V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9
2
COLOFON Het Vlaams Indicatorenboek 2009 is een uitgave van het Expertisecentrum O&O Monitoring in opdracht van de Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel en van de Vlaamse Minister voor Onderwijs. Hoofdredactie:
Prof. dr. ir. Koenraad Debackere Prof. dr. Reinhilde Veugelers (Expertisecentrum O&O Monitoring)
ISSN:
1374-6294
Coรถrdinatie en tekstaanpassing:
Dani Vandepoel
Lay-out en druk:
Altera Grafische Vormgeving, Heverlee Drukkerij Van der Poorten, Kessel-Lo
Copyright 2009
Vlaamse Overheid Koning Albert II-laan 35, bus 10 B-1030 Brussel
3
I N H O U D S O P G AV E COLOFON
2
WOORD VOORAF
8
BIJ WIJZE VAN INLEIDING …
10
HOOFDSTUK 1: HET VLAAMS WTI-SYSTEEM: EEN OVERZICHT EN EEN BESPREKING
11
1.1
Situering
12
1.2
Vlaanderen: enkele kerncijfers
14
1.3
De actoren in het Vlaams WTI-systeem
16
1.3.1
De universiteiten
16
1.3.2
De Vlaamse onderzoeksinstellingen
17
1.3.3
De collectieve centra
18
1.3.4
De bedrijven
19
1.3.5
De hogescholen
19
1.3.6
De herverdelende mechanismen: IWT-Vlaanderen, FWO-Vlaanderen, 19
1.3.7
Het departement Economie, Wetenschap en Innovatie
21
1.3.8
De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid
22
1.3.9
De adviesorganen
23
1.3.10 De Steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek
23
1.3.11 Specifieke acties naar technologietransfer en diffusie
23
1.3.12 Sensibilisering
24
Conclusie
24
HOOFDSTUK 2: HET MENSELIJKE POTENTIEEL IN WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE IN VLAANDEREN: DE OPLEIDINGSPROFIELEN
25
2.1
Inleiding
26
2.2
Instroom in het Vlaamse hoger onderwijs: kwantificatie en stratificatie
26
2.3
Overzicht van de uitgereikte diploma’s
32
2.4
Internationale vergelijking
41
2.5
Besluit
44
HOOFDSTUK 3: ONDERZOEKSCARRIÈRES IN VLAANDEREN: INSTROOM, DOORSTROOM EN UITSTROOM VAN DOCTORAATSONDERZOEK
45
3.1
Onderzoekspotentieel
46
3.2
Doctoraatsproductie
48
3.3
Academische carrières
49
3.4
Andere onderzoekscarrières
50
V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 0 0 9 I N H O U D S O P G AV E
1.4
Hercules, BOF en IOF
4
HOOFDSTUK 4: O&O-ACTIVITEITEN VAN DE VLAAMSE BEDRIJVEN
53
4.1
Inleiding
54
4.2
Methodologie
54
4.2.1
Populatie
54
4.2.2
Definities
55
4.2.3
Schattingen: inter- en extrapolatie
55
4.3
4.4
4.5
Resultaten voor de inventaris
56
4.3.1
Responsgraad
56
4.3.2
Totale O&O-cijfers
56
Resultaten voor de totale populatie
62
4.4.1
De totale O&O-uitgaven bij de Vlaamse bedrijven 2006 en 2007
62
4.4.2
Historische evolutie van de O&O-uitgaven van Vlaamse bedrijven
62
4.4.3
Evolutie van de O&O-uitgaven bij bedrijven als % van BBPR
Conclusie
Bijlage 1: Overzicht van de definities die gebruikt werden in de O&O-enquête van 2008
63 63 64
Bijlage 2: Belangrijkste etappes van de schattingsmethodologie van de O&O-gegevens bij de bedrijven
65
Bijlage 3: NACE-BEL 2008-classificatie
67
Bijlage 4: Top-50 bedrijven
68
HOOFDSTUK 5: ONDERZOEK EN ONTWIKKELING BINNEN DE NON-PROFIT SECTOR
69
5.1
Inleiding
70
5.2
Het O&O-personeel
71
5.3
De O&O-uitgaven geanalyseerd
76
5.4
Internationale vergelijking
81
5.5
Besluit
83
HOOFDSTUK 6 - DEEL 1: DE TOTALE O&O-UITGAVEN IN VLAANDEREN: GERD
85
6.1
De gebruikte indicatoren
86
6.2
GERD per uitvoeringssector
87
6.3
O&O-intensiteit: GERD als % van het BBPR voor Vlaanderen
89
6.4
Een internationale vergelijking
90
6.5
Conclusies
91
Appendix: Overzicht van de Collectieve Onderzoekscentra (BERD Collectieve Centra), Publieke Onderzoekscentra (GOVERD), en Particuliere Non-profit Instellingen (PNP)
HOOFDSTUK 6 - DEEL 2: HET TOTALE O&O-PERSONEEL BINNEN VLAANDEREN
91
93
6.1
Totaalbeeld en internationale vergelijking
94
6.2
Besluit
98
5
HOOFDSTUK 7: DE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE IN VLAANDEREN
99
7.1
Inleiding
100
7.2
Vlaamse overheidskredieten voor wetenschap, technologie en innovatie
101
7.3
Overheidskredieten voor de Vlaamse universiteiten
102
7.4
Besteding van de middelen verdeeld via het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (FWO)
105
7.5
Overheidskredieten voor industrieel onderzoek
105
7.6
Besteding van de middelen voor specialisatiebeurzen verdeeld via het Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT-Vlaanderen)
109
7.7
O&O-input voor de Vlaamse onderzoeksinstellingen IMEC, VITO, VIB en IBBT
109
7.8
O&O-input voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen
112
7.9
O&O-uitgaven in de publieke sector in Vlaanderen: een internationale vergelijking
112
7.10 Referenties
HOOFDSTUK 8: INNOVATIE-INSPANNINGEN VAN VLAAMSE ONDERNEMINGEN: KERNRESULTATEN VAN DE CIS-2007 ENQUĂŠTE
116
117
8.1
Inleiding
118
8.2
Methodologie
118
8.3
Analyse
119
8.4
Profiel van de respondenten
119
8.5
Innovatieactiviteit in Vlaanderen
119
8.5.1
De innovatieve onderneming
119
8.5.2
Ontwikkeling van nieuwe of duidelijk verbeterde producten en/of processen
120
8.5.3
Nog niet voltooide en/of stopgezette innovatieactiviteiten
120
8.6
Actoren in het innovatieproces van de onderneming
121
Innovatieactiviteiten in 2004
121
Onderzoek en ontwikkeling (O&O)
122
8.9
Publieke financiering van innovatie
122
8.10 Samenwerkingspatronen van innovatieve ondernemingen
122
8.11 Informatiebronnen
124
8.12 Bescherming van innovatie
124
8.13 Kennisbeheer
125
8.14 Historische vergelijking
126
8.15 Besluit
126
8.16 Referenties
127
Appendix: Sectoren (op basis van de NACE-BEL classificatie) weerhouden door Eurostat
127
V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 0 0 9 I N H O U D S O P G AV E
8.7 8.8
6
HOOFDSTUK 9: BIBLIOMETRISCHE ANALYSE VAN HET VLAAMS ONDERZOEK IN DE LEVENS-, NATUUR- EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN. HET VLAAMS ONDERZOEK IN EUROPESE CONTEXT 129 9.1
Inleiding
130
9.2
Bibliometrische studies en de bibliografische gegevensbestanden van de ISI
130
9.3
Databronnen en dataverwerking
131
9.4
Bibliometrische indicatoren
132
9.5
De evolutie van de Vlaamse publicaties in de levens-, natuur- en technische wetenschappen
134
9.6
Het Vlaams publicatieprofiel in de levens-, natuur- en technische wetenschappen
137
9.7
De citatie-impact van de Vlaamse publicaties in de levens-, natuur- en technische wetenschappen
138
9.8
De internationale wetenschappelijke samenwerking van Vlaanderen
141
9.9
Slotbeschouwingen
146
9.10 Referenties
147
Bijlage
148
HOOFDSTUK 10: DE VLAAMSE TECHNOLOGIEPOSITIE: ANALYSE AAN DE HAND VAN USPTO- EN EPO-OCTROOIEN EN PCT-AANVRAGEN
149
10.1 Het belang van octrooistatistieken
150
10.2 Octrooien in België en Vlaanderen: EPO, PCT en USPTO
151
10.2.1 EPO toekenningen
152
10.2.2 Belgische/Vlaamse versus buitenlandse aanvragers
154
10.2.3 Internationale vergelijking
154
10.3. Technologieontwikkeling per type organisatie nader bekeken 10.3.1 Belangrijkste organisaties
156 157
10.4 Samenwerkingspatronen
158
10.5 Relatieve technologie-specialisatiepatronen
162
10.6 Conclusie
166
HOOFDSTUK 11: DE VLAAMSE WTI-ACTIVITEITEN IN EEN INTERNATIONALE CONTEXT
167
11.1 Inleiding
168
11.2 De Vlaamse deelname aan het Europese Kaderprogramma voor onderzoek
168
11.2.1 Inleiding
168
11.2.2 Evolutie van de Vlaamse deelname aan de opeenvolgende Kaderprogramma’s
169
11.2.3 De Vlaamse deelname aan het Zesde Kaderprogramma
170
11.2.4 Conclusies
175
11.3 ERA-NET
178
11.4 Nieuwe initiatieven van de Europese Commissie
178
11.5 Vlaamse deelname in het EUREKA-programma
179
11.5.1 Situering
179
11.5.2 EUREKA projecten
180
11.5.3 Verleende steun aan Vlaamse deelnemers in EUREKA (2000 – 2007)
180
11.5.4 Plaatsing in internationale context
182
11.6 Conclusie
182
11.7 Referentielijst
183
7
HOOFDSTUK 12: CONCLUSIES EN NABESCHOUWINGEN
185
12.1 Inspanningen voor O&O in Vlaanderen
186
12.2 Opleidingen: bachelor & master
186
12.3 Doctoraten
187
12.4 Resultaten: publicaties, octrooien en deelname aan internationale programma’s
188
12.5 Ter afronding
189
HOOFDSTUK 13: DE 11 VLAAMSE KERNINDICATOREN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE
191
Kernindicator 1
O&O-intensiteit: GERD als % van BBPR
192
Kernindicator 2
Overheidskredieten voor O&O (GBAORD) als % van BBPR
195
Kernindicator 3
Totaal O&O-personeel als % van de beroepsbevolking
198
Kernindicator 4
Nieuwe w&t-gediplomeerden (t.o.v. leeftijdsgroep 20-29 jaar)
200
Kernindicator 5
Totaal aantal innoverende bedrijven (in % van aantal bedrijven in de industrie- en dienstensector)
204
Kernindicator 6
Investeringen in risicokapitaal (‘Venture Capital’)
205
Kernindicator 7
Aantal aangevraagde EPO-octrooien met uitvinder van betreffend land of regio per miljoen inwoners
Kernindicator 8
van de totale omzet) Kernindicator 9
208
Aandeel van innovatieve producten in de omzet (nieuwe producten in % 210
Tewerkstellingsgraad in medium hightech en hightech industrie en diensten als % van de totale beroepsbevolking
213
Groei van het Bruto Binnenlands Product per Regio (BBPR)
215
Kernindicator 11
Exportaandeel van de hightech sectoren in Vlaanderen
217
Extra indicator
Fiscale maatregelen voor O&O
220
Kernindicator 10
223
Dossier 1: Bestedingsanalyse van het F.W.O.
224
Dossier 2: IWT-effectmetingen
234
Dossier 3: Een nieuwe generatie relationele kaarten voor de beoordeling van citatie-impact
241
Dossier 4: Onderwijs: kiem voor onderzoek en innovatie
249
Dossier 5: Impactevaluatie: instrumenten ter bevordering van private O&O-activiteit
256
Dossier 6: Biotechnologie in Vlaanderen
263
AUTEURSLIJST
268
LIJST VAN VOORNAAMSTE AFKORTINGEN
269
V L A A M S I N D I C AT O R E N B O E K 2 0 0 9 I N H O U D S O P G AV E
DOSSIERS
8
WOORD VOORAF Met Vlaanderen in Actie hebben we de ambitie geuit om
Zo een indicatorensysteem brengt de volgende gegevens
Vlaanderen tegen 2020 een vaste en duurzame plaats te
in kaart: (1) de kredieten en de uitgaven voor wetenschap,
laten verwerven tussen de Europese topregio’s. Eén van de
technologie en innovatie van zowel de overheid als de private
cruciale voorwaarden voor het realiseren van die ambitie ligt in
sector, (2) de impact van het Vlaams wetenschappelijk
de aanwezigheid en het versterken van kennisinstellingen en
onderzoek aan de hand van bibliometrische indicatoren,
onderzoekscentra waar hoogstaand onderzoek op internationaal
(3) de Vlaamse technologiepositie op basis van Europese
niveau wordt verricht. Daar wordt immers de kiem gelegd
en Amerikaanse octrooien, en (4) het menselijk potentieel voor
voor wetenschappelijk onderzoek en de daaruit voortkomende
wetenschap, technologie en innovatie evenals de opleidings-
innovatieve wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen
profielen in deze kennisgenererende activiteiten, met bijzondere
die uiteindelijk leiden tot een versterking van ons economisch
aandacht voor de doctoraatsloopbanen. Ook de deelnames
weefsel in Vlaanderen.
aan internationale programma’s, zoals de Europese kaderprogramma’s, de ERA-netten en EUREKA, worden beschouwd
Om haar beleid daar optimaal op af te stemmen moet
als een belangrijke indicator om het Vlaams kennisgebeuren
de Vlaamse overheid niet alleen voldoende middelen ter
internationaal te situeren. Naast het aanleveren en het
beschikking stellen van onderzoek en ontwikkeling, maar heeft
ontwikkelen van deze gevalideerde indicatoren, voert het
zij ook beleidsindicatoren nodig die de ontwikkeling van het
Expertisecentrum ook onderzoek uit naar nieuwe en
Vlaams potentieel inzake wetenschap, technologie en innovatie
verbeterde indicatoren en indicatorensystemen.
in kaart brengen, opvolgen, ondersteunen en internationaal positioneren, zowel wat de geleverde inspanningen als de
Het Expertisecentrum O&O Monitoring speelt op die manier
behaalde resultaten betreft.
een belangrijke rol bij de toewijzing van onderzoeksmiddelen (tweede geldstroom) aan de Vlaamse universiteiten. Voor de
In het verleden zijn weliswaar al indicatoren ontwikkeld over
financiering van het fundamenteel, grensverleggend onderzoek
de investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Maar de
dat uitsluitend aan de universiteiten wordt verricht, beschikt de
aanwezige expertise was te veel verspreid over de verschillende
Vlaamse overheid over het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF).
beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid. Naarmate onderzoek
Betreffende performantiegedreven financiering van onderzoek
en innovatie belangrijker worden voor de samenleving, is de
speelt Vlaanderen een voortrekkersrol. Vanaf 2003 wordt een
studie ervan bovendien uitgegroeid tot een afzonderlijke
gedeelte van de BOF-middelen tussen de Vlaamse universiteiten
wetenschappelijke discipline. Het ontwikkelen van kwantitatieve
verdeeld op basis van enerzijds het aantal publicaties van
methoden om prestaties en realisaties van onderzoek en
auteurs verbonden aan deze instellingen die verschenen zijn in
innovatie in kaart te brengen, is daar een belangrijk onderdeel
internationale wetenschappelijke tijdschriften verwerkt voor de
van. De bundeling van deze expertise tot een efficiënt en
Science Citation Index (SCI), en anderzijds het aantal citaties dat
wetenschappelijk verantwoord systeem van gegevensinzameling
deze publicaties ontvangen. Vanaf 2008 is de verdeelsleutel
en de verwerking ervan tot beleidsrelevante indicatoren drongen
verruimd met de publicaties in de humane en sociale
zich dus op.
wetenschappen die verwerkt zijn in de ISI Thomson databank en tot de "proceedings" in de technische wetenschappen en
Daarom besliste de Vlaamse overheid in 2001 tot de oprichting
humane en sociale wetenschappen. Ook sinds 2008 wordt
van het “Steunpunt O&O Indicatoren”. Het Steunpunt werd
een gedeelte van de werkingsmiddelen van de universiteiten
operationeel in 2002 en werd begin dit jaar omgevormd
(eerste geldstroom) verdeeld op basis van onderzoeksresultaten,
tot het interuniversitair Expertisecentrum O&O Monitoring.
waarvoor het Expertisecentrum een deel van de informatie
Het Expertisecentrum ontwikkelt en onderhoudt een waaier
aanreikt.
van gevalideerde gegevens die gebruikt worden om beleidsvragen kwantitatief te ondersteunen. Het heeft ook de opdracht gekregen om een systeem van indicatoren uit te bouwen en te onderhouden.
9
Het werk van het Expertisecentrum blijft niet gereserveerd voor een kleine kring van beleidsmakers. Aan de hand van de indicatoren wordt sinds 2003 tweejaarlijks een Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie en Innovatie samengesteld. Het Expertisecentrum staat in voor de coördinatie en de aanmaak. Dankzij de samenwerking tussen de onderzoekers van het Expertisecentrum, de verschillende bevoegde administraties en de Vlaamse openbare instellingen beschikken we vandaag met het Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie en Innovatie 2009 over een gamma aan indicatoren die het mogelijk maken om het Vlaams beleid inzake wetenschap, technologie en innovatie op een periodieke basis in kaart te brengen en op te volgen in een internationaal perspectief. Vlaanderen stelt deze gegevens systematisch ter beschikking van supranationale instanties zoals de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en het statistisch bureau van de Europese Commissie (EUROSTAT). De Europese Commissie is overtuigd van de noodzaak om de evolutie van de lidstaten wat betreft de investeringen in Onderzoek en Ontwikkeling op te volgen en bij te dragen tot de verdere uitbouw van de Europese onderzoeksruimte. Een gestandaardiseerd instrumentarium van geijkte, valide en betrouwbare indicatoren zal deze inspanningen opvolgen en met mekaar vergelijken. Sinds 2007 zijn de gegevensbestanden over de verschillende aspecten van het Vlaams potentieel voor onderzoek en ontwikkeling – met respect voor de intellectuele eigendomsrechten – beschikbaar voor al wie betrokken is bij het Vlaams wetenschaps- en technologisch innovatiebeleid.
Indicatorenboek Wetenschap, Technologie en Innovatie 2009.
Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9
Wij wensen u veel professioneel genot toe met het Vlaams
10
BIJ WIJZE VAN INLEIDING …
boek kwamen dan ook tot stand onder impuls van een redactiegroep van experts behorend tot de verschillende
Wetenschap, technologie en innovatie worden onmiskenbaar
beleidsactoren uit het Vlaams Innovatiesysteem, die de staf van
de voornaamste hefbomen tot economische welvaart en sociaal
het Steunpunt O&O Indicatoren (sinds 2009 omgevormd
welzijn in de kenniseconomie van dit nieuwe millennium.
tot het Expertisecentrum O&O Monitoring) van de Vlaamse
De Vlaamse overheid heeft dan ook, naarmate ze door de
overheid bijstond in zijn opdracht dit Indicatorenboek te
regionalisering van de Belgische Staat over meer bevoegdheden
ontwikkelen. Elk van hen droeg bij tot de conceptie van dit
inzake wetenschaps-, technologie- en innovatiebeleid beschikte,
werk. Wij willen hen dan ook van harte danken voor de
veel aandacht besteed aan de verdere ontwikkeling van de
constructieve samenwerking om onder hoge tijdsdruk dit
kwaliteit en de slagkracht van het Vlaams wetenschaps-,
document af te werken:
technologie- en innovatiesysteem. Het brede spectrum van wetenschappelijk en technologisch onderzoek werd hierbij verder
• Mevrouw Michèle Oleo en Mevrouw Ingrid Reynaert van het
vervolledigd met maatregelen om het innovatievermogen
Kabinet van minister Ceysens en tevens voorzitter en onder-
van ondernemingen te verhogen, om de kleine en middelgrote
voorzitter van de stuurgroep van het Steunpunt O&O Indicatoren,
ondernemingen meer innovatiekansen te bieden, om de
• Mevrouw Linda De Kock van de Administratie Hoger Onderwijs,
mobiliteit van onderzoekers en kenniswerkers te stimuleren,
• Mevrouw Danielle Gilliot van de Vlaamse Interuniversitaire Raad,
om krachtenbundeling tussen innovatie-actoren gericht te
• Mevrouw Pascale Dengis, Mevrouw Kathleen D’ Hondt,
onderbouwen, en om het breder publiek dichter bij het
de Heer Peter Viaene en de Heer Koen Waeyaert,
wetenschaps- en innovatiegebeuren te betrekken.
Departement Economie, Wetenschap en Innovatie, • De Heren Eric Sleeckx en Donald Carchon van het IWT,
Het is dan ook nuttig en wenselijk om het geheel aan acties, en hun meetbare resultaten, in een coherent, regelmatig te verschijnen Indicatorenboek te bundelen. Dit is dan ook de doelstelling van dit werk dat de tijdsreeksen opgenomen in de
• De Heer Edwin Pelfrene van de Studiedienst van de Vlaamse Gemeenschap, • Mevrouw Daniëlle Raspoet en Mevrouw Kristien Vercoutere van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid,
Indicatorenboeken in 2003, 2005 en 2007, verder actualiseert
• Mevrouw Karen Vandevelde van het Expertisecentrum O&O
en uitbreidt. Zo wordt het mogelijk, dankzij de inspanningen
Monitoring/Steunpunt O&O Indicatoren, Universiteit Gent,
die de laatste jaren op het vlak van dataverzameling en
• Mevrouw Dani Vandepoel en de Heer Wolfgang Glänzel van
regionalisering van wetenschaps-, technologie- en innovatie
het Expertisecentrum O&O Monitoring/Steunpunt O&O
indicatoren op Vlaams niveau werden geleverd, een valide en
Indicatoren, K.U.Leuven,
internationaal vergelijkbaar overzicht te geven van de situatie in Vlaanderen op vlak van de bestedingen voor en de resultaten
die vanuit de redactieraad de nodige expert-inzichten en inbreng
van onderzoek, ontwikkeling en innovatie.
geleverd hebben bij het tot stand komen van de Vlaamse O&O-gegevens.
Na een overzicht van het wetenschaps-, technologie- en innovatie-systeem in Vlaanderen, worden de verschillende
Daarnaast danken we tevens alle auteurs die op basis van de
actoren, programma’s en hun resultaten in de daaropvolgende
inbreng van de redactiegroep, de verschillende hoofdstukken
hoofdstukken in detail besproken en, waar mogelijk, internationaal
en dossiers hebben geschreven en gedocumenteerd met actueel,
vergeleken. Alsdusdanig wordt een globaal overzicht bekomen
relevant en betrouwbaar cijfermateriaal.
van de respectievelijke actoren en hun bijdrage tot de werking van het Vlaams Innovatie Systeem. Aan de hand van zes
Zonder hun gezamenlijke inspanning was dit Indicatorenboek
dossiers, die dit boek afsluiten, worden bovendien een aantal
nooit tot stand kunnen komen.
recente studies inzake wetenschap en innovatie samengevat die in opdracht van de Vlaamse overheid werden uitgevoerd sinds
Een welgemeend woord van dank aan hen allen.
het verschijnen van de vorige editie van dit Indicatorenboek. Uiteraard kan dergelijk Indicatorenboek slechts tot stand
Prof. Koenraad Debackere en Prof. Reinhilde Veugelers
komen dankzij de bundeling van de inspanningen van vele
Redactie Werkgroep Vlaams Indicatorenboek
enthousiaste medewerkers. De redactie en het schrijven van dit
Leuven, 12 september 2009
11
HET VLAAMS WTI-SYSTEEM: EEN OVERZICHT EN EEN BESPREKING Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven) en Reinhilde Veugelers (K.U.Leuven)
01
12
1.1 SITUERING
De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB) fungeert als centraal adviesorgaan van de Vlaamse overheid inzake
In dit inleidend hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven
het WTI-beleid en staat aldus tussen alle beleidsactoren in.
van de voornaamste actoren in het Vlaams Wetenschap,
Daarnaast zijn er specifieke overlegorganen tussen actoren,
Technologie en Innovatie (afgekort als WTI)-systeem en van
zoals de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de Vlaamse
hun rol hierin. Sinds het begin van de jaren 1990 heeft dit
Hogescholen Raad (Vlhora) die ook inzake WTI-materies
Vlaams WTI-systeem volop vorm gekregen. Als gevolg van
coördinerend en adviserend optreden tussen en voor hun
de continu voortschrijdende federalisering van België werden
leden, doch wiens activiteitenspectrum uiteraard ruimer is dan
significante bevoegdheidspakketten inzake het WTI-beleid
enkel WTI-materies. Tot slot vermelden we ook de Commissie
en zijn implementatie ondergebracht bij de Gewesten en
voor Federale Samenwerking (de CFS) en haar werkgroep
Gemeenschappen. Bij de analyse van het Vlaamse WTI-beleid
CFS-STAT die instaat voor de coördinatie en de afspraken tussen
dient men dan ook rekening te houden met de specifieke
federale en regionale overheden inzake indicatorontwikkeling
Belgische federale staatsstructuur, die een onderscheid maakt
en -implementatie. Het is duidelijk dat dit landschap continu
tussen gewest- en gemeenschapsmateries. Voor wat betreft
in beweging is. Zo lopen er via het instrument van de
de betrokkenheid van de “private” sector (bedrijfssector en
IWT-haalbaarheidsstudies, dat in de loop van de jaren 2007 en
instellingen zonder winstoogmerk) en de Vlaamse overheid bij
2008 volledig operationeel werd, continu studies voor nieuwe
het “meten” van de resultaten van het WTI-beleid, wordt het
initiatieven inzake analyse en voorbereiding van mogelijke
Vlaams Gewest als territoriale entiteit gehanteerd. Het hoger
strategische onderzoekscentra en competentiepolen.
onderwijs is evenwel gemeenschapsmaterie. De politieke keuze van de Vlaamse Gemeenschap bestaat erin de Vlaamse publieke
Sinds 1995 heeft de Vlaamse overheid een uitgesproken
middelen die worden toegekend aan onderwijsinstellingen
stimuleringsbeleid
die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gevestigd, bij
De zogenaamde “inhaalbeweging” die in 1995 werd ingezet,
Vlaanderen te tellen en dit zowel voor wat betreft de
heeft ervoor gezorgd dat sinds 1995, de Vlaamse
statistieken die worden opgemaakt per financieringsbron als
overheidskredieten voor Onderzoek en Ontwikkeling (verder
voor wat betreft deze voor de uitvoering van het onderzoek.
afgekort als O&O) beduidend zijn toegenomen. Dit heeft
gevoerd
inzake
WTI-activiteiten.
ertoe geleid dat Vlaanderen anno 2007 een ratio van 2,03% De sleutelactoren in de conceptie en de uitvoering van dit
(berekend op Gewestniveau) of 2,06% (berekend op
Vlaams WTI-beleid zijn vandaag: het departement Economie,
Gemeenschapsniveau) van het Bruto Binnenlands Product
Wetenschap en Innovatie (EWI), het Vlaams Instituut voor
per Regio besteedt aan O&O-activiteiten, waarbij deze laatste
de bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch
naast onderzoek en ontwikkeling uiteraard ook een innovatie-
onderzoek
voor
component bevatten, zoals verder zal blijken uit de verschillende
Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen (FWO-Vlaanderen),
in
de
Industrie
hoofdstukken van dit Indicatorenboek. Daarmee scoort
de Hercules-Stichting ter financiering middelzware en zware
Vlaanderen nog steeds boven het Europees gemiddelde,
onderzoeksapparatuur,
strategische
al is de trend de laatste jaren, zoals in de meeste Europese
onderzoekscentra – de zogenaamde SOC’s – (IMEC, VITO,
landen, ook in Vlaanderen jammer genoeg dalend. Vooral aan
VIB en IBBT), de Vlaamse universiteiten en hun associaties
de kant van de bedrijfsuitgaven voor O&O is deze dalende
(K.U.Brussel, K.U.Leuven met campus Kortrijk, Universiteit
trend vrij persistent. De Vlaamse overheid is erin geslaagd haar
Hasselt met als zusteruniversiteit de tUL (transnationale
inspanningen op peil te houden, al blijkt ook daar verdere
Universiteit Limburg), U. Antwerpen, U. Gent en V.U.Brussel),
groei niet evident. Er blijven dus duidelijk nog heel wat
drie autonome kennisinstituten (ITG – Instituut voor Tropische
extra-inspanningen te leveren wil men de 3% norm halen die
Geneeskunde, de Vlerick Leuven Gent Management School
Europees Commissaris Busquin in 2002 heeft geïntroduceerd.
de
(IWT),
grote
het
Vlaamse
Fonds
en de UAMS Management School), en de competentiepolen die de brug slaan naar de diffusie en toepassing van nieuwe technologieën in het bedrijfsleven. De hogescholen die heel belangrijke actoren zijn in het toegepast wetenschappelijk onderzoek zijn, via de vorming van de associaties, met hun respectievelijke associatie-universiteiten verbonden.
13
Onderzoek, innovatie en welvaart zijn bijgevolg sleutel-
Daarnaast zijn er de sterk vraaggedreven, innovatiegerichte
begrippen geworden in het beleid van elk land of regio.
middelenconcentraties en platformen, de zogenaamde
Innovatie wordt daarbij eenvoudig en eenduidig gedefinieerd
competentiepolen, met als doel het bedrijfsweefsel maximaal
als de succesvolle transformatie van creativiteit en kennis in
te ondersteunen met kennistoepassingen op een specifiek
economische waarde. Innovatie is vandaag de centrale hefboom
thematisch domein. We vermelden hier de lopende initiatieven
tot waardecreatie. Waar het economisch weefsel in het Westen
van gerichte technologieontwikkeling voor de automobielindustrie
zich tot bijna het eind van de vorige eeuw kon handhaven door
(Flanders Drive), voor de mechatronica industrie (Flanders
zich te differentiëren op basis van productiviteit, kwaliteit en
Mechatronics), voor de ontwikkeling van geografische informatie-
flexibiliteit, is dit vandaag zondermeer uitgesloten. Uiteraard zijn
systemen (IncGeo), voor het ondersteunen van de toepassing
deze drie sleutelfactoren nog steeds van groot belang, doch het
van geavanceerde methodologieën voor materiaalkundig
zijn nodige voorwaarden tot competitiviteit en groei geworden.
onderzoek (Flanders Materials Research Centre of FLAMAC),
Volstaan doen ze al een tijdje niet meer. Innovatie en
voor de voedingsindustrie (Flanders Food), voor de design
internationalisatie zijn de echte welvaartsdifferentiatoren
industrie (Flanders InShape), voor de kunststoffenindustrie
geworden. Vlaanderen heeft gedurende de laatste vijftien jaar
(PlasticVision, in oprichting) en voor de ontwikkeling van
dan ook hard gewerkt aan het ondersteunen van deze
innovatieve arbeidsorganisaties (Flanders Synergy, in oprichting).
transformatieprocessen. Vandaag wordt daarom meer dan ooit de kritische vraag gesteld of we niet nog “beter” kunnen met ons
De laatste 5 jaar is, eerst onder impuls van minister Dirk Van
WTI-beleid. Dit “beter” kent een eenvoudig maar belangrijk
Mechelen, en later gestructureerd via de Hercules Stichting,
bijkomend beoordelingscriterium: welke resultaten worden
het belang van een goede onderzoeksinfrastructuur expliciet
behaald? De tijd van “input-denken” is immers aan actualisatie toe:
op de voorgrond gekomen. Deze onderzoeksinfrastructuur is
“outcome-denken” zal de komende jaren nieuwe normen stellen.
zowel voor het bedrijfsleven als voor de kennisinstellingen van groot belang wil men onderzoeksmatig internationaal
Het Vlaamse WTI-beleid wordt vandaag bij wijze van samen-
competitief blijven meespelen. Het Herculesinitiatief ter
vattend overzicht gekenmerkt door de volgende tendensen.
financiering van middelzware en zware apparatuur kent bijgevolg een gecombineerd aanbod- en vraaggericht karakter.
Ten eerste creëert het beleid aanzienlijke ruimte voor Ten derde hebben de Vlaamse O&O-actoren, zowel uit de
onderzoekswereld (op initiatief van de vorser) of vanuit
publieke sector als uit de private sector, ruim aandacht besteed
het bedrijfsleven (eigen O&O projecten) zelf ontstaan.
aan de verscheidenheid en complementariteit aan acties die
Significante hoeveelheden middelen zijn beschikbaar voor
noodzakelijk zijn om een voldoende verweven en tegelijk
“bottom-up” projectfinanciering. We vinden deze in grote mate
toegankelijk WTI-landschap (of Regionaal Innovatiesysteem) te
terug bij het IWT, het FWO-Vlaanderen en het Bijzonder
creëren. Dit heeft geleid tot het herkennen en erkennen van de
Onderzoeksfonds (het zogenaamde BOF) van de universiteiten.
nood aan netwerking en coördinatie op verschillende niveaus van het WTI-beleid. Het IWT speelt hierin een centrale rol.
Ten tweede heeft het Vlaamse WTI-beleid op gezette tijdstippen
De creatie van 5 regionale innovatiecentra, als een “joint-venture”
de nood herkend en erkend om voor bepaalde, toekomst-
tussen het IWT en het Vlaams Agentschap Ondernemen
gerichte speerpuntdomeinen een voldoende concentratie aan
(VLAO) kadert in dit regionaal beleid, naast uiteraard de andere
middelen te voorzien. Op regelmatige ogenblikken zijn er dus
vraaggedreven samenwerkings- en stimuleringsverbanden
meer “top-down” gerichte interventies die de vrijheidsgraden
(de zogenaamde TIS-verbanden).
voor “bottom-up” onderzoek en ontwikkeling aanvullen, integreren en bundelen tot meer slagkracht. Getuige hiervan zijn de vier
Ten vierde kan een Vlaams WTI-beleid onmogelijk plaatsvinden
grote strategische onderzoekscentra: IMEC (op het vlak van nano-
in een vacuüm. Toetsing van en alertheid voor de Vlaamse
en micro-elektronica), VITO (op het brede vlak van technologisch
aanwezigheid in Europese Kaderprogramma’s evenals in de
onderzoek), VIB (op het vlak van biotechnologie) en recent het
verschillende acties en programma’s van de Belgische federale
IBBT (op het vlak van breedbandtechnologie). Deze concentratie
overheid is en blijft dan ook een continu aandachtspunt van
is vaak het gevolg geweest van succesvolle “bottom-up”
het Vlaams WTI-beleid.
inspanningen én excellentie qua bereikte resultaten vanuit de onderzoekswereld, zowel de academische als de industriële.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 1
“bottom-up” initiatieven. Dit zijn initiatieven die vanuit de
14
Ten vijfde is de positie die Vlaanderen vandaag verworven heeft
Ten negende, heeft de Vlaamse overheid tevens voldoende oog
qua WTI-performantie mede het gevolg van de significante
voor de creatie van innovatieve beleidsinstrumenten ter stimulering
bedrijfsinvesteringen voor O&O. De rol van de private sector
van O&O. Zo verwijzen we heel expliciet naar de recente
in het Vlaams WTI-systeem mag dus helemaal niet worden
maatregelen die door de Vlaamse regering werden genomen
onderschat. Innovatie is en blijft immers een zaak van het
om innovatief aanbesteden mogelijk te maken en op die manier,
bedrijfsleven. Het zijn ondernemers en bedrijven die creativiteit
door de creatie van een markt voor innovatie, het innovatie-
en kennis transformeren tot marktresultaten en economische
gedrag van de Vlaamse ondernemingen verder te stimuleren.
waarde. Tot slot, en meer algemeen, de Vlaamse overheid heeft bij Ten zesde, heeft de Vlaamse overheid de laatste jaren expliciet
de regionalisering snel oog gehad voor het opdrijven van
veel aandacht besteed aan de verhoging van de mobiliteit
de O&O-intensiteit in Vlaanderen. In 1995 werd daartoe een
en diversiteit in de onderzoekspopulatie. Zo zijn er gericht
eerste significante “inhaalbeweging” opgestart. Deze wordt
maatregelen genomen om beloftevolle, zeer performante
sindsdien continu en op significante wijze verder gezet en
onderzoekers uit het buitenland naar Vlaanderen te halen
geactualiseerd conform de uitvoering van het Innovatiepact, dat
(het Odysseus programma) en om excellente onderzoekers
voor Vlaanderen het streven naar en het bereiken van de zopas
voldoende financiële armslag te geven (het Methusalem
vermelde 3% O&O-norm moet onderbouwen. Gelet op deze
programma). Mobiliteit tussen de Vlaamse universiteiten,
inhaalbeweging, gelet op de aanzienlijke middelen die door
kenniscentra en ook met het bedrijfsleven (via het Baekeland
de Vlaamse overheid worden ingezet in het kader van innovatie
programma) wordt eveneens structureel aangemoedigd.
en economische ontwikkeling, en gelet op voorgaande
Het stimuleren van diversiteit in de Vlaamse onderzoeks-
beschouwingen over resultaatgerichtheid, zal de Vlaamse
populatie, door onder andere het structureel stimuleren van
overheid de komende jaren terecht steeds meer expliciet
de vervrouwelijking van de onderzoekspopulatie, staat hoog op
aandacht besteden aan het op een valide en transparante wijze
de agenda van het WTI-beleid.
in kaart brengen van de resultaten of “outcomes” van deze investeringen en inspanningen.
Ten zevende, de omzetting van onderzoek in innovatie vereist een grote, niet aflatende inzet van financiële middelen.
Dit alles wordt dan ook een belangrijk beleidsaandachtspunt
De Vlaamse overheid heeft dan ook niet nagelaten om via
in de uitvoering van het Pact 2020 van de Vlaamse Regering
de Participatiemaatschappij voor Vlaanderen (PMV) de nodige
dat samen met het Vlaanderen-in-Actie programma een
financiële hefbomen te creëren onder de vorm van de
toekomstbeleid voor Vlaanderen uittekent rond zes doorbraken
investeringsvehikels Arkimedes en VINNOF (i.e. het Vlaams
naar 2020 (de open ondernemer, de lerende Vlaming,
Innovatiefonds).
het medisch centrum Vlaanderen, groen stedengewest, slimme draaischijf Europa, slagkrachtige overheid).
Ten achtste, naast subsidiemaatregelen, is er de laatste 5 jaar ook een beduidende en structurele toename van fiscale stimuli voor onderzoek en innovatie in België. Meer bepaald verdient
1.2 VLAANDEREN: ENKELE KERNCIJFERS
de gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers, in de kennisinstellingen en het bedrijfsleven,
De federalisering van de Belgische staat heeft ervoor gezorgd
meer dan een gewone vermelding. Het is een maatregel met
dat een statistisch apparaat op Vlaams niveau werd gecreëerd.
een significante financiële impact voor alle betrokken actoren.
Dit leidt tot volgende eerste-orde gegevens voor Vlaanderen,
Bovendien is de maatregel ook beleidsmatig heel cruciaal omdat
relevant voor verdere normalisatie van de WTI-gegevens.
hij aantoont dat de stimulering van onderzoek en innovatie in
In een eerste tabel wordt de evolutie van het Bruto Binnenlands
de toekomst waarschijnlijk steeds meer zal evolueren naar een
Product per Regio weergegeven. Het Bruto Binnenlands
mix van meer generieke fiscale stimuli en meer specifieke
Product (BBP) is een maat voor de welvaart welke gecreëerd
subsidiestimuli. Met andere woorden, de innovatie “policy mix”
wordt binnen een afgebakend gebied. De maat laat zich het
zal hierdoor mogelijks vrij ingrijpend veranderen.
eenvoudigst berekenen voor nationale staten, maar ook het Bruto Binnenlands Product per Regio (BBPR) voor regio’s of deelgebieden binnen nationale staten kan bepaald worden mits een aantal aannames.
15
Tabel 1.1:
Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen (lopende prijzen - in miljoenen euro)
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
106.704
113.183
118.163
120.045
126.808
131.198
136.579
144.325
148.202
152.974
157.412
166.378
173.170
182.981
189.566
Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering (september/oktober 2008)
Tabel 1.2:
Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen (constante prijzen, op basis van 2000: MSTI-deflator - in miljoenen euro)
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
116.908
121.463
125.278
126.590
132.295
134.092
139.105
144.325
145.258
147.211
149.043
153.836
156.177
161.868
164.472
Tabel 1.3:
Bevolking per Gewest per 1 januari 2008
Vlaams Gewest
Waals Gewest (incl. Duits. Gem.)
Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Rijk
1-01-08
6.161.600
3.456.775
1.048.491
10.666.866
497,5
1-01-07
6.117.440
3.435.879
1.031.215
10.584.534
495,1
1-01-06
6.078.600
3.413.978
1.018.804
10.511.382
1-01-05
6.043.161
3.395.942
1.006.749
10.445.852
72.512
491,0
1-01-04
6.016.024
3.380.498
999.899
10.396.421
71.899
488,8
1-01-03
5.995.553
3.368.250
992.041
10.355.844
486,6
1-01-02
5.972.781
3.358.560
978.384
10.309.725
484,6
1-01-01
5.952.552
3.346.457
964.405
10.263.414
483,8
1-01-00
5.940.251
3.339.516
959.318
10.239.085
482,8
1-01-99
5.926.838
3.332.454
954.460
10.213.752
1-01-98
5.912.382
3.326.707
953.175
10.192.264
1-01-97
5.898.824
3.320.805
950.597
10.170.226
1-01-96
5.880.357
3.314.568
948.122
10.143.047
1-01-95
5.866.106
3.312.888
951.580
10.130.574
1-01-94
5.847.022
3.304.539
949.070
10.100.631
1-01-93
5.824.628
3.293.352
950.339
10.068.319
1-01-92
5.794.857
3.275.923
951.217
10.021.997
1-01-91
5.767.856
3.258.795
960.324
9.986.975
1-01-90
5.739.736
3.243.661
964.385
9.947.782
1-01-89
5.722.344
3.234.767
970.501
9.927.612
1-01-88
5.696.051
3.209.319
970.346
9.875.716
1-01-87
5.685.601
3.205.651
973.499
9.864.751
1-01-86
5.676.194
3.206.165
976.536
9.858.895
1-01-85
5.669.879
3.207.646
980.196
9.857.721
1-01-84
5.662.336
3.208.253
982.434
9.853.023
1-01-83
5.654.964
3.213.176
989.877
9.858.017
1-01-82
5.641.579
3.218.236
994.774
9.854.589
1-01-81
5.634.152
3.229.001
1.000.221
9.863.374
1-01-80
5.618.952
3.227.443
1.008.715
9.855.110
1-01-79
5.600.903
3.225.041
1.015.710
9.841.654
1-01-78
5.584.847
3.223.594
1.028.972
9.837.413
1-01-77
5.565.991
3.215.259
1.042.052
9.823.302
1-01-76
5.548.967
3.213.398
1.050.787
9.813.152
1-01-75
5.527.094
3.206.184
1.054.970
9.788.248
Stand op
Duitstalige Gemeenschap
EU27 (miljoen)
493,0
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 1
16
Het BBPR moet onderscheiden worden van het Bruto Regionaal
Ook voor wat betreft de vertaling van academisch onderzoek
Product (BRP), wat de tegenhanger is van het Bruto Nationaal
naar economisch relevante innovaties toe, wordt de rol van de
Product (BNP). Het BBPR is samengesteld uit de som van
universiteiten in toenemende mate erkend en belangrijk geacht
de bruto toegevoegde waarden (tegen basisprijs, in werkelijke
door de Vlaamse overheid. De laatste tien jaar heeft ze daartoe
prijzen) van alle bedrijfstakken binnen de geografische eenheid,
een passend wettelijk kader gecreëerd dat onder andere de
vermeerderd met de BTW op de producten en met de indirecte
eigendomsrechten van vindingen gemaakt door universitaire
belastingen bij de invoer, en verminderd met subsidies bij de
onderzoekers toewijst aan de universiteiten.
uitvoer. Verdiscontering van de BTW, de indirecte belastingen en de subsidies geschiedt overeenkomstig de verdeling van
Het Vlaamse universiteitslandschap heeft de laatste jaren nogal
de bruto toegevoegde waarde over de gewesten, wat maakt
wat beweging gekend. Zo werd in de periode 2000-2002
dat het aldus bepaalde BBPR een schatting betreft, weliswaar
de fusie van de drie Antwerpse universiteiten (RUCA, UFSIA
volgens de bepalingen van Eurostat, het Europees Bureau voor
en UIA) een feit met het ontstaan van de Universiteit
de Statistiek. Tabel 1.1 en tabel 1.2 geven de geschatte waarden
Antwerpen (UA) als geïntegreerd geheel. Daarnaast heeft de
van het BBPR voor het Vlaamse Gewest (en de andere gewesten)
UHasselt (UH) een grensoverschrijdende samenwerking met
voor opeenvolgende jaren van de periode 1993-2007, in lopende
de Universiteit Maastricht in Nederland, waarbij de tUL of de
prijzen en in constante prijzen.
transnationale Universiteit Limburg werd gecreëerd. Tot slot werden, samen met de Bachelor – Master hervormingen van
Een tweede gegeven, relevant voor de normalisering van
het Hoger Onderwijs in de Europese Unie, samenwerkings-
bepaalde WTI-gegevens, betreffen de bevolkingsgegevens.
verbanden of associaties tussen de Vlaamse universiteiten en de
De basisgegevens voor de bevolking woonachtig in het
Vlaamse hogescholen gevormd die de komende jaren het
Vlaamse Gewest zijn afgeleid uit de tabellen van het Nationaal
landschap van het hoger onderwijs in Vlaanderen drastisch
Instituut voor de Statistiek (N.I.S.) dat op zijn beurt aangewezen
verder zullen hertekenen en beïnvloeden.
is op de registraties van de loop van de bevolking door het Rijksregister. Aangenomen wordt dat de bevolking van de
De Vlaamse universiteiten hebben in de context van het
“Vlaamse Gemeenschap” is samengesteld uit de bevolking van
Vlaamse WTI-systeem een drievoudige opdracht, waarbij ze:
het Vlaamse Gewest en 20 procent van de bevolking van
(1) wetenschappelijk onderwijs verstrekken, (2) wetenschappelijk
het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Tabel 1.3 geeft de
onderzoek definiëren en uitvoeren, en (3) wetenschappelijke en
bevolkingsgegevens weer per 1 januari 2008.
technologische dienstverlening verzorgen aan de maatschappij in al haar geledingen, zowel sociaal als economisch. Het onderzoek aan de universiteiten wordt daarbij via een veelheid aan kanalen
1.3 DE ACTOREN IN HET VLAAMS WTI-SYSTEEM
onderzoek te financieren, dienen tevens de belangrijke
Het Vlaams WTI-systeem wordt gekenmerkt door een breed
van de betoelaging voor het Bijzonder Onderzoeksfonds,
spectrum aan actoren die elk hun eigen bijdrage leveren tot de
het FWO-Vlaanderen en de specialisatiebeurzen van het IWT,
implementatie van O&O- en innovatie-activiteiten. We vatten
met het oog op een versterking van het fundamenteel
ze hierna kort samen.
onderzoek. Daarnaast is er recent de werking van de Hercules-
gefinancierd. Naast de werkingstoelagen om het wetenschappelijk inspanningen vermeld te worden die geleverd worden op niveau
Stichting bijgekomen, die de financiering van middelzware en 1.3.1 De universiteiten
zware onderzoeksapparatuur voor haar rekening zal nemen. Via het FWO-Vlaanderen werden recent tevens belangrijke
Zoals verder zal blijken spelen de Vlaamse universiteiten een
excellentieprogramma’s
cruciale rol in het Vlaams WTI-systeem. Momenteel telt
Odysseus-programma (dat excellente onderzoekers terughaalt
Vlaanderen zes universiteiten: K.U.Brussel, K.U.Leuven, UHasselt,
naar Vlaanderen) en het Methusalem-programma (dat Vlaamse
U. Antwerpen, UGent en V.U.Brussel. Deze universiteiten zijn
excellente onderzoekers van een significante onderzoeks-
significante spelers in de wetenschapscreatie in Vlaanderen.
financiering voorziet).
Meer dan 85% van alle wetenschappelijke publicatie-output in Vlaanderen is immers afkomstig van deze zes universiteiten.
gefinancierd.
Het
betreft
het
17
Voor wat betreft de Vlaamse universiteiten worden de voorbije
Het IOF financiert onderzoeksmandaten en projecten die de
vijftien jaar niet enkel gekenmerkt door een significante
kennistransfer naar het bedrijfsleven toe moeten ondersteunen
toename van de onderzoeksintensiteit, doch tevens door een
en verder uitbouwen.
duidelijke aanpak inzake de kwaliteitsbewaking en -opvolging van het uitgevoerde onderzoek. Dit kwaliteitsbeleid is en blijft
1.3.2 De Vlaamse onderzoeksinstellingen
duidelijk een van de hoofdthema’s voor het management van de Vlaamse universiteiten voor de komende jaren. Temeer daar
Naast de universiteiten, die qua fundamenteel onderzoek de
vanaf het begrotingsjaar 2003 een gedeelte van de onderzoeks-
voornaamste actor in het Vlaams WTI-systeem zijn, heeft de
middelen die toegewezen worden aan de Vlaamse universiteiten,
Vlaamse overheid eveneens geopteerd voor een concentratie
met name van de middelen voor het Bijzonder Onderzoeksfonds
van middelen in een aantal strategische domeinen voor
aan de universiteiten, verdeeld worden op basis van de
wetenschappelijk en technologisch innovatieonderzoek. Dit heeft
publicatie- en citatieoutput van de betreffende instellingen.
geleid tot het ontstaan van vier grote Vlaamse onderzoekscentra. Gemeenschappelijke kenmerken van deze centra zijn:
De Vlaamse overheid heeft verder via verschillende decretale
hun financiering door de Vlaamse overheid op basis van
bepalingen op de valorisatie van academisch onderzoek
vijfjaarlijkse beheersovereenkomsten en hun oriëntatie naar de
sinds medio de jaren 1990 eveneens een aantal concrete
industrie toe. Zowel inhoudelijk als qua opdracht en concrete
beleidslijnen uitgestippeld die het voor universiteiten mogelijk
werking verschillen de vier centra van elkaar.
maken om de resultaten van hun wetenschappelijk onderzoek economisch te exploiteren. Zeer concreet is het nu mogelijk voor
Het Interuniversitair Micro-elektronica Centrum (IMEC) werd
de Vlaamse universiteiten op een consistente wijze te investeren
opgericht in 1985 in het kader van de DIRV-actie (Derde
in spin-off bedrijven die universitaire wetenschappelijke kennis
Industriële Revolutie Vlaanderen). Inspirator en oprichter van IMEC was wijlen Prof. R. Van Overstraeten van het departement
hebben daartoe, samen met financiers, participatiefondsen
Elektrotechniek van de K.U.Leuven. Het is het “oudste” van de
opgericht: het Gemma Frisius Fonds I & II aan de K.U.Leuven
vier onderzoekscentra en het is ondertussen geëvolueerd tot
samen met Fortis Private Equity en KBC Private Equity (het
het grootste, onafhankelijke micro-elektronica onderzoekscentrum
eerste Fonds werd opgericht in 1997, het tweede Fonds werd
in Europa. IMEC voert zowel industrieel basisonderzoek uit
opgericht in 2002), het Baekeland Fonds aan de UGent samen
als toegepast onderzoek. Een steeds toenemend gedeelte
met Fortis Private Equity en GIMV (opgericht in 1998) en
(meer dan 80% in 2006) van de inkomsten van IMEC ontstaat
recent gevolgd door het Baekeland II Fonds dat met ARKIV-
uit industriële samenwerkingen, waarvan de omvangrijke
steun werd opgericht, het Wendelen Fonds aan de UHasselt
“Industriële Affiliatie Programma’s” (de zogenaamde IAPs)
samen met Fortis Private Equity en KBC-Investco (opgericht in
internationaal tot de verbeelding spreken. IMEC ligt eveneens
1998 en stopgezet in 2002), het AIC aan de U.Antwerpen
aan de basis van meer dan 20 spin-off bedrijven.
(opgericht in 2001 samen met Anchis, Fortis Private Equity, GIMV en KBC-Investco), en het Brussels I3 Fund aan de V.U.Brussel
De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) is
(opgericht in 2002 samen met de GIMB, Fortis Private Equity,
ontstaan in 1993 als een gevolg van de diversificatie van de
KBC-Investco, Mercator en OMOB). En, niet minder belangrijk,
activiteiten van het Studiecentrum voor Kernenergie. De VITO
sinds 1998 heeft de Vlaamse overheid, zoals reeds aangehaald,
is actief op de brede domeinen van materiaaltechnologie en
een wettelijk kader gecreëerd waarbij de eigendomsrechten op
-onderzoek, milieu-onderzoek en toepassingen, energie,
academische vindingen aan de universiteit worden toegewezen.
procestechnologie, teledetectie en atmosferische processen.
Dit kader vormt het fundament waarop het valorisatiebeleid
De instelling richt zich daarbij zeer sterk op de noden van de
van de Vlaamse universiteiten is gestoeld.
industrie.
Met het oog op het verder stimuleren en versterken van het
Vervolgens is er het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB)
valorisatiegericht onderzoek, werd door de Vlaamse overheid
dat in 1995 als een virtueel instituut werd opgericht waarin
sinds een drietal jaar voor de universiteiten (en sinds 2006
de krachten van verschillende uitmuntende biotechnologie
eveneens voor de hogescholen toegankelijk) het Industrieel
laboratoria aan de Vlaamse universiteiten worden gebundeld.
Onderzoeksfonds (IOF) opgericht.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 1
commercieel valoriseren. Verschillende Vlaamse universiteiten
18
Deze bundeling moet niet enkel strategisch basisonderzoek
Verder dient vermeld dat sinds 2001 het Vlaams Instituut voor
verder versterken, doch eveneens de valorisatie van de
de Zee (VLIZ) tenvolle operationeel werd, met als doel het
onderzoeksresultaten op een meer effectieve en efficiënte wijze
aanzienlijk potentieel op het gebied van zeewetenschappelijk
mogelijk maken. Het VIB is actief op acht toekomstgerichte
onderzoek in Vlaanderen verder te bundelen en internationaal
onderzoeksdomeinen, met name moleculair biomedisch
te valoriseren door participatie aan belangrijke programma’s
onderzoek, plantgenetica, transgene technologie en gentherapie,
van Europese en multinationale organisaties te faciliteren.
humane genetica, immunologie en parasitologie, ontwikkelings-
Het VLIZ omvat eveneens het Vlaamse Maritiem Data Centrum.
biologie, moleculaire genetica en medicinaal proteïne onderzoek. Tot slot dienen ook de steeds vaker voorkomende en op innovatie Meer recent werd, op basis van de studie en inzichten van
gerichte platformen (de zogenaamde “competentiepolen”) te
Prof. Paul Lagasse, het IBBT opgericht (2004), het Instituut voor
worden vermeld, zoals deze op het vlak van technologie-
Breedbandtechnologie, dat als een vierde, vraaggedreven innovatie-
ontwikkeling voor de automobielindustrie (Flanders Drive), voor
instituut in het Vlaamse landschap van onderzoeksinstellingen
de mechatronica industrie (Flanders Mechatronics), voor de
opereert. Het IBBT richt zich als virtueel kennisinstituut op
ontwikkeling van geografische informatiesystemen (IncGeo),
economisch relevante toepassingen van breedbandtechnologie,
voor het ondersteunen van kennisopbouw op vlak van logistiek
zoals e-media en e-health toepassingen evenals medische
(Vlaams Instituut voor de Logistiek), voor de studie van mobiliteit
beeldverwerking. Op die manier wil de Vlaamse overheid zich
(Vlaams Insituut voor de Mobiliteit), voor de toepassing van
volop inschakelen in de belangrijke digitale evoluties van de
geavanceerde methodologieën voor materiaalonderzoek
21ste eeuw. De complementaire rol van het Vlaamse bedrijfs-
(Flanders Materials Research Center of FLAMAC), het kennis-
leven en kenniscentra op dit domein staat daarbij centraal.
initiatief op vlak van voedingstechnologie (Flanders Food), op vlak van productontwikkeling en –ontwerp (Flanders Inshape),
Naast deze vier “grote” onderzoekscentra, beschikt Vlaanderen
op vlak van kunststofverwerking (PlasticVision, in oprichting) en
nog over vier instellingen die opgericht werden op basis van
op het vlak van innovatieve arbeidsorganisatie (Flanders Synergy,
het Koninklijk Besluit van 1961 op de wetenschappelijke
in oprichting). Het betreft hier steeds publiek-private partnerships
instellingen. Hun opdracht bestaat erin wetenschappelijk
die voor een belangrijk technologisch toepassingsdomein een
onderzoek op hun domein op te volgen, de resultaten ervan in
complementaire krachtenbundeling nastreven tussen industriële
beleidsgerichte aandachtspunten te vertalen en eveneens
partners en academische onderzoeksgroepen.
zelf beleidsgericht onderzoek uit te voeren. Deze centra zijn: (1) het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE),
Het is duidelijk dat dit landschap continu in beweging is. Zo lopen
(2) het Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO),
er via het instrument van de IWT-haalbaarheidsstudies, dat in
(3) het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), en
de loop van de jaren 2007 en 2008 volledig operationeel werd,
(4) het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten – Antwerpen
continu studies voor nieuwe initiatieven inzake analyse en
(KMSKA).
voorbereiding van mogelijke strategische onderzoekscentra en competentiepolen.
Daarnaast beschikt Vlaanderen nog over drie autonome kennisinstellingen die nauwe banden hebben met een aantal
1.3.3 De collectieve centra
Vlaamse universiteiten. Het ITG, Instituut voor Tropische Geneeskunde, is een wereldleider op het domein van HIV- en
Deze elf centra (BIL, Centexbel, CORI, CRM, CWOKBN, OCCN,
AIDS-onderzoek. Met de twee managementscholen, de Vlerick
OCW, TCN, WTCB, WTCM, WTOCD)1 werden opgericht door
Leuven Gent Management School en de UAMS Management
de Belgische bedrijfsfederaties, meestal onder de vorm van
School, is Vlaanderen ook in de wereld van het management-
vzw’s, en doen in de eerste plaats aan toegepast onderzoek dat
onderwijs en -onderzoek prominent aanwezig in Europa en
relevant is voor de bedrijven uit hun sector.
de wereld.
1 BIL: Belgisch Instituut voor Lastechniek, Centexbel: Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Belgische Textielnijverheid, CoRI: Coatings Research Institute, CRM: Centrum voor Research in de Metallurgie, CWOBKN: Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek der Belgische Keramische Nijverheid, OCCN: Centrum voor Wetenschappelijk en Technisch Onderzoek der Cementnijverheid, OCW: Onderzoekscentrum voor de Wegenbouw, TCHN: Technisch Centrum der Houtnijverheid, WTCB: Wetenschappelijk en Technisch Centrum van het Bouwbedrijf, WTCM: Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Metaalverwerkende Nijverheid, WTOCD: Wetenschappelijk en Technisch Onderzoekscentrum voor Diamant
19
Daarnaast nemen zij vaak deel aan Europese, federale en
De Associaties universiteiten-hogescholen vormen een geschikt
Vlaamse onderzoeksprogramma’s en/of voeren zij zelf onderzoek
kader om in de volgende jaren het onderzoekspotentieel van
uit om hun kennisniveau op peil te houden. Meer specifiek, in
de hogescholen verder uit te bouwen. Ook de ontwikkeling
het kader van steunverlening via het IWT kunnen deze centra
van het Industrieel Onderzoeksfonds (IOF) op niveau van de
dergelijk onderzoek definiëren en uitvoeren. Tevens voeren zij,
associaties en hun hogescholen, moet hun rol in het toegepast
op vraag van individuele bedrijven, contractonderzoek uit.
onderzoek verder ondersteunen en vormgeven.
1.3.4 De bedrijven
1.3.6 De herverdelende mechanismen: IWT-Vlaanderen, FWO-Vlaanderen, Hercules, BOF en IOF
De bedrijven zijn niet weg te denken uit het Vlaams WTI-systeem. Zij nemen een vooraanstaande plaats in voor wat betreft
Het IWT-Vlaanderen (Instituut voor de Aanmoediging van
hun aandeel in het totaal aan WTI-uitgaven in Vlaanderen.
Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen) is de
Meer bepaald, staan de bedrijven in voor afgerond 70% van
operator voor het technologiebeleid in Vlaanderen. Het instituut
de O&O-financiering in het Vlaams Gewest. Het dient echter
bestaat sinds 1991. De basisfilosofie bestaat erin op te treden als
wel gezegd dat ze een zeer heterogene groep vormen.
“één loket voor de Vlaamse bedrijven.” Het staat in voor de financiering van het onderzoek met een economische finaliteit.
De meeste grote ondernemingen zijn duidelijk innovatie-actief.
Dit betreft zowel onderzoek dat op initiatief van een bedrijf
Sommige onder hen hebben aanzienlijke onderzoeksbudgetten.
wordt aangevraagd als de definitie en de implementatie van
Echter, gelet op de industriële textuur in Vlaanderen, behoort
instrumenten die gebruikt worden voor het stimuleren van
het merendeel van deze grote ondernemingen tot multi-
technologische innovatie.
nationale groepen zodat hun onderzoeksbeleid niet enkel in Ook de Vlaamse kennisinstellingen en intermediairen zijn
intensieve ondernemingen, is de laatste jaren een groep van
hierin belangrijke partners en ontvangen daartoe de nodige
hoog-technologische kleine en middelgrote ondernemingen
financiële steun. Het IWT speelt daarnaast ook een centrale rol
ontstaan die gestadig aangroeit, niettegenstaande de tegenslagen
bij het toekennen van specialisatie-beurzen voor doctoraats-
(en bijhorende falingen) die zich hebben voorgedaan in de
opleidingen en post-doctorale vorsers in wetenschappelijk en
periode 2000-2001 die volgde op het barsten van de “internet-
technologisch onderzoek aan de universiteiten. Verder ondersteunt
bubble.” Daarnaast is er een grote meerderheid van kleine en
het IWT het bedrijfsleven inzake deelname aan internationale
middelgrote ondernemingen die zelf niet aan onderzoek doet,
technologische programma’s, inzake de overdracht van
doch waarvan sommigen tot op zeker hoogte onderzoek
technologie en het zoeken naar partners, evenals inzake
uitbesteden, of nog, waarvan een aantal zeker innovatiegericht
(eerste lijns)begeleiding. Het IWT coördineert bovendien de
kan worden genoemd.
werkzaamheden van de technologische adviseerdiensten onder andere bij de sectoriële collectieve onderzoekscentra. Via haar
1.3.5 De hogescholen
eenheid Monitoring & Analyse speelt het IWT tevens een rol bij het waarnemen en het beleidsgericht evalueren van tendensen
In 1997 werd in opdracht van de Vlaamse regering door het
op het domein van technologische evolutie en innovatie
IWT de actie “HOBU-Fonds” gelanceerd. Het HOBU-fonds
in Vlaanderen.
werd ondertussen geactualiseerd en omgevormd tot het TETRA-fonds. Het wil enerzijds een impuls geven aan de
Sinds 2008 zijn, conform de Europese kaderregeling, nieuwe
opwaardering en de valorisatie van het technologisch
steunregels van kracht. Deze bouwen verder op de regels die op
onderzoek aan de Vlaamse hogescholen. Anderzijds wil men
5 oktober 2001 door de Vlaamse regering werden goedgekeurd.
via de hogescholen (vooral kleinere) bedrijven de mogelijkheid
Dit laatste financieringsbesluit verving het zogenaamde
bieden om op de hoogte te blijven van de mogelijkheden die
FIOV-besluit van 23 oktober 1991. Naast de administratieve
geboden worden door technologische ontwikkelingen. Op die
vereenvoudigingen en de verruiming van de subsidieerbare
manier worden de hogescholen verder gestimuleerd in hun
kosten die opgenomen werden in de steunregelgeving, wordt
opdracht om naast onderwijs, ook actief met toegepast
tevens aandacht besteed aan het economisch valorisatiepotentieel
technologisch onderzoek bezig te zijn.
in Vlaanderen van de goedgekeurde projecten.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 1
en vanuit Vlaanderen wordt bepaald. Naast de grote, innovatie-
20
De nieuwe steunregels die sinds 2008 van kracht zijn, leggen
Verder werd als “opvolger” van het STWW programma
de basissteunpercentages vast op respectievelijk 15%
(Strategische Technologieën voor Welzijn en Welvaart) en het
(experimentele ontwikkeling) en 40% (basisonderzoek).
GBOU-programma (Generisch Basisonderzoek aan de
Daarbovenop zijn er verschillende, cumuleerbare, additionaliteits-
Universiteiten), in 2002-2003 het SBO-programma opgestart
bonussen voorzien, die het steunpercentage tot maximaal 80%
(Strategisch Basisonderzoek). In het kader van het SBO-
kunnen doen oplopen. De bonussen betreffen, onder andere,
programma kunnen Vlaamse onderzoeksgroepen (zowel uit
de Duurzame Technologie Ontwikkelingsobjectieven van de
de kennisinstellingen als uit het bedrijfsleven) projecten voor
Vlaamse overheid (DTO, operationeel sinds 2002), KMO-
strategisch technologisch en maatschappelijk onderzoek indienen
additionaliteit, additionaliteiten voor samenwerkingsformules
waarvan de resultaten op termijn een duidelijke toegevoegde
en in het bijzonder samenwerking met kennisinstellingen.
waarde creëren op economisch of maatschappelijk vlak.
Tevens kunnen ondernemingen een beroep doen op een
Een basisdoelstelling is het realiseren van een brugfunctie
systeem van achtergestelde leningen die naast de subsidie kunnen
tussen de onderzoekswereld enerzijds en de economie en
worden toegekend. Dit laatste gebeurt in samenwerking met
maatschappij anderzijds. Het onderzoek wordt gekwalificeerd
PMV, de Participatie Maatschappij voor Vlaanderen.
als “strategisch basisonderzoek.” Dit houdt in dat het kwalitatief hoogwaardig onderzoek is, gericht op langere termijn, met een
Belangrijke evoluties in de activiteitenportfolio van het IWT,
uitgesproken origineel, creatief en grensverleggend karakter.
betreffen de Vlaamse Innovatie Samenwerkingsverbanden (VIS). Deze samenwerkingsverbanden willen actief innovatie in
Tot slot vermelden we naast deze verschillende maatregelen
Vlaanderen stimuleren door vier projecttypes te steunen: (1)
en steunmechanismen ook nog de steun aan de universitaire
thematische innovatiestimulering (TIS), (2) subregionale
interfacediensten ter ondersteuning van de exploitatie van het
innovatiestimulering (RIS), (3) technologische dienstverlening
onderzoek aan de Vlaamse universiteiten, de Eureka-steunregeling
(via de technologische adviseerdiensten), en (4) het collectief
(met de Medea+ projecten, Itea- en Pidea-projecten), de steun-
onderzoek. De projecten kunnen ingediend worden door een
regeling voor projecten uit de lucht- en ruimtevaart die sinds
vereniging van bedrijven en kennisinstellingen (federaties, vzw’s,
2002 van kracht is en de betrokkenheid van het IWT bij de
consortia of gelijkgestelde collectieve centra en subregionale
doorlichtingen betreffende meer omvangrijke subsidies voor de
actoren). Voor de uitvoering van het project kunnen zij een
ondersteuning van technologische innovatie (zoals Flanders
beroep doen op een brede waaier van kenniscentra
Drive, KMO-IT Centrum, Flanders Mechatronics, Incubatiepunt
(Collectieve Centra, hogescholen, universiteiten en grote
GeoInformatie, FLAMAC, Flanders Food, Flanders Inshape en
onderzoeksinstellingen). Het VIS-subsidiemechanisme betekende
PlasticVision). Om dit alles continu en recurrent te optimaliseren,
aldus een significante verruiming zowel naar de potentiële
worden er door het IWT op regelmatige tijdstippen effect-
projectindieners toe als naar de uitvoerende kenniscentra toe.
metingen gedaan van de betreffende maatregelen en
Met het VIS wordt het VIN, het Vlaams Innovatie Netwerk dat
gehanteerde instrumenten. Op die manier worden de
door het IWT wordt gecoördineerd, gevoed.
effectiviteit en de “outcomes” van de instrumenten bewaakt en waar nodig en wenselijk bijgestuurd.
Tevens wordt het KMO-programma continu bewaakt en verbeterd zodat een steeds betere dienstverlening naar de
Het FWO-Vlaanderen (Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek
Vlaamse KMO-populatie mogelijk wordt. In de loop van 2008
– Vlaanderen) verdeelt de middelen voor fundamenteel
werden de verschillende instrumenten in dit programma nog
onderzoek aan de universiteiten en dit vooral onder de vorm
verder gestroomlijnd en vereenvoudigd zodat de drempel voor
van (1) beurzen voor doctoraats- en post-doctorale
KMO’s om de weg naar het IWT te vinden nog transparanter
onderzoekers, (2) de financiering van onderzoeksprojecten, en
wordt. Het succes van het programma kan worden afgeleid uit
(3) de steun aan congressen en symposia. Daarnaast financiert
het aantal projectvoorstellen dat steeg tot meer dan 300 per
het FWO onderzoeksgemeenschappen waarin Vlaamse en
jaar sinds 2003, te vergelijken met een jaarlijks gemiddelde van
buitenlandse onderzoekers in een bepaalde discipline elkaar
111 de jaren daarvoor.
in een gestructureerd verband kunnen ontmoeten en onderzoekservaringen uitwisselen.
21
Dergelijke netwerken laten de deelnemende onderzoeks-
Sinds de verdeelsleutel voor 2003, werden deze drie criteria
eenheden toe aan te sluiten bij grote, prestigieuze
aangevuld met een criterium dat het aandeel van elke Vlaamse
internationale netwerken, die ondermeer door de European
universiteit in de totale Vlaamse academische publicatie- en
Science Foundation worden opgezet. Via het FWO-Vlaanderen
citatie-output in de Science Citation Index (geëxtraheerd uit de
worden tevens belangrijke excellentieprogramma’s gefinancierd.
Expanded Web-of- Science, ISI-Thomson) gedurende een
Het betreft het Odysseus-programma (dat excellente
tienjaar voortschrijdend tijdsvenster weergeeft. Voor 2003
onderzoekers terughaalt naar Vlaanderen) en het Methusalem-
telden de drie originele criteria hierbij voor 90% mee, terwijl de
programma (dat Vlaamse excellente onderzoekers van een
SCIE-output voor 10% in de verdeelsleutel meetelde. Deze
significante onderzoeksfinanciering voorziet).
verhouding evolueert ondertussen verder naar een 64/36 verhouding conform het in 2008 aangepaste en goedgekeurde
De belangrijke groei vanaf 1996 in de financiële middelen voor
BOF-besluit. Tevens werden de databestanden sinds BOF-
het fundamenteel niet-gericht onderzoek vanwege de Vlaamse
begrotingsjaar 2008 uitgebreid met de Social Science Citation
overheid, heeft het FWO een bijzondere impuls gegeven.
Index (SSCI), de Arts&Humanities Citation Index (AHCI) en de
Het onderzoekersbestand werd zowel op niveau van de
ISI Conference Proceedings publicatiedata (Science &
aspirant-doctorandi als op niveau van de postdoctorale
Technology evenals Social Sciences & Humanities Proceedings).
onderzoekers
aantal
In 2008 werd tevens een aanvang gemaakt met de
onderzoeksprojecten werd gevoelig opgetrokken. Deze groei
ontwikkeling van het Vlaams Academisch Bibliografisch
is de laatste jaren consequent verdergezet.
Bestand (VABB) voor de Sociale en Humane wetenschappen.
substantieel
versterkt.
Ook
het
Het VABB moet zorgen voor de betere vertegenwoordiging Tevens werden recent de krachten ter ondersteuning van de
van de sociale en humane wetenschappen in de BOF-tellingen.
financiering van middelzware en zware onderzoeksapparatuur
Het zal tegen 2011 operationeel zijn.
gebundeld in de Hercules-Stichting. De Hercules-Stichting zal via geëigende advies- en beslissingsorganen aanzienlijke hoeveelheden
Tot slot vermelden we het IOF (Industrieel Onderzoeksfonds)
middelen investeren in onderzoeksapparatuur. De Stichting
dat onderzoeksmiddelen verdeelt aan de Vlaamse universiteiten
opereert als een autonome instelling, echter met sterke banden
en hogescholen, op basis van een verdeelsleutel die rekening
met zowel IWT als FWO, zowel op niveau van het bestuur van
houdt met hun valorisatieresultaten (gebaseerd op gerealiseerde
de Stichting als op niveau van haar operationele werking.
inkomsten uit industrieel onderzoek, inkomsten uit Europese
Naast het FWO-Vlaanderen, dat een belangrijk financierings-
evenals spin-off aantallen). Het IOF wil op die manier het
instrument is voor het academisch wetenschappelijk onderzoek
strategisch basisonderzoek en de valorisatie ervan aan de
op initiatief van de vorser, dient tevens het Bijzonder
Vlaamse associaties stimuleren en financieel onderbouwen.
Onderzoeksfonds (of BOF) te worden vermeld. Het BOF is een interuniversitair verdelingsmechanisme dat aan de Vlaamse
1.3.7 Het departement Economie, Wetenschap en
universiteiten een significant onderzoeksbudget ter beschikking
Innovatie
stelt, het welk de universiteiten vervolgens intern kunnen verdelen aan grote (de zogenaamde GOA’s) en kleinere
Het departement Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI)
onderzoeksprojecten (projecttoelagen) op basis van een eigen,
van de Vlaamse overheid zorgt voor de voorbereiding en de
intern selectieproces dat vaak op “peer-review“ van een
evaluatie van het beleid over economie, wetenschap en
competitieve projectindiening gebaseerd is.
innovatie om zo bij te dragen tot meer welvaart en welzijn in Vlaanderen. De hefbomen hiervoor zijn het bevorderen van:
De middelen van het BOF zijn in de periode 1995-2007 nagenoeg vervijfvoudigd. Tot en met 2002 werden de BOF-
l
excellent wetenschappelijk onderzoek,
middelen interuniversitair verdeeld op basis van drie criteria,
l
een aantrekkelijk en duurzaam bedrijfsklimaat,
met name het aandeel in het aantal afgeleverde tweede
l
een creatieve, innovatieve en ondernemende samenleving.
cyclusdiploma’s over een vier jaar tijdsvenster (35%), het aandeel in het aantal afgeleverde doctoraten over een vier jaar tijdsvenster (50%) en het aandeel in de werkingsmiddelen van de betreffende universiteiten (15%).
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 1
samenwerkingsprogramma’s, grootte van de octrooiportefeuilles
22
De strategische beleidsdoelstellingen van het departement EWI luiden als volgt:
De VRWB-begrotingsadviezen zijn inmiddels een begrip geworden. De Vlaamse regering is verplicht de VRWB vooraf te raadplegen over alle decreten en besluiten, die algemene
l
Stimuleren van excellent wetenschappelijk onderzoek
l
Maatschappelijk en economisch valoriseren van kennis
l
Stimuleren van creativiteit en innovatie
l
Bevorderen van ondernemerschap
Ook alle belangrijke acties en initiatieven op het vlak van
l
Versterken van het maatschappelijk draagvlak van wetenschap
wetenschaps- en technologiebeleid moeten aan de VRWB voor
en technologie
advies worden voorgelegd.
aangelegenheden inzake wetenschapsbeleid regelen en die instellingen betreffen die instaan voor de betrokken materies.
l
Creëren van een stimulerende bedrijfsomgeving
l
Bijdragen tot de realisatie van een efficiënte en effectieve
Bij zijn adviesverlening en om de gestelde problemen uit
overheid
te diepen, doet de VRWB beroep op vier permanente
Departement EWI ontwikkelen tot kenniscentrum in
commissies: Wetenschapsbeleid, Technologiebeleid, Begroting
l
Economie, Wetenschap en Innovatie
en Financiën en tot slot Federale en Internationale Samenwerking. Voor bijzondere vraagstukken of voor het uitvoeren van
Deze doelstellingen kunnen enkel gerealiseerd worden door
onderzoeksopdrachten worden ad hoc werkgroepen en
Vlaanderen in een internationale context te plaatsen.
externe deskundigen ingeschakeld. Sinds zijn ontstaan heeft de Raad zich continu verder ontplooid en ontwikkeld. Hij groeide
Om deze veelvuldige opdracht te volbrengen is het departement
inmiddels uit tot een volwaardig adviesinstrument voor het
ingedeeld in vier beleidsafdelingen: Ondernemen en Innoveren,
beleid. Naast de talrijke expliciet gevraagde adviezen, nam
Onderzoek, Strategie en Coördinatie en Kennisbeheer.
de VRWB zelf tal van initiatieven voor studiedagen, onderzoeksstudies en analyses. Daarbij heeft de VRWB steeds
1.3.8 De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid
een grote belangstelling aan de dag gelegd voor toekomstgerichte vraagstukken van het wetenschaps- en technologiebeleid.
De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB) is het hoogste adviesorgaan voor elke aangelegenheid rond
Getuige daarvan zijn het onderzoek naar betere deflatoren
wetenschaps- en technologiebeleid, zowel voor de Vlaamse
voor O&O-uitgaven en bestedingen, naar de problematiek van
regering als voor het Vlaams Parlement. De wettelijke basis is
“science sharing” en naar methodologieën voor wetenschaps-
het decreet van 15 december 1993. Dat versterkte de juridische
en technologieverkenning evenals het in kaart brengen van voor
basis van de Raad, die al in 1985 werd opgericht bij besluit van
Vlaanderen belangrijke wetenschaps- en technologie-evoluties
de Vlaamse regering. De Raad is samengesteld uit een
aan de hand van verkenningsstudies. Vermeldenswaard is
voorzitter en 16 leden, waarvan 6 uit het academisch milieu
zeker ook de VRWB studiereeks die een regelmatige output
afkomstig zijn, 6 uit de socio-economische middens, en 4 door
van gedegen studies en analyses inzake wetenschaps- en
de regering aangeduid zijn. Allen worden benoemd op basis
technologiebeleid garandeert. In deze context verwijzen we
van hun deskundigheid of betrokkenheid bij het wetenschapsen technologiebeleid in Vlaanderen. Vijf hoge ambtenaren uit de Vlaamse administratie nemen met raadgevende stem deel aan de vergaderingen. Tot 2002 was Prof. R. Dillemans voorzitter. Hij werd opgevolgd door de heer K. Vinck. Deze structuur vormt een uniek forum, waar vooraanstaande actoren uit de academische en uit de sociaal-economische wereld zich als een “raad van wijzen” beraden over de algemene krachtlijnen van het wetenschaps- en technologiebeleid in Vlaanderen. De VRWB is bevoegd om (op eigen initiatief of op verzoek) aanbevelingen te formuleren, onderzoek te verrichten en advies uit te brengen. Jaarlijks analyseert en bespreekt de Raad het Vlaams begrotingsbeleid voor wetenschap en technologie.
naar de recente studies aangaande samenwerking universiteit – industrie, wetenschapscommunicatie, de relatie tussen onderwijs en innovatie, en het translationeel biomedisch onderzoek.
23
1.3.9 De adviesorganen
1.3.11 Specifieke acties naar technologietransfer en diffusie
De
Koninklijke
Vlaamse
Academie
van
België
voor
Wetenschappen en Kunsten fungeert als de ontmoetingsplaats
Naast de hoger beschreven actoren, wordt het Vlaams WTI-
voor uitmuntende Vlaamse wetenschappers en is het
systeem gekenmerkt door een hoge mate van bekommernis
aanspreekpunt voor verschillende gelijkaardige organisaties
om de resultaten van wetenschappelijk en technologisch
overal ter wereld. De Academie vervult alsdusdanig de rol van
onderzoek evenals de innovatieve aanwendingen van deze
een Vlaams Kennis- en Cultuurforum, een rol die in de loop
resultaten, zo goed mogelijk te laten doorstromen naar zoveel
van 1998 werd vastgelegd. Voor wat de relatie tussen
mogelijk actoren in Vlaanderen. Daarom wordt vanuit de
technologie en economie betreft, dienen ook de activiteiten van
Vlaamse Regering en vanuit het IWT ruime aandacht besteed
de SERV (de Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen) met
aan transfer en diffusie van technologie.
de Stichting Technologie Vlaanderen (STV) te worden vermeld, die zich vooral richten op het uitvoeren van studies naar
Daartoe werden verschillende mechanismen in het leven
het Vlaamse socio-economisch weefsel, inclusief technologie-
geroepen, die hierna kort worden toegelicht. Sinds 1998 wordt
vraagstukken die zich daarbij kunnen stellen.
door de Vlaamse overheid een subsidie toegekend aan de universitaire interfacediensten met de bedoeling op deze wijze
1.3.10 De Steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek
de valorisatie-activiteiten van de universiteiten een duw in de rug te geven. Aan de Collectieve Centra zijn technologische
Met de oprichting van de steunpunten voor beleidsrelevant
adviesfuncties verbonden. Hun taak bestaat erin KMO’s te
onderzoek verzekert de Vlaamse overheid zich van een grotere
sensibiliseren voor nieuwe of vernieuwende technologische
stabiliteit in het beleidsondersteunend onderzoek en, hiermee
ontwikkelingen en het daarbijhorend eerstelijnsadvies. De Vlaamse
gepaard gaand, van de gestadige opbouw van een kritische
Innovatie Samenwerkingsverbanden (zie hoger) geven aan
kennismassa omtrent een aantal prioritaire beleidsthema’s.
deze diensten sinds 2001 een nieuwe en verruimde impuls.
De werking van de steunpunten wordt opgevolgd door het departement EWI, telkens in samenspraak met de Minister
Verwant aan de Collectieve Centra werden in de periode
bevoegd voor het beleidsdomein waarop het betreffende
1995-1997 een tiental clusters in het leven geroepen.
Steunpunt actief is.
Clusters werden daarbij gedefinieerd als een netwerk van bedrijven die onderling samenwerken of samenwerken met onderzoeksinstellingen op één of meerdere domeinen (zoals
worden gevormd door één of meer onderzoeksgroepen uit
wetenschappelijk onderzoek, productontwikkeling of opleiding).
één of meer universitaire instellingen die samen gedurende
Conform de beleidsopties van de Vlaamse Regering, werd
een 5-jaar periode wetenschappelijke ondersteuning bieden
naderhand beslist deze specifieke steunvorm niet verder te
aan de Vlaamse overheid:
verlengen, maar de bestaande initiatieven de kans te geven zich in te schakelen in het ruimer mechanisme van de Vlaamse
l
Fiscaliteit en Begroting;
Innovatie Samenwerkingsverbanden. Deze evolutie werd in
l
O&O-Indicatoren (vanaf 1 januari 2009 omgevormd tot
de periode 2001-2002 met goed gevolg volop in beweging
het Expertisecentrum O&O-Monitoring);
gezet en heeft vandaag geleid tot een brede portfolio aan
l
Ondernemen en Internationaal Ondernemen;
goedgekeurde en werkende samenwerkingsverbanden.
l
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
l
Werk en Sociale Economie;
Bij deze veelheid aan acties die ondernomen worden op het
l
Milieu en Gezondheid;
vlak van transfer en diffusie valt tot slot nog te vermelden dat
l
Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen;
de Vlaamse overheid steeds meer belang hecht aan valorisatie,
l
Buitenlands Beleid, Toerisme en Recreatie;
kennistransfer en samenwerking tussen de verschillende actoren
l
Studie en Schoolloopbanen;
in het Vlaams WTI-landschap. Deze centrale beleidsoptie komt
l
Cultuur, Jeugd en Sport;
heel zichtbaar tot uiting in de waaier aan stimuleringsmaatregelen
l
Mobiliteit en Openbare Werken;
(bvb. competentiepolen, regionale innovatiecentra, …) die
l
Ruimte en Wonen;
vandaag het Vlaams WTI-beleid en het resultaat ervan in
l
Duurzame Ontwikkeling;
de vorm van het VIN (het Vlaams Innovatie Netwerk dat door
l
Gelijkekansenbeleid.
het IWT wordt gecoördineerd), kenmerken.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 1
De veertien Steunpunten voor Beleidsrelevant Onderzoek
24
1.3.12 Sensibilisering Tot slot, de laatste jaren werd eveneens op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan het opzetten van een brede publiekssensibilisatie omtrent wetenschap, technologie en innovatie. De Stichting “Flanders Technology International” (FTI), Technopolis (een “doe-centrum” voor wetenschap en technologie dat in het najaar 1999 zijn deuren opende en werd voorbereid door FTI), de wetenschapsweek, en diverse communicatiecampagnes omtrent innovatie kaderen in die brede sensibilisatie activiteit. De campagne “jij bent Flanders’ Future” was daarvan een voorbeeld. Ook mediaprogramma’s zoals “Jongens en Wetenschap” kaderen in die sensibilisatieaanpak. In 2004 ging tot slot het initiatief Flanders Districts of Creativity (Flanders DC) van start dat de creativiteit en innovativiteit van de Vlaamse economie regionaal en internationaal moet ondersteunen.
1.4 CONCLUSIE In dit inleidend hoofdstuk werd een overzicht gegeven van de voornaamste actoren en instrumenten van het Vlaams WTI-systeem en WTI-beleid. Dit overzicht, dat in de volgende hoofdstukken verder wordt gedetailleerd, illustreert de inspanningen die in Vlaanderen de laatste jaren werden geleverd om het WTI-beleid op een internationaal vergelijkbaar en competitief niveau te brengen. In de volgende hoofdstukken worden deze resultaten verder besproken en wordt, waar mogelijk, eveneens de Vlaamse aanwezigheid in een internationale onderzoeks- en innovatie context bekeken.
25
H ET M E N S E LI J K E POTE NTI E E L IN WETENSCHAP, TECHNOLOGIE E N I N N OVAT I E I N V L A A N D E R E N Door Linda De Kock (Departement Onderwijs en Vorming) en Danielle Gilliot (VLIR)
02
26
2.1 INLEIDING
Een analyse van de evolutie van het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten over de laatste 10 jaar geeft het
Dit hoofdstuk beoogt door middel van een aantal statistieken
volgende beeld (tabel 2.1):
en grafieken een beeld te schetsen – huidige situatie en tendensen – van de aantrekkingskracht van het Vlaamse hoger
l
Terwijl in het eerste deel van de beschouwde periode het
onderwijs. In een eerste deel komt de instroom in het hoger
aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten
onderwijs aan bod. Vervolgens besteedt dit hoofdstuk aandacht
jaarlijks afnam (van 13.495 generatiestudenten in het
aan de gerealiseerde output – in de vorm van uitgereikte
academiejaar 1998-1999 tot 12.423 generatiestudenten in
diploma’s – van het hoger onderwijs. Op deze manier wordt
het academiejaar 2003-2004), kenden de universiteiten
getracht een overzicht te geven van de ‘kennis’rijkdom waaruit
vanaf het academiejaar 2004-2005 een gestage toename
men nu en in de nabije toekomst zal kunnen putten om het
van het aantal generatiestudenten. In het academiejaar
Vlaamse potentieel in WTI te realiseren.
2007-2008 werden 14.748 generatiestudenten geteld, dit zijn er 1.253 meer dan bij de start van de beschouwde
De cijfergegevens van de universiteiten van het academiejaar
periode – academiejaar 1998-1999. Het academiejaar
1998-1999 zijn afkomstig van de interuniversitaire databank
2004-2005 zorgde voor een ‘trendbreuk’ in de evolutie
inzake de Vlaamse universitaire studentenbevolking van de
van het aantal generatiestudenten. Deze ‘trendbreuk’ valt
Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR). Alle cijfergegevens van
samen met de invoering van de bachelor/masterstructuur.
de hogescholen, evenals de gegevens van de universiteiten
Verdere analyse is nodig om na te gaan of hier een – en zo
vanaf het academiejaar 1999-2000, komen uit de Databank
ja, welk – oorzakelijk verband bestaat tussen de introductie
Tertiair Onderwijs (DTO), Vlaams ministerie van Onderwijs en
van deze nieuwe structuur en de toegenomen instroom
Vorming.
in het universitair onderwijs.
De gegevens in hoofdstuk 2.4 (internationale vergelijking) zijn
l
Kijkt men naar de relatieve deelname van de Vlaamse
afkomstig van de stafdiensten van het Departement Onderwijs
achttienjarigen aan het universitair onderwijs, dan kan men
en Vorming en van de OESO (Education at a glance).
grosso modo stellen dat vanaf het academiejaar 2000-2001 deze participatie toenam. Terwijl in het academiejaar 1999-2000 slechts 16,8% van de potentiële doelgroep
2.2 INSTROOM IN HET VLAAMSE HOGER ONDERWIJS: KWANTIFICATIE EN STRATIFICATIE
was ingeschreven aan een Vlaamse universiteit, was in het academiejaar 2007-2008 dit percentage gestegen tot 19,9%. De eerste jaren was deze stijging hoofdzakelijk te wijten aan de daling van het aantal achttienjarigen, de laatste
Op 1 februari 2008 telde men in het Vlaamse hoger onderwijs
vier academiejaren – vanaf het academiejaar 2004-2005 –
42.908 generatiestudenten. Meer dan de helft van deze
nam ook het aantal achttienjarigen toe en is de relatief
generatiestudenten (53,0%) startte een professioneel gerichte
sterke toename van het aantal generatiestudenten aan
bacheloropleiding aan een hogeschool. De universiteiten en de
de universiteiten grotendeels verantwoordelijk voor de
academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen trokken
toegenomen participatie.
respectievelijk 34,4% en 12,6% aan van het totale aantal generatiestudenten.
Bij de hogescholen vindt men twee verschillende evoluties terug. Bij de professioneel gerichte bacheloropleidingen nam het aantal generatiestudenten tijdens de beschouwde periode onafgebroken toe: van 19.625 generatiestudenten in het academiejaar 19981999 tot 22.752 in het academiejaar 2007-2008. In dezelfde periode groeide de relatieve deelname van 25,9% naar 30,8% in 2005-2006 en 2006-2007, om vervolgens licht te dalen tot 30,6% in 2007-2008.
27
Tabel 2.1:
Het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (periode 1998-1999 t.e.m. 2007-2008) in verhouding tot het globaal aantal Vlaamse achttienjarigen Generatiestudenten Universiteiten
18 jarigen
Hogescholen
Relatieve deelname aan hoger onderwijs (%) Universiteiten
Academiejaar
Kan/ABA
Totaal
HO1C/PBA
HO2C/ABA
1998-1999
13.495
25.820
19.625
6.195
1999-2000
12.771
26.746
20.260
2000-2001
12.602
26.766
2001-2002
12.953
2002-2003
Hogescholen
Kan/ABA
Totaal
HO1C/PBA
HO2C/ABA
75.863
17,8
34,0
25,9
8,2
6.486
75.958
16,8
35,2
26,7
8,5
20.592
6.174
73.688
17,1
36,3
27,9
8,4
26.552
20.851
5.701
72.417
17,9
36,7
28,8
7,9
12.801
25.627
20.253
5.374
70.750
18,1
36,2
28,6
7,6
2003-2004
12.423
25.860
20.600
5.260
69.641
17,8
37,1
29,6
7,6
2004-2005
13.175
26.438
21.199
5.239
71.447
18,4
37,0
29,7
7,3
2005-2006
13.808
27.160
22.140
5.020
71.830
19,2
37,8
30,8
7,0
2006-2007
14.461
27.725
22.609
5.116
73.305
19,7
37,8
30,8
7,0
2007-2008
14.748
28.160
22.752
5.408
74.247
19,9
37,9
30,6
7,3
Bij analyses van de instroom van studenten in het hoger onderwijs wordt meestal de term 'generatiestudent' gehanteerd. De definitie van generatiestudent is in de loop van de laatste 10 jaar meermaals aangepast. Tot en met het academiejaar 1998-1999 werd binnen het universitair onderwijs een andere definitie gebruikt dan bij de hogescholen. Zo werd voor het universitair onderwijs de volgende definitie gehanteerd: 'Een generatiestudent is elke persoon die zich voor de eerste maal inschrijft aan een Belgische universiteit'. In deze groep werd meestal nog een onderscheid gemaakt tussen generatiestudenten ingeschreven in een eerste jaar en die in een niet-eerste jaar. Voor het schetsen van de evolutie van de universitaire studentenbevolking maakte men vooral gebruik van de generatiestudenten in een eerste jaar. Bij de hogescholen werd een generatiestudent als volgt beschreven: ‘Een generatiestudent is een student die zich voor de eerste maal inschrijft in het eerste jaar van een basisopleiding van het Vlaamse hoger onderwijs.’ Deze laatste definitie werd vanaf het academiejaar 1999-2000 gebruikt voor het gehele hoger onderwijs. Vanaf de invoering van de bachelor/masterstructuur in het Vlaamse hoger onderwijs – academiejaar 2004-2005 – wordt een generatiestudent als volgt gedefinieerd: ‘Een generatiestudent is een student die zich voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs en op 1 februari nog is ingeschreven.’ Enige voorzichtigheid is dan ook geboden bij de interpretatie van de gegevens inzake de evolutie van de generatiestudenten in het Vlaamse hoger onderwijs. Relatieve deelname aan hoger onderwijs: deze berekening geeft een indicatie voor de vermoedelijke participatiegraad in het hoger onderwijs. Afwijkingen zijn mogelijk onder meer omdat geen statistisch materiaal voorhanden is over het evenwicht tussen de instroom van studenten uit Franstalig België en uit het buitenland en de uitstroom naar Franstalige en buitenlandse universiteiten. Enige voorzichtigheid is hier ook geboden omdat een aantal dubbeltellingen kunnen voorkomen. De cijfers betreffende het aantal achttienjarigen woonachtig in Vlaanderen zijn afkomstig van het Nationaal Instituut voor Statistiek. Zij omvatten het aantal achttienjarigen woonachtig in het Vlaams Gewest +20% van het aantal achttienjarigen woonachtig in het Brussels Gewest.
Gebruikte afkortingen: Kan: kandidatuursopleidingen ABA: academisch gerichte bacheloropleidingen PBA: professioneel gerichte bacheloropleidingen HO1C: hogeschoolopleidingen van 1 cyclus HO2C: hogeschoolopleidingen van 2 cycli
De evolutie van het aantal generatiestudenten en van de
Globaal genomen kan men stellen dat meer dan de helft van
relatieve participatie in de academisch gerichte hogeschool-
de Vlaamse jongeren een kans waagt in het hoger onderwijs:
opleidingen vertoont een enigszins ander beeld. Globaal
in het academiejaar 2007-2008 startte 57,8% van de potentiële
genomen nam het aantal generatiestudenten aan de
doelgroep een opleiding in het Vlaamse hoger onderwijs. In het
hogeschoolopleidingen van twee cycli af van 6.195 studenten in
academiejaar 1998-1999 bedroeg dit aandeel 51,8%.
1998-1999 (met een maximum van 6.486 in het academiejaar 1999-2000) naar 5.020 generatiestudenten in 2005-2006. De laatste twee academiejaren nam het aantal generatiestudenten evenwel toe: tot 5.408 in het academiejaar 20072008. De participatiegraad daalde van 8,2% in 1998-1999 naar 7,0% in 2005-2006, en nam het laatste jaar toe tot 7,3%.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2
Vanaf het academiejaar 2004-2005 wordt in het Vlaamse hoger onderwijs de bachelor/masterstructuur ingevoerd. Deze structuur wordt geleidelijk – t.t.z. jaar na jaar – ingevoerd. Vanaf het academiejaar 2004-2005 worden dan ook de generatiestudenten in de nieuwe bacheloropleidingen (de professioneel gerichte en de academisch gerichte bacheloropleidingen) geteld.
28
Tabel 2.2:
Het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen (1998-1999 t.e.m. 2007-2008) in verhouding tot het aantal Vlaamse achttienjarigen, uitgesplitst naar geslacht Mannen
Academiejaar
Generatie studenten
18 j. Vl.
1998-1999
6.194
38.642
1999-2000
5.771
39.051
2000-2001
5.598
2001-2002
Vrouwen %
Generatie studenten
18 j. Vl.
%
16,0
7.301
37.221
19,6
14,8
7.000
36.907
19,0
37.741
14,8
7.004
35.947
19,5
5.841
36.804
15,9
7.112
35.613
20,0
2002-2003
5.623
36.138
15,6
7.178
34.612
20,7
2003-2004
5.550
35.444
15,7
6.873
34.197
20,1
2004-2005
5.888
36.669
16,1
7.287
34.778
21,0
2005-2006
6.247
36.753
17,0
7.561
35.077
21,6
2006-2007
6.512
37.374
17,4
7.949
35.931
22,1
2007-2008
6.530
37.956
17,2
8.218
36.291
22,6
Universitair onderwijs
Hogescholenonderwijs
1998-1999
11.522
38.642
29,8
14.298
37.221
38,4
1999-2000
12.026
39.051
30,8
14.720
36.907
39,9
2000-2001
12.120
37.741
32,1
14.646
35.947
40,7
2001-2002
11.942
36.804
32,4
14.610
35.613
41,0
2002-2003
11.617
36.138
32,1
14.010
34.612
40,5
2003-2004
11.433
35.444
32,3
14.427
34.197
42,2
2004-2005
11.932
36.669
32,5
14.506
34.778
41,7
2005-2006
12.265
36.753
33,4
14.895
35.077
42,5
2006-2007
12.261
37.374
32,8
15.464
35.931
43,0
2007-2008
12.599
37.956
33,2
15.561
36.291
42,9
Op 1 februari 2008 maakten de vrouwelijke generatiestudenten
Tot en met het academiejaar 2003-2004 nam aan de
55,4% uit van het totaal aantal generatiestudenten in het
universiteiten het aantal mannelijke generatiestudenten
Vlaamse hoger onderwijs. Dit vrouwelijk overwicht komt ook
sterk af: van 6.194 generatiestudenten in het academiejaar
sterk tot uiting in de participatiegraad: 65,5% van de potentiële
1998-1999 tot 5.550 generatiestudenten in 2003-2004.
doelgroep (achttienjarige vrouwen wonende in het Vlaams
Pas de laatste academiejaren – vanaf 2004-2005 – kent het
Gewest +20% van de achttienjarige vrouwen wonende in het
universitair onderwijs terug een relatief sterke stijging van het
Brussels Gewest) startte in het academiejaar 2007-2008 een
aantal mannelijke generatiestudenten (6.530 mannelijke
opleiding in het hoger onderwijs. Bij de mannen bedroeg dit
generatiestudenten in 2007-2008).
percentage 50,4%. De evolutie van het aantal mannelijke generatiestudenten aan de Deze grotere deelname van vrouwen vindt men zowel terug bij
hogescholen kent een meer wisselend verloop: periodes van
de hogeschoolopleidingen als bij de universiteiten. Toch zijn er
aangroei worden afgewisseld met periodes van afname van het
een aantal verschillen. Met uitzondering van de academiejaren
aantal generatiestudenten. Globaal genomen kent het hogeschool-
1999-2000 en 2003-2004 kende het aantal vrouwelijke
onderwijs een aangroei van het aantal mannelijke generatie-
generatiestudenten aan de universiteiten een quasi onafgebroken
studenten over de beschouwde periode (11.522 generatiestudenten
stijging. Bekeken over de globale periode van 10 jaar nam het
in 1998-1999 en 12.599 generatiestudenten in 2007-2008).
aantal vrouwelijke generatiestudenten aan de universiteiten toe met 12,6%. Bij de hogescholen valt de onafgebroken toename
Dit alles weerspiegelt zich ook in de evolutie van de
van het aantal vrouwelijke generatiestudenten op vanaf het
participatiegraad. Bij de universiteiten nam in de beschouwde
academiejaar 2003-2004. Vergeleken met de start van de
periode de relatieve deelname van de achttienjarige mannen
beschouwde periode – academiejaar 1998-1999 – telde men in
toe van 16,0% naar 17,2%. Bij de hogescholen steeg dit
het academiejaar 2007-2008 8,8% meer vrouwelijke generatie-
percentage van 29,8% naar 33,2%. Bij de universiteiten
studenten aan de hogescholen.
groeide de vrouwelijke participatie van 19,6% naar 22,6%, bij de hogescholen van 38,4% naar 42,9%.
29
Tabel 2.3:
Aandeel van de verschillende studiegebieden in het geheel van inschrijvingen van de generatiestudenten aan de Vlaamse universiteiten (1998-1999 t.e.m. 2007-2008)
Academiejaar
98-99
99-00
00-01
01-02
02-03
03-04
04-05
05-06
06-07
07-08
Studiegebied
N
N
N
N
N
N
N
N
N
N
Wijsbegeerte en moraalwetenschappen
241
179
198
213
193
152
142
163
146
129
Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht
37
42
31
34
46
46
51
33
45
34
Taal- en letterkunde
999
862
787
796
796
773
905
956
1.026
1.000
Geschiedenis
469
470
465
534
542
508
486
581
551
534
Archeologie en kunstwetenschappen
336
283
268
298
256
238
252
277
288
237
Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen
1.805
1.637
1.630
1.719
1.798
1.813
1.841
1.840
2.030
2.199
Psychologie en pedagogische wetenschappen
1.354
1.359
1.411
1.432
1.485
1.407
1.439
1.360
1.473
1.450
Economische en toegepaste economische wetenschappen
2.016
1.868
1.711
1.732
1.587
1.499
1.554
1.849
1.887
1.914
Politieke en sociale wetenschappen
1.151
1.168
1.183
1.122
1.208
1.128
1.101
1.207
1.240
1.278
Sociale gezondheidswetenschappen
133
81
80
87
89
108
120
148
144
160
Bewegings- en revalidatiewetenschappen
544
594
695
588
550
556
605
525
544
556
1.586
1.416
1.405
1.254
1.080
1.042
1.088
1.018
1.106
1.178
Toegepaste wetenschappen
770
741
687
1.036
860
821
964
1.032
1.004
1.156
Toegepaste biologische wetenschappen
620
541
523
451
439
416
408
400
414
464
Geneeskunde
377
343
358
345
404
531
612
686
668
556
Tandheelkunde
26
29
26
47
43
48
53
91
88
39
Diergeneeskunde
329
308
286
322
358
339
371
324
304
342
Farmaceutische wetenschappen
308
247
269
250
261
290
361
352
481
491
Biomedische wetenschappen
156
412
426
501
486
404
526
554
634
737
48
35
17
22
Wetenschappen
Verkeerskunde 191
163
192
320
304
248
377
371
275
TOTAAL
13.495
12.771
12.602
12.953
12.801
12.423
13.175
13.808
14.461
14.748
Academiejaar
98-99
99-00
00-01
01-02
02-03
03-04
04-05
05-06
06-07
07-08
Studiegebied
%
%
%
%
%
%
%
%
%
%
Wijsbegeerte en moraalwetenschappen
1,8%
1,4%
1,6%
1,6%
1,5%
1,2%
1,1%
1,2%
1,0%
0,9%
Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht
0,3%
0,3%
0,2%
0,3%
0,4%
0,4%
0,4%
0,2%
0,3%
0,2%
Taal- en letterkunde
7,4%
6,7%
6,2%
6,1%
6,2%
6,2%
6,9%
6,9%
7,1%
6,8%
Geschiedenis
3,5%
3,7%
3,7%
4,1%
4,2%
4,1%
3,7%
4,2%
3,8%
3,6%
Archeologie en kunstwetenschappen
2,5%
2,2%
2,1%
2,3%
2,0%
1,9%
1,9%
2,0%
2,0%
1,6%
Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen
13,4%
12,8%
12,9%
13,3%
14,0%
14,6%
14,0%
13,3%
14,0%
14,9%
Psychologie en pedagogische wetenschappen
10,0%
10,6%
11,2%
11,1%
11,6%
11,3%
10,9%
9,8%
10,2%
9,8%
Economische en toegepaste economische wetenschappen
14,9%
14,6%
13,6%
13,4%
12,4%
12,1%
11,8%
13,4%
13,0%
13,0%
Politieke en sociale wetenschappen
8,5%
9,1%
9,4%
8,7%
9,4%
9,1%
8,4%
8,7%
8,6%
8,7%
Sociale gezondheidswetenschappen
1,0%
0,6%
0,6%
0,7%
0,7%
0,9%
0,9%
1,1%
1,0%
1,1%
Bewegings- en revalidatiewetenschappen
4,0%
4,7%
5,5%
4,5%
4,3%
4,5%
4,6%
3,8%
3,8%
3,8%
11,8%
11,1%
11,1%
9,7%
8,4%
8,4%
8,3%
7,4%
7,6%
8,0%
Toegepaste wetenschappen
5,7%
5,8%
5,5%
8,0%
6,7%
6,6%
7,3%
7,5%
6,9%
7,8%
Toegepaste biologische wetenschappen
4,6%
4,2%
4,2%
3,5%
3,4%
3,3%
3,1%
2,9%
2,9%
3,1%
Geneeskunde
2,8%
2,7%
2,8%
2,7%
3,2%
4,3%
4,6%
5,0%
4,6%
3,8%
Tandheelkunde
0,2%
0,2%
0,2%
0,4%
0,3%
0,4%
0,4%
0,7%
0,6%
0,3%
Diergeneeskunde
2,4%
2,4%
2,3%
2,5%
2,8%
2,7%
2,8%
2,3%
2,1%
2,3%
Farmaceutische wetenschappen
2,3%
1,9%
2,1%
1,9%
2,0%
2,3%
2,7%
2,5%
3,3%
3,3%
Biomedische wetenschappen
1,2%
3,2%
3,4%
3,9%
3,8%
3,3%
4,0%
4,0%
4,4%
5,0%
0,4%
0,3%
0,1%
0,1%
Wetenschappen
Verkeerskunde Gecombineerde studiegebieden TOTAAL
1,8%
1,5%
1,3%
1,5%
2,5%
2,4%
1,9%
2,7%
2,6%
1,9%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
De studiegebieden opgenomen in de tabellen zijn de studiegebieden zoals vastgelegd in het Structuurdecreet (decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen). Onder de noemer "Gecombineerde studiegebieden" ressorteren opleidingen die niet in ĂŠĂŠn studiegebied onder te brengen zijn.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2
238
Gecombineerde studiegebieden
30
Uit tabel 2.3 blijkt dat de evolutie van het aantal generatie-
Eenzelfde positieve evolutie vindt men terug in het
studenten in de beschouwde periode zich duidelijk verschillend
studie gebied Biomedische wetenschappen: van 404
manifesteert in de diverse studiegebieden. Bij de universiteiten
generatiestudenten in 2003-2004 naar 734 in 2007-2008.
springen de volgende tendensen in het oog: l l
Bekijkt men globaal de evolutie van het aantal generatiestudenten in de exacte en toegepaste wetenschappen
De studiegebieden Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen en Economische en toegepaste economische
(studiegebieden Wetenschappen, Toegepaste wetenschappen,
wetenschappen oefenen de grootste aantrekkingskracht uit
Toegepaste biologische wetenschappen, Farmacie en
op de generatiestudenten. Met respectievelijk 2.199 en
Biomedische wetenschappen), dan stelt men in het
1.914 generatiestudenten in het academiejaar 2007-2008
academiejaar 2004-2005 een kentering vast: na een quasi
trekken zij meer dan ĂŠĂŠn vierde (27,9%) van de
onafgebroken daling van het aantal generatiestudenten
instromende studenten aan. Opvallend hierbij is de sterke
vanaf het academiejaar 1998-1999, nam de instroom in
toename van het aantal generatiestudenten in het
de volgende academiejaren toe (van 2.973 generatie-
studiegebied Rechten, notariaat en criminologische
studenten in 2003-2004 naar 4.023 generatiestudenten
wetenschappen (+190 generatiestudenten in 2006-2007,
in 2007-2008). Deze stijging is vooral te wijten aan de
+169 generatiestudenten in 2007-2008). Het aantal
toegenomen populariteit van de studiegebieden Biomedische
generatiestudenten in het studiegebied Economische en
wetenschappen,
toegepaste economische wetenschappen blijft toenemen,
Toegepaste wetenschappen.
Farmaceutische
wetenschappen
en
maar minder sterk dan in de voorgaande jaren. l l
Door een versoepeling van de slaagvoorwaarden van het
Het studiegebied Psychologische en pedagogische
toelatingsexamen arts/tandarts steeg vanaf het academiejaar
wetenschappen blijft ook in het academiejaar 2007-2008
2002-2003 het aantal generatiestudenten in de opleiding
de derde plaats innemen (1.450 generatiestudenten).
Geneeskunde. Het aantal generatiestudenten in het
Het relatief aandeel van dit studiegebied blijft schommelen
academiejaar 2005-2006 bedroeg bijna het dubbele van
rond de 10%.
het aantal in 1999-2000. De laatste twee academiejaren nam het aantal generatiestudenten in het studiegebied
l
Geneeskunde opnieuw af.
Na de jarenlange continue afname van de instroom in het studiegebied Wetenschappen, neemt het aantal generatiestudenten de laatste twee academiejaren lichtjes
Eenzelfde evolutie vindt men terug in het studiegebied Tandheelkunde. Na een absoluut dieptepunt in de
2007-2008. Eenzelfde evolutie vindt men terug in het
academiejaren 1998-1999 t.e.m. 2000-2001 (minder dan
studiegebied Toegepaste biologische wetenschappen:
30 generatiestudenten) was er vanaf het academiejaar
vanaf het academiejaar 1998-1999 kende dit studiegebied
2001-2002 opnieuw een aangroei van het aantal
een continue daling van het aantal generatiestudenten.
generatiestudenten. Opvallend hierbij is de sterke toename
Vanaf het academiejaar 2006-2007 groeide het aantal
in het academiejaar 2005-2006: van 53 generatiestudenten
generatiestudenten aan: +14 generatiestudenten in 2006-
in 2004-2005 naar 91 generatiestudenten in 2005-2006.
2007; +50 generatiestudenten in 2007-2008. De evolutie
Ook hier zag men een terugval vanaf het academiejaar
van de laatste twee jaren neemt evenwel niet weg dat voor
2006-2007. In 2007-2008 was het aantal generatie-
beide studiegebieden het aantal generatiestudenten in
studenten zelfs afgenomen tot 39.
2007-2008 ongeveer 25% minder bedraagt dan in het begin van de beschouwde periode. l
l
toe: +88 studenten in 2006-2007; +72 studenten in
Het studiegebied Toegepaste wetenschappen zet zijn opmars (met uitzondering van het academiejaar 20062007) verder: van 821 generatiestudenten in 2003-2004 naar 1.156 generatiestudenten in 2007-2008.
31
Tabel 2.4:
Aandeel van de verschillende studiegebieden in het geheel van inschrijvingen van de generatiestudenten aan de Vlaamse hogescholen (1998-1999 t.e.m. 2007-2008)
Academiejaar Studiegebied
98-99
99-00
00-01
01-02
02-03
03-04
04-05
05-06
06-07
07-08
N
N
N
N
N
N
N
N
N
N
PBA/Opleidingen van één cyclus 495
467
421
534
546
580
533
559
543
19
21
29
39
40
25
52
46
48
47
242
245
259
253
268
407
462
476
473
490
Gezondheidszorg
2.733
2.380
2.398
2.175
2.293
2.502
2.695
3.138
3.478
3.691
Handelswetenschappen en bedrijfskunde
7.377
7.043
7.332
7.026
6.436
6.073
6.170
6.705
6.578
6.744
Industriële wetenschappen en technologie
2.453
2.572
2.646
2.724
2.837
2.709
2.946
2.959
3.167
3.132
8
16
15
20
12
9
10
12
16
20
Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst Biotechniek
Muziek en podiumkunsten Nautische wetenschappen Onderwijs
4.284
5.269
5.307
5.796
5.463
5.604
5.584
5.300
559
21
37
5.042
4.964
Sociaal-agogisch werk
2.014
2.247
2.185
2.284
2.358
2.691
2.747
2.945
3.243
3.068
Totaal PBA/één cyclus
19.625
20.260
20.592
20.851
20.253
20.600
21.199
22.140
22.609
22.752
Architectuur
429
473
380
416
514
558
566
547
526
557
Audiovisuele en beeldende kunst
926
936
895
898
854
896
856
896
886
979
77
75
56
56
60
56
84
85
66
61
253
280
312
262
119
166
211
178
204
257
Handelswetenschappen en bedrijfskunde
1.217
1.263
1.294
1.179
1.066
952
1.006
895
876
960
Industriële wetenschappen en technologie
2.107
2.234
2.061
1.781
1.660
1.577
1.425
1.380
1.363
1.469
263
262
305
246
272
236
267
267
298
303
97
106
ABA/Opleidingen van twee cycli
Biotechniek Gezondheidszorg
Muziek en podiumkunsten Nautische wetenschappen Produktontwikkeling
93
121
113
82
77
80
64
82
85
74
Toegepaste taalkunde
830
842
758
781
752
739
760
690
715
642
6.195
6.486
6.174
5.701
5.374
5.260
5.239
5.020
5.116
5.408
Algemeen totaal
25.820
26.746
26.766
26.552
25.627
25.860
26.438
27.160
27.725
28.160
Academiejaar
98-99
99-00
00-01
01-02
02-03
03-04
04-05
05-06
06-07
07-08
%
%
%
%
%
%
%
%
%
%
Architectuur
1,9%
1,7%
1,6%
2,0%
2,1%
2,2%
2,0%
2,1%
2,0%
2,0%
Audiovisuele en beeldende kunst
0,1%
0,1%
0,1%
0,1%
0,2%
0,1%
0,2%
0,2%
0,2%
0,2%
Biotechniek
0,9%
0,9%
1,0%
1,0%
1,0%
1,6%
1,7%
1,8%
1,7%
1,7%
Gezondheidszorg
10,6%
8,9%
9,0%
8,2%
8,9%
9,7%
10,2%
11,6%
12,5%
13,1%
Handelswetenschappen en bedrijfskunde
28,6%
26,3%
27,4%
26,5%
25,1%
23,5%
23,3%
24,7%
23,7%
23,9%
Industriële wetenschappen en technologie
9,5%
9,6%
9,9%
10,3%
11,1%
10,5%
11,1%
10,9%
11,4%
11,1%
Muziek en podiumkunsten
0,0%
0,1%
0,1%
0,1%
0,0%
0,0%
0,0%
0,0%
0,1%
0,1%
Totaal ABA/twee cycli
Studiegebied
PBA/Opleidingen van één cyclus
Onderwijs
16,6%
19,7%
19,8%
21,8%
21,3%
21,7%
21,1%
19,5%
0,1%
0,1%
18,2%
17,6%
Sociaal-agogisch werk
7,8%
8,4%
8,2%
8,6%
9,2%
10,4%
10,4%
10,8%
11,7%
10,9%
Totaal PBA/één cyclus
76,0%
75,7%
76,9%
78,5%
79,0%
79,7%
80,2%
81,5%
81,5%
80,8%
Architectuur
1,7%
1,8%
1,4%
1,6%
2,0%
2,2%
2,1%
2,0%
1,9%
2,0%
Audiovisuele en beeldende kunst
3,6%
3,5%
3,3%
3,4%
3,3%
3,5%
3,2%
3,3%
3,2%
3,5%
Biotechniek
0,3%
0,3%
0,2%
0,2%
0,2%
0,2%
0,3%
0,3%
0,2%
0,2%
Gezondheidszorg
1,0%
1,0%
1,2%
1,0%
0,5%
0,6%
0,8%
0,7%
0,7%
0,9%
Handelswetenschappen en bedrijfskunde
4,7%
4,7%
4,8%
4,4%
4,2%
3,7%
3,8%
3,3%
3,2%
3,4%
Industriële wetenschappen en technologie
8,2%
8,4%
7,7%
6,7%
6,5%
6,1%
5,4%
5,1%
4,9%
5,2%
Muziek en podiumkunsten
1,0%
1,0%
1,1%
0,9%
1,1%
0,9%
1,0%
1,0%
1,1%
1,1%
ABA/Opleidingen van twee cycli
Nautische wetenschappen Produktontwikkeling Toegepaste taalkunde Totaal ABA/twee cycli Algemeen totaal
0,4%
0,5%
0,4%
0,3%
0,3%
0,3%
0,2%
0,3%
0,3%
0,4%
0,3%
0,3%
3,2%
3,1%
2,8%
2,9%
2,9%
2,9%
2,9%
2,5%
2,6%
2,3%
24,0%
24,3%
23,1%
21,5%
21,0%
20,3%
19,8%
18,5%
18,5%
19,2%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
100,0%
De studiegebieden opgenomen in de tabellen zijn de studiegebieden zoals vastgelegd in het Structuurdecreet (decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen). De opleidingen van het studiegebied nautische wetenschappen werden vanaf het academiejaar 2006-2007 afgesplitst van het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2
Nautische wetenschappen
32
Op 1 februari 2008 volgden in het hogeschoolonderwijs
l
Vermeldenswaardig bij de professioneel gerichte opleidingen
80,8% van de generatiestudenten een professioneel gerichte
is de evolutie van het aantal generatiestudenten in het
bacheloropleiding en 19,2% een academisch gerichte bachelor-
studiegebied Gezondheidszorg: terwijl in het academiejaar
opleiding. Het aantal generatiestudenten in de professioneel
2001-2002 slechts 2.175 generatiestudenten instroomden
gerichte opleidingen blijft toenemen. De academisch gerichte
in dit studiegebied, telde men in het academiejaar
hogeschoolopleidingen kenden een afnemende instroom tot
2007-2008 3.691 generatiestudenten (+69%). Ook de
het academiejaar 2005-2006, de laatste twee academiejaren
academische opleidingen in dit studiegebied kenden
ziet men hier evenwel het aantal generatiestudenten toenemen.
gedurende de laatste vijf academiejaren een aangroei van het aantal generatiestudenten.
De meest in het oog springende tendensen bij de hogescholen zijn (tabel 2.4):
l
Bij de professioneel gerichte bacheloropleidingen zagen twee andere studiegebieden in de beschouwde periode het
l
l
Het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde
aantal generatiestudenten aanzienlijk toenemen, namelijk
blijft het grootste aantal generatiestudenten aantrekken:
het studiegebied Biotechniek (van 242 generatiestudenten
6.744 generatiestudenten in de professioneel gerichte
in het academiejaar 1998-1999 naar 490 generatiestudenten
bacheloropleidingen in het academiejaar 2007-2008 en
in 2007-2008) en het studiegebied Sociaal-agogisch
960 generatiestudenten in de academisch gerichte
werk (van 2.014 generatiestudenten naar 3.243 generatie-
bacheloropleidingen. Daarmee trekt dit studiegebied meer
studenten in 2006-2007). In het academiejaar 2007-2008
dan een kwart aan van het totale aantal generatiestudenten
heeft dit laatste studiegebied zijn groei niet kunnen verder
van de hogescholen.
zetten. De instroom nam af tot 3.068 generatiestudenten.
Op de tweede plaats komt het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie (3.132 generatiestudenten
l
Bij de academisch gerichte opleidingen valt – ondanks de schommelingen – de quasi continue afname van het aantal
in de professioneel gerichte bacheloropleidingen, 1.469
generatiestudenten in het studiegebied Toegepaste taalkunde
generatiestudenten in de academisch gerichte bachelor-
op (830 generatiestudenten in 1998-1999, 642 generatie-
opleidingen). Terwijl de professioneel gerichte opleidingen
studenten in 2007-2008).
binnen dit studiegebied hun generatiestudenten aanzienlijk zagen toenemen in de beschouwde periode, kenden de academisch gerichte opleidingen vanaf het academiejaar 2000-2001
een
gestage
afname
van
het
aantal
2.3 OVERZICHT VAN DE UITGEREIKTE DIPLOMA’S
generatiestudenten. In het ‘topjaar’ 1999-2000 startten nog 2.234 generatiestudenten in een academisch gerichte
Naast instroom is het eveneens belangrijk een goed zicht te
opleiding, in het academiejaar 2006-2007 was dit aantal al
krijgen op de uitstroom hoger onderwijs. In dit deel wordt
afgenomen tot 1.363. Enkel in het laatste academiejaar zag
dan ook stilgestaan bij de kwantificatie en de stratificatie van
men het aantal generatiestudenten opnieuw aangroeien:
de diploma’s uitgereikt in het Vlaamse hoger onderwijs.
+106. Mogelijke verklaringen van deze verminderde instroom zouden kunnen zijn: 1) de versoepeling en 2) de
Vanaf het academiejaar 2004-2005 wordt in het Vlaamse hoger
afschaffing van het toelatingsexamen voor burgerlijk
onderwijs de bachelor/masterstructuur ingevoerd. Deze structuur
ingenieur aan de universiteiten.`
wordt geleidelijk – t.t.z. jaar na jaar – ingevoerd. De eerste bachelordiploma’s werden uitgereikt in het academiejaar
l
Bij de professioneel gerichte opleidingen blijft het studie-
2006-2007. De meeste masteropleidingingen zijn gestart in
gebied Onderwijs het tweede grootste studiegebied,
het academiejaar 2007- 2008. In datzelfde jaar werden dan
dit ondanks een verminderende instroom vanaf het
ook de eerste masterdiploma’s uitgereikt.
academiejaar 2004-2005. In het academiejaar 2003-2004 stroomden nog 5.604 studenten in, in het academiejaar 2007-2008 was het aantal generatiestudenten afgenomen tot 4.964.
33
Een aantal mastersopleidingen zijn vroeger gestart, namelijk de
Om de continuïteit met het vorige Indicatorenboek in deze
masteropleidingen aan de tUL, de masteropleidingen volgend
overgangsperiode enigszins te bewaken, wordt in het hierna
op een professionele bacheloropleiding (zijnde de master in
volgende deel de volgende terminologie gebruikt:
het toerisme, de master in het sociaal werk en de master in de verpleegkunde en de vroedkunde) en een beperkt aantal
l
diploma’s eencyclusopleidingen (waaronder begrepen
Erasmus Mundus masters. De hierop betrekking hebbende
wordt de diploma’s van de eencyclusopleidingen, de diploma’s
masterdiploma’s werden dan ook vóór het academiejaar
van de professioneel gerichte bacheloropleidingen, de
2007-2008 uitgereikt.
diploma’s van de eencyclusopleidingen in afbouw) l
diploma’s tweede cyclus hogescholen (zijnde de diploma’s
De gegevens in de volgende figuren en tabellen gaan tot en
van de tweede cyclus van de tweecycliopleidingen aan de
met het academiejaar 2006-2007. De volgende diploma’s
hogescholen, en – indien van toepassing – de diploma’s
(basisopleidingen) werden in dat academiejaar uitgereikt:
masteropleidingen) l
l
diploma’s tweede cyclus universiteiten (zijnde de diploma’s
hogescholen:
tweede cyclus en – indien van toepassing – de diploma’s
- diploma’s professioneel gerichte bacheloropleidingen
masteropleidingen aan de universiteiten)
- diploma’s eencyclusopleidingen in afbouw
l
diploma’s voortgezette academische opleidingen (waaronder
- diploma’s academisch gerichte bacheloropleidingen
begrepen wordt de diploma’s van de master na master-
- diploma’s tweede cyclus van de tweecycliopleidingen
opleidingen en van de voortgezette academische opleidingen).
(licentiaten, handelsingenieur, …) - diploma’s masteropleidingen (zie voorgaande paragraaf) l
universiteiten: - diploma’s academisch gerichte bacheloropleidingen - diploma’s tweede cyclus (licentiaat, tandarts, arts,…) - diploma’s masteropleidingen (zie voorgaande paragraaf).
Figuur 2.1: Universiteiten: diploma’s per type diploma (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)
10.000
8.000
6.000
4.000
2.000
0 1997-1998
1998-1999
1999-2000
2000-2001
n 2de cyclus/master n VAO's (voortgezette academische opleiding) n AILO (academische initiële lerarenopleiding) n Doctoraat
2001-2002
2002-2003
2003-2004
2004-2005
2005-2006
2006-2007
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2
12.000
34
In het academiejaar 2006-2007 hebben de Vlaamse universiteiten
De voorbije vijf academiejaren (2002-2003 t.e.m. 2006-2007)
9.841 tweede cyclusdiploma’s uitgereikt, 3.825 diploma's in
werd het grootste aantal diploma's van de academische initiële
de voortgezette opleidingen, 1.091 doctoraatsdiploma's en
lerarenopleiding toegekend in de studiegebieden Taal- en
1.693 diploma's van een academische initiële lerarenopleiding.
letterkunde (1.658 uitgereikte diploma’s in de beschouwde
Ten opzichte van het academiejaar 1997-1998 betekent dit een
periode), Psychologische en pedagogische wetenschappen
toename van +14,0% voor het aantal tweede cyclusdiploma's,
(1.175), Wetenschappen (971), en Bewegings- en revalidatie-
+39,2% voor het aantal diploma's in de voortgezette academische
wetenschappen (805).
opleidingen, +62,3% voor het aantal doctoraatsdiploma's en +47,7% voor het aantal diploma’s van een academische
Het grootste aantal doctoraten in de periode 2002-2003 tot
initiële lerarenopleiding. De laatste twee academiejaren nam
2006-2007 werd uitgereikt in de studiegebieden Wetenschappen
het aantal uitgereikte tweede cyclusdiploma’s toe, het aantal
(1.273), Toegepaste wetenschappen (855), Geneeskunde (634)
diploma’s in de voortgezette academische opleidingen
en Toegepaste biologische wetenschappen (498). Deze vier
daarentegen nam af. De quasi continue stijging van het aantal
studiegebieden samen hebben 65,8% van het totaal aantal
uitgereikte diploma’s in de lerarenopleiding is stilgevallen in
doctoraten in de voorbije vijf academiejaren afgeleverd. Voor de
het academiejaar 2006-2007 (-97 diploma’s).
meeste studiegebieden werd in de voorbije vijf academiejaren
In het academiejaar 2006-2007 werd het grootste aantal
toename van het aantal doctoraten (in absolute cijfers,
tweede cyclusdiploma's uitgereikt in de studiegebieden
vergelijking uitgereikte diploma’s 2006-2007 ten opzichte van
Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen (1.349),
2002-2003) vindt men terug in de studiegebieden Toegepaste
Economische en toegepaste economische wetenschappen (1.161)
wetenschappen en Geneeskunde.
een stijging van het aantal doctoraten waargenomen. De grootste
en Psychologische en pedagogische wetenschappen (1.144). Bij de tweede cyclusdiploma’s is het aantal vrouwelijke Het aantal uitgereikte diploma’s voortgezette academische
gediplomeerden aanzienlijk groter dan het aantal mannelijke
opleidingen in 2006-2007 was het grootst in de studiegebieden
gediplomeerden. In het academiejaar 2006-2007 werden 58%
Economische en toegepaste economische wetenschappen (840),
van het aantal diploma’s uitgereikt aan vrouwelijke studenten.
de gecombineerde studiegebieden (633), Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen (475), en Politieke en sociale wetenschappen (466).
Figuur 2.2: Universiteiten: tweedecyclusdiploma’s per geslacht (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)
6.000
5.000
4.000
3.000
2.000
1.000
0 1997-1998
n Mannen n Vrouwen
1998-1999
1999-2000
2000-2001
2001-2002
2002-2003
2003-2004
2004-2005
2005-2006
2006-2007
35
Tabel 2.5:
Universiteiten: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2002-2003 t.e.m. 2006-2007)
Diploma
2002-2003 M
V
2003-2004 T
M
V
2004-2005 T
M
V
2005-2006 T
M
V
2006-2007 T
M
V
T
Wijsbegeerte en moraalwetenschappen 2e cyclus/master
96
49
145
88
55
143
98
68
166
106
69
175
91
59
150
vao’s
16
16
32
22
24
46
34
15
49
26
14
40
12
10
22
ailo
18
14
32
26
18
44
24
28
52
32
26
58
25
16
41
doctoraat
12
3
15
10
6
16
19
6
25
25
6
31
17
11
28
48
113
34
38
72
41
27
68
50
23
73
1
31
15
46
29
22
51
32
19
51
Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht 2e cyclus/master vao’s ailo doctoraat
Taal- en letterkunde 2e cyclus/master
79
33
112
65
1
2
3
1
5
17
22
10
14
24
10
11
21
6
20
26
5
13
18
15
2
17
21
2
23
21
4
25
17
2
19
16
4
20
164
404
568
140
417
557
163
419
582
145
429
574
133
391
524
vao’s
45
116
161
28
66
94
41
83
124
42
102
144
43
113
156
ailo
94
242
336
76
246
322
72
248
320
73
291
364
67
249
316
doctoraat
10
18
28
16
21
37
20
18
38
23
14
37
22
23
45 356
Geschiedenis 148
154
302
163
168
331
173
157
330
187
155
342
174
182
vao’s
19
23
42
15
18
33
19
16
35
21
17
38
16
19
35
ailo
45
65
110
45
76
121
42
70
112
66
74
140
54
87
141
9
6
15
12
5
17
6
6
12
12
3
15
11
7
18
2e cyclus/master
doctoraat
Archeologie en kunstwetenschappen 2e cyclus/master
46
141
187
61
149
210
52
141
193
36
144
180
59
121
180
vao’s
10
28
38
6
13
19
11
24
35
8
10
18
3
11
14
ailo
6
29
35
11
34
45
7
31
38
5
27
32
6
43
49
doctoraat
6
4
10
7
5
12
10
9
19
8
7
15
5
2
7
Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen 578
807
1385
531
738
1.269
440
756
1.196
448
795
1.243
522
827
1.349
vao’s
280
236
516
255
301
556
275
298
573
222
302
524
201
274
475
ailo
11
44
55
14
53
67
15
45
60
13
44
57
9
51
60
doctoraat
16
5
21
10
9
19
12
7
19
12
10
22
14
10
24 1.144
Psychologie en pedagogische wetenschappen 203
755
958
169
783
952
146
815
961
165
927
1.092
184
960
vao’s
40
100
140
45
104
149
47
109
156
41
98
139
32
102
134
ailo
29
155
184
24
184
208
20
223
243
11
232
243
25
272
297
18
17
35
27
16
43
28
27
55
20
27
47 1.161
2e cyclus/master
21 21 42 Economische en toegepaste economische wetenschappen
doctoraat
2e cyclus/master
633
552
1.185
598
533
1.131
637
492
1.129
624
502
1.126
652
509
vao’s
648
450
1.098
654
444
1.098
596
364
960
470
322
792
523
317
840
ailo
23
69
92
29
79
108
19
63
82
20
73
93
20
86
106
doctoraat 31 Politieke en sociale wetenschappen
7
38
18
12
30
18
16
34
31
25
56
33
25
58
2e cyclus/master
295
459
754
353
484
837
337
486
823
340
507
847
354
556
910
vao’s
243
294
537
213
340
553
217
264
481
194
308
502
208
253
461
ailo
33
76
109
34
97
131
31
76
107
37
98
135
28
77
105
doctoraat 11 Sociale gezondheidswetenschappen
7
18
16
9
25
19
15
34
27
8
35
13
19
32
2e cyclus/master
29
193
222
41
186
227
26
181
207
18
141
159
15
140
155
vao’s
31
22
53
27
22
49
38
50
88
37
41
78
14
34
48
ailo
6
53
59
7
44
51
2
49
51
2
49
51
7
53
60
1
3
1
1
2
3
1
4
2
1
3
4
2
6 413
doctoraat 2 Bewegings- en revalidatiewetenschappen 122
123
245
148
253
401
158
259
417
163
268
431
171
242
vao’s
42
81
123
15
43
58
17
32
49
15
45
60
15
26
41
ailo
57
83
140
50
92
142
62
100
162
75
106
181
86
94
180
5
5
10
9
2
11
6
5
11
7
11
18
4
13
17
2e cyclus/master
doctoraat
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2
2e cyclus/master
36
Tabel 2.5:
Universiteiten: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2002-2003 t.e.m. 2006-2007) (vervolg)
Diploma
2002-2003
2003-2004
2004-2005
2005-2006
2006-2007
M
V
T
M
V
T
M
V
T
M
V
T
M
V
Wetenschappen 2e cyclus/master
T
465
366
831
530
313
843
448
275
723
441
276
717
500
268
768
vao’s
197
118
315
213
129
342
168
157
325
140
100
240
137
93
230
65
108
173
88
142
230
79
125
204
74
127
201
71
92
163
doctoraat
179
67
246
164
94
258
177
93
270
138
105
243
147
109
256
Toegepaste wetenschappen 2e cyclus/master
519
121
640
488
131
619
508
161
669
612
173
785
553
168
721
vao’s
309
113
422
320
169
489
311
153
464
177
105
282
185
116
301
5
10
15
13
7
20
17
11
28
16
17
33
7
8
15
107
18
125
130
15
145
143
35
178
143
56
199
180
28
208
ailo
ailo doctoraat
Toegepaste biologische wetenschappen 2e cyclus/master
214
185
399
200
196
396
170
209
379
189
167
356
180
189
369
vao’s
111
103
214
133
91
224
135
114
249
121
100
221
101
105
206
5
21
26
15
18
33
14
31
45
15
46
61
15
38
53
45
49
94
67
30
97
66
35
101
66
45
111
57
38
95 674
ailo doctoraat
Geneeskunde 339
494
833
265
432
697
219
360
579
237
381
618
237
437
vao’s
43
59
102
49
49
98
45
73
118
34
64
98
37
53
90
ailo
1
6
7
3
4
7
2
16
18
4
25
29
2
19
21
61
54
115
78
51
129
63
61
124
64
65
129
67
70
137
2e cyclus/master
30
35
65
25
25
50
18
28
46
26
46
72
29
40
69
vao’s
17
26
43
11
11
22
11
19
30
5
12
17
7
11
18
ailo
1
1
2
doctoraat
1
0
1
2
2
1
3
2
2e cyclus/master
doctoraat
Tandheelkunde
Diergeneeskunde 2e cyclus/master
2
2
63
108
171
70
122
192
50
110
160
54
111
165
39
118
vao’s
4
1
5
6
9
15
7
5
12
6
4
10
1
7
8
ailo
3
5
8
1
3
4
1
7
8
3
10
13
4
6
10
11
10
21
10
6
16
8
11
19
9
13
22
12
8
20
2e cyclus/master
60
178
238
37
147
184
34
176
210
41
174
215
47
158
205
vao’s
26
53
79
19
37
56
18
42
60
9
42
51
15
43
58
ailo
1
7
8
11
11
2
13
15
1
13
14
1
10
11
doctoraat
19
14
33
22
18
40
12
24
36
19
17
36
24
22
46
Biomedische wetenschappen 2e cyclus/master
44
183
227
58
205
263
50
225
275
55
211
266
68
206
274
4
2
6
3
3
6
3
1
4
doctoraat
157
Farmaceutische wetenschappen
vao’s ailo doctoraat
1
8
8
8
20
28
2
27
29
2
25
27
2
29
31
1
2
1
3
4
1
4
5
6
9
15
4
16
20
Verkeerskunde 2e cyclus/master vao’s ailo 1
doctoraat
1
Gecombineerde studiegebieden 2e cyclus/master 64
142
206
58
131
189
58
131
189
59
142
201
77
112
189
294
328
622
332
440
772
338
387
725
313
347
660
297
336
633
ailo
7
20
27
7
28
35
7
25
32
7
25
32
3
13
16
doctoraat
6
2
8
2
6
8
6
2
8
2
3
5
2
3
5
2e cyclus/master
4.191
5.482
9.673
4.088
5.516
9.604
3.819
5.487
9.306
3.987
5.645
9.632
4.135
5.706
9.841
vao's
2.376
2.169
4.545
2.364
2.310
4.674
2.363
2.222
4.585
1.913
2.058
3.971
1.882
1.943
3.825
ailo
415
1.033
1.448
461
1.170
1.631
428
1.199
1.627
462
1.328
1.790
437
1.256
1.693
doctoraat
568
294
862
612
312
924
639
368
1.007
642
428
1.070
654
437
1.091
vao’s
Totaal
Gebruikte afkortingen: vao’s: voortgezette academische opleidingen, ailo: academische initiële lerarenopleiding
37
De man-vrouw verhouding bij de uitgereikte tweede cyclus-
wetenschappen (58,6%), Toegepaste biologische wetenschappen
diploma’s verschilt sterk van studiegebied tot studiegebied.
(51,2%), Geneeskunde (64,8%), Tandheelkunde (58,0%) en in
In het academiejaar 2006-2007 was er een sterk vrouwelijk
de gecombineerde studiegebieden (59,3%) studeerden meer
overwicht in de studiegebieden Taal- en letterkunde (74,6%),
vrouwen af in een basisopleiding dan mannen. Een duidelijk
Psychologische en pedagogische wetenschappen (83,9%), Sociale
mannelijk overwicht was er daarentegen in de studiegebieden
gezondheidswetenschappen (90,3%), Diergeneeskunde (75,2%),
Toegepaste wetenschappen (76,7%) en Wetenschappen (65,1%).
Farmaceutische wetenschappen (77,1%) en Biomedische
Ook in de richtingen Wijsbegeerte en moraalwetenschappen
wetenschappen (75,2%). Ook in de studiegebieden Archeologie
(60,7%), Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk
en kunstwetenschappen (67,2%), Geschiedenis (51,1%), Rechten,
recht (68,5%) en Economische en toegepaste economische
notariaat en criminologische wetenschappen (61,3%), Politieke
wetenschappen (56,2%) werd aan meer mannen dan vrouwen
en sociale wetenschappen (61,1%), Bewegings- en revalidatie-
een tweede cyclusdiploma uitgereikt.
Figuur 2.3: Universiteiten: diploma’s voortgezette academische opleidingen per geslacht (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)
2.500
2.000
1.500
1.000
500
0 1997-1998
1998-1999
1999-2000
2000-2001
2001-2002
2002-2003
2003-2004
2004-2005
2005-2006
2006-2007
n Vrouwen
Figuur 2.4: Universiteiten: doctoraatsdiploma’s per geslacht (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)
700 600 500 400 300 200 100 0 1997-1998
n Mannen n Vrouwen
1998-1999
1999-2000
2000-2001
2001-2002
2002-2003
2003-2004
2004-2005
2005-2006
2006-2007
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2
n Mannen
38
Vanaf het academiejaar 2005-2006 werden er voor het eerst
In het academiejaar 2006-2007 hebben de Vlaamse
meer diploma’s van voortgezette academische opleidingen
hogescholen 18.202 diploma’s van eencyclusopleidingen
uitgereikt aan vrouwelijke studenten, namelijk 51,8% tegenover
uitgereikt en 4.754 tweede cyclusdiploma's. Ten opzichte van
48,2% aan mannelijke studenten. De globale afname van het
het academiejaar 1998-1998 betekent dit een toename van
aantal diploma’s in de voortgezette opleidingen heeft zich in
+12,2% voor het aantal diploma’s van de eencyclusopleidingen
het academiejaar 2006-2007 sterker doorgezet bij de
en een stijging van +10,1% voor het aantal tweede cyclus-
vrouwelijke studenten. Hierdoor verkleinde het vrouwelijke
diploma’s van de tweecycliopleidingen. Tijdens de beschouwde
overwicht: 50,8% van het aantal uitgereikte diploma’s ging in
periode schommelde het aandeel van de eencyclusdiploma’s
het academiejaar 2006-2007 naar vrouwelijke studenten.
in het totale aantal uitgereikte diploma’s van hogeschoolopleidingen (basisopleidingen) tussen de 78 en 80%.
Het grootste onevenwicht tussen mannen en vrouwen vindt men nog steeds terug bij het aantal uitgereikte doctoraats-
In het academiejaar 2006-2007 werd het grootste aantal
diploma’s. In de beschouwde periode van 10 jaar is het aantal
eencyclusdiploma's toegekend in de studiegebieden Handels-
doctoraatsdiploma’s uitgereikt aan vrouwen quasi verdubbeld
wetenschappen en Bedrijfskunde (5.548), Onderwijs (4.373)
(+96%). Ondanks deze aanzienlijke toename van het aantal
en Gezondheidszorg (2.693). De voorbije vijf academiejaren
vrouwelijke doctorandi blijft hun aandeel beperkt tot 40%:
werd de grootste toename van het aantal gediplomeerden in
in het academiejaar 2006-2007 reikten de universiteiten
absolute cijfers (vergelijking uitgereikte diploma’s 2006-2007
654 doctoraatsdiploma’s uit aan mannen tegenover 437 aan
t.o.v. 2002-2003) gemeten bij Sociaal-agogisch werk (+598),
vrouwen. In de beschouwde periode nam het aantal mannelijke
Onderwijs (+185) en Biotechniek (+164), terwijl het studie-
doctores toe met 46%.
gebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde (-922) werd geconfronteerd met de sterkste daling van het aantal gediplomeerden.
Figuur 2.5: Hogescholen: diploma’s per type (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)
20.000 18.000 16.000 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0 1997-1998
1998-1999
1999-2000
n Eén cyclus/PBA n Tweede cyclus tweecycliopleidingen
2000-2001
2001-2002
2002-2003
2003-2004
2004-2005
2005-2006
2006-2007
39
Tabel 2.6:
Hogescholen: diploma’s per studiegebied, type diploma en geslacht (periode 2002-2003 t.e.m. 2006-2007)
Academiejaar Studiegebied
2002-2003 M
2003-2004
2004-2005
2005-2006
2006-2007
V
T
M
V
T
M
V
T
M
V
T
M
V
T
180
180
360
169
230
399
189
248
437
202
292
494
181
255
436
Opleidingen van één cyclus/PBA Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst
13
35
48
22
35
57
13
23
36
12
16
28
19
23
42
Biotechniek
169
76
245
150
71
221
179
81
260
195
182
377
196
213
409
Gezondheidszorg
333
2.222
2.555
354
2.203
2.557
352
2.229
2.581
383
2.335
2.718
335
2.358
2.693
Handelswetenschappen en bedrijfskunde
2.982
3.488
6.470
2.940
3.270
6.210
2.805
3.187
5.992
2.638
3.038
5.676
2.647
2.901
5.548
Industriële wetenschappen en technologie
1.750
328
2.078
1.747
281
2.028
1.791
293
2.084
1.835
263
2.098
1.882
296
2.178
Muziek en podiumkunsten
1
8
9
2
4
6
1
8
9
2
9
11
1
5
6
13
1
14
20
1
21
Nautische wetenschappen Onderwijs
929
3.259
4.188
914
3.360
4.274
988
3.390
4.378
945
3.437
4.382
1.001
3.372
4.373
Sociaal-agogisch werk
365
1.533
1.898
353
1.608
1.961
390
1.712
2.102
437
1.873
2.310
458
2.038
2.496
Totaal diploma's één cyclus/PBA
6.722
11.129
17.851
6.651
11.062
17.713
6.708
11.171
17.879
6.662
11.446
18.108
6.740
11.462
18.202
Opleidingen van twee cycli: diploma's tweede cyclus Architectuur
131
128
259
121
172
293
103
137
240
99
160
259
127
199
326
Audiovisuele en beeldende kunst
564
260
362
622
255
322
577
252
314
566
280
327
607
240
324
Biotechniek
49
41
90
51
39
90
38
33
71
45
21
66
38
27
65
Gezondheidszorg
66
136
202
69
139
208
75
140
215
60
80
140
68
93
161
Handelswetenschappen en bedrijfskunde
496
430
926
643
579
1.222
574
514
1.088
555
474
1.029
530
458
988
Industriële wetenschappen en technologie
1.486
348
1.834
1.483
300
1.783
1.387
272
1.659
1.546
260
1.806
1.444
224
1.668
Muziek en podiumkunsten
116
150
266
140
141
281
150
171
321
147
143
290
130
155
285
32
10
42
38
8
46
Nautische wetenschappen 45
26
71
57
25
82
41
34
75
35
21
56
40
12
52
Toegepaste taalkunde
88
397
485
85
360
445
85
364
449
106
395
501
106
436
542
4
9
13
35
50
85
24
33
57
Gecombineerd studiegebied Totaal tweede cyclusdiploma's
2.737
2.018
4.755
2.904
2.077
4.981
2.709
1.988
4.697
2.940
1.941
4.881
2.785
1.969
4.754
Algemeen totaal
9.459
13.147
22.606
9.555
13.139
22.694
9.417
13.159
22.576
9.602
13.387
22.989
9.525
13.431
22.956
De meeste tweede cyclusdiploma's werden in 2006-2007 uitgereikt in de studiegebieden Industriële Wetenschappen en technologie (1.668), Handelswetenschappen en Bedrijfskunde (988), Audiovisuele en Beeldende Kunst (564) en Toegepaste Taalkunde (542). Terwijl het aantal gediplomeerden in de studiegebieden Industriële wetenschappen en technologie (-166) en Audiovisuele en Beeldende Kunst (-58) in de voorbije vijf academiejaren het sterkst gedaald is, kenden de studiegebieden Architectuur (+67), Handelswetenschappen en bedrijfskunde (+62), Toegepaste Taalkunde (+57) en de gecombineerde studiegebieden (+57) de grootste toename van het aantal uitgereikte diploma’s.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2
Produktontwikkeling
40
Figuur 2.6: Hogescholen: eencyclusdiploma’s per geslacht (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)
12.000
10.000
8.000
6.000
4.000
2.000
0 1997-1998
1998-1999
1999-2000
2000-2001
2001-2002
2002-2003
2003-2004
2004-2005
2005-2006
2006-2007
n Mannen n Vrouwen
Figuur 2.7: Hogescholen: tweede cyclusdiploma’s per geslacht (periode 1997-1998 t.e.m. 2006-2007)
3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0 1997-1998
1998-1999
1999-2000
2000-2001
2001-2002
2002-2003
2003-2004
2004-2005
2005-2006
2006-2007
n Mannen n Vrouwen
Bij de eencyclusdiploma's is het aantal vrouwelijke gediplomeerden
Kijkt men naar de man-vrouw verhouding per studiegebied
groter dan het aantal mannelijke gediplomeerden. In het
(tabel 2.6), dan merkt men op dat de Vlaamse hogescholen in
academiejaar 2006-2007 reikten de Vlaamse hogescholen
alle studiegebieden, met uitzondering van het studiegebied
63% van de eencyclusdiploma's (of 11.462) uit aan vrouwelijke
Industriële Wetenschappen en Technologie (en nautische
afgestudeerden, tegenover 37% (of 6.740) aan mannelijke
wetenschappen), meer eencyclusdiploma’s uitreikten aan
afgestudeerden. Bekeken over de periode 1997-2006 is deze
vrouwelijke dan aan mannelijke studenten.
verhouding nagenoeg constant gebleven.
41
In het academiejaar 2006-2007 waren de studiegebieden met
Bij de tweede cyclusdiploma's zijn eveneens verschillen in de
een sterk overwicht van vrouwelijk gediplomeerden de
man-vrouwverhouding tussen de studiegebieden merkbaar.
studiegebieden Onderwijs (77,1%), Sociaal-agogisch Werk
Het verschil tussen het aantal vrouwelijke en het aantal
(81,6%),
en
mannelijke gediplomeerden is vooral groot bij de studie-
Gezondheidszorg
Podiumkunsten
(83,3%).
(87,6%) Het
en
Muziek
Industriële
gebieden Industriële Wetenschappen en Technologie en de
Wetenschappen en Technologie daarentegen telde meer
studiegebied
Toegepaste Taalkunde met respectievelijk 86,6% mannelijke
mannelijke gediplomeerden (86,4%).
en 80,4% vrouwelijke afgestudeerden in 2006-2007.
De tweede cyclusdiploma's (van de tweecycliopleidingen) worden in tegenstelling tot de eencyclusdiploma’s nog steeds
2.4 INTERNATIONALE VERGELIJKING
overwegend aan mannelijke afgestudeerden uitgereikt, hoewel het aantal en het aandeel vrouwelijke gediplomeerden in de
Tabel 2.7 toont de percentages afgestudeerden in het hoger
beschouwde periode licht is toegenomen: van 40,4% in 1997-
onderwijs ten opzichte van de referentiepopulatie op typische
1998 tot 41,4% in 2006-2007 (met een voorlopig maximum
leeftijd van afstuderen voor het academiejaar 2005-2006.
van 42,4% in 2002-2003).
De tabel maakt een onderscheid naar het type programma dat doorlopen werd en naar de opleidingsduur.
Tabel 2.7:
Percentage afgestudeerden hoger onderwijs in verhouding tot de referentiepopulatie op de typische leeftijd van afstuderen, naar type programma en duur – internationale vergelijking (2005-2006)
Type B - tertiair onderwijs
Doctoraat of equivalent
Type A - tertiair onderwijs Totaal
Studieduur 3-4 jaar
Studieduur 5-6 jaar
Studieduur langer dan 6 jaar
Mannen
Vrouwen
M+V
Mannen
Vrouwen
M+V
M+V
M+ V
27,1
28,4
25,9
39,1
30,8
47,5
55,0
45,0
n
1,3
FR3
m
m
m
m
m
m
m
m
m
1,2
SP
14,5
13,0
16,1
32,9
25,5
40,8
45,0
55,0
n
1,0
VK
15,0
9,9
20,0
39,0
33,4
44,8
97,0
3,0
1,0
2,2
D
10,8
8,2
13,4
21,2
20,2
22,2
40,0
60,0
n
2,3
DEN
10,0
10,8
9,1
44,6
33,7
55,7
63,0
37,0
n
1,2
ZW
4,9
4,0
5,8
40,6
28,2
53,6
96,0
4,0
n
2,2
FIN
0,1
0,1
n
47,5
35,5
60,1
59,0
40,0
1,0
2,1
n
n
n
39,4
32,5
46,6
61,0
39,0
n
1,2
POR
8,7
6,5
10,9
32,9
21,5
44,7
33,0
67,0
n
3,3
OOS
7,4
7,1
7,8
21,5
20,2
22,8
29,0
71,0
n
1,9
NED
n
n
n
43,0
38,1
48,1
m
m
m
1,5
IT
m
m
m
m
m
m
m
m
m
1,3
32,5%
24,3%
40,9%
29,4%
25,8%
33,1%
14,9%
12,1%
2,4%
1,3%
9,1
7,9
10,4
37,3
29,8
45,2
64,0
34,0
1,0
1,4
BEL Vl Gemeenschap OES - x
M+V
Typische leeftijd van afstuderen: type B - tertiair onderwijs: 21 jaar type A - tertiair onderwijs: 22-25 jaar Voor de Vlaamse Gemeenschap verwijst de data naar het totale aantal behaalde diploma’s. Deze gegevens kunnen dubbeltellingen bevatten – studenten die meerdere diploma’s behalen worden meerdere malen in de data opgenomen. Afkortingen m data niet beschikbaar n grootte is verwaarloosbaar of nul
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2
M+V IER
42
De programmatypes zijn:
Uit deze tabel blijkt de uitzonderlijke positie van Vlaanderen m.b.t. het percentage diploma’s professioneel gerichte
l
l
l
type B - tertiair onderwijs, wat in Vlaanderen correspondeert
opleidingen en HOSP. Het Vlaamse percentage afgestudeerden
met de professioneel gerichte bacheloropleidingen (en de
van de academisch gerichte opleidingen situeert zich dan weer
eencyclusopleidingen in afbouw) en de HOSP-opleidingen
onder het OESO-landengemiddelde. Dit is ook het geval bij
(Hoger onderwijs voor sociale promotie);
de doctoraten. Deze cijfergegevens moeten evenwel met de
type A - tertiair onderwijs, zijnde de academische gerichte
nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden, de verschillen
opleidingen aan de hogescholen, de universiteiten,
in classificaties tussen de landen spelen hier immers sterk mee.
de Koninklijke Militaire School, de Protestantse Theologische
Globaal genomen kan men op basis van deze cijfers toch
Faculteit Brussel, de Evangelische Faculteit Heverlee en het
stellen dat de jongste generatie twintigers gemiddeld geschoold
Instituut voor Tropische Geneeskunde;
is in internationaal perspectief.
doctoraten of equivalent.
Tabel 2.8:
Procentuele verdeling van de diploma’s in het hoger onderwijs, naar studiedomein en type onderwijs (2004-2005)
Gezondheid en welzijn
Levenswetenschappen, natuurwetenschappen, landbouw
Wiskunde en computerwetenschappen
Humane wetenschappen, kunst en onderwijs
Sociale wetenschappen, economische en handelswetenschappen, recht en diensten
Ingenieurswetenschappen en industriële wetenschappen
onbekend
Vl. Gemeenschap
A B
9,1 26,0
10,0 1,6
5,2 3,0
28,2 32,6
36,1 26,6
11,4 10,2
n n
Denemarken
A B
28,2 2,4
4,8 6,3
4,7 8,3
25,5 4,7
27,1 63,6
9,8 14,7
n n
Duitsland
A B
13,1 49,5
9,8 2,9
7,6 0,5
22,3 7,8
31,3 20,7
15,9 17,2
n 1,3
Finland
A B
19,0 0,7
5,6 n
5,5 n
19,9 13,9
28,8 82,1
21,3 3,3
n n
Frankrijk
A B
8,1 21,4
9,8 0,6
6,1 5,5
18,9 3,8
45,1 47,9
11,9 20,8
n n
Ierland
A B
14,1 6,9
4,8 1,3
5,5 0,5
35,4 24,9
30,8 45,0
9,4 21,5
n n
Italië
A B
14,3 a
6,4 a
2,5 a
23,0 a
38,0 a
15,1 a
0,7 a
Nederland
A B
17,0 n
4,9 n
4,3 n
24,9 n
40,5 n
8,4 n
n n
Portugal
A B
17,7 18,2
7,5 2,7
5,7 6,4
27,4 13,0
30,5 39,1
11,3 20,6
n n
Oostenrijk
A B
8,7 14,5
8,3 n
7,1 n
19,8 32,7
41,6 10,2
14,5 38,1
0,1 n
Spanje
A B
14,6 12,9
7,6 0,6
5,1 11,8
22,9 14,0
35,4 39,0
14,3 21,7
0,1 n
Verenigd Koninkrijk
A B
12,0 39,3
8,7 8,9
7,3 6,7
27,3 20,3
34,7 18,4
8,7 5,2
1,3 1,2
Zweden
A B
25,7 11,5
4,7 4,4
3,8 9,2
23,5 15,3
24,4 42,1
17,9 17,4
n n
België
A B
13,2 21,8
10,4 1,4
4,5 4,1
24,4 31,3
36,5 25,2
10,9 8,2
0,2 8,1
OESO-x
A B
12,7 15,1
7,4 2,3
5,4 5,9
25,3 22,7
36,6 38,2
12,2 14,7
0,4 1,1
Kolom 1 specificeert het type programma - A correspondeert voor Vlaanderen met de academisch gerichte opleidingen (hogescholen, universiteiten, de Koninklijke Militaire School, de Protestantse Theologische Faculteit Brussel, de Evangelische Faculteit Heverlee, het Instituut voor Tropische Geneeskunde), met inbegrip van de doctoraten (ISCED 5A en 6); - B correspondeert met de professionele bacheloropleidingen (en de eencyclusopleidingen in afbouw) en de HOSP-opleidingen (ISCED 5B). Afkortingen a data niet toepasselijk n grootte is verwaarloosbaar of nul
43
Bekijken we in internationaal perspectief de procentuele verdeling
De percentages in tabel 2.8 hangen natuurlijk ook samen met
van de diploma’s hoger onderwijs over de verschillende studie-
de mate waarin deze opleidingsdomeinen in de onderwijstypes
domeinen (tabel 2.8), dan vallen de volgende elementen op:
(type A - tertiair onderwijs versus type B - tertiair onderwijs) worden aangeboden (zie ook tabel 2.7). Terwijl bijvoorbeeld in
l
voor wat betreft de academisch gerichte opleidingen (met
Vlaanderen de meeste studenten een lerarenopleiding volgen
inbegrip van de doctoraten) – categorie A – bevindt
in een professioneel gerichte bacheloropleiding aan een
Vlaanderen zich meestal in de buurt van het OESO-
hogeschool, situeert de lerarenopleiding zich in een aantal
landengemiddelde;
andere landen enkel op het niveau van het universitair onderwijs.
l
bij de professioneel gerichte opleidingen (categorie B) ligt in Vlaanderen het aandeel van de diploma’s in de
Figuur 2.8 geeft internationaal het percentage diploma’s in
studiedomeinen ‘Gezondheid en welzijn’ en ‘Humane
wiskunde, wetenschappen en technologie ten opzichte van
wetenschappen, kunsten en onderwijs’ veel hoger dan het
alle diploma’s in het hoger onderwijs. Het gaat hier steeds
OESO-gemiddelde. Het aandeel van het studiedomein
om alle opleidingen in het hoger onderwijs samen, zowel
‘Sociale
handels-
niet-universitair als universitair, en zowel basisopleidingen als
wetenschappen, recht en diensten’ in het aantal uitgereikte
voortgezette opleidingen en doctoraten. Denemarken, België
diploma’s is daarentegen aanzienlijk lager dan het OESO-
en Nederland zitten in de staart van het Europese peloton wat
gemiddelde.
het aandeel van deze diploma’s in wiskunde, wetenschappen
wetenschappen,
economische
en
en technologie ten opzichte van alle diploma’s hoger onderwijs betreft. Het percentage voor Vlaanderen ligt iets hoger dan voor België als geheel.
Figuur 2.8: Percentage diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs ten opzichte van alle diploma’s in het hoger onderwijs (evolutie 2001 – 2005)
26,2% 15,5% 16,3% 15,9%
Vl. Gem
17,1% 19,0%
20,5% 20,5% 19,6%
DEN
18,9% 19,3% 17,0%
22,2% 19,8% 18,9%
22,3%
21,6%
24,4% 24,1%
26,8% 28,1% 27,2%
25,9% 26,4% 27,2% 21,8%
30,5%
27,3% 25,8%
27,5% 28,4% 30,6%
OOS
29,5%
29,9% 29,4% 26,9%
32,1% 30,5% 26,6%
FR
20%
10%
0% IER
n 2001 n 2003 n 2005
ZW
FIN
VK
D
SP
EU25-x
IT
BEL
POR
NED
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 2
30%
31,9% 29,9% 28,2%
40%
44
2.5 BESLUIT In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de kwantificatie en de stratificatie van de Vlaamse studentenbevolking. Kenmerkend zijn de hoge participatiegraad van de Vlaamse achttienjarigen aan het hoger onderwijs en de sterke vervrouwelijking van het academisch onderwijs en van de eencyclusopleidingen. De laatste academiejaren kent het hoger onderwijs een toename van het aantal generatiestudenten. Dit is zowel het geval voor de professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen (de vroegere eencylusopleidingen) als voor de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen en de universiteiten. Ook het aantal uitgereikte diploma's – zowel aan de hogescholen als aan de universiteiten – kent een toename. Een mogelijke impact van de recente hervormingen in het hoger onderwijs – de invoering van de bachelor-masterstructuur, de flexibilisering, het nieuwe financieringsdecreet – op de instroom, de doorstroom en de uitstroom, zal pas binnen enkele jaren zichtbaar zijn.
45
ONDERZOEKSCARRIÈRES IN VLAANDEREN: INSTROOM, D O O R ST R O O M E N U I TST R O O M VA N D O C TO R A ATS O N D E R ZO E K
Door Hannelore De Grande (UGent), Caroline Hoedemakers (UGent), Svetlana Jidkova (UGent), Annik Leyman (UGent), Gert Van der Goten (UGent), Karen Vandevelde (UGent) en Ronan Van Rossem (UGent)
03
46
De aanwezigheid van goed opgeleid onderzoekspotentieel is
Deze instroom in onderzoeksfuncties verschilt van discipline tot
een belangrijke indicator van de economische dynamiek en
discipline. Het aantal afgeleverde doctoraten moet uiteraard
innovatiekansen voor de toekomst. De investering in de
ook gezien worden als een functie van het potentieel aantal
opleiding van nieuwe onderzoekers is al een tiental jaar een
doctorandi, d.w.z, van het aantal afgestudeerden in de 2de
prioriteit van het Vlaamse wetenschapsbeleid – een investering
cyclus binnen hetzelfde studiegebied. In figuur 3.2 wordt
die ook vruchten afwerpt. Zowel op het niveau van instroom,
de ratio van het aantal doctoraten tegenover het aantal 2de
doorstroom als uitstroom van onderzoekscarrières vonden heel
cyclus diploma’s ook per studiegebied weergegeven voor het
wat verschuivingen plaats die deze nieuwe dynamiek en
academiejaar 2006-2007. De Science and Technology richtingen
ontplooiingskansen voor jonge onderzoekers bevestigen.
waar het grootste innovatiepotentieel wordt verwacht, voorzien ook de grootste doorstroming naar onderzoekscarrières. In de exacte, toegepaste en landbouwwetenschappen is de
3.1 ONDERZOEKSPOTENTIEEL
ratio doctoraten/2de cyclus diploma’s immers meer dan 25%.
Het aantal afgestudeerden op masterniveau dat instroomt
De toename in de instroom van doctoraatsonderzoek hangt
naar een positie als junior onderzoeker, is sterk toegenomen.
nauw samen met de toename in financiering voor doctoraats-
In figuur 3.1 wordt het stijgend aantal doctoraten afgezet
onderzoek. De invoering van de fiscaal vrijgestelde beurzen
tegenover het stijgend aantal afgestudeerden met een 2de
voor doctoraatsonderzoek en de extra investeringen vanuit
cyclus-diploma. Aangezien hier geen rekening is gehouden
het Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door
met de tijd die het vraagt om een doctoraat te behalen, wordt
Wetenschap en Technologie in Vlaanderen (IWT) en het Fonds
het percentage afgestudeerden dat werkelijk doorstroomt naar
voor Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (FWO) voor
een onderzoekspositie als doctorandus nog onderschat.
doctoraatsonderzoek, zorgden voor een bijzonder sterke
Deze figuur illustreert dat de stijging van het aantal doctoraten
toename in aanstellingen als “bursaal”. Het aantal assistenten
een vlucht nam rond de eeuwwisseling, en dat de trendbreuk
aangesteld door de universiteit om deeltijds lessen te
in feite reeds begonnen is in het midden van de jaren 90.
ondersteunen en deeltijds doctoraatsonderzoek te verrichten,
Deze cijfers bevestigen de evolutie die reeds kon worden
bleef zo goed als ongewijzigd in de laatste 15 jaar (figuur 3.3).
waargenomen in de VRWB-studie over de doctoraatsproductie in Vlaanderen van 2006.
Figuur 3.1: Ratio doctoraten – tweedecyclusdiploma’s aan Vlaamse universiteiten (Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams Onderwijs)
14%
12% 10,8%
11,1%
11,1%
20042005
20052006
20062007
9,6%
10%
8,9% 8,1%
8%
6,9%
6,9%
19911992
19921993
8,4% 7,8%
7,8%
7,7%
7,3%
7,2% 6,7%
6,6%
6%
4%
2%
0% 19931994
19941995
19951996
19961997
19971998
19981999
19992000
20002001
20012002
20022003
20032004
47
Figuur 3.2: Ratio doctoraten – tweedecyclusdiploma’s naar studiegebied (bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs, 2007-2008 – gegevens 2006-2007)
Wetenschappen Toegepaste wetenschappen Toegepaste biologische wetenschappen Farmaceutische wetenschappen Geneeskunde, tandheelkunde en sociale gezondheidswetenschappen Diergeneeskunde Geschiedenis, kunsten, letteren en wijsbegeerte Biomedische wetenschappen Economische en toegepaste economische wetenschappen Psychologie en pedagogische wetenschappen Bewegings- en revalidatiewetenschappen Politieke en sociale wetenschappen Gecombineerde studiegebieden (afbouw B&V) Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen 0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
Figuur 3.3: Personeelsaanstellingen aan Vlaamse universiteiten in juniorcategorieën (gegevens voor sommige jaargangen niet beschikbaar) (bron: VLIR-personeelsstatistieken)
8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 1992
1993
1994
1995
1996
n Assisterend academisch personeel
1997
1998
1999
2000
n Wetenschappelijk personeel
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
n Bursalen (incl. FWO-, IWT- en BOF-mandaathouders)
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 3
9.000
48
Figuur 3.4: Verhouding doctoraatsstudenten in Wetenschap en Technologie ten opzichte van de totale bevolking tussen 20 en 29 jaar, 2006 (Bron: Eurostat 2008. Cijfers ontbreken voor Nederland, Luxemburg en Griekenland)
3
2,5
2
1,5
1
0,5
n Mannen
Malta
Turkey
Iceland
Croatia
Cyprus
Latvia
Poland
Slovenia
Hungary
Romania
Italy
Bulgaria
Lithuania
BELGIUM
Spain
Denmark
Ireland
France
Norway
Portugal
Estonia
Slovakia
Austria
United Kingdom
Czech Republic
Switzerland
Sweden
Finland
0
n Vrouwen
Figuur 3.5: Aantal doctoraten uitgereikt aan Vlaamse universiteiten, per academiejaar (Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs)
1.200
1.000
800
600
400
200
0 19911992
19921993
n Mannen
19931994
19941995
19951996
19961997
19971998
19981999
19992000
20002001
20012002
20022003
20032004
20042005
20052006
20062007
n Vrouwen
In vergelijking met andere Europese landen moet het succes
3.2 DOCTORAATSPRODUCTIE
van deze investering in onderzoekspotentieel toch worden genuanceerd. In verhouding tot het totaal aantal inwoners in de
Een versterking van de instroom in doctoraatsonderzoek in
leeftijdscategorie 20-29 jaar, is BelgiĂŤ geen koploper voor wat
Vlaanderen wierp wel vruchten af in het aantal afgewerkte doctoraten.
het aantal doctoraatsstudenten in wetenschap en technologie
Zoals figuur 3.5 aangeeft, is het aantal doctoraten uitgereikt aan
betreft (figuur 3.4).
Vlaamse universiteiten in vijftien jaar tijd meer dan verdubbeld.
49
Figuur 3.6: Aandeel van drie grote wetenschapsgebieden in de doctoraatsproductie in Vlaanderen in de periode 1992-2008, per academiejaar. (Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs)
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 19911992
19921993
19931994
19941995
n Humane/sociale wetenschappen
19951996
19961997
19971998
19981999
19992000
n Exacte/toegepaste wetenschappen
20002001
20012002
20022003
20032004
20042005
20052006
20062007
n Medische wetenschappen
De stijging heeft zich vooral ingezet na het academiejaar 1999-
Kijken we met een meer verfijnde loep naar het aantal uitgereikte
2000. Aangezien het gemiddeld ruim vijf jaar duurt alvorens
doctoraten per wetenschapsgebied voor het academiejaar 2006-
doctoraatsonderzoek wordt bekroond met een doctoraats-
2007, dan zien we dat de Science and Technology domeinen, nl.
diploma, is deze stijging voor het grootste deel te danken aan
de wetenschappen, toegepaste wetenschappen en biomedische
de investeringsimpuls die begon midden de jaren ’90.
wetenschappen samen nog steeds de meerderheid van de
Het aandeel vrouwelijke doctors is in de periode 1992-2007
wetenschapsdisciplines waar de mogelijkheden tot economische
gestegen van 23% naar 40%, maar de mannelijke doctoraat-
valorisatie van kennis op de arbeidsmarkt het hoogst worden geacht.
doctoraatsdiploma’s afleveren (figuur 3.7). Dit zijn ook de
aandeel van 60% in de behaalde doctoraten (zie figuur 3.5). Figuur 3.6 geeft aan dat het aantal doctoraten steeg in alle
3.3 ACADEMISCHE CARRIÈRES
onderzoeksdisciplines, maar niet evenredig in elk van hen. De medische wetenschapsgebieden verdubbelden hun aandeel
Meer afgestudeerden met een doctoraat betekent ook een
in de totale doctoraatsproductie (van 11 naar 22%) midden de
wijziging in de verhouding tussen junior en senior onderzoekers.
jaren ’90, en behielden min of meer dit aandeel. Het aantal
Hoewel het aantal postdoctorale aanstellingen sterk toenam,
doctoraten in de exacte en toegepaste wetenschappen – lange tijd
bleven de aantallen relatief klein, terwijl het aantal plaatsen
de meest dominante studiegebieden voor doctoraatsonderzoek –
voor onderzoekers met een vaste aanstelling (ZAP-kader) zo
groeide iets minder snel. Het aandeel van deze wetenschaps-
goed als ongewijzigd bleef (figuur 3.8). Het effect daarvan is
gebieden verminderde aldus van 65% naar 51%. Het aandeel
tweevoudig. Enerzijds is de druk op professoren toegenomen
van de humane wetenschappen in de doctoraatsproductie
om steeds meer doctorandi te begeleiden: vandaag zijn er
steeg in deze periode in beperkte mate.
gemiddeld ongeveer drie junior onderzoekers per ZAP-lid, terwijl dat in 1992 slechts 1,3 was. Anderzijds is het uitzicht op een academische carrière steeds kleiner geworden voor de nieuwe generatie afgestudeerden met een doctoraat.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 3
houders blijven duidelijk in de meerderheid met een huidig
50
Figuur 3.7:
Aantal doctoraten uitgereikt in 2006-2007, uitgesplitst naar 13 studiedomeinen (Bron: Statistisch Jaarboek van het Vlaams onderwijs, 2007-2008)
2%
2% 2%
2%
n Wetenschappen
3%
n Ingenieurswetenschappen
24%
n Geneeskunde en gezondheidswetenschappen
4%
n Bio-ingenieurswetenschappen
4%
n Letteren en wijsbegeerte 5%
n Economie en bedrijfskunde n Psychologie en pedagogische wetenschappen n Farmaceutische wetenschappen
9%
19%
n Politieke en sociale wetenschappen n Rechtsgeleerdheid n Bewegings- en revalidatiewetenschappen
9%
n Diergeneeskunde n Godgeleerdheid en kerkelijk recht
15%
Figuur 3.8: Evolutie van aanstellingen in predoctorale en postdoctorale statuten enerzijds en het ZAP-kader anderzijds aan de Vlaamse universiteiten (Bron: VLIR-personeelsstatistieken)
9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 1992
n Predoc
1994
n ZAP
1996
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
n Postdoc
3.4 ANDERE ONDERZOEKSCARRIÈRES
Het onderzoeksteam van SOOI-Gent onderzocht ook of de huidige generatie doctorandi er een even brede visie op nahoudt
Een eenzijdige focus op academische carrières was echter niet de
voor wat de eigen carrièremogelijkheden betreft. Een survey
opzet van de overheidsinvestering in doctoraatsonderzoek. Nieuwe
uitgevoerd bij meer dan 2000 doctorandi aan Vlaamse
doctores worden veel meer dan vroeger verwacht hun onderzoeks-
universiteiten peilde naar de geprefereerde tewerkstellings-
ervaring te kunnen valoriseren op de arbeidsmarkt, en hun carrières
sectoren van de jongste generatie onderzoekers.
over de landsgrenzen en sectorgrenzen heen uit te bouwen.
51
Tabel 3.1:
Percentage respondenten dat de betreffende sector zijn eerste, tweede of derde voorkeur gaf, in een rangschikking van 1 tot 8 van de sectoren waar ze in de toekomst het liefst tewerkgesteld wilden zijn (Bron: Survey of Junior Researchers, 2008)
Universiteit Overheidssector Niet-universitaire onderwijsinstelling Non-profit sector Nijverheidssector Dienstverlenende sector Vrije beroepen Primaire sector
Tabel 3.2:
Humane wetenschappen 87,9% 62,7% 60,8%
Sociale en gedragswetenschappen 81,7% 58,5% 53,9%
26,8%
39,0%
22,8%
16,9%
49,7%
31,5%
3,3%
6,9%
34,3%
51,1%
21,6%
24,6%
18,3%
26,6%
24,3%
32,1%
14,6%
23,2%
24,5%
15,1%
16,1%
20,4%
27,0%
20,3%
2,0%
2,8%
9,1%
12,6%
6,2%
6,8%
Exacte wetenschappen 79,8% 54,1% 46,7%
Toegepaste wetenschappen 73,3% 55,1% 36,5%
Biomedische wetenschappen 81,5% 45,1% 45,1%
Totaal 80,5% 54,4% 47,9%
Verdeling van de doctorandi naar sectoren waarmee wordt samengewerkt tijdens het doctoraatsonderzoek (Bron: Survey of Junior Researchers, 2008)
Andere universiteiten Overheidssector Non-profit sector Niet-universitaire onderwijsinstellingen Nijverheidssector Dienstverlenende sector Vrije beroepen Primaire sector
Humane wetenschappen 43,5% 25,6% 14,6% 13,3%
Sociale en gedragswetenschappen 41,7% 32,7% 23,0% 15,1%
Exacte wetenschappen 53,8% 14,5% 6,5% 11,1%
Toegepaste wetenschappen 51,2% 23,3% 7,4% 13,2%
Biomedische wetenschappen 46,9% 16,9% 30,6% 11,5%
Totaal 47,9% 21,8% 16,5% 12,7%
2,6%
3,4%
9,3%
24,8%
5,4%
9,1%
4,2%
9,2%
4,3%
8,1%
2,6%
5,6%
3,2%
3,4%
1,1%
1,7%
6,2%
3,1%
0,0%
0,7%
2,2%
8,8%
3,2%
3,0%
Jonge onderzoekers werken vooral samen met andere
op in zijn top-3 van voorkeurssectoren voor een latere carrière.
universiteiten tijdens hun doctoraatsonderzoek, maar voor een
Deze voorkeur is sterker in de humane wetenschappen dan in de
belangrijk deel ook met de overheidssector (vooral in de sociale
andere wetenschapsdomeinen. Daarnaast zijn ook niet-universitaire
en gedragswetenschappen) en de non-profitsector (vooral in
onderwijsinstellingen en de overheidssector vrij populair.
de biomedische wetenschappen). Ongeveer een derde van de doctorandi in de toegepaste wetenschappen werkt samen
De nijverheidssector blijkt vooral voor onderzoekers uit de
met stakeholders in de nijverheidssector en/of de primaire
toegepaste wetenschappen (51%) en exacte wetenschappen
sector. In hetzelfde onderzoek werd ook gepeild naar het type
(34%) een aantrekkelijke werkgever te zijn. Interesse voor
samenwerking. Uit de resultaten bleek dat kennisuitwisseling
het uitoefenen van een vrij beroep is vooral sterk aanwezig
en dataverzameling de meest voorkomende samenwerkings-
in de humane en biomedische wetenschappen – een niet
vormen zijn.
onverwacht toekomstplan voor bijvoorbeeld juristen en geneeskundigen. Werken in de primaire sector spreekt
Via internationale mobiliteitservaringen versterken jonge
doctorandi in alle onderzoeksdomeinen het minste aan.
onderzoekers hun academisch profiel en ervaren ze nieuwe impulsen voor hun onderzoek. De mobiliteit van onderzoekers is
Dezelfde survey peilde ook naar de mate waarin jonge
reeds een aantal jaren een prioriteit van de Europese Commissie,
onderzoekers reeds tijdens de voorbereiding van hun
maar de meeste cijfers – voor zoverre al beschikbaar – wijzen
doctoraatsproefschrift samenwerken met andere sectoren,
alsnog niet op grote verschuivingen op dit vlak. Nauwelijks
aangezien dit een voorafspiegeling kan zijn van hun interesse
meer dan één op de tien jonge onderzoekers heeft reeds een
enerzijds en competenties anderzijds om later ook binnen deze
mobiliteitservaring van meer dan 1 maand voor onderzoek achter
sectoren te gaan werken (tabel 3.2).
de rug op het ogenblik van de bevraging.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 3
Meer dan driekwart van deze onderzoekers neemt de universiteit
52
Tabel 3.3:
Internationale mobiliteit van minimum
Over de carrières van onderzoekers met een doctoraats-
één maand bij jonge onderzoekers,
diploma zijn voorlopig geen Vlaamse, maar wel Belgische
uitgesplitst naar grote wetenschapsgebieden
cijfers beschikbaar uit de Careers of Doctorate Holders enquête,
(Bron: Survey of Junior Researchers, 2008)
uitgevoerd in 2005.
Onderzoeksverblijf in het buitenland 16,0% 15,4% 14,7% 10,6% 8,8% 12,9%
Toegepaste Wetenschappen Exacte Wetenschappen Humane wetenschappen Sociale en Gedragswetenschappen Biomedische Wetenschappen Totaal
Deze bevraging, zowel gericht naar recente afgestudeerden met een doctoraatsdiploma als naar de doctoraathouders van de oudere generatie, toont het hoger onderwijs nog als de sterkste afzetmarkt voor houders van een doctoraatsdiploma. De bedrijfswereld en overheidssector volgen in de lijst van belangrijke tewerkstellingssectoren voor doctores. In de komende jaren wordt deze bevraging ook in andere OESO-
Toch geeft volgens ditzelfde onderzoek bijna 65% van de
landen uitgevoerd, hetgeen op dat moment ook een
onderzoekers aan in de toekomst graag naar het buitenland te
internationale vergelijking zal toelaten.
willen voor hun (doctoraats)onderzoek. Tussen de bereidheid om internationale mobiliteitservaringen uit te bouwen en de
De huidige investeringen in het onderzoekspotentieel aan de
praktische uitvoering ervan, staan vermoedelijk nog een aantal
universiteiten zullen in de komende jaren echter ook een
obstakels in de weg.
weerslag vinden op de arbeidsmarkt. Verdere monitoring van nabij zal nodig zijn om na te gaan of deze investeringen ook de verwachte resultaten zullen oogsten op het terrein van de Europese en Vlaamse innovatiedoelstellingen.
Figuur 3.9: Verdeling houders van een doctoraatsdiploma over de verschillende sectoren (Bron: CDH-enquête, België, 2005)
Humane wetenschappen Sociale wetenschappen Landbouwwetenschappen Medische wetenschappen Engineering & technologie Natuurwetenschappen
0
20
40
n Bedrijfswereld n Overheid n Internationale organisatie n Secundair onderwijs n Hoger onderwijs n Private non-profit (vzw, internationale vereniging,...) n Zelfstandig n Andere
60
80
100
53
O & O - AC T I V I T E I T E N VA N DE VLAAMSE BEDRIJVEN
Door Petra Andries (K.U.Leuven), Anneleen Bruylant ( K.U.Leuven), Dirk Czarnitzki (K.U.Leuven), Machteld Hoskens (K.U.Leuven), Susanne Thorwarth (K.U.Leuven) en Annelies Wastyn ( K.U.Leuven)
04
54
4.1 INLEIDING
Vervolgens komt het O&O-personeel van deze bedrijven aan bod, met dezelfde opsplitsing. De grootste O&O-spelers in
Het stimuleren van O&O en innovatie neemt een centrale
Vlaanderen zijn vaak grote bedrijven. Toch zijn er ook heel wat
plaats in in het Vlaamse overheidsbeleid. Vlaanderen heeft zich
kleinere bedrijven die in termen van absolute grootte van
in 2003 in het Innovatiepact geschaard achter de Europese
budgetten en personeel minder O&O-actief zijn dan de grote
Lissabon-strategie en de Barcelona-doelstelling om de O&O-
spelers, maar relatief tegenover hun eigen activiteiten zeer
uitgaven te verhogen tot 3% van het BBPR (Bruto Binnenlands
intens betrokken zijn bij O&O-activiteiten. Daarom bespreken
Product van de Regio). De ambitie deze norm te behalen
we ook de O&O-intensiteit.
werd herbevestigd bij de ondertekening van het Pact 2020 op 20 januari 2009 in Hasselt. Dit houdt een formeel engagement
In een volgende sectie worden de totale O&O-cijfers gegeven,
in van alle betrokken actoren in het Vlaamse innovatielandschap
voor de hele populatie van bedrijven actief in Vlaanderen.
(overheid, bedrijfsleven, universiteiten en onderzoeksinstellingen)
Hier wordt ook de link naar het verleden gelegd. Daarna wordt
om door gezamenlijke en complementaire inspanningen tegen
de verhouding van de totale O&O-uitgaven van de Vlaamse
2014 de 3%-norm te halen. Het implementeren van de 3%-norm
bedrijven versus het Vlaamse Bruto Binnenlands Product
impliceert in eerste instantie dat goede O&O-gegevens
berekend. In deze sectie worden enkel de intra-muros O&O-
beschikbaar moeten zijn op Vlaams niveau.
uitgaven besproken, aangezien deze cijfers de basis vormen voor de Vlaamse BERD-cijfers. De cijfers voor O&O-personeel
De bedoeling van dit hoofdstuk is een inzicht te geven in de
worden in meer detail besproken in hoofdstuk 6 van dit
O&O-cijfers die verzameld werden met de meest recente
Indicatorenboek.
O&O-enquête bij de Vlaamse bedrijven en in de trends ten opzichte van de historische O&O-cijfers.
In een laatste sectie worden de belangrijkste conclusies van dit hoofdstuk betreffende de O&O-enquête van 2008 bij de
Belangrijk om op te merken is dat de hier gerapporteerde
Vlaamse bedrijven kort samengevat.
bedragen nog niet de volledige BERD-reeks van 2006 en 2007 weergeven (BERD: Business Expenditures on Research & Development). Immers, conform de afspraken inzake de
4.2 METHODOLOGIE
gehanteerde methodologie, moeten ook de O&O-uitgaven van de collectieve onderzoekscentra nog in rekening gebracht
De O&O-cijfers zijn gebaseerd op enquêtes bij bedrijven over
worden bij de berekening van de totale BERD voor Vlaanderen.
hun O&O-activiteiten in Vlaanderen. Voor deze oefening wordt
In een later hoofdstuk worden deze cijfers samengebracht tot
zo dicht mogelijk aangesloten bij de internationale standaarden
de volledige BERD-reeks. In dit hoofdstuk wordt enkel de
en de nationale implementatie hiervan. In de federale
bedrijvencomponent van de BERD besproken.
overleggroep CFS-STAT worden methodologische afspraken rond de O&O-statistieken voor België gemaakt. De daar
Vooreerst worden de methodologische aspecten van de O&O-
gemaakte afspraken liggen aan de basis van de O&O-cijfers die
enquête toegelicht. Daarna volgt een sectie volledig gewijd
in dit hoofdstuk gepresenteerd en gerapporteerd worden.
aan het cijfermateriaal dat verzameld werd. We concentreren ons hierbij enkel op de kernvariabelen, O&O-uitgaven en
4.2.1 Populatie
O&O-personeel. Ook voor de O&O-enquête van 2008 werd gewerkt met Eerst worden totale O&O-cijfers gegeven voor de inventaris
een inventaris van bedrijven waarvan geweten is of toch sterk
van O&O-actieve bedrijven, zowel voor O&O-uitgaven als
vermoed wordt dat ze aan O&O doen. De keuze voor deze
voor O&O-personeel. Vervolgens worden de intramurale O&O-
inventarisatieopzet is te relateren aan de scheve verdeling van
uitgaven van deze bedrijven van naderbij bekeken, opgesplitst
het O&O-gebeuren in Vlaanderen. Met deze methode worden
per sector en per grootteklasse. Zoals zal blijken, is het
de O&O-inspanningen van de grote ondernemingen en de
O&O-gebeuren in Vlaanderen sterk geconcentreerd bij een
bedrijven die als onderzoeksintensief bekend staan, geregistreerd,
beperkt aantal bedrijven. Er wordt dan ook aandacht besteed
en, zoals ook uit dit rapport zal blijken, zijn net zij verantwoordelijk
aan de O&O-concentratie.
voor een overgrote meerderheid van de O&O-uitgaven.
55
In de inventaris (of het repertorium) zitten twee groepen: de
Het totale bedrag voor Vlaanderen bestaat uit het totale
permanente inventaris (verder aangeduid als P) en de occasionele
O&O-bedrag van het repertorium (zowel P- als O-groep),
inventaris (verder aangeduid als O). Alleen bedrijven die voldoen
opgehoogd met een schatting voor bedrijven buiten dit
aan de P-criteria kunnen tot de P-groep behoren. Deze P-criteria
repertorium om eventuele ontbrekende gegevens op te vangen.
zijn de volgende:
Voorbeelden van ontbrekende gegevens buiten het repertorium zijn nieuwe bedrijven, verschuivingen van uitgaven in
l
l
l
bedrijven die in de O&O-enquête van 2008 geantwoord
bestaande bedrijven over de Vlaamse grenzen, opstarten van
hebben dat ze permanent aan O&O doen;
O&O in bestaande bedrijven, .... Voor de schatting van het
bedrijven die in de CIS 2007
1
geantwoord hebben
aandeel van deze bedrijven buiten het repertorium van
permanent aan O&O te doen;
gekende O&O-spelers werd gewerkt met een gestratificeerde
bedrijven uit de vorige P-inventaris die niet geantwoord
steekproef van 1.947 bedrijven uit een totale populatie van
hebben op de O&O-enquête van 2008, maar waarvan uit
12.422 bedrijven die (nog) niet behoorden tot het repertorium
andere bronnen geweten is of toch sterk vermoed wordt
en die 10 of meer werknemers hadden en vielen in de NACE-
dat ze permanente O&O-activiteiten hebben.
sectoren 05-46, 49-53, 58-66, 69-74, 78-822.
Daarnaast is er de occasionele inventaris, die deels wordt
4.2.2 Definities
aangehouden als een sluis om tot de permanente inventaris te komen. De groep van bedrijven met occasionele O&O-status
De definities van interne en externe O&O-activiteiten werden
bevat immers ook bedrijven die mogelijk aan O&O doen met
niet gewijzigd tegenover de vorige enquêtes en zijn de
een permanent karakter, maar die daarover nog geen uitsluitsel
toepassing van de Frascati Manual. Ze worden kort opgesomd
gegeven hebben, d.w.z. bedrijven die nog geen O&O-enquête
in bijlage 1.
invulden in het verleden of bedrijven die meldden dat zij op occasionele (= onregelmatige) wijze aan O&O doen.
4.2.3 Schattingen: inter- en extrapolatie
Het afzonderen van de O-inventaris is belangrijk voor de extrapolatie-oefening (cf. infra). Voorbeelden van criteria
De totale O&O-uitgaven bij Vlaamse bedrijven, alsmede het
waarop bedrijven geselecteerd werden om in de O-inventaris
corresponderende
opgenomen te worden, zijn:
bevatten de volgende componenten:
l
A) gerapporteerde en -waar nodig- gecorrigeerde O&O-
O&O-enquête verklaard hebben occasioneel O&O-
budgetten en O&O-personeel van de bedrijven die
niet-gerepertorieerde bedrijven die bij de CIS 2007
de niet antwoordende bedrijven uit de P-inventaris met
niet-gerepertorieerde bedrijven die geïdentificeerd zijn als
historische observaties;
bedrijven die subsidies en openbare O&O-contracten genieten
C) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor
(lijsten afkomstig van de Gewesten) alsook belastingvrijstellingen
de niet antwoordende bedrijven uit de P-inventaris zonder
niet-gerepertorieerde bedrijven die in 2006 of 2007 in België octrooien bekomen hebben;
l
geantwoord hebben; B) geïnterpoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor
verklaard hebben occasioneel aan O&O te doen;
voor bijkomend aan onderzoek toegewezen personeel; l
O&O-personeelsleden
bedrijven die in de O&O-enquête van 2008 of in de vorige activiteiten te verrichten;
l
aantal
niet-gerepertorieerde bedrijven die op andere lijsten voorkomen, zoals bv. spin-offs, of die door welke bron
bruikbare historische observaties; D) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor de niet antwoordende bedrijven uit de O-inventaris; E) geëxtrapoleerde O&O-budgetten en O&O-personeel voor de niet antwoordende bedrijven buiten de inventaris.
ook (media, ...) werden geïdentificeerd als bedrijven die O&O verrichten.
1 De Community Innovation Survey (CIS) is een enquête die momenteel tweejaarlijks wordt uitgevoerd bij alle EU-lidstaten en die peilt naar de innovatieactiviteiten bij de bedrijven. De CIS 2007 werd uitgevoerd in 2007 en bevraagt de periode 2004-2006. 2 In de O&O-enquête van 2008 werd de NACE-BEL-2008-codering gevolgd, die conform is aan de herziene Europese classificatie van economische activiteiten, NACE Rev. 2. Meer informatie hierover is te vinden in publicaties van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie op www.statbel.fgov.be/figures/nacebel2008_nl.asp.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4
l
totale
56
In bijlage 2 worden de belangrijkste etappes van de
4.3.2 Totale O&O-cijfers
gegevensverzameling en schattingen van de O&O-enquête De totale O&O-cijfers bevatten zowel de geobserveerde
2008 kort weergegeven.
gegevens als de inter- en extrapolaties voor de bedrijven in de permanente en occasionele inventaris. Omdat schattingen in se
4.3 RESULTATEN VOOR DE INVENTARIS
altijd onzeker zijn, werden verschillende scenario’s gevolgd, vooral met betrekking tot de extrapolaties, toch de meest gevoelige component. De verschillen in de resultaten van deze
4.3.1 Responsgraad
scenario’s voor de geëxtrapoleerde gegevens, tonen aan hoe Een hoge responsgraad is zeer belangrijk voor de
gevoelig deze schattingen zijn en legitimeren de keuze voor
betrouwbaarheid van de cijfers. De uiteindelijke responsgraad
deze sensitiviteitsanalyse.
van de bedrijven in het repertorium van O&O-actieve bedrijven in de O&O-enquête van 2008 bedraagt 45%: 1.113 van de
4.3.2.1
2.464 ondernemingen in dit repertorium hebben geantwoord.
De totale intramurale O&O-uitgaven binnen het repertorium
In de volgende tabellen wordt een overzicht gegeven van de De verwachte concentratie van de O&O-budgetten bij een
totale intramurale uitgaven van de bedrijven in het repertorium
beperkt aantal spelers impliceert dat we bij de opvolging van
volgens de verschillende scenario’s. Zoals aangegeven in
de respondenten een differentiële strategie gevolgd hebben.
sectie 4.2.3 van dit hoofdstuk werden verschillende schattings-
Bij de enquête van 2008 werd getracht om een zo hoog
methodes gevolgd voor de verschillende groepen in het
3
mogelijke respons te halen bij de belangrijkste O&O-spelers
repertorium (P-inventaris versus O-inventaris). De schattingen
in Vlaanderen. Van de top-50 O&O-bedrijven uit de vorige
en geobserveerde gegevens worden daarom ook opgesplitst
O&O-enquête waren er drie ondertussen gefuseerd of
weergegeven.
overgegaan in andere btw-nummers. Enkel de overgebleven entiteiten werden aangeschreven. Van de resterende 47 bedrijven
Het eerste scenario dat gerapporteerd wordt (tabel 4.1), gebruikt
heeft 94% geantwoord. Van de top 200 belangrijkste O&O-
alle bedrijven voor de extrapolatie en is eerder voorzichtig.
bedrijven uit de vorige O&O-enquête waren er 12 ondertussen
Het tweede scenario (tabel 4.2), dat het basisscenario is en dat
gefuseerd, overgenomen, overgegaan in een ander btw-
ook in het verleden gebruikt werd, is optimistischer. Voor de
nummer… Van de resterende 188 bedrijven heeft 66%
extrapolatie voor de bedrijven in het P-repertorium werden in
geantwoord. Daarvan hebben 9 bedrijven geen O&O-
dit scenario alleen cijfers van bedrijven met intramurale O&O
activiteiten (meer) in Vlaanderen. Dat er in het repertorium van
gebruikt; P-bedrijven die zeggen niet aan intramurale O&O te
O&O-actieve bedrijven toch een aanzienlijk aantal bedrijven
doen zijn dus verwijderd uit de extrapolatiebasis. De verschillen
antwoordt niet aan O&O te doen, geeft aan dat de
tussen beide scenario’s voor de totale cijfers zijn evenwel klein.
samenstelling van het repertoriumbestand nauwgezet dient
In beide scenario’s zien we een stijging van de totale budgetten
opgevolgd te worden. Dit is dan ook een betrachting die met
tussen 2006 en 2007.
de huidige enquête-ronde werd nagestreefd. 4.3.2.2 In de volgende secties worden de cijfers besproken. We geven
Het totale intramurale O&O-personeel binnen het repertorium
eerst de totale O&O-cijfers weer voor de inventarisbedrijven,
Voor het totale O&O-personeel werden eveneens beide scenario’s
zowel voor intramurale O&O-uitgaven als voor O&O-
gevolgd. De resultaten zijn weergegeven in tabellen 4.3 en 4.4.
personeel. Vervolgens worden beide van naderbij bekeken.
Net als bij de uitgaven voor intra muros O&O zien we een
Ook de O&O-intensiteit van deze bedrijven wordt bekeken.
stijging van het totale O&O-personeel tussen 2006 en 2007 en dit in beide scenario’s.
3 De rangschikking van de bedrijven in termen van ‘belangrijkheid’ gebeurde hier op basis van de historische O&O-cijfers die verzameld werden in de vorige O&O-enquête. De bedrijven werden gerangschikt op basis van hun gemiddelde uitgaven voor intramurale O&O voor de jaren 2004 en 2005.
57
Tabel 4.1: Inventaris
Totale intramurale O&O-uitgaven van de bedrijven in het repertorium volgens scenario 1 (in duizenden euro) Extrapolaties
Interpolaties
Observaties
Totaal
%
22.205 118.704 140.909 6%
6.269 451.993 458.262 19%
8.723 1.780.992 1.789.715 75%
37.198 2.351.689 2.388.886 100%
2% 98% 100%
25.520 130.962 156.482 6%
7.884 473.101 480.985 19%
9.911 1.886.332 1.896.243 75%
43.315 2.490.395 2.533.710 100%
2% 98% 100%
2006
O P Totaal % 2007
O P Totaal %
Tabel 4.2: Inventaris
Totale intramurale O&O-uitgaven van de bedrijven in het repertorium volgens scenario 2 (in duizenden euro) Extrapolaties
Interpolaties
Observaties
Totaal
%
22.205 121.628 143.833 6%
6.269 451.993 458.262 19%
8.723 1.780.992 1.789.715 75%
37.198 2.354.613 2.391.811 100%
2% 98% 100%
25.520 134.086 159.606 6%
7.884 473.101 480.985 19%
9.911 1.886.332 1.896.243 75%
43.315 2.493.519 2.536.834 100%
2% 98% 100%
2006
O P Totaal % 2007
O P Totaal %
Tabel 4.3: Inventaris
Totaal O&O-personeel (in FTE) van de bedrijven in het repertorium volgens scenario 1 Extrapolaties
Interpolaties
Observaties
Totaal
%
2006
324 1.476 1.800 9%
41 3.511 3.552 18%
166 13.766 13.932 72%
530 18.754 19.284 100%
3% 97% 100%
365 1.599 1.964 10%
43 2.967 3.010 15%
205 14.553 14.758 75%
613 19.119 19.732 100%
3% 97% 100%
2007
O P Totaal %
Tabel 4.4: Inventaris
Totaal O&O-personeel (in FTE) van de bedrijven in het repertorium volgens scenario 2 Extrapolaties
Interpolaties
Observaties
Totaal
%
2006
O P Totaal %
324 2.047 2.371 12%
41 3.511 3.552 18%
166 13.766 13.932 70%
530 19.325 19.855 100%
3% 97% 100%
365 2.183 2.548 13%
43 2.967 3.010 15%
205 14.553 14.758 73%
613 19.703 20.316 100%
3% 97% 100%
2007
O P Totaal %
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4
O P Totaal %
58
Gezien de relatief kleine verschillen tussen beide scenario’s,
l
Grootte
worden in wat volgt enkel de resultaten van het basisscenario,
Tabel 4.6 geeft de verdeling van de intramurale O&O-
scenario 2, in aanmerking genomen.
uitgaven over de grootteklassen. Het is duidelijk dat de grootste bedrijven het meest spenderen aan O&O, zeker
4.3.2.3
Intramurale O&O-uitgaven binnen het repertorium
als we het kleine aantal bedrijven dat hiervoor
nader bekeken
verantwoordelijk is in het achterhoofd houden.
De intramurale O&O-uitgaven van de inventarisbedrijven worden eerst opgesplitst volgens sector en grootteklasse. We sluiten
l
O&O-grootte en concentratie
deze sectie af met de verdeling over de verschillende types
Tabel 4.7 geeft de verdeling van de intramurale uitgaven
repertoriumbedrijven om de sterke concentratie aan te geven.
over de verschillende types repertoriumbedrijven. We zien dat de O&O-uitgaven sterk geconcentreerd zijn bij een
l
Sector
kleine groep van bedrijven. Dit bevestigt de validiteit van de
Uit de verdeling van de intramurale O&O-uitgaven over
keuze voor een inventarisbenadering.
de verschillende sectoren4 in tabel 4.5 blijkt duidelijk op welke sectoren de O&O-activiteiten in Vlaanderen gericht
De top-50 bedrijven met de hoogste uitgaven voor
zijn: het betreft de high-tech sectoren van de chemie,
intramurale O&O5 vertegenwoordigen 68%, respectievelijk
raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunst-
66% van de O&O-uitgaven in 2006 en 2007. De permanente
stoffen (NACE 19-22) en verder informatica-, elektronische,
O&O-besteders buiten deze top-50, vertegenwoordigen nog
optische producten en elektrische apparatuur (NACE 26-
eens 30%, respectievelijk 32%, van de O&O-budgetten
27) alsook de telecommunicatie, computerprogramma's,
in 2006 en 2007. De occasionele O&O-besteders
ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen
vertegenwoordigen ongeveer 2% van de O&O-budgetten6.
(NACE 61, 6201 en 71).
Tabel 4.5:
De verdeling van de intramurale O&O-uitgaven over de NACE-sectoren
Sector
2006
2007
Voeding en tabak
10-12
4%
4%
Textiel, kledij en leder
13-15
1%
1%
16-18,31
4%
1%
Chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen
19-22
37%
39%
Metaal en producten in metaal
24-25
5%
5%
Informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur
26-27
15%
16%
Papier, drukwerk en meubels
Machines en transport Overige industrie Telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen Overige diensten
NACE-codes
28-30
10%
10%
01-09,23,32-37,41-43
4%
4%
61,6201,71
15%
14%
45-53,58-60,62-70,73-99
5%
6%
4 Om deze nota niet onnodig te verzwaren, worden in de tabellen enkel de NACE-codes en beknopte omschrijvingen weergegeven. De volledige omschrijving van de NACE-sectoren is terug te vinden in bijlage 3. In deze bijlage wordt een beknopte versie van de NACE-classificatie gegeven. De uitgebreide versie is te raadplegen in een publicatie van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie op www.statbel.fgov.be/figures/nacebel2008_nl.asp. Merk op: vanaf 2008 volgen wij de NACE-BEL 2008, die conform is aan de herziene Europese classificatie van economische activiteiten, NACE Rev. 2. 5 De bedrijven werden gerangschikt op basis van hun gemiddelde uitgaven voor intramurale O&O voor de jaren 2006 en 2007 zoals afgeleid uit de huidige enquĂŞte. 6 Er dient hier nogmaals opgemerkt te worden dat in sectie 4.3 de totale resultaten voor de inventarisbedrijven besproken worden, en dat deze totale resultaten zowel observaties als schattingen bevatten (schattingen in geval van non-respons). Wanneer we enkel naar de observaties kijken, dan wordt de verdeling nog schever: het aandeel voor de O, P en top-50 bedrijven is dan respectievelijk minder dan 0.5%, en afgerond 22% en 78% voor de intramurale O&O-uitgaven van 2006, en 1%, 24% en 76% voor de intramurale O&O-uitgaven van 2007. Deze cijfers komen meer in de buurt van die welke gerapporteerd werden in het Vlaams Indicatorenboek 2007 voor de O&O-enquĂŞte van 2006 en die toen ook enkel gebaseerd waren op geobserveerde gegevens.
59
Tabel 4.6:
De verdeling van de intramurale O&O-uitgaven over de grootteklassen
Aantal werknemers 2006 2007
Tabel 4.7:
1 tot 9 2% 2%
50 tot 249 26% 27%
250 tot 499 9% 10%
500 of meer 56% 53%
De verdeling van de intramurale O&O-uitgaven over de types repertoriumbedrijven
Type repertoriumbedrijf 2006 2007
Tabel 4.8:
10 tot 49 8% 8%
O 2% 2%
P 31% 33%
Top-50 68% 65%
De verdeling van het O&O-personeel over de NACE-sectoren
Sector
2006
2007
Voeding en tabak
NACE-codes 10-12
6%
6%
Textiel, kledij en leder
13-15
1%
1%
16-18,31
4%
1%
Chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen
19-22
26%
28%
Metaal en producten in metaal
24-25
6%
6%
Informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur
26-27
17%
18%
Machines en transport
28-30
11%
11%
01-09,23,32-37,41-43
4%
4%
61,6201,71
17%
17%
45-53,58-60,62-70,73-99
8%
8%
Papier, drukwerk en meubels
Overige industrie Telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen Overige diensten
4.3.2.4
O&O-personeel in voltijdse equivalenten binnen
l
Grootte Bij de verdeling van het O&O-personeel over de grootte-
het repertorium nader bekeken
klassen (zie tabel 4.9) worden de vroegere conclusies
volgens sector en grootteklasse. Afsluitend volgt de verdeling
bevestigd: het merendeel van de O&O-personeelsleden is
over de verschillende types repertorium-bedrijven.
actief in een beperkt aantal grote bedrijven.
l
Sector
l
O&O-grootte en concentratie
In tabel 4.8 zien we dat de verdeling van het O&O-
Tabel 4.10 toont de sterke concentratie van het O&O-
personeel over de NACE-sectoren grotendeels gelijkaardig
personeel in de top-50 bedrijven. De concentratie is echter
is aan de verdeling van de intramurale O&O-uitgaven over
minder uitgesproken dan voor de O&O-uitgaven8.
de sectoren. Het aandeel van de sector chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen (NACE 19-22) ligt lager dan bij de verdeling van de O&O-uitgaven, wat wijst op een relatief kapitaal-intensief O&O-proces in deze sector7. Na de sector chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen zijn ook hier de sectoren informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur (NACE 26-27) en de telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen (NACE 61, 6201 en 71) de sectoren met een relatief hoger aandeel in het totaal.
7 De vierde fase van de klinische tests wordt niet meegerekend als O&O, volgens de richtlijnen van de Frascati manual rond O&O-enquĂŞtes. 8 Ook hier wordt de verdeling schever wanneer enkel gekeken wordt naar de geobserveerde gegevens: het aandeel voor de O, P en top-50 bedrijven is dan respectievelijk 1%, 31% en 68% voor het O&O-personeel in 2006, en 1%, 34% en 65% voor het O&O-personeel in 2007.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4
Eerst bespreken we de opsplitsingen van het O&O-personeel
60
Tabel 4.9:
De verdeling van het O&O-personeel over de grootteklassen
Aantal werknemers 2006 2007
1 tot 9 3% 3%
10 tot 49 11% 11%
50 tot 249 26% 28%
250 tot 499 11% 13%
500 of meer 48% 45%
Tabel 4.10: De verdeling van het O&O-personeel over de types repertorium-bedrijven Type repertoriumbedrijf 2006 2007
4.3.2.5
O 3% 3%
P 45% 47%
Top-50 53% 50%
Volgens de dimensie
O&O-intensiteit
De O&O-intensiteit van de bedrijven wordt in dit hoofdstuk
O&O-personeel
bekeken vanuit twee dimensies. Enerzijds wordt de verhouding
totaal personeel
intramurale O&O-uitgaven was de O&O-intensiteit 7,1% in 2006 en 7,2% in 2007.
omzet berekend. De tweede dimensie betreft de verhouding.
We zien dat de verhouding
O&O-personeel
intramurale O&O-uitgaven
totaal personeel
omzet
In deze berekeningen worden enkele de O&O-actieve
licht daalt in de beschouwde periode, terwijl
repertoriumbedrijven meegeteld. Eerst wordt de totale O&O-
O&O-personeel
intensiteit gegeven en daarna volgen de opsplitsingen volgens
totaal personeel
sector en grootteklasse. licht stijgt. Deze op het eerste gezicht tegenstrijdige l
Totaal
tendensen kunnen verklaard worden als we de onder-
Tabel 4.11 geeft de totale O&O-intensiteiten.
liggende basisgegevens bekijken (zie tabel 4.11). We zien
De O&O-intensiteit
dat zowel de omzet als de intramurale O&O-uitgaven stijgen, maar dat deze laatste stijging beperkter is. Bij de
intramurale O&O-uitgaven
personeelsgegevens is de situatie anders. Het totale
omzet
personeel en het O&O-personeel stijgen beide, maar de bedroeg 2,0% in 20069. In 2007 was dat 1,9%.
stijging is groter voor O&O-personeel.
Tabel 4.11: Totale O&O-intensiteit
Omzet* Intramurale O&O-uitgaven* Intramurale O&O-uitgaven omzet
2006
2007
111.254
121.594
groei 9,3%
2.197
2.341
6,5% -5,0%
2,0%
1,9%
Totaal personeel
275.796
280.643
1,8%
O&O-personeel
19.706
20.316
3,1%
7,1%
7,2%
1,4%
O&O-personeel totaal personeel * In miljoenen euro
9 Bij het relateren van de intramurale O&O-uitgaven aan de omzet werd enkel gewerkt met de subset van bedrijven waarvoor de omzet beschikbaar was, zo’n 76% van de repertoriumbedrijven in 2006 en 77% in 2007. Met name kleine bedrijven met minder dan 50 werknemers voldoen wel eens aan de criteria waarbij het hen toegelaten is een verkorte jaarrekening neer te leggen. Bijgevolg is voor hen geen omzet beschikbaar in de publiek consulteerbare bronnen. Van middelgrote en grote bedrijven is nagenoeg steeds hun omzet bekend.
61
l
Sector
Voor de dimensie
De O&O-intensiteiten zijn in tabel 4.12 en tabel 4.13
O&O-personeel
opgedeeld volgens sector. We zien in tabel 4.12 dat volgens
totaal personeel
de verhouding zijn het dezelfde drie sectoren in dezelfde volgorde die de
intramurale O&O-uitgaven
hoogste intensiteiten vertonen, zij het dat de percentages
omzet
hier iets hoger liggen11. de sector telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen (NACE 61, 6201 en 71) het meest O&O-intensief is, gevolgd door de sectoren informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur (NACE 2627) en chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen (NACE 19-22)10.
intramurale O&O-uitgaven Tabel 4.12: O&O-intensiteit:
per NACE-sector
omzet
Sector
2006
2007
10-12
0,6%
0,6%
Textiel, kleding en leder
13-15
0,6%
0,6%
16-18,31
2,1%
0,4%
Chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen
19-22
3,3%
3,5%
Metaal en producten in metaal
24-25
1,1%
1,0%
Informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur
26-27
4,8%
6,0%
Machines en transport
28-30
1,7%
1,6%
01-09,23,32-37,41-43
1,2%
1,1%
61,6201,71
10,6%
9,0%
45-53,58-60,62-70,73-99
0,5%
0,5%
Papier, drukwerk en meubels
Overige industrie Telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen Overige diensten
O&O-personeel Tabel 4.13: O&O-intensiteit:
totaal personeel
per NACE-sector
Sector
NACE-codes
2006
2007
Voeding en tabak
10-12
3,3%
3,3%
Textiel, kleding en leder
13-15
1,7%
1,9%
16-18,31
5,2%
2,0%
Chemie, raffinaderijen, farmaceutische producten, rubber en kunststoffen
19-22
10,9%
12,0%
Metaal en producten in metaal
24-25
4,8%
4,9%
Informatica-, elektronische, optische producten en elektrische apparatuur
26-27
17,8%
19,7%
Papier, drukwerk en meubels
Machines en transport Overige industrie Telecommunicatie, computerprogramma's, ingenieursactiviteiten en technische testen en toetsen Overige diensten
28-30
5,3%
5,3%
01-09,23,32-37,41-43
3,5%
3,6%
61,6201,71
23,6%
22,8%
45-53,58-60,62-70,73-99
3,4%
3,5%
10 Wanneer we binnen de twee laatste groepen nog verder inzoomen op de sectoren farmaceutische producten (NACE 21) en ICT (NACE 26) dan zien we dat hun individuele intensiteiten nog hoger zijn: respectievelijk 15,3% en 5,2% voor farmaceutische producten en ICT in 2006, en 17,3% en 7,0% in 2007. Deze cijfers liggen in de lijn van die welke gerapporteerd werden in het Vlaams Indicatorenboek 2007. 11 Wanneer we hier verder inzoomen op de sectoren farmaceutische producten (NACE 21) en ICT (NACE 26), dan krijgen we ook hier voor beide hoge intensiteiten: respectievelijk 26,0% en 20,7% voor farmaceutische producten en ICT in 2006, en 28,3% en 23,7% in 2007. Deze cijfers liggen in de lijn van die welke gerapporteerd werden in het Vlaams Indicatorenboek 2007.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4
NACE-codes
Voeding en tabak
62
intramurale O&O-uitgaven Tabel 4.14: O&O-intensiteit:
omzet
Aantal werknemers 2006 2007
1 tot 9 4,2% 4,8%
per grootteklasse 10 tot 49 2,1% 2,3%
50 tot 249 2,5% 2,6%
250 tot 499 1,1% 1,3%
500 of meer 2,0% 1,8%
50 tot 249 7,8% 8,3%
250 tot 499 5,0% 5,8%
500 of meer 6,8% 6,4%
O&O-personeel Tabel 4.15: O&O-intensiteit:
totaal personeel
Aantal werknemers 2006 2007
l
1 tot 9 29,9% 31,6%
per grootteklasse 10 tot 49 10,2% 10,4%
Grootte
Tabel 4.16: Schatting van de O&O-bedragen buiten het
In tabellen 4.14 en 4.15 wordt de opsplitsing van de O&O-
repertorium van bekende O&O-spelers
intensiteiten per grootteklasse gegeven.
(in duizenden euro)
Voor de eerste dimensie intramurale O&O-uitgaven
2006
53.695
2007
63.765
omzet zijn de erg kleine bedrijven, met minder dan 10 werk-
Tabel 4.17: Totale intramurale O&O-uitgaven van de
nemers, relatief het meest O&O-intensief. Wanneer we
Vlaamse bedrijven (exclusief de O&O-uitgaven
de O&O-intensiteit bekijken op basis van het personeel,
van de collectieve centra, in duizenden euro)
zien we dat ook hier de kleinste bedrijven (1-9 werknemers) een hogere O&O-intensiteit hebben dan de andere spelers. Het is duidelijk dat deze kleine bedrijven in absolute termen
Scenario 1 Scenario 2
2006 2.442.581 2.445.506
2007 2.597.475 2.600.599
kleine O&O-spelers zijn, vergeleken met de top-50 bedrijven, maar dat ze intensief met O&O bezig zijn.
Tabel 4.16 geeft de resulterende bedragen voor de populatie van niet-repertoriumbedrijven weer. Tabel 4.17 geeft de totale som van O&O-uitgaven van de bedrijven in Vlaanderen weer,
4.4 RESULTATEN VOOR DE TOTALE POPULATIE
inclusief de opgehoogde bedragen. Belangrijk om op te merken is dat de hier gerapporteerde bedragen nog niet de volledige BERD-reeks voor 2006 en 2007 weergeven. Immers, ook de
4.4.1 De totale O&O-uitgaven bij de Vlaamse bedrijven in 2006 en 2007
O&O-uitgaven van de collectieve onderzoekscentra moeten nog in rekening gebracht worden bij de berekening van de totale BERD. In hoofdstuk 6 van dit Indicatorenboek worden
Zoals al aangegeven in sectie 4.2.3, over de gevolgde
deze cijfers samengebracht tot de volledige BERD-reeks.
methodologie, worden de O&O-uitgaven van de bedrijven in het repertorium opgehoogd met een schatting voor bedrijven buiten dit repertorium om eventueel ontbrekende gegevens op
4.4.2 Historische evolutie van de O&O-uitgaven van Vlaamse bedrijven
te vangen. In de O&O-enquĂŞte van 2008 werd gewerkt met een gestratificeerde steekproef hiervoor. Van de 1947
Bij de O&O-enquĂŞte van 2006 werden inspanningen
aangeschreven bedrijven antwoordden er 770, ofwel 40%.
geleverd om de historische reeks van O&O-cijfers te valideren.
Deze antwoorden werden gewogen om op die manier de
De gegevens van de O&O-enquĂŞte van 2008 kunnen dus in
bekomen resultaten te extrapoleren tot de beoogde populatie.
het kader van deze gecorrigeerde historische reeks bekeken worden. We zien in tabel 4.18 dat de dalende trend die sinds 2001 werd geobserveerd, sinds 2004 is omgekeerd. Ook voor de periode 2006-2007 constateren we een stijging in de totale intramurale O&O-uitgaven van de Vlaamse bedrijven.
63
Tabel 4.18: Historische evolutie van de O&O-uitgaven bij bedrijven (scenario 2, exclusief de O&O-uitgaven van de collectieve centra, in miljoenen euro) 1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
1.357
1.421
1.472
1.614
1.804
1.897
2.119
2.426
2.659
2.412
2.332
2.313
2.441
2.446
2.601
2002
2003
2004
2005
2006
2007
Tabel 4.19: Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen (in miljoenen euro) 1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
106.704 113.183 118.163 120.045 126.808 131.198 136.579 144.325 148.202 152.974 157.412 166.378 173.170 182.981 189.566
Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering (september/oktober 2008)
Tabel 4.20: Evolutie van de O&O-uitgaven bij bedrijven als % van BBPR (scenario 2, exclusief de O&O-uitgaven van de collectieve centra) 1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
1,27%
1,26%
1,25%
1,34%
1,42%
1,45%
1,55%
1,68%
1,79%
1,58%
1,48%
1,39%
1,41%
1,34%
1,37%
4.4.3 Evolutie van de O&O-uitgaven bij bedrijven als %
4.5 CONCLUSIE
van BBPR Dit hoofdstuk geeft een eerste inzicht in de voorlopige resultaten van de O&O-enquête van 2008 op basis van de
O&O-uitgaven bij bedrijven als % van het BBPR (Bruto
Vlaamse enquête-resultaten. Naarmate de Belgische gegevens
Binnenlands Product van de Regio) voor 2006 en 2007
beschikbaar komen, kunnen de extrapolaties van de O&O-
berekenen. Ten opzichte van de rapportering betreffende de
gegevens nog verder geoptimaliseerd worden. In verdere
O&O-enquête van 2006 werd een extra update gemaakt,
publicaties van het Expertisecentrum O&O Monitoring zal deze
namelijk de verrekening van de meest recente cijfers voor het
analyse nog verder verfijnd worden en zullen de resultaten met
Vlaamse BBP van de Studiedienst van de Vlaamse Regering.
betrekking tot de extrapolaties verder op punt gesteld worden.
12
(zie Tabel 4.19) .
De huidige resultaten zijn gebaseerd op uitgebreide controles en validatie van de onderliggende gerapporteerde brondata.
De ratio’s worden weergegeven in tabel 4.20. Deze ratio bedraagt in het basisscenario (scenario 2) 1,34% voor 2006 en
De stijgende trend in O&O-uitgaven bij onze Vlaamse
1,37% voor 2007. Hier laat de historische vergelijking zien dat
bedrijven die in vorige jaren werd vastgesteld, zet zich verder
deze percentages lager zijn dan in 2005. Deze lagere cijfers
in 2006 en 2007. Echter, gezien de uitermate sterke groei van
dienen echter genuanceerd te worden gezien de uitermate
het BBPR tussen 2005 en 2007, vertaalt deze uitgavenstijging
sterke groei van het BBPR tussen 2005 en 2007. Een groei,
zich niet in een verhoogde ratio voor de O&O-uitgaven bij
die tengevolge van de aanwezigheid in de noemer van
bedrijven als % van het BBPR. Deze bedraagt slechts 1,34%
de intensiteitsberekening, uiteraard extra uitdagingen stelt aan
voor 2006 en 1,37% voor 2007.
de benodigde groei van de O&O-uitgaven, die in de teller van de breuk terechtkomen.
In hoofdstuk 6 van dit Indicatorenboek worden deze cijfers verwerkt in de totale BERD (inclusief collectieve onderzoekscentra) en GERD (Gross Expenditures on Research and Development). Hierin zitten ook de uitgaven van de overheid, de onderwijsinstellingen, de non-profitinstellingen, ... vervat.
12 De historische cijfers voor het BBPR worden continu, ook retroactief, aangepast door de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Doordat dat het BBPR voor 2004 en 2005 recentelijk sterk werd aangepast door de verantwoordelijke studiediensten, verschillen de waarden in tabel 4.20 van de waarden in vorige edities van dit Indicatorenboek.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4
Vertrekkende van tabel 4.18 kunnen we de evolutie van de
64
niet-technologische veranderingen (geur, kleur, smaak,...).
BIJLAGE 1: OVERZICHT VAN DE DEFINITIES DIE GEBRUIKT WERDEN IN DE O&O-ENQUÊTE VAN 2008
l
Interne (intramurale / eigen) O&O wordt uitgevoerd binnen de eigen onderneming.
l
Uitgaven voor interne O&O zijn alle uitgaven die hiervoor gemaakt zijn.
‘Onderzoek en ontwikkeling’ (O&O)
Zowel lopende uitgaven (personeelskosten en algemene O&O omvat alle creatieve activiteiten die door de onderneming
kosten) als investeringen (grond, gebouwen, instrumenten
op een systematische manier ondernomen worden met
en apparatuur) zijn inbegrepen.
het oog op KENNISUITBREIDING OF KENNISCREATIE
De gerealiseerde uitgaven van het jaar moeten aangegeven
(ONDERZOEK), evenals het gebruik van deze kennis om
worden in hun totaliteit. Noch afschrijvingen noch de
NIEUWE TOEPASSINGEN te ontwikkelen (ONTWIKKELING).
resterende boekwaarde van vorige jaren mogen in
Kenmerkend voor O&O is het ‘nieuwheidskarakter’.
rekening gebracht worden. Voor ondernemingen van de farmaceutische sector
Ook het wegwerken van onzekerheden op wetenschappelijk of
(NACE 21) moeten de klinische testen (fasen 1, 2 en 3),
technisch vlak (zowel op bedrijfs- als op marktniveau) behoort
met uitzondering van de commercialisatiefase (fase 4), deel
tot de O&O-activiteiten van een onderneming. O&O omvat
uitmaken van de interne of externe uitgaven voor O&O.
drie activiteiten: fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en experimentele ontwikkeling.
l
Externe (extramurale / uitbestede) O&O wordt uitgevoerd door derden ten behoeve van de onderneming (op niveau
O&O is creatief werk en omvat dus geen aankoop van
van uw BTW-nummer).
technologie onder de vorm van octrooien en licenties, maar wel alle uitgaven die het bedrijf gemaakt heeft om kennis te
l
Uitgaven voor externe O&O zijn alle uitgaven die
ontwikkelen die kan resulteren in de aanvraag van octrooien of
hiervoor voor rekening van uw onderneming gemaakt zijn,
het generen van licentie-inkomsten.
ongeacht de financieringsbron. Uitgaven die buiten de onderneming gemaakt worden ter ondersteuning van de
Het begrip O&O moet zeer eng geïnterpreteerd worden:
interne (eigen) O&O (bvb. voor de aanschaf van O&O-
de uitwerking van een idee tot een praktische toepassing met
uitrusting), worden meegeteld.
eventuele prototypes (ontwikkeling) wordt wel nog beschouwd
De gerealiseerde uitgaven van het jaar moeten aangegeven
als O&O; de fasen die daarop volgen (design, testproductie,
worden in hun totaliteit. Noch afschrijvingen noch de
commercialisering…) niet meer. In geval van twijfel is het
resterende boekwaarde van vorige jaren mogen in
belangrijk het hoofddoel van de desbetreffende activiteiten te
rekening gebracht worden.
evalueren. Indien de voornaamste doelstelling erin bestaat om
Voor ondernemingen van de farmaceutische sector (NACE
technologisch nieuwe of sterk verbeterde producten, diensten
21) moeten de klinische testen (fasen 1, 2 en 3), met
of processen tot stand te brengen, moet men deze activiteiten
uitzondering van de commercialisatiefase (fase 4), deel
beschouwen als O&O.
uitmaken van de interne of externe uitgaven voor O&O.
Worden niet tot O&O gerekend: l
metingen of controles met een routinematig karakter en marktonderzoeken;
l
scholingen en training;
l
werkzaamheden i.v.m. het aanvragen van octrooien en licenties;
l
het operationeel maken van ingekochte technologie of geavanceerde (productie-)apparatuur;
l
het herschrijven van bestaande software en/of klantspecifiek maken van al op de markt gebrachte software;
l
onderzoek gericht op (esthetische) vormgeving en andere
65
BIJLAGE 2: BELANGRIJKSTE ETAPPES VAN DE SCHATTINGSMETHODOLOGIE VAN DE O&O-GEGEVENS BIJ DE BEDRIJVEN
5. Interpolatie voor niet-respondenten uit het P-repertorium l
Interpolatie aan de hand van een previsiecijfer. Voorwaarde: gegevens voor 2006 ontbreken, het previsiecijfer is
1. Samenstelling van het repertorium
beschikbaar voor 2006 (uit de vorige enquête) en l
Enquêtes van de inventaris van het wetenschappelijk
groei/afname van de previsie voor 2006 ten opzichte van
potentieel van België in 1994, 1996, 1998, 2000, 2002,
het gerapporteerde getal voor 2004 of 2005 is geen outlier
2004 en 2006 – luik privé-ondernemingen
vergeleken met de groeicijfers van de andere bedrijven in
l
CIS-enquêtes 1, 2, 3, 4 en 2007
die sector.
l
Jaarverslagen van de ondernemingen (Nationale Bank van
l
l
l
Interpolatie aan de hand van historische data + groeivoet.
België - Belfirst) enz.
Voorwaarde: vorige regel niet van toepassing, historische
Andere bronnen zoals toekenningen van octrooien en van
gegevens beschikbaar en de groei/afname van de
fiscale attesten voor O&O-personeel, …
historische gegevens van het bedrijf vormt geen outlier
Opsplitsing bedrijven die permanent dan wel occasioneel
vergeleken met die van de andere bedrijven binnen die
aan O&O doen (P en O)
sector. Het gebruikte groeicijfer is het gemiddelde van de groei van het bedrijf (uit historische data) en de gemiddelde groei van de sector waartoe het bedrijf behoort (voor 2006-
2. Consolidatie van het repertorium
2007), of enkel de laatste wanneer voor het bedrijf maar l
BTW-nummer, naam van de ondernemingen, adressen
l
Koppeling aan Belfirst (BTW-nummer, oprichtingsdatum,
één historische observatie beschikbaar is. l
juridische toestand, werkgelegenheid, omzet, activiteiten-
Interpolatie aan de hand van gegevens van de CIS 2007. Voorwaarde: beide vorige regels zijn niet van toepassing.
sector, contactgegevens) 6. Extrapolatie voor de niet-respondenten uit 3. Logische en coherentiecontroles van de enquête-
het P-repertorium
antwoorden Wanneer er geen bruikbare historische data beschikbaar zijn voor de niet-respondenten uit het P-repertorium, wordt er
van de boekjaren, de ratio O&O-uitgaven/O&O-personeel,
geëxtrapoleerd. Voor elk bedrijf wordt bepaald tot welke cel ze
de opsplitsing van de O&O-personeelsaantallen volgens functie
behoort, op basis van haar NACE-sector en grootteklasse.
en kwalificatieniveau, de gerapporteerde omzet/personeel ten opzichte van de Belfirst-omzet/Belfirst-personeel, het aantal O&O-personeelsleden in voltijdse equivalenten ≤ het aantal O&O-personeelsleden in fysieke eenheden, …
l
Voor het schatten van het O&O-personeel voor 2006 wordt de verhouding O&O-personeelgem_cel * Totaal personeelbedrijf Totaal personeelgem_cel
4. Aanvulling van gedeeltelijke antwoorden gebruikt. Als O&O-personeelgem_cel en Totaal personeelgem_cel Wanneer een bedrijf de O&O-gegevens slechts gedeeltelijk
worden respectievelijk het gemiddeld aantal O&O-
heeft ingevuld, gebeurt de schatting aan de hand van de
personeelsleden
antwoorden bij de vorige twee enquêtes, of wanneer die niet
personeelsleden berekend van de bedrijven uit de cel
beschikbaar zijn op basis van sectorgemiddelden. De hoeveelheid
waartoe het bedrijf behoort en dit voor 2006.
O&O-uitgaven per O&O-personeelslid is hierbij een veelgebruikte ratio.
en
het
gemiddeld
totaal
aantal
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4
Coherentietests en logische controles waaronder de controle
66
l
Hierna worden de geschatte O&O-uitgaven berekend voor 2006 aan de hand van de verhouding: O&O-uitgavengem_cel * Omzetbedrijf Omzetgem_cel Als O&O-uitgavengem_cel en Omzetgem_cel worden respectievelijk de gemiddelde O&O-uitgaven en de gemiddelde omzet berekend van de bedrijven uit de cel waartoe het bedrijf behoort en dit voor 2006.
l
Voor de O&O-gegevens van 2007 wordt een groeicijfer toegepast op de geschatte gegevens van 2006. Dit groeicijfer bestaat uit het gemiddelde van de groei van het bedrijf (afgeleid uit data van deze en de twee vorige enquĂŞtes) ĂŠn van de gemiddelde groei van de sector waartoe het bedrijf behoort. Indien de groei van een bedrijf niet berekend kan worden, wordt enkel de gemiddelde groei van de sector genomen.
7. Extrapolatie voor de niet-respondenten uit het O-repertorium l
Voor de bedrijven die occasioneel aan O&O doen (O-repertorium) wordt telkens het celgemiddelde genomen van de cel waartoe het bedrijf behoort13. Elk bedrijf behoort tot een specifieke cel op basis van haar NACE-sector en grootteklasse.
8. Extrapolatie voor de bedrijven buiten het repertorium l
Voor de schatting van het aandeel van de bedrijven buiten het repertorium in de O&O-cijfers werd gebruik gemaakt van een gestratificeerde steekproef van deze bedrijven. De bekomen steekproefresultaten worden gewogen om op die manier te kunnen veralgemenen naar de beoogde populatie van bedrijven buiten het repertorium van bekende O&O-spelers.
13 Voorlopig worden enkel de Vlaamse cijfers gebruikt om celgemiddelden te berekenen. In een later stadium, wanneer de Belgische cijfers beschikbaar zijn, kunnen voor de cellen waar er weinig Vlaamse observaties zijn, Belgische celgemiddelden gebruikt worden.
67
BIJLAGE 3: NACE-BEL 2008-CLASSIFICATIE Beschrijving
Code
Primaire sector
Landbouw, jacht, bosbouw en visserij Winning van delfstoffen
01, 02 en 03 05 tot 09
Verwerkende nijverheid
Voedingsmiddelen, dranken en tabak Voedingsmiddelen
10
Dranken
11
Tabaksproducten
12
Textiel, kleding, bontnijverheid en leernijverheid Textiel
13
Kleding en bontnijverheid
14
Leernijverheid en schoeisel
15
Hout, papier, drukkerijen Hout en kurk (exclusief meubels)
16
Papier en kartonnijverheid
17
Drukkerijen en reproductie van opgenomen media
18
Cokes, petroleum, kernbrandstof, chemische producten, rubber en kunststoffen Cokes en geraffineerde aardolieproducten
19
Chemische producten (exclusief farmaceutische producten)
20
Farmaceutische grondstoffen en producten
21
Rubber en kunststoffen
22
Niet-metaalhoudende minerale producten
23
Metallurgie
24
Vervaardiging van producten in metaal, machines, materialen, werktuigen en transport Producten in metaal (exclusief machines en werktuigen)
25
Informaticaproducten, elektronische en optische producten
26
Elektrische apparatuur
27
Machines, apparaten en werktuigen, n.e.g.
28
Motorvoertuigen, aanhangwagens en opleggers
29
Andere transportmiddelen
30 31, 32
Meubels
31
Overige industrie
32
Reparatie en installatie van machines en apparaten Productie en distributie van elektriciteit, gas, gekoelde lucht en water Recuperatie van recycleerbaar afval Bouwnijverheid
33 35, 36 37, 38 en 39 41, 42, 43
Dienstensector
Handel in en onderhoud en reparatie van motorvoertuigen en motorfietsen
45
Groothandel en handelsbemiddeling, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en -fietsen
46
Detailhandel, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en -fietsen Vervoer, opslag, posterijen en koeriers Hotels en restaurants Uitgeverijen Productiehuizen, programmeren en uitzenden van radio- en televisieprogramma’s Telecommunicatie Computerconsultancy en aanverwante activiteiten Ontwerpen en programmeren van computerprogramma’s Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatie Financiële instellingen (inclusief verzekeringen) Immobiliën en verhuur Overige zakelijke dienstverlening Architecten en ingenieurs; technische testen en toetsen Onderzoek en ontwikkeling Openbaar bestuur, sociale en collectieve diensten, ...
47 49, 50, 51, 52, 53 55, 56 58 59, 60 61 62 excl. 6201 6201 63 64, 65, 66 68, 77 69, 70, 73, 74, 78 tot 82 71 72 75, 84 tot 99
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 4
Meubels, industrie n.e.g.
68
BIJLAGE 4: TOP-50 BEDRIJVEN
Bedrijven in top-50 voor de O&O-enquête van 2006 en van
De volgende tabel bevat 36 bedrijven die zowel in de O&O-
voor 2004-2005, en voor 2006-2007
2008 op basis van de gemiddelde intramurale O&O-uitgaven enquête van 2006 als die van 2008 tot de top-50 van grootste O&O-spelers in Vlaanderen behoorden. Deze lijst werd
• AGFA GEVAERT
samengesteld op basis van de gerapporteerde O&O-uitgaven
• ALCATEL-LUCENT BELL
die in de O&O-enquête van 2008 verzameld werden, en de
• AMI SEMICONDUCTOR BELGIUM
historische cijfers beschikbaar van de vorige O&O-enquête.
• ATLAS COPCO AIRPOWER
Voor de O&O-enquête van 2006, werden de bedrijven
• BARCO
gerangschikt op basis van hun gemiddelde uitgaven voor
• BAYER ANTWERPEN
intramurale O&O voor de jaren 2004 en 2005. Voor de O&O-
• BAYER BIOSCIENCE
enquête van 2008, werden de bedrijven gerangschikt op basis
• BEKAERT
van hun gemiddelde uitgaven voor intramurale O&O voor de
• CARGILL R&D CENTRE EUROPE
jaren 2006 en 2007. De doorsnede van de top-50 bedrijven
• CNH BELGIUM
voor beide edities wordt hieronder weergegeven.
• CYTEC SURFACE SPECIALTIES • DEVGEN • DU PONT DE NEMOURS (BELGIUM) • HANSEN TRANSMISSIONS INTERNATIONAL • ICOS VISION SYSTEMS • INNOGENETICS • JANSSEN PHARMACEUTICA • LABORELEC • LMS INTERNATIONAL • MICHEL VAN DE WIELE • NEWTEC CY • ONDERZOEKSCENTRUM VOOR AANWENDING VAN STAAL • PFIZER MANUFACTURING BELGIUM • PHILIPS INNOVATIVE APPLICATIONS • PUNCH GRAPHIX INTERNATIONAL • RECTICEL • ROBERT BOSCH PRODUKTIE • SESVANDERHAVE • SIEMENS • STMICROELECTRONICS BELGIUM • TENNECO AUTOMOTIVE EUROPE • THOMSON TELECOM BELGIUM • TIBOTEC-VIRCO VIROLOGY • TYCO ELECTRONICS RAYCHEM • UMICORE • VAN HOOL
69
ONDERZOEK EN ONTWIKKELING B I N N E N D E N O N-P R O F IT S E CTO R
Door Peter Viaene (EWI)
05
70
5.1 INLEIDING
Bij de berekening van de Vlaamse O&O-inspanningen wordt rekening gehouden met de specifieke Belgische
De Vlaamse cijfers uit deze analyse zijn afkomstig van de
federale staatsstructuur die gewest- en gemeenschapsmateries
tweejaarlijkse OESO O&O-enquête non-profit (editie 2008
onderscheidt. Het hoger onderwijs is immers een gemeenschaps-
met referentiejaren 2006 en 2007) waarin alle instellingen uit
materie wat toch wel van belang is in dit verhaal. Bij de
deze sector bevraagd worden naar hun inspanningen voor
gemeenschapsbenadering worden de O&O-inspanningen van
1
onderzoek en ontwikkeling (O&O) . Deze enquête wordt
alle instellingen binnen het hoger onderwijs – ook de Vlaamse
georganiseerd door het Departement Economie, Wetenschap
instellingen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest –
en Innovatie (EWI) en omvat alle instellingen waarvoor de
opgeteld. Bij de gewestbenadering daarentegen, geldt de
Vlaamse gemeenschap bevoegd is en/of die in het Vlaamse
territoriale opdeling en worden enkel de O&O-inspanningen in
Gewest gelegen zijn. Deze bevraging gebeurt in nauw overleg
rekening gebracht voor de instellingen uit het hoger onderwijs
en samenwerking met de andere bevoegde overheden
gelegen in het Vlaamse Gewest. Met het oog op de
(federaal, gemeenschappen en gewesten) met het oog op het
internationale vergelijking wordt meestal enkel het gewestcijfer
hanteren
de
opgenomen voor het hoger onderwijs bij de analyses. In sommige
verschillende beleidsniveaus. Door alle instanties wordt erover
gevallen worden toch beide cijfers (gewest- en gemeenschapscijfer)
gewaakt dat deze enquête
opgenomen naast het totaalcijfer voor de totale non-profit
van
een
uniforme
methodologie opgesteld
wordt
voor
volgens
internationaal vastgelegde definities uit de Frascati Manual.
sector. De territoriale opdeling is uiteraard wel van toepassing op de overige sectoren uit de non-profit sector: de publieke
De POD Wetenschapsbeleid is de eindverantwoordelijke wat
onderzoekscentra en de particuliere non-profit organisaties.
de aggregatie van de Belgische cijfers voor de non-profit sector én de profit sector betreft en zorgt voor de aanlevering van de
In de verdere analyse van de non-profit sector worden ook de
cijfers aan internationale organisaties. De geaggregeerde data
statistische O&O-gegevens voor de collectieve onderzoekscentra
uit deze enquête worden onder meer gebruikt voor Eurostat en
(met inbegrip van de competentiepolen) opgenomen.
voor internationale publicaties van de OESO zoals de ‘Main
De collectieve onderzoekscentra vormen een onderdeel van
Science and Technology Indicators’.
de profit sector en worden bijgevolg ook in de totaalcijfers voor het O&O-personeel en de O&O-uitgaven van de bedrijven
De non-profit sector binnen Vlaanderen bestaat uit drie grote
opgenomen. Door hun economische finaliteit (meestal
uitvoeringssectoren. De grootste sector wordt gevormd door
opgericht en voor het overgrote deel gefinancierd door de
het hoger onderwijs samengesteld uit de universiteiten, de
bedrijven zelf) zijn ze nauw verbonden met de ondernemingen
autonome universitaire onderzoekscentra en de hogescholen.
en worden ze in de internationale statistieken bij de bedrijven
De twee andere subsectoren worden gevormd door de
en de BERD-gegevens opgenomen. Deze collectieve centra
publieke Vlaamse onderzoekscentra enerzijds en de Vlaamse
worden gekenmerkt door het statuut van een non-profit
publieke en particuliere non-profitorganisaties anderzijds.
organisatie en streven niet onmiddellijk winstoogmerk na.
Voorbeelden van publieke Vlaamse onderzoekscentra zijn de
De bevraging van deze instellingen gebeurt dan ook volgens
vier grote onderzoeksinstellingen (VIB, VITO, IMEC en IBBT)
de methodiek van de OESO O&O-enquête non-profit.
en de Vlaamse wetenschappelijke instellingen die in het Vlaamse
Dit verklaart waarom de resultaten voor de collectieve
Gewest gelokaliseerd zijn zoals het ILVO. Een voorbeeld van
onderzoekscentra volledigheidshalve toch opgenomen worden
een Vlaamse publieke en particuliere non-profitorganisatie is de
in dit hoofdstuk.
KMDA (Zoo). Het grote kenmerk van de non-profit sector is zeker en vast de diversiteit, doordat die naast de universiteiten en hogescholen, ook publieke onderzoeksinstellingen bevat die sterk gespecialiseerd zijn op één of meerdere onderzoeksdomeinen.
Deze
sector
omvat
ook
enkele
kleinere
onderzoeksinstituten, die slechts in geringe mate O&Oactiviteiten verrichten naast andere activiteiten. 1 Definitie O&O: Het onderzoek en de experimentele ontwikkeling omvatten het creatieve werk dat systematisch plaatsvindt om de kennisvoorraad te vergroten, met inbegrip van die van de mens , de cultuur en de samenleving, alsmede het gebruik van deze kennisvoorraad om nieuwe toepassingen te ontwikkelen (OECD, 2002, Frascati Manual p.30)
71
De bevraging van de profit sector en de non-profit sector
Zo wordt het O&O-personeel opgedeeld naar universitaire
gebeurt door verschillende instanties zodat de analyse ook
diploma’s, diploma’s hoger onderwijs één cyclus en andere
verspreid wordt over twee hoofdstukken. Deze analyse
kwalificaties. Een tweede opdeling van menselijk potentieel is
concentreert zich op de resultaten van de O&O-enquête
gebaseerd op het beroep of de functie van het O&O-personeel
non-profit terwijl de resultaten uit de profit enquête, uitgevoerd
en deelt personeel op naar onderzoekers, technisch personeel
door het Expertisecentrum O&O Monitoring, terug te vinden
en administratief / overig personeel.
zijn onder hoofdstuk 4. Het totaalbeeld voor Vlaanderen (profit en non-profit) wordt verder in hoofdstuk 6 deel I en deel II
Figuur 5.1 toont aan hoe hoeveel O&O-actoren er actief zijn
bestudeerd. De bestaande tijdsreeks 1993-2005 uit het Vlaams
binnen de diverse subsectoren van de Vlaamse publieke
Indicatorenboek WTI 2005 wordt zo verder uitgebreid naar
onderzoekssector. Voor de volledigheid wordt ook het aantal
2006 en 2007. Dit laat een vergelijking toe met eerdere cijfers
collectieve centra als referentie weergegeven. De collectieve
uit vroegere versies van het Vlaams Indicatorenboek WTI2.
centra tellen heel wat O&O-actoren maar qua onderzoeksimpact zijn vooral het hoger onderwijs en de publieke onderzoekscentra de kernspelers binnen het onderzoekslandschap.
5.2 HET O&O-PERSONEEL Tabel 5.1 geeft een evolutie weer van het totale O&OMenselijk potentieel blijft een sleutelelement met het oog op
personeel (in voltijdse eenheden) in de non-profit sector tussen
het versterken van de huidige kennismaatschappij. De OESO
1993 en 2007. De stijging ten opzichte van de resultaten uit
Canberra Manual omschrijft en definieert twee benaderingen
de vorige O&O-enquête (2005) bedraagt ongeveer duizend
voor het meten van menselijk potentieel in ‘Science & Technology
extra voltijdse eenheden. De voorbije vijf jaar nam het cijfer
(S&T)’. De eerste benadering beklemtoont de opdeling aan de
voor O&O-personeel met ongeveer 26% toe tot ongeveer
hand van de formele kwalificaties of het opleidingsniveau van
13.900 voltijdse eenheden.
het O&O-personeel. Het hoger onderwijs realiseert de grootste stijging aan personeelsequivalent gedurende de voorbije vijf jaar ( +31,6%). Het hoger onderwijs blijft dé belangrijkste actor wat onderzoek
Figuur 5.1: Verdeling van de O&O-actoren over
betreft en haar plaats in het onderzoekslandschap blijft sterk
de non-profit sector
de belangrijkste subgroep met een aandeel van 90% in het
35
totale O&O-personeel voor het hoger onderwijs. De hogescholen 30
worden sinds 1998 naar hun O&O-inspanningen bevraagd,
25
en uit de meest recente resultaten blijkt dat het onderzoek
20
binnen de hogescholen elk jaar aan belang toeneemt. De stijging
15
voor 2007 bedraagt meer dan 60% ten opzichte van de cijfers uit 2005.
10 5
Collectieve onderzoekscentra
Publieke en particuliere non-profitorganisaties
Publieke onderzoekscentra
Hoger onderwijs
0
2 Een aandachtige lezer merkt verschillen op met de gegevens rondom O&O-personeel, O&O-uitgaven en de O&O-intensiteit gepubliceerd in het Vlaams Indicatorenboek WTI 2007. Die zijn te wijten aan nieuwe aggregaties op Belgisch niveau (personeel en uitgaven) en nieuwe berekeningen van het BBPR (Vlaams Gewest) aangeleverd door de Studiedienst van de Vlaamse regering (O&O-intensiteit).
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5
verankerd. Binnen het hoger onderwijs vormen de universiteiten
72
Tabel 5.1:
200 210 220 270 300 320 330 510 400 410 420 490 400 410 420 490
130
Evolutie van het O&O-personeel uit de non-profit sector en de collectieve centra tussen 1993 en 2007
Publieke onderzoekscentra (gewest) Federale overheid (Vlaams Gewest) Vlaamse Gemeenschap/Gewest Lagere overheden Publieke en particuliere non-profitorganisaties (gewest) Semi-publieke instellingen Particuliere centra Internationale instellingen in BelgiĂŤ Hoger onderwijs (gewest) Universiteiten Zelfstandige universitaire onderzoekscentra Hogescholen Hoger onderwijs (gemeenschap) Universiteiten Zelfstandige universitaire onderzoekscentra Hogescholen Totaal non profit met hoger onderwijs gewest Totaal non profit met hoger onderwijs gemeenschap Collectieve onderzoekscentra*
1993
1996
1999
2002
2003
2004
2005
2006
2007
1.152,8
1.466,7
1.894,8
2.351,3
2.415,0
2.388,4
2.471,2
2.531,9
2.661,1
476,7
443,7
494,2
147,8
148,8
147,0
145,0
159,7
156,2
674,0
1.020,9
1.398,5
2.197,5
2.260,2
2.233,8
2.318,1
2.361,8
2.494,5
2,1
2,1
2,1
6,0
6,0
7,6
8,1
10,4
10,4
294,6
340,2
347,4
366,4
364,3
374,2
368,5
360,1
360,4
0,0
0,0
0,0
0,3
0,3
0,3
0,3
0,3
0,3
% groei 20022007 13,2%
-1,7%
5,0
8,4
8,4
28,1
27,0
36,9
31,2
22,8
23,1
289,6
331,8
339,0
338,0
337,0
337,0
337,0
337,0
337,0
5.975,3
5.603,0
7.458,5
8.279,6
8.610,7
9.759,8
9.987,3
10.385,4
10.894,6
5.842,9
5.454,3
7.210,5
7.692,6
7.998,7
9.124,3
9.281,0
9.503,7
9.879,5
132,3
148,7
151,1
179,8
187,3
251,5
263,2
278,5
294,4
0,0
0,0
97,0
407,2
424,7
384,0
443,1
603,2
720,7
7.132,3
6.541,7
8.679,9
9.416,7
9.773,0
11.031,0
11.338,0
11.748,0
12.322,0
7.000,0
6.393,0
8.400,4
8.750,5
9.078,2
10.274,5
10.485,4
10.750,8
11.144,3
132,3
148,7
151,1
179,8
187,3
251,5
263,2
278,5
294,4
0,0
0,0
128,4
486,4
507,5
505,0
589,4
718,7
883,3
7.422,6
7.409,8
9.700,7
10.997,3
11.390,0
12.522,4
12.827,0
13.277,4
13.916,0
26,5%
8.579,6
8.348,5
10.922,1
12.134,4
12.552,3
13.793,6
14.177,7
14.639,9
15.343,4
26,4%
311,9
363,4
425,2
468,0
474,1
325,1
361,3
405,9
415,6
31,6%
30,9%
Bron: CFS/STAT - POD Wetenschapsbeleid + eigen berekeningen voor 2006 en 2007 * als onderdeel van de bedrijven
De publieke onderzoekscentra kennen een beperktere stijging
Tot slot toont tabel 5.1 het effect van de gewest- en de
(+13,2% ten opzichte van 2002). Het totale O&O-personeel
gemeenschapbenadering voor het O&O-personeel in het hoger
binnen de publieke onderzoekscentra stijgt vooral dankzij
onderwijs. Bij het gebruik van de gemeenschapsbenadering ligt
bijkomende inspanningen binnen de vier grote kennisinstellingen
het totale O&O-personeel ongeveer 1.420 voltijdse eenheden
die Vlaanderen kenmerken (IMEC, VITO, VIB en IBBT).
hoger (correspondeert met 10% van het totaal) dan bij de
Na de sterke daling in 2002 voor het Vlaams deel van de
gewestbenadering, die de basis vormt voor de internationale
federale onderzoeksinstellingen (categorie 210) ten gevolge
vergelijking.
de Lambermontakkoorden die van landbouw een gewestbevoegdheid maakten en de betrokken onderzoekinstellingen
Tabel 5.2 deelt het O&O-personeelscijfer (in voltijdse
onder categorie 220 lieten ressorteren, lijken de O&O-
eenheden) op naar geslacht en/of uitvoeringssector. De verhouding
inspanningen in de categorie 210 zich te consolideren op
mannen/vrouwen bedraagt ongeveer 56/44 voor 2007.
hetzelfde niveau.
Ten opzichte van de cijfers uit 2005 wijkt deze verhouding niet of nauwelijks af. Bij het hoger onderwijs ligt het aandeel van
Uit de stijgende cijfers voor de collectieve onderzoekscentra
vrouwelijke O&O-personeelsleden met ongeveer 46% het
blijkt duidelijk dat de Vlaamse competentiepolen, die enkele
hoogst. Bij de publieke onderzoekscentra ligt dat aandeel met
jaren geleden opgericht werden door de Vlaamse Regering,
33% heel wat lager net als bij de collectieve onderzoekscentra
de voorbije jaren hun O&O-activiteiten verder ontplooien.
(27%), maar de representativiteit van dit cijfer ligt ook lager. Wanneer vrouwen O&O-activiteiten uitvoeren, gebeurt dit meestal (meer dan 80% van het totale O&O-cijfer) onder de koepel van het hoger onderwijs.
73
Tabel 5.2:
O&O-personeel naar geslacht en uitvoeringssector (in VTE) - 2007 Mannen Abs.
Vrouwen Rel.
Totaal
Abs.
Rel.
% Mannen
% Vrouwen 46,6%
Abs.
Hoger onderwijs (gewest)
5.814,1
74,7%
5.080,5
82,9%
10.894,6
53,4%
Universiteiten (gewest)
5.250,9
90,3%
4.628,5
91,1%
9.879,5
53,1%
46,9%
159,6
2,7%
134,8
2,7%
294,4
54,2%
45,8%
403,6
6,9%
317,1
6,2%
720,7
56,0%
44,0%
1.777,8
22,8%
883,2
14,4%
2.661,1
66,8%
33,2% 45,8%
Zelfstandige universitaire centra (gewest) Hogescholen (gewest) Publieke onderzoekscentra
195,3
2,5%
165,1
2,7%
360,4
54,2%
7.787,2
100,0%
6.128,8
100,0%
13.916,0
56,0%
44,0%
415,6
72,7%
27,3%
Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's* (gewest)
302,3
Collectieve onderzoekscentra**
Tabel 5.3:
113,3
O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens functie in VTE en als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2007
Totaal Onderzoekers
Technisch en gelijkgesteld personeel
Vrouwen Overig personeel
Totaal
Onderzoekers
Technisch en gelijkgesteld personeel
Onderzoekers
Overig personeel
Totaal
Technisch personeel
Overig personeel
%M
%V
%M
%V
%M
%V
Hoger onderwijs (gewest)
8.665,4
79,5%
1.504,1
725,1
10.894,6
3.655,1
71,9%
956,7
468,7
5.080,5
57,8%
42,2%
36,4%
63,6%
35,4%
64,6%
Universiteiten (gewest)
7.760,5
78,6%
1.413,6
705,4
9.879,5
3.266,9
70,6%
908,2
453,4
4.628,5
57,9%
42,1%
35,7%
64,3%
35,7%
64,3%
Zelfst universit. centra (gewest)
213,8
72,6%
78,0
2,7
294,4
89,8
66,6%
42,9
2,2
134,8
58,0%
42,0%
45,0%
55,0%
18,5%
81,5%
Hogescholen (gewest)
691,2
95,9%
12,6
17,0
720,7
298,4
94,1%
5,6
13,1
317,1
56,8%
43,2%
55,8%
44,2%
22,9%
77,1%
1.577,1
59,3%
709,3
374,7
2.661,1
480,8
54,4%
241,0
161,5
883,2
69,5%
30,5%
66,0%
34,0%
56,9%
43,1%
Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's* (gewest) Collectieve onderzoekscentra**
Tabel 5.4:
190,3
52,8%
98,1
72,0
360,4
74,3
45,0%
49,7
41,1
165,1
60,9%
39,1%
49,4%
50,6%
42,9%
57,1%
10.432,8
75,0%
2.311,5
1.171,8
13.916,0
4.210,2
68,7%
1.247,3
671,3
6.128,8
59,6%
40,4%
46,0%
54,0%
42,7%
57,3%
175,8
42,3%
211,0
28,8
415,6
40,7
35,9%
58,2
14,5
113,3
76,9%
23,1%
72,4%
27,6%
49,7%
50,3%
O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens kwalificatieniveau in VTE en als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2007
Totaal Diploma's één cycli
Andere kwalificaties
Totaal
Universitaire diploma's
Diploma's één cycli
Andere kwalificaties
Totaal
Diploma's een cycli
Andere kwalificaties
%M
%V
%M
%V
%M
%V
Hoger onderwijs (gewest)
9.163,9
84,1%
1.301,9
428,8
10.894,6
3.897,3
76,7%
938,2
245,0
5.080,5
57,5%
42,5%
27,9%
72,1%
42,9%
57,1%
Universiteiten (gewest)
8.255,9
83,6%
1.204,1
419,5
9.879,5
3.506,3
75,8%
882,8
239,4
4.628,5
57,5%
42,5%
26,7%
73,3%
42,9%
57,1%
Zelfst universit. centra (gewest)
258,8
87,9%
32,3
3,3
294,4
111,7
82,9%
21,7
1,4
134,8
56,8%
43,2%
32,8%
67,2%
57,6%
42,4%
Hogescholen (gewest)
649,2
90,1%
65,5
6,0
720,7
279,3
88,1%
33,7
4,2
317,1
57,0%
43,0%
48,6%
51,4%
30,6%
69,4%
1.772,6
66,6%
456,8
431,7
2.661,1
543,7
61,6%
243,8
95,8
883,2
69,3%
30,7%
46,6%
53,4%
77,8%
22,2%
Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's* (gewest) Collectieve onderzoekscentra**
214,4
59,5%
103,4
42,6
360,4
85,6
51,8%
53,4
26,1
165,1
60,1%
39,9%
48,4%
51,6%
38,7%
61,3%
11.150,8
80,1%
1.862,1
903,1
13.916,0
4.526,6
73,9%
1.235,3
366,9
6.128,8
59,4%
40,6%
33,7%
66,3%
59,4%
40,6%
240,0
57,8%
98,6
77,0
415,6
66,6
58,7%
32,7
14,1
113,3
72,3%
27,7%
66,9%
33,1%
81,7%
18,3%
* NPO = non-profit organisaties ** Als onderdeel van de bedrijven
Het O&O-personeel voor 2007 wordt in tabel 5.3 opgesplitst
Wanneer nu gekeken wordt naar de opsplitsing over de diverse
naar functie en naar geslacht. Uit deze cijfers blijkt dat 75% van
subsectoren voor 2007 blijkt het aandeel onderzoekers het
het O&O-personeel binnen de non-profit sector onderzoekers
grootst te zijn voor het hoger onderwijs (79,5% en een stijging
zijn. Dit aandeel neemt alsmaar toe (73,3% voor 2005 en 70%
ten opzichte van 2005). Bij de publieke onderzoekscentra
voor 2003). Bij de vrouwen stijgt het aandeel onderzoekers vrij
bedraagt het aandeel onderzoekers iets minder dan 60%, een
aanzienlijk tot 68,7% in 2007 (ten opzichte van 65,6% voor
cijfer dat heel licht daalde ten opzichte van 2005.
2005 en 62% voor 2003). Uit dezelfde tabel blijkt ook dat voor 2007 ongeveer 4 op 10 onderzoekers vrouwen zijn, een lichte stijging ten opzichte van 2005.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5
Universitaire diploma's
Universitaire diploma's
Vrouwen
74
Tabel 5.5:
O&O-personeel (totaal en vrouwen) volgens wetenschapsdomein (in VTE) - als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2007 Natuur- en exacte wetenschappen
Toegepaste wetenschappen
Medische wetenschappen
Landbouwwetenschappen
Sociale wetenschappen
Humane wetenschappen
Hoger onderwijs (gewest)
23,5%
16,6%
Publieke onderzoekscentra VROUWEN
20,0%
62,6%
24,4%
6,7%
18,4%
10,4%
0,1%
14,2%
0,2%
2,9%
Hoger onderwijs (gewest)
19,1%
8,4%
Publieke onderzoekscentra
29,5%
50,5%
30,8%
8,1%
22,2%
11,4%
0,2%
15,4%
0,2%
4,2%
TOTAAL
Zowel bij het technisch personeel als bij het overig personeel
Zo is het mogelijk om toch een beeld te krijgen in welke
(vaak administratief personeel) is er een meerderheid van de
onderzoeksdomeinen de publieke onderzoekscentra actief zijn.
vrouwen in de verhouding mannen/vrouwen voor de non-profit
De kern van de onderzoeksactiviteiten ligt vooral bij de
sector. Het aandeel van het mannelijk technisch personeel
toegepaste wetenschappen met een aandeel van 62,6% in
binnen de non-profit sector is wel gestegen ten opzichte van
het O&O-personeel (status quo in vergelijking met 2005).
2005. Toch vallen enkele verschillen op naar subsector. Bij de
Samen met de natuur- en exacte wetenschappen (20%) en
publieke onderzoekscentra zijn er zowel bij het technisch
de landbouwwetenschappen (14,2%) zijn dit de belangrijkste
personeel als bij het overig personeel meer mannen dan vrouwen
onderzoeksdomeinen bij de publieke onderzoekscentra.
tewerkgesteld. Het aandeel van het mannelijke technisch
Ten opzichte van de cijfers uit 2005 situeren de aandelen van
personeel stijgt vooral binnen de publieke onderzoekscentra.
de diverse wetenschapsdomeinen zich op hetzelfde niveau, en noteren enkel de exacte wetenschappen een beperkte stijging.
Tabel 5.4 gaat dieper in op het opleidingsniveau van het O&O-
Bij de vrouwen (publieke onderzoekscentra) stijgt het aandeel
personeel. Ongeveer 80% van het O&O-personeel had in
van de exacte wetenschappen tot 29,5% voor 2007 en dit ten
2007 minimaal een universitair diploma. In vergelijking met
nadele van de landbouwwetenschappen die hun aandeel zien
2005 is dit een stijging met ongeveer 1,5% en dit cijfer lag ook
dalen tot 15,4%.
al 3% hoger dan in 2003. Bij de vrouwen ligt het percentage met een universitair diploma nog altijd lager maar ook dit cijfer
Bij het hoger onderwijs zit er iets meer evolutie in de aandelen
stijgt (74% en een stijging van 2,7% ten opzichte van 2005).
van
Ongeveer 40% van het O&O-personeel met een universitair
wetenschappen worden het belangrijkste onderzoeksdomein
diploma zijn vrouwen en dit cijfer wijkt niet veel af van het cijfer
(+2,2% tot 24,4%) terwijl de natuur- en exacte wetenschappen
voor 2005. Twee kwart van O&O-personeel met een diploma
hun aandeel zien dalen tot 23,5% (-1,4%). De landbouw-
hoger onderwijs één cyclus zijn vrouwen in de non-profit, en
wetenschappen zijn de grootste verliezer ten opzichte van 2005
ook deze verhouding is de voorbije twee jaar amper gewijzigd.
met 3,3% tot ongeveer 7%. Het aandeel van de toegepaste
de
diverse
wetenschapsdomeinen.
De
medische
wetenschappen en de sociale wetenschappen stijgt telkens Wanneer de cijfers voor 2007 geanalyseerd worden voor de
licht (±1%).
verschillende subsectoren, valt op dat meer mannen dan vrouwen een universitair diploma in de publieke onderzoekscentra
Iets minder dan 31% van het vrouwelijk O&O-personeel uit
hebben en dat vrouwen vaker over een diploma hoger
het hoger onderwijs is actief in de medische wetenschappen
onderwijs 1 cyclus beschikken.
(+2,6% ten opzichte van 2005) voor 2007, gevolgd door
Tabel 5.5 geeft de verdeling weer van het totale O&O-
verricht in de sociale wetenschappen. Deze stijgingen gaan
22,2% (+2,4%) van het O&O-personeelseffectief dat onderzoek personeel voor het hoger onderwijs en de publieke
vooral ten koste van twee domeinen: de landbouwwetenschappen
onderzoekscentra naar wetenschapsdomein. Bij de publieke
(-2,9%) en de natuur- en exacte wetenschappen (-2,2%).
onderzoekscentra worden alle O&O-personeelsleden aan één wetenschapsdomein toegewezen op basis van de O&Oactiviteiten die bij de onderzoeksinstelling uitgevoerd worden.
75
Tabel 5.6:
O&O-personeel en onderzoekers in fysieke personen (totaal en naar geslacht) voor 2007
Uitgedrukt in fysieke personen
Onderzoekers (totaal)
O&O-personeel totaal
Onderzoekers (mannen)
O&O-personeel (mannen)
Onderzoekers (vrouwen)
Hoger onderwijs (gewest)
13.925
Hoger onderwijs (gemeenschap)
16.315
20.025
8.596
10.977
5.329
9.048
23.230
10.147
12.844
6.168
10.386
1.779
3.086
1.244
2.050
535
1.036
199
387
123
207
76
180
15.903
23.498
9.963
13.234
5.940
10.264
Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's Vlaamse NPO's (gewest)
O&O-personeel (vrouwen)
Figuur 5.2: Verdeling van het O&O-personeel binnen de non-profit sector (in VTE voor 2007)
Ter vergelijking de % verdeling van de O&O-uitgaven
2,6%
over de subsectoren (2007) 19,1% 3,3%
34,9% 78,3%
61,8%
n Overheid
n Non-profit organisatie
n Hoger onderwijs
Figuur 5.2 geeft de verdeling weer van het O&O-personeel
personen voor de non-profit sector voor 2007. Ongeveer
over de drie uitvoeringssectoren voor 2007 en legt ook de link
23.500 personen (ongeveer 1.400 meer dan in 2005) werkten
met de O&O-uitgaven (zie punt 5.3) per uitvoeringssector voor
in 2007 volledig of gedeeltelijk aan O&O-activiteiten. Dit cijfer
2007. Ongeveer 78,3% van het O&O-personeel is actief binnen
correspondeert voor 2007 met 13.900 voltijdse equivalenten
het hoger onderwijs tegenover ongeveer 19% bij de publieke
(zie tabel 5.1). Hiervan zijn er ongeveer 15.900 onderzoekers
onderzoekscentra. Wanneer verder gekeken wordt naar de
(ongeveer +800 ten opzichte van 2005), de ongeveer 7.600
spreiding van de O&O-uitgaven over de uitvoeringssectoren
(+600 in vergelijking met 2005) overige personeelsleden zijn
voor 2007, vallen toch wel enkele conclusies op. Het hoger
technisch en overig personeel. Dit cijfer kan verder opgedeeld
onderwijs vertegenwoordigt slechts ongeveer 61,8% van de
worden naar 5.940 (ongeveer +500) vrouwelijke onderzoekers
O&O-uitgaven en de publieke onderzoekscentra ongeveer
en 9.960 ( ongeveer +300) mannelijke onderzoekers. Tabel 5.6
35%. De aandelen van de subsectoren wijken niet significant
toont ook de verspreiding van de onderzoekers naar geslacht
af in vergelijking met de resultaten uit 2005 voor de diverse
en naar subsector binnen de non-profit.
sectoren.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5
Tabel 5.6 drukt de onderzoeksinspanningen uit in fysieke
76
5.3 DE O&O-UITGAVEN GEANALYSEERD
Uit de vergelijking met de cijfers voor de non-profit uit 2005 manifesteren zich slechts beperkte verschuivingen in de
De O&O-uitgaven vormen ook een cruciaal element voor het
aandeelcijfers. Het aandeel van de personeelskosten blijft
meten van de O&O-inspanningen. Bij de O&O-intensiteit drukt
nagenoeg constant en ook tussen werking en uitrusting (+1,3%
men de totale intramurale O&O-uitgaven uit in % van het
ten opzichte van 2005) en investeringen (-1,2% ten opzichte
Bruto Binnenlands Product (BBP). Op de Europese top in
van 2005) zijn de verschuivingen naar kostensoort beperkt.
Barcelona (maart 2002) hebben de Europese leiders
Ook uit de vergelijking van de gegevens voor de subsectoren
afgesproken om de O&O-intensiteit te verhogen tot 3% van
blijken beperkte wijzigingen ten opzichte van 2005. Bij de
het BBP tegen 2010 waarvan één derde of 1% zou
publieke onderzoekscentra verhoogt het aandeel van de
gefinancierd worden door de publieke sector en overige 2%
werkingskosten tot 33,2% (+1,7%) en stijgt het aandeel van de
door de private sector. Deze afspraak was een gevolg van een
personeelskosten tot 45,4% (+1.3%). Dit gebeurt ten koste van
vroegere Europese Top in Lissabon (maart 2000) om van
de investeringen, die hun aandeel zien dalen tot 21,4% (-3%).
Europa de meest ‘competitieve, kennisgebaseerde economie’ van de wereld te maken.
Tabel 5.9 deelt de O&O-uitgaven uit 2007 op naar financieringsbron.
Vijf
grote
bronnen
kunnen
hierbij
Tabel 5.7 geeft een overzicht van de O&O-uitgaven in
onderscheiden worden: de bedrijven, de overheden (federaal,
de periode 1993-2007 voor de non-profit sector. Hieruit blijkt
Vlaams en gedecentraliseerde overheid), non-profit organisaties,
dat de O&O-uitgaven de laatste vijf jaar met 39,5% gestegen
het hoger onderwijs (zoals het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF)
zijn. Uit dezelfde tabel blijkt ook dat de O&O-uitgaven sterker
en het TETRA-fonds) en het buitenland (buitenlandse bedrijven
gestegen zijn binnen de publieke onderzoekscentra (+48,8%)
en Europese en internationale organisaties). De overheid is de
dan bij het hoger onderwijs (+37%) tussen 2002 en 2007.
grootste financieringsbron met een aandeel van ongeveer
De O&O-uitgaven voor de publieke onderzoekscentra in
52%, gevolgd door het buitenland (aandeel van 23,5%) en de
absolute cijfers stegen heel wat sneller dan het O&O-personeel
bedrijven met een aandeel van 13,4%. In vergelijking met
(+13%) steeg voor deze sector tussen 2002 en 2007.
2005 verliezen de overheden (-5,7%) aan belang als financieringsbron, en wordt vooral het buitenland alsmaar een
Wanneer de absolute cijfers gecorrigeerd worden voor inflatie
belangrijker financieringsbron (+4,3%).
en op het prijsniveau 2000 gebracht worden, krijgt men de volgende resultaten. De stijging binnen de non-profit beloopt
Wanneer gekeken wordt naar de verdeling per subsector voor
dan nog altijd 25,8% en de stijging van de O&O-uitgaven
de non-profit vallen enkele verschillen op. Bij de publieke
binnen de publieke onderzoekscentra bedroeg de laatste vijf
onderzoekscentra vormt het buitenland nu dé belangrijkste
jaar 34,1%. Alle onderzoeksinstellingen uit de non-profit hebben
financieringsbron (45,9%), voor de gezamenlijke overheden
hun onderzoeksbudget de voorbije jaren aanzienlijk verhoogd.
met 42,6%. In vergelijking met de gegevens uit 2005 is het aandeel van het buitenland met 9,1% gestegen en daalt het
De O&O-uitgaven kunnen verder opgedeeld worden naar
overheidsaandeel met 9,2%.
kostensoort (zie tabel 5.8). Ongeveer 57,8% van de O&Ouitgaven zijn personeelskosten, 31,9% voor werking en
Bij het hoger onderwijs ligt het overheidsaandeel met 59,7%
uitrusting en 10,3% voor investeringen. Er vallen wel enkele
(in 2005 bedroeg dit aandeel nog 64%) en het aandeel van het
verschillen te onderkennen in de kostenstructuur van de
hoger onderwijs (BOF & TETRA-fonds) met 16,8% aanzienlijk
verschillend subsectoren. Bij het hoger onderwijs bedraagt het
hoger dan het cijfer voor de gehele publieke sector. Ook de
aandeel van de personeelskosten 64,6% terwijl dit bij de
bedrijven vormen met 15,3% een belangrijke financieringsbron
publieke onderzoekscentra maar 45,4% is. Het aandeel van
voor het hoger onderwijs.
de investeringen ligt bij de publieke onderzoekscentra met 21,4% heel wat hoger dan bijvoorbeeld in het hoger onderwijs
Bij de collectieve centra vormen niet langer de bedrijven (42,7%)
met 4,5%.
de grootste financieringsbron, maar de diverse overheden (50,9%). Dit hangt zeker samen met de verdere uitbouw van de
opgerichte
competentiepolen
ondersteund worden.
die
ook
financieel
77
Tabel 5.7:
Overzicht van de totale O&O-uitgaven in de non-profit sector en de collectieve centra (1993-2007)
Lopende prijzen (x 1000 EUR) 200 GOVERD 210 Federale overheid (Vlaams Gewest) 220 Vlaamse Gemeenschap/Gewest 270 Lagere overheden 300 PNP 320 Semi-publieke instellingen 330 Particuliere centra 510 Internationale instellingen in BelgiĂŤ 400 HERDgewest 410 Universiteiten 420 Zelfstandige universitaire onderzoekscentra 490 Hogescholen 400 HERDgemeenschap 410 Universiteiten 420 Zelfstandige universitaire onderzoekscentra 490 Hogescholen Totaal non-profit met HERDgewest Totaal non-profit met HERDgemeenschap 130 Collectieve onderzoekscentra*
1993
1996
1999
2002
2003
2004
2005
2006
2007
% groei 20022007
95.691
146.113
220.056
280.883
260.821
335.331
379.713
381.963
417.890
48,8%
23.326
23.156
27.159
17.057
16.647
17.192
17.901
18.586
19.111
71.572
122.070
191.976
263.298
243.320
316.424
360.042
360.845
396.384
793
887
920
527
853
1.715
1.769
2.533
2.395
29.084
31.671
32.722
36.266
36.225
36.881
38.125
38.579
40.038
0
0
0
69
71
83
92
94
95
308
245
251
1.712
1.344
1.314
1.342
1.241
1.664
28.775
31.426
32.471
34.485
34.810
35.483
36.690
37.244
38.279
311.321
367.428
460.294
540.688
600.367
624.288
667.078
688.549
739.171
302.180
357.006
442.553
499.532
555.866
581.057
619.723
631.443
668.211
9.142
10.422
11.024
17.764
19.248
21.922
23.757
25.365
29.001
0
0
6.717
23.391
25.254
21.308
23.598
31.741
41.959
362.415
411.515
516.221
608.738
666.994
691.694
737.940
740.821
796.164
353.232
401.048
496.219
562.511
617.197
640.463
681.287
673.325
712.870
9.183
10.467
11.073
17.764
19.248
21.922
23.757
25.365
29.001
0
0
8.930
28.463
30.549
29.308
32.896
42.131
54.293
436.096
545.212
713.072
857.837
897.413
996.499 1.084.915 1.109.092 1.197.099
39,5%
487.190
589.299
768.999
925.888
964.039 1.063.906 1.155.778 1.161.363 1.254.092
35,4%
22.380
31.172
43.151
47.233
46.812
36.681
44.486
42.663
49.339
4,5%
154.080
224.125
270.301
246.955
310.054
342.452
337.890
362.572
34,1%
33.398
33.327
34.900
34.299
34.100
34.384
34.128
34.738
-0,5%
387.462
468.806
520.317
568.449
577.228
601.618
609.101
641.323
23,3%
433.952
525.768
585.804
631.533
639.553
665.527
655.341
690.772
17,9%
574.940
726.258
825.517
849.702
921.382
978.454
981.119 1.038.633
25,8%
32.872
43.949
45.454
44.324
33.916
40.120
Constante prijzen op prijsniveau 2000 (x 1000 EUR) 104.842 200 GOVERD 300 PNP 31.865 400 HERDgew 341.093 400 HERDgem 397.073 Totaal non-profit met HERDgewest 477.799 130 Collectieve onderzoekscentra* 24.520
37.740
42.808
O&O bestedingen volgens kostensoort als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2007 Personeelskosten
Werking en uitrusting
Investeringen
HERDgew
64,6%
30,9%
4,5%
Universiteiten (gewest)
64,0%
31,9%
4,1%
Zelfstandige univ. onderzoekscentra (gewest)
56,6%
38,7%
4,7%
Hogescholen (gewest)
79,8%
10,0%
10,2%
GOVERD
45,4%
33,2%
21,4%
PNP
60,3%
36,4%
3,3%
Vlaamse NPO's (gewest)
57,8%
31,9%
10,3%
Collectieve onderzoekscentra*
54,8%
27,5%
17,7%
* Als onderdeel van de BERD
36,7%
30,8%
-5,8%
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5
Bron: CFS/STAT - POD Wetenschapsbeleid, MSTI-deflator OECD 2008/1 + eigen berekeningen 2006 en 2007 * Als onderdeel van de bedrijven; HERD = Higher Education Expenditures on R&D, GOVERD = Government Expenditures on R&D, PNP = Non-Profit Expenditures on R&D
Tabel 5.8:
10,4%
78
Tabel 5.9:
O&O-bestedingen volgens financieringsbron - als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2007 Bedrijven
Overheden
PNP's
Hoger Onderwijs**
Buitenland
HERDgew
15,3%
59,7%
0,9%
16,8%
7,3%
Universiteiten (gewest)
15,8%
60,6%
0,7%
16,4%
6,5%
Zelfstandige univ. onderzoekscentra (gewest)
17,0%
40,2%
6,2%
11,0%
25,6%
6,5%
58,3%
1,1%
26,7%
7,4%
11,1%
42,6%
0,4%
0,0%
45,9%
2,0%
7,0%
1,7%
0,0%
89,3%
Non-profit sector in Vlaanderen (gewest)
13,4%
52,0%
0,8%
10,3%
23,5%
Collectieve onderzoekscentra*
42,7%
50,9%
0,2%
0,2%
6,0%
Hogescholen (gewest) GOVERD PNP
* Als onderdeel van de BERD ** BOF en TETRA-fonds
Tabel 5.10: O&O-bestedingen volgens wetenschapsdomein - als % van het totaal van de uitvoeringssector in 2007 Natuur- en exacte wetenschappen
Toegepaste wetenschappen
Medische wetenschappen
Landbouwwetenschappen
Sociale wetenschappen
Humane wetenschappen
HERD (gewest)
18,2%
17,5%
30,1%
9,3%
16,0%
8,9%
GOVERD
15,8%
75,7%
0,1%
6,5%
0,1%
1,8%
Tabel 5.11: Evolutie van de O&O-intensiteit van de non-proft sector en de collectieve onderzoekscentra tussen 1993-2007 en de opsplitsing voor de HERD voor 2007
HERDgew
O&O-intensiteit voor 2005 opgesplitst voor HERDgew en HERDgem
1993
1996
1999
2002
2003
2004
2005
2006
2007
0,29%
0,31%
0,34%
0,35%
0,38%
0,38%
0,39%
0,38%
0,39%
Universiteiten (gewest)
0,35% 0,02%
HERDgem
0,34%
0,34%
0,38%
0,40%
0,42%
0,42%
0,43%
0,40%
0,42%
Zelfstandige univ. onderzoekscentra (gewest)
GOVERD
0,09%
0,12%
0,16%
0,18%
0,17%
0,20%
0,22%
0,21%
0,22%
Hogescholen (gewest)
0,02%
PNP
0,03%
0,03%
0,02%
0,02%
0,02%
0,02%
0,02%
0,02%
0,02%
Non-profit Vlaams gewest
0,41%
0,45%
0,52%
0,56%
0,57%
0,60%
0,63%
0,61%
0,63%
Universiteiten (gemeenschap)
0,38%
Zelfstandige univ. onderzoekscentra (gemeenschap) Hogescholen (gemeenschap)
0,02% 0,03%
Non-profit Vlaamse gemeenschap
0,46%
0,49%
0,56%
0,61%
0,61%
0,64%
0,67%
0,63%
0,66%
Collectieve onderzoekscentra*
0,02%
0,03%
0,03%
0,03%
0,03%
0,02%
0,03%
0,02%
0,03%
Bron: CFS/STAT, POD Wetenschapsbeleid, Studiedienst van de Vlaamse Regering (BBPR-Vlaanderen, cijfers september/oktober 2008) + eigen berekeningen * Als onderdeel van de bedrijven
Tabel 5.10 bestudeert voor 2007 de O&O-uitgaven uit de
In het hoger onderwijs blijven de medische wetenschappen het
publieke onderzoekscentra (GOVERD) en het hoger onderwijs
belangrijkste onderzoeksdomein met 30% (aandeel blijft
(gewestbenadering – HERDgew) naar wetenschapsdomein.
constant ten opzichte van 2005) gevolgd door de exacte en
Bij de GOVERD is de dominante positie van het onderzoeks-
natuurwetenschappen met 18,2% (-1,6% ten opzichte van 2005)
domein toegepaste wetenschappen overduidelijk met een
en de sociale wetenschappen met 16% (-1,1% ten opzichte
aandeel van 75,7% (+1% van het aandeel ten opzichte van
van 2005) als nummer twee en drie. Ook de landbouw-
2005) maar blijven de overige aandelen van de verschillende
wetenschappen verliezen terrein als onderzoeksdomein binnen
wetenschapdomeinen relatief stabiel op de landbouw-
het hoger onderwijs, namelijk van 11,2% naar 9,3%.
wetenschappen na (6,5% in plaats van 7,9%).
79
Wanneer de link met tabel 5.5 (de opsplitsing van het O&O-
In 2006 was er een lichte daling wat de O&O-intensiteit betreft
personeel) bestudeerd wordt, valt op dat de medische
voor de publieke sector, maar dankzij een stijging voor 2007
wetenschappen bij de HERD een groter aandeel (30,1%)
benadert de O&O-intensiteit opnieuw het niveau van 2005.
hebben in de O&O-uitgaven dan bij het O&O-personeel
De cijfers tonen ook aan dat de aanzienlijke stijging van de
(24,4%). Bij de exacte en natuurwetenschappen ligt het
O&O-uitgaven tussen 2005 en 2007 van ongeveer 112 miljoen
aandeel in de O&O-uitgaven (18,2%) lager dan het aandeel in
EUR (in reële en absolute cijfers) niet volstaat om het effect van
het O&O-personeel (23,5%). Bij de GOVERD is het overwicht
een sterk stijgende noemer (BBPR-Vlaanderen) ten gevolge
van de toegepaste wetenschappen in de O&O-uitgaven nog
inflatie en/of economische groei te compenseren.
opvallender ten opzichte van het aandeel in het O&O-personeel met 75,7% versus 62,6%. Het personeelseffectief aan O&O-
Tabel 5.12 gaat dieper in op de herkomst van de O&O-
personeel in de landbouwwetenschappen beloopt 14,2% van
uitgaven. De financiële middelen zijn niet enkel afkomstig van
het totaal maar neemt slechts 6,5% van de O&O-uitgaven voor
binnen- of buitenlandse bronnen, maar binnen elke categorie
haar rekening.
kunnen die nog verder opgesplitst worden. Met binnenlandse private financiering worden de binnenlandse bedrijven
Tabel 5.11 toont naast de O&O-intensiteit (O&O-uitgaven als
bedoeld terwijl met binnenlandse publieke financiering alle
% van het BBPR) voor de totale non-profit sector, ook de cijfers
overheidsfinanciering, de non-profit organisaties en het hoger
van alle subsectoren en die voor de collectieve centra tussen
onderwijs binnen Vlaanderen en België gedefinieerd wordt.
1993 en 2007. Op basis van de gewestberekening werd in 2007
Met buitenlandse private financiering worden de buitenlandse
door het hoger onderwijs 0,39% van het BBPR-Vlaanderen
bedrijven bedoeld en met buitenlandse publieke financiering
besteed aan O&O. Volgens de gemeenschapsbenadering
alle Europese en internationale organisaties.
bedraagt dit cijfer 0,42% voor het hoger onderwijs. De publieke onderzoekscentra noteren voor 2007 een O&O-intensiteit
Ongeveer 73,2% van alle O&O-middelen uit de non-profit zijn
van 0,22%. De totale O&O-intensiteit voor de non-profit
publieke middelen, de overige zijn van private oorsprong.
sector bedraagt 0,63% (gewestbenadering) en 0,66%
De binnenlandse O&O-middelen zijn hoofdzakelijk afkomstig
(gemeenschapsbenadering). De O&O-intensiteit voor de
van publieke instanties (82,5%), terwijl de buitenlandse O&O-
collectieve centra, als onderdeel van het totaalcijfer voor de
middelen voor meer dan de helft (56,8%) afkomstig zijn van de ondernemingen. Het private aandeel (48,6%) binnen de publieke
de O&O-intensiteit van de PNP, die stabiel blijft op 0,02%.
onderzoekscentra is veel hoger dan dit binnen het hoger onderwijs (15,6%). Bijna 82% van de buitenlandse onderzoeksmiddelen bij de publieke onderzoekscentra zijn afkomstig van buitenlandse ondernemingen wat zowel in absolute en relatieve cijfers aanzienlijke bedragen zijn.
Tabel 5.12: Private versus publieke financiering in de non-profit sector voor 2007
Totale O&O-uitgaven GOVERD
Binnenlandse herkomst (belgische bedrijven + overheid + pnp + hoger onderwijs)
Buitenlandse herkomst
Privaat
Publiek
Privaat
Publiek
Privaat
Publiek
48,6%
51,4%
20,5%
79,5%
81,7%
18,3% 96,5%
5,1%
94,9%
18,5%
81,5%
3,5%
HERDgew
15,6%
84,4%
16,5%
83,5%
3,5%
96,5%
Vlaamse NPO's (gewest)
26,8%
73,2%
17,5%
82,5%
56,8%
43,2%
Collectieve onderzoekscentra *
42,8%
57,2%
45,5%
54,5%
0,6%
99,4%
PNP
* Als onderdeel van de bedrijven
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5
BERD, blijft ongeveer constant op 0,03% van het BBPR net zoals
80
Tabel 5.13: Private versus publieke financiering & O&O-uitgaven (non-profit) voor 2007
O&O-uitgaven non-profit (gewest) O&O-uitgaven non-profit (gemeenschap)
Publiek gefinancierd 0,46% 0,49%
Privaat gefinancierd 0,17% 0,17%
Totale O&O-intensiteit 0,63% 0,66%
Tabel 5.14: Internationale vergelijking van het O&O-personeel (VTE) voor het hoger onderwijs Hoger onderwijs Onderzoekers (VTE)
Totaal O&O-personeel (VTE)
% aandeel onderzoekers
Vlaanderen (2007) (gewest)
8.665
10.895
79,5%
Vlaanderen (2007) (gemeenschap)
9.813
12.322
79,6%
België* (2006)
14.032
18.540
75,7%
Nederland (2003)
10.211
27.209
37,5%
Frankrijk (2005)
66.290
98.743
67,1%
Duitsland (2005)
70.843
100.002
70,8%
-
-
-
Japan (2006)
184.319
238.813
77,2%
EU-27*** (2005)
477.566
718.074
66,5%
8.893
12.322
72,2%
Finland (2006)
12.849
17.362
74,0%
Zweden (2006)
14.740
17.137
86,0%
7.512
9.420
79,7%
VS**
Denemarken (2006)
Noorwegen (2005)
Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1 * Voorlopige cijfers ** Geen cijfers sinds 1999 beschikbaar *** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen
Tabel 5.15: Internationale vergelijking van het O&O-personeel (VTE) voor de overheidssector (publieke onderzoekscentra)
Vlaanderen (2007) (gewest) België* (2006) Nederland** (2006) Frankrijk*** (2005) Duitsland (2005) VS*** (2002) Japan (2006) EU-27* (2005) Denemarken (2006) Finland (2006) Zweden**** (2006) Noorwegen**** (2005)
Onderzoekers (VTE) 1.577 2.499 7.131 25.889 39.911 47.822 33.593 177.304 2.190 4.470 3.041 3.449
Publieke onderzoekscentra Totaal O&O-personeel (VTE) 2.661 3.861 12.765 49.645 76.254 63.196 317.693 3.305 7.408 3.618 5.147
Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1 * Voorlopige cijfers voor België, Denemarken en EU, voor EU schatting door secretariaat ** Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra *** Defensieonderzoek uitgesloten voor Frankrijk en VS, enkel centrale of federale overheid voor VS **** Universitaire diploma's in plaats van onderzoekers
% aandeel onderzoekers 59,3% 64,7% 55,9% 52,1% 52,3% 53,2% 55,8% 66,3% 60,3% 84,1% 67,0%
81
De ondernemingen als financieringbron winnen aan belang ten
5.4 INTERNATIONALE VERGELIJKING
opzichte van 2005 (+3,4% tot nu 26,8%). Uit de detailcijfers per sector, blijkt duidelijk dat de private sector (zowel
In dit derde deel worden enkele Vlaamse kengetallen
binnenlandse als buitenlandse bedrijven) enorm belangrijk
internationaal vergeleken voor de publieke onderzoekscentra
is als financieringsbron voor de publieke onderzoekscentra. De
(GOVERD) en het hoger onderwijs (HERD). De volgende
publieke sector op haar beurt is dan weer de belangrijkste
variabelen komen aan bod: het aantal onderzoekers, het totale
financieringsbron geworden voor de collectieve centra.
O&O-personeel, de O&O-uitgaven, de O&O-intensiteit en gender en O&O.
Het cijfer voor de O&O-intensiteit uit tabel 5.11 is een belangrijke bron om na te gaan hoe het staat met de afspraken
Tabel 5.14 toont de internationale vergelijking voor het hoger
dat de publieke sector 1% van het BBPR zal financieren en de
onderwijs (onderzoekers en O&O-personeel). Het percentage
private sector 2%. De totale O&O-intensiteit bedraagt 0,63%
onderzoekers voor Vlaanderen (79,5%) is hoger dan de grote
van het BBPR of 0,66% naargelang de berekeningswijze
buurlanden Frankrijk, Duitsland en het EU-27 gemiddelde, maar
gewest of gemeenschap is. Wanneer die dan verder opgesplitst
verhoudt zich wisselend ten opzichte van de Scandinavische
worden naar de herkomst (privaat/publiek) geeft dit het
resultaten. Globaal genomen ligt (met uitzondering van
volgende resultaat (zie tabel 5.13). De publieke inspanningen
Noorwegen) het cijfer er voor het O&O-personeel hoger maar
binnen de non-profit sector bedragen 0,46% van het
het percentage onderzoekers ligt enkel hoger voor Zweden.
BBPR (volgens de gewestbenadering) en 0,49% (volgens de
Voor Vlaanderen werden zowel de gewest- als gemeenschaps-
gemeenschapsbenadering). De private inspanningen voor O&O
cijfers weergegeven bij de vergelijking, omdat dit duidelijk
binnen de non-profit belopen 0,17% van het BBPR. In vergelijking
aantoont dat het (in absolute cijfers) een verschil uitmaakt welke
met 2005 is het aandeel van de private inspanningen in de
basis gebruikt wordt voor een internationale vergelijking, terwijl
totale O&O-intensiteit voor de publieke sector toegenomen.
dit relatief gezien geen verschil uitmaakt.
Het aandeel van de private financiering in de totale O&Ointensiteit is immers gestegen van 23,4% in 2005 naar 26,8%
Tabel 5.15 vergelijkt Vlaanderen op internationaal vlak voor
in 2007.
O&O-personeel en onderzoekers binnen de publieke onderzoekscentra. Vlaanderen scoort lager dan de Scandinavische landen bij de vergelijking van het totale O&O-personeel.
de private en publieke inspanningen te evalueren omdat dezelfde
Het aandeel onderzoekers voor Vlaanderen ligt hoger dan
oefening moet gebeuren voor de profit sector. Daarom wordt
de buurlanden en iets hoger dan het EU-27 gemiddelde.
verwezen naar hoofdstuk 6 waarin de resultaten van de O&O-
Het percentage onderzoekers voor de publieke onderzoeks-
enquĂŞte voor de bedrijven ook geanalyseerd worden naar
centra ligt wĂŠl hoger bij de Scandinavische landen.
herkomst. Voor een totaalbeeld kan ook verwezen worden naar de 3% nota van het Expertisecentrum O&O Monitoring, die
Tabel 5.16 vergelijkt de O&O-uitgaven binnen de publieke
de totale O&O-intensiteit opdeelt naar private en publieke
onderzoekscentra (GOVERD) en binnen het hoger onderwijs
financiering.
(HERD) op internationaal vlak in miljoen (PPP $). Dit laat een meer objectieve vergelijking toe. De uitgaven voor de GOVERD liggen hoger voor Vlaanderen (de Vlaamse cijfers tonen een duidelijke stijging) dan voor Denemarken maar de kloof met de andere Scandinavische landen blijft toch aanzienlijk. Wat de HERD betreft valt op dat het cijfer voor Vlaanderen gestegen is (zowel gewest- als gemeenschapsbenadering) terwijl het cijfer voor Nederland in absolute termen gedaald is. Vlaanderen verkleint niet echt de kloof met de Scandinavische landen op het vlak van de absolute O&O-uitgaven voor het hoger onderwijs.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5
Het spreekt voor zich dat dit slechts voor een deel toelaat om
82
Tabel 5.16: Internationale vergelijking van de HERD
Tabel 5.17: Internationale vergelijking van de O&O-
en GOVERD (in lopende prijzen)
intensiteit voor de GOVERD en HERD
(uitgaven in miljoen PPP $)
HERD
GOVERD
Vlaanderen (2007) (gewest)
830,6
469,6
Vlaanderen (2007) (gemeenschap)
894,6
O&O-intensiteit
HERD
GOVERD
Vlaanderen (2007) (gewest)
0,39%
0,22%
Vlaanderen (2007) (gemeenschap)
0,42%
België* (2006)
1.441,5
557,8
België* (2006)
0,41%
0,16%
Nederland**,*** (2006)
2.543,4
1.408,3
Nederland**,*** (2006)
0,49%
0,24%
Frankrijk (2005)
7.527,7
7.167,9
Frankrijk (2005)
0,40%
0,37%
Duitsland*** (2005)
10.331,1
8.813,8
Duitsland*** (2005)
0,41%
0,35%
VS*,***** (2006)
49.091,0
38.247,5
VS*,**** (2005)
0,37%
0,31%
Japan (2006)
17.617,4
11.492,8
Japan (2006)
0,43%
0,28%
EU-27**** (2005)
51.070,0
31.483,9
EU-27***** (2005)
0,39%
0,24%
Denemarken* (2006)
1.214,1
312,2
Denemarken* (2006)
0,63%
0,16%
Finland (2006)
1.113,7
555,7
Finland (2006)
0,65%
0,32%
Zweden (2006)
2.412,6
530,7
Zweden (2006)
0,76%
0,17%
Noorwegen (2006)
1.112,9
577,3
Noorwegen (2006)
0,46%
0,24%
Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1 * Schattingen voor VS, Denemarken en België, voor VS geen 'grote investeringen' bij HERD ** HERD cijfers voor 2003 *** Bevat ook ander instellingen dan publieke onderzoekscentra **** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen ***** Enkel federale overheid, geen lokale overheden
Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1 * Voorlopige cijfers voor België, Denemarken, VS (GOVERD) ** HERD cijfers voor 2003 *** Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra **** Enkel federale overheid voor Zweden en VS, voor de VS geen 'grote investeringen' bij de HERD ***** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen
Tabel 5.18:
Tabel 5.19: Internationale vergelijking voor het % aandeel
Internationale vergelijking van de financiering van de HERD en GOVERD door de bedrijven
% door de bedrijven gefinancieerd
vrouwelijke onderzoekers (headcount)
HERD
GOVERD
% aandeel vrouwelijke onderzoekers
Vlaanderen (2007) (gewest)
15,30%
11,20%
België (2005)
10,90%
9,20%
6,80%
16,10%
Nederland*,** (2003)
HERD
GOVERD
Vlaanderen (2007) (gewest)
38,27%
30,07%
België (2005)
36,20%
31,40%
Nederland* (2003 en 2005)
29,00%
29,50%
1,60%
7,40%
Frankrijk** (2005)
34,20%
32,90%
Duitsland** (2005)
14,10%
9,90%
Duitsland (2005)
29,70%
28,50%
VS***,***** (2006)
4,90%
0,00%
VS***
-
-
Japan (2006)
2,90%
0,70%
Japan (2006)
22,10%
13,20%
EU-27**** (2005)
6,50%
8,50%
EU-27***
Denemarken (2005)
2,40%
2,10%
Finland (2006)
6,60%
12,70%
Zweden* (2005)
5,20%
1,50%
Noorwegen (2005)
4,70%
10,60%
Frankrijk (2005)
Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1 * Knik in gegevensreeks (GOVERD en HERD) ** Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra *** Enkel federale overheid, geen lokale overheden **** Schatting door secretariaat op basis van nationale bronnen (GOVERD) ***** VS: geen 'grote investeringen' bij de HERD, voorlopige cijfers
-
-
Denemarken (2005)
35,70%
36,40%
Finland (2006)
45,30%
42,80%
Zweden**** (2005)
48,30%
37,20%
Noorwegen***** (2005)
39,40%
37,40%
Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1 * Omvat andere dan de publieke onderzoekscentra, GOVERD (2005), HERD (2003), nationale schatting voor de HERD ** Defensieonderzoek uitgesloten *** Geen recente gegevens voor VS en EU-27 **** Universitaire diploma's ipv onderzoekers ***** Universitaire diploma's ipv onderzoekers bij GOVERD
83
Tabel 5.17 vergelijkt internationaal de O&O-intensiteit voor de
Tabel 5.19 vergelijkt het percentage vrouwelijke onderzoekers
HERD en de GOVERD. Tabel 5.16 toont aan dat het gebruik
binnen de publieke onderzoekscentra en het hoger onderwijs
van de gemeenschaps- of gewestbenadering toch wel van
op internationaal vlak. Vlaanderen scoort met 38,3% voor het
belang is bij een internationale vergelijking. Op basis van
hoger onderwijs niet zo slecht in vergelijking met Duitsland,
de gemeenschapsbenadering ligt de O&O-intensiteit van
Nederland en Frankrijk. In vergelijking met de Scandinavische
het hoger onderwijs ongeveer op het niveau van buurlanden
landen (met uitzondering van Denemarken) ligt het percentage
zoals Frankrijk en Duitsland en net iets hoger dan het EU-27
vrouwelijke onderzoekers voor het hoger onderwijs hier wel
gemiddelde. Wanneer men de gewestbenadering gebruikt
lager. Ook bij de publieke onderzoekscentra scoort Vlaanderen
voor Vlaanderen, scoort Vlaanderen gelijklopend met het
behoorlijk (beter dan Duitsland en Nederland maar iets lager
EU-27 gemiddelde en onder het niveau van Frankrijk en
dan Frankrijk). De cijfers voor Vlaanderen liggen wel nog een
Duitsland. De Scandinavische landen kennen een veel hogere
stuk onder die voor Noord-Europa. Vlaanderen volgt wel de
O&O-intensiteit voor het hoger onderwijs, variĂŤrend van 0,46%
internationale trend met een stijgend aandeel vrouwelijke
voor Noorwegen tot 0,76% voor Zweden. Globaal genomen is
onderzoekers zowel bij de publieke onderzoekscentra als bij
de internationale evolutie gelijklopend met de Vlaamse trend:
het hoger onderwijs.
de O&O-intensiteit van de HERD blijft de laatste jaren vrij stabiel of groeit slechts heel beperkt.
5.5 BESLUIT De O&O-intensiteit van de publieke onderzoekscentra (GOVERD) ligt hoger dan die van Zweden en Denemarken, maar ligt lager
Zowel het opleidingsniveau van het O&O-personeel als het
dan de buurlanden (zoals Nederland, Frankrijk en Duitsland)
percentage onderzoekers binnen de non-profit sector nemen
en de EU-27. De O&O-intensiteit voor de GOVERD voor
gestaag toe in vergelijking met 2005. Uit de opsplitsing naar
Vlaanderen blijft op het niveau van 2005 en internationaal
geslacht blijkt dezelfde stijgende tendens, ook al blijft er een
gezien is het beeld verschillend. Bij sommige landen merken
genderkloof zichtbaar zowel naar opleidingsniveau als naar
we een daling (Denemarken en Finland) terwijl het cijfer voor
functieopdeling. Er zijn ook verschillen merkbaar per subsector.
de meeste andere landen ongeveer op hetzelfde niveau blijft.
In de publieke onderzoekscentra hebben minder mensen een universitair diploma en ligt het percentage onderzoekers ook lager dan bij het hoger onderwijs. Het percentage vrouwen
op internationaal vlak. Vlaanderen kent het hoogste percentage
ten opzichte van het O&O-personeel ligt er ook lager.
voor de HERD qua financiering door de binnenlandse bedrijven
Vrouwen hebben vaker een diploma hoger onderwijs 1 cyclus
(15,3%) en dit cijfer is nog licht gestegen. Enkel Duitsland kent
binnen de publieke onderzoekscentra. Het aandeel van de
een enigszins vergelijkbaar cijfer. Het Europese gemiddelde
vrouwen in het totale O&O-personeel bleef in grootte-orde
bedraagt 6,5% wat een heel stuk lager is dan het Vlaamse cijfer.
ongeveer op hetzelfde niveau van 2005, afgerond naar 44%.
Ook binnen de GOVERD vormen de bedrijven (binnenlandse)
Wat de verdeling van het O&O-personeel naar wetenschaps-
voor Vlaanderen internationaal gezien een belangrijke
gebied (hoger onderwijs) betreft, valt vooral de daling op
financieringsbron met 11,2%. Het EU-27 gemiddelde bedraagt
voor de landbouwwetenschappen en de natuurwetenschappen
5,9%, een stuk lager. Enkel Nederland scoort ook vrij hoog voor
en de stijging van de sociale en de medische wetenschappen
financiering door de bedrijven in de GOVERD. Voor Zweden,
ten opzichte van 2005. De toegepaste wetenschappen vormen
Denemarken en Japan ligt het percentage van de GOVERD dat
hĂŠt onderzoeksdomein binnen de publieke onderzoekscentra.
door de bedrijven gefinancierd is lager dan 3%.
Voor het overige zijn de verschuivingen voor de publieke onderzoekscentra per wetenschapsdomein eerder beperkt. Bij het vrouwelijk O&O-personeel uit de publieke onderzoekscentra stijgt het aandeel van de natuur- en exacte wetenschappen en daalt het aandeel van de landbouwwetenschappen.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 5
Tabel 5.18 vergelijkt de financiering van de GOVERD en HERD
84
Het totale O&O-personeel binnen het hoger onderwijs is
De internationale vergelijking toont aan dat Vlaanderen, wat de
tussen 2002 en 2007 met ongeveer een derde toegenomen,
HERD en GOVERD betreft, vrij wisselend maar in meerdere
terwijl de stijging binnen de publieke onderzoekscentra met
opzichten niet zo slecht presteert op Europees vlak maar dat de
ongeveer 13% een stuk lager ligt. De O&O-uitgaven stegen de
geleverde inspanningen zeker en vast gehandhaafd moeten
afgelopen vijf jaar sterker. Bij de publieke onderzoekscentra
worden wil de O&O-intensiteit verder verhoogd worden en
beliep de stijging bijna de helft terwijl de stijging voor het hoger
Vlaanderen zijn positie als sterke regio handhaven of versterken.
onderwijs met ongeveer een derde lager lag. Wat de O&O-uitgaven naar kostensoort voor de non-profit betreft voor 2007, vallen er weinig wijzigingen te melden ten opzichte van de gegevens uit 2005. De personeelskosten vormen de grootste kostensoort met 57,7%, gevolgd door de werkingskosten met een aandeel van 31,8% en tenslotte de investeringen met een aandeel van 10,5%. Bij de publieke onderzoekscentra ligt het investeringsaandeel met 21,4% merkbaar hoger maar ook hier blijft dit aandeel vrij constant. Het buitenland blijft aan belang winnen als financieringsbron ten koste van de overheid (binnenland). Het buitenland (omvat middelen van buitenlandse bedrijven ĂŠn Europese en internationale organisaties) vormt voor de publieke onderzoekscentra, met bijna de helft, dĂŠ belangrijkste financieringsbron. De stijging manifesteert zich bij alle subsectoren maar het buitenland blijft bij de publieke onderzoekscentra nog steeds groeien aan belang, een fenomeen dat bij vorige enquĂŞtes ook al zichtbaar was. De private financiering binnen de non-profit sector is ten opzichte van 2005 ook toegenomen. Binnen de publieke onderzoekscentra situeren de O&Ouitgaven zich vooral binnen de toegepaste wetenschappen en neemt de dominante positie nog lichtjes verder toe (ten koste van de landbouwwetenschappen) in vergelijking met 2005. Voor het hoger onderwijs behouden de medische wetenschappen hun positie als belangrijkste onderzoeksdomein op basis van de O&O-uitgaven maar is het aandeel van de toegepaste wetenschappen het sterkst gestegen ten opzichte van 2005. De O&O-intensiteit binnen de non-profit blijft vrij stabiel ten opzichte van 2005, op 0,63% volgens de gewestbenadering en 0,66% volgens de gemeenschapsbenadering. Wanneer de O&O-intensiteit opgedeeld wordt naar publiek en private financiering is 0,46% afkomstig van publieke financiering en 0,17% afkomstig van private financiering. Het aandeel van de private financiering is toegenomen ten opzichte van 2005.
85
DEEL 1 D E TOTA L E O & O - U I TG AV E N IN VLAANDEREN: GERD
Door Petra Andries (K.U.Leuven), Dirk Czarnitzki (K.U.Leuven), Koenraad Debackere (K.U.Leuven), Machteld Hoskens (K.U.Leuven), en Susanne Thorwarth (K.U.Leuven)
06
86
6.1 DE GEBRUIKTE INDICATOREN
De gezamenlijke inspanningen van alle sectoren leveren de totale bruto uitgaven voor O&O in een beschouwd geografisch
Vlaanderen heeft zich ten volle geëngageerd in de Europese
gebied. Dit zijn de Bruto Binnenlandse Uitgaven voor O&O
Lissabon-ambitie en vertaalde die in de Vlaamse context via het
(BUOO) of GERD (Gross Expenditure on R&D). Deze staat
Innovatiepact. Dit pact werd ondertekend in maart 2003 en
voor de som van de BERD, GOVERD, HERD en PNPs:
houdt een formeel engagement in van alle betrokken actoren in het Vlaamse innovatielandschap (overheid, bedrijfsleven,
GERD = BERD + GOVERD + HERD + PNP
universiteiten en onderzoeksinstellingen) om door gezamenlijke en complementaire inspanningen de 3% O&O-norm te realiseren.
Het gaat hier om de O&O-activiteiten die worden uitgevoerd
De ambitie deze norm te behalen werd herbevestigd bij de
binnen de statistische eenheid. Naar bestemming worden enkel
ondertekening van het Pact 2020 op 20 januari 2009 in
de intramurale uitgaven in rekening genomen, ongeacht de
Hasselt. Deze 3% norm specificeert dat de uitgaven voor O&O
herkomst van de middelen.
activiteiten in Vlaanderen over alle actoren heen, tegen 2014 ten minste 3% van het Bruto Binnenlands Product van de Regio
De O&O-intensiteit drukt de GERD uit relatief ten opzichte
(BBPR) moeten bedragen, verdeeld over zowel publieke als
van het Bruto Binnenlands Product van de Regio (BBPR).
private actoren. In het kader van deze 3% O&O-norm wordt
Deze indicator schakelt de invloed van de grootte van een
vandaag algemeen aanvaard dat de diverse Europese
gebied uit en is dus geschikt voor internationale vergelijkingen.
overheden ernaar streven om 1% voor hun rekening te nemen, terwijl het bedrijfsleven ernaar streeft 2% voor zijn rekening te
De internationale afspraken specificeren dat de allocatie naar regio’s
nemen. Dit streven heeft ondertussen in verschillende Europese
gebeurt via de geografische locatie van de responderende
landen en regio’s geleid tot het afsluiten van zogenaamde
entiteit. In de eigen Belgische context dient men evenwel
innovatiepacten of innovatieplatformen tussen publieke en
rekening te houden met de specifieke federale staatsstructuur,
private O&O-actoren.
die gewest- en gemeenschapsmateries onderscheidt. Bij het toepassen van de internationale definities voor de verschillende
Ter ondersteuning van deze beleidsoptie, is een continue
regio’s in België werd de volgende procedure afgesproken,
opvolging van de toestand aan de hand van recent en
binnen CFS-STAT. Voor de BERD, de GOVERD, de PNP en
internationaal vergelijkbaar cijfermateriaal nodig. Dit hoofdstuk
het BBP wordt het Gewest als territoriale entiteit gehanteerd.
levert de meest recent beschikbare cijfers over de totale O&O-
De HERD, de uitgaven in het hoger onderwijs, zijn echter een
uitgaven in Vlaanderen.
gemeenschapsmaterie. De O&O-activiteiten van de Vlaamse gemeenschapsinstellingen die in het Brussels Hoofdstedelijk
De bruto binnenlandse uitgaven voor O&O of GERD (Gross
Gewest zijn gevestigd horen bijgevolg bij de Vlaamse
Expenditures on Research and Development) worden in
Gemeenschap.
hoofdzaak geanalyseerd per uitvoeringssector, waar de uitgaven geïdentificeerd worden volgens locatie van activiteit:
De Gewestbenadering is de internationaal gehanteerde procedure om alle componenten van GERD en BBPR op éénzelfde eenheid,
Bedrijven: BERD: Business Expenditures on R&D: de
in casu het gewest, toe te passen. In dit hoofdstuk volgen we
bedrijvencomponent en de collectieve onderzoekscentra
deze internationale procedure. Desondanks rapporteren we
(COC)
ook ter vergelijking de Gemeenschapsbenadering. Het verschil
l
Overheden: GOVERD: Government Expenditures on R&D
tussen beide benaderingen, zijnde de uitgaven in Vlaamse
l
Hoger Onderwijs: HERD: Higher Education Expenditures
instellingen uit het hoger onderwijs gevestigd in het Brussels
on R&D (zowel universiteiten, als onderzoeksinstellingen
Hoofdstedelijk gewest, geeft een licht verschil voor de totale
verbonden aan universiteiten, als hogescholen)
GERD cijfers.
l
l
Instellingen zonder winstoogmerk: PNP: Not for Profit Organisations Expenditures on R&D (zowel semi-publieke als private organisaties en internationale organisaties)
87
6.2 GERD PER UITVOERINGSSECTOR
Waar historisch de GERD een opwaartse trend vertoonde en 2001 een piekjaar was, constateerden we een dalende trend in
In een eerste onderdeel wordt een overzicht gegeven van alle
de GERD voor de periode 2001-2003. Deze daling stabiliseerde
componenten van de GERD voor Vlaanderen. Het betreft hier
in 2004. Voor 2005 merkten we dat de GERD opnieuw steeg.
de BERD (met enerzijds de bedrijvencomponent (BERD-
In de recente cijfers zien we een beperkte daling in 2006 ten
bedrijven) en anderzijds de collectieve onderzoekscentra COC),
opzichte van 2005, opnieuw gevolgd door een stijging in 2007.
1
de GOVERD (O&O-uitgaven van de overheid) , de HERD (Hoger
Zowel de BERDbedrijven, de BERDcollectieve-onderzoekscentra,
Onderwijs) en de PNP (Instellingen zonder winstoogmerk).
de GOVERD, HERD, en PNP vertonen in constante prijzen
De berekening van de HERD kan, zoals eerder aangegeven,
voor het jaar 2007 een stijging ten opzichte van 2005.
op twee manieren gebeuren: volgens gewest en volgens gemeenschap. Tabel 6.1 geeft de internationaal vergelijkbare
Ter vergelijking, wordt in tabel 6.3 de gemeenschaps-
gewestbenadering in lopende prijzen.
benadering4 weergegeven in lopende prijzen, in tabel 6.4 volgt dezelfde benadering in constante prijzen (basisjaar 2000).
Om een correcte vergelijking over de tijd mogelijk te maken en reële trends te identificeren, drukken we in tabel 6.2 de GERD-
Uit deze resultaten blijkt dat de bedrijven het overgrote deel
cijfers uit in constante prijzen (met basis 2000). De deflator die
van de totale O&O-uitgaven voor hun rekening nemen: in 2007
binnen de overleggroep CFS-STAT gebruikt wordt om de
werden volgens de gewestbenadering 67,6% van de totale
O&O-uitgaven te herrekenen in constante prijzen is de OESO
O&O-uitgaven gerealiseerd door de bedrijven. De universiteiten
MSTI-deflator, specifiek voor O&O-uitgaven (Bron: OECD,
en hogescholen (HERD) zijn de tweede grootste uitvoerder met
Main Science and Technology Indicators, 2008/1)2.
(voor 2007) 19,2% van de totale GERD op gewestniveau.
Tabel 6.1:
GERD voor het Vlaams Gewest in miljoen euro (lopende prijzen)*
(in miljoen euro)
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
BERD-bedrijven
1.357
1.421
1.472
1.614
1.804
1.897
2.119
2.426
2.659
2.412
2.332
2.313
2.441
2.446
2.601
22
23
24
31
31
43
43
60
59
47
47
37
44
43
49
GOVERD
96
104
109
146
160
192
220
232
248
281
261
335
380
382
418
311
331
343
367
400
438
460
482
524
541
600
624
667
689
739
29
32
31
32
32
32
33
34
35
36
36
37
38
39
40
1.815
1.912
1.979
2.190
2.427
2.603
2.875
3.235
3.525
3.317
3.276
3.346
3.571
3.597
3.847
HERD gew. PNP GERD
Tabel 6.2:
GERD voor het Vlaams Gewest in miljoen euro (constante prijzen, op basis van 2000: MSTI-deflator)*
(in miljoen euro)
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
BERD-bedrijven
1.487
1.525
1.561
1.702
1.882
1.939
2.158
2.426
2.606
2.321
2.208
2.138
2.202
2.163
2.256
25
25
25
33
33
44
44
60
58
45
44
34
40
38
43
GOVERD
105
112
116
154
167
196
224
232
243
270
247
310
342
338
363
HERD gew.
341
355
364
387
417
448
469
482
514
520
568
577
602
609
641
32
35
33
33
33
33
33
34
34
35
34
34
34
34
35
1.989
2.051
2.098
2.310
2.532
2.660
2.928
3.235
3.455
3.192
3.102
3.094
3.220
3.182
3.338
Collectieve centra
PNP GERD
* Bron: Eigen berekeningen in coördinatie met Commissie Federale Samenwerking, CFS/STAT 3 1 De instellingen IMEC en VIB worden voor de gehele periode 1993-2007 ingedeeld bij GOVERD en niet bij HERD, zoals in het verleden het geval was. 2 Deze MSTI deflator is evenwel niet specifiek voor Vlaanderen. De door de VRWB ontwikkelde specifieke O&O-deflator voor Vlaanderen is niet beschikbaar voor de meest recente jaren. Specifiek voor Vlaanderen en beschikbaar voor de gehele tijdsperiode is de BBPR deflator, maar deze is niet specifiek voor O&O (cf. infra). 3 Zoals aangegeven in hoofdstuk 4 van dit Indicatorenboek, bevatten de BERDbedrijven cijfers voor 2006 en 2007 voor Vlaanderen extrapolaties bij de ontbrekende cijfers die gebaseerd zijn op enkel Vlaamse gegevens. Wanneer de cijfers voor België beschikbaar zullen zijn, kunnen de extrapolaties verder verfijnd worden, wat nog een lichte verandering in de BERDbedrijven tijdsreeks kan geven, conform met de Belgisch BERDbedrijven tijdsreeks. Deze laatste aanpassing is de zogenaamde top-down aanpassing van de tijdsreeks, in aanvulling op de bottom-up extrapolaties die nu gebeurd zijn. 4 Het verschil tussen de gewest- en de gemeenschapscijfers voor de HERD zijn de instellingen gelokaliseerd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: Vrije Universiteit Brussel, Katholieke Universiteit Brussel, Erasmushogeschool Brussel, EHSAL, Hogeschool voor Wetenschap en Kunst, en Universitair Instituut voor het Jodendom. Deze instellingen zijn niet opgenomen in de HERDgewest, maar wel in de HERDgemeenschap.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 6
Collectieve centra
88
Tabel 6.3:
GERD voor de Vlaamse Gemeenschap in miljoen euro (lopende prijzen)*
(in miljoen euro)
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
BERD-bedrijven
1.357
1.421
1.472
1.614
1.804
1.897
2.119
2.426
2.659
2.412
2.332
2.313
2.441
2.446
2.601
Collectieve centra
22
23
24
31
31
43
43
60
59
47
47
37
44
43
49
GOVERD
96
104
109
146
160
192
220
232
248
281
261
335
380
382
418
362
384
402
412
469
500
516
550
588
609
667
692
738
741
796
HERD gem. PNP GERD gem.
Tabel 6.4:
29
32
31
32
32
32
33
34
35
36
36
37
38
39
40
1.867
1.965
2.038
2.234
2.496
2.665
2.931
3.302
3.589
3.385
3.343
3.413
3.641
3.650
3.904
GERD voor de Vlaamse Gemeenschap in miljoen euro (constante prijzen, op basis van 2000: MSTI-deflator)*
(in miljoen euro)
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
BERD-bedrijven
1.487
1.525
1.561
1.702
1.882
1.939
2.158
2.426
2.606
2.321
2.208
2.138
2.202
2.163
2.256
25
25
25
33
33
44
44
60
58
45
44
34
40
38
43
GOVERD
105
112
116
154
167
196
224
232
243
270
247
310
342
338
363
HERD gem.
397
413
426
434
489
511
526
550
576
586
632
640
666
655
691
32
35
33
33
33
33
33
34
34
35
34
34
34
34
35
2.045
2.109
2.160
2.356
2.604
2.724
2.985
3.302
3.517
3.258
3.165
3.156
3.284
3.228
3.387
Collectieve centra
PNP GERD gem.
Tabel 6.5:
Het aandeel van de BERD en NonBERD in de GERD voor het Vlaams Gewest (gebaseerd op lopende prijzen)*
(in miljoen euro) BERD nonBERD GERD
1993 1.379 436 1.815
1994 1.444 467 1.912
1995 1.496 484 1.979
1996 1.645 545 2.190
1997 1.835 591 2.427
1998 1.940 662 2.603
1999 2.162 713 2.875
2000 2.486 748 3.235
2001 2.718 807 3.525
2002 2.459 858 3.317
2003 2.379 897 3.276
2004 2.349 996 3.346
2005 2.486 1.085 3.571
2006 2.488 1.109 3.597
2007 2.650 1.197 3.847
BERD/GERD nonBERD/GERD
0,76
0,76
0,76
0,75
0,76
0,75
0,75
0,77
0,77
0,74
0,73
0,70
0,70
0,69
0,69
0,24
0,24
0,24
0,25
0,24
0,25
0,25
0,23
0,23
0,26
0,27
0,30
0,30
0,31
0,31
Tabel 6.6:
Het aandeel van de BERD en NonBERD in de GERD voor de Vlaamse Gemeenschap (gebaseerd op lopende prijzen)*
(in miljoen euro) BERD nonBERD GERDgem
BERD/GERDgem nonBERD/GERDgem
1993 1.379 487 1.867
1994 1.444 521 1.965
1995 1.496 542 2.038
1996 1.645 589 2.234
1997 1.835 660 2.496
1998 1.940 725 2.665
1999 2.162 769 2.931
2000 2.486 816 3.302
2001 2.718 870 3.589
2002 2.459 926 3.385
2003 2.379 964 3.343
2004 2.349 1.064 3.413
2005 2.486 1.156 3.641
2006 2.488 1.161 3.650
2007 2.650 1.254 3.904
0,74
0,73
0,73
0,74
0,74
0,73
0,74
0,75
0,76
0,73
0,71
0,69
0,68
0,68
0,68
0,26
0,27
0,27
0,26
0,26
0,27
0,26
0,25
0,24
0,27
0,29
0,31
0,32
0,32
0,32
* Bron: Eigen berekeningen in coördinatie met Commissie Federale Samenwerking, CFS/STAT
Tabel 6.5 splitst de GERD op in twee categorieën van
Het aandeel van BERD in de totale GERD daalde in de periode
uitvoerders: privaat versus publiek. De eerste categorie omvat
2001-2004; een reflectie van de daling in de BERD uitgaven in
de BERD (bedrijvencomponent en collectieve onderzoeks-
de periode 2001-2004, die zich niet voordeed in de non-BERD
centra). De tweede categorie omvat de GOVERD, de HERD en
component. In de periode 2006-2007 lijken de aandelen van
de PNP. De O&O-uitgaven van beide categorieën worden
BERD en nonBERD zich echter te stabiliseren. Ter vergelijking
eerst in absolute getallen weergegeven en daarna procentueel
geeft tabel 6.6 de gemeenschapsbenadering.
ten opzichte van de totale GERD.
89
6.3 O&O-INTENSITEIT: GERD ALS % VAN HET BBPR VOOR VLAANDEREN
In tabel 6.8 worden ook de 2 componenten van de GERD (namelijk het BERD- en het nonBERDgedeelte) voorgesteld als percentage van het BBPR. Waar de BERD/BBPR-ratio een
Een van de meest gebruikte indicatoren om de O&O-activiteit van
dalende lijn vertoonde tussen 2001 en 2004, en lichtjes steeg
een regio weer te geven, is de O&O-intensiteit: het percentage
in 2005, zien we voor 2006 en 2007 opnieuw een lager
van het BBPR dat besteed wordt aan O&O. Tabel 6.7. geeft het
aandeel dan in 2005. De nonBERD/BBPR-ratio steeg over de
BBPR weer voor Vlaanderen in lopende prijzen.
gehele periode 1995-2005, en stabiliseert in 2006 en 2007. Volgens deze benadering krijgen we voor 2007 een
Wanneer we de totale O&O-uitgaven (GERD) uitdrukken als %
percentage van 1,40% uitgevoerd door de private sector en
van het BBPR bekomen we voor 2007 een percentage van
0,63% door de publieke sector.
2,03% voor de GERD op gewestniveau en 2,06% voor de GERD op gemeenschapsniveau. De volledige historische reeksen worden weergegeven in tabel 6.8 en 6.95. Na een stijging in 2005, zien we dat de totale O&O-uitgaven als percentage van het BBPR in 2006 opnieuw dalen tot 1,97% (gewestniveau). In 2007 zien we echter opnieuw een stijging tot 2,03%, maar de 3% doelstelling is duidelijk nog niet in zicht. Ter nuancering verwijzen we hierbij naar de uitermate sterke groei van het BBPR tussen 2005 en 2007. Een groei, die tengevolge van de aanwezigheid in de noemer van de intensiteitsberekening, uiteraard extra uitdagingen stelt aan de benodigde groei van de O&O-uitgaven, die in de teller van de
Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering (september/oktober 2008)
breuk terechtkomen.
Tabel 6.7:
Bruto Binnenlands Product van Vlaanderen (lopende prijzen)
(in miljoen euro)
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering (september/oktober 2008)
Tabel 6.8:
BERD, nonBERD en GERD als percentage van het BBPR voor het Vlaams Gewest
(in %) BERD/BBRP nonBERD/BBRP GERD/BBRP
Tabel 6.9:
1993 1,29 0,41 1,70
1994 1,28 0,41 1,69
1995 1,27 0,41 1,68
1996 1,37 0,45 1,82
1997 1,45 0,47 1,91
1998 1,48 0,50 1,98
1999 1,58 0,52 2,11
2000 1,72 0,52 2,24
2001 1,83 0,54 2,38
2002 1,61 0,56 2,17
2003 1,51 0,57 2,08
2004 1,41 0,60 2,01
2005 1,44 0,63 2,06
2006 1,36 0,61 1,97
2007 1,40 0,63 2,03
2004 1,41 0,64 2,05
2005 1,44 0,67 2,10
2006 1,36 0,63 1,99
2007 1,40 0,66 2,06
BERD, nonBERD en GERD als percentage van het BBPR voor de Vlaamse Gemeenschap
(in %) BERD/BBRP nonBERD/BBRP GERD/BBRP
1993 1,29 0,46 1,75
1994 1,28 0,46 1,74
1995 1,27 0,46 1,72
1996 1,37 0,49 1,86
1997 1,45 0,52 1,97
1998 1,48 0,55 2,03
1999 1,58 0,56 2,15
2000 1,72 0,57 2,29
2001 1,83 0,59 2,42
2002 1,61 0,61 2,21
2003 1,51 0,61 2,12
5 De historische cijfers voor het BBPR worden continu, ook retroactief, aangepast door de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Doordat dat het BBPR voor 2004 en 2005 recentelijk sterk werd aangepast door de verantwoordelijke studiediensten, verschillen de waarden in tabel 6.8 en 6.9 van de waarden in vorige edities van dit Indicatorenboek.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 6
106.704 113.183 118.163 120.045 126.808 131.198 136.579 144.325 148.202 152.974 157.412 166.378 173.170 182.981 189.566
90
Tabel 6.10: Internationale vergelijking van de BERD/BBPR en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)* DK
DE
ES
FR
IE
IT
BERD/BBRP
1,62 (p)
1,77 (p)
0,67
1,34 (p)
0,89 (b)
0,55 (p)
Referentiejaar
2006
2007
2006
2006
2007
2007
NL
FI
0,96 (p) 2,44 (bp) 2006
2007
SE
UK
US
JP
2,79
1,10
1,84 (jp)
2,62
2006
2006
2006
2006
EU27
BE
1,11 (bp) 1,24 (p) 2006
2006
VLA 1,40 2007
Tabel 6.11: Internationale vergelijking van de nonBERD/BBPR en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)*
nonBERD/BBRP Referentiejaar
DK
DE
ES
FR
IE
IT
0,81 (p)
0,76 (p)
0,53
0,77 (p)
0,44 (b)
0,54
2006
2006
2006
2006
2007
2005
NL
FI
0,71 (cp) 0,97 (bp) 2007
2007
SE
UK
US
JP
0,94
0,68
0,78 (jp)
0,77
2006
2006
2006
2006
EU27
BE
0,65 (bp) 0,59 (p) 2006
VLA 0,63
2006
2007
BE
VLA
Tabel 6.12: Internationale vergelijking van de GERD/BBPR en het referentiejaar waarop de gegevens per land betrekking hebben (in %)* DK
DE
ES
FR
IE
GERD/BBRP
2,43 (p)
Referentiejaar
2006
IT
NL
FI
2,53 ( p)
1,20
2,11 (p)
2006
2006
2006
1,33 (b)
1,09
1,67 (cp)
3,41 (p)
2007
2005
2006
2007
SE
UK
US
JP
3,73
1,78
2,62 (jp)
3,39
2006
2006
2006
2006
EU27
1,76 (bp) 1,83 (p) 2006
2006
2,03 2007
* Bron:OECD, Main Science and Technology Indicators, 2008/1 b = schatting door Eurostat; c = nationale schatting; j = (meeste) kapitaaluitgaven niet meegerekend; p = provisioneel
6.4 EEN INTERNATIONALE VERGELIJKING
Bovendien zitten we ook nog ver onder de ratio’s voor de VS en Japan. Bij de vergelijking moeten we er rekening mee
Om de Vlaamse resultaten naar waarde te kunnen schatten, is
houden dat de cijfers per land betrekking hebben op een
een internationale vergelijking noodzakelijk. We vergelijken
verschillend referentiejaar (zie tabel 6.10).
6
Vlaanderen met andere Europese landen, de VS en Japan . Daarnaast kunnen ook de O&O-uitgaven in publieke In eerste instantie vergelijken we internationaal de grootste
instellingen in een internationale context geplaatst worden.
GERD component, zijnde de BERD (de bedrijvencomponent
Voor Vlaanderen wordt de nonBERD/BBPR ratio in 2007:
en de collectieve onderzoekscentra). Om het grootte-effect uit
0,63% (zie tabel 6.8). De internationale vergelijking wordt
te schakelen, drukken we de BERD uit als % van het BBP.
voorgesteld in tabel 6.11. Daaruit blijkt dat de Vlaamse ratio
We herhalen de procedure voor het non-BERD gedeelte
het EU-27 gemiddelde (0,65%) benadert, maar nog ver
(wat overeenkomt met de GOVERD, de HERD en de PNP).
verwijderd is van de ratio in onze buurlanden, VS, Japan en de Scandinavische landen.
De ratio BERD/BBPR komt voor Vlaanderen op 1,36% en 1,40%, respectievelijk voor 2006 en 2007 (zie tabel 6.8).
Wanneer we beide ratio’s per land samentellen, verkrijgen we
Wanneer we dit vergelijken met het gemiddelde van de EU-27
de totale O&O-uitgaven GERD/BBPR per land zie (tabel 6.12).
(1,11%) blijkt dat Vlaamse bedrijven relatief meer investeren in
Dit maakt duidelijk dat de Vlaamse ratio (2,03% in de inter-
O&O, ook in vergelijking met onze buurlanden Nederland,
nationaal vergelijkbare gewestbenadering) nog steeds hoger
Frankrijk en VK. Maar dit is nog beduidend lager dan in de
ligt dan het EU-gemiddelde (voor 27 landen), maar toch
EU-toplanden: Finland en Zweden.
beduidend lager dan de Scandinavische landen, de VS en Japan.
6 Een vergelijking met ander regio’s zou voor Vlaanderen meer relevant zijn. Maar internationaal vergelijkbare regionale cijfers zijn nog in ontwikkeling, en voorlopig nog niet voldoende gestandaardiseerd en regulier beschikbaar.
91
6.5 CONCLUSIES Waar historisch de GERD een opwaartse trend vertoonde en 2001 een piekjaar was, constateerden we een dalende trend voor de GERD voor de periode 2001-2003. Deze daling stabiliseerde
APPENDIX: OVERZICHT VAN DE COLLECTIEVE ONDERZOEKSCENTRA (BERD COLLECTIEVE CENTRA), PUBLIEKE ONDERZOEKSCENTRA (GOVERD), EN PARTICULIERE NON-PROFIT INSTELLINGEN (PNP)
in 2004. Voor 2005 merkten we dat de GERD opnieuw steeg. In de recente cijfers zien we een beperkte daling in 2006 ten
Collectieve Onderzoekscentra
opzichte van 2005, opnieuw gevolgd door een stijging in 2007. Collectieve centra bevatten zowel sectorale centra (die
de GOVERD, de HERD, en de PNP vertonen in constante
uitgesplitst worden naar de drie gewesten), autonome centra
prijzen voor het jaar 2007 een stijging ten opzichte van 2005.
als competentiepolen.
Wanneer we de totale O&O-uitgaven (GERD) uitdrukken als %
• Wetenschappelijk en Technisch Centrum van de Belgische Textielnijverheid (CENTEXBEL) - Vlaams Gewest • Sirris - Vlaams Gewest • Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw (OCW) Vlaams Gewest • Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB) - Vlaams Gewest • Wetenschappelijk en Technisch Onderzoekcentrum voor Diamant (WTOCD) • Centrum voor Research in de Metallurgie (CRM) Vlaams Gewest • Belgisch Instituut voor Lastechniek • Koninklijk Belgisch Instituut tot verbetering v/d biet • Proefcentrum Fruitteelt vzw • Proefcentrum voor de Sierteelt • Proefstation voor de groententeelt vzw • BECETEL • Provinciaal onderzoeks- en voorlichtingscentrum voor land- en tuinbouw • Provinciaal Proefcentrum van de Groententeelt O.-Vlaanderen vzw • Proefbedrijf voor Witloof • Vlaamse Rundveeteeltvereniging • Vlaams Centrum voor de Bewaring van Tuinbouwproducten (VCBT) vzw • Interprovinciaal Proefcentrum voor de Aardappelteelt O.-Vlaanderen (PCA) • Vlaams Kunststofcentrum (VKC) • Vlaams Instituut voor de Logistiek (VIL) • Flanders DRIVE Netwerk • Incubatiepuntvoor Geoinformatie (IncGEO) • Productinnovatie en industrieel design • Flanders Food vzw • Flanders Mechatronics Technology Centre (FMTC) • Flanders Materials Center (FLAMAC) • Flanders District of Creativity (Flanders DC) • Clusta vzw • Vlaams Instituut voor de Mobiliteit
van het BBPR bekomen we voor 2007 een percentage van 2,03% voor de GERD op gewestniveau en 2,06% voor de GERD op gemeenschapsniveau. In vergelijking met de EU, zit Vlaanderen daarmee behoorlijk boven het EU-gemiddelde, maar toch nog een stuk verwijderd van de 3% O&O-norm, de doelstelling voor 2014. Na een stijging in 2005, zien we dat de totale O&O-uitgaven als percentage van het BBPR in 2006 opnieuw dalen tot 1,97% (gewestniveau). In 2007 zien we echter opnieuw een stijging tot 2,03%. Deze cijfers dienen genuanceerd te worden gezien de uitermate sterke groei van het BBPR tussen 2005 en 2007. Ondernemingen staan – zoals verwacht – in voor het leeuwenaandeel van de O&O in Vlaanderen. BERD als % van het BBPR bedraagt in 2007 1,40% (ten opzichte van 1,44% in 2005), waarmee Vlaanderen boven het EU27-gemiddelde scoort. De niet-BERD component van O&O bestedingen als % van het BBPR bedraagt in Vlaanderen 0,63% voor 2007 (ten opzichte van 0,63% in 2005), wat het EU27-gemiddelde benadert.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 6
Zowel de BERDbedrijven, de BERDcollectieve-onderzoekscentra,
92
Publieke Onderzoekscentra
Particuliere Non-profit Instellingen
Dit luik omvat de vier 'grote' onderzoekscentra, de Vlaamse
De particuliere non-profit instellingen bevatten semi-publieke
wetenschappelijke instellingen gelegen in het Vlaams Gewest,
instellingen, particuliere instellingen en internationale instellingen
de federale onderzoekinstellingen die in het Vlaams Gewest
uit het Vlaams Gewest.
gelegen zijn, en de lokale onderzoeksinstellingen die aan de provincie gelinkt zijn.
• Vlaamse compostorganisatie (VLACO) • Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde
• Algemeen Rijksarchief en het Rijksarchief in de Provinciën Vlaams Gewest
• Mobiel 21 vzw • BIKIT
• Belgisch Historisch Instituut te Rome
• Von Karman Institute for Fluid Dynamics
• Studiecentrum voor Kernenergie - Mol
• Centrum voor Gemeenschappelijk Onderzoek van de EG
• Koninklijk Museum voor Midden-Afrika • Nationale Plantentuin van België • Koninklijk Museum voor Schone Kunsten - Antwerpen • Afdeling Waterbouwkundig Laboratorium en Hydrologisch onderzoek (WLH) • Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO) • Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde • VITO • IMEC • VIB • UNU_CRIS • Interdisciplinair Instituut Breedbandtechnologie (IBBT) • Provinciaal Centrum voor opsporing van metabole aandoeningen • Hooibeekhoeve • Proefbedrijf voor de veehouderij Onderstaande Vlaamse onderzoekinstellingen worden niet meegerekend voor de Vlaamse O&O cijfers, aangezien zij in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn: • Studiedienst Vlaamse Regering • Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) • Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed • Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België • Stichting Technologie Vlaanderen • viWTA
93
DEEL 2 H E T TOTA L E O & O - P E R S O N E E L BINNEN VLAANDEREN
Door Peter Viaene (EWI)
06
94
6.1 TOTAALBEELD EN INTERNATIONALE VERGELIJKING
Tabel 6.1 biedt een evolutieoverzicht van het O&O-personeel voor Vlaanderen tussen 1993 en 2007 voor de vier uitvoeringssectoren: de ondernemingen (BERD), de publieke
Menselijk potentieel (zowel de aanwezigheid als de kwaliteit) is
onderzoekscentra (GOVERD), het hoger onderwijs - gewest-
van groot belang in de verdere economische en technologische
benadering (HERD) en de publieke en particuliere non-profit
ontwikkeling van een land of regio. In de huidige globale
organisaties (PNP).
kenniseconomie staat kennis(ontwikkeling) centraal, zeker bij innovatie en economische groei. Daarom vormen zowel
Voor het hoger onderwijs binnen de Belgische staatsstructuur
investeringen in menselijk potentieel als kennisontwikkeling
bestaan er twee benaderingen voor het meten van het
belangrijke elementen in een omgeving waar concurrentie
O&O-personeel. Bij de gemeenschapsbenadering worden de
meer dan ooit geldt.
O&O-inspanningen van alle instellingen binnen het hoger onderwijs – ook de Vlaamse instellingen gelegen in het Brusselse 1
De OESO Canberra Manual onderscheidt voor het meten van
Hoofdstedelijk Gewest – verrekend. Bij de gewestbenadering geldt
menselijk potentieel twee benaderingen. De eerste benadering
de territoriale opdeling en worden enkel de O&O-inspanningen
kijkt naar het hoogste behaalde opleidingsniveau van het
van het hoger onderwijs uit het Vlaamse Gewest opgeteld.
O&O-personeel. Deze benadering is minder bruikbaar omdat
Voor de internationale vergelijking van het hoger onderwijs
er geen rekening gehouden wordt met onderzoekservaring,
wordt hier enkel het gewestcijfer gebruikt.
zelfontwikkeling en kennisuitbouw via bijvoorbeeld netwerking. De andere benadering voor het meten van menselijk potentieel
Bij de trendbreuk in de cijfers voor de bedrijven tussen 2001
vertrekt vanuit de functie van het personeelslid. Hierbij wordt
en 2002 is enige toelichting vereist. Er was een reële daling van
gekeken naar het type werk dat het O&O-personeel uitoefent.
het O&O-personeel (voltijdse eenheden) bij de bedrijven voor
Het gaat hierbij om de volgende categorieën: onderzoekers,
2002 en 2003 vast te stellen. Daarnaast werden ook correcties
technisch personeel en overig personeel (administratief personeel).
aangebracht voor bedrijven die op basis van de O&O-enquête 2004 geen O&O-activiteiten meer bleken uit te oefenen.
In dit hoofdstuk worden de Vlaamse cijfers afkomstig van twee
De cijfers voor 2001 bevatten uiteraard wel deze gegevens en
grote informatiebronnen geaggregeerd tot een totaalcijfer voor
verklaren de trendbreuk met 2002. Vanaf 2004 tot 2007 steeg
het Vlaamse Gewest. Enerzijds is er de bevraging die tweejaarlijks
het totale Vlaamse O&O-personeelscijfer opnieuw. Het totaal
door de Vlaamse overheid, Departement Economie, Wetenschap
O&O-personeel voor het Vlaamse Gewest, is de voorbije vijf
en Innovatie (EWI) georganiseerd wordt in samenwerking met
jaar toegenomen met 12,8% tot ongeveer 35.953 voltijdse
de POD Wetenschapsbeleid over de O&O-inspanningen uit de
equivalenten (VTE) in 2007. Daarenboven stegen de
non-profit (zie hoofdstuk 5). Anderzijds is er een bevraging,
personeelsinspanningen zowel voor de ondernemingen als
uitgevoerd door het Expertisecentrum O&O Monitoring,
voor de publieke sector. Tussen 2002 en 2007 was de stijging
die tweejaarlijks de O&O-inspanningen van de bedrijven
het grootst bij het hoger onderwijs (+31,6%), maar ook de
analyseert (zie hoofdstuk 4).
publieke onderzoekscentra (+13,2%) en de ondernemingen (+5,6%) noteerden een aanzienlijke groei.
Lichte aanpassingen aan de historische cijfers uit het Vlaams Indicatorenboek WTI 2007 duiden op gewijzigde geaggregeerde Belgische cijfers van de regionale resultaten. Het totale O&Opersoneel voor Vlaanderen (2007) wordt vervolgens verder opgesplitst naar geslacht, functie, opleiding, de combinatie functie én geslacht en het opleidingsniveau én geslacht. Voor de bedrijven (profit) gebeurt dit op basis van de geobserveerde ratio’s van de steekproefgegevens en niet op basis van alle gegevens voor alle ondernemingen.
1 De OESO Canberra Manual ‘The Measurement of Human Resources in Science and Technology” opgemaakt in samenwerking met de EU (Eurostat en DG Onderzoek).
95
Tabel 6.1:
Overzicht van het totale O&O personeel over de verschillende sectoren (1993-2007) 1993
1996
1999
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
13.205,6
16.549,6
19.700,7
23.708,2
20.865,1
20.454,1
20.663,1
21.360,3
21.417,9
22.036,6
5,6%
1.152,8
1.466,7
1.894,8
2.369,6
2.351,3
2.415,0
2.388,4
2.471,2
2.531,9
2.661,1
13,2%
O&O-personeel Vlaanderen Ondernemingen Publieke onderzoekscentra Publieke en particuliere NPO's* Hoger onderwijs (gewest) Totaal met hoger onderwijs gewest
%-groei 2002-2007
294,6
340,2
347,4
361,3
366,4
364,3
374,2
368,5
360,1
360,4
-1,7%
5.975,3
5.603,0
7.458,5
8.227,2
8.279,6
8.610,7
9.759,8
9.987,3
10.385,4
10.894,6
31,6%
20.628,2
23.959,4
29.401,4
34.666,2
31.862,4
31.844,1
33.185,5
34.187,3
34.695,2
35.952,6
12,8%
* NPO’s: non-profit organisaties
In tabel 6.2 wordt de internationale vergelijking van het Figuur 6.1: Het O&O personeel in het Vlaams Gewest
O&O-personeel voor Vlaanderen (2007) gemaakt samen met de verhouding ten opzichte van de totale bevolking. Het is
opgedeeld voor 2007
duidelijk dat deze cijfers enkel richtinggevend zijn om de prestaties van Vlaanderen internationaal te meten. Het gaat hier immers om een vergelijking van verschillende landen met elk hun eigen omvang (bevolking, onderwijssysteem) en hun 30,3%
wetenschappelijke structuur. Uit de vergelijking blijkt dat het O&O-personeel voor 2007 lager ligt in Vlaanderen dan vergelijkbare landen zoals Finland en Denemarken. Wanneer deze ratio van het O&O-personeel internationaal vergeleken wordt, levert dit volgende resultaten op. Vlaanderen scoort met
1,0%
61,3%
0,59% een stuk boven het Europese gemiddelde en ongeveer gelijklopend met de cijfers voor Duitsland en Nederland.
7,4%
De Scandinavische landen scoren heel wat hoger en het verschil is vrij aanzienlijk.
n Ondernemingen
n Publieke en particuliere NPO’s*
enkele verduidelijkingen noodzakelijk. De procentuele cijfers
n Publieke onderzoekscentra
n Hoger onderwijs (gewest)
voor de instellingen uit de publieke sector en de collectieve centra zijn niet gebaseerd op steekproeven maar hebben
* NPO’s: non-profit organisaties
telkens betrekking op alle instellingen uit de diverse sectoren. De vergelijkingsbasis voor de bedrijven is op een andere
In figuur 6.1 wordt de verdeling van het O&O-personeel over
manier opgebouwd. Enkel volledige (ingevulde) antwoorden uit
de verschillende O&O-actoren weergegeven. Hieruit blijkt
de beperkte steekproef bij de ondernemingen werden in de
dat ruim 61% van het O&O-personeel actief is binnen
analyseresultaten opgenomen. Dit verklaart het verschillende
de ondernemingen of de privé sector. Ongeveer 30% oefent
aantal antwoorden per variabele (geslacht, functie, opleidings-
O&O-activiteiten uit onder de koepel van het hoger onderwijs.
graad en de combinatie tussen meerdere variabelen).
De publieke onderzoekscentra noteren een O&O-aandeel van
Daarom werd de afspraak gemaakt met het Expertisecentrum
7,4% en de particuliere non-profitorganisaties tekenen het
O&O Monitoring, dat bij elke variabele uitdrukkelijk vermeld
kleinste aandeel (1,0%) op. De O&O-activiteiten concentreren
wordt op hoeveel bedrijven de geanalyseerde cijfers betrekking
zich bij de bedrijven en het hoger onderwijs en in mindere
hebben. De berekende ratio’s voor de bedrijven (voor tabel 6.3
mate bij de publieke onderzoekscentra. Ten opzichte van 2005
tot en met 6.7) kunnen dan ook niet zomaar toegepast worden
verliezen de ondernemingen wel lichtjes aandeel ten voordele
op het totale personeelscijfer voor O&O zoals vermeld in
van het hoger onderwijs. Voor de andere sectoren zijn er
tabel 6.1 voor 2007. Dit zou immers leiden tot statistische
nauwelijks verschillen merkbaar.
vertekeningen van de analyseresultaten. Daar de grootte van de verschillende steekproeven toegenomen is, neemt de representativiteit van de analyseresultaten wel toe.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 6
Bij de ratiogegevens uit tabel 6.3 tot en met tabel 6.7 zijn
96
Tabel 6.2:
Internationale vergelijking van het O&O-personeel Totale O&O-personeel (in VTE)
Totale bevolking
Aandeel in de totale bevolking
Vlaanderen (2007) (gewest)
35.953
6.117.440
0,59%
BelgiĂŤ* (2006)
55.161
10.543.000
0,52%
Nederland** (2006)
94.689
16.341.000
0,58%
Frankrijk (2005)
353.554
63.195.000
0,56%
Duitsland (2006)
489.145
82.366.000
0,59%
-
299.833.000
VS
935.182
127.755.000
2.258.669
493.872.000
0,46%
Denemarken* (2006)
45.182
5.437.000
0,83%
Finland (2006)
58.257
5.266.000
1,11%
Zweden (2006)
78.715
9.081.000
0,87%
Noorwegen* (2006)
31.745
4.661.000
0,68%
Japan (2004) EU-27** (2006)
0,73%
Bron: OECD, Main Science and Technology Indicators, Volume 2008/1+ Studiedienst Vlaamse Regering (bevolking-Vlaams Gewest) * Voorlopige cijfers ** Schattingen gemaakt door het secretariaat, voor Nederland (eigen berekeningen)
Tabel 6.3:
O&O-personeel naar functie voor 2007 (%-verdeling naar sector)
O&O personeel 2007
Onderzoekers
Technisch personeel
Overig personeel
Bedrijven*
63,9%
25,9%
10,1%
Collectieve centra
42,3%
50,8%
6,9%
Hoger onderwijs (gewest)
79,5%
13,8%
6,7%
Publieke onderzoekscentra
59,3%
26,7%
14,1%
Publieke en particuliere non-profit organisaties
52,8%
27,2%
20,0%
Private sector
Publieke sector
* Gebaseerd op antwoorden van 456 bedrijven
Tabel 6.4:
O&O-personeel naar diploma voor 2007 (%-verdeling per sector)
O&O personeel 2007
Universitaire diploma's
Diploma's hoger onderwijs 1 cyclus
Andere kwalificaties
Bedrijven*
58,5%
25,0%
16,6%
Collectieve centra
57,8%
23,7%
18,5%
Hoger onderwijs (gewest)
84,1%
12,0%
3,9%
Publieke onderzoekscentra
66,6%
17,2%
16,2%
Publieke en particuliere non-profit organisaties
59,5%
28,7%
11,8%
Private sector
Publieke sector
* Gebaseerd op antwoorden van 423 bedrijven
In tabel 6.3 wordt het O&O-personeel (publiek en privaat)
Het aandeel technici bij de bedrijven ligt merkbaar lager dan
voor 2007 opgesplitst naar functie. Het hoogste percentage
de enquĂŞteresultaten voor 2005. Bij de publieke sector blijft
onderzoekers (79,5%) is voor rekening van het hoger
het aandeel van het technisch personeel nagenoeg constant
onderwijs. Het aandeel onderzoekers bij de bedrijven
ten opzichte van 2005. Behalve voor het hoger onderwijs (een
(gebaseerd op meer observaties) bedraagt bijna 64%, een pak
lichte stijging) wijzigt het percentage onderzoekers ook
hoger dan de resultaten voor 2005.
nauwelijks in de publieke sector.
97
Tabel 6.5:
O&O-personeel naar geslacht voor 2007 (%-verdeling per sector)
O&O personeel 2007
Mannen
Vrouwen
Bedrijven*
72,5%
27,5%
Collectieve centra
72,7%
27,3%
Hoger onderwijs (gewest)
53,4%
46,6%
Publieke onderzoekscentra
66,8%
33,2%
Publieke en particuliere non-profit organisaties
54,2%
45,8%
Private sector
Publieke sector
* Gebaseerd op antwoorden van 529 bedrijven
Tabel 6.6:
O&O-personeel naar functie en geslacht voor 2007 (%-verdeling per sector)
O&O-personeel 2007
Onderzoekers
Technisch personeel
Ander personeel
Man
Vrouw
Man
Vrouw
Man
Vrouw
Bedrijven*,**,***
76,0%
24,0%
72,3%
27,7%
52,3%
47,7%
Collectieve centra
76,9%
23,1%
72,4%
27,6%
49,7%
50,3%
Hoger onderwijs (gewest)
57,8%
42,2%
36,4%
63,6%
35,4%
64,6%
Publieke onderzoekscentra
69,5%
30,5%
66,0%
34,0%
56,9%
43,1%
Publieke en particuliere non-profit organisaties
60,9%
39,1%
49,4%
50,6%
42,9%
57,1%
Private sector
Publieke sector
* Onderzoekers gebaseerd op antwoorden van 443 bedrijven ** Technisch personeel gebaseerd op antwoorden van 451 bedrijven ***Overig personeel gebaseerd op antwoorden van 482 bedrijven
In de publieke sector ligt het aandeel van de vrouwen hoger
diploma voor alle private en publieke deelsectoren. Ruim 58%
met ongeveer 33% bij de publieke onderzoekscentra
van het O&O-personeel uit de private sector heeft een
(een lichte daling ten opzichte van 2005) tot meer dan 46% bij
universitair diploma. Dit cijfer varieert van ongeveer 60% bij
het hoger onderwijs.
de publieke en particuliere non-profit organisaties en ongeveer 66% bij de publieke onderzoekscentra tot meer dan 84% bij
Tabel 6.6 combineert voor alle uitvoeringssectoren van de
het hoger onderwijs. Het feit dat heel wat studenten na hun
publieke en private sector twee variabelen: functie en geslacht.
universitaire basisopleiding een doctoraatsopleiding starten,
Bij de bedrijven ligt het aandeel vrouwelijk O&O-personeel
verklaart zeker en vast mee het hoge percentage universitaire
zowel bij de onderzoekers als bij het technisch personeel lager.
diploma’s bij het hoger onderwijs. Ten opzichte van 2005 ligt
Het percentage vrouwelijke onderzoekers bedraagt voor de
het percentage universitair geschoolden hoger voor de meeste
bevraagde bedrijven slechts 24%, toch een behoorlijke stijging
subsectoren van het publieke en private onderzoek.
in vergelijking met 2005 toen dit aandeel slechts 16% bedroeg. Ook het aandeel van de vrouwen (technisch personeel), op
Een andere invalshoek voor het vergelijken van de non-profit
basis van de steekproefgegevens bij de bedrijven, is gestegen
en de profit sector vormt de opdeling naar geslacht. In de
van ongeveer 21% in 2005 tot 28% in 2007. Bij de publieke
private sector is er op basis van de enquêteresultaten veel
sector varieert het aandeel van de vrouwelijke onderzoekers
meer mannelijk O&O-personeel actief (om en bij de 72,5%).
van 30,5% voor de publieke onderzoekscentra tot 42,2% voor
In vergelijking met 2005 is zowel het aandeel van het
het hoger onderwijs.
vrouwelijk O&O-personeel voor de bedrijven als voor de collectieve centra gestegen. Ook in 2005 kon er een stijging opgemerkt worden ten opzichte van 2003. De toename was dan wél meer uitgesproken.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 6
Tabel 6.4 geeft een opdeling van het O&O-personeel naar
98
Tabel 6.7:
O&O-personeel naar opleiding en geslacht voor 2007 (%-verdeling naar sector)
O&O-personeel 2007
Universitaire Diploma's
Diploma's hoger onderwijs 1 cyclus
Andere kwalificaties
Man
Vrouw
Man
Vrouw
Man
Vrouw
Bedrijven*,**,***
77,4%
22,6%
60,0%
40,0%
71,4%
28,6%
Collectieve centra
72,3%
27,7%
66,9%
33,1%
81,7%
18,3%
Hoger onderwijs (gewest)
57,5%
42,5%
27,9%
72,1%
42,9%
57,1%
Publieke onderzoekscentra
69,3%
30,7%
46,6%
53,4%
77,8%
22,2%
Publieke en particuliere non-profit organisaties
60,1%
39,9%
48,4%
51,6%
38,7%
61,3%
Private sector
Publieke sector
* Universitaire diploma's gebaseerd op antwoorden van 417 bedrijven ** Diploma's hoger onderwijs 1 cyclus gebaseerd op antwoorden van 439 bedrijven ***Andere kwalificaties gebaseerd op antwoorden van 439 bedrijven
Tabel 6.7 kijkt naar de variabelen geslacht én opleidingsniveau
Op basis van de geanalyseerde enquêtegegevens blijkt
voor het O&O-personeel. Slechts 22% van de universitair
duidelijk dat vrouwelijk O&O-personeel, en zeker vrouwelijke
geschoolde O&O-personeelsleden bij de bevraagde bedrijven
onderzoekers, toch nog altijd ondervertegenwoordigd blijven
zijn vrouwen. Uit de vergelijking voor alle sectoren is dit het
in de private sector. Net als in 2005, kan voor 2007 opnieuw
laagste cijfer. Het hoger onderwijs scoort met 42,5% universitair
een verbetering opgemerkt worden voor beide variabelen bij
geschoolde vrouwen het best. Ten opzichte van de gegevens
de ondernemingen. Wat het aandeel onderzoekers betreft die
voor 2005 is er voor alle subsectoren weinig verandering in de
tewerkgesteld zijn in de bedrijven is er ook een stijging
verhoudingen man/vrouw op te tekenen voor het universitaire
merkbaar ten opzichte van 2005. Beide vaststellingen bieden
personeel. Bij de diploma’s hoger onderwijs 1 cyclus ligt het
positieve signalen voor het privaat onderzoek in Vlaanderen.
aandeel vrouwen voor de bedrijven met ongeveer 40% hoger.
Al blijft de vaststelling, dat vrouwen er nog steeds onder-
Voor de private sector is het percentage gediplomeerden hoger
vertegenwoordigd zijn, extra aandacht verdienen.
onderwijs 1 cyclus wel aanzienlijk gestegen ten opzichte van 2005. Bij de overige sectoren blijven de verhoudingen hier
Wat de publieke sector betreft, blijven alle verhoudingen
relatief constant.
inzake opleidingsniveau, functie en gendersamenstelling relatief stabiel ten opzichte van 2005. Hoe dan ook, tussen het hoger onderwijs en de publieke onderzoekscentra
6.2 BESLUIT
bijvoorbeeld, blijven bepaalde verschillen op het vlak van geslacht en functie van het O&O-personeel overeind.
De positieve trend die tot uiting kwam uit de analyse van de personeelsgegevens voor 2004 en 2005, krijgt voor 2006 en 2007 een positief vervolg. Het O&O-personeel is op twee jaar tijd met ongeveer 1.700 voltijdse eenheden (correspondeert met 5% van het totaal) toegenomen. Deze stijging geldt zowel voor de ondernemingen als voor de publieke (sub)sector(en). Uit de internationale vergelijking blijkt dat Vlaanderen minder goed scoort in vergelijking met de Scandinavische landen wat het O&O-personeel en de verhouding ten opzichte tot de bevolking betreft. Vlaanderen scoort verhoudingsgewijs gelijklopend met de buurlanden en hoger dan het EU-27 gemiddelde.
99
DE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN I N N OVAT I E I N V L A A N D E R E N Door Koen Waeyaert (EWI)
07
100
7.1 INLEIDING
Door de systematische, jaarlijkse opmaak van het HBPWB kan ook de evolutie opgevolgd worden van de kredieten
De inspanningen van de overheid en de privé-sector voor
die aan de verschillende grote indelingen binnen het
onderzoek en ontwikkeling (O&O) en innovatie in het
wetenschappelijke en technologische innovatiebeleid worden
algemeen, zijn van groot belang voor de economische en
toegekend. Ondertussen werd een tijdreeks van zeventien jaar
maatschappelijke ontwikkeling van een land of regio. De input
(1993-2009) opgebouwd. Bovendien wordt ook jaarlijks een
voor O&O wordt gemeten aan de hand van de uitgaven en
bestedingsanalyse
het personeel. De input voor innovatie kan men ruimer zien als
Deze meet de daadwerkelijk benutte middelen voor
alle middelen die worden gespendeerd om wetenschap,
wetenschap en innovatie. Dit betekent dat wordt nagegaan in
technologie en innovatie te stimuleren.
hoeverre de geplande wetenschapskredieten werden besteed
voor
wetenschapsbeleid
uitgevoerd.
en waaraan. De uitgevoerde bestedingsanalyses van het De inspanningen voor O&O meet men op twee verschillende
wetenschapsbudget van 1997 tot en met 2007 geven aan dat
wijzen. Vooreerst kunnen ze afgeleid worden uit retrospectieve
het geplande budget ook daadwerkelijk voor praktisch 100%
surveys van de betrokken actoren (universiteiten, bedrijven, …)
werd benut en bovendien in grote mate in overeenstemming
die daadwerkelijk het onderzoek uitvoeren. Zij rapporteren
is met wat er gepland was. In de EWI-Speurgids 2008
hoeveel hun totale uitgaven bedroegen voor O&O voor werking,
(www.speurgids.be) werd de tijdreeks 1997-2006 behandeld.
personeel, uitrusting en investeringen. Gezien het retrospectieve karakter van de surveys is het moeilijk om zeer recente gegevens
OESO en EUROSTAT nemen de middelen voor O&O in
te bekomen. Verder kunnen een aantal landen slechts ruwe
statistieken op om de inspanningen van overheid en bedrijven
schattingen van de O&O-uitgaven geven, omdat ze moeilijk de
in de verschillende landen te kunnen vergelijken. Een goed
correcte O&O-uitgaven voor defensie kunnen inschatten.
gestructureerd en correct samengesteld HBPWB is dus van
Meer actuele informatie over de overheidssteun aan O&O kan
te verspreiden aangaande de Vlaamse inspanningen voor
afgeleid worden uit de begrotingsgegevens, de ‘Government
wetenschap, technologie en innovatie. Om een internationale
Budget Appropriations or Outlays for R&D’ (GBAORD).
vergelijking mogelijk te maken, gebruikt men bij de opmaak
Aangezien deze budgetten zijn afgeleid uit de begroting, kunnen
van het HBPWB de door de OESO gestandaardiseerde
ze gekoppeld worden aan de beleidslijnen en de socio-economische
methodologie en definities, zoals omschreven in de FRASCATI-
objectieven waarvoor ze bestemd zijn. Ze geven dus een beleid
handleiding. Hierin wordt de term ‘wetenschappelijke
weer op een bepaald moment in de tijd. Bovendien gaan deze
activiteiten’ onderverdeeld in:
cruciaal belang om op het internationale niveau correcte gegevens
budgetten ruimer: niet alleen O&O, maar ook de andere wetenschappelijke activiteiten die innovatie stimuleren, worden
l
Onderzoek en Ontwikkeling (O&O): ‘Op stelselmatige
mee in rekening gebracht: onderwijs en vorming (O&V) en
wijze uitvoeren van creatieve werkzaamheden met het doel
wetenschappelijke en technologische dienstverlening (W&T).
het kennisbestand, met inbegrip van kennis van mens,
Gezien het belang van de innovatieactiviteiten als geheel naast
cultuur en maatschappij, te vergroten en deze kennis te
de O&O-performantie zelf, is het noodzakelijk om ook hierover
gebruiken om nieuwe toepassingen te ontwerpen’.
meer inzicht te bekomen. l
Onderwijs en Vorming (O&V): ‘Alle activiteiten in het
De Vlaamse overheid maakt jaarlijks op systematische wijze het
kader van het gespecialiseerd niet-universitair hoger onderwijs,
Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschapsbeleid (HBPWB)
het universitair onderwijs, het post-universitair onderwijs en
op. Het HBPWB geeft een globaal budgettair overzicht van alle
verdere bijscholing en het georganiseerd, continu onderwijs
kredieten die in de verschillende beleidsdomeinen bestemd zijn
ten behoeve van wetenschappers en ingenieurs’.
voor activiteiten van wetenschap, technologie en innovatie. Het geeft de bestemming van de middelen aan en welke
l
Wetenschappelijke en Technologische Dienstverlening
de betrokken actoren zijn. Dit overzicht van de kredieten
(W&T): ‘Activiteiten met betrekking tot onderzoek en
per jaar, toont de inspanningen van de Vlaamse overheid om
ontwikkeling, die bijdragen tot het genereren, verspreiden
wetenschappelijke activiteiten in Vlaanderen te financieren.
en toepassen van wetenschappelijke en technische kennis’.
Er blijkt meteen ook uit welke accenten worden gelegd binnen het globale wetenschappelijke en technologische innovatiebeleid.
101
De analyse naar O&O, O&V en W&T wordt systematisch uitgevoerd op het HBPWB. Binnen O&O is er een verdere indeling volgens het type van onderzoek: l
7.2 VLAAMSE OVERHEIDSKREDIETEN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE
Fundamenteel onderzoek: ‘Experimentele of theoretische
Figuur 7.1 en tabel 7.1 geven de evolutie van de HBPWB’s
werkzaamheden die in de eerste plaats tot doel hebben
tussen 1993 en 2009 weer, samen met de verdeling naar het
om nieuwe kennis te vergaren over de fundamenten die
type activiteit: O&O, O&V en W&T. Er is een aanzienlijke
aan verschijnselen en waarneembare feiten ten grondslag
stijging in de periode 1996 tot en met 1999 en tussen 2000
liggen, zonder daarbij een specifieke toepassing of een
en 2006. De oorzaak voor de daling in 2007 ligt bij het feit dat
specifiek gebruik op het oog te hebben’;
de eenmalige, niet structurele toekenning in 2005 en 2006 van telkens 75 miljoen euro via het VINNOF, niet werd herhaald
l
Toegepast onderzoek: ‘Oorspronkelijk onderzoek dat in de eerste plaats is gericht op een specifiek praktisch doel’;
in 2007. De sterke stijging in 2008 was er vooral dankzij een structurele toename van de beleidskredieten met 75 miljoen euro, in uitvoering van het Innovatiepact, naast belangrijke eenmalige
l
Experimentele ontwikkeling: ‘Systematische werkzaam-
financiële injecties: 45,1 miljoen euro uit het Financieringsfonds
heden op basis van bestaande, door onderzoek of
voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven (FFEU)
praktische ervaring opgedane kennis, die tot doel hebben
en 25,5 miljoen euro na ‘schrapping van encours’. In 2009 is
nieuwe of aanzienlijk verbeterde processen, systemen of
er in de initiële begroting een structurele toename van de Vlaamse
diensten in te voeren’.
overheidskredieten voor wetenschap, technologie en innovatie met 29 miljoen euro. Op die manier is er voor 2009 in totaal
Binnen de O&O-kredieten wordt nog verder aangegeven welke
een gepland krediet voor het wetenschapsbeleid (WB) van
de verdeling is over de verschillende onderzoeksdomeinen, zoals
1,804 miljard euro, waarvan 1,147 miljard O&O-kredieten.
die zijn geklasseerd volgens de NABS1-classificatie. Op het
Tabel 7.1 laat zien dat dit onderzoeksbudget in de laatste tien jaar
HBPWB wordt derhalve ook een volledige NABS-analyse
is verdubbeld.
doorgevoerd. W&T neemt slechts een klein aandeel in het HBWPB in. In 1993 is het O&V-aandeel nog groter dan dit voor O&O. Vanaf 1996
programma Wetenschapsbeleid (HBPWB) en de evolutie ervan
komt hier een kentering in. In 1996 zijn het O&O- en het O&V-
over de periode 1993-2009 voorgesteld. De verdeling van
aandeel nagenoeg gelijk. Van dan af stijgen de O&O-kredieten
de Vlaamse overheidskredieten over O&O, O&V en W&T,
gestaag, als gevolg van de jaarlijkse stijging – bijna exclusief
over de verschillende grote indelingen van het wetenschaps- en
bestemd voor O&O. In 1996 was het procentueel aandeel van
technologisch innovatiebeleid, en over de NABS-domeinen
O&O, O&V en W&T respectievelijk 49%, 47% en 4%. In 2009
wordt aangegeven.
is het O&O-aandeel gestegen tot 63,6%. O&V maakt nog slechts 31,8% en W&T 4,6% uit van het HBPWB 2009.
Vervolgens worden kerncijfers gegeven uit de analyse-input (bestedingen, personeel), onder meer van de Vlaamse
Een doorsnede doorheen het HBPWB kan gemaakt worden
universiteiten, de Vlaamse onderzoeksinstellingen en de
volgens zes grote indelingen:
Vlaamse wetenschappelijke instellingen. 1. Niet-gericht onderzoek aan de universiteiten Er wordt ook verwezen naar de Speurgidsen WTI 1996 – 2006
2. Werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen
en
3. Financiering van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe
de
EWI-Speurgidsen
2007-2009
en
de
website
www.speurgids.be.
technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven 4. Wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en VOI’s 5. Horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek en studies
1 Nomenclatuur voor de analyse en vergelijking van wetenschapsbegrotingen en -programma’s.
6. Allerhande uitgaven i.v.m. het algemene wetenschapsbeleid
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7
In punt 2 van dit hoofdstuk wordt het Horizontaal Begrotings-
102
Tabel 7.1:
Verdeling van het wetenschapsbudget over O&O, O&V en W&T, 1993-2009 (in miljoen euro) 1993
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009i
O&O
326,78
479,62
518,64
575,12
595,68
625,07
711,26
770,69
820,67
898,64
967,95
952,67
1.121,43
1.146,97
O&V
365,13
420,71
427,16
443,82
454,10
463,81
482,41
497,54
504,05
517,91
532,92
531,17
580,39
574,15
W&T
31,88
42,52
67,46
88,04
77,27
76,79
75,13
66,97
68,16
72,28
75,10
77,52
80,17
82,70
Totaal
723,79
942,86
1.013,26
1.106,98
1.127,06
1.165,67
1.268,80
1.335,20
1.392,87
1.488,83
1.575,97
1.561,36
1.781,99
1.803,82
Tabel 7.2:
Verdeling van het totale budget van het HBPWB 1993-2009 (in miljoen euro)
1. Niet-gericht onderzoek
1993
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009i
76,866
124,926
137,439
155,727
171,906
180,526
190,964
195,554
218,288
233,359
256,512
276,254
307,536
324,071
2.1 Werkingstoelagen universiteiten
401,472
464,636
479,022
489,009
500,975
512,265
539,532
561,284
577,947
594,462
615,590
636,374
682,729
695,568
2.2 Andere toelagen universiteiten
75,700
73,848
64,903
83,944
88,260
88,058
88,506
89,112
83,855
85,543
87,927
62,664
68,333
67,945
2.3 Andere instellingen
9,649
9,165
9,237
11,902
11,225
12,455
13,822
14,382
14,362
14,724
14,968
17,129
19,548
20,579
3. Industrieel onderzoek
120,864
178,442
207,867
219,446
216,199
227,163
292,746
330,105
378,606
433,491
465,475
427,392
545,538
542,549
4. Wet. instellingen, dep. diensten en VOI's
15,122
39,890
40,380
45,813
54,372
52,917
48,983
71,795
65,300
69,029
72,741
74,491
87,744
80,883
5. Sectorale initiatieven beleidsondersteunend onderzoek
17,337
29,850
41,704
39,338
43,771
68,867
67,338
50,500
31,201
33,857
36,434
37,070
40,428
41,325
22,099
32,704
61,800
40,348
23,417
26,911
22,465
23,314
24,365
26,325
29,982
30,131
30,903
6. Globaal wetenschapsbeleid Totaal
6,780 723,790
942,855 1.013,256 1.106,979 1.127,056 1.165,667 1.268,801 1.335,196 1.392,873 1.488,829 1.575,972 1.561,357 1.781,988 1.803,822
Tabel 7.2 toont de verdeling van het totale budget van het
Dit zijn meteen ook de twee grote polen van het
HBPWB over deze zes grote indelingen. De sterkste stijgingen
wetenschapsbeleid: het fundamenteel onderzoek als basis voor
situeren zich ter hoogte van het niet-gericht onderzoek en
het verdere technologisch innovatiebeleid.
de werkingsuitkeringen van de universiteiten enerzijds en ter hoogte van het industrieel onderzoek anderzijds. De procentuele verdeling van de O&O-kredieten over de nieuwe
7.3 OVERHEIDSKREDIETEN VOOR DE VLAAMSE UNIVERSITEITEN
NABS-codes voor 2009 wordt weergegeven in figuur 7.2. NABS staat voor nomenclatuur voor de analyse en vergelijking
De overheidskredieten voor de universiteiten bestaan uit
van wetenschapsbegrotingen en -programma’s en is een
de eerste en tweede geldstroom.
EU-classificatiesysteem dat de overheidskredieten voor O&O onderverdeelt naar sociaal-economische doelstellingen. Een revisie
De eerste geldstroom bevat de werkingsuitkeringen van de
van de NABS-classificatie uit 1993 drong zich op door de snelle
universiteiten. De werkingsuitkeringen zijn de middelen die
evolutie in sommige onderzoeksdomeinen. Het grootste
de universiteiten ontvangen voor hun gewone werking voor
kredietvolume is in 2009 voor het industrieel onderzoek (NABS 6)
academisch onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en
met 484 miljoen euro (42%). Dan volgt niet-gericht onderzoek
wetenschappelijke dienstverlening.
(NABS 13) samen met de algemene universiteitsfondsen (NABS 12): 538 miljoen euro (47%).
103
Figuur 7.1: Verdeling van het wetenschapsbudget over O&O, O&V en W&T, 1993-2009 (in miljoen euro)
2.000 1.800 1.600 1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0 1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009i
n O&O: Onderzoek en ontwikkeling n O&V: Onderwijs en vorming n W&T: Wetenschappelijke en technologische dienstverlening
Figuur 7.2: De procentuele verdeling van de O&O-kredieten over de NABS-codes
0,2% 1,6% 2,7%
n 2. Milieu (1,6%)
28,3%
n 4. Transport, telecommunicatie en andere infrastructuur (2,7%) n 6. IndustriĂŤle productie en technologie (42,2%) n 7. Gezondheid (1,0%) n 8. Landbouw (2,2%) n 9. Onderwijs (0,4%) 42,2%
n 10. Cultuur, recreatie, religie en massamedia (0,5%) n 11. Overheids- en maatschappelijke systemen, structuren en processen (2,2%)
18,7%
n 12. Algemene kennisopbouw: O&O gefinancierd uit 2,2% 0,5% 0,4% 2,2% 1,0%
algemene universiteitsfondsen (18,7%) n 13. Algemene kennisopbouw: O&O gefinancierd uit andere bronnen (28,3%)
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7
n 1. Exploratie en exploitatie van het aardse milieu (0,2%)
104
Tabel 7.3:
Werkingsuitkeringen aan de universiteiten (in miljoen euro)
KUBrussel K.U.Leuven UHasselt tUL UGent UA RUCA UFSIA UIA VUB Totaal werkingsuitkeringen Verhoging basissubsidie Aanvullende werkingsmiddelen BAMA Aanvullende werkingsmiddelen onderzoek in de humane wetenschappen Aanvullende werkingsmiddelen aanmoedigingsfonds voor beleidsspeerpunten Enveloppe hogescholenonderwijs academiseringsgelden (2 cycli) + elektrongelden LRM impulsfinanciering tUL Onderzoeksbetrokkenheid academische opleidingen aan de hogescholen Toelage associaties Rationalisatiefonds Algemeen totaal
1993
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
4,351
4,762
5,228
4,960
4,968
4,742
4,984
5,068
5,177
5,259
5,344
5,450
8,571
2009i 2,166
164,115
183,109
187,504
189,688
192,370
194,544
200,420
204,136
207,890
211,105
214,480
218,715
234,856
241,039
11,619
16,924
16,351
16,889
17,236
17,625
14,535
14,661
15,047
15,289
15,815
16,383
24,338
25,471
0,087
5,202
5,898
6,174
6,620
7,101
7,717
0,668
0,034
104,271
130,186
138,228
142,695
147,846
154,058
161,344
166,422
171,482
176,804
182,307
191,847
206,462
211,505
58,437
66,140
67,765
69,286
71,544
72,748
75,899
78,177
80,096
81,251
82,979
84,760
89,030
90,148
16,872
20,340
20,615
21,029
21,718
22,067
18,709
20,069
20,501
20,964
21,465
21,715
22,856
25,731
26,649
27,293
28,361
28,966
58,679
63,515
63,324
65,491
67,011
68,461
70,551
72,044
73,388
74,524
75,715
77,211
79,916
81,642
401,472
464,636
478,400
489,009
500,975
512,265
532,935
546,406
559,254
570,852
583,741
602,083
643,841
652,005
0,000
6,597
7,425
7,531
12,225
12,574
12,196
1,019
1,039
3,057
6,231
15,018
0,622
7,453
401,472
464,636
479,022
489,009
500,975
512,265
539,532
561,284
8,562
8,785
14,210
14,495
14,905
2,600
2,600
2,600
2,600
2,600
2,000
5,000
11,799
15,754
0,510
0,520
577,947
594,462
615,125
636,374
5,000
5,000
682,729
695,568
Figuur 7.3: De evolutie van de middelen voor het niet-gericht onderzoek verdeeld via FWO, BOF, IWT en Hercules (in miljoen euro)
160 140 120 100 80 60 40 20 0 1993
n FWO
1994
1995
n BOF
1996
n IWT
1997
1998
1999
n Hercules (50%)
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009i
105
Tabel 7.3 geeft een overzicht van de universitaire werkings-
Het relatieve aandeel en de evolutie van de middelen voor
toelagen voor de jaren 1993-2009. Van het totaal van de
het niet-gericht onderzoek verdeeld via FWO, BOF, IWT
kredieten voor wetenschapsbeleid nemen de werkingstoelagen
(1993-2009) en Hercules (vanaf 2007) worden op hun beurt
voor de universiteiten een belangrijk deel voor hun rekening.
gegeven in figuur 7.3.
Voor 2009 is dit 695,568 miljoen euro (39%). Van dit bedrag is 75% bestemd voor Onderwijs en Vorming (O&V), terwijl
fundamenteel, niet-gericht onderzoek.
7.4 BESTEDING VAN DE MIDDELEN VERDEELD VIA HET FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK VLAANDEREN (FWO)
Tabel 7.4 geeft de evolutie (1993-2009) van de middelen bestemd
De evolutie 1992-2008 van de Vlaamse overheidskredieten
voor het niet-gericht onderzoek aan de universiteiten – m.a.w.
voor het FWO, evenals de verdeling van de kredieten over de
het onderzoek op vrij initiatief van de vorser. De middelen van
drie luiken: de individuele kredieten en mandaten, de projecten
het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF) gaan rechtstreeks naar
en de diversen, is terug te vinden in tabel 7.5; de evolutie en
de universiteiten en worden door de onderzoeksraad verdeeld
verdeling van het globale mandatenbestand volgens
in functie van het universitaire onderzoeksbeleid. De middelen
wetenschapssector in de figuren 7.4 en 7.5; de evolutie en
voor de specialisatiebeurzen van het IWT en voor de mandaten
verdeling van de projectkredieten over de wetenschapssectoren
en projecten van het FWO worden indirect verdeeld door deze
in figuur 7.6 en 7.7.
25% gaat naar Onderzoek en Ontwikkeling (O&O). De tweede geldstroom omvat de middelen voor het
intermediairen, volgens vastgelegde kwaliteitscriteria en een evaluatie op basis van peer review. Op 26 oktober 2007 hechtte de Vlaamse Regering haar
7.5 OVERHEIDSKREDIETEN VOOR INDUSTRIEEL ONDERZOEK
definitieve goedkeuring aan het Besluit betreffende de De verdeling en evolutie van de middelen voor industrieel
Vlaanderen, het zogenaamde Herculesbesluit, en aan de
onderzoek over de periode 1993-2009 wordt gegeven in
statuten van de Herculesstichting. Op 10 februari 2008 werd
tabel 7.6. De evolutie van de onderscheiden beleidsinitiatieven
de Herculesstichting bij Koninklijk Besluit erkend als stichting
en bijhorende kredieten kunnen gevolgd worden over
van openbaar nut. Het Herculesfinancieringsmechanisme heeft
verschillende jaren. Een constante zijn de IWT-kredietlijnen en
als doelstelling aan Vlaamse onderzoekers performante
de onderzoeksinstellingen IMEC, VITO, VIB en IBBT, evenals STV.
onderzoeksinfrastructuur ter beschikking te stellen. Er wordt daarbij via financiële incentives gestreefd naar een maximale
De meest markante wijzigingen zijn de opkomst van het
samenwerking tussen de Vlaamse publieke kennisinstellingen
strategisch basisonderzoek en de aandacht voor het onderzoek
onderling en met derden. Het Herculesbesluit bepaalt dat
in de hogescholen. Vanaf 2003 zijn er extra middelen voor de
vanuit alle wetenschappelijke disciplines aanvragen kunnen
Vlaamse excellentiepolen en zijn ook door de defederalisering
worden ingediend en dat onderzoeksinfrastructuur zowel voor
van de beleidspost Landbouw de kredieten voor het landbouw-
grensverleggend als voor basisonderzoek kan worden
onderzoek ingeschreven in de Vlaamse begroting. In 2009 bedraagt
gesubsidieerd. Conform de bepalingen van het Herculesbesluit
het krediet voor IWT ten behoeve van het initiatief bedrijven en
is twee derden van de dotatie bestemd voor de subsidiëring
innovatiesamenwerkingsverbanden 129,96 miljoen euro.
van middelzware onderzoeksinfrastructuur en een derde voor zware infrastructuur. De Herculesmiddelen worden voor 50% bij het niet-gericht onderzoek gerekend, terwijl de andere helft bij het strategisch basisonderzoek ondergebracht wordt. Deze middelen stegen sterk door de forse inhaalbeweging van de Vlaamse regering én door een heroriëntering van de middelen met beleidsaccent op de stimulering van het fundamenteel, grensverleggend onderzoek.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7
subsidiëring van onderzoeks- en innovatie-infrastructuur in
106
Tabel 7.4:
Middelen voor het niet-gericht onderzoek (in miljoen euro)
Specialisatiebeurzen IWT FWO
1993
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009i
6,130
12,747
12,181
15,791
15,486
16,247
18,265
17,786
18,053
20,269
21,729
22,918
27,018
28,942
76,686
83,359
90,960
90,969
80,883
82,408
84,784
92,514
103,922
120,288
112,874
117,909
122,846
11,712
11,700
11,712
11,712
11,712
9,370
0,750
1,502
2,281
2,324
12,171
12,402
12,638
18,396
FWO - beurzen en mandaten FWO - projecten FWO - toelage projecten FWO - geassocieerde fondsen
2,573 29,767
FWO-Vlaanderen FWO-Vlaanderen (Nationale Loterij) FWO-Vlaanderen internationale onderzoeksfaciliteiten FWO-Vlaanderen Odysseus-programma FWO-Vlaanderen internationale wetenschappelijke samenwerking Totaal FWO-Vlaanderen
50,736
BOF
20,000
2,200
2,233
76,686
83,359
90,960
90,969
80,883
82,408
84,784
104,226
115,622
132,750
138,259
146,504
149,411
35,493
41,899
48,976
65,451
83,396
90,291
92,984
96,009
97,468
99,033
100,726
105,140
107,138
3,000
10,051
15,242
20,532
1,500
3,029
4,587
2,800
5,653
112,277
126,211
137,910
2,800
7,803
7,808
276,254
307,536
324,071
BOF - speciale fondsen BOF - overlegde programma’s BOF - subsidie BOF - Methusalem-programma BOF - ZAP-mandaten BOF - tenure track-stelsel 20,000
Totaal BOF
35,493
41,899
48,976
65,451
83,396
90,291
92,984
96,009
97,468
102,033
Hercules (50%*) Algemeen totaal
76,866
124,926
137,439
155,727
171,906
180,526
190,964
195,554
218,288
233,359
256,512
* De Herculesmiddelen worden voor 50% bij het niet-gericht onderzoek gerekend, terwijl de andere helft bij het strategisch basisonderzoek ondergebracht wordt.
Tabel 7.5:
Evolutie van de toelagespreiding over de actiemiddelen van het FWO (in miljoen euro)
Uitgaven
1992
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
Mandaten
28,06
38,84
43,28
49,26
53,72
55,57
44,55
49,66
51,53
56,33
57,23
60,19
67,59
76,48
45%
44%
46%
46%
48%
48%
42%
42%
40%
44%
41%
40%
41%
41%
Wetenschappelijke contacten
2,08 3%
2,73 3%
2,88 3%
2,33 2%
2,48 2%
2,20 2%
3,41 3%
2,66 2%
2,68 2%
2,94 2%
3,41 2%
3,59 2%
3,59 2%
4,03 2%
Kredieten aan navorsers
1,07
2,88
2,75
0,97
1,66
1,77
1,67
2,24
1,70
1,57
2,08
1,71
1,86
2,22
2%
3%
3%
1%
1%
2%
2%
2%
1%
1%
2%
1%
1%
1%
28,28 45%
39,74 45%
41,62* 44%
50,72* 47%
50,07* 45%
50,93 44%
53,02 49%
58,44 50%
67,27 53%
63,54 49%
70,61 51%
78,24 52%
85,73 52%
97,32 52%
2,85
3,89
4,36
4,51
4,51
4,59
4,67
4,66
4,87
4,94
5,08
5,58
5,59
5,69
5%
5%
4%
4%
4%
4%
4%
4%
4%
4%
4%
4%
4%
4%
62,34 100%
88,08 100%
94,89 100%
107,79 100%
112,44 100%
115,05 100%
107,32 100%
117,67 100%
128,05 100%
129,31 100%
138,41 100%
149,31 100%
164,36 100%
185,72 100%
Onderzoeksprojecten Diversen Totaal
De kostprijs van de permanente onderzoekers is continu opgenomen bij mandaten, terwijl die eertijds boekhoudkundig bij de onderzoeksprojecten hoorde. Vanaf 1/10/2000 zijn deze onderzoekers echter naar het ZAP overgeheveld. * Gelden voor het Max-Wildiersfonds worden besteed vanaf 2000 e.v.
107
Figuur 7.4: Evolutie van het mandatenbestand volgens wetenschapssector 1991-1996 (FWO)
300
250
200
150
100
50
0 1992
1991
1993
1994
1995
1996
n Natuur- en Exacte wetenschappen n Biomedische wetenschappen n Toegepaste wetenschappen n Taal- en Cultuurwetenschappen n Maatschappijwetenschappen
Figuur 7.5: Evolutie van het mandatenbestand volgens wetenschapsgebied 1996-2007 (FWO)
450 400
300 250 200 150 100 50 0 1996
1997
1998
1999
n Exacte wetenschappen n Biologische wetenschappen n Medische wetenschappen n Toegepaste wetenschappen n Cultuur- en taalwetenschappen n Gedrags- en maatschappijwetenschappen
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7
350
108
Figuur 7.6: Evolutie van de kredieten van de onderzoeksprojecten, uitgesplitst per wetenschapssector 1992-1997 (FWO) (in miljoen euro)
25
20
15
10
5
0 1992
1993
1994
1995
1996
1997
n Natuur- en Exacte wetenschappen n Biomedische wetenschappen n Toegepaste wetenschappen n Taal- en Cultuurwetenschappen n Maatschappijwetenschappen
Figuur 7.7: Evolutie van de kredieten van de onderzoeksprojecten, uitgesplitst per wetenschapsgebied 1998-2007 (FWO) (in miljoen euro)
25
20
15
10
5
0 1998
1999
2000
2001
n Exacte wetenschappen n Biologische wetenschappen n Medische wetenschappen n Toegepaste wetenschappen n Cultuur- en taalwetenschappen n Gedrags- en maatschappijwetenschappen
2002
2003
2004
2005
2006
2007
109
Figuur 7.8: Evolutie van de bursalen over de Vlaamse universiteiten in de periode 1994-2006
350 300
Aantal bursalen
250 200 150 100 50 0 1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
n K.U.Leuven n UGent n UA n VUB n UHasselt
7.7 O&O-INPUT VOOR DE VLAAMSE ONDERZOEKSINSTELLINGEN IMEC, VITO, VIB EN IBBT De input van middelen en personeel, en de evolutie over de periode 1993-2007, voor de onderzoeksinstellingen IMEC
Het IWT heeft sinds 1994 de opdracht de specialisatiebeurzen
(Interuniversitair Centrum voor Micro-elektronica), VITO
(doctoraatsbeurzen) te beheren. De evolutie van de IWT-
(Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek), VIB
specialisatiebeurzen over de universiteiten, wordt gegeven in
(Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie) en IBBT
figuur 7.8. Vanaf 2009 worden eveneens middelen voorzien
(Interdisciplinair Instituut voor BreedBand Technologie) wordt
voor het opstarten van een proefprogramma rond intersectorale
weergegeven in tabel 7.7.
mobiliteit tussen de academische wereld en het bedrijfsleven, het Baekeland-programma. Het basisprincipe voor dit programma is
IMEC genereert diverse inkomsten uit voornamelijk contract-
dat het bedrijf het onderzoeksonderwerp van het doctoraat
onderzoek, waarbij onderzoeksprojecten met regionale en
bepaalt en dat de onderzoeker een groot deel van zijn of haar
internationale partners worden uitgebouwd. De jaarlijkse
tijd in het bedrijf spendeert.
overheidstoelage stelt IMEC in staat om het basisonderzoek op lange termijn te financieren, waarmee de strategische
In 2009 wordt voor de specialisatiebeurzen een bedrag
‘background know-how’ wordt ondersteund, los van de specifieke
van 28,942 miljoen voorzien. De kredietbehoefte voor het
samenwerkingsverbanden. IMEC’s onderzoeksactiviteiten zijn
Baekeland-programma wordt geraamd op 2,967 miljoen euro.
georganiseerd in divisies, waarvan procestechnologie (microelektronica) de belangrijkste is. Daarnaast zijn er de onderzoeksdivisies in nanotechnologie, ontwerpmethodes en technologieën voor ICT-systemen.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7
7.6 BESTEDING VAN DE MIDDELEN VOOR SPECIALISATIEBEURZEN VERDEELD VIA HET INSTITUUT VOOR INNOVATIE DOOR WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE (IWT-VLAANDEREN)
110
Tabel 7.6:
Financiering van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe technologieĂŤn ten behoeve van het bedrijfsleven (in miljoen euro)
IWT - initiatief Vlaamse Regering (vroegere FIOV) IWT - initiatief bedrijven en innovatie samenwerkingsverbanden IWT - innovatieve mediaprojecten IWT - Vlaams Innovatie Netwerk (VIN) IWT - Vlaamse deelname aan de Europese programma's (VCP-werking) IWT - werking IWT - vergoeding geleverde prestaties IWT - landbouwonderzoek IWT - TETRA (HOBU) Fonds IWT - biomedisch onderzoek IWT - strategisch basisonderzoek SBO (GBOU) IWT - Baekeland-programma IMEC IMEC - herinvestering participatie in Finindus VITO VITO - beleidsdomein LNE VITO - FFEU VITO-Prodem VIB IBBT STV PWO Hercules (50%) Technopolis Biotech-fonds Vlaanderen Interfacediensten Industrieel Onderzoeksfonds (IOF) vzw Flanders DC FFEU - wetenschapsbeleid Vlaamse excellentiepolen Innovatie (Hermesfonds) EFRO (Hermesfonds) Participaties O&O via PMV PMV - VINNOF Onderzoek Staalindustrie Limburgplan FFEU: medische onderzoeksinfrastructuur - Vlaamse Biobank FFEU: digitale onderzoeksinfrastructuur - Supercomputer FFEU: opleidingsinfrastructuur campus industriĂŤle wetenschappen Totaal
1993
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009i
31,854
34,762
38,104
54,321
29,435
32,848
37,744
11,048
6,186
13,750
24,150
24,464
42,113
57,898
37,184
41,993
53,590
54,289
77,777
82,734
82,484
101,503
96,863
98,213
103,173
125,765
153,334
129,960
5,445
13,457
11,839
10,901
7,837
4,407
11,545
0,814
0,829
0,846
0,863
3,966
4,291
4,162
2,910
2,866
3,927
4,358
7,095
8,042
8,215
4,358
5,935
5,949
0,220
0,335
0,392
9,581
10,811
11,012
11,090
11,583
11,453
11,453
12,546
9,265
10,794
9,602
9,602
9,602
9,602
9,602
9,602
5,949
5,949
5,949
5,949
6,999
7,399
9,214
8,899
5,000
5,000
6,000
6,000
2,801
9,901
16,192
10,139
10,139
16,840
16,840
37,488
37,488
38,604
38,604
38,604
38,604
22,065
27,055
27,271
27,618
28,245
28,659
33,652
34,308
34,481
35,033
35,625
39,016
44,171
45,054
24,274
27,075
25,821
27,499
27,772
29,353
29,934
31,263
33,501
33,101
37,754
35,236
42,171
2,967
35,000 43,999 2,103 8,000
1,530
2,181
2,132
23,490
24,194
1,760
1,239 4,958
1,834
24,921 1,896
25,669 1,916
26,034 1,943
27,817 1,973
28,595
29,453
30,366
31,334
38,198
38,962
39,741
17,000
17,287
23,098
23,592
24,064
1,973
2,002
2,165
2,200
2,238
2,281
2,430
3,000
3,000
11,500
9,000
9,000
9,500
9,500
2,800
7,803
7,808
7,437 4,958 1,239
1,257
1,269
1,289
0,327
37,180
1,326
1,345
1,365
2,087
2,723
2,775
2,828
2,000
10,030
11,341
11,535
16,754
17,072
2,300
2,374
2,421
2,469
30,000
30,000
30,000
30,000
37,250
14,278
30,000
30,000 30,000
11,100 17,989 75,000
75,000
30,000 1,205 8,000 7,100
15,000 120,873
178,442
207,867
219,446
216,199
227,163
292,746
330,105
378,606
433,491
464,754
427,392
545,538
542,549
111
Tabel 7.7:
Input aan middelen en personeel voor de Vlaamse onderzoeksinstellingen IMEC, VITO, VIB en IBBT
Onderzoeksinstelling
Contractonderzoek (mln. EUR)
21,02 22,05
16,06 5,61
0,64 0,66
292 145
103 188
22,06 24,27
18,84 5,31
0,30 0,75
312 153
109 204
23,18 24,27
19,86 6,96
0,79 0,43
333 165
117 208
24,32 25,81
23,13 7,27
2,13 0,78
352 175
124 208
24,32 26,46 22,81
29,15 9,72 0,70
2,82 1,36 0,62
375 173 138
132 207 136
27,06 27,56 23,50
35,15 13,04 2,68
6,41 1,85 0,28
414 193 144
145 211 165
27,59 24,45 25,18
38,70 16,14 4,34
6,52 6,58 1,17
464 212 169
163 212 165
27,95 27,50 24,92
42,50 17,57 5,74
10,11 0,38 1,25
504 236 199
177 211 165
28,25 27,77 25,67
70,48 17,72 5,41
4,13 0,17 0,42
542 233 199
191 216 164
27,42 29,35 26,03
87,71 19,04 5,63
3,43 0,18 0,35
622 253 175
218 212 173
33,65 29,93 27,81
103,39 21,88 5,19
1,36 0,48
738 247 219
259 204 214
34,31 31,26 28,60
108,93 24,30 5,80
2,07 1,14
754 264 228
263 201 193
34,48 33,50 29,45
118,14 26,64 8,11
6,29 2,11
790 261 261
261 201 193
35,03 33,10 30,37 17,00
157,24 29,11 9,28 1,06
4,35 2,27 -
814 271 297 8
274 199 205
35,56 35,05 31,28 17,25
186,22 32,19 9,86 1,64
5,12 2,77 0,27
809 291 253 25
274 213 173 -
39,08 35,24 38,20 23,13
199,35 25,99 11,20 2,96
6,07 2,92 0,37
832 304 286 43
295 200 177 1
* Doctor, Burg. Ir., licentiaat, Ind. Ir. ** Het VIB werd opgericht in 1995 en werd operationeel in 1996 *** Globale basistoelage, recente referentietaken en doelfinanciering inbegrepen
Diverse (mln. EUR)
Personeel Hoger geschoold*
**** Personeel IMEC: alleen payroll (koppen) ***** Personeel IBBT centrale functies
Personeel Ander
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7
1992 IMEC VITO 1993 IMEC VITO 1994 IMEC VITO 1995 IMEC VITO 1996 IMEC VITO*** VIB** 1997 IMEC VITO VIB 1998 IMEC VITO VIB 1999 IMEC VITO VIB 2000 IMEC VITO VIB 2001 IMEC VITO VIB 2002 IMEC VITO VIB 2003 IMEC VITO VIB 2004 IMEC VITO VIB 2005 IMEC VITO VIB IBBT**** 2006 IMEC VITO VIB IBBT 2007 IMEC VITO VIB IBBT
Vlaamse overheid (toelage) (mln. EUR)
112
VITO voert contractonderzoek uit en ontwikkelt innovatieve
IBBT is gericht op onderzoek in Informatie- en Communicatie-
producten en processen in de domeinen energie, leefmilieu en
technologie (ICT) in het algemeen, en de ontwikkeling van
materialen, zowel voor de overheid als het bedrijfsleven en met
breedbandtoepassingen in het bijzonder. Dit onderzoek is
de nadruk op het bevorderen van duurzaam gebruik van
interdisciplinair en vraaggedreven en vindt plaats in nauwe
grondstoffen en energie. De onderzoeksactiviteiten zijn
samenwerking met zowel bedrijven als de overheid. Het heeft
georganiseerd in twee clusters van telkens vier expertisecentra
tot doel oplossingen te bieden voor complexe problemen en
die zich respectievelijk richten op wetenschappelijke diagnose
zo tegemoet te komen aan toekomstige uitdagingen van
(centra voor evaluatie en metingen) en innovatie (remediërende
de maatschappij. Toepassingen van IBBT onderzoek zijn er
en toegepaste productontwikkeling). VITO is binnen de eerste
binnen een breed gamma aan domeinen zoals eHealth en
cluster het Vlaams referentielaboratorium en structurele
ouderenzorg, mobiliteit en logistiek, nieuwe media en
wetenschappelijke partner van de Vlaamse milieuadministraties.
eGovernment. IBBT’s multidisciplinair onderzoek bouwt bruggen
VITO levert, net als IMEC, grote inspanningen voor het
tussen kennisinstellingen, de industrie en de overheid en verzekert
verwerven van meer contractwerk. Daarbij blijft het evenwel
de opbouw van hoogcompetent menselijk kapitaal.
prominent aanwezig op het internationaal wetenschapsforum, in het bijzonder dat van de Europese Kaderprogramma’s. Sedert 1996 verhoogde het personeelsbestand met 18%,
7.8 O&O–INPUT VOOR DE VLAAMSE WETENSCHAPPELIJKE INSTELLINGEN
een stijging die zich vooral bij hoger geschoolden situeert. De aantrekkelijkheid voor jonge onderzoekers wordt o.a.
De input aan middelen en personeel, en de evolutie over
gewaarborgd via een vlotte en erkende doorstroming naar
de periode 1993-2007, voor de Vlaamse wetenschappelijke
zowel de private als openbare sector.
instellingen word weergegeven in tabel 7.8.
VIB is een onderzoekscentrum voor biotechnologie waarin de mogelijkheden worden geëxploreerd rond de combinatie van innovatief basisonderzoek met technologie transfer. De ontwikkeling van industriële activiteiten in de biotechnologie-
7.9 O&O-UITGAVEN IN DE PUBLIEKE SECTOR IN VLAANDEREN: EEN INTERNATIONALE VERGELIJKING
sector is sterk afhankelijk van de aanwezigheid van een technologieplatform. Daartoe voert VIB, naast strategisch
Door de OESO worden de uitgaven voor O&O als een bijzonder
basisonderzoek via een groeiende publicatieperformantie, een
belangrijke indicator beschouwd voor het meten van de O&O-
proactief technologie-transferbeleid, met name het vertalen van
intensiteit en innovatie. Deze uitgaven kunnen worden uitgedrukt
uitvindingen in economische groei, nieuwe jobs en op termijn
in een percentage van het regionale BBP en worden gerelateerd
nieuwe producten. VIB fungeert meer en meer als –
aan het aantal inwoners. Als basisindicator worden de O&O-
internationale – katalysator voor de Vlaamse biotechbedrijven
uitgaven gefinancierd door de overheid genomen. Deze kan
en staat ondertussen bekend als centrum waar overheid en
worden uitgedrukt in de nationale munt, maar ook
publiek terecht kunnen voor correcte, wetenschappelijk
geconverteerd naar USD door gebruik te maken van de
onderbouwde informatie over biotechnologie en haar
purchasing power parities (PPP). Afgeleide indicatoren zijn
toepassingen. De sterke innovatieve oriëntatie zorgt dat
echter nodig om zinvolle vergelijkingen mogelijk te maken,
onderzoekers in een creatieve en autonome omgeving goed
bijvoorbeeld om de invloed van de omvang van het land of
kunnen functioneren.
de regio te elimineren.
113
Tabel 7.8: Wet. instelling
Vlaamse overheid (mln. EUR)
Andere inkomsten (mln. EUR)
Personeel Hoger geschoold*
Personeel Ander
0,75 0,55 0,45 0,27
0,05 0,35 0,23 0,35
25 11 17 17 17
9 20 43 9 64
0,75 0,70 0,53 0,28 1,07
0,29 0,30 0,56 0,15
29 12 17 17 17
11 22 71 9 64
1,20 1,22 0,54 0,28 0,72
0,24 0,53 0,71 0,01 0,23
31 15 18 17 17
13 23 60 9 64
1,19 1,54 0,59 0,29 1,47
0,38 0,41 0,66 0,02 0,43
31 22 19 17 19
13 31 65 9 63
1,48 1,94 0,42 0,28 1,49
0,37 0,36 0,68 0,02 0,30
30 22 19 17 20
17 33 64 9 62
1,77 2,11 0,74 0,29 1,52
1,43 0,49 0,92 0,10 0,65
48 26 20 17 20
21 38 76 9 62
1,89 2,33 0,94 0,30 1,53
1,16 0,59 0,03 0,03 1,08
38 31 18 17 25
20 44 55 9 75
2,85 2,40 0,82 0,31 1,79
0,82 0,69 0,03 0,03 0,98
54 31 20 17 25
16 50 55 9 75
3,84 3,02 2,56 1,59 4,23
0,83 0,64 0,03 0,03 0,29
61 41 31 20 25
28 70 73 9 75
4,36 3,84 3,60 1,62 4,74
0,97 1,02 0,03 0,03 1,02
96 44 60 21 25
28 66 84 9 75
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7
1992 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1993 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1994 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1995 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1996 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1997 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1998 IN IBW IAP CBGS KMSKA 1999 IN IBW IAP CBGS KMSKA 2000** IN IBW IAP CBGS KMSKA 2001 IN IBW IAP CBGS KMSKA
Input aan middelen en personeel voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen
114
Tabel 7.8: Wet. instelling 2002 IN IBW IAP CBGS KMSKA 2003 IN IBW IAP CBGS KMSKA CLO CLE 2004 IN IBW VIOE CBGS KMSKA CLO CLE 2005 IN IBW VIOE CBGS*** KMSKA CLO CLE 2006 INBO**** ILVO***** VIOE KMSKA 2007 INBO ILVO VIOE KMSKA * **
Input aan middelen en personeel voor de Vlaamse wetenschappelijke instellingen (vervolg) Vlaamse overheid (mln. EUR)
Andere inkomsten (mln. EUR)
Personeel Hoger geschoold*
Personeel Ander
4,84 4,73 4,37 1,87 5,58
1,04 0,68 0,23 0,06 0,00
104 52 61 21 27
31 68 55 6 72
5,14 4,93 4,81 1,66 4,85 12,57 2,92
1,26 0,86 0,24 0,05 0,00 9,30 0,00
80 56 52 19 26 13 22
29 72 53 7 68 402 51
4,44 5,15 4,27 1,85 4,75 15,03 3,33
1,00 1,04 0,18 0,07 0,00 10,10 0,34
83 53 34 22 29 121 27
36 78 73 6 72 348 56
4,66 6,10 4,83 1,88 4,64 14,35 2,31
1,09 0,58 0,19 0,09 0,00 10,97 0,53
85 58 54 22 30 121 21
49 84 80 7 68 342 50
12,55 16,44 5,42 6,52
2,08 11,06 0,23 0
143 174 55 36
129 309 74 73
12,39 17,28 6,04 6,54
2,12 10,77 0,29 0
143 183 63 31
129 312 92 74
Doctor, burg. ir., bio-ingenieur, licentiaat, ind ir. Vanaf 2000 worden de salarissen en toelagen van het personeel voor de wetenschappelijke instellingen (behalve voor het IBW) vermeld als onderdeel van de middelen van de Vlaamse overheid. Deze informatie is gebaseerd op de O&O-uitgaven zoals vermeld in de OESO O&O-enquête en wordt toegevoegd aan de middelen afkomstig van de Vlaamse overheid. *** CBGS werd in 2006 opgeheven. **** Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is het resultaat van een fusie van IBW en IN. ***** Het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) is het resultaat van een fusie van CLE en CLO.
115
Tabel 7.9:
O&O-overheidskredieten als percentage
Tabel 7.9 geeft een overzicht van de overheidskredieten die in
BBP-Vlaanderen
Vlaanderen voor O&O beschikbaar zijn (Vlaamse kredieten + Vlaams aandeel van de federale kredieten + het aandeel in de
VLAAMSE OVERHEID
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009i
O&O-kredieten (in miljoen euro) 356,106 429,501 479,624 518,639 575,120 595,685 625,071 711,258 770,687 820,666 898,638 967,954 952,670 1.121,429 1.146,966
% O&O/ BBP-Vlaanderen 0,30 0,36 0,38 0,40 0,42 0,41 0,42 0,46 0,49 0,49 0,52 0,53 0,50 0,56 0,55
VLAAMSE OVERHEID + VLAAMS AANDEEL FEDERALE OVERHEID % O&O/ BBP-Vlaanderen 0,47 0,53 0,55 0,57 0,59 0,58 0,58 0,62 0,65 0,64 0,65 0,67 0,64 0,68 0,67
bruto binnenlands product per regio (BBPR). Tabel 7.10 geeft een vergelijking van Vlaanderen met de belangrijkste EU-landen, aangevuld met de Verenigde Staten en Japan. Er dient hier opgemerkt dat Vlaanderen quasi 60% van de bevolking van BelgiĂŤ levert, maar dat het Vlaamse aandeel van de federale O&O-kredieten zelfs niet de 56% bereikt, omdat de ESA-kredieten slechts voor 35,49 % Vlaanderen ten goede komen (Bron: VRWB). Het is duidelijk dat de cijfers voor O&O-overheidsuitgaven (GBAORD), uitgedrukt als % BBP, niet overal jaar na jaar stijgen. In sommige landen stagneert het, in andere is er zelfs een daling merkbaar over meerdere jaren. Weinig landen laten de laatste jaren een sterke stijging van de O&Ooverheidsinspanningen zien. Vergelijken we de meest recente cijfers van de geselecteerde landen met Vlaanderen, dan is te zien dat Vlaanderen lager scoort dan het EU27-gemiddelde. Op te merken valt nog dat sommige landen een substantieel deel van hun O&O-uitgaven voor defensie voorzien. De VS lopen daarbij op kop met 56,9% van hun O&O-budget voor defensie in 2006, het Verenigd Koninkrijk 28,3%, Frankrijk 22,4%, Zweden 16,8% en Spanje 16,6%. De Vlaamse overheid financiert helemaal geen onderzoek in de sector defensie.
VLAAMSE OVERHEID + VLAAMS AANDEEL FEDERALE + VLAAMS AANDEEL EU-OVERHEID
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009i
Vlaamse + Vlaams aandeel Federale + EU O&O-kredieten ** (in miljoen euro) 624,666 700,499 766,004 813,397 868,944 900,040 929,132 1.017,479 1.111,343 1.157,600 1.220,293 1.308,023 1.303,714 1.444,917 1.473,293
% O&O/ BBP-Vlaanderen 0,53 0,58 0,60 0,62 0,64 0,62 0,63 0,67 0,71 0,70 0,70 0,71 0,69 0,73 0,71
* Verdeelsleutel ESA aan 28,5% Vlaams (1991-1996) en 35,49% (1997-2009) (Bron: VRWB) en de rest van de federale kredieten aan 56% Vlaams (IMCWB-verdeelsleutel) ** Geraamd volgens berekende return van 2,38% voor het Vierde Kaderprogramma (1994-1998), 2,19% voor het Vijfde Kaderprogramma (1998-2002) en 2,12% voor het Zesde Kaderprogramma (2003-2006); dezelfde return werd aangehouden voor de jaren 2007-2009 Bron BBP-Vlaanderen in lopende prijzen: Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR) (september/oktober 2008)
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 7
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009i
Vlaamse + Vlaams aandeel Federale O&O-kredieten * (in miljoen euro) 560,943 635,777 700,282 746,675 801,221 831,317 859,410 946,757 1.023,271 1.069,527 1.132,220 1.219,950 1.215,642 1.356,845 1.385,221
EU-overheidskredieten) als % BBP-Vlaanderen – ofwel het
116
Tabel 7.10:
Internationale vergelijking van de O&O-overheidsuitgaven (GBAORD), uitgedrukt in %BBP(R) 1998
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
Vlaanderen*
0,40
0,41
0,42
0,46
0,49
0,49
0,52
0,53
0,50
0,56
0,55
Vlaanderen**
0,57
0,58
0,58
0,62
0,65
0,64
0,65
0,67
0,64
0,68
0,67
Vlaanderen***
0,59
0,60
0,60
0,64
0,67
0,66
0,67
0,69
0,66
0,69
0,68
België
0,56
0,57
0,59
0,60
0,61
0,59
0,59
0,61
0,61
Duitsland
0,81
0,79
0,78
0,78
0,79
0,77
0,77
0,76
0,76
Frankrijk
0,96
0,96
0,99
1,00
0,99
0,96
0,97
0,81
0,77
Verenigd Koninkrijk
0,66
0,69
0,68
0,77
0,75
0,70
0,72
0,74
geen data
Ierland
0,27
0,30
0,32
0,33
0,37
0,46
0,49
0,49
0,53
Nederland
0,79
0,77
0,75
0,74
0,74
0,73
0,70
0,72
0,71
Denemarken
0,74
0,76
0,75
0,73
0,73
0,71
0,71
0,72
0,79
Finland
1,07
0,98
0,97
0,96
1,00
1,01
1,03
1,00
0,98
Zweden
0,76
0,70
0,82
0,88
0,92
0,88
0,87
0,85
geen data
Italië
0,56
0,64
0,68
geen data
geen data
geen data
0,67
0,61
geen data
Portugal
0,51
0,58
0,60
0,67
0,61
0,64
0,73
0,72
0,76
Spanje
0,55
0,60
0,66
0,74
0,73
0,80
0,84
1,00
geen data
Verenigde Staten
0,85
0,86
0,91
0,99
1,05
1,09
1,06
1,04
1,02
Japan
0,60
0,65
0,70
0,72
0,73
0,72
0,71
0,70
0,68
EU-25
0,71
0,72
0,73
0,75
0,74
0,74
0,73
0,74
geen data
EU-27
0,70
0,71
0,72
0,74
0,73
0,73
0,72
0,73
geen data
Main Science and Technology Indicators, OECD, Volume 2008/1 * Vlaamse overheidskredieten ** Vlaamse overheidskredieten + verdeelsleutel ESA aan 35,5% ESA (1997-2003) + rest federale kredieten aan 56% Vlaams ***Vlaamse overheidskredieten + Vlaams aandeel 56% van de federale kredieten
7.10 REFERENTIES • Speurgidsen WTI 1996-2006, EWI-Speurgidsen 2007-2009 en www.speurgids.be • ‘Main Science and Technology Indicators’, OECD, Volume 2008/1 • FWO-publicaties (bestedingsanalyses, jaarverslagen en jaarboeken), www.fwo.be (via Benno Hinnekint) • De Vlaamse deelname aan de ESA-ruimteonderzoeksprogramma’s, VRWB, Vlaams Indicatorenboek WTI 2005 • Basisgegevens BBP-Vlaanderen: Studiedienst van de Vlaamse Regering, Vlaamse overheid • IWT-Activiteitenverslagen 2001-2007
117
I N N OVAT I E - I N S PA N N VA N V L A A M S E O N D E R N E M I K E R N R E S U LTAT E DE CIS-2007 EN
INGEN NGEN: N VA N QUÊTE
Door Petra Andries (K.U.Leuven), Dirk Czarnitzki (K.U.Leuven), Machteld Hoskens (K.U.Leuven) en Hanna Hottenrott (K.U.Leuven)
08
118
8.1 INLEIDING
8.2 METHODOLOGIE
Op de Europese Raad van Lissabon in 2000 heeft de Europese
De methodologische aanbevelingen die Eurostat uitschreef
Unie de lat voor de toekomst zeer hoog gelegd: ze wil
voor het afnemen van de enquête in alle EU lidstaten werden
“de meest concurrerende economie ter wereld worden die in
nagenoeg volledig gevolgd op het niveau van de Vlaamse
staat is tot duurzame economische groei, met meer en betere
regio. Merk op dat het huidige rapport niet volledig
banen en een hechtere sociale samenhang” (Commissie van
vergelijkbaar is met eerdere afnames van de CIS in Vlaanderen,
de Europese Gemeenschappen, september 2000).
zoals het CIS3 rapport voor 2001 (Delanghe et al., 2003) en het CIS4 rapport (Aerts et al., 2007). Waar CIS4 meer sectoren
Doorheen de decennia heeft men verschillende factoren als
bevatte dan CIS3 (meer bepaald NACE-sectoren 45, 50, 52 en
drijfveer van het concurrentievermogen beschouwd. In de jaren
74 (excl. 74.2 en 74.3), die respectievelijk de bouwnijverheid;
’60 en ’70 van de 20ste eeuw lag de klemtoon op efficiëntie.
verkoop, onderhoud en reparatie van motorvoertuigen en
Tijdens de jaren ’70 verschoof de focus naar kwaliteit. De volgende
motorrijwielen; kleinhandel en overige zakelijke dienstverlening
decennia werd flexibiliteit de nieuwe kracht. Vanaf de jaren ’90
(met uitzondering van architecten, ingenieurs en aanverwante
is men innovatie gaan beschouwen als dé ultieme competitieve
technische adviesbureaus, alsook technische testen en toetsen)
kracht (Debackere, 2002, blz.2). Ook de Europese Unie is tot
vertegenwoordigen, en samen goed waren voor bijna 30% van
dat inzicht gekomen en doet dan ook heel wat inspanningen
de populatie), werden een aantal van deze bijkomende
om het innovatiepeil in de Unie op te krikken, om zo haar
sectoren niet bevraagd in de CIS2007-enquête. Meer bepaald
ambitieuze doelstelling te realiseren.
werden de NACE sectoren 1, 45, 50, 52, 74 (excl. 74.2 en 74.3), 85, 90 niet bevraagd. Net als bij CIS4, volgde de data-
Een krachtig meetinstrument om de innovatieactiviteiten te meten
voorbereiding van CIS2007 – veel meer dan bij vorige enquêtes
is hierbij een basisbehoefte. Sinds het begin van de jaren ’90
— de aanbevelingen van Eurostat met betrekking tot
werd hard gewerkt aan een instrumentarium om innovatie te
gegevensopkuis,
meten. Hieruit ontstond de “Oslo manual” (OECD, 1997), een
behandeling van non-respons, en het berekenen van gewichten
rapport van de OECD met richtlijnen voor de verzameling en
voor extrapolatie van steekproef- naar populatieresultaten.
imputatie
van
ontbrekende
waarden,
de interpretatie van gegevens i.v.m. technologische innovatie. De laatste jaren is het bewustzijn gegroeid dat innovatie breder
Voor de Vlaamse CIS-enquête wordt een steekproef getrokken
is dan technologische innovatie en werd gewerkt aan een
uit de populatie van Vlaamse ondernemingen op basis van
nieuwe versie van deze handleiding, waarin ook organisatorische
grootte (10 werknemers of meer) en sector. Een recente versie
en marketinginnovatie de nodige aandacht krijgen.
van het RSZ-werkgeversbestand van de Belgische Rijksdienst
Op basis van de principes in deze Oslo manual worden de
2006, fungeerde als referentiepopulatie. Deze data werden
innovatie-inspanningen in de Europese Unie systematisch
verfijnd op basis van informatie van het internet, de Algemene
gemeten aan de hand van een enquête: de Community
Directie Statistiek en Economische Informatie, en de Nationale
Innovation Survey (CIS). De Europese Commissie (Eurostat) is
Bank van België via Bureau Van Dijk. Uit deze resterende
de opdrachtgever. De eerste Vlaamse CIS-enquête werd
populatie van 9.793 bedrijven werden er uiteindelijk 4.901
voor Sociale Zekerheid (RSZ), namelijk de versie van 31 augustus
gehouden in 1993. Een tweede en derde CIS-enquête volgden
geselecteerd voor bevraging. Hiervan hadden 18 bedrijven
in 1996 en in 2000. In 2005 en 2007 werden de vierde en
minder dan 10 werknemers, en 22 bedrijven hadden 10 of meer
vijfde CIS-enquête gelanceerd door het huidige Steunpunt
werknemers en hoofdkwartieren in Brussel maar belangrijke
O&O Indicatoren in opdracht van de federale en regionale
activiteiten in Vlaanderen. Deze bedrijven werden bevraagd
overheden. In dit Indicatorenboek worden de belangrijkste
voor onderzoeksdoeleinden.
resultaten van de CIS2007-enquête beschreven. Na een korte schets van de methodologische aspecten gaan we over tot de kernresultaten.
In totaal beantwoordden 1.994 bedrijven de vragenlijst. Hiervan beantwoordden 34 enkel de algemene vragen, maar geen enkele kernvraag betreffende innovatie. Wanneer we deze 34 bedrijven buiten beschouwing laten, komen we dus tot 1.960 bruikbare antwoorden, of een responsratio van 40%.
119
8.3 ANALYSE
De overgrote meerderheid (72%) van de respondenten heeft exportactiviteiten. Ondernemingsgrootte is gerelateerd
De manier van rapporteren aan de hand van frequentie- en
aan exportgedrag: 67% van de kleine bedrijven, 78% van
kruistabellen wordt overgenomen uit het vorige Indicatoren-
de middelgrote bedrijven, en 79% van de grote bedrijven
boek. De twee dimensies van de steekproeftrekking worden
exporteert. De sectoren Chemie/Plastics en Textiel zijn het
– in een meer geaggregeerde vorm, voor de validiteit van de
meest exportgericht.
gegevens — vaak verwerkt in deze tabellen. De grootteklassen zijn: kleine bedrijven (10 tot 49 werknemers), middelgrote bedrijven (50 tot 249 werknemers) en grote bedrijven (vanaf
8.5 INNOVATIEACTIVITEIT IN VLAANDEREN
250 werknemers). De NACE-sectoren worden ondergebracht in elf grote categorieën. Deze worden weergegeven in tabel 8.1.
8.5.1 De innovatieve onderneming Eurostat toetst de innovativiteit van een onderneming op vier
Tabel 8.1:
Aggregaten van NACE-sectoren*
dimensies. Een onderneming is innovatief als ze voldoet aan minstens één van de volgende criteria:
Voeding/Tabak Textiel Papier/Hout Chemie/Plastics Metaal Machines/Voertuigen Elektronica Andere Industrieën Groothandel Transport/Financiële Diensten Informatiediensten
15, 16 17, 18, 19 20, 21, 22
l
de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde
23, 24, 25
producten (goederen of diensten) op de markt gebracht
27, 28
(tussen begin 2004 en eind 2006);
29, 34, 35 30, 31, 32, 33 10, 14, 26, 36, 37, 40, 41
l
de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde
51
productieprocessen geïntroduceerd, inclusief methoden om
60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67
producten en diensten te leveren (tussen begin 2004 en
72, 73, 74.2, 74.3
eind 2006);
* De appendix bevat een overzicht van de NACE-codes op 2-digit niveau l
de onderneming was eind 2006 bezig met activiteiten (inclusief O&O) om nieuwe of duidelijk verbeterde producten (goederen of diensten) of processen te
respondenten. Daarna worden de innovatieactiviteiten van de
ontwikkelen of op de markt te brengen, maar deze waren
respondenten besproken. Voor deze laatste analyses wordt
nog niet afgewerkt op het moment van bevraging;
steeds gewerkt met gewogen resultaten omdat op die manier de resultaten bekomen met de steekproef veralgemeend kunnen worden naar de beoogde populatie.
l
de onderneming heeft activiteiten (inclusief O&O) verricht om nieuwe of duidelijk verbeterde producten (goederen of diensten) of processen te ontwikkelen of op de markt te brengen, maar heeft deze voortijdig stopgezet (tussen
8.4 PROFIEL VAN DE RESPONDENTEN
begin 2004 en eind 2006).
Meer dan de helft (55%) van de respondenten maakt deel uit
Uit de dataset blijkt dat 56% van de Vlaamse ondernemingen
van een ondernemingsgroep. Van ongeveer 45% van deze
innovatief is. In figuur 8.1 wordt de groep van innovatieve
bedrijven is de hoofdzetel in België gevestigd. Daarna volgen
ondernemingen verdeeld over de verschillende dimensies van
bedrijven met hoofdzetel in Nederland (13%), de V.S. (11%),
innovativiteit. Deze dimensies zijn niet mutueel exclusief.
Duitsland (9%), Groot-Brittannië (4%), en Frankrijk (4%).
Procesinnovatie komt het vaakst voor bij de Vlaamse bedrijven.
Andere landen zijn o.a. Japan en Luxemburg.
Ongeveer 36% van hen deed aan procesinnovatie, wat betekent dat 64% van alle innovatieve Vlaamse bedrijven in de periode 2004-2006 een procesinnovatie introduceerde.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 8
In een eerste sectie wordt een profiel geschetst van de
120
Figuur 8.1: Innovatieve ondernemingen in Vlaanderen
75%
50%
59%
64%
63%
25%
0%
Niet-innovatief: 44%
0%
Innovatief: 56%
20%
40%
60%
80%
100%
n Product n Proces n Lopend/Afgebroken
In tabel 8.2 wordt de innovatiegraad gegeven per sector en grootteklasse. We zien dat de grote bedrijven meer innovatief
8.5.2 Ontwikkeling van nieuwe of duidelijk verbeterde producten en/of processen
zijn dan de kleinere bedrijven (82% versus 68% en 51%). De Elektronicasector is de meest innovatieve sector, aangezien
In tabel 8.3 ligt de klemtoon op het type innovatie dat door
79% van de bedrijven in deze sector innovatief is.
de Vlaamse bedrijven geïntroduceerd werd. We zien dat grote bedrijven en de middelgrote bedrijven meer product- en procesinnovaties introduceerden dan de kleine ondernemingen.
Tabel 8.2:
Innovatieve ondernemingen in Vlaanderen, opgedeeld volgens grootte en sector
8.5.3 Nog niet voltooide en/of stopgezette innovatieactiviteiten
Innovatiegraad Voeding/Tabak
66%
Textiel
60%
Bij innovatieactiviteiten heerst er altijd een grote mate van
Papier/Hout
65%
onzekerheid: niet alle innovatie-inspanningen leiden effectief
Chemie/Plastics
78%
tot een innovatie. Daarom loont het de moeite om ook te
Metaal
61%
Machines/Voertuigen
61%
Elektronica
79%
Andere Industrieën
54%
geïntroduceerd hebben. Het profiel van deze ondernemingen
Groothandel
54%
is weergegeven in de laatste kolom van tabel 8.3. Hieruit blijkt
Transport/Financiële Diensten
33%
dat heel wat bedrijven actief innovatie-inspanningen leveren,
Informatiediensten
75%
Totaal
56%
Kleine bedrijven
51%
Middelgrote bedrijven
68%
Grote bedrijven
82%
Totaal
56%
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de doelpopulatie
kijken naar bedrijven die zich geëngageerd hebben in innovatieactiviteiten, maar (nog) geen succesvolle innovaties
maar dat dit niet noodzakelijk gereflecteerd wordt in de introductie van een innovatie. Ook hier hangt de mate van innovatieactiviteiten samen met de grootte van de bedrijven. Tot nu toe werden in de analyses alle bedrijven betrokken. In de volgende secties (8.6 t.e.m. 8.12) zullen we de eigenschappen van de groep van innovatieve ondernemingen (56%) verder onderzoeken.
121
Tabel 8.3:
Vlaamse bedrijven die een innovatie geïntroduceerd hebben Nieuw of duidelijk verbeterd product geïntroduceerd
Nieuw of duidelijk verbeterd proces geïntroduceerd
Lopende / afgebroken innovatieactiviteiten
Kleine bedrijven
29%
32%
30%
Middelgrote bedrijven
44%
49%
47%
Grote bedrijven
68%
67%
72%
Totaal
33%
36%
35%
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de doelpopulatie
Tabel 8.4:
Wie heeft de nieuwe of duidelijk verbeterde producten ontwikkeld?
Kleine bedrijven Middelgrote bedrijven Grote bedrijven Totaal
In hoofdzaak de onderneming(sgroep) 74% 75% 83% 75%
De onderneming in samenwerking met andere bedrijven of instellingen 18% 19% 16% 18%
In hoofdzaak andere ondernemingen of instellingen 8% 6% 2% 7%
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van productinnovatoren
Tabel 8.5:
Wie heeft de nieuwe of duidelijk verbeterde processen ontwikkeld?
Kleine bedrijven Middelgrote bedrijven Grote bedrijven Totaal
In hoofdzaak de onderneming(sgroep) 59% 60% 57% 59%
De onderneming in samenwerking met andere bedrijven of instellingen 27% 32% 35% 29%
In hoofdzaak andere ondernemingen of instellingen 14% 8% 8% 12%
8.6 ACTOREN IN HET INNOVATIEPROCES VAN DE ONDERNEMING
8.7 INNOVATIEACTIVITEITEN IN 2004 Innovatieactiviteiten
omvatten
een
brede
waaier
van
Uit vele analyses van het innovatiesysteem blijkt dat
engagement, gaande van O&O (intern of extern) tot aankoop
ondernemingen steeds vaker samenwerken met andere
van uitrusting en kennis. Deze verschillende activiteiten en het
organisaties voor innovatieactiviteiten. Daarom wordt in de CIS-
belang ervan zijn terug te vinden in tabel 8.6. Wat opvalt, is dat
enquête ook gepeild naar de actoren die betrokken zijn bij de
zelfs binnen de populatie van innovatieve Vlaamse bedrijven, er
ontwikkeling van een innovatie. De actoren die betrokken
grote verschillen in activiteiten bestaan. Meer bepaald zijn grote
waren bij de product- en procesinnovaties worden opgelijst in
bedrijven veel meer actief in de verschillende innovatieactiviteiten
tabellen 8.4 en 8.5. De cijfers duiden op het belang van andere
dan kleine bedrijven. Grote bedrijven zijn bijvoorbeeld zeer
organisaties in het innovatieproces. Bij procesinnovaties wordt
actief in interne O&O-activiteiten. Dit blijkt ook uit hoofdstuk 4
duidelijk meer samengewerkt (29%) dan bij productinnovaties
van dit Indicatorenboek, dat de resultaten van de profit
(18%). Ook introduceren meer bedrijven procesinnovaties die
O&O-enquête van 2008 beschrijft: het O&O-gebeuren in
door andere organisaties werden ontwikkeld (12% versus 7%
Vlaamse bedrijven is scheef verdeeld. Dit wordt verder
voor productinnovaties).
besproken in de volgende sectie.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 8
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van procesinnovatoren
122
Tabel 8.6:
Innovatieactiviteiten, opgedeeld naar ondernemingsgrootte
Interne O&O
Externe O&O
Aankoop van machines
Verwerving externe kennis
Training
Marktintroductie van innovaties
Andere voorbereidingen
Kleine bedrijven
54%
26%
68%
22%
60%
32%
29%
Middelgrote bedrijven
60%
36%
70%
22%
66%
40%
33%
Grote bedrijven
82%
64%
79%
38%
85%
64%
55%
Totaal
57%
30%
69%
23%
63%
36%
32%
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren
8.8 ONDERZOEK EN ONTWIKKELING (O&O)
8.9 PUBLIEKE FINANCIERING VAN INNOVATIE
Van de innovatieve ondernemingen die intern aan O&O doen,
Van de Vlaamse innovatieve ondernemingen kon gemiddeld
doet gemiddeld 35% slechts occasioneel aan O&O en 65%
14% in de periode 2004-2006 een beroep doen op financiële
permanent. Grote bedrijven doen meer op systematische wijze
ondersteuning van de regionale overheid in de vorm van
aan O&O dan middelgrote bedrijven, en deze op hun beurt
beurzen en leningen inclusief subsidies en leningsgaranties
meer dan kleine bedrijven. Transport/Financiële Diensten (80%),
maar exclusief overheidsbestellingen. De nationale overheid
Papier/Hout (79%), Informatiediensten (75%) zijn sectoren
ondersteunde 8% van de innovatieve ondernemingen.
waar het overgrote deel van de innovatieve ondernemingen
Ongeveer 3% van de Vlaamse innovatoren ontving financiële
permanent aan O&O doet. Tabel 8.7 geeft meer cijfers.
steun van de Europese overheid; een derde hiervan via het zesde kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling van de Europese Unie. Deze percentages worden
Tabel 8.7:
Karakter van de O&O-activiteiten van
in tabel 8.8 verder opgesplitst naar sector en grootte.
de innovatieve ondernemingen
Sectoren van Elektronica, Informatiediensten en Chemie/Plastics worden relatief sterker ondersteund door de regionale
Permanent
Occasioneel
Voeding/Tabak
66%
34%
Textiel
63%
37%
in de sector Informatiediensten. We zien ook dat grote
Papier/Hout
79%
21%
ondernemingen meer fondsen ontvangen dan hun kleinere
Chemie/Plastics
65%
35%
tegenhangers.
Metaal
46%
54%
Machines/Voertuigen
69%
31%
Elektronica
71%
29%
Andere Industrieën
60%
40%
Groothandel
60%
40%
Transport/Financiële Diensten
80%
20%
Informatiediensten
75%
25%
Totaal
65%
35%
Kleine bedrijven
61%
39%
Middelgrote bedrijven
72%
28%
partner. Bij grote bedrijven ligt dit gemiddelde veel hoger
Grote bedrijven
81%
19%
(72%). Bedrijven in de Elektronica (54%), Chemie/Plastics en
Totaal
65%
35%
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van O&O-actieve bedrijven
overheid. De Europese overheid financiert ook vooral bedrijven
8.10 SAMENWERKINGSPATRONEN VAN INNOVATIEVE ONDERNEMINGEN Gemiddeld werkt iets meer dan een derde (38%) van de innovatieve bedrijven voor innovatieprojecten samen met een
Machines/Voertuigen (50%) zijn ook relatief meer geneigd tot samenwerken. De percentages worden voorgesteld in tabel 8.9.
123
Tabel 8.8:
Publieke financiering van de innovatieactiviteiten Regionale overheid
Belgische overheid
EU
Europees Kaderprogramma
Voeding/Tabak
16%
7%
6%
1%
Textiel
22%
12%
5%
3%
Papier/Hout
12%
12%
6%
3%
Chemie/Plastics
24%
13%
4%
3%
Metaal
22%
13%
2%
0%
Machines/Voertuigen
20%
16%
1%
1%
Elektronica
30%
13%
7%
4%
Andere Industrieën
6%
4%
1%
0%
Groothandel
7%
3%
0%
0%
Transport/Financiële Diensten
5%
4%
0%
0%
Informatiediensten
27%
10%
11%
7%
Totaal
14%
8%
3%
1%
Kleine bedrijven
13%
6%
2%
1%
Middelgrote bedrijven
15%
11%
4%
2%
Grote bedrijven
28%
19%
9%
5%
Totaal
14%
8%
3%
1%
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren
In deze samenwerkingsverbanden worden leveranciers (29%) en consultants/commerciële laboratoria/O&O bedrijven (22%) Tabel 8.9:
Samenwerkingspatronen van innovatieve
het vaakst genoemd als partners. Daarna volgen de klanten
ondernemingen
en concurrenten en andere bedrijven uit dezelfde industriële sector (partners voor 19% van de innovatoren). Universiteiten of
Voeding/Tabak
47%
Textiel
33%
Papier/Hout
43%
partner (voor 18% van de innovatoren). In tabel 8.10 wordt
Chemie/Plastics
52%
de verdeling weergegeven van het belang van elke partner
Metaal
42%
in samenwerkingsverbanden van Vlaamse bedrijven voor
Machines/Voertuigen
50%
Elektronica
54%
Andere Industrieën
25%
Groothandel
26%
Transport/Financiële Diensten
33%
Informatiediensten
46%
Totaal
38%
Kleine bedrijven
32%
Middelgrote bedrijven
47%
Grote bedrijven
72%
Totaal
38%
instellingen van hoger onderwijs zijn eveneens een belangrijke
innovatieactiviteiten.
Tabel 8.10: Belang van partners in samenwerkingsverbanden Leveranciers van uitrusting, materiaal, componenten en software Klanten of afnemers Andere bedrijven in de groep Universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs Consultants / Commerciële laboratoria / O&O-bedrijven Publieke onderzoeksinstellingen Concurrenten en andere bedrijven uit dezelfde industriële sector
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren
29% 19% 14% 18% 22% 13% 19%
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 8
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren
124
Tabel 8.11: Belang van partners in samenwerkingsverbanden, volgens geografische locatie België
EU
VS
Voeding/Tabak
48%
32%
7%
Andere landen 5%
Textiel
32%
19%
10%
3%
Papier/Hout
40%
38%
3%
5%
Chemie/Plastics
52%
42%
19%
14%
Metaal
41%
22%
1%
1%
Machines/Voertuigen
47%
35%
22%
12%
Elektronica
52%
36%
17%
13%
Andere Industrieën
24%
17%
2%
5%
Groothandel
24%
13%
3%
2%
Transport/Financiële Diensten
32%
16%
4%
2%
Informatiediensten
45%
30%
21%
10%
Totaal
36%
24%
8%
5%
Kleine bedrijven
31%
17%
4%
2%
Middelgrote bedrijven
44%
34%
11%
10%
Grote bedrijven
68%
62%
37%
25%
Totaal
36%
24%
8%
5%
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren
Tabel 8.11 geeft weer hoeveel innovatieve bedrijven samen-
Universiteiten en andere instellingen van hoger onderwijs (5%)
werkingspartners hebben in België, de EU, de V.S. en in andere
en publieke of particuliere non-profit instellingen (3%) zijn iets
landen. We zien dat alle innovatoren – onafhankelijk van hun
minder belangrijk. Tabel 8.12 vat deze informatie kort samen.
grootte – vooral samenwerkingspartners binnen België hebben. Grote innovatieve ondernemingen (250 werknemers en meer) werken echter ook zeer veel samen met Europese partners.
8.12 BESCHERMING VAN INNOVATIE
Zij hebben ook duidelijk meer samenwerkingsverbanden in de V.S. en in andere landen dan hun kleinere tegenhangers.
Innovatie-inspanningen zijn zeer belangrijk, maar het is ook
Wanneer we naar de sectoren kijken, zien we dat Chemie/
belangrijk dat bedrijven de geleverde inspanningen voldoende
Plastics, Papier/Hout, Elektronica, en Machines/Voertuigen relatief
kunnen afschermen om zo de maximale opbrengst uit de
veel samenwerkingsverbanden met Europese partners hebben.
investering te realiseren. Een zeer belangrijke – maar zeker niet
Machines/Voertuigen, Chemie/Plastics en Informatiediensten
steeds waterdichte – manier is de aanvraag van een octrooi.
werken voor hun innovatie-inspanningen relatief veel samen
In eerste instantie kijken we in deze sectie naar de octrooi-
met partners in de V.S.
aanvragen. Deze geven een indicatie van de innovatieoutput die bedrijven proberen te beschermen. In de tweede kolom van tabel 8.13 wordt het percentage van innovatieve bedrijven
8.11 INFORMATIEBRONNEN
dat minstens één octrooiaanvraag ingediend heeft, weergegeven. Gemiddeld is dat slechts 6%. Grote bedrijven en bedrijven in
De informatiebronnen die aan de basis liggen van de
de sectoren Chemie, Elektronica, en Machines/Voertuigen zijn
innovatieactiviteiten werden ook bevraagd in de CIS2007.
duidelijk meer actief in octrooiaanvragen.
Uit de antwoorden blijkt dat de meeste informatie uit interne bronnen (53%) gehaald wordt. Andere belangrijke bronnen zijn
Naast octrooiaanvragen wordt er nog een hele waaier andere
leveranciers (31%), en klanten of afnemers (27%). In mindere
beschermingsmethoden toegepast. Tabel 8.13 geeft ook drie
mate zijn ook concurrenten (10%) een bron van informatie.
andere mogelijkheden: het registreren van industriële ontwerpen,
Naast deze actoren die rechtstreeks aan de onderneming
handelsmerken, en auteursrechten. We zien dat de handels-
verbonden zijn, spelen ook een aantal indirecte bronnen een rol,
merken het belangrijkst zijn, en dan vooral voor bedrijven in de
zoals beurzen en tentoonstellingen (15%), tijdschriften / publicaties
sectoren Chemie/Plastics, Elektronica, en Voeding/Tabak.
(9%), professionele associaties (7%) en consultants (7%).
125
Tabel 8.12: Informatiebronnen voor de innovatieactiviteiten Interne bronnen Onderneming zelf en andere bedrijven binnen de groep (voor ondernemingen die deel uitmaken van een groep) Marktbronnen Leveranciers van uitrusting, materiaal, componenten en software Klanten of afnemers Concurrenten en andere bedrijven uit dezelfde industriële sector Institutionele bronnen Consultants Universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs Publieke of particuliere non-profit instellingen Andere bronnen Beurzen, tentoonstellingen, conferenties Tijdschriften, publicaties Professionele associaties
53% 31% 27% 10% 7% 5% 3% 15% 9% 7%
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren
Tabel 8.13: Bescherming van innovaties: verschillende methoden Industriële designs
Handelsmerken
Copyright
6%
1%
15%
2%
Textiel
3%
2%
7%
2%
Papier/Hout
4%
2%
8%
4%
20%
10%
20%
3%
8%
5%
7%
0%
Machines/Voertuigen
15%
6%
7%
1%
Elektronica
21%
12%
19%
7%
Andere Industrieën
10%
6%
10%
2%
Groothandel
4%
4%
9%
1%
Transport/Financiële Diensten
0%
0%
3%
0%
11%
3%
10%
6%
Totaal
6%
3%
9%
2%
Kleine bedrijven
4%
2%
7%
1%
Middelgrote bedrijven
11%
6%
12%
3%
Grote bedrijven
30%
11%
29%
6%
6%
3%
9%
2%
Chemie/Plastics Metaal
Informatiediensten
Totaal
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de populatie van innovatoren
Ook
het
registreren
van
industriële
ontwerpen
en
8.13 KENNISBEHEER
auteursrechten blijken zeer relevant in de Elektronicasector. Grote ondernemingen zijn duidelijk meer actief in de vier
In dit deel onderzoeken we kennisbeheer in de Vlaamse
beschermingsmethoden die werden bevraagd.
bedrijven. We beschouwen hierbij zowel de niet-innovatieve als de innovatieve ondernemingen. Volgens de Oslo Manual, is de manier waarop bestaande kennis wordt gebruikt en uitgewisseld alsook de manier waarop nieuwe kennis wordt verkregen een essentieel onderdeel van de operaties van een onderneming. Zoals Davenport en Prusak (1998) uitleggen, omvat kennisbeheer een grote waaier aan technieken, technologiën en bestuurspraktijken, allen gericht op een grotere winst door een beter gebruik van het intellectuele kapitaal van de onderneming.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 8
Octrooien Voeding/Tabak
126
Tabel 8.14: Gebruik van technieken voor kennisbeheer Schriftelijk beleid betreffende kennisbeheer
20%
Stimuli voor werknemers om informatie te delen binnen het bedrijf
34%
Specifieke middelen om externe kennis te kunnen opsporen en verkrijgen
26%
Beleid om externe experts te betrekken bij projectgroepen indien nodig
17%
Regelmatig actualiseren van interne databanken of handleidingen betreffende gangbare praktijken, geleerde lessen, of advies van experts
34%
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de doelpopulatie
Zoals tabel 8.14 toont, gebruikt één derde van de Vlaamse
8.15
BESLUIT
bedrijven stimuli voor werknemers om informatie binnen de onderneming te delen, alsook een regelmatige update van
In dit hoofdstuk werden de CIS2007-resultaten kort samen-
interne databases of handboeken over praktijken, opgedane
gevat in een aantal kerntabellen. De innovatiegraad van de
ervaring of expertenadvies. Technieken om externe kennis te
Vlaamse bedrijfswereld bedraagt 56% wat vergelijkbaar is met
beheren worden minder frequent gebruikt: 26% van alle
cijfers voor de voorbije jaren. De meeste Vlaamse innovatieve
bedrijven gebruiken technieken om externe informatie buiten
bedrijven zijn procesinnovatoren (64%), maar productinnovatie
het bedrijf te vinden en te verkrijgen, en 17% heeft een beleid
komt bijna even vaak voor (59%). Ongeveer 63% van de
dat externe experten betrekt. In een vijfde van alle gevallen
innovatieve bedrijven heeft in de periode 2004-2006
bestaat er een geschreven beleid over kennisbeheer.
innovatieactiviteiten die lopend (maar nog niet afgewerkt) of afgebroken waren.
8.14 HISTORISCHE VERGELIJKING
Van de Vlaamse bedrijven die innoveren, ontving in de periode 2004-2006 gemiddeld 14% financiële ondersteuning van de
Zoals reeds aangegeven, omvatte CIS4 meer sectoren dan
regionale overheid, 8% van de nationale overheid, en 3% van
CIS3 en dan de recente CIS2007. We kunnen een historische
de Europese overheid. Vooral de grote ondernemingen
vergelijking maken door voor CIS4 deze extra sectoren buiten
ontvingen fondsen.
beschouwing te laten. Zoals blijkt uit tabel 8.15, blijft het percentage Samenwerkingverbanden voor innovatieprojecten blijken zeer
ondernemingen dat innoveert vrijwel stabiel.
belangrijk. Leveranciers, consultants/commerciële laboratioria/ O&O-bedrijven zijn de belangrijkste partners. Ook klanten en Tabel 8.15: Evolutie percentage innovatieve ondernemingen
concurrenten zijn belangrijke partners. Naast de bedrijven van de eigen groep vormen leveranciers en klanten een belangrijke
CIS3 (2000)
CIS4 (2005)
CIS (2007)
Alle bedrijven
58%
59%
56%
KMO's
58%
57%
54%
Grote bedrijven
83%
88%
82%
meer actief zijn in het beschermen van hun innovaties. Ook in
Low tech
55%
55%
53%
het gebruik van technieken voor kennisbeheer door zowel
High tech
71%
78%
71%
niet-innovatieve als innovatieve bedrijven ziet men dat interne
Industrie
69%
64%
64%
kennisstromen vaker op professionele manier beheerd worden
Diensten
49%
54%
49%
dan externe kennisstromen.
Noot: resultaten geëxtrapoleerd naar de doelpopulatie
bron van informatie voor innovatieactiviteiten. Het gebruik van verschillende
beschermingsmethoden
voor
innovatie
is
sectorafhankelijk. In het algemeen blijkt wel dat grote bedrijven
127
8.16
REFERENTIES
• DELANGHE, H., TIRI, M., LAROSSE, J., en CARCHON, D., Hoofdstuk 8: Innovatie-inspanningen van Vlaamse onder-
• AERTS, K., ANDRIES, P., CZARNITZKI, D. en HOSKENS, M.,
nemingen: een exploratie van de CIS3-enquête, pp. 103-124,
Hoofdstuk 7: Innovatie-kenmerken van Vlaamse onder-
in: Vlaams Indicatorenboek, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2003 (depotnr. D/2003/3241/173).
nemingen: kernresultaten van de CIS-4 enquête, pp. 117-130, in: Vlaams Indicatorenboek 2007, Steunpunt O&O Indicatoren,
• OECD/EUROSTAT, The Measurement of Scientific and Technological Activities. Proposed Guidelines for Collecting
2007 (ISBN 1374-6294). • Commissie van de Europese Gemeenschappen, Innovatie in
and Interpreting Technological Innovation Data: Oslo Manual,
een kenniseconomie, Brussel, September 2000. • DEBACKERE, K., Universities as Incubators, Science Alliance
Paris, OECD, 1997. • DAVENPORT, T. H. en PRUSAK L., Working knowledge:
Conference, Den Haag, 2002
How organizations manage what they know, Boston, MA: Harvard Business School Press, 1998.
APPENDIX: SECTOREN (OP BASIS VAN DE NACE-BEL 2003-CLASSIFICATIE) WEERHOUDEN DOOR EUROSTAT Primaire sector Winning van delfstoffen 10
Winning van steenkool, bruinkool en turf
11
Winning van aardolie en aardgas en aanverwante diensten
12
Winning van uranium- en thoriumerts
13
Winning van metaalertsen
14
Overige winning van delfstoffen
Verwerkende nijverheid Voedingsproducten, dranken en tabak Vervaardiging van voedingsmiddelen en dranken
16
Vervaardiging van tabaksproducten
Textiel, kleding, bontnijverheid en leernijverheid 17
Vervaardiging van textiel
18
Vervaardiging van kleding en bontnijverheid
19
Leernijverheid en vervaardiging van schoeisel
Hout, papier, drukkerijen 20
Houtindustrie en vervaardiging van artikelen van hout, kurk, rieten vlechtwerk
21
Papier- en kartonnijverheid
22
Uitgeverijen, drukkerijen en reproductie van opgenomen media
Cokes, petroleum, kernbrandstof, chemische producten, rubber en kunststoffen 23
Vervaardiging van cokes, geraffineerde aardolieproducten en splijt- en kweekstoffen
24
Chemische nijverheid
244
Farmaceutische nijverheid
25
Rubber- en kunststofnijverheid
Niet-metaalhoudende minerale producten 26
Vervaardiging van overige niet-metaalhoudende minerale producten
Metallurgie 27
Metallurgie
Vervaardiging van producten in metaal (exclusief machines en werktuigen) 28
Vervaardiging van producten van metaal
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 8
15
128
Machines, materialen, werktuigen en transport 29
Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen
30
Vervaardiging van elektrische en elektronische apparaten en instrumenten
31
Vervaardiging van elektrische machines en apparaten
32
Vervaardiging van audio-, video- en telecommunicatie-apparatuur
33
Vervaardiging van medische apparatuur, van precisie- en optische instrumenten en van uurwerken
34
Vervaardiging en assemblage van auto's, aanhangwagens en opleggers
35
Vervaardiging van overige transportmiddelen
Meubels, overige industrie 36
Vervaardiging van meubels, overige industrie
Recuperatie van recycleerbaar afval 37
Recuperatie van recycleerbaar afval
Productie en distributie van elektriciteit, gas en water 40
Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en warm water
41
Winning, zuivering en distributie van water
Dienstensector Groothandel 51
Groothandel en handelsbemiddeling, met uitzondering van de handel in motorvoertuigen en motorrijwielen
Vervoer, opslag 60
Vervoer te land
61
Vervoer over water
62
Luchtvaart
63
Vervoersondersteunende activiteiten
Post en telecommunicatie 64
Post en telecommunicatie
FinanciĂŤle instellingen (inclusief verzekeringen) 65
FinanciĂŤle instellingen
66
Verzekeringswezen
67
Hulpbedrijven ivm financiĂŤle instellingen
Informatica en aanverwante activiteiten 72
Informatica en aanverwante activiteiten
Onderzoek en ontwikkeling 73
Speur- en ontwikkelingswerk
Overige zakelijke dienstverlening 742
Technisch advies, architecten en ingenieurs
743
Technische tests en analyses
129
B I B L I O M E T R I S C H E A N A LY S E VA N H E T V L A A M S O N D E R ZO E K I N D E L E V E N S - , N AT U U R - E N TECHNISCHE WETENSCHAPPEN. HET VLAAMS ONDERZOEK IN EUROPESE CONTEXT
Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven), Wolfgang Glänzel (K.U.Leuven) en Bart Thijs (K.U.Leuven)
09
130
9.1 INLEIDING
Daarom kan men de wetenschap bestuderen aan de hand van de wetenschappelijke literatuur zelf, die tot op zekere hoogte
Bij het concipiëren, het opvolgen en het evalueren van het
een weerspiegeling vormt van de activiteiten.
O&O-beleid van de overheid maar ook van universiteiten, onderzoeksinstellingen en bedrijven, groeit de nood aan
De diverse wetenschappelijke domeinen hebben wel een eigen
kwantitatieve informatie. Hoewel kwantitatieve gegevens nooit
typische onderzoeks- en publicatiecultuur. Zo spelen in de
toelaten de werkelijkheid volledig te omschrijven, vormen ze
natuur- en levenswetenschappen tijdschriften een essentiële rol
wel onmisbare achtergrondinformatie.
in de communicatie tussen vakgenoten. Voor de technische wetenschappen nemen conferentieproceedings en rapporten
Naast informatie over onder meer de O&O-bestedingen door
daarnaast een belangrijke plaats in. De natuur- en levens-
de verschillende actoren en de verdeling van deze middelen over
wetenschappen en ook de basisdisciplines in de technische
de verschillende domeinen, hebben beleidsmakers ook behoefte
wetenschappen zijn bovendien sterk internationaal gericht –
aan gegevens over de wetenschappelijke en technologische
waarbij het Engels dominant is bij de informatieuitwisseling.
output. Bibliometrische analyses, die gebaseerd zijn op de bibliografische gegevens van publicaties vormen een van de
In deze disciplines kan dan ook een onderscheid worden
methoden om het onderzoekspotentieel in kaart te brengen.
gemaakt tussen de ‘centrale’ en de meer ‘perifere’ tijdschriften. De eerste zijn grosso modo de internationaal toonaangevende
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de omvang
publicaties, met een goed functionerend referee-systeem.
en de impact van het Vlaams onderzoek in de natuur-, levens-
De andere zijn wat minder belangrijk en vaak meer nationaal
en technische wetenschappen zoals dat kan worden zichtbaar
georiënteerd.
gemaakt aan de hand van publicaties verschenen in tijdschriften die worden verwerkt voor de Science Citation Index en aan de
Bibliometrische macro- en meso-analyses zijn vandaag de dag
hand van papers voorgesteld op internationale/nationale
dan ook ondenkbaar zonder te vertrekken van een
conferenties en opgenomen in de Proceedings databank.
veelomvattende, multidisciplinaire bibliografische databank. Voor de bibliometrische analyse van de onderzoeksprestaties van landen, regio’s, instituten en onderzoeksgroepen is
9.2 BIBLIOMETRISCHE STUDIES EN DE BIBLIOGRAFISCHE GEGEVENSBESTANDEN VAN DE ISI
bovendien de recurrente beschikbaarheid van een citatie-index een noodzakelijke voorwaarde. De bibliografische databestanden van het Amerikaanse Instituut voor Wetenschappelijke Informatie (Thomson Scientific – ISI, Philadelphia, PA, USA)
Bibliometrische analyses van publicaties laten toe onderzoeks-
vormen in deze optiek een onmisbaar vertrekpunt voor om
prestaties in kaart te brengen. Voor de wetenschapsbeoefening
het even welke bibliometrische analyse. Tijdens de voorbije
wordt hierbij een model gebruikt, waarvan we hier even de
vijfentwintig jaar is de Science Citation Index (SCI®) en later ook
krijtlijnen schetsen. Fundamenteel onderzoek leidt tot nieuwe
het Web of Science® een van de meest geaccepteerde en
inzichten in de mens en zijn omgeving. De praktische
onderzochte bronnen voor bibliometrische analyses geworden.
toepassing van de resultaten van dit soort onderzoek zijn echter
Hoewel er ook kritische bedenkingen te geven zijn (bijvoorbeeld
zelden onmiddellijk duidelijk en vragen vaak nog belangrijke
voor wat betreft de tijdschriftendekking en de aanpak van het
investeringen. Fundamenteel onderzoek wordt dan ook
ISI in verband met de dataverwerking bij de ontwikkeling en
grotendeels gefinancierd met publieke middelen. De resultaten
invulling van de SCI), zijn de unieke kenmerken van de SCI
ervan vormen een quasi-publiek goed. Ze maken deel uit van
tegenwoordig algemeen aanvaarde onderdelen geworden van
het cultureel en maatschappelijk patrimonium.
de bibliometrische technologie. Van deze kenmerken zijn vooral de volgende het vermelden waard:
Publicaties in de open literatuur vormen de meest gebruikte maar niet enige manier om deze resultaten bekend te maken.
l
Multidisciplinariteit: De SCI is uniek door zijn brede
Het is daarbij gebruikelijk dat onderzoekers door vermeldingen
dekking. Alle wetenschapsgebieden in de levens-
in voetnoten of in een referentielijst aangeven op welke wijze
wetenschappen, de natuurwetenschappen evenals de
ze voortbouwden op eerder werk.
basisdisciplines van de technische wetenschappen zijn in het gegevensbestand aanwezig.
131
l
Selectiviteit: alle wetenschappelijke tijdschriften die in de
9.3 DATABRONNEN EN DATAVERWERKING
SCI opgenomen zijn, werden op grond van kwantitatieve criteria (impactmaatstaven) gekozen en de selectie door ISI
Alle bibliometrische gegevens die in dit hoofdstuk gebruikt worden,
wordt in het algemeen ook door de opinie van experten in
zijn gebaseerd op de bibliografische ‘ruwe’ data geëxtraheerd
de betreffende disciplines gevalideerd en aanvaard.
uit de 1992-2007 cumulatieve databestanden van de Science Citation Index Expanded® (SCIE). Om de literatuurdekking
l
Volledige dekking: alle publicaties in tijdschriften die in
ietwat uit te breiden wordt als bijkomende databron de Science
de SCI opgenomen zijn, worden ook geïndexeerd.
& Technology Edition van de ISI Proceedings (STP) gebruikt. Omdat conferentiebijdragen ook in tijdschriften worden
l
Volledigheid van adressen: de werkadressen van alle
gepubliceerd is de overlap van de twee databronnen
auteurs worden vermeld. Dit kenmerk maakt dus de analyse
aanzienlijk. Bij de bijkomende publicaties gaat het echter om
van wetenschappelijke samenwerking en de toepassing van
conferentiebijdragen die niet reeds – bijv. in het kader van
een volledig of een gefractioneerd telschema (waarbij een
speciale journal issues – in het WoS zijn opgenomen. Bij de
publicatie geheel of gedeeltelijk aan bijvoorbeeld elke
“zuivere” proceedingsliteratuur kan echter enkel een publicatie-
auteur, instelling of land wordt toegewezen) mogelijk.
analyse gebeuren en geen citatie-analyse daar er met ISI nog geen overeenstemming bestaat over de juiste wijze waarop de
l
Bibliografische referenties: Samen met de documenten
impact moet berekend worden in geval van de Proceedings.
worden ook hun referenties verwerkt. De herdefinitie van
Bovendien is voor de periode 1992-1994 enkel één adres per
deze referenties als brondocumenten maakt het mogelijk
publicatie vermeld zodat voor deze periode ook geen analyse
om citatiepatronen te onderzoeken en citatie-indicatoren te
van wetenschappelijke samenwerking kan worden uitgevoerd.
construeren. De bibliometrische analyse die in het vervolg van dit hoofdstuk l
Beschikbaarheid: De SCI is beschikbaar als gedrukte
wordt weergegeven, is gebaseerd op de vier zogenaamde
versie, elektronisch op magneetband, on-line en als CD-editie.
‘relevante’ of ‘citeerbare’ documenttypes, namelijk (1) articles,
Vooral de laatstgenoemde was in de negentiger jaren zeer
(2) letters, (3) notes en (4) reviews. De publicaties van de laatste
populair. Een meer uitgebreide versie van dit databestand,
veertien jaar, d.w.z. van de periode 1992-2007, werden voor
de SCI expanded, is onderdeel van het Web of Science
deze analyses geselecteerd.
Dat is meestal on-line beschikbaar. De SCI Expanded (SCIE)
Sinds het verschijnen van de laatste editie van het Indicatoren-
heeft duidelijk een bredere tijdschriftendekking dan de
boek heeft Thomson – ISI regelmatig bestanden met correcties
‘gewone’ SCI. De volledige Web of Science bevat naast
aangeleverd. Deze gegevens corrigeren niet alleen bibliografische
de SCIE ook nog de SSCI (Social Science Citation Index) en
of citatiegegevens maar tevens worden ook volledige issues
de A&HCI (Arts&Humanities Citation Index).
aan vorige jaarlijkse volumes toegevoegd of in vroegere updates verwijderd. Door deze aanpassingen is het nu mogelijk
Er zijn zonder twijfel enkele kritische bedenkingen te
de SOOI gegevens met de actuele versie van het WoS in
formuleren over de databestanden van het ISI. Naast de twee
overeenstemming te brengen. Door deze aanpassingen
reeds genoemde aspecten (dekkingsgraad en verwerking bij
kunnen zowel de Vlaamse indicatoren alsook de kencijfers van
aanmaak) moet ook nog de oververtegenwoordiging van
de referentielanden lichtjes veranderen. Wij raden dus aan ook
publicaties afkomstig uit Engelstalige landen, in het bijzonder
telkens de actuele versie van het Indicatorenboek te raadplegen.
van publicaties uit de Verenigde Staten, vermeld worden. Ondanks deze bedenkingen is de SCIE momenteel de meest
Aan de basis van de toewijzing van publicaties aan Vlaanderen
geschikte bibliografische bron voor uitgebreide, alle vakgebieden
en aan de referentielanden lagen de werkadressen. De nationaliteit
omvattende, bibliometrische analyses.
van een auteur was dus niet doorslaggevend maar wel zijn of haar adres van institutionele affiliatie. Er is verder een ‘volledig’ telschema toegepast, met andere woorden, indien een publicatie co-auteurs met werkadressen in verschillende landen heeft, dan wordt deze publicatie aan alle betrokken landen als één volledige publicatie toegewezen.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9
(WoS®), dat eveneens door het ISI geproduceerd wordt.
132
Er wordt dus niet gefractioneerd tussen de landen. Doch in het geval een publicatie meer dan één werkadres in hetzelfde land
5. Klinische en experimentele geneeskunde I (algemene en interne geneeskunde)
vermeldt, dan wordt dit document enkel één keer aan het
6. Experimentele geneeskunde II (niet-interne vakken)
betrokken land toegewezen. Anderzijds kan ook één publicatie
7. Neuro- en gedragswetenschappen
van één auteur wel als afkomstig van twee landen en dus als
8. Chemie
een internationale co-publicatie beschouwd worden, indien deze
9. Fysica
auteur werkadressen in twee verschillende landen heeft vermeld.
10. Aard- en ruimtewetenschappen 11. Technische wetenschappen
De bepaling van Vlaamse publicaties was iets ingewikkelder
12. Wiskunde
dan die van de Europese referentielanden. Een document werd beschouwd als afkomstig van Vlaanderen op voorwaarde dat
De citatiegegevens werden bepaald via een op een speciale
het tenminste één (co)auteur een Vlaams werkadres heeft.
identificatiesleutel gebaseerd koppelingsalgoritme. Hierbij worden
Verder werden 20% van het aantal publicaties en citaties van
de individuele bronpublicaties gekoppeld met de individuele
alle brondocumenten die enkel een Brussels doch geen Vlaams
bestanddelen van de referentielijsten van alle bronpublicaties.
werkadres hebben, bij de berekening van de Vlaamse basis-
Het aantal citaties dat een bronpublicatie in elk jaar na het jaar
indicatoren gevoegd. Dit betekent concreet dat 20% van alle
van zijn publicatie krijgt is natuurlijk niet constant. Het is aan
instellingen met een Brussels werkadres aan Vlaanderen werden
veranderingen onderworpen die eigen zijn aan het proces van
toegewezen. Uitzonderingen vormen de Nederlandstalige Vrije
veroudering van (wetenschappelijke) informatie. Het citatieproces
Universiteit Brussel (VUB) die aan Vlaanderen wordt toegewezen
is dus niet homogeen. De keuze van een geschikt citatievenster
en ULB/UCL met toekenning aan Wallonië. Verder werden alle
is daarom van groot belang. Het in dit hoofdstuk gekozen
bijkomende Brusselse gegevens manueel geverifieerd en aan
venster is in overeenstemming met de resultaten van recente
de betreffende gemeenschap toegekend. Enkel op de federale
methodologische studies en met de praktische ervaring die
en andere niet onmiddellijk toekenbare instellingen werd dus
gangbaar is in het bibliometrisch onderzoek (bijv. Glänzel en
de 20/80 regel toegepast. Deze allocatieregel werd reeds in het
Schoepflin, 1995, van Raan, 2006). Er werd op basis van deze
Indicatorenboek 2005 toegepast.
inzichten een vast tijdvenster van drie jaar, beginnend met het jaar van publicatie, toegepast. Aldus werden bijvoorbeeld
Voor de vergelijkende analyses werden, net als in het
voor publicaties die in de jaargang 2003 van het SCI Expanded
Indicatorenboek 2007, de volgende elf Europese referentielanden
opgenomen zijn, alle citaties gedurende de periode 2003-2005
in aanmerking genomen: België, Denemarken, Duitsland,
geteld. Dankzij dit citatievenster konden alle tussen 1992 en
Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland, Spanje, Verenigd
2003 gepubliceerde en in het SCIE geïndexeerde documenten
Koningrijk en Zweden.
in aanmerking genomen worden voor de citatieanalyse.
De toewijzing van publicaties aan wetenschapsgebieden is gebaseerd op een disciplinetoekenning vertrekkend van het
9.4 BIBLIOMETRISCHE INDICATOREN
door het ISI ontwikkelde Subject Category System waarbij tijdschriften worden gegroepeerd in cognitief logische
Een basismaatstaf van de wetenschappelijke output is het aantal
disciplinegroepen. Het hier toegepaste disciplinestelsel is een
publicaties, of om precies te zijn, het aantal publicaties in het
verdere groepering van de afgerond 200 disciplinecodes van
gebruikte bibliografisch databestand. De dekkingsgraad en het
het ISI en bevat 60 deelgebieden en 12 hoofdgebieden. In het
profiel van de SCIE is onderworpen aan jaarlijkse wijzigingen
kader van deze studie werd het Vlaams onderzoek op niveau
en aanpassingen. Daarom moet het meten van de regionale of
van de hoofdgebieden geanalyseerd. Deze hoofdgebieden zijn:
nationale publicatieoutput altijd in samenhang met de ontwikkeling van het gegevensbestand als geheel beschouwd
1. Agronomie en omgevingswetenschappen
worden. Een logische consequentie hiervan is dat voor het
2. Biologie (op het organisme- en het supra-organismevlak)
onderzoek van publicatietrends, het nationale aandeel in het
3. Biowetenschappen (algemene, cellulaire en sub-cellulaire
totaal van de wereld-output gemeten wordt in plaats van de
biologie; genetica) 4. Biomedisch onderzoek
nationale publicatieoutput als dusdanig.
133
Het institutionele, regionale of nationale onderzoeksprofiel voor
De gemiddelde verwachte citatiefrequentie (Mean Expected
een gegeven systeem van wetenschapsgebieden kan door de
Citation Rate: MECR) geeft een vergelijkingswaarde voor de
zogeheten Activiteitsindex (AI) uitgedrukt worden. Frame heeft
feitelijke citatie-impact op basis van de impactmaatstaven van
deze indicator 1977 als een bibliometrische versie van de
de tijdschriften. Het verwachte aantal citaties van een publicatie
‘Comparative Advantage Index’ ingevoerd. De Activiteitsindex
is gedefinieerd als de gemiddelde citatiefrequentie van alle
voor landen wordt op de volgende manier gedefinieerd:
publicaties die in hetzelfde tijdschrift in hetzelfde jaar verschenen zijn. Om een compatibele verwachtingswaarde te kunnen definiëren, moeten natuurlijk de citatievensters
Ci / C AI =
, Wi / W
gehanteerd voor beide indicatoren (MOCR en MECR) overeenstemmen. In plaats van het citatievenster van één jaar t voor publicaties verschenen in de twee voorafgaande jaren
waarbij Ci /C het aandeel nationale publicaties in een gegeven
(t–1) en (t–2) (zoals gehanteerd in de definitie van de impact
gebied i in de nationale publicaties over alle gebieden en Wi /W
factor in de Journal Citation Report uitgegeven door het ISI), zal
het aandeel publicaties van de wereld in hetzelfde gebied i over
in dit hoofdstuk eveneens een venster van drie jaar toegepast
de publicaties van de wereld in alle gebieden is. In eerdere
worden. Voor een verzameling van publicaties die aan een
studies konden de volgende vier verschillende ‘paradigmatische’
bepaalde onderzoeksgroep, instituut, regio of land wordt
patronen in nationale publicatieprofielen onderscheiden worden
toegekend is deze indicator dus de verhouding van alle
(bijv. REIST-2, 1997):
individuele verwachte citatiefrequenties tot alle publicaties in de beschouwde verzameling.
1. 2. 3. 4.
Het ‘westerse’ model met biowetenschappen en medische wetenschappen als overheersende gebieden,
De derde indicator is de zogeheten relatieve citatiefrequentie
De typische patronen van de voormalige socialistische
(Relative Citation Rate: RCR). Deze indicator wordt gedefinieerd
landen met overheersende activiteit in chemie en fysica,
als het quotiënt van de gemiddelde geobserveerde en gemiddelde
Het ‘bio-omgevingsmodel’ met biologie en aard- en
verwachte citatiefrequentie, dus RCR = MOCR/MECR.
ruimtewetenschappen op de voorgrond en
RCR drukt uit of de publicaties van een onderzoeksgroep,
Het ‘Japans’ model met overheersende oriëntatie in de
instituut, regio of land meer of minder citaties hebben
richting van technische wetenschappen en chemie.
aangetrokken dan verwacht op basis van de citatiefrequenties
De neutrale waarde van deze indicator is 1. AI > 1 betekent dus
relatief ten opzichte van de citatiestandaard van de opgenomen
publicatieactiviteit boven de wereldstandaard, AI = 1 betekent
tijdschriften gemeten worden, is deze indicator veel minder
een publicatiepatroon overeenkomstig de wereldstandaard en
gevoelig voor de grote verschillen die tussen de citatiepraktijken
AI < 1 drukt uit dat de activiteit van het land in het betrokken
in de verschillende wetenschapsgebieden optreden.
onderzoeksgebied beneden de wereldstandaard ligt. RCR = 0 reflecteert ‘ongeciteerdheid’, RCR < 1 betekent dat de Drie indicatoren werden toegepast om verschillende aspecten
betrokken eenheid (onderzoeksgroep, instituut, regio of land)
van de impact van het Vlaams wetenschappelijk onderzoek in
lager dan de wereldstandaard presteert, RCR > 1 betekent hoger
de Europese context te kenmerken.
dan de wereldstandaard en RCR = 1 drukt uit dat de betrokken eenheid gemiddeld evenveel citaties heeft gekregen als werd
De eerste indicator is de gemiddelde geobserveerde citatie-
verwacht op basis van de citatiepatronen van de onderliggende
frequentie (Mean Observed Citation Rate: MOCR). Deze indicator
tijdschriften.
is gedefinieerd als het quotiënt van het aantal citaties geobserveerd in een bepaalde periode (bijv. drie jaar
De drie indicatoren werden geïntroduceerd door Schubert
beginnend met het jaar van publicatie) en het aantal aan de
et al. (1983) en worden sedertdien regelmatig toegepast
basis liggende publicaties. De MOCR weerspiegelt de feitelijke
in vergelijkende meso- en macrostudies. Versies van deze
impact van een onderzoeksgroep, instituut, regio of land.
indicatoren, namelijk Citations per Paper (CPP strookt met MOCR), Mean Citation Rate of Journal Packet (JCSm komt overeen met MECR) en CPP/JCSm (kom overeen met RCR) worden ook aan het CWTS in Leiden gebruikt (bijv. Moed et al., 1995).
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9
van de tijdschriften. Omdat de citatiescores van de artikelen
134
9.5 DE EVOLUTIE VAN DE VLAAMSE PUBLICATIES IN DE LEVENS-, NATUUREN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN
Het aantal publicaties per hoofd neemt in alle referentielanden en in Vlaanderen toe – maar niet overal in dezelfde mate. De groei in Vlaanderen, België is duidelijk sterker dan in Duitsland en Frankrijk: terwijl hun per capita activiteit in 1992 nog op
Zoals in de derde sectie van dit hoofdstuk beschreven, waren
hetzelfde niveau was, is er in 2005 een geprononceerd verschil
de werkadressen doorslaggevend bij de toewijzing van
waarneembaar. De evolutie is nog duidelijker als de
publicaties aan Vlaanderen en aan de referentielanden. Er werd
proceedingsliteratuur word meegenomen. Hier heeft de per
een ‘volledig’ telschema gebruikt, d.w.z. indien een publicatie
capita productie in 2005 al het niveau van Nederland
co-auteurs met werkadressen in verschillende landen heeft, dan
bereikt en in 2007 overschreden (zie tabel 9.2). Enkel de
werd deze aan alle betrokken landen als één volledige
Scandinavische landen zijn nog productiever dan Vlaanderen.
publicatie toegewezen. Om de toename van publicaties en de wijzigingen aan de tijdschriftendekking van het SCI-Expanded
Tabel 9.3 geeft de evolutie van de publicatieoutput weer op
bronbestand te kunnen compenseren, werden het Vlaamse en
basis van het procentuele aandeel van Vlaanderen en de elf
het nationale aandeel in het wereldtotaal tijdens de periode
referentielanden in het wereldtotaal in alle wetenschapsgebieden
1992-2007 berekend. Tabel 9.1 geeft de evolutie van de
samen. Het Vlaamse aandeel in het wereldtotaal is vanaf 1992
publicatieoutput weer op basis van publicatie activiteit van
tot 2007 met bijna 60% gestegen. Deze ontwikkeling is tijdens
Vlaanderen en de elf referentielanden per 10.000 inwoners in
de eerste tien jaar van de volledige periode vergelijkbaar met
alle wetenschapsgebieden samen.
die van Finland. Hoewel het Vlaamse procentuele aandeel iets kleiner is dan dat van Finland, lopen hun beide trendlijnen tot
De berekening van de Vlaamse publicatieoutput, rekening houdend
en met 2001 nagenoeg parallel. Vanaf 2001 wordt de Finse
met Brusselse publicaties, is hoger beschreven. De bevolkings-
groei stopgezet om tijdens de laatste twee jaar weer te dalen.
tallen zijn gebaseerd op openbare informatie gepubliceerd
De Vlaamse groeidynamiek wordt enkel door die van Ierland
door EUROSTAT. Het aantal publicaties per 10.000 inwoners
en Spanje overtroffen. Op de oorzaken van de groei in die
splitst Vlaanderen en de referentielanden in twee groepen op:
laatstgenoemde landen werd op verschillende plaatsen gewezen
Landen met relatief lage output per hoofd – zoals Duitsland,
(bijv. Cano en Julian, 1992, Román en Méndez, 1994, Gómez
Frankrijk, Ierland, Italië en Spanje – en landen met hoge
et al., 1995, REIST-2, 1997). De ononderbroken stijging van deze
activiteit per hoofd – zoals de Scandinavische referentielanden,
landen kan namelijk in grote mate als een gevolg van de integratie
België en het Verenigde Koningrijk. De regio Vlaanderen maakt
van deze landen in de organisaties en de kaderprogramma’s
deel uit van de laatstgenoemde groep.
van de Europese Gemeenschap beschouwd worden.
Tabel 9.1:
Evolutie van de publicatieoutput van Vlaanderen en de elf referentielanden per 10.000 inwoners (alle vakgebieden samen; enkel tijdschriftenliteratuur)
Jaar 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007
VL
BEL
DNK
FIN
6.70
6.78
10.94
9.46
6.74
6.90
11.09
10.00
7.46
7.62
12.19
10.89
8.14
8.29
12.51
11.52
8.87
8.89
12.82
12.16
9.05
9.00
13.13
12.70
10.26
9.82
14.66
13.40
10.63
10.08
14.62
14.05
10.54
9.83
14.78
14.47
11.16
10.24
15.08
14.88
11.13
10.35
14.54
14.38
12.54
11.62
16.40
15.80
12.55
11.32
15.43
14.97
14.61
13.05
17.44
16.46
14.66
12.79
17.11
16.47
15.06
12.83
17.27
16.14
* Bevolkingsdata op basis van EUROSTAT
FRA 6.50 6.63 7.05 7.51 7.77 7.94 8.49 8.55 8.30 8.49 8.10 8.89 7.92 9.00 8.70 8.44
DEU 5.99 5.92 6.33 6.71 7.13 7.48 8.28 8.27 8.27 8.45 8.22 8.89 8.38 9.60 9.36 9.16
IRL
ITA
4.46
3.78
4.68
3.87
4.99
4.28
5.51
4.61
5.96
5.01
6.23
5.10
7.06
5.48
7.08
5.58
7.17
5.57
7.32
5.93
7.52
5.99
8.31
6.75
8.64
6.61
10.41
7.40
10.70
7.36
10.98
7.55
NLD 9.69 10.08 10.57 11.16 11.45 11.81 12.23 12.04 12.08 12.30 12.19 13.57 13.03 15.17 15.06 14.92
ESP
SWE
3.41
12.83
3.56
13.35
3.89
14.04
4.23
14.90
4.60
15.85
5.02
15.89
5.49
17.08
5.75
17.37
5.76
16.96
6.06
18.09
6.20
17.38
6.64
18.53
6.58
17.42
7.46
19.78
7.75
18.95
7.72
18.95
GBR 9.91 10.02 10.73 11.22 11.66 11.24 12.15 12.24 12.37 12.16 11.70 12.57 12.06 13.45 13.22 13.16
135
Tabel 9.2:
Evolutie van de publicatieoutput van Vlaanderen en de elf referentielanden per 10.000 inwoners (alle vakgebieden samen; tijdschriften- en proceedingsliteratuur)
Jaar
VL
BEL
DNK
FIN
FRA
DEU
IRL
ITA
NLD
ESP
SWE
GBR
1992
6.81
6.88
11.04
9.53
6.60
6.08
4.48
3.87
9.86
3.42
13.01
10.04
1993
6.84
7.04
11.26
10.15
6.80
6.04
4.71
3.95
10.32
3.59
13.56
10.16
1994
8.55
8.72
13.60
12.26
8.09
7.29
5.57
5.08
12.26
4.23
15.56
12.18
1995
9.57
9.70
14.28
13.24
8.83
7.92
6.23
5.69
13.01
4.67
16.77
12.97
1996
10.14
10.13
14.11
13.87
8.79
8.31
6.49
5.88
13.01
5.07
17.47
13.12
1997
10.22
10.11
14.34
14.47
8.98
8.49
6.79
5.89
13.22
5.43
17.45
12.45
1998
11.62
11.05
15.92
15.34
9.47
9.41
7.66
6.35
13.87
6.04
18.75
13.46
1999
11.84
11.20
15.77
15.69
9.47
9.24
7.59
6.29
13.24
6.21
18.98
13.31
2000
11.75
10.93
15.97
16.20
9.11
9.23
7.69
6.28
13.33
6.18
18.50
13.47
2001
12.47
11.39
16.01
16.48
9.28
9.40
8.03
6.69
13.54
6.54
19.56
13.33
2002
12.73
11.65
15.77
16.80
9.15
9.37
8.44
6.94
13.68
6.86
19.19
13.07
2003
13.99
12.79
17.55
17.98
9.80
9.94
9.45
7.71
14.95
7.26
20.02
13.65
2004
14.06
12.52
16.44
16.79
8.79
9.41
9.57
7.48
14.25
7.19
18.84
13.07
2005
16.46
14.57
18.83
19.11
9.98
10.72
12.39
8.51
16.64
8.25
21.53
14.60
2006
16.29
13.95
18.02
18.31
9.54
10.26
11.99
8.24
16.33
8.44
20.36
14.15
2007
17.27
14.34
18.52
18.78
9.57
10.32
12.67
8.65
16.39
8.70
20.61
14.39
* Bevolkingsdata op basis van EUROSTAT
Tabel 9.3:
Evolutie van het aandeel van Vlaanderen en elf Europese referentielanden in het totaal van de databank (alle vakgebieden samen; enkel tijdschriftenliteratuur) VL
BEL
DNK
FIN
FRA
DEU
IRL
ITA
NLD
ESP
SWE
GBR
1992
0,61%
1,03%
0,86%
0,72%
5,65%
7,32%
0,24%
3,27%
2,23%
2,02%
1,69%
8,73%
1993
0,62%
1,06%
0,88%
0,77%
5,83%
7,34%
0,26%
3,37%
2,35%
2,13%
1,78%
8,92%
1994
0,65%
1,11%
0,91%
0,80%
5,84%
7,41%
0,26%
3,52%
2,34%
2,20%
1,77%
9,01%
1995
0,67%
1,15%
0,89%
0,80%
5,92%
7,47%
0,27%
3,60%
2,35%
2,27%
1,79%
8,96%
1996
0,72%
1,20%
0,90%
0,83%
6,00%
7,78%
0,29%
3,83%
2,36%
2,42%
1,87%
9,13%
1997
0,73%
1,22%
0,92%
0,87%
6,14%
8,17%
0,30%
3,90%
2,45%
2,64%
1,87%
8,81%
1998
0,80%
1,28%
0,99%
0,88%
6,34%
8,70%
0,33%
4,04%
2,45%
2,78%
1,93%
9,19%
1999
0,82%
1,30%
0,98%
0,91%
6,31%
8,56%
0,33%
4,05%
2,39%
2,88%
1,94%
9,17%
2000
0,82%
1,27%
1,00%
0,95%
6,17%
8,60%
0,34%
4,07%
2,43%
2,91%
1,90%
9,33%
2001
0,85%
1,30%
1,00%
0,95%
6,19%
8,60%
0,35%
4,24%
2,43%
3,02%
1,99%
9,00%
2002
0,85%
1,32%
0,97%
0,93%
5,96%
8,42%
0,36%
4,29%
2,44%
3,15%
1,92%
8,68%
2003
0,88%
1,36%
1,00%
0,93%
5,99%
8,30%
0,37%
4,42%
2,48%
3,12%
1,87%
8,54%
2004
0,91%
1,38%
0,97%
0,91%
5,75%
8,10%
0,41%
4,48%
2,48%
3,26%
1,83%
8,43%
2005
0,93%
1,39%
0,96%
0,88%
5,73%
8,07%
0,44%
4,41%
2,52%
3,27%
1,81%
8,22%
2006
0,94%
1,37%
0,95%
0,88%
5,60%
7,88%
0,46%
4,41%
2,51%
3,46%
1,75%
8,16%
2007
0,97%
1,39%
0,96%
0,87%
5,47%
7,71%
0,48%
4,56%
2,50%
3,51%
1,77%
8,19%
Er wordt een meer of minder grote stijging van de relatieve
Opmerkelijk is ook dat het aandeel van de Vlaamse publicaties
output van alle referentielanden waargenomen, hoewel de
in het Belgisch geheel duidelijk gestegen is, van om en bij de
groei in enkele landen (vooral Frankrijk en Verenigd Koningrijk)
58% in 1992 en 1993 tot ruim 70% in de jaren 2006 en 2007
in de laatste jaren eerder stagneert. Deze waarnemingen zijn
(vgl. tabel 9.3 en 9.4).
in lijn met de algemene groei van de publicatieoutput van de Europese Gemeenschap (REIST-2, 1997, REIST-3, 2003).
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9
Jaar
136
Tabel 9.4:
Evolutie van het aandeel van Vlaanderen en elf Europese referentielanden in het totaal van de databank (alle vakgebieden samen; tijdschriften- en proceedingsliteratuur)
Jaar
VL
BEL
DNK
FIN
FRA
DEU
IRL
ITA
NLD
ESP
SWE
GBR
1992
0,52%
0,88%
0,73%
0,61%
4,83%
6,26%
0,20%
2,82%
1,91%
1,71%
1,44%
7,46%
1993
0,53%
0,92%
0,76%
0,66%
5,05%
6,33%
0,22%
2,91%
2,04%
1,82%
1,53%
7,65%
1994
0,63%
1,08%
0,87%
0,76%
5,72%
7,28%
0,25%
3,57%
2,31%
2,04%
1,67%
8,72%
1995
0,66%
1,12%
0,85%
0,77%
5,80%
7,34%
0,25%
3,71%
2,28%
2,09%
1,68%
8,62%
1996
0,70%
1,16%
0,84%
0,80%
5,76%
7,69%
0,27%
3,81%
2,28%
2,26%
1,74%
8,70%
1997
0,71%
1,17%
0,86%
0,84%
5,94%
7,93%
0,28%
3,85%
2,34%
2,44%
1,76%
8,35%
1998
0,78%
1,23%
0,92%
0,86%
6,04%
8,45%
0,31%
4,00%
2,37%
2,61%
1,81%
8,70%
1999
0,80%
1,26%
0,92%
0,89%
6,10%
8,35%
0,31%
3,99%
2,30%
2,72%
1,85%
8,71%
2000
0,80%
1,25%
0,95%
0,94%
5,98%
8,46%
0,32%
4,04%
2,36%
2,76%
1,83%
8,96%
2001
0,83%
1,26%
0,92%
0,92%
5,91%
8,33%
0,33%
4,17%
2,33%
2,85%
1,87%
8,60%
2002
0,82%
1,25%
0,88%
0,91%
5,66%
8,05%
0,34%
4,18%
2,30%
2,92%
1,78%
8,14%
2003
0,84%
1,28%
0,92%
0,91%
5,66%
7,95%
0,36%
4,33%
2,35%
2,92%
1,73%
7,95%
2004
0,88%
1,31%
0,89%
0,88%
5,46%
7,79%
0,39%
4,34%
2,32%
3,05%
1,70%
7,83%
2005
0,89%
1,32%
0,88%
0,87%
5,42%
7,68%
0,44%
4,32%
2,35%
3,08%
1,68%
7,61%
2006
0,90%
1,29%
0,86%
0,85%
5,30%
7,46%
0,45%
4,27%
2,35%
3,26%
1,62%
7,54%
2007
0,92%
1,28%
0,85%
0,84%
5,13%
7,18%
0,46%
4,32%
2,27%
3,27%
1,59%
7,40%
Tabel 9.5:
Evolutie van het aandeel van Vlaamse publicaties in het wereldtotaal voor twaalf vakgebieden (enkel tijdschriftenliteratuur)
Jaar
AGRI
BIOL
BIOS
BIOM
CLI1
CLI2
NEUR
CHEM
PHYS
GEOS
ENGN
MATH
1992
0,53%
0,76%
0,89%
0,76%
0,76%
0,68%
0,33%
0,50%
0,61%
0,36%
0,52%
0,50%
1993
0,48%
0,75%
0,88%
0,80%
0,79%
0,70%
0,36%
0,53%
0,60%
0,27%
0,53%
0,48%
1994
0,48%
0,83%
0,95%
0,81%
0,79%
0,73%
0,40%
0,57%
0,63%
0,31%
0,52%
0,62%
1995
0,58%
0,92%
0,99%
0,75%
0,87%
0,72%
0,45%
0,56%
0,62%
0,31%
0,54%
0,63%
1996
0,68%
0,95%
1,04%
0,85%
0,80%
0,76%
0,38%
0,62%
0,78%
0,42%
0,63%
0,77%
1997
0,73%
0,98%
1,02%
0,91%
0,89%
0,81%
0,53%
0,63%
0,69%
0,37%
0,64%
0,74%
1998
0,88%
1,04%
1,10%
1,02%
1,01%
0,84%
0,57%
0,68%
0,76%
0,47%
0,74%
0,85%
1999
0,89%
1,11%
1,10%
0,97%
0,99%
0,85%
0,57%
0,73%
0,85%
0,49%
0,78%
0,89%
2000
0,91%
1,17%
1,01%
0,98%
1,00%
0,88%
0,58%
0,71%
0,80%
0,46%
0,80%
0,77%
2001
0,97%
1,19%
1,08%
0,97%
0,97%
0,87%
0,71%
0,76%
0,88%
0,49%
0,83%
0,91%
2002
1,03%
1,18%
1,03%
0,98%
0,99%
0,87%
0,72%
0,71%
0,88%
0,56%
0,87%
0,86%
2003
1,06%
1,20%
1,00%
0,91%
0,99%
0,87%
0,78%
0,74%
0,89%
0,60%
0,94%
0,98%
2004
1,11%
1,20%
1,04%
1,00%
1,05%
0,98%
0,82%
0,70%
0,97%
0,64%
0,96%
1,02%
2005
1,23%
1,28%
1,08%
0,98%
1,12%
0,94%
0,96%
0,75%
0,91%
0,68%
0,93%
0,94%
2006
1,11%
1,20%
1,04%
1,00%
1,05%
0,98%
0,83%
0,70%
0,97%
0,65%
0,96%
1,00%
2007
1,24%
1,28%
1,08%
0,98%
1,12%
0,94%
0,95%
0,75%
0,92%
0,68%
0,94%
0,95%
In tabel 9.5 en 9.6 is de ontwikkeling van de Vlaamse
Opvallend is ook dat het aandeel van de gebieden agronomie
publicatieoutput uitgesplitst naar twaalf wetenschapsgebieden
en omgevingswetenschappen (AGRI) en wiskunde (MATH)
(zie sectie drie van dit hoofdstuk) weergegeven. Uit deze tabel
ongeveer verdubbelde. Het Vlaamse aandeel in de neuro- en
blijkt dat het Vlaams aandeel in het wereldtotaal in alle
gedragswetenschappen (NEUR) is bijna verdrievoudigd.
vakgebieden tussen 1992 en 2007 is gestegen, maar dat de
Algemeen kan men stellen dat de groei sterker is in die
ontwikkeling en de groei in enkele levenswetenschappen, vooral
gebieden waar Vlaanderen minder actief is. Anderzijds is de
in de biowetenschappen (BIOS), het biomedisch onderzoek
stijging het langzaamst in die drie gebieden (BIOS, BIOM,
(BIOM), en de klinische en experimentele geneeskunde I
CLI1), waar de activiteit in 1992 duidelijk boven het Vlaams
(CLI1) eerder stagneert rond de millenniumwissel. Opvallend is
aandeel in alle gebieden samen (0.60%) was (vgl. tabel 9.5 en
de sterke groei in GEOS tijdens de laatste vier jaar. Maar ook
9.6). De analyse van de Vlaamse activiteit in de individuele
de klinische en experimentele geneeskunde vertoont vanaf
gebieden zal in het volgende deel van dit hoofdstuk aan de
2004 weer een opmerkelijke groei.
orde komen.
137
Tabel 9.6:
Evolutie van het aandeel van Vlaamse publicaties in het wereldtotaal voor twaalf vakgebieden (tijdschriften- en proceedingsliteratuur)
Jaar
AGRI
BIOL
BIOS
BIOM
CLI1
CLI2
NEUR
CHEM
PHYS
GEOS
ENGN
MATH
1992
0,53%
0,76%
0,89%
0,76%
0,76%
0,68%
0,33%
0,50%
0,61%
0,36%
0,52%
0,50%
1993
0,48%
0,75%
0,88%
0,80%
0,79%
0,70%
0,36%
0,53%
0,60%
0,27%
0,53%
0,48%
1994
0,53%
0,85%
0,94%
0,77%
0,79%
0,72%
0,42%
0,55%
0,60%
0,30%
0,51%
0,62%
1995
0,60%
0,89%
0,97%
0,74%
0,88%
0,74%
0,45%
0,54%
0,65%
0,33%
0,57%
0,64%
1996
0,68%
0,92%
1,01%
0,80%
0,79%
0,75%
0,37%
0,62%
0,75%
0,43%
0,62%
0,73%
1997
0,76%
0,98%
0,99%
0,88%
0,89%
0,80%
0,55%
0,60%
0,66%
0,34%
0,59%
0,77%
1998
0,85%
1,04%
1,07%
0,99%
1,02%
0,83%
0,56%
0,67%
0,75%
0,42%
0,69%
0,82%
1999
0,92%
1,10%
1,08%
0,92%
0,98%
0,85%
0,56%
0,71%
0,81%
0,52%
0,70%
0,85%
2000
0,95%
1,16%
1,00%
0,96%
1,00%
0,89%
0,57%
0,70%
0,77%
0,48%
0,74%
0,77%
2001
1,00%
1,19%
1,06%
0,98%
0,97%
0,87%
0,69%
0,76%
0,84%
0,47%
0,74%
0,90%
2002
0,99%
1,17%
1,02%
0,92%
0,98%
0,87%
0,72%
0,71%
0,80%
0,53%
0,73%
0,89%
2003
1,01%
1,14%
0,99%
0,87%
0,98%
0,85%
0,77%
0,73%
0,84%
0,54%
0,76%
0,89%
2004
1,11%
1,21%
1,03%
0,96%
1,04%
0,97%
0,81%
0,71%
0,90%
0,60%
0,80%
0,94%
2005
1,24%
1,27%
1,06%
0,93%
1,12%
0,92%
0,94%
0,74%
0,88%
0,61%
0,82%
0,90%
2006
1,06%
1,19%
1,02%
0,97%
1,05%
0,99%
0,82%
0,70%
0,94%
0,57%
0,81%
0,94%
2007
1,20%
1,26%
1,06%
0,91%
1,12%
0,95%
0,95%
0,76%
0,92%
0,69%
0,77%
0,83%
De trends in de ontwikkelingen op basis van tijdschriftenliteratuur
Vooral het aandeel van de universitaire sector is continu lichtjes
en van tijdschriften/publicaties plus conferentiemateriaal komen
gestegen. Bovenstaande gegevens stemmen nauw overeen met
tamelijk overeen. Opmerkelijke discrepanties tussen de betrokken
de resultaten van de vorige uitgaven van dit Indicatorenboek
indicatoren konden niet worden geobserveerd.
(vgl. Debackere, 1999, Debackere en Veugelers, 2003, 2005, 2007), maar lijken meer algemeen ook op de situatie in andere Europese landen (bijv. Katz en Hicks, 1998).
9.6 HET VLAAMS PUBLICATIEPROFIEL IN DE LEVENS-, NATUUR- EN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN
De specialisatie van het Vlaams onderzoek tijdens de perioden 1992-1996, 1997-2001 en 2002-2007 wordt in figuur 9.2 op
Vooraleer de specialisatieprofielen van het Vlaams onderzoek te
werd reeds vroeger besproken. De wereldstandaard is in het
beschouwen, komt eerst een ander aspect van dit publicatie-
diagram door een regelmatige twaalfhoek aangeduid. Er dient
profiel aan de orde. Figuur 9.1 geeft voor drie deelperioden
op gewezen dat de Activiteitsindex, de relatieve activiteit met
van de periode 1992-2007 het procentuele aandeel van de
betrekking tot de wereldstandaard, een evenwichtsindicator is,
verschillende organisatietypen weer in de Vlaamse publicatieoutput
d.w.z. als de activiteit van een land in enkele gebieden boven
over alle gebieden samen. Ook hierbij werd een volledig
de wereldstandaard ligt, moet de activiteit in andere gebieden
telschema toegepast, d.w.z. indien een publicatie werkadressen
noodzakelijkerwijs beneden de standaard liggen.
van meer dan één organisatietype had, werd deze aan elk type als een volledige publicatie toegewezen. De procentuele
Het uurwerkdiagram beschrijft het profiel van Vlaanderen
aandelen kunnen dus op grond van deze meervoudige
eenduidig als Type 1, dit is het westers model met bio- en medische
toekenning niet tot 100% opgeteld worden.
wetenschappen als overheersende gebieden. Wel is het profiel van de tweede periode enigszins veranderd en wel in de
Het aandeel van instellingen voor hoger onderwijs, dus van
richting van de wereldstandaard, maar het ‘paradigmatische’
universiteiten en hogescholen, met meer dan 85% overheerst
basistype van het Vlaams profiel is onveranderd gebleven.
dit resultaat. Ruim 10% van alle Vlaamse SCIE documenten
Desondanks valt de sterke groei op van enkele vakgebieden
worden door medewerkers van publieke onderzoeksinstellingen
zoals vooral agronomie en omgevingswetenschappen (AGRI),
of administraties gepubliceerd. Private instellingen en ziekenhuizen
neuro- en gedragswetenschappen (NEUR) en wiskunde
dragen met respectievelijk rond de 7% en de 5% tot het Vlaamse
(MATH), waarop in het vorige deelhoofdstuk al gewezen werd
totaal bij (hierbij merken we op dat de publicaties van de
(vgl. figuur 9.2).
universitaire ziekenhuizen bij de universiteiten zelf werden geteld).
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9
basis van de Activiteitsindex grafisch weergegeven. Deze indicator
138
Figuur 9.1: Verdeling per organisatietype van de Vlaamse publicaties op basis van de SCIE (boven: 1992-1996, midden: 1997-2001, beneden: 2002-2007)
0,1%
V
5,2%
IV
6,7%
III
10,0%
II
85,1%
I 0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
40%
45%
50%
55%
60%
65%
70%
75%
80%
85%
90%
95%
0,6%
V
4,9%
IV
6,6%
III
13,8%
II
86,3%
I 0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
40%
45%
50%
55%
60%
65%
70%
75%
80%
85%
90%
95%
0,8%
V
4,5%
IV
6,1%
III
11,2%
II
87,8%
I 0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
40%
45%
50%
55%
60%
65%
70%
75%
80%
85%
90%
95%
(I Instelling voor hoger onderwijs, II Publieke onderzoeksinstelling of administratie, III Private instelling, IV Ziekenhuis, V Andere)
Samenvattend kan gesteld worden dat het Vlaamse publicatieprofiel gekenmerkt wordt door significant boven de wereldstandaard liggende activiteiten in de gebieden biologie
9.7 DE CITATIE-IMPACT VAN DE VLAAMSE PUBLICATIES IN DE LEVENS-, NATUUREN TECHNISCHE WETENSCHAPPEN
(BIOL), biowetenschappen (BIOS), biomedisch onderzoek (BIOM) en klinische en experimentele geneeskunde I (CLI1) en
Het bibliometrische middel bij uitstek om de impact van publicaties
door beneden de wereldstandaard liggende activiteiten in de
te meten is de citatie. Citaties zijn primair een belangrijke vorm
gebieden neuro- en gedragswetenschappen (NEUR), chemie
van de mate waarin gebruik gemaakt wordt van wetenschappelijke
(CHEM) en aard- en ruimtewetenschappen (GEOS).
informatie in het kader van gedocumenteerde wetenschappelijke communicatie. Zij weerspiegelen de acceptatie en erkenning van gepubliceerde onderzoeksresultaten door de wetenschappelijke gemeenschap. Hoewel het aantal citaties niet rechtstreeks als kwaliteitsmaat kan beschouwd worden, drukt een groot aantal ontvangen citaties per publicatie wel een bepaalde impact uit.
139
Figuur 9.2: Het publicatie profiel van het Vlaams onderzoek in de perioden 1992-1996, 1997-2001 en 2002-2007 op basis van de Activiteitsindex AI (bron: SCIE)
AGRI 1.8
MATH
1.6
BIOL
1.4 1.2 1.0
ENGN
BIOS
0.8 0.6 0.4 0.2
GEOS
BIOM
0.0
CLI1
PHYS
n 1992-1996 n 1997-2001 CHEM
CLI2
n 2002-2007 n Wereldstandaard
NEUR
Allereerst moet erop gewezen worden dat de rechtstreekse
ontvangt gedurende enkele jaren na de publicatie, dan is het
vergelijking tussen de indicatorwaarden van Vlaanderen en de
waarschijnlijk dat de inhoud van deze publicatie geïntegreerd
referentielanden mogelijkerwijze tot verkeerde interpretaties
zal worden in de kennisbasis van dat onderzoeksdomein,
kan leiden omdat grote verschillen tussen de citatiepraktijken in
indien echter, na 5 of 10 jaar geen enkele referentie naar deze
de verschillende wetenschapsgebieden en deelgebieden
publicatie verwijst, dan zullen de bevindingen in die publicatie
optreden die door afwijkende nationale publicatieprofielen ook
niet bijdragen tot de hedendaagse wetenschappelijke
de nationale gemiddelde citatiefrequentie in alle vakgebieden
paradigma’s van het onderzoeksdomein in kwestie.” (Braun et
samen kunnen beïnvloeden. Op basis van het citatievenster
al., 1985).
van drie jaar dat in deze studie werd gebruikt, konden alleen de jaren 1992-2005 in aanmerking genomen worden.
De methodologische achtergrond van de citatieanalyses is reeds beschreven. Tabel 9.7 geeft de evolutie van de gemiddelde
De citatie-indicatoren met betrekking tot het wereldtotaal zijn
geobserveerde citatiefrequentie (MOCR) en de gemiddelde
tussen 1992 en 2005 met meer dan één derde gestegen.
verwachte (MECR) citatiefrequentie weer voor Vlaanderen,
De MOCR-waarden van Vlaanderen en alle referentielanden
voor elf Europese referentielanden en voor de wereld in alle
(behalve misschien Frankrijk en Zweden) stijgen sneller dan het
vakgebieden samen. Omdat beide citatiegemiddelden voor het
wereldtotaal. De groeisnelheid van de Franse citatie-impact stemt
wereldtotaal op het volledige gegevensbestand gebaseerd zijn,
ongeveer met de globale overeen. De relatieve daling van de
geldt voor het wereldtotaal de identiteit MOCR = MECR
Zweedse impact in de jaren 1990 werd in de literatuur al
(vgl. laatste kolom van tabel 9.7).
meermaals opgemerkt (bijv. Glänzel, 2000, Glänzel et al., 2003).
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9
Met andere woorden, “indien een publicatie 5 of 10 citaties
140
Tabel 9.7:
Evolutie van de gemiddelde geobserveerde (MOCR) en verwachte (MECR) citatiefrequentie voor Vlaanderen en elf Europese referentielanden (alle vakgebieden samen; bron SCIE)
Jaar
VL
BEL
DNK
FIN
FRA
DEU
IRL
ITA
NLD
ESP
SWE
GBR
Wereld
1992
MOCR MECR
4.17 3.54
3.86 3.53
4.14 3.57
3.85 3.26
3.52 3.38
3.63 3.26
3.04 2.73
3.25 3.34
4.34 3.74
2.59 2.90
4.21 3.69
3.94 3.56
3.24
1993
MOCR MECR
4.50 3.72
4.16 3.65
4.68 3.83
4.03 3.48
3.72 3.56
4.00 3.52
2.62 2.88
3.42 3.53
4.49 3.96
2.84 3.20
4.38 3.84
4.18 3.74
3.47
1994
MOCR MECR
4.45 3.82
4.36 3.84
4.63 3.92
4.38 3.60
3.84 3.67
4.16 3.66
3.12 2.99
3.71 3.68
4.77 4.13
3.06 3.30
4.71 4.01
4.25 3.83
3.52
1995
MOCR MECR
4.89 3.94
4.54 3.88
4.91 4.08
4.46 3.83
3.98 3.75
4.33 3.84
2.99 3.04
3.85 3.80
5.02 4.34
3.03 3.42
4.75 4.14
4.40 3.97
3.58
1996
MOCR MECR
4.65 3.73
4.42 3.70
4.74 4.08
4.47 3.74
4.01 3.74
4.35 3.84
3.01 2.80
3.80 3.78
4.79 4.22
3.26 3.52
4.75 4.06
4.30 3.92
3.55
1997
MOCR MECR
4.96 4.14
4.80 4.10
5.22 4.46
4.86 4.15
4.23 4.01
4.51 4.05
4.38 3.48
4.09 4.02
5.38 4.52
3.42 3.63
5.00 4.29
4.82 4.34
3.76
1998
MOCR MECR
4.90 4.07
4.63 4.01
5.32 4.40
4.90 4.06
4.28 4.03
4.53 4.03
3.95 3.37
4.26 4.05
5.31 4.54
3.49 3.67
5.04 4.34
4.79 4.33
3.79
1999
MOCR MECR
5.07 4.33
4.87 4.32
5.47 4.67
4.87 4.38
4.28 4.12
4.75 4.26
4.36 3.56
4.38 4.29
5.64 4.83
3.64 3.80
5.06 4.46
4.86 4.45
3.90
2000
MOCR MECR
4.90 4.37
4.76 4.35
5.55 4.70
5.15 4.43
4.47 4.27
4.82 4.33
3.91 3.61
4.44 4.38
5.59 4.92
3.95 3.91
5.26 4.58
4.98 4.51
3.93
2001
MOCR MECR
5.27 4.47
5.22 4.52
6.15 5.04
5.18 4.53
4.69 4.46
5.09 4.49
5.27 3.79
4.54 4.46
5.87 5.04
3.94 4.01
5.38 4.76
5.24 4.78
4.13
2002
MOCR MECR
5.40 4.59
5.25 4.57
5.87 4.97
5.44 4.62
4.76 4.54
5.22 4.60
4.73 4.04
4.81 4.55
5.97 5.24
4.02 4.06
5.49 4.83
5.60 5.00
4.17
2003
MOCR MECR
5.99 4.85
5.77 4.83
6.66 5.31
5.33 4.79
4.91 4.68
5.44 4.83
4.97 4.30
4.80 4.79
6.55 5.47
4.29 4.28
5.93 5.13
5.74 5.22
4.40
2004
MOCR MECR
5.98 5.13
5.91 5.17
6.93 5.62
5.63 4.96
5.37 5.06
5.94 5.24
5.21 4.68
5.23 5.06
6.97 5.88
4.90 4.66
6.33 5.42
6.19 5.57
4.64
2005
MOCR MECR
6.46 5.31
6.43 5.34
7.06 5.67
5.72 5.08
5.39 5.10
6.07 5.30
5.32 4.63
5.44 5.20
6.90 5.93
4.87 4.73
6.28 5.50
6.22 5.59
4.62
De enorme stijging van de citatie-impact in Spanje en Ierland
De twee rasterlijnen en de diagonale lijn in de relatieve
van meer dan 60% stemt overeen met de bovengenoemde
diagrammen geven drie standaarden aan en verdelen dus de map
algemene groei van het wetenschappelijk onderzoek in deze
in zes sectoren. De verticale rasterlijn geeft aan of de gemiddelde
landen. Vlaanderen heeft een relatief lage groeivoet, maar die
verwachte citatiefrequentie van een land beneden (links) of boven
groei begint op een zeer hoog niveau in 1992 dat onder de
(rechts) van de wereldstandaard ligt. De horizontale lijn geeft
referentielanden alleen met Zweden, Denemarken en
de afwijking van de gemiddelde geobserveerde citatiefrequentie
Nederland vergelijkbaar is. De evolutie en het niveau van de
van een land weer ten opzichte van de wereldstandaard.
citatie-impact van Nederland en Denemarken is ongetwijfeld
Uiteindelijk toont de bissectrice de identiteit RCR = 1. De door de
indrukwekkend. Ook op dit feit werd in de literatuur al meermaals
voorwaarden MECR < 1, MOCR < 1 en RCR < 1 gedefinieerde
de nadruk gelegd (bijv. Thijssen et al., 2000, Glänzel, 2001).
sector stemt overeen met een uiterst ongunstige situatie. De diametraal tegenoverliggende sector, die door de voorwaarden
De verwachte citatie-impact van Vlaanderen en van alle andere
MECR > 1, MOCR > 1 en RCR > 1 wordt bepaald, weerspiegelt
referentielanden is gestegen en wel ongeveer in gelijke mate
in tegenstelling daartoe de meest gunstige situatie qua de
als de MOCR. De geobserveerde waarde ligt voor Vlaanderen
citatie-impact. Twee observaties vallen op in figuur 9.3: het
en alle referentielanden (behalve Spanje en, in het begin van
uiteendrijven van de landencoördinaten langs de bissectrice en
de periode, ook Ierland en Italië) steeds boven de verwachte
de positieve evolutie van Spanje en vooral Ierland wat de
waarde. In overeenstemming met beide citatie-indicatoren kan
enorme stijging van hun geobserveerde citatiegemiddelde
men stellen dat Vlaanderen eenduidig tot de wetenschappelijke
weerspiegelt. Zoals figuur 9.3 visualiseert, bevindt Vlaanderen
top binnen de gekozen referentielanden behoort. Dit wordt
zich samen met Zweden, Denemarken en Nederland voor alle
door de relatieve positie kaarten in figuur 9.3 aanschouwelijk
drie deelperioden in de topgroep van de referentielanden
geïllustreerd.
hoewel de afstand tussen Denemarken en Nederland enerzijds en de andere referentielanden continu groeit.
141
Figuur 9.3 Relatieve citatiekaart van Vlaanderen en elf
Figuur 9.4 geeft de relatieve citatiefrequentie voor drie
Europese referentie landen (alle vakgebieden
deelperioden van telkens vier jaar (1992-1995, 1997-2000 en
samen; bron: SCIE), 1992-1995 (boven),
2002-2005). De relatieve citatiefrequentie van Vlaanderen is
1997-2000 (midden) en 2002-2005 (beneden)
in alle wetenschapsgebieden boven of tenminste gelijk aan de wereldstandaard. De levenswetenschappen en wiskunde hadden voor alle deelperioden een zeer hoge score. De indicatorwaarde van de natuurwetenschappen stemt met de wereldstandaard
(1992-1995) 6.5
overeen of bevindt zich enigszins boven de waarde van 1.0.
6.0
De relatieve citatiescores in de levenswetenschappen en
5.5
wiskunde zijn – vooral in het klinische onderzoek – toch iets hoger dan in de natuurwetenschappen. Opmerkelijk is ook de
MOCR
5.0 DK NL VL SE BE FI UK DE FR IT
4.5 4.0 3.5 3.0
IE
gestegen impact in de aard- en ruimtewetenschappen.
ES
2.5 2.5
3.0
3.5
4.0
4.5
5.0
5.5
6.0
6.5
9.8 DE INTERNATIONALE WETENSCHAPPELIJKE SAMENWERKING VAN VLAANDEREN
MECR
Belangrijke onderzoeksresultaten, die een gevolg van
(1997-2000) 6.5
internationale samenwerking zijn, worden in het kader van
6.0
gedocumenteerde wetenschappelijke communicatie meestal
5.5 DK
MOCR
5.0
ook in de wetenschappelijke literatuur gepubliceerd. Op die
NL
manier wordt wetenschappelijke samenwerking gereflecteerd
SE VLFI UK BE DE
4.5
door het ermee overeenstemmend co-auteursschap dat met
FR IT
behulp van bibliometrische methoden gemeten en geanalyseerd
IE
4.0
kan worden. Meerdere studies (bijv. Gómez et al., 1995, Glänzel
ES
3.5
et al., 1999, Glänzel en Schubert, 2004) hebben aangetoond
3.0
2.5
3.0
3.5
4.0
4.5
5.0
5.5
6.0
6.5
MECR
voor het bibliometrisch meten van internationale samenwerking is het aandeel van internationale co-publicaties in het nationale
(2002-2005)
totaal. Men beschouwt een publicatie als internationaal indien
7.0
6.0 5.5
MOCR
tenminste één co-auteur met een werkadres van een ander
DK NL
6.5
FI
5.0
IE
4.5
ES
land heeft meegewerkt aan de publicatie. Grote landen worden
VL SE UK BE DE
door een lager, kleine landen door een groter, aandeel van internationale co-publicaties in hun totale publicatieoutput
FR IT
gekenmerkt. Een rechtstreekse vergelijking is dus alleen zinvol tussen landen van ongeveer gelijke grootte.
4.0 3.5 3.0 3.0
sterk is toegenomen. Een eenvoudige maar duidelijke indicator
3.5
4.0
4.5
5.0
MECR
5.5
6.0
6.5
7.0
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9
dat internationale samenwerking tijdens de voorbije twintig jaar
2.5
142
Figuur 9.4: Relatieve citatiefrequentie voor Vlaanderen in twaalf vakgebieden (1992-1995, 1997-2000 en 2002-2005; bron: SCIE)
AGRI 1.8 1.6
MATH
BIOL
1.4 1.2 1.0
ENGN
BIOS
0.8 0.6 0.4 0.2
GEOS
BIOM
0.0
CLI1
PHYS
n 1992-1995 n 1997-2000 CHEM
n 2002-2005
CLI2
n Wereldstandaard NEUR
Tabel 9.8:
Evolutie van het aandeel internationale co-publicaties van Vlaanderen en elf Europese referentielanden (alle vakgebieden samen; bron: SCIE)
Jaar
VL
BEL
DNK
FIN
FRA
DEU
IRL
ITA
NLD
ESP
SWE
GBR
1992
33,7%
35,8%
34,5%
28,4%
27,1%
25,1%
29,4%
27,2%
27,5%
23,0%
31,9%
20,5%
1993
35,6%
37,7%
36,1%
28,2%
27,5%
26,5%
32,0%
28,4%
28,4%
24,8%
32,3%
21,2%
1994
38,0%
39,2%
38,1%
29,8%
28,8%
27,8%
32,1%
29,1%
30,2%
25,1%
34,1%
22,1%
1995
40,0%
40,6%
40,2%
32,1%
30,1%
29,0%
34,8%
30,1%
32,4%
26,4%
35,5%
24,0%
1996
41,1%
41,8%
41,8%
33,6%
31,8%
31,0%
34,7%
30,6%
34,1%
28,3%
37,1%
25,7%
1997
42,9%
43,7%
45,5%
35,8%
33,3%
31,9%
37,2%
32,0%
36,3%
28,6%
38,5%
27,7%
1998
45,2%
46,5%
47,7%
39,0%
35,8%
34,7%
43,9%
34,9%
39,8%
31,2%
41,7%
31,3%
1999
48,4%
49,6%
49,0%
41,4%
37,2%
36,4%
43,7%
35,6%
41,2%
32,3%
43,7%
32,6%
2000
48,8%
50,3%
49,5%
43,3%
39,5%
37,7%
45,5%
35,8%
44,0%
33,4%
44,8%
33,7%
2001
50,5%
51,7%
50,8%
42,1%
40,9%
39,8%
45,8%
36,8%
44,6%
34,5%
46,2%
35,8%
2002
52,4%
53,6%
51,4%
43,5%
42,4%
41,4%
47,9%
37,0%
46,0%
34,9%
48,1%
38,2%
2003
50,7%
53,3%
51,3%
45,7%
43,8%
43,1%
49,2%
37,4%
47,3%
36,5%
48,7%
39,2%
2004
51,6%
53,7%
52,3%
44,7%
45,3%
44,0%
49,5%
37,9%
48,0%
37,0%
49,2%
41,1%
2005
53,1%
55,3%
53,1%
46,1%
46,3%
44,7%
49,6%
39,2%
47,6%
38,5%
50,0%
42,4%
2004
56,0%
56,0%
55,7%
47,1%
47,4%
45,7%
51,6%
39,3%
49,4%
38,9%
51,5%
43,8%
2005
57,3%
57,3%
57,3%
49,9%
49,4%
48,0%
52,2%
40,3%
50,7%
40,2%
54,3%
45,5%
143
Tabel 9.8 geeft de evolutie weer van het aandeel aan
Figuur 9.5 geeft het publicatieprofiel van de internationale
internationale co-publicaties van Vlaanderen en elf Europese
co-publicaties van Vlaanderen over drie deelperioden weer.
referentielanden in alle vakgebieden samen. Het aandeel van
De vergelijking van dit profiel met het profiel van alle Vlaamse
internationale co-publicaties in Vlaanderen is net als in alle
publicaties toont een duidelijke polarisatie ten gunste van
referentielanden in aanzienlijke mate gestegen. Dit aandeel
biowetenschappen en fysica en ten nadele van de technische
is in de ‘grote’ landen zoals Verenigd Koningrijk, Duitsland,
wetenschappen en niet-interne geneeskunde. Deze waarneming
Frankrijk,
de
stemt overeen met de resultaten van de vorige Vlaams Indicatoren-
verwachtingen, kleiner dan in de andere referentielanden.
Italië
en
Spanje
overeenkomstig
met
boeken (Debackere, 1999, Debackere en Veugelers, 2003, 2005,
De ontwikkeling van de Vlaamse indicatorwaarden lijkt onder
2007). De daling van de relatieve samenwerkingsactiviteit in
de referentielanden van vergelijkbare grootte vooral op die van
biowetenschappen wordt gecompenseerd door de groeiende
Denemarken. Het percentage van meer dan 50% in de periode
co-publicatieactiviteit in de neuro- en gedragswetenschappen
2001–2005 ligt duidelijk hoger dan dat van Finland, Ierland,
(vgl. figuur 9.5). Het profiel ligt net zoals in het geval van de set
Nederland en Zweden.
van alle Vlaamse publicaties (vgl. figuur 9.2) in de tweede en derde deelperiode iets dichter bij de wereldstandaard dan tijdens de eerste deelperiode tussen 1992 en 1996.
Figuur 9.5: Het publicatieprofiel van de internationale co-publicaties van Vlaanderen, 1992-1996, 1997-2001 en 2002-2007
AGRI 1.8
MATH
1.6
BIOL
1.4 1.2 1.0
ENGN
BIOS
0.8
0.4 0.2
GEOS
BIOM
0.0
PHYS
CLI1 n 1992-1996 n 1997-2001 CHEM
CLI2
n 2002-2007 n Wereldstandaard
NEUR
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9
0.6
144
Figuur 9.6: De relatieve citatiefrequentie van de internationale co publicaties in Vlaanderen, 1992-1995, 1997-2000 en 2002-2005 (bron: SCIE)
AGRI 1.8
MATH
1.6
BIOL
1.4 1.2 1.0
ENGN
BIOS
0.8 0.6 0.4 0.2
GEOS
BIOM
0.0
CLI1
PHYS
n 1992-1995 n 1997-2000 CHEM
n 2002-2005
CLI2
n Wereldstandaard NEUR
Het is bijna een bibliometrische gemeenplaats dat internationale
uiteindelijk vier links: twee tussen Vlaanderen en Nederland,
co-publicaties gemiddeld meer citaties ontvangen dan ‘binnen-
een tussen Vlaanderen en Duitsland en uiteindelijk ook een link
landse’ publicaties (vgl. Glänzel, 2001). Figuur 9.6 geeft de
tussen Duitsland en Nederland. In de bibliometrische analyse
evolutie van de relatieve citatiefrequentie van de internationale
wordt dan in plaats van op basis van co-publicaties op basis van
co-publicaties in Vlaanderen tussen de eerste helft van de jaren
links gewerkt. Om de sterkte van de links tussen bepaalde
1990 en de tijd na de millenniumwissel. Hier kan de dezelfde
landen te kunnen meten wordt een geschikte similariteitsmaat
trend vastgesteld worden die ook bij alle Vlaamse publicaties
toegepast. De in deze optiek meest gebruikte maat is de
(vgl. figuur 9.4) waarneembaar was, maar in het geval van de
zogeheten cosinusmaat volgens Salton of Salton-maat (r). Hij is
co-publicaties wordt deze trend nog veel duidelijker.
op de volgende manier gedefinieerd:
pij
Een heel belangrijk aspect van internationale samenwerking is
r =
de analyse van de links tussen partners. In de bibliometrische
,
√ pi • pj
praktijk is de volgende methode daarbij gebruikelijk geworden. Eerst worden de werkadressen van elke publicatie naar partnerparen (in dit geval landen) opgesplitst. Daarna kunnen dan de
waarbij pij het aantal links tussen de landen i en j en pi (pj ) het
bibliometrische kenmerken van deze paren als co- publicatielinks
totaal aantal publicaties van het land i (j) is. De belangrijkste
geanalyseerd worden. Dus bepalen bijvoorbeeld twee Vlaamse
co-publicatielinks van Vlaanderen en hun ontwikkeling in
publicaties waarbij één publicatie nog werkadressen in Nederland
de jaren 1990 en rond de millenniumwissel zijn in figuur 9.7
en Duitsland en de andere een werkadres in Nederland heeft,
gevisualiseerd.
145
Figuur 9.7:
De geografische kaart van de belangrijkste co-publicatielinks van Vlaanderen op basis van de SCIE, 1992-1996 (links) en 1998-2002 (rechts) en 2004-2007 (beneden)
SWE
GBR
GBR
NLD DEU
VL
NLD
USA
DEU
VL
CHE
CHE FRA
FRA ESP
PRT
ITA
COD
RWA BDI
n 0,025 ≤ r < 0,05 n 0,015 ≤ r < 0,025 Bron geografische map: University of Alabama, Cartographic Research Lab
SWE
De algemene intensiteit van Vlaamse co-publicatielinks is
DNK GBR
beduidend toegenomen. Deze waarneming is in overeen-
NLD
USA VL
DEU
stemming met de globale trend die voor vele landen een POL
duidelijke intensivering van samenwerkingsrelaties weerspiegelt
CZE FRA
(vgl. Glänzel, 2001). Desondanks is de evolutie van enkele
CHE AUT HUN
Vlaamse co-publicatielinks opmerkelijk. Opvallend maar niet verbazend is vooral de sterke link met Nederland. De link met
ESP BGR ITA
Nederland is in alle deelperioden verreweg de sterkste internationale band. Deze band is de enige link boven de drempelwaarde van 5,0% in de tweede en derde deelperiode. De opvallende relatie met enkele Afrikaanse landen, vooral met Kongo, heeft een historische achtergrond en kan tenminste gedeeltelijk door de aanwezigheid van een neokoloniale binding
COD
gekenmerkt worden (vgl. Nagtegaal en de Bruin, 1994).
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9
n r ≥ 0,05
146
De relaties met deze Afrikaanse landen werden stilaan naar
Het aandeel van de wetenschappelijke instellingen neemt toe in
het einde van de observatieperiode duidelijk zwakker (vgl.
de loop van de jaren 1990, om vervolgens te stabiliseren rond
figuur 9.7) en de sterkte van hun links met Vlaanderen
de 10%. Hierbij moeten we ook rekening houden met de rol
schommelt in de tweede en derde deelperiode rond de 1,5%
van het Interuniversitair Micro-elektronica Centrum (IMEC),
drempel. In tegenstelling tot deze ontwikkeling werden de
de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) en
Vlaamse co-publicatielinks met Europese landen, vooral met
op het einde van de beschouwde periode, ook het Vlaams
leden van de Europese Gemeenschap, intensiever. Behalve die
Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB). Het aandeel
in figuur 9.7 vermelde middelsterke en sterke links ligt de
van de Vlaamse bedrijven situeert zich rond de 7%, een lichte
intensiteit van samenwerking met andere Europese landen,
afname ten opzichte van de 8% die in de jaren 1980 werd
zoals met de Scandinavische landen Denemarken, Finland en
waargenomen (zoals blijkt uit de vorige edities van het Vlaams
Noorwegen, met de Midden-Europese landen Oostenrijk en
Indicatorenboek, Debackere 1999, Debackere en Veugelers,
Luxemburg en in Zuid-Europa met Griekenland in de laatste
2003, 2005, 2007). De verdeling van deze publicaties is echter
periode bij of net onder de 1,5% drempel. Naast de EU-relatie
erg vertekend, omdat een beperkt aantal bedrijven, met name
is de versterkte samenwerking met Noord-Amerika (naast de VS
Janssen Pharmaceutica en Innogenetics, het leeuwenaandeel
met r > 2,0% ook Canada met r = 1,2% in de laatste deelperiode),
voor hun rekening nemen.
maar ook met voormalig socialistische landen in Oost-Europa, zoals Hongarije, Polen, Tsjechië en Bulgarije met middelsterke
De vergelijking van de relatieve verdeling van de Vlaamse
samenwerkingsintensiteit zowel als met Roemenië en Rusland
publicaties over de grote wetenschapsdomeinen met deze van
net onder de drempelwaarde in 2004-2007, vermeldenswaard.
andere landen (-groepen) en met de gegevens van de volledige
Samenvattend kenmerkt de kaart in figuur 9.7 Vlaanderen als
database, geeft informatie over de specialisatie van het Vlaams
een in het Europees wetenschappelijke systeem volledig
onderzoek. Zowel in vergelijking met het profiel van de
geïntegreerde Europese regio met sterke bindingen, vooral tot
volledige SCIE als met het profiel van de Europese Unie,
zijn buurlanden.
hebben de publicaties in de klinische geneeskunde en de biowetenschappen een relatief groter gewicht t.o.v. de globale Vlaamse publicatieoutput. Het aandeel van de technische
9.9 SLOTBESCHOUWINGEN
wetenschappen is daarentegen eerder klein, doch het heeft enkele positieve evoluties doorgemaakt.
De omvang en de impact van het Vlaams potentieel in de natuur-, levens- en technische wetenschappen werd zichtbaar
Meer dan andere landen, heeft het Vlaams onderzoek een
gemaakt aan de hand van één erg relevante set van
internationale component en deze sterke internationalisering
indicatoren: de bibliometrische analyse van de publicaties,
lijkt nog verder te gaan. Er kunnen hiervoor een aantal
verschenen in de internationaal wetenschappelijke literatuur.
verklaringen worden aangereikt. België is een partner in diverse
Het aantal Vlaamse wetenschappelijke publicaties in deze
internationale onderzoeksinstellingen, zoals CERN, ESO,
disciplines is in de beschouwde periodes duidelijk gegroeid.
EMBO en ESRF. Daarnaast neemt Vlaanderen erg actief deel
Ook qua zichtbaarheid van de wetenschappelijke output behoort
aan multinationaal onderzoek, met voorop de Europese
Vlaanderen zonder meer tot de Europese top. Men kan dan
Kaderprogramma’s. Bovendien leiden de voortschrijdende
ook duidelijk stellen, dat de Vlaamse en Belgische onderzoekers
specialisatie en het toenemend interdisciplinair karakter van de
op een bijzonder efficiënte manier de beschikbare middelen
wetenschap ertoe dat Vlaamse onderzoekers geen geschikte
hebben aangewend. De productiviteit van Vlaanderen in de
collega's binnen Vlaanderen meer vinden, waarmee ze kunnen
natuur-, levens- en technische wetenschappen is immers
samenwerken. Ze zullen zich dan ook op een natuurlijke manier
spectaculair toegenomen.
richten op een buitenlandse partner. Bovendien overstijgen
De Vlaamse universiteiten staan in voor ongeveer 85%-90%
– men denke maar aan de studie van klimatologische
van de Vlaamse publicatieoutput. Dit hoge percentage hoeft
veranderingen. De snelle ontwikkeling van de informatie- en
niet te verbazen, omdat het overgrote deel van het fundamenteel
telecommunicatie-technologieën
onderzoek, waarvan de resultaten worden gepubliceerd in de
internationalisering.
bepaalde actuele wetenschappelijke problemen de landsgrenzen
open literatuur, aan universiteiten wordt verricht.
bevorderen
zeker
ook
147
De citaties die publicaties in de internationale wetenschappelijke
• GLÄNZEL, W. SCHUBERT, A., Analyzing scientific networks
literatuur oogsten, laten toe de internationale zichtbaarheid
through co-authorship, In: H.F.M. Moed, W. Glänzel, U.
ervan te analyseren. Het onderzoek, verricht in Vlaanderen
Schmoch (Eds), Handbook of Quantitative science and
tijdens de jaren 1990 en na de millenniumwissel, wordt
Technology Research. The use of Publication and patent
beduidend meer geciteerd dan het wereldgemiddelde.
statistics in studies on S&T Systems. Kluwer Academic
Wanneer het gemiddelde aantal citaties per publicatie wordt
Publishers, Dordrecht, The Netherlands, 2004, 257-276.
gerelateerd aan de gemiddelde impactfactor van de gebruikte
• GÓMEZ, I., FERNÁNDEZ, M.T. AND MÉNDEZ, A.,
tijdschriften, ligt deze score voor Vlaanderen even hoog of zelfs
Collaboration patterns of Spanish scientific publications in
hoger dan voor de meeste andere Europese landen.
different research areas and disciplines, In: Proceedings of the Biennial Conference of the International Society for Scientometrics and Informetrics (ed. by M.E.D. Koenig and A.
9.10 REFERENTIES
Bookstein), Learned Inf., Medford, NJ, 1995, pp. 187-196. • KATZ, J. S., HICKS, D. Indicators for systems of innovation,
• BRAUN, T., GLÄNZEL, W., SCHUBERT, A., Scientometrics
IDEA paper series, No. 12, Oslo: STEP Group, 1998.
indicators. A 32-country comparative evaluation of publishing
• MOED, H. F., DE BRUIN, R.E., VAN LEEUWEN, TH. N.,
performance and citation impact. World Scientific. Singapore
New bibliometric tools for the assessment of national research
Philadelphia. 1985.
performance: database description, overview of indicators
• CANO, F., JULIAN, S., Some Indicators in Spanish Scientific Production, Scientometrics, 24 (1), 1992, 43-59 • DEBACKERE, K. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, AWI en IWT, Depotnummer D/1999/ 3241/087, 1999. • DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O Statistieken, Depotnummer D/2003/3241/173, 2003. • DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O • DEBACKERE, K., VEUGELERS, R. (red.). Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie, Innovatie, Steunpunt O&O Indicatoren, ISSN 1374-6294, 2007.
and other neo-colonial patterns in the global network of science, Research Evaluation, 4 (2), 1994, 119-127. • REIST 2. The European Report on Science and Technology Indicators 1997, Second Edition. EUR 17639. European Commission 1997. Brussels. • REIST 3. The European Report on Science and Technology Indicators 2003, Third Edition. EUR 20025. European Commission 2003. Brussels. • ROMÁN, A., MÉNDEZ, A., The Spanish transition to democracy seen through the Spanish database ISOC, Scientometrics, 30, 1994, 201-212. • SCHUBERT, A., GLÄNZEL, W., BRAUN, T., Relative Citation
• GLÄNZEL, W., SCHOEPFLIN, U., A bibliometric study on
Rate: A New Indicator for Measuring the Impact of
ageing and reception processes of scientific literature, Journal
Publications. In: D. Tomov, L. Dimitrova (Eds.), Proceedings
of Information Science, 21 (1), 1995, 37-53.
of the 1st National Conference with International Participation
• GLÄNZEL, W., SCHUBERT, A., CZERWON, H.-J., A Bibliometric Analysis of International Scientific Co operation of the European Union (1985-1995), Scientometrics, 45, 1999, 185-202.
on Scientometrics and Linguistic of the Scientific Text, Varna 1983, 80-81. • THIJSSEN, R.J.W., VAN LEEUW, Th. N, HOLLANDERS, H., VERSPAGEN, B., Het Nederlands Observatorium van
• GLÄNZEL, W., Science in Scandinavia: A Bibliometric
Wetenschap en Technologie. Wetenschaps- en Technologie-
Approach, Scientometrics, 48, 2000, 121-150. (Correction:
Indicatoren 2000. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Scientometrics, 49 (2), 2000, 357)
Wetenschappen, 2000.
• GLÄNZEL, W., National Characteristics in International
• VAN RAAN, A.F.J., Comparison of the Hirsch-index with
Scientific Co authorship, Scientometrics, 51 (1), 2001, 69-115.
standard bibliometric indicators and with peer judgment for
• GLÄNZEL, W., DANELL, R., PERSSON, O., The decline of
147 chemistry research groups, Scientometrics, 67 (3), 2006,
Swedish neuroscience – decomposing a bibliometric national science indicator, Scientometrics, 57 (2), 2003, 197-213.
491-502.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D ST U K 9
Statistieken, Depotnummer D/2005/3241/150, 2005.
and first applications, Scientometrics, 33, 1995, 381-422. • NAGTEGAAL, L.W., DE BRUIN, R.E., The French connection
148
BIJLAGE Land/regio
Code
Vlaanderen
VL*
Oostenrijk
AUT
Burundi
BDI
Canada
CAN
Congo
COG
Democratische Republiek Congo
COD
Tsjechië
CZE
Denemarken
DNK
Finland
FIN
Frankrijk
FRA
Duitsland
DEU
Griekenland
GRC
Groot-Brittannië
GBR
Italië
ITA
Luxemburg
LUX
Nederland
NLD
Noorwegen
NOR
Polen
POL
Portugal
PRT
Rwanda
RWA
Russische Federatie
RUS
Senegal
SEN
Slovakije
SVK
Slovenië
SVN
Spanje
ESP
Verenigde Staten van Amerika
USA
Zweden
SWE
Zwitserland
CHE
* Vlaanderen heeft geen standaard ISI-code
149
DE VLAAMSE TECH NOLOGI EPOSITI E: A N A LY S E A A N D E H A N D VA N U S PTO- E N E PO- O CTR O O I E N E N P C T- A A N V R AG E N Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven), Mariette Du Plessis (K.U.Leuven), Bart Van Looy (K.U.Leuven), Tom Magerman (K.U.Leuven), Bert Peeters (K.U.Leuven), Xiaoyan Song (K.U.Leuven),
10
150
10.1 HET BELANG VAN OCTROOISTATISTIEKEN
Het is ook duidelijk dat octrooigegevens een inzicht kunnen geven in het proces van technologische vooruitgang. Daarbij zijn ze een van de indicatoren die kunnen gebruikt worden om een
Alvorens de analyse van de Vlaamse octrooigegevens aan te
beeld te krijgen van de mate van innovatie binnen een
vatten, schetsen we kort de achtergrond van octrooien en
organisatie, regio of innovatie-systeem. Hierbij dient opgemerkt
octrooisystemen. De Amerikaanse econoom Zvi Griliches (Journal
dat niet alle uitvindingen worden geoctrooieerd of nog, dat niet
of Economic Literature, 1990) geeft een duidelijke omschrijving
alle innovaties berusten op geoctrooieerde uitvindingen.
van wat het doel is van het proces van octrooieren.
Echter, zoals de daarnet geciteerde Griliches verder stelt: “In this desert of data, patent statistics loom up as a mirage of wonderful
“A patent is a document, issued by an authorized governmental
plentitude and objectivity”. Met andere woorden, voor wie
agency, granting the right to exclude anyone else from the
technologische vooruitgang wil meten, vormen octrooien een
production or use of a specific new device, apparatus or process
unieke en zeer betrouwbare bron van statistisch materiaal,
for a stated number of years. The grant is issued to the inventor of
ook al vormen ze slechts één van de benaderingen (naast
this device or process after an examination that focuses on both
bijvoorbeeld de rechtstreekse bevraging van onderzoeks-
the novelty of the claimed item and its potential utility. The right
instellingen en ondernemingen) die voor dergelijke meting
embedded in the patent can be assigned by the inventor to
mogelijk zijn. Dankzij hun betrouwbaarheid en hun
somebody else, usually to his employer, a corporation and/or
beschikbaarheid zijn octrooianalyses en octrooistatistieken de
sold to or licensed for use by somebody else. This right can be
laatste jaren dan ook uitgegroeid tot een basisonderdeel van
enforced only by the potential threat of or an actual suit in the
alle indicatorenstelsels voor Wetenschap, Technologie en
1
courts for infringement damages”.
Innovatie, zowel op Europees niveau als op OESO-niveau. Deze vaststelling wordt mee ingegeven door ettelijke jaren
Het octrooisysteem heeft als doelstelling de uitvinder te
van econometrisch onderzoek waarin wordt aangetoond dat
beschermen. Door het verlenen van een tijdelijk monopolie aan
technologie en kenniscreatie significante productiefactoren
de uitvinder, verzekert men voldoende vruchten uit innovatieve
zijn in het economische gebeuren. Met andere woorden,
inspanningen voor de uitvinder. Dit moet ervoor zorgen dat
economische vooruitgang wordt in sterke mate bepaald door
de prikkels om te innoveren voldoende hoog zijn en dat er
technologische vooruitgang. Voldoende reden dus om de
bijgevolg voldoende innovatieve inspanningen ondernomen
nodige aandacht te besteden aan de topografie van het
worden, die de technologische vooruitgang van ondernemingen,
octrooilandschap in Vlaanderen.
regio’s en landen ten goede komen. In ruil voor het toekennen van een monopolie wordt wel geëist dat de informatie
Hierbij richten we ons op de twee ‘grote’ octrooisystemen in
betreffende de vinding publiek wordt gemaakt. M.a.w. de
de wereld: het Amerikaanse octrooisysteem (op basis van
informatie vervat in het octrooidocument wordt publiek
de data van het U.S. Patent and Trademark Office, USPTO) en
toegankelijk en leidt zo tot een grotere diffusie van
het Europese octrooisysteem (op basis van de data van het
technologische innovaties. De rol die het octrooisysteem vervult
European Patent Office, EPO). Daarnaast wordt ook een analyse
in het verstrekken van informatie is belangrijk, aangezien dit het
verricht van aangevraagde octrooien die het PCT (‘Patent
nutteloos dupliceren van O&O-inspanningen kan vermijden en
Cooperation Treaty’) proces volgen. Deze procedure laat toe
zo tot snellere technologische vooruitgang kan bijdragen.
om een octrooiaanvraag in te dienen bij de 136 aangesloten
Tenslotte kan men stellen dat de aanwezigheid van duidelijk
landen; binnen de procedure wordt in een eerste fase een
afgelijnde eigendomsrechten dankzij het octrooisysteem, het
internationaal onderzoek uitgevoerd dat resulteert in een rapport
makkelijker maakt om technologische kennis te verhandelen.
inzake ‘prior art’ inclusief een eerste advies inzake octrooieer-
Dit laatste wordt weerspiegeld in het ontstaan van zogenaamde
baarheid. In een volgende fase heeft men twee opties.
2
“markets for technology.”
1 Grilliches, Z. (1990), ‘Patent Statistics as Economic Indicators: A Survey’, Journal of Economic Literature, 28, pp. 1661-1707. 2 Arora, A., Fosfuri, A. en A. Gambardella (2004), Markets for Technology, Cambridge, MA: The MIT Press.
151
Ofwel vraagt men een grondige internationale analyse inzake
Als regel hanteren we hier de logica dat een octrooi wordt
octrooieerbaarheid binnen het PCT protocol ofwel start men met
toegewezen aan een regio of land indien uitvinder of aanvrager
de uiteindelijke toekenningsprocedure die verder afgehandeld
deel uitmaakt van de regio of het land. In het geval van
door de gemachtigde regionale autoriteiten (USPTO, EPO,
co-uitvindingen of co-aanvragen waarbij verschillende landen of
JPO,…) waarvoor de aanvrager uiteindelijk bescherming
regio’s betrokken zijn worden deze octrooien geteld voor alle
vraagt. In het tweede geval wordt een aanvraag gepubliceerd
betrokken entiteiten (het zogenaamde ‘full count’ principe).
na 18 maanden; in het eerste geval verlengt men de termijn voorafgaandelijk aan publicatie tot 30 maanden. Bij de hierna gerapporteerde analyses moet steeds het
10.2 OCTROOIEN IN BELGIË EN VLAANDEREN: EPO, PCT EN USPTO
onderscheid gemaakt worden tussen het Amerikaans en het Europese octrooisysteem, te meer daar beide systemen niet
Zoals blijkt uit figuur 10.1, is de trend voor het aantal aangevraagde
steeds dezelfde procedures hanteren. Zo werden, tot voor kort
EPO-octrooien met Belgische zowel als Vlaamse aanvrager of
(d.i. 2000), Amerikaanse octrooien pas bekend gemaakt na
uitvinder, duidelijk positief en stijgend. Tegelijkertijd zien we na
toekenning, terwijl Europese octrooien 18 maanden na
1999 een zekere stagnatie optreden in het aantal aangevraagde
aanvraag al publiek worden gemaakt via publicatie in de
octrooien zowel voor Belgische als voor Vlaamse octrooien, met
‘European Gazette’. Bovendien stelt men vast dat de data die
name voor de periode 2001/2002. Vanaf 2003 stijgen de cijfers
betrekking hebben op aanvragen binnen het Amerikaans
opnieuw. Deze evolutie valt samen met een analoog patroon
octrooisysteem erg onvolledig zijn op het vlak van informatie
inzake O&O-uitgaven zoals elders in deze publicatie wordt
die betrekking heeft op de aanvrager. Voor de meerderheid
gerapporteerd. Uiteraard moeten we hierbij voor de jaren na
ontbreekt adresinformatie wat een allocatie naar landen en regio’s
2005 rekening houden met de EPO-publicatiepraktijk (waarbij
bemoeilijkt of onmogelijk maakt. Bovendien stelt men vast dat
octrooiaanvragen pas bekendgemaakt worden 18 maanden na
tal van deze aanvragen in een eerste fase worden ingediend
de aanvraag van het octrooi), wat de daling in aantallen
door professionele dienstverlenende bedrijven en wordt de
verklaart die optreden in 2006 en vooral 2007.3
‘reële’ aanvrager pas bekend bij toekenning. In die zin is het Wat betreft PCT aanvragen met Belgische aanvrager wordt een
aan de hand van USPTO aanvragen nog steeds niet mogelijk.
duidelijke stijgende trend vastgesteld. Daar waar dit bij het begin
De hier volgende analyses, betreffen dan ook indicatoren
van de jaren 1990 het een 200tal aanvragen betreft, stijgt dit
gebaseerd op het Europese systeem waarbij we gebruik kunnen
tot meer dan 1500 gedurende de laatste jaren. Deze groei is
maken van zowel aangevraagde als toegekende octrooien,
beduidend hoger dan de groei die geobserveerd wordt in het
terwijl we in het Amerikaanse systeem enkel zinvol kunnen
EPO systeem en duidt als dusdanig op een toenemend belang
rapporteren op het niveau van toegekende octrooien.
van internationale octrooiaanvragen door Vlaamse uitvinders of aanvragers.
Inzake PCT aanvragen dient opgemerkt dat zich een analoog probleem stelt, maar ditmaal op het niveau van adresinformatie.
Zoals reeds gesignaleerd in de inleiding, bevat de meerderheid
Enkel landcodes zijn systematisch beschikbaar, meer gedetailleerde
van de beschikbare PCT aanvragen geen adresinformatie zodat
adresgegevens die toelaten om een regionale distributie (op het
allocatie naar regio’s niet mogelijk is.
niveau Vlaanderen, Brussel, Wallonië) uit te werken ontbreken in regel. Ten slotte, betreffende ieder octrooi zijn verder nog twee onderscheiden hoofdanalyses mogelijk: de analyse naar aanvrager en de analyse naar uitvinder. De uitvinders zijn zij die het intellectuele vaderschap van het octrooi kunnen opeisen. De aanvragers zijn zij die de eigendomstitel van het octrooi dragen. Uitvinders zijn steeds individuen, aanvragers zijn vaak organisaties, in het bijzonder ondernemingen.
3 De data gebruikt voor deze analyses hebben betrekking op octrooi-aanvragen opgenomen in de Patstat versie April 2008 (publicatiedatum einde 2007).
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10
creëren van betrouwbare statistieken op land of regio niveau
152
Figuur 10.1: Aangevraagde EPO-octrooien met Belgische en/of Vlaamse aanvrager of uitvinder (periode 1978-2007)
2.500
0,9 0,8 0,7 0,6
1.500
0,5 0,4
1.000 0,3
Aandeel Vlaanderen
Aantal octrooien
2.000
0,2
500
0,1 0 2007
2006
2005
2004
2003
2001
2002
1999
2000
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1991
1992
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1981
1982
1979
1980
1978
0
Jaar van aanvraag
n BE n VL n Aandeel Vlaanderen
Figuur 10.2: Aangevraagde PCT octrooien met Belgische aanvrager en/of uitvinder (periode 1991-2007)
2.000 1.800 1.600
Aantal octrooien
1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0 1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
Jaar van aanvraag
n BE
10.2.1 EPO toekenningen
Dit is afgerond 46%. De cijfers voor BelgiĂŤ en Vlaanderen zijn gelijkaardig. Merk op dat tot 1997 de verhouding tussen aantal
Bovenstaande EPO-analyses betreffen aangevraagde octrooien.
toegekende en aangevraagde octrooien ongeveer 65 Ă 70%
Uiteraard worden (of zijn nog) niet alle aangevraagde octrooien (al)
bedraagt4, dit cijfer daalt systematisch in de jaren nadien
toegekend. Van de 28.151 EPO-octrooien met Belgische aanvrager
omwille van de aanzienlijke tijdsvertragingen die optreden bij
of uitvinder werden er op het ogenblik van de analyses voor dit
het definitief toekennen van een octrooi.
Indicatorenboek 12.898 toegekend. 4 Deze proportie is gelijkaardig aan wat men observeert voor de referentielanden (zie infra), waaronder o.m. Duitsland, UK, US, Frankrijk, Nederland, Finland en Zweden.
153
Figuur 10.3: Distributie van toegekende EPO-octrooiaanvragen voor BelgiĂŤ en Vlaanderen (periode 1978-2006) evenals de verhouding toegekende tot aangevraagde EPO octrooien.
900
0,8
800
0,7 0,6
600
0,5
500 0,4 400 0,3
300
Verhouding
Aantal octrooien
700
0,2
200
0,1
100 0 2006
2005
2004
2003
2001
2002
1999
2000
1997
1998
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1981
1982
1979
1980
1978
0
Jaar van aanvraag
n Aantal toegekende octrooien voor BE n Aantal toegekende octrooien voor VL n Verhouding toegekende/aangevraagde octrooien voor BE n Verhouding toegekende/aangevraagde octrooien voor VL
Figuur 10.4: Aantal toegekende USPTO-octrooien met Belgische versus Vlaamse aanvrager en/of uitvinder (periode 1980-2007)
0,8 0,7
1.000
0,5
600
0,4 0,3
400
0,2 200
0,1
0
Jaar van aanvraag
n BE n VL n Aandeel Vlaanderen
2007
2006
2005
2004
2002
2003
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1982
1981
1980
0
Aandeel Vlaanderen
Aantal octrooien
0,6 800
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10
1.200
154
Een analoge trend stelt men vast voor de toegekende USPTO
Ook hier betreft het merendeel Amerikaanse aanvragers
octrooien, zoals blijkt uit figuur 10.4. Ook hier is de dalende
(59%), gevolgd door Duitsland (9,7%), Frankrijk (9,1%),
trend vanaf 2002 te verklaren door vertragingen te wijten aan
Nederland (8,3%) en tenslotte het VK (4,8%). Het Vlaamse en
de USPTO toekenningspraktijk.
Belgische patroon valt hier nagenoeg samen.
De vergelijking van figuur 10.3 en 10.4 brengt aan het licht dat
10.2.3 Internationale vergelijking
de gemiddelde toekenningsperiode binnen het Europese octrooisysteem een langere tijdsperiode bestrijkt dan binnen
Uit de internationale vergelijking blijkt een significante toename
het Amerikaanse systeem. Waar men binnen EPO een afname
van octrooigedrag voor nagenoeg alle voor Vlaanderen en
waarneemt vanaf 1999 (terwijl de aanvragen een stijgende trend
België relevante ‘referentie’-landen, en dit zowel voor wat
laten zien, zie figuur 10.1), treedt deze systematische afname
EPO-octrooiaanvragen, PCT-aanvragen als USPTO-octrooien
binnen het USPTO systeem pas op na 2002. Daarnaast wordt
betreft. Noteer dat in vergelijking met de vorige edities van
het ook duidelijk dat er de laatste jaren meer Belgische en
het Indicatorenboek, de referentielanden zijn uitgebreid.
Vlaamse octrooiactiviteit is binnen het USPTO systeem dan
Naast de EU-15 wordt ook vergeleken met de VS, Japan,
binnen het EPO systeem. Het verschil in investeringen tussen
Korea, Canada en Zwitserland. De resultaten van die
beide systemen speelt hierbij ongetwijfeld een rol.
vergelijking worden weergegeven in tabellen 10.1, 10.2 en 10.3, waarbij voor alle landen de octrooivolumes per miljoen inwoners
10.2.2 Belgische/Vlaamse versus buitenlandse aanvragers
worden berekend. Binnen de referentiegroep bekleedt België een tiende plaats en Vlaanderen een achtste plaats voor
Wanneer men nagaat hoeveel van de octrooien waarbij Belgische
wat betreft het aantal EPO aanvragen (per miljoen inwoners).
en/of Vlaamse uitvinders zijn betrokken, een Belgische/Vlaamse
De rangschikking wordt aangevoerd in respectievelijke
dan wel buitenlandse aanvrager(s) hebben, dan worden de
volgorde door Zwitserland, Luxemburg5, Nederland, Zweden,
trends vanuit vorige Indicatorenboeken bevestigd. Bij alle
Finland, Duitsland en Oostenrijk. Vlaanderen situeert zich hier
Belgische EPO octrooiaanvragen is in 36% van de gevallen
in de buurt van Oostenrijk (positie 7/8). Waar deze positie van
geen Belgische aanvrager betrokken. Indien men enkel de
België en Vlaanderen – in het midden van de referentiegroep –
laatste tien jaar analyseert, dan schommelt dit aandeel rond
op het eerste zicht als ‘middelmatig’ kan overkomen, dient men
de 39%-40%, zonder nog een verdere trend te vertonen.
voor ogen te houden dat de gekozen referentielanden samen
Het leeuwenaandeel van deze octrooi-aanvragen betreft
instaan voor 95% van de octrooiactiviteiten; m.a.w. in een mondiale
Amerikaanse aanvragers (44%), gevolgd door Frankrijk en
rangschikking behouden België en Vlaanderen deze positie.
Duitsland (elk 15%) en tenslotte Nederland (11%) en het Verenigd Koninkrijk (5%). Wanneer men enkel de Vlaamse octrooi-
Inzake toegekende octrooien binnen het USPTO systeem
aanvragen bekijkt, stelt men vast dat in 40% van de gevallen
bekleden België en Vlaanderen respectievelijk een dertiende en
enkel buitenlandse aanvragers betrokken zijn. Qua betrokken
een elfde plaats. Koplopers zijn hier de VS, Zwitserland, Japan,
landen stelt men een analoog patroon vast als voor de
Luxemburg5, Finland, Zweden, Duitsland, Korea en Nederland.
Belgische situatie. Koplopers zijn de VS (38%), Frankrijk en
Vlaanderen laat wel o.m. Denemarken, Frankrijk, het VK, Italië
Duitsland (resp. 15,3 en 15,7%), Nederland (11,2) en VK (4,8%).
en Spanje achter zich.
De patronen inzake toegekende EPO octrooien zijn identiek, zowel op Belgisch als op Vlaams niveau.
Wat betreft PCT-aanvragen betreft bekleedt België een elfde plaats. De rangschikking wordt hier aangevoerd door Zwitserland,
Zoals reeds gemeld werd in de vorige Indicatorenboeken,
Zweden, Finland, Nederland, Luxemburg5, Denemarken,
liggen deze cijfers anders voor de toegekende USPTO octrooien.
Duitsland, Oostenrijk, Japan en de VS.
Hier is 50% van de octrooien waarbij Belgische uitvinders betrokken zijn exclusief in handen van buitenlandse aanvragers.
5 Inzake de positie van Luxemburg dient opgemerkt dat Luxemburg gekenmerkt wordt door een bevolkingsomvang van minder dan een half miljoen inwoners. De indicator octrooien/miljoen inwoners impliceert voor Luxemburg als enige land in de vergelijking dan ook een vermenigvuldiging van de absolute cijfers met een factor > 1 (+/-2). In absolute aantallen liggen de cijfers voor Luxemburg m.a.w. lager dan de cijfers in de tabellen op het eerste gezicht suggereren.
131,6
139,1
164,8
191,9
198,7
196,9
188,8
191,0
211,6
222,2
255,4
102,8
14,0
107,5
134,6
156,8
164,4
173,9
170,0
167,8
181,5
193,9
205,3
83,6
9,8
10
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
RANG 2004
AT
7
33,6
115,1
223,9
222,9
217,1
205,7
198,9
177,6
158,7
154,7
126,0
114,2
112,9
99,4
96,3
103,1
CA
17
30,9
80,7
79,5
73,0
70,3
72,5
72,9
61,2
55,5
42,3
36,0
32,3
28,5
25,8
27,1
CH
1
61,0
306,8
709,0
683,3
651,7
646,4
639,0
593,4
533,7
510,4
464,7
389,0
359,5
345,3
362,9
351,3
DE
6
43,8
163,2
306,3
299,6
295,2
297,5
302,4
292,2
267,3
242,7
210,6
177,1
168,2
156,2
152,9
152,2
DK
9
10,1
67,5
219,2
218,0
215,2
206,5
200,8
191,8
175,3
147,6
139,8
114,8
109,5
98,7
88,1
85,7
ES
19
3,6
15,2
30,7
27,2
25,7
26,1
23,6
21,2
19,6
17,5
13,7
10,8
11,3
11,0
9,0
9,0
FI
5
18,8
98,4
313,4
315,0
298,3
340,7
363,9
338,1
281,7
239,8
199,4
162,6
151,5
127,5
114,5
89,6
119,0 125,5 114,9 111,2 111,4 110,7 39,3 7,9 14
146,4 148,6 153,1 158,6 159,3 78,2 21,5 12
89,7
112,0
143,6
81,2
99,2 97,8
76,9
95,5
107,2
72,3
92,1
133,7
71,2
89,2
126,0
GB 71,7
FR 94,5
20
1,1
4,8
6,8
9,9
9,7
8,0
7,2
6,2
6,2
7,2
4,2
3,4
3,5
2,6
3,1
3,6
GR
IE
15
4,6
35,7
97,4
92,4
98,6
109,4
91,3
97,2
81,2
63,3
58,0
49,2
41,8
36,5
39,7
26,4
IT
16
12,5
45,6
79,9
83,0
80,8
78,2
76,2
71,9
65,1
62,4
55,7
49,4
44,2
42,8
42,3
45,2
JP
11
93,7
173,2
174,5
162,5
158,9
174,0
154,1
134,5
126,4
117,9
104,6
91,8
91,8
91,5
97,9
18
74,5
92,4
70,4
50,1
37,1
30,0
25,1
22,6
15,8
12,0
11,1
9,2
8,1
5,5
4,5
KR
LU
2
33,6
251,8
516,0
558,8
553,6
513,3
459,8
501,9
513,4
402,6
343,3
284,9
217,8
330,1
193,7
216,7
63,9
83,5
112,9
105,4
109,2
119,3
130,3
121,4
128,3
114,0
102,1
72,1
29,2
8,4
0,2
52,9
70,6
90,6
86,8
94,9
101,8
109,2
107,3
102,4
99,7
84,9
58,1
25,4
7,0
0,4
13
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
RANG 2004
AT
12
0,1
6,9
31,2
63,4
87,9
103,8
97,0
90,4
89,6
80,9
72,5
63,2
67,6
58,6
50,2
46,9
CA
9
12,2
44,0
88,1
124,4
150,3
155,9
167,1
161,2
155,2
143,4
118,0
122,1
100,0
90,9
79,8
CH
2
1,5
28,1
106,0
210,8
290,8
351,3
376,8
372,8
342,7
318,1
309,4
264,6
288,3
255,4
226,4
228,1
DE
7
0,3
11,5
55,0
109,5
139,9
173,6
175,7
172,2
164,5
142,3
139,0
119,4
118,0
103,3
92,4
93,6
DK
14
0,0
7,2
28,2
57,9
84,8
115,3
135,7
120,8
122,3
111,8
109,0
84,0
112,0
69,9
55,9
42,0
ES
19
0,0
0,7
3,6
7,1
9,1
10,3
11,7
10,3
9,1
8,3
8,8
7,7
7,1
6,0
4,9
5,0
FI
5
0,4
9,5
48,0
113,8
185,1
237,1
271,6
267,6
234,4
179,3
181,7
159,8
126,1
104,7
80,7
75,8
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10
11
VL
55,1
BE
44,7
JAAR
71,1 83,1 89,8 91,3 89,4 84,5 67,1 47,2 22,0 4,8 0,2 15
82,0 90,2 94,1 86,3 79,5 64,2 49,3 23,2 4,7 0,1 16
73,9
72,1 82,8
61,0
60,6 68,3
52,4
55,8
79,6
GB 47,2
FR 55,1
20
0,0
0,1
1,4
2,2
2,4
3,5
3,1
3,3
3,7
3,8
2,6
2,2
2,3
2,3
1,5
1,9
GR
17
0,9
6,1
23,6
42,8
56,3
78,3
78,4
72,5
66,0
66,0
50,1
39,3
36,9
41,5
23,5
23,0
IE
18
0,1
2,6
11,2
22,7
30,6
34,5
37,8
36,6
34,7
31,8
33,1
29,2
29,3
25,2
22,8
24,4
IT
3
34,4
122,0
214,1
269,8
302,3
333,4
312,3
280,5
274,2
294,9
253,7
239,4
215,1
184,8
187,8
JP
8
11,6
53,0
108,5
126,9
116,6
100,7
92,1
83,4
89,5
87,4
81,2
49,5
38,1
25,0
22,0
KR
4
0,0
6,3
51,6
170,3
217,0
311,5
332,9
353,0
223,0
240,2
214,6
193,1
159,1
188,6
123,3
127,5
LU
Tabel 10.2: Internationale vergelijking USPTO-octrooitoekenningen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager
8
123,1
99,2
104,0
1993
1995
114,3
90,5
1992
1994
VL
99,3
BE
83,2
JAAR
Tabel 10.1: Internationale vergelijking EPO-octrooiaanvragen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager NL
10
0,2
9,9
54,2
118,2
118,6
176,0
217,9
180,0
147,5
119,9
129,3
111,1
104,2
89,1
83,4
79,8
NL
3
16,9
107,0
343,3
348,5
357,3
333,5
302,4
277,3
236,7
219,3
200,4
178,2
163,5
154,5
150,7
151,1
PT
21
0,0
0,3
0,8
1,5
2,0
2,5
2,6
2,8
1,9
2,1
2,1
1,5
1,0
0,9
0,3
0,6
PT
21
0,9
5,5
9,2
7,5
6,0
5,4
5,7
5,2
5,5
3,9
3,7
2,7
3,6
2,7
2,0
2,4
SE
6
0,9
10,8
59,1
118,4
159,4
200,9
236,3
266,7
257,6
248,2
233,0
164,7
156,6
133,2
109,0
94,6
SE
4
10,8
93,2
306,5
339,1
313,7
325,6
346,7
336,3
310,1
288,4
256,4
214,7
184,0
149,9
135,9
125,2
US
1
30,6
107,0
208,6
297,7
355,4
375,9
382,6
367,9
352,7
360,3
309,3
327,4
275,1
247,3
236,1
US
13
45,3
124,9
124,9
124,4
120,6
125,7
125,4
116,9
108,6
97,3
92,0
84,0
78,6
76,8
76,5
0,3
10,2
42,8
89,7
120,0
147,7
159,5
158,0
143,3
133,8
130,4
111,1
109,3
94,4
78,4
74,8
Gemiddelde
14,5
88,5
207,8
206,7
199,5
195,5
192,9
186,7
171,1
154,2
135,5
115,3
104,6
102,4
93,1
91,2
Gemiddelde
155
38,1
40,1
52,1
56,0
58,7
80,2
92,8
107,6
129,4
128,4
151,6
163,1
178,8
198,1
92,9
29,4
33,9
40,0
47,1
54,2
71,0
81,4
94,2
97,0
95,0
115,8
132,3
163,6
168,3
77,7
11
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
RANG 2004
CA
15
106,7
100,5
92,7
86,2
88,8
85,4
71,4
55,2
53,0
44,3
37,3
33,1
29,4
24,4
24,9
CH
1
225,3
541,2
521,6
467,0
448,3
428,6
379,8
312,5
269,0
218,7
208,2
183,3
141,9
107,1
97,3
70,3
DE
7
99,8
228,9
221,2
205,5
192,3
189,6
183,0
162,8
138,1
120,7
101,9
81,7
67,7
54,6
46,4
40,7
DK
6
107,4
240,6
242,5
224,3
214,6
207,6
192,2
164,2
156,9
132,3
129,4
120,3
109,3
103,7
88,5
74,8
ES
18
13,1
30,8
31,5
23,8
22,4
22,2
18,7
15,6
14,1
12,2
10,3
8,4
6,4
4,5
4,1
2,9
FI
3
159,9
342,6
375,3
332,4
307,5
351,9
342,3
312,4
263,5
223,3
173,5
138,7
139,8
114,8
108,4
70,6
FR
13
53,2
120,8
120,0
106,8
102,8
98,8
91,5
78,8
67,6
60,3
50,5
41,2
34,4
30,1
25,8
24,6
Noot: wegens ontbrekende adresinformatie werd geen uitsplitsing naar Vlaanderen gedaan
8
AT
34,4
BE
23,9
JAAR
72,9 89,3 93,1 99,8 110,1 128,1 59,1 14
6,8 8,3 9,3 9,6 7,0 10,3 4,7 19
121,5 120,5 122,0 125,9 127,9 129,9 61,1 12
4,7
80,9 51,1
46,9
4,6
74,8
64,6
39,7
3,3
65,9
5,6
39,9
2,6
62,0
5,7
32,7
2,7
57,3
92,3
29,2
2,6
52,1
108,8
26,8
3,1
IE 15,7
GR
GB 46,0
17
22,1
50,7
50,4
45,7
43,3
41,3
36,2
30,7
24,6
21,4
19,0
14,5
12,2
10,7
8,6
7,9
IT
9
204,1
199,6
162,0
138,4
113,6
96,9
78,3
61,5
50,5
41,7
32,8
23,3
19,4
16,4
14,6
JP
16
109,2
95,3
73,5
59,2
51,8
47,3
32,5
19,0
11,3
7,2
6,8
4,5
4,3
2,9
2,1
KR
5
136,5
272,9
292,4
286,0
270,1
307,1
330,7
300,3
343,8
266,1
228,9
127,9
127,3
129,1
83,0
61,2
LU
Tabel 10.3: Internationale vergelijking PCT-octrooiaanvragen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager NL
4
132,2
331,0
342,8
320,4
317,0
280,9
246,4
217,4
179,7
150,4
139,8
120,5
103,5
60,7
48,1
29,2
PT
20
4,4
9,8
6,2
6,3
4,8
4,7
5,2
3,0
3,0
1,4
1,6
1,5
1,0
1,7
0,8
0,5
SE
2
132,9
365,1
364,6
351,6
319,8
366,8
415,9
369,5
366,3
377,4
325,3
256,8
225,9
153,4
128,0
106,9
10
188,6
183,2
69,1
169,5
158,6
152,6
186,3
157,4
153,3
174,9
152,9
159,8
161,9
120,1 133,5
116,0 140,5
90,3
73,1
78,8
104,4
64,3
65,9
104,7
52,2
57,6
91,4
35,0 44,1
49,9
Gemiddelde
US 45,6
156
10.3 TECHNOLOGIEONTWIKKELING PER TYPE ORGANISATIE NADER BEKEKEN
In tabel 10.4 en 10.5 wordt een overzicht geboden van de samenstelling van het weefsel qua organisatie-
EPO-octrooien en dit voor België en Vlaanderen.
type voor wat betreft het aantal aangevraagde
In deze tabel is tussen de categorieën niet
gefractioneerd geteld, wat betekent dat octrooien
met meerdere aanvragers worden toegewezen
aan elke type aanvrager. Dit zijn echter eerder
uitzonderlijke situaties. Ondernemingen nemen
het merendeel van de octrooiaanvragen voor hun
rekening (gemiddeld 85%). Daarnaast stelt men vast
dat het aandeel van octrooiaanvragen afkomstig
van universiteiten (inclusief de inter-universitaire
onderzoekscentra IMEC en VIB) stelselmatig groeit.
Een belangrijke breuklijn betreft 1996, waarin het aandeel
verdubbelde van 2 naar 4 %. Voor de laatste jaren van de octrooien van
met de groep van referentielanden). universiteiten
Binnen Europa behoren we hiermee tot de koplopers. bedraagt het aandeel van universiteiten een 7 à 8%.
De resultaten voor Vlaanderen laten een analoog
beeld zien: ook hier valt de stijging op van het
aandeel van de octrooiaanvragen door universiteiten
na 1995. Dit is de periode na de invoering van de
decreten betreffende de dienstverlenende opdracht
van de universiteiten (inclusief de bepaling van de
vermogensrechten op vindingen). Wat betreft het aandeel van academische octrooien scoort Vlaanderen
erg hoog (zelfs het hoogste aandeel in vergelijking
157
Tabel 10.4: Procentueel aandeel van verschillende types organisaties - BelgiĂŤ - EPO octrooiaanvragen Applicatie
Individu
Non Profit
Univ.
Onbekend
1991
Bedrijf 86,76
Overheid 0,44
Ziekenhuizen 0
6,18
3,09
2,94
0,59
1992
87,76
0,24
0
7,29
2,94
1,53
0,24
1993
89,60
0,54
0,11
5,09
1,95
2,49
0,22
1994
90,25
0,59
0
5,42
1,67
1,38
0,69
1995
86,51
1,20
0,09
5,91
3,14
2,68
0,46
1996
85,70
0,36
0
6,97
2,41
4,29
0,27
1997
86,70
1,36
0,07
5,36
1,72
4,29
0,50
1998
84,91
0,98
0,06
6,26
1,84
5,71
0,25
1999
85,76
0,69
0,06
4,86
1,85
6,31
0,46
2000
86,69
0,55
0
4,31
1,21
6,79
0,44
2001
84,16
0,95
0,06
5,63
1,95
7,03
0,22
2002
82,68
0,89
0,06
6,87
2,07
6,87
0,56
2003
84,47
1,24
0
5,16
0,98
7,43
0,72
2004
84,21
2,09
0
4,23
1,52
7,23
0,71
2005
82,22
1,26
0
5,40
1,85
8,78
0,50
2006
82,26
1,63
0,22
5,77
1,85
7,51
0,76
2007
83,65
0
0
2,88
1,92
10,58
0,96
Gemiddelde
85,55
0,88
0,04
5,51
2,00
5,52
0,50
Tabel 10.5: Procentueel aandeel van verschillende types organisaties - Vlaanderen - EPO octrooiaanvragen Bedrijf
Individu
Non Profit
Univ.
Onbekend
1991
85,28
Overheid 0
7,17
0,38
6,42
0,75
1992
87,71
0
7,82
1,68
2,51
0,28
1993
91,11
0
5,29
0,72
2,88
0
1994
89,71
0
7,35
0,49
1,47
0,98
1995
85,98
0
8,66
0,82
3,92
0,62
1996
82,70
0
8,02
0,63
8,23
0,42
1997
86,07
0
6,68
0,19
6,87
0,19
1998
77,76
0
9,36
1,07
11,35
0,46
1999
78,31
0
7,54
0,92
12,62
0,62
2000
77,24
0
7,76
0,52
13,62
0,86
2001
77,05
0
8,56
1,03
13,18
0,17
2002
79,79
0
9,05
0,75
10,41
0
2003
79,97
0
7,53
0,64
11,73
0,13
2004
80,26
0
6,01
1,05
12,16
0,52
2005
77,62
0
7,02
1,93
13,22
0,20
2006
78,19
0
7,19
0,93
12,76
0,93
2007
81,82
0
1,52
0
16,67
0
Gemiddelde
82,15
0
7,21
0,81
9,41
0,42
10.3.1 Belangrijkste organisaties
Daarnaast profileren ook een aantal kenniscentra, waaronder IMEC en VIB alsook een aantal Vlaamse en Franstalige
Wanneer we vervolgens kijken naar de grootste spelers (in
universiteiten zich als octrooi-aanvragers met een zichtbare
BelgiĂŤ/Vlaanderen) op het vlak van octrooiportefeuilles, wekt
schaalgrootte (meer dan 50 octrooiaanvragen voor de periode
het geen verwondering dat ondernemingen hier de dominante
1991-2007). In tabel 10.6 wordt het overzicht gegeven voor wat
rol spelen. Onder de bedrijven die een aanzienlijke portfolio
de EPO octrooiaanvragen betreft (een analoge lijst wordt
aan octrooi-activiteit hebben opgebouwd treffen we onder meer
bekomen aan de hand van toegekende USPTO-octrooien).
Agfa Gevaert, GlaxoSmithKline (GSK), Janssen Pharmaceutica, Alcatel Bell, UCB, Solvay, en Totalfina.
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10
Applicatie
158
Tabel 10.6: Belangrijkste organisaties (gebaseerd op EPO octrooi-aanvragen sinds 1990)
Co-aanvragerschap in Vlaanderen schommelt rond de 9% voor de aangevraagde EPO-octrooien (analoge cijfers worden bekomen voor toegekende USPTO-octrooien), telkens voor
AGFA-GEVAERT ALCATEL BELL ARCELOR ATLAS COPCO BARCO BAYER BEKAERT CENTRE DE RECHERCHES METALLURGIQUES CNH BELGIUM CROPDESIGN CYTEC SURFACE SPECIALTIES DOW CORNING ELECTROLUX HOME PRODUCTS CORPORATION ESSELTE GB BOUCHERIE GLAVERBEL GLAXOSMITHKLINE HERAEUS ELECTRO-NITE INTERNATIONAL IMEC INEOS MANUFACTURING BELGIUM INERGY AUTOMOTIVE SYSTEM RESEARCH INNOGENETICS JANSSEN PHARMACEUTICA K.U.LEUVEN RESEARCH & DEVELOPMENT NV MICHEL VAN DE WIELE PICANOL SOFITECH SOLVAY SOREMARTEC TECHSPACE AERO TOTALFINA TYCO ELECTRONICS UCB UMICORE UNIVERSITE DE LIEGE UNIVERSITEIT GENT VITO VLAAMS INTERUNIVERSITAIR INSTITUUT VOOR BIOTECHNOLOGIE (VIB) VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL XEIKON
octrooien aangevraagd in de periode 1998-2007, en telkens ten opzichte van het totale aantal octrooien met Vlaamse aanvrager. Wanneer we enkel kijken naar co-aanvragen, stellen we vast dat een meerderheid van deze samenwerkingen een internationaal karakter heeft. Voor België heeft 63,2% van de co-aanvragersrelaties een internationale dimensie. Voor Vlaanderen is dit 56,3%. Wanneer we voor EPO een vergelijking maken met de referentielanden op het vlak van internationale samenwerking gemeten via co-aanvragerschappen, stelt men vast dat België en Vlaanderen dicht aanleunen bij de top-5 (met name, Nederland, Zwitserland, Luxemburg, het VK en Oostenrijk). Voor Nederland en het VK kan opgemerkt worden dat deze cijfers in belangrijke mate worden gedragen door de aanwezigheid van enkele multinationale ondernemingen die frequent kiezen voor co-octrooieren waarbij telkens twee vestigingen van dezelfde onderneming optreden als aanvrager (o.m. Unilever en Shell). In het geval van Shell en Unilever betreft het bovendien Nederlands-Britse ondernemingen met een heel eigen tweelanden bestuursstructuur. De cijfers i.v.m. co-aanvragen, dienen met de nodige omzichtigheid geïnterpreteerd te worden. De plaats (en dus land) van aanvraag kan verschillend zijn van de locatie van de uitvinding, zeker in multinationale ondernemingen die het beheer van intellectuele rechten centraliseren of hun aanvragen indienen vlakbij de locatie van octrooibureaus of advocatenkantoren (bijvoorbeeld Den Haag voor EPO-octrooien). Om
diezelfde
reden
wijst
een
co-aanvraag
niet
noodzakelijkerwijze op een daadwerkelijke samenwerking tussen verschillende organisaties. Het kan gaan om verschillende afdelingen van eenzelfde organisatie, wat zowel
10.4 SAMENWERKINGSPATRONEN
kan duiden op een effectieve samenwerking als op een strategische of praktische beslissing van de organisatie om
Octrooi-informatie kan ook gebruikt worden om patronen
de aanvraag (ten dele) door een andere afdeling te laten
inzake samenwerking in technologieontwikkeling te onderzoeken,
afhandelen. Vanuit dit perspectief biedt een analyse aan
specifiek door het fenomeen van meerdere aanvragers of
de hand van co-uitvinderschap een complementair beeld.
uitvinders, vermeld per octrooi, te analyseren. Zowel voor EPO- als voor USPTO-octrooien is er een duidelijk verschil tussen het voorkomen van co-aanvragerschap en co-uitvinderschap. Waar co-uitvinderschap in het merendeel van de gevallen voorkomt, blijven co-aanvragen beperkt tot een minderheid van de octrooien.
AT
17,0
3,6
13,0
18,6
22,8
23,9
19,8
20,2
18,0
17,0
13,3
CA
8,0
3,4
6,6
6,6
7,2
8,0
8,7
9,2
9,6
10,0
10,4
CH
11,0
8,6
10,9
13,4
13,6
13,7
12,8
12,6
9,4
8,6
6,5
DE
6,1
3,4
5,7
7,6
6,9
6,4
6,7
6,2
5,8
6,3
6,0
6,3
6,0
2,7
5,8
7,1
5,9
7,2
6,9
8,6
6,8
6,0
DK
ES
9,9
10,8
8,4
11,3
9,3
11,7
10,5
9,3
9,9
7,4
10,8
FI
2,9
1,1
3,5
2,7
3,3
3,0
3,3
2,9
2,9
3,7
2,4
12,5 12,9
10,8 11,7
8,1 6,5 11,9
8,0 6,9 9,7
12,6
12,6
10,0
13,2
13,9
8,9
11,2
12,4
10,3
10,4
GB 14,1
FR 9,3
GR
19,0
25,0
5,7
18,6
18,4
23,7
24,2
27,6
15,2
17,5
14,3
IE
11,6
12,5
12,0
11,6
10,3
8,7
8,8
9,2
13,7
16,7
12,1
IT
6,8
4,9
6,2
7,8
6,4
7,7
7,8
6,6
7,0
7,1
7,0
JP
7,7
5,4
7,2
8,8
8,6
8,7
8,1
7,8
7,6
7,4
7,4
KR
6,9
5,3
4,4
5,7
5,8
5,9
6,7
8,0
10,7
9,4
7,2
LU
6,8
9,1
5,9
12,9
5,8
7,1
3,8
9,0
3,0
3,1
8,3
NL
14,2
5,7
15,2
15,9
14,7
13,5
15,1
15,0
15,6
14,8
16,6
PT
10,9
0
7,9
17,0
13,3
14,9
5,3
10,9
17,1
13,2
9,1
SE
4,2
5,0
3,5
4,9
3,5
3,3
4,1
3,6
3,9
4,5
5,3
US
4,8
2,3
4,2
5,3
5,1
5,3
4,9
5,3
5,1
4,9
5,5
9,3
6,8
7,4
10,3
10,0
10,3
9,5
10,2
9,8
9,7
9,0
Gemiddelde
VL
58,5
65,7
57,4
50,0
66,7
52,5
61,6
58,7
66,7
25,0
56,3
BE
70,7
70,4
64,3
66,1
69,0
65,2
71,2
62,1
68,3
25,0
63,2
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
Gemid.
AT
72,5
25,0
73,3
79,1
78,4
81,4
77,6
79,1
76,7
79,5
74,6
CA
54,7
0
62,2
62,8
60,0
55,9
65,2
60,1
62,7
59,1
58,8
CH
88,2
97,1
94,5
91,2
90,4
90,7
85,4
89,2
81,8
82,8
78,7
DE
47,9
38,9
48,1
55,2
55,3
54,9
49,7
45,8
41,2
44,0
46,0
DK
67,4
33,3
75,0
69,0
64,3
70,2
74,6
68,9
68,5
81,5
69,2
ES
31,0
28,6
51,2
26,1
31,2
34,8
22,1
26,2
26,2
25,6
37,5
FI
56,0
100
43,8
52,4
49,0
59,1
61,1
56,9
42,6
59,2
35,7
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10
JAAR
GB 79,2 78,2 79,2 78,3 75,0 77,4 77,9 77,4 81,5 81,8 78,6
FR 37,7 40,1 42,3 49,4 50,4 54,0 48,7 47,2 40,9 38,8 45,0
20,6
0
0
25,0
7,1
28,6
6,7
37,5
28,6
10,0
62,5
GR
65,0
100
61,5
55,9
58,6
76,0
77,8
62,5
54,1
54,1
50,0
IE
34,0
21,2
29,4
35,3
40,2
37,9
36,3
38,2
28,2
31,2
42,0
IT
15,9
7,4
13,0
15,1
15,4
20,1
15,6
15,9
16,4
21,4
19,2
JP
22,8
3,8
16,6
25,0
25,3
31,1
8,8
19,1
26,7
33,0
38,8
KR
83,7
0
100
100
100
100
100
76,9
80,0
80,0
100
LU
89,4
76,9
88,5
92,3
93,2
94,4
94,1
89,2
88,2
88,1
89,3
NL
44,4
33,3
55,6
37,5
57,1
50,0
40,0
50,0
20,0
100
PT
62,7
75,0
69,6
69,0
62,0
60,3
54,9
52,6
52,5
62,0
69,5
SE
47,7
58,8
45,9
45,9
45,5
48,0
45,3
46,9
44,0
49,5
47,2
US
54,6
39,8
55,4
57,2
55,8
59,5
56,5
54,7
52,9
54,1
60,2
Gemiddelde
Tabel 10.8: Internationale samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO co-aanvragen met aanvragers uit verschillende landen ten opzichte van het totaal aantal co-aangevraagde octrooien per land (aangevraagd in de periode 1998-2007) (%)
9,2
2005
10,5
9,1
9,2
2004
Gemid.
10,9
12,7
2003
7,3
9,8
11,3
2002
7,8
9,3
10,5
2001
9,6
9,3
11,4
2000
10,4
10,2
9,4
1999
2007
10,5
11,1
1998
2006
VL
8,0
BE
9,8
JAAR
Tabel 10.7: Samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO co-aanvragen ten opzichte van het totaal aantal aangevraagde octrooien per land (aangevraagd in de periode 1998-2007) (%)
159
75,7
75,4
74,1
72,4
72,4
73,5
71,7
50,2
40,0
67,5
72,9
71,7
71,0
71,2
70,9
71,9
71,0
68,3
62,1
70,0
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
Gemid.
AT
55,6
41,8
57,2
61,6
60,4
59,0
58,3
60,2
51,9
54,1
51,5
CA
74,7
73,8
74,1
75,6
76,2
75,4
76,1
72,4
74,9
73,5
74,8
CH
63,2
60,5
63,1
67,8
66,1
66,7
65,3
63,4
61,8
60,1
57,1
DE
65,1
59,9
63,4
67,5
67,5
68,1
66,8
66,2
64,5
64,0
62,7
DK
58,7
44,9
59,8
62,2
62,3
61,4
64,6
59,0
55,9
60,1
56,4
ES
54,4
47,5
53,1
60,1
58,1
56,2
60,1
58,2
51,7
50,7
48,1
FI
61,3
48,3
57,8
68,2
66,5
64,0
65,9
63,2
59,0
58,8
60,9
FR
65,1
61,6
64,8
69,0
68,3
67,4
66,4
64,3
63,3
62,7
62,9
GB
63,5
54,8
63,1
66,9
65,8
66,3
65,9
63,7
63,6
63,9
61,3
GR
46,8
25,0
37,7
54,7
52,8
56,6
45,5
53,8
55,4
40,9
45,9
IE
70,6
66,7
70,4
69,2
70,8
76,7
73,6
64,3
70,5
71,7
72,1
IT
48,5
35,3
45,9
51,7
52,0
52,1
53,3
49,3
48,2
49,4
47,6
JP
72,1
65,7
68,4
72,1
71,9
73,7
74,6
73,0
74,0
73,9
73,4
KR
65,7
71,6
66,3
67,0
68,7
68,5
65,3
64,1
64,0
69,2
52,7
LU
63,4
22,2
66,2
68,8
60,3
74,1
73,0
68,8
58,4
75,0
67,6
NL
63,1
51,1
63,9
68,2
68,7
67,5
65,0
64,3
62,2
61,9
58,4
PT
58,1
50,0
51,9
56,5
58,6
63,2
63,4
45,3
62,8
69,6
60,0
SE
59,7
57,0
61,0
62,4
61,4
61,2
60,4
59,3
58,8
57,0
58,4
US
74,3
72,6
75,1
76,2
75,8
75,1
74,9
74,5
73,9
72,9
72,5
61,5
52,3
60,0
64,5
64,0
64,9
64,2
61,8
61,3
62,0
59,6
Gemiddelde
VL
37,3
45,3
47,9
45,1
47,5
45,4
48,7
46,2
39,9
21,4
42,5
BE
40,3
47,3
49,5
48,7
50,2
48,9
52,0
51,2
45,9
31,5
46,6
JAAR
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
Gemid.
42,7
42,0
38,5
41,2
42,6
45,3
48,1
43,2
45,4
42,6
38,5
AT
37,5
31,8
30,1
33,3
35,5
39,9
43,4
43,9
40,3
40,4
36,0
CA
48,4
46,3
50,6
52,6
49,2
47,7
48,9
48,6
47,6
46,1
46,5
CH
17,0
12,5
16,6
19,6
18,6
19,0
17,9
17,6
16,8
16,8
14,9
DE
32,0
45,5
22,2
32,6
31,8
33,4
34,5
29,5
33,3
26,3
30,5
DK
34,5
22,7
34,3
37,2
36,7
38,3
36,5
33,7
36,2
35,0
34,9
ES
22,1
28,6
22,7
19,9
20,3
24,6
22,7
24,4
18,6
21,7
17,2
FI
22,4
12,6
20,8
25,3
25,7
24,8
25,0
25,0
22,0
21,5
20,8
FR
35,2
43,4
35,6
37,6
36,0
35,1
36,1
34,5
32,2
29,9
31,7
GB
53,7
0
55,0
63,4
52,6
60,0
52,5
66,7
72,2
40,7
73,5
GR
47,9
60,0
43,4
45,0
46,9
50,0
46,7
40,8
49,8
48,5
47,6
IE
17,9
9,3
15,8
21,1
18,5
17,5
19,3
20,6
18,6
18,7
19,4
IT
3,8
1,9
2,8
4,2
3,9
4,7
4,0
3,6
4,5
4,2
4,6
JP
8,2
3,6
3,8
6,1
6,8
7,7
7,5
8,7
12,5
11,5
13,9
KR
81,7
100
82,4
79,8
75,6
77,9
71,6
78,7
88,5
82,7
80,0
LU
26,5
33,1
26,3
25,3
28,5
26,0
22,7
23,7
25,8
27,7
26,3
NL
48,0
20,0
33,3
50,0
31,7
50,0
61,5
50,0
70,4
40,6
72,2
PT
27,7
28,9
31,7
29,1
26,4
25,2
28,6
28,2
26,7
28,6
23,8
SE
15,6
14,6
15,4
16,8
16,6
16,2
16,6
16,3
15,0
14,4
14,1
US
33,9
29,0
31,8
35,1
33,6
35,1
35,3
34,8
36,8
32,9
34,5
Gemiddelde
Tabel 10.10: Internationale samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO co-uitvindingen met uitvinders uit verschillende landen ten opzichte van het totaal aantal co-uitgevonden octrooien per land (aangevraagd in de periode 1998-2007) (%)
VL
69,9
BE
69,4
JAAR
Tabel 10.9: Samenwerking gemeten aan de hand van het aantal EPO co-uitvindingen ten opzichte van het totaal aantal aangevraagde octrooien per land (aangevraagd in de periode 1998-2007) (%)
160
161
Co-uitvinderschap komt veel frequenter voor zowel in het geval
Figuur 10.5: Salton–map met Belgische internationale
van EPO- als van USPTO-octrooien. Co-uitvinderschap in
co-uitvindersrelaties (periode 1998-2007)
Vlaanderen schommelt rond de 72% voor aangevraagde EPOoctrooien (telkens voor octrooien aangevraagd in de periode 1998-2007, en telkens ten opzichte van het totale aantal octrooien met Vlaamse uitvinder). Voor België liggen de cijfers doorheen de jaren enkele procenten lager (1%-tot-2%). SE
Vlaanderen en België behoren hier samen met Canada, de VS,
FI
NO
Japan en Ierland tot de koplopers.
RU Wanneer we voor EPO een systematische vergelijking maken inzake internationale samenwerking – gemeten aan de hand van co-uitvinderschap – stellen we opnieuw vast dat België en
DK
CA
GB
NL
US
RU DE
BE
Vlaanderen hoge ratio’s behalen. Vergelijkbaar met Ierland,
HU
betreft het meer dan 40% van de co-uitgevonden octrooiaanvragen waarbij uitvinders van verschillende landen zijn
FRA
CH
AT
ESP
betrokken. ITA Om een kartografie te maken van de belangrijkste landen waarmee internationaal wordt samengewerkt tussen uitvinders werd gekeken naar het aantal aangevraagde EPO-octrooien
n >=0.01
(voor de periode 1998-2007) met minstens één uitvinder uit
n 0.005 =< r <0.01
Vlaanderen en minstens één uitvinder uit een ander land. Op
n 0.0025 =< r <0.005
basis daarvan is gebleken dat Vlaamse uitvinders samenwerken met aanvragers uit 57 landen. De belangrijkste landen waartussen uitvinders samenwerken zijn de VS (24%),
Figuur 10.6: Salton-map met Vlaamse internationale
Duitsland (21%), Nederland (15%), Frankrijk (12%), het VK
co-uitvindersrelaties (periode 1998-2007)
enigszins anders: de meest intensieve samenwerking situeert zich hier met VS (23%), Duitsland (20%), Frankrijk (16%), Nederland (12%) en Luxemburg (4%). Een meer systematisch beeld van samenwerkingspatronen aan de hand van
SE
geografische verdeling wordt geboden in figuren 10.5 en 10.6. Deze figuren geeft de Salton maten weer, berekend op het aandeel co-uitvindingen tussen de betreffende landen, volgens CA
de formule:
rij r =
,
GB
NL
US
DE
VL
√ ni • nj FRA
CH
ESP
In de teller staat het aantal applicaties met uitvinders afkomstig
ITA
uit land i en j (rij). Deze worden genormaliseerd aan de hand van de vierkantswortel van het product van de applicaties van betreffende landen (ni . nj ).
n >=0.01 n 0.005 =< r <0.01 n 0.0025 =< r <0.005
FI
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10
(9%) en Italië (3%). Voor België liggen deze cijfers toch
162
10.5 RELATIEVE TECHNOLOGIESPECIALISATIEPATRONEN
Deze index vergelijkt dus het aandeel van Belgische/Vlaamse octrooien in een bepaald technologiedomein met het aandeel dat dit domein heeft in andere landen. De waarde van deze
Octrooien worden doorgaans geklasseerd op basis van de
relatieve specialisatie-indices varieert van [0;+∞]. Een waarde
technologiedomeinen waartoe ze behoren. Voor deze analyses
kleiner dan 1 betekent dat land j een relatief nadeel heeft in de
hebben we de nomenclatuur en de bijbehorende IPC-klasse
betreffende categorie i. Waarden gelijk aan 1 stemmen overeen
(d.i. de ‘International Patent Classification’-indeling) aggregaten
met de neutrale positie van de index, terwijl waarden groter
gebruikt zoals die ontwikkeld werden door het Fraunhofer
dan 1 duiden op een relatief voordeel. De index corrigeert voor
Gesellschaft - Institut für Systemtechniek und Innovations-
de ‘grootte’ van het technologiedomein. Deze indicator is dus
forschung (FhG-ISI, Duitsland) in samenwerking met het Franse
erg geschikt voor het maken van vergelijkingen en het in kaart
Octrooibureau (INPI) en het Observatoire des Sciences et
brengen van veranderingen over tijdsperiodes net als voor het
Technologies (OST, Parijs). Deze klassificatie werd geactualiseerd
aangeven van de veranderingen in niveaus van specialisaties
naar aanleiding van de introductie van de achtste herziening
van een land of een groep van landen. De RTA-analyses
van de IPC-klassificatie (ingevoerd in 2006). Deze aanpassingen
gerapporteerd in deze sectie, werden uitgevoerd op de EPO-
leiden tot een klassificatie in 19 technologiedomeinen. De relatieve
aanvragen en op de toegekende USPTO-octrooien. Beide
verdeling EPO-octrooiaanvragen voor Vlaanderen en België over
databronnen leiden tot analoge conclusies, vandaar dat we
deze 19 technologiedomeinen is weergegeven in tabel 10.11.
enkel de EPO-rseultaten rapporteren.
De belangrijkste technologiedomeinen waarin Vlaamse en
Uit de RTA-analyses weergegeven in tabel 10.13 blijkt dat
Belgische EPO-octrooiaanvragen zich situeren zijn chemie en
Vlaanderen vooral een relatief sterke technologische positie
farmacie. Analoge patronen komen naar voor wanneer de USPTO
(RTA > 1,5) heeft opgebouwd in een aantal chemische domeinen,
data als uitgangspunt worden genomen (zie tabel 10.12).
machinebouw en tenslotte de brede categorie van technologieën die applicaties vinden in consumentenmarkten (“Textiles, wearing,
Een volgend belangrijk aandachtspunt betreft deze technologie-
leather, wood, paper, domestic appliances, furniture, food”).
domeinen waarin Vlaanderen en België een relatief sterke of zwakke positie innemen ten opzichte van belangrijke
Wanneer we de relatieve technologische sterkten (de RTA-
referentielanden. Daartoe maken we gebruik van de constructie
maten) vergelijken met economische performantie (gemeten
van relatieve specialisatie-indexen op niveau van technologie-
aan de hand van exportgegevens, hetgeen resulteert in een
klassen (op basis van de geaggregeerde IPC-(‘International
analoge ‘Relative Commercial Advantage’ of RCA-index, waarbij
Patent Classification’)-indeling zoals voorgeschreven door de
een RCA-waarde > 1 duidt op een grotere exportintensiteit van
eerder bediscussieerde Fraunhofer-nomenclatuur). Deze relatieve
de betreffende sector dan in de landen uit de referentiegroep),
specialisatie-indexen worden als volgt berekend:
dan stellen we vast dat voor België technologische en
RTAij= Relatieve Technologiespecialisatie in technologieklasse
p < 0,01). Het samenspel RTA/RCA wordt grafisch weergegeven
economische performantie in elkaars verlengde liggen (r=0,7, i
voor land j = (Pij /∑ i Pij ) / (∑ j Pij /∑ ij Pij )
in figuur 10.7 en 10.8. Voor Vlaanderen observeert men analoge trends, waarbij de sterkte inzake machinebouw opvalt.
• met categorie i : de Fraunhofer technologiedomeinen en Pi het aantal octrooien in klasse i ; • met i = 1 ... N (N = het aantal klassen in de studie); met j = 1 ... M (M = het aantal landen in de studie). Deze index geeft het aandeel van land j in technologiecategorie i weer, ten opzichte van het aandeel van alle landen in technologiecategorie i, rekening houdend met alle octrooien van land j en met alle octrooien over alle landen en categorieën heen. Als referentiegroep worden in deze analyse de EU-15 alsook de VS, Canada, Zwitserland, Japan en Korea opgenomen.
163
Tabel 10.11: Distributie van Belgische en Vlaamse EPO-octrooiaanvragen over 19 Fraunhofer technologiedomeinen, periode 1998-2007 Technologiedomein (noot: de originele Fraunhofer benamingen worden gebruikt)
Aandeel - BelgiĂŤ
Aandeel - Vlaanderen
1,24%
1,70%
12,97%
12,56%
Computers, Office Machinery (including data processing systems or methods)
4,80%
5,99%
Electrical machinery, apparatus, energy
2,21%
2,31%
Electronic components (including micro-structural technology)
2,78%
3,41%
Energy machinery
1,70%
1,63%
General machinery
2,87%
2,69%
Machine-tools
1,06%
1,08%
Measurement, control
4,75%
4,59%
Medical equipment
4,11%
3,61%
Metal products
1,77%
1,65%
Non-polymer materials
6,82%
5,59%
Optics
2,55%
3,23%
Pharmaceuticals (and Cosmetics)
11,72%
11,47%
Polymers, rubber, man-made fibres
Audio-visual electronics Basic chemicals, paints, soaps, petroleum products (including combinatorial chemistry)
13,11%
10,57%
Special machinery
7,84%
8,87%
Telecommunications
4,93%
5,93%
Textiles, wearing, leather, wood, paper, domestic appliances, furniture, food
8,53%
9,88%
Transport Totaal
4,23%
3,24%
100,0%
100,0%
Tabel 10.12: Distributie van Belgische en Vlaamse USPTO-octrooien over 19 Fraunhofer technologiedomeinen, periode 1998-2006 Technologiedomein (noot: de originele Fraunhofer benamingen worden gebruikt)
Aandeel - BelgiĂŤ
Aandeel - Vlaanderen 1,69%
17,30%
15,95%
Computers, Office Machinery (including data processing systems or methods)
6,32%
7,66%
Electrical machinery, apparatus, energy
2,25%
2,62%
Electronic components (including micro-structural technology)
4,80%
5,91%
Energy machinery
1,70%
1,64%
General machinery
2,44%
1,93%
Machine-tools
1,12%
1,25%
Measurement, control
4,43%
4,66%
Medical equipment
3,78%
3,17%
Metal products
0,75%
0,67%
Non-polymer materials
5,95%
5,24%
Optics
3,32%
4,02%
Pharmaceuticals (and Cosmetics)
12,08%
11,37%
Polymers, rubber, man-made fibres
Basic chemicals, paints, soaps, petroleum products (including combinatorial chemistry)
12,62%
10,24%
Special machinery
7,63%
8,77%
Telecommunications
4,51%
5,49%
Textiles, wearing, leather, wood, paper, domestic appliances, furniture, food
4,88%
5,22%
Transport Totaal
2,76%
2,51%
100,0%
100,0%
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10
1,36%
Audio-visual electronics
0,87
0,52
0,80
0,57
0,77
0,65
0,73
1,20
1,28
1,58
1,63
0,67
1,66
0,50
1,82
0,50
0,55
0,71
0,54
0,86
0,56
0,79
0,74
0,78
1,46
1,01
1,20
1,96
1,44
0,56
1,44
0,65
Basic chemicals, paints, soaps, petroleum products (including combinatorial chemistry)
Computers, Office Machinery (including data processing systems or methods)
Electrical machinery, apparatus, energy
Electronic components (including microstructural technology)
Energy machinery
General machinery
Machine-tools
Measurement, control
Medical equipment
Metal products
Non-polymer materials
Optics
Pharmaceuticals (and Cosmetics)
Polymers, rubber, man-made fibres
Special machinery
Telecommunications
Textiles, wearing, leather, wood, paper, domestic appliances, furniture, food
Transport
1,18
0,58
0,62
1,77
VL
0,61
BE
0,45
Audio-visual electronics
JAAR
1,23
1,45
0,49
1,38
1,10
1,09
0,68
1,74
2,20
0,75
0,85
1,82
1,48
1,11
0,70
1,10
0,44
0,75
0,34
AT
0,73
0,87
1,86
0,81
0,79
1,50
0,72
0,82
0,70
0,94
1,10
0,68
0,81
0,76
0,48
0,96
1,08
0,84
0,61
CA
0,48
1,40
0,40
1,48
1,30
1,30
0,79
1,07
1,28
1,48
1,40
1,34
1,34
0,89
0,47
0,95
0,49
1,07
0,49
CH
1,73
1,02
0,69
1,34
1,07
0,73
0,68
1,12
1,66
0,73
1,06
1,51
1,28
1,59
0,78
1,27
0,55
1,02
0,45
DE
0,43
1,64
0,73
1,20
0,82
1,96
0,59
1,07
1,41
1,46
0,91
0,55
1,34
1,15
0,20
0,69
0,45
0,95
1,03
DK
1,30
2,03
0,62
1,21
1,03
1,41
0,51
1,06
2,30
0,71
0,54
0,95
1,42
0,95
0,23
0,99
0,56
1,06
0,34
ES
0,35
0,95
3,72
1,34
0,74
0,36
0,36
0,90
0,64
0,58
0,86
0,65
1,43
0,42
0,32
0,74
1,05
0,46
1,25
FI
1,36
1,09
1,21
0,92
1,14
1,04
0,77
0,99
1,28
0,68
0,85
0,78
1,01
0,98
0,67
1,19
0,83
0,92
1,07
FR
0,77
1,16
0,98
0,99
0,91
1,47
0,84
0,74
1,06
1,07
1,19
0,68
0,90
0,85
0,61
0,66
0,98
1,24
0,87
GB
0,70
1,20
0,92
0,95
0,90
1,35
0,77
1,34
2,75
1,17
0,79
1,48
0,93
0,93
0,63
0,86
0,59
0,94
1,05
GR
0,39
1,13
1,11
1,09
0,90
1,61
0,44
0,91
0,72
2,35
0,90
0,79
0,83
0,51
0,74
0,53
1,15
0,68
0,32
IE
1,17
2,01
0,45
1,98
1,37
0,71
0,54
1,18
2,18
0,90
0,63
1,77
1,60
1,39
0,63
1,04
0,37
0,72
0,23
IT
1,09
0,72
1,05
0,63
0,89
0,58
1,58
1,12
0,47
0,56
0,86
1,05
0,82
1,03
1,72
1,32
1,53
0,87
1,77
JP
0,35
1,49
2,03
0,32
0,52
0,57
1,14
0,55
0,42
0,36
0,46
0,33
0,97
0,60
1,91
1,01
1,98
0,51
3,17
KR
1,94
1,04
0,31
0,76
2,17
1,02
0,23
2,78
0,95
0,68
0,81
0,66
1,79
1,23
0,28
1,16
0,32
0,70
0,25
LU
0,40
1,24
1,04
1,06
0,98
0,77
1,56
0,70
0,76
0,85
0,86
0,47
0,89
0,40
1,39
0,77
1,48
1,13
2,21
NL
1,08
2,29
0,82
0,89
0,86
1,69
0,82
1,00
2,97
0,84
0,60
0,44
1,48
1,01
0,42
0,21
0,34
1,04
0,40
PT
1,10
0,86
2,01
1,15
0,68
1,03
0,55
0,98
1,09
1,37
0,95
1,80
1,05
1,11
0,46
0,68
0,70
0,56
0,57
SE
Tabel 10.13: RTA-waarden voor de EPO-aanvragen voor de periode 1998-2007 op basis van 19 Fraunhofer technologiedomeinen ten opzichte van de referentiegroep US
0,64
0,79
1,03
0,80
0,93
1,33
1,06
0,87
0,65
1,55
1,14
0,71
0,81
0,76
1,05
0,76
1,14
1,09
0,91
164
165
Figuur 10.7: Technologische versus export performantie van Belgische economische sectoren (RTA waarde; RCA waarde in label) 2
n Chemical, rubber, plastics and fuel products (1,49; 1,81) Food products, beverages and tobacco (1,26; 1,43) n
n Textile and leather products (1,56; 1,34)
Basic metals (0,89; 1,34) n
RCA export
n Manufacturing NEC; recycling (1,49; 1,55)
n Other non-metallic mineral products (1,58; 1,18)
1 n Motor vehicles, trailers and semi-trailers (0,47; 0,92) Electrical machinery and apparatus, NEC (0,69; 0,57) Office, accounting and Electricity, gas n computing machinery and water supply (0,43; 0,48) n n (0,76; 0,50) n Medical, precision Radio, television and communication and optical instruments equipment (0,59; 0,31) n (0,70; 0,40) n Other transport equipment (0,71; 0,20)
Wood and products of wood and cork (1,26; 0,88) Printing and n publishing (1,50; 0,79) n n Fabricated metal Pulp, paper products* (1,10; 0,76) and paper products n Machinery and (1,50; 0,78) equipment, NEC (1,05; 0,59)
* Except machinery and equipment
0
0
1
2
RTA EPO
Figuur 10.8: Technologische versus export performantie van Vlaamse economische sectoren (RTA waarde; RCA waarde in label) 3
RCA export
2
Textile and Food products, beverages leather products and tobacco (1,25; 1,42) (1,96; 1,49) n n Chemical, rubber, plastics n and fuel products (1,31; 1,31) n Wood and products of wood and cork (1,30; 1,24)
n Motor vehicles, trailers and semi-trailers (0,37; 1,49)
1
Basic metals (0,73; 0,87) n Other non-metallic mineral Office, accounting and computing n n products (1,27; 0,89) Pulp, paper and machinery (0,54; 0,80) n Electricity, gas and water supply n Fabricated metal paper products (1,69; 0,61) (0,64; 0,83) n products* (1,13; 0,69) n Electrical machinery and apparatus, n Machinery and n NEC (0,74; 0,63) equipment, NEC Printing and n Radio, television Medical, precision and optical instruments n (1,02; 0,51) publishing (1,69; 0,52) and communication (0,67; 0,38) Other transport equipment equipment * Except machinery and equipment (0,74; 0,39) (0,57; 0,14) n
0
0
1 RTA EPO
2
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 10
n Manufacturing NEC; recycling (1,63; 2,40)
166
10.6 CONCLUSIE Er is de laatste jaren een blijvende, stijgende trend waar te nemen voor wat betreft octrooieren in Vlaanderen, en dit zowel in het EPO-systeem, het USPTO-systeem als in het PCTsysteem. Recente EU-statistieken bevestigen deze trend. Vlaanderen is over de periode 1991-2003 opgeklommen tot 255 octrooiaanvragen per miljoen inwoners en behoort daarmee tot de meer performante Europese regio’s. Ook de academische sector in Vlaanderen is in toenemende mate actief bij het aanvragen van octrooien als middel tot bescherming en valorisatie van het uitgevoerde onderzoek. Deze trend wordt ook op Belgisch niveau bevestigd. Meer nog, de academische sector in Vlaanderen behoort tot de Europese koplopers in dit domein. Tegelijk tonen de statistieken uit dit hoofdstuk aan dat er ook nog steeds ruimte voor verbetering is. Zo blijven octrooien sterk geconcentreerd bij een beperkt aantal grote multinationale ondernemingen, terwijl de kleine en middelgrote ondernemingen gemiddeld genomen opvallend afwezig zijn in het octrooilandschap (zie ook Vlaamse Indicatorenboeken 2003, 2005 en 2007). Daarentegen geldt wel zeer duidelijk dat de meest productieve ondernemingen inzake EPO- en USPTO-octrooien ook internationaal technologische topposities hebben weten uit te bouwen, wat dan weer duidt op een sterkte van de Vlaamse technologiepositie in een bedrijfseconomische context.
167
DE VLAAMSE WTI-ACTIVITEITEN I N E E N I N T E R N AT I O N A L E C O N T E X T
Door Pascale Dengis (EWI), Frank Monteny (IWT), Monica Van Langenhove (EWI) en Danny Van Steenkiste (IWT)
11
168
11.1 INLEIDING
In een eerste gedeelte van dit hoofdstuk wordt de evolutie
In dit hoofdstuk behandelen we de meest recente gegevens met
Kaderprogramma’s voor Onderzoek, Technologische Ontwikkeling
betrekking tot de Vlaamse aanwezigheid in de internationale
en Demonstratieactiviteiten (hierna afgekort tot KP). Het Vierde
WTI-context. Meer bepaald hebben we hierbij bijzondere
Kaderprogramma (KP4) liep van 1994 tot 1998, het Vijfde
aandacht voor de Vlaamse aanwezigheid in de Europese
(KP5) van 1998 tot 2002 en het Zesde (KP6) liep van 2002
Kaderprogramma’s, het ERA-NET en het EUREKA-programma.
tot 2006.
geschetst van de Vlaamse deelname aan de laatste Europese
De deelname aan de betreffende programma’s wordt permanent opgevolgd door de betrokken entiteiten van de
Vervolgens worden meer gedetailleerde resultaten weergegeven
Vlaamse Gemeenschap.
van het Zesde Kaderprogramma (KP6). De Vlaamse deelnemers worden ingedeeld in de volgende
11.2 DE VLAAMSE DEELNAME AAN HET EUROPESE KADERPROGRAMMA VOOR ONDERZOEK
categorieën: l
bedrijven;
l
universiteiten en hogescholen;
l
onderzoekscentra: hier onderscheiden we de Vlaamse Strategische Onderzoekscentra – SOC’s (IBBT, IMEC, VIB
11.2.1 Inleiding
en VITO), de collectieve centra (bvb. Centexbel en SIRRIS) Het Europese Kaderprogramma voor Onderzoek, Technologische
en de “andere wetenschappelijke instellingen” (bvb. ITG, VKI
Ontwikkeling en Demonstratieactiviteiten, het belangrijkste
en VLIZ). Tot deze laatste groep worden ook de Vlaamse
financieringsinstrument voor onderzoek binnen de Europese Unie
competentiepolen (bvb. FMTC) gerekend;
(EU), is een meerjarig onderzoeks- en stimuleringsprogramma
l
overige instellingen, waaronder overheidsinstellingen,
waarbinnen de activiteiten van de EU op het vlak van onderzoek
non-profit organisaties, EEI’s, internationale organisaties,
en technologische ontwikkeling op middellange termijn worden
GCO’s en andere instellingen die niet in de voorgaande
uitgezet. De achtereenvolgende kaderprogramma’s hebben tot
categorieën thuishoren.
doel de wetenschappelijke en technologische grondslagen van de Europese industrie te versterken, de ontwikkeling van de
Naast deze categorieën worden de begrippen “Vlaanderen”,
internationale concurrentiepositie van de EU te bevorderen,
“Wallonië” en “Brussel” gehanteerd. Deze begrippen worden
en tegemoet te komen aan de onderzoeksbehoeften van
afgebakend zoals hieronder aangegeven.
andere beleidsdomeinen van de EU. Bij “Vlaanderen” horen: In maart 2000 nam de Europese Raad in Lissabon een algemene
l
de bedrijven met hun zetel in het Vlaamse Gewest;
strategie aan om de EU tegen 2010 de meest concurrerende
l
de universiteiten en hogescholen die ressorteren onder de
en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken, in staat
Vlaamse Gemeenschap, daarbij inbegrepen de instellingen
tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang. Deze zogeheten Lissabon-
die zich bevinden in het Brusselse Gewest; l
strategie is opgebouwd uit een economische, een sociale en een ecologische pijler, en wordt gedragen door de
de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Vlaamse Gewest;
l
de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die
Barcelonanorm, die bepaalt dat de Europese lidstaten tegen
zich bevinden in het Vlaamse Gewest, daarbij inbegrepen
2010 3% van hun Bruto Nationaal Product (BNP) moeten
de in het Brusselse Gewest gevestigde instellingen die
besteden aan onderzoek en ontwikkeling.
rechtstreeks onder Vlaamse bevoegdheid vallen.
Het Zesde Kaderprogramma, dat liep van 2002 tot 2006 was in belangrijke mate afgestemd op de Lissabonstrategie. Het was immers specifiek gericht op de verdere uitbouw en versterking van de Europese Onderzoeksruimte, en aldus tot de realisatie van een Europese kennismaatschappij.
169
Bij “Wallonië” horen:
11.2.2 Evolutie van de Vlaamse deelname aan de
l
de bedrijven met hun zetel in het Waalse Gewest;
l
de universiteiten en hogescholen die ressorteren onder de
opeenvolgende Kaderprogramma’s
Franse Gemeenschap, daarbij inbegrepen de instellingen
11.2.2.1
Algemene cijfers
die zich bevinden in het Brusselse Gewest;
In tabel 11.1 zijn de kerncijfers weergegeven van de Vlaamse
l
de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Waalse Gewest;
deelname aan de laatste kaderprogramma’s. Wanneer men de
l
de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die
financiële return die Vlaanderen uit elk Kaderprogramma wist te
zich bevinden in het Waalse Gewest, daarbij inbegrepen
halen, vergelijkt over de opeenvolgende Kaderprogramma’s,
de in het Brusselse Gewest gevestigde instellingen die
dan kan een licht dalende tendens van het Vierde tot en met
rechtstreeks onder Waalse bevoegdheid vallen.
het Zesde Kaderprogramma (KP6) worden vastgesteld (zie tabel 11.1).
Bij “Brussel” horen: l
de bedrijven met hun zetel in het Brusselse Gewest;
l
de onderzoekscentra die zijn gevestigd in het Brusselse
11.2.2.2
Gewest; l
De Vlaamse deelname volgens deelnemerscategorieën
Bekijken we de verschillende deelnemerscategorieën onderling
de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die
(zie figuur 11.1 en figuur 11.2), dan zien we enkele lichte
zich bevinden in het Brusselse Gewest.
verschuivingen tussen het Vijfde en het Zesde Kaderprogramma. De categorie “universiteiten en hogescholen” wist in het Zesde
Bij “Brussel” worden dus alle deelnemers uit het Brusselse
Kaderprogramma haar koppositie te handhaven, met 42% van
Gewest gerekend, uitgezonderd:
de Vlaamse deelnames en 41% van de totale Vlaamse
(1) de deelnemers uit de categorie “universiteiten en hoge-
deelnametoelage. Daarmee liet deze categorie ongeveer
scholen”: die werden aan “Vlaanderen” resp. “Wallonië”
dezelfde relatieve participatie in het Zesde Kaderprogramma
toegekend;
optekenen als in het Vijfde Kaderprogramma (38% van de
(2) de deelnemers uit de categorie “overige instellingen” die
Vlaamse deelnames en 43% van de Vlaamse deelnametoelage).
onder Vlaamse resp. Waalse bevoegdheid vallen: die werden
De meest significante verschillen vallen te noteren bij de
aan “Vlaanderen” resp. “Wallonië” toegekend.
bedrijven en de onderzoekscentra. De bedrijven stonden in het Vijfde Kaderprogramma nog in voor 36% van de Vlaamse deelnames, goed voor 28% van de totale Vlaamse deelname-
gewesten gebeurde op basis van het adres van de deelnemer.
toelage voor dit kaderprogramma.
Tabel 11.1:
Algemene cijfers over de Vlaamse deelname aan de Europese Kaderprogramma’s
Aantal deelnames Aantal projecten Aantal deelnemende organisaties Aantal deelnames als coördinator (%) Ontvangen deelnametoelage Totaal EU-KP-budget besteed aan contracten Financiële return* Verwachte return
KP4
KP5
KP6
1.972
1.575
1.342
1.567
1.304
1.051
495
444
422
17,6%
21,4%
15,2%
273,4 miljoen euro
278,8 miljoen euro
352,3 miljoen euro
11,49 miljard euro
12,72 miljard euro
16,6 miljard euro
2,38%
2,19%
2,12%
2,1 – 2,3%
2,1 – 2,2%
±2,2%
* Het procentuele financiële aandeel van Vlaanderen in de totale toegekende Europese middelen.
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11
De toewijzing van de deelnames aan de respectievelijke
170
Figuur 11.1: Evolutie van de Vlaamse deelname aan
Figuur 11.2: Evolutie van de Vlaamse deelname aan
de Europese Kaderprogramma’s volgens
de Europese Kaderprogramma’s volgens
deelnemerscategorie (aantal deelnames %)
deelnemerscategorie (deelnametoelage %)
KP4
KP4
KP5
KP5
KP6
KP6
0%
20%
40%
60%
80%
100%
0%
20%
Aantal deelnames (relatief)
40%
60%
80%
100%
Deelnametoelage (in miljoen euro) (relatief)
n Universiteiten en hogescholen
n Universiteiten en hogescholen
n Bedrijven
n Bedrijven
n Onderzoekscentra
n Onderzoekscentra
n Overige
n Overige
In het Zesde Kaderprogramma vielen die cijfers terug tot resp.
Het budgettaire zwaartepunt van de Vlaamse deelname aan
27% en 21%, en dat kwam blijkbaar vooral ten goede van
het Zesde Kaderprogramma lag bij de thematische prioriteit
de onderzoekscentra, want die zagen hun relatieve aandeel in
IST, die Vlaanderen 30% van zijn totale toelage voor deelname
de Vlaamse participatie van het Vijfde naar het Zesde
aan het Zesde Kaderprogramma opleverde (zie figuur 11.3).
Kaderprogramma toenemen van 19% naar 26% wat het aantal
De Vlaamse deelnametoelage voor IST kwam voor 40% op
deelnames betreft, en van 26% naar 34% op vlak van
rekening van de onderzoekscentra, en die prestatie mag bijna
ontvangen
de
volledig aan IMEC worden toegeschreven. De Vlaamse
onderzoekscentra in budgettaire termen de tweede grootste
bedrijven en universiteiten haalden resp. 32% en 27% van de
Vlaamse deelnemerscategorie in het Zesde Kaderprogramma.
Vlaamse IST-toelage naar zich toe. Bij de bedrijven waren Alcatel
De categorie “overige instellingen” tenslotte hield haar
Bell en Philips Innovative Technology Solutions sterk aanwezig
(beperkte) relatieve aandeel in de Vlaamse deelname aan de
in IST. De K.U.Leuven was budgettair gezien veruit de sterkste
opeenvolgende kaderprogramma’s nagenoeg constant.
universitaire vertegenwoordiger in deze thematische prioriteit.
11.2.3 De Vlaamse deelname aan het Zesde Kader-
Ook in LIFESCIHEALTH scoorde Vlaanderen budgettair goed:
deelnametoelage.
Daarmee
werden
programma
deze thematische prioriteit leverde Vlaanderen 15% van zijn totale toelage voor deelname aan het Zesde Kaderprogramma
11.2.3.1
Vlaamse deelnametoelage en return per prioriteit
op. In LIFESCIHEALTH waren vooral de universiteiten aan zet:
en per deelnemerscategorie
zij waren goed voor 63% van de Vlaamse deelnametoelage
In figuur 11.3 wordt de participatie van de verschillende
voor deze thematische prioriteit. Binnen deze categorie was
categorieën in de specifieke onderdelen (thematische prioriteiten
opnieuw de K.U.Leuven veruit de sterkste budgettaire speler.
en horizontale activiteiten) aan de hand van deelnametoelage
De onderzoekscentra haalden 27% van de Vlaamse
van het Zesde Kaderprogramma weergegeven.
LIFESCIHEALTH-toelage naar zich toe, en die middelen gingen bijna volledig naar het VIB.
171
Figuur 11.3: Vlaamse deelnametoelage per prioriteit en per deelnemerscategorie
LIFESCI HEALTH
n Universiteiten en hogescholen n Bedrijven
IST
n Onderzoekscentra
NMP
n Overige instellingen
AEROSPACE FOOD SUSTDEV CITIZENS SME SSP INCO POLICIES COORDINATION MOBILITY INNOVATION INFRASTRUCTURES SOCIETY EURATOM* 0
20
40
60
80
100
120
Deelnametoelage (in miljoen euro)
De specifieke onderdelen NMP, SUSTDEV en MOBILITY
De toelage die de Vlaamse onderzoekscentra voor hun
vertegenwoordigden elk ongeveer een tiende van de totale
deelname aan SUSTDEV ontvingen, ging bijna volledig naar
Vlaamse deelnametoelage voor het Zesde Kaderprogramma.
IMEC en VITO, die deze toelage onderling ongeveer evenredig
De Vlaamse NMP-toelage ging voor 41% naar de
verdeelden. In MOBILITY tenslotte waren de universiteiten en
universiteiten, en voor resp. 29% en 28% naar de bedrijven en
de
de onderzoekscentra. Ook in NMP was de K.U.Leuven
vertegenwoordigers: zij haalden resp. 44% en 41% van de
budgettair gezien de sterkste universitaire vertegenwoordiger,
Vlaamse MOBILITY-toelage naar zich toe. De sterkste
met de UGent als opvallende tweede in deze rangschikking.
budgettaire spelers binnen deze deelnemerscategorieën waren
onderzoekscentra
veruit
de
sterkste
budgettaire
resp. de K.U.Leuven en het VIB. Weinig verrassingen wat de Vlaamse vertegenwoordiging uit de deelnemerscategorie “onderzoekscentra” in NMP betreft:
Figuur 11.4 geeft aan welke financiële return Vlaanderen uit de
die rol was hoofdzakelijk weggelegd voor IMEC. De Vlaamse
verschillende onderdelen van het Zesde Kaderprogramma wist
deelnametoelage voor SUSTDEV was ongeveer evenredig
te behalen, en welk aandeel de verschillende deelnemers-
verdeeld over de universiteiten (35%), de onderzoekscentra
categorieën hierin hebben gehad.
(28%) en de bedrijven (26%). In SUSTDEV was UGent budgettair gezien de sterkste universitaire vertegenwoordiger, op de voet gevolgd door K.U.Leuven.
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11
* Excl. “beheerste kernfusie”.
172
Figuur 11.4: Vlaamse return per prioriteit en per deelnemerscategorie
LIFESCI HEALTH
n Universiteiten en hogescholen n Bedrijven
IST
n Onderzoekscentra
NMP
n Overige instellingen
AEROSPACE FOOD SUSTDEV CITIZENS SME SSP INCO POLICIES COORDINATION MOBILITY INNOVATION INFRASTRUCTURES SOCIETY EURATOM* 0
1
2
3
4
5
6
7
Return (%)
* Excl. “beheerste kernfusie”.
Rekening houdend met een gemiddelde verwachte Vlaamse
De deelnemerscategorie “universiteiten en hogescholen” liet
return uit het Zesde Kaderprogramma van ongeveer 2,2%
een opvallend aandeel (meer dan 2/3) in de Vlaamse return
(de verticale band in figuur 11.4), kunnen we de prestatie van
optekenen bij de specifieke onderdelen CITIZENS (95%), FOOD
Vlaanderen in de specifieke onderdelen van het Zesde
(78%) en SSP (72%), en verder ook nog bij LIFESCIHEALTH
Kaderprogramma als volgt beoordelen:
(63%), SOCIETY (46%), MOBILITY (44%) en NMP (42%). De Vlaamse universiteiten stonden bijna in hun eentje in voor
l
“sterk tot zeer sterk” in EURATOM (6,11%), POLICIES
de financiële return die Vlaanderen uit CITIZENS wist te halen.
(3,41%) en INCO (3,05%);
Vooral de K.U.Leuven speelde hierin een belangrijke rol.
l
“boven verwachting” in IST (2,80%) en NMP (2,39%);
l
“(ongeveer) volgens verwachting” in SOCIETY (2,32%),
De bedrijven leverden een opvallende bijdrage in de Vlaamse
LIFESCIHEALTH (2,30%) en FOOD (2,11%);
return uit de onderdelen SME (42%), IST (32%), NMP (29%),
l
“minder dan verwacht” in MOBILITY (2,01%);
AEROSPACE (27%) en SUSTDEV (26%).
l
“zwak tot zeer zwak” in CITIZENS (1,98%), INNOVATION (1,98%), SSP (1,77%), INFRASTRUCTURES (1,74%), SME
De onderzoekscentra stonden haast volledig in voor de
(1,33%), SUSTDEV (1,31%), COORDINATION (1,25%) en
Vlaamse return uit EURATOM (84%), wat vooral aan het SCK
AEROSPACE (0,98%).
mag worden toegeschreven. Verder stond deze categorie ook nog in belangrijke mate in voor de Vlaamse return uit INFRASTRUCTURES (55%), INCO (50%), MOBILITY (41%), IST (40%) en AEROSPACE (38%).
173
De overige instellingen tenslotte hadden bij de meeste
De bedrijven stonden ook in voor de meeste deelnames aan de
onderdelen van het Zesde Kaderprogramma een eerder
coöperatieve onderzoeksprojecten (CRAFT) en de collectieve
beperkt aandeel in de Vlaamse return, maar stonden wel bijna
onderzoeksprojecten (CLR). Deze twee projecttypes waren dan
volledig in voor de financiële return die Vlaanderen wist te
ook specifiek gericht op KMO’s, wat ook wordt geïllustreerd
behalen uit COORDINATION (98%) en POLICIES (84%). Het
door het feit dat de Vlaamse bedrijfsdeelnames aan beide
IWT realiseerde bijna driekwart van de financiële return die
projecttypes (bijna) uitsluitend afkomstig waren van deze
Vlaanderen uit COORDINATION haalde. Ook in de Vlaamse
specifieke bedrijvengroep.
return uit INNOVATION (62%) en SOCIETY (46%) hadden de overige instellingen een significant aandeel.
11.2.3.3
Vlaamse topdeelnemers
De K.U.Leuven is nog steeds de grootste Vlaamse deelnemer. 11.2.3.2
Vlaamse deelname per projecttype en per
IMEC volgt op de tweede plaats met minder deelnames dan
deelnemerscategorie
UGent dat volgt op de derde plaats (zie tabel 11.2).
Zoals we kunnen vaststellen in figuur 11.5, waren de Vlaamse universiteiten en hogescholen relatief het meest prominent
Het eerste deelnemende Vlaamse bedrijf, Alcatel Bell NV,
aanwezig in de topnetwerken (NoE), de Marie Curie acties
komt in KP6 op de negende plaats. Philips Innovative
(MCA), de specifiek gerichte onderzoeksprojecten (STREP),
Technology Solutions volgt op de tiende plaats. Opmerkelijk is
de specifieke ondersteunende activiteiten (SSA) en de
dat Alcatel Bell NV met slechts vijf deelnames toch 12% van
coördinatiewerkzaamheden (CA). De Vlaamse deelnames
de totale Vlaamse deelnametoelage van alle Vlaamse bedrijven
aan de initiatieven met betrekking tot een geïntegreerde
vertegenwoordigt.
(onderzoeks)infrastructuur (II & I3) werden gelijk verdeeld tussen de deelnemerscategorieën “universiteiten en hogescholen”
De federale wetenschappelijke instelling ‘Studiecentrum voor
en “onderzoekscentra”. In de geïntegreerde projecten (IP) waren
Kernenergie’ (SCK) komt op de achtste plaats. VITO heeft voor
de meeste Vlaamse deelnames afkomstig van de bedrijven,
47 deelnames 10,2 miljoen euro binnengehaald.
gevolgd door de universiteiten en hogescholen.
Figuur 11.5: Vlaamse deelname per projecttype en per deelnemerscategorie (aantal deelnames in KP6)
n Universiteiten en hogescholen n Bedrijven
CLR
n Onderzoekscentra
CRAFT
n Overige instellingen
II & I3 IP MCA NoE SSA STREP 0%
20%
40% Aantal deelnames (relatief)
60%
80%
100%
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11
CA
174
Tabel 11.2: Vlaamse topdeelnemers Instelling
Aantal deelnames
Deelnamebudget (meuro)
K.U.Leuven
265
74,0
IMEC
106
58,7
UGent
144
32,2
VIB
61
21,9
VUB
72
16,3
UA
63
15,3
VITO
47
10,2
SCK
36
9,5
5
9,0
17
8,4
Alcatel Bell NV Philips Innovative Technology Solutions
Tabel 11.3: Deelname van België aan het Zesde Kaderprogramma volgens regio (deelnametoelage in miljoen euro)
Regio Vlaanderen Brussel Wallonië Niet toegewezen Totaal België
Aantal deelnames 1.342 807 700 7 2.856
%1 47% 28% 25% 0% 100%
Aantal deelnemers 422 503 238 7 1.170
Aantal projecten 1.051 622 556 3 1.860
Aantal coördinatoren 204 147 100 0 451
%2 15% 18% 14% 0% 16%
Deelnametoelage 352,29 148,82 156,08 3,42 660,61
%1 53% 23% 24% 1% 100%
Return (%)3 2,12% 0,90% 0,94% 0,02% 3,98%
1 Procentueel aandeel van de waarde in de voorgaande kolom ten opzichte van het totaal uit die kolom. 2 Procentueel aandeel van het aantal coördinatoren (kolom 6) ten opzichte van het aantal deelnames (kolom 2). 3 Procentueel financieel aandeel van de deelnametoelage in de totale toegekende Europese middelen voor contractonderzoek (exclusief de werkingsmiddelen voor INTAS).
11.2.3.4
Vlaanderen binnen België
Bekijken we de deelname van België aan het Zesde Kader-
In tabel 11.3 wordt de deelname van Vlaanderen, Brussel en
programma volgens deelnemerscategorie (zie figuur 11.6),
Wallonië in de Belgische context geplaatst. België nam 2.856 keer
dan blijkt dat de resultaten van de afzonderlijke regio’s erg
deel aan 2.232 projecten en verwierf daarmee een deelname-
uiteenlopen, zoals ook al het geval was in het Vijfde Kader-
toelage van in totaal 660,61 miljoen euro. Uitgaande van
programma. Zo was de deelnametoelage van de universiteiten
een verwachte Belgische return van 3,87% kan worden gesteld
en hogescholen verdeeld tussen Vlaanderen en Wallonië,
dat België met een return van 3,98% sterk heeft geparticipeerd
met een licht overwicht voor Vlaanderen. De deelnametoelage
in het Zesde Kaderprogramma, maar met dit cijfer bleef België
van de bedrijven was vooral aan Vlaanderen toe te schrijven.
een stuk onder de return die het uit het Vijfde Kaderprogramma
Het deelnamebudget van de Brusselse en Waalse bedrijven
wist te halen (4,42%), en dit niettegenstaande een hogere
waren ongeveer van dezelfde grootteorde. De deelnametoelagen
deelnametoelage in absolute cijfers (voor zijn deelname aan het
van de onderzoekscentra waren overwegend uit Vlaanderen
Vijfde Kaderprogramma ontving België een totaalbedrag van
afkomstig. De deelnametoelagen van de overige instellingen
iets meer dan 567 miljoen euro).
tenslotte kwamen overwegend vanuit de Brusselse regio.
Vlaanderen stond in voor bijna de helft van de Belgische
11.2.3.5
deelnames aan het Zesde Kaderprogramma, en haalde
Vlaanderen wordt in wat volgt vergeleken met de grootste
Vlaanderen in de Europese rangschikking
daarmee iets meer dan de helft van de Belgische
deelnemende landen aan het Zesde Kaderprogramma. Het aantal
deelnametoelage voor dit kaderprogramma naar zich toe.
deelnames en de deelnametoelage worden in deze oefening
Brussel en Wallonië namen elk ongeveer een kwart van de
gerelateerd aan resp. het Bruto Binnenlands Product (BBP)
Belgische participatie in het Zesde Kaderprogramma voor hun
en het aantal inwoners in het desbetreffende land (of regio).
rekening. Brussel nam relatief gezien iets vaker de rol van
Hierbij werd gekeken naar de landen met minstens 1.000
projectcoördinator op zich dan Vlaanderen en Wallonië.
deelnames. Dat waren de landen die voor 1 mei 2004 lid waren van de EU (behalve Ierland en Luxemburg), en verder Hongarije, Noorwegen, Polen, Tsjechië en Zwitserland.
175
Figuur 11.6: Deelname van de Belgische regio’s in KP6 volgens deelnemerscategorie (in deelnametoelage)
n Vlaanderen
Universiteiten en hogescholen
n Brussel n Wallonië Bedrijven
n Niet toegewezen
Onderzoekscentra
Overige
0
25
50
75
100
125
150
175
200
225
250
Deelnametoelage (in miljoen euro)
De rangschikking gerelateerd aan het BBP (figuur 11.7a en
11.2.4 Conclusies
figuur 11.7b) wordt gedomineerd door de Scandinavische landen: achtereenvolgens Zweden, Denemarken en Finland.
Het budgettaire zwaartepunt van de Vlaamse deelname aan het
België en Vlaanderen nemen resp. de vierde en de achtste
Zesde Kaderprogramma lag bij de thematische prioriteit IST,
plaats in wanneer het aantal deelnames wordt gerelateerd aan
die Vlaanderen 30% van zijn totale toelage voor deelname aan
het BBP. Bij het relateren van de deelnametoelage aan het BBP
het Zesde Kaderprogramma opleverde. Ook in LIFESCIHEALTH
wordt dat resp. de vijfde en de zesde plaats, wat ook weer de
scoorde Vlaanderen budgettair goed: deze thematische
vrij hoge gemiddelde toelage per Vlaamse deelname bevestigt.
prioriteit leverde Vlaanderen 15% van zijn totale toelage voor deelname aan het Zesde Kaderprogramma op. De specifieke onderdelen NMP, SUSTDEV en MOBILITY vertegenwoordigden
11.7c en figuur 11.7d) zien we vergelijkbare resultaten voor
elk ongeveer een tiende van de totale Vlaamse deelname-
Vlaanderen en België. Vlaanderen komt op de negende en de
toelage voor het Zesde Kaderprogramma.
achtste plaats als we kijken naar resp. het aantal deelnames en de deelnametoelage, België telkens op de vijfde plaats. De top
Rekening houdend met een gemiddelde verwachte Vlaamse
wordt ook hier weer aangevoerd door de Scandinavische
return uit het Zesde Kaderprogramma van ongeveer 2,2%,
landen Denemarken, Zweden, Finland en Noorwegen, dat op
kunnen we de stellen dat Vlaanderen sterk tot zeer sterk
vlak van behaalde deelnametoelage wel wordt voorafgegaan
scoorde in de thematische programma’s EURATOM (6,11%),
door Nederland, België en Zwitserland, en op de voet wordt
POLICIES (3,41%), INCO (3,05%), IST (2,80%) en NMP (2,39%).
gevolgd door Vlaanderen.
Vlaanderen scoorde ongeveer volgens verwachting in SOCIETY (2,32%), LIFESCIHEALTH (2,30%) en FOOD (2,11%).
Uit deze vergelijking kan dus worden afgeleid dat Vlaanderen het helemaal niet slecht deed in het Zesde Kaderprogramma
Vlaanderen scoorde onder de verwachting in CITIZENS (1,98%),
(zeker niet in termen van behaalde deelnametoelage), en
INNOVATION (1,98%), SSP (1,77%), INFRASTRUCTURES
betere resultaten behaalde dan de grootste EU-lidstaten
(1,74%), SME (1,33%), SUSTDEV (1,31%), COORDINATION
Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Italië. Ook
(1,25%) en AEROSPACE (0,98%).
België behaalde zeer goede scores met een vierde of een vijfde plaats in de rangschikkingen.
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11
In de rangschikking gerelateerd aan het aantal inwoners (figuur
176
Figuur 11.7: Vlaanderen in de Europese rangschikking
Zweden Denemarken Finland België Griekenland Zwitserland Nederland Vlaanderen Oostenrijk Hongarije Noorwegen Portugal Tsjechië Verenigd Koninkrijk Spanje Duitsland Frankrijk Italië Polen 0
2
4
6
8
10
12
2.500
3.000
Figuur 11.7a: Aantal deelnames / BBP (in miljard euro)
Zweden Denemarken Finland Nederland België Vlaanderen Zwitserland Oostenrijk Griekenland Noorwegen Verenigd Koninkrijk Duitsland Frankrijk Italië Hongarije Portugal Spanje Tsjechië Polen 0
500
1.000
1.500
2.000
Figuur 11.7b: Deelnametoelage (in duizend euro) / BBP (in miljard euro)
177
Figuur 11.7: Vlaanderen in de Europese rangschikking
Denemarken Zweden Noorwegen Finland België Zwitserland Nederland Oostenrijk Vlaanderen Griekenland Verenigd Koninkrijk Duitsland Frankrijk Hongarije Spanje Italië Portugal Tsjechië Polen 0
50
100
150
200
250
300
350
Figuur 11.7c: Aantal deelnames / miljoen inwoners
Zweden Denemarken
Finland België Zwitserland Noorwegen Vlaanderen Oostenrijk Verenigd Koninkrijk Griekenland Duitsland Frankrijk Italië Spanje Portugal Hongarije Tsjechië Polen 0
10
20
30
40
50
Figuur 11.7d: Deelnametoelage (in duizend euro) / duizend inwoners
60
70
80
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11
Nederland
178
De K.U.Leuven is nog steeds de grootste Vlaamse deelnemer. IMEC volgt op de tweede plaats met minder deelnames dan
11.4 NIEUWE INITIATIEVEN VAN DE EUROPESE COMMISSIE
UGent dat volgt op de derde plaats. Vlaanderen stond in voor bijna de helft van de Belgische deelnames aan het Zesde
Naast ERA-NET en INNO-NET heeft de Europese Commissie
Kaderprogramma, en haalde daarmee iets meer dan de helft
de ambitie om via zgn. art. 169 (Commissie en lidstaten) en
van de Belgische deelnametoelage voor dit kaderprogramma
art. 171 (Commissie en bedrijven en eventueel lidstaten) de
naar zich toe. Brussel en Wallonië namen elk ongeveer
samenwerking op het vlak van innovatie te bevorderen.
een kwart van de Belgische participatie in het Zesde
Alhoewel de ideeën daaromtrent al enkele jaren circuleerden,
Kaderprogramma voor hun rekening.
werden in 2007 belangrijke stappen genomen naar de uitvoering.
In de Europese rangschikkingen situeert Vlaanderen zich, wat
Vlaanderen is betrokken bij 2 art. 169 initiatieven, respectievelijk
betreft het aantal deelnames telkens op een 8ste plaats omringd
AAL en EUROSTARS, en 4 art. 171 initiatieven, ARTEMIS
door landen zoals Oostenrijk en Nederland. Vlaanderen bevindt
(Advanced Research and Technology for Embedded Intelligence
zich wat betreft de deelnametoelage op een 6de en 8ste plaats
and Systems), ENIAC (European Nanoelectronics Initiative
in de Europese rangschikkingen. België presteert zowel qua
Advisory Council), IMI (Innovative Medicines Initiative) en Fuel
aantal deelnames als deelnametoelage goed en eindigt tussen
Cells and Hydrogen.
de 4de en 5de plaats. In al deze initiatieven zullen de eerste selecties en projecten echter pas in 2008 opstarten.
11.3 ERA-NET Met ARTEMIS, ENIAC, IMI en Fuel Cells and Hydrogen , vier Het ERA-NET schema, is een initiatief dat werd opgestart
zogenaamde Joint Technology Initiatives’ (JTI), wil de Europese
binnen het Zesde Kaderprogramma (KP6) en wordt verder
Commissie grootschalige publiek-private samenwerking opzetten
gezet binnen KP7. Het wenst de samenwerking en coördinatie
tussen de EC en de (geïnteresseerde) lidstaten enerzijds en de
tussen de verschillende onderzoek- en innovatieprogramma’s
bedrijven anderzijds. De initiatieven behandelen respectievelijk
van de lidstaten en de geassocieerde staten te bevorderen.
‘embedded systems’, micro- en nanoelectronica, innovatie in de farmaceutische sector, en brandstofcellen.
De projectuitvoerders zijn overheidsorganisaties die verantwoordelijk zijn voor de financiering of het beheer van
AAL (‘Ambient Assisted Living’) is een art. 169 initiatief waarbij
onderzoekprogramma’s op nationaal of regionaal niveau
de Europese Commissie en lidstaten samenwerken. Het heeft
(Ministeries, agentschappen, ...), andere nationale organisaties
tot doel via het gebruik van ICT-middelen ruimere
die dergelijke programma’s financieren of beheren (bv.
mogelijkheden te bieden om oudere en/of zieke mensen zo
agentschappen die door de overheid onder publiek recht zijn
lang mogelijk comfortabel in hun gewone leefomgeving te
opgericht) en organisaties die op Europees niveau werkzaam
laten blijven. Los van het economisch doel draagt dit initiatief
zijn en ondermeer instaan voor de pan-Europese coördinatie
dus een belangrijk maatschappelijk doel.
van nationaal gefinancierd onderzoek. EUROSTARS is eveneens een art. 169 initiatief, opgezet vanuit In het totaal werden tot nu toe ongeveer 80 ERA-NET projecten
EUREKA. Het programma heeft geen thematische afbakening,
opgestart. Vlaanderen neemt, hoofdzakelijk via EWI, IWT, en
maar een specifieke doelgroep: onderzoek uitvoerende
FWO zeer actief deel aan meerdere projecten (zie tabel 11.4).
KMO’s (“Research Performing SME’s”). Het programma wil het gezamenlijke financieren van sterk marktgerichte en
De meeste projecten experimenteren met de organisatie
hoogtechnologische projecten, die door dergelijke KMO(’s)
van gemeenschappelijke oproepen tot internationale project-
worden gestuurd, vlotter laten lopen.
voorstellen. De deelnemers aan dergelijke projecten krijgen steun via de financieringsprogramma's van hun eigen land of regio. Vlaanderen neemt actief deel aan dergelijke oproepen.
179
Tabel 11.4: Vlaamse deelname in ERA-NET projecten (stand van zaken 2008) Organisatie
ERA-NET project
EWI
HY-CO
Co-ordination Action to Establish a Hydrogen and Fuel Cell ERA-Net
EWI
MARIN-ERA
A partnership of the leading marine RTD funding organisations in 13 member states
EWI
PLANT GENOMICS
European Research Area Plant Genomics
EWI
PV-ERA-NET
Networking and Integration of National and Regional Programmes in the field of Photovoltaic
EWI
VISION
Shared knowledge base of sustainable innovation policies
CLO - Dep. Zeevisserij
Mari-Fish
Coordination of European marine fisheries research
IWT
COMPERA
ERA-NET on national and regional Programmes and initiatives dedicated to the creation and support of Competence Research Centres
IWT
CORNET
ERA-Net on national and regional programmes and initiatives to promote research, and the dissemination of the results of that research, to the benefit of large communities of SMEs: Collective Research
IWT
ERACOBUILD
Strategic networking of RDI Programmes in construction and operation of buildings
IWT
EUROTRANS-BIO
European network of transnational collaborative RTD for SME projects in the field of biotechnology
IWT
EraSME
ERA-NET on National and Regional Programmes to promote innovation networking and co-operation between SME’s and research organisations
IWT
MANUNET
Walking towards an European regionally based research area on new processes and flexible manufacturing systems
IWT
MATERA & MATERA-Plus
ERA-NET Materials
IWT
MNT-ERA-NET
From micro- and nano-scale science to new technologies for Europe
IWT
SUSPRISE
Networking, coordination, cooperation and integration of national RTD programmes in the field of sustainable enterprise
FWO
ASPERA
Implementation of European Coordination in Astroparticle Physics
FWO
ASTROPHYSICS
Paving the way to a EuropeanAstrophysical Research Cycle that will ensure sustained co-operation between national/regional/European research and innovation programmes in the field of astrophysics
FWO
ERA-CHEMISTRY
Implementation of joint bottom-up European Programmes in Chemistry
FWO
EUROPOLAR
The European Polar Consortium: Strategic Coordination and networking of European Polar RTD Programmes
FWO
HERA
Humanities in the European Research Area
OVAM
SNOWMAN
Sustainable management of soil and groundwater under the pressure of soil pollution and soil contamination
Waterbouwkundig Laboratorium
CRUE
Flooding ERA-NET
ILVO
EUPHRESCO
Coordination of European Phytosanitary Research
Het netwerk verleent, na een internationale evaluatieprocedure, aan de goedgekeurde projecten een kwaliteitslabel. Voor cofinanciering kunnen de individuele partners terecht bij de eigen
11.5.1 Situering
nationale of regionale overheden, en dit op basis van de plaatselijke modaliteiten.
EUREKA is een intergouvernementeel initiatief voor de bevordering van de internationale samenwerking op het vlak
Bedrijven, en hiermee samenwerkende universiteiten en
van toegepast en marktgericht industrieel Onderzoek &
onderzoeksinstellingen, uit het Vlaams Gewest kunnen voor
Ontwikkeling. Het EUREKA netwerk omvat actueel 38 lidstaten
hun deelname in een project beroep doen op het IWT.
en de Europese Unie.
Het aanvragen van steun in het kader van EUREKA-projecten, en de evaluatie van deze aanvragen, gebeurt in overeenstemming
EUREKA hanteert, in tegenstelling tot het Kaderprogramma
met de gebruikelijke procedures van het IWT, en dit volgens
van de Europese Commissie, het ‘Bottom Up’ principe: de
de modaliteiten voor O&O bedrijfssteun of KMO-Innovatie-
partners in een O&O project bepalen zèlf de inhoud, het
projecten. In aanvulling op de basissteun hanteert het IWT, ter
samenwerkingsverband, en de timing van hun project.
stimulering van de internationale industriële samenwerking, een toeslag van 10% op kostenbasis.
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11
11.5 VLAAMSE DEELNAME IN HET EUREKA- PROGRAMMA
180
11.5.2 EUREKA projecten
11.5.3 Verleende steun aan Vlaamse deelnemers in EUREKA (2000 – 2007)
Het EUREKA-programma maakt een onderscheid tussen projecten die op individueel initiatief van de betrokken bedrijven
De volgende tabellen en figuren leveren meer detail over de
tot stand komen, en projecten die gegenereerd worden in door
projecten met door IWT gesteunde Vlaamse partners. Hierbij is
de Europese grootindustrie opgezette "Clusters".
de categorie ‘Cluster’-projecten verder opgesplitst. In de periode 2000 – 2007 waren de volgende Cluster-organisaties actief:
De projecten van het eerste type, waarnaar we verwijzen met de term ‘INDIVIDUELE’-projecten, verkrijgen het EUREKA-label
l
MEDEA (looptijd van 1/1/1997 tot 1/1/2001) en vervolg-
na een evaluatie door de betrokken Nationale of Regionale
cluster MEDEA+ (1/1/2001 tot 1/1/2008): “Micro-
overheden op basis van een uniforme en internationaal
Electronics Development for European Applications”.
geaccepteerde procedure.
MEDEA+ is opgevolgd door CATRENE (Cluster for Application and Technology Research in Europe on NanoElectronics) vanaf 1/1/2008.
De EUREKA-Clusters oriënteren zich op een specifiek onderzoeksterrein of een industriële sector. De onderzoeks-
l
ITEA (1/10/1998 tot 1/1/2006) en ITEA II (1/1/2006 tot
doelstellingen worden geformuleerd in een “Road Map”,
1/1/2014):
en hieraan wordt invulling gegeven via de initiatie van
Advancement”.
“subprojecten”. Deze subprojecten verkrijgen het EUREKA-label
l
“Information
Technology
for
European
EURIMUS (30/6/1998 tot 30/6/2003) en EURIMUS II (1/1/2004 tot 1/1/2009): “EUReka Industrial Initiative for
na een evaluatie door het Technisch Comité van de Cluster.
Microsystems Uses”. De aanvragen voor cofinanciering worden door de betrokken
l
PIDEA (1/10/1998 tot 1/4/2004) en PIDEA+ (1/4/2004 tot
overheden behandeld synchroon met, of aansluitend op,
1/4/2009): “Packaging and Interconnection Development
de evaluaties voor het EUREKA-label. De beschrijvingen van
for European Applications”.
de projecten en deelnemende partners worden na verlening
Opm: In juni 2007 zijn de Clusters Eurimus II en Pidea+
van de EUREKA-label publiek gemaakt door de opname in
samengevoegd in de nieuwe Cluster EURIPIDES.
databases welke toegankelijk zijn via de EUREKA website
l
(http://www.eureka.be).
CELTIC (1/1/2004 tot 1/1/2009) “Cooperation for a European sustained Leadership in Telecommunications”.
l
EUROGIA (1/1/2004 tot 1/1/2008): “Eureka Oil & Gas
Tabel 11.5 toont het aantal nieuwe projecten waarin Vlaamse
Industry Initiative For Sustainable Development And A
partners actief zijn (2000-2007).
Secure Energy Supply In A Cleaner/Safer Future”.
Met uitzondering van 2002, toen geen MEDEA oproep werd behandeld, is de Vlaamse deelname aan EUREKA-projecten stabiel. Ze omvat een gemiddelde deelname aan 22 projecten per jaar, evenredig verdeeld tussen ‘INDIVIDUELE’ en ‘Cluster’ projecten.
Tabel 11.5: Aantal nieuwe projecten met Vlaamse partners
Individuele Projecten Cluster Projecten Totaal
2000 13 10 23
2001 9 17 26
2002 11 3 14
2003 12 9 21
2004 10 17 27
2005 12 11 23
2006 9 12 21
2007 10 15 25
Totaal 86 94 180
181
Tabel 11.6: Aantal gesteunde projecten, met project budget van de Vlaamse partners, en steuntoelagen van IWT 2000
2001
2002
2003
2004
2005
5
4
2006
2007
Totaal
3
9
45
6
35
Aantal Projecten
MEDEA EURIMUS ITEA PIDEA CELTIC INDIVIDUEEL Totaal
5
13
6
1
1
3
2
1
2
3
3
1
5
6
7
2
1
1
3
3
6 4
7
7
5
8
7
8
3
5
50
17
24
8
17
23
19
15
20
143
22,3
49,9
26,1
18,3
8,4
12,4
26,0
163,4
7,5
64,9
Budget (Miljoen €)
MEDEA EURIMUS ITEA PIDEA CELTIC INDIVIDUEEL Totaal
1,7
1,8
7,8
4,6
1,6
1,6
5,4
3,3
0,8
12,1
13,6
10,6
4,1
0,1
0,9
4,3
2,6
5,8 5,1
6,8
3,9
4,6
6,9
2,8
4,9
3,4
9,2
42,5
40,3
60,0
9,9
36,3
41,6
27,0
28,0
42,7
285,9
11,6
22,9
6,7
4,8
6,0
11,3
75,9
4,0
29,4
Steun (Miljoen €)
MEDEA EURIMUS ITEA PIDEA CELTIC INDIVIDUEEL Totaal
12,7
0,6
1,0
3,2
1,8
0,7
0,9
3,1
1,9
0,3
4,6
5,6
5,1
0,05
0,56
1,9
1,1
2,7
1,7
2,3
3,8
2,0
2,4
3,7
1,2
2,1
1,9
3,6
20,7
20,0
27,6
5,5
18,3
16,3
12,6
13,8
18,9
132,9
Gedurende de periode 2000 – 2007 werden de Vlaamse partners
Figuur 11.8: Aantal EUREKA-projecten met IWT steun aan
in 143 EUREKA-projecten door IWT gesteund. De totale
Vlaamse partners
investering van de Vlaamse bedrijven in deze projecten bedraagt 286 miljoen euro, hierin is begrepen 133 miljoen
25
euro steun vanwege IWT. Het jaargemiddelde voor steun
vertoont weinig variatie tussen de projecttypes, maar wel tussen afzonderlijke projecten: een gevolg van de impact van de aard van het onderzoekstype (industrieel onderzoek of ontwikkeling) en de mate van KMO-deelname. De omvang van de projecten verschilt sterk naargelang het type. Uitersten zijn weer te vinden bij de projecten van de MEDEA en
Aantal projecten
steunpercentage bedraagt 46%. Dit gemiddelde percentage
20
15
10
5
0 2000
2001
2002
MEDEA+ Cluster (gemiddeld Vlaams projectbudget 3,6 miljoen
n CELTIC
euro) en projecten van het ‘INDIVIDUELE’-type (gemiddeld
n PIDEA
Vlaams budget 0,8 miljoen euro). Na een lichte terugval in
n EURIMUS
de ordegrootte van projecten en het hieraan gekoppeld
n ITEA
steunvolume in 2005 en 2006, sluiten de resultaten van 2007
n MEDEA
terug aan bij het langlopend gemiddelde.
n INDIVIDUEEL
2003
2004
2005
2006
2007
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11
aan EUREKA-projecten is 17 miljoen euro, het gemiddeld
182
Figuur 11.9: Projectbudgetten van de Vlaamse partners,
Figuur 11.10: IWT steunbedragen aan de Vlaamse partners,
per deelprogramma
per deelprogramma
70
30
60
25
Miljoen Euro
Miljoen Euro
50 40 30
20 15 10
20 5
10
0
0 2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2000
2001
2002
n CELTIC
n CELTIC
n PIDEA
n PIDEA
n EURIMUS
n EURIMUS
n ITEA
n ITEA
n MEDEA
n MEDEA
n INDIVIDUEEL
n INDIVIDUEEL
2003
2004
2005
2006
2007
11.5.4 Plaatsing in internationale context
11.6 CONCLUSIE
Recente analyses van het internationaal EUREKA secretariaat
Vlaanderen is en blijft nadrukkelijk aanwezig in de belangrijke
(“Facts & Tendencies 2007”) tonen aan dat België qua deelname
Europese programma’s voor wetenschappelijk onderzoek.
aan EUREKA systematisch bij de top 6 lidstaten behoort.
In het EUREKA-programma is het door IWT toegekende
Hierbij dient opgemerkt dat deze deelnames in meerderheid
steunvolume in 2007 opnieuw gestegen tot zijn gemiddelde
gebeuren als project-‘partners’, en in veel mindere mate als
peil. Vlaanderen neemt internationaal gezien een prominente
initiatiefnemer of project-‘coördinator’. Gezien de relatief
positie in het programma in. Vlaamse partners zijn daarnaast
hoge participatie van het Vlaams Gewest in de projecten van
niet onaardig vertegenwoordigd in ERANET door deelname
het ‘INDIVIDUELE’ type, en de overheersende deelname in
aan meer dan een kwart van alle door de Europese Commissie
de Cluster-projecten, kan gesteld worden dat Vlaanderen
opgezette projecten. In het Zesde Kaderprogramma behaalde
prominent aanwezig is in het internationaal EUREKA netwerk.
Vlaanderen net niet de verwachte return. De Vlaamse deelname neemt daarmee verder af over de Kaderprogramma’s heen, doch rekening houdend met de steeds verhoogde concurrentie door de toename van het aantal deelnemende landen, is dit resultaat vrij behoorlijk te noemen. Internationaal vergeleken scoort Vlaanderen binnen de top 10 van de sterkst deelnemende landen. Opvallend in de Vlaamse deelname is dat de onderzoekscentra hun deelname binnen het Zesde Kaderprogramma sterk hebben verhoogd, terwijl dat van de bedrijven is verminderd.
183
11.7 REFERENTIELIJST
Thematische prioriteiten: • LIFESCIHEALTH: Biowetenschappen, genomica en biotechnologie voor de gezondheid
• Vlaanderen in het Europese Vijfde Kaderprogramma voor Onderzoek (1998-2002); Dengis P., Dewallef E. en Verlaeckt K., 2005, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Wetenschap, Innovatie en Media, Administratie Wetenschap en Innovatie. • Vlaanderen in het Europese Zesde Kaderprogramma voor Onderzoek (2002-2006); Van Langenhove M., Dewallef E. en Dengis P., 2009, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Economie, Wetenschap en Innovatie.
• IST: Technologieën voor de informatiemaatschappij • NMP: Nanotechnologieën en nanowetenschappen, kennisgebaseerde multifunctionele materialen en nieuwe productieprocédés en –apparatuur • AEROSPACE: Lucht- en ruimtevaart • FOOD: Voedselkwaliteit en –veiligheid • SUSTDEV: Duurzame ontwikkeling, veranderingen in het aardsysteem en ecosystemen • CITIZENS: Burgers en bestuur in de kennismaatschappij • SME: Specifieke onderzoeksactiviteiten voor KMO’s
Afkortingen • EEI: European Economic Interest Group (Europees Economisch Samenwerkingsverband) • FMTC: Flanders Mechatronics Technology Centre • GCO: Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek
• SSP: Beleidsondersteuning en anticiperen op de wetenschappelijke en technologische behoeften van de EU • INCO: Specifieke activiteiten voor internationale samenwerking • POLICIES: Steun voor een samenhangende ontwikkeling van het beleid
• IBBT: Interdisciplinair instituut voor BreedBand Technologie
• COORDINATION: Steun voor de coördinatie van de activiteiten
• IMEC: Interuniversitair Micro-elektronica Centrum VZW
• MOBILITY: Menselijk potentieel en mobiliteit
• INTAS: International Association for Promotion of Cooperation
• INNOVATION: Onderzoek en innovatie
with Scientists from the Independent States of the Former
• INFRASTRUCTURES: Onderzoeksinfrastructuur
Soviet Union (FSU)
• SOCIETY: Wetenschap en samenleving
• ITG: Instituut voor Tropische Geneeskunde
• EURATOM: Euratom (exclusief FUSION)
• IWT-Vlaanderen: Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen
Projecttypes:
• SCK: Studiecentrum voor Kernenergie
• CLR: collectieve onderzoeksprojecten
• SIRRIS: Collectief centrum van de technologische industrie
• CRAFT: coöperatieve onderzoeksprojecten
• UA: Universiteit Antwerpen
• II en I3: specifieke acties ter promotie van onderzoeks-
• UGent: Universiteit Gent
infrastructuur
• VIB: Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie
• IP: geïntegreerde projecten
• VKI: von Karman Institute for fluid Dynamics
• MCA: Marie Curie acties ter bevordering en ontwikkeling
• VLIZ: Vlaams Instituut voor de Zee
van menselijk potentieel en mobiliteit
• VUB: Vrije Universiteit Brussel
• NoE: Excellentienetwerken
• VITO: Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek
• SSA: specifiek ondersteunende activiteiten
• KP4: Vierde Europese Kaderprogramma
• STREP: specifiek gerichte projecten
• KP5: Vijfde Europese Kaderprogramma • KP6: Zesde Europese Kaderprogramma
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 9 H O O F D S T U K 11
• K.U.Leuven: Katholieke Universiteit Leuven
• CA: coördinatiewerkzaamheden
184
185
CONCLUSIES EN NABESCHOUWINGEN Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven) en Reinhilde Veugelers (K.U.Leuven)
12
186
Dit vierde Indicatorenboek biedt een bundeling van de inzet en
Ondernemingen staan – zoals verwacht – in voor het leeuwen-
de resultaten die de laatste vijftien jaar door de verschillende
aandeel van de uitgaven voor O&O in Vlaanderen. De uitgaven
actoren in het Vlaams Wetenschaps-, Technologie- en
van de bedrijven voor O&O, als % van het BBPR, bedragen in
Innovatielandschap zijn gerealiseerd. Het geeft een overzicht
2007 1,40% (ten opzichte van 1,44% in 2005), waarmee
van de sterke punten van dit landschap, maar ook van de
Vlaanderen boven het EU27-gemiddelde scoort. De niet-BERD
aandachtspunten die verdere inspanningen noodzaken. In elk
component van O&O bestedingen als % van het BBPR, bedraagt
geval tonen de resultaten aan dat inspanningen op vlak van
in Vlaanderen 0,63% voor 2007 (ten opzichte van 0,63% in
wetenschap, technologie en innovatie voldoende continuïteit
2005), wat het EU27-gemiddelde benadert. Dit aandeel is dus
en niveau van inspanning vergen vooraleer zich te vertalen
vrij stabiel gebleven gedurende de laatste jaren. We verwijzen
in relevante output en de eruit volgende welvaartscreatie.
tot slot expliciet naar het aandeel van de bedrijven in de
De resultaten van al deze inspanningen worden immers pas
O&O-uitgaven van het hoger onderwijs: met 15,3% van de
zichtbaar met een behoorlijke tijdsvertraging. Vandaar het
O&O-uitgaven in het hoger onderwijs gefinancierd door het
belang om, in Vlaanderen, de investeringen in wetenschap,
bedrijfsleven, haalt Vlaanderen de absolute top onder de
technologie en innovatie consequent verder te zetten én hun
OESO-landen.
resultaten op te volgen. Zeker met het oog op het streven naar de realisatie van de 3% O&O-norm, zoals vooropgesteld door de Europese Commissie op de top van Lissabon.
12.2 OPLEIDINGEN: BACHELOR & MASTER Op 1 februari 2008 telde men in het Vlaamse hoger onderwijs
12.1 INSPANNINGEN VOOR O&O IN VLAANDEREN
42.908 generatiestudenten. Meer dan de helft van deze generatiestudenten (53,0%) startte een professioneel gerichte bacheloropleiding aan een hogeschool. De universiteiten en de
Waar historisch de totale uitgaven voor O&O een opwaartse
academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen trokken
trend vertoonden en 2001 een piekjaar was, constateerden we
respectievelijk 34,4% en 12,6% aan van het totale aantal
een dalende trend voor de periode 2001-2003. Deze daling
generatiestudenten.
stabiliseerde in 2004. Voor 2005 merkten we dat de totale uitgaven voor O&O opnieuw stegen. In de recente cijfers zien
Een analyse van de evolutie van het aantal generatiestudenten
we een beperkte daling in 2006 ten opzichte van 2005,
aan de Vlaamse universiteiten over de laatste 10 jaar geeft het
opnieuw gevolgd door een stijging in 2007. Zowel de O&O-
volgende beeld. Terwijl in het eerste deel van de beschouwde
uitgaven van de bedrijven, de collectieve onderzoekscentra,
periode het aantal generatiestudenten aan de Vlaamse
de overheid, het hoger onderwijs, en de non-profit sector
universiteiten jaarlijks afnam (van 13.495 generatiestudenten in
vertonen in constante prijzen voor het jaar 2007 een stijging
het academiejaar 1998-1999 tot 12.423 generatiestudenten in
ten opzichte van 2005.
het academiejaar 2003-2004), kenden de universiteiten vanaf het academiejaar 2004-2005 een gestage toename van het
Wanneer we de totale uitgaven voor O&O uitdrukken als %
aantal generatiestudenten. In het academiejaar 2007-2008
van het BBPR bekomen we voor 2007 een percentage van
werden 42.908 generatiestudenten geteld, dit zijn er 1.253
2,03% voor de GERD op gewestniveau en 2,06% voor de
meer dan bij de start van de beschouwde periode –
GERD op gemeenschapsniveau. In vergelijking met de EU,
academiejaar 1998-1999. Het academiejaar 2004-2005 zorgde
zit Vlaanderen daarmee behoorlijk boven het EU-gemiddelde,
voor een ‘trendbreuk’ in de evolutie van het aantal
maar is het toch nog een stuk verwijderd van de 3% O&O-
generatiestudenten. Deze ‘trendbreuk’ valt samen met de
norm, de doelstelling voor 2014. Na een stijging in 2005,
invoering van de bachelor/masterstructuur. Verdere analyse is
zien we dat de totale O&O-uitgaven als percentage van het
nodig om na te gaan of hier een – en zo ja, welk – oorzakelijk
BBPR in 2006 opnieuw dalen tot 1,97% (op gewestniveau).
verband bestaat tussen de introductie van deze nieuwe
In 2007 zien we echter opnieuw een stijging tot 2,03%.
structuur en de toegenomen instroom in het universitair
Deze cijfers dienen genuanceerd te worden gezien de uitermate
onderwijs.
sterke groei van het BBPR tussen 2005 en 2007.
187
Kijkt men naar de relatieve deelname van de Vlaamse achttien-
Op 1 februari 2008 maakten de vrouwelijke generatiestudenten
jarigen aan het universitair onderwijs, dan kan men stellen dat
55,4% uit van het totaal aantal generatiestudenten in het
vanaf het academiejaar 2000-2001 deze participatie toenam.
Vlaamse hoger onderwijs. Dit vrouwelijk overwicht komt ook
Terwijl in het academiejaar 1999-2000 slechts 16,8% van de
sterk tot uiting in de participatiegraad: 65,5% van de potentiële
potentiële doelgroep was ingeschreven aan een Vlaamse
doelgroep (achttienjarige vrouwen wonende in het Vlaams
universiteit, was in het academiejaar 2007-2008 dit percentage
Gewest + 20% van de achttienjarige vrouwen wonende in het
gestegen tot 19,9%. De eerste jaren was deze stijging
Brussels Gewest) startte in het academiejaar 2007-2008 een
hoofdzakelijk te wijten aan de daling van het aantal achttien-
opleiding in het hoger onderwijs. Bij de mannen bedroeg dit
jarigen, de laatste vier academiejaren – vanaf het academiejaar
percentage 50,4%.
2004-2005 – nam ook het aantal achttienjarigen toe en is de relatief sterke toename van het aantal generatiestudenten
Deze grotere deelname van vrouwen vindt men zowel terug bij
aan de universiteiten grotendeels verantwoordelijk voor de
de hogeschoolopleidingen als bij de universiteiten. Toch zijn er
toegenomen participatie.
een aantal verschillen. Met uitzondering van de academiejaren 1999-2000 en 2003-2004 kende het aantal vrouwelijke generatie-
Bij de hogescholen vindt men twee verschillende evoluties
studenten aan de universiteiten een quasi onafgebroken stijging.
terug. Bij de professionele bacheloropleidingen nam het aantal
Bekeken over de globale periode van 10 jaar nam het aantal
generatiestudenten tijdens de beschouwde periode onafgebroken
vrouwelijke generatiestudenten aan de universiteiten toe met
toe: van 19.625 generatiestudenten in het academiejaar 1998-
12,6%. Bij de hogescholen valt de onafgebroken toename van
1999 tot 22.752 in het academiejaar 2007-2008. In dezelfde
het aantal vrouwelijke generatiestudenten op vanaf het
periode groeide de relatieve deelname van 25,9% naar 30,8%
academiejaar 2003-2004. Vergeleken met de start van de
in 2005-2006 en 2006-2007, om vervolgens licht te dalen tot
beschouwde periode - academiejaar 1998-1999 – telde men in
30,6% in 2007-2008.
het academiejaar 2007-2008 8,8% meer vrouwelijke generatiestudenten aan de hogescholen.
De evolutie van het aantal generatiestudenten en van de Kortom, kenmerkend zijn de hoge participatiegraad van de
vertoont een enigszins ander beeld. Globaal genomen nam het
Vlaamse achttienjarigen aan het hoger onderwijs en de sterke
aantal generatiestudenten aan de hogeschoolopleidingen van
vervrouwelijking van het academisch onderwijs en van de
twee cycli af van 6.195 studenten in 1998-1999 (met een
professionele opleidingen. De laatste academiejaren kent het
maximum van 6.486 in het academiejaar 1999-2000) naar
hoger onderwijs een toename van het aantal generatie-
5.020 generatiestudenten in 2005-2006. De laatste twee
studenten. Dit is zowel het geval voor de professioneel gerichte
academiejaren nam het aantal generatiestudenten evenwel toe:
opleidingen aan de hogescholen (de vroegere eencylus-
tot 5.408 in het academiejaar 2007-2008. De participatiegraad
opleidingen) als voor de academisch gerichte opleidingen aan
daalde van 8,2% in 1998-1999 naar 7,0% in 2005-2006,
de hogescholen en de universiteiten.
en nam de laatste twee jaar toe tot 7,3%. Globaal genomen kan men stellen dat meer dan de helft van
12.3 DOCTORATEN
de Vlaamse jongeren een kans waagt in het hoger onderwijs: in het academiejaar 2007-2008 startte 57,8% van de potentiële
Het aantal afgestudeerden op masterniveau dat instroomt naar
doelgroep een opleiding in het Vlaamse hoger onderwijs. In het
een positie als junior onderzoeker, is gedurende de laatste 10 jaar
academiejaar 1998-1999 bedroeg dit aandeel 51,8%.
sterk toegenomen. De stijging van het aantal doctoraten nam een vlucht rond de eeuwwisseling. De trendbreuk begon in feite reeds in het midden van de jaren ‘90. Deze evolutie bevestigt het resultaat dat reeds kon worden waargenomen in de VRWB-studie over de doctoraatsproductie in Vlaanderen van 2006.
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 12
relatieve participatie in de academische hogeschoolopleidingen
188
De toename in de instroom van doctoraatsonderzoek hangt
De aanwezigheid van de wetenschappelijke instellingen in de
nauw samen met de toename van financiering voor
publicatie-output nam de laatste jaren verder toe tot ruim 11%
doctoraatsonderzoek. De invoering van de fiscaal vrijgestelde
vandaag, vaak in samenwerking met een of meerdere Vlaamse
beurzen voor doctoraatsonderzoek en de extra investeringen
universiteiten. Deze evolutie wordt verklaard doordat het
vanuit het Instituut voor de aanmoediging van innovatie door
Interuniversitair Micro-electronica Centrum (IMEC), de Vlaamse
wetenschap en technologie in Vlaanderen (IWT) en het Fonds
Instelling voor Technologisch Onderzoek (Vito), het Vlaams
voor Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (FWO) voor
Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB), en ook het
doctoraatsonderzoek, zorgden voor een bijzonder sterke
Instituut voor Breedband Technologie (IBBT) nu op volle
toename in aanstellingen als “bursaal”. Het aantal assistenten
snelheid meedraaien in het Vlaams onderzoekslandschap.
aangesteld door de universiteit om deeltijds lessen te ondersteunen en deeltijds doctoraatsonderzoek te verrichten,
Het aandeel van de Vlaamse bedrijven situeert zich afgerond
bleef zo goed als ongewijzigd in de laatste 15 jaar.
op 6%. De verdeling van deze bedrijfspublicaties is bovendien erg scheef, omdat een zeer beperkt aantal bedrijven, met name
Het aandeel vrouwelijke doctors is in de periode 1992-2007
Janssen Pharmaceutica en Innogenetics, een significant deel
gestegen van 23% naar 40%, maar de mannelijke
van deze output voor hun rekening nemen.
doctoraathouders blijven duidelijk in de meerderheid met een huidig aandeel van 60% in de behaalde doctoraten. Het aantal
Er is de laatste jaren eveneens een duidelijke en continu stijgende
doctoraten steeg in alle onderzoeksdisciplines, maar niet
trend waar te nemen voor wat betreft octrooieren in Vlaanderen.
evenredig in elk van hen. De medische wetenschapsgebieden
Recente Europese statistieken bevestigen deze trend. Vlaanderen
verdubbelden hun aandeel in de totale doctoraatsproductie
is sinds begin de jaren 1990 sterk opgeklommen in de
(van 11 naar 22%) midden de jaren ’90, en behielden min of
Europese rangschikkingen van octrooiaantallen, met 255 EPO
meer dit aandeel. Het aantal doctoraten in de exacte en
octrooiaanvragen per miljoen inwoners in 2005. Vandaag
toegepaste wetenschappen – lange tijd de meest dominante
situeert Vlaanderen zich dan ook bij de meer performante
studiegebieden voor doctoraatsonderzoek – groeide iets
technologische regio’s in Europa. Het kan dan ook zonder al te
minder snel. Het aandeel van deze wetenschapsgebieden
veel blozen de vergelijking doorstaan met regio’s zoals Baden-
verminderde aldus van 65% naar 51%. Het aandeel van de
Wuerttemberg, Beieren, Hamburg, Nordrhein-Westfalen of
humane wetenschappen in de doctoraatsproductie steeg in
nog, Ile-de-France.
deze periode in beperkte mate. Vermeldenswaard is tevens de beduidende toename van het octrooigedrag aan de Vlaamse universiteiten. Wel zijn (net zoals
12.4 RESULTATEN: PUBLICATIES, OCTROOIEN EN DEELNAME AAN INTERNATIONALE PROGRAMMA’S
in de ons omringende landen) de kleine en middelgrote ondernemingen eerder afwezig in het octrooilandschap. Daarentegen geldt wel zeer duidelijk dat de meest ‘productieve’ ondernemingen inzake octrooinames, ook inter-
De Vlaamse en Belgische onderzoekers hebben in de periode
nationaal sterke competitieve posities hebben weten uit te
1992-2007 op een bijzonder efficiënte manier de beschikbare
bouwen. Globaal genomen blijft het echter ook voor
middelen aangewend. De wetenschappelijke productiviteit van
Vlaanderen, net zoals voor de meeste Europese landen,
Vlaanderen in de natuur-, levens- en technische wetenschappen
van prioritair belang om de kloof tussen technologische sterktes
is zoals blijkt spectaculair toegenomen. De Vlaamse universiteiten
en economische voordelen verder te dichten: in sommige
zijn mede verantwoordelijk voor afgerond 88% van de
sectoren is hij immers nog steeds (erg) groot.
Vlaamse publicatieoutput. Dit hoge percentage hoeft niet te verbazen, omdat het overgrote deel van het fundamenteel
Ten slotte dient gewezen op de sterke aanwezigheid van
onderzoek, waarvan de resultaten worden gepubliceerd in de
internationale samenwerking in het Vlaamse O&O-landschap.
open literatuur, aan de universiteiten wordt verricht.
De analyse van de Vlaamse deelnames aan diverse internationale programma’s (zoals Eureka en zijn diverse programmatorische assen, de Kaderprogramma’s en het ERANET) wijzen in die richting.
189
12.5 TER AFRONDING Ter afronding willen we wijzen op het belang dat aan de veelheid en de verscheidenheid aan actoren in het Vlaams WTIsysteem moet worden gehecht. Alhoewel dit niet tot uiting komt in de ‘traditionele’ WTI-indicatoren, zijn er op Vlaams niveau gedurende de laatste vijftien jaar significante inspanningen geleverd om de toegankelijkheid van het WTIinstrumentarium voor de verschillende geledingen van het bedrijfsleven zo goed en zo transparant mogelijk te maken. In die optiek dienen zeker de inspanningen vermeld te worden om waar mogelijk en nuttig ook de kleine en middelgrote ondernemingen bij het innovatiegebeuren te betrekken. De eigenheid van het Vlaams industrieel weefsel zorgt ervoor dat ook op het vlak van WTI-inspanningen de complementariteit tussen de verschillende geledingen van de ondernemingspopulatie (multinationaal versus regionaal, groot versus klein en middelgroot) moet worden in rekening gebracht. Er is nu dan ook een instrumentarium ontwikkeld dat met die eigenheid en complementariteiten rekening houdt. Naarmate al deze inspanningen worden volgehouden, zal uiteraard ook het statistisch apparaat waarover Vlaanderen beschikt om de resultaten van deze inspanningen te meten en in een internationale context te evalueren, verder evolueren en verfijnd worden. Dit Indicatorenboek vormt dan ook een verfijnd en geactualiseerd wordt. Aldus hopen we met dit Indicatorenboek een geĂŻntegreerd en consistent beeld te geven van de inspanningen en de resultaten van het WTI-beleid in Vlaanderen. Dit beleid moet Vlaanderen helpen zijn vooraanstaande plaats in de kenniseconomie van de 21ste eeuw verder te consolideren en uit te bouwen.
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 12
tastbaar resultaat van die inspanningen, dat op recurrente wijze
190
191
D E 11 V L A A M S E K E R N I N D I C ATO R E N VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE E N I N N OVAT I E Samenvatting op basis van het VRWB Advies bij de ‘Begroting Wetenschap en Innovatie 2009’ (in voorbereiding)
Door Vincent Thoen (VRWB) en Danielle Raspoet (VRWB)
13
192
DE 11 VLAAMSE KERNINDICATOREN VOOR WETENSCHAP, TECHNOLOGIE EN INNOVATIE De 11 kernindicatoren Wetenschap, Technologie en Innovatie die door de VRWB geselecteerd werden voor de opvolging van het Vlaamse Innovatiepact zijn weergegeven in de volgende tabel: KERNINDICATOREN I
GERD: Gross Expenditures on R&D (of BUOO: Bruto Binnenlandse Uitgaven voor Onderzoek en Ontwikkeling), uitgedrukt als % van het BBPR (ook wel de O&O-intensiteit genoemd). De 3%-norm vooropgesteld tijdens de Raad van Barcelona (maart 2002) slaat op deze maatstaf.
II
GBOARD: Government Budget Outlays or Appropriations on R&D (of de overheidskredieten voor O&O), uitgedrukt als % van het BBPR
III
Totaal O&O-personeel in % van de beroepsbevolking
IV
Nieuwe W&T-gediplomeerden (tov leeftijdsgroep 20-29 jaar)
V
Totaal aantal innoverende bedrijven (% van het aantal bedrijven in de industrie- en dienstensector)
VI
Investering van risicokapitaal in hightech-sectoren (% van het BBP)
VII
Aantal aangevraagde EPO-octrooien met Vlaamse uitvinder/miljoen inwoners
VIII
Nieuwe producten (als % van de totale omzet van de innovatieve bedrijven)
IX
Tewerkstellingsgraad - in medium-hightech en hightech industrie - in hightech diensten (uitgedrukt als % van de totale beroepsbevolking)
X
Groei van het Bruto Binnenlands Product per Regio (BBPR)
XI
Exportaandeel van de hightech sectoren in Vlaanderen
KERNINDICATOR 1: O&O-INTENSITEIT: GERD ALS % VAN BBPR Tabel 13.1: Totale intramurale uitgaven voor O&O als % van het BBPR in Vlaanderen, in lopende prijzen (1997-2007) 1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
GERDgew/%BBPR
1,91%
1,98%
2,11%
2,24%
2,38%
2,17%
2,08%
2,01%
2,06%
1,97%
2,03%
GERDgem/%BBPR
1,97%
2,03%
2,15%
2,29%
2,42%
2,21%
2,12%
2,05%
2,10%
1,99%
2,06%
Bron: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring (3% nota 1993-2007, februari 2009)
193
Tabel 13.2: Internationale vergelijking van de O&O intensiteit (1997-2007) (GERD in % BBPR) 1997 1,91% 1,83% 1,92% 2,24% 2,70% 2,19% 1,27% 1,03% 1,99% 0,80% 1,77% 3,51% 1,83% 1,78% 2,56% 0,64% 3,07% 2,87% 2,48% 1,04%
Vlaanderen België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Spanje VK Zweden EU-15 EU-27 VS China Israël Japan Korea Rusland
1998 1,98% 1,86% 2,04% 2,27% 2,86% 2,14% 1,24% 1,05% 1,90% 0,87% 1,76% 3,59% 1,84% 1,79% 2,61% 0,65% 3,21% 3,00% 2,34% 0,95%
1999 2,11% 1,94% 2,18% 2,40% 3,16% 2,16% 1,18% 1,02% 1,96% 0,86% 1,82% 3,62% 1,89% 1,84% 2,65% 0,76% 3,69% 3,02% 2,25% 1,00%
2000 2,24% 1,97% 2,24% 2,45% 3,34% 2,15% 1,12% 1,05% 1,82% 0,91% 1,81% 1,91% 1,85% 2,73% 0,90% 4,45% 3,04% 2,39% 1,05%
2001 2,38% 2,08% 2,39% 2,46% 3,30% 2,20% 1,10% 1,09% 1,80% 0,92% 1,79% 4,25% 1,92% 1,86% 2,74% 0,95% 4,76% 3,12% 2,59% 1,18%
2002 2,17% 1,94% 2,51% 2,49% 3,36% 2,23% 1,10% 1,13% 1,72% 0,99% 1,79% 1,93% 1,87% 2,64% 1,07% 4,75% 3,17% 2,53% 1,25%
2003 2,08% 1,88% 2,58% 2,52% 3,43% 2,17% 1,17% 1,11% 1,76% 1,05% 1,75% 3,85% 1,92% 1,86% 2,67% 1,13% 4,44% 3,20% 2,63% 1,28%
2004 2,01% 1,87% 2,48% 2,49% 3,45% 2,15% 1,24% 1,10% 1,78% 1,06% 1,69% 3,62% 1,89% 1,82% 2,58% 1,23% 4,41% 3,17% 2,85% 1,15%
2005 2,06% 1,84% 2,45% 2,48% 3,48% 2,10% 1,25% 1,09% 1,72% 1,12% 1,73% 3,80% 1,89% 1,82% 2,61% 1,33% 4,51% 3,32% 2,98% 1,07%
2006 1,97% 1,88% 2,46% 2,54% 3,45% 2,10% 1,30% 1,14% 1,71% 1,20% 1,76% 3,74% 1,91% 1,84% 2,61% 1,42% 4,53% 3,39% 3,22% 1,07%
2007 2,03% 1,87% 2,55% 2,53% 3,47% 2,08% 1,31% 1,70% 1,22% 3,63% 1,91% 1,83% 2,68% 4,74%
1,12%
Bron: Vlaanderen: Vlaams Indicatorenboek (2003, 2005, 2007, 2009); rest: Eurostat (februari 2009) en OECD MSTI-2008/2
Figuur 13.1: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de O&O-intensiteit (GERD in % BBPR) (2007)
Israël
4,74%
Zweden
3,63%
Finland
3,47% 3,39%
VS
2,68%
Oostenrijk
2,56%
Denemarken
255%
Duitsland
2,53%
Frankrijk
2,08%
Vlaanderen
2,03%
EU-15
1,91%
België
1,87%
EU-27
1,83%
VK*
1,76%
Nederland
1,70%
China*
1,42%
Ierland
1,31%
Spanje
1,22%
Italië*
1,14%
Rusland 0,00%
1,12%
1,00%
2,00%
3,00%
Bron: Vlaanderen: Vlaams Indicatorenboek (2003, 2005, 2007, 2009); rest: Eurostat (februari 2009) en OECD MSTI-2008/2. Voor landen met een * is de waarde voor 2006 opgenomen.
4,00%
5,00%
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
Japan*
194
Figuur 13.2: Internationale vergelijking van de O&O-intensiteit (GERD in % BBPR) over de periode 1997-2007
5,00%
Vlaanderen België Denemarken
4,00%
Duitsland Finland Frankrijk
3,00%
Ierland Italië Nederland
2,00%
Spanje VK 1,00%
Zweden EU-15 EU-27
0,00% 1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
VS
2007
China Israël Japan Korea
Bron: Vlaanderen: Vlaams Indicatorenboek (2003, 2005, 2007, 2009); rest: Eurostat (februari 2009) en OECD MSTI-2008/2
AANVULLENDE INDICATOR Tabel 13.3: Opsplitsing van GERD op Vlaams Gewestniveau t.o.v. BBPR (%), naar private versus publieke financiering
Privaat gefinancierd Publiek gefinancierd Totaal % GERDgewest/BBPR
2001 1,83 0,53 2,38
2003 1,53 0,56 2,08
Bron: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring (3% nota 1993-2007, februari 2009)
2005 1,46 0,60 2,06
2007 1,50 0,53 2,03
195
KERNINDICATOR 2: OVERHEIDSKREDIETEN VOOR O&O (GBAORD) ALS % VAN BBPR GBAORD (GOVERNMENT BUDGET APPROPRIATIONS OR OUTLAYS ON RESEARCH AND DEVELOPMENT) Tabel 13.4: Benaderende berekening van de overheidskredieten voor O&O in Vlaanderen als % van het BBPR (1997-2009) Overheidskredieten voor O&O in Vlaanderen (in miljoen euro) 1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009i
Vlaamse overheid1
483,16
523,68
580,76
600,06
613,35
704,14
766,89
830,85
898,638
966,137
953,584
1.121,429
1.146,888
Federale overheid2
220,657
228,036
226,637
235,952
240,036
236,107
246,483
249,784
225,891
253,694
238,720
235,416
238,255
68,36
68,36
68,18
68,18
68,18
68,18
89,078
89,078
89,078
89,078
89,078
88,073
88,073
772,18
820,08
875,58
904,19
921,57
1.008,43
1.102,45
1.169,71
1.213,61
1.308,91
1.281,38
1.444,92
1.473,22
Europese kaderprogramma's3 Totale overheidskredieten BBPR4
123.744,30 127.552,60 134.050,10 141.703,40 145.068,80 148.852,10 153.555,83 160.097,30 170.768,67 180.284,92 188.487,88 198.853,61 207.087,85
O&O als % BBPR
0,62%
0,64%
0,65%
0,64%
0,64%
0,68%
0,72%
0,73%
0,71%
0,73%
0,68%
0,73%
0,71%
Bron: eigen berekeningen VRWB (t.e.m. 2007) + Departement EWI (MVG) (vanaf 2008) 1 Vlaamse overheid: zoals vastgelegd in het HBPWB - O&O-aandeel. De cijfers t.e.m. 2007 zijn afkomstig van eerdere VRWB-berekeningen; de cijfers voor 2008-2009 zijn afkomstig van het Departement EWI (MVG). 2 Overzicht van de overheidskredieten voor O&O van de federale overheid - Commissie Federale Samenwerking, Overleggroep CFS/STAT; berekeningen federaal wetenschapsbeleid. Als verdeelsleutel voor de ESA-kredieten wordt een returnpercentage van 28,5% voor Vlaanderen toegepast voor de periode 1991-1996 (VRWBAanbeveling 13, 1997). Voor de periode 1997-2009 wordt een ongewogen returnpercentage van 35,49% gehanteerd (uit voorlopige berekeningen van het Technisch Comité voor Ruimtevaartonderzoek van de VRWB). De rest van de federale kredieten worden berekend aan 56% voor Vlaanderen volgens de vastgestelde IMCWBverdeelsleutel van 56%N/44%F. 3 Voor de Kaderprogramma’s wordt de return voor Vlaanderen geraamd volgens het berekende returnpercentage van 2,52% voor het 3e EU-kaderprogramma (1991-1994), volgens het berekende returnpercentage 2,38% voor het 4e EU-kaderprogramma (1994-1998), volgens het berekende returnpercentage 2,19% voor het 5e EU-kaderprogramma (1998-2002) en 2,12% voor het 6de Kaderprogramma (2003-2006). We houden dit returnpercentage ook aan onder voorbehoud voor het 7e EUkaderprogramma (2007-2013) voor 2007, 2008 en 2009. 4 Bruto Binnenlands Product voor De Regio (BBPR) in lopende prijzen. De cijfers t.e.m. 2007 werden in eerdere VRWB-berekeningen gebruikt en werden integraal overgenomen uit het vorige Indicatorenboek; de cijfers voor 2008-2009 zijn afkomstig van de Studiedienst van de Vlaamse Regering (september/oktober 2008). i geeft aan dat het een raming betreft.
Vlaanderen België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Oostenrijk Spanje VK Zweden Zwitserland EU-27 EU-15 Japan Korea VS Rusland
1997 0,62% 0,55% 0,72% 0,84% 1,10% 0,99% 0,29% 0,59% 0,83% 0,62% 0,48% 0,72%
0,72% 0,78% 0,58% 0,87%
1998 0,64% 0,56% 0,74% 0,81% 1,07% 0,96% 0,27% 0,56% 0,79% 0,63% 0,55% 0,66% 0,76% 0,68% 0,70% 0,75% 0,60% 0,85% 0,77%
1999 0,65% 0,58% 0,79% 0,81% 1,04% 0,94% 0,27% 0,54% 0,78% 0,65% 0,56% 0,68% 0,72% 0,69% 0,74% 0,63% 0,62% 0,84% 0,40%
2000 0,64% 0,57% 0,76% 0,79% 0,98% 0,96% 0,30% 0,64% 0,77% 0,62% 0,60% 0,69% 0,70% 0,64% 0,71% 0,77% 0,65% 0,65% 0,86% 0,50%
2001 0,64% 0,59% 0,75% 0,78% 0,97% 0,99% 0,32% 0,68% 0,75% 0,66% 0,66% 0,68% 0,82% 0,72% 0,78% 0,70% 0,72% 0,91% 0,47%
2002 0,68% 0,60% 0,73% 0,78% 0,96% 1,00% 0,33%
2003 0,72% 0,61% 0,73% 0,79% 1,00% 0,99% 0,37%
2004 0,73% 0,59% 0,71% 0,77% 1,01% 0,96% 0,46%
0,74% 0,67% 0,74% 0,77% 0,88% 0,68% 0,75% 0,80% 0,72% 0,75% 0,99% 0,55%
0,74% 0,65% 0,73% 0,75% 0,92%
0,73% 0,66% 0,80% 0,70% 0,88% 0,75% 0,73% 0,78% 0,72% 0,78% 1,09% 0,71%
0,73% 0,78% 0,73% 0,77% 1,05% 0,61%
2005 0,71% 0,59% 0,71% 0,77% 1,03% 0,97% 0,49% 0,67% 0,70% 0,66% 0,84% 0,72% 0,87% 0,72% 0,76% 0,71% 0,83% 1,06% 0,63%
2006 0,73% 0,61% 0,72% 0,76% 1,01% 0,81% 0,49% 0,61% 0,72% 0,66% 1,00% 0,74% 0,85% 0,69% 0,70% 0,75% 0,70% 0,85% 1,04% 0,36%
2007 0,68% 0,61% 0,79% 0,76% 0,97% 0,75% 0,51% 0,73% 0,69% 1,06% 0,80%
0,68% 0,90% 1,03% 0,36%
Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen VRWB (t.e.m. 2007) en Departement EWI (MVG) (vanaf 2008); rest: Eurostat (januari 2009) en OECD MSTI-2008/2
2008 0,73%
0,95%
0,68%
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
Tabel 13.5: Internationale vergelijking van de overheidskredieten voor O&O (GBAORD) als % van het BBPR (1997-2008)
196
Figuur 13.3: Internationale postionering van Vlaanderen inzake de GBAORD als % BBPR (2007)
Spanje
1,06%
VS
1,03%
Finland
0,97%
Korea
0,90%
Zweden
0,80%
Denemarken
0,79%
Portugal
0,78%
Duitsland
0,76%
EU-15*
0,75%
Frankrijk
0,75%
VK*
0,74%
Nederland
0,73%
EU-27 *
0,70%
Oostenrijk
0,69%
Zwitserland
0,69%
Japan
0,68%
Vlaanderen
0,68%
ItaliĂŤ*
0,61%
BelgiĂŤ
0,61%
Ierland 0,00%
0,51%
0,20%
0,40%
0,60%
Bron: Vlaanderen: Departement EWI (MVG); rest: Eurostat (januari 2009) en OECD MSTI-2008/2 Voor landen met een * wordt de waarde van 2006 opgenomen.
0,80%
1,00%
1,06%
1,20%
197
Figuur 13.4: Internationale vergelijking van de overheidskredieten voor O&O (GBAORD) als % van het BBPR (1997-2008)
1,20%
Vlaanderen BelgiĂŤ 1,00%
Denemarken Duitsland Finland
0,80%
Frankrijk Ierland
0,60%
ItaliĂŤ Oostenrijk 0,40%
Nederland Spanje VK
0,2%
Zweden Zwitserland
0,00% 1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
EU-15 EU-27 VS Japan Korea Rusland
Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen VRWB (t.e.m. 2007) en Departement EWI (MVG) (vanaf 2008); rest: Eurostat (januari 2009) en OECD MSTI-2008/2
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
198
KERNINDICATOR 3: TOTAAL O&O-PERSONEEL ALS % VAN DE BEROEPSBEVOLKING Tabel 13.6: Totaal O&O-personeel als % van de beroepsbevolking (1997-2007) 1997 1,00% 1,02% 1,20% 1,16% 1,65% 1,19% 0,70%
Vlaanderen België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Noorwegen Spanje VK Zweden Zwitserland EU-27 EU-15 Japan Korea China Rusland
1,09% 1,09% 0,51% 0,94% 1,50% 0,68% 0,85% 0,95% 1,32% 0,63% 0,12% 1,44%
1998 1,07% 1,07% 1,24% 1,15% 1,84% 1,19% 0,72% 0,63% 1,10% 0,57% 1,01%
0,86% 0,97% 1,36% 0,60% 0,11% 1,34%
1999 1,14% 1,13% 1,27% 1,21% 1,96% 1,20% 0,71% 0,61% 1,09% 1,09% 0,58% 1,05% 1,52% 0,64% 0,88% 0,99% 1,36% 0,64% 0,11% 1,35%
2000 1,24% 1,21% 1,32% 1,23% 2,02% 1,23% 0,73% 0,63% 1,09%
2001 1,33% 1,30% 1,39% 1,21% 2,03% 1,24% 0,75% 0,64% 1,08% 1,15% 0,70% 1,08% 1,62% 0,68% 0,91% 1,04% 1,32% 0,74% 0,13% 1,42%
0,67% 1,04%
0,90% 1,02% 1,33% 0,62% 0,13% 1,40%
2002 1,21% 1,20% 1,49% 1,21% 2,09% 1,25% 0,74% 0,68% 1,04% 1,15% 0,72% 1,11%
0,92% 1,05% 1,28% 0,75% 0,14% 1,38%
2003 1,21% 1,19% 1,46% 1,20% 2,18% 1,25% 0,77% 0,67% 1,02% 1,22% 0,78% 1,09% 1,62% 0,75% 0,93% 1,05% 1,32% 0,81% 0,15% 1,35%
2004 1,23% 1,17% 1,48% 1,18% 2,23% 1,28% 0,82% 0,67% 1,08% 1,25% 0,80% 1,07% 1,61% 0,93% 1,05% 1,35% 0,83% 0,15% 1,30%
2005 1,25% 1,16% 1,51% 1,16% 2,18% 1,28% 0,83% 0,72% 1,05% 1,27% 0,84% 1,09% 1,68% 0,69% 0,95% 1,06% 1,39% 0,91% 0,18% 1,25%
2006 1,26% 1,19% 1,55% 1,17% 2,18% 1,32% 0,84% 0,78% 1,13% 1,30% 0,88% 1,12% 1,69%
2007 1,28% 1,19% 1,59% 1,20% 2,09%
1,69%
0,98% 1,10% 1,41% 0,99% 0,20% 1,24%
1,22%
0,84% 1,04% 1,35%
Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen VRWB op basis van gegevens SOOI/ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering (MVG); rest: OECD MSTI-2008/2
Figuur 13.5: Internationale positionering van Vlaanderen inzake O&O-personeel als % van de beroepsbevolking (2007)
2,09%
Finland 1,69%
Zweden 1,59%
Denemarken 1,41%
Japan*
1,35%
Noorwegen
1,32%
Frankrijk*
1,28%
Vlaanderen
1,26%
Oostenrijk
1,22%
Rusland
1,20%
Duitsland
1,19%
België
1,12%
VK*
1,10%
EU-15*
1,04%
Nederland
0,99%
Korea*
0,98%
EU-27* 0,88%
Spanje*
0,84%
Ierland
0,78%
Italië* 0,62%
Portugal China* 0,00%
0,20%
0,50%
1,00%
1,50%
2,00%
Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen VRWB op basis van gegevens SOOI/ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering (MVG); rest: OECD MSTI-2008/2 Voor landen met een * wordt de waarde van 2006 opgenomen.
2,50%
199
Figuur 13.6: Internationale vergelijking van het totaal O&O-personeel als % van de beroepsbevolking (1997-2007)
2,50%
Vlaanderen BelgiĂŤ Denemarken
2,00%
Finland Frankrijk Duitsland
1,50%
Ierland ItaliĂŤ Japan
1,00%
Korea Nederland 0,50%
Noorwegen Spanje Zweden
0,00% 1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
VK EU-27 EU-15 China Rusland
Bron: Vlaanderen: eigen berekeningen VRWB op basis van gegevens SOOI/ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering (MVG); rest: OECD MSTI-2008/2
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
200
KERNINDICATOR 4: NIEUWE W&T-GEDIPLOMEERDEN (T.O.V. LEEFTIJDSGROEP 20-29 JAAR) Tabel 13.7: Evolutie van het aandeel hoger afgestudeerden in Vlaanderen in Wiskunde, Wetenschappen en Technologie t.o.v. leeftijdgroep van 20 t.e.m. 29 jaar (‰) (1998-2007) 1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
9,2
9,3
10,3
10,6
10,9
12,3
11,8
12,0
11,9
15,6
Bron: Departement Onderwijs & Vorming (MVG) Opmerking: Op het einde van het academiejaar 2006-2007 werden zowel in de "oude" als in de "nieuwe" structuur (BAMA) diploma's uitgereikt. Dit zorgt voor een stijging van het aantal afgestudeerden (vooral ISCED 5A). Het betreft hier concreet de impact van het in rekening brengen van de diploma's academische bachelor. Vergelijkingen met voorgaande academiejaren zijn daarom niet eenduidig.
Tabel 13.8: Internationale vergelijking van het aandeel hoger afgestudeerden in Wiskunde, Wetenschappen en Technologie t.o.v. de leeftijdsgroep 20 t.e.m. 29 jaar (‰) (1998-2006)
Vlaanderen België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Noorwegen Oostenrijk Portugal Spanje VK Zweden Zwitserland EU-27 EU-15 VS Japan
1998 9,2
1999 9,3
8,1 8,8 15,9 18,5 22,9 5,1 6 7,5 7,9 5,2 8 15,5 7,9
8,2 8,6 17,8 19 23,8 5,5 5,8 7,2 6,9 6,1 9,5 16 9,7
8,8 9,1 9,2 12,3
9,3 9,3 12,6
2000 10,3 9,7 11,7 8,2 16 19,6 24,2 5,7 5,8 7,9 7,2 6,3 9,9 18,5 11,6
2001 10,6 10,1 12,2 8 17,2 20,1 22,9 6.2 6,1 8,6 7,3 6,6 11,2 20 12,4
10 10 9,7 12,6
10,6 10,4 9,9 12,8
Bron: Vlaanderen: Departement Onderwijs & Vorming (MVG); rest: Eurostat (februari 2009)
2002 10,9 10,5 11,7 8,1 17,4 20,5 7,4 6,6 7,7 7,9 7,4 11,9 20,3 13,3 15,1 11,1 10,9 10 13
2003 12,3 11 12,5 8,4 17,4 22 24,2 9,1 7,3 9,3 8,2 8,2 12,6 21 13,9 14,1 12,1 11,9 10,9 13,2
2004 11,8 11,2 13,8 9
23,1 10,8 7,9 9 8,7 11 12,5 18,1 15,9 14,6 12,5
2005 12,0 10,9 14,7 9,7 17,7 22,5 24,5 12,4 8,6 9 9,8 12 11,8 18,4 14,4 16,1 13,2
10,2 13,4
10,6 13,7
2006 11,94 10,6 13,8 10,7 17,9 20,7 21,4 9,1 9 9,3 10,8 12,6 11,5 17,8 15,1 16,8 13 12,8 10,3 14,4
201
Figuur 13.7: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel hoger afgestudeerden in Wiskunde, Wetenschappen en Technologie t.o.v. de leeftijdsgroep 20 t.e.m. 29 jaar (2006) (‰)
Ierland
21,4
Frankrijk
20,7
Finland
17,9
VK
17,8
Zwitserland
16,8
Zweden
15,1
Japan
14,4
Denemarken
13,8
EU-27
13,0
EU-15
12,8
Portugal
12,6
Vlaanderen
11,9
Spanje
11,5
Oostenrijk
10,8
Duitsland
10,7
België
10,6
VS
10,3
Noorwegen
9,3
Italië
9,1
Nederland
9,0
0
5
10
20
25
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
Bron: Vlaanderen: Departement Onderwijs & Vorming (MVG); rest: Eurostat (februari 2009)
15
202
AANVULLENDE INDICATOR: DIPLOMA'S W&T IN HOGER ONDERWIJS T.O.V. ALLE DIPLOMA'S HOGER ONDERWIJS Tabel 13.9: Evolutie van het percentage diploma’s in Wiskunde, Wetenschappen en Technologie in het hoger onderwijs in Vlaanderen t.o.v. alle diploma’s in het hoger onderwijs (%) (1998-2006) 1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
19,7%
19,8%
20,7%
20,5%
19,8%
20,5%
20,05%
20,32%
19,02%
Bron: Departement Onderwijs & Vorming (MVG)
Tabel 13.10: Internationale vergelijking van het percentage diploma’s in Wiskunde, Wetenschappen en Technologie in het hoger onderwijs t.o.v. alle diploma’s in het hoger onderwijs (%) (1998-2006) 1998 België
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
18,9
18,9
18,8
19,3
19,
18,5
17,8
2006
Vlaanderen
19,7
19,8
20,7
20,5
19,8
20,5
20,05
20,32
19,0
Denemarken
19,5
18,1
21,7
22,2
18,9
19,8
19,4
18,9
18,1
Duitsland
28,6
27,4
26,6
25,9
26,2
26,4
26,9
27,3
25,1
Finland
26,1
29,6
28,0
29,5
28,7
29,1
30,
29,4
Frankrijk
30,7
30,4
30,5
29,9
26,9
25,8
Ierland
32,1
32,6
34,5
31,9
30,2
29,9
28,3
28,2
25,9
Italië
24,2
23,9
23,1
22,3
22,9
23,3
22,7
22,4
22,7
Nederland
17,0
16,5
15,7
15,5
15,8
16,3
16,7
15,9
15,1
Noorwegen
12,9
16,4
16,8
17,1
16,0
18,3
16,4
15,9
15,7
Oostenrijk
33,5
29,9
30,1
27,5
29,7
28,4
28,8
30,5
32,2
Portugal
17,9
19,0
18,6
17,7
18,3
19,
22,1
23,
22,6
Spanje
21,9
23,5
25,0
26,8
27,2
28,1
27,9
27,
26,6
VK
26,2
25,8
27,9
27,3
26,8
25,8
23,1
22,4
22,0
Zweden
26,0
28,0
30,6
32,1
31,9
30,5
28,8
25,8
25,8
23,4
22,
21,9
23,
22,4
Zwitserland
29,4
EU 27
25,1
24,8
24,8
24,3
24,2
24,1
23,5
22,7
22,4
VS
17,0
17,1
17,2
17,5
17,4
18,5
16,5
16,8
16,1
Japan
24,9
25,2
25,2
22,7
23,2
23,1
22,8
22,6
22,2
Bron: Vlaanderen: Departement Onderwijs & Vorming (MVG); rest: Eurostat (februari 2009)
203
Figuur 13.8: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het percentage diploma’s in Wiskunde, Wetenschappen en Technologie in het hoger onderwijs t.o.v. alle diploma's in het hoger onderwijs (%) (2006)
Oostenrijk
32%
Finland
29%
Spanje
27%
Ierland
26%
Zweden
26%
Frankrijk
26%
Duitsland
25%
EU-15
25%
Italië
23%
Portugal
23%
Zwitserland
22%
EU-27
22%
Japan
22%
VK
22%
Vlaanderen
19%
Denemarken
18%
België
18%
VS
16%
Noorwegen
16%
Nederland
15%
0
5
10
15
25
30
35
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
Bron: Vlaanderen: Departement Onderwijs & Vorming (MVG); rest: Eurostat (februari 2009)
20
204
KERNINDICATOR 5: TOTAAL AANTAL INNOVERENDE BEDRIJVEN (IN % VAN AANTAL BEDRIJVEN IN DE INDUSTRIE- EN DIENSTENSECTOREN) Tabel 13.11: Gecombineerde innovatie-indicator (% innovatieve bedrijven) volgens CIS-enquête
Alle bedrijven KMO’s Grote bedrijven Low tech High tech Industrie Diensten
CIS-3 (2001) 58% 58% 83% 55% 71% 69% 49%
CIS-4 (2005) 59% 57% 88% 55% 78% 64% 54%
Bron: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring (geëxtrapoleerde cijfers) (maart 2009)
CIS-2007 56% 54% 82% 53% 71% 64% 49%
205
KERNINDICATOR 6: INVESTERINGEN IN RISICOKAPITAAL ('VENTURE CAPITAL') Tabel 13.12: Internationale vergelijking van 'venture capital' investeringen in % BBP (1997-2007) 1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
België
0,078%
0,106%
0,252%
0,205%
0,118%
0,084%
0,042%
0,063%
0,038%
0,169%
0,099%
Denemarken
0,015%
0,025%
0,050%
0,088%
0,165%
0,128%
0,106%
0,146%
0,401%
0,082%
0,093%
Duitsland
0,046%
0,068%
0,130%
0,184%
0,131%
0,064%
0,033%
0,044%
0,056%
0,041%
0,044%
Finland
0,086%
0,100%
0,109%
0,184%
0,157%
0,205%
0,131%
0,067%
0,096%
0,094%
0,210%
Frankrijk
0,044%
0,065%
0,118%
0,209%
0,088%
0,076%
0,091%
0,109%
0,083%
0,107%
0,076%
Ierland
0,051%
0,055%
0,090%
0,184%
0,108%
0,080%
0,060%
0,042%
0,064%
0,054%
0,060%
Italië
0,023%
0,051%
0,049%
0,124%
0,085%
0,069%
0,049%
0,036%
0,031%
0,067%
0,019%
Nederland
0,144%
0,165%
0,242%
0,330%
0,216%
0,191%
0,096%
0,084%
0,098%
0,092%
0,107%
Noorwegen
0,114%
0,104%
0,123%
0,166%
0,118%
0,093%
0,124%
0,100%
0,137%
0,089%
0,134%
Oostenrijk
0,004%
0,019%
0,028%
0,073%
0,060%
0,053%
0,045%
0,052%
0,043%
0,035%
0,018%
Portugal
0,042%
0,047%
0,047%
0,110%
0,059%
0,048%
0,082%
0,116%
0,133%
0,046%
0,070%
Spanje
0,039%
0,004%
0,085%
0,118%
0,134%
0,105%
0,127%
0,157%
0,085%
0,095%
0,094%
VK
0,104%
0,132%
0,203%
0,376%
0,167%
0,154%
0,163%
0,209%
0,292%
0,506%
0,238%
Zweden
0,029%
0,059%
0,191%
0,219%
0,368%
0,214%
0,143%
0,228%
0,305%
0,226%
0,223%
Zwitserland
0,016%
0,057%
0,158%
0,071%
0,058%
0,094%
0,052%
0,042%
0,107%
0,133%
0,144%
Europa
0,055%
0,076%
0,130%
0,215%
0,127%
0,098%
0,083%
0,098%
0,113%
0,145%
0,096%
Bron: EVCA
Figuur 13.9: Internationale positionering van België inzake 'venture capital' investeringen (als % van het BBP) (2007)
0,238%
VK 0,223%
Zweden 0,210%
Finland Zwitserland 0,134%
Noorwegen 0,107%
Nederland
0,099%
België
0,096%
Europa
0,094%
Spanje
0,093%
Denemarken 0,076%
Frankrijk
0,070%
Portugal
0,067%
Roemenië
0,060%
Ierland 0,044%
Duitsland 0,024%
Polen
0,019%
Italië
0,018%
Oostenrijk Hongarije
0,011%
Tsechië
0,011%
Griekenland 0,00%
Bron: EVCA
0,008%
0,05%
0,10%
0,15%
0,20%
0,25%
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
0,144%
206
Figuur 13.10: Internationale vergelijking van 'venture capital' investeringen (als % BBP) (1997-2007)
0,6
België Denemarken Duitsland
0,5
Finland Frankrijk
0,4
Ierland Italië 0,3
Nederland Noorwegen Oostenrijk
0,2
Portugal Spanje
0,1
VK Zweden 0,0 1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
Zwitserland
2007
Europa
Bron: EVCA
AANVULLENDE INDICATOR: 'EARLY STAGE VENTURE CAPITAL' INVESTERINGEN Tabel 13.13: Internationale vergelijking van 'early stage' risicokapitaal investeringen (als % van BBP)(1997-2007)
België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Noorwegen Oostenrijk Portugal Spanje VK Zweden Zwitserland Europa Zwitserland Bron: EVCA
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
0,014%
0,063%
0,090%
0,103%
0,039%
0,042%
0,014%
0,017%
0,021%
0,012%
0,033%
0,002%
0,008%
0,019%
0,019%
0,084%
0,075%
0,050%
0,085%
0,051%
0,015%
0,047%
0,011%
0,024%
0,051%
0,080%
0,056%
0,027%
0,014%
0,016%
0,014%
0,011%
0,018%
0,008%
0,054%
0,056%
0,100%
0,104%
0,071%
0,059%
0,027%
0,044%
0,027%
0,040%
0,007%
0,020%
0,039%
0,079%
0,038%
0,026%
0,025%
0,028%
0,028%
0,030%
0,017%
0,002%
0,030%
0,046%
0,097%
0,033%
0,021%
0,025%
0,019%
0,023%
0,015%
0,017%
0,007%
0,015%
0,013%
0,044%
0,024%
0,005%
0,005%
0,002%
0,002%
0,002%
0,001%
0,047%
0,050%
0,091%
0,087%
0,043%
0,045%
0,008%
0,008%
0,004%
0,012%
0,022%
0,003%
0,010%
0,022%
0,059%
0,034%
0,272%
0,029%
0,016%
0,028%
0,013%
0,064%
0,002%
0,006%
0,007%
0,029%
0,020%
0,013%
0,013%
0,007%
0,012%
0,003%
0,006%
0,011%
0,014%
0,008%
0,025%
0,013%
0,008%
0,043%
0,027%
0,040%
0,010%
0,024%
0,004%
0,001%
0,016%
0,031%
0,017%
0,015%
0,008%
0,009%
0,013%
0,027%
0,011%
0,009%
0,014%
0,020%
0,099%
0,058%
0,036%
0,039%
0,047%
0,047%
0,227%
0,031%
0,002%
0,012%
0,111%
0,089%
0,097%
0,097%
0,064%
0,084%
0,053%
0,058%
0,086%
0,001%
0,028%
0,086%
0,022%
0,027%
0,045%
0,032%
0,021%
0,026%
0,024%
0,055%
0,009%
0,021%
0,040%
0,073%
0,044%
0,029%
0,021%
0,023%
0,022%
0,049%
0,021%
0,052%
0,075%
0,154%
0,319%
0,104%
0,042%
0,031%
0,031%
0,030%
0,031%
0,031%
207
Figuur 13.11: Internationale positionering van België inzake 'early stage' risicokapitaal investeringen (als % tov BBP) (2007)
0,086%
Zweden 0,064%
Noorwegen 0,055%
Zwitserland 0,047%
Denemarken 0,040%
Finland 0,033%
België VS
0,031%
VK
0,031% 0,024%
Portugal
0,022%
Nederland
0,021%
Europa
0,018%
Duitsland
0,017%
Ierland
0,017%
Frankrijk 0,011%
Spanje 0,006%
Oostenrijk
0,002%
Hongarije Roemenië
0,000%
0,00%
0,02%
0,04%
0,06%
0,08%
0,010%
Bron: EVCA
Figuur 13.12: Internationale vergelijking van 'early stage' risicokapitaalinvesteringen (als % tov BBP) (1997-2007)
België Denemarken Duitsland Finland
0,3%
Frankrijk Ierland Italië 0,2%
Nederland Noorwegen Oostenrijk Portugal
0,1%
Spanje VK Zweden 0,0% 1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
Zwitserland Europa VS
Bron: EVCA
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
0,4%
208
KERNINDICATOR 7: AANTAL AANGEVRAAGDE EPO-OCTROOIEN MET UITVINDER VAN BETREFFEND LAND OF REGIO PER MILJOEN INWONERS Figuur 13.13: Aangevraagde EPO-octrooien in Vlaanderen met Vlaamse uitvinder/miljoen inwoners (1992-2005)
250
200
150
100
50
0 1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
Bron: eigen berekeningen VRWB a.h.v. data SOOI/ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering (MVG) (maart 2009) Opmerking: Deze cijfers verschillen van deze opgenomen in het hoofdstuk 10 rond patentaanvragen van het Vlaams Indicatorenboek. In dit hoofdstuk houdt men immers rekening met de octrooiaanvragen met Vlaamse uitvinder en/of Vlaamse aanvrager.
Tabel 13.14: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aantal aangevraagde EPO-octrooien met lokale uitvinder/miljoen inwoners (2005) VLA
BEL
EU-27
EU-15
DEN
DUI
FIN
FRA
IER
ITA
LUX
214,6
177,3
105,7
137,6
201,9
290,0
259,8
142,1
72,6
78,1
309,6
NED
OOS
SPA
ZWE
VK
ZWI
CAN
VS
KOR
JAP
234,6
196,8
30,0
242,0
102,4
483,0
75,8
114,3
89,9
68,9
Bron: eigen berekeningen VRWB a.h.v. data SOOI/ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering (MVG) (maart 2009)
209
Figuur 13.14: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aantal aangevraagde EPO-octrooien met lokale uitvinder/miljoen inwoners (2005)
Zwitserland
483,0
Luxemburg
309,6
Duitsland
290,0
Finland
259,8
Zweden
242,0
Nederland
234,6
Vlaanderen
214,6
Denemarken
201,9
Oostenrijk
196,8
BelgiĂŤ
177,3
Japan
168,9
Frankrijk
142,1
EU 15
137,6
VS
114,3
EU 27
105,7
VK
102,4
Korea
89,9
ItaliĂŤ
78,1
Canada
75,8
Ierland
72,6
Spanje
30,0
0
100
200
300
400
500
600
Bron: eigen berekeningen VRWB a.h.v. data SOOI/ECOOM en Studiedienst Vlaamse Regering (MVG) (maart 2009)
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
210
KERNINDICATOR 8: AANDEEL VAN INNOVATIEVE PRODUCTEN IN DE OMZET (NIEUWE PRODUCTEN IN % VAN DE TOTALE OMZET) Tabel 13.15: Aandeel van innovatieve producten in de omzet van innovatieve bedrijven in Vlaanderen (omzet van nieuwe of significant verbeterde producten die ook nieuw voor de markt zijn t.o.v. de totale omzet van innovatieve bedrijven) (%) (2006) 2006 10,7% 11,8% 7,8%
Alle bedrijven Industrie Diensten
Bron: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring (maart 2009)
Figuur 13.15: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel van innovatieve producten in de omzet (voor alle innovatieve bedrijven) (%) (2006)
Malta
41,7%
Griekenland
22,8%
Bulgarije
17,0%
Tsjechië
16,0%
Slovakije
13,5%
Finland
13,3%
Hongarije
12,5%
Portugal
11,1%
Vlaanderen
10,7%
VK
10,6%
Spanje
10,5%
Duitsland
10,2%
Roemenië
10,1%
Nederland
10,0%
Litouwen
10,0%
EU-27
10,0%
Ierland
Alle bedrijven
9,6%
Slovenië
8,9%
Oostenrijk
8,3%
Polen
7,6%
Cyprus
7,5%
Luxemburg
7,4%
Denemarken
7,4%
Italië
7,3%
België
6,7%
Estland
6,3%
Letland
5,0%
Noorwegen
3,8%
0%
5%
10%
15%
20%
25%
Bron: Vlaanderen: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring; rest: Eurostat (maart 2009)
30%
35%
40%
45%
211
Figuur 13.16: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel van innovatieve producten in de omzet (voor de bedrijven uit de industrie) (%) (2006)
Malta
36,9%
Griekenland
31,1%
Bulgarije
20,3%
Tsjechië
18,6%
Finland
17,6%
Portugal
15,4%
Slovakije
15,1%
Duitsland
14,1%
Hongarije
14,0%
Litouwen
13,8%
EU-27
12,2%
VK
12,0%
Vlaanderen
11,8%
Ierland
11,6%
Denemarken
11,5%
Nederland
Industrie
11,2%
Spanje
11,0%
Oostenrijk
10,3%
Slovenië
10,0%
Polen
8,3%
Roemenië
8,3%
Cyprus
8,3%
Luxemburg
7,7%
Italië
7,5%
Letland
7,1% 6,9%
Estland
5,1%
Noorwegen
3,7%
0%
5%
10%
15%
20%
Bron: Vlaanderen: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring; rest: Eurostat (maart 2009)
25%
30%
35%
40%
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
België
212
Figuur 13.17: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel van innovatieve producten in de omzet (voor bedrijven uit de dienstensector) (%) (2006)
Malta
45,7%
Griekenland
12,8%
Roemenië
12,5%
Slovakije
9,3%
Spanje
8,8%
Hongarije
8,8%
Tsjechië
8,6%
Bulgarije
7,9%
Vlaanderen
7,8%
Luxemburg
Diensten
7,3%
Cyprus
7,2%
Slovenië
6,7%
Portugal
6,4%
België
6,4%
Polen
6,3%
Oostenrijk
6,2%
Italië
5,9%
Litouwen
4,4%
Denemarken
4,0%
Noorwegen
3,9%
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Bron: Vlaanderen: Steunpunt O&O Indicatoren/Expertisecentrum O&O Monitoring; rest: Eurostat (maart 2009)
35%
40%
45%
50%
213
KERNINDICATOR 9: TEWERKSTELLINGSGRAAD IN MEDIUM HIGHTECH EN HIGHTECH INDUSTRIE EN DIENSTEN ALS % VAN DE TOTALE BEROEPSBEVOLKING Tabel 13.16: Internationale vergelijking van de tewerkstellingsgraad in medium-hightech en hightech industrie (als % t.o.v. totale beroepsbevolking) (1997-2007)
EU 27 België Brussels HG Vlaams Gewest Waals Gewest Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Noorwegen Oostenrijk Portugal Spanje VK Zweden Zwitserland
1997
1998
1999
7,50% 4,02% 8,97% 5,45% 6,31% 10,84% 4,47% 7,12%
7,23% 4,30% 8,52% 5,43% 6,83% 11,04% 4,98% 7,00% 7,52% 7,64% 4,86% 5,05% 6,48% 3,65% 5,57% 7,78% 8,63% 7,95%
7,22% 3,76% 8,68% 5,17% 6,39% 10,88% 7,27% 7,26% 7,30% 7,63% 4,67% 4,75% 6,63% 3,75% 5,46% 7,60% 8,26% 7,62%
7,43% 5,11% 5,42% 6,46% 3,70% 5,43% 7,68% 8,62% 7,56%
2000 7,40% 7,09% 3,38% 8,64% 4,91% 6,44% 11,19% 7,25% 7,24% 6,94% 7,63% 4,45% 4,48% 6,77% 3,77% 5,38% 7,30% 7,90% 7,74%
2001 7,36% 6,90% 3,53% 8,35% 4,84% 7,00% 11,22% 7,45% 7,16% 7,29% 7,43% 4,29% 4,39% 6,48% 3,71% 5,49% 7,11% 7,72% 8,14%
2002 7,23% 6,60% 3,03% 7,87% 4,99% 6,31% 11,37% 7,40% 6,82% 6,83% 7,37% 4,07% 4,59% 6,58% 3,35% 5,31% 6,65% 7,27% 7,50%
2003 6,95% 6,41% 2,33% 7,67% 4,99% 6,12% 11,05% 6,87% 6,39% 6,29% 7,43% 4,04% 4,53% 6,20% 3,25% 5,06% 6,24% 7,03% 7,07%
2004 6,76% 6,40% 2,23% 7,77% 4,75% 5,97% 11,24% 6,81% 6,40% 6,51% 7,47% 3,57% 4,07% 6,25% 3,70% 4,87% 5,68% 7,07% 7,02%
2005 6,59% 6,52% 2,54% 8,03% 4,57% 6,10% 10,50% 6,78% 6,32% 6,02% 7,51% 3,29% 4,12% 6,29% 3,31% 4,68% 5,61% 6,51% 7,27%
2006 6,60% 6,33% 2,95% 7,57% 4,73% 6,01% 10,72% 6,83% 5,93% 5,66% 7,59% 3,13% 4,50% 6,96% 3,36% 4,48% 5,53% 6,33% 7,29%
2007 6,69% 6,31% 2,27% 7,60% 4,81% 6,03% 10,72% 7,03% 6,36% 5,26% 7,59% 3,15% 4,21% 6,66% 3,49% 4,48% 5,40% 6,20% 7,19%
Bron: Eurostat (februari 2009) en European Innovation Scoreboards
Figuur 13.18: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de tewerkstellingsgraad in medium-hightech en hightech industrie (als % t.o.v. totale beroepsbevolking) (2007)
10,72% 7,60%
Italië
7,59%
Zwitserland
7,19%
Finland
7,03%
EU-27
6,69%
Oostenrijk
6,66%
Frankrijk
6,36%
België
6,31%
Zweden
6,20%
Denemarken
6,03%
VK
5,40%
Ierland
5,26%
Waals Gewest
4,81%
Spanje
4,48%
Noorwegen
4,21%
Portugal
3,49%
Nederland
3,15%
Brussels HG 0,00%
2,27%
2,00%
4,00%
Bron: Eurostat (februari 2009) en European Innovation Scoreboards
6,00%
8,00%
10,00%
12,00%
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
Duitsland Vlaams Gewest
214
Tabel 13.17: Internationale vergelijking van de tewerkstellingsgraad in hightech diensten (uitgedrukt als % t.o.v. totale beroepsbevolking) (1997-2007)
EU 27 België Brussels HG Vlaams Gewest Waals Gewest Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Nederland Noorwegen Oostenrijk Portugal Spanje VK Zweden Zwitserland
1997
1998
1999
3,34% 3,70% 3,03% 3,89% 3,90% 2,84% 3,05% 3,57%
3,45% 3,87% 3,27% 3,71% 4,15% 2,62% 3,83% 3,58% 3,79% 2,57% 3,37% 3,60% 2,49% 1,40% 1,95% 3,74% 4,38% 3,38%
3,24% 4,40% 3,00% 3,40% 4,51% 2,81% 4,26% 3,83% 3,99% 2,72% 3,60% 3,91% 2,67% 1,27% 2,16% 4,13% 4,76% 3,79%
2,63% 3,05% 3,49% 2,34% 1,54% 1,74% 3,58% 4,04% 3,63%
2000 3,21% 3,86% 5,23% 3,75% 3,70% 5,04% 3,03% 4,39% 3,86% 4,01% 2,93% 4,13% 3,77% 2,80% 1,19% 2,29% 4,29% 5,13% 3,73%
2001 3,42% 4,03% 4,62% 4,08% 3,76% 4,94% 3,21% 4,40% 4,08% 4,09% 3,06% 4,16% 4,37% 3,04% 1,45% 2,68% 4,72% 5,18% 4,31%
2002 3,36% 3,78% 5,00% 3,65% 3,68% 4,73% 3,33% 4,73% 4,07% 4,27% 3,02% 3,72% 4,10% 3,43% 1,51% 2,50% 4,40% 5,22% 4,08%
2003 3,32% 4,05% 5,54% 3,84% 4,04% 4,51% 3,32% 4,68% 4,10% 3,89% 2,93% 3,89% 3,85% 3,30% 1,48% 2,33% 4,33% 4,85% 4,29%
2004 3,22% 3,93% 5,22% 3,80% 3,84% 4,10% 3,35% 4,58% 3,84% 3,60% 3,07% 4,00% 3,92% 2,61% 1,39% 2,54% 4,33% 4,75% 4,19%
2005 3,28% 3,74% 4,01% 3,89% 3,34% 4,32% 3,34% 4,51% 3,99% 3,57% 2,98% 4,12% 3,81% 3,04% 1,81% 2,70% 4,28% 5,12% 3,96%
2006 3,31% 3,92% 4,24% 4,10% 3,46% 4,39% 3,47% 4,59% 3,88% 3,88% 3,06% 3,83% 3,92% 2,75% 1,85% 2,99% 4,21% 5,06% 3,79%
2007 3,29% 3,89% 4,70% 3,82% 3,80% 4,19% 3,44% 4,56% 3,42% 3,70% 3,12% 4,26% 3,82% 2,59% 1,70% 2,95% 4,34% 5,07% 3,75%
Bron: Eurostat (februari 2009) en European Innovation Scoreboards
Figuur 13.19: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de tewerkstellingsgraad in hightech diensten (uitgedrukt als % t.o.v. totale beroepsbevolking) (2007)
Zweden
5,07%
Brussels HG
4,70%
Finland
4,56%
VK
4,34%
Nederland
4,26%
Denemarken
4,19%
België
3,89%
Noorwegen
3,82%
Vlaams Gewest
3,82%
Waals Gewest
3,80%
Zwitserland
3,75%
Ierland
3,70%
Duitsland
3,44%
Frankrijk
3,42%
EU-27
3,29%
Italië
3,12%
Spanje
2,59%
Oostenrijk
2,59%
Portugal 0,00%
1,70%
1,00%
2,00%
Bron: Eurostat (februari 2009) en European Innovation Scoreboards
3,00%
4,00%
5,00%
6,00%
215
KERNINDICATOR 10: GROEI VAN HET BRUTO BINNENLANDS PRODUCT PER REGIO (BBPR) Tabel 13.18: Evolutie van het bruto binnenlands product voor Vlaanderen, respectievelijk in lopende prijzen en in volume, en van het reële groeipercentage van het Vlaamse BBPR
1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
BBPR lopende prijzen (in miljoen euro) 98.822,8 103.422,3 106.704,3 113.183,1 118.163,3 120.045,1 126.808,0 131.197,9 136.578,9 144.324,5 148.202,2 152.974,1 157.411,7 166.377,7 173.169,9 182.981,4 189.566,1 198.853,6 207.087,9
Volume (kettingeuro's met referentiejaar 2000, in miljoen euro) 115.210,2 117.099,5 116.749,5 121.376,1 125.151,4 126.423,7 132.102,2 134.118,2 139.043,8 144.324,5 144.865,0 146.605,2 148.110,5 152.752,5 155.052,0 160.312,3 164.920,6 167.813,0 170.827,2
Reële groeipercentage BBPR 1,64% -0,30% 3,96% 3,11% 1,02% 4,49% 1,53% 3,67% 3,80% 0,37% 1,20% 1,03% 3,13% 1,51% 3,39% 2,87% 1,75% 1,80%
Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering (september/oktober 2008) De laatste officiële prognoses van het Vlaamse BBPR zijn opgesteld vóór het uitbarsten van de (financiële) crisis. De economische groei voor 2008-2010 wordt in deze reeksen te optimistisch ingeschat. In december werd er een korte en niet-officiële update gedaan van de regionale vooruitzichten. De Vlaamse economische groei voor 2008-2010 werd toen naar beneden bijgesteld (reële groei BBPR, 2008: van 1,8% naar 1,5%; 2009 van 1,8% naar -0,2% en 2010: van 2,6% naar 1,8%).
Voor meer info, zie documenten van de NBB: Beknopt: http://www.nbb.be/doc/dq/N/METHOD/OVERHN05.pdf Meer uitgebreid, onderstaand document op blz. 13-21: http://www.nbb.be/doc/DQ/N/DQ3/HISTO/NNDC05.PDF
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
Noot: Berekening in volume. Om de volumegroei van het BBP en zijn componenten te kennen moet uit de waarde-evolutie het effect van prijsveranderingen geëlimineerd worden. Tot voor kort werd gewerkt met een vast basisjaar. De prijsstructuur en de wegingen van dat vast basisjaar dienden om gedetailleerde reeksen en aggregaten in constante prijzen van het basisjaar te berekenen. Om de vijf jaar werd een nieuw basisjaar gekozen om rekening te houden met verandering in relatieve prijzen. De ervaring in diverse landen heeft echter uitgewezen dat bij snel wijzigende relatieve prijzen een vijfjaarlijkse update niet volstaat om een juist beeld te krijgen van de economische groei. Daarom werd door Eurostat besloten om over te stappen op een jaarlijkse update van het basisjaar. Dit komt neer op het meten van de groei in "ketting-volumemaatstaven". Bij de berekening van kettingindices wordt de volumegroei tussen twee opeenvolgende periodes t en t+1 berekend door de prijzen en gewichten van het jaar t te gebruiken. Bijvoorbeeld de toegevoegde waarde in volume tussen jaar 1 en 2 wordt berekend door de toegevoegde waarde van jaar 2 uitgedrukt in prijzen van jaar 1 te vergelijken met de toegevoegde waarde van jaar 1. Analoog wordt de groei tussen jaar 2 en 3 berekend door de toegevoegde waarde in jaar 3 uit te drukken in prijzen van jaar 2. Enzovoort voor volgende jaren. De wijzigingen tussen opeenvolgende periodes worden aan elkaar gelinkt (gecumuleerd) om aldus een kettingindex te bekomen. Wanneer tenslotte de kettingindex van een aggregaat toegepast wordt op het bedrag (niveau) van een referentiejaar, dan bekomt men een volumemaatstaf in "ketting <jaar T> €". Kettingindices meten accurater de veranderingen in economische groei, maar hebben als nadeel de zogenaamde 'non-additiviteit'. Dit wil zeggen dat toepassing van de kettingindices op de deelcomponenten van het BBP en vervolgens sommatie van deze deelcomponenten van het BBP niet hetzelfde zal zijn als loutere toepassing van kettingindices op het BBP zelf (tenminste vanaf het tweede jaar na het referentiejaar).
216
Figuur 13.20: Internationale vergelijking van de reële groeivoet van het BBPR (%) (1999-2006)
14,0%
Vlaanderen België
12,0%
Denemarken Duitsland
10,0%
Finland Frankrijk
8,0%
Ierland 6,0%
Italië Nederland
4,0%
Noorwegen Oostenrijk
2,0%
Spanje VK
0,0%
Zweden Zwitserland
-2,0%
EU 27 EU 15
-4,0% 1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
VS Japan
Bron: Vlaanderen: Studiedienst Vlaamse Regering (MVG); rest: Eurostat (maart 2009) Opmerking: ramingen voor 2008-2010
217
KERNINDICATOR 11: EXPORTAANDEEL VAN DE HIGHTECH SECTOREN IN VLAANDEREN Opmerking: Er zijn geen recente, gedetailleerde cijfers beschikbaar m.b.t. het export aandeel in medium- en hightech industrie en highttech diensten, noch op Vlaams noch op internationaal niveau. Er wordt daarom gekeken naar het aandeel van de hightech export in de totale export, waarvoor er wel Vlaamse en internationale gegevens beschikbaar zijn.
Tabel 13.19: Internationale vergelijking van de hightech export t.o.v. de totale export (in %) (1999-2006) 1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
7,20%
8,70%
6,70%
6,30%
6,40%
6,50%
5,90%
7,85%
8,69%
8,98%
7,49%
7,42%
7,12%
7,05%
6,64%
13,88%
14,43%
13,99%
15,02%
13,45%
13,32%
14,86%
12,75%
14,19%
16,08%
15,80%
15,15%
14,76%
15,36%
14,79%
14,06%
20,69%
23,48%
21,14%
20,90%
20,58%
17,77%
21,34%
18,12%
23,96%
25,47%
25,60%
21,88%
20,74%
20,07%
19,07%
17,88%
39,40%
40,54%
40,80%
35,35%
29,91%
29,08%
29,54%
29,01%
7,51%
8,53%
8,58%
8,21%
7,10%
7,08%
6,94%
6,35%
15,07%
20,56%
27,91%
24,71%
29,63%
29,46%
37,99%
40,66%
21,86%
22,82%
22,28%
18,74%
18,81%
19,10%
20,25%
18,27%
4,42%
3,18%
3,95%
4,85%
3,96%
3,46%
2,93%
2,96%
11,89%
14,05%
14,66%
15,74%
15,33%
14,76%
12,81%
11,17%
4,37%
5,57%
6,94%
6,36%
7,48%
7,49%
6,85%
6,99%
5,94%
6,37%
6,11%
5,71%
5,91%
5,70%
5,65%
4,92%
27,35%
28,90%
29,80%
28,64%
24,43%
22,80%
22,14%
26,48%
17,83%
18,71%
14,23%
13,71%
13,12%
14,14%
14,23%
13,39%
20,34%
19,99%
21,20%
20,39%
21,58%
21,13%
21,19%
20,35%
20,41%
21,39%
21,23%
18,89%
18,57%
18,49%
18,74%
16,65%
30,08%
29,95%
28,71%
27,99%
27,00%
26,82%
26,15%
26,13%
25,13%
27,00%
24,73%
23,09%
22,75%
22,37%
21,15%
20,04%
15,23%
16,78%
18,60%
21,30%
24,83%
27,49%
28,35%
28,20%
69,13%
66,61%
65,68%
68,08%
66,34%
65,30%
63,13%
58,36%
4,61%
4,99%
5,15%
4,67%
4,64%
4,27%
4,16%
4,00%
3,95%
4,25%
3,28%
4,73%
4,37%
3,03%
1,60%
1,62%
52,81%
54,22%
51,90%
51,70%
48,09%
47,67%
46,20%
46,11%
28,87%
31,59%
26,90%
28,94%
29,72%
30,04%
29,55%
28,73%
7,19%
11,00%
10,50%
8,98%
6,29%
6,26%
6,87%
6,20%
Bron: Vlaanderen: SERA-rapport 2008 (SERV); rest: Eurostat (februari 2009)
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
Vlaanderen België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Italië Luxemburg Nederland Noorwegen Oostenrijk Portugal Spanje VK Zweden Zwitserland EU 27 VS Japan China (excl. HK) Filippijnen India Rusland Singapore Zuid-Korea Brazilië
218
Figuur 13.21: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel van de hightech export in de totale export (%) (2006)
Filippijnen
58,36%
Singapore
46,11%
Luxemburg
40,66%
Ierland
29,01%
Zuid-Korea
28,73%
China
28,20%
VK
26,48%
VS
26,13%
Zwitserland
20,35%
Japan
20,04%
Nederland
18,27%
Finland
18,12%
Frankrijk
17,88%
EU 27
16,65%
Duitsland
14,06%
Zweden
13,39%
Denemarken
12,75%
Oostenrijk
11,17%
Portugal
6,99%
België
6,64%
Italië
6,35%
Brazilië
6,20%
Vlaanderen
5,90%
Spanje
4,92%
India Noorwegen Rusland 0,00%
4,00% 2,96% 1,62%
10,00%
20,00%
Bron: Vlaanderen: SERA-rapport 2008 (SERV); rest: Eurostat (februari 2009)
30,00%
40,00%
50,00%
60,00%
70,00%
219
Figuur 13.22: Internationale vergelijking van het aandeel van de hightech export in totale export (%) (1999-2006)
60,0%
Vlaanderen BelgiĂŤ 50,0%
Denemarken Duitsland Finland
40,0%
Frankrijk Ierland
30,0%
ItaliĂŤ Nederland 20,0%
Spanje VK Zweden
10,0%
Zwitserland EU 27
0,0% 1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
VS Japan China (excl. HK) Singapore Zuid-Korea
Bron: Vlaanderen: SERA-rapport 2008 (SERV); rest: Eurostat (februari 2009)
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
220
EXTRA KERNINDICATOR: FISCALE MAATREGELEN VOOR O&O De waarde 1-ß geeft de mate aan waarin fiscale stimuli voor de private sector aanwezig zijn. De waarde van de ß-index geeft aan wat, voor de investering van USD 1 in O&O, de vereiste opbrengst voor belastingen moet zijn, om na belastingen geen verlies te maken. Een grotere waarde voor 1-ß duidt bijgevolg op een meer stimulerend fiscaal beleid.
Figuur 13.23: Internationale vergelijking van 1-ß voor grote bedrijven (2008)
Spanje
0,391
Frankrijk
0,367
China
0,339
Portugal
0,285
India
0,266
Brazilië
0,254
Noorwegen
0,207
Korea
0,180
Canada
0,179
Denemarken
0,161
Japan
0,118
VK
0,105
België
0,089
Oostenrijk
0,088
VS
0,066
Nederland
0,066
Ierland
0,049
Finland
-0,008
Zwitserland
-0,010
Griekenland
-0,011
Israël
-0,013
Zweden
-0,015
Italië
-0,023
Rusland
-0,024
Duitsland
-0,030
-0,1
0,0
Bron: OECD Science, Technology and Industry Outlook 2008
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
221
Figuur 13.24: Internationale vergelijking van 1-β voor KMO's (2008)
Spanje
0,391
Frankrijk
0,367
China
0,339
Canada
0,325
Portugal
0,285
India
0,266
Brazilië
0,254
Nederland
0,239
Noorwegen
0,232
VK
0,190
Japan
0,162
Denemarken
0,161
Korea
0,158
België
0,089
Oostenrijk
0,088
VS
0,066
Ierland
0,049
Finland
-0,08
Zwitserland
-0,010
Griekenland
-0,011
Israël
-0,013
Zweden
-0,015
Italië
-0,023
Rusland
-0,024
Duitsland
-0,030
-0,1
0,0
0,2
0,3
0,4
0,5
V L A A M S I N D I C A T O R E N B O E K 2 0 0 0 9 H O O F D S T U K 13
Bron: OECD Science, Technology and Industry Outlook 2008
0,1
222
223
DOSSIERS
224
D O S S I E R 1 : B E S T E D I N G S A N A LY S E VA N H E T F W O 2 0 02 - 2 0 07 Door Elisabeth Monard (FWO) en Hans Willems (FWO)
1.1 HET FWO IN HET VLAAMS INNOVATIESYSTEEM
Keuzes van economisch of maatschappelijk strategische domeinen zullen worden aangestuurd niet alleen vanuit maatschappelijke en socio-economische behoeften, maar ook
Het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (FWO),
vanuit excellente onderzoeksgroepen.
heeft als opdracht het stimuleren en ondersteunen van het kennisgrensverleggend fundamenteel wetenschappelijk
Het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek is de eerste
onderzoek in alle wetenschapsgebieden aan de universiteiten
cruciale schakel in de innovatieketen en voedingsbodem voor
van de Vlaamse Gemeenschap, met inbegrip van samen-
nieuwe technologieën en economische en maatschappelijke
werkingsverbanden tussen de Vlaamse universiteiten en andere
ontwikkelingen.
onderzoeksinstellingen. Het FWO financiert excellente en beloftevolle onderzoekers,
“Countries and regions that are able to sponsor
alsook onderzoeksprojecten na een interuniversitaire competitie
leading-edge research at the forefront of knowledge
en een evaluatie door binnen- en buitenlandse experten.
are the best positioned to maintain and advance their
Het enige criterium is de uitmuntende kwaliteit van onderzoeker
economies and, consequentially, the quality of their
en onderzoeksvoorstel, ongeacht de wetenschappelijke discipline,
citizens’ lives.”
de onthaalinstelling, gender, politieke of religieuze overtuiging.
European Research Council
Binnen het Vlaamse wetenschappelijke landschap is het FWO daarenboven één van de belangrijke agentschappen voor het
Het fundamenteel onderzoek is, in tegenstelling tot andere
financieren van reis- en verblijfbeurzen voor het buitenland.
onderzoekstypes, voornamelijk aangewezen op de financiële
Het promoten van internationale mobiliteit loopt als een rode
inbreng van de overheid, daar het zelden op korte termijn
draad door alle acties van het FWO.
tot economische of maatschappelijke valorisatie zal leiden. Ongeveer 50% van de overheidsmiddelen gaan nu naar
Het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, dat zich richt
fundamenteel onderzoek. Van de totale binnenlandse O&O-
op het uitdiepen van de kennis over de mens en zijn omgeving,
uitgaven wordt in Vlaanderen ca 72% gefinancierd door
draagt bij tot het verhogen van het maatschappelijk en cultureel
privé-bedrijven. Deze financiering is hoofdzakelijk bedoeld voor
niveau van onze samenleving. Het handhaven van een hoog
eerder korte-termijn onderzoek met een economische finaliteit.
kennisniveau door wetenschappelijk onderzoek is een garantie
Het kennisgrensverleggend niet-gericht onderzoek kan in
voor een hoogstaande opleiding van talentvolle jonge mensen
Vlaanderen alleen een beroep doen op overheidsmiddelen.
in een brede waaier van disciplines. Op langere termijn vormt deze kennis en het gevormde menselijke kapitaal de basis van
“Research is the most effective strategy to spend public funds”
het gericht, toegepast, technologisch, strategisch, beleids-
was één van de belangrijke conclusies van de internationale
ondersteunend en –voorbereidend onderzoek en vormt ze
conferentie van de European Science Foundation (ESF)
een essentieel onderdeel in het scheppen van welvaart en
betreffende de impact van Basic Research op de maatschappij
welzijn. Het kennisgrensverleggend onderzoek ligt tevens aan
en de economie1. Desalniettemin wordt er in Europa een
de basis van de kennisverruiming o.a. nodig voor de grote
deficiet geconstateerd in de financiering van fundamenteel
maatschappelijke uitdagingen (milieu, mobiliteit, gezondheid, …).
wetenschappelijk onderzoek.
1 Eén miljard Euro dat wordt geïnvesteerd in onderzoek leidt tot de creatie van 50.000 jobs. ESF, Science impact : Rethinking the impact of Basic Research on Society and the Economy. International Conference 10-11 May 2007, Vienna, p.16.
225
Fundamenteel onderzoek leidt vaak onverwacht tot belangrijke
1.2 MIDDELEN
technische toepassingen die niet gepland waren. Het uitvoeren van fundamenteel onderzoek vraagt ook vaak nieuwe toepassingen
Ongeveer 80% van de FWO-inkomsten zijn toelagen van
en technieken die dan op zichzelf belangrijk worden.
de Vlaamse overheid en 20% van de Federale overheid. De Vlaamse en de Federale regering stellen elk binnen de
Het FWO neemt in Vlaanderen een belangrijke positie in als
eigen bevoegdheid een beleidsnota op met de grote richtlijnen
het gaat om de financiering van fundamenteel wetenschappelijk
inzake het te volgen wetenschapsbeleid, waarin ook het FWO
onderzoek. De werking en de rol van het FWO binnen het
gevat wordt.
Vlaams fundamenteel wetenschappelijk onderzoeksgebeuren, heeft in de afgelopen jaren een hogere wetenschappelijke
In vergelijking met het jaar 2002 zijn de toelagen van de
performantie en visibiliteit van Vlaamse onderzoekers gefaciliteerd.
Vlaamse gemeenschap met 53,6% gestegen en bedragen ze voor 2007 127.247.000 EUR. In dit bedrag is de extra financiering inbegrepen die de Vlaamse regering heeft uitgetrokken voor het Brain Gain initiatief “Odysseus” en de financiering van onderzoek aan grote internationale faciliteiten “Big Science”.
Figuur 1.1: Toelage FWO
200.000 180.000 160.000 140.000
EURO
120.000 100.000
60.000 40.000 20.000 0 2002
2003
n Toelage Vlaamse overheid n Toelage Federale overheid n Fiscale en parafiscale maatregelen n Nationale loterij n Totaal
2004
2005
2006
2007
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
80.000
226
De toelagen van de Nationale Loterij stegen over dezelfde
1.3 BESTEDING
periode met 12,2% tot 11,712 miljoen EUR, de federale toelagen kenden een daling met 3,2%. Ze liepen terug van
In de periode 2002-2007 werd gemiddeld 41,8% besteed aan
11,620 miljoen EUR in 2002 naar 11,248 miljoen EUR in 2007.
mandaten en 51,0% aan onderzoeksprojecten. De afwijkingen
Anderzijds was er wel een forse toename van de federale fiscale
van de gemiddelden zijn voor beide uitgavenposten hoogstens
en parafiscale maatregelen. Waar deze in 2002 slechts
2%. De uitgaven voor mandaten en onderzoeksprojecten samen
754.000 EUR bedroegen stijgen deze in 2007, voornamelijk
bedroegen gedurende de periode 2002-2007 gemiddeld 92,8%.
dankzij het Maribel-initiatief, tot 25,084 miljoen EUR.
Voorts was dit percentage zeer constant, met een afwijking van hoogstens 1,5%.
Het zogenaamde Maribelfonds Onderzoek voor tewerkstelling in het fundamenteel onderzoek werd ingesteld door de
Een schematische weergave van de besteding van de middelen
Programmawet van 27 december 2006. De bedoeling van
van het FWO over de verschillende wetenschapsgebieden
dit fonds is om de tewerkstelling in het fundamenteel
maakt duidelijk dat de Medische en Exacte wetenschappen het
wetenschappelijk onderzoek te verhogen. Het FWO en het
meeste middelen naar zich toetrekken. Met respectievelijk 28%
FNRS krijgen samen iets meer dan 31 miljoen EUR
en 20% van de bestede middelen. De Biologische, Gedrags- en
terugbetaald van de bedragen die ze hebben afgedragen aan
Cultuurwetenschappen komen allen uit in de buurt van 14%,
de sociale zekerheid. Volgens een verdeelsleutel die rekening
waar de Toegepaste wetenschappen, die voor een belangrijk
houdt met enerzijds het aantal mandaathouders bij het FNRS
deel van hun financiering een beroep doen op het IWT, bij het
en de FRIA-beurzen en anderzijds de mandaten van het FWO
FWO 11% van de middelen krijgen toebedeeld.
en de specialisatiebeurzen van het IWT, krijgt het FWO een bedrag van 16,7 miljoen EUR ter beschikking.
Dat de Gedrags- en Cultuurwetenschappen voor hun financiering
Deze middelen wendt het FWO aan om het mandatenbestand
nauwelijks bij andere financieringskanalen terecht kunnen, verklaart
aanzienlijk uit te breiden.
waarom beide gebieden samen 28% van de middelen krijgen.
in hoge mate afhankelijk zijn van het FWO en buiten het BOF
Figuur 1.2: Besteding 2001-2007
60%
50%
40%
30%
20%
10%
0% 2002
2003
n Mandaten n Wetenschappelijke contacten n Kredieten aan navorsers n Onderzoeksprojecten n Diversen
2004
2005
2006
2007
227
Dankzij de inspanningen van de Vlaamse Regering was de
Figuur 1.3: Besteding 2007 per wetenschapsgebied
instroom van 150 aspiranten per jaar definitief verworven in 2000. De bijkomende inspanningen van de Vlaamse Regering
13%
gedurende de periode 2002-2007, maakten dat de instroom van aspiranten vanaf 2002 verhoogd kon worden. Het federale 14%
tewerkstellingsplan voor fundamenteel onderzoekers versterkt deze actie nog.
20%
1.4.2 Postdoctorale onderzoekers
11%
De postdoctorale mandaten en de fundamenteel klinische mandaten dragen bij tot de actie van het FWO om excellente onderzoekers te ondersteunen en een wetenschappelijke
14%
carrière uit te bouwen.
28%
In het beleidsplan 2002-2007 was één van de aandachtspunten n Toegepaste wetenschappen
de uitbreiding van het bestand postdoctoraal onderzoekers.
n Biologische wetenschappen
Deze uitbreiding werd gerealiseerd door een grotere instroom.
n Humane wetenschappen (= Gedrags- en Cultuurwetenschappen) n Exacte wetenschappen
Gedurende de periode 2000-2004 was er een gemiddelde
n Sociale wetenschappen
instroom van 100 nieuwe onderzoekers. Aangezien het mogelijk is
n Medische wetenschappen
om dit mandaat tweemaal te verlengen, waarbij beide verlengingen gepaard gaan met een selectieve reductie van 50%, staat een instroom van 100 onderzoekers per jaar gelijk met een totaal
1.4 HET AANTAL MANDAATHOUDERS GAAT IN STIJGENDE LIJN
bestand van 525 onderzoekers. Vanaf 2005 gaat de instroom van nieuwe postdoctorale onderzoekers in stijgende lijn. In 2007 is er een instroom van 178 nieuwe postdoctorale onderzoekers en 8 fundamenteel klinische onderzoekers. De volgende jaren
1.4.1 Predoctorale onderzoekers
wordt er gestreefd naar een bestand van 745 voor 2009 en 759 en 772 voor de twee volgende jaren.
liet onder meer toe om de instroom van nieuwe aspiranten en postdoctorale mandaathouders op te trekken. Tabel 1.1 geeft
De geleidelijke uitbouw van het bestand van fundamenteel
een globaal overzicht van alle predoctorale mandaathouders in
klinische mandaten is eveneens één van de beleidslijnen
dienst op 1 oktober van elk jaar. De aspirantenmandaten vormen
uitgezet door het FWO. Deze mandaten zijn belangrijk door
het belangrijkste element in de actie van het FWO om jonge
hun translationeel karakter. Hier wordt niet alleen gepleit voor
onderzoekers in staat te stellen een doctoraat op proefschrift
een grotere instroom, maar meer nog voor het in mindere
voor te bereiden.
mate reduceren van het bestand bij verlenging van het mandaat.
Tabel 1.1:
Aspiranten: bestand per wetenschapsgebied op 1 oktober 2002
2003
2004
2005
2006
87
77
71
76
73
91
Cultuur- en taalwetenschappen
119
122
118
110
117
121
Exacte wetenschappen
133
137
130
127
128
128
90
89
95
92
99
111
132
141
152
161
193
209
47
52
56
54
56
64
608
618
622
620
666
724
Biologische wetenschappen
Gedrags- en maatschappijwetenschappen Medische wetenschappen Toegepaste wetenschappen Totaal
2007
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
De belangrijke financiële impuls die het FWO mocht ontvangen,
228
Tabel 1.2:
Postdoctorale mandaten: bestand per wetenschapsgebied op 1 oktober 2002
2003
2004
2005
2006
Biologische wetenschappen
72
81
91
92
114
126
Cultuur- en taalwetenschappen
72
82
89
90
96
102
106
115
120
118
136
144
Exacte wetenschappen Gedrags- en maatschappijwetenschappen Medische wetenschappen Toegepaste wetenschappen Totaal
Tabel 1.3:
2007
50
51
58
59
65
78
118
114
122
129
134
157
39
41
40
40
44
56
457
484
520
528
589
663
Personeel Tech. 195 208 218 209 205 198
Bedrag 32.824 36.863 39.778 43.218 44.005 45.250
Uitrusting Bedrag 11.424 9.868 6.186 6.022 6.517 4.661
Werking Bedrag 12.581 13.614 14.459 17.101 17.890 18.548
Totaal Bedrag 56.829 60.345 60.423 66.341 68.412 68.459
Projecten in functie, bedragen in kEUR Aantal
2002 2003 2004 2005 2006 2007
805 886 905 1.006 1.013 1.030
Wet. 463 518 535 574 599 623
Vanaf 1 oktober 2005 werd het fundamenteel klinisch mandaat
Opvallend is de daling in 2004 van de uitgaven voor uitrusting.
omgevormd naar een mandaat van vijf jaar dat eenmaal voor
Dit is enerzijds te verklaren door de lage slaagkansen in 2004
eenzelfde periode kan verlengd worden.
en het vooruitzicht op extra budgetten via de “Big Science” financiering om apparatuur te financieren.
1.4.3 Projecten Over alle wetenschapsgebieden heen wordt gemiddeld 63% Naast het toekennen van onderzoeksmandaten, is het
van de middelen aan personeel, 24% van de middelen aan
ondersteunen van onderzoeksprojecten inzake kennisverleggend
werking en 12% van de middelen aan uitrusting besteed.
fundamenteel onderzoek één van de kerntaken van het FWO. De uitgaven voor het ondersteunen van onderzoeksprojecten
De gemiddelde bestedingen per wetenschapsgebied wijken
vormden gedurende de periode 2002-2007 gemiddeld meer
hier van af. Dit is een onmiddellijk gevolg van de wisselende
dan 50% van de totale uitgaven van het FWO.
behoeften voor onderzoeksfinanciering in de verschillende vakgebieden. Middelen voor projecten in de cultuur- en taal-
Projecten worden aangevraagd door een onderzoeksgroep.
wetenschappen en gedrags- en maatschappijwetenschappen
Een projectaanvraag kan personeel, zowel wetenschappelijk als
worden voor 89% besteed aan wetenschappelijk personeel,
technisch, uitrusting en werking omvatten. De post “uitrusting”
10% wordt besteed aan werking en slechts 1% aan uitrusting.
heeft betrekking op de aankoop van bijzondere apparatuur,
Deze bestedingen liggen anders in de andere wetenschaps-
noodzakelijk om het project te kunnen uitvoeren. “Werking”
gebieden, waar tussen 46% en 64% wordt besteed aan
voorziet dan weer in de ondersteuning van het onderzoek.
wetenschappelijk én technisch personeel. Het gedeelte technisch
Dit kan gaan van het bijwonen van congressen tot het onderhoud
personeel is substantieel, voor de medische wetenschappen ligt
van onderzoeksapparatuur. Het spreekt voor zich dat de
het ongeveer dubbel zo hoog als het wetenschappelijk
verdeling personeel/uitrusting/werking voor elke project -
personeel. Tussen de 14% en 19% wordt besteed aan uitrusting,
aanvraag verschillend zal zijn.
en in de biologische en medische wetenschappen wordt 32%, respectievelijk 39%, besteed aan werking. In de exacte en
Tabel 1.3 geeft een globaal overzicht van de onderzoeksprojecten in functie tijdens de periode 2000-2007. Uitgaven voor personeel blijven min of meer constant. Uitgaven voor werking stijgen licht.
toegepaste wetenschappen wordt 18% besteed aan werking.
229
1.5 SLAAGKANSEN
Aangezien de stijging van het aantal aspiranten reeds voor 2007 ingezet is en er voor jonge afgestudeerden een aantal
De slaagkans voor aanvragers van een aspirantenmandaat lag
alternatieve financieringsmogelijkheden zijn om een doctoraat
in de periode 1996-2000 op 42% en bereikte een dieptepunt
te behalen, kunnen we vanaf 2008 een verdere stijging van het
in 2004 met 29%, ondanks een toename van de beschikbare
aantal aanvragers voor een postdoctoraal mandaat verwachten.
middelen. In 2005 en 2006 bereikte de slaagkans 33% en 32%. Voor 2008 wordt een slaagkans van 29% verwacht. In
De evolutie van de slaagkansen voor aspiranten en postdoctorale
2005 werd de basistoelage verhoogd om de instroom
onderzoekers laat zich grafisch als volgt voorstellen. (Figuur 1.4)
aspiranten vanaf 1/10/2005 op 170 te brengen. In 2006 werd de basistoelage opnieuw verhoogd om de instroom aspiranten
Hoewel er ook voor de onderzoeksprojecten extra financiĂŤle
vanaf 1/10/2006 op 190 te brengen.
ruimte vrij kwam, resulteerde dit niet in een positieve tendens. Het slaagpercentage voor de projecten liep terug van 47%
Daarenboven is er dankzij het Maribelplan sinds 2007 extra
in 2002 tot 26% voor 2007 (2008:23%). Dit heeft vooral te
financiĂŤle ruimte zodat de instroom van aspiranten opnieuw
maken met een groeiende belangstelling voor deze vorm van
kan verhoogd worden tot 210. Het is de bedoeling om voor
financiering. Het aangevraagde bedrag steeg van 60,759
de slaagkansen voor aspiranten in de toekomst te streven naar
miljoen EUR in 2002 naar 97,720 miljoen EUR in 2007 (+61%).
een consolidatie op 35%.
Deze groeiende interesse is het gevolg van de grotere onderzoekspopulatie die in Vlaanderen bewust wordt
De inspanningen van de overheid om het postdoctoraal kader
nagestreefd. Dit maakt wel dat het streefdoel van 33% slaag-
te vergroten waren nog omvangrijker. Dit leidt inderdaad tot
kans nog ver af is.
een stijging van de slaagkansen. Toch is op korte en middellange termijn enige voorzichtigheid geboden. Vanaf 1 oktober 2007 zal het FWO ongeveer 712 aspiranten in dienst hebben.
Figuur 1.4: Slaagpercentage voor mandaten
50%
40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2002
n Aspiraten n Postdoctorale onderzoekers
2003
2004
2005
2006
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
45%
230
Figuur 1.5: Projecten-slaagpercentage
70%
60%
50%
40%
30%
20%
10%
0% 2002
2003
2004
2005
2006
2007
n Slaagpercentage (aantal) n Slaagpercentage (bedrag)
Gedurende de periode 2000-2007 was de gemiddelde
Deze inspanningen werpen duidelijk hun vruchten af. Zowel wat
slaagkans, berekend volgens het aantal toegekende projecten,
betreft de aspiranten als de postdoctorale onderzoekers,
52%. Sinds 2002 is deze slaagkans gedaald. De gemiddelde
lag het aantal vrouwelijke aanvragers in 2002 structureel lager
slaagkans, berekend volgens de toegekende bedragen, is 33%.
dan het aantal mannelijke aanvragers. Sindsdien zijn de
Sinds 2002 is ook dit percentage blijven dalen. Voor 2007 zijn
vrouwelijke onderzoekers duidelijk een inhaalbeweging gestart.
42% van de aangevraagde projecten toegekend, voor een
Het aantal vrouwelijke aanvragers is voor de predoctorale
bedrag van 25% van de totale aanvraagmassa.
mandaten met 136% gestegen, het aantal mannelijk mandaat aanvragen steeg daarentegen “slechts” met 45%. Voor de
In de periode 2002-2007 werd gemiddeld 73.792.000 EUR
postdoctorale
aangevraagd. We zien dat de aanvraagmassa in 2007 met
onderzoekers een stijging optekenen van 197% tegenover
46% gestegen is ten opzichte van 2002. Deze stijging is
128% voor de mannelijke onderzoekers.
mandaataanvragen
lieten
de
vrouwelijke
vergelijkbaar met de stijging van de middelen van het FWO. Het aantal vrouwelijke aanvragers voor een aspirantenmandaat bereikte, door de forse stijging, in 2005 reeds hetzelfde peil
1.6 GELIJKE KANSEN
als het aantal mannelijke aanvragers en in 2007 zijn er 9% meer vrouwelijke aanvragers dan mannelijke.
Het FWO heeft altijd veel aandacht besteed aan de genderproblematiek. Om beide geslachten evenveel kansen en
Voor de postdoctorale onderzoekers kan het aantal vrouwelijke
mogelijkheden te bieden, vindt het FWO het belangrijk om
aanvragers nog steeds niet wedijveren met het aantal mannelijke
zich naar de onderzoeker toe zeer flexibel op te stellen. In de
aanvragers. Het bestand postdoctorale onderzoekers bestaat
reglementen zijn dan ook voldoende garanties ingebouwd,
voor ongeveer 33% uit vrouwelijke onderzoekers. Door de kleine
zodat een onderzoekscarrière niet ten koste gaat van het
verschillen in slaagpercentages die in 2007 voor de vrouwen
persoonlijke en familiale aspect.
zelfs ietsje hoger lagen (38% tov 36%), is dit volledig te wijten aan het kleiner aantal vrouwelijke aanvragers.
231
Figuur 1.6: Evolutie mandatenbestand
450 400 350 300 250 200 150 100 50 0 2002
2003
2004
2005
2006
2007
n Man predoctoraal n Vrouw predoctoraal n Man postdoctoraal n Vrouw postdoctoraal
Op basis van de quasi gelijke verdeling in het aspiranten-
Tijdens de postdoctorale fase is het verwerven van buitenlandse
bestand, valt te verwachten dat binnen afzienbare tijd het aantal
expertise zo mogelijk nog belangrijker. Postdoctorale onderzoekers
vrouwelijke aanvragers ook hier structureel zal stijgen.
kunnen doorgroeien in een academische carrière. Om als leider van onderzoek op te treden en om als promotor van jonge onderzoekers op te treden is het, in de meeste
1.7 INTERNATIONALE MOBILITEIT
vakgebieden, ondenkbaar om geen gebruik te maken van een
Door onderzoek uit te voeren aan een buitenlandse universiteit,
onderzoekers dit netwerk op te bouwen.
in samenwerking met buitenlandse experten, eventueel onder leiding van een buitenlandse co-promotor, is de onderzoeker in
Het FWO werkt op verschillende manieren aan internationale
staat expertise te verwerven buiten zijn eigen onderzoekseenheid.
mobiliteit van enerzijds de mandaathouders van het FWO zelf, en anderzijds van alle onderzoekers verbonden aan een
Het verwerven van expertise, aanwezig in het buitenland, betekent
Vlaamse universiteit.
in vele vakgebieden voor de meeste doctoraatsproefschriften een belangrijke meerwaarde. Daarenboven wordt deze
Het FWO biedt verschillende mogelijkheden om internationale
verworven kennis verwerkt in een proefschrift (en publicaties)
samenwerking tussen onderzoekers en onderzoeksgroepen te
voor een doctoraat dat afgelegd wordt aan een Vlaamse
ondersteunen. Uitgaven om heel doelgericht internationale
universiteit. De mobiliteit van onderzoekers zorgt dus voor een
samenwerking te ondersteunen, maken iets meer dan 2% uit
import van buitenlandse kennis in Vlaanderen.
van de totale jaarlijkse besteding van het FWO. Dit kan weinig lijken, maar de internationalisering is reeds vervat in alle andere actiemiddelen van het FWO en is niet afhankelijk van deze specifieke actiemiddelen.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
internationaal netwerk. Net tijdens de postdoctorale fase dienen
232
Tabel 1.4:
Internationale mobiliteit van mandaathouders prédoctoraal
Maanden
postdoctoraal
2002
2003
2004
2005
2006
2007
0 tot 3
299
437
294
340
603
347
3 tot 6
3
15
6
0
28
6
6 tot 9
2
5
2
1
22
15
9 tot 12
10
0
0
14
0
2
Bovenstaande tabel geeft een globaal overzicht van de
Op dit ogenblik heeft het FWO met 18 landen bilaterale
internationale mobiliteit van de FWO-mandaathouders.
akkoorden afgesloten om de uitwisselingen van onderzoekers te stimuleren. In de periode 2001-2007 maakten in totaal
Eén van de belangrijkste instrumenten ter bevordering van de
518 onderzoekers gebruik van de mogelijkheden die deze
internationale mobiliteit die het FWO ter beschikking stelt van
akkoorden bieden. 124 Vlaamse onderzoekers trokken naar
de onderzoekers verbonden aan de Vlaamse universiteiten zijn
het buitenland en 394 buitenlandse onderzoekers kwamen
de FWO-reiskredieten.
voor enkele maanden naar Vlaanderen om hun onderzoek verder te zetten. De meest intensieve uitwisseling in het kader
Met een reiskrediet kan een onderzoeker een congres
van deze akkoorden gebeurt met Bulgarije, Polen, Roemenië
bijwonen of een studieverblijf doorvoeren aan een buitenlandse
en Argentinië.
instelling. Er wordt van de aanvragers verwacht dat zij een actieve bijdrage leveren aan het congres. Voor congressen binnen Europa beschikken de FWO-mandaathouders vanaf 1/10/2007 over een forfaitaire werkingstoelage. Figuur 1.7 beschrijft per jaar het aantal toegekende reiskredieten aan FWO-mandaathouders.
Figuur 1.7: Reiskredieten - studieverblijven en workshops per onderzoeker (aantallen)
70 60 50 40 30 20 10 0 2002
2003
n Aspirant FWO n Postdoctoraal onderzoeker FWO n Predoctoraal onderzoeker n Postdoctoraal onderzoeker
2004
2005
2006
2007
233
Een ander populair programma zijn de Visiting Postdoctoral Fellowships. Maar liefst 130 buitenlandse wetenschappers kwamen tussen 2002 en 2007 via dit programma voor een periode tussen drie en twaalf maanden onderzoek doen aan een Vlaamse universiteit. Meer cijfergegevens en extra informatie over deze en andere initiatieven, zoals de wetenschappelijke onderzoeksgemeenschappen of de beurzen voor wetenschappelijke opdrachten, zijn uitgebreid beschreven in de FWO Bestedingsanalyse 2002-2007, die raadpleegbaar is op de website van het FWO: www.fwo.be.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
234
D O S S I E R 2 : I W T- E F F E C T M E T I N G E N Door Jeroen Fiers (IWT)
2.1 INLEIDING
Bovendien werd in het verleden eveneens al onderzoek gedaan naar zowel de input- als gedragsadditionaliteit van de
2.1.1 Het meten van effecten
individuele IWT bedrijfsprojecten ter bevordering van innovatie en O&O (cfr IWT-Studies 54 en 56).
In steeds toenemende mate wordt van politieke overheden en hun administraties transparantie gevraagd in de wijze waarop
De uitvoering en de resultaten van de hierboven vernoemde
publieke middelen beheerd en geïnvesteerd worden, en de
effectmetingen staan centraal in het vervolg van dit dossier.
mate waarin socio-economische meerwaarde ontstaat als gevolg van deze investeringen. Deze evolutie verklaart waarom de voorbije jaren het accent bij de analyse van beleidsprogramma’s meer en meer verschoven is naar de resultaten en de effecten van de instrumenten, daar waar in het verleden
2.2 EFFECTMETINGEN VAN PROGRAMMA’S VOOR COLLECTIEF ONDERZOEK EN KENNISVERSPREIDING
de focus vooral op de inputzijde lag. De beëindiging van een eerste cyclus van projecten vormde Ook bij de analyse van beleidsprogramma’s ter bevordering
voor het IWT de aanleiding om vijf programma’s voor collectief
van innovatie en onderzoek en ontwikkeling vinden we een
onderzoek en kennisverspreiding voor de eerste maal aan een
gelijkaardige verschuiving terug. Hierbij wordt er steeds meer
effectmeting te onderwerpen. Het ging om de programma’s:
gekeken naar de directe resultaten van de innovatieprogramma’s
Strategisch Basisonderzoek (SBO en zijn voorgangers
maar ook naar de effecten en zelfs de impact ervan (Verbeek
STWW en GBOU), TETRA-fonds (vroegere HOBU-fonds) en
et al, 2008). Parallel hiermee heeft ook het begrip additionaliteit,
de subprogramma’s Collectief Onderzoek (CO), Thematische
en in het bijzonder output- en gedragsadditionaliteit, aan
Innovatiestimulering (TIS) en Technologische Dienstverlening (TD)
aandacht gewonnen in de evaluatie van steunmaatregelen ter
binnen het Vlaamse Innovatiesamenwerkingsverband (VIS)1.
bevordering van innovatie en O&O (cfr IWT-studie 56).
In elk van de gevallen gaat het om een eerste reeks van afgeronde projecten die in al hun facetten onder de loep
2.1.2 Effectmetingen van de IWT-portfolio.
genomen werden.
Ook in Vlaanderen werd de voorbije jaren meer belang gehecht
Het collectieve karakter van de projecten is kenmerkend voor
aan beleidsevaluatie, performantie-evaluatie en impactevaluatie
elk van deze programma’s. De term collectief wijst er op dat
van het overheidsinstrumentarium ter bevordering van innovatie
het gaat om programma’s waarbij zowel kenniscentra als
en O&O. Deze worden beschouwd als hoekstenen voor de
projectuitvoerders kennis ontwikkelen en/of verspreiden in
opbouw van strategische intelligentie binnen het beleidsdomein.
functie van een grotere groep geïnteresseerde Vlaamse ondernemingen. Enerzijds vindt er bij deze projecten directe
Aangezien IWT-Vlaanderen, als beheerder van verschillende
kennisoverdracht plaats via de ondernemingen die door
steunprogramma’s ter bevordering van O&O en innovatie,
deelname in een gebruikerscommissie en/of stuurgroep
eveneens nood heeft aan inzichten over de werking, de resultaten
actief participeren in het project en anderzijds kunnen
en de effecten van deze programma’s, werden de voorbije jaren
de projectresultaten indirect tot bij een grotere groep onder-
vijf programma’s voor collectief onderzoek en kennisverspreiding
nemingen geraken via workshops, lezingen, vaktijdschriften,
voor de eerste maal aan een effectmeting onderworpen.
contractonderzoek,….
1 Het Vlaams Innovatiesamenwerkingsverband (VIS) is een steunprogramma dat als doel heeft technologische innovatie in Vlaamse bedrijven, en dan voornamelijk KMO’s, te stimuleren door sensibilisering (TIS), toegang te verschaffen door tot technologische kennis (CO) en door het bieden van ondersteuning bij de concrete toepassing van deze kennis (TD).
235
Tabel 2.1:
Overzicht van de programma’s die onderworpen werden aan een effectmeting Periode*
Aantal projecten
Steun (in milj. EURO)
Uitvoerder effectmeting
Strategisch Basisonderzoek (SBO en voorgangers STWW en GBOU)**
1998-2007
102
179,6
Collectief Onderzoek
2002-2006
78
24,7
Technopolis Dialogic
TETRA-fonds (en vroegere HOBU)
1997-2007
260
61,6
Samenwerkingsverband***
Thematische Innovatiestimulering
2001-2006
96
47,7
IDEA Consult
Technologische Dienstverlening
2001-2006
91
49,5
IDEA Consult
Bron: IWT * Het gaat om de periode waarop de effectmeting van de respectievelijke programma’s betrekking had. ** Voor het programma Strategisch Basisonderzoek werden enkel deze projecten met een economische finaliteit opgenomen in de effectmeting. *** Het ging om een samenwerkingsverband van de verschillende associaties en de Vlaamse Ingenieurskamer (VIK).
Figuur 2.1: Kennisopbouw en kennisverspreiding bij collectieve programma’s
Terugkoppeling (bv. input nieuwe project-voorstellen)
Indirecte kennisoverdracht
Kennisverspreiding (TIS en TD) Brede doelgroep
Resultaten Collectief Onderzoek (SBO, VIS-CO, Tetra)
Directe kennisoverdracht
Leden gebruikerscommissie
Terugkoppeling (bv. input nieuwe project-voorstellen)
Indirecte kennisoverdracht
Journals, boeken, lezingen, conferenties, semniaries, contractonderzoek,…
Brede doelgroep
Bron: IWT (Eigen bewerkingen o.b.v. Bongers et al. (2008))
Vaak worden door kenniscentra ook nog andere (diensten)-
Elk van deze collectieve programma’s verloopt volgens een
kanalen aangewend die specifiek gericht zijn op het
jaarlijkse oproep, waarna de projectaanvragen door externe
verspreiden van nieuwe kennis naar een bredere doelgroep
deskundigen worden beoordeeld op vlak van de innovatie-
van ondernemingen.
graad, de wetenschappelijke kwaliteit en het valorisatiepotentieel. Om de kansen op valorisatie te maximaliseren is het bovendien
Zo maken bijvoorbeeld collectieve onderzoekscentra eveneens
ook de bedoeling dat de projecten in elk van de programma’s
gebruik van projecten technologische dienstverlening (TD) en
nadrukkelijk vraaggedreven zijn.
of thematische innovatiestimulering (TIS) om de resultaten van collectief onderzoek te verspreiden naar een bredere doelgroep (Bongers et al., 2008).
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
Terugkoppeling (bv. input nieuwe project-voorstellen)
236
In de praktijk is de focus van de programma’s echter sterk
Na een bespreking van de onderzoeksvragen, werd er steeds
uiteenlopend. Enerzijds kunnen de programma’s opgesplitst
gestart met een uitgebreide portfolioanalyse op basis van de bij
worden in 3 groepen naargelang de nadruk voornamelijk ligt op
het IWT aanwezige administratieve gegevens met betrekking
de kennisopbouw (SBO en VIS-CO), het vertalen en verspreiden
tot de projecten.
van technologie/kennis (TETRA) dan wel op het sensibiliseren en kennisverspreiding (VIS-TIS, VIS-TD). Een volgende belangrijk
In een tweede stap werden enerzijds enquêtes gestuurd naar
verschilpunt bestaat erin dat, hoewel in elk programma het
projectuitvoerders en betrokken ondernemingen. De focus
valorisatiepotentieel de nodige aandacht krijgt, de afstand tot
van deze vragenlijsten lag zowel op de projectinhoud,
de markt tussen de programma’s varieert van zeer veraf tot
het projectverloop als op het kwantificeren van de resultaten
kortbij. Zo is Strategisch Basisonderzoek kwalitatief hoogwaardig
en/of effecten van de individuele projecten. Dit laatste was
op langere termijn gericht onderzoek dat het opbouwen van
van groot belang voor de meeste programma’s aangezien
wetenschappelijke of technologische capaciteit beoogt die de
de projectresultaten en –effecten in de meeste gevallen op
basis vormt voor toekomstige toepassingen in Vlaanderen.
een niet of onvoldoende wijze gestructureerde en systematische
Daartegenover zijn projecten technische dienstverlening
manier verzameld werden tijdens het projectverloop. Het werken
specifiek gericht op specialistisch technologisch advies van
met een enquête impliceert ook dat het niet mogelijk is om
hoge kwaliteit dat op zeer korte termijn door de onderneming
een exhaustief beeld te krijgen van zowel projectresultaten als
kan geïmplementeerd worden.
–effecten. De keuze om, met uitzondering van VIS/TIS en VIS/TD, enkel deze ondernemingen te bevragen die
Naast een uiteenlopende focus, doelstellingen en ambitieniveau
deelgenomen hebben aan gebruikerscommissies, heeft als
onderscheiden de programma’s zich echter nog op tal
gevolg dat de effecten en resultaten bij de bredere doelgroep
van andere vlakken: mogelijke aanvragers en uitvoerders,
moeilijk ingeschat kunnen worden.
de beoogde doelgroep, de maximale projectduur en –omvang, de steunmodaliteiten, de toegelaten projectactiviteiten en de eigendomsrechten.
Aanvullend op de vragenlijsten werden ook interviews gehouden met diverse bij de programma’s betrokken actoren (IWT-adviseurs, projectuitvoerders, ondernemingen) om een nog beter inzicht te krijgen in de respectievelijke programma’s. De eerste
2.3 AANPAK EN METHODOLOGIE VAN DE EFFECTMETINGEN
bevindingen van de onderzoekers op basis van de vragenlijsten en de interviews werden vervolgens ter discussie voorgelegd aan een stuurgroep, waarna de uitvoerders hun bevindingen
Voor elk van de geëvalueerde programma’s vormde de
en aanbevelingen neerschreven in een uitgebreid rapport.
afloop van een eerste cyclus van projecten de aanleiding om de programma’s beter te analyseren en te beoordelen. Met uitzondering van TETRA werd de uitvoering ervan, na een
2.4 RESULTATEN VAN DE EFFECTMETINGEN
openbare aanbesteding, toegewezen aan een onafhankelijk onderzoeksbureau. Specifiek voor de TETRA-effectmeting is
Na het beschrijven van de gevolgde methodologie wordt
dat ze werd uitgevoerd door de associaties in samenwerking
hierna een kort en bondig overzicht gegeven van de
met de Vlaamse Ingenieurskamer (VIK).
belangrijkste bevindingen van de verschillende effectmetingen2. Voor elk van de programma’s worden enerzijds het
Aangezien het IWT zich op vlak van effectmetingen eveneens nog
projectverloop en anderzijds de effecten en resultaten bij de
in een leerproces bevindt, werd er geen verplicht methodologisch
ondernemingen en projectuitvoerders besproken.
kader opgelegd aan de uitvoerders. Wel werden er vanuit het IWT duidelijke onderzoeksvragen geformuleerd. Hoewel elk van de uitvoerders zijn eigen accenten heeft gelegd, vertoont de aanpak van de uitgevoerde effectmetingen grote gelijkenissen.
2 Een uitgebreider overzicht van de resultaten van de effectmetingen is terug te vinden in de respectievelijke rapporten en of IWT-publicaties.
237
2.4.1 Projectverloop
2.4.3 Samenstelling van en interactie binnen de gebruikerscommissie of stuurgroep.
Hoewel een analyse van het projectverloop in theorie geen deel uitmaakt van een effectmeting, kunnen de resultaten ervan
Gebruikerscommissies en of stuurgroepen spelen een cruciale
toch een belangrijke meerwaarde leveren aan effectmetingen.
rol in de loop van projecten van collectieve aard. Hun taak
De praktijk leert immers dat bepaalde kenmerken van en elementen
bestaat er voornamelijk in te fungeren als klankbord voor
uit het projectverloop bepalend kunnen zijn voor het al dan niet
de onderzoekers en indien nodig het project bij te sturen.
realiseren van resultaten en effecten. Denk hierbij aan het al dan
Met uitzondering van VIS-TD-projecten is een stuurgroep
niet betrekken van ondernemingen bij de projectformulering,
verplicht voor elk van de overige programma’s.
de rol en interactie van de gebruikerscommissies/stuurgroepen en de eventuele spanningsvelden in de verwachtingspatronen
De gebruikerscommissies, die op vastgelegde tijdstippen tijdens
tussen projectuitvoerders en ondernemingen.
het project bijeenkomen, bestaan uit vertegenwoordigers van bedrijven en of federaties die een afspiegeling vormen van
2.4.2 Het vraaggedreven karakter van de projecten
de uiteindelijke doelgroep van de projectresultaten. Echter ook kennisinstellingen en/of administraties kunnen deel uit maken
De betrokkenheid van de bedrijven bij de projectformulering,
van deze klankbordgroep. In dit laatste geval treden ze eerder
is voor nagenoeg elk van de programma’s beperkt. In de
op als reviewer3. Zowel bij TETRA/HOBU als bij de
praktijk gebeuren de meeste van projecten immers op initiatief
subprogramma’s uit het VIS-programma, geldt de vereiste om
van de onderzoekers die vervolgens bij de samenstelling van
een voldoende aantal Vlaamse KMO’s op te nemen in de
hun gebruikerscommissie/stuurgroep beroep doen op door
gebruikerscommissie. Dit neemt echter niet weg dat grote en
hen al bekende (leden)bedrijven. Bedrijven die toch betrokken
of buitenlandse ondernemingen actief kunnen deelnemen aan
werden bij de projectaanvraag van bijvoorbeeld VIS-CO-projecten
de projecten.
zijn in de meerderheid van gevallen van oordeel dat ze in voldoende mate invloed kunnen uitoefenen hebben op de
Algemeen kan worden vastgesteld dat projectaanvragers bij de
projectinhoud. Een niet onbelangrijk deel van de bedrijven geeft
samenstelling van hun gebruikerscommissies in eerste instantie
echter aan dat ze geen nood hebben om de projectinhoud
een beroep doen op (leden)bedrijven waar ze in het verleden
te beïnvloeden en/of betrokken te worden bij de projectopzet.
al mee samengewerkt hebben. Hierdoor nemen sommige
De projecten thematische innovatiestimulering en technologische
bedrijven ook deel aan verschillende gebruikerscommissies, al dan niet in verschillende programma’s. Bij de programma’s Strategisch Basisonderzoek (SBO) en Collectief Onderzoek
Mede onder impuls van IWT is er echter een kentering
innovatief. Het zijn veelal geëngageerde koplopers die over een
(VIS-CO) zijn de deelnemende ondernemingen bovengemiddeld merkbaar bij de meeste collectieve programma’s. Bedrijven zijn
groter absorptievermogen beschikken om de resultaten te kunnen
in het algemeen zelf ook kieskeuriger geworden met hun
inbedden en benutten, maar gezien de moeilijkheidsgraad van
deelnames in de gebruikerscommissie of stuurgroepen. Dit is
het onderzoek bovendien ook inhoudelijk kunnen meedenken
zeker en vast het geval voor bijvoorbeeld TETRA/HOBU-
over de inhoud van het onderzoek. Bij TETRA/HOBU-, VIS-TIS
projecten waar de KMO’s zelf financieel dienen bij te dragen
en VIS-TD-projecten worden vaker minder innovatieve KMO’s
aan de projecten. Doch ook bij de projecten Strategisch
betrokken bij de projecten.
Basisonderzoek, waar er geen verplichte financiële bijdrage vanwege de bedrijven bestaat, participeren meer en meer
De betrokkenheid en interactie van de leden van de
bedrijven enkel nog uitsluitend als het onderzoeksonderwerp
stuurgroepen of gebruikerscommissies varieert sterk naargelang
relevant is voor de onderneming.
het programma en de projecten. Zo wordt de houding van de ondernemingen in de SBO-projecten veeleer als passief omschreven. Bedrijven beschouwen de commissies hier immers vooral als een instrument om geïnformeerd te worden.
3 Bongers et al. (2008).
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
dienstverlening zijn de meest ‘bottom-up’ gedreven programma’s, waarbij de ‘behoeften’ van de bedrijven centraal staan.
238
Bij VIS-CO- en TETRA/HOBU-projecten is er meer sprake van
KMO’s uit TETRA/HOBU-projecten geven bijvoorbeeld aan dat
interactie binnen de gebruikerscommissie. De samenstelling
ze op kortere termijn resultaten willen zien, terwijl ondernemingen
van de commissies blijkt in elk van de gevallen sterk bepalend
die deelnemen aan SBO-projecten wensen dat het valorisatie-
voor de interactie tussen de leden. Zo tonen bedrijven een meer
potentieel zwaarder zou doorwegen bij de projectevaluatie.
open houding voor samenwerking en kennisdeling indien het
Deze bezorgdheid komt ook tot uiting in het feit dat de
gaat om precompetitief onderzoek en/of wanneer concurrentie
tevredenheid van de ondernemingen in SBO-projecten groter
tussen de verschillende leden minder een rol speelt. Dit zal het
is wanneer er gewerkt wordt met concrete bedrijfscases om
geval zijn wanneer schakels uit de gehele waardeketen
modelmatige benaderingen in de praktijk te toetsen, waardoor
vertegenwoordigd zijn (een mix van klanten en leveranciers) of
de focus sterker op de toepassing van de resultaten komt
wanneer bedrijven uit verschillende toepassingsdomeinen
te liggen.
vertegenwoordigd zijn. Bovendien geldt in alle gevallen dat hoe meer heterogeen en hoe groter de groep is, hoe moeilijker
Algemeen kan op basis van de bevindingen in de verschillende
het echter wordt om een gemene deler te vinden in ieders
effectmetingen besloten worden dat na afloop van de collectieve
verwachtingspatroon (Bongers et al., 2008). Uit elk van de
projecten de verwachtingen van de bedrijven voor kennisopbouw
effectmetingen blijkt eveneens dat ondernemingen door
vaak beter vervuld zijn dan deze voor valorisatie. Bij zowel
deelname aan projecten veeleer een sterkere band uitbouwen
projecten uit VIS-TIS als VIS-TD, waar de kennisverspreiding en
met de uitvoerders, dan met andere ondernemingen uit de
-toepassing meer centraal staat en die meer bottom-up gedreven
gebruikerscommissie of stuurgroep.
zijn, stelt deze problematiek zich minder duidelijk. Zo geeft meer dan 60% van de bedrijven aan dat de diensten die ze ontvangen
Tot slot blijkt over de verschillende effectmetingen heen dat
hebben, goed of zelfs perfect aansluiten bij hun noden.
bedrijven, ondanks de vaak beperkte engagementen tijdens het projectverloop, in het algemeen tevreden zijn over hun
2.4.5 Resultaten en effecten van de projecten
deelname in de gebruikerscommissie. Een bewijs hiervan is dat circa 90% van de ondernemingen die betrokken waren bij
De belangrijkste doestelling van programma’s van collectief
de VIS-CO-effectmeting, antwoordde dat ze met hun huidige
onderzoek en kennisverspreiding bestaat erin om het
kennis en ervaring over het projectverloop opnieuw zouden
bedrijfsleven in Vlaanderen te ondersteunen bij hun streven
deelnemen aan een gebruikerscommissie.
naar innovatie en kennisverwerving. Vanuit beleidsstandpunt zijn de gerealiseerde economische effecten bij ondernemingen
2.4.4 Spanningsvelden tussen projectuitvoerders en bedrijven
dan ook van primordiaal belang. Uit elk van de effectmetingen blijkt echter dat het kwantificeren van resultaten en effecten van collectieve onderzoeksprojecten bij ondernemingen in de
De grootste uitdaging bij projecten in collectieve programma’s
praktijk geen eenvoudige opdracht is. Verschillende factoren
bestaat erin om enerzijds een evenwicht te vinden tussen de
spelen hierbij een rol.
verwachtingen van de uitvoerders en de ondernemingen en anderzijds een gemene deler te vinden in de individuele
Vooreerst dient er binnen de projectresultaten een onderscheid
wensen van de ondernemingen in de gebruikerscommissies.
gemaakt te worden tussen enerzijds tastbare/directe resultaten en
Voor de meeste programma’s, in het bijzonder voor SBO en
zijn. Daar waar de eerste groep betrekking heeft op nieuwe
VIS-CO en in mindere mate voor TETRA/HOBU, is er sprake
producten/processen zijn de indirecte effecten veeleer
anderzijds meer indirecte effecten die moeilijker te kwantificeren
van een zeker spanningsveld op vlak van de projectverwachtingen
verbonden aan de concurrentiepositie, het belang van innovatie
tussen projectuitvoerders en betrokken ondernemingen. Daar waar
binnen de onderneming of inzichten bij het nemen van
de projectuitvoerders vooral in de eerste plaats het accent willen
investeringsbeslissingen. In een volgende stap kunnen dan
leggen op de kennisopbouw en kennisborging, is de valorisatie
bijvoorbeeld deze nieuwe producten en of inzichten leiden tot
van de kennis van het grootste belang voor de ondernemers.
een economische return onder de vorm van gerealiseerde omzetgroei of besparingen bij de ondernemingen.
239
Op het niveau van de ondernemingen is het echter uiterst
De resultaten en effecten van de projecten collectief onderzoek
moeilijk om de resultaten van één project bijvoorbeeld direct te
en kennisverspreiding blijven echter niet beperkt tot de bedrijven.
koppelen aan een specifiek product en of economische return.
De verschillende effectmetingen bevestigen dat ook bij de
Projectresultaten vormen in vele gevallen een schakel in een
betrokken projectuitvoerders, zoals collectieve onderzoekscentra,
groter intern innovatieproces. Gegeven de moeilijkheden bij
universiteiten en hogescholen tijdens en na afloop van de
het in kaart brengen van de resultaten en effecten bij de
projecten resultaten en effecten gerealiseerd worden onder de
ondernemingen in de gebruikerscommissies, is het absoluut
vorm van interne kennisopbouw. Specifiek voor het TETRA-
niet eenvoudig om de resultaten en effecten van de indirecte
programma geldt bovendien dat de projecten vaak een niet
kennisoverdracht naar een bredere doelgroep van Vlaamse
onbelangrijke impact hebben op het onderwijsprogramma van
ondernemingen te bepalen. De meeste effectmetingen
de betrokken hogeschooldepartmenten. Verder leiden in elke
beperken zich dan ook tot de resultaten/effecten van de directe
van de programma’s vele projecten na afloop tot een verdere
kennisoverdracht.
samenwerking met de betrokken ondernemingen bijvoorbeeld onder de vorm van contractonderzoek. Ook zorgen projecten
Voor elk van programma’s wordt het belang van de indirecte
in sommige gevallen voor mobiliteit van personeel tussen de
effecten van de projecten bij ondernemingen groter geschat
kennisinstellingen en ondernemingen in de gebruikerscommissies.
dan de tastbare effecten en resultaten. Vooral het feit dat
Ten slotte kan opgemerkt worden dat zowel binnen SBO als
projectresultaten uit deze collectieve programma’s ondernemingen
TETRA onderzoeksgroepen afhankelijk zijn van de project-
een aanzienlijke toegevoegde waarde vormen bij het nemen
financiering voor de verdere uitbouw of continuïteit van hun
van strategische (investeringsbeslissingen) komt in elk van de
onderzoeksactiviteiten. Het financieel belang van de projecten
effectmetingen zeer nadrukkelijk naar voren. In het bijzonder
werd ook opgemerkt door de kleinere organisatie binnen de
bij TETRA/HOBU, VIS-TIS en VIS-TD bevestigen ondernemingen
projecten technologische dienstverlening en thematische
ook dat het project een positieve invloed heeft op hun interne
innovatiestimulering. De collectieve onderzoekscentra slagen er
innovatiecapaciteit en/of de aandacht voor innovatie in de
dankzij de verschillende collectieve steunprogramma’s dan
onderneming versterkt heeft. Vooral bij de groep van minder
weer beter in om de verschillende segmenten van de volledige
innovatieve KMO’s is dit laatste een niet onbelangrijk effect.
onderzoeksketen te bedienen en/of meer riskante typen van
Het belang van deze indirecte effecten voor KMO’s wordt
onderzoek of dienstverlening aan te bieden die economisch
benadrukt in de TETRA-effectmeting. Bedrijven uit de TETRA-
nog niet levensvatbaar zijn.
projecten gaven immers aan dat de directe opbrengsten in termen van verkopen en nieuwe verkopen of diensten op de
2.5 LESSEN VOOR HET IWT
Het (voorlopig) uitblijven van tastbare resultaten bij ondernemingen
De resultaten van de verschillende effectmetingen tonen aan
kan aan verschillende redenen toegeschreven worden. Zo zijn
dat de verschillende programma’s van collectief onderzoek en
projectresultaten soms technologisch of economisch niet
kennisverspreiding een meerwaarde betekenen voor het
haalbaar of is de onderzoekstopic niet langer relevant voor de
Vlaamse bedrijfsleven. Men kan dan ook besluiten dat de
onderneming. Specifiek voor de programma’s SBO, VIS-CO
diverse programma’s een belangrijke rol spelen in het Vlaamse
en TETRA geven echter een groot deel van de ondernemingen
innovatielandschap. Wel dient er over gewaakt te worden dat
aan dat de toepassing van de projectresultaten nog in volle
verschillende verwachtingen van projectuitvoerders en
ontwikkeling is. Naargelang de afstand tot de markt groter is
ondernemingen niet te sterk uit elkaar lopen. Denken we
dienen bedrijven immers na afloop van de projecten meer te
hierbij aan de vaak terugkerende vraag vanuit de bedrijven
investeren in bijkomend vervolgonderzoek om de resultaten
om de focus van de projecten nog meer te leggen op de
toepasbaar te maken binnen de context van hun bedrijf. In het
kennisutilisatie, daar waar de kennisinstellingen de sterke nadruk
bijzonder voor projecten strategisch basisonderzoek kunnen de
op het valorisatiepotentieel van de projecten soms in vraag
eerste tastbare effecten van deze projecten aldus nog circa tien
stellen. Het vroeger betrekken van de ondernemingen bij de
jaar op zich laten wachten. Voor sommige van de recent
projectformulering kan hiervoor deels een oplossing vormen.
afgelopen projecten kwamen de effectmetingen dan ook te
Door IWT zal dan ook blijvende aandacht geschonken worden
vroeg om vanuit economisch perspectief te oordelen.
aan het vraaggedreven karakter van de projectvoorstellen.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
markt voor hen niet de eerste en enige toetssteen zijn.
240
Op basis van de effectmetingen werd ook vastgesteld dat er
2.6 REFERENTIES:
slechts in beperkte mate samenwerking en of netwerking is tussen de projectuitvoerders van de verschillende projecten. Het beter delen van ervaringen en expertise zou echter een belangrijke meerwaarde kunnen vormen voor de programma’s. Als reactie hierop zal het IWT zijn inspanningen versterken om de kruisbestuiving tussen de verschillende actoren binnen het innovatienetwerk te versterken.
• AERTS K. & CZARNITZKI D., The Impact of public R&Dfunding in Flanders, IWT-studie nr. 54, 2006. • BONGERS F. et al., Werking en Effecten van Collectief Onderzoek, IWT-studie nr. 61, 2008. • CLARYSSE B. et al; A look into the black box: What difference do IWT R&D grants make for their clients, IWT-studie nr. 56, 2006.
Zoals eerder aangegeven was deze eerste ronde van effectmetingen ook voor het IWT een leerproces. Met het oog op toekomstige oefeningen kan het IWT toch enkele lessen trekken met betrekking tot de aanpak ervan. Het belangrijkste element is hierbij dat een meer gestructureerde opvolging van projectresultaten, -effecten tijdens het projectverloop moet toelaten om op een gestandaardiseerde en eenvoudigere wijze de effecten van deze collectieve programma’s in kaart te brengen. Het IWT zal hier dan ook de nodige inspanningen voor leveren. Bijkomende dient ook verder nagedacht te worden hoe men in de toekomst de effecten van de indirecte kennisoverdracht naar een bredere doelgroep in kaart kan brengen. Voor sommige programma’s en/of projecten kwamen de effectmetingen bovendien nog iets te vroeg, zodat de conclusies zich op dit ogenblik beperken tot een evaluatie van het projectverloop en de directe resultaten van de betrokken projecten.
• MEIJER I. et al., De Waarde van Strategisch Basisonderzoek, IWT-studie nr. 60, 2008. • VAN RYSSEN S. et al., Eindrapport TETRA en HOBU Outputen Effectmeting, 2007. • VERBEEK A. et al., De Effectiviteit van het Vlaamse Innovatiesamenwerkingsverband, IWT-studie nr. 59, 2008.
241
D O S S I E R 3 : E E N N I E U W E G E N E R AT I E R E L AT I O N E L E K A A RT E N VO O R D E B E O O R D E L I N G VA N C I TAT I E - I M PAC T
1
Door Koenraad Debackere (K.U.Leuven), Wolfgang Glänzel (K.U.Leuven), Andras Schubert (Hongaarse Academie van Wetenschappen), Bart Thijs (K.U.Leuven)
3.1 INLEIDING
De eerste oplossing verwijst naar de classificatie van onderzoeksinstituten volgens hun onderzoeksprofiel om
De evaluatie van de onderzoeksprestaties van instituten en
gelijkaardige instituten met elkaar te kunnen vergelijken (cf. Thijs
onderzoeksgroepen is één van de hoofdtaken van de huidige
en Glänzel, 2008). Omdat sommige klassen gespecialiseerde
bibliometrie geworden. De bibliometrische toolbox, bestaand uit
instituten weerspiegelen en andere eerder multidisciplinaire
gepaste standaard indicatoren, was reeds zeer vroeg ontwikkeld
instituten met medische, technische of algemene profielen,
in ons vakgebied maar het is nog steeds een uitdaging om
wordt een tweede oplossing voorgesteld. Terwijl in de
deze tools op de verschillende aggregatieniveaus op een juiste
relationele kaart de gemiddelde geobserveerde citatiefrequentie
manier toe te passen. Het bibliometrisch onderzoek heeft
(Mean Observed Citation Rate: MOCR, zie hoofdstuk 9)
op meso- en micro-niveau andere standaarden nodig dan,
geplot was tegenover de tijdschriftengebaseerde gemiddelde
bijvoorbeeld, nodig zijn voor vergelijkende onderzoeken op
verwachte citatiefrequentie (Mean Expected Citation Rate: MECR),
macroniveau (cf. Glänzel, 1996). Enkele van deze vereisten zijn
gebruikt een nieuwe versie van relationele kaarten domein-
de statistische betrouwbaarheid bij kleinere publicatieaantallen,
genormaliseerde (waargenomen en verwachte) citatie impact
geavanceerde data-cleaning technieken, adres- en auteur-
om mogelijke vertekeningen veroorzaakt door verschillende
identificatie en het betrouwbaar afbakenen van onderwerpen.
activiteitsprofielen te vermijden. Meer dan 2000 Europese
Bij instituut- of groepspecifieke specialisatie of diversificatie
universiteiten en andere onderzoeksinstituten worden gebruikt
komt verder ook de noodzaak naar boven om een classificatie
om vast te stellen op welk niveau (hoofdgebieden,
volgens onderzoeksprofiel te gebruiken (Thijs en Glänzel,
deelgebieden of ISI-Subjectcategorieën) een dergelijke
2008). Middelgrote en grote landen zijn actief in zo goed als
normalisatie moet gebeuren.
alle wetenschapsgebieden, instituten en onderzoeksgroepen De tweede vraag gaat over de onderliggende publicatieperiode en het citatievenster. Twee verschillende vensters, een drie- en De relatieve indicatoren ontwikkeld aan ISSRU (Boedapest) in
vijf-jaar citatievenster, worden toegepast op de bovenstaande
de jaren 80 – en bij voorkeur in relationele kaart (e.g., Schubert
“steekproef” om de robuustheid en betrouwbaarheid van de
en Braun, 1986) gepresenteerd – bleken handige instrumenten
indicatoren op dit meso-niveau te analyseren. De relationele en
voor de vergelijking van onderzoeksprestaties tussen verschillende
citatie-impact diagramma’s worden eveneens vergezeld van
landen. Bij vergelijkingen tussen verschillende instituten,
relationele kaarten die het relatieve aandeel top-publicaties ten
waar het zelfs niet zeker is dat multidisciplinaire profielen alle
opzichte van de internationale referentiestandaard weerspiegelen.
wetenschapsgebieden omvatten, of dat ze de meeste gebieden
Dit vormt de derde van de boven vermelde aanpakken.
in dezelfde mate bedekken, kunnen deze relationele kaarten
De methode van karakteristieke scores en schalen (characteristic
mogelijk de impact van de citaties niet voldoende duidelijk
scores and scales), die onderwerpgevoelige en zelfaanpassende
weerspiegelen en hierdoor de interpretatie vertekenen. In dit
drempelwaarden definiëren, is uiteindelijk gebruikt om de juiste
dossier stellen we daarom de toepassing van de volgende drie
drempel voor de selectie van vaak geciteerde papers te bepalen.
oplossingen voor. Ten slotte wordt een vergelijkende analyse van de citatie-impact van geselecteerde Europese onderzoeksuniversiteiten gepresenteerd.
1 De Engelstalige versie is verschenen in Archivum Immunologiae et Therapiae Experimentalis, 56 (6), 2008, 373-379
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
hebben echter gewoonlijk een veel specifieker publicatieprofiel.
242
3.2 DATABRONNEN EN DATAVERWERKING
De Je(2)/Je(1) index geïntroduceerd door Duda en Hart (1973) werd gebruikt om de optimale oplossingen te vinden. Naast het
Alle gegevens die in dit dossier gebruikt worden zijn gebaseerd
bijna triviale geval met twee clusters (medische en niet-
op ‘ruwe’ data geëxtraheerd uit de jaarlijkse updates van de
medische instituten) hebben we acht clusters gevonden als het
Web of Science databank van Thomson - Reuters (Philadelphia,
tweede optimum. Deze classificatie is weergegeven in Tabel 3.1
PA, USA). Enkel papers van het documenttype article, letter,
We zouden willen benadrukken dat deze clusters nog een
note en review geïndexeerd in de 1999-2001 volumes werden
aanzienlijke overlapping hebben in hun onderzoeksprofielen.
geselecteerd. Publicaties werden toegekend aan landen en
Maar dit is een voorwaarde voor het bouwen van relatieve
instituten volgens de adressen vermeld in de artikelkop.
citatie-indicatoren voor mogelijke toepassing op intra- en inter-
Nationale thesauri gemaakt aan het Steunpunt O&O
klasse vergelijking. Onderzoeksprestaties van instituten met
Indicatoren (SOOI) aan de K.U.Leuven op basis van de
een (bijna) volledig verschillend profiel zouden echter niet aan
institutionele adresgegevens zijn gebruikt om publicaties aan
directe vergelijking mogen onderworpen worden aangezien,
Europese instituten toe te kennen.
bijvoorbeeld, het vergelijken van een medische universiteit met een business school nog altijd een oefening is van “appels met peren vergelijken” en zou daarom niet zinvol zijn.
3.3 METHODES EN RESULTATEN 3.3.1 Onderwerpsdiversificatie en profielanalyse van onderzoeksinstituten Afwijkend van het macro-niveau, waar de nationale onderzoekssystemen van middelgrote en grote landen zoals verwacht multidisciplinair zijn, vormen diversificatie en specialisatie een belangrijk vraagstuk in de evaluatie van onderzoek door instituten. In het kader van vergelijkende studies, is een opsplitsing naar vakgebieden alleen niet voldoende om de complexiteit en onderwerpsdiversificatie
Tabel 3.1
De acht clusters resulterend uit de tweede optimale oplossing
Cluster Cluster 1 (Biologie) Cluster 2 (Landbouw) Cluster 3 (Multidisciplinair) Cluster 4 (Aard- & Ruimtewetenschap) Cluster 5 (Technische- & Natuurwetenschap) Cluster 6 (Scheikunde) Cluster 7 (Algemene- & Onderzoeksgeneeskunde) Cluster 8 (Speciale geneeskunde)
Code BIO AGR MDS GSS TNS CHE GRM SPM
van institutionele onderzoeksactiviteiten te omvatten of te weerspiegelen. Om hieraan tegemoet te komen, hebben we
Binnen het kader van dit onderzoek hebben we de profiel-
naar een oplossing gezocht om onderzoeksinstituten met een
clusters enkel gebruikt om te antwoorden op de vraag welke
gelijk profiel te identificeren. In vroegere publicaties (e.g., Thijs
domeindiepte verkozen moet worden voor domeingebaseerde
en Glänzel, 2008) hebben we een methode ontwikkeld om
normalisatie van citatie-indicatoren om tegemoet te komen aan de
het Europese en nationale institutenlandschap op basis van
vereisten van diversificatie en specialisatie op institutioneel niveau.
de individuele onderzoeksprofielen van de instituten te classificeren en in kaart te brengen. Deze methode, die bestaat uit drie stappen, is kort samengevat als volgt. De eerste stap
3.3.2 Mogelijke niveaus van domeintoekenning voor normalisatie van citatie-indicatoren
was het opsplitsen van de publicatieoutput van ieder onderzoeksinstituut in vakgebieden en vervolgens het opstellen
Het is een welgekend feit dat de domeingebonden verschillen
van hun individuele publicatieprofielen. We hebben voor deze
in publicatie- en citatiegedrag van wetenschappers resulteren in
taak gebruik gemaakt van de 16 hoofdgebieden van de
aanzienlijke verschillen in de standaard publicatie-activiteit en
wetenschapen, sociale wetenschapen en humane wetenschappen
citatie-impact over die verschillenden domeinen. We moeten
ontwikkeld aan de KU Leuven en ISSRU-Boedapest (Glänzel
dus ook in de individuele profielclusters verschillende citatie-
et al., 2003). Om vertekeningen te vermijden, werden kleine
standaarden verwachten. Een andere vraag komt voort uit de
instituten met een publicatieoutput onder een bepaalde
classificatie getoond in Tabel 3.1, met name, of onderzoeks-
drempelwaarde verwijderd. In een tweede stap is een cluster-
profielen van de individuele domeinen mogelijk verschillen
analyse aan de hand van het Ward’s algoritme met kwadratische
tussen clusters.
Euclidische afstanden toegepast op deze onderzoeksprofielen.
243
Met andere woorden, heeft onderzoek in de chemie of fysica
Bovenstaande voorbeelden suggereren dat het hoogste niveau,
hetzelfde profiel in de chemie cluster #6 als in de multidisciplinaire
hiermee bedoelen we, de hoofdgebieden, te breed zou
cluster #3 of de technische & natuurwetenschappen cluster #4?
kunnen zijn voor deze toepassing. Anderzijds verwacht men
Een gelijkaardige vraag kan aangekaart worden in verband met
intuïtief dat het gebruik van het laagste niveau, met een fijne
medisch onderzoek in clusters #3, 7 en 8. Ofschoon deze vraag
granulatie van domeintoekenning, ook de meest correcte
redelijk retorisch lijkt, kan zij in praktijk van belang worden als
aanpak zou kunnen zijn. Maar rekening houdend met het feit
publicatieoutput van verschillende clusters opgesplitst wordt naar
dat veel in de Web of Science opgenomen tijdschriften elk
domeinen en als deze dan als basis dienen voor vergelijkingen
toegekend zijn aan 4, 5 of zelfs meer ISI Categorieën en dat de
tussen clusters. De reden daarvoor ligt in de heterogeniteit van
toekenning van publicaties aan deelgebieden duidelijker is,
hoofddomeinen ten opzichte van het communicatiegedrag van
blijkt dat deelgebieden als verkozen referentieniveau zouden
wetenschappers. Volgens het bovenvermelde Leuven/Boedapest
kunnen dienen. Een gevolg van niet eenduidige toekenningen
domeinclassificatieschema, dat de ISI Subjectcategorieën als
is de noodzaak om domeintoekenningen te fractioneren en dus
laagste hiërarchisch niveau gebruikt, bestaat het hoogste niveau
gewogen gemiddelden te berekenen voor de respectievelijke
uit 12 hoofddomeinen in de wetenschappen en de medische
individuele vakgebiedgebaseerde verwachte citatie-impact.
en toegepaste wetenschappen en omvat het middelste niveau
Die gewogen of gefractioneerde berekening van de gemiddelden
60 subdomeinen (zie Glänzel en Schubert, 2003).
of domeinstandaarden gebeurt ook in het geval van deelgebieden en hoofdgebieden, maar in veel mindere mate
In hun recent artikel hebben Thijs en Glänzel (2009) aan
dan het geval is voor de ISI Categorieën. Immers, toekenning
de hand van het vakgebied scheikunde geïllustreerd dat de
aan verschillende hoofdgebieden of deelgebieden komt niet in
deelgebiedprofielen van chemisch onderzoek inderdaad
dezelfde mate voor als bij ISI Categorieën. Hieronder vatten
aanzienlijk verschillen tussen de individuele clusters. Zo was
we de resultaten samen van een systematische vergelijking
fysische chemie, bijvoorbeeld, bijna afwezig in de medische
van de domeingenormaliseerde citatie-impact van Europese
clusters terwijl in de technische & natuurwetenschappen de
onderzoeksinstituten op basis van de drie verschillende hiërarchische niveaus van vakgebiedtoekenning. Voor deze
dominant waren dan in de medische groepen. De analyse van
analyse hebben we de 676 (uit de 2000) Europese instituten met
institutionele onderzoeksprestaties per subdomein of zelfs per
minstens 50 publicaties in de periode 1999-2001 geselecteerd.
ISI Categorie is, door de vaak kleine publicatiesets ten gevolge
We hebben een citatievenster van drie jaar beginnend met het
van de opsplitsing, minder toepasbaar op dit aggregatieniveau.
publicatiejaar toegepast. De paarsgewijze lineaire regressie
Opsplitsing naar subdomeinen of zelf ISI categorieën voldoet
tussen de NMCR van de 676 instituten berekend op basis van
dus niet om al de profielspecifieke vertekeningen uit te sluiten.
de drie verschillende domeinniveaus toonde de sterkste correlatie
Als gevolg hiervan moet men de vraag stellen hoe en op welk
tussen de subdomeinen en de ISI categorieën. De correlatie
niveau citatiedata moet genormaliseerd worden om de boven-
tussen het laagste en hoogste hiërarchische niveau leverde de
vermelde vertekeningen uit te sluiten. Eén genormaliseerde
slechtste resultaten (cf. Glänzel et al, 2008). Deze resultaten
indicator die succesvol gebruikt is geweest, is zonder twijfel de
werden nog duidelijker als de acht profielclusters apart
domeingebaseerde genormaliseerde gemiddelde citatiefrequentie
bestudeerd worden. Terwijl het lineaire regressiemodel bijna
(Normalised Mean Citation Rate, NMCR, zie, e.g., Braun en
dezelfde patronen levert voor de multidisciplinaire cluster bleek
Glänzel, 1990). Een gelijkaardige maatstaf (CPP/FCSm) is
Aard&Ruimtewetenschappen de meest problematische te zijn.
gebruikt aan het CWTS (cf. Moed et al, 1995). Deze indicatoren
Figuur 3.1 geeft de spreidingsdiagrammen en de lineaire
hebben
geobserveerde
regressie voor drie clusters weer. Het feit dat de helling van 1.4
citatiefrequentie wordt geijkt ten opzichte van zijn individuele
duidelijk boven de 1.0 waarde komt in het geval van cluster #4
verwachting op basis van het onderwerp waartoe het behoord.
toont duidelijk de inconsistentie aan van het hoofdgebiedmodel
In het licht van deze korte bespreking over domeingerelateerde
(zie Figuur 3.1, onderaan rechts).
gemeen
dat
de
gemiddelde
aandachtspunten komt de vraag naar voren welk hiërarchisch domeinniveau verkozen moet worden als referentiestandaard voor de definitie van zulk een indicator voor de toepassing van de institutionele citatie-impact.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
chemie clusters organische en medische chemie minder
244
Figuur 3.1: Spreidingsdiagram van NMCR gebaseerd op subdomeinen t.o.v. ISI CategoriĂŤn (links) en hoofddomeinen t.o.v. ISI CategoriĂŤn (rechts) voor instituten van Cluster 3 (boven), Cluster 1 (midden) en Cluster 4 (onderaan)
3.5
3.5
3.0
3.0
2.5
2.5
y = 1.015x R2 = 0.978
2.0
y = 1.072x R2 = 0.936
2.0
1.5
1.5
1.0
1.0
0.5
0.5 0.0
0.0 0.0
0.5
1.0
1.5
2.0
2.5
3.0
0.0
3.5
3.5
3.5
3.0
3.0
2.5
1.0
1.5
2.0
2.5
y = 1.0151 R2 = 0.948
2.0
0.5
1.5
1.0
1.0
0.5
0.5
0.0
3.0
3.5
y = 1.007x R2 = 0.783
2.0
1.5
2.5
0.0 0.0
0.5
1.0
1.5
2.0
2.5
3.0
0.0
3.5
3.5
3.5
3.0
3.0
2.5
1.0
1.5
2.0
2.5
y = 1.083x R2 = 0.855
2.0
0.5
1.5
1.0
1.0
0.5
0.5
0.0
3.0
3.5
y = 1.398x R2 = 0.438
2.0
1.5
2.5
0.0 0.0
0.5
1.0
1.5
2.0
2.5
3.0
3.5
0.0
0.5
1.0
1.5
2.0
2.5
3.0
3.5
Samenvattend kunnen we concluderen dat we consistente
Om te voorkomen dat er buitensporig wordt opgesplitst,
resultaten bekomen voor de berekening van domein-
wordt gewogen en gemiddeldes genomen, geven wij de
genormaliseerde citatie-indicatoren voor de ISI CategorieĂŤn en
voorkeur aan het gebruik van deelgebiedgebaseerde
de deelgebieden.
standaarden. Alle verdere analyses zullen op deze aanpak gebaseerd zijn.
245
3.3.3 Keuze van geschikte citatievensters voor de analyse van institutionele onderzoeksprestatie
Figuur 3.2 toont het spreidingsdiagram van de NMCR gebaseerd op het 5-jaar citatievenster t.o.v. het 3-jaar venster voor de 676 Europese onderzoeksinstituten met ten minste
Voordat we verdergaan met andere nodige theoretische en
50 publicaties in de periode 1999-2001. De bijna perfecte
methodologische overwegingen moeten we een belangrijke
overeenkomst van het lineaire regressiemodel met zeer sterke
validiteitvraag beantwoorden. De keuze van citatievenster dat
correlatie toont dat ook op dit niveau een venster van drie jaar
de citatieanalyse moet onderbouwen wint aan belang, maar is ook
voldoende is om op een juiste manier de citatie-impact te
kritischer op lagere aggregatieniveaus. Zonder twijfel resulteert
meten. Of ook, de gemiddelde groei van de geobserveerde
een groter citatievenster in een hogere betrouwbaarheid van
citatiefrequentie loopt parallel met die van zijn subdomein-
indicatoren dan een korter venster. Ook het vaakgehoorde
gebaseerde verwachting. Daarom zullen we een citatievenster
argument dat de traditionele vensters van 3 tot 5 jaar niet
van drie jaar gebruiken in de volgende secties van deze studie.
voldoende zijn in specifieke gebieden van de toegepaste wetenschappen en in wiskunde raden de toepassing van zo groot mogelijke citatievensters aan. Aan de andere kant,
3.3.4 Karakteristieke Scores en Schalen voor vaak geciteerde publicaties
wetenschapsbeleid en onderzoeksbeleid zijn geïnteresseerd in de evaluatie van de meest recente resultaten. De standaard-
We zullen de exponentiële eigenschap van de staart van de
oplossing kan doordoor alleen maar een compromis zijn (Glänzel,
citatieverspreiding gebruiken om een handige regel af te leiden
1997). Dus het citatievenster van 3 jaar is – ook naast grotere
voor het determineren van vaak geciteerde artikels via de
vensters – reeds vaak met succes toegepast op verschillende
methode van karakteristieke scores en schalen (Schubert en
aggregatieniveaus (zie, bijvoorbeeld, Moed, 1996, Glänzel, 2000,
Glänzel, 1988, Glänzel, 2007). Deze methode kan kort worden
Schubert en Glänzel, 2007, van Raan, 2006a, 2006b).
samengevat als steekproeven iteratief inkorten op hun mediaan waarde b1 en de mediaan (k>1) te herberekenen voor de ingekorte steekproef tot de procedure gestopt wordt of
Figuur 3.2: Plot van NMCR gebaseerd op een 5-jaar
de steekproef leeg is. In wat volgt zullen we de procedure
venster t.o.v. een 3-jaar venster voor 676
introduceren aan de hand van een voorbeeld met citatieratio’s
Europese instituten
van papers, liefst gepubliceerd in hetzelfde onderwerpsgebied of subdomein. De procedure resulteert in het opsplitsen van de oorspronkelijke verdeling in de volgende zones: [0 , b1)
4.0
‘minder geciteerd’, [b1 , b2) 'redelijk geciteerd', [b2 , b3) ‘vaak geciteerd' and [b3 , ∞) 'zeer vaak geciteerd' papers.
5-jaar venster
3.0
y = 1.000x R2 = 0.963
2.5
Als een gevolg van een karakteriseringstelling voor pareto-achtige verdelingen door Glänzel et al. (1984) kunnen de conditionele
2.0
verwachtingen bk uitgedrukt worden door bk = (a0+a1+…+ak-1) b1, waar de variabele a enkel afhangt van de parameters van
1.5
de verdeling. Empirische onderzoeken hebben aangetoond dat 1.0
a ≈ 2 voor citatievensters van 3-5 jaar (Schubert en Glänzel, 2007, Glänzel, 2008). In dit geval bekomen we respectievelijk
0.5
b2 = 3b1 en b3 = 7b1. Voor de institutionele analyse stellen
0.0 0.0
0.5
1.0
1.5
2.0
2.5
3.0
3.5
4.0
3-jaar venster
we het gebruik voor van de twee groepen ‘vaak geciteerde’ en ‘zeer vaak geciteerde’ papers met de overeenkomstige drempels k=2 of k=3 respectievelijk. In een eerder onderzoek
Desondanks zullen we nader onderzoeken hoe gevoelig citatie-
(Glänzel, 2007) was aangetoond dat de scores bk tijdsafhankelijk zijn en, natuurlijk, zeer gevoelig zijn voor de
indicatoren genormaliseerd op het subdomein niveau zijn ten
onderwerpsmaterie, maar het aandeel van papers in de
opzichte van verschillende initiële citatieperiodes. Hiervoor hebben
individuele zones is relatief stabieler over het citatievenster en
we een venster van drie en vijf jaar gebruikt.
verschilt ook niet opmerkelijk tussen verschillende subdomeinen.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
3.5
246
Dus indicatoren op vaak geciteerde papers gedefinieerd op
1.
wordt gedefinieerd als de citatie over publicatie ratio.
basis van karakteristieke scores en schalen kunnen als domeingenormaliseerd beschouwd worden.
De Gemiddelde Geobserveerde Citatie Ratio (MOCR)
2.
Gemiddelde Verwachte Citatie Ratio (MECR). De verwachte citatie ratio van een bepaalde paper wordt gedefinieerd als
De referentiestandaard van het aandeel ‘zeer vaak geciteerde’
de gemiddelde citatie ratio van alle papers gepubliceerd in
papers ligt meestal tussen 1% en 2% en dat van ‘vaak geciteerde’
hetzelfde tijdschrift.
papers is ongeveer 5% (e.g., Glänzel, 2007). Als gevolg van
3.
Domein Verwachte Citatie Ratio (FECR). Analoog met de
deze regel moeten we onderzoek van zeer vaak geciteerde
vorige indicator wordt de domeinverwachte citatie ratio
papers van instituten beperken tot die met ten minste 1000 papers
van een enkele paper gedefinieerd als de gemiddelde
of het onderzoek van vaak geciteerde papers tot die met ten
citatie ratio van alle papers die gepubliceerd werden in hetzelfde jaar, in hetzelfde domein.
minste 200 papers. Anders worden de institutionele sets van (zeer) vaak geciteerde papers niet verwacht meer dan 10
4.
De ratio van de twee vorige indicatoren (MECR/FECR)
publicaties elk te hebben. Paper sets van zulk kleine omvang
drukt uit of de eenheid in de studie gemiddeld in hogere
zijn echter niet meer valied voor statistische citatieanalyse.
(lagere) impacttijdschriften publiceert dan verwacht op basis van de subdomeinen waar de eenheid actief was.
3.3.5 Subdomein-genormaliseerde relationele schema’s
5.
Genormaliseerde Gemiddelde Citatie Ratio (NMCR). Deze indicator wordt gedefinieerd als de ratio van de
voor vergelijkende vaststelling van citatie-impact
geobserveerde en domeingebaseerde verwachte citatie In deze sectie passen we uiteindelijk de boven vermelde
impact. NMCR peilt de citatiegraad van de papers tegen
methodologische resultaten toe op een concrete selectie van
de standaarden die door de specifieke subdomeinen
onderzoeksuniversiteiten. Hiervoor hebben we telkens twee
worden gezet.
grote universiteiten gekozen, uit twaalf middelgrote Europese
6.
Relatieve Citatie Ratio (RCR). RCR wordt gedefinieerd
landen. Specifiek gaat het over de volgende landen: Oostenrijk,
als de ratio van de geobserveerde en de tijdschrift-
België, Denemarken, Finland, Hongarije, Ierland, Italië, Nederland,
gebaseerde verwachte citatie-impact. Deze indicator meet
Portugal, Spanje, Zweden en Zwitserland. Aangezien de grootste
of de publicaties van een eenheid in de studie meer of
universiteiten (in termen van publicatieoutput) gewoonlijk multi-
minder citaties aantrekken dan verwacht op basis van de
disciplinaire onderzoeksprofielen hebben, hebben we sommige
tijdschriftimpactmetingen van de tijdschriften waarin ze
van de oorspronkelijk geselecteerde universiteiten vervangen door
verschenen.
medische of technische universiteiten met een gelijkaardig grote
7.
Hoge-impact Activiteit is de ratio van de eenheid’s deel van
publicatieoutput. Aldus hebben we uiteindelijk twee medische
‘vaak geciteerde’ papers uit alle papers en de
universiteiten en drie technische universiteiten in deze selectie.
overeenkomende wereldstandaard. Deze meting werd geïntroduceerd door Glänzel en Schubert (1992), maar
De publicatieoutput van de geselecteerde instituten varieert
werd toegepast op een andere definitie van hoge impact.
tussen ongeveer 1200 en 8500 papers in de periode 1999-
Hier baseren we deze meting op de definitie die in de
2001. Aangezien de selectie door de bovenvermelde ‘correctie’
vorige sectie werd gegeven, en we gebruiken de k=3
ietswat arbitrair is en de intentie van dit onderzoek gewoon
drempel om ‘buitengewoon vaak geciteerde’ papers te selecteren voor hoge-impact analyse.
het voorstellen van een methodologie is met instituten als voorbeeld, zullen de universiteiten anoniem worden voorgesteld
8.
Hoge-impact Aantrekkelijkheid wordt analoog gedefinieerd
door letters. De twee medische universiteiten zijn U en X,
als de vorige indicator, in het bijzonder, als de ratio van de
de technische universiteiten zijn G, T en Y. Een vergelijkend
eenheid’s deel aan citaties aangetrokken door zijn ‘vaak
onderzoek van een uitgebreidere en niet anonieme selectie
geciteerde’ papers in alle citaties ontvangen door de eenheid
van universiteiten is in aanmaak. Alvorens we de citatiedata
in de studie en de overeenkomstige wereldstandaard.
voorstellen, vatten we kort alle gebruikte indicatoren samen die
Dezelfde condities en drempels als in de definitie van de
in dit model gebruikt worden. Alle indicatoren zijn gebaseerd
vorige indicator werden gebruikt.
op citatievensters van drie jaar.
247
Figuur 3.3: Relationeel schema van verwachte en
Figuur 3.4: Subdomeingenormaliseerd schema voor 24 universiteiten
waargenomen citatieratio voor 24 universiteiten
9
1.8
P
F 8 EU
P 7
K HR
6 5 4
T
E
KG 1.4
Q
V C BL AJ D G NM OI X S
NMCR
MOCR
F
1.6
1.2 1.0
I S
C VU H DT B O J ANL M
QR
0.8 X Y
3
0.6 0.6
0.8
1.0
1.2
1.4
1.6
1.8
Y
2 2
3
4
5
6
7
8
9
MECR/FECR
MECR
X en Y nemen haast dezelfde positie in de linkse benedenhoek Relatieve indicatoren worden bij voorkeur gepresenteerd in
van de grafiek. De positie van universiteit T is ook veranderd;
een relationele figuur (zie Schubert en Braun, 1986).
in de nieuwe grafiek heeft ze zich bij de meest gunstige sectie
Subdomeingenormaliseerde relationele figuren worden onder-
gevoegd. Sommige veranderingen beĂŻnvloeden ook universiteiten
verdeeld in zes secties door de hoofddiagonaal, vertrekkende
P en F, beiden echter met uitstekende citatie-impact.
vanuit de oorsprong en door toevoeging van twee rechte lijnen die de conformiteit met de referentiestandaarden voor
Om deze resultaten te verdiepen presenteren we een plot met
observaties en verwachtingen aangeven (Braun en Glänzel, 1990).
de hoge impact activiteit versus hoge impact attractiviteit voor
Eerst wordt het scatter plot van (MECR, MOCR) waarden
deze universiteiten (zie figuur 3.5).
voorgesteld in een traditionele relationele figuur (zie figuur 3.3). Zowel verwachtingen als observatie dekken een behoorlijk Figuur 3.5: Relationeel schema van hoge-impactactiviteit en
universiteit is, terwijl Y een technische universiteit is, draagt zeker
aantrekkelijkheid voor 24 universiteiten
bij tot de grote deviaties in hun respectievelijke citatie impact. We vermelden ook dat beide impactmaten (MECR en MOCR)
3.0 P
voor U aanzienlijk deze van de technische universiteit G 2.5
overschrijden en we kunnen een gelijkaardige situatie voor X en universiteit, lijkt in de low-end groep van deze figuur te zitten. We bekomen een geheel andere situatie indien subdomeingebaseerde normalisatie wordt toegepast. De plot van subdomein-genormaliseerde observatie tegenover subdomein-
Hoge impact attractiviteit
Y observeren, hoewel op een veel lager niveau. Ook T, als technische
2.0 T
1.5 M
O I JL N A
1.0 0.5
K F
VCU EG D R HB Q
S
X Y
genormaliseerde verwachting wordt in figuur 3.4 afgebeeld. De posities van universiteiten G en U worden omgekeerd;
0.0 0.0
0.5
1.0
1.5
2.0
hetzelfde geldt voor X en Y. Het effect van de domein-specifieke lagere impact van technische universiteiten en de normale hoge impact van medische universiteiten wordt op die manier ongedaan gemaakt.
Hoge impact activiteit
2.5
3.0
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
grote waaier aan citatie-impact. Het feit dat U een medische
248
Deze tabel vervolledigt het vorige diagram, behalve dat de
• W. GLÄNZEL, The Need for Standards in Bibliometric
aantrekkelijkheid van de high-end groep nauwelijks aan de
Research and Technology, Scientometrics, 35 (2), 1996, 167-176.
verwachtingen voldoet die door hun hoge-effect activiteit
• W. GLÄNZEL, On the Reliability of Predictions Based on
verwacht kan worden. Zowel de minst gunstige situatie van
Stochastic Citation Processes, Scientometrics, 40 (3), 1997,
universiteiten X en Y als de opmerkelijke citatie-impact van F en vooral deze van P worden door deze figuur ook bevestigd.
481-492. • W. GLÄNZEL, Science in Scandinavia: A Bibliometric Approach, Scientometrics, 48 (2), 121-150. (Correction: Scientometrics, 49 (2), 2000, 357).
3.4 CONCLUSIES
• W. GLÄNZEL, A. SCHUBERT, A new classification scheme of science fields and subfields designed for scientometric
Om de juiste domeindiepte te bepalen voor de berekening
evaluation purposes, Scientometrics, 56 (3), 2003, 357–367.
van vakgebiedgenormaliseerde citatie-indicatoren werd gebruik
• W. GLÄNZEL, Characteristic scores and scales. A bibliometric
gemaakt van zowel de institutionele profielclusters, ontwikkeld
analysis of subject characteristics based on long-term citation
aan het SOOI/KU Leuven als van het drie-niveau hiërarchisch
observation, Journal of Informetrics, 1 (1), 2007, 92-102.
onderwerp-classificatieschema gebaseerd op het ISI Subject-
• W. GLÄNZEL, On some new bibliometric applications of
categorie systeem. Het niveau van 60 subdomeinen bleek
statistics related to the h-index, Scientometrics, 76(3), 2008,
een aanvaardbare keuze die stabiele en consistente resultaten
forthcoming.
opleverde. De genormaliseerde indicatoren kunnen gebruikt
• H.F. MOED, R.E. DE BRUIN, Th.N. VAN LEEUWEN, New
worden zowel voor vergelijkende analyses binnen en tussen
bibliometric tools for the assessment of national research
individuele clusters, alsook voor domeinstudies op dit
performance: database description, overview of indicators
aggregatieniveau. Bijkomend aan de relatieve citatie indicatoren
and first applications. Scientometrics, 33(3), 1995, 381-422.
wordt het institutionele toponderzoek het best weergegeven
• H.F. MOED, Differences in the construction of SCI based
door ‘vaak geciteerde publicaties’. Twee drempels worden
bibliometric indicators among various producers: A first over
voorgesteld, afhankelijk van de onderliggende publicatie
view, Scientometrics, 35 (2), 1996, 177-191.
output. De studie toont ook aan dat het gebruik van een
• A. SCHUBERT, T. BRAUN, Relative indicators and relational
citatievenster van drie jaar volstaat om relatieve en topcitatie-
charts for comparative-assessment of publication output and
indicatoren op te bouwen.
citation impact, Scientometrics, 9 (5-6), 1986, 281-291. • A. SCHUBERT, W. GLÄNZEL, A systematic analysis of Hirsch-type indices for journals, Journal of Informetrics, 1 (3),
3.5 REFERENTIES
2007, 179–184. • B. THIJS, W. GLÄNZEL, A structural analysis of publication
• T. BRAUN, W. GLÄNZEL, United Germany: The New Scientific Superpower? Scientometrics 19 (5-6), 1990, 513-521. • R.O. DUDA, P.E. HART, Pattern Classification and Scene Analysis. New York: Wiley, 1973. • W. GLÄNZEL, A. TELCS, A. SCHUBERT, Characterization by Truncated Moments and Its Application to Pearson-Type
profiles for the classification of European research institutes, Scientometrics, 74 (2), 2008, 223–236. • B. THIJS, W. GLÄNZEL, A structural analysis of benchmarks on different bibliometric indicators for European research institutes based on their research profile, Scientometrics, 2009, forthcoming.
Distributions. Zeitschrift für Wahrscheinlichkeitstheorie und
• A.F.J. VAN RAAN, Statistical properties of Bibliometric
verwandte Gebiete, 66, 1984, 173-183. (Correction: Probability
indicators: Research group indicator distributions and
Theory and Related Fields, 74, 1987, 317.)
correlations, Journal of the American Society for Information
• W. GLÄNZEL, A. SCHUBERT, Characteristic Scores and Scales in Assessing Citation Impact. Journal of Information Science, 14, 1988, 123-127. • W. GLÄNZEL, A. SCHUBERT, Some facts and figures on highly cited papers in the sciences, 1981-1985, Scientometrics, 25 (3), 1992, 373-380.
Science and Technology, 57 (3), 2006, 408-430. • A.F.J. VAN RAAN, Comparison of the Hirsch-index with standard bibliometric indicators and with peer judgment for 147 chemistry research groups, Scientometrics, 67 (3), 2006, 491-502.
249
DOSSIER 4: ONDERWIJS: KIEM VOOR O N D E R ZO E K E N I N N OVAT I E Door Danielle Raspoet (VRWB) en Kristien Vercoutere (VRWB)
4.1 SITUERING
onderbouwd met cijfermateriaal, en gericht aan Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, Frank Vandenbroucke, en
Een dynamisch wetenschaps- en innovatiebestel steunt op
aan Vlaams minister van Wetenschap en Innovatie, Patricia
mensen. In de eerste plaats zijn dit de onderzoekers. Zij staan
Ceysens. Een VRWB-redactiecomité onder voorzitterschap van
aan de wieg van doorbraken in de wetenschap, zetten innovatie
prof. Harry Martens, UHasselt, bereidde de tekst voor.
in gang en vormen zo de ruggengraat van onze kenniseconomie. Maar er is evenzeer nood aan wetenschappelijk/technologisch
Het advies lijst knelpunten en mogelijke remediëringen op met
geschoolde managers die innovatie in hun bedrijf kunnen
betrekking tot het geheel van het hoger onderwijs. Het eindigt
introduceren, en aan een ruim aantal hoger opgeleide en
met een aantal specifieke aanbevelingen, ten einde de numerieke
technisch geschoolde medewerkers die deze kennis in de
uitstroom aan hoger opgeleiden (bachelors, masters en
praktijk kunnen brengen. Zowel de beschikbaarheid van
doctores) te verhogen (kwantitatieve doelstelling) en deze beter
voldoende menselijk potentieel, als de kwaliteit van deze
af te stemmen op de huidige en toekomstige behoeften aan
mensen is hierbij een sleutelbegrip.
innovatief potentieel in Vlaanderen (kwalitatieve doelstelling). Vanwege de acute problematiek in de wetenschappelijke en
De beschikbaarheid van hooggekwalificeerd talent en de groei
technologische domeinen heeft de kwantitatieve doelstelling
van het aantal onderzoekers zijn belangrijke elementen van de
voornamelijk betrekking op het aantal uitstromers in de (natuur)-
Lissabon-agenda. Meer investering in onderzoek gaat gepaard
wetenschappen, informatica, technologie en de professionele
met een grotere vraag naar onderzoekers. Om de doelstelling
bachelors in die domeinen, waar er (ook internationaal) een
van de 3%-norm te bereiken worden ongeveer 700.000 extra
groeiende kloof is tussen vraag en aanbod.
1
onderzoekers nodig geacht . Voor Vlaanderen betekent dit dat er zo’n 15.000 extra onderzoekers nodig zijn om de structurele langetermijngroei in kennisinvesteringen, waartoe
4.2 KENNIS ALS PRODUCT – KENNIS ALS VERMOGEN
vullen en op te vangen. De Nederlandse Adviesraad voor het Wetenschaps- en We hebben in de toekomst niet alleen méér hoger opgeleiden
Technologiebeleid, AWT, maakte in zijn advies 71 (april 2007)
nodig, maar ze moeten ook over de geschikte competenties
een onderscheid tussen twee soorten kennis: ‘kennis als
beschikken om adequaat op de uitdagingen te kunnen inspelen.
product’ en ‘kennis als vermogen’.
Dit houdt uiteraard ook bepaalde eisen in aan het hele pallet van hoger onderwijs, zowel op het bama-niveau als voor de
“‘Kennis als product’ bestaat uit inzichten en uitspraken die aan
doctoraatsopleiding.
papier kunnen toevertrouwd worden, uit theorieën en feiten die worden vastgelegd in tijdschriften, boeken, enz. Het zijn
Zowel de VRWB als de Vlor zijn overtuigd van het belang
onderzoeksresultaten, die publiceerbaar zijn en op die wijze
van onderwijs in het realiseren van de kennismaatschappij.
overdraagbaar zijn.”
Als Vlaanderen wil uitgroeien tot een kwalitatief hoogstaande kennisregio, dan moet het dus niet alleen bijzondere aandacht
“‘Kennis als vermogen’ bestaat uit competenties om relevante
besteden aan de onderzoekscomponent, maar ook aan de
kennis te signaleren en te absorberen, kennis te combineren en
onderwijscomponent. Beide adviesraden namen daarom het
verder te ontwikkelen, te vertalen en te gebruiken. Kennis als
initiatief om hierrond gezamenlijk een advies te formuleren,
vermogen zit in mensen, in organisaties en in infrastructuur.”
1 COM(2003) 226 definitief/2 - Mededeling van de Commissie Investeren in onderzoek: een actieplan voor Europa.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
de Vlaamse overheid zich heeft geëngageerd, zinvol in te
250
“Bedrijven en maatschappelijke organisaties gebruiken kennis
De structurele financiering voor het hoger onderwijs (1ste
om te innoveren. Daarvoor moeten ze toegang hebben tot
geldstroom) vanuit de onderwijsbegroting – de voornaamste
kennis als product (concrete onderzoeksresultaten), maar ook
bron van O&V – heeft deze groei evenwel niet gevolgd. In de
tot kennis als vermogen (goed opgeleide mensen en een goed
periode 1995-2007 stegen de kredieten voor O&O met 168%
functionerende onderzoeksinfrastructuur).”
tegenover een stijging van slechts 28% voor de O&V-kredieten (zie figuur 4.1). Voor wat het O&V-luik betreft, komt dit enkel neer op een aanpassing aan de consumptieprijsindex, die de
4.3 INVESTEREN IN KENNIS
sterk gestegen groei (cf. output in deze sector, bv. gestegen aantal diploma’s) niet opvangt.
Investeren in onderwijs lijkt bij uitstek een investering in ‘kennis als vermogen’ te zijn, een investering in kennis onder de vorm van menselijk kapitaal. Dit kapitaal is cruciaal voor toekomstige kennisontwikkeling en -valorisatie. In Nederland ligt, volgens de
4.4 EEN TOEKOMSTGERICHTE VISIE OP HOGER ONDERWIJS
AWT althans, de focus (te) sterk op kennis als product, en is er meer aandacht nodig voor kennis als vermogen. Men kan zich
Het hoger onderwijs heeft als taak voldoende (jonge) mensen
afvragen of dit ook voor Vlaanderen geldt.
te vormen op hoog niveau zodat ze kunnen bijdragen aan de maatschappij door kennisintensieve activiteiten, zowel op
De laatste jaren is het belang van onderzoek voor innovatie
het gebied van onderzoek als erbuiten.
zeer sterk benadrukt. Deze terechte focus heeft zich het laatste decennium, dankzij de inspanningen van de minister van
De toenemende complexiteit en globalisering van onze
Wetenschap en Innovatie, vertaald in een sterke groei in project-
maatschappij en de evolutie naar een ware kenniseconomie maakt
en mandaatfinanciering voor het academisch onderzoek – en
dat we in de toekomst: (1) steeds meer hoger opgeleiden
meer algemeen – in het besef dat we moeten investeren in
zullen nodig hebben, met (2) de geschikte competenties om
kennis als bron van toegevoegde waarde (figuur 4.1).
adequaat op deze uitdagingen te kunnen inspelen.
Figuur 4.1: Evolutie van de O&O, O&V en W&T-componenten binnen het Horizontaal begrotingsprogramma Wetenschapsbeleid (HBPWB)
1.800 1.600 1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0 1995
1996
1997
1998
1999
2000
n W&T: wetenschappelijke en technologische dienstverlening n O&V: onderwijs en vorming n O&O: onderzoek en ontwikkeling
Bron: Speurgids 2007
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
251
In het licht van deze doelstellingen moet er gesleuteld worden aan (de inhoud en de methodieken van) het onderwijsproces.
4.6 ALGEMENE VERHOGING VAN DE INSTROOM IN HET HOGER ONDERWIJS
We mogen ons hierbij niet blind staren op de noden van en de evoluties op de arbeidsmarkt, of in de maatschappij,
Om de output van het hele hoger onderwijssysteem te kunnen
op korte termijn. Voldoende visionair zijn en een onderscheid
verhogen, moet de instroom zo ruim mogelijk zijn. Daar is
maken tussen korte- en lange termijnnoden is de boodschap.
een differentiërend beleid voor nodig, zodat hoger onderwijs
Ook met evoluties op internationaal vlak moeten we rekening
uitdagend is voor zeer goede studenten, maar ook diploma-
houden.
mogelijkheden biedt voor wie iets minder aanleg heeft. De instroom verhogen, kan via verschillende pistes:
4.5 INSTROOM, DOORSTROOM EN UITSTROOM AANPAKKEN
l
De aanbevelingen in het advies hebben betrekking op de
l
een actief doelgroepenbeleid dat rekening houdt met de verschillende startposities van studenten en ernaar streeft hen evenveel kansen te bieden om gekwalificeerd uit te stromen;
instroom, doorstroom en uitstroom in/door het hoger
flexibiliseringsroutes voor zij-instromers en doelgroepstudenten;
onderwijs, zoals schematisch voorgesteld in onderstaande
l
levenslang leren verder stimuleren;
figuur 4.2. Ze zijn specifiek gericht op de ‘behoeften voor het
l
het hoger beroepsonderwijs dat op stapel staat;
innovatieproces’. Hierin wordt innovatie vooral bekeken vanuit
l
bedrijfseconomisch en macro-economisch perspectief.
een betere afstemming van de studiefinanciering op de reële studiekost …
Figuur 4.2: Instroom, doorstroom, uitstroom en terugkoppeling
Financieel • financiële draagkracht • verhouding en relatie onderwijsonderzoek
UITSTROOM • aantal afgestudeerden • profiel afgestudeerden • internationaal perspectief
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
INSTROOM • aantal studenten • internationale instroom • acuut probleem bij wetenschappen en technologie • borging van de kwaliteit
DOORSTROOM Inhoudelijk • aandacht mix kennis/vaardigheden/ attitudes • activerende onderwijswerkvormen • samenwerking bedrijfsleven/ afnemend veld • flexibele en efficiënte bruggen • versterking internationale dimensie
252
4.7 SPECIFIEK AANDACHTSPUNT: MEER GEDIPLOMEERDEN IN WETENSCHAPPEN EN TECHNOLOGIE
Daar tegenover staat dat, zoals uit arbeidsmarktgegevens blijkt, er in bepaalde sectoren nu al niet kan worden voldaan aan de toenemende vraag naar W&T-geschoolden en dat we in de toekomst steeds meer op recrutering in het buitenland zullen aangewezen zijn.
Het aantal generatiestudenten in het studiegebied wetenschappen en technologie stagneert al geruime tijd en daalt de laatste jaren zelfs t.o.v. het totale aantal generatiestudenten (figuren 4.3
Ook de beleidsnota van Vlaams minister van Onderwijs en
en 4.4). Het hogeronderwijstijdschrift Delta berekende in
Vorming Frank Vandenbroucke haalde het belang aan van een
september 2008 dat de voorbije acht jaar het aantal
groeiend aantal studenten en diploma’s in wetenschappen en
universiteitsstudenten in de faculteiten Wetenschappen,
technologie, geïnspireerd door de Europese doelstelling terzake,
Toegepaste Wetenschappen en Toegepaste Biologische
namelijk een verhoging in het tertiair onderwijs van het aantal
Wetenschappen is gedaald met 5,1%. In de professionele
diploma’s op het gebied van wiskunde, natuurwetenschappen
bacheloropleidingen Industriële Wetenschappen en Technologie,
en technologie met 15% tegen 2010, terwijl het onevenwicht
en Toegepaste Informatica bedraagt de daling in die periode
tussen de geslachten hieromtrent moet afnemen. Dit in
1,3%. In de academische opleidingen voor Industriële
opvolging van de Europese doelstelling: “De instroom in de
Wetenschappen en Technologie daalde het aantal studenten
studierichtingen van de exacte wetenschappen en de
met maar liefst 25%. Voor een regio waarin competitiviteit
technische richtingen vergroten”. Nochtans blijkt Vlaanderen,
voornamelijk berust op kennisintensieve en hoogtechnologische
qua aantal studenten W&T, er in een internationale vergelijking
bedrijven en diensten, is deze vaststelling negatief en eerder
(figuur 4.5) niet schitterend uit te komen.
alarmerend voor de toekomst. Bovendien blijft de participatie van vrouwelijke studenten zeer laag en neemt deze nog af.
Figuur 4.3: Evolutie van het relatieve aandeel van wetenschappen, ingenieurswetenschappen en ‘biomedische’ wetenschappen in het totaal aantal generatiestudenten (universiteiten)
30,00%
25,00%
20,00%
15,00%
10,00%
5,00%
n Totaal biomedische en farmaceutische wetenschappen n Totaal toegepaste wetenschappen n Totaal wetenschappen n Som alles n Som wetenschappen en toegepaste wetenschappen
Bron: Statistische jaarboeken van het Vlaams Onderwijs – bewerking VRWB
2006-2007
2005-2006
2004-2005
2003-2004
2002-2003
2001-2002
2000-2001
1999-2000
1998-1999
1997-1998
1996-1997
1995-1996
1994-1995
1993-1994
1992-1993
1991-1992
1990-1991
0,00%
253
Figuur 4.4: Evolutie van het aandeel generatiestudenten professionele en academisch gerichte bachelor (richtingen I&W) t.o.v. het totaal aantal generatiestudenten in de hogescholen
12,00%
10,00%
8,00%
6,00%
4,00%
2,00%
2006-2007
2005-2006
2004-2005
2003-2004
2002-2003
2001-2002
2000-2001
1999-2000
1998-1999
1997-1998
1996-1997
1995-1996
0,00%
n Professioneel gerichte bachelor I&W n Academisch gerichte bachelor I&W
Bron: Statistische jaarboeken van het Vlaams Onderwijs – bewerking VRWB
Figuur 4.5: Internationale vergelijking (2002-2003), studenten in het tertiair onderwijs in wiskunde, wetenschappen en technologie in verhouding tot het totaal aantal studenten tertiair onderwijs
100%
61,1%
5,1%
16,3%
18,0%
11,1%
9,3%
19,7%
28,1%
31,6%
33,6% 20,5%
21,0% 10,0%
12,8%
14,5%
24,0%
33,7%
36,3%
39,1% 24,4%
25,3% 12,7%
15,6%
16,9%
27,5%
29,0%
39,4%
44,9%
44,7%
43,7% 15,7%
17,4%
18,1%
20%
29,9%
30,6%
45,9% 31,1%
38,2% 18,3%
40%
47,0%
60%
0% FIN
n Totaal n Mannen n Vrouwen
Bron: Eurostat website
SP
IER
D
POR
ZW
OOS
VK
IT
Vl. Gem.
BEL
DEN
LUX
NED
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
80%
254
Talrijke studies zijn ondernomen om de oorzaken te
Ten slotte is innovatie ruimer dan enkel de natuur- en
achterhalen en remediërende acties op het getouw te zetten.
ingenieurswetenschappen. Elke afgestudeerde uit het hoger
De oorzaken zijn zeer divers. Knelpunten bevinden zich onder
onderwijs, zij het een ingenieur of een verpleegster, zou
meer op het raakvlak van maatschappij en wetenschap/
innovatie’minded’ moeten zijn. Interdisciplinariteit in de
technologie en van onderwijs en wetenschap. Specifieke acties
opleiding kan hieraan een bijdrage leveren en moet dus
zijn hier dus noodzakelijk. Wetenschappen en technologie moeten
gestimuleerd worden.
algemeen, zowel in het onderwijs als in de media, als waardevol en ten dienste van de maatschappij worden voorgesteld. Bestaande initiatieven zoals het Actieplan Wetenschapsinformatie en Innovatie moeten meer afgestemd worden op acties op
4.9 ONDERWIJS IN INTERACTIE MET ARBEIDSMARKT/AFNEMEND VELD
het niveau van de scholen en geïntegreerd worden in de studiekeuzeproblematiek. De beeldvorming over de loopbaan-
In een kennismaatschappij komt het er op aan dat zowel
mogelijkheden waartoe studies in de wetenschappen/technologie
kennis, vaardigheden als attitudes tot ontplooiing kunnen komen.
leiden, moet worden gecorrigeerd. Deze opleidingen mogen
Want we verwachten van toekomstige afgestudeerden niet
immers niet enkel gezien worden als een voorbereiding op een
alleen een stevige basis en een kritische houding tegenover wat
onderzoeksloopbaan; er is ook een route die een vervolg krijgt
ze leren, maar ook de vaardigheden om zelf (systematisch)
in de lerarenopleiding en een route die de opgedane kennis via
nieuwe informatie te verwerven en te integreren (feitenkennis
andere mogelijkheden (bedrijfsleven, management, …) valoriseert
versus inzicht).
op de arbeidsmarkt. De leraar wetenschappen en technologische vorming in het secundair onderwijs moet beschouwd worden
Tegenover de huidige situatie betekent dit een aanvulling van
als de motor voor de belangstelling voor wetenschappen en
het bestaande, grotendeels op kennis gebaseerde onderwijs,
technologie. Een carrière in het onderwijs moet een aantrekkelijke,
met grotere aandacht voor competentieontwikkeling. We moeten
eerste keuze zijn! Het lijkt daarom aangewezen om de status,
verder evolueren naar een onderwijssysteem waar terugkoppeling
het statuut van de leraar te verhogen. Zowel binnen als buiten
naar de arbeidsmarkt een geïntegreerd deel uitmaakt van
de klas moet er nagedacht worden hoe het genderonevenwicht
curriculumhervormingen. Gewenste competentieprofielen
kan verkleind worden. Het curriculum natuurwetenschappen
moeten worden opgesteld in samenwerking met het afnemend
moet aantrekkelijk zijn voor jongens én meisjes.
veld (niet determinerend vanuit, maar in interactie met de arbeidsmarkt). Van daaruit kan men dan de vereiste kennis, attitudes en vaardigheden definiëren.
4.8 KWALITEITSBORGING Streven naar een goede mix kennis/vaardigheden/attitudes Kwaliteitsvolle instroom in het hoger onderwijs steunt in
impliceert een gevarieerde en evenwichtige mix van verschillende
de eerste plaats op een juiste studiekeuze, via een goede
onderwijsvormen. In functie van het gewenste profiel
studiekeuzebegeleiding. Het volstaat niet dat meer jongeren in
kunnen/moeten meer activerende onderwijsvormen worden
het hoger onderwijs instromen; zij moeten dankzij adequate
geïmplementeerd, maar zonder dat dit tot een overbelasting
informatie ook zoveel mogelijk meteen ‘op de juiste plek’
van student of staf leidt en ook financieel haalbaar blijft.
terecht komen. Een succesvol studiekeuzeproces biedt de student immers meer kans op slagen in het hoger onderwijs en
Samenwerking en wisselwerking tussen ‘de buitenwereld’ en
kan ook drop-out terugdringen. Meer aandacht voor begeleiding
het onderwijs, zoals dit nu al gebeurt via stages of eindwerken
in het studiekeuzeproces is daarom noodzakelijk.
van studenten in bedrijven en afnemende organisaties, hebben een positieve invloed op het onderwijs. Dankzij deze
Op hoger onderwijsniveau benadrukt het advies dat de
werkvormen kan het onderwijs de beoogde kennis en
onderwijstaak een belangrijk onderdeel moet blijven van de
vaardigheden beter realiseren, maken studenten kennis met de
taak van de docent en ook overeenkomstig moet meespelen in
realiteit van de bedrijfs- en werkomgeving en krijgen ze er ook
de evaluaties. Niet alleen uitstekend onderzoek maar ook
inzicht in. Toch is hier nog verbetering mogelijk, vooral dan via
uitstekend onderwijs moet beloond worden en incentives krijgen,
meer langdurige mogelijkheden voor stage en projectwerk.
bijvoorbeeld door het mee te nemen in promotiedossiers.
Ook intersectorale mobiliteit van het (onderwijzend) personeel moet gestimuleerd worden.
255
4.10 INTERNATIONALISERING - MOBILITEIT
De benchmarking studie van het Steunpunt O&O-Indicatoren leert dat de basisfinanciering van de Vlaamse universiteiten laag
België wordt erkend als de meest globale economie, en deze
is, in vergelijking met de andere onderzochte Europese landen.
positie kan versterkt en nuttig gevaloriseerd worden door de
Vandaag wordt 1,2% van het BBP Vlaanderen besteed aan
versterking van de internationale dimensie van het onderwijs.
hoger onderwijs, terwijl de Europese norm 2% is2. In de
Internationalisering van het hoger onderwijs houdt in dat we
Scandinavische landen wordt 1,8% van het BBP besteed,
meer buitenlandse studenten en onderzoekers aan onze
in Korea is dit 2,3% en in de VS 2,9%.
universiteiten en hogescholen aantrekken en de mobiliteit van onze Vlaamse studenten stimuleren.
Net zoals de gewaardeerde inspanningen van de Vlaamse overheid om haar deel van de 3%-norm voor onderzoek en
Internationale rekrutering van studenten betekent een
ontwikkeling te halen – en die onverminderd moet worden
mogelijkerwijs grotere instroom met het vereiste instroomniveau,
aangehouden – zou parallel en losstaand hiervan, een
zorgt voor uitwisseling van ideeën die leidt tot een verhoging
inhaalplan moeten worden opgezet om de bestedingen in het
van de onderzoeks- en onderwijskwaliteit. Daarnaast biedt een
hoger onderwijs (privé + overheid) op 2% van BBP Vlaanderen
internationaal samengestelde studentenpopulatie ook voor
te brengen (cf. Europese doelstelling). Beide inspanningen
Vlaamse studenten een kans om aanvullend internationale
mogen niet ten koste gaan van elkaar; een ambitieus
ervaring op te doen (de zgn. ’internationalisation@home’).
Vlaanderen moet beide normen nastreven.
Door de wereldwijde focus op de kenniseconomie is er meer
Er moet vooral een inhaalbeweging komen voor de eerste
en meer sprake van een internationale competitie voor
geldstroom van universiteiten en hogescholen. De middelen
hoogopgeleide onderzoekers, de zogenaamde ‘War on talent’.
inzetbaar voor de onderwijsfunctie van universiteiten en
Daarom moet Vlaanderen zich op internationaal vlak kunnen
hogescholen zijn door verschillende mechanismen (indexering,
positioneren als een aantrekkelijke regio voor buitenlands talent.
onderzoeksoverhead
Het stimuleren van inkomende mobiliteit vergt ondermeer een
onderzoekers) ernstig geërodeerd, terwijl de taken en
versoepeling van de taalregelgeving hoger onderwijs, zeker op
verwachtingen
masterniveau. Maar vooral een geconcerteerd en strategisch
toegenomen. Deze situatie is niet houdbaar indien men de
beleid inzake internationalisering, zowel bij de overheid als bij
nieuwe beleidsaccenten (democratisering, nieuwe doelgroepen,
de onderwijsinstellingen, is noodzakelijk om internationalisering
competentiegericht onderwijs, internationalisering, …) ingang
te stimuleren.
wil zien krijgen in het beleid van universiteiten en hogescholen.
op
en
exponentiële
onderwijsgebied
stijging
junior
belangrijk
zijn
Voor uitgaande mobiliteit van studenten en docenten is een
middelen zo efficiënt mogelijk inzetten. Rationalisatie is hierbij
breed en ruim aanbod belangrijk, net als adequate financiering,
één van de mogelijke instrumenten, maar mag niet ten koste
een omkadering voor doelgroepstudenten, het creëren van een
gaan van de toegankelijkheid van ons hoger onderwijs en van
ware internationaliseringscultuur, adequate begeleiding en het
het voortbestaan van knelpuntrichtingen. Rationalisatie moet
stimuleren van vreemde-talenkennis.
ook gebeuren met behoud van het personeelsbestand.
4.11 EEN INHAALBEWEGING VOOR DE EERSTE GELDSTROOMFINANCIERING
4.12 BESLUIT Als Vlaanderen wil uitgroeien tot een kwalitatief hoogstaande
Kwalitatief hoogstaand en gefundeerd activerend onderwijs,
kennisregio, dan moet het dus niet alleen bijzondere aandacht
in samenwerking met de relevante spelers op de arbeidsmarkt
besteden aan de onderzoekscomponent, maar ook aan de
en met voldoende aandacht voor competentie-ontwikkeling, is
onderwijscomponent. Het ganse pallet van het hoger onderwijs,
arbeidsintensief. Deze basistaak verdient een sterke structurele
bachelors, masters én doctores, moet hierbij aan bod komen, zowel
financiële basis. Hiervoor dient in principe de eerste geldstroom.
in de exacte en ingenieurswetenschappen als in andere disciplines, maar in elk geval met een op ‘innovatie’ gerichte ingesteldheid.
2 Invulling van de moderniseringsagenda voor universiteiten: onderwijs, onderzoek en innovatie, Mededeling van de Commissie aan de Europese Raad en het Europese Parlement, COM(2006)208def, 18 mei 2006
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
Daarnaast is het belangrijk dat de instellingen de financiële
256
D O S S I E R 5 : I M PAC T E VA LU AT I E : INSTRUMENTEN TER BEVORDERING VA N P R I VAT E O & O - AC T I V I T E I T Door Kris Aerts (K.U.Leuven)
In dit dossier worden de hoofdlijnen beschreven van uitgebreid onderzoek rond de impactevaluatie van instrumenten ter
5.2 OVERHEIDSINTERVENTIE IN PRIVATE O&O-ACTIVITEIT
bevordering van private O&O-activiteit. Met dit onderzoek behaalde Kris Aerts, onder de begeleiding van Professor Dirk
De argumenten die het martktfalen van O&O verklaren,
Czarnitzki, eind 2008 haar doctoraat aan de K.U.Leuven in de
rechtvaardigen overheidsinterventie in dit domein: overheids-
onderzoekseenheid Bedrijfseconomie, Strategie en Innovatie
subsidies reduceren de prijs van O&O-projecten en kunnen
van de Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen.
de netto verwachte winst omzetten in een positief saldo. Van bedrijven wordt verwacht dat ze rationeel handelen en dat ze dit project dus zullen uitvoeren. Bedrijven handelen
5.1 INLEIDING
echter ook rationeel op een ander vlak: de overheid heeft een informatienadeel bij de selectie van projecten; bedrijven
O&O (Onderzoek en Ontwikkeling) en innovatie stimuleren
kunnen altijd subsidies aanvragen, ook al is dit niet nodig.
economische groei en bijgevolg is de innovatiecapaciteit van
Als bedrijven hun eigen budget vervangen door de publieke
economische actoren een sleutelfactor geworden in de huidige
subsidie, volgt er geen stijging van de totale private O&O-
economische systemen, naast de meer traditionele inputfactoren
uitgaven, maar is er sprake van verdringing. Dit zou de efficiënte
arbeid en kapitaal. Hierbij moet echter vastgesteld worden dat
werking van het subsidiesysteem onderuit halen. Daarom is
de O&O-markt faalt, meer bepaald om drie belangrijke
een impactevaluatie van deze maatregelen cruciaal.
redenen. Ten eerste gaat het O&O-proces gepaard met veel onzekerheid (Dasgupta en Maskin, 1987). Ten tweede kan een
Een belangrijk punt dat zich hierbij stelt, is de simultaneïteit
bedrijf met succesvolle O&O-activiteiten andere bedrijven er
van de relatie tussen de maatregel en de output. Het is niet
nooit van weerhouden in meerdere of mindere mate gebruik
ondenkbaar dat overheden de uitkomst van de subsidie
te maken van de kennis die daaruit voortvloeit (Arrow, 1962).
willen optimaliseren en daarom vooral aan O&O-actieve
Ten derde ondervinden bedrijven mogelijk problemen bij de
bedrijven met bewezen O&O-resultaten subsidies toekennen.
financiering van hun O&O-activiteiten door asymmetrische
Omgekeerd zijn deze O&O-actieve bedrijven mogelijk beter
informatie en moral hazard (Himmelberg en Petersen, 1994).
op de hoogte van subsidies waarvoor zij in aanmerking komen
Deze theoretische argumenten voorspellen dat er te weinig
en schrijven ze mogelijk betere voorstellen. Het ontvangen van
geïnvesteerd wordt in O&O-activiteiten. Als antwoord hierop
een subsidie op zich is dus mogelijk al gerelateerd aan het
werden door zowel de publieke als de private sector maatregelen
outputeffect. Dit moet gecorrigeerd worden. Daartoe bestaan
geïntroduceerd om innovatie te bevorderen. In het doctoraats-
een
onderzoek dat hier beschreven wordt, werd de effectiviteit van
behandelingseffectenmodellen. Deze laten toe om de
beide interventiemechanismen bestudeerd, en met name hun
simultaneïteit te minimaliseren en te komen tot een juiste
impact op de private O&O-activiteit.
effectenmeting. Voorbeelden zijn matching, de (conditionele)
aantal
econometrische
technieken,
zogenaamde
verschil-in-verschillenmethode en tot slot selectiemodellen en regressies met instrumentele variabelen (IV). Bij matching worden tweelingkoppels geselecteerd van bedrijven die wel en niet deelnemen aan de maatregel. Bij de verschil-inverschillenmethode worden deelnemende en niet-deelnemende bedrijven voor en na deelname en de verschillen over de tijd tussen beide groepen vergeleken.
257
Beide methoden kunnen gecombineerd worden tot de
5.2.1 Een voor de prijs van twee?
zogenaamde conditionele verschil-in-verschillenmethode, waarbij tweelingkoppels van deelnemende en niet-deelnemende
Internationaal wordt er meer en meer onderzoek rond
bedrijven vergeleken worden over de tijd. Bij selectiemodellen
impactevaluatie van O&O-subsidies gevoerd. Hoewel veruit alle
en IV-regressies wordt eerst de selectiviteit weggewerkt en in
recentere studies corrigeren voor de mogelijke simultaneïteit,
een tweede regressie de impact geschat. Bij deze techniek zijn
is er een aanzienlijke divergentie in de resultaten: sommige
echter variabelen vereist die niet gecorreleerd zijn met de
studies besluiten dat subsidies wel degelijk een positieve impact
uitkomst, maar wel met de waarschijnlijkheid om deel te nemen
hebben op private O&O-activiteiten, terwijl andere studies
aan de maatregel. Dit is typisch een vereiste waaraan moeilijk
aanwijzingen vinden voor vervangingseffecten. David en Hall
te voldoen valt.
(2000) vinden hiervoor verschillende verklaringen. Elk land voert een specifiek beleid voor Wetenschap en Innovatie, dat afgestemd
De belangrijkste gegevens die gebruikt werden voor de
is op de nationale en/of regionale behoeften. Bovendien worden
empirische analyses zijn afkomstig van de O&O- en CIS-enquêtes
gegevens voor empirische evaluatieoefeningen op verschillende
(zie hoofdstukken 4 en 8 voor een uitgebreide beschrijving),
manieren verzameld: definities, tijdsvensters, steekproeftrekking,
waarin informatie over de O&O- en innovatie-activiteiten van
responsgraad, enz. zijn heel uiteenlopend. Bovendien heeft
Vlaamse bedrijven verzameld wordt. De uitvoering van
de beschikbaarheid van bepaalde gegevens een grote impact
deze enquêtes is geharmoniseerd op Europees niveau, onder
op de (gedwongen) keuze van een bepaalde methodologie.
leiding van Eurostat en de OECD. De CIS-enquête verzamelt
De oorzaken van divergentie in de resultaten van impact-
voornamelijk kwalitatieve informatie m.b.t. de innovatie-
analyses zijn dus mogelijk niet zonder meer te wijten aan
inspanningen en performantie van een steekproef van
verschillen in effectiviteit.
bedrijven, die op basis van grootte en activiteitensector In deze sectie werd daarom éénzelfde methodologie toegepast
Vlaamse bedrijven met meer dan 10 werknemers. In de
voor gelijkaardige datasets, met gegevens op bedrijfsniveau
O&O-enquête gaat de aandacht vooral naar het verzamelen
in Vlaanderen en Duitsland. Er werd vertrokken vanuit de
van kwantitatieve gegevens m.b.t. de input van het O&O-proces
CIS-databank, aangevuld met extra informatie uit andere
in Vlaamse bedrijven. In tegenstelling tot de CIS-enquête wordt
databanken. In de eerste analyses werd de matchingmethode
voor de O&O-enquête een inventarisbenadering gevolgd:
gevolgd: tweelingkoppels van gesubsidieerde en niet-
alle potentieel O&O-actieve bedrijven worden geïdentificeerd
gesubsidieerde bedrijven werden samengesteld, en het
en bevraagd. In termen van O&O-uitgaven dekt de dataset
gemiddelde verschil in O&O-activiteiten werd berekend.
ongeveer 80% van de totale Vlaamse O&O-uitgaven; deze
De koppels werden samengesteld op basis van een gelijke kans
gegevens hebben dus quasi betrekking op alle Vlaamse
om een subsidie te ontvangen; deze score werd geschat op
O&O-actieve bedrijven. Deze enquêtes vormden de start voor
basis van grootte, innovatieve activiteiten in het verleden,
de empirische analyses, maar werden aangevuld met gegevens
internationale concurrentie, groepslidmaatschap, buitenlandse
van andere bronnen, om de rijkheid van de verzamelde
controle en de sector waarin het bedrijf actief is. De resultaten
informatie te optimaliseren. Van het IWT werd informatie
tonen duidelijk aan dat subsidies een positieve impact hebben
bekomen over het subsidiebedrag en -verleden van Vlaamse
op de O&O-uitgaven van gesubsidieerde bedrijven: zowel in
bedrijven. In samenwerking met het Steunpunt O&O Indicatoren
Vlaanderen als in Duitsland geven deze bedrijven meer uit aan
werd informatie over octrooiaanvragen en -toekenningen bij
O&O-activiteiten dan hun niet-gesubsidieerde tweelingpartners,
het Europees Patentenbureau (EPO) toegevoegd. In laatste
zowel in absolute (RDX: O&O-uitgaven) als in relatieve
instantie werden ook financiële gegevens bekomen via de
(RDXint: O&O-uitgaven/omzet – om grootte-effecten te
balanscentrale van de Nationale Bank van België (Belfirst).
neutraliseren) termen. De cijfers worden kort weergegeven in tabel 5.1. In uitbreiding op deze eerste analyses, werd ook
In het doctoraat worden verschillende thema’s aangeraakt
de conditionele verschil-in-verschillenmethode toegepast;
binnen het domein van de effectiviteit van overheidssubsidies
de eerste resultaten werden bevestigd met deze strengere tests.
voor O&O-activiteiten in de bedrijvensector, waarbij zowel methodologische als inhoudelijke bijdragen geleverd werden.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
willekeurig getrokken wordt uit de gehele populatie van
258
Tabel 5.1:
Gemiddelde impact van de subsidie op gesubsidieerde bedrijven
# obs.
Vlaanderen Absoluut Relatief gemiddelde mediaan gemiddelde mediaan
Duitsland Absoluut Relatief gemiddelde mediaan gemiddelde mediaan
RDX (in mio EUR)
157
0,837
0,211
65%
89%
3,232
0,401
65%
100%
RDXint (in %)
484
4,669
1,484
64%
91%
5,327
3,219
76%
100%
De impact van O&O-subsidies op RDX en RDXint is in deze matchingoefening voor beide steekproeven (Vlaanderen en Duitsland) significant op 1%. De controlevariabelen (niet opgenomen in deze tabel) zijn grootte, patent stock, export quota, groepslidmaatschap, buitenlandse eigendom en industrieaffiliatie. Omwille van de scheve verdeling van de O&O-uitgaven is ook het verschil van de mediaan opgenomen in de vergelijking. Het relatieve cijfer werd berekend door het absolute verschil (in respectievelijk gemiddelde en mediaan) van de waarde van de variabelen (RDX en RDXint) tussen de groep van gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde bedrijven te delen door de waarde van de variabelen (RDX en RDXint) voor de groep van gesubsidieerde bedrijven.
5.2.2 Wie betaalt de loonbrief?
Naast de vraag of het aanbod van O&O-personeel al dan niet elastisch is, is het ook relevant te kijken naar de kwalificaties van
In deze sectie werd ingegaan op de relatie tussen publieke
het O&O-personeel. In de literatuur werd namelijk vastgesteld
interventiemechanismen en de maatregelen die ondernemingen
dat er een upskilling effect zou kunnen spelen; er werd een
zelf in handen hebben; in dit geval de verloning van het O&O-
verschuiving vastgesteld in het O&O-personeel in de richting
personeel. Hiermee kan namelijk ook tegemoet gekomen worden
van meer gekwalificeerde werknemers: de lonen zijn hoger,
aan de marktfaling van O&O. Ten eerste kan met een aantrekkelijke
maar het personeel is beter gekwalificeerd, wat dus een
verloning hooggekwalificeerd personeel aangetrokken worden,
effectieve versterking van de O&O-activiteiten zou kunnen
wat de onzekerheid van het O&O-proces reduceert. Ten tweede
betekenen (Merito et al., 2007).
kunnen hogere lonen het personeelsverloop beperken, zodat minder kennis wegstroomt uit het bedrijf en het freeriden door andere bedrijven beperkt kan worden. Ten derde kunnen bedrijven met hogere lonen een sterkere geloofwaardigheid voorleggen aan mogelijke investeerders. O&O-verloning is typisch de grootste component in de O&O- uitgaven van een bedrijf (in Vlaanderen bv. ongeveer 65%). Gezien dit zware gewicht van de verloning, is er mogelijk een interactie met subsidies. In het vraagstuk rond de effectiviteit van O&O-subsidies aan het bedrijfsleven wordt dit dan relevant, aangezien “hoe meer, hoe beter” hier dus mogelijk niet opgaat: zelfs als de analyses aantonen dat bedrijven de subsidie niet gebruiken ter vervanging van eigen investeringen, kan het nog zijn dat
Dit vraagstuk werd empirisch onderzocht met gegevens van de O&O-enquête. De simultaneïteit werd weggewerkt via regressies met instrumentele variabelen. In de vorige sectie werd enkel de subsidiestatus (ja of neen) in rekening gebracht; in deze sectie wordt ook het subsidiebedrag (SUB en de logaritmisch herschaalde variant lnSUB) opgenomen in de analyses. De regressies (zie tabel 5.2) tonen dat O&O-subsidies in Vlaanderen een positief effect hebben op de O&O-investeringen van O&O-actieve bedrijven (RDX: O&O-uitgaven en RDXint: O&O-uitgaven/omzet). Hiermee worden bovendien meer O&O-personeelsleden aangenomen (RDP: O&O-personeel en RDPint: O&O-personeel/totaal personeel). Wel werd er ook
hier een verdringingseffect speelt, namelijk op vlak van het
gevonden dat bedrijven hun eigen budget toch ten dele
O&O-personeel: de verhoogde O&O-uitgaven worden mogelijk
vervangen door overheidsgeld. Simultaan met de verhoging
vertaald in hogere lonen, en niet in een effectieve versteviging
van het O&O-personeelsaantal, werd er echter ook een
van de O&O-activiteiten (Goolsbee, 1998). Dit argument wordt
verhoging van de O&O-verloning (RDW) vastgesteld (hierbij
vooral onderbouwd door de inelasticiteit van het aanbod
werd ook nog gecontroleerd voor de sterkte van vakbonden
van arbeidskrachten. Hierdoor wordt de zoekkost naar
en voor de kwalificatie van het personeel (aantal werknemers
geschikte wetenschappers en ingenieurs groter en hebben
met een diploma hoger onderwijs)). Verder onderzoek
O&O-werknemers een sterkere onderhandelingspositie voor hun
duidde echter in de richting van het upskilling-effect: bedrijven
verloning (Lokshin en Mohnen, 2008). Enerzijds ondersteunen
kunnen meer onderzoekers (RDPR: onderzoekerspersoneel;
auteurs deze visie, aangezien zij O&O-activiteiten vooral
RDPR/RDP: onderzoekerspersoneel/O&O-personeel) aannemen
weggelegd zien voor toponderzoekers met een hoge specialisatie.
in het O&O-team (het aantal technici en ander personeel
Anderzijds beschouwen andere auteurs het aanbod van
(niet-onderzoekers) stijgt niet significant).
hooggeschoolden en het potentieel van O&O-werknemers toch als min of meer elastisch, gezien het grote aantal afgestudeerden in Wetenschaps- en Technologierichtingen.
259
Tabel 5.2:
IV regressies, impact van de subsidie
RDX (in mio EUR)
Coëfficiënt
SUB Standaardfout
Significantie
1,7927
(0,6528)
***
17,2735
(9,7748)
*
0,0370
(0,0138)
*** **
RDXint (in %) RDP (in FTE) RDPint (in %) RDW (in mio EUR) RDW° (in mio EUR) RDPR (in FTE) RDPR/RDP (in %)
0,0357
(0,0153)
16,7069
(7,6660)
**
0,3719
(0,1273)
***
Coëfficiënt
lnSUB Standaardfout
Significantie
0,0114
(0,0039)
***
0,0166
(0,0057)
***
Noot: in deze tabel worden enkel de coëfficiënten van SUB en lnSUB weergegeven; de controlevariabelen (grootte, patent stock, export quota, kapitaalintensiteit, cashflow, groepslidmaatschap, buitenlandse eigendom, industrieaffiliatie en jaar van observatie) werden niet opgenomen. Aantal observaties: 470, behalve bij RDPR: 441. De gebruikte instrumenten zijn het bekomen budget per project en het aantal aangevraagde projecten per werknemer gedurende de voorbije vijf jaar. Tests tonen aan dat deze instrumenten relevant en gegrond zijn. *** (**, *) duiden op een significantieniveau van 1% (5, 10%). °In deze vergelijking werden alle controlevariabelen opgenomen, evenals een variabele die de kwalificatie van de staf weergeeft (aantal personeelsleden met een diploma van het hoger onderwijs) en een variabele die de onderhandelingskracht van de vakbonden m.b.t. de lonen weergeeft.
5.2.3 Vlaams water naar zee?
Op basis van deze twee argumenten zou men kunnen besluiten dat overheden minder geneigd zouden zijn om subsidies te
De impact van een subsidie kan verschillen naargelang
geven aan deze groep van bedrijven. Omgekeerd kan het ook
bepaalde kenmerken van de onderneming. Meer bepaald zou
zijn dat deze bedrijven om deze redenen eerder op niveau van
de groep van Vlaamse ondernemingen die toebehoren aan
de hoofdkantoren subsidies aanvragen, en dus niet in het gastland. Er is echter nog een derde argument, dat kan verklaren waarom
subsidies voor O&O-activiteiten. Een eerste argument voor de
overheden net wél de O&O-activiteiten van multinationals in
keuze voor deze bedrijvengroep ligt in het marktfalen van
hun land willen stimuleren d.m.v. subsidies. In de literatuur
O&O, dat buitenlandse dochterbedrijven mogelijk anders ervaren.
(zie bv. Bellak, 2004 voor een overzicht) wordt namelijk vaak
Bedrijven in een multinationale groep kunnen genieten van
aangetoond dat de prestaties van buitenlandse bedrijven die
schaalvoordelen en dubbele onderzoekslijnen vermijden.
van de binnenlandse bedrijven overtreffen, en dit op vlak van
Hierdoor zijn ze mogelijk efficiënter in hun O&O-activiteiten en
productiviteit, winstgevendheid, verloning, arbeidsefficiëntie, enz.
daalt de onzekerheid. Bovendien hebben multinationals typisch
en ook technologische en innovatieve prestaties. Aangezien de
de kennislekkage beter onder controle (Veugelers en Cassiman,
verwachte succesgraad van O&O-subsidies hier dan veel hoger
2004), wat de negatieve externaliteiten beperkt. Ook financierings-
ligt, en er bovendien mogelijk kennis kan overvloeien naar
problemen belemmeren mogelijk private O&O-investeringen.
lokale bedrijven, kan het voor de overheid dus net interessant
Zoals onder meer Hyytinen en Toivanen (2005) aangeven,
zijn om deze bedrijven te ondersteunen in hun O&O-activiteiten.
ondervinden vooral bedrijven die afhankelijk zijn van externe financiering problemen op dit vlak. Buitenlandse dochters zijn
In Vlaanderen zijn multinationale ondernemingen zeer actief.
door hun rol in de multinational, meestal met bredere middelen
Uit de data blijkt dat deze bedrijven minder kans maken op
ter beschikking dan één enkel bedrijf, mogelijk minder vatbaar
een subsidie, maar dat, áls ze een subsidie ontvangen, het
voor financieringsmoeilijkheden. Een tweede argument voor
bedrag typisch veel groter is dan wat binnenlandse bedrijven
de keuze van deze bedrijvengroep is de motivatie voor
ontvangen. Een interessant uitgangspunt voor een gescheiden
internationale O&O-activiteiten: lokale toepassing van kennis
impactanalyse van O&O-subsidies op de O&O-activiteiten van
die bestaat binnen de multinational, versus een versteviging
binnenlandse en buitenlandse bedrijven. In een eerste stap werd
van de kennisbasis van de multinational. Gewoonlijk wordt een
de matchingmethode gevolgd; tweelingen van gesubsidieerde
combinatie van deze redenen aangevoerd voor internationale
en niet-gesubsidieerde bedrijven werden geselecteerd in de
O&O-activiteiten. Multinationals spelen echter een steeds
bedrijven van de CIS-enquête. De resultaten worden samengevat
prominentere rol in de O&O-inspanningen in gastlanden en
in tabel 5.3. De impact in de volledige steekproef is significant
dit heeft bij een aantal overheden de vrees opgewekt dat deze
positief.
dochterondernemingen kennis wegzuigen uit het gastland, zonder dat de lokale economie daar veel winst uit haalt.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
een buitenlandse multinational anders kunnen reageren op
260
Tabel 5.3:
Gemiddelde impact van de subsidie op gesubsidieerde bedrijven (o.b.v. matching)
Gesubsidieerde bedrijven StandaardGemiddelde afwijking
Controlegroep nietgesubsidieerde bedrijven StandaardGemiddelde afwijking
Impact
Volledige steekproef (# obs.: 297 koppels) RDX (in mio EUR)
1,0962
(0,1695)
0,4598
(0,0711)
0,6364
***
58%
RDXint (in %)
5,2155
(0,5427)
2,4869
(0,3158)
2,7286
***
52%
Buitenlandse steekproef (# obs.: 75 koppels) RDX (in mio EUR)
1,7345
(0,3250)
0,6316
(0,1410)
1,1029
***
64%
RDXint (in %)
3,3398
(0,6632)
1,5548
(0,4845)
1,7850
*
53%
Binnenlandse steekproef (# obs.: 218 koppels) RDX (in mio EUR)
0,9007
(0,2067)
0,3204
(0,0734)
0,5803
**
64%
RDXint (in %)
5,6354
(0,6765)
1,9062
(0,2898)
3,7292
***
66%
Binnenlandse substeekproef (# obs.: 85 koppels) RDX (in mio EUR)
1,5326
(0,4591)
0,2952
(0,0532)
1,2374
***
81%
RDXint (in %)
4,2369
(0,9879)
1,3863
(0,2449)
2,8506
***
67%
Noot: de controlevariabelen (voor de selectie van tweelingen) zijn: binnenlandse/buitenlandse eigendom, grootte, ervaring met projectaanvragen, innovatie-activiteiten in het verleden, internationale concurrentie, kapitaalintensiteit en financiële sterkte, groepslidmaatschap, absorptiecapaciteit van kennis, activiteitensector en jaar van observatie. *** (**, *) duiden op een significantieniveau van 1% (5, 10%).
Een opdeling naar buitenlandse/binnenlandse eigendom leert
(binnenlandse en buitenlandse bedrijven investeren even veel
dat de impact van O&O-subsidies op de O&O-uitgaven (RDX:
meer), maar wel op de outputkant van het O&O-proces (betere
O&O-uitgaven en RDXint: O&O-uitgaven/omzet) in eerste
innovatieve prestaties en creatie van toegevoegde waarde in de
instantie groter lijkt in de groep van buitenlandse bedrijven.
buitenlandse gesubsidieerde bedrijven).
Dit is echter vooral te wijten aan het feit dat buitenlandse bedrijven andere kenmerken vertonen dan een gemiddeld
5.2.4 Conclusie
binnenlands bedrijf. Als we een substeekproef trekken uit de binnenlandse ondernemingen, die (op basis van grootte, regio
Het eerste deel handelde over een publiek interventie-
en sectoraffiliatie) zeer gelijkaardig is aan de steekproef van
mechanisme ter bevordering van private O&O-activiteiten,
buitenlandse ondernemingen, zien we dat de impact in
namelijk O&O-subsidies. In het algemeen kunnen we besluiten
dezelfde lijn ligt (1,1029 versus 1,2374 mio EUR; deze
dat deze subsidies effectief een stijging van de private O&O-
bedragen zijn statistisch niet significant verschillend).
investeringen teweeg brengen. De impact van O&O-subsidies op verschillende indicatoren van O&O-activiteit, zowel aan
In een volgende stap werd gekeken naar de outputkant van het
de input- als outputkant werd geschat met verschillende
O&O-proces. Uit de eerste stap werden de O&O-uitgaven
methodes. Hierbij dient wel bemerkt te worden dat de sociale
opgesplitst in het privaat gefinancierde stuk (dat ook zonder
waarde van het onderzoek dat uitgevoerd wordt met de
de subsidie geïnvesteerd zou worden) en het stuk dat
O&O-subsidie niet in rekening gebracht wordt. Hier kan echter
geïnduceerd werd door de O&O-subsidie. Vervolgens werden
voor de overheid een belangrijke toegevoegde waarde liggen
productiviteitsfuncties geschat met verschillende afhankelijke
van het O&O-subsidiesysteem.
variabelen, die de innovatieve en economische prestaties van ondernemingen weergeven. Hieruit blijkt dat gesubsidieerde bedrijven meer nieuwe producten op de markt brengen en ook meer octrooien aanvragen om hun kennis te beschermen. Voor buitenlandse bedrijven is dit effect groter. Bovendien blijkt dat deze bedrijven, in tegenstelling tot de binnenlandse, ook economische waarde kunnen creëren op basis van de verkregen subsidies. Hieruit kunnen we dus besluiten dat O&O-subsidies geen verschillende impact hebben op de inputkant
van
de
O&O-activiteiten
van
een
bedrijf
261
5.3 BEDRIJFSINTERVENTIE IN PRIVATE O&O-ACTIVITEIT: DE NEUZEN GELIJK?
Dit wordt nog versterkt door nauwe contacten met de klanten van de onderneming. Zonder het mechanisme van winstdeling hebben deze werknemers nauwelijks een motivatie om hun
Zoals al eerder aangehaald, kunnen ook binnen het bedrijf
kennisvoordeel te delen met de werkgever. Winstdeling geeft
maatregelen getroffen worden om O&O-inspanningen te
deze prikkel echter wel, zodat er theoretisch een positief
stimuleren, onder andere door een goede verloning van het
verband zou voorspeld kunnen worden tussen winstdeling en
personeel. In deze sectie wordt ingezoomd op één specifiek
de innovatieve prestaties (zowel proces- als productinnovaties)
verloningsmechanisme, namelijk winstdeling. De typische
van een bedrijf.
doelstelling van winstdeling is een verhoging van de prestaties. Aangezien winstmaximalisatie in dit systeem een win-win strategie
Deze hypothese werd empirisch getest met gegevens van Duitse ondernemingen, verzameld door het Duitse Instituut voor Werkgelegenheidsonderzoek (IAB: Institut für Arbeitsmarkt-
en werknemers zich rationeel gedragen, verhogen ze hun
und Berufsforschung). Op jaarlijkse basis wordt een panel van
inspanningen en gaan vervolgens ook de bedrijfsprestaties
ongeveer 16.000 Duitse bedrijven ondervraagd; de steekproef
omhoog. Deze directe link verklaart waarom het onderzoeks-
wordt bepaald o.b.v. grootte en activiteitensector. Aangezien in
domein van winstdeling zich voornamelijk richt op de relatie
deze impactevaluatie mogelijk ook simultaneïteit speelt, werd
tussen winstdeling en productiviteit (zie bv. Strotmann, 2002
de conditionele verschil-in-verschillenmethode toegepast voor
voor een overzicht). In deze sectie werd echter getracht om
paneldata. Tabel 5.4 geeft een overzicht van de resultaten.
een achterliggende relatie te onderzoeken, namelijk de relatie
TECH is een variabele die de technologische capaciteit van een
tussen winstdeling en innovatie. Theoretische argumenten
onderneming weergeeft op een schaal van 1 (totaal verouderd)
voorspellen dat via de invoering van winstdeling mogelijke
tot 5 (volledig up-to-date). ADV geeft aan of een bedrijf
weerstand tegen innovatieve activiteiten geneutraliseerd kan
geavanceerde technologieën gebruikt. Beide indicatoren van
worden, of zelfs dat werknemers innovatieactiviteiten van het
de ‘procesinnovatieve’ sterkte van een bedrijf zijn hoger bij
bedrijf actief gaan ondersteunen, gezien de positieve correlatie
bedrijven met winstdeling. Bij productinnovatie werden
tussen innovatie en winst. Hierbij speelt het informatievoordeel
verschillende indicatoren getest: INPDT (verbetering van
waarover werknemers typisch beschikken een cruciale rol.
bestaande producten), NEWFRM (introductie van producten
Enerzijds zijn werknemers nauw betrokken bij de bedrijfs-
die nieuw voor het bedrijf, maar niet nieuw voor de markt zijn)
processen en merken ze daardoor op waar potentiële zwaktes
en NEWMKT (introductie van producten die nieuw zijn voor
of inefficiënties verbeterd kunnen worden. Anderzijds vergaren
de markt). INPDT en NEWFRM zijn significant hoger voor
werknemers kennis over de producten van het bedrijf; ook daar
de bedrijven met winstdeling; wat NEWMKT betreft is er
kunnen ze mogelijke verbeteringen of uitbreidingen zien.
geen verschil waar te nemen.
Tabel 5.4:
Gemiddelde impact van winstdeling Bedrijven met winstdeling StandaardGemiddelde afwijking
Procesinnovatie TECH ADV Productinnovatie INPDT NEWFRM NEWMKT # obs.
Bedrijven zonder winstdeling StandaardGemiddelde afwijking
Impact
2,8439
(0,0529)
2,6634
(0,0503)
0,1805
**
0,6927
(0,0323)
0,5854
(0,0345)
0,1073
**
0,7833
(0,0290)
0,6517
(0,0337)
0,1315
***
0,3122
(0,0324)
0,1832
(0,0273)
0,1290
***
0,1512
(0,0251)
0,1188
(0,0228)
0,0324
205
205
Noot: de controlevariabelen (voor de selectie van tweelingen) zijn: grootte, organisatorische structuur van de onderneming (aandeel gekwalificeerde werknemers, een shift in verantwoordelijkheden, de introductie van teamwerk, onafhankelijke werkgroepen, ICT investeringen), de relatie met andere belangengroepen (de aanwezigheid van een raad en CAO’s), een statuut van beperkte aansprakelijkheid, het jaar van oprichting, de locatie in Oost- of West-Duitsland en de activiteitensector. *** (**, *) duiden op een significantieniveau van 1% (5, 10%).
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
betekent voor zowel werkgevers als werknemers, wordt winst een gemeenschappelijk doel. Als het mechanisme efficiënt werkt,
262
Dit is echter niet geheel onlogisch, aangezien het informatie-
5.5 REFERENTIES
voordeel van werknemers vooral ligt bij verbeteringen van bestaande producten of het invoeren van reeds bestaande
• AERTS, K., Essays on the economics of evaluation: public
innovatieve producten of features, die niet nieuw voor de markt
policy and corporate strategies in innovation, Doctoraats-
zijn. Voor de nieuw-voor-de-markt-innovaties is deze ‘voor-de-
thesis
hand-liggende’ kennis niet toereikend; hiervoor moet het
Bedrijfswetenschappen, Leuven, 2008.
bedrijf andere bronnen (bv. de O&O-afdeling) aanspreken.
288,
K.U.Leuven,
Faculteit
Economie
en
• ARROW, K. J., Economic Welfare and the Allocations of Resources of Invention, 361-392, in: Nelson, R.R. (Ed.), The Rate and Direction of Inventive Activity: Economic and Social
5.4 BESLUIT
Factors, Princeton, 1962. • BELLAK, C., How domestic and foreign firms differ and why
Zowel private als publieke innovatie-inspanningen zijn uiterst belangrijk om een stevige concurrentiepositie op te bouwen en
does it matter?, Journal of economic surveys, 18(4), 2004, 483-514.
te onderhouden. Deze bezorgdheid weerspiegelt zich in de
• DASGUPTA, P. en E. MASKIN, The Simple Economics of
zogenaamde Lissabon-agenda, met als doelstelling om tegen
Research Portfolios, The Economic Journal, 97(387), 1987,
2010 3% van het BBP aan O&O-activiteiten te besteden,
581-595.
waarvan 2/3 privaat en 1/3 publiek gefinancierd wordt.
• DAVID, P. en B.H. HALL , Heart of Darkness: Modeling
Tussentijdse evaluaties tonen echter aan dat we nog heel ver
Public-Private Funding Interactions Inside the R&D Black
van deze target verwijderd zijn: in 2005 was dit cijfer in de
Box, Research Policy, 29(9), 2000, 1165-1183.
EU25 slechts 1,77%, terwijl dit in de US 2,62% was en in Japan
• GOOLSBEE, A., Does Government R&D Policy Mainly
zelfs 3,33% (OECD, 2007). In dit doctoraat werd aangetoond
Benefit Scientists and Engineers?, American Economic
dat zowel publieke als private maatregelen om O&O-activiteiten te stimuleren kunnen bijdragen tot een verhoging van de O&O-intensiteit van een land.
Review, 88(2), 1998, 298-302. • HIMMELBERG, C.P. en B.C. PETERSEN, R&D and Internal Finance: A Panel Study of Small Firms in High-Tech Industries, Review of Economics and Statistics, 76(1), 1994, 38-51. • HYYTINEN, A. en O. TOIVANEN, Do financial constraints hold back innovation and growth? Evidence on the role of public policy, Research Policy, 34(9), 2005, 1385-1403. • LOKSHIN, B. en P. MOHNEN, Wage effects of R&D tax incentives: Evidence from the Netherlands, UNU-MERIT Working Paper 2008-034, UNU-Merit, Maastricht, 2008. • MERITO, M., GIANNANGELI, S. en A. BONACCORSI, Do Incentives to Industrial R&D Enhance Research Productivity and Firm Growth? Evidence from the Italian Case, Paper presented at the workshop “Assessing the impact of State aid to firm”, Bank of Italy, Rome, 2007. • OECD, Main Science and Technology Indicators, Paris, 2007. • STROTMANN, H., Zur Bedeutung materieller Mitarbeiterbeteiligung in Baden-Württemberg – eine empirische Analyse mit dem IAB-Betriebspanel, IAW report, Institut für angewandte Wirtschaftsforschung (IAW), Tübingen, 2002. • VEUGELERS, R. en B. CASSIMAN, Foreign subsidiaries as a channel of international technology diffusion: Some direct firm level evidence from Belgium, European Economic Review, 48, 2004, 455–476.
263
D O S S I E R 6: B I OTE C H N O LO G I E IN VLAANDEREN Door Kathleen D’Hondt (EWI)
Vlaanderen investeert sedert de jaren 80 sterk in biotechnologie
De opdracht werd toegewezen aan Technopolis Group
als driver voor innovatie en de uitbouw van een biotech-
(Nederland). In een eerste fase werd een bevraging georganiseerd
economie. Verdere Vlaamse ondersteuning van de biotechnologie
bovenop de O&O bevraging van bedrijven waarvan activiteiten
sector kan ook bijdragen tot het realiseren van de doelstellingen
in biotech bekend zijn of vermoed werden. De lijst van
van het ViA initiatief, om Vlaanderen tegen 2020 te laten
bedrijven is een aanvulling met de FlandersBio-leden op de
aansluiten bij de meest succesvolle kennisregio’s in Europa.
O&O-lijst van bedrijven.
Dat biotechnologie op Europees vlak als een belangrijke driver voor innovatie gezien wordt, blijkt ook uit roadmap tot
Om zich al dan niet als een biotechnologie bedrijf te identificeren
2010 voor de strategie van levenswetenschappen en
wordt de OESO definitie gehanteerd. Deze bestaat uit een
biotechnologie die de Europese Commissie in 2002 opstelde
simpele definitie en een lijstdefinitie, waarin de activiteiten die
(http://ec.europa.eu/biotechnology/index_en.htm). In 2007 werd
onder biotech vallen samengevat worden. Deze lijst werd licht
deze strategie geëvalueerd en met de lancering van het zevende
aangepast onder meer op basis van de aanpassingen die
kaderprogramma introduceerde de commissie het begrip
Duitsland hanteerde bij een vergelijkbare studie, ook in het
Knowledge Based-Bio-Economy (KBBE), samen met de lead
kader van de OESO rapportering.
market voor bio-gebaseerde producten. Bij het analyseren van de gegevens is evenwel enige omzichtigheid geboden. Tijdens het uitvoeren van de bevraging
economische ontwikkeling wordt ook bij de OESO zeer hoog
werd aan de deelnemende bedrijven zelf gevraagd of ze zich
ingeschat. Om de evoluties in de biotechnologie gedreven
indeelden als (puur) biotechbedrijf of niet. Sommige bedrijven
economie te analyseren stelde de Working Party Biotechnology
noemen zichzelf gemengd, terwijl andere met nagenoeg
bij de OESO een ad hoc werkgroep samen om te proberen het
dezelfde soort activiteiten zich een puur biotechbedrijf noemen.
belang van de biotechnologie op de economie in de diverse
Sommige bedrijven noemen zich biotechbedrijf terwijl ze
lidstaten in kaart te brengen. Om hieraan mee te werken
voornamelijk toeleverancier zijn aan biotechbedrijven.
werden in de verschillende landen bevragingen georganiseerd
Volgens de OESO richtlijnen kan een bedrijf als biotechbedrijf
bovenop de O&O-bevraging die ook in het kader van OESO
gecatalogeerd worden als het minstens 1 activiteit uitvoert om
rapporteringen doorgaat.
goederen of diensten te leveren en/of om biotech O&O te verrichten. Een echt of puur biotechbedrijf heeft minstens 75%
De studie die hier besproken wordt, werd georganiseerd
van zijn activiteiten in de biotechnologie. Bij een aantal activiteiten
om aan de OESO over de biotechnologie in Vlaanderen 2007
wordt een biotechnologische activiteit door de bedrijven
te rapporteren.
anders gedefinieerd dan volgens de OESO richtlijnen. Dit leidt waarschijnlijk tot een onderschatting van de sector. Bij de
De opzet van de studie is de bedrijven die in 2007 actief zijn
analyse die hier gebeurde werd geen rekening gehouden met
in biotechnologie, hetzij in O&O, hetzij in het produceren van
de economische impact die op een meer indirecte manier door
goederen en/of diensten in biotechnologie, in kaart te brengen
biotechnologische activiteiten gegenereerd worden. Tot deze
om een inzicht te krijgen in het belang van biotech voor de
categorie worden naast toeleveranciers van reagentia,
economie, het belang van overheidsteun te kennen, een idee
labmaterialen, infrastructuur, etc., ook de service-bedrijven
te krijgen van drivers en barrières voor biotechbedrijven, een
gerekend, zoals durfkapitalisten, banken, octrooibedrijven,
vergelijking te maken met de impact van biotechnologie in de
audit- en consultingbedrijven.
ons omringende landen en regio’s en dit als een follow-up van de biotechsectorstudie die in 2001 werd uitgevoerd door Arthur D. Little.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
Het belang van de biotechologie voor sterke en betere
264
163 bedrijven werden gecontacteerd, 130 hiervan – of bijna 80%
Tabel 6.2:
– werkten aan de bevraging mee. 53 identificeerden zichzelf
Verdeling van de bedrijven volgens toepassingsdomein en type
als “dedicated biotechbedrijven” of echte biotechbedrijven, Pure biotechbedrijven
Gemengde biotechbedrijven
Totaal
Gezondheid (humaan en dieren)
29
4
33
Landbouw
11
3
14
Milieu
2
4
6
Industriële processing
7
8
15
5 hiervan hebben een tewerkstelling van meer dan 250 voltijdse equivalenten (VTE’s), 12 hebben tussen 50 en 250 VTE’s, 36 bedrijven zijn kleine bedrijven met minder dan 50 VTE’s (tabel 6.1). 20 bedrijven identificeerden zichzelf als “innovative biotech
Bio-informatica
active” bedrijven of gemengde biotechbedrijven, d.w.z. bedrijven
Totaal
4
1
5
53
20
73
die een belangrijke gedeelte van hun activiteiten wijden aan biotech, maar daarnaast ook andere activiteiten hebben. 5 van
De vorige sectorstudie Biotech in Vlaanderen 2001 had
die bedrijven behoren tot de categorie grote bedrijven (meer
27 bedrijven die tot de groep pure biotechbedrijven gerekend
dan 250 VTE’s), 6 tot de categorie middelgrote bedrijven
worden. Minstens 4 van die bedrijven werden inmiddels
(50-250 VTE’s), en 9 zijn kleine bedrijven met minder dan
overgenomen door een groter bedrijf. Van 1 bedrijf hebben we
50 VTE’s. De overige bedrijven zagen zichzelf niet als biotech-
gegevens dat het failliet ging in 2002, maar het werd al in
bedrijf en werden verder buiten beschouwing gelaten.
hetzelfde jaar onder een andere naam heropgestart. Een ander bedrijf werd na onder gerechtelijk akkoord te zijn gesteld in 2001 overgenomen. Tenslotte is minstens 1 van de bedrijven
Tabel 6.1:
die in 2001 actief was gestopt.
Verdeling van van de bedrijven volgens grootte en type
In het algemeen kan men stellen dat de sector sedert 2001 < 50 VTE 50-250 VTE > 250 VTE Totaal
Pure biotechbedrijven 36 11 6 53
Gemengde biotechbedrijven 9 6 5 20
Totaal 48 17 15 73
bijna verdubbeld is in aantal, van 27 pure biotechbedrijven naar 53. Daarnaast onderscheidt de huidige studie ook nog 20 gemengde biotechbedrijven. Het aantal werknemers uitgedrukt in VTE is ongeveer evenredig toegenomen met het aantal bedrijven van 1490 in 2001 tot 3585 in 2007 in de pure
Onder de bedrijven die zich identificeerden als puur
biotechbedrijven. Voor wat betreft de gemengde biotech
biotechbedrijf (53), situeren er zich 29 in de gezondheid-
actieve bedrijven bedraagt het aantal VTE in biotech
gerelateerde of rode biotech; 11 werken in de landbouw-
gerelateerde activiteiten bijna 1474. In het totaal is de
gerelateerde of groene biotech. 7 van de pure biotechbedrijven
biotechnologie dus goed voor meer dan 5000 voltijdse
zijn actief in industriële processing of witte biotech. 4 bedrijven
arbeidsplaatsen (tabel 6.3).
hebben bio-informatica als hoofdactiviteit en slechts 2 bedrijven in deze categorie geven aan dat ze vooral werken in milieugerelateerde biotech. Geen van de bevraagde bedrijven
Tabel 6.3:
geeft aan in andere domeinen van biotech actief te zijn (tabel 6.2).
Tewerkstelling in biotech per bedrijfstype en grootte (in VTE)
Voor wat betreft de gemengde biotechbedrijven zijn er 4 in Pure biotechbedrijven
de rode biotech, 3 in groene biotech, 8 in witte biotech, 4 in milieugerelateerde biotech en slechts 1 bedrijf in bio-informatica.
Gemengde biotechbedrijven
Totaal
KMO
1.207,40
251,80
1.459,20
Grote
2.377,85
1.222,10
3.599,95
Totaal
3.585,25
1.473,90
5.059,15
De positie van Vlaanderen in biotech sector werd ook vergeleken met die van Duitsland, Frankrijk, Nederland, Verenigd Koninkrijk, Zweden, Wallonië en NordRhein-Westfalen. Uit deze analyse bleek dat Vlaanderen met 8.7 bedrijven per miljoen inwoners, na Zweden het hoogste scoort. Dit wordt ook gereflecteerd in de tewerkstelling in de biotech.
265
Binnen de groep van de pure biotechbedrijven stelt de
Figuur 6.2: O&O-uitgaven in biotech per
gezondheidsgerelateerde of rode biotechnologie 48% van
toepassingsdomein
de werknemers in biotech te werk, 36% wordt tewerkgesteld in de landbouwgerelateerde biotech, het overblijvend aandeel wordt ingenomen door industriële processing (14,4%) en bio-informatica (1,1%). Bij de gemengde biotechbedrijven is de rode biotech goed voor bijna 69% van de tewerkstelling, de groene biotech voor slechts 8%, terwijl de industriële
83%
processing telt voor 19%, de milieu-gerelateerde biotech zorgt voor 4,6% van de tewerkstelling en de bio-informatica is hier goed voor slechts 0,3% van de tewerkstelling. Hieruit blijkt dat gezondheidsgerelateerde biotechnologie zowel voor de pure als de gemengde biotechbedrijven het grootste aandeel
4%
in de terwerkstelling inneemt. De landbouwgerelateerde biotechnologische activiteiten gebeuren voornamelijk in pure
13%
biotechbedrijven (figuur 6.1). n Gezondheid (humaan en dier)
Figuur 6.1: Tewerkstelling per biotech toepassingsdomein
n Landbouw n Industriële procesing
80
Qua O&O-uitgaven in biotechactiviteiten leidt dit tot het volgend beeld: voor de pure biotechbedrijven wordt € 277,2 mln
60
gespendeerd aan O&O, nagenoeg hetzelfde bedrag
50
(€276,9 mln) wordt door de 20 gemengde biotechbedrijven 40
aan biotech specifieke O&O gespendeerd. Voor dit laatste type
30
bedrijven komt dit overeeen met bijna 21% van hun totale uitgaven aan O&O, terwijl de omzet door dit type bedrijven in
20
de biotech gerelateerde activiteiten € 63,2 mln bedraagt of nog geen 3% van de totale omzet die deze bedrijven
10
realiseren. De pure biotechbedrijven hebben een omzet van €
0 RB
GB
WB
bio-info
615,9 mln. Dit cijfer wordt voornamelijk (91,7%) gerealiseerd door de 6 grote bedrijven. De kleine en middelgrote pure
n Pure biotech
biotechbedrijven realiseren een omzet die nagenoeg gelijk is
n Gediversifieerde biotechbedrijven
aan wat door de kleine en middelgrote bedrijven in de
RB: rode biotech, GB: groene biotech
categorie gemengde biotechbedrijven gerealiseerd wordt (tabel
WB: witte biotech
6.4: 51 vs. 58,2 mln Euro). Het is opvallend dat voor wat betreft de biotech gerelateerde activiteiten nagenoeg 100 keer meer omzet gerapporteerd wordt in de pure biotechbedrijven dan in
In totaal voeren 2975,75 VTE O&O-activiteiten uit, bijna 70%
de gemengde biotechbedrijven en dit voornamelijk door de
hiervan in de pure biotechbedrijven. Dit illustreert duidelijk dat
grote echte biotechbedrijven (tabel 6.4).
de pure biotechbedrijven, die meestal tot de categorie KMO behoren, een aanzienlijk aandeel van hun activiteiten in O&O hebben (figuur 6.2).
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
% tewerkstelling van totale tewerkstelling in pure of gediversifieerde bedrijven
70
266
Uit de studie bleek ook dat de omzet van de Vlaamse biotech-
Figuur 6.3: Biotechnologie gerelateerde omzet
bedrijven overeenkomt met 0,6% van het BBPR, een cijfer
per applicatiedomein
vergelijkbaar met de prestaties in Zweden.
Tabel 6.4:
Biotech gerelateerde omzet per bedrijfstype en grootte (in miljoen €) 32% Pure biotechbedrijven
Gemengde biotechbedrijven
KMO
51,0
58,2
Grote
564,9
5,0
569,9
Totaal
615,9
63,2
679,0
41%
Totaal 109,1
Uit de studie bleek verder dat pure biotechbedrijven 73% van
2%
hun O&O-uitgaven doen in gezondheidsgerelateerde biotech,
25%
terwijl dat voor de gemengde biotechbedrijven zelfs tot 92,5% oploopt. 25% van de O&O-uitgaven van de pure biotech-
n Gezondheid (humaan en dier)
bedrijven gaat naar groene biotech, de rest wordt verdeeld
n Landbouw
over de overige biotechgebieden. Bij de gemengde biotech-
n Milieu
bedrijven zijn de O&O-uitgaven voor de groene biotech beperkt
n Industriële procesing
tot slechts 0,2% van het totale biotech O&O-uitgaven. Naar analogie met de tewerkstellingsgraad en de O&O-
Hoewel de biotech gerelateerde omzet in industriële toepassings-
uitgaven wordt de omzet voornamelijk gerealiseerd in de rode
domeinen iets hoger is dan voor de groene biotech, liggen de
biotech (40%). 32% van de omzet komt voor rekening van de
tewerkstelling en de O&O-uitgaven aanzienlijk lager voor dit
industriële processing, 25% voor de groene biotech;
toepassingsdomein. De andere biotech toepassingsdomeinen
milieubiotech en bio-informatica hebben slechts een zeer beperkt
zijn minder belangrijk in Vlaanderen (figuren 6.4-6.5).
aandeel in de totale omzet in biotech (tabel 6.5; figuur 6.3). De private uitgaven aan biotech O&O worden voor 2007 hoger geschat dan 7% van de totale GERD. O&O-uitgaven Tabel 6.5:
Biotechnologie gerelateerde omzet per
gebeuren vooral in de gezondheidsgerelateerde biotech door
toepassingsdomein en bedrijfstype
de grote bedrijven. De grootste biotech omzet wordt
(in miljoen Euro)
gerealiseerd door de pure biotechbedrijven. De biotech omzet in de gediversifieerde bedrijven is slechts 3% van de totale
Pure biotechbedrijven
Gemengde biotechbedrijven
Totaal
omzet van die bedrijven.
Gezondheid (humaan en dieren)
272,0
0,0
272,0
Landbouw
164,9
5,8
170,7
0,1
16,6
16,7
177,3
40,8
218,1
biotechbedrijven en de biotechgerelateerde tewerkstelling.
Milieu Industriële processing Bio-informatica Totaal
De biotech in Vlaanderen is sedert de vorige studie in 2001 ongeveer verdubbeld voor wat betreft het aantal pure
1,5
0,0
1,5
De omzet in de pure biotechbedrijven is zelfs bijna vijfmaal
615,9
63,2
679,0
groter geworden. Dat de industriële ontwikkeling van de biotech in Vlaanderen goed is, laat zich ook aflezen uit de
Samenvattend kan gesteld worden dat de Vlaamse biotechsector voornamelijk actief is in gezondheidsgerelateerde toepassingsdomeinen, zowel voor wat betreft de omzet, O&O-uitgaven en tewerkstelling. Daarnaast neemt ook de groene of landbouwgerelateerde biotechnologie een belangrijke plaats in het biotechlandschap in Vlaanderen.
beurstransacties en beschikbaarheid van risicokapitaal.
267
Tabel 6.6:
Overzicht van de Vlaamse biotech sector
Totaal aantal biotechnologie bedrijven
73
Aantal pure biotechnologie bedrijven
53 20
Aantal gemengde biotechnologie bedrijven Aantal biotechnologie tewerkgestelden in biotechnologie bedrijven
5.059,15 VTE
Aantal biotechnologie tewerkgestelden in pure biotechnologie bedrijven
3.585,25 VTE 1.473,90 VTE
Aantal biotechnologie tewerkgestelden in gemengde biotechnologie bedrijven Totale omzet door biotechnologie activiteiten
€679,0 miljoen
Omzet door biotechnologie activiteiten in pure biotechnologie bedrijven
€615,9 miljoen €63,2 miljoen
Omzet door biotechnologie activiteiten in gemengde biotechnologie bedrijven Totale biotechnologie gerelateerde O&O
€554,1 miljoen
Uitgaven in biotechnologie gerelateerde O&O door pure biotechnologie bedrijven
€277,2 miljoen
Uitgaven in biotechnologie gerelateerde O&O door gemengde biotechnologie bedrijven
€276,9 miljoen
Figuur 6.4: Tewerkstelling
Tabel 6.7:
IWT financiering in biotech en levenswetenschappen in 2007 (in miljoen euro)
4.000 3.500 3.000
Aantal VTE
2.500
Aandeel subsidie in life science projecten
€83,4
Aan academische groepen
€50,8
Aan industrie
€32,6
Aandeel subsidie in biotech projecten
€57,6
Academische
€29,2
Industrie
€28,4 €19,2 €9,2
Pure biotechbedrijven Hoofdactiviteiten in biotech
2.000 1.500
De eerste beursintroductie op de EASDAQ (NASDAQ-Europe) 1.000
van een biotechbedrijf in Vlaanderen gebeurde al in 1996 door Innogenetics. Galapagos en Devgen volgden in 2005 met een
500
beursgang op Euronext. In 2006 werden Thrombogenics en
0 Pure biotech
Gediversifieerde biotech
OncoMethylome Sciences op de Euronext genoteerd. Tigenix en Ablynx volgden in 2007. Ablynx realiseerde de grootste
Figuur 6.5: Omzet en O&O-uitgaven De bestaande biotechbedrijven blijken vrij stabiel en te groeien, maar verdere steun aan de biotechbedrijven voor de verdere
700
ontplooiing van O&O-activiteiten op weg naar nieuwe producten 600
of processen blijft belangrijk. Het IWT is een belangrijke financieringsbron voor de O&O-activiteiten, zowel in academische
In miljoen €
500
omgeving als bij de industrie. Het IWT stelde in totaal €28,4 mln
400
ter beschikking van biotech gerelateerde activiteiten, waarvan 300
€19,2 mln voor pure biotechbedrijven (tabel 6.7). 44 bedrijven vermeldden dat ze steun ontvingen van IWT. Daarnaast ontvingen
200
22 bedrijven samen €15 mln uit het Europese kaderprogramma. 100
Naast overheidssteun aan bedrijven, zijn ook risicokapitaalverstrekkers essentieel voor biotechbedrijven. €85 mln
0 Biotech gerelateerde omzet
Biotech O&O-uitgaven
risicokapitaal werd in 2007 geïnvesteerd in de pure biotechbedrijven. Toegang tot kapitaal wordt als belangrijk
n Pure biotech
ervaren, maar vormt blijkbaar geen groot obstakel voor de
n Gediversifieerde biotech
bedrijven. Gezien de snel veranderde financiële situatie kan dit gegeven echter ook snel veranderen in de komende periode.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9 D O S S I E R S
introductie van een biotechbedrijf op Euronext ooit.
268
AUTEURSLIJST
• Dr. Caroline HOEDEMAKERS, UGent, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van
• Dr. Kris AERTS, K.U.Leuven, is als senior onderzoeker
de Vlaamse Gemeenschap.
verbonden aan de dienst Leuven Research & Development. • Dr. Machteld HOSKENS, K.U.Leuven, is als senior onderzoeker • Dr. Petra ANDRIES, K.U.Leuven, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van
verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.
de Vlaamse Gemeenschap. • Drs. Hanna HOTTENROTT, K.U.Leuven, is als doctoraats• Prof. dr. Dirk CZARNITZKI, K.U.Leuven, is co-promotor van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse
onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.
Gemeenschap en is hoofd van de onderzoeksgroep Innovatie van het Steunpunt.
• Drs. Svetlana JIDKOVA, UGent, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van
• Prof. dr. ir. Koenraad DEBACKERE, K.U.Leuven, is gewoon
de Vlaamse Gemeenschap.
hoogleraar en promotor-woordvoerder van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.
• Drs. Annik LEYMAN, UGent, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van
• Drs. Hannelore DE GRANDE, UGent, is als doctoraats-
de Vlaamse Gemeenschap.
onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.
• Drs. Tom MAGERMAN, K.U.Leuven, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan Expertisecentrum O&O
• Mevrouw Linda De KOCK, Departement Onderwijs en
Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.
Vorming, is adviseur bij de Afdeling Hoger Onderwijs. • Dr. ir. Elisabeth MONARD, FWO, is secretaris-generaal van • Dr. ir. Pascale DENGIS, EWI, is als hoofd van de afdeling
het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen.
Kennisbeheer verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid.
• De Heer Frank MONTENY, IWT, is als adviseur verbonden aan het IWT.
• Dr. Kathleen D’HONDT, EWI, is als navorser verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid.
• De Heer Bert PEETERS, K.U.Leuven, is als onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Bedrijfseconomie, Strategie & Innovatie.
• Ir. Mariëtte DU PLESSIS, K.U.Leuven, is als onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap. • De Heer Jeroen FIERS, IWT, is als adviseur verbonden aan het IWT.
• Dr. Daniëlle RASPOET, VRWB, is secretaris van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid. • Dr. András SCHUBERT, is als senior onderzoeker verbonden aan het Instituut voor Onderzoeksorganisatie van de Hongaarse Academie van Wetenschappen in Boedapest.
• Mevrouw Danielle GILLIOT, VLIR, is als senior stafmedewerker onderzoeksbeleid verbonden aan de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR).
• Drs. Xiaoyan SONG, K.U.Leuven, is als onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.
• Prof. dr. Wolfgang GLÄNZEL, K.U.Leuven, is hoogleraar en co-promotor – directeur van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.
• Drs. Bart THIJS, K.U.Leuven, is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.
269
• Dr. Vincent THOEN, VRWB, is als onderzoeker – navorser verbonden aan de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid. • Drs. Gert VANDER GOTEN, UGent, is als doctoraats-
LIJST VAN VOORNAAMSTE AFKORTINGEN VAN HET VLAAMS WTI-SYSTEEM: AAP
Assisterend Academisch Personeel
onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O
A&HCI
Arts & Humanities Citation Index
Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.
AILO
Academische Initiële Lerarenopleiding
APS
Administratie Planning en Statistiek
AWT
Nederlandse Adviesraad voor Wetenschaps- en
• Dr. Karen VANDEVELDE, UGent, is als senior onderzoeker verbonden aan het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.
technologiebeleid BAMA
Bachelor - Master
BBP
Bruto Binnenlands Product
• Mevrouw Monica VAN LANGENHOVE, EWI, is als
BBPR
Bruto Binnenlands Product per Regio
beleidsmedewerker verbonden aan het departement
BERD
Business Expenditures on R&D
Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid.
BIL
Belgisch Instituut voor Lastechniek
BNP
Bruto Nationaal Product
BOF
Bijzonder Onderzoeksfonds
BUOO
Bruto Binnenlandse Uitgaven voor Onderzoek
• Prof. dr. Bart VAN LOOY, K.U.Leuven, is co-promotor van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap
en
hoofd
van
de
en Ontwikkeling (zie GERD)
onderzoeksgroep
Technometrie van het Steunpunt.
CBGS
Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudiën
Centexbel
Wetenschappelijk en Technisch Centrum van
• Prof. dr. Ronan VAN ROSSEM, UGent, is docent aan
de Belgische Textielnijverheid
de UGent en is co-promotor van het Expertisecentrum
CERN
Centre de Recherche Nucléaire
O&O Monitoring van de Vlaamse Gemeenschap.
CFS
Commissie voor Federale Samenwerking
CFS-STAT
Werkgroep Statistiek voor de Commissie
• De Heer Danny VAN STEENKISTE, IWT, is als adviseur verbonden aan het IWT. • Prof. dr. Reinhilde VEUGELERS, K.U.Leuven, is co-promotor van het Expertisecentrum O&O Monitoring van de Vlaamse
Federale Samenwerking CIS (I, II, III)
Community Innovation Survey
CO
Collectief Onderzoek
CoRI
Coatings Research Institute
COST
European Cooperation in the field of Scientific
Gemeenschap.
and Technical Research
• Dr. Kristien VERCOUTERE, VRWB, is als onderzoeker – navorser
verbonden
aan
de
Vlaamse
Raad
voor
CPP
Citations per Paper
CRM
Centrum voor Research in de Metallurgie
CWOBKN
Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek der Belgische Keramische Nijverheid
CWTS • De Heer Peter VIAENE, EWI, is als beleidsmedewerker
Centre for Science and Technology Studies Leiden
verbonden aan het departement Economie, Wetenschap en
DIRV
Derde Industriële Revolutie Vlaanderen
Innovatie van de Vlaamse overheid.
DTO
Databank Tertiair Onderwijs
DWTC
Federale Diensten voor Wetenschappelijke,
• De Heer Koen WAEYAERT, EWI, is als beleidsmedewerker
Technische en Culturele aangelegenheden
verbonden aan het departement Economie, Wetenschap
EFRO
Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling
en Innovatie van de Vlaamse overheid.
EMBO
European Molecular Biology Organisation
EPO
European Patent Office
ESA
European Space Agency
ESF
Europees Sociaal Fonds
ESRF
European Syncrotron Radiation Facility
ESO
European Southern Observatory
EU
Europese Unie
• Dr. Hans WILLEMS, FWO, is beleidsadviseur bij het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen.
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9
Wetenschapsbeleid.
270
EUR
Euro
IN
Instituut voor Natuurbehoud
EUROSTAT
Europees Statistisch Bureau
INBO
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
EWI
Departement Economie, Wetenschap en
IOF
Industrieel Onderzoeksfonds
Innovatie
IPC
International Patent Classification
FCS
Field Citation Score
IAP
Industriële Affiliatie Programma’s
FCSm
Average Field Citation Score in more than
ISCED
International Standard Classification of
one journal FECR
Field Expected Citation Rate
FFEU
Financieringsfonds voor Schuldafbouw en
FIOV
Education ISCO
International Standard Classification of Occupations
Eenmalige Investeringsuitgaven
ISI
Institute for Scientific Information
Fonds tot bevordering van het Industrieel
ISSRU
Institute for Information Science &
Onderzoek in Vlaanderen
Scientometrics Research Unit
FLAMAC
Flanders Materials Research Centre
Flanders DC
Flanders Districts of Creativity
FNRS
Fonds de la Recherche Scientifique
ITG
Instituut voor Tropische Geneeskunde
FRIA
Formation à la Recherche dans l’Industrie et
IWT
Instituut voor de aanmoediging van Innovatie
ITEA
Information Technology for European Advancement
dans l’Agriculture
door Wetenschap en Technologie in
FRWB
Federale Raad voor Wetenschapsbeleid
FTI
Flanders Technology International
JCSm
Mean Citation Rate of Journal Packet
FWO
Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek –
JESSI
Joint European Submicron Silicon Initiative
Vlaanderen
KMDA (Zoo) Koninklijke Maatschappij voor
GBAORD GBOU
Vlaanderen
Government Budget Applications or Outlays
Dierenbescherming Antwerpen
for R&D
KMO
Kleine en Middelgrote Ondernemingen
Generisch Basisonderzoek aan de
KMSKA
Koninklijk Museum voor Schone Kunsten –
Universiteiten
Antwerpen
GERD
Gross Expenditures R&D
KP
Kaderprogramma’s
GIMV
Gewestelijke Investeringsmaatschappij
KUB
Katholieke Universiteit Brussel
Vlaanderen
KULeuven
Katholieke Universiteit Leuven
GIMB
Gewestelijke Investeringsmaatschappij Brussel
KULAK
Katholieke Universiteit Leuven Afdeling Kortrijk
GIS
Geografische InformatieSysteem
KVAB
Koninklijke Vlaamse Academie van België voor
GOA
Geconcerteerde Onderzoeksactie
GOVERD
Government Expenditures on R&D
LRM
Limburgse reconversiemaatschappij
HBPWB
Horizontaal Begrotingsprogramma
LUC
Limburgs Universitair Centrum
Wetenschapsbeleid
MECR
Mean Expected Citation Rate
HERD
Higher Education Expenditures on R&D
Mln.
Miljoen
HOBU
Hoger Onderwijs Buiten de Universiteit
Mld.
Miljard
HOSP
Hoger Onderwijs voor Sociale Promotie
MOCR
Mean Observed Citation Rate
HRST
Human Resources for Science and Technology
NABS
Nomenclatuur voor de analyse en vergelijking
IAJ
Individueel Aangepast Jaarprogramma
IAP
Instituut voor het Archeologisch Patrimonium
IBBT
Interdisciplinair Instituut voor BreedBand
Wetenschappen en Kunsten
van wetenschapsbegrotingen en -programma’s NACE
Statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Unie
Technologie
NIS
Nationaal Instituut voor de Statistiek
IBW
Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer
NMCR
Normalised Mean Citation Rate
ICT
Informatie- en Communicatietechnologie
NPO
Non-Profit Organisatie
ILVO
Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek
O&O
Onderzoek en Ontwikkeling
IMCWB
Interministeriële Conferentie voor
O&V
Onderwijs en Vorming
Wetenschapsbeleid
OCCN
Centrum voor Wetenschappelijk en Technisch
IMEC
Interuniversitair Micro-Elektronica Centrum
Onderzoek der Cementnijverheid
271
OCW
Onderzoekscentrum voor de Wegenbouw
OESO
Organisatie voor Economische Samenwerking
OMOB
VIB
Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie
en Ontwikkeling
VIK
Vlaamse Ingenieurskamer
Onderlinge Maatschappij der Openbare
VIN
Vlaams Innovatie Netwerk
Besturen
VINNOF
Vlaams Innovatiefonds
OND
Departement Onderwijs
VIO
Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
PBO
Programma Beleidsgericht Onderzoek
VIONA
Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk
PMV
Participatiemaatschappij voor Vlaanderen
PNP
Not for Profit Organisations Expenditures on
VIS
Vlaamse Innovatie Samenwerkingsverbanden
R&D
VITO
Vlaamse Instelling voor Technologisch
POD
Arbeidsmarktrapportering
Programmatorische federale Overheidsdienst
Onderzoek
Duurzame Ontwikkeling
VLAO
Vlaams Agentschap Ondernemen
PPP
Purchasing Power Parities
Vlhora
Vlaamse Hogescholenraad
PWO
Projectmatig Wetenschappelijk Onderzoek
VLIR
Vlaamse Interuniversitaire Raad
RCA
Revealed Comparative Advantage
VLIZ
Vlaams Instituut voor de Zee
RCR
Relative Citation Rate
VOI
Vlaamse Openbare Instellingen
RIS
Subregionale Innovatiestimulering
VRWB
Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid
RTA
Relatieve technologiespecialisatie
VLGMS
Vlerick Leuven Gent Management School
RUCA
Universitair Centrum Antwerpen
VTE
Voltijds Equivalent
SBO
Strategisch Basis Onderzoek
VUB
Vrije Universiteit Brussel
SCI
Science Citation Index
W&T
Wetenschappelijke en Technologische
SCIE
Science Citation Index Expanded
SERV
Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen
WoS
Web of Science
SOC
Strategische Onderzoekscentra
WTCB
Wetenschappelijk en Technisch Centrum van
SOOI
Steunpunt voor O&O Indicatoren
SSCI
Social Science Citation Index
WTI
Wetenschap, Technologie en Innovatie
STV
Stichting Technologie Vlaanderen
WTOCD
Wetenschappelijk en Technisch
STWW
Strategische Technologieën voor Welzijn en Welvaart Technisch Centrum der Houtnijverheid
TD
Technologische Dienstverlening
TETRA
Technologietransfer
TIS
Thematische Innovatiestimulering
tUL
transnationale Universiteit Limburg
UA
Universiteit Antwerpen
UFSIA
Universitaire Faculteiten St.-Ignatius Antwerpen
UGent
Universiteit Gent
UIA
Universitaire Instelling Antwerpen
ULB
Université Libre de Bruxelles
UNESCO
United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization
UNU
United Nations University – Universiteit van de Verenigde Naties
USD
Amerikaanse dollar
USPTO
United States Patent and Trademark Office
VALUE
Valorisation and Utilisation for Europe
VAO
Voortgezette Academische Opleiding
de Metaalverwerkende Nijverheid
Onderzoekscentrum voor Diamant ZAP
Zelfstandig Academisch Personeel
V L A A M S I N D I C ATO R E N B O E K 2 0 0 9
TCHN
Dienstverlening
272