Skip to main content

Bijdrage_Vlaamse_administratie_buitenlands_beleid_2004.pdf

Page 1

Bijdrage Vlaamse administratie aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse regering

Deel 3

Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking


Inhoudstafel

Inhoudstafel .................................................................................................... 1 Inleiding.......................................................................................................... 4 Omgevingsanalyse internationale politieke ontwikkelingen.............................. 6 Evoluties en trends op wereldvlak .............................................................................6 Buitenlands beleid...................................................................................................11 Multilaterale samenwerking ...........................................................................11 Europese Unie ................................................................................................12 Internationaal ondernemen .....................................................................................14 Ontwikkelingssamenwerking...................................................................................15 Regionale agenda’s .................................................................................................17 De Belgische federatie....................................................................................17 Buurlanden ....................................................................................................17 Centraal- en Oost-Europa..............................................................................18 De buitengordel van de Europese Unie en Centraal-Azië ...............................19 Noord-Amerika..............................................................................................20 Latijns-Amerika .............................................................................................20 Het Midden-Oosten en Noord-Afrika.............................................................21 Sub-Sahara Afrika ..........................................................................................22 Azië - Oceanië ...............................................................................................23

Voorstellen Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking .................... 25 Inleiding..................................................................................................................25 1 Mensenrechten en basiswaarden.........................................................................26 2 Duurzame ontwikkeling ......................................................................................27 3 Innovatie .............................................................................................................29 4 Buitenlands beleid...............................................................................................30 4.1 Bilateraal.................................................................................................30 4.2 Europese Unie.........................................................................................30 4.3 Multilaterale organisaties........................................................................33 4.4 Wapenhandel ..........................................................................................34 5 Internationaal ondernemen .................................................................................34 6 Ontwikkelingssamenwerking ..............................................................................36

1


7 Het beleid toegepast per regio in de wereld........................................................39 De Europese Unie...........................................................................................40 Buitengordel van de Europese Unie ................................................................42 de andere continenten ...................................................................................42

De Instrumenten ........................................................................................... 44 8 beleidsafstemming..............................................................................................44 samenwerking met de andere ministeries van de Vlaamse overheid ..............44 intra-Belgische samenwerking .......................................................................45 9 communicatie en promotie .................................................................................47 10 draagvlak ..........................................................................................................49 11. een overheid in beweging ................................................................................50

2


Bijlagen ......................................................................................................... 54 BIJLAGE 1 ................................................................................................................54 Een aangepaste organisatiestructuur voor het Vlaams buitenlands beleid .....54 BIJLAGE 2 ................................................................................................................57 De begroting..................................................................................................57 BIJLAGE 3 ................................................................................................................59 Het administratief landschap .........................................................................59 BIJLAGE 4 ................................................................................................................61 Het Vlaams buitenlands beleid en het Vlaams Parlement ...............................61 BIJLAGE 5 ................................................................................................................64 Omzetting van EU-richtlijnen.........................................................................64 BIJLAGE 6 ................................................................................................................65 Internationale verdragen ................................................................................65 BIJLAGE 7 ................................................................................................................67 Intrafederale samenwerkingsakkoorden op het vlak van buitenlands beleid ..67 BIJLAGE 8 ................................................................................................................69 Management summary voorstellen ................................................................69

3


Inleiding De buitenlandse dimensie is een overweldigend ‘natuurlijk’ gegeven voor Vlaanderen. Dat kan ook niet anders, gelet op de geografisch centrale positie die onze regio inneemt. Vlaanderen benut daardoor volop de kansen, maar is ook onderhevig aan de bedreigingen, die zich internationaal aandienen. Deze internationale omgeving wordt getypeerd door een onstuitbaar proces van globalisering wat tot uiting komt in toenemende handels-, kapitaal-, informatie- en migratiestromen tussen landen en regio’s (zie verder). Bovendien schakelt Vlaanderen zich binnen de context van de Europese Unie meer en meer in in een meerlagig bestuurssysteem. De beleidsvorming vindt plaats binnen - maar vooral door interactie tussen - verschillende beleidsniveau’s met elk hun preferenties en politieke constellatie. Een evolutie die in de politiekwetenschappelijke literatuur geduid wordt met de term multi-level governance. Overheden, ook de Vlaamse, zien hierdoor hun manoeuvreerruimte op binnenlands vlak afnemen. Buitenland en binnenland raken voor onze kleine regio steeds nauwer met elkaar verstrengeld. De “verbuitenlandsing” van het binnenlandse speelveld is in Vlaanderen dan ook een zeer reëel en onvermijdelijk gegeven. Vlaanderen mag hierbij niet aan de kant blijven staan en moet voluit participeren aan het internationale gebeuren. Nog meer internationaal denken en handelen, wordt voor Vlaanderen de boodschap. Vlaanderen moet zich internationaal profileren en kort op de bal spelen om zijn belangen te behartigen en zijn troeven optimaal in te zetten. Enkel zo kunnen we op internationaal vlak mee bepalen wat later op binnenlands vlak zal geïmplementeerd worden. De Europese en internationale dimensie is aanwezig in elk beleidsdomein. Ieder lid van de Vlaamse regering is verantwoordelijk voor het internationale verlengstuk van de aan hem of haar toegewezen bevoegdheid of bevoegdheden. De verschillende domeinspecifieke bijdragen zullen dan ook voorstellen bevatten m.b.t. deze Europese of internationale activiteiten die gerelateerd zijn aan het betreffende beleidsdomein. Een volwaardig buitenlands beleid is echter meer dan de optelsom van de internationale activiteiten binnen de verschillende beleidsdomeinen. Een volwaardig buitenlands beleid vraagt een standpuntbepaling inzake transversale politieke dossiers, beleidsafstemming tussen de verschillende domeinen, het signaleren van internationale opportuniteiten aan de andere domeinen en een gezicht van Vlaanderen in de wereld. Hierin ligt meteen de kernopdracht voor het beleidsdomein Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking. De keuze voor een volwaardig buitenlands beleid met eigen prioriteiten en instrumenten verklaart ook meteen de optie om in het kader van de reorganisatie van de Vlaamse overheid Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking als één van de dertien homogene beleidsdomeinen uit te bouwen met een eigen ministerie onder de politieke aansturing van één van de ministers van de Vlaamse regering. Deze domeinspecifieke bijdrage bevat twee delen. In het eerste deel wordt een omgevingsanalyse gemaakt van de evoluties en trends in het beleidsdomein Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking. Deze analyse start met het identificeren van een aantal factoren die op wereldvlak spelen en die de internationale context de volgende jaren in grote mate mee zullen vorm geven. Vervolgens wordt kort ingegaan op de drie beleidsvelden binnen het beleidsdomein, met name: (algemeen) buitenlands beleid, internationaal ondernemen en ontwikkelingssamenwerking. Tot slot van de omgevingsanalyse worden de regionale agenda’s geduid. In dit deel wordt per wereldregio of –deel nagegaan welke belangrijke evoluties zich hebben afgespeeld tijdens de afgelopen jaren en in welke mate dit een uitdaging vormt voor het Vlaams buitenlands beleid, het internationaal ondernemen en, waar relevant, het Vlaams beleid inzake ontwikkelingssamenwerking.

4


Vertrekkend vanuit deze omgevingsanalyse worden in het tweede deel van de domeinspecifieke bijdrage een aantal voorstellen gelanceerd om op de gestelde uitdagingen en trends een afdoend antwoord te bieden.

5


Omgevingsanalyse internationale politieke ontwikkelingen Evoluties en trends op wereldvlak Globalisering als onderstroom van de internationale politiek Geen enkele omgevingsanalyse kan voorbijgaan aan het fenomeen van de globalisering. Met dit veelbesproken en veelzijdige begrip worden in de eerste plaats de economische aspecten van de globalisering bedoeld. Dit proces van voortschrijdende integratie van de wereldeconomie, waarbij de handel tussen landen almaar uitbreidt en steeds inniger verstrengeld geraakt, heeft ontegensprekelijk stevige historische wortels. Toch kan de huidige fase van economische globalisering, gestart bij het einde van de Koude Oorlog, niet zo maar als een lineair vervolg op een lange voorgeschiedenis beschouwd worden. De omvang van de hedendaagse economische globalisering is exponentieel toegenomen: er zijn meer landen, meer mensen en meer sectoren bij betrokken dan ooit, de internationale handel heeft een veel grotere omvang dan ooit, en dat alles gaat vooral ook ontzettend veel sneller dan ooit. Technologische doorbraken, in het bijzonder op het vlak van informatie en communicatie, hebben daar een cruciale rol in gespeeld en zullen dit in de nabije toekomst ongetwijfeld blijven doen – het is alleen quasi onmogelijk om in te schatten in welke mate dat het geval zal zijn. Bovendien houden de verschillende dimensies van de globalisering (economisch, ecologisch, technologisch, cultureel, sociaal, politiek) geen gelijke tred. Zo blijkt uit onderzoek dat de economische globalisering in 2002 in het algemeen is afgenomen (als gevolg van de groeivertraging van 2001), maar dat de wereld op politiek en technologisch vlak in diezelfde periode verder integreerde.1 Voor elke dimensie van de globalisering heeft zich soms een heel bescheiden en op andere domeinen een vrij goed ontwikkelde politieke globalisering voorgedaan waarvan het multilateralisme de meest voor de hand liggende exponent is. Zeker tussen de economische globalisering en de (geïnstitutionaliseerde) politiek is er een sterke wisselwerking. Het duidelijkste voorbeeld hiervan is de Wereldhandelsorganisatie (WTO) die zich net tot doel stelt om politieke belemmeringen voor internationale handel op te heffen. De mogelijkheid tot verdere globalisering is sterk afhankelijk van de regelgeving die binnen de WTO wordt onderhandeld. Naarmate politici meer gewicht toekennen aan het internationale forum en daar overeenkomen om het terrein van de economische globalisering uit te breiden, perken zij hun rol op hun eigen nationale forum verder in. Zo wordt niet alleen de economie geglobaliseerd, maar ook de economische politiek én tal van beleidsdomeinen die met de economie raakvlakken vertonen. Bijsturingen in het beleid die lokaal als politiek wenselijk worden beschouwd (vanuit sociaal, ecologisch, cultureel, gezondheids, …standpunt), zijn daardoor niet langer altijd even evident. Het multilaterale handelsbeleid staat de laatste jaren echter onder druk. Meningsverschillen tussen lidstaten en de opstoot van protectionistische maatregelen doen twijfels rijzen over de kansen om via multilaterale afspraken tot een vrijere wereldhandel te komen.2 De komende maanden en jaren zal uitgemaakt worden of de multilaterale aanpak van de WTO kan overleven of niet. Zo niet, rest

1

De jaarlijks opgestelde A.T. Kearny/Foreign Policy globaliseringsindex geeft weer in welke mate landen internationaal

geïntegreerd zijn op het vlak van economie, technologie, politiek en persoonlijke contacten. In totaal worden 62 landen onderzocht, België behoort hier niet bij. Zie: www.foreignpolicy.com 2

Zo ziet het Britse Cabinet Office het bepalen van de strategische opties voor het Verenigd Koninkrijk bij een terugval

van het economisch multilateralisme als één van de belangrijkste aandachtspunten voor de nabije toekomst. Zie: Cabinet Office, Strategy Unit, Strategic Audit: discussion document, 2003. www.strategy.gov.uk

6


er het sluiten van bilaterale of regionale handelsakkoorden (bvb. akkoorden met subcontinentale organisaties zoals de ACS-landen, Mercosur, NAFTA, enz.). Ondanks het feit dat Vlaanderen slechts via de federale overheid én de Europese Unie kan opereren en dus weinig of niet zichtbaar is in dat proces, zal het internationale handelsbeleid haar aandacht blijven opeisen, omdat het om een regelgeving gaat in sectoren waarin Vlaanderen rechtstreeks betrokken partij is (landbouw, buitenlandse handel, diensten (audiovisueel, onderwijs, openbaar vervoer, …)). Dat kan in het kader van de WTO zijn of, indien de WTO inert blijft of zelfs zou verdwijnen, met andere internationale organisaties of met landengroepen. Globalisering werkt ook politieke mobilisatie in de hand: de rechtstreekse betrokkenheid van de burgers is groot aangezien gebeurtenissen aan de andere kant van de wereld directe gevolgen hebben op tewerkstelling en groei in de eigen regio.3 De verdere vrijmaking van de wereldhandel is de afgelopen jaren ook op veel publieke weerstand gestoten. De ministeriële conferentie van de WTO van 1999 in Seattle was het startschot voor ophefmakende straatprotesten tijdens internationale topontmoetingen. Het protest heeft er mede voor gezorgd dat de roep om de afschaffing van regels en handelsbarrières overstemd werd door een groeiende vraag naar rechtvaardige afspraken, naar beheersing en controle. Het valt te verwachten dat deze betrokkenheid van de wereldbevolking bij het multilaterale gebeuren – in zeker opzicht een democratisering van de multilaterale betrekkingen – zich in de toekomst zal voortzetten. De economische globalisering heeft onvermijdelijk ook een sociale dimensie. De vele studies en standpunten daarover schetsen een zeer gevarieerd beeld, met duidelijke winnaars en al even duidelijke verliezers, die evenwel naar gelang continent en omstandigheden probleemloos van categorie kunnen wisselen. Langzaam lijkt die sociale dimensie ook door officiële fora opgepikt te worden. Vooral de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) stelt zich steeds nadrukkelijker tot taak om de sociale gevolgen van de economische globalisering onder de aandacht te brengen. Bij bovenstaande ‘globale’ schets van de economische globalisering moet echter een belangrijke nuance worden aangebracht. De globalisering is zeker niet overal evenzeer doorgedrongen. Terwijl de economische globalisering het verst gevorderd is in Noord-Amerika en West-Europa, zijn ZuidAzië, het Midden-Oosten en Noord-Afrika het minst geïntegreerd in internationale netwerken. Hierdoor komen de voordelen van de globalisering ook slechts een beperkte groep mensen ten goede. De oude indeling in armere en rijke landen is grotendeels ongewijzigd gebleven: de succesverhalen in bepaalde Aziatische landen, waarbij de laatste jaren vooral China in het oog springt, kunnen niet verhullen dat het Afrikaanse continent nauwelijks een rol speelt in de economische globalisering. Uit een rapport van de IAO blijkt dat een willekeurig Afrikaans land nog geen 0,15 procent van het kapitaal dat in ontwikkelingslanden wordt geïnvesteerd, ontvangt.4

Van economische naar politieke multipolariteit? Een tweede nuancering van de globalisering is het feit dat het overgrote deel van de internationale handel nog steeds binnen de eigen regio wordt gerealiseerd, eerder dan op wereldschaal. Deze tendens tot regionale economische integratie en blokvorming houdt reeds enkele jaren aan. De hierdoor ontstane economische en handelsblokken, gaande van vrijhandelszones tot een eengemaakte markt, geven uiting aan een economische multipolaire wereldorde. Hierbij geldt de Europese Unie als voorbeeld voor andere regionale economische integratiebewegingen. In Noord-

3

Zie: ‘Er komt een zachte internationale orde’ interview met Saskia Sassen in MO magazine, november 2003, nr. 8, p.

25-27. 4

World Commission on the Social Dimension of Globalization, A fair globalization. Creating opportunities for all. Zie:

http://www.ilo.org/public/english/wcsdg/index.htm

7


Amerika trad in 1994 de North American Free Trade Area (NAFTA) in werking, een vrijhandelszone tussen de VS, Canada en Mexico. In Zuid-Amerika krijgt de economische integratie ondermeer gestalte door de Mercosur en de Andesgemeenschap. In de komende jaren zal de vorming van een pan-Amerikaanse Free Trade Area of the Americas (FTAA) verdere integratie bewerkstelligen. Maar niet alleen in het Westen zijn economische samenwerkingsverbanden opgezet: in Zuid-Oost-Azië is de Asean het op drie na grootste handelsblok ter wereld, in Afrika wordt werk gemaakt van economische integratie via ondermeer het New Partnership for Africa’s Development (NEPAD) (zie verder) en de Southern African Development Community (SADC). In de mate dat deze regionale economische integratie ook leidt tot politieke eenheid en invloed op het wereldtoneel, zou de dominante positie van de Verenigde Staten wel eens uitgedaagd kunnen worden. Hierdoor zou verandering kunnen komen in de na de Koude Oorlog tot stand gekomen (politieke) unipolaire wereldorde met de VS in het machtscentrum. Ook de recente gebeurtenissen in Irak doen sommigen twijfelen aan de almacht van de VS. Ondanks het militaire overwicht blijft het twijfelachtig of de VS hun politieke doeleinden in Irak en het Midden-Oosten met succes kunnen realiseren. Waarnemers zien in de toekomst een belangrijke rol weggelegd voor Europa op wereldvlak, maar nuanceren dat, mede door de militaire zwakte en de interne verdeeldheid, het oude continent geen supermacht zal worden naast en op gelijke hoogte met de VS.5 Vanwege zijn status als supermogendheid, wordt de houding van de VS ten opzichte van de rest van de wereld met argusogen gevolgd. Het buitenlands beleid van de VS onder de regering-Bush heeft de afgelopen jaren voor spanningen gezorgd met de traditionele bondgenoot Europa. Europa, dat de internationale politiek eerder benadert vanuit het perspectief van een op akkoorden en regels gebaseerde wereldorde, zag in de als unilateralistisch bestempelde opstelling van de VS in verschillende dossiers (oprichting Internationaal Strafhof, Irak-crisis, ratificatie verdrag van Kyoto) een bedreiging voor het multilateralisme. De discussie over het multilateralisme stond en staat nog steeds centraal in het debat over de kloof tussen Europa en Amerika.6 Of de transatlantische kloof zal toenemen of net overbrugd zal worden zal de komende jaren het onderwerp blijven uitmaken van menige politieke analyse. Het staat echter vast dat de gewijzigde internationale context de nood aan een aanpassing van de multilaterale instellingen doet vergroten. Binnen Europa lijkt er een consensus te ontstaan dat enerzijds het multilateralisme dient versterkt te worden en dat anderzijds Europa meer zal moeten investeren in zijn eigen veiligheid.7 Zo speelt in de nieuwe EU-veiligheidsstrategie (zie verder) het concept effective multilateralism een doorslaggevende rol. Hiermee wordt erkenning gegeven aan de noodzaak om hard op te treden wanneer landen de internationale regels overtreden. Naast de effectiviteitsvraag zal ook meer en meer de legitimiteitsvraag opgeworpen worden: moeten multilaterale instellingen naast machtsverhoudingen (anders werken ze niet) ook geen rekening houden met hun democratische legitimiteit (anders zijn ze niet houdbaar)?8

5

Zo ondermeer de sociologe Saskia Sassen en de politicoloog Charles A. Kupchan. Zie: ‘Er komt een zachte

internationale orde’ interview met Saskia Sassen in MO magazine, november 2003, nr. 8, p. 25-27. en ‘Europa wordt wereldspeler’, interview met Charles A. Kupchan in Het financieel dagblad, 20 december 2003, p. 23. Ter illustratie van het militaire overwicht van de VS: in 2002 waren de VS verantwoordelijk voor 43% van de totale uitgaven aan defensie in de wereld. Dit is dubbel zoveel als de volgende vier landen in de rangschikking samen. Cijfers in: SIPRI Yearbook 2003. Armaments, disarmament and international security. University Press, UK. 6

Een analyse over de transatlantische kloof die veel weerklank heeft ondervonden, is van de hand van Robert Kagan.

Zie: Kagan R., (2003), Balans van de macht. De kloof tussen Amerika en Europa, Amsterdam, De Bezige Bij 7

Zie ondermeer Dominique De Villepin in ‘Not from Mars’ in Newsweek, december 2003-februari 2004, p. 16 en Tony

Blair in ‘Houd de alliantie in ere’ in Elsevier, 20 december 2003, p. 74-77. 8

Arnout Brouwers in ‘De ongelooflijke besmettelijkheid van de arrogantie?’ in De Volkskrant, 8 december 2003.

8


Terwijl veiligheid en terrorismebestrijding de internationale politieke agenda blijven bepalen … De terroristische aanslagen in New York en Washington op 11 september 2001 hebben op internationaal politiek vlak ingrijpende gevolgen gehad. President Bush kondigde een langdurige war on terror af waarbij het eerste wapenfeit de oorlog tegen de Taliban in Afghanistan was. Irak was een volgende – fel omstreden – etappe. Dat de strijd tegen het internationaal terrorisme de komende jaren hoog op de politieke agenda zal blijven prijken, lijkt vast te staan. Vooral vanuit de VS wordt het terrorisme momenteel beschouwd als een nieuwe en meest bedreigende uitdaging voor de mensheid. Vanuit academische hoek wordt echter aangevoerd dat terrorisme eerder komt en gaat in golven en dat de huidige ‘vlaag’ van terrorisme in historisch perspectief moet genuanceerd worden.9 Perceptie en retoriek spelen in deze een grote rol.10 De huidige golf van internationaal terrorisme heeft alleszins het denken over ‘veiligheid’ een nieuwe wending gegeven en heeft nieuwe veiligheidsstrategieën, die reeds na het einde van de Koude Oorlog waren ingezet, versneld doen ontwikkelen. Drie aspecten van het huidige debat zijn in dit opzicht vermeldenswaard: •

Het concept ‘veiligheid’ wordt in het politieke discours teruggebracht tot zijn militaire component. Dit in tegenstelling tot de bredere invulling die het begrip kreeg op het einde van de jaren ’90 waarbij het effectief nastreven van structurele oplossingen in de mondiale onevenwichten tussen arm en rijk (economische veiligheid), alsook het nastreven van een beter wederzijds begrip van culturen (culturele veiligheid) even belangrijk werden gezien als militaire veiligheid;

•

Het risico van een conventionele militaire aanval door staten of allianties van staten tegen Westerse democratieën is verminderd. Nieuwe bedreigingen komen van niet-statelijke actoren (‘privatisering van de oorlog’). De non-proliferatie van (massavernietigings)wapens en het bieden van oplossingen voor zgn. falende staten zullen dan ook topprioriteit blijven de komende jaren;

•

Het patroon van internationale militaire interventie is de laatste jaren gewijzigd: nieuwe doelstellingen zoals ontmanteling van terroristische organisaties en regimewissel worden hierbij naar voren geschoven.

Als reactie op de terroristische aanslagen in de VS formuleerde de regering-Bush in september 2002 een nieuwe nationale veiligheidsstrategie.11 De VS zullen zich voortaan o.m. het recht voorbehouden preventieve aanvallen uit te voeren om mogelijke bedreigingen voor hun nationale veiligheid te voorkomen. Indien de VS daadwerkelijk van deze mogelijkheid zullen gebruik maken, valt te verwachten dat de diplomatieke spanningen opnieuw zullen oplopen.12

9

Volgens het door het ministerie van buitenlandse zaken van de VS opgestelde Patterns of Global Terrorism was het

aantal terroristische aanslagen in 2002 het laagste sinds 1981. Zie: http://www.state.gov/documents/organization/20177.pdf. Aangehaald in: Coolsaet R. Terrorisme, symptoom van een ‘zieke’ wereldorde. Paper voorgesteld op het congres ‘Why 9/11? Root causes of international terrorism’, Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen, Brussel, 20 november 2003. 10

Zo stelt de columnist Thomas Friedman dat de bedreiging die uitgaat van het terrorisme veel groter is dan het

vroegere gevaar tijdens de Koude Oorlog: ‘[..] Because, at the end of the day, the Soviets loved life more than they hated us. Despite our differences, we agreed on certain bedrock rules of civilization. With the Islamist militant groups, we face people who hate us more than they love life’. Zie: ‘The war of ideas’ in International Herald Tribune, 9 januari 2004. 11

The national security strategy of the United States of America, september 2002. Zie:

http://www.state.gov/documents/organization/15538.pdf 12

Voor een kritische analyse over de doctrine van de preventieve oorlog, zie: Barber B. (2003), Het rijk van de angst.

Oorlog, terrorisme en democratie, Amsterdam, Ambo/Manteau, p. 83-107.

9


Ook de Europese Unie is niet bij de pakken blijven zitten en formuleerde een nieuwe veiligheidsstrategie die de leidraad moet worden voor een Europees optreden in de buitenlandse politiek. Het tot nu toe gevoerde Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid is de zwakke poot gebleven van de Europese constructie zoals die na het Verdrag van Maastricht tot stand is gekomen.13 Het formuleren van een gezamenlijke Europese veiligheidsdoctrine moet de EU helpen een grotere impact te hebben in de wereld. De vijf grote bedreigingen waarvoor Europa zich de komende jaren geplaatst ziet, zijn terrorisme (een bedreiging die acuut is geworden na de terroristische aanslag in Madrid op 11 maart 2004), de verspreiding van massavernietigingswapens, regionale conflicten, georganiseerde misdaad en een falende overheid.14 Maar ook buiten de VS en Europa staan terrorisme en gewapende conflicten de laatste jaren blijvend in de aandacht. In 2002 vonden er wereldwijd 21 grote gewapende conflicten plaats. Uitgezonderd het conflict tussen Pakistan en India betrof het interne conflicten. De meeste conflicten vonden plaats in Azië (9) en in Afrika (6). Vier conflicten escaleerden in 2002: Colombia, Israël - Palestina, Nepal en Rusland (Tsjetsjenië).15 … zullen de komende jaren cruciaal zijn voor het behalen van de Millenniumdoelstellingen Het debat over veiligheid en terrorisme – en vooral de gebeurtenissen in Irak - hebben een aantal andere prangende mondiale problemen op de achtergrond geplaatst.16 De Verenigde Naties wijzen erop dat de grootste gevaren die de mensheid bedreigen op andere vlakken liggen.17 In 2000 onderschreven de lidstaten van de Verenigde Naties de zgn. ‘Millennium Verklaring’.18 Hierin bevestigden de lidstaten het universele recht op ontwikkeling en werd het bestrijden van extreme armoede centraal gesteld. Te verwachten valt dat de millenniumdoelstellingen het ontwikkelingsdiscours in de VN zullen blijven beheersen in de komende jaren. Daarbij staat eveneens het concept van duurzame ontwikkeling (de noodzaak van een evenwichtige beleidsaandacht voor economische groei, sociale ontwikkeling en milieubescherming) centraal: ontwikkelingssamenwerking (inclusief armoedebestrijding) wordt gezien als één van de specifieke wegen naar een wereldwijde duurzame ontwikkeling. Indien de internationale gemeenschap de doelstellingen die ze zichzelf gesteld heeft tegen 2015 wil bereiken, zullen de inspanningen drastisch dienen te worden opgevoerd. Uit een analyse uitgevoerd door het Global Governance Initiative (World Economic Forum) blijkt alvast dat de internationale gemeenschap in 2003 onvoldoende inspanningen heeft geleverd op de verschillende domeinen

13

Sommige critici noemen het Europees GBVB met een knipoog naar de Amerikaanse veiligheidsstrategie ‘pre-emptive

paranoia’. Zie: William Pfaff in ‘Bush and Blair. This could be the end of a beautiful friendship’ in International Herald Tribune, 15 januari 2004. 14

Een veiliger Europa in een betere wereld. Europese Veiligheidsstrategie, Brussel, 12 december 2003, p. 3-4. Zie:

http://ue.eu.int/pesc 15

SIPRI Yearbook 2003. Armaments, disarmament and international security. University Press, UK.

16

Een indicator hiervan is de aandacht die het conflict in Irak in de Amerikaanse media heeft gekregen binnen het

totale nieuwsaanbod. Van de 14.635 minuten avondnieuws die de drie grootste Amerikaanse TV-zenders in 2003 van maandag tot vrijdag uitzonden, nam Irak ongeveer een derde in beslag. Het broeikaseffect kreeg 15 minuten en aids kreeg 39 minuten. Bron: ADT Research, aangehaald in IPS-bericht ‘Irak verduisterde de rest van het wereldnieuws in 2003’, 7 januari 2004. 17

Zo verklaarde de secretaries-generaal van de VN: ‘in fact, to many people in the world today, especially in poor

countries, the risk of being attacked by terrorists or with weapons of mass destruction, or even of falling prey to genocide, must seem relatively remote compared with the so-called ‘soft’ threats – the ever-present dangers of extreme poverty and hunger, unsafe drinking water, environmental degradation and endemic or infectious disease.’ Zie: Annan K., ‘Defining a new role for the United Nations’ in International Herald Tribune, 4 december 2003. 18

Zie: http://www.un.org/millennium

10


waarvoor doelstellingen werden geformuleerd.19 Om de Millennium-doelstellingen te behalen tegen 2015 is volgens de VN en de Wereldbank een verdubbeling van de officiële ontwikkelingssamenwerking (ODA) nodig.

Buitenlands beleid Vlaanderen is niet immuun voor de hierboven geformuleerde internationale ontwikkelingen. Alhoewel bepaalde geo-politieke ontwikkelingen binnen het domein van de zogenaamde ‘high politics’ niet meteen een rechtstreekse impact hebben op Vlaanderen, kan onze regio niet afzijdig staan ten opzichte van de internationale context en de uitdagingen die vroeg of laat ook op het binnenlandse domein zullen spelen. Het Vlaams buitenlands beleid opereert binnen het unieke Belgische federale kader. Reeds een decennium lang kunnen de Belgische deelstaten een eigen buitenlands beleid voeren en beschikken ze over het internationale verdragsrecht. De Lambermont-akkoorden defederaliseerden een nieuw pakket bevoegdheden met grote relevantie voor het Vlaams buitenlands beleid (buitenlandse handel, landbouw en in theorie ontwikkelingssamenwerking). Nog recenter werd ook de vergunningsprocedure voor wapenexport geregionaliseerd. In aansluiting op de analyse van trends op wereldvlak wordt hieronder ingegaan op de multilaterale omgeving om vervolgens specifieker in te gaan op de Europese context. Naast multilaterale samenwerking en de Europese Unie vormt het bilateraal beleid een belangrijk beleidsitem binnen het beleidsveld buitenlands beleid. Dit laatste zal aan bod komen bij de regionale agenda’s (punt 2.5.).

Multilaterale samenwerking

Het multilateralisme en de multilaterale instellingen hebben de voorbije jaren sterk in de belangstelling gestaan. Ondanks de hogerop vermelde controverse omtrent het multilateralisme zagen de voorbije vijf jaren de inwerkingtreding van het International Strafhof (juli 2002) en drie belangrijke bijeenkomsten van de VN in New York (2000, Millennium Top), Monterrey (2002, Financiering voor Ontwikkeling) en Johannesburg (2002, Duurzame Ontwikkeling)20. In de komende legislatuur dienen zich twee grote VN-conferenties aan: de tweede fase van de Wereldtop inzake de Informatiemaatschappij (Tunis, 2005) en het nog niet nader omschreven ‘major event’, eveneens in 2005, dat een drievoudige taak zal voorgeschoteld krijgen: 1) opvolging van de socio-economische conferenties uit de jaren ’90, 2) evaluatie van de millennium ontwikkelingsdoelstellingen en 3) stand van zaken in verband met de hervormingen van de VN. De VN is niet de enige multilaterale organisatie die zich op een potentieel scharniermoment bevindt. De discussie over de overlevingskansen van de WTO kwamen hoger reeds aan bod. Voor regionale organisaties als de Raad van Europa en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) dringt de vraag zich op naar de meerwaarde van deze instellingen in het kader van de uitbreiding van de EU. Een mogelijke meerwaarde ligt in het feit dat het lidmaatschap van de instellingen beduidend groter blijft dan de samenstelling van de EU.

19

Global governance initiative. From aspiration to action, January 2004.

Zie: http://www.weforum.org/site/homepublic.nsf/Content/Global+Governance+Initiative 20

In Johannesburg werd herhaald dat elk land uiterlijk in 2005 over een nationale strategie voor duurzame

ontwikkeling moet beschikken.

11


Bij de multilaterale instellingen kunnen drie algemene trends worden ontwaard. Enerzijds is er het gebrek aan coördinatie tussen de verschillende organisaties, met overlappingen tot gevolg. Anderzijds is er de reeds eerder aangegeven toegenomen belangstelling van burgers en de civiele maatschappij voor het multilaterale beleid. Als derde trend kan tenslotte melding worden gemaakt van een voorzichtige tendens tot sterkere multilaterale netwerking tussen deelstaten. Naast een aantal (kleinere) multilaterale organisaties die al langer gevoelig zijn voor het streven naar zichtbaarheid van deelstaten, is nu ook op VN-niveau voor het eerst een voorzichtige opening naar het subnationale niveau merkbaar.21 Omgekeerd tekent zich ook een tendens tot sterkere supranationale regionale samenwerking af. Regionale fora worden meer en meer gebruikt om internationale bijeenkomsten of afspraken enerzijds voor te bereiden en anderzijds te implementeren. Zo zal Vlaanderen bijvoorbeeld van bij de start sterk moeten inspelen op de EU-besluitvorming inzake handelsbeleid aangezien het Europese standpunt dat in de WTO zal ingenomen worden, op Europees niveau gevormd wordt. Dit alles kan worden gekaderd binnen de ruimere discussies rond global governance en de rol van partnerschappen tussen multilaterale actoren (civiele maatschappij, zakenwereld, lokale besturen, regionale besturen?), die aan belang winnen in het kader van de VN. Het thema governance zal de komende legislatuur ongetwijfeld een belangrijk multilateraal aandachtspunt zijn. Binnen Vlaanderen heeft de afgelopen jaren een zekere bewustwording plaatsgevonden van het belang van het multilaterale beleid. Deze trend van bewustwording is echter minder uitgesproken dan het besef van het belang van de Europese dimensie (zie verder). Bovendien is de multilaterale aandacht sterk onevenwichtig verdeeld. Vlaanderen was gedurende de afgelopen vijf jaar inhoudelijk multilateraal sterk actief op het vlak van duurzame ontwikkeling, milieu, wetenschap, onderwijs en cultuur. Hierbij wordt langs de andere kant vastgesteld dat de financiering door de administratie Buitenlands Beleid zich hoofdzakelijk situeert binnen de domeinen gezondheidszorg, tewerkstelling, onderwijs en cultuur en dus maar deels samenvalt met de domeinen waarbinnen men het meest actief is op multilateraal gebied. Alhoewel tijdens de voorbije legislatuur gestart is met de uitbouw van een praktisch instrumentarium voor het voeren van een (coherent) multilateraal beleid, beschikt Vlaanderen niet over een uitgewerkte algemene visie op multilateraal beleid. De komende legislatuur zal hierin verandering moeten brengen.

Europese Unie

Binnen Europa wordt de agenda meer en meer bepaald en gestuurd door de Europese Unie. Vlaanderen zit volledig ingebed in het Europese gebeuren. De Unie is niet meer weg te denken uit het dagelijkse politieke bedrijf. Meer dan de helft van de interne Vlaamse wetgeving is het gevolg van of wordt beïnvloed door Europese regels. Ook op economisch vlak is Europa cruciaal voor Vlaanderen. Als ‘natuurlijke’ markt van Vlaanderen staan de Europese afzetmarkten in voor bijna drie vierden van de totale Vlaamse buitenlandse handel. Nieuwe handelscontacten worden dan ook in de eerste plaats in deze regio gelegd. Daarnaast blijven de Europese landen belangrijke markten voor het aantrekken van investeringen. Ook de komende vijf jaar zal dit het geval blijven. De nieuwe Vlaamse regering zal opereren binnen het ruimere geo-politieke kader van een uitgebreide EU. Op 1 mei 2004 verwelkomde de Unie 10 nieuwe lidstaten met in totaal 75 miljoen inwoners. Het gaat om de grootste en de meest complexe uitbreiding die de EU ooit heeft gekend.

21

Zie bv. de officiële steunbetuiging vanwege de secretaris-generaal van de VN voor het in de rand van de Wereldtop

inzake Duurzame Ontwikkeling opgerichte Netwerk van Regionale Overheden voor Duurzame Ontwikkeling.

12


Omdat Vlaanderen niet afwezig kan blijven in dit ‘ruimere Europa’ staat een heroriëntering van de samenwerkingsprojecten op het programma. Deze projecten moeten een beleid weerspiegelen dat zich blijft richten op de Centraal- en Oost Europese landen die reeds lid zijn van de EU (en waarmee Vlaanderen in het verleden een succesvolle samenwerking heeft uitgebouwd), en dat anderzijds aandacht heeft voor de buitengordel van de uitgebreide Unie (waarbij ondermeer wordt gedacht aan Rusland, Oekraïne, de Balkanlanden en Turkije) (zie verder). De uitdaging voor de uitgebreide Unie bestaat erin om in de toekomst nog daadkrachtig beleid te kunnen voeren, terwijl de diversiteit van de lidstaten, ook in standpunten en belangen, toeneemt. Een aanpassing van de besluitvormingsmechanismen is onvermijdelijk. Met het Europees grondwettelijk verdrag in voorbereiding zal Vlaanderen klaar moeten staan om de nieuwe toegewezen verantwoordelijkheid in de Europese Unie op te nemen. Daarbij zal vooral aandacht moeten gaan naar de praktische invulling van de nieuwe elementen in het grondwettelijk verdrag die een impact zullen hebben op de regio's: de vertegenwoordiging van regio’s in de ministerraden, de vroegtijdige raadpleging over nieuw EU-beleid, de rol van de regionale parlementen bij de subsidiariteitscontrole, bewaking van het respect voor nationale identiteit en staatsstructuur… Vlaanderen moet ervoor zorgen dat het in een Europees kader met nog meer lidstaten niet op de achtergrond gedrukt wordt. Regio’s met wetgevende bevoegdheden en federale lidstaten zullen zich in een uitgebreide Unie immers in een minderheidspositie bevinden. Dit vraagt nog meer inzet om gezamenlijke belangen van deze regio’s te verdedigen. Hiervoor heeft Vlaanderen in het verleden verschillende relaties uitgebouwd met partnerregio’s of regionale organisaties. Zo is de samenwerking binnen het netwerk van regio’s met wetgevende bevoegdheden (REGLEG) niet zonder succes gebleken. De vereende inspanningen hebben ertoe geleid dat de ‘regionale dimensie van de Europese Unie’ aan bod komt in de ontwerpteksten voor een Europees grondwettelijk verdrag. Daarnaast is Vlaanderen ook aanwezig in het Comité van de Regio’s, CLRAE22 en CALRE23. Er zal een afweging moeten worden gemaakt of Vlaanderen, in het licht van de tendens dat de Europese Commissie steeds vaker raadplegingsprocessen organiseert via een aantal regionale organisaties, in de toekomst meer moet investeren in deze organisaties, vermits de ruimte om een eigen standpunt door te drijven wellicht beperkt zal zijn. De agenda van de EU zal de komende jaren eveneens bepaald worden door het Lissabonproces dat de Unie in 2010 moet opkrikken tot de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld. Gezien de bevoegdheidsverdeling binnen de Belgische federatie worden hierdoor ook vele Vlaamse bevoegdheden gevat. In 2001 vertaalden de Vlaamse regering en de vertegenwoordigers van het middenveld de Lissabonstrategie naar het Vlaams niveau via de doelstellingen (te bereiken tegen 2010) van het Pact van Vilvoorde. In de komende jaren zullen bijkomende inspanningen geleverd moeten worden om deze doelstellingen te bereiken. Voor de periode na 2006 moet een nieuw financieel kader voor de Europese Unie worden vastgesteld waarin plafonds zijn opgenomen voor de uitgaven binnen de verschillende rubrieken van de begrotingen. De onderhandelingen met 25 over het nieuw financieel kader voor een Unie met 27 leden (incl. Roemenië en Bulgarije) zijn in 2004 gestart onder moeilijke omstandigheden (uitbreiding, verkiezingen voor het Europees Parlement en weinig Europees enthousiasme bij de lidstaten). De hoogte van het algemeen plafond van de vastleggingskredieten wordt een van de cruciale punten van de onderhandelingen. Er zal moeten worden gezocht naar een politiek aanvaardbaar evenwicht tussen de bestaande begrotingsdiscipline en de middelen noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van de grote beleidsdoelstellingen van de Unie.

22

CLRAE: Congres van Lokale en Regionale Autoriteiten van Europa (onderdeel van de Raad van Europa).

23

CALRE: Conferentie van de voorzitters van de wetgevende deelstaatparlementen van Europa.

13


Zowel de verdieping van de integratie op bestaande communautaire beleidsterreinen als de verbreding van de samenwerking naar nieuwe beleidsterreinen manifesteren zich dus ook in de Vlaamse beleidsdomeinen die in toenemende mate ‘geëuropeaniseerd’ worden. Ondanks het feit dat het bewustzijn van de impact van de Europese bestuurslaag op het binnenlandse politieke optreden stilaan groeit, is gebleken dat de Vlaamse overheid zich nog niet genoeg intern heeft aangepast in functie van een optimale aanpak van de Europese beleidsdomeinen, zowel in termen van beleidsvoorbereiding als in termen van beleidsimplementatie.

Internationaal ondernemen24 Het bevorderen van het internationaal ondernemen in Vlaanderen en het aantrekken van buitenlandse investeringen naar Vlaanderen is van cruciaal belang voor de welvaart in onze regio. Ter illustratie van het belang van de internationale dimensie: de uitvoer van goederen overstijgt in waarde uitgedrukt zelfs het BBP (in 2002 kende Vlaanderen een uitvoer van meer dan 175 miljard euro), ons exportcijfer per capita ligt bij de hoogste van de wereld. Binnen Europa geniet Vlaanderen van het zogenaamde ‘poorteffect’: belangrijke havens, luchthavens en toegangswegen liggen in Vlaanderen waardoor heel wat exportactiviteiten worden gegenereerd. Doordat Vlaanderen geografisch gezien een kleine entiteit vormt binnen Europa worden veel goederen naar de omliggende landen uitgevoerd. De landen van de Europese Unie waren in 2003 dan ook goed voor 73,47 procent van de totale Vlaamse export. Op vlak van investeringen kunnen de voorbije vijf jaar ingedeeld worden in twee periodes. De eerste periode (van 1998-2000) werd gekenmerkt door een sterke groei in de buitenlandse investeringen. Vooral 1999 en 2000 waren met respectievelijk 2,50 en 2,55 miljard euro aan investeringen en ongeveer 9.500 en 9.000 directe nieuwe arbeidsplaatsen recordjaren. De gebeurtenissen van 2001 maakten van de jaren 2002 en 2003 echter periodes van slabakkende conjunctuur en wereldwijd verslechterd buitenlands investeringsklimaat. Toch blijft onze regio binnen Europa een interessante uitvalsbasis voor buitenlandse bedrijven. The Economist Intelligence Unit zet België voor de periode 2002-2006 nog steeds in de top tien van de investeringsregio’s met de hoogste te verwachten investeringsstroom. Inzake buitenlandse investeringen kunnen de volgende tendensen op middellange termijn worden geïdentificeerd: •

De vrij hoge kost van arbeid in onze regio doet vooral basisactiviteiten (én arbeidsintensieve) activiteiten naar andere regio’s verschuiven. Voor activiteiten met een belangrijke toegevoegde waarde en meer ingewikkelde productiemethodes blijft Vlaanderen een belangrijke speler;

•

De komende vijf jaren zullen de VS, Japan en de EU nog steeds de belangrijkste investeringsbestemmingen blijven. Binnen Europa is wel een sterke trek naar Centraal- en Midden-Europa merkbaar. Op middellange termijn zal het toegenomen BNP in deze landen onze export naar deze landen wellicht doen toenemen. Op lange termijn blijken de zogenaamde BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China) de groeiers op wereldniveau te worden;

•

De grootte van de projecten van multinationals in onze regio is de laatste tijd sterk gedaald. Vooral middelgrote buitenlandse bedrijven melden zich aan. Dit betekent vaak meer dossiers met mindere directe tewerkstelling per dossier maar met een grotere spreiding van de projecten over Vlaanderen en een gedaalde afhankelijkheid van de regio m.b.t. deze grotere projecten;

In deze omgevingsanalyse worden de meest recente exportcijfers gehanteerd. Deze cijfers hebben – tenzij anders vermeld – betrekking op de eerste negen maanden van 2003. Bron: Instituut voor de Nationale Rekeningen. Verwerking door Export Vlaanderen. 24

14


•

Wereldwijd blijkt clustering van activiteiten in valleys, kenniscentra, regioplatforms … een belangrijke investeringsfaciliterende factor.

Het flankerend beleid van de Vlaamse overheid heeft recent meer armslag gekregen doordat Vlaanderen sinds 1 januari 2002 exclusief bevoegd is voor het afzet- en uitvoerbeleid met uitzondering van de federale bevoegdheden om waarborgen te verstrekken tegen uitvoer-, invoeren investeringsrisico’s en de bevoegdheid inzake het multilaterale handelsbeleid. Bovendien werden op Vlaams niveau de overheidsinspanningen voor het bevorderen van export en het aantrekken van buitenlandse investeringen geïntegreerd door de beslissing om één Vlaams agentschap voor internationaal ondernemen (Flanders Investment and Trade) – de fusie van Export Vlaanderen en de Dienst Investeren Vlaanderen – op te richten. Hierdoor worden alle facetten van het internationaal ondernemen (export, doorvoer, samenwerking met buitenlandse partners (joint ventures), uitwisseling van technologie en het faciliteren van investeringen in binnen- en buitenland) samengebracht. Bijzondere aandacht gaat hierbij uit naar een ethisch en duurzaam ondernemen.

Ontwikkelingssamenwerking Vlaanderen draagt ook zijn steentje bij tot een wereldwijde duurzame ontwikkeling. De Vlaamse ontwikkelingssamenwerking is afgelopen decennium gestaag blijven groeien. De ontwikkelingssamenwerking werd tijdens de huidige legislatuur niet alleen een afzonderlijke bevoegdheid binnen de Vlaamse regering maar kreeg ook een eigen begrotingsprogramma toegekend. De middelen zijn bovendien – althans in relatieve termen – in de loop der jaren gestegen. Momenteel bedraagt het budget zo’n 16 miljoen euro.25 Naarmate de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking verder evolueert, zullen de verwachtingen hoger gespannen zijn. Om aan die verwachtingen te kunnen beantwoorden, zal de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking adequaat moeten kunnen inspelen op een aantal uitdagingen en aansluiting vinden bij wereldwijde trends en evoluties. Volgende uitdagingen dienen hier alvast vermeld te worden:

25

•

Vlaanderen zal in het kader van het wereldwijde engagement tot toename van de middelen voor ontwikkelingssamenwerking ook zijn inspanningen moeten opvoeren. Momenteel vertegenwoordigt de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking 1,9 procent van de totale Belgische officiële ontwikkelingshulp (ODA) en 0,1 procent van de Vlaamse begroting. Het voorbeeld van een aantal andere landen bewijst echter dat er, zelfs zonder (exclusieve) overdracht van bevoegdheden en bijhorende middelen, ruimte is voor het innemen van een groter aandeel binnen de totale Belgische ODA;

•

Terwijl het draagvlak in Vlaanderen voor ontwikkelingssamenwerking breder wordt, is de bekendheid van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking uitermate beperkt.26 Bovendien ligt het Belgische draagvlak onder het EU-gemiddelde;

•

De principes van ‘ownership’ (ontwikkelingslanden bepalen hun eigen agenda), ‘partnership’ en ‘concentratie’ (geografische en sectorale focus) maken steeds meer opgang;

•

Meer en meer wordt erkend dat beslissingen in andere beleidsdomeinen dan de ontwikkelingssamenwerking een impact hebben op ontwikkelingslanden. Voor de Vlaamse overheid zal de integratie van ontwikkelingssamenwerking, buitenlands beleid en

In dit cijfer zijn de ontwikkelingsprojecten die gefinancierd worden door andere beleidsdomeinen niet inbegrepen.

Deze bedragen in totaal ongeveer 6 miljoen euro. 26

Pollet I. & Develtere P., Draagvlak ontwikkelingssamenwerking in Vlaanderen. Resultaten van de enquête in 2003.

HIVA, 2003, 23 p.

15


internationaal ondernemen in één volwaardig ministerie (in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid) mogelijkheden bieden om een ontwikkelingsrelevanter beleid te voeren in de andere twee domeinen, maar tegelijk ook het risico van recuperatie door de andere beleidsdomeinen inhouden;27

27

•

De trend naar meer samenwerking tussen verschillende actoren speelt ook in Vlaanderen maar toenadering en samenwerking met actoren buiten Vlaanderen staat nog in de kinderschoenen;

•

Losstaande interventies zijn voorbijgestreefd. Naast projectwerking, die verankerd dient te worden in een ruimere context, dienen andere, nieuwe vormen van samenwerking uitgewerkt te worden.

Als voorbeelden van een ontwikkelingsrelevanter beleid kunnen Fair Trade en maatschappelijk verantwoord

ondernemen worden vermeld.

16


Regionale agenda’s

De Belgische federatie

Het buitenlands beleid van de federale overheid heeft de laatste jaren een evolutie ondergaan waarbij uitgesproken inhoudelijke klemtonen werden gelegd (‘ethisch geïnspireerd buitenlands beleid’) en controverse niet werd geschuwd (standpunt over het conflict in Irak, Israël, genocidewet). De ‘activering’ van het buitenlands beleid van de federale overheid houdt echter ook in dat de federale overheid activiteiten ontwikkelt die raken aan de bevoegdheden van de deelstaten. Volgens sommige waarnemers reageert de federale overheid op de uitholling van haar bevoegdheden (door europeanisering én defederalisering) door een zoektocht naar beleidsdomeinen waarop wel nog een federale claim kan worden gelegd. Deze federale recuperatiedrang komt onder meer tot uiting in een verscherpte aandacht op het vlak van de multilaterale samenwerking en het beleid inzake het aantrekken van buitenlandse investeringen. Federale overheid

Vanuit de optiek van een buitenlands beleid van de Belgische federatie is samenwerking met de andere deelstaten evident. Zo werd met de Duitstalige Gemeenschap in 2001 een nieuw samenwerkingsakkoord afgesloten dat enkele terreinen voor samenwerking toevoegt (arbeid en werkgelegenheid, archeologie en toerisme) aan de bestaande domeinen. Ondanks het ontbreken van een vergelijkbaar algemeen samenwerkingsakkoord met de Franstalige Gemeenschap en met het Waalse Gewest, is de samenwerking op specifieke domeinen doorheen de jaren sterk gegroeid. Omgekeerd bestaat op een aantal domeinen zeker nog ruimte voor versterkte samenwerking. Met het Brussels Gewest bestaat een gestructureerde samenwerking op het vlak van exportpromotie. Andere deelstaten

Buurlanden

Vlaanderen onderhoudt intense contacten met zijn buurlanden. De samenwerking situeert zich op verschillende terreinen. De politieke samenwerking tussen Vlaanderen en de buurlanden is ook het meest geïnstitutionaliseerd door de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de Vlaamse regering in de grote buurlanden. De buurlanden nemen traditioneel het grootste deel van de Vlaamse export voor hun rekening: Duitsland (20,04 % van de totale Vlaamse uitvoer), Frankrijk (14,12 %), Nederland (12,16 %) en het Verenigd Koninkrijk (9,68 %) zijn samen goed voor 56 % van onze uitvoer. De afgelopen jaren zijn voor onze Noorderburen, zowel op maatschappelijk, politiek als economisch vlak turbulente jaren geweest. De opkomst van rechts populisme, de teloorgang van het ooit zo geroemde Poldermodel en het kritische zelfonderzoek van de Nederlandse politiek en maatschappij (o.m. het migratie- en asielbeleid) hebben de economisch voorspoedige jaren onder het Paarse bewind snel doen vergeten. Eén en ander heeft tot gevolg gehad dat het land opvallend meer belangstelling vertoont voor positieve ontwikkelingen in Vlaanderen (zoals op het vlak van zorg, onderwijs, openbaar vervoer). Nederland

Voor Vlaanderen bestaat de uitdaging erin om de relaties met Nederland optimaal te benutten (door o.m. het politiek overleg tussen de ministers-presidenten) met het oog op een constructieve samenwerking inzake een aantal bilaterale dossiers (Schelde-estuarium, IJzeren Rijn, goederenlijn 11, cultuur, welzijn, onderwijs, wetenschap en innovatie…) en het nastreven van beleidsafstemming inzake EU-dossiers. In verband met dit laatste zal alleszins met het oog op het Nederlands EU17


voorzitterschap tijdens de tweede helft van 2004 dienen gestreefd te worden naar concertatie met Nederland over gezamenlijke belangen. Het in 2000 afgesloten algemeen samenwerkingsverdrag tussen Vlaanderen en het Groothertogdom zal de reeds lopende samenwerking een nieuwe impuls geven. Daarnaast zal de samenwerking met het Groothertogdom intenser worden in het kader van het Luxemburgse EU-voorzitterschap in 2005. Luxemburg en Benelux

Ook de samenwerking in Benelux verband zal, naar aanleiding van het aflopen van het Benelux verdrag in 2010, tijdens de komende legislatuur onder de aandacht komen. Elk van de verschillende verdragspartners dient zich te beraden over het al dan niet van kracht blijven van het verdrag en – zo ja – onder welke modaliteiten. Dit is ook van belang voor de Belgische deelstaten. Het werkterrein van de Benelux Economische Unie situeert zich immers voor een groot deel op de domeinen, waarvoor de deelstaten bevoegd zijn: economie, ruimtelijke ordening, grensoverschrijdende samenwerking, milieubeheer, enz. Duitsland (81 miljoen inwoners) is het bevolkingrijkste en – ondanks diverse moeilijkheden – economisch nog altijd het sterkste land van Europa. Het is goed voor een vijfde van de Vlaamse export, en daarmee onze belangrijkste handelspartner. Zowel met de federale regering als met de meeste van de 16 deelstaten bestaan vruchtbare contacten en vaak zelfs intense samenwerking, en dit op heel veel uiteenlopende beleidsterreinen. Met name met NoordrijnWestfalen, Beieren en Baden Württemberg wordt permanent gewerkt aan optimale behartiging van gemeenschappelijke belangen. Duitsland

Het samenwerkingsverdrag Vlaanderen – Frankrijk van 2000 en de opening van de Vlaamse vertegenwoordiging in Parijs in 2002 hebben de Frans-Vlaamse samenwerking verder geïnstitutionaliseerd. Ondanks de Franse vertrouwdheid met Vlaanderen op cultureel gebied, blijven de overige troeven en facetten van Vlaanderen echter relatief onbekend. Hieraan zal de komende jaren aandacht moeten worden besteed. Op regionaal niveau is de samenwerking geconcentreerd op Nord/Pas-de-Calais. Verdere samenwerkingsmogelijkheden kunnen in de komende jaren ook ontstaan door de uitvoering van het grootscheepse decentralisatieproces, opgestart door de regering Raffarin. Frankrijk

Met de opening van de Vlaamse vertegenwoordiging in Londen in 2003 werd een belangrijke impuls gegeven aan de Vlaams – Britse samenwerking. De regering van het Verenigd Koninkrijk en de devolved governments (Schotland, Wales, Noord-Ierland) zijn voor Vlaanderen belangrijke potentiële partners, zowel voor samenwerking binnen de EU als voor bilaterale projecten. De regionalisering in het Verenigd Koninkrijk is niet afgerond, het is een dynamisch proces en dit betekent dat de opportuniteiten nog in volle ontwikkeling zijn. Eén van de voornaamste uitdagingen in de volgende jaren blijft de beeldvorming en de visibiliteit bij de Britten van de Belgische deelstaat Vlaanderen. Verenigd Koninkrijk

Centraal- en Oost-Europa

De afgelopen jaren vormde Centraal- en Oost-Europa een prioriteit voor het Vlaams buitenlands (politiek en economisch) beleid. In het licht van de uitbreiding van de Unie wordt dit beleid geheroriënteerd, maar zal het zeker een prioriteit blijven.

18


De buitengordel van de Europese Unie en Centraal-Azië

Door de Oostwaartse uitbreiding van de EU is een nieuwe buitengordel ontstaan die de komende jaren op bijzondere aandacht zal kunnen rekenen. Zowel met de Balkanlanden en Turkije, aan wie een perspectief op toetreding geboden is, als met de nieuwe buren van de Unie binnen het GOS (Rusland, Wit-Rusland, Moldavië en Oekraïne) zal een samenwerking op Europees niveau nodig zijn. Ook in deze landen moet de economische ontwikkeling ondersteund worden, evenwel met inachtname van een politieke en democratische conditionaliteit. Buitengordel EU

De Balkanlanden ambiëren allemaal integratie in de EU (Kroatië staat hierbij het verst: de Europese Commissie stelde in april 2004 voor om toetredingsonderhandelingen met het land op te starten). De meeste landen hebben echter nog een lange weg af te leggen. Het moeizame transitieproces is nog niet voltooid: economisch is de regio teruggevallen terwijl politieke stabiliteit verre van verzekerd is. Vooral in Servië en Montenegro blijft de onzekere politieke toekomst van Servië en Kosovo knagen aan de fundamenten van een duurzaam herstel. Het geostrategisch belangrijke Turkije heeft opvallende vooruitgang geboekt bij het voldoen aan de politieke criteria van toetreding (hervorming van de grondwet, afschaffing doodstraf, toelaten van andere talen dan het Turks). Het land voldoet niettemin nog niet volledig aan de politieke criteria en gaat, ondanks belangrijke economische hervormingen, nog steeds gebukt onder de gevolgen van recessie en financiële crises. De komende jaren zullen doorslaggevend zijn voor de Europese roeping van het land. De landen van het GOS die grenzen aan de EU scoren nog onvoldoende inzake duurzaamheid van de democratische structuren, het respect voor de mensenrechten en de kwaliteit van de rechtsstaat. Het politiek geïsoleerde Wit-Rusland, het straatarme Moldavië en het tussen democratie en autoritarisme weifelende Oekraïne blijven afhankelijk van grote buur Rusland voor hun handel en energie, zodat zij zich ook politiek slechts moeilijk kunnen losmaken van hun verleden. Rusland van zijn kant gebruikt deze economische hefbomen om de invloed in zijn achtertuin te bestendigen. In de relatie tussen Rusland en de Europese Unie domineren de economische belangen in grote mate de verwachtingen die op het vlak van het democratiseringsproces, de mensenrechten e.d. aan de Russische federatie worden gesteld. Het land is de laatste jaren aantrekkelijker geworden voor investeerders en zal de komende jaren economisch verder opgang maken. De Vlaamse regering heeft tijdens de aflopende legislatuur geen uitgesproken politiek beleid gevoerd t.a.v. deze regio. Met een aantal landen (vooral Rusland, Oekraïne, Turkije en Kroatië) bestaan wel intensievere economische banden. Hechtere politieke relaties zullen de komende jaren echter nodig zijn wanneer een aantal landen kandidaat-lidstaat zullen zijn. Voor de Centraal-Aziatische landen en de staten in de Kaukasus geldt algemeen dat stabiliteit er nagenoeg uitsluitend door autoritaire regimes wordt bewerkstelligd. Er heerst nu relatieve stabiliteit doordat dictatoriale regimes met harde hand alle afscheidings-, oppositie- of democratiseringsbewegingen onderdrukken. Deze relatieve stabiliteit is ook het gevolg van het feit dat de Verenigde Staten en Rusland elkaar de invloed en de oliebelangen betwisten. De EU probeert door middel van geleidelijke hervormingen duurzame aanwezigheid tot stand te brengen, een democratisch en markteconomisch transitieproces te stimuleren en invloed te verwerven. Centraal-Azië en Kaukasus

19


Noord-Amerika

2004 is een belangrijk verkiezingsjaar zowel in Canada (federale parlementsverkiezingen) als in de Verenigde Staten (presidentsverkiezingen). Een eventuele machtswissel in de VS zal uiteraard niet zonder gevolgen blijven voor de richting die o.a. het buitenlands beleid van de grootmacht zal inslaan. De geopolitieke dimensie hiervan is echter niet meteen iets dat gevolgen heeft voor de acties en samenwerking die vanuit Vlaanderen worden opgezet met de VS. Ten aanzien van de VS, Canada (en Mexico) werd tot dusver het zo succesvol mogelijk benutten van opportuniteiten die deze landen bieden voor de Vlaamse economie en technologie als voornaamste uitdaging gezien. Zo zijn de VS wereldwijd de vijfde exportmarkt voor Vlaanderen, en de eerste exportmarkt buiten de Europese Unie, goed voor 7% van de totale Vlaamse export. In de economisch sterk ontwikkelde markten van de VS en Canada, beide gekenmerkt door een sterk uitgebouwde kenniseconomie, ligt de nadruk op het aantrekken van investeringen naar Vlaanderen.28 Het belang van Amerikaanse investeringen in Vlaanderen/België mag niet onderschat worden: deze directe investeringen staan in voor 8% van de Belgische tewerkstelling en 6% van het BNP.29 Naast economische samenwerking werd de afgelopen jaren een Vlaamse aanwezigheidspolitiek gevoerd in de VS, gecoördineerd door de vertegenwoordiger van de Vlaamse regering in Washington. Daarnaast verlopen vele Vlaamse initiatieven in de VS buiten de officiële kanalen. De culturele sector, een sector die in de VS voor het overgrote deel uitgesloten is van overheidsinmenging en financiering, is hier het meest sprekende voorbeeld van. Vlaanderen en Quebec delen meerdere politieke bekommernissen en streefdoelen. Politieke contacten tussen beide deelstaten zijn dan ook vrij frequent. In het kader van de Gemeenschappelijke Verklaring van Vlaanderen en Quebec van juli 2001 wordt samengewerkt op tal van domeinen. In 2002 werd een nieuwe Entente Vlaanderen - Quebec ondertekend. Ter uitvoering hiervan worden tweejaarlijkse samenwerkingsprogramma's onderhandeld. Ze omvatten projecten op het vlak van onderwijs, cultuur, wetenschap en technologie, economie, jeugd en sport en gezin en maatschappelijk welzijn.

Latijns-Amerika

Na jaren van politieke instabiliteit en regionale conflicten schuiven de landen van Latijns-Amerika met uitzondering van Cuba op naar een democratisch bewind en zijn er voor de binnenlandse conflicten vredesprocessen op gang gekomen. De situatie blijft echter precair. De democratieën in het Andesgebied, maar ook in Midden-Amerika zijn nog steeds erg kwetsbaar terwijl de drugshandel, in combinatie met corruptie en geweld, een gevaar blijft voor de politieke, economische en sociale stabiliteit. Op economisch vlak heeft de regio het afgelopen decennium vooruitgang geboekt, maar de situatie vertoont grote verschillen met enerzijds weinig ontwikkelde landen, met name in Midden-Amerika en de Andes, en anderzijds opkomende economieën als Mexico, Argentinië, Chili, Uruguay en Brazilië. Deze laatste is met voorsprong de belangrijkste groeimarkt voor investeerders en exporteurs. De afgelopen jaren werden gekenmerkt door een verdere marktderegulering, een privatiseringsgolf en een proces van regionale integratie (o.m. via vrijhandelsakkoorden). In het kader van een versterking van de economische integratie en de inschakeling van het continent in

28

In de World Knowledge Competitiveness Index voor 2004 scoort de VS uitzonderlijk hoog: Amerikaanse regio’s

bezetten de eerste 14 plaatsen op een totaal van 125 onderzochte regio’s (ter vergelijking: Vlaanderen wordt in deze index op de 90ste plaats gerangschikt). 29

Bron: www.amcham.be/pub/US_companies

20


het mondiale economische systeem streeft Latijns-Amerika naar evenwichtige politieke en economische betrekkingen met haar twee voornaamste partners, de Verenigde Staten en de Europese Unie (dat met Mexico en Chili omvattende associatieakkoorden heeft afgesloten). De landen van de regio denken ook sterk multilateraal. Sommige van hen (Brazilië, Chili, Mexico, Argentinië) spelen een steeds grotere rol bij internationale discussies, met name in de WTOonderhandelingen. Latijns-Amerika staat de komende jaren voor een aantal belangrijke uitdagingen. Op politiek vlak dringt de nood zich op tot het versterken van de democratie en de rechtsstaat, de strijd tegen corruptie, de bestendiging van de vredesprocessen (met name in Colombia) en het intensifiëren van regionaal politiek overleg. Het vrijwaren van de economische vooruitgang wordt bemoeilijkt doordat de groei sterk afhankelijk is van externe factoren (o.m. een op grondstoffen gebaseerde export). Op sociaal vlak zullen vooral inzake de ongelijke verdeling van de economische vooruitgang – Latijns-Amerika kan beschouwd worden als de regio met de minst rechtvaardige inkomensverdeling ter wereld – aangepakt moeten worden. De betrekkingen tussen de Vlaamse overheid en Latijns-Amerika zijn beperkt. Chili vormt hier evenwel een uitzondering op. Waar de samenwerking oorspronkelijk vanuit ontwikkelingsoogpunt werd opgestart, is deze in de afgelopen jaren geëvolueerd naar bilaterale samenwerking op nagenoeg alle bevoegdheidsdomeinen van de Vlaamse regering. In 2004 wordt de bestaande samenwerking met Chili geëvalueerd met het oog op het uitwerken van een nieuw werkprogramma 2005-2007. Op economisch vlak ging in Midden-Amerika de meeste aandacht naar Mexico, terwijl Brazilië de belangrijkste Zuid-Amerikaanse exportbestemming was. De gehele Latijns-Amerikaanse markt vertegenwoordigt echter slechts 1% van de totale Vlaamse uitvoer.

Het Midden-Oosten en Noord-Afrika

De uitdagingen in het Midden-Oosten zijn enorm. Naast de afwikkeling van het conflict in Irak, waar de kans op een burgeroorlog reëel lijkt, is ook een oplossing voor het Israëlisch-Palestijns conflict een noodzakelijke voorwaarde voor vrede en stabiliteit in de regio. De bevolking in het Midden-Oosten én Noord-Afrika, reeds langer vervreemd van zijn leiders, heeft weinig mogelijkheden om via democratische mechanismen verandering tot stand te brengen. Op maatschappelijk vlak blijft de genderproblematiek aanslepen ondanks beperkte hervormingen in verschillende landen. De ontwikkelingen in Marokko omtrent het familierecht zijn echter hoopvol. De productiviteit van de economieën in Noord-Afrika en het Midden-Oosten neemt al verschillende decennia af. De werkloosheidscijfers in de regio behoren tot de hoogste ter wereld. Daarbij komt dat de komende jaren nieuwe arbeidsplaatsen dienen gecreëerd te worden voor de snel aangroeiende beroepsbevolking. Het realiseren van een duurzame groei is afhankelijk van het welslagen van een transitieproces dat raakt aan de fundamenten waarop de Arabische economieën gestoeld zijn. De Wereldbank acht een transitie op drie vlakken noodzakelijk: van een door de publieke sector gedomineerde economie naar een economie gestoeld op privé-initiatief, van een gesloten naar een open economie en van een op de oliesector steunende naar een meer gediversifieerde economie. Diverse regionale en supraregionale initiatieven die moeten bijdragen tot een hogere graad van integratie hebben de voorbije decennia het levenslicht gezien (de douane-unie van de Gulf Cooperation Council, de Union du Maghreb Arabe, de Arabische Liga en de Greater Arab Free Trade Area). Ook de versteviging van de relaties tussen de EU en de zuidelijke Middellandse-ZeeStaten in het kader van het Wider Europe-iniative en het Euro-Medpartenariaat (met ondermeer de creatie van een vrijhandelszone tussen de EU en de partnerlanden in 2010) zal belangrijk zijn voor de verdere ontwikkeling van de regio.

21


Door het aanhoudende conflict tussen Israël en de Palestijnse gebieden besliste de Vlaamse regering in 2001 om geen nieuwe engagementen (uitgezonderd humanitaire hulp) op te nemen ten aanzien van de regio zolang er geen uitzicht is op een blijvende vrede. In Noord-Afrika heeft de Vlaamse regering in 2001 gekozen voor Marokko als prioritaire partner. In het kader van ontwikkelingssamenwerking werd de voorkeur gegeven aan indirecte samenwerking die in een latere fase kan uitgroeien tot directe bilaterale samenwerking. De keuze voor Marokko werd ingegeven door de aanwezigheid in Vlaanderen van een grote groep allochtonen van Marokkaanse origine. Voor het ondersteunen van de export naar het Midden-Oosten en Noord-Afrika zijn in verschillende landen Vlaamse economische vertegenwoordigers actief.

Sub-Sahara Afrika

Het Afrikaanse continent komt helaas nog al te vaak in het nieuws omwille van negatieve ontwikkelingen. Oorlog, honger, politieke instabiliteit en de HIV/AIDS epidemie hebben een ontwrichtend effect op tal van Afrikaanse landen. De laatste jaren zijn echter ook een aantal positieve ontwikkelingen waar te nemen: de oprichting in 2001 van het New Partnership for Africa’s Development (NEPAD), het beëindigen van een aantal conflicten in de regio, de macro-economische heropleving van een aantal landen in Zuidelijk en Oost-Afrika, de inspanningen van een aantal landen inzake deugdelijk bestuur, een verbeterde toegang tot onderwijs, de democratische verkiezing van een aantal leiders en de opnieuw toenemende interesse van internationale donoren voor Afrika. De meeste landen van Sub-Sahara Afrika nemen nog steeds geen volwaardige plaats in binnen de wereldeconomie omwille van het gebrek aan concurrentievermogen en economische diversificatie. Desondanks nemen de directe buitenlandse investeringen toe, hoewel sterk geconcentreerd in de olie-exporterende landen (Nigeria, Tsjaad, Equatoriaal Guinea) en Zuid-Afrika. De EU is niet alleen de belangrijkste handelspartner voor de meeste Afrikaanse landen, maar ook de grootste donor inzake ontwikkelingssamenwerking. Het Vlaams buitenlands beleid heeft zich de afgelopen jaren geconcentreerd op Zuidelijk Afrika. Zuid-Afrika is hierbij de bevoorrechte partner voor Vlaanderen. De bilaterale samenwerking krijgt op verschillende beleidsdomeinen waarvoor Vlaanderen bevoegd is gestalte via het uitgebreide samenwerkingsakkoord van 2000. Datzelfde jaar werd ook de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking met drie Zuid-Afrikaanse provincies (KwaZulu-Natal, Vrijstaat en Limpopo) opgestart. Zuid-Afrika is binnen de regio Sub-Sahara Afrika ook de belangrijkste exportbestemming, met 0,27% van de totale Vlaamse export. Vanuit Zuid-Afrika worden in de regio verder initiatieven ontwikkeld zowel wat betreft ontwikkelingssamenwerking als wat betreft buitenlandse handel. Zo staat in Mozambique de ontwikkelingssamenwerking centraal. Afrika staat de komende jaren voor tal van uitdagingen waarbij ook de internationale gemeenschap een belangrijke verantwoordelijkheid zal hebben. Nu reeds kan voorspeld worden dat Afrika de millenniumdoelstellingen slechts gedeeltelijk (i.e. voor de helft of minder) zal kunnen realiseren tegen 2015. Ook de voorziene officiële ontwikkelingshulp voor Afrika is ontoereikend. Op economisch vlak blijft Afrika de komende jaren een marginale positie innemen in het internationaal handelsgebeuren terwijl HIV/AIDS naast de menselijke, ook een ware economische ravage aanricht. Er zijn echter ook positieve ontwikkelingen waar te nemen. Zo kan gewezen worden op het engagement van Afrikaanse staatshoofden om regionale initiatieven op te zetten die menselijke,

22


economische en politieke vooruitgang willen ondersteunen. Ook zijn de ontwikkelingslanden meer dan vroeger in staat hun belangen te verdedigen op internationale fora.

Azië - Oceanië

Verschillende Aziatische landen kennen sinds enkele jaren een ware bevolkingsexplosie (vb. Vietnam, Indonesië), hetgeen vaak gepaard gaat met demografische & sociale problemen. De grootste dreiging voor de regionale stabiliteit vormt wellicht de labiele toestand in Indonesië, het grootste Moslimland ter wereld en Noord-Korea (waar het conflict omtrent nucleaire wapens aanhoudt). Ook de wederopbouw van Afghanistan blijft problematisch. Hoopvol is dan weer de dooi in de relaties tussen India en Pakistan. De aandacht vanuit Vlaanderen voor deze regio is vooral economisch geïnspireerd. De regio biedt tal van economische opportuniteiten zowel inzake exportmogelijkheden als op het vlak van het aantrekken van investeringen. De keerzijde van de medaille is echter dat bepaalde landen zoals China, India en Vietnam zich de laatste jaren hebben opgeworpen als sterke concurrenten voor het Westen. Ondermeer door een groot aanbod van goedkope arbeidskrachten trekken deze landen steeds meer industrie en diensten naar zich toe. De gevolgen voor de Westerse economie (in de vorm van verlies aan arbeidsplaatsen) worden in bepaalde sectoren steeds pijnlijker zichtbaar. Ook Vlaanderen blijft niet gespaard van deze tendens. De komende jaren zal vooral de economische opgang van China met argusogen gevolgd worden. Terwijl het economisch weefsel in sneltreinvaart verandert30, wordt het politieke landschap ook na de machtsoverdracht tijdens het tiende Nationaal Volkscongres in 2003 gekenmerkt door continuïteit. De Volksrepubliek stelt zich de laatste jaren echter meer open naar het buitenland (o.a. organisatie van de Olympische zomerspelen in 2008 in Beijing) en eist een grotere plaats op het wereldtoneel. China

Het economisch verkeer tussen Vlaanderen en de Volksrepubliek zit duidelijk in de lift. Vlaamse bedrijven realiseren zich steeds meer dat het noodzakelijk is om aanwezig te zijn in China. De buitenlandse handel van China zal in de komende jaren, als gevolg van de toegang tot de WTO, verder stijgen en ook de export van Vlaanderen naar China zal toenemen waarbij Hong Kong nog steeds als tussenschakel kan fungeren. De investeringsstroom naar Vlaanderen blijft tot nog toe eerder beperkt. Ondanks problemen van stagnatie is Japan nog steeds de tweede nationale economie ter wereld (gemeten naar BNP) en vertegenwoordigt het land ongeveer 60% van het Aziatische BNP. De koopkracht van de Japanse consument, het niveau van technologische ontwikkeling en de concurrentiekracht van de grote exportgerichte Japanse bedrijven staan vaak nog in schril contrast met andere landen uit de regio. Japan

Japan is het 15de afzetgebied van Vlaanderen en is sinds jaren ook met vlag en wimpel de belangrijkste Aziatische investeerder in Vlaanderen en zal dat de komende jaren wellicht ook blijven. Het land zal voor Vlaanderen een specifiek aandachtspunt vormen in het kader van de wereldtentoonstelling in Aichi in 2005.

30

De evolutie naar een private markteconomie werd recent gestimuleerd door de instemming van het Nationaal

Volkscongres met een grondwetswijziging die privé-bezit erkent en wettelijk beschermt.

23


India, ooit een erg gesloten economie, is wellicht de laatste grootschalige markt die zich vandaag openstelt. De gestage economische groei biedt uiteraard tal van mogelijkheden voor Vlaamse export, die voorheen reeds op een behoorlijk peil stond (8ste exportbestemming van Vlaanderen (belangrijke invloed van de diamantsector)). De subcontracting en outsourcing van diensten vanuit Europa & Noord-Amerika richting India blijkt een aanhoudende tendens. India

Asean landen31 Onder de leden van de Asean is een vrijhandelszone in voege getreden en wordt

de stap gezet naar een gemeenschappelijke markt in 2020. Binnen de Asean-landen is vooral de razendsnelle ontwikkeling van Vietnam opmerkelijk. Tussen de leden onderling bestaan echter aanzienlijke economische, sociale en politieke verschillen. De Vlaamse investeerders hebben sinds lang hun weg gevonden naar Zuid-Oost-Azië.

31

De ASEAN wordt gevormd door: Indonesië, Brunei, Myanmar, Cambodja, Laos, Maleisië, Filipijnen, Singapore,

Thailand, Vietnam.

24


Voorstellen Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking Inleiding De voorstellen van de administratie als bijdrage aan het Vlaams regeerakkoord zijn uitgewerkt door een nauwe samenwerking tussen de actoren van de verschillende beleidsvelden binnen het beleidsdomein Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking. Voor het buitenlands beleid van Vlaanderen wordt uitgegaan van een aantal basisideeën die toegelicht worden in de eerste drie hoofdstukken: 1. mensenrechten en basiswaarden 2. duurzame ontwikkeling 3. innovatie In de volgende drie hoofdstukken wordt ingegaan op de voorstellen die specifiek zijn voor elk van de beleidsvelden: 4. algemeen buitenlands beleid 4.1 bilateraal beleid 4.2 Europese Unie 4.3 multilaterale organisaties 4.4 wapenhandel 5. internationaal ondernemen 6. ontwikkelingssamenwerking. Aangezien het algemeen buitenlands beleid (met uitzondering van de vergunningsprocedure inzake wapenexport) betrekking heeft op alle bevoegdheidsdomeinen van Vlaanderen, zal voor de realisatie van deze voorstellen nauw moeten samengewerkt worden met de andere beleidsdomeinen en hangt veel af van de inbreng van de andere bevoegdheidsdomeinen. Dit betekent bovendien dat een aantal premissen en voorstellen die hierin vermeld worden rechtstreeks van toepassing zijn op de twee andere beleidsvelden, internationaal ondernemen en ontwikkelingssamenwerking. In hoofdstuk 7 behandelen we het beleid (voor de drie beleidsvelden) per regio in de wereld. In de laatste hoofdstukken hebben we aandacht voor de verbetering van de communicatie en het instrumentarium voor het beleidsdomein Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking: 8. beleidsafstemming 9. communicatie en promotie 10. draagvlakverbreding 11. een overheid in beweging.

25


1

Mensenrechten en basiswaarden

Uitgangspunt: Vlaanderen gaat uit een aantal universele basiswaarden en respecteert de mensenrechten. Vertrekkend vanuit het principe dat elk individu op zich waardevol is en tegelijk in relatie staat tot een gemeenschap, moet Vlaanderen zijn interne en internationale politiek inschakelen in het streven van de internationale gemeenschap om overal ter wereld bepaalde waarden gerespecteerd te zien. Respect voor universele basiswaarden is een voorwaarde voor een duurzame ontwikkeling van deze wereld. Als niet-statelijke entiteit is Vlaanderen zich echter bewust van zijn beperkte mogelijkheden om een grote rol te spelen op het vlak van de “high politics” rond universele waarden. Wél kan Vlaanderen een bijdrage leveren bij de formulering van de universele basiswaarden die Vlaamse bevoegdheden betreffen door voluit zijn rol te spelen in het kader van de standpuntbepaling van de Belgische federatie en tijdens (de voorbereiding van) grote internationale bijeenkomsten en moet Vlaanderen die universele waarden laten meespelen bij het bepalen van zijn prioriteiten voor samenwerking met andere landen. Voorstel 1: Vlaanderen onderzoekt bij de selectie van zijn partnerlanden, -regio’s of deze landen, regio’s voldoen aan een aantal basiswaarden inzake rechtsstaat, democratie en conflictbeheersing en of deze landen respect tonen voor de mensenrechten. Vlaanderen zal bij de selectie van zijn partnerlanden nagaan of deze beantwoorden aan de minimumstandaarden van democratie en rechtsstaat, vreedzame coëxistentie met zijn buren en respect voor de mensenrechten. De concrete selectie van de partnerlanden van het Vlaamse buitenlands beleid dient steeds het voorwerp uit te maken van een uitgebreide omgevingsanalyse, waar het respect voor de universele basiswaarden, of de bereidheid hier verder stappen in te nemen, een belangrijke component van uitmaakt. De situatie en de evolutie van de naleving van de waarden uit de UVRM (en het EVRM voor de Europese landen) in het algemeen en voor kinderrechten, vrouwenrechten, rechten van inheemse volkeren in het bijzonder, maken daar een belangrijk deel van uit, net zoals de aandacht die het eventuele partnerland besteedt aan de duurzaamheid van zijn beleid. Daar waar een land zich wil engageren tot verbetering van de basiswaarden en het respect voor de mensenrechten, zal Vlaanderen kijken hoe het zijn medewerking kan verlenen aan dit proces (vb. meewerken aan de ontwikkeling van een federale staatstructuur als democratische en vreedzame samenlevingsvorm tussen verschillende bevolkingsgroepen, ondersteunen van wetswijzigingen ter eerbiediging van mensenrechten…). Op de multilaterale fora en in de samenwerking met de partnerlanden/-regio’s kan de Vlaamse overheid zich het best profileren op een beperkt aantal normen uit het mensenrechtenapparaat, die nauw aansluiten bij de Vlaamse bevoegdheden en waarin Vlaanderen een zekere expertise heeft. Het gaat om de volgende domeinen: kinderrechten, gelijke kansen voor vrouwen en mannen, recht op onderwijs en de bescherming van eigen taal en identiteit (inclusief federalisme als vreedzame oplossing, inheemse volkeren). Dit vergt een goede samenwerking tussen de Vlaamse minister bevoegd voor het buitenlands beleid en de functioneel bevoegde minister voor de materie op intern vlak.

26


Voorstel 2: Vlaanderen implementeert de Europese en multilaterale afspraken ter bescherming van de universele basiswaarden en mensenrechten. Vlaanderen moet intern doen en verzekeren wat het internationaal wenst te proclameren. Een aantal verdragen betreffende mensenrechten zijn om uiteenlopende redenen (nog) niet geratificeerd of zelfs niet door ons land ondertekend.32 Tijdens de nieuwe regeerperiode moet Vlaanderen onderzoeken waar er nog eventuele knelpunten zijn voor de uiteindelijk ondertekening of ratificatie van deze verdragen zodat Vlaanderen de nog onafgewerkte verdragsprocedures kan afronden. Na de inwerkingtreding van verdragsbepalingen die betrekking hebben op Vlaamse bevoegdheden, moet men de nodige middelen en tijd vrijmaken om de afspraken die gemaakt werden binnen deze verdragen na te leven. Er moet voldoende aandacht uitgaan naar de rapportering over de toepassing ervan in Vlaanderen. De rapportage naar de multilaterale organisaties gebeurt onder coördinatie van de federale overheid33. Een bijzondere vermelding verdient de problematiek van de Kaderconventie betreffende de Bescherming van Nationale Minderheden van de Raad van Europa. Het verdrag wordt door de Raad van Europa als een fundamenteel verdrag beschouwd. België heeft dit verdrag nog niet geratificeerd omdat onduidelijkheid bestaat over de toepassing van dit verdrag op de Belgische situatie. Er is nood aan duiding over de Belgische situatie in het buitenland en een proactieve Vlaamse benadering van het dossier. Aan de buitenlandse partners moet duidelijk worden gemaakt dat het Belgische institutionele model juist een bijzondere toepassing is van de minderhedenbescherming die het verdrag zich ten doel stelt, doordat het Belgische model de instandhouding van culturen binnen hun traditionele verspreidingsgebieden beoogt.

2

Duurzame ontwikkeling

Voorstel 3: Vlaanderen wil een antwoord bieden op de vraag naar meer duurzame ontwikkeling. Het zal zoeken naar een evenwicht tussen economisch rendement, sociaal rendement en milieurendement zowel in eigen land als in het buitenland, zowel nu als voor later. Vlaanderen wil, naar het model van de Noordse landen, zorgen voor een goed evenwicht tussen de eigen economische groei en de groei van de werkgelegenheid, evenals tussen de verbetering van het milieu en de ontwikkeling van het welzijn. Toch blijft het een delicate oefening en moet het debat gevoerd worden met alle betrokkenen (stakeholders). a. Vlaanderen werkt zijn Europese en internationale engagementen inzake duurzame ontwikkeling verder uit, om de vooropgestelde doelstellingen en termijnen te respecteren.

32

Het gaat onder meer om Protocol XII bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (algemeen

discriminatieverbod), de Conventie tegen Discriminatie op het vlak van Onderwijs (UNESCO), het Internationaal Verdrag inzake de Bescherming van de Rechten van Alle Migrerende Werknemers en hun Familieleden (VN), het Internationaal Verdrag inzake de Uitbanning en de Bestraffing van de Misdaad van Apartheid, het Verdrag inzake Inheemse Volkeren en Volkeren die in Stamverband leven (IAO), de Europese Kaderconventie inzake de Bescherming van Nationale Minderheden, het Europees Handvest inzake Regionale Talen en Talen van Minderheden, de Europese Conventie inzake de Deelname van Buitenlanders aan het Lokale Publieke Leven, de Europese Conventie inzake Mensenrechten en Biogeneeskunde (met bijhorende protocollen) en het Tweede Protocol bij het Verdrag van Den Haag inzake de Bescherming van Cultuurgoederen in Gewapende Conflicten. 33

Zie hoofdstuk rond intra-Belgische samenwerking.

27


Vlaanderen wil zich verder engageren voor het bereiken van de internationale engagementen rond duurzame ontwikkeling. Vlaanderen werkt in dit kader aan de realisatie van de doelstellingen van het Lissabon-proces (afgesproken in de Europese Unie), de doelstellingen van het Kyoto-verdrag (milieu) en het Actieplan van de Wereldtop van Johannesburg. Het wil actief meewerken aan het opmaken van een Belgische Actieplan voor duurzame ontwikkeling tegen 2005. Het zal de duurzame ontwikkeling in de wereld, met aandacht voor de landen in ontwikkeling, ook meenemen bij zijn standpuntbepaling in de multilaterale fora. Om dit te realiseren is een goede beleidsafstemming tussen de verschillende ministeries van de Vlaamse overheid onontbeerlijk. b. Vlaanderen hanteert duurzaamheid en kwaliteit als handelsmerk in zijn internationaal ondernemen. De economische groei van Vlaanderen komt voor een groot deel uit de export van onze producten en via het aantrekken van buitenlandse investeringen. Vooral in het kader van het aantrekken van investeringen worden we vandaag geconfronteerd met de bezorgdheid van kandidaat-investeerders rond de sociale en ecologische eisen die hen opgelegd kunnen worden in Vlaanderen. Multinationals die in Vlaanderen aanwezig zijn vergelijken de kost van ons sociaal en ecologisch model en kiezen er soms voor om niet verder in ons land te investeren, maar in verre en minder verre oorden, met beduidend lagere loonkosten en minder milieu-eisen. Concurreren met deze lage lonen en ons milieu verder laten vervuilen is geen optie, dus moeten we op een andere manier deze investeerders aantrekken en hier houden. Hier lijkt het voorbeeld van de Noordse landen aangewezen, die even hoge of zelfs hogere loonkosten hebben, nog een veel grotere betrokkenheid kennen van de overheid, veel aandacht schenken aan goede arbeidsvoorwaarden voor hun werknemers en vooral gekend zijn door hun strak milieubeleid en hun hart voor het zuiden. Hun kracht ligt in innovatie en vooral in een moderne, ondersteunende en flexibele overheid. Hun aandacht voor duurzame ontwikkeling spelen ze uit als handelsmerk. Vlaanderen heeft veel mogelijkheden op dit vlak en kan zich ook ontwikkelen tot een land waar kwaliteit, duurzame ontwikkeling en innovatie, in de ondernemingswereld en in de overheid, samen kunnen gaan. We moeten durven benadrukken dat investeren in Vlaanderen, met aandacht voor arbeidsnormen, sociale zekerheid, productnormen, milieubehoud en duurzaamheid, duurzaam ondernemen is. Een onderneming die in Vlaanderen investeert, mag daar best mee uitpakken. In de export kunnen we de ‘duurzaamheid’ achter en ‘kwaliteit’ van onze producten als handelsmerk meegeven, maar tevens kunnen we extra aandacht besteden aan de promotie van diensten, gebaseerd op de Vlaamse expertise inzake duurzame productieprocessen en inzake milieuverbetering (afvalverwerking, IWT enz.). Duurzaam ondernemen start bij de Vlaamse overheid De Vlaamse overheid kan bij zijn gunningen van overheidsopdrachten alvast zelf als duurzame ondernemer optreden door er op toe te zien dat ze in zee gaan met ondernemingen die voldoende respect tonen voor bepaalde fundamentele waarden, zowel inzake mensenrechten en sociale aangelegenheden als op ecologisch vlak, zowel in hun vestigingen in Vlaanderen als in het buitenland. De Vlaamse overheid kan zelf het goede voorbeeld geven door te kiezen voor producten uit de eerlijke handel. c. Geen Noord zonder Zuid; Vlaanderen werkt mee aan de duurzame ontwikkeling van het Zuiden. Duurzame ontwikkeling grijpt over de grenzen van tijd en ruimte heen. Bij het zoeken naar een evenwicht tussen de ecologische, economische en sociale pijler moeten we tegelijk een balans zien te vinden tussen de belangen van de huidige en de toekomstige generaties, en dat zowel in Vlaanderen als in de wereld.

28


Per definitie betekent aandacht voor duurzame ontwikkeling dus ook aandacht voor het Zuiden. Vanuit het beleidsveld ontwikkelingssamenwerking kan de Vlaamse regering aan deze "externe dimensie" van duurzame ontwikkeling invulling geven door de doelstellingen van haar ontwikkelingsbeleid in te schrijven in het internationaal afgesproken ruimere kader van duurzame ontwikkeling.34 In dit kader kan het eigen initiatieven nemen (zoals het opgestarte initiatief het "Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling"). Om dit op een correcte wijze te realiseren moet vanuit het beleidsveld ontwikkelingssamenwerking de Vlaamse, Belgische, Europese en mondiale debatten inzake duurzame ontwikkeling van nabij gevolgd en waar mogelijk actief gevoed worden. Aan een Vlaams en/of nationaal Plan voor Duurzame Ontwikkeling moet deze externe dimensie toegevoegd worden.

3

Innovatie

Voorstel 4: Vlaanderen put zijn kracht uit innovatie, die gehaald wordt uit een rijke internationale/ interregionale en interdisciplinaire samenwerking en uit een aantal hoogwaardige kenniscentra. a. Vlaanderen werkt mee aan de Europese en internationale doelstellingen inzake innovatie. In het kader van innovatie en evolutie van de kennismaatschappij is de strenge opvolging van het Lissabon-proces een prioriteit voor de hele Vlaamse overheid. In dit kader volgt Vlaanderen de evoluties en afspraken binnen de multilaterale fora ook aandachtig op en bekijkt op welke opportuniteiten het ‘innoverend’ kan inspelen (vb. in het kader van de doelstellingen van Kyoto, Wereldtop Informatiemaatschappij 2003 en 2005). b. Vlaanderen ondersteunt innovatie en kwaliteit met het oog op het bereiken van een duurzaam competitief voordeel in het ondernemen. In Vlaanderen moeten we op zoek gaan naar een ‘duurzaam competitief voordeel’. Hoe kunnen we competitief blijven in deze snel evoluerende wereld? Precies, door snel te evolueren en te innoveren. De Vlaamse overheid moet op zoek gaan naar creatieve ondernemers en hen ten volle ondersteunen om internationaal te werken, nieuwe afzetmarkten te vinden en technologische kennis te verwerven. Vlaanderen moet ook in het buitenland de kennis gaan zoeken die het niet in huis heeft (vb. via investeringen en samenwerkingsverbanden met buitenlandse ondernemingen) om zo door kruisbestuiving zijn eigen economie te bevruchten. Vlaanderen heeft veel troeven in huis om als volwaardig speler mee te dingen naar een vooraanstaande plaats binnen de kenniseconomie: goed geschoolde jongeren, (met mogelijkheden tot levenslang leren) en een aantal gerenommeerde onderzoekscentra. Vlaanderen beschikt ook over een relatief jonge overheidsstructuur die zelf ook voortdurend evolueert (zie verder) en het is nog steeds een uitstekende uitvalsbasis in het hart van Europa. Maar het is precies de juiste interactie tussen deze troeven die een meerwaarde kan bieden. De Vlaamse overheid wil meer samenwerking tussen de overheid, de ondernemers en de onderzoeks- en onderwijscentra stimuleren. Om dit ook te visualiseren naar potentiële buitenlandse investeerders of potentiële afzetmarkten kan er gewerkt worden rond hightech clusters (researchparken en bijzondere technologiezones) met wereldwijde competenties en ambities, die optimaal ondersteund worden (vb. door onderzoeksfondsen, infrastructuurwerken). Dit vereist hoogwaardige kennis- en 34

Internationaal gebeurt dit overigens al : klassieke doelstellingen (zoals bv. geformuleerd in de Millennium

Verklaring) sporen sinds de Top van Rio de Janeiro in 1992 steeds beter met doelstellingen die vanuit duurzame ontwikkeling worden vooropgesteld.

29


opleidingscentra. Het geheel kan gepromoot worden door een interactief en uitgebreid netwerk van internationale promotie in het buitenland dat in nauw partnerschap met het bedrijfsleven en het hoger onderwijs initiatieven ontplooit35. Om onze producten en diensten te kunnen blijven exporteren zullen we niet langer kunnen voortbouwen op prijsvoordelen. Op dit vlak kunnen we niet concurreren met de lage loonlanden. We zullen dus echt moeten concurreren via de kwaliteit. Die meerwaarde kunnen we alleen creëren via kennisopbouw, creativiteit en specialisatie. Maar in tegenstelling tot het verleden moeten we kennis veel ruimer opvatten dan in het verleden. We moeten creatief blijven werken op het vlak van procesverbetering, maar tevens openstaan voor nieuwe samenwerkingsvormen (internationaal, intersectoraal, clusters…), productinnovatie (zich aanpassen aan de wijzigende behoeften van de markten), moderne communicatie en marketing, managementvaardigheden die evolueren met de behoeften van het internationaal ondernemen, maar telkens in overeenstemming met de behoeften van een moderne dynamische bedrijfsvoering. c. Vlaanderen speelt in op de nieuwe mogelijkheden ter bevordering van de ontwikkeling van het Zuiden. Ook in het domein van de ontwikkelingssamenwerking is het belangrijk dat Vlaanderen zich inzet om naar vernieuwing te blijven zoeken. Ontwikkelingssamenwerking staat immers niet los van sociale, politieke en economische evoluties in de partnerlanden en is geen statisch gegeven. Integendeel, een succesvolle ontwikkelingssamenwerking houdt rekening met een veranderende context. Een blijvende reflectie over onze aanpak is daarom van primordiaal belang. Vlaanderen kan initiatieven ondersteunen die de band leggen tussen ontwikkelingssamenwerking en economische ontwikkeling in het voordeel van de landen in het Zuiden. Hierbij denken we aan de overdracht van Vlaamse kennis/expertise rond technologie, processen en methodologie naar het zuiden, die kunnen bijdragen tot de verdere ontwikkeling van deze landen.

4

Buitenlands beleid

4.1 Bilateraal

Zie hoofdstuk: “het beleid toegepast per regio in de wereld”.

4.2 Europese Unie

Kernboodschap De dynamiek van de Europese integratie manifesteert zich ook in de Vlaamse beleidsdomeinen die in toenemende mate geëuropeaniseerd worden. Voor een optimale EU-aanpak, moet de Vlaamse overheid zich intern beter organiseren, zowel in termen van beleidsvoorbereiding als van beleidsuitvoering. Ze moet voorzien in de politieke wil en voldoende administratieve capaciteit om de Europese informatiestroom op te volgen en een actieve rol te spelen in de Europese besluitvorming, en de omzetting en implementatie van Europese regelgeving vlot te realiseren.

35

Steunpunt Beleidsgericht Onderzoek Ondernemerschap, Ondernemingen en Innovatie: Rapport over het

concurrentievermogen van de Vlaamse Economie, Koen De Backer en Leo Sleuwaegen, augustus 2003

30


Voorstel 5: Vlaanderen speelt een actieve rol in het besluitvormingsproces, van beleidsvorming tot beleidsuitvoering.

volledige

Europese

Het is belangrijk dat de Vlaamse overheid met een pro-actieve houding en een verhoogd Europees bewustzijn, ook op het politieke niveau, weet door te dringen in de Europese Unie. Dit kan maar mits een aanpak ‘van bron tot monding’, die alle fasen van het besluitvormingsproces bestrijkt. Dit betekent concreet: •

•

•

in een zo vroeg mogelijk stadium inspelen op het Europese besluitvormingsproces door : o

een beter gedocumenteerde en gemandateerde deelname aan en opvolging van de EU-Comités en werkgroepen;

o

een sterkere onderhandelingspositie bij de intra-Belgische standpuntbepaling en de mogelijkheid om een rol te spelen in de alliantievorming tussen de lidstaten;

o

een beter zicht op de omzettingsverplichtingen en een vlotte omzetting van Europese regelgeving, omdat de Vlaamse belangen en aandachtpunten reeds aan bod zijn gekomen bij het tot stand komen van deze regelgeving; hierdoor kunnen de kwaliteit van de omzettingen en de omzettingstermijnen beter gerespecteerd worden.

een efficiëntere informatievergaring en – doorstroming tot stand brengen mits : o

een verbeterd overleg tussen de diverse Vlaamse sectoren en actoren (m.i.v. het Vlaams parlement); hiervoor is het aanbevolen een netwerk van EUaanspreekpunten per organisatie-eenheid op te richten;

o

het stimuleren van een organisatiebrede lobbycultuur en het voeren van een zichtbaarheids- en aanwezigheidspolitiek; ondersteund door een verbeterd vormingsaanbod rond Europese zaken voor ambtenaren, kabinetsleden en ministers;

o

het optimaliseren en versterken van de Vlaamse afvaardiging bij de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de Europese Unie;

o

een verbeterd communicatiebeleid.

verder ijveren voor de verbetering van de rol van de regio’s met wetgevende bevoegdheden in het Europese besluitvormingsproces

Vlaanderen is heel actief in het streven naar een eigen inbreng van de regio’s met wetgevende bevoegdheden binnen het Europese besluitvormingsproces. Dit is een blijvende opdracht. In de volgende legislatuur ligt de focus vooral op de nieuwe Europese verantwoordelijkheden –hoe beperkt ook- voor de regio’s met wetgevende bevoegdheden, n.a.v. de grote institutionele hervormingen ten gevolge van de uitbreiding van de EU. Daarbij moet de aandacht uitgaan naar: o

de uitbreiding van de stemming met gekwalificeerde meerderheid tot domeinen die tot het regionale bevoegdhedenpakket kunnen behoren;

o

de nieuwe bevoegdheidsafbakening en de bewaking van het respect voor nationale identiteit en staatsstructuur;

o

de nieuwe vormen van het EU-voorzitterschap;

o

de vroegtijdige consultatieprocedures van de Commissie over nieuw EU-beleid;

o

de impact/analyse m.b.t. regionale wetgeving die door de Commissie moet uitgevoerd worden;

31


o

de ‘vroegtijdige waarschuwings’-rol van regionale parlementen bij de subsidiariteitscontrole wat zal nopen tot intern Belgische samenwerkingsakkoorden terzake.

Samenwerken met partnerregio’s en regionale organisaties In dit kader blijft de samenwerking in het kader van Regleg (het netwerk van regio’s met wetgevende bevoegdheden) relevant, zeker in de uitgebreide Unie - waarin regio’s met wetgevende bevoegdheden en hun federale lidstaten zich in een minderheidspositie zullen bevinden. Verder lijkt het aangewezen dat Vlaanderen vanuit dit oogpunt ook de werkzaamheden van het Congres van Lokale en Regionale Autoriteiten van Europa (Raad van Europa) actief opvolgt. In het licht van de tendens dat de Europese Commissie steeds vaker raadplegingsprocessen organiseert via een aantal regionale organisaties, en de nood aan politieke netwerken, rijst de vraag of Vlaanderen niet (opnieuw) moet investeren in lidmaatschap van deze organisaties, hoewel de ruimte om een eigen standpunt door te drijven wellicht beperkt zal zijn, omwille van de grote verscheidenheid (zowel in bevoegdheden als belangen) van de regio’s die er deel van uitmaken. Vlaanderen, zowel regering als parlement, bouwt verscheidene regionale relaties uit. Daardoor groeit de noodzaak van een betere afstemming binnen Vlaanderen; zodanig dat in al deze regionale fora eensgezinde Vlaamse standpunten worden vertolkt. Voorstel 6: Vlaanderen verdedigt zijn (economische) belangen en maximaliseert de (economische) opportuniteiten die de Europese context voor Vlaanderen biedt, door : •

ontsluiting van informatie over financieringsmogelijkheden voor de Vlaamse bedrijfswereld maar ook voor andere beleidssectoren. Een investering in mensen, middelen en expertise is nodig voor de ontwikkeling van lobby-activiteiten op basis van een grondige screening van de mogelijkheden die op Europees vlak geboden worden;

•

aandacht voor de impact van de regelgeving inzake staatssteun (o.m. aanmeldingsprocedure) in het licht van de interne markt, de concurrentieregels en de expansiewetgeving;

•

inschrijving in de EU-beleidsafstemming naar de multilaterale organisaties toe, met specifieke aandacht voor : landbouw, diensten van economisch belang (vb. de bescherming van diensten van algemeen belang, de culturele diversiteit maar ook extra kansen voor de havendiensten), milieu en nieuwe thema’s als de vereenvoudiging van de handelsprocedures en de toegang tot overheidsopdrachten. In dit kader wordt in het bijzonder gedacht aan de Wereldhandelsorganisatie, waar de standpunten voor de landen van de Europese Unie voornamelijk binnen het kader van de Europese Unie worden voorbereid.

Voorstel 7: Vlaanderen heeft aandacht voor de veranderde Europese context in het kader van de uitbreiding door: •

maximaal in te spelen op de opportuniteiten die het toekomstig financiële kader van de EU biedt;

•

het bewaken van het talenregime binnen de Europese instellingen, met oog voor een striktere toepassing van de institutionele veeltaligheid en het behoud van de officiële talen, voornamelijk in contacten met de burger;

•

het voorzien van de sociaal-economische gevolgen van de uitbreiding (o.a. tewerkstelling, migratie);

•

het beschermen van de rol van de regio’s in het Europese besluitvormingsproces, in een Europa van 25 of meer landen.

32


4.3 Multilaterale organisaties

Waarom een Vlaams multilateraal beleid?

In de internationale politiek is een verregaande internationalisering op allerlei vlakken merkbaar. Vraagstukken op het vlak van handel, ontwikkelingssamenwerking, leefmilieu, migratie, gezondheidszorg en tal van andere sectoren overstijgen landsgrenzen en worden (vaak) gemeenschappelijk aangepakt, in de eerste plaats binnen het kader van multilaterale organisaties. Deze multilaterale besluitvorming genereert een grote impact op de Vlaamse interne en internationale beleidsvoering. Voorstel 8: Vlaanderen zal meer aandacht schenken aan de werkzaamheden binnen de multilaterale fora. Vlaanderen kan dit doen door: a. een bijdrage te leveren aan de werking van de multilaterale organisaties door :

•

het ontwikkelen en verdedigen van Vlaamse standpunten in verband met de thema’s die op de internationale fora aan bod komen,

•

het ter beschikking stellen van Vlaamse expertise op de domeinen waarin we die hebben, als bijdrage aan het multilaterale systeem;

•

ijveren voor participatie van het subnationale beleidsniveau in multilaterale fora en actief deelnemen aan netwerken die vandaag reeds openstaan voor de regio’s;

•

inspelen op de bestaande regionale samenwerkingsvormen in het kader van de multilaterale organisaties, zoals het Netwerk van Regionale Overheden voor Duurzame Ontwikkeling, en op de werkzaamheden binnen de UNESCO en IAO;

•

Vlaanderen kenbaar maken binnen de multilaterale instellingen door het aanleveren van afzonderlijke Vlaamse statistieken (vb. in het kader van OESO);

•

financieren van de technische samenwerking van multilaterale partnerorganisaties.

b. het hanteren van het multilaterale forum als inspiratiebron en instrument voor het eigen beleid door:

•

het pro-actief opvolgen en opbouwen van capaciteit inzake multilaterale dossiers en organisaties, teneinde het Vlaamse beleid inzake ontwikkelingssamenwerking, wapenexport en andere domeinen te ondersteunen, met specifieke aandacht voor de mensenrechtendossiers;

•

het stimuleren van andere beleidsdomeinen om het multilaterale kader als inspiratiebron te gebruiken, via informatiedoorstroming, organisatie van overleg en bewaking van het institutionele kader.

33


4.4 Wapenhandel

Voorstel 9: Vlaanderen richt zijn beleid inzake wapenhandel op het Europees en internationaal beleid ter zake, ter bevordering van mondiale conflictbeheersing. De vigerende Belgische wetgeving is volledig gebaseerd op het internationale en Europese afsprakenkader rond conventionele wapens, chemische en nucleaire wapens, goederen met tweeërlei bestemming. De meest recente wetswijziging (maart 2003) bracht deze wetgeving volledig in overeenstemming met de Europese gedragscode inzake wapenhandel. Vlaanderen zal deze Europese en internationale afspraken ook naar de toekomst toe correct opvolgen en bewaken in de toekenning of weigering van zijn vergunningen. Het zal hiervoor het Europees en internationaal overleg op de voet volgen en verder implementeren. Daar waar nodig wordt de wetgevende basis decretaal verder ingevuld. Dit betekent concreet dat het zal zorgen voor goed gefundeerde toekenningen of weigeringen van wapenhandel, waarbij een gedegen landenstudie van de landen van (definitieve) bestemming (bij uitvoer en doorvoer) als basis wordt gebruikt. Het zal hierbij steeds een ethisch verantwoord evenwicht zoeken tussen economische belangen van Vlaamse ondernemingen en de bevordering van conflictbeheersing in de verschillende delen van de wereld.

5

Internationaal ondernemen

Voorstel 10: Vlaanderen gaat het Vlaams internationaal ondernemen pro-actief ondersteunen op basis van regionale focusstrategieën. Gezien de relatief beperkte financiële middelen is het noodzakelijk dat Vlaanderen in zijn internationaal ondernemen een focusstrategie hanteert, met andere woorden, keuzes maakt op basis van realistische inschattingen van de buitenlandse markten en relevante sectoren en op basis van de interesse van het Vlaamse bedrijfsleven. Het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen blijft uiteraard in de eerste instantie een dienstverlenende instelling op maat van de Vlaamse bedrijven maar de pro-activiteit van het netwerk van het Agentschap en de aansturing hiervan moet duidelijk gefocust worden. Bij de strategische keuzes gaat bijzondere aandacht naar de uitwerking van een geïntegreerde focusstrategie per regio. Dit houdt in dat vanuit een regionaal oogpunt de internationale opportuniteiten voor de Vlaamse bedrijven in kaart worden gebracht. Voorstel 11: het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen zal een draaischijffunctie vervullen voor en tussen de Vlaamse representatieve, internationaal ondernemingsgerichte organisaties en bedrijven. Deze partners zullen systematisch worden betrokken bij de consultatie en implementatie rond strategie en actieprogramma.

34


Voorstel 12: Vlaanderen zorgt voor coherente en transparante financiële stimuli. Vlaanderen wil het aantal Vlaamse exporterende bedrijven opdrijven en startende Vlaamse exporteurs nog actiever begeleiden. Diverse initiatieven ter bevordering van de export komen in aanmerking voor steun. Bij de oprichting van het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen werd een basis gelegd voor een aanzienlijke verruiming van de subsidieerbare initiatieven. Export wordt verruimd naar het bevorderen van het internationaal ondernemen. Het bevorderen van het aantrekken van investeringen, het subsidiëren van uitrustingsgoederen en haalbaarheidsstudies en diverse andere initiatieven dienen te worden gebundeld in een nieuw overzichtelijk geheel. Voorstel 13: Vlaanderen zal uitgaande investeringen ondersteunen, in zoverre die nodig zijn voor het verkrijgen van toegang tot bepaalde markten. Investeringen in het buitenland zijn soms een voorwaarde om toegang te krijgen tot buitenlandse markten. Meestal zorgen dergelijke investeringen voor een uitbreiding van de werkgelegenheid in het Vlaamse moederbedrijf of ze zijn noodzakelijk om het voortbestaan van het Vlaamse bedrijf te garanderen. De Vlaamse overheid begeleidt binnen het wettelijke kader buitenlandse investeringen van Vlaamse bedrijven. Hierbij kan een samenwerking met de Belgische Maatschappij voor Investeringen (BMI) en de Participatiemaatschappij Vlaanderen (PMI) overwogen worden. Voorstel 14: Vlaanderen zorgt voor een geïntegreerde aanpak voor het aantrekken van investeringen in Vlaanderen. De omgevingsfactoren die vandaag remmend werken bij het aantrekken van buitenlandse investeerders (en die in vele gevallen ook door de binnenlandse ondernemers als remmend worden ervaren) vragen om een prioritaire en geïntegreerde aanpak. Hierboven gingen we reeds in op de nood aan de uitbouw van de kenniseconomie, een vernieuwde en vernieuwing ondersteunende overheid en een groot interactief internationaal netwerk. Via intensieve beleidsafstemming binnen de Vlaamse overheid en met de federale overheid moet er tevens gewerkt worden aan een aantal randvoorwaarden (loonkost, administratieve vereenvoudiging, gekwalificeerd personeel, O & O, infrastructuur, …) die cruciaal zijn om een competitief voordeel op te bouwen en buitenlandse investeerders aan te trekken. Ook met de lokale overheden kan samengewerkt worden. Zo spelen de provincies en steden een stimulerende rol voor de ondersteuning van hun bedrijven bij de stappen die ze zetten op de internationale markten en bij het aantrekken van investeringen uit het buitenland. De potentiële buitenlandse investeerders moeten ook ‘uitgenodigd’ worden door een competent, hoog gekwalificeerd team dat hen kan informeren over de mogelijkheden die Vlaanderen te bieden heeft en die hen kan begeleiden, van zodra men er aan denkt om in Vlaanderen te investeren. Om goed te kunnen inspelen op de potentiële klanten (en zeker de high-tech industrie) is de inzet van hooggekwalificeerde begeleiders noodzakelijk. Bovendien moet er geïnvesteerd worden in een performant informatie- en kennissysteem, als ondersteunend instrumentarium. Het Agentschap kan Vlaanderen pas goed verkopen als deze het aanbod van Vlaanderen zeer goed kent en dit kan koppelen aan de interesses van goed uitgezochte potentiële investeerders. Zoals hoger reeds vermeld zal Vlaanderen vooral op zoek gaan naar investeerders die via kennisinbreng en mogelijke clustering kunnen zorgen voor een duurzame onderbouw van onze economie.

35


6

Ontwikkelingssamenwerking

Uitgangspunten De Vlaamse ontwikkelingssamenwerking hoort de lijn te volgen die de hedendaagse internationale praktijk heeft uitgezet. Binnen een context van duurzame ontwikkeling stelt die duidelijk armoedebestrijding voorop. De algemene doelstelling van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking kan dan ook bestaan in de bevordering van duurzame menselijke ontwikkeling, met prioritair aandacht voor de mensen die het meest kwetsbaar voor armoede zijn. Belangrijk daarbij is dat Vlaanderen samenwerkt aan de realisatie van initiatieven die de bevolking van landen in het Zuiden zélf neemt. Ontwikkeling is pas mogelijk als de directe betrokkenen zélf de ontwikkelingsprocessen beheren, als zij met andere woorden erkend worden in hun recht om "eigenaar" te zijn van hun eigen ontwikkeling. Het spreekt voor zich dat de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking zich enkel tevreden kan stellen met een structurele bestrijding van de armoede. Die uit zich niet alleen in het bekomen van zichtbare en blijvende resultaten, maar ook in het opbouwen en versterken van lokale capaciteit, die de partners van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking toelaat om steeds opnieuw adequate antwoorden te vinden op, en zich aan te passen aan veranderende omstandigheden. Daarnaast moet de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking voldoende aandacht blijven schenken aan wat we de Noord-component van ontwikkelingssamenwerking kunnen noemen : de continue verruiming van het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking binnen de Vlaamse overheid en de ontwikkeling van een houding van internationale rechtvaardigheid bij alle Vlamingen. Tenslotte mag de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking de samenhang met andere beleidsdomeinen met een externe dimensie niet uit het oog verliezen. Om de ontwikkelingssamenwerking te vrijwaren van vermenging met andere belangen is immers geleidelijk aan een steeds striktere afbakening ontstaan. Tegelijk dreigt deze bescherming de ontwikkelingssamenwerking ook in een geïsoleerde positie te brengen. De Noord/Zuid-kloof appelleert nochtans niet alleen aan de traditionele ontwikkelingssamenwerking. Het mag duidelijk zijn dat die traditionele samenwerking, hoewel zeer zeker zinvol, in haar eentje onvoldoende vermag. Indirect hebben ook de Europese landbouwpolitiek, de "gewone" buitenlandse zaken, de houding tegenover migratie, het milieubeleid, enz. enorme effecten op het Zuiden. Een moderne overheid hoort in al zijn beleidsvelden aandacht te hebben voor de (eventuele) impact op het Zuiden van zijn beleidsbeslissingen. Slechts wanneer onze rechtstreekse activiteit in het Zuiden (in het kader van het ontwikkelingsbeleid) zich versterkt kan voelen door het beleid dat in andere domeinen wordt gevoerd, kunnen we van een coherent internationaal beleid spreken.

Voorstel 15: Vlaanderen zorgt voor de uitvoering van de defederalisering van de ontwikkelingssamenwerking. In de staatshervorming van 2001 is een (gedeeltelijke) overheveling van de federale ontwikkelingssamenwerking naar de deelstaten opgenomen. Hoewel deze overheveling volgens de herziene Grondwet op 1 januari 2004 al een feit had moeten zijn, moeten de precieze modaliteiten nog worden bepaald. Dat zal normaliter gebeuren in het Forum voor Institutionele Hervormingen.

36


Het is met andere woorden nog niet duidelijk welke gevolgen de defederalisering voor de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking zal hebben. Dit neemt echter niet weg dat een gestroomlijnde overheveling, van welke aard deze ook moge zijn, een degelijke omkadering vereist. Vlaanderen kan anticiperen op de eigenlijke overheveling door: •

het voorbereiden van een juridisch kader waarin de over te dragen onderdelen van de federale ontwikkelingssamenwerking kunnen worden ingepast;

•

het creëren van de nodige mogelijkheden tot integratie van de over te dragen onderdelen van de federale in de huidige Vlaamse ontwikkelingssamenwerking, zowel beleidsmatig als op het terrein;

•

het organiseren van de samenwerking met de federale overheid, alsook met de overige deelstaten, met het oog op de uitvoering van de huidige engagementen en van toekomstige complementaire activiteiten;

•

het voorzien van de nodige ruimte in de toekomstige organisatiestructuur van het departement Buitenlands Beleid & Internationale Samenwerking en van het agentschap, rekening houdend met nieuwe taken en met een uitbreiding van het personeelskader, al dan niet via transfer van de federale overheid;

In welke mate deze activiteiten meer of minder aandacht zullen vergen, hangt natuurlijk grotendeels af van de wijze waarop de defederalisering van de ontwikkelingssamenwerking uiteindelijk wordt ingevuld. Voorstel 16: De Vlaamse ontwikkelingssamenwerking focust op sectoren en thema’s waarin ze een meerwaarde kan bieden. De Vlaamse ontwikkelingssamenwerking zal zich vooral specialiseren in een beperkt aantal sectoren en thema’s, die nauw aansluiten bij de eigen bevoegdheidsdomeinen en de daarin opgebouwde expertise. In overleg met de partners in het zuiden kan gekozen worden om actief te zijn in één of meerdere van deze sectoren en thema’s. Het gaat om de volgende sectoren: •

institutionele ontwikkeling van lokale besturen;

•

onderwijs en vorming ;

•

gezondheidszorg, met de nadruk op de bestrijding van HIV/AIDS en de mainstreaming daarvan in andere sectoren;

•

duurzame landbouw en voedselzekerheid;

•

milieu & water;

en de volgende thema’s: •

goed bestuur & democratisering;

•

gelijke kansen, met de nadruk op gelijkheid tussen mannen en vrouwen.

37


Voorstel 17: de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking stelt de internationaal erkende ontwikkelingsdoelstellingen, waaronder de millenniumdoelstellingen, voorop. Vlaanderen engageert zich om in zijn ontwikkelingssamenwerking aandacht te hebben voor een aantal internationaal erkende ontwikkelingsdoelstellingen. Vlaanderen wil zijn beleid o.m. koppelen aan het behalen van de millenniumdoelstellingen, maar enige realiteitszin indachtig, beseft het dat het zich ook hier zal moeten beperken tot de keuze van een aantal specifieke doelstellingen, die aansluiten bij de sectoren en thema’s die prioritair aangepakt worden binnen de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking. De volgende millenniumdoelstellingen, die goed aansluiten bij de Vlaamse bevoegdheden, zouden vooropgesteld kunnen worden: •

gelijke kansen voor jongens en meisjes (MDG III – target 4),

•

de strijd tegen HIV/AIDS (MDG VI – target 7) en

•

de halvering van het aantal mensen zonder duurzame toegang tot veilig drinkwater (MDG VII – target 10).

•

Uit de achtste millenniumdoelstelling onthouden we vooral de dringende oproep naar een verhoging van de middelen voor ontwikkelingssamenwerking en naar ontwikkelingsvriendelijke coherentie in het geheel van het buitenlands beleid (zie ook verder).

Om op de internationaal erkende ontwikkelingsgerichte doelstellingen te kunnen inspelen is er nood aan: •

vorming en capaciteitsopbouw rond deze internationaal erkende ontwikkelingsdoelstellingen;

•

benchmarking om rekening te houden met de inbedding van deze doelstellingen in onze partnerlanden;

•

Het hertalen van deze (millennium)doelstellingen zowel naar de Vlaamse context als naar de context van de partnerlanden (lokale inbedding).

Voorstel 18: Vlaanderen levert een verhoogde financiële inspanning voor ontwikkelingssamenwerking. Ook Vlaanderen levert een verhoogde bijdrage om uiterlijk tegen 2010 de afgesproken norm van minstens 0,7% van het BNP aan officiële OS te besteden. Om op een geloofwaardige manier uitvoering te geven aan deze beleidsintentie, dient Vlaanderen in concrete termen aan te geven welk aandeel het van die 0,7% wenst te realiseren en op welke manier het dat aandeel wenst te bereiken36. Een stijging van de budgetten voor de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking zal in ieder geval noodzakelijk zijn. De evolutie van de Vlaamse middelen voor ontwikkelingssamenwerking kan daarom afgestemd worden op het algemene, voorlopig nog exclusief federale groeipad voor het bereiken van de 0,7%-norm. Naar federaal voorbeeld wordt dit engagement bij voorkeur decretaal verankerd.

36 Vanzelfsprekend kan deze verhoogde financiële inspanning slechts verrekend worden indien zij beantwoordt aan de normen die door de lidstaten van de OESO zijn afgesproken en in richtlijnen vastgelegd.

38


Voorstel 19: Vlaanderen werkt vanuit een duidelijk en inhoudelijk stevig gefundeerd ontwikkelingsbeleid. Vlaanderen dient verder te werken aan zijn ontwikkelingssamenwerking vanuit een duidelijke beleidsvisie. Bovenstaande elementen kunnen al een eerste basis vormen. Deze visie moet zijn weergave vinden in een bevattelijke visietekst, die als ontwerp voor brede interactie en achteraf voor ruime verspreiding openstaat. Tien jaar Vlaamse ontwikkelingssamenwerking, gecombineerd met de kennisrijkdom van een goed uitgebouwd middenveld en met de talrijke ervaringen van de internationale ontwikkelingssamenwerking, bieden voldoende basis om een inhoudelijk stevig gefundeerd ontwikkelingsbeleid uit te werken. Ook juridisch kan de ontwikkelingssamenwerking verder verankerd worden in de vorm van een decretaal kader voor de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking.

7

Het beleid toegepast per regio in de wereld

Voorstel 20: Vlaanderen focust. Vlaanderen zorgt voor een krachtig bilateraal beleid door een gerichte selectie van de potentiële partnerlanden/regio’s. Vlaanderen is te klein om een actieve partner te kunnen zijn voor de hele wereld. Het kan niet overal aanwezig zijn, laat staan voor alle landen een waardevolle partner zijn. Vlaanderen kan dit alleen zijn door een concentratiebeleid te voeren, waarbij Vlaanderen zich concentreert op die landen die voor Vlaanderen een meerwaarde kunnen bieden of ten aanzien van dewelke Vlaanderen een echte meerwaarde kan bieden, met een duidelijke identificatie van en focus op de domeinen/sectoren en samenwerkingsvormen die het meest zinvol zijn ten aanzien van deze landen. Binnen de geselecteerde samenwerking wil Vlaanderen een actieve partner zijn, die rekening houdt met de behoeften en het aanbod van Vlaanderen en van het partnerland/-regio. Voor het buitenlands beleid van Vlaanderen betekent dit een gedifferentieerde aanpak naar de verschillende landen en regio’s en een bilateraal beleid dat ingebed moet worden in het beleid van de hele Vlaamse overheid, met beleidsafstemming tussen de verschillende beleidsdomeinen. Het verdragsinstrument of het sluiten van algemene intentieverklaringen kan men aanwenden als hefboom voor versterkte politieke samenwerking, maar dit moet dan gestoffeerd worden met een gedegen uitvoering van de gemaakte afspraken. Voorstel 21: Vlaanderen voert een actieve en dynamische aanwezigheidspolitiek op de politieke overlegfora. Dit kan door in te spelen op de veelvuldige aanwezigheid van buitenlandse bewindslieden in Brussel en door een actieve aanwezigheid van Vlaanderen in het buitenland. De belangen van Vlaanderen moeten door een regelmatig bilateraal overleg op politiek niveau ondersteund en verdedigd worden. Het uitbouwen van een stevig politiek netwerk versterkt bovendien de positie van Vlaanderen binnen onderhandelingen in het Europees of internationaal kader.

39


Dit betekent per regio: De Europese Unie

a. Vlaanderen richt zich voor zijn buitenlands beleid en internationaal ondernemen in de eerste plaats op de landen van de Europese Unie en in het bijzonder op de buurlanden. Zowel politiek, cultuur-historisch, sociaal en economisch zijn de landen van de Europese Unie belangrijk voor Vlaanderen. We onderscheiden 3 grotere groepen van landen: •

de buurlanden

•

West-Europa

•

Centraal- en Oost-Europa

De buurlanden

b. Vlaanderen versterkt zijn politieke netwerking met het oog op de verdediging van de Vlaamse belangen en intensere samenwerking ten aanzien van de buurlanden en regio’s. Er is nood aan een actief buurlandenbeleid zowel met een regionale en grensoverschrijdende invalshoek als het aanhalen van de relaties met de buurlanden, omwille van de belangrijke gedeelde belangen. Activiteiten per land: Nederland: •

actieve opvolging van het besluitvormingsproces en regelmatige politieke contacten (o.m. in het kader van het NL EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2004) tussen bewindslieden m.b.t. de belangrijke infrastructuurdossiers (Westerschelde, IJzeren Rijn en andere spoor en wegverbindingen) en opvolging van het dossier van de Grensmaas;

•

samenwerking verder uitbouwen in de onderwijs en socio-culturele sector (opstart van het Vlaams-Nederlands centrum in Brussel, onderwijssamenwerking, opvolging van de evaluatie en bijsturing NTU, …).

Frankrijk: •

het Frans decentralisatieproces biedt perspectieven om voluit te gaan voor de grensoverschrijdende samenwerking met Noord-Frankrijk (incl. Flanders DC) en andere Franse regio’s;

•

actieve opvolging van het besluitvormingsproces en regelmatige politieke contacten tussen bewindslieden mbt belangrijke dossiers als het project Seine-Nord, de belangrijke verkeersassen en de Euro-metropole Rijsel).

40


Duitsland: •

stimuleren van de grensoverschrijdende samenwerking met Noordrijn-Westfalen en de politieke afstemming met de Duitse Länder in het algemeen;

•

gedeelde belangen met Duitse regio’s inzake de chemische industrie (Europees netwerk van chemische regio’s, pijplijn Antwerpen-Ruhrgebied, …);

•

samenwerking met de Duitse overheden i.k.v. het IJzeren Rijn dossier en de Europese binnenvaart;

•

verder uitbouwen van de samenwerking met Baden Württemberg (Flanders DC).

Luxemburg: •

inspelen op de opportuniteiten die het Luxemburgs EU-voorzitterschap biedt;

•

afstemming mbt de nieuwe BLEU-investeringsverdragen;

•

afspraken over de economische vertegenwoordiging in het buitenland.

Verenigd Koninkrijk: De samenwerking met Schotland verder aanhalen en aanvullen met concrete samenwerkingsverbanden (incl. Flanders DC) en het aanhalen van de contacten met de andere regio’s. Benelux: In het buurlandenbeleid moet er nagegaan worden in welke mate Vlaanderen de Benelux, als instrument en als bondgenootschap binnen de verruimde Europese Unie wil inzetten voor de domeinen, waarvoor de deelstaten bevoegd zijn: economie, ruimtelijke ordening, grensoverschrijdende samenwerking, milieubeheer, enz. In 2010 loopt het Verdrag van de Benelux Economische Unie, dat in 1960 werd geratificeerd, af. Tijdens de komende legislatuur is het wenselijk dat de Vlaamse regering een duidelijk standpunt inneemt in verband met de verdere toekomst van Benelux Economische Unie en dit bezorgt aan de federale overheid en de andere partners binnen het Benelux-kader. Hiertoe zal een extern, beleidsvoorbereidend onderzoek worden uitgevoerd. West-Europa

c. Binnen de groep van de oorspronkelijke EU-lidstaten is de focus vooral gericht op de andere federale staten, met name in het kader van het streven van Vlaanderen voor de versterking van de rol van de regio’s binnen de besluitvorming van de Europese Unie. Vlaanderen kan actief invulling blijven geven aan de relaties die ze uitbouwde in het kader van REGLEG met regio’s in Spanje, Italië en Oostenrijk en kijken hoe deze goede contacten versterkt kunnen worden op alle beleidsdomeinen die binnen zijn bevoegdheden liggen. Centraal- en Oost-Europa

De toetreding van de nieuwe lidstaten op 1 mei 2004 biedt belangrijke nieuwe perspectieven voor samenwerking. d. Vlaanderen valoriseert de inspanningen ten aanzien van de landen van Centraal- en Oost-Europa uit het verleden en bouwt de relaties op het terrein verder uit.

41


•

via de volgehouden ondersteuning van de Vlaamse aanwezigheid in diverse sectoren en het maximaal inspelen op de mogelijkheden die de Europese Unie biedt om deze landen te ondersteunen in het kader van het regionaal- en cohesiebeleid;

•

door een volgehouden financiële inspanning voor de volwaardige invulling van de verdragen en ondersteuning van samenwerkingsprojecten, in het bijzonder voor Roemenië en Bulgarije;

•

door het versterken van de politieke contacten via (economisch en politiek georiënteerde) zendingen en ontvangsten van politieke leiders en via beleidsafstemming met deze landen in het kader van de Europese Unie;

•

door een gevoelige verhoging van de Vlaamse export naar de landen van Centraal- en OostEuropa tegen 2009 in het vooruitzicht te stellen en te ondersteunen;

•

door aandacht te hebben voor de regionaliseringprocessen in de landen van Centraal- en Oost-Europa;

•

door de versterking van zijn netwerk van vertegenwoordigers in de regio. Buitengordel van de Europese Unie

e. In het perspectief van een verdere uitbreiding van de Europese Unie schenkt Vlaanderen bijzondere aandacht aan de mogelijke toekomstige kandidaat-lidstaten (Turkije, Kroatië en de Westelijke Balkan…). Het tot nu gevoerd beleid t.a.v. Centraal & Oost-Europa kan hiervoor als model dienen. Om de samenwerking tussen Vlaanderen en deze landen te bevorderen wordt een specifiek budget voorzien. Omwille van de aanwezigheid van de belangrijke Turkse gemeenschap in Vlaanderen, is het belangrijk om aan dit land aandacht te besteden, zeker indien de Europese Unie eind 2004 zou beslissen dat Turkije een kandidaat-lidstaat wordt. Met de andere landen van de buitengordel, in de eerste plaats Rusland en Oekraïne, worden de (politieke) relaties aangehaald. Pilootprojecten en economische zendingen bieden perspectieven voor nauwere samenwerking. De andere continenten

f. Vlaanderen hanteert een focusstrategie voor de landen en regio’s buiten Europa Buitenlands Beleid •

Voor het algemeen buitenlands beleid kijkt Vlaanderen vooral naar de Verenigde Staten, Canada (in het bijzonder Quebec), Zuid-Afrika en Marokko. In Azië ligt de focus op China en Japan. Een mogelijke verdere uitbreiding van de lijst van prioritaire partners zal steeds voorwerp uitmaken van een grondige omgevingsanalyse en alleen mogelijk zijn mits de uitbreiding van de middelen en een ondersteuning van het engagement vanuit de diverse ministeries van de Vlaamse overheid.

Internationaal ondernemen •

Het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen blijft in eerste instantie een service verlener à la carte voor de bedrijven en in die zin is het belangrijk om over een netwerk te beschikken op alle continenten. In het pro-actief handelen van het netwerk van de Vlaamse economische vertegenwoordigers en de aansturing hiervan zal gerichter gewerkt worden vanuit een geïntegreerde focusstrategie per regio.

42


Ook naar de bedrijven toe zal duidelijk gesteld worden dat het Agentschap inzake serviceverlening behoorlijk ver zal kunnen gaan op die domeinen die het voorwerp uitmaken van de focusstrategie maar beperkt zal zijn op andere domeinen. Ook het aanbod aan acties of de medewerking aan acties van derden zal hier in functie van staan. In overleg met het binnen- en buitenlands netwerk van het Agentschap enerzijds en de Vlaamse economische actoren anderzijds wordt een geïntegreerde focusstrategie per regio uitgewerkt. Deze oefening mondt uit in de opstelling van gefundeerde en meetbare 3-jaren actieplannen. Het spreekt ook voor zich dat bij de implementatie van de strategie en de hieruit voortvloeiende actieprogramma’s alle partners van het Agentschap systematisch en continu worden betrokken. Hiervoor worden in het kader van het nieuwe organogram van het Agentschap in Brussel in het verlengde van de regionale businesscellen Nafta, Europa, Azië-Oceanië, Midden-Oosten-Afrika en Latijns-Amerika, werkraden georganiseerd waarin vertegenwoordigers van de partners samengebracht worden. Ontwikkelingssamenwerking •

Voor ontwikkelingssamenwerking ligt de nadruk op het Afrikaanse continent (ZuidAfrika, Mozambique, Marokko). Er wordt onderzocht of één of twee andere landen in aanmerking kunnen komen, maar dit wordt afhankelijk gesteld van de uitbreiding van de middelen voor ontwikkelingssamenwerking (zie hfdst. Ontwikkelingssamenwerking).

Het Zuid-Amerikaanse continent staat minder in de focus in het algemeen buitenlands beleid en in de ontwikkelingssamenwerking. Dit mag ons er niet van weerhouden om de evolutie in dit werelddeel op te volgen en in te gaan op specifieke samenwerkingsprojecten met een meerwaarde. Hiervoor kan er onderzocht worden of er aansluiting kan gevonden worden bij Europese samenwerkingsprogramma’s met specifieke landen of regionale samenwerkingsverbanden (vb. Mercosur). Indien de Vlaamse overheid wenst in te gaan op projecten inzake ontwikkelingssamenwerking, dient men er rekening mee te houden dat de meeste landen in ZuidAmerika geen MOL-landen zijn (minst ontwikkelde landen volgens de lijst van OESO/DAC). In dit kader kan de Vlaamse overheid de initiatieven van de gemeenten en steden in het kader van de convenants ontwikkelingssamenwerking ondersteunen die er toe bijdragen de kloof tussen arm en rijk in deze landen te verkleinen of de gelijkheid tussen verschillende bevolkingsgroepen te verhogen. Belangrijk is dat we in het toekomstige ministerie Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking de kans krijgen om het politiek-, economisch- en ontwikkelingsbeleid beter op elkaar af te stemmen. Uit de recente geschiedenis in de relaties met de Verenigde Staten blijkt duidelijk dat de politieke houding van een land of regio belangrijke implicaties kan hebben voor de economische relaties. Een actieve, positieve aanwezigheid op de politieke fora kan een hefboom zijn voor meer samenwerking op het vlak van de economie, cultuur, onderwijs en onderzoek, toerisme… . Binnen het nieuwe ministerie kunnen we een meer geïntegreerd antwoord bieden op de internationale eisen naar meer duurzame ontwikkeling. Vlaanderen houdt zich aan de richtlijnen van de OESO in verband met gebonden hulp, en beseft tegelijk dat de uitbouw van gezonde economische relaties of kennis- en ervaringsuitwisseling een hefboom kan zijn voor de ontwikkeling van landen in het Zuiden. We moeten onderzoeken wat Vlaanderen in partnerschap met de landen in het Zuiden te bieden heeft.

43


De Instrumenten 8

beleidsafstemming

Door de toenemende globalisering groeit de impact van dat buitenland op het binnenlands beleid. Bovendien heeft Vlaanderen sinds de staatshervorming van 1993 de volstrekte bevoegdheid om internationaal op te treden binnen het kader van zijn eigen bevoegdheidsdomeinen (in foro interno, in foro externo). De laatste jaren kreeg Vlaanderen meer bevoegdheden door de regionalisering van de buitenlandse handel, het landbouwbeleid, de vergunningsprocedure inzake wapenexport en de in het vooruitzicht gestelde defederalisering van ontwikkelingssamenwerking.

samenwerking met de andere ministeries van de Vlaamse overheid

Voorstel 22: Het Vlaamse buitenlands beleid is een coherent beleid, met veel aandacht voor een goede beleidsafstemming tussen de verschillende beleidsdomeinen. Om als Vlaanderen met één stem te spreken en in te gaan op de mogelijkheden die voor Vlaanderen aangeboden worden binnen de bilaterale samenwerking, de werking van de Europese Unie en de multilaterale organisaties is er in de eerste plaats een goede beleidsafstemming met de andere ministeries van de Vlaamse overheid nodig. De beleidsafstemming wordt zoveel mogelijk gestructureerd in de vorm van regelmatig overleg met de verschillende beleidsdomeinen. Daarnaast blijft ruimte voor een flexibele ad hoc afstemming. Er is nood aan vaste aanspreekpunten binnen de andere beleidsdomeinen voor het buitenlands beleid, zeker voor de afstemming ten aanzien van de Europese Unie. Dit zal gebeuren voor elk van de volgende beleidsvelden: •

de bilaterale samenwerking, vooral met het oog op de actieve invulling van bilaterale akkoorden en een ondubbelzinnige houding naar de bilaterale partner;

•

het beleidsvormingsproces van de Europese Unie en de multilaterale organisaties (dit kwam uitgebreid aan bod in het hoofdstuk 4.2 Europese Unie en 4.3 multilaterale organisaties). Een actieve aanwezigheid vanuit de verschillenden Vlaamse bevoegdheidsdomeinen in de overlegfora van Europese en internationale besluitvorming is noodzakelijk. Het ministerie BBIS kan hier zorgen voor de nodige coördinatie en intern Vlaams overleg om met een coherent Vlaamse verhaal te komen ten aanzien van de Europese Unie en de multilaterale organisaties. Het kan hierbij de aandacht vestigen op domeinoverschrijdende aandachtspunten en een knipperlichtfunctie uitoefenen, door aan te geven aan de internationale en Europese contactpunten per beleidsdomein wanneer een voor hen relevant thema op de Europese of internationale agenda wordt gezet. Het ministerie BBIS zou een coherentietoets kunnen doen van het Vlaams beleid met het Europees en multilateraal beleid. Het kan hier echter niet meer dan een signaalfunctie in hebben naar de andere ministeries toe.

•

het internationaal ondernemen, in het bijzonder voor het aantrekken van de investeringen in Vlaanderen; Dit moet beschouwd worden als een beleidsdomeinoverschrijdende doelstelling van de Vlaamse overheid en kan alleen gerealiseerd worden door een geïntegreerde aanpak.

•

de ontwikkelingssamenwerking: beslissingen binnen de diverse beleidsdomeinen kunnen (ongewild) een impact hebben op ontwikkelingslanden of op het Vlaamse

44


ontwikkelingsbeleid. Opdat dit Vlaamse ontwikkelingsbeleid zo effectief en efficiënt mogelijk zou zijn, wordt met die impact voortaan rekening gehouden, door de beslissingen te onderwerpen aan een coherentietoets. Hierbij krijgt het ministerie BBIS een soort knipperlichtfunctie; het geeft aan wanneer bepaalde beslissingen niet overeenkomen met de doelstellingen en basisprincipes die men wil hanteren voor het algemeen beleid inzake ontwikkelingssamenwerking.

intra-Belgische samenwerking

Voorstel 23: Vlaanderen maakt werk van een geoptimaliseerde intra-Belgische beleidsafstemming, aangepast aan de nieuwe bevoegdheidsverdelingen, als hefboom voor een Vlaams bilateraal beleid en een Vlaams beleid ten aanzien van de Europese Unie en de multilaterale organisaties. De uitbreiding van de bevoegdheden van Vlaanderen en de evoluties in de Europese Unie en in de wereld (de toenemende globalisering van interne thema’s) betekent ook dat er nieuwe afspraken gemaakt moeten worden tussen de verschillende overheden van België om de bestaande samenwerkingsakkoorden aan te passen aan de huidige bevoegdheidsverdelingen. Specifieke afspraken in het kader van: het bilateraal beleid en de vertegenwoordiging van Vlaanderen in het buitenlands beleid Vandaag liggen de afspraken rond de vertegenwoordigers van Vlaanderen in het buitenland vast in een drietal samenwerkingsakkoorden: het eerste heeft betrekking op het statuut van de vertegenwoordigers van gemeenschappen en gewesten in de diplomatieke en consulaire posten”; de actieradius van de economische vertegenwoordiging van Vlaanderen in het buitenland wordt dan weer geregeld door de samenwerkingsakkoorden rond “buitenlandse investeringen” en “handelspromotie”. Deze akkoorden bleken in het verleden een waardevolle basis voor de samenwerking met de andere overheden in België maar zijn aan een actualisering en verruiming toe, rekening houdend met de nieuwe bevoegdheidsverdelingen. Hier volgt een overzicht van een aantal tekorten die vandaag een invloed hebben op de optimale vertegenwoordiging van Vlaanderen in het buitenland en waarrond overlegd moet worden met de andere overheden in België. In de huidige akkoorden zijn er afspraken rond het informeren van het federale posthoofd omtrent de demarches en activiteiten van de Vlaamse vertegenwoordigers op het grondgebied van de post, maar is er geen regeling van de ondersteuning van de Vlaamse vertegenwoordigers bij deze demarches vanwege de federale diplomatie, noch over informatiedoorstroming vanwege de federale diplomaten, die relevant kunnen zijn voor de deelstaatbevoegdheden. Veel hangt vandaag af van de goodwill van de betrokkenen. In welke mate er een beroep kan gedaan worden op de federale diplomatie, op die posten waar geen politiek vertegenwoordiger van Vlaanderen aanwezig is, moet uitdrukkelijk vastgelegd worden. Er bestaan wel afspraken met de andere gewesten voor de economische vertegenwoordiging in posten waar niet alle gewesten aanwezig zijn. Binnen het kader van de BLEU bestaan zo’n afspraken ook voor de economische vertegenwoordiging van Luxemburg. Er is nood aan duidelijke afspraken rond overleg en informatie rond het openen en sluiten van diplomatieke posten of over de voorafgaande advisering rond de benoeming van ambassadeurs. In het kader van ontwikkelingssamenwerking kan er overleg georganiseerd worden voor die partnerlanden waar de andere overheden van België ook actief zijn op dit vlak.

45


de participatie aan het beleidsproces van de Europese Unie De deelstaten van België maken dankbaar gebruik van de mogelijkheid die het art. 203 EG-Verdrag voorziet om België te vertegenwoordigen in de ministerraden van de Europese Unie. De afspraken van vertegenwoordiging werden vastgelegd in een samenwerkingsakkoord van 1994, dat recent nog gewijzigd werd naar aanleiding van de defederalisering van de bevoegdheid inzake landbouw. Dit samenwerkingsakkoord dient geactualiseerd te worden rekening houdend met de nieuwe bevoegdheidsverdelingen en de recente institutionele hervormingen van de Europese Unie (en in het bijzonder de nieuwe raadsformaties). Ten slotte moeten deze akkoorden ook verruimd worden naar het volledige besluitvormingsproces, van de voorbereiding in de Commissie (expertenwerkgroepen), over de besluitvorming in de raadswerkgroepen en de raden, naar de werkgroepen die zich beraden over de uitvoering van de besluitvorming. Alleen zo kan Vlaanderen tijdig en volwaardig inspelen op het Europese besluitvormingsproces en zo zijn eigen bevoegdheden vrijwaren. de participatie binnen de multilaterale fora De participatie binnen de multilaterale fora vallen onder de algemene regel dat Vlaanderen voor de multilaterale samenwerking bevoegd is voor zijn eigen bevoegdheidsdomeinen (in foro interno, in foro externo). Dit wordt met zoveel woorden ook omschreven in een samenwerkingsakkoord ter zake, maar dit akkoord wordt in de praktijk minimaal ingevuld. Dit samenwerkingsakkoord is beperkt tot een lijst van nominatim opgesomde organisaties. Intussen is de lijst van organisaties aan een update toe, rekening houdend met het ontstaan van nieuwe internationale samenwerkingsverbanden. Beter ware het om het akkoord algemeen te formuleren (zonder opsomming van de organisaties) en dieper in te gaan op concrete werkafspraken tussen de verschillende overheden. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat de meeste internationale organisaties geen deelstaten erkennen als volwaardig lid. Het is dus vaak vooral belangrijk om ervoor te zorgen dat het in deze organisaties vertolkte Belgisch standpunt voorbereid werd door de intern-Belgische bevoegde overheid. Wat de rapportages van België naar Europese en internationale organisaties betreft (vb. Mensenrechtenrapportage): hier zijn duidelijke intra-Belgische afspraken nodig zodat het beleid van de verschillende deelstaten van België op een bevattelijke manier naar voren kan komen. Vlaanderen heeft hiervoor meer inspraak nodig in het opstellen van deze rapporten. een strikte toepassing van het wettelijk takenpakket voor het federale agentschap voor Buitenlandse Handel Door de Bijzondere Wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten is Vlaanderen volledig bevoegd geworden voor het afzet- en uitvoerbeleid. Export Vlaanderen en binnenkort het Agentschap voor Internationaal Ondernemen, is belast met het inbouwen van deze bevoegdheden in zijn takenpakket. De federale overheid blijft enkel nog bevoegd om waarborgen te verstrekken tegen uitvoer-, invoer- en investeringsrisico’s en voor het multilateraal handelsbeleid. Bij Decreet van 18 december 2002 keurde het Vlaams Parlement het samenwerkingsakkoord van 24 mei 2002 goed tussen de federale overheid en de gewesten met betrekking tot de oprichting van het Agentschap voor Buitenlandse Handel. Belangrijke verandering in vergelijking met de toestand voor de oprichting van het Agentschap voor Buitenlandse handel is dat het voortaan de federale overheid niet langer meer toekomt de coördinatie, bevordering en samenwerking op het vlak van de export te verzekeren. Teneinde het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen toe te laten zijn rol naar behoren te vervullen dient er over gewaakt te worden dat het takenpakket van het Agentschap voor Buitenlandse Handel beperkt blijft tot de wettelijk afgesproken taken en er geen recuperatiebeweging op gang komt.

46


afstemming van de communicatie Het imago (en de actieradius) van Vlaanderen wordt nog steeds beïnvloed door de houding en het internationaal communicatiebeleid van de federale overheid. Het is belangrijk dat vertegenwoordigers van de federale overheid in hun communicatie naar buiten wijzen op de juiste bevoegdheidsverdelingen en afspraken van representatie tussen de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten. Bovendien organiseert de federale overheid ook promotiecampagnes en buitenlandse zendingen of ontvangt zij buitenlandse gasten die een meerwaarde zouden kunnen bieden voor de exportbevordering of het aantrekken van investeringen. Aangezien deze taken niet langer thuishoren in het bevoegdheidspakket van de federale overheid is een goede voorafgaande beleidsafstemming met en een duidelijke betrokkenheid van de gewestelijke diensten een voorwaarde om een optimale return naar de Vlaamse economie te realiseren. Internationale evenementen die georganiseerd worden door de verschillende overheden van het land, op voet van gelijkheid, zouden het voorwerp kunnen uitmaken van een samenwerkingakkoord, waarbinnen de krijtlijnen kunnen uitgetekend worden van de wijze waarop de organisatie, communicatie en promotie kan gebeuren. afstemming rond de wapenhandel Aangezien de reglementering inzake wapenhandel belangrijk is voor de mondiale conflictbeheersing en de veiligheid, is er een heel uitgebreid afsprakenkader op Europees en internationaal niveau. Op het Europees niveau zullen de gewesten onderling afspraken moeten maken rond coördinatie en afstemming en vertegenwoordiging in de Europese overlegorganen ter zake en zullen ze dit ook met de federale overheid moeten doen, daar waar er raakvlakken zijn met de federale bevoegdheden zoals veiligheid, energie, financiën (douane)…. Voor de standpuntbepaling ten aanzien van de multilaterale fora zal België steeds een gemeenschappelijk standpunt moeten blijven voorbereiden. Bovendien zijn er ook intra-Belgisch raakvlakken met andere bevoegdheidsdomeinen die tot de federale bevoegdheid behoren,(douane, kernenergie…). Ook tussen de gewesten moeten duidelijke afspraken gemaakt worden. Er is nood aan een goed uitgewerkt intra-Belgisch samenwerkingsakkoord voor de wapenhandel.

9

communicatie en promotie

Voorstel 24: Vlaanderen zorgt voor een goede interne afstemming tussen de verschillende entiteiten rond internationale communicatie. Vlaanderen moet krachtige inspanningen leveren om een herkenbaar en erkenbaar positief imago in het buitenland op te bouwen. Om een maximale herkenbaarheid van Vlaanderen op het internationale forum te garanderen dient derhalve prioriteit gegeven te worden aan de ontwikkeling van een corporate logo met aanpasbare baseline en een eenduidige huisstijl voor de internationale communicatie van Vlaanderen. Het is essentieel dat deze corporate visuele identiteit wordt gedragen en toegepast door alle entiteiten en hun netwerken die aan internationale communicatie doen. Eveneens is er nood aan een gemeenschappelijk en gecoördineerd promotiebeleid (advertenties, publi-reportages, DVD,…) om Vlaanderen op een uniforme wijze in het buitenland bekend te maken.

47


Voorstel 25: Vlaanderen zorgt voor een gecoördineerde aanwezigheid van Vlaamse actoren op grote internationale evenementen met het oog op een vergroting van de internationale uitstraling van Vlaanderen. Vlaanderen moet het bestaan van grote internationale evenementen aanwenden om zich in het buitenland op een prominente en succesvolle manier voor te stellen. Aan grote culturele festivals en tentoonstellingen en andere belangrijke, internationale events kunnen systematisch Vlaamse (culturele) programma’s gekoppeld worden. Vlaanderen kan ook overgaan tot een aantal doelgerichte, geïntegreerde acties waarin met verschillende diensten van de Vlaamse overheid wordt samengewerkt om internationaal op te treden (b.v. Vlaamse weken). Doel van deze activiteiten is de eigen Vlaamse know-how en expertise op een actieve, multisectorale en gerichte wijze verder onder de aandacht brengen van het buitenland. Op die manier kunnen zoveel mogelijk Vlaamse en buitenlandse sectoren en mensen samengebracht worden op het vlak van politiek, export, toerisme, cultuur, sport, enz Vaak zijn dergelijke evenementen goede aanknopingspunten voor succesvolle exportpromotieacties in binnen- en buitenland. Men zou dergelijke activiteiten b.v. in eerste instantie kunnen opzetten in een aantal landen in Centraal-en Oost-Europa. Voorstel 26: Vlaanderen verbetert zijn communicatie door de ontwikkeling van doelgroepgerichte communicatieplannen. Tijdens de vorige legislatuur werd een corporate communicatiestrategie “Vlaanderen Internationaal” ontwikkeld die geconcretiseerd dient te worden in afzonderlijke communicatieplannen voor de prioritaire doelgroepen, zijnde de buitenlandse media, de buitenlandse overheden, de diplomatieke wereld en de economische wereld. De doelgroepgerichte communicatieplannen leiden tot een gedifferentieerde aanpak per doelgroep waarbij voor elk van hen duidelijke richtlijnen worden opgemaakt over de aard van de boodschap en de standaardtalen waarin elk communicatieproduct dient aangemaakt te worden. Daarenboven kan het materiaal ook ter beschikking worden gesteld in meerdere talen, aangepast aan de specifieke doelgroepen. De externe communicatieplannen dienen zowel te worden opgemaakt voor de binnenlandse doelgroepen als voor de buitenlandse doelgroepen. Er is ook nood aan een goede interne communicatie om de interne werking binnen het beleidsdomein te optimaliseren. Een goede interne communicatie vormt tevens de basis voor een doeltreffende externe communicatie: goede interne afspraken zijn immers van wezenlijk belang bij de invoering van een huisstijl voor de externe communicatie. Voorstel 27: Vlaanderen intensiveert de communicatie met de internationale diplomatie en de economische wereld Het bespelen van de internationale media (met inbegrip van de Belgische Franstalige media) vormt een generieke doelstelling voor de hele Vlaamse overheid en zal worden gecoördineerd door de toekomstige Diensten van de Minister-president. De aanwezigheid van de internationale pers in de hoofdstad van Europa (Brussel) vormt hierbij een niet te verwaarlozen opportuniteit. Het beleidsdomein BBIS zal zich vooral concentreren op de communicatie via het internationaal diplomatiek netwerk en op de toegang tot de internationale economische wereld. Dit laatste kan aangepakt worden via het systematisch bespelen van gespecialiseerde media, maar ook door rechtstreekse informatiecampagnes.

48


10

draagvlak

Voorstel 28: Vlaanderen verbreedt het draagvlak voor zijn buitenlands beleid via een doelgroepgerichte aanpak. a. Het buitenlands beleid van Vlaanderen: gekend en interactief Naar ons aanvoelen wordt het Vlaams buitenlands beleid totnogtoe te weinig gepromoot binnen Vlaanderen. Enerzijds dient er vooral sensibiliserend te worden gecommuniceerd teneinde het Vlaams buitenlands beleid beter bekend te maken bij de binnenlandse doelgroepen. Anderzijds dient wervend te worden opgetreden, zo kunnen onderzoekers “geprikkeld” worden om mee na te denken over bepaalde aspecten van het Vlaams buitenlands beleid. Het voorlopige succes van het multilaterale programma van stagefinanciering doet dromen van de uitbouw van een verregaande dienstverlening rond multilaterale carrièremogelijkheden. In dit kader kan worden gedacht aan het uitbreiden van de stageplaatsen die voor financiering in aanmerking komen en zelfs aan de ontwikkeling van een website rond werken voor multilaterale organisaties en het organiseren van informatiesessies hierover. Ook het beter afstemmen van de stagemogelijkheden op de VN programma's voor Junior Professional Officers (JPO's) via eigen Vlaamse financiering of via betere aansluiting bij het bestaande federale programma kan worden overwogen. b. Internationaal ondernemen: samenwerking met het middenveld Bij het Vlaamse bedrijfsleven moet het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen (F.I.T.) de huisnaam worden voor internationaal ondernemen. Hiertoe moet elke toegangsdrempel verdwijnen. Door de uitbreiding van de loketfunctie van het Agentschap in Vlaanderen: via strategische partnerships zal dit gerealiseerd worden. Het ‘front office’ van het Agentschap situeert zich voortaan bij een aantal organisaties uit het middenveld. Dit ‘front office’ vormt het aanspreekpunt voor Vlaamse ondernemers die een beroep willen doen op de dienstverlening van het Agentschap. Zij kunnen er terecht voor eerstelijnsadvies en een eventuele doorverwijzing naar het Agentschap. Dit laat toe dat deze instelling zich door middel van ‘account management’ kan concentreren op een meer intensieve en geïndividualiseerde begeleiding van Vlaamse ondernemingen die willen internationaliseren. Groeperingen, federaties of associaties die representatief zijn voor het Vlaamse economische middenveld of een significant onderdeel hiervan en wiens leden een rechtstreeks belang hebben bij de goede werking van het Agentschap zullen de mogelijkheid krijgen – mits voldoening aan de voorwaarden en ondertekening van een convenant – tot de uitoefening van een loketfunctie voor het Vlaams internationaal ondernemen. Het Vlaamse middenveld wordt ook op een intensieve manier betrokken bij de ontwikkeling en uitwerking van de regionale strategie van het Agentschap. Hiertoe worden zij op regelmatige wijze geconsulteerd o.a. door middel van de organisatie van werkraden. Met enkele organisaties die voor het internationaal ondernemen van strategisch belang zijn wordt een convenant afgesloten waarin concrete afspraken worden opgenomen over een nauwere samenwerking met het Agentschap. In het kader van deze convenants wordt er jaarlijks een operationele overeenkomst afgesloten. c. Een verhoogde zichtbaarheid voor de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking Over de activiteiten en verwezenlijkingen van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking wordt regelmatiger gecommuniceerd, zowel ten aanzien van regering, parlement en bevolking als ten aanzien van binnen- en buitenlandse derden (internationale organisaties, andere donoren, middenveld, enz.). Verhoogde zichtbaarheid is geen doel op zich. Voor binnenlands gebruik is het een instrument om het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking te verruimen en te verstevigen. Daarnaast is regelmatige communicatie een manier om verantwoording af te leggen, zowel aan de 49


wetgever als aan de belastingbetaler. Vlaanderen verhoogt tevens het draagvlak door jaarlijks verscheidene projecten rond ontwikkelingseducatie en –sensibilisering te ondersteunen. d. Van belanghebbende tot betrokkene : een platform voor overleg met de actoren Bij de bepaling van het beleid en de organisatie van de uitvoering ervan pleegt de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking structureel overleg met de betrokken actoren. Dit overleg kan immers bijdragen tot een fijnere beleidsbepaling en een ruimer draagvlak bij het middenveld. Tegelijk zal het de relaties tussen de actoren ten goede komen. Twee vereisten daarbij :

11

•

de verschillende soorten actoren zijn zo goed mogelijk vertegenwoordigd ;

•

het overlegplatform moet snel en adequaat gerichte informatie kunnen verstrekken en inwinnen: geen uitgebreide “Staten-Generaal”, maar een compacte vergadering.

een overheid in beweging

Uitgangspunt Om een antwoord te bieden aan steeds meer globalisering en een wereld die sterk in beweging is, moet Vlaanderen een buitenlands beleid ontwikkelen dat dynamisch, interactief en flexibel is. Voorstel 29: 1+1+1=4 ; Vlaanderen versterkt zijn internationale daadkracht door de oprichting van het ministerie van Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking, dat de ambitie heeft om te groeien naar een moderne, dynamische en interactieve overheidsdienst. De Vlaamse regering heeft tijdens de aflopende legislatuur beslist om zijn daadkracht ten aanzien van de buitenwereld te versterken door de krachten te bundelen. Dit werd meegenomen in een omvangrijk veranderingsproces binnen de hele Vlaamse overheid, onder de naam Beter Bestuurlijk Beleid. Het algemeen buitenlands beleid, de ontwikkelingssamenwerking en het internationaal ondernemen komen onder de bevoegdheid van één minister en worden gebundeld in één ministerie, namelijk het nieuwe Ministerie van Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking. Hierdoor kan er beter ingegaan worden op de doelstelling van de beleidsnota 2000-2004 : met één stem en één gezicht naar buiten treden; zorgen dat Vlaanderen consequent en eenduidig is in haar samenwerking met andere landen en regio’s, binnen het kader van de Europese Unie en op de multilaterale fora. Maar er is meer: men wil een ministerie dat modern en dynamisch functioneert, dat open en flexibel is, zijn eigen functioneren permanent durft te evalueren en bij te sturen om aangepast te blijven aan de evoluerende buitenwereld, dat interactief werkt, met de nodige beleidsafstemming met de multilaterale organisaties, Europese Unie, federale overheid, lokale overheden (multi-level governance) en de andere ministeries van de Vlaamse overheid en met een open deur voor overleg met andere betrokkenen in het buitenlands beleid, de ontwikkelingssamenwerking en het internationaal ondernemen. Dit laatste vindt ondermeer zijn emanatie in de Strategische Adviesraad, waar de verschillende actoren en vertegenwoordigers van de onderzoekswereld in een ‘denktank’ zullen samenwerken rond de grote lijnen van het buitenlands beleid. In het kader van Beter Bestuurlijk Beleid van de Vlaamse overheid werd beslist om de beleidsondersteuning toe te vertrouwen aan het departement. Hierdoor krijgt het departement een

50


veel grotere verantwoordelijkheid in de directe ondersteuning van het beleid van de minister. De beleidsuitvoering wordt toevertrouwd aan aparte entiteiten binnen dit ministerie. De beleidsuitvoering buitenlands beleid en de beleidsuitvoering ontwikkelingssamenwerking worden ondergebracht in entiteiten binnen het ministerie (voor ontwikkelingssamenwerking tot er duidelijkheid is over de bevoegdheidsverdeling met de federale overheid). Voor het internationaal ondernemen werd beslist om het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen op te richten; de integratie van enerzijds Export Vlaanderen en anderzijds de Dienst Investeren in Vlaanderen (D.I.V.) in één verzelfstandigd Agentschap. Het zal toelaten een op maat gesneden, performante en resultaatgedreven dienstverlening aan te bieden voor alle facetten van het internationaal ondernemen. De Vlaamse bedrijven wordt aldus de mogelijkheid geboden zich voortaan tot één loket, met name het Agentschap, te richten met al hun vragen inzake internationaal ondernemen, terwijl ook buitenlandse potentiële investeerders hier terecht kunnen voor professioneel advies en begeleiding. Het Agentschap wordt m.a.w. een forum waar het Vlaamse aanbod en de buitenlandse vraag elkaar soepel en snel kunnen vinden en waarin alle overheidskrachten ter promotie en stimulering van het duurzaam internationaal ondernemen worden bijeengebracht. Voorstel 30: Vlaanderen richt één strategische adviesraad op voor het Beleidsdomein Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking In het kader van het reorganisatieproces Beter Bestuurlijk Beleid besliste de Vlaamse regering begin 2001 om, in het verlengde van de herstructurering van de Vlaamse administratie en de Vlaamse openbare instellingen, ook een herstructurering van het bestaande advies- en overlegstelsel door te voeren. Daartoe werd het kaderdecreet van 18 juli 2003 tot regeling van de strategische adviesraden aangenomen. Dit kaderdecreet voorziet in de oprichting van een strategische adviesraad per beleidsdomein. Er wordt voorgesteld om voor het beleidsdomein Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking één strategische adviesraad op te richten. Eén adviesraad voor de drie beleidsvelden buitenlands beleid, internationaal ondernemen en internationale samenwerking geeft uiting aan een geïntegreerde benadering van het internationaal optreden van de Vlaamse regering. In die optiek is het belangrijk dat deze éne adviesraad de gestelde problematiek op het macro-niveau kan bekijken. Er wordt geopteerd voor een gemengde samenstelling van de adviesraad. Enerzijds kunnen ervaringsdeskundigen die in het brede veld van het buitenlands beleid, internationaal ondernemen of internationale samenwerking actief zijn, beleidsvoornemens of nieuwe initiatieven op hun haalbaarheid en/of wenselijkheid beoordelen. Anderzijds kunnen onafhankelijke deskundigen vanuit hun academische of beroepservaring het beleid vanuit een meer neutrale of wetenschappelijke invalshoek kritisch evalueren. Via het instrument van een strategische adviesraad voor het beleidsdomein Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking kan de Vlaamse regering zich bij de totstandkoming van haar buitenlands beleid (in de brede betekenis van het woord) laten adviseren door een deskundig klankbord van actoren en experts. Op deze manier kan de strategische adviesraad bijdragen tot het vormen van een beleidsvisie over buitenlands beleid, internationaal ondernemen en ontwikkelingssamenwerking. Voorstel 31: Vlaanderen versterkt zijn netwerk van vertegenwoordigers in het buitenland De komende vijf jaar moet de Vlaamse regering een ander belangrijk instrument van het buitenlands beleid verder consolideren en optimaliseren, met name dat van de geïntegreerde vertegenwoordigingen in het buitenland. Deze vertegenwoordigingen, die de kantoren huisvesten van de vertegenwoordiger van de Vlaamse regering, de Vlaamse economische vertegenwoordigers, de landbouwattachés, de vertegenwoordigers van Toerisme Vlaanderen, VLAM en VVOB, vormen de eerste aanspreekpunten van de buitenlandse partners van Vlaanderen en zijn aldus belangrijk voor een representatieve en zichtbare Vlaamse aanwezigheid in deze standplaatsen. Er zal gewerkt

51


worden aan de verdere versteviging van de werking en de positionering van de geïntegreerde vertegenwoordigingen op de verschillende standplaatsen. Uiteraard is een goede vertegenwoordiging in het buitenland vooral gebaad met een dynamisch netwerk van uitstekende vertegenwoordigers: er is nood aan een uitbreiding, een strategische positionering en verdieping van het netwerk van vertegenwoordigers van Vlaanderen. Een sterk netwerk van vertegenwoordigers van de Vlaamse regering Het is belangrijk om het netwerk van vertegenwoordigers van de Vlaamse regering nog te versterken (o.m. naar Centraal- en Oost-Europa) en vooral te verdiepen bij de prioritaire bilaterale partners en de Europese Unie. Daarnaast moet ook een selectie gemaakt worden van de strategisch belangrijke multilaterale organisaties en moet er onderzocht worden in welke mate de vertegenwoordiging van Vlaanderen ten aanzien van deze organisaties versterkt kan worden. Een dynamisch buitenlands netwerk voor het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen Eén van de hoekstenen voor het Agentschap is de verdere optimalisatie van de geografische structuur en bezetting van het buitenlandse netwerk in functie van de regionale focusstrategie en in functie van ‘objectieve criteria’. Om dit optimaal netwerk uit te bouwen is het noodzakelijk dat het Agentschap dit netwerk op een flexibele manier kan inzetten en managen. Om de aanwezigheid in de landen van Centraal- en Oost-Europa te versterken zal het in eerste instantie de mogelijkheid tot het openen van economische vertegenwoordigingen in Roemenië, Bulgarije en Slovakije onderzoeken. Een opvolging in het veld van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking We stellen vast dat de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking snel evolueert. Om dit gegeven beter op te volgen in het buitenland is er nood aan een aantal Vlaamse vertegenwoordigers voor ontwikkelingssamenwerking in de landen die prioritair zijn voor de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking. Voorstel 32: Vlaanderen bouwt een administratieve entiteit wapenexport uit Om een degelijke advisering van de minister bevoegd voor wapenexport te garanderen is er nood aan de uitbouw van de nodige expertise binnen de administratie. Concreet betekent dit dat de administratie de nodige technische know how moet hebben om de juiste analyse van de te verhandelen producten te maken. De administratie moet in staat zijn om deze producten in de correcte productcategorieën te catalogeren, om daaraan de juiste wettelijke consequenties te kunnen verbinden inzake wapenhandel. Voor Vlaanderen betekent dit een algemene kennis van goederen die vallen onder de meer traditionele definitie van wapens, maar ook over een heel gamma van goederen die voor tweeërlei bestemming37 kunnen gebruikt worden (vb.chemicaliën, elektronica…). Aangezien de wapenhandel sterk gelinkt is met de internationale veiligheid, is dit vervat in een heel complex gegeven van Internationale en Europese afspraken en regelgeving. Een nauwe opvolging van hetgeen verder afgesproken wordt in de verschillende overlegfora op Europees en internationaal niveau is noodzakelijk. De belangen en visie van Vlaanderen zullen ten aanzien van deze fora moeten voorbereid worden. Ook hier zal intra-Belgisch overleg noodzakelijk zijn. De Belgische wetgeving die vandaag van toepassing is, is een uitvoering van de Europese afspraken (o.a. de Gedragscode wapenhandel) en internationale afspraken ter zake en vraagt een gedegen landenstudie ter ondersteuning van de advisering rond de vergunningen naar de ‘gevoelige’ landen.

37

zowel voor militair als burgerlijk gebruik

52


Men moet ook goed volgen welke landen onder Europees of internationaal embargo staan. Deze taken vragen de inbreng van hooggekwalificeerd personeel met een grondig inzicht in de Belgische, Europese en internationale wetgeving inzake wapenhandel en een ruime kennis inzake buitenlands beleid. Dit is eveneens belangrijk als ondersteuning van de verdere uitbouw van een Vlaams beleid ter zake en een werkbaar decretaal kader inzake wapenexport naar de toekomst toe.

53


Bijlagen BIJLAGE 1 Een aangepaste organisatiestructuur voor het Vlaams buitenlands beleid

Tijdens de afgelopen legislatuur hebben zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan die een belangrijke weerslag hebben op de toekomstige organisatie van het Vlaams buitenlands beleid. Deze ontwikkelingen zijn zowel inhoudelijk (nieuwe opdrachten) als organisatorisch (herstructurering van bestaande structuren) en zullen bepalend zijn voor de uitbouw van het beleidsdomein Buitenlands Beleid & Internationale Samenwerking (BBIS): •

•

•

•

In het kader van het reorganisatieproces Beter Bestuurlijk Beleid besliste de Vlaamse regering begin 2001 om de Vlaamse administratie en de Vlaamse openbare instellingen te herstructureren. Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking (BBIS) zal binnen de nieuwe structuur een homogeen beleidsdomein worden. Het nieuwe organisatieconcept voorziet o.m. in een grotere verantwoordelijkheid voor de Vlaamse administratie (beleidsondersteunende taken) en een inkrimping van de ministeriële kabinetten; Als gevolg van de hertekening van het instrumentarium ter bevordering van het internationaal ondernemen werd in 2002 beslist om de werking en structuur van Export Vlaanderen en de Dienst Investeren Vlaanderen te integreren om uiteindelijk te komen tot één organisatie verantwoordelijk voor internationaal ondernemen: het Vlaams agentschap voor Internationaal Ondernemen of Flanders Investment &Trade (FIT). Dit beleidsuitvoerend agentschap wordt ondergebracht binnen het beleidsdomein BBIS. De beleidsondersteuning inzake internationaal ondernemen wordt een nieuwe taak voor het departement BBIS; Sinds eind augustus 2003 is Vlaanderen volledig bevoegd inzake wapenexport. De Vlaamse regering heeft daarop beslist dat de minister bevoegd voor economie, buitenlands beleid en e-government de politieke verantwoordelijke wordt van dit dossier en dat de administratie Buitenlands Beleid belast wordt met de administratieve opvolging van de Vlaamse wapenexport; Bij de staatshervorming van 2001 werd voorzien dat onderdelen van de federale ontwikkelingssamenwerking tegen 1 januari 2004 naar de gemeenschappen en de gewesten overgeheveld zouden worden. De uitwerking van deze beslissing liet echter op zich wachten. In het federale regeerakkoord van 8 juli 2003 werd de oprichting aangekondigd van een forum waarbij de gewesten en gemeenschappen zullen worden betrokken. In dit forum zal de defederalisering van ontwikkelingssamenwerking worden besproken. De oprichting van het forum is voorzien voor na de regionale verkiezingen van 13 juni 2004.

Als gevolg van deze politieke beslissingen werd de afgelopen jaren gesleuteld aan het organisatieconcept en de structuur van het beleidsdomein. Deze nieuwe structuur is nodig opdat de administratie zich blijvend kan engageren tot een kwaliteitsvolle dienstverlening en een snelle en doeltreffende uitvoering van haar (nieuwe) taken.

54


De nieuwe structuur voor het beleidsdomein BBIS zal er als volgt uitzien (zie figuur 1):

Minister Strategische adviesraad Beleidsraad

Raadgevend comité (*)

IVA zonder rechtspersoonlijkheid Internationale Samenwerking (*)(***)

Entiteit Beleid

(Sub)entiteit Wapenexport

Raad van bestuur

Departement

EVA

Buitenlands Beleid & Internationale Samenwerking

Internationaal Ondernemen (Flanders Investment & Trade)

Entiteit

Entiteit

Beleidsuitvoering Buitenlands Beleid

Beleidsuitvoering Internationale Samenwerking (**)(***)

(*) wordt opgericht na de defederalisering van de federale ontwikkelingssamenwerking (**) wordt opgericht in afwachting van de defederalisering van de federale ontwikkelingssamenwerking. Zal na de defederalisering verzelfstandigd worden in het Vlaams agentschap voor Internationale Samenwerking. (***) internationale samenwerking en ontwikkelingssamenwerking zijn synoniemen.

Figuur 1: de nieuwe organisatiestructuur voor het beleidsdomein BBIS

55


Binnen het ministerie wordt de uitbouw van het nieuwe departement een uitdaging die van bij de start van de nieuwe regering prioritair dient aangepakt te worden. De structuur van het departement wordt weergegeven in figuur 2.

Hoofd van het departement

Secretariaat

Communicatie

Beheerscontrole beleidsdomein

Begroting/interne controle dep.

Beleidsontwikkeling

BELEIDSUITVOERING INTERNAT. SAMENWERKING

Kennisbeheer

(*)

BELEID

BELEIDSUITVOERING BUITENLANDS BELEID Bilateraal

Juridische zaken

Europese Unie en multilaterale samenwerking

WAPENEXPORT

Vertegenw. buitenland Perm. Vert. bij EU

(*) wordt opgericht in afwachting van de defederalisering van de federale ontwikkelingssamenwerking. Zal na de defederalisering verzelfstandigd worden in het Vlaams agentschap voor Internationale Samenwerking.

Figuur 2: de nieuwe organisatiestructuur voor het departement BBIS Indien het departement zijn beleidsondersteunende rol voor het hele beleidsdomein wil waarmaken zal er verdere expertise moeten uitgebouwd worden m.b.t. internationale samenwerking, internationaal ondernemen en wapenexport. Naast een doorgedreven competentiemanagement waarbij binnen de bestaande personeelsmiddelen de juiste persoon op de juiste plaats wordt ingezet, is een personeelsuitbreiding noodzakelijk.

56


BIJLAGE 2 De begroting

Begroting algemeen buitenlands beleid, ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse handel Tabel 1: beleidskredieten algemeen buitenlands beleid, ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse handel (initiële begrotingen 1999 - 2004)(in euro) beleidskredieten jaar

algemeen buitenlands beleid

ontwikkelingssamenwerking

buitenlandse handel

programma 12.1 (t.e.m. 2000)

programma 51.4

programma 12.1

programma 12.2 (t.e.m. 2001)

1999

22.726.878

7.469.032

25.612.358

2000

14.330.725

9.791.794

27.627.733

2001

25.562.780

8.187.923

31.118.074

2002

20.597.000

16.466.000

33.457.000

2003

16.900.000

16.083.000

37.171.000

2004

13.592.000

16.226.000

40.095.000

Tabel 2: belangrijkste beleidsitems binnen begroting algemeen buitenlands beleid en ontwikkelingssamenwerking (initiële begrotingen 2002 - 2004) buitenlands beleid beleidsitem

2002

2003

2004

Centraal- en Oost-Europa

6.183.000

5.746.000

2.983.000

multilaterale samenwerking

2.516.000

2.316.000

2.316.000

publicaties, promotie, ondersteuning Vlaams imago

2.520.000

2.098.000

2.073.000

humanitaire bijstand

1.859.000

1.609.000

1.609.000

subsidies aan verenigingen, instellingen, personen en aan projecten in landen waarmee Vlaanderen geen verdrag of overeenkomst heeft

1.240.000

1.123.000

1.473.000

vertegenwoordigers/vertegenwoordigingen in het buitenland

1.331.000

1.218.000

1.001.000

uitvoering internationale verdragen en akkoorden (incl. intraBelgische samenwerkingsakkoorden)

1.252.000

552.000

552.000

749.000

702.000

502.000

2002

2003

2004

10.163.000

10.463.000

10.613.000

ontvangsten + zendingen minister-president en minister bevoegd voor buitenlands beleid

ontwikkelingssamenwerking beleidsitem subsidies aan verenigingen, instellingen, personen en subsidies ter ondersteuning van allerhande initiatieven

57


sensibilisering en educatie

1.784.000

1.534.000

1.534.000

gemeentelijke convenants

2.603.000

1.595.000

1.445.000

subsidie VVOB

1.232.000

1.322.000

1.322.000

211.000

443.000

601.000

0

250.000

300.000

248.000

248.000

248.000

subsidies i.k.v. intersectoraal akkoord social profit programma’s en projecten waarborgverlening Horizontale begroting buitenlands beleid

Tabel 3: beleidskredieten en betalingskredieten horizontale begroting buitenlands beleid (initiële begrotingen 1999 - 2004)(in euro)(*) jaar

beleidskredieten

betalingskredieten

1999

154.296.000

149.852.000

2000

201.493.000

198.538.000

2001

260.003.000

253.089.000

2002

261.290.000

258.165.000

2003

260.502.000

259.089.000

2004

264.283.000

250.138.000

(*) Exclusief enkele basisallocaties met vastleggingsmachtigingen en variabele kredieten. Exclusief MINA-fonds Tabel 4: beleidskredieten en betalingskredieten horizontale begroting buitenlands beleid per departement (initiële begrotingen 2003-2004)(in euro) beleidskredieten departement

betalingskredieten

2003

2004

2003

2004

EWBL

102.445.000

108.783.000

99.711.000

105.432.000

WVC

52.954.000

54.589.000

53.549.000

54.384.000

LIN

48.704.000

45.277.000

44.621.000

34.030.000

COO

36.785.000

33.409.000

36.769.000

30.326.000

OND

13.559.000

13.869.000

14.121.000

13.816.000

WIM

6.055.000

8.330.000

10.318.000

12.124.000

AZF Totaal

26.000 260.502.000

264.283.000

58

26.000 259.089.000

250.138.000


BIJLAGE 3 Het administratief landschap

Tabel 5: overzicht van de voornaamste entiteiten binnen het Vlaamse overheidsapparaat die bij het buitenlands beleid zijn betrokken naam

opdracht

huidig statuut

statuut BBB

begroting 2004 (*)

personeel binnenland

personeel buitenland (**)

aBB

ondersteuning, adm. coördinatie en binnen uitvoering v.h. MVG buitenlands beleid v.d. Vlaamse regering

departement binnen ministerie BBIS

29.818.000

74

8

EV

bevordering van de Vlaamse export

VOI

EVA (FIT)

37.500.000

168

56 ec. vert.

aantrekken van buitenlandse investeringen naar Vlaanderen

DAB

EVA (FIT)

5.500.000

21

6

VZW

EVA pr

20.149.662

70

2

IVA rp

49.328.000

127

11

VZW

2.105.500

16

8

DIV

VLAM bevordering v.d. export van Vlaamse land- en tuinbouwproducten TV

17 handelssecr.

internationale VOI promotie v.d. Vlaamse toeristische producten en troeven

VVOB uitvoeren van ontwikkelingsprojecten

VZW

(***)

(*) cijfers aBB, EV, DIV: beleidskredieten, cijfers VLAM, TV, VVOB: totale begroting. (**) administratief en ondersteunend personeel wordt niet meegerekend. Dit is wel het geval voor de rubriek ‘personeel binnenland’. (***) de Vlaamse financiering van VVOB bestaat uit een toelage voor de maatschappelijke zetel (1.322.000 euro in 2004) en een tegemoetkoming voor de kosten in het kader van de Vlaamse directe samenwerking in Zuid-Afrika (ter indicatie: deze bedroeg in 2002 1.345.045 euro, in 2003 140.607 euro). Lijst van afkortingen: aBB:

Administratie Buitenlands Beleid

EV:

Export Vlaanderen

DIV:

Dienst Investeren Vlaanderen

59


VLAM:

Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing

TV:

Toerisme Vlaanderen

VVOB:

Vlaamse Vereniging voor Ontwikkelingssamenwerking en technische Bijstand

FIT:

Flanders Investment and Trade (Vlaams agentschap voor internationaal ondernemen)

MVG:

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap

VOI:

Vlaamse openbare instelling

DAB:

Dienst met Autonoom Beheer

BBB:

Beter Bestuurlijk Beleid

BBIS:

Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking

EVA:

Publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap

EVA pr:

Privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap

IVA rp:

Intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid

60


BIJLAGE 4 Het Vlaams buitenlands beleid en het Vlaams Parlement38

Tabel 6: aantal vergaderingen van de commissie voor Buitenlandse en Europese Aangelegenheden (1999 – 2003) jaar

aantal vergaderingen commissie BB

aandeel commissie BB in alle commissies samen

1999 – 2000

27

5,6 %

2000 – 2001

32

6,3 %

2001 – 2002

30

5,4 %

2002 – 2003

24

4,4 %

Tabel 7: decreetgevende, beleidsvoorbereidende en controlerende activiteiten van het Vlaams Parlement inzake Buitenlands Beleid aantal (*) Buitenlandse en Europese aangelegenheden

aandeel buitenlands beleid in het totaal

1999

2000

2001

2002

1999

2000

2001

2002

-

-

-

-

-

-

-

-

2000

2001

2002

2003

2000

2001

2002

2003

aangenomen voorstellen van (bijzonder) decreet

0

0

0

0

0%

0%

0%

0%

aangenomen van decreet

ontwerpen

15

5

23

20

42 %

16 %

34 %

28 %

aangenomen van resolutie

voorstellen

2

2

0

2

10 %

6%

0%

7%

aangenomen met redenen omklede moties

3

1

1

4

10 %

3%

2%

11 %

interpellaties commissie

-

-

-

16 5%

4%

3%

7%

interpellaties vergadering

in in

de

plenaire

-

-

-

-

-

-

-

10

4%

4%

5%

4%

/

-

-

-

22

2%

3%

4%

2%

parlementaire

-

-

-

-

2%

2%

2%

2%

actuele vragen mondelinge vragen vragen om uitleg schriftelijke vragen

(*) ‘-‘: geen gegevens opgenomen in jaarverslag

38

Bron: Jaarverslag Vlaams Parlement 2002 - 2003

61


Tabel 8: overzicht van goedgekeurde moties (M) en resoluties (R) inzake buitenlands beleid en Europese aangelegenheden in het Vlaams Parlement (1999 – 2004) ingediend tijdens de zitting 1999 - 2000 M

Hervorming van de Europese structuurfondsen en de afbakening van de ontwikkelingszones

M

Betrokkenheid van de Vlaamse regering bij de Belgische standpuntbepaling betreffende de derde ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Seattle

M

Aanwezigheid van kernwapens op Vlaams grondgebied

M

Motie van aanbeveling naar aanleiding van de Beleidsnota Het Vlaams Buitenlands Beleid 19992004

R

Goedkeuring van het EU-associatieverdrag met Israël

R

De mensenrechten in Mexico en de toepassing van de democratische clausule in de bilaterale overeenkomst tussen de Europese Unie en Mexico

R

De ratificatie van het Verdrag van Den Haag inzake de internationale samenwerking en de bescherming van kinderen op het gebied van interlandelijke adoptie, ondertekend in Den Haag op 29 mei 1993

M

De precieze inhoud van het federaal akkoord betreffende de regionalisering van de buitenlandse handel

ingediend tijdens de zitting 2000 - 2001 R

Het respect voor mensenrechten samenwerkingsverdragen

van

inheemse

volkeren

bij

internationale

M

Het taalgebruik van de in Brussel gevestigde ambassades en het beleid van de Vlaamse regering om het meertalig karakter van België uit te dragen

M

Het beleid inzake duurzame ontwikkeling na de milieustudie van het Wereld Economisch Forum

M

Mensenhandel in de sport

R

De langetermijnvisie voor een integrale ontwikkelingsschets van het Schelde-estuarium

M

De realisatie van de Kyotodoelstellingen in Vlaanderen

R

De samenwerking met Kosovo

R

Maatregelen tegen illegale houtkap

M

De voorwaarden voor het afsluiten van een cultureel verdrag met de Franse Gemeenschap

ingediend tijdens de zitting 2001 - 2002 R

Toepassing van de Richtlijn 79/409/EEG en 92/43/EG ter compensatie van grote infrastructuurwerken in de Westerschelde en Zeeschelde

M

De stand van zaken betreffende de ratificatie van de Europese Kaderconventie inzake de bescherming van nationale minderheden

R

De problematiek van de geboorteregistratie

ingediend tijdens de zitting 2002 – 2003 M

Uitbreiding van de Europese Unie en de hervorming van het Europese landbouwbeleid

R

Veroordeling tot de doodstraf door steniging van Amina Lawal in Nigeria

M

Gevolgen van de toenemende samenwerking tussen het Brussels en het Waals Gewest inzake buitenlandse handel en de mogelijkheid om in Brussel gevestigde bedrijven toe te laten tot de dienstverlening van Export Vlaanderen

M

Overheveling van de exclusieve bevoegdheden inzake ontwikkelingssamenwerking

62


M

Fusie van Export Vlaanderen en de Dienst Investeren in Vlaanderen tot Flanders Investment and Trade

M

Medewerking van Vlaanderen aan de Wereldtentoonstelling 2005 in Aichi, Japan

M

Verdediging van de Vlaamse eisen inzake erkenning van de constitutionele deelstaten door de Europese Unie, de wijze waarop de minister het Vlaams buitenlands beleid gestalte wil geven en de initiatieven om de kennis van het Nederlands bij de in Brussel gevestigde ambassades te vergroten

ingediend tijdens de zitting 2003 – 2004 M

De aanstelling van een voorzitter van de raad van bestuur van het Agentschap voor Buitenlandse Handel, de werking ervan en de inbreng van de gewesten

M

De Vlaamse cofinanciering van Europese programma’s voor de stad Antwerpen

M

De uitoefening van de nieuwe bevoegdheden inzake wapenexport

M

Het meningsverschil met de federale regering inzake de economische zendingen van het Agentschap voor Buitenlandse Handel

R

Het Israëlisch-Palestijns conflict

63


BIJLAGE 5 Omzetting van EU-richtlijnen

Tabel 9: overzicht inbreukdossiers Belgische federatie (stand op 14/01/04) Vlaanderen

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Waals Gewest

3

6

vraag om toelichting

Franse Duitstalige Gemeenschap Gemeenschap

federale overheid

1

ingebrekestelling

12

3

3

met redenen omkleed advies

13

7

7

1

dagvaarding

9

2

1

1

1

13

4

21 11

arrest

3

vraag om toelichting na arrest

1

ingebrekestelling na arrest

3

1

met redenen omkleed advies na arrest

3

1

TOTAAL

41

15

19

1

1

2 1

4

6

51

Tabel 10: overzicht Vlaams inbreukdossiers (stand op 10/01/03 en op 14/01/04) Stadium in de procedure

Datum januari 2003

januari 2004

ingebrekestelling (eerste administratieve stap)

13

12

met redenen omkleed advies (tweede administratieve stap)

10

13

dagvaarding

4

9

eerste veroordeling door het Hof van Justitie

2

vraag om inlichtingen na een eerste veroordeling

1

1

ingebrekestelling na een eerste veroordeling

2

3

met redenen omkleed advies na een eerste veroordeling

1

3

dagvaarding na een eerste veroordeling tweede veroordeling door het Hof van Justitie

1

TOTAAL aantal inbreukdossiers

34

64

41


BIJLAGE 6 Internationale verdragen

Tabel 11: overzicht van de internationale overeenkomsten waarbij Vlaanderen als partij betrokken is (stand op 15/03/2004) soort verdrag Exclusief

Gemengd

kader

aantal (*)

bilateraal

20

Bulgarije, Estland, Frankrijk, G.H. Luxemburg, Hongarije, Letland, Litouwen, Nederland (6), Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Zuid-Afrika (2)

multilateraal

6

cultureel en natuurlijk erfgoed, astrofysica, doping, vleermuizen, waterkwaliteit Maas, waterkwaliteit Schelde

bilateraal

7

Frankrijk, G.H. Luxemburg, Nederland (2), Oekraïne, Russische Federatie, Verenigd Koninkrijk

bilateraal zetelakkoorden

12

BLEU-verdragen

51

Benelux-verdragen

1

EG/EU-akkoorden 61

Culturele akkoorden (**) Transnationale contracten

partners/domeinen

Albanië, Armenië, Bosnië-Herzegovina, Cyprus, Estland, Georgië, Kazachstan, Kroatië, Letland, Litouwen, Macedonië, Oekraïne, Oezbekistan, Roemenië, Servië en Montenegro, Slovenië, WitRusland, Algerije, Benin, Burkina Faso, Comoren, Egypte, Gabon, Ivoorkust, Libië, Marokko, Tunesië, Zambia, Zuid-Afrika, Bolivië, Brazilië, Chili, Costa Rica, Cuba, El Salvador, Mexico, Paraguay, Uruguay, Venezuela, Filipijnen, Hongkong, India, Jemen, Koeweit, Libanon, Mongolië, Pakistan, Saudi-Arabië, Thaïland, Verenigde Arabische Emiraten, Vietnam Institutionele verdragen (7), (Europaovereenkomsten (Centraal- en Oost-Europa) (13), Stabilisatie- en associatieovereenkomsten (Balkan) (2), Euro-mediterrane overeenkomsten (NoordAfrika en Midden-Oosten) (7), Partnerschaps- en samenwerkingsakkoorden (Oost-Europa en CentraalAzië, andere landen, internationale organisaties) (32)

Raad van Europa

14

Multilateraal

80

IAO (21), milieu (32), wetenschap & technologie (6), rechtsbescherming van personen (6), scheepvaart (3), landbouw (4), varia (8)

bilateraal

12

Denemarken, Duitsland, Finland, Griekenland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Verenigd Koninkrijk, Algerije, Marokko, Canada, China

43

Alberta, ASEF, Bulgarije, Chileense republiek (2), China (3), Cuba, EBWO, Euroregio, IAO (3), Israël,

65


Nederland (2), Nordrhein-Westfalen, Oekraïne, Quebec (4), Russische federatie (6), Slovaakse republiek, Thailand, Tsjechische republiek (2), UNESCO (3), UNU (3), Vietnam, Wereldbank, Zuid-Afrika (2) Beleidsverklaringen

54

Baden-Württemberg, Catalonië, China (2), Cuba (2), Estland, Hongarije (2), Letland, Litouwen (3), Nederland (5), Nord-Pas de Calais (3), NordrheinWestfalen, Polen (2), Tsjechische republiek (3), Tunesië, UNMIK, UNU, Vietnam (3), VSA, ZuidAfrika (9), Zuid-Nederland (2), CMS, constitutionele regio’s (5), Districts of Creativity, WADA, Nederland-provincie Antwerpen–provincie Zeeland

(*) op moment van ondertekening van de internationale overeenkomst (**) enkel de akkoorden die nog in uitvoering zijn worden opgenomen Lijst van afkortingen: ASEF:

Asia-Europe Foundation

CMS:

Convention on the conservation of migratory species of wild animals

EBWO:

Europese bank voor wederopbouw en ontwikkeling

IAO:

Internationale Arbeidsorganisatie

UNESCO:

United Nations educational, scientific en cultural organization

UNMIK:

United Nations interim administration mission in Kosovo

UNU:

United Nations University

WADA:

World anti-doping agency

Netwerken: EUROREGIO:

Vlaams gewest, Waals gewest, Brussels hoofdstedelijk gewest, Kent, Nord-Pas de Calais

Constitutionele regio’s (REGLEG):

Dit netwerk omvat 73 constitutionele regio’s van de Europese Unie. Het coördinatiecomité omvat: Bavaria, Nordrhein-Westfalen, Baden-Württemberg, RheinlandPfalz, Catalunya, Extremadura, Galicia en Euskadi, Toscana, Piemonte, Basilicata, Calabria, Scotland, Wales, Salzburg, Tirol, Vlaanderen, Wallonië, Madeira, Azoren, Aaland

Districts of creativity:

Baden-Württemberg, Catalonië, Karnataka, Lombardije, Maryland, Nord-Pas de Calais, Quebec, Schotland, Shanghai

66


BIJLAGE 7 Intrafederale samenwerkingsakkoorden op het vlak van buitenlands beleid

Tabel 12: samenwerkingsakkoorden tussen de federale staat, de Gemeenschappen en de Gewesten ondertekening

bekendmaking Belgisch Staatsblad

Samenwerkingsakkoord over de nadere regelen voor het sluiten van gemengde verdragen

8 maart 1994

23 mei 1996

Samenwerkingsakkoord met betrekking tot de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België in de Ministerraad van de Europese Unie

8 maart 1994

17 november 1994

Samenwerkingsakkoord betreffende de gewestelijke economische en handelsattachés en de modaliteiten op het vlak van de handelspromotie

17 juni 1994

26 oktober 1994

Kaderakkoord tot samenwerking over de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België bij de Internationale Organisaties waarvan de werkzaamheden betrekking hebben op gemengde bevoegdheden

30 juni 1994

19 november 1994

Samenwerkingsakkoord over de rechtsgedingvoering voor een internationaal of supranationaal rechtscollege in een gemengd geschil

11 juli 1994

1 december 1994

7 februari 1995

29 juni 1995

Samenwerkingsakkoord met betrekking tot het internationaal milieubeleid

5 april 1995

13 december 1995

Samenwerkingsakkoord betreffende het statuut van de vertegenwoordigers van de Gemeenschappen en Gewesten in de diplomatieke en consulaire posten

18 mei 1995

niet bekendgemaakt

Samenwerkingsakkoord met betrekking tot de oprichting van een agentschap voor buitenlandse handel

24 mei 2002

20 december 2002

Financieel Protocol bij het Samenwerkingsakkoord van 5 april 1995 inzake het internationaal milieubeleid

4 oktober 2002

2 juli 2003

Samenwerkingsakkoord tot wijziging van het Samenwerkingsakkoord van 8 maart 1994 met betrekking tot de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België in de Ministerraad van de Europese Unie

13 februari 2003

25 februari 2003

Samenwerkingsakkoord inzake buitenlandse investeringen

67


Tabel 13: samenwerkingsakkoorden tussen de drie Gewesten onderling

Samenwerkingsakkoord handelsattachés

betreffende

de

gewestelijke

ondertekening

bekendmaking Belgisch Staatsblad

31 december 1993

niet bekendgemaakt

Tabel 14: samenwerkingsakkoorden tussen de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie ondertekening Samenwerkingsakkoord over de nadere regelen voor het sluiten van gemengde verdragen Samenwerkingsakkoord met betrekking tot de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België in de Ministerraad van de Europese Unie Samenwerkingsakkoord over de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België bij de Internationale Organisaties waarvan de werkzaamheden betrekking hebben op gemengde bevoegdheden Samenwerkingsakkoord betreffende het statuut van de vertegenwoordigers van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in de diplomatieke en consulaire posten

68

bekendmaking Belgisch Staatsblad

8 maart 1994

17 december 1996

8 maart 1994

17 november 1994

1 juli 1994

19 november 1994

18 mei 1995

niet bekendgemaakt


BIJLAGE 8 Management summary voorstellen

BASISWAARDEN VOORSTEL 1: Vlaanderen onderzoekt bij de selectie van zijn partnerlanden, -regio’s of deze landen, regio’s voldoen aan een aantal basiswaarden inzake rechtsstaat, democratie en conflictbeheersing en of deze landen respect tonen voor de mensenrechten VOORSTEL 2: Vlaanderen implementeert de Europese en multilaterale afspraken ter bescherming van de universele basiswaarden en mensenrechten.

DUURZAME ONTWIKKELING VOORSTEL 3: Vlaanderen wil een antwoord bieden op de vraag naar meer duurzame ontwikkeling. Het zal zoeken naar een evenwicht tussen economisch rendement, sociaal rendement, milieurendement zowel in eigen land als in het buitenland, zowel nu als voor later: a) Vlaanderen werkt zijn Europese en internationale engagementen inzake duurzame ontwikkeling verder uit, om de vooropgestelde doelstellingen en deadlines te respecteren; b) Vlaanderen hanteert duurzaamheid en kwaliteit als handelsmerk in zijn internationaal ondernemen; c) geen Noord zonder Zuid; Vlaanderen werkt mee aan de duurzame ontwikkeling van het Zuiden. INNOVATIE VOORSTEL 4: Vlaanderen put zijn kracht uit innovatie, die gehaald wordt uit een rijke internationale/ interregionale en interdisciplinaire samenwerking en uit een aantal hoogwaardige kenniscentra: a) Vlaanderen werkt mee aan de Europese en internationale doelstellingen inzake innovatie; b) Vlaanderen ondersteunt innovatie en kwaliteit met het oog op het bereiken van een duurzaam competitief voordeel in het ondernemen; c) Vlaanderen speelt in op de nieuwe mogelijkheden ter bevordering van de ontwikkeling van het Zuiden

BUITENLANDS BELEID Bilateraal Zie hoofdstuk: “het beleid toegepast per regio in de wereld”. Europese Unie VOORSTEL 5: Vlaanderen speelt een actieve rol in het volledige Europese besluitvormingsproces, van beleidsvorming tot beleidsuitvoering. Dit betekent concreet: • in een zo vroeg mogelijk stadium inspelen op het Europese besluitvormingsproces; • een efficiëntere informatievergaring en – doorstroming tot stand brengen;

69


• • • • •

een verbeterd overleg tussen de diverse Vlaamse sectoren en actoren (m.i.v. het Vlaams parlement); het stimuleren van een organisatiebrede lobbycultuur en het voeren van een zichtbaarheidsen aanwezigheidspolitiek; ondersteund door een verbeterd vormingsaanbod rond Europese zaken voor ambtenaren, kabinetsleden en ministers; het optimaliseren van de werkzaamheden van de Vlaamse afvaardiging bij de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de Europese Unie; een verbeterd communicatiebeleid; verder ijveren voor de verbetering van de rol van de regio’s met wetgevende bevoegdheden in het Europese besluitvormingsproces.

VOORSTEL 6: Vlaanderen verdedigt zijn (economische) belangen en maximaliseert de (economische) opportuniteiten die de Europese context voor Vlaanderen biedt door : • ontsluiting van informatie over financieringsmogelijkheden voor de Vlaamse bedrijfswereld maar ook voor andere beleidssectoren. Een investering in mensen, middelen en expertise is nodig voor de ontwikkeling van lobby-activiteiten op basis van een grondige screening van de mogelijkheden die op Europees vlak geboden worden; • aandacht voor de impact van de regelgeving inzake staatssteun (o.m. aanmeldingsprocedure) in het licht van de interne markt, de concurrentieregels en de expansiewetgeving; • inschrijving in de EU-beleidsafstemming naar de multilaterale organisaties toe, met specifieke aandacht voor : landbouw, diensten van economisch belang (vb. de bescherming van diensten van algemeen belang, de culturele diversiteit maar ook extra kansen voor de havendiensten), milieu en nieuwe thema’s als de vereenvoudiging van de handelsprocedures en de toegang tot overheidsopdrachten. In dit kader wordt in het bijzonder gedacht aan de Wereldhandelsorganisatie, waar de standpunten voor de landen van de Europese Unie voornamelijk binnen het kader van de Europese worden voorbereid. VOORSTEL 7: Vlaanderen heeft aandacht voor de veranderde Europese context in het kader van de uitbreiding door: • het maximaliseren van de opportuniteiten van het toekomstig financiële kader van de EU; • het bewaken van het talenregime binnen de Europese instellingen, met oog voor een striktere toepassing van de institutionele veeltaligheid en het behoud van de officiële talen, voornamelijk in contacten met de burger. • Het voorzien van de sociaal-economische gevolgen van de uitbreiding (o.a. tewerkstelling, migratie) • Het beschermen van de rol van de regio’s in het Europese besluitvormingsproces, in een Europa van 25 landen. Multilaterale organisaties VOORSTEL 8: Vlaanderen zal meer aandacht schenken aan de werkzaamheden binnen de multilaterale fora. Vlaanderen kan dit doen door: a) een Vlaamse bijdrage te leveren aan de werking van de multilaterale organisaties door: • het ontwikkelen en verdedigen van Vlaamse standpunten in verband met de thema’s die op de internationale fora aan bod komen, • het ter beschikking stellen van Vlaamse expertise op de domeinen waarin we die hebben, als bijdrage aan het multilaterale systeem. • ijveren voor participatie van het subnationale beleidsniveau in multilaterale fora en actief deelnemen aan netwerken die vandaag reeds openstaan voor de regio’s.

70


• • •

inspelen op de bestaande regionale samenwerkingsvormen in het kader van de multilaterale organisaties, zoals het Netwerk van Regionale Overheden voor Duurzame Ontwikkeling, werkzaamheden binnen de UNESCO en IAO. Vlaanderen kenbaar maken binnen de multilaterale instellingen door het aanleveren van afzonderlijke Vlaamse statistieken (vb. in het kader van OESO), financieren van de technische samenwerking van multilaterale partnerorganisaties.

b) het hanteren van het multilaterale forum als inspiratiebron en instrument voor het eigen beleid: • pro-actief opvolgen en opbouwen van capaciteit inzake multilaterale dossiers en organisaties, teneinde het Vlaamse beleid inzake ontwikkelingssamenwerking, wapenexport en andere domeinen te ondersteunen, met specifieke aandacht voor de mensenrechtendossiers. • stimuleren van andere beleidsdomeinen om het multilaterale kader als inspiratiebron te gebruiken, via informatiedoorstroming, organisatie van overleg en bewaking van het institutionele kader. Wapenhandel VOORSTEL 9: Vlaanderen richt zijn beleid inzake wapenhandel op het Europees en internationaal beleid ter zake, ter bevordering van mondiale conflictbeheersing. INTERNATIONAAL ONDERNEMEN VOORSTEL 10: Vlaanderen gaat het Vlaams internationaal ondernemen pro-actief ondersteunen op basis van regionale focusstrategieën VOORSTEL 11: Het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen zal een draaischijffunctie vervullen voor en tussen de Vlaamse representatieve, internationaal ondernemingsgerichte organisaties en bedrijven VOORSTEL 12: Vlaanderen zorgt voor coherente en transparante financiële stimuli VOORSTEL 13: Vlaanderen zal uitgaande investeringen ondersteunen, in zoverre die nodig zijn voor het verkrijgen van toegang tot bepaalde markten. VOORSTEL 14: Vlaanderen zorgt voor een geïntegreerde aanpak voor het aantrekken van investeringen in Vlaanderen ONTWIKKELINGSSAMENWERKING VOORSTEL 15: Vlaanderen zorgt voor de uitvoering van de defederalisering van de ontwikkelingssamenwerking VOORSTEL 16: De Vlaamse ontwikkelingssamenwerking focust op sectoren en thema’s waarin ze een meerwaarde kan bieden. Het gaat om de volgende sectoren: • institutionele ontwikkeling van lokale besturen 71


• • • •

onderwijs en vorming gezondheidszorg, met de nadruk op de bestrijding van HIV/AIDS en de mainstreaming daarvan in andere sectoren duurzame landbouw en voedselzekerheid milieu & water

en de volgende thema’s: • goed bestuur & democratisering • gelijke kansen, met de nadruk op gelijkheid tussen mannen en vrouwen VOORSTEL 17: De Vlaamse ontwikkelingssamenwerking stelt de ontwikkelingsdoelstellingen, waaronder de millenniumdoelstellingen, voorop.

internationaal

erkende

De volgende millenniumdoelstellingen, die goed aansluiten bij de Vlaamse bevoegdheden, zouden vooropgesteld kunnen worden: • gelijke kansen voor jongens en meisjes (MDG III – target 4), • de strijd tegen HIV/AIDS (MDG VI – target 7) en • de halvering van het aantal mensen zonder duurzame toegang tot veilig drinkwater (MDG VII – target 10). • Uit de achtste millenniumdoelstelling onthouden we vooral de dringende oproep naar een verhoging van de middelen voor ontwikkelingssamenwerking en naar ontwikkelingsvriendelijke coherentie in het geheel van het buitenlands beleid (zie ook verder) ; Om op de internationaal erkende ontwikkelingsgerichte doelstellingen te kunnen inspelen is er nood aan: • vorming en capaciteitsopbouw rond deze internationaal erkende ontwikkelingsdoelstellingen. • benchmarking om rekening te houden met de inbedding van deze doelstellingen in onze partnerlanden; • Het hertalen van deze (millennium)doelstellingen zowel de Vlaamse context als de context van de partnerlanden (lokale inbedding). VOORSTEL 18: Vlaanderen ontwikkelingssamenwerking.

levert

een

verhoogde

financiële

inspanning

voor

VOORSTEL 19: Vlaanderen werkt vanuit een duidelijk en inhoudelijk stevig gefundeerd ontwikkelingsbeleid HET BELEID TOEGEPAST PER REGIO IN DE WERELD VOORSTEL 20: Vlaanderen focust: Vlaanderen zorgt voor een krachtig bilateraal beleid door een gerichte selectie van de potentiële partnerlanden/regio’s. VOORSTEL 21: Vlaanderen voert een actieve en dynamische aanwezigheidspolitiek op de politieke overlegfora De Europese Unie a) Vlaanderen richt zich voor zijn buitenlands beleid en internationaal ondernemen in de eerste plaats op de landen van de Europese Unie en in het bijzonder op de buurlanden.

72


Buurlanden b) Vlaanderen werkt aan de versterking van de politieke netwerking van Vlaanderen met het oog op de verdediging van de Vlaamse belangen en intensere samenwerking ten aanzien van de buurlanden en regio’s. West-Europa c) Binnen de groep van de oorspronkelijke EU-lidstaten is de focus vooral gericht op de andere federale staten, met name in het kader van het streven van Vlaanderen voor de versterking van de rol van de regio’s binnen de besluitvorming van de Europese Unie. Centraal- en Oost-Europa d) De Vlaamse overheid valoriseert van de inspanningen ten aanzien van de landen van Centraal– en Oost-Europa uit het verleden en bouwt de relaties op het terrein verder uit. Buitengordel van de Europese Unie e) In het perspectief van een verdere uitbreiding van de Europese Unie schenkt Vlaanderen bijzondere aandacht aan de mogelijke toekomstige kandidaat-lidstaten (Turkije en de Westelijke Balkan). Met de andere landen van de buitengordel, in de eerste plaats Rusland en Oekraïne, worden de (politieke) relaties aangehaald. Pilootprojecten en economische zendingen bieden perspectieven voor nauwere samenwerking. De andere continenten f)

Vlaanderen hanteert een focusstrategie voor de landen en regio’s buiten Europa. Buitenlands beleid Voor het algemeen buitenlands beleid kijkt Vlaanderen vooral naar de Verenigde Staten, Canada (in het bijzonder Quebec), Japan, Zuid-Afrika en Marokko. In Zuid-Oost Azië ligt de focus op China en Japan. Een mogelijke verdere uitbreiding van de lijst van prioritaire partners zal steeds voorwerp uitmaken van een grondige omgevingsanalyse en alleen mogelijk zijn mits de uitbreiding van de middelen. Internationaal ondernemen Het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen blijft in eerste instantie een service verlener à la carte voor de bedrijven en in die zin is het belangrijk om over een netwerk te beschikken op alle continenten. In het pro-actief handelen van het netwerk van de Vlaamse economische vertegenwoordigers en de aansturing hiervan zal gerichter gewerkt worden vanuit een geïntegreerde focusstrategie per regio. Ontwikkelingssamenwerking Voor ontwikkelingssamenwerking ligt de nadruk meer op het Afrikaanse continent (Zuid-Afrika, Mozambique, Marokko). Er wordt onderzocht of één of twee andere landen in aanmerking kunnen komen, maar dit wordt afhankelijk gesteld van de uitbreiding van de middelen voor ontwikkelingssamenwerking (zie hfdst. Ontwikkelingssamenwerking).

73


INSTRUMENTEN BELEIDSAFSTEMMING Samenwerking met de andere ministeries van de Vlaamse overheid VOORSTEL 22: Het Vlaamse buitenlands beleid is een coherent beleid, met veel aandacht voor een goede beleidsafstemming tussen de verschillende beleidsdomeinen. Intra-Belgische samenwerking VOORSTEL 23: Vlaanderen maakt werk van een geoptimaliseerde intra-Belgische beleidsafstemming, aangepast aan de nieuwe bevoegdheidsverdelingen, als hefboom voor een Vlaams bilateraal beleid en een Vlaams beleid ten aanzien van de Europese Unie en de multilaterale organisaties. COMMUNICATIE EN PROMOTIE VOORSTEL 24: Vlaanderen zorgt voor een goede interne afstemming tussen de verschillende entiteiten rond internationale communicatie. VOORSTEL 25: Vlaanderen zorgt voor een gecoördineerde aanwezigheid van Vlaamse actoren op grote internationale evenementen met het oog op een vergroting van de internationale uitstraling van Vlaanderen. VOORSTEL 26: Vlaanderen verbetert zijn communicatie door de ontwikkeling van doelgroepgerichte communicatieplannen. VOORSTEL 27: Vlaanderen intensiveert de communicatie met de internationale diplomatie en de economische wereld. DRAAGVLAK VOORSTEL 28: Vlaanderen verbreedt het draagvlak voor zijn buitenlands beleid via een doelgroepgerichte aanpak. • • • •

Het buitenlands beleid van Vlaanderen: gekend en interactief Internationaal ondernemen: samenwerking met het middenveld Een verhoogde zichtbaarheid voor de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking Van belanghebbende tot betrokkene: een platform voor overleg met de actoren

74


EEN OVERHEID IN ONTWIKKELING VOORSTEL 29: 1+1+1=4 ; Vlaanderen versterkt zijn internationale daadkracht door de oprichting van het ministerie van Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking, dat de ambitie heeft om te groeien naar een moderne, dynamische en interactieve overheidsdienst. VOORSTEL 30: Vlaanderen richt één strategische adviesraad op voor het Beleidsdomein Buitenlands Beleid en Internationale Samenwerking. VOORSTEL 31: Vlaanderen versterkt zijn netwerk van vertegenwoordigers in het buitenland. VOORSTEL 32: Vlaanderen bouwt een administratieve entiteit wapenexport uit.

75


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Bijdrage_Vlaamse_administratie_buitenlands_beleid_2004.pdf by Vlaanderen-be - Issuu