Skip to main content

Bosvitaliteitsinventaris_2019_0.pdf

Page 1

Bosvitaliteitsinventaris 2019 Resultaten uit het bosvitaliteitsmeetnet (Level 1) Geert Sioen, Pieter Verschelde, Peter Roskams


Auteurs: Geert Sioen, Pieter Verschelde, Peter Roskams Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Reviewer: Arthur De Haeck Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: INBO Geraardsbergen Gaverstraat 4, 9500 Geraardsbergen www.inbo.be e-mail: geert.sioen@inbo.be pieter.verschelde@inbo.be peter.roskams@inbo.be Wijze van citeren: Sioen G., Verschelde P., Roskams P. (2020). Bosvitaliteitsinventaris 2019. Resultaten uit het bosvitaliteitsmeetnet. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (20). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.18050253 D/2020/3241/130 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (20) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Grove dennen - levend en dood - op de Kenisberg in Deurne-Diest (proefvlak 406, augustus 2019) Dit onderzoek werd uitgevoerd in samenwerking met: het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) en kadert in het ICP Forests programma van de Verenigde Naties

Š 2020, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek


BOSVITALITEITSINVENTARIS 2019 Resultaten uit het bosvitaliteitsmeetnet (Level 1) Geert Sioen, Pieter Verschelde, Peter Roskams

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Dankwoord Verschillende collega’s van het INBO werken mee aan de jaarlijkse inventarisatie, de gegevensopslag, de dataverwerking en de rapportering. Graag bij deze een woord van dank aan Arthur De Haeck en Luc De Geest voor de assistentie bij de kroonbeoordelingen. Zonder de hulp van Tom De Boeck en Jo Loos zou de raadpleging van de bosvitaliteitsdatabank en de rapportering ongetwijfeld veel moeilijker verlopen. Ook graag een woord van dank aan Nicole De Groof en Herwig Borremans voor de lay-out en de eindafwerking van het rapport. En eveneens een dankwoordje voor Heidi Demolder en Lieve Vriens die de data verzamel(d)en voor de natuurindicatorenwebsite. De bosvitaliteitsproefvlakken situeren zich in privé-bossen en openbare domeinen. Wij danken de beheerders voor de medewerking en de toelating voor het betreden van de bosbestanden. In het bijzonder danken we ook de collega’s van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) voor de samenwerking, zowel Leen Govaere (Vlaamse Bosinventarisatie) als de regiobeheerders en de boswachters. Ook de medewerking van de provincie Oost-Vlaanderen (provinciaal domein Puyenbroeck) wordt gewaardeerd.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Samenvatting Het bosvitaliteitsmeetnet telt 71 proefvlakken op een systematisch raster van 4 bij 4 km. In totaal werden in 2019 1474 bomen beoordeeld, waarvan 55,4% loofbomen (n=816) en 44,6% naaldbomen (n=658). De belangrijkste boomsoorten in de inventaris zijn grove den (n=488), zomereik (n=366), Corsicaanse den (n=163), beuk (n=123) en Amerikaanse eik (n=92). Minder algemene boomsoorten worden in de subcategorieën ‘overige loofboomsoorten’ (14 soorten, n=235) en ‘overige naaldboomsoorten’ (2 soorten, n=7) ondergebracht. Voorbeelden van ‘overige loofboomsoorten’ zijn tamme kastanje, wintereik, zwarte els, es, ruwe berk, gewone esdoorn en populier. Het gemiddeld bladverlies bedraagt 24,4%. 22,7% van de bomen wordt als beschadigd beschouwd. De meeste van deze bomen vertonen matig bladverlies (19,7%). Ernstig bladverlies komt bij 1,8% van de bomen voor en 1,2% is afgestorven. 8,5% van de bomen wordt als gezond aanzien. Het gemiddeld bladverlies bedraagt voor naaldbomen 22,7% en voor loofbomen 25,7%. Het aandeel bomen in de bladverliesklassen 2 tot en met 4 bedraagt 26,8% voor loofbomen en 17,6% voor naaldbomen. Wat de afzonderlijke boomsoorten betreft, is de kroontoestand van grove den en beuk het best, met 14,7% beschadigde grove dennen en 21,1% beschadigde beuken. Het bladverlies is groter bij de andere subcategorieën, met 29,8% beschadigde bomen in de groep ‘overige loofboomsoorten’, 28,3% bij Amerikaanse eik en 26,4% bij zomereik en Corsicaanse den. De weersomstandigheden waren beter in vergelijking met 2018 maar nog lang niet goed. Wegens stormschade in maart en juni moesten in 15% van de proefvlakken bomen uit de steekproef gehaald worden. Ten opzichte van de steekproef in 2018 verdween 1,6% van de bomen door storm. Tijdens de zomermaanden werden drie hittegolven geregistreerd, met een record qua maximumtemperatuur (> 40°C). Droogtesymptomen werden in verschillende proefvlakken waargenomen. De kroontoestand verslechterde in vergelijking met de voorgaande inventaris. De enige boomsoorten met een verbetering van de kroonconditie zijn beuk en Corsicaanse den. Van deze boomsoorten daalt het gemiddeld blad-/naaldverlies met respectievelijk 3,9 procentpunten en 2,1 procentpunten. Er is een significante toename van het bladverlies bij Amerikaanse eik (+4,9 procentpunten) en zomereik (+1,8 procentpunten). Grove den en de ‘overige loofboomsoorten’ kennen een lichte achteruitgang (+0,9 procentpunten). In vergelijking met 2018 is er veel minder zaadzetting. Het aandeel beuken en zomereiken met matige tot sterke zaadproductie bedraagt respectievelijk 2,4% en 2,7%. Bladvraat door insecten is toegenomen, zeker bij zomereik. 25,7% van de zomereiken vertoont matige tot sterke vraat, veroorzaakt door verschillende insectensoorten. De uitbreiding van de eikenprocessievlinder (Thaumetopoea processionea) valt op. Spinselnesten van eikenprocessievlinder werden op 7,9% van de eiken aangetroffen. Het aandeel zomereikenproefvlakken met eikenprocessievlinder was nooit eerder zo hoog (32,3%). De droge zomer van 2018 bevorderde de uitbreiding van de soort. Abnormale verkleuring komt het vaakst bij loofbomen voor (15,6%). Meeldauwinfectie (Microsphaera alphitoides) veroorzaakte matige tot ernstige verkleuring bij 24,3% van de zomereiken. De lange termijntrend van het bladverlies is toenemend in het geval van het totaal van de loofbomen en afnemend voor het totaal van alle naaldbomen. Voor zomereik en Amerikaanse ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 3 van 108


eik is er voorlopig geen trend waarneembaar. De toenemende trend is significant voor beuk en de groep ‘overige loofboomsoorten’. In 2014 startte een monitoringproject inzake de gezondheidstoestand van es en de impact van essenziekte (Hymenoscyphus fraxineus). 252 bomen werden geselecteerd in een totaal van 29 proefvlakken, waarvan 9 bosvitaliteitsproefvlakken. Een achteruitgang van de kroontoestand wordt vastgesteld. Het gemiddeld bladverlies stijgt van 28,8% in 2014 naar 47,9% in 2019 en het aandeel beschadigde bomen van 32,1% naar 55,6%. Ongeveer een derde van de bomen vertoont ondertussen meer dan 60% bladverlies (32,1%). 16,3% van de steekproefbomen stierf sinds de start van dit extra meetnet.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


English abstract In Flanders, the Level I survey comprises 1474 trees on 71 plots, based on a 4x4 km grid. The sample consists of 55.4% broadleaves (n=816) and 44.6% conifers (n=658). The main species are Pinus sylvestris (n=488), Quercus robur (n=366), Pinus nigra subsp. Laricio (n=163), Fagus sylvatica (n=123) and Quercus rubra (n=92). Less common species are gathered in the subsets ‘other broadleaves’ (14 species, n=235) and ‘other conifers’ (2 species, n=7). Examples of ‘other broadleaved species’ are Castanea sativa, Quercus petraea, Alnus glutinosa, Fraxinus excelsior, Betula pendula, Acer pseudoplatanus and Populus sp. In 2019, mean defoliation was 24.4% and 22.7% of the trees were rated as damaged. Most of these trees revealed moderate defoliation (19.7%). 1.8% of the trees showed severe defoliation and 1.2% died. 8.5% of the trees were registered as healthy. Mean defoliation was 22.7% in conifers and 25.7% in broadleaves. The share of trees in defoliation classes 2-4 was 26.8% in broadleaves and 17.6% in conifers. The lowest level of damage was observed in Pinus sylvestris and Fagus sylvatica, with 14.7% of P. sylvestris and 21.1% of Fagus sylvatica classified as being damaged. Defoliation was higher in ‘other broadleaves’, Q. rubra, Q. robur and Pinus nigra. The share of trees rated as damaged was 29.8%, 28.3%, 26.4% and 26.4% respectively. Weather circumstances improved compared to 2018 but were still not favorable. After storm damage in March and June, removals were executed in 15% of the plots. 1.6% of the sample trees were excluded from the survey. During summer, three heat waves occurred and temperature records were registered (max. T> 40°C). Symptoms of drought were observed in several plots. Crown condition deteriorated compared to last survey. The only species with a decrease in mean defoliation were Fagus sylvatica (-3.9 percentage points) and P. nigra (-2.1 percentage points). A significant increase was recorded in Quercus rubra (+4.9 percentage points) and Q. robur (+1.8 percentage points). P. sylvestris and the ‘other broadleaves’ showed a slight worsening of the crown condition (+0.9 percentage points). Compared to 2018, the share of Fagus sylvatica and Q. robur with moderate to high fructification was low, 2.4% and 2.7% respectively. More insect defoliation was detected, especially on Q. robur. 25.7% of the oak trees showed moderate to severe insect defoliation, caused by different species. Dry weather circumstances in 2018 favored the distribution of Thaumetopoea processionea. Caterpillar nests were registered on 7.9% of the Q. robur trees. The share of Q. robur plots with observations of T. processionea was the highest ever (32.3%). Discolouration was common on broadleaves. 15.6% of the broadleaved trees showed discolouration on more than 10% of the leaves. Mildew infection (Microsphaera alphitoides) caused moderate to severe discolouration on 24.3% of Quercus robur. Drought, storm and an increasing volume of dead and damaged trees favored populations of wood boring insects and this may lead to higher defoliation scores in the future. In Flanders, mortality of Picea sp. increased and in several forests Pinus sylvestris also revealed a bad condition. Although mean defoliation in P. sylvestris increased, a significant deterioration could not be assessed in the Level I plots. A survey on the health status of Fraxinus excelsior and the impact of Hymenoscyphus fraxineus started in 2014. 252 ash trees were selected on a total of 29 plots, including 9 Level I plots. In ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 5 van 108


this survey a deterioration of the crown condition was observed. Mean defoliation increased from 28.8% in 2014 to 47.9% in 2019. The share of trees showing more than 25% defoliation was 32.1% in 2014 and 55.6% in the last survey. In 2019 32.1% of the trees showed more than 60% defoliation. Since the start of this survey, 16.3% of the sample trees died.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Inhoudstafel Dankwoord .................................................................................................................................... 2 Samenvatting ................................................................................................................................ 3 English abstract ............................................................................................................................. 5 Lijst van figuren ............................................................................................................................. 9 Lijst van foto’s ............................................................................................................................... 9 Lijst van tabellen ........................................................................................................................... 9 1

Inleiding ............................................................................................................................... 11

2

Gegevens over meetnet, proefvlakken en steekproefbomen ............................................ 13

3

2.1

Meetnet en steekproefbomen .................................................................................... 13

2.2

Afgestorven bomen ..................................................................................................... 18

2.3

Uit de steekproef verwijderde bomen ........................................................................ 20

2.4

Nieuwe steekproefbomen........................................................................................... 22

2.5

Gemeenschappelijke steekproefbomen ..................................................................... 23

2.6

Leeftijd van de steekproefbomen ............................................................................... 24

Methodiek ........................................................................................................................... 27 3.1

Jaarlijkse beoordeling .................................................................................................. 27

3.1.1

Blad-/naaldverlies ............................................................................................... 27

3.1.2

Symptomen van aantasting, infectie‌ ................................................................ 27

3.1.3

Zaadzetting en waterscheutvorming .................................................................. 31

3.2

4

Verwerking van de gegevens ...................................................................................... 32

3.2.1

Algemeen ............................................................................................................ 32

3.2.2

Statistische verwerking ....................................................................................... 33

Resultaten ........................................................................................................................... 34 4.1

Kroontoestand 2019.................................................................................................... 34

4.1.1

Blad-/naaldverlies ............................................................................................... 34

4.1.1.1

Totale steekproef ............................................................................................ 34

4.1.1.2

Loofbomen ...................................................................................................... 34

4.1.1.3

Naaldbomen .................................................................................................... 36

4.1.1.4

Leeftijd ............................................................................................................. 38

4.1.1.5

Gegevens per proefvlak................................................................................... 39

4.1.1.6

Bespreking per proefvlak voor de hoofdboomsoorten (min. 5 ex. per soort) 44

4.1.2

Symptomen en oorzaken .................................................................................... 48

4.1.2.1

Algemeen ........................................................................................................ 48

4.1.2.2

Verkleuring ...................................................................................................... 52

4.1.2.3

Insecten ........................................................................................................... 54

4.1.2.4

Schimmels ....................................................................................................... 57

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 7 van 108


4.1.2.5

Kroonsterfte .................................................................................................... 59

4.1.2.6

Stamwonden ................................................................................................... 61

4.1.2.7

Hars- of slijmuitvloei........................................................................................ 63

4.1.2.8

Bladvervorming ............................................................................................... 64

4.1.2.9

Vervorming van de stam ................................................................................. 66

4.1.2.10

Takbreuk ...................................................................................................... 67

4.1.3

Zaadzetting .......................................................................................................... 70

4.1.4

Waterscheutvorming .......................................................................................... 71

4.1.5

Weersomstandigheden (bron: website KMI) ...................................................... 73

4.2

Evolutie van het bladverlies in vergelijking met 2018 ................................................ 76

4.2.1

Algemeen ............................................................................................................ 76

4.2.2

Loofbomen .......................................................................................................... 77

4.2.3

Naaldbomen ........................................................................................................ 79

4.2.4

Verandering van blad- of naaldverliesklasse bij individuele bomen ................... 80

4.2.5

Evolutie per proefvlak ......................................................................................... 83

4.3

Evolutie van het bladverlies sinds 2017 ...................................................................... 85

4.4

Evolutie van het bladverlies sinds 1995 ...................................................................... 90

4.4.1

Evolutie van het gemiddeld bladverlies .............................................................. 90

4.4.2

Evolutie van het percentage beschadigde bomen .............................................. 97

5

Inventarisatie gezondheidstoestand es ............................................................................ 102

6

Besluit ................................................................................................................................ 104

Referenties ................................................................................................................................ 106 Bijlage: bladverlies gemeenschappelijke bomen 2018-2019 .................................................... 108

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Lijst van figuren Figuur 1 Figuur 2 Figuur 3 Figuur 4 Figuur 5 Figuur 6

Figuur 7

Figuur 8 Figuur 9 Figuur 10 Figuur 11 Figuur 12 Figuur 13 Figuur 14 Figuur 15 Figuur 16 Figuur 17 Figuur 18 Figuur 20 Figuur 21

Bosvitaliteitsinventaris 2019 - Vlaamse Gewest: situering van de proefvlakken 16 Bosvitaliteitsinventaris 2019 - gemiddeld blad-/naaldverlies per proefvlak 46 Overzicht van het aandeel proefvlakken met een gemiddeld blad-/naaldverlies van de hoofdboomsoort in de categorieën 0-10%, >10-25%, >25-40% en >40% 47 Percentage beschadigde gemeenschappelijke bomen in de periode 2018-2019 78 Percentage bomen in de verschillende bladverliesklassen in de periode 2017-2019 (beschadigd vanaf K2: 26-60% bladverlies) - totaal van alle bomen 87 Percentage bomen in de verschillende bladverliesklassen in de periode 2017-2019 (beschadigd vanaf K2: 26-60% bladverlies) - loofbomen, naaldbomen, beuk, zomereik 88 Percentage bomen in de verschillende bladverliesklassen in de periode 2017-2019 (beschadigd vanaf K2: 26-60% bladverlies) - Amerikaanse eik, overige loofboomsoorten, grove den, Corsicaanse den 89 Gemiddeld blad-/naaldverlies in de bosvitaliteitsinventaris van 1995 t.e.m. 2019 91 Gemiddeld bladverlies van alle loofbomen in de periode 1995-2019 92 Gemiddeld naaldverlies van alle naaldbomen in de periode 1995-2019 93 Gemiddeld bladverlies van beuk in de periode 1995-2019 93 Gemiddeld bladverlies van zomereik in de periode 1995-2019 94 Gemiddeld bladverlies van Amerikaanse eik in de periode 1995-2019 95 Gemiddeld naaldverlies van grove den in de periode 1995-2019 95 Gemiddeld naaldverlies van Corsicaanse den in de periode 1995-2019 96 Percentage beschadigde bomen in de periode 1995-2019 97 Percentage beschadigde beuken in de periode 1995-2019 98 Percentage beschadigde zomereiken in de periode 1995-2019 99 Percentage beschadigde grove dennen in de periode 1995-2019 100 Percentage beschadigde Corsicaanse dennen in de periode 1995-2019 101

Lijst van foto’s Foto 1 Foto 2 Foto 3 Foto 4 Foto 5 Foto 6 Foto 7 Foto 8 Foto 9 Foto 10 Foto 11

Stormschade in het Pijnven (proefvlak 904, windval Corsicaanse den) Beukenproefvlak in Ravels (Gewestbos Ravels, proefvlak 95001, juli 2019) Dode en kwijnende zomereiken in Brecht (Groot Schietveld, proefvlak 504) Grove dennen in Houthalen (Kelchterhoef, proefvlak 701, juli 2019) Zomereiken in Serskamp (proefvlak 207, juli 2019) Droogtesymptomen op lijsterbes (links) en krentenboompje (rechts) Twijgsterfte door tamme-kastanjegalwesp Dryocosmus kuriphilus Stormschade: grove den met gebroken kroontop (Zutendaal, proefvlak 802) Afgestorven blauwe bosbes in het Pijnven (Eksel, proefvlak 901, september 2019) In het Zoniënwoud verbeterde de bladbezetting van de beuken In dit proefvlak in het Zoniënwoud is een dunning voorzien

20 26 43 45 47 51 65 69 75 82 89

Lijst van tabellen Tabel 1 De proefvlakken in het bosvitaliteitsmeetnet (vet: internationaal meetnet) Tabel 2 Absolute en procentuele samenstelling van de steekproef Tabel 3 Afgestorven bomen in de steekproef (2019) Tabel 4 Uit de steekproef verwijderde bomen (2019)

15 17 19 21

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 9 van 108


Tabel 5 Tabel 6 Tabel 7 Tabel 8 Tabel 9 Tabel 10 Tabel 11 Tabel 12 Tabel 13 Tabel 14 Tabel 15 Tabel 16 Tabel 17 Tabel 18 Tabel 19 Tabel 20 Tabel 21

Tabel 22 Tabel 23 Tabel 24 Tabel 25 Tabel 26 Tabel 27 Tabel 28 Tabel 29 Tabel 30 Tabel 31 Tabel 32 Tabel 33 Tabel 34 Tabel 35 Tabel 36 Tabel 37 Tabel 38 Tabel 39 Tabel 40 Tabel 41

Aan de steekproef toegevoegde bomen (2019) 22 Gemiddelde leeftijd en procentuele verdeling van de steekproefbomen 25 Procentuele soortensamenstelling van beide leeftijdgroepen bij loofbomen 26 Procentuele soortensamenstelling van beide leeftijdgroepen bij naaldbomen 26 Klassenindeling voor blad-/naaldverlies 27 Categorieën van mogelijk aangetaste delen van een boom 28 Symptomen en omvangklassen 29 Hoofdgroepen van schadeorganismen en schadefactoren 30 Schadeklassen en respectievelijke code 30 Leeftijd symptoom 31 Klassenindeling voor zaadzetting 31 Klassenindeling voor waterscheutvorming 31 Procentuele verdeling van de steekproefbomen per blad-/naaldverliesklasse 37 Procentuele verdeling van de steekproefbomen in 10%-klassen 37 Gemiddeld blad-/naaldverlies (%), standaardafwijking (s.a.) en mediaan 37 Percentage beschadigde bomen per leeftijdgroep 39 Vergelijking van het percentage blad-/naaldverlies tussen de leeftijdgroepen per type en boomsoort in 2019 (Wilcoxon test, α=0.05, *=p<0.05, **=p<0.01, ***=p<0.001, n.s. = niet significant) 39 ‘Beschadigde’ proefvlakken in 2019 (gemiddeld bladverlies > 25%) 43 Percentage bomen met symptomen (totaal: 1474 bomen) 49 Belangrijkste groepen van oorzaken (totaal: 1474 bomen) 50 Belangrijkste symptomen per boomsoort 51 Percentage bomen met meer dan 10% van de kroon verkleurd 53 Procentuele verdeling van de steekproefbomen volgens insectenaantasting 55 Percentage bomen met (sporen van) insecten op de stam 57 Percentage bomen met verkleuring door schimmelinfectie 59 Percentage bomen met kroonsterfte 61 Percentage bomen met stamwonden 63 Percentage bomen met hars of slijm 64 Aandeel bomen met vervorming van stam, stamvoet of geëxposeerde wortels 67 Aandeel bomen met takbreuk (scheuten/twijgen/takken) 68 Procentuele verdeling van de steekproefbomen volgens zaadzetting 71 Aandeel bomen met waterscheuten 72 Evolutie van het aandeel beschadigde bomen in de periode 2018-2019 76 Evolutie van het percentage blad-/naaldverlies in de periode 2018-2019 (Wilcoxon rang test, α=0.05, *=p<0.05, **=p<0.01, ***=p<0.001) 80 Procentuele verdeling van de klassensprongen tussen 2018 en 2019 82 Evolutie van het gemiddeld bladverlies in de periode 2017-2019 (Wilcoxon rang test, α=0.05, *=p<0.05, **=p<0.01, ***=p<0.001) 87 Proefvlakken van het bosvitaliteitsmeetnet met geselecteerde essen voor het essenonderzoek in 2019 103

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


1 INLEIDING Het Vlaamse bosvitaliteitsmeetnet maakt deel uit van een internationaal meetnet voor het opvolgen van de gezondheidstoestand van bossen, het zogenaamde Level 1 meetnet van het ICP Forests programma (www.icp-forests.net). Aan de hand van de metingen in de proefvlakken proberen we zicht te krijgen op de gezondheidstoestand van de bossen. We bespreken de toestand voor een aantal belangrijke boomsoorten en we bekijken de evolutie van de kroontoestand. De monitoring van de gezondheidstoestand van de bossen werd in de jaren 1980 gestart om de gevolgen van luchtverontreiniging in kaart te brengen. Het ICP Forests, of International Cooperative Programme on Assessment and Monitoring of Air Pollution Effects on Forests, werd in 1985 opgericht. In 1979 ontstond de VN Conventie over grensoverschrijdende luchtverontreiniging, bekend onder de naam Air Convention. De oprichting van ICP Forests was daar een gevolg van. In Vlaanderen werd het bosvitaliteitsmeetnet in 1987 opgericht (uitvoering EC Verordening 3528/87). Kort daarna ontstond ook het Level 2 meetnet of het ‘meetnet voor intensieve monitoring van bosecosystemen’. Het ICP Forests verspreidt regelmatig publicaties met resultaten uit beide meetnetten (zie referentielijst en website ICP Forests). Dit rapport behandelt de resultaten uit het Vlaamse Level 1 meetnet. Het ICP Forests beschikt over verschillende expertenpanels die de onderzoeksmethodiek uitwerkten en de rapportering verder opvolgen. Het Expert Panel on Crown Condition van het ICP Forests werkte de basishandleiding voor de kroonbeoordelingen uit (Manual, zie referentielijst). De meetnetten werden opgericht om de gevolgen van luchtverontreiniging te monitoren en die problematiek is nog steeds actueel. Meetnetten bewijzen ondertussen hun diensten voor ander onderzoek, ondermeer rond biodiversiteit, ecosysteemdiensten en klimaatwijziging. In de toekomststrategie van het ICP Forests wordt opgesomd waarom de toestand van de bossen in het kader van een veranderend klimaat verder opgevolgd moet worden (monitoren van koolstofopslag, bosbrand, stormschade, ziekten, aantastingen). Net omdat de monitoring op Europese schaal uitgevoerd wordt, is het meetnet belangrijk voor het monitoren van effecten van klimaatverandering op bossen. Het percentage beschadigde bomen in het meetnet is een regionale natuurindicator die jaarlijks gepubliceerd wordt op de natuurindicatorenwebsite van het INBO (www.natuurindicatoren.be) en in eigen publicaties (Vriens et al., 2019). De indicator maakt ook deel uit van de Vlaamse Statistieken (www.statistiekvlaanderen.be). De bosvitaliteitsindex wordt er gecatalogeerd onder ‘omgeving - milieu en natuur’. De indicatoren worden bijgehouden om het gevoerde beleid en beheer te kunnen evalueren. Ook internationaal worden lijsten met indicatoren opgesteld. De Ministeriële Conferentie over de bescherming van de bossen in Europa maakt om de vijf jaar een toestandsrapport (www.foresteurope.org). De indicatoren over bosvitaliteit staan in een lijst met indicatoren voor duurzaam bosbeheer en worden onder de rubriek C.2 gerapporteerd (‘State of Europe’s Forests’ - Maintenance of Forest Ecosystem Health and Vitality). Op Vlaams niveau werden de afgelopen jaren verschillende documenten gepubliceerd die verwijzen naar het belang van lange termijnmonitoring in bossen. Dat gebeurde zowel tijdens ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 11 van 108


het bossymposium in 2017 (Quataert et al., 2018) als in de beleidsnota van de minister (beleidsnota 2019-2024) en de position paper van het INBO (onderzoeksagenda 2020-2024). Position paper van het INBO - thema bos en bosomgeving: “Het INBO kan bogen op conitnuïteit en multidisciplinariteit. Via permanente meetnetten komen we tot langlopende meetreeksen, databanken en collecties. INBO-medewerkers vervullen coördinerende functies in internationale netwerken zoals ICP Forests (p. 14).” Beleidsnota minister: Wetenschappelijke onderbouwing en evaluatie voor een doeltreffend biodiversiteitsbeleid (13.4-SD4): “Ik blijf inzetten op monitoringprogramma’s die de toestand en trends van natuur, bos en omgeving en de daartoe ontwikkelde beleidsinstrumenten op lange termijn opvolgen (p. 68).” Kennis om het biodiversiteitsbeleid en -beheer te optimaliseren (13.4.6-OD6): “In de natuurrapporten laat ik de toestand van de natuur en de geleverde ecosysteemdiensten evalueren en verklaren, zodat ik dit waar nodig in mijn beleid kan doorvertalen (p. 70).”

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


2 GEGEVENS OVER MEETNET, PROEFVLAKKEN EN STEEKPROEFBOMEN 2.1

MEETNET EN STEEKPROEFBOMEN

Het bosvitaliteitsmeetnet werd in Vlaanderen in 1987 opgestart. Aan de hand van een systematisch raster van 8 bij 8 kilometer werden 42 steekproefpunten in bossen geselecteerd. In 1995 werd het meetnet verdicht tot 4 bij 4 kilometer. Er werden toen 30 extra meetpunten gekozen. Bij deze uitbreiding van de steekproef werden uitsluitend extra loofboomproefvlakken geselecteerd. De internationale steekproef is gebaseerd op een 16x16 km-meetnet. Het internationale meetnet telt over gans Europa meer dan 5000 meetpunten (Michel, Prescher & Schwärzel, 2019). Veel landen hebben naast een internationaal meetnet (16x16 km) ook een regionaal meetnet dat extra meetpunten oplevert. Bij de aanvang van de Vlaamse inventaris maakten 10 proefvlakken deel uit van de internationale steekproef. Daarvan werden in 2019 nog 8 proefvlakken beoordeeld (zie tabel 1 - in het vet). Het wegvallen van bomen en proefvlakken is een terugkerend probleem. Door kappingen en extreme stormschade verdwenen niet alleen twee internationale proefvlakken. In 2018 verdwenen twee regionale proefvlakken na eindkap van populierenbestanden. Omdat het aantal proefvlakken en steekproefbomen de laatste jaren verminderde, werden in 2019 twee nieuwe proefvlakken aan de steekproef toegevoegd. Uit een selectie meetpunten van het bosinventarisatiemeetnet werden twee nieuwe loofboomproefvlakken gekozen. Een proefvlak situeert zich in het domeinbos van Ravels (provincie Antwerpen), een ander in het provinciaal domein Puyenbroeck (provincie Oost-Vlaanderen). Het aantal proefvlakken bedroeg in 2019 71 (tabel 1, figuur 1), met een totaal van 1474 steekproefbomen (tabel 2). Er werden in 2019 in totaal 816 loofbomen en 658 naaldbomen beoordeeld (respectievelijk 55,4% en 44,6%). De belangrijkste loofboomsoort is zomereik. Bijna een kwart van de bomen in de inventaris zijn zomereiken (24,9%). Daarna volgen beuk (8,4%) en Amerikaanse eik (6,2%). Er is een grote groep ‘overige loofboomsoorten’ (15,9%). Veertien verschillende soorten behoren tot deze groep. De soorten die meer dan 1 procent van de totale steekproef uitmaken zijn tamme kastanje (3,1%), wintereik (2,9%), zwarte els (2,5%), es (1,9%), ruwe berk (1,7%), gewone esdoorn (1,3%) en populier (1,2%). Tamme kastanje komt in deze groep het meest voor maar het aandeel proefvlakken met de soort is beperkt (7 proefvlakken waarvan slechts 1 met minstens 5 exemplaren: proefvlak 613 - Ravels). De belangrijkste naaldboomsoorten zijn grove den en Corsicaanse den. Ongeveer een derde van de totale steekproef bestaat uit grove dennen (33,0%). Verder bestaat de steekproef voor 11,1% uit Corsicaanse dennen. Er zijn nauwelijks andere naaldboomsoorten (0,5%). Deze bomen (6 Japanse lorken en 1 douglasspar) worden verder in het rapport niet besproken. Tot en met 2011 werden per proefvlak 24 steekproefbomen gekozen (4 groepen van 6 bomen). De oppervlakte van het proefvlak werd niet vastgelegd, enkel het aantal bomen (Sioen & Roskams, 2007). In 2012 werd de steekproef gewijzigd (Sioen et al., 2012). Binnen een ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 13 van 108


cirkel met straal 18 meter werden alle overheersende en medeheersende bomen geselecteerd. Alle proefvlakken hebben sindsdien een vaste oppervlakte maar het aantal bomen per steekproefcirkel is variabel. Proefvlakken met jonge bomen tellen meer exemplaren dan proefvlakken met oude bomen. Het aantal steekproefbomen is het laagst in Maldegem en Herselt (proefvlakken 201 en 612, beiden 5 exemplaren). Het grootste aantal bomen wordt in een Corsicaanse dennenproefvlak in het domeinbos Pijnven geteld (proefvlak 910, 54 exemplaren). De jaarlijkse kroonbeoordelingen werden in 2019 op 2 juli gestart. De inventarisatie werd op 24 september afgerond.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Tabel 1 De proefvlakken in het bosvitaliteitsmeetnet (vet: internationaal meetnet) nr. proefvlak 101 102 103 104 111 112 201 202 203 205 206 207 211 212 213 214 215 147067 302 303 311 312 402 403 406 411 412 413 414 415 416 501 502 504 505 506 507 508 511 512 513 514 515 516 601 602 603 604 611 612 613 95001 701 702 703 711 712 713 714 802 803 804 805 811 812 901 902 903 904 906 910

plaats Wijtschate Zerkegem Hertsberge Zwevezele Ieper Torhout Maldegem Sint-Laureins Oosteeklo Gontrode Moerbeke Serskamp Wortegem-Petegem Kluisbergen Maldegem Maarkedal Ronse Wachtebeke Halle Tervuren Meise Hoeilaart Perk Averbode Deurne Herent Leuven Lubbeek Aarschot Tielt-Winge Zoutleeuw Kapellen Brasschaat Brecht Schilde Oostmalle Oelegem Pulle Putte Schilde Wuustwezel Zandhoven Zoersel Herentals Merksplas Beerse Arendonk Mol-Rauw Beerse Herselt Ravels Ravels Houthalen Kinrooi Opglabbeek Houthalen-Helchteren Meeuwen-Gruitrode Bocholt Bocholt Zutendaal Gellik Dilsen Dilsen Genk Lanaken Eksel Leopoldsburg Eksel Lommel Eksel Overpelt

naam/toponiem Diependaal De Os en den Ezel Hendriksberg Jobeekbosje Galgebossen Wijnendalebos Paddepoelebos Kommer Heide Aelmoeseneiebos Heidebos De Zandputten Oud Moregembos Feelbos Krayeloo Koppenbergbos St.-Pietersbos Puyenbroeck Hallerbos Zoniënwoud Leefdaalbos Zoniënwoud Hellebos Haeckbos Kenisberg Kareelbos Egenhovenbos Collegebos ‘s Hertogenheide Walenbos Tienbunders Kapellenbos Peerdsbos Groot Schietveld Het Kamp Wolfschot Loddershoek Krabbels Moretusbos Hof ter Linden Pastoorsbos Bosloop Zoerselbos Peertsbos Kolonie Smalbroek Lusthoven Verkallerbos Luisterborg Kaaibeekbos Krombusseltjes bos Domeinbos Ravels Kelchterhoef Grootbroek Heiderbos Tenhout Masy Lozerheide Stamprooiersbroek Grote Heide De Hoefaart Kalerheide Dilserbos Bokrijk Molenberg Pijnven Kamp van Beverlo Pijnven Pijnven Pijnven Pijnven

eigendom privé privé privé privé openbaar openbaar privé privé privé openbaar privé privé privé privé privé openbaar privé openbaar openbaar openbaar privé openbaar openbaar privé openbaar openbaar openbaar privé privé openbaar privé privé openbaar openbaar privé openbaar openbaar privé openbaar privé openbaar privé privé openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar privé privé openbaar openbaar openbaar openbaar privé openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar openbaar

boomsoort(n ≥ 3) tamme kastanje, zomereik grove den, zomereik grove den populier zomereik zomereik zomereik grove den grove den zomereik, Japanse lork, es grove den zomereik zomereik beuk ruwe berk, zomereik es beuk zomereik, ruwe berk wintereik, zomereik beuk zomereik beuk zomereik, es grove den grove den Amerikaanse eik, beuk zomereik zomereik, Amerikaanse eik Amerikaanse eik gewone esdoorn, zomereik es, zomereik, tamme kastanje zomereik, Amerikaanse eik, tamme kastanje grove den zomereik grove den grove den grove den zomereik, es beuk beuk beuk zomereik zomereik zomereik zomereik grove den grove den, Corsicaanse den zwarte els zomereik zomereik, beuk tamme kastanje, zomereik beuk grove den zomereik grove den zomereik zomereik, robinia, Amerikaanse eik zomereik zwarte els grove den, Amerikaanse eik grove den grove den Amerikaanse eik zomereik wintereik, grove den Corsicaanse den grove den Corsicaanse den Corsicaanse den Amerikaanse eik Corsicaanse den

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 15 van 108


Figuur 1

Bosvitaliteitsinventaris 2019 - Vlaamse Gewest: situering van de proefvlakken (INBO)


Tabel 2 Absolute en procentuele samenstelling van de steekproef aantal

percentage

zomereik

soort

366

24,9

beuk

123

8,4

92

6,2

tamme kastanje

47

3,1

wintereik

43

2,9

zwarte els

37

2,5

es

29

1,9

ruwe berk

25

1,7

gewone esdoorn

19

1,3

populier

18

1,2

valse acacia

7

0,5

grauwe abeel

4

0,3

haagbeuk

2

0,1

witte els

1

0,1

zoete kers

1

0,1

zachte berk

1

0,1

gladde iep

1

0,1

totaal overige lbs.*

235

15,9

loofbomen

816

55,4

grove den

488

33,0

Corsicaanse den

163

11,1

Japanse lork

6

0,4

douglas

1

0,1

7

0,5

Amerikaanse eik overige lbs.*

overige nbs.*

totaal overige nbs.* naaldbomen

658

44,6

totaal

1474

100,0

*: lbs. = loofboomsoorten; nbs. = naaldboomsoorten

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 17 van 108


2.2

AFGESTORVEN BOMEN

Tijdens het inventarisatiewerk werden 18 recent afgestorven steekproefbomen opgemerkt (tabel 3). Dit betekent dat 1,2% van de bomen stierf na de inventarisatie van 2018. Het mortaliteitscijfer is hetzelfde als in 2017 (1,2%) en goed vergelijkbaar met 2018 (1,1%). De droge zomer van 2018 heeft in 2019 geen opvallend hoger sterftecijfer veroorzaakt. Het aandeel bomen dat na extreme stormschade uit de steekproef gehaald moest worden is groter. Ook bij de afgestorven bomen zit een boom die ten gevolge van stormschade stierf. In het proefvlak Deurne-Diest (proefvlak 406) brak de volledige kroon van een grove den (topbreuk). Alleen de (dode) boomstam bleef overeind. In 2018 werd deze boom nog als gezond beschouwd (maximum 10% naaldverlies). Er werden (staande) dode bomen in 10 verschillende proefvlakken aangetroffen. In 4 proefvlakken werden in totaal 4 dode naaldbomen genoteerd. Dit waren allen grove dennen. Er was meer sterfte in loofboomproefvlakken. In 6 proefvlakken stierven er in totaal 14 loofbomen. Deze steekproefbomen behoren tot 4 verschillende boomsoorten. Naast zwarte elzen en zomereiken stierven er ook essen en een ruwe berk. Afgestorven grove dennen waren er niet alleen in Deurne-Diest maar ook in Moerbeke (proefvlak 206), Averbode (proefvlak 403) en Leopoldsburg (proefvlak 902). De grove den in Averbode werd in 2018 ook al als beschadigd genoteerd (50% naaldverlies). Ook in Leopoldsburg was de den al een jaar eerder beschadigd (45% naaldverlies). In Moerbeke werd de grove den tot en met 2018 als niet-beschadigd beschouwd. Dit toont aan dat vitaliteitsverlies bij dennen heel snel kan gaan. Eiken kunnen bijvoorbeeld jarenlang met een bladverlies van meer dan 50% verder leven, bij naaldbomen is dat maar zelden het geval. De kans is groot dat de droge zomers van 2018 en 2019 in deze naaldboomproefvlakken het grootste effect hadden. Samen met het proefvlak in Serskamp (zomereik) zijn dit de enige proefvlakken waar het vitaliteitsverlies van de bomen zo snel ging. Er moet hier ook bij vermeld worden dat de meeste van deze proefvlakken geen bosbeheer met regelmatige dunningen kennen. In Serskamp, Moerbeke en Averbode werden sinds de inrichting van de proefvlakken in 1987 nooit dunningen uitgevoerd. De onderlinge concurrentie tussen de bomen is hierdoor groot. In Averbode en Serskamp was er in 2018 ook al boomsterfte. De oorzaak van eikensterfte wordt bij ons vaak als onbekend beschouwd. De kans bestaat dat verschillende factoren een rol spelen (beheer, standplaats, droogte, luchtverontreiniging, insecten, schimmelsâ&#x20AC;Ś).In Serskamp (proefvlak 207) werd eerder ook al sterfte waargenomen. De pas afgestorven zomereik werd in de periode 2014-2015 als beschadigd beschouwd maar het bladverlies was niet hoger dan 30%. In 2018 werd al slijmuitvloei in de boomkroon waargenomen en een opvallende verkleuring van de waterscheuten. De groei van de boom was beperkt. De aanleiding van de sterfte van twee zomereiken in Maldegem (proefvlak 201) is wellicht extreme snoei, gevolgd door de droogte en hitte van 2018 en 2019. Dwars door het bos lopen verschillende hoogspanningslijnen. Bij de aanleg van de nieuwste hoogspanning werd een groot deel van het bos gekapt en enkele eiken in de buurt van de hoogspanning werden volledig gesnoeid. De kale stammen liepen nog opnieuw uit maar stierven kort daarna. Boom 111 werd na de inventaris van 2017 gesnoeid. Een jaar later was die opnieuw aan het uitlopen maar nog een jaar later stierf hij. Boom 103 werd na de inventaris van 2018 gesnoeid. Ook voor deze boom liep het slecht af. Op beide stammen werden uitvlieggaten van eikenprachtkever vastgesteld (Agrilus biguttatus). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Er zijn niet zo veel proefvlakken met essen en het aantal essen in de inventaris neemt jaarlijks af door essensterfte. Zowel in Zoutleeuw (proefvlak 416) als in Pulle (proefvlak 508) stierven eerder al exemplaren. De essenziekte Hymenoscyphus fraxineus was de aanleiding voor een afzonderlijke inventarisatie die in 2014 startte (zie hoofdstuk 5). Van in 2014 werden beide essen al als beschadigd beschouwd. De es in Pulle vertoonde vanaf 2016 sterk bladverlies (meer dan 60%), de es in Zoutleeuw vanaf 2018. In Zoutleeuw is, naast essenziekte, een combinatie van andere schadefactoren een mogelijke oorzaak van de sterfte. De boom vertoonde rot aan de wortelaanlopen, rhizomorfen van honingzwam (Armillaria spp.) en boorgaten van insecten. Ook de es in Pulle vertoonde boorgaten van insecten. In Zoutleeuw is er voor het derde opeenvolgende jaar essensterfte. In 2019 kwam daar ook stormschade bij. Zoals elk jaar was er opnieuw sterfte van zwarte elzen in Bocholt (proefvlak 714). Door een vernattingsproject veranderde dit bebost weiland aan de Aa-beek meer en meer in een moeras. Het moerasherstelproject veroorzaakt sindsdien jaarlijks boomsterfte. Bovendien werd vanaf 2006 infectie van zwarte els door elzenphytophthora vastgesteld (Phytophthora alni). De verspreiding van de schimmel werd vergemakkelijkt door de hoge waterstanden. In 2019 stierven er 8 zwarte elzen. Zes van de acht bomen waren al minstens 5 jaar na elkaar beschadigd. In 2018 vertoonden alle afgestorven elzen al sterk bladverlies (75% bladverlies en meer). Van de 132 geselecteerde bomen in 2012 blijven er in 2019 nog 22 over. Daar zit nog ĂŠĂŠn niet-beschadigde zwarte els bij. Alle afgestorven bomen worden vanaf 2020 niet meer in de inventaris opgenomen. In 2019 worden ze een laatste keer meegeteld (allen met 100% blad-/naaldverlies).

Tabel 3

Afgestorven bomen in de steekproef (2019)

proefvlak

plaats

afgestorven boom

nr.

201

Maldegem

zomereik

103

201

Maldegem

zomereik

111

206

Moerbeke

grove den

10

207

Serskamp

zomereik

131

403

Averbode

grove den

144

406

Deurne (Diest)

grove den

121

416

Zoutleeuw

es

105

508

Pulle

es

113

711

Houthalen-Helchteren

ruwe berk

26

714

Bocholt

zwarte els

103

714

Bocholt

zwarte els

138

714

Bocholt

zwarte els

153

714

Bocholt

zwarte els

159

714

Bocholt

zwarte els

179

714

Bocholt

zwarte els

185

714

Bocholt

zwarte els

216

714

Bocholt

zwarte els

217

902

Leopoldsburg

grove den

103

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 19 van 108


2.3

UIT DE STEEKPROEF VERWIJDERDE BOMEN

In totaal verdwenen 30 steekproefbomen door kappingen of stormschade (tabel 4). Extreme stormen in maart en juni veroorzaakten veel schade aan bomen. In verschillende proefvlakken was er enkel takbreuk of waren er alleen niet-genummerde bomen die omwaaiden of afkraakten. Daar moesten geen bomen uit de steekproef genomen worden. In 11 proefvlakken moesten er wel bomen uit de steekproef gehaald worden omdat ze omwaaiden, afkraakten (stam- of kroonbreuk) of schuin waaiden waardoor de kroon niet meer beoordeeld kon worden (15% van de proefvlakken). Bomen werden geweerd wanneer meer dan 50% van de kroon beschadigd was. In totaal verdwenen 24 bomen uit de steekproef door storm (1,6% van de steekproefbomen). De stormen veroorzaakten schade in alle provincies en bij verschillende boomsoorten. Er moesten bomen uit de steekproef verwijderd worden in Zwevezele (proefvlak 104, 2 populieren), Maldegem (proefvlak 213, 1 zomereik en 1 ruwe berk), Averbode (proefvlak 403, 2 grove dennen), Zoutleeuw (proefvlak 416, 1 es), Schilde (proefvlak 505, 1 grove den; proefvlak 512, 1 beuk), Herselt (proefvlak 612, 1 zomereik), Houthalen (proefvlak 701, 2 grove dennen en 1 Japanse lork), Meeuwen-Gruitrode (proefvlak 712, 2 valse acacia’s), Zutendaal (proefvlak 802, 1 grove den) en Lommel (proefvlak 904, 8 Corsicaanse dennen). Het is het tweede opeenvolgende jaar dat er veel bomen uit de steekproef verdwijnen. In 2018 werden ook al 50 bomen uit de steekproef gehaald (kappingen en stormschade). Op twee jaar tijd verdwenen 80 steekproefbomen, wat ongeveer 5% van de steekproef is. In één proefvlak werd een dunning uitgevoerd (Genk, proefvlak 811). Zes genummerde zomereiken werden gekapt en verdwenen uit de steekproef.

Foto 1

Stormschade in het Pijnven (proefvlak 904, windval Corsicaanse den, augustus 2019)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Tabel 4

Uit de steekproef verwijderde bomen (2019)

proefvlak

plaats

boomsoort

nr.

reden

104

Zwevezele

populier

104

stambreuk

104

Zwevezele

populier

112

kroonbreuk

213

Maldegem

zomereik

117

kroonbreuk

213

Maldegem

ruwe berk

119

stambreuk

403

Averbode

grove den

108

kroonbreuk

403

Averbode

grove den

115

kroonbreuk

416

Zoutleeuw

es

111

stambreuk

505

Schilde

grove den

28

windval

512

Schilde

beuk

104

kroonbreuk

612

Herselt

zomereik

18

windval

701

Houthalen

grove den

114

windval

701

Houthalen

grove den

115

windval

701

Houthalen

Japanse lork

117

hangt schuin

712

Meeuwen-Gruitrode

valse acacia

13

windval

712

Meeuwen-Gruitrode

valse acacia

14

stambreuk

802

Zutendaal

grove den

114

kroonbreuk

811

Genk

zomereik

4

dunning

811

Genk

zomereik

32

dunning

811

Genk

zomereik

104

dunning

811

Genk

zomereik

106

dunning

811

Genk

zomereik

108

dunning

811

Genk

zomereik

116

dunning

904

Lommel

Corsicaanse den

13

windval

904

Lommel

Corsicaanse den

14

windval

904

Lommel

Corsicaanse den

32

windval

904

Lommel

Corsicaanse den

108

hangt schuin

904

Lommel

Corsicaanse den

113

windval

904

Lommel

Corsicaanse den

116

windval

904

Lommel

Corsicaanse den

136

windval

904

Lommel

Corsicaanse den

137

windval

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 21 van 108


2.4

NIEUWE STEEKPROEFBOMEN

In 2019 werden twee nieuwe proefvlakken aan de steekproef toegevoegd. De geselecteerde steekproefbomen worden in tabel 5 opgesomd. In Ravels werden 15 bomen aan het meetnet toegevoegd (14 beuken en een zomereik). In het Puyenbroeck werden 22 bomen geselecteerd (16 zomereiken, 5 ruwe berken en 1 grauwe abeel). Tabel 5

Aan de steekproef toegevoegde bomen (2019)

proefvlak

plaats

boomsoort

nr.

213

Maldegem

zomereik

6

603

Arendonk

Amerikaanse eik

113

904

Lommel

Corsicaanse den

144

95001

Ravels

beuk

1

95001

Ravels

zomereik

2

95001

Ravels

beuk

3

95001

Ravels

beuk

4

95001

Ravels

beuk

5

95001

Ravels

beuk

6

95001

Ravels

beuk

7

95001

Ravels

beuk

8

95001

Ravels

beuk

9

95001

Ravels

beuk

10

95001

Ravels

beuk

11

95001

Ravels

beuk

12

95001

Ravels

beuk

13

95001

Ravels

beuk

14

95001

Ravels

beuk

15

147067

Wachtebeke

ruwe berk

1

147067

Wachtebeke

zomereik

2

147067

Wachtebeke

ruwe berk

3

147067

Wachtebeke

zomereik

4

147067

Wachtebeke

ruwe berk

5

147067

Wachtebeke

zomereik

6

147067

Wachtebeke

zomereik

7

147067

Wachtebeke

zomereik

8

147067

Wachtebeke

zomereik

9

147067

Wachtebeke

zomereik

10

147067

Wachtebeke

grauwe abeel

11

147067

Wachtebeke

zomereik

12

147067

Wachtebeke

zomereik

13

147067

Wachtebeke

zomereik

14

147067

Wachtebeke

zomereik

15

147067

Wachtebeke

zomereik

16

147067

Wachtebeke

zomereik

17

147067

Wachtebeke

ruwe berk

18

147067

Wachtebeke

zomereik

19

147067

Wachtebeke

zomereik

20

147067

Wachtebeke

ruwe berk

21

147067

Wachtebeke

zomereik

22

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


In drie andere proefvlakken werd telkens ĂŠĂŠn boom aan de steekproef toegevoegd (tabel 5). In Maldegem (proefvlak 213) betreft het een zomereik die ooit door stormschade uit de steekproef geschrapt werd, maar na verloop van tijd weer een mooie kroon vormde en opnieuw voor kroonbeoordeling in aanmerking kwam. De geselecteerde Amerikaanse eik in Arendonk (proefvlak 603) is een boom die vanuit de onderetage opgroeide en ondertussen als medeheersende boom beschouwd wordt. De boomkroon wordt niet langer onderdrukt door andere bomen. In Lommel (proefvlak 904) werd een extra Corsicaanse den in de steekproef opgenomen. Deze boom kreeg meer groeiruimte door een uitgevoerde dunning. Ook door windval (stormschade) is er meer groeiruimte voor de resterende bomen.

2.5

GEMEENSCHAPPELIJKE STEEKPROEFBOMEN

De gemeenschappelijke bomen zijn bomen die twee of meer jaren na elkaar beoordeeld worden. De gemeenschappelijke steekproef voor 2018 en 2019 telt 1434 bomen. Voor de periode 2017-2019 is het aantal gemeenschappelijke bomen iets kleiner. In totaal werden 1423 bomen drie jaar na elkaar beoordeeld. Het aantal gemeenschappelijke bomen daalt omdat er bomen uit de steekproef verdwijnen door kappingen of (ernstige) stormschade. Ook verdrongen bomen worden niet meer in de steekproef opgenomen. Zowel in 2018 als in 2019 was er opvallende stormschade in de proefvlakken. Er vielen dan ook heel wat bomen weg. Er was ook jaarlijks sterfte. Afgestorven bomen worden een jaar later uit de steekproef geweerd. In 2017 waren er 1538 steekproefbomen waarvan 18 afgestorven bomen. Die kwamen vanaf 2018 niet meer in aanmerking voor de bosvitaliteitsinventaris. De 50 bomen die in 2018 geweerd werden omwille van kapping of stormschade werden in 2019 ook niet meer beoordeeld. In de periode 2017-2018 waren er dus 1470 gemeenschappelijke bomen. In 2018 waren er 1481 steekproefbomen. Er werden toen 17 afgestorven bomen geteld. Deze werden in 2019 niet meer in de steekproef opgenomen. Zonder de afgestorven bomen en de verdwenen bomen door kapping en stormschade van 2019 (30 ex.) blijven er voor de periode 2018-2019 nog 1434 bomen over. De gemeenschappelijke steekproef voor de periode 2017-2019 telt alle bomen uit de gemeenschappelijke steekproef 2018-2019, met uitzondering van de bomen die in 2018 aan de steekproef toegevoegd werden. Deze 11 bomen maakten in 2017 nog geen deel uit van de inventaris. Het aantal steekproefbomen voor de periode 2017-2019 is dus 1423.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 23 van 108


2.6

LEEFTIJD VAN DE STEEKPROEFBOMEN

De leeftijd van de bomen in het meetnet wordt niet exact bepaald. Soms zijn er bosbeheerplannen die een indicatie van de leeftijd geven, zoals het jaar van aanplanting. Wanneer geen dergelijke informatie voorhanden is, wordt de leeftijd geschat. Dit kan bijvoorbeeld door het tellen van jaarringen op boomstronken of het tellen van takkransen bij naaldbomen. Een exacte leeftijdbepaling kan enkel door het nemen van boorspanen voor jaarringanalyse (dendrochronologisch onderzoek). Dit is tot op heden in het bosvitaliteitsmeetnet niet gebeurd. Bij internationale overeenkomst worden de bomen in twee leeftijdgroepen ingedeeld. Jonge bomen zijn bomen die maximum 59 jaar oud zijn. Vanaf 60 jaar worden bomen als oud beschouwd. Het opsplitsen in twee leeftijdcategorieën maakt het mogelijk om vergelijkingen te maken, bijvoorbeeld wat het blad- en naaldverlies betreft. Hierbij moeten we onmiddellijk vermelden dat in het Vlaamse bosvitaliteitsmeetnet slechts een minderheid van de bomen jonger dan 60 jaar is. 21,3% van de bomen heeft een geschatte leeftijd van maximum 59 jaar. Dat betekent dat ongeveer 4 bomen op 5 een leeftijd van minstens 60 jaar heeft (tabel 6). De gemiddelde leeftijd van alle steekproefbomen bedraagt naar schatting 76 jaar. De loofbomen zijn gemiddeld ouder dan de naaldbomen. De gemiddelde leeftijd is 82 jaar bij loofbomen en 69 jaar bij naaldbomen. Zowel bij naaldbomen als loofbomen is iets meer dan een vijfde van de bomen jonger dan 60 jaar. De beuken hebben de hoogste gemiddelde leeftijd (110 jaar), de Corsicaanse dennen zijn gemiddeld het jongst (63 jaar). Er is slechts één beuk jonger dan 60 jaar (0,8%). Zomereik en Amerikaanse eik hebben dezelfde gemiddelde leeftijd (84 jaar). Ongeveer een vijfde van de zomereiken is jonger dan 60 jaar (19,1%). Bij Amerikaanse eik is dat ongeveer één boom op de tien (10,9%). Bij de loofbomen telt alleen de groep ‘overige loofboomsoorten’ een groot aandeel jonge bomen. De gemiddelde leeftijd bedraagt 65 jaar en 41,3% van de bomen is jonger dan 60 jaar. Er is een duidelijk verschil tussen de dennensoorten. De grove dennen zijn gemiddeld het oudst (71 jaar) en er zijn weinig jonge grove dennen (8,2%). De Corsicaanse dennenbestanden zijn jonger. De gemiddelde leeftijd bedraagt 63 jaar en meer dan de helft van de bomen zit in de jongste leeftijdsklasse (58,9%). Er zijn maar weinig overige naaldboomsoorten en alle bomen in die groep zijn minstens 60 jaar oud.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 24 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Tabel 6

Gemiddelde leeftijd en procentuele verdeling van de steekproefbomen per soort en per leeftijdgroep soort

leeftijd (gem.)

< 60 jaar (%)

≥ 60 jaar (%)

totaal

76

21,3

78,7

loofbomen

82

21,8

78,2

naaldbomen

69

20,7

79,3

beuk

110

0,8

99,2

zomereik

84

19,1

80,9

Amerikaanse eik

84

10,9

89,1

overige loofbomen

65

41,3

58,7

Corsicaanse den

63

58,9

41,1

grove den

71

8,2

91,8

overige naaldbomen

87

0,0

100,0

Meer dan de helft van de steekproefbomen zijn loofbomen. Dat geldt ook voor beide leeftijdgroepen. In de jongste leeftijdcategorie bestaat 56,7% van de substeekproef uit loofbomen en in de oudere leeftijdcategorie is dat 55,0%. In de tabellen 7 en 8 wordt de opsplitsing in loof- en naaldboomsoorten gemaakt. Tabel 7 bevat twee deeltabellen met de boomsoortenverdeling bij de loofbomen, opgesplitst in 2 leeftijdgroepen. Tabel 8 stelt hetzelfde voor de naaldboomsoorten voor. De deelgroep met jonge loofbomen bestaat voor meer dan de helft uit ‘overige loofbomen’ (54,5%). Voor de rest bevat de groep met jonge loofbomen vooral zomereiken (39,3%). Er zijn weinig jonge Amerikaanse eiken en beuken (respectievelijk 5,6% en 0,6%). In de oudste groep loofbomen is zomereik de belangrijkste soort (46,4%), gevolgd door de groep overige loofboomsoorten (21,6%) en beuk (19,1%). In deze groep komen procentueel gezien het minst Amerikaanse eiken voor (12,9%). Wat de naaldbomen betreft is er een duidelijk verschillende samenstelling. In de jongste leeftijdgroep is Corsicaanse den de dominante soort (70,6%). De overige bomen zijn allen grove dennen (29,4%). De oudste leeftijdcategorie bestaat voornamelijk uit grove dennen (85,8%). Daar vormen Corsicaanse dennen een minderheid (12,8%). De 7 ‘overige naaldbomen’ vormen samen 1,3% van deze groep.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 25 van 108


Tabel 7

Procentuele soortensamenstelling van beide leeftijdgroepen bij loofbomen < 60 jaar (%)

â&#x2030;Ľ 60 jaar (%)

overige loofbomen

54,5

zomereik

46,4

zomereik

39,3

overige loofbomen

21,6

Amerikaanse eik

5,6

beuk

19,1

beuk

0,6

Amerikaanse eik

12,9

Tabel 8

Procentuele soortensamenstelling van beide leeftijdgroepen bij naaldbomen < 60 jaar (%)

â&#x2030;Ľ 60 jaar (%)

Corsicaanse den

70,6

grove den

85,9

grove den

29,4

Corsicaanse den

12,8

overige naaldbomen

0,0

overige naaldbomen

1,3

Foto 2

Beukenproefvlak in Ravels (Gewestbos Ravels, proefvlak 95001, juli 2019)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 26 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


3 METHODIEK 3.1

JAARLIJKSE BEOORDELING

3.1.1

Blad-/naaldverlies

De kroontoestand van de steekproefbomen wordt met een verrekijker beoordeeld. Het schatten van het bladverlies (of de bladbezetting) is het belangrijkste onderdeel van de kroonbeoordeling. Het bladverlies wordt in trappen van 5% geschat en de bomen worden in bladverliesklassen ondergebracht (tabel 9). Bij het bepalen van het naaldverlies van grove dennen wordt rekening gehouden met het bloei-effect. Naargelang het kroongedeelte dat bloei vertoont, wordt er een compensatie voor het schijnbaar naaldverlies uitgevoerd. Bij de verwerking van de gegevens wordt enkel met het netto-naaldverlies gewerkt. Het schijnbaar naaldverlies (bruto-naaldverlies) en het bloei-effect worden verder niet behandeld.

Tabel 9

Klassenindeling voor blad-/naaldverlies

Klasse

blad-/naaldverlies (%)

mate van blad-/naaldverlies

toestand

0

0-10

geen

gezond

1

11-25

licht

risicoboom

2

26-60

matig

licht beschadigd

3

61-99

sterk

ernstig beschadigd

4

100

dood

dood

2-4

26-100

matig-dood

beschadigd

3.1.2

Symptomen van aantasting, infectieâ&#x20AC;Ś

De symptomen van aantasting of schade door biotische of abiotische factoren worden genoteerd en ingedeeld naargelang de plaats van voorkomen: naalden of bladeren, twijgen of takken, stam of wortelaanloop. Deze categorieĂŤn worden nog verder opgesplitst (tabel 10). Dode bomen en bomen zonder symptomen worden in een aparte categorie ondergebracht.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 27 van 108


Tabel 10

Categorieën van mogelijk aangetaste delen van een boom aangetast deel

bladeren/naalden

specificatie van aangetast deel lopende naaldjaargang oudere naalden alle naaldjaargangen loofbomen (bladeren)

takken, scheuten, knoppen, vruchten

nieuwe jaarscheuten twijgen (diameter < 2 cm) takken (diameter 2 - < 10 cm) zware takken (diameter ≥ 10 cm) eindscheut knoppen vruchten

kroontop, stam, stambasis, wortelaanloop

top van de kroon / stam stamdeel in de kroon stam (deel tussen de stambasis en de kroon) wortelaanloop en stambasis (≤ 25 cm hoogte) volledige stam

dode boom geen symptomen (op geen enkel deel)

Per categorie van aangetaste boomdelen zijn er verschillende symptomen die met een afzonderlijke code genoteerd worden (tabel 11). Bij de meeste symptomen wordt een omvang geschat. Voor de inschatting van verkleuring, insectenaantasting, schimmelinfectie… wordt telkens met dezelfde omvangklassen gewerkt. Ook de aanwezigheid van kroonsterfte (afgestorven twijgen, takken) en verwondingen (scheuren, exploitatieschade… ) wordt op deze wijze genoteerd. Alleen voor het bladverlies worden andere klassen gehanteerd (zie 3.1.1).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 28 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Tabel 11

Symptomen en omvangklassen

aangetast deel lopende naaldjaargang oudere naalden alle naaldjaargangen bladeren (loofbomen)

code 11 12 13 14

lopende jaarscheuten diameter < 2 cm (twijgen) diameter 2 - < 10 cm (takken) diameter >= 10 cm (zware takken)

21 22 23 24

eindscheut knoppen vruchten

26 27 28

top van de kroon / stam stam in kroongedeelte stamdeel onder de kroon stamvoet en geëxposeerde wortels volledige stam

30 31 32 33 34

symptoom/teken

code

gedeeltelijk of totaal aangevreten/ontbrekend (gaatjes, gedeeltelijk aangevreten, inkerving, insnijding, totaal aangevreten, geskeletteerd, gemineerd, vroegtijdige bladval)

01

licht groene tot gele verkleuring rood tot bruine verkleuring (incl. necrose) bronskleurige verkleuring ander kleur

02 03 04 05

kleinbladerigheid

06

vervorming (gekruld, gedraaid, golvend, kronkelende bladsteel, dichtgevouwen, gallen, verwelking, andere vervorming)

08

ander symptoom teken van aanwezigheid insecten (zwarte bepoedering, eitjes, poppen, larven, nymfen, adulten) teken van aanwezigheid schimmels (witte bepoedering, vruchtlichamen) ander teken aangevreten/ontbrekend gebroken dood/afstervend afgestoten/afgesneden necrose (necrotische plekken) wonden (ontschorsing, scheuren…)

09 10

harsuitvloei (naaldbomen) slijmuitvloei (loofbomen)

18 19

vervorming (verwelking, gedraaid, kanker, tumor, heksenbezem, andere vervorming)

08

ander symptoom teken van aanwezigheid insecten (nest, boorgaten, boormeel, witte bedekking, eiafzetting, adulten, larven, nymfen, poppen)

09 10

teken van aanwezigheid schimmels (vruchtlichamen...) ander teken necrose (necrotische plekken) wonden (ontschorsing, scheuren…)

11 12 16 17

harsuitvloei (naaldbomen) slijmuitvloei (loofbomen) rottend vervorming

18 19 20 08

gekanteld (scheef) gevallen (met wortels) gebroken ander symptoom teken van aanwezigheid insecten (nest, boorgaten, boormeel, witte bedekking, eiafzetting, adulten, larven, nymfen, poppen)

21 22 13 09 10

teken van aanwezigheid schimmels (mycelium, vruchtlichamen, gele/oranje blazen) ander teken

11

specificatie symptoom/teken

code

omvang

code

0% 1 - 10% 11 - 20% 21 - 40% 41 - 60% 61 - 80% 81 - 99% 100%

0 1 2 3 4 5 6 7

geen omvang

11 12 01 13 14 15 16 17

ontschorsing scheuren andere wonden

58 59 60

0% 1 - 10% 11 - 20% 21 - 40% 41 - 60% 61 - 80% 81 - 99% 100%

geen omvang

ontschorsing scheuren (vorstscheuren…) andere wonden

58 59 60

kanker tumor longitudinale ribbels (vorstlijsten...) andere vervorming

62 63 68 52

0% 1 - 10% 11 - 20% 21 - 40% 41 - 60% 61 - 80% 81 - 99% 100%

evt. omvang geen omvang

12

04

geen omvang

geen symptomen (op geen enkel deel)

00

geen omvang

De mogelijke oorzaken van symptomen worden ingedeeld in een aantal hoofdgroepen (tabel 12), die verder opgesplitst worden in subgroepen. Ook de subgroepen hebben een specifieke code. Indien een schadeorganisme op naam gebracht kan worden, wordt de naam eveneens genoteerd. Bij een onbekende oorzaak wordt de code ‘999’ gebruikt.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.18050253

0 1 2 3 4 5 6 7

geen omvang

dode boom

www.inbo.be

0 1 2 3 4 5 6 7

Pagina 29 van 108

0-7


Tabel 12

Hoofdgroepen van schadeorganismen en schadefactoren schadegroep

code

wild en begrazing

100

insecten

200

schimmels

300

abiotische factoren

400

verstoring door de mens

500

vuur

600

luchtverontreiniging

700

andere factoren

800

(onderzocht maar) niet geĂŻdentificeerd

999

De omvang van een symptoom wordt in acht klassen gerapporteerd (tabel 13). Elke klasse geeft een indicatie van de hoeveelheid van het aangetaste boomdeel dat het symptoom vertoont, te wijten aan een organisme of een andere schadefactor. De omvang van een symptoom dat zich in bladverlies vertaalt (vb. bladvraat door rupsen) geeft het percentage van het bladoppervlak weer dat verloren is door de beĂŻnvloedende oorzaak of factor. Dit wil zeggen dat de omvang niet alleen rekening houdt met het percentage bladeren dat aangetast is, maar ook met de intensiteit van de aantasting op bladniveau.

Tabel 13

Schadeklassen en respectievelijke code

klasse

code

0%

0

1 - 10%

1

11 - 20%

2

21 - 40%

3

41 - 60%

4

61 - 80%

5

81 - 99%

6

100%

7

De verkleuring van bladeren of naalden wordt vanaf klasse 2 (> 10%) als abnormaal beschouwd. Bij insectenaantasting is er eveneens sprake van matige tot ernstige aantasting vanaf klasse 2 (> 10%). Ook bij het afsterven van twijgen en takken wordt vanaf een omvang van meer dan 10% over ernstige kroonsterfte gesproken. Tekenen van de aanwezigheid van insecten en schimmels worden niet gekwantificeerd, net zoals ontwortelde bomen en afgekraakte stammen (tabel 11). Als twee of meer gelijkaardige symptomen op hetzelfde boomdeel voorkomen en veroorzaakt worden door verschillende organismen of factoren, kan het zeer moeilijk zijn om hun respectievelijke bijdrage in de schadeomvang te schatten. In dat geval wordt enkel de gezamenlijke omvang van de schade gerapporteerd. Een symptoom is nieuw of vers wanneer het tijdens de voorgaande inventaris nog niet opgemerkt werd. Wanneer de schade het jaar voordien ook al aanwezig was (bv. wonden op ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 30 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


de stam), wordt die als oud beschouwd. Een combinatie van verse en oude schade wordt met een afzonderlijke code genoteerd (tabel 14).

Tabel 14

Leeftijd symptoom

leeftijd symptoom

code

nieuw/vers

1

oud

2

nieuw + oud

3

3.1.3

Zaadzetting en waterscheutvorming

Van elke boom wordt de zaadproductie met behulp van een verrekijker beoordeeld. Naargelang de graad van zaadzetting worden de bomen in vier klassen ingedeeld (tabel 15). Bij naaldbomen wordt, wegens de beperkte zichtbaarheid van de pas gevormde kegels, de bezetting met jonge en oudere kegels samen geschat. Ook voor het beoordelen van waterscheutvorming worden vier klassen gehanteerd. De omvang van de waterscheutvorming wordt niet genoteerd. Er gebeurt wel een indeling volgens de plaats van voorkomen (tabel 16).

Tabel 15

Klassenindeling voor zaadzetting

klasse

zaadzetting

graad

0

geen zaad waarneembaar

geen

1

zaad of kegels met verrekijker zichtbaar

licht

2

zaad of kegels met blote oog zichtbaar

matig

3

volledige kroon met zaad of kegels bezet

sterk

Tabel 16

Klassenindeling voor waterscheutvorming

klasse

waterscheuten

0

geen waterscheuten

1

enkel op de stam

2

enkel in de kroon

3

op de stam en in de kroon

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 31 van 108


3.2 3.2.1

VERWERKING VAN DE GEGEVENS Algemeen

Na het afsluiten van het terreinwerk worden alle steekproefbomen in bladverliesklassen ondergebracht. De verschillende bladverliesklassen krijgen een nummer van 0 tot 4 (tabel 9). Bomen worden als gezond beschouwd wanneer het bladverlies maximum 10% bedraagt. Bomen met 11% tot en met 25% bladverlies zijn nog niet beschadigd maar verkeren evenmin in een optimale gezondheidstoestand. Deze bomen bevinden zich in een zogenaamde risico- of waarschuwingklasse. Bomen met meer dan 25% blad-/naaldverlies worden als beschadigd beschouwd, met een opsplitsing naargelang de mate van het bladverlies. Tot en met een bladverlies van 60% worden beschadigde bomen in een klasse met ‘matig bladverlies’ ondergebracht. Ernstig beschadigde bomen vertonen meer dan 60% blad- of naaldverlies. Afgestorven bomen komen in een afzonderlijke klasse terecht (100% bladverlies). De afgestorven bomen worden nog één jaar in de inventaris opgenomen. Bij de volgende inventarisatie verdwijnen ze uit de steekproef. Gekapte bomen, verdrongen bomen en bomen met zware mechanische schade worden onmiddellijk uit de steekproef gehaald. Bomen worden als abnormaal verkleurd beschouwd wanneer meer dan 10% van de kroon bladverkleuring vertoont. De verwerking van de gegevens gebeurt afzonderlijk voor de volgende (sub)steekproeven: 

alle bomen: het totaal van alle soorten

alle loofbomen

alle naaldbomen

beide leeftijdgroepen: jonger dan 60 jaar en minstens 60 jaar

enkele algemene boomsoorten: grove den, zomereik, Corsicaanse den, beuk, Amerikaanse eik en de ‘overige loofboomsoorten’ (er zijn te weinig bomen van de ‘overige naaldboomsoorten’ om afzonderlijk behandeld te worden)

de verschillende proefvlakken

De volgende resultaten worden vermeld: 

gemiddeld blad-/naaldverlies

verdeling over de verschillende blad-/naaldverliesklassen

percentage beschadigde bomen

percentage bomen met symptomen (verkleuring, insectenaantasting, schimmelinfectie…)

evolutie van het bladverlies en het aandeel beschadigde bomen in 2018-2019, 20172019, 1995-2019

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 32 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


3.2.2

Statistische verwerking

Het percentage bladverlies volgt geen normale verdeling. Daarom worden niet-parametrische toetsen gebruikt. Deze toetsen zijn gebaseerd op de mediaanwaarde, de waarde waar de helft van de waarnemingen boven ligt en de andere helft onder. Bij normale verdelingen worden toetsen gebruikt die op de gemiddelde waarde gebaseerd zijn. De volgende toetsen worden gebruikt (berekeningen met het statistische pakket R): 

Wilcoxon-toets voor niet gepaarde waarnemingen: deze toets wordt gebruikt om twee groepen te vergelijken die verschillen qua samenstelling en individuen (vb. het bladverlies van de bomen jonger dan 60 jaar vergelijken met het bladverlies van de bomen van minstens 60 jaar). Wilcoxon signed rank toets voor gepaarde waarnemingen: deze toets wordt gebruikt voor waarnemingen die twee aan twee vergelijkbaar zijn (vb. het bladverlies van de gemeenschappelijke bomen in 2018 vergelijken met het bladverlies van dezelfde bomen in 2019). Mann-Kendall test (tau) en Sen’s helling: voor het testen van de trend van het bladverlies in de periode 1995-2019.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 33 van 108


4 RESULTATEN 4.1

KROONTOESTAND 2019

4.1.1

Blad-/naaldverlies

4.1.1.1

Totale steekproef

In 71 proefvlakken werden in totaal 1474 bomen beoordeeld. Het gemiddeld blad- of naaldverlies van deze bomen bedraagt 24,4% (mediaan 20). Het percentage beschadigde bomen is 22,7% (tabel 17). De beschadigde bomen komen in drie verschillende bladverliesklassen voor. Bomen met een bladverlies dat meer dan 25% bedraagt en maximum 60% worden als bomen met matig bladverlies beschouwd. In de inventaris van 2019 vertoont 19,7% matig bladverlies. Sterk bladverlies (> 60%) komt bij 1,8% voor. 1,2% van de bomen is afgestorven tussen de inventaris van 2018 en die van 2019. Oudere afgestorven bomen worden niet meer in de resultaten opgenomen. De niet-beschadigde bomen worden in twee bladverliesklassen onderverdeeld. De gezonde bomen vertonen maximum 10% bladverlies. 8,5% van de bomen komt in deze klasse terecht. Het grootste deel van de steekproefbomen situeert zich in de klasse met licht bladverlies. Dat wil zeggen dat 68,8% van de bomen een bladverliesscore tussen 11% en 25% haalt. Deze bomen bevinden zich in de zogenaamde waarschuwingklasse, tussen gezond en beschadigd. Standaard worden de bomen in 5 bladverliesklassen ingedeeld. Bij een opsplitsing in gelijke 10%-bladverliesklassen, wordt duidelijk dat de gegevens niet normaal verdeeld zijn (tabel 18). De meerderheid van de bomen bevindt zich in de bladverliesklassen 11-20% en 21-30% (respectievelijk 44,1% en 35,6% van de bomen). Slechts 3,4% van de steekproefbomen vertoont meer dan 50% bladverlies. Het aandeel bomen dat meer dan 40% bladverlies vertoont, bedraagt 5,1%. Dat betekent dat het merendeel van de beschadigde bomen een bladverliesscore van 30%, 35% of 40% haalt. 4.1.1.2

Loofbomen

Het gemiddeld bladverlies van alle loofbomen bedraagt 25,7%, met mediaan 20 (tabel 19). Het gemiddeld bladverlies en het aandeel beschadigde bomen (26,8%) is hoger dan het algemeen gemiddelde. De cijfers zijn ook hoger dan voor het totaal van alle naaldbomen, met uitzondering van de mediaan van het bladverlies. Het aandeel gezonde bomen is iets hoger in vergelijking met de naaldbomen en het algemeen totaal (9,7%). Het grootste deel van de bomen situeert zich opnieuw in bladverliesklasse 1 (63,5%). De beschadigde bomen vertonen vooral matig bladverlies (22,2%). Sterk bladverlies komt veel minder voor (2,9%). Het sterftecijfer bedraagt 1,7%. Zowel in de klassen met matig bladverlies, sterk bladverlies en de klasse met afgestorven bomen, ligt het cijfer hoger bij loofbomen dan bij naaldbomen (zie verder). Er stierven minder naaldbomen dan loofbomen (respectievelijk 4 en 14 exemplaren), wat resulteert in een lager sterftepercentage bij naaldbomen. Het aandeel bomen dat uit de steekproef verdween door ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 34 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


stormschade is wel hoger bij naaldbomen dan bij loofbomen (respectievelijk 15 en 9 exemplaren). Het hogere sterftepercentage en het hoger aandeel bomen met sterk bladverlies wordt vooral veroorzaakt door de hoge cijfers in de groep ‘overige loofboomsoorten’ (zie verder). De boomsoort met de laagste score voor het bladverlies is beuk. Het gemiddeld bladverlies van de beuken in de steekproef bedraagt 20,2% en de mediaan is laag in vergelijking met de andere substeekproeven (mediaan 15). Het aandeel beschadigde beuken bedraagt 21,1%. Er werden geen afgestorven beuken waargenomen. In Schilde (proefvlak 512) moest wel een beuk uit de steekproef gehaald worden na zware stormschade. Het aandeel gezonde beuken is het grootst van alle substeekproeven. Het is duidelijk dat de gezondheidstoestand van de beuken verbeterde in vergelijking met de vorige inventaris (zie verder - evolutie van het bladverlies in vergelijking met 2018). De mediaan van het bladverlies is het hoogst bij zomereik en Amerikaanse eik (beiden mediaan 25). Het aandeel gezonde bomen is bij beide boomsoorten klein (respectievelijk 5,2% en 5,4%). Net als in 2018 werd er in 2019 geen sterfte van Amerikaanse eiken vastgesteld en er zijn ook geen Amerikaanse eiken met sterk bladverlies. Toch is het aandeel beschadigde bomen hoog (28,3%). Het gemiddeld bladverlies benadert het gemiddelde van alle bomen (24,3%). Het is iets lager dan het gemiddelde van alle loofbomen, dat vooral door de groep ‘overige loofbomen’ opgetrokken wordt. Het aandeel beschadigde zomereiken is ongeveer even groot als het totaal aandeel beschadigde loofbomen (26,4%). Ongeveer een kwart van de zomereiken vertoont matig bladverlies en er zijn zowel bomen met sterk bladverlies als afgestorven exemplaren. In twee proefvlakken werden in totaal drie afgestorven zomereiken genoteerd. In Serskamp (proefvlak 207) stierf er één exemplaar en in Maldegem (proefvlak 201) stierven er twee zomereiken. Sinds 2010 is er jaarlijks sterfte van zomereiken in één of meerdere proefvlakken. Het gemiddeld bladverlies van zomereik bedraagt in 2019 24,6%. De slechtste kroonconditie wordt al verschillende jaren in de groep ‘overige loofboomsoorten’ vastgesteld. Er is een zeer hoog gemiddeld bladverlies (30,8%) en ook het aandeel beschadigde bomen is hoog (29,8%). De mediaan van het bladverlies blijft wel beperkt tot 20%. Het aandeel beschadigde bomen is het hoogst van alle substeekproeven. Ook het percentage bomen in de klasse met sterk bladverlies en het aandeel afgestorven bomen is zeer hoog (respectievelijk 8,9% en 4,7%). De slechte gezondheidstoestand in het zwarte elzenproefvlak in Bocholt (proefvlak 714) springt in het oog (zie verder). In dit proefvlak zijn bijna alle steekproefbomen beschadigd en er is ook sterfte van 8 zwarte elzen. Sinds 2012 is er in dit proefvlak jaarlijks sterfte van zwarte elzen. Verder is er ook nog sterfte van een es in Pulle (proefvlak 508), een es in Zoutleeuw (proefvlak 416) en een ruwe berk in Houthalen-Helchteren (proefvlak 711). In Zoutleeuw wordt voor het derde jaar op rij essensterfte waargenomen. In Pulle stierf er in 2016 ook al een steekproefboom. Net als in 2018 werden er in verschillende proefvlakken droogtesymptomen vastgesteld. Dat was opnieuw het geval in een proefvlak met tamme kastanje in Ravels (proefvlak 613). Daar werd ongeveer de helft van de bomen als beschadigd beschouwd. De groep ‘overige loofboomsoorten’ telt in totaal 14 boomsoorten en 235 bomen. 88,6% van de beschadigde bomen zijn zwarte elzen, ruwe berken, tamme kastanjes, esdoorns of essen. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 35 van 108


4.1.1.3

Naaldbomen

De kroontoestand van de naaldbomen is gemiddeld beter in vergelijking met de loofbomen. Het aandeel beschadigde bomen is kleiner (17,6%) en het gemiddeld naaldverlies is lager (22,7%). Alleen de mediaan verschilt niet (20%). Drie kwart van de naaldbomen situeert zich in de klasse met licht naaldverlies (75,3%). Het aandeel gezonde naaldbomen bedraagt 7,1%. Het grootste aandeel beschadigde bomen zit opnieuw in de klasse met matig naaldverlies (16,7%). Sterk naaldverlies komt zelden voor (0,3%) en het aandeel afgestorven naaldbomen blijft beperkt (0,6%). De 4 afgestorven grove dennen werden in verschillende proefvlakken aangetroffen: Moerbeke (proefvlak 206), Averbode (proefvlak 403), Deurne-Diest (proefvlak 406) en Leopoldsburg (proefvlak 902). De felle voorjaarsstormen veroorzaakten schade in verschillende proefvlakken. 15 naaldbomen werden uit de steekproef gehaald na windval, kroonbreuk of scheefstand. De stormen troffen zowel Corsicaanse dennen als grove dennen en een Japanse lork. Ondanks de sterfte van enkele grove dennen, is de kroontoestand van de grove den in de inventaris vrij goed. Het gemiddeld naaldverlies bedraagt 22,4% (mediaan 20) en het aandeel beschadigde bomen 14,7%. Er zijn weinig gezonde grove dennen (5,9%). Bijna vier bomen op vijf zitten in de klasse met licht naaldverlies (79,4%). Er zijn geen bomen met sterk naaldverlies. Het mortaliteitscijfer bedraagt 0,8%. 13,9% van de bomen vertoont matig naaldverlies. De cijfers liggen hoger bij Corsicaanse den, zowel wat het gemiddeld naaldverlies als het percentage beschadigde bomen betreft. Alleen de mediaan van het naaldverlies is dezelfde (20%). Iets meer dan een kwart van de Corsicaanse dennen is beschadigd (26,4%) en het gemiddeld naaldverlies bedraagt 23,8%. Er zijn geen afgestorven bomen in de inventaris maar er werden wel 8 bomen na windval uit de steekproef gehaald (Lommel, proefvlak 904). 1,2% van de bomen vertoont sterk naaldverlies. Ongeveer 1 boom op 10 wordt als gezond beschouwd (10,4%). De overige naaldboomsoorten worden niet in detail besproken wegens te weinig steekproefbomen. Ook in deze groep zijn er beschadigde exemplaren. In Houthalen (proefvlak 701) werd een Japanse lork uit de inventaris gehaald. De boom kwam na een storm scheef te staan en de kroon raakte vast in een naburige boomkroon.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 36 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Tabel 17

Procentuele verdeling van de steekproefbomen per blad-/naaldverliesklasse klasse 0 (0-10%)

klasse 1 (11-25%)

klasse 2 (26-60%)

klasse 3 (61-99%)

klasse 4 (100%)

klasse 2-4 (beschadigd)

totaal

8,5

68,8

19,7

1,8

1,2

22,7

loofbomen

9,7

63,5

22,2

2,9

1,7

26,8

naaldbomen

7,1

75,3

16,7

0,3

0,6

17,6

zomereik

5,2

68,4

25,1

0,5

0,8

26,4

beuk

21,1

57,8

20,3

0,8

0,0

21,1

Amerikaanse eik

5,4

66,3

28,3

0,0

0,0

28,3

overige loofbomen

12,3

57,9

16,2

8,9

4,7

29,8

grove den

5,9

79,4

13,9

0,0

0,8

14,7

Corsicaanse den

10,4

63,2

25,2

1,2

0,0

26,4

overige naaldbomen

14,3

71,4

14,3

0,0

0,0

14,3

Tabel 18

Procentuele verdeling van de steekproefbomen in 10%-klassen (volgens blad-/naaldverlies)

blad-naaldverliesklasse

totaal

loofbomen

naaldbomen

zomereik

beuk

Am. eik

overige lbs.

grove den

Cors. den

overige nbs.

0-10%

8,6

9,7

7,1

5,2

21,1

5,4

12,3

5,9

10,4

14,3

11-20%

44,1

40,8

48,1

40,2

44,8

33,7

42,7

49,8

43,0

57,1

21-30%

35,6

34,4

37,1

41,5

22,8

48,9

23,8

39,6

30,1

28,6

31-40%

6,6

7,7

5,3

8,7

7,3

10,9

5,1

3,7

10,4

0,0

41-50%

1,7

2,3

0,9

2,7

2,4

1,1

2,1

0,0

3,7

0,0

51-60%

0,4

0,4

0,5

0,3

0,8

0,0

0,4

0,2

1,2

0,0

61-70%

0,2

0,3

0,2

0,3

0,0

0,0

0,4

0,0

0,6

0,0

71-80%

0,5

0,7

0,2

0,3

0,0

0,0

2,1

0,0

0,6

0,0

81-90%

0,2

0,4

0,0

0,0

0,8

0,0

0,9

0,0

0,0

0,0

91-100%

2,1

3,3

0,6

0,8

0,0

0,0

10,2

0,8

0,0

0,0

Tabel 19

Gemiddeld blad-/naaldverlies (%), standaardafwijking (s.a.) en mediaan, uitgesplitst naar type en soort gemiddeld bladverlies

mediaan

s.a.

totaal

24,4

20

14,6

totaal < 60j

30,2

25

22,6

totaal ≥ 60j

22,8

20

11,0

loofbomen

25,7

20

17,4

loofbomen < 60j

34,7

25

28,0

loofbomen ≥ 60j

23,2

20

11,8

naaldbomen

22,7

20

9,8

naaldbomen < 60j

24,3

25

9,7

naaldbomen ≥ 60j

22,3

20

9,8

zomereik

24,6

25

11,3

beuk

20,2

15

11,8

Amerikaanse eik

24,3

25

7,7

overige loofbomen

30,8

20

26,7

grove den

22,4

20

9,3

Corsicaanse den

23,8

20

11,2

overige naaldbomen

18,6

20

8,0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 37 van 108


4.1.1.4

Leeftijd

Het vergelijken van het blad- of naaldverlies tussen de twee leeftijdcategorieën moet met de nodige omzichtigheid gebeuren. Op een totaal van 1474 bomen zijn maar 314 bomen jonger dan 60 jaar, dat betekent 21,3%. Voor verschillende substeekproeven is het aandeel jonge bomen nog lager. Het aantal proefvlakken met jonge bomen kan ook zeer beperkt zijn. Zo groeien alle jonge grove dennen in hetzelfde proefvlak in Sint-Laureins (proefvlak 202) en alle jonge Amerikaanse eiken in Lubbeek (proefvlak 413). Er is bovendien maar één jonge beuk (in Zerkegem, proefvlak 102). In tabel 20 wordt het aandeel beschadigde bomen per leeftijdgroep weergegeven. In tabel 21 wordt het gemiddeld bladverlies en de mediaan van beide leeftijdcategorieën getoond. Het bladverlies verschilt significant binnen de groep ‘overige loofboomsoorten’. In de jongste groep is het gemiddeld bladverlies zeer hoog (45,1%). De mediaan is het hoogst van alle jonge substeekproeven (mediaan 30). In de oudste leeftijdcategorie bedraagt het gemiddeld bladverlies slechts 20,7% (mediaan 20). Vanzelfsprekend is het aandeel beschadigde boven ook opvallend verschillend. Meer dan de helft van de jonge ‘overige loofbomen’ is beschadigd (51,6%) tegenover slechts 14,5% van de oude bomen. Het grootste deel van de beschadigde jonge ‘overige loofbomen’ komt in twee proefvlakken voor. In Bocholt (proefvlak 714) zijn zwarte elzen beschadigd door elzenphytophthora in combinatie met een verhoogde grondwaterstand. In Ravels (proefvlak 613, tamme kastanje) werd er vroegtijdig bladverlies door aanhoudende droogte vastgesteld. Ook bij grove den is er een significant verschil tussen beide leeftijdcategorieën. In het proefvlak met jonge dennen in Sint-Laureins worden jaarlijks beschadigde bomen waargenomen. De substeekproef met jonge dennen haalt een gemiddeld naaldverlies van 25,0% (mediaan 25) terwijl dit bij de oudere bomen 22,2% is (mediaan 20). Het aandeel beschadigde bomen is in de jongste leeftijdcategorie 35,0% en in de oudste leeftijdgroep 12,9%. Bij de andere boomsoorten zijn er geen significante verschillen. Zowel het gemiddeld bladverlies als de mediaan zijn bij zomereik en Amerikaanse eik het hoogst in de oudste leeftijdgroep. Wat het aandeel beschadigde bomen betreft, is dat enkel bij Amerikaanse eik het geval. Bij Corsicaanse den is zowel het gemiddeld naaldverlies als het aandeel beschadigde bomen vergelijkbaar tussen beide groepen. Voor beuk is een vergelijking niet mogelijk (slechts één jonge beuk). De grote verschillen bij de ‘overige loofbomen’ wegen door op het totaal van alle loofbomen en het algemeen totaal. De slechtere kroontoestand van jonge ‘overige loofbomen’ en jonge grove dennen zorgt er voor dat het gemiddeld bladverlies voor het totaal van alle loofbomen, alle naaldbomen en het algemeen totaal hoger is in de jongste leeftijdcategorie. Dat is zowel voor het gemiddelde als voor de mediaan en het aandeel beschadigde bomen het geval. De verschillen zijn significant, zowel voor het totaal van alle naaldbomen, het totaal van alle loofbomen en het algemeen totaal. Wanneer een minimum van 5 procentpunten verschil wordt vereist om statistisch significante verschillen te aanvaarden, blijven enkel de verschillen bij de ‘overige loofboomsoorten’, het totaal van alle loofbomen en het totaal van alle bomen behouden. Ook hier blijkt de belangrijke invloed van de groep jonge ‘overige loofbomen’. Het gemiddeld naaldverlies van ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 38 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


grove den en het totaal van alle naaldbomen verschilt minder dan 5 procentpunten. Deze minimumdrempel kan verantwoord worden omdat het blad-/naaldverlies in trappen van (minstens) 5% wordt geschat.

Tabel 20

Percentage beschadigde bomen per leeftijdgroep % beschadigd < 60 jaar

≥ 60 jaar

totaal

totaal

35,4

19,3

22,7

loofbomen

39,9

23,2

26,8

naaldbomen

29,4

14,6

17,6

zomereik

28,6

26,0

26,4

beuk

0,0

21,3

21,1

Amerikaanse eik

10,0

30,5

28,3

overige loofboomsoorten

51,6

14,5

29,8

grove den

35,0

12,9

14,7

Corsicaanse den

27,1

25,4

26,4

Tabel 21

Vergelijking van het percentage blad-/naaldverlies tussen de leeftijdgroepen per type en boomsoort in 2019 (Wilcoxon test, α=0.05, *=p<0.05, **=p<0.01, ***=p<0.001, n.s. = niet significant) < 60 jaar gemiddelde

≥ 60 jaar

s.a.

mediaan

gemiddelde

sign.

s.a.

mediaan

totaal

30,2

22,6

25

22,8

11,0

20

***

loofbomen

34,7

28,0

25

23,2

11,8

20

***

naaldbomen

24,3

9,7

25

22,3

9,8

20

**

zomereik

22,4

7,6

20

25,2

11,9

25

n.s.

beuk

25,0

-

25

20,2

11,8

15

n.s.

Amerikaanse eik

20,0

7,1

22,5

24,8

7,6

25

n.s.

overige loofbomen

45,1

33,9

30

20,7

12,7

20

***

grove den

25,0

6,7

25

22,2

9,5

20

**

Corsicaanse den

24,1

10,7

20

23,4

11,9

20

n.s.

-

-

-

18,6

8,0

20

-

overige naaldbomen

4.1.1.5

Gegevens per proefvlak

Per proefvlak wordt het gemiddeld bladverlies van de steekproefbomen berekend. Op figuur 2 worden de proefvlakken met een kleur weergegeven. Proefvlakken met een gemiddeld bladverlies dat maximum 10% bedraagt, krijgen een groene kleur (geen proefvlakken in 2019). Proefvlakken met een gemiddeld bladverlies van 11% à 25% krijgen een gele kleur (52 proefvlakken). Een rode kleur geeft weer dat het gemiddeld bladverlies tussen 26% en 40% ligt (16 proefvlakken). Een zwarte kleur is bestemd voor proefvlakken met meer dan 40% bladverlies (3 proefvlakken).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 39 van 108


De exacte waarden van de proefvlakken met een bladverlies van meer dan 25% worden in tabel 22 weergegeven. Op een totaal van 71 zijn er 21 proefvlakken met een bladverlies dat gemiddeld boven de 25% ligt. Deze proefvlakken worden als beschadigde proefvlakken omschreven. Omdat de waarden van de proefvlakken in Eksel (proefvlak 901; 25,3%) en Leopoldsburg (proefvlak 902; 25,2%) naar beneden afgerond werden, worden deze proefvlakken op de figuur in het geel weergegeven. Iets minder dan een derde van de proefvlakken wordt als beschadigd beschouwd (29,6%). De meerderheid van de beschadigde proefvlakken bestaat uit loofbomen. Er zijn slechts enkele naaldboomproefvlakken waarvan het gemiddeld naaldverlies boven de 25% reikt. Uit tabel 22 blijkt ook dat deze proefvlakken onderaan de lijst voorkomen, dat wil zeggen dat het gemiddelde niet ver boven de 25% uitkomt. Deze naaldboomproefvlakken zijn Leopoldsburg (proefvlak 902), Eksel (proefvlak 901), Arendonk (proefvlak 603) en Lommel (proefvlak 904). Van de 21 beschadigde proefvlakken zijn er 9 proefvlakken met zomereik. Er zijn nog proefvlakken in de lijst met zomereiken maar op die locaties is zomereik niet de belangrijkste boomsoort. Een groot deel van de beschadigde zomereikenproefvlakken situeert zich in de Kempen. Maldegem (proefvlak 201) en Meise (proefvlak 311) zijn een uitzondering. De beschadigde eikenproefvlakken in de provincie Antwerpen zijn Merksplas (proefvlak 601), Beerse (proefvlak 611), Brecht (proefvlak 504), Zandhoven (proefvlak 514) en Zoersel (proefvlak 515). In Limburg zijn dat Kinrooi (proefvlak 702) en Houthalen-Helchteren (proefvlak 711).

Er zijn drie proefvlakken met een zeer hoog gemiddeld bladverlies, dat boven de 40% reikt. In Bocholt (proefvlak 714) rest er nog één niet-beschadigde zwarte els. De meest bomen vertonen sterk bladverlies of zijn bijna afgestorven (enkel levende waterscheuten). In 2019 stierven er 8 bomen. De sterfte blijft zich verderzetten. Een vernattingsproject en de infectie door elzenphytophthora (Phytophthora alni ) veroorzaakte de aftakeling en sterfte van de zwarte elzen. Het gemiddeld bladverlies van de 30 beoordeelde bomen bedraagt 87,9%. Het proefvlak in Maldegem (proefvlak 201) is een internationaal proefvlak dat sterk te lijden kreeg onder de aanleg van een nieuwe hoogspanningslijn. Een groot deel van het bos werd gekapt en in de nabijheid van de nieuwe hoogspanning werden boomkronen afgetopt en volledig gesnoeid. Verschillende zomereiken stierven één jaar of enkele jaren na de snoei. Door de sterfte van twee zomereiken en het feit dat er slechts 5 bomen in de steekproefcirkel bewaard bleven, is het gemiddeld bladverlies zeer hoog (50,0%). Het proefvlak in het Grootbroek in Kinrooi (proefvlak 702) kampt al jaren met sterke aantasting door eikenprocessievlinder (Thaumetopoea processionea). Het gemiddeld bladverlies van de bomen in het proefvlak bedraagt 40,6%. Alle zomereiken vertonen ernstige vraat en er worden op alle bomen spinsels en rupsennesten van eikenprocessievlinder aangetroffen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 40 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Het gemiddeld bladverlies bedraagt 30% Ă 35% in 5 proefvlakken: Schilde, Merksplas, Ravels, Eksel en Herselt. In Schilde (proefvlak 512) werden 7 beuken beoordeeld. Veel bomen zijn aangetast door tonderzwam (vooral echte tonderzwam, Fomes fomentarius) en er is geregeld stormschade. In het verleden was er wateroverlast in het proefvlak en er werd ook meermaals met zware machines door het beukenbestand gereden (bodemverdichting). Verschillende beuken vertonen een zwakke gezondheidstoestand. Vijf van de zeven bomen worden als beschadigd beschouwd. Ook in Merksplas (proefvlak 601) staan kwijnende bomen maar in dit geval zijn het zomereiken. De helft van de zomereiken vertoont meer dan 25% bladverlies en enkele bomen vertonen minstens 50% bladverlies. Wellicht veroorzaken verschillende factoren de zwakke gezondheidstoestand. Het gemiddeld bladverlies bedraagt 32,7%. In het domeinbos Ravels werd een nieuw proefvlak ingericht (proefvlak 95001). Van de 15 geselecteerde bomen zijn er 10 beschadigd. Het gemiddeld bladverlies bedraagt 31,3%. Bijna alle steekproefbomen zijn beuken. Veel bomen vertonen kroonsterfte. De verminderde gezondheidstoestand wordt hoogstwaarschijnlijk door abiotische factoren veroorzaakt (bodem, waterbeschikbaarheid, extreme weersomstandigheden). In het Amerikaanse eikenproefvlak in het Pijnven (Eksel, proefvlak 906) werd een opvallend ijle bladbezetting opgemerkt, in combinatie met een goede zaadzetting. Het gemiddeld bladverlies van de steekproefbomen bedraagt 30,8%. In het proefvlak werd beperkte stormschade vastgesteld (afgekraakte takken) en er was ook (beperkte) insectenvraat. In Herselt (proefvlak 612) waaide een zware zomereik om. De resterende 5 bomen vertonen ijle kronen. Vier van de vijf bomen zijn beschadigd (2 zomereiken en 2 beuken). Er is opvallende vraat en meeldauwinfectie op zomereik. De beuken werden gedeeltelijk door storm getroffen (afgekraakte takken). Het gemiddeld bladverlies in het proefvlak bedraagt 30,0%.

In 13 proefvlakken is het bladverlies gemiddeld groter dan 25% en kleiner dan 30%. Daar zijn 9 loofboomproefvlakken en 4 naaldboomproefvlakken bij. Zes van deze proefvlakken worden als zomereikenproefvlakken beschouwd. Het bladverlies wordt vaak bepaald door insectenaantasting (bladvraat), al dan niet in combinatie met meeldauwinfectie (Microsphaera alphitoides). Ook andere oorzaken kunnen een rol spelen. Vaak zijn het dan abiotische factoren zoals weersomstandigheden, standplaatseigenschappen, veranderingen in de grondwatertafel, beheer en exploitatie, luchtverontreiniging (depositie van polluenten)â&#x20AC;Ś In Houthalen-Helchteren (proefvlak 711) werd opvallende vraat en meeldauw genoteerd. In het proefvlak stond al jaren een kwijnende ruwe berk, die in 2019 stierf. Het gemiddeld bladverlies werd hierdoor nog hoger (29,4%). De helft van de bomen werd als beschadigd beschouwd. Ook Beerse (proefvlak 611), Meise (proefvlak 311), Brecht (proefvlak 504), Zandhoven (proefvlak 514) en Zoersel (proefvlak 515) zijn eikenproefvlakken met vraat, meeldauw en kwijnende bomen. De oorzaak van de aftakeling van individuele eiken is niet eenduidig vast te ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 41 van 108


stellen. Verschillende van deze proefvlakken vertonen al jaren een verminderde gezondheidstoestand. In Pulle, Zoutleeuw en Ravels groeien zomereiken maar het is de kroonconditie van andere soorten die het hoge gemiddelde bepaalt. In Pulle (proefvlak 508) stierf een es. Daarnaast werden een zomereik en een beuk als beschadigd genoteerd. De afgestorven es was in 2018 al sterk kwijnend. In dit proefvlak zijn er duidelijke symptomen van de essenziekte (Hymenoscyphus fraxineus). Het gemiddeld bladverlies in het proefvlak is 27,4%. In Zoutleeuw (proefvlak 416) stierven drie jaar na elkaar steekproefbomen door essenziekte. Het gemiddeld bladverlies bedraagt 26,7%. Er zijn twee beschadigde essen en een beschadigde tamme kastanje. In het proefvlak was er ook opvallende stormschade (o.a. één es met stambreuk). Net als in 2018 werden in 2019 droogtesymptomen op tamme kastanje in Ravels waargenomen (proefvlak 613). De zomereiken in het proefvlak zijn niet beschadigd. De tamme kastanjes kennen al twee jaar na elkaar een verhoogd bladverlies (ook bladverkleuring en bladvervorming). Het gemiddeld bladverlies in het proefvlak bedraagt 25,9%. Ongeveer de helft van de tamme kastanjebomen is beschadigd. Veel bomen vertonen op lage takken en scheuten afstervende bladeren en twijgen door de tamme-kastanjegalwesp (Dryocosmus kuriphilus). De invloed van de galwesp op de bladbezetting is voorlopig minder erg dan de invloed door droogte (zie 4.1.2.8). Zoals vermeld zijn er vier naaldboomproefvlakken met een gemiddeld naaldverlies dat (net) boven de 25% reikt. Daarvan zijn er drie proefvlakken met Corsicaanse dennen, namelijk Lommel, Arendonk en Eksel. De proefvlakken in Lommel (proefvlak 904) en Eksel (proefvlak 901) situeren zich beide in het Pijnven. In dit domeinbos zijn verschillende Corsicaanse dennenbestanden geïnfecteerd door de schimmel Dothistroma septosporum (syn. Scirrhia pini). Een andere schimmel, namelijk Sphaeropsis sapinea, veroorzaakt scheut- en taksterfte. Het gemiddeld naaldverlies bedraagt 26,2% in Lommel en 25,3% in Eksel. In en rondom de proefvlakken werd in 2019 veel stormschade vastgesteld. Het valt af te wachten in hoeverre er na de droogte en de stormschade aantastingen door schorskevers zullen volgen. De rodebandjesziekte Dothistroma septosporum werd ook in het proefvlak in Arendonk (proefvlak 603) vastgesteld. In dit proefvlak groeien naast Corsicaanse dennen ook grove dennen, een tamme kastanje en een Amerikaanse eik. De gezondheidstoestand van de Corsicaanse dennen is het zwakst. Het gemiddeld blad-/naaldverlies in Arendonk bedraagt 25,8%. Het enige grovedennenproefvlak met een gemiddeld naaldverlies dat net boven de 25% reikt is Leopoldsburg (proefvlak 902, gemiddelde 25,2%). In dit proefvlak werd een afgestorven grove den genoteerd. De oorzaak van de sterfte is onbekend.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 42 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Tabel 22

â&#x20AC;&#x2DC;Beschadigdeâ&#x20AC;&#x2122; proefvlakken in 2019 (gemiddeld bladverlies > 25%)

proefvlak

plaats

bladverlies 2019 (gem. %)

714

Bocholt

87,9

201

Maldegem

50,0

702

Kinrooi

40,6

512

Schilde

32,9

601

Merksplas

32,7

95001

Ravels

31,3

906

Eksel

30,8

612

Herselt

30,0

711

Houthalen-Helchteren

29,4

611

Beerse

28,8

311

Meise

27,9

508

Pulle

27,4

504

Brecht

27,4

514

Zandhoven

27,3

416

Zoutleeuw

26,7

904

Lommel

26,2

515

Zoersel

26,2

613

Ravels

25,9

603

Arendonk

25,8

901

Eksel

25,3

902

Leopoldsburg

25,2

Foto 3

Dode en kwijnende zomereiken in Brecht (Groot Schietveld, proefvlak 504, augustus 2019)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 43 van 108


4.1.1.6

Bespreking per proefvlak voor de hoofdboomsoorten (min. 5 ex. per soort)

Figuur 2 en tabel 22 zijn gebaseerd op gegevens van het totaal van alle bomen in een proefvlak. In proefvlakken met verschillende boomsoorten kan het interessant zijn om het gemiddeld bladverlies van de afzonderlijke boomsoorten te berekenen. Wanneer er in een proefvlak minstens 5 bomen van dezelfde boomsoort als steekproefboom aangeduid zijn, wordt het proefvlak voor deze boomsoort afzonderlijk beschouwd. De meest voorkomende boomsoorten in de inventaris zijn zomereik, grove den, beuk, Amerikaanse eik en Corsicaanse den. In totaal kunnen 29 proefvlakken als zomereikenproefvlakken beschouwd worden. In die proefvlakken zijn minstens 5 zomereiken als steekproefboom aangeduid. Zo kunnen ook 18 grove dennenproefvlakken onderscheiden worden. Het aantal beukenproefvlakken is kleiner (18) net als het aantal proefvlakken met Amerikaanse eik (7) en Corsicaanse den (5). Van alle proefvlakken met de hoofdboomsoorten is er geen enkel waar het gemiddeld bladverlies maximum 10% bedraagt (figuur 3). Alleen bij zomereik is er een proefvlak met een gemiddeld bladverlies van meer dan 40%. Van de 29 proefvlakken met zomereik zijn er 18 waar het gemiddeld bladverlies van de eiken tussen 10% en 25% ligt (62%). In één proefvlak of 3% bedraagt het gemiddeld bladverlies meer dan 40% (figuur 3). In de overige 10 proefvlakken ligt het gemiddelde tussen >25% en 40% (35%). Het proefvlak met het hoogste gemiddelde is Kinrooi (proefvlak 702). De proefvlakken met een gemiddelde tussen 25% en 40% zijn Meise, Perk, Tielt-Winge, Kapellen, Brecht, Zandhoven, Zoersel, Merksplas, Beerse en Houthalen-Helchteren. Met uitzondering van Perk (proefvlak 402), Tielt-Winge (proefvlak 415) en Kapellen (proefvlak 501) werden deze proefvlakken al eerder besproken. Zowel in Perk, Tielt-Winge als in Kapellen werden eiken met ernstige vraat en/of meeldauwinfectie aangetroffen. Zes van de acht proefvlakken met beuk bevinden zich in de klasse met gemiddeld tussen 10% en 25% bladverlies. Dat betekent dat 75% van de beukenproefvlakken als niet beschadigd wordt beschouwd. In 25% van de proefvlakken bedraagt het bladverlies gemiddeld meer dan 25%. Bij Amerikaanse eik is het gemiddeld bladverlies is in twee van de zeven proefvlakken hoger dan 25% (29%). In vijf proefvlakken ligt het bladverlies tussen 10% en 25% (71%). Eén van de 18 proefvlakken met grove den heeft een gemiddeld naaldverlies dat net boven de 25% reikt (Leopoldsburg, proefvlak 902, 25,2%). 17 van de 18 proefvlakken met grove dennen behoren tot dezelfde klasse (>10%-25%). Het proefvlak in Leopoldsburg is het enige proefvlak dat tot een hogere klasse behoort (>25% tot 40%). Bij Corsicaanse den behoort 40% van de meetpunten tot de categorie >10-25% en 60% tot de categorie >25%-40%.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 44 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Foto 4

Grove dennen in Houthalen (Kelchterhoef, proefvlak 701, juli 2019)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 45 van 108


Figuur 2

Bosvitaliteitsinventaris 2019 - gemiddeld blad-/naaldverlies per proefvlak (INBO) /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Pagina 46 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Figuur 3

Overzicht van het aandeel proefvlakken met een gemiddeld blad-/naaldverlies van de hoofdboomsoort in de categorieĂŤn 0-10%, >10-25%, >25-40% en >40% (minimumaantal bomen van de soort per proefvlak = 5)

Foto 5 Zomereiken in Serskamp (proefvlak 207, juli 2019)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 47 van 108


4.1.2 4.1.2.1

Symptomen en oorzaken Algemeen

Tijdens de kroonbeoordeling worden alle mogelijke symptomen van ziekte, aantasting of schade aan bovengrondse boomdelen genoteerd. Daarbij wordt een opsplitsing gemaakt tussen enerzijds bladeren (of naalden) en anderzijds scheuten, twijgen of takken. Ook de stam wordt van onder tot boven geïnspecteerd. De symptomen worden met een cijfercode genoteerd (zie tabel 11). Ook het boomdeel waarop het symptoom voorkomt, wordt met een code genoteerd. Bij de dataverwerking worden gegevens vaak gegroepeerd. Zo wordt de stam voor de symptoombeschrijving in verschillende stamdelen opgesplitst maar voor de verwerking worden deze delen vaak samen behandeld (codes 30, 31, 32, 33 en 34). Schade aan de wortelaanlopen wordt dus ook bij de stamschade gerekend. Er wordt ook een onderscheid in verschillende naaldjaargangen gemaakt maar voor de verwerking wordt geen rekening gehouden met de leeftijd van de naalden (groepering codes 11, 12 en 13). Ook takken en scheuten worden soms gegroepeerd tot één categorie (codes 21, 22, 23 en 24). Tijdens het veldwerk wordt de omvang van een bepaald symptoom geschat, waarbij er met omvangklassen gewerkt wordt (tabel 13). Indien mogelijk wordt de oorzaak van het symptoom genoteerd. Bladvraat, blad- of naaldverkleuring en sterfte van scheuten, takken of twijgen zijn de vaakst voorkomende symptomen (tabel 23). Zonder in detail te treden wordt in deze tabel een overzicht gegeven van het aandeel bomen dat een bepaald symptoom vertoont. De omvang van de symptomen wordt later behandeld. Bijna de helft van de bomen vertoont verkleuring van de bladeren of naalden (45,9%). Ook bladvraat is een zeer algemeen symptoom. Op 45,3% van de bomen worden aangevreten bladeren waargenomen. Andere symptomen worden veel minder genoteerd. 3,4% van de steekproefbomen vertoont bladvervorming en 0,1% vertoont tekenen van de aanwezigheid van schimmels op de bladeren. 70,0% van de steekproefbomen vertoont afgestorven scheuten, twijgen of takken. Daarmee is kroonsterfte het meest waargenomen symptoom. Bij een vijfde van de bomen worden gebroken twijgen of takken genoteerd (20,9%). De rest van de symptomen die op de takken voorkomen, worden op minder dan 5% van de steekproefbomen geobserveerd. Wonden en vervorming komen nog iets meer voor dan andere symptomen als harsuitvloei of tekenen van de aanwezigheid van insecten of schimmels. Op de stammen worden 10 verschillende symptomen genoteerd. Wonden zijn het vaakst voorkomend (26,7%). Ook hars- of slijmuitvloei wordt geregeld opgemerkt (16,2%). Stamvervorming en tekenen van de aanwezigheid van insecten komen al op minder dan 10% van de bomen voor (respectievelijk 9,6% en 8,5%). Op minder dan 5% van de steekproefbomen worden andere symptomen waargenomen, zoals necrose, rot, tekenen van de aanwezigheid van schimmels… De oorzaak van de symptomen is meestal moeilijk te onderscheiden (tabel 24). Zo is de oorzaak van kroonsterfte vaak onduidelijk of is de reden waarom er slijm- of harsuitvloei optreedt onbekend. In meer dan drie kwart van de gevallen is er sprake van een onbekende oorzaak (79,9%). Als de oorzaak van een bepaald symptoom wel bekend is, dan gaat het ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 48 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


meestal over insecten (47,7%) of schimmels (34,9%). Meer dan een kwart van de bomen vertoont ook symptomen die van abiotische aard zijn, zoals storm of droogte (26,5%). Ook de mens is een oorzaak van schade aan bomen. 12,5% van de bomen vertoont exploitatieschade, vandalisme of andere sporen van menselijke activiteit. Vaak betreft het schade door voertuigen of machines zoals ontschorste plaatsen op de stam of op de wortelaanlopen. Bomen die gemerkt zijn om bij een dunning gekapt te worden, tellen ook mee in deze categorie (de zogenaamde ‘gehamerde’ of ‘geschalmde’ bomen). Schade door vee, wild of andere factoren komt zelden voor. Slechts 1,8% vertoont wildschade en 1,1% schade door andere factoren. De invloed van luchtverontreiniging wordt in het zogenaamde Level 2 meetnet opgevolgd. Daar wordt onder andere de verzurende en vermestende depositie gemeten. Een rechtstreekse invloed van luchtverontreiniging wordt in het bosvitaliteitsmeetnet niet waargenomen. Onrechtstreekse inwerking is wel mogelijk, bijvoorbeeld via verschillende (bodem-)processen.

Tabel 23

Percentage bomen met symptomen (totaal: 1474 bomen)

aangetast deel bladeren/naalden

takken/scheuten

stam

symptoom verkleuring (geel, bruin) aangevreten bladvervorming teken van aanwezigheid schimmels dood/afstervend gebroken vervorming wonden (ontschorsing, scheuren…) harsuitvloei teken van aanwezigheid insecten teken van aanwezigheid schimmels ander teken wonden (ontschorsing, scheuren…) harsuitvloei of slijmuitvloei vervorming (kanker, tumor, ribbels…) teken van aanwezigheid insecten kwijnend/rottend necrose (necrotische plekken) dode kroontop ander teken gekanteld (scheef) teken van aanwezigheid schimmels

aantal bomen 676 668 50 2 1032 308 35 29 6 3 2 1 393 239 141 125 43 30 27 25 24 11

% 45,9 45,3 3,4 0,1 70,0 20,9 2,4 2,0 0,4 0,2 0,1 0,05 26,7 16,2 9,6 8,5 2,9 2,0 1,8 1,7 1,6 0,7

De symptomen die genoteerd worden verschillen van boomsoort tot boomsoort. Kroonsterfte (dode takken, scheuten, twijgen) wordt veel genoteerd en dit bij alle boomsoorten. Insectenvraat wordt dan weer vooral op loofbomen waargenomen. De top 5 van de vaakst voorkomende symptomen wordt in tabel 25 per boomsoort weergegeven.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 49 van 108


Tabel 24

Belangrijkste groepen van oorzaken (totaal: 1474 bomen)

oorzaak (groep) onbekend insecten schimmels abiotische factoren schade door de mens vraat (wild, vee) andere factoren

aantal bomen 1178 703 515 391 184 26 16

% 79,9 47,7 34,9 26,5 12,5 1,8 1,1

78,0% van de beuken vertoont dode takken of scheuten. Ernstige vraat komt bij beuk niet voor maar meer dan de helft van de bomen vertoont wel lichte bladvraat (53,7%). Op 41,5% van de bomen worden wonden opgemerkt. Dat is het meest van alle boomsoorten. Meer dan een kwart van de bomen vertoont vervorming van de bladeren, de takken of de stam (26,8%). Bladverkleuring komt minder frequent voor. Op 17,9% van de bomen wordt bruine bladverkleuring vastgesteld. Op bijna alle zomereiken wordt in min of meerdere mate bladvraat waargenomen (93,7%). Twee derden van de bomen vertoont sterfte van scheuten, twijgen of takken (66,9%). Ook bruine bladverkleuring wordt op meer dan de helft van de bomen opgemerkt (57,4%). In 2019 werd takbreuk geregeld genoteerd (35,0%). Andere symptomen, zoals vervorming van bladeren, takken of stam komen minder voor (19,7%). Bij Amerikaanse eik is kroonsterfte het meest opgemerkte symptoom, gevolgd door bladvraat (respectievelijk 88,0% en 87,0%). Het aandeel bomen met takbreuk is vergelijkbaar met de inheemse eiken (35,9%). Bijna een kwart van de Amerikaanse eiken vertoont wonden als ontschorsing of scheuren (23,9%). Ook tekenen van de aanwezigheid van insecten wordt in verhouding meer bij Amerikaanse eik dan bij zomereik genoteerd (21,7%). De top 5 van de symptomen in de groep ‘overige loofbomen’ is gelijk aan die bij beuk. Bladvraat (71,5%) en dode takken of twijgen (61,3%) worden het meest genoteerd. Daarna volgen wonden (32,8%), vervorming (30,6%) en bladverkleuring (26,0%). Wat de twee belangrijkste naaldboomsoorten betreft, zijn er opmerkelijke onderlinge verschillen. Het aandeel bomen met kroonsterfte is vergelijkbaar tussen grove den en Corsicaanse den maar er zijn verschillen wat harsuitvloei, takbreuk en naaldverkleuring betreft. 70,6% van de Corsicaanse dennen vertoont sterfte van takken, twijgen of scheuten. Naaldverkleuring komt regelmatig voor. Er is wel meer bruine naaldverkleuring dan gele verkleuring (respectievelijk 39,3% en 17,2%). Minder dan 10% van de bomen vertoont takbreuk (8,0%). De top 5 wordt vervolledigd door het symptoom ‘harsuitvloei’ (6,1%). Het aandeel grove dennen met kroonsterfte is iets groter (71,7%). In tegenstelling tot Corsicaanse den zijn er veel bomen met wonden (37,9%). Ook harsuitvloei komt veel vaker voor (34,0%), net als takbreuk (18,6%). Naaldverkleuring wordt in vergelijking met Corsicaanse ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 50 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


den minder vastgesteld. Bruine naaldverkleuring wordt op iets meer dan een kwart van de bomen waargenomen (27,3%).

Foto 6

Droogtesymptomen op lijsterbes (links) en krentenboompje (rechts) (Beerse en DeurneDiest, proefvlakken 611 en 406, 31 juli en 1 augustus 2019)

Tabel 25

Belangrijkste symptomen per boomsoort (totaal aantal bomen per soort tussen haakjes) boomsoort (n)

beuk (123)

zomereik (366)

Amerikaanse eik (92)

overige loofboomsoorten (235)

Corsicaanse den (163)

grove den (488)

aantal bomen

%

dood/afstervend (takken, scheuten)

symptoom

96

78,0

bladvraat

66

53,7

wonden (ontschorsing, scheuren,…)

51

41,5

vervorming (bladeren, stam, takken)

33

26,8

bladverkleuring (bruin)

22

17,9

bladvraat

343

93,7

dood/afstervend (takken, scheuten)

245

66,9

bladverkleuring (bruin)

210

57,4

gebroken (takbreuk)

128

35,0

vervorming (bladeren, stam, takken)

72

19,7

dood/afstervend (takken, scheuten)

81

88,0

bladvraat

80

87,0

gebroken (takbreuk)

33

35,9

wonden (ontschorsing, scheuren,…)

22

23,9

tekenen van aanwezigheid insecten

20

21,7

bladvraat

168

71,5

dood/afstervend (takken, scheuten)

144

61,3

wonden (ontschorsing, scheuren,…)

77

32,8

vervorming (bladeren, stam, takken)

72

30,6

bladverkleuring (bruin)

61

26,0

dood/afstervend (takken, scheuten)

115

70,6

naaldverkleuring (bruin)

64

39,3

naaldverkleuring (geel)

28

17,2

gebroken (takbreuk)

13

8,0

harsuitvloei

10

6,1

dood/afstervend (takken, scheuten)

350

71,7

wonden (ontschorsing, scheuren,…)

185

37,9

harsuitvloei

166

34,0

naaldverkleuring (bruin)

133

27,3

gebroken (takbreuk)

91

18,6

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 51 van 108


4.1.2.2

Verkleuring

De verkleuring van naalden of bladeren kan door tal van factoren veroorzaakt worden, ondermeer door biotische factoren als schimmels, insecten of bacteriën. Bekende voorbeelden van schimmels die verkleuring veroorzaken zijn meeldauw op eik (Microsphaera alphitoides) en rodebandjesziekte op den (Dothistroma septosporum, syn. Scirrhia pini). In 4.1.2.4 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van schimmelinfecties. Ook insectenaantasting kan verkleuring veroorzaken. Bladmineerders vreten gangetjes in het blad. Zo kunnen bijvoorbeeld bladeren van beuken verkleuren na mineervraat door de larven van de beukenspringkever (Rhynchaenus fagi). Verkleuring kan ook door abiotische omstandigheden ontstaan. Door langdurige droogte kan verkleuring, verwelking en in extreme gevallen vervroegde bladval ontstaan. De laatste zomers werden droogtesymptomen in bossen waargenomen (foto 6). Ook een onevenwichtige voedingstoestand in bladeren of naalden kan verkleuring teweegbrengen, net als luchtverontreiniging. Bijna de helft van de bomen vertoont in min of meerdere mate blad- of naaldverkleuring (45,9%, tabel 23). Het is een symptoom dat bij alle boomsoorten, met uitzondering van Amerikaanse eik, tot de top 5 van de meest genoteerde symptomen behoort. Lichtgroene tot gele verkleuring wordt minder genoteerd dan bruine verkleuring. Voor het totaal van alle bomen geldt dat 10,7% abnormale verkleuring vertoont (tabel 26). Bij deze bomen vertoont meer dan 10% van de boomkroon verkleuringverschijnselen. Er is opnieuw meer abnormale bruinverkleuring dan abnormale geelverkleuring, respectievelijk 6,2% en 4,5%. Het aandeel bomen met abnormale verkleuring is hoger bij loofbomen dan bij naaldbomen (resp. 15,6% en 4,7%). Bij de loofboomsoorten valt het hoge aandeel zomereiken met bladverkleuring op. Bij beuk en de groep ‘overige loofboomsoorten’ vertoont minder dan 10% van de bomen verkleuring, bij Amerikaanse eik zelfs minder dan 5%. Er is in verhouding meer ernstige naaldverkleuring bij grove den dan bij Corsicaanse den. Ongeveer een kwart van de zomereiken vertoont ernstige bladverkleuring (25,4%). Bruine bladverkleuring is bij zomereik het meest genoteerde symptoom na bladvraat en taksterfte. Meestal wordt meeldauwinfectie (Microsphaera alphitoides) als oorzaak opgegeven (zie verder). In vergelijking met zomereik zijn er opvallend weinig Amerikaanse eiken met abnormale bladverkleuring (3,3%). Bijna 10% van de bomen in de groep ‘overige loofboomsoorten’ vertoont ernstige verkleuring (9,4%). In deze groep wordt droogte vaak als oorzaak van lichte of sterke verkleuring genoteerd. Bladverkleuring werd op tamme kastanje in Ravels (proefvlak 613) in 2018 ook al opgemerkt. Naast bladverkleuring is er in dit proefvlak ook bladvervorming en vervroegde bladval door droogte. Verder is er opvallende bladverkleuring op boomsoorten als boskers, populier en wintereik. In enkele proefvlakken wordt al jaren een verminderde vitaliteit van de beuken vastgesteld. 7,3% van de beuken vertoont ernstige bladverkleuring. Het betreft in veel gevallen kwijnende bomen. De bladverkleuring is het gevolg van abiotische oorzaken zoals droogte in combinatie met ongunstige standplaatseigenschappen. Er zijn beuken met opvallende verkleuring in Wuustwezel (proefvlak 513), Herent (proefvlak 411), Zerkegem (proefvlak 102) en Herselt (proefvlak 612). Opvallende verkleuring door schimmelinfectie of insectenaantasting komt amper voor (zie verder). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 52 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Iets meer dan 5% van de grove dennen vertoont ernstige naaldverkleuring (5,9%). Ook hier kan een combinatie van factoren aan de basis van de verkleuring liggen. De proefvlakken met de opvallendste naaldverkleuring zijn Sint-Laureins (proefvlak 202), Averbode (proefvlak 403) en Oelegem (proefvlak 507). Een oorzaak van de naaldverkleuring werd niet herkend. In SintLaureins en Averbode werden sinds de start van de bosvitaliteitsinventaris geen dunningen meer uitgevoerd. Droogte wordt zeker in deze proefvlakken als mogelijke stressfactor beschouwd. In Averbode is er de laatste twee jaar ook sterfte van steekproefbomen. Er zijn weinig Corsicaanse dennen met ernstige verkleuring (1,2%). In vergelijking met grove den is er wel een hoger aandeel Corsicaanse dennen met lichte naaldverkleuring. Bomen die geïnfecteerd zijn door de rodebandjesziekte (Dothistroma septosporum, syn. Scirrhia pini) vertonen op het tijdstip van de kroonbeoordeling geen massale naaldverkleuring omdat de geïnfecteerde naalden op dat ogenblik al gevallen zijn. Afgestorven naalden die nog in de kroon hangen, worden niet meer als verkleurd beschouwd. Deze worden bij het (percentage) naaldverlies gerekend. De jongste naalden vertonen nog geen symptomen van rodebandjesziekte. Het percentage bomen met opvallende verkleuring stijgt in vergelijking met 2018. Toen vertoonde 3,7% van de bomen ernstige verkleuring. De toename is groter bij loofbomen (+ 11,2 procentpunten) dan bij naaldbomen (+1,7 procentpunten). Er is een zeer opvallende toename bij zomereik (+ 21,8 procentpunten). Die is vooral te wijten aan de toename van schade door biotische factoren (zie verder). De toename is kleiner bij beuk (+ 1,8 procentpunten), Amerikaanse eik (+ 2,2 procentpunten) en de ‘overige loofboomsoorten’ (+ 3,3 procentpunten). Ook bij de naaldboomsoorten is er een toename, weliswaar minder bij Corsicaanse den (+ 0,6 procentpunten) dan bij grove den (+ 2,1 procentpunten). Het percentage bomen met opvallende verkleuring te wijten aan droogte is wel afgenomen in vergelijking met de voorgaande inventaris. In 2018 vertoonde 9,3% van de loofbomen droogtesymptomen, in 2019 is dat gedaald tot 7,0%. Bij de naaldbomen werd in 2018 en 2019 geen opvallende verkleuring door droogte genoteerd, hoewel droogte ook bij naaldboomsoorten de vitaliteitstoestand beïnvloedt. De toename van de verkleuring is in 2019 vooral te wijten aan biotische factoren. Mogelijk is er ook meer aantasting en verkleuring op reeds verzwakte bomen. De verkleuring bij grove den gaat in verschillende proefvlakken samen met een verminderde vitaliteit.

Tabel 26

Percentage bomen met meer dan 10% van de kroon verkleurd (ernstige verkleuring) abnormale verkleuring (%) totaal

10,7

loofbomen

15,6

naaldbomen

4,7

zomereik

25,4

beuk

7,3

Amerikaanse eik

3,3

overige loofboomsoorten

9,4

grove den

5,9

Corsicaanse den

1,2

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 53 van 108


4.1.2.3

Insecten

Bladvraat en kroonsterfte zijn de meest genoteerde symptomen in de bosvitaliteitsinventaris. 45,3% van de geïnventariseerde bomen vertoont bladvraat. De vraat blijft beperkt op 38,4% van de bomen maar 6,9% van de boomkronen vertoont sterk bladverlies door bladvraat (tabel 27). Aangevreten bladeren komen vaak voor, naaldvraat wordt minder opgemerkt. Er zijn geen naaldbomen met omvangrijke vraat, enkel een klein aandeel bomen met beperkte vraat (1,7%). Bij grove den zijn er enkele bomen met lichte vraatschade (2,1%). 68,1% van de loofbomen vertoont lichte bladvraat en bij 12,4% is er ernstige vraat. Bij alle loofboomsoorten zit ‘bladvraat’ in de top 5 van de meest opgemerkte symptomen. Voor zomereik en de groep ‘overige loofboomsoorten’ is dit het meest genoteerde symptoom. Bij beuk en Amerikaanse eik wordt kroonsterfte nog iets meer waargenomen (tabel 25). Er zijn wat bladvraat betreft duidelijke verschillen tussen de loofboomsoorten. Bijna alle zomereiken vertonen in min of meerdere mate bladvraat (93,7%). De bladmassa die verdwijnt door vraat blijft beperkt bij 68,0% van de zomereiken. Meer dan een kwart van de eiken vertoont ernstige vraat (25,7%). Zomereik is een waardplant voor veel insectensoorten, niet alleen kevers maar ook vlinders, bladwespen... Ernstige vraat wordt voornamelijk door nachtvlinders veroorzaakt. De larven kunnen in het voorjaar massaal van het jong bladmateriaal eten zodat kaalvraat ontstaat. Na het verpoppen van de rupsen kunnen de eiken weer uitlopen en nieuw blad vormen, maar de schade blijft zichtbaar. Dit zogenaamde Sintjanslot is vatbaarder voor meeldauwinfectie. Soorten die massale bladvraat kunnen veroorzaken zijn eikenprocessievlinder (Thaumetopoea processionea), kleine en grote wintervlinder (Operophtera brumata, Erannis defoliaria), plakker (Lymantria dispar), groene eikenbladroller (Tortrix viridana)… Wintervlinder en eikenbladroller vreten aan het blad van zodra dit uit de bladknoppen komt. Massale vraat door eikenprocessievlinder komt wat later tijdens het voorjaar voor. Er zijn verschillende zomereikenproefvlakken met ernstige vraat. In deze proefvlakken is er meestal ook meeldauwinfectie. In Kinrooi (proefvlak 702) is er sinds 2004 jaarlijkse aantasting door eikenprocessievlinder. In andere proefvlakken zijn andere vlindersoorten verantwoordelijk voor de vraat. Proefvlakken met een hoog gemiddeld bladverlies en veel bladvraat zijn Houthalen-Helchteren (proefvlak 711), Beerse (proefvlak 611), Meise (proefvlak 311) en Zandhoven (proefvlak 514). Daarvan worden enkel in Zandhoven en HouthalenHelchteren ook nesten van eikenprocessierupsen opgemerkt. In deze proefvlakken wordt de meeste bladvraat voorlopig door andere soorten veroorzaakt. Bij beuk is er geen ernstige insectenvraat. Lichte bladvraat wordt bij iets meer dan de helft van de bomen opgemerkt (53,7%). Meestal gaat het om gaatjes in bladeren, veroorzaakt door de beukenspringkever (Rhynchaenus fagi). In vergelijking met zomereik is er bij Amerikaanse eik meer lichte bladvraat en minder ernstige vraat. 84,8% van de Amerikaanse eik vertoont bladvraat maar de vraat blijft beperkt tot maximum 10% van de bladmassa. Ernstige vraat komt slechts bij 2,2% van de Amerikaanse eiken voor. In één proefvlak met Amerikaanse eiken worden opvallend veel eipakketjes van plakker (Lymantria dispar) op de stammen aangetroffen. Voorlopig blijft de vraatschade in dit proefvlak beperkt. De groep ‘overige loofboomsoorten’ situeert zich tussen beuk en eik. Meer dan twee derden van de bomen vertoont lichte vraat (69,4%) maar ernstige vraat blijft beperkt tot 2,1% van de bomen. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 54 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


De bladvraat is toegenomen in vergelijking met de vorige inventaris. In 2018 was er lichte bladvraat op 32,7% van de bomen en sterke vraat op 2,3%. In 2018 werd geen naaldvraat geregistreerd, nu enkel lichte vraat bij grove den. De grootste toename situeert zich bij de loofbomen en vooral bij zomereik. Voor het totaal van alle loofbomen neemt het aandeel bomen met lichte bladvraat met 7,8 procentpunten toe en het aandeel loofbomen met ernstige vraat stijgt met 8,2 procentpunten. Het aandeel zomereiken met lichte vraat daalt (72,4% in 2018) maar het aandeel bomen met ernstige vraat stijgt sterk, van 8,9% in 2018 naar 25,7% in 2019. Bij beuk, Amerikaanse eik en de ‘overige loofbomen’ is er vooral een toename van lichte vraat. Er waren in 2018 geen beuken of Amerikaanse eiken met sterke vraat. 25,5% van de beuken en 67,0% van de Amerikaanse eiken vertoonden toen lichte vraat. In 2018 was er nauwelijks ernstige vraat bij de ‘overige loofbomen’ (0,8%). Lichte vraatschade werd toen bij 55,7% van de bomen waargenomen. Het is van 2014 geleden dat meer dan een kwart van de zomereiken ernstige bladvraat vertoonde. Het aandeel bomen met sterk bladverlies bedroeg toen 33,2%. De jaren daarna bleef het percentage met opvallende vraat veel lager, namelijk 9,1% in 2015, 9,0% in 2016 en 14,6% in 2017.

Tabel 27

Procentuele verdeling van de steekproefbomen volgens insectenaantasting % bomen met bladvraat beperkte vraat

ernstige vraat ( >10%)

totaal

38,4

6,9

loofbomen

68,1

12,4

naaldbomen

1,7

0,0

zomereik

68,0

25,7

beuk

53,7

0,0

Amerikaanse eik

84,8

2,2

overige loofboomsoorten

69,4

2,1

grove den

2,1

0,0

Corsicaanse den

0,0

0,0

Het symptoom ‘tekenen van de aanwezigheid van insecten’ slaat op waarnemingen die duidelijk naar insectenaantasting verwijzen, maar geen bladverlies zijn. Een voorbeeld daarvan zijn uitvlieggaten of boormeel van schorskevers of andere houtborende insecten. Maar ook waargenomen eipakketjes van insecten, larven of imago’s of spinselnesten van eikenprocessievlinder worden in deze categorie ingedeeld. De symptomen komen vooral op de stam voor maar kunnen ook op andere boomdelen zichtbaar zijn. Er zijn ‘tekenen van de aanwezigheid van insecten’ op 8,5% van de bomen in de inventaris (tabel 28). Het symptoom wordt meer bij loofbomen dan bij naaldbomen genoteerd, respectievelijk bij 13,6% en 2,1% van de bomen. Op Corsicaanse den worden geen tekenen van de aanwezigheid van insecten genoteerd, op grove den wel (2,9%). De grove dennen met dit symptoom vertonen allemaal boorgaten of boormeel, afkomstig van houtborende kevers. De boorgaten kunnen door verschillende soorten veroorzaakt zijn, zoals dennenscheerder (Tomicus piniperda), blauwe ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 55 van 108


dennenprachtkever (Phaenops cyanea), zestand-dennenschorskever (Ips sexdentatus), gewone dennenboktor (Rhagium inquisitor)… 10,6% van de beuken vertoont tekenen van de aanwezigheid van insecten op de stam. Het gaat bijna uitsluitend over de aanwezigheid van wollige beukenstamluis (Cryptococcus fagisuga). Op één beuk werd een eipakketje van plakker waargenomen. Boorgaatjes van insecten worden ook op stammen van ‘overige loofboomsoorten’ aangetroffen, zoals tamme kastanje, valse acacia, zwarte els, es en olm. Daarnaast worden op enkele bomen eipakketjes van plakker genoteerd (ruwe berk, tamme kastanje). In totaal vertoont 12,8% van de ‘overige loofbomen’ tekenen van de aanwezigheid van insecten. Het aandeel ligt nog wat hoger bij zomereik (13,1%). Er is een stijgend aandeel bomen met spinselnesten van eikenprocessievlinder. In 2019 was dat in 10 proefvlakken het geval, of 32,3% van de zomereikenproefvlakken (minstens 3 zomereiken in een plot). In totaal zijn er een dertigtal eiken in de inventaris met spinselnesten van eikenprocessierupsen op de stam (7,9% van de zomereiken). Voor de rest betreft het bomen met boorgaten en in een paar gevallen eipakketjes van plakker. De houtborende insecten die de boorgaten veroorzaken zijn niet altijd op naam te brengen. In verschillende proefvlakken worden uitvlieggaten van eikenprachtkever genoteerd (Agrilus biguttatus, syn. Agrilus pannonicus) Het grootste aandeel bomen met tekenen van de aanwezigheid van insecten komt bij Amerikaanse eik voor (21,7%). De bomen met dit symptoom zijn bijna allen bomen met eipakketjes van plakker (Lymantria dispar). Vooral in het proefvlak Eksel (proefvlak 906) valt het groot aandeel bomen met afgezette eipakketjes op (61%). De eitjes worden door de vlinder in groepjes op de stammen. De soort overwintert als eitje in deze met haren bedekte pakketjes. Het aandeel bomen met tekenen van de aanwezigheid van insecten op de stam neemt toe in vergelijking met 2018 (toen 6,3%). Alleen bij beuk neemt het aandeel af (13,6% in 2018). De toename is beperkt bij grove den (1,6%). Dat wil zeggen dat het aandeel bomen met tekenen van de aanwezigheid van schorskevers of andere houtborende insecten in 2019 niet opvallend toeneemt. De toename is het grootst bij zomereik en vooral bij Amerikaanse eik. Dat is te wijten aan het toegenomen aandeel bomen met aanwezigheid van eitjes van plakker en spinselnesten met rupsen en vervellingshuiden van eikenprocessievlinder. Ongetwijfeld zijn de warme en droge weersomstandigheden tijdens de afgelopen jaren verantwoordelijk voor de (beperkte) toename van schorskevers bij grove den en de grotere toename van plakker en eikenprocessievlinder. De stormschade van 2018 en 2019 is een tweede factor die de uitbreiding van schorskevers en andere houtboorders bevordert.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 56 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Tabel 28

Percentage bomen met (sporen van) insecten op de stam aanwezigheid insecten op de stam (%) totaal

8,5

loofbomen

13,6

naaldbomen

2,1

zomereik

13,1

beuk

10,6

Amerikaanse eik

21,7

overige loofboomsoorten

12,8

grove den

2,9

Corsicaanse den

0,0

4.1.2.4

Schimmels

Schimmelinfecties kunnen diverse symptomen veroorzaken, van bladvervorming en bladverkleuring, tot taksterfte, wortelsterfte of het volledig afsterven van bomen. Alle boomdelen kunnen door schimmels aangetast worden. Sommige schimmelinfecties veroorzaken verschillende symptomen. Essen die door essenziekte zijn aangetast, kunnen zowel verkleuring, verwelking als taksterfte vertonen. Dat is ook het geval bij elzenphytophthora (Phytophthora alni ). Bladschimmels veroorzaken vooral bladverkleuring en vervroegde bladval. Typische voorbeelden zijn eikenmeeldauw (Microsphaera alphitoides) en roestziekte bij populier (Melampsora larici-populina). Eikenmeeldauw veroorzaakt bladvergeling, bladverbruining, bladvervorming en in extreme gevallen ook scheutsterfte. Op naaldbomen veroorzaakt rodebandjesziekte (Dothistroma septosporum, syn. Scirrhia pini) vervroegd naaldverlies. Er ontstaat eerst een bandvormige verkleuring op de naalden, die later volledig bruin verkleuren en afsterven. De infecties hebben een invloed op de inschatting van bladverkleuring maar ook op de inschatting van het bladverlies. Dat is ook het geval bij schimmelinfecties die kroonsterfte veroorzaken. Een typische voorbeeld van een schimmel die scheutsterfte veroorzaakt is Sphaeropsis sapinea op den. Niet alleen de jongste scheuten kunnen afsterven door de schimmel, ook oudere takken kunnen aangetast worden. Schimmels kunnen ook vervorming veroorzaken. Een typisch voorbeeld is takkanker die door Nectria-infectie op beuk gevormd wordt. Schimmelinfecties kunnen ook de vorming van slijm of hars veroorzaken. Er is een afzonderlijke categorie met ‘tekenen van de aanwezigheid van schimmels’. Op de takken, de stam of de wortelaanlopen worden soms vruchtlichamen van houtrotters of andere schimmels opgemerkt. Ook de aanwezigheid van rhizomorfen van honingzwam (Armillaria spp.) wordt met dit symptoom aangeduid. Wanneer een boom enkel witte bepoedering van meeldauw op de bladeren vertoont (wit mycelium), wordt dit ook als teken van aanwezigheid van schimmels aangeduid. Van zodra er ook gele of bruine bladverkleuring is, wordt enkel de bladverkleuring genoteerd. Ongeveer een derde van de bomen vertoont één of meerdere symptomen te wijten aan schimmelinfectie (34,9%, tabel 24). De symptomen die hier behandeld worden, beperken zich tot bladverkleuring door schimmels en ‘tekenen van de aanwezigheid van schimmels’. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 57 van 108


18,4% van de bomen vertoont blad- of naaldverkleuring die toegewezen wordt aan schimmelinfectie. Bij 12,3% van de bomen is maximum 10% van de boomkroon verkleurd (tabel 29). 6,1% vertoont opvallende verkleuring. In die gevallen betreft het ernstige infectie van bladeren of naalden. Verkleuring door schimmels wordt vooral bij loofbomen genoteerd. Ongeveer één loofboom op vijf vertoont lichte verkleuring en één boom op tien vertoont ernstige verkleuring (respectievelijk 20,1% en 11,0%). Bij de naaldbomen liggen de cijfers veel lager (respectievelijk 2,6% en 0,0%). Er is in 2019 opvallende meeldauwinfectie op zomereik. Twee derden van de zomereiken vertoont in min of meerdere mate verkleuring die hoofdzakelijk het gevolg is van eikenmeeldauw. Naast meeldauw kunnen ook andere infecties verkleuring bij eik veroorzaken (vb. Discula umbrinella). Het aandeel bomen met lichte verkleuring bedraagt 42,9%. Ook het percentage bomen met ernstige verkleuring is bijzonder hoog (24,3%). Het is van 2014 geleden dat een dergelijk aandeel bomen met verkleuring door schimmels werd genoteerd. Het aandeel eiken met ernstige verkleuring door bladschimmels bedroeg in 2018 slechts 3,1%. Lichte verkleuring was er toen bij 37,9% van de eiken. De andere boomsoorten vertonen weinig verkleuring die toegeschreven wordt aan schimmelinfectie. Alleen in de groep ‘overige loofboomsoorten’ is er een boom met ernstige verkleuring (0,4%). Ook het aandeel bomen met lichte verkleuring is laag (1,6% bij beuk en 2,1% bij ‘overige loofbomen’). Bij de naaldboomsoorten is er alleen lichte verkleuring en enkel bij Corsicaanse den (10,4%). Oorzaak van de verkleuring is de rodebandjeziekte (Dothistroma septosporum, syn. Scirrhia pini). Omdat veel naalden op het moment van de kroonbeoordeling al gevallen zijn, vertaalt de infectie zich vooral in een hoger naaldverlies. Voor het totaal van alle bomen is er in vergelijking met 2018 een toename van ernstige verkleuring en een afname van lichte verkleuring. De toename van ernstige verkleuring is te wijten aan de toename bij eik. Het aandeel bomen met verkleuring door schimmels neemt sterk toe bij zomereik maar daalt of blijft gelijk bij de andere boomsoorten. Bij Corsicaanse den is er een opvallende afname van het aandeel bomen met lichte verkleuring. In 2018 vertoonde 42,9% van de Corsicaanse dennen lichte naaldverkleuring en 0,6% ernstige verkleuring.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 58 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Tabel 29

Percentage bomen met verkleuring door schimmelinfectie verkleuring door schimmels (%) licht

ernstig (> 10%)

totaal

12,3

6,1

loofbomen

20,1

11,0

naaldbomen

2,6

0,0

zomereik

42,9

24,3

beuk

1,6

0,0

Amerikaanse eik

0,0

0,0

overige loofboomsoorten

2,1

0,4

grove den

0,0

0,0

Corsicaanse den

10,4

0,0

Op 1,0% van de bomen zijn er ‘tekenen van de aanwezigheid van schimmels’. In bijna de helft van de gevallen betreft het waarnemingen van rhizomorfen van honingzwam (Armillaria spp.). Deze zwartgekleurde, gebundelde zwamdraden, worden meestal op de wortelaanlopen en op de stambasis gezien. Voor de rest betreft het vruchtlichamen van verschillende soorten zoals echte tonderzwam (Fomes fomentarius), doolhofzwam (Daedalea quercina), berkenzwam (Piptoporus betulinus) en waaiertje (Schizophyllum commune). De vruchtlichamen komen op Amerikaanse eik, ruwe berk of zomereik voor. De rhizomorfen van honingzwam worden op es en zomereik waargenomen. Op twee zomereiken wordt geen verkleuring door eikenmeeldauw opgemerkt maar enkel witte bepoedering van bladeren door mycelium van meeldauw (0,6%). Het percentage bomen met ‘tekenen van de aanwezigheid van schimmels’ daalt ten opzichte van de vorige inventaris. In 2018 werd minder verkleuring door meeldauw genoteerd. Toen waren er meer zomereiken met aanwezigheid van (wit) mycelium op de bladeren (5,0%). ‘Tekenen van de aanwezigheid van schimmels’ waren er in 2018 op 2,5% van de steekproefbomen.

4.1.2.5

Kroonsterfte

Er zijn verschillende vormen van kroonsterfte. Er is sprake van scheutsterfte wanneer de pas uitgelopen scheut is afgestorven. Twijgsterfte wordt omschreven als de sterfte van alle takjes die dunner dan 2 centimeter zijn. Vanaf een diameter van 2 centimeter wordt de sterfte als taksterfte omschreven. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen gewone takken, met een diameter van 2 tot 10 centimeter, en zware takken. Zware takken hebben een diameter van minstens 10 centimeter. De omvang van de schade wordt steeds genoteerd. Wanneer meer dan 10% van de scheuten, twijgen of takken afgestorven is, wordt dit als ernstige kroonsterfte beschouwd. Op termijn kan kroonsterfte uitbreiden en tot volledige boomsterfte leiden. De exacte oorzaak van kroonsterfte is vaak moeilijk te bepalen omdat verschillende factoren kroonsterfte kunnen veroorzaken. Dode takken kunnen het gevolg van een infectie zijn, zoals essenziekte (Hymenoscyphus fraxineus), elzenphytophthora (Phytophthora alni), scheutsterfte ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 59 van 108


op den (Sphaeropsis sapinea) of takkanker op beuk (Nectria ditissima). Ook insecten kunnen scheutsterfte veroorzaken (vb. tamme-kastanjegalwesp Dryocosmus kuriphilus). Er zijn tenslotte ook abiotische omstandigheden die kroonsterfte veroorzaken. Het bekendst is wellicht droogteschade. Kroonsterfte door droogte gebeurt het eerst bij droogtegevoelige boomsoorten en op de droogste standplaatsen. Droogte kan in combinatie met biotische factoren voor een snelle aftakeling van bomen zorgen. Dat was de laatste jaren merkbaar aan het grote aantal verzwakte fijnsparrenbestanden, die door schorskevers aangetast werden. Naast droogte en hitte kunnen ook andere weersomstandigheden scheut- of taksterfte veroorzaken, bijvoorbeeld (voorjaars-)vorst. In het geval van extreme weersomstandigheden en ongunstige standplaatseigenschappen is er sprake van primaire factoren die de gezondheidstoestand beïnvloeden. Daarna komen secundaire factoren (vb. schorskevers) die de bomen verder aantasten. 70,0% van de bomen vertoont afgestorven scheuten, twijgen of takken (tabel 23). Het betreft hoofdzakelijk lichte sterfte, waarbij de omvang maximum 10% bedraagt. Op 14,3% van de bomen wordt beperkte sterfte van de lopende jaarscheuten opgemerkt (tabel 30). Omvangrijke scheutsterfte komt zelden voor (0,4%). Twijgsterfte wordt het meest opgemerkt. Iets meer dan de helft van de steekproefbomen vertoont lichte twijgsterfte (51,5%). Ernstige sterfte is er bij 5,3% van de steekproefbomen. Taksterfte komt veel minder voor. Lichte taksterfte wordt bij 16,4% van de bomen waargenomen en ernstige taksterfte bij 3,9%. Sterfte van de zware takken komt slechts bij enkele steekproefbomen voor (0,1% licht en 0,1% sterk). Kroonsterfte is bij alle boomsoorten het meest genoteerde symptoom, met uitzondering van zomereik en de groep ‘overige loofboomsoorten’. Voor deze beide groepen zijn er nog meer bomen met bladvraat (tabel 25). Scheutsterfte wordt het meest bij naaldboomsoorten genoteerd. Bijna een derde van de naaldbomen vertoont lichte aantasting van de lopende jaarscheut (31,9%). Ernstige sterfte is er bij 0,9% van de bomen. Het grootste aandeel afgestorven scheuten komt bij Corsicaanse den voor. Bijna de helft van de bomen vertoont lichte scheutsterfte (44,2%) en er is ook meer ernstige schade (3,1%). Hoewel er verschillende oorzaken kunnen zijn, wordt in veel gevallen Sphaeropsis-scheutsterfte als oorzaak aangeduid. De schimmel Sphaeropsis sapinea kan zowel scheuten als twijgen en takken aantasten. Er zijn in 2019 geen grove dennen met ernstige kroonsterfte door Sphaeropsis, maar bij 22,8% van de bomen is er lichte sterfte die aan Sphaeropsis toegewezen wordt. De percentages liggen hoger bij Corsicaanse den. Op 41,1% van de bomen wordt lichte scheut- of taksterfte vastgesteld met Spaeropsis sapinea als oorzaak. 9,2% van de Corsicaanse dennen vertoont ernstige kroonsterfte te wijten aan Sphaeropsis-infectie. Twijgsterfte (diameter < 2 cm) wordt zowel bij loofbomen als naaldbomen opgemerkt. Ernstige twijgsterfte blijft meestal beperkt. Alleen bij Amerikaanse eik, beuk en Corsicaanse den vertoont meer dan 10% van de steekproefbomen ernstige twijgsterfte (respectievelijk 14,1%, 12,2% en 10,4%). Voor de rest bevat alleen de groep ‘overige loofboomsoorten’ meer dan 5% bomen met ernstige twijgsterfte (5,5%). Het aandeel zomereiken en grove dennen met ernstige twijgsterfte is beperkt tot 2,2% en 2,3%. Taksterfte (diameter 2-10 cm) komt minder voor dan twijgsterfte. Bij 16,4% van de steekproefbomen is er sprake van een beperkte sterfte. Bij 3,9% van de bomen wordt opvallende sterfte vastgesteld. Ernstige sterfte van dit type takken komt het meest bij loofboomsoorten voor. De naaldbomen vertonen weinig taksterfte. Ernstige taksterfte is er nauwelijks bij grove den (0,6%) en iets meer bij Corsicaanse den (3,1%). De loofboomsoorten ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 60 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


tellen een hoger percentage bomen met ernstige taksterfte: 12,3% in de groep ‘overige loofboomsoorten’, 4,1% bij beuk, 3,6% bij zomereik en 3,3% bij Amerikaanse eik. Bij de eiken valt het hoge aandeel bomen met lichte sterfte op (40,2% bij Amerikaanse eik en 29,2% bij zomereik). De groep ‘overige loofboomsoorten’ telt een groot aantal zwarte elzen met taksterfte in Bocholt (proefvlak 714). Door verdere aftakeling en sterfte daalt het aantal steekproefbomen in dit proefvlak jaar na jaar. Als oorzaak wordt elzenphytophthora aangeduid. Zware taksterfte (minimumdiameter 10 cm) wordt enkel bij zomereik vastgesteld. Er zijn twee zomereiken met lichte sterfte en twee met ernstige sterfte (telkens 0,6%). Er is een toename van kroonsterfte in vergelijking met de vorige inventaris maar de toename blijft beperkt. Er is vooral meer twijgsterfte en taksterfte. Het aandeel bomen met lichte twijgsterfte stijgt met 3,4 procentpunten en het aandeel met ernstige twijgsterfte met 0,9 procentpunten. Het percentage bomen met lichte taksterfte neemt met 3,6 procentpunten toe en het aandeel met sterke taksterfte stijgt met 0,8 procentpunten. Bij grove den is er alleen een toename van lichte twijg- en taksterfte. In het geval van Corsicaanse den is er een toename van ernstige twijgsterfte (+ 8,6 procentpunten) en ernstige taksterfte (+ 0,7 procentpunten). Van alle loofboomsoorten is de toename het opvallendst bij beuk en Amerikaanse eik. Ernstige twijgsterfte stijgt bij beuk van 6,4% naar 12,2% en ernstige taksterfte van 0,9% naar 4,1%. Bij Amerikaanse eik is er een toename van het aandeel bomen met ernstige twijgsterfte van 2,2% naar 14,1% terwijl het aandeel bomen met ernstige taksterfte stijgt van 0% naar 3,3%. In het geval van beuk moet hier vermeld worden dat er in 2019 een proefvlak toegevoegd werd. Dit proefvlak in Ravels (proefvlak 95001) telt verschillende bomen met lichte en ernstige kroonsterfte.

Tabel 30

Percentage bomen met kroonsterfte (licht = omvang sterfte 1-10%, ernstig = omvang sterfte > 10%) lopende jaarscheuten

twijgen (diam. <2 cm)

licht

ernstig

licht

ernstig

licht

ernstig

licht

ernstig

totaal

14,3

0,4

51,5

5,3

16,4

3,9

0,1

0,1

loofbomen

0,0

0,0

52,5

6,0

24,4

6,1

0,3

0,3

naaldbomen

31,9

0,9

50,3

4,4

6,4

1,2

0,0

0,0

zomereik

0,0

0,0

52,5

2,2

29,2

3,6

0,6

0,6

beuk

0,0

0,0

63,4

12,2

17,1

4,1

0,0

0,0

Am. eik

0,0

0,0

67,4

14,1

40,2

3,3

0,0

0,0

overige lbs.

0,0

0,0

40,9

5,5

14,5

12,3

0,0

0,0

grove den

28,3

0,2

57,0

2,3

6,6

0,6

0,0

0,0

Cors. den

44,2

3,1

31,3

10,4

6,1

3,1

0,0

0,0

4.1.2.6

takken (2-10 cm)

zware takken (≥ 10 cm)

Stamwonden

Drie soorten stamwonden worden onderscheiden: ontschorsing, scheuren en ‘andere wonden’. De schors beschermt de boom tegen mogelijke aantastingen en infecties. Bomen met stamwonden worden hierdoor kwetsbaarder. Wonden kunnen overgroeien maar ze blijven vaak lang zichtbaar. In sommige gevallen raken de wonden nooit overgroeid. Soms ontstaan ribbels (zie verder). Dit zijn overgroeide scheuren. Deze overgroeiingen kunnen opnieuw openscheuren en nogmaals overgroeien. Op die manier ontstaat een oneffenheid op de schors, de zogenaamde ‘ribbel’. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 61 van 108


Ontschorsing wordt vaak veroorzaakt door bosexploitatie. Bij het vellen en afvoeren van bomen worden dikwijls andere bomen beschadigd. De schors kan eveneens beschadigd worden door storm, bijvoorbeeld door vallende bomen of vallende takken. Soms worden bomen ook bewust ontschorst. Bomen die gekapt moeten worden, kan men met verf aanduiden maar het kan ook door het ‘hameren’. Bij het hameren wordt een stuk schors weggekapt om een merkteken te plaatsen. Het kan natuurlijk ook het gevolg van vandalisme zijn, zoals bij inkervingen in (beuken-)stammen. Het aandeel bomen met minstens één soort wonde op de stam of aan de stamvoet bedraagt 26,7% (tabel 23). Wonden zijn het meest voorkomende symptoom op de boomstammen. Ongeveer 2% van de bomen vertoont wonden op de takken. Hieronder worden enkel de stamwonden besproken (tabel 31), inclusief wonden op de stamvoet, de wortelaanlopen en op de stam in het kroongedeelte. Bij beuk, grove den en de groep ‘overige loofbomen’ komen wonden het meest voor. Het symptoom ‘wonden’ staat bij deze soorten en bij Amerikaanse eik in de top 5 van de meest genoteerde symptomen (tabel 25). Ontschorsing komt veel vaker voor dan andere wonden. Bijna één boom op vijf vertoont ontschorsing (18,1%). Ontschorsing komt in verhouding bijna dubbel zo veel bij naaldbomen als bij loofbomen voor (respectievelijk 24,6% en 12,8%). Dat komt omdat op bijna een derde van de grove dennen ontschorsing opgemerkt wordt (32,4%). De Corsicaanse dennen vertonen veel minder ontschorsing (2,5%). Er zijn verschillende oorzaken mogelijk, onder andere de leeftijd van de bomen, het gevoerde beheer, maar ook de eigenschappen van de boomsoort. Corsicaanse den vormt een dikkere schors dan grove den. Bij de loofboomsoorten scoort beuk het hoogst. 23,6% van de beuken vertoont ontschorsing. Ook hier geldt dat beuk een kwetsbare, dunne schors vormt. Bij Amerikaanse eik vertoont 10,9% van de bomen ontschorsing, bij zomereik 8,7%. In de groep ‘overige loofboomsoorten’ komt ontschorsing op 14,0% van de bomen voor. Scheurvorming kan ontstaan bij extreme temperaturen, tijdens zomerhitte of wintervorst. Scheuren kunnen ook ontstaan door verwondingen of infecties. Scheurvorming is typisch voor de loofboomsoorten. In totaal worden scheuren op 5,6% van de bomen aangetroffen. Op naaldbomen komt scheurvorming amper voor (0,5%). Bijna één loofboom op tien vertoont scheuren op de stam of aan de stamvoet (9,7%). Scheurvorming wordt het meest in de groep ‘overige loofboomsoorten’ genoteerd (12,8%). Het percentage eik en beuk met scheuren is gelijkaardig: 8,9% bij beuk, 8,7% bij Amerikaanse eik en 8,2% bij zomereik. Er zijn geen Corsicaanse dennen en slechts enkele grove dennen met een stamscheur (0,6%). Alle wonden die niet als scheur of ontschorsing aangeduid worden, komen in de categorie ‘overige wonden’. In totaal vertoont 5,4% van de bomen dit soort wonden. Dit type wonden komt opnieuw meer bij loofbomen dan bij naaldbomen voor, respectievelijk op 6,9% en 3,5% van de bomen. Onder de naaldboomsoorten wordt het symptoom alleen bij grove den genoteerd (4,5%). Bij de loofbomen komt het symptoom het vaakst bij beuk en de groep ‘overige loofbomen’ voor (respectievelijk 8,9% en 9,8%). Ongeveer 5% van de eiken vertoont dergelijke wonden: 4,6% van de zomereiken en 5,4% van de Amerikaanse eiken. Er is een lichte toename van het aandeel bomen met wonden in vergelijking met de vorige inventaris. Toen werd op 25,5% van de bomen één of meerdere wonden opgemerkt. Het aandeel bomen met ontschorsing bedroeg in 2018 17,7%, het aandeel bomen met scheuren 5,5% en het aandeel bomen met andere wonden 4,9%. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 62 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Tabel 31

Percentage bomen met stamwonden % bomen met verwonding aan de stam ontschorsing

scheuren

andere

totaal

18,1

5,6

5,4

loofbomen

12,8

9,7

6,9

naaldbomen

24,6

0,5

3,5

zomereik

8,7

8,2

4,6

beuk

23,6

8,9

8,9

Amerikaanse eik

10,9

8,7

5,4

overige loofboomsoorten

14,0

12,8

9,8

grove den

32,4

0,6

4,5

Corsicaanse den

2,5

0,0

0,0

4.1.2.7

Hars- of slijmuitvloei

Naaldbomen produceren hars en loofbomen slijm. Dit kleverige of slijmerige vocht kan opgemerkt worden wanneer de boomschors beschadigd is, bijvoorbeeld door vandalisme of exploitatie. Slijm- of harsuitvloei kan ook het gevolg zijn van een aantasting of een infectie. Bomen produceren het vocht wanneer houtborende insecten tot onder de schors proberen binnen te dringen. Ook schimmels kunnen slijm- of harsproductie veroorzaken, zoals Sphaeropsis-infectie bij dennen. Vers hars is kleverig en kleurloos. Oud hars wordt hard en wit van kleur. Vers slijm is ook kleverig en doorschijnend maar verkleurt na verloop van tijd zwart. Zo ontstaan er zwarte vlekken op de stam. Bij het beoordelen van de stam van een steekproefboom wordt genoteerd of de hars- of slijmuitvloei vers of oud is, of de combinatie van beide. Wanneer er hars of slijm uit een wonde stroomt, wordt enkel de wonde genoteerd (zie 4.1.2.6). Meer dan 10% van de bomen vertoont hars of slijm op de stam (16,6%). Er zijn in verhouding veel meer naaldbomen met hars dan loofbomen met slijm, respectievelijk 26,9% en 8,2% (tabel 32). Bij de loofboomsoorten komt slijmuitvloei het meest bij zomereik en de groep ‘overige loofboomsoorten’ voor. 10,9% van de zomereiken en 10,6% van de ‘overige loofbomen’ vertoont zwarte vlekken of vers slijm op de stam. In de groep met ‘overige loofbomen’ betreft het vooral aangetaste zwarte elzen in Bocholt (proefvlak 714). Een van de symptomen van elzenphytophthora (Phytophthora alni) is slijmvorming. Sinds 2018 is er ook slijmvloed op gewone esdoorn in het Walenbos (Tielt-Winge, proefvlak 415). Voor de rest zijn er enkele ruwe berken en wintereiken met slijmproductie. Op de stammen van Amerikaanse eik en beuk wordt zelden slijmuitvloei opgemerkt (respectievelijk 1,1% en 0,8%). Er zijn opvallend veel grove dennen met harsuitvloei (34,0%). Het aandeel Corsicaanse dennen met vers of oud hars is veel kleiner (6,1%). Opgedroogd hars of slijm blijft zeer lang zichtbaar op de stammen. Maar een deel van de bomen vertoont op het ogenblik van de beoordeling vorming van vers hars of slijm. In 2019 was dat op 8,5% van de bomen het geval, opnieuw meer op naaldbomen dan op loofbomen (respectievelijk 13,1% en 4,8%). Het aandeel grove dennen met vers hars blijft hoog (16,2%). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 63 van 108


Na grove den volgt zomereik, met 8,2% van de bomen die vers slijm vertonen. Er zijn heel wat minder Corsicaanse dennen of ‘overige loofbomen’ met vers hars of slijm (respectievelijk 4,3% en 3,0%). Vers slijm wordt op beuk amper aangetroffen (0,9%) en op Amerikaanse eik niet. De laatste jaren is er meer droogtestress en worden bomen ook meer door schorskevers en andere insecten aangetast. Een eventuele toename van het aandeel bomen met vers hars of slijm kan daarop wijzen. Voor het totaal van alle bomen is er nauwelijks verschil, van 8,2% naar 8,5% bomen met vers hars of slijm. Ten opzichte van 2018 is er in 2019 ook slechts een lichte toename van het aandeel grove dennen met vers hars, van 15,7% naar 16,2%. Er is een iets grotere toename bij Corsicaanse den, van 1,2% naar 4,3%. Bij de loofboomsoorten wordt de grootste toename bij zomereik genoteerd, van 4,2% naar 8,2% bomen met vers slijm. Beide dennensoorten kennen twee jaar na elkaar een (lichte) toename van het aandeel bomen met vers hars.

Tabel 32

Percentage bomen met hars of slijm slijm-/harsuitvloei (%) totaal

16,6

loofbomen

8,2

naaldbomen

26,9

zomereik

10,9

beuk

0,8

Amerikaanse eik

1,1

overige loofboomsoorten

10,6

grove den

34,0

Corsicaanse den

6,1

4.1.2.8

Bladvervorming

Op 3,4% van de bomen wordt bladvervorming waargenomen. De helft daarvan vertoont ernstige bladvervorming (1,7%). De vervorming wordt enkel bij loofbomen vastgesteld (6,1%). Het hoogste aandeel bomen met bladvervorming wordt in de categorie ‘overige loofboomsoorten’ vastgesteld (15,8%). Ook 8,1% van de beuken vertoont bladvervorming. In de andere groepen vertoont minder dan 5% van de bomen dit symptoom. De oorzaak van bladvervorming kan variëren. Een typisch voorbeeld van een abiotische oorzaak is droogte. Door droogte en extreme hitte gaan de bladranden vervormen en gaan bladeren opkrullen. Er zijn ook biotische oorzaken van bladvervorming, zoals galverwekkende insecten. Op een aantal esdoorns komen ook viltmijten voor (Aceria pseudoplatani). De viltmijtgallen op de onderzijde van de esdoornbladeren worden ook als bladvervorming genoteerd. In 2019 werd in het proefvlak Ravels (proefvlak 613) voor het eerst een opvallende aanwezigheid van de Oosterse tamme-kastanjegalwesp Dryocosmus kuriphilus vastgesteld. De soort komt oorspronkelijk uit Zuid-China en is sinds 2015 in ons land aanwezig. Deze exoot veroorzaakt bladvervorming, bladverkleuring en twijgsterfte. Bij de beoordeling werd geopteerd om enkel het symptoom ‘knopvervorming’ te noteren. De gallen kunnen zowel op ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 64 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


knoppen als op bladnerven ontstaan. In 2019 werden gallen op 75% van de tamme kastanjebomen in dit proefvlak waargenomen. De gallen kwamen op de laagste takken en soms ook hoger in de kroon voor. De tamme kastanjebomen vertoonden in 2018 al een ijle bladbezetting door de droogte. Ook in 2019 was het (te) droog en werd er opnieuw bladverkleuring, bladvervorming en vervroegde bladval waargenomen. Door het hoog gemiddeld bladverlies wordt dit proefvlak als een beschadigd proefvlak beschouwd. In de groep â&#x20AC;&#x2DC;overige loofboomsoortenâ&#x20AC;&#x2122; is er opvallende bladvervorming bij 9,4% van de bomen. Dat zijn bijna uitsluitend tamme kastanjebomen, met het grootste deel van de bomen in het proefvlak te Ravels. Naast tamme kastanje zijn er in andere proefvlakken nog enkele essen, esdoorns en populieren met bladvervorming. Het aandeel bomen met bladvervorming neemt al een paar jaar toe. In 2017 was het aandeel nog beperkt tot 1,6%. In 2018 steeg het percentage naar 2,3% en in 2019 naar 3,4%. De droogte van de laatste jaren wordt als hoofdoorzaak aanzien. In het algemeen komen symptomen ten gevolge van abiotische oorzaken meer voor in vergelijking met de vorige inventaris. Het aandeel bomen met symptomen van droogte, storm of andere abiotische factoren stijgt van 14,4% in 2018 naar 26,5% in 2019.

Foto 7

Twijgsterfte door tamme-kastanjegalwesp Dryocosmus kuriphilus (Ravels, proefvlak 613, september 2019)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 65 van 108


4.1.2.9

Vervorming van de stam

2,4% van de bomen vertoont abnormale vervorming van takken of scheuten (tabel 23). Ongeveer één boom op tien vertoont één of meerdere stamvervormingen (9,6%). Hier wordt verder enkel de vervorming van de stam verder besproken. Er wordt een opsplitsing in drie categorieën gemaakt (tabel 33). Kankers en tumoren zijn meestal bolvormig. Ze ontstaan vaak na infectie. Ribbels zijn langwerpige, verticale uitstulpingen. Dit zijn veelal overgroeide wonden, zoals bijvoorbeeld vorstscheuren. Overgroeide vorstscheuren worden ook ‘vorstlijsten’ genoemd. Alle andere vergroeiingen van de stam worden in een categorie ‘andere vervorming’ ondergebracht. De exacte oorzaak van de vervorming is meestal onbekend. Kankers en tumoren zijn het type vervormingen dat het minst waargenomen wordt (1,9%). Ribbelvorming wordt het meest genoteerd (4,1%). Ongeveer evenveel bomen vertonen andere vervormingen van de stam (4,0%). Bij naaldbomen zijn stamvervormingen zeldzaam. Kankers, tumoren of ribbels komen bij Corsicaanse den niet voor. Er zijn wel een paar bomen met een andere vervorming van de stam (1,2%). Ook bij grove den betreft het niet meer dan een paar bomen met ribbelvorming (0,6%), kankers of tumoren (0,2%) of een andere vervorming (0,6%). Bij de loofbomen komt ribbelvorming het meest voor (7,0%), gevolgd door de ‘andere vervormingen’ (6,6%). Bomen met kankers of tumoren worden minder vaak aangetroffen (3,3%). Ribbelvorming is typisch voor zomereik (10,1%). Alleen bij de ‘overige loofboomsoorten’ wordt dit soort vervorming ook op meer dan 5% van de bomen aangetroffen (6,0%). Er zijn minder Amerikaanse eiken met ribbels op de stam (4,4%) en op beuk is een dergelijke vervorming zeldzaam (1,6%). Kankers en tumoren worden op iets meer dan 5% van de beuken aangetroffen (5,7%). Dat is meer dan bij Amerikaanse eik en zomereik (respectievelijk 4,4% en 3,8%). Op andere loofboomsoorten worden amper kankers of tumoren waargenomen (0,9%). Ongeveer één beuk op de tien vertoont een andere soort vervorming (10,6%). Dat is meer dan bij de ‘overige loofboomsoorten’ (7,2%) en de andere subcategorieën. Er zijn in verhouding meer Amerikaanse eiken dan zomereiken met dit laatste type vervorming (respectievelijk 6,5% en 4,9%). Vervorming van bladeren, stam of takken staat met uitzondering van Amerikaanse eik, steeds in de top 5 van de meest voorkomende symptomen bij loofbomen. Vervorming van bladeren door droogte of vervorming door gallen wordt hier wel bijgerekend. In totaal vertoont 30,6% van de ‘overige loofbomen’ een of meerdere symptomen van vervorming. Bij beuk is dat 26,8% en bij zomereik 19,7% (tabel 25). Het aandeel bomen met stamvervorming blijft ongeveer gelijk als in 2018 (9,3%).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 66 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Tabel 33 Aandeel bomen met vervorming van stam, stamvoet of geëxposeerde wortels % bomen met vervorming van de stam kanker/tumor

ribbel (vb. vorstlijst)

andere vervorming

totaal

1,9

4,1

4,0

loofbomen

3,3

7,0

6,6

naaldbomen

0,2

0,5

0,8

zomereik

3,8

10,1

4,9

beuk

5,7

1,6

10,6

Amerikaanse eik

4,4

4,4

6,5

overige loofboomsoorten

0,9

6,0

7,2

grove den

0,2

0,6

0,6

Corsicaanse den

0,0

0,0

1,2

4.1.2.10

Takbreuk

Al lang voor de start van de kroonbeoordelingen werd ernstige stormschade gemeld. Vooral de storm van 10 maart 2019 ging gepaard met hevige rukwinden. In alle Vlaamse provincies werd stormschade waargenomen. De rukwinden die in juni geregistreerd werden, veroorzaakten vooral in Limburgse proefvlakken schade (zie 4.1.5. Weersomstandigheden). Aan de opvallende stormschade werd in 2019 een INBO-nieuwsbriefartikel gewijd (zie referentielijst). In 44% van de proefvlakken werd stormschade vastgesteld. In 15,5% van de proefvlakken werden bomen onmiddellijk uit de steekproef gehaald na ernstige schade (windval, stambreuk, kroonbreuk). In totaal verdween 1,6% van de steekproefbomen uit de inventaris door storm. De schade kwam zowel in proefvlakken met loofbomen als in proefvlakken met naaldbomen voor. De stormschade is erger dan de voorgaande jaren. In 2018 was er ook veel stormschade. Toen stierven of verdwenen er in 6 proefvlakken steekproefbomen na stormschade, in 2019 was dat in 12 proefvlakken het geval. De schade kwam niet alleen in alle provincies voor, er werden ook verschillende boomsoorten getroffen. Onder de naaldboomsoorten was er schade bij grove den, Corsicaanse den en Japanse lork. Er moesten ook steekproefbomen van zes loofboomsoorten na schade vervangen worden: zomereik, populier, beuk, es, ruwe berk en valse acacia. Takbreuk werd ook bij andere boomsoorten vastgesteld. Bomen die door storm omwaaien of afkraken, kunnen schade toebrengen aan naburige bomen. Het vellen van bomen kan eveneens schade aanrichten. Takbreuk door bosexploitatie ontstaat wanneer bomen gekapt worden en takken van omringende bomen afkraken. Ook sneeuw kan takbreuk veroorzaken. Scheuten en twijgen kunnen zelfs door hevige regen- en hagelbuien beschadigd worden. De bomen die meer dan de helft van de takken kwijt zijn, worden uit de inventaris gehaald. Hier worden enkel bomen besproken die in de inventaris blijven. De omvang van de afgebroken takken wordt geschat. De takbreuk is ernstig wanneer meer dan 10% van de takken afgebroken is. Ongeveer één boom op vijf vertoont afgebroken takken, twijgen of scheuten (20,9%, tabel 23). Afgebroken takken kunnen nog jaren in een boomkroon blijven hangen. Als de schade oud is, wordt er geen omvang genoteerd. De omvang van de recente schade is meestal klein. Bij

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 67 van 108


slechts 0,1% van de bomen is meer dan 10% van de takken, scheuten of twijgen beschadigd (tabel 34). Lichte schade is er bij 17,0% van de bomen. Er werden iets meer naaldbomen dan loofbomen uit de steekproef gehaald na stormschade. Wat takbreuk betreft, is er enkel melding van ernstige recente schade bij grove den (0,2%). Voor het overige werd oude schade of recente lichte schade genoteerd. Bij lichte schade is niet meer dan 10% van de takken of scheuten afgekraakt. Er is het meest melding van lichte takbreuk bij loofbomen. 24,0% van de loofbomen vertoont lichte takbreuk tegenover 8,4% van de naaldbomen. Lichte takbreuk komt vooral bij de eiken voor (zomereik 34,4%, Amerikaanse eik 34,8%) en minder bij beuk (10,6%) of de ‘overige loofboomsoorten’ (10,6%). Lichte takbreuk komt bij grove den en Corsicaanse den ongeveer even vaak voor (respectievelijk 8,4% en 8,0%). Ten opzichte van 2018 is er een afname van het aandeel geregistreerde bomen met ernstige takbreuk, maar een opvallende toename van het aandeel bomen met lichte schade. In 2018 werden er weliswaar minder bomen uit de steekproef gehaald na stormschade. Toen was er lichte schade bij 5,2% van de bomen en ernstige schade bij 1,3%. Takbreuk is een symptoom dat veel genoteerd wordt. Bij de eiken en dennen staat het in de top 5 van de meest genoteerde symptomen (tabel 25). Bij grove den wordt ook veel oude schade genoteerd. Op 18,6% van de grove dennen wordt takbreuk vastgesteld, maar het percentage bomen waarbij ook een omvang van de schade genoteerd wordt is veel lager. Net als in 2018 en 2019 werden begin 2020 opnieuw hevige rukwinden geregistreerd. De stormen Ciara (9 februari 202) en Dennis (16 februari 2020) veroorzaakten ontwortelde en afgekraakte bomen. De stormschade in de proefvlakken zal tijdens de zomer van 2020 beoordeeld worden.

Tabel 34

Aandeel bomen met takbreuk (scheuten/twijgen/takken) % bomen met takbreuk licht (≤ 10%)

ernstig (> 10%)

totaal

17,0

0,1

loofbomen

24,0

0,0

naaldbomen

8,4

0,2

zomereik

34,4

0,0

beuk

10,6

0,0

Amerikaanse eik

34,8

0,0

overige loofboomsoorten

10,6

0,0

grove den

8,4

0,2

Corsicaanse den

8,0

0,0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 68 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Foto 8

Stormschade: grove den met gebroken kroontop (Zutendaal, proefvlak 802, juli 2019)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 69 van 108


4.1.3

Zaadzetting

Naargelang de mate van zaadproductie worden de bomen in zaadzettingklassen ingedeeld (tabel 35). Als er met de verrekijker geen zaad waarneembaar is, wordt een boom in klasse 0 ondergebracht (geen zaad). Wanneer er enkel met de verrekijker zaadzetting vastgesteld kan worden is er sprake van lichte zaadzetting (klasse 1). Er is sprake van matige zaadzetting wanneer het zaad met het blote oog waarneembaar is (klasse 2). Sterke zaadzetting (klasse 3) wordt enkel toegekend aan bomen waarvan de zaadproductie overal in de kroon opvalt en dus zeer gemakkelijk waarneembaar is. Bij naaldbomen blijven de kegels verschillende jaren aan de takken. De jongste (groene) kegels zijn meestal moeilijk zichtbaar. Daarom wordt de inschatting van de kegelproductie op het geheel van alle kegels uitgevoerd. Bij praktisch alle naaldbomen zijn er oude (bruine) en/of nieuwe kegels waarneembaar. In principe wordt bij loofboomsoorten de zaadzetting van het lopende jaar genoteerd. Uitzonderlijk wordt ook de oudere zaadzetting in rekening gebracht. Bij Amerikaanse eik blijven de zaden twee jaar op de boom en wordt de productie van tweejarige eikels beoordeeld. In totaal worden op twee derden van het totaal van alle bomen zaden of kegels waargenomen (67,6%). Sterke zaadzetting komt amper voor (0,1%). De meeste bomen die zaad dragen, vertonen matige zaadzetting (48,1%). Er is lichte zaadzetting op ongeveer een vijfde van de bomen (19,4%). 48,2% van de bomen vertoont matige tot sterke zaadzetting maar dat cijfer verschilt sterk tussen loofbomen en naaldbomen. Bij de loofbomen vertoont een derde van de steekproefbomen lichte zaadzetting (33,9%). Matige tot sterke zaadzetting komt veel minder voor. Bij 8,3% van de bomen is er met het blote oog zaadzetting waarneembaar. Sterke zaadzetting ontbreekt in 2019. Op bijna alle naaldbomen worden kegels aangetroffen. Bij 97,5% van de bomen is er matige zaadproductie, wat betekent dat de kegels zonder verrekijker zichtbaar zijn. Lichte en sterke kegelproductie komen amper voor, respectievelijk op 1,4% en 0,2% van de bomen. Bijna alle Corsicaanse dennen zitten in dezelfde zaadzettingklasse. De kegels zijn praktisch steeds met het blote oog waarneembaar (klasse 2, 99,4%). Er zijn geen Corsicaanse dennen met lichte of sterke zaadzetting. Bij de grove dennen zijn er enkele exemplaren met lichte of sterke zaadzetting, respectievelijk 1,7% en 0,2%. Het aandeel grove dennen met matige zaadzetting is dus ook zeer hoog (97,1%). 2018 was een opvallend zaadjaar voor beuk en zomereik. Bij beuk is er na een zaadjaar altijd een terugval van de zaadproductie. Ook in 2019 zijn er weinig beuken met matige tot sterke zaadzetting (respectievelijk 2,4% en 0%). Ongeveer ĂŠĂŠn beuk op tien vertoont lichte zaadzetting (10,6%). Deze cijfers verschillen zeer sterk van wat in 2018 genoteerd werd. Toen waren er amper bomen zonder zaad. Lichte tot sterke zaadzetting werd op 97,3% van de bomen waargenomen, matige tot sterke zaadzetting op 39,1%. Er zijn meer zomereiken met zaad, hoewel ook bij deze soort de score veel lager ligt dan tijdens de voorgaande inventaris. Veel eiken vertonen lichte zaadzetting (38,0%) maar matige zaadzetting komt weinig voor en sterke zaadzetting zelfs helemaal niet (respectievelijk 2,7% en 0,0%). Ter vergelijking: in 2018 werd op 22,0% van de bomen matige tot sterke zaadproductie ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 70 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


waargenomen. Meer dan drie kwart van de zomereiken vertoonde toen lichte tot sterke zaadzetting (78,3%). Er is bij Amerikaanse eik in 2019 meer zaadzetting waarneembaar. Op bijna drie kwart van de Amerikaanse eiken worden met behulp van de verrekijker eikels waargenomen (73,9%). Op 16,3% van de bomen is er ook met het blote oog zaadzetting waarneembaar. Sterke zaadzetting ontbreekt. In vergelijking met 2018 is de zaadzetting toegenomen. Toen was er op amper 1,1% van de eikenkronen matige tot sterke zaadzetting. Het aandeel bomen met lichte tot sterke zaadzetting was ook kleiner (45,1%). De groep â&#x20AC;&#x2DC;overige loofboomsoortenâ&#x20AC;&#x2122; bevat een aantal soorten die jaarlijks zaad produceren en waarvan het zaad ook goed zichtbaar is. Toch is er ook in deze groep opvallend minder zaadzetting in vergelijking met het voorgaande jaar. Bijna een kwart van de bomen vertoont lichte zaadzetting (23,8%). Matige zaadzetting komt minder vaak voor (17,0%) en sterke zaadzetting ontbreekt. Het aandeel bomen met matige tot sterke zaadzetting was in 2018 iets groter (21,7%) maar er waren vooral meer bomen met lichte zaadzetting. Het aandeel bomen met lichte tot sterke zaadzetting bedroeg toen 58,6%, in 2019 is dat 40,8%. In 2018 was er opvallend meer zaadzetting bij esdoorn, es, haagbeuk, tamme kastanje en berk. Samengevat kan gesteld worden dat er in 2019 geen opvallende zaadproductie was. 2018 was voor verschillende boomsoorten een veel beter zaadjaar. Amerikaanse eik vormt de uitzondering, met meer bomen die in 2019 een lichte tot matige zaadproductie vertonen.

Tabel 35

Procentuele verdeling van de steekproefbomen volgens zaadzetting % bomen met zaadproductie 0 - geen

1 - licht

2 - matig

3 - sterk

totaal (1-3)

matig tot sterk (2-3)

totaal

32,4

19,4

48,1

0,1

67,6

48,2

loofbomen

57,8

33,9

8,3

0,0

42,2

8,3

naaldbomen

0,9

1,4

97,5

0,2

99,1

97,7

zomereik

59,3

38,0

2,7

0,0

40,7

2,7

beuk

87,0

10,6

2,4

0,0

13,0

2,4

Amerikaanse eik

9,8

73,9

16,3

0,0

90,2

16,3

overige loofboomsoorten

59,2

23,8

17,0

0,0

40,8

17,0

grove den

1,0

1,7

97,1

0,2

99,0

97,3

Corsicaanse den

0,6

0,0

99,4

0,0

99,4

99,4

4.1.4

Waterscheutvorming

Waterscheuten zijn scheuten die zicht ontwikkelen op de stamvoet, de stam, of op de zwaardere takken in de kroon. Deze scheuten ontstaan uit slapende knoppen. De scheuten kunnen zich ontwikkelen na bepaalde ingrepen zoals snoei of kapping. Ze kunnen ook een teken van infectie zijn. Essen die door essenziekte aangetast zijn, ontwikkelen bijvoorbeeld meer waterscheuten. Waterscheutvorming kan ook genetisch bepaald zijn. Het is niet altijd een teken van verminderde vitaliteit. In de bosvitaliteitsinventaris wordt enkel de plaats van de waterscheutvorming genoteerd (stam, kroon, stam en kroon). Wanneer de lengte van de scheuten meer dan een meter is, worden deze niet langer als waterscheuten aanzien. Dode scheuten worden niet genoteerd.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 71 van 108


29,1% van de bomen vertoont waterscheutvorming (tabel 36). De waterscheuten worden het meest in de boomkroon waargenomen. 11,5% van de bomen vertoont waterscheutvorming op de takken in de kroon. Bij 16,0% van de bomen komen zowel in de kroon als op de stam waterscheuten voor. Slechts zelden zijn er enkel op de stam waterscheuten te zien (1,6%). Waterscheutvorming is typisch voor loofboomsoorten. Iets meer dan de helft van de loofbomen vertoont waterscheuten (52,2%). Opnieuw zijn de scheuten het vaakst zichtbaar in de kroon (20,8%) of op de stam en in de kroon (28,8%). Op 2,6% van de bomen ontwikkelen de scheuten zich enkel op de stam. De naaldbomen vertonen nauwelijks waterscheuten. In 2019 werd op geen enkele grove den of Corsicaanse den waterscheutvorming genoteerd. Alleen in de groep ‘overige naaldboomsoorten’ zijn er enkele Japanse lorken met waterscheuten. Deze maken 0,5% van de naaldbomen uit: 0,2% met waterscheuten op de stam en in de kroon en 0,3% met enkel waterscheutvorming op de stam. Op de eiken worden het meest waterscheuten aangetroffen. 78,3% van de Amerikaanse eiken en 67,2% van de zomereiken vertonen waterscheuten. De scheuten worden frequent zowel op de stam als in de kroon waargenomen (43,5% bij Amerikaanse eik, 39,6% bij zomereik). Er zijn iets minder eiken met waterscheuten enkel en alleen in de kroon (33,7% bij Amerikaanse eik, 26,2% bij zomereik). Beide boomsoorten tellen het minst bomen met waterscheuten enkel en alleen op de stam (1,1% bij Amerikaanse eik, 1,4% bij zomereik). Op de beuken komt waterscheutvorming veel minder voor. Slechts zelden groeien er waterscheuten op de stam. 0,8% van de steekproefbomen vertoont waterscheuten op de stam, in combinatie met scheuten in de kroon is dat ook slechts 0,8%. In de boomkroon worden waterscheuten frequenter aangetroffen (15,5%). In de groep ‘overige loofboomsoorten’ zijn er meer bomen met waterscheuten. Ongeveer een vijfde van de bomen vormt waterscheuten op de stam en in de kroon (20,8%). Ongeveer één boom op tien vertoont alleen in de kroon waterscheutvorming (10,2%). Van alle substeekproeven zijn er in deze groep het meest bomen met enkel op de stam waterscheutvorming (6,0%). In deze groep zitten ondermeer kastanjes, elzen, essen, berken, populieren en wintereiken. Veel kwijnende elzen in Bocholt (proefvlak 714) vertonen waterscheuten op de stam of op de stam en in de kroon.

Tabel 36

Aandeel bomen met waterscheuten % bomen met waterscheuten 1 - stam

2 - kroon

3 - stam & kroon

totaal (1-3)

totaal

1,6

11,5

16,0

29,1

loofbomen

2,6

20,8

28,8

52,2

naaldbomen

0,3

0,0

0,2

0,5

zomereik

1,4

26,2

39,6

67,2

beuk

0,8

15,5

0,8

17,1

Amerikaanse eik

1,1

33,7

43,5

78,3

overige loofboomsoorten

6,0

10,2

20,8

37,0

grove den

0,0

0,0

0,0

0,0

Corsicaanse den

0,0

0,0

0,0

0,0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 72 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


4.1.5

Weersomstandigheden (bron: website KMI)

De weersomstandigheden hebben een belangrijke invloed op de bosvitaliteit. Het meest opvallend is stormschade. Afgebroken takken, stambreuk, windval… zowel in 2018 als in 2019 werd er heel wat schade in de bossen vastgesteld. De laatste jaren is er ook schade door droogte, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks. Droogteverschijnselen waren in 2018 en 2019 zichtbaar aan de vegetatie in de bossen. Droogtesymptomen zijn het eerst zichtbaar op grassen en kruidachtigen, gevolgd door struiksoorten en tenslotte ook bomen. De boomgroei valt tijdens droogteperioden bijna volledig stil. Weersomstandigheden beïnvloeden de ontwikkeling van bladvretende insecten, schorskeverpopulaties en andere houtborende insecten. Sommige soorten profiteren rechtstreeks van warm en droog weer omdat de levenscyclus (ei-larve-pop-imago) sneller en succesvoller verloopt. Andere profiteren van een toename aan verzwakte bomen door droogte. De uitbreiding van schorskevers in 2018 en 2019 is daar een goed voorbeeld van. Ook schimmelinfecties worden door het weer beïnvloed. Hieronder volgt een bespreking van de weersomstandigheden van oktober 208 tot en met september 2019. De maandelijkse neerslaghoeveelheid in Ukkel wordt vergeleken met het lange termijngemiddelde (periode van 30 jaar: 1981-2010). Ook de gemiddelde maandtemperatuur wordt vergeleken met de lange termijnwaarde. De maandberichten van het KMI zijn raadpleegbaar op de website van het KMI. Na een droge en warme zomer volgde in 2018 een herfst die opnieuw warmer en droger dan normaal was. Zowel in oktober als in november was er een neerslagtekort. De winter 2018-2019 werd opnieuw warm in vergelijking met de lange termijngemiddelden. In december 2018 viel er een normale hoeveelheid neerslag maar de temperatuur bleef boven de normale waarde. Het jaaroverzicht van 2018 meldt dat de gemiddelde maandtemperatuur vanaf april tot het einde van het jaar boven de normale waarden lag. Januari 2019 was een normale maand qua temperatuur en neerslag. In Ukkel werd er 71,5 mm neerslag genoteerd, normaal is dat 76,1 mm. In februari 2019 kwam de neerslaghoeveelheid iets boven de normale waarde uit (69,1 mm, normaal 63,1 mm). Februari was zeer zacht, met temperaturen van meer dan 20°C op het einde van de maand. Tijdens de winter 2018-2019 was de neerslagtoevoer onvoldoende om de grote tekorten van 2018 te compenseren. De grondwaterstanden werden onvoldoende hersteld. De lente van 2019 begon zacht. De gemiddelde temperatuur bedroeg in maart 8,5°C (normaal 6,8°C). Er viel meer neerslag dan normaal (85,5 mm, normaal 70,0 mm) en vaak tijdens onweer. Op 4 en 10 maart werden windsnelheden van meer dan 100 km/u gemeten. Zowel binnen als buiten de bossen kwamen er na de storm van 10 maart veel meldingen van afgekraakte en omgewaaide bomen. April werd een zachte en droge maand. De gemiddelde temperatuur overschreed opnieuw het lange termijngemiddelde (11,0°C, normaal 9,8°C). Deze lentemaand was te droog. In Ukkel viel er slechts 36,0 mm neerslag op 8 dagen tijd. Normaal is dat 51,3 mm op 15 dagen. De regionale hoeveelheden neerslag lagen overal onder de normale waarden. Mei was koud maar opnieuw droog. Met een gemiddelde temperatuur van 11,9°C was mei maar iets warmer dan april (normaal 13,6°C in mei). In april waren er 7 dagen met een maximumtemperatuur van 20°C en in mei slechts 4. De regionale neerslaghoeveelheden waren opnieuw overal lager dan de normalen. In Ukkel viel er 55 mm neerslag (normaal 66,5 mm).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 73 van 108


Er viel in de lente van 2019 opnieuw onvoldoende neerslag om het watertekort van 2018 te compenseren. Net als het voorgaande jaar kende de zomer van 2019 opmerkelijke weersomstandigheden. Er viel meer neerslag dan in 2018 maar de zomer werd heel bijzonder omwille van de hoge temperaturen. Elke maand was er een hittegolf. In juli werden tijdens de hittegolf temperatuurrecords gebroken. In juni viel er voldoende neerslag maar juli en augustus waren opnieuw twee droge maanden. De gemiddelde temperatuur bedroeg in juni 18,5°C (normaal 16,2°C). Van 23 tot en met 30 juni werd een hittegolf geregistreerd. De maand telde 13 zomerdagen (max. temperatuur ≥ 25°C) waarvan 3 hittedagen (maximumtemperatuur ≥ 30°C). De hoogste temperatuur werd op 25 juni in Kinrooi gemeten (35,4°C). In Ukkel viel er 98,1 mm neerslag (normaal 71,8 mm). De grootste neerslaghoeveelheden vielen tijdens onweersbuien. Op 4 juni werden windstoten van minstens 100 km/u gemeten, onder andere in Diepenbeek. Er werd in verschillende bosvitaliteitsproefvlakken stormschade genoteerd. Na maart was dit de tweede maand van het jaar met stormschade. Juli kende een korte maar zeer intense hittegolf, met temperaturen tot boven de 40°C. Er werden 10 zomerdagen geregistreerd, waarvan 4 tropische dagen (maximumtemperatuur ≥ 30°C). Op 25 juli werd de hoogste temperatuur ooit gemeten: 39,7°C in Ukkel en in Begijnendijk zelfs 41,8°C. Juli was ook droog met 52,8 mm neerslag op amper 7 dagen (normaal 73,5 mm op 14,3 dagen). In Ukkel viel meer dan de helft van de maandelijkse neerslag op één dag (27 juli). De laatste zomermaand kende nog maar eens te lage neerslaghoeveelheden en opnieuw was er een hittegolf, ditmaal van 23 tot en met 28 augustus. Er waren 9 zomerdagen, waarvan 4 tropische dagen. De hoogste temperatuur in Ukkel was 33,3°C op 27 augustus (in Begijnendijk 35,0°C). De regionale neerslaghoeveelheden waren overal lager dan normaal. In Ukkel viel 47,9 mm neerslag, normaal is dat 79,3 mm. September werd uiteindelijk geen te droge maand omdat er vooral op het einde van de maand veel neerslag viel. De gemiddelde temperatuur benaderde de normale (in Ukkel 15,2°C, normaal 14,9°C). De totale neerslaghoeveelheid was 62,6 mm (normaal 68,9 mm). In vergelijking met 2018 waren de droogtesymptomen in de bossen minder opvallend omdat er iets meer neerslag tijdens de maanden voor de kroonbeoordelingen viel (mei-juni). Helaas moet vermeld worden dat de neerslagtekorten van 2018 niet hersteld werden. De winter, lente en zomer waren te droog om de watervoorraden in bos- en natuurgebieden voldoende aan te vullen. De droogte zorgde voor aanhoudende problemen. Veel bomen groeiden nauwelijks en bosaanplantingen mislukten. Vooral naaldbomen kwamen vanaf de zomer van 2018 in de problemen. Er was rechtstreekse schade door de droogte en onrechtstreekse schade door schorskeveraantastingen. Ook bij verschillende loofboomsoorten werden problemen tijdens of na de droogteperioden vastgesteld. Op veel plaatsen werden sanitaire kappingen uitgevoerd. Dit zijn niet voorziene kappingen die omwille van vitaliteitsproblemen of sterfte uitgevoerd werden. Uit de voorgaande bosvitaliteitsrapporten bleek dat 2017 en 2018 droog waren, zeker tijdens de vegetatieperiode (april-september). 2019 werd het derde opeenvolgende jaar met te lage ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 74 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


neerslaghoeveelheden. In 2018 was er een hittegolf in juli en augustus, in 2019 kwam er elke zomermaand een hittegolf, met zeer hoge maxima eind juli. Zowel in 2017, 2018 als 2019 werden droogtesymptomen vastgesteld. Van december 2016 tot en met augustus 2017 was er maand na maand een neerslagtekort en in 2018 opnieuw van mei tot en met november. In 2019 volgden er opnieuw veel maanden met neerslagtekorten, vooral in het vegetatieseizoen. Alleen juni was een maand met een meer dan normale neerslaghoeveelheid.

Foto 9

Afgestorven blauwe bosbes in het Pijnven. De soort herstelt slecht na de opeenvolgende droge zomers (Eksel, proefvlak 901, september 2019)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 75 van 108


4.2 4.2.1

EVOLUTIE VAN HET BLADVERLIES IN VERGELIJKING MET 2018 Algemeen

1434 steekproefbomen werden twee jaar na elkaar beoordeeld. Dit zijn de gemeenschappelijke steekproefbomen voor 2018 en 2019. In de gemeenschappelijke steekproef ontbreken alle afgestorven bomen uit 2018 en alle bomen die uit de steekproef gehaald werden na kapping of stormschade. De proefvlakken in Wachtebeke (proefvlak 147067) en Ravels (proefvlak 95001) werden in 2019 geïnstalleerd. De steekproefbomen in deze proefvlakken komen niet in de gemeenschappelijke steekproef voor. Er is een niet-significante toename van het bladverlies tussen 2018 en 2019. Het aandeel beschadigde bomen stijgt van 21,9% in 2018 naar 22,4% in 2019 (tabel 37). Het gemiddeld bladverlies stijgt van 23,7% naar 24,3% (tabel 38). De mediaan van het bladverlies blijft telkens 20%. De toename van het aandeel beschadigde bomen en het gemiddelde blijft dus kleiner dan één procentpunt (respectievelijk 0,5 en 0,6 procentpunten). Het aandeel beschadigde bomen stijgt het meest bij de jonge steekproefbomen. Het percentage beschadigde jonge bomen neemt met 1,6 procentpunten toe terwijl het aandeel oude bomen met meer dan 25% bladverlies nauwelijks toeneemt (+ 0,1 procentpunten). De toename van het bladverlies is voor beide leeftijdgroepen niet significant. De toename bedraagt +0,5 procentpunten voor jonge bomen en +0,7 procentpunten voor de oudste leeftijdcategorie. De mediaan van het bladverlies is in beide inventarissen 25% voor de jonge bomen en 20% voor de oudere bomen. De evolutie van het aandeel beschadigde bomen wordt weergegeven in figuur 4, zowel voor het totaal van alle bomen als voor de verschillende substeekproeven. Tabel 37

Evolutie van het aandeel beschadigde bomen in de periode 2018-2019 (gemeenschappelijke bomen) aandeel beschadigde bomen (%) 2018

2019

verschil

totaal

21,9

22,4

0,5

<60 jaar

33,9

35,5

1,6

≥60 jaar

18,6

18,7

0,1

loofbomen

24,7

26,4

1,7

<60 jaar

37,6

39,9

2,3

≥60 jaar

20,9

22,4

1,5

zomereik

22,7

26,7

4,0

beuk

24,8

14,7

-10,1

Am. eik

11,0

28,6

17,6

overige lbs.

25,7

35,7

10,0

naaldbomen

18,6

17,7

-0,9

<60 jaar

28,9

29,6

0,7

≥60 jaar

15,9

14,6

-1,3

grove den

14,3

14,8

0,5

Cors. den

31,5

26,5

-5,0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 76 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


4.2.2

Loofbomen

Bij de loofbomen is de toename van het bladverlies wel statistisch significant. Het gemiddeld bladverlies stijgt met 1,1 procentpunten tot 25,7% en het percentage beschadigde bomen stijgt van 24,7% naar 26,4% (+1,7 procentpunten). De mediaan van het bladverlies blijft telkens 20%. De toename is het grootst bij de jonge loofbomen. Het aandeel bomen met meer dan 25% bladverlies stijgt met 2,3 procentpunten (tot 39,9%). Het gemiddeld bladverlies van de bomen die jonger dan 60 jaar zijn, stijgt tot 34,7% (+2,2 procentpunten). De mediaan van het bladverlies ligt bij jonge bomen 5 procentpunten hoger (25% i.p.v. 20%). Dat is in beide inventarisatiejaren het geval. Het bladverlies van de oudste loofbomen neemt in mindere mate toe en de toename is niet significant. Het gemiddelde stijgt van 22,3% naar 23,0% (+0,7 procentpunten) en het aandeel beschadigde bomen van 20,9% naar 22,4% (+1,5 procentpunten). De mediaan van de bladverliesscore blijft telkens 20%. De enige loofboomsoort met een verbetering van de kroontoestand ten opzichte van 2018 is de beuk. Het gemiddeld bladverlies van de gemeenschappelijke bomen daalt significant tot 18,7%. Het gemiddelde daalt met 3,9 procentpunten en het aandeel beschadigde bomen daalt zelfs met 10,1 procentpunten (tot 14,7%). De mediaan van het bladverlies daalt van 20% naar 15%. 2018 was een jaar met een hoge zaadproductie in de meeste beukenproefvlakken. Tijdens zaadjaren is de bladbezetting vaak ijler, wat tot een hogere bladverliesscore leidt. In 2018 werden de bomen twee keer beoordeeld, een keer begin juli en een tweede maal in de loop van september. Daaruit bleek dat bladverkleuring en bladverlies toenamen onder invloed van de droge zomer. In 2019 werd de beoordeling alleen begin juli uitgevoerd. 2019 was opnieuw een (te) droge zomer voor veel boomsoorten, zeker voor de beuken. Het lijkt er op dat de verbeterde toestand toegewezen kan worden aan de beperktere zaadproductie in 2019 (zie verder). Toch zijn er ook beukenproefvlakken met een duidelijke achteruitgang van de gezondheidstoestand. Zo vertoont het proefvlak in Schilde (proefvlak 512) als jaren ernstige schade (zie 4.1.1.5) en neemt het bladverlies er nog toe. Ook in het nieuwe proefvlak in Ravels (proefvlak 95001) is de kroonconditie zwak. Beide proefvlakken situeren zich in de Kempen. De droogte kan de ongunstige situatie van de bomen in deze proefvlakken versterkt hebben. In Schilde kwam daar ook nog stormschade bij. In tegenstelling tot de beuken, is er bij de eiken een beduidende achteruitgang van de gezondheidstoestand, zowel bij zomereik als bij Amerikaanse eik. Bij zomereik stijgen zowel het gemiddelde als de mediaan van het bladverlies en het aandeel beschadigde bomen. Het gemiddeld bladverlies stijgt tot 24,7% (+1,8 procentpunten) en de mediaan maakt een sprong van 20% naar 25%. Het aandeel beschadigde bomen stijgt van 22,7% naar 26,7% (+4,0 procentpunten). In twee proefvlakken is er sterfte van zomereiken (3 exemplaren). In vergelijking met 2018 werd er meer insectenvraat en meeldauwinfectie waargenomen. In verschillende eikenproefvlakken zijn er bomen al jaren aan het kwijnen. Sinds 2010 is er jaarlijks eikensterfte (2 bomen in 2010, 1 in 2011, 2 in 2012, 6 in 2013, 4 in 2014, 5 in 2015 en telkens 3 in 2016, 2017, 2018 en 2019). De proefvlakken met een slechte kroontoestand werden eerder al opgesomd (zie 4.1.1.5). De achteruitgang van de kroonconditie is bij Amerikaanse eik nog opvallender. Ook hier stijgt de mediaan van het bladverlies van 20% naar 25%. Het bladverlies neemt significant toe en is in 2019 goed vergelijkbaar met het gemiddelde bij zomereik (+ 4,9 procentpunten). Het ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 77 van 108


percentage beschadigde bomen stijgt van 11,0% naar 28,6%. Er is in beide jaren geen sterfte en er zijn geen bomen met sterk bladverlies (> 60%), maar wel een aanzienlijke toename van bomen in de klasse met matig bladverlies (>25%-60%). Vooral in Eksel (proefvlak 906) is de toename opvallend. Alle andere loofboomsoorten worden bij de ‘overige loofboomsoorten’ gegroepeerd. Deze substeekproef kent een niet significante toename van het bladverlies. Het bladverlies stijgt met 0,9 procentpunten tot 31,0% en het aandeel beschadigde bomen neemt met 10 procentpunten toe tot 35,7%. De mediaan van het bladverlies is in beide jaren 20%. De groep bevat een omvangrijk aantal bomen met sterk bladverlies en in 2019 was er sterfte van zwarte elzen, een es en een ruwe berk (in totaal 11 bomen in 4 verschillende proefvlakken). De zwakke kroonconditie van zwarte els in Bocholt (proefvlak 714) en tamme kastanje in Ravels (proefvlak 613) werd eerder al besproken. Voor het overige komen in deze substeekproef vooral beschadigde ruwe berken en essen voor. Wat de loofboomsoorten betreft, is de conclusie dat er enkel voor beuk sprake is van een verbeterde kroontoestand. Zowel zomereik als Amerikaanse eik kennen een belangrijke toename van het bladverlies. De toename van het bladverlies in de groep ‘overige loofboomsoorten’ is beperkter, zeker wat het gemiddeld bladverlies betreft. Er is geen enkele substeekproef waarbij het gemiddeld bladverlies met meer dan 5 procentpunten verschilt van het voorgaande jaar. Beuk en Amerikaanse eik komen het dichtst in de buurt. Het aandeel beschadigde bomen stijgt met meer dan 5 procentpunten bij Amerikaanse eik en de groep ‘overige loofboomsoorten’. Bij beuk daalt het aandeel beschadigde bomen met meer dan 5 procentpunten.

Figuur 4

Percentage beschadigde gemeenschappelijke bomen in de periode 2018-2019

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 78 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


4.2.3

Naaldbomen

Voor het totaal van alle naaldbomen is er geen beduidend verschil tussen 2018 en 2019. Het gemiddeld naaldverlies verandert nauwelijks (+0,1 procentpunt) en de mediaan van het naaldverlies bedraagt in beide jaren 20%. Er is een lichte afname van het aandeel beschadigde bomen van 18,6% naar 17,7% (-0,9 procentpunten). In de groep met jonge naaldbomen is er een lichte afname van het gemiddeld naaldverlies (1,6 procentpunten). Deze afname is statistisch significant. De mediaan blijft wel dezelfde (25%). Het aandeel beschadigde bomen stijgt zelfs licht van 28,9% naar 29,6% (+0,7 procentpunten). Ook bij de oudste naaldbomen zijn er verschillen tussen de evolutie van het gemiddeld naaldverlies en het percentage beschadigde bomen. In dit geval daalt het aandeel beschadigde bomen van 15,9% naar 14,6% (-1,3 procentpunten) terwijl er een toename van het gemiddeld naaldverlies van 21,7% naar 22,3% is (+0,6 procentpunten). De toename van het naaldverlies is niet significant. De kroonconditie van de Corsicaanse den vertoont een significante verbetering in vergelijking met de voorgaande inventaris. De mediaan van het naaldverlies zakt van 25% naar 20% en het gemiddeld naaldverlies van 25,9% naar 23,8% (-2,1 procentpunten). Het aandeel beschadigde bomen neemt met 5 procentpunten af en bedraagt nog 26,5%. Het percentage beschadigde bomen blijft nog steeds hoger dan bij grove den maar het gemiddelde verschilt minder dan vroeger. De mediaan van het naaldverlies is in 2019 gelijk. De gezondheidstoestand van de grove den verschilt niet significant met de voorgaande inventaris. Het gemiddeld naaldverlies stijgt weliswaar van 21,5% naar 22,4% (+0,9 procentpunten) maar de mediaan blijft gelijk (20%). Het percentage beschadigde bomen stijgt met 0,5 procentpunten tot 14,8%. Zowel in 2018 als in 2019 stierven er vier steekproefbomen. De kroontoestand van de naaldbomen verandert vooral voor de Corsicaanse dennen. De verbetering van de kroontoestand bij Corsicaanse den contrasteert met de toestand bij grove den. De grove dennen in de vitaliteitsinventaris kennen een lichte (niet-significante) achteruitgang van de gezondheidstoestand. Het gemiddeld naaldverlies verschilt minder dan 5 procentpunten tussen beide inventarisatiejaren. Het percentage beschadigde bomen verschilt bij Corsicaanse den exact 5 procentpunten. Samengevat kan gesteld worden dat de evolutie van de kroontoestand gunstig is voor beuk en Corsicaanse den maar negatief voor zomereik en Amerikaanse eik. In het geval van grove den en de â&#x20AC;&#x2DC;overige loofboomsoortenâ&#x20AC;&#x2122; is er sprake van een lichte achteruitgang.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 79 van 108


Tabel 38

Evolutie van het percentage blad-/naaldverlies in de periode 2018-2019 (gemeenschappelijke bomen, Wilcoxon rang test, α=0.05, *=p<0.05, **=p<0.01, ***=p<0.001) 2018 (%)

2019 (%)

verschil (%)

gem. (s.a.)

mediaan

gem. (s.a.)

mediaan

totaal

23,7 (12,6)

20

24,3 (14,7)

20

0,6 n.s.

<60 jaar

29,7 (20,4)

25

30,2 (22,6)

25

0,5 n.s.

≥60 jaar

22,0 (8,7)

20

22,7 (11,0)

20

0,7 n.s.

loofbomen

24,6 (15,2)

20

25,7 (17,7)

20

1,1*

<60 jaar

32,5 (24,8)

25

34,7 (28,0)

25

2,2**

≥60 jaar

22,3 (9,7)

20

23,0 (12,0)

20

0,7 n.s.

zomereik

22,9 (8,7)

20

24,7 (11,5)

25

1,8**

beuk

22,6 (9,3)

20

18,7 (11,3)

15

-3,9***

Am. eik

19,5 (6,9)

20

24,4 (7,7)

25

4,9***

overige lbs.

30,1 (23,7)

20

31,0 (27,0)

20

0,9 n.s.

naaldbomen

22,6 (8,6)

20

22,7 (9,8)

20

0,1 n.s.

<60 jaar

26,0 (11,6)

25

24,4 (9,7)

25

-1,6*

≥60 jaar

21,7 (7,4)

20

22,3 (9,8)

20

0,6 n.s.

grove den

21,5 (6,6)

20

22,4 (9,3)

20

0,9 n.s.

Cors. den

25,9 (12,3)

25

23,8 (11,2)

20

-2,1 ***

4.2.4

Verandering van blad- of naaldverliesklasse bij individuele bomen

De gemeenschappelijke steekproefbomen worden twee jaar na elkaar beoordeeld en na de beoordeling worden ze in bladverliesklassen ingedeeld. De bomen kunnen twee jaar na elkaar in dezelfde bladverliesklasse terechtkomen of één of meerdere klassen opschuiven. Bomen die in een hogere bladverliesklasse ondergebracht worden, hebben een slechtere kroontoestand in vergelijking met het voorgaande jaar. Dit wordt als vitaliteitsverlies beschouwd. Bomen die één of meerdere bladverliesklassen zakken, zijn bomen die een verbeterde kroontoestand vertonen. Deze bomen worden beschouwd als bomen met een verbeterde vitaliteit. Het bekijken van deze zogenaamde klassensprongen kan aanvullende informatie verlenen bovenop het verloop van het gemiddeld bladverlies en het percentage beschadigde bomen. Van 70,1% van de bomen wordt de vitaliteit als stabiel beschouwd. Deze bomen bleven in 2018 en 2019 in dezelfde bladverliesklasse (tabel 39). Er worden meer bomen in een hogere bladverliesklasse ingedeeld dan omgekeerd. Dit betekent dat de kroontoestand van de bomen er globaal op achteruit gaat. 14,2% van de bomen gaat er op vooruit en komt in een lagere bladverliesklasse terecht maar omgekeerd schuift 14,8% van de bomen één bladverliesklasse in negatieve zin op. Ook wat een sprong van twee bladverliesklassen betreft, zijn er iets meer bomen die in negatieve zin van bladverliesklasse veranderen (0,3% ten opzichte van 0,2%). Positieve sprongen van 3 klassen of meer komen niet voor. Er zijn wel bomen die een negatieve sprong van 3 of 4 klassen maken. De klassensprongen bevestigen de resultaten van het gemiddeld bladverlies en het aandeel beschadigde bomen. Ook die wijzen op een achteruitgang van de kroontoestand. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 80 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Eenzelfde negatieve evolutie is merkbaar bij het totaal van alle loofbomen. Opnieuw zijn er meer bomen die in 2019 in een hogere bladverliesklasse ondergebracht worden dan omgekeerd. 63,9% van de bomen blijft in dezelfde bladverliesklasse. Een positieve sprong van één of meerdere klassen wordt door 16,4% van de bomen gemaakt. Aan de andere kant maakt 19,7% van de loofbomen een sprong van één of meerdere bladverliesklassen in negatieve zin. Ook hier bevestigt dit de cijfers van het gemiddeld bladverlies en het aandeel beschadigde bomen. De positieve evolutie bij beuk blijkt ook uit de klassensprongen. Er worden enkel sprongen van maximum één bladverliesklasse gemaakt. 6,4% komt in een hogere bladverliesklasse terecht maar 34,9% van de bomen maakt een sprong in positieve zin. De negatieve evolutie bij zomereik en Amerikaanse eik blijkt eveneens uit de klassensprongen. Alleen bij zomereik zijn er bomen die een sprong van meer dan één klasse maken. Het betreft drie afgestorven eiken die in 2018 nog niet beschadigd waren (sprong van bladverliesklasse 1 naar bladverliesklasse 4). Voor de rest blijkt bij zomereik dat er meer bomen een negatieve klassensprong maken dan omgekeerd. 19,0% van de bomen stijgt een bladverliesklasse ten opzichte van 12,9% die een klasse zakt. Samen met de 0,9% die 3 klassen stijgt, is het duidelijk dat de kroonconditie afneemt. Dat bleek ook uit het verloop van het gemiddeld bladverlies en het aandeel beschadigde zomereiken. Bij Amerikaanse eik is er een opvallende toename van het gemiddelde en het aandeel beschadigde bomen. Dat blijkt ook duidelijk uit de klassensprongen. Slechts 61,5% van de bomen blijft in dezelfde klasse. Een derde van de bomen stijgt een bladverliesklasse terwijl een veel kleiner percentage in een lagere bladverliesklasse wordt ingedeeld (respectievelijk 33,0% en 5,5%). Sprongen van meer dan één bladverliesklasse komen niet voor. In de groep ‘overige loofboomsoorten’ zijn er minder verschuivingen maar opnieuw bevestigen de klassensprongen de negatieve cijfers van het bladverlies en het aandeel beschadigde bomen. Meer dan 1 boom op 5 komt in een hogere bladverliesklasse terecht. 19,7% maakt een sprong van één klasse en 0,9% zelfs een negatieve sprong van twee bladverliesklassen. Omgekeerd worden minder bomen in een lagere bladverliesklasse ondergebracht. Slechts 15,7% maakt een positieve sprong van één bladverliesklasse. Er zijn wel iets meer bomen die een sprong van twee bladverliesklassen in gunstige zin maken dan omgekeerd (1,3%). Dankzij de gunstige evolutie bij Corsicaanse den is de evolutie voor het totaal van alle naaldbomen ook positief. Er worden geen positieve sprongen van meer dan één naaldverliesklasse gemaakt. 12,0% van de naaldbomen doet het goed en gaat naar een lagere naaldverliesklasse. Omgekeerd maakt slechts 9,7% van de naaldbomen een sprong in negatieve zin. Er zijn wel enkele bomen die een negatieve sprong van twee, drie of vier naaldverliesklassen maken (in totaal 0,7%). De balans is duidelijk positief voor Corsicaanse den. De sprongen beperken zicht tot één naaldverliesklasse. 74,1% van de bomen blijft in dezelfde klasse. 17,9% evolueert in gunstige zin terwijl slechts 8,0% in een hogere naaldverliesklasse ingedeeld wordt. De overgang tussen beide inventarissen is negatief voor grove den. Veel bomen blijven in dezelfde klasse (78,5%) maar meer bomen maken een sprong naar een hogere naaldverliesklasse dan omgekeerd. Het verschil blijft klein. De positieve sprongen zijn nooit groter dan één naaldverliesklasse (10,2%). De negatieve sprongen zijn meestal één naaldverliesklasse groot (10,5%). Enkele bomen maken een grotere sprong (0,8%). De opvallendste werd door een gezonde den in het proefvlak Deurne-Diest gemaakt. Door storm ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 81 van 108


brak de kroontop volledig. Deze afgestorven boom maakte de grootste sprong die er mogelijk is (van 10% naar 100% naaldverlies). Samengevat kan er gesteld worden dat de klassensprongen de evolutie van het gemiddeld bladverlies en het aandeel beschadigde bomen bevestigen. Een positieve evolutie voor beuk en Corsicaanse den, een negatieve evolutie voor zomereik en Amerikaanse eik en een minder negatieve evolutie voor grove den en de groep â&#x20AC;&#x2DC;overige loofboomsoortenâ&#x20AC;&#x2122;.

Tabel 39

Procentuele verdeling van de klassensprongen tussen 2018 en 2019 vitaliteit zeer sterk gedaald

vitaliteit uiterst sterk gedaald

(2 klasse lager)

(1 klasse lager)

vitaliteit stabiel zelfde blad- of naaldverliesklasse

(1 klasse hoger)

(2 klassen hoger)

(3 klassen hoger)

(4 klassen hoger)

totaal

0,2

14,2

70,1

14,8

0,3

0,3

0,1

loofbomen

0,4

16,0

63,9

19,0

0,3

0,4

0,0

zomereik

0,0

12,9

67,2

19,0

0,0

0,9

0,0

beuk

0,0

34,9

58,7

6,4

0,0

0,0

0,0

Am. eik

0,0

5,5

61,5

33,0

0,0

0,0

0,0

overige lbs.

1,3

15,7

62,4

19,7

0,9

0,0

0,0

naaldbomen

0,0

12,0

77,6

9,7

0,3

0,2

0,2

grove den

0,0

10,2

78,5

10,5

0,4

0,2

0,2

Cors. den

0,0

17,9

74,1

8,0

0,0

0,0

0,0

vitaliteit sterk gestegen vitaliteit licht gestegen

Foto 10

vitaliteit licht gedaald vitaliteit sterk gedaald

In het ZoniĂŤnwoud verbeterde de bladbezetting van de beuken in vergelijking met 2018 (Hoeilaart, proefvlak 312, juli 2019)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 82 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


4.2.5

Evolutie per proefvlak

Achteraan dit rapport worden in bijlage de proefvlakken opgesomd, met het gemiddeld bladverlies en het aandeel beschadigde gemeenschappelijke bomen in 2018 en 2019. Ook het verschil wordt vermeld. Een negatief cijfer toont een verbetering aan (lager gemiddeld bladverlies, dalend aandeel beschadigde bomen), een positief cijfer staat voor een toename van bladverlies en/of beschadigde bomen. Er wordt bij voorkeur naar de evolutie van het gemiddeld bladverlies gekeken. In proefvlakken met weinig bomen kan het aandeel beschadigde bomen van jaar tot jaar grote sprongen maken. Het gemiddeld bladverlies schommelt minder sterk. Tussen 2018 en 2019 is er maar één proefvlak waarvan het gemiddelde meer dan 10 procentpunten opschuift. Het aandeel beschadigde bomen wijzigt in 27 proefvlakken met meer dan 10 procentpunten. De evolutie van het gemiddeld bladverlies per proefvlak wijst opnieuw op een achteruitgang van de kroontoestand in vergelijking met de voorgaande inventaris. Het gemiddeld bladverlies neemt tussen 2018 en 2019 in 37 proefvlakken toe (53,6%). Daar tegenover staat een afname in 30 proefvlakken en een status quo in 2 proefvlakken (respectievelijk 43,5% en 2,9%). In de meeste proefvlakken blijft het verschil beperkt tot minder dan 5 procentpunten. Er zijn echter 7 proefvlakken met een grotere toename (10,1% van de proefvlakken met meer dan 5 procentpunten) en slechts 3 proefvlakken met een grotere afname van het gemiddeld bladverlies. De proefvlakken met een toename van meer dan 5 procentpunten zijn: Maldegem (proefvlak 201, +31,0 procentpunten), Schilde (proefvlak 512, +10,0 procentpunten), Bocholt (proefvlak 714, +10,0 procentpunten), Eksel (proefvlak 906, +7,7 procentpunten), Meise (proefvlak 311, +6,2 procentpunten), Kinrooi (proefvlak 702, +5,6 procentpunten) en Zutendaal (proefvlak 802, +5,2 procentpunten). Een sprong van meer dan 10 procentpunten komt in slechts één proefvlak voor. Door het klein aantal steekproefbomen en de sterfte van twee bomen in Maldegem (proefvlak 201) is er een toename van het gemiddelde met 31 procentpunten. De toename is groter dan 5 procentpunten en statistisch significant (Wilcoxontest) in 4 proefvlakken: Bocholt, Eksel, Meise en Zutendaal. In drie proefvlakken is de afname groter dan 5 procentpunten: Hertsberge (proefvlak 103, -5,2 procentpunten), Ronse (proefvlak 215, -6,3 procentpunten) en Hoeilaart (proefvlak 312, -5,5 procentpunten). In geen enkel proefvlak neemt het gemiddelde met meer dan 10 procentpunten af. De afname is groter dan 5 procentpunten en statistisch significant in Hertsberge en Ronse. Bijna alle proefvlakken met een toename van meer dan 5 procentpunten werden eerder al besproken bij de ‘beschadigde proefvlakken’. Een uitzondering is het proefvlak in Zutendaal (proefvlak 802). Het gemiddeld blad-/naaldverlies is er nog steeds lager dan 25%. In dit proefvlak zijn er grove dennen en Amerikaanse eiken met een toename van het blad/naaldverlies. Er werd ook stormschade in het perceel waargenomen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 83 van 108


Ronse en Hoeilaart zijn beukenproefvlakken die een opmerkelijke verbetering van de kroonconditie ten opzichte van 2018 vertoonden. In Hertsberge was er in 2018 opvallende takbreuk. In 2019 was er in dit proefvlak minder (storm-)schade. Het aandeel beschadigde bomen neemt toe in 25 proefvlakken (36,2%). Er is een afname in 27 proefvlakken (39,2%) en in 17 proefvlakken blijft het percentage beschadigde bomen gelijk (24,6%). De toename is groter dan 10 procentpunten in 12 proefvlakken (17,4%). Anderzijds neemt het percentage beschadigde bomen met meer dan 10 procentpunten af in 15 proefvlakken (21,7%). Er zijn meer proefvlakken met een opvallend grote toename van het aandeel beschadigde bomen. Zo zijn er 5 plots waar het percentage beschadigde bomen met meer dan 25 procentpunten toeneemt en maar ĂŠĂŠn proefvlak met een afname van meer dan 25 procentpunten. De toename is het grootst in Maldegem (proefvlak 201), gevolgd door Meise (proefvlak 311), Schilde (proefvlak 512), Zandhoven (proefvlak 514) en Eksel (proefvlak 906). De afname is het grootst in Tervuren (proefvlak 303). Ook dit is een beukenproefvlak met een opmerkelijk verbeterde kroontoestand.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 84 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


4.3

EVOLUTIE VAN HET BLADVERLIES SINDS 2017

De gemeenschappelijke steekproef voor de jaren 2017, 2018 en 2019 telt 1423 bomen. Deze bomen werden drie jaar na elkaar beoordeeld. De afgestorven bomen uit 2017 en 2018 maken geen deel uit van deze steekproef, net als de bomen die pas in 2018 of 2019 in de steekproef opgenomen werden. Vanzelfsprekend maken bomen die om andere redenen dan sterfte uit de steekproef gehaald werden, geen deel uit van deze gemeenschappelijke steekproef. Per boomsoort wordt de evolutie van het gemiddeld bladverlies en het aandeel beschadigde bomen besproken. In tabel 40 wordt de toename van het gemiddeld bladverlies weergegeven, met de resultaten van een Wilcoxon-significantie toets. Een positief cijfer houdt een toename van het bladverlies in. Een negatief cijfer staat voor een afname van het bladverlies. In de figuren 5, 6 en 7 wordt de verdeling van de steekproefbomen in bladverliesklassen weergegeven. Klasse 0 (KO) bevat de gezonde bomen (0-10% bladverlies), klasse 1 (K1) de bomen in de waarschuwingklasse (11-25% bladverlies), klasse 2 (K2) de bomen met matig bladverlies (26-60% bladverlies) en klasse 3 (K3) de bomen met sterk bladverlies (61-99%). De afgestorven bomen komen in klasse 4 (K4) terecht. Deze klasse telt enkel bomen in 2019. Het totaal van de klassen 2, 3 en 4 resulteert in het percentage beschadigde bomen. De evolutie van de kroontoestand is negatief voor het totaal van alle steekproefbomen. Het bladverlies stijgt twee jaar na elkaar (tabel 40). De toename is significant in 2018 (+0,9 procentpunten). In 2019 volgt een niet-beduidende toename van 0,7 procentpunten (totaal: significante toename, +1,6 procentpunten). Ook het aandeel beschadigde bomen neemt twee jaar na elkaar toe. Het percentage beschadigde gemeenschappelijke bomen stijgt van 19,7% in 2017 naar 21,9% in 2018. In 2019 volgt opnieuw een toename, tot 22,5%. De toename is het grootst bij de loofbomen. Het bladverlies neemt twee jaar na elkaar toe en de toename is het grootst in 2018. Het gemiddeld bladverlies stijgt met 1,5 procentpunten in 2018 en nog eens met 1,2 procentpunten in 2019. De toename is telkens statistisch significant. In de periode 2017-2019 stijgt het gemiddeld bladverlies met 2,7 procentpunten en het aandeel beschadigde bomen neemt met meer dan 5 procentpunten toe. De grootste toename van het percentage beschadigde bomen wordt in 2018 opgemerkt: van 20,9% naar 24,8%. In 2019 stijgt het aandeel beschadigde bomen verder tot 26,6%. Het verloop van het gemiddeld bladverlies en het aandeel beschadigde bomen verschilt naargelang de boomsoort. Het gemiddeld bladverlies stijgt twee jaar na elkaar bij zomereik en de categorie ‘overige loofboomsoorten’. De grootste toename van het bladverlies wordt bij zomereik in 2019 vastgesteld. Tussen 2017 en 2018 is er nauwelijks verschil. Er is een niet beduidende toename van het bladverlies (+0,1 procentpunten) en het percentage beschadigde bomen blijft ook bijna ongewijzigd (van 22,7% naar 22,4%). In 2019 volgt er wel een significante achteruitgang van de kroontoestand. Het gemiddeld bladverlies stijgt met 1,9 procentpunten en er is een duidelijke toename van het aandeel beschadigde bomen tot 26,8%. Het bladverlies ligt in 2019 beduidend hoger in vergelijking met 2017 en 2018. Wat de substeekproef met ‘overige loofboomsoorten’ betreft, is de evolutie vooral in 2018 negatief. Er is een opvallende toename van het gemiddelde in 2018 (+3,8 procentpunten), gevolgd door een kleinere toename in 2019 (+1,0 procentpunten). Over een periode van twee jaar stijgt het gemiddelde met bijna 5 procentpunten. Het verschil is beduidend tussen 2017 en 2018 en tussen 2017 en 2019. Het percentage beschadigde bomen stijgt geen twee jaar na elkaar. Het aandeel stijgt van 23,9% in 2017 naar 33,6% in 2018 maar daalt daarna weer, tot 31,0% in 2019. Het percentage beschadigde ‘overige loofbomen’ blijft in 2019 wel het hoogst ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 85 van 108


van alle subcategorieën. Naast de slechte kroonconditie van de zwarte elzen (in proefvlak 714) en de door essenziekte aangetaste essen werden er in 2018 en 2019 ook negatieve gevolgen van de droge zomers vastgesteld op tamme kastanje, esdoorn en ruwe berk. Bij beuk en Amerikaanse eik wordt een achteruitgang van de kroonconditie gevolgd door een verbetering, of omgekeerd. De kroontoestand van de beuk is in 2018 niet goed maar er volgt een verbetering in 2019. Het bladverlies stijgt significant in 2018 (+3,9 procentpunten) maar daalt daarna opnieuw significant met 3,9 procentpunten. Het gemiddelde verschilt dus niet tussen 2017 en 2019. Het aandeel beschadigde bomen stijgt van 11,1% naar 25,0% in 2018. De afname in 2019 is kleiner. Het percentage beschadigde gemeenschappelijke beuken bedraagt in 2019 14,8%. Daarmee zakt het aandeel beschadigde bomen weer onder het algemeen gemiddelde en het cijfer daalt ook tot onder het percentage bij andere loofboomsoorten. Bij Amerikaanse eik is er enkel in 2019 een achteruitgang van de kroonconditie. Het gemiddeld bladverlies daalt in 2018 met 1,8 procentpunten en neemt daarna weer toe met 4,9 procentpunten. Tussen 2017 en 2019 is er een significante toename (+ 3,1 procentpunten). Ook het aandeel beschadigde bomen daalt eerst en neemt daarna sterk toe. Het percentage beschadigde bomen bedraagt 17,8% in 2017, 11,1% in 2018 en 28,9% in 2019. Bij de naaldbomen zijn er minder grote verschillen en ook minder significante wijzigingen. Wat het meest opvalt is de verbeterde naaldbezetting bij Corsicaanse den. Voor het totaal van alle naaldbomen is er geen beduidende toename van het naaldverlies. Het gemiddelde neemt twee jaar na elkaar licht toe, met 0,2 procentpunten in 2018 en 0,1 procentpunt in 2019. Het percentage beschadigde bomen verandert weinig, van 18,3% in 2017 naar 18,6% in 2018. In 2019 is er zelfs een daling van het percentage beschadigde bomen, tot 17,7%. Dit dankzij de verbeterde kroontoestand van de Corsicaanse dennen. Bij grove den is er eerder een lichte achteruitgang merkbaar. Het percentage naaldverlies stijgt twee jaar na elkaar bij grove den, maar het verschil is telkens niet-significant. Ook tussen 2017 en 2019 is er geen beduidend verschil. De toename is het grootst tussen 2018 en 2019 (+ 0,9 procentpunten). Tussen 2017 en 2018 is er nauwelijks een verschil (+0,1 procentpunten). Het percentage beschadigde bomen stijgt twee jaar na elkaar. In 2017 is 12,9% van de bomen beschadigd. Dit cijfer stijgt tot 14,4% in 2018 en 14,8% in 2019. Ondanks de toename blijft het aandeel beschadigde bomen jaarlijks lager dan dat van Corsicaanse den. Bij Corsicaanse den is er wel een duidelijke verbetering van de kroontoestand. Het naaldverlies wijzigt weinig tussen 2017 en 2018 maar in 2019 volgt een opmerkelijke positieve verandering. Het gemiddeld naaldverlies stijgt niet-beduidend in 2018 (+0,4 procentpunten), waarna een significante daling volgt (-2,1 procentpunten). In 2019 is de toestand ook beduidend beter dan in 2017 (-1,7 procentpunten). Het aandeel beschadigde bomen daalt twee jaar na elkaar, van 34,6% in 2017 over 31,5% in 2018 naar 26,5% in 2019. Voor het totaal van alle bomen neemt het bladverlies twee jaar na elkaar toe. De achteruitgang van de gezondheidstoestand is in 2018 opvallend voor beuk en de ‘overige loofboomsoorten’. In 2019 is dat vooral voor eik het geval. Corsicaanse den maakt de meest positieve evolutie, vooral in 2019. De gezondheidstoestand van grove den gaat twee jaar na elkaar licht achteruit. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 86 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Tabel 40

Evolutie van het gemiddeld bladverlies in de periode 2017-2019 (gemeenschappelijke bomen, Wilcoxon rang test, Îą=0.05, *=p<0.05, **=p<0.01, ***=p<0.001) 2018-2017

2019-2018

2019-2017

totaal

0,9***

0,7

1,6***

loofbomen

1,5***

1,2*

2,7*** 2,0***

zomereik

0,1

1,9**

3,9***

-3,9***

0,0

-1,8*

4,9***

3,1***

overige lbs.

3,8***

1,0

4,8***

naaldbomen

0,2

0,1

0,3

grove den

0,1

0,9

1,0

Corsicaanse den

0,4

-2,1***

-1,7***

beuk Amerikaanse eik

Figuur 5

Percentage bomen in de verschillende bladverliesklassen in de periode 2017-2019 (beschadigd vanaf K2: 26-60% bladverlies) - totaal van alle bomen

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 87 van 108


Figuur 6

Percentage bomen in de verschillende bladverliesklassen in de periode 2017-2019 (beschadigd vanaf K2: 26-60% bladverlies) - loofbomen, naaldbomen, beuk, zomereik

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 88 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Figuur 7

Percentage bomen in de verschillende bladverliesklassen in de periode 2017-2019 (beschadigd vanaf K2: 26-60% bladverlies) - Amerikaanse eik, overige loofboomsoorten, grove den, Corsicaanse den

Foto 11

In dit proefvlak in het ZoniĂŤnwoud is een dunning voorzien (Tervuren, proefvlak 303, gemerkte boom nr. 111, juli 2019)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 89 van 108


4.4 4.4.1

EVOLUTIE VAN HET BLADVERLIES SINDS 1995 Evolutie van het gemiddeld bladverlies

Van 1995 tot en met 2019 bleef het aantal proefvlakken vrij stabiel. In 1995 waren er 72 proefvlakken, in 2019 71. In deze periode verdwenen er enkele proefvlakken. In de Mombeekvallei (Wimmertingen, Alken) werd een proefvlak een paar keer verschoven maar uiteindelijk verdwenen alle steekproefbomen na kappingen (proefvlak 801 in 2008, 813 in 2011 en 814 in 2018). Ook in Steenhuffel werd in 2018 een populierenproefvlak gekapt (proefvlak 301). In Binkom-Lubbeek (proefvlak 404) was er aanzienlijke stormschade in 2011, waarna de resterende bomen in 2012 gekapt werden. Het wegvallen van de proefvlakken werd in 2019 gedeeltelijk gecompenseerd door het aanduiden van twee nieuwe proefvlakken (Wachtebeke en Ravels). Voor de evolutie van het gemiddeld bladverlies sinds 1995 worden niet enkel de gemeenschappelijke bomen gebruikt. Het aantal bomen in de gemeenschappelijke steekproef is te klein. Voor de beginperiode (1995-2001) wordt beroep gedaan op de dataset die gebruikt werd voor een trendanalyse in 2005 (Sioen, Quataert & Roskams, 2005). Deze set werd vanaf 2002 aangevuld met de gegevens van de jaarlijkse kroonbeoordelingen. Alle bomen worden opgenomen, ook de afgestorven bomen (jaar van sterfte = laatste opnamejaar). Het aantal steekproefbomen bedraagt in 1995 1728 en evolueert naar 1474 exemplaren in 2019. De afname is het gevolg van sterfte, stormschade, kappingen of onderlinge concurrentie tussen bomen. Tot en met 2011 werden weggevallen steekproefbomen onmiddellijk vervangen. Er werd toen een vast aantal steekproefbomen van 24 exemplaren per proefvlak gehanteerd (4 x 6). Vanaf 2012 werd met steekproefcirkels met een vaste oppervlakte en een variabel aantal steekproefbomen gewerkt. Omdat ieder jaar alle steekproefbomen gebruikt worden, kunnen de resultaten afwijken van de gemiddelden die bij de gemeenschappelijke bomen vermeld werden (zie 4.2 en 4.3, gemeenschappelijke bomen 2018-2019 en 2017-2019). De waarden van het gemiddeld bladverlies in de figuren 8 tot en met 15 komen niet exact overeen met de gemiddelden in de tekst. Om de figuren op te maken werden eerst de gemiddelden per proefvlak berekend, waarna het gemiddelde van alle proefvlakken berekend werd. Hiervoor wordt gekozen omdat de trend ook op deze data wordt berekend. De evolutie van het bladverlies wordt getest met behulp van een Mann-Kendall Tau test en de Sen helling wordt bepaald. Een positieve helling wijst op een toename van het bladverlies, een negatieve helling op een afname (en dus een verbetering van de kroontoestand). De Tau test geeft aan of de wijziging al dan niet statistisch significant is. De Sen helling is een robuuste trendschatting. Voor ieder jaar wordt een trend berekend met alle andere jaren. Dit gebeurt door het verschil tussen elk mogelijk jaarpaar te delen door de afstand tussen de jaren. De mediaan van al deze verschillen vormt de Sen helling. In dit rapport wordt het gemiddeld bladverlies per proefvlak gebruikt als datapunt voor de berekening en wordt het proefvlak als blokeffect meegegeven aan de functie rkt uit het R pakket rkt (Marchetto, 2017). Om deze helling dan te gebruiken analoog aan een regressie wordt ook een Sen intercept berekend, wat gebeurt door het gemiddelde te nemen van het gemiddelde bladverlies per plot met daarvan jaar * Sen helling afgetrokken.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 90 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


De betrouwbaarheidsintervallen rond deze helling worden berekend via een bootstrap procedure. Hierbij wordt de huidige steekproef als het ware de populatie beschouwd, en wordt hieruit dan 200 keer een nieuwe steekproef van plotnummers getrokken, even groot als de originele steekproef, met sampling replacement. De 2,5% en 97,5% kwantiel van de berekening van de Sen helling in deze 200 steekproeven is dan een benadering voor het betrouwbaarheidsinterval. De Mann-Kendall Tau test is een niet-parametrische correlatietest tussen het bladverlies en het jaartal, sterk gerelateerd aan de Sen helling. De basis van de test is tellen hoeveel keer een waarde van jaar tot jaar stijgt, gelijk blijft of daalt in vergelijking met voorgaande jaren, dus in jaar 4, vergelijk je met jaar 1,2 en 3 en daarbij tel je nog de vergelijking van jaar 3 met de jaren 1 en 2 op en de vergelijking van jaar 2 met jaar 1. De p-waarde die in dit deel gebruikt wordt is de p-waarde op de Mann-Kendall tau test (dus niet rechtstreeks op de Sen helling), in de grafiek worden daarentegen wel de betrouwbaarheidsintervallen op de Sen helling gebruikt. De trend van het bladverlies is licht stijgend voor het totaal van alle steekproefbomen (Senâ&#x20AC;&#x2122;s helling 0,026; Mann-Kenndall toets p<0,05). In de perioden 1995-1997 en 2006-2008 is er een tijdelijke daling van het bladverlies maar globaal gezien neemt het gemiddelde toe, zeker na 2008 (figuur 8). Tussen 2008 en 2012 stijgt het gemiddeld bladverlies van 19,3% tot 26,0%. Dat is tevens de laagste en de hoogste score sinds 1995. Vanaf 2013 volgt een daling maar na 2014 begint er weer een periode met een geleidelijke en lichte toename van het gemiddelde. De laatste vijf jaar haalt het gemiddeld bladverlies de volgende scores: 2015: 24,1%, 2016: 23,7%, 2017: 24,1%, 2018: 24,6% en 2019: 24,4%.

Figuur 8

Gemiddeld blad-/naaldverlies in de bosvitaliteitsinventaris van 1995 tot en met 2019

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 91 van 108


De toenemende trend bij het totaal van alle steekproefbomen wordt bepaald door de evolutie van het bladverlies bij de loofbomen (figuur 9). Voor het totaal van alle loofbomen is er een eveneens een licht toenemende trend (Senâ&#x20AC;&#x2122;s helling 0,078; p<0,001). Net als bij het totaal van alle bomen wordt de laagste score in 2008 behaald (19,0%) en volgt er een sterke toename naar het hoogste gemiddelde in 2012 (28,6%). Na 2012 zijn er twee opeenvolgende jaren met een afname van het gemiddeld bladverlies. Vanaf 2014 blijft het gemiddelde min of meer status quo. Het gemiddeld bladverlies bedraagt 25,2% in 2015, 2016 en 2017 en stijgt licht naar 25,7% in 2018 en 2019.

Figuur 9

Gemiddeld bladverlies van alle loofbomen in de periode 1995-2019

Het gemiddelde vertoont voor het totaal van alle naaldbomen in de periode 1995-2019 een licht dalende trend (Senâ&#x20AC;&#x2122;s helling -0,026; p<0,05). De afnemende trend wordt vooral tijdens de beginperiode gerealiseerd. Na 2010 is er eerder sprake van een toename (figuur 10). Het naaldverlies is in de beginjaren het hoogst (24,9% in 1996) en vertoont in de periode 20082010 de laagste score (18,4% in 2010). Vanaf 2011 neemt het gemiddeld naaldverlies toe, met enkele perioden van verbetering, zoals in 2013, 2016 en 2019. Het gemiddelde situeert zich de meeste jaren boven de 20% en bereikt nooit de 25%. Ook de laatste vijf jaar ligt het gemiddelde tussen die waarden: 22,7% in 2015, 21,8% in 2016, 22,6% in 2017, 23,2% in 2018 en 22,7% in 2019. Sinds 2009 is het gemiddelde lager in vergelijking met het cijfer bij de loofbomen en het algemeen totaal.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 92 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Figuur 10

Gemiddeld naaldverlies van alle naaldbomen in de periode 1995-2019

Het gemiddeld bladverlies vertoont bij beuk een schommelend verloop, met vaak uitschieters tijdens zaadjaren (figuur 11). Tijdens mast- of zaadjaren is er een ijlere bladbezetting, met een gemiddelde bladverliesscore die geregeld boven de 20% uitsteekt. Voorbeelden daarvan zijn 1995 (score 26,6%), 2000 (20,3%), 2004 (23,8%), 2016 (26,2%) en 2018 (22,7%). 2011 wordt ook als een zaadjaar beschouwd maar het gemiddeld bladverlies blijft dat jaar onder de 20% (19,9%). Ondanks de schommelingen is er een lichte trend waarneembaar (Senâ&#x20AC;&#x2122;s helling 0,069; p<0,01). De hoogste cijfers worden in 1995, 2004 en 2016 bereikt. Het laagste gemiddelde wordt in 1998 en 2008 genoteerd (respectievelijk 13,9% en 14,0%). Na 2008 neemt het gemiddelde overwegend toe. De laatste vijf jaar is het gemiddeld bladverlies het hoogst tijdens zaadjaren (2016: 26,2%; 2018: 22,7%). De jaren daarrond is het bladverlies lager (2015: 19,7%; 2017: 18,5%; 2019: 20,2%).

Figuur 11

Gemiddeld bladverlies van beuk in de periode 1995-2019

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 93 van 108


Het bladverlies van zomereik vertoont geen trend (Senâ&#x20AC;&#x2122;s helling 0; p>0,05). Het gemiddeld bladverlies ligt de laatste tien jaar hoger dan de jaren daarvoor maar over de totale periode beschouwd is er geen beduidende daling of stijging (figuur 12). De hoogste score wordt in 2012 genoteerd (26,4%), de laagste in 2008 (20,6%). De meeste jaren situeert het gemiddelde zich tussen 20% en 25%. De score van 2019 (24,6%) wordt alleen in 1995 (25,8%), 2012, 2013 (25,2%) en 2014 (24,9%) overtroffen. De vorige vier inventarissen lag de score van het bladverlies lager: 24% in 2015, 22,4% in 2016, 23,7% in 2017 en 23,6% in 2018. Na een opvallende toename in de periode 2008-2012 en een daling in de periode 2012-2016, is er de laatste jaren weer een toename van het bladverlies.

Figuur 12

Gemiddeld bladverlies van zomereik in de periode 1995-2019

Ook het bladverlies van Amerikaanse eik vertoont geen afname of toename tussen 1995 en 2019 (Senâ&#x20AC;&#x2122;s helling 0; p>0,05). Het gemiddeld bladverlies is zeer hoog in 1995 en 1996 (respectievelijk 26,7% en 26,2%) maar blijft de jaren daarna vaak onder de 20% (figuur 13). De score is laag in de periode 2008-2011, waarna er weer een toename van het bladverlies volgt. In 2011 wordt de laagste score geregistreerd (16,3%). Het gemiddeld bladverlies gedurende de voorbije vijf jaar is 21,0% in 2015, 19,9% in 2016, 21,3% in 2017, 19,5% in 2018 en 24,3% in 2019. Alleen in 1995 en 1996 werd een nog hogere score dan in 2019 genoteerd.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 94 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Figuur 13

Gemiddeld bladverlies van Amerikaanse eik in de periode 1995-2019

Het naaldverlies vertoont bij grove den een licht dalende trend maar deze is niet significant (Senâ&#x20AC;&#x2122;s helling -0,033; p>0,05). Tot 2009 wordt een positieve evolutie waargenomen maar na 2010 neemt het naaldverlies opnieuw toe (figuur 14). De laagste waarde van het naaldverlies wordt in 2009 en 2010 genoteerd (17,4%), het hoogste cijfer in 1996 (23,8%). Het gemiddeld naaldverlies van 2019 (22,4%) wordt enkel in 1995 (22,6%), 1996 (23,8%) en 2000 (22,9%) overtroffen. De laatste drie jaar is er een geleidelijke toename van het naaldverlies. Het gemiddeld naaldverlies van de voorbije vijf jaar bedraagt 21,4% in 2015, 20,7% in 2016, 21,7% in 2017, 22,2% in 2018 en 22,4% in 2019.

Figuur 14

Gemiddeld naaldverlies van grove den in de periode 1995-2019

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 95 van 108


Ook bij Corsicaanse den is er geen significante trend van het naaldverlies (Senâ&#x20AC;&#x2122;s helling -0,069; p>0,05). Het gemiddeld naaldverlies is het hoogst in 1996 (29,5%) en het laagst in 2011 (21,7%). De kroontoestand verbetert vooral tussen 2003 en 2011, waarna er weer een toename van het naaldverlies volgt (figuur 15). De kroontoestand van de Corsicaanse dennen is het laatste jaar duidelijk beter dan de voorgaande jaren. Alleen in 1998-1999 en de periode 2008-2011 is het gemiddelde nog lager. Het gemiddelde van de laatste vijf jaar bedraagt 27,2% in 2015, 25,2% in 2016, 25,5% in 2017, 26,0% in 2018 en 23,8% in 2019. Het gemiddelde is bij Corsicaanse den steeds hoger dan bij grove den maar de cijfers komen in 2019 dichter bij elkaar.

Figuur 15

Gemiddeld naaldverlies van Corsicaanse den in de periode 1995-2019

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 96 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


4.4.2

Evolutie van het percentage beschadigde bomen

Het aandeel beschadigde bomen vertoont van jaar tot jaar grotere schommelingen in vergelijking met het gemiddeld blad- of naaldverlies. Het aandeel beschadigde bomen volgt ook niet altijd hetzelfde verloop als het gemiddeld bladverlies. Het is mogelijk dat het aandeel beschadigde bomen gelijk blijft terwijl het gemiddeld bladverlies toeneemt, bijvoorbeeld wanneer beschadigde bomen nog verslechteren qua kroonconditie. Omgekeerd kan het gemiddeld bladverlies dalen terwijl het percentage beschadigde bomen gelijk blijft. Per jaar kan het percentage beschadigde bomen berekend worden voor het totaal van alle steekproefbomen, de loofbomen, de naaldbomen en de boomsoorten afzonderlijk Net als bij het gemiddeld bladverlies start het aandeel beschadigde bomen voor het totaal van alle steekproefbomen met een hoge score in 1995-1996, waarna een afname volgt tot in 2008. Daarna stijgt het percentage beschadigde bomen opnieuw tot in 2012 (figuur 16). In 2013 volgt een verbeterde toestand, opnieuw gevolgd door een periode met een toenemend aandeel beschadigde bomen. De score voor het aandeel beschadigde bomen gedurende de laatste vijf jaar is 21,5% in 2015, 20,3% in 2016, 21,1% in 2017, 22,8% in 2018 en 22,7% in 2019. De hoogste score van het aandeel beschadigde bomen wordt in 1995 genoteerd (33,2%), de laagste score in 2008 (14,3%). Het percentage beschadigde bomen bedraagt minstens 25% in 1995, 1996, 2000 en 2012 (respectievelijk 33,2%, 26,4%, 25,2% en 25%).

Figuur 16

Percentage beschadigde bomen in de periode 1995-2019 (totaal, loofbomen, naaldbomen)

De score van het aandeel beschadigde loofbomen is in 2019 hoog (26,8%). Het cijfer wordt in de beschouwde periode slechts drie keer overtroffen, namelijk in 1995 (37,6%), 2012 (29,0%) en 2014 (27,3%). De hoogste score wordt opnieuw in 1995 genoteerd en de laagste score in ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 97 van 108


2008 (15,2%). Het verloop van het gemiddelde volgt de curve van het totaal van alle steekproefbomen (figuur 16). Sinds 2004 liggen de waarden van het aandeel beschadigde loofbomen duidelijk hoger dan de cijfers voor het totaal van alle naaldbomen. Het cijfer is bij de loofbomen sindsdien ook telkens hoger dan dat voor het algemeen totaal. Er is opnieuw een afnemende trend van het aandeel beschadigde bomen tijdens het eerste deel van de beschouwde periode, gevolgd door een toename na 2008. De afgelopen vijf jaar bedraagt het aandeel beschadigde bomen: 22,8% in 2015, 25,1% in 2016, 23,1% in 2017, 25,6% in 2018 en 26,8% in 2019. De laatste twee jaar is meer dan een kwart van de loofbomen beschadigd en dat was ook zo in 1995 (37,6%), 1996 (25,1%), 2012 (29,0%), 2013 (25,5%), 2014 (27,3%) en 2016 (25,1%). Het aandeel beschadigde naaldbomen daalt vooral tussen 2000 en 2010. Vanaf 2011 is er een toename. Het aandeel beschadigde bomen blijft steeds lager dan het aandeel beschadigde loofbomen en het algemeen totaal (figuur 16). Het hoogste percentage beschadigde bomen wordt in 1996 geregistreerd (29,1%). Het laagste cijfer wordt in 2009 en 2010 genoteerd (9,7%). Alleen in 1996, 2000 en 2002 is meer dan een kwart van de bomen beschadigd (respectievelijk 29,1%, 27,9%, 25,4%). Het aandeel beschadigde bomen bedraagt de laatste jaren minder dan 20%: 19,8% in 2015, 14,3% in 2016, 18,6% in 2017, 19,5% in 2018 en 17,6% in 2019.

Ondanks een verbetering van de kroontoestand in 2019, blijft het aandeel beschadigde beuken hoog in vergelijking met de voorgaande jaren in de meetreeks (figuur 17). Het cijfer voor 2019 (21,1%) wordt enkel in 1995, 2004, 2016 en 2018 overtroffen, niet toevallig tijdens mastjaren (respectievelijk 44,4%, 28,4%, 41,9% en 25,4%). Een hoge zaadproductie gaat namelijk vaak gepaard met een ijlere bladbezetting. 2011 wordt ook als zaadjaar beschouwd maar toen bleef het aandeel beschadigde bomen laag, zelfs lager dan in 2019 (geen zaadjaar). Het hoogste cijfer wordt in 1995 genoteerd, het laagste cijfer in 1998 (4,5%). 2016 en 2018 waren goede zaadjaren. Een jaar na een mastjaar is er altijd weinig zaadzetting. Het valt af te wachten of er in 2020 opnieuw veel zaad geproduceerd zal worden. Het aandeel beschadigde bomen gedurende de vijf laatste inventarisatiejaren is 9,3% in 2015, 41,9% in 2016, 10,4% in 2017, 25,4% in 2018 en 21,1% in 2019.

Figuur 17

Percentage beschadigde beuken in de periode 1995-2019

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 98 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Het aandeel beschadigde zomereiken is het hoogst in 1995 (42,5%) en neemt daarna af tot in 2008 (17,5%). In die jaren wordt ook de hoogste en de laagste waarde van het percentage beschadigde bomen genoteerd (figuur 18). Na 2008 stijgt het percentage opnieuw tot in 2012 (34,7%). In de beginperiode (1995-2000) is het aandeel beschadigde bomen steeds groter dan 25%. Verder is meer dan een kwart van de bomen beschadigd in de periode 2011-2014 en opnieuw in 2019. Het aandeel bedraagt 23,8% in 2015, 18,8% in 2016, 24,8% in 2017, 22,8% in 2018 en 26,4% in 2019. Het is van 2014 geleden dat het percentage beschadigde bomen zo hoog lag (toen nog hoger, namelijk 32,4%).

Figuur 18

Percentage beschadigde zomereiken in de periode 1995-2019

Het percentage beschadigde Amerikaanse eiken vertoont de laatste jaren een toename (met uitzonderling van 2018, figuur 19). In 1995 en 2013 werden de hoogste en de laagste score genoteerd, respectievelijk 40,6% en 4,3%. De meeste inventarisatiejaren is de score lager dan 20% en vaak lager dan 15%. De hoge score van 2019 (28,3%) wordt alleen in 1995 en 1996 overtroffen (39,4% in 1996).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 99 van 108


Figuur 19

Percentage beschadigde Amerikaanse eiken in de periode 1995-2019

Over de volledige periode beschouwd vertoont grove den een verbeterde kroontoestand (figuur 20). De afname van het aandeel beschadigde bomen wordt vooral tijdens de eerste helft van de beschouwde periode gerealiseerd. Het hoogste percentage beschadigde bomen wordt in 1996 bereikt (27,6%). Tussen 1995 en 2005 is het aandeel beschadigde bomen bijna steeds groter dan 15%. In 2009 wordt het laagste cijfer genoteerd (6,4%). Na 2010 volgt weer een toename van het percentage beschadigde bomen maar het aandeel blijft bijna steeds onder de 15%. De cijfers van de laatste vijf inventarisatiejaren zijn 12,8% in 2015, 8,8% in 2016, 13,1% in 2017, 15,1% in 2018 en 14,7% in 2019. Het aandeel beschadigde bomen zakt wat in 2019 maar blijft hoger dan in de periode 2007-2017.

Figuur 19

Percentage beschadigde grove dennen in de periode 1995-2019

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 100 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Wat Corsicaanse den betreft, wordt het hoogste percentage beschadigde bomen niet in de tweede helft van de jaren 1990 genoteerd maar in de periode 2002-2003 (47,5%, figuur 21). Na 2003 volgt een bijna onafgebroken afname van het aandeel beschadigde dennen tot in 2011 (16,0%). Na 2011 volgt weer een toename van het percentage beschadigde bomen, weliswaar met grote sprongen. De cijfers van het percentage beschadigde bomen voor de laatste vijf inventarisatiejaren zijn 42,7% in 2015, 31,0% in 2016, 35,1% in 2017, 32,4% in 2018 en 26,4% in 2019. Met uitzondering van 2014 is het aandeel in de periode 2012-2018 steeds hoger dan 30%. Het cijfer is opvallend lager in 2019. Alleen in de perioden 1997-1999 en 2007-2011 is het aandeel beschadigde bomen kleiner dan 25%.

Figuur 20

Percentage beschadigde Corsicaanse dennen in de periode 1995-2019

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 101 van 108


5 INVENTARISATIE GEZONDHEIDSTOESTAND ES De essenziekte of essentaksterfte werd in 2010 voor het eerst in Vlaanderen waargenomen. De invasieve exotische schimmel Hymenoscyphus fraxineus veroorzaakt ondermeer kroonsterfte en het leidt vaak tot het volledig afsterven van essen. Ondertussen wordt de ziekte overal in Vlaanderen aangetroffen (ziektesymptomen beschreven in Sioen et al., 2016). Om de gezondheidstoestand van de essen en de evolutie van aangetaste essen beter in kaart te kunnen brengen, werd in 2014 een monitoringproject opgestart. Van 2014 tot en met 2019 werden in totaal 29 proefvlakken jaarlijks bezocht. Deze essensteekproef telt 252 bomen. Negen bosvitaliteitsproefvlakken maken deel uit van de steekproef (tabel 41). In de 9 huidige bosvitaliteitsproefvlakken werden 78 bomen geselecteerd. Bovenop een dertigtal essen van de bosvitaliteitsinventaris werden in dezelfde bospercelen nog tientallen extra essen geselecteerd. Afgestorven bomen worden in het bosvitaliteitsmeetnet na één jaar niet meer opgenomen in de steekproef. In de steekproef voor de esseninventarisatie worden de afgestorven bomen wel in de steekproef gehouden. Het aantal beoordeelde essen is het grootst in Zoutleeuw (proefvlak 416). In Tielt-Winge (proefvlak 415) en Ieper (proefvlak 111) worden er slechts 4 bomen beoordeeld. Het gemiddeld bladverlies van de essen in de proefvlakken bedraagt 36,0%. Het aandeel beschadigde essen bedraagt 39,1%. Van de 72 beoordeelde essen zijn er ondertussen 9 afgestorven (11,5%). Het aandeel bomen met meer dan 60% bladverlies bedraagt 15,4%. Het gemiddeld bladverlies is het hoogst in Pulle (proefvlak 508, 52,7%) en het laagst in Maarkedal (proefvlak 214, 20,6%). In 7 van de 9 proefvlakken bedraagt het gemiddelde meer dan 25%. Enkel de proefvlakken in Maarkedal en Ieper (25,0%) worden als niet-beschadigd beschouwd. Het gemiddeld bladverlies van de essen neemt toe in vergelijking met het voorgaande jaar. Ook het aandeel bomen met ernstig bladverlies en het aandeel afgestorven bomen stijgt. Er is wel een afname van het aandeel beschadigde bomen. Dat betekent dat er, in vergelijking met de vorige inventaris, vooral een verdere aftakeling van reeds beschadigde bomen aan de gang is. In 2018 bedroeg het gemiddeld bladverlies 33,7% en het aandeel beschadigde bomen 43,6%. Er waren toen 5 dode bomen (6,4%) en het aandeel bomen met meer dan 60% bladverlies bedroeg 12,8%. In Gontrode (proefvlak 205), Maarkedal (proefvlak 214) en Halle (proefvlak 302) is er een verbetering van de kroontoestand ten opzichte van vorig jaar. Alleen in Halle zakt het gemiddeld bladverlies met meer dan 5 procentpunten. Omgekeerd is er een toename van het bladverlies in 6 proefvlakken. Het gemiddelde stijgt met minstens 5 procentpunten in Wijtschate (proefvlak 101), Ieper (proefvlak 111) en Pulle (proefvlak 508). De totale steekproef, inclusief de meetpunten buiten het bosvitaliteitsmeetnet, telt 29 proefvlakken en 252 bomen. Ook voor deze steekproef geldt dat het gemiddeld bladverlies toeneemt, van 45,3% in 2018 naar 47,9% in 2019. Het percentage beschadigde bomen is ook hier afgenomen, van 60,3% naar 55,6%. Maar net als in de proefvlakken van het bosvitaliteitsmeetnet neemt in 2019 het aandeel ernstig beschadigde bomen toe, van 28,6% naar 32,1%. Dat wil zeggen dat ondertussen bijna één boom op drie meer dan 60% bladverlies vertoont. De sterfte nam de laatste jaren sterk toe. In 2017 waren er 17 afgestorven bomen (6,7%). Dat aantal steeg in 2018 naar 27 exemplaren (10,7%) en in 2019 naar 41 (16,3%). Kwijnende bomen stierven de laatste jaren wellicht sneller door extreme droogte. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 102 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


De inventarisatie startte in 2014. Toen bedroeg het gemiddeld bladverlies van de geselecteerde essen 28,8%. Meer dan 25% bladverlies werd toen bij 32,1% van de bomen vastgesteld. 6,7% van de bomen vertoonde ernstig bladverlies. Deze cijfers namen bijna allen jaarlijks toe. Toch zijn er nog niet-beschadigde essen in de proefvlakken te vinden. Hopelijk blijven deze schaarse bomen tolerant voor de essenziekte. In 2019 werden een aantal van deze bomen geselecteerd voor het verzamelen van entmateriaal. Er werden stekken genomen en deze worden voor verder wetenschappelijk onderzoek opgekweekt. Tabel 41

Proefvlakken van het bosvitaliteitsmeetnet met geselecteerde essen voor het essenonderzoek in 2019

Nummer

Naam

Plaats

Aantal essen

Aantal beschadigd

101

Diependaal

Wijtschate

5

3

111

Galgebossen

Ieper

4

1

205

Aelmoeseneiebos

Gontrode

6

1

214

Koppenbergbos

Maarkedal

8

1

302

Hallerbos

Halle

6

3

402

Hellebos

Perk

10

3

415

Walenbos

Tielt-Winge

4

2

416

Tienbunders

Zoutleeuw

20

7

508

Krabbels

Pulle

15

10

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 103 van 108


6 BESLUIT De bosvitaliteitsinventaris werd in 2019 in 71 proefvlakken uitgevoerd, met een totaal van 1474 steekproefbomen. Het gemiddeld bladverlies van de steekproefbomen bedraagt 24,4% (mediaan 20) en het aandeel beschadigde bomen 22,7%. Sterk bladverlies (> 60%) komt bij 1,8% van de bomen voor en 1,2% is afgestorven. De loofboomsoort met het laagste gemiddeld bladverlies en het laagste aandeel beschadigde bomen is beuk. Bij de naaldboomsoorten is dat grove den. Eik (zomereik en Amerikaanse eik), de groep ‘overige loofboomsoorten’ en Corsicaanse den halen hogere cijfers. De mediaan van het bladverlies is het hoogst bij eik. 1,6% van de steekproefbomen werd na stormschade uit de inventaris gehaald. Ook de droogte en de warmte van de afgelopen jaren hadden een negatieve invloed op de bosvitaliteit, zowel binnen als buiten het meetnet. In vergelijking met 2018 was er meer neerslag, maar globaal gezien was 2019 opnieuw te droog. Het werd het derde opeenvolgende jaar met lage neerslaghoeveelheden tijdens het vegetatieseizoen. Net als de voorbije jaren werden in de bossen droogtesymptomen waargenomen. Verschillende insectensoorten profiteren van de droogte. Er zijn in 2019 meer zomereiken met ernstige bladvraat en er is tegelijkertijd een opvallende toename van bladverkleuring, vooral door meeldauwinfectie. Er wordt een uitbreiding van het aantal proefvlakken met eikenprocessievlinder vastgesteld. Vooral op stammen van Amerikaanse eik worden meer eipakketjes van plakker waargenomen. Verder is er een beperkte uitbreiding van symptomen van schorskevers of andere houtbewonende insecten. Er zijn meer dennen met harsuitvloei en meer eiken met slijmuitvloei. Het aandeel bomen met bladvervorming neemt twee jaar na elkaar toe. De zomerdroogte wordt als hoofdoorzaak beschouwd. In Ravels (proefvlak 613) vertoont het merendeel van de tamme kastanjebomen bladvervorming en scheutsterfte door de tamme kastanjegalwesp. Voor het eerst werd opvallende aantasting door deze exoot in het meetnet waargenomen. In vergelijking met 2018 is er bij de gemeenschappelijke steekproefbomen een niet significante toename van het bladverlies. Alleen voor wat beuk en Corsicaanse den betreft, is er sprake van een verbeterde kroontoestand. Bij zomereik en Amerikaanse eik is er een negatieve evolutie. Grove den en de groep ‘overige loofboomsoorten’ vertonen een lichte achteruitgang. Ten opzichte van 2017 is het bladverlies significant gestegen bij zomereik, Amerikaanse eik en de groep ‘overige loofboomsoorten’. In het geval van grove den is er ook ten opzichte van 2017 een lichte achteruitgang. Bij Corsicaanse den is er een positieve evolutie. Droogte, storm en een toenemend volume beschadigde en afgestorven bomen bevorderen de verspreiding van schorskevers. Dit kan in de toekomst tot hogere blad(naald-)verliesscores leiden. In Vlaanderen nam de sterfte van fijnspar toe en in verschillende bossen werd melding gemaakt van vitaliteitsproblemen bij grove den. Hoewel het gemiddeld naaldverlies van grove den in de bosvitaliteitsinventaris toeneemt, is er momenteel geen sprake van een significante achteruitgang. In tegenstelling tot 2018 was er in 2019 weinig opvallende zaadproductie. De enige boomsoort met een hoog aandeel bomen met zaad was Amerikaanse eik. In combinatie met een hoge zaadproductie veroorzaakte de droogte van 2018 zeer ijle beukenkronen. In 2019 was er amper zaadzetting bij beuk. Mede daardoor was de bladbezetting beter. Toch zijn er nog steeds verschillende beukenproefvlakken met een zwakke gezondheidstoestand. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 104 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


De lange termijntrends van het bladverlies zijn toenemend in het geval van het totaal van de loofbomen en afnemend voor het totaal van alle naaldbomen (1995-2019). De toenemende trend is significant voor beuk en de groep â&#x20AC;&#x2DC;overige loofboomsoortenâ&#x20AC;&#x2122;. De dalende trend is bij grove den en Corsicaanse den niet statistisch significant. Voor zomereik en Amerikaanse eik is er geen trend waarneembaar. Toch is de conditie van zomereik in verschillende proefvlakken kritiek. Er wordt sinds 2013 jaarlijks eikensterfte genoteerd. De droogte van de afgelopen jaren is niet de oorzaak van de problemen bij eik. Samen met andere factoren kan droogte wel de gezondheidstoestand van de zomereiken negatief beĂŻnvloeden. Er werd in 2014 een extra meetnet opgericht om de essenziekte op te volgen. De metingen in de essenproefvlakken tonen aan dat het gemiddeld bladverlies van es nog steeds toeneemt. Het aandeel beschadigde bomen is in 2019 niet toegenomen maar wel het percentage ernstig beschadigde essen (> 60% bladverlies) en het aandeel dode bomen. 16,6% van de essen is sinds de start van de metingen afgestorven. De evolutie van de gezondheidstoestand van de essen is negatief maar er worden in verschillende proefvlakken niet-beschadigde bomen aangetroffen. Dit wijst op mogelijke tolerantie aan de essenziekte.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 105 van 108


Referenties Beleidsnota Omgeving 2019-2024. Beleidsnota van Zuhal Demir, Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Bosvitaliteitsindex Statistiek Vlaanderen https://www.statistiekvlaanderen.be/bosvitaliteitsindex Hoffmann M., Janssens L., De Charleroy D., De Landtsheer I., Louette G., Milbau A., Peymen J., Pollet M., Van Thienen S., Van Waeyenberge S., 2019. INBO position paper. Onderzoeksagenda voor 2020-2024. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (2). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. doi.org/10.21436/inbom.16435716 https://pureportal.inbo.be/portal/files/16446662/Hoffmann_etal_2019_INBOpositionPaper.p df Marchetto A., 2017. rkt: Mann-Kendall Test, Seasonal and Regional Kendall Tests. R package version 1.5. https://CRAN.R-project.org/package=rkt Michel A., Prescher A-K., Schwärzel K., editors (2019). Forest Condition in Europe: 2019 Technical Report of ICP Forests. Report under the UNECE Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (Air Convention). BFW-Dokumentation 27/2019. Vienna: BFW Austrian Research Centre for Forests. 104 p. https://www.icp-forests.org/pdf/TR2019.pdf Natuurindicatoren https://www.inbo.be/nl/natuurindicator/aandeel-beschadigde-bosbomen Quataert P., Vandekerkhove K., De Vos B., Simoens I., Verheyen K., Ceulemans R., Muys B., Van Acker J., 2018. Het bosonderzoek in Vlaanderen. Stand van zaken en toekomstverkenning. Conclusies en aanbevelingen naar aanleiding van het Bossymposium “Kennis voor het bos van de toekomst” op 12 mei 2017 in Brussel. Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2018 (2). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. https://pureportal.inbo.be/portal/files/15714690/Quataert_etal_2018_BosonderzoekInVlaand erenStandVanZakenEnToekomstverkenning.pdf R Core Team, 2018. R: A language and environment for statistical computing. R Foundation for Statistical Computing, Vienna, Austria. URL https://www.R-project.org/ Sioen G., 2019. Een woelig jaar voor bomen… ook in het bosvitaliteitsmeetnet. Nieuwsbrief Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (11-2019). https://www.inbo.be/nl/een-woelig-jaarvoor-bomen-ook-het-bosvitaliteitsmeetnet-nb-11-19 Sioen G., Leyman A., De Geest L., Van de Kerckhove P., Esprit M., Christiaens B., Roskams P., 2012. Inventarisatie van de proefvlakken in het bosvitaliteitsmeetnet. Dendrometrische gegevens uit de steekproefcirkels. INBO.R.2012.42. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Sioen G., Quataert P., Roskams P., 2005. Beschrijvende trendanalyse van de kroontoestand in het bosvitaliteitsmeetnet (Level I) in de periode 1987-2001. IBW Bb R 2005.002. Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 106 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Sioen G., Roskams P., 2007. Basiskenmerken van het bosvitaliteitsmeetnet in het Vlaamse Gewest; periode 1987-2005 (Level I). INBO.R.2007.5. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Sioen G., Roskams P., De Haeck A., Steenackers M., 2016. Essenziekte en de gezondheidstoestand van es in Vlaamse bosreservaten (p. 18-21). In: Bosreservatennieuws nr. 15 - december 2016, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://pureportal.inbo.be/portal/files/12651123/Vandekerkhove_2016_Bosreservatennieuws _December.pdf Sioen G., Verschelde P., Roskams P., 2019. Bosvitaliteitsinventaris 2018. Resultaten uit het bosvitaliteitsmeetnet (Level 1). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2018 (20). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. https://pureportal.inbo.be/portal/files/16328536/Sioen_Verschelde_Roskams_2019_Bosvitalit eitsinventaris2018ResultatenUitHetBosvitaliteitsmeetnetLevel1.pdf Strategy of ICP Forests 2016-2023. http://www.icp-forests.org/pdf/strategy2016-2023.pdf UNECE ICP Forests Programme Co-ordinating Centre (ed.) 2016. Manual on methods and criteria for harmonised sampling, assessment, monitoring and analysis of the effects of air pollution on forests. ThĂźnen Institute of Forest Ecosystems, Eberswalde. Part I, Part II, Part IV http://www.icp-forests.org/Manual.htm Vriens L., Demolder H., Adriaens T., Baeyens R., Boone N., De Beck L., De Keersmaeker L., De Knijf G., De Smet L., Devisscher S., Devos K., Geeraerts C., Jansen I., Maes D., Neirynck J., Onkelinx T., Paelinckx D., Sioen G., Thomaes A., Thoonen M., Van Den Berge K., Van der Aa B., Van Gossum P., Van Landuyt W., Van Reeth W., Vermeersch G., Verreycken H. & Verschelde P., 2019. Natuurindicatoren 2019, Toestand van de natuur in Vlaanderen. Cijfers voor het beleid. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (3). https://pureadmin.inbo.be/editor/dk/atira/pure/api/shared/model/researchoutput/editor/bo okanthologyeditor.xhtml?id=17384939 Website Koninklijk Meteorologisch Instituut, Ukkel http://www.kmi.be/meteo/view/nl/1124386-Voorbije+maanden.html Wickham H., 2016. ggplot2: Elegant Graphics for Data Analysis. Springer-Verlag New York

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18050253

Pagina 107 van 108


Bijlage: bladverlies gemeenschappelijke bomen 2018-2019 proefvlak

aandeel beschadigd 2019

aandeel beschadigd 2018

verschil aandeel beschadigd

gem. bladverlies 2019

gem. bladverlies 2018

verschil in gem. bladverlies

101

7,1

21,4

-14,3

18,6

20,4

-1,8

102

25

31,2

-6,2

22,2

23,1

-0,9

103

25

46,4

-21,4

23

28,2

-5,2

104

14,3

7,1

7,2

19,6

18,9

0,7

111

25

16,7

8,3

25

20,8

4,2

112

30

20

10

24,5

23,5

1

201

40

0

40

50

19

31 0,5

202

35

25

10

25

24,5

203

15,8

7,9

7,9

22,6

19,3

3,3

205

6,2

12,5

-6,3

20,3

20,6

-0,3

206

12,5

12,5

0

23

20,6

2,4

207

10,7

7,1

3,6

22,7

21,2

1,5

211

13,3

13,3

0

22

22,7

-0,7 -3,8

212

0

0

0

10,8

14,6

213

30,4

30,4

0

25

24,6

0,4

214

0

9,1

-9,1

18,6

22,7

-4,1

215

0

20

-20

15

21,3

-6,3

302

8,1

18,9

-10,8

17,2

20,5

-3,3

303

0

26,7

-26,7

16,3

21,3

-5

311

41,7

8,3

33,4

27,9

21,7

6,2

312

22,2

44,4

-22,2

22,8

28,3

-5,5

402

30,8

15,4

15,4

25

22,3

2,7

403

14,3

10,2

4,1

23,4

22,2

1,2

406

6,5

3,2

3,3

22,1

18,7

3,4

411

11,1

11,1

0

20

19,2

0,8

412

25

0

25

22,1

17,9

4,2

413

10,5

5,3

5,2

20,5

16,8

3,7

414

0

0

0

18,1

17,5

0,6

415

25

35

-10

24,5

25,8

-1,3

416

20

20

0

26,7

22,7

4

501

28,6

28,6

0

23,6

20,5

3,1

502

10,5

10,5

0

21,8

21,8

0

504

29,4

23,5

5,9

27,4

24,7

2,7

505

9,1

22,7

-13,6

20,9

24,1

-3,2

506

15

10

5

21,5

21

0,5

507

4,3

8,7

-4,4

21,3

22,4

-1,1

508

23,5

41,2

-17,7

27,4

28,2

-0,8

511

0

6,2

-6,2

15

19,1

-4,1

512

71,4

42,9

28,5

32,9

22,9

10

513

23,8

28,6

-4,8

22,9

25,7

-2,8

514

46,2

15,4

30,8

27,3

23,8

3,5

515

29,4

47,1

-17,7

26,2

28,8

-2,6

516

20

5

15

22

17

5

601

46,2

53,8

-7,6

32,7

34,2

-1,5

602

8,3

16,7

-8,4

21,2

22,9

-1,7

603

41,7

41,7

0

26,7

29,6

-2,9

604

0

14,3

-14,3

15,7

15

0,7

611

33,3

25

8,3

28,8

25

3,8

612

80

100

-20

30

33

-3

613

37,5

37,5

0

25,9

25,8

0,1

701

15,4

30,8

-15,4

21,9

22,7

-0,8

702

100

87,5

12,5

40,6

35

5,6

703

11,5

15,4

-3,9

20,8

20,6

0,2

711

50

30,8

19,2

29,4

26

3,4

712

12,5

31,2

-18,7

18,4

20,6

-2,2

713

15

0

15

17,8

17,8

0

714

96,7

96,7

0

87,9

77,9

10

802

13

0

13

22,4

17,2

5,2

803

0

0

0

19,6

18,9

0,7

804

0

0

0

19,3

18,1

1,2

805

6,7

13,3

-6,6

20,7

20,3

0,4

811

22,2

33,3

-11,1

23,3

25,6

-2,3

812

7,1

7,1

0

18,6

18,9

-0,3

901

29,7

43,2

-13,5

25,3

27

-1,7

902

27,9

18,6

9,3

25,2

21,5

3,7

903

4,3

4,3

0

16,5

17,8

-1,3

904

36,6

43,9

-7,3

26,3

31,2

-4,9

906

61,3

22,6

38,7

30,8

23,1

7,7

910

20,4

20,4

0

22,4

23,1

-0,7

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 108 van 108

doi.org/10.21436/inbor.18050253

www.inbo.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Bosvitaliteitsinventaris_2019_0.pdf by Vlaanderen-be - Issuu