001-2006

96

47,7

IDEA Consult

Technologische Dienstverlening

2001-2006

91

49,5

IDEA Consult

Bron: IWT * Het gaat om de periode waarop de effectmeting van de respectievelijke programma’s betrekking had. ** Voor het programma Strategisch Basisonderzoek werden enkel deze projecten met een economische finaliteit opgenomen in de effectmeting. *** Het ging om een samenwerkingsverband van de verschillende associaties en de Vlaamse Ingenieurskamer (VIK).

Figuur 2.1: Kennisopbouw en kennisverspreiding bij collectieve programma’s

Terugkoppeling (bv. input nieuwe project-voorstellen)

Indirecte kennisoverdracht

Kennisverspreiding (TIS en TD) Brede doelgroep

Resultaten Collectief Onderzoek (SBO, VIS-CO, Tetra)

Directe kennisoverdracht

Leden gebruikerscommissie

Terugkoppeling (bv. input nieuwe project-voorstellen)

Indirecte kennisoverdracht

Journals, boeken, lezingen, conferenties, semniaries, contractonderzoek,…

Brede doelgroep

Bron: IWT (Eigen bewerkingen o.b.v. Bongers et al. (2008))

Vaak worden door kenniscentra ook nog andere (diensten)-

Elk van deze collectieve programma’s verloopt volgens een

kanalen aangewend die specifiek gericht zijn op het

jaarlijkse oproep, waarna de projectaanvragen door externe

verspreiden van nieuwe kennis naar een bredere doelgroep

deskundigen worden beoordeeld op vlak van de innovatie-

van ondernemingen.

graad, de wetenschappelijke kwaliteit en het valorisatiepotentieel. Om de kansen op valorisatie te maximaliseren is het bovendien

Zo maken bijvoorbeeld collectieve onderzoekscentra eveneens

ook de bedoeling dat de projecten in elk van de programma’s

gebruik van projecten technologische dienstverlening (TD) en

nadrukkelijk vraaggedreven zijn.

of thematische innovatiestimulering (TIS) om de resultaten van collectief onderzoek te verspreiden naar een bredere doelgroep (Bongers et al., 2008).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

Terugkoppeling (bv. input nieuwe project-voorstellen)


236

In de praktijk is de focus van de programma’s echter sterk

Na een bespreking van de onderzoeksvragen, werd er steeds

uiteenlopend. Enerzijds kunnen de programma’s opgesplitst

gestart met een uitgebreide portfolioanalyse op basis van de bij

worden in 3 groepen naargelang de nadruk voornamelijk ligt op

het IWT aanwezige administratieve gegevens met betrekking

de kennisopbouw (SBO en VIS-CO), het vertalen en verspreiden

tot de projecten.

van technologie/kennis (TETRA) dan wel op het sensibiliseren en kennisverspreiding (VIS-TIS, VIS-TD). Een volgende belangrijk

In een tweede stap werden enerzijds enquêtes gestuurd naar

verschilpunt bestaat erin dat, hoewel in elk programma het

projectuitvoerders en betrokken ondernemingen. De focus

valorisatiepotentieel de nodige aandacht krijgt, de afstand tot

van deze vragenlijsten lag zowel op de projectinhoud,

de markt tussen de programma’s varieert van zeer veraf tot

het projectverloop als op het kwantificeren van de resultaten

kortbij. Zo is Strategisch Basisonderzoek kwalitatief hoogwaardig

en/of effecten van de individuele projecten. Dit laatste was

op langere termijn gericht onderzoek dat het opbouwen van

van groot belang voor de meeste programma’s aangezien

wetenschappelijke of technologische capaciteit beoogt die de

de projectresultaten en –effecten in de meeste gevallen op

basis vormt voor toekomstige toepassingen in Vlaanderen.

een niet of onvoldoende wijze gestructureerde en systematische

Daartegenover zijn projecten technische dienstverlening

manier verzameld werden tijdens het projectverloop. Het werken

specifiek gericht op specialistisch technologisch advies van

met een enquête impliceert ook dat het niet mogelijk is om

hoge kwaliteit dat op zeer korte termijn door de onderneming

een exhaustief beeld te krijgen van zowel projectresultaten als

kan geïmplementeerd worden.

–effecten. De keuze om, met uitzondering van VIS/TIS en VIS/TD, enkel deze ondernemingen te bevragen die

Naast een uiteenlopende focus, doelstellingen en ambitieniveau

deelgenomen hebben aan gebruikerscommissies, heeft als

onderscheiden de programma’s zich echter nog op tal

gevolg dat de effecten en resultaten bij de bredere doelgroep

van andere vlakken: mogelijke aanvragers en uitvoerders,

moeilijk ingeschat kunnen worden.

de beoogde doelgroep, de maximale projectduur en –omvang, de steunmodaliteiten, de toegelaten projectactiviteiten en de eigendomsrechten.

Aanvullend op de vragenlijsten werden ook interviews gehouden met diverse bij de programma’s betrokken actoren (IWT-adviseurs, projectuitvoerders, ondernemingen) om een nog beter inzicht te krijgen in de respectievelijke programma’s. De eerste

2.3 AANPAK EN METHODOLOGIE VAN DE EFFECTMETINGEN

bevindingen van de onderzoekers op basis van de vragenlijsten en de interviews werden vervolgens ter discussie voorgelegd aan een stuurgroep, waarna de uitvoerders hun bevindingen

Voor elk van de geëvalueerde programma’s vormde de

en aanbevelingen neerschreven in een uitgebreid rapport.

afloop van een eerste cyclus van projecten de aanleiding om de programma’s beter te analyseren en te beoordelen. Met uitzondering van TETRA werd de uitvoering ervan, na een

2.4 RESULTATEN VAN DE EFFECTMETINGEN

openbare aanbesteding, toegewezen aan een onafhankelijk onderzoeksbureau. Specifiek voor de TETRA-effectmeting is

Na het beschrijven van de gevolgde methodologie wordt

dat ze werd uitgevoerd door de associaties in samenwerking

hierna een kort en bondig overzicht gegeven van de

met de Vlaamse Ingenieurskamer (VIK).

belangrijkste bevindingen van de verschillende effectmetingen2. Voor elk van de programma’s worden enerzijds het

Aangezien het IWT zich op vlak van effectmetingen eveneens nog

projectverloop en anderzijds de effecten en resultaten bij de

in een leerproces bevindt, werd er geen verplicht methodologisch

ondernemingen en projectuitvoerders besproken.

kader opgelegd aan de uitvoerders. Wel werden er vanuit het IWT duidelijke onderzoeksvragen geformuleerd. Hoewel elk van de uitvoerders zijn eigen accenten heeft gelegd, vertoont de aanpak van de uitgevoerde effectmetingen grote gelijkenissen.

2 Een uitgebreider overzicht van de resultaten van de effectmetingen is terug te vinden in de respectievelijke rapporten en of IWT-publicaties.


237

2.4.1 Projectverloop

2.4.3 Samenstelling van en interactie binnen de gebruikerscommissie of stuurgroep.

Hoewel een analyse van het projectverloop in theorie geen deel uitmaakt van een effectmeting, kunnen de resultaten ervan

Gebruikerscommissies en of stuurgroepen spelen een cruciale

toch een belangrijke meerwaarde leveren aan effectmetingen.

rol in de loop van projecten van collectieve aard. Hun taak

De praktijk leert immers dat bepaalde kenmerken van en elementen

bestaat er voornamelijk in te fungeren als klankbord voor

uit het projectverloop bepalend kunnen zijn voor het al dan niet

de onderzoekers en indien nodig het project bij te sturen.

realiseren van resultaten en effecten. Denk hierbij aan het al dan

Met uitzondering van VIS-TD-projecten is een stuurgroep

niet betrekken van ondernemingen bij de projectformulering,

verplicht voor elk van de overige programma’s.

de rol en interactie van de gebruikerscommissies/stuurgroepen en de eventuele spanningsvelden in de verwachtingspatronen

De gebruikerscommissies, die op vastgelegde tijdstippen tijdens

tussen projectuitvoerders en ondernemingen.

het project bijeenkomen, bestaan uit vertegenwoordigers van bedrijven en of federaties die een afspiegeling vormen van

2.4.2 Het vraaggedreven karakter van de projecten

de uiteindelijke doelgroep van de projectresultaten. Echter ook kennisinstellingen en/of administraties kunnen deel uit maken

De betrokkenheid van de bedrijven bij de projectformulering,

van deze klankbordgroep. In dit laatste geval treden ze eerder

is voor nagenoeg elk van de programma’s beperkt. In de

op als reviewer3. Zowel bij TETRA/HOBU als bij de

praktijk gebeuren de meeste van projecten immers op initiatief

subprogramma’s uit het VIS-programma, geldt de vereiste om

van de onderzoekers die vervolgens bij de samenstelling van

een voldoende aantal Vlaamse KMO’s op te nemen in de

hun gebruikerscommissie/stuurgroep beroep doen op door

gebruikerscommissie. Dit neemt echter niet weg dat grote en

hen al bekende (leden)bedrijven. Bedrijven die toch betrokken

of buitenlandse ondernemingen actief kunnen deelnemen aan

werden bij de projectaanvraag van bijvoorbeeld VIS-CO-projecten

de projecten.

zijn in de meerderheid van gevallen van oordeel dat ze in voldoende mate invloed kunnen uitoefenen hebben op de

Algemeen kan worden vastgesteld dat projectaanvragers bij de

projectinhoud. Een niet onbelangrijk deel van de bedrijven geeft

samenstelling van hun gebruikerscommissies in eerste instantie

echter aan dat ze geen nood hebben om de projectinhoud

een beroep doen op (leden)bedrijven waar ze in het verleden

te beïnvloeden en/of betrokken te worden bij de projectopzet.

al mee samengewerkt hebben. Hierdoor nemen sommige

De projecten thematische innovatiestimulering en technologische

bedrijven ook deel aan verschillende gebruikerscommissies, al dan niet in verschillende programma’s. Bij de programma’s Strategisch Basisonderzoek (SBO) en Collectief Onderzoek

Mede onder impuls van IWT is er echter een kentering

innovatief. Het zijn veelal geëngageerde koplopers die over een

(VIS-CO) zijn de deelnemende ondernemingen bovengemiddeld merkbaar bij de meeste collectieve programma’s. Bedrijven zijn

groter absorptievermogen beschikken om de resultaten te kunnen

in het algemeen zelf ook kieskeuriger geworden met hun

inbedden en benutten, maar gezien de moeilijkheidsgraad van

deelnames in de gebruikerscommissie of stuurgroepen. Dit is

het onderzoek bovendien ook inhoudelijk kunnen meedenken

zeker en vast het geval voor bijvoorbeeld TETRA/HOBU-

over de inhoud van het onderzoek. Bij TETRA/HOBU-, VIS-TIS

projecten waar de KMO’s zelf financieel dienen bij te dragen

en VIS-TD-projecten worden vaker minder innovatieve KMO’s

aan de projecten. Doch ook bij de projecten Strategisch

betrokken bij de projecten.

Basisonderzoek, waar er geen verplichte financiële bijdrage vanwege de bedrijven bestaat, participeren meer en meer

De betrokkenheid en interactie van de leden van de

bedrijven enkel nog uitsluitend als het onderzoeksonderwerp

stuurgroepen of gebruikerscommissies varieert sterk naargelang

relevant is voor de onderneming.

het programma en de projecten. Zo wordt de houding van de ondernemingen in de SBO-projecten veeleer als passief omschreven. Bedrijven beschouwen de commissies hier immers vooral als een instrument om geïnformeerd te worden.

3 Bongers et al. (2008).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

dienstverlening zijn de meest ‘bottom-up’ gedreven programma’s, waarbij de ‘behoeften’ van de bedrijven centraal staan.


238

Bij VIS-CO- en TETRA/HOBU-projecten is er meer sprake van

KMO’s uit TETRA/HOBU-projecten geven bijvoorbeeld aan dat

interactie binnen de gebruikerscommissie. De samenstelling

ze op kortere termijn resultaten willen zien, terwijl ondernemingen

van de commissies blijkt in elk van de gevallen sterk bepalend

die deelnemen aan SBO-projecten wensen dat het valorisatie-

voor de interactie tussen de leden. Zo tonen bedrijven een meer

potentieel zwaarder zou doorwegen bij de projectevaluatie.

open houding voor samenwerking en kennisdeling indien het

Deze bezorgdheid komt ook tot uiting in het feit dat de

gaat om precompetitief onderzoek en/of wanneer concurrentie

tevredenheid van de ondernemingen in SBO-projecten groter

tussen de verschillende leden minder een rol speelt. Dit zal het

is wanneer er gewerkt wordt met concrete bedrijfscases om

geval zijn wanneer schakels uit de gehele waardeketen

modelmatige benaderingen in de praktijk te toetsen, waardoor

vertegenwoordigd zijn (een mix van klanten en leveranciers) of

de focus sterker op de toepassing van de resultaten komt

wanneer bedrijven uit verschillende toepassingsdomeinen

te liggen.

vertegenwoordigd zijn. Bovendien geldt in alle gevallen dat hoe meer heterogeen en hoe groter de groep is, hoe moeilijker

Algemeen kan op basis van de bevindingen in de verschillende

het echter wordt om een gemene deler te vinden in ieders

effectmetingen besloten worden dat na afloop van de collectieve

verwachtingspatroon (Bongers et al., 2008). Uit elk van de

projecten de verwachtingen van de bedrijven voor kennisopbouw

effectmetingen blijkt eveneens dat ondernemingen door

vaak beter vervuld zijn dan deze voor valorisatie. Bij zowel

deelname aan projecten veeleer een sterkere band uitbouwen

projecten uit VIS-TIS als VIS-TD, waar de kennisverspreiding en

met de uitvoerders, dan met andere ondernemingen uit de

-toepassing meer centraal staat en die meer bottom-up gedreven

gebruikerscommissie of stuurgroep.

zijn, stelt deze problematiek zich minder duidelijk. Zo geeft meer dan 60% van de bedrijven aan dat de diensten die ze ontvangen

Tot slot blijkt over de verschillende effectmetingen heen dat

hebben, goed of zelfs perfect aansluiten bij hun noden.

bedrijven, ondanks de vaak beperkte engagementen tijdens het projectverloop, in het algemeen tevreden zijn over hun

2.4.5 Resultaten en effecten van de projecten

deelname in de gebruikerscommissie. Een bewijs hiervan is dat circa 90% van de ondernemingen die betrokken waren bij

De belangrijkste doestelling van programma’s van collectief

de VIS-CO-effectmeting, antwoordde dat ze met hun huidige

onderzoek en kennisverspreiding bestaat erin om het

kennis en ervaring over het projectverloop opnieuw zouden

bedrijfsleven in Vlaanderen te ondersteunen bij hun streven

deelnemen aan een gebruikerscommissie.

naar innovatie en kennisverwerving. Vanuit beleidsstandpunt zijn de gerealiseerde economische effecten bij ondernemingen

2.4.4 Spanningsvelden tussen projectuitvoerders en bedrijven

dan ook van primordiaal belang. Uit elk van de effectmetingen blijkt echter dat het kwantificeren van resultaten en effecten van collectieve onderzoeksprojecten bij ondernemingen in de

De grootste uitdaging bij projecten in collectieve programma’s

praktijk geen eenvoudige opdracht is. Verschillende factoren

bestaat erin om enerzijds een evenwicht te vinden tussen de

spelen hierbij een rol.

verwachtingen van de uitvoerders en de ondernemingen en anderzijds een gemene deler te vinden in de individuele

Vooreerst dient er binnen de projectresultaten een onderscheid

wensen van de ondernemingen in de gebruikerscommissies.

gemaakt te worden tussen enerzijds tastbare/directe resultaten en

Voor de meeste programma’s, in het bijzonder voor SBO en

zijn. Daar waar de eerste groep betrekking heeft op nieuwe

VIS-CO en in mindere mate voor TETRA/HOBU, is er sprake

producten/processen zijn de indirecte effecten veeleer

anderzijds meer indirecte effecten die moeilijker te kwantificeren

van een zeker spanningsveld op vlak van de projectverwachtingen

verbonden aan de concurrentiepositie, het belang van innovatie

tussen projectuitvoerders en betrokken ondernemingen. Daar waar

binnen de onderneming of inzichten bij het nemen van

de projectuitvoerders vooral in de eerste plaats het accent willen

investeringsbeslissingen. In een volgende stap kunnen dan

leggen op de kennisopbouw en kennisborging, is de valorisatie

bijvoorbeeld deze nieuwe producten en of inzichten leiden tot

van de kennis van het grootste belang voor de ondernemers.

een economische return onder de vorm van gerealiseerde omzetgroei of besparingen bij de ondernemingen.


239

Op het niveau van de ondernemingen is het echter uiterst

De resultaten en effecten van de projecten collectief onderzoek

moeilijk om de resultaten van één project bijvoorbeeld direct te

en kennisverspreiding blijven echter niet beperkt tot de bedrijven.

koppelen aan een specifiek product en of economische return.

De verschillende effectmetingen bevestigen dat ook bij de

Projectresultaten vormen in vele gevallen een schakel in een

betrokken projectuitvoerders, zoals collectieve onderzoekscentra,

groter intern innovatieproces. Gegeven de moeilijkheden bij

universiteiten en hogescholen tijdens en na afloop van de

het in kaart brengen van de resultaten en effecten bij de

projecten resultaten en effecten gerealiseerd worden onder de

ondernemingen in de gebruikerscommissies, is het absoluut

vorm van interne kennisopbouw. Specifiek voor het TETRA-

niet eenvoudig om de resultaten en effecten van de indirecte

programma geldt bovendien dat de projecten vaak een niet

kennisoverdracht naar een bredere doelgroep van Vlaamse

onbelangrijke impact hebben op het onderwijsprogramma van

ondernemingen te bepalen. De meeste effectmetingen

de betrokken hogeschooldepartmenten. Verder leiden in elke

beperken zich dan ook tot de resultaten/effecten van de directe

van de programma’s vele projecten na afloop tot een verdere

kennisoverdracht.

samenwerking met de betrokken ondernemingen bijvoorbeeld onder de vorm van contractonderzoek. Ook zorgen projecten

Voor elk van programma’s wordt het belang van de indirecte

in sommige gevallen voor mobiliteit van personeel tussen de

effecten van de projecten bij ondernemingen groter geschat

kennisinstellingen en ondernemingen in de gebruikerscommissies.

dan de tastbare effecten en resultaten. Vooral het feit dat

Ten slotte kan opgemerkt worden dat zowel binnen SBO als

projectresultaten uit deze collectieve programma’s ondernemingen

TETRA onderzoeksgroepen afhankelijk zijn van de project-

een aanzienlijke toegevoegde waarde vormen bij het nemen

financiering voor de verdere uitbouw of continuïteit van hun

van strategische (investeringsbeslissingen) komt in elk van de

onderzoeksactiviteiten. Het financieel belang van de projecten

effectmetingen zeer nadrukkelijk naar voren. In het bijzonder

werd ook opgemerkt door de kleinere organisatie binnen de

bij TETRA/HOBU, VIS-TIS en VIS-TD bevestigen ondernemingen

projecten technologische dienstverlening en thematische

ook dat het project een positieve invloed heeft op hun interne

innovatiestimulering. De collectieve onderzoekscentra slagen er

innovatiecapaciteit en/of de aandacht voor innovatie in de

dankzij de verschillende collectieve steunprogramma’s dan

onderneming versterkt heeft. Vooral bij de groep van minder

weer beter in om de verschillende segmenten van de volledige

innovatieve KMO’s is dit laatste een niet onbelangrijk effect.

onderzoeksketen te bedienen en/of meer riskante typen van

Het belang van deze indirecte effecten voor KMO’s wordt

onderzoek of dienstverlening aan te bieden die economisch

benadrukt in de TETRA-effectmeting. Bedrijven uit de TETRA-

nog niet levensvatbaar zijn.

projecten gaven immers aan dat de directe opbrengsten in termen van verkopen en nieuwe verkopen of diensten op de

2.5 LESSEN VOOR HET IWT

Het (voorlopig) uitblijven van tastbare resultaten bij ondernemingen

De resultaten van de verschillende effectmetingen tonen aan

kan aan verschillende redenen toegeschreven worden. Zo zijn

dat de verschillende programma’s van collectief onderzoek en

projectresultaten soms technologisch of economisch niet

kennisverspreiding een meerwaarde betekenen voor het

haalbaar of is de onderzoekstopic niet langer relevant voor de

Vlaamse bedrijfsleven. Men kan dan ook besluiten dat de

onderneming. Specifiek voor de programma’s SBO, VIS-CO

diverse programma’s een belangrijke rol spelen in het Vlaamse

en TETRA geven echter een groot deel van de ondernemingen

innovatielandschap. Wel dient er over gewaakt te worden dat

aan dat de toepassing van de projectresultaten nog in volle

verschillende verwachtingen van projectuitvoerders en

ontwikkeling is. Naargelang de afstand tot de markt groter is

ondernemingen niet te sterk uit elkaar lopen. Denken we

dienen bedrijven immers na afloop van de projecten meer te

hierbij aan de vaak terugkerende vraag vanuit de bedrijven

investeren in bijkomend vervolgonderzoek om de resultaten

om de focus van de projecten nog meer te leggen op de

toepasbaar te maken binnen de context van hun bedrijf. In het

kennisutilisatie, daar waar de kennisinstellingen de sterke nadruk

bijzonder voor projecten strategisch basisonderzoek kunnen de

op het valorisatiepotentieel van de projecten soms in vraag

eerste tastbare effecten van deze projecten aldus nog circa tien

stellen. Het vroeger betrekken van de ondernemingen bij de

jaar op zich laten wachten. Voor sommige van de recent

projectformulering kan hiervoor deels een oplossing vormen.

afgelopen projecten kwamen de effectmetingen dan ook te

Door IWT zal dan ook blijvende aandacht geschonken worden

vroeg om vanuit economisch perspectief te oordelen.

aan het vraaggedreven karakter van de projectvoorstellen.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

markt voor hen niet de eerste en enige toetssteen zijn.


240

Op basis van de effectmetingen werd ook vastgesteld dat er

2.6 REFERENTIES:

slechts in beperkte mate samenwerking en of netwerking is tussen de projectuitvoerders van de verschillende projecten. Het beter delen van ervaringen en expertise zou echter een belangrijke meerwaarde kunnen vormen voor de programma’s. Als reactie hierop zal het IWT zijn inspanningen versterken om de kruisbestuiving tussen de verschillende actoren binnen het innovatienetwerk te versterken.

• AERTS K. & CZARNITZKI D., The Impact of public R&Dfunding in Flanders, IWT-studie nr. 54, 2006. • BONGERS F. et al., Werking en Effecten van Collectief Onderzoek, IWT-studie nr. 61, 2008. • CLARYSSE B. et al; A look into the black box: What difference do IWT R&D grants make for their clients, IWT-studie nr. 56, 2006.

Zoals eerder aangegeven was deze eerste ronde van effectmetingen ook voor het IWT een leerproces. Met het oog op toekomstige oefeningen kan het IWT toch enkele lessen trekken met betrekking tot de aanpak ervan. Het belangrijkste element is hierbij dat een meer gestructureerde opvolging van projectresultaten, -effecten tijdens het projectverloop moet toelaten om op een gestandaardiseerde en eenvoudigere wijze de effecten van deze collectieve programma’s in kaart te brengen. Het IWT zal hier dan ook de nodige inspanningen voor leveren. Bijkomende dient ook verder nagedacht te worden hoe men in de toekomst de effecten van de indirecte kennisoverdracht naar een bredere doelgroep in kaart kan brengen. Voor sommige programma’s en/of projecten kwamen de effectmetingen bovendien nog iets te vroeg, zodat de conclusies zich op dit ogenblik beperken tot een evaluatie van het projectverloop en de directe resultaten van de betrokken projecten.

• MEIJER I. et al., De Waarde van Strategisch Basisonderzoek, IWT-studie nr. 60, 2008. • VAN RYSSEN S. et al., Eindrapport TETRA en HOBU Outputen Effectmeting, 2007. • VERBEEK A. et al., De Effectiviteit van het Vlaamse Innovatiesamenwerkingsverband, IWT-studie nr. 59, 2008.


241

D O S S I E R 3 : E E N N I E U W E G E N E R AT I E R E L AT I O N E L E K A A RT E N VO O R D E B E O O R D E L I N G VA N C I TAT I E - I M PAC T

1

Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven), Wolfgang Glänzel (K.U.Leuven), Andras Schubert (Hongaarse Academie van Wetenschappen), Bart Thijs (K.U.Leuven)

3.1 INLEIDING

De eerste oplossing verwijst naar de classificatie van onderzoeksinstituten volgens hun onderzoeksprofiel om

De evaluatie van de onderzoeksprestaties van instituten en

gelijkaardige instituten met elkaar te kunnen vergelijken (cf. Thijs

onderzoeksgroepen is één van de hoofdtaken van de huidige

en Glänzel, 2008). Omdat sommige klassen gespecialiseerde

bibliometrie geworden. De bibliometrische toolbox, bestaand uit

instituten weerspiegelen en andere eerder multidisciplinaire

gepaste standaard indicatoren, was reeds zeer vroeg ontwikkeld

instituten met medische, technische of algemene profielen,

in ons vakgebied maar het is nog steeds een uitdaging om

wordt een tweede oplossing voorgesteld. Terwijl in de

deze tools op de verschillende aggregatieniveaus op een juiste

relationele kaart de gemiddelde geobserveerde citatiefrequentie

manier toe te passen. Het bibliometrisch onderzoek heeft

(Mean Observed Citation Rate: MOCR, zie hoofdstuk 9)

op meso- en micro-niveau andere standaarden nodig dan,

geplot was tegenover de tijdschriftengebaseerde gemiddelde

bijvoorbeeld, nodig zijn voor vergelijkende onderzoeken op

verwachte citatiefrequentie (Mean Expected Citation Rate: MECR),

macroniveau (cf. Glänzel, 1996). Enkele van deze vereisten zijn

gebruikt een nieuwe versie van relationele kaarten domein-

de statistische betrouwbaarheid bij kleinere publicatieaantallen,

genormaliseerde (waargenomen en verwachte) citatie impact

geavanceerde data-cleaning technieken, adres- en auteur-

om mogelijke vertekeningen veroorzaakt door verschillende

identificatie en het betrouwbaar afbakenen van onderwerpen.

activiteitsprofielen te vermijden. Meer dan 2000 Europese

Bij instituut- of groepspecifieke specialisatie of diversificatie

universiteiten en andere onderzoeksinstituten worden gebruikt

komt verder ook de noodzaak naar boven om een classificatie

om vast te stellen op welk niveau (hoofdgebieden,

volgens onderzoeksprofiel te gebruiken (Thijs en Glänzel,

deelgebieden of ISI-Subjectcategorieën) een dergelijke

2008). Middelgrote en grote landen zijn actief in zo goed als

normalisatie moet gebeuren.

alle wetenschapsgebieden, instituten en onderzoeksgroepen De tweede vraag gaat over de onderliggende publicatieperiode en het citatievenster. Twee verschillende vensters, een drie- en De relatieve indicatoren ontwikkeld aan ISSRU (Boedapest) in

vijf-jaar citatievenster, worden toegepast op de bovenstaande

de jaren 80 – en bij voorkeur in relationele kaart (e.g., Schubert

“steekproef” om de robuustheid en betrouwbaarheid van de

en Braun, 1986) gepresenteerd – bleken handige instrumenten

indicatoren op dit meso-niveau te analyseren. De relationele en

voor de vergelijking van onderzoeksprestaties tussen verschillende

citatie-impact diagramma’s worden eveneens vergezeld van

landen. Bij vergelijkingen tussen verschillende instituten,

relationele kaarten die het relatieve aandeel top-publicaties ten

waar het zelfs niet zeker is dat multidisciplinaire profielen alle

opzichte van de internationale referentiestandaard weerspiegelen.

wetenschapsgebieden omvatten, of dat ze de meeste gebieden

Dit vormt de derde van de boven vermelde aanpakken.

in dezelfde mate bedekken, kunnen deze relationele kaarten

De methode van karakteristieke scores en schalen (characteristic

mogelijk de impact van de citaties niet voldoende duidelijk

scores and scales), die onderwerpgevoelige en zelfaanpassende

weerspiegelen en hierdoor de interpretatie vertekenen. In dit

drempelwaarden definiëren, is uiteindelijk gebruikt om de juiste

dossier stellen we daarom de toepassing van de volgende drie

drempel voor de selectie van vaak geciteerde papers te bepalen.

oplossingen voor. Ten slotte wordt een vergelijkende analyse van de citatie-impact van geselecteerde Europese onderzoeksuniversiteiten gepresenteerd.

1 De Engelstalige versie is verschenen in Archivum Immunologiae et Therapiae Experimentalis, 56 (6), 2008, 373-379

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

hebben echter gewoonlijk een veel specifieker publicatieprofiel.


242

3.2 DATABRONNEN EN DATAVERWERKING

De Je(2)/Je(1) index geïntroduceerd door Duda en Hart (1973) werd gebruikt om de optimale oplossingen te vinden. Naast het

Alle gegevens die in dit dossier gebruikt worden zijn gebaseerd

bijna triviale geval met twee clusters (medische en niet-

op ‘ruwe’ data geëxtraheerd uit de jaarlijkse updates van de

medische instituten) hebben we acht clusters gevonden als het

Web of Science databank van Thomson - Reuters (Philadelphia,

tweede optimum. Deze classificatie is weergegeven in Tabel 3.1

PA, USA). Enkel papers van het documenttype article, letter,

We zouden willen benadrukken dat deze clusters nog een

note en review geïndexeerd in de 1999-2001 volumes werden

aanzienlijke overlapping hebben in hun onderzoeksprofielen.

geselecteerd. Publicaties werden toegekend aan landen en

Maar dit is een voorwaarde voor het bouwen van relatieve

instituten volgens de adressen vermeld in de artikelkop.

citatie-indicatoren voor mogelijke toepassing op intra- en inter-

Nationale thesauri gemaakt aan het Steunpunt O&O

klasse vergelijking. Onderzoeksprestaties van instituten met

Indicatoren (SOOI) aan de K.U.Leuven op basis van de

een (bijna) volledig verschillend profiel zouden echter niet aan

institutionele adresgegevens zijn gebruikt om publicaties aan

directe vergelijking mogen onderworpen worden aangezien,

Europese instituten toe te kennen.

bijvoorbeeld, het vergelijken van een medische universiteit met een business school nog altijd een oefening is van “appels met peren vergelijken” en zou daarom niet zinvol zijn.

3.3 METHODES EN RESULTATEN 3.3.1 Onderwerpsdiversificatie en profielanalyse van onderzoeksinstituten Afwijkend van het macro-niveau, waar de nationale onderzoekssystemen van middelgrote en grote landen zoals verwacht multidisciplinair zijn, vormen diversificatie en specialisatie een belangrijk vraagstuk in de evaluatie van onderzoek door instituten. In het kader van vergelijkende studies, is een opsplitsing naar vakgebieden alleen niet voldoende om de complexiteit en onderwerpsdiversificatie

Tabel 3.1

De acht clusters resulterend uit de tweede optimale oplossing

Cluster Cluster 1 (Biologie) Cluster 2 (Landbouw) Cluster 3 (Multidisciplinair) Cluster 4 (Aard- & Ruimtewetenschap) Cluster 5 (Technische- & Natuurwetenschap) Cluster 6 (Scheikunde) Cluster 7 (Algemene- & Onderzoeksgeneeskunde) Cluster 8 (Speciale geneeskunde)

Code BIO AGR MDS GSS TNS CHE GRM SPM

van institutionele onderzoeksactiviteiten te omvatten of te weerspiegelen. Om hieraan tegemoet te komen, hebben we

Binnen het kader van dit onderzoek hebben we de profiel-

naar een oplossing gezocht om onderzoeksinstituten met een

clusters enkel gebruikt om te antwoorden op de vraag welke

gelijk profiel te identificeren. In vroegere publicaties (e.g., Thijs

domeindiepte verkozen moet worden voor domeingebaseerde

en Glänzel, 2008) hebben we een methode ontwikkeld om

normalisatie van citatie-indicatoren om tegemoet te komen aan de

het Europese en nationale institutenlandschap op basis van

vereisten van diversificatie en specialisatie op institutioneel niveau.

de individuele onderzoeksprofielen van de instituten te classificeren en in kaart te brengen. Deze methode, die bestaat uit drie stappen, is kort samengevat als volgt. De eerste stap

3.3.2 Mogelijke niveaus van domeintoekenning voor normalisatie van citatie-indicatoren

was het opsplitsen van de publicatieoutput van ieder onderzoeksinstituut in vakgebieden en vervolgens het opstellen

Het is een welgekend feit dat de domeingebonden verschillen

van hun individuele publicatieprofielen. We hebben voor deze

in publicatie- en citatiegedrag van wetenschappers resulteren in

taak gebruik gemaakt van de 16 hoofdgebieden van de

aanzienlijke verschillen in de standaard publicatie-activiteit en

wetenschapen, sociale wetenschapen en humane wetenschappen

citatie-impact over die verschillenden domeinen. We moeten

ontwikkeld aan de KU Leuven en ISSRU-Boedapest (Glänzel

dus ook in de individuele profielclusters verschillende citatie-

et al., 2003). Om vertekeningen te vermijden, werden kleine

standaarden verwachten. Een andere vraag komt voort uit de

instituten met een publicatieoutput onder een bepaalde

classificatie getoond in Tabel 3.1, met name, of onderzoeks-

drempelwaarde verwijderd. In een tweede stap is een cluster-

profielen van de individuele domeinen mogelijk verschillen

analyse aan de hand van het Ward’s algoritme met kwadratische

tussen clusters.

Euclidische afstanden toegepast op deze onderzoeksprofielen.


243

Met andere woorden, heeft onderzoek in de chemie of fysica

Bovenstaande voorbeelden suggereren dat het hoogste niveau,

hetzelfde profiel in de chemie cluster #6 als in de multidisciplinaire

hiermee bedoelen we, de hoofdgebieden, te breed zou

cluster #3 of de technische & natuurwetenschappen cluster #4?

kunnen zijn voor deze toepassing. Anderzijds verwacht men

Een gelijkaardige vraag kan aangekaart worden in verband met

intuïtief dat het gebruik van het laagste niveau, met een fijne

medisch onderzoek in clusters #3, 7 en 8. Ofschoon deze vraag

granulatie van domeintoekenning, ook de meest correcte

redelijk retorisch lijkt, kan zij in praktijk van belang worden als

aanpak zou kunnen zijn. Maar rekening houdend met het feit

publicatieoutput van verschillende clusters opgesplitst wordt naar

dat veel in de Web of Science opgenomen tijdschriften elk

domeinen en als deze dan als basis dienen voor vergelijkingen

toegekend zijn aan 4, 5 of zelfs meer ISI Categorieën en dat de

tussen clusters. De reden daarvoor ligt in de heterogeniteit van

toekenning van publicaties aan deelgebieden duidelijker is,

hoofddomeinen ten opzichte van het communicatiegedrag van

blijkt dat deelgebieden als verkozen referentieniveau zouden

wetenschappers. Volgens het bovenvermelde Leuven/Boedapest

kunnen dienen. Een gevolg van niet eenduidige toekenningen

domeinclassificatieschema, dat de ISI Subjectcategorieën als

is de noodzaak om domeintoekenningen te fractioneren en dus

laagste hiërarchisch niveau gebruikt, bestaat het hoogste niveau

gewogen gemiddelden te berekenen voor de respectievelijke

uit 12 hoofddomeinen in de wetenschappen en de medische

individuele vakgebiedgebaseerde verwachte citatie-impact.

en toegepaste wetenschappen en omvat het middelste niveau

Die gewogen of gefractioneerde berekening van de gemiddelden

60 subdomeinen (zie Glänzel en Schubert, 2003).

of domeinstandaarden gebeurt ook in het geval van deelgebieden en hoofdgebieden, maar in veel mindere mate

In hun recent artikel hebben Thijs en Glänzel (2009) aan

dan het geval is voor de ISI Categorieën. Immers, toekenning

de hand van het vakgebied scheikunde geïllustreerd dat de

aan verschillende hoofdgebieden of deelgebieden komt niet in

deelgebiedprofielen van chemisch onderzoek inderdaad

dezelfde mate voor als bij ISI Categorieën. Hieronder vatten

aanzienlijk verschillen tussen de individuele clusters. Zo was

we de resultaten samen van een systematische vergelijking

fysische chemie, bijvoorbeeld, bijna afwezig in de medische

van de domeingenormaliseerde citatie-impact van Europese

clusters terwijl in de technische & natuurwetenschappen de

onderzoeksinstituten op basis van de drie verschillende hiërarchische niveaus van vakgebiedtoekenning. Voor deze

dominant waren dan in de medische groepen. De analyse van

analyse hebben we de 676 (uit de 2000) Europese instituten met

institutionele onderzoeksprestaties per subdomein of zelfs per

minstens 50 publicaties in de periode 1999-2001 geselecteerd.

ISI Categorie is, door de vaak kleine publicatiesets ten gevolge

We hebben een citatievenster van drie jaar beginnend met het

van de opsplitsing, minder toepasbaar op dit aggregatieniveau.

publicatiejaar toegepast. De paarsgewijze lineaire regressie

Opsplitsing naar subdomeinen of zelf ISI categorieën voldoet

tussen de NMCR van de 676 instituten berekend op basis van

dus niet om al de profielspecifieke vertekeningen uit te sluiten.

de drie verschillende domeinniveaus toonde de sterkste correlatie

Als gevolg hiervan moet men de vraag stellen hoe en op welk

tussen de subdomeinen en de ISI categorieën. De correlatie

niveau citatiedata moet genormaliseerd worden om de boven-

tussen het laagste en hoogste hiërarchische niveau leverde de

vermelde vertekeningen uit te sluiten. Eén genormaliseerde

slechtste resultaten (cf. Glänzel et al, 2008). Deze resultaten

indicator die succesvol gebruikt is geweest, is zonder twijfel de

werden nog duidelijker als de acht profielclusters apart

domeingebaseerde genormaliseerde gemiddelde citatiefrequentie

bestudeerd worden. Terwijl het lineaire regressiemodel bijna

(Normalised Mean Citation Rate, NMCR, zie, e.g., Braun en

dezelfde patronen levert voor de multidisciplinaire cluster bleek

Glänzel, 1990). Een gelijkaardige maatstaf (CPP/FCSm) is

Aard&Ruimtewetenschappen de meest problematische te zijn.

gebruikt aan het CWTS (cf. Moed et al, 1995). Deze indicatoren

Figuur 3.1 geeft de spreidingsdiagrammen en de lineaire

hebben

geobserveerde

regressie voor drie clusters weer. Het feit dat de helling van 1.4

citatiefrequentie wordt geijkt ten opzichte van zijn individuele

duidelijk boven de 1.0 waarde komt in het geval van cluster #4

verwachting op basis van het onderwerp waartoe het behoord.

toont duidelijk de inconsistentie aan van het hoofdgebiedmodel

In het licht van deze korte bespreking over domeingerelateerde

(zie Figuur 3.1, onderaan rechts).

gemeen

dat

de

gemiddelde

aandachtspunten komt de vraag naar voren welk hiërarchisch domeinniveau verkozen moet worden als referentiestandaard voor de definitie van zulk een indicator voor de toepassing van de institutionele citatie-impact.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

chemie clusters organische en medische chemie minder


244

Figuur 3.1: Spreidingsdiagram van NMCR gebaseerd op subdomeinen t.o.v. ISI CategoriĂŤn (links) en hoofddomeinen t.o.v. ISI CategoriĂŤn (rechts) voor instituten van Cluster 3 (boven), Cluster 1 (midden) en Cluster 4 (onderaan)

3.5

3.5

3.0

3.0

2.5

2.5

y = 1.015x R2 = 0.978

2.0

y = 1.072x R2 = 0.936

2.0

1.5

1.5

1.0

1.0

0.5

0.5 0.0

0.0 0.0

0.5

1.0

1.5

2.0

2.5

3.0

0.0

3.5

3.5

3.5

3.0

3.0

2.5

1.0

1.5

2.0

2.5

y = 1.0151 R2 = 0.948

2.0

0.5

1.5

1.0

1.0

0.5

0.5

0.0

3.0

3.5

y = 1.007x R2 = 0.783

2.0

1.5

2.5

0.0 0.0

0.5

1.0

1.5

2.0

2.5

3.0

0.0

3.5

3.5

3.5

3.0

3.0

2.5

1.0

1.5

2.0

2.5

y = 1.083x R2 = 0.855

2.0

0.5

1.5

1.0

1.0

0.5

0.5

0.0

3.0

3.5

y = 1.398x R2 = 0.438

2.0

1.5

2.5

0.0 0.0

0.5

1.0

1.5

2.0

2.5

3.0

3.5

0.0

0.5

1.0

1.5

2.0

2.5

3.0

3.5

Samenvattend kunnen we concluderen dat we consistente

Om te voorkomen dat er buitensporig wordt opgesplitst,

resultaten bekomen voor de berekening van domein-

wordt gewogen en gemiddeldes genomen, geven wij de

genormaliseerde citatie-indicatoren voor de ISI CategorieĂŤn en

voorkeur aan het gebruik van deelgebiedgebaseerde

de deelgebieden.

standaarden. Alle verdere analyses zullen op deze aanpak gebaseerd zijn.


245

3.3.3 Keuze van geschikte citatievensters voor de analyse van institutionele onderzoeksprestatie

Figuur 3.2 toont het spreidingsdiagram van de NMCR gebaseerd op het 5-jaar citatievenster t.o.v. het 3-jaar venster voor de 676 Europese onderzoeksinstituten met ten minste

Voordat we verdergaan met andere nodige theoretische en

50 publicaties in de periode 1999-2001. De bijna perfecte

methodologische overwegingen moeten we een belangrijke

overeenkomst van het lineaire regressiemodel met zeer sterke

validiteitvraag beantwoorden. De keuze van citatievenster dat

correlatie toont dat ook op dit niveau een venster van drie jaar

de citatieanalyse moet onderbouwen wint aan belang, maar is ook

voldoende is om op een juiste manier de citatie-impact te

kritischer op lagere aggregatieniveaus. Zonder twijfel resulteert

meten. Of ook, de gemiddelde groei van de geobserveerde

een groter citatievenster in een hogere betrouwbaarheid van

citatiefrequentie loopt parallel met die van zijn subdomein-

indicatoren dan een korter venster. Ook het vaakgehoorde

gebaseerde verwachting. Daarom zullen we een citatievenster

argument dat de traditionele vensters van 3 tot 5 jaar niet

van drie jaar gebruiken in de volgende secties van deze studie.

voldoende zijn in specifieke gebieden van de toegepaste wetenschappen en in wiskunde raden de toepassing van zo groot mogelijke citatievensters aan. Aan de andere kant,

3.3.4 Karakteristieke Scores en Schalen voor vaak geciteerde publicaties

wetenschapsbeleid en onderzoeksbeleid zijn geïnteresseerd in de evaluatie van de meest recente resultaten. De standaard-

We zullen de exponentiële eigenschap van de staart van de

oplossing kan doordoor alleen maar een compromis zijn (Glänzel,

citatieverspreiding gebruiken om een handige regel af te leiden

1997). Dus het citatievenster van 3 jaar is – ook naast grotere

voor het determineren van vaak geciteerde artikels via de

vensters – reeds vaak met succes toegepast op verschillende

methode van karakteristieke scores en schalen (Schubert en

aggregatieniveaus (zie, bijvoorbeeld, Moed, 1996, Glänzel, 2000,

Glänzel, 1988, Glänzel, 2007). Deze methode kan kort worden

Schubert en Glänzel, 2007, van Raan, 2006a, 2006b).

samengevat als steekproeven iteratief inkorten op hun mediaan waarde b1 en de mediaan (k>1) te herberekenen voor de ingekorte steekproef tot de procedure gestopt wordt of

Figuur 3.2: Plot van NMCR gebaseerd op een 5-jaar

de steekproef leeg is. In wat volgt zullen we de procedure

venster t.o.v. een 3-jaar venster voor 676

introduceren aan de hand van een voorbeeld met citatieratio’s

Europese instituten

van papers, liefst gepubliceerd in hetzelfde onderwerpsgebied of subdomein. De procedure resulteert in het opsplitsen van de oorspronkelijke verdeling in de volgende zones: [0 , b1)

4.0

‘minder geciteerd’, [b1 , b2) 'redelijk geciteerd', [b2 , b3) ‘vaak geciteerd' and [b3 , ∞) 'zeer vaak geciteerd' papers.

5-jaar venster

3.0

y = 1.000x R2 = 0.963

2.5

Als een gevolg van een karakteriseringstelling voor pareto-achtige verdelingen door Glänzel et al. (1984) kunnen de conditionele

2.0

verwachtingen bk uitgedrukt worden door bk = (a0+a1+…+ak-1) b1, waar de variabele a enkel afhangt van de parameters van

1.5

de verdeling. Empirische onderzoeken hebben aangetoond dat 1.0

a ≈ 2 voor citatievensters van 3-5 jaar (Schubert en Glänzel, 2007, Glänzel, 2008). In dit geval bekomen we respectievelijk

0.5

b2 = 3b1 en b3 = 7b1. Voor de institutionele analyse stellen

0.0 0.0

0.5

1.0

1.5

2.0

2.5

3.0

3.5

4.0

3-jaar venster

we het gebruik voor van de twee groepen ‘vaak geciteerde’ en ‘zeer vaak geciteerde’ papers met de overeenkomstige drempels k=2 of k=3 respectievelijk. In een eerder onderzoek

Desondanks zullen we nader onderzoeken hoe gevoelig citatie-

(Glänzel, 2007) was aangetoond dat de scores bk tijdsafhankelijk zijn en, natuurlijk, zeer gevoelig zijn voor de

indicatoren genormaliseerd op het subdomein niveau zijn ten

onderwerpsmaterie, maar het aandeel van papers in de

opzichte van verschillende initiële citatieperiodes. Hiervoor hebben

individuele zones is relatief stabieler over het citatievenster en

we een venster van drie en vijf jaar gebruikt.

verschilt ook niet opmerkelijk tussen verschillende subdomeinen.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

3.5


246

Dus indicatoren op vaak geciteerde papers gedefinieerd op

1.

wordt gedefinieerd als de citatie over publicatie ratio.

basis van karakteristieke scores en schalen kunnen als domeingenormaliseerd beschouwd worden.

De Gemiddelde Geobserveerde Citatie Ratio (MOCR)

2.

Gemiddelde Verwachte Citatie Ratio (MECR). De verwachte citatie ratio van een bepaalde paper wordt gedefinieerd als

De referentiestandaard van het aandeel ‘zeer vaak geciteerde’

de gemiddelde citatie ratio van alle papers gepubliceerd in

papers ligt meestal tussen 1% en 2% en dat van ‘vaak geciteerde’

hetzelfde tijdschrift.

papers is ongeveer 5% (e.g., Glänzel, 2007). Als gevolg van

3.

Domein Verwachte Citatie Ratio (FECR). Analoog met de

deze regel moeten we onderzoek van zeer vaak geciteerde

vorige indicator wordt de domeinverwachte citatie ratio

papers van instituten beperken tot die met ten minste 1000 papers

van een enkele paper gedefinieerd als de gemiddelde

of het onderzoek van vaak geciteerde papers tot die met ten

citatie ratio van alle papers die gepubliceerd werden in hetzelfde jaar, in hetzelfde domein.

minste 200 papers. Anders worden de institutionele sets van (zeer) vaak geciteerde papers niet verwacht meer dan 10

4.

De ratio van de twee vorige indicatoren (MECR/FECR)

publicaties elk te hebben. Paper sets van zulk kleine omvang

drukt uit of de eenheid in de studie gemiddeld in hogere

zijn echter niet meer valied voor statistische citatieanalyse.

(lagere) impacttijdschriften publiceert dan verwacht op basis van de subdomeinen waar de eenheid actief was.

3.3.5 Subdomein-genormaliseerde relationele schema’s

5.

Genormaliseerde Gemiddelde Citatie Ratio (NMCR). Deze indicator wordt gedefinieerd als de ratio van de

voor vergelijkende vaststelling van citatie-impact

geobserveerde en domeingebaseerde verwachte citatie In deze sectie passen we uiteindelijk de boven vermelde

impact. NMCR peilt de citatiegraad van de papers tegen

methodologische resultaten toe op een concrete selectie van

de standaarden die door de specifieke subdomeinen

onderzoeksuniversiteiten. Hiervoor hebben we telkens twee

worden gezet.

grote universiteiten gekozen, uit twaalf middelgrote Europese

6.

Relatieve Citatie Ratio (RCR). RCR wordt gedefinieerd

landen. Specifiek gaat het over de volgende landen: Oostenrijk,

als de ratio van de geobserveerde en de tijdschrift-

België, Denemarken, Finland, Hongarije, Ierland, Italië, Nederland,

gebaseerde verwachte citatie-impact. Deze indicator meet

Portugal, Spanje, Zweden en Zwitserland. Aangezien de grootste

of de publicaties van een eenheid in de studie meer of

universiteiten (in termen van publicatieoutput) gewoonlijk multi-

minder citaties aantrekken dan verwacht op basis van de

disciplinaire onderzoeksprofielen hebben, hebben we sommige

tijdschriftimpactmetingen van de tijdschriften waarin ze

van de oorspronkelijk geselecteerde universiteiten vervangen door

verschenen.

medische of technische universiteiten met een gelijkaardig grote

7.

Hoge-impact Activiteit is de ratio van de eenheid’s deel van

publicatieoutput. Aldus hebben we uiteindelijk twee medische

‘vaak geciteerde’ papers uit alle papers en de

universiteiten en drie technische universiteiten in deze selectie.

overeenkomende wereldstandaard. Deze meting werd geïntroduceerd door Glänzel en Schubert (1992), maar

De publicatieoutput van de geselecteerde instituten varieert

werd toegepast op een andere definitie van hoge impact.

tussen ongeveer 1200 en 8500 papers in de periode 1999-

Hier baseren we deze meting op de definitie die in de

2001. Aangezien de selectie door de bovenvermelde ‘correctie’

vorige sectie werd gegeven, en we gebruiken de k=3

ietswat arbitrair is en de intentie van dit onderzoek gewoon

drempel om ‘buitengewoon vaak geciteerde’ papers te selecteren voor hoge-impact analyse.

het voorstellen van een methodologie is met instituten als voorbeeld, zullen de universiteiten anoniem worden voorgesteld

8.

Hoge-impact Aantrekkelijkheid wordt analoog gedefinieerd

door letters. De twee medische universiteiten zijn U en X,

als de vorige indicator, in het bijzonder, als de ratio van de

de technische universiteiten zijn G, T en Y. Een vergelijkend

eenheid’s deel aan citaties aangetrokken door zijn ‘vaak

onderzoek van een uitgebreidere en niet anonieme selectie

geciteerde’ papers in alle citaties ontvangen door de eenheid

van universiteiten is in aanmaak. Alvorens we de citatiedata

in de studie en de overeenkomstige wereldstandaard.

voorstellen, vatten we kort alle gebruikte indicatoren samen die

Dezelfde condities en drempels als in de definitie van de

in dit model gebruikt worden. Alle indicatoren zijn gebaseerd

vorige indicator werden gebruikt.

op citatievensters van drie jaar.


247

Figuur 3.3: Relationeel schema van verwachte en

Figuur 3.4: Subdomeingenormaliseerd schema voor 24 universiteiten

waargenomen citatieratio voor 24 universiteiten

9

1.8

P

F 8 EU

P 7

K HR

6 5 4

T

E

KG 1.4

Q

V C BL AJ D G NM OI X S

NMCR

MOCR

F

1.6

1.2 1.0

I S

C VU H DT B O J ANL M

QR

0.8 X Y

3

0.6 0.6

0.8

1.0

1.2

1.4

1.6

1.8

Y

2 2

3

4

5

6

7

8

9

MECR/FECR

MECR

X en Y nemen haast dezelfde positie in de linkse benedenhoek Relatieve indicatoren worden bij voorkeur gepresenteerd in

van de grafiek. De positie van universiteit T is ook veranderd;

een relationele figuur (zie Schubert en Braun, 1986).

in de nieuwe grafiek heeft ze zich bij de meest gunstige sectie

Subdomeingenormaliseerde relationele figuren worden onder-

gevoegd. Sommige veranderingen beĂŻnvloeden ook universiteiten

verdeeld in zes secties door de hoofddiagonaal, vertrekkende

P en F, beiden echter met uitstekende citatie-impact.

vanuit de oorsprong en door toevoeging van twee rechte lijnen die de conformiteit met de referentiestandaarden voor

Om deze resultaten te verdiepen presenteren we een plot met

observaties en verwachtingen aangeven (Braun en Glänzel, 1990).

de hoge impact activiteit versus hoge impact attractiviteit voor

Eerst wordt het scatter plot van (MECR, MOCR) waarden

deze universiteiten (zie figuur 3.5).

voorgesteld in een traditionele relationele figuur (zie figuur 3.3). Zowel verwachtingen als observatie dekken een behoorlijk Figuur 3.5: Relationeel schema van hoge-impactactiviteit en

universiteit is, terwijl Y een technische universiteit is, draagt zeker

aantrekkelijkheid voor 24 universiteiten

bij tot de grote deviaties in hun respectievelijke citatie impact. We vermelden ook dat beide impactmaten (MECR en MOCR)

3.0 P

voor U aanzienlijk deze van de technische universiteit G 2.5

overschrijden en we kunnen een gelijkaardige situatie voor X en universiteit, lijkt in de low-end groep van deze figuur te zitten. We bekomen een geheel andere situatie indien subdomeingebaseerde normalisatie wordt toegepast. De plot van subdomein-genormaliseerde observatie tegenover subdomein-

Hoge impact attractiviteit

Y observeren, hoewel op een veel lager niveau. Ook T, als technische

2.0 T

1.5 M

O I JL N A

1.0 0.5

K F

VCU EG D R HB Q

S

X Y

genormaliseerde verwachting wordt in figuur 3.4 afgebeeld. De posities van universiteiten G en U worden omgekeerd;

0.0 0.0

0.5

1.0

1.5

2.0

hetzelfde geldt voor X en Y. Het effect van de domein-specifieke lagere impact van technische universiteiten en de normale hoge impact van medische universiteiten wordt op die manier ongedaan gemaakt.

Hoge impact activiteit

2.5

3.0

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

grote waaier aan citatie-impact. Het feit dat U een medische


248

Deze tabel vervolledigt het vorige diagram, behalve dat de

• W. GLÄNZEL, The Need for Standards in Bibliometric

aantrekkelijkheid van de high-end groep nauwelijks aan de

Research and Technology, Scientometrics, 35 (2), 1996, 167-176.

verwachtingen voldoet die door hun hoge-effect activiteit

• W. GLÄNZEL, On the Reliability of Predictions Based on

verwacht kan worden. Zowel de minst gunstige situatie van

Stochastic Citation Processes, Scientometrics, 40 (3), 1997,

universiteiten X en Y als de opmerkelijke citatie-impact van F en vooral deze van P worden door deze figuur ook bevestigd.

481-492. • W. GLÄNZEL, Science in Scandinavia: A Bibliometric Approach, Scientometrics, 48 (2), 121-150. (Correction: Scientometrics, 49 (2), 2000, 357).

3.4 CONCLUSIES

• W. GLÄNZEL, A. SCHUBERT, A new classification scheme of science fields and subfields designed for scientometric

Om de juiste domeindiepte te bepalen voor de berekening

evaluation purposes, Scientometrics, 56 (3), 2003, 357–367.

van vakgebiedgenormaliseerde citatie-indicatoren werd gebruik

• W. GLÄNZEL, Characteristic scores and scales. A bibliometric

gemaakt van zowel de institutionele profielclusters, ontwikkeld

analysis of subject characteristics based on long-term citation

aan het SOOI/KU Leuven als van het drie-niveau hiërarchisch

observation, Journal of Informetrics, 1 (1), 2007, 92-102.

onderwerp-classificatieschema gebaseerd op het ISI Subject-

• W. GLÄNZEL, On some new bibliometric applications of

categorie systeem. Het niveau van 60 subdomeinen bleek

statistics related to the h-index, Scientometrics, 76(3), 2008,

een aanvaardbare keuze die stabiele en consistente resultaten

forthcoming.

opleverde. De genormaliseerde indicatoren kunnen gebruikt

• H.F. MOED, R.E. DE BRUIN, Th.N. VAN LEEUWEN, New

worden zowel voor vergelijkende analyses binnen en tussen

bibliometric tools for the assessment of national research

individuele clusters, alsook voor domeinstudies op dit

performance: database description, overview of indicators

aggregatieniveau. Bijkomend aan de relatieve citatie indicatoren

and first applications. Scientometrics, 33(3), 1995, 381-422.

wordt het institutionele toponderzoek het best weergegeven

• H.F. MOED, Differences in the construction of SCI based

door ‘vaak geciteerde publicaties’. Twee drempels worden

bibliometric indicators among various producers: A first over

voorgesteld, afhankelijk van de onderliggende publicatie

view, Scientometrics, 35 (2), 1996, 177-191.

output. De studie toont ook aan dat het gebruik van een

• A. SCHUBERT, T. BRAUN, Relative indicators and relational

citatievenster van drie jaar volstaat om relatieve en topcitatie-

charts for comparative-assessment of publication output and

indicatoren op te bouwen.

citation impact, Scientometrics, 9 (5-6), 1986, 281-291. • A. SCHUBERT, W. GLÄNZEL, A systematic analysis of Hirsch-type indices for journals, Journal of Informetrics, 1 (3),

3.5 REFERENTIES

2007, 179–184. • B. THIJS, W. GLÄNZEL, A structural analysis of publication

• T. BRAUN, W. GLÄNZEL, United Germany: The New Scientific Superpower? Scientometrics 19 (5-6), 1990, 513-521. • R.O. DUDA, P.E. HART, Pattern Classification and Scene Analysis. New York: Wiley, 1973. • W. GLÄNZEL, A. TELCS, A. SCHUBERT, Characterization by Truncated Moments and Its Application to Pearson-Type

profiles for the classification of European research institutes, Scientometrics, 74 (2), 2008, 223–236. • B. THIJS, W. GLÄNZEL, A structural analysis of benchmarks on different bibliometric indicators for European research institutes based on their research profile, Scientometrics, 2009, forthcoming.

Distributions. Zeitschrift für Wahrscheinlichkeitstheorie und

• A.F.J. VAN RAAN, Statistical properties of Bibliometric

verwandte Gebiete, 66, 1984, 173-183. (Correction: Probability

indicators: Research group indicator distributions and

Theory and Related Fields, 74, 1987, 317.)

correlations, Journal of the American Society for Information

• W. GLÄNZEL, A. SCHUBERT, Characteristic Scores and Scales in Assessing Citation Impact. Journal of Information Science, 14, 1988, 123-127. • W. GLÄNZEL, A. SCHUBERT, Some facts and figures on highly cited papers in the sciences, 1981-1985, Scientometrics, 25 (3), 1992, 373-380.

Science and Technology, 57 (3), 2006, 408-430. • A.F.J. VAN RAAN, Comparison of the Hirsch-index with standard bibliometric indicators and with peer judgment for 147 chemistry research groups, Scientometrics, 67 (3), 2006, 491-502.


249

DOSSIER 4: ONDERWIJS: KIEM VOOR O N D E R ZO E K E N I N N OVAT I E Door Danielle Raspoet (VRWB) en Kristien Vercoutere (VRWB)

4.1 SITUERING

onderbouwd met cijfermateriaal, en gericht aan Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, Frank Vandenbroucke, en

Een dynamisch wetenschaps- en innovatiebestel steunt op

aan Vlaams minister van Wetenschap en Innovatie, Patricia

mensen. In de eerste plaats zijn dit de onderzoekers. Zij staan

Ceysens. Een VRWB-redactiecomité onder voorzitterschap van

aan de wieg van doorbraken in de wetenschap, zetten innovatie

prof. Harry Martens, UHasselt, bereidde de tekst voor.

in gang en vormen zo de ruggengraat van onze kenniseconomie. Maar er is evenzeer nood aan wetenschappelijk/technologisch

Het advies lijst knelpunten en mogelijke remediëringen op met

geschoolde managers die innovatie in hun bedrijf kunnen

betrekking tot het geheel van het hoger onderwijs. Het eindigt

introduceren, en aan een ruim aantal hoger opgeleide en

met een aantal specifieke aanbevelingen, ten einde de numerieke

technisch geschoolde medewerkers die deze kennis in de

uitstroom aan hoger opgeleiden (bachelors, masters en

praktijk kunnen brengen. Zowel de beschikbaarheid van

doctores) te verhogen (kwantitatieve doelstelling) en deze beter

voldoende menselijk potentieel, als de kwaliteit van deze

af te stemmen op de huidige en toekomstige behoeften aan

mensen is hierbij een sleutelbegrip.

innovatief potentieel in Vlaanderen (kwalitatieve doelstelling). Vanwege de acute problematiek in de wetenschappelijke en

De beschikbaarheid van hooggekwalificeerd talent en de groei

technologische domeinen heeft de kwantitatieve doelstelling

van het aantal onderzoekers zijn belangrijke elementen van de

voornamelijk betrekking op het aantal uitstromers in de (natuur)-

Lissabon-agenda. Meer investering in onderzoek gaat gepaard

wetenschappen, informatica, technologie en de professionele

met een grotere vraag naar onderzoekers. Om de doelstelling

bachelors in die domeinen, waar er (ook internationaal) een

van de 3%-norm te bereiken worden ongeveer 700.000 extra

groeiende kloof is tussen vraag en aanbod.

1

onderzoekers nodig geacht . Voor Vlaanderen betekent dit dat er zo’n 15.000 extra onderzoekers nodig zijn om de structurele langetermijngroei in kennisinvesteringen, waartoe

4.2 KENNIS ALS PRODUCT – KENNIS ALS VERMOGEN

vullen en op te vangen. De Nederlandse Adviesraad voor het Wetenschaps- en We hebben in de toekomst niet alleen méér hoger opgeleiden

Technologiebeleid, AWT, maakte in zijn advies 71 (april 2007)

nodig, maar ze moeten ook over de geschikte competenties

een onderscheid tussen twee soorten kennis: ‘kennis als

beschikken om adequaat op de uitdagingen te kunnen inspelen.

product’ en ‘kennis als vermogen’.

Dit houdt uiteraard ook bepaalde eisen in aan het hele pallet van hoger onderwijs, zowel op het bama-niveau als voor de

“‘Kennis als product’ bestaat uit inzichten en uitspraken die aan

doctoraatsopleiding.

papier kunnen toevertrouwd worden, uit theorieën en feiten die worden vastgelegd in tijdschriften, boeken, enz. Het zijn

Zowel de VRWB als de Vlor zijn overtuigd van het belang

onderzoeksresultaten, die publiceerbaar zijn en op die wijze

van onderwijs in het realiseren van de kennismaatschappij.

overdraagbaar zijn.”

Als Vlaanderen wil uitgroeien tot een kwalitatief hoogstaande kennisregio, dan moet het dus niet alleen bijzondere aandacht

“‘Kennis als vermogen’ bestaat uit competenties om relevante

besteden aan de onderzoekscomponent, maar ook aan de

kennis te signaleren en te absorberen, kennis te combineren en

onderwijscomponent. Beide adviesraden namen daarom het

verder te ontwikkelen, te vertalen en te gebruiken. Kennis als

initiatief om hierrond gezamenlijk een advies te formuleren,

vermogen zit in mensen, in organisaties en in infrastructuur.”

1 COM(2003) 226 definitief/2 - Mededeling van de Commissie Investeren in onderzoek: een actieplan voor Europa.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

de Vlaamse overheid zich heeft geëngageerd, zinvol in te


250

“Bedrijven en maatschappelijke organisaties gebruiken kennis

De structurele financiering voor het hoger onderwijs (1ste

om te innoveren. Daarvoor moeten ze toegang hebben tot

geldstroom) vanuit de onderwijsbegroting – de voornaamste

kennis als product (concrete onderzoeksresultaten), maar ook

bron van O&V – heeft deze groei evenwel niet gevolgd. In de

tot kennis als vermogen (goed opgeleide mensen en een goed

periode 1995-2007 stegen de kredieten voor O&O met 168%

functionerende onderzoeksinfrastructuur).”

tegenover een stijging van slechts 28% voor de O&V-kredieten (zie figuur 4.1). Voor wat het O&V-luik betreft, komt dit enkel neer op een aanpassing aan de consumptieprijsindex, die de

4.3 INVESTEREN IN KENNIS

sterk gestegen groei (cf. output in deze sector, bv. gestegen aantal diploma’s) niet opvangt.

Investeren in onderwijs lijkt bij uitstek een investering in ‘kennis als vermogen’ te zijn, een investering in kennis onder de vorm van menselijk kapitaal. Dit kapitaal is cruciaal voor toekomstige kennisontwikkeling en -valorisatie. In Nederland ligt, volgens de

4.4 EEN TOEKOMSTGERICHTE VISIE OP HOGER ONDERWIJS

AWT althans, de focus (te) sterk op kennis als product, en is er meer aandacht nodig voor kennis als vermogen. Men kan zich

Het hoger onderwijs heeft als taak voldoende (jonge) mensen

afvragen of dit ook voor Vlaanderen geldt.

te vormen op hoog niveau zodat ze kunnen bijdragen aan de maatschappij door kennisintensieve activiteiten, zowel op

De laatste jaren is het belang van onderzoek voor innovatie

het gebied van onderzoek als erbuiten.

zeer sterk benadrukt. Deze terechte focus heeft zich het laatste decennium, dankzij de inspanningen van de minister van

De toenemende complexiteit en globalisering van onze

Wetenschap en Innovatie, vertaald in een sterke groei in project-

maatschappij en de evolutie naar een ware kenniseconomie maakt

en mandaatfinanciering voor het academisch onderzoek – en

dat we in de toekomst: (1) steeds meer hoger opgeleiden

meer algemeen – in het besef dat we moeten investeren in

zullen nodig hebben, met (2) de geschikte competenties om

kennis als bron van toegevoegde waarde (figuur 4.1).

adequaat op deze uitdagingen te kunnen inspelen.

Figuur 4.1: Evolutie van de O&O, O&V en W&T-componenten binnen het Horizontaal begrotingsprogramma Wetenschapsbeleid (HBPWB)

1.800 1.600 1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0 1995

1996

1997

1998

1999

2000

n W&T: wetenschappelijke en technologische dienstverlening n O&V: onderwijs en vorming n O&O: onderzoek en ontwikkeling

Bron: Speurgids 2007

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007


251

In het licht van deze doelstellingen moet er gesleuteld worden aan (de inhoud en de methodieken van) het onderwijsproces.

4.6 ALGEMENE VERHOGING VAN DE INSTROOM IN HET HOGER ONDERWIJS

We mogen ons hierbij niet blind staren op de noden van en de evoluties op de arbeidsmarkt, of in de maatschappij,

Om de output van het hele hoger onderwijssysteem te kunnen

op korte termijn. Voldoende visionair zijn en een onderscheid

verhogen, moet de instroom zo ruim mogelijk zijn. Daar is

maken tussen korte- en lange termijnnoden is de boodschap.

een differentiërend beleid voor nodig, zodat hoger onderwijs

Ook met evoluties op internationaal vlak moeten we rekening

uitdagend is voor zeer goede studenten, maar ook diploma-

houden.

mogelijkheden biedt voor wie iets minder aanleg heeft. De instroom verhogen, kan via verschillende pistes:

4.5 INSTROOM, DOORSTROOM EN UITSTROOM AANPAKKEN

l

De aanbevelingen in het advies hebben betrekking op de

l

een actief doelgroepenbeleid dat rekening houdt met de verschillende startposities van studenten en ernaar streeft hen evenveel kansen te bieden om gekwalificeerd uit te stromen;

instroom, doorstroom en uitstroom in/door het hoger

flexibiliseringsroutes voor zij-instromers en doelgroepstudenten;

onderwijs, zoals schematisch voorgesteld in onderstaande

l

levenslang leren verder stimuleren;

figuur 4.2. Ze zijn specifiek gericht op de ‘behoeften voor het

l

het hoger beroepsonderwijs dat op stapel staat;

innovatieproces’. Hierin wordt innovatie vooral bekeken vanuit

l

bedrijfseconomisch en macro-economisch perspectief.

een betere afstemming van de studiefinanciering op de reële studiekost …

Figuur 4.2: Instroom, doorstroom, uitstroom en terugkoppeling

Financieel • financiële draagkracht • verhouding en relatie onderwijsonderzoek

UITSTROOM • aantal afgestudeerden • profiel afgestudeerden • internationaal perspectief

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

INSTROOM • aantal studenten • internationale instroom • acuut probleem bij wetenschappen en technologie • borging van de kwaliteit

DOORSTROOM Inhoudelijk • aandacht mix kennis/vaardigheden/ attitudes • activerende onderwijswerkvormen • samenwerking bedrijfsleven/ afnemend veld • flexibele en efficiënte bruggen • versterking internationale dimensie


252

4.7 SPECIFIEK AANDACHTSPUNT: MEER GEDIPLOMEERDEN IN WETENSCHAPPEN EN TECHNOLOGIE

Daar tegenover staat dat, zoals uit arbeidsmarktgegevens blijkt, er in bepaalde sectoren nu al niet kan worden voldaan aan de toenemende vraag naar W&T-geschoolden en dat we in de toekomst steeds meer op recrutering in het buitenland zullen aangewezen zijn.

Het aantal generatiestudenten in het studiegebied wetenschappen en technologie stagneert al geruime tijd en daalt de laatste jaren zelfs t.o.v. het totale aantal generatiestudenten (figuren 4.3

Ook de beleidsnota van Vlaams minister van Onderwijs en

en 4.4). Het hogeronderwijstijdschrift Delta berekende in

Vorming Frank Vandenbroucke haalde het belang aan van een

september 2008 dat de voorbije acht jaar het aantal

groeiend aantal studenten en diploma’s in wetenschappen en

universiteitsstudenten in de faculteiten Wetenschappen,

technologie, geïnspireerd door de Europese doelstelling terzake,

Toegepaste Wetenschappen en Toegepaste Biologische

namelijk een verhoging in het tertiair onderwijs van het aantal

Wetenschappen is gedaald met 5,1%. In de professionele

diploma’s op het gebied van wiskunde, natuurwetenschappen

bacheloropleidingen Industriële Wetenschappen en Technologie,

en technologie met 15% tegen 2010, terwijl het onevenwicht

en Toegepaste Informatica bedraagt de daling in die periode

tussen de geslachten hieromtrent moet afnemen. Dit in

1,3%. In de academische opleidingen voor Industriële

opvolging van de Europese doelstelling: “De instroom in de

Wetenschappen en Technologie daalde het aantal studenten

studierichtingen van de exacte wetenschappen en de

met maar liefst 25%. Voor een regio waarin competitiviteit

technische richtingen vergroten”. Nochtans blijkt Vlaanderen,

voornamelijk berust op kennisintensieve en hoogtechnologische

qua aantal studenten W&T, er in een internationale vergelijking

bedrijven en diensten, is deze vaststelling negatief en eerder

(figuur 4.5) niet schitterend uit te komen.

alarmerend voor de toekomst. Bovendien blijft de participatie van vrouwelijke studenten zeer laag en neemt deze nog af.

Figuur 4.3: Evolutie van het relatieve aandeel van wetenschappen, ingenieurswetenschappen en ‘biomedische’ wetenschappen in het totaal aantal generatiestudenten (universiteiten)

30,00%

25,00%

20,00%

15,00%

10,00%

5,00%

n Totaal biomedische en farmaceutische wetenschappen n Totaal toegepaste wetenschappen n Totaal wetenschappen n Som alles n Som wetenschappen en toegepaste wetenschappen

Bron: Statistische jaarboeken van het Vlaams Onderwijs – bewerking VRWB

2006-2007

2005-2006

2004-2005

2003-2004

2002-2003

2001-2002

2000-2001

1999-2000

1998-1999

1997-1998

1996-1997

1995-1996

1994-1995

1993-1994

1992-1993

1991-1992

1990-1991

0,00%


253

Figuur 4.4: Evolutie van het aandeel generatiestudenten professionele en academisch gerichte bachelor (richtingen I&W) t.o.v. het totaal aantal generatiestudenten in de hogescholen

12,00%

10,00%

8,00%

6,00%

4,00%

2,00%

2006-2007

2005-2006

2004-2005

2003-2004

2002-2003

2001-2002

2000-2001

1999-2000

1998-1999

1997-1998

1996-1997

1995-1996

0,00%

n Professioneel gerichte bachelor I&W n Academisch gerichte bachelor I&W

Bron: Statistische jaarboeken van het Vlaams Onderwijs â&#x20AC;&#x201C; bewerking VRWB

Figuur 4.5: Internationale vergelijking (2002-2003), studenten in het tertiair onderwijs in wiskunde, wetenschappen en technologie in verhouding tot het totaal aantal studenten tertiair onderwijs

100%

61,1%

5,1%

16,3%

18,0%

11,1%

9,3%

19,7%

28,1%

31,6%

33,6% 20,5%

21,0% 10,0%

12,8%

14,5%

24,0%

33,7%

36,3%

39,1% 24,4%

25,3% 12,7%

15,6%

16,9%

27,5%

29,0%

39,4%

44,9%

44,7%

43,7% 15,7%

17,4%

18,1%

20%

29,9%

30,6%

45,9% 31,1%

38,2% 18,3%

40%

47,0%

60%

0% FIN

n Totaal n Mannen n Vrouwen

Bron: Eurostat website

SP

IER

D

POR

ZW

OOS

VK

IT

Vl. Gem.

BEL

DEN

LUX

NED

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

80%


254

Talrijke studies zijn ondernomen om de oorzaken te

Ten slotte is innovatie ruimer dan enkel de natuur- en

achterhalen en remediërende acties op het getouw te zetten.

ingenieurswetenschappen. Elke afgestudeerde uit het hoger

De oorzaken zijn zeer divers. Knelpunten bevinden zich onder

onderwijs, zij het een ingenieur of een verpleegster, zou

meer op het raakvlak van maatschappij en wetenschap/

innovatie’minded’ moeten zijn. Interdisciplinariteit in de

technologie en van onderwijs en wetenschap. Specifieke acties

opleiding kan hieraan een bijdrage leveren en moet dus

zijn hier dus noodzakelijk. Wetenschappen en technologie moeten

gestimuleerd worden.

algemeen, zowel in het onderwijs als in de media, als waardevol en ten dienste van de maatschappij worden voorgesteld. Bestaande initiatieven zoals het Actieplan Wetenschapsinformatie en Innovatie moeten meer afgestemd worden op acties op

4.9 ONDERWIJS IN INTERACTIE MET ARBEIDSMARKT/AFNEMEND VELD

het niveau van de scholen en geïntegreerd worden in de studiekeuzeproblematiek. De beeldvorming over de loopbaan-

In een kennismaatschappij komt het er op aan dat zowel

mogelijkheden waartoe studies in de wetenschappen/technologie

kennis, vaardigheden als attitudes tot ontplooiing kunnen komen.

leiden, moet worden gecorrigeerd. Deze opleidingen mogen

Want we verwachten van toekomstige afgestudeerden niet

immers niet enkel gezien worden als een voorbereiding op een

alleen een stevige basis en een kritische houding tegenover wat

onderzoeksloopbaan; er is ook een route die een vervolg krijgt

ze leren, maar ook de vaardigheden om zelf (systematisch)

in de lerarenopleiding en een route die de opgedane kennis via

nieuwe informatie te verwerven en te integreren (feitenkennis

andere mogelijkheden (bedrijfsleven, management, …) valoriseert

versus inzicht).

op de arbeidsmarkt. De leraar wetenschappen en technologische vorming in het secundair onderwijs moet beschouwd worden

Tegenover de huidige situatie betekent dit een aanvulling van

als de motor voor de belangstelling voor wetenschappen en

het bestaande, grotendeels op kennis gebaseerde onderwijs,

technologie. Een carrière in het onderwijs moet een aantrekkelijke,

met grotere aandacht voor competentieontwikkeling. We moeten

eerste keuze zijn! Het lijkt daarom aangewezen om de status,

verder evolueren naar een onderwijssysteem waar terugkoppeling

het statuut van de leraar te verhogen. Zowel binnen als buiten

naar de arbeidsmarkt een geïntegreerd deel uitmaakt van

de klas moet er nagedacht worden hoe het genderonevenwicht

curriculumhervormingen. Gewenste competentieprofielen

kan verkleind worden. Het curriculum natuurwetenschappen

moeten worden opgesteld in samenwerking met het afnemend

moet aantrekkelijk zijn voor jongens én meisjes.

veld (niet determinerend vanuit, maar in interactie met de arbeidsmarkt). Van daaruit kan men dan de vereiste kennis, attitudes en vaardigheden definiëren.

4.8 KWALITEITSBORGING Streven naar een goede mix kennis/vaardigheden/attitudes Kwaliteitsvolle instroom in het hoger onderwijs steunt in

impliceert een gevarieerde en evenwichtige mix van verschillende

de eerste plaats op een juiste studiekeuze, via een goede

onderwijsvormen. In functie van het gewenste profiel

studiekeuzebegeleiding. Het volstaat niet dat meer jongeren in

kunnen/moeten meer activerende onderwijsvormen worden

het hoger onderwijs instromen; zij moeten dankzij adequate

geïmplementeerd, maar zonder dat dit tot een overbelasting

informatie ook zoveel mogelijk meteen ‘op de juiste plek’

van student of staf leidt en ook financieel haalbaar blijft.

terecht komen. Een succesvol studiekeuzeproces biedt de student immers meer kans op slagen in het hoger onderwijs en

Samenwerking en wisselwerking tussen ‘de buitenwereld’ en

kan ook drop-out terugdringen. Meer aandacht voor begeleiding

het onderwijs, zoals dit nu al gebeurt via stages of eindwerken

in het studiekeuzeproces is daarom noodzakelijk.

van studenten in bedrijven en afnemende organisaties, hebben een positieve invloed op het onderwijs. Dankzij deze

Op hoger onderwijsniveau benadrukt het advies dat de

werkvormen kan het onderwijs de beoogde kennis en

onderwijstaak een belangrijk onderdeel moet blijven van de

vaardigheden beter realiseren, maken studenten kennis met de

taak van de docent en ook overeenkomstig moet meespelen in

realiteit van de bedrijfs- en werkomgeving en krijgen ze er ook

de evaluaties. Niet alleen uitstekend onderzoek maar ook

inzicht in. Toch is hier nog verbetering mogelijk, vooral dan via

uitstekend onderwijs moet beloond worden en incentives krijgen,

meer langdurige mogelijkheden voor stage en projectwerk.

bijvoorbeeld door het mee te nemen in promotiedossiers.

Ook intersectorale mobiliteit van het (onderwijzend) personeel moet gestimuleerd worden.


255

4.10 INTERNATIONALISERING - MOBILITEIT

De benchmarking studie van het Steunpunt O&O-Indicatoren leert dat de basisfinanciering van de Vlaamse universiteiten laag

België wordt erkend als de meest globale economie, en deze

is, in vergelijking met de andere onderzochte Europese landen.

positie kan versterkt en nuttig gevaloriseerd worden door de

Vandaag wordt 1,2% van het BBP Vlaanderen besteed aan

versterking van de internationale dimensie van het onderwijs.

hoger onderwijs, terwijl de Europese norm 2% is2. In de

Internationalisering van het hoger onderwijs houdt in dat we

Scandinavische landen wordt 1,8% van het BBP besteed,

meer buitenlandse studenten en onderzoekers aan onze

in Korea is dit 2,3% en in de VS 2,9%.

universiteiten en hogescholen aantrekken en de mobiliteit van onze Vlaamse studenten stimuleren.

Net zoals de gewaardeerde inspanningen van de Vlaamse overheid om haar deel van de 3%-norm voor onderzoek en

Internationale rekrutering van studenten betekent een

ontwikkeling te halen – en die onverminderd moet worden

mogelijkerwijs grotere instroom met het vereiste instroomniveau,

aangehouden – zou parallel en losstaand hiervan, een

zorgt voor uitwisseling van ideeën die leidt tot een verhoging

inhaalplan moeten worden opgezet om de bestedingen in het

van de onderzoeks- en onderwijskwaliteit. Daarnaast biedt een

hoger onderwijs (privé + overheid) op 2% van BBP Vlaanderen

internationaal samengestelde studentenpopulatie ook voor

te brengen (cf. Europese doelstelling). Beide inspanningen

Vlaamse studenten een kans om aanvullend internationale

mogen niet ten koste gaan van elkaar; een ambitieus

ervaring op te doen (de zgn. ’internationalisation@home’).

Vlaanderen moet beide normen nastreven.

Door de wereldwijde focus op de kenniseconomie is er meer

Er moet vooral een inhaalbeweging komen voor de eerste

en meer sprake van een internationale competitie voor

geldstroom van universiteiten en hogescholen. De middelen

hoogopgeleide onderzoekers, de zogenaamde ‘War on talent’.

inzetbaar voor de onderwijsfunctie van universiteiten en

Daarom moet Vlaanderen zich op internationaal vlak kunnen

hogescholen zijn door verschillende mechanismen (indexering,

positioneren als een aantrekkelijke regio voor buitenlands talent.

onderzoeksoverhead

Het stimuleren van inkomende mobiliteit vergt ondermeer een

onderzoekers) ernstig geërodeerd, terwijl de taken en

versoepeling van de taalregelgeving hoger onderwijs, zeker op

verwachtingen

masterniveau. Maar vooral een geconcerteerd en strategisch

toegenomen. Deze situatie is niet houdbaar indien men de

beleid inzake internationalisering, zowel bij de overheid als bij

nieuwe beleidsaccenten (democratisering, nieuwe doelgroepen,

de onderwijsinstellingen, is noodzakelijk om internationalisering

competentiegericht onderwijs, internationalisering, …) ingang

te stimuleren.

wil zien krijgen in het beleid van universiteiten en hogescholen.

op

en

exponentiële

onderwijsgebied

stijging

junior

belangrijk

zijn

Voor uitgaande mobiliteit van studenten en docenten is een

middelen zo efficiënt mogelijk inzetten. Rationalisatie is hierbij

breed en ruim aanbod belangrijk, net als adequate financiering,

één van de mogelijke instrumenten, maar mag niet ten koste

een omkadering voor doelgroepstudenten, het creëren van een

gaan van de toegankelijkheid van ons hoger onderwijs en van

ware internationaliseringscultuur, adequate begeleiding en het

het voortbestaan van knelpuntrichtingen. Rationalisatie moet

stimuleren van vreemde-talenkennis.

ook gebeuren met behoud van het personeelsbestand.

4.11 EEN INHAALBEWEGING VOOR DE EERSTE GELDSTROOMFINANCIERING

4.12 BESLUIT Als Vlaanderen wil uitgroeien tot een kwalitatief hoogstaande

Kwalitatief hoogstaand en gefundeerd activerend onderwijs,

kennisregio, dan moet het dus niet alleen bijzondere aandacht

in samenwerking met de relevante spelers op de arbeidsmarkt

besteden aan de onderzoekscomponent, maar ook aan de

en met voldoende aandacht voor competentie-ontwikkeling, is

onderwijscomponent. Het ganse pallet van het hoger onderwijs,

arbeidsintensief. Deze basistaak verdient een sterke structurele

bachelors, masters én doctores, moet hierbij aan bod komen, zowel

financiële basis. Hiervoor dient in principe de eerste geldstroom.

in de exacte en ingenieurswetenschappen als in andere disciplines, maar in elk geval met een op ‘innovatie’ gerichte ingesteldheid.

2 Invulling van de moderniseringsagenda voor universiteiten: onderwijs, onderzoek en innovatie, Mededeling van de Commissie aan de Europese Raad en het Europese Parlement, COM(2006)208def, 18 mei 2006

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

Daarnaast is het belangrijk dat de instellingen de financiële


256

D O S S I E R 5 : I M PAC T E VA LU AT I E : INSTRUMENTEN TER BEVORDERING VA N P R I VAT E O & O - AC T I V I T E I T Door Kris Aerts (K.U.Leuven)

In dit dossier worden de hoofdlijnen beschreven van uitgebreid onderzoek rond de impactevaluatie van instrumenten ter

5.2 OVERHEIDSINTERVENTIE IN PRIVATE O&O-ACTIVITEIT

bevordering van private O&O-activiteit. Met dit onderzoek behaalde Kris Aerts, onder de begeleiding van Professor Dirk

De argumenten die het martktfalen van O&O verklaren,

Czarnitzki, eind 2008 haar doctoraat aan de K.U.Leuven in de

rechtvaardigen overheidsinterventie in dit domein: overheids-

onderzoekseenheid Bedrijfseconomie, Strategie en Innovatie

subsidies reduceren de prijs van O&O-projecten en kunnen

van de Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen.

de netto verwachte winst omzetten in een positief saldo. Van bedrijven wordt verwacht dat ze rationeel handelen en dat ze dit project dus zullen uitvoeren. Bedrijven handelen

5.1 INLEIDING

echter ook rationeel op een ander vlak: de overheid heeft een informatienadeel bij de selectie van projecten; bedrijven

O&O (Onderzoek en Ontwikkeling) en innovatie stimuleren

kunnen altijd subsidies aanvragen, ook al is dit niet nodig.

economische groei en bijgevolg is de innovatiecapaciteit van

Als bedrijven hun eigen budget vervangen door de publieke

economische actoren een sleutelfactor geworden in de huidige

subsidie, volgt er geen stijging van de totale private O&O-

economische systemen, naast de meer traditionele inputfactoren

uitgaven, maar is er sprake van verdringing. Dit zou de efficiënte

arbeid en kapitaal. Hierbij moet echter vastgesteld worden dat

werking van het subsidiesysteem onderuit halen. Daarom is

de O&O-markt faalt, meer bepaald om drie belangrijke

een impactevaluatie van deze maatregelen cruciaal.

redenen. Ten eerste gaat het O&O-proces gepaard met veel onzekerheid (Dasgupta en Maskin, 1987). Ten tweede kan een

Een belangrijk punt dat zich hierbij stelt, is de simultaneïteit

bedrijf met succesvolle O&O-activiteiten andere bedrijven er

van de relatie tussen de maatregel en de output. Het is niet

nooit van weerhouden in meerdere of mindere mate gebruik

ondenkbaar dat overheden de uitkomst van de subsidie

te maken van de kennis die daaruit voortvloeit (Arrow, 1962).

willen optimaliseren en daarom vooral aan O&O-actieve

Ten derde ondervinden bedrijven mogelijk problemen bij de

bedrijven met bewezen O&O-resultaten subsidies toekennen.

financiering van hun O&O-activiteiten door asymmetrische

Omgekeerd zijn deze O&O-actieve bedrijven mogelijk beter

informatie en moral hazard (Himmelberg en Petersen, 1994).

op de hoogte van subsidies waarvoor zij in aanmerking komen

Deze theoretische argumenten voorspellen dat er te weinig

en schrijven ze mogelijk betere voorstellen. Het ontvangen van

geïnvesteerd wordt in O&O-activiteiten. Als antwoord hierop

een subsidie op zich is dus mogelijk al gerelateerd aan het

werden door zowel de publieke als de private sector maatregelen

outputeffect. Dit moet gecorrigeerd worden. Daartoe bestaan

geïntroduceerd om innovatie te bevorderen. In het doctoraats-

een

onderzoek dat hier beschreven wordt, werd de effectiviteit van

behandelingseffectenmodellen. Deze laten toe om de

beide interventiemechanismen bestudeerd, en met name hun

simultaneïteit te minimaliseren en te komen tot een juiste

impact op de private O&O-activiteit.

effectenmeting. Voorbeelden zijn matching, de (conditionele)

aantal

econometrische

technieken,

zogenaamde

verschil-in-verschillenmethode en tot slot selectiemodellen en regressies met instrumentele variabelen (IV). Bij matching worden tweelingkoppels geselecteerd van bedrijven die wel en niet deelnemen aan de maatregel. Bij de verschil-inverschillenmethode worden deelnemende en niet-deelnemende bedrijven voor en na deelname en de verschillen over de tijd tussen beide groepen vergeleken.


257

Beide methoden kunnen gecombineerd worden tot de

5.2.1 Een voor de prijs van twee?

zogenaamde conditionele verschil-in-verschillenmethode, waarbij tweelingkoppels van deelnemende en niet-deelnemende

Internationaal wordt er meer en meer onderzoek rond

bedrijven vergeleken worden over de tijd. Bij selectiemodellen

impactevaluatie van O&O-subsidies gevoerd. Hoewel veruit alle

en IV-regressies wordt eerst de selectiviteit weggewerkt en in

recentere studies corrigeren voor de mogelijke simultaneïteit,

een tweede regressie de impact geschat. Bij deze techniek zijn

is er een aanzienlijke divergentie in de resultaten: sommige

echter variabelen vereist die niet gecorreleerd zijn met de

studies besluiten dat subsidies wel degelijk een positieve impact

uitkomst, maar wel met de waarschijnlijkheid om deel te nemen

hebben op private O&O-activiteiten, terwijl andere studies

aan de maatregel. Dit is typisch een vereiste waaraan moeilijk

aanwijzingen vinden voor vervangingseffecten. David en Hall

te voldoen valt.

(2000) vinden hiervoor verschillende verklaringen. Elk land voert een specifiek beleid voor Wetenschap en Innovatie, dat afgestemd

De belangrijkste gegevens die gebruikt werden voor de

is op de nationale en/of regionale behoeften. Bovendien worden

empirische analyses zijn afkomstig van de O&O- en CIS-enquêtes

gegevens voor empirische evaluatieoefeningen op verschillende

(zie hoofdstukken 4 en 8 voor een uitgebreide beschrijving),

manieren verzameld: definities, tijdsvensters, steekproeftrekking,

waarin informatie over de O&O- en innovatie-activiteiten van

responsgraad, enz. zijn heel uiteenlopend. Bovendien heeft

Vlaamse bedrijven verzameld wordt. De uitvoering van

de beschikbaarheid van bepaalde gegevens een grote impact

deze enquêtes is geharmoniseerd op Europees niveau, onder

op de (gedwongen) keuze van een bepaalde methodologie.

leiding van Eurostat en de OECD. De CIS-enquête verzamelt

De oorzaken van divergentie in de resultaten van impact-

voornamelijk kwalitatieve informatie m.b.t. de innovatie-

analyses zijn dus mogelijk niet zonder meer te wijten aan

inspanningen en performantie van een steekproef van

verschillen in effectiviteit.

bedrijven, die op basis van grootte en activiteitensector In deze sectie werd daarom éénzelfde methodologie toegepast

Vlaamse bedrijven met meer dan 10 werknemers. In de

voor gelijkaardige datasets, met gegevens op bedrijfsniveau

O&O-enquête gaat de aandacht vooral naar het verzamelen

in Vlaanderen en Duitsland. Er werd vertrokken vanuit de

van kwantitatieve gegevens m.b.t. de input van het O&O-proces

CIS-databank, aangevuld met extra informatie uit andere

in Vlaamse bedrijven. In tegenstelling tot de CIS-enquête wordt

databanken. In de eerste analyses werd de matchingmethode

voor de O&O-enquête een inventarisbenadering gevolgd:

gevolgd: tweelingkoppels van gesubsidieerde en niet-

alle potentieel O&O-actieve bedrijven worden geïdentificeerd

gesubsidieerde bedrijven werden samengesteld, en het

en bevraagd. In termen van O&O-uitgaven dekt de dataset

gemiddelde verschil in O&O-activiteiten werd berekend.

ongeveer 80% van de totale Vlaamse O&O-uitgaven; deze

De koppels werden samengesteld op basis van een gelijke kans

gegevens hebben dus quasi betrekking op alle Vlaamse

om een subsidie te ontvangen; deze score werd geschat op

O&O-actieve bedrijven. Deze enquêtes vormden de start voor

basis van grootte, innovatieve activiteiten in het verleden,

de empirische analyses, maar werden aangevuld met gegevens

internationale concurrentie, groepslidmaatschap, buitenlandse

van andere bronnen, om de rijkheid van de verzamelde

controle en de sector waarin het bedrijf actief is. De resultaten

informatie te optimaliseren. Van het IWT werd informatie

tonen duidelijk aan dat subsidies een positieve impact hebben

bekomen over het subsidiebedrag en -verleden van Vlaamse

op de O&O-uitgaven van gesubsidieerde bedrijven: zowel in

bedrijven. In samenwerking met het Steunpunt O&O Indicatoren

Vlaanderen als in Duitsland geven deze bedrijven meer uit aan

werd informatie over octrooiaanvragen en -toekenningen bij

O&O-activiteiten dan hun niet-gesubsidieerde tweelingpartners,

het Europees Patentenbureau (EPO) toegevoegd. In laatste

zowel in absolute (RDX: O&O-uitgaven) als in relatieve

instantie werden ook financiële gegevens bekomen via de

(RDXint: O&O-uitgaven/omzet – om grootte-effecten te

balanscentrale van de Nationale Bank van België (Belfirst).

neutraliseren) termen. De cijfers worden kort weergegeven in tabel 5.1. In uitbreiding op deze eerste analyses, werd ook

In het doctoraat worden verschillende thema’s aangeraakt

de conditionele verschil-in-verschillenmethode toegepast;

binnen het domein van de effectiviteit van overheidssubsidies

de eerste resultaten werden bevestigd met deze strengere tests.

voor O&O-activiteiten in de bedrijvensector, waarbij zowel methodologische als inhoudelijke bijdragen geleverd werden.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

willekeurig getrokken wordt uit de gehele populatie van


258

Tabel 5.1:

Gemiddelde impact van de subsidie op gesubsidieerde bedrijven

# obs.

Vlaanderen Absoluut Relatief gemiddelde mediaan gemiddelde mediaan

Duitsland Absoluut Relatief gemiddelde mediaan gemiddelde mediaan

RDX (in mio EUR)

157

0,837

0,211

65%

89%

3,232

0,401

65%

100%

RDXint (in %)

484

4,669

1,484

64%

91%

5,327

3,219

76%

100%

De impact van O&O-subsidies op RDX en RDXint is in deze matchingoefening voor beide steekproeven (Vlaanderen en Duitsland) significant op 1%. De controlevariabelen (niet opgenomen in deze tabel) zijn grootte, patent stock, export quota, groepslidmaatschap, buitenlandse eigendom en industrieaffiliatie. Omwille van de scheve verdeling van de O&O-uitgaven is ook het verschil van de mediaan opgenomen in de vergelijking. Het relatieve cijfer werd berekend door het absolute verschil (in respectievelijk gemiddelde en mediaan) van de waarde van de variabelen (RDX en RDXint) tussen de groep van gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde bedrijven te delen door de waarde van de variabelen (RDX en RDXint) voor de groep van gesubsidieerde bedrijven.

5.2.2 Wie betaalt de loonbrief?

Naast de vraag of het aanbod van O&O-personeel al dan niet elastisch is, is het ook relevant te kijken naar de kwalificaties van

In deze sectie werd ingegaan op de relatie tussen publieke

het O&O-personeel. In de literatuur werd namelijk vastgesteld

interventiemechanismen en de maatregelen die ondernemingen

dat er een upskilling effect zou kunnen spelen; er werd een

zelf in handen hebben; in dit geval de verloning van het O&O-

verschuiving vastgesteld in het O&O-personeel in de richting

personeel. Hiermee kan namelijk ook tegemoet gekomen worden

van meer gekwalificeerde werknemers: de lonen zijn hoger,

aan de marktfaling van O&O. Ten eerste kan met een aantrekkelijke

maar het personeel is beter gekwalificeerd, wat dus een

verloning hooggekwalificeerd personeel aangetrokken worden,

effectieve versterking van de O&O-activiteiten zou kunnen

wat de onzekerheid van het O&O-proces reduceert. Ten tweede

betekenen (Merito et al., 2007).

kunnen hogere lonen het personeelsverloop beperken, zodat minder kennis wegstroomt uit het bedrijf en het freeriden door andere bedrijven beperkt kan worden. Ten derde kunnen bedrijven met hogere lonen een sterkere geloofwaardigheid voorleggen aan mogelijke investeerders. O&O-verloning is typisch de grootste component in de O&O- uitgaven van een bedrijf (in Vlaanderen bv. ongeveer 65%). Gezien dit zware gewicht van de verloning, is er mogelijk een interactie met subsidies. In het vraagstuk rond de effectiviteit van O&O-subsidies aan het bedrijfsleven wordt dit dan relevant, aangezien “hoe meer, hoe beter” hier dus mogelijk niet opgaat: zelfs als de analyses aantonen dat bedrijven de subsidie niet gebruiken ter vervanging van eigen investeringen, kan het nog zijn dat

Dit vraagstuk werd empirisch onderzocht met gegevens van de O&O-enquête. De simultaneïteit werd weggewerkt via regressies met instrumentele variabelen. In de vorige sectie werd enkel de subsidiestatus (ja of neen) in rekening gebracht; in deze sectie wordt ook het subsidiebedrag (SUB en de logaritmisch herschaalde variant lnSUB) opgenomen in de analyses. De regressies (zie tabel 5.2) tonen dat O&O-subsidies in Vlaanderen een positief effect hebben op de O&O-investeringen van O&O-actieve bedrijven (RDX: O&O-uitgaven en RDXint: O&O-uitgaven/omzet). Hiermee worden bovendien meer O&O-personeelsleden aangenomen (RDP: O&O-personeel en RDPint: O&O-personeel/totaal personeel). Wel werd er ook

hier een verdringingseffect speelt, namelijk op vlak van het

gevonden dat bedrijven hun eigen budget toch ten dele

O&O-personeel: de verhoogde O&O-uitgaven worden mogelijk

vervangen door overheidsgeld. Simultaan met de verhoging

vertaald in hogere lonen, en niet in een effectieve versteviging

van het O&O-personeelsaantal, werd er echter ook een

van de O&O-activiteiten (Goolsbee, 1998). Dit argument wordt

verhoging van de O&O-verloning (RDW) vastgesteld (hierbij

vooral onderbouwd door de inelasticiteit van het aanbod

werd ook nog gecontroleerd voor de sterkte van vakbonden

van arbeidskrachten. Hierdoor wordt de zoekkost naar

en voor de kwalificatie van het personeel (aantal werknemers

geschikte wetenschappers en ingenieurs groter en hebben

met een diploma hoger onderwijs)). Verder onderzoek

O&O-werknemers een sterkere onderhandelingspositie voor hun

duidde echter in de richting van het upskilling-effect: bedrijven

verloning (Lokshin en Mohnen, 2008). Enerzijds ondersteunen

kunnen meer onderzoekers (RDPR: onderzoekerspersoneel;

auteurs deze visie, aangezien zij O&O-activiteiten vooral

RDPR/RDP: onderzoekerspersoneel/O&O-personeel) aannemen

weggelegd zien voor toponderzoekers met een hoge specialisatie.

in het O&O-team (het aantal technici en ander personeel

Anderzijds beschouwen andere auteurs het aanbod van

(niet-onderzoekers) stijgt niet significant).

hooggeschoolden en het potentieel van O&O-werknemers toch als min of meer elastisch, gezien het grote aantal afgestudeerden in Wetenschaps- en Technologierichtingen.


259

Tabel 5.2:

IV regressies, impact van de subsidie

RDX (in mio EUR)

Coëfficiënt

SUB Standaardfout

Significantie

1,7927

(0,6528)

***

17,2735

(9,7748)

*

0,0370

(0,0138)

*** **

RDXint (in %) RDP (in FTE) RDPint (in %) RDW (in mio EUR) RDW° (in mio EUR) RDPR (in FTE) RDPR/RDP (in %)

0,0357

(0,0153)

16,7069

(7,6660)

**

0,3719

(0,1273)

***

Coëfficiënt

lnSUB Standaardfout

Significantie

0,0114

(0,0039)

***

0,0166

(0,0057)

***

Noot: in deze tabel worden enkel de coëfficiënten van SUB en lnSUB weergegeven; de controlevariabelen (grootte, patent stock, export quota, kapitaalintensiteit, cashflow, groepslidmaatschap, buitenlandse eigendom, industrieaffiliatie en jaar van observatie) werden niet opgenomen. Aantal observaties: 470, behalve bij RDPR: 441. De gebruikte instrumenten zijn het bekomen budget per project en het aantal aangevraagde projecten per werknemer gedurende de voorbije vijf jaar. Tests tonen aan dat deze instrumenten relevant en gegrond zijn. *** (**, *) duiden op een significantieniveau van 1% (5, 10%). °In deze vergelijking werden alle controlevariabelen opgenomen, evenals een variabele die de kwalificatie van de staf weergeeft (aantal personeelsleden met een diploma van het hoger onderwijs) en een variabele die de onderhandelingskracht van de vakbonden m.b.t. de lonen weergeeft.

5.2.3 Vlaams water naar zee?

Op basis van deze twee argumenten zou men kunnen besluiten dat overheden minder geneigd zouden zijn om subsidies te

De impact van een subsidie kan verschillen naargelang

geven aan deze groep van bedrijven. Omgekeerd kan het ook

bepaalde kenmerken van de onderneming. Meer bepaald zou

zijn dat deze bedrijven om deze redenen eerder op niveau van

de groep van Vlaamse ondernemingen die toebehoren aan

de hoofdkantoren subsidies aanvragen, en dus niet in het gastland. Er is echter nog een derde argument, dat kan verklaren waarom

subsidies voor O&O-activiteiten. Een eerste argument voor de

overheden net wél de O&O-activiteiten van multinationals in

keuze voor deze bedrijvengroep ligt in het marktfalen van

hun land willen stimuleren d.m.v. subsidies. In de literatuur

O&O, dat buitenlandse dochterbedrijven mogelijk anders ervaren.

(zie bv. Bellak, 2004 voor een overzicht) wordt namelijk vaak

Bedrijven in een multinationale groep kunnen genieten van

aangetoond dat de prestaties van buitenlandse bedrijven die

schaalvoordelen en dubbele onderzoekslijnen vermijden.

van de binnenlandse bedrijven overtreffen, en dit op vlak van

Hierdoor zijn ze mogelijk efficiënter in hun O&O-activiteiten en

productiviteit, winstgevendheid, verloning, arbeidsefficiëntie, enz.

daalt de onzekerheid. Bovendien hebben multinationals typisch

en ook technologische en innovatieve prestaties. Aangezien de

de kennislekkage beter onder controle (Veugelers en Cassiman,

verwachte succesgraad van O&O-subsidies hier dan veel hoger

2004), wat de negatieve externaliteiten beperkt. Ook financierings-

ligt, en er bovendien mogelijk kennis kan overvloeien naar

problemen belemmeren mogelijk private O&O-investeringen.

lokale bedrijven, kan het voor de overheid dus net interessant

Zoals onder meer Hyytinen en Toivanen (2005) aangeven,

zijn om deze bedrijven te ondersteunen in hun O&O-activiteiten.

ondervinden vooral bedrijven die afhankelijk zijn van externe financiering problemen op dit vlak. Buitenlandse dochters zijn

In Vlaanderen zijn multinationale ondernemingen zeer actief.

door hun rol in de multinational, meestal met bredere middelen

Uit de data blijkt dat deze bedrijven minder kans maken op

ter beschikking dan één enkel bedrijf, mogelijk minder vatbaar

een subsidie, maar dat, áls ze een subsidie ontvangen, het

voor financieringsmoeilijkheden. Een tweede argument voor

bedrag typisch veel groter is dan wat binnenlandse bedrijven

de keuze van deze bedrijvengroep is de motivatie voor

ontvangen. Een interessant uitgangspunt voor een gescheiden

internationale O&O-activiteiten: lokale toepassing van kennis

impactanalyse van O&O-subsidies op de O&O-activiteiten van

die bestaat binnen de multinational, versus een versteviging

binnenlandse en buitenlandse bedrijven. In een eerste stap werd

van de kennisbasis van de multinational. Gewoonlijk wordt een

de matchingmethode gevolgd; tweelingen van gesubsidieerde

combinatie van deze redenen aangevoerd voor internationale

en niet-gesubsidieerde bedrijven werden geselecteerd in de

O&O-activiteiten. Multinationals spelen echter een steeds

bedrijven van de CIS-enquête. De resultaten worden samengevat

prominentere rol in de O&O-inspanningen in gastlanden en

in tabel 5.3. De impact in de volledige steekproef is significant

dit heeft bij een aantal overheden de vrees opgewekt dat deze

positief.

dochterondernemingen kennis wegzuigen uit het gastland, zonder dat de lokale economie daar veel winst uit haalt.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

een buitenlandse multinational anders kunnen reageren op


260

Tabel 5.3:

Gemiddelde impact van de subsidie op gesubsidieerde bedrijven (o.b.v. matching)

Gesubsidieerde bedrijven StandaardGemiddelde afwijking

Controlegroep nietgesubsidieerde bedrijven StandaardGemiddelde afwijking

Impact

Volledige steekproef (# obs.: 297 koppels) RDX (in mio EUR)

1,0962

(0,1695)

0,4598

(0,0711)

0,6364

***

58%

RDXint (in %)

5,2155

(0,5427)

2,4869

(0,3158)

2,7286

***

52%

Buitenlandse steekproef (# obs.: 75 koppels) RDX (in mio EUR)

1,7345

(0,3250)

0,6316

(0,1410)

1,1029

***

64%

RDXint (in %)

3,3398

(0,6632)

1,5548

(0,4845)

1,7850

*

53%

Binnenlandse steekproef (# obs.: 218 koppels) RDX (in mio EUR)

0,9007

(0,2067)

0,3204

(0,0734)

0,5803

**

64%

RDXint (in %)

5,6354

(0,6765)

1,9062

(0,2898)

3,7292

***

66%

Binnenlandse substeekproef (# obs.: 85 koppels) RDX (in mio EUR)

1,5326

(0,4591)

0,2952

(0,0532)

1,2374

***

81%

RDXint (in %)

4,2369

(0,9879)

1,3863

(0,2449)

2,8506

***

67%

Noot: de controlevariabelen (voor de selectie van tweelingen) zijn: binnenlandse/buitenlandse eigendom, grootte, ervaring met projectaanvragen, innovatie-activiteiten in het verleden, internationale concurrentie, kapitaalintensiteit en financiële sterkte, groepslidmaatschap, absorptiecapaciteit van kennis, activiteitensector en jaar van observatie. *** (**, *) duiden op een significantieniveau van 1% (5, 10%).

Een opdeling naar buitenlandse/binnenlandse eigendom leert

(binnenlandse en buitenlandse bedrijven investeren even veel

dat de impact van O&O-subsidies op de O&O-uitgaven (RDX:

meer), maar wel op de outputkant van het O&O-proces (betere

O&O-uitgaven en RDXint: O&O-uitgaven/omzet) in eerste

innovatieve prestaties en creatie van toegevoegde waarde in de

instantie groter lijkt in de groep van buitenlandse bedrijven.

buitenlandse gesubsidieerde bedrijven).

Dit is echter vooral te wijten aan het feit dat buitenlandse bedrijven andere kenmerken vertonen dan een gemiddeld

5.2.4 Conclusie

binnenlands bedrijf. Als we een substeekproef trekken uit de binnenlandse ondernemingen, die (op basis van grootte, regio

Het eerste deel handelde over een publiek interventie-

en sectoraffiliatie) zeer gelijkaardig is aan de steekproef van

mechanisme ter bevordering van private O&O-activiteiten,

buitenlandse ondernemingen, zien we dat de impact in

namelijk O&O-subsidies. In het algemeen kunnen we besluiten

dezelfde lijn ligt (1,1029 versus 1,2374 mio EUR; deze

dat deze subsidies effectief een stijging van de private O&O-

bedragen zijn statistisch niet significant verschillend).

investeringen teweeg brengen. De impact van O&O-subsidies op verschillende indicatoren van O&O-activiteit, zowel aan

In een volgende stap werd gekeken naar de outputkant van het

de input- als outputkant werd geschat met verschillende

O&O-proces. Uit de eerste stap werden de O&O-uitgaven

methodes. Hierbij dient wel bemerkt te worden dat de sociale

opgesplitst in het privaat gefinancierde stuk (dat ook zonder

waarde van het onderzoek dat uitgevoerd wordt met de

de subsidie geïnvesteerd zou worden) en het stuk dat

O&O-subsidie niet in rekening gebracht wordt. Hier kan echter

geïnduceerd werd door de O&O-subsidie. Vervolgens werden

voor de overheid een belangrijke toegevoegde waarde liggen

productiviteitsfuncties geschat met verschillende afhankelijke

van het O&O-subsidiesysteem.

variabelen, die de innovatieve en economische prestaties van ondernemingen weergeven. Hieruit blijkt dat gesubsidieerde bedrijven meer nieuwe producten op de markt brengen en ook meer octrooien aanvragen om hun kennis te beschermen. Voor buitenlandse bedrijven is dit effect groter. Bovendien blijkt dat deze bedrijven, in tegenstelling tot de binnenlandse, ook economische waarde kunnen creëren op basis van de verkregen subsidies. Hieruit kunnen we dus besluiten dat O&O-subsidies geen verschillende impact hebben op de inputkant

van

de

O&O-activiteiten

van

een

bedrijf


261

5.3 BEDRIJFSINTERVENTIE IN PRIVATE O&O-ACTIVITEIT: DE NEUZEN GELIJK?

Dit wordt nog versterkt door nauwe contacten met de klanten van de onderneming. Zonder het mechanisme van winstdeling hebben deze werknemers nauwelijks een motivatie om hun

Zoals al eerder aangehaald, kunnen ook binnen het bedrijf

kennisvoordeel te delen met de werkgever. Winstdeling geeft

maatregelen getroffen worden om O&O-inspanningen te

deze prikkel echter wel, zodat er theoretisch een positief

stimuleren, onder andere door een goede verloning van het

verband zou voorspeld kunnen worden tussen winstdeling en

personeel. In deze sectie wordt ingezoomd op één specifiek

de innovatieve prestaties (zowel proces- als productinnovaties)

verloningsmechanisme, namelijk winstdeling. De typische

van een bedrijf.

doelstelling van winstdeling is een verhoging van de prestaties. Aangezien winstmaximalisatie in dit systeem een win-win strategie

Deze hypothese werd empirisch getest met gegevens van Duitse ondernemingen, verzameld door het Duitse Instituut voor Werkgelegenheidsonderzoek (IAB: Institut für Arbeitsmarkt-

en werknemers zich rationeel gedragen, verhogen ze hun

und Berufsforschung). Op jaarlijkse basis wordt een panel van

inspanningen en gaan vervolgens ook de bedrijfsprestaties

ongeveer 16.000 Duitse bedrijven ondervraagd; de steekproef

omhoog. Deze directe link verklaart waarom het onderzoeks-

wordt bepaald o.b.v. grootte en activiteitensector. Aangezien in

domein van winstdeling zich voornamelijk richt op de relatie

deze impactevaluatie mogelijk ook simultaneïteit speelt, werd

tussen winstdeling en productiviteit (zie bv. Strotmann, 2002

de conditionele verschil-in-verschillenmethode toegepast voor

voor een overzicht). In deze sectie werd echter getracht om

paneldata. Tabel 5.4 geeft een overzicht van de resultaten.

een achterliggende relatie te onderzoeken, namelijk de relatie

TECH is een variabele die de technologische capaciteit van een

tussen winstdeling en innovatie. Theoretische argumenten

onderneming weergeeft op een schaal van 1 (totaal verouderd)

voorspellen dat via de invoering van winstdeling mogelijke

tot 5 (volledig up-to-date). ADV geeft aan of een bedrijf

weerstand tegen innovatieve activiteiten geneutraliseerd kan

geavanceerde technologieën gebruikt. Beide indicatoren van

worden, of zelfs dat werknemers innovatieactiviteiten van het

de ‘procesinnovatieve’ sterkte van een bedrijf zijn hoger bij

bedrijf actief gaan ondersteunen, gezien de positieve correlatie

bedrijven met winstdeling. Bij productinnovatie werden

tussen innovatie en winst. Hierbij speelt het informatievoordeel

verschillende indicatoren getest: INPDT (verbetering van

waarover werknemers typisch beschikken een cruciale rol.

bestaande producten), NEWFRM (introductie van producten

Enerzijds zijn werknemers nauw betrokken bij de bedrijfs-

die nieuw voor het bedrijf, maar niet nieuw voor de markt zijn)

processen en merken ze daardoor op waar potentiële zwaktes

en NEWMKT (introductie van producten die nieuw zijn voor

of inefficiënties verbeterd kunnen worden. Anderzijds vergaren

de markt). INPDT en NEWFRM zijn significant hoger voor

werknemers kennis over de producten van het bedrijf; ook daar

de bedrijven met winstdeling; wat NEWMKT betreft is er

kunnen ze mogelijke verbeteringen of uitbreidingen zien.

geen verschil waar te nemen.

Tabel 5.4:

Gemiddelde impact van winstdeling Bedrijven met winstdeling StandaardGemiddelde afwijking

Procesinnovatie TECH ADV Productinnovatie INPDT NEWFRM NEWMKT # obs.

Bedrijven zonder winstdeling StandaardGemiddelde afwijking

Impact

2,8439

(0,0529)

2,6634

(0,0503)

0,1805

**

0,6927

(0,0323)

0,5854

(0,0345)

0,1073

**

0,7833

(0,0290)

0,6517

(0,0337)

0,1315

***

0,3122

(0,0324)

0,1832

(0,0273)

0,1290

***

0,1512

(0,0251)

0,1188

(0,0228)

0,0324

205

205

Noot: de controlevariabelen (voor de selectie van tweelingen) zijn: grootte, organisatorische structuur van de onderneming (aandeel gekwalificeerde werknemers, een shift in verantwoordelijkheden, de introductie van teamwerk, onafhankelijke werkgroepen, ICT investeringen), de relatie met andere belangengroepen (de aanwezigheid van een raad en CAO’s), een statuut van beperkte aansprakelijkheid, het jaar van oprichting, de locatie in Oost- of West-Duitsland en de activiteitensector. *** (**, *) duiden op een significantieniveau van 1% (5, 10%).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

betekent voor zowel werkgevers als werknemers, wordt winst een gemeenschappelijk doel. Als het mechanisme efficiënt werkt,


262

Dit is echter niet geheel onlogisch, aangezien het informatie-

5.5 REFERENTIES

voordeel van werknemers vooral ligt bij verbeteringen van bestaande producten of het invoeren van reeds bestaande

• AERTS, K., Essays on the economics of evaluation: public

innovatieve producten of features, die niet nieuw voor de markt

policy and corporate strategies in innovation, Doctoraats-

zijn. Voor de nieuw-voor-de-markt-innovaties is deze ‘voor-de-

thesis

hand-liggende’ kennis niet toereikend; hiervoor moet het

Bedrijfswetenschappen, Leuven, 2008.

bedrijf andere bronnen (bv. de O&O-afdeling) aanspreken.

288,

K.U.Leuven,

Faculteit

Economie

en

• ARROW, K. J., Economic Welfare and the Allocations of Resources of Invention, 361-392, in: Nelson, R.R. (Ed.), The Rate and Direction of Inventive Activity: Economic and Social

5.4 BESLUIT

Factors, Princeton, 1962. • BELLAK, C., How domestic and foreign firms differ and why

Zowel private als publieke innovatie-inspanningen zijn uiterst belangrijk om een stevige concurrentiepositie op te bouwen en

does it matter?, Journal of economic surveys, 18(4), 2004, 483-514.

te onderhouden. Deze bezorgdheid weerspiegelt zich in de

• DASGUPTA, P. en E. MASKIN, The Simple Economics of

zogenaamde Lissabon-agenda, met als doelstelling om tegen

Research Portfolios, The Economic Journal, 97(387), 1987,

2010 3% van het BBP aan O&O-activiteiten te besteden,

581-595.

waarvan 2/3 privaat en 1/3 publiek gefinancierd wordt.

• DAVID, P. en B.H. HALL , Heart of Darkness: Modeling

Tussentijdse evaluaties tonen echter aan dat we nog heel ver

Public-Private Funding Interactions Inside the R&D Black

van deze target verwijderd zijn: in 2005 was dit cijfer in de

Box, Research Policy, 29(9), 2000, 1165-1183.

EU25 slechts 1,77%, terwijl dit in de US 2,62% was en in Japan

• GOOLSBEE, A., Does Government R&D Policy Mainly

zelfs 3,33% (OECD, 2007). In dit doctoraat werd aangetoond

Benefit Scientists and Engineers?, American Economic

dat zowel publieke als private maatregelen om O&O-activiteiten te stimuleren kunnen bijdragen tot een verhoging van de O&O-intensiteit van een land.

Review, 88(2), 1998, 298-302. • HIMMELBERG, C.P. en B.C. PETERSEN, R&D and Internal Finance: A Panel Study of Small Firms in High-Tech Industries, Review of Economics and Statistics, 76(1), 1994, 38-51. • HYYTINEN, A. en O. TOIVANEN, Do financial constraints hold back innovation and growth? Evidence on the role of public policy, Research Policy, 34(9), 2005, 1385-1403. • LOKSHIN, B. en P. MOHNEN, Wage effects of R&D tax incentives: Evidence from the Netherlands, UNU-MERIT Working Paper 2008-034, UNU-Merit, Maastricht, 2008. • MERITO, M., GIANNANGELI, S. en A. BONACCORSI, Do Incentives to Industrial R&D Enhance Research Productivity and Firm Growth? Evidence from the Italian Case, Paper presented at the workshop “Assessing the impact of State aid to firm”, Bank of Italy, Rome, 2007. • OECD, Main Science and Technology Indicators, Paris, 2007. • STROTMANN, H., Zur Bedeutung materieller Mitarbeiterbeteiligung in Baden-Württemberg – eine empirische Analyse mit dem IAB-Betriebspanel, IAW report, Institut für angewandte Wirtschaftsforschung (IAW), Tübingen, 2002. • VEUGELERS, R. en B. CASSIMAN, Foreign subsidiaries as a channel of international technology diffusion: Some direct firm level evidence from Belgium, European Economic Review, 48, 2004, 455–476.


263

D O S S I E R 6: B I OTE C H N O LO G I E IN VLAANDEREN Door Kathleen D’Hondt (EWI)

Vlaanderen investeert sedert de jaren 80 sterk in biotechnologie

De opdracht werd toegewezen aan Technopolis Group

als driver voor innovatie en de uitbouw van een biotech-

(Nederland). In een eerste fase werd een bevraging georganiseerd

economie. Verdere Vlaamse ondersteuning van de biotechnologie

bovenop de O&O bevraging van bedrijven waarvan activiteiten

sector kan ook bijdragen tot het realiseren van de doelstellingen

in biotech bekend zijn of vermoed werden. De lijst van

van het ViA initiatief, om Vlaanderen tegen 2020 te laten

bedrijven is een aanvulling met de FlandersBio-leden op de

aansluiten bij de meest succesvolle kennisregio’s in Europa.

O&O-lijst van bedrijven.

Dat biotechnologie op Europees vlak als een belangrijke driver voor innovatie gezien wordt, blijkt ook uit roadmap tot

Om zich al dan niet als een biotechnologie bedrijf te identificeren

2010 voor de strategie van levenswetenschappen en

wordt de OESO definitie gehanteerd. Deze bestaat uit een

biotechnologie die de Europese Commissie in 2002 opstelde

simpele definitie en een lijstdefinitie, waarin de activiteiten die

(http://ec.europa.eu/biotechnology/index_en.htm). In 2007 werd

onder biotech vallen samengevat worden. Deze lijst werd licht

deze strategie geëvalueerd en met de lancering van het zevende

aangepast onder meer op basis van de aanpassingen die

kaderprogramma introduceerde de commissie het begrip

Duitsland hanteerde bij een vergelijkbare studie, ook in het

Knowledge Based-Bio-Economy (KBBE), samen met de lead

kader van de OESO rapportering.

market voor bio-gebaseerde producten. Bij het analyseren van de gegevens is evenwel enige omzichtigheid geboden. Tijdens het uitvoeren van de bevraging

economische ontwikkeling wordt ook bij de OESO zeer hoog

werd aan de deelnemende bedrijven zelf gevraagd of ze zich

ingeschat. Om de evoluties in de biotechnologie gedreven

indeelden als (puur) biotechbedrijf of niet. Sommige bedrijven

economie te analyseren stelde de Working Party Biotechnology

noemen zichzelf gemengd, terwijl andere met nagenoeg

bij de OESO een ad hoc werkgroep samen om te proberen het

dezelfde soort activiteiten zich een puur biotechbedrijf noemen.

belang van de biotechnologie op de economie in de diverse

Sommige bedrijven noemen zich biotechbedrijf terwijl ze

lidstaten in kaart te brengen. Om hieraan mee te werken

voornamelijk toeleverancier zijn aan biotechbedrijven.

werden in de verschillende landen bevragingen georganiseerd

Volgens de OESO richtlijnen kan een bedrijf als biotechbedrijf

bovenop de O&O-bevraging die ook in het kader van OESO

gecatalogeerd worden als het minstens 1 activiteit uitvoert om

rapporteringen doorgaat.

goederen of diensten te leveren en/of om biotech O&O te verrichten. Een echt of puur biotechbedrijf heeft minstens 75%

De studie die hier besproken wordt, werd georganiseerd

van zijn activiteiten in de biotechnologie. Bij een aantal activiteiten

om aan de OESO over de biotechnologie in Vlaanderen 2007

wordt een biotechnologische activiteit door de bedrijven

te rapporteren.

anders gedefinieerd dan volgens de OESO richtlijnen. Dit leidt waarschijnlijk tot een onderschatting van de sector. Bij de

De opzet van de studie is de bedrijven die in 2007 actief zijn

analyse die hier gebeurde werd geen rekening gehouden met

in biotechnologie, hetzij in O&O, hetzij in het produceren van

de economische impact die op een meer indirecte manier door

goederen en/of diensten in biotechnologie, in kaart te brengen

biotechnologische activiteiten gegenereerd worden. Tot deze

om een inzicht te krijgen in het belang van biotech voor de

categorie worden naast toeleveranciers van reagentia,

economie, het belang van overheidsteun te kennen, een idee

labmaterialen, infrastructuur, etc., ook de service-bedrijven

te krijgen van drivers en barrières voor biotechbedrijven, een

gerekend, zoals durfkapitalisten, banken, octrooibedrijven,

vergelijking te maken met de impact van biotechnologie in de

audit- en consultingbedrijven.

ons omringende landen en regio’s en dit als een follow-up van de biotechsectorstudie die in 2001 werd uitgevoerd door Arthur D. Little.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

Het belang van de biotechologie voor sterke en betere


264

163 bedrijven werden gecontacteerd, 130 hiervan – of bijna 80%

Tabel 6.2:

– werkten aan de bevraging mee. 53 identificeerden zichzelf

Verdeling van de bedrijven volgens toepassingsdomein en type

als “dedicated biotechbedrijven” of echte biotechbedrijven, Pure biotechbedrijven

Gemengde biotechbedrijven

Totaal

Gezondheid (humaan en dieren)

29

4

33

Landbouw

11

3

14

Milieu

2

4

6

Industriële processing

7

8

15

5 hiervan hebben een tewerkstelling van meer dan 250 voltijdse equivalenten (VTE’s), 12 hebben tussen 50 en 250 VTE’s, 36 bedrijven zijn kleine bedrijven met minder dan 50 VTE’s (tabel 6.1). 20 bedrijven identificeerden zichzelf als “innovative biotech

Bio-informatica

active” bedrijven of gemengde biotechbedrijven, d.w.z. bedrijven

Totaal

4

1

5

53

20

73

die een belangrijke gedeelte van hun activiteiten wijden aan biotech, maar daarnaast ook andere activiteiten hebben. 5 van

De vorige sectorstudie Biotech in Vlaanderen 2001 had

die bedrijven behoren tot de categorie grote bedrijven (meer

27 bedrijven die tot de groep pure biotechbedrijven gerekend

dan 250 VTE’s), 6 tot de categorie middelgrote bedrijven

worden. Minstens 4 van die bedrijven werden inmiddels

(50-250 VTE’s), en 9 zijn kleine bedrijven met minder dan

overgenomen door een groter bedrijf. Van 1 bedrijf hebben we

50 VTE’s. De overige bedrijven zagen zichzelf niet als biotech-

gegevens dat het failliet ging in 2002, maar het werd al in

bedrijf en werden verder buiten beschouwing gelaten.

hetzelfde jaar onder een andere naam heropgestart. Een ander bedrijf werd na onder gerechtelijk akkoord te zijn gesteld in 2001 overgenomen. Tenslotte is minstens 1 van de bedrijven

Tabel 6.1:

die in 2001 actief was gestopt.

Verdeling van van de bedrijven volgens grootte en type

In het algemeen kan men stellen dat de sector sedert 2001 < 50 VTE 50-250 VTE > 250 VTE Totaal

Pure biotechbedrijven 36 11 6 53

Gemengde biotechbedrijven 9 6 5 20

Totaal 48 17 15 73

bijna verdubbeld is in aantal, van 27 pure biotechbedrijven naar 53. Daarnaast onderscheidt de huidige studie ook nog 20 gemengde biotechbedrijven. Het aantal werknemers uitgedrukt in VTE is ongeveer evenredig toegenomen met het aantal bedrijven van 1490 in 2001 tot 3585 in 2007 in de pure

Onder de bedrijven die zich identificeerden als puur

biotechbedrijven. Voor wat betreft de gemengde biotech

biotechbedrijf (53), situeren er zich 29 in de gezondheid-

actieve bedrijven bedraagt het aantal VTE in biotech

gerelateerde of rode biotech; 11 werken in de landbouw-

gerelateerde activiteiten bijna 1474. In het totaal is de

gerelateerde of groene biotech. 7 van de pure biotechbedrijven

biotechnologie dus goed voor meer dan 5000 voltijdse

zijn actief in industriële processing of witte biotech. 4 bedrijven

arbeidsplaatsen (tabel 6.3).

hebben bio-informatica als hoofdactiviteit en slechts 2 bedrijven in deze categorie geven aan dat ze vooral werken in milieugerelateerde biotech. Geen van de bevraagde bedrijven

Tabel 6.3:

geeft aan in andere domeinen van biotech actief te zijn (tabel 6.2).

Tewerkstelling in biotech per bedrijfstype en grootte (in VTE)

Voor wat betreft de gemengde biotechbedrijven zijn er 4 in Pure biotechbedrijven

de rode biotech, 3 in groene biotech, 8 in witte biotech, 4 in milieugerelateerde biotech en slechts 1 bedrijf in bio-informatica.

Gemengde biotechbedrijven

Totaal

KMO

1.207,40

251,80

1.459,20

Grote

2.377,85

1.222,10

3.599,95

Totaal

3.585,25

1.473,90

5.059,15

De positie van Vlaanderen in biotech sector werd ook vergeleken met die van Duitsland, Frankrijk, Nederland, Verenigd Koninkrijk, Zweden, Wallonië en NordRhein-Westfalen. Uit deze analyse bleek dat Vlaanderen met 8.7 bedrijven per miljoen inwoners, na Zweden het hoogste scoort. Dit wordt ook gereflecteerd in de tewerkstelling in de biotech.


265

Binnen de groep van de pure biotechbedrijven stelt de

Figuur 6.2: O&O-uitgaven in biotech per

gezondheidsgerelateerde of rode biotechnologie 48% van

toepassingsdomein

de werknemers in biotech te werk, 36% wordt tewerkgesteld in de landbouwgerelateerde biotech, het overblijvend aandeel wordt ingenomen door industriële processing (14,4%) en bio-informatica (1,1%). Bij de gemengde biotechbedrijven is de rode biotech goed voor bijna 69% van de tewerkstelling, de groene biotech voor slechts 8%, terwijl de industriële

83%

processing telt voor 19%, de milieu-gerelateerde biotech zorgt voor 4,6% van de tewerkstelling en de bio-informatica is hier goed voor slechts 0,3% van de tewerkstelling. Hieruit blijkt dat gezondheidsgerelateerde biotechnologie zowel voor de pure als de gemengde biotechbedrijven het grootste aandeel

4%

in de terwerkstelling inneemt. De landbouwgerelateerde biotechnologische activiteiten gebeuren voornamelijk in pure

13%

biotechbedrijven (figuur 6.1). n Gezondheid (humaan en dier)

Figuur 6.1: Tewerkstelling per biotech toepassingsdomein

n Landbouw n Industriële procesing

80

Qua O&O-uitgaven in biotechactiviteiten leidt dit tot het volgend beeld: voor de pure biotechbedrijven wordt € 277,2 mln

60

gespendeerd aan O&O, nagenoeg hetzelfde bedrag

50

(€276,9 mln) wordt door de 20 gemengde biotechbedrijven 40

aan biotech specifieke O&O gespendeerd. Voor dit laatste type

30

bedrijven komt dit overeeen met bijna 21% van hun totale uitgaven aan O&O, terwijl de omzet door dit type bedrijven in

20

de biotech gerelateerde activiteiten € 63,2 mln bedraagt of nog geen 3% van de totale omzet die deze bedrijven

10

realiseren. De pure biotechbedrijven hebben een omzet van €

0 RB

GB

WB

bio-info

615,9 mln. Dit cijfer wordt voornamelijk (91,7%) gerealiseerd door de 6 grote bedrijven. De kleine en middelgrote pure

n Pure biotech

biotechbedrijven realiseren een omzet die nagenoeg gelijk is

n Gediversifieerde biotechbedrijven

aan wat door de kleine en middelgrote bedrijven in de

RB: rode biotech, GB: groene biotech

categorie gemengde biotechbedrijven gerealiseerd wordt (tabel

WB: witte biotech

6.4: 51 vs. 58,2 mln Euro). Het is opvallend dat voor wat betreft de biotech gerelateerde activiteiten nagenoeg 100 keer meer omzet gerapporteerd wordt in de pure biotechbedrijven dan in

In totaal voeren 2975,75 VTE O&O-activiteiten uit, bijna 70%

de gemengde biotechbedrijven en dit voornamelijk door de

hiervan in de pure biotechbedrijven. Dit illustreert duidelijk dat

grote echte biotechbedrijven (tabel 6.4).

de pure biotechbedrijven, die meestal tot de categorie KMO behoren, een aanzienlijk aandeel van hun activiteiten in O&O hebben (figuur 6.2).

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

% tewerkstelling van totale tewerkstelling in pure of gediversifieerde bedrijven

70


266

Uit de studie bleek ook dat de omzet van de Vlaamse biotech-

Figuur 6.3: Biotechnologie gerelateerde omzet

bedrijven overeenkomt met 0,6% van het BBPR, een cijfer

per applicatiedomein

vergelijkbaar met de prestaties in Zweden.

Tabel 6.4:

Biotech gerelateerde omzet per bedrijfstype en grootte (in miljoen €) 32% Pure biotechbedrijven

Gemengde biotechbedrijven

KMO

51,0

58,2

Grote

564,9

5,0

569,9

Totaal

615,9

63,2

679,0

41%

Totaal 109,1

Uit de studie bleek verder dat pure biotechbedrijven 73% van

2%

hun O&O-uitgaven doen in gezondheidsgerelateerde biotech,

25%

terwijl dat voor de gemengde biotechbedrijven zelfs tot 92,5% oploopt. 25% van de O&O-uitgaven van de pure biotech-

n Gezondheid (humaan en dier)

bedrijven gaat naar groene biotech, de rest wordt verdeeld

n Landbouw

over de overige biotechgebieden. Bij de gemengde biotech-

n Milieu

bedrijven zijn de O&O-uitgaven voor de groene biotech beperkt

n Industriële procesing

tot slechts 0,2% van het totale biotech O&O-uitgaven. Naar analogie met de tewerkstellingsgraad en de O&O-

Hoewel de biotech gerelateerde omzet in industriële toepassings-

uitgaven wordt de omzet voornamelijk gerealiseerd in de rode

domeinen iets hoger is dan voor de groene biotech, liggen de

biotech (40%). 32% van de omzet komt voor rekening van de

tewerkstelling en de O&O-uitgaven aanzienlijk lager voor dit

industriële processing, 25% voor de groene biotech;

toepassingsdomein. De andere biotech toepassingsdomeinen

milieubiotech en bio-informatica hebben slechts een zeer beperkt

zijn minder belangrijk in Vlaanderen (figuren 6.4-6.5).

aandeel in de totale omzet in biotech (tabel 6.5; figuur 6.3). De private uitgaven aan biotech O&O worden voor 2007 hoger geschat dan 7% van de totale GERD. O&O-uitgaven Tabel 6.5:

Biotechnologie gerelateerde omzet per

gebeuren vooral in de gezondheidsgerelateerde biotech door

toepassingsdomein en bedrijfstype

de grote bedrijven. De grootste biotech omzet wordt

(in miljoen Euro)

gerealiseerd door de pure biotechbedrijven. De biotech omzet in de gediversifieerde bedrijven is slechts 3% van de totale

Pure biotechbedrijven

Gemengde biotechbedrijven

Totaal

omzet van die bedrijven.

Gezondheid (humaan en dieren)

272,0

0,0

272,0

Landbouw

164,9

5,8

170,7

0,1

16,6

16,7

177,3

40,8

218,1

biotechbedrijven en de biotechgerelateerde tewerkstelling.

Milieu Industriële processing Bio-informatica Totaal

De biotech in Vlaanderen is sedert de vorige studie in 2001 ongeveer verdubbeld voor wat betreft het aantal pure

1,5

0,0

1,5

De omzet in de pure biotechbedrijven is zelfs bijna vijfmaal

615,9

63,2

679,0

groter geworden. Dat de industriële ontwikkeling van de biotech in Vlaanderen goed is, laat zich ook aflezen uit de

Samenvattend kan gesteld worden dat de Vlaamse biotechsector voornamelijk actief is in gezondheidsgerelateerde toepassingsdomeinen, zowel voor wat betreft de omzet, O&O-uitgaven en tewerkstelling. Daarnaast neemt ook de groene of landbouwgerelateerde biotechnologie een belangrijke plaats in het biotechlandschap in Vlaanderen.

beurstransacties en beschikbaarheid van risicokapitaal.


267

Tabel 6.6:

Overzicht van de Vlaamse biotech sector

Totaal aantal biotechnologie bedrijven

73

Aantal pure biotechnologie bedrijven

53 20

Aantal gemengde biotechnologie bedrijven Aantal biotechnologie tewerkgestelden in biotechnologie bedrijven

5.059,15 VTE

Aantal biotechnologie tewerkgestelden in pure biotechnologie bedrijven

3.585,25 VTE 1.473,90 VTE

Aantal biotechnologie tewerkgestelden in gemengde biotechnologie bedrijven Totale omzet door biotechnologie activiteiten

€679,0 miljoen

Omzet door biotechnologie activiteiten in pure biotechnologie bedrijven

€615,9 miljoen €63,2 miljoen

Omzet door biotechnologie activiteiten in gemengde biotechnologie bedrijven Totale biotechnologie gerelateerde O&O

€554,1 miljoen

Uitgaven in biotechnologie gerelateerde O&O door pure biotechnologie bedrijven

€277,2 miljoen

Uitgaven in biotechnologie gerelateerde O&O door gemengde biotechnologie bedrijven

€276,9 miljoen

Figuur 6.4: Tewerkstelling

Tabel 6.7:

IWT financiering in biotech en levenswetenschappen in 2007 (in miljoen euro)

4.000 3.500 3.000

Aantal VTE

2.500

Aandeel subsidie in life science projecten

€83,4

Aan academische groepen

€50,8

Aan industrie

€32,6

Aandeel subsidie in biotech projecten

€57,6

Academische

€29,2

Industrie

€28,4 €19,2 €9,2

Pure biotechbedrijven Hoofdactiviteiten in biotech

2.000 1.500

De eerste beursintroductie op de EASDAQ (NASDAQ-Europe) 1.000

van een biotechbedrijf in Vlaanderen gebeurde al in 1996 door Innogenetics. Galapagos en Devgen volgden in 2005 met een

500

beursgang op Euronext. In 2006 werden Thrombogenics en

0 Pure biotech

Gediversifieerde biotech

OncoMethylome Sciences op de Euronext genoteerd. Tigenix en Ablynx volgden in 2007. Ablynx realiseerde de grootste

Figuur 6.5: Omzet en O&O-uitgaven De bestaande biotechbedrijven blijken vrij stabiel en te groeien, maar verdere steun aan de biotechbedrijven voor de verdere

700

ontplooiing van O&O-activiteiten op weg naar nieuwe producten 600

of processen blijft belangrijk. Het IWT is een belangrijke financieringsbron voor de O&O-activiteiten, zowel in academische

In miljoen €

500

omgeving als bij de industrie. Het IWT stelde in totaal €28,4 mln

400

ter beschikking van biotech gerelateerde activiteiten, waarvan 300

€19,2 mln voor pure biotechbedrijven (tabel 6.7). 44 bedrijven vermeldden dat ze steun ontvingen van IWT. Daarnaast ontvingen

200

22 bedrijven samen €15 mln uit het Europese kaderprogramma. 100

Naast overheidssteun aan bedrijven, zijn ook risicokapitaalverstrekkers essentieel voor biotechbedrijven. €85 mln

0 Biotech gerelateerde omzet

Biotech O&O-uitgaven

risicokapitaal werd in 2007 geïnvesteerd in de pure biotechbedrijven. Toegang tot kapitaal wordt als belangrijk

n Pure biotech

ervaren, maar vormt blijkbaar geen groot obstakel voor de

n Gediversifieerde biotech

bedrijven. Gezien de snel veranderde financiële situatie kan dit gegeven echter ook snel veranderen in de komende periode.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S

introductie van een biotechbedrijf op Euronext ooit.


268

AUTEURSLIJST

• Dr. Caroline HOEDEMAKERS, UGent, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van

• Dr. Kris AERTS, K.U.Leuven, is als senior onderzoeker

de Vlaamse Gemeenschap.

verbonden aan de dienst Leuven Research & Development. • Dr. Machteld HOSKENS, K.U.Leuven, is als senior onderzoeker • Dr. Petra ANDRIES, K.U.Leuven, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van

verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

de Vlaamse Gemeenschap. • Drs. Hanna HOTTENROTT, K.U.Leuven, is als doctoraats• Prof. dr. Dirk CZARNITZKI, K.U.Leuven, is co-promotor van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse

onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

Gemeenschap en is hoofd van de onderzoeksgroep Innovatie van het Steunpunt.

• Drs. Svetlana JIDKOVA, UGent, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van

• Prof. dr. ir. Koenraad DEBACKERE, K.U.Leuven, is gewoon

de Vlaamse Gemeenschap.

hoogleraar en promotor-woordvoerder van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

• Drs. Annik LEYMAN, UGent, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van

• Drs. Hannelore DE GRANDE, UGent, is als doctoraats-

de Vlaamse Gemeenschap.

onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

• Drs. Tom MAGERMAN, K.U.Leuven, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan Expertisecentrum O&O

• Mevrouw Linda De KOCK, Departement Onderwijs en

Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

Vorming, is adviseur bij de Afdeling Hoger Onderwijs. • Dr. ir. Elisabeth MONARD, FWO, is secretaris-generaal van • Dr. ir. Pascale DENGIS, EWI, is als hoofd van de afdeling

het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen.

Kennisbeheer verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid.

• De Heer Frank MONTENY, IWT, is als adviseur verbonden aan het IWT.

• Dr. Kathleen D’HONDT, EWI, is als navorser verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid.

• De Heer Bert PEETERS, K.U.Leuven, is als onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Bedrijfseconomie, Strategie & Innovatie.

• Ir. Mariëtte DU PLESSIS, K.U.Leuven, is als onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • De Heer Jeroen FIERS, IWT, is als adviseur verbonden aan het IWT.

• Dr. Daniëlle RASPOET, VRWB, is secretaris van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid. • Dr. András SCHUBERT, is als senior onderzoeker verbonden aan het Instituut voor Onderzoeksorganisatie van de Hongaarse Academie van Wetenschappen in Boedapest.

• Mevrouw Danielle GILLIOT, VLIR, is als senior stafmedewerker onderzoeksbeleid verbonden aan de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR).

• Drs. Xiaoyan SONG, K.U.Leuven, is als onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

• Prof. dr. Wolfgang GLÄNZEL, K.U.Leuven, is hoogleraar en co-promotor – directeur van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

• Drs. Bart THIJS, K.U.Leuven, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.


269

• Dr. Vincent THOEN, VRWB, is als onderzoeker – navorser verbonden aan de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid. • Drs. Gert VANDER GOTEN, UGent, is als doctoraats-

LIJST VAN VOORNAAMSTE AFKORTINGEN VAN HET VLAAMS WTI-SYSTEEM: AAP

Assisterend Academisch Personeel

onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O

A&HCI

Arts & Humanities Citation Index

Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

AILO

Academische Initiële Lerarenopleiding

APS

Administratie Planning en Statistiek

AWT

Nederlandse Adviesraad voor Wetenschaps- en

• Dr. Karen VANDEVELDE, UGent, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

technologiebeleid BAMA

Bachelor - Master

BBP

Bruto Binnenlands Product

• Mevrouw Monica VAN LANGENHOVE, EWI, is als

BBPR

Bruto Binnenlands Product per Regio

beleidsmedewerker verbonden aan het departement

BERD

Business Expenditures on R&D

Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid.

BIL

Belgisch Instituut voor Lastechniek

BNP

Bruto Nationaal Product

BOF

Bijzonder Onderzoeksfonds

BUOO

Bruto Binnenlandse Uitgaven voor Onderzoek

• Prof. dr. Bart VAN LOOY, K.U.Leuven, is co-promotor van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap

en

hoofd

van

de

en Ontwikkeling (zie GERD)

onderzoeksgroep

Technometrie van het Steunpunt.

CBGS

Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudiën

Centexbel

Wetenschappelijk en Technisch Centrum van

• Prof. dr. Ronan VAN ROSSEM, UGent, is docent aan

de Belgische Textielnijverheid

de UGent en is co-promotor van het Expertisecentrum

CERN

Centre de Recherche Nucléaire

O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.

CFS

Commissie voor Federale Samenwerking

CFS-STAT

Werkgroep Statistiek voor de Commissie

• De Heer Danny VAN STEENKISTE, IWT, is als adviseur verbonden aan het IWT. • Prof. dr. Reinhilde VEUGELERS, K.U.Leuven, is co-promotor van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse

Federale Samenwerking CIS (I, II, III)

Community Innovation Survey

CO

Collectief Onderzoek

CoRI

Coatings Research Institute

COST

European Cooperation in the field of Scientific

Gemeenschap.

and Technical Research

• Dr. Kristien VERCOUTERE, VRWB, is als onderzoeker – navorser

verbonden

aan

de

Vlaamse

Raad

voor

CPP

Citations per Paper

CRM

Centrum voor Research in de Metallurgie

CWOBKN

Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek der Belgische Keramische Nijverheid

CWTS • De Heer Peter VIAENE, EWI, is als beleidsmedewerker

Centre for Science and Technology Studies Leiden

verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en

DIRV

Derde Industriële Revolutie Vlaanderen

Innovatie van de Vlaamse overheid.

DTO

Databank Tertiair Onderwijs

DWTC

Federale Diensten voor Wetenschappelijke,

• De Heer Koen WAEYAERT, EWI, is als beleidsmedewerker

Technische en Culturele aangelegenheden

verbonden aan het departement Economie, Wetenschap

EFRO

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

en Innovatie van de Vlaamse overheid.

EMBO

European Molecular Biology Organisation

EPO

European Patent Office

ESA

European Space Agency

ESF

Europees Sociaal Fonds

ESRF

European Syncrotron Radiation Facility

ESO

European Southern Observatory

EU

Europese Unie

• Dr. Hans WILLEMS, FWO, is beleidsadviseur bij het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen.

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9

Wetenschapsbeleid.


270

EUR

Euro

IN

Instituut voor Natuurbehoud

EUROSTAT

Europees Statistisch Bureau

INBO

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

EWI

Departement Economie, Wetenschap en

IOF

Industrieel Onderzoeksfonds

Innovatie

IPC

International Patent Classification

FCS

Field Citation Score

IAP

Industriële Affiliatie Programma’s

FCSm

Average Field Citation Score in more than

ISCED

International Standard Classification of

one journal FECR

Field Expected Citation Rate

FFEU

Financieringsfonds voor Schuldafbouw en

FIOV

Education ISCO

International Standard Classification of Occupations

Eenmalige Investeringsuitgaven

ISI

Institute for Scientific Information

Fonds tot bevordering van het Industrieel

ISSRU

Institute for Information Science &

Onderzoek in Vlaanderen

Scientometrics Research Unit

FLAMAC

Flanders Materials Research Centre

Flanders DC

Flanders Districts of Creativity

FNRS

Fonds de la Recherche Scientifique

ITG

Instituut voor Tropische Geneeskunde

FRIA

Formation à la Recherche dans l’Industrie et

IWT

Instituut voor de aanmoediging van Innovatie

ITEA

Information Technology for European Advancement

dans l’Agriculture

door Wetenschap en Technologie in

FRWB

Federale Raad voor Wetenschapsbeleid

FTI

Flanders Technology International

JCSm

Mean Citation Rate of Journal Packet

FWO

Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek –

JESSI

Joint European Submicron Silicon Initiative

Vlaanderen

KMDA (Zoo) Koninklijke Maatschappij voor

GBAORD GBOU

Vlaanderen

Government Budget Applications or Outlays

Dierenbescherming Antwerpen

for R&D

KMO

Kleine en Middelgrote Ondernemingen

Generisch Basisonderzoek aan de

KMSKA

Koninklijk Museum voor Schone Kunsten –

Universiteiten

Antwerpen

GERD

Gross Expenditures R&D

KP

Kaderprogramma’s

GIMV

Gewestelijke Investeringsmaatschappij

KUB

Katholieke Universiteit Brussel

Vlaanderen

KULeuven

Katholieke Universiteit Leuven

GIMB

Gewestelijke Investeringsmaatschappij Brussel

KULAK

Katholieke Universiteit Leuven Afdeling Kortrijk

GIS

Geografische InformatieSysteem

KVAB

Koninklijke Vlaamse Academie van België voor

GOA

Geconcerteerde Onderzoeksactie

GOVERD

Government Expenditures on R&D

LRM

Limburgse reconversiemaatschappij

HBPWB

Horizontaal Begrotingsprogramma

LUC

Limburgs Universitair Centrum

Wetenschapsbeleid

MECR

Mean Expected Citation Rate

HERD

Higher Education Expenditures on R&D

Mln.

Miljoen

HOBU

Hoger Onderwijs Buiten de Universiteit

Mld.

Miljard

HOSP

Hoger Onderwijs voor Sociale Promotie

MOCR

Mean Observed Citation Rate

HRST

Human Resources for Science and Technology

NABS

Nomenclatuur voor de analyse en vergelijking

IAJ

Individueel Aangepast Jaarprogramma

IAP

Instituut voor het Archeologisch Patrimonium

IBBT

Interdisciplinair Instituut voor BreedBand

Wetenschappen en Kunsten

van wetenschapsbegrotingen en -programma’s NACE

Statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Unie

Technologie

NIS

Nationaal Instituut voor de Statistiek

IBW

Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer

NMCR

Normalised Mean Citation Rate

ICT

Informatie- en Communicatietechnologie

NPO

Non-Profit Organisatie

ILVO

Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek

O&O

Onderzoek en Ontwikkeling

IMCWB

Interministeriële Conferentie voor

O&V

Onderwijs en Vorming

Wetenschapsbeleid

OCCN

Centrum voor Wetenschappelijk en Technisch

IMEC

Interuniversitair Micro-Elektronica Centrum

Onderzoek der Cementnijverheid


271

OCW

Onderzoekscentrum voor de Wegenbouw

OESO

Organisatie voor Economische Samenwerking

OMOB

VIB

Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie

en Ontwikkeling

VIK

Vlaamse Ingenieurskamer

Onderlinge Maatschappij der Openbare

VIN

Vlaams Innovatie Netwerk

Besturen

VINNOF

Vlaams Innovatiefonds

OND

Departement Onderwijs

VIO

Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed

PBO

Programma Beleidsgericht Onderzoek

VIONA

Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk

PMV

Participatiemaatschappij voor Vlaanderen

PNP

Not for Profit Organisations Expenditures on

VIS

Vlaamse Innovatie Samenwerkingsverbanden

R&D

VITO

Vlaamse Instelling voor Technologisch

POD

Arbeidsmarktrapportering

Programmatorische federale Overheidsdienst

Onderzoek

Duurzame Ontwikkeling

VLAO

Vlaams Agentschap Ondernemen

PPP

Purchasing Power Parities

Vlhora

Vlaamse Hogescholenraad

PWO

Projectmatig Wetenschappelijk Onderzoek

VLIR

Vlaamse Interuniversitaire Raad

RCA

Revealed Comparative Advantage

VLIZ

Vlaams Instituut voor de Zee

RCR

Relative Citation Rate

VOI

Vlaamse Openbare Instellingen

RIS

Subregionale Innovatiestimulering

VRWB

Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid

RTA

Relatieve technologiespecialisatie

VLGMS

Vlerick Leuven Gent Management School

RUCA

Universitair Centrum Antwerpen

VTE

Voltijds Equivalent

SBO

Strategisch Basis Onderzoek

VUB

Vrije Universiteit Brussel

SCI

Science Citation Index

W&T

Wetenschappelijke en Technologische

SCIE

Science Citation Index Expanded

SERV

Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen

WoS

Web of Science

SOC

Strategische Onderzoekscentra

WTCB

Wetenschappelijk en Technisch Centrum van

SOOI

Steunpunt voor O&O Indicatoren

SSCI

Social Science Citation Index

WTI

Wetenschap, Technologie en Innovatie

STV

Stichting Technologie Vlaanderen

WTOCD

Wetenschappelijk en Technisch

STWW

Strategische Technologieën voor Welzijn en Welvaart Technisch Centrum der Houtnijverheid

TD

Technologische Dienstverlening

TETRA

Technologietransfer

TIS

Thematische Innovatiestimulering

tUL

transnationale Universiteit Limburg

UA

Universiteit Antwerpen

UFSIA

Universitaire Faculteiten St.-Ignatius Antwerpen

UGent

Universiteit Gent

UIA

Universitaire Instelling Antwerpen

ULB

Université Libre de Bruxelles

UNESCO

United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization

UNU

United Nations University – Universiteit van de Verenigde Naties

USD

Amerikaanse dollar

USPTO

United States Patent and Trademark Office

VALUE

Valorisation and Utilisation for Europe

VAO

Voortgezette Academische Opleiding

de Metaalverwerkende Nijverheid

Onderzoekscentrum voor Diamant ZAP

Zelfstandig Academisch Personeel

V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9

TCHN

Dienstverlening


272


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
indicatorenboek_2009.pdf by Vlaanderen-be - Issuu