126
De rundveesector De rundveehouderij is van oudsher de meest verspreide tak binnen de land- en tuinbouwsector en kan ingedeeld worden in twee specialisaties: de rundvlees- en de melkproductie. In dit hoofdstuk worden, na een globale analyse van de sectorstructuur, beide productierichtingen meer in detail toegelicht. Daar de rundveesector de bedrijfstak is die in Vlaanderen het grootste gedeelte van het landbouwareaal in beslag neemt onder vorm van voederteelten, wordt op het einde van dit hoofdstuk aandacht besteed aan deze gewassen.
1 Structuur van de rundveesector
1.1 Veestapel
De omschakeling ligt aan de basis van een belangrijke verschuiving binnen de koeienrassen. Het aandeel van het ras Wit-Blauw van België groeide van 34% in 1995 tot 41% van de koeienstapel in 2005. Tabel 6.1: Evolutie van de rundveestapel, 1995-2005
Vlaanderen 1995
Wallonië en Brussel 2005
1995
2005
zoogkoeien
182.065
204.740
301.289
329.335
melkkoeien
380.599
311.259
311.259
240.450
mestkalveren
168.430
155.998
2.387
5.059
1.731.113
1.350.304
1.555.068
1.348.345
totaal runderen
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Vlaanderen en Wallonië tellen in 2005 ongeveer evenveel runderen. Er is echter een duidelijk verschil in de samenstelling. De Waalse rundveehouderij is meer gericht op zoogkoeien, terwijl in Vlaanderen de melkkoeienstapel nog blijft primeren. Verder is de kalvermesterij een Vlaamse aangelegenheid. Per provincie beschouwd, beschikt West-Vlaanderen over het grootste aantal runderen (figuur 6.1).
De rundveesector
Het aantal runderen in Vlaanderen is de laatste 10 jaar gevoelig gedaald (-22%). Tegelijk treedt er een duidelijke verschuiving op van melkproductie naar vleesproductie (tabel 6.1). De instelling van de melkquota en de toename van de melkgift per koe enerzijds en de invoering van een premiestelsel voor zoogkoeien anderzijds hebben bijgedragen tot een daling van het aantal melkkoeien en een toename van het aantal zoogkoeien.
127
Figuur 6.1: Verdeling van de rundveestapel over de gewesten en provincies, 2005
Antwerpen 316.891 stuks (23,5%)
Wallonië en Brussel 50,0%
Oost-Vlaanderen 338.891 stuks (25,0%) Limburg 145.671 stuks (10,8%) Vlaams-Brabant 117.462 stuks (8,7%)
Vlaanderen 50,0%
West-Vlaanderen 432.088 stuks (32,0%)
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De rundveesector
1.2 Productie-eenheden
128
1.2.1 Aantal bedrijven Ongeveer 32% van de Vlaamse bedrijven (11.206 in 2004) zijn gespecialiseerd in rundvee: 4.972 in de productierichting melkvee, 4.787 in mestvee en 1.447 gemengde bedrijven. Het aantal bedrijven dat runderen houdt, is echter groter (18.237 in 2005). Dit is iets meer dan de helft van alle landbouwexploitaties (figuur 6.2). Dit percentage is het hoogst in Oost-Vlaanderen en het laagst in Vlaams-Brabant. Figuur 6.2: Aandeel van bedrijven met runderen in het totaal aantal landbouwbedrijven per provincie, %, 2005
70 gemiddelde voor Vlaanderen
60 50 40 30 20 10 0 Antwerpen
OostVlaanderen
Limburg
VlaamsBrabant
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
WestVlaanderen
De Vlaamse bedrijven met runderen vertegenwoordigen 59% van het nationaal aantal. Het aantal bedrijven met runderen kent een dalende tendens. T.o.v. 1995 is het aantal exploitaties met runderen gedaald met 36% (figuur 6.3). 1.2.2 Bedrijfsgrootte Het gemiddeld aantal runderen per bedrijf steeg ten opzichte van 1995 met 22% tot 74 dieren in 2005 (figuur 6.3). In Wallonië is dit kengetal duidelijk hoger (107 dieren).
80
25.000
75
20.000
70
15.000
65
10.000
runderen per bedrijf
30.000
60 1995
1996
1997
1998
1999
2000
aantal bedrijven met runderen
2001
2002
2003
2004
2005
runderen per bedrijf
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Uit een indeling per grootteklasse (tabel 6.2) blijkt dat 60% van de runderen gehouden wordt op bedrijven met minstens 100 dieren. De bedrijfsgrootte is echter afhankelijk van het type bedrijf. Zo is de vetmesting van kalveren een aparte bedrijfstak, die een hoge veebezetting heeft: 32% van de mestkalveren wordt gehouden op bedrijven met 750 dieren en meer.
De rundveesector
aantal bedrijven met runderen
Figuur 6.3: Evolutie van het aantal bedrijven met runderen en het gemiddeld aantal runderen per bedrijf, 1995-2005
129
Tabel 6.2: Indeling van de rundveebedrijven per grootteklasse, 2005
aantal runderen per bedrijf
% bedrijven
% runderen
1 tot 9
15,3%
1,0%
10 tot 24
16,5%
3,6%
25 tot 49
17,2%
8,5%
50 tot 74
14,8%
12,3%
75 tot 99
12,0%
14,0%
100 tot 149
13,4%
21,8%
150 en meer
10,7%
38,8%
geheel van de bedrijven
100%
100%
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De rundveesector
2 Melkproductie
130
De melkveehouderij is sterk ontwikkeld binnen de Vlaamse landbouw. De gemeenten waar deze sector een belangrijke economische plaats inneemt, zijn vooral gesitueerd in de provincie Antwerpen, in het zuiden van Oost-Vlaanderen en het noordelijk deel van Limburg (figuur 6.4). Figuur 6.4: Economisch belang van de melkveesector per gemeente, 2004
Bron: eigen berekeningen op basis van BSS
2.1 Productie 2.1.1 Productievolume Uit de statistieken van Beleidsdomein Landbouw en Visserij, opgesteld in het kader van de melkquotaregeling, blijkt dat er in Vlaanderen in de melkcampagne 2004/05 (lopend van 1 april 2004 tot en met 31 maart 2005) 1.784 miljoen liter geleverd werd, wat 60% uitmaakt van de nationale verkopen in deze categorie. Deze melkaanvoer is voor het grootste deel afkomstig van bedrijven uit West- en Oost-Vlaanderen en Antwerpen (figuur 6.5). Omwille van het quotastelsel variëren de melkleveringen weinig van jaar tot jaar. Figuur 6.5: Verdeling van melkleveringen over de gewesten en provincies, melkjaar 2004/2005
Antwerpen 25,6% Limburg 12,4% Vlaanderen 1.784 miljoen liter
Oost-Vlaanderen 25,4% Vlaams-Brabant 5,5% West-Vlaanderen 31,1%
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
De melkleveringen hebben betrekking op 8.757 producenten of een gemiddelde van 203.732 liter per producent. Als gevolg van een dalend aantal producenten (-30% ten opzichte van 1995/96) is de gemiddeld geleverde hoeveelheid per producent gevoelig gestegen (+ 41%). De gemiddelde melklevering per producent is groter in Vlaanderen dan in Wallonië (186.562 liter), maar het verschil wordt kleiner. De provincie met het grootste aantal geleverde liters per producent is Antwerpen, gevolgd door Limburg (figuur 6.6).
De rundveesector
Wallonië 1.184 miljoen liter
131
Figuur 6.6: Evolutie van de gemiddelde melkleveringen per producent (liter), 1995/96-2004/05 350.000 300.000 250.000 200.000 150.000 100.000 50.000 0 Vlaanderen
Wallonië
Antwerpen
VlaamsBrabant
1995/1996
WestVlaanderen
OostVlaanderen
Limburg
2004/2005
De rundveesector
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
132
Er is een groot structuurverschil tussen de provincies, maar ook tussen de bedrijven onderling, wat blijkt uit de verdeling van de toegekende melkquota voor leveringen. Ongeveer 1/3 van de melkaanvoer is afkomstig van bedrijven met meer dan 400.000 liter (tabel 6.3). Hoewel er nog relatief veel producenten over een quotum beschikken van minder dan 100.000 liter, vertegenwoordigt deze groep een aandeel van slechts 6,5% in de melkleveringen. De meeste producenten (31,1%) hebben een quotum tussen 100.000 en 200.000 liter. Tabel 6.3: Verdeling van de melkleveringen per quotumklasse, 2004/05
quotumklasse (1.000 liter) < 50
producenten aantal
melkleveringen %
1.000 liter
798
9,1
50 -100
1.418
16,2
94.390
5,3
100-200
2.721
31,1
365.210
20,5
200-300
1.615
18,4
377.302
21,1
300-400
1.075
12,3
352.562
19,8
400-500
582
6,6
247.539
13,9
> 500
548
6,3
325.426
18,2
totaal
8.757
100
1.784.085
100
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
21.656
% 1,2
2.1.2 Productiewaarde Met een eindproductiewaarde van 549 miljoen euro (voorlopig cijfer 2004) is de zuivelsector goed voor 12% van de waarde van de Vlaamse land- en tuinbouwproductie. De zuivelproducten vormen het tweede belangrijkste product binnen de veeteeltsector na varkensvlees. Indien men alle producten in beschouwing neemt, komt de zuivelsector op de derde plaats na de varkens- en groentesector. Vlaanderen heeft een aandeel van ongeveer 60% in de nationale waarde van de zuivelproducten. Figuur 6.7 geeft de evolutie weer van de productiewaarde. Daar de hoeveelheden weinig variëren omwille van het quotumstelsel, zijn de evoluties in de productiewaarde vooral toe te schrijven aan de prijsevoluties. Figuur 6.7: Evolutie van de productiewaarde van melk- en melkderivaten, miljoen euro, 1995-2004
620 600 580
540 520 500 480 1995
1996
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
De rundveesector
560
133
2.2 Aanwending van de productie 2.2.1 Consumptie Uit de gegevens inzake gezinsaankopen van zuivelproducten per jaar (als indicator voor het zuivelverbruik) blijkt dat de totale aankopen van zuivelproducten in de beschouwde periode gedaald is (tabel 6.4). Dit is volledig toe te schrijven aan de verminderde aankopen per inwoner van melk en van boter. Tabel 6.4: Evolutie van de aankopen van enkele zuivelproducten, kg per inwoner per jaar, 2000-2005
2000 64,3
57,6
boter en margarine
10,8
9,3
yoghurt
10,4
11,3
9,8
10,6
andere zuivelproducten
15,2
15,8
totaal zuivelproducten
110,4
104,5
De rundveesector
kaas
134
2005
consumptiemelk
Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM
In geldwaarde uitgedrukt wordt er 233,72 euro per jaar en per inwoner besteed aan zuivelproducten, waarvan 36% aan kaas en 20% aan consumptiemelk. 2.2.2 Zelfvoorzieningsgraad De zelfvoorzieningsgraad is voor de belangrijkste zuivelproducten, met uitzondering voor kaas, groter dan 100 (tabel 6.5). Tabel 6.5: Zelfvoorzieningsgraad voor enkele belangrijke zuivelproducten, België, 2004
zelfvoorzieningsgraad (%) verse vloeibare melkproducten
144
verbruikersroom
131
condensmelk
133
poeder van volle melk/room
156
poeder van afgeroomde melk
135
boter
122
kaas (exclusief smeltkaas) smeltkaas Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
31 327
2.2.3 Buitenlandse handel De handelsbalans voor enkele belangrijke zuivelproducten wordt weergegeven in tabel 6.6. Melkpoeder, gefermenteerde producten, andere zuivelproducten en, in mindere mate, boter hebben een positief handelssaldo, terwijl voor de overige zuivelproducten de balans negatief is. Globaal beschouwd resulteert dit in een licht positieve handelsbalans voor de zuivelproducten. Wat de handel met landen binnen de Europese Unie betreft, is de invoer van zuivelproducten groter dan de uitvoer. Tabel 6.6: Buitenlandse handel in zuivelproducten per productcategorie, miljoen euro, België, 2004
invoer
uitvoer
saldo
melk en room
532,3
437,3
-95,0
melkpoeder
245,0
364,7
119,7
gefermenteerde producten
133,9
262,6
128,7
wei
46,8
27,5
-19,3
boter
327,6
341,5
13,9
kaas
818,7
456,0
-362,7
totaal waarvan: intra-EU-25
121,7
378,9
257,3
2.225,9
2.268,4
42,5
2.204,3
1.889,5
-314,8
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
De meeste handel gebeurt met landen binnen de Europese Unie. Onze belangrijkste handelspartners zijn Nederland, Frankrijk en Duitsland, wat blijkt uit figuur 6.8. Figuur 6.8: Buitenlandse handel in zuivelproducten per handelspartner, België, 2004
1. Invoer
andere 19% Nederland 40% Ierland 10%
Duitsland 16%
Frankrijk 15%
De rundveesector
andere zuivelproducten
135
2. Uitvoer andere 15% Nederland 38% Italië 15%
Duitsland 11% Frankrijk 21%
De rundveesector
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
136
2.3 Rendabiliteit 2.3.1 Prijsevolutie De prijzen betaald aan de producenten door de zuivelnijverheid variëren van jaar tot jaar (figuur 6.9). Volgens een enquête binnen de bedrijven aangesloten bij het Algemeen Verbond der Coöperatieve Zuivelfabrieken (AVCZ) werd in de periode van 1995 tot 2004 de laagste prijs genoteerd in 1999 (dioxinejaar) en de hoogste in 2001. De hoge prijzen in 2001 waren o.a. toe te schrijven aan de goede prijzen voor kaas. Door de BSE-perikelen in 2001 waren veel Europese consumenten meer kaas en minder vleeswaren gaan verbruiken, wat de kaasprijs en indirect ook de melkprijzen positief beïnvloedde. Na een sterke daling in 2002, stabiliseerde de melkprijs in 2003 en 2004. Volgens de eerste cijfers van 2005 daalt de melkprijs gevoelig in 2005. Dit heeft o.a. te maken met de verdere afbouw van de prijsondersteuning door de EU.
Figuur 6.9: Evolutie van de melkprijs, 38 g vet per liter, nabetalingen inbegrepen, exclusief melkpremie, euro per 100 liter, 1995-2004
32 31 30 29 28 27 26 25 1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
Bron: AVCZ
In tabel 6.7 worden de gemiddelde financiële resultaten weergegeven van de gespecialiseerde melkveebedrijven (PR 41) die bij het AMS-boekhoudnet aangesloten zijn. Het arbeidsinkomen per VAK bedraagt gemiddeld in de periode 2001 tot 2003 19.286 of 60% van het vergelijkbaar inkomen (tabel 6.7). Uit deze cijfers komt het zeer goede zuiveljaar 2001 duidelijk tot uiting. Tabel 6.7: Gemiddelde financiële resultaten van de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2001-2003
2001 arbeidsinkomen (euro per ha cultuurgrond) arbeidsinkomen (euro per volwaardige arbeidskracht)
2002
2003
1.033
760
787
22.965
17.310
17.583
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
De structuur van de opbrengsten wordt weergegeven in figuur 6.10. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen nemen ongeveer 80% voor hun rekening. Er dient wel opgemerkt te worden dat de compensatiesteunbedragen (zoogkoeienpremie,…) in de post overige opbrengsten werden geklasseerd.
De rundveesector
2.3.2 Financiële resultaten
137
Figuur 6.10: Structuur van de opbrengsten per ha voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2003
pluimvee 3%
overige opbrengsten 6% marktbare gewassen 7%
varkens 4%
rundvee en voedergewassen 80%
De rundveesector
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
138
De kostenstructuur wordt weergegeven in figuur 6.11. De toegerekende lonen van de familiale arbeidskrachten maken 37% uit van de totale kosten. Figuur 6.11: Structuur van de kosten per ha voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2003
overige kosten 10% grond- en gebouwenkapitaal 18% bestrijdingsmiddelen 1%
berekende lonen 37%
zaad- en pootgoed 2% aangekochte meststoffen 3% veevoeder van eigen bedrijf 2% aangekocht veevoeder 13%
werk door derden 4% werktuigkosten 10%
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Specifiek voor de melkproductie is het aantal liters per koe en het vetgehalte per liter toegenomen, terwijl de melkprijs daalde ten opzichte van 2001 (tabel 6.8).
Tabel 6.8: Kengetallen over de melkveehouderij, 2001-2003
2001 liters melk per koe
2002
2003
5.845
6.005
6.207
vetgehalte (g per liter)
43,3
43,5
43,8
prijs melk geleverd aan zuivelfabriek (euro per 100liter)
33,2
30,2
30,2
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
2.4 Specifiek beleid De Europese marktordening voor de zuivelsector berust op een regeling voor de interne markt en een regeling voor het handelsverkeer met derde landen.
2.4.1 Melkquotumsysteem In 1984 werd het melkquotumsysteem ingevoerd. Deze contingentering van de melkproductie was een poging om de omvang van de productie beter af te stellen op de reële vraag naar melk en zuivelproducten. Aan elke lidstaat werd er een nationaal quotum toegekend voor de categorieën “leveringen” en “rechtstreekse verkopen”. Deze hoeveelheden werden in België verdeeld op het niveau van de individuele producent. Op 1 april 2004 beschikte Vlaanderen over een referentiehoeveelheid van 1.967.704 ton, waarvan 1.946.294 ton “leveringen”. Dit quotum wordt vanaf 1 april 2006 gedurende 3 opeenvolgende tijdvakken verhoogd met 0,5%. Indien het nationale quotum voor leveringen of rechtstreekse verkoop overschreden wordt, zijn de producenten die bijgedragen hebben tot deze overschrijding een heffing verschuldigd. De heffing werd vastgesteld op 33,27 euro per 100 kg melk voor de periode 2004/05 (30,91 voor 2005/06, 28,54 voor 2006/07 en 27,83 vanaf 2007/08). Het bedrag van deze heffing moet in principe voldoende zijn om de kosten voor de Gemeenschap voor de afzet van de hoeveelheid melk boven de garantiehoeveelheid te dekken.
De rundveesector
Het handelsverkeer aan de grenzen van de Unie wordt geregeld door een systeem van heffingen bij invoer en restituties bij uitvoer. De interne markt wordt gereguleerd via een systeem van interventieregeling en rechtstreekse betalingen enerzijds en een melkquotasysteem anderzijds. Daarnaast bestaan er nog een aantal bijkomende interne marktregelingen (o.a. steun betaald voor particuliere opslag van bepaalde zuivelproducten, specifieke steun voor de afzet, steun voor schoolmelk), maar deze worden hier buiten beschouwing gelaten.
139
Referentiehoeveelheden die binnen een bepaald quotumjaar door sommige producenten niet volledig benut werden, kunnen herverdeeld worden over de producenten die voor het betrokken tijdvak hun referentiehoeveelheid hebben overschreden (franchise). De herverdeling wordt zo toegepast dat iedere producent een gelijke hoeveelheid krijgt, respectievelijk voor leveringen en rechtstreekse verkoop, zonder dat deze hoger kan zijn dan zijn overschrijding . Op de resterende hoeveelheid betaalt de producent dan de volledige heffing. Aan de toegewezen referentiehoeveelheid leveringen werd er per producent een referentievetgehalte gekoppeld. Wanneer het vetgehalte van de door de producent geleverde melk afwijkt van zijn referentievetgehalte, worden zijn leveringen dienovereenkomstig aangepast. De reglementering voorziet in de mogelijkheid om referentiehoeveelheden definitief over te dragen tussen producenten volgens twee kanalen: overdrachten via het quotumfonds en de vrije overdrachten.
De rundveesector
Het quotumfonds is een in 1996 opgericht “verzamel- en herverdeelsysteem” met een wettelijk vastgestelde prijs van 0,37 euro per liter melk met een correctie in functie van het referentievetgehalte.
140
Bij de vrije overdrachten kan er maximaal 20.000 liter melkquotum overgedragen worden per ha grond dienstig voor de melkproductie. Deze grondgebonden mobiliteit was beperkt tot overdrachten in cumul binnen familieverwantschap of quotumoverdrachten zonder samenvoeging (eerste installatie). Vanaf het tijdvak 2004/05 is het echter ook mogelijk om quotum in cumul over te dragen tussen nieteerstegraadsverwanten, onder voorwaarde dat vooraf 40% van het over te laten quotum wordt vrijgemaakt via het quotumfonds. De gewijzigde wetgeving heeft duidelijk zijn effect gehad (tabel 6.9). Het aantal liters dat overgedragen is via het quotumfonds en de vrije overdracht zijn, na een dieptepunt in 2003/04 de laatste jaren gevoelig toegenomen. Verder kan een producent het gedeelte van zijn quotum, dat hijzelf niet gaat leveren, voor de duur van het tijdvak tijdelijk overdragen aan andere producenten (leasing). Het aantal gehuurde en verhuurde liters is de laatste jaren gevoelig gestegen. Voor producenten die zowel over een quotum leveringen als over een quotum rechtstreekse verkoop beschikken, bestaat de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen om tijdelijk of definitief een gedeeltelijke of volledige omzetting van de ene in de andere referentiehoeveelheid te bekomen (osmose). Er is de laatste jaren een gevoelige daling van de omgezette hoeveelheden. Quotumwijzing via osmose heeft betrekking op een relatief beperkt aantal liters. Enkel de tijdelijke osmose van rechtstreekse verkoop naar leveringen is nog van enige betekenis.
Tabel 6.9: Overzicht van de wijzigingen van quota, 2000/01-2005/06
20002001
20012002
20022003
20032004
20042005
20052006
quotumfonds (1) overlaters aan het quotumfonds aantal producenten
(aantal)
400
453
415
377
429
756
(miljoen liter)
22,27
27,32
27,27
23,42
23,76
40,78
(aantal)
1.440
1.394
1.253
433
toegekend quotum leveringen per producent (liter)
7.781
9.872
10.944
10.067
11.184
21.736
andere producenten
(aantal)
4.562
4.632
4.472
5.356
4.925
4.154
toegekend quotum leveringen per producent (liter)
2.445
2.952
3.053
3.570
3.958
5.434
(aantal dossiers)
214
196
227
202
153
374
overgelaten quotum leveringen overnemers uit het quotumfonds jonge producenten
390 (2)
850 (2)
mobiliteit eerste installatie totaal overgedragen quotum totaal overgedragen quotum
(miljoen liter)
55,15
48,86
53,01
48,88
78,47
119,16
(aantal dossiers)
27
28
52
62
473
1.044
(miljoen liter)
2,48
2,55
7,48
2,8
58,83
72,39
(miljoen liter)
29,1
33,14
37,94
34,53
51,90
79,83
leasing verhuurd quotum producenten gehuurd quotum
(aantal)
893
881
927
1.086
1.166
1.052
(miljoen liter)
30,34
34,72
37,37
34,53
51,90
79,83
2.873
3.002
3.229
2.764
2.537
2.185
15,75
14,40
13,65
11,85
11,53
1,02
1,70
1,56
1,66
2,64
14,55
11,21
7,71
5,12
1,69
1,65
310
237
140
69
63
45
0,170
0,160
0,130
0,025
0,240
0,450
15
12
12
3
8
7
producenten tijdelijke osmose quotum rechtstreekse verkoop -> leveringen (miljoen liter) quotum leveringen -> rechtstreekse verkoop (miljoen liter) definitieve osmose quotum rechtstreekse verkoop -> leveringen (miljoen liter) producenten (aantal) quotum leveringen -> rechtstreekse verkoop (miljoen liter) producenten (aantal)
(1) via het quotumfonds wordt uitsluitend quotum leveringen herverdeeld. Overgelaten quotum rechtstreekse verkoop wordt eerst via osmose omgezet in quotum leveringen. (2) gewogen gemiddelde. Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
De rundveesector
cumul
141
2.4.2 Interventieregeling De interventieregeling heeft betrekking op boter en magere melkpoeder. Wanneer de marktprijzen voor boter minder dan 92% van de interventieprijs bedragen gedurende twee opeenvolgende weken kunnen de interventiebureaus onder bepaalde voorwaarden tussen 1 maart en 31 augustus boter aankopen tegen 90% van de interventieprijs. De Europese Commissie kan de interventie schorsen als de totale aangeboden hoeveelheid op Europees niveau in 2004 meer dan 70.000 ton bedragen (60.000 ton in 2005, 50.000 ton in 2006, 40.000 ton in 2007 en meer dan 30.000 ton vanaf 2008).
De rundveesector
Ook magere melkpoeder kan onder welbepaalde voorwaarden tussen 1 maart en 31 augustus in interventie worden aangeboden. De Europese Commissie kan de interventie schorsen als het Europees aanbod meer dan 109.000 ton bedraagt.
142
In het kader van de MTR worden de interventieprijzen neerwaarts bijgesteld. De verlagingen van de ondersteuningsprijzen worden voor de melkproducenten gecompenseerd via directe inkomenssteun. Dit gebeurt onder vorm van een melkpremie en extra betalingen uit een budgettaire enveloppe die de EU jaarlijks ter beschikking stelt van de lidstaten. De premie wordt toegekend op basis van het beschikbaar melkquotum. Vanaf 2005 wordt er een afroming (modulatie) van deze steun toegepast. Deze bedraagt 3% voor 2005, 4% voor 2006 en 5% vanaf 2007. Vanaf 2006 worden de melkpremie en de extra betalingen in België ontkoppeld. Tabel 6.10: Melkpremie en extra betalingen, euro per liter
basispremie
extra betaling
totaal
2004
0,008393
0,003802
0,012195
2005*
0,016797
0,007620
0,024417
2006*
0,025221
0,011399
0,036620
*: zonder rekening te houden met modulatie Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
3 Rundvleesproductie Sinds de invoering van de melkquota en mede door het instellen van een premie ter ondersteuning van de rundvleesproductie, is het houden van vleesvee in Vlaanderen uitgegroeid tot een volwaardige bedrijfstak. De sector is verspreid over gans Vlaanderen, maar de gemeentes waar ze een belangrijke economische plaats inneemt, zijn eerder beperkt en vooral in provincie Antwerpen gelegen (figuur 6.12). Dit is de streek waar de kalvermesterij het sterkst ontwikkeld is. Figuur 6.12: Belang van de rundvleessector per gemeente, 2004
De rundveesector
Bron: eigen berekeningen op basis van BSS
143
3.1 Productie 3.1.1 Productievolume In 2004 werden 842.585 runderen geslacht, waarvan 291.886 kalveren. Rekening houdend met de inen uitvoer van levende dieren, bedraagt de Belgische bruto rundvleesproductie 299.968 ton karkasgewicht. Na een jaar van BSE en MKZ werd er in 2002 uitzonderlijk veel rundvlees verkocht. In 2003 was de productie zeer laag om in 2004 deels te herstellen (figuur 6.13). Figuur 6.13: Evolutie van de bruto productie rund- en kalfsvlees, België, ton karkasgewicht, 2000-2004
330.000 320.000 310.000
De rundveesector
300.000
144
290.000 280.000 270.000 2000
2001
2002
2003
2004
Bron: CLE tot en met 2001, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie vanaf 2002
3.1.2 Productiewaarde De eindproductiewaarde voor rundvlees bedraagt in 2004 491 miljoen euro (voorlopig cijfer), wat 11% van de totale Vlaamse eindproductie uitmaakt en 56% van de nationale waarde voor rundvlees. Na varkensvlees en zuivel, is rundvlees het derde belangrijkste veeteeltproduct. Na het crisisjaar 2001 is de eindproductie grotendeels hersteld (figuur 6.14). Er dient wel opgemerkt te worden dat de rundveepremies niet opgenomen worden in de eindproductiewaarde.
Figuur 6.14: Evolutie van de eindproductiewaarde van rundvlees, miljoen euro, 1995-2004
700 600 500 400 300 200 100 0 1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
3.2.1 Consumptie Uit de gegevens inzake gezinsaankopen van rundvleesproducten blijkt dat een Vlaming in 2005 gemiddeld 8,4 kg vers rund- en kalfsvlees (excl. mengsels) per persoon aankoopt, wat overeenkomt met een besteding van 86,6 euro. Hiervan is 17% kalfsvlees, zowel wat het aankoopvolume als de besteding betreft. Het verbruik kende vooral in 2001 een opmerkelijke daling omwille van de BSE-perikelen (figuur 6.15). Figuur 6.15: Thuisverbruik van rund- en kalfsvlees, kg per inwoner, 2000-2005 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 2000
2001
2002 rundvlees
Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM
2003 kalfsvlees
2004
2005
De rundveesector
3.2 Aanwending van de productie
145
3.2.2 Zelfvoorzieningsgraad De zelfvoorzieningsgraad bedraagt 139 in 2004. Aangezien dit kengetal groter is dan 100, wil dit zeggen dat de nationale productie groter is dan het nationaal verbruik. 3.2.3 Buitenlandse handel De handelsbalans voor de belangrijkste producten wordt weergegeven in tabel 6.11. Met uitzondering van de licht negatieve balans voor gedroogd en gerookt vlees, overschrijdt de export de import voor alle productcategorieën. De meeste handel gebeurt met landen binnen de EU. Tabel 6.11: Buitenlandse handel per productcategorie, miljoen euro, België, 2004
invoer levende runderen vers rundvlees
uitvoer 51,2
142,5
91,3
138,0
390,5
252,6
3,4
1,6
-1,8
De rundveesector
gedroogd en gerookt vlees
146
bereidingen totaal waarvan intra-EU-25
saldo
25,7
37,9
12,2
218,2
572,4
354,2
207,2
563,7
356,5
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
Onze belangrijkste handelspartners zijn Nederland, Duitsland, Frankrijk en respectievelijk Ierland en Italië voor de in- en uitvoer, wat blijkt uit figuur 6.16. Figuur 6.16: Buitenlandse handel per handelspartner, België, 2004
1. Invoer andere 19%
Nederland 40%
Ierland 10%
Duitsland 16%
Frankrijk 15%
2. Uitvoer andere 15% Nederland 38% Italië 15%
Duitsland 11%
Frankrijk 21%
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
3.3.1 Prijsevolutie De vleeskalverhouderij is zeer geïntegreerd. Meer dan 90% van de kalverproductie gebeurt onder contract. De contractprijs is minder onderhevig aan marktschommelingen. Bij het volwassen rundvee speelt overwegend het vrije marktmechanisme. Figuur 6.17 geeft de evolutie weer van de rundveeprijzen voor een aantal kwaliteitscategorieën van runderen. De rundveesector werd in de beschouwde periode enkele malen geconfronteerd met een crisis: BSE in 1996 en 2000/2001, MKZ in 2001. Na het crisisjaar 2001 zijn de prijzen van de beschouwde categorieën de laatste jaren opnieuw op een hoger niveau gesitueerd. De prijsevolutie is afhankelijk van de kwaliteit. In 2005 vertoonden de dieren van een lagere kwaliteitsklasse een gevoelige prijsstijging als gevolg van een beperkt Europees aanbod, terwijl de dikbilstieren in prijs daalden.
De rundveesector
3.3 Rendabiliteit
147
Figuur 6.17: Prijsevolutie van de levende dieren, euro per 100 kg, 1995-2005 350 300 250 200 150 100 50 0 1995
1996
1997
1998
1999
stieren dikbil
2000
2001
2002
2003
koeien dikbil
2004
2005
koeien 55%
De rundveesector
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
148
3.3.2 Financiële resultaten In tabel 6.12 worden de gemiddelde financiële resultaten weergegeven van de gespecialiseerde rundveebedrijven (mestvee (PR 42) en gemengd rundvee (PR 43+71)) die bij het AMS-boekhoudnet aangesloten zijn. Het arbeidsinkomen per VAK bedraagt gemiddeld in de periode 2001 tot 2003 16.584 of 51% van het vergelijkbaar inkomen. De resultaten van 2003 zijn beter dan deze van 2001 en 2002 door een betere prijsvorming. Tabel 6.12: Het arbeidsinkomen van de gespecialiseerde rundveebedrijven, 2001-2003
2001 arbeidsinkomen (euro per ha cultuurgrond) arbeidsinkomen (euro per volwaardige arbeidskracht)
2002
2003
728
599
777
17.180
14.119
18.458
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
De structuur van de opbrengsten per ha wordt weergegeven in figuur 6.18. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen nemen ongeveer 56% van de totale opbrengsten voor hun rekening. Een niet onbelangrijk deel van de opbrengsten is afkomstig van andere activiteiten op het bedrijf. Er dient wel opgemerkt te worden dat de rundveepremies in de post overige opbrengsten werden geklasseerd.
Figuur 6.18: Structuur van de opbrengsten per ha voor de gespecialiseerde rundveebedrijven, 2003
overige opbrengsten 13% pluimvee 3%
marktbare gewassen 18%
varkens 10%
rundvee en voedergewassen 56%
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Figuur 6.19: Structuur van de kosten per ha voor de gespecialiseerde rundveebedrijven, 2003
overige kosten 12% grond- en gebouwenkapitaal 14%
berekende lonen 37%
bestrijdingsmiddelen 2% zaad- en pootgoed 2% aangekochte meststoffen 3% veevoeders 18%
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
werk door derden 4% werktuigkosten 8%
De rundveesector
De kostenstructuur wordt weergegeven in figuur 6.19. De toegerekende lonen van de familiale arbeidskrachten maken 37% uit van de totale kosten. Enkele andere belangrijke kosten zijn de veevoeders en het grond- en gebouwenkapitaal en de werktuigkosten.
149
3.4 Specifiek beleid 3.4.1 Inkomenssteun Zoals reeds in het hoofdstuk Landbouwbeleid werd toegelicht, is de directe inkomenssteun grondig gewijzigd met de invoering van de MTR. In de rundvleessector worden vanaf 2005 de premie voor mannelijke runderen, de extensiveringspremie, de slachtpremie runderen en de extra betalingen zoogen melkkoeien opgenomen in de bedrijfstoeslag. De zoogkoeien- en slachtpremie voor kalveren, worden echter niet ontkoppeld.
De rundveesector
De zoogkoeienpremie wordt onder bepaalde voorwaarden toegekend aan producenten, die op hun bedrijf zoogkoeien houden en over premierechten voor zoogkoeien (zoogkoeienquotum) beschikken. Deze quota kunnen op verschillende manieren bekomen worden: via bedrijfsovername, via overdracht tussen landbouwers of via de Vlaamse reserve. De zoogkoeienpremie in 2005 bedraagt maximaal 250 euro per dier zonder rekening te houden met de modulatie.
150
In het kader van Agenda 2000 werd beslist om een premie bij slachting uit te keren voor vleeskalveren onder bepaalde voorwaarden qua leeftijd van de kalveren en het karkasgewicht. Deze premie kan maximaal 50 euro per dier bedragen zonder rekening te houden met de modulatie. 3.4.2 Afbouw van de veestapel In het kader van het mestoverschotprobleem werd een decreet tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest afkomstig van één of meerdere diersoorten goedgekeurd in 2001. De doelstellingen van dit decreet zijn de afbouw van de veestapel en het bieden van een antwoord op de sociaal-economische problemen, die zich stellen tengevolge van een strenger en consequent doorgevoerd mestbeleid. Sinds 2003 is deze maatregel van toepassing voor de rundveehouderij. Omdat niet alle beschikbare middelen aangewend werden, werd de maatregel verlengd voor 2004. Het aantal aanvragen in 2004 is echter opmerkelijk lager. In tabel 6.13 worden het aantal aanvragen dat gunstig beslist werd en achteraf door de rundveehouder aanvaard werd en het aantal runderen waarop deze aanvragen betrekking hadden, weergegeven. Tabel 6.13: Vermindering van de rundveestapel door de opkoopregeling, 2003-2004
aantal aanvragen 2003
aantal runderen aantal runderen aantal melk- aantal andere jonger dan tussen en zoogkoeien runderen 1 jaar 1 en 2 jaar 13.788 3.352 3.747 5.417 1.853
aantal mestkalveren
466
2004
59
902
681
711
862
372
totaal
525
14.690
4.033
4.458
6.279
2.225
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
3.4.3 Markt- en prijsbeleid Tegen aanzienlijke prijsdalingen op de interne markt voorziet de Europese marktordening in een stelsel van steun voor particuliere opslag van rundvlees en van interventieaankopen. Als de Europese marktprijs minder dan 103% van de basisprijs bedraagt, kan worden besloten steun te verlenen voor het invriezen en stockeren van rundvlees, zodat de markt tijdelijk wordt ontlast in een periode van verzadiging. Deze basisprijs bedraagt 2.224 euro per ton voor (mannelijke) karkassen van R3 kwaliteit. Het opgeslagen rundvlees wordt dan op de markt gebracht in een periode dat er minder beschikbaar is of er worden loten gevormd met het oog op latere uitvoer. De laatste jaren is er geen gebruik meer gemaakt van dit instrument. De EU kan ook vlees uit de markt nemen door openbare interventieaankopen. Hiervoor moet de marktprijs in een lidstaat gedurende minstens 2 opeenvolgende weken onder de interventieprijs dalen. De interventieprijs bedraagt sinds 1 juli 2002 1.560 euro per ton. Dit niveau is dermate laag dat deze interventie enkel nog als vangnet bij extreme crisissen kan beschouwd worden. Zij is bijgevolg nog niet toegepast. Er zijn ook geen interventievoorraden meer uit het verleden.
Alle in- en uitvoer wordt beheerd via een stelsel van in- en uitvoercertificaten. Voor diverse preferentiële invoercontingenten is in een systeem van deelnamerechten voorzien. In België worden de hoger genoemde taken opgenomen door het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB).
De rundveesector
Om ook bij een hoog intern prijspeil de deelneming van de EU-landen aan de internationale handel mogelijk te maken, voorziet de marktordening dat het prijsverschil met de wereldmarkt (deels) wordt gecompenseerd door de toekenning van restituties (uitvoersubsidies). Sinds november 2000 waren de meeste rundvleesrestituties ongewijzigd gebleven, maar in de loop van 2005 is daar verandering in gekomen. De bedragen zijn eerst met 10% en vervolgens met 20% verminderd, een aantal bestemmingen zijn opgeheven en eind 2005 werden de restituties voor levend slachtvee zelfs volledig geschrapt.
151
4 Voedergewassen De voedergewassen nemen 60% in van de totale oppervlakte cultuurgrond (figuur 6.20) en hebben hoofdzakelijk betrekking op weiden en maïs. Figuur 6.20: Indeling van de oppervlakte cultuurgrond, 2005 andere 1,3%
tijdelijke weiden 14,3%
tuinbouw 7,8% maïs 37,3% voedergewassen 58,7%
akkerbouw 32,2%
blijvende weiden 46,9%
De rundveesector
andere 1,5%
152
totale oppervlakte cultuurgrond 2005 = 629.684 ha Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De voederteelten zijn vooral terug te vinden op de rundveebedrijven, zodat de verdeling per provincie te vergelijken is met deze van de runderen (figuur 6.21). Figuur 6.21: Verdeling van het areaal voedergewassen over de gewesten en provincies, 2005
Oost-Vlaanderen 27,8% Vlaams-Brabant 9,4% Wallonië en Brussel 53,9%
Vlaanderen 46,1%
Limburg 11,7% Antwerpen 20,2%
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
West-Vlaanderen 30,9%
In navolging van de inkrimping van de veestapel is het areaal voedergewassen gedaald. De daling is echter uitsluitend toe te wijzen aan grasland, terwijl de maïsteelt uitbreidt (tabel 6.14). Tabel 6.14: Evolutie van het areaal voedergewassen, ha, 1995-2005
1995
2005
% verandering
voedermaïs (excl. droog geoogste korrelmaïs)
124.694
137.898
11%
grasland
243.598
226.314
-7%
tijdelijk grasland
56.809
52.968
-7%
blijvend grasland
186.789
173.346
-7%
378.821
369.881
-2%
totaal voedergewassen
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De voedermaïs wordt voor ruim 77% gehakseld, bestemd als ruwvoeder voor het vee. De resterende 23% wordt gedorst (corn cob mix,…) om als krachtvoederbron te dienen. Vooral deze laatste vorm zit in de lift. Door een ruwvoederoverschot op de veebedrijven is er een groeiende aandacht voor het zelf telen van krachtvoeder, zowel in de varkens- als in de rundveehouderij.
De rundveesector
Wat het grasland betreft, moet de landbouwer vanaf 2005 in het kader van de MTR voldoen aan een aantal specifieke premievoorwaarden om Europese steun te krijgen. Eén van de vereisten is dat de totale oppervlakte blijvend grasland in Vlaanderen behouden moet blijven op het niveau van 2003. In de toekomst zal dus het areaal blijvend grasland stabiliseren.
153
154
De varkenssector De varkenshouderij is economisch een zeer belangrijke bedrijfstak binnen de Vlaamse land- en tuinbouw en kan opgedeeld worden in twee oriëntaties: opfok en vleesproductie. Het verzamelde cijfermateriaal laat niet toe om een duidelijk onderscheid te maken tussen beide oriëntaties. Daarom wordt in dit hoofdstuk enkel een globale analyse gemaakt met, voor een aantal indicatoren, een aparte toelichting voor de zeugenhouderij.
1 Structuur
1.1 Veestapel
Het aantal varkens in Vlaanderen bereikte in 1999 een hoogtepunt (7.371.688 stuks). Hierna is de varkensstapel in volume blijven afnemen om in 2004 voor het eerst sinds vijftien jaar onder 6 miljoen te komen (figuur 7.1). De zeugenstapel vertoont een gelijklopende evolutie, maar het hoogtepunt werd bereikt in 1998. De afname van de varkensstapel werd mede beleidsmatig gestimuleerd door het milieubeleid (de opkoopregeling,…).
500
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
zeugen
20
20
20
20
20
20
19
19
19
19
19
totaal varkens
zeugen
5.000
05
550
04
5.500
03
600
02
6.000
01
650
00
6.500
99
700
98
7.000
97
750
96
7.500
95
varkens
Figuur 7.1: Evolutie van de varkensstapel, 1.000 stuks, 1995-2005
De varkenssector
Volgens de meitelling 2005 waren er 5.952.518 varkens: 1.607.322 biggen tot 20 kg, 1.203.425 varkens van 20 tot 50 kg, 2.563.978 vleesvarkens (vanaf 50 kg en inclusief reforme beren en zeugen) en 577.793 fokvarkens vanaf 50 kg.
155
Vlaanderen neemt ongeveer 94% in van de nationale varkensstapel. Per provincie beschouwd, beschikt West-Vlaanderen veruit over het grootste aantal varkens, gevolgd door Oost-Vlaanderen en Antwerpen (figuur 7.2). Figuur 7.2: Verdeling van de varkensstapel over de gewesten en provincies, 2005
Antwerpen 937.695 stuks (15,8%) Vlaams-Brabant 154.491 stuks (2,6%) Wallonië en Brussel 365.695 stuks (5,8%)
Vlaanderen 5.952.518 stuks (94,2%)
West-Vlaanderen 3.186.395 stuks (53,5%) Oost-Vlaanderen 1.167.598 stuks (19,6%)
De varkenssector
Limburg 506.33 stuks (8,5%)
156
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
1.2 Productie-eenheden 1.2.1 Aantal bedrijven In 2004 zijn ruim 7% van de Vlaamse landbouwbedrijven gespecialiseerde varkensbedrijven (2.585 bedrijven). Ruim 46% hiervan is gelokaliseerd in West-Vlaanderen, terwijl de provincies Antwerpen en Oost-Vlaanderen beiden verantwoordelijk zijn voor 20%. Het aantal varkenshouders is echter veel groter. Zo telde men in mei 2005 6.683 ondernemingen met varkens. Van het totaal aantal landbouwbedrijven zijn er 19% met varkens en 13% met zeugen (figuur 7.3). Dit percentage is het hoogst in West-Vlaanderen en het laagst in Vlaams-Brabant.
Figuur 7.3: Aandeel bedrijven met varkens in het totaal aantal landbouwbedrijven per provincie, %, 2005
1. Totaal varkens
35 30 25 gemiddelde voor Vlaanderen
20 15 10 5 0 Antwerpen
Limburg
Oost-Vlaanderen
Vlaams-Brabant
West-Vlaanderen
35 30 25 20 gemiddelde voor Vlaanderen
15 10 5 0 Antwerpen
Limburg
Oost-Vlaanderen
Vlaams-Brabant
West-Vlaanderen
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Het aantal varkenshouders vertoont de laatste 10 jaar een sterk dalende tendens (-41% t.o.v. 1995) (figuur 7.4).
De varkenssector
2. Zeugen
157
1.2.2 Bedrijfsgrootte Daar het totaal aantal varkens minder sterk gedaald is dan het aantal bedrijven, is het gemiddeld aantal varkens per onderneming gevoelig gestegen tot 891 in 2005 (+44% t.o.v. 1995) (figuur 7.4).
12.000
1200
10.000
1000
8.000
800
6.000
600
4.000
400
2.000
200
0
0 1995
1996
1997
1998
1999
2000
De varkenssector
aantal bedrijven met varkens
158
aantal varkens per bedrijf
aantal bedrijven met varkens
Figuur 7.4: Evolutie van het aantal bedrijven met varkens en het gemiddeld aantal varkens per bedrijf, 1995-2005
2001
2002
2003
2004
2005
aantal varkens per bedrijf
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Een indeling per grootteklasse leert dat er veel relatief kleine bedrijven zijn, maar dat de meeste dieren zich bevinden op de grotere bedrijven (tabel 7.1). De varkens zitten sterk geconcentreerd op de grote bedrijven: 45% van de dieren wordt gehouden op bedrijven met 1.500 dieren en meer. Tabel 7.1: Indeling van de bedrijven per grootteklasse, 2005
1. Totaal varkens
aantal dieren per bedrijf
% bedrijven
% dieren
1 tot 249
22,9%
2,6%
250 tot 499
16,6%
6,9%
500 tot 749
13,1%
9,1%
750 tot 999
12,4%
12,1%
1.000 tot 1.499
17,4%
23,9%
1.500 tot 1.999
8,7%
16,8%
2.000 tot 2.499
4,7%
11,7%
2.500 en meer
4,2%
16,9%
geheel van de bedrijven
100%
100%
2. Zeugen
aantal dieren per bedrijf
% bedrijven
% dieren
1 tot 49
19,8%
3,4 %
50 tot 99
25,0 %
14,9 %
100 tot 149
23,4 %
21,9 %
150 tot 199
14,6 %
19,6 %
200 tot 249
8,5 %
14,4 %
250 en meer
8,7%
25,8%
geheel van de bedrijven
100%
100%
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Wat de opfok betreft, worden er in 2005 op 4.401 bedrijven zeugen gehouden, met gemiddeld 129 zeugen per bedrijf. Eén vierde van de zeugen zijn terug te vinden op bedrijven met minstens 250 zeugen.
De gemeentes waar de varkenshouderij een belangrijke plaats inneemt, zijn in eerste plaats gesitueerd in West-Vlaanderen met een aansluitend deel in Oost-Vlaanderen en in mindere mate in het noorden van Antwerpen en Limburg (figuur 7.5). De varkensteelt is sterk geconcentreerd met de voordelen (infrastructuur, knowhow) en de nadelen (milieu, sanitair) als gevolg. Figuur 7.5: Belang van de varkenssector per gemeente, 2004
Legende < 10 % 10 - 15 % 15 - 25 % 25 - 35 % 35 - 44 % (maximum)
0
25
50 Km
De varkenssector
1.3 Economisch belang voor de gemeenten
Bron: eigen berekeningen op basis van BSS
159
2 Productie
2.1 Productievolume In 2004 werden in België 11,1 miljoen varkens geslacht. Rekening houdend met de in- en uitvoer van levende dieren en de thuisslachtingen, betekent dit een bruto binnenlandse productie van 1.046.620 ton karkasgewicht. De productie vertoont tussen 2000 en 2003 een licht dalende tendens (figuur 7.6). Figuur 7.6: Evolutie van de bruto productie, 1.000 ton karkasgewicht, België, 2000-2004
1.250
1.000
De varkenssector
750
160
500
250 2000
2001
2002
2003
2004
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Varkensvlees vertegenwoordigt ongeveer 62% van de totale Belgische vleesproductie (figuur 7.7). Figuur 7.7: Verdeling van de bruto vleesproductie per vleessoort, België, 2004
konijnenvlees en wild andere 2% 1% kippenvlees 17%
rund- en kalfsvlees 18%
varkensvlees 62%
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
2.2 Productiewaarde De eindproductiewaarde van de Vlaamse varkenssector bedraagt ongeveer 1.295 miljoen euro (voorlopig cijfer 2004), wat 48% uitmaakt van de waarde van de volledige veeteeltsector en 29% van de waarde van de ganse land- en tuinbouw. De varkenssector is hiermee de belangrijkste sector. Uit de evolutie (figuur 7.8) blijkt dat de afgelopen 10 jaar de hoogste waarden werden genoteerd in 1997 en de laagste in 1999, de jaren waar respectievelijk zeer hoge en zeer lage prijzen werden genoteerd. Figuur 7.8: Evolutie van de productiewaarde van varkens, miljoen euro, 1995-2004
2.000
1.600
1.200
400
0 1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Vlaanderen heeft een aandeel van 94% in de nationale eindproductiewaarde van de varkenssector.
De varkenssector
800
161
3 Aanwending van de productie
3.1 Consumptie Het thuisverbruik van vers varkensvlees is ten opzichte van 2000 kleiner, maar stabiliseert zich de laatste jaren (figuur 7.9). Varkensvlees blijft een belangrijke plaats innemen in de totale aangekochte hoeveelheid vers vlees. Van de 41,3 kg vers vlees die in 2005 per inwoner werd aangekocht, is ongeveer 22% zuiver varkensvlees. In geldwaarde uitgedrukt komt dit neer op 325 euro vers vlees per inwoner, waarvan 19% zuiver varkensvlees. Veel varkensvlees wordt echter ook aangekocht onder vorm van vleesmengelingen (gemengd gehakt, worst, pitta/gyros, brochettes,…). Figuur 7.9: Evolutie van de aankoop van vers vlees, kg per inwoner, 2000-2005
50
De varkenssector
40
162
30 20 10 0 2000 rund- en kalfsvlees
2001
2002
varkensvlees
2003
vleesmengelingen
2004
gevogelte en wild
2005 ander vers vlees
Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM
3.2 Zelfvoorzieningsgraad De zelfvoorzieningsgraad voor varkensvlees bedraagt 201% in 2004. Dit betekent dat de nationale productie dubbel zo groot is dan de nationale behoefte, zodat deze sector zeer exportgericht is.
3.3 Buitenlandse handel De handelsbalans voor enkele belangrijke varkensproducten wordt weergegeven in tabel 7.2. Met uitzondering van de licht negatieve handelsbalans voor de levende varkens, vertonen alle producten een duidelijk positieve balans. Tabel 7.2: Buitenlandse handel in varkensproducten, miljoen euro, België, 2004
invoer
uitvoer
saldo
levende varkens
69,6
53,5
-16,2
vers varkensvlees
116,3
1.040,2
923,9
gedroogd en gerookt vlees
70,0
109,3
39,3
bereidingen
70,5
169,6
99,1
326,5
1.372,6
1.046,1
326,4
1.278,1
951,7
totaal waarvan intra-EU-25 Bron: eigen berekeningen, Eurostat
Figuur 7.10: Buitenlandse handel per handelspartner, België, 2004
1. Invoer
andere 10% Italië 13%
Duitsland 22%
Nederland 34%
Frankrijk 21%
De varkenssector
De meeste handel gebeurt met landen binnen de Europese Unie. Onze belangrijkste handelspartners zijn Nederland, Duitsland, Frankrijk en Italië, wat blijkt uit figuur 7.10.
163
2. Uitvoer andere 15% Verenigd Koninkrijk 7%
Nederland 17%
Frankrijk 9%
Italië 9%
Duitsland 43%
De varkenssector
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
164
4 Rendabiliteit
4.1 Prijsevolutie In de varkenssector is het cyclische prijspatroon eind jaren negentig sterk verstoord (figuur 7.11). De hoge prijzen die in 1996 en 1997 bereikt werden, onder andere als gevolg van de uitbraak van de varkenskoorts in Nederland en BSE bij de runderen, worden na een productieherstel- en toename gevolgd door een sterke prijsdaling in 1998. Door de dioxinecrisis in 1999 bereikten de prijzen een dieptepunt. In 2000 en 2001 zijn de prijzen tijdelijk gunstiger door een inkrimping van het Europese varkensvlees¬aanbod. Vanaf eind 2000 profiteerde de sector van de problemen op de rundveemarkt. Door de BSE- affaire nam de consumptie van rundvlees af in een aantal lidstaten en dit deels ten voordele van de varkensvleesconsumptie. Daarna nam de rundvleesconsumptie terug toe en daalden de prijzen van varkensvlees tot 2003. In 2004 herstelde de prijs opnieuw door een goede Europese export. In 2005 stabiliseerde de prijs door een toegenomen concurrentie op de internationale markt.
Figuur 7.11: Evolutie van de gemiddelde prijzen voor vleesvarkens, euro per 100 kg, België, 1995-2005
160
120
80
40
0 1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
4.2 Financiële resultaten In tabel 7.3 worden de gemiddelde financiële resultaten weergegeven van de gespecialiseerde varkensbedrijven (PR 501) die bij het AMS-boekhoudnet aangesloten zijn. Het arbeidsinkomen per VAK varieert zeer sterk van jaar tot jaar en bedraagt gemiddeld in de periode 2001 tot 2003 26.310 euro of 81% van het vergelijkbaar inkomen. Tabel 7.3: Gemiddelde financiële resultaten van de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2001-2003
2001 arbeidsinkomen (euro per VAK)
49.884
2002 17.622
2003 11.425
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Het bruto saldo van de varkens daalde van 109 euro per omgerekend varken in 2001 naar 63 en 52 euro in 2002 en 2003. Uit een indeling van de opbrengsten (figuur 7.12) blijkt dat 86% van de opbrengsten afkomstig zijn van de varkens, wat wijst op een zeer sterke specialisatiegraad.
De varkenssector
Om de prijsschommelingen op te vangen, werken vele producenten met contracten. Volgens de Vereniging voor Varkenshouders gaat het in Vlaanderen om 20% van de varkens.
165
Figuur 7.12: Structuur van de opbrengsten per VAK voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2003 overige opbrengsten marktbare 2% gewassen pluimvee 7% 3% rundvee en voedergewassen 2%
varkens 86%
De varkenssector
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
166
Wat de kosten betreft, vertegenwoordigen de veevoeders het grootste aandeel, wat blijkt uit figuur 7.13. Figuur 7.13: Structuur van de kosten per VAK voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2003
overige kosten 12%
berekende lonen 18% grond- en gebouwenkapitaal 11%
veevoeder 53%
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
werk door derden 3% werktuigkosten 3%
5 Specifiek beleid Er bestaat een gemeenschappelijke marktordening voor varkensvlees, doch deze is minder uitgebouwd dan in andere sectoren. Voor varkensvlees is het belangrijkste instrument voor de interne markt de particuliere opslag. Er kan besloten worden tot mogelijkheid van particuliere opslag wanneer de communautaire prijs, gewogen aan de hand van coëfficiënten die de relatieve omvang van de varkensstapel van elke lidstaat uitdrukken, lager is dan 103% van de basisprijs. De basisprijs heeft betrekking op geslachte varkens van standaardkwaliteit en bedraagt momenteel 1.509,39 euro per ton. Verder voorziet de marktordening in een regeling voor het handelsverkeer met derde landen, maar deze wordt hier buiten beschouwing gelaten. Naast de gemeenschappelijke marktordening werd in het kader van het mestbeleid in 2001 het Stopzettingsdecreet van toepassing. Sinds 2001 werd aan de Vlaamse varkenshouders de kans gegeven met behulp van een opkoopregeling volledig en definitief te stoppen met de varkensproductie.
Tabel 7.4: Vermindering van het aantal varkensplaatsen door de opkoopregeling, 2001-2004
2001 2002 2003 2004 totaal
aantal aanvragen 748 205 230 59 1.242
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
aantal zeugen aantal vleesvarkens 17.397 221.295 9.739 38.421 12.630 76.670 2.395 7.954 42.161 344.340
De varkenssector
In tabel 7.4 wordt de evolutie weergegeven van het aantal aanvragen dat gunstig beslist werd en achteraf door de varkenshouder aanvaard werd en van het aantal varkens waarop deze aanvragen betrekking hadden.
167
168
De pluimveesector De pluimveesector kan ingedeeld worden in drie activiteiten: vermeerdering, productie van consumptieeieren en vleesproductie. Daar de verzamelde statistieken niet altijd een duidelijk onderscheid maken tussen de productie van consumptie- en broedeieren, wordt in dit hoofdstuk de legsector in zijn geheel beschouwd. Wat de vleesproductie betreft, wordt de analyse vooral toegespitst op de productie van kippenvlees.
1 Structuur
1.1 Veestapel
Tabel 8.1: Verdeling van de pluimveestapel, 1.000 stuks, 2005
2005 leghennen (incl. poeljen)
11.605
leghennen van consumptie-eieren
7.301
leghennen van broedeieren
1.360
poeljen
2.944
vleeskippen
17.633
ander pluimvee totaal
1.148 30.386
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De pluimveestapel vertoont, na een continue stijging eind jaren negentig, de laatste jaren een dalende tendens (figuur 8.1). De uitzonderlijk lage waarde in 2003 is te wijten aan de extra leegstand door de maatregelen tegen de vogelpest.
De pluimveesector
In mei 2005 zijn er in totaal 30,4 miljoen stuks pluimvee, waarvan 58% braadkippen en 38% leghennen (tabel 8.1).
169
Figuur 8.1: Evolutie van de pluimveestapel, index: 1995 = 100%, 1995-2005
130% 120% 110% vleeskippen
100%
leghennen
90%
totaal
80% 70%
20
05
04 20
03 20
02 20
01 20
99
00 20
19
97
96
98 19
19
19
19
95
60%
De pluimveesector
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
170
De pluimveesector is vooral een Vlaamse aangelegenheid, met West-Vlaanderen en Antwerpen als koplopers (figuur 8.2). Figuur 8.2: Verdeling van de pluimveestapel over de gewesten en provincies, 2005
1. Leghennen
Wallonië en Brussel 12,2%
Vlaanderen 87,8%
Antwerpen 31,7% Vlaams-Brabant 1,7% West-Vlaanderen 41,7% Oost-Vlaanderen 16,4% Limburg 8,5%
2. Vleeskippen
Wallonië en Brussel 16,3%
Vlaanderen 83,7%
Antwerpen 27,5% Vlaams-Brabant 5,1% West-Vlaanderen 35,2% Oost-Vlaanderen 19,1% Limburg 13,1%
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
1.2.1 Aantal bedrijven Slechts 1% van de landbouwbedrijven, namelijk 360, is gespecialiseerd in pluimvee. Het aantal pluimveehouders is echter veel groter. Veel bedrijven huisvesten slechts een paar stuks pluimvee. Daarom worden voor de statistieken aangaande het aantal en de grootte, enkel de ondernemingen met minstens 20 leghennen of vleeskippen in aanmerking genomen. De pluimveesector telt ongeveer 800 ondernemingen met leghennen en 700 met braadkippen of respectievelijk 2,3% en 2% van het totaal aantal landbouwbedrijven. Dit percentage is het hoogst in Antwerpen en West-Vlaanderen (figuur 8.3).
De pluimveesector
1.2 Productie-eenheden
171
Figuur 8.3: Aandeel pluimveehouders in het totaal aantal landbouwbedrijven per provincie, %, 2005
1. Bedrijven met leghennen
4
3 gemiddelde voor Vlaanderen 2
1
0
De pluimveesector
Antwerpen
172
Limburg
Oost-Vlaanderen
Vlaams-Brabant
West-Vlaanderen
2. Bedrijven met vleeskippen
4
3 gemiddelde voor Vlaanderen 2
1
0 Antwerpen
Limburg
Oost-Vlaanderen
Vlaams-Brabant
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
West-Vlaanderen
1.2.2 Bedrijfsgrootte Als gevolg van een grote afslanking van het aantal bedrijven, neemt het gemiddeld aantal dieren per bedrijf toe in de beschouwde periode tot 14.531 hennen en 25.154 vleeskippen per bedrijf in 2005 (figuur 8.4). Figuur 8.4: Evolutie van het aantal pluimveebedrijven en het gemiddeld aantal dieren per bedrijf, 1995-2005
15.000
1.300
13.000
1.100
11.000
900
9.000
700
7.000
500
leghennen per bedrijf
1.500
5.000 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 aantal bedrijven met leghennen
2002 2003 2004 2005 leghennen per bedrijf
1.100
33.000
1.000
30.000
900
27.000
800
24.000
700
21.000
600
18.000
500
15.000 1995 1996 1997
1998 1999 2000 2001
aantal bedrijven met vleeskippen
2002
2003 2004 2005
vleeskippen per bedrijf
vleeskippen per bedrijf
aantal bedrijven met vleeskippen
2. Vleeskippen
De pluimveesector
aantal bedrijven met leghennen
1. Leghennen
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
173
Uit de indeling van de ondernemingen per grootteklasse (tabel 8.2) blijkt dat er nog veel bedrijven zijn met weinig pluimvee, maar dat de meeste dieren zich toch bevinden op de grotere bedrijven. Tabel 8.2: Indeling van de pluimveebedrijven per grootteklasse, 2005
1. Leghennen
De pluimveesector
aantal leghennen per bedrijf
174
% bedrijven
% hennen
20 tot 99
32,2%
1,6%
100 tot 9.999
26,8%
8,0%
10.000 tot 29.999
22,9%
27,4%
30.000 tot 49.999
10,2%
26,8%
50.000 tot 69.999
6,3%
24,7%
70.000 en meer
1,6%
13,0%
geheel van de bedrijven met leghennen
100%
100%
2. Vleeskippen
aantal vleeskippen per bedrijf 20 tot 99
% bedrijven
% hennen
7,7%
0,01%
100 tot 9.999
17,6%
2,9%
10.000 tot 29.999
38,9%
28,8%
30.000 tot 49.999
25,3%
38,5%
50.000 tot 69.999
7,1%
16,1%
70.000 en meer
3,4%
13,7%
geheel van de bedrijven met leghennen
100%
100%
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
1.3 Economisch belang voor de gemeenten Het aandeel van pluimvee in de totale waarde van de land- en tuinbouw van de gemeenten is eerder beperkt en bedraagt maximaal 9%. De gemeentes in de hoogste klassen zijn beperkt in aantal en gesitueerd in Antwerpen, Limburg en in mindere mate in het zuiden van West-Vlaanderen (figuur 8.5). Figuur 8.5: Belang van de pluimveesector per gemeente, 2004
Legende 0 <1% 1-2% 2-4% 4 - 9 % (maximum)
Bron: eigen berekeningen op basis van BSS
25
50 Km
De pluimveesector
0
175
2 Productie
2.1 Productievolume In 2004 bedraagt de bruto productie van kippenvlees voor België 288.702 ton karkasgewicht. Na een sterke daling van meer dan 10% in 2003 als gevolg van de vogelpest, kent de bruto productie van het kippenvlees in 2004 een licht herstel (+2%) (figuur 8.6). Figuur 8.6: Evolutie van de nationale bruto productie van kippenvlees, 1.000 ton, 2000-2004
340
De pluimveesector
320
176
300
280
260 2000
2001
2002
2003
2004
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De productie van eieren kent een wisselvallig patroon en bedraagt in 2004 voor België 3,63 miljard eieren, bijna 7% hoger dan het jaar voordien (figuur 8.7).
Figuur 8.7: Evolutie van de nationale productie van eieren, miljoen stuks, 2000-2004 3.800 3.700 3.600 3.500 3.400 3.300 3.200 2000
2001
2002
2003
2004
Bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
In 2004 bedraagt de eindproductiewaarde in Vlaanderen voor pluimvee 231 miljoen euro (voorlopig cijfer), wat overeenkomt met 5% van de eindproductiewaarde van de totale Vlaamse land- en tuinbouwsector. De eiersector is in 2004 goed voor 114 miljoen euro (voorlopig cijfer) of 3%. Door de slechte prijzen is deze waarde de op één na laagste van de afgelopen 10 jaar (figuur 8.8). Figuur 8.8: Evolutie van de Vlaamse eindproductiewaarde van gevogelte en eieren, miljoen euro, 1995-2004 350 300 250 200 150 100 50 0 1995
1996
1997
1998
1999 gevogelte
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
2000
2001 eieren
2002
2003
2004
De pluimveesector
2.2 Productiewaarde
177
3 Aanwending van de productie
3.1 Consumptie Uit de gegevens inzake gezinsaankopen van kippenvlees en eieren, blijkt dat een Vlaming in 2005 gemiddeld 9,4 kg vers kippenvlees en 81 eieren per persoon (waarvan 2 biologische) consumeert, wat overeenstemt met respectievelijk 60,25 en 10,01 euro per inwoner. Het verbruik van kippenvlees kent een schommelend patroon, terwijl de consumptie van eieren een duidelijk dalende trend vertoont tot 2004 om in 2005 voor het eerst in vijf jaar terug te stijgen (figuur 8.9).
178
92
10,0
88
9,6
84
9,2
80
8,8
76
8,4
kg kippenvlees
aantal eieren
De pluimveesector
Figuur 8.9: Thuisverbruik per persoon van kippenvlees en eieren, 2000-2005
8,0
72 2000
2001
2002 eieren
2003
2004
2005
kippenvlees
Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM
3.2 Zelfvoorzieningsgraad Met een zelfvoorzieningsgraad van respectievelijk 167 en 124 voor kippenvlees en eieren is de nationale productie groter dan de nationale behoefte.
3.3 Buitenlandse handel De buitenlandse handel voor enkele belangrijke pluimveeproducten wordt weergegeven in tabel 8.3. De handelsbalans voor levende dieren is negatief, maar dit wordt ruimschoots gecompenseerd door het positief saldo van vers vlees en bereidingen. Tabel 8.3: Buitenlandse handel per productcategorie, miljoen euro, België, 2004
invoer
uitvoer
saldo
levend pluimvee
150,6
24,5
-126,1
vers vlees van kippen
116,4
451,7
335,2
gevogeltebereidingen
117,3
126,1
8,8
eieren
69,4
100,8
31,4
totaal
453,7
703,1
249,3
439,8
647,1
207,3
waarvan intra-Eur-25
Figuur 8.10 toont aan dat onze belangrijkste handelspartner voor zowel in- als uitvoer van pluimveeproducten Nederland is. Frankrijk volgt op een tweede plaats, de invoer is voor 87% afkomstig uit deze twee landen. Langs de uitvoerzijde gaat 63% naar deze twee landen. Figuur 8.10: Buitenlandse handel per handelspartner, België, 2004
1. Invoer
andere 8% Duitsland 5%
Frankrijk 26%
Nederland 61%
De pluimveesector
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
179
2. Uitvoer
andere 17%
Verenigd Koninkrijk 11%
Nederland 43%
Duitsland 9% Frankrijk 20%
De pluimveesector
Bron: eigen berekeningen, Eurostat
180
4 Rendabiliteit
4.1 Prijsevolutie De prijzen voor de bruine eieren worden wekelijks bepaald door de eierprijzencommissie te Kruishoutem. In 2005 bedroeg de gemiddelde prijs voor 10.000 eieren 314 euro. Wekelijks bepaalt de Nationale prijzencommissie voor het levend pluimvee in Deinze de kippenprijs. Voor 2005 kreeg de producent gemiddeld 774 euro per ton braadkippen. De dioxinecrisis zorgde in 1999 voor zeer lage prijzen voor zowel braadkippen als eieren (figuur 8.11). In augustus 2004 bereikte de eierprijs een historisch dieptepunt. De reden voor de prijsval is de overproductie in Europa en vooral de druk vanuit Spanje.
Figuur 8.11: Evolutie van de prijs aan producent voor de braadkippen (euro per ton) en bruine eieren (euro per 10.000 eieren), 1995-2005
1.000 800 600 400 200 0 1995
1996
1997
1998
1999
braadkippen
2000
2001
2002
2003
2004
2005
bruine eieren (62,5 g)
Een groot deel van de gespecialiseerde pluimveebedrijven werkt met prijsgarantiecontracten.
4.2 Financiële resultaten Hierover zijn op dit moment geen data beschikbaar.
De pluimveesector
Bron: Nationale prijzencommissie voor het levend pluimvee Deinze, eierprijzencommissie Kruishoutem
181
5 Specifiek beleid In het kader van het mestbeleid werd een decreet tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest afkomstig van één of meerdere diersoorten goedgekeurd in 2001. De doelstellingen van dit decreet zijn de afbouw van de veestapel en het bieden van een antwoord op de sociaal-economische problemen die zich stellen tengevolge van een strenger en consequent doorgevoerd mestbeleid. In 2001 en 2002 was deze maatregel enkel van toepassing voor de varkenshouderij. Op vraag van de sector werd in 2003 de maatregel uitgebreid naar rundvee en pluimvee. Omdat niet alle beschikbare middelen aangewend werden, werd de maatregel verlengd voor 2004. In tabel 8.4 wordt de evolutie weergegeven van het aantal aanvragen dat gunstig beslist werd en achteraf door de pluimveehouder aanvaard werd en van het aantal kippen waarop deze aanvragen betrekking hadden.
De pluimveesector
Tabel 8.4: Vermindering van de pluimveestapel door de opkoopregeling, 2003-2004
182
aantal aanvragen
aantal aantal legkippen opfokpoeljen legkippen
aantal opfokpoeljen aantal slachtkuikenou- slachtkuikenouslachtkuikens derdieren derdieren
2003
31
120.335
117.259
131.966
16.170
10.052
2004
23
260.730
86.315
31.553
52.068
15.209
totaal
54
381.065
203.574
163.519
68.238
25.261
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
De biologische landbouw
Bij biologische landbouw wordt gebruik gemaakt van de eigen systemen van het milieu om aantasting en ziekten van gewassen en vee te bestrijden, en wordt het gebruik van synthetische pesticiden, herbiciden, chemische meststoffen, antibiotica en genetische manipulatie vermeden. In plaats hiervan maken biologische landbouwers juist gebruik van technieken die bijdragen aan de instandhouding van ecosystemen en aan de vermindering van vervuiling.
1 Structuur
1.1 Areaal Het areaal biologische landbouw steeg van 1995 tot 2001 van 739 ha tot 4.026 ha. Vanaf 2002 daalden de oppervlakte en het aantal bedrijven merkbaar. In 2005 kwam de daling tot stilstand en bedroeg het areaal biologische landbouw 3.153 ha, wat overeenkomt met 0,5% van de totale Vlaamse cultuurgrond (figuur 9.1). De evolutie in Vlaanderen loopt grotendeels gelijk met de evolutie van de andere Europese landen, en is dus niet abnormaal te noemen. Een aantal factoren liggen aan de basis van deze evoluties: • de opeenvolgende voedselcrisissen zorgden voor een algemene behoefte aan gezond en verantwoord voedsel. De consument geeft meer om de kwaliteit van zijn voedsel en de landbouwer schenkt meer aandacht aan de positieve milieu-effecten die de productiemethode met zich meebrengt, wat de biologische landbouw stimuleerde; • de dalende trend is te verklaren door verschillende socio-economische factoren. Ten eerste is het voor de biologische landbouwer moeilijker om zijn product vermarkt te krijgen. Verder wordt het verkeerde idee bij de gangbare landbouwers gehandhaafd dat biologische landbouw technisch en bedrijfseconomisch moeilijk haalbaar zou zijn voor de bedrijfsleider. Deze verkeerde percepties zijn vrij vaak het gevolg van een gebrek aan relevante informatie en voorlichting, die de evolutie van de sector belemmeren; • de steeds strengere normen en eisen, opgelegd door Europa, zijn ook niet vreemd aan de evolutie. Het ingewikkelde kluwen van lastenboek, controles en certificering, en de daarbij horende kosten en administratieve lasten ontmoedigen velen.
De biologische landbouw
Biologische landbouw verschilt op tal van punten van andere landbouwsystemen. Bij biologische landbouw wordt de voorkeur gegeven aan hernieuwbare hulpbronnen en hergebruik. In de veehouderij wordt bijzondere aandacht besteed aan het welzijn van de dieren en aan het gebruik van natuurlijke diervoeders.
183
Figuur 9.1: Evolutie van het areaal biolandbouw, ha, 1995-2005 4.500 4.000
De biologische landbouw
3.500
184
3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0 1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Per teeltcategorie beschouwd (figuur 9.2), noteert men een halvering in de laatste vijf jaar van het areaal biologisch weiland in Vlaanderen, een continue stijging van het areaal biologische akkerbouw en een schommelend areaal groenten en fruit. Figuur 9.2: Evolutie van het areaal biologische landbouw per teelt, ha, 1995-2005 4.500 4.000 3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0
1995
1996
1997
fruit groenten
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
1998
1999
2000
eenjarige teelten weiden
2001
2002
2003
totaal met steun totaal onder controle
2004
2005
Per provincie bekeken (tabel 9.1), valt het op dat de provincie Antwerpen de belangrijkste provincie is, met 30% van het totale biologische areaal (953 ha). Tabel 9.1: Aandeel van het areaal bio per provincie, 2005
areaal in ha
aandeel in totaal bio-areaal
562
17,8%
Oost-Vlaanderen
647
20,5%
Antwerpen
953
30,3%
Vlaams-Brabant
578
18,3%
413
13,1%
3.153
100%
Limburg Vlaanderen Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
Bij de berekening van de verhouding tussen de uitbreidingen en de effectief nieuwe percelen in 2005, kan men vaststellen dat 89% van het nieuwe bio-areaal uitbreidingen zijn van bestaande bedrijven.
1.2 Veestapel De biologische dierlijke productie kende in 2005 een vooruitgang: het aantal dieren dat op biologische wijze gekweekt wordt, nam met 2,4% toe in vergelijking met 2004. Hierbij valt op dat de runderen (14%) en varkens (-21%) afnemen en dat de kweek van schapen (+54%), geiten (+76%) en hertachtigen (+48%) sterk zijn toegenomen. De biologische runderen bevinden zich voornamelijk in West- en Oost-Vlaanderen, terwijl de varkens zich hoofdzakelijk in Antwerpen bevinden, net als de geiten en schapen. Het biologische pluimvee is vooral terug te vinden in Oost-Vlaanderen en Antwerpen (tabel 9.2). Tabel 9.2: Aantal biologische dieren per provincie, 2005
West-Vlaanderen
560
0
14.735
geiten en schapen 1.056
Oost-Vlaanderen
568
88
77.585
1.099
10
Antwerpen
374
1.183
45.333
2.456
133
Limburg
178
25
21.531
777
0
Vlaams-Brabant
363
280
16.670
161
0
2.043
1.576
175.854
5.549
143
runderen
Vlaanderen
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
varkens
pluimvee
paarden en herten 0
De biologische landbouw
West-Vlaanderen
185
1.3 Productie-eenheden Uit figuur 9.3 blijkt dat in de periode 1995-2005 het aantal bedrijven gestegen is van 93 tot 236 met een piek van 253 in het jaar 2001.
De biologische landbouw
Figuur 9.3: Evolutie van het aantal biobedrijven, 1995-2005
186
300 250 200 150 100 50 0 1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
De provincies West- en Oost-Vlaanderen hebben de meeste biobedrijven (tabel 9.3). Antwerpen dat 30% van het biologisch areaal heeft, vertegenwoordigt 20% van de bedrijven. Tabel 9.3: Verdeling van het aantal biobedrijven per provincie, 2005
West-Vlaanderen
56
23,7%
aandeel in totaal aantal landbouwbedrijven 0,50%
Oost-Vlaanderen
57
24,2%
0,63%
Antwerpen
48
20,3%
0,88%
Vlaams-Brabant
30
12,7%
0,69%
Limburg
45
19,1%
1,01%
236
100%
0,69%
aantal bedrijven
Vlaanderen Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
aandeel in totaal aantal biobedrijven
2 Productie
2.1 Productievolume
2.2 Productiewaarde Er bestaat momenteel geen inschatting van de productiewaarde voor biologische landbouwproducten in Vlaanderen. Via een koppeling van de omzetten van de geregistreerde verwerkingsbedrijven in de bioketen met de Nace-bel code, is het echter wel mogelijk een raming te maken van de omzet van de verwerking van de biologische producten. Tabel 9.4 geeft een overzicht van de omzet van alle geregistreerde en dus ook gecontroleerde bedrijven die verwerking als voornaamste economische activiteit hebben. Voor 2003 werd de omzet behaald uit de verwerking van bioproducten geraamd op 78,9 miljoen euro. Dat is een fractie van wat er door alle verwerkingsbedrijven wordt gerealiseerd, wat opnieuw aantoont hoe kleinschalig de biosector is. Voedingsmiddelen met verschillende biologische ingrediënten maken de voornaamste groep uit.
De biologische landbouw
Over het productievolume van de biologische sector zijn tot op heden geen betrouwbare cijfers beschikbaar.
187
Tabel 9.4: Omzet in de verwerkende sectoren, miljoen euro, 2003
De biologische landbouw
sectoren
188
bio-omzet
aandeel in totale omzet
vlees
0,86
0,02%
vis
0,44
0,20%
fruit en groenten
7,95
0,43%
plantaardige en dierlijke oliën en vetten
0,92
0,06%
16,46
0,76%
graanverwerking
8,10
0,42%
diervoeders
5,69
0,23%
dranken
1,09
0,04%
37,40
0,57%
brood- en banketbakkerswerk
3,60
0,33%
beschuit en koekjes
6,20
0,90%
suiker
2,70
0,48%
chocolade en suikerwerk
8,10
0,35%
verwerking van koffie en thee
0,60
0,17%
specerijen…
0,04
0,01%
16,20
1,32%
78,90
0,34%
zuivelnijverheid
vervaardiging overige voedingsmiddelen waarvan:
overige (bereide maaltijden,…) totaal Bron: eigen berekeningen, Blik, Ecocert en CRB
3 Aanwending van de productie
3.1 Consumptie Het thuisverbruik van biologische voedingsproducten kende in 2005 een stijging van 2,1%. Deze groei is te danken aan een groeiend aantal kopende gezinnen, terwijl de bestedingen aan bioproducten per kopend gezin in 2005 stabiel bleven op 65 euro. De Belgische consumenten verbruikten voor 197 miljoen euro aan bioproducten, waarvan 130 miljoen euro aan versproducten. Biogroenten behouden met 21% het grootste marktaandeel binnen de biokorf, gevolgd door vlees en brood met elk 14% (figuur 9.4). Fruit komt met 12% op de vierde plaats. Het belang van vlees en gevogelte neemt sinds 2002 continu af. De biologische versies van deze producten scoorden in 2001 en 2002 goed dankzij de verschillende voedselcrisissen, maar intussen is het vertrouwen van de consument opnieuw hersteld en neemt dit effect af.
Figuur 9.4: Verdeling van de besteding van verse bioproducten volgens product, België, %, 2001-2005
100 overige bioproducten
80
zuivel
70
vlees
60
gevogelte vleeswaren
50
eieren
40
brood
30
aardappelen
20
fruit
10
groenten
0 2001
2002
2003
2004
2005
Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM
De biologische versproducten haalden in 2005, zoals in 2004, een marktaandeel van 1,5% binnen de totale gezinsbestedingen aan voedingsproducten (figuur 9.5). Het marktaandeel van bio verschilt wel sterk van product tot product. De producten met het hoogste bio-aandeel zijn eieren (8,3%), groenten (3,4%) en brood (2,4%). De dierlijke producten (vlees, gevogelte en zuivel) hebben een dalend bioaandeel van ongeveer 1%. Figuur 9.5: Marktaandeel van de biologische producten per segment, % van de bestedingen, België, 2005
aardappelen eieren gevogelte vleeswaren vlees zuivel brood fruit groenten totaal vers 0 Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM
2
4
6
8
10
De biologische landbouw
90
189
De biologische landbouw
De stijging van het aandeel van de supermarkten in de verkoop van biologische versproducten werd in 2005 afgeremd, maar de supermarkten behouden wel het grootste marktaandeel. 60% van de omzet aan biologische voeding wordt via dat kanaal gerealiseerd (figuur 9.6). In vergelijking met de totale markt van voeding en dagelijkse producten, waar de supermarkt uitkomt op 85%, is dit aandeel aanzienlijk lager.
190
In 2005 kende de hoeve- en marktverkoop een duidelijke stijging ten koste van de verkoop van biologische versproducten in speciaalzaken. Figuur 9.6: Aandeel distributiekanalen in thuisverbruik van verse biologische producten, %, België, 2001-2005
100 90 80 70
andere
60
hoeve, producent
50
speciaalzaken
40
markt
30
supermarkt
20 10 0
2001
2002
2003
2004
2005
Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM
3.2 Buitenlandse handel Er bestaan geen handelsbalansen voor biologische producten omdat de in voege zijnde classificatiesystemen het onderscheid niet maken tussen de verhandeling van een gangbaar en een biologisch product. Alle beweringen en stellingen hierover zijn dus met de grootste voorzichtigheid te benaderen. De signalen wijzen in de richting van een negatieve handelsbalans, een typisch kenmerk voor een jonge markt.
4 Rendabiliteit
4.1 Prijsvorming en prijzen
In “Biofood Magazine” van april 2005 verscheen een prijsvergelijking voor België. Daarbij werd een winkelmand gevuld met gangbare producten en dezelfde biologische tegenhangers. Uit de vergelijking blijkt duidelijk dat de prijsverschillen gangbaar en bio bijzonder groot kunnen zijn, wat vooral toe te schrijven is aan: • de extra kosten bij de productie van biologische producten; • de winstmarges die in de keten genomen worden.
4.2 Kostenstructuur De publicatie van de UG over de “integrale ketenprijsvorming in de biologische landbouw” (2002), trachtte de kostenstructuur in beeld te brengen door voor enkele producties een kostencalculatie volgens de Activity Based Costing methode toe te passen voor enkele mogelijke distributieketens. Als voorbeeld wordt in figuur 9.7 de prijsvorming voor biologische en gangbare melk in verschillende niveaus weergegeven, waarbij men uitgaat van een keten via coöperatie – zuivelbedrijf - grootdistributie naar consument: • de productiekost is volledig ten laste van de landbouwer, en toont aan hoeveel de productie van een liter melk voor hem kost. Deze kost omvat vooral voederkosten en loonkosten; • de indirecte kosten van de landbouwer (energie, afschrijvingen, controlekosten) worden daarbij gevoegd. De som van de productiekost en de indirecte kosten vormt zijn kostprijs; • de toegevoegde waarden zijn het hoofdbestanddeel van de prijs. Hieronder vallen alle bijkomende kosten voor transport, verpakking, verwerking, opslagkosten… die niet door de producent zijn gemaakt; • daarenboven neemt elke marktdeelnemer zijn winstmarge. De 0,28 euro per liter melk is de som van alle genomen winstmarges en bestaat uit 0,06 euro per liter voor de producent, 0,07 euro per liter voor de zuivelfabriek en 0,15 euro per liter voor de grootdistributie.
De biologische landbouw
Er zijn weinig bronnen voorhanden voor producenten- en consumentenprijzen, maar algemeen is geweten dat de consumentenprijzen iets hoger liggen dan de prijzen voor conventionele producten. Reden hiervoor zijn de extra kosten, inherent aan de biologische teeltmethode. Nochtans is kennis van de prijzen voor de biologische producten onontbeerlijk voor de transparantie van de biologische markt. Het komt nog steeds te vaak voor dat de biologische landbouwer zijn producten moet afzetten tegen de prijs van een gangbaar product hoewel hij meer kosten maakt en bovendien een meer ecologische productiemethode toepast.
191
Figuur 9.7: Prijsstructuur biologische en gangbare melk, euro per liter, 2003 1,40 1,20
De biologische landbouw
1,00
192
0,28
0,80 0,60
0,58
0,35
0,40 0,20
0,21
0,14 0,13
0,11 0,09
biologische melk
gangbare melk
0,00
winstmarges toegevoegde waarden indirecte kosten productiekosten BTW (6%)
Bron: Ameloot, Gellynck, Van Huylenbroeck en Viaene
5 Beleid
5.1 Vlaams beleid Het beleid voor biologische landbouw voor Vlaanderen werd geconsolideerd in een Actieplan. De sector wordt hiermee financieel en beleidsmatig sterk ondersteund vanwege het duurzame karakter. Een eerste versie van het actieplan werd in juni 2000 voltooid, maar door de veranderende sectordynamiek diende dit actieplan in 2002 bijgestuurd te worden. De groei vertraagde en het afzetprobleem werd als knelpunt aangewezen. Daarom werden andere accenten in het nieuwe “Actieplan biologische landbouw II” gelegd. Dit actieplan bouwde weliswaar voort op het eerste, maar nam als belangrijke pijler “keten- en marktontwikkeling” op. Er is tot nog toe geen evaluatie van het actieplan geweest, hoewel de sector van dichtbij opgevolgd wordt door de administratie, en niet minder belangrijk, door de sector zelf, die vertegenwoordigd wordt door Bioforum. Gezien de huidige evoluties lijkt de initiële doelstelling om 10% van het Vlaamse landbouwareaal biologisch te krijgen niet realistisch. De financiering vanuit de overheid neemt steeds toe. In 2005 besteedde de Vlaamse overheid ruim 2,9 miljoen euro aan biolandbouw. Eén vierde daarvan (707.000 euro) ging in 2005 naar de verhoogde hectaresteun voor de landbouwer (figuur 9.8). Het onderzoek op het vlak van biologische landbouw neemt eveneens één vierde van het middelen in. Ruim 80% van die middelen zijn afkomstig van het IWT.
Figuur 9.8: Spreiding van de overheidsmiddelen per maatregel, 2005
Overig 3,0%
afzet bioproducten (excl. bioketenanimatoren) 4,6% Biotheek 5,9% opleiding en vorming 5,5%
hectaresteun 23,8%
VLIF steun voor bio 2,7% demonstratieprojecten 5,4%
adhoc subsidiedossiers 1,0% IFOAM 0,3% herdruk bioboekje 0,2%
bedrijfs begeleiding 0,6% reconversie naar biologische zeugenhouderijen algemene werkingsmiddelen 0,2% controle-organismen 0,7%
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
De belangrijkste actie is de hectaresteun, of bio-subsidie. De producenten in hoofd- en nevenberoep die zich voor minimum vijf jaar verbinden om de biologische productiemethode op hun percelen toe te passen, hebben recht op een subsidie. Het zwaartepunt van deze subsidie ligt tijdens de omschakelingsperiode (eerste twee jaar), en vanaf het zesde jaar heeft de landbouwer recht op een instandhoudingspremie.
De biologische landbouw
promotionele acties VLAM en dotatie VLAM (deel bio) 4,8% onderzoek en ontwikkeling week van de 25,0% algemene biologische landbouw werkingsmiddelen 2,5% Bioforum projecten 14,3% wetgeving 2,5%
193
De biologische landbouw
5.2 Europees beleid
194
De inspanningen rond biologische landbouw op Europees niveau hadden in de laatste vijf jaar voornamelijk betrekking op drie grote projecten: • de opmaak van een Europees actieplan voor bio; • het stroomlijnen van de dataverzameling rond biologische landbouw op Europees niveau; • de coördinatie van onderzoek over biologische voeding en landbouw binnen Europa. De Europese Commissie publiceerde op 10 juni 2004 een Europees Actieplan voor de biologische landbouw. Dit actieplan heeft 4 grote doelstellingen: • de ontwikkeling van de markt voor biologisch voedsel sturen door voorlichting; • de overheidssteun doeltreffender maken; • onderzoek stimuleren; • het versterken van de behoefte aan communautaire normen voor de biologische landbouw en verbetering van de communautaire import- en controlevoorschriften. EISfOM (European Information System For Organic Markets) maakt niet echt deel uit van het lopende beleid, maar is door de Europese commissie gefinancierd als project om de dataverzameling- en verwerking rond de biologische landbouw te harmoniseren. Het is algemeen gekend dat er weinig data over de sector voorhanden zijn. EISfOM moet er niet alleen voor zorgen dat er op Europees vlak meer data komen, maar ook dat er een kader gecreëerd wordt dat een systematische gegevensverzamelingen raadpleging mogelijk maakt. Tenslotte is eind 2004 het CORE-organic program (Coordination of European Transnational Research in Organic Food and Farming) voor de coördinatie van onderzoek over biologische voeding en landbouw binnen Europa opgericht. Dit project loopt tot eind 2007.
Landbouw en milieu 1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt eerst een overzicht gegeven van de milieudruk vanuit de landbouw aan de hand van de eco-efficiëntie en het milieuprofiel van de landbouw. Daarna wordt de milieuthema's vermesting en verzuring (sink), energiegebruik (source) en klimaatverandering (sink), gewasbescherming (sink), kwaliteit bodem (sink en source) en behoud van biodiversiteit (source en service) besproken. Per titel wordt het milieuprobleem geschetst, vervolgens de milieudruk beschreven en de milieutoestand kort aangehaald. Tot slot wordt summier de afstand tot de milieudoelstellingen aangegeven met een korte evaluatie. Landbouw in dit hoofdstuk omvat de sectoren akkerbouw, veeteelt, tuinbouw en ook de gemengde bedrijven. Dit hoofdstuk is een samenvatting van het MIRA Achtergronddocument Landbouw en Visserij 2005. Voor een ruimer overzicht van de inspanningen van de sector om tot een duurzamer relatie met het leefmilieu te komen, wordt verwezen naar het hogervermelde MIRA Achtergronddocument. In het Milieurapport Vlaanderen wordt vooral aandacht besteed aan de ecologische dimensie van duurzaamheid, in relatie met de economische activiteit. Als denkkader werd het DPSIR-schema ontwikkeld (figuur 10.1). Dit kader geeft de oorzaak-gevolg relatie weer van de landbouwactiviteiten en hun resulterende druk, toestand en impact op het milieu. Een bepaalde maatschappelijke activiteit, hier landbouw, is de stuwende kracht, die de milieuverstoringsketen in gang zet (Driving force). De landbouw maakt gebruik van de natuur en oefent dus een zekere druk uit (Pressure). Daaruit resulteert een bepaalde toestand van het milieu (State), die op zijn beurt een invloed kan hebben op het welzijn van de mens, het ecosysteem of de economie (Impact). Tenslotte kunnen ongewenste niveaus van D, P, S of I reacties vanuit de maatschappij veroorzaken (Response), die op elk van de andere stappen kunnen inwerken.
Landbouw en milieu
Sterker nog dan andere sectoren is de landbouw verbonden met het milieu: landbouwers werken immers rechtstreeks met en in het milieu. De relatie tussen de sector en zijn omgeving kan samengevat worden via de drie functies van het milieu: • het milieu is voor de landbouw een bron (source) van inputs, zoals bodem, energie, water of biodiversiteit. Het gebruik ervan kan leiden tot uitputting van deze natuurlijke hulpbronnen; • het milieu is de plaats waar een aantal negatieve bijproducten terecht komen (sink functie van het milieu). Emissies van nutriënten, bestrijdingsmiddelen, e.d. kunnen bodem, water of lucht vervuilen en de biodiversiteit bedreigen; • tenslotte ondersteunt de landbouw de dienstenfunctie (service) van het milieu. De landbouw produceert immers ook een aantal positieve bijproducten, zoals een typisch landschap.
195
Figuur 10.1: De DPSIR-keten van oorzaak en gevolg
Responses
Drivers
Impact
Pressure
Landbouw en milieu
State
196
Bron: MIRA AG Landbouw
2 Landbouw en eco-efficiëntie Met eco-efficiëntie wordt de milieudruk van de landbouw (emissies, brongebruik) vergeleken met de activiteiten. Een winst in eco-efficiëntie komt overeen met een milieuvriendelijkere productiemethode (ontkoppeling), maar leidt slechts tot winst voor het milieu wanneer de druk ook in absolute cijfers daalt (absolute ontkoppeling). In figuur 10.2 wordt de evolutie van de belangrijkste vormen van milieudruk uit de landbouw vergeleken met de evolutie van de bruto toegevoegde waarde. Voor 2004 werd de bruto toegevoegde waarde op 2.708 miljoen euro geschat, tegenover 1.842 miljoen euro in 1990. Deze stijging met 47% werd gerealiseerd door stijgende productie en productiviteit. Behalve voor de erosiegevoeligheid van het landgebruik nam de milieudruk de laatste jaren af. Er is dus een absolute ontkoppeling tussen de activiteit en de meeste drukindicatoren. Dit betekent dat er per geproduceerde hoeveelheid een absolute afname is van de milieubelasting. Of deze afname toereikend is om milieudoelstellingen te halen, voorop gesteld in het Vlaamse Milieubeleidsplan 2003-2007, kan niet uit figuur 10.2 afgeleid worden. Een toetsing van de absolute waarden van de drukindicatoren aan de doelstellingen geeft de huidige doelafstand aan.
Figuur 10.2: Eco-efficiëntie van de landbouw, index: 1990 = 100%, 1990-2004
160 150 140 130 120 110 100 90 80 70 60 50 40 30
bruto toegevoegde waarde Cte prijzen erosiegevoeligheid landgebruik energiegebruik broeikasgasemissie verzurende emissie
1990
1994
1996
1998
2000
2002
2004*
vermestende emissie
De bruto toegevoegde waarde werd berekend tegen marktprijzen (d.i. exclusief de productgebonden subsidies) en teruggerekend naar waarden van 1990. *: 2004: voorlopige cijfers. Bron: CLE op basis van AMS, Eurostat, NIS, K.U.Leuven, Vito, VLM, VMM, UGent in MIRA-T 2005
De erosiegevoeligheid van het landgebruik of gewaserosiegevoeligheid, die bepaald wordt door de mate waarin de gewassen de bodem bedekken, steeg tussen 1990 en 2004 met 23%, maar stabiliseert de laatste jaren. De stijging volgt uit een veranderd teeltpatroon, met minder blijvend grasland en granen en meer maïs. Het landgebruik is op lange termijn een zeer belangrijke factor in het totale bodemverlies door watererosie. Andere factoren zijn erosiviteit van de neerslag, erosiegevoeligheid van de bodem, topografie en eventuele erosiepreventie. Het energiegebruik in de landbouw is tussen 1990 en 2004 met 5% gedaald. Dit terwijl het totale energiegebruik in Vlaanderen nog met 34% gestegen is. Bovendien wordt vooral in de glastuinbouw overgeschakeld naar minder vervuilende energiebronnen, zoals aardgas. De emissie van broeikasgassen is met 16% gedaald. Het energiegebruik speelt hierbij slechts een beperkte rol. Voor de landbouw gaat het vooral om enerzijds methaan afkomstig uit de dierlijke spijsvertering en mestopslag en anderzijds om lachgas uit biologische processen in de bodem. De verzurende emissies uit de landbouw zijn met 47% gedaald. Het gaat daarbij in 2004 voor 81% om ammoniak, waarvan de emissie daalt door dalende mestproductie, efficiëntere voedertechnieken, het emissiearm toedienen van mest en de geleidelijke invoering van emissiearme stallen.
Landbouw en milieu
druk op waterleven gewasbescherming
197
De druk op het waterleven door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw is met 49% gedaald. Deze daling volgt enerzijds uit het gedaalde gebruik (-19%) en anderzijds voor meer dan de helft uit het verbod dat de laatste jaren ingesteld is op enkele zeer schadelijke middelen, zoals lindaan, parathion, fentin hydroxide en bromuconazole. De vermestende emissie is met 65% gedaald. Dit komt grotendeels door de daling van het overschot op de bodembalans, dat hierna besproken wordt.
Landbouw en milieu
3 Milieuprofiel van de landbouw
198
De informatie over het aandeel van de landbouw in diverse milieuverstoringen is becijferd in het kader van het Milieurapport Vlaanderen. Dit is berekend voor de drukindicatoren emissie naar de lucht, water en bodem, het brongebruik energie en ruimte, de hinder (stank) en samengebracht in figuur 10.3. Wanneer alle milieuthema’s evenwaardig worden gewogen, dan is de sector landbouw en visserij goed voor 19% van de milieudruk in Vlaanderen. Figuur 10.3: Milieuprofiel van de landbouw: aandeel van de landbouw in de milieuthema’s, 2004
emissie NMVOS
0,9%
emissie CO in lucht
0,5%
emissie zware metalen in lucht (Pb)
0,6%
druk op het waterleven door gewasbescherming (Seq) emissie van stof (PM2,5) bevolking tamelijk tot extreem gehinderd door stank vermestende emissie
6,0% 68,4% 29,3%
verzurende emissie emissie ozonprecursoren
7,2%
emissie ozonafbrekende stoffen
6,7% 11,0%
emissie broekasgassen energiegebruik
85,4%
14,5%
1,9% 46,9%
ruimtegebruik 0% Bron: MIRA AG Landbouw
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
4 Vermesting en verzuring De nutriëntenemissie, zowel stikstof als fosfor, blijft een dominant milieuprobleem van de landbouw. Ondanks de reeds geleverde inspanningen blijft het mestoverschot groot, met tegenvallende resultaten voor de waterkwaliteit tot gevolg. Aan de hand van een bodembalans kunnen de drijvende krachten zichtbaar gemaakt worden. Overmatige emissie van stikstof leidt niet alleen tot een vermestend effect, maar draagt, onder vorm van ammoniakemissie, ook bij tot de verzuring.
4.1 Bodembalans van de landbouw: inzicht in de drijvende krachten
Figuur 10.4: Bodembalans van de landbouw, miljoen kg, 2004
minerale meststoffen 66,8
2,3
dierlijke mest input 165,3
27,8
reststoffen 3,5
1,4
zaden en plantmateriaal 0,8
atmosferische depositie
0,1
27,2
/
biologische N-fixatie 3,8
/
ammoniakemissie 36,1
/
Nutriëntenmetabolisme in de landbouwbodem overschot op de bodembalans 91,1
legende N
P
Bron: CLE in MIRA-T 2005
gewasproductie 40,5
7,3
voederproductie 99,7
13,4
10,9
Landbouw en milieu
De bodembalans van de landbouw geeft de nutriëntenstromen ter hoogte van de landbouwbodem weer. De inputs zijn de nutriënten die de landbouwbodem binnenkomen via kunstmest, dierlijke mest, diverse reststoffen, zaad- en plantgoed, atmosferische depositie en biologische stikstoffixatie (figuur 10.4). De dierlijke mest omvat het netto-resultaat van mestproductie, mestverwerking, import en export, dat op de Vlaamse landbouwbodem wordt uitgereden. Voor runderen wordt een verhoogde excretie in rekening gebracht ten opzichte van MAP2bis. De output bestaat uit de geoogste of afgegraasde gewassen, de ammoniakemissie en het uiteindelijke overschot op de bodembalans. Dit overschot leidt tot nutriëntenverliezen uit de landbouwbodem naar lucht en water.
199
Landbouw en milieu
De kortetermijndoelstelling (2007) voor het overschot van stikstof (N) op de bodembalans, zoals bepaald in het Vlaamse milieubeleidsplan 2003-2007, is afgeleid uit de kwaliteitsnorm voor drinkwater (50 mg nitraat/l) en bedraagt 70 kg N/ha. Het overschot op de bodembalans in 2004 bedraagt 91 miljoen kg N of 144 kg N/ha, exclusief ammoniakemissie. De afstand tot de doelstelling bedraagt dus 47 miljoen kg N of 74 kg N/ha (figuur 10.5). Voor fosfor (P) wordt als middellangetermijndoelstelling (2010) 3,6 kg P/ha vooropgesteld (MIRA-S 2000). Het overschot in 2004 bedroeg 10,9 miljoen kg P of 17,3 kg P/ha en is bijgevolg nog 8,7 miljoen kg P of 13,7 kg P/ha verwijderd van het doelniveau.
200
Het overschot op de bodembalans is tussen 1990 en 2004 gedaald met 46% voor N en 71% voor P. Dit komt door verminderd kunstmestgebruik, afname van de veestapel, toenemende mestverwerking, verhoogde voederefficiëntie en toename van de gewasafvoer (door productiviteitsstijgingen). De stikstofemissie via ammoniak bedroeg in 2004 36 miljoen kg N of 44 miljoen kg NH3, een daling met 44% ten opzichte van 1990. Ondanks de waargenomen verbeteringen blijft de doelafstand op de bodembalans groot. Figuur 10.5: Overschot op de bodembalans van de landbouw, kg/ha, 1990-2004
300
250
200 N-overschot 150
doel N 2007 P-overschot
100
doel P 2010 50
0 1990
1992
1994
1996
1998
2000
2002
2004
Bron: CLE in MIRA-T 2005
Ook voor fosfor blijft de situatie ongunstig. Fosfor, in tegenstelling tot nitraat, accumuleert in de bodem. Door het overschot op de bodembalans blijft deze accumulatie doorgaan en verhoogt het risico van doorspoeling. De fosforverontreiniging is vooral schadelijk voor de biodiversiteit, zowel in water- als terrestrische ecosystemen.
Verbeteringen werden gerealiseerd op de belangrijkste componenten van de bodembalans, namelijk het dierlijke mestaanbod, de gewasafvoer en het kunstmestgebruik: • het dierlijke mestaanbod, na import en export, daalt als gevolg van de afbouw van de veestapel, de verbeterde voederefficiëntie en de toegenomen mestverwerking. Tussen 1990 en 2004 gaat het om een daling van 201,6 tot 165,3 miljoen kg N en van 39,5 tot 27,8 miljoen kg P; • het kunstmestgebruik is tussen 1990 en 2004 gestaag gedaald van 110,1 miljoen kg N tot 66,8 miljoen kg N en van 14,0 miljoen kg P tot 2,3 miljoen kg P; • de gewasafvoer schommelt naargelang de weersomstandigheden. Een lineaire trendanalyse over 1990-2004 toont een gemiddelde toename met 1,7 miljoen kg N per jaar (van 114,9 tot 140,2 miljoen kg N) en met 0,3 miljoen kg P per jaar (van 16,4 tot 20,7 miljoen kg P).
De landbouw is niet de enige vervuiler. De landbouw, inclusief zeevisserij, draagt voor 68% bij aan de nutriëntenemissie (stikstof én fosfor) naar lucht, water en bodem in 2004. Dit aandeel is gedaald ten opzichte van 1990 (figuur 10.6). Voor meer informatie over deze indicator wordt verwezen naar het MIRA Achtergronddocument Vermesting 2004. Figuur 10.6: Aandeel van de doelgroepen in de vermestende emissie, 1990 en 2004 2004
1990
energie industrie 2,5% 4,5% transport 4,8%
handel en diensten 0,2%
huishoudens 8,5%
industrie 5,7%
energie 3,4%
handel en diensten 0,7%
transport 9,6% huishoudens 12,2% landbouw en visserij 79,5%
Bron: MIRA op basis van NIS, CLE, OVAM, Aquafin, VMM
landbouw en visserij 68,4%
Landbouw en milieu
Om de doelafstand van 47 miljoen kg N volledig tot nul te herleiden is een bijkomende inspanning van ongeveer 14% op de drie bovenstaande balanscomponenten vereist. Gelet op de recente verwezenlijkingen lijkt dit een haalbare kaart. Verdere stimulansen om dit te realiseren zullen echter noodzakelijk zijn, bij voorkeur via maatregelen die het mestoverschot beter doen aansluiten bij de doelstelling van de bodembalans. De opmaak van het MAP3 biedt hiertoe een nieuwe kans.
201
4.2 Waterkwaliteit in landbouwgebied als toetssteen Hoewel de relatie tussen nitraatconcentraties in oppervlaktewater in landbouwgebied en het overschot op de bodembalans niet altijd lineair is, weerspiegelt de grote doelafstand op de bodembalans zich in nitraatmetingen in het landbouwgebied.
Landbouw en milieu
Figuur 10.7 toont het aandeel meetpunten waar de nitraatnorm van 50 mg/l minstens één maal werd overschreden in de periode 1999-2005. Sinds de start van de metingen in het MAP-meetnet in 1999 daalde het aandeel MAP-meetpunten met overschrijding drie opeenvolgende winterperiodes. Sinds 2003-2004 is er geen vooruitgang meer. In de periode juli 2004-juni 2005 werd op 41% van de meetpunten in landbouwgebied (MAP-meetnet) een overschrijding van de 50 mg nitraat norm in oppervlaktewater vastgesteld.
202
De positieve evolutie tot 2003 wordt onder meer verklaard door de verminderde veestapel sinds 2000, wat leidde tot een licht verlaagde mestafzetdruk. Ook verstrengden de bemestingnormen geleidelijk aan, met de zogenaamde eindbemestingsnormen van kracht in 2003. Het sterk sensibiliserend effect van de MAP-meetpunten voor de landbouwers, waardoor landbouwers bewuster omgaan met het uitrijden van de mest, in het bijzonder nabij water beïnvloedt deze resultaten gunstig. Dit sensibiliserend effect komt mede voort uit de intense communicatie tussen VMM en landbouwersorganisaties, waarbij maandelijks de meetresultaten worden bekendgemaakt. Daarnaast zijn de resultaten van elk MAP-meetpunt via de website www.vmm.be/MAP opvraagbaar. In jaren met een nattere najaarsperiode zal de uitspoeling gemiddeld groter zijn, maar door de hogere waterafvoer is de gemiddelde concentratie lager. De winters van najaar 1998 tot voorjaar 2003 waren natter dan normaal (meer dan 800 mm neerslag), wat leidde tot een verdunning en dus lagere nitraatconcentraties. In een jaar met normale neerslag (ongeveer 800 mm) zouden nog piekconcentraties kunnen voorkomen. Dit bleek zo in de winterperiode 2003-2004, die vooraf gegaan werd van een zeer droge zomer en dus leidde tot een verhoging van het aantal meetpunten met overschrijding. De droogte tijdens de zomer van 2003 heeft er wel toe geleid dat de nitraatconcentraties in de zomermaanden nog lager waren dan in de voorgaande jaren. Maar de uitgespoelde concentraties waren vanaf december 2003 gemiddeld beduidend hoger. De resultaten voor de periode 2004-2005 bevestigen de stagnerende trend sinds 2002-2003. Uit diepgaandere analyse blijkt dat de weersomstandigheden niet de enige verklaring hiervoor kunnen zijn. De uitbreiding van de kwetsbare gebieden met strenge bemestingsbeperkingen op 49% van het landbouwareaal leidde nog niet tot verbeterde meetwaarden in deze kwetsbare gebieden.
Figuur 10.7: Aandeel meetpunten uit het MAP-meetnet oppervlaktewater met overschrijding van de nitraatnorm, %, 1999-2005
70 60 50 40 30 20 10 1999-2000
2000-2001
2001-2002
2002-2003
2003-2004
2004-2005
Een meetjaar loopt steeds van 1 juli tot 30 juni het jaar erop. Bron: www.vmm.be/MAP en www.milieuindicatoren.be
Voor de grondwaterkwaliteit kan nog geen dergelijke trend aangetoond worden, omdat de monitoring van het grondwater in het landbouwgebied pas in 2004 opgestart is. De resultaten van de voorjaarcampagne 2005 geven aan dat 40% van de meetputten boven de norm van 50 mg nitraat/l uitkomen. Elke meetresultaat boven de 50 mg nitraat/l is een overschrijding. Het beleid streeft naar een grondwaterkwaliteit die overal voldoet aan de norm van 50 mg nitraat/l. De situatie blijft dus problematisch. Daarnaast zijn de resultaten van elk grondwatermeetpunt via de website http://dov.vlaanderen.be opvraagbaar.
Landbouw en milieu
0
203
5 Energiegebruik en klimaatverandering
5.1 Energiegebruik
Landbouw en milieu
De landbouwproductieprocessen steunen in hoofdzaak op de door fotosynthese vastgelegde zonneenergie in plantaardige producten en de omzetting van deze energie in de dierlijke productie. Toch wordt nog extra externe energie gebruikt in de landbouw. Deze wordt opgedeeld in enerzijds directe energie voor de verwarming en verlichting van serres en stallen, voor de brandstof van trekkers en landbouwmachines en anderzijds indirecte energie voor de aanmaak van de intermediaire verbruiksgoederen (vb. meststoffen, krachtvoeder). Enkel de directe energie komt hier verder aan bod, waarover jaarlijks cijfers beschikbaar zijn.
204
Het gebruik van energie zorgt op twee manieren voor druk op het milieu. Enerzijds is de voorraad fossiele brandstoffen eindig en kan de consumptie ervan leiden tot uitputting van de natuurlijke hulpbronnen. Anderzijds gaat het gebruik van energie gepaard met het uitstoten van verontreinigende gassen, zoals broeikasgassen, waarvan CO2 het belangrijkste is. Daarnaast is het energiegebruik ook een belangrijke kost in de bedrijfsvoering. Figuur 10.8 toont de evolutie van het energiegebruik in de Vlaamse landbouw. De intensieve veehouderij omvat de varkens en pluimveesector. De graasdierhouderij omvat de melkvee- en rundveesector. Figuur 10.8: Evolutie van het energiegebruik in de landbouw per deelsector, petajoule, 1990-2004 40 35 blijvende teelten 30 vollegrondstuinbouw 25 graasdierhouderij 20 15
akkerbouw
10
intensieve veehouderij
5 glastuinbouw 0 1990
1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004
1 petajoule = 1015 joule = 278 miljoen kWh Bron: Energiebalans Vlaanderen, Vito; VMM in MIRA AG Landbouw
Het energiegebruik van de landbouw is gedaald van 31,2 PJ in 1990 tot 29,6 PJ in 2004 (figuur 10.8). In vergelijking met 2003 betekent dit een status quo. Sinds 1990 is het energiegebruik in de landbouw met 5% gedaald, terwijl het totale energiegebruik in Vlaanderen - berekend als het bruto binnenlands energiegebruik - nog met 34% gestegen is. Binnen de landbouw gebruikt de glastuinbouw het meeste energie: 69% of 20,4 PJ werd in 2004 gebruikt in deze subsector. Daarnaast was de intensieve veehouderij goed voor 14%, de akkerbouw voor 8% en de graasdierhouderij voor 4%. In deze laatste subsector is het energiegebruik sinds 1990 het sterkst gedaald (-22%), wat waarschijnlijk deels samenhangt met de daling van de rundveestapel. Ook de glastuinbouw heeft zijn energiegebruik sterk verminderd (-8%) en dit terwijl de subsector nog uitbreidde. Tussen 1990 en 1999 steeg het glasareaal van 1774 naar 1974 ha. Vanaf 2000 steeg het areaal minder snel, met schommelingen van jaar tot jaar. Over het geheel heeft de glastuinbouw dan ook de belangrijkste inspanning geleverd om het gebruik van energie te beperken. De terugval in het energiegebruik in 2000 en 2001 was deels het gevolg van de gunstige weersomstandigheden in die jaren.
De glastuinbouw, de grootste energiegebruiker in de landbouw, heeft zijn eigen manieren om rationeler manier om te gaan met energie. Mogelijkheden worden daartoe geboden door energiebesparingen, door het gebruik van minder vervuilende brandstoffen (aardgas i.p.v. stookolie en andere) en door het gebruik van afvalwarmte of warmtekrachtkoppeling. Sinds 2004 doet ook biomassa als energiebron zijn intrede in de landbouw. Het aandeel is echter nog minimaal (0,3%). Biomassa kan energie leveren onder de vorm van biogas of biobrandstoffen. Biogas wordt onder meer gebruikt in installaties voor warmtekrachtkoppeling. Er zijn mogelijkheden voor mestverwerking met energierecuperatie. Daarnaast kan de landbouw een actieve rol spelen in de productie van biobrandstoffen. Om het gebruik van biobrandstoffen in ons land te stimuleren, voorzien de verschillende beleidsniveaus dan ook een aantal stimuli. Concreet gaat het om de invoering van een accijnsverlaging, het werken aan een goede normering van biobrandstoffen en het steunen en opzetten van pilootprojecten. Voor de akkerbouwer die op het eigen bedrijf een meerwaarde wil realiseren, lijkt vooral de koude persing van koolzaad interessant, met als extra milieukundig voordeel het vermijden van de energie die vereist is voor verestering. Welke vorm van hernieuwbare energie ook de hoogste milieuefficiëntie kent, het verminderen van de energieconsumptie is het beste alternatief om de broeikasgasemissies te verminderen.
Landbouw en milieu
Reeds sinds de jaren 80 verdween steenkool als energiebron en deze evolutie zette zich ook in de jaren 90 door: waar het aandeel van steenkool in het energiegebruik van de landbouw in 1990 nog 7,2% bedroeg, was het in 2004 teruggelopen tot 2,8%. Het gebruik van zware stookolie nam constant af en is in 2004 bijna gehalveerd in vergelijking met 1990. Het aandeel in het gebruik is daardoor gedaald van 59% tot 33%. In eerste instantie werd de zware stookolie vooral vervangen door de lichtere gas- en dieselolie, waarvan het aandeel toenam van 24% in 1990 tot 37% in 1999. De belangrijkste uitbreiding van aardgas had echter plaats vanaf 2000, zodat het aandeel in het totale gebruik van de landbouw in 2004 reeds 17,5% bedraagt. Het toenemende aandeel van aardgas in vooral de glastuinbouw zorgt ervoor dat er minder primaire energie nodig is om een zelfde hoeveelheid nuttige warmte te produceren. Daardoor daalt ook de uitstoot van schadelijke gassen zoals CO2.
205
5.2 Broeikasgassen uit de landbouw De emissie van broeikasgassen uit de landbouw is een gevolg van methaanvergisting (CH4) in de dierlijke spijsvertering, in mestopslag; van de productie van lachgas (N2O) uit biologische processen in de bodem, van het gebruik van fossiele brandstoffen (CO2- en N2O-emissie) en van CO2-emissie door de daling van de bodemkoolstofvoorraad.
Landbouw en milieu
Figuur 10.9: Aandeel van de sectoren in de brandstofgerelateerde CO2-emissie en aandeel van de processen in de totale broeikasgasemissie, 2004
206
Bron: MIRA kernset milieudata
Ieder broeikasgas draagt met een ander gewicht bij tot de klimaatverandering. • 1 ton N2O = 310 ton CO2-equivalenten; • 1 ton CH4 = 21 ton CO2-equivalenten; • 1 ton CO2 = 1 ton CO2-equivalenten. In 2004 bedroeg de totale emissie van broeikasgassen uit de landbouw 9.991 kton CO2-equivalenten, een daling met 14% t.o.v. 1990. Dit terwijl de totale emissie van broeikasgassen in Vlaanderen in dezelfde periode nog met 3,6% toenam. De sectoren landbouw en industrie slaagden er als enige in om hun emissie te doen dalen. De emissie van CO2 door verandering in de bodemkoolstofvoorraad staat voor 1.239 kton CO2-equivalenten of 12,4% van de broeikasgasemissie uit de landbouw. Deze emissie dient echter niet in rekening gebracht te worden bij toetsing aan de Kyoto-doelstellingen. In dat geval zou de totale broeikasgasemissie uit de landbouw zelfs met 15,6% gedaald zijn.
5.3 Klimaatverandering
6 Gewasbescherming Het volume gewasbeschermingsmiddelen dat jaarlijks gebruikt wordt in de Vlaamse landbouw, wordt louter beschouwd als een indicator van het intermediaire verbruik. De druk die hierdoor uitgeoefend wordt op het milieu is echter niet noodzakelijk recht evenredig met het gebruikte volume. Er is een groot verschil in de ecotoxiciteit van de meer dan 300 verschillende erkende actieve stoffen. De milieudruk van gewasbeschermingsmiddelen kan onder andere weergegeven worden door de som S van de jaarlijkse verspreidingsequivalenten (Σ Seq) per gewasbeschermingsmiddel. Deze indicator geeft naast het gebruikte volume actieve stoffen een beeld van de milieubelasting voor waterorganismen. Hierbij wordt de jaarlijkse emissie (het gebruik) van de beschouwde middelen gewogen op hun (eco)toxiciteit (in dit geval voor waterorganismen) en verblijftijd in het milieu, meer bepaald de halveringstijd voor afbraak in de bodem. Deze indicator geeft een aanduiding van de druk op het waterleven.
Landbouw en milieu
Tenslotte moet niet alleen de vraag gesteld worden welke bijdrage de landbouw levert aan de uitstoot van broeikasgassen, maar ook hoe de landbouw wordt beïnvloed door de opwarming van de aarde die een gevolg is van de steeds groeiende uitstoot van broeikasgassen. Tijdens de 21ste eeuw zou de opwarming immers 3°C kunnen bedragen, terwijl de neerslag met 10 tot 50% zou toenemen. Het hoeft nauwelijks betoog dat dit voor een sector als de landbouw, die sterk afhankelijk is van de grillen van de natuur, ingrijpende veranderingen met zich mee kan brengen. Laag gelegen landsdelen zouden bv. last krijgen van een hoger waterpeil en van een slechtere waterkwaliteit door verzilting. De hoger gelegen delen zouden dan weer te maken kunnen krijgen met watertekorten, omdat de waterbergingscapaciteit van de bodems zou afnemen en bodemvocht tekorten kunnen optreden bij stijgende temperaturen. Paradoxaal genoeg zou de toename van de neerslag in de winter gepaard kunnen gaan met overstromingen in het voorjaar en waterschaarste in de zomer. Uiteraard zou dit een negatief effect hebben op de productieomvang en de productkwaliteit die door de landbouw voortgebracht kan worden.
207
Figuur 10.10: Het verloop van de som van de verspreidingsequivalenten, (miljard Seq), 1990-2004
druk per aard 30
totale druk 60
25
50
20
40
15
30
10
20
totaal fungicide
Landbouw en milieu
herbicide
208
insecticide 5
10
0
0 1990 1991 1992 1993 1994199519961997199819992000 2001 200220032004
Bron: Vakgroep Gewasbescherming, UGent in MIRA AG Landbouw
De druk op het waterleven, uitgedrukt als de som van de verspreidingsequivalenten (Σ Seq), gedurende de laatste 15 jaar wordt weergegeven in figuur 10.10. Tussen 1990 en 1993 daalde Σ Seq van de insecticiden, terwijl die van de herbiciden steeg, zodat de totale druk op het waterleven relatief constant bleef. Daarna volgde de totale Σ Seq de bewegingen van de Σ Seq van de insecticiden, waarvan het aandeel steeds groter was dan twee derden. Over de periode 1990 tot 2004 is de druk op het waterleven vanuit elk van de vier productgroepen bijna gehalveerd. Deze daling volgt uit 2 tendensen: • enerzijds beperkt de sector het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, dat in die periode met 19% gedaald is. In 2004 bedroeg het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw 3,8 miljoen kg actieve stof; • anderzijds is er het beleid van de Federale Overheid, waarbij in uitvoering van de Europese Richtlijn 91/414 erkenningen van gewasbeschermingsmiddelen stelselmatig worden herzien. Op die manier zijn de laatste jaren reeds veel van de meest schadelijke middelen verboden. Daardoor werd ruim de helft van de daling van Σ Seq gerealiseerd van 2001 naar 2002. Bepaalde actieve stoffen hebben een zeer grote toxiciteit voor waterorganismen en wegen dus zwaar door in Σ Seq. In 2001 waren zeven stoffen verantwoordelijk voor 82% van de Σ Seq: de herbiciden diuron en paraquat en de insecticiden lindaan, en in mindere mate flufenoxuron, fenoxycarb, parathion en chloorpyrifos. Lindaan en parathion zijn nu verboden, respectievelijk vanaf juni 2001 en vanaf januari 2002. Dit heeft een sterke daling van de drukindicator veroorzaakt, zelfs in die mate dat de halvering, die voor 2005 vooropgesteld werd in het Vlaams Milieubeleidsplan 2003-2007, bijna bereikt is.
Figuur 10.11: Aandelen van diverse teelten in het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de druk op het waterleven (Σ Seq), 2004 druk op het waterleven (Seq)
gebruik gewasbescherming serre sierteelt serre fruitteelt 5,6% 1,6% serre groenten 2,5% sierteelt 9,5%
aardappelen 23,2%
bieten 6,7%
groenten 11,5%
granen 7,7% maïs 11,1% nijverheid gras 1,2% voeder 1,7% 0,1%
groenten 13,7%
Bron: Vakgroep Gewasbescherming, UGent in MIRA AG Landbouw
De milieudruk binnen een landbouwteelt is sterk afhankelijk van het al dan niet gebruiken van de meest toxische middelen in die teelt. Figuur 10.11 vergelijkt de aandelen van verschillende teeltgroepen in het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de som van de verspreidingsequivalenten (Σ Seq) in 2004. De fruitteelt is in dit verband het meest opvallende voorbeeld. Fruitaanplantingen beslaan minder dan 3% van de benutte landbouwoppervlakte. Flufenoxuron en fenoxycarb, twee middelen die zeer zwaar doorwegen in Σ Seq, worden echter bijna uitsluitend in de fruitteelt gebruikt. Beide insecticiden blijken zeer toxisch te zijn voor waterleven. Bovendien heeft de laatste jaren een verschuiving plaatsgehad van bodemherbiciden zoals simazin en diuron (waarvan het gebruik beperkt werd o.w.v. hun overdreven voorkomen in drinkwaterwinningen), naar contactherbiciden zoals glyfosaat en paraquat, die eveneens een hoge Seq-waarde hebben. Daardoor is het aandeel van de fruitteelt in Σ Seq van de landbouw in 2004 opgelopen tot 43%. Nu lindaan verboden is, is het aandeel van bieten in Σ Seq veel kleiner geworden (3,6%) en is ook de totale Σ Seq sterk gedaald. Het huidig gebruik binnen en buiten de landbouw geeft aanleiding tot concentraties in oppervlaktewater die wettelijke vastgelegde basiskwaliteitsnormen soms overschrijden en de ecologische kwaliteit van het rivieren en beken kan aantasten. Wanneer naar grondwater gekeken wordt, blijkt dat 16,5% van de locaties verontreinigd zijn met pesticide(n). Deze overschrijdingen voor grondwater zijn gebonden aan bepaalde streken. De meeste overschrijdingen van de normen, individueel en als som van de bestrijdingsmiddelen, worden echter waargenomen in het zuiden van Oost-Vlaanderen in de zandige afzettingen van de Vlaamse Vallei nabij de Dender en de streek daarrond. De overvloedige aanwezigheid van zand is een mogelijke oorzaak.
Landbouw en milieu
fruit 17,7%
serre sierteelt serre fruitteelt 2,2% aardappelen 14,8% 2,2% bieten serre groenten 3,6% 1,6% granen sierteelt 3,6% 11,4% maïs 1,6% nijverheid 0,1% fruit voeder 43,3% 1,0% gras 0,9%
209
7 Bodem: het fundament van de grondgebonden landbouw De bodem is een onmisbare productiefactor in elke grondgebonden landbouwactiviteit. Het behoud van de bodemvruchtbaarheid is van economisch belang, maar de bodem is tevens een biotoop voor bodemorganismen en speelt een bufferende en zuiverende rol. Naast de chemische samenstelling, speelt ook de bodemstructuur en het microbieel bodemleven een belangrijke rol in de vruchtbaarheid. We bespreken hieronder twee bedreigingen die op al deze aspecten een negatieve invloed uitoefenen: bodemerosie en het dalend gehalte organische stof in de bodem.
Landbouw en milieu
7.1 Bodemerosie
210
Bodemerosie door water op hellend akkerland is één van de belangrijkste processen van bodemaantasting in Vlaanderen en heeft vier belangrijke negatieve effecten. Ten eerste neemt de vruchtbare toplaag in dikte af, wat op lange termijn kan resulteren in dalende gewasopbrengsten. Op korte termijn kan erosie ook voor belangrijke opbrengstverliezen zorgen door het wegspoelen of onderspoelen van (kiem)planten, bv. op de wendakkers. Ten tweede is intense bodemerosie verantwoordelijk voor lokale modderoverlast na zware regenbuien in het voorjaar en de zomer in landelijke gebieden in het zuiden van Vlaanderen. Verder leidt bodemerosie ook tot hoge sedimentlasten in de waterlopen waardoor deze, net als veel wachtbekkens, aan een hoog tempo dichtslibben, met een verhoogd overstromingsrisico tot gevolg. Een laatste mogelijk gevolg is vervuiling van valleigebieden of oppervlaktewater door contaminanten gebonden aan het afgezette sediment (nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen, e.d.). Bodemerosie is dan ook één van de belangrijkste bronnen van vervuiling voor de Vlaamse oppervlaktewaters met belangrijke ecologische en financiële implicaties. In 2002 wordt het bodemverlies door erosie geschat op 4,7 ton per ha vruchtbare landbouwgrond. In de Leemstreek is dit 6,9 ton per ha en in de Weidestreek zelfs 13,9 ton per ha per jaar. 12,6% van de akkerbouwpercelen zou jaarlijks 5 tot 10 ton per ha verliezen, 6,8% verliest 10 tot 20 ton per en 1% verliest zelfs meer dan 20 ton. Figuur 10.12 toont de ruimtelijke spreiding van het gemiddeld jaarlijks bodemverlies door watererosie.
Figuur 10.12: Ruimtelijke spreiding van het gemiddelde jaarlijkse bodemverlies door watererosie, 2002
<1 1-2 2-5 5-10 10-20 >20
Bron: Laboratorium voor experimentele geomorfologie, KULeuven in MIRA-T 2003
Technieken die bodemerosie in belangrijke mate kunnen reduceren zijn o.a. niet-kerende grondbewerking of geen grondbewerking (‘no-till’), het dubbel inzaaien van graangewassen in zones van geconcentreerde afvoer, of het niet afvoeren van oogstresten zodat het oppervlak bedekt met mulch van maïs-, bieten- en aardappelloof. Daarnaast is de gewaskeuze belangrijk omdat die bodembedekking beïnvloedt. Dit wordt uitgedrukt in de erosiegevoeligheid van het landgebruik. Door het stijgend maïsareaal is deze gevoeligheid toegenomen (figuur 10.12). Sinds januari 2002 is er in Vlaanderen een subsidiereglement van kracht met als specifieke doelstelling het verminderen van de impact van bodemerosie door water. De hieruit gesubsidieerde maatregelen zijn op dit ogenblik voornamelijk civieltechnisch (bv. aanleg kleine sedimentopvangbekkens of grasstroken langs perceelsranden) en niet cultuurtechnisch (aanpassing gewasrotaties of teeltmethodes). Hierdoor zal dit subsidiereglement in eerste instantie de hoge sedimentafvoeren reduceren en in mindere mate de bodemerosie zelf. Een lijst is opgemaakt met erosieknelpunten. Eind 2004 was reeds voor 46% van deze gemeenten met erosieknelpunten een subsidie voor de aanmaak van een erosiebestrijdingsplan goedgekeurd. Deze evolutie moet het mogelijk maken om de milieubeleidsplandoelstelling te halen: hierin wordt ernaar gestreefd dat 90% van de gemeenten met erosieknelpunten een erosiebestrijdingsplan heeft opgesteld tegen 2007. Tijdens de komende jaren kan deze steunmaatregel een belangrijke reductie in de sedimentaanvoer naar de waterlopen teweegbrengen.
Landbouw en milieu
Erosie (ton/ha) geen
211
Landbouwers kunnen sinds 2005 een beheerovereenkomst afsluiten die specifiek op erosiebestrijding gericht is. Mogelijke maatregelen zijn het aanleggen van grasbufferstroken en grasgangen enerzijds en het toepassen van erosiereducerende teelttechnieken zoals directe inzaai en niet-kerende bodembewerking anderzijds. Deze maatregelen zijn dus direct gericht op het verminderen van erosie op het akkerland. Er werd in 2005 op 822 ha gebruik gemaakt van deze beheerovereenkomst.
Landbouw en milieu
Verder zijn er subsidiemogelijkheden die inspelen op het bodemgebruik en op die manier ook rechtstreeks op het bodemerosierisico. Het Beleidsdomein Landbouw en Visserij subsidieert het gebruik van groenbedekkers tijdens de winterperiode. Dit leidt tot een reductie van de erosie. Het succes van deze maatregel is in 2004 sterk toegenomen door een vereenvoudigde administratieve procedure, namelijk de integratie in de oppervlakteaangifte. Op 68.275 ha of ca. 17% van het totale Vlaamse akkerareaal geldt er nu een beheerovereenkomst groenbedekking.
212
Een andere reeks van maatregelen zijn de beheerovereenkomsten ‘zorgen voor perceelsranden’ die beheerd worden door de VLM. Sinds 2000 worden hiervoor subsidies gegeven indien een grasstrook of een strook met spontane vegetatie (5 tot 10 m breed) langsheen een waterloop, holle weg of houtkant wordt ingericht. In 2004 werden 430 beheerovereenkomsten perceelsranden afgesloten voor effectief 370 ha perceelsranden. De beheerovereenkomsten zijn zeker niet alleen gericht op erosiebestrijding maar de maatregelen kunnen een belangrijke impact hebben, vooral op de sedimentexport.
7.2 Organische stof in de bodem Organische stof in de bodem bestaat uit verteerd plantaardig en dierlijk materiaal, humus en levende organismen. Eén van de meest universele bodemvormende processen is de omzetting van organische stof tot humus (humificatie) en de ophoping hiervan in de bovengrond. Bij afbraak van voornamelijk vers organisch materiaal komen oplosbare voedingsstoffen (bv. stikstof en fosfor) en koolstofdioxide (CO2) vrij (mineralisatie), waarbij bodemorganismen een vitale rol spelen. Het afbraakproces is echter moeilijk te sturen. Vanuit milieukundig perspectief speelt organische stof in de bodem een belangrijke rol in de opslag van CO2. In het kader van het Kyoto-protocol, verbindt België zich er toe de emissies van CO2 te minimaliseren en de reserves en fluxen van organische stof in de bodem te kwantificeren. In de Europese thematische strategie voor bescherming van de bodem wordt bodemorganische stofgehalte gedefinieerd als dé sleutelindicator voor bodemkwaliteit omdat een optimaal gehalte aan organische stof overeenkomt met een goede landbouw- en milieukundige conditie zoals bijvoorbeeld verminderde erosie, hoog bufferend en filterend vermogen en een rijke habitat voor levende organismen. Vanuit verschillende milieukundige beleidslijnen blijkt dus een optimaal organische stofgehalte in de bodem gewenst te zijn. Vanuit landbouwkundig perspectief is het organische stofgehalte belangrijk voor de bodemvruchtbaarheid omdat het invloed heeft op zowel de fysische als chemische bodemeigenschappen evenals op het microbiële leven. Koolstof vormt het belangrijkste bestanddeel van organische stof: er wordt aangenomen dat organisch materiaal in de bodem gemiddeld voor 50 tot 58% uit koolstof bestaat.
Het koolstofpercentage in de bodem van akker en weiland wordt opgevolgd via de staalname van de Bodemkundige Dienst van België. Als het koolstofgehalte onder de streefzone daalt, dient de bemesting aangepast om economisch optimale opbrengst te bekomen. Deze streefzone is functie van de grondsoort (textuur). De evolutie van het koolstofpercentage in de Vlaamse akker- en weilanden vertoont een duidelijk dalende tendens tussen 1982 en 2005 met steeds meer percelen die beneden de optimale toestand (streefzone) komen te liggen. In akkerland steeg het aantal percelen onder de streefzone van 23 tot 50% en in weiland tot 32 tot 53%. Figuur 10.13: Aandeel percelen met een koolstofgehalte onder de streefzone, %, 1982-2005
60 akkerpercelen weidepercelen
40
30
20
10
0 1982-1985
1985-1988
1989-1991
1992-1995
1996-1999
2000-2003
2004-2005
Bron: Vanden Auweele et al., 2004 en MIRA-T 2005
De oorzaken voor het dalende koolstofgehalte zijn divers. De ploegdiepte is toegenomen in bepaalde regio’s. Er is een verminderde aanbreng van stabielere organische stof in de vorm van organische meststoffen en bodemverbeteraars. Oogstresten zoals tarwestro worden minder ingeploegd. Het scheuren van weilanden kan het dalende koolstofgehalte onder weiland verklaren.
Landbouw en milieu
50
213
Landbouw en milieu 214
Het organische stofgehalte in de landbouwbodem kan worden bijgestuurd door maatregelen zoals aanpassen van het landgebruik, verlagen van de afbraaksnelheid en verhogen van de aanvoer. Het behoud van permanent grasland gedurende meer dan 5 jaar of de teelt van groenbemesters als nagewas zijn voorbeelden van aangepast landgebruik. De afbraaksnelheid kan verlaagd worden door onder andere minimale grondbewerking en herstel van de grondwatertafel. De huidige organische stoftoedieningen via dierlijke mest en oogstresten volstaan niet om het gehalte op peil te houden. Dit heeft met de kwaliteit van de aangevoerde dierlijke mest te maken. Landbouwpraktijken die de aanvoer verhogen zijn het achterlaten en inwerken van oogstresten, het toevoegen van stro, compost of organische meststoffen, het inpassen van groenbemesters in het teeltplan en een beredeneerde meststoffenkeuze. Tijdstip, hoeveelheid en mineralisatiesnelheid zijn van cruciaal belang bij toedienen van organisch materiaal. In de huidige mestwetgeving wordt organisch materiaal verrekend als nutriëntenaanvoer in het eerste jaar. Vanwege het gevaar voor onderbemesting op de langere termijn worden toevoegingen van organisch materiaal dat traag mineraliseert ontmoedigd. Een grote voorraad nutriëntrijke verse organische stof kan echter leiden tot een hoge stikstofmineralisatie op momenten dat er weinig opname is door het gewas. Hierdoor kan een verhoogd risico ontstaan op stikstofuitspoeling waardoor de doelstellingen van de nitraatrichtlijn of de kaderrichtlijn water in het gedrang kunnen komen.
8 Biodiversiteit in landbouwgebied Deze titel belicht het belang van het landbouwgebied als biotoop voor wilde planten en dieren in Vlaanderen. De keuze voor broedvogels en vaatplanten is bepaald door de beschikbaarheid van recente, gebiedsdekkende verspreidingsgegevens. Het landbouwgebied omvat in deze context alle terreinen die in landbouwgebruik zijn. Het gaat voornamelijk om akker- en graslandbiotopen, met inbegrip van tussenliggende (kleine) landschapselementen, gebouwen en wegen. Daarmee is het landbouwgebied ongeveer dubbel zo groot als alle (half-)natuurlijke biotopen (oppervlaktewateren, bossen, moerassen, heiden en vennen, pioniervegetaties) samen.
8.1 Broedvogels Van de 162 vogelsoorten die sinds 1900 in Vlaanderen regelmatig tot broeden kwamen, zijn er 20 specifiek gebonden aan biotopen in het landbouwgebied (tabel 10.1). Naast deze 20 specialisten broeden er in het landbouwgebied ook tal van generalisten. Dit zijn soorten die in meerdere biotopen broeden en voor hun overleving niet exclusief afhankelijk zijn van landbouwactiviteiten. Het zijn onder meer soorten als torenvalk, houtduif, witte kwikstaart, zwarte kraai en huismus. Uit tabel 10.1 blijkt dat tussen 1990 en 2002: • er 10 van de 20 specialisten in landbouwgebeid verdwenen of achteruit gingen (50%); • 6 op de 20 specialisten in landbouwgebied vooruit gingen. Dit is 30% van de specialisten in landbouwgebeid. De vooruitgang van specialisten in overige biotopen was sterker: 58%.
Het Vlaams Milieubeleidsplan beoogt evenwel het behoud van de biodiversiteit en streeft ernaar het verlies aan biodiversiteit stop te zetten tegen 2007. Tabel 10.1: Regelmatige broedvogels, 1990–2002
aantal soorten
verdwenen
achteruit
stabiel
vooruit
totaal
in biotopen in landbouwgebied
2
8
4
6
20
in overige biotopen
3
7
14
33
57
totaal specialisten
5
15
18
39
77
generalisten
1
27
10
47
85
totaal alle soorten
6
43
28
85
162
specialisten
Bron: Vermeersch et al. (2004), NARA 2005
Dat soorten van het landbouwgebied zwaar onder druk staan, blijkt ook uit de recente Rode Lijst van Vlaamse broedvogels. Van de 40 Rode Lijstsoorten zijn er 10 (25%) gebonden aan biotopen van het landbouwgebied (figuur 10.14). Figuur 10.14: Evolutie van de broedpopulatie van twintig vogelsoorten met hoofdverspreiding in het landbouwgebied, 1990-2002
% verandering Aantal soorten Verdwenen als broedvogel
V
V
> 50% achteruit
R
R
20% tot 50% achteruit
R
R
kemphaan, ortolaan R
R
R
veldleeuwerik, graspieper, paapje, geelgors, grauwe gors zomertaling, watersnip, gele kwikstaart
Stabiel of fluctuerend R V R
kwartelkoning, patrijs, kwartel, kievit
20% tot 50% vooruit
slobeend, grutto, wulp, roodborsttapuit
> 50% vooruit
R
tureluur, scholekster R = Rode-Lijstsoort , V = Vogelrichtlijnsoort
Bron: Vermeersch et al. (2004), NARA 2005
Landbouw en milieu
verdwenen = soort heeft gedurende de voorbije 10 jaar niet meer in Vlaanderen gebroed; achteruit = broedpopulatie is in periode 1990–2002 met >20% afgenomen (lineaire trend); stabiel = broedpopulatie is in periode 1990–2002 niet meer dan 20% gewijzigd (lineaire trend); vooruit = broedpopulatie is in periode 1990–2002 met >20% toegenomen (lineaire trend).
215
Landbouw en milieu
Op basis van de evolutie van de populaties en de ecologische karakteristieken kunnen ruwweg drie soortcategorieën onderscheiden worden: de zangvogels, de kritische en de minder kritische weidevogels.
216
Op de roodborsttapuit na, doen alle zangvogels het bijzonder slecht, ongeacht hun voorkeursbiotoop (akker of grasland, open of gesloten cultuurlandschap). De ortolaan heeft in 1992 voor het laatst gebroed in Vlaanderen. Veldleeuwerik, graspieper, paapje, geelgors en grauwe gors gaan zeer sterk achteruit en zijn alle aangeduid als Rode Lijstsoort. Ook de gele kwikstaart is de voorbije 15 jaar achteruitgegaan. Onderzoek heeft uitgewezen dat deze soorten sterk te lijden hebben onder de intensivering en schaalvergroting van de landbouw in West-Europa. Dit omvat onder meer: • de opkomst van monoculturen ten koste van een meer gediversifieerd landschap (inclusief kleine landschapselementen) waardoor er minder voedsel (ongewervelden) voor de jongen en nestgelegenheid zijn; • een algemeen gebruik van bestrijdingsmiddelen; • het verdwijnen van wintervoedsel zoals graanresten en onkruidzaden door sneller inploegen van de akkers voor het zaaien van wintergraan in plaats van zomergraan. Het beeld bij de weidevogels is tweeërlei. De meest kritische soorten zijn als broedvogel verdwenen (kemphaan), komen nog maar sporadisch tot broeden (kwartelkoning) of hebben nog slechts zeer kleine populaties in Vlaanderen (zomertaling, watersnip). Voornaamste oorzaak is het intensieve landbouwkundig gebruik van graslanden (hoge mestgift, verlaging van grondwatertafel, vroeg maaien). Het merendeel van de broedgevallen in Vlaanderen situeert zich momenteel in graslanden onder natuurbeheer. De omvang van de broedpopulaties van minder kritische weidevogels (de steltlopers grutto, tureluur, wulp, kievit en scholekster) is daarentegen stabiel tot toenemend. Dit staat in schril contrast met de Noordwest-Europese situatie, waar de populaties van grutto, tureluur, wulp en kievit sterk tot zeer sterk achteruit gaan. De toename van tureluur en grutto is te wijten aan de gunstige evolutie in de Kust- en Scheldepolders. Het beeld in de Kempen is minder positief, met een uitgesproken afname. De populatietoename in Vlaanderen is ogenschijnlijk ook in tegenspraak met de vaststelling dat het broedsucces in het Vlaams weidevogelgebied gedurende de voorbije 20 jaar sterk is afgenomen tot ver beneden het niveau nodig om een populatie in stand te houden. Dit alles suggereert dat veel volwassen vogels (ook uit omringende landen) worden aangetrokken door de goede toestand van de percelen in het vroege voorjaar, wat leidt tot een grote broedpopulatie. Maar omdat deze percelen niet kunnen bieden wat hun nesten en jongen nodig hebben om te overleven, is het broedsucces laag.
8.2 Akker- en graslandflora In Vlaanderen is het voorkomen van 1.433 soorten vaatplanten gekend. Hiervan zijn er 132 (9,2%) specifiek gebonden aan akkergebieden, waarvan 72 met een beperkte ecologische amplitude, specialisten, en 60 met een ruimere ecologische amplitude, generalisten (figuur 10.15). Het aantal soorten dat gebonden is aan intensief bewerkte akkers is uitermate klein (18) en geen van deze soorten is bovendien bedreigd. Intensivering betekent dus ook hier een afname van de soortenrijkdom. Akkers met zeldzame akkerkruiden vormen de primaire biotoop voor 12 Rode Lijstsoorten, waarvan elf specialisten.
Figuur 10.15: Aantallen en Rode Lijststatus van vaatplanten met hoofdverspreiding in akkers en graslanden, 2001
0
20
40
60
80
100
120
Specialist Generalist
Intensieve akkers
S G
Akkers met zeldzame akkerkruiden
S G S G S G S G S G S G
Vochtig, licht bemest grasland Soortenarm permanent cultuurgrasland Poldergrasland met zilte elementen Niet bemest vochtig pijpenstrootjesgrasland Mesofiel Hooiland Grasland met kalkminnende soorten 0
20
40
60
80
100
120
Aantal soorten uitgestorven met uitsterven bedreigd bedreigd kwetsbaar
Bron: NARA 2003; Biesbrouck et al. (2001)
zeldzaam achteruitgaand momenteel niet bedreigd onvoldoende gekend
Landbouw en milieu
Graslanden bezitten van alle biotopen het grootste aantal specialisten. Figuur 10.15 toont het aantal specialisten en generalisten van soortenarm permanent cultuurgrasland (ca. 200.000 ha) en van een aantal specifieke halfnatuurlijke graslandgemeenschappen (in totaal 7.300 ha). Ook in graslanden staan specialisten meer onder druk dan generalisten. Zowel absoluut als proportioneel bevatten cultuurgraslanden een uitermate beperkt aantal Rode Lijstsoorten. Analyse van deze gegevens leert dat naarmate de graslanden aan voedselrijkere omstandigheden gebonden zijn, ze minder bedreigde soorten bevatten. Intensieve gras- en weilanduitbating, met onder meer hoge mestgiften, leidt tot het verdwijnen van minder productieve en competitieve plantensoorten.
217
8.3 Bescherming van biodiversiteit in een moderne bedrijfsvoering De uitdaging voor een duurzame landbouw bestaat erin om gerichte maatregelen voor de bescherming van de agrarische biodiversiteit te integreren in de moderne bedrijfsvoering. Veel van de karakteristieke agrarische soorten staan momenteel zwaar onder druk. Een aantal beleidsmaatregelen is dan ook gericht op het behoud en de bescherming van deze agrarische biodiversiteit.
Landbouw en milieu
Voor akkervogels worden in Vlaanderen momenteel geen gerichte maatregelen ondersteund. Voor de bescherming van weidevogels worden een reeks instrumenten ingezet. In een aantal kerngebieden zoals de Uitkerkse Polders en het Turnhouts Vennengebied lopen natuurinrichtingsprojecten en/of worden (erkende) natuurreservaten uitgebouwd.
218
In andere weidevogelgebieden kunnen landbouwers beheerovereenkomsten ‘weidevogelbescherming’ sluiten. Eind 2004 bedroeg het areaal onder beheerovereenkomst voor ‘weidevogelbescherming’ 620 ha. Dit komt overeen met een dekkingsgraad (oppervlakte onder beheer / oppervlakte grasland in afgebakende weidevogelgebieden) van 3,5%, wat aan de lage kant is om de weidevogelpopulaties in deze gebieden afdoend te beschermen. Tevens is er slechts weinig informatie voorhanden over de ecologische effectiviteit van de beheermaatregelen. Een vierjarige monitoring (2001–2004), gericht op het nagaan van het effect van landgebruik (landbouw, landbouw met beheerovereenkomst, natuurreservaat) op de dichtheden en het broedsucces van weidevogels, kon hierover geen uitsluitsel geven, ondermeer als gevolg van de kritisch lage dichtheid aan percelen met beheerovereenkomst. Naast weidevogelbeheer zijn er nog vier andere groepen van beheerovereenkomsten met expliciete natuurdoelstellingen (perceelsrandenbeheer, kleine landschapselementen, botanisch beheer, natuur). Door het ontbreken van monitoringgegevens is er momenteel nauwelijks iets bekend over de natuurrealisaties en de ecologische effectiviteit van de Vlaamse beheerpakketten. Tot nader order kan enkel het opnamesucces van de natuurgerichte beheerovereenkomsten beoordeeld worden op basis van oppervlaktedoelstellingen geformuleerd in het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2000-2006.
219
220
Afkortingen AMS APS AVCZ
Afdeling Monitoring en Studie Administratie Planning en Statistiek Algemeen Verbond der Coöperatieve Zuivelfabrieken
B
BBT BIRB BSE BSS BTR
Best Beschikbare Technieken Belgisch Interventie- en Restitutiebureau Boviene Spongiforme Encephalopathie (gekkekoeienziekte) bruto standaard saldo braakleggingstoeslagrechten
C
CBB CLE CORE CRB
Confederatie van de Belgische Bietplanters Centrum voor Landbouweconomie Coordination of European Transnational Research in Organic Food and Farming Centrale Raad voor het Bedrijfsleven
D
DGA DPSIR
Direction Générale de l’Agriculture driving force, pressure, state, impact, response
E
EEG EISfOM EU EU-25
Europese Economische Gemeenschap European Information System For Organic Markets Europese Unie Europese Unie (na uitbreiding tot 25 landen in 2004)
G
GATT GfK GLB GMO GTR GVE
General Agreement on Tariffs and Trade Growth from Knowledge (http://www.gfk.be/) Gemeenschappelijk Landbouwbeleid gemeenschappelijke marktordening gewone toeslagrechten grootvee-eenheden
I
ICT ILVO INBO INGRO IWT
informatie- en communicatietechnologie Instituut voor Landbouw en Visserij Onderzoek Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Industriële Groenten Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie
K
K.U.Leuven
Katholieke Universiteit Leuven
M
MAP2bis MAP3 MiNa-Raad MIRA
mestactieplan 2bis mestactieplan 3 Milieu- en Natuurraad Milieurapport
Afkortingen
A
221
Afkortingen 222
MIRA AG MIRA-S MIRA-T MKZ MTR
Achtergronddocument MIRA Scenario-rapport van MIRA Themarapport van MIRA mond- en klauwzeer Mid Term Review
N
NARA NBB NET
Natuurrapport Nationale Bank van België niet-eetbare tuinbouwproducten
O
OVAM
Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest
P
PDPO PR
Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling productierichting
R
REO RSV RSZ
Roeselare En Omstreken Veiling Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid
S
SERV SGE STR
Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen standaardgrootte-eenheid speciale toeslagrechten
T
TR
toeslagrechten
V
VAK VBT VEGRAS VITO VLAM VLIF VLM VLTR VMM VMV VVSG VVP
volwaardige arbeidskracht Verbond van Belgische Tuinbouwveilingen Vegetable Growers Association Vlaamse instelling voor technologisch onderzoek Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing Vlaams Landbouwinvesteringsfonds Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Land- en Tuinbouwraad Vlaamse Milieumaatschappij Vennootschap Mechelse Veilingen Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten Vereniging van de Vlaamse Provincies
W
WKK WTO
warmtekrachtkoppeling Wolrd Trade Organisation
U
UGENT
Universiteit Gent
223
224
Definities en methodologische toelichtingen Bedrijfshoofd Het bedrijfshoofd is de juridisch en economisch verantwoordelijke van het bedrijf. Het gaat over de persoon voor wiens rekening en op wiens naam wordt geëxploiteerd. Bedrijfsleider De bedrijfsleider is de persoon die verantwoordelijk is voor het lopend en dagelijks beheer van het bedrijf. Bestemming van de oppervlakte cultuurgrond De oppervlakte cultuurgrond wordt ingedeeld in 4 grote bestemmingen: akkerbouwgewassen, tuinbouwteelten, voedergewassen en andere. Onder akkerbouw worden volgende teelten geklasseerd: granen voor de korrel (exclusief vochtig geoogste korrelmaïs), droge peulvruchten, nijverheidsgewassen (suikerbieten, cichorei, vezelvlas, oliehoudende gewassen, geneeskrachtige en aromatische planten en kruiden, landbouwzaden en andere nijverheidsgewassen) en aardappelen. De voedergewassen omvatten: voederbieten, andere wortel- en knolgewassen, voedermaïs (inclusief vochtig geoogste korrelmaïs), andere éénjarige voedergewassen dan maïs, meerjarige voedergewassen (klaver, luzerne en andere), tijdelijk en blijvend grasland. Tuinbouwteelten zijn groenten en fruit en sierteelt, zowel in open lucht als in serres, tuinbouwzaden en plantgoed en de tuinen voor eigen gebruik. Het braakland en de wijmenaanplantingen vormen dan de andere bestemmingen. Bruto (binnenlandse) productie De bruto binnenlandse productie is het resultaat van de nationale slachtingen (inclusief de thuisslachtingen) verminderd met de invoer en vermeerderd met de uitvoer van levende dieren.
De bruto productie is gelijk aan de som van de waarde van de hoofd- en bijproducten. De specifieke kosten zijn voor de plantaardige producties als volgt samengesteld: zaai- en pootgoed, aangekochte meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen, kosten voor irrigatie, verwarming, drogen, specifieke kosten voor afzet en verwerking, verzekeringskosten en andere specifieke kosten. Voor de dierlijke producties zijn dit volgende kosten: de kosten voor de vervanging van dieren, veevoeder, ziektebestrijding, dekgeld en KI, productiecontrole, specifieke kosten voor de afzet en verwerking en andere specifieke kosten.
Definities
Bruto saldo Het bruto saldo van een landbouwproductie wordt gedefinieerd als de geldwaarde van de bruto productie, waarvan men bepaalde bijhorende specifieke kosten aftrekt.
225
Bruto standaard saldo (BSS) Het bruto standaardsaldo is het gemiddelde Vlaamse bruto saldo (zie definitie bruto saldo) voor elk van de landbouwproducties. Bij de berekening van de BSS worden in de bruto productie tevens de subsidiebedragen die verband houden met de producten, arealen en/of veestapel opgenomen. De term BSS “2000” betekent de gemiddelde BSS voor de periode van 1998 tot en met 2002. Directe verkopen melk In het kader van de heffing in de melksector wordt rechtstreekse verkoop gedefinieerd als elke verkoop of overdracht van melk die rechtstreeks door de producent aan de consument wordt verricht, alsmede elke door een producent verrichte verkoop of overdracht van andere zuivelproducten. De Commissie kan deze definitie eventueel aanpassen om te voorkomen dat hoeveelheden melk of andere zuivelproducten die worden vermarkt, niet onder de heffingsregeling vallen. Economisch belang per gemeente op basis van BSS (kaarten) Om de belangrijkheid van een sector in de landbouw binnen de Vlaamse gemeenten te meten, werd gebruik gemaakt van onderstaande gegevens: • enerzijds de oppervlakte van de verschillende teelten en het aantal dieren volgens de meitelling van het NIS in 2004; • anderzijds, de Bruto Standaard Saldi (BSS) “2000” (gemiddelde van 1998 tot en met 2002) per teeltgroep of diersoort (zie definitie BSS). Per gemeente wordt dan de totale BSS van een bepaalde teelt of diersoort berekend door de gegevens uit de meitelling te vermenigvuldigen met de overeenkomstige BSS per ha of per dier. Deze werden toegewezen per sector (akkerbouw, melkvee,…) en vergeleken met de totale BSS (van alle sectoren) binnen een gemeente.
Definities
Voor de kaart voor de pluimveesector werd niet gewerkt met BSS “2000” maar werd de BSS voor pluimvee bepaald als een gemiddelde van 7 jaar (1996–2002) omwille van een paar uitzonderlijke jaren met een negatief BSS voor pluimvee.
226
Eindproductiewaarde De eindproductiewaarde, berekend door AMS, wordt opgesteld aan de hand van het begrip regionale hoeve: een fictief landbouwbedrijf dat de totale landbouwoutput van de Vlaamse landbouw voortbrengt. De eindproductiewaarde omvat de waarde van het gedeelte van de productie die verkocht wordt buiten deze regionale hoeve, het gedeelte dat verbruikt wordt door de landbouwer en zijn gezin en de inventarisverandering. Voor meer details wordt verwezen naar volgende publicatie: Els Demuynck en Els Bernaerts (2005). Regionale rekeningen van de landbouw. AMS. Brussel. Eurostat gebruikt een andere methode voor de berekening van de eindproductiewaarde, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met o.a. de verkoop van landbouwproducten tussen de landbouwbedrijven, de output van niet-scheidbare nevenactiviteiten en met bepaalde landbouwproducten die als input binnen het bedrijf worden verbruikt. Voor meer details wordt verwezen naar volgende publicatie: Eurostat (2001). Handleiding land- en bosbouwrekeningen. Luxemburg.
Voor het hoofdstuk van de Vlaamse landbouw in Europese context, werden de Eurostatgegevens, in zover mogelijk, aangepast aan de methodologie van AMS. Financiële resultaten De financiële resultaten zijn gebaseerd op de naar regionaal vlak geëxtrapoleerde boekhoudresultaten van de bedrijven die bij het AMS-boekhoudnet aangesloten zijn. In wat volgt worden de verschillende posten van de kosten en de opbrengsten en het arbeidsinkomen gedefinieerd.
Definities
Kosten • berekende lonen: het toegerekend loon voor het bedrijfshoofd en de gezinsleden wordt berekend op basis van de minimumlonen vastgesteld door het Nationaal Paritair Comité voor de landbouw, verhoogd met de sociale lasten; • betaalde lonen: de werkelijk betaalde lonen en sociale lasten; • werk door derden: de werken uitgevoerd door ondernemers met hun eigen machines (maaidorsen,…); • werktuigkosten: afschrijvingen, rente en onderhoud van werktuigen, de aankoop van klein gereedschap, de kosten voor de huur van machines, de forfaitaire kosten voor het gebruik van privé vervoermiddelen voor het bedrijf en de kosten van brand- en smeerstoffen; • bestrijdingsmiddelen: de verbruikte bestrijdingsmiddelen en de gebruikte producten voor grondontsmetting, met betrekking tot de oogst van het boekjaar; • veevoeder: het veevoeder wordt opgesplitst in aangekocht veevoeder en veevoeder van eigen bedrijf. De laatstgenoemde zijn de vervoederde marktbare producten van eigen bedrijf. Hieronder zijn begrepen: de melkproducten en de hoofd- en bijproducten van de teelten. De verbruikte voedergewassen (gras, hooi, voederbieten, maïs,…) worden niet gewaardeerd; • brandstoffen: de brandstoffen, verbruikt voor de verwarming van de champignoncellen en serres; • aangekochte meststoffen, zaad- en pootgoed aangekocht en van eigen bedrijf, bestrijdingsmiddelen: deze posten hebben betrekking op hetgeen verbruikt werd voor de oogst van het boekjaar; • kosten van het grond- en gebouwenkapitaal: betaalde pacht, betaalde grondlasten, brandverzekering voor de onroerende goederen in eigendom, het lopend onderhoud van de gebouwen en weideafsluitingen, de afschrijvingen van de onroerende goederen in eigendom, toegerekende rente voor onroerende goederen in eigendom, de toegerekende pacht voor gronden in eigendom, de rente voor de aangekochte quota en kosten voor gehuurde quota; • verkoopkosten: veilingkosten, huur kisten, marktgeld, inpakmaterialen,…; • overige materialen: overige kosten voor grond- en hulpstoffen voor de teelten van het boekjaar: turf, plastiekzakken, bloempotten,…; • overige kosten: kosten van fokverenigingen, dekgelden, veeverzekering, rente levend kapitaal, rente omlopend kapitaal, elektriciteit, telefoon, abonnementen op vakbladen,…; • directe kosten teelten: de keuringskosten, de aankoop van planten voor voortverkoop, de hagelverzekering, de kosten van de bijen, de aankopen op stam, de toegerekende intresten voor planten en het omlopend kapitaal; • algemene onkosten: elektriciteit, water, telefoon, abonnementen, lidgelden, grondontleding,…
227
Opbrengsten • marktbare gewassen: de landbouw- en tuinbouwgewassen en de blijvende teelten welke in het algemeen voor de verkoop worden of kunnen worden geteeld (granen, suikerbieten,…). De opbrengst marktbare gewassen omvat de waarde van de verkochte, in het huishouden verbruikte, voor zaaizaad gebruikte en vervoederde marktbare gewassen. Deze opbrengst omvat de waarde van de bijproducten (stro, …); • opbrengst rundveehouderij en voedergewassen: waarde van de melkproducten die verkocht (na aftrek van de superheffing) of verbruikt zijn in het huishouden of vervoederd werden in het eigen bedrijf, de omzet en aanwas van het rundvee, overige opbrengsten (ontvangen dekgelden, verkochte voedergewassen,…); • opbrengst varkenshouderij: omzet en aanwas van de varkens; • opbrengst pluimveehouderij: de opbrengst van eieren (verkopen en verbruik in het huishouden) en de omzet en aanwas van het pluimvee; • overige opbrengsten: opbrengsten van vorige boekjaren, werk voor derden, compensaties en premies (zoogkoeienpremie, compensaties akkerbouw,…),… Arbeidsinkomen Het arbeidsinkomen wordt gedefinieerd als de totale opbrengsten verminderd met de totale kosten exclusief de toegerekende en betaalde lonen.
Definities
Intermediair verbruik Het intermediair verbruik is de waarde van alle goederen en diensten die als input voor de productie van de beschouwde periode worden gebruikt en buiten de regionale hoeve aangekocht worden. Deze post omvat geen uitgaven waarvan het gebruik verdeeld is over verschillende jaren.
228
Meer gespecificeerd geeft het intermediair verbruik de uitgaven weer, gedaan voor: • zaai- en pootgoed dat in de handel aangekocht wordt; • energie en smeermiddelen; • meststoffen; • fytosanitaire producten; • veevoeders gekocht buiten de landbouw; • ingevoerd gebruiksvee; • klein materiaal en onderhoud- en herstellingskosten van machines en gebouwen; • algemene onkosten (diergeneeskundige zorgen, verzekeringen, water, …). Per definitie omvat het intermediair verbruik noch de aankoop van materiaal waarvan de levensduur groter is dan 1 jaar, noch de aankoop of grote herstellingen van gebouwen welke investeringsuitgaven zijn. De lonen maken geen deel uit van het intermediair verbruik.
Leeftijd van de bedrijfsleiders Voor de bepaling van de leeftijd van de bedrijfsleider (zie definitie bedrijfsleider) werden enkel de bedrijven opgenomen waarvan de economische bedrijfsomvang groot genoeg is om beschouwd te worden als een bedrijf met een professioneel karakter. Een beroepslandbouwbedrijf wordt dan gedefinieerd als een bedrijf waarvan de bedrijfseconomische dimensie minstens 4 standaardgrootteeenheden (zie definitie standaardgrootte-eenheden) bedraagt. Leghennen Onder de term leghen wordt in deze studie de hennen voor consumptie- en broedeieren verstaan, inclusief de poeljen, tenzij anders vermeld. Melkleveringen In het kader van de heffing in de melksector wordt een levering gedefinieerd als elke levering van melk, exclusief andere zuivelproducten, door een producent aan een koper ongeacht of de producent, de koper, het bedrijf dat deze melk behandelt of verwerkt, dan wel een derde de melk vervoert. Een koper is een onderneming of groepering die van een producent melk koopt: • om deze, ook in het kader van een loonwerkovereenkomst, in te zamelen, te verpakken, op te slaan, te koelen en te behandelen of te verwerken; • om deze door te verkopen aan een of meer bedrijven die melk of andere zuivelproducten behandelen of verwerken. Wat betreft het aantal producenten waarop de melkleveringen betrekking hebben, worden alle producenten in aanmerking genomen die betrokken zijn in de berekening van de extra heffing. Sommige producenten zijn niet de hele melkcampagne actief (overnames,…) of hebben geen quotum (enkel leasing). Omgerekend varken Het aantal omgerekende varkens is gelijk aan het aantal mestvarkens + het aantal jonge zeugen + (het aantal fokzeugen x 2) + (het aantal beren x 1,5).
De bedrijven worden ingedeeld in 9 grote groepen. Binnen deze groepen bestaat dan nog een verdere opdeling. In dit rapport worden volgende productierichtingen gebruikt. Voor een gedetailleerd overzicht wordt verwezen naar het Publicatieblad van de Europese Unie (JO, L220 van 17 augustus 1985).
Definities
Productierichting (PR) De indeling van de bedrijven volgens de productierichting is gebaseerd op het begrip bruto standaardsaldo (BSS, zie definitie BSS). De PR, ook wel technisch-economische gerichtheid genoemd, wordt vastgesteld rekening houdend met het relatief aandeel van de verschillende producties in de totale BSS van het bedrijf.
229
productierichting
benaming
gespecialiseerde bedrijven 1
gespecialiseerde akkerbouwbedrijven
2
gespecialiseerde tuinbouwbedrijven
3
gespecialiseerde bedrijven met blijvende teelten
4
gespecialiseerde graasdierbedrijven met specialisatie: 41
melkvee
42
mestvee
43
gemengd rundvee
44
andere graasdieren
5
gespecialiseerde veredelingsbedrijven met specialisatie: 501
varkens
502
pluimvee
503
gemengde veredelingsbedrijven
gemengde bedrijven 6
bedrijven met combinaties van gewassen
Definities
7
230
bedrijven met combinaties van veeteelt 71
bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op graasdieren
72
bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op veredeling
8
bedrijven met combinaties van gewassen en veeteelt
9
niet te classificeren bedrijven
Standaardgrootte-eenheden (SGE) Een standaardgrootte-eenheid (SGE) is een eenheid om de economische bedrijfsomvang van een onderneming te meten. Eén SGE is gelijk aan 5.380 euro van bruto standaardsaldo “2000” (gemiddelde 1998 tot en met 2002) of in formule: SGE=BSS ”2000”/5.380. Toegevoegde waarde De bruto toegevoegde waarde tegen marktprijzen is het verschil tussen de eindproductiewaarde en het intermediair verbruik. Wanneer de bruto toegevoegde waarde vermeerderd wordt met de subsidies en verminderd met de taksen en de afschrijvingen, bekomt men de netto toegevoegde waarde tegen factorkosten. De netto toegevoegde waarde tegen factorkosten vertegenwoordigt dan het globale inkomen van de land- en tuinbouwactiviteit. Ultraperifere gebieden De ultraperifere gebieden zijn: de Franse overzeese departementen (Guadeloupe, Frans Guyana, Martinique en La Réunion), de Canarische eilanden, de Azoren en Madeira.
Vergelijkbaar inkomen Het vergelijkbaar inkomen komt overeen met het gemiddelde bruto salaris van een voltijds tewerkgestelde loontrekkende. Volwaardige arbeidskrachten (VAK) Een volwaardige arbeidskracht is een volwassen persoon, jonger dan 65 jaar, volledig arbeidsgeschikt en bestendig beschikbaar voor het bedrijf. De beschikbare arbeidskrachten worden omgerekend tot VAK met behulp van omrekeningscoëfficiënten die rekening houden met de leeftijd en de arbeidsgeschiktheid. Voor meer details wordt verwezen naar de publicaties ‘Rendabiliteit van het landbouwbedrijf’, CLE-publicatie, nr. 2.01, april 2003 en ‘Rendabiliteit van het tuinbouwbedrijf, CLE-publicatie, nr. 2.05, januari 2005. Zelfvoorzieningsgraad De zelfvoorzieningsgraad geeft de verhouding weer (uitgedrukt in %) tussen de geproduceerde en de totale verbruikte hoeveelheden. Dit kengetal meet in welke mate de nationale productie de nationale behoefte dekt.
Definities 231
232
Referentielijst
Algemene referenties Centrum voor Landbouweconomie. Rendabiliteit van het landbouwbedrijf. Meerdere jaargangen. Brussel. Claeys, D. (2004). Vlaamse bruto standaardsaldi voor de gewassen en de veehouderij. CLE-publicatie nr. 2.04. Centrum voor Landbouweconomie. Brussel, 113 p. Demuynck E., Bernaerts E. (2005). Regionale rekeningen van de landbouw. Afdeling Monitoring en Studie. Brussel, 51 p. Direction générale de l’Agriculture. Evolution de l’économie agricole et horticole de la Région Wallonne. Meerdere jaargangen. Namur. Eurostat (12/2005). Intra- and extra-EU trade, combined nomenclature. Luxemburg. FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. Landbouwstatistieken, driemaandelijkse publicatie. Meerdere jaargangen. Brussel.
Raad van de Europese Unie (1985). Bijlage 2 Classificatie van de landbouwbedrijven volgens productierichting. Publicatieblad van de Europese Unie L220 van 17 augustus. Luxemburg. Van Gijseghem, D., et al (2004). Landbouwbeleidsrapport 2003. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Land- en Tuinbouw. Brussel, 154 p. Vlaams Informatiecentrum over Land- en Tuinbouw (2003). Feiten en cijfers. Brussel, 52 p. www.ccecrb.fgov.be : Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. www.europa.eu.int : Portaalsite van de Europese Unie. www.gfk.be : Gfk Panelservices Benelux. www.statbel.fgov.be : FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. www.vlaanderen.be/landbouw : Ministerie van Landbouw.
Referentielijst
FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. Mei-telling. Meerdere jaargangen. Brussel.
233
Landbouwbeleid Administratie Land en tuinbouw (2000). Programmeringdocument voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen van 2000-2006. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement EWBL, Administratie Land en tuinbouw. Brussel, 351p. Administratie Land en tuinbouw (2005). PDPO Voortgangsrapportage kalenderjaar 2004. Rapportering conform art. 61 van VO 817/2004; intern document, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement EWBL, Administratie Land en tuinbouw. Brussel, 67p. Idea Consult (2003). Mid term evaluatie van het Vlaamse Programma voor Plattelandsontwikkeling. Consortium van de afdeling Landbouweconomie en het Laboratorium voor Bosbouw van de Universiteit Gent, Belconsulting, het Centrum voor Landbouweconomie en IDEA Consult. Brussel, 536 p. Meester, G., Oskam, A., Silvis, H. (2005). EU beleid voor landbouw, voedsel en groen – Van politiek naar praktijk. Wageningen, 368 p.
Algemene beschrijving van de Vlaamse land- en tuinbouwsector
Referentielijst
Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (FOD Economie). Financiën Verkopen van onroerende goederen. Meerdere jaargangen. Brussel.
234
Europese Commissie (2006). Agriculture in the European Union: Statistical and Economic Information 2005. Luxemburg, 42 p. Eurostat (2001). Handleiding land- en bosbouwrekeningen LR/BR 97 (rev.1.1). Luxemburg. Nationale Bank van België (2006). Regionale rekeningen 1995-2004. Instituut voor de nationale rekeningen. Brussel. Organic Centre Wales (2005). Europe - the development of organic farming between 1985 and 2004. www.organic.aber.ac.uk/statistics/europe05.shtml www.onssrszlss.fgov.be : Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
De akkerbouwsector Boerenbond (2005). Boerenbond jaarverslag 2004. Leuven, 88 p. Confederatie van de Belgische Bietenplanter. De bietplanter. Maandelijks vakblad. Meerdere jaargangen. Brussel. Gabriels, P. (2004). Gevolgen van de hervorming van het EU-suikerbeleid voor de Vlaamse landbouwer. Afdeling Monitoring en Studie. Brussel, 32 p. Raad van de Europese Unie (2001). Verordening (EG) Nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker. Publicatieblad van de Europese Unie L178/1 van 30 juni. Luxemburg. Raad van de Europese Unie (2003). Verordening Nr. 1784/2003 van de Raad (EG) van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen. Publicatieblad van de Europese Unie L270/78 van 21 oktober. Luxemburg. www.kbivb.be : Koninklijk Belgisch Instituut tot Verbetering van de Biet.
De tuinbouwsector
Van Lierde, D., Gielis, H., Taragola, T. (2005). De rendabiliteit van het tuinbouwbedrijf. Centrum voor Landbouweconomie, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Brussel, 64 p. VBT (2005). Jaarverslag 2004 van het VBT. Leuven, 107 p. www.veiling.be.
De rundveesector Moreau, J.M., Daumerie, V. (2005). Le marché de la viande bovine, entre découplage et importations. Direction générale de l’Agriculture – Division de la Politique agricole. Namur. Raad van de Europese Unie (1999). Verordening (EG) Nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten. Publicatieblad van de Europese Unie L160/48 van 26 juni. Luxemburg. Raad van de Europese Unie (2003). Verordening (EG) Nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees. Publicatieblad van de Europese Unie L160/48 van 26 juni. Luxemburg.
Referentielijst
Lambrechts, G. (2003). Sporenbeleid voor de sector groenten en fruit. Administratie Landbouwbeleid, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Brussel, 34 p.
235
Raad van de Europese Unie (2003). Verordening (EG) Nr. 1787/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot wijziging van Verordening EG) Nr.1255/1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten. Publicatieblad van de Europese Unie L270/121 van 21 oktober. Luxemburg. Raad van de Europese Unie (2003). Verordening (EG) Nr. 1788/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten. Publicatieblad van de Europese Unie L160/48 van 26 juni. Luxemburg. www.bcz-cbl.be : Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie. www.birb.be : Belgisch Interventie- en Restitutiebureau.
De varkenssector Commissie van de Europese Unie (2003). Verordening (EG) Nr. 1075/2003 van de Commissie van 23 juni 2003 tot vaststelling van de wegingscoëfficiënten voor de berekening van de gemeenschappelijke marktprijs voor geslachte varkens voor het verkoopseizoen 2003/2004. Publicatieblad van de Europese Unie L155/9 van 19 augustus. Luxemburg.
Referentielijst
Commissie van de Europese Unie (2003). Verordening (EG) Nr. 1458/2003 van de Commissie van 18 augustus 2003 betreffende de opening en wijze van beheer van de tariefcontingenten in de varkensvleessector. Publicatieblad van de Europese Unie L208/3 van 19 augustus. Luxemburg.
236
Commissie van de Europese Unie (2003). Verordening (EG) Nr. 1518/2003 van de Commissie van 28 augustus 2003 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake de regeling van uitvoercertificaten in de sector varkensvlees. Publicatieblad van de Europese Unie L217/35 van 29 augustus. Luxemburg. Commissie van de Europese Unie (2003). Verordening (EG) Nr. 2246/2003 van de Commissie van 19 december 2003 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de toekenning van steun voor particuliere opslag in de sector varkensvlees. Publicatieblad van de Europese Unie L333/34 van 20 december. Luxemburg.
De pluimveesector www.deinze.be : Nationale Prijzencommissie voor het Levend Pluimvee te Deinze. www.kruishoutem.be/ep/pub/eierprijzen.asp : Eierprijzencommissie te Kruishoutem.
De biologische landbouw Administratie Beheer en Kwaliteit Landbouwproductie (2005). Vademecum subsidie voor de biologische productiemethode. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Beheer en Kwaliteit Landbouwproductie. Brussel, 17p. Ameloot, N., Gellynck, X., Van Huylenbroeck, G., Viane, J. (2003). Integrale ketenprijsvorming in de biologische landbouw. Universiteit Gent, Faculteit van de Toegepaste Landbouwkundige en Biologische Wetenschappen. Gent, 286 p. Biofood (2005). Prijsverschil gangbaar en bio soms angstaanjagend groot. Biofood magazine nr 2, april 2005. Europese Commissie (2004). European actionplan for organic food and farming. Commission Staff Working Document. Brussel, 33p. De Bont, C.J.A.M., et al. (2004). Organic material price: market signals for organic markets. LandbouwEconomisch Instituut. Den Haag, 69 p. Hamm, U., Gronefeld, F. (2004). The European market for organic food: Revised and updated analysis. Organic Marketing Initiatives and Rural Development, Volume 5. Aberystwyth, United Kingdom, School of Management & Business, 165 p.
Van Huylenbroeck, G., et al (2005). Biologische landbouw: Mens, Markt en Mogelijkheden, Lannoo Campus. Leuven, 289p. VELT (2002). Bio is geen koopje maar een keuze: de prijs. Vereniging voor Ecologische Leef- en Teeltwijze (VELT). Willer, H., Youssefin M. The world of organic agriculture: statistics and future prospects. Meerdere jaargangen. International Federation of Organic Agriculture Movements (IFOAM). Bonn. http://europa.eu.int/comm/agriculture/qual/organic/def/index_nl.htm
Referentielijst
Landbouw en Techniek (2001). Prijsvorming in de biologische sector. Landbouw & Techniek nr 20, blz 46, 2 november 2001.
237
Landbouw en milieu AMINAL (2002). Wegwijzer doorheen het erosiebesluit: subsidies voor plannen en werken. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (AMINAL), Afdeling Land. Brussel. Biesbrouck, B., et al. (2001). Een ecologisch register voor hogere planten als instrument voor natuurbehoud in Vlaanderen. Rapport VLINA 00/01. Brussel. Birdlife International (2004). Birds in the European Union: a status assessment. Birdlife International. Wageningen, 59 p. Brouwers, J. (2003). Eco-efficiëntie: wat is eco-efficiëntie en hoe eco-efficiënt is Vlaanderen? MIRAonderzoeksrapport 2003/03, Vlaamse Milieumaatschappij, Erembodegem. Campens, V., Lauwers, L. (2002). Kunstmestgebruik en gewasproductie als determinanten van de nutriëntenemissie, studie uitgevoerd voor de Vlaamse Milieumaatschappij, Centrum voor Landbouweconomie. Brussel, 59 p.
Referentielijst
Claeys, S., et al. (2005). Milieu- en natuurrapport Vlaanderen, MIRA Achtergronddocument 2005, Verspreiding van bestrijdingsmiddelen, Vlaamse Milieumaatschappij. Erembodegem, 108 p.
238
EMA (1999). Making sustainability accountable: eco-efficiency, resource productivity and innovation. Topic report n° 11/1999. Europees Milieuagentschap. Kopenhagen, 39 p. Gabriëls, P., Platteau, J., Van Gijseghem, D. (2005). Klimaatverandering en mogelijke gevolgen voor landbouw en zeevisserij in Vlaanderen. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Land- en Tuinbouw, Afdeling Monitoring en Studie. Brussel, 30 p. Gulinck, H., et al. (2005). Bodem: bodembedreigingen bekend, hoe aanpakken? In: Van Steertegem M. (red;) Mileurapport Vlaanderen, MIRA-T 2005 Thema's, Vlaamse Milieumaatschappij, Erembodegem. IPPC (1996). Second Assessment Report, Intergovernmental Panel on Climate Change guidelines. Lamont, J.L., Lambrechts, Y. (2005) Koolzaad, het nieuwe goud? Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Beheer en Kwaliteit Landbouwproductie, Afdeling Voorlichting Granen, Eiwitrijke en Oliehoudende Gewassen. Brussel, 58 p. Van Steertegem, M. (red.) (2005), Milieurapport Vlaanderen, MIRA-T 2005, thema's. Vlaamse Milieumaatschappij. Aalst, 287 p. Kuijken, E., et al (2003). Natuurrapport 2003. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid. Mededeling van het Instituut voor Natuurbehoud nr. 21. Brussel, 352 p.
Kuijken, E., et al. (2005). Natuurrapport 2005. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid. Mededeling van het Instituut voor Natuurbehoud nr. 24. Brussel, 491 p. Nevens, F. (2003). Jaarverslag 2002 Steunpunt Duurzame Landbouw, UGent, KULeuven, Melle. Steurbaut, P., Vanlierop, F., Herremans, M. (2005). Begeleiding van de vrijwillige weidevogelbescherming in Vlaanderen in uitvoering van de Europese Verordening 2078/92. Eindverslag. Natuurpunt Rapport 2005/01. Van Hoof, K. (2005). Resultaten van het MAP-meetnet oppervlaktewater - Metingen in oppervlaktewater door de Vlaamse Milieumaatschappij op voor de landbouw relevante meetplaatsen, presentatie op studiedag KVIV 30 november 2005. Meise. Van Impe, J. 2003. Voortplantingssucces van Kievit Vanellus vanellus, Grutto Limosa limosa en Tureluur Tringa totanus te Antwerpen-Linkeroever. Natuur.oriolus 69, 45–59. Vanden Auweele ,W., et al. (2004). De chemische bodemvruchtbaarheid van het Belgische akkerbouwen weilandareaal 2000-2003. BDB-VMM-ALT. Heverlee, 138 p. Vermeersch, G., et al. (2004). Atlas van de Vlaamse broedvogels 2000-2002. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 23, Brussel, 496 pp.
Wustenberghs, H., Verhaegen, E., Lauwers, L., Mathijs E. (2004). Monitoring agriculture’s multifunctionality by means of integrated nation-wide accounting. 90th EAAE Seminar. Wustenberghs, H., et al. (2006). Milieurapport Vlaanderen, MIRA Achtergronddocument 2005, Landbouw & Visserij, Vlaamse Milieumaatschappij. Erembodegem, 252 p. http://dov.vlaanderen.be : MAP-meetnet grondwater. www.ehorizon.be : Beheerovereenkomsten landbouwer-overheid. www.milieurapport.be : Milieurapport Vlaanderen. www.milieuindicatoren.be : Milieu-indicatoren uit het Milieurapport Vlaanderen. www.natuurindicatoren.be : Natuurindicatoren uit het Natuurrapport Vlaanderen. www.vlm.be : Vlaamse Landmaatschappij. www.vmm.be/MAP : MAP-meetnet oppervlaktewater.
Referentielijst
Vervaet, M., Lauwers, L., Lenders, S., Overloop, S. (2004). Het driesporen-mestbeleid: evaluatie en toekomstverkenning, CLE-publicatie, Centrum voor Landbouweconomie. Brussel, 59 p.
239
240