Skip to main content

RELM013-001.pdf

Page 1

Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek van Tongeren (1997-2013) Deel 3 : De vroeg-Romeinse periode


Relicta Monografieën 13 Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen Heritage Research in Flanders

Brussel 2017


Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek van Tongeren (1997-2013) Deel 3 : De vroeg-Romeinse periode

Alain Vanderhoeven & Anton Ervynck (red.), Clotilde Allonsius, Annick Arts, Julien Boislève, Kristien Borgers, Michel Bouchard, Daan Celis, Arnaud Coutelas, Jasmine Cryns, Natasja De Winter, Roland Dreesen, Sabine Groetembril, Jean-François Lefèvre, Lucie Lemoigne, Titus Panhuysen, An Peelaerts, Marie-Thérèse Raepsaet-Charlier, Peter Van den Hove, Vanessa Vander Ginst & Geert Vynckier


COLOFON

Relicta Monografieën 13 Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen

Redactie Alain Vanderhoeven & Anton Ervynck Lay-out & druk Peeters, Herent, Alex Dallemagne & Sylvia Mazereel Illustraties Alex Dallemagne, Hans Denis, André Detloff, Sylvia Mazereel & Kris Vandevorst Omslagillustraties voorkant, van boven naar onder: Een stookkanaal voor een hypocaustum uit de eerste helft van de 2de eeuw, fig. 1.127 De brandlagen van de tweede helft van de 2de eeuw en van de tweede helft van de 3de eeuw, fig. 1.207 Groep van drie moedergodinnen, fig. 2.8 Scène uit een muurschildering van de eerste helft van de 2de eeuw, fig. 5.7 Reconstructie van een buitenwand van een domus uit de eerste helft van de 2de eeuw, fig. 5.57 achterkant: Studie van de Romeinse muurschilderingen aan het Centre d’Étude des Peintures Murales Romaines de Soissons (foto K. Vandevorst)

Een uitgave van het agentschap Onroerend Erfgoed (OE) Wetenschappelijke instelling van de Vlaamse Overheid Beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed Herman Teirlinckgebouw, Havenlaan 88 bus 5, 1000 Brussel. Tel.: 02/553 16 50 Fax: 02/553 16 55 info@onroerenderfgoed.be www.onroerenderfgoed.be Verantwoordelijke uitgever: Sonja Vanblaere Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie, microfilm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Copyright reserved. No part of this publication may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means without written permission from the publisher. © Onroerend Erfgoed, B-1000 Brussel (tenzij anders vermeld - except stated otherwise) - 2017. ISSN 2030-9910 ISBN 9789492771094 D/2017/13.729/14


Inhoud 7

Voorwoord

11

Inleiding

15

1 De sporen uit de vroeg-Romeinse periode Alain Vanderhoeven, Annick Arts, Kristien Borgers, Daan Celis, Jasmine Cryns, Natasja De Winter, An Peelaerts, Peter Van den Hove, Vanessa Vander Ginst & Geert Vynckier

211

2 De Romeinse gebeeldhouwde stenen Titus Panhuysen

241

3 Deux inscriptions latines de la basilique Notre-Dame de Tongres Marie-Thérèse Raepsaet-Charlier

247

4 Herkomst van de natuursteen in de Romeinse gebeeldhouwde stenen en opschriften Roland Dreesen

253

5 Les peintures murales romaines Sabine Groetembril, Clotilde Allonsius, Lucie Lemoigne & Jean-François Lefèvre avec la collaboration de Julien Boislève, Arnaud Coutelas & Michel Bouchard


Voorwoord Van 1999 tot 2008 vonden in de O.L.V.-basiliek van Tongeren ingrijpende archeologische opgravingen plaats, in 1996 en 1997 voorafgegaan door kortstondige vooronderzoeken. Aanleiding was de aanleg van een nieuwe vloerverwarming in de kerk en de daaruit voortvloeiende noodzaak de funderingen van het gebouw te vernieuwen. Een vernieuwing van de verwarming was vereist om het binnenklimaat van de basiliek stabiel te krijgen, zodat delen van het kerkinterieur na hun restauratie beter tegen degradatie beschermd zouden zijn. Vooral voor het pas gerestaureerde, historische orgel van Le Picard was dit van belang. Om stabiliteitsproblemen op te vangen werd beslist om via een raster van funderingspijlers de grondvesten van de huidige, gotische kerk te vervangen. Die bestonden bij de start van de werken enkel uit de hergebruikte funderingen van de voorgaande, Ottoonse kerk en romaanse toren, plaatselijk aangevuld met gotisch metselwerk. Het raster van pijlers werd doorheen de oude funderingen geboord, nadat deze eerst met beton geïnjecteerd en verankerd waren. Een en ander betekende dat de funderingen stapsgewijs tot op een diepte van 3 tot 4 m onder het niveau van de kerkvloer moesten blootgelegd worden. Het rijke en complexe, meer dan 2000 jaar oude bodemarchief van de O.L.V.-basiliek werd daardoor bedreigd en archeologisch onderzoek drong zich dan ook op. Bovendien werd beslist de ontstane ondergrondse ruimte niet meer op te vullen maar als een museum in te richten, waardoor zoveel mogelijk monumentale resten in situ behouden konden (en moesten) blijven. Door deze omstandigheden diende zich een complexe opgravingsprocedure aan. Globaal werd na het wegnemen van de kerkvloer het archeologisch onderzoek tot op een diepte van ca. 1 m uitgevoerd, waarna de afgegraven zone weer met plastic en zand werd opgevuld. Van op tijdelijk aangebrachte metalen platen injecteerde men vervolgens de historische funderingen met beton en werden horizontale verankeringen aangebracht. Vervolgens zijn plastic, zand en metalen platen weer verwijderd en kon het archeologisch onderzoek tot op een diepte van ca. 2 m worden voortgezet. Daarna werd het terrein weer met plastic, een ca. 1 m dikke laag zand en metalen platen beschermd, vonden verdere injecties en horizontale verankeringen van de oude funderingen plaats en werden de nieuwe funderingspijlers geboord. De tijdelijk aangebrachte bescherming werd daarop verwijderd en de fundering van de vloerverwarming gelegd. Tegelijk werd onder die fundering, tevens het plafond van de nieuwe kelder, de resterende meter bedreigd bodemarchief opgegraven. In deze fase van de werken werden bovengronds tussen de zuilen van de kerk tijdelijk extra steunberen aangebracht. Deze hier zeer globaal beschreven procedure werd op vele plaatsen aan de lokale omstandigheden van het terrein en de ondergrond aangepast. Omdat de werkzaamheden van de aannemer en de archeologen zoveel mogelijk parallel aan elkaar dienden te verlopen, werd het terrein in een 30-tal zones of werkputten verdeeld. Terwijl in één deel van de zones funderingswerken plaatsvonden, werd in een ander deel archeologisch onderzoek uitgevoerd. De werken verliepen in drie fasen. Fase 1 vond in de periode van augustus 1999 tot december 2001 plaats. Fase 2, in feite het naadloos op elkaar aansluiten van de geplande fasen 2 en 3, werd in de periode van september 2004 tot augustus 2008 uitgevoerd. Ondanks de goede voornemens werd tijdens de bouw- en stabiliteitswerken regelmatig schade aan nog niet opgegraven bodemarchief aangebracht. Gaandeweg heeft men voor diverse problemen echter oplossingen uitgewerkt. Zo werd bij het archeologisch veldwerk initieel veel hinder van de uitvloeiingen van injectiebeton ondervonden. Op basis van de lessen van fase 1 werden in fase 2/3 op een aantal plekken extra beschermingswanden tussen de te injecteren funderingen en het aarden bodemarchief aangebracht en werd de samenstelling van het injectiebeton aangepast waardoor dit minder in de grondmassa’s doordrong. Het probleem van de uitvloeiingen geraakte echter nooit helemaal opgelost. Bouwers en archeologen hebben geprobeerd er zo goed mogelijk mee om te gaan. De opdeling van het opgravingsterrein in 30, doorgaans kleine werkputten heeft van de spoorregistratie een complexe procedure gemaakt, meer dan voor stedelijke bodemarchieven gebruikelijk is. In totaal werden voor alle werkputten samen 5806 spoornummers uitgeschreven, die na uitwerking voor het gehele opgravingsterrein tot 1159 nummers herleid konden worden, waarvan een aantal, meestal kuilen en greppels, nog in lagen opgedeeld kon worden. Doordat de werkputten bijna altijd door oude funderingen of tijdens de werken geplaatste, tijdelijke damwanden (zogenaamde groutwanden en berliner wanden) begrensd werden, was het slechts enkele malen mogelijk putwandprofielen te registreren. De mogelijkheid om vanuit bestaande putwandprofielen de stratigrafieën van aangrenzende werkputten op te graven, was dan ook quasi afwezig. Toch is ernaar gestreefd het bodemarchief met respect voor de oude gelaagdheid stratigrafisch op te graven en niet middels


8

het aanleggen van kustmatige werkvlakken. Diktes en oriëntaties van de diverse lagen werden zo goed mogelijk met boringen verkend, vooraleer ze werden opgegraven. Deze stratigrafische opgraving werd nagestreefd voor lagen die zich over een relatief grote oppervlakte uitstrekten (ophogingsslagen, vloeren, puin- en brandlagen, vullingen van grote kuilen en grachten). Deze werkwijze werd evenwel niet toegepast op relatief kleine structuren (paalkuilen, kleine uitgravingen en greppels). Deze sporen werden vlak voor vlak afgegraven en telkens opnieuw geregistreerd, waarbij de diepte van de vlakken door de dikte van de wel stratigrafisch opgegraven lagen werd bepaald. Tot slot is een groot gedeelte van de steenbouwsporen in situ bewaard gebleven. Meestal betreft het muren en funderingen, waarvan de verticale opbouw op die manier vaak goed geregistreerd kon worden. Enkele malen zijn echter ook vloeren in situ bewaard gebleven. Uiteraard is op die plekken ook het onderliggende bodemarchief behouden. Over het algemeen geldt dat de opgraving stopte op het niveau waarop de aan de Batavenopstand toegeschreven brandlaag van 69/70 aan het licht kwam. Alleen in werkput 2 van fase 1 van de werken (het westelijk gedeelte van de middenbeuk van de O.L.V.-basiliek), kon het archeologisch bodemonderzoek tot het niveau van de natuurlijke ondergrond worden verdergezet. Het voor-Flavische bodemarchief is bijgevolg nog grotendeels bewaard gebleven op de site. De hierboven kort beschreven werkomstandigheden maakten dat ook de vondstregistratie omslachtiger was dan voor andere Tongerse opgravingen gebruikelijk is. Zoals steeds werden de vondsten per spoor bijgehouden. In totaal zijn voor de 5806 (oude) spoornummers 7029 vondsten monsternummers verdeeld. Wanneer een spoor in meer dan één vlak geregistreerd werd, is het vondstmateriaal immers voor elk werkvlak in eerste instantie apart gehouden en van een eigen vondstnummer voorzien. Pas in de uitwerkingsfase zijn alle vondstnummers per spoor gegroepeerd. In principe werden de sporen ook standaard voor onderzoek van plantaardige macroresten, fauna en resten van ambachtelijk afval bemonsterd. De monsters bevatten standaard 10 liter grond die op zeven met maaswijdten van 10 mm, 5 mm, 2 mm en 0,5 mm nat werd uitgezeefd. Een aanzienlijk aantal sporen strekte zich over verschillende werkputten uit en werd bovendien per werkput in verschillende werkvlakken geregistreerd. Na uitwerking viel uiteindelijk het aantal vondstensembles met de hoger vermelde 1159 (nieuwe) spoornummers en hun onderverdeling in lagen samen. Twee uitzonderlijke sporen zijn op het terrein ten behoeve van gescheiden vondstregistratie in kwadranten verdeeld. Het betreft de zogenaamde zwarte laag uit de laat-Romeinse periode en de vroege middeleeuwen en de dikke puinlaag die zich op de vloer van de Merovingische kerk bevond. Beide lagen werden integraal op zeven met maaswijdte van minstens 5 mm uitgezeefd, een aantal deelstalen werd over kleinere maaswijdtes gespoeld (2 mm en 0,5 mm). In de hoofdstukken over de vondsten en sporen uit deze perioden zal nader op de inzamelmethode en de staalname ingegaan worden. Opdrachtgever van de werkzaamheden was de Kerkfabriek O.L.V. Geboorte, ontwerper het Architectenbureau Michel Janssen bvba en hoofdaannemer de firma Denys nv. De stabiliteit werd bewaakt door Ingenieursbureau Libost-Groep N.V., bijgestaan door prof. dr. ir. J. Maertens en prof. dr. ir. D. Van Gemert. Het project is door de Vlaamse Gemeenschap, de provincie Limburg en de stad Tongeren betoelaagd. Vanuit de afdeling Monumenten en Landschappen (M&L), later het agentschap Ruimte en Erfgoed Vlaanderen (RO) van de Vlaamse overheid, volgden Jos Gyselinck en Christine Vanthillo in fase 1 en Peter Van den Hove in fase 2/3 de werken op. Het vervolgtraject, met daarin onder meer de ombouw van de kelderruimten tot een museum, werd door Ingrid Vanderhoydonck van het agentschap Onroerend Erfgoed (OE) van de Vlaamse Gemeenschap begeleid. Het archeologisch terreinwerk is deels door M&L, later RO, deels door het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP), later Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), nu OE, gefinancierd en uitgevoerd. In fase 1 was de leiding van het veldwerk in handen van Peter Van den Hove, in fase 2/3 van Vanessa Vander Ginst en Annick Arts. Ze werden daarin door Alain Vanderhoeven en Geert Vynckier van de Tongerse buitendienst van het IAP/VIOE bijgestaan, onder het directeurschap van G. De Boe (directeur IAP), later D. Callebaut (directeur a.i. IAP/VIOE) en S. Vanblaere (administrateur-generaal VIOE/OE). Josine Martens (IAP/ VIOE/OE) verzorgde de administratieve aspecten van het project. Miel Schurmans, Nathalie Cleeren, Lara Laken en Katleen Vandenbranden verleenden bijkomende assistentie op het terrein. De grote complexen van Romeinse muurschilderingen werden door het Centre d’Etude de Peintures Murales Romaines van Soissons geborgen (CEPMR). Het tekenwerk werd door Mattie Kelchtermans verzorgd, daarin bijgestaan door André Detloff, Monique Vanvinckenroye en Marijke Willaert van de Tongerse buitendienst van het IAP/VIOE. Landmeetkundige registraties


Voorwoord

gebeurden door Johan Van Laecke (IAP/VIOE/OE) en het team Algemene Technische Ondersteuning van de afdeling Mobiliteit en Openbare Werken van de Vlaamse overheid. Tijdens de opgraving nam Gerard Messiaen de metaaldetectie voor zijn rekening. Raf Van Laere verzorgde de eerste determinatie en registratie van een aantal metaaldetectievondsten. De metalen objecten werden door Leentje Linders en Frans De Buyser (beide IAP/VIOE/OE) geconserveerd. Maria Mones y Casanova van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) conserveerde de tijdens de opgraving gedane textielvondsten. De 14C-dateringen zijn door Mark Van Strydonck, Mathieu Boudin en Tess Van den Brande (allen KIK) uitgevoerd. In 2010 werd op initiatief van Peter Van den Hove (RO/OE) een planning voor de uitwerking van de omvangrijke opgravingsresultaten uitgewerkt. Daarop besliste Vlaams minister Geert Bourgeois, bevoegd voor bestuurszaken, binnenlands bestuur, inburgering, toerisme en de Vlaamse rand, de nodige middelen voor de uitvoering van dit project ter beschikking te stellen. Het werd vervolgens in de periode van 2011 tot 2013 uitgevoerd. Natasja De Winter (Archeologisch Projectbureau ARON bvba) en Alain Vanderhoeven (OE), bijgestaan door Anton Ervynck (OE) en Geert Vynckier (OE), coördineerden de uitwerking van het sporen- en vondstenbestand. De daartoe tijdelijk aangeworven ploeg onderzoekers bestond uit Kristien Borgers, Daan Celis, Jasmine Cryns, Dries Paumen, An Peelaerts en Line Van Wersch. Kristien Borgers, Daan Celis, Jasmine Cryns en An Peelaerts werkten het sporenbestand uit. Johan Van Heesch, Frans Stroobants en Céline Ben Amar (Munt- & Penningkabinet van de Koninklijke Bibliotheek van België) bestudeerden de munten. Kristien Borgers nam, met medewerking van Frans De Buyser en Gaston Van Bulck, de studie van de benen en metalen voorwerpen voor haar rekening. Line Van Wersch en Peter Cosyns (Vrije Universiteit Brussel) onderzochten het glas. Het aardewerk werd door Kristien Borgers, Dries Paumen en Line Van Wersch gedetermineerd. Een deel van de tellingen met het oog op de uitwerking van het aardewerk werd door Daan Celis en Kirsten Note (OE) uitgevoerd. Diverse specialisten vulden de vaste ploeg aan voor de studie van verschillende aardewerkcategorieën: Elke Wesemael (ARON bvba) voor de terra sigillata, Wim Dijkman (Gemeentelijk Depot voor Bodemvondsten Maastricht) voor de laat-Romeinse Argonne-sigillata, Patrick Monsieur (Universiteit Gent) voor de amforen, Koen De Groote (OE) en Natasja De Winter voor het middeleeuws en post-middeleeuws aardewerk, Jos Engelen voor de pijpen. Else Hartoch en Roland Dreesen (Provinciaal Gallo-Romeins Museum van Tongeren), Erik Goemaere (Belgische Geologische Dienst, Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen) en Frank Doperé (Onderzoekseenheid Archeologie, Katholieke Universiteit Leuven) bestudeerden de gebruiksvoorwerpen in steen, Laure-Anne Finoulst (Université Libre de Bruxelles) de vroeg-middeleeuwse stenen sarcofagen. De studie van de lederen vondsten was in handen van Jan Moens (OE), die van het textiel werd verzorgd door Fanny van Cleven (KIK). De vondsten werden getekend door Laura Bruggen, Alex Dallemagne, André Detloff, Maxim Hoebreckx, Glenn Laeveren, Sylvia Mazereel, Jan Moens, Dries Paumen, Daisy Van Cotthem en Nele Van Gemert (allen OE) en Natasja De Winter (ARON bvba). De fotografie was in handen van Hans Denis en Kris Vandevorst (beide OE). Naast bovenvermelde vondstcategorieën brachten de opgravingen ook grote hoeveelheden architectuurresten aan het licht. Titus Panhuysen (Universiteit van Amsterdam) bestudeerde daarvan de Romeinse architectuur- en sculptuurfragmenten, Alain Vanderhoeven de Romeinse natuurstenen vloer- en wanddecoraties, Marie-Thérèse Raepsaet-Charlier (Université Libre de Bruxelles) de Romeinse opschriften. Van al deze natuurstenen bouwelementen identificeerde Roland Dreesen de steensoort. Marc Van Meenen (OE), Kris Vandevorst en Hans Denis verzorgden de getekende en fotografische documentatie van dit materiaal. De studie van de Romeinse muurschilderingen werd toevertrouwd aan het CEPMR (Clotilde Allonsius, Julien Boislève, Sabine Groetembril, JeanFrançois Lefèvre en Lucie Lemoigne), voor materiaalanalyses geassisteerd door Arnaud Coutelas (ArkeMine) en Michel Bouchard (Centre d’Analyses et de Recherche en Art et Archéologie). Het onderzoek van de vroegmiddeleeuwse muurschilderingen werd uitgevoerd door het Centre d’Etudes Médiévales in Auxerre (Bénédicte Palazzo-Bertholon, Poitiers o.l.v. Christian Sapin, Auxerre). Een grote hoeveelheid middeleeuwse en post-middeleeuwse beschilderde architectuurfragmenten werd in studie genomen door Marjan Buyle, Els Jacobs en Philippe Schurmans (allen OE). Marina Van Bos (KIK) voerde daarvoor materiaalanalyses uit. Frank Doperé (Onderzoekseenheid Archeologie, Katholieke Universiteit Leuven) verleende advies over de bewerkingssporen op natuursteen.

9


10

De door de opgravingen aan het licht gebrachte menselijke, dierlijke en plantaardige resten werden door medewerkers van het agentschap OE bestudeerd, bijgestaan door externe specialisten. Luc Muylaert sorteerde de talrijke grondmonsters uit. De analyse van de menselijke resten was in handen van Kim Quintelier, Marit Vandenbruaene en Sara Watzeels. Anton Ervynck en An Lentacker bestudeerden de dierlijke resten. De studie van plantaardige resten werd verzorgd door Brigitte Cooremans (zaden en vruchten) en Koen Deforce (houtskool). Het onderzoek van de visresten gebeurde door Wim Van Neer en Wim Wouters (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen), met subsidie door het Federaal Wetenschapsbeleid in het kader van het programma Interuniversitaire Attractiepolen. Naast het archeologisch onderzoek werd in de O.L.V.-basiliek ook een bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd. Kristof Haneca (OE) en Sjoerd van Daalen (BAAC bv) voerden een dendrochronologisch onderzoek van de dakkap uit. Vincent Debonne (OE) tekende voor de bouwhistorische studie en Anna Bergmans (OE) voor de historische studie van het interieur. Ze werden daarin bijgestaan door Roland Dreesen voor de identificatie van de natuursteensoorten en door Frank Doperé voor de studie van de bewerkingssporen op het stenen bouwmateriaal. Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek stelde Animotions bvba in staat 3D-reconstructies van de diverse kerkgebouwen te maken. Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek van Tongeren wordt in vijf delen gepubliceerd. Deel 1 is de catalogus van alle mobiele vondsten. Deze catalogus verzamelt de munten en de in metaal, glas, aardewerk, been en steen uitgevoerde gebruiksvoorwerpen. Deel 2 verzamelt de studies van al deze vondstcategorieën, van de objecten in leer en textiel, de interpretaties van de 14C-dateringen en het onderzoek van de menselijke, dierlijke en plantaardige resten. Deel 3 behandelt de sporen en architectuurresten van de vroeg-Romeinse periode, deel 4 de sporen en de architectuurresten van de laat-Romeinse periode en de vroege middeleeuwen en deel 5 de sporen en architectuurresten van de middeleeuwse en post-middeleeuwse periode en het bouwhistorisch onderzoek van de huidige kerk. De illustraties en een deel van de opmaak werden verzorgd door Alex Dallemagne, André Detloff, Glenn Laeveren, Sylvia Mazereel en Daisy Van Cotthem (allen OE). Ingrid In ’t Ven (OE) coördineerde het uiteindelijke publicatieproces. Alle hoger vermelde medewerkers die aan het welslagen van het archeologisch terreinonderzoek, van de uitwerking en van de publicatie van de resultaten hebben bijgedragen, wensen we op deze plaats hartelijk dank te zeggen.


Inleiding

De publicatie van de resultaten van het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek van Tongeren is over vijf volumes verdeeld. Deel 1 en deel 2 zijn aan de diverse vondstcategorieën gewijd, die het opgravingswerk opgeleverd hebben1. Het gaat daarbij om de munten, de overige artefacten in metaal, de voorwerpen in glas, aardewerk, steen en diverse organische grondstoffen als been, leer en textiel, om de plantaardige, de dierlijke en de menselijke resten. In deel 2 worden bovendien de radiokoolstofdateringen behandeld. De talrijke weergevonden architectuurresten worden in de delen 1 en 2 buiten beschouwing gelaten2. Deel 3, deel 4 en deel 5 hebben het sporenbestand van de site en de genoemde architectuurfragmenten als onderwerp. Deze drie volumes zijn chronologisch ingedeeld. Deel 3 behandelt de sporen en architectuurresten van de vroeg-Romeinse periode, deel 4 van de laat-Romeinse en vroegmiddeleeuwse periode en deel 5 van de middeleeuwse en postmiddeleeuwse periode. De vroeg-Romeinse periode van de site van de O.L.V.-basiliek is in vier fasen opgedeeld. Fase 1, de eerste vroeg-Romeinse houtbouwfase, dateert van het einde van de 1ste eeuw v.Chr. tot 69/70. Ze begint m.a.w. op het moment dat de stad in de midden-Augusteïsche tijd gesticht wordt en eindigt met de catastrofale brand die traditioneel met de opstand van de Bataven in verband wordt gebracht. Gedetailleerd onderzoek elders in Tongeren heeft aan het licht gebracht dat deze periode in een viertal subfasen ingedeeld kan worden, met sporen van een kortstondige militaire aanwezigheid omstreeks 10 v.Chr., van inheems-Romeinse woonstalhuizen vanaf de laat-Augusteïsche tijd, van meer geromaniseerde stadswoningen uit de Claudisch-Neronische periode en van de brand van 69/70. Op de site van de O.L.V.-basiliek is te weinig van de oudste fase bewaard en opgegraven om een dergelijke onderverdeling te kunnen maken. Slechts uitzonderlijk is het mogelijk gebleken een specifiek spoor nauwkeuriger binnen het pre-Flavische tijdperk te kunnen dateren.

1

Vanderhoeven & Ervynck 2016 en Ervynck &

Vanderhoeven 2017.

2

Fase 2, de tweede vroeg-Romeinse houtbouwfase, dateert van het laatste kwart van de 1ste eeuw en het begin van de 2de eeuw en valt bijgevolg in grote lijnen samen met de Flavische periode. Ook voor deze fase is het niet mogelijk gebleken specifieke sporenensembles nauwkeuriger chronologisch af te bakenen. De situatie op de site van de O.L.V.-basiliek beantwoordt aan het globale beeld dat voor de Romeinse stad Tongeren van die tijd bekend is. De stad is in die tijd overwegend met houten en lemen residenties volgebouwd, al komt uitzonderlijk ook wel eens een deels in steen opgerichte stadswoning aan het licht. Op de site van de O.L.V.-basiliek lijkt dit laatste niet het geval. Wel is sporadisch stenen bouwmateriaal aangetroffen, waaruit kan afgeleid worden dat in de omgeving van het opgavingsterrein wel al steenbouw kan gestaan hebben. Fase 3, de eerste vroeg-Romeinse steenbouwfase, dateert uit de eerste driekwart van de 2de eeuw. Ze wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een oost-west georiënteerde perceelscheidingslijn in de as van de huidige kerk. Ten noorden en ten zuiden van deze lijn werden complexe domus gebouwd, waarvan delen binnen de onderzochte zone vallen, maar waarvan andere delen zich op aangrenzend terrein bevinden. Ten zuiden van de site zijn die in het verleden opgegraven, ten noorden is dat (nog) niet gebeurd. De informatie over deze aangrenzende opgravingen wordt hier verder buiten beschouwing gelaten. Dit verslag beperkt zich strikt tot de grenzen van de opgraving van de site van de O.L.V.-basiliek. Van de stadswoningen van fase 3 zijn ten gevolge van de vele middeleeuwse funderingswerken alleen maar van elkaar geïsoleerde delen aangetroffen. Het is dan ook niet mogelijk van een samenhangende reconstructie van de domus te maken. Wel kon af en toe een opdeling in twee of drie subfasen vastgesteld worden. Fase 3 eindigt met een grote stadsbrand die in de tweede helft van de 2de eeuw plaatsvond. Fase 4, de tweede vroeg-Romeinse steenbouwfase, dateert van het laatste kwart van de 2de eeuw en de eerste driekwart van de

Met uitzondering van het vensterglas, dat in de

catalogus (deel 1) en de bespreking (deel 2) van de glazen artefacten is opgenomen.


12

3de eeuw. In deze periode blijft de oude perceelscheidingslijn voor een groot deel gerespecteerd. Alleen in het westelijk terreingedeelte wordt ze blijkbaar irrelevant. De afgebrande stadswoningen van fase 3 worden heropgebouwd. Soms blijven oude indelingen behouden, maar vaak vinden ingrijpende veranderingen plaats in de wijze waarop de ruimte wordt ingedeeld. Anders dan voor de vorige fase, zijn in fase 4 geen sporen van verbouwingen aan te wijzen. Een grote stadsbrand uit de tweede helft van de 3de eeuw maakt een einde aan de tweede vroegRomeinse steenbouwfase. Na de brand van de tweede helft van de 3de eeuw worden aan de westelijke rand van het opgravingsterrein een klein badgebouw en een waterbekken opgericht. Voor een nauwkeurige datering van deze constructies zijn geen aanwijzingen beschikbaar gekomen. Ze werden hetzij aan het einde van de 3de eeuw (na de brand), hetzij in de eerste helft van de 4de eeuw (voor de oprichting van een laat-Romeinse basilica omstreeks het midden van de 4de eeuw) gebouwd. Het is ook niet bekend wanneer beide gebouwen buiten gebruik werden gesteld. Dat kan gebeurd zijn op het moment dat de basilica werd gebouwd, maar ze kunnen ook nog in de tweede helft van de 4de eeuw verder gefunctioneerd hebben. Ze worden in dit verslag aan de beschrijving van fase 4 toegevoegd. Deel 3 van de publicatie van het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek, waarin de vroeg-Romeinse periode centraal staat, bestaat uit vijf hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk beschrijft de sporen van de vier vroeg-Romeinse bouw- en bewoningsfasen van de site. In totaal worden daarin 634 stratigrafische eenheden onderscheiden. Deze lijst is ontstaan door het samenvoegen van een veel groter aantal spoornummers dat tijdens de opgravingen op het terrein werden uitgegeven. De stratigrafische eenheden of sporen worden stuk voor stuk beschreven en hun onderlinge verhoudingen worden toegelicht. Op de eerste plaats worden van alle sporen de vorm en de samenstelling en kleur van hun vulling beschreven. In beperkte mate is ook melding gemaakt van de vondsten die ze bevatten, vooral met het oog op de datering. Plantaardige en dierlijke vondstensembles worden vermeld in die gevallen waar de aantallen resten boven het gemiddelde van elke bouw- en bewoningsfase liggen. Voor elk van de vier vroeg-Romeinse bouw- en bewoningsfasen is een overzichtsplattegrond gemaakt. De beslissing om, anders dan de delen 1 en 2, de delen 3 tot 5 door middel van een formule van het type ‘print on demand’ uit te geven, maakte het onmogelijk om afbeeldingen weer te geven die groter dan een A4-formaat zijn. De noodzaak drong zich dan ook op de overzichtsplattegronden zoveel mogelijk te verkleinen, in twee te knippen en over twee, tegenover elkaar staande pagina’s af te beelden. Waar nodig zijn van de overzichtsplattegronden uittreksels vergroot en als afzonderlijke figuren afgebeeld. Een aanzienlijk aantal foto’s moet helpen om zich van de beschreven sporen voorstellingen te maken. In de complexe werkomstandigheden en in de slecht belichte omgeving is het maken van opgravingsfoto’s vaak moeizaam verlopen. Toch is ervoor gekozen van regelmatig ook minder geslaagde opnames te tonen, in de hoop dat daarmee de beschrijvingen beter gevolgd kunnen worden. Het tweede hoofdstuk beschrijft de Romeinse stenen sculptuuren architectuurfragmenten die tijdens de opgraving werden

ingezameld. We mogen aannemen dat dit materiaal vrijwel volledig uit de vroeg-Romeinse periode dateert, al werden de meeste fragmenten als residueel materiaal in latere contexten aangetroffen. Wellicht was slechts een gering aantal van deze decoratieve onderdelen van Romeinse bouwwerken en van het beeldhouwwerk op de site zelf gebruikt. De meeste fragmenten zullen uit een ruimere omgeving zijn aangevoerd. De bouw van de laat-Romeinse stadsmuur ten zuiden en zuidoosten van de site van de O.L.V.-basiliek kan daarin een rol gespeeld hebben. Het hoofdstuk bestaat uit een catalogus met beschrijvingen en interpretaties van de vondsten en een globale bespreking van het vondstensemble. Het derde hoofdstuk behandelt de twee Romeinse opschriften die het onderzoek van de site van de O.L.V.-basiliek aan het licht bracht. Beide zijn als residuele vondst in post-Romeinse context aangetroffen. Eén opschrift komt uit de zwarte laag van de gotische kerk en één opschrift is in de zuidwestelijke hoek van het oksaal in bovengronds muurwerk ingemetseld. Ze krijgen een uitgebreide beschrijving en interpretatie. Het vierde hoofdstuk is aan de steensoorten gewijd van het in het tweede en derde hoofdstuk besproken materiaal. Van alle steensoorten wordt een identificatie gegeven, een beschrijving gemaakt en wordt de herkomst aangegeven. Het vijfde hoofdstuk maakt het overzicht van alle ensembles van Romeinse muurschilderingen die aan de vroeg-Romeinse gebouwen kunnen worden toegeschreven. De grote branden uit de tweede helft van de 2de eeuw en de tweede helft van de 3de eeuw hebben ertoe geleid dat van een aantal interieurdecoraties grote aantallen fragmenten in de brand- en puinlagen bewaard zijn gebleven. Het gaat dan om omvergeduwde muren waarvan de beschilderingen vaak nog over grote oppervlakten op de vloeren van de woningen terecht zijn gekomen. Eénmaal is een dergelijke omvergeduwde wand ook in pre-Flavische context aangetroffen. Enkele malen zijn resten van wandecoraties in situ op de muren bewaard gebleven. Daarnaast zijn ook grote dumps van fragmenten van muurschilderingen aangetroffen die vergevorderde reconstructies mogelijk maakten. Het resultaat is een hele reeks vondstensembles die uitgebreid beschreven en besproken worden en met een selectie van gelijkaardige vondsten vergeleken worden. Het hoofdstuk gaat ook in op technologische aspecten van de muurschilderingen. Er is zorg voor gedragen dat voor alle in de hoofdstukken 2 tot 5 besproken vondsten en vondstensembles door middel van het spoornummer verwijzingen naar hun oorspronkelijke vondstcontext vermeld worden. Omgekeerd wordt in hoofdstuk 1 door middel van de catalogusnummers voor elk spoor systematisch aangegeven welke vondsten (architectuurresten, sculptuurfragmenten en opschriften) en welke ensembles (muurschilderingen) daarin zijn aangetroffen. Hetzelfde is overigens gedaan voor de in de delen 1 en 2 behandelde artefacten en ecofacten. Op die manier moet het mogelijk zijn de oorspronkelijke vindplaats van elk spoor en elke vondst op de site te reconstrueren en op te sporen welke artefacten, ecofacten en architectuurelementen in welke sporen samen werden aangetroffen.


Inleiding

Bibliografie ervynck a. & vanderhoeven a. (red.), Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek van Tongeren (1997-2013). Deel 2: Studie van de vondsten, Relicta Monografieën 12, Brussel. vanderhoeven a. & ervynck a. (red.) 2016: Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek van Tongeren (1997-2013). Deel 1: Vondstcatalogus, Relicta Monografieën 11, Brussel.

13


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

1

15

De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Alain Vanderhoeven, Annick Arts, Kristien Borgers, Daan Celis, Jasmine Cryns, Natasja De Winter, An Peelaerts, Peter Van den Hove, Vanessa Vander Ginst & Geert Vynckier

1.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de sporen uit de vroeg-Romeinse keizertijd behandeld. Het betreft de periode van het laatste decennium v.Chr., de fase waarin de civitas-hoofdplaats gesticht werd, tot het derde kwart van de 3de eeuw, toen de stad, wellicht ten gevolge van de invallen van de Franken, verwoest werd. Deze lange periode kan voor de site van de O.L.V.-basiliek in vier, mogelijk vijf fasen opgedeeld worden. Een eerste fase dateert van omstreeks 10 v.Chr., het moment waarop de stichting van de stad gedateerd kan worden1, tot 69 of 70 n.Chr., het jaar waarin de nederzetting, vermoedelijk ten gevolge van de opstand van de Bataven, door een grote brand werd verwoest2. Ze wordt gekenmerkt door zeer partieel bewaarde sporen van hout- en leembouw en wordt daarom de eerste Romeinse houtbouwfase genoemd. Een tweede fase situeert zich in de Flavische periode en het begin van de 2de eeuw. Uit die, op de site eveneens moeilijk grijpbare periode, dateren vage sporen van hout- en leembouw en ze zal daarom de tweede Romeinse houtbouwfase genoemd worden. Deze houten en lemen constructies worden vanaf het begin van de 2de eeuw geleidelijk door steenbouw vervangen.

1 Vanderhoeven et al. 1992a, p. 98-100; Vanderhoeven 1996, p. 193-195 en p. 197-200; Vanderhoeven 2001, p. 162 en p. 172-174; Vanderhoeven et al. 2007, p. 315; Vanderhoeven & Vanderhoeven 2004. Voor de historische omstandigheden waarin de stad gesticht werd, de oprichting van de Augusteische provincie Germania, zie Raepsaet (2013). 2 Resten van de aan de Batavenopstand toegeschreven brandlaag worden in Tongeren over een areaal van ca. 60 ha verspreid aangetroffen (Vanvinckenroye 1985, p. 40). Het verwoestend effect van de brand is de voorbije jaren op een aantal opgravingsterreinen duidelijk waargenomen, o.m. aan de Kielenstraat (Vanderhoeven et al. 1987, p. 133; Vanderhoeven et al. 1991, p. 110-111; Vanderhoeven et al. 1992a, p. 97), aan de Hondsstraat (Vanderhoeven et al. 1992b, p. 69-70), aan de Sacramentstraat (Vanderhoeven et al. 2014, p. 6-9) en aan de Beukenbergweg (Veldman et al. 2014, p. 47, p. 52 en afb. 4.2, 4.4, 4.7 en 4.8).

De derde fase begint dan ook met het verschijnen van deze gebouwen en wordt de eerste Romeinse steenbouwfase genoemd. Ze eindigt met een grote brand die in de tweede helft van de 2de eeuw gedateerd kan worden3. Daarop volgt de vierde fase, andermaal door de aanwezigheid van steenbouw gekenmerkt. Ze dateert uit de tweede helft van de 2de eeuw en de 3de eeuw en wordt de tweede Romeinse steenbouwfase genoemd. Een derde grote stadsbrand, die vermoedelijk in verband staat met de Frankische invallen in het derde kwart van de 3de eeuw, sluit deze fase af4. In het westelijk gedeelte van de site wordt daarna nog steenbouw opgericht: een waterbekken en een klein badgebouw. Dat gebeurde ten vroegste aan het einde van de 3de eeuw of het begin van de 4de eeuw. Het is echter niet mogelijk deze fase nauwkeuriger te dateren. Ofwel eindigde ze omstreeks het midden van de 4de eeuw, toen de monumentale laat-Romeinse basilica werd gebouwd, ofwel duurde ze voort tot in de tweede helft van de 4de eeuw, maar dan stond het badgebouw wel pal voor de westelijke gevel van de basilica. Er is beslist de beschrijving ervan in fase 4 op te nemen.

Ook deze brandlaag is de afgelopen jaren op 3 verschillende opgravingsterreinen vastgesteld, o.m. aan de Kielenstraat (Vanderhoeven et al. 1991, p. 113), aan de Hondsstraat (Vanderhoeven et al. 1992b, p. 68 en p. 70-71) en aan de Veemarkt (Vanderhoeven et al. 1993, p. 129 en p. 134). Op de laatste vindplaats is een terminus post quem voor de datering van de brand gevonden: een munt van Antoninus Pius voor Faustina II uit 151-156 (Vanderhoeven et al. 1993, p. 137, cat. nr. 5). Deze munt lag op de bodem van een beerput waarvan de schacht met brandresten was dichtgegooid. Uit dezelfde periode daterende brandlagen zijn ook bekend van een aantal steden in Gallia Belgica: Amiens (Bayard & Massy 1984, p. 103-104), Arras (Jelski & Thoen 1974) en Bavay (Carmelez 1983, p. 28). Deze branden worden wel eens in verband gebracht met de invallen van de Chauci en de reactie daarop in 173 van de latere keizer Didius Iulianus, op dat moment gouverneur van Gallia Belgica (SHA, Vita Didii

Iuliani 1, 6-9; Thoen 1991; Erdrich 2004). Er waren in deze periode in onze streken echter meer problemen het hoofd te bieden (De Clercq 2009, p. 393-394). 4 De site van de O.L.V.-basiliek is één van de weinige plekken in Tongeren waar deze brandlaag goed bewaard is. Elders in de stad heeft de postRomeinse erosie vaak dermate diep ingegrepen dat de 3de-eeuwse brandlaag en zelfs de daaronder aanwezige 3de-eeuwse vloerniveaus verloren zijn gegaan. De laag is onder meer ten noordoosten van de grote tempel aan de Keverstaat goed bewaard gebleven, op het punt waar de 4de-eeuwse stadsmuur contact maakt met de 2de-eeuwse (Mertens 1977a, p. 50 en fig. 27, 1). Het effect van de brand was ook zichtbaar op de basis en de resten van een zeskantige godensteen in Maastrichter steen aan de Kielenstraat (Noelke 2010-2011, p. 154-155, p. 357358, Abb. 3 en 60, nr. 334).


16

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Het hiernavolgende overzicht van de verschillende vroegRomeinse sporen geeft in principe van elke structuur de vorm, de afmetingen, de kleur en de samenstelling van de vulling. Heel vaak zal blijken dat de vorm en de afmetingen niet of slechts gedeeltelijk weergegeven kunnen worden. Diverse sporen zijn immers door jongere graafactiviteiten verstoord en bijgevolg slechts gedeeltelijk bewaard. Bovendien zijn ten gevolge van de opgelegde werkwijze vaak geen profielen ter beschikking en moeten dieptes van kuilen of diktes van lagen aan de hand van de waterpasmetingen van de elkaar opvolgende vlaktekeningen gereconstrueerd worden. Zoals in sterk gestratificeerde sites in historische stadskernen gebruikelijk is, strekken de elkaar in de tijd opeenvolgende lagen zich als lappendekens over elkaar heen uit. Hun diktes kunnen over korte afstand erg variëren. De in de beschrijving weergeven diktematen zijn dan ook vaak een benadering. Soms kunnen wel minimale en maximale waarden weergegeven worden, heel vaak echter zijn de maten een gereconstrueerd gemiddelde. Het volledige overzicht van de vondsten die in de sporen zijn ingezameld is in de catalogus per materiaalcategorie terug te vinden5. Het kleine aantal munten dat in de vroeg-Romeinse sporen voorkomt is hier wel altijd expliciet vermeld, al gaat het meestal om residuele vondsten die weinig bijdragen tot de dateringen van de contexten waarin ze zijn aangetroffen6. Voorwerpen in glas, metaal, been en steen worden gesignaleerd als het om bijzondere vondsten gaat. Het aardewerkbestand wordt in zeer algemene bewoordingen beschreven. Met name wordt op de waarde van het aardewerk voor de datering van de sporen ingegaan en worden afwegingen gemaakt over de betekenis van zowel residueel als intrusief materiaal. Voor elk van de vier vroeg-Romeinse bewoningsfasen is bij wijze van samenvatting een beperkte poging gedaan tot functionele waardering van het aardewerkensemble. Concreet wordt de ceramiek daarvoor op een eenvoudige manier in drie functionele categorieën ingedeeld: (1) tafelservies (waartoe de terra sigillata, het dunwandig aardewerk, de terra rubra en terra nigra, het geverfd, gebronsd en geglazuurd aardewerk gerekend worden), (2) keukenservies (de categorie die het Pompejaans rood, gladwandig en ruwwandig aardewerk en de mortaria groepeert) en (3) verpakkingen en transportcontainers (de dolia, de amphorae en de handgevormde kurkurnen). Deze indeling is in principe te grof en kan alleen als een eerste benadering van de functionele waardering van aardewerkensembles beschouwd worden. Ze maakt het echter mogelijk de site van de O.L.V.-basiliek met enkele andere gepubliceerde opgravingen van Tongeren te vergelijken, waar de ceramiek op dezelfde manier werd ingedeeld7. Het is echter duidelijk dat in de toekomst een meer genuanceerde classificatie zal moeten ontworpen worden. Ook moet er hier op gewezen worden dat het aardewerk op die manier ingedeeld alleen op het niveau van de

5 Vanderhoeven & Ervynck 2016. 6 Van Heesch et al. 2017. 7 De sites van de Veemarkt (Vanderhoeven et al. 1993), de Mombersstraat (Vanderhoeven et al. 2007) en de Sacramentstraat (Vanderhoeven et al. 2014).

bouw- en bewoningsfase wordt bekeken. De vondstcatalogus biedt echter de mogelijkheid tot verdergaande analyses in de toekomst, zowel voor verfijning van de functionele indelingen als voor interpretatie op het niveau van individuele sporen of van onderdelen van het opgravingsterrein. Tijdens het onderzoek van de plantaardige en dierlijke resten is een aantal bijzondere vondstensembles uit het geheel van de beschikbare gegevens gelicht en apart besproken8. Wanneer uit dit onderzoek gebleken is dat een spoor meer dan een gemiddelde hoeveelheid ecologisch-archeologisch materiaal bevat, wordt dit in de spoorbeschrijving kort in herinnering gebracht en wordt een overweging over de aard van de plantaardige en/of dierlijke vondstensembles aan de beschrijving toegevoegd. Tot slot wordt ook altijd de aanwezigheid van decoratieve architectuur- en sculptuurfragmenten en van belangrijke muurschilderingen in de spoorbeschrijving opgenomen. Alvorens de beschrijvingen fasegewijs op te starten, is het aangewezen kort de topografische en stratigrafische context van de vindplaats in de Romeinse tijd toe te lichten. De site van de O.L.V.-basiliek bevindt zich in het centrum van de vroegRomeinse stad (fig. 1.1). Ten noorden van de site ligt de decumanus maximus, de dubbele, oost-west gerichte hoofdas van het stedelijk stratennet. Ten oosten van het opgravingsterrein situeert zich een cardo, een noord-zuid georiënteerde zijstraat. De bewoningssporen van de eerste drie eeuwen van de Romeinse periode zijn op één of andere manier op deze straten gericht geweest. Verder ligt het terrein op zowat het hoogst gelegen punt van de stad: de waterscheidingslijn tussen Maas- en Scheldebekken9. Vanaf de site van de O.L.V.-basiliek daalt de nederzetting in zuidelijke richting naar de vallei van de Jeker. Op die helling zijn in de oudheid talrijke terrassen voor de bouw van stadswoningen aangelegd. In 1.4 zal nog blijken dat vanaf het einde van de 1ste eeuw en het begin van de 2de eeuw, de periode waarin fase 3 van de vroeg-Romeinse bewoningsgeschiedenis begint, een oost-west georiënteerde terras- en perceelscheidingsmuur het centrale gedeelte van het terrein in twee eenheden verdeelde. Deze perceelscheiding loopt min of meer in de oost-west georiënteerde as van de huidige kerk en is ook in het oostelijk gedeelte van het terrein in het gebouwenbestand zichtbaar. Hoe het terrein voordien in de 1ste eeuw was opgedeeld is niet geweten. Voor de periode erna is het beeld wel duidelijk. In de 4de eeuw bevond er zich een basilica, een publiek gebouw, dat voor de helft op het oude noordelijke en voor de helft op het oude zuidelijke perceel was aangelegd. Het is duidelijk dat de oude indeling van het stadsdeel toen geen rol meer speelde. In die tijd veranderde de lokale topografie ook ingrijpend door de aanleg van een nieuwe stadsmuur, die de oude stadswijk van het zuidwesten naar het noordoosten doorkruiste. De gevolgen daarvan op de ruimtelijke indeling van de site worden elders toegelicht10.

8 Cooremans 2017; Ervynck et al. 2017. 9 Naar alle waarschijnlijkheid bevond het hoogstgelegen punt van de Romeinse stad zich verder noordwaarts aan de Keverstraat, in de noordelijke randzone van de nederzetting, waar een monumentale tempel op een kunstmatig verhoogd

terras was aangelegd (Mertens 1967-1968; Vanvinckenroye 1985, p. 105-106; Trunk 1991, p. 217-218; Cosyns 2013). 10 Vanderhoeven & Ervynck in druk.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Fase 1

Fase 2-3 WP22

WP10 WP9

WP30

WP18 WP4

WP5

WP21

WP29 WP24

WP28

WP17

WP3 WP1 WP8

WP16

WP2

WP26

WP27

WP23 WP6

WP6

WP15 WP12 WP14

WP13

WP11 WP19

0

40 m

Fig. 1.1 Tongeren: ligging van het opgravingsterrein binnen de Romeinse stad.

WP25

17


18

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

1.2

Fase 1: de eerste vroeg-Romeinse houtbouwfase

1.2.1 Beschrijving van het pre-Flavische sporenbestand Het sporenbestand uit de pre-Flavische periode werd alleen in het westelijk gedeelte van de middenbeuk (werkput 2) tot op het niveau van de natuurlijke ondergrond opgegraven en zelfs daar mochten alleen de ondiepe sporen gecoupeerd en integraal onderzocht worden. Elders werd geen toestemming gekregen om te graven tot op de diepte waarop deze sporen zich situeren. Buiten het westelijk gedeelte van de middenbeuk werd op diverse plekken van het terrein wel nog de brand- en puinlaag van de Batavenopstand in het diepste aangelegde werkvlak aangesneden, maar de daaronder gelegen sporen konden niet onderzocht worden. Enkele malen waren in deze zones net onder de brandlaag nog wel bewoningssporen zichtbaar, maar de opgelegde beperkingen lieten niet toe deze structuren verder op te graven en er het vondstenbestand van in te zamelen. Het is dan ook niet mogelijk om zich een betrouwbaar beeld van de bewoningsgeschiedenis uit de periode van ca. 10 v.Chr. tot 69/70 te vormen. Wel kan het bewoningspatroon beschreven worden dat op basis van ander onderzoek in de omgeving van de O.L.V.-basiliek verwacht mag worden, en kan vervolgens een inschatting gemaakt worden hoe de op de site aangetroffen sporen daarin zouden kunnen passen. De opgravingen aan de Kielenstraat in de jaren 1986-1992 hebben voor het eerst een inzicht gegeven in de pre-Flavische bewoningsgeschiedenis van het stadsdeel waartoe ook het terrein van de O.L.V.-basiliek mag gerekend worden11. Hoewel het twee verschillende, maar wel aan elkaar grenzende insulae van de Romeinse stad betreft, is de kans groot dat de oudste ontwikkelingen in de zone van de O.L.V.-basiliek vergelijkbaar zijn met die aan de Kielenstraat. Uitgaande van deze hypothese kan men zich verwachten aan sporen van de kortstondige militaire ontstaansgeschiedenis van de civitas-hoofdplaats omstreeks 10 v.Chr., van de eerste generatie van permanente bewoners van de stad in de laat-Augusteïsche en Tiberische tijd, van de opvolgers uit de Claudisch-Neronische periode en van de verwoesting van de nederzetting in 69 of 70. Zoals op vele andere plaatsen in Tongeren is ook in de O.L.V.basiliek onder de Romeinse stratigrafie een laatste restant van de uitgeloogde horizont van de holocene bodem bewaard (pl. I: spoor 1). Dit lichtgrijs gekleurde restant bevat echter fragmenten houtskool en verbrande leem en kleine hoeveelheden vondsten. Hun aanwezigheid toont aan dat het om een gedeeltelijk door de mens omgespitte en vervuilde horizont gaat. In de O.L.V.-basiliek was deze deels omgewerkte bodem zichtbaar in het westelijk gedeelte van de middenbeuk. Het materiaal dat erin werd aangetroffen, dateert uit de gehele pre-Flavische tijd, waaruit kan afgeleid worden dat het verstoringsproces zich in de periode van het einde van de 1ste eeuw v.Chr. tot aan de brand van 69/70 wellicht herhaaldelijk heeft voorgedaan. Daarna was de door de mens veroorzaakte gelaagdheid zo dik geworden, dat de hori-

11

Vanderhoeven et al. 1992a; Vanderhoeven 1996, 2001 en 2007, p. 315-319.

zont vrijwel nooit meer over grote oppervlakten bereikt en verstoord kon worden. Sporen van houtbouw, van loopvlakken, van kuilen en greppels, van ophogingslagen die aan de brandlaag van 69/70 voorafgaan, en van de brandlaag zelf zijn aan het licht gekomen onder het oksaal (werkput 1), ten zuiden van het noordwestportaal (werkput 9), in de westelijke delen van de noordelijke zijbeuk (werkput 4), van de middenbeuk (werkput 2) en van de zuidelijke zijbeuk (werkput 6), in het oostelijk gedeelte van de middenbeuk (werkput 16), in de zuidelijke dwarsbeuk (werkput 12) en de aansluitende toegang tot de kloostergang (werkput 11), in het laagkoor (werkput 26), het hoogkoor (werkput 27) en in een gedeelte van de kloostertuin (werkput 25) (pl. I). Zoals gezegd kon alleen in het westelijk gedeelte van de middenbeuk, samenvallend met werkput 2 van de opgraving, het onder de brandlaag van 69/70 bewaarde, pre-Flavische sporenbestand volledig in kaart worden gebracht, voor zover latere bouw- en bewoningsactiviteiten het niet vernield hadden. Daar konden ook de ondiepe sporen gecoupeerd en opgegraven worden. Voor de diepe sporen was dit verboden. In de hiernavolgende paragrafen zullen de preFlavische structuren zone per zone besproken worden. Het overzicht start in de meest westelijk gelegen werkputten en eindigt in de meest oostelijk aangelegde. Werkput 1 In de zone onder het oksaal (werkput 1) is het oudste spoor van menselijke activiteit een licht grijsgele, met wat houtskool vermengde laag die verder vondstenloos is en waarvan de functie onbekend blijft (pl. I: spoor 2). De dikte kon niet bepaald worden. Verder tekent zich in het vlak een minstens 1,30 m brede, nagenoeg noord-zuid georiënteerde gracht af (pl. I: spoor 3), die spoor 2 doorsnijdt, maar waarvan de functie eveneens onbekend blijft. De erin aangetroffen vondsten dateren de gracht omstreeks het midden van de 1ste eeuw. Tot slot worden zowel spoor 2 als spoor 3 door een kuil doorsneden, waarvan slechts een beperkt gedeelte zichtbaar is en die een doormeter van ca. 1 m heeft (pl. I: spoor 4). De vulling bestaat uit lagen donkergrijze en lichtgrijze zandige leem en gele leem die beide met houtskoolfragmenten vermengd zijn. Ook dit spoor kan aan de hand van het schaarse vondstenbestand omstreeks het midden van de 1ste eeuw gedateerd worden. In de zone van werkput 1 onder het oksaal is de brandlaag van 69/70 niet bewaard of herkend. De pre-Flavische datering van de sporen is dan ook alleen op het erin aangetroffen vondstmateriaal gebaseerd. Werkput 9 Ten zuiden van het noordwestportaal (werkput 9) kunnen aan de pre-Flavische periode twee lagen, een viertal paalsporen en de gedeeltelijk bewaarde brandlaag van 69/70 toegeschreven worden. Het oudste zichtbare spoor is een homogeen grijs gekleurde laag (pl. I en fig. 1.2: spoor 5) die op grond van de vondsten omstreeks het midden van de 1ste eeuw kan gedateerd worden. Ze wordt afgedekt door een jongere laag die is samengesteld uit


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

19

5

10

86

16

86 6

8 7

11

14

15

5

9

86

86

0

1m

1m

11

12

0

13

brokstukken gele leem, waarop telkens een dun zwart laagje herkenbaar is (pl. I en fig. 1.2: spoor 6). Deze brokstukken liggen in alle mogelijke richtingen georiënteerd. Ze kunnen geïnterpreteerd worden als fragmenten van een uitgebroken geelkleurige lemen vloer, waarop zich een zwart loopvlak gevormd heeft. Het verspitte vloermateriaal is uiteindelijk weer als ophogingslaag gedeponeerd. De diktes van de lagen 5 en 6, beide alleen maar op het diepste toegelaten werkvlak geregistreerd, konden niet meer bepaald worden. Van de vier paalkuilen (pl. I en fig. 1.2: sporen 7 tot 10) lijken drie exemplaren tot eenzelfde rij te behoren. Spoor 7 is een rechthoekige paalkuil van ca. 15 x 25 cm. Spoor 8 is een gedeeltelijk bewaarde paalkuil, mogelijk ook rechthoekig, waarvan de smalle zijde ongeveer 20 cm meet. Tegen de zuidzijde tekent zich een vierkante paalkern af met zijden van ca. 10 cm. Spoor 9 is een rechthoekige paalkuil van ca. 20 x 25 cm, waarin twee paalkernen van ca. 10 x 10 cm zichtbaar zijn, één centraal en één in de zuidoostelijke hoek van de kuil. Deze drie kuilen staan op één rij en hebben dezelfde vullingen: bruingrijze zandige leem in de paalkuilen, donkergrijze zandige leem in de paalkernen. Ze kunnen bijgevolg tot eenzelfde wand behoord hebben. Spoor 10 is mogelijk een ovaalvormige paalkuil met geelgrijze zandige leem, die tijdens de opgraving slechts gedeeltelijk zichtbaar was. De zuidelijke zijde van werkput 9 is met resten van de brandlaag van 69/70 afgedekt (spoor 86).

86

Fig. 1.2 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 9 ten zuiden van het noordwestportaal: sporen van fase 1.

Fig. 1.3 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 4 in de noordelijke zijbeuk: sporen van fase 1.

Werkput 4 In het westelijk gedeelte van de noordelijke zijbeuk (werkput 4) strekt zich een geelgrijze, pre-Flavische laag uit (pl. I en fig. 1.3: spoor 11). In deze laag zandige leem bevindt zich naast houtskool plaatselijk grijswitte en roze mortel. De dikte blijft onbekend omdat het spoor pas op het diepst toegelaten werkvlak aan het licht kwam. Spoor 11 wordt in het westen door twee kuilen doorsneden. Deze uitgravingen (pl. I, fig. 1.3 en 1.4: sporen 12 en 13) zijn weliswaar niet volledig bewaard, maar lijken elk een ovaalronde plattegrond met een diameter van ca. 50 cm gehad te

hebben. Hun vulling bevat geelgrijze zandige leem, verbrande leem, houtskool en grote hoeveelheden grijze mortel. Mogelijk zijn het paalkuilen. In het oosten wordt spoor 11 door een grote kuil doorsneden (pl. I, fig. 1.3 en 1.5: spoor 14). Ook dit spoor is maar gedeeltelijk bewaard, maar had vermoedelijk een vierkante of rechthoekige plattegrond. Noord-zuid is de zijde minstens 1,30 m, oost-west minstens 2,60 m. De vulling bestaat uit een homogeen pakket geel en grijs gevlekte zandig leem met veel houtskool. In de zuidoostelijke hoek ligt in de vulling grijswitte


20

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.4 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 4 in de noordelijke zijbeuk: sporen 12 en 13 van fase 1 vanuit het westen.

Fig. 1.5 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 4 in de noordelijke zijbeuk: sporen 14 tot 16 en 86 van fase 1 vanuit het westen.

mortel geconcentreerd. Het betreft een grote uitgraving, die aan de zuidzijde bovendien door een planken structuur was afgeboord (pl. I, fig. 1.3 en 1.5: spoor 15). Men kan daarbij denken aan een houten kelder of beerput. De houten wand wordt door spoor 16 (pl. I, fig. 1.3 en 1.5), een langwerpige kuil met een minimale diameter van 1 m, doorsneden. Haar vulling bestaat uit geelgrijze zandige leem met wat houtskool en grijze mortelfragmenten. Tot slot is in werkput 4 plaatselijk de brandlaag van 69/70 herkend (pl. I, fig. 1.3 en 1.5: spoor 86), die de sporen 12, 14 en 16 lijkt af te dekken.

De oudere pre-Flavische sporen in werkput 2 In de westelijke sector van werkput 2 zijn, met inbegrip van de plaatselijk nog zichtbare verspitte holocene bodem (pl. I en fig. 1.6: spoor 1) en de brandlaag van 69/70 (pl. I en fig. 1.6: spoor 86), 31 pre-Flavische sporen geheel of gedeeltelijk bewaard gebleven. In de noordoostelijke hoek van deze zone is een ovaalronde verkleuring zichtbaar (pl. I en fig. 1.6: spoor 17). Het gaat om een kuil of opgevulde natuurlijke depressie, ovaalrond van vorm, met een minimale diameter van 1,10 m en een diepte van een 30 cm, gevuld met lichtgrijze leem, waarin spaarzaam kleine houtskoolfragmentjes zichtbaar zijn. Het spoor bevat verder geen vondsten. Mogelijk is het spoor het effect van een ontwortelde of uitgegraven boom. Een dergelijke boomkuil zou hypothetisch tot de ontstaansfase van de stad kunnen gerekend worden.

Werkput 2 In het westelijk gedeelte van de middenbeuk (werkput 2) is het pre-Flavische sporenbestand, voor zover bewaard, in zijn geheel in kaart gebracht. Het is de enige zone waar dit toegelaten was. Deze zone valt ten gevolge van de vele latere verstoringen in twee sectoren uiteen: een westelijke en een oostelijke. De laatste splitst op haar beurt verder uiteen in een noordoostelijk en een zuidoostelijk gedeelte. De sporen die aan de brandlaag van 69/70 voorafgaan zullen voor elk van deze zones apart besproken worden. Eerst komen de oudere aan bod, uit de eerste helft van de 1ste eeuw, daarna de jongere, die van kort voor de brand of van het moment van de brand van 69/70 dateren.

Het oudste, duidelijk herkenbaar architecturaal element is een noord-zuid verlopende standgreppel, waarin centraal over vrijwel de gehele lengte een plankspoor te zien is (pl. I, fig. 1.6, fig. 1.7 en 1.8: spoor 18). De greppel varieert in breedte van ca. 15 cm tot ca. 70 cm en is over een lengte van 6 à 7 m zichtbaar. De dikte van het plankspoor schommelt tussen de 5 en 10 cm. De bewaarde diepte wisselt van ca. 20 cm tot ca. 30 cm. De greppel is met lichtgrijze zandige leem opgevuld, met daarin wat houtskool-


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

fragmentjes. Het plankspoor tekent zich als een grijze verkleuring af. Globaal kan het bouwsel aan de hand van de vondsten in de eerste helft van de 1ste eeuw gedateerd worden. Minstens een deel van deze houten wand lijkt in een later stadium met palenrijen versterkt te zijn. Er kunnen daarin drie palengroepen herkend worden, die mogelijk op drie herstellingsfasen wijzen. Het onderscheid tussen deze drie groepen wordt gemaakt door hun ietwat verschillende uitlijningen en door de verschillen in wijze waarop de paalkuilen gegraven zijn. De bewaarde dieptes van al deze paalkuilen variëren van ca. 20 cm tot ca. 40 cm. Een eerste lijn bestaat uit vijf paalkuilen (pl. I en fig. 1.6: sporen 19 tot 23). Spoor 19 is een polygonale paalkuil, ca. 50 x 50 cm. Spoor 20 is vrijwel rechthoekig, ca. 50 x 30 cm. Spoor 21 is nauwelijks zichtbaar, de plattegrond en afmetingen zijn dan ook niet te bepalen. Spoor 22 is weer rechthoekig, ca. 50 x 35 cm en spoor 23 is eveneens rechthoekig, ca. 30 x 45 cm. Spoor 21 wordt door spoor 22 doorsneden en spoor 22 door spoor 23. Dit hoeft niet noodzakelijk op ver uiteen liggende tijdsstippen gebeurd te zijn. Het kan ook tijdens eenzelfde herstellingsfase plaatsgevonden hebben, wanneer bv. een voorgenomen inplanting van een paal bijgesteld wordt. Omdat de vulling van deze kuilen er identiek uitziet, is het toegelaten het laatst vermelde scenario als hypothese aan te houden. De vullingen bestaan uit lichtgrijze zandige leem, met kleine hoeveelheden houtskoolpartikels vermengd. Spoor 22 bevat echter grote hoeveelheden houtskool. Er zijn in deze paalkuilen geen dateerbare vondsten aangetroffen die deze eerste herstellingsfase nauwkeuriger zouden kunnen dateren. Een tweede lijn bestaat uit vier paalkuilen (pl. I, fig. 1.6 en 1.8: sporen 24 tot 27). Spoor 24 is vrijwel vierkant, ca. 15 x 15 cm. Spoor 25 is een slechts gedeeltelijk bewaarde paalkuil, waardoor de plattegrond en afmetingen niet met zekerheid bepaald kunnen worden. Spoor 26 is ovaal met een maximale diameter van ongeveer 70 cm en spoor 27 is een gedrongen rechthoek van ca. 35 x 45 cm. Al deze paalkuilen lijken vanwege hun sterk gelijkende vulling tot eenzelfde bouw- of herstellingsactiviteit behoord te hebben. Ze zijn met lichtgrijze, zandige leem gevuld. Daarin bevinden zich kleine aantallen houtskoolpartikels. In spoor 25 is echter een grote hoeveelheid houtskool bewaard en in spoor 27 bevinden zich vuursteen- en dakpanfragmenten, ongewoon, maar niet uit te sluiten voor pre-Flavische houtbouwsporen in Tongeren. Spoor 24 bevat de enige dateerbare vondst die de paalkuil en bij uitbreiding wellicht de hele palenrij van deze tweede herstellingsfase nog in de eerste helft van de 1ste eeuw kan situeren. Een derde lijn groepeert vier paalsporen (pl. I en fig. 1.6: sporen 28 tot 31). Ze zijn alle vier ovaalrond, met diameters die variëren van 15 tot 30 cm, en ze hebben allemaal een donkergrijze, zandlemen vulling. Ze kunnen niet als paalkuilen geïnterpreteerd worden, maar wel als paalsporen. Daarmee is bedoeld dat het om sporen van ingeheide palen kan gaan, of om sporen van het uitgraven of uittrekken van staanders. Deze rij is stratigrafisch jonger dan de hierboven beschreven eerste en tweede palenrij en wijst bijgevolg op het bestaan van een derde herstellingsfase. Er zijn geen goed dateerbare vondsten in aangetroffen. Tot slot bevindt zich centraal in de standgreppel van spoor 18 nog een geïsoleerde paalkuil (pl. I, fig. 1.6 en 1.8: spoor 32). Ze is min of meer rechthoekig, meet ca. 30 x 40 cm en is met grijsbruine zandige leem en wat houtskool en verbrande

54

17

38

86

1 86 18

55 46

21

46

1 33

44

34

39

19 45

21

1

29

20 30 36

22 18

23

31 40 46

35

28

24

42

1 41

25

43

26 1

32

37

27 64 0

64 1m

Fig. 1.6 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: sporen van fase 1.

leem gevuld. Deze vondstenloze kuil, die de hierboven beschreven tweede palenrij doorsnijdt, wijst op een mogelijk vierde herstellingsfase. Ongeveer 1 m ten oosten van de standgreppel met planksporen is nog een rij van 5 paalkuilen zichtbaar, waarvan de meeste exemplaren echter zwaar door latere graafwerken zijn aangetast (pl. I en fig. 1.6: sporen 33 tot 37). Hun onderlinge band blijkt alleen nog uit de gemeenschappelijke uitlijning en aard van hun vulling. Spoor 33 tekent zich als een rechthoek van ca. 20 x 30 cm af. Spoor 34 is cirkelvormig en heeft een diameter van zowat 25 cm. Spoor 35 heeft een vrijwel rechthoekige plattegrond en meet ca. 20 x 30 cm. Spoor 36 is een kleine cirkel van ongeveer 15 cm doormeter. Spoor 37 is vierkant, met zijden van vrijwel 20 cm. De vulling van deze paalkuilen bestaat uit grijsbruine zandige leem en wat houtskool. Ze zijn verder vondstenloos. Mogelijk vormen ze, samen met de planken wand van spoor 18, een smalle portiek.


22

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.7 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: sporen 18 tot 32 van fase 1 vanuit het noorden.

Fig. 1.8 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: sporen 18, 25 tot 27, 32 en 64 van fase 1 vanuit het westen.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

23

Nog uit de vroege pre-Flavische tijd dateert een drietal palen (pl. I en fig. 1.6: sporen 38, 39 en 40) die op grond van hun uitlijning mogelijk van eenzelfde constructie deel uitmaakten. Ze hebben eenzelfde, quasi rechthoekige plattegrond met afgeronde hoeken en meten, voor zover nog zichtbaar, ca. 30 x 50 cm. De vulling bestaat uit de gebruikelijke grijskleurige zandige leem, waarin wat houtskool voorkomt. Verder leverden ze geen vondstmateriaal op. Tot slot is er nog een beperkt aantal paalkuilen waarin geen samenhang te zien is (pl. I en fig. 1.6: sporen 41 tot 43). Spoor 41 is een ovale paalkuil van ongeveer 60 x 80 cm. Ze bevat grijsbruine zandige leem met plaatselijk grote concentraties houtskool. Op basis van de enkele vondsten kan dit spoor van het begin van de 1ste eeuw dateren. Spoor 42 en spoor 43 zijn twee kleine, bij elkaar gelegen, vierkante tot ronde paalkuilen met bij benadering 20 cm zijdelengte of diameter en met een vulling van licht bruingrijze, verder vondstenloze zandige leem. Uit de pre-Flavische periode dateren op stratigrafische gronden twee kuilen, waarvan slechts randdelen bewaard zijn (pl. I en fig. 1.6: sporen 44 en 45). Daardoor, en doordat beide sporen enkel in het vlak geregistreerd werden, konden van hun opvullingslagen wel de samenstellingen beschreven worden, maar niet hun omvang. Spoor 44 is een kuil waarin twee opvullingslagen herkend zijn. Laag A onderaan bestaat uit lichtgrijze zandige leem met houtskool. Laag B bovenin bestaat uit donkergrijze zandige leem met veel houtskool en kleine fragmentjes verbrande leem. Ze bevat slechts drie scherven die op een Augusteïsche datering kunnen wijzen. Spoor 45 is een kuil met eveneens twee opvullingen. Laag A bevindt zich onderaan en bevat donkergrijze, houtskoolrijke zandige leem, waarin ook stukjes verbrande leem aanwezig zijn. Laag B bevindt zich bovenin en bevat lichtgrijze zandige leem met wat houtskool (fig. 1.9). Deze twee kuilen moeten elkaar doorsneden hebben, maar de plek waar hun onderlinge stratigrafische relatie vermoed kan worden, is door latere graaf- en bouwactiviteiten vernield. Bovenvermelde houtbouwsporen en kuilen in de westelijke sector van werkput 2 worden op een aantal plaatsen door een vuilgele leemlaag afgedekt (pl. I en fig. 1.6: spoor 46). Daarin bevinden zich houtskool, verbrande leem en grijze mortelfragmenten. Verder is er een aanzienlijke hoeveelheid pre-Flavische vondsten in aangetroffen en een rijk ensemble aan dierlijke resten12. De samenstelling daarvan, met zowel gejaagd als gedomesticeerd gevogelte, een klein percentage jachtwild en met varken als vrijwel het belangrijkste huiszoogdier, wijst op een rijk consumptiepatroon. Laag 46 komt alleen in de westelijke en noordoostelijke randzones van de westelijke sector van werkput 2 voor. De dikte laat zich daarom niet meer bepalen. Men kan vermoeden dat deze laag een ophoging is, die tot stand is gekomen na het respectievelijk afbreken en dichtgooien van de hierboven beschreven houtbouw en kuilen. Tegelijk moet de bovenkant van deze laag ook het loopvlak op het moment van de brand van 69/70 zijn geweest. Dat zal hierna nog blijken, wanneer de jongere preFlavische sporen in de westelijke sector van werkput 2 besproken worden, die van omstreeks de tijd van de Batavenopstand dateren.

12

Ervynck et al. 2017, p. 457.

Fig. 1.9 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: spoor 45 van fase 1 vanuit het zuiden.

In de oostelijke sector van werkput 2 komen uit de pre-Flavische tijd minder sporen voor dan in de westelijke. De oudste zijn een paalkuil (spoor 47), een vermoedelijke paalkuil (spoor 48), een grote, complex gelaagde kuil (spoor 49), een kleine, vondstenloze kuil (spoor 50) en een kuil met onregelmatige plattegrond (spoor 51). Spoor 47 (pl. I en fig. 1.10) is een vierkante, met grijsbruine zandige leem gevulde paalkuil, waarvan de zijden ongeveer 25 cm meten. De waargenomen diepte bedraagt een 20 cm onder het laatste aangelegde werkvlak. Spoor 48 (pl. I en fig. 1.10) is de rand van een vierkante of rechthoekige uitgraving. De enige zichtbare zijde meet ca. 60 cm. De vulling bestaat uit lichtgrijze zandige leem met houtskool. Mogelijk betreft het de rand van een paalkuil. Voor zover nog zichtbaar bedraagt de diepte een 30 cm. Spoor 49 (pl. I en fig. 1.10) is een grote, gedeeltelijk bewaarde kuil, waarvan de contouren tijdens de opgraving op verschillende werkvlakken te zien waren, maar die niet verder meer mocht opgegraven worden, omdat de toegestane diepte van de graafwerken bereikt was. Ze meet minstens 1,50 x 2,50 m. Door onderlinge vergelijking van de vlaktekeningen is het mogelijk een zevental lagen te onderscheiden. Bij ontstentenis aan een profiel is het niet mogelijk een betrouwbare uitspraak over hun diktes te doen. Het schematische overzicht van de opvullingslagen ziet er van onder naar boven als volgt uit: · laag A is een laag geel en grijs gevlekte leem, vermengd met wat houtskool en verbrande leem. Ze leverde geen vondsten op; · laag B is een zwarte, houtskoolrijke laag; · laag C is een laag lichtgrijze leem; · laag D is andermaal een zwarte, houtskoolrijke laag, zonder vondsten; · laag E bestaat uit geelgrijze leem met houtskoolfragmentjes en wit zand;


24

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

BLADSPIEGEL 8,5CM1/50

· laag F is een laag donkergrijze zandige leem, waarin houtskool en verbrande leem is vermengd; · laag G is een laag geel en grijs gevlekte zandige leem met houtskoolfragmenten.

48

49 86

52

58

57

Spoor 50 (pl. I en fig. 1.10) is een kleine, langwerpige kuil, ca. 25 x 35 cm en een 20 cm diep, met licht geelgrijze zandige leem en wat houtskool als vulling. De afmetingen en plattegrond zijn weliswaar met die van een paalkuil vergelijkbaar, maar de oriëntatie wijkt af van het Romeinse stratennet en de daarop gerichte gebouwen, waardoor het niet als een houtbouwspoor geïnterpreteerd kan worden.

56

86

47

65

68

51

60 62

67

66

61

50

53

59

De lagen A, B, C, D en E zijn waarschijnlijk originele vulling uit de dichtgooifase van de kuil. De lagen F en G kunnen iets later gedeponeerde en nagezakte lagen zijn. Op basis van de vondsten mogen de originele opvullingen aan het begin van de 1ste eeuw gedateerd worden en de nazakkingen in de eerste helft van de 1ste eeuw.

86

63

Spoor 51 (pl. I, fig. 1.10 en 1.11) is een middelgrote maar ondiepe, min of meer ovaalvormige kuil en meet ca. 1,20 x 1,80 m. De vulling bestaat bovenin uit lichtgrijze en onderin uit donkergrijze zandige leem die met veel houtskool en verbrande leem vermengd is. Na coupering op het onderste opgravingsvlak bleek de bodem zich op een diepte van 10 à 15 cm onder dat vlak te bevinden. Op basis van de vondsten dateert spoor 51 uit de eerste helft van de 1ste eeuw. Op enkele uitzonderingen na worden deze sporen in de oostelijke sector van werkput 2 door lagen afgedekt. In het noorden betreft het een grijze laag met zandige leem, houtskool en verbrande leem (pl. I en fig. 1.10: spoor 52), in het zuiden gaat het om een donkergrijze laag met zandige leem, veel houtskool en verbrande leem (pl. I en fig. 1.10: spoor 53). Lagen 52 en 53 zijn een 20 cm dik. Op basis van de vondsten en van hun stratigrafische positie mogen ze omstreeks het midden van de 1ste eeuw gedateerd worden.

64

0

1m

Fig. 1.10 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: sporen van fase 1.

Fig. 1.11 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: spoor 51 van fase 1 vanuit het westen.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

De jongere pre-Flavische sporen in werkput 2 Het hierboven beschreven sporenbestand van werkput 2 dateert globaal van de eerste helft van de 1ste eeuw. Toen de stad in 69/70 in vlammen opging bestonden deze gebouwen al een tijd niet meer en waren ook de kuilen reeds dichtgegooid en door de reeds genoemde loopvlakken en ophogingslagen 46, 52 en 53 afgedekt. De hiernavolgende sporen dateren van de jaren die de brand van 69/70 onmiddellijk vooraf zijn gegaan. Enkele paalkuilen zijn met brandafval opgevuld en ook een groot deel van de kuilvullingen bestaat uit brandresten. Andere paalkuilen en kuilen die zich in deze fase situeren, hebben dit type vulling weliswaar niet, maar werden wel onmiddellijk door de brand- en puinlaag van 69/70 afgedekt. Ze dateren bijgevolg van kort voor de gebeurtenissen van 69/70. Andermaal wordt eerst de westelijke en dan de oostelijke sector van werkput 2 besproken. In de westelijke sector van werkput 2 tekent zich op en doorheen de vuilgele laag die als een pre-Flavisch loopvlak geïnterpreteerd werd (spoor 46), maar onder de brandlaag van 69/70 (spoor 86), een tweetal paalsporen af, die met brandlaag van 69/70 gevuld zijn (pl. I en fig. 1.6: sporen 54 en 55). Spoor 54 is slechts gedeeltelijk zichtbaar, maar is waarschijnlijk rechthoekig en meet minstens 30 x 40 cm. Spoor 55 is ovaal en heeft een diameter van ongeveer 1 m. Beide sporen zijn een 30 cm diep bewaard. Doorheen de grijze ophogingslaag in de noordoostelijke sector van werkput 2 (spoor 52) zijn drie grote kuilen gegraven (pl. I en fig. 1.10: sporen 56 tot 58). Twee kuilen, de sporen 56 en 57, waren op het moment van de brand van 69/70 al dichtgegooid. Eén kuil, spoor 58, is met de brandlaag van 69/70 gevuld en moet bijgevolg op het moment van de brand opengelegen hebben. Deze grote kuilen zijn slechts gedeeltelijk bewaard en mochten bovendien niet tot op hun diepste punt opgegraven worden. Bijgevolg zijn noch profielen, noch informatie over laagdiktes beschikbaar en is ook het vondstmateriaal slechts gedeeltelijk geborgen. Spoor 56 is waarschijnlijk een ronde en komvormige kuil. De maximaal gemeten doormeter is 1,80 m. Er zijn twee opvullingslagen waargenomen. Laag A onderaan is een zwarte, houtskoolrijke laag zandige leem. Laag B bovenin is een grijze, met kleine hoeveelheden houtskool en verbrande leem vermengde laag zandige leem. Alleen laag A heeft een aantal vondsten opgeleverd, dat een datering aan het einde van de pre-Flavische periode toelaat. Dezelfde laag A uit spoor 56 heeft verder als bijzonderheid dat ze een hoeveelheid verkoolde plantaardige resten bevat, in het bijzonder gerst en tarwe (emmer en/of spelt), die het gemiddelde van de pre-Flavisch bemonsterde sporen aanzienlijk overschrijdt. Wellicht is het afval van maaltijdbereidingen13. Spoor 57 is waarschijnlijk eveneens een ronde en komvormige kuil. Van dit spoor bedraagt de maximaal waargenomen diameter 2 m. Er zijn twee opvullingen in herkend. De onderste laag A is zwart en bestaat uit zandige leem, veel houtskool, verbrande leem en grijze mortelfragmenten. De bovenste laag B bestaat uit grijze zandige leem, met kleine hoeveelheden houtskool, verbrande leem en grijze mortelfragmenten. Alleen laag B heeft vondsten opgeleverd, waaronder fragmenten van een bijzondere

13

Cooremans 2017, p. 326-327.

25

aardewerkvorm in geglazuurde ceramiek, mogelijk een cultusobject (cat. nr. A214). Spoor 58 is een kuil die aan alle zijden door jongere sporen is verstoord. Ze is over de gehele waargenomen diepte (ca. 1,50≈m) op homogene wijze met brandafval van 69/70 opgevuld. Er kan in dit verband aan de schachtvulling van een beerput gedacht worden. De vulling bevat grote hoeveelheden vondsten, waaronder scherven van dezelfde geglazuurde aardewerkvorm die in spoor 57 is aangetroffen (cat. nr. A304). Spoor 58 moet spoor 57 doorsneden hebben. De plek waar dit gebeurde is door latere graaf- en bouwwerken vernield. Tussen de grote hoeveelheden houtskool en verbrande leem zijn ook dakpanfragmenten en fragmenten van wandpleister waargenomen. Kuil 58 is, samen met de brandlaag van 69/70 die fase 1 afdekt (spoor 86), het enige pre-Flavische spoor waarin een opvallend groot aantal ijzeren nagels is aangetroffen (cat. nr. M17). Mogelijk is dit afkomstig van constructiehout van het afgebrande stadsdeel. Doorheen de donkergrijze ophogingslaag in de zuidoostelijke sector van werkput 2 (spoor 53) zijn vijf paalkuilen (pl. I en fig. 1.10: sporen 59, 60, 61, 62 en 63), een greppel (pl. I en fig. 1.10: spoor 64) en twee kuilen (pl. I en fig. 1.10: sporen 65 en 66) gegraven. Een aantal sporen is vervolgens weer gedeeltelijk door twee ophogingslagen afgedekt (pl. I en fig. 1.10: sporen 67 en 68). In de paalkuilen 59, 60 en 61 is tijdens de ontmanteling brandafval terechtgekomen. In de paalkuilen 62 en 63 is dat niet gebeurd en bestaat de vulling uit grijze zandige leem met wat houtskool. Paalkuil 59 is maar gedeeltelijk bewaard en was vierkant of rechthoekig. De enige volledig zichtbare zijde is ca. 25 cm. Paalkuil 60 is eveneens maar deels bewaard en moet ovaal of cirkelvormig geweest zijn. De maximaal waargenomen diameter kan op 80 cm ingeschat worden. Paalkuil 61 is andermaal slechts gedeeltelijk bewaard. Ze moet vierkant of rechthoekig geweest zijn. De enige volledig zichtbare zijde is ca. 30 cm. Paalkuil 62 is vrijwel rechthoekig en meet ca. 20 x 30 cm. Paalkuil 63 is eveneens rechthoekig, ca. 80 cm lang en 50 cm breed. Dieptes variëren van ca. 10 tot 20 cm. Op geen enkele wijze is in deze houtbouwsporen enige samenhang te zien. Wel vallen de verschillen in vorm en grootte op. Aan de zuidelijke rand van werkput 2 is zowel in de westelijke als oostelijke sector de rand van een vermoedelijke greppel te zien (spoor 64) (fig. 1.8). De breedte van het spoor laat zich niet bepalen. De greppel kan van oost naar west over een afstand van ca. 9,50 m gevolgd worden. De vulling bestaat uit grijze zandige leem, met wat houtskool en verbrande leem vermengd, en is vrijwel vondstenloos. Van kuil 65 is slechts een randzone te zien. De vorm en afmetingen laten zich dan ook niet bepalen. Wel is te merken dat de kuil met drie verschillende opvullingslagen is dichtgegooid (fig. 1.12). De onderste, laag A, is maximaal 10 cm dik en bestaat uit zwartgekleurde, houtskoolrijke zandige leem. De middelste, laag B, is zowat 50 cm dik en is uit grijze zandige leem met wat fragmenten houtskool en verbrande leem samengesteld. De bovenste, 10 à 20 cm dikke laag C, is geel- en grijsgevlekte zandige leem met


26

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.12 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: profiel van spoor 65 van fase 1 vanuit het oosten.

Fig. 1.13 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: profiel van spoor 66 van fase 1 vanuit het oosten.

wat houtskoolfragmenten en grote brokstukken verbrande leem. De kuil is vrijwel vondstenloos. Bijzonder is wel de aanwezigheid van een gehalveerde as, mogelijk van Vienna, mogelijk van 36 v.Chr. (cat. nr. 2). Van kuil 66 is eveneens slechts een randzone te zien. Daardoor kunnen noch de vorm, noch de afmetingen beschreven worden. Ook deze kuil heeft drie opvullingslagen (fig. 1.13). Onderaan bevindt zich laag A, een ca. 15 cm dikke lichtgrijze laag vrijwel zuivere zandige leem. Daarop ligt plaatselijk laag B, een 10 à 20 cm dikke zwarte laag zandige leem met veel houtskool. Daarop ligt laag C, een 10 tot 20 cm dik pakket grijze zandige leem met fragmentjes houtskool en verbrande leem. Laag B bevat een grote hoeveelheid vondsten waarvan de datering suggereert dat het om één van de jongste pre-Flavische sporen moet gaan. Kuil 66 doorsnijdt greppel 64. Een aantal van deze paalsporen en kuilen is deels door een tweetal lagen afgedekt. Beide zijn ca. 20 cm dik. Spoor 67 is de onder-

14 Cooremans 2017, p. 326-327.

ste en tekent zich af als een vuilgele laag zandige leem met houtskool, verbrande leem en fragmenten grijze mortel. Spoor 68 is de bovenste en bestaat uit grijze zandige leem met houtskool en verbrande leem. Beide bevatten een beperkt aantal vondsten die ze aan het einde van de pre-Flavische periode dateren. Werkput 6 In het westelijk gedeelte van de zuidelijke zijbeuk (werkput 6) werd tijdens de opgraving vrijwel overal op het diepste werkvlak de brand- en puinlaag van 69/70 bereikt, zonder dat die evenwel verder kon opgegraven worden (pl. I: spoor 86). Over het sporenbestand onder die laag kan bijgevolg niets gezegd worden. Een monster uit de brandlaag in deze werkput heeft een opvallend hoog aandeel aan haver, gerst en schalen van hazelnoot opgeleverd, hoger dan het gemiddelde van alle pre-Flavische monsters. Wellicht is in de onmiddellijke omgeving een voorraad in vlammen opgegaan14.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

27

Werkput 16 In het oostelijk gedeelte van de middenbeuk (werkput 16) werd de brand- en puinlaag van 69/70 ook herhaaldelijk aangesneden, maar ze bevond zich op de maximaal toegelaten diepte tot waarop grondwerken mochten uitgevoerd worden (pl. I: spoor 86). Onderliggende sporen konden dan ook niet opgetekend worden.

75 86

Werkput 12 In de zuidelijke dwarsbeuk (werkput 12) strekt zich lokaal een pre-Flavisch te dateren laag uit (pl. I en fig. 1.14: spoor 69). Ze bestaat uit geelgrijze zandleem met wat houtskool en heeft geen vondsten opgeleverd. Ze is pas op het onderste toegelaten werkvlak geregistreerd, waardoor het niet mogelijk was de dikte te bepalen. Twee kuilen en drie paalkuilen doorsnijden deze laag (pl. I en fig. 1.14: sporen 70 tot 74). Deze sporen konden wel opgetekend maar niet verder opgegraven worden. Spoor 70, naar alle waarschijnlijkheid de kleinste van de twee kuilen, is maar voor een stuk zichtbaar. De diameter is minstens 1,50 m. De kuil is met geelgrijs gevlekte zandige leem, houtskool, grijze mortelfragmenten en witte kalkpartikels opgevuld. Spoor 71, vermoedelijk de grootste van de twee kuilen, is maar gedeeltelijk in het vlak te zien. De diameter is minstens 2 m. De vulling bestaat uit geelgrijs gevlekte zandige leem, houtskool, grijze mortelfragmenten, waarvan sommige verbrand lijken te zijn, en witte kalkdeeltjes. Geen van beide kuilen leverde verder vondsten op. De sporen 72, 73 en 74 zijn naar alle waarschijnlijkheid paalkuilen, al is van geen enkel exemplaar de plattegrond volledig bewaard gebleven. De enige volledig bewaarde zijde van spoor 72 meet ca. 40 cm, die van spoor 73 ca. 30 cm en die van spoor 74 ca. 25 cm. In de donkergrijze zandige leem die paalkuil 72 opvult, bevinden zich fragmenten van houtskool, dakpanfragmenten, grijze en roze mortel, verbrande mortel en witte kalk. In paalkuil 73 bevat de donkergrijze zandige leem een gelijkaardig samengestelde bijmenging, waardoor niet is uit te sluiten dat beide sporen ooit één zelfde uitgraving zijn geweest. Paalkuil 74 is met donkergrijze zandige leem gevuld, met daarin wat houtskoolfragmenten. Ten noorden daarvan is in werkput 12 onder de brandlaag van 69/70 nog een vierkant paalspoor met zijdelengtes van ca. 20 cm zichtbaar (pl. I en fig. 1.14: spoor 75), gevuld met gele leem, houtskool, dakpanfragmenten, grijze en roze mortel, verbrande mortel en verbrande leem. Alle sporen in werkput 12 zijn door de brand- en puinlaag van 69/70 afgedekt (spoor 86). Werkput 11 In het op de zuidelijke dwarsbeuk aansluitende deel van de kloostergang (werkput 11) werd op het onderste werkvlak weliswaar de brandlaag van 69/70 waargenomen (pl. I: spoor 86), maar konden de mogelijk daaronder aanwezige sporen niet opgegraven worden. Werkput 26 In het laagkoor (werkput 26) is een loopvlak van gele leem herkend, door de gedeeltelijk bewaarde brandlaag van 69/70 afgedekt. Mogelijk is het een vloer, waarop houtskool, verbrande

86

72

73

71 86 69

70

74 0

1m

Fig. 1.14 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in de zuidelijke dwarsbeuk: sporen van fase 1.

leem en witte kalk ligt (pl. I en fig. 1.15: spoor 76). Op dit loopvlak is een Avaucia-munt gevonden (cat. nr. 3). In hetzelfde loopvlak is ook een drietal paalkuilen te herkennen (pl. 1 en fig. 1.15: sporen 77 tot 79). Spoor 77 is een kleine vierkante paalkuil met zijden van ca. 15 cm. Spoor 78 is een rechthoekige paalkuil, ca. 30 x 40 cm. Spoor 79 is eveneens een rechthoekige paalkuil, ca. 40 x 45 cm. De drie kuilen hebben eenzelfde vulling van geelgrijze zandige leem, met fragmenten houtskool, verbrande leem en witte kalkmortel. De sporen 78 en 79 maken waarschijnlijk van eenzelfde wand deel uit. Al deze sporen zijn verder onopgegraven in situ behouden. Aan de westelijke rand van werkput 26 wordt een aanzienlijke oppervlakte door een grote uitgraving ingenomen (pl. 1, fig. 1.15 en 1.16: spoor 80). Het grootste deel van dit spoor is door latere graaf- en bouwactiviteiten vernield. Alleen de noordoostelijke hoek van de structuur is bewaard gebleven. Daaruit kan afgeleid worden dat het om een rechthoekige of vierkante uitgraving met rechte wanden moet gaan. Noord-zuid kan de structuur over een afstand van 4,50 m gevolgd worden, oost-west over een afstand van 1,50 m. Rechthoekige uitgravingen van dergelijke vorm en afmeting kunnen doorgaans als houten kelder geïnterpreteerd worden. De vulling bestaat uit grijsbruine zandige leem met houtskool, verbrande leem, grijze kalkmortel, kalk, dakpanfragmenten en fragmenten van muurbepleistering. Omdat de maximale opgravingsdiepte bereikt was konden, op een enkele scherf na, helaas geen vondsten ingezameld worden. Daar de structuur onmiddellijk door de gedeeltelijk bewaarde brandlaag van 69/70 wordt afgedekt (spoor 86), moet deze kelder op dat ogenblik al dichtgegooid zijn.


28

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

86 77

86

86 79

78

86

76

86

86

80

86

0

1m

80

Fig. 1.15 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen van fase 1.

Fig. 1.16 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: spoor 80 van fase 1 vanuit het westen. In het profiel op de achtergrond is te zien hoe het dichtgegooide spoor door de brandlaag van 69/70 (spoor86) wordt afgedekt.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Werkput 27 In het hoogkoor (werkput 27) is onder de brandlaag van 69/70 eveneens een loopvlak zichtbaar. Het bestaat uit een laag gele leem die op vele plaatsen door een zwarte korst van houtskoolstof is afgedekt. In deze laag ingedrukt zijn fragmenten van verbrande leem, van grijze, rode en gele mortel, brokstukken kalk, dakpanfragmenten, kiezel en wat aardewerk aangetroffen (pl. I en fig. 1.17: spoor 81). De dikte van de laag is niet met zekerheid te bepalen. Ze is grotendeels door de brandlaag van 69/70 afgedekt (spoor 86). In het noorden van het hoogkoor is in het loopvlak het restant van een oven te zien (pl. I en fig. 1.17: spoor 82). Over een ovaal-

81

vormige oppervlakte van ca. 1,50 x 2 m is intens in situ verbrande leem bewaard, waarin en waarop brokken houtskool en verbrande leem gevonden werden. In het zuiden van het hoogkoor strekt zich een deel van een omgevallen muurdecoratie uit (pl. I, fig. 1.17 en 1.18: spoor 83; zie 5.1, ensemble 13). Nergens is een spoor van de muur, waarop deze decoratie was aangebracht, teruggevonden. De sterk verkruimelde en op verschillende plaatsen door latere graafwerken vernielde pleisterlaag ligt over een oppervlakte van ca. 1 x 3,50 m verspreid. De beschilderde zijde van de pleister lag naar beneden. Na het lichten en omdraaien van de laag bleek het om een wit beschilderde wand te gaan. Aan de zuidzijde bevond zich het

86 82

86

84

0

29

86 84

1m

Fig. 1.17 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: sporen van fase 1.

83


30

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Werkput 25 In de kloostertuin (werkput 25) ten slotte, het meest westelijk gelegen terreingedeelte, is onder de brand- en puinlaag van 69/70 een oudere laag zichtbaar (pl. I: spoor 85). Ze bestaat uit grijsbruine zandige leem met houtskool, verbrande leem, grijze, gele en roze mortelfragmenten en plaatselijk wit zand. Verder kon uit deze laag een aantal vondsten geborgen worden, dat echter te klein is om daarmee een nauwkeurige datering te onderbouwen. Ook van laag 85 kon de dikte niet meer vastgesteld worden. 1.2.2 Het bewoningspatroon in fase 1

Fig. 1.18 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: spoor 83 van fase 1 vanuit het oosten.

contactpunt met een hoek van de muur, door een ca. 10 cm brede rode band en een zwarte lijn geaccentueerd. Daaruit kan afgeleid worden dat de muur waarop deze bepleistering was aangebracht zich ten oosten of ten westen van de vindplaats bevond. De eenvoudige decoratie wijst op bepleistering van een buitenwand of van een binnenwand van een vertrek met lage status. Plaatselijk zijn onder het pre-Flavische loopvlak delen van een nog ouder lagenpakket aangesneden (spoor 84) (pl. I, fig. 1.17 en 1.18). Het bestaat uit overwegend donkerkleurige grijze en bruine zandige leem met daarin het gebruikelijke bouw- en bewoningsafval: houtskool, hetzij fijn verkruimeld, hetzij lokaal in dichte concentraties, brokjes verbrande leem, kalk, fragmenten witte, grijze en roze mortel, dakpanfragmenten en kiezel. De dikte van de afzetting blijft onbekend. Het is niet met zekerheid uit te maken of de aanwezigheid van kiezel in de sporen 81 en 84 met de nabijheid van een noord-zuid gerichte cardo ten oosten van het opgravingsterrein te maken heeft. In de meer westelijk gelegen opgravingszones is kiezel in pre-Flavische context in elk geval niet opgemerkt. De schaarse vondsten uit spoor 84 dateren dit lagenpakket omstreeks het midden van de 1ste eeuw. Dit impliceert dat het hierboven beschreven sporenbestand van werkput 27 uit de laatste twee decennia van de pre-Flavische periode dagtekent.

15

Ervynck et al. 2017, p. 457.

Uit het overzicht van het sporenbestand van fase 1 blijkt dat vrijwel overal delen van de zogenaamde brandlaag van de Batavenopstand uit 69/70 zijn aangetroffen (pl. I: spoor 86). In dicht bebouwde delen van de pre-Flavische stad tekent deze brandlaag zich als een intens rood gekleurd pakket af. Ze bestaat daar overwegend uit rood gebakken brokstukken van de lemen wanden van afgebrande woningen of andere gebouwen en bevat maar weinig nederzettingsafval. In andere delen van de stad is ze donkergrijs gekleurd, bevat ze grote hoeveelheden fijn verkruimelde houtskool en verbrande leem en doorgaans ook meer nederzettingsafval. Op de site van de O.L.V.-basiliek is vrijwel overal dit tweede type brand- en puinlaag aangetroffen. Het kan betekenen dat de opgegraven zone op het ogenblik van de brand nog niet intens bebouwd was, maar het in kaart gebrachte sporenbestand spreekt dit tegen. Het is ook mogelijk dat de zone na de brand langere tijd heeft braak gelegen, waardoor de oorspronkelijk rode brandlaag meer verweerd en met afval vermengd is geraakt. De dikte varieert van enkele cm tot enkele tientallen cm. Boven depressies die door onvolledig dichtgegooide oudere kuilen zijn veroorzaakt, is de laag het dikst. Elders lijkt ze soms volledig weggegraven te zijn. Het is duidelijk dat de al dan niet doorwerkte brandlaag van 69/70 grote hoeveelheden pre-Flavisch nederzettingsafval bevat. Het gros van dit materiaal kan omstreeks het midden van de 1ste eeuw gedateerd worden. Maar een beperkte hoeveelheid is ouder en slechts enkele malen is ook een jongere, intrusieve vondst uit de brandlaag geborgen. Dit wekt de indruk dat het in veel gevallen om huisraad moet gaan, dat op het moment van de brand in gebruik was. Wanneer deze redenering ook op de grote hoeveelheid dierlijke resten uit de brandlaag wordt toegepast, dan moet de samenstelling daarvan het consumptiepatroon uit het derde kwart van de 1ste eeuw op de site van de O.L.V.-basiliek weerspiegelen15. Globaal maakt het bottenspectrum een rijke indruk, met oesterschelpen, gejaagd en gedomesticeerd gevogelte, de nadrukkelijke aanwezigheid van jachtwild als haas, ree en edelhert, en een huiszoogdierenbestand dat door het varken gedomineerd wordt. Wel blijkt maar een klein aantal vondsten secundair verbrand te zijn en zo het effect van de stadsbrand te tonen. Tot slot is slechts één muntvondst uit spoor 86 geregistreerd: een as van Claudius uit de jaren 41 - 54 (cat. nr. 13).


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

In de enige zone waar het pre-Flavische sporenbestand volledig in kaart kon worden gebracht, werkput 2 in het westelijk gedeelte van de middenbeuk, tekende zich een dichte concentratie van houtbouwsporen af. Voor alle andere opgravingszones ontbreekt de nodige informatie om de dichtheid van de bewoning vóór 69/70 betrouwbaar te kunnen inschatten, maar regelmatig waren een geïsoleerd deel van een loopvlak, mogelijk een vloer, een paalkuil en tweemaal zelfs een houten kelder zichtbaar16. Eénmaal is een omgevallen bepleisterde lemen wand aangetroffen, waarvan de oorspronkelijke standplaats vlakbij het opgravingsterrein gelegen moet zijn17. De pre-Flavische houtbouwsporen zijn altijd ingegraven staanders, hetzij dragers van een dakconstructie, hetzij wandpalen. Deze manier van bouwen kan op de inheemse traditie aansluiten, maar komt ook in de Romeins geïnspireerde houtbouwarchitectuur voor18. Typisch uit de mediterrane wereld geïmporteerde constructie- en funderingswijzen zoals funderingsbalken, al dan niet in greppels gelegd, zijn echter niet aan het licht gekomen. Waar de vaak geïsoleerd aangetroffen houtbouwsporen uit fase 1 nog wel de toegepaste constructiewijze kunnen verraden, is te weinig voorhanden om daarmee plattegronden of gebouwtypes te identificeren. De uitzondering hierop is te vinden in werkput 2, waar een planken wand in een greppel deel van een smalle portiek lijkt uit te maken. Maar ook deze sporencluster is te klein om daarover zekerheid te hebben. Onder het brand- en puinniveau van 69/70 is ook een aantal lagen aan het licht gekomen, waarin het relatief schaars aantal geregistreerde gebouwsporen ingebed is. Omdat de meeste lagen onopgegraven moesten blijven, is het niet mogelijk uit te maken hoe dik ze zijn, en bijgevolg welke hoeveelheden grondverzet ze vertegenwoordigen. Van een viertal lagen kon de dikte op een 20 cm ingeschat worden19. De samenstelling van de lagen kan iets over hun functie verraden. Eénmaal betreft het verspitte en vervuilde resten van de holocene bodem die zich lichtgrijs aftekent20. Lagen die uit overwegend gele, maar toch enigermate vervuilde zandige leem bestaan, zijn misschien pogingen om met zuivere leem tijdelijke loopvlakken buitenshuis aan te leggen21. Maar heel vaak kleurt de zandige leem grijs of donkergrijs, afhankelijk van een matige tot sterke bijmenging met houtskool22. Eénmaal gaat het om een bijzondere samenstelling: een afgegraven, daardoor sterk verbrokkelde en weer gedeponeerde lemen vloer23. Op grond van de verspreiding van houtbouwsporen over het gehele onderzochte areaal mag er in elk geval van uitgaan worden dat de site van de O.L.V.-basiliek in fase 1 al intens in gebruik was. Er kan daarom aangenomen worden dat de pre-Flavische resten aanvankelijk door een brandlaag van het intens rood gekleurde type waren afgedekt, maar dat deze laag tot de aange-

16 Hoewel slechts gedeeltelijk zichtbaar kunnen de sporen 14 en 80 resten van houten kelders zijn. Pre-Flavische houten kelders zijn nog maar zelden in Tongeren opgegraven en blijken veel kleiner te zijn dan beide op de site van de O.L.V.-basiliek weergevonden structuren. Op de site van de Kielenstraat gaat het om twee Augusteïsche uitgravingen van ca. 2 x 2 m met planken wanden (Vanderhoeven et al. 1992a, p. 95 en fig. 2), op de site van de Mombersstraat betreft het een houten kelder van ca. 3 x 3 m uit het midden van de 1ste eeuw, eveneens

31

troffen grijs gekleurde brand- en puinlaag is verweerd. Dit impliceert dat het terrein na 69/70 een braakliggende periode heeft gekend en dat de daarop volgende egaliseringswerken de brandlaag verder vervaagd hebben tot wat tijdens de opgraving werd aangetroffen. In het hiernavolgend overzicht van fase 2 van de bouw- en bewoningsgeschiedenis van de site start de tweede vroeg-Romeinse houtbouwfase in vele zones met de depositie van één of meer ophogingslagen. Heel wat van deze lagen gelijken in kleur en samenstelling erg op de zogenaamd verweerde brand- en puinlaag van 69/70, waarmee fase 1 afgesloten wordt. Niettemin heeft men op het terrein regelmatig duidelijke aflijningen tussen beide types van lagen onderscheiden en is het daarom wellicht gewettigd om deze scheidingslijnen als markeerpunten van de Flavische ingebruikname van het terrein te interpreteren. De belangrijkste vondstcategorieën uit de sporen van fase 1 bieden de mogelijkheid inzicht te verwerven in de aard van de pre-Flavische bewoning. Tabel 1.1 toont het overzicht van het ingezamelde aardewerk, ingedeeld volgens de functionele categorieën tafelservies, keukenaardewerk, transportcontainers en overig aardewerk die in 1.1 zijn toegelicht. Deze functionele indeling is erg eenvoudig gehouden. Vergaande conclusies kunnen dan ook niet uit de procentuele verhoudingen tussen deze functionele groepen getrokken worden. Het gros van het materiaal is keuken- en ander huishoudelijk aardewerk (61%), in belang gevolgd door transportcontainers (21%) en tafelservies (18%). Het overige aardewerk is te verwaarlozen24. De plantaardige resten geven een beeld van een consumptiepatroon van de bewoners van fase 1 dat nog helemaal in de inheemse traditie past. Gerst en de tarwesoorten emmer en spelt vormen de belangrijkste graangewassen. Ook haver lijkt een belangrijke rol te spelen. De geïdentificeerde peulvruchten (linze, erwt en tuinboon) nemen wellicht een belangrijkere plaats in

Tabel 1.1 Tongeren: O.L.V.-basiliek: indeling van het aardewerk van fase 1 volgens functie. N

%

Tafelservies

784

18

Keukenservies

2682

61

Transport

898

21

Overig

2

+

Totaal

4366

100

van planken wanden voorzien, door staanders aan de binnenkant rechtgehouden (Vanderhoeven et al. 2007, p. 96-100 en fig. 6-12). 17 Spoor 82. 18 Arcelin & Buchsenschutz 1985; Bloemers 1985, p. 134 en fig. 7. Zie de recente overzichten van de zuid-Nederlandse huisplattegronden uit de late prehistorie (Hiddink 2014) en de Romeinse tijd (van Enckevort & Hendriks 2014). Voor onze streken bieden De Boe (1988) en De Clercq (2009, p. 269-326) een ruim overzicht.

19 De lagen 52, 53, 67 en 68. 20 Laag 2. 21 In aanmerking komen de lagen 11, 46, 67, 69 en 81. 22 Tot de grijze categorie kunnen de lagen 5, 52 en 68 gerekend worden, tot de donkergrijze de lagen 53, 84 en 85. 23 Laag 6. 24 Vanderhoeven et al. 2017.


32

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

dan de monsterfrequentie van 21% suggereert. Hun kans op verkoling en daardoor bewaring is immers geringer dan voor de bedekte graansoorten die voor hun consumptie geroosterd moesten worden. Verder zijn in fase 1 alleen inheemse (wilde) consumptieplanten gevonden: hazelnoot en vlier25. Een aantal in de studie van de dierlijke resten opgesomde indicatoren voor een hoge status kan in het materiaal van fase 1 teruggevonden worden: de consumptie van mariene schelpdieren (oester), van jachtwild (eend, kraanvogel, houtsnip, haas, ree en edelhert) en een hoog percentage aan varken. Binnen de groep van de drie belangrijkste vleesleveranciers varken, rund en schaap/geit, neemt varken met 54% van het materiaal de eerste plaats in. De hoge status van de bewoners van fase 1 uit zich in een geromaniseerd consumptiepatroon (mariene schepdieren en overwegend varken bij de huiszoogdieren) en elitair gedrag (jacht)26. Dit totaaloverzicht van fase 1 komt overeen met het reeds geschetste beeld van het materiaal dat in de brandlaag van 69/70 werd aangetroffen. Het is niet mogelijk de ogenschijnlijke tegenspraak tussen de consumptie van plantaardige en dierlijke producten in fase 1 te verklaren. Het eerste is inheems van aard, het tweede toont welstand en romaniserende invloeden. Dat de consumptie van plantaardige producten minder snel verandert dan die van dierlijke komt ook wel elders in pre-Flavisch Tongeren aan het licht27. Voor de site van de O.L.V.-basiliek moet verder rekening gehouden worden met een te gering aantal sporen dat voor bemonstering voor archeobotanisch onderzoek in aanmerking kwam. 1.3

Fase 2: de tweede vroeg-Romeinse houtbouwfase

1.3.1 Beschrijving van het Flavische sporenbestand Zoals voor de pre-Flavische fase 1 zal ook voor de Flavische fase 2 een overzicht van de bewaarde sporen gegeven worden en van west naar oost, zone per zone, de beschrijving gemaakt worden. De uit fase 2 daterende bouw- en woonactiviteiten hebben sporen nagelaten ten zuiden van het noordwestportaal (werkput 9), ten oosten van het oksaal (werkput 8), in de noordelijke zijbeuk (werkputten 4/5 en 17), de middenbeuk (werkputten 2 en 16), de zuidelijke zijbeuk (werkputten 6 en 15), de toegang tot de kloostergang (werkput 11), het laagkoor (werkput 26), het hoogkoor (werkput 27) en de kloostertuin (werkput 25) (pl. II). Begin- en einddatum van fase 2 kunnen per zone enigszins verschillen. De terminus post quem voor de begindatum is de brandlaag van 69/70. Na deze gebeurtenis worden diverse terreinegalisaties en -ophogingen gerealiseerd, maar het is niet duidelijk of alle zones op eenzelfde tijdsstip weer voor bewoning werden ingericht. De einddatum valt samen met de introductie van steenbouw op het terrein. Ook daarvan is niet duidelijk over welke tijdsspanne verspreid deze introductie heeft plaatsgevonden. Wellicht is dat niet overal op hetzelfde moment gebeurd, maar moet met een overgangstijd van één of twee decennia aan

25 Cooremans 2017, p. 320-327. 26 Ervynck et al. 2017, p. 457-458.

het einde van de 1ste eeuw en het begin van de 2de eeuw rekening gehouden worden. De Flavische periode in het westelijk gedeelte van de opgraving Het overzicht start met de westelijke randzone van de site van de O.L.V.-basiliek. Het overloopt achtereenvolgens werkput 9, de zone ten zuiden van het noordwestportaal, daarna werkput 8, de zone ten oosten van het oksaal en ten slotte het meest westelijke deel van werkput 6 in de zuidelijke zijbeuk en aangrenzende zuidelijke zijkapel. Werkput 9 In werkput 9, ten zuiden van het noordwestportaal, tekent zich een Flavische sporencluster af (pl. II en fig. 1.19: sporen 87 tot 92). Op de brand- en puinlaag van 69/70 ligt als oudste spoor een donkergrijze ophogingslaag (spoor 87). Ze bestaat uit zandige leem, waarin houtskool is vermengd. De laag bevat een aanzienlijke hoeveelheid nederzettingsafval, waarvan niets met zekerheid Flavisch kan gedateerd worden. Het kan bijgevolg om verspitte brandlaag van 69/70 gaan. Daarop ligt met een gelijkaardige horizontale spreiding een vuilgele laag leem met houtskoolfragmentjes, mogelijk een loopvlak (spoor 88). Van de kleine hoeveelheid vondsten kan slechts één fragment als Flavisch gedateerd worden. Beide lagen hebben een gezamenlijke dikte van een tiental cm. Doorheen deze twee lagen zijn drie kuilen gegraven (sporen 89, 90 en 91). Aangezien deze sporen slecht gedeeltelijk konden worden opgegraven is hun diepte niet bekend. Spoor 89 is een kuil met naar alle waarschijnlijkheid een cirkelvormige plattegrond. Het noordelijk gedeelte van deze kuil wordt echter door latere graafwerken verstoord, zodat de vorm niet met zekerheid bepaald kan worden. De diameter kan op basis van het bewaard gebleven deel op 90 cm ingeschat worden. De vulling bestaat uit lichtbruine zandige leem en geel zand. De vondsten tonen, op een enkel, mogelijk intrusief element na, het patroon van een Flavisch dateerbaar ensemble. Spoor 90 is een rechthoekige kuil van ca. 95 x 45 cm met grijze zandige leem en wat verbrande leem en houtskool. Er zijn geen vondsten in aangetroffen. Deze kuil wordt door spoor 91 doorsneden. Spoor 91 is slechts gedeeltelijk bewaard, maar had zeker een vierkante of rechthoekige plattegrond. Alleen de noordoostelijke hoek is zichtbaar. De vulling bestaat uit bruingrijze zandige leem met houtskool en een kleine hoeveelheid aardewerk. Kuil 91 doorsnijdt spoor 90. Op de lagen 87 en 88 rust een 10 à 20 cm dikke laag, bestaande uit dakpanfragmenten (spoor 92), vermengd met een grote hoeveelheid verbrande leem, waartussen zich een Flavisch dateerbaar vondstensemble bevindt. De dakpannenlaag wordt op haar beurt weer door twee lokaal bewaarde lagen afgedekt die eenzelfde horizontale spreiding hebben. De oudste, spoor 93, is

27 Het meest in het oog springt het verschillend consumptiepatroon van plantaardige en dierlijke

producten op de site van de Kielenstraat in de preFlavische periode (Vanderhoeven et al. 1992a).


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

C

D

102 97

92

90

33

B A

98

89

95 F

93-94

103

87-88

91

99 0

1m

96

106

112

E 108 107 110

Fig. 1.19 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 9 ten zuiden van het noordwestportaal: sporen van fase 2.

114 111

104

een laag vuilgele leem, mogelijk een loopvlak, waarop houtskool, dakpanfragmenten, grijze mortel en relatief veel vondsten zijn aangetroffen, Flavisch en mogelijk tot het begin van de 2de eeuw daterend. De jongste, spoor 94, is een laag donkergrijze, met houtskool vermengde zandige leem, waarin zich een met spoor 93 vergelijkbaar vondstenbestand bevindt. Beide lagen samen zijn een 10 cm dik. Werkput 8 In de zone ten oosten van het oksaal (werkput 8) is het oudste spoor van na de brand van 69/70 een gracht met een complexe opvullingsgeschiedenis (pl. II en fig. 1.20: spoor 95). De identificatie als gracht is zelfs niet heel zeker maar berust op de aanwezigheid van een reeks parallel verlopende en naar het westen duikende lagen die over een afstand van ca. 6,50 m zichtbaar zijn. Alleen de oostelijke randzone van de gracht kon waargenomen worden. De rest van het spoor gaat grotendeels schuil onder jongere steenbouwsporen, hoofdzakelijk van fase 4. Daarvan werd besloten ze in situ te behouden en bijgevolg bleven de daaronder gelegen sporen onbereikbaar voor onderzoek. De onmiddellijk aansluitende terreingedeelten ten noorden (in werkput 9) en ten zuiden (in werkput 6) tonen op het eerste gezicht geen duidelijk vervolg van dit spoor, maar daar kunnen jongere Flavische sporen de gracht afgedekt hebben. Dat is in elk geval gebleken in het westelijk gedeelte van werkput 6 in de zuidelijke zijbeuk, waar het verschijnsel van parallelle opvullingslagen van spoor 95 onder jongere Flavische houtbouw schuil bleek te gaan. Van oud naar jong zijn volgende opvullingslagen identificeerbaar:

28 Ervynck et al. 2017, p. 460.

105 113

100

0

109 101

1m

Fig. 1.20 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 8 ten oosten van het oksaal: sporen van fase 2.

· laag A is een laag grijsbruine zandige leem met veel houtskool en fijn vergruisde, verbrande leem. Het vondstensemble dat de laag bevat zou in principe nog pre-Flavisch kunnen gedateerd worden; · laag B is een laag wit zand, waarin kleine stukjes houtskool vermengd zijn. De laag bevat een aanzienlijke hoeveelheid vondsten die Flavisch kan gedateerd worden. De fragmenten van een tweetal kruiken van het type Stuart 210 kunnen als intrusieve vondsten beschouwd worden; · laag C is een laag donkergrijze zandige leem met zeer veel houtskoolfragmentjes. Ze bevat een omvangrijk vondstenbestand dat in beginsel van zowel kort voor als van kort na 69/70 zou kunnen dateren. De onderste lagen A, B en C van spoor 95 bevatten samen voldoende dierlijke resten om daarmee een karakterisering van dit afval te maken28.


34

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.21 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 8 ten oosten van het oksaal: spoor 96 van fase 2. In het profiel op de achtergrond is te zien dat het door een laag houtskool (laag E van spoor 95) werd afgedekt.

Indicatoren voor een rijk voedingspatroon zijn zelden (enkele oesterschelpen en een fragment van een edelhert) en kunnen residueel materiaal uit de pre-Flavische periode zijn, temeer daar de lagen ook veel residueel aardewerk blijken te bevatten. Gevogelte is afwezig. Het soortenspectrum wordt door de drie klassieke huiszoogdieren bepaald, waarbij rund een dominante positie inneemt; · laag D is een pakket grijze zandige leem met wat houtskool en verbrande leem. Er zijn geen vondsten uit geborgen. Doorheen deze laag is spoor 96 (pl. II en fig. 1.20) aangelegd, een kuil waarvan alleen de oostelijke rand nog zichtbaar is. De vorm en afmetingen kunnen dan ook niet bepaald worden. Noord-zuid bedraagt de maximale doormeter ca. 2,50 m. De diepte kan op 20 à 30 cm ingeschat worden. In het noordelijke deel van deze ondiepe kuil is een laag van deels bewerkte kalkstenen neergelegd (fig. 1.21). Dat is met enige zorg gebeurd, waardoor een min of meer waterpas platform gecreëerd is. Eén van de stenen is een fragment van een kornis in Chémery kalksteen (zie 2, nr. G.1) (fig. 1.22). Mogelijk heeft een zuilfragment in het hieronder nog te bespreken spoor 100 oorspronkelijk ook tot dit ensemble behoord. Het geheel wekt de indruk een gestructureerde depositie te zijn. Het betreft hier wel resten van stenen architectuur in een periode waarin op het opgravingsterrein alleen sporen van hout- en leembouw aan het licht zijn gekomen. Spoor 96 bevat verder een klein maar opvallend assortiment aan metaalvondsten, waaronder een bronzen fibula van het einde van de 1ste eeuw v.Chr. en de eerste driekwart van de 1ste eeuw (cat. nr. M49) en fragmenten van een bronzen beslagplaat (cat. nr. M50), een ijzeren hamer (cat. nr. M51), een ijzeren baartje (cat. nr. M52) en een ijzeren staaf (cat. nr. M54). Op een fragment gebronsd aardewerk met rode deklaag na bevat het spoor geen aardewerk; · Laag E is een dun laagje lichtgrijze zandige leem, waarop een laagje zuivere houtskool uitgestort is. Het dekt kuil 96 en de onmiddellijke omgeving ervan af. Het vondstenbestand is andermaal typisch voor de jaren vóór en na 69/70; · laag F is een laag wit zand waarvan de verspreiding eveneens tot kuil 96 en de onmiddellijke omgeving beperkt is. De laag is vrijwel vondstenloos.

Fig. 1.22: Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 8 ten oosten van het oksaal: spoor 96 van fase 2, detail met fragment van een kornis in Chémery zandsteen.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Bij gebrek aan profielen is het niet mogelijk de diktes van deze lagen op betrouwbare wijze in te schatten. Hierna wordt nog uitgelegd dat in werkput 6 in het westelijk gedeelte van de zuidelijke zijbeuk in dezelfde gracht nog andere primaire opvullingslagen zijn aangetroffen (de lagen G, H, I, J, K en L van spoor 95). De samenstelling daarvan verschilt aanzienlijk van die van de lagen in werkput 8. Toch is de kans groot dat het om vullingen van dezelfde gracht gaat. Doorheen dit opvullingspakket in werkput 8 zijn minstens twee rijen paalkuilen gegraven. Een eerste rij lijkt uit dubbele paalzettingen te bestaan. Een tweede, wellicht jongere rij is een opeenvolging van enkelvoudige palen. Afgaande op de hoogste en diepste werkvlakken waarop deze paalkuilen zichtbaar zijn schommelt hun minimale diepte tussen de 20 en 30 cm. De ogenschijnlijk dubbele paalzettingen van de eerste rij zijn op drie plekken zichtbaar (pl. II en fig. 1.20: sporen 97 tot 101). Spoor 97 en spoor 98 vormen een paar, elkaar overlappende kuilen. De oudste (spoor 97) heeft de vorm van een vierkant van ca. 30 x 30 cm. De jongste (spoor 98) is een gedrongen rechthoek van ca. 15 x 20 cm. Spoor 99 vormt een langwerpige verkleuring van zowat 20 x 50 cm, waarin misschien twee, elkaar doorsnijdende paalkuilen schuil gaan. Spoor 100 en spoor 101 ten slotte zijn, voor zover zichtbaar, gedeeltelijk bewaarde vierkante of rechthoekige paalkuilen, waarvan stratigrafisch spoor 100 de oudste en spoor 101 de jongste is. Al deze paalkuilen zijn met bruingrijze zandige leem met wat houtskoolfragmentjes gevuld. In spoor 100 is een sterk verweerd fragment van een onversierde zuiltrommel in Maastrichter steen aangetroffen (zie 2, nr. B.1). Daar dit spoor de rand van kuil 96 doorsnijdt, is het niet uitgesloten dat het zuilfragment tot de laag stenen van deze kuil heeft behoord. De tweede rij bestaat uit drie enkelvoudige palen (pl. II en fig. 1.20: sporen 102 tot 104). Spoor 102 is een vierkante paalkuil van ca. 25 x 25 cm. Spoor 103 is een eerder rechthoekige paalkuil van ca. 25 x 30 cm. Spoor 104 is een paalkuil met een wat onregelmatige plattegrond, ca. 45 x 50 cm. De vullingen van deze paalkuilen bestaan uit grijze, met houtskool vermengde zandige leem. In spoor 102 is ook wat kiezel aangetroffen. Na afbraak van deze houten palen is de zone van de dichtgegooide gracht blijkbaar nog lang als een depressie op het terrein zichtbaar gebleven. De lagen A tot F van de eerste dichtgooifase van gracht 95 en de daarin uitgegraven paalkuilen worden door een lagenpakket afgedekt, dat een tweede dichtgooifase vertegenwoordigt. Dit periodisch opvullen van de depressie is waarschijnlijk nog in de Flavische fase 2 begonnen en wordt tijdens fase 3 voortgezet. De lagen van deze secundaire vulling worden in fase 3 verder besproken (zie 1.4.5, sporen 436-446). Ten oosten van gracht 95 tekent zich de rand van spoor 105 af (pl. II en fig. 1.20), waarvan eveneens vermoed mag worden dat het een deel van een Flavische gracht is, waarschijnlijk zelfs ouder dan de hogervermelde. Het spoor is over een afstand van slechts 2,80 m te volgen. De breedte kan niet bepaald worden.

29 Ervynck et al. 2017, p. 460.

35

In de vulling van grijsbruine zandige leem bevindt zich vrij veel houtskool en verbrande leem. Mogelijk gaat het om een bijmenging van verspitte brandlaag van 69/70. Er zijn geen vondsten in aangetroffen. Gracht 105 doorsnijdt een waarschijnlijk cirkelvormig kuiltje (pl. II en fig. 1.20: spoor 106), gedeeltelijk bewaard, met een diameter van 0,50 m. Het is met donkergrijze houtskoolrijke zandig leem gevuld. Het bevat relatief veel vondsten, die laat preFlavisch of vroeg Flavisch dateren. De gracht en wellicht ook het kuiltje worden afgedekt door de resten van een Flavische hout- en leembouw. Daarvan zijn sporen van een lemen en planken wand, van twee palen en van een lemen vloer geregistreerd (pl. II en fig. 1.20: sporen 107 tot 110). De wand (spoor 107) tekent zich als een rechtlijnig, ca. 10 cm breed spoor af, bewaard over een lengte van ca. 1,50 m. Ten westen van deze wand zijn twee paalkuilen zichtbaar, wellicht van posten die de wand ondersteunden. Spoor 108 is rechthoekig, ca. 15 x 20 cm, spoor 109 is vierkant, ca. 20 x 20 cm. Ze bevatten beide gele zandige leem. Ten oosten van de wand is een stukje van een gele lemen vloer bewaard, een vijftal cm dik (spoor 110), waaruit blijkt dat het areaal ten oosten van de wand binnenshuis is gesitueerd. Daarop ligt een opeenvolging van een viertal lagen die elkaar gedeeltelijk overdekken (pl. II en fig. 1.20: sporen 111 tot 114). De onderste twee (sporen 111 en 112) blijven beperkt tot de zone ten westen van wand 107 en overdekken alleen de lemen vloer. De bovenste twee (sporen 113 en 114) overdekken zowel de wand als de vloer. Bijgevolg dateren ze alle vier op stratigrafische gronden van tijdens of na de ontmanteling van de houtbouw. Spoor 111 is een laag gele leem, een 10 cm dik. Mogelijk is dit materiaal van de afgebroken lemen wand afkomstig. Daarop ligt plaatselijk spoor 112, een zwarte laag van enkele cm met overwegend houtskool en zandige leem. Over beide ligt spoor 113, een 10 à 20 cm dikke laag grijze zandige leem met houtskool. Daarop ligt weer spoor 114, een 20 à 30 cm dikke laag donkergrijze zandige leem met veel houtskool. De lagen 111 en 112 zijn vondstenloos en hebben mogelijk met de afbraak van de Flavische houtbouw te maken. Lagen 113 en 114 zijn vondstenrijk en dateren daarom wellicht uit de tijd toen dit terreingedeelte als stortplaats gebruikt werd. In laag 113 is een residuele as van Augustus uit de jaren 7 - 3 v.Chr. gevonden. Laag 114 bevat voldoende dierlijke resten om daarmee een waardering van de plaatselijke Flavische vleesconsumptie te maken29. De aanwezigheid van een opvallend groot aantal oesterschelpen, van gedomesticeerd gevogelte, van jachtwild en van een door varken gedomineerd bottenspectrum van de huiszoogdieren toont een rijk voedingspatroon. Het contrasteert met de contemporaine soortenlijst van de lagen A, B en C in de nabijgelegen gracht 95, die een armere indruk nalaat. Werkput 6 In het westelijk gedeelte van werkput 6 in de zuidelijke zijbeuk en aangrenzende zuidelijke zijkapel is het oudste spoor vermoe-


36

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Het grote aantal opvullingslagen, bovendien zeer divers samengesteld en waarvan de sequenties van zone tot zone erg verschillen, wijst op een langdurig dichtgooiproces van gracht 95. Blijkbaar is de uitgraving in de vroeg-Flavische tijd door diverse mensen en gedurende een relatief lange periode als stortplaats gebruikt.

delijk nog een deel van de gracht die al in werkput 8 aangetroffen werd (pl. II en fig. 1.23: spoor 95). Daarin kunnen nog bijkomende lagen onderscheiden worden. Net zoals van de opvullingslagen van de gracht in werkput 8 kunnen ook van de vullingen in werkput 6 geen betrouwbare diktes gegeven worden. Van oud naar jong zijn te onderscheiden: · laag G, een donkergrijze, houtskoolrijke laag zandige leem met een beperkt, Flavisch dateerbaar vondstensemble. Een monster uit deze laag heeft een aandeel aan verkoolde plantaardige resten opgeleverd, vooral gerst en schalen van hazelnoot, dat opvallend groter is dan het gemiddelde van alle Flavisch gedateerde monsters van de site30; · laag H, een licht grijsgroene leemlaag, waarin wat verbrande leem, houtskool, dakpanfragmenten en een eveneens klein Flavisch vondstensemble bewaard zijn, en die te oordelen naar de groene kleur fosfaatrijk is; · laag I, een laag vrijwel schone, lichtgrijze leem die verder vondstenloos is; · laag J, een donkergrijze laag zandige leem met veel houtskool en enkele vondsten; · laag K, een grijsgroene laag zandige leem met fragmenten verbrande leem, houtskool en dakpanfragmenten, eveneens fosfaatrijk en verder vondstenloos.

Op de uiteindelijk dichtgegooide gracht is in werkput 6 vervolgens nog lokaal een vijftal lagen gestort (pl. II en fig. 1.23: sporen 115 tot 119). Spoor 115 is een gele laag leem. Daaronder ligt spoor 116, een grijsgroene laag zandige leem, waarin wat kiezel is opgenomen. Daaronder bevindt zich spoor 117, een grijze laag zandige leem met houtskool, een aanzienlijke hoeveelheid brokstukken verbrande leem en dakpanfragmenten. Nog dieper bevindt zich spoor 118, een laag groen gekleurd zand. Tot slot dekt deze laag spoor 119 af, een donkergrijze, houtskoolrijke laag zandige leem. Alleen in spoor 118 zijn enkele scherven aangetroffen. Voor het overige zijn deze sporen vondstenloos. Ze strekken zich uit over een diepte van ca. 0,50 m. Op dit lagenpakket zijn sporen van Flavische houtbouw bewaard (pl. II en fig. 1.23: sporen 120 tot 129). Spoor 120 is de basis van een oost-west georiënteerde gele lemen wand. Hij is ca. 25 cm breed, kan over een lengte van 1,40 m gevolgd worden en vormt een hoek met spoor 121. Spoor 121 is de onderkant van een noordzuid gerichte gele lemen wand. Zijn breedte bedraagt ca. 20 cm en hij is over een lengte van 2 m te zien. In deze gele wand zijn op onderlinge afstand van 60 cm kleine rechthoekige tot vierkante bruine verkleuringen te zien, met zijden van 10 à 15 cm (sporen 122, 123 en 124). Dit zijn indrukken van verticale staanders, die

Helemaal in het zuiden lijkt gracht 95 een bocht in westelijke richting te maken (pl. II). De vulling op die plek (laag L) bestaat uit een homogeen pakket grijsbruine zandige leem met houtskool en verbrande leem vermengd. Uit deze laag, op het onderste toegelaten werkvlak geregistreerd, konden geen vondsten meer ingezameld worden.

VLAK 1

VLAK 2

VLAK 3

119

127

118 J

G K

128

H

125 117

95

120 121 129 123

I

0

126

122

116

124

127

115

2m

Fig. 1.23 Tongeren: O.L.V.-basiliek: westelijk deel van werkput 6 in de zuidelijke zijbeuk: sporen van fase 2.

30 Cooremans 2017, p. 336.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

in een onder de gele lemen wand geplaatste horizontale funderingsbalk verankerd zijn. Het is niet duidelijk hoe ver deze noord-zuid gerichte wand 121 nog in noordelijke richting doorloopt. Er mag echter aangenomen worden dat dit nog minstens een tweetal m is, daar ten noorden van de oost-west georiënteerde wand 120 een lemen vloer zichtbaar is. Verder houden twee paalkuilen wellicht ook verband met deze wandconstructies. Spoor 125 is een rechthoekige paalkuil van ca. 50 x 60 cm, waarin een rechthoekig paalspoor van ca. 15 x 20 cm zichtbaar is. Het spoor bestaat uit grijze zandige leem, waarin de paalkern zich bruingrijs aftekent. Spoor 126 is een rechthoekige paalkuil, voor zover waarneembaar met dezelfde afmetingen als spoor 125 en gevuld met grijsbruine zandige leem met houtskool. De wanden zijn slechts enkele cm diep bewaard, de paalkuilen zijn ca. 20 cm diep. Onder spoornummer 127 zijn de resten van het vloerniveau van de houtbouw verzameld. Spoor 127 ligt ca. 50 cm hoger dan spoor 110, de meest nabijgelegen Flavische vloer in werkput 8, en ca. 30 cm hoger dan spoor 172, de meest nabijgelegen Flavische vloer in werkputten 6 en 17. Ten noorden van wand 120 is deze vloer zichtbaar als een laag gele leem, waarvan de top zwart uitgesleten is. Ten zuiden van wand 120 tekent hij zich als een gele leemlaag af. Er werden bijgevolg resten van twee verschillende vertrekken aangetroffen. Op de vloer is een aanzienlijke hoeveelheid nederzettingsafval terechtgekomen, wellicht gestort na de ontmanteling van de hout- en leembouw. Het materiaal dateert overwegend uit de Flavische tijd en het begin van de 2de eeuw. De hoeveelheid residuele vondsten is gering. In elk van de vertrekken is een concentratie houtskool of in situ verbrande leem aangetroffen. Spoor 128, in het noordelijk vertrek gelegen, is langwerpig en meet ca. 25 x 60 cm. Spoor 129, in het

138 133 ter 135

zuidelijk vertrek, is cirkelvormig met een diameter van ongeveer 40 cm. Deze sporen zijn wellicht de resten van oventjes of stookplaatsen. Ten zuiden van deze houtbouwsporen strekt zich ten slotte een bruingrijze laag zandige leem uit (pl. II: spoor 130), waarin naast houtskool en verbrande leem, een kleine hoeveelheid Flavisch nederzettingsafval is aangetroffen. Er kan dan ook aangenomen worden dat dit terreingedeelte ten tijde van fase 2 buitenshuis was gelegen. De dikte van de laag is niet bekend. De Flavische periode in het centrale gedeelte van de opgraving Na het overzicht van de westelijke randzone van het opgravingsterrein volgt hierna de beschrijving van de aan fase 2 toegeschreven sporen in de centrale zone. Achtereenvolgens komen de noordelijke zijbeuk (werkputten 4, 5 en 17), de middenbeuk (werkputten 2 en 16), de zuidelijke zijbeuk (werkputten 6 en 15) en het wat excentrisch gelegen toegangsportaal naar de kloostergang (werkput 11) aan bod. In elk van deze kerkdelen verloopt de beschrijving zoveel mogelijk van west naar oost. Werkputten 4, 5 en 17 In het westelijke deel van de noordelijke zijbeuk (werkputten 4 en 5) zijn sporen van diverse activiteiten uit de Flavische tijd aan het licht gekomen (pl. II en fig. 1.24: sporen 131 tot 142). In het westen werd na de brand van 69/70 een donkergrijs lagenpakket gedeponeerd, waarin twee horizonten zichtbaar zijn. De onderste horizont (spoor 131) is donkergrijs gekleurd en bestaat uit zandige leem, waarin grote hoeveelheden houtskoolfragmenten zijn opgenomen. De bovenste horizont (spoor 132) is geelgrijs gekleurd en bestaat uit zandige leem met kleine hoeveelheden

137

141

140

136

133

134

141 142

139 133bis

136

131-132

37

0

1m

Fig. 1.24 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkputten 4 en 5 in de noordelijke zijbeuk: sporen van fase 2.


38

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

houtskool. In beide, 10 à 20 cm dikke lagen is een hoeveelheid nederzettingsafval terechtgekomen. Residueel materiaal is daarin maar in beperkte mate aanwezig. De meerderheid van de goed dateerbare vondsten is Flavisch. Enkele kunnen nog aan het begin van de 2de eeuw gedateerd worden. Doorheen deze lagen is een gedeeltelijk bewaarde ovale kuil met een maximale diameter van 1,45 m en een geschatte diepte van ca. 0,50 m gegraven (spoor 133). De vulling bestaat uit fijne lagen gele en grijze zandige leem met wat houtskool en verbrande leem en een laag witte kalk. Ze is vondstenarm. Verder lijken er zich twee paalsporen in af te tekenen, één cirkelvormig (spoor 133bis) met een diameter van ca. 10 cm en één vierkant (spoor 133ter) met zijdelengte van ca. 15 cm, beide met bruine zandige leem gevuld. Daarop zijn sporen van een houtbouw bewaard. Daarvan is op de eerste plaats een indruk van een noord-zuid gerichte lemen en planken wand zichtbaar (spoor 134). Het nauwelijks 5 cm brede plankspoor tekent zich af als een bruingrijze verkleuring in de leem. Ten westen van die wand is nog een stuk bewaard van een grijze laag leem met wat houtskool- en verbrande leemfragmenten (spoor 135). Ten oosten van de wand strekt zich een laag uit die bestaat uit kleine brokken gele leem die elk weer met dunne zwarte laagjes houtskoolrijke zandige leem zijn afgedekt (spoor 136). Deze brokstukken zijn in alle mogelijke richtingen georiënteerd. De laag vertoont zo de typische kenmerken van een uitgebroken, afgegraven en als ophogingslaag opnieuw gedeponeerde lemen vloer. Tijdens die activiteit is een kleine hoeveelheid Flavisch te dateren materiaal in de laag vermengd geraakt. De sporen 135 en 136, beide een tiental cm dik, mogen beschouwd worden als de onderbouw voor een vloer van een houten en lemen gebouw. Dit loopvlak tekent zich als een ca. 5 cm dik zwart gekleurd niveau af (spoor 137), waarop een dun laagje grijze mortel was aangebracht (spoor 138). Op deze vloer is wat Flavisch materiaal aangetroffen en een enkele residuele vondst. De sporen 137 en 138 zijn alleen aan de noordelijke rand van werkput 6 nog bewaard gebleven. Verder naar het oosten in de noordelijke zijbeuk tekenen zich de resten van een gelijkaardige mortelvloer af (spoor 139). Dit ca. 5 cm dik vloerniveau situeert zich echter een dertigtal cm lager dan het loopvlak van spoor 137/138. Mogelijk hoort mortelvloer 139 tot een ander gebouw, of toch minstens tot een ander vertrek van hetzelfde gebouw. Deze tweede mortelvloer wordt door een fijn lagenpakket afgedekt. Van onder naar boven gaat het om een lichtgrijze laag zandige leem (spoor 140), een zwarte laag zandige leem met houtskoolstof vermengd (spoor 141) en een geelgrijze laag zandige leem (spoor 142). Waarschijnlijk zijn het ophogingen van de oorspronkelijke vloer 139. In de lagen 140 en 141 zijn relatief veel vondsten vermengd. Het best dateerbare materiaal is van het einde van de 1ste eeuw en het begin van de 2de eeuw. In laag 140 is een as van Nero uit de jaren 64-68 gevonden (cat. nr. 14), maar ook een enkele intrusieve scherf uit het midden van de 2de eeuw. Laag 142 bevat minder materiaal, waarvan het meest recente Flavisch is. Indirect wijzen dergelijke

31 Het betreft productieslakken. Concentraties van dergelijk materiaal doen onwillekeurig aan de nabijheid van ijzerproductie denken. Toch kunnen ijzerslakken op nederzettingen soms ver van de plek verspreid geraken, waar ze tot stand zijn

ophogingen binnenskamers op een enigszins lange gebruiksduur van het vertrek waartoe de vloer of het vloerenpakket moet behoord hebben. Het lagenpakket 140-142 heeft een gezamenlijke dikte van 30 à 40 cm. Nog verder naar het oosten van de noordelijke zijbeuk (werkput 17) situeert zich een zone waar geen gebouwsporen zijn aangetroffen, maar wel een opvallend lagenpakket dat grote hoeveelheden nederzettingsafval bevat en een aantal gedeeltelijk zichtbare kuilen, die evenwel niet verder mochten worden opgegraven. Verder bevindt zich in deze zone nog een greppel (pl. II en fig. 1.25: sporen 143 tot 149). De concentratie van lagen met veel afval, van kuilen en van een greppel doet vermoeden dat dit terreingedeelte in de Flavische periode buitenshuis gelegen was. Het sporenbestand strekt zich over een diepte van 50 à 60 cm uit. Spoor 143 is een geelgrijze laag zandige leem met kleine hoeveelheden houtskool, verbrande leem, witte en grijze mortel, kalk, dakpanfragmenten en natuurstenen blokken. Ze bevat een aanzienlijke hoeveelheid vondsten die Flavisch gedateerd kan worden. Daarop ligt spoor 144, een dikke laag donkergrijze zandig leem met opvallend veel bouwpuin: brokstukken van verkoolde planken of balken, verbrande leem, gele, grijze en roze mortel, kalk, dakpanfragmenten en natuurstenen blokken (fig. 1.26). Ze bevat een nog grotere hoeveelheid Flavisch dateerbare vondsten. Een as van Augustus uit de jaren 7 - 3 v.Chr. is één van de weinige residuele objecten. Plaatselijk ligt daarop spoor 145, een donkergrijze laag zandige leem met kleine hoeveelheden bouwpuin, houtskool, verbrande leem, witte, grijze en roze mortel, kalk, dakpanfragmenten en stenen blokken, waaronder een schijf van een zuiltrommel in Norroy kalksteen (zie 2, nr. B.2). De laag is zeer vondstenrijk en bevat meer materiaal dan de lagen 143 en 144 samen. Het ensemble is als typisch voor de Flavische tijd te beschouwen. Opvallend is de aanwezigheid van een aanzienlijk aantal ijzerslakken, die op ijzerproductie in de omgeving van de vindplaats kunnen wijzen (cat. nr. M79)31. Het is merkwaardig dat het lagenpakket stenen bouwmateriaal bevat, terwijl er geen sporen van steenbouw in fase 2 op het terrein aan het licht zijn gekomen. De dierlijke resten uit laag 145 zijn in voldoende aantallen bewaard gebleven en laten toe ze als de weerslag van een rijk voedingspatroon te interpreteren: oesterschelpen, pluimvee, jachtwild en een door varken gedomineerd bottenspectrum van de klassieke huiszoogdieren32. In de sector waarin zich de lagen 143, 144 en 145 uitstrekken, is ook een drietal kuilen te zien (sporen 146, 147 en 148). Hun plattegronden vallen echter maar ten dele binnen de opgravingszone, waardoor alleen maar kan vermoed worden welke vorm en afmetingen ze hadden. Waarschijnlijk beschrijven ze min of meer cirkelvormige plattegronden. Voor de kuilen 147 en 148 is de doormeter op ongeveer 1,20 m ingeschat. Omdat de maximaal toelaatbare diepte van de grondwerken bereikt was konden deze sporen niet verder opgraven worden, waardoor hun profiel onbekend blijft, en konden er ook geen vondsten uit ingezameld

gekomen. Het materiaal is immers geschikt als wegverharding of fundering (Schuerman 1995, p. 184; Dieudonné-Glad 1999, p. 40-41; Polfer 2000, p. 74; Schütz 2005, p. 115 en p. 120; Pauwels et al. 2007, p. 83; Vanderhoeven et al. 2014, p. 26).

32

Ervynck et al. 2017, p. 460.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

144

149

Tot slot loopt in deze zone nog een greppel, zichtbaar over een afstand van 4,40 m. Hij is oost-west georiënteerd en heeft een breedte van ca. 0,50 m (spoor 149). De vulling bestaat uit grijze zandig leem, waarin wat houtskool, verbrande leem, brokjes grijze en roze mortel en witte kalk zit (fig. 1.26). Deze greppel doorsnijdt laag 143 en wordt door de lagen 144 en 145 afgedekt.

143

worden. Voor zover waarneembaar is kuil 146 met donkergrijze zandige leem gevuld, met daarin houtskool, verbrande leem en wat witte kalk. De vulling van kuil 147 bestaat uit grijsbruine zandige leem, met wat houtskool en verbrande leem, kalk en dakpanfragmenten. Kuil 148 is met geelgrijze zandige leem, houtskool, verbrande leem, grijze, witte en roze mortel gevuld. De drie kuilen doorsnijden laag 143 en worden door laag 144 afgedekt. Kuil 148 doorsnijdt bovendien kuil 147.

39

Werkputten 2 en 16

33

Ervynck et al. 2017, p. 460.

2m 0

144

Fig. 1.25 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 17 in de noordelijke zijbeuk: sporen van fase 2.

144 147

143

146 148

In de westelijke zone van de middenbeuk (pl. II en fig. 1.27: sporen 150 tot 160) is het oudste Flavische spoor een ophoging en terreinegalisatie. Ze werd vermoedelijk na de brand van 69/70 is aangebracht als basis voor een houtbouw en als loopvlak voor ambachtelijke activiteiten (spoor 150). De laag strekt zich over vrijwel de gehele werkput 2 uit, voor zover ze niet door eigentijdse en jongere uitgravingen verstoord is. De dikte varieert en is, voor zover achterhaalbaar, iets dunner in het noorden (10 à 20 cm) dan in het zuiden (20 à 30 cm). Laag 150 bestaat overwegend uit donkergrijze zandige leem. Lokaal kunnen wit zand, lichtgrijze en gele leem voorkomen. In sommige delen bevinden zich concentraties kalk, grijze en roze mortel. Regelmatig tekenen zich ook concentraties vergruisde houtskool en verbrande leem af. Laag 150 bevat een grote hoeveelheid vondsten, die evenwel voor het merendeel pre-Flavisch gedateerd kunnen worden. Vermoedelijk is de ophogingslaag met veel verspit materiaal uit de eronder liggende brandlaag van 69/70 (spoor 86) vermengd geraakt. Mogelijk hoort een deel van de relatief talrijk weergevonden nagels daartoe (cat. nr. M81). De laag is verder één van de Flavische sporen die een voldoende aantal dierlijke resten heeft opgeleverd om daarmee een waardering van het consumptiepatroon te kunnen maken33. Het beeld is echter dubbelzinnig. Enerzijds pleiten de aanwezigheid van oester en pluimvee voor een rijk consumptiegedrag, anderzijds suggereren de afwezigheid van jachtwild en de dominantie van rund bij de klassieke huiszoogdieren een minder luxueus voedingspatroon. Mogelijk is een deel van de vondsten residueel pre-Flavisch materiaal. Het aardewerk toonde al een grote bijmenging van ouder materiaal aan.

145

In de middenbeuk (werkputten 2 en 16) kunnen de Flavische en begin 2de-eeuwse sporen van fase 2 in drie zones beschreven worden: een westelijke, een centrale en een oostelijke. Deze zones zijn door belangrijke hiaten in het sporenbestand van elkaar gescheiden, veroorzaakt door diverse jongere graaf- en bouwwerken. In het westen van de middenbeuk bevinden zich vrij veel sporen van bouw- en woonactiviteiten. In het oosten werden meer ophogingslagen en kuilen aangetroffen. Deze verdeling is vergelijkbaar met wat reeds in de noordelijke zijbeuk (werkputten 4 en 17) werd waargenomen.


40

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.26 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 17 in de noordelijke zijbeuk: sporen 144 en 149 van fase 2.

Op spoor 150 ligt een tweede ophogingslaag (spoor 151). De dikte bedraagt een veertigtal cm. Het ophogingsmateriaal bestaat uit gele leem. Onderaan is deze leem relatief schoon, hogerop is hij meer en meer met nederzettingsafval gemengd. Waar laag 150 een kortstondige, eenmalige gebeurtenis weerspiegelt, is laag 151 het resultaat van een lange ontwikkeling. Het spoor is op de eerste plaats te beschouwen als een met leem aangelegd loopvlak, dat geleidelijk opgehoogd wordt en daarbij alsmaar meer met afval vermengd geraakt. Naast de gebruikelijke fijngemalen houtskool- en verbrande leempartikels zijn plaatselijk dichte concentraties houtskool, kalk, witte, grijze en roze mortel en verspreide dakpanfragmenten aangetroffen. De laag bevat grote hoeveelheden vondsten, waarvan een aanzienlijk percentage pre-Flavisch kan dateren. Voor de aanleg van deze Flavische ophoging moeten dan ook elders pre-Flavische lagen zijn aangesneden. Laag 151 is het oudste spoor waarin vensterglas voorkomt (cat. nr. G31). Ze bevat ten slotte een voldoende groot aantal dierlijke resten waarmee aan een waardering van consumptiegedrag kan gedaan worden34. Net als voor laag 150 is het beeld dubbel. Indicatoren voor een rijk voedingspatroon zijn zeker aanwezig in de vorm van diverse soorten pluimvee. Maar anderzijds wordt het huiszoogdierenspectrum door rund gedomineerd, wat eerder een alledaagse vleesconsumptie suggereert. Zoals het aardewerk aantoonde moet met de aanwezigheid van veel residueel materiaal uit pre-Flavische contexten rekening gehouden worden. In en op ophogingslaag 151 is een aantal structuren aanwezig die suggereren dat het terreingedeelte voor ambachtelijke activiteiten werd gebruikt. Te herkennen zijn een aantal ovens, een kuil waarin een ovencomplex was aangelegd, een enkele paalkuil

34 Ervynck et al. 2017, p. 460.

35

en een tweetal vermoedelijke greppels. Deze sporen kwamen binnen de ophogingslaag op verschillende dieptes aan het licht. Spoor 152 is een gedeeltelijk bewaarde, vermoedelijk cirkelvormige vlek in situ verbrande leem. De diameter is naar schatting 70 cm. Naar alle waarschijnlijkheid is dit de basis van een voor het overige volledig afgebroken oven. Spoor 153 is de noordelijke rand van een eveneens vermoedelijk cirkelvormige oven. Er is echter teveel van verloren gegaan, om de juiste vorm en afmetingen nog te kunnen achterhalen. Spoor 154 is de basis van een langwerpige oven van ca. 40 x 90 cm (fig. 1.28). De aanzet van de ovenwand is nog zichtbaar en de dikte ervan kan op ca. 5 cm ingeschat worden. Spoor 155, waarin ook de sporen 156 en 157 zijn opgenomen, is een wat raadselachtige ondiepe kuil met een min of meer rechthoekige plattegrond, 1,50 x 2,10 m en ongeveer 60 cm diep (fig. 1.29 en 1.30). Ze is over deze diepte met een lagenpakket gevuld, waarin zeven onderdelen herkenbaar zijn: · laag A is een op de bodem van de kuil gedeponeerde bruine laag zandige leem waarin veel organisch materiaal lijkt te zijn vergaan. Ze heeft in verhouding tot haar beperkt volume een Flavisch vondstenbestand van aanzienlijke omvang. Het grondmonster uit deze laag bevat een hoeveelheid afval van het uitzuiveren van een portie spelt, zoals blijkt uit de aanwezigheid van niet alleen graankorrels, maar ook van onkruidzaden die tot eenzelfde grootteklasse behoren als de graankorrels35. Geoogst graan wordt in de regel in een

Cooremans 2017, p. 336.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

150-151

152

150-151 150-151

153 159 159

150-151 158

155 156

157

150-151 154 160 0

1m

Fig. 1.27 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: sporen van fase 2.

aantal stappen gezuiverd. De oogst wordt eerst gezeefd op een zeef met een maaswijdte die kleiner is dan de graankorrels, waardoor de kleinere onkruidzaden verwijderd worden. Vervolgens wordt een zeef ingezet met een maaswijdte die groter is dan de graankorrels, waarin de grotere onkruidzaden achterblijven. Ten slotte moeten de onkruidzaden die even groot zijn als de graankorrels met de hand uitgesorteerd worden. Afval van deze laatste handeling lijkt in laag A van spoor 155 terechtgekomen te zijn; · laag B ligt daarop en bestaat uit gele leem, waarin houtskoolfragmenten zijn vermengd. Er zijn nauwelijks vondsten in aanwezig; · laag C is een daarop gelegen tweede bruine laag zandige leem, met organisch materiaal vermengd. Ook deze laag bevat in verhouding tot haar volume relatief veel Flavische vondsten; Fig. 1.28 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: spoor 154 van fase 2 vanuit het zuiden.

41


42

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

· laag D is een laag grijze zandige leem met houtskool waarin de resten van twee ovens bewaard zijn. Spoor 156 is een ovale oven, ca. 70 x 100 cm, spoor 157 een langwerpige, ca. 40 x 80 cm. Van beide is alleen maar de basis bewaard, die uit in situ rood verbrande leem bestaat. Alleen in oven 156 is een aantal vondsten aangetroffen; · laag E is een op oven 156 gedeponeerde dunne laag assen, op een enkele scherf na vondstenloos;

VLAK 1

F C

D 156

E

157

VLAK 2 A B

0

1m

Fig. 1.29 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: sporen 155 tot 157 van fase 2.

Fig. 1.30 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: sporen 155 tot 157 van fase 2 vanuit het zuiden.

· laag F is een pakket dakpanfragmenten dat de beide ovens afdekt; · laag G is een daarop aangebrachte laag grijsgele leem met fragmenten houtskool en verbrande leem. Ze markeert het buitengebruikstellen en dichtgooien van deze structuur en bevat geen vondsten. Ten noorden van de kuil met dubbele oven is een grote paalkuil te zien, die mogelijk met het ovencomplex verband hield (spoor 158). De paalkuil meet naar schatting 80 x 80 cm, is een vijftigtal cm diep en is met lichtgrijze leem met daarin wat fijne houtskoolfragmentjes gevuld. Daarin tekent zich een bruingrijs rechthoekig paalspoor af, ongeveer 15 x 20 cm. De zuidelijke rand van paalkuil 158 wordt door de noordelijke rand van kuil 155 doorsneden, maar beide kunnen natuurlijk quasi gelijktijdig zijn aangelegd. Het doet vermoeden dat deze zwaar ingegraven paal met de onbekende activiteiten die in ovenkuil 155 plaatsvonden te maken heeft. Paalkuil 158 bevat een klein, 1ste-eeuws vondstensemble dat echter toch groter is dan men voor een paalkuil mag verwachten. In de hier beschreven zone zijn ten slotte nog twee sporen herkend, die als oost-west verlopende greppels geïnterpreteerd kunnen worden. Spoor 159, de meest noordelijke, is over een afstand van 3,40 m zichtbaar. Op het meest oostelijke punt is de greppel 30 cm breed, op het meest westelijke bedraagt de breedte 20 cm. De vrijwel vondstenloze vulling bestaat uit geelgrijze zandige leem, waarin houtskool, verbrande leem en witte mortel is vermengd. Spoor 160 bevindt zich aan de zuidelijke rand van werkput 2 en lijkt de noordelijke randzone van een greppel te zijn, die over een afstand van 3,40 m zichtbaar is. De nog zichtbare breedte bedraagt op het meest oostelijke punt ca. 1 m en op het meest westelijke ca. 30 cm. De vulling van grijsbruine, met houtskool vermengde zandige leem bevat een klein Flavisch vondstensemble. Het is niet uit te sluiten dat spoor 160 geen Flavische greppel is, maar Flavische opvulling van een depressie die de preFlavische greppel 64 op dezelfde plek kan hebben nagelaten. In elk geval wekken beide sporen de indruk van oost naar west te versmallen.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Op spoor 150/151 heeft zich in de centrale zone van de middenbeuk een andere ontwikkeling voorgedaan dan in de westelijke (pl. II en fig. 1.31: sporen 161 tot 165). In het noorden is een vloer van een Flavische houtbouw bewaard gebleven (fig. 1.32: spoor 161). Deze vloer bestaat uit een 5 cm dikke laag gele leem, aan de oppervlakte zwart gekleurd en afgedekt door een dunne laag mortel. Er zijn enkele vondsten op aangetroffen. Aan alle zijden is de oorspronkelijke begrenzing van de vloer door jongere graafwerken aan het gezicht onttrokken. In de zuidwestelijke hoek is op deze vloer een met dakpannen samengestelde haard gebouwd, waarvan nog enkele tegula-fragmenten in situ op het terrein aanwezig zijn, maar die voor het grootste deel door funderingen van latere gebouwen vernield is (fig. 1.32: spoor 162). Het loopvlak van het vertrek waarin vloer 161 was aangelegd, bevindt zich ca. 100 cm onder het niveau van de onmiddellijk ten noorden ervan, in werkput 6 in de noordelijke zijbeuk gelegen vloer 138. Het is dan ook onwaarschijnlijk, dat beide behoord hebben tot eenzelfde gebouw, of bewoningsfase ervan. Vloer 161 wordt door een kuil doorsneden (spoor 163) met naar alle waarschijnlijkheid een vierkante plattegrond. Hoewel ongeveer de helft van dit spoor door een jongere fundering weggegraven is, kunnen de afmetingen toch op ca. 1,20 x 1,20 m ingeschat worden. De westelijke zijde is immers in haar geheel zichtbaar, de oostelijke moet zich onder de genoemde jongere fundering bevinden. Van het niveau waarop de kuil voor het eerst in het vlak zichtbaar werd tot het niveau tot waarop mocht opgegraven worden kon 80 cm vulling gedocumenteerd worden. Dat volstond om vast te stellen dat de kuil verticale wanden had. Kuilen met een dergelijke structuur en afmetingen kunnen doorgaans als een beerput geïnterpreteerd worden. De waargenomen vulling bestond uit vrijwel zuivere leem, waarin slechts een beperkt aantal vondsten aanwezig was. Dikke pakketten gele leem in de stratigrafie van de Romeinse stad Tongeren wijzen vaak op omgevallen of afgebroken en opnieuw gedeponeerde wanden of vloeren. In elk geval is tussen dit bouw- of afbraakpuin een kleine hoeveelheid nederzettingsafval terechtgekomen. Een deel is Flavisch, maar een belangrijk deel is opspit uit de eerste helft van de 1ste eeuw. Een opvallende vondst is een bronzen handvat van een spiegel (cat. nr. M94). Zowel vloer 161 als kuil 163 worden door een ca. 20 cm dikke, relatief vondstenarme laag gele leem afgedekt (spoor 164). Mogelijk is ook dit het restant van de omgevallen of afgebroken lemen wanden van de houtbouw, waarvan het vloerniveau onderliggend aangetroffen werd. Gelet op de aanwezigheid van een hoeveelheid vondsten is er in elk geval ook wat nederzettingsafval in vermengd geraakt. Het afval heeft een met kuil 163 vergelijkbare samenstelling, deels Flavisch, deels in de eerste helft van de 1ste eeuw dateerbaar. Op deze laag gele leem is ten slotte een ca. 40 cm dikke laag donkergrijze, zeer houtskoolrijke zandige leem gedeponeerd, waarin zich een grote hoeveelheid Flavisch nederzettingsafval bevindt, met een belangrijke bijmenging uit de eerste helft van de 1ste eeuw (spoor 165). Er mag daarom aangenomen worden dat na de ontmanteling van de houtbouw dit terreingedeelte als stortplaats werd gebruikt. Ten zuiden van de hierboven beschreven stratigrafie is de gelaagdheid van de Flavische periode die zich op spoor 150/151 gevormd heeft, weer anders (pl. II en fig. 1.31: sporen 166 en 167). Plaatselijk strekt er zich een laag vuilgele, vondstenarme leem uit, een tiental cm dik (spoor 166). Mogelijk is dit een overblijfsel van een buitenshuis aangelegd loopvlak. De laag wordt doorsne-

43

den door een opvallend grote kuil, waarvan alleen gedeelten van de westelijke (in werkput 2) en oostelijke (in werkput 16) randen op het terrein zichtbaar zijn (spoor 167). Die bevinden zich op een onderlinge afstand van ca. 5,50 m. Tussen beide randzones onttrekt zich een belangrijk gedeelte aan het gezicht. Het is dan ook niet mogelijk de gelaagdheid van beide zichtbare kuildelen aan elkaar te koppelen. Er kunnen 14 verschillende lagen onderscheiden worden, drie (fig. 1.31: spoor 167: lagen A tot C) aan de westelijke zijde, 11 (fig. 1.33: spoor 167: lagen D tot N) aan de oostelijke zijde van de kuil. Omdat de lagen alleen maar in een aantal werkvlakken in kaart konden gebracht worden is het zinloos hun dikte proberen in te schatten: · laag A, onderaan in het westen, is een donkergrijze laag houtskoolrijke zandige leem. Ze bevat vondsten uit de Flavische tijd, maar ook ouder residueel materiaal uit de eerste helft van de 1ste eeuw; · laag B, daarop, bestaat uit grijze zandige leem, met houtskool vermengd. De enkele uit deze laag ingezamelde vondsten zijn Flavisch; · laag C, daarop, is een bruingrijze laag zandige leem met houtskool en fragmenten grijze mortel; · laag D, onderaan in het oosten, is een laag wit zand, waarin kalk, witte mortel en houtskool vermengd zijn; · laag E, daarop, bestaat uit grijze zandige leem met houtskoolen verbrande leemfragmenten, kalk, natuurstenen blokken, kiezel en roze mortel; · laag F rust op laag E en bestaat uit geelgrijze zandige leem met veel witte mortel, houtskool, verbrande leem en wat dakpanfragmenten; · laag G ligt daarop en bestaat uit donkergrijze zandige leem met veel houtskool, wat verbrande leem, kalk en natuurstenen blokken; · laag H, daarop, is een laag grijze zandige leem met veel houtskool, wat verbrande leem, kalkfragmenten en roze mortel; · laag I, daarop, is een laag roodbruine leem met veel houtskool, wat verbrande leem, kalk, enkele dakpanfragmenten, grijze, witte en roze mortel en veel secundair verbrande mortelfragmenten. Uit deze laag is een klein aantal Flavische vondsten ingezameld; · laag J ligt op laag I en bestaat uit grijsbruine zandige leem met wat houtskool- en verbrande leemfragmenten en kalk; · laag K rust op laag J en bestaat uit geelgrijze zandige leem, vermengd met kalk, witte mortel en houtskool; · laag L, daarop, is lichtgrijze zandige leem, vermengd met houtskool, verbrande leem, witte en roze mortel, kalk en secundair verbrande mortelfragmenten; · laag M, daarop, is grijze zandige leem met veel houtskool, wat verbrande leem, kalk en dakpanfragmenten; · laag N ten slotte, is de bovenste afdekking en bestaat uit grijze zandige leem, waarin veel houtskool, wat verbrande leem, kalk, roze mortel en natuursteenblokken zijn opgenomen. Complexe gelaagdheden en divers samengestelde vullingen wijzen doorgaans op een traag verlopende opvullingsgeschiedenis. Zoals voor alle diepe sporen geldt ook voor kuil 167 dat ze niet tot op de bodem kon worden onderzocht. Het profiel, de diepte, de volledige inventaris van de opvullingslagen en het vondstenbestand ontbreken daarom. In werkput 2, de enige werkput waar tot op het niveau van de natuurlijke ondergrond vlakken mochten worden aangelegd, kon een hoeveelheid vondstmateriaal uit de lagen A en B ingezameld worden. In werkput 16 is laag I de enige, die enkele vondsten heeft opgeleverd.


44

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.31 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: sporen van fase 2.

161

163

164-165

162 164-165

A 166

B C 150-151

167

166

150-151

0

Fig. 1.32 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: sporen 161 en 162 van fase 2 vanuit het noorden.

1m


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Kuil 167 wordt in de oostelijke zone van de middenbeuk afgedekt door een laag gele zandige leem die zich verder over de gehele oostelijke zone uitstrekt (pl. II en fig. 1.33: spoor 168). De ca. 50 cm dikke laag is vermengd met fragmentjes houtskool en verbrande leem. Lokaal komen fragmenten van diverse mortelsoorten voor, wit, grijs, geel of roze gekleurd en soms verbrand. Verder bevat de laag enkele concentraties kalk, wit zand en grijsgroene klei, kleine aantallen dakpanfragmenten en natuurstenen blokken en een Flavisch dateerbaar vondstensemble. De omvang van de gedeponeerde grondmassa suggereert een grootschalige sanering en ophoging van dit terreingedeelte aan het einde van de 1ste eeuw. Laag 168 wordt op haar beurt weer door twee grote kuilen doorsneden (pl. II en fig. 1.33: sporen 169 en 170). In tegenstelling met kuil 167 bevatten de kuilen 169 en 170 op het eerste gezicht geen complex gelaagde, maar wel homogeen samengestelde vullingen, vaak een indicatie voor een snelle en éénmalige dichtgooifase. Maar omdat beide sporen niet verder konden worden

169 169

opgegraven moet er rekening mee gehouden worden dat ze op grotere diepte wel een divers samengesteld lagenpakket kunnen hebben. Omvangrijke kuilen van het type dat hier door de sporen 167, 169 en 170 vertegenwoordigd wordt, waren vaak in eerste instantie leemwinningskuilen, die nadien als stortplaats werden gebruikt. Kuil 169 is slechts voor een deel in plattegrond zichtbaar. De maximale meetbare breedte bedraagt 3,20 m. Ze is met geelgrijze zandige leem gevuld, waarin, naast de gebruikelijke ruis van houtskool en verbrande leem, fragmenten van gele mortel, kalk, baksteen, natuursteen en klei zijn aangetroffen. In de bovenste vulling is een aanzienlijke hoeveelheid vondsten ingezameld, daterend van de Flavische tijd, waarin nauwelijks ouder residueel materiaal aanwezig was. De kuil heeft duidelijk als stort gediend. Kuil 170 is eveneens voor een groot deel aan het gezicht onttrokken. Ze lijkt een cirkelvormige plattegrond te hebben, met een minimale diameter van naar schatting 4 m. De vulling bestaat

168

168

168

171

168 I

167

F G

M H

N

E

L K 0

J

45

D

1m

Fig. 1.33 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de oostelijke middenbeuk: sporen van fase 2.

170


46

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

uit geelgrijze, met houtskool- en verbrande leempartikels vermengde zandige leem, waarin ook kalk, witte, grijze en roze mortelfragmenten, klei, dakpanfragmenten en natuurstenen blokken aanwezig zijn. Er zijn in deze kuil maar weinig vondsten ingezameld, maar dat is toe te schrijven aan het feit dat slechts een deel van de uitgraving bewaard was en dat daarvan slechts de bovenste vulling op materiaal kon worden doorspit. Tot slot is in de oostelijke zone van de middenbeuk nog één paalkuil ingetekend (pl. II en fig. 1.33: spoor 171). Ze is vierkant, ca. 25 x 25 cm, ca. 20 cm diep en de bruingrijze zandige leemvulling bevat naast kalkpartikels wat houtskool en verbrande leemgruis. Merkwaardig is dat in deze kleine structuur toch nog een handvol vondsten kon worden ingezameld. Werkputten 6 en 15 In de zuidelijke zijbeuk (werkputten 6 en 15) werd over een aanzienlijke oppervlakte een dunne mortelvloer aangetroffen, die de brand- en puinlaag van 69/70 onmiddellijk lijkt af te dekken en op zijn beurt weer door sporen van de eerste steenbouwfase

wordt bedekt (pl. II, fig. 1.34 en 1.35: spoor 172). Hij kan daarom in de Flavische tijd en het begin van de 2de eeuw gedateerd worden. Twee paalkuilen kunnen tot dezelfde bewoningsfase gerekend worden (pl. II en fig. 1.34: sporen 173 en 174). Ze hebben een min of meer vierkante vorm met zijden van 40 à 50 cm en zijn met grijsbruine zandige leem gevuld. De diepte kon niet bepaald worden. Dit schaarse sporenbestand laat niet toe van een voorstelling van de hout- en leembouw van fase 2 in dit deel van het opgravingsterrein te maken. Werkput 11 In het toegangsportaal naar de kloostergang (werkput 11) is over geheel de oppervlakte van de opgegraven zone en voor zover niet door latere activiteiten verstoord, een ophogingslaag aanwezig, die de brand- en puinlaag van 69/70 afdekt en aan de aanleg van de eerste steenbouw in fase 3 voorafgaat (pl. II en fig. 1.36: spoor 175). Ze bestaat uit gele en geelgrijze zandige leem, waarin kleine fragmentjes houtskool en verbrande leem zitten, kalkdeeltjes, witte mortelfragmentjes en een kleine hoeveelheid vondsten uit de Flavische tijd. Ze is een 30 cm dik.

Fig. 1.34 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkputten 6 en 15 in de zuidelijke zijbeuk: sporen van fase 2.

172 173 0

Fig. 1.35 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 15 in de zuidelijke zijbeuk: spoor 172 van fase 2 vanuit het zuiden.

2m

174


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Fig. 1.36 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: sporen van fase 2.

175

175

175

0

47

1m

De Flavische periode in het oostelijk gedeelte van de opgraving Na de overzichten van de westelijke randzone en de centrale zone volgt hierna de beschrijving van de oostelijke zone in fase 2. Achtereenvolgens behandelen we de sporen uit het laagkoor (werkput 26), het hoogkoor (werkput 27) en de kloostertuin (werkput 25).

Werkput 26 In het laagkoor (werkput 26) zijn op twee plaatsen resten van Flavische vloerniveaus aangesneden. In het noorden strekt zich een 5 à 10 cm dikke gele lemen vloer uit, waarvan de top zwart gekleurd is (pl. II, fig. 1.37 en 1.38: spoor 176). Op een aantal plekken is hij nog door een dunne laag grijze mortel bedekt, waartus-

176 180 176 180 176 180

179

177 178

0

Fig. 1.37 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen van fase 2.

1m


48

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.38 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 176 en 180 van fase 2. Spoor 176 ligt op de brandlaag van 69/70 (zie fig. 1.16: spoor 86).

sen enkele niet nauwkeurig dateerbare vondsten zijn aangetroffen. In het zuiden zijn twee op elkaar liggende lemen vloeren aangetroffen (pl. II, fig. 1.37, 1.39 en 1.40: sporen 177 en 178). Beide zijn ca. 10 cm dik en hebben een gelijkaardige opbouw: een laag geelgrijs gevlekte zandige leem, door een dun zwart stoflaagje afgedekt, waarop nog een dunne laag grijze mortel is aangebracht. De twee vloeren zijn door een ca. 10 cm dik pakket verbrokkelde mortel van elkaar gescheiden, waarin een kleine hoeveelheid dakpanfragmenten en kiezel te onderscheiden is. Deze vloeren worden aan de noordzijde door een lemen wand begrensd. Alleen de basis daarvan is bewaard gebleven (pl. II, fig. 1.37 en 1.39: spoor 179). Daarin zijn naast resten van de gele leem, fijn verbrokkelde houtskool en verbrande leem, nog grijze en roze mortelfragmenten aanwezig. De in het noorden van het laagkoor bewaarde vloer bevindt zich op hetzelfde niveau als de oudste van de twee in het zuiden aangetroffen vloeren. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het om resten van eenzelfde houtbouw. In het noorden van het laagkoor ligt op de Flavische vloer 176 nog een ca. 30 cm dikke laag grijze zandige leem (pl. II, fig. 1.37 en 1.38: spoor 180), waarin naast een klein aantal onvoldoende nauwkeurig dateerbare vondsten plaatselijk vrij veel bouwpuin aanwezig is: houtskool en verbrande leem, kalk, dakpanfragmenten, grijze, gele en roze mortelfragmenten. Mogelijk is dit het afbraakniveau van de Flavische houtbouw. Werkput 27 In het hoogkoor (werkput 27) zijn de oudste sporen van menselijke activiteit die van na de brand van 69/70 dateren, vermoedelijk twee grachten. Deze interpretatie blijft evenwel onzeker.

36 Ervynck et al. 2017, p. 460.

De sporen konden niet tot op hun oorspronkelijke diepte onderzocht worden. In de noordwestelijke hoek van werkput 27 situeert zich een viertal lagen die elkaar afdekken en waarvan alleen de oostelijke aflijningen zichtbaar zijn (pl. II en fig. 1.41: sporen 181 tot 184). De diktes konden niet bepaald worden. De onderste laag is spoor 181, een pakket overwegend grijze mortel, waartussen kalkpartikels, fragmenten van muurschilderingen, houtskool, verbrande leem en een Flavisch vondstensemble terecht zijn gekomen. Daarop rust spoor 182, een grijze laag zandige leem met houtskool, verbrande leem, kalk en fragmenten muurschildering, dakpan en vuursteen. Een grote hoeveelheid vondsten dateert de laag aan het einde van de 1ste eeuw en/of het begin van de 2de eeuw. Laag 182 is het oudste spoor van de site van de O.L.V.basiliek waarin een fragment van een maalsteen voorkomt (cat. nr. S1). Daarop ligt spoor 183, een grijze laag zandige leem met wat houtskool en kalkdeeltjes. Ook deze laag bevat een groot aantal vondsten, die globaal van het einde van de 1ste eeuw en het begin van de 2de eeuw dateren. Ten slotte ligt daarop spoor 184, een grijsbruine laag zandige leem met veel houtskool en verbrande leem, kalk, roze mortel en vuursteenfragmenten. Zoals bij de onderliggende lagen dateert een groot vondstensemble, met uitzondering van een wellicht intrusieve kruik van het type Stuart 110, de laag in de Flavische tijd. De lagen 181 en 183 bevatten voor waardering bruikbare aantallen dierlijke resten36. De samenstellingen ervan zijn voor beide lagen vergelijkbaar. Ze bevatten aanwijzingen voor een rijk voedingspatroon: oester, vogels, in laag 181 enkel gedomesticeerd, in laag 183 zowel gedomesticeerd als wild, een enkel fragment jachtwild en een


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

49

Fig. 1.39 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 177 tot 179 van fase 2.

Fig. 1.40 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 177 en 178 van fase 2.


50

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

huiszoogdierenbestand dat door varken gedomineerd is. De oostelijke aflijningen van al deze sporen lopen min of meer parallel aan elkaar in noord-zuidelijke richting en zijn over een afstand van ongeveer 3,25 m te volgen. Ofwel gaat het om opvullingen van een zeer grote kuil, die zich verder grotendeels buiten de opgegraven zone uitstrekt, ofwel betreft het een grachtvulling. In de zuidelijke randzone van werkput 27 is over een afstand van bijna 4,40 m een oost-west georiënteerde aflijning van een uitgraving zichtbaar (pl. II en fig. 1.41: spoor 185). Ze is met grijsbruine zandige leem gevuld, waarin houtskool, verbrande leem, gele en grijze mortelfragmenten, dakpan en natuursteenfragmenten en vrij veel fragmenten van bepleistering zijn aangetroffen. Het laatste komt waarschijnlijk van de in spoor 83 bewaarde omgevallen pre-Flavische muurschildering die door spoor 185 wordt doorsneden.

184

Werkput 25 In de kloostertuin (werkput 25) ten slotte wordt de brandlaag van 69/70 doorsneden door een grote kuil, waarvan alleen een deel van de zuidelijke rand zichtbaar is (pl. II: spoor 186). Aangezien deze rand een rechte lijn beschrijft en bovendien over een afstand van 2,70 m te zien is, bestaat de kans dat dit spoor een houten kelder is. Ook deze structuur kon niet verder onderzocht worden. De in het vlak zichtbare vulling bestaat uit zandige leem met houtskool en verbrande leem, roze mortelfragmenten, kalk, geel zand en kiezel. Ook de aanwezigheid van een groot aantal nagels valt op. De ingezamelde vondsten dateren Flavisch.

181

183 182

185 0

1m

Fig. 1.41 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: sporen van fase 2.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

1.3.2 Het bewoningspatroon in fase 2 Nu het overzicht van het sporenbestand uit de Flavische tijd en het begin van de 2de eeuw gemaakt is, kan de vraag gesteld worden hoe de ruimtelijke ordening van het opgegraven stadsdeel in fase 2 was vormgegeven. Daarbij is weliswaar iets minder dan voor fase 1, maar toch nog in ernstige mate hinder van de talrijke verstoringen die door de gebruikers van het terrein in de latere, Romeinse, middeleeuwse en post-middeleeuwse fasen is aangebracht en van de beperkingen die aan het opgravingswerk werden opgelegd. Zowel in de westelijke als in de oostelijke randzone blijken aan het begin van de Flavische periode grachten gegraven te zijn. Hun functie is niet achterhaald, maar ze lijken al vroeg dichtgegooid te zijn en plaatselijk door jongere houtbouw afgedekt te worden. Soms blijven ze nog lange tijd, zelfs nog tot in fase 3, als een depressie op het terrein zichtbaar en moet in die fase bijkomend opvullingsmateriaal aangebracht worden. Op diverse plekken zijn schamele resten van hout- en leembouw aangetroffen. Hoewel het opgravingsterrein vrij centraal binnen een insula en bijgevolg relatief ver van straatranden ligt, is er in het laatste derde van de 1ste eeuw en het begin van de 2de eeuw blijkbaar toch relatief veel gebouwd. De wanden van deze gebouwen zijn in verschillende technieken vervaardigd. Er zijn sporen gevonden van een eenvoudige planken wand (spoor 134 in werkput 4 in de noordelijke zijbeuk), van een planken wand die aan de buitenzijde met palen is versterkt (sporen 107-108 in werkput 8 ten oosten van het oksaal), van een eenvoudige lemen wand (spoor 179 in werkput 26 in het laagkoor) en van een wand die door in de wand zelf geplaatste staanders wordt gesteund (sporen 120-124 in werkput 6 in de zuidelijke zijbeuk). Omdat wand 179 maar over een beperkte afstand zichtbaar is bestaat de kans dat ook hij, net als wand 120-124, van houten staanders was voorzien37. Naar alle waarschijnlijkheid zijn al deze wanden op funderingsbalken gebouwd38. Daarnaast zijn binnenshuis aangelegde vloerniveaus bewaard gebleven. Het gaat telkens om lemen vloeren, die doorgaans aan de oppervlakte zwart zijn uitgesleten en waarop soms een dunne laag grijze kalkmortel is gelegd. Een enkele maal kon een deel van een haard herkend worden. Het niveau waarop deze vloeren zijn aangelegd geeft enigszins een idee van de plaatselijke topografie van het onderzochte stadsdeel in de Flavische periode. Spoor 137/138 in werkput 4 in de noordelijke zijbeuk is de hoogstgelegen vloer van fase 2. Van daaruit dalen de vloerniveaus globaal van noord naar zuid en van west

37 Globaal kan men voor de oudheid een drietal types van houten en lemen wanden onderscheiden. Een eerste techniek bestaat uit de constructie van massieve lemen muren, in houten bekistingen opgebouwd, zgn. pisé (zie de Chazelles-Gazzal 1997, p. 85-112). Een tweede methode maakt gebruik van zongedroogde lemen tegels of bouwblokken, zgn. adobe (zie de Chazelles-Gazzal 1997, p. 46-83). Een derde techniek combineert kaders van houten staanders en balken, aanvullingen met vlechtwerk van takken en twijgen en opvulling met leem, zgn. clayonnage en torchis (zie de Chazelles-Gazzal 1997, p. 113-132). Alleen de laatstgenoemde werkwijze lijkt in Tongeren toegepast te zijn. Zie

51

naar oost, al kunnen er zich ook kleine stijgingen voordoen. Ten opzichte van spoor 137/138 ligt spoor 139, meer oostelijk in werkput 4 in de noordelijke zijbeuk gelegen, ca. 30 cm lager. Spoor 161 in werkput 2 in de middenbeuk ligt ca. 100 cm lager. In de westelijke sector ligt spoor 110 in werkput 8 ten oosten van het oksaal 70 cm lager. Meer zuidelijker in werkput 6 ligt spoor 127 ca. 20 cm lager en spoor 172 ca. 50 cm lager dan de referentievloer 137/138. In de westelijke sector ten slotte liggen in werkput 26 in het laagkoor spoor 176 ca. 70 cm en spoor 177/178 in een eerste fase ca. 50 cm en in een tweede fase ca. 70 cm lager. Met de fragmentaire staat waarin de Flavische houtbouw bewaard is gebleven, is het niet doenbaar te bepalen tot hoeveel verschillende gebouwen de diverse sporen behoord hebben. Vanwege hun onderlinge nabijheid kan verondersteld worden dat de vloeren 137/138, 139 en 161 in de werkputten 4 en 2, dat ook de vloeren 110 en 127 in de werkputten 8 en 6 en dat de vloeren 176 en 177/178 in werkput 26 telkens bij elkaar horen en tot drie verschillende gebouwen behoord hebben. Vloer 172 in werkput 6 zou dan van een vierde gebouw deel uitmaken. Het soms opvallende niveauverschil tussen op korte afstand van elkaar gelegen vloeren pleit dan weer tegen het tot één gebouw samenvoegen van deze sporen. Vaak kunnen dergelijke verschillen aan verzakkingen worden toegeschreven, maar de in de O.L.V.-basiliek aangetroffen Flavische vloerdelen liggen allemaal vrij waterpas. Ten slotte moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid van een beerput in werkput 2 in de middenbeuk (spoor 163) en van een houten kelder in werkput 25 in de kloostertuin (spoor 186). De aanwezigheid van een aantal kleine, langwerpige of cirkelvormige oventjes wijst op de ontplooiing van ambachtelijke activiteiten op het terrein. Hun aard kan evenwel niet meer achterhaald worden. In het westelijk gedeelte van werkput 6 in de zuidelijke zijbeuk zijn twee binnenshuis aangelegde oventjes gevonden (sporen 128 en 129). In het westelijk gedeelte van de middenbeuk (werkput 2) kwam een vijftal buitenshuis gebouwde oventjes aan het licht. Zoals gebruikelijk voor het bodemarchief van Romeins Tongeren liggen talloze kuilen over het terrein verspreid. Meestal waren ze maar voor een deel zichtbaar en doorgaans konden ze ook niet tot op hun oorspronkelijke diepte worden opgegraven. In de westelijke randzone zijn kleine kuilen aangetroffen in de werkputten 9 (sporen 89, 90 en 91) en 8 (sporen 96 en 106). Een kleine kuil kwam voorts aan het licht in werkput 4 in de

Lasfargues (1983) voor een uitgebreid overzicht van voorbeelden uit de westelijke Romeinse provincies. 38 Reeds voor de brand van 69/70 komt in Tongeren houtbouw voor die op houten ligbalken is gefundeerd. Men neemt aan dat deze architectuur Romeins-mediterraan geïnspireerd is. De balken kunnen hetzij op het loopvlak, hetzij in een greppel gelegd zijn. Soms wordt onder de balken een laag kiezel of een reeks stenen in droog verband gelegd. De laatstgenoemde technieken zijn in Tongeren nog niet bekend. Funderen op houten liggers lijkt hier verder de gehele Romeinse periode in gebruik te zijn gebleven, ook nadat steenbouw in de huisarchitectuur werd geïntroduceerd. Vroege voor-

beelden van omstreeks het midden van de 1ste eeuw zijn opgegraven op de sites van de Kielenstraat (Vanderhoeven et al. 1987, p. 132-133 en afb. 5; Vanderhoeven et al. 1991, p. 110-113 en afb. 9) en van de Hondsstraat (Vanderhoeven et al. 1992b, p. 6970 en afb. 6 en 7 en plan 1). Tot de latere voorbeelden kunnen de in de tweede helft van de 2de eeuw afgebrande stadswijken aan de Kielenstraat (Vanderhoeven et al. 1987, p. 134 en afb. 2, 5, 9 en 10; Vanderhoeven et al. 1991, p. 115 en afb. 9) en aan het Vrijthof (Bellens et al. 2002, p. 308 en fig. 10) gerekend worden.


52

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

noordelijke zijbeuk (spoor 133). In werkput 17 in dezelfde noordelijke zijbeuk is een drietal, naar alle waarschijnlijkheid middelgrote kuilen gelokaliseerd (sporen 146, 147 en 148). In de werkputten 2 en 16 in de middenbeuk ten slotte, situeert zich een drietal uitgravingen van groot formaat (sporen 167, 169 en 170). Het aantal grote kuilen is beperkt. De meeste kuilen zijn klein, ondiep en onregelmatig. Er mag aangenomen worden dat middelgrote en grote kuilen buitenshuis werden aangelegd. Van dergelijke grote en diepe kuilen wordt doorgaans aangenomen dat het om leemwinningskuilen gaat. Na extractie van de leem worden ze als dumpplaats voor nederzettingsafval gebruikt. Grote hoeveelheden nederzettingsafval zijn ook in de talrijke lagen aanwezig, die over het gehele opgravingsterrein zijn aangetroffen. Ze vormen een belangrijk onderdeel van het Flavisch sporenbestand. De dikte van een aantal schommelt rond de 10 cm39. Een aantal heeft diktes van ca. 20 tot ca. 30 cm40. Maar soms is in fase 2 het terrein op substantiële wijze opgehoogd. Dat kan over een langere periode gespreid plaatsvinden41, maar het lijkt ook af en toe een éénmalige gebeurtenis te zijn42. Zoals voor fase 1 kan ook voor fase 2 een onderscheid gemaakt worden tussen lagen die uit overwegend gele zandige leem met beperkte vervuiling bestaan43 en lagen die sterk met houtskoolassen vermengd zijn en grijs tot donkergrijs gekleurd zijn44. De eerste categorie zijn wellicht pogingen om met een laag leem tijdelijke loopvlakken te creeren in niet overbouwde zones van het terrein. De tweede categorie betreft plaatselijke deposities van nederzettingsafval. Overigens kunnen in beide categorieën zowel grote als kleine aantallen vondsten aangetroffen worden. Enkele malen geeft de laag de indruk uit verspitte brandlaag van 69/70 samengesteld te zijn45. Soms bevatten de lagen opvallend veel bouwpuin, wat indirect op verbouwingen in de nabije omgeving wijst46. Net zoals voor fase 1 is ook voor fase 2 een laag vastgesteld die uit de verkruimelde resten van een verspitte lemen vloer is samengesteld47. Zoals voor fase 1 kan ook voor fase 2 het aardewerk volgens de in 1.1 beschreven uitgangspunten in een aantal functionele categorieën ingedeeld worden (tabel 1.2). De grove indeling bestaat uit (1) tafelservies, (2) keukenservies en ander huishoudelijk aardewerk, (3) aardewerk voor transport en (4) overig aardewerk. Net als in fase 1 is ook in fase 2 keukenvaatwerk de belangrijkste groep (64%), gevolgd door tafelservies (17%) en transportaardewerk (19%). Het overige aardewerk is dermate gering in aantal dat het zelfs niet in percentage uitgedrukt kan worden. Op de hier toegepaste wijze ingedeeld treedt er nauwelijks verschil tussen fase 1 en fase 2 op48. Hoewel fase 2 zich in de tijd ruim een eeuw na de integratie van onze streken in het Romeinse Rijk situeert, is het consumptiepatroon van plantaardige voeding van het terrein van de O.L.V.-

39 Lagen 87, 88, 93, 94, 111, 135, 136 en 166. 40 Lagen 92, 113, 114, 150, 164, 175 en 180. 41 Zoals met de lagen 115-119, 140-142 en 143-145 gebeurd lijkt te zijn. 42 Zoals met de lagen 151, 150 en 168. 43 In aanmerking komen lagen 88, 93, 115, 142, 143, 151, 166, 168 en 175. 44 Grijs zijn de lagen 113, 117, 135 en 140, donkergrijs de lagen 87, 94, 114, 119, 130, 141, 144, 145, 150, 165 en 180.

Tabel 1.2 Tongeren: O.L.V.-basiliek: indeling van het aardewerk van fase 2 volgens functie. N

%

Tafelservies

1058

17

Keukenservies

3919

64

Transport

1154

19

Overig

4

+

Totaal

6135

100

basiliek nog erg inheems. Gerst en de tarwesoorten emmer en/ of spelt domineren het graansoortenspectrum. Haver is slechts een enkele maal aangetroffen. Peulvruchten komen in 35% van de monsters voor, ten opzichte van gerst (49% van de monsters) en de tarwesoorten (49% van de monsters). Dit is weliswaar minder dan de graansoorten, maar ten gevolge van de geringere kans op bewaring zijn ze wellicht ondervertegenwoordigd in de tellijsten49. Naast wilde fruitsoorten (hazelnoot, vlier en braam) verschijnt in fase 2 voor het eerst mediterrane import (druif). Ook selder is een symptoom van de romanisering van het consumptiegedrag, maar globaal genomen zijn tekenen van romanisatie in het plantaardige vondstmateriaal van fase 2 op de site van de O.L.V.-basiliek eerder gering in aantal50. Voor de dierlijke component zijn voor fase 2 meer aanwijzingen van romanisatie en hoge welstand aangetroffen. Het zijn vrijwel dezelfde als voor fase 1 kon opgesomd worden: consumptie van mariene schelpdieren (oester), maar nu ook van zoetwatervis (karperachtige), van wilde eend, houtsnip, rotsduif, haas, ree, edelhert en everzwijn, en andermaal een dominantie van varken binnen de groep van de drie klassieke huiszoogdieren (varken, rund en schaap/geit). Varken neemt daarin met 47,2% weer de eerste plaats in51. 1.4

Fase 3: de eerste vroeg-Romeinse steenbouwfase

1.4.1 Inleiding Fase 3 omvat alle sporen die aan de eerste grote steenbouwfase van de site kunnen worden toegeschreven (pl. III). Deze periode start na het opgeven van de Flavische houtbouw van fase 2 en eindigt met een grote stadsbrand die uit de tweede helft van de 2de eeuw dateert. Het begin van fase 3 moet een eerder geleidelijk proces geweest zijn, weliswaar binnen een relatief korte tijdspanne tot stand gekomen, maar niet over geheel het terrein op

45 Dat lijkt zo voor de lagen 87 en 150. 46 Met name opvallend in de sporen 144, 145 en 180. 47 Laag 136. 48 Vanderhoeven et al. 2017. 49 Dit wordt bevestigd door de plantaardige resten die in de brandstapelresten van de Tongerse crematiegraven worden aangetroffen. Daar maken graansoorten en peulvruchten gelijke kans op verkoling en bijgevolg bewaring en komen peul-

vruchten in grote aantallen in de grondmonsters voor (Cooremans 2008). 50 Cooremans 2017, p. 327-336. 51 Ervynck et al. 2017, p. 458-460.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

exact hetzelfde moment. Het einde is wel een plots gebeuren. Een brand moet het gehele gebouwenbestand dat op het terrein was opgericht in één keer in de as hebben gelegd. De site van de O.L.V.-basiliek ligt in de midden keizertijd vrij centraal in een insula die aan de noordzijde door de oost-west gerichte decumanus maximus van het stedelijk stratennet begrensd wordt (fig. 1.1). De oostelijke grens van het opgegraven areaal bevindt zich relatief dicht bij een noord-zuid georiënteerde cardo van het dambord. In deze fase 3, en de volgende fase 4, lijkt zich een oostwest verlopende perceelscheiding op het terrein af te tekenen. Deze scheidingslijn komt ongeveer overeen met de lengteas van de O.L.V.-basiliek. Er kan aangenomen worden dat de architectuurresten die ten noorden van die lijn gelegen zijn deel uitmaken van gebouwen die deels op de decumanus maximus ten noorden van de opgraving en deels op de cardo ten oosten van de opgraving gericht waren en dat de architectuurresten ten zuiden van de lijn van gebouwen deel uitmaakten die uitsluitend op de cardo ten oosten van de opgraving georiënteerd waren. In het oostelijk deel van de opgraving zijn in fase 3 zowel ten noorden als ten zuiden van de perceelscheiding sporen van gebouwen bewaard. In het centrale gedeelte zijn uit fase 3 ten noorden van de perceelscheidings- en terrasmuur slechts enkele en ten zuiden van de lijn geen sporen van constructies gevonden. Wellicht was deze zone van de opgraving een open terrein achter de gebouwen. De opgraving van de westelijke randzone leverde maar weinig aan fase 3 toe te schrijven sporen op. Daarin was bovendien weinig samenhang te herkennen. Het grootste gedeelte lijkt, net als de centrale zone, open terrein te zijn geweest. Het ligt voor de hand het overzicht van de sporen te starten in het oostelijk gedeelte van de site van de O.L.V.-basiliek, waar zich overwegend binnenshuis gelegen en aan de cardo grenzende woninggedeelten bevinden, en vervolgens in westelijke richting op te schuiven, waar zich buitenshuis en in de verst van de straat gelegen terreingedeelten bevinden. Per zone worden eerst de resten ten noorden van de perceelscheiding en daarna de overblijfselen ten zuiden ervan behandeld. De westelijke randzone wordt apart besproken. 1.4.2 De bewoningssporen in het noordoostelijk gedeelte van het opgravingsterrein Een werkplaats ten noorden van de perceelscheiding In werkput 27 in het hoogkoor tekent zich ten noorden van de perceelscheidingslijn de zuidwestelijke hoek van een steenbouw af. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het om een éénbeukige, zaalvormige, mogelijk losstaande ruimte die, blijkens de aangetroffen restanten van haar inrichting, lange tijd en intensief als werkplaats werd gebruikt (pl. III, fig. 1.42, 1.43 en 1.44: sporen 187 tot 232). Voorafgaand aan de constructie van deze ruimte werd het terrein kunstmatig opgehoogd met een pakket grijze zandige leem met houtskool- en verbrande leempartikels, wat kalk en dakpanfragmenten (spoor 187). Deze ongeveer 20 cm dikke laag bevat grote hoeveelheden vondsten, die evenwel voor de overgrote meerderheid uit de pre-Flavische en Flavische periode dateren. Ze bevat eveneens voldoende dierlijke resten om daarmee een consumptiepatroon te kunnen reconstrueren52. De

52 Ervynck et al. 2017, p. 461.

53

aanwezigheid van oester, van gejaagd en gedomesticeerd gevogelte en een dominantie van varken bij de traditionele huisdieren wijzen op een rijk consumptiegedrag. Het is echter niet goed mogelijk dit afval aan een bewoningsfase toe te schrijven. Ophogingslaag 187 is immers voor een belangrijk deel uit elders afgegraven 1ste-eeuwse stratigrafie opgebouwd. Ze wordt in elk geval door de funderingen van de werkplaats van fase 3 doorsneden en door de vloer ervan afgedekt. Van zowel de noord-zuid gerichte westelijke als de oost-west gerichte zuidelijke buitenmuur zijn delen bewaard gebleven (fig. 1.45: sporen 188-191). Beide tekenen zich voor een stuk als in situ bewaard metselwerk en voor een stuk als uitbraakspoor af. Van het in situ bewaarde gedeelte van de westelijke buitenmuur is zowel fundering als opgaand metselwerk te zien (spoor 188). Het zichtbare gedeelte van de fundering bestaat uit een viertal lagen onregelmatig gekapte vuursteenblokken die in los verband in een funderingssleuf zijn gestort. Het bewaard gebleven gedeelte van het opgaand muurwerk bestaat uit vier lagen silexblokken, die weliswaar een onregelmatige vorm hebben, maar die zodanig geplaatst zijn dat een min of meer egaal muurvlak gecreëerd is. Dit wordt nog door de grijze voegmortel geaccentueerd, die met enige zorg is afgestreken. Tussen fundering en opgaand muurwerk is een verstek te zien, dat het bouwniveau en loopvlak markeert. De funderingsbreedte bedraagt ca. 60 cm, het opgaand metselwerk is een 40 cm breed. De westelijke buitenmuur is echter grotendeels als uitbraakspoor bewaard gebleven (spoor 189). Zijn roodbruine vulling bestaat uit zandige leem, waarin vrij veel verbrande leem en houtskool zijn aangetroffen, samen met wat kalk en pleisterfragmenten. Wellicht is veel van deze bijmenging afkomstig van de brandlaag van de tweede helft van de 2de eeuw, die de werkplaats heeft afgedekt. Er mag dan ook aangenomen worden dat de uitbraak van de fundering kort na deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden. De jongste vondsten dateren ook van omstreeks het midden van de 2de eeuw. De westelijke buitenmuur is hetzij als muur, hetzij als uitbraakspoor over een afstand van ca. 3,50 m te volgen. De zuidelijke buitenmuur kan over een veel grotere afstand, ca. 6,50 m, geobserveerd worden (spoor 190). Het in situ bewaarde gedeelte vertoont dezelfde opbouw als de westelijke muur: (1) een ca. 60 cm brede fundering van in droog verband in de funderingssleuf gegooide onregelmatige silexblokken, (2) een ca. 40 cm brede muur van onregelmatige silexblokken en grijze voegmortel, zodanig geplaatst dat een min of meer egaal muurvlak tot stand is gekomen, en (3) een zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde ca. 10 cm breed verstek ter hoogte van het toenmalige loopvlak. In het uiterste westen is over een afstand van ca. 1,20 m het originele metselwerk af- en uitgebroken tijdens verbouwingswerken die uit fase 4 dateren (spoor 191). Anders dan in spoor 189 bevat het uitbraakspoor dan ook geen bijmenging van de brandlaag van de tweede helft van de 2de eeuw, maar bestaat het uit gele en donkergrijze zandige leem met houtskool, wat roze mortel en dakpanfragmenten. De bewaard gebleven delen van de muur zijn overal tot op hetzelfde niveau afgebroken. Hoewel dit niveau aan de oppervlakte onregelmatig is en nergens nog een spoor van gladgestreken mortel te zien is, mag toch aangenomen worden dat het zich dicht bij de transitie bevindt van


54

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

197 198 221 199 189 200

215 229

204

228

205 214 206 207 227 203

196

212 213

187 192

216

208

226

201

222

223-224

202

188

220

190

191

209

217 225 189

210 193 194 195

219 232

230 211

231 218

188

190

191

0

1m

Fig. 1.42 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: sporen van fase 3 in het noordelijke gedeelte van de werkput.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

A

B

C

D

E

F

Fig. 1.43 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: oostelijke putwandprofielen van noord (A) naar zuid (F).

55


56

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

A

B

C

932

932

832

D 932

832

921

832 470

470

467

467

194 195

194 193

0

195

190

495

932

273

832

832 498B

498A 497

284 283

F

498B

195 467

E

281 279

498A 497 281 277 279

498B 498A 497 281 279

194

1m

Fig. 1.44 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: samenvatting van de oostelijke putwandprofielen.

Fig. 1.45 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: gezicht op de werkplaats van fase 3 vanuit het oosten.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

de nog teruggevonden stenen sokkelmuur naar de niet bewaarde houten en lemen bovenbouw. Dat de muren van de werkplaats in leem waren uitgevoerd blijkt uit de grote hoeveelheden verbrande leemwandfragmenten die de resten van het atelier afdekken. Onmiddellijk ten zuiden van muur 190 is een groot fragment van het ijzeren traliewerk van een venster gevonden (fig. 1.46).53. Dit venster moet deel hebben uitgemaakt van muur 190, en niet van de onmiddellijk ten zuiden van de vindplaats gelegen, verderop nog te bespreken muur 273, die een omheiningsmuur van een open binnenplaats was en waarin bijgevolg een venster geen zin had. Binnen de ommuring en op de ophogingslaag 187 bevindt zich een complexe en fijn gelaagde stratigrafie, bestaande uit lemen vloertjes met plaatselijke ophogingslaagjes en vloerherstellingen. Het is vrijwel onmogelijk elk vloerfragment, elke ophoging en elke vloerherstelling afzonderlijk te onderscheiden. Globaal kan een onderscheid gemaakt worden tussen een stratigrafisch

57

ouder vloerniveau (spoor 192), een pakket plaatselijke ophogingen (spoor 193) en een tweede vloerniveau (spoor 194). Dit laatste vertoont brandsporen, lokaal aan het oppervlak, en wordt afgedekt door de brandlaag van de tweede helft van de 2de eeuw, die fase 3 afsluit (spoor 195). Het oudste vloerniveau (spoor 192) tekent zich overwegend als een laag gele leem af, al komen plaatselijk zwart uitgesleten en rood uitgegloeide vlekken voor. In de vloer is houtskool en verbrande leem vermengd en komen kalk-, witte mortel- en dakpanfragmenten voor. Een enkele maal is een laagje groen gekleurd zand gevonden. Een klein ensemble aan vondsten bevat, naast ouder opgespit, ook wat eigentijds materiaal. Op vloerniveau 192 bevinden zich plaatselijk ophogingslaagjes, noodgedwongen aangebracht vanwege talrijke kleine verzakkingen in het oorspronkelijke loopvlak (spoor 193). Deze ophogingen kunnen tot ca. 20 cm dik zijn en bestaan overwegend uit grijze zandige leem, waarin naast de gebruikelijke houtskool- en verbrande leemfragmentjes ook kleine aantallen kalk- en dakpanfragmenten zijn gevonden. Spoor 193 bevat

Fig. 1.46 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: ijzeren traliewerk van een venster.

53 Het traliewerk is van het type II, Groep B volgens Kienzle (2012). Dit type traliewerk komt in de noordwestelijke provincies van het Romeinse Rijk voor vanaf het einde van de 1ste eeuw tot het einde van de 3de eeuw.


58

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

verder een aanzienlijke hoeveelheid nederzettingsafval. Een deel van de vondsten kan in de eerste helft van de 2de eeuw gedateerd worden, maar een groot aantal is ouder en bijgevolg residueel. Een enkel regionaal amphora-fragment van het type Vanvinckenroye 447-448 moet wellicht als intrusief beschouwd worden. Tot het afval hoort ook een belangrijk ensemble dierlijke resten dat een rijk consumptiepatroon verraadt: oester, een diversiteit aan jachtwild en een dominantie van varkensbot54. Er mag aangenomen worden dat deze plaatselijke ophogingen vrij snel door de nieuwe lemen vloer 194 zijn afgedekt en dat beide tot eenzelfde verbouwingsfase van het interieur kunnen gerekend worden. Het jongste vloerniveau (spoor 194) is een laag gele leem, die op verschillende plekken rood en zwart geblakerd is. Op het loopvlak rust vrij veel witte kalk. Het vondstmateriaal toont een samenstelling die kenmerkend is voor de eerste helft van de 2de eeuw. Spoor 195 is de brandlaag van de tweede helft van de 2de eeuw. De daarin aangetroffen grote hoeveelheden houtskool en verbrande leem zijn allicht van de afgebrande en vervolgens afgebroken houten en lemen bovenbouw van het atelier afkomstig. Mogelijk zijn de daarin aangetroffen vondsten met de bewoners of de gebruikers van het gebouw te associëren. De brandlaag lijkt in elk geval vrij homogeen en onverstoord te zijn.

van ongeveer 3 m (fig. 1.42 en 1.47: spoor 196), toont een zestal indrukken. De sporen 197 en 198 zijn min of meer vierkant, elk ca. 10 x 10 cm. De sporen 199, 200, 201 en 202 zijn langwerpig, met een breedte van ca. 5 cm en lengtes die variëren van 20 tot 40 cm. Tijdens de opgraving en de uitwerking is aan spoor 196 een aantal vondsten toegeschreven, maar waarschijnlijk gaat het om materiaal uit de onmiddellijk eronder of erop gelegen sporen. Ten oosten van spoor 196 strekt zich over een zichtbare afstand van ongeveer 1,70 m een tweede bankje uit (fig. 1.42 en 1.47: spoor 203), waarin een viertal indrukken zichtbaar is. Spoor 204 is een gedrongen rechthoek van ca. 10 x 15 cm, spoor 205 is langwerpig, ca. 5 x 25 cm, spoor 206 weer een gedrongen rechthoek van ca. 10 x 15 cm en spoor 207 is onregelmatig, ca. 25 x 30 cm. Ook aan dit spoor is een klein aantal scherven toegeschreven, wellicht van oudere of jongere structuren afkomstig. Ten oosten van spoor 203 is een derde bankje zichtbaar over een afstand van ongeveer 1,20 m (fig. 1.42 en 1.47: spoor 208). Er zijn geen indrukken in te zien. Deze lemen bankjes vertonen gelijkenis met de hierna te bespreken lemen bankjes op het tweede loopvlak, waarop met zorg een laag dakpanfragmenten was gelegd. De indrukken in de lemen bankjes van de oudere fase zouden dan ook wel eens van weggenomen dakpanfragmenten kunnen zijn.

De werkplaats vertoont een aantal sporen waarvan de betekenis niet met zekerheid bepaald kan worden, maar die een belangrijke rol lijken gespeeld te hebben bij de functionele indeling van de werkplaats. Geassocieerd met het oudste loopvlak 192 zijn in het westelijk gedeelte van de ruimte de resten van een drietal, noordzuid georiënteerde lemen bankjes te herkennen. Ze zijn 5 à 10 cm hoog en ca. 30 cm breed. In de lemen bankjes tekenen zich rechtlijnig afgebakende indrukken af. De bankjes bestaan uit vrijwel zuivere gele leem, de indrukken zijn gevuld met bruingrijze zandige leem met daarin verkruimelde houtskool, verbrande leem en kalk. Het meest westelijke bankje, zichtbaar over een afstand

In hetzelfde westelijk gedeelte van de werkplaats is, geassocieerd met het jongste loopvlak 194, eveneens een tweetal, 5 à 10 cm hoog bewaarde gele lemen bankjes zichtbaar. Maar ditmaal zijn de bankjes met enkelvoudige lagen dakpanfragmenten afgedekt (pl. III, fig. 1.42, 1.45 en 1.48: sporen 209 en 210). Spoor 209 is een noord-zuid georiënteerd langwerpig bankje, ca. 40 cm breed en zichtbaar over een afstand van ca. 1,60 m. Het is niet duidelijk of de vondsten uit dit spoor van de dakpannen afdekking deel uitmaakten, dan wel uit erop of eronder liggende sporen komen. Spoor 210 is een in de zuidwestelijke hoek van de ruimte gebouwd, 25 à 40 cm breed bankje dat de vorm van een hoefijzer

Fig. 1.47 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: gezicht op de werkplaats van fase 3 vanuit het noorden.

54 Ervynck et al. 2017, p. 461.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

59

Fig. 1.48 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: sporen 209 en 210 vanuit het westen.

beschrijft. Het strekt zich uit over een areaal van ca. 2,20 m in de lengte x ca. 1,20 m ter hoogte van de kleinste en ca. 1,40 m ter hoogte van de grootste breedte. Ook deze bank is door een laag van met zorg waterpas gelegde tegula-fragmenten afgedekt. Tot slot bevindt zich in de zuidwestelijke hoek van de ruimte nog een langwerpig, oost-west gericht spoor, op het eerste gezicht een uitbraakspoor, maar dan wel ongewoon ondiep voor een wand, daar het het onmiddellijk onderliggende hoefijzervormig lemen bankje 210 ongestoord heeft gelaten (pl. III en fig. 1.42: spoor 211). Misschien gaat het hier om nog een al dan niet met pannen afgedekt lemen wandje, dat in geheel ontmantelde staat verkeert. De breedte bedraagt ca. 25 cm, de lengte ca. 1,70 m, de diepte een tiental cm. De vulling bestaat uit roodbruine zandige leem, met veel houtskool en verbrande leem en wat kalk vermengd. Het dateert uit het allerlaatste stadium van de geschiedenis van de werkplaats. Verspreid over de binnenruimte van het atelier is een hele reeks oventjes aan het licht gekomen. Een cluster van drie, stratigrafisch elkaar overlappende oventjes kan met het oudste vloerniveau 192 in verband gebracht worden, maar doorsnijdt toch het meest oostelijk gelegen lemen bankje 208. Hij hoort bijgevolg nog wel bij de eerste gebruiksfase van de werkplaats, maar stamt uit een iets jonger moment in die fase. Ten gevolge van een ver-

storing van jongere datum ten noorden van de cluster zijn de plattegronden slechts gedeeltelijk bewaard. Het oudste oventje (fig. 1.42, 1.47 en 1.49: spoor 212) is langwerpig van vorm, ca. 35 cm breed en minstens 90 cm lang. Van het middelste (fig. 1.42, 1.47 en 1.50: spoor 213) is bij de ontmanteling de structuur geheel uit haar verband gerukt. De vorm kan dan ook niet meer bepaald worden, maar resten strekken zich uit over een oppervlakte van ca. 50 x 90 cm. Het jongste oventje (fig. 1.42, 1.47 en 1.50: spoor 214) is weer langwerpig van vorm, ca. 40 cm breed en minstens 60 cm lang. Van deze stookinstallaties zijn alleen de roodbruin uitgegloeide aanzetten van de lemen koepels bewaard. Plaatselijk liggen op de bodems pakketten houtskool. Een enkele maal is ook een vondst aangetroffen. Nog twee andere oventjes kunnen tot het oudste vloerniveau 192 gerekend worden (fig. 1.42: sporen 215 en 216). Spoor 215 bevindt zich in de noordwestelijke hoek van de werkplaats. De gedeeltelijk bewaarde, in situ rood verbrande lemen bodem strekt zich over een ovale oppervlakte van ongeveer 80 x 100 cm uit. Op de bodem is een voor een oven ongewoon groot aantal vondsten geborgen. Deze stookplaats bedekt het lemen bankje 196. Spoor 216, meer centraal gelegen, is een oventje van het langwerpige type, ca. 40 x 110 cm, waarvan de zwart geblakerde bodem en een daarop rustend pakket houtskool bewaard zijn gebleven. Het dekt het lemen bankje 208 af en wordt zelf grotendeels door de resten van een jongere haard


60

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

groot aantal vondsten aangetroffen. Van het jongste vloerniveau 194 maakt verder nog een haard deel uit (pl. III, fig. 1.42, 1.45 en 1.51: spoor 219). Daarvan is alleen maar een deel van de onderste laag van zorgvuldig en waterpas neergelegde tegula-fragmenten bewaard gebleven, waartussen enkele vondsten verzeild zijn geraakt. De oorspronkelijke rechthoekige constructie meet bij benadering 90 x 120 cm. Plaatselijk is de leem tussen de dakpanfragmenten rood verbrand en zijn stukken tegula zwart geblakerd. Deze haard overdekt oven 216. In de werkplaats is ook een viertal kuilen uitgegraven. De vroegste tekent zich op het oudste vloerniveau 192 af en bevindt zich in de oostelijke zone van de werkplaats (fig. 1.42: spoor 220). Het is een langwerpig kuiltje van ca. 25 x 45 cm met bruingrijze zandig leem, waarin fijn gefragmenteerd houtskool en verbrande leem vermengd zijn. Het spoor kon niet verder opgegraven worden omdat de maximaal toegelaten opgravingsdiepte bereikt was toen het in het vlak zichtbaar werd. Fig. 1.49 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: spoor 212 vanuit het westen.

Van iets jongere datum zijn drie middelgrote kuilen, in de westelijke zone van de werkplaats uitgegraven (fig. 1.42: sporen 221, 222 en 223). Ze dateren van na de lemen bankjes op het oudste vloerniveau 192 en van vóór de aanleg van de langgerekte en hoefijzervormige, door dakpanfragmenten afgedekte lemen bankjes op het jongste vloerniveau 194. Wellicht zijn ze in de verbouwingsfase aangelegd en vervolgens weer dichtgegooid. De sporen 221 en 222 zijn slechts 10 à 20 cm diep. Er is dan ook alleen maar informatie uit het vlak. Van het diepere spoor 223 kon wel een profiel gereconstrueerd worden. Spoor 221 is een tegen de westelijke buitenmuur uitgegraven kuil met onregelmatige plattegrond, ongeveer 1,20 m breed en minstens 1,90 m lang. Ze is met minstens drie verschillende opvullingen dichtgegooid. Van onder naar boven gaat het om: · laag A: een laag donkergrijze, houtskoolrijke zandige leem, waarin wat kalkfragmenten herkenbaar zijn; · laag B: een laag gele zandige leem, waarin veel brokstukken rood verbrande leem, wat houtskool en kalk aanwezig zijn; · laag C: een laag grijze zandige leem met kleine fragmenten houtskool en verbrande leem en fragmenten roze mortel.

Fig. 1.50 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: sporen 213 en 214 vanuit het noorden.

afgedekt (spoor 219). Nog twee oventjes kunnen met het jongste vloerniveau 194 geassocieerd worden (pl. III, fig. 1.42 en 1.45: sporen 217 en 218). Spoor 217 situeert zich in de noordwestelijke hoek van de werkplaats en dekt daar oven 215 gedeeltelijk af. Het lijkt het met dakpannen bedekte lemen bankje 209 te respecteren. Resten van de rood uitgegloeide lemen bodem spreiden zich over een ovalen areaal van ca. 80 x 120 cm uit. Spoor 218 ligt meer centraal tegen de zuidelijke buitenmuur. Het is de roodbruin in situ verbrande lemen basis van een ca. 70 x 100 cm grote oven, waarin plaatselijk nog een concentratie houtskool bewaard was. Ook op deze bodem is een voor een oven opvallend

55

Ervynck et al. 2017, p. 461.

Waar de lagen A en B nog een relatief beperkt aantal vondsten bevatten, blijkt laag C een bijzonder grote hoeveelheid nederzettingsafval te bevatten. De dierlijke resten uit kuil 221 tonen andermaal een rijk consumptiepatroon: oester, diverse soorten jachtwild en een dominantie van varkensbot, vergelijkbaar met de samenstelling van de dierlijke resten in de twee andere grote ensembles uit de werkplaats: de sporen 187 en 19355. Op het eerste gezicht lijkt dit merkwaardig voor een atelier. Er moet echter rekening gehouden worden met een belangrijke bijmenging uit oudere lagen en/of van elders aangevoerd materiaal, in het bijzonder voor de ophogingslagen 187 en 193. Bovendien maakt de werkplaats ongetwijfeld van een rijke domus deel uit en kan het afval ook van de rijke eigenaars afkomstig zijn.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

61

Fig. 1.51 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: spoor 219 vanuit het oosten.

Spoor 222 is een in de zuidwestelijke hoek van het atelier aangelegde ovaalronde kuil met een gemiddelde diameter van 1,40 m. De vulling bestaat uit donkergrijze zandige leem met houtskoolen verbrande leemfragmenten. Spoor 223 is een langwerpige, oost-west gerichte kuil van ca. 1 x 2,30 m en een tachtigtal cm diep, die tegen de zuidelijke buitenmuur van de werkplaats is aangelegd (fig. 1.52 en 1.53). De wanden zijn schuin en de bodem is vlak. Van onder naar boven kunnen volgende opvullingen onderscheiden worden: · laag A ligt op de bodem en bestaat uit geelgrijze zandige leem, waarin veel grijze mortelfragmenten zijn opgenomen. Ze is slechts een tiental cm dik; · laag B is een egaal donkergrijze laag zandige leem met veel houtskoolfragmentjes, wat verbrande leem- en kalkstukjes. Ze is eveneens slechts een tiental cm dik; · laag C is een bruingrijze laag zandige leem, ca. 10 cm dik, waarin brokstukken gele leem zijn opgenomen en die verder wat houtskool, witte mortel en een enkel dakpan- of natuursteenfragment bevat; · laag D, ruim 10 cm dik, bestaat uit grijze zandige leem, waarin kleine fragmenten houtskool, verbrande leem en kalk te herkennen zijn. Een opvallende en op deze plek onverwachte vondst is het fragment van een reliëf met nissen in Norroy kalksteen (zie 2, nr. A.1); · laag E is een laag nagenoeg zuivere gele leem met een dikte van ca. 5 cm; · laag F is een enkele cm dikke laag, in situ verbrande leem, wellicht de door brand roodbruin uitgegloeide top van laag E. Op en in laag F bevindt zich spoor 224, waarin een drietal lagen te herkennen is: laag 224/A is een 5 à 10 cm dikke band zwarte en houtskoolrijke zandige leem, laag 224/B een ca. 5 cm dikke horizont rood verbrande leem en laag 224/C een andermaal ca. 5 cm dikke band rood verbrande leem; · laag G is een pakket dakpanfragmenten en verbrande leem met een dikte van ongeveer 10 cm;

· laag H bestaat uit bruingrijze zandig leem, waarin grote brokstukken verbrande leem zijn opgenomen. Naar alle waarschijnlijkheid zijn de lagen A tot D de originele opvulling van kuil 223. In de lagen C en D is behoorlijk wat nederzettingsafval terechtgekomen. Lagen E en F kunnen als het nagezakt jongste vloerniveau van de werkplaats geïnterpreteerd worden (spoor 194), waarop wat afval terecht is gekomen. Spoor 224 is te beschouwen als de resten van een ontmantelde oven of haard, op dit vloerniveau aangelegd, waarin blijkbaar nogal wat nederzettingsafval gedumpt is. Laag G is dan de nagezakte, relatief vondstenarme brandlaag van de tweede helft van de 2de eeuw en laag H de opvulling van de depressie die na die brand nog op het terrein moet zichtbaar geweest zijn en waarin een klein vondstensemble is aangetroffen. De jongste kuil bevindt zich in de oostelijke zone en kan met het jongste vloerniveau 194 van de werkplaats geassocieerd worden (fig. 1.42, 1.54 en 1.55: spoor 225). Ze is langwerpig en meet ca. 70 x 150 cm. De diepte bedraagt een veertigtal cm. Het profiel is min of meer komvormig, met vrij vlakke bodem. Het toont een achttal lagen. Van onder naar boven zijn te onderscheiden: · laag A: een 10 à 15 cm dik pakket brokstukken rood verbrande leem, waartussen kleine aantallen gele leembrokken, mogelijk de resten van een ontmantelde haard of oven; · laag B: een plaatselijk aanwezige, tot 10 cm dikke laag gele leem; · laag C: een eerste, enkele cm dikke zwarte en houtskoolrijke laag zandige leem; · laag D: gele en grijze zandige leem, een vijftal cm dik, met houtskool- en verbrande leemfragmenten; · laag E: ca. 10 cm grijze zandige leem met houtskool- en verbrande leemfragmenten. Dit is de enige laag die wat vondsten heeft opgeleverd, waarschijnlijk alleen maar opspit; · laag F: een ca. 5 cm dikke laag gele leem;


62

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.52 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: spoor 223 vanuit het noorden.

Fig. 1.53 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: spoor 223, profieltekening.

H G

C B A 224

F

E D C B A

1m

0

Fig. 1.54 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: spoor 225 vanuit het noordwesten.

bladspiegel op 11 breed schaal 1/20

Fig. 1.55 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: spoor 225, profieltekening.

H

F

G

E D

C

A 0

1m

B


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

· laag G: een tweede, enkele cm dikke zwarte en houtskoolrijke laag zandige leem; · laag H: 5 à 10 cm geelgrijs gevlekte zandige leem met houtskool- en verbrande leemfragmentjes. Tot slot is binnen de ruimte van dit atelier nog een aantal paalsporen zichtbaar. Het betreft ingeheide palen, die ongetwijfeld verband houden met één of andere ambachtelijke activiteit. Vier paalsporen zijn alleen op het oudste loopvlak 192 zichtbaar en dateren bijgevolg uit de eerste gebruiksfase van het gebouw (fig. 1.42: sporen 226-229). In alle gevallen gaat het om paalsporen, d.w.z. ingeheide palen die nadien hetzij weer uitgetrokken werden, hetzij in situ zijn weggerot. Nergens is een aanwijzing aan het licht gekomen dat ze ingegraven zijn geweest. Ze tekenen zich als bruingrijze verkleuring of als een holte in de ondergrond af. Spoor 226 is ovaal met een maximale diameter van ca. 15 cm, spoor 227 is cirkelvormig met een diameter van ca. 10 cm, spoor 228 is vierkant en meet 10 x 10 cm en spoor 229 is onregelmatig en meet ca. 10 x 15 cm. Spoor 227 heeft een vondstensemble opgeleverd, dat veel te groot is om van dit paalspoor afkomstig te kunnen zijn. Wellicht gaat het om materiaal uit de onderliggende lagen dat per vergissing aan het spoor werd toegeschreven. Drie palen zijn ook op het jongste loopvlak 194 te zien en dateren daarom uit de tweede gebruiksfase van het gebouw (fig. 1.42: sporen 230-232). Ook deze paalsporen missen een paalkuil en vertonen zich als bruingrijze verkleuring of holte. Spoor 230 heeft de vorm van een rechthoek van ca. 10 x 15 cm, spoor 231 is een cirkel met een kleine 10 cm doormeter en spoor 232 is een vierkant van ca. 10 x 10 cm. Voor zover de sporen nog een betrouwbare weergave van de oorspronkelijke vorm zijn, gaat het blijkbaar om zowel ronde als vierkante palen, en mogelijk ook rechthoekige balken. Uit bovenstaande beschrijving blijkt dat in fase 3 de noordelijke zijde van het hoogkoor (werkput 27) door een werkplaats was ingenomen. Vermoedelijk gaat het om een vrijstaand, rechthoekig vertrek, waarin verder geen onderverdelingen zijn aangebracht56. Binnen het gebouw zijn twee loopvlakken te herkennen. De binneninrichting blijkt in beide fasen in grote lijnen dezelfde te zijn. Tijdens de tussenliggende verbouwing is een aantal kuilen uitgegraven. Over de gehele binnenruimte verspreid komen oventjes en een haardplaats voor. In de westelijke zone van het vertrek bevinden zich telkens lemen bankjes, langwerpig in de eerste fase, langwerpig en hoefijzervormig in de tweede. Deze ca. 10 cm hoge bankjes waren met dakpanfragmen-

56 In de loop der jaren is in Tongeren een aantal rechthoekige vertrekken opgegraven, die als werkplaats ingericht lijken te zijn. Ze hebben geen duidelijke binnenindeling. Soms zijn ze in een domus geïntegreerd. Een dergelijke ruimte is in de tweede Vermeulenstraatsite aangetroffen (een plattegrond staat afgebeeld in Vanderhoeven (2012, fig. 2) en Borgers & Vanderhoeven (2013, fig. 2)). Soms gaat het om losstaande gebouwen, zoals in de eerste en derde Vermeulenstraatsite zichtbaar was (zie de plattegronden in Vanderhoeven (2012, fig. 2) en Borgers & Vanderhoeven (2013, fig. 2)). Daarnaast lijken veel ambachtelijke werkzaamheden buitens-

63

ten afgedekt, als indruk nog zichtbaar in de eerste, in situ bewaard in de tweede fase. Over de ruimte verspreid is verder nog een aantal sporen van ingeheide palen aangetroffen. De aard van de ambachtelijke activiteiten die in het gebouw hebben plaatsgevonden is niet bekend. Het vondstmateriaal bevat geen productieafval. Doorgaans vindt in een dergelijk atelier een veelheid van producties plaats57. De oventjes suggereren dat het om vuur-gerelateerde activiteiten moet gaan. De bankjes kunnen daarom misschien als liggers voor af te koelen producten beschouwd worden. Tot slot moet er hier nog op gewezen worden dat slechts de zuidwestelijke hoek van het bouwwerk in kaart is gebracht. Het is dan ook niet mogelijk om zich een beeld te vormen van de oorspronkelijke grootte van de werkplaats. Dat in de context van een rijke domus in het centrum van de stad sporen van artisanale producties of werkplaatsen aan het licht komen hoeft niet te verbazen. Producties van aardewerk en dakpannen lijken vaak in perifere zones van de stad voor te komen, maar andere activiteiten worden regelmatig in alle stadswijken aangetroffen58. Op de eerste plaats zijn ze natuurlijk met de zgn. Streifenhäuser geassocieerd, zoals ook van de vici bekend, maar ze zijn duidelijk ook in de context van rijke stadwoningen ingebed59. De zuidwestelijke hoek en kelder van een domus ten noorden van de perceelscheiding In werkput 26 in het laagkoor is ten noorden van de perceelscheidingslijn de eerste steenbouw op een ruim 50 cm dik ophogingsof egaliseringspakket van gele leem gebouwd. Van dit pakket zijn substantiële resten bewaard gebleven (pl. III, fig. 1.56 en 1.57: spoor 233). In het ophogingspakket is op één plaats nog een laag kalk en witte mortel te zien (fig. 1.56 en 1.57: spoor 234). Mogelijk is dit bouwafval van de eerste steenbouwfase in dit deel van de site van de O.L.V.-basiliek. In deze ophogingslaag van overwegend zuivere gele leem is toch een hoeveelheid vondsten terechtgekomen. Daartussen bevindt zich evenwel geen eigentijds, voor de eerste helft van de 2de eeuw karakteristiek materiaal. Het grootste deel van het bodemarchief van werkput 26 is tot op grote diepte door een reusachtige 19de-eeuwse uitgraving vernield. Voor fase 3 betekent dit dat in het laagkoor ten noorden van de Romeinse perceelscheidingslijn slechts twee clusters van zwaar gehavende architectuurresten bewaard zijn, waarvan de onderlinge band bovendien verloren is gegaan. Er mag aangenomen worden dat het om onderdelen van eenzelfde domus gaat.

huis te hebben plaatsgevonden, al dan niet onder een afdak. Voorbeelden zijn gekend van de sites van de Hondsstraat en van de Elisabethwal (Vanderhoeven & Ervynck 2007, fig. 16.1 en 16.7). Ook de pottenbakkerssite aan de Beukenbergweg was in openlucht aangelegd (Veldman et al. 2014). 57 Dergelijke activiteiten kunnen gelijktijdig plaatsvinden, maar elkaar ook in de loop van een jaar opvolgen omdat ze seizoensgebonden zijn. Ook kunnen diverse artisanale producties in eenzelfde werkplaats geïntegreerd plaatsvinden omdat eenzelfde grondstof voor de aanmaak van verschillende soorten producten diende of omdat

eenzelfde persoon diverse vaardigheden had ontwikkeld (Straumann 2011; Deschler-Erb & Deschler-Erb 2012). 58 Polfer 1999 en Duvauchelle 2012, p. 187-193. Zelfs aardewerkateliers zijn niet noodzakelijk alleen maar in perifere stadskwartieren gevestigd (Höpken 2001). Hoewel men vindt dat nog te weinig informatie beschikbaar is, lijkt het er toch op dat ook in Xanten ambachtelijke werkzaamheden over de gehele colonia gespreid voorkwamen (Reuter 2008, p. 485-488). Zie verder Béal & Goyon 2002, MacMahon 2005, Béal 2010 en Straumann 2011. 59 Petit 2007.


64

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

244

233 236 235

245 233 237 234

243

236

240

245 239 241

245

242

238

298

299

0

2m

299bis Fig. 1.56 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor en aansluitend gedeelte van werkput 16 in de noordelijke middenbeuk: sporen van fase 3 in het noordelijke gedeelte van de werkputten.

Fig. 1.57 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 233 en 234 vanuit het oosten.

Een eerste, oostelijke cluster bestaat uit een geïsoleerd fragment van een stenen noord-zuid verlopend kanaal (pl. III, fig. 1.56 en 1.58: spoor 235), waar een betonvloer overheen is aangelegd (pl. III, fig. 1.56 en 1.59: spoor 236). Het kanaal moet oorspronkelijk ongeveer 60 cm diep zijn geweest en heeft een breedte van ca. 40 cm. De wanden zijn met ruwe silexblokken en grijze kalkmortel gebouwd. Bovenaan, ter hoogte van de overgang naar de betonvloer, is een enkel tegula-fragment aanwezig. Het westelijk muurtje is 30 à 40 cm dik, het oostelijk 40 à 50 cm. De binnenwanden zijn met een dunne laag roze kalkmortel bepleisterd. Op de bodem ligt een ca. 10 cm dikke laag vloerbeton. In de vulling bevinden zich grote hoeveelheden verbrokkelde vloerbeton, afgewisseld met bruingrijze zandige leem en brandafval. Bij de ontmanteling van de steenbouw van fase 3 is de betonvloer van de stadswoning boven het kanaal blijkbaar plaatselijk doorbroken geweest. In het noordprofiel van werkput 26 is hij boven het kanaal nog in situ bewaard. Hoewel op de wanden en bodem van kanaal 235 geen sporen van intense hitte of brandsporen

Fig. 1.58 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: spoor 235 vanuit het zuiden.

zichtbaar zijn, moet dit kanaal toch op één of andere manier van het verwarmingssysteem van de domus deel hebben uitgemaakt. Waarschijnlijk stond het in verbinding met een ten noorden van de opgraving gelegen hypocaustum en, van daaruit, uiteindelijk met een praefurnium. Mogelijk stond het verder zuidwaarts in verbinding met de hierna nog te bespreken nis 239. Vloer 236 is ca. 10 cm dik en bestaat uit roze, met kalkbrokken en dakpangruis vermengde beton. Hij is over een areaal van ca. 0,90 x 3,00 m bewaard. Nergens is de grens van het vertrek waartoe deze vloer behoorde aangetroffen. De noordelijke en oostelijke wanden bevinden zich buiten het opgravingsterrein, de zuidelijke en westelijke zijn door de grote 19de-eeuwse uitgraving vernield. Het kanaal en de vloer rusten onmiddellijk op de


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

65

Fig. 1.59 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 235 en 236 vanuit het zuiden.

ophogingslaag 233 van gele leem waarmee fase 3 begint. Op grond daarvan kunnen deze sporen tot de eerste steenbouwfase, fase 3, gerekend worden. Op de vloer ligt echter een brandlaag die op grond van de jongste vondsten aan de brand van fase 4 moet toegeschreven worden. Dit impliceert dat het vertrek waartoe deze vloer van de eerste steenbouwfase behoorde nog in de tweede steenbouwfase functioneerde, of in elk geval dat het op het moment van de brand die fase 4 afsloot nog als een braak liggend puinveld aan de oppervlakte zichtbaar was. Een tweede, westelijke cluster bestaat uit een noord-zuid gerichte muur (spoor 237), een oost-west gerichte muur (spoor 238), een parallel daarmee verlopend muurtje (spoor 239) en een vloer (spoor 240). Verder westelijk, in werkput 16 in de middenbeuk, sluit daarop een kelder aan die verder nog besproken zal worden. Het geheel lijkt de uiterste zuidwestelijke hoek van een domus te zijn. De noord-zuid georiënteerde muur 237 (pl. III, fig. 1.56, 1.60 en 1.61) kan over een afstand van ca. 3 m gevolgd worden en is ca. 60 cm breed. Daar hij niet boven het antieke vloerniveau uit komt, kan er geen voorstelling gemaakt worden van de wijze waarop hij aan de oostzijde bovengronds was afgewerkt. Het staat zelfs niet vast of het wel om een bovengrondse muur gaat. Alleen het ondergrondse gedeelte is zichtbaar. Aan de westzijde is deze muur immers een ondergrondse keldermuur. Hij is in verband gemetseld met de oost-west georiënteerde muur 238 die eveneens over een afstand van ca. 3 m bewaard en ca. 60 cm breed is. Beide muren staan niet volledig haaks op elkaar, maar vormen een licht stompe hoek. Van de noordelijke zijde van muur 238 (pl. III, fig. 1.56, 1.60 en 1.61) is nergens een parement bewaard. Alleen onregelmatig in grijze, onafgestreken kalkmortel gelegde blokken vuursteen zijn zichtbaar. Wel bevinden zich daarin, op onderlinge afstanden van ongeveer 90 cm, drie concentraties tegula-fragmenten (fig. 1.61 en 1.62: spoor 238: A, B en C). Dit zouden aanzetten van uitgebroken, in de muur aangebrachte, verticale trek- of tochtgaten kunnen zijn60. Van de zuidelijke zijde van muur 238 is wel een afgewerkt muurvlak te zien (fig. 1.63 en 1.64). Een parement van moeraskalkstenen wordt er afgedekt door een muurschildering (zie 5.2.15). Hoewel

het stenen parement grotendeels achter de muurschildering schuil gaat, kan toch nog over een hoogte van ca. 1,20 m een negental lagen stenen geteld worden. Ook is de overgang van de met ruwe silexblokken en grijze kalkmortel gemetselde fundering naar de opgaande muur nog net zichtbaar. Daar deze muur op de perceelscheiding is geplaatst moet ze de zuidelijke buitenmuur van de ten noorden van die scheiding gebouwde domus zijn. Dit impliceert dat de op de zuidelijke wand aangebrachte muurschildering een buitendecoratie is. Deze decoratie bedekt niet alleen de zuidelijke wand van muur 238, maar ook die van een deel van de daarop aansluitende en nog verder te bespreken zuidelijke keldermuur 242. Onderaan bestaat de schildering uit een paarse plint, met daarboven een rode band en daarboven witte bepleistering. Ongeveer halverwege de keldermuur 242 stopt de decoratie met een verticale rode band en een zwarte lijn. Vanaf dat punt is in een tweede fase een onbeholpen variant van deze buitenbeschildering aangebracht, bestaande uit een lichtroze plint, met daarop een rode en roze band en daarop een witte bepleistering. In fase 4 zullen de twee types muurschildering op muur 242 door een nieuwe beschildering worden afgedekt (zie 1.5.3 en fig. 1.211: spoor 242A, B en C). Het bewaarde gedeelte van muur 238 gaat jammer genoeg voor het grootste gedeelte schuil achter de blijkbaar iets later gebouwde noordelijke buitenmuur 299 van de ten zuiden van de scheiding gebouwde domus. Beide muren staan nauwelijks 10 cm van elkaar. Spoor 239 (pl. III, fig. 1.56, 1.65 en 1.66) is een ruw afgewerkt, oost-west verlopend muurtje van vuursteenblokken en grijze kalkmortel, een dertigtal cm breed en op een dertigtal cm van muur 238 gemetseld. Op die manier is tussen muur 238 en de eigenlijke binnenwand van het ten noorden daarvan ingerichte vertrek een nis gecreëerd, waarop de drie voornoemde verticale tochtgaten in muur 238 uitgeven. Mogelijk stond deze nis, eventueel via kanaal 235, met het hypocaustum-systeem van de stadswoning in contact en werd op die manier de meest zuidwestelijk gelegen uithoek van de domus nog van warmte voorzien. Ze zet in elk geval aan op een zestigtal cm onder het vloerniveau 240, tegelijk het niveau waarop de tochtgaten A, B en C van muur 238 zich bevinden. Spoor 240 (pl. III, fig. 1.56 en 1.66) situeert zich ten noorden van de nis. Het is een over een oppervlakte van

60 Te vergelijken met de ingebouwde schouwen van hypocaustum-installaties (Degbomont 1984, p. 151-153 en fig. 275).


66

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.60 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: spoor 237 en 238 vanuit het oosten.

Fig. 1.61 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 237 en 238 vanuit het noorden.

ca. 80 x 100 cm bewaarde, ongeveer 10 cm dikke vloer in opus signinum. Alleen een stukje van de zuidgrens, de contactzone met nismuur 239 is zichtbaar. Daarin is overigens een uitbraakspoor van een kleine 20 cm breedte zichtbaar, dat de positie van een afgewerkte binnenwand of een plint verraadt. Aan de noordelijke en oostelijke zijde is de vloer door middeleeuwse funderingen vernield, aan de westelijke zijde door de fundering van een houten en lemen wand die van de tweede vroeg-Romeinse steenbouwfase (fase 4) deel uitmaakt. Verder westwaarts is vloer 240 niet bewaard. Mogelijk was hij daar wel aanwezig, maar tijdens verbouwingswerken in fase 4 uitgebroken en door een nieuwe, iets hoger, tegen voornoemde houten en lemen wand gelegde vloer vervangen. Waar vloer 240 van fase 3 tegen de nismuur 239 is aangelegd, lopen de nieuwe vloer en de houten en lemen wand van fase 4 over de dichtgegooide nis heen (zie 1.5.2). De vulling van de nis (pl. III, fig. 1.56 en 1.65: spoor 241) hoort echter nog tot

de afbraakfase van de eerste steenbouwfase (fase 3). Ze is opgevuld met gele en grijze zandige leem, houtskool, verbrande leem, dakpanfragmenten en grote brokstukken betonvloer, afkomstig van de ontmanteling van vloer 240. Op deze zuidwestelijke hoek van de domus ten noorden van de perceelscheiding sluit ten westen, in werkput 16, een kelder aan. Deze kelder is slechts gedeeltelijk in beeld gekomen. Een deel is aan het gezicht onttrokken doordat de structuur in fase 4 verkleind werd, een ander deel is vernield ten gevolge van postRomeinse funderingswerken. Van de kelder zoals die in fase 3 was gebouwd zijn delen van de oostelijke muur (spoor 237), de zuidelijke muur (spoor 242) en de westelijke muur met keldergat (sporen 243 en 244) bewaard (pl. III en fig. 1.56). De noordelijke muur, waar zich in deze fase ook de ingang moet bevonden hebben, ligt buiten de opgravingszone. De oostelijke keldermuur is


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

67

het ondergronds gedeelte van de hierboven reeds beschreven muur 237. Het muurvlak van deze oostelijke keldermuur is tijdens de opgraving niet zichtbaar geweest. De zuidelijke keldermuur is wel voor een groot gedeelte waarneembaar (pl. III, fig. 1.56, 1.67 en 1.68: spoor 242). Hij heeft een breedte van ca. 50 cm. Zoals hoger reeds beschreven was de zuidelijke wand van het bovengronds gedeelte van deze muur met een buitenbepleistering bedekt, waarop een eenvoudige muurschildering was aangebracht. De noordelijke wand van het ondergronds gedeelte van de muur is vanaf het loopvlak van de kelder tot een hoogte van ca. 2,80 m bewaard. Hij is opgebouwd uit lagen moeraskalksteen en dakpannen. Van onder naar boven telt hij vier lagen moeraskalksteen, twee lagen dakpannen, drie lagen moeraskalksteen, twee lagen dakpannen, acht lagen moeraskalksteen, twee lagen dakpannen en acht lagen moeraskalksteen. Op een hoogte van ca. 1,10 m boven het loopvlak van de kelder is een nis geplaatst. Ze is aan de basis ongeveer 55 cm breed, ongeveer 60 cm hoog en een dertigtal cm diep. De nis is door een 20 à 30 cm brede boog van afwisselend tegulae en kalkstenen parement bekroond. Op een hoogte van ca. 2,10 cm zijn in de muur twee holten bewaard, die de plekken markeren waar ooit horizontale balken verankerd waren. Deze holten zijn ca. 20 x 20 cm en bevinden zich op een onderlinge afstand van ongeveer 90 cm. Ze verraden het niveau van het plafond van de kelder, tegelijk het vloerniveau van de ruimte erboven. Wellicht droegen de balken een planken vloer. Het muurvlak kon over een afstand van ca. 2,20 m opgetekend worden. Een deel gaat schuil achter een roze beschilderde bepleistering die in fase 4 werd aangebracht. De westelijke keldermuur (pl. III, fig. 1.56, 1.67, 1.68 en1.69: spoor 243) is over een afstand van een drietal m in het vlak geregistreerd en heeft een breedte van ca. 60 cm. In deze muur is een lichtschacht aangebracht (pl. III, fig. 1.56 en 1.69: spoor 244). Het hellende vlak daarvan valt in twee delen uiteen. Het lagere deel (spoor 244A) maakt deel uit van de westelijke keldermuur. Het hogere deel (spoor 244B) bevindt zich ten westen van de westelijke keldermuur en steunt op de daarachterliggende grondmassa. Het is mogelijk dat dit hogere deel geen onderdeel van de lichtschacht is, maar een fragment van een omgevallen keldermuur61. Hoewel de schacht slechts gedeeltelijk zichtbaar is kan de breedte aan de basis op een tachtigtal cm en op het hoogst bewaarde punt op ca. 1,40 m ingeschat worden. Het hellend vlak is in de onderste zone met moeraskalksteen en dakpanfragmenten opgebouwd en in de bovenste zone met moeraskalksteen. Deze kelder wordt tijdens de tweede steenbouwfase verkleind en van een nieuwe ingang voorzien (zie 1.5.2). Tussen de westelijke muur van de eerste kelderfase en de westelijke muur van de tweede kelderfase is opvullingsgrond gestort, met afval en bouwpuin van de eerste steenbouwfase (pl. III en fig. 1.56: spoor 245). De opvulling bevatte slechts een kleine hoeveelheid vondsten, vrijwel uitsluitend residueel, 1ste-eeuws materiaal. Verder is een schilfer van een cannelure van een zuil in Norroy kalksteen (zie 2, nr. C.1) aangetroffen. Fig. 1.62 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: spoor 238A, B en C.

61

Zie bv. de gelijkenis met de omgevallen muurfragmenten bij Fünfschilling (2006, p. 113-115 en Abb. 49-52).


68

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.63 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 238 en 299 vanuit het oosten.

Fig. 1.64 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 238 en 299 vanuit het zuiden.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

69

Fig. 1.65 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 239-241 vanuit het oosten.

Fig. 1.66 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 233, 238 en 239 vanuit het oosten.

Een tweede werkplaats ten noorden van de perceelscheiding? Meer noordwaarts, in werkput 21 in het noordelijk transept, bevindt zich de zone waar in 1912 een verwarmingskelder werd aangelegd. Die werkzaamheden hebben het bodemarchief plaatselijk vrijwel volledig vernield. Maar ondanks dat is toch nog een klein stukje bodemarchief bewaard gebleven, dat aan fase 3, de eerste vroeg-Romeinse steenbouwfase, kan toegeschreven worden. Het oostelijk gedeelte van deze zone was immers minder diep uitgegraven dan de rest. Tijdens de werken konden daar, na het wegnemen van de bakstenen vloer van 1912, een vlak en een aansluitend profiel gedocumenteerd worden. Ze vormen de basis voor het hiernavolgend overzicht van de aan fase 3 toegeschreven sporen (pl. III en fig. 1.70: sporen 246-252).

Spoor 246, het stratigrafisch oudste element dat kon worden waargenomen, is een ophogingslaag van bruingrijze zandige leem, met houtskool, verbrande leem, kalk, witte mortel, dakpanfragmenten en brokstukken gele leem. Deze laag bleef verder onopgegraven, waardoor de dikte niet kon bepaald worden. Ze wordt doorsneden door spoor 247 (fig. 1.71), een noord-zuid georiënteerde muur. Deze muur is ca. 50 cm breed, is over een afstand van 4 m te volgen, maar van zijn opbouw is weinig bewaard gebleven. Wel was nog te zien dat het een typisch metselwerk van afwisselende lagen natuursteen en tegulae moet geweest zijn, die met een grijze kalkmortel in verband zijn gemetseld. Het ene gedocumenteerde opgravingsvlak bevond zich net ter hoogte van een laag tegula-fragmenten. In de as van het bewaarde muur-


70

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.67 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 16 in de oostelijke middenbeuk: spoor 242 vanuit het noorden.

traject zijn op twee plaatsen uitgebroken pilasters te zien. De noordelijke pilaster (spoor 248) bestaat uit een kalkstenen blok van 60 x 90 cm (fig. 1.71). De dikte kon niet bepaald worden, de maximale toegestane diepte van de opgraving was immers bereikt. Wel waren op het oppervlak nog sporen van witgrijze kalkmortel te zien. Op de westelijke rand draagt de steen een brandspoor. De zuidelijke pilaster (spoor 249) tekent zich als een uitbraakspoor af, waarvan alleen de noordelijke rand binnen de opgravingszone viel. Het uitbraakspoor bestaat uit zandige leem, met veel witgrijze kalkmortel en vuursteenblokken. Het is 80 cm breed. De lengte kon niet meer worden bepaald. De twee pilasters moeten op een onderlinge afstand van ca. 2,20 m gestaan hebben. Muur 247 vormt de westelijke grens van een complexe en fijngelaagde stratigrafie, in het vlak reeds in 1912 grotendeels vernield, maar dankzij een gedeeltelijk bewaard en gedocumenteerd putwandprofiel toch nog voor een deel reconstrueerbaar (fig. 1.72 en 1.73: sporen 253-264). Aan de basis van het profiel is de top van een laag zichtbaar, die uit brokstukken van een verspitte, oudere lemen vloer is opgebouwd (spoor 250). Goed herkenbaar zijn brokken gele leem, waarop zich telkens een zwart beroet loopvlak aftekent. Deze laag strekt zich over het vlak tot aan muur 247 uit. De dikte kon niet bepaald worden. In de noordoostelijke hoek van werkput 21 is doorheen deze laag een kuil uitgegraven, waarvan echter alleen maar de zuidwestelijke hoek in het vlak zichtbaar is (spoor 251). De afmetingen van de kuil kunnen dan ook niet bepaald worden. Wel moet het om een vierkante of rechthoekige uitgraving gaan. De vulling bestaat uit geelgrijze zandige leem, met houtskool, verbrande leem en witte mortel. Doorheen deze kuil is een tweede kuil uitgegraven, waarvan eveneens alleen maar de zuidwestelijke randzone zichtbaar is (spoor 252). Die heeft een gebogen verloop, zodat met een cirkelvormige of ovale plattegrond met verder onbekende dimensie moet rekening gehouden worden. De vulling is samengesteld uit

grijsbruine zandige leem met houtskool, verbrande leem, gele mortel, witte mortel, kalk en dakpanfragmenten. Alle hierna te bespreken jongere lagen van de stratigrafie van werkput 21 zijn boven deze kuilen nagezakt. De ophogingslaag 250 wordt door een loopvlak afgedekt, dat bestaat uit een enkele cm dikke laag donkergrijze aangestampte leem (spoor 253). In dat loopvlak is plaatselijk een laagje rode, in situ verbrande leem te zien (spoor 254), afgedekt door een houtskoolrijk leembandje (spoor 255), wellicht de plek van een stookplaats. Op dit loopvlak is plaatselijk een enkele cm dunne ophogingslaag van lichtgrijze zandige leem gelegd (spoor 256) en daaroverheen is een nieuw loopvlak van donkergrijze aangestampte leem ontstaan, dat zich over de gehele lengte van het profiel uitstrekt (spoor 257). Helemaal in het zuiden is in dit loopvlak een tweede stookplaats aangelegd, waarvan de bruin en rood uitgegloeide lemen basis nog te herkennen is (spoor 258). Het gehele terreingedeelte is vervolgens met een 20 à 30 cm dikke nieuwe ophogingslaag afgedekt (spoor 259). Aan de basis bestaat deze laag nog uit vrij zuivere gele zandige leem, hogerop is de leem met veel houtskool- en verbrande leemfragmentjes, witte mortel en dakpanfragmenten vermengd. Er is ook een aantal vondsten in aangetroffen, dat, met uitzondering van een enkele, mogelijk zelfs intrusieve gladwandige wandscherf in Tiens gesmookt aardewerk, pre-Flavisch en/of Flavisch dateert. Het materiaal voor de ophoging moet van elders afgegraven, oudere stratigrafie afkomstig zijn. Op de nieuwe ophogingslaag is een derde stookplaats aangelegd, die zich als een enkele cm dikke laag in situ verbrande leem aftekent (spoor 260). Daaroverheen is een laag grijze mortel gestort met een maximale dikte van 5 cm (spoor 261). Doorheen die mortellaag is het stookkanaal van een oventje uitgegraven (spoor 262). Het is ongeveer 30 cm breed en 30 cm diep, de randen zijn rood uitgegloeid, de vulling bestaat vrijwel uitsluitend uit houtskool en verbrande leem. Daarop bevindt zich een nieuw, enkele cm dik loopvlak van donkergrijze


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

71

Op schaal 1/20 is 17,5 cm breedt ofwel 2 kolommen

242

243

0

1m

1

2

3

4

5

Fig. 1.68 Tongeren: O.L.V.-basiliek: profieltekening van spoor 242: 1: natuursteen; 2: baksteen; 3: verankeringen van balken; 4 en 5: pleisterlagen.

aangestampte leem (spoor 263). Ten slotte wordt dit loopvlak weer door een laag geelgrijze zandige leem bedekt, met daarin verbrande leem-, houtskool- en witte kalkfragmenten, waarvan de originele bovenkant evenwel niet meer in het profiel zichtbaar is en de dikte bijgevolg onbekend blijft (spoor 264). Ofwel is dit de basis van een nieuwe ophogingslaag, ofwel is dit de onderkant van de brand- en puinlaag die fase 3 van de site van de O.L.V.-

basiliek afsluit. Het geheel lijkt veel op de stratigrafie binnen de werkplaats in werkput 27 in het hoogkoor. Mogelijk getuigt de gelaagdheid van vloerniveaus, ophogingslagen en stookplaatsen als haarden of oventjes van de aanwezigheid van nog een atelier in werkput 21 en het niet voor opgraving toegankelijke aangrenzende terrein ten oosten daarvan.


72

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.69 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in het oostelijk gedeelte van de middenbeuk: sporen 243 en 244 vanuit het oosten.

Een buitenshuis tot stand gekomen stratigrafie ten noorden van de perceelscheiding Verder noordwaarts, in werkput 22 in het noordoostportaal, zijn geen architectuurresten aangetroffen die aan fase 3 kunnen worden toegeschreven, maar er bevindt zich wel een lagenpakket uit deze periode (pl. III, fig. 1.74 en 1.75: sporen 265-270). Van onder naar boven gaat het om: · spoor 265: een gele ophogingslaag van leem, waarin wat houtskool, verbrande leem, kalk, gele en grijze mortel en dakpanfragmenten vermengd zijn; · spoor 266: een grijze laag zandige leem met houtskool, verbrande leem en kalk;

· spoor 267: een geelgrijze laag zandige leem met houtskool, verbrande leem, kalk, gele, grijze, witte en roze mortelfragmenten; · spoor 268: een grijsbruine laag zandige leem met houtskool, verbrande leem, witte en roze mortel en dakpanfragmenten; · spoor 269: een grijsbruine laag zandige leem met houtskool, verbrande leem, witte, grijze en gele mortel, fragmenten wandpleister en dakpanfragmenten; · spoor 270: de brandlaag van de tweede helft van de 2de eeuw die fase 3 afsluit en hier uit overwegend rood gebakken leemwandfragmenten en houtskool bestaat, waarin nog brokstukken van witte, grijze en gele mortel en dakpanfragmenten te herkennen zijn.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

252

248

251

246

250

247

249

0

1m

Fig. 1.70 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 21 in het noordelijk transept: sporen van fase 3.

73


74

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.71 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 21 in het noordelijk transept: sporen 247 en 248 vanuit het zuiden.

Deze lagen werden aangetroffen op het diepste vlak dat nog mocht opgegraven worden. Ze worden aan alle zijden door funderingen van de middeleeuwse kerken doorsneden. Er kan dan ook geen voorstelling van hun uitgestrektheid en dikte gemaakt worden. Het onderste werkvlak werd wel op vondsten doorspit. Daaruit bleek dat de lagen 265 en 266 arm aan vondsten waren, laag 267 een iets grotere hoeveelheid materiaal bevatte, waaronder een Toscaans kapiteel (zie 2, nr. E.1), en de lagen 268 en 269 vondstenloos waren. Wel bevatten alle sporen over het algemeen veel bouwpuin. Brandlaag 270 leverde een groot aantal vondsten op, waarvan de jongste omstreeks het midden van de 2de eeuw gedateerd kunnen worden. Laag 265 kan als een ophogings- en egaliseringslaag geïnterpreteerd worden. De scheiding tussen laag 265 en laag 266 verloopt vrijwel rechtlijnig. Deze lijn volgt de oriëntatie van het Romeinse stratennet en van het grootste gedeelte van het daarop afgestemde gebouwenbestand. Er moet dan ook rekening gehouden worden met de aanwezigheid van hetzij een grote beerput, hetzij een kelder, waarvan de lagen 266 tot 269 opvullingen kunnen zijn. Vrijwel het hele areaal van werkput 22 werd vervolgens door brandlaag 270 van de tweede helft van de 2de eeuw afgedekt. Ter hoogte van de hypothetische beerput of kelder is deze laag verder nagezakt.

1.4.3 De bewoningssporen in het zuidoostelijk gedeelte van het opgravingsterrein Een open binnenplaats van een domus ten zuiden van de perceelscheiding In het hoogkoor in werkput 27 en in de kloostertuin in werkput 25 zijn uit fase 3 daterende resten van een open binnenplaats gevonden (pl. III en fig. 1.76). Van deze binnenplaats konden delen van drie van de vier omheiningsmuren in kaart worden gebracht. Op de binnenruimte is in de loop van fase 3 een lagenpakket tot stand gekomen. Spoor 271 (pl. III, fig. 1.76 en 1.77) is een gedeelte van de oostelijke omheiningsmuur. Hij is noord-zuid georiënteerd en over een afstand van ca. 1,80 m zichtbaar. Na het bereiken van de maximaal toegestane opgravingsdiepte was aan de basis nog ca. 20 cm van een met grijze kalkmortel gemetselde fundering van ca. 60 cm breedte te zien. Ze is opgebouwd uit onregelmatige vuursteenblokken en een aantal regelmatig bekapte blokjes vuursteen en zandsteen. Op de overgang naar het opgaand metselwerk is een enkel horizontaal geplaatst tegula-fragment te zien. De muur zelf is ca. 40 cm breed en met een parement van grijsgroene en roodbruine zandstenen blokjes en een grijze kalk-


253

259

260

261

263

1m

262

250

254-255

Fig. 1.72 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 21 in het noordelijk transept: oostelijk putwandprofiel.

0

264

257

261

256

258

De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

75


76

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.73 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 21 in het noordelijk transept: oostelijk putwandprofiel.

Fig. 1.74 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 22 in het noordoostportaal: sporen van fase 3.

266-267

270

270 265

268-269

0

mortel opgebouwd. Er zijn nog vijf rijen parementstenen bewaard over een hoogte van ca. 50 cm. De kern is vol grijze mortel, vuursteen- en dakpanfragmenten gestort. In het noorden geeft muur 271 op een hoekpilaster uit, waarvan de geprofileerde basis bewaard is gebleven (pl. II, fig. 1.76 en 1.77: spoor 272). Die bestaat uit twee delen. Aan de basis, ongeveer ter hoogte van de fundering van muur 271, ligt een vierkanten kalkstenen blok van ca. 1,10 x 1,10 m. De bovenkant is vlak, maar de onderkant onregelmatig, waardoor de dikte tussen ca. 20 en ca. 30 cm varieert. Op dit funderingsblok bevindt zich ter hoogte van het opgaand muurwerk de geprofileerde basis van de hoekpilaster, eveneens in kalksteen vervaardigd. Op het contactpunt met het funde-

1m

ringsblok meet deze basis ca. 90 x 90 cm. Vanaf een hoogte van ca. 15 cm versmalt ze tot een omtrek van ca. 60 x 60 cm. Van daaraf is de basis nog een 25 cm hoog. Een groot deel van de noordelijke zijde is beschadigd. Het bewaard gebleven deel van deze muur en bijhorende hoekpilaster zal als fundament voor een jongere muur uit fase 4 dienen, die echter verder in noordelijke richting doorloopt (zie 1.5.3). Spoor 273 (pl. III, fig. 1.76 en 1.78) is de stenen sokkel van de noordelijke omheiningsmuur van de open binnenplaats. Hij is oost-west georiënteerd en over een afstand van 4,80 m zichtbaar. Het waarneembare gedeelte van de fundering toont een


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

77

Fig. 1.75 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 22 in het noordoostportaal: sporen 265-270.

188

Fig. 1.76 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 27 in het hoogkoor en werkput 25 in de kloostertuin: sporen van fase 3.

190

191

282-284 273 274

276 295

275

297 296

280 277

278

281 279

274

296quater

285

286

272 285 271

0

2m


78

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.77 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 25 in de kloostertuin: sporen 271 en 272 vanuit het westen.

Fig. 1.78 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: sporen 273 en 274 vanuit het zuiden.

ca. 20 cm dikke laag ruwe vuursteenblokken en grijze kalkmortel, bekroond door een ca. 10 cm dikke laag regelmatige bekapte vuursteenblokjes en horizontaal geplaatste tegula-fragmenten. De breedte van de fundering bedraagt een zestigtal cm. Het daarop gebouwd opgaand muurwerk is een veertigtal cm breed en is aan de buitenzijden bezet met een parement van regelmatig gekapte zandstenen blokjes, grijsgroen tot roodbruin gekleurd, en enkele regelmatige gekapte vuursteenblokjes. Er kunnen zeven rijen parementstenen over een hoogte van een zeventigtal cm geteld worden. In de grijze voegmortel zijn lijnen getrokken. Merkwaardig is dat op één van de parementsteentjes een laagje rode oker is aangebracht. De kern van de muur bestaat uit grijze mortel, vermengd met vuursteen- en dakpanfragmenten. Doordat op het loopvlak van de binnenplaats grote delen van de bovenbouw van deze muur terecht zijn gekomen, is de nodige informatie beschikbaar om de muur volledig te reconstrueren. Boven de ca. 70 cm hoge stenen sokkelmuur blijkt een lemen wand te staan, met een eenvoudige witte bepleistering afgewerkt. Op de transitie van de stenen sokkel naar de houten en lemen bovenbouw is een rode band aangebracht. Ca. 2,60 m boven die band markeert een tweede rode band, aan de onderkant door een dunne ronde lijn geaccentueerd, de overgang naar de ca. 50 cm hoge bovenzone. De totale hoogte van de muur kan

op basis van deze waarnemingen op 3,80 m ingeschat worden. In de bovenzone zijn op onderlinge afstanden van ca. 50 cm rechthoekige gaten te zien, 9 x 14,5 cm, die de plekken aanwijzen waar horizontale balken doorheen de lemen muur uitstaken. Daar ca. 1 m ten zuiden van de muur een houten afwateringskanaal was aangelegd (zie verder), mag aangenomen worden dat de balken ook zowat 1 m naar buiten hebben gestoken. Wellicht droegen ze een klein afdak en ving het kanaal het regenwater op. Spoor 274 (pl. III, fig. 1.76, 1.78 en 1.79) is een gedeelte van de westelijke muur die de binnenplaats afsluit. Alleen de bovenkant van de fundering is zichtbaar. Die is duidelijk in verband met de fundering van muur 273 gemetseld en toont dezelfde kenmerken: een mengsel van vuursteenblokken en grijze kalkmortel over een breedte van ca. 60 cm gelegd. Het spoor is over afstand van een drietal m in noord-zuidelijke richting te volgen. De muren 273 en 274 vormen geen volmaakt rechte, maar een licht stompe hoek. In muur 274 heeft ook een pilaster gestaan. Dat blijkt uit spoor 275, een kalkstenen funderingsblok van ca. 0,80 x 1,10 cm en met een dikte die varieert van 20 tot 30 cm (pl. III, fig. 1.76 en 1.79). Ten noorden en ten zuiden zijn nog uitbraaksporen van de ontmanteling van deze pilaster te zien (spoor 276).


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

79

Fig. 1.79 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: sporen 274-276 en 295 van uit het westen.

Zoals gezegd situeert zich op ongeveer 1 m ten zuiden van de noordelijke omheiningsmuur 273 een houten kanaal (pl. III, fig. 1.76 en 1.79: spoor 277). De wanden en bodem waren met planken bekleed, waarvan nog schamele resten in situ bewaard waren. Door de ontmanteling van het kanaal na de brand van de tweede helft van de 2de eeuw zijn de afmetingen slechts bij benadering in te schatten. De breedte schommelt tussen de 30 en 40 cm, de diepte moet zowat 30 cm geweest zijn. De vulling bestaat uit grote hoeveelheden verbrande leem, witte pleister en dakpanfragmenten, puin van het branden en vervolgens verder afbreken van muur 273. Het kanaal maakt een rechte hoek met een gelijkaardige constructie die 30 à 40 cm ten westen van muur 274 was aangelegd (pl. III, fig. 1.76 en 1.79: spoor 278). Van dit kanaal was nog minder bewaard. Aangenomen mag worden dat het dezelfde vorm, afmetingen en functie had als kanaal 277. Binnen de ommuurde ruimte heeft in het noordelijke gedeelte (werkput 27 in het hoogkoor) gedurende fase 3, maar nog voor de aanleg van de houten kanalen 277 en 278, een terreinophoging plaatsgevonden (pl. III, fig. 1.43, 1.44 en 1.76: spoor 279). Het betreft een laag bruingrijze zandige leem met de gebruikelijke bijmenging van houtskool- en verbrande leemfragmentjes, minstens een dertigtal cm dik. Ze bevat, naast bouwpuin als grijze, witte en roze mortel, pleister en dakpanfragmenten, een aanzienlijke hoeveelheid nederzettingsafval. Daarvan maakt zeer veel residueel materiaal deel uit. De jongste vondsten kunnen echter omstreeks het midden van de 2de eeuw gedateerd worden. Het aandeel aan dierlijke resten toont een gemengd beeld62. Enerzijds wijst de aanwezigheid van diverse soorten jachtwild op een rijk consumptiepatroon, anderzijds wordt het klassieke huiszoogdierenspectrum door het rund gedomineerd. Ook in de smalle zone tussen de zuidelijke buitenmuur 190 van de werkplaats en de noordelijke omheiningsmuur 273 van de open binnenplaats heeft zich over een dikte van ca. 30 cm in dezelfde periode afval opgestapeld (pl. III en fig. 1.76: spoor 280).

62 Ervynck et al. 2017, p. 461.

Deze grijze laag zandige leem met houtskool- en verbrande leemfragmenten, grijze, witte en roze mortel, kalk, dakpan- en natuursteenfragmenten heeft een nog grotere vondstdichtheid. Wel moet veel daarvan als residueel materiaal beschouwd worden. In het beeld van de dierlijke resten valt een relatief groot aantal oesterfragmenten op63. Het spectrum van de huiszoogdieren is met dat van spoor 279 vergelijkbaar. In het zuidelijk gedeelte van de binnenplaats (werkput 25 in de kloostertuin) ontbreekt elk spoor van een ophogingslaag. In beide door de opgraving aangesneden zones van de open binnenplaats is ten slotte de brandlaag die fase 3 afsluit aanwezig. In het noordelijk gedeelte (werkput 27) betreft het een 30 à 40 cm dikke laag (pl. III, fig. 1.43, 1.44 en 1.76: spoor 281). Onderaan bestaat ze uit dakpanfragmenten, afkomstig van de ontmanteling van het afdak dat het regenwater naar de houten kanaaltjes afleidde, bovenin uit de verbrokkelde verbrande leemwand met bijhorende pleisterlaag en muurschildering van muur 273 (zie 5.2.6, ensemble 12). De wand lag met de beschilderde, oorspronkelijke buitenzijde naar beneden. In het vlak waren dan ook nog grote delen van het in de leemwand aangebrachte visgraatmotief te zien, dat vaak in het muurvlak wordt aangebracht ter bevordering van de hechting van de pleisterlaag. Laag 281 bevat ook een aantal pleisterfragmenten van een plafond (zie 5.2.7, ensemble 14), verwant met ensemble 25 uit spoor 501. Tussen dit puin lag veel nederzettingsafval. Twee vondsten daarin, cat. nr. A4028 en A4040, zijn respectievelijk een gladwandig recipiënt, in 72 stukken versplinterd, en een ruwwandig, in 40 stukken gebroken. Hun type kon helaas niet meer gedetermineerd worden. Mogelijk zijn beide op het ogenblik van de brand vernield. Blijkbaar heeft men eerst het dak afgebroken en daarna de grotendeels rood verbrande lemen muur in zuidelijke richting omvergeduwd. In de puinlaag is ook een aantal fragmenten van verkoolde balken bewaard gebleven. In de smalle zone op de perceelscheidingslijn tussen de zuidelijke buitenmuur 190 van de

63 Ervynck et al. 2017, p. 461.


80

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

werkplaats en de noordelijke omheiningsmuur 273 van de open binnenplaats bevindt zich van onder naar boven een laag verbrande leem en verkoolde balkresten (spoor 282), een laag dakpanfragmenten en pleister (zie 5.2.8, ensemble 15) (spoor 283) en een laag bouwpuin (spoor 284) met een gezamenlijke dikte van ruim 50 cm (pl. III, fig. 1.43, 1.44 en 1.76). De volgorde van de types brand- en afbraakpuin is blijkbaar het omgekeerde van de sequentie van deze lagen in het noordelijk deel van de open binnenplaats. De lagen 282 en 284 zijn vondstenarm, laag 283 bevat veel materiaal, waaronder andermaal een in 20 stukken gefragmenteerd, niet nader identificeerbaar gladwandig recipiënt, mogelijk slachtoffer van de brand (cat. nr. A4085). In het zuidelijk gedeelte (werkput 25) vertoont de brand- en puinlaag van de tweede helft van de 2de eeuw eveneens een interne gelaagdheid. Onderaan is ca. 30 cm brandlaag zichtbaar, met daarin grote hoeveelheden verbrande leem, resten van verkoolde balken, maar ook veel dakpanfragmenten (pl. III en fig. 1.76: spoor 285). Daarop ligt ca. 50 cm puinlaag met minder houtskool, verbrande leem en stukken dakpan, die ook meer gefragmenteerd zijn, en met meer grijze, witte, roze mortel- en pleisterfragmenten (pl. III en fig. 1.76: spoor 286). Het eerste is waarschijnlijk de onmiddellijke weerslag van de brand zelf, het tweede het resultaat van de verdere ontmanteling van de afgebrande domus. Laag 285 is vondstenloos, laag 286 bevat wat nederzettingsafval, waaronder een gedeelte van een gladwandig recipiënt in 16 stukken (cat. nr. A4116). Dergelijke concentraties van scherven die tot één stuk vaatwerk behoren zijn karakteristiek voor catastrofale gebeurtenissen als een brand. De combinatie van de in de werkputten 25 en 27 aangetroffen sporen van fase 3 laten toe, dit terreingedeelte als een niet-overdekt onderdeel van een domus te beschouwen, een open binnenplaats die wellicht op de ten oosten van het terrein gelegen cardo uitgaf. Ze moet een rechthoekige plattegrond gehad hebben, meet zeker 6,5 m in oost-westelijke richting en minstens 10 m in noord-zuidelijke. De hoogte van de muren kan op 3,80 m ingeschat worden. Het gaat om een combinatie van stenen sokkelmuren en een houtlemen bovenbouw. De binnenwanden waren van een witte bepleistering voorzien, onderaan en bovenin met een rode band versierd. In de oostelijke omheiningsmuur bevond zich een met hoekpilasters afgeboorde ingang. In de westelijke omheiningsmuur waren eveneens pilasters ingewerkt, waarvan één nog funderingssporen heeft nagelaten. In werkput 27 is te zien dat voor de noordelijke en westelijke omheiningsmuren een houten kanaal het regenwater van een afdak opving. In werkput 25 bleek dat de oostelijke omheiningsmuur niet door een dergelijk kanaal was begeleid en bijgevolg allicht geen afdak droeg. Wel is in de brand- en puinlaag een grote hoeveelheid dakpanfragmenten aangetroffen, mogelijk van het afdak van de compleet buiten beeld gebleven zuidelijke omheiningsmuur. Zoals wel vaker in Tongeren is vastgesteld had het binnenplein geen vlakdekkende verharde vloer64. Mogelijk was hij als tuin ingericht. De aanwezigheid van een hoeveelheid nederzettingsafval

in de noordelijke zone van het plein kan op enige verloedering in de laatste fase van de domus wijzen. De plek verwordt dan immers tot een openluchtstort. Hoe dan ook is de hele structuur van de tweede helft van de 2de eeuw in vlammen opgegaan. Na de brand stonden de muren blijkbaar nog voor een groot gedeelte recht. De afdaken werden afgebroken en de muren omvergegooid. In de daarop volgende fase zal de ruimte helemaal anders ingericht worden (zie 1.5.3). Een badgebouw van een domus ten zuiden van de perceelscheiding? In het laagkoor in werkput 26, ten westen van de open binnenplaats, bevindt zich de zone waarvan het bodemarchief in ernstige mate door een diepe, 19de-eeuwse uitgraving verstoord en vernield is. Net zoals voor het terreingedeelte ten noorden van de perceelscheiding kan voor het gedeelte ten zuiden alleen maar een beschrijving gemaakt worden van de van elkaar geïsoleerd geraakte sporenclusters. Het is niet mogelijk aan de hand daarvan een betrouwbare voorstelling van de architectuur van fase 3 te maken. Er laten zich drie clusters onderscheiden. Ze wekken de indruk van een badgebouw deel uit te maken. De drie clusters strekken zich uit in de zuidoostelijke hoek van het laagkoor (werkput 26) en het aansluitende gedeelte van het hoogkoor (werkput 27). Een eerste sporencluster bevindt zich in het oostelijk gedeelte van werkput 26 in het laagkoor. Het betreft twee in verband gemetselde muurfragmenten die een rechte hoek vormen (pl. III, fig. 1.80, 1.81 en 1.82: sporen 287 en 288). Spoor 287 is een oostwest verlopend muurfragment, over een afstand van ca. 1,30 m bewaard. In het oosten verdwijnt de muur in de koorfundering van de eerste gotische kerkbouwfase. De opgraving heeft een stukje van haar fundering en details van het opgaand muurwerk aan het licht gebracht. Van de fundering is de bovenste stenenrij te zien. Het gaat om met grijze kalkmortel gemetselde, min of meer tot regelmatige blokken geretoucheerde vuursteen. Daarop is zorgvuldig uitgevoerd parement van driemaal twee lagen moeraskalksteen en twee lagen tegulae geplaatst. De voegen zijn met gladgestreken grijze kalkmortel afgewerkt. De kern is met grijze mortel, dakpan- en vuursteenfragmenten opgevuld. De fundering is 60 cm breed, de opgaande muur is 40 cm breed en tot op een hoogte van 1 m boven het funderingsniveau bewaard. Op de noordelijke wand is vanaf ca. 50 cm boven het funderingsniveau een witte bepleistering aangebracht. Op de zuidelijke wand was geen bepleistering, te oordelen naar de sporen die de brand van de tweede helft van de 2de eeuw rechtstreeks op een deel van het metselwerk heeft nagelaten. Spoor 288 is een noord-zuid verlopende, met spoor 287 in verband gemetselde muur, die in moeilijke omstandigheden, tijdens het doorbreken van de eerste gotische koormuur, gedocumenteerd kon worden. Haar constructiewijze is identiek aan die van muur 287. In de door beide gevormde binnenhoek is een deels afgebrokkelde, in gele mortel vervaardigde kwartronde plint te zien (fig. 1.82: spoor 288bis).

64 Geen enkele van de recent in Tongeren opgegraven binnenplaatsen lijkt een verharding gehad te hebben (zie Vanderhoeven et al. 1992b voor de site van de Hondsstraat; Vanderhoeven et. al. 1993 voor de site van de Veemarkt;,Vanvinckenroye 1994 voor de site van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum aan de Kielenstraat; Vanderhoeven & Ervynck 2007, fig. 16.7 voor de site van de Elisabethwal; Wyns 2010 voor de site van de Elfde Novemberwal en Vanderhoeven 2012, fig. 2 en Borgers & Vanderhoeven 2013, fig. 2 voor de site van de Vermeulenstraat).


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

188 287

190

191 288bis 288

273 289 289

276 292 275

291

295

295 290

276

290

297

293 294

296 0

274

278

1m

296quater Fig. 1.80 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor en werkput 27 in het hoogkoor: sporen van fase 3.

Fig. 1.81 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: spoor 287 vanuit het noorden (A), het westen (B) en het zuiden (C).

81


82

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.82 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 287 en 288 vanuit het zuidwesten. Spoor 288bis is een kwartronde plint in gele mortel die de hoek van de muren 287 en 288 afwerkt.

Muur 287 situeert zich min of meer in het verlengde van muur 238, die als de zuidelijke buitenmuur van een ten noorden van de perceelscheiding gelegen domus kan beschouwd worden. Toch lijkt het er op dat muur 287 onderdeel van de ten zuiden van de perceelscheidingsmuur gelegen domus was. Daarvoor kan een drietal argumenten aangehaald worden. Op de eerste plaats is de wijze waarop de muren 238 en 287 opgebouwd zijn erg verschillend. Op de tweede plaats is muur 287 in verband met muur 288 gemetseld, een bouwelement dat zich verder in zuidelijke richting, op het terrein van de zuidelijke domus, uitstrekt. Op de derde plaats situeert de onderkant van de buitenbepleistering van muur 287 en bijgevolg het daarmee geassocieerde loopvlak zich op een niveau dat lager ligt dan alle waargenomen vloerelementen van de noordelijke domus. Een tweede sporencluster, eveneens in het oostelijk deel van het laagkoor, bestaat uit twee muren (sporen 289 en 290) en twee vloeren met bijhorende funderingslagen (sporen 291-294) (pl. III, fig. 1.80, 1.83, 1.84, 1.85 en 186). Spoor 289 wordt gevormd door twee fragmenten van een apsismuur, één ca. 1 m en één ca. 0,50 m bewaard. De muur heeft vermoedelijk een polygonaal i.p.v. een gebogen verloop. Hij is opgebouwd uit lagen in gele kalkmortel gevatte tegula-fragmenten, waarvan er nog drie plaatselijk bewaard zijn gebleven. Aan de zuidzijde is een zorgvuldig afgewerkt parement te zien. Aan de noordzijde is de rand onregelmatig en in contact met de ondergrond geweest. Dit metselwerk is dan ook als de binnenbekleding van een uitgegraven, apsisvormige structuur te beschouwen. Spoor 290 is een oost-west georienteerde muur, waarvan eveneens twee fragmenten bewaard zijn gebleven. Het meest westelijke kan over een afstand van ca. 1,70 m gevolgd worden. Van het meest oostelijke is nauwelijks 10 à 20 cm bewaard. Het is vooral in het putwandprofiel onder de fundering van het eerste gotische koor waarneembaar (fig. 1.85). De breedte van de fundering, waarvan de bovenste rij, tot blokken geretoucheerde en in verband gemetselde vuurstenen zichtbaar is, kan op 60 cm ingeschat worden, die van het daarop gemetselde muurwerk op 50 cm. Alleen aan de noordzijde is met zorg parement aangebracht, in de vorm van regelmatig gekapte

blokjes moeraskalksteen, waarvan twee rijen bewaard zijn. Aan de zuidzijde is de muur weer onafgewerkt gelaten omdat hij als keldermuur tegen de ondergrond was gemetseld i.p.v. in open lucht. De kern is met vuursteensplinters gevuld. Voor de bouw van deze muur is een mengeling van grijze en gele kalkmortel gebruikt. Spoor 291 is de fundering van een door de muren 289 en 290 begrensde vloer. Op de bodem van de apsisvormige uitgraving is een laag vuursteenfragmenten uitgestrooid. Daarop is de eigenlijke vloer gelegd, een laag met dakpangruis vermengde vloerbeton of opus signinum (spoor 292). Spoor 293 is een ophogings- en funderingslaag voor een vloer. Ze bestaat uit een ca. 50 cm dik pakket vuilgele leem met bijmenging van houtskool en kalk. Op dit pakket is een vloer in opus signinum gestort met een onregelmatige basis, zodat de dikte tussen 10 en 20 cm varieert (spoor 294). Op dit loopvlak is een kleine hoeveelheid nederzettingsafval blijven liggen. De vloer lijkt ten noorden door muur 290 begrensd te zijn geweest, al heeft de 19de-eeuwse uitgraving in het laagkoor het contactpunt tussen beide vernield, waardoor hierover geen absolute zekerheid heerst. Vloer 294 van het vertrek ten zuiden van muur 290 ligt ongeveer 90 cm hoger dan vloer 292 van de apsis. Een dergelijk verdiepte apsisvloer kan op een badkuip wijzen, maar daarvoor ontbreekt de noodzakelijke binnenbepleistering. Men kan ook aan een hypocaustuminstallatie denken, die dan een badkuip van gelijke vorm op het vloerniveau verwarmde. Maar ook daarvoor zijn in deze overigens grotendeels vernielde structuur geen aanwijzingen te vinden. Een derde sporencluster situeert zich op de grens van werkput 26 in het laagkoor met werkput 27 in het hoogkoor (pl. III, fig. 1.79, 1.80, 1.85 en 1.86: sporen 274-276 en 295-297). In werkput 27 bevindt zich haaks op muur 274 en ter hoogte van de in die muur verwerkte pilaster 275 een muurfragment. In het verlengde daarvan is in werkput 26 nog een klein fragment van dezelfde muur aan het licht gekomen (spoor 295). Dit maakt dat de muur nog over ca. 3,30 m in kaart te brengen is. In werkput 27 kon deze constructie alleen maar op de overgang van de fundering naar de daar volledig verdwenen opstaande muur waargenomen wor-


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

83

Fig. 1.83 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 289-292 vanuit het noorden.

Fig. 1.84 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: spoor 294 vanuit het noorden.

den. In werkput 26 was de muur in het profiel onder de fundering van het eerste gotische koor over een grotere diepte te zien. De noordelijke wand toont negen rijen in grijze mortel gezette parementstenen, een mengsel van moeraskalksteen, zandsteen en vuursteen. De voegen zijn met ingekraste lijnen geaccentueerd. De zuidelijke wand leunt tegen de deels afgebroken muur 290 en deels tegen de daarop liggende puinlaag. Muur 295 verdeelt de ruimte ten westen van muur 274 in een noordelijk en een zuidelijk vertrek, waarvan de afmetingen echter niet meer bepaald kunnen worden. In het zuidelijk vertrek ligt een vloer in opus signinum (spoor 296), waarop tegen de oostelijke wand, muur 274, nog een stukje van een kwartronde plint bewaard is (spoor 296quater). De kans is dan ook bijzonder groot dat het hier om een koudwaterbad van een badgebouw gaat. Dezelfde vloer is ook in het putwandprofiel van werkput 26 onder de fundering van het eerste gotische koor te zien, maar is daar in beperkte mate uitgebroken. Het putwandprofiel toont ook hoe voor het leggen van de vloer een ca. 30 cm dikke ophogingslaag van grijze, houtskoolhoudende zandige leem is aangebracht (spoor 296bis) op de ca. 70 cm dikke puinlaag van de afbraak van muur 290 (spoor 296ter). Deze puinlaag bestaat uit gele wandleem en brok-

stukken witte bepleistering. Verder laat zich vaststellen dat vloer 296 over de afgebroken muur 290 en de daaropliggende puinlaag tot tegen muur 295 is aangelegd. De brand- en puinlaag van de tweede helft van de 2de eeuw die fase 3 afsluit is nog gedeeltelijk op de betonvloer bewaard en dekt ook muur 295 af (spoor 297). Vermoedelijk is deze laag deels weggegraven. Een hoeveelheid muurschilderingfragmenten in deze puinlaag is afkomstig van de plafonddecoratie van dit vertrek. Het is niet doenbaar een betrouwbare reconstructie van dit zwaar gehavend onderdeel van de domus ten zuiden van de perceelscheidingslijn te maken. Alles samengenomen overheerst de indruk dat de resten tot een verschillende malen herbouwd thermencomplex behoren. De eerste cluster, de noordoostelijke hoek van een rechthoekige ruimte, vertegenwoordigt dan mogelijk een eerste fase. De tweede cluster, een vertrek waarop ten noorden een polygonale apsis aansluit, is een tweede bouwfase. De apsis kan een hypocaustum-verwarmd bad geweest zijn. De derde cluster staat ten slotte voor een derde fase en bevat de schamele resten van een koudwaterbad.


84

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

297 296

296 bis

295 296 ter

290

0

50cm

Fig. 1.85 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: zuidoostelijk putwandprofiel.

Fig. 1.86 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: zuidoostelijk putwandprofiel.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Belangrijke representatieve ruimten van een domus ten zuiden van de perceelscheiding Ten westen van deze drie sporenclusters bevindt zich wat waarschijnlijk de belangrijkste kern van de domus ten zuiden de perceelscheidingslijn is geweest. De sporen die tot deze kern gerekend mogen worden, strekken zich uit over de viering (het oostelijk gedeelte van werkput 16), het laagkoor (het westelijk gedeelte van werkput 26), het zuidtransept (werkput 12) en de toegang tot de kloostergang (werkput 11) (pl. III, fig. 1.87 en 1.88). In deze zone zijn alle belangrijke muren volgens eenzelfde patroon geconstrueerd. Op een droge fundering van vuursteenblokken, waarvan de volledige breedte en diepte nergens kon worden waargenomen, bevindt zich een ca. 60 cm brede en 1 m hoge, met grote zorg gemetselde fundering van negen lagen zandsteenblokjes en grijze kalkmortel. De kern daarvan is volgestort met grijze mortel en vuursteenfragmenten. Daarop bevindt zich een enkele cm smallere en ca. 60 cm hoge sokkelmuur van drie lagen zandsteenblokjes, twee lagen tegulae en twee lagen zandsteenblokjes, met dezelfde grijze mortel verbonden als voor de gemet-

243

85

selde fundering werd gebruikt. Ter hoogte van de zandstenen blokjes was de kern met vuursteenfragmenten volgestort, ter hoogte van de tegulae met dakpanfragmenten. De voegen van de sokkel werden met ingekraste lijnen geaccentueerd. Op de gemetselde sokkelmuur stond een houtlemen bovenbouw, zoals blijkt uit de grote hoeveelheden verbrande wandleem en uit de negatieve sporen van visgraatpatronen op de achterkant van de fragmenten van de muurschilderingen, aangetroffen in de brand- en puinlagen die de sporen van fase 3 afdekken. Na afwerking van het metselwerk werden de binnenruimten opgehoogd tot aan de overgang van de gemetselde fundering naar de sokkelmuur, waarna de vloeren gelegd werden65. Dit bouwpatroon is gemeenschappelijk voor een reeks belangrijke muren die de noordelijke, westelijke, zuidelijke en oostelijke begrenzing van een min of meer rechthoekig deel van de stadswoning vormden. Ten westen en ten zuiden daarvan zijn nog aangrenzende delen van de plattegrond gevonden. Sommige daarvan (ten zuiden) maakten vanaf het begin van de domus deel uit, andere (ten westen) lijken in een tweede fase toegevoegd.

245

239 241

245

242 238

298

299 299bis

316

309-311

333 333

300

320

318

314

330 317

310 310 332

319

315 320

313

331

321

A

B

C

D 321-322-312 337

0

1m

Fig. 1.87 Tongeren: O.L.V.-basiliek: oostelijk deel van werkput 16 in de viering en werkput 26: sporen van fase 3.

65 Dat loopvlakken kunstmatig werden opgehoogd nadat de binnen- en buitenmuren waren voltooid, is voor Romeinse stadswoningen in Tongeren zeer gebruikelijk. Deze woningen stonden immers op terrassen en dergelijke terrassen werden aangelegd door hoger gelegen delen van een hellend terrein af te graven en lager gelegen delen kunstmatig op te hogen. Vaak gebeurde dat niet alleen voor de start van de bouw, maar werden na het bouwen van de muren en voor het leggen van de vloeren nog aanvullende correcties uitgevoerd. Deze werkwijze was goed zichtbaar in de stadswoningen van de site van de Hondsstraat (Vanderhoeven et al. 1992b, p. 68, p. 72 en fig. 3).


86

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

G

E

A

C

323

H

F

324

D

307 325

B

304

306 302

303 327 326

305

329

0

328

1m

308

Fig. 1.88 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: sporen van fase 3.

De noordelijke grens van dit deel van de stadswoning wordt door twee in elkaars verlengde gelegen en in verband gemetselde muren gevormd (pl. III, fig. 1.87, 1.89, 1.90 en 1.91: sporen 298 en 299). Spoor 298 is een klein stukje noordelijke buitenmuur dat in werkput 16 in de viering kon geregistreerd worden. Zijn lengte bedraagt 1,10 m. Zichtbaar is een deel van de gemetselde fundering: de derde tot zevende laag zandstenen blokjes van de in regel uit negen lagen opgebouwde funderingsmuur. Spoor 299 is de daarop aansluitende muur in werkput 26 in het laagkoor (zie ook fig. 1.63 en 1.64). Hij is daar over een lengte van 5,75 m te volgen. De opbouw is zichtbaar vanaf de bovenkant van de droge fundering tot de top van de sokkelmuur. Haaks op deze oost-west gerichte muur en in verband ermee gemetseld is op twee plaatsen een noord-zuid gerichte muur te zien, die in een eerste fase een belangrijke westelijke begrenzing moet geweest zijn (pl. III, fig. 1.87, 1.89, 1.91 en 1.92: sporen 300 en 301). Spoor 300 is een 2,50 m lang traject van deze noord-zuid-muur op de grens van de werkputten 16 (viering) en 26 (laagkoor). Op die plek is alleen de gemetselde fundering van negen lagen zandsteenblokjes bewaard. Merkwaardig is een onderbreking in de bovenste laag blokjes van ongeveer 80 cm in het uiterste noorden van de muur. In fase 4 wordt deze uitsparing met onregelmatige vuursteenblokken opgevuld, waarna op muur 300 en de aangevulde uitsparing een nieuwe muur wordt gebouwd (fig. 1.89 en 1.91). De uitsparing kan toevallig bij de afbraak van muur 300 gebeurd zijn, maar het is niet uitgesloten dat zich op deze plek een plint voor een deur bevonden heeft. Spoor 301 situeert zich in het verlengde van spoor 300 in werkput 12 (zuidtransept). De muur is er wel enigszins anders opgebouwd (fig. 1.92). Onderaan zijn de lagen zandsteenblokjes 6 tot 9 van de gemetselde fundering te zien. Daarop zien we echter niet het voor de sokkelmuur gebruikelijke parement van drie lagen zandsteen, twee lagen

tegulae en twee lagen zandsteen, maar een opeenvolging van zes lagen zandsteen. Bovendien is nog een klein stukje van een uitspringend muurvlak te zien, waarvan de functie niet duidelijk is en dat vrijwel volledig vernield werd tijdens de doorboring van de muur voor de plaatsing van een stookkanaal in een jongere verbouwing van fase 3. Daar het uitspringend muurvlak in verband is gemetseld met de rest van muur 301 lijkt het uitgesloten dat het verband houdt met de latere doorboring van muur 301 voor de plaatsing van het stookkanaal. Misschien herinnert het verschijnsel aan de aanwezigheid van een deur of doorgang op die plek. De zuidelijke grens is door twee in elkaars verlengde gelegen en in verband gemetselde muren vormgegeven (pl. III, Fig. 1.88, 1.93 en 1.94: sporen 302 en 303). Spoor 302 is een muurfragment in werkput 11 in de toegang tot de kloostergang, waarvan de noordelijke wand over een afstand van 3 m te zien is. Van deze muur zijn de lagen 2 tot 9 van de gemetselde fundering zichtbaar. De sokkelmuur is over haar gehele hoogte van drie lagen zandsteenblokjes, twee lagen tegulae en twee lagen zandsteenblokjes bewaard. Op de noordelijke wand gaat de gemetselde fundering schuil achter een witte pleisterlaag die van een hypocaustuminstallatie deel uitmaakt. Op de zuidelijke wand is de sokkelmuur tot aan de lagen tegulae grotendeels verborgen door een muurschildering, een paarskleurige plint. Spoor 303 is een erop aansluitende en ermee in verband gemetseld muurdeel dat over een afstand van 3,60 m is waargenomen. De sokkelmuur en de bovenste laag zandsteenblokjes van de gemetselde fundering zijn over vrijwel de gehele lengte afgebroken. Alleen op het meest westelijke en meest oostelijke punt is de sokkel nog over lengtes van 10 à 20 cm bewaard. Daar is ook telkens te zien dat hij aan de noordzijde door een muurschildering is afgedekt, andermaal een paarskleurige plint. Op de zuidzijde van muur 302-303 was


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

87

Fig. 1.89 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: sporen 298 en 300 vanuit het zuidwesten. Op muur 300 va fase 3 staat muur 500 van fase 4 (zie fig. 1.191).

Fig. 1.90 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: spoor 299 vanuit het zuiden.

een muurschildering aangebracht, waarvan grote delen in de brand- en puinlaag ten zuiden van de muur zijn aangetroffen. Alleen op de reeds vermelde zuidelijke wand van muur 302 was een stukje in situ bewaard gebleven. De analyse van de muurschilderingen toonde aan dat na de brand van de tweede helft van de 2de eeuw de muur in zuidelijke richting omver was geduwd, tegen de hierna nog te bespreken muur 308 was gebotst en vervolgens in brokstukken in de brandlaag op de vloer terecht was gekomen. De decoratie bestond onderaan uit een paarse plint, daarop een sokkelzone van zwarte panelen en gele, maar door het vuur rood uitgekleurde tussenpanelen, een middenzone van gele panelen en zwarte tussenpanelen en een bovenzone met afbeeldingen van architecturale elementen op een witte achtergrond. Het geheel was minstens 5,70 m hoog.

Haaks op deze oost-west gerichte muren bevindt zich een noordzuid georiënteerde muur die een belangrijke rol als oostelijke begrenzing kan gespeeld hebben. Twee muursegmenten zijn in werkput 11 bewaard gebleven (pl. III, fig. 1.88 en 1.94: sporen 304 en 305). Ze zijn met elkaar en met muur 303 in verband gemetseld. Spoor 304 bevindt zich ten noorden van muur 303 en is nog over een lengte van ca. 80 cm goed zichtbaar. Negen lagen zandsteenblokjes van de gemetselde fundering en de daarop gebouwde sokkelmuur van drie lagen zandsteenblokjes, twee lagen tegulae en twee lagen zandsteenblokjes zijn bewaard. Tot aan de lagen tegulae is de sokkel op de westelijke wand door een muurschildering bedekt. Het is eenzelfde paarse plint die ook op twee plekken op de noordelijke wand van muur 303 aanwezig is en er een hoek mee vormt. Spoor 305 bevindt zich ten zuiden van


88

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.91 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 299 en 300 vanuit het zuidoosten. Op muur 300 van fase 3 staat muur 500 van fase 4 (zie fig. 1.190).

Fig. 1.92 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtranept: spoor 301 vanuit het westen.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

89

Fig. 1.93 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: sporen 302 en 303 vanuit het zuiden. Op muur 302 Van fase 3 staat muur 505 van fase 4 (zie fig. 1.196).

Fig. 1.94 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: sporen 303, 304 en 305 vanuit het westen. Op de muren 303, 304 en 305 van fase 3 staat muur 518 van fase 4 (zie fig. 1.205).

muur 303 en is over een lengte van ca. 1,30 m te zien. Van deze muur zijn alleen de lagen 7 tot 9 van de gemetselde fundering te zien. De daarop gemetselde sokkelmuur werd tijdens een jongere verbouwing van fase 3 volledig verwijderd. In werkput 11 is nog een tweede, noord-zuid georiënteerde muur aanwezig, haaks op en in verband met muur 302-303 gemetseld (pl. III, fig. 1.88, 1.95, 1.96 en 1.97: spoor 306). Ze heeft de klassieke opbouw van negen lagen zandsteenblokjes van de gemetselde fundering en daarop de drie lagen zandstenen, twee lagen tegulae en twee lagen zandstenen van de sokkelmuur. In deze muur 306 bevond zich in een eerste fase een deur (pl. III, fig. 1.88, 1.95, 1.96 en 1.97: spoor 307), die in een tweede fase werd dichtgemaakt. Daarbij heeft men gepoogd het ritme van de stenen- en tegulae-lagen van de sokkelmuur te volgen (fig. 1.96 en 1.97). De muur kan nog over een lengte van ca. 1,20 m gevolgd worden,

waarvan 70 cm door de deur van de eerste bouwfase wordt ingenomen. De volledige breedte van deze doorgang kon echter niet bepaald worden. Op de westelijke wand van muur 306 is de gemetselde fundering door een laag witte pleister van een hypocaustum-installatie afgedekt, die aansluit op dezelfde pleisterlaag die ook op de noordelijke wand van muur 302 is aangebracht. Op de oostelijke wand van muur 306 moet, behalve ter hoogte van doorgang 307, aanvankelijk eenzelfde muurschildering aangebracht zijn als op de noordelijke wand van muur 303 en de westelijke wand van muur 304 kon waargenomen worden: een paarse plint aan de basis van een sokkelzone. Die muurschildering moet tijdens het dichtmetselen van de oorspronkelijke doorgang echter beschadigd of zelfs geheel vernield zijn geweest. In elk geval werd op de oostelijke wand van muur 306 na de verbouwing een nieuwe muurschildering aangebracht: een patroon van onregelmatig verlopende rode lijnen op een witte achter-


90

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.95 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: sporen 303 en 306 vanuit het oosten.

Fig. 1.96 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: sporen 303, 306 en 307 na verwijdering van de muurschildering vanuit het oosten.

grond, wat een marmerimitatie moet voorstellen (fig. 1.95; zie 5.2.3).

zeven lagen zandstenen blokjes. Daarop stond een sokkelmuur met dezelfde gelaagdheid van tegulae en zandstenen blokjes die vanuit de kelder al op het zuidelijk muurvlak geteld kon worden. De sokkelmuur kwam overigens pas in beeld nadat een daarop aangebrachte muurschildering gelicht was (fig. 1.100). Die bestond uit een paarse plint, waarboven nog net de aanzetten van rode - in werkelijkheid rood verbrande, gele - en zwarte panelen van de sokkelzone te zien waren. Aan de basis was de plint zwart beroet door de brand van de tweede helft van de 2de eeuw. Hoewel de gelaagdheid van stenen en tegulae van zowel de gemetselde fundering, als van de sokkelmuur enigszins van die van de muren 298 tot 307 verschilt, hoort muur 308 ongetwijfeld toch tot hetzelfde bouwproject. De op muur 308 aangetroffen muurschildering is immers identiek aan de muurschildering die op de ten noorden ervan gebouwde muur 302-303 was aangebracht.

Aan al deze op dezelfde manier opgebouwde muren kan ten slotte iets verder naar het zuiden nog een muur toegevoegd worden (pl. III, fig. 1.88, 1.98, 1.99 en 1.100: spoor 308). Deze muur is niet in een werkvlak aan het licht gekomen, maar werd tijdens de stabiliteits- en bouwwerkzaamheden bij het uithakken van een doorgang ontdekt en in kaart gebracht (fig. 1.98). Hij kwam een eerste maal aan het licht toen ter voorbereiding van stabiliteitswerken aan de fundering van de noordelijke muur van de kapittelzaal (spoor 993) de noordelijke wand van een 19de-eeuwse kelder werd doorbroken. Deze kelder bevindt zich ten zuiden van werkput 11. Het bleek dat de basis van de noordelijke keldermuur een hergebruikte Romeinse muur was. Van onder naar boven telt het vanuit de kelder zichtbare zuidelijk muurvlak daarvan één laag tegulae, vijf lagen zandstenen blokken, twee lagen tegulae en twee lagen zandstenen blokken. Dit komt overeen met de sokkelmuur van spoor 308. Op een veel lager niveau werd dezelfde muur vanuit werkput 11 een tweede maal doorbroken toen een doorgang vanuit die werkput naar de 19de-eeuwse kelder werd gemaakt (fig. 1.99 en 1.100). Op dat moment werd het noordelijk muurvlak van de muur over een veel grotere hoogte/diepte zichtbaar, dan vanuit de 19de-eeuwse kelder te zien was. Onderaan was nog net de overgang van de droge fundering naar de gemetselde fundering te zien. Het gemetselde deel bestond uit

Binnen het door de muren 298 tot 308 omschreven areaal zijn delen van drie vertrekken en een vermoedelijke gang bewaard. Eén vertrek situeert zich in het noorden in werkput 26, twee vertrekken en de vermoedelijke gang bevinden zich in het zuiden in werkput 11. Twee vertrekken zijn door een hypocaustum verwarmd, één niet. Binnen elk van deze ruimtes kan men zich in principe aan een drieledige stratigrafie van funderingslagen, van een vloerniveau en van een brand- en puinlaag verwachten. In de praktijk blijken echter niet altijd alle drie geledingen van deze bouw-, woon- en afbraakgeschiedenis aanwezig te zijn.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

91

Fig. 1.98 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: spoor 308 vanuit het zuiden.

Fig. 1.97 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: sporen 302, 306 en 307 vanuit het westen. Op de muren 306 en 307 van fase 3 staat muur 504 van fase 4 (zie fig. 1.195).

In werkput 26 is het noordelijk gedeelte van een hypocaustumverwarmd vertrek aangetroffen. De noordelijke grens wordt bepaald door muur 299, de westelijke door muur 300. De oostelijke begrenzing is niet zichtbaar, de zuidelijke valt buiten de opgegraven zone. Onder de hypocaustum-installatie zijn twee ophogingslagen aangetroffen. Spoor 309 is de onderste ophogingslaag en is ca. 40 cm dik (pl. III, fig. 1.87 en 1.101). Ze bestaat uit geelgrijs gevlekte zandige leem, vermengd met houtskool, verbrande leem en grijze en roze mortelfragmenten. Daarin is een uitgraving met een diepte van een tiental cm gemaakt, waarvan alleen de noordoostelijke hoek was te zien, de noordelijke zijde over een afstand van ca. 70 cm en de oostelijke over een afstand van ca. 140 cm (pl. III, fig. 1.87 en 1.101: spoor 310). Ze was waarschijnlijk rechthoekig en met donkergrijze, houtskoolrijke, zandige leem en enkele vondsten gevuld. Spoor 311 is de bovenste ophogingslaag (pl. III en fig. 1.87), ca. 20 cm dik en met geelbruine zandige leem, met houtskool, verbrande leem, grijze en gele mortel en dakpanfragmenten gevuld. Gezamenlijk vormen de sporen 309 tot 311 het bouwniveau van de domus van fase 3. Ze vertegenwoordigen een kunstmatige ophoging voor het aanleggen van de vloer en vloerverwarming. Het daarin weergevonden vondstmateriaal is

Fig. 1.99 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: spoor 308 na verwijdering van de muurschildering vanuit het noorden.

voor een belangrijk deel opspit. De lagen worden afgedekt door een complex uitgewerkte vloerverwarming, een combinatie van een pijler-hypocaustum en een kanaal-hypocaustum66. Van het pijler-hypocaustum is alleen de noordwestelijke hoek te zien

66 Dergelijke combinaties komen vaak in private woningen in onze streken voor (Degbomont 1984, p. 127-131).


92

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.100 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: spoor 308 vanuit het westen.

Fig. 1.101 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 299, 300, 309, 310, 312-314 en 320 vanuit het oosten.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

(pl. III, fig. 1.87, 1.101, 1.102 en 1.103: spoor 312). Het is in de voornoemde ophogingslagen uitgegraven tot een diepte van ca. 25 cm onder het bodemniveau van de kanalen die erin uitmonden. De noordelijke wand is voor ca. 2,40 m bewaard, de westelijke voor ca. 0,90 m. De wanden zijn met een roze kalkmortel bestreken. Op de bodem ligt een laag vloerbeton. Tegen de noordelijke wand zijn delen van drie pijlers bewaard, gemaakt van gehalveerde cirkelvormige hypocaustum-tegels die met grijze mortel verbonden zijn. Op drie plekken zijn deze halve pijlers nog

93

bewaard (spoor 312: A, B en C). Ongeveer een halve meter ten zuiden van die lijn moet een tweede rij cirkelvormige hypocaustum-pijlers gestaan hebben. Daarvan is op één plek nog één tegel in situ bewaard (spoor 312: D). De munt die bij het opgraven van het hypocaustum geregistreerd werd, een imitatie antoninianus van Aurelianus voor divus Claudius II uit de periode 270 300 (cat. nr. 37), moet als intrusief beschouwd worden. Van het op het pijler-hypocaustum aangesloten kanaal-hypocaustum zijn drie kanalen bewaard. Ze zijn alle drie op dezelfde wijze

Fig. 1.102 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 312-315 vanuit het zuiden.

Fig. 1.103 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 299, 300 en 312-317 vanuit het zuidoosten.


94

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

geconstrueerd (pl. III, fig. 1.87, 1.101, 1.102 en 1.103: sporen 313317). De muurtjes zijn van rommelig in grijze kalkmortel gelegde vuursteen- en dakpanfragmenten gemaakt. Hun breedte schommelt tussen de 30 en 50 cm. De kanaaltjes zelf zijn ca. 20 cm diep bewaard en 40 à 60 cm breed. De binnenwanden zijn met een dunne laag roze kalkmortel bestreken en op de bodem ligt een laag vloerbeton, gedragen door een laag van vuursteenfragmenten. Spoor 313 is een kanaal dat vanuit het pijler-hypocaustum in noordwestelijke richting verloopt. De lengte bedraagt ca. 3,50 m. Het kanaal mondt uit in een trekgat in muur 300. Op het contactpunt met muur 300 zijn rechtop gezette tegulae geplaatst, waartussen een laag gele leem is aangebracht (spoor 317). Spoor 314 is een vertakking van kanaal 313. Ze loopt in noordnoordwestelijke richting en zal naar alle waarschijnlijkheid in een trekgat in muur 299 zijn uitgemond. Het contactpunt is echter door latere werkzaamheden, de bouw van de koormuur van de grote Karolingische kerk, verloren gegaan. Ze is nog over een lengte van ca. 1,50 m bewaard. Spoor 315 is een kanaal dat over zijn volledige lengte van ca. 2,50 m bewaard is. Het verbindt het pijlerhypocaustum in noordelijke richting met een trekgat in muur 299. Op het contactpunt met muur 299 zijn andermaal rechtop gezette tegulae geplaatst met daartussen lagen gele leem (spoor 316). Deze tegulae en leemlagen zijn allicht een bescherming voor de muren tegen de hitte van de luchtcirculatie. Na de bouw van de hypocaustum-installatie zijn de ruimtes tussen de kanaaltjes verder opgevuld met gele zandige leem, waarin houtskool, verbrande leem, grijze en roze mortel, kalk en een enkel dakpanfragment zijn opgenomen (pl. III, fig. 1.87 en 1.104: spoor 318).

De vondsten dateren vaak 1ste-eeuws. Het gaat waarschijnlijk om elders afgegraven oudere stratigrafie. Vervolgens is doorheen die laag tussen de kanaaltjes 314 en 315 een rooster van palen ingeheid (pl. III, fig. 1.87 en 1.104: spoor 319). Deze tekenen zich als cirkelvormige holtes met diameters van 10 tot 20 cm in de ondergrond af. Ze dienden als fundering voor de op het hypocaustum aangelegde vloer (pl. III, fig. 1.87, 1.105 en 1.106: spoor 320)67. Deze vloer is bijkomend op een ca. 15 cm dikke laag vuursteenblokken gefundeerd en bestaat uit 10 à 20 cm opus signinum, op twee plekken binnen de ruimte bewaard. Op twee plekken is ook de contactzone van vloer 320 met muur 299 behouden gebleven. Daar is een lijn te zien die op het eerste gezicht de dikte van de tegen muur 299 aangebrachte en op vloer 320 gezette wandbepleistering aangeeft (pl. III, fig. 1.87, 1.105 en 1.106: spoor 299bis). De lijn staat echter op ca. 10 cm van het muurparement. Dit is ruim het dubbele van de dikte van de muurschilderingfragmenten die in de puinlaag op vloer 310 zijn aangetroffen. Er moet dan ook rekening gehouden worden met een stenen plint aan de basis van de muur. De L-vormig uitgesmeerde geelgrijze voegmortel op de overgang van muur naar vloer lijkt dit ook te suggereren. In de noordwestelijke hoek van het vertrek is verder nog te zien dat een nazakking in de betonnen vloer met gele leem werd opgevuld. Op hypocaustum 312 en vloer 320 lag de branden puinlaag van de brand die de domus in de tweede helft van de 2de eeuw in as heeft gelegd en fase 3 afsluit (pl. III en fig. 1.87: spoor 321). Op de vloer is deze laag nog ca. 10 cm dik, ter hoogte van het ingestorte hypocaustum bedraagt de dikte ca. 50 cm. Ze bevat naast de gebruikelijke brokstukken rood verbrande leem,

Fig. 1.104 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 318 en 319 vanuit het noorden. Een aantal paalsporen maakt deel uit van een laat-Romeinse fundering uit fase 5 op dezelfde plek en komt bijgevolg niet op de overzichtsplattegronden van fase 4 voor (pl. IV en fig. 1.87).

67 De zone waarin deze vroeg-Romeinse paalsporen uit fase 4 aan het licht gekomen zijn valt gedeeltelijk samen met de zone van een laat-Romeinse palenfundering voor een apsis uit fase 5. Op grond van zowel de verticale als de horizontale stratigrafie is het alsnog mogelijk beide van elkaar te onderscheiden, al kan een enkele verkeerde toewijzing van een paalgat niet uitgesloten worden. Een vergelijkbaar palenraster ter ondersteuning van betonvloeren is gepubliceerd voor een stadswoning in Keulen (Thomas 2004, p. 578 en Abb. 11, p. 616 en Abb. 53).


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

95

Fig. 1.105 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 299, 300, 299bis en 320 vanuit het zuidoosten.

Fig. 1.106 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 299, 299Bis en 320 vanuit het zuiden.

gele leem en houtskool van de deels verbrande houtlemen bovenbouw ook elementen van de wanddecoratie. De aan het vertrek toewijsbare muurschilderingen zijn van grote kwaliteit en verraden een hoge status van deze ruimte binnen de domus. Tot slot bevindt zich ter hoogte van het pijler-hypocaustum nog een tweede puinlaag van brokstukken grijze en roze kalkmortel en fragmenten van tegulae en cirkelvormige hypocaustum-tegels (pl. III en fig. 1.87: spoor 322), resten van de ontmanteling van de vloerverwarming.

In werkput 11 is het zuidoostelijk deel van nog een hypocaustumverwarmd vertrek bewaard. De zuidelijke wand wordt door muur 302 gevormd, de oostelijke door muur 306, waarin in een eerste fase deur 307 was aangebracht, die in een tweede fase werd dichtgemetseld. Over het gehele areaal van het voor onderzoek toegankelijk deel van deze ruimte was de basis van het hypocaustum bewaard. Ze bestaat uit een laag opus signinum (pl. III, fig. 1.88 en 1.107: spoor 323). Omdat beslist werd het hypocaustum in situ te bewaren kon de dikte ervan niet bepaald worden.


96

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Op de betonvloer zijn nog acht indrukken van hypocaustumpijlers zichtbaar (spoor 323: A-H). Op twee plekken is de basis van de pijlers nog bewaard (fig. 1.108: spoor 323: A en B). Daaruit blijkt dat op de vloer telkens een vierkante hypocaustum-tegel lag, waarop verder cirkelvormige tegels gestapeld waren68. Dat blijkt althans het geval te zijn voor de pijlers A en B. Tussen de tegels was gele leem aangebracht. Onmiddellijk op de basis van de verwarmingsinstallatie lag een dik pakket gefragmenteerde vloerbeton (pl. III, fig. 1.88 en 1.109: spoor 324) afkomstig van de ingestorte en ontmantelde vloer van het vertrek.

Fig. 1.107 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: spoor 323 vanuit het westen.

Nog in werkput 11 bevindt zich het aangrenzend zuidelijk deel van een niet verwarmde ruimte. Muur 306 met deur 307 is daarvan de oostzijde, muur 303 de zuidzijde en muur 304 de oostzijde. Alleen de zuidelijke zijde is over geheel haar lengte van ca. 3,60 m te zien. In het door deze muren begrensde areaal is tijdens de opgraving geen vloer of duidelijk loopvlak herkend. Ofwel moet aangenomen worden dat de vloer al in de oudheid volledig werd uitgebroken, ofwel was hier geen vloer aanwezig. Maar het voorkomen van muurschilderingen op de binnenwanden - paarse plinten op de oostelijke en zuidelijke wanden en wellicht in een eerste fase ook op de westelijke en een wit en rode marmerimitatie in een tweede fase op de westelijke wand - wijst erop dat de ommuurde ruimte binnenshuis is gelegen. Binnen de ruimte is een ca. 50 cm dikke brand- en puinlaag bewaard gebleven met grote hoeveelheden verbrande en niet verbrande leemwandfragmenten en houtskool, grijze en roze mortel en stukken dakpan (pl. III en fig. 1.88: spoor 325). Er rest nog te begrijpen hoe in werkput 11 de zone ten zuiden van muur 302-303 en ten noorden van muur 308 zich tot dit geheel verhoudt. De oost-west gerichte muur 302-303 kan over een lengte van ca. 6,50 m waargenomen worden. Ze kan in principe vanaf het meest westelijk zichtbare punt nog 2,50 m in westelijke richting doorgelopen hebben, tot het punt waar ze in werkput 12 in het zuidtransept in contact met de noord-zuid gerichte muur 300-301 moet gekomen zijn. Muur 308 is slechts op één punt waargenomen, daar waar de doorgang van de 19de-eeuwse kelder naar werkput 11 gerealiseerd werd. De afstand tussen de zuidelijke wand van muur 302-303 en de noordelijke wand van muur 308 bedraagt ca. 3,10 m. De afmetingen van 3,10 m x minstens 6,50 m suggereren een extreem langwerpige ruimte, eerder als een gang, portiek of voorhal te beschouwen dan als een kamer. Aan de oostzijde wordt deze gang door muur 305 afgesloten. Het loopvlak van deze ruimte tekent zich af als een rood uitgegloeid en zwart geblakerd, met veel houtskool bedekt lemen vloerniveau (pl. III, fig. 1.88, 1.110 en 1.111: spoor 326). Mogelijk

Fig. 1.108 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: spoor 323A en B vanuit het westen.

68 Vierkante en cirkelvormige hypocaustum-pijlers kunnen in alle mogelijke combinaties voorkomen (Degbomont 1984, p. 98-102 en fig. 159).


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

97

Fig. 1.109 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: noordwestelijk putwandprofiel: spoor 324.

Fig. 1.110 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: sporen 326-329 vanuit het noorden

lag een planken vloer in het vertrek. Een veertigtal cm ten westen van muur 305 is een ca. 50 cm brede fundering van 1 à 2 lagen vuursteenblokken gelegd, door een laag grijze kalkmortel afgedekt (pl. III, fig. 1.88, 1.110, 1.111 en 1.112: spoor 327). Daarop lag een 10 cm brede verkoolde balk (pl. III, fig. 1.88, 1.110 en 1.111: spoor 328). Een dergelijke constructie kan de fundering van een houten en lemen binnenwand geweest zijn, maar nauwelijks 40 cm van de gemetselde muur 305 geplaatst is dit niet te begrijpen. Het is waarschijnlijker dat dit één van de draagbalken van een planken vloer is geweest. Op het loopvlak ligt een 30 à 40 cm dikke brand- en puinlaag (pl. III, fig. 1.88, 1.110 en 1.111: spoor 329). Onderaan bevat deze laag een pakket dakpanfragmenten, na de brand tot stand gekomen bij de afbraak van het resterende gedeelte van het dak. Bovenin bevindt zich overwegend gele en rood verbrande leemwand en grote aantallen beschilderde pleisterfragmenten, afkomstig van de omgeduwde houten en lemen

bovenbouw van muur 302-303. Daartussen zijn ook onderdelen van het plafond terechtgekomen (zie 5.2.1, ensemble 3 en 5.2.2, ensemble 4). Overigens is daartussen ook een hoeveelheid plafonddecoratie van de gang gevonden. Een reeks zijvertrekken van een domus ten zuiden van de perceelscheiding Ten westen van de hierboven beschreven zone situeert zich een reeks van vijf zijvertrekken die blijkens de waargenomen bouwnaden in een tweede fase zijn toegevoegd (pl. III en fig. 1.113). Het moment waarop dat gebeurd is, blijft onbepaald. Het gaat zeker om een verbouwing die tijdens fase 3 heeft plaatsgevonden. Het is buitengewoon moeilijk om zich een nauwkeurige voorstelling te maken van deze zijvertrekken in fase 3. Wel is vastgesteld dat de meest noordelijk gelegen vertrekken aan de brand van de tweede helft van de 2de eeuw ontsnapt zijn. Daar staat echter


98

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.111 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: zuidoostelijk putwandprofiel. Brandlaag 329 van fase 3 wordt afgedekt door vloer 520-521 en brand- en puinlaag 523-524 van fase 4 (zie fig. 1.207).

Fig. 1.112 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: spoor 327 vanuit het westen.

tegenover dat deze noordelijke vertrekken in fase 4 diepgaand getransformeerd werden. Enerzijds werd de positie van de muren wel behouden, maar anderzijds werden vloeren ofwel deels hergebruikt, waardoor het vaak onmogelijk is met zekerheid te bepalen wat tot fase 3 en wat tot fase 4 behoord heeft, ofwel volledig heraangelegd, waardoor de herinnering aan de situatie ten tijde van fase 3 verloren is gegaan. In de meer zuidelijk gelegen vertrekken is fase 3 beter bewaard en makkelijker te begrijpen. De resten zijn er door de brand- en puinlaag afgedekt en verzegeld. Bij de verbouwing tijdens fase 4 is de kamerindeling ook gewijzigd of heeft men meer van de architectuur van fase 3 als fundering hergebruikt, waardoor er ook meer van behouden bleef.

Voor de bouw van de zijvertrekken is een ophogings- en egalisatielaag aangebracht (pl. III, fig. 1.113, 1.114, 1.115, 1.116, 1.117, 1.126, 1.128 en 1.129: spoor 330), minstens 30 à 40 cm dik. Ze bestaat uit overwegend gele zandige leem, waarin ook donkere, grijs of bruin gekleurde zones voorkomen. Daarin bevinden zich de gebruikelijke, tot gruis vermalen houtskool en verbrande leem en resten van bouw- of afbraakwerken: witte, grijze, gele en roze kalkmortel, kalk, dakpan- en natuursteenfragmenten, verbrande mortelfragmenten en wandpleister en af en toe wat zand, kiezel en klei. Er is een substantiële hoeveelheid vondsten geborgen maar in verhouding tot het volume grond niet bovenmatig veel. De jongste vondsten dateren van het einde van de 1ste eeuw of het begin van de 2de eeuw. De laag bevatte een loden sestertius


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

van Nero uit de jaren 54-68. Twee fragmenten van een regionale amphora van het type Vanvinckenroye 447-448 moeten als intrusief beschouwd worden. Spoor 330 bevat ook een omvangrijk ensemble aan dierlijke resten met diverse soorten jachtwild. Bij de huiszoogdieren delen varken en rund de eerste plaats69. Een eerste zijvertrek, gelegen in werkput 16 (viering), wordt in het noorden door muur 298 begrensd. Muur 300 vormt de oostelijke afbakening. De zuidelijke grens bestaat uit een muur op droge fundering van silexblokken, nog over een diepte van 0,50 m waargenomen (spoor 331), waarop de met regelmatig gekapte vuursteenblokjes en dakpanfragmenten in grijze kalkmortel gemetselde overgang naar het opgaand muurwerk nog bewaard is (spoor 332) (pl. III, fig. 1.113 en 1.116). Er is een bouwnaad met muur 300 te zien. De fundering van deze muur wordt in fase 4 hergebruikt voor muur 527 en het is niet duidelijk of en tot welke diepte het oude metselwerk door nieuw werd vervangen. De westelijke begrenzing gaat schuil onder de apsis van de laatRomeinse basilica. Er mag echter verondersteld worden dat de westelijke muur in het verlengde van de westelijke muur 336 van het hierna te beschrijven tweede zijvertrek stond. Op die manier kan het eerste zijvertrek als een kleine ruimte van ca. 2 x 3 m gereconstrueerd worden. Van het originele vloerniveau is niets bewaard gebleven. Wel is ca. 20 cm ten zuiden van muur 298 een ca. 50 cm brede fundering van een enkele laag vuursteenblokken gevonden, plaatselijk met grijze kalkmortel afgedekt (pl. III, fig. 1.113 en 1.117: spoor 333). Een bouwnaad met muur 300 is zichtbaar. Ze vertoont grote gelijkenis met spoor 327 in werkput 11 dat daar als fundering voor een draagbalk van een planken vloer geïnterpreteerd werd. In dit vertrek lag ten tijde van fase 4 een door de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw afgedekte betonnen vloer. Het is niet uit te sluiten dat deze vloer al in fase 3 is aangelegd, maar dit kan op geen enkele manier bewezen worden. De beschrijving van deze betonnen vloer is dan ook in fase 4 opgenomen. Ten gevolge van de diep ingrijpende verbouwingswerken tijdens fase 4 is ook de te verwachten brandlaag van de tweede helft van de 2de eeuw niet bewaard gebleven. Ofwel heeft de brand op deze plek niet gewoed, ofwel is de brandlaag tijdens de verbouwingswerken van fase 4 opgeruimd. Een tweede zijvertrek bevindt zich deels in werkput 16 (viering) en deels in werkput 12 (zuidtransept). Het wordt in het noorden door muur 331-332 begrensd. De oostelijke afbakening is niet zichtbaar maar moet muur 300 geweest zijn die zich ter hoogte van dit vertrek buiten de opgravingszone bevindt. In het zuiden wordt de grens door een muur gevormd die voor het grootste deel onder een muur van fase 4 schuil gaat (pl. III, fig. 1.113, 1.114, 1.115 en 1.118: spoor 334). Alleen de noordelijke zijde is nog over een breedte van een twintigtal cm te zien. De muur is er tot op het vloerniveau afgebroken, waardoor alleen de top in beeld komt. Er is nog net een laag in grijsroze kalkmortel gemetselde zandstenen parementblokjes te zien, wellicht de basis van de opgaande muur. Een 10 cm ten noorden van de muur op de aangrenzende vloer zichtbare lijn verraadt de aanwezigheid van een plint aan de basis van de muur (fig. 1.119: spoor 335). Deze plint was

69 Ervynck et al. 2017, p. 461.

99

242 298 333

320 300

330

317 332

331

330 337

330 336

337

335 334

352 336

341

340

330

330 354

342 343 343 343

339

330 350

338 338 347 349

301

348

353

346

345 344

301

330

351

0

2m

Fig. 1.113 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering, werkput 12 in het zuidtransept en werkput 19 in het zuidportaal: sporen van fase 3.


100

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.114 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: oostelijke putwandprofielen van noord (A) naar zuid (D).

A

B

C

D


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

A

B

817

817

C

101

D

833 833 832A

832A

832A

832B 832B

832C

832B 832C

832C

529

832D 350

832D

832D

832C 832D

536 678

334E

536

535

535 535

342 0

832A

1m

330

330

330 678

Fig. 1.115 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: samenvatting van de oostelijke putwandprofielen.

Fig. 1.116 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: sporen 330-332 en 337 vanuit het westen. Vloer 337 van fase 3 wordt afgedekt door vloer 531 van fase 4 (zie fig. 1.218).

met geelgroene mortel gemetseld. Achter deze voegmortel is plaatselijk nog een dun, op het parement aangebracht laagje donkerroze mortel te zien. Aan de zuidelijke zijde gaat de constructie helemaal schuil achter een fundering van een muur van fase 4, die op muur 334 van fase 3 gebouwd is. De westelijke begrenzing is vrijwel helemaal ten gevolge van de verbouwingen van fase 4 verloren gegaan (pl. III en fig. 1.113: spoor 336). Ze mag echter op dezelfde plek gesitueerd worden als de opvolger van fase 4. In werkput 16 is nog een stukje van het originele fundament be-

waard: een droge fundering van vuursteenblokken en kiezel, vanuit het oosten over een diepte van ca. 50 cm zichtbaar (fig. 1.120). In werkput 12 is dezelfde fundering vanuit het westen over een diepte van een twintigtal cm te zien, evenals daarop, over een hoogte van ca. 20 cm, de onderste twee lagen parementstenen van zandsteen (fig. 1.121). In deze ruimte lag een betonnen vloer (pl. III, fig. 1.113, 1.116 en 1.118: spoor 337): ca. 15 cm opus signinum, gesteund door ca. 15 cm vuursteenblokken. De binnenruimte kan op 3 x 3,80 m geschat worden. Ook binnen dit


102

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.117 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: sporen 298, 300, 330 en 333 vanuit het westen.

Fig. 1.118 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: sporen 334 en 337 vanuit het noorden. Muur 334 van fase 3 wordt afgedekt door muur 529 van fase 4 (zie fig. 1.217).

Fig. 1.119 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: detailopname van de sporen 334, 335 en 337 vanuit het noorden.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

103

Fig. 1.120 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: noordelijk gedeelten van spoor 336 vanuit het oosten. Muur 336 van fase 3 wordt afgedekt door muur 530 van fase 4 (zie fig. 1.216).

Fig. 1.121 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtranept: zuidelijk gedeelte van spoor 336 vanuit het westen. Muur 336 van fase 3 wordt afgedekt door de muren 530 en 533 van fase 4 (zie fig. 1.215).

tweede zijvertrek is geen spoor van de brandlaag van de tweede helft van de 2de eeuw te zien. Of de brand heeft er niet gewoed of de brandlaag is tijdens de verbouwingswerken van fase 4 volledig opgeruimd. De betonvloer van fase 4 (spoor 531) is in elk geval rechtstreeks op vloer 337 van fase 3 gelegd. Een derde zijvertrek, gelegen in werkput 12 (zuidtransept) (fig. 1.122), heeft muur 334 als noordelijke begrenzing. De oostelijke afbakening wordt door muur 301 gevormd, die ter hoogte van het derde vertrek evenwel voor een groot deel buiten de opgravingszone valt. Alleen het meest zuidelijke stukje is nog net in kaart gebracht. De zuidelijke grens wordt door een muur gevormd, waarvan nog een twintigtal cm droge fundering van vuursteenblokken zichtbaar was en waarvan vier lagen zandstenen blokjes van de buitenbekleding van het opgaand muurwerk bewaard waren (pl. III, fig. 1.113, 1.123 en 1.124: spoor 338). De kern was met vuursteengruis en grijze kalkmortel gevuld. Voor de bouw werd een grijze kalkmortel gebruikt, tegen de

buitenwanden overvloedig aangebracht en enigszins slordig afgestreken. Op de zuidelijke wand zijn daarop brandsporen te zien, wellicht omdat de ruimte daar als praefurnium van een vloerverwarming werd gebruikt. Muur 338 toont een bouwnaad met muur 301. De westelijke muur is geheel verdwenen bij de bouw van zijn opvolger in fase 4, die zelf voor een groot deel alleen nog als uitbraakspoor bewaard is. Mogelijk is een deel van die uitbraak van hergebruikt muurwerk van fase 3 geweest (pl. III en fig. 1.113: spoor 339). In de op die manier omschreven binnenruimte van ca. 3 x 3 m lag een planken vloer. Waar de hoger beschreven sporen 327 en 333 funderingen van silexblokken waren, die in respectievelijk de werkputten 11 en 16 de draagbalken van planken vloeren droegen, is dit in werkput 12 niet het geval. Daar werd de planken vloer blijkbaar door op de grond gelegde funderingsbalken gesteund. Van dit ondersteuningssysteem zijn resten van drie verkoolde en deels uitgebroken balken weergevonden (pl. III, fig. 1.113, 1.114, 1.115, 1.122 en 1.125: sporen 340-342). Ze liggen noord-zuid gericht en min of


104

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.122 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: gezicht op de sporen van fase 3 vanuit het zuiden.

Fig. 1.123 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: sporen 338 en 347 vanuit het noorden.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

105

Fig. 1.124 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: sporen 338 en 347 vanuit het zuiden.

meer parallel aan elkaar in het derde zijvertrek. Van het meest westelijke uitbraakspoor (spoor 340) is nog ca. 90 cm bewaard. Het middelste (spoor 341) kan over een lengte van 2,10 m gevolgd worden en bevat een kleine hoeveelheid muurschilderingfragmenten (zie 5.2.14, ensemble 31). Het meest oostelijke (spoor 342) is nog ca. 1,60 m lang. De breedte schommelt tussen 15 en 25 cm. Tot slot is tegen de zuidelijke wand een langwerpige kuil met een diameter van ongeveer 1 m en een diepte van 10 à 20 cm gevonden (pl. III, fig. 1.113, 1.122 en 1.125: spoor 343). Ze was met brandafval, dakpanfragmenten, roze en witte mortel gevuld en staat mogelijk in verband met de afbraakwerkzaamheden na de brand die fase 3 afsluit. Voor het overige is in het derde vertrek nauwelijks wat van de brandlaag aangetroffen. Het vierde zijvertrek bevindt zich in werkput 12 (zuidtransept). Het wordt in het noorden door muur 338 afgebakend en in het oosten door muur 301. De zuidelijke muur kwam aan het licht toen tijdens de werken een deel van de zuidelijke buitenmuur van de grote laat-Karolingische kerk werd afgebroken (pl. III en fig. 1.113: spoor 344). Over een afstand van ca. 1,50 m was de top van de fundering te zien. Ze is van vuursteen en grijze kalkmortel gemaakt en heeft een breedte van een vijftigtal cm. Van de westelijke muur is over een lengte van ca. 1,40 m nog een stuk origineel metselwerk bewaard (pl. III en fig. 1.113: spoor 345). Voor de constructie is grijze kalkmortel gebruikt. Aan de oostelijke zijde, binnenshuis, is onderaan nog net de top van de droge fundering van silexblokken te zien. Daarop is een afgewerkt parement van drie lagen zandsteenblokjes en twee lagen tegulae bewaard. Aan de westelijke zijde, buitenshuis, is onder die twee lagen tegulae een opeenstapeling van vier lagen onafgewerkte silexblokken zichtbaar. Het lijkt erop dat het loopvlak van het vierde zijvertrek zich een halve meter lager dan het loopvlak buitenshuis bevond. Zoals gebruikelijk is de muurkern met een mengsel van mortel en vuursteensplinters gevuld. Ter hoogte van de lagen tegulae is de hele breedte, ca. 40 cm, door dit ceramisch bouwmateriaal in beslag genomen. De vier geciteerde wanden bakenen een ruimte van ca. 2 x 3 m af. Daarin is een praefurnium voor een vloerverwarming gebouwd. Doorheen

muur 301 is een stookkanaal aangelegd (pl. III, fig. 1.113, 1.126 en 1.127: spoor 346). Het is 1,90 m lang en 1 m breed. De ca. 30 cm brede wanden steunen op een ongeveer 20 cm diepe fundering van vuursteen en grijze kalkmortel. Ze zijn met tegulae en geelgrijze mortel opgebouwd en worden door een tongewelf afgedekt. Aan beide zijden bevinden zich op de fundering vijf lagen tegulae, die onder een aangrenzend en met het kanaal in verband gemetseld muurtje doorlopen. Daarop zijn nog eens acht lagen tegulae bewaard, waarvan de bovenste drie de aanzet van het verder ingestorte gewelf zijn. De bodem bestaat uit elf rechtop gezette 2 à 4 cm dikke tegulae, waartussen gele leem is aangebracht. Vanaf de bodem tot de onderkant van het gewelf moet de hoogte naar schatting 65 à 70 cm geweest zijn. Ten noorden en ten zuiden van de monding van het kanaal is een noord-zuid gericht muurtje gemetseld (pl. III, fig. 1.113 1.126 en 1.127: spoor 347). Ten zuiden van het kanaal is nauwelijks nog iets van de vuurstenen funderingsblokken in beeld gekomen. Ten noorden is de constructie echter beter bewaard. Vanaf de basis van de fundering tot de bewaarde hoogte van de muur bedraagt de afstand ca. 1,20 m. Zichtbaar is de 20 cm dikke fundering van vuursteen en grijze kalkmortel, waarop ook de kanaalmuurtjes rusten, drie over de gehele lengte van de muur doorlopende lagen tegulae, drie lagen zandstenen parementblokjes, één laag tegulae en vier lagen zandstenen parementblokjes. Op de muur zijn brandsporen bewaard. De gemetselde muur is ca. 40 cm dik en vertoont een bouwnaad met muur 338. Ten westen van het kanaal tekent zich een vierkante uitgraving af, die op basis van haar vulling als de eigenlijke stookkuil kan geïnterpreteerd worden (pl. III, fig. 1.113, 1.126, 1.128 en 1.129: spoor 348). De kuil meet ongeveer 1,10 x 1,10 m. De vulling bestaat uit een nauwelijks 25 cm dik lagenpakket, waarin een zevental onderdelen onderkend kunnen worden: · laag A onderaan is een laag zwarte houtskoolas; · laag B is een dun laagje gele leem; · laag C is een tweede laag zwarte houtskoolas; · laag D is een laagje geelgrijze, met houtskool vervuilde zandige leem. Op deze laag lag een hoeveelheid vondsten, waarvan de jongste vanaf het midden van de 2de eeuw dateren.


106

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.125 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: sporen 340-343 vanuit het zuiden.

· laag E is een dun laagje wit zand; · laag F is een dun laagje gele zandige leem, waarin mortel en dakpanfragmenten zijn opgenomen; · laag G is een dun bandje in situ zwart tot rood verbrande leem; · laag H is een laag verbrande leem en dakpangruis. In de noordoostelijke hoek van het vierde zijvertrek, omgeven door de muren 338 en 301, stookkanaal 346 en muur 347, is over een oppervlakte van ca. 65 x 65 cm een laag vloerbeton op een pakket dakpangruis gestort (pl. III en fig. 1.113: spoor 349). Het is niet duidelijk of dit een in situ bewaard stukje van een oudere vloer van het vertrek is, die dan in een tweede fase bij de bouw van de stookinstallatie overal elders werd uitgebroken, of dat het om een na het bouwen van de stookinstallatie gestort overschot van bouwmateriaal gaat. Het laatste lijkt het meest voor de hand te liggen. In het eerste geval zou men immers uitbraaksporen van een vloer elders tegen de binnenwanden verwachten. Tot slot is in het vertrek, met name in het stookkanaal, een grote hoeveelheid brandafval en puin gevonden, afkomstig van de uiteindelijke vernieling van de domus van fase 3, in de tweede helft van de 2de eeuw (pl. III, fig. 1.113, 1.128 en 1.129: spoor 350). Het stookkanaal is zelfs geheel met dit materiaal gevuld.

Fig. 1.126 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: sporen 346-348 vanuit het westen.

Een vijfde zijvertrek bevindt zich voor een deel in werkput 12 (zuidtransept) en voor een deel in werkput 19 (zuidportaal). Muur 344 vormt de noordelijke grens, muur 301, waarvan na afbraak van een deel van de zuidelijke buitenmuur van de grote Karolingische kerk alleen nog de bovenkant van de droge fundering over een afstand van ca. 1,60 m zichtbaar werd, vormt de oostelijke grens. De zuidelijke afbakening is een muur die maar moeizaam in werkput 19 in het zuidportaal geobserveerd kon worden (pl. III, fig. 1.113, 1.130 en 1.131: spoor 351). Hij is over een lengte van 3,40 m deels als muur (in het westen), deels als


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

107

Fig. 1.127 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: sporen 346 en 347 vanuit het westen.

Fig. 1.128 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: zuidelijk putwandprofiel.

354 350 348 F C B A

345

H E

D

330

352 330

G

330 86 69

0

1m

Fig. 1.129 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: zuidelijk putwandprofiel.


108

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.130 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 19 in het zuidportaal: spoor 351 vanuit het oosten.

Fig. 1.131 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 19 in het zuidportaal: detailopname van spoor 351 vanuit het zuiden.

uitbraakspoor (in het oosten) bewaard. De fundering is nergens aangesneden. Alleen opgaand muurwerk was zichtbaar. Dat muurwerk bestaat vanaf het diepste waarneembare punt uit vier lagen tegulae, met daarop zeven lagen zandstenen parementblokjes en daarop weer twee lagen tegulae. De grijze kalkmortel is overvloedig in de voegen aangebracht en slordig afgestreken. De bouwwijze is identiek aan die van de muren 338 en 347 in het derde en vierde zijvertrek. Muur 351 zal in fase 4 hergebruikt worden. De westelijke afbakening van het vijfde zijvertrek valt geheel buiten beeld, maar moet zich in het verlengde van muur 345, de westelijke buitenmuur van het vierde zijvertrek bevonden hebben. Op die manier komt een binnenruimte van ca. 3 x 3,25 m in beeld. Van dit vertrek zijn noch de vloer, noch de mogelijk daarop gelegen brandlaag van de tweede helft van de 2de eeuw bewaard gebleven.

werkput 16 aanwezig geweest zijn. Teruggevonden is een restant van een noord-zuid verlopend houten kanaal (spoor 352) en van een haaks daarop oost-west verlopende goot (spoor 353) (pl. III, fig. 1.113, 1.128, 1.132, 1.133 en 1.134). Hun breedte varieert van 30 tot 40 cm, de bewaarde diepte is 20 à 30 cm. Kanaal 352 is over een afstand van ca. 5,20 m te zien. In het noorden is het van een uitgeholde boomstam gemaakt. In het zuiden gaat het om een planken constructie, waarin blijkbaar nog een loden bekleding was aangebracht, waarvan op het uiterste zuidelijke punt nog een fragment bewaard was (fig. 1.135)70. Kanaal 353 dat in kanaal 352 uitmondt, heeft nog een bewaarde lengte van ca. 1,60 m. Het was eveneens met planken opgebouwd. In de vulling is een kleine hoeveelheid muurschilderingen aangetroffen (zie 5.2.13, ensemble 26). Het drainagesysteem is door de brand van de tweede helft van de 2de eeuw vernield, de houten onderdelen zijn verkoold en daardoor deels bewaard gebleven. De loden binnenbekleding werd na de brand allicht zoveel mogelijk gerecycleerd. De positie die beide kanalen binnen de plattegrond innemen biedt bijkomende informatie over de architectuur van het aangrenzende gedeelte van de domus van fase 3. Die wijst er immers

Ongeveer 0,50 m ten westen van de reeks zijvertrekken werd een kanaalsysteem voor de opvang en afvoer van regenwater aangelegd. De resten zijn alleen in het zuidtransept in werkput 12 te zien geweest, maar het systeem zal zeker ook in de viering in

70 Het fragment draagt aan de rand resten van verroeste ijzeren nagels. Wellicht werden de loden platen met nagels aan de planken kanaalstructuur bevestigd. Vergelijkbare vondsten zijn bekend van de villa van Hoogeloon (S.N. 2014, p. 557 en fig. 24.1 en fig. 24.2). Aan de bewaard gebleven punten van de ijzeren nagels kon men daar waarnemen dat de loden platen op houten planken waren genageld.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Fig. 1.132 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: sporen 330 en 352 vanuit het noorden. De vulling van kanaal 352 is nog in situ.

109

Fig. 1.133 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: sporen 330 en 352 vanuit het zuiden. De vulling van kanaal 352 is gedeeltelijk verwijderd.

Fig. 1.134 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: sporen 330, 345, 352 en 353 vanuit het zuiden. Fig. 1.135 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: loden bekleding van spoor 352 vanuit het noorden.


110

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

op dat de dakhelling van de rij zijvertrekken ten oosten van kanaal 352 van oost naar west helde en die van een verder niet zichtbare ruimte ten zuiden van kanaal 353 van zuid naar noord71. De door de afvoergoten ingenomen buitenruimte was door een pakket brandafval bedekt (pl. III, fig. 1.113 en fig. 1.128: spoor 354). Plaatselijk is het tot 0,50 m dik. Het bevatte veel puin van de brand zelf en van de daarop volgende ontmanteling van de domus: grote hoeveelheden houtskool, verbrande en niet verbrande leemwand, brokstukken grijze, gele en witte kalkmortel, natuursteen en vooral dakpannen. Merkwaardig genoeg waren er nauwelijks vondsten in aanwezig. Samenhang van de weergevonden delen van een domus ten zuiden van de perceelscheiding Hoewel de besproken gebouwresten tot de best bewaarde Romeinse architectuur van de civitas-hoofdplaats kunnen gerekend worden, bemoeilijken de talloze verstoringen uit latere tijden in ernstige mate de interpretaties. Het gaat immers om weliswaar goed bewaarde, maar erg van elkaar geïsoleerde stukjes architectuur. Er kan dan ook alleen maar gegist worden naar de functie van de blootgelegde ruimtes. In werkput 25 en 27 is een open en mogelijk op een straat uitgevende binnenplaats van een domus aangetroffen (sporen 271 tot 286). Ten westen daarvan gaven de resten in de werkputten 26 en 27 de indruk tot een meerfasig badgebouw te behoren (sporen 287 tot 297). Nog verder ten westen, in de werkputten 11, 12, 16, 19 en 26 bevinden zich overblijfselen van wat als het woongedeelte van de domus beschouwd kan worden (sporen 298 tot 354). Daarin lijkt zich nog een onderscheid te tonen tussen een meer oostelijk gelegen deel, met hypocaustumverwarmde en rijk versierde vertrekken, bovendien van grotere dimensie, en een meer westelijk gelegen deel van kleinere zijvertrekken, soberder vormgegeven, waarin zelfs de stookinstallatie van voornoemde hypocausta was opgenomen. De noordelijke grens van dit geheel wordt bepaald door de perceelscheidingslijn die de site van de O.L.V.-basiliek in twee min of meer gelijke delen verdeelt. De zuidelijke grens is niet bereikt. Het is dan ook te verwachten dat op de terreinen ten zuiden van de O.L.V.-basiliek nog belangrijke onderdelen van de domus stonden. De westelijke grens van de stadwoning kon wel bepaald worden. In het verder westwaarts gelegen centrale gedeelte van de opgraving zijn in fase 3 immers geen gebouwresten van betekenis meer aangetroffen.

1.4.4 De bewoningssporen in het centrale gedeelte van het opgravingsterrein De bouw van een perceelscheidings- en terrasmuur in het centrale gedeelte van het opgravingsterrein In het centrale gedeelte van het opgravingsterrein, de werkputten 2 en 16 in de middenbeuk, start fase 3 met de bouw van een oost-west gerichte perceelscheidings- en terrasmuur (spoor 355). Plaatselijk is de insteek van de fundering nog te zien (spoor 356) (pl. III, fig. 1.136 en 1.137). De muur is tijdens de opgraving blijven staan, waardoor de verticale opbouw in profiel kan bestudeerd worden. Aan de zuidelijke zijde is op die manier ca. 40 cm droge fundering van onregelmatige vuursteenblokken zichtbaar. Daarop bevindt zich 40 à 50 cm fundering van dakpanfragmenten met, vooral onderaan, onregelmatige vuursteenblokjes en, vooral bovenin, geelgrijze kalkmortel. Daarop zijn twee lagen grote, regelmatig gekapte vuursteenblokken met grijze kalkmortel gemetseld met een gezamenlijke hoogte van 30 à 40 cm. Daarop zijn nog eens drie lagen moeraskalksteenblokjes in grijze kalkmortel bewaard, samen ca. 35 cm hoog. Ze vormen de basis van het zorgvuldig afgewerkt parement van het bovengronds zichtbare muurgedeelte. Aan de noordelijke zijde is het profiel van de muur heel anders opgebouwd. Onderaan bevinden zich nog dezelfde lagen droge fundering en fundering met mortel, maar waar die aan de zuidelijke zijde door zorgvuldig gemetselde fundering en parement van opgaand muurwerk bekroond zijn, is aan de noordelijke zijde alleen maar ruw afgewerkte gemetselde fundering te zien. Het loopvlak bevindt zich na voltooiing van muur 355 blijkbaar een stuk hoger ten noorden dan ten zuiden van de perceel- en terrasmuur. Zowel ten noorden als ten zuiden van deze muur zijn sporen van bouwactiviteiten te zien, die naar alle waarschijnlijkheid met de aanleg van de muur te maken hebben. Ten noorden van perceelscheidingsmuur 355 strekt zich in werkput 2, het westelijk deel van de middenbeuk, een grijsbruine laag zandige leem met houtskool en kleine hoeveelheden kalk, dakpan- en vuursteengruis uit. De laag is ca. 30 cm dik. Het vondstenbestand is samengesteld uit een grote hoeveelheid opgespit ouder en een kleine hoeveelheid eigentijds materiaal (pl. III en fig. 1.136: spoor 357). Daarop ligt een laag van enkele cm wit zand, waarin verder geen vondsten aanwezig zijn (pl. III en fig. 1.136:

71 De in de noordelijke provincies van het Romeinse Rijk gestichte steden waren naar alle waarschijnlijkheid vanaf hun oprichting van een afwateringssysteem voorzien, zoals blijkt uit de in de loop der jaren onder de aandacht gebrachte voorbeelden van Keulen (Precht 1971, p. 54 en noot 21; Kaspar & Schaaf 2000, p. 9), Boedapest (Póczy 2003) en Xanten (Grote 1995; Hübner 2008). Voorbeelden van afwateringssystemen uit de ontstaansfase van nederzettingen zijn o.m. de Augusteïsche legerplaats Oberaden (Kühlborn & von Schnurbein 1992, p. 35-36 en Abb. 16-19) en de Augusteïsche centrale plaats Waldgirmes (von Schnurbein 2003, p. 102 en Abb. 10). Beide nederzettingen hebben maar een korte bewoningsgeschiedenis gekend, waardoor het sporenbestand tot één bewoningsfase beperkt is gebleven en het afwateringssysteem, inclusief de vergane houten kanalen, goed zichtbaar is gebleven. Ook uit de ontstaansfase van Tongeren zijn drainagegreppels gekend (Vanderhoeven et al. 1992a). De kanalen waren vaak in de as van straten of onder portieken aangelegd, in eerste instantie in hout vervaardigd en daarna vaak geleidelijk in steen omgezet. Een bekend voorbeeld is het houten kanaal onder de hoofdstraat van Voorburg (Buijtendorp 2006, p. 100-101; Koot 2006, p. 269-270). Vanuit de individuele percelen voerden kleinere leidingen afvalwater naar deze kanalen. Dergelijke leidingen waren vaak in terra cotta gebouwd, hetzij met tegulae, hetzij met imbrices (Precht 1971 voor Keulen; Berthold & Martell 2005, p. 105-106 en Abb. 81 en Hübner 2008, p. 401-403 voor Xanten), soms ook in terra cotta buizen (zie De Boe 1975, p. 8-10 en fig. 2 voor de villa van Haccourt en Dewert et al. 2001 voor de vicus van Liberchies). Houten leidingen zijn minder vaak waargenomen, wellicht vanwege de geringe zichtbaarheid van het vergane hout van deze vaak ondiepe structuren (zie Berthold & Martell (2005) voor een voorbeeld in Xanten). Een reconstructie van een houten porticus-kanaal is te vinden bij Hinz (1971, p. 107-108 en Bild 3A en 5 en Grote 1995, p. 289-291 en Abb. 19-20). Op vindplaatsen waar de bodemomstandigheden ertoe hebben geleid dat hout bewaard bleef, worden ze echter veelvuldig gevonden (Dewert et al. 2001). Doorgaans neemt men aan dat de leidingen huishoudelijk of ambachtelijk afvalwater afvoerden. De houten kanalen van de site van de O.L.V.-basiliek, aangetroffen in werkput 27 in het hoogkoor, in werkput 12 in het zuidtransept en in werkput 15 in de zuidelijke zijbeuk, dankzij de brand van de tweede helft van de 2de eeuw verkoold en daardoor goed bewaard, waren duidelijk bedoeld om het regenwater van de daken op te vangen en af te voeren. De constructie is relatief eenvoudig (uitgeholde boomstammen, eenvoudige zetting van planken op de bodem en tegen de wanden) en is niet te vergelijken met de meer ingewikkelde uitwerking van de in de Xantener straten aangelegde houten kanalen die bovendien afgedekt waren (Hinz 1971, p. 106-107 en Abb. 6 en 7; Hübner 2008, p. 397-399). Daar staat tegenover dat in de O.L.V.-basiliek ten minste in werkput 12 een bekleding met loden platen aangebracht lijkt te zijn.


408 372

371

398

397 402

397 402

358

355

369 370

378

410

260bis

364 366 381 382

0

2m

397 402

397

357

379 380

373 376

356

404

409

377

368

403B

403A

405 407

355 383 367 360 362

361

359

363

111

Fig. 1.136 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 en werkput 16 in de middenbeuk: overzicht van de sporen uit fase 3.

410

368

367

De sporen uit de vroeg-Romeinse periode


112

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.137 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de oostelijke middenbeuk: spoor 355.

spoor 358). Nog ten noorden van perceelscheidingsmuur 355 is in werkput 16, het oostelijk deel van de middenbeuk, het restant van een klein houten bouwsel opgetekend (pl. III en fig. 1.136: sporen 359-362). Te onderkennen is een wat rommelig geplaatste palenrij. Spoor 359 is een paalkuil van onbepaalde vorm en dimensies, waarvan de zuidelijke rand nog net binnen de opgegraven oppervlakte valt en die verder nog in een putwandprofiel te zien is (fig. 1.138 en 1.139). Het spoor bevat zandige leem met houtskool- en kalkinclusies, splinters natuursteen en grijze mortel. In het profiel is wel nog het verschil tussen de geelgrijs gevlekte kuilvulling en een wat donkerder grijs gekleurd paalspoor te zien. Ten zuidwesten van deze paal bevindt zich spoor 360, een langwerpige paalkuil, ca. 0,50 x 1,70 m, met geelgrijs gevlekte zandige leem gevuld en vervuild met houtskool, verbrande leem, kalk, grijze en roze mortel, dakpan- en natuursteensplinters. In de kuil zijn twee paalsporen zichtbaar, die zich als donkergrijze, kleiige verkleuringen aftekenen. Spoor 361 is een vierkant paalspoor van ca. 20 x 20 cm, spoor 362 is eveneens vierkant en meet ca. 10 x 10 cm. Ten zuidwesten van deze dubbele paalkuil situeert zich spoor 360bis, een onregelmatige paalkuil met een diameter van ca. 30 cm, met grijze zandige leem, waarin dakpanfragmenten geconcentreerd liggen. Het geheel volgt een oriëntatie die van de gebruikelijke uitlijning van het Tongerse gebouwenbestand afwijkt. Mogelijk gaat het om een tijdelijk windscherm of staketsel, ter ondersteuning van een afdak, waar bouwmateriaal als mortel vervaardigd werd. Omheen de palenrij bevindt zich een grijsbruine, ca. 10 cm dikke laag (pl. III, fig. 1.136, 1.138 en 1.139: spoor 363) die het loopvlak markeert, waarop het windscherm of afdak gebruikt werd. Het bestaat uit deels verharde zandige leem met houtskoolpoeder en kruimels verbrande leem vermengd, waarop veel bouwafval terecht is gekomen: kalk, roze, gele en grijze mortelfragmenten, splinters natuursteen en dakpan en een opvallende hoeveelheid oesterschelpen. Ten westen van de palenrij 359-360bis is in dit loopvlak een 10 à 15 cm diepe uitgraving aangebracht, waarin zich een fijne gelaagdheid heeft afgezet (pl. III, fig. 1.136, 1.138 en 1.139: sporen 364-366). Van onder naar boven bestaat ze uit een donkergrijs laagje zandige leem met daarop wit uitgespoelde leem (spoor 364), een laagje geelgrijs gevlekte leem (spoor 365) en een laagje groen en bruin uitgekleurde zandige leem, weer door wit uitgespoelde leem afgedekt (spoor 366). Al dit materiaal lijkt in de

uitgraving ingespoeld te zijn. Ten oosten van de palenrij 359360bis en er min of meer door begrensd strekt zich op het loopvlak een 5 à 10 cm dik pakket kalk en witgrijze mortelfragmenten uit (pl. III, fig. 1.136, 1.138 en 1.139: spoor 367). Tot slot wordt het geheel door een laag licht geelgrijze, vrijwel zuivere leem afgedekt, met een dikte van 10 à 20 cm (pl. III, fig. 1.136, 1.138 en 1.139: spoor 368). Ten zuiden van perceelscheidingsmuur 355 wordt in werkput 2, het westelijk deel van de middenbeuk, aan het begin van fase 3 een tweetal lagen gedeponeerd. Beide zijn maximaal ca. 50 cm dik (pl. III en fig. 1.136: sporen 369 en 370). Ze hebben deels als doel een depressie dicht te gooien, die boven een grote Flavische kuil was ontstaan. Spoor 369 is het oudste spoor. Het is een laag grijze, met houtskool vermengde zandige leem, waarin grote hoeveelheden kalkbrokken, witte pleister en dakpanfragmenten zijn opgenomen. Spoor 370 is een plaatselijk aangebrachte ophogingslaag van bruingrijze zandige leem, vermengd met houtskool- en verbrande leemfragmenten. Verder zijn de bodems van twee kalkkuilen bewaard gebleven. Een eerste kalkkuil heeft een vierkante plattegrond en meet ca. 55 x 55 cm (pl. III, fig. 1.136 en 1.140: spoor 371). De wanden waren waarschijnlijk van planken gemaakt. De bodem van de kuil was geheel met verharde kalk bedekt, ca. 10 cm dik. Een tweede kalkkuil heeft een rechthoekige plattegrond en meet ca. 55 x 65 cm (pl. III, fig. 1.136 en 1.141: spoor 372). Ook van deze kuil is aan te nemen dat ze een planken bekisting had. De op de bodem aanwezige, ca. 10 cm dikke laag verharde kalk is plaatselijk weggegraven. Nog ten zuiden van perceelscheidingsmuur 355 is in werkput 16 in het oostelijk deel van de middenbeuk een viertal ophogingslagen aangetroffen, net als de lagen 369 en 370 in werkput 2 bedoeld om de boven een Flavische kuil ontstane depressie op te vullen. De oudste laag, spoor 373, ca. 20 cm dik, bestaat uit donkergrijze zandige leem met houtskool, kalk, grijze mortel, geel en wit zand en natuursteenfragmenten. Daarop ligt spoor 374, een ca. 20 cm dikke laag lichtgrijze, zandige leem met daarin wat houtskool vermengd. Daarop ligt spoor 375, bij benadering 10 cm grijsbruine zandige leem met houtskool, grijze en roze mortel, kalk, geel zand, natuursteen- en dakpanfragmenten. Spoor 375 bevat fragmenten van een wandecoratie van een raam


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

90°

A 382 366

364

365

168

169

86 0

B

C-D

368

363 169

359

367

E

368

367

383

168

169

113

86

383 368

363 168

86

1m

Fig. 1.138 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de oostelijke middenbeuk: westelijk en noordelijk putwandprofiel ter hoogte van de sporen uit fase 1 tot fase 3.

A

C

B

D

E

Fig. 1.139 Tongeren: O.L.V.-basiliek: Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de oostelijke middenbeuk: westelijk (A) en noordelijk (B-E) putwandprofiel ter hoogte van de sporen uit fase 1 tot fase 3.


114

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.140 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: spoor 371 vanuit het westen.

Fig. 1.141 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de westelijke middenbeuk: spoor 372 vanuit het westen.

(zie 5.2.10, ensemble 23). De jongste laag, spoor 376, is het loopvlak van waarop muur 355 gebouwd werd. Het bestaat uit ongeveer 10 cm grijsbruine leem. In dit loopvlak zijn twee kalkkuilen aangelegd. Een eerste, spoor 377, is deels door de fundering van een Karolingisch stookkanaal aan het gezicht onttrokken, meet ca. 60 cm x minstens 70 cm en tekent zich als een rechthoek af, waarin nog resten van verharde kalk bewaard zijn (pl. III, fig. 1.136 en 1.142). Een tweede, spoor 378, meet ca. 1,10 x 2,60 m en heeft een langgerekte rechthoekige plattegrond. Ook deze kuil is voor een stukje door de fundering van het Karolingische stookkanaal bedekt (pl. III, fig. 1.136 en 1.143). Mogelijk gaat het om resten van twee, elkaar overlappende kuilen, waarvan de oudste geheel ontmanteld is en de jongste nog een laag verharde kalk op de bodem bevatte. Beide kuilen waren van houten bekistingen voorzien, zoals uit de in de kalk bewaarde indrukken van planken blijkt. De sporen 357 tot 378 vormen een samenhangend geheel dat zich aan weerszijden van de perceelscheidingsmuur 355 situeert. Het bestaat deels uit ophogingslagen die het geaccidenteerd terrein dat na fase 2 was ontstaan moesten egaliseren, en deels uit een loop- en bouwniveau, waarop resten van constructieactiviteiten zijn blijven liggen, die wellicht met de bouw van muur 355 en mogelijk van andere, buiten beeld gebleven steenbouw verband houden. De hiernavolgende beschrijvingen betreffen sporen die na de bouw van muur 355 zijn tot stand gekomen, hetzij ten noorden, hetzij ten zuiden van de perceelscheiding en die er deels door begrensd worden. Bewoningssporen ten noorden van de perceelscheidings- en terrasmuur Onmiddellijk ten noorden van perceelscheidingsmuur 355 is na de bouw ervan in fase 3 een aantal lagen gedeponeerd (pl. III en fig. 1.136: sporen 379 tot 382) en werd er een kuil gegraven (spoor 383). In het westelijk gedeelte van de middenbeuk (werkput 2) is spoor 379 tot stand gekomen. Het betreft een laag vrijwel zuivere gele leem, 5 à 10 cm dik. Daarop is spoor 380 gestort, een ca. 20 cm dikke laag grijze zandige leem met verspreide, maar ook geconcentreerde houtskoolpakketjes, veel pleister en wat dakpan- en natuursteenfragmenten. Tot de laatste vondstcategorie hoort een fragment van een Attische zuilbasis in Norroy kalksteen (zie 2, nr. D.1). Het dateerbaar vondstmate-

Fig. 1.142 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de oostelijke middenbeuk: spoor 377 vanuit het oosten.

Fig. 1.143 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de oostelijke middenbeuk: spoor 378 van uit het westen.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

riaal is 2de-eeuws, met name uit de eerste helft van die eeuw, maar er is een belangrijke bijmenging van 1ste-eeuwse vondsten. De laag bevat een groot aantal dierlijke resten met een opvallend ensemble oesterschelpen, zowel wild als gedomesticeerd gevogelte en resten van huiszoogdieren die door het varken worden gedomineerd72. In het oostelijk gedeelte van de middenbeuk (werkput 16) is in dezelfde periode spoor 381 gestort, een 20 à 30 cm dikke laag donkergrijze zandige leem met houtskool- en verbrande leem vermengd, verder zand, klei en bouwafval als kalk, witte, grijze en roze mortel en dakpan- en natuursteenfragmenten. Het vondstensemble daaruit bevat hoofdzakelijk residueel materiaal. De dierlijke resten bestaan, voor zover determineerbaar, in hoofdzaak uit skeletelementen van de klassieke huisdieren, waarin het rund de eerste plaats inneemt, met dubbel zoveel elementen als varken en schaap/geit samen73. Daarop strekt zich spoor 382 uit, een 40 à 50 cm dikke laag deels gele en deels lichtgrijze zandige leem, met bijmenging van houtskool- en verbrande leemfragmentjes, klei en zand, kleine aantallen kalkfragmenten en grijze en roze mortel. Beide lagen worden door een kuil doorsneden, waarvan slecht een klein gedeelte in het opgravingsvlak kan afgelijnd worden (pl. III, fig. 1.136, 1.138 en 1.139: spoor 383). Het grootste gedeelte is door de bouw van latere Romeinse en middeleeuwse muren vernield. De kuil lijkt ovaalrond geweest te zijn, ca. 1,80 x minstens 2,20 m. Een klein stukje profiel verraadt een komvormige wand- en wellicht ook bodemstructuur. De diepte kon niet bepaald worden. Er tekent zich een onduidelijke gelaagdheid in af. Op het diepste waarneembare punt bestaat de vulling hoofdzakelijk uit grijze zandige leem, hogerop uit overwegen gele zandige leem, zoals gebruikelijk met fijn gefragmenteerde houtskool en verbrande leem, maar ook met klei en zand vermengd. Het profiel toont ook dunne horizonten van bouwpuin: dakpan- en natuursteenfragmenten, kalk en gele, grijze en roze mortel. De kuilvulling bestaat voor een belangrijk deel uit verspitte lagen 381 en 382.

115

verkoolde funderingsbalk te zien (fig. 1.144). Bij wijze van hypothese kan muur 384 als de oostelijke muur van een kelder geïnterpreteerd worden en muur 385 als de zuidelijke muur van een keldertrap. Bij aanname van deze hypothese is spoor 386, een kleine stukje ten westen van de muren zichtbare gelaagdheid, vulling van deze kelder (pl. III). Het betreft bruingrijze zandige leem, waaruit naast mortel, steen- en dakpanfragmenten, enkele vondsten konden geborgen worden. De vulling wordt door spoor 387 afgedekt, een restant van de brandlaag van de tweede helft van de 2de eeuw (pl. III). Iets meer naar het oosten van de mogelijke kelder is een noordzuid gerichte droge fundering van silexblokken, ongeveer 0,50 m breed, over een lengte van ca. 1,80 m bewaard (pl. III: spoor 388). Deze fundering doorsnijdt een kuil die aan alle buitenzijden en in het midden verstoord is (pl. III en fig. 1.145: spoor 389), waarvan bijgevolg op geen enkele manier nog de vorm kan bepaald worden, maar waarin wel nog een zevental opvullingslagen kan onderscheiden worden. Ze wekken de indruk dat in de kuil enkele malen een vuur gestookt is. Van oud naar jong zijn te onderscheiden: · laag A: een laag lichtgrijze, vrijwel zuivere zandige leem; · laag B: een dunne laag rood en zwart in situ verbrande leem; · laag C: een laag grijsbruine zandige leem met houtskool, verbrande leem en kalk; · laag D: een dunne laag houtskool;

Verder noordwaarts in de noordelijke zijbeuk (werkputten 4 en 17) zijn de resten van de eerste steenbouwfase maar incidenteel bewaard, want verstoord door de vele latere bouwactiviteiten. Hieronder volgt een overzicht van het sporenbestand van fase 3 dat start op het meest westelijke punt in werkput 4 en eindigt op het meest oostelijke in werkput 17. Op het meest westelijke punt van werkput 4 suggereert fragmentair bewaard muurwerk de aanwezigheid van een stenen kelder. Spoor 384 is een fragment van een noord-zuid georiënteerde muur, zichtbaar over een lengte van ca. 1,20 m en ongeveer 70 cm dik (pl. III). De oostelijke zijde bestaat uit ruw, onafgewerkt en tegen de volle grond geplaatst metselwerk, een mengsel van grijze kalkmortel en onregelmatige vuursteenblokken. De westelijke zijde is niet zichtbaar. Spoor 385 is een deels als gemetselde fundering, deels als uitbraakspoor bewaarde oost-west georiënteerde muur, over een lengte van ca. 2,70 m te volgen. De dikte van het stukje bewaarde fundering is ca. 35 cm. Het bewaarde metselwerk van muur 385 is vergelijkbaar met dat van muur 384: in grijze kalkmortel gestorte onregelmatige vuursteenblokken (pl. III). In de min of meer gladgestreken mortel aan de bovenkant is de indruk van een ca. 15 cm brede, deels

72 Ervynck et al. 2017, p. 461-464.

Fig. 1.144 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 4 in de noordelijke zijbeuk: spoor 385 vanuit het westen.

73 Ervynck et al. 2017, p. 464.


116

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.145 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 4 in de noordelijke zijbeuk: spoor 389.

G

F

E B

389

0

D

A

C

1m

Fig. 1.146 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 17 in de noordelijke zijbeuk: sporen 390-393 in het profiel vanuit het noorden.

· laag E: een laag grijsbruine zandige leem met houtskool, verbrande leem en kalk; · laag F: een laag geelgrijze zandig leem; · laag G: een laag brandafval. Dit kan ook de vulling van het uitbraakspoor boven fundering 388 zijn. Verder oostwaarts situeert zich een zone waar zich een uit fase 3 daterend lagenpakket van verschillende bouw-, ophogings- en vloerniveaus bevindt (pl. III, fig. 1.146 en 1.147: sporen 390-394). Van onder naar boven zijn vijf lagen met een beperkte uitge-

74 Geukens 1990 (= 1962), 26-32; Vanderhoeven & Vynckier 1998.

strektheid herkenbaar. Ze werden voor het eerst gedocumenteerd tijdens een in 1996 uitgevoerd vooronderzoek. Dat vond plaats op een plek waar aan het begin van de jaren 60 van de vorige eeuw vanuit een kelder onder de eerste en tweede noordelijke zijkappellen een tunnel in zuidelijke richting was gegraven74. Na schoonmaken van dit tunnelwandprofiel kwam een gelaagdheid in beeld, die uiteindelijk aan fase 3 van de bouw- en bewoningsgeschiedenis van de site van de O.L.V.-basiliek kan toegeschreven worden. De top van het lagenpakket was door een ingegraven vroegmiddeleeuwse sarcofaag verstoord. Tijdens de


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

117

Fig. 1.147 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 17 in de noordelijke zijbeuk: sporen 393394 in het vlak vanuit het noorden.

opgraving van de noordelijke zijbeuk in 2004 kwamen na het wegnemen van de sarcofaag dezelfde lagen weer in het vlak tevoorschijn. De combinatie van beide waarnemingen leidt tot de hiernavolgende reconstructie. De oudste aan fase 3 toeschrijfbare laag is een ca. 20 cm dik pakket vrij zuivere gele leem, door een laag houtskool afgedekt (spoor 390). Daarop zijn twee lagen grijze mortel gestort, waartussen grijs en geel gevlekte leem ligt, met houtskool- en verbrande leemfragmenten vermengd (spoor 391). Het geheel is 20 à 30 cm dik. De onderste grijze laag markeert waarschijnlijk een bouwniveau, de bovenste een vloerniveau. Daarop bevindt zich weer een 10 à 15 cm dikke laag geel en grijs gevlekte leem met houtskool- en verbrande leemfragmentjes (spoor 392). Ze bevat een grote hoeveelheid vondsten die karakteristiek zijn voor de tweede helft van de 1ste eeuw en het begin van de 2de eeuw. Wellicht werd voor dit ophogingspakket elders op het terrein een Flavische laag afval aangesneden. Daarin zat ook een residuele as van Augustus uit de jaren 10 - 14 n.Chr. (cat. nr. 11). De dierlijke resten zijn in voldoende mate aanwezig om een consumptiepatroon te kunnen weerspiegelen75. Het gaat om een eerder beperkt soortenspectrum, waarin rund domineert. Laag 392 wordt door een laag muurschilderingfragmenten afgedekt, met een dikte van zowat 10 cm (spoor 393). Ook dit pakket is met veel nederzettingsafval vermengd, globaal uit de tweede helft van de 1ste eeuw en het begin van de 2de eeuw daterend, maar er is ook een klein aantal vondsten uit de eerste helft van de 2de eeuw in aanwezig. Vanaf dat punt is de stratigrafie in de in 1996 schoongemaakte proefput van 1960 niet meer zichtbaar. In de werkvlakken van de opgraving in 2004 kon echter vastgesteld worden dat op de laag muurschilderingfragmenten een vloer in opus signinum was gelegd (spoor 394). Daarop lag een klein aantal vondsten, overwegend ouder, residueel materiaal, maar deels ook uit de 2de eeuw daterend. Het lagenpakket bevindt zich blijkbaar binnen een kamer, waarvan de vloer enkele malen is hersteld en opgehoogd, maar waarvan de wanden nergens meer zichtbaar zijn, want door de vele latere graaf- en bouwactiviteiten vernield.

75 Ervynck et al. 2017, p. 464.

Deze geschiedenis situeert zich blijkbaar aan het begin van fase 3, want het lagenpakket wordt ten oosten door een eveneens nog uit deze fase daterende beerput doorsneden (pl. III en fig. 1.148: spoor 395). Van deze constructie zijn vrijwel alleen de randzones bewaard gebleven. Het centrale gedeelte is bij de aanleg van een gotische fundering vernield. De kuil meet ca. 1,80 x 2 m en de vulling kan over een diepte van zowat 1 m waargenomen worden. Onderaan bestaat ze uit geelgrijze zandige leem met houtskoolbanden, wat verbrande leem, enkele dakpanfragmenten en grijze mortel (laag A). Bovenin bevindt zich nagezakte brandlaag van de tweede helft van de 2de eeuw, die de ontwikkelingen van fase 3 op deze plek afsluit (laag B). De brandlaag bevat naast verbrande en onverbrande leemwand en resten van verkoold hout ook pleister, dakpan- en natuursteenfragmenten. Noch de bovenkant, noch de onderkant van spoor 395 zijn waargenomen. Het is dan ook niet mogelijk de dikte van de lagen A en B te kennen. Op het meest oostelijke punt van werkput 17 is een ophoging van bruingrijze zandige leem geregistreerd, waarin naast houtskoolen verbrande leemfragmentjes overwegend fijn vergruisd bouwpuin vermengd is: grijze, witte en roze mortel, kalkinclusies en natuursteen- en dakpanfragmenten (pl. III: spoor 396). Deze laag is op het diepste toegelaten opgravingsvlak aangetroffen, waardoor de dikte niet meer bepaald kon worden. Bewoningssporen ten zuiden van de perceelscheidings- en terrasmuur Onmiddellijk ten zuiden van perceelscheidingsmuur 355 zijn na de bouw ervan in fase 3 eveneens terreinophogingen aangebracht en uitgravingen verricht. In het westelijk gedeelte zijn hoofdzakelijk sporen van terreinophogingen terug te vinden (pl. III en fig. 1.136: sporen 397-402). In het oostelijk gedeelte hebben diverse bouwactiviteiten plaatsgevonden (pl. III en fig. 1.136: sporen 403-410).


118

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.148 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 17 in de noordelijke zijbeuk: spoor 395 vanuit het westen.

In werkput 2, het westelijk gedeelte van de middenbeuk, werd op de eerste plaats een geelgrijze, 20 à 30 cm dikke laag zandige leem gedeponeerd (spoor 397). Naast de gebruikelijke ruis van houtskool en verbrande leem bevinden zich in deze ophoging een kleine concentratie brandafval, een plaatselijk geconcentreerd laagje witte mortel en verspreid nederzettingsafval. Op de laag is een kleine oven aangelegd (spoor 398). Hij is van het langwerpige type, ca. 80 cm lang en 35 cm breed. Zichtbaar zijn de rood uitgegloeide randen en een pakket op de bodem achtergelaten houtskool. Lokaal zijn op spoor 397 nog vier lagen aangebracht. Van onder naar boven gaat het om spoor 399, een laag grijze zandige leem, spoor 400, een pakket grijze en roze mortel, spoor 401, een laag wit zand, en spoor 402, een laag vrij zuivere gele leem. In alle ophogingen bevindt zich het normale, aan intens houtvuurgebruik gelieerde houtskool- en verbrande leemgruis. In tegenstelling tot laag 397, die zich over het gehele westelijke gedeelte van de middenbeuk uitstrekt, blijven de lagen 399 tot 402 beperkt tot de zone waar zich in fase 2 een diep uitgegraven kuil bevond. Ze zijn lokale pogingen om boven deze kuil tot stand gekomen verzakkingen op te vullen, vergelijkbaar met de dieper op deze plek aangetroffen lagen 369 en 370. De diktes van deze lagen zijn niet meer vast te stellen. In werkput 16, het oostelijk gedeelte van de middenbeuk, bevinden zich twee sporen die naar alle waarschijnlijkheid met bouwactiviteiten verband houden. Spoor 403 is een ca. 10 cm dikke laag bouwafval die zich in eerste instantie over een oppervlakte van ca. 1 x 2,50 m uitstrekte. Daarvan zijn echter maar twee onderdelen bewaard (403A en 403B) (fig. 1.149). Tussen beide is een deel door de aanleg van een Karolingische oven weggegraven. De laag bevat dakpangruis, dakpanfragmenten, waartussen een stuk van een tubulus herkend kon worden, vuursteenfragmenten, een grote hoeveelheid roze mortel, kleine hoeveelheden grijze mortel, kalk en een enkel brokstuk opus signinum. De laag

76 Ervynck et al. 2017, p. 464.

is tegen perceelscheidingsmuur 355 gelegd. Spoor 404 is een gedeeltelijk bewaarde kuil, waarschijnlijk ovaalrond, met een geschatte diameter van 1,30 m. De uitgraving kan hooguit een vijftiental cm diep zijn geweest. Ze was met een pakket muurschilderingfragmenten gevuld, die blijkbaar voor verwerking tot bouwmateriaal gerecycleerd waren. Ander vondstmateriaal is nauwelijks aanwezig, met uitzondering van een groot aantal dierlijke resten76. Ze verraden een rijk consumptiepatroon, met de aanwezigheid van jachtwild en de dominantie van varkensbot bij de resten van de drie klassieke huisdieren rund, varken en schaap/geit. In dezelfde zone kwam een wat raadselachtige en moeilijk te interpreteren fundering aan het licht (sporen 405-407) (fig. 1.1501.152). Ze neemt een oppervlakte van ca. 1,80 x 1,80 m in beslag. Deze vierkante blokfundering en het monument (?) dat ze droeg heeft een twee- of driefasige geschiedenis gekend. Door de wijze waarop in de O.L.V.-basiliek moest opgegraven worden, ontbreekt een profiel waarmee deze geschiedenis rechtstreeks aantoonbaar zou geweest zijn. Nu moet het profiel gereconstrueerd worden aan de hand van de onderlinge vergelijking van een negental werkvlakken waarop het verschijnsel zichtbaar was. Daar staat tegenover dat de verticale opbouw van de meerfasige fundering wel over haar gehele diepte in de vlakken is waargenomen. Van onder naar boven onderscheiden zich drie à vier lagen van elkaar. Spoor 405 onderin is de eerste, vrijwel helemaal uitgebroken fundering met een diepte van ca. 1 m. Onderin spoor 405 bevinden zich nog grote aantallen vuursteenblokken, een deel waarschijnlijk nog in situ, bovenin bestaat de vulling uit bruingrijze zandige leem met grijze mortel, dakpan- en natuursteenfragmenten. Daarop ligt spoor 406, een ca. 40 cm dik pakket muurschilderingfragmenten. Het onderzoek van dit materiaal toont aan dat de overgrote meerderheid ervan afkomstig is van één ruimte, mogelijk zelfs van één wand (zie 5.2.9,


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

119

Fig. 1.149 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de oostelijke middenbeuk: spoor 403A vanuit het zuiden.

ensemble 16). Daartussen zijn resten van twee andere wanddecoraties aangetroffen (zie 5.2.10, ensemble 17 en ensemble 18). Het pakket muurschilderingfragmenten is de basis van de tweede fundering, spoor 407, een massief kalkstenen blok van ca. 90 x 90 cm en met een dikte van gemiddeld 20 cm. Op de randzone van dit blok is grijze kalkmortel bewaard, waarbinnen zich een indruk van ca. 50 x 50 cm aftekent, een herinnering aan wat ooit op deze fundering heeft gestaan. De geschiedenis van fase 3 van dit bouwwerk eindigt met de afbraak daarvan. In fase 4 zal de steen op zijn beurt weer de basis van een derde fundering worden, die zich vanaf de bovenkant van de steen nog als een 45 cm dik uitbraakspoor aftekent (zie fase 4, spoor 606). Deze meermaals opnieuw aangelegde fundering kan een altaar, een zuil of een standbeeld gedragen hebben77. Nog in dezelfde zone werd tijdens fase 3 een waterput gegraven, waarvan alleen de rand van de insteek (spoor 408) en de vulling van het uitbraakspoor zichtbaar zijn. Omdat alleen maar de westelijke rand van de put zichtbaar is, ontbreekt de nodige informatie over de afmetingen en vorm. De insteek en de uitbraak beschrijven in elk geval een cirkel, maar dat zegt niets over de manier waarop de waterput zelf was vormgegeven. Hij kan vierkant of cirkelvormig, in hout, in steen of in een combinatie van beide geweest zijn. De insteek is met lagen geel en grijze leem, afgewisseld met wit en geel zand opgevuld. Er is een kleine hoeveelheid vondsten uit de 1ste eeuw in aangetroffen, waarschijnlijk allemaal residueel materiaal. Ook deze put zal in fase 4 blijven voortbestaan, zoals blijkt uit de jongste dateerbare vondsten uit de vulling van haar uitbraakspoor (zie fase 4, spoor 605) Bij het uitgraven van de waterput is ten westen ervan een grote zandheuvel op het terrein achtergelaten (spoor 409). Hij is maar

voor een deel zichtbaar, had een diameter van minstens 7 m en een hoogte van 40 à 50 cm. Hij bestaat uit een opeenvolging van lagen en laagjes gele en grijze zandige leem, kiezel en wit, geel en grijs zand. Daarin is een aantal vondsten uit de tweede helft van de 1ste eeuw en de 2de eeuw aangetroffen. Een enkel fragment van een 3de-eeuwse Drag. 37 is als een intrusief stuk te beschouwen. Tot slot is de omgeving van de heuvel op gelijke hoogte met zijn top gebracht met een ca. 50 cm dik pakket geel zand (spoor 410). In het zand lag eveneens een klein aantal in de tweede helft van de 1ste eeuw en 2de eeuw dateerbare vondsten. Verder zuidwaarts in de zuidelijke zijbeuk (werkputten 6 en 15) zijn de resten van de eerste steenbouwfase, net als in de noordelijke zijbeuk, maar zeer fragmentair bewaard en ten gevolge van latere bouw- en graafwerkzaamheden zwaar verstoord. Het hiernavolgend overzicht van de schaarse sporen verloopt van west naar oost. Het gaat om lagen en kuilen, maar ook om steenbouwsporen. In de zuidelijke zijbeuk (werkput 6) start fase 3 met de depositie van een grijze ophogingslaag van zandige leem, waarin houtskool- en verbrande leemgruis, kalk, grijze, witte en roze mortelfragmenten, stukken dakpan en natuursteen terecht zijn gekomen (pl. III en fig. 1.153, 1.154 en 1.156: spoor 411). Haar dikte schommelt tussen 40 en 60 cm. Doorheen deze laag zijn drie muren aangelegd. In werkput 6 gaat het om twee, noord-zuid georiënteerde muren. Spoor 412 (pl. III) is de meest westelijke. Slechts de top van de ongeveer 60 cm brede droge fundering van vuursteenblokken was zichtbaar. Spoor 413 (pl. III) is de meest oostelijke. Te herkennen is de top van een ongeveer 40 cm brede fundering van grijze mortel en regelmatig gekapte vuursteenblokjes. De twee muren bevinden zich nauwelijks een halve

77 Funderingen voor altaren, zuilen of standbeelden worden af en toe in Tongeren aangetroffen. Het bekendste voorbeeld is de zeldzame vindplaats van de fundering voor een Jupiter-gigantenzuil aan de Kielenstraat. Vlakbij waren bovendien fragmenten van een godensteen aangetroffen (Noelke 2010-2011, p. 154-155 en Abb. 3). Voor andere voorbeelden, zie Noelke (2010-2011, p. 154-156 en Gerber 2013-2014).


120

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.150: Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de oostelijke middenbeuk: schematische profieltekening van de sporen 405-407 uit fase 3 en spoor 606 uit fase 4.

606

407

406

405

0

Fig. 1.151 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de oostelijke middenbeuk: spoor 407 in het vlak vanuit het noorden.

1m

Fig. 1.152 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de oostelijke middenbeuk: sporen 406 en 407 in profiel vanuit het westen.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

A

411

421 418 C

416 417 414

422

B

419

121

420 415

0

1m

Fig. 1.153 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 15 in de zuidelijke zijbeuk: sporen van fase 3.

meter van elkaar. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat ze gelijktijdig zijn. In werkput 15 betreft het deels opgaand metselwerk (spoor 414), deels uitbraakspoor (spoor 415) van een oost-west verlopende muur (pl. III, fig. 1.153, 1.154, 1.155 en 1.156). Hij is over een afstand van 2 m bewaard. De zuidelijke wand is door de fundering van de zuidelijke buitenmuur van de romaanse kerk vernield, waardoor de dikte niet bepaald kan worden. Het bewaard gebleven gedeelte van de noordelijke wand bestaat uit een laag zandstenen parementblokjes, twee lagen ruw bewerkte vuursteenblokken en twee lagen zandstenen parementblokjes, alles in grijze mortel gevat. Vermoedelijk is dit de overgang van de gemetselde fundering naar het opgaand muurwerk. Op het uiterst westelijke punt van het bewaarde metselwerk is te zien dat zich daar de hoek met een niet meer bewaarde noord-zuid georiënteerde muur bevindt. Deze hoek is met kruiselings op elkaar geplaatste balkvormige zandstenen verstevigd. Parallel met muur 414-415 en een veertigtal cm ten noorden ervan zijn de verkoolde resten van een houten afwateringskanaal gevonden, ca. 25 cm breed, ca. 20 cm diep en over een afstand van 1,75 m te volgen (pl. III, fig. 1.153, 1.154 en 1.156: spoor 416). Resten van de bekisting zijn her en der nog op de wanden en bodem bewaard. De goot is met brandafval van de tweede helft van de 2de eeuw gevuld. De combinatie van een buitenmuur met een houten kanaal, dat het regenwater van het hellend dak moest opvangen, komt geheel overeen met wat van de domus in werkput 12 in het zuidtransept bekend is. De vondst van muur 414-415 en kanaal 416 in werkput 15 impliceert dat zich ten zuiden van deze plek nog een vleugel van deze stadswoning moet uitstrekken. Het geheel is afgedekt door de brandlaag waarmee fase 3 eindigt (pl. III, fig. 1.153 en 1.156: spoor 417). De dikte daarvan bedraagt 30 à 50 cm.

Fig. 1.154 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 15 in de zuidelijke zijbeuk: sporen 411 en 414-416 vanuit het oosten.

Nog in werkput 15 is in het meest oostelijk gedeelte een kluwen van uitgravingen en ophogingen bewaard (pl. III, fig. 1.153 en 1.157: sporen 418-422). Op het diepste toegelaten opgravingsvlak tekenden zich de contouren van een verder niet opgegraven kuil af (spoor 418). Daar de kuil aan vrijwel alle zijden door latere sporen verstoord is, laten de vorm en de afmetingen zich niet reconstrueren. De wel bewaarde oppervlakte heeft een diameter van ca. 2 m. Het gaat bijgevolg om een grote kuil. In het vlak zijn drie opvullingslagen te zien. Laag A, de oudste, bestaat uit gele zandige leem met houtskool, verbrande leem, grijze, witte en roze mortelfragmenten, kalk en dakpanfragmenten. Laag B, de middelste, is een laag grijze zandige leem, met houtskool en verbrande leem, grijze en witte mortel en fragmenten natuursteen. Laag C, de jongste, bestaat uit licht bruingrijze zandige

leem met zeer veel grijze, witte en roze mortel, dakpan- en natuursteenfragmenten. De kuil wordt door een viertal lagen afgedekt. Laag 419 is een ca. 30 cm dik pakket geel en grijs gevlekte, zandige leem met kleine hoeveelheden verkruimelde houtskool, verbrande leem, kalk en een enkel dakpanfragment. Daarop ligt laag 420, een eveneens ca. 30 cm dikke laag mortelgruis, waarin grotere stukken grijze, gele, witte en roze mortel, muurschilderingfragmenten, stukken dakpan en natuursteen bewaard zijn. Daarop ligt laag 421, een donkergrijze laag zandige leem, ca. 15 cm dik, met verspreide houtskool, verbrande leem en kalk en stukjes grijze, gele en roze mortel. Daarop ligt ten slotte laag 422, een tiental cm gele zandige leem, waarin zich veel frag-


122

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.155 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 15 in de zuidelijke zijbeuk: spoor 414 vanuit het noorden. De bovenste hoeksteen is uit verband.

Fig. 1.156 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 15 in de zuidelijke zijbeuk: westelijk putwandprofiel met de sporen 411, 416 en 417.

menten verbrande leem, wat kalk, grijze en roze mortel en dakpanfragmenten bevinden. Dit zou een laatste restant van de brandlaag van de tweede helft van de 2de eeuw kunnen zijn. 1.4.5 De bewoningsporen in het westelijk gedeelte van het opgravingsterrein In de westelijke randzone van het opgravingsterrein is nog maar weinig samenhang te herkennen in de resten die aan de eerste steenbouwfase toegeschreven kunnen worden. In totaal gaat het om 46 sporen. Hieronder wordt dit bestand van noord naar zuid beschreven. Achtereenvolgens komen een cluster van 12 lagen en kuilen in werkput 10 in het noordwestportaal (sporen 423-434), een grote kuil in werkput 9, ten zuiden van het noordwestportaal (spoor 435), een complex van 11 ophogingen en een gracht

in werkput 8 in de middenbeuk ten oosten van het oksaal (sporen 436-447), 21 resten van bouw- en woonactiviteiten in werkput 1 onder het oksaal (sporen 448-464) en een tweetal sporen in werkput 6 in het uiterste westen van de zuidelijke zijbeuk (sporen 465-466) aan bod. In dit westelijke gedeelte van de opgraving lijkt de perceelscheidingslijn, die in het oostelijk en centrale gedeelte de ontwikkelingen bepaald heeft, niet te bestaan. Ook is het onwaarschijnlijk dat de daar aangetroffen resten nog met de stadswoningen in het oostelijk en centrale terreingedeelte verband houden. De meer noordelijk gelegen sporen horen wellicht nog bij een perceel dat op de ten noorden van de O.L.V.-basiliek gelegen decumanus maximus uitgaf, de meer zuidelijke liggen misschien aan de achterkant van een perceel dat aan een ten westen van de O.L.V.-basiliek gelegen cardo grensde.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

123

Fig. 1.157 Tongeren: O.L.V.-basiliek: noordoostelijk profiel van werkput 15 in de zuidelijke zijbeuk met de sporen 419-422. Ze worden doorsneden en afgedekt door de sporen 610-612 van fase 4 (zie fig. 1.258).

Onder het noordwestportaal (werkput 10) bevindt zich een kluwen van kuilen en lagen dat weliswaar een reeks activiteiten uit de eerste helft van de 2de eeuw verraadt, maar tegelijk aantoont dat dit terreingedeelte in deze periode hoofdzakelijk buitenshuis is gelegen. Een enkele maal komt een stukje loopvlak uit fase 3 in beeld, wellicht onderdeel van hout- en leembouw (pl. III en fig. 1.158: sporen 433-434). De ontwikkelingen tijdens fase 3 starten met het aanbrengen van een ca. 10 cm dikke ophogingslaag van vrijwel zuivere lichtgrijze zandige leem (spoor 423). Er zijn geen vondsten in aangetroffen. Doorheen deze laag is een viertal kuilen gegraven. Spoor 424 is vermoedelijk een zeer grote kuil, waarvan echter alleen een stukje van de westelijke rand zichtbaar is. Vorm en afmetingen blijven dan ook onbekend. Er werden ook geen vondsten uit geborgen. In het vlak is een vijftal opvullingen te zien, achtereenvolgens geelgrijs gevlekte zandige leem met bijmenging van kalk (laag A), donkergrijze houtskoolrijke zandige leem (laag B), geelgrijs gevlekte zandige leem met houtskool en kalk (laag C), grijsgroene zandige leem met houtskool- en verbrande leemgruis, een aantal grote dakpanfragmenten (laag D) en een hoeveelheid grijze mortel (laag E). Spoor 425 lijkt een grote kuil te zijn, waarvan alleen een deel van de zuidelijke rand bewaard is. Er kan dan ook niet bepaald worden welke vorm en afmetingen ze had. De vulling bestaat uit een homogeen pakket geelgrijs gevlekte, zandige leem met houtskool- en verbrande leemgruis en stukjes kalk. Ook in deze kuil zijn geen vondsten aangetroffen. Spoor 426 is naar alle waarschijnlijkheid een grote kuil, waarvan alleen de noordelijke randzone bewaard bleef. Ze heeft een homogene vulling van geelgrijs gevlekte zandige leem met houtskool- en verbrande leemgruis, fragmenten kalk, een enkele dakpan en een houtskoolconcentratie. Naast enkele vondsten uit de tweede helft van de 2de eeuw bevat de kuil vooral ouder, residueel materiaal. Kuil 426 doorsnijdt kuil 424. Spoor 427 is een middelgrote kuil. Alleen de noordelijke randzone is bewaard. Ook deze kuil is met een homogeen pakket gevuld, dat bestaat uit geelgrijs gevlekte zandige leem, houtskool- en verbrande leemfragmenten, kalk en brokstukken donkergrijze, houtskoolrijke zandige

leem. Het bewaard gebleven gedeelte van de uitgraving bevatte geen vondstmateriaal. De kuilen 424, 425 en 427 worden door een drietal lagen afgedekt. De onderste (spoor 428) is de depositie van een verspitte lemen vloer. Ze is een 20 cm dik. Zoals gebruikelijk tekent ze zich af als een pakket verbrokkelde gele leem, waarop een zwarte korst van het oude loopvlak zit. Tussen de verspitte lemen vloer is vondstmateriaal terechtgekomen: een kleine hoeveelheid 2de-eeuws afval, maar ook een grotere hoeveelheid 1ste-eeuwse opspit. De middelste laag (spoor 429) bestaat uit vrij zuivere gele leem. De dikte bedraagt een tiental cm. Het erin aangetroffen nederzettingsafval is vergelijkbaar met dat van laag 428. De bovenste laag (spoor 430) is ca. 25 cm dik en bestaat uit geelgrijs gevlekte, zandige leem met houtskool- en verbrande leemgruis, kalkfragmenten, grijze pleister en brokstukjes groene klei. Het vondstmateriaal komt chronologisch met dat van de lagen 428 en 429 overeen. Dit lagenpakket wordt op zijn beurt weer door twee kuilen doorsneden. Spoor 431 is de oostelijke rand van een zeer grote kuil met een complexe opvullingsgeschiedenis. Daar alleen een stuk van de randzone bewaard is, kan geen voorstelling meer gemaakt worden van de vorm en de afmetingen van dit spoor. Alleen al in de smalle bewaarde randzone zijn zeven opvullingen zichtbaar: lichtgrijze, zuivere zandige leem (laag A), groene zandige leem, mogelijk fosfaathoudend (laag B), gele, vrij zuivere zandige leem (laag C), grijsbruine zandige leem (laag D), grijze zandige leem (laag E), donkergrijze, houtskoolrijke zandige leem (laag F) en vrij zuivere, gele zandige leem (laag G). Uit kuil 431 werden geen vondsten geborgen. Spoor 432 is een middelgrote kuil, de enige in werkput 10, waarvan voldoende binnen het opgravingsterrein bewaard is om de vorm en omvang in te kunnen schatten. Ze heeft een ovaalronde plattegrond en een diameter van naar schatting een tweetal m. In de vulling kunnen drie lagen onderscheiden worden: een laag egaal grijze zandige leem (laag A), een pakket dunne, afwisselend geel en grijs gekleurde laagjes, mogelijk ingespoeld (laag B), en een laag gele zandige leem, met


124

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.158 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 10 in het noordwestportaal: sporen van fase 3.

C 434

A

433 432

B

F G

E

423

426

427

D C

D

428 430

425 E

424

431

B A 0

grote hoeveelheden houtskool vermengd (laag C). De enkele vondsten bieden onvoldoende basis om de kuil nauwkeuriger binnen fase 3 te dateren. Kuil 432 doorsnijdt kuil 431. Tot slot blijken de kuilen 431 en 432 door twee lemen vloeren afgedekt te zijn. Ze bestaan uit egaal grijs gekleurde, aangestampte leem, 2 à 3 cm dik. De oudste vloer (spoor 433) dekt de kuilen onmiddellijk af, de jongste rust op een 5 à 10 cm dikke laag gele leem (spoor 434). Beide vloeren zijn op deze plek bewaard gebleven omdat ze boven de kuilen 431 en 432 zijn nagezakt. Elders in werkput 10 zijn ze niet bewaard gebleven. Ook is nergens te zien waar zich mogelijk wanden bevonden hebben. Blijkbaar is na fase 3 het terrein tot over een niet meer te bepalen diepte afgegraven geweest. Uit beide lemen vloeren komen vondsten. In de jongste van beide bevindt zich materiaal dat zonder twijfel 2de-eeuws is. Het terreingedeelte ten zuiden van het noordwestportaal, werkput 9, wordt in fase 3 geheel door een grote kuil in beslag genomen (pl. III en fig. 1.159: spoor 435). Zoals voor alle diepe sporen van de opgraving van de O.L.V.-basiliek geldt ook voor deze kuil dat ze niet gecoupeerd en opgegraven kon worden. Haar complexe opvullingsgeschiedenis moet aan de hand van een vergelijking van de verschillende vlakken, waarop ze zichtbaar was, gereconstrueerd worden. Tussen het eerste en laatste vlak waarop spoor 435 gedocumenteerd kon worden is een niveauverschil van ca. 60 cm. Drie, min of meer gelijkmatig over dit niveauverschil verdeelde vlakken (fig. 1.159) ondersteunen de hiernavolgende beschrijving van de opvullingslagen. Daarbij dient in het oog gehouden te worden dat niet alle lagen op alle niveaus zichtbaar waren. Sommige verschijnen op een bepaalde diepte, andere verdwijnen. Zoals gebruikelijk voor de site van de O.L.V.basiliek kan van een dergelijk partieel bewaarde en opgegraven kuil geen uitspraak over de vorm en de afmetingen gedaan worden. Ook is maar een selectie van het vondstenmateriaal kunnen ingezameld worden, waardoor de afvaltypes maar voor een deel in beeld komen. Van ouder naar jonger zijn 20 verschillende opvullingen te onderscheiden:

1m

· laag A: vrij zuivere lichtgrijze zandige leem. Er is wel een beperkte bijmenging van fijne houtskool en verbrande leempartikels en een middelgrote hoeveelheid vondsten; · laag B: geelgrijs gevlekte zandige leem, met daarin een middelgrote hoeveelheid nederzettingsafval, houtskool- en verbande leemfragmenten; · laag C: overwegend bruingrijze zandige leem, waarin veel organisch materiaal lijkt vergaan te zijn. Ze bevat nauwelijks materiaal; · laag D: gele zandige leem met een kleine hoeveelheid vondsten; · laag E: een geheel van dunne laagjes afwisselend gele en zuivere, afwisselend donkergrijze en houtskoolrijke zandig leem. Er is maar een beperkte hoeveelheid vondsten aanwezig, maar in verhouding tot haar geringe omvang kan deze laag toch als vondstenrijk bestempeld worden; · laag F: gele leem, waarin wat pleisterfragmenten en een beperkte hoeveelheid vondsten; · laag G: grijsbruine zandige leem en grijze mortel met een middelgrote hoeveelheid nederzettingsafval; · laag H: een dunne laag houtskool; · laag I: grijsbruine zandige leem met wat houtskool, verbrande leem en kalk; · laag J: geelgrijze zandige leem met wat houtskool en verbrande leem; · laag K: een gele laag zandige leem met houtskool- en verbrande leemgruis, witte en roze mortel, pleisterfragmenten en een middelgrote hoeveelheid nederzettingsafval; · laag L: een donkergrijze laag houtskoolrijke zandige leem met een beperkt aantal vondsten; · laag M: een geelgrijze laag zandige leem met houtskool en witte mortel vermengd en een groot aantal vondsten; · laag N: grijsbruine zandige leem met wat houtskool- en verbrande leemgruis, en een middelgrote hoeveelheid nederzettingsafval; · laag O: gele, zuivere zandige leem; · laag P: donkergrijze zandige leem met houtskool en witte mortel en een groot aantal vondsten;


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

· laag Q: licht grijsbruine zandige leem met roze mortel vermengd; · laag R: grijsbruine zandige leem met concentraties houtskool en verspreid dakpan- en natuursteenfragmenten en een beperkte hoeveelheid nederzettingsafval; · laag S: grijsbruine zandige leem met houtskool- en verbrande leemgruis, grijze en rode mortelfragmenten; · laag T: geel en grijs gevlekte zandige leem met houtskool- en verbrande leemgruis. Het is duidelijk dat in spoor 435 een grote diversiteit van afvaltypes terecht is gekomen. Hoewel zekerheid ontbreekt, doet het spoor erg aan een beerput denken. Daarin onderscheidt men normaal lagen die de insteek gevuld hebben en uit de tijd van de aanleg dateren, lagen die tijdens de gebruiksperiode in de doorgaans houten bekisting gestort zijn, lagen die na ontmanteling van de constructie het buitengebruikstellen en dichtgooien dateren, en nagezakte lagen uit latere bewoningsfasen. Op het onderste vlak vormt laag C een scherpe zuidoost-hoek. Deze hoek zou aan de plaats van de oorspronkelijke bekisting kunnen herinneren. Aangezien laag C de plaats van de bekisting respecteert, moet ze na de ontmanteling van de hypothetische beerput gestort zijn. Het impliceert dat alleen de lagen A en B vulling van de insteek uit de aanlegtijd kunnen zijn, dat er in de opgravingsvlakken geen lagen uit de gebruikstijd te zien waren en dat de lagen C tot T van na de ontmanteling van de constructie dateren. Daar vanaf laag N kleine hoeveelheden materiaal uit de tweede helft van de 2de eeuw en de 3de eeuw voorkomen, is de kans groot dat de lagen N tot T opvullingen uit een latere fase zijn. Maar late vondsten kunnen ook intrusief zijn, waardoor deze interpretatie niet op zekere gronden berust. Niet alle lagen van spoor 435 bevatten vondsten en de lagen met vondsten tellen erg verschillende hoeveelheden materiaal. De lagen m en P nemen qua aantal vondsten een opvallende eerste en tweede plaats in. Bij de dierlijke resten trekt vooral laag P de aandacht78. Een relatief groot aantal resten van oester en kip in het met de hand verzameld materiaal en van diverse vissoorten in de zeefresidu’s wijzen op een rijk en geromaniseerd consumptieprofiel, de dominantie van rund bij de resten van de klassieke huiszoogdieren lijkt daarmee echter in tegenspraak. Het kan hier natuurlijk ook om een vermenging van verschillende afvaltypes gaan. Nog verder zuidwaarts, in de zone van de middenbeuk onmiddellijk ten oosten van het oksaal (werkput 8) is tijdens fase 3 een tijd lang afval gestort in een depressie die de slecht dichtgegooide gracht uit fase 2 er nagelaten heeft (pl. III en fig. 1.160: sporen 436-446). Spoor 436 is daarvan de oudste laag. Ze is naar schatting een 20 cm dik. Het betreft donkergrijs en geel gevlekte zandige leem, met veel houtskool vermengd. Ze bevat een klein aantal vondsten. De meest nauwkeurig dateerbare daarvan zijn Flavisch. In het noorden is op laag 436 plaatselijk een hoeveelheid brandafval gestort (spoor 437), een mengeling van gele en rood verbrande leem en houtskool, resten van een uitgebroken haard of oven, of van een verbrande lemen wand. Ook deze laag bevat een klein aantal vondsten, waarvan de meest nauwkeurig dateerbare Flavisch zijn. In het zuiden tekent zich op laag 436 lokaal

125

VLAK 1

T

Q

S O

R

J

E C

G P

I

M

B

H

K F

VLAK 2

R

C J

D

L

C

N M K B A

0

VLAK 3

J

D

R

1m

O

N M L K C B

Fig. 1.159 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 9 ten zuiden van het noordwestportaal: spoor 435. 78 Ervynck et al. 2017, p. 464.


126

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

13 BREED SCHAAL 1/50 Fig. 1.160 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 8 ten oosten van het oksaal: sporen van fase 3.

VLAK 2

VLAK 1

444

437

446

445

436 447

447

444

445

438

440 441

444 439 443

0

1m

een opeenvolging van een zestal lagen af. Spoor 438, de onderste laag, is een mengsel van geel, grijs en groen uitgekleurde zandige leem met houtskoolgruis. Ze is vondstenloos. Spoor 439 dekt deze laag gedeeltelijk af en bestaat uit donkergrijze, houtskoolrijke zandige leem. Van de schaarse vondsten zijn de best dateerbare uit het derde kwart van de 1ste eeuw. Daarop ligt spoor 440, een laag gele zandige leem met enkele dakpanfragmenten. Deze laag bevat wat meer vondsten dan de voorgaande, daterend van het midden van de 1ste eeuw tot het begin van de 2de eeuw. Daarop ligt spoor 441, een laag zandige leem zonder vondsten die groen uitgekleurd is, wellicht door fosfaat veroorzaakt. Ze wordt gedeeltelijk door spoor 442 afgedekt, een pakket geelgrijze zandige leem met houtskoolpartikels zonder vondsten. Daarop ligt ten slotte spoor 443, een laag grijsbruine zandige leem waarin houtskool, roze mortel en dakpanfragmenten zijn opgenomen. Ze telt een klein aantal vondsten die globaal uit de tweede helft van de 1ste eeuw en het begin van de 2de eeuw dateren. Een Tiens gesmookt fragment van een gladwandig bord van het type Stuart

79 Ervynck et al. 2017, p. 464-465.

442

218 moet als intrusief beschouwd worden. Alle voornoemde lagen vormen tezamen plaatselijk niet meer dan een 20 cm ophoging en worden door een egaal verspreid, ca. 20 cm dik ophogingspakket afgedekt (spoor 444), bestaande uit grijsbruine zandige leem met houtskool- en verbrande leempartikels, wit en roze gelaagde mortelfragmenten, stukken dakpan en natuursteen. Het pakket bevat veel vondsten. Op een enkel intrusief fragment na is dit materiaal globaal Flavisch te dateren. Opvallend is een residuele as van Augustus uit de jaren 7 - 3 v.Chr. (cat. nr. 6). Plaatselijk zijn op laag 444 resten van een enkele cm dunne laag met nederzettingsafval vermengde mortel bewaard (spoor 445). Onder de vondsten van spoor 445 bevindt zich voor het eerst materiaal dat uit de eerste helft van de 2de eeuw dateert. Laag 445 bevat ook een relatief belangrijke hoeveelheid dierlijke resten, vooral runderbot79. Het geheel wordt door een tweede, egaal verspreide en ca. 20 cm dikke ophogingslaag afgedekt (spoor 446), bestaande uit grijsbruine zandige leem met houtskool- en verbrande leemgruis, grijze mortel en dakpan- en


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

natuursteenfragmenten. Ze bevat een grote hoeveelheid materiaal dat doorgaans uit de tweede helft van de 1ste eeuw en het begin van de 2de eeuw dateert. De lagen 436, 444 en 446 zijn de weerslag van min of meer georganiseerde pogingen de door de Flavische gracht 95 veroorzaakte nazakkingen aan te vullen. De lagen 437 tot 443 en 445 lijken incidentele deponeringen van afval te zijn. Regelmatig moeten onderliggende lagen van de Flavische gracht aangesneden zijn. De op stratigrafische gronden in fase 3 geplaatste lagen 436 en 445 bevatten immers scherven van een schaal in terra sigillata van het type Drag. 36, waarvan ook scherven in de onderliggende lagen B en C van gracht 95 uit fase 2 zijn aangetroffen. Heel dit lagenpakket wordt ten slotte door een gracht doorsneden (pl. III en fig. 1.160: spoor 447). Deze gracht heeft een komvormig bodemprofiel en diepte van ca. 50 cm. Alleen de westelijke rand is in het opgravingsvlak zichtbaar. De oostelijke rand is door de aanleg van funderingen in fase 4 vernield. De vulling bestaat uit grijsbruine zandige leem met daarin houtskool- en verbrande leemgruis, grijze mortel, concentraties geel zand en dakpanfragmenten. Gracht

457 458 455 454

456

448

453

463 461 460

451

449 459

449

464 0

1m

447 bevat grote hoeveelheden materiaal. Een enkel fragment dateert uit de eerste helft van de 1ste eeuw, maar de meerderheid van de goed dateerbare vondsten is Flavisch tot begin 2de-eeuws. Ook dit spoor telt een residuele as van Augustus uit de jaren 7 3 v.Chr. Meer naar het westen, onder het oksaal (werkput 1) bevindt zich een geheel anders georganiseerd terreingedeelte. Een reeks van zestien tot fase 3 te rekenen sporen illustreert een intensief en snel veranderende inrichting van deze zone (pl. III en fig. 1.161: sporen 448-464). De oudste sporen zijn een laag grijze zandige leem in het noordelijke deel van werkput 1 (spoor 448) en een geel, lemen loopvlak in het zuidelijk deel (spoor 449), beide naar schatting een 30 cm dik. De onderlinge relatie tussen beide is door de fundering van een oost-west verlopende muur verloren gegaan. Laag 448 is zandige leem met houtskool- en verbrande leemgruis, vrij veel kalkpartikels en een kleine hoeveelheid nederzettingsafval. Laag 449 is mogelijk een lemen vloer geweest, maar uiteindelijk vervuild met houtskool, verbrande

Fig. 1.161 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 1 onder het oksaal: sporen van fase 3.

462

450

127

452


128

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

leem, witte mortel, dakpanfragmenten en wat nederzettingsafval. Plaatselijk is de laag groen uitgekleurd, mogelijk door fosfaat veroorzaakt. Het gros van het materiaal uit beide lagen dateert uit dezelfde periode: tweede helft van de 1ste eeuw en begin van de 2de eeuw. Een enkele scherf uit laag 448 is wat jonger: eerste helft van de 2de eeuw. Laag 448 bevat ook een dupondius van Vespasianus uit de jaren 77-78 (cat. nr. 16). In het zuidelijk gedeelte van werkput 1 tekent zich doorheen het lemen loopvlak 449 een rij van drie paalkuilen af. Spoor 450, de meest westelijke paalkuil, is rechthoekig en meet ca. 15 x 20 cm. Mogelijk is hier alleen de paalkern gezien. Spoor 451, meer oostelijk, is een rechthoek van ca. 35 x 50 cm. Spoor 452, de meest oostelijke, meet ca. 25 x 40 cm en is min of meer rechthoekig. Alle kuilen zijn met grijsgroene zandige leem gevuld. In principe zouden deze paalsporen nog tot fase 2 gerekend kunnen worden. De overgang van fase 2 naar fase 3 is immers aan de overgang van hout- en leembouw naar steenbouw gekoppeld. Maar door de aanwezigheid van enkele 2de-eeuwse vondsten in de lagen 448 en 449 is uitzonderlijk besloten deze houtbouwresten tot fase 3 te rekenen. In het noordelijk gedeelte van werkput 1 is doorheen de grijze laag 448 een aantal kuilen uitgegraven. Spoor 453 is een vierkante kuil van ongeveer 1,40 x 1,40 m. De zuidelijke rand is door de reeds geciteerde oost-west verlopende fundering aan het gezicht onttrokken. De vulling bestaat uit grijsbruine zandige leem met houtskool en verbrande leem, grijze mortel, dakpan- en natuursteenfragmenten, hoofdzakelijk onregelmatige vuursteenblokken. Een monster uit kuil 453 heeft een uitzonderlijke hoeveelheid verkoolde plantaardige resten opgeleverd80. De vondstdichtheid voor plantaardige resten bedraagt er 130 fragmenten per liter, waar het gemiddelde voor fase 3 nauwelijks 1,8 fragmenten per liter bedraagt. Twee onderdelen vallen op. Op de eerste plaats maakt een grote hoeveelheid resten van graansoorten deel uit van de kuilvulling. Het gaat vooral om gerst en in iets mindere mate om tarwesoorten (emmertarwe en spelt). Gerst is vooral in de vorm van graankorrels aanwezig, de tarwesoorten zijn vooral door kafresten vertegenwoordigd. Dit verschil wordt doorgaans verklaard door de grote kwetsbaarheid van het kaf van gerst, waardoor dit materiaal in de zeefresidu’s ondervertegenwoordigd is. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het om afval van het graanverwerkingsproces. Op de tweede plaats is een opvallende hoeveelheid zaden van graslandplanten aangetroffen. Mogelijk is een hoeveelheid hooi in kuil 453 verzeild geraakt. Spoor 454 is een kleine langwerpige kuil van ca. 0,60 x 1 m. Ze is 10 à 20 cm diep en gevuld met zandige leem en kiezel. Doorheen dit kuiltje is een paalkuil gegraven (spoor 455), ongeveer 40 x 40 cm, gevuld met bruingrijze zandige leem. Spoor 456 ten slotte is naar alle waarschijnlijkheid een grote beerput. Anders dan voor spoor 435 het geval was, is voor spoor 456 wel goed het onderscheid te maken tussen de insteek van de aanlegkuil (spoor 456/1) en de rand van de houten bekisting (spoor 456/2) (fig. 1.162). De bekiste kuil meet ca. 1,60 x 1,80 m. Beide hebben hun specifiek opvullingspakket. De insteek- en de beerputopvulling konden over een diepte van ca. 1 m opgegraven worden. Ze is in een drietal vlaktekeningen samengevat, waarbij de onderlinge afstand telkens ca. 0,50 m bedraagt. In de insteek en de beerput zijn ongetwijfeld nog veel meer lagen aanwezig en van de geregistreerde lagen is maar een deel van de vondsten geborgen.

80 Cooremans 2017, p. 338-359.

81

In de aanlegkuil kunnen elf opvullingen herkend worden: · laag 1A: grijsgroen gekleurd zand; · laag 1B: geel en grijs gekleurde leem en zand; · laag 1C: grijsgroen gekleurde zandig leem waarin een pakket houtskool is opgenomen; · laag 1D: een grijsbruine laag zandige leem met houtskool en verbrande leemgruis en brokstukken groene klei; · laag E: een grijsgroene laag zandige leem met houtskool en verbrande leemgruis, brokstukken groene klei en dakpanfragmenten; · laag 1F: een grijze laag zandige leem met veel houtskool, grijze mortel en wat dakpanfragmenten. Een as van Domitianus uit de jaren 85 - 96 (cat. nr. 18) maakt van de vulling deel uit; · laag 1G: grijsgroene en houtskoolrijke zandige leem; · laag 1H: geelgrijs gevlekte zandige leem met houtskool- en verbrande leemgruis; · laag 1I: grijze zandige leem met houtskool vermengd; · laag 1J: bruine zandig leem met houtskool- en verbrande leemgruis, grijze en een grote hoeveelheid wit en roze gelaagde mortelfragmenten; · laag 1K: donkergrijze zandige leem met houtskool- en verbrande leemgruis. In de schacht van de beerput konden vier lagen geteld worden: · laag 2A is een opvulling van grijze zandige leem met houtskool- en verbrande leemgruis en een enkel dakpanfragment; · laag 2B is een laag grijsgroene zandige leem met houtskoolen verbrande leemgruis, dakpan- en natuursteenfragmenten; · laag 2C is een laag gele zandige leem met kleine hoeveelheden houtskool- en verbrande leemgruis; · laag D is een opvulling van grijsbruine zandige leem met houtskool- en verbrande leemgruis. Op de dichtgegooide insteek van beerput 456 zijn resten van twee kleine ovens bewaard. Spoor 457 is een quasi cirkelvormige oven met een diameter van ca. 60 cm, waarvan de basis nog bewaard is als rood uitgegloeide en zwart geblakerde randzone. Spoor 458 is een ovaalronde oven, ca. 50 x 80 cm, waarvan eveneens de rood en zwart verbrande randen van de koepelaanzet nog te zien waren. Op het gele lemen loopvlak 449 zijn resten van minstens één en mogelijk drie ovens bewaard. Spoor 459 is onmiskenbaar een oven, langwerpig van vorm, ca. 0,50 x 1 m, duidelijk herkenbaar aan de rode en zwarte randstructuur. Spoor 460 en spoor 461 zijn in situ rood uitgegloeide vlekken in loopvlak 449. Mogelijk vormen ze de basis van ovens, ovaalrond in hun plattegronden, die slechts gedeeltelijk bewaard zijn. Hun doormeter is dan ook niet meer met zekerheid te bepalen. Grondmonsters uit beide sporen hebben echter relatief grote hoeveelheden verkoolde plantaardige resten opgeleverd81. In spoor 460 gaat het om 14,7 fragmenten per liter, in spoor 461 om 37,6 fragmenten per liter. Beide vondstdichtheden zijn opvallend hoger dan 1,8 fragmenten per liter, het gemiddelde van alle monsters van fase 3. De samenstelling van beide monsters is gelijkaardig. Het gaat om mengsels van resten van graansoorten: gerst, vooral in de vorm van graankorrels, en de tarwesoorten emmer

Cooremans 2017, p. 338.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

VLAK 1

VLAK 2

1G

1K 2D

129

VLAK 3

1I

1C

1H

2D

1J 1F

1A 2C 2B

1F

2B

2A

1B 1D

1E

0

2m

Fig. 1.162 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 1 onder het oksaal: spoor 456.

en spelt, vooral in de vorm van kaf. Hoewel het om kleinere aantallen gaat, is de samenstelling vergelijkbaar met die uit het nog veel rijkere monster uit kuil 453 in dezelfde zone. De opvallende vondstdichtheid en het soortenspectrum suggereren dat in deze zone van het westelijk gedeelte van het opgravingsterrein in fase 3 agrarische activiteiten hebben plaatsgevonden, of graanverwerking ten behoeve van huishoudelijke consumptie. De jongste sporen die tot fase 3 gerekend mogen worden zijn uitbraaksporen van een steenbouw. In het noorden tekent zich over een oppervlakte van ca. 55 x 65 cm een rechthoekige uitgebroken fundering van een pijler af (spoor 462). In de bruingrijze zandige leem zaten veel dakpan- en vuursteenfragmenten. Tot het vondstenbestand uit het uitbraakspoor hoort een nummus uit Lyon uit de jaren 333 - 334 (cat. nr. 198). Ofwel is dit een intrusief stuk, ofwel dateert de uitbraak van dit bouwelement uit fase 3 uit de 4de eeuw. In het zuiden is over een lengte van ongeveer 4,40 m een ca. 65 cm brede uitgebroken fundering opgetekend (spoor 463). Haaks daarop tekent zich over een afstand van bij benadering 2,10 m een even breed uitbraakspoor af (spoor 464). Beide zijn met bruingrijze zandige leem en veel grijze kalkmortel gevuld. Samengevat start in werkput 1 de geschiedenis van fase 3 met een ophogingslaag 448 en een lemen vloer 449. In het zuiden volgen houtbouwsporen (palen 450-453), in het noorden worden kuilen 453 en 454 en een beerput 456 gegraven. De ovens 457 en 458 dateren in elk geval van na de aanleg van beerput 456, waarvan de insteek de kuilen 453 en 454 oversnijdt. De ovens 459 tot 461 zijn van na de afbraak van de palenrij 450 tot 452 en van vóór de aanleg van de stenen funderingen 463-464. Ze lijken daardoor gefunctioneerd te hebben in een periode tussen de houtbouw en de steenbouw. Alles samen genomen schetst dit sporenbestand het beeld van een snel veranderend terreingebruik. In de zuidwestelijke hoek van het opgravingsterrein, het uiterste westen van de zuidelijke zijbeuk (werkput 6), is in fase 3 een ca. 20 cm dikke grijze laag zandige leem gestort, waarin naast het gebruikelijke gruis van houtskool en verbrande leem, kleine aantallen dakpan- en natuursteenfragmenten zijn aangetroffen

(pl. III: spoor 465). Ze wordt door een kuil doorsneden, waarvan alleen de oostelijke rand is aangetroffen (pl. III: spoor 466). Mogelijk gaat het om de insteek of het uitbraakspoor van een beerput. Gezien de indrukwekkende nazakkingen uit latere perioden boven dit spoor moet het immers om een diepe uitgraving gaan. In de vulling kan men een donkere laag A en daarop een lichtere bruingrijze laag B onderscheiden. Ze verschillen door een hoger gehalte aan houtskool in laag A. Beide bevatten grote aantallen dakpanfragmenten en verspreide grijze mortel. 1.5

Fase 4: de tweede vroeg-Romeinse steenbouwfase

1.5.1 Inleiding Na de brand van de eerste steenbouwfase wordt het terrein ingrijpend heringericht. Deels met gebruikmaking van oudere muren uit fase 3, deels met toevoeging van nieuwe architectuur verschijnen er weer stadswoningen. In vele zones veranderen wel de functies die ruimtes er in de vorige fase hadden. Net zoals voor fase 3 wordt ook voor fase 4 het opgravingsterrein van oost naar west overlopen en beschreven. Achtereenvolgens komen de sporen in de noordoostelijke zone van het terrein, in de zuidoostelijke zone, in de centrale zone en in de westelijke randzone aan bod (pl. IV). Daarbij kan vastgesteld worden dat in het oostelijk gedeelte van de opgraving de oost-west georiënteerde perceelscheidingslijn gehandhaafd blijft, terwijl dat in het centrale deel maar gedeeltelijk gebeurt. In de westelijke zone was in fase 3 al geen spoor van een perceelscheiding te zien, zo ook niet in fase 4. Deze fase eindigt met een grote stadsbrand, die in de tweede helft van de 3de eeuw gedateerd wordt. Alleen in de westelijke randzone wordt na die brand opnieuw steenbouw opgericht. Het is echter niet gelukt deze steenbouw nauwkeuriger te dateren. Mogelijk werd hij nog aan het einde van de 3de eeuw aangelegd, mogelijk ook pas aan het begin van de 4de eeuw. Omstreeks het midden van de 4de eeuw wordt op de site van de O.L.V.-basiliek een laat-Romeinse basilica gebouwd. Het is niet uitgesloten dat de steenbouw in de westelijke randzone bij die gelegenheid werd afgebroken. Maar het kan ook dat hij is blijven staan en voor een nog onbekende periode samen met


130

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

de basilica is blijven functioneren. De beschrijving van dit westelijk gebouwenbestand is in elk geval als een onderdeel van fase 4 opgenomen. Fase 5 begint met de bouw van de laat-Romeinse basilica, een publiek gebouw. Dit is een ingrijpende wijziging in het gebruik van het terrein dat voordien altijd door private stadswoningen was ingenomen. 1.5.2 De bewoningssporen in het noordoostelijk gedeelte van het opgravingsterrein In werkput 27 in het hoogkoor wordt ten noorden van de perceelscheidingslijn, na het afbranden en verder afbreken van de werkplaats van fase 3, het terrein een braakliggend perceel. Op de brand- en puinlagen van fase 3 wordt lange tijd afval gestort. Er ontstaat een gemiddeld ca. 70 cm dik pakket bruingrijze zandige leem, dat plaatselijk tot ca. 1,50 m dik kan zijn, met overvloedige bijmenging van houtskool- en verbrand leemgruis en kleinere hoeveelheden natuursteen- en dakpanfragmenten, kalk, witte, grijze en roze kalkmortel (pl. IV, fig. 1.43, 1.44 en 1.163: spoor 467). Deze laag bevat grote hoeveelheden nederzettings-

Fig. 1.163 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: sporen 467-469 vanuit het oosten.

82 Ervynck et al. 2017, p. 465.

afval, dat globaal in de tweede helft van de 2de eeuw en de 3de eeuw kan gedateerd worden. Daartussen bevinden zich twee munten: een sestertius van Antoninus Pius voor Faustina I van na 141 (cat. nr. 21) en een denarius van Antoninus Pius voor Marcus Aurelius uit de jaren 145 - 147 (?) (cat. nr. 22). Blijkbaar werd de plek lange tijd als stort gebruikt, wellicht door de bewoners van de domus ten noorden en/of ten zuiden van de perceelscheiding. Zoals te verwachten in een dergelijke afvallaag bevat spoor 467 ook grote hoeveelheden dierlijke resten82. Een opvallend aantal oesterresten en de skeletelementen van zowel gejaagd als gedomesticeerd gevogelte wijzen op een rijk consumptiepatroon in fase 4. Dat de resten van de klassieke huiszoogdieren nog net door rund gedomineerd worden hoeft daar niet noodzakelijk in tegenspraak mee te zijn. Het met geromaniseerd en rijk eetgedrag geassocieerd varken is in bijna gelijke mate vertegenwoordigd. Bovendien is een laag als spoor 467 wellicht uit divers samengesteld afval samengesteld. Op de afvallaag 467 zijn de resten van een tweetal kalkkuilen bewaard gebleven (pl. IV en fig. 1.163: sporen 468 en 469). Geza-


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

menlijk nemen ze een oppervlakte van ca. 2 m x 70 à 80 cm in beslag. Ze leunen tegen de noordelijke buitenmuur van een hierna nog te bespreken zaalvormig vertrek en dateren bijgevolg van tijdens of van na de bouw van deze muur. Van kuil 468 is alleen de noordelijke rand in de vorm van een strook verharde kalk bewaard gebleven. Van kuil 469 is eveneens de noordelijke rand bewaard, maar zijn bovendien op de bodem de indrukken van een drietal planken zichtbaar (fig. 1.164). Deze planken hebben een lengte van 60 à 80 cm en een breedte van 15 à 20 cm. Er kan aan getwijfeld worden of het om twee afzonderlijke kalkkuilen gaat. Mogelijk betreft het resten van één kuip, waarvan de planken bodem alleen in het oostelijk gedeelte als indruk bewaard is gebleven, omdat die daar bv. iets lager lag dan in het westelijk deel. Een dergelijke partiële bewaring kan verkeerdelijk tot een interpretatie als twee afzonderlijke structuren geleid hebben. In beide sporen is een kleine hoeveelheid vondstmateriaal aangetroffen, qua samenstelling met het afval van laag 467 vergelijkbaar. Afvallaag 467 wordt door de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw afgedekt (pl. IV, fig. 1.43 en 1.44: spoor 470). Deze ca. 20 cm dikke brandlaag, waarin grote hoeveelheden verbrande leem, maar ook resten van verkoolde balken bewaard zijn, strekt zich in de gehele noordelijke helft van werkput 27 uit. De brandlaag bevat een aanzienlijke hoeveelheid vondsten, geheel met de vondsten van afvallaag 467 vergelijkbaar. Vermoedelijk is een deel van het in het noordelijk deel van werkput 27 gestorte afval van fase 4 in de brandlaag opgenomen. Wel bevat spoor 470 veel minder dierlijke resten dan de eronder gelegen laag 46783. Ook de samenstelling verschilt enigszins. Het procentuele aandeel aan gejaagd en gedomesticeerd gevogelte is veel groter. Ook de dominantie van het varkensbot bij de huiszoogdieren is uitgesproken. Wellicht gaat het in brandlaag 470 om de weergave van het voedingspatroon aan het einde van fase 4, terwijl het afval van laag 467 ouder is en over een veel langere periode tot stand is gekomen. Daardoor kan het ook een grotere verscheidenheid aan herkomst en bijgevolg afvaltypes hebben.

131

In werkput 26 in het laagkoor wordt het terrein ten noorden van de perceelscheidingslijn eveneens ingrijpend heringericht (pl. IV en fig. 1.165: sporen 237, 238 en 471-475). In fase 3 was deze sector de zuidwestelijke hoek van de ten noorden van de scheiding gelegen domus. In fase 4 worden van deze hoek sommige muren mogelijk afgebroken, andere toegevoegd en wordt de vloer van fase 3 gedeeltelijk uitgebroken en door een nieuwe, kleinere vloer vervangen. De noord-zuid gerichte muur 237 van fase 3 blijft als keldermuur in gebruik. Waar er voor fase 3 al aan getwijfeld werd of op deze keldermuur ook een bovengrondse muur heeft gestaan, mag dit voor fase 4 met zekerheid uitgesloten worden. Er loop immers een aan deze fase toe te schrijven betonvloer over de keldermuur heen, die bovendien een stukje verlaagd lijkt te zijn (zie verder). De door de buitenmuur 238 en het muurtje 239 afgeboorde nis van fase 3 geraakt eveneens buiten gebruik. Nismuurtje 239 wordt afgebroken en het ondergrondse gedeelte van de nis is in fase 4 met puinlaag 241 opgevuld. In welke mate muur 238 nog blijft voortbestaan moet helaas in het ongewisse blijven. Wel blijkt deze muur, die ruw is afgewerkt aan de noord- of niszijde, maar van een beschildering voorzien is aan de zuidzijde of buitenwand, minstens ca. 40 cm en maximaal ca. 75 cm boven het loopvlak ten tijde van fase 4 bewaard te zijn (zie verder). In fase 4 wordt een noord-zuid georiënteerde houten en lemen wand gebouwd (fig. 1.166: spoor 471). De volledig met verbrande leem en verkoolde resten van een draagbalk gevulde funderingssleuf is ca. 40 cm breed en bleef over een lengte van 2 m bewaard. Ten westen van deze wand wordt een betonvloer aangelegd (fig. 1.166: spoor 472) op een nieuw aangebrachte funderingslaag van geelgrijze zandige leem met overvloedige bijmenging van grijze, witte en roze mortelfragmenten en verbrokkelde betonvloer (spoor 473). Vloer en funderingslaag zijn elk ca. 10 cm dik. De betonvloer, voor een deel uitgebroken en zwaar beschadigd door een laat-Romeinse fundering van ingeheide palen, lijkt over

Fig. 1.164 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: spoor 469 vanuit het noorden.

83 Ervynck et al. 2017, p. 465.


132

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

476 477

480

476 bis

472

478

473 472 471

480

474

479

237

242

526 0

472 238

300

500

299

499

2m

Fig. 1.165 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor en aansluitend gedeelte van werkput 16 in de viering: sporen van fase 4.

Fig. 1.166 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 471 en 472 vanuit het noorden. Nismuur 239 van fase 3 is afgebroken, de vloer 240 is buitengebruik gesteld en de nis tussen muur 241 en muur 239 is met afbraakpuin opgevuld. Het is duidelijk te zien dat de houtlemen wand 471 en betonnen vloer 472 van fase 4 over de dichtgegooide nis van fase 3 zijn aangelegd. Vergelijk fi g. 1.69 met dezelfde situatie op een dieper uitgegraven werkvlak en vanuit het oosten.

muur 237 heen te lopen. Een terra sigillata-scherf van een bord van het type Ludovici SCHDd uit funderingslaag 473 (cat. nr. A7390), daterend vanaf het midden van de 2de eeuw tot de 4de eeuw, levert een terminus post quem voor het plaatsen van vloer 472. Naar alle waarschijnlijkheid werd de aan fase 3 toegeschreven betonvloer 240 daarvoor gedeeltelijk uitgebroken. De vloer ligt lager dan het bewaard gebleven gedeelte van muur 238.

dakpanfragmenten. Spoor 474 dekt gedeeltelijk vloer 472 af. Spoor 475 strekt zich in de noordelijke randzone uit. In beide bevindt zich een kleine hoeveelheid vondsten. In spoor 474 ligt een enkele scherf laat-Romeinse Argonne-sigillata. Er wordt vaker laat-Romeins materiaal in de 3de-eeuwse brandlaag aangetroffen. Het toont aan dat deze laag in de 4de eeuw nog grondig verspit werd.

Op twee plekken is in het noordelijk gedeelte van werkput 26 de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw over een dikte van ongeveer 10 cm bewaard (pl. IV: sporen 474 en 475). Ze bevat overwegend verbrande leem en houtskool, maar ook fragmenten gele leem, kalk, grijze, witte en roze mortel en

Het is niet doenbaar met de enkele beschikbare, maar miniem en slecht bewaarde architectuurresten deze uithoek van de domus te reconstrueren. Globaal wekken de resten de indruk dat de hoek van fase 3 naar fase 4 een degradatie heeft doorgemaakt. In fase 3 gaat het immers om alleen maar elementen van steen-


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

bouw: een vertrek dat via kanalen en een muurnis op het vloerverwarmingssysteem van de stadswoning aangesloten lijkt te zijn. Bovendien werd op de buitenwand een voor een dergelijke plek relatief rijke muurschildering aangebracht. In fase 4 is de verwarming verdwenen en is het onduidelijk in welke mate de stenen sokkelmuren nog functioneerden. De enige toegevoegde architectuurelementen zijn een houten en lemen wand en een door die wand begrensde vloer in opus signinum. Het is zelfs niet zeker of het hier om een volledig gesloten vertrek gaat. Een half open loods of afdak horen ook tot de mogelijkheden. Meer naar het westen, in het aansluitende gedeelte van werkput 16 in de viering, werd de kelder uit de eerste steenbouwfase verkleind en van een nieuwe toegangstrap voorzien (pl. IV, fig. 1.165 en 1.167: sporen 237, 242 en 476-480) De uit fase 3 daterende oostmuur (spoor 237) wordt in fase 4 behouden. Ook de zuidmuur (spoor 242) van fase 3 wordt in de kelder van fase 4 hergebruikt. Er komt echter wel een nieuwe westmuur (spoor 476), waarin nog een gedeelte van een keldergat (spoor 476bis) is aangetroffen. Deze muur bevindt zich ca. 1,20 cm ten oosten van de vorige. Alleen de zuidelijke punt van muur 476 valt binnen de opgegraven zone. Hij is zeer zwaar uitgebouwd en naar schatting 1 m breed. Het parement bestaat op die plek uit rechthoekige, kruiselings over elkaar gelegde zandstenen blokken, de kern is met een mengsel van gele kalkmortel en steengruis gevuld. Daarin bevindt zich een groot fragment van een voet van een Toscaanse zuil met geprofileerde basis (zie 2, nr. E.2) (fig. 1.168). Van de hellende lichtschacht konden op het onderste werkvlak nog 3 lagen stenen in kaart gebracht worden. Het betreft regelmatig gekapte blokjes vuursteen en moeraskalksteen. Ten westen van de afgedankte westmuur van fase 3 is de fundering van een noord-zuid gerichte muur gevonden (spoor 477) (fig. 1.169). Het is een droge fundering van silexblokken, 50 à 60 cm breed en over een afstand van ca. 2,50 m in het vlak te volgen. Daar het diepste punt tot waarop gegraven mocht worden bereikt was kon

133

de constructie niet meer verder onderzocht worden. Alleen een bovenaanzicht van de fundering is in kaart gebracht. De nieuwe westmuur 476 van de kelder, met daarin keldergat 476bis, maakt een hoek van 90° met een oost-west georiënteerde muur (spoor 478) en is daar in verband mee gemetseld (fig. 1.170). Spoor 478 is de noordelijke muur van de nieuwe keldertrap. De zuidelijke muur is de hergebruikte muur 242. Vanaf het diepste zichtbare punt gemeten is muur 478 tot een hoogte van ca. 2,40 m bewaard gebleven. De breedte is ongeveer 50 cm. Van onder naar boven telt het zuidparement dertien lagen natuurstenen blokjes, een laag dakpannen, twee lagen natuurstenen blokjes, nog een laag dakpannen en ten slotte nog vier lagen natuurstenen blokjes. De buitenbekleding is slordig gemaakt. Voor het nauwelijks aangebrachte voegwerk en voor de muurkern is een grijze kalkmortel gebruikt, in de kern vermengd met steengruis en dakpanfragmenten. Plaatselijk is daarin ook nog gele en roze kalkmortel verwerkt. De hoek met muur 476 is wel met zorg afgewerkt en bestaat zoals reeds vermeld uit kruiselings over elkaar gelegde rechthoekige blokken zandsteen en moeraskalksteen. Ten slotte is aan de basis van de keldertrap nog een muurtje bewaard (spoor 479), dat zowel met muur 476 als met muur 478 in verband is gemetseld. De breedte bedraagt 70 cm, de lengte ca. 1,10 m. Dit is tevens de breedte van de keldertrap. De afmetingen van de kelder zelf kunnen niet bepaald worden omdat het grootste gedeelte ervan buiten het opgegraven areaal valt. Zoals gebruikelijk zijn de keldertrap en de kelder gevuld met brandafval en puin van de brand en ontmanteling van de tweede steenbouwfase (spoor 480). Daarin is een tweetal architectuurfragmenten gevonden: een fragment van een gegladde zuilschacht in Euville kalksteen (zie 2, nr. B.3) en een fragment van een Attische zuilbasis in Avendersteen (zie 2, nr. D.2). Branden puinlaag 480 bevat ook een voldoende groot aantal dierlijke resten om het consumptiepatroon aan het einde van fase 4 te waarderen84. Dat kan als rijk en geromaniseerd bestempeld worden, gelet op de aanwezigheid van een belangrijke aantal

Fig. 1.167 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: sporen 242-244 van fase 3 en sporen 476, 476bis, 478 en 480 van fase 4 vanuit het noorden.

84 Ervynck et al. 2017, p. 465-468.


134

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.168 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: fragment van een Toscaanse zuil, in spoor 476 verwerkt.

Fig. 1.169 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: spoor 477.

bouwfase (fase 3) in gebruik is gebleven of als fundering voor een nieuwe muur heeft gediend (pl. IV: spoor 246). In werkput 22 in het nog verder naar het noorden gelegen noordoostportaal is in het verlengde van muur 246 van fase 3 immers een onmiddellijk hierna te bespreken muur van fase 4 aangetroffen. Het kan bijna niet anders dan dat de bouwers ervan nog een levende herinnering aan muur 246 hadden. Muur 246 van fase 3 is daarom op de overzichtsplattegrond van fase 4 overgenomen, in de veronderstelling dat hij in die fase als fundering voor een nieuwe wand dienst heeft gedaan.

Fig. 1.170 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: spoor 478.

oester- en mosselschelpen, van een divers spectrum aan jachtwild en een huisdierenspectrum waarin het varken en de kip de belangrijkste vertegenwoordigers zijn. Meer noordwaarts, in werkput 21 in het noordtransept, zijn geen sporen aan het licht gekomen die aan de tweede steenbouwfase (fase 4) kunnen worden toegeschreven. Maar het is wel mogelijk dat de noord-zuid georiënteerde muur 246 van de eerste steen-

Nog verder noordwaarts, in werkput 22, wordt na de brand van de tweede helft van de 2de eeuw een 30 cm dikke ophoging aangebracht (pl. IV, fig. 1.171, 1.172 en 1.174: spoor 481). Ze bestaat uit grijze zandige leem, met daarin de gebruikelijke bijmenging van houtskool en verbrande leem, dakpan- en natuursteenfragmenten en diverse mortelsoorten: wit, grijs, geel of roze gekleurd. Het vondstensemble uit deze laag is typisch voor de tweede helft van de 2de eeuw en de 3de eeuw. Vervolgens wordt doorheen deze laag de fundering van een noord-zuid georiënteerde muur aangelegd, deels als in situ bewaarde fundering (spoor 482), deels als uitbraakspoor (spoor 483) behouden (pl. IV, fig. 1.171 1.172 en 1.173). Deze muur werd over een lengte van zowat 1,70 m opgetekend. De fundering kon aan het einde van de opgraving over een diepte van ca. 40 cm blootgelegd worden. Ze is een 60 cm breed en bestaat


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

485 481 482 481 486

0

487

484

135

Fig. 1.171 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 22 in het noordoostportaal: sporen van fase 4.

483

1m

Fig. 1.172 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 22 in het noordoostportaal: sporen 481 en 483485 vanuit het noorden.

Fig. 1.173 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 22 in het noordoostportaal: spoor 482 vanuit het westen.


136

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.174 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 22 in het noordoostportaal: sporen 481-483 en 486-487 van uit het westen.

uit onregelmatig gekapte vuursteenblokken, zonder bijmenging van mortel. Boven de in situ bewaarde droge fundering is over een diepte van ca. 80 cm een uitbraakspoor te zien, eveneens ca. 60 cm breed, gevuld met bruingrijze zandige leem, houtskool en verbrande leem, grote hoeveelheden grijze mortel en kleinere aantallen gele en roze mortel, dakpanfragmenten en natuursteenfragmenten. Aan de oostzijde van dit uitbraakspoor waren plaatselijk nog over elkaar geschoven fragmenten van witte wandbepleistering bewaard (pl. IV, fig. 1.171 en 1.172: spoor 484). Die moeten tijdens de ontmanteling van de muur en de verdere uitbraak van de fundering naar beneden geschoven zijn. Een 20 cm ten westen van muur 482-483 bevinden zich de resten van een houten kanaal (pl. IV, fig. 1.171 en 1.172: spoor 485), 30 à 40 cm breed en zichtbaar over een lengte van ca. 2 m. De bewaarde diepte kan op ongeveer 20 cm ingeschat worden. Van de houten bekisting zijn in de wanden en op de bodem verkoolde fragmenten bewaard gebleven. Voor het overige bestaat de vulling uit grote brokstukken verbrande leemwand en fragmenten van witte bepleistering. Wellicht ving dit kanaal regenwater van het op muur 482-483 steunende dak op. In fase 3 zijn op verschillende plekken al dergelijke afwateringssystemen aangetroffen. De ligging van kanaal 485 ten opzichte van muur 482-483 maakt ook duidelijk dat de westelijke wand van de muur een buitenwand was en een van oost naar west hellend dak droeg. De gehele zone ten westen van muur 482-483 is door de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw afgedekt (pl. IV, fig. 1.171 en 1.174: spoor 486). De ongeveer 30 cm dikke laag bestaat overwegend uit brokstukken verbrande leemwand en verkoold hout, waarin grijze, gele en roze mortel, kalk, wandbepleistering en dakpan- en natuursteenfragmenten vermengd zijn, samen met een kleine hoeveelheid nederzettingsafval, deels uit de tweede helft van de 2de eeuw en de 3de eeuw, deels ouder. In deze brandlaag was bovendien een groot fragment muurbepleistering bewaard (pl. IV, fig. 1.171 en 1.174: spoor 487) (zie 5.3.8). Het bleek om een witte bepleistering met rode banden te gaan. Een dergelijke decoratie is typisch voor een buitenwand. Dit kenmerk, samen met de ligging van het fragment onmiddel-

lijk ten westen van muur 482-483, maakt het aannemelijk dat het een stuk op de westwand van deze muur aangebrachte buitenbekleding is geweest. Het negatief van het visgraatvormig patroon op de keerzijde van de pleister, toont bovendien aan dat de bovenbouw van de muur in hout en leem was geconstrueerd. 1.5.3 De bewoningssporen in het zuidoostelijk gedeelte van het opgravingsterrein De zone die overeenkomt met het zuidelijk gedeelte van werkput 27 in het hoogkoor en met werkput 25 in de kloostertuin, en waar ten tijde van de eerste steenbouwfase een open binnenplaats was, wordt na de brand van de eerste steenbouwfase ingrijpend heringericht (pl. IV en fig. 1.175). In werkput 25 in de kloostertuin wordt het oostelijk deel van de binnenplaats uit fase 3 in fase 4 door twee kamers in beslag genomen. Het westelijk deel blijft een open binnenplaats. Over de voormalige afsluitmuur 271, waar pilaster 272 deel van uitmaakte, wordt een nieuwe, noord-zuid gerichte muur gebouwd, zichtbaar over een afstand van ca. 4,60 m (pl. IV, fig. 1.175, 1.176, 1.177 en 1.178: spoor 488). Waar in fase 3 muur 271 ter hoogte van pilaster 272 werd afgesloten, en bijgevolg ten noorden van pilaster 272 een doorgang bestond, loopt muur 488 verder in noordelijke richting door, over de basis van de afgebroken pilaster heen. De muur wordt met andere woorden in het zuiden door de deels afgebroken muur 271 en pilaster 272 gefundeerd en heeft in het noorden een eigen fundering. De funderingsbreedte bedraagt daar bij benadering 60 cm, de muurdikte 40 cm. De verticale opbouw van de fundering verschilt in het zuidelijk gedeelte uiteraard van het noordelijke gedeelte. In het zuidelijk traject dienen muur 271 en pilaster 272 als fundament. Op muur 271 is een enkele laag regelmatig gekapte silexblokjes gemetseld. Daarop is dan de opgaande muur gebouwd, waarvan drie rijen zandstenen parementblokjes bewaard zijn. Voor de voegen is een roze kalkmortel gebruikt, waarin voeglijnen werden gekrast. De muurkern is met silexgruis en grijze kalkmortel gevuld. In het noordelijk traject rust de muur op een fundering van onregelmatige vuursteenblokken en grijze kalkmortel, aan het einde van


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

137

496 495

497 498

488 490 491

492 493-494 489 0

2m

Fig. 1.175 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor en werkput 25 in de kloostertuin: sporen van fase 4.

Fig. 1.176 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 25 in de kloostertuin: noordelijke deel van spoor 488 vanuit het oosten.


138

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.177 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 25 in de kloostertuin: zuidelijk deel van spoor 488 vanuit het westen.

Fig. 1.178 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 25 in de kloostertuin: noordelijk deel van spoor 488 vanuit het westen.

de opgraving over een diepte van 40 à 50 cm in profiel zichtbaar. De muur is in het noordelijk traject op dezelfde wijze geconstrueerd als in het zuidelijk traject. Aan de westelijke zijde, de buitenwand, zijn drie à vier rijen zandstenen parementblokjes bewaard, aan de oostelijke zijde, de binnenwand, kunnen zes rijen parementstenen geteld worden. De bovenste twee rijen zijn er plaatselijk met twee lagen, elkaar in de tijd opvolgende muurschilderingen bedekt. De onderste vier rijen parementstenen bevonden zich aan die zijde bijgevolg onder het vloerniveau. De zone ten oosten van muur 488 wordt door een oost-west gerichte muur in twee vertrekken verdeeld (pl. IV, fig. 1.175, 1.179 en 1.180: spoor 489). Deze muur is over een afstand van slechts 1 m te volgen. De breedte van het opgaand muurwerk bedraagt ca. 60 cm. Van de fundering kon de breedte niet meer bepaald worden. Alleen aan de noordzijde was de opbouw van de fundering en van de bovengrondse muur te zien. Van onder naar boven zijn een ca. 10 cm dikke laag kiezel, 30 à 40 cm droge fundering van twee rijen silexblokken en drie rijen parement van zandsteen, dakpan en tegula-fragmenten van het opgaand muurwerk zichtbaar. Daarop is, nog altijd aan de noordzijde, een muurschildering te zien, van dezelfde samenstelling als de jongste van de twee muurschilderingen die op de oostzijde van muur 488 waren aangebracht. De muurkern bestaat uit een mengsel van grijze kalkmortel, vuursteen- en dakpanfragmenten. Er is een bouwnaad zichtbaar tussen muur 488 en muur 489. Ook de van muur 488 afwijkende opbouw van fundering en muur wijst op een ander, reeds op grond van de bouwnaad later te situeren tijdstip van constructie. In het vertrek ten noorden van muur 489 ligt een 15 à 20 cm dikke vloer in opus signinum (pl. IV, fig. 1.175 1.179 en 1.180:

spoor 490). In de zone die aan de muren 488 en 489 grenst is het oorspronkelijk gladgestreken loopniveau nog bewaard. Elders is de vloer aan de oppervlakte verweerd. Op de vloer tekent zich min of meer een rechthoekige, zwart geblakerde zone van ca. 0,50 x 2 m af, de impact van de brand van de tweede helft van de 3de eeuw. Van de kamer waarin deze vloer lag, zijn alleen de westelijke (muur 488) en zuidelijke (muur 489) grenzen bekend. De noordelijke en oostelijke grenzen vallen buiten de opgegraven zone. Niettemin kan vastgesteld worden dat het om een grote kamer moet gaan, minstens 3,60 x 4,20 m groot. Van het vertrek ten zuiden van muur 489 is over een oppervlakte van ca. 70 x 80 cm niet meer dan de noordoostelijke hoek te zien. De daarin zichtbare gele leemlaag is mogelijk de bovenkant van een lemen vloer geweest, of de basis voor een nu geheel verdwenen betonvloer. Het is ook mogelijk dat het hier niet om een vertrek, maar om een buitenshuis gelegen terrein gaat. Op de betonvloer 490 ligt de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw (pl. IV en fig. 1.175: spoor 491), een ca. 20 cm dik pakket verbrande leemwand en verkoold hout, natuursteen- en dakpanfragmenten. De zone ten westen van muur 488 blijft in fase 4 een open ruimte. Er strekken zich drie lagen in uit: een ophogingslaag uit de bewoningstijd van fase 4 (spoor 492) en twee puin- en brandlagen van de brand van de tweede helft van de 3de eeuw (sporen 493 en 494). Spoor 492 is een laag van een 10 cm gele zandige leem, licht vervuild met houtskool en verbrande leem, dakpan- en natuursteenfragmenten en kalk. Spoor 493 bestaat uit grijze zandige leem met bijmenging van verbrande leem en houtskool, roze en grijze mortel en grote hoeveelheden roze en witte pleister. Spoor 494 bestaat vrijwel uitsluitend uit verbrande leemwand en houtskool met bijmenging van kalk, roze en grijze mortel. Laag 492 bevatte geen vondsten, uit de brand- en puinlagen 493 en


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

139

Fig. 1.179 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 25 in de kloostertuin: sporen 488-490 vanuit het noorden.

Fig. 1.180 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 25 in de kloostertuin: sporen 488-490 vanuit het oosten.

494 kwamen kleine aantallen vondsten, waarvan de jongste in de tweede helft van de 2de een en 3de eeuw gedateerd kunnen worden. Laag 494 bevatte bovendien enkele laat-Romeinse scherven. In werkput 27 in het hoogkoor is de plek van de voormalige binnenplaats door een zaalvormige ruimte ingenomen. Daarvan is een gedeelte van de noordelijke buitenmuur (pl. IV, fig. 1.43, 1.44, 1.175, 1.181, 1.182, 1.183, 1.184 en 1.185: sporen 495 en 496) en van de vloer (pl. IV, fig. 1.175, 1.185 en 1.186: spoor 497) bewaard. De noordelijke buitenmuur bestaat uit twee delen. Muur 495 is op de oude sokkel van de voor het overige volledig afgebroken omheiningsmuur 273 van fase 3 gebouwd. Hij is ongeveer 30 cm breed en over een lengte van ca. 5,90 m zichtbaar. De buitenbekleding is van zandstenen parementblokjes gemaakt, waarvan 5 à 6 rijen over een hoogte van 60 à 70 cm bewaard zijn. Plaatselijk is daarop een enkele dakpan bewaard. Mogelijk markeert dit de overgang naar de houten en lemen bovenbouw. Het kan ook

de basis van een dubbele laag tegulae zijn, zoals die wel vaker in afwisseling met een veelvoud aan rijen natuursteen in muren wordt aangetroffen. Voor de voegen, die aan beide zijden van de muur door ingekraste lijnen geaccentueerd zijn, is deels grijze en deels roze kalkmortel gebruikt. In de kern bevindt zich een mengsel van grijze kalkmortel en dakpan- en vuursteengruis. Muur 496 is een uitsprong van ca. 50 cm in noordelijke richting ten opzichte van muur 495 en kan over een afstand van 1,40 m gevolgd worden. Hij staat op een gemetseld platform dat ca. 50 cm breed en 25 à 30 cm diep is en dat uit twee lagen regelmatig gekapte zand- en vuursteenblokjes en grijze kalkmortel is opgebouwd. Daarop staat dan de bovengrondse muur, die met een breedte van ca. 30 cm aanzienlijk smaller is en waarvan over een hoogte van zowat 40 cm vier rijen zand- en vuurstenen parementblokjes bewaard zijn. De voegen zijn deels met grijze en deels met roze kalkmortel gevuld en van ingekraste lijnen voorzien. De kern bestaat uit vuursteensplinters en grijze mortel.


140

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.181 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: zuidelijke zijde van spoor 495 vanuit het zuidwesten na verwijdering van de in situ bewaarde muurschildering.

Fig. 1.182 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: noordelijke zijde van spoor 495 vanuit het noordoosten.

Fig. 1.183 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: spoor 496 vanuit het noorden.

Merkwaardig is dat voor de bouw van platform en muur 496 de door muren 189 en 190 gevormde zuidwestelijke hoek van de werkplaats uit fase 3 tot in de fundering werd afgebroken (spoor 191), in plaats van dit oud metselwerk als grondvest te hergebruiken. Opvallend is verder dat muur 495 een oriëntatie heeft die licht afwijkt van de andere, in werkput 25 aangetroffen muren van deze domus. Muur 496 is daarentegen op dezelfde wijze als de muren van werkput 25 georiënteerd. Ongetwijfeld heeft dit te maken met het feit dat muur 495 op de oude muur 273 van fase 3 is gebouwd, waarvan ze noodgedwongen de oriëntatie over-

neemt. Voor muur 496 is dat niet het geval. Die is in fase 4 geheel nieuw en met een eigen fundering aangelegd. Deze fundering heeft overigens niet geheel voldaan. Duidelijk is zichtbaar hoe muur 496 licht is verzakt en zich daardoor van muur 495 heeft losgescheurd (fig. 1.184). Dit hoeft echter niet noodzakelijk ten tijde van fase 4 gebeurd te zijn, maar kan ook pas veel later plaatsgevonden hebben. Tot slot is op de zuidwand van muren 495-496 het onderste gedeelte van een zwaar beschadigde muurschildering bewaard gebleven (zie 5.3.4, ensemble 11), bestaande uit een rode plint en een deel van de sokkelzone met zwarte


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

141

panelen en rode tussenpanelen (fig. 1.185). Op grond van de grote hoeveelheden verbrande leem en de indrukken op de achterkant van de daartussen aangetroffen bepleistering in de brandlaag ten zuiden van muur 495-496 (zie verder spoor 498) mag aangenomen worden dat de muur een combinatie van een stenen sokkel met houten en lemen bovenbouw was. Ten zuiden van de buitenmuur 495-496 strekt zich over een oppervlakte van 3,60 x 6,50 m een betonnen vloer uit (pl. IV, fig. 1.43, 1.44, 1.175, 1.185 en 1.186: spoor 497). Hij bestaat uit een 10 à 15 cm dik pakket opus signinum, op een bedding van vuursteenblokken gestort. Daar alleen de noordelijke begrenzing ervan in beeld komt, kan geen voorstelling van de exacte afmetingen van de vloer en de ruimte waartoe hij behoorde gemaakt worden. Uit de vastgestelde minimale afmetingen blijkt echter duidelijk dat hij een omvangrijk areaal in beslag heeft genomen, groter dan voor een gemiddeld vertrek gebruikelijk is. De dimensies die de ruimte gehad moet hebben en de kwaliteit van de muurschilderingen tonen aan dat dit één van de belangrijkere vertrekken van de domus was. Mogelijk gaat het om een representatieve ruimte of ontvangstzaal. Op de vloer ligt de puin- en brandlaag van de tweede steenbouwfase (pl. IV, fig. 1.43, 1.44 en 1.175: spoor 498). Op sommige plekken is deze laag nog bijna 1 m dik, elders is ze vrijwel geheel verdwenen en opgenomen in de daarop liggende laat-Romeinse zwarte laag. Puin- en brandlaag 498 bestaat uit twee onderdelen. Onderaan strekt zich een roodbruin pakket zandige leem met afbraakpuin uit: diverse grijs-, wit-, geel- en rozekleurige mortels, brokstukken vloerbeton, dakpan- en natuursteenfragmenten, houtskool en verbrande leem (spoor 498, laag A). Daarop bevindt zich een rode laag met overwegend brandafval (spoor 498, laag B). Ze bevat grote hoeveelheden verbrande leem en houtskool, afkomstig van de wellicht omvergeduwde houten en lemen bovenbouw van muur 495-496, concentraties van wandbepleistering afkomstig van genoemde bovenbouw (zie 5.3.11, ensemble 11) en overige types afbraakpuin zoals dakpan- en natuursteenfragmenten, kalk en

Fig. 1.184 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: spoor 496 vanuit het oosten.

Fig. 1.185 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: spoor 495 vanuit het zuidwesten met de in situ bewaarde muurschildering.


142

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.186 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 27 in het hoogkoor: spoor 497 vanuit het oosten.

grijze, gele en roze mortelfragmenten. In de brandlaag is een grote hoeveelheid vondsten terechtgekomen, waaronder ook een klein aantal laat-Romeinse. De enige munt uit spoor 498 is een imitatie antoninianus van Aurelianus voor Divus Claudius II uit de periode 270 - 300 (cat. nr. 33). Een groot aantal dierlijke resten is de weerslag van een voor fase 4 typisch voedingspatroon: een in het oog springend aantal oesterschelpen, kleine aantallen jachtwild en een aantal skeletelementen van huisdieren, waarin runderresten net iets belangrijker zijn dan varkensresten en de overige soorten qua aantal te verwaarlozen zijn85. Globaal bekeken zijn er in fase 4 ten zuiden van de perceelscheidingslijn in de werkputten 25 en 27 overeenkomsten en verschillen met fase 3 vastgesteld. Enerzijds blijft deze zone in fase 4 als open binnenplaats ingericht, zoals uit het westelijk gedeelte van werkput 25 blijkt. Anderzijds wordt deze open binnenplaats verkleind, zoals afgeleid kan worden uit de aanwezigheid van grote, van vloerbeton en muurschilderingen voorziene vertrekken, ten

85 Ervynck et al. 2017, p. 468.

noorden van de verkleinde binnenplaats in werkput 27 en ten oosten ervan in werkput 25. Omvang en, voor zover te overzien, kwaliteit van de muurschilderingen suggereren een hoge status van deze vertrekken. Daar staat echter tegenover dat ze blijkbaar niet van vloerverwarming waren voorzien. Ten westen van deze verkleinde binnenplaats, in werkput 26 in het laagkoor, was ten zuiden van de perceelscheiding het terrein in fase 3 naar alle waarschijnlijkheid door een badgebouw ingenomen. Op deze plek zijn echter geen sporen van fase 4 bewaard (pl. IV). De grootschalige uitgraving van de 19de eeuw heeft er niets van de bewoningssporen uit de tweede helft van de 2de eeuw en 3de eeuw heel gelaten. Er kon bijgevolg niet achterhaald worden hoe die plek in fase 4 was ingericht. Nog verder ten westen van deze onbekende zone ligt het terrein waar zich de vermoedelijke kern van de domus uit fase 3 situeerde. Resten daarvan zijn gevonden in de viering (het oostelijk


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

gedeelte van werkput 16), het laagkoor (het westelijk gedeelte van werkput 26), het zuidtransept (werkput 12), de toegang tot de kloostergang (werkput 11) en het zuidportaal (werkput 19). In grote lijnen bestond die kern tijdens fase 3 uit twee delen: (1) een oostelijk deel met van zuid naar noord een gang, twee middelgrote vertrekken en een grote ruimte en (2) een westelijk deel, opgebouwd uit een vijftal kleinere zijvertrekken. Een groot deel van het oostelijke zone was van vloerverwarming voorzien, in het westelijke deel waren de zijvertrekken niet met een dergelijk systeem verwarmd. Hieronder wordt hetzelfde terreingedeelte beschreven en wordt nagegaan op welke wijze de kern van de domus uit fase 3 in fase 4 behouden, dan wel getransformeerd wordt. In het laagkoor in werkput 26 is ten zuiden van de perceelscheidingslijn de noordwestelijke hoek van een vertrek bewaard. Deze hoek wordt door de muren 499 en 500 gevormd. Spoor 499 is een oost-west gerichte muur (pl. IV, fig. 1.187, 1.188 en 1.189). Hij is op de intact gelaten stenen sokkel van muur 299 van fase 3 gebouwd. Het noordelijk parement situeert zich ca. 10 cm zuidelijker dan het noordelijk parement van muur 299. Het zuidelijk parement bevindt zich, voor zover nog bewaard, op nagenoeg dezelfde lijn als het zuidelijk parement van muur 299. Muur 499 van fase 4 is daardoor ca. 40 cm breed, ca. 10 cm smaller dan muur 299 van fase 3. Van het metselwerk is slechts een beperkt aantal exemplaren van de onderste rij parementstenen bewaard. Het gaat om een mengeling van vuurstenen en zandstenen blokjes. Zowel voor de bouw- als voor de voegmortel is een gele kalkmortel gebruikt. Spoor 500 is een noord zuid-gerichte muur (pl. IV, fig. 1.187, 1.190 en 1.191). Hij is op de gemetselde fundering

van muur 300 van fase 3 gebouwd. De stenen sokkel die zich ten tijde van fase 3 daarop bevond, is in fase 4 volledig afgebroken. Muur 500 zet bijgevolg ca. 50 cm lager aan dan muur 499 die immers op de wel intact gelaten stenen sokkel van fase 3 steunt. Van muur 500 zijn dan ook 5 à 6 rijen vuursteen- en zandsteenblokjes te zien, met dezelfde gele kalkmortel gemetseld en gevoegd als voor muur 499 werd gebruikt. Het betreft voor een deel bijkomende gemetselde fundering, die zich ten tijde van fase 4 aan de oostelijke zijde onder het vloerniveau bevond. Aan de westelijke zijde was dit metselwerk echter wel zichtbaar, daar het vloerniveau in fase 4 daar ca. 50 cm lager was. Beide muren vormen de noordwestelijke hoek van een vertrek, waarbinnen eerst een ca. 40 cm dikke ophogingslaag werd aangebracht (pl. IV, fig. 1.187 en 1.192: spoor 501) van gele zandige leem, vermengd met houtskool en verbrande leemgruis, kalk, witte, grijze, gele en roze mortelfragmenten, waarin plaatselijk concentraties natuursteen- en dakpanfragmenten en brokstukken van vloerbeton voorkomen. Spoor 501 bevat resten van twee wandecoraties (zie 5.2.11, ensemble 24 en 5.2.12, ensemble 25). Ensemble 24 is waarschijnlijk identiek met ensemble 9, in spoor 511 aangetroffen, en ensemble 25 is verwant met ensemble 14, in spoor 281 bewaard. Laag 511 bevat ten slotte een klein aantal vondsten waartoe een nummus van een onbepaald atelier uit de jaren 333 - 334 behoort (cat. nr. 199). Deze vondst moet als intrusief beschouwd worden. In deze sector is in de 4de eeuw een fundering van ingeheide palen aangelegd die de intrusie veroorzaakt kan hebben. Op laag 501 is een betonvloer gestort (pl. IV, fig. 1.187, 1.192 en 1.193: spoor 502). Deze vloer bestaat uit een fundering van 5 à 10 cm dakpan- en vuursteenfragmenten. De

237

472

242

238 299

499

500 300

502 502 503 501

0

143

1m

Fig. 1.187 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen van fase 4.

501

502


144

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.188 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: spoor 499 vanuit het zuiden.

Fig. 1.190 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor en werkput 16 in de viering: spoor 500 vanuit het oosten. Fig. 1.189 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: spoor 499 vanuit het oosten.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

145

Fig. 1.191 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: spoor 500 vanuit het westen.

Fig. 1.192 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: sporen 501 en 502 vanuit het oosten.

Fig. 1.193 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 26 in het laagkoor: spoor 502 vanuit het westen.


146

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

daarop rustende vloerbeton is 15 à 20 cm dik. In de noordwestelijke hoek van het vertrek is nog de aanzet van een weggebroken kwartronde plint zichtbaar. Een dergelijke afwerking associeert men doorgaans met een bad. Deze associatie werd voor de site van de O.L.V.-basiliek reeds gedaan bij de interpretatie van spoor 296quater van fase 3 en zal nog herhaald worden voor spoor 632 van fase 4. Betonvloer 502, waarvan deze kwartronde plint deel uitmaakt, strekt zich echter over een oppervlakte van minstens 3 x 5,60 m uit, waardoor een interpretatie als bodem van een badkuip onwaarschijnlijk is. Bovendien bevindt het vloerniveau ten westen van muur 500 zich ca. 50 cm hoger dan dat van de aangrenzende vertrekken ten oosten van muur 500. In geval van een bad zou men vloer 502 veel lager verwachten. Er is daarom aangenomen dat vloer 502 het betonnen loopvlak van een groot vertrek van de domus ten zuiden van de perceelslijn is. Vloer 502 is op zijn beurt weer plaatselijk door de puin- en brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw afgedekt (pl. IV en fig. 1.187: spoor 503). Deze laag is een 10 cm dik. In de toegang tot de kloostergang, in werkput 11, zijn delen van een drietal vertrekken bewaard, die op één of andere manier op de hierboven beschreven ruimte in werkput 26 moeten aangesloten hebben. Tussen beide werkputten is echter een belangrijk deel van het terrein ontoegankelijk voor onderzoek geweest, waardoor de onderlinge samenhang niet meer gereconstrueerd kan worden. Van het eerste vertrek vallen de westelijke en noordelijke begrenzingen buiten de opgravingszone. In het oosten wordt het vertrek door muur 504 begrensd (pl. IV, fig. 1.194 en 1.195). Deze muur is op de stenen sokkel van muur 306 en de daarin dichtgemetselde deur 307 van fase 3 gebouwd en is over een afstand van ca. 1,20 m te volgen. Hij bestaat uit een stenen sokkel en een houten en lemen bovenbouw. De stenen sokkel is ongeveer 50 cm

507

506

508

breed en 40 cm hoog en bestaat uit 3 lagen zandstenen parementblokjes en een laag dakpannen. Voor dit metselwerk is grijze kalkmortel gebruikt. De voegen zijn van roze kalkmortel gemaakt en vervolgens ingekrast. De kern bestaat uit grijze kalkmortel. Op het metselwerk is plaatselijk nog de aanzet van de verbrande en verkoolde houten en lemen bovenbouw bewaard. Op de westelijke wand van muur 504 is een rozekleurige, ca. 10 cm dikke pleisterlaag aanwezig. Op de oostelijke wand is in het noorden eveneens muurschildering bewaard gebleven (zie verder). In het zuiden vormt muur 505 de begrenzing van het vertrek (pl. IV, fig. 1.194 en 1.196). Hij steunt op de stenen sokkel van muur 302 van fase 3. Bewaard is een stenen sokkel van vier lagen zandstenen parementblokjes, ca. 50 cm breed en 40 cm hoog. De sokkel is met grijze kalkmortel gemaakt. De voegen van roze kalkmortel zijn met een ingekraste lijn geaccentueerd. Voor het opvullen van de muurkern is grijze kalkmortel gebruikt. Plaatselijk is nog de aanzet van de verbrande houten en lemen bovenbouw zichtbaar. Op de zuidelijke wand bevindt zich het restant van een muurschildering, een paarse plint van een sokkelzone. In plattegrond valt het vertrek samen met de hypocaustum-verwarmde kamer van fase 3. Na afbraak van dit hypocaustum is de plek opgehoogd met een 0,70 à 1,20 m dik pakket gele zandige leem, waarin wat houtskool, grijze en roze mortelfragmenten, stukken dakpan en natuursteen, muurschilderingfragmenten en een enkele hypocaustum-tegel vermengd zijn (pl. IV, fig. 1.194 en 1.197: spoor 506). Aan de basis daarvan ligt de ingestorte betonnen vloer 324 van fase 3. Op laag 506 is een vloer in opus signinum gelegd (pl. IV, fig. 1.194, 1.197 en 1.198: spoor 507). De fundering daarvan bestaat uit dakpanfragmenten en stukken vuursteen. De betonlaag is 5 à 10 cm dik. Vloer 507 wordt door de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw afgedekt, die echter slechts enkele cm dik bewaard is (pl. IV en fig. 1.194: spoor 508). Ze heeft de gebruikelijke samenstelling van brokstukken verbrande leemwand en hout, dakpan-

517 504

522

507 518

505 520 511-512 513-514

521 522 509

515-516 523-524-525 510 0

1m

Fig. 1.194 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: sporen van fase 4.

522


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

147

en natuursteenfragmenten, wat kalk, grijze, witte en roze mortel en pleisterfragmenten. Het zichtbare gedeelte van het eerste vertrek neemt een oppervlakte van ca. 1,20 x 1,70 m in. De volledige afmetingen van de ruimte zijn niet meer te achterhalen. Van het tweede vertrek zijn de zuidelijke en westelijke begrenzingen niet zichtbaar. De noordelijke grens wordt door de reeds beschreven muur 505 gevormd. De oostelijke afbakening bestaat uit een nieuw gebouwde muur (pl. IV, fig. 1.194, 1.196 en 1.199: spoor 509). Het volledig blootgelegde profiel van deze muur toont een 50 tot 70 cm diepe droge fundering van grote vuursteenblokken, een 15 à 20 cm diepe gemetselde fundering van regelmatige gekapte vuurstenen blokjes en een sokkelmuur van drie lagen zand- en vuurstenen parementblokjes, afgedekt door een laag tegel- en dakpanfragmenten. Voor funderingen en metselwerk is grijze kalkmortel gebruikt, voor de voegen roze kalkmortel. De voegen zijn door ingekraste lijnen geaccentueerd. De fundering is ongeveer 50 cm breed, de stenen sokkel ca. 40 cm. Op het hoekpunt met muur 505 is op de westelijke wand van muur 509 nog een restant van een muurschildering bewaard. Het gaat om dezelfde paarse plint die ook op de zuidelijke wand van muur 505 bewaard is. De sokkel heeft een lengte van ongeveer 1,40 cm en wordt dan in het zuiden door een doorgang onderbroken, die in het vlak nog een 30 cm kan gevolgd worden en dan verder buiten de opgraving doorloopt (pl. IV, fig. 1.194, en 1.200: spoor 510). Ter hoogte van de doorgang is noch een natuurstenen drempel, noch vloerbeton gevonden. Het loopvlak is er weggebroken. Binnen dit tweede vertrek is het terrein opgehoogd met hetzelfde materiaal als voor de ophoging binnen het eerste vertrek werd gebruikt: 20 à 40 cm gele zandige leem met daarin verbrande leem en houtskool, dakpan- en natuursteenfragmenten, witte en grijze mortel, kalk, stukken pleister en een enkel fragment vloerbeton (pl. IV, fig. 1.194 en 1.201: spoor 511). De pleisterfragmenten komen van drie verschillende ensembles (zie 5.2.4, ensemble 5 en ensemble 7 en 5.2.5, ensemble 9). Ensemble

Fig. 1.195 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: spoor 504 vanuit het westen.

Fig. 1.196 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: spoor 505 vanuit het zuiden.


148

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.197 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: sporen 506 en 507 in profiel vanuit het zuiden.

Fig. 1.198 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: sporen 506 en 507 in het vlak vanuit het westen.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

149

Fig. 1.199 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: spoor 509 vanuit het westen.

Fig. 1.200 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: spoor 510 vanuit het noorden.

9 is waarschijnlijk dezelfde decoratie als ensemble 24 dat in spoor 501 is gevonden. Op spoor 511 ligt een dunne laag verbrande leem (pl. IV, fig. 1.194, 1.201 en 1.202: spoor 512). Dit ophogingspakket wordt door een betonnen vloer afgedekt. Die bestaat uit een ca. 10 cm dikke funderingslaag van fijn gemalen en uitgezeefd grijs mortelgruis, vermengd met kiezel (pl. IV, fig. 1.194, 1.201 en 1.202: spoor 513) en een ca. 10 cm dikke laag vloerbeton (pl. IV, fig. 1.194, 1.200, 1.201 en 1.202: spoor 514). Waar de vloer contact maakt met de uitgebroken drempel van doorgang 510 is de overwegend grijskleurige vloerbeton door donkerroze beton vervangen. Blijkbaar werd voor het afwerken van de drempel anders samengesteld beton gebruikt (fig. 1.200, 1.201 en 1.202: spoor 514bis). De vloer wordt door de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw afgedekt (pl. IV, fig. 1.194, 1.201 en 1.202: spoor 515). Hij is 10 à 20 cm dik en bestaat uit

overwegend verbrande leemwand en verkoold hout, dakpan- en natuursteenfragmenten, grijze en roze mortelfragmenten, kalk en wandpleister. Plaatselijk is daarin een apart niveau met puin van de verdere afbraak van de steenbouw van fase 4 herkenbaar (pl. IV en fig. 1.194: spoor 516), overwegend uit dakpanfragmenten samengesteld. Van het tweede vertrek is een oppervlakte van ca. 1,60 m x 1,70 m bewaard. Het derde vertrek heeft muur 517 als noordelijke grens (pl. IV, fig. 1.194, 1.203 en 1.204). Hij is, net als muur 509, volledig nieuw gebouwd en maakt voor zijn fundering niet van ouder metselwerk uit fase 3 gebruik, zoals voor de muren 504 en 505 wel is vastgesteld. Muur 517 is over de volledige lengte van 3,70 m bewaard en rust op een droge fundering van vuursteenblokken, ca. 40 cm diep. De breedte van de fundering laat zich niet vast-


150

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.201 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: zuidwestelijk putwandprofiel.

Fig. 1.202 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: detailopname van spoor 514bis vanuit het noorden.

stellen. Daarop ligt een ca. 10 cm dunne overgangszone van gemetselde fundering, waarvoor regelmatige gekapte vuursteenen zandsteenblokjes en grijze kalkmortel gebruikt zijn. De daarop gebouwde sokkelmuur bestaat uit vijf rijen zandstenen parementblokjes, afgedekt door een rij dakpan- en tegelfragmenten. Voor het metselwerk en de vulling van de muurkern werd grijze kalkmortel gebruikt, voor de afwerking van de voegen roze kalkmortel, waarin voeglijnen ingekrast zijn. Op deze sokkel zijn de resten van een verkoolde houten funderingsbalk en de aanzet van de verbrande lemen bovenbouw bewaard (fig. 1.203 en 1.204: spoor 517A). De funderingsbalk is een 30 cm breed. Hoewel de noordelijke zijde van muur 517 door middeleeuwse funderingen geraakt is, mag de breedte van de muur toch op een 50 cm ingeschat worden. Merkwaardig is verder dat op de stenen sokkel en ter hoogte van de houten funderingsbalk een rij dakpannen rechtop geplaatst was, mogelijk zowel ten noorden als ten zuiden

van de balk (fig. 1.203 en 1.204: spoor 517B). Enkele van de pannen die aan de noordelijke zijde geplaatst waren, zijn bewaard gebleven, maar zijn wel tijdens de afbraak van muur 517, of misschien ook pas bij de aanleg van de middeleeuwse fundering ten noorden van de muur, verzakt. Blijkbaar werd op die manier een soort bescherming in terra cotta omheen de houten funderingsbalk gemetseld. In de hierna nog te bespreken brand- en puinlaag van de tweede helft van de 3de eeuw ten zuiden van muur 517 zijn grote hoeveelheden verbrande houten en lemen bovenbouw bewaard gebleven. De houten en lemen wand is blijkbaar na de brand omvergeduwd, waardoor hij samen met de muurschilderingen van zowel de noordelijke als de zuidelijke wand op het toenmalige loopvlak ten zuiden van de muur terecht is gekomen (zie 531, ensemble 1 en 5.3.2 ensemble 2). Op de stenen sokkel, die wel in situ is blijven staan, is bovendien een groot deel van de basis van de zuidelijke muurschildering bewaard gebleven


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

151

Fig. 1.203 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: spoor 517 vanuit het zuiden.

(fig. 1.203: spoor 517C). In het westen sluit deze muurschildering aan bij de muurschildering van hetzelfde type die op de oostelijke wand van muur 504 was aangebracht. Uit de resten die in de brand- en puinlaag ten zuiden van muur 517 geborgen zijn, blijkt dat op de noordelijke wand een decoratie van marmerimitaties was aangebracht en dat op de zuidelijke wand een paneeldecoratie stond van twee panelen en een tussenpaneel. Op grond van de reconstructies van de muurschilderingen moet de muur minstens 3,30 m hoog zijn geweest. Muur 518 vormt de oostelijke grens van het derde vertrek (pl. IV, fig. 1.194, 1.205 en 1.206). Hij is over een lengte van ca. 3,20 m te volgen en bestaat uit twee verschillende onderdelen. In het noorden steunt hij op de gemetselde fundering en stenen sokkel van muur 304 van fase 3 (fig. 1.205: spoor 518 noord). In het zuiden zijn de stenen sokkel en de bovenste rijen gemetselde fundering van muur 305 van fase 3 afgebroken en heeft muur 518 een eigen, droge fundering van vuursteenblokken gekregen. Die zet op een diepte van een 70 cm aan op het restant van de gemetselde fundering van muur 305 van fase 3 (fig. 1.205: spoor 518 zuid). De overgang van de droge fundering naar de stenen sokkel wordt door een enkelvoudige, ca. 10 cm dikke laag zandstenen blokjes en grijze kalkmortel ingenomen. De stenen sokkel van muur 518 is over de gehele lengte op dezelfde wijze opgebouwd. Bewaard zijn vier rijen zandstenen parementblokjes, ca. 50 cm hoog. Voor het opmetselen van het parement en de vulling van de muurkern is grijze kalkmortel gebruikt, voor het afwerken van de voegen roze kalkmortel. In de voegen zijn extra lijnen ingekrast. Op de sokkel zijn de resten van een verkoolde funderingsbalk gevonden (fig. 1.206). Hij lag in een dikke laag grijswitte en houtskoolrijke kalkmortel ingebed. Op de westelijke wand van muur 518 is dezelfde bepleistering aangetroffen als op de zuidelijke wand van muur 517 en de oostelijke wand van muur 504. Door de ligging van muur 518 aan de oostelijke rand van werkput 11 is het niet mogelijk geweest de oostelijke zijde van de muur bloot te leggen. Bijgevolg is de breedte van de fundering niet bekend. Wel is in het zuidelijk putwandprofiel van werkput 11 de insteek ervan goed zichtbaar (fig. 1.207: spoor 519). Het gaat om een brede, trechtervormige uitgraving die aan de basis ca. 55 cm en ter hoogte van het loop-

Fig. 1.204 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: detail van spoor 517 vanuit het zuiden.

vlak ca. 90 cm breed was. De breedte van de opgaande muur kon wel nog op 40 cm bepaald worden. De zuidelijke grens van het derde vertrek valt buiten de opgravingszone, de westelijke wordt door de muren 504 en 509 gevormd. Binnen de op die manier afgebakende ruimte bevindt zich een stratigrafie van achtereenvolgens een ophogingslaag (pl. IV, fig. 1.194 en 1.207: spoor 520), een vloerniveau (pl. IV, fig. 1.194, 1.207 en 1.208: sporen 521 en 522) en een puin- en brandlaag (pl. IV, fig. 1.194 en 1.207: sporen 523-525). Spoor 520 is een ophogingslaag van gele zandige leem met houtskool- en verbrande leemfragmenten, kalk, grijze, witte en roze mortel, dakpan- en natuursteenfragmenten en veel wandpleister. De dikte schommelt tussen 20 en 50 cm. Spoor 521 is het loopvlak van fase 4, de top van laag 520 die door de intense hitte van de brand van de tweede helft van de 3de eeuw rood uitgegloeid en zwart geblakerd is. Spoor 522 verzamelt de verkoolde resten van een planken vloer die op dit loopvlak was aangelegd. Er zijn zowel oost-west, als noord-zuid georiënteerde fragmenten aangetroffen. De vloer wordt door een lagenpakket afgedekt dat


152

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.205 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: spoor 518 vanuit het westen.

de weerslag van het afbranden, instorten en verder afbreken van de steenbouw van fase 4 weergeeft. Aan de basis ligt een 20 à 40 cm dik pakket verbrande leem, verkoold hout en grote hoeveelheden dakpanfragmenten. Het bevat ook een klein ensemble van muurschilderingfragmenten (zie 5.3.3, ensemble 10) (spoor 523). Het is aan te nemen dat de domus in de zone van werkput 11

Fig. 1.206 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: spoor 518 vanuit het zuiden.

weliswaar is afgebrand, maar dat de muren en mogelijk delen van het dak na de brand nog overeind stonden. Laag 523 is dan tot stand gekomen tijdens de verdere afbraak van de dakconstructie. Mogelijk deed men een poging zoveel mogelijk intacte pannen te recupereren. Daarop is de omgeduwde houten en lemen bovenbouw van muur 517 terechtgekomen (spoor 524). Het profiel van deze laag toont van onder naar boven de verbrokkelde muurschildering van de zuidelijke wand (zie 5.3.1, ensemble 1), met de beschilderde zijde naar beneden (fig. 1.207: spoor 524A), de lemen kern (fig. 1.207: spoor 524B) en de verbrokkelde muurschildering van de noordelijke wand (zie 5.3.2, ensemble 2), met de beschilderde zijde naar boven (fig. 1.207: spoor 524C). Waar deze laag het minst verstoord is bedraagt haar dikte zowat 30 cm. Tot slot is daaroverheen nog een laag geelgrijze laag verbrokkelde Maastrichter steen aangetroffen (spoor 525), ca. 10 cm dik. Die moet met de verdere ontmanteling van de steenbouw van fase 4 te maken hebben. Deze steensoort is in werkput 11 echter nergens in de in situ bewaarde architectuurresten van fase 4 aangetroffen. Het materiaal moet dan ook van een nabijgelegen terrein zijn aangevoerd. Het derde vertrek heeft een oppervlakte van 3,70 m x minstens 2,90 m. In de werkputten 11 en 26 (ten zuiden van de perceelscheiding), de zone waar zich de oudste kern van de domus van fase 3 situeert, heeft in fase 4 blijkbaar een grondige herindeling van de beschikbare ruimte plaatsgevonden. In fase 3 werd de zone in het noorden (werkput 26 ten zuiden van de perceelscheiding) door een hypocaustum-verwarmd vertrek ingenomen. In het zuiden (werkput 11) bevonden zich in fase 3 twee vertrekken en een gang. In fase 4 werd het noorden door een grote, niet hypocaustumverwarmde ruimte ingenomen, terwijl in het zuiden drie vertrekken werden gebouwd. Het is niet zeker of beide onderdelen gelijktijdig geconstrueerd werden. Waar in fase 3 het metselwerk in het noordelijk en zuidelijk deel identiek was, blijkt dit in fase 4 niet zo te zijn. In het noordelijk deel bestaan de sokkels van de muren uit vijf à zes rijen natuursteen, in het zuiden uit drie, vier of vijf rijen natuursteen, afgedekt door een laag terra cotta-tegel- en dakpanfragmenten. In het noorden is gele kalkmortel gebruikt, in het zuiden grijze.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

153

Fig. 1.207 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 11: zuidoostelijk putwandprofiel.

Fig. 1.208 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 11: sporen 521 en 522 vanuit het noorden.

Er zal nu nagegaan worden op welke manier in fase 4 verder westwaarts in de viering (werkput 16), in het zuidtransept (werkput 12) en in het zuidportaal (werkput 19) met de ruïnes van fase 3 werd omgegaan. Er zal blijken dat ook daar de oorspronkelijke indeling van fase 3, een reeks van vijf zijvertrekken, in fase 4 gedeeltelijk verlaten wordt. In fase 4 gaat het om resten van vier zijvertrekken en blijken ten zuiden van het vierde zijvertrek twee bijkomende ruimten toegevoegd te zijn. Waar in het eerste en tweede zijvertrek van fase 4 grosso modo de afmetingen van fase 3 overgenomen worden, blijkt dat met het derde en vierde zijvertrek van fase 4 niet het geval te zijn. Van deze ruimten

is jammer genoeg te weinig bewaard om hun exacte afmetingen te kunnen bepalen. Vast staat in elk geval dat het derde zijvertrek van fase 4 de oppervlakte van het derde en vierde zijvertrek van fase 3 inneemt, mogelijk zelfs een deel van het vijfde zijvertrek van fase 3. Dit derde zijvertrek van fase 4 was bovendien van een vloerverwarming voorzien. In fase 3 was geen enkel zijvertrek hypocaustum-verwarmd. De noordelijke grens van het eerste zijvertrek werd in fase 3 door muur 298 gevormd, op dat moment tevens de noordelijke buitenmuur van de domus ten zuiden van de perceelscheiding. In


154

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

fase 4 wordt deze buitenmuur afgebroken en merkwaardig genoeg gebruikt men nu de eveneens in fase 3 reeds gebouwde zuidelijke buitenmuur van de domus ten noorden van de perceelscheiding (pl. IV, fig. 1.209, 1.210 en 1.211: spoor 242) als noordelijke grens voor het eerste zijvertrek. De twee oorspronkelijke buitenbeschilderingen die daarop in fase 3 waren aangebracht (fig. 1.211: spoor 242A en B) worden nu afgedekt door een nieuwe pleisterlaag met een roze beschildering die aanzet op het vloerniveau van fase 4 in het eerste zijvertrek (fig. 1.211: spoor 242C). De domus ten noorden en ten zuiden van de perceelscheiding

hebben met andere woorden op deze plek nu een gemeenschappelijke tussenmuur. In het oosten wordt het eerste zijvertrek door muur 500 begrensd. De zuidelijke begrenzing wordt door de hergebruikte muur 331 gevormd (pl. IV, fig. 1.209, 1.210 en 1.212). Die maakt gebruik van de droge fundering van silexblokken van fase 3. Op deze fundering is metselwerk bewaard dat hetzij nog van fase 3 dateert, hetzij in fase 4 gemaakt werd. Het parement bestaat uit regelmatig gekapte vuursteen en een enkel dakpanfragment. Voor de voegen en de opvulling van de kern is grijze kalkmortel gebruikt, in de kern met silexsplinters en dak-

Fig. 1.209 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 16 in de viering en werkput 12 in het zuidtransept: sporen van fase 4.

242 299 526 300 502 500

528 527 331

531 530

542

530

531 529

539 540 533

535-536 541 534

538

537

0

2m

532


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

155

Fig. 1.210 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: sporen 331, 242, 526 en 527 vanuit het oosten.

panfragmenten vermengd. De muur is ca. 45 cm breed. De westelijke begrenzing van het eerste zijvertrek bevindt zich onder de apsis van de laat-Romeinse basilica en blijft bijgevolg buiten beeld. Vermoedelijk ligt ze in het verlengde van de westelijke begrenzing van het hierna te bespreken tweede zijvertrek (muur 530). De binnenruimte van het eerste zijvertrek is ten gevolge van de afbraak van muur 298 van fase 3 ten opzichte van het voorgaande vertrek uit die fase wat vergroot en meet ca. 2,50 x 3,00 m. Over vrijwel de gehele oppervlakte is een betonnen vloer bewaard (pl. IV, fig. 1.209, 1.210 en 1.212: spoor 526). Deze vloer bestaat uit de gebruikelijke funderingslaag van 10 à 15 cm vuursteenblokken en een 10 à 15 cm dikke laag opus signinum. In het zuiden van het vertrek, tegen muur 331, herinnert een gebroken, maar nog in situ aangetroffen dakpan en een ca. 40 cm brede verkleuring van de vloerbeton eraan, dat zich daar waarschijnlijk een haard bevond (pl. IV, fig. 1.209, 1.210 en 1.212: spoor 527). Op de vloer lag de brand- en puinlaag van de tweede helft van de 3de eeuw (pl. IV en fig. 1.209: spoor 528). Deze bijna 40 cm dikke laag bevat weinig verbrande leemwand en verkoold constructiehout, maar wel grote hoeveelheden afbraakpuin, geelgrijze zandige leem met grote concentraties grijswitte mortel, verspreide grijze, roze en witte mortelfragmenten, stukken wandbepleistering en kalk. Ze bevat ook lokaal een geconcentreerd pakket dakpanfragmenten en verspreide stukken natuursteen. Zoals vaker bij de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw vastgesteld, bevat spoor 528 een enkele laat-Romeinse vondst. Ook het soortenspectrum van de dierlijke resten blijkt met dat van de brandlaag elders overeen te komen86. Het tweede zijvertrek ligt net zoals in fase 3 deels in het zuiden van de viering (werkput 16) en deels in het noorden van het zuidtransept (werkput 12). De noordelijke grens ervan wordt door de hergebruikte of misschien heropgebouwde muur 331 gevormd, de oostelijke door muur 500, waarvan nog net een 10 cm in plat-

86 Ervynck et al. 2017, p. 468.

Fig. 1.211 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: sporen 242 vanuit het zuiden.

tegrond zichtbaar is. In het zuiden is muur 529 de begrenzing (pl. IV en fig. 1.209). Deze muur staat deels op de resten van de gedeeltelijk afgebroken muur 334 van fase 3 (fig. 1.213). Ten opzichte van muur 334 is hij een 20 cm meer naar het zuiden geplaatst. Daartoe heeft men ten zuiden van muur 334 een verbreding met een droge fundering van grote vuursteenblokken gemaakt (fig. 1.214). Op deze fundering, die deels uit de hergebruikte muur 334, deels uit de verbreding met vuursteenblokken bestaat, is een enkelvoudige laag zandstenen blokje gemetseld. Daarop steunt het opgaand metselwerk, waarvan tot vijf lagen parementstenen bewaard zijn. Voor het parement zijn eveneens zandstenen blokjes gebruikt. Zowel de overgangslaag als het opgaand muurwerk zijn met grijze kalkmortel gemetseld. Ook de


156

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

muurkern is vrijwel uitsluitend met deze mortel gevuld. Muur 529 is ca. 40 cm breed en 40 à 50 cm hoog bewaard. In het westen is muur 530 de begrenzing van het tweede zijvertrek (pl. IV, fig. 1.209, 1.215 en 1.216). Hij is ongeveer 40 cm breed en staat op de gedeeltelijk bewaarde muur 336 van fase 3. Voor de buitenbekleding zijn zandstenen blokjes gebruikt, in grijze en roze kalk-

Fig. 1.212 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: sporen 331, 526 en 527 vanuit het oosten.

Fig. 1.213 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: sporen 529, 530 en 533 vanuit het noorden.

mortel gevat. In de kern ligt de gebruikelijke mengeling van grijze kalkmortel en vuursteensplinters. Zoals in 3.3 uitgelegd zijn van muur 336 uit fase 3, waarop muur 530 uit fase 4 gebouwd is, slechts twee fragmenten zichtbaar, een zuidelijk en een noordelijk. Hetzelfde geldt voor muur 530. In werkput 12 is op het zuidelijk fragment van muur 336 een zestal lagen zandstenen parement van muur 530 over een hoogte van ca. 80 cm bewaard (fig. 1.215). In werkput 16 is op het noordelijk fragment van muur 336 een drietal lagen zandstenen parement van muur 530 over een hoogte van ca. 40 cm bewaard (fig. 1.216). Ten gevolge van de kleine verlegging van de zuidelijke muur in zuidelijke richting is het tweede zijvertrek uit fase 4 iets groter dan zijn voorloper uit fase 3: ca. 3 x 4 m. Op twee plekken is in de binnenruimte vloerbeton bewaard (pl. IV, fig. 1.209, 1.217 en 1.218: spoor 531). Deze betonlaag is ca. 20 cm dik en onmiddellijk op spoor 337, de betonvloer van fase 3, gelegd. Ze is lichter gekleurd en met grover dakpangruis vermengd dan de voorganger uit fase 3. Plaatselijk zijn zelfs grote dakpanfragmenten in het mortelbed aanwezig. Tot slot is zowel op de noordelijke wand van muur 529 (fig. 1.213) als op de oostelijke wand van muur 530 (fig. 1.216) een ca. 5 cm dikke, donkerroze beschilderde bepleistering aangebracht, vermengd met fijn dakpangruis. Het derde zijvertrek wordt in het noorden door muur 529 begrensd (pl. IV en fig. 1.209). De oostelijke grens wordt door muur 532 gevormd (pl. IV, fig. 1.209 en 1.219). Het gaat daar in feite om een verbouwing uit fase 4 van muur 301 uit fase 3. Het behouden gedeelte van deze muur werd aan de westelijke zijde met een droge fundering van vuursteenblokken verbreed, vergelijkbaar met wat gebeurd is aan de zuidelijke zijde van muur 334 uit fase 3 ten behoeve van muur 529 uit fase 4. Van muur 532 is echter geen bovengronds metselwerk bewaard gebleven. De zuidelijke begrenzing van het derde zijvertrek is niet gevonden en situeert zich naar alle waarschijnlijkheid in niet opgegraven terrein tussen de werkputten 12 en 17. De oostelijke grens wordt door muur 533 gevormd (pl. IV, fig. 1.209, 1.215 en 1.220). Deze muur is op de resten van de muren 339 en 345 van fase 3 gezet. Alleen in het noorden is over een afstand van ca. 1,10 m nog metselwerk bewaard. Daar is te zien hoe op de grotendeels afgebroken muur


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

157

Fig. 1.214 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: spoor 529 vanuit het zuiden.

Fig. 1.215 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput12 in het zuidtransept: sporen 336, 530 en 533 vanuit het westen. Op het eerste gezicht tekent zich een bouwnaad in het parament tussen de muren 530 en 533 af. In werkelijkheid is het verschil veroorzaakt door een sterkere verwering van het voegwerk in de zone van muur 530 en beter bewaard voegwerk in de zone van muur 533. Wel is tussen beide muren een kleine scheur te zien, maar die wordt door verschil in draagkracht van de ondergrond veroorzaakt.

339 van fase 3 een enkele laag vuursteenblokken is gelegd, waarop nog zes lagen opgaand metselwerk over een hoogte van ca. 80 cm bewaard zijn. Het parement bestaat uit zandstenen blokjes. Voor het voegwerk is grijze en roze kalkmortel gebruikt. De voegen van de bovenste twee rijen parementstenen van de westwand zijn met lijnen ingekrast. In de kern bevindt zich een mengsel van kalkmortel en vuursteensplinters. Verder in zuidelijke richting is de wand over een afstand van ca. 3,60 m alleen nog maar als een uitbraakspoor zichtbaar (pl. IV, fig. 1.209 en 1.221: spoor 534). In feite gaat het om het af- en uitbraakspoor van zowel de muren 339 en 345 van fase 3, als van de daarop gebouwde muur 533 van fase 4. De vulling bevat grote hoeveelheden brandafval (verbrande leem en houtskool) en bouwpuin (natuursteen- en dakpanfragmenten, grijze, roze en witte mortel en kalk). De muren 533, 529 en 530 zijn in verband gemetseld. Wel is tussen muur 530 en muur 533 een scheur te zien, wellicht

veroorzaakt door het verschil in opbouw van beide wanden (fig. 1.215). Muur 530 rust immers op muur 336 van fase 3, muur 533 steunt op een extra laag droge fundering van vuursteen, die op haar beurt weer op muur 339 van fase 3 is gezet. Het derde zijvertrek is ca. 3 m breed en minstens 4,70 m lang. De exacte lengte kan niet meer bepaald worden omdat de zuidelijke muur van het vertrek buiten beeld blijft. Binnen deze ruimte is een hypocaustum-vloer aangelegd. Aan de basis van het hypocaustum ligt een 20 à 30 cm dikke ophogingslaag (pl. IV en fig. 1.209: spoor 535). Daarop ligt een 5 à 10 cm dikke laag geelbruine zandige leem met grote hoeveelheden roze en grijze mortelfragmenten en wat natuursteenfragmenten. Wellicht is dit het bouwniveau van het hypocaustum. Daarop ligt dan de eigenlijke basis, een 15 à 20 cm dikke laag vloerbeton (pl. IV, fig. 1.209 en 1.221: spoor 536). Op de beton zijn op 35 plekken resten van hypocaustum-pijlers of indrukken van verwijderde


158

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.216 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: sporen 336 en 530 vanuit het oosten.

Fig. 1.217 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: spoor 531 vanuit het noorden.

hypocaustum-pijlers zichtbaar. Daarmee kan een raster van 5 x 7 pijlers gereconstrueerd worden. De cirkelvormige hypocaustum-tegels zijn, zoals vaak voorkomt, met gele leem aan elkaar bevestigd (fig. 1.222). In de nabijheid van het stookkanaal is deze gele leem rood uitgegloeid (fig. 1.223). Nog in de buurt van het kanaal is één pijler in een tweede fase hersteld of verstevigd geweest. Daartoe werd met roze mortel een tweede pijler van gehalveerde hypocaustum-tegels aan de oorspronkelijke toegevoegd (fig. 1.224)87. Het ca. 45 cm brede stookkanaal is over een afstand van ongeveer 80 cm herkenbaar aan de rood uitgegloeide randen (pl. IV, fig. 1.209 en 1.221: spoor 537). De kanaalmuurtjes

waren met dakpannen opgebouwd, waarvan een drietal fragmenten van de onderste laag nog in situ werd aangetroffen. De basis van de betonnen vloer dekt zowel de verbrede droge fundering voor muur 529 als die voor muur 532 af. De ondergrondse ruimte was in het noorden door de nieuw gebouwde muur 529, in het oosten door het bewaard gebleven gedeelte van muur 301 uit fase 3 en in het westen door de nieuw gebouwde muur 533 afgebakend. Op de muren 529 en 533 was een lichtroze gekleurde en met grof dakpangruis vermengde, ca. 5 cm dikke pleisterlaag aangebracht (fig. 1.214 voor muur 529 en fig. 1.220 voor muur 533). Op de hergebruikte muur 301 was dat niet het geval. Van het

87 Leem en roze kalkmortel zijn de meest voorkomende middelen waarmee hypocaustum-pijlers aan elkaar en aan de vloer gehecht werden (Degbomont 1984, p. 102).


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Fig. 1.218 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de viering: spoor 531 vanuit het westen.

159

Fig. 1.219 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: spoor 532 vanuit het westen.

eigenlijke vloerniveau van het derde zijvertrek, de zogenaamde suspensura, is niets bewaard gebleven. Het ingestorte hypocaustum was met een ruim 40 cm dikke brand- en puinlaag afgedekt (pl. IV en fig. 1.209: spoor 538). Ze bestaat uit het gebruikelijke pakket verbande leemwand en verkoold bouwhout, plaatselijk vermengd met grote hoeveelheden witte, roze en grijze mortelfragmenten, stukken natuursteen en dakpan. Het vondstmateriaal uit deze laag is beperkt in aantal. Wel is er een voldoende groot aantal dierlijke resten geregistreerd, dat vergelijking toelaat met het soortenspectrum van andere onderdelen van de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw88. In grote lijnen kunnen overeenkomsten met de reeds besproken sporen 470, 480, 498 en 528 en de nog te behandelen sporen 567, 572, 597 en 600 vastgesteld worden. Ten westen van muur 530 en muur 533 bevindt zich een gedeeltelijk bewaard, noord-zuid georiënteerd stenen kanaal. De wanden waren uit rechtop geplaatste kalkstenen opgebouwd (pl. IV, fig. 1.209 en 1.225: spoor 539). Op de bodem lag een laag gele kalkmortel (pl. IV, fig. 1.209 en 1.225: spoor 540). Binnen de wanden is het afvoersysteem ca. 30 cm breed en het is over een lengte van ca. 1,50 m bewaard gebleven. In fase 3 bevond zich min of meer op dezelfde plek een houten kanaal dat het op het dak vallende regenwater moest opvangen en afvoeren (spoor 352). Het is daarom goed mogelijk dat de sporen 539 en 540 de resten van de stenen opvolger daarvan uit fase 4 zijn89. In de zone ten westen van de muren 530-533 bevindt zich ook de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw (pl. IV en fig. 1.209: spoor 541). De dikte kan plaatselijk tot 50 cm oplopen, elders is ze vrijwel verdwenen. Zoals op vele andere plekken van

88 Ervynck et al. 2017, p. 468.

Fig. 1.220 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: spoor 533 vanuit het oosten.

89 In het stratensysteem geïntegreerde stenen afwateringskanalen zijn vaak waargenomen (zie bv. Grote 1995 en Hübner 2008 voor Xanten; Dietz et al. 1979, p. 227 en Abb. 42 voor Regensburg).


160

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.221 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: gezicht op de sporen van fase 4 vanuit het zuiden.

het opgravingsterrein bestaat dit pakket uit zowel resten van de eigenlijke brandlaag, met daarin verbrande leemwand en verkoold constructiehout, als puin van de verdere afbraak met natuursteen- en dakpanfragmenten, brokstukken roze, witte, grijze en gele mortel, fragmenten van bepleistering en kalk. In feite gaat het om hetzelfde materiaal als in uitbraakspoor 534 is aangetroffen. Tot slot is aan de noordelijke rand van deze zone nog een kuil gegraven (pl. IV en fig. 1.209: spoor 542). Stratigrafisch is ze ouder dan het houten afvoerkanaal 352 van fase 3 en jonger dan het stenen kanaal 539 van fase 4. Vermoedelijk is vrijwel de volledige zuidelijke helft van deze uitgraving bewaard. De noordelijke helft is door de aanleg van middeleeuwse funderingen vernield. De diameter kan op ca. 1,10 m, de diepte op ca. 50 cm ingeschat worden. De vulling bestaat uit grijze zandige leem met houtskool en verbrande leemfragmenten. Het doel van deze uitgraving kon niet achterhaald worden. Fig. 1.222 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: spoor 536: hypocaustumpijler.

Op grond van een aantal waarnemingen in het zuidportaal, in werkput 19, moet aangenomen worden dat verder zuidwaarts ten tijde van fase 4 nog een vierde zijvertrek heeft bestaan. De noordelijke, westelijke en oostelijke begrenzingen daarvan vallen buiten het opgravingsterrein en zijn bijgevolg niet in kaart gebracht. Maar de zuidelijke begrenzing kan indirect gereconstru-


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Fig. 1.223 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: spoor 536: intens verbrande hypocaustumpijler.

eerd worden. Deze hypothetische muur 543 uit fase 4 stond op muur 351 uit fase 3 en is gedeeltelijk als uitbraakspoor 544 bewaard (pl. IV, fig. 1.226 en 1.227). Aanwijzingen voor het bestaan van een muur 543-544 zijn verder zuidwaarts in werkput 19 gevonden. Daar is een ca. 70 cm lang traject van een noord-zuid georiënteerde muur vastgesteld (pl. IV, fig. 1.226 en 1.227: spoor 545). Van deze muur zijn over een hoogte van ca. 60 cm nog zeven lagen regelmatig gekapte zandstenen en vuurstenen blokjes bewaard. Ze zijn in grijze kalkmortel gevat, waarmee ook de kern is opgevuld. De fundering is een 45 cm breed. Zowel in bovenaanzicht als op de oostelijke en westelijke wanden is te zien dat de onderste vier rijen stenen van deze gemetselde fundering een bouwnaad met muur 351 van fase 3 vertonen. De bovenste drie rijen van het oostelijk parement zijn evenwel in muur 351 van fase 3 verankerd (fig. 1.228). Daarvoor werd plaatselijk in de zuidwand van muur 351 het oorspronkelijke parement verwijderd. Nadien hebben de verankeringsstenen van muur 545 zich echter weer losgescheurd. In het westelijk parement van muur 545 is deze verankering niet te zien, maar toont de muur over de gehele bewaarde hoogte een bouwnaad met muur 351/543 (fig. 1.229). Door dit alles is aannemelijk dat muur 545 in fase 4 aan muur 351 werd toegevoegd en dat op muur 351 in fase 4 allicht een nieuwe muur (het hypothetische spoor 543) werd gebouwd. Ten zuiden van het vierde zijvertrek, waarvan alleen de zuidelijke buitenmuur gereconstrueerd kan worden, situeren zich door de bouw van muur 545 nog twee kamers, een westelijke en een oostelijke. Ten westen van muur 545 is de noordoostelijke hoek van een eerste kamer over een oppervlakte van ca. 0,80 x 1,50 m zichtbaar. Ten oosten van muur 545 is de noordwestelijke hoek van een tweede kamer over een oppervlakte van ca. 0,70 x 2,40 m te herkennen. Binnen de eerste kamer is geen stratigrafie uit fase 4 bewaard gebleven. Binnen de tweede kamer, de door de muren 543-544 en 545 omsloten ruimte, zijn een ophogingspakket (pl. IV, fig. 1.226, 1.230 en 1.231: spoor 546) en een betonnen vloer (pl. IV, fig. 1.226, 1.230 en 1.131: spoor 547) aangetroffen, door de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw (pl. IV en fig. 1.226: spoor 548) afgedekt. Doordat het tijdens de opgraving niet toegelaten was de zuidwand van werkput 19 onbeschermd zichtbaar te houden, was het niet mogelijk op het terrein dit putwandprofiel in te tekenen. Het profiel is echter over een hoogte van 1,30 à 1,40 m reconstrueerbaar aan de hand

161

Fig. 1.224 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: spoor 536: herstelde hypocaustumpijler.

Fig. 1.225 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 12 in het zuidtransept: sporen 539 en 540 vanuit het zuiden.

van de op de diverse werkvlakken gemaakte foto’s en tekeningen (fig. 1.231). Zo kon alsnog vastgesteld worden dat ophogingspakket 546 uit een afwisseling van lagen gele leem en lagen vuursteenblokken was opgebouwd. Vloer 547 bestond uit de gebruikelijke ca. 20 cm dikke laag vuursteenblokken in droog verband en de daarop gestorte 10 à 15 cm dikke laag vloerbeton. De daarop aanwezige brandlaag 548 tekende zich af als een pakket roodbruine zandige leem, waarin verbrande leem, houtskool, witte,


162

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.226 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 19 in het zuidportaal: sporen van fase 4.

543

544

545 0

Fig. 1.227 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 19 in het zuidportaal: sporen 543-547 vanuit het oosten.

1m

548

546 547


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

163

Fig. 1.228 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 19 in het zuidportaal: spoor 545 vanuit het oosten.

Fig. 1.229 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 19 in het zuidportaal: spoor 545 vanuit het westen.

roze gele en groene mortelfragmenten, stukken dakpan en pleisterfragmenten vermengd waren. De laag was niet overal bewaard. Het best bewaarde gedeelte in het noorden van de werkput was nog ca. 20 cm dik. De geregistreerde resten van de domus ten zuiden van de perceelscheidingslijn in fase 4 tonen aan dat ten opzichte van fase 3 het ruimtegebruik soms overeenkomt en soms verschilt. Op vele plekken werden muren van fase 3 als fundering voor muren van fase 4 hergebruikt. Elders werden in fase 4 geheel nieuwe bouwelementen toegevoegd. Waar in fase 3 in het oosten een open binnenplaats was, die in het oosten waarschijnlijk op een noordzuid gerichte straat uitgaf, blijkt in fase 4 het concept van een open binnenplaats behouden, maar in een verkleinde vorm. De gewonnen ruimte wordt door grote en/of rijk versierde, maar niet van vloerverwarming voorziene ruimten in beslag genomen. Mogelijk werden ze in hoofdzaak in de zomer benut. Verder

westwaarts werd in fase 3 de aanwezigheid van een badgebouw vermoed. Vernielingen uit jongere perioden maken dat in diezelfde zone niets uit fase 4 bewaard is gebleven. Waar nog verder westwaarts in fase 3 belangrijke representatieve ruimtes met vloerverwarmingen in gebruik waren, blijken in fase 4 wel nog altijd vertrekken van aanzienlijke omvang te bestaan, maar nu zonder verwarmingssystemen. Nog verder westwaarts situeerde zich in fase 3 een reeks van vijf onverwarmde zijvertrekken. Dit onderdeel wordt in fase 4 grondig getransformeerd. De reeks wordt tot vier vertrekken omgebouwd, waarvan één van een hypocaustum-systeem werd voorzien, ten opzichte van fase 3 een opmerkelijke comfortverbetering. Bovendien werden in het zuiden vertrekken bijgebouwd, waarvan echter alleen de noordelijke randen binnen het opgravingsareaal vallen. Het op het terrein van de O.L.V.-basiliek aansluitende noordelijk gedeelte van het Vrijthof herbergt bijgevolg nog belangrijke resten van de domus uit fase 4.


164

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.230 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 19 in het zuidportaal: zuidelijk putwandprofiel ter hoogte van spoor 547.

548 547

546

0

545

1m

Fig. 1.231 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 19 in het zuidportaal: zuidelijk putwandprofiel.

1.5.4 De bewoningsporen in het centrale gedeelte van het opgravingsterrein De ontwikkelingen in het centrale deel van het opgravingsterrein werden in fase 3 door de bouw van een perceelscheidings- en terrasmuur bepaald (spoor 355). In fase 4 blijft deze muur behouden. Wel is de muur op het niveau van fase 4 grotendeels als uitbraakspoor bewaard (pl. IV en fig. 1.232: spoor 549). Ten opzichte van fase 3 wordt het terrein in fase 4 immers aanzienlijk opgehoogd, waardoor een deel van het aanvankelijk opgaand

metselwerk nu ondergronds komt te liggen. De vulling van het uitbraakspoor bestaat uit roodbruine zandige leem. De kleur wordt veroorzaakt door de bijmenging van een grote hoeveelheid vergruisde, verbrande leem en houtskool. Verder bevat het spoor afbraakpuin in de vorm van natuursteen- en dakpanfragmenten en witte, grijze en gele mortel. In de vulling is ook een kleine hoeveelheid vondsten terechtgekomen, overwegend uit de 2de en 3de eeuw. Verder bevindt zich in uitbraakspoor 549 een voor een dergelijk spoor opvallend groot aantal dierlijke resten,


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

waarvan de samenstelling vergelijkbaar is met de resten die zich in de diverse delen van de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw bevinden90. De functie van muur 355 wordt in fase 4 uitgebreid. Waar in fase 3 de muur niet meer dan een scheiding tussen twee percelen markeerde, wordt ze nu ook de zuidelijke buitenmuur van een hele reeks vertrekken die ten noorden ervan gebouwd worden. Ten noorden van de oude oost-west gerichte terrasmuur sluiten immers, naast de hoger reeds beschreven muur 477, vijf noord-zuid gerichte muren aan. Ze zijn deels als uitbraakspoor en deels als in situ bewaarde droge fundering bewaard en tonen allemaal bouwnaden met muur 355. Doordat de funderingen tot het einde van de opgraving zijn blijven staan kon hun verticale opbouw goed gedocumenteerd worden. De meest oostelijke fundering (pl. IV, fig. 1.232, 1.233 en 1.234: spoor 550-551) is op de opgraving over een lengte van ca. 2,75 m zichtbaar. De droge fundering van vuursteenblokken (spoor 550) is op het meest noordelijk zichtbare punt ongeveer 85 cm breed,

op het meest zuidelijke ongeveer 55 cm. Ze versmalt met andere woorden van noord naar zuid. Op het meest noordelijke punt bedraagt de diepte ca. 1,50 m, op het meest zuidelijke ca. 1 m. De fundering stijgt blijkbaar van noord naar zuid. De bredere en diepere structuur in het noorden wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van kuil 383 uit fase 3 op die plek. In de regel zoeken de bouwers van de funderingen in Romeins Tongeren immers de natuurlijke ondergrond op. Maar op plekken waar voordien diepe kuilen werden uitgegraven en dichtgegooid is dit niet altijd mogelijk. Wel wordt de funderingssleuf daar extra diep uitgegraven, zonder evenwel de natuurlijke ondergrond te kunnen bereiken. Het op de droge fundering geregistreerde uitbraakspoor (spoor 551) is met roodbruine zandige leem gevuld, vermengd met geel zand, verbrande leem en houtskool, grijze mortel die soms brandsporen draagt, roze mortel en kalk. Circa 3 à 3,20 m ten westen van fundering 550-551 bevindt zich fundering 552-553, eveneens een combinatie van onderaan

554-555 556 566 567

558

552-553 568 564

557

565 561 576 0

578 578

577

165

355

566 567

550-551

562

563 549

560

559

3m

Fig. 1.232 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 en werkput 16 in de middenbeuk: sporen van fase 4 ten noorden van de perceelscheidingsmuur.

Fig. 1.233 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de middenbeuk: sporen 355, 550 en 552 vanuit het oosten.

90 Ervynck et al. 2017, p. 468.


166

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.234 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de middenbeuk: spoor 550 vanuit het westen.

bewaarde droge fundering van vuursteenblokken en bovenin uitbraakspoor (pl. IV, fig. 1.232 en 1.233). De droge fundering van vuursteenblokken is een 55 cm breed, op het meest noordelijke punt ca. 20 cm diep bewaard en op het meest zuidelijke ca. 1,20 m. De funderingssleuf zakt met andere woorden van noord naar zuid. Mogelijk komt dit doordat men in het noorden de onderliggende geelgrijze leemlaag 368 van fase 3 als de natuurlijke ondergrond meende te herkennen. Het uitbraakspoor boven de droge fundering (spoor 553) is met roodbruine zandige leem gevuld, waarin geel zand, verbrande leem en houtskool, grijze en witte mortel, kalk en dakpanfragmenten zijn opgenomen. Ongeveer 4,20 m ten westen van fundering 552-553 is fundering 554-555 bewaard (pl. IV, fig. 1.232 en 1.235). Onderaan is deze droge fundering van vuursteenblokken over een diepte van ca. 1,70 m bewaard (spoor 554). Ze is 60 à 70 cm breed en over een lengte van ca. 3 m te volgen. Daarop ligt een uitbraakspoor met een diepte van 10 à 20 cm (spoor 555). Het is met roodbruine zandige leem, verbrande leem, houtskool en fragmenten gele mortel gevuld. In het noorden sluit op deze noord-zuid gerichte fundering een oost-west georiënteerde droge fundering van vuursteenblokken aan (pl. IV en fig. 1.232: spoor 556). Ze is over een lengte van ca. 1,50 m bewaard. De breedte en diepte zijn niet meer te bepalen. Ze is grotendeels bij de bouw van middeleeuwse funderingen vernield. Circa 2 m ten westen van fundering 554-555 is fundering 557 bewaard (pl. IV, fig. 1.232 en 1.235). Ze is, net als de voorgaande exemplaren, met vuursteenblokken in droog verband gemaakt. Haar breedte bedraagt ca. 60 cm. De diepte blijft tot een 50 cm beperkt. Boven deze fundering was ook geen uitbraakspoor zichtbaar. Tot slot bevindt zich ca. 4,50 m ten westen van fundering 557 nog een noord-zuid georiënteerde, uitgebroken fundering (pl. IV en fig. 1.232: spoor 558). De uitbraaksleuf is met bruingrijze zandige leem gevuld, waarin veel verbrande leem, houtskool en fragmenten grijze mortel vermengd zijn. De aanwezigheid van laat-

Romeins materiaal in het vondstensemble van de uitbraaksleuf, waaronder een nummus van Constantinus I uit de jaren 312 - 313 (cat. nr. 84), toont dat de afbraakwerken minstens gedeeltelijk in de 4de eeuw hebben plaatsgevonden. Binnen door sommige van deze muren omheinde ruimten zijn enkele kuilen en paalkuilen te zien. Tegen de oost-west verlopende muur 335 bevindt zich van oost naar west een drietal kleine kuilen. Spoor 559 (pl. IV en fig. 1.232) is een vierkante of rechthoekige kuil, waarvan de plattegrond maar voor een deel bewaard is, in noord-zuid richting ca. 60 cm, in oost-west richting minstens 40 cm. De vulling bestaat uit grijsbruine zandige leem met houtskool, verbrande leem, veel kalk, witte en roze mortelfragmenten. Spoor 560 (pl. IV en fig. 1.232) is een rechthoekige kuil van ca. 30 x 60 cm, gevuld met grijsbruine zandige leem, houtskool en verbrande leem, veel kalk, witte mortel en dakpanfragmenten. Spoor 561 (pl. IV en fig. 1.232) is een min of meer vierkante kuil van ca. 60 x 60 cm. De vulling bestaat uit grijsbruine zandige leem met houtskool en verbrande leem, veel kalk, roze mortel en dakpanfragmenten. De functie van deze drie kuiltjes is onbekend. Mogelijk waren het kalkkuilen uit de tijd van de bouw van de aan muur 355 in fase 4 toegevoegde vertrekken. Spoor 559 is een 60 cm diep, sporen 560 en 561 zijn 20 à 30 cm diep. In dezelfde zone tekent zich nog een viertal paalkuilen af, die aan fase 4 kunnen worden toegeschreven. Spoor 562 is de meest oostelijke (pl. IV, fig. 1.232 en 1.236). De kuil heeft een ovale plattegrond en meet ca. 0,60 x 1 m. Ze is met grijze zandige leem gevuld, waarin naast verbrande leem en houtskool ook witte en roze mortelfragmenten, kalkdeeltjes, klei en een enkel natuursteen- en dakpanfragment aanwezig waren. Meer naar het westen bevindt zich spoor 563, een vrijwel vierkante paalkuil van ca. 25 x 25 cm, gevuld met grijsbruine zandige leem die verder houtskool, witte en roze mortelfragmenten en klei bevat (pl. IV, fig. 1.232 en 1.237). Nog verder naar het oosten zijn twee, elkaar overlappende paalkuilen geregistreerd. De oudste is rechthoekig en meet ca. 30 x 50 cm (pl. IV, fig. 1.232 en 1.238: spoor 564). De vulling bestaat uit grijze zandige leem met houtskool, klei,


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

167

Fig. 1.235 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de middenbeuk: sporen 355, 554 en 557 vanuit het oosten.

Fig. 1.236 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de middenbeuk: spoor 562 vanuit het zuiden.

Fig. 1.237 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de middenbeuk: spoor 563 vanuit het noorden.

witte en roze mortel. De jongste is cirkelvormig, met een diameter van ca. 25 cm (pl. IV, fig. 1.232 en 1.238: spoor 565). De vulling bestaat uit gele zandige leem met houtskool, verbrande leem, kalk en grijze mortel. Paalkuil 562 is een 60 cm diep, paalkuilen 563-565 hebben dieptes van 20 à 30 cm. Er is geen samenhang tussen deze houtbouwsporen te herkennen. Mogelijk zijn het resten van stellingen. De muren 549-557 bakenen, in combinatie met de hergebruikte muur 355 van fase 3, vier, mogelijk vijf vertrekken uit fase 4 af. Aangenomen dat muur 556 de noordelijke wand van al deze vertrekken aangeeft, meten ze in noord-zuid richting 3 m. In oostwest richting zijn de afmetingen verschillend. Van west naar oost zijn de binnenafmetingen respectievelijk 4,5 m, 2 m, 4,25 m en 3 m. De meest oostelijke ruimte moet hypothetisch blijven, aangezien niet geweten is waar de oostgrens van het vertrek zich zou kunnen bevinden. Tussen muur 550-551 en muur 477 lijkt de afstand te groot om ze als respectievelijk westelijke en oostelijke muur van eenzelfde vertrek te beschouwen. Het ligt voor de

Fig. 1.238 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de middenbeuk: sporen 564 en 565 vanuit het zuiden.


168

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

hand in deze reeks vertrekken de zuidelijke vleugel van een domus ten noorden van de door muur 355 gemarkeerde perceelscheidingsmuur te zien. De vloeren van deze huisvleugel zijn niet bewaard, zoals onder meer blijkt uit het westelijk putwandprofiel van werkput 16 (fig. 1.239, 1.240 en 1.241). Wel is nog het onderste van de ophogingslaag aangetroffen, waarop deze vloeren waren aangelegd (pl. IV, fig. 1.232, 1.139 en 1.241: spoor 566). In deze laag grijze zandige leem, die plaatselijk nog tot 20 cm dik is, zijn naast de gebruikelijke vergruisde houtskool en verbrande leem,

nog geel zand, kalkfragmenten, brokstukken grijze, witte en roze mortel, dakpan- en natuursteenfragmenten aangetroffen. Bij de ontmanteling van de steenbouw heeft men niets meer van het interieur van de vertrekken intact gelaten. Verder is ook bijna niets van de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw meer aangetroffen. Spoor 567, 10 à 20 cm dik, is een puinlaag die bij de afbraak van deze vertrekken van de tweede vroeg-Romeinse steenbouwfase tot stand moet zijn gekomen (pl. IV, fig. 1.232, 1.239 en 1.241). Ze bevat resten van drie ensembles van muur-

883

883 885 885

885

829

Fig 1.240

755 750 749 733

868 723 674

676

376 0

750 749

733

568

381

378

1m

Fig. 1.239 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 16 in de middenbeuk: onderste gedeelte van het westelijk putwandprofiel.

Fig. 1.240 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 16 in de middenbeuk: onderste gedeelte van het zuidwestprofiel.

863

724

566 382

607

829

567

799-801

608

885 755

724

723

724 675

673

Fig 1.241

802


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

169

Fig. 1.241 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 16 in de middenbeuk: onderste gedeelte van het noordwestprofiel.

schilderingfragmenten (zie 5.3.5, ensemble 19, 5.3.6, ensemble 20 en 5.3.7, ensemble 21). Een zeldzame laat-Romeinse vondst suggereert dat dit in de eerste helft van de 4de eeuw kan plaatsgevonden hebben. Voor het overige bevat de laag grote aantallen aardewerk, daterend uit een periode van het midden van de 1ste eeuw tot het midden van de 3de eeuw. Spoor 567 is ook de vondstcontext met het grootste aantal dierlijke resten van fase 491. Het soortenspectrum is typisch voor de brand- en puinlagen van deze bewoningsfase: een opvallende aanwezigheid van oesterschelpen, een grote diversiteit aan gejaagde diersoorten en een bestand aan skeletelementen van huisdieren, waarin het rund iets talrijker is vertegenwoordigd dan het varken. In het puin is de hoek van een kleine sokkel in krijtsteen van Valenciennes aangetroffen (zie 2, nr. A.2). In het plaatselijk eronder gelegen 10 à 20 cm dikke spoor 568 kan men nog de verspitte resten van de 3de-eeuwse brandlaag herkennen (pl. IV, fig. 1.232, 1.239 en 1.241). Ze bestaat uit roodbruine zandige leem met verbrande leem, houtskool, pleisterfragmenten en grijze mortel, deels verbrand. De verklaring voor deze diepgaande ontmanteling en voor de quasi afwezigheid van een brandlaag ligt wellicht in de lokale topografie. In de zone ten noorden van muur 355 bevond het loopvlak zich immers hoger dan in de zone ten zuiden van de muur. Bij het egaliseren van het terrein en het creëren van een min of meer waterpas loopvlak voor de bouw van de laat-Romeinse basilica in fase 5 werd ten noorden van de oude muur 355 het terrein extra afgegraven en ten zuiden juist extra opgehoogd. Verder noordwaarts in de noordelijke zijbeuk (werkputten 4 en 17) zijn de sporen van de ten noorden van de perceelscheiding

91

Ervynck et al. 2017, p. 468.

gelegen domus maar zeer gefragmenteerd bewaard gebleven. In feite is maar één architecturaal onderdeel herkend, een gedeelte van de basis van een hypocaustum (pl. IV, fig. 1.242, 1.243 en 1.244: spoor 569). Over een oppervlakte van ongeveer 2,10 x 2,60 m is een dubbele betonvloer bewaard. De dikte van de onderste betonlaag varieert van enkele cm tot een vijftal cm. De bovenste betonlaag is overal ca. 5 cm dik. Op de bovenste laag zijn indrukken van vierkante hypocaustum-pijlers bewaard: twee rijen van vier indrukken en één indruk van een derde rij. De noordelijke, oostelijke en zuidelijke randen van het verwarmingssysteem vallen buiten het opgravingsvlak. Alleen de westelijke rand is zichtbaar. Het is dan ook niet mogelijk zich een voorstelling te maken van de omvang van deze constructie. De westelijke rand van het hypocaustum valt niet samen met een muur of uitbraakspoor. De vloerverwarming moet dan ook kleiner geweest zijn dan de ruimte die ze verwarmde. Waarschijnlijk nam ze daarin een centrale positie in. Hypocausta die kleiner dan de te verwarmen ruimte zijn, worden wel vaker aangetroffen. Het vloerniveau van de kamer is niet bewaard gebleven. Op de hypocaustum-basis ligt de brand- en puinlaag van de tweede helft van de 3de eeuw, een ca. 40 cm dik pakket roodbruine zandige leem, vermengd met verbrande leem en houtskool, roze, witte en grijze mortel, vaak verbrand, fragmenten pleister, stukken vloerbeton, kalk en dakpan- en natuursteenfragmenten (pl. IV, fig. 1.242 en 1.243: spoor 570). Ook in de zone ten westen van het uitgebroken hypocaustum is plaatselijk de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw bewaard, met verbrande leemwand en verkoold constructiehout (pl. IV en fig. 1.242: spoor 571). Ze is afdekt door een laag afbraakpuin, roodbruine zandige leem met de typische bijmenging van dakpan- en natuursteenfrag-


170

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.242 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 17 in de noordelijke zijbeuk: sporen van fase 4.

570 571 572

569

571 572

0

1m

Fig. 1.243 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 17 in de noordelijke zijbeuk: spoor 569 in het profiel. De fundering 569 voor de hypocaustum bestaat uit twee over elkaar gelegde lagen vloerbeton.

menten, witte, grijze, roze en gele mortel (pl. IV en fig. 1.242: spoor 572). Het vondstensemble uit deze puinlaag bevat, zoals vaak, een bijmenging van laat-Romeinse vondsten. Daartoe horen ook drie munten: een antoninianus van Tetricus I uit de jaren 272 - 273 (cat. nr. 39), een stralenkroonimitatie uit de periode 270 - 300 (cat. nr. 79) en een nummus van Constantinus I uit de jaren 322 - 323 (cat. nr. 93). Spoor 572 leverde ook een belangrijke hoe-

92 Ervynck et al. 2017, p. 468.

veelheid dierlijke resten op, waarvan de soortensamenstelling met het gemiddelde van de brand- en puinlagen van fase 4 overeenkomt92. De brand- en puinlagen 571 en 572 hebben een gezamenlijke dikte van een 20 cm. De westelijke grens van de ten noorden van de perceelscheiding gelegen woning lijkt gevormd te zijn door drie noord-zuid geori-


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

enteerde muren: (1) muur 573 in werkput 8, ten oosten van het oksaal gelegen, (2) in het verlengde daarvan muur 574 in werkput 9, ten zuiden van het noordwestportaal, (3) en in het verlengde daarvan nog verder noordwaarts muur 574bis in werkput 10 in het noordwestportaal (pl. IV). Van muur 573 is de fundering tot een diepte van 60 à 70 cm onder het loopvlak van fase 4 te zien (fig. 1.245). Het betreft een gemetselde fundering van vuursteenblokken en grijsbruine mortel. De kleinste vuurstenen zijn 20 à 30 cm in doormeter, de grootste tot 50 à 60 cm. In het profiel zijn vier à vijf lagen van dit materiaal te zien. Van de daarop gebouwde muur zijn plaatselijk nog twee lagen parementsteen bewaard. Het gaat om regelmatig gekapte vuurstenen blokjes. Voor het voegwerk is grijze kalkmortel gebruikt. Dezelfde mortel, met vuursteensplinters vermengd, vult de kern. Zowel de fundering als het opgaand muurwerk zijn ca. 60 cm breed. Muur 574 heeft een gelijkaardige opbouw. De basis wordt door een gemetselde fundering van middelgrote tot grote vuursteenblokken en grijsbruine mortel gevormd, aan het einde van de opgraving tot een

171

diepte van ca. 70 cm onder het loopvlak van fase 4 zichtbaar. Daarop stond een muur, waarvan nog twee lagen parementsteen van silex bewaard zijn. Ook deze muur is ca. 60 cm breed. Muur 574bis ten slotte heeft een andere opbouw (fig. 1.246). Tijdens de opgraving kon van deze muur alleen de westelijke wand in het oostelijk putwandprofiel van werkput 10 geregistreerd worden. Op het onderste opgravingsvlak is van de muur over een diepte van ca. 20 cm de fundering van vuursteenblokken en grijsbruine kalkmortel te zien. Daarop is over een hoogte van een 70 cm westelijk parement van het opgaand muurwerk te zien. Van onder naar boven zijn drie lagen moeraskalksteen, een laag dakpannen, een laag moeraskalksteen en een laag dakpannen bewaard. Het geheel is met grijsbruine kalkmortel gemetseld. Enerzijds heeft dit muurfragment een andere opbouw dan de muren 573 en 574, anderzijds ligt het wel pal in het verlengde daarvan, zodat het gerechtvaardigd lijkt ze alle drie aan hetzelfde gebouw toe te schrijven.

Fig. 1.244 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 17 in de noordelijke zijbeuk: spoor 569 in het vlak.

Fig. 1.245 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 8 ten oosten van het oksaal: spoor 573 vanuit het zuidwesten.


172

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.246 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 10 in het noordwestportaal: spoor 574bis vanuit het westen.

554-555 556 566 567

558 586 588 589 573

557

568

587 586 575

576

576

577

578

355 596

590

581 584

590

583 591-592

582

591-592 593

594 595

579

597-598

593

590

591-592 593

591 580 585

0

2m

Fig. 1.247 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de middenbeuk en werkput 8 ten oosten van het oksaal: sporen van fase 4.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Op deze noord-zuid georiënteerde westelijke buitenmuur 573574bis van de domus sluit ten zuiden van de voormalige perceelscheidingslijn een zaal met apsis aan. Daarmee wordt in deze zone de oude perceelscheiding doorbroken (pl. IV en fig. 1.247). De noordelijke buitenmuur van de zaal is in het westen nog als gemetselde fundering in situ aanwezig (pl. IV, fig. 1.247 en 1.248: spoor 575). Meer naar het oosten is alleen nog maar droge fundering bewaard (pl. IV, fig. 1.247 en 1.249: spoor 576). Nog verder oostwaarts tekent de muur zich slechts als een uitbraakspoor af (pl. IV, fig. 1.247 en 1.249: spoor 577). De gemetselde fundering 575 bestaat uit een mengsel van vuursteenblokken en grijsbruine mortel, op het laatste opgravingsvlak nog over een diepte van ca. 70 cm zichtbaar. In tegenstelling tot muur 573, waar ze in verband mee is gemetseld, is in fundering 575 geen duidelijke gelaagdheid te zien. Van de droge fundering 576 is nog een klein stukje te zien. Ze bestaat uit los in de funderingssleuf gestorte vuursteenblokken. Het uitbraakspoor 577 ten slotte tekent zich af als een bruin en grijs gelaagde opvulling van zandige leem, waarin wat brandafval in de vorm van verbrande leem en houts-

173

kool, maar vooral van grote hoeveelheden grijsbruine mortel bewaard zijn. Deze noordelijke buitenmuur 575-577 van de zaal met apsis loopt op een vierkant uitbraakspoor van een blokvormige fundering uit (pl. IV, fig. 1.247, 1.249 en 1.250: spoor 578). Dit merkwaardige spoor is moeilijk te begrijpen. Het is immers volledig af- en uitgebroken en er is alleen maar secundaire vulling van de uitbraaksleuf bewaard. Daarin tekenen zich afwisselend donkerbruine en grijze lagen zandige leem af, waarin regelmatig concentraties bouwpuin voorkomen. Het gaat dan om erg gefragmenteerde grijsbruine, witte en roze mortel, dakpan- en natuursteengruis. Bij het dichtgooien is ook brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw in de uitbraaksleuf terechtgekomen, te oordelen naar de soms grote hoeveelheden verbrande leem en houtskool. Tot het vondstmateriaal kunnen enkele 4de-eeuwse scherven gerekend worden. Mogelijk maakten die van de 3deeeuwse brandlaag deel uit. Elders is immers regelmatig gebleken dat deze laag en de daarop liggende pakketten afbraakpuin van fase 4 laat-Romeinse vondsten bevatten, meer dan aan een

Fig. 1.248 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 8 ten oosten van het oksaal: sporen 575 en 581-584 vanuit het zuiden.

Fig. 1.249 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de middenbeuk: sporen 576-578 en spoor 558 vanuit het zuiden.


174

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.250 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de middenbeuk: profiel van spoor 578 vanuit het zuidwesten.

toevallig tot stand gekomen intrusie kan toegeschreven worden. Voor het overige zijn de vondsten vooral residueel 1ste en 2deeeuws en slechts zelden aan fase 4 toe te schrijven. Afgezien van het afbraakpuin moet de vulgrond van elders afgegraven oudere stratigrafie komen. Wellicht verklaart dit ook gedeeltelijk waarom het soortenspectrum van de dierlijke resten van het voor fase 4 gebruikelijke afwijkt93. Jachtwild is nauwelijks aanwezig en de skeletresten van de huiszoogdieren lijken iets meer dan gewoonlijk door runderbot gedomineerd. Hoewel spoor 578 door middeleeuwse funderingen gedeeltelijk aan het gezicht onttrokken is, kan de plattegrond ervan toch als een rechthoek van ongeveer 2,50 x 4,50 m gereconstrueerd worden. De diepte ten opzichte van het loopvlak uit fase 4 bedraagt ca. 2 m. Deze opvallend grote oppervlakte is voor een deel te verklaren doordat het om de gecombineerde uitbraaksleuven van de muren 355 van fase 3 (met daarop muur 561 van fase 4) en muren 558 en 575-577 van fase 4 gaat. Maar daarmee is niet de gehele oppervlakte van de uitgebroken fundering gedekt. De funderingen van de genoemde muren zijn blijkbaar opgenomen in een groter verband. Mogelijk bevond zich op het aldus ontstane blokvormig fundament een zware pijler die de overkoepelingen van de zaal en de apsis moest dragen. Overigens bevindt zich in de zuidelijke rand van de uitbraaksporen 577 en 578 een opvallende knik (zie fig. 1.249). Die herinnert er wellicht aan dat in de noordelijke muur van de zaal een verspringing zat. De oostelijke buitenmuur van de zaal met apsis is als uitbraakspoor bewaard (pl. IV, fig. 1.247, 1.251 en 1.253: spoor 579). Ter hoogte van het loopvlak ten tijde van fase 4 is deze uitbraak ca. 1 m breed, op het diepste punt is ze tot 70 à 80 cm versmald. De cirkelvormige fundering heeft een diameter van ongeveer 3,50 m. De vulling bestaat uit een afwisseling van lagen brandafval met veel verbrande leem en houtskool, lagen donkerbruine zandige leem, met houtskool, verbrande leem, grijze mortel, kalk en een enkele dakpanfragment en pakketten bruingrijs mortelgruis met dakpan- en natuursteenfragmenten vermengd. Van het loopvlak uit fase 4 tot de bodem gemeten is uitbraakspoor 579

93 Ervynck et al. 2017, p. 468.

ca. 2 m diep. Zoals voor uitbraakspoor 578, diverse andere uitbraaksporen van fase 4 en een aanzienlijk aantal onderdelen van de brand en puinlagen van de tweede vroeg-Romeinse steenbouwfase bestaan de vondsten uit een mengeling van materiaal uit vrijwel de gehele vroeg-Romeinse periode en een klein, maar opvallend aantal 4de-eeuwse objecten. Het bestand aan dierlijke resten lijkt, anders dan dat van uitbraakspoor 578, meer bij het gemiddelde van fase 4 aan te sluiten94. De zuidelijke buitenmuur van de zaal is eveneens als uitbraakspoor bewaard (pl. IV en fig. 1.247: spoor 580). Hij is in werkput 6 in de zuidelijke zijbeuk waargenomen. De afmetingen laten zich echter niet meer bepalen omdat het spoor tussen funderingen van de Karolingische en de Ottoonse kerken ingeklemd ligt. Spoor 580 is als droge fundering van vuursteenblokken bewaard. De westelijke buitenmuur van de zaal met apsis is ten slotte deels als in situ bewaarde fundering (spoor 581) en deels als uitbraakspoor (spoor 582) behouden (pl. IV, fig. 1.247, 1.248 en 1.251). De bewaarde fundering is 60 à 70 cm breed. De diepte van het funderingswerk ten opzichte van het loopvlak van fase 4 kan op 80 à 90 cm ingeschat worden. De vulling van het daarop aanwezige uitbraakspoor bestaat uit lagen bruine zandige leem, verpulverde grijsbruine mortel, gele leem en verspitte resten van de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw. De grijsbruine mortel is wellicht van de uitgebroken gemetselde fundering afkomstig. Op de westelijke buitenmuur van de zaal sluit een oost-west georiënteerde binnenmuur aan, deels als gemetselde fundering (spoor 583), deels als uitbraakspoor (spoor 584) bewaard (pl. IV, fig. 1.247, 1.248 en 1.252). De gemetselde fundering is uit vuursteenblokken en grijsbruine mortel samengesteld. In het uitbraakspoor bevindt zich bruine zandige leem, resten van de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw, grijsbruin mortelgruis, dakpan- en natuursteenfragmenten en brokstuk-

94 Ervynck et al. 2017, p. 468.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

175

Fig. 1.251 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de middenbeuk: sporen 579 en 591 vanuit het oosten.

Fig. 1.252 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 8 ten oosten van het oksaal: sporen 573, 575, 581, 583, 586 en 587 vanuit het zuiden.

ken vloerbeton. In het uitbraakspoor 584 is een beperkt aantal vondsten aangetroffen. Merkwaardig is de aanwezigheid van een hondenkadaver in dit spoor95. Op de zuidelijke buitenmuur 580 sluit een noord-zuid georiënteerde muur aan, waarvan nog de overgang van de droge naar de gemetselde fundering over een afstand van ca. 1,60 m zichtbaar was (pl. IV en fig. 1.247: spoor 585). Voor het overige was deze structuur aan alle zijden door latere vergravingen verstoord, waardoor haar breedte niet meer te bepalen was. Wel kon nog het verband met muur 580 geregistreerd worden. Dit verband en de aanwezigheid van muur 585 op die plek tonen aan dat de domus waartoe de zaal met apsis behoort zich nog verder in zuidelijke richting uitgestrekt moet hebben. Op basis van het hierboven beschreven bestand van muren en uitbraaksporen is het mogelijk een rechthoekige ruimte van

95 Ervynck et al. 2017, p. 469.

ca. 6 x 11 m te reconstrueren, gevormd door muur 575-578 in het noorden, muur 580 in het zuiden en muur 581-582 in het westen. De oostelijke zijde, muur 579, heeft de vorm van een apsis met een diameter van ongeveer 4 m. 7 à 8 m ten oosten van de westelijke buitenmuur 581-582 toont de noordelijke buitenmuur 575578 een knik naar binnen, wat op een versmalling van de binnenruimte van ca. 6 m naar ca. 5 m wijst. De binnenmuur 583-584 is moeilijk te begrijpen. Ofwel creëert deze muur een smalle, nauwelijks 1 m brede ruimte tussen buitenmuur 575-578 in het noorden en binnenmuur 583-584 in het zuiden en kan men aan een trap naar een mogelijke verdieping denken, ofwel had deze binnenmuur een zuidelijke tegenhanger. In het laatste geval is het mogelijk een westelijke, rechthoekige apsis te reconstrueren. Er moet er dan wel van uitgegaan worden dat muur 583-584 ergens in de vernielde zone ten oosten van het bewaarde gedeelte op een noord-zuid gerichte dwarsmuur aansloot.


176

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

In de hoek die door de muren 573 en 575 gevormd wordt, is over een oppervlakte van ongeveer 1,70 x 2,40 m een deels beschadigde betonnen vloer bewaard. De betonvloer (pl. IV, fig. 1.247 en 1.252: spoor 586) is een 15 à 20 cm dikke laag opus signinum, op een 15 à 20 cm dikke laag vuursteenblokken gestort. Het uitbraakspoor van de vloer (pl. IV, fig. 1.247 en 1.252: spoor 587) bestaat uit een 30 à 40 cm dik pakket bruine zandige leem, vermengd met houtskool, verbrande leem en brokken vuursteen en vloerbeton. Deze vloer heeft zich ongetwijfeld zowel in noordelijke als in oostelijke richting verder uitgestrekt. De oostelijke begrenzing was wellicht muur 558, de noordelijke kan bij wijze van hypothese in het verlengde van muur 556 verondersteld worden. Op die manier laat zich een vertrek reconstrueren van ca. 3 x 7 m, dat op de hierboven reeds beschreven rij van 4 of 5 vertrekken in werkput 2 in de middenbeuk aansluit. Vloer 586 wordt door de brand- en puinlaag van de tweede helft van de 3de eeuw afgedekt. Zoals wel vaker is die tweeledig, met onderaan overwegend verbrande leem en houtskool (spoor 588) en bovenin overwegend grijze zandige leem met dakpanfragmenten, brokstukken witte mortel en vloerbeton (spoor 589). Gezamenlijk vormen deze twee lagen een 10 à 15 cm dik pakket (pl. IV en fig. 1.247). Ook van de zaal met apsis is een belangrijk gedeelte van het vloerniveau en de daarop afgezette gelaagdheid van de brand en verdere afbraak bewaard gebleven (pl. IV, fig. 1.247 en 1.253: sporen 590-593). Van onder naar boven gaat het om: · spoor 590: een ophogingslaag die de plaatsing van de vloer voorafgaat. Deze laag is ca. 20 cm dik en bestaat uit geelgrijze zandige leem waarin gruis van houtskool, verbrande leem, witte en roze mortel vermengd is; · spoor 591: een betonnen vloer. Deze was vrij massief en bestond uit een ca. 20 cm dikke bedding van vuursteenfragmenten, afgedekt door een ca. 20 cm dikke laag opus signinum; · spoor 592: uitgebroken gedeelten van vloer 591 die zich als 20 tot 40 cm dikke pakketten geelgrijze zandige leem afteke-

Fig. 1.253 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 2 in de middenbeuk: sporen 578, 579 en 591 vanuit het zuidoosten. Een groot gedeelte van de sporen is aan het gezicht onttrokken door de in situ behouden westelijke buitenmuren van de Merovingische en Karolingische kerken van fase 6 en 7.

96 Ervynck et al. 2017, p. 469.

nen, met daarin houtskool en verbrande leem, vuursteen- en dakpanfragmenten en brokstukken vloerbeton; · spoor 593: de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw, bestaande uit brokstukken rood verbrande leemwand, waarin plaatselijk nog delen van verkoolde balken lagen en waarin verder nog kalk- en pleisterfragmenten zijn opgenomen. De laag is dikker in de oostelijke zone met de apsis (tot 60 cm dik) dan in de westelijke zone van het schip van de zaal (tot ca. 40 cm dik). Ze is ook dikker ter hoogte van de as van de ruimte (40 à 60 cm) dan aan de randen (ca. 10 cm). In het onmiddellijk ten oosten van de zaal met apsis gelegen areaal van het opgravingsterrein, in werkput 2 in de middenbeuk, bestaat de stratigrafie van de tweede steenbouwfase (pl. IV en fig. 1.247: sporen 594-598) van onder naar boven uit: · spoor 594: een hoeveelheid bouwpuin uit de periode waarin de zaal met apsis geconstrueerd werd. In een laag geelgrijze zandige leem, met houtskoolgruis vermengd, bevinden zich grote aantallen dakpanfragmenten, wat brokken natuursteen en grote hoeveelheden verkruimelde kalk, witte en roze mortel, zand en klei. Deze laag markeert het plaatselijke bouwniveau van de tweede steenbouwfase. Ze is ongeveer 30 cm dik. Slechts twee vondsten kunnen met zekerheid in de tweede helft van de 2de eeuw en 3de eeuw gedateerd worden. Het soortenspectrum dat aan de hand van de weergevonden dierlijke resten gereconstrueerd werd, toont de aanwezigheid van een enkele oesterschelp, van jachtwild, maar ook van een door runderbot gedomineerd bestand aan skeletelementen van de klassieke huiszoogdieren96; · spoor 595: een ca. 40 cm dikke ophogingslaag waarin zowel veel residueel vondstmateriaal als wat eigentijds nederzettingsafval terecht is gekomen. De ophoging bestaat uit vrij homogeen samengestelde grijsbruine zandige leem met verbrande leem- en houtskoolgruis en wat grijze mortelfragmenten. De dierlijke resten zijn in voldoende aantallen bewaard en laten daardoor toe een inschatting van het vleesbestand-


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

deel van het voedingspatroon te maken97. Met een opvallend groot aantal oesterschelpen, diverse soorten jachtwild en een huiszoogdierenspectrum dat door varkensbot gedomineerd wordt, verraadt dit afval een rijk en geromaniseerd consumptiepatroon; · spoor 596: een vrijwel vierkant paalspoor van ca. 40 x 40 cm, geheel met brandafval (verbrande leem en houtskool) gevuld. Het spoor is doorheen de ophogingslaag 595 aangelegd en kan tot aan het onderliggende bouwniveau 594 over een diepte van ca. 50 cm gevolgd worden. Gelet op de aard van de vulling moet deze zware paal na de brand van de tweede helft van de 3de eeuw uitgetrokken zijn; · spoor 597: de brandlaag van de tweede steenbouwfase, samengesteld uit brokstukken verbrande leem en houtskool. Plaatselijk bevindt zich daarin een grote concentratie van dakpanfragmenten. Ze is 10 à 20 cm dik. Andermaal blijkt in deze brandlaag 4de-eeuws materiaal aanwezig te zijn. Ze bevat ook een betrekkelijk groot aantal dierlijke resten, met de voor de 3de-eeuwse brandlaag karakteristieke samenstelling98: aanwijzingen voor consumptie van vis en schaaldieren, de voor fase 4 unieke vondst van een wijngaardslak, relatief veel jachtwild en een huisdierenspectrum waarin runderbot net iets vaker voorkomt dan varkensbot. · spoor 598: resten van een puinlaag die verdere afbraak van de tweede steenbouwfase markeert. Deze laag komt op twee plekken voor en bestaat uit geelgrijze zandige leem, waarin houtskool, verbrande leem en grijze mortel vermengd zijn. Ten zuiden van de apsiszaal, in werkput 6 in de zuidelijke zijbeuk, zijn substantiële delen van de brandlaag van de tweede steenbouwfase bewaard gebleven (pl. IV: spoor 599). In deze zone varieert haar dikte van 0 tot 50 cm. In feite gaat om een plaatselijke ophoging van verbrande wandleem, verkoolde resten van balken, grijswitte mortel en dakpanfragmenten. Omheen deze ophoging van brandafval bevindt zich een laag afbraakpuin (pl. IV: spoor 600). Haar dikte varieert eveneens van 0 tot 50 cm. Ze toont zich als een laag grijsbruine zandige leem met daarin dakpan- en natuursteenfragmenten, bijmenging van houtskool en verbrande leem en witte en roze mortels, die zich soms in laagjes aftekenen. Ook deze brand- en puinlaag, die in principe fase 4 afsluit, bevat een aantal 4de-eeuwse vondsten, waardoor mag aangenomen worden dat de ontmanteling van de tweede steenbouwfase gedeeltelijk in de 4de eeuw heeft plaatsgevonden, wellicht in de eerste helft van die eeuw, vermits omstreeks het midden van de 4de eeuw de laat-Romeinse basilica gebouwd werd. Spoor 600 bevat een hoeveelheid dierlijke resten met de voor de brand- en puinlaag van de tweede helft van de 3de eeuw gebruikelijke samenstelling99: iets meer runderbot dan varkensbot en aanwijzingen voor consumptie van jachtwild. Ten westen van de westelijke buitenmuur van de domus waartoe de zaal met apsis moet behoord hebben, is nog een viertal sporen uit de tweede steenbouwfase aan te wijzen. Ze liggen in werkput 9 (noordwestportaal), werkput 10 (ten zuiden van het noordwestportaal, werkput 8 (ten oosten van het oksaal) en werkput 6 (zuidelijke zijbeuk), alles westelijke randzone van het opgravingsterrein.

97 Ervynck et al. 2017, p. 469. 98 Ervynck et al. 2017, p. 469.

177

In het noorden, onder het noordwestportaal in werkput 10, bevindt zich een kuil (pl. IV: spoor 601). Alleen aan de noordzijde is een stukje van de oorspronkelijke begrenzing zichtbaar. Voor het overige is ze aan alle zijden door jongere sporen vernield. Het resterende gedeelte strekt zich over een oppervlakte van ca. 75 x 150 cm uit. De diepte kan op een 40 cm ingeschat worden. De vulling bestaat uit donkergrijze, houtskoolrijke zandige leem. Op de bodem is een bijmenging van verbrande leem aanwezig. Een grondmonster uit dit spoor bevat opvallend meer verkoolde plantaardige resten dan het gemiddelde van fase 4: 11,2 fragmenten per liter tegenover gemiddeld 1,2 fragmenten per liter100. Het gaat om een mengsel van graanresten: gerst, alleen in de vorm van graankorrels, emmertarwe en spelttarwe, vooral in de vorm van kafresten. Het is afval van de zuivering van een hoeveelheid graan. Ten zuiden van het noordwestportaal in werkput 9 bevindt zich ten westen van buitenmuur 574 een laag die gedeponeerd werd boven de uit fase 3 daterende kuil 435 (pl. IV: spoor 602). Deze kuil moet na primaire opvulling als gevolg van nazakkingen lange tijd als depressie op het terrein zichtbaar geweest zijn. Van de dieper aangetroffen opvullingslagen N tot T van dit spoor werd al vermoed dat ze uit fase 4 zouden kunnen dateren en pogingen tot opvulling van de depressie voorstelden (zie 1.4.5). Dat geldt zeker ook voor spoor 602, een ca. 20 cm dikke laag bruingrijze zandige leem, met bijmenging van fijn houtskool- en verbrande leemgruis, grijze en roze mortel, die echter voor het overige vondstenloos is. Ten oosten van het oksaal in werkput 8 is ten westen van buitenmuur 573 de rand van een kuil zichtbaar (pl. IV: spoor 603). De lagen die daarin te zien zijn kunnen in twee vlaktekeningen worden samengevat (fig. 1.254). Tussen beide vlakken bevindt zich een niveauverschil van ca. 50 cm: · laag A is vrij zuivere gele zandige leem met wat houtskool vervuild; · laag B is een 5 à 10 cm brede bruine verkleuring; · laag C is gele zandige leem met houtskoolfragmentjes; · laag D is donkergrijze, houtskoolrijke zandige leem; · laag E is geelgrijze zandige leem, waarin wat verbrande leem, houtskool, witte mortel en enkele dakpanfragmenten herkenbaar zijn. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het hier om de oostelijke rand van een beerput, die echter door latere verstoringen grotendeels aan het gezicht onttrokken is. Laag A kan dan als de insteek van de put beschouwd worden. De bruinkleurige laag B is vermoedelijk de weggerotte planken wand. Op haar meest zuidelijke punt lijkt deze laag immers een scherpe hoek te vormen. Dit zou kunnen wijzen op de zuidoostelijke hoek van de houten bekisting van de beerput. Overigens toont deze laag ook elders stompe knikken, die wellicht op het naar binnen doorbuigen of zelfs breken van planken kunnen wijzen. Op het laagste niveau in spoor 603 is het plankspoor ook meer naar binnen geregistreerd dan op het hoogste. De lagen C, D en E zijn dan restanten van opvullingslagen uit de tijd toen de beerput werd dichtgegooid. Alleen laag E leverde een kleine hoeveelheid vondsten op.

99 Ervynck et al. 2017, p. 469. 100 Cooremans 2017, p. 358.


178

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.254 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 8 ten oosten van het oksaal: spoor 603.

VLAK 1

VLAK 2

D A C B

A B

E

E

0

Nog verder zuidwaarts, in het meest westelijke punt van de zuidelijke zijbeuk in werkput 6, ligt ten slotte nog een restant van de brandlaag van de tweede steenbouwfase, naar schatting een 30 cm dik (pl. IV: spoor 604). Ze bestaat uit het gebruikelijke mengsel van verbrande leem en houtskool en een enkel dakpanfragment.

1m

Er rest nog het sporenbestand in de niet overbouwde zone ten zuiden van de perceelscheidings- en terrasmuur 355/549 en gelegen in het oostelijk deel van de middenbeuk (werkput 16) en in de zuidelijke zijbeuk (werkputten 6 en 15) te verkennen. Zoals te verwachten bestaan de resten daar vooral uit uitgravingen, ophogingslagen en brand- en puinlagen. Een aantal structuren uit fase 3 blijft behouden. Daarnaast verschijnen ook nieuwe elementen.

grijze, witte en gele mortelfragmenten en af en toe ook wat klei en kalk. Regelmatig zijn in de lagen scheuren te zien, wellicht veroorzaakt door verzakkingen. In een grondmonster uit schachtvulling 605 is een relatief grote hoeveelheid verkoolde plantaardige resten aangetroffen101. Het gaat om 35,9 fragmenten per liter, waar het gemiddelde voor fase 4 slechts 1,2 fragmenten per liter bedraagt. Het betreft kleine aantallen graankorrels maar grote aantallen kafresten van tarwesoorten: emmer, spelt en broodtarwe. Een dergelijk samengesteld ensemble is typisch afvalproductie van het uitzuiveren van een hoeveelheid graan. Naar alle waarschijnlijkheid dateert dit afval van ruim voor het dichtgooien van de waterput en is het als residueel materiaal in de putschacht terechtgekomen. Dit ligt in de lijn van de verwachting bij groot grondverzet dat nodig is om een waterput dicht te gooien.

In de zone van de middenbeuk (werkput 16) blijft de waterput van fase 3 verder in gebruik (zie fase 3, spoor 408). De constructie wordt pas na fase 4 opgegeven, ontmanteld en dichtgegooid. Dat blijkt uit de laat-Romeinse datering van het jongste vondstmateriaal uit de vulling van de schacht (pl. IV: spoor 605). Daartoe hoort ook één munt: een stralenkroonimitatie uit de periode 270 - 300 (cat. nr. 80). De schacht is gevuld met onregelmatig gedeponeerde lagen grijze zandige leem, bruine zandige leem, lagen wit, geel en groen zand. De leemlagen bevatten houtskool en verbrande leem, natuursteen- en dakpanfragmenten, roze,

Nog in de zone van de middenbeuk (werkput 16) blijft het monument van onbekende aard uit fase 3 na herstelling in fase 4 al dan niet in gewijzigde vorm voortbestaan. Op de laatste fundering van fase 3, een zwaar vierkant kalkstenen blok (zie fase 3, spoor 407) is over een 45 cm nog een uitbraakspoor bewaard van de verbouwing uit fase 4 (pl. IV: spoor 606; zie ook fig. 1.150). Dit uitbraakspoor heeft de vorm van een gedrongen rechthoek van ca. 1,50 x 1,75 m en bestaat uit bruine zandige leem, waarin een divers samengesteld ensemble van afbraakpuin bewaard is gebleven. Naast resten van de brandlaag van de tweede helft van

101 Cooremans 2017, p. 358.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

de 3de eeuw (verbrande leem en houtskool) bevat het spoor ook natuursteen- en dakpanfragmenten, grijze en roze mortel en stukken vloerbeton. Omdat het zware funderingsblok uit fase 3 is blijven liggen, mag aangenomen worden dat het in de fundering van fase 4 verwekt was. Merkwaardig is de aanwezigheid in uitbraakspoor 606 van vier fragmenten van een Toscaans kapiteel in Chémery kalksteen (zie 2, nrs E.3 en E.4). Mogelijk komen ze van het op de fundering geplaatste monument van fase 4. Verder strekken zich in de middenbeuk een puinlaag (pl. IV, fig. 1.239 en 1.240: spoor 607) en een brandlaag (pl. IV, fig. 1.239 en 1.240: spoor 608) uit, die de weerslag zijn van het afbranden en verder afbreken van de tweede steenbouwfase. Wellicht komt het meeste materiaal van de reeks vertrekken ten noorden van perceelscheidings- en terrasmuur 355/549. Ter hoogte van die vertrekken kon immers vastgesteld worden dat, op een kleine plaatselijke uitzondering na, noch de brandlaag, noch de puinlaag van de verdere ontmanteling van de tweede steenbouwfase bewaard waren. Wellicht heeft men bij de egalisering van het terrein deze lagen in het hoger gelegen noordelijk gedeelte afgegraven en in omgekeerde volgorde in het lager gelegen zuidelijk gedeelte gedeponeerd. Onderaan ligt immers de 10 à 20 cm dikke puinlaag 607, die de vorm aanneemt van een bruingrijze laag zandige leem, waarin naast verspitte brandlaag (verbrande leem en houtskool) veel puin is aangetroffen: natuursteen- en baksteenfragmenten, witte en roze mortel en kalk. Tot de mobiele vondsten uit deze laag behoort een nummus van Crispus uit de jaren 322 - 323 (cat. nr. 95). Daarop ligt brandlaag 608, met hoofdzakelijk verbrande leem en houtskool, maar ook met veel dakpan- en natuursteenfragmenten, witte, grijze en roze mortel en kalk. Plaatselijk kan deze laag 40 à 50 cm dik zijn. Een dergelijke verplaatsing van noord naar zuid zou ook kunnen verklaren waarom de brand- en puintypes een omgekeerde volgorde hebben van de meer naar het westen gelegen lagen, omheen de apsis van het daar afgebroken zaalvormig vertrek. Onderaan lag op die plek het brandafval 597 en bovenin het puin 598 van de verdere afbraak. De begrenzing tussen de lagen 597/598 en de lagen 607/608 kon niet herkend worden. In de zone van de zuidelijke zijbeuk (werkput 15) wordt in fase 4 een ophogingspakket aangebracht van bruine zandige leem, met vergruisde houtskool, verbrande leem, witte, roze en gele mortel, kalk en dakpanfragmenten vermengd (pl. IV en fig. 1.255: spoor 609). Het is ongeveer 25 cm dik. Deze laag wordt door een

613

614

609

616

615

grotendeels uitgebroken fundering doorsneden, waarin een gelaagdheid herkend kan worden die uit drie sporen bestaat (pl. IV, fig. 1.255, 1.256, 1.257 en 1.258: sporen 610-612): · spoor 610 is in situ bewaarde droge fundering van vuursteenblokken, in de zuidwestelijke hoek van de structuur geconcentreerd; · spoor 611 is het uitbraakspoor van deze fundering en bestaat uit afwisselende lagen donkergrijze zandig leem en verkruimelde mortel. De mortellagen bestaan uit overwegend grijze en witte mortel met kleine aantallen dakpan- en natuursteenfragmenten. De lagen zandige leem bevatten naast houtskool en verbrande leem, fijn vermalen kalk, witte, grijze, roze en gele mortel. De dikte varieert van 0 tot 30 cm. Blijkbaar is de originele fundering vrijwel integraal uitgegraven, met uitzondering van wat materiaal in de zuidwestelijke hoek. · spoor 612 is een opvullingslaag van roodbruine zandige leem, waarin soms dunne bandjes gele leem en grijze mortel als apart herkenbare verkleuringen liggen. De laag bevat overwegend fijn vermalen bijmenging van verbrande leem en houtskool, van witte, grijze, gele en roze mortel, kalkpartikels en sporadisch dakpan- en natuursteenfragmenten. De dikte varieert van 50 tot 100 cm. Wellicht was de plek na de uitbraak van de fundering als een soort krater blijven voortbestaan en heeft men op een gegeven ogenblik het areaal weer willen egaliseren. Wellicht gebeurde dat toen men de laatRomeinse basilica bouwde. Het staat bijgevolg vast dat in werkput 15, in de zuidelijke zijbeuk, tijdens fase 4 een fundering is aangelegd. De vorm en de omvang zijn niet meer exact te bepalen omdat slechts een klein stukje van de originele rand, de zuidwestelijke hoek, bewaard is gebleven. In het zuiden is de structuur door de insteek voor de fundering van de zuidelijke buitenmuur van de Ottoonse kerk vernield. In het noorden is ze ontoegankelijk voor onderzoek door de bouw van de zuidelijke buitenmuur van de kleine Karolingische kerk. In het oosten wordt het gezicht belemmerd door de fundering van de westelijke muur van het Ottoonse zuidtransept. Toch kunnen vorm en omvang bij benadering ingeschat worden. Zoals gezegd is de zuidwestelijke hoek nog bewaard. Daardoor zijn de posities van zowel de westelijke als de zuidelijke rand bij benadering gekend. De noordelijke rand is ook ongeveer te bepalen. Ten noorden van de zuidelijke buitenmuur van de kleine Karolingische kerk is immers nog een smalle strook van de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw bewaard

616

616

616

612

611

610 0

2m

179

Fig. 1.255 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 15 in de zuidelijke zijbeuk: sporen van fase 4.


180

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fig. 1.256 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 15 in het zuidportaal: spoor 610 vanuit het westen.

Fig. 1.257 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 15 in het zuidportaal: profiel van de westelijke insteek van de sporen 610-612 vanuit het zuiden.

(pl. IV en fig. 1.255: spoor 616). Daaruit is af te leiden dat daar geen (uitgebroken) fundering meer aanwezig is. De noordelijke grens bevindt zich bijgevolg ergens onder de Karolingische muur. Tot slot laat zich ook de plek van de oostgrens min of meer bepalen. Uit het onder de Karolingische muur zichtbare profiel blijkt immers dat het meest oostelijke punt van de uitgebroken fundering 611 zich op 1 à 2 m van de oostelijke grens van de zuidelijke zijbeuk bevindt. Vanaf die plek is over 1 à 2 m nog de stratigrafie van de oudere fase 3 bewaard gebleven (de lagen 419 tot 422; zie fig. 1.258). Op grond van al deze bevindingen blijkt dat

de fundering een langwerpige, rechthoekige vorm had, met een breedte van minstens 1,80 m en hoogstens 2,90 m en een lengte die op een zestal m geschat kan worden. De westelijke grens is immers redelijk goed waarneembaar, want bewaard, de oostelijke grens is minder duidelijk omdat op dat punt het profiel van de uitbraak erg schuin is. Dergelijke grondvesten zijn niet voor een muur bedoeld. Ze tonen eerder verwantschap met podiumfunderingen zoals die bv. van tempels bekend zijn102. De langgerekte vorm van de fundering sluit de mogelijkheid van een tempel echter uit. Er rest dan nog de kans dat de fundering één

102 In Tongeren was de cella van de grote tempel aan de Keverstraat van een dergelijke (podium)fundering voorzien (Mertens 1967-1968). Een tweede voorbeeld is in 1967 in de Hemelingenstraat aan het licht gekomen (Mertens 1977b). Bekend is in Neder-Germanië vooral de nog altijd zichtbare fundering van de haventempel van Xanten (Follmann-Schulz 1986, p. 769-773; Trunk 1991, p. 234-235 en Abb. 175).


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

181

Fig. 1.258 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 15 in het zuidportaal: profiel van de oostelijke insteek van de sporen 610-612 vanuit het zuiden.

of ander voetstuk voor een beeld of beeldenrij, voor een zuil of reeks zuilen of voor één of meer altaren droeg. In dat geval is het verschijnsel een grotere variant van de fundering die al van spoor 407/606 gekend is. Ten westen van deze merkwaardige fundering kan nog een drietal kuilen aan fase 4 worden toegeschreven (pl. IV en fig. 1.255: sporen 613-615). Waar kuil 614 door ophogingslaag 609 van fase 4 afgedekt wordt, bevinden de kuilen 613 en 615 zich hoger in de stratigrafie. Ze doorsnijden ophogingslaag 609 en worden door de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw afgedekt. Kuil 613 is ovaal of rond van plattegrond, te oordelen naar de rand van het bewaard gebleven gedeelte van dit spoor. Het grootste gedeelte is echter niet voor waarneming bereikbaar en gaat onder jongere sporen schuil. Ze zal zeker minstens 1 m in doormeter geweest zijn, terwijl ze nauwelijks een 10 cm diep is. Niettemin kunnen drie opvullingen onderscheiden worden. Van onder naar boven gaat het om: · laag A: 5 à 10 cm bruingrijze zandige leem met houtskool, verbrande leem, kalk en enkele dakpanfragmenten; · laag B: plaatselijk een vijftal cm gele leem, met houtskool en verbrande leem vermengd; · laag C: een 1 à 2 cm dun laagje kalk. Kuil 614 heeft een vierkante of rechthoekige vorm. Alleen de zuidelijke rand is bewaard. Het bewaarde gedeelte meet ca. 40 x 110 cm. De diepte bedraagt een 20 cm. Er kunnen twee opvullingslagen herkend worden: · laag A: een pakket gele leem, 10 à 15 cm dik, op de bodem van de kuil, waarin veel dakpanfragmenten liggen, naast wat kleine fragmentjes witte mortel; · laag B: een laag donkergrijze houtskoolrijke zandige leem, 5 à 10 cm dik, bovenin de kuil, met wat kalk en verbrande leem.

Kuil 615 is slecht gedeeltelijk in het vlak waarneembaar maar is zeker vierkant of rechthoekig geweest. De noordoostelijke hoek is immers als een rechte hoek bewaard. Maar noch de juiste vorm, noch de afmetingen kunnen bepaald worden. Het bewaarde gedeelte strekt zich over een oppervlakte van ca. 30 x 90 cm uit. De structuur is ca. 40 cm diep. In de vulling kunnen van onder naar boven de volgende lagen onderscheiden worden: · laag A: een 10 à 15 cm dik pakket roodbruine verbrande leem, vermengd met gele leem, houtskool en witte mortel; · laag B: een 10 à 15 cm dik pakket gele leem, vermengd met verbrande leem, houtskool, witte mortel en kalk; · laag C: een 5 à 10 cm dik laagje bruine zandige leem met verbrande leem, houtskool en kalk; · laag D: een 5 à 10 cm dikke laag overwegend fijngemalen vloerbeton en pleister. De rand wordt door een rood beschilderde laag pleister ingenomen; · laag E: een 2 à 6 cm dun laagje bruine zandige leem, met brokstukken gele leem vermengd. Het is op basis van de schaars bewaarde resten niet doenbaar het spoor betrouwbaar te interpreteren. Gelet op de vulling, vooral van laag D, zou het om een restant van bouwafval kunnen gaan, al dan niet in een afgedankte kalkkuil gestort, uit de tijd van de aanleg of verbouwing van een nabijgelegen constructie van fase 4. Tot slot zijn op verschillende plekken in werkput 15 in de zuidelijke zijbeuk resten van de brandlaag van de tweede helft van de 3de eeuw bewaard gebleven (pl. IV en fig. 1.255: spoor 616). De laag bestaat zoals steeds overwegend uit verbrande wandleem en houtskool, waarin een spectrum van mortelfragmenten is opgenomen (witte, grijze, gele en roze mortels), naast kalk en dakpanfragmenten. Waar de laag in profiel kon waargenomen worden bedroeg de dikte een 10 cm.


182

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

1.5.5 De bewoningssporen in de westelijke randzone van het opgravingsterrein: een derde vroeg-Romeinse steenbouwfase of laat-Romeinse gebouwen? In de westelijke randzone van de opgraving zijn resten van twee constructies bewaard: een waterbekken in werkput 10, in het noordwestportaal, en een klein badgebouw, bestaande uit een hypocaustum-verwarmd vertrek en een daarop aansluitende rechthoekige badkuip met apsis aan de westzijde in de werkputten 1 en 8, respectievelijk onder en ten oosten van het oksaal. Hoewel er bijzonder weinig aanwijzingen voor te vinden zijn, kan toch vastgesteld worden dat ze na de hierboven beschreven tweede Romeinse steenbouwfase zijn gebouwd. Het waterbekken doorsnijdt de aan fase 4 toe te schrijven kuil 601 en muur 574bis. Het badgebouw doorsnijdt de eveneens tot fase 4 te rekenen kuil 603. De geringe dimensie van het badgebouw maakt het onwaarschijnlijk dat het hier om de thermen van de ten oosten ervan gelegen domus gaat. De conclusie is dan ook onvermijdelijk dat bekken en badhuis na de brand van de tweede helft van de 3de eeuw zijn opgericht. Helaas zijn geen aanwijzingen voor een meer nauwkeurige datering beschikbaar. De twee constructies kunnen aan het einde van de 3de eeuw of het begin van de 4de eeuw zijn opgericht, in de periode waarin de laat-Romeinse stadsmuur werd aangelegd. Ze kunnen ook tijdgenoot van de laat-Romeinse basilica zijn geweest, die omstreeks het midden van de 4de eeuw werd gebouwd. In elk geval past het gebouw niet in de traditie van de private en publieke Romeinse badgebouwen van onze streken, met hun drieledige indeling in een koud-, een lauw- en een warmwaterbad103. Tot het waterbekken in werkput 10, in het noordwestportaal, kunnen twee paalkuilen, de noordelijke, zuidelijke en westelijke muren en een vloer gerekend worden. De oostelijke muur situeert zich op een onbekende plek buiten de opgegraven zone. De twee paalkuilen (pl. IV, fig. 1.259 en 1.260: sporen 617 en 618) zijn tegen de noordelijke muur van het bekken gegraven. Ze zijn halfcirkelvormig met een diameter van ca. 40 cm. Op het terrein tekenden ze zich als holten af. Het gaat bijgevolg om uitgetrokken of weggerotte houten staanders. Het is niet meer uit te maken of de palen uit de bouwfase, dan wel uit de gebruiksfase van het bekken dateren. In het eerste geval kan men aan zogenaamde stellinggaten denken, in het tweede aan een draagconstructie voor een afdak. De noordelijke muur (pl. IV, fig. 1.259, 1.260 en 1.261: spoor 619) kon over een lengte van ca. 3 m opgetekend worden. Hij loopt verder onder het oostelijk putwandprofiel van werkput 10 door. De breedte bedraagt ca. 60 cm. Op het noordelijk muurvlak zijn zeven lagen vrij regelmatig bekapte vuursteenblokjes te zien. Daarop zijn nog eens twee lagen vuursteenblokjes bewaard, waarop plaatselijk nog een roze buitenbepleistering is te zien. Wellicht geeft dit het loopniveau uit de bouw- en gebruikstijd van het bekken aan. Voor het voegwerk is een lichtroze met dakpangruis vermengde kalkmortel gebruikt. De kern is gevuld met een mengsel van vuursteengruis en grijze kalkmortel. De zuidelijke buitenmuur (pl. IV, fig. 1.259 en 1.260: spoor 620) is eveneens over een lengte van ca. 3 m zichtbaar en loopt verder door onder het oostelijk putwandprofiel van werkput 10.

103 Deru 1994.

De muur, waarvan zeven lagen min of meer regelmatig bekapte vuursteenblokjes te zien zijn, is aan de basis ca. 60 cm breed. Hogerop versmalt ze echter tot een breedte van ca. 50 cm. Van de versmalde muur zijn nog twee lagen vuursteenblokjes te zien. Ook bij deze muur is de kern met grijze kalkmortel en vuursteengruis gevuld en heeft men voor het voegwerk lichtroze, met dakpangruis vermengde kalkmortel gebruikt. De westelijke muur ten slotte (pl. IV, fig. 1.259 en 1.260: spoor 621) kan over een lengte van ca. 3,5 m gevolgd worden. Hij wordt gedeeltelijk door gotische funderingen aan het gezicht onttrokken. Hij heeft dezelfde opbouw als de zuidelijke muur 620, inclusief de versmalling van ca. 60 cm naar ca. 50 cm op het niveau waarop zich wellicht het bouw- en loopvlak van de constructie bevond. De drie muren zijn in de diepste opgegraven delen van werkput 10 over een hoogte van 80 à 90 cm zichtbaar. De binnenwanden van al deze muren zijn met een 2 à 4 cm dikke laag roze, met dakpangruis vermengde pleisterlaag bedekt. De pleisterlaag blijft beperkt tot het niveau waarop zich de versmallingen van de muren 620 en 621 situeren. Vanaf dit niveau zitten ook resten van buitenbepleistering op muur 619. In de veronderstelling dat dit het antieke loopvlak is mag aangenomen worden dat alleen het uitgegraven gedeelte van binnenbepleistering was voorzien en alleen het bovengrondse gedeelte van buitenbepleistering. Op de bodem van het bekken was een betonvloer gestort (pl. IV, fig. 1.259, 1.260 en 1.261: spoor 622). Omdat deze vloer in situ behouden is gebleven is het niet mogelijk de opbouw en dikte van de fundering ervan te beschrijven. Een groot gedeelte van de vloer, met name de noordoostelijke hoek, is door erosie beschadigd. Het kleine badgebouw in het oksaal (werkput 1) en ten oosten van het oksaal (werkput 8) bestaat uit twee onderdelen: een hypocaustum-verwarmd vertrek en een badkuip. De stookruimte situeert zich in het noorden, maar valt buiten de opgravingszone. Wel is nog een stuk van het stookkanaal zichtbaar (pl. IV, fig. 1.252, 1.262, 1.163 en 1.264). Van de verwarmde ruimte zijn delen van het stookkanaal, van de oostelijke muur en de basis van het hypocaustum bewaard. De westelijke en noordelijke muren zijn niet bewaard gebleven. In de noordzijde is een gedeelte van het stookkanaal zichtbaar (pl. IV, fig. 1.252, 1.262 en 1.263: spoor 623). De kanaalwanden zijn met tegelfragmenten opgebouwd. Van de oostelijke wand is nog één laag in situ aanwezig, van de westelijke zijn nog acht lagen bewaard. Ze zijn erg beschadigd, waardoor hun exacte dikte niet te bepalen is, maar tussen 20 cm en 30 cm moet schommelen. Het stookkanaal zelf is ca. 50 cm breed. De noord-zuid gerichte kanaalwanden vormen hoeken met oost-west gerichte dwarsmuurtjes. Aan de oostzijde overbrugt het dwarsmuurtje een afstand van ca. 75 cm tot de oostelijke binnenwand van het hypocaustum. In de veronderstelling dat het stookkanaal in de noord-zuidas van het vertrek gepositioneerd was, moet het dwarsmuurtje aan de westzijde eenzelfde afstand overbruggen. Van het oostelijk dwarsmuurtje is slecht een deel van een tufstenen blok bewaard, dat ca. 30 x 40 cm meet. Het westelijk dwarsmuurtje lijkt van tegelfragmenten gemaakt te zijn, waar-


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

183

Fig. 1.259 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 10 in het noordwestportaal: sporen van fase 4 of fase 5.

574 bis

617

618 619

601

622

621

620

0

1m

Fig. 1.260 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 10 in het noordoostportaal: sporen 617-622 vanuit het noorden.


184

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

van op één punt nog vijf lagen bewaard zijn. Het moet ongeveer 40 cm breed zijn geweest. Van de oostelijke muur van zowel de verwarmde ruimte als de badruimte bleef slechts een stukje van het opgaand muurwerk behouden (pl. IV, fig. 1.252, 1.262 en 1.264: spoor 624). Voor het overige zijn van deze muur alleen een uitbraakspoor en delen van de fundering bewaard (pl. IV,

Fig. 1.261 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 10 in het noordoostportaal: sporen 619 en 622 vanuit het zuiden.

fig. 1.252, 1.262, 1.263 en 1.264: spoor 625). Het stukje opgaand muurwerk bevindt zich in het zuiden, ter hoogte van de badruimte. Nog twee rijen parementsteen konden geteld worden, overwegend vuurstenen bekapte blokjes. De kern bestaat uit geelgrijze en lichtroze kalkmortel en vuursteengruis. Dezelfde mortels zijn voor het voegwerk gebruikt. De muur is ca. 50 cm breed en is nog over een afstand van ca. 1,20 m bewaard. Ten noorden daarvan bestaat de fundering uit onregelmatige vuursteenblokken. Ze lijkt van noord naar zuid met trappen te versmallen. In het noorden bedraagt de breedte ca. 60 cm, in een middenzone is de fundering een 80 cm breed en in het zuiden bedraagt de breedte ca. 100 cm. Ze is 70 à 80 cm diep. Omdat de uitgegraven basis van het hypocaustum ten opzichte van het hoogst bewaarde deel van de zuidelijke muur ook ongeveer 70 cm diep ligt, is aan te nemen dat aan de binnenkant van de droge fundering van de oostelijke muur wel een parement was aangebracht. Dat gaat echter schuil achter een laag roze kalkmortel die als binnenbepleistering van het hypocaustum diende. De zuidelijke muur van de hypocaustum-verwarmde ruimte komt overeen met de noordelijke muur van het bad (pl. IV, fig. 1.252, 1.262 en 1.264: spoor 626). Hij is ongeveer 60 cm breed en over een lengte van ca. 1,80 m zichtbaar. Het hoogst bewaarde gedeelte steekt een 70 cm boven de basis van het hypocaustum uit. Aan de noordzijde of hypocaustum-zijde zijn vier à zes rijen

Fig. 1.262 Tongeren: O.L.V.basiliek: werkput 1 onder het oksaal en werkput 8 ten oosten van het oksaal: sporen van fase 4 of fase 5.

623

603

627 028

625

631 630

626 624

629 632 0

1m


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

185

Fig. 1.263 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 8 ten oosten van het oksaal: sporen 623, 625 en 627 vanuit het zuiden.

Fig. 1.264 Tongeren: O.L.V.-basiliek: werkput 8 ten oosten van het oksaal: sporen 624-627 en spoor 632 vanuit het noorden.

zandstenen parement te zien. Een gedeelte van die wand is met roze kalkmortel bedekt. De noordzijde van de muur is niet zichtbaar omdat zich daar het bad bevindt, waarvan de vloer zich een 70 cm boven de basis van het hypocaustum uitstrekt. In muur 626 is ten slotte ook nog een rechthoekige indruk te zien van ca. 55 x 75 cm, herinnering aan een natuurstenen blok of tegelconstructie die op die plek blijkbaar met roze kalkmortel was aangebracht. De hypocaustum-vloer bleef aan het einde van de opgraving in situ behouden (pl. IV, fig. 1.252, 1.262, 1.263 en 1.264: spoor 627). Funderingswijze en dikte kunnen dan ook niet waargenomen worden. De vloer bestaat uit een grove, met kalkstukjes en dakpangruis gemengde laag opus signinum. Noordzuid meet de vloer 4,30 m, oost-west kan hij op 2 m geschat worden, uitgaande van de hypothese dat het stookanaal in de as van de ruimte uitmondde. Binnen de ruimte waren vier rijen van negen pijlers aangebracht. De pijlers zijn met cirkelvormige hypocaustum-tegels opgebouwd, met gele leem aan elkaar gehecht. Er is daarop een drietal uitzonderingen te zien. De meest oostelijke en de meest westelijke pijlers van de zuidelijkste rij zijn op vierkante tegels gezet, één tegel onder de meest oostelijke,

vier tegels onder de meest westelijke bewaarde pijler. De tweede pijler vanuit het oosten geteld van de op één na zuidelijkste rij rust op twee vierkante tegels. Het hypocaustum was met een puinlaag gevuld (pl. IV en fig. 1.262: spoor 628), een mengsel van dakpan- en hypocaustum-tegelfragmenten, van grijze en roze mortels. De laag is verder vondstenloos. Van het bad is alleen de noordelijke randzone in beeld gekomen. De rest is vernield bij de bouw van de romaanse kerktoren. De reeds beschreven sporen 624 en 626 vormen respectievelijk de oostelijke en noordelijke muren van het bad. De oostelijke muur, voor een stuk in werkput 1 onder het oksaal bewaard, heeft de vorm van een apsis. De muur zelf, spoor 629, is een 70 cm dik (pl. IV en fig. 1.262). Aan de binnenkant is nog de aanzet van de plint van de badvloer bewaard. De fundering, spoor 630, is een 10 cm breder (pl. IV en fig. 1.262). Verder is ook de insteek, spoor 631, waargenomen (pl. IV en fig. 1.262). De vloer zelf bestaat uit een roze mortellaag, door de karakteristieke kwartronde plint afgeboord (pl. IV, fig. 1.252, 1.262 en 1.264: spoor 632). De afmetingen van het bad kunnen op ca. 2 x 4 m geschat


186

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

worden. Twee concentraties vuursteen (pl. IV: sporen 633 en 634), stratigrafisch jonger dan de brandlaag van fase 4, houden op één of andere manier verband met het waterbekken en het badhuis. Spoor 633 bevindt zich ten noorden van het badhuis, in werkput 9 ten zuiden van het noordwestportaal, spoor 634 ten zuiden, in werkput 6 in de zuidelijke zijbeuk. Ofwel zijn het resten van de bouwfase van het bekken en/of het badhuis, ofwel van hun ontmanteling. 1.6 Het bewoningspatroon in fase 3 en fase 4 De bewoningspatronen van fase 1 en fase 2 werden afzonderlijk besproken in respectievelijk 1.2.2 en 1.3.2. Deze twee fasen werden door de brand van 69/70 van elkaar gescheiden en verschillen daardoor totaal van elkaar. Het is dan ook verantwoord om ze in afzonderlijke paragrafen te bespreken. Fase 3 en fase 4 worden ook door een brand van elkaar gescheiden, daterend uit de tweede helft van de 2de eeuw, maar uit de beschrijving van de sporen is gebleken dat er naast ingrijpende transformaties in het gebouwenbestand en het ruimtegebruik ook belangrijke elementen van continuïteit kunnen worden aangewezen. Er is daarom gekozen voor een gezamenlijke bespreking van het bewoningspatroon in deze beide fasen. Alvorens daarmee te beginnen is het echter noodzakelijk nog eens op het bijzondere formatieproces van het vroeg-Romeinse bodemarchief van de site van de O.L.Vbasiliek te wijzen. Doordat dit archief door een hele reeks middeleeuwse en post-middeleeuwse kerkvloeren verzegeld werd, behoren de gebouwresten van de site tot de best bewaarde van de Romeinse stad Tongeren. Elders in de stad werden immers niet alleen de meest recente vroeg-Romeinse niveaus door erosie aangetast, maar werden ook Romeinse gebouwresten in de middeleeuwen en de moderne tijd ingrijpend af- en uitgebroken, op zoek naar bruikbare bouwmaterialen, voor zover dit al niet in de laat-Romeinse tijd had plaatsgevonden. Daar staat tegenover dat meer dan elders, op de site van de O.L.V.-basiliek de gebouwen uit de oudheid door massieve middeleeuwse en jongere funderingen vernield werden. Dit heeft voor gevolg dat de samenhang tussen de zo goed bewaard gebleven architectuurresten vrijwel overal verloren is gegaan. Beide verschijnselen beïnvloeden op ingrijpende wijze de beeldvorming van het gebouwenbestand dat tijdens de fasen 3 en 4 op de site van de O.L.V.-basiliek heeft gestaan. Enerzijds kunnen aan de hand van de bijzonder goed bewaarde resten vaak in detail de toegepaste bouwtechnieken gereconstrueerd worden. Anderzijds is het niet doenbaar met behulp van deze erg van elkaar geïsoleerde resten gebouwplattegronden en andere vormen van ruimtegebruik op bevredigende wijze in kaart te brengen. Doordat veel van het metselwerk in situ bewaard moest blijven, maar het lagenpakket waarin de muren en hun funderingen ingebed lagen, verwijderd werd kon op diverse plekken de verticale opbouw van de steenbouwarchitectuur goed gedocumenteerd worden104. Daaruit blijkt een voor fase 3 en fase 4 haast uniforme wijze van funderings- en muuropbouw. Waar zichtbaar is het onderste gedeelte van de grondvesten altijd een droge fundering, bestaande uit onregelmatige vuursteenblokken. Daarop bevindt zich vaak een mengsel van gelijkaardige blokken, maar met

104 Zie bv. muur 355. 105 Zie bv. de muren 298 tot 308.

mortel vermengd. Vervolgens kan daarop doorgaans een met meer zorg uitgevoerde gemetselde fundering aangetroffen worden. De eenvoudigste uitvoeringen beperkingen zich tot enkele lagen min of meer tot kubus- of balkvorm gekapte stenen, waarvan de onderste rijen soms minder waterpas liggen dan de bovenste. Maar een enkele maal is een dergelijke gemetselde fundering met zoveel zorg uitgevoerd, dat ze zich niet van opgaand metselwerk laat onderscheiden105. Het betreft dan ook funderingswerk dat in eerste instantie bovengronds met verzorgde parementstenen en voegwerk is opgebouwd en pas in tweede instantie, na kunstmatige ophoging van het terrein en het daarop aanleggen van de vloeren ondergronds wordt. Het blijkt bijgevolg dat de funderingen geen homogene constructies zijn, maar een complexe stratigrafie van verschillend samengestelde lagen bouwmateriaal tonen. De muren van de stadswoningen van fase 3 en fase 4 blijken altijd combinaties van stenen sokkelmuren en houten en lemen bovenbouw te zijn. De stenen sokkelmuren kunnen uit natuurstenen parement bestaan, maar ook heel vaak een typische combinatie van lagen natuursteen en dakpannen zijn. De transitie van de stenen basis en de houten en lemen bovenbouw wordt door horizontale houten balken gevormd. Ten gevolge van de branden zijn af en toe verkoolde resten van dergelijke houten balken in situ bewaard gebleven106. Eénmaal kon vastgesteld worden dat dergelijke balken in dakpannen bekistingen gevat waren, al is het niet gelukt van de precieze vorm waarin dat gebeurde te reconstrueren107. De goed bewaarde sokkelmuren tonen systematisch dat in de nog natte voegmortel lijnen ingekrast werden. Wellicht waren deze lijnen eerder functioneel dan decoratief bedoeld. Ze bevorderden de hechting van het op het parement aangebrachte pleisterwerk, dat de inkrassingen overigens onzichtbaar maakte. De houten en lemen bovenbouw kon naar hedendaagse normen erg hoog zijn, zoals blijkt uit de minstens 5,7 m hoge gereconstrueerde muurschildering die op de muren 302-303 was aangebracht. Van de meeste muren is de overgangszone van stenen sokkel naar houten en lemen bovenbouw niet bewaard gebleven. Er mag dan ook niet uitgesloten worden dat sommige muren misschien wel in hun geheel in steen waren opgemetseld. Maar de op de achterkant van de talrijke muurschilderingfragmenten gedane waarnemingen maken dit voor de site van de O.L.V.-basiliek eerder onwaarschijnlijk. Voor zover bewaard tonen alle fragmenten uit de hogere muurdelen op de keerzijden immers de karakteristieke visgraatpatronen die voor het aanbrengen van de pleisterlagen op de lemen wanden werden aangebracht. Net als de inkrassingen in de voegen van de stenen sokkelmuren hadden deze patronen tot doel de hechting van de pleisterlagen te vergemakkelijken. Indrukken van voegen komen dan ook alleen voor op muurschilderingen van de sokkelzone. Muurschilderingen uit midden- en bovenzones tonen altijd indrukken van de zogenaamde visgraatpatronen. Overigens zijn de meeste muren zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde van bepleistering voorzien. Op de binnenzijden betreft het ofwel rijke paneeldecoraties uit vertrekken met hoge status, ofwel eenvoudige witte bepleisteringen uit vertrekken met lage status. Soms zijn daarop eenvoudige

106 De muren 504, 505, 517 en 518. 107 Muur 517.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

rode lijnen of banden aangebracht. De buitenwanden zijn met gelijkaardige patronen versierd, al kunnen ook daar meer complexe en met kleur uitgevoerde decoraties op voorkomen108. Eénmaal is vastgesteld dat een stenen sokkel aan de buitenzijde niet van bepleistering was voorzien, maar de daarop gebouwde houten en lemen muur wel109. Tot slot is in de muuropbouw van zowel de domus ten noorden als de domus ten zuiden van de perceelscheiding pilasterbouw toegepast110. De beide muren van de zuidelijke woning zijn onmiskenbaar buitenmuren. Van de ene muur van de noordelijke woning kan dat niet met zekerheid uitgemaakt worden, maar doorgaans maken pilasters van buitenmuren deel uit. In Tongeren is deze bouwwijze tot nu toe slechts éénmaal elders vastgesteld, in een buitenmuur van een laat-Romeinse stadwoning aan de Vermeulenstraat111. In het gebouwenbestand van fase 3 kunnen drie types van vloeren vastgesteld worden: lemen vloeren, planken vloeren en betonvloeren. Lemen vloeren zijn aanwezig in de werkplaats van de noordelijke domus (sporen 192 en 194) in werkput 27 in het hoogkoor. Geïsoleerde resten zijn ook in werkput 10 in het noordoostportaal gevonden (sporen 433 en 434) en mogelijk ook in werkput 1 onder het oksaal (spoor 449). In de zuidelijke domus lijken leemlagen, in combinatie met funderingsbalken, een aantal planken vloeren gedragen te hebben. Het gaat om planken vloeren op fundering 328 in werkput 11, op fundering 333 in werkput 16 en op funderingen 340-342 in werkput 12. Mogelijk steunden de balken in muur 242 boven de kelder van de noordelijke domus eveneens een planken vloer. Betonvloeren komen het vaakst voor. In de noordelijke stadswoning gaat het om de sporen 236, 240, 294 en 394, telkens 10 à 20 cm opus signinum. In de zuidelijke stadswoning betreft het de sporen 320 en 337, eveneens telkens 10 à 20 cm opus signinum, in beide gevallen door een laag vuursteenblokken gefundeerd. Op één uitzondering na zijn alle vloeren binnen de woningen van fase 4 in opus signinum. De uitzondering is een planken vloer in de zuidelijke domus (spoor 522). In de noordelijke domus ligt de vloerbeton hetzij op een laag leem (spoor 472), hetzij op een laag vuursteenblokken (sporen 586 en 591). In de zuidelijke domus zijn resten van acht betonvloeren bewaard (sporen 490, 497, 502, 507, 513, 526, 531 en 547). De vloeren 497, 502, 507, 526 en 547 zijn op een laag vuurstenen gestort. Een mozaïekvloer is op de site niet aangetroffen112. De diktes van zowel funderingslagen als betonlagen schommelen tussen 10 en 20 cm. De stadswoningen van zowel fase 3 als fase 4 waren van verwarmingssystemen voorzien. In de noordelijke domus van fase 3 kan geen echt hypocaustum aangewezen worden, maar in kanaal 235 en in de nis tussen de muren 238 en 239 circuleerde naar alle waarschijnlijkheid warme lucht. In de zuidelijke domus van fase 3 zijn resten van twee vloerverwarmingen in kaart gebracht. De sporen 312 tot 315 in werkput 26 vormen een complex systeem dat een pijler-hypocaustum en een kanaal-hypocaustum combineert. De sporen 323 en 324 in werkput 11 vormen de noordoostelijke hoek van een pijler-hypocaustum. In de noordelijke domus van fase 4 is een gedeelte van een vloerverwarming aan

108 Zoals de buitenbekleding op muur 238-242. 109 Muur 273. 110 In de noordelijke stadswoning betreft het muur 247-249, in de zuidelijke de muren 271-272 en 274-276.

187

het licht gekomen in werkput 17 (spoor 569). In de zuidelijke domus van fase 4 is in werkput 12 een groot deel van een vloerverwarming bewaard gebleven (spoor 536). Tot slot bevindt zich in werkput 8 nog een goed bewaard hypocaustum (sporen 623 tot 627). Deze constructie kan aan het einde van fase 4 gebouwd zijn, maar maakt ook goede kans van jonger te zijn en bijgevolg tot de laat-Romeinse fase 5 te behoren. Zowel in fase 3, 4 als mogelijk 5 zijn zowel cirkelvormige als vierkante hypocaustum-tegels gebruikt. In fase 3 zijn in hypocaustum 312 alleen cirkelvormige tegels aangetroffen, in hypocaustum 323 betreft het een combinatie van vierkante en cirkelvormige exemplaren. Alle indrukken zijn van vierkante tegels, maar op de enige twee gedeeltelijk bewaarde pijlers zijn daarop cirkelvormige tegels geplaatst. In fase 4 zijn alle indrukken op hypocaustum 569 vierkant, maar uit het voorgaande voorbeeld blijkt dat daarop cirkelvormige tegels kunnen gelegd zijn. In hypocaustum 536 zijn dan weer alleen cirkelvormige indrukken en tegels gevonden. De uit fase 4 en/of fase 5 daterende vloerverwarming 623-627 combineert vierkante en cirkelvormige tegels. Uit fase 3 daterende haarden en ovens zijn op drie plekken aan het licht gekomen. In de werkplaats van de noordelijke stadswoning in werkput 27 in het hoogkoor zijn een concentratie van acht oventjes (sporen 212 tot 218 en 224) en een haard (spoor 219) gevonden. Waarvoor deze stookplaatsen gebruikt werden kon niet achterhaald worden. Gezien de concentratie zich in een enkele ruimte bevindt, ligt het voor de hand ze eerder met ambachtelijke (werkplaats) dan met huishoudelijke activiteiten (keuken) in verband te brengen. Een tweede concentratie van oventjes (sporen 457 tot 461) ligt buitenshuis in werkput 1, onder het oksaal, geconcentreerd. De aanwezigheid van twee pakketten verkoold dorsafval in dezelfde periode en binnen dezelfde zone, doet vermoeden dat ze onder meer voor het drogen en roosteren van nog in het kaf zittend graan gebruikt werden. Tot slot is in werkput 2, in de middenbeuk, nog een geïsoleerd oventje aangetroffen, eveneens in open lucht aangelegd. De functie ervan kon niet achterhaald worden. Overigens kunnen dergelijke stookplaatsen voor meer dan één functie gebruikt zijn. Uit fase 4 zijn geen ovens of haarden bewaard gebleven. De stadswoningen van de site van de O.L.V.-basiliek waren ook voorzien van kanaalsystemen voor de opvang van regenwater. In fase 3 zijn dergelijke systemen, in hout uitgevoerd, op drie plekken in de zone van de zuidelijke domus aanwezig: kanalen 277 en 278 in werkput 27, in het hoogkoor, kanalen 352 en 353 in werkput 12, in het zuidtransept, en kanaal 416 in werkput 15, in de zuidelijke zijbeuk. In fase 4 is een gelijkaardige structuur aan het licht gekomen in de zone van de noordelijke domus: kanaal 485 in werkput 22, in het noordoostportaal. In de zone van de zuidelijke domus lijken de houten exemplaren uit fase 3 in werkput 12 in fase 4 door stenen exemplaren vervangen te zijn (spoor 539-540). De site van de O.L.V.-basiliek is op dit ogenblik de enige zone in Tongeren waar een dergelijke infrastructuur voor opvang en afvoer van regenwater is aangetroffen.

111 Borgers et al. 2008, afb. 20-22 en afb. 32. 112 Met uitzondering van een viertal losse steentjes (Vanderhoeven in druk). Tijdens de graafwerkzaamheden naar aanleiding van de aanleg van de vloerverwarming van 1912 is wel polychrome

mozaïek gevonden (Huybrigts 1913, p. 118; Stern 1960, p. 21).


188

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

De verdeling van de kuilen over de fasen 3 en 4 vertoont een merkwaardig patroon. Voor fase 3 kunnen 24 spoornummers aan kuilen toegekend worden. Voor fase 4 zakt dit aantal tot 8. In fase 3 kunnen de kuilen uiteenlopende afmetingen hebben, variërend van klein tot groot. Op een enkele uitzondering na zijn alle kuilen van fase 4 opvallend klein. Globaal blijkt dat de praktijk van het uitgraven van kuilen vanaf het einde van de 2de eeuw quasi verlaten wordt. Dit verschijnsel wordt ook elders in Tongeren vastgesteld. De functie van de uit fase 3 en fase 4 daterende kuilen is niet altijd te bepalen. Van een aantal middelgrote en grote uitgravingen mag men aannemen dat het om leemwinningskuilen gaat. Vier kuilen van fase 3 kunnen als beerput geinterpreteerd worden. De sporen 395 en 453 lijken schachtvormig aangelegde vierkante beerputten te zijn. De sporen 435 en 456 zijn zeer grote uitgravingen, waarin eveneens vierkante beerputten werden aangelegd. Spoor 603 is de enige beerput die aan fase 4 kan toegeschreven worden. In het lagenpakket dat gedurende de fasen 3 en 4 tot stand is gekomen is een met de kuilen vergelijkbaar patroon waar te nemen. Voor fase 3 konden 88 lagen geteld worden, voor fase 4 slechts 52. Bovendien zijn slechts 19 van de 88 lagen van fase 3 onderdeel van de brand- en puinpakketten die deze fase afsluiten, maar maken 34 van de 52 lagen van fase 4 van de brand- en puinniveaus van deze fase deel uit. Als deze brand- en puinlagen buiten beschouwing worden gelaten blijken 69 lagen gedeponeerd te zijn tijdens fase 3, tegenover slechts 18 tijdens fase 4. In de 2de eeuw heeft veel meer ophoging plaatsgevonden dan gedurende de 3de eeuw. Dit verschijnsel is elders in Romeins Tongeren ook regelmatig vast te stellen en werd aan de postRomeinse erosie toegeschreven. Op de site van de O.L.V.-basiliek is dit echter uitgesloten omdat het lagenpakket er door laatRomeinse zwarte lagen en middeleeuwse kerkvloeren is verzegeld. Ook kunnen de talrijke middeleeuwse en postmiddeleeuwse begravingen in en omheen de kerken geen verklaring bieden, daar ze in het grondvolume van de laat-Romeinse zwarte lagen zijn aangelegd en slechts zelden het niveau van de vroeg-Romeinse fasen bereiken. Afname van het aantal lagen doorheen de tijd is bijgevolg, net als de vermindering van het aantal kuilen, een voortvloeisel van veranderende praktijken in de vroeg-Romeinse tijd zelf. Van 30 lagen uit fase 3 en van 16 lagen uit fase 4 kon met enige zekerheid de dikte bepaald worden. Een grove indeling van deze laagdiktes in dunne lagen (ca. 10 cm en dunner), lagen met diktes tussen ca. 10 cm en ca. 50 cm en dikke lagen (ca. 50 cm en dikker) toont verschillen tussen fase 3 en fase 4. In fase 3 zijn 8 lagen dun (27%), 15 lagen tussen ca. 10 cm en ca. 50 cm (50%) en 7 lagen dik (23%). In fase 4 zijn 4 lagen dun (25%), 11 lagen tussen ca. 10 cm en ca. 50 cm (69%) en is slechts één laag dik (6%). Niet alleen neemt het aantal lagen af, maar daarbinnen blijkt het aantal dikke lagen nagenoeg te verdwijnen. De ogenschijnlijke afname aan grondverzet (het graven en vullen van kuilen en het deponeren van lagen) van fase 3 naar fase 4 zou ook een weerslag moeten hebben op de hoeveelheden vondsten die per fase verzameld werden. Hier blijkt het beeld echter niet eenduidig in eenzelfde richting te wijzen. Het aardewerk beantwoordt aan het verwachtingspatroon. In de sporen van de relatief kortere fase 3 werden 12295 aardewerkfragmenten geborgen, in de sporen van de relatief langere fase 4 slechts 8479. Maar merkwaardig genoeg is de verhouding voor de dierlijke resten

omgekeerd. Tegenover 4963 fragmenten uit fase 3 staan 6644 fragmenten uit fase 4. Een verklaring voor deze verschillen is vooralsnog niet gevonden. Het is immers moeilijk voorstelbaar dat aardewerk en dierlijke resten in de oudheid in de verschillende fasen 3 en 4 op verschillende manieren weggeworpen werden. Overigens zijn de verhoudingen tussen de aantallen van beide vondstcategorieën voor de fasen 1 en 2 wel gelijklopend. Zoals wel vaker op Tongerse sites kunnen ook op het terrein van de O.L.V.-basiliek sporen van bouwactiviteiten aangetroffen worden. Daarbij kan op de eerste plaats aan de kalkkuilen gedacht worden. Deze structuren, met hout of dakpannen bekleed, bevatten nog vaak resten van de tijdelijk erin bewaarde gebluste kalk. Alle op de site weergevonden kalkkuilen waren met planken bekleed. Op de overzichtsplattegrond van fase 3 valt vooral een cluster van vier kuilen in werkput 2, in de middenbeuk, op (sporen 371, 372, 377 en 378). In dezelfde zone is een reeks paalkuilen aangetroffen die mogelijk een tijdelijk afdak heeft gedragen (sporen 359 tot 363). Nog in dezelfde zone is spoor 403, een laag dakpangruis, mogelijk niet gebruikte grondstof voor het maken van vloerbeton. Ook op de plattegrond van fase 4 zijn enkele kalkkuilen aanwezig. Twee exemplaren bevinden zich in werkput 27, in het hoogkoor (sporen 468 en 469), een mogelijk derde is in werkput 15, in de zuidelijke zijbeuk, aangetroffen (spoor 615). De brand- en puinlagen uit de tweede helft van de 2de eeuw en de tweede helft van de 3de eeuw, die respectievelijk de resten van fase 3 en van fase 4 afdekken, bestaan uit een mengsel van houtskool en verbrande leem enerzijds en van dakpannen, natuursteen, pleisters en mortels anderzijds. Ze zijn deels tijdens de branden zelf tot stand gekomen en deels tijdens de daarop volgende afbraakwerken en terrasseringen van het terrein. Soms kunnen in deze sporen twee en een enkele maal zelfs drie lagen onderscheiden worden, die de weerslag van de verschillende gebeurtenissen zijn. Voor de brandlaag van fase 3 heeft spoor 281 een tweeledige structuur: onderaan overwegend dakpanfragmenten, daarop verbrande leem. Spoor 282 heeft een drieledige opbouw: onderaan overwegend verbrande leem, daarop overwegend dakpanfragmenten en daarop puin van de afbraak. Spoor 285 is brandafval dat door spoor 286, afbraakpuin, is afgedekt. Eenzelfde opeenvolging is zichtbaar in de lagen 321 en 322. Laag 321 bestaat uit brandafval en wordt door laag 322, afbraakpuin, afgedekt. Ook in de brandlaag van fase 4 kunnen dergelijke geledingen aangewezen worden. Zo wordt brandlaag 568 door puinlaag 567 afgedekt, wordt brandlaag 588 door puinlaag 589 afgedekt, ligt puinlaag 600 op brandlaag 599 en ligt brandlaag 608 op puinlaag 607. De normale volgorde binnen een brand- en puinlaag is van onder naar boven: (1) in situ verbrande vloer, (2) een pakket van overwegend dakpanfragmenten, afkomstig van het instorten of afbreken van het dak, (3) een pakket overwegend verbrande leem, afkomstig van het omvervallen of omduwen van de houten en lemen bovenbouw van de muren, en (4) een laag puin, afkomstig van de verdere afbraak van daken en muren. Waar in de hierboven opgesomde lagen van de site van de O.L.V.-basiliek de volgorde van dit verwachtingspatroon afwijkt, moeten rekening gehouden worden met secundaire verplaatsingen van brandafval. Dergelijke verplaatsingen vinden in principe plaats wanneer geaccidenteerd terrein voor de aanleg van een volgend bouwwerk genivelleerd wordt. Het meest in het oog springende voorbeeld situeert zich in fase 4 in werkput 2, in de middenbeuk. Daar werd voorafgaand aan de


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

bouw van de laat-Romeinse basilica het noordelijk, hoger gelegen terreingedeelte afgegraven en het zuidelijk, lager gelegen terreingedeelte opgehoogd. In het noordelijk terreingedeelte is plaatselijk de normale volgorde bewaard gebleven: onderaan heel plaatselijk nog een kleine hoeveelheid brandafval (spoor 568) en daarop afbraakpuin van de verdere ontmanteling van de muren (spoor 567). In het zuidelijk terreingedeelte is de volgorde omgekeerd: onderaan wat afbraakpuin (spoor 607) en daarop een dik pakket brandafval (spoor 608). Dit laatste is wellicht in het noordelijk gedeelte afgegraven en in het zuidelijk gedeelte secundair gedeponeerd. De regelmatige aanwezigheid van 4de-eeuwse vondsten in de 3de-eeuwse brandlaag toont aan dat deze brandlaag nog in de laat-Romeinse tijd meer dan eens vergraven werd.

189

Zoals gezegd maken de ingrijpende verstoringen van de talrijke funderingen van de middeleeuwse kerken het onmogelijk een overzicht te krijgen van de gebouwplattegronden uit de vroegRomeinse tijd (fig. 1.265, 1.266, 1.267 en 1.268). Er kunnen dan ook alleen maar enkele hypothetische reconstructies van delen van het gebouwenbestand voorgesteld worden, in de hoop dat in een later stadium de integratie van de data van aangrenzende opgravingsterreinen meer klaarheid zal brengen. Het staat vast dat in fase 3 en fase 4 een perceelscheidingslijn het terrein van oost naar west doorkruist. Deze lijn komt min of meer overeen met de as van de diverse middeleeuwse kerken die zich nadien in de loop der eeuwen hebben opgevolgd. De verklaring van deze overeenkomst kan in de laat-Romeinse fase 5 gevonden worden.

FASE 3 Fig. 1.265 Tongeren: O.L.V.basiliek: overzicht van de gebouwsporen van fase 3 en fase 4 ten noorden van de perceelscheidingslijn: 1: muren; 2: hypothetische muren; 3: betonvloer; 4: lemen of planken vloer.

1

2

3

4

FASE 4

0

5m


190

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Na afbraak van de resten van de vroeg-Romeinse gebouwen werd het terrein geëgaliseerd. Het hoger gelegen gedeelte ten noorden van de oude perceelscheidingslijn werd afgegraven, het lager gelegen gedeelte ten zuiden van de lijn werd opgehoogd. Op die manier kwam een waterpas terrein tot stand, waarop een basilica werd gebouwd. De noordelijke helft van dit gebouw stond op het terrein ten noorden van de voormalige perceelscheiding, de zuidelijke helft op het terrein ten zuiden van die lijn. De as van deze 4de-eeuwse basilica kwam op die manier vrijwel met de voormalige perceelscheidingslijn overeen. Het is duidelijk dat in de laatRomeinse tijd op geen enkele wijze nog rekening gehouden werd met de ruimtelijke indeling van het stadsdeel in de vroegRomeinse tijd. Alle latere kerken hebben de oriëntatie van het laat-Romeins gebouw en zijn lengteas overgenomen.

lucht circuleerde. In het meest oostelijke vertrek is een deel van een stookkanaal onder de betonnen vloer bewaard gebleven. Het is niet uitgesloten dat alle genoemde elementen van één ruimte deel uitmaakten. In fase 4 verandert de ruimtelijke indeling van deze zone ingrijpend. Op de eerste plaats verdwijnen alle aanwijzingen voor ambachtelijke activiteiten. Waar in fase 3 een werkplaats stond, bevindt zich nu een open ruimte. Op de tweede plaats wordt de kelder ingrijpend verbouwd. Hij wordt verkleind en er worden een nieuwe ingang en trap gebouwd. Op de derde plaats bevindt zich ten oosten van deze kelder nog wel een gebouwonderdeel maar dit lijkt in fase 4 ten opzichte van fase 3 gedegradeerd te zijn. In plaats van één of twee verwarmde ruimten komt één klein, niet verwarmd en deels in hout gemaakt vertrek.

Het ligt voor de hand de vroeg-Romeinse architectuurresten van fase 3 en fase 4 ten noorden en ten zuiden van de perceelscheiding tot minstens twee verschillende gebouwen te rekenen. De brand van de tweede helft van de 2de eeuw, die beide bewoningsfasen van elkaar scheidt, heeft weliswaar veel van de architectuur uit fase 3 vernield maar toch blijkt dat op verschillende plaatsen tijdens fase 4 op resten van fase 3 wordt voortgebouwd, terwijl elders nieuwe elementen worden toegevoegd. De brand van de tweede helft van de 2de eeuw heeft bijgevolg niet alle herinnering aan de situatie voor de brand weggevaagd. Dat kan verklaard worden doordat de bouwers van fase 4 de constructies van fase 3, zij het tot ruïnes herleid, nog konden herkennen. Het is ook mogelijk dat de eigendomsverhoudingen voor en na de brand dezelfde gebleven zijn, dat m.a.w. de eigenaars en bewoners van de gebouwen ten tijde van fase 3 ook de opdrachtgevers voor de constructie van de gebouwen van fase 4 zijn geweest. Om al deze redenen is het aangewezen van de interpretatie van de diverse delen van de weergevonden stadwoningen niet per afzonderlijke fase, maar per zone te maken en per zone de situatie voor en na de brand van de tweede helft van de 2de eeuw te bekijken en te vergelijken. Er is op de site van de O.L.V.-basiliek meer oppervlakte ten zuiden dan ten noorden van de perceelscheidingslijn in beeld gekomen. Niettemin lijkt het erop dat op het areaal ten noorden van de lijn meer verschillen tussen fase 3 en fase 4 bestaan, dan op het areaal ten zuiden van de lijn. Hieronder wordt eerst de noordelijke zone besproken en daarna de zuidelijke.

Verder westwaarts zijn ten noorden van de perceelscheidingsmuur de sporen van woningbouw uit fase 3 zeldzaam en erg gefragmenteerd (fig. 1.267). Een gedeelte van een vloer, een geïsoleerde fundering en mogelijk resten van een kelder kunnen niet tot een samenhangend geheel gereconstrueerd worden. In fase 4 verandert de situatie ingrijpend. Ten noorden van de scheidingsmuur wordt een hele reeks vertrekken gebouwd. Verder noordwaarts bevindt zich minstens één hypocaustum-verwarmd vertrek. De meest spectaculaire wijziging is echter dat de perceelscheidingsmuur voor een deel haar oorspronkelijke functie verliest en overschreden wordt. Een zaalvormig vertrek wordt ten zuiden van de voormalige scheidingslijn gebouwd, maar maakt architecturaal deel uit van de domus ten noorden van de lijn, zoals blijkt uit de samenhang van funderingen ten noorden en ten zuiden van de oude scheiding. Deze funderingen zijn in één keer gemaakt en maken bijgevolg van een gemeenschappelijk bouwproject deel uit. Dit lijkt te impliceren dat ten minste op die plek in fase 4 de eigendomsverhoudingen gewijzigd zijn en de terreinen ten noorden en ten zuiden van de voormalige scheidingslijn in de handen van eenzelfde eigenaar zijn gekomen.

In de noordelijke zone (fig. 1.265) wordt in fase 3 op de eerste plaats de aandacht getrokken door de aanwezigheid van één, mogelijk zelfs twee werkplaatsen in het oostelijke gedeelte van het terrein. Van één werkplaats is met zekerheid de zuidwestelijke hoek met delen van de zuidelijke en westelijke buitenmuren aan te wijzen, van het minder grijpbare tweede atelier mogelijk een deel van de westelijke buitenmuur. De vraag of één of beide werkplaatsen in de stadswoning geïntegreerd, dan wel losstaand waren, kan niet beantwoord worden. Dat de buitenmuren van de best bewaarde werkplaats dunner waren dan de overige muren in de noordelijke zone zou op een van de rest van de domus losstaand gebouw kunnen wijzen. Overigens lijkt van deze domus ook alleen maar de zuidwestelijke hoek op het opgegraven terrein aanwezig te zijn. Deze hoek wordt door een kelder in beslag genomen, waarvan de toegang eveneens buiten beeld is gebleven. Ten oosten van deze kelder zijn de resten van één, misschien zelfs twee vertrekken bewaard. Deze vertrekken werden verwarmd. In het meest westelijke vertrek was in de zuidelijke buitenmuur een nis aanwezig, waarin naar alle waarschijnlijkheid warme

In de zuidelijke zone (fig. 1.266) is, net als in de noordelijke, onvoldoende bewaard om een helder overzicht van de daar opgerichte stadswoning te krijgen. Van oost naar west kan wel een drietal verschillende zones onderscheiden worden. De eerste, meest oostelijke bestaat in fase 3 uit een open binnenplaats die via een poort op een noord-zuid gerichte cardo uitgaf. Deze cardo bevindt zich net ten oosten van het opgravingsterrein. In fase 4 blijft de open binnenplaats weliswaar behouden, maar wordt ze verkleind en door overdekte vertrekken omringd. Meer naar het westen bevindt zich een tweede zone waar het Romeinse bodemarchief zwaar door postmiddeleeuwse graafwerken is aangetast en waarvan de structuren uit fase 3 moeilijk begrepen kunnen worden. Bij wijze van hypothese zou zich hier een badgebouw kunnen bevonden hebben, dat blijkbaar tweemaal ingrijpend verbouwd werd. Er zijn immers resten gevonden van drie constructies, die weliswaar tot fase 3 kunnen gerekend worden, maar die onmogelijk gelijktijdig kunnen geweest zijn. In deze zone zijn geen resten aangetroffen die aan fase 4 kunnen worden toegeschreven. Ofwel heeft de postmiddeleeuwse uitgraving alle resten uit die fase vernield, ofwel stonden in fase 4 geen bouwwerken in deze zone. Nog meer naar het westen stond in fase 3 een belangrijke, residentiële vleugel van de zuidelijke stadswoning. Hoewel een belangrijk gedeelte buiten het opgravingsareaal valt kunnen toch de grote lijnen gereconstrueerd worden. In het zuiden wordt de grens door een oost-west gerichte gang of langwerpig rechthoekig vertrek afgebakend. De icongra-


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

191

FASE 3

A B

C

FASE 4

1

2

3

4

0

Fig. 1.266 Tongeren: O.L.V.-basiliek: overzicht van de gebouwsporen van fase 3 en fase 4 ten zuiden van de perceelscheidingslijn: 1: muren; 2: hypothetische muren; 3: betonvloer; 4: lemen of planken vloer.

5m


192

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Fase 3

1

2

3

Fase 4

0

5m

Fig. 1.267 Tongeren: O.L.V.-basiliek: overzicht van de gebouwsporen van fase 3 en fase 4 in het centrale gedeelte van de site: 1: muren; 2: hypothetische muren; 3: betonvloer.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

193

fie van de wandschilderingen van dit vertrek suggereert dat het als tablinum kan gediend hebben (zie 5.2, ensemble 3). Ten noorden daarvan kunnen twee onderdelen onderscheiden worden. Een oostelijk bestaat uit één of meer hypocaustum-verwarmde vertrekken. Een westelijk lijkt in een tweede fase toegevoegd en bestaat uit een reeks van vijf zijvertrekken. Deze tweedeling lijkt in fase 4 behouden te blijven, maar de indeling en wellicht ook functie van de diverse vertrekken wijzigt. In het oostelijk onderdeel verschijnen nu onverwarmde ruimten, in het westelijk wordt het aantal zijvertrekken tot vier herleid en wordt één ruimte van een hypocaustum voorzien. De gang of het langwerpig rechthoekig vertrek dat in fase 3 de zuidelijke grens vormde, verdwijnt in fase 4. Ten westen van deze zuidelijke domus bevindt zich terrein waarop noch in fase 3, noch in fase 4 gebouwen stonden (fig. 1.267). Mogelijk was hier een tuin aangelegd. Daarin is een waterput aangetroffen, evenals funderingen die mogelijk zuilen, standbeelden of altaren gedragen hebben. Verder verraadt de aanwezigheid van kuilen en ophogingslagen dat dit een niet overbouwd terrein geweest is. Het uitgraven van kuilen en aanbrengen van ophogingslagen lijkt wel doorheen de tijd afgenomen te zijn. Tot slot dienen hier nog kort de architectuurresten in de westelijke randzone van de site van de O.L.V.-basiliek onder de aandacht gebracht te worden (fig. 1.268). Een tweetal uitgebroken muurfunderingen toont aan dat zich hier in fase 3 gebouwen bevonden. Ze zijn zo ver van de hierboven beschreven stadswoningen verwijderd, dat ze daar onmogelijk nog deel van konden uitmaken. Wellicht gaat het om onderdelen van een stadswoning die zich verder ten westen van het opgravingsterrein uitstrekt en op een verder westwaarts gelegen cardo uitgaf. Het is niet duidelijk of de muren in fase 4 verder bleven bestaan. Na de brand van de tweede helft van de 3de eeuw die in het oosten de stadswoningen van fase 4 in as legde worden in de westelijke randzone twee constructies opgericht: een waterbekken en een klein gebouw dat uit een enkel, hypocaustum-verwarmd vertrek en een bad bestond. In het beschrijvend gedeelte zijn deze gebouwen weliswaar in fase 4 opgenomen, maar het kon niet achterhaald worden of de constructies van voor of na de bouw van de laatRomeinse stadsmuur dateren. Mogelijk hebben ze zelfs nog gefunctioneerd ten tijde van de laat-Romeinse basilica van fase 5, omstreeks het midden van de 4de eeuw gebouwd. Ze stonden dan wel pal voor de westelijke buitenmuur van dit gebouw, waar zich vermoedelijk ook de hoofdingang bevond. In theorie kan men zich voorstellen dat de kwaliteit van de eerste generatie stenen stadswoningen, in geval van de site van de O.L.V.-basiliek fase 3, beter is dan die van de daarna volgende, voor de site van de O.L.V.-basiliek fase 4. In jongere fasen kunnen immers verbouwingen en hergebruik van materialen plaatsvinden. Dit verschijnsel wordt traditioneel altijd voor de laat-Romeinse tijd onder de aandacht gebracht (de zgn. spolia). Maar het moet zich ook al in vroegere tijden voorgedaan hebben. Verder kunnen binnen eenzelfde periode kwaliteitsverschillen tussen de huizen onderling aanwezig zijn, afhankelijk van de fi nanciële middelen van de opdrachtgever en de technische vaardigheden van de uitvoerders. Voor fase 3 valt in elk geval de hoge kwaliteit van de oudste kern van de domus ten zuiden van de

113 Vanderhoeven in druk.

1

2

3

0

5m

Fig. 1.268 Tongeren: O.L.V.-basiliek: overzicht van de gebouwsporen van fase 4/5 in de westelijke randzone van de site: 1: muren; 2: hypothetische muren; 3 betonvloer.

perceelscheiding op, in de vorm van de uitzonderlijk zorgvuldig opgebouwde gemetselde funderingen, de pilasterbouw, kwaliteitsvolle muurschilderingen en een met grote zorg aangelegd afwateringssyteem. Anderzijds blijkt men voor de interieurafwerking geen gebruik gemaakt te hebben van opus sectile in marmers en andere kostbare steensoorten. Nochtans wordt deze decoratietechniek al wel toegepast in een uit dezelfde periode daterende domus aan de Hondsstraat te Tongeren, evenals in de woning van de opvolger uit fase 4 van de site van de O.L.V.-basiliek113. Van de domus uit fase 3 ten noorden van de perceelscheiding zijn vooral werkplaatsen en een kelder op de site geregistreerd. Van de domus ten zuiden van de perceelscheiding zijn hoofdzakelijk residentiële delen in beeld gekomen. Het zou daarom gewaagd zijn van de kwaliteitsverschillen tussen de noordelijke en zuidelijke stadswoningen van fase 3 aan verschil in koopkracht van de opdrachtgever en/of in technische vaardigheid van architect of bouwer toe te schrijven. Het verschil wordt eerder door het verschil in functie en ruimtegebruik bepaald.


194

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

De tabellen 1.3 en 1.4 geven voor het aardewerk van respectievelijk fase 3 en fase 4 een indeling in functionele categorieën, op de wijze die in 1.1 beschreven is en reeds in 1.2.2 voor fase 1en in 1.3.2 voor fase 2 gedaan werd. Deze indeling is erg grof en kan niet tot vergaande conclusies leiden. Daarvoor is een fijnere indeling van het vondstmateriaal nodig en een opsplitsing van de tellingen volgens afzonderlijke vondstcontexten of spoornummers, i.p.v. per globale bouw- en bewoningsfase. Tabel 1.3 toont aan dat 67% van het aardewerk keukenservies en overig huishoudelijk vaatwerk is, waardoor deze vondstgroep de eerste plaats inneemt. De tweede plaats wordt ingenomen door transportaardewerk (19%), de derde plaats door keukenservies (14%). Er is nauwelijks overig aardewerk aanwezig. De percentages van tabel 1.4 tonen dat fase 4 nauwelijks van fase 3 verschilt. Keukenservies en ander huishoudelijk aardewerk domineert met 67% en wordt gevolgd door transportaardewerk (18%) en tafelservies (15%). Andermaal is de categorie van het overige aardewerk te verwaarlozen114.

Tabel 1.3 Tongeren: O.L.V.-basiliek: indeling van het aardewerk van fase 3 volgens functie. N

%

Tafelservies

1753

14

Keukenservies

8244

67

Transport

2295

19

Overig

3

+

Totaal

12295

100

Tabel 1.4 Tongeren: O.L.V.-basiliek: indeling van het aardewerk van fase 4 volgens functie. N

%

Tafelservies

1302

15

Keukenservies

5696

67

Transport

1476

18

Overig

5

+

Totaal

8479

100

114 Vanderhoeven et al. 2017.

115 Cooremans 2017.

In fase 3 en fase 4 verandert het beeld van de consumptie van plantaardige producten ingrijpend ten opzichte van dat van fase 1 en fase 2. Bij de graansoorten neemt het belang van gerst verder af. De soort komt voor in 35% van de monsters van fase 3 en in 20% van de monsters van fase 4. De tarwesoorten domineren met aanwezigheid in 55% van de monsters van fase 3 en in 50% van de monsters van fase 4. Het betreft hoofdzakelijk spelt, terwijl ook emmer en broodtarwe herkend werden. Het assortiment van peulvruchten is in fase 3 ten opzichte van de voorgaande fasen opvallend beperkt. Alleen linze is herkend, aanwezig in een kwart van de monsters. In fase 4 zijn peulvruchten een nog grotere zeldzaamheid geworden. Met uitzondering van een enkele vondst van voederwikke blijft het soortenspectrum andermaal tot linze beperkt. Deze component van het plantaardige dieet lijkt op de site in de 2de en 3de eeuw ten opzichte van de 1ste eeuw aan belang in te boeten. Een romaniserende invloed blijkt uit de aanwezigheid van kruiden als selder, dille, bonenkruid en koriander in fase 3 en fruitsoorten en noten als appel, kers of kriek, druif en walnoot in fasen 3 en/of 4. Een enkele maal worden oliehoudende zaden aangetroffen, dederzaad in fase 3, vlas en maanzaad in fase 4. De aantallen zijn echter dermate klein dat het eerder om toevallig op de site terechtgekomen zaden dan om te verwerken grondstof moet gaan. Indicaties voor geromaniseerd consumptiegedrag en hoge status zijn bijgevolg wel in het vondstenbestand aanwezig, maar in eerder geringe aantallen. Wellicht ligt de oorzaak in de zeldzaamheid van monsters met gemineraliseerd materiaal. Verkoolde resten betreffen immers meestal graan, kaf en (akker)onkruiden, terwijl de andere categorieën van consumptieplanten in Tongeren eerder in gemineraliseerde vorm bewaard blijven. Hun ondervertegenwoordiging op de site van de O.L.V.-basiliek is dus een gevolg van de archeologische formatieprocessen115. De dierlijke resten van fase 3 en fase 4 tonen meer indicatoren voor rijkdom, hoge status en romanisatiegraad van de bewoners van de site van de O.L.V.-basiliek in de 2de en 3de eeuw. Aan de criteria die in de studie van de dierlijke resten worden opgesomd, wordt in beide fasen ruim voldaan: consumptie van mariene schelpdieren en vissoorten, van zoetwatervis, import van Spaanse makreel en aanwezigheid van een breed spectrum aan gejaagde diersoorten. Wel moet in de groep van de drie klassieke vleesleveranciers varken, rund en schaap/geit, het varken zijn eerste positie van fase 1 en fase 2 afstaan: 43,8% varken tegenover 44,8% rund in fase 3 en 41,2% varken tegenover 49,3% rund in fase 4. Spectaculair kan de daling van het percentage varkensbot echter niet genoemd worden116.

116 Ervynck et al. 2017.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Bibliografie Arcelin P. & Buchsenschutz O. 1985: Les données de la protohistoire. In: Lasfargues J. (ed.), Architectures de terre et de bois. L’habitat privé des provinces occidentales du monde romain. Antécédents et prolongements: protohistoire, moyen âge et quelques expériences contemporaines. Actes du 2e congrès archéologique de Gaule méridionale, Lyon, 2-6 novembre 1983, Documents d’Archéologie Française 2, Paris, 15-28. Bayard D. & Massy J.-L. 1984: Le développement d’Amiens romain, du Ier siècle av. J.C. au IVe siècle ap. J.C. In: Durand M. (dir.), Les villes de la Gaule belgique au haut-empire. Actes du colloque tenu à Saint-Riquier (Somme) les 22-23-25 octobre 1982, Revue Archéologique de Picardie 3-4, 89-112. Béal J.-C. 2010: Formes architecturales et gestion de l’espace dans les ateliers artisanaux galloromains. In: Chardron-Picault P. (ed.), Aspects de l’artisanat en milieu urbain: Gaule et occident romain. Actes du colloque international d’Autun, 20-22 sept. 2007, Revue Archéologique de l’Est, Supplément 28, Dijon, 17-31. Béal J.-C. & Goyon C. (eds) 2002: Les artisans dans la ville antique, Collection Archéologie et Histoire de l’Antiquité 6, Lyon. Bellens T., Vanderhoeven A. & Vynckier G. 2002: Tongeren: Vrijthof. In: Vanderhoeven A. & Creemers G. (eds), Archeologische kroniek van Limburg 1999, Limburg – Het Oude Land van Loon 81 (4), 306-309. Berthold J. & Martell I. 2005: Individuelle Reihenhäuser in der Colonia Ulpia Traiana, Archäologie im Rheinland 2004, 104-106. Bloemers J.H.F. 1985: Les bassins de l’Escaut, de la Meuse et du Rhin. In: Lasfargues J. (ed.), Architectures de terre et de bois. L’habitat privé des provinces occidentales du monde romain. Antécédents et prolongements: protohistoire, moyen âge et quelques expériences contemporaines. Actes du 2e congrès archéologique de Gaule méridionale, Lyon, 2-6 novembre 1983, Documents d’Archéologie Française 2, Paris, 131-142. Borgers K., Steenhoudt M. & Van de Velde E. 2008: Een derde noodopgraving aan de Vermeulenstraat te Tongeren, Leuven. Borgers K. & Vanderhoeven A. 2013: Die Fundumstände des tiberischen Bleibarrens aus Tongern, Atuatuca 4, Tongeren, 24-37. Buijtendorp T. 2006: Romeins Voorburg. Keizer Hadrianus en de status van de stad. In: de Jonge W., Bazelmans J. & de Jager D. (red.), Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument, Amersfoort, 80-116. Carmelez J.-Cl. 1983: Bavay Romeinse stad, Tongeren. Cooremans B. 2008: The Roman cemeteries of Tienen and Tongeren: results from the archaeobotanical analysis of the cremation graves, Vegetation History and Archaeobotany 17, 3-13. Cooremans B. 2017: Zaden en vruchten. In: Ervynck A. & Vanderhoeven A. (red.), Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek van Tongeren (1997-2013). Deel 2: Studie van de vondsten, Relicta Monografieën 12, Brussel, 315-454. Cosyns P. 2013: Een Romeinse tempel aan de Keverstraat, Tongeren, Signa 2, 35-39. De Boe G. 1975: Haccourt II. Le corps de logis de la grande villa, Archaeologia Belgica 174, Bruxelles. De Boe G. 1988: De inheems-Romeinse houtbouw in de Antwerpse Kempen. In: Brenders F. & Cuyt G. (red.), Van beschaving tot opgraving. 25 jaar archeologisch onderzoek rond Antwerpen, Antwerpen, 47-62.

195


196

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

De Chazelles-Gazzal C.-A. 1997: Les maisons en terre de la Gaule méridionale, Monographies Instrumentum 2, Montagnac. De Clercq W. 2009: Lokale gemeenschappen in het Imperium Romanum. Transformaties in rurale bewoningsstructuur en materiële cultuur in de landschappen van het noordelijk deel van de civitas Menapiorum (provincie Gallia Belgica, ca. 200 v.Chr. - 400 n.Chr.), Proefschrift UGent, Gent. Degbomont J.-M. 1984: Le chaufage par hypocauste dans l’habitat privé: de la Place St Lambert à Liège à l’Aula Palatina de Trèves, Études et Recherches Archéologiques de l’Université de Liège 17, Liège. Deru X. 1994: Les bains publics et domestiques dans la cite des Tongres, Documents d’Archéologie Régionale 4, Collection d’Archéologie Joseph Mertens X, Louvan-la-Neuve. Deschler-Erb E. & Deschler-Erb S. 2012: Das Handwerk im gemeinsamen Prozess/Interactions entre artisans. In: Amrein H., Carlevaro E., Deschler-Erb E., Deschler-Erb S., Duvauchelle A. & Pernet L. (eds), Das römerzeitliche Handwerk in der Schweiz. Bestandaufnahme und erste Synthesen. L’artisanat en Suisse à l’époque romaine. Recensement et premières synthèses, Monographies Instrumentum 40, Montagnac, 163-172. Dewert J.-P., Vilvorder F. & Brulet R. 2001: Les structures. In: Brulet R. & Dewert J.-P. (red.), Liberchies IV. Vicus gallo-Romain, Publications d’Histoire de l’Art et d’Archéologie de l’Université Catholique de Louvain CI, Louvain-la-Neuve, 11-49. Dietz K., Osterhaus U., Rieckhoff-Pauli S. & Spindlek K. 1979: Regensburg zur Römerzeit, Regensburg. Dieudonné-Glad N. 1999: Métallurgie du fer et habitat rural: comment reconnaître les vestiges archéologiques? In: Polfer M. (ed.), Artisanat et productions artisanales en milieu rural dans les provinces du nord-ouest de l’Empire romain. Actes du colloque d’Erpeldange. Mars 1999, Monographies Instrumentum 9, Montagnac, 39-43. Duvauchelle A. 2012: Les agglomérations principales/Grossstädtische Siedlungen. In: Amrein H., Carlevaro E., Deschler-Erb E., Deschler-Erb S., Duvauchelle A. & Pernet L. (eds), Das römerzeitliche Handwerk in der Schweiz. Bestandaufnahme und erste Synthesen. L’artisanat en Suisse à l’époque romaine. Recensement et premières synthèses, Monographies Instrumentum 40, Montagnac, 181- 193. Erdrich M. 2004: Anmerkungen zum historischen Hintergrund des Truppenlagers von Maldegem-Vake. In: Vermeulen F., Sas K. & Dhaeze W. (eds), Archaeology in confrontation. Aspects of Roman military presence in the Northwest. Studies in honour of prof. dr. em. Hugo Thoen, Archaeological Reports Ghent University 2, Gent, 155-163. Ervynck A., Lentacker A. & Van Neer W. 2017: Dierlijke resten. In: Ervynck A. & Vanderhoeven A. (red.), Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek van Tongeren (1997-2013). Deel 2: Studie van de vondsten, Relicta Monografieën 12, Brussel, 455-523. Follmann-Schulz A.-B. 1986: Die römischen Tempelanlagen in der Provinz Germania Inferior. In: Temporini H. & Haase W. (eds), Aufstieg und Niedergang der Römischen Welt II.18.1, Berlin, 672-793. Fünfschilling S. 2006: Das Quartier “Kurzenbettli” im Süden von Augusta Raurica, Forschungen in Augst 35, Augst. Gerber F. 2013-2014: Les dieux sont au coin de la rue. Les autels de carrefour en Gaule et l’archéologie. In: Bedon R. & Mavéraud-Tardiveau H. (eds), Présence des divinités et des cultes dans les villes et les agglomérations secondaires de la Gaule romaine et des régions voisines, Caesarodunum XLVII-XLVIII, 271-288. Geukens B. 1990 (= 1962): Tongeren. Zestien eeuwen kerkbouw, Tongeren.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Grote U. 1995: Die Strassengrabung zwischen den Insulae 30 und 31. Einige Bemerkungen zur Kanalisation in der Colonia Ulpia Traiana, Xantener Berichte 6, Köln, 267-300. Hiddink H.A. 2014: Huisplattegronden uit de late prehistorie in Zuid-Nederland. In: Lange A.G., Theunissen E.M., Deeben J.H.C., van Doesburg J., Bouwmeester J. & de Groot T. (red.), Huisplattegronden in Nederland. Archeologische sporen van het huis, Amersfoort, 169-207. Hinz H. 1971: 4. Bericht über Ausgrabungen in der Colonia Ulpia Traiana bei Xanten. In: Beiträge zur Archäologie des römischen Rheinlandes 2, Rheinische Ausgrabungen 10, Düsseldorf, 96-199. Höpken C. 2001: First century pottery workshops in Cologne - location and orientation, Rei Cretariae Romanae Favtorvm Acta 37, Abington, 133-136. Hübner E. 2008: Das Kanalisationssystem der Colonia Ulpia Traiana. In: Müller M., Schalles H.-J. & Zieling N. (eds), Colonia Ulpia Traiana. Xanten und sein Umland in römischer Zeit, Geschichte der Stadt Xanten 1, Mainz, 395-412. Huybrigts F. 1913: Compte-rendu des fouilles faites durant l’année 1912-13, Bulletin de la Société Scientifique et Littéraire de Limbourg XXXI, 115-130. Jelski G. & Thoen H. 1974: Datation de niveaux d’occupation antique à la limite nord-est de Nemetacum (Arras), Fouilles de la Rue de la Croix de Grès, Septentrion 4, 13-20. Kaspar M. & Schaaf O. 2000: Aqua colonia. Die Geschichte der Stadtentwässerung in Köln, Köln. Kienzle P. 2012: Geschmiedete römische Fenstergitter aus der Colonia Ulpia Traiana, Xantener Berichte 24, Mainz, 391-412. Koot H. 2006: Reuvens ‘revisited’. De heropgraving in 1988 van een Romeinse kelder en waterput. In: de Jonge W., Bazelmans J. & de Jager D. (red.), Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument, Amersfoort, 265-270. Kühlborn J.-S. & von Schnurbein S. 1992: Das Römerlager in Oberaden III, Bodenaltertümer Westfalens 27, Münster. Lasfargues J. (ed.) 1983: Architectures de terre et de bois. L’habitat privé des provinces occidentales du monde romain. Antécédents et prolongements: Protohistoire, Moyen Age et quelques expériences contemporaines. Actes du 2e congrès archéologique de Gaule méridionale, Lyon, 2-6 novembre 1983, Documents d’Archéologie Française 2, Paris. MacMahon A. 2005: The shops and workshops of roman Britain. In: MacMahon A. & Price J. (eds), Roman working lives and urban living, Oxford, 48-69. Mertens J. 1967-1968: Een Romeins tempelcomplex te Tongeren, Kölner Jahrbuch für Vor- und Frühgeschichte 9, 101-106. Mertens J. 1977a: De laat-Romeinse stadsmuur van Tongeren. In: Conspectus MCMLXXVI, Archaeologia Belgica 196, 49-54. Mertens J. 1977b: Korte bijdrage tot het stadsplan van Tongeren. In: Brabantse Oudheden opgedragen aan Gerrit Beex, Bijdragen tot de Studie van het Brabantse Heem 16, Eindhoven, 143-148. Noelke P. (mit Beiträgen von T. Panhuysen) 2010-2011: Neufunde von Jupitersäulen und -pfeilern in der Germania inferior seit 1980, Bonner Jahrbücher 210-211, 149-374. Pauwels D., Creemers G. & Cooremans B. 2007: Een Romeinse landelijke nederzetting te Smeermaas (Lanaken, prov. Limburg), Relicta 2, 49-118. Petit J.-P. 2007: Wohnen und Arbeiten unter einem Dach. Die Handwerker- und Händlerhäuser in Nordgallien und den germanischen Provinzen. In: Petit J.-P. & Santoro S. (eds), Leben im römischen Europa. Von Pompeji nach Bliesbruck-Rheinheim, Paris, 121-127.

197


198

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Póczy K. 2003: Wasserver- und entsorgung. Gebäude des Stadtzentrums. In: Bodó S. (ed.), Forschungen in Aquincum 1969-2002: zu Ehren von Klaìra Poìczy, Aquincum Nostrum II (2), Budapest, 144-149. Polfer M. (ed.) 1999: Artisanat et productions artisanales en milieu urbain dans les provinces du nord-ouest de l’empire romain, Monographie Instrumentum 9, Montagnac. Polfer M. 2000: Eisenproduktion und Eisenverarbeitung in Nordgallien und dem Rheinland während der römischen Kaiserzeit. In: Feugère M. & Gustin M. (eds), Iron, blacksmiths and tools. Ancient European crafts. Actes of the Instrumentum conference at Podsreda (Slovenia) in april 1999, Monographies Instrumentum 12, Montagnac, 67-87. Precht G. 1971: Die Ausgrabungen um den kölner Dom. Vorbericht über die Untersuchungen 1969/70, Kölner Jahrbuch für Vor- und Frühgeschichte 12, 52-64. Raepsaet G. 2013: L’ethnogenèse de la civitas Tungrorum et la formation de la province de Germania, L’Antiquité Classique 82, 111-148. Reuter M. 2008: Wirtschaftsstandort Colonia Ulpia Traiana - Handel und Handwerk in der CUT. In: Müller M., Schalles H.-J. & Zieling N. (eds), Colonia Ulpia Traiana. Xanten und sein Umland in römischer Zeit, Geschichte der Stadt Xanten 1, Mainz, 471-493. Schuerman E. 1995: De Gallo-Romeinse ijzerindustrie: proces, archeologisch materiaal, ruimtelijke spreiding. In: Lodewijckx M. (ed.), Archaeological and historical aspects of West-European societies. Album amicorum André Van Doorselaer, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 8, Brussel, 183-191. Schütz G. 2005: L’artisanat antique dans l’espace urbain: essai de synthèse sur l’agglomération de Reims Durocortorum (Marne, France) et première approche topographique. In: Polfer M. (ed.), Artisinanat et économie romaine: Italie et provinces occidentales de l’empire. Actes du 3e colloque international d’Erpeldange (Lux.) sur l’artisanat romain, 14-16 octobre 2004, Monographies Instrumentum 32, Montagnac, 111-124. S.N. 2014: Lood. In: Hiddink H. (red.), De Romeinse villa-nederzetting op de Kerkakkers bij Hoogeloon (Noord-Brabant), VU-Opgravingen in de Kempen 3, Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 53 (2), 557-565. Stern H. 1960: Recueil général des mosaïques de la Gaule. I - Province de Belgique. 2: Partie Est, Xe Supplément à Gallia, Paris. Straumann S. 2011: Die Nordwestecke der Insula 50 von Augusta Raurica. Die Entwicklung eines Multifunktional genutzten Handwerkerquartiers, Forschungen in Augst 47, Augusta Raurica. Thoen H. 1991: Le camp romain de Maldegem (Flandre Orientale, Belgique) et les invasions des Chauques en 172-174 de notre ère. In: Thoen H., Bourgeois J., Vermeulen F., Crombé Ph. & Verlaeckt K. (eds), Studia archaeologica. Liber amicorum Jacques A.E. Nenquin, Gent, 185-200. Thomas R. 2004: Römische Wohnhäuser und ihre Wandmalereien an der Breite Strasse in Köln, Kölner Jahrbuch 37, 569-698. Trunk M. 1991: Römische Tempel in den Rhein- und westlichen Donauprovinzen. Ein Beitrag zur architekturgeschichtlichen Einordnung römischer Sakralbauten in Augst, Forschungen in Augst 14, Augst, 217-218. Vanderhoeven A. 1996: The earliest urbanisation in Northern Gaul: some implications of recent research in Tongres. In: Roymans N. (ed.), From the sword tot the plough. Three studies on the earliest romanisation of Northern Gaul, Amsterdam Archaeological Studies 1, Amsterdam, 189-260.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

Vanderhoeven A. 2001: Das vorflavische Tongeren: die früheste Entwicklung der Stadt anhand von Funden und Befunden. In: Precht G. (ed.), Genese, Struktur und Entwicklung römischer Städte im 1. Jahrhundert n.Chr. in Nieder- und Obergermanien, Xantener Berichte 9, Mainz, 157-176. Vanderhoeven A. 2012: The late Roman and early medieval urban topography of Tongeren. In: Annaert R., Jacobs T., In ‘t Ven I. & Coppens S. (eds), The very beginning of Europe? Cultural and social dimensions of early-medieval migration and colonisation (5th-8th century), Relicta Monografieën 7, Brussel, 135-146. Vanderhoeven A. in druk: Stenen fragmenten van interieurdecoraties. In: Vanderhoeven A. & Ervynck A. (red.), Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek van Tongeren (1997-2013). Deel 4: De laat-Romeinse en vroegmiddeleeuwse periode, Relicta Monografieën 14, Brussel. Vanderhoeven A., Dijkman W. & Monsieur P. 2017: Het Romeins aardewerk. In: Ervynck A. & Vanderhoeven A. (red.), Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek van Tongeren (1997-2013). Deel 2: Studie van de vondsten, Relicta Monografieën 12, Brussel, 51-188. Vanderhoeven A. & Ervynck A. 2007: Not in my back yard? The industry of secondary animal products within the Roman civitas capital of Tongeren, Belgium. In: Hingley R. & Willis S. (eds), Roman finds: context and theory. Proceedings of a conference held at the University of Durham, Oxford, 156-175. Vanderhoeven A. & Ervynck A. (red.) 2016: Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek van Tongeren (1997-2013). Deel 1: Vondstcatalogus, Relicta Monografieën 11, Brussel. Vanderhoeven A. & Ervynck A. (red.) in druk: Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek van Tongeren (1997-2013). Deel 4: De laat-Romeinse en vroegmiddeleeuwse periode, Relicta Monografieën 14, Brussel. Vanderhoeven A. & Vanderhoeven M. 2004: Confrontation in archaeology: aspects of Roman military presence in Tongeren. In: Vermeulen F., Sas K. & Dhaeze W. (eds), Archaeology in confrontation. Aspects of Roman military presence in the Northwest. Studies in honour of prof. dr. em. Hugo Thoen, Archaeological Reports Ghent University 2, Gent, 143-154. Vanderhoeven A., Van de Konijnenburg R. & De Boe G. 1987: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Kielenstraat te Tongeren, Archaeologia Belgica III, 127-138. Vanderhoeven A. & Vynckier G. 1998: Tongeren: O.L.V.-basiliek. In: Creemers G. & Vanderhoeven A. (red.), Archeologische kroniek van Limburg 1996, Limburg – Het Oude Land van Loon 77 (1), 45-48. Vanderhoeven a., Vynckier g., Cooremans b., Ervynck a., Lentacker a., Van Neer w. & De Groote K. 2007: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Mombersstraat te Tongeren (prov. Limburg). Eindverslag 2005, Relicta 3, 93-158. Vanderhoeven A., Vynckier G., Ervynck A. & Cooremans B. 1992a: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Kielenstraat te Tongeren (prov. Limburg). Interimverslag 1990-1993. Deel 1. De vóór-Flavische bewoning, Archeologie in Vlaanderen II, 89-146. Vanderhoeven a., Vynckier g., Lentacker a., Ervynck a., Van Neer w., Cooremans b., Deforce K., Vandenbruaene M., van Heesch J. & De Bie M. 2014: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Sacramentstraat te Tongeren (Limburg). Eindverslag 1993, Relicta 11, 7-161. Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1991: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Kielenstraat te Tongeren. Interimverslag 1987, Archeologie in Vlaanderen I, 107-124.

199


200

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1992b: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Hondsstraat te Tongeren (prov. Limburg). Interimverslag 1989, Archeologie in Vlaanderen II, 65-88. Vanderhoeven A., Vynckier G. & Vynckier P. 1993: Het oudheidkundig bodemonderzoek aan de Veemarkt te Tongeren. Eindverslag 1988, Archeologie in Vlaanderen III, 127-205. Van Enckevort H. & Hendriks J. 2014: Gebouwplattegronden uit de Romeinse tijd in ZuidoostNederland. In: Lange A.G., Theunissen E.M., Deeben J.H.C., van Doesburg J., Bouwmeester J. & de Groot T. (red.), Huisplattegronden in Nederland. Archeologische sporen van het huis, Amersfoort, 235-271. Van Heesch J., Ben Amar C. & Stroobants F. 2017: De munten. In: Ervynck A. & Vanderhoeven A. (red.), Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.-basiliek van Tongeren (1997-2013). Deel 2: Studie van de vondsten, Relicta Monografieën 12, Brussel, 31-45. Vanvinckenroye W. 1985: Tongeren Romeinse stad, Tielt. Vanvinckenroye W. 1994: Een bijdrage tot het stadskernonderzoek van Romeins Tongeren, Publicaties van het Gallo-Romeins Museum Tongeren 46, Hasselt. Veldman h.a.p., Geerts r.c.a., Hazen p.l.m. & van der Velde h.m. (red.) 2014: Aan de rand van de Romeinse stad Atuatuca Tungrorum. Een archeologische opgraving aan de Beukenbergweg in Tongeren, ADC Rapport 3600, ADC Monografie 16, Amersfoort/Leuven. Von Schnurbein S. 2003: Augustus in Germania and the new ‘town’ at Waldgirmes, Journal of Roman Archaeology 16 (1), 93-107. Wyns S. 2010: Tongeren, de oude busstelplaats, fase 1. Een definitief archeologisch onderzoek, Vlaamse Archeologische Rapporten 2, ADC Rapport 1293, Amersfoort.


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

201


202

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

13 5

10 86 5

86

6

7 8

6

7 8

9

12 11 86 16

13

13

86 14 11

86

48

48

3

38 54 86 17 49 86 86 1 1 58 46 46 1 1 86 86 55 55 56 52 57 56 18 18 33 33 86 46 46 34 4734 44 44 39 19>32 39 19>32 35 3568 65 65 86 45 45 61 53 36 36 1 1 50 1 1 51 86 59 59 40 60 41 40 46 41 62 42 46 42 67 86 43 43 37 37 1 1 66 66

86

86 2

86

3 4

4

86

64

64 63

86

86

2

3

Fase 1 Pl. I Tongeren: O.L.V.basiliek: overzicht van de sporen van fase 1: 1: kuilen, greppels en grachten; 2: paalkuilen en lemen wanden; 3: resten van de holocene bodem; 4: ovens en haarden; 5: paalsporen en planken; 6 en 7: oudere ophogingslagen; 8: jongere ophogingslagen; 9: muurschildering; 10: brandlaag van 69/70.

4

64

49 58

52 57 86

8686

86 47 68

61 50

53 60

51 67

63

86

86

62

64

86

86

1

15

11

11

11

9 38 54 86 17

2

14

86 16 15

5

86 86

13 86

11

5

10 86

12

5

6

7

9

8

Fase 1

86

86

10

Fase 2-3 uitsnede

WP22 WP10

WP9

WP30

WP18

WP4

WP5

WP29 WP24

WP21 WP28

WP17

WP3 WP1

WP8

WP16

WP2

WP26

WP27 WP23

WP6

WP15

WP6

WP25

WP12 WP14

WP13 WP11 WP19

86


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

86 78

77 79

76

86

86

86 86

78 86 86

86

77 79 86 76

86

86

80

86

86

80

86

81 86

82

86 81 86

82

86

80

80 86 84

75

86

83

84

86

86

83

86

75

86

203

86

85

85

86

72 71

73 69 86

72 70

74

71

73 69 86

86

70

86

74 86

86 86 86

86

86 86

86

86

86

0

0

10m

10m


204

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

138 133

135 89

89

92

90 91

87-88

150

102

97 98 103 99

97 98 106 112 103

96

114

104 100

99 108 107 110 96

122 123 124

158

150

150 150 151 151 157 156

151 108 107 110 155

114 156 111

100

150 151 161 163

150 151

150 151

150 151

2

3

A B GC

150 M 151 I

167 N 166

F E

167 168 N

171 170 M GF I E H

L

K J167D

KJ

D

128

125 121

120 126 122 129 123 127 124

120 126 129

172

127

5

6

7

8

174

173

174

Fase 2-3 uitsnede

WP22 WP10

WP9

172

9

Fase 1 Fase 2 Pl. Ii Tongeren: O.L.V.basiliek: overzicht van de sporen van fase 2: 1: kuilen, greppels en grachten; 2: paalkuilen en lemen wanden; 3: lemen vloeren; 4: paalsporen; 5: ovens en haarden; 6 en 7: oudere ophogingslagen; 8 en 9: jongere ophogingslagen.

168

H

L

169

169

127 128

4

168

168

154

173

1

164 169 165

169

150 151 157 150 166 151 167 160

155

168

163

A 166 B C

158 166

154

161 164 165 162

153

162

160

101 109105 113 101 109105 113

127 125 121

111 104

153 159

159

106 112

139

148 149 147 145 143

141

152

150 150 151 151

150 151

146 148 141 142 147 143 144144 140 144

142

131-132

152

95 151 102

141

136

131-132

87-88

95

137

136 133 141 135 140 139 133bis 134 133 ter

136

93-94 91

138

136

133bis 134 133 ter

92

90 93-94

137

WP30

WP18

WP4

WP5

WP29 WP24

WP21 WP28

WP17

WP3 WP1

WP8

WP16

WP2

WP26

WP27 WP23

WP6

WP15

WP6

WP25

WP12 WP14

WP13 WP11 WP19


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

145

205

149 143 144

176 180

176 180

176 180

181 184 176 180 182

176 176 180 180

181

184

182

171

179

179

177 178

177 178

183

183

185

185

186

175

175

175

186

175

175

175

0

0

10m

10m


206

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

428-430433 432

433 432 434

425 423

431

424

434 424

425 423

426 431

427

428-430

426

427

386 435

435

386 384

387

384

387

389390-394

389

388

388 385

458

462

457

455

458

456

454 461

454 453

364-366

462

457

448

447

447

437

437

456 436

436

453

461

463 450 460 449 464

393 396

393

385

463 452 449 450 460 451 449 459 464

466

438 440 441 452 449 439 451 459 443

364-366 359 359 361 362 361 362 357 381-382 381-382 383 363 379-380 367 363 367 367 368 368 368 360 358 360

357 397 379-380

397

455 448

358

438 440 441

371 397-402

439 442

397-402

442 398

465

466

403A 260bis 397-402 260bis 377 410 356 410 377 410 356 371 369-370 369-370 403B 378 378 409 408 409 397-402 373-376 373-376 405 - 407 404 404

397-402

443

412

465

355

355

355

355 397-402

398

372

413

412

372

413 416 417

411 415

416 417

2

3

Fase 3 Pl. Iii Tongeren: O.L.V.basiliek: overzicht van de sporen van fase 3: 1: kuilen, greppels en grachten; 2: paalkuilen; 3: paalsporen; 4: lemen vloeren; 5: betonnen vloeren; 6: muren en funderingen; 7: pleister; 8: ovens en haarden; 9: kalkkuilen; 10 en 11: oudere ophogingslagen; 12 en 13: jongere ophogingslagen; 14: brandlaag uit de tweede helft van de 2de eeuw.

4

5

6

7

8

9

Fase 1

10

11

12

13

14

Fase 2-3 uitsnede

WP22 WP10

WP9

WP30

WP18

WP4

WP5

WP29 WP24

WP21 WP28

WP17

WP3 WP1

WP8

WP16

WP2

WP26

WP27 WP23

WP6

WP15

WP6

WP25

WP12 WP14

WP13 WP11 WP19

411

414

414

1

396 390-394

395


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

270 266-267 268-269 265

270 266-267 268-269 265 270

252

248 246

250

247

252 251 250

246 247

249

396

270

248

251

207

249

396

244

244

237

233 234

237 236 233 234

209

236

219

209

219

217 236 233 233 225 189 189 215 193 245 245 240 240 210 194210 235 235 309 309 195 232 232 243 243 239 239 245 300 311 245 245 300 311 245 230 216 216 241 241 218 318 318 231 218 188 188 242 242 238 238 287 287 299 299 191 191 190 190 298 298 316 316299bis 299bis 282-284 288bis 288bis 282-284 333 320 333 320 273 273 289 288 289 289 288 289 274 274 280 280 330 314 330 314 276 292 276 292 277 277 313 313 275 275 332 332 291 295 291295 295 281 281 295 315 331 317 A 279 279 290B C 315 290 276 290 310 331 A 317 310 290 276 C B 297 297 336 336 D294 D 294 296 296 321 321 319 319293 293 337 337 278 278 322 322 320 320 274 274 330 330 296quater 296quater 312 312 321 321

336 352

335 337 334

336 352

217 236

230 231

335 337 334

422

341 341 340 330 330 340 330 354 342 342 419 339 343 339 343 420 301 301 338 338 330 349 330 349 348 353 348 353 346 346 307 345 350 347 345 350 347 344 344 323 301 301 324 330 330 302 306 330 421 354 418

286

286 272

272

271

303 326 305 329

305 328 327

328 327 308

285

325

325 323 324 306 303 302

351

285

271

304

304 307

326 329 351

193 194 195

308

0

0

10m

10m


208

A. Vanderhoeven, A. Arts, K. Borgers, D. Celis, J. Cryns, N. De Winter, A. Peelaerts, P. Van den Hove, V. Vander Ginst & G. Vynckier

617

574 bis 617

618

601

601

619

622

621

574 bis

618 619

622

621

620

620

602

602 574

633

571 572

571- 572

571- 572 574

633

571-572

623

573623 586 588-589

603 627-028 625 631 629

626 591-592 593 582632

624

557

556

566 567

554-555

586 576 577 575

576

581 590 590 584 583

582

566 564 565 567 568 562 563

561 576 576 578 590

577

355

578

355

594 595 590

596

590

596

579

597-598

591-592 593

566 567

560 561 549

563 559

594 595 607

579

597-598 608

605 608

591-592 593

591-592 593

624

552-553 550-551

552-553

556 566 567 557 564 565 568

587

584 583

630 626 632 629

554-555

558

586 588-589

603

587 627-028 586 575 581 590625

631 630

558

573

408 606

634

634

604

604

591

580 585

585

600

599

599

2

3

Fase 4 Pl. Iv Tongeren: O.L.V.basiliek: overzicht van de sporen van fase 4: 1: kuilen, greppels en grachten; 2: paalkuilen; 3: paalsporen; 4: lemen vloeren; 5: muren en funderingen; 6: betonnen vloeren; 7: muren en funderingen van het einde van de 3de eeuw of de 4de eeuw; 8: betonnen vloeren van het einde van de 3de eeuw of de 4de eeuw; 9: pleister; 10: kalkkuilen; 11 en 12: oudere ophogingslagen; 13 en 14: jongere ophogingslagen; 15: brandlaag uit de tweede helft van de 3de eeuw.

4

5

6

7

8

9

Fase 1

600

599 600

11

10

614

600

599 609 616

13

12

WP9

WP4

609 616

610

615

14

15

Fase 2-3 uitsnede

WP30

WP18

WP5

WP29 WP24

WP21 WP28

WP17

WP3 WP1

WP8

WP16

WP2

WP26

WP27 WP23

WP6

WP15

WP6

WP25

WP12 WP14

WP13 WP11 WP19

614

613612

615

WP22 WP10

616 616

616

613

600

600

1

591

580

610


De sporen uit de vroeg-Romeinse periode

481 481 484 486 482 483

481 486

209

481 484 482 483

487 485

487 485

246

246

570

571 572 569

569

571-572 477

477 480

476

476 237 480 473 472 bis 476 471 472 479 478

476 bis 479

478

480

480

559

242 500

526 528

242

300

499 526

331 531

616530 542

531

542 530

467

238 499

470

468 496

467 468

469 496

534

495

502 503 502 501

497

497

498

498

531

531

488

535-536 538 541

534

545

547

492 493-494

535-536 538

490 491

492 493-494 489

489

532 537

537

544 548 546

488 490 491

532

543

469

495

533

612 533 611 541

472

470

474

529

529 539 540

539 540

238 500 299

475

530

530 616

474

300 502 502 528 503 502 527 501

502

527

331

299

472

237 473 472 475471 472

543 545

507 522 507 522 517 517 507 507 508 508 504 520 504 520 506 506 505 505 521 522521 511-512 511-512 523 523 509 513-514 513-514 509 524 524 515-516 515-516 525 525 522 518 522 510 510

522

518

544 548 546 547

0

0

10m

10m


210


Romeinse gebeeldhouwde stenen

2

211

Romeinse gebeeldhouwde stenen

Titus Panhuysen

De site van de O.L.V.- basiliek in Tongeren vertelt één lang doorlopend verhaal van het begin van de Romeinse bewoning van de stad tot de dag van vandaag, van de vroegste bebouwing in hout tot hedendaagse bouwkundige ingrepen in de bodem van de laatmiddeleeuwse kerk met baksteen en beton. Het is dus mogelijk dat uit de ondergrond van de kerk bij de opgravingen bouwfragmenten te voorschijn zijn gekomen uit alle gebruiksfasen van het onderliggende terrein, van de insula en de Romeinse huizen, van de laat-Romeinse basilica en van de daarna volgende kerken. Bovendien is de kans groot dat de gevonden stenen niet ver van hun oorspronkelijke en primaire toepassing in de grond zijn geraakt. Dat betekent dat zelfs een Romeins zuilfragment in de laatmiddeleeuwse laag, door de tijd heen in stukken uiteengevallen, nog altijd enige informatie kan bieden over de daaronder of in de naaste omgeving verborgen sporen en restanten van gebouwen. Soms kunnen de secundaire vondsomstandigheden zelfs bijzondere informatie opleveren over religieuze praktijken, zoals het geval kan zijn bij een groepje ontwijde heidense stenen die samen in een vroegmiddeleeuwse put zijn geworpen vóór de ingang van de vroegmiddeleeuwse kerk1. Of zoals die met voorstellingen van de goden Sol en Juno versierde zuilkolommen van een Juppiterzuil die in 2010 vóór het zuidportaal van de basiliek werden aangetroffen waarvan er één aan een vlakke zijde gemerkt is met een post-Romeins Latijns kruisje (fig. 2.1 en 2.2)2. In deze bijdrage worden de beeldhouwwerken en architecturale elementen besproken die op grond van hun vondstcontext of uiterlijke kenmerken als ‘Romeins’ kunnen worden aangemerkt en waar ook ‘wat aan te beleven valt’. De kleine decoratieve fragmenten van diverse marmers zijn buiten beschouwing gelaten en komen elders ter sprake. De totale oogst aan stenen die bespro-

1 De hypothese is gelanceerd in Ervynck et al. (2014, p. 82-83). Alle fragmenten waren echter al secundair hergebruikt, waarvan de aanhangende Romeinse mortel getuigt. Dit maakt de hypothese van een rituele begraving toch iets minder waarschijnlijk! Zie hieronder de catalogusnummers A.4, A.5, A.6, A.7 en A.8.

ken wordt is beperkt, zoals eigenlijk alle kerkopgravingen slechts kleine hoeveelheden van dergelijke vondsten opleveren, tenzij de opeenvolgende gebouwen door plotselinge catastrofes aan hun einde zijn gekomen, verlaten en lange tijd ruïneus zijn geweest, of intussen diverse verbouwingen hebben ondergaan3. Er worden twaalf fragmenten van beelden en reliëfs besproken (groep A), vier delen van onversierde zuilen (groep B), acht fragmenten van gecanneleerde zuilschachten (groep C), vijf stukken van zuilbasementen (groep D), vier deels gefragmenteerde Toscaanse zuilen (groep E), drie stukjes van kapitelen (groep F) en zes brokstukken van profielen, kroonlijsten en architraven (groep G), alles bij elkaar dus 43 stenen en fragmenten. Een groot blok met een wij-inscriptie van Volusia Sabiniana aan Juppiter Dolichenus voor haar eigen heil en dat van haar familie wordt kort vermeld onder nummer A.13, maar komt in een aparte bijdrage in dit boek aan bod samen met een andere inscriptie4. Het is interessant om de aantallen van de stenen in hun stratigrafische samenhang te bekijken. Het zal niet verwonderen dat er geen enkel stuk is gevonden in de lagen van de eerste Romeinse houtbouwfase (fase 1, ca. 10 v. Chr. tot aan de Bataafse opstand). Wel zijn er drie architectuurfragmenten ontdekt in de lagen van de Flavische wederopbouw (fase 2, de tweede houtbouwfase van 70-100 n.Chr.)5. Uit de lagen van de volgende fase (fase 3, de eerste steenbouwfase van de eerste helft 2de eeuw) zijn nog eens drie architectuurstenen en een fragment van een reliëf afkomstig6. Fase 4 (de tweede steenbouwfase van 150-270 n. Chr.) heeft vier architectuurelementen opgeleverd en een fragment van een wij-altaartje7. Fase 5 vertegenwoordigt de laatRomeinse bebouwingsfase (basilica) en bevat meestal ouder,

2 Noelke (mit Beiträgen von T. Panhuysen) 2010-2011, p. 241-243, Abb. 92, p. 319-320, Kat. 250. 3 Zo is er tijdens de opgravingen veel beeldhouwwerk van de middeleeuwse kerk te voorschijn gebracht. Zie Ervynck et al. 2014, p. 41-47. 4 Zie hoofdstuk 3, p. 243-244. 5 Cat. nrs B.1, B.2 en G.1.

6 7

Cat. nrs A.1, C.1, D.1 en E.1. Cat. nrs A.2, B.3, D.2, E.2, E.3 en 4.


212

T. Panhuysen

Fig. 2.1 Tongeren: Vrijthof: Juppiterzuil met voorstelling van de god Sol.

Fig. 2.2 Tongeren: Vrijthof: Juppiterzuil met merkteken van een post-Romeins Latijns kruisje.

8 Cat. nr. A.5. 9 Cat. nrs C.2, C.3 en G.4. 10 Zie noot 1. Het oorspronkelijke cultusbeeld van een moedergodin uit de tempel van SaintAubin-sur-Mer (Fr. dép. Calvados) werd ontdekt, in stukken gebroken, in een put bij de ingang van de tempel (Thevenot 1968, p. 169).

hergebruikt of afgeschreven materiaal. Uit die lagen stamt slechts één stuk, een fragment van een reliëf8. De meeste vondsten zijn opgegraven in de post-Romeinse ophogingslagen en bouwhorizonten. In de context van de vroegmiddeleeuwse kerkbouwfasen (fase 6) zijn drie architectuurfragmenten gevonden, alle hergebruikt als spolia9. Vijf stukken van godenbeelden waren begraven in een putschacht die midden voor de ingang van de Merovingische kerk was aangelegd10. Twee soortgelijke brokstukken waren hergebruikt in de wanden van een middeleeuws grafkeldertje11. Overigens vertonen bijna al deze stenen (uit de put en uit de grafcontext) sporen van eerder secundair hergebruik, omdat ze dik met roze mortel – opus signinum – waren bedekt12. Intussen ontstond rondom de Merovingische kerk een amorfe ophoging, die we nu als ‘black layer’ of ‘dark earth’ betitelen (fase 8)13. Hierin zijn slechts vier architectuurfragmentjes gevonden14. In een Karolingische context zijn een groot architectuurblok gevonden, dat was hergebruikt als spolium in een fundering15, en enkele minuscule stukjes van een kapiteel en een zuil die in een ovenstructuur werden aangetroffen16. Uit de vloer

11 Cat. nrs A.9 en A.10. Beide stenen zijn afkomstig uit de oostwand van graf 383, dat stratigrafisch boven het mergelstenen grafkeldertje 384 lag en zelf doorsneden werd door de fundering van het kerkkoor uit 1240. Het skeletmateriaal uit graf 384 dateert op basis van C14 uit de periode 875-925. 12 Wellicht afkomstig van de laat-Romeinse vloer van de basilica?

13 Zie voor dit fenomeen Ervynck et al. 2014, p. 85-89. 14 Cat. nrs D.3, F.3, G.2 en G.3. 15 Cat. nr. G.7. 16 Cat. nrs C.4, F.1 en F.2.


Romeinse gebeeldhouwde stenen

en het bouwniveau van de Ottoonse kerk (fase 9) stammen drie fragmentjes van architectonische bouwplastiek en twee stukken van godenbeelden17. Ook bij de bouw van de gotische kerk zijn blijkbaar nog twee Romeinse architectuurelementen losgewoeld en in de ophoging van die periode (fase 10) terecht gekomen18. Overigens werd ook het kolossale blok met de wijding aan Dolichenus in deze laatmiddeleeuwse ophoging ontdekt19. Slechts twee fragmenten van groep A (beelden en reliëfs) zijn gevonden in Romeinse lagen, alle andere stenen van deze groep zijn ooit hergebruikt of verspit en kwamen tevoorschijn uit hogere delen van de stratigrafie. Toch lijkt het erop dat de vondsten een gemeenschappelijke noemer hebben, want het betreft – voorzover herkenbaar – beelden en reliëfs van goden. Zelfs enkele problematische stukken zouden in deze richting geduid kunnen worden, te meer omdat overtuigende funeraire kenmerken ontbreken. En daarbij komt ook nog het bijzondere wijschrift op een grote bouwsteen voor Dolichenus (A.13). Deze schijnbare homogeniteit is opmerkelijk en kan te maken hebben met de vondstsituatie van de site middenin de Romeinse binnenstad van het oude Tongeren, waar primaire grafmonumenten ten enenmale afwezig horen te zijn. Het zou niet verbazen wanneer het opgravingsoverzichtsplan van Romeins Tongeren in de naaste omgeving van de site sporen van de plattegrond van een heiligdom of tempel zou prijsgeven. Onder de fragmenten van de diverse Romeinse bouwordes – groep B-G – kan één steenblok geassocieerd worden met de monumentale architectuur van bijvoorbeeld een tempel. Dat is een 60 cm hoog blok van een architraaf (G.5). Alle andere stukken van zuilen en kapitelen moeten eerder in verband worden gebracht met stadshuizen, zoals de domus onder de kerk en portici. Voor de rijkere architectuur komt de composiet-orde met gecanneleerde zuilen in aanmerking en voor de eenvoudigere toepassingen de sobere Toscaanse orde20. Bijzonder in het vondstensemble uit de basiliekopgraving zijn de vele beeldfragmenten die wijzen op de verering van lokale goden van vruchtbaarheid en voorspoed. Ongetwijfeld is het fragment A.8 met een mand met vruchten afkomstig van een cultusbeeld van een tronende moedergodin. Maar ook de fragmenten A.4 en misschien zelfs A.10 zouden deel kunnen hebben uitgemaakt van soortgelijke beelden. In elk geval is het kleine monumentje van een triade A.6 een overtuigend argument dat zij in Tongeren een levendige cultus hadden. Aan deze serie kan bovendien nog een bijzonder reliëf worden toegevoegd. Het is in de 19de eeuw gevonden bij de sloop van de gevel van de oude kapittelzaal van de O.L.V.-basiliek – dus pal naast de site van onze vondsten – en het wordt eveneens als een moedergodin geïnterpreteerd21. Het reliëf is vroeg te dateren omstreeks het midden van de 1ste eeuw

17 Cat. nrs A.11, A.12, C.5, C.6 en G.6. 18 Cat. nrs C.8 en D.4. 19 Cat. nr. A.13. 20 Betreffende toepassingen en recente literatuur over de Toscaanse orde, zie Noelke (mit Beiträgen von T. Panhuysen) 2010/2011, p. 193-194, noot 125. 21 Het reliëf is in 1867 in Tongeren ontdekt. Het stelt een zittende godin voor met op haar schoot vruchten en een hond (Espérandieu 1928, p. 198-199, nr. 7572; Lesenne 1975, p. 99).

213

of iets eerder22. Ook het beeld van een bron- of riviergod A.9 mag gerekend worden tot de cultus van lokale beschermgoden. In deze context is ook het beeld van Hercules niet vreemd, enerzijds omdat zijn cultus wijdverbreid was in het noorden van Gallië, anderzijds omdat een relatie is vastgesteld tussen Hercules en geneeskrachtige bronnen en water23. Helaas is het vooralsnog niet mogelijk om de identiteit van de god op de voorzijde van het dubbelzijdige wij-reliëf A.5 bij deze overwegingen te betrekken. Wel is het interessant dat ook in deze gevarieerde reeks godenbeelden één viergodensteen, sokkel van een kleine Juppiterzuil, voorkomt (A.12). Net buiten de opgravingszone van de basiliek, vóór het zuidportaal, werden in 2010 twee zuiltrommels van een veel monumentaler exemplaar gevonden met godenreliëfs op de geschubde zuilschacht24. Al met al is het aantal fragmenten uit de binnenstad van Tongeren dat afkomstig is van Juppiterzuilen de laatste jaren aanmerkelijk toegenomen25. Het overgrote deel van de reliëfs en beelden van het basiliekensemble is gekapt uit jurakalksteen van Norroy-lès-Pont-à-Mousson (Fr., dép. Meurthe-et-Moselle), waar zich de belangrijkste regionale steengroeven van de staat bevonden. Deze steen werd vooral in het stroomgebied van de Rijn gebruikt, vanaf de vroege ‘militaire’ periode, voor alle monumenten van de overheid alsook voor graf- en wijmonumenten van daarmee verbonden veteranen en privé personen26. Later werd de steen in het stroomgebied van Rijn en Maas nog toegepast voor officiële wijmonumenten, zoals blijkbaar ook in Tongeren. Het fragment van een zittende godin A.4 is echter gemaakt van de lokale Maastrichter steen, na de in 1994 aan de Kielenstraat gevonden zeshoekige godensteen het tweede stuk beeldhouwwerk dat in deze steen gekapt is27. Alleen voor het viergodensteentje A.12 is de zachte jurakalksteen uit Chémery gebruikt. Opmerkelijk zijn de twee kleine vondsten A.2 en A.11, respectievelijk een stukje van een kleine ex-voto en een opzetstukje dat aan een beeld vastgehecht was, beide gemaakt van de zachte krijtsteen uit Valenciennes. Voor de architectuurdelen zijn diverse steensoorten toegepast. Onder de eenvoudige gladde zuilen treffen we al vroeg de lokale Maastrichter kalksteen aan, maar ook de steen van Norroy, en later zelfs de minder vaak voorkomende steen van Euville. Voor de gecanneleerde zuilen werden zowel de jurakalksteen van Norroy als die van Chémery toegepast, wat ook geldt voor de kleine fragmenten van composiet kapitelen. Hetzelfde is van toepassing voor de fragmenten van de basementen van de zuilen, maar het is wel verwonderlijk dat hierbij éénmaal de zachte krijtsteen van Valenciennes voorkomt. Alle elementen van de Toscaanse zuilorde zijn gekapt uit kalksteen van Chémery, die verder bij de geprofileerde lijsten nog maar één keer voorkomt. Voor de rest is de kalksteen van Norroy gebruikt.

22 Het reliëf kan het beste vergeleken worden met het hoog reliëf van de bekende godin van Naix-auxForges (Fr., dép. Meuse). Zie noot 47. 23 Thevenot 1968, p. 117-124, spec. 121-122 is hier zelfs heel expliciet over. 24 Afkomstig van een minimaal 3.50 m hoge zuil (de maximale doorsnede van de twee kolommen is 47 en 51 cm). Zie noot 2.

25 Noelke 1981, p. 490-492, nr. 203-208; Noelke (mit Beiträgen von T. Panhuysen) 2010-2011, p. 319320, nr. 250, p. 351, nr. 322 en p. 357-358, nr. 334. 26 Panhuysen 1996, p. 84-103. 27 Noelke (mit Beiträgen von T. Panhuysen) 2010/2011, p. 210 en 214, Abb. 60, p. 357-358, nr. 334.


214

T. Panhuysen

Groep A: beelden en reliëfs A.1

Fragment van een reliëf met nissen (fig. 2.3)

Norroy kalksteen. H. 17 cm; br. 24.5 cm; d. 14 cm. De voorzijde heeft nog een stukje reliëf; de achterzijde is grof gevlakt; verder breuk. Gevonden in een kuil in een als ‘werkplaats’ benoemde ruimte van de eerste Romeinse steenbouwfase (eerste helft 2de eeuw) (fase 3, spoor 223, laag D).

Ook een grafsteen voor een vrouw uit Boulogne-sur-Mer (Fr., dép. Pas-de-Calais) laat een nis zien met palmetvormig uitgespreide voluten, die op vergelijkbare wijze de zwikken in de bovenhoek van het reliëf vullen31. Op grond van de vondstomstandigheden moet het gefragmenteerde stuk in elk geval gedateerd worden vóór het midden van de 2de eeuw. De verwantschap van het ornament met 1ste- eeuwse grafstenen maakt een vroege datering na het midden van de 1ste eeuw waarschijnlijk. A.2

Hoek van een kleine sokkel (?) (fig. 2.4)

Fragment van een reliëf of stele met minstens twee nissen die gescheiden worden door een zuiltje. De driehoekige ruimte boven de deklijst van het verdwenen, vier centimeter brede kapiteeltje of zuiltje is gevuld met een bijzondere decoratie. De decoratie bestaat uit smalle gevederde bladeren, die bovenaan wellicht eindigden in naar binnen draaiende voluten. Ze waaieren uit over het vlak boven de ronding van de nissen, maar ze bedekken ook het tien centimeter brede binnenwelfvlak van de archivolten.

Krijtsteen van Valenciennes. H. 5 cm; br. 5.6 cm; d. 4 cm. Lijst 18 mm hoog en 13 mm voorsprong.

Het fragment lijkt afkomstig te zijn van een reliëf met een of meer nissen – een boogstelling of arcade (?) – met voorstellingen van goden, maar ook een grafsteen is mogelijk. Ter vergelijking kan een godenreliëf worden aangehaald dat een aantal jaren geleden werd gevonden in Clayeures (Fr., dép. Meurthe-et-Moselle) met voorstellingen van Mercurius en Rosmerta28.

Waarschijnlijk is het fragment afkomstig van een ex-voto of wijmonumentje (altaartje of sokkel van een beeldje). Op grond van zijn stratigrafische context hoort het fragment thuis in de periode vóór 270 n.Chr.

Acroteria in de vorm van een halve palmet komen vaak voor op de hoeken van echte of schijnfrontons op Rijnlandse grafstenen uit de eerste eeuw29. In dit geval is er geen fronton en lijkt het palmetmotief omgevormd tot een vergelijkbaar ornament, maar los van een architectonische context. De halve palmet of verwante reminiscenties komen we voornamelijk tegen op grafstenen met boogvormige of driehoekige nisafsluitingen in Mainz en Bonn, die dateren uit de 1ste en het begin van de 2de eeuw30.

Norroy kalksteen. H. 17.5 cm; br. 19 cm; d. 12.5 cm. Rest van zeer verweerd reliëf op het bewaarde fragment van de voorzijde; achterzijde grof gevlakt, boven- en linkerzijde vlak; verder breuk.

Gevonden in de brand- en puinlaag van de tweede Romeinse steenbouwfase (150-270) (fase 4, spoor 567). Een sterk afgesleten hoekfragment met een stukje van de schacht van een sokkel en het afgeschuinde profiel van de plint van een altaartje of pedestal.

A.3

Fragment van een wij-reliëf (fig. 2.5)

Gevonden in de uitbraak van de vloer van de laat-Romeinse basilica (320-345) (fase 5, spoor 676).

Fig. 2.3 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een reliëf met nissen: A: voorzijde; B: schuin van voren; C: van onderen.

28 Moitrieux 2010, p. 42, nr. 092 en pl. 24. 29 Boppert 1992.

30 Boppert 1992, p. 114-118, nrs. 19-20, Taf. 18; Bauchhenβ 1978, p. 28-31, nrs. 7,8 en 10, Taf. 12 en 14.

31

Espérandieu 1913, p. 182-183, nr. 3971.


Romeinse gebeeldhouwde stenen

215

dere figuren weergegeven waarvan alleen nog de gehavende kop aan de linker kant resteert. Van het kapsel en de ogen zijn wel sporen bewaard, maar het is niet meer herkenbaar of een man of een vrouw is voorgesteld, hoewel de contour en de breedte van het kapsel op een vrouw wijzen. De hoogte van de kop is 8.5 cm. Het fragment kan afkomstig zijn van een wij-reliëf met voorstellingen van goden die ten voeten uit of als buste waren voorgesteld32. Het kan echter niet worden uitgesloten dat het fragment van een grafsteen is afgebroken33. Hoewel er nauwelijks houvast is voor een datering is het aannemelijk dat het reliëf dateert uit de late 2de eeuw of eerste helft 3de eeuw. A.4

Fig. 2.4 Tongeren: O.L.V.-basiliek: hoek van een kleine sokkel (?): benedenhoek.

Fragment van een beeld van een zittende godin (fig. 2.6)

Norroy kalksteen. H. 30 cm; br. 29 cm; d. 21 cm. Aan de voorzijde van het beeld zijn fragmenten van plooien rondom de benen bewaard met resten van een witte grondverflaag en zwart verkleurde verfresten. Rechtsonder is het beeld afgebroken met een breuk die naar links tot boven de enkels oploopt. Knieën en schoot zijn beschadigd en geërodeerd. De rechter kant toont vooral breuk, maar een deel van de linker knie is goed bewaard. De linker, boven- en onderkant vertonen breuk en zijn verweerd. De achterkant is vlak en is bedekt met een witte kalk- of verflaag. Samen met andere beelden gevonden in een put in het grafveld voor de ingang van de Merovingische kerkbouw (fase 6, spoor 783). Het beeldhouwwerk stelt de zittende figuur van een vrouw voor, gezien vanaf haar bovenbenen tot boven haar enkels. Zij is gezeten op een blokvormige bank of troon die 11.5 cm diep is. De onderbenen zijn goed herkenbaar, vooral het rechter. We zien de fraai gevormde plooien van haar tunica en daaroverheen liggende mantel, zoals ze in v-vormige rimpelingen omlaag hangen langs het rechter onderbeen. Vanaf de beschadigde linker knie zakken horizontale en diagonale spanplooien in een plastisch ritme tussen de scheenbenen omlaag en eindigen onderaan in een horizontale zoom. De rechter enkel is herkenbaar onder de zoom. De ronding van haar billen is te bespeuren boven de horizontale lijn van de zitting.

Fig. 2.5 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een wij-reliëf.

Het fragment is de linker bovenhoek van een rechthoekig verdiept beeldvlak met een eenvoudige platte omlijsting. De nis is vijf centimeter diep en de omlijsting is links drie centimeter en boven vier centimeter breed. In de nis waren vermoedelijk meer-

32 Weekgoden: Moitrieux 2010, p. 323-324, nr. 959, pl. 177 (Soulosse-sous-Saint-Élophe, Fr., dép. Vosges); moedergodinnen: Deyts 1976, nr. 222; Binsfeld et al. 1988, p. 132-133, nr. 268, Taf. 63.

Het fragment is het restant van een vrijstaand beeld van een tronende godin. We kunnen denken aan een moedergodin, maar een kenmerkend attribuut zoals een mand met vruchten op de schoot ontbreekt. Een alternatieve interpretatie zou Juno kunnen zijn, die in haar rechter hand meestal niet meer dan een offerschaal of patera houdt, waardoor het bovenbeen vrij blijft34. Bij een tronende Minerva of Fortuna zou je ergens aan de zijkant van het bewaarde fragment een van hun gangbare en meestal op de grond geplaatste attributen verwachten. Het beeld is vanwege de modellering van de plooival bij benadering te dateren in de tweede helft van de 2de eeuw.

33 Grafreliëf met meer personen: Moitrieux 2010, p. 344-345, nr. 993, pl. 188 (Soulosse-sous-SaintÉlophe, Fr., dép. Vosges).

34 Bauchhenβ 1984, nrs. 5-8 (groepen van Juppiter en Juno); Espérandieu 1925, p. 359-360, nr. 7217 (groep van Juppiter en Juno uit Tongeren); Binsfeld et al. 1988, p. 57-58, nr. 97, Taf. 28-29 (kolossaal beeld van Juno).


216

T. Panhuysen

Fig. 2.6 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van het beeld van een zittende godin: A: front; B: schuin van voren; C: zijkant; D: van boven (met frontlijn links); E: detail plooien midden; F: detail plooien links.

A.5

Onderstuk van een dubbelzijdig wij-reliëf (fig. 2.7)

Norroy kalksteen. H. 19 cm; br. 33 cm; d. 28 cm. De voetplaat is 9 cm hoog, de achterwand van de voorzijde staat 15 cm naar achteren, de nis op de achterkant is 4 cm diep. Op de voor- en achterzijde is fragmentarisch beeldhouwwerk bewaard, de voorzijde met hoog reliëf, de achterzijde in verdiept reliëf. De hoeken van de grondplaat aan de voorzijde zijn afgeschuind. De linker, rechter en onderzijde zijn mooi vlak (diverse beitelsporen), maar de bovenkant is met het beeldhouwwerk daar afgebroken. Het reliëf zat vol rode mortel. Gevonden in een put in het grafveld voor de ingang van de Merovingische kerk (fase 6, spoor 783). Op de voorzijde zien we in het midden twee blote voeten van een godenfiguur, de linker voet – van het standbeen – naar voren geplaatst, de rechter – met gaaf bewaarde tenen – iets terug. Hij

35 Indien de centrale persoon zittend was voorgesteld, zou de rechter voet gebogen en de hak van de grond zijn geweest. 36 Het hellenistische motief van kruiselings over elkaar geslagen benen kennen we onder meer van enkele beelden uit Trier van de zittende Fortuna (Binsfeld et al. 1988, p. 43-45, nrs. 69 en 73, Taf. 19

staat – in contrapost – in tegenstelling tot de beide hem flankerende bijfiguren, die dichte schoenen dragen35. Vanwege hun schoeisel en lange tunica’s, waarvan slechts de zomen en plooipunten resten, moet het om vrouwelijke personen gaan. Die aan de linker kant is voorgesteld met over elkaar geslagen benen, haar linker (!) voet en mantelzoom steken zelfs buiten de vlakke zijwand uit, waar het reliëf eindigt tegen een verticale lijn (van een bank of haar zetel?)36. Op de voorkant is rechts naast haar gekruiste voeten en naast de rechter voet van de middelste persoon een stukje reliëf te zien dat moeilijk te verklaren is. Het kan zijn dat het bij haar mantel hoort, ofwel is het de aanzet van de wang van een korfzetel, ofwel is het de rest van een attribuut van de centrale godenfiguur. In de achterkant van het monumentje is een 22.5 cm brede, halfronde nis gekapt, waarin de benen te herkennen zijn van een in contrapost weergegeven staande Juppiter en de zwaar beschadigde resten van een adelaar aan diens rechter zijde37. De vlakke omlijsting van dit paneel is 4.5 cm breed en aan de basis 8 cm hoog.

en 21) en beelden van moedergodinnen uit Deneuvre (Moitrieux 2010, p. 92, nr. 219, pl. 49). 37 Een mooie parallel is te zien op een wijaltaar uit Xanten, waar Juppiter in dezelfde pose staat afgebeeld met de adelaar ernaast (Espérandieu 1925, p. 16-18, nr. 6578). Alleen ontbreekt op ons reliëf de scepter in zijn linker hand. In 2008 werd

aan de Elfde Novemberwal in Tongeren een uniek dubbelzijdig reliëf gevonden met op de voorzijde Juppiter en Juno, beiden in staande houding. Op de achterkant is een globe voorgesteld met de ringen van equator en meridiaan, de bol gevat in een corona civica (zie Panhuysen 2009, p. 127 en afb. 65-66). In 1905 werd in Tongeren een reliëf van Juppiter en


Romeinse gebeeldhouwde stenen

217

Fig. 2.7 Tongeren: O.L.V.-basiliek: onderstuk van een dubbelzijdig wij-reliëf: A: schuin van voren; B: schuin van boven; C: bovenaanzicht; D: detail linkerzijde; E: Juppiter op achterkant.

De centrale godenfiguur op de voorzijde moet op grond van de voetmaat van 10 cm ongeveer 65 cm hoog zijn geweest. Wie hier stond, is onbekend. Juppiter staat al op de achterkant, dus zouden wij hier een andere god verwachten, maar herkenbare attributen ontbreken en de reliëfresten zijn fragmentarisch38. Menige mannelijke god (onder anderen Apollo, Hercules, Mars, Mercurius) en maar een enkele vrouwelijke godheid (Venus, maar ook Nimfen) werden grotendeels naakt uitgebeeld39. Het hoog reliëf aan de voorzijde stelt ons vooralsnog voor onoplosbare interpretatieproblemen. Triaden of groepsvoorstellingen van drie goden komen buiten de Trias Capitolina en de iconische uitbeelding van drie naast elkaar gezeten of staande moedergodinnen, matronae, matres en Nimfen niet zo vaak voor40. Uit de Keulse civitas is één Matronensteen bekend met een staande matrona in het midden en twee matronae die haar

Juno gevonden, naast elkaar op een troonbank zittend en feitelijk ook dubbelzijdig (Espérandieu 1925, p. 359-360, nr. 7217), want op het achtervlak van de groep zijn in ondiep reliëf hun kenmerkende attributen adelaar en pauw afgebeeld op een halve globe. Het monumentje is slechts 27 cm diep. 38 De opvallende dubbelzijdigheid is compositorisch (maar niet inhoudelijk) te vergelijken met het beeld van een tronende Juppiter uit Trier dat op de achterkant van de troon een rijk reliëf met de voor-

zittend flankeren41. In het overzicht van Schauerte van de moedergodinnen en daarmee verwante godinnen in de noordwestelijke provincies komt overigens geen enkel exemplaar voor met een centrale figuur die staat en flankerende godinnen die zitten42. Voorbeelden van de Capitolijnse Trias zijn er genoeg, maar alleen al door de ongelijke grootte van de drie figuren komt die triade hier niet direct in aanmerking. Een mooi exemplaar met een staande Juppiter, Juno en Minerva is te vinden op een in 239 gedateerd wijaltaar uit Xanten43. Uit Trier is een kleine kopie bekend van het timpaanreliëf van de onder Domitianus ingewijde Juppitertempel op het Capitool in Rome, dat de drie goden zittend naast elkaar voorstelt44. Er zijn natuurlijk wel andere triaden bekend in wisselende samenstellingen, soms ook met Keltische goden45. Beroemd is een wijaltaar voor Cernunnos uit Reims, waarop de god centraal

stelling van Hercules draagt (Binsfeld et al. 1988, p. 60-61, nr. 100, Taf. 30). 39 Bij dit brokstuk is het niet eens helemaal zeker of de benen boven de enkels onbedekt waren, maar in het geval van een vrouwelijk gewaad, dat tot de enkels reikte, zou de zoom tot op de bodem hebben gehangen en zouden breukkanten zichtbaar zijn geweest. 40 Thevenot 1968; Bauchhenβ & Neumann 1987; Schauerte 1987, p. 55-102, spec. 68-73.

41 Espérandieu 1925, p. 5, nr. 6563 (voor de Matronae Vesuniahenae, gevonden in Vettweiss, bij Düren); Schauerte 1987, p. 68. 42 Schauerte 1987, p. 93-102. 43 Espérandieu 1925, p. 15-16, nr. 6577. 44 Binsfeld et al. 1988, p. 160-161, nr. 325, Taf. 78-79. 45 Moitrieux 2010, p. 6-8, nr. 008, pl. 3.


218

T. Panhuysen

in kleermakerszit op een podium is afgebeeld en geflankeerd wordt door de kleiner weergegeven goden Mercurius en Apollo, die staan46. Op andere reliëfs wordt soms een centrale godenfiguur groot weergegeven, en deze wordt dan gesecondeerd door enkele veel kleiner gebeeldhouwde dienaren of andere figuren47. Een directe parallel voor het problematische brokstuk uit Tongeren is niet voorhanden. Het stuk kan slechts globaal gedateerd worden tussen 150 en 250 n.Chr. A.6

Groep van drie moedergodinnen (fig. 2.8)

Norroy kalksteen. H. 26.5 cm; br. 26 cm; d. 18 cm. De zijkanten en de onderzijde zijn mooi gevlakt, de achterkant is ruw. Het reliëf op de voorkant is vervaagd en de kopjes van de twee rechter figuren zijn afgebroken. Gevonden in een put in het grafveld voor de ingang van de Merovingische kerk (fase 6, spoor 783). Blokvormige votiefgroep met drie stijf en hiëratisch naast elkaar op een bank gezeten moedergodinnen met op de schoot een mand die gevuld is met vruchten48. De leuning van de bank loopt op de zijkanten in een kromme omhoog. De godinnen zijn gekleed in een eenvoudige lange tunica waarover een Ubische schoudermantel is getrokken, die midden voor de borst met een

grote fibula wordt samengehouden49. Op de borst zijn ondiepe plooien ingekrast, onder de hals is een horizontale verdikte zoom zichtbaar, bij de benen zijn de plooiruggen lineair plastisch vormgegeven in een gestapeld v-vormig ritme. Alleen van de linker godin is het hoofd bewaard, zonder de gebruikelijke grote Ubische muts of Haube, maar met een kleinere muts of bolvormig kapsel. Een van de interessantste reliëfs uit het Matronenheiligdom onder de Munsterkerk van Bonn is een mogelijk realistische voorstelling van het cultusbeeld van de triade van Matronae op een podium, omgeven door twee groepen vereerders50. Op de grote Haube na komt de iconografie daarvan in grote lijnen overeen met het Tongerse beeldje. Kleine beelden van een triade van matres of matronae, die vergelijkbaar zijn met het exemplaar van Tongeren, komen meermaals voor, bijvoorbeeld een triade van klein formaat uit Mainz, waar de middelste godin een viervoeter op de schoot houdt51. Daarnaast worden ook af en toe exemplaren gevonden van het pijpaarden massaproduct van de triade van Matronae. Ze stammen uit Keulse ateliers en lijken op het stenen exemplaar van de basiliekopgraving52. Zowel de pijpaarden als de stenen exemplaren werden gebruikt als ex-voto in de tempel of werden in het lararium van de eigen woning geplaatst. De pijpaarden beeldjes worden doorgaans in het derde kwart van de 2de eeuw gedateerd.

Fig. 2.8 Tongeren: O.L.V.-basiliek: groep van drie moedergodinnen: A: voorkant; B: links; C: rechts.

46 Espérandieu 1913, p. 6-8, nr. 3653; Thevenot 1968, p. 144-149, afb. op p. 148. 47 Déesse-mère de Naix-aux-Forges (Fr., dép. Meuse) met twee jongere moedergodinnen of dienaressen (Thevenot 1968, p. 167-170, afb. op p. 168); déesse-mère de Saint-Aubin-sur-Mer met twee kleine kinderen (Fr., dép. Calvados) (Espérandieu &Lantier 1955, p. 8, nr. 8323); twee votiefreliëfs uit Keulen voor Fortuna (Schoppa 1959, p. 66, Taf. 77). 48 Volgens Thevenot vervangt de hiëratische houding attributen (Thevenot 1951, p. 167); Schau-

erte zegt dat hun ‘Minimalausstattung’ bestaat uit (een korf met) vruchten (Schauerte 1987, p. 61). 49 Wild 1968, p. 210-216; Schauerte 1985, p. 242, nr. 527, Taf. 59, 4-6 (type D 1.4.1); Böhme-Schönberger 1997, p. 35. 50 Espérandieu 1938, p. 92, nr. 7774; Wild 1968, p. 210, Abb. 28. 51 Frenz 1992, p. 118-119, nr. 101, Taf. 85. Ook is in Mainz een beeldje van een zittende figuur gevonden dat een verwante vormgeving van de kleding laat zien, door Frenz (1992, p. 138-139, nr. 137,

Taf. 106-107) geïnterpreteerd als een zittende man en rijkelijk vroeg gedateerd. Zie voor meer details over de iconografie en de verbreiding van moedergodinnen: Schauerte 1987, p. 55-102, spec. 68-73 over triaden. 52 Schauerte 1985, p. 337-340, Taf. 113-115.


Romeinse gebeeldhouwde stenen

A.7

Vrijstaande Hercules (fig. 2.9)

Norroy kalksteen. H. 31 cm; br. 24.5 cm; d. 23 cm. Het linker been is vanaf de knie schuin omlaag afgebroken, boven en onder breukkanten, de mantel langs het rechter been is afgebroken. Verder in redelijk goede staat. Resten van roze mortel. Gevonden in een put in het grafveld voor de ingang van de Merovingische kerk (fase 6, spoor 783). Het fragment toont in hoog reliëf een naakte, staande mannelijke godheid van kruis tot onder het midden van het scheenbeen. Het beeldhouwwerk van de musculatuur is van uitstekende academische kwaliteit. Opvallend gedetailleerd is de perfecte weergave van de bovenbeenspieren, van de rechter knie met de knieschijf, met erboven het onderste einde van het binnenste hoofd en eronder de vetkussentjes boven de voorste scheenbeenknobbel. De hoogte van het oorspronkelijke beeld kan gereconstrueerd worden op ongeveer 93 cm53. De figuur staat in contrapost tegen een rotsvormige stut. Het rechter been is standbeen. De rotsblokken van de stut zijn driedimensionaal uitgewerkt aan de achterkant, maar ook tussen de benen zijn ze aangeduid. Langs het rechter been is een langwerpige vorm afgebroken die tot op de kuit doorloopt. Vanwege de karakteristieke knoest op het restant hiervan zal hier de boomknots hebben gezeten, een

219

van de belangrijkste attributen van de held Hercules. Achter en opzij van het linker dijbeen zijn de resten herkenbaar van een leeuwenvacht en zijn staart, die tot op de hiel hangen, deels over de rots. Zonder twijfel stelde de figuur de god Hercules voor en had hij behalve de vacht over zijn schouders en gebogen linker arm mogelijk nog een boog in de hand en hield hij in zijn rechter hand de knots vast54. Deze academisch vormgegeven Hercules volgt het klassieke type dat teruggaat tot de ‘Doryphoros’ van Polykleitos55. Het Griekse voorbeeld is veel gekopieerd in het officiële repertoire van de Romeinse staatskunst56. Het komt overeen met een van de meest gangbare Herculestypen in de noordwestelijke provincies, door G. Moitrieux ‘Hercule au repos’ genoemd57. Het stuk kan gedateerd worden in de tweede helft van de 2de eeuw of het begin van de 3de eeuw. A.8

Attribuut van een zittende godin (fig. 2.10)

Norroy kalksteen. H. 26 cm; br. 24 cm; d. 24 cm. Bijna onherkenbaar geworden brokstuk van een godenbeeld. De achter- en onderkant zijn afgebroken, verder zeer verweerd en sporen van rode mortel. Alleen de bovenkant blijkt bij goede lichtval in redelijke staat te zijn.

Fig. 2.9 Tongeren: O.L.V.-basiliek: vrijstaande Hercules: A: front; B: linker zij; C: achterkant; D: rechter zij.

Fig. 2.10 Tongeren: O.L.V.-basiliek: attribuut van een zittende godin: A: bovenkant; B: schuin van boven; C: zijkant; D: zijkant met korfrand.

53 Uitgaande van de hoogte van de menselijke gestalte van 7½ module. Kruis tot halverwege scheenbeen is hier 2½ module = 31 cm, waaruit volgt dat 1 module 6.2 cm is.

54 LIMC IV, 1, 1988, p. 728-796, s.v. ‘Herakles‘ (Palagia), spec. nrs 271-910; Binsfeld et al. 1988, p. 60-61, nr. 100, Taf. 30. 55 Vergelijk Bieber 1981, p. 177-182, fig. 754.

56 Niemeyer 1968, p. 61-64. 57 Moitrieux 2000, p. 149-155; Moitrieux 2010, p. 54-55, nr. 119, pl. 34 (Deneuvre) en p. 134-135, nr. 347(1), pl. 71 (Lamerey).


220

T. Panhuysen

Gevonden in een put in het grafveld voor de ingang van de Merovingische kerk (fase 6, spoor 783). Het oorspronkelijke beeldhouwwerk is in dit bijna amorfe steenblok nauwelijks te herkennen, maar een zijde vertoont een vlak met talrijke ronde en gevarieerde vormen, die vaak een centrale navel vertonen. Dit vlak moet geïnterpreteerd worden als het bovenaanzicht van een met vruchten gevulde mand58. Wellicht kan het fragment worden toegewezen aan een tronende moedergodin die vaak wordt afgebeeld met een mand met vruchten op de schoot59. Op de zijkanten kunnen we inderdaad nog sporen terugvinden van de gevlochten zijkant van de korf en van de doorzakkende plooien van haar mantel60. Veel godinnen die geassocieerd worden met heil zegen, vruchtbaarheid en voorspoed worden voorgesteld met vruchten61. Zo is de hoorn des overvloeds of cornucopiae gevuld met vruchten, van oudsher een van de hoofdattributen van godinnen als Abundantia en Fortuna62. De mand, schaal, of mantel gevuld met vruchten zijn als attribuut van moederlijke godinnen en matronae het meest gangbaar63. Bij de moedergodinnen worden meestal de gewone inheemse pit- en steenvruchten van bomen, druiven en korenaren weergegeven64. Ook de onderwereldgodin Herecura wordt incidenteel met een mand met vruchten op haar schoot als vruchtbaarheidsgodin uitgebeeld65. A.9

Reliëf van een bron- of riviergod (fig. 2.11)

Norroy kalksteen. H. 21 cm; br. 11 cm; d. 18 cm. Het fragment toont goed bewaard hoog reliëf, in zijn vondstsituatie nog bedekt

met een dikke laag roze Romeinse mortel. Breuken links en onder. De achterzijde van de enkele centimeters dikke achterwand is mooi gevlakt. Gevonden in de oostwand van een grafkeldertje (graf 383), dat boven graf 384 uit de periode rond 900 was aangelegd (fase 9). We zien de linker onderarm van een zittende of liggende persoon die de linker hand ontspannen op een naar voren gekantelde waterkruik met canneluredecoratie legt. Er loopt een dikke getordeerde waterstroom uit de smalle mond van het buikvormige vat. Dit ligt op een soort kussen dat zelf weer op een stenige ondergrond ligt. De arm is bedekt door de met trekplooien verlevendigde randzone van een mantel die vanachter de rug van de persoon komt, dan onder zijn arm doorloopt en over de geribbelde kruik naar binnen is geslagen, waardoor de fraai gedecoreerde buitenkant van het vat vrij wordt gelaten66. Waarschijnlijk lag de afgebeelde figuur half uitgestrekt naar rechts, met de benen languit of opgetrokken de andere kant uit, naar links. De meloenvormige vaas is een imitatie van een metalen waterkruik met een smalle voet en geprononceerde ribben of cannelures rondom de buik, die herhaald worden op de concave, horizontale rand van de hals. Het lijkt erop dat het watervat geen oren heeft67. Mogelijk moet de hier uitgebeelde figuur geïnterpreteerd worden als een riviergod, misschien van de Maas of de Jeker?68 Of is het de god van een lokale bron?69 Zouden we mogen denken aan de geneeskrachtige bron van de Tungri, waarover Plinius de Oude

Fig. 2.11 Tongeren: O.L.V.-basiliek: reliëf van een bron- of riviergod: A: buitenkant; B: voorzijde schuin van links; C: voorzijde frontaal; D: bovenaanzicht; E: binnenaanzicht van links.

58 Met dank aan G. Bauchhenβ (Bonn) voor het determineren van de reliëfresten. 59 Bijvoorbeeld een cultusbeeld uit het heiligdom van het Altbachtal, Trier (Binsfeld et al. 1988, p. 131-132, nr. 266, Taf. 63) en een beeld uit Holzhausen (Mattern 1999, p. 103, nr. 85, Taf. 46). 60 Vergelijk het beeld uit het Altbachtal in Trier (zie vorige noot). 61 Thevenot 1968, p. 167-170; Horn 1987, p. 45-47; Schauerte 1987, p. 61 en 76. 62 Schauerte 1987, p. 75-76. Maar de cornucopiae was ook een attribuut van mannelijke godenfiguren, zoals riviergoden en Genius en Sucellus. In de noordwestelijke provincies van het Romeinse Rijk kon het

godenattribuut van de mand met vruchten de cornucopiae, die in brede zin alle heil van de goden inhield, vervangen (Schleiermacher 1933, p. 109). 63 Horn 1987, p. 45-47 (en op p. 47-48 de offergaven van vruchten) en p. 54; Schauerte 1987, p. 6165. De cornucopiae komt voor bij voorstellingen van matres in Frankrijk (Thevenot 1968, p. 172). 64 Horn 1987, p. 45; Schauerte 1987, p. 76. 65 Zie LIMC V, 1, 1990, p. 262-264, s.v. ‘Herecura’ (G. Bauchhenβ). 66 De drapering en houding van de arm komen overeen met het beeld van een riviergod in de collectie Giustin te Rome. Deze god houdt bovendien een cornucopiae in zijn linker arm (Reinach

1897, p. 429, 6). Fonteinnimfen zijn gekleed in een sluiermantel, die vanaf het onderlijf onder de figuur door omhoog loopt en waarvan het uiteinde vervolgens over de linker onderarm is gedrapeerd en aan de buitenkant over een kruik omlaag hangt (Reinach 1897, p. 436-438). 67 Vergelijk de liggende bronnimf van Kenn (Binsfeld et al. 1988, p. 141-142, nr. 294, Taf. 69). De nimf van Kenn maakte deel uit van een fontein en was voorzien van een opening voor de waterleiding. 68 Riviergoden: zie LIMC IV, 1, 1988, p. 139-148, s.v. ‘Fluvii’ (C. Weiss), spec. 146-148. 69 Kapossy 1969; brongoden: zie LIMC IV, 1, 1988, p. 148-149, s.v. ‘Fons’ (E. Simon).


Romeinse gebeeldhouwde stenen

schrijft?70 Hiervoor zou de karakteristieke vaas kunnen pleiten die we vaak als attribuut tegenkomen van goden die met lokale bronnen worden geassocieerd, maar natuurlijk zijn ze even goed het attribuut van riviergoden71. Dergelijke goden hebben een grote betekenis als natuurlijke geluksbrengers en lokale beschermers. De vormgeving van de plooival met haar verdikkingen en de gedetailleerde uitwerking van de krater verwijzen naar de lokale sculptuur van het laatste kwart van de 2de eeuw en het eerste kwart van de 3de eeuw72. A.10 Reliëffragment met rijke plooival (fig. 2.12) Norroy kalksteen. H. 23 cm; br. 24 cm; d. 15 cm. Op het stukje reliëf van de voorkant na slechts breuk. Tandbeitel- en boorsporen in de contourlijnen van het reliëf. Gevonden in de oostwand van een grafkeldertje (graf 383), dat boven graf 384 uit de periode rond 900 was aangelegd (fase 9).

221

Onderaan is een stukje van de oplopende vlakke bodem van een nis bewaard, erboven zwaar hangende, barok vormgegeven plooien van de kleding van een zittende vrouwenfiguur. Links zien we de plooien van de zoom van een lange tunica, die vanaf de (linker?) knie in U-vorm over het scheenbeen hangt tot op de (verdwenen) wreef van de voet. Rechts ervan zijn soortgelijke plooien bewaard die tegen een verticale lijn aan de rechter kant doodlopen, mogelijk de zijwand van een meubel of nis. Deze plooival lijkt meer op de neerhangende stofbaan van een zware mantel. Het ziet ernaar uit dat dit fragment afkomstig is van het beeld van een tronende godin van een flink formaat73. Het barokke beeldhouwwerk wijst op de eerste helft van de 3de eeuw74. A.11 Aanzetstuk van een hoog reliëf (fig. 2.13) Krijtsteen van Valenciennes. H. 3.7 cm; br. 7 cm; d. 6 cm. In de vlakke achterzijde bevindt zich een pengat van 10 mm doorsnede en 38 mm diepte. Het stuk is gesleten, de dikke teen is afgebroken. De achterkant is geruwd en bedekt met fijne kleefmortel. Gevonden in de vloer van de Ottoonse kerkbouwfase (fase 9, spoor 883). Drie passende fragmenten van de rechter voet van een beeld. Het stuk toont de tenen en het voorste deel van de voet. Maar het laat ook de zool, de dwarsband over de voetbreedte en de met een hartvormig klimop(?)blad versierde verbinding van een teensandaal of solea zien, die tussen de dikke teen (hallux) en de naastgelegen teen (digitus secundus) zit en vandaar over de wreef omhoog naar achteren gaat75. In de achterkant van het fragment zit een pengat voor de bevestiging aan een vrijstaand beeld of een hoog reliëf76. Dergelijke aanzetstukken worden hoogst zelden gevonden. Het steenmateriaal wijkt bovendien af van de in Tongeren gangbare kalksteensoorten. Sandalen komen we in het iconografisch repertoire voornamelijk tegen bij voorstellingen van (vrouwelijke) goden. A.12 Viergodensteen (fig. 2.14)

Fig. 2.12 Tongeren: O.L.V.-basiliek: reliëffragment met rijke plooival: voorkant.

70 Plin., Nat. Hist. XXXI, 12; Byvanck 1931, p. 153-154 (door hem geduid als de bronnen van Spa); Lesenne 1975, p. 75-76. Tekst van Plinius: “Bij de Tungri is een opmerkelijke bron die tintelt met veel waterbelletjes en naar roest smaakt, wat men overigens pas gewaar wordt wanneer men ervan heeft gedronken. Het water reinigt het lichaam en geneest de derdedags koorts en de pijn van nierstenen.” (Lendering 2000). 71 Moitrieux 2010, p. 56-57, nrs. 125-126, pl. 35-36 (Deneuvre, staande brongodinnen met waterkruik); Brulet 2008, p. 158, fig. 209 (Buzenol, stroomgod); Deyts et al. 1998, p. 131, nr. 95 (Javols,

Chémery kalksteen. H. 23.5 cm; br. 30 cm; d. 27 cm. De voorzijde is redelijk goed bewaard, de rechter zijde toont slechts sporen van reliëf, de achterzijde is herkenbaar en de linker zijde is weer flink

Silvain-Sucellus); Thevenot 1968, p. 202 (Allègre, Nymfes des Fumades: triade waarvan de linker een kruik vasthoudt waaruit water stroomt). 72 Vergelijk de plooival van een tronende godin uit Grand (Fr., dép. Vosges) (Moitrieux 2010, p. 251252, nr. 726, pl. 134). Zie ook de plooival van Juno op de hierna besproken viergodensteen A.12. 73 Vergelijk Bieber 1981, fig. 474 (Cybele); Binsfeld et al. 1988, p. 137, nr. 283, Taf. 66 (moedergodinnen); Moitrieux 2010, p. 31-33, nr. 75, pl. 18 (Epona of moedergodin). 74 Vergelijk beelden van tronende godinnen uit Grand (Moitrieux 2010, p. 250-251, nrs. 724-725)

en Naix-aux-Forges (Moitrieux 2010, p. 301-302, nr. 899, pl. 165). 75 Kühnel 1992, p. 238-239 s.v. ‘solea‘; enkele soortgelijke fragmenten van marmeren beelden zijn bekend uit Lyon, zie Darblade-Audoin (2006, p. 69-70, nrs. 199-202, pl. 73). De klimopvormige verbinding komt daar ook tweemaal voor (bij de nummers 199 en 201). 76 Een voetfragment uit Lyon heeft een vierkant verbindingsgat (Darblade-Audoin 2006, p. 70, nr. 202).


222

T. Panhuysen

Fig. 2.13 Tongeren: O.L.V.-basiliek: aanzetstuk van een hoog reliëf: A: schuin van voren; B: van boven; C: van opzij; D: pal van voren; E: schuin van boven achter; F: achterkant.

Fig. 2.14 Tongeren: O.L.V.-basiliek: viergodensteen: A: Juno; B: detail; C: godin; D: Hercules; E: Mercurius.


Romeinse gebeeldhouwde stenen

223

aangetast. De boven- en onderzijde zijn breukvlakken. Alle hoeklijsten zijn afgebroken77.

Ontdekt in de zwarte laag van de gotische kerkbouwfase (12401280) (fase: 10, spoor 1159).

Gevonden in het bouwniveau van de Ottoonse kerkbouw (fase 9, spoor 885).

De vlakke voorzijde draagt een ondiep ingekapte inscriptie:

Op de voorzijde staat Juno in een elegante contraposthouding afgebeeld in chiton en mantel met het rechter been als standbeen en het linker been lichtjes naar voren gebogen. Met de patera in de rechter hand strooit ze wierookkorrels in de vlammen op een altaartje, dat naast haar in perspectief is afgebeeld. Op de rechter zijde zijn kledingresten met verticale plooien van een tunica en een mantel van een godin herkenbaar, waarin we Minerva of Fortuna kunnen herkennen. Op de achterzijde is Hercules afgebeeld, zittend op een rotspartij en steunend op zijn linker hand78. Hercules wordt verder gekenmerkt door een krachtige lichaamsbouw en draagt wellicht een knots in zijn rechter hand. Op de linker zijde zijn resten van een naakte en in contrapost weergegeven staande godheid te zien. Over zijn linker geheven arm ligt een mantel die vanaf de schouder omlaag hangt. Vermoedelijk houdt de figuur een geldbuidel in zijn rechter hand en moet hij als Mercurius worden geduid. De reeks van vier godenreliëfs zou de ‘normale’ reeks goden van viergodenstenen kunnen voorstellen, te weten Juno, Minerva, Hercules en Mercurius. Deze reeks komt slechts zelden voor in Germania inferior79. Datering: tweede helft 2de eeuw. A.13 Wijding aan Dolichenus (fig. 2.15) Chémery kalksteen. H. 61.5 cm; br. 59.5 cm; d. 39.5 cm. H. van de letters op r. 1: 45 mm, r. 2: 40 mm, r. 3 en 4: 30 mm. De voorzijde is fraai uitgevlakt voor het opschrift; recente betonresten zijn verwijderd. De rechter zijde is vlak gebeiteld met onderaan op 3 cm van de voorkant een klein 3 cm diep stelgat. De linker zijde toont voor- en bovenlangs vlakke stroken van anathyrosis. De bovenzijde is gevlakt met achteraan resten van randslag. De onderzijde is vlak80.

IOM DOLICHENO VOLVSIA SABINIA NA PRO SE ET SVIS Groep B: architectuurelementen: onversierde zuilen B.1

Onversierde zuiltrommel (fig. 2.16)

Maastrichter steen. H. 16 cm; doorsnede 30 cm; ondiep dookgat in de bovenzijde: 4.5 x 4.5 x 2.5 cm. Erg verweerd met veel breukvlakken aan de bovenkant. Afkomstig uit een paalkuil van de tweede vroeg-Romeinse houtbouwfase (70-100) (fase 2, spoor 101). Bovenstuk van een gladde zuilschacht. Uitgaande van een verhouding van zeven modulen (een module komt overeen met de zuildoorsnede) stamt het stuk van een zuil van ongeveer 2.10 m hoogte. De vondstomstandigheden dateren de zuiltrommel in de eerste eeuw wat op een vroege monumentalisering van het stadsgebied duidt. Nog opmerkelijker is de vroege toepassing van de regionale steensoort! B.2

Schijf van een zuiltrommel (fig. 2.17)

Norroy kalksteen. H. 14.5 cm; br. 18 cm; d. 6 cm; doorsnede zuil 50 cm. De ronding van de voorzijde is mooi op maat gemaakt met de tandbeitel; de achterzijde is een zaagvlak en de onderzijde is gevlakt met de beitel.

Fig. 2.15 Tongeren: O.L.V.-basiliek: wijding aan Dolichenus.

77 Publicaties: Noelke (mit Beiträgen von T. Panhuysen), 2010/2011, p. 149-374, spec. 208209, afb. 57, p. 351 nr. 322; Ervynck et al. 2014, p. 83. 78 Hercules Epitrapezios wordt opvallend vaak in het repertoire van Maastricht afgebeeld

(Panhuysen 1996, p. 203, p. 366-371, nr. 64-65, afb. 229-236). 79 Waarschijnlijk op de viergodensteen uit Amberloup (B.) (Noelke 1981, p. 492-493, nr. 209). In Germania inferior komt de belangrijkste concen-

tratie van viergodenstenen voor in het gebied van Tongeren en Maastricht (Noelke 1981, p. 289-292; Noelke [mit Beiträgen von T. Panhuysen] 2010/2011, p. 204-210, spec. 208). 80 Zie hoofdstuk 3, p. 243-244.


224

T. Panhuysen

Fig. 2.17 Tongeren: O.L.V.-basiliek: schijf van een zuiltrommel: A: buitenzijde zuilschijf; B: bovenaanzicht zuilschijf.

Fig. 2.16 Tongeren: O.L.V.-basiliek: onversierde zuiltrommel.

Gevonden in een ophogingslaag van de tweede Romeinse houtbouwfase (70-100) (fase 2, spoor 145). De merkwaardige platte schijf lijkt primair en opzettelijk in deze vorm gekapt te zijn en zou van een weinig naar voren springende wandzuil kunnen stammen of als inzetstuk gediend kunnen hebben. Op basis van de ronding kan voor de zuil een doorsnede van 50 cm worden gereconstrueerd, waardoor gerekend moet worden met een zuilhoogte van ongeveer 3.50 m. Het fragment is een aanwijzing voor de vroege monumentalisering van Tongeren. B.3

Fragment van een gladde zuilschacht (fig. 2.18)

Euville kalksteen. H. 20.5 cm; doorsnede 39 cm. De kolom is rondom voor meer dan de helft afgebrokkeld. De onderzijde is een breukvlak. De bovenzijde is mooi gevlakt met de platte beitel met in het midden een 1 cm diepe aanzet voor een dookgat van 4 x 4 cm. Ook langs de buitenkant bevinden zich talrijke bewerkingssporen van de platte beitel. De steen komt uit de brand- en puinlaag van de tweede Romeinse steenbouwfase (150-270) (fase 4, spoor 480). Fragmentarische kolom van een gladde, onversierde zuilschacht. De hoogte van de zuil moet ongeveer 2.70 m zijn geweest. De gebruikte steensoort is niet alledaags. B.4

Fragmentarische zuilkolom (fig. 2.19)

Fig. 2.18 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een gladde zuilschacht.

Groep C: Architectuurelementen: gecanneleerde zuilen C.1

Schilfer van de cannelure van een zuil (fig. 2.20)

Norroy kalksteen. H. 9.5 cm; br. 9.5 cm; d. 3 cm. Behalve het stukje van de geprofi leerde buitenkant van de zuil zijn er alleen breuken.

Maastrichter steen. H. 30 cm; doorsnede 39 cm. In slechte staat, rood verbrand. Dookgat in bovenzijde 10 x 6 x 12 cm.

Uit een verbouwing van een kelder uit de eerste Romeinse steenbouwfase (100-150) (fase 3, spoor 245).

Sitevondst.

Fragment van een verticaal, 1.5 cm breed, plat scheidingslijstje en de aansluitende gevulde groef (rudenture) van een gecanneleerde zuil.

Brokstuk van een verbrande gladde zuilkolom.


Romeinse gebeeldhouwde stenen

225

Fig. 2.19 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragmentarische zuilkolom.

Fig. 2.21 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een (half)zuil met cannelures.

Op een zijde rest links onderaan nog een tweetal vierkante decimeters van de buitenkant van de gecanneleerde zuil met 28 mm brede scheidingslijsten en 45 mm brede met stafwerk gevulde groeven. Afkomstig van een ongeveer 2.80 m hoge zuil of halfzuil. C.3

Halve zuiltrommel (fig. 2.22)

Norroy kalksteen. H. 25 cm; br. 52 cm; d. 26 cm; doorsnede zuil 52 cm. De buitenkant van de zuil is aan een zijde mooi bewaard. De onderkant is mooi gevlakt met de beitel en bedekt met groene mortel. Boven en achter breukvlakken. Fig. 2.20 Tongeren: O.L.V.-basiliek: schilfer van de cannelure van een zuil.

C.2

Fragment van een (half)zuil met cannelures (fig. 2.21)

Chémery kalksteen. H. 45 cm; br. 34 cm; d. 28 cm; diameter zuil: ca. 40 cm. Op de voorzijde is een klein fragment van het zuilprofiel bewaard, verder helemaal afgebrokkeld en vol cement; de breukkanten zitten eveneens vol cement en baksteengruis. Afkomstig uit de fundering van een vroegmiddeleeuws gebouw ten zuiden van de Merovingische kerk (fase 6, spoor 785).

Was als spolium verwerkt in de tweede koormuur van de Merovingische kerk (fase 6, spoor 708). Een halve zuiltrommel van een zuilschacht met gevulde cannelures. De verticale scheidingslijsten zijn gemiddeld 3 cm breed, de concave groeven zijn gemiddeld 5 cm breed en opgevuld met stafwerk (rudenture). Het fragment stamt van een ongeveer 3.65 m hoge zuil. C.4

Fragment van een gecanneleerde zuil (fig. 2.23)

Chémery kalksteen. H. 8.7 cm; br. 5 cm; d. 7.5 cm. Mooi fragmentje.


226

T. Panhuysen

Fig. 2.22 Tongeren: O.L.V.-basiliek: halve zuiltrommel met cannelures.

Gevonden in een Karolingische ovenstructuur (fase 7, spoor 801). Een plat lijstje en de convexe vorm van stafwerk in een cannelure. Breukstuk van een gecanneleerde zuil. C.5

Fragment van een gecanneleerde zuil (fig. 2.24)

Fig. 2.23 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een gecanneleerde zuil.

Norroy kalksteen. H. 19 cm; br. 24.5 cm; d. 6 cm. Zuildoorsnede ca. 39 cm. Goed bewaarde voorkant en een stukje van de vlakke onderzijde, verder breuk. Gevonden in de vloer van de Ottoonse kerkbouwfase (fase 9, spoor 883). Van de gegroefde zuil resteert een stuk van de buitenkant met vier verticale platte scheidingslijstjes van 2 cm breedte en vier met stafwerk gevulde groeven van 4 tot 4.5 cm breedte. C.6

Schilfer van een zuil met cannelures (fig. 2.25)

Chémery kalksteen. H. 18 cm; br. 15 cm; d. 4 cm. Een zijde bezit een fragment met goed bewaarde versiering. Afkomstig uit het bouwniveau van de Ottoonse kerkbouw (fase 9, spoor 885). Het fragment toont een met stafwerk gevulde groef van 47 mm breedte tussen twee hoekige scheidende lijstjes van 34 mm en het begin van volgende gevulde groeven. C.7

Fragment van een (half)zuil met cannelures (fig. 2.26)

Norroy kalksteen. H. 19.5 cm; br. 18.5 cm; d. 7.5 cm; doorsnede zuil 39 cm. Op de voorzijde bevindt zich het bouwornament; daar zijn tandbeitelsporen bewaard en zit aanklevende mortel; alle overige zijden zijn breukkanten.

Fig. 2.24 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een gecanneleerde zuil.

Sitevondst. Op de voorzijde zijn stukjes van drie verticale cannelures tussen smalle platte lijsten bewaard, die gevuld zijn met convex stafwerk (rudenture). De concave cannelures zijn gemiddeld 38 mm


Romeinse gebeeldhouwde stenen

breed en de scheidende lijsten zijn ongeveer 20 mm breed. De diameter van de zuil kan berekend worden op 36 cm, zodat we mogen uitgaan van een zuilhoogte van ongeveer 2.52 m.

C.8

227

Fragment van een gecanneleerde pilaster (fig. 2.27)

Chémery kalksteen. H. 14 cm; br. 10 cm; d. 10 cm. Gaaf aan de voorkant, verder breuken. Gevonden in de zwarte laag van de gotische kerkbouwfase (fase 10, spoor 1159). Het fragment toont de rondlijst of astragaal (4.5 cm hoog) die de vlakke pilaster bovenaan beëindigt en de lysis (hangende halvemaan) boven het stafwerk (vulling) van een concave cannelure (4.5 cm breed)81.

Fig. 2.25 Tongeren: O.L.V.-basiliek: schilfer van een zuil met cannelures.

Fig. 2.27 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een gecanneleerde pilaster.

Fig. 2.26 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een (half)zuil met cannelures.

81 Vergelijk een kapiteel uit La Madeleine bij de Titelberg (Lux.) (Espérandieu 1913, p. 540, nr. 4208).


228

T. Panhuysen

Groep D: architectuurelementen: basementen D.1

Fragment van een Attische zuilbasis (fig. 2.28)

Norroy kalksteen. Maten: niet bekend. Een kant is goed bewaard, verder breukkanten.

Fragment van het halfronde profiel van een torus met een horizontale groef in het hart. Aan de boven- en onderzijde wordt de torus afgesloten door een plat lijstje en bovenlangs is de aanzet van een holprofiel te zien, de aanloop naar de zuilschacht. D.3

Fragment van een zuilbasis

Uit een ophogingslaag van de eerste Romeinse steenbouwfase (100-150) (fase 3, spoor 380).

Norroy kalksteen. H. 8 cm; br. 10 cm; d. 16 cm. H. van de torus 6 cm. Fragmentair stuk.

Het rond gebogen fragment stamt van de bovenste torus (kussen) van 3 cm hoogte van een Attische zuilbasis (opgebouwd uit een dubbele torus, gescheiden door een holle lijst of trochilos). De torus heeft een ingekerfde horizontale dwarsgroef in het midden. Boven de torus is een recht lijstje te zien onder de holle aanloop naar de verticale zuil.

Gevonden in de laat-Romeinse, vroegmiddeleeuwse zwarte laag (fase 8, spoor: 832).

D.2

Brok steen met half gebogen zijde, vermoedelijk afgebroken van de torus van een geprofi leerde zuilbasis. D.4

Fragment van een Attische zuilbasis (fig. 2.29)

Avendersteen (krijtsteen met glauconiet). H. 16 cm; br. 7 cm; d. 5.5 cm. Verweerde buitenkant, verder breuk. Uit de brand- en puinlaag van de tweede Romeinse steenbouwfase (150-270) (fase 4, spoor 480).

Fragment van een Attische zuilbasis (fig. 2.30)

Chémery kalksteen. H. 8.5 cm; br. 6 cm; d. 4.5 cm. Goed bewaarde buitenkant, verder breukkanten. Gevonden in de zwarte laag van de gotische kerkbouwfase (fase 10, spoor 1159). Fragment uit de ronding van de onderste, 5 cm hoge torus van een Attische zuilbasis met een hoekig lijstje erboven op de overgang naar de holle trochilus die de overgang naar de bovenste torus vormt. D.5

Fragment van een Attische zuilbasis (fig. 2.31)

Jurakalksteen. H. 22.5 cm; br. 36 cm; d. 44 cm; doorsnede zuil: maximaal 60 cm. Aan een kant is de profi lering van de zuilbasis redelijk goed herkenbaar, maar de plint is afgekapt, zoals vrijwel alle andere kanten van het stuk. Op de onderzijde zitten mortelresten. Sitevondst. 10 cm

Fig. 2.28 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een Attische zuilbasis: A: zuilbasis; B: doorsnede.

Fig. 2.29 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een Attische zuilbasis.

Fig. 2.30 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een Attische zuilbasis.


Romeinse gebeeldhouwde stenen

229

Aan een kant is de onderste 7 cm hoge torus inferior (rondstaaf profiel) van een Attische zuilbasis (dubbele torus, gescheiden door een holle lijst of trochilos) te zien en eronder de 14.5 cm hoge plint. De bovenkant van de torus is enigszins uitgehold. De zuil die bij dit basement hoorde moet meer dan 4 meter hoog zijn geweest. Groep E: architectuurlementen: Toscaanse zuilen E.1

Toscaans kapiteel (fig. 2.32)

Chémery kalksteen. H. 23 cm; br. 34 cm; doorsnede 28 cm (onder) en 33 cm (bovenste ring). Het bovenste lijstwerk is voor driekwart bewaard en onder de rondlijst is de rand van de zuil gedeeltelijk afgebrokkeld. De bovenkant is iets uitgehold; de onderzijde is vlak en verweerd met een dookgat van 4.5 x 4.5 x 1.8 cm in het midden. Afkomstig uit een ophogingslaag van de eerste Romeinse steenbouwfase (100-150) (fase 3, spoor: 267). De complete opbouw van een Toscaans kapiteel is bewaard82. Van beneden naar boven zien we de gladde zuil (4.5 cm), een halsring die bestaat uit een kwarthol (apophysis) en een rondlijst (astragaal), en dan weer de gladde hals van de zuil (4.4 cm)83. Daarboven volgt het eigenlijke kapiteel, bestaande uit een hielojief (3.3 cm) en een plat lijstje (1.3 cm), nog een rondlijst (1 cm) en een kwarthol (2 cm). De 4.5 cm hoge abacus of dekplaat is aan alle zijden afgebroken, zodat we niet weten of hij vierkant of rond is geweest. De opbouw van het kapiteel volgt Groep VI van de indeling die Schäfer heeft opgesteld voor de Toscaanse kapitelen van Keulen, dat wil zeggen dat onder de abacus twee golvende profielen volgen die door twee lijstjes van elkaar worden gescheiden84. Gemeten naar de doorsnede van de resterende zuilschacht moet de zuil ongeveer 1.96 m hoog zijn geweest. E.2

Voet van een Toscaanse zuil met geprofileerde basis (fig. 2.33)

Chémery kalksteen. H. 25.4 cm; doorsnede zuil 29.4 cm; doorsnede basis 37.5 cm. Grotendeels in goede staat. De bovenkant toont zaagsporen en een niet uitgekapt dookgat (4 x 4 cm). De onderkant is voor driekwart bewaard en vertoont een 5 mm verhoogd centraal vlak met in het midden een diep dookgat (4.5 x 4.5 x 4.3 cm)85.

10 cm

Fig. 2.31 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een Attische zuilbasis: A: zuilbasis; B: doorsnede.

82 Ginouvès & Martin 1992, pl. 43. 83 Vanwege dit element ook wel ‘halsringkapiteel’ genoemd (Paul 1994, p. 147-273, spec. 197).

De zuilbasis komt uit een keldermuur van de tweede Romeinse steenbouwfase (150-270) (fase 4, spoor 476). De zuilkolom is glad. De profielen van de basis zijn aan twee kanten helemaal afgekapt en aan een kant gedeeltelijk, maar zijn verder compleet aanwezig. Onderaan zakt de 5 cm hoge torus 4 cm lensvormig uit, wordt dan gevolgd door een heel smalle trochilos of hollijst, waarboven een tweede 2 cm dikke torus volgt. Daarboven gaat het profiel via een 1.5 cm brede aanloop (kwarthol) over in de zuilschacht.

84 Schäfer 1999, p. 689-702, spec. 691, Abb. 6. 85 Schäfer 1999, p. 692-693, Abb. 7, vii-6 vermeldt een ‘Ausgleichsschicht‘ aan de bovenkant van

menig kapiteel, dat ervoor diende om de zuilenstelling goed te kunnen nivelleren door er laagjes vanaf te kappen.


230

T. Panhuysen

Fig. 2.32 Tongeren: O.L.V.basiliek: Toscaans kapiteel: A: kapiteel; B: onderzijde met dookgat; C: doorsnede.

10 cm

E.3

Fragmenten van een Toscaans kapiteel (fig. 2.34)

Chémery kalksteen. H. x br. x d.: a) 10 x 17 x 15 cm; b) 8 x 13 x 6 cm; c) 9 x 9 x 10 cm; doorsnede abacus 56 cm; bij onderste profielring (plat lijstje) 49 cm. De bewaarde stukken van de kapiteelprofi lering zijn in goede staat, verder breuk. De fragmenten komen uit de uitbraak van een monument van de tweede Romeinse steenbouwfase (150-270) (fase 4, spoor 606).

E.4

Chémery kalksteen. H. 8.5 cm; br. 7.5 cm; d. 8 cm. Profiel in goede staat. Afkomstig uit de uitbraak van een monument van de tweede Romeinse steenbouwfase (150-270) (fase 4, spoor 606). Fragment van hetzelfde Toscaanse kapiteel als het voorgaande nummer.

De diverse in het platte vlak gebogen fragmenten maken deel uit van de bovenste ronding van een Toscaans kapiteel86. Het profiel toont van boven naar beneden een rechte kant (abacus), een klein hol, een groot ojief (doucine droite), een vierkant lijstje en het begin van een halve hollijst. Het kapiteel lijkt de Keulse Groep VII van de indeling van Schäfer te volgen, die gekenmerkt wordt door een dubbele afwisseling van lijstje en golvend profiel87.

86 Ginouvès & Martin 1992, pl. 43,7.

Fragment van Toscaans kapiteel

87 Schäfer 1999, p. 691 en Abb. 7.


Romeinse gebeeldhouwde stenen

231

Fig. 2.33 Tongeren: O.L.V.basiliek: voet van een Toscaanse zuil met geprofi leerde basis: A zuil en basis; B: zuil en basis; C: doorsnede.

10 cm

10 cm

Fig. 2.34 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragmenten van een Toscaans kapiteel: A: Toscaans kapiteel; B: Toscaans profiel; C: doorsnede.


232

T. Panhuysen

Groep F: architectuurelementen: kapitelen

F.2

F.1

Chémery kalksteen. H. 7 cm; br. 8 cm; d. 5 cm. Mooi bewaard fragment.

Fragment van een korinthiserend kapiteel (fig. 2.35)

Fragment van een korinthiserend kapiteel (fig. 2.36)

Chémery kalksteen. H. 7.2 cm; br. 11.6 cm; d. 5.5 cm. Zeer afgesleten brokstuk.

Gevonden in een Karolingische ovenstructuur (fase 7, spoor 801).

Gevonden in een Karolingische ovenstructuur (fase 7, spoor 801).

Het fragment met een mooi zichtbare bladnerf is afgebroken van de omkrullende top van een acanthusblad. De splinter hoort vermoedelijk in de onderste rij kransbladeren van een Rijnlands kapiteel (vergelijk nr. F.1)89.

Het fragment is de omgeslagen top van een acanthusblad van een van de bladkransen van een korinthiserend kapiteel88.

Fig. 2.35 Tongeren: O.L.V.basiliek: fragment van een korinthiserend kapiteel: A: van voren; B: van opzij.

Fig. 2.36 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een korinthiserend kapiteel: omgekrulde bladtop.

88 Vergelijk Kähler 1939, p. 36, Abb. 8 (top van onderste bladkrans).

89 Zie vorige noot.


Romeinse gebeeldhouwde stenen

F.3

Fragment van een kapiteel (fig. 2.37)

Norroy kalksteen. H. 17 cm; br. 10 cm; d. 7.5 cm. Afgebroken splinter van een kapiteel met reliëfresten en tandbeitelsporen. Gevonden in de laat-Romeinse of vroegmiddeleeuwse zwarte laag (fase 8, spoor 832). De voorkant met reliëfsporen is gebogen en toont een contourlijn die aan een vegetale vorm herinnert. Vanwege het concave verloop van de buitenkant kan aan een kapiteel worden gedacht. Het zou dan om de aanzet van een acanthusblad van de tweede bladkrans tegen de kalathos (de emmervormige kern) van een korinthiserend kapiteel kunnen gaan. Een alternatieve mogelijkheid is een ojief van een Toscaans kapiteel met bladversiering90.

233

Groep G: architectuurelementen: profielen G.1

Fragment van een kornis (fig. 2.38)

Chémery kalksteen. H. 20 cm; br. 19.5 cm; d. 11 cm; uitstek: 15 cm. Het stuk is vrij gaaf bewaard, vooral de zijde met het profiel. De bovenkant is afgebroken, verder zijn de voegvlakken, die links, rechts, onder en achter aansluiting geven, mooi gevlakt en vertonen nog sporen van bewerking. Uit een kuil van de tweede Romeinse houtbouwfase (70-100) (fase 2, spoor 96). Geprofileerde kornislijst met van onderen naar boven een cyma reversa (verkeerd ojief, talon droit), een recht lijstje, een afgerond (recht) lijstje (listel), een uitstekende platte lijst (bandeau), een inspringende cyma reversa (talon droit), een klein recht lijstje en een bredere platte lijst. Het profiel springt van onderen naar boven 15 cm uit en moet tot een kornis- of kroonlijst behoord hebben. Vanwege de vondstcontext moet een 1ste-eeuwse datering worden aangehouden. G.2

Fragment van een profiel (fig. 2.39)

Norroy kalksteen. H. 11 cm; br. 8 cm; d. 11 cm. De voor- en de rechterzijde zijn gaaf. Voor het overige breukkanten. Gevonden in de laat-Romeinse, vroegmiddeleeuwse zwarte laag (fase 8, spoor 832). Fragment van een geprofileerde lijst. De profilering bestaat van boven naar onderen uit een concave lijst, een rechte lijst en een klokojief (doucine renversé). G. 3

Fragment van een kroonlijst (fig. 2.40)

Norroy kalksteen. H. 9.5 cm; br. 39 cm; d. 23 cm. Het stuk toont vooral breuk, behalve het fijn gebeeldhouwde fragment van de voorzijde, een stukje van de gevlakte onderzijde en de anathyrosis op de rechter zijde. Gevonden in de laat-Romeinse, vroegmiddeleeuwse zwarte laag (fase 8, spoor 832). Fragment van een uitkragend profiel, opgebouwd uit een grondplaat, een vierkantlijstje (3 x 3 cm), een kleiner vierkantlijstje (1.5 x 1.5 cm) en de aanzet van een kymation of een kwartrond. Op de bolling zijn resten van een versieringsmotief bewaard, maar het is niet duidelijk of dit vegetaal is (Lesbisch kyma) of een eierlijst (kwartrond).

Fig. 2.37 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een kapiteel: fragment met bladversiering.

90 Vergelijk Ginouvès & Martin 1992, pl. 43, 6.


234

T. Panhuysen

Fig. 2.38 Tongeren: O.L.V.basiliek: fragment van een kornis: A: van onderop; B: zijkant; C: doorsnede profiel.

10 cm

Fig. 2.39 Tongeren: O.L.V.basiliek: fragment van een profiel: A: profiel; B: doorsnede.

10 cm


Romeinse gebeeldhouwde stenen

235

10 cm

Fig. 2.40 Tongeren: O.L.V.-basiliek: fragment van een kroonlijst: A: van onderop; B: detail; C: doorsnede.

G. 4

Fragment van een geprofileerde kornislijst (fig. 2.41)

Norroy kalksteen. H. 19 cm; br. 24 cm; d. 11 cm; uitstek: minimaal 16 cm. Op de voorzijde zijn resten van beitelsporen en reliëf bewaard. Verdere breukkanten met resten van modern beton, baksteen en vuursteen.

Uit de noordelijke buitenmuur van de tweede Merovingische kerk (745-770) (fase 6, spoor 736). Fragment van een geprofi leerde kornislijst met van onderen naar boven een uitkragend golvend ojief (cyma reversa), een vierkante lijst en een steil klokojief (cyma recta).

Fig. 2.41 Tongeren: O.L.V.basiliek: fragment van een geprofi leerde kornislijst: A: van onderop; B: doorsnede.

10 cm


236

T. Panhuysen

G.5

Element van een architraaf (fig. 2.42)

Norroy kalksteen. H. 60 cm; br. 56 cm; d. 68 cm. Het lijstwerk op de voorkant is fl ink beschadigd, vooral boven de fasciae. De rechter zijde heeft anathyrosis. Voor het overige grof gevlakt. Uit de fundering van de Karolingische kerkbouw (fase 7, spoor 817). Blok van een kolossale architraaf met drie uitspringende fasciae, die elk 14 cm hoog zijn. Het fragmentarisch bewaarde kymation erboven meet 18 cm en toont nog slechts de rest van de onderste holle golving van een dubbel gebogen hielojief (cyma reversa). Bij deze architraaf hoort een zuil van maximaal 25 Romeinse voet (7.50 m) en een doorsnede aan de basis van 80 tot 90 cm.

G.6

Geprofileerde lijst (fig. 2.43)

Norroy kalksteen. H. 18.5 cm; br. 18.5 cm; d. 18 cm. Op de voor-, boven- en onderzijde zitten mortelresten en brandsporen. De profi lering is aangetast, maar op enkele plekken rest nog iets van een kalklaag. Rechts en achter afgebroken. Gevonden in de vloer van de Ottoonse kerkbouw (fase 9, spoor 883). Het profiel is opgebouwd uit twee opeenvolgende kleine ojiefprofielen en een derde wat groter hielojief; dan volgen een vierkantlijstje, een diepe vierkante sleuf en een brede platte lijst. De oorspronkelijke plaatsing is onduidelijk, wellicht is het stuk afkomstig uit een deuromlijsting.

Fig. 2.42 Tongeren: O.L.V.basiliek: element van een architraaf: A: architraaf met fasciae; B: rechterzijde met anathyrosis.

10 cm

Fig. 2.43 Tongeren: O.L.V.-basiliek: geprofi leerde lijst: A: schuin van voren; B: gevlakte zijkant; C: doorsnede.


Romeinse gebeeldhouwde stenen

Afkortingen LIMC = Lexicon Iconographicum Mythologiae Classicae. Plin., Nat. Hist. = Serbat G. (ed. trad. com.) 1972: Pline l’Ancien. Histoire naturelle. Livre XXXI (remèdes tirés des eaux), Collection des Universités de France. Série Latine 207, Paris. Bibliografie Bauchhenβ G. 1978: Germania inferior, Bonn und Umgebung. Militärische Grabdenkmäler, Corpus Signorum Imperii Romani. Deutschland III (1), Bonn. Bauchhenβ G. 1984: Denkmäler des Iuppiterkultes aus Mainz und Umgebung, Corpus Signorum Imperii Romani. Deutschland II (3), Mainz. Bauchhenβ G. & Neumann G. (red.) 1987: Matronen und verwandte Gottheiten. Ergebnisse eines Kolloquiums, Beihefte der Bonner Jahrbücher 44, Köln. Bieber M. 1981: The sculpture of the Hellenistic age, New York. Binsfeld W., Goethert-Polaschek K. & Schwinden L. 1988: Katalog der römischen Steindenkmäler des Rheinischen Landesmuseums Trier. 1. Götter- und Weihedenkmäler, Corpus Signorum Imperii Romani. Deutschland IV (3), Mainz. Böhme-Schönberger A. 1997: Kleidung und Schmuck in Rom und den Provinzen, Schriften des Limesmuseums Aalen 50, Stuttgart. Boppert W. 1992: Militärische Grabdenkmäler aus Mainz und Umgebung, Corpus Signorum Imperii Romani. Deutschland II (5), Mainz. Brulet R. 2008: Les Romains en Wallonie, Bruxelles. Byvanck A.W. 1931: Excerpta Romana I, ’s-Gravenhage. Darblade-Audoin M.-P. 2006: Lyon, Nouvel Espérandieu II, Paris. Deyts S. 1976: Sculptures gallo-romaines mythologiques et religieuses. Inventaire des Collections Publiques Françaises 20. Dijon, Musée Archéologique, Paris. Deyts S., Goudineau Chr. & Coulon G. 1998: A la rencontre des dieux gaulois: un défi à César. Exposition, Dijon. Ervynck A., Vandevorst K. & Oomen E. 2014: De Onze-Lieve-Vrouwbasiliek van Tongeren, een ontzettend lang verleden, Leuven. Espérandieu E. 1913: Recueil général des bas-reliefs, statues et bustes de la Gaule romaine V, Paris. Espérandieu E. 1925: Recueil général des bas-reliefs, statues et bustes de la Gaule romaine IX, Paris. Espérandieu E. 1928: Recueil général des bas-reliefs, statues et bustes de la Gaule romaine X, Paris. Espérandieu E. 1938: Recueil général des bas-reliefs, statues et bustes de la Gaule romaine XI, Paris. Espérandieu E. & Lantier r. 1955: Recueil général des bas-reliefs, statues et bustes de la Gaule romaine XIV, Paris. Frenz H. 1992: Denkmäler römischen Götterkultes aus Mainz und Umgebung, Corpus Signorum Imperii Romani. Deutschland II (4), Mainz.

237


238

T. Panhuysen

Ginouvès R. & Martin R. 1992: Dictionaire méthodique de l’architecture grecque et romaine II, Rome. Horn H.G. 1987: Bilddenkmäler des Matronenkultes im Ubiergebiet. In: Bauchhenβ G. & Neumann G. (red.), Matronen und verwandte Gottheiten. Ergebnisse eines Kolloquiums, Beihefte der Bonner Jahrbücher 44, Köln, 31-54. Kähler H. 1939: Die römischen Kapitelle des Rheingebietes, Römisch-Germanische Forschungen 13, Berlin. Kapossy B. 1969: Brunnenfiguren der hellenistischen und römischen Zeit, Proefschrift Universiteit Bern 1962, Zürich. Kühnel H. 1992: Bildwörterbuch der Kleidung und Rüstung, Stuttgart. Lendering J. 2000: De randen van de aarde. De Romeinen tussen Schelde en Eems, Amsterdam. Lesenne M. 1975: Bibliografisch repertorium van de oudheidkundige overblijfselen te Tongeren, Oudheidkundige Repertoria. Reeks A: Bibliografische Repertoria X, Brussel. Mattern M. 1999: Die römischen Steindenkmäler des Stadtgebietes von Wiesbaden und der Limesstrecke zwischen Marienfels und Zugmantel, Corpus Signorum Imperii Romani. Deutschland II (11), Mainz. Moitrieux G. 2000: Réflexions sur les modèles et leur diffusion dans le Nord-Est des Gaules à partir de l’étude de deux sculptures d’Hercule (Toul et Verdun). In: Walter H. (ed.), La sculpture d’époque romaine dans le Nord, dans l’Est des Gaules et dans les regions avoisinantes. Acquis et problématiques actuelles, Annales Littéraires de l’Université de Besançon 694, Besançon. Moitrieux G. 2010: Toul et la Cité des Leuques, Nouvel Espérandieu III, Paris. Niemeyer H.G. 1968: Studien zur statuarischen Darstellungen der römischen Kaiser, Monumenta Artis Romanae 7, Berlin. Noelke P. 1981: Die Iupitersäulen und -pfeiler in der römischen Provinz Germania inferior. In: Bauchhenβ G. & Noelke P. (red.), Die Iupitersäulen in den germanischen Provinzen, Beihefte der Bonner Jahrbücher 41, Köln & Bonn, 267-515. Noelke P. (mit Beiträgen von T. Panhuysen) 2010/2011: Neufunde von Jupitersäulen und -pfeilern in der Germania inferior seit 1980, Bonner Jahrbücher 210/211, 149-374. Panhuysen T.A.S.M. 1996: Romeins Maastricht en zijn beelden, Corpus Signorum Imperii Romani. Corpus van de Romeinse Beeldhouwkunst. Nederland - Germania Inferior - Maastricht, Maastricht & Assen. Panhuysen T.A.S.M. 2009: Kalkstenen beeldengroep. In: Borgers K., Steenhoudt M. & Van de Velde E. 2009: Tweede en derde fase van het archeologisch onderzoek ‘Anicius’ aan de ElfdeNovemberwal te Tongeren, Leuven, 34-35. Paul A. 1994: Toskanische Kapitelle aus Trier und Umgebung, Trierer Zeitschrift 57, 147-273. Reinach S. 1897: Répertoire de la statuaire grecque et romaine I, Paris. Schäfer A. 1999: Die tuskanischen Kapitelle des römischen Köln, Kölner Jahrbuch 32, 689-702. Schauerte G. 1985: Terrakotten mütterlicher Gottheiten. Formen und Werkstätten rheinischer und gallischer Tonstatuetten der römischen Kaiserzeit, Beihefte der Bonner Jahrbücher 45, Köln. Schauerte G. 1987: Darstellungen mütterlicher Gottheiten in den römischen Nordwestprovinzen. In: Bauchhenβ G. & Neumann G. (red.): Matronen und verwandte Gottheiten. Ergebnisse eines Kolloquiums, Beihefte der Bonner Jahrbücher 44, Köln, 55-102.


Romeinse gebeeldhouwde stenen

Schoppa H. 1959: Römische Götterdenkmäler in Köln, Köln. Schleiermacher w. 1933: Studien an Göttertypender römischen Rheinprovinzen, Berichte der Römisch-Germanischen Kommission 23, 109-143. Thevenot E. 1951: Le culte des déesses-mères à la station gallo-romaine des Bolards (Nuits-SaintGeorges, Côte-d’Or), Revue Archéologique de l’Est et du Centre-Est 2, 7-26. Thevenot E. 1968: Divinités et sanctuaires de la Gaule, Paris. Wild J.P. 1968: Clothing in the North-West Provinces of the Roman Empire, Bonner Jahrbücher 168, 166-240.

239


240


Deux inscriptions latines de la basilique Notre-Dame de Tongres

3

241

Deux inscriptions latines de la basilique Notre-Dame de Tongres

Marie-Thérèse Raepsaet-Charlier (ULB)

3.1 Fragment d’une stèle funéraire (fig. 3.1) Le fragment d’inscription latine antique a été mis au jour lors des travaux de fouilles et de restauration dans la Basilique NotreDame de Tongres, encastré en remploi dans le bas du mur du porche, à l’entrée à droite derrière le portail principal. Elle est insérée à l’envers, le bord gauche du bloc étant légèrement encastré dans l’angle du mur moderne.

Texte M. SVILLIO / [--Pour M(arcus) Suillius [--Datation: sans doute deuxième moitié du 1er siècle / première moitié du 2ème (voir infra).

Les dimensions de la pierre (grès quartzitique houiller gris-foncé provenant de la vallée de la Meuse) visibles actuellement sont 95 x 23 cm, l’épaisseur étant inconnue et la largeur sans doute en réalité de 2/3 cm supérieure. A l’occasion des travaux le dallage a été retiré, ce qui a permis de voir qu’une moulure d’environ 5 cm délimitait le champ épigraphique, clairement conservée en haut et à gauche, ce qui confirme que nous avons affaire à la première ligne du texte. Il est probable que le léger relief apparent à l’encastrement corresponde au départ de la moulure qui devait entourer le texte à gauche. Le bloc se prolonge de 20 cm sous le dallage ce qui donne une dimension visible au moment des travaux de 95 x 40/45 cm environ.

L’interprétation du fragment pose des problèmes. Il s’agit sans doute de la partie supérieure du champ épigraphique d’une stèle funéraire, dont le texte était encadré d’une moulure ce qui n’a rien d’inhabituel. Il n’est pas exclu, mais impossible à préciser, si l’inscription a constitué la partie inférieure inscrite d’une stèle présentant dans sa partie supérieure soit un relief représentant le défunt, soit un fronton triangulaire décoré par exemple d’une rosace, fronton qui pourrait avoir été placé au-dessus d’un bandeau lisse de 10/15 cm. Il n’est pas possible de déterminer si la zone apparamment lisse sous la moulure et le dallage était lisse à l’origine ou lissée par bûchage soigné d’un relief peu profond. On constatera que la taille du bloc pour le remploi a été particulièrement nette et respectueuse du texte1.

Les lettres sont hautes de 12,5 à 14 cm d’un gabarit relativement étroit:

Ces stèles correspondent avec des nuances à des monuments du 1er siècle2.

O large de 11 pour une hauteur de 14; M large de 12 pour une hauteur de 13.

Il semble moins probable qu’il s’agisse d’un fragment d’autel funéraire qui aurait nécessité la découpe soignée d’une pierre de beaucoup plus forte épaisseur pour obtenir un bloc de remploi3. Par contre on ne peut exclure que ce bloc soit une partie d’un monument construit, comme dans les monuments de Neumagen ou l’inscription des Sicinii de Namur, quoique dans ce cas il soit probable que, sur un bloc plus long, le nom fût écrit en toutes lettres dans ses trois éléments à la première ligne (comme dans le monument des Cassii de Mayence Mainz 55). Plusieurs schémas de reconstitution sont possibles mais tous aléatoires dans la

La présence d’un point de séparation entre le M et le S, probable, n’est pas absolument assurée, car il ne s’agit pas d’un signe triangulaire soigné. Le point creux au milieu du O doit être un accident car la lettre n’est pas exactement circulaire et il ne peut donc s’agir de la trace d’un compas. Inédit; autopsie du bloc après repose du dallage.

1 On peut songer à un modèle Bonn 1; Bonn 6; Mainz 24; Mainz 27; Mainz 39; Mainz 87; Mainz Zivil 13; Mainz Zivil 30; Mainz Zivil 51.

2 Boppert 1992a, p. 34-46, avec des critères militaires déterminants. 3 Scholz 2012, Nr. 2061.


242

M.-Th. Raepsaet-Charlier

Fig. 3.1 Tongres: basilique Notre-Dame: fragment d’une stèle funéraire.

mesure où nous ne connaissons ni la hauteur exacte conservée dans le blocage du mur, ni l’épaisseur. La rédaction du nom elle-même n’est pas d’une interprétation simple: la présence des moulures et le bandeau apparemment lisse au-dessus paraissent exclure la mention des Dieux mânes (Dis Manibus) qui aurait dû se trouver gravée sur une ligne supérieure, ou en deux lettres séparées à gauche (D) et à droite (M) de la première ligne inscrite. Cette absence, qui serait l’indice d’une datation haute, est rare avec une désignation du défunt au datif. Le plus souvent les stèles sans DM sont rédigées au nominatif avec une formule en fin de texte du type H(ic) S(itus) E(st). La présence du prénom pourrait aussi être jugée un indice de date haute, ce à quoi la paléographie très peu fiable dans nos régions ne s’oppose pas. Une autre solution serait de se fonder sur le datif et de penser que la moulure supérieure encadrait le texte d’un autel funéraire plus tardif. La formule DM aurait été gravée sur le listel, entre la partie supérieure constituée des pulvini et du focus4, et le texte lui-même, mais le bloc tel qu’il se présente ne conforte pas cette interprétation. Le datif peut faire également penser à l’hypothèse que le bloc soit la partie supérieure retaillée d’une base de piédestal honorifique, mais ce type d’inscription est très rare dans nos régions (aucune explicite dans les ILB) et poserait le même problème de débitage du bloc que pour un autel funéraire. Dans ces conditions, il nous paraît que la meilleure interprétation est celle d’une stèle funéraire, éventuellement avec fronton

4 Cf. Mainz Zivil 90. 5 Citons AE 1977, 569; 2001, 1515; CIL XIII, 7776; 8055; 8519 = IKöln2 360; 12045; 12061 = IKöln2 377; Finke 1927, Nr. 216; Nesselhauf & Lieb 1959, Nr. 173 = AE 1941, 108; sans oublier le grand monument de Poblicius à Cologne (AE 1979, 412 = IKöln2 311).

6 7 8 9 10 11 12

retaillé, datant de la deuxième moitié du 1er siècle de notre ère (ou du début du 2ème), avant la diffusion courante de la formule Dis Manibus. Des exemples explicites au datif peuvent être allégués dans la province et les régions rhénanes, même si cela ne correspond pas à la rédaction la plus répandue5. Le défunt est un citoyen romain, doté des tria nomina, dont le cognomen est perdu. Les Tongres ayant acquis la citoyenneté romaine au 1er siècle ne devaient pas être très nombreux en dehors des processus militaires qui donnent des gentilices impériaux. On rapprochera donc cette inscription du monument funéraire des Sicinii de Namur6 dont les caractéristiques sont un peu différentes: onomastique probablement régionale, datation plus sûre, forme différente du tombeau sans doute monumental et écriture un peu différente. Le gentilice Suillius est un nom italien plutôt rare, en dehors de sa diffusion dans les dates consulaires en raison de la famille sénatoriale de ce nom. A Rome on connaît 4 emplois7. Quelques occurrences en Italie8 et plus particulièrement en Etrurie donnent à penser que l’hypothèse de Schulze9 d’un nom étrusque a sans doute un fondement. On y rencontre une forme ancienne Suillus/a10. Les Suillii sénateurs sont considérés comme originaires de Spolète. En Gaule on trouve à Evreux un P. Suillius [-] qui offre une piscina dans un contexte officiel11, un élément isolé à Vaison (soit gentilice soit surnom)12, peut-être le surnom Sui[llius ?] à Lyon13; on peut éventuellement lire [S]uilius à Die mais [Ser]vilius est davantage probable14. En tant que nom d’emploi gallo-romain Suillius a été considéré comme celtique par Delamarre15 qui allègue la racine Su- fréquemment rencontrée

AE 1998, 951 = ILB2 165. CIL VI, 28024; 33910; 36381; 36747d. AE 1980, 464; 1997, 699; CIL XI, 1493; 4924. Schulze 1904, p. 233 et 290. CIL XI, 4925. CIL XIII, 3202. CIL XII, 1423.

13 CIL XIII, 2006. 14 CIL XII, 1623 = ILN Die 67. 15 Delamarre 2007, p. 174 et 232.


Deux inscriptions latines de la basilique Notre-Dame de Tongres

243

en onomastique régionale. De même existe le nom unique/surnom Sullius16 et aussi Sulla dans des contextes qui l’indiquent comme celtique17. Il serait toutefois plus probable de prendre alors en considération le gentilice Sullius, qui existe18, et qui serait la forme patronymique normale. Il faut cependant rester prudent également pour le gentilice Sullius car il existe à Rome et en Italie. Considérer Sullius/Suillius comme des noms d’assonance celtique serait également imprudent vu leur rareté, alors que c’est précisément la fréquence spécifique qui conduit à ce type de conclusion (par ex. Similis ou Verecundus)19. Etant donné cet ensemble d’éléments dont aucun n’est véritablement décisif pour définir Suillius comme un nom celtique, étant donné aussi que les noms celtiques clairs (Carvus, Matta, Vervecco, Ninnius, Sacerius, Solimarus, peut-être Exsuper, Pagadunus, Bilaucus) sont relativement rares en pays tongre, il semble plus vraisemblable de penser à un nom italien, éventuellement même à un nom d’Italien venu dans la cité par exemple en contexte militaire, mais aucun soldat de ce nom n’est attesté sur le Rhin. Il faut aussi évoquer la possibilité que le nom ait été introduit par P. Suillius Rufus20. Sans avoir été directement légat dans les Germanies, ce membre de l’ordre sénatorial avait plusieurs attaches avec nos régions: il était le demi-frère21 de Corbulon (gouverneur de Germanie inférieure)22 et aussi de Pomponius Secundus (gouverneur de Germanie supérieure)23 mais surtout il avait été le questeur de Germanicus César24 précisément dans les années 12-16 où il guerroyait en Germanie25. Le prénom est différent mais nous pouvons avoir à affaire à un descendant de client, affranchi ou indigène. Quoiqu’il en soit, ce gentilice est très rare et suggère plusieurs pistes d’explications possibles, ce qui donne à ce monument, aussi fragmentaire soit-il, un indéniable intérêt.

Fig. 3.2 Tongres: basilique Notre-Dame: dédicace religieuse.

ILB2 159bis = AE 2002, 1011 (édition avant le nettoyage de la pierre). Texte [I(ovi)] O(ptimo) M(aximo) / Dolicheno / Volusia Sabinia/na pro se et suis. A Jupiter Très Bon Très Grand, Dolichenus, Volusia Sabiniana (a offert ce monument) pour elle-même et pour les siens. Datation: deuxième moitié du 2ème - 3ème siècle.

Le bloc, qui n’est pas un autel, conservé dans la basilique, en calcaire sub-oolithique jurassique de type Chémery, provenant de Lorraine, mesure 61 x 58 x 42 cm; les lettres ont une hauteur de 4,5 cm à la ligne 1,4 cm à la ligne 2 et 3,5 cm aux lignes 3 et 4. La pierre est presque complète, il ne manque qu’une petite partie de l’angle supérieur gauche qui a emporté le I de IOM.

Dérivé d’un Baal syro-commagénien à la puissance cosmique, le Jupiter de Dolichè constitue un bon exemple de la romanité des cultes dits ‘orientaux’ célébrés dans le monde romain26. Attesté à partir de la première moitié du 2ème siècle à Rome où il conserve certains traits syriens, ainsi qu’à Lambèse, le culte de Jupiter Dolichenus s’est diffusé un peu plus tardivement dans les provinces occidentales. Essentiellement honoré par des militaires27, de toutes origines géographiques, il revêt des formes romaines et s’est tellement bien intégré dans les schémas de représentation romains qu’il a pu jouer le rôle d’un patronus auprès d’unités du limes rhénan28 et est souvent invoqué dans le cadre du culte impérial. On constate en outre que c’est généralement sous la forme strictement romaine du grand Jupiter Optimus Maximus qu’il est invoqué, son association à Junon Regina constituant un autre indice de sa romanité. Les dédicaces recourent très souvent à la pratique votive du rituel romain, ce qui n’est pas le cas explicitement ici.

Le fait que le texte n’est pas centré et la présence de points d’ancrage font soupçonner que le bloc appartenait à un monument plus important et ne constituait pas une stèle autonome.

L’intérêt particulier de la découverte est sa mise au jour en milieu civil dans une ville de l’hinterland de Germanie inférieure; la province n’a livré que trois autres inscriptions toutes du 3ème

3.2 Dédicace religieuse (fig. 3.2) La dédicace religieuse a été découverte sous le collatéral sud de la basilique Notre Dame, à hauteur de la chapelle baptismale, en dépôt secondaire, dans une couche de comblement du 4ème siècle au-dessus d’une fosse romaine plus ancienne.

16 Estampille de potier Suillus: CAG 67/1, 545; en Cisalpine CIL V, 6153; 7450. 17 CIL XIII, 8104 pour un Rème; CIL XIII, 804 à Bordeaux avec Sulla comme surnom féminin; marque de potier: CAG 17/2, 148 et 151 par ex.; marque du potier de terres cuites figurées Rextugenos Sullias: RIG II, 2, L 22.

18 CIL XIII, 6872 à Mayence pour un soldat originaire de Vienna; CIL III, 2538 et 9471. 19 Cf. Raepsaet-Charlier 2005. 20 PIR 2 S 970. 21 Plin., Hist. Nat. VII, 39. 22 Eck 1985, p. 117-119. 23 Eck 1985, p. 19-22.

24 Tac., Ann. IV, 31; XIII, 42 ; peut-être CIL III, 14165, 14. 25 PIR 2 I 221; Thomasson 1991, p. 37-39. 26 Belayche 2000; Witschel 2012. 27 Voir Haensch 2012. 28 Cf. Belayche 2001.


244

M.-Th. Raepsaet-Charlier

siècle, mais celles-ci témoignent d’une pratique importante puisque Xanten29 et Cologne30 possédaient un temple et Remagen un sacerdos31. Le temple de Cologne est restauré par le gouverneur de la province et élevé pro salute imperatorum, au titre donc de culte officiel du pouvoir romain32. La Germanie supérieure est plus riche en documents, tous élevés par des hommes. Une dédicace de temple y est le fait de civils, les vicani Aquenses de Wiesbaden33. La particularité de cette épigraphe de Tongres est le fait que la dédicante soit une femme: ce n’est pas absolument original mais rare et particulièrement en Germanie où on ne peut guère citer que l’association de l’épouse au dévot de Xanten. Ailleurs les femmes sont davantage présentes, par exemple en Norique où un sanctuaire à Mauer an der Url a livré une série de tablettes d’argent dédiées par des femmes34, mais globalement la participation féminine au culte est plus restreinte que ce que Merlat35 donnait à penser (une trentaine de cas dont 8 dans un seul site et plusieurs cas de familles au sanctuaire de l’Aventin à Rome, pour environ 500 dédicaces masculines) et dans plusieurs cas c’est avec son époux, généralement soldat, que la femme participe au culte. Les dédicaces de femmes seules, hors du sanctuaire de Mauer, sont très peu nombreuses. L’étude de Kreikenbom36 tend à montrer avec prudence mais vraisemblance (malgré un dépouillement incomplet) que l’importance des aspects autres que militaires du dieu ont été jusqu’à présent quelque peu surestimés37. Du point de vue du panthéon de la cité des Tongres38, on remarquera une caractéristique qui le rapproche des panthéons des régions militaires, la diffusion significative des cultes importés comme Mithra (présent à Theux, à Tirlemont et Liberchies)39 et Dolichenus, ce qui la distingue nettement de la province voisine de Gaule Belgique. En ce qui concerne l’onomastique, la dédicante porte un gentilice latin particulièrement rare en Germanie inférieure: deux

29 30 31 32 33 34 35

CIL XIII, 8620. IKöln2 108. CIL XIII, 7786. Cf. Van Haeperen 2006. CIL XIII, 7566a. CCID 298, 299, 301, 304, 305, 314, 315, 316. Merlat 1960, p. 27.

36 37 38 39 40 41 42

seuls exemples, masculins, l’un à Bonn dans une dédicace aux Matrones40, l’autre à Houten dans une dédicace à Hercule Magusanus41. Le cognomen par contre est très fréquent sous l’une ou l’autre forme: Sabinus, Sabinianus, ou le gentilice dérivé patronymique Sabinius. A Tongres plus précisément il est connu pour un dédicant au gentilice perdu42 et dans la civitas, à Namur, sur une épitaphe où il s’agit de l’idionyme d’un pérégrin43. L. Weisgerber44 émettait l’hypothèse que la fréquence marquée de ce nom dans les régions gallo-romaines45 reposait sur une assonance avec un nom celtique. On pourrait songer à un rapprochement avec le thème celtique samo- été, qui donne des noms comme Samo, Sammo, Samus, Saminia...46, en supposant le passage de m (fricative labiale sonore) à b (occlusive labiale sonore), mais il s’agirait alors davantage d’une évolution du nom gaulois que d’une simple transposition phonétique comme c’est généralement le cas dans les noms d’assonance. Cette interprétation n’est retenue ni par Evans ni par Delamarre. La nomenclature de la dédicante doit donc être retenue comme latine. Abréviations AE = Année épigraphique. Bonn = Bauchhenss 1979. CAG = Carte archéologique de la Gaule. CCID = Corpus Cultus Iovis Dolicheni (EPRO, 106). CIL = Corpus Inscriptionum Latinarum. IKöln2 = Galsterer & Galsterer 2010. ILB = Deman & Raepsaet-Charlier 1985. ILB2 = Deman & Raepsaet-Charlier 2002. ILN = Inscriptions latines de Narbonnaise. Mainz = Boppert 1992a. Mainz Zivil = Boppert 1992b. OPEL = Onomasticon provinciarum Europae Latinarum. PIR2 = Prosopographia Imperii Romani, saec. I. II. III., editio altera, Berlin, 1933-. RIG = Recueil des Inscriptions gauloises.

Kreikenbom 2012. Cf. Schwertheim 1981, p. 198. Cf. Raepsaet-Charlier 2007. ILB2 45-46, 159ter, 161. AE 1984, 674. AE 1994, 1284. ILB 10.

43 ILB 36. 44 Weisgerber 1968, p. 131. 45 Cf. OPEL, IV, 39-41. 46 Cf. Evans 1967, p. 252-253; Delamarre 2007, p. 231.


Deux inscriptions latines de la basilique Notre-Dame de Tongres

Bibliographie Bauchhenss g. 1979: Bonn und Umgebung. Zivile Grabdenkmäler, Corpus Signorum Imperii Romani. Deutschland III (2), Germania inferior, Bonn. Belayche N. 2000: “Deae Suriae sacrum”. La romanité des cultes “orientaux”, Revue Historique 302, 565-592. Belayche N. 2001: Les cultes syriens dans les Germanies. Dans: Spickermann W. (ed.), Religion in den germanischen Provinzen Roms, Tübingen, 285-316. Boppert w. 1992a: Militärische Grabdenkmäler aus Mainz und Umgebung, Corpus Signorum Imperii Romani. Deutschland II (5), Germania superior, Mainz. Boppert w. 1992b: Zivile Grabsteine aus Mainz und Umgebung, Corpus Signorum Imperii Romani. Deutschland II (6), Germania superior, Mainz. Delamarre X. 2007: Nomina celtica antiqua selecta inscriptionum, Paris. Deman a. & Raepsaet-Charlier m.-th. 1985: Les inscriptions latines de Belgique, Sources et Instruments VII, Bruxelles. Deman A. & Raepsaet-Charlier M.-Th. 2002: Nouveau recueil des inscriptions latines de Belgique, Collection Latomus 264, Bruxelles. Eck W. 1985: Die Statthalter der germanischen Provinzen vom 1.-3. Jahrhundert, Köln & Bonn. Evans D. E. 1967: Gaulish Personal Names, Oxford. Finke H. 1927: Neue Inschriften, Berichte der Römisch-Germanischen Kommission 17, 1-107 et 198-231. Galsterer b. & Galsterer h. 2010: Die römische Steininschriften aus Köln, Mainz. Haensch r. 2012: Die Angehörigen des römischen Heeres und der Kult des Iuppiter Dolichenus. Dans: Blömer m. & Winter e. (eds), Iuppiter Dolichenus, Tübingen, 111-133. Kreikenbom d. 2012: Weihende Frauen im Kult des Iuppiter Dolichenus. Dans: Blömer m. & Winter e. (eds), Iuppiter Dolichenus, Tübingen, 135-142. Merlat p. 1960: Jupiter Dolichenus. Essai d’interprétation et de synthèse, Paris. Nesselhauf H. & Lieb h. 1959: Dritter Nachtrag zu C.I.L. XIII, Inschriften aus den germanischen Provinzen und dem Treverergebiet, Berichte der Römisch-Germanische Kommission 40, 120-229. Raepsaet-Charlier m.-th. 2005: Réflexions sur les anthroponymes ‘à double entrée’ dans le monde romain, L’Antiquité Classique 74, 225-231. Raepsaet-Charlier m.-th. 2007: Dieux, dévots et temples en cité des Tongres. Dans: Dalaison j. (ed.), Espaces et pouvoirs dans l’Antiquité. De l’Anatolie à la Gaule, Grenoble, 441-459. Scholz m. 2012: Grabbauten des 1.-3. Jahrhunderts in den nördlichen Grenzprovinzen des Römischen Reiches, Monographien des Römisch-Germanischen Zentralmuseums 103, Mainz. Schulze w. 1904: Zur Geschichte lateinischer Eigennamen, Göttingen, [Hildesheim, 1991]. Schwertheim e. 1981: Iupiter Dolichenus. Dans: Vermaseren m.j. (ed.), Die orientalische Religionen im Römerreich, Leiden, 193-212. Thomasson b.e. 1991: Legatus, Beiträge zur römischen Verwaltungsgeschichte, Stockholm.

245


246

M.-Th. Raepsaet-Charlier

Van Haeperen fr. 2006: Fonctions des autorités politiques et religieuses romaines en matière de “cultes orientaux”. Dans: Bonnet c., Rüpke j. & Scarpi p. (eds), Religions orientales - culti misterici, Stuttgart, 39-51. Weisgerber L. 1968: Die Namen der Ubier, Köln-Opladen. Witschel chr. 2012: ‘Orientalische Kulte’ im römischen Reich - neue Perspektiven der altertumswissenschaftlichen Forschung. Dans: Blömer m. & Winter e. (eds), Iuppiter Dolichenus, Tübingen, 13-38.


Herkomst van de natuursteen in de Romeinse gebeeldhouwde stenen en opschriften

4

247

Herkomst van de natuursteen in de Romeinse gebeeldhouwde stenen en opschriften

Roland Dreesen

4.1 Romeins natuursteengebruik De Romeinen waren met zekerheid de eerste grote gebruikers en verwerkers van natuursteen in onze kontreien. Zij beschikten bovendien over een zeer goede kennis van de aanwezige gesteenten en gebruikten deze ook in diverse toepassingen. Omdat de hoge transportkosten de prijs van de materialen mee bepaalden, zochten en vonden zij ter plaatse geschikte grondstoffen voor hun bouw- en decoratief materiaal. De bulk van de bouwmaterialen in Atuatuca Tungrorum (Tongeren) komt uit de onmiddellijke omgeving, zoals vuursteen (silex), Maastrichtersteen (“mergelsteen” in de volksmond) en Carboonzandsteen (‘kolenzandsteen’).

en decoratief architecturaal gebruik. Hiervoor zochten de Romeinen materialen buiten de grenzen van de civitas Tungrorum en vonden ze geschikte witte kalksteensoorten in de cuesta’s van de Lorrainestreek, vlakbij de Moezel en de Maas, zodat de mogelijkheid van transport van steenblokken en half-afgewerkte producten tot in Tongeren (via de Jeker?) was verzekerd. Misschien fungeerden deze goed bewerkbare (licht poreuze) witte kalkstenen wel als een goed alternatief voor de dure metamorfe witte marmers uit het Middellands Zeegebied. Bovendien zijn al deze kalkstenen vrij sterk hygroscopisch door hun belangrijke porositeit en lenen ze zich hierdoor ook goed als substraat voor verf (goede hechting).

Voor de decoratieve architectuur en het beeldhouwwerk fungeerde Rome waarschijnlijk als voorbeeld en werd er gezocht naar goedkopere maar kwaliteitsvolle alternatieven voor hun geliefde natuursteensoorten zoals vulkanische tufsteen (tufo), travertijn en wit marmer. Vulkanische tufsteen werd door de Romeinen uit de nabijgelegen Vulkaneifel naar Tongeren geëxporteerd. Hier werd dit materiaal hoofdzakelijk als bouwsteen gebruikt en op grote schaal gerecycleerd in de post-Romeinse periode. Echte travertijn komt binnen de civitas ook niet voor omdat dit materiaal zich exclusief vormt in de buurt van warmwaterbronnen en vaak in vulkanisch (actieve) gebieden. Een lokaal alternatief is kalktuf, dat zich hier vormde (en nu nog steeds wordt gevormd) in de buurt van kalkrijke kwellen en dat ook effectief in belangrijke mate door de Romeinen is gebruikt. Kalktuf werd in Tongeren en omstreken hoofdzakelijk als bouwmateriaal aangewend (bijvoorbeeld in keldermuren van huizen en in badhuizen) maar was blijkbaar te zacht voor monumentaal

Uit onderzoek van de Romeinse decoratiearchitectuur en beeldhouwwerken die werden aangetroffen in Maastricht1, Tongeren2 en Mainz3, blijkt dat de geografische verspreiding van deze witte Jurakalkstenen, en dan in het bijzonder deze van de steen van Norroy, belangrijk was. Dit gebeurde vooral dank zij het uitgestrekte rivierennetwerk (Moezel, Rijn en Maas en hun respectievelijke zijrivieren), waardoor dit materiaal in verschillende Romeinse steden en forten van Frankrijk (o.a. Metz, Nancy), Duitsland (o.a. Mainz, Trier, Bonn, Köln, Xanten), Nederland (o.a. Maastricht, Nijmegen), België (Tongeren) en via de Noordzee zelfs tot in Engeland terecht is gekomen4. De aanwezigheid van legioensoldaten in een aantal van deze nederzettingen en het feit dat de groeve van Norroy-lès-Pont-à-Mousson militaire eigendom was, moet zeker ook hebben meegespeeld bij deze sterke verspreiding. In de hogervermelde nederzettingen waar soms ook legioenen gelegerd waren, werden talrijke grafstenen gevonden die uit Norroy kalksteen zijn vervaardigd.

1 Panhuysen 1996. 2 Coquelet et al. 2013 en 2014; Dreesen et al. 2015.

3 4

Stribny 1987. Hayward 2006.


248

R. Dreesen

4.2

Op de site van de O.L.V.-basiliek van Tongeren gevonden natuursteensoorten en hun frequentie In totaal werden 43 stenen en fragmenten onderzocht naar hun lithologische samenstelling en geologische/geografische herkomst. Deze stukken zijn alle Romeins en afkomstig van beeldhouwwerk en architecturale elementen5. Alle stenen en fragmenten werden macroscopisch en microscopisch (met behulp van een handlens) onderzocht. Waar nodig werd vergelijkend onderzoek uitgevoerd met stalen van analoge materialen waarvan petrografische analyses beschikbaar waren (collecties van het Gallo-Romeins Museum in Tongeren en van de Belgische Geologische Dienst in Brussel). Het geïdentificeerde natuursteenspectrum gelijkt goed op dat van reeds onderzochte architecturale elementen van publieke gebouwen en grafmonumenten uit Romeins Tongeren en omgeving6.

sporadische voorkomens van Maastrichtersteen (5%), krijtsteen (5%), Avendersteen (2,5%) en Euville steen (2,5%). Eén stuk kon niet nauwkeuriger gedetermineerd worden maar werd als Jurakalksteen geïdentificeerd (Norroy of Chémery). Hierna worden de karakteristieken alsook de geologische en geografische herkomst van de aangetroffen soorten natuursteen achtereenvolgens kort beschreven.

Bij de beelden en reliëfs (in totaal 13 stuks) is de Norroy kalksteen veruit de meest dominante steensoort (9 stuks) en komen krijtsteen (2) en Chémery kalksteen (2) als ondergeschikte steensoorten voor.

4.3

Bij de architectuurelementen (in totaal 30 stuks) is de variatie groter. Er werd bijna evenveel Norroy (13) als Chémery (12) kalksteen gebruikt, naast Maastrichtersteen (2), Euville kalksteen (1) en Avendersteen (1). 1 stuk werd onbeslist als Jurakalksteen gedefineerd. Alhoewel we er ons bewust van zijn dat de representativiteit van dit corpus allicht ter discussie kan gesteld worden, zeker in het licht van latere vernietigingen (verbranding tot kalk) en recyclages (hergebruik in middeleeuwse gebouwen rond Tongeren), kunnen we uit het bijgevoegde cirkeldiagram (Fig. 4.1) toch stellen dat Norroy kalksteen (52%) en Chémery kalksteen (33%) de meest frequent voorkomende natuursteensoorten zijn, naast

Norroy kalksteen Chémery kalksteen Maastrichtersteen Krijststeen Avendersteen Euvillesteen

Concluderend kunnen we dus stellen dat voor de beeldhouwwerken en de architecturale elementen van de opgraving van de O.L.V.-Basiliek in Tongeren, uitsluitend kalksteen en dominant witte Jurakalksteen uit de Lorrainestreek (fig. 4.2) werd gebruikt (Norroy, Chémery en Euville) met een totaal percentage van 85%. Norroy kalksteen blijkt het meest frequent (52%), gevolg door Chémery kalksteen (33%). Geologische kenmerken en geografische herkomst

Norroy kalksteen De steen van Norroy is een bleke, witte tot roomkleurige of lichtbeige, korrelig aanvoelende kalksteen die oranjegeel kan verkleuren (door de aanwezigheid van pyriet). Hij is opgebouwd uit slecht getrieerde en sterk afgeronde, vaak ronde en langwerpige skeletdeeltjes van fossielen die door hun afgeronde vorm sterk gelijken op kalkbolletjes (oölieten of ooïden), maar het in feite niet zijn (ooïden worden immers anders opgebouwd, nl. uit opeenvolgende concentrische calcietlaagjes). Petrografisch is het dus een pseudo-oölitische bioklastische kalksteen (bioclastic grainstone) met een calcietcement. De cementatie is niet volledig, zodat de steen nog licht tot matig poreus is. Diverse fragmenten van fossielen kunnen herkend worden, zoals echinodermen, gastropoden, bryoza, kalkwieren, koraaltjes, kalksponzen en bivalven. Het voornaamste microscopische kenmerk (ook met behulp van een loep herkenbaar) is het voorkomen van een zeer fijnkorrelige (witte) rand rond de sterk afgeronde fossielfragmenten (bioklasten). Dit zijn de zgn. cortoïden. De steen van Norroy komt voor in een langgerekte cuesta, vlak ten westen van Metz, de zgn. Côte de Moselle. Deze bestaat uit verschillende kalksteenlagen (o.a. Calcaires à Polypiers supérieurs) daterend van het Midden-Bajociaan (Midden-Jura). Deze kalksteen werd reeds door de Romeinen in open steengroeven ontgonnen in de buurt van Norroy-lès-Pont-à-Mousson (departement Meurtheet-Moselle, Frankrijk). Chémery kalksteen

Fig. 4.1 Tongeren: O.L.V.-basiliek: frequentieverdeling van de geïnventariseerde natuursteensoorten (n=42).

5 Coquelet et al. 2013, 2014; Dreesen et al. 2015; Stribny 1987. Zie hoofdstukken 2 en 3.

De steen van Chémery is een opvallend witte, zeer poreuze en hierdoor ook sterk hygroscopische, krijtachtige en korrelige kalksteen7 die lichtgrijs kan verkleuren. Hij is vrij zacht (in tegenstelling tot de Norroy kalksteen kan je deze kalksteen

6 Coquelet et al. 2013 en 2014; Dreesen et al. 2015.

7 Wijlen collega-geoloog C. Overweel (in Panhuysen 1996) bedacht hiervoor de term “krijtpoederige oöliet”.


Herkomst van de natuursteen in de Romeinse gebeeldhouwde stenen en opschriften

249

M

aa

s

Xanten

Aachen

Tongeren

Koln Bonn

6 Namur

hn

La

Cambrai os e

l

5

M

4

Amiens e

Ois

Trier 3

Aisne Reims

1 Maa s

Paris

Metz

Ma

rne

2 Nancy

in

Se e

Orleans

Saone

e nn Yo

Dijon

Fig. 4.2 Tongeren: O.L.V.-basiliek: ligging van de herkomstgebieden van de natuursteensoorten (kaartachtergrond naar Ruppiene 2015, Abb. 165): 1: Norroy kalksteen; 2: Euville kalksteen; 3: Chémery kalksteen; 4: Avendersteen; 5: krijtsteen; 6: Maastrichtersteen.

met de vingernagel krassen), heeft vaak een poederachtig aspect (je vinger wordt wit bij wrijving) en is opgebouwd uit slecht gesorteerde kleine en grotere kalkbolletjes met onregelmatige vorm in een krijtachtige grondmassa. Sterk verspreid in de steen kunnen lokaal grote fossielen voorkomen zoals bivalven en gastropoden. Er bestaan fijnkorrelige en grofkorrelige variëteiten van deze steen. Microscopisch onderzoek liet echter uitschijnen dat deze steen geen échte ooïden of oolieten bevat maar minus-

cule kalkbolletjes, van uiteenlopende grootte (gaande van enkele tientallen micrometer tot soms bijna een cm), opgebouwd uit niet-gelaagd fijnkorrelig calciet (kalkmodder of micriet). Deze bolletjes zijn onder de microscoop herkenbaar als peloïden, micriet oolieten, intraklasten (afgeronde fragmenten van micritische kalksteen) en volledig tot micriet verweerde, sterk afgeronde fragmenten van fossielen (cortoïden en bioklasten). Petrografisch is het een pseudo-oolitische peloïdenrijke grainstone


250

R. Dreesen

met micrietoolieten en foraminiferen. De grote rijkdom aan micriet verklaart het krijtachtig karakter. De sterke aanwezigheid van kleine meerkamerige geagglutineerde foraminiferen is karakteristiek. Deze kalksteen werd uitgebaat in verschillende ondergrondse groeven van de Cotês de Meuse ten noorden van Chémery-sur-Bar en ten zuidwesten van Sedan (departement Ardennes, Noord-Frankrijk). Hij behoort tot de Formatie van Chémery en is van Boven-Bathoniaan ouderdom (Midden Jura). Euville kalksteen Deze kalksteen is eerder grofkorrelig (korrelgrootte tussen 0,5 en 2 mm), wit, roomkleurig tot licht-rozig beige, die bleekgrijs patineert. Hij is vrij poreus, voelt hierdoor ook ruw aan en bevat quasi uitsluitend goed getrieerde fragmenten van crinoïden (zeelelies). Petrografisch is het een crinoïdenkalksteen of bioklastische grainstone. Behalve crinoïden komen ook stekels van zee-egels, bivalven, brachiopoden, sponzen en koraaltjes sporadisch voor. De fossielfragmenten worden aan elkaar gekit door een doorzichtig calcietcement. Door de onvolledige cementatie is de steen poreus. Deze kalksteen wordt in de literatuur ook “Entroquite de Meuse” genoemd. De Euville steen werd vroeger ondergronds uitgebaat maar wordt momenteel in open groeven ontgonnen in de buurt van Commercy (departement Meuse, Frankrijk). Hij behoort tot de Formatie van de Entroquite d’Euville en is van Midden Oxfordiaan ouderdom (Boven-Jura). Maastrichtersteen Deze strogele tot gelig witte fijnkorrelige kalksteen (korrelkrijt, kalkareniet) wordt in de volksmond (wetenschappelijk onterecht) “mergelsteen” genoemd. Hij bestaat exclusief uit goed gesorteerd fijn gruis van kalkige skeletdeeltjes van fossiele ongewervelde mariene organismen zoals stekelhuidigen (crinoïden, zee-egels), bivalven , enz. Verspreid in de massa of geconcentreerd in horizontale laagjes kunnen grotere fragmenten van fossielen voorkomen, waaronder karakteristieke holle buisjes van kokerwormen, zee-egels en bivalven, zoals oesters. Petrografisch is deze kalksteen een fijnkorrelige bioklastische kalkareniet (grainstone). Het gebrekkige aaneenkitten van de korrels door calciet verklaart de hoge porositeit en zijn grote zachtheid. De Romeinen kenden ook het bestaan van een relatief zeldzame, hardere en wittere variëteit van Maastrichtersteen, “heerd” genoemd, die wordt gekenmerkt door een hogere graad van aan-

8

Dusar et al. 2009.

eenkitten van de korrels door calciet, waardoor een hogere densiteit en grotere relatieve hardheid werd bereikt. Blijkbaar gebruikten zij deze variant voor hun beeldhouwwerk terwijl de zachtere variant eerder als bouwsteen fungeerde (bijvoorbeeld voor de wanden van waterputten). Deze zachte kalksteen werd uitgebaat in ondergrondse groeven (“mergelgrotten” genoemd) van Droog Haspengouw (Belgisch Limburg) en het Mergelland (Nederlands Limburg). Vermoedelijk hebben de Romeinen deze bouwsteen ook ondergronds uitgebaat maar elk spoor hiervan is verdwenen door latere ontginningen. Behalve Maastrichtersteen werd hier waarschijnlijk ook simultaan silex gewonnen uit horizontale steenbanken die regelmatig voorkomen binnen de kalksteen. Dit leiden we af uit de afwezigheid van vuursteeneluvium in de Romeinse bouwwerken, en het regelmatige formaat van de mooi gekapte silexblokjes. De Maastrichtersteen behoort tot de Formatie van Maastricht en is van Maastrichtiaan ouderdom (Boven-Krijt). Krijtsteen en Avendersteen Opmerkelijk maar sporadisch is het voorkomen en gebruik van een zeer zacht, zeer fijnkorrelig wit krijtgesteente dat grijswit verweerd. Soms bevat dit krijt vlekvormige graafsporen van organismen die met een donkerder licht-groen glauconietrijk sediment is opgevuld en kunnen we dit krijtgesteente mogelijks als Avendersteen (“Pierre d’Avesnes”) identificeren. Voor een nauwkeurige determinatie echter is extra micropaleontologisch onderzoek noodzakelijk van de aanwezige microfossielen8. Deze kalksteen is opgebouwd uit een zeer fijnkorrelig poreus kalkslib of carbonaatmatrix (bestaande uit micriet), waarin zeer talrijke microfossielen voorkomen, hoofdzakelijk minuscule kalkskeletdeeltjes van holle kalkwiertjes (coccolieten) en van kleine of grotere meerkamerige foraminiferen. De grondmassa heeft een zeer hoge capillaire porositeit en de steen is hierdoor sterk hygroscopisch (plakt aan de tong). Met de handlens zijn kleine zwarte of donkergroene glauconietkorreltjes goed herkenbaar en is de steen te onderscheiden van banaal pleister. Petrografisch is het gesteente een zeer fijnkorrelige bioklastische wackestone waarin bioturbaties voorkomen (graafgangen) opgevuld met glauconiet, kwartskorrels en bioklasten. Deze krijtsteen behoort ofwel tot het Boven-Turoon of tot het Senoon (Coniaciaan), beide van Boven-Krijt ouderdom. Ze werden ondergronds ontgonnen in uitgestrekte krijtlagen die gaan van Normandië tot de Champagne, maar bij voorkeur binnen het Scheldebekken, in de buurt van Lézennes en/of Valenciennes, vandaar de naam.


Herkomst van de natuursteen in de Romeinse gebeeldhouwde stenen en opschriften

Bibliografie coquelet c., creemers g. & dreesen r. 2014: Le décor du grand temple Nord de Tongres, Signa 3, 55-64. coquelet c., creemers g., dreesen r. & goemaere e. 2013: Les “pierres blanches” dans les monuments publics et funéraires de la cité des Tongres, Signa 2, 29-34. dreesen r., bogaert l., coquelet c., creemers g., de winter n., driesen p., goemaere e., vanderhoeven a. & vynckier g. 2015: Van heinde en verre: gebruik en herkomst van polychrome marmers in Romeins Tongeren – een eerste stand van zaken, Signa 4, 103-118. dusar m., dreesen r. & de naeyer a. 2009: Renovatie & Restauratie. Natuursteen in Vlaanderen. Versteend verleden, Mechelen. panhuysen t.a.s.m. 1996: Romeins Maastricht en zijn beelden, Corpus Signorum Imperii Romani. Corpus van de Romeinse Beeldhouwkunst. Nederland - Germania Inferior - Maastricht, Maastricht & Assen. stribny c. 1987: Die Herkunft der Römischen Werksteine aus Mainz und Umgebung. Vergleichende petrographische und Geochemische Untersuchungen an skulptierten kalksteinen, Corpus Signorum Imperii Romani. Deutschland II (8), Mainz. hayward k.m.j. 2006: A geological link between the Facilis monument at Colchester and firstcentury army tombstones from the Rhineland, Britannia XXXVII, 359-363.

251


252


Les peintures murales romaines

5

253

Les peintures murales romaines

Sabine Groetembril1, Clotilde Allonsius2, Lucie Lemoigne3 & Jean-François Lefèvre4 Avec la collaboration de Julien Boislève5 pour l’ensemble 2, d’Arnaud Coutelas6 pour les analyses pétrographiques et de Michel Bouchard7 pour la caractérisation des couches picturales.

Introduction Menées durant neuf années, les fouilles dans la basilique NotreDame de Tongres ont mis au jour une quantité importante de peintures murales fragmentaires ou encore en place sur les murs de deux maisons différentes qui se succèdent chronologiquement (environ neuf cents caisses et de nombreuses déposes). L’étude globale de ces enduits a fait l’objet d’un marché public lancé par l’Agence du Patrimoine de Flandre, attribué au Centre des Peintures Murales Romaines de Soissons. La particularité du marché était un délai de réalisation sur une année; ce délai plutôt court par rapport à l’ampleur de la tâche nécessita une organisation très rigoureuse et la participation de toute l’équipe du Centre des Peintures Murales Romaines de Soissons8. L’étude a permis de traiter la globalité du matériel, réparti en trois catégories: les enduits in situ (déposés ou consolidés en place), les enduits fragmentaires effondrés en place et les enduits fragmentaires issus de divers remblais. Elle a été menée progressivement par secteur de fouille, veillant à distinguer les phases chronologiques et conservant les provenances stratigraphiques de chaque fragment. Outre le décor, elle a pris en compte toutes les observations techniques, précisées par des analyses des supports et des pigments. Sur la totalité des secteurs, trente-quatre ensembles ornementaux ont été définis, complétés par quelques lots résiduels inventoriés en ‘divers’. Nous présenterons ici les décors les plus représentatifs pour les deux phases chronologiques reconnues. Les secteurs 11 et 27 sont remarquables par le fait qu’ils renfermaient une quantité assez spectaculaire d’enduits effondrés en place ou

1 Centre d’Étude des Peintures Murales Romaines de Soissons, APPA-CEPMR, UMR 8546 AOROCH, CNRS/ENS. 2 Centre d’Étude des Peintures Murales Romaines de Soissons, APPA-CEPMR. 3 Centre d’Étude des Peintures Murales Romaines de Soissons, APPA-CEPMR. 4 Centre d’Étude des Peintures Murales Romaines de Soissons, APPA-CEPMR.

encore in situ pour les deux phases chronologiques 3 et 4. Ce sont donc les secteurs où les vestiges sont les mieux conservés et apportent le plus d’informations sur les domus; ils présentent en outre une belle qualité au caractère parfois prestigieux. Les autres secteurs ont livré des enduits essentiellement dans des contextes de remblai. Leur étude vient compléter nos connaissances sur le programme ornemental de la maison et révèle une variété de composition correspondant à une hiérarchie entre les pièces (salles de service, pièces privées, salles de réception). Notons encore que ces décors dont on notera à plusieurs reprises la qualité de mise en œuvre sont en harmonie avec les vestiges architecturaux encore visibles qui dévoilent des soubassements en pierres taillées soigneusement appareillées que les romains maitrisent si bien. 5.1

Phase 1 et 2: époque pré-flavienne et flavienne Un seul décor de cette phase nous est parvenu: ensemble 13. 5.1.1 contexte Secteur 27, phase 1 (époque pré-flavienne) US 83. Dans les niveaux pré-flaviens de ce secteur 27 (fig. 5.1), une plaque effondrée in situ a été mise au jour et a été prélevée par encollage par l’équipe du CEPMR, suivant un protocole adapté. La surface conservée a été divisée en neuf plaques, déterminées par les fissures de l’enduit (fig. 5.2).

5 Centre d’Étude des Peintures Murales Romaines de Soissons, APPA-CEPMR, UMR 8546 AOROCH CNRS/ENS. 6 ArkeMine, UMR 8546 AOROC; arnaud.coutelas@arkemine.fr. 7 CARAA, Centre d’Analyses et de Recherche en Art et Archéologie; mbouchard@caraa.fr. 8 Nous tenons à adresser ici nos remerciements à Alain Vanderhoeven pour son dévouement à ce

projet et pour sa grande réactivité à répondre à nos demandes d’informations tout au long de cette étude. Notre reconnaissance va également à Claudine Allag et à Myriam Tessariol pour leur disponibilité et leur regard attentif lors des relectures. Nous adressons enfin notre gratitude à Arnaud Coutelas et Michel Bouchard, nos collaborateurs, qui ont su répondre à nos attentes, dans les délais impartis.


254

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.1 Tongres: basilique Notre-Dame: phase 1, localisation du secteur 27.

Il s’agit d’une petite portion de paroi à fond blanc, tout en longueur (3,10 x 0,80 m), se présentant par le revers. D’un côté, se trouve la limite de la paroi formant un angle souligné par une bande rouge; de l’autre (à 0,80 m de l’angle), la paroi a été coupée par une perturbation ultérieure. 5.1.2 Description du décor Nous l’avons dit, le décor est sobre: champ monochrome blanc bordé d’une bande rouge ocre, doublée d’un filet intérieur noir (fig. 5.3). Les plaques 1, 8 et 9 présentent un ressaut de mortier qui atteste un angle de paroi. Cet angle est bordé par une bande rouge ocre large de 9 cm, agrémentée à 8,5 cm d’un filet noir. Les plaques 2 à 7 sont blanches. Ce type de décor peut aussi bien provenir d’une cour extérieure, comme l’ensemble 12 (cf. 5.2.6.1, fig.5.57), que d’un espace lié aux servitudes (couloir, cuisine,…)9.

9

Eristov & Groetembril 2006.

5.1.3 Observations techniques L’état de conservation de ces peintures n’est pas très bon. Les couches se délitent et le mortier est très sableux et pulvérulent. D’après les observations réalisées lors de la fouille, il est impossible de dire de quel mur provient ce décor, puisqu’aucun mur de cette phase n’a été mis au jour. Bien que le décor soit très sobre, l’intensité de la bande rouge a éveillé notre attention et nous en avons confié un échantillon pour analyse (cf. 5.4). Les résultats ont montré un mélange d’ocre rouge et d’oxyde de plomb, probablement du minium qui explique cette tonalité vive. Cette pratique a rarement été observée à ce jour. Les revers ne présentaient aucune trace du système d’accrochage.


Les peintures murales romaines

255

Fig. 5.2 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 13, portion de paroi effondrée, encollage par petites plaques, schéma de prélèvement des plaques (photo APPA-CEPMR).

5.2

Phase 3: fin Ier au troisième quart du IIème siècle ap. †J.-C.

5.2.1 Ensemble 3, Décor au personnage à la tablette 5.2.1.1

Contexte

Secteur 11, murs 302, 303 et 308, US principale 326, US secondaires: 329, 501, 506, 511, 512, 515, 520, 528, 682, 683 et 751. Pour la période correspondant à la phase 3 de l’histoire du site de la domus qui s’étend de la fin Ier au troisième quart du IIème siècle ap. J.-C., la fouille du secteur 11 a mis au jour trois espaces bien distincts que nous avons désignés par A, B et C (fig. 5.4). Seuls les espaces A et B ont livré des enduits peints. L’espace A renfermait l’ensemble 3. L’espace B présentait, encore in situ sur ces murs oriental et occidental, une portion du décor de la plinthe (cf. ci-après). L’ensemble 3 correspond à une portion cohérente du décor, conservée grâce à un effondrement en place de la paroi dont une partie n’a pas été bouleversée par les importants aménagements ultérieurs et notamment médiévaux. Les observations faites sur le mode d’effondrement permettent d’attribuer le décor au parement du mur 303 (fig. 5.4). Le mur 308 qui limitait cet espace au sud ne se trouvait hors emprise, sous les fondations de la basilique actuelle. Cependant il a été localisé grâce à un sondage sous

le mur médiéval et une section conservant encore in situ le décor du bas du mur en a été dégagé. Les limites de la fouille empêchent de connaître l’extension de la pièce à l’ouest (espace A sur le plan) mais, grâce à la position du mur 308, on sait qu’elle était large de 3 m. Le prolongement des murs permet de proposer une longueur d’environ 6,5 m. Cette dimension pourrait correspondre à un espace de circulation assez vaste (vestibule?), mais aucune porte n’est observée dans les parties dégagées, ou pourquoi pas à une salle de travail au regard de l’iconographie choisie (cf. ci-après 5.2.1.7). Bien que détruit lors de l’incendie de la deuxième moitié du IIème siècle, le décor est en assez bon état de conservation et n’a été que partiellement altéré par le feu. Le travail de recomposition a permis de restituer le décor sur presque toute la hauteur de la paroi. Les zones inférieure et médiane sont assez complètes et cohérentes. Elles sont couronnées par une zone supérieure bien attestée, mais beaucoup plus lacunaire. 5.2.1.2

Description du décor

La composition générale du décor présente une organisation assez habituelle pour la Gaule et la Germanie. Elle est divisée en trois zones: inférieure, médiane et supérieure (fig. 5.25). La présence d’une zone supérieure développée n’est pas systéma-


256

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.3 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 13, plaque 1, bande rouge ocre bordant l’angle de la paroi (photo APPA-CEPMR).

tiquement attestée dans ces régions et peut être considérée comme un élément remarquable. La zone inférieure est composée d’une plinthe et d’une partie basse compartimentée ornée de scènes figurées. La zone médiane présente, elle, une alternance de panneaux jaunes et d’inter-panneaux noirs à candélabres. Elle est couronnée par une corniche en stuc. La zone supérieure offre une composition à champ blanc rythmée par des édicules dont certains abritaient des personnages. Ces vestiges, plus épars et lacunaires, n’ont permis qu’une compréhension partielle de l’organisation de cette zone. Les restitutions infographiques permettent d’illustrer nos réflexions et hypothèses (fig. 5.25). Nous l’avons dit, la zone inférieure comprend une plinthe et une partie basse compartimentée. La plinthe assurait le raccord avec le sol et était encore en place sur le mur méridional (mur 308). Conservée sur une hauteur d’environ 40 cm, elle est traitée en marron moucheté de noir et de blanc, et bordée d’un double filet noir et blanc (fig. 5.5). En partie basse, alternent des compartiments longs et étroits, séparés par de simples filets jaune pâle, et dont on peut observer le rythme sur le bas de la plaque 2 (fig. 5.6). Les compartiments

étroits, à fond jaune, mesurent 40 cm de large et sont vierges de motif. Les compartiments larges, à fond noir, étaient ornés de scènes figurées. Un seul de ces motifs nous est parvenu presque complet. Il s’agit d’un personnage masculin, traité en camaïeu de rouges, présenté de trois quarts dans une position plutôt figée et asymétrique, suggérant un léger mouvement (fig. 5.7). Le visage, tourné vers la droite, montre des traits fins et un regard rêveur. Il porte une barbe et des cheveux courts bouclés. L’expression, à la fois sereine et sérieuse, est celle de la maturité. L’homme est vêtu d’une tunique longue, descendant à mi-mollet, aux manches larges et mi-longues. L’encolure forme un bourrelet. Le bas du vêtement est agrémenté de franges. En harmonie avec le mouvement du visage, l’épaule et le bras gauche sont représentés légèrement en arrière, tandis que le bras droit est plutôt porté vers l’avant. Représenté tendu et oblique, dans la direction du regard, il est malheureusement incomplet. La plaque 4 montre une main droite de même échelle, tenant entre le pouce et l’index une sorte de ficelle, probablement attachée à un objet, dont nous n’avons malheureusement aucune trace. Il est possible que cette main appartienne à ce personnage, mais elle peut également provenir d’un autre compartiment. Le bras gauche en revanche est complet, il est à moitié plié et la main tient une tablette fermée, suspendue par un lacé. Le geste est élégant et calme.


Les peintures murales romaines

257

Fig. 5.4 Tongres: basilique Notre-Dame: phase 3, localisation du secteur 11.

Un motif de même facture10 devait orner un autre compartiment de zone inférieure (fig. 5.8). Très incomplet, il présente un oiseau de grande taille (proportionnellement au personnage). Il est représenté telle une nature morte, trophée de chasse suspendu par le bec. D’autres fragments, provenant d’une unité stratigraphique associée (US 511), comportent un support identique et de fortes similitudes avec ce décor. C’est le cas de deux fragments à champ noir montrant des pieds chaussés de sandales (plaques 85-86). Mentionnons également la plaque 88 qui présente le bas d’une tunique verte à franges. Ces différents éléments appartenaient vraisemblablement à l’une des scènes figurées décorant les compartiments de ce couloir. La zone inférieure est couronnée par une bande de transition horizontale ocre jaune; au-delà, se développe la zone médiane. Cette dernière est constituée d’un champ noir sur lequel sont posés, à 8 cm au-dessus de la bande de transition, de grands pan-

10

La plaque 3 présente le support caractéristique de la zone inférieure (cf. 5.2.1.4).

neaux jaunes qui viennent rythmer la paroi. L’espace qui sépare ces panneaux délimite des inter-panneaux richement ornés, larges de 29 cm (fig. 5.25). Les panneaux bordés de doubles filets roses et blancs sont agrémentés d’une fine bande rouge et d’un double trait noir d’encadrement intérieur. Latéralement, les doubles filets sont ornés de deux traits perpendiculaires légèrement arqués, sorte de petits tores situés à 12 cm de l’angle supérieur (fig. 5.9), et d’un motif circulaire, sorte de cabochon, marquant le centre du côté (fig. 5.10). Ces cabochons sont constitués de petits disques de 6,5 cm de rayon, tantôt bleus, tantôt verts. Ils sont divisés en deux horizontalement, ce qui dessine deux demi-disques traités dans une tonalité plus sombre en-dessous et plus claire au-dessus. Cette façon de faire crée un jeu d’ombre et de lumière qui met le motif en relief et simule une sphère. Chaque disque est finement cerclé d’un trait blanc décoré d’une alternance de touches pointées et trifoliées (fig. 5.11).


258

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.5 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, plaque 1, plinthe mouchetée provenant du mur 308 (photo APPA-CEPMR).

Le côté supérieur des panneaux, quant à lui, est également orné de cabochons qui sont situés cette fois aux extrémités, à 14 cm des angles (fig. 5.11). On peut considérer qu’il y avait une alternance de tonalité d’un panneau à l’autre. Au-dessus des panneaux, l’axe est marqué par une coquille bleue, vue en perspective (fig. 5.11). De part et d’autre de la coquille et symétriquement se développe un fin rinceau végétal. Un seul de ces motifs est attesté, nous ignorons donc si ce motif axial se répétait au-dessus de chaque panneau ou s’il alternait avec d’autres motifs. L’inter-panneau conservé est occupé par un candélabre à la composition très riche, caractérisée par un allègement des motifs vers le sommet (fig. 5.25).

Comme on peut le voir sur la plaque 2, la base du candélabre est constituée d’un socle massif qui repose sur la bande de transition (fig. 5.12b). Ce socle porte une statue partiellement conservée. Il s’agit de la représentation d’un personnage drapé, probablement féminin, dont la hauteur complète est estimée à une cinquantaine de centimètres. La figure semble tenir dans la main droite une tige se terminant par une feuille polylobée qui peut faire penser à un flabellum (fig. 5.12a). Elle est parée latéralement de tiges végétales rosâtres et vertes, réalisées en une touche fluide, parfois transparente, et d’un geste rapide (fig. 5.12c). Au niveau du drapé, la couche picturale est fortement écaillée, altérée par l’incendie, et laisse voir la hampe sous-jacente du candélabre qui était couverte normalement par le drapé (fig. 5.12b). Le haut de la statue n’est pas conservé; nous disposons cependant d’un fragment sur lequel on peut voir un visage féminin de même


Les peintures murales romaines

259

Fig. 5.6 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, plaque 2, partie basse (photo APPA-CEPMR).

facture et aux proportions similaires (fig. 5.13). On peut aussi observer, dans les zones écaillées près de l’œil, un axe vertical, tracé blanc qui caractérise la hampe du candélabre. Il provient d’une unité stratigraphique voisine (US 329) que nous avons pu associer à l’US 326 grâce à la réalisation de connexions entre divers fragments. On peut donc considérer ce visage comme appartenant à une des statues, située à la base d’un candélabre. Comme il ne provient pas du même contexte, il est difficile de préciser s’il appartenait à cet inter-panneau ou à un autre.

Ensuite, un motif circulaire rose pâle, peut-être un clipeus, est accroché à la hampe par un ruban figuré avec la rapidité d’exécution déjà observée (fig. 5.14a).

Au-dessus de cette base imposante, la hampe du candélabre se développe de façon plus conventionnelle, simple axe vertical qui s’amincit vers le haut (2 cm sous la statue et 0,8 cm au sommet). Toute une série de motifs vient s’y succéder de façon axiale ou symétrique. Sur la plaque 5, on observe d’abord un masque joufflu coiffé de grosses feuilles, le tout traité en camaïeu de rose (fig. 5.9 et 5.14d). Il est posé sur une sorte de petite ombelle ornée de trois grosses boules.

Ensuite, on voit un anneau bouleté qui entoure la hampe à la façon d’un culot d’acanthe. La partie supérieure du motif n’est malheureusement pas conservée. Il pourrait s’agir du départ d’une touffe végétale semblable à celle observée en milieu de candélabre.

Ensuite, deux fines tiges à plateau s’écartent symétriquement de la hampe. Sur chacun des plateaux est posé un fruit doré, probablement une pomme, surmonté de trois feuilles vertes rapidement réalisées (fig. 5.14c). Plus haut, une touffe végétale est fixée à la hampe par un anneau, sorte de culot d’acanthe, orné de trois boules, d’où partent de longues feuilles trifides (fig. 5.14e). Puis deux fines tiges à plateau, très rapidement ébauchées en une touche fluide vert clair, se développent symétriquement. Elles portent chacune une corbeille évasée contenant des fleurs, finement traitée en nuances de rouges et bruns (fig. 5.14b).

Au-dessus du clipeus, le motif est manquant. On distingue seulement sur la plaque 6 une fleurette verte très écaillée (fig. 5.15). Plus haut, une fine tige se terminant par une fleur à cinq pétales rouges et blancs part à droite de la hampe (fig. 5.15). Une seconde tige devait se développer à gauche pour former la symétrie.

Les plaques 7 et 8 présentent le motif sommital: une petite ombelle rosée, couronnée de trois feuilles vertes (fig. 5.16). On y observe également qu’une petite guirlande de feuilles prend naissance à l’angle supérieur des panneaux et forment un arc qui vient fermer l’inter-panneau. Au centre de la base de l’ombelle sommitale, on distingue l’empreinte de la pointe sèche du compas qui a été placée là pour réaliser le tracé préparatoire de ces guirlandes arquées. À 19 cm au-dessus des panneaux, la zone médiane est couronnée par une bande ocre jaune, surmontée d’une bande blanche large de 23 cm dont la moitié supérieure a un aspect brut et strié, caractéristique de l’arrachement d’une corniche en stuc (fig. 5.17). Seuls quelques fragments de cette corniche nous sont parvenus (cf. ci-après fig. 5.27). Leur mauvais état de conservation, dû à une


260

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.7 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, personnage portant une tablette, compartiment de zone inférieure (détail plaque 2) (photo APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

261

Séquence 1: simple panneau à bordures ajourées

Cette séquence présente des panneaux bordés sur trois côtés par une bande et pourvus de deux filets intérieurs, dont l’un est traité comme une bordure ajourée, ornés d’une alternance de bifols et de trois points en triangle pointés (fig. 5.20). Ces bandes sont soit rouge cinabre, flanquées de filets beiges et agrémentée d’une bordure ajourée bleue; soit bleues ou bleu verdâtre, flanquées de doubles filets rouge bordeaux et associées à une bordure ajourée rouge bordeaux (fig. 5.19). Les angles supérieurs des panneaux à encadrement cinabre sont ornés de motifs végétaux bleus composés d’un arc de cercle timbré d’un point et couronné de trois feuilles. L’axe des panneaux était probablement marqué par une sorte de palmette bleue, positionnée en couronnement, tel un acrotère (plaque 96) (fig. 5.19). Séquence 2: édicule léger abritant un personnage

Cette séquence présente des édicules légers, traités par une touche fluide qui leur donne un rendu très clair dans les tonalités vert pâle, ocre jaune et bleu clair. Ils sont composés de quatre colonnettes portant vraisemblablement un fronton. Deux de ces colonnettes sont représentées en avant-plan. Elles sont enrubannées et portent un petit chapiteau (plaque 58) (fig. 5.21). Les deux autres, en arrière-plan, sont plus claires pour marquer l’éloignement. Quelques rares fragments suggèrent la forme de la couverture de l’édicule (plaques 59, 60, 63). Il s’agit probablement d’une forme triangulaire en fronton.

Fig. 5.8: Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, plaque 3, nature morte avec perdrix suspendue par le bec (photo APPA-CEPMR).

couche de finition extrêmement pulvérulente, ne nous permet pas d’en définir le profil, mais nous pouvons restituer ses dimensions: une hauteur d’environ 12 cm, un relief compris entre 7 et 8 cm. L’âme du stuc présente des clous de fixation (fig. 5.18). Les plaques 19, 26, 27 et 28 indiquent qu’au-dessus de la bande rugueuse, correspondant à la corniche, le décor se poursuit par une zone supérieure (fig. 5.25). En effet, on observe une bande marron, surmontée d’une double bande de séparation ocre jaune foncé, puis clair. Au-delà, se développe un champ monochrome blanc agrémenté de différents motifs. Malheureusement les plaques conservées sont beaucoup plus lacunaires que pour la zone médiane. Parmi les motifs, nous avons pu identifier trois séquences différentes, mais nous n’avons pas d’éléments permettant de préciser comment elles s’enchaînent les unes par rapport aux autres, ni comment elles se positionnent par rapport à la zone médiane. Nous les décrirons séparément, puis nous émettrons quelques hypothèses de restitution.

Comme en témoigne la plaque 54, ces édicules abritent un personnage. Trois au moins sont attestés par les fragments conservés. Le premier est vêtu d’un drapé violet à rehauts bleus. Les plaques 53 et 54 appartiennent vraisemblablement au même personnage (fig. 5.21). Il est représenté de trois quarts vers la droite, le bras gauche légèrement replié vers la cuisse, alors que le bras droit est tendu, paume vers l’avant, s’écartant du corps, dans une gestuelle théâtrale. Le deuxième personnage, apparemment vêtu de la même manière que le premier, est attesté par la plaque 57 qui montre un bras gauche légèrement plié vers l’extérieur du corps; la main semble tenir un pedum (fig. 5.22). Sur cette plaque, on distingue bien une colonnette en avant-plan et une en arrière-plan. Le troisième est plus hypothétique. En effet, sur la plaque 56, on observe une masse bleue rehaussée de nombreux traits rouge bordeaux; cette façon de faire caractérise la représentation de drapés que l’on peut, en toute vraisemblance, attribuer à un personnage. Séquence 3: colonne rose et corniche fictive.

Cette séquence présente des éléments architecturaux plus massifs: colonnes et corniche (fig. 5.23).


262

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.9: Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, plaque 6, zone médiane, candélabre et angles supérieurs de panneaux (photo APPA-CEPMR).

Les colonnes, figurées en dégradé de roses, sont posées sur un socle massif polygonal représenté en perspective sur la bande de transition ocre jaune foncé (plaques 28 et 29) (fig. 5.23 et 5.24). Leur base circulaire est constituée d’un tore, posé sur un socle polygonal. Ponctuellement, leur fût est cerclé d’anneaux ocre jaune ornés de motifs végétaux (plaques 64 à 67). Elles portent un large entablement (14 cm), composé d’une corniche et d’une frise. La corniche est matérialisée par une succession de filets aux nuances ocres et brunes, imitant des moulurations (fig. 5.23). Au-dessus, est représentée une frise de rais-de-cœur plutôt massifs et stylisés, en forme de croissants allongés se détachant sur le fond blanc, créant ainsi une découpe particulière.

Au-dessus de cet entablement, sont placés des motifs circulaires de grande dimension, partiellement conservés (diamètre: environ 30-32 cm) (fig. 5.23), représentés en dégradé de bleu (plaques 71 et 82) ou de rose (plaques 72, 73), créant un effet de moulure. La taille de l’objet et la suggestion de volumes concentriques permettent d’y reconnaître un clipeus, voire une imago clipeata, ce qui est impossible à préciser en l’absence de la partie centrale. Ces motifs sont agrémentés de rubans bleus ou roses d’où partent latéralement de fines guirlandes en feston. On notera un fort contraste entre ces éléments architecturaux aux teintes très soutenues et aux volumes massifs, et les édicules à personnage dont la couleur est plus fluide et la forme plus légère.


Les peintures murales romaines

Fig. 5.10 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, plaque 5, zone médiane, candélabre (photo APPA-CEPMR).

263


264

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.11 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, détails des plaques 5 et 19, cabochons verts et bleus ornant le filet d’encadrement et coquille axiale (photos APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

265

Fig. 5.12 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, détails de la plaque 2, zone médiane, base du candélabre (photos APPA-CEPMR).

Rien ne permet de préciser comment ces trois séquences s’agencent les unes par rapport aux autres. Pour la séquence 3, nous ne connaissons pas la longueur de l’entablement. Aucun indice ne nous permet de préciser s’il s’interrompt ponctuellement pour former un édicule ou s’il court sur toute la paroi telle une corniche sommitale. Les édicules abritant les personnages doivent avoir une position axiale par rapport aux panneaux ou aux inter-panneaux de la zone médiane, suivant un rythme imposé par la dimension de la pièce. Mais une fois encore, rien ne nous permet d’avancer une hypothèse plus qu’une autre. Nous proposons donc avec prudence l’organisation suivante (fig. 5.25): des panneaux à bordures ajourées alternant avec des édicules à personnage, séparés par les colonnes roses et couronnés par une corniche continue. Les colonnes roses seraient placées au-dessus des inter-panneaux; de ce fait, les personnages seraient axés par rapport aux panneaux en alternance avec les panneaux à bordures ajourées.

Fig. 5.13 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, plaque 91, visage de l’une des statues en base de candélabre (photo APPA-CEPMR).


266

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.14 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, plaque 5, détails du candélabre (photos APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

267

Fig. 5.15 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, détails de la plaque 6, motifs floraux (photos APPA-CEPMR).

5.2.1.3

Dimensions des différents modules et restitution de la hauteur de la paroi

Zone inférieure

La plinthe est conservée sur une hauteur attestée de 0,40 m (plaque 1). La largeur des compartiments étroits est complète sur la plaque 2: elle est de 0,40 m. En revanche, la largeur des longs compartiments noirs a été évaluée grâce à la position probablement centrée du personnage. On a pu restituer une largeur d’environ 1,30 m. La hauteur a été estimée à au moins 0,60 m, en fonction des proportions du personnage et en considérant qu’il reposait sur une ligne de sol. La zone inférieure mesure donc au moins 1 m de haut.

Zone médiane

Les plaques 2, 5, 6 et 19, même si elles ne s’assemblent pas, se superposent et peuvent à partir du rythme de leur motif être positionnées précisément. Le cabochon marquant le centre des côtés latéraux des panneaux, on peut restituer une hauteur d’environ 2,10 m. La largeur des panneaux peut être mesurée sur la plaque 19, la coquille donnant l’axe de symétrie du côté supérieur (fig. 5.17): elle est d’environ 1,40 m. En ajoutant à la hauteur des panneaux (2,10 m) celle du champ noir au-dessus (0,24 m) et celle de la bande de corniche en stuc (0,22 m), on obtient pour la zone médiane une hauteur de 2,56 m.


268

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.16 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, guirlande couronnant l’inter-panneau et reliant les angles supérieurs de panneaux (photo APPA-CEPMR).

Zone supérieure

Hormis l’épaisseur des bandes de transition (0,28 m), nous ne disposons d’aucune dimension pour cette zone. Les motifs montrent un champ encore relativement développé. La largeur des panneaux est conditionnée par ceux de la zone médiane. L’association des plaques 53 et 54 permet de restituer la largeur d’un édicule: environ 0,75 m. Seules les proportions du personnage permettent de proposer une hauteur harmonieuse d’approximativement 2 m. Toutes ces dimensions associées révèlent une hauteur totale de paroi comprise entre 5,50 et 5,60 m (fig. 5.25).

5.2.1.4

Observations techniques

Les supports

Ce décor est appliqué sur un support différent selon les trois zones horizontales du décor (cf. ci-après). Les supports des zones médiane et supérieure semblent similaires, mais la couche de finition blanche de la troisième les différencie en observation à l’œil nu (fig. 5.26).


Les peintures murales romaines

269

Fig. 5.17 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, plaque 19, partie supérieure d’un panneau et couronnement de la zone médiane (photo APPA-CEPMR).

Fig. 5.18 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, corniche en stuc et clou de fixation (photos APPA-CEPMR).


270

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.19 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, zone supérieure, bordures ajourées et bandes d’encadrement (photos APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

Fig. 5.20 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, zone supérieure, séquence 1, restitution des panneaux à encadrement rouge cinabre, bleu et vert (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

4 9 33 4 0

4 5

24

30

9 6 4 4

31

4 1 4 3 4 2

34

35

4 6 4 7

0

50 cm

271


272

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.21 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, plaques 53 et 54, zone supérieure, séquence 2, personnage dans un édicule architectural, restitution d’un édicule (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

273

Fig. 5.22 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, plaque 57, zone supérieure, séquence 2, personnage dans un édicule architectural, restitution d’un édicule (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).


274

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.23 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, plaque 82, zone supérieure, séquence 3, restitution des colonnes roses et de la frise de rais-de-cœur (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

275

Fig. 5.24 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, plaque 28 et relevé, base de colonne posée sur un socle (photo et relevé APPA-CEPMR).


276

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

570 cm

70 82 75

71

72

77

4 9

500 cm

31

9 6

58

4 4

63

33 4 0

54 66

53

64

55

4 5 30

4 00 cm

66

24

28

4 3 4 2

27

26

4 1

29

112

16 8 15

7 300

10

19

12

6

11

9

200

5

2

100

20 22

23

3

4

21

1

0

50 cm

Fig. 5.25 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, décor du mur 303, restitution des zones inférieure et médiane et hypothèse de restitution de la zone supérieure (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

277

Zones médiane et supérieure

La couche (a), d’une épaisseur régulière, localement rosée en surface, est composée d’un granulat de sable siliceux et calcaire et de fragments de calcite. Le granulat de la couche (b), d’une épaisseur variable, probablement appliquée en plusieurs fois, est de même nature que la couche (a). Il apparaît cependant plus grossier, de la taille de graviers, associé à quelques silex, et de petits fragments de tuileau. Notons la présence de nombreuses empreintes de fibres végétales, quelques coquillages. Des empreintes de chevrons sont présentes au revers, en contact avec le support de terre crue. La corniche en stuc est composée d’un support massif appliqué en deux passes, à granulat de sable siliceux et calcaire et quelques fragments de calcite, recouvert d’un fin badigeon de chaux. L’observation des supports nous donne également des indications concernant la mise en œuvre. En effet, on distingue la jonction entre deux zones d’application de l’enduit qui correspond généralement à la division de la paroi. Ainsi, sur la plaque 2, on peut localiser un raccord de mortier horizontal (pontata), situé à 1,5 cm en dessous de la bande de transition entre la zone inférieure et la zone médiane (fig. 5.27). Ce raccord est une zone de faiblesse dans la cohésion de l’enduit au niveau du raccord biseauté. D’une manière générale, l’observation macroscopique montre une cohésion entre les couches révélant une belle qualité des techniques d’application et la diversité des matériaux utilisés pour un même ensemble. Les revers Fig. 5.26 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, supports vus en coupe, de haut en bas: zone inférieure, zone médiane et zone supérieure (photos APPA-CEPMR).

Zone inférieure

Le support11 de la zone inférieure est constitué d’une couche de finition d’une épaisseur très régulière, à granulat de sable siliceux et fragments de calcite (a). La couche (b) d’une épaisseur irrégulière comble de grosses irrégularités, elle est chargée d’un sable siliceux auquel ont été ajoutés des fragments de tuileau. L’étude pétrographique a permis de détecter la présence de résidus de broyage de mortiers de chaux. La couche (c), parfois appliquée en deux passes, est caractérisée par un granulat hétérogène, de sable calcaire et siliceux, de type gravier.

Au revers, les fragments conservent des empreintes d’incisions, plus ou moins marquées. Ces empreintes correspondent au système d’accrochage mis en place sur le mur en terre pour que l’enduit adhère à la paroi. Elles présentent un système de chevrons en zigzag délimitant des losanges (fig. 5.28). Le même type d’empreintes a été observé au revers de l’ensemble 12. Au niveau de la plinthe en revanche, ce sont les empreintes des assises régulières du soubassement en petit appareil, composé de moellons équarris, que l’on distingue sur une hauteur d’environ 40 cm. Traitement de surface et couches picturales Surface picturale

La plinthe mouchetée présente en sa limite inférieure l’arrachement caractéristique du raccord avec le sol. La surface montre un aspect grumeleux et irrégulier.

11 Coutelas 2009: un enduit est une succession de couches de préparation (dont la première est celle présente contre la paroi), terminée par une couche de finition. Une nomenclature à base de lettre est employée pour faciliter la description et surtout, permettre une meilleure présentation, discussion et compilation des données entre différents chercheurs. La description des couches de mortier s’effectue alors de la couche picturale vers le mur, soit donc de l’avers vers le revers, dans l’ordre inverse de leur constitution. Un enduit peint se décompose comme suit: - couche picturale, notée Cp; - couche d’épiderme ou de finition notée (a); - couches de préparation, notées (b), (c), (d), etc.


278

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.27 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, raccord horizontal de mortier entre la partie basse et la zone médiane (pontata, détail plaque 2) (photo APPA-CEPMR).

Contrairement à la plinthe, le fond des compartiments et celui de la zone médiane sont bien lissés. Sur les champs noirs, on distingue le sens de lissage de l’enduit. En revanche, sur les champs ocre jaune, la surface a été soigneusement polie, ne laissant plus aucune trace du lissage préalable. Les motifs sont peints en rehaut. Certains sont réalisés avec une grande précision, d’autres avec un geste que l’on sent rapide et nerveux. En lumière rasante, leur léger relief apparaît, dû à l’empâtement de la matière picturale. À ce sujet, on peut se demander si le liant est de nature minérale (lait de chaux, carbonate de calcium) ou organique. Quant à la technique picturale, on notera un fort contraste dans le rendu de certains ornements du candélabre. Se côtoient des motifs massifs et empâtés et d’autres si grêles et si fluides qu’ils en deviennent presque transparents. C’est le cas par exemple des plateaux supportant les corbeilles de fleurs, et des rinceaux et tigelles fleuries (fig. 5.14b et 5.15). Pigments

La palette picturale est pour cet ensemble très riche; elle présente une variété de couleurs déclinées dans de diverses tonalités, tout en jouant sur la texture de la matière, épaisse ou légère. Ainsi, on peut voir des couleurs simples présentant une belle intensité jaune, rouge et noire pour les fonds et les bandes. À cette gamme

viennent s’ajouter des pigments plus élaborés tels que le bleu égyptien, utilisé ponctuellement (cabochons et coquille, bandes et drapés de la zone supérieure); le cinabre, pigment plus onéreux, est utilisé pour certaines bandes. Des pigments ont également été employés en mélange. C’est le cas du violet et du marron des drapés et des motifs végétaux du candélabre; du vert pour les rinceaux et les cabochons. La scène figurée la mieux conservée des compartiments de la zone inférieure montre un personnage traité en camaïeu aux nuances subtiles de rouge bordeaux. État de conservation et altération

Mise à part la corniche en stuc, ce décor est en bon état de conservation. Son support est compact et ne se délite pas. Les motifs peints en rehaut présentent une bonne cohésion avec le support et ne sont pratiquement pas écaillés. Seules des altérations liées à l’incendie qui a détruit l’habitation sont visibles. En effet, les terres vertes et les ocres sont sensibles à la chauffe. Leur tonalité se modifie au contact de la chaleur. Le vert devient kaki et les ocres jaunes deviennent rouges. Ainsi sur les plaques 2 et 5, on observe un dégradé passant du jaune à l’orange puis au rouge foncé, ce qui indique que la partie inférieure gauche du décor a été davantage exposée à la chaleur du feu que le reste de la paroi. On peut donc ici sans difficulté restituer la couleur d’origine de certains champs, l’ocre jaune étant en partie conservé. En revanche, il est plus difficile d’évaluer les


Les peintures murales romaines

279

Fig. 5.28 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 3, revers du décor restitué, empreintes d’incisions en zigzag (système d’accrochage) (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).


280

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

variations de couleurs des rehauts, nuancés par l’association de pigments divers. Le changement de couleur du jaune en rouge lors de l’incendie (fig. 5.6) s’explique par la transformation du pigment lui-même pendant l’élévation de température de la paroi. Dans les cas des ocres, le pigment jaune (hydroxyde de fer) devient ocre rouge (oxyde de fer) par déshydratation. Cette altération est irréversible. Pour les couches picturales bleues, le pigment utilisé est le bleu égyptien dont la structure est stable à la chaleur, puisqu’il est déjà le résultat d’une cuisson à haute température. On notera en général une bonne qualité de mise en œuvre, la couleur bleue est vive et la tenue du matériau assurée par une forte carbonatation. En revanche, sur les personnages de zone supérieure, les vêtements sont traités en bleu appliqué sur une sous-couche violacée. À cet endroit, le pigment n’est plus que résiduel (fig. 5.21). Au niveau des bandes d’encadrement de la zone supérieure, le cinabre (rouge vermillon) a été posée sur une sous-couche ocre jaune, probablement dans le souci d’isoler le pigment de la chaux12 (plaques 31 et 96, fig.5.19). Tracés préparatoires

Au niveau des zones inférieure et médiane, le décor a été réalisé avec un tel soin que très peu de tracés préparatoires sont visibles. On notera l’axe vertical du candélabre qui est légèrement incisé et la pointe sèche du compas pour placer la guirlande arquée au-dessus du candélabre. En revanche, des tracés préparatoires à l’ocre sont visibles en zone supérieure, au niveau des bandes bleues, des grands motifs circulaires et des bandes. En ce qui concerne les bandes de la zone supérieure, nous avons observé que l’ocre jaune est employé tantôt comme sous-couche pour le cinabre et le vert, tantôt comme tracé préparatoire pour le bleu. 5.2.1.5

Observations iconographiques

Cet ensemble est d’une grande richesse iconographique. Les motifs les plus remarquables sont bien entendu les personnages qui caractérisent le décor. Le personnage à la tablette

Celui qui est situé en compartiment de zone inférieure est le mieux conservé. Il est vêtu d’une tunique, pièce essentielle du costume gallo-romain qui affecte un patron en T. Pour les hommes, elle arrive en général à mi-mollet13. Ici, elle est ornée de franges régulières, ce qui n’est pas rare: nous avons rencontré des personnages ainsi vêtus, entre autres, à Chartres14 ou à

12 Le cinabre a été identifié par spectrométrie Raman (cf. ci-après chapitre sur les analyses). 13 Roche-Bernard 1993, 20-22.

Heitersheim. Une pièce de tissu à franges présentée par deux hommes sur un bas-relief du musée de Trèves en confirme l’utilisation habituelle15. L’objet qu’il tient par une ficelle peut être identifié à une tablette (instrumentum scriptorium) par sa forme rectangulaire et les deux paires de trous latéraux caractéristiques, servant à passer une ficelle/lanière. La tablette de Papnoution (IVème siècle ap. J.-C., Antinoé, Égypte), conservée au Musée du Louvre, montre clairement ces détails. Les tablettes étaient utilisées pour la prise de notes, la comptabilité ou la correspondance. Dans la peinture campanienne, elles sont assez peu représentées. Soulignant un statut social privilégié, on les rencontre essentiellement dans deux types de représentation: les natures mortes et les portraits. En Gaule, elle est attestée dans une scène de portrait solennel, en zone supérieure du décor de la villa de Maasbracht (Pays-Bas, IIIème siècle)16. Dans cette scène de genre remarquable, car rare en peinture, le personnage assis au centre la tient ouverte, tournée vers le spectateur. L. Swinckels pense que ces peintures illustrent l’acheminement social et culturel des habitants de la villa, appartenant à l’élite et jouant un rôle dans l’administration de la civitas. Les scènes de la vie quotidienne sont, en revanche, fréquentes sur de nombreux bas-reliefs funéraires on y observe souvent des tablettes, tenues ouvertes comme un livre ou suspendues par un cordon, comme par exemple sur les piliers de Neumagen où elles figurent dans une scène de compte avec un client17 et une scène d’école18. Elles sont souvent présentes également sur les stèles représentant des écoliers. Pour l’exemple de Tongres, la barbe indique un homme d’âge mûr. On serait donc plutôt en présence d’une représentation montrant une activité économique ou littéraire, et par conséquent à une représentation faisant allusion au statut social du propriétaire et pourquoi pas à son activité. N’oublions pas que chaque compartiment de ce couloir devait renfermer une scène, sur un thème commun. Le personnage à lui seul ne suffit pas pour entrevoir ce thème. Autre élément notoire, la barbe et la coiffure du personnage qui évoquent une mode attestée à l’époque antonine; tendance lancée par Hadrien afin de marquer son admiration pour les philosophes grecs. Cette image à elle seule reflète le statut du maître de maison, appartenant indéniablement à l’élite locale. Le réalisme des traits indique une scène de genre où pouvaient peut-être représenter des proches du maître de maison en relation avec l’activité professionnelle et familiale, comme l’évoque également le décor de Maasbracht, déjà cité plus haut. On regrette bien entendu de ne pas avoir quelques éléments complémentaires pour mieux percevoir le thème ici choisi.

14 Allag & Joly 1995, 184 et fig. 29. 15 Roche-Bernard 1993, 134. 16 Swinkels 1987, fig. 4.

17 18

Von Reinhard Schindler 1980, fig. 335. Von Reinhard Schindler 1980, fig. 141 et 141.


Les peintures murales romaines

281

Le perdreau

Motifs d’atelier

Associée au même registre que ce personnage, la représentation de l’oiseau dans une position inerte (verticale, les ailes repliées) illustre vraisemblablement une nature morte: du gibier suspendu par le bec. La taille de cet oiseau et la forme du bec permettent de le rapprocher des représentations de perdreau comme celui de la maison des Cerfs à Herculaneum19. Les natures mortes, attestées sur les décors dès le Deuxième style, connaissent un développement sans précédent durant la deuxième moitié du Ier siècle. Poissons, gibiers, fruits et friandises sont représentés dans des tableaux en série, comme des cadeaux d’hospitalité (xenia)20.

Le motif que nous avons dénommé ‘cabochon’ se retrouve sur de nombreux décors du site (ensembles 4, 6, 14), et également sur ceux du ‘Vrijthof’24 pour agrémenter les bordures des panneaux. Il apparaît comme un modèle original, au même titre que les doubles traits perpendiculaires au filet. Ce pourrait être un particularisme d’atelier caractérisant une même campagne ornementale.

En Gaule, on en connaît plusieurs, comme la belle coupe en verre contenant des fruits rouges sur un décor du Kornmarkt à Trèves, mais à ce jour les représentations animales sont rares: mentionnons les grives en vignette de panneau dans une domus de Martigues et la tranche de saumon dans un compartiment de zone inférieure de la villa de Mechern (IIème siècle ap. J.-C.)21. Ce perdreau est donc un témoignage supplémentaire de ce qui reste peu attesté pour la peinture en Gaule. Le gibier, dont la perdrix, fait partie des mets appréciés. Apicius y consacre un chapitre intitulé « Le volailler » où il regroupe quarante recettes pour préparer les différentes espèces chassées ou élevées en basse-cour22. La statue

Le candélabre est très riche, associant objets et végétaux. La statue faisant office de base illustre une représentation féminine par son drapé, tenant dans la main droite une tige se terminant par une grande feuille qui pourrait être un flabellum stylisé, symbole de beauté. Il s’agit peut-être d’une représentation de divinité, abondamment déclinée en statuaire, mais nous n’avons pas assez d’éléments pour argumenter cette hypothèse. La coquille

La coquille est attestée sur les décors muraux; la plus célèbre est celle représentée dans la grande scène de la maison de la Vénus à la Coquille à Pompéi (II, 2, 3). Sa présence en couronnement de panneau et notamment en Gaule est peu habituelle. On la trouve parfois en motif d’agrément comme dans le triclinium de la maison à la Cloison de bois à Herculaneum où une série de coquilles en chapelet couronne un pseudo-entablement ou également dans le cubibulum (N) de la maison des Amours dorés à Pompéi. Notons qu’elles sont représentées ici la charnière en haut, alors qu’à Tongres, elle est dans l’autre sens. On la trouve également fréquemment sur les mosaïques23, les frises en stuc ou les sarcophages, associée à un thiase marin (centaures marins, dauphins, Néréides…). On s’attendrait donc à la trouver à proximité d’un monstre marin ou d’une tête de dieu Océan. Malheureusement sur les éléments conservés, rien de semblable n’apparaît.

19 Guidobaldi & Esposito 2012, 259-281. 20 Baldassare et al. 2003, 234-238; Croisille 1995, 60-66; De Caro 1999. 21 Henz & Schumacher 1998. 22 Blanc & Nercessian 1992, 109-137. 23 Balmelle et al. 1985, 153, Pl. 98.

5.2.1.6

Étude stylistique

D’un point de vue chronologique, ce décor appartient à la phase 3 de la domus, bien datée archéologiquement entre la fin du Ier et le milieu du IIème siècle de notre ère. La coiffure et la barbe du personnage de zone inférieure reflètent, nous l’avons vu, une mode imposée par Hadrien et permettent de proposer une réalisation du décor vers 120-130 ap. J.-C. La composition d’ensemble est assez habituelle pour la Gaule, du milieu du Ier à la fin du IIème siècle: compartiments larges et étroits en zone inférieure, qui répondent à une division en panneaux et inter-panneaux en zone médiane. Là où la composition se démarque des modèles régionaux conventionnels, c’est dans le développement de la zone supérieure. Bien que seuls deux éléments soient conservés, on peut considérer que la zone inférieure s’insère dans la série des compartiments à scènes figurées ou à natures mortes. En Gaule, les motifs figurés (animaliers ou humains) de bas de parois sont attestés dès le Ier siècle ap. J.-C.. Initialement ce sont les scènes avec animaux (échassiers, scènes de chasse, …) qui dominent. Ils se caractérisent par des motifs aux dimensions réduites et positionnés dans les compartiments de partie basse et aussi en prédelle, comme par exemple dans la maison des Nones de Mars à Limoges (salle S4, datée entre 35 et 45 ap. J.-C.)25. Les scènes qui associent figures humaines et animaux sont plus rares, on les rencontrent par exemple sur le décor de Mercin-et-Vaux26 où l’on peut voir divers combats entre des pygmées et des volatiles (deuxième moitié Ier siècle). Il faut attendre le début du IIème siècle pour que ces représentations prennent plus d’essor. Elles se caractérisent par des proportions beaucoup plus grandes cette fois, posées sur des sols matérialisés généralement par une bande verte (par exemple à Trèves, Konstantinsplatz27 ou à Vichten, couloir C28). Le genre perdurera jusqu’au IIIème siècle; mais dès la seconde moitié du IIème siècle, la ligne de sol a tendance à disparaître, les figures sont alors placées sur les bandes d’encadrement. Les exemples datés de la première moitié du IIème siècle restent toutefois, à ce jour, encore peu nombreux, mais proviennent tous du nord-est de la Gaule. Les animaux bondissants sont les plus abondants; les représentations humaines sont minoritaires; on

24 Les fouilles de la place du Vrijthof à Tongres ont été menées entre 1994 et 1996. Cette place est mitoyenne de la basilique Notre-Dame. Il est donc fort probable que ce décor, en raison des similitudes avec ceux trouvés sous la basilique, appartienne à la même unité architecturale (Laken 2010).

25 26 27 28

Loustaud et al. 1993. Barbet 1974a, 1974b et 1975. Thomas 1995, 233 et fig. 160. Groetembril 2007.


282

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

mentionnera le décor du portique de la villa d’Yvonand29 où l’on trouve des scènes de chasse et de genre, alternant avec des natures mortes (début IIème siècle); le décor de portique à Mechern (Allemagne) illustrant des combats de gladiateurs (début IIème siècle); un ensemble provenant de la cave sous la pièce 49 à Auxerre, boulevard Vaulabelle, où se succèdent des compartiments montrant un aurige, une nymphe et un paysage idyllico-sacré (milieu IIème siècle); dans la villa de Meikirch (fin du IIème siècle)30 et de Liéhon (IIIème siècle)31 ce sont des scènes cultuelles ou burlesques qui rythment la paroi. Dans la série, l’exemple de Tongres se démarque. En effet, la représentation plutôt statique et très soignée du personnage le rapproche des scènes de genre, abondamment illustrées sur les bas-reliefs funéraires du Nord de la Gaule, comme ceux de Trèves, où les personnages sont traités avec réalisme, presque comme des portraits. Le candélabre, quant à lui, présente encore la forme classique structurée par une hampe à laquelle divers motifs sont suspendus ou posés sur des ombelles ou autres supports. Habituellement les motifs se succèdent pour mener au motif sommital qui est mis en exergue. Ici le schéma est comme inversé avec une figure massive en base, suivie de motifs aux tonalités intenses et à la touche épaisse. Puis, dans la moitié supérieure, les motifs sont de plus en plus légers, aux tonalités diluées, pour terminer avec une minuscule ombelle presque transparente. Les bases de candélabre présentant une statue sur un socle ne sont pas très fréquentes. Il pourrait s’agir d’une tendance spécifique au Nord de la Gaule. En effet, on connaît l’exemple de Xanten (insula 19 est), où des personnages masculins nus sont placés sur un socle rectangulaire (fin Ier–début IIème siècle)32. À Cologne, Pipinstrasse, on trouve une statue sur un socle, mais en compartiment de zone inférieure (fin Ier siècle)33. En revanche, à Amiens rue de l’Oratoire (antérieur à 120 ap. J.-C.)34, ce sont des figures stylisées assez statiques que l’on trouve en alternance avec des cavaliers. On observe également dans ce décor une touche nerveuse dans le même esprit que celle décrite pour les motifs secondaires de Tongres. En Campanie et à Rome, les statues féminines sont présentes à tous les niveaux de la paroi. Elles ont souvent l’aspect de caryatides placées en haut d’une colonne et portant un entablement, comme par exemple sur le décor du triclinium C de la villa de la Farnésine à Rome (fin Ier siècle av. J.-C.)35. En base de candélabre, la forme n’est pas très répandue non plus. On mentionnera toutefois la petite ménade de l’oecus q de la maison des Vettii à Pompéi (milieu Ier ap. J.-C.). Le masque joufflu36 apparaît avec le Troisième style pompéien, on le trouve encore au Quatrième style souvent dans un rendu plus schématique. En Gaule, on en connaît de nombreuses repré-

29 30 31 32 33 34

Suter et al. 2004 CD-Rom, 141 et fig. 134. Suter et al. 2004, 85-150. Inédit. Mention dans la CAG de Moselle (1/2). Jansen et al. 2001, 121-154. Thomas 1993, fig. 106. Defente 1995, 153-156.

sentations, citons celle de Troyes (Porte de Chaillouet, première moitié Ier siècle) et celle de la villa de Plassac (milieu Ier siècle) qui présente un traitement en camaïeu similaire. Le masque de Tongres serait l’exemple le plus tardif de la série. Les pommes et les corbeilles de fleurs appartiennent aux natures mortes, très appréciées dans l’art mural. Présentées sur les ombelles de candélabre, elles feraient allusion à des offrandes. En effet, les fruits ronds, ainsi que les bouquets, font partie des offrandes souvent représentées sur les statuettes en pierre trouvées dans les sanctuaires37 et sur les bas-reliefs funéraires. En Gaule, les représentations de fruits sont également bien attestées. En Germanie, on peut citer, entre autres la coupe de fruits en tableautin à Trèves (Kornmarkt)38 et la corbeille de fruits sur une ombelle à Cologne (Fleischmengergasse)39. Les pommes sont connues sur plusieurs décors à Narbonne: Clos de la Lombarde40, des pommes dans le décor de feuillage de la pièce A de la maison III, deux pommes sur une ligne de sol dans la salle C de la maison III; boulevard F. Mistral, une pomme et deux cerises sur une ligne de sol en vignette de panneau. Et aussi à Nîmes, Villa Roma41, dans la maison 10, deux pommes flottent en centre de panneaux. En prenant du recul, on les trouve aussi bien noyées dans des feuillages que dénudées au centre de grands panneaux. Sur le site de la basilique de Tongres, on les retrouve dans trois décors: ensembles 1, 3 et 11. La zone supérieure présente les caractéristiques du Quatrième style pompéien qui consistent en un retour à la scénographie et à l’ouverture des parois, en particulier dans cette zone supérieure. Ainsi des architectures peu réalistes s’y développent et servent d’écrin à des personnages42. En Gaule, les exemples attestés de paroi comportant une zone supérieure sont peu nombreux. Parmi eux, ceux qui développent une architecture en perspective dans l’esprit du Quatrième style sont encore plus rares. Les plus beaux sont dans la maison au Grand Triclinium du Clos de la Lombarde à Narbonne, dont celui de la salle C où un personnage féminin est placé en panneau axial, et ceux des pièces A, K et R (IIème siècle)43. Ces décors sont, bien entendu, inspirés directement des modes italiennes. Mentionnons, pour exemple, le triclinium 13 de la maison à la Colonnade toscane à Herculaneum44. Bien que plus complexe, ce décor présente des similitudes avec celui de Tongres: on y observe des personnages, dont des satyres, dans des édicules, des bordures ajourées et également la présence d’imagines clipeatae posées sur les édicules. Pour terminer, mentionnons encore la frise de rais-de-cœur de la zone supérieure. Elle se distingue par sa taille importante et la découpe des rais-de-cœur qui se détachent sur le fond blanc. Ces

35 Bragantini 1998. 36 Barbet 2008, 359. 37 Deyts 1992, 153-159. 38 Peintures conservées dans les réserves du Rheinisches Landesmuseum de Trêves, inédit. 39 Thomas 1993, fig. 130 a-b.

40 41 42 43 44

Sabrié 1995, 79, 84 et 86. Sabrié 1998, 44 et fig. 53. Baldassare et al. 2003, 216. Sabrié 2011. De Franciscis et al. 1999, fig. 143.


Les peintures murales romaines

particularités se retrouvent sur plusieurs décors de la fin Ierdébut IIème siècle en Germanie, comme à Cologne45, Xanten46 ou encore à Oberweningen (Suisse)47. Les exemples connus étant proches du point de vue géographique et chronologique, on peut conclure à une mode régionale. Ce décor est très intéressant car, par sa composition très riche, il nous apporte beaucoup de précisions sur le contexte socio-culturel. Ainsi il montre un décor aux tendances locales et provinciales bien ancrées, mais qui n’omet pas de présenter une connaissance de ce qui se fait à Rome et un certain attachement à la romanité. D’un point de vue stylistique, il révèle des choix bien au goût du jour, mais avec quelques touches de nostalgie pour le Ier siècle, par la présence du masque joufflu et des fines bande d’encadrement intérieure. La touche picturale présente des effets antipodiques: avec la représentation de formes précises aux couleurs franches et épaisse pour les motifs en ‘premier plan’, opposée à des formes translucides à l’exécution rapide, presque abstraite, pour les motifs végétaux d’ornement ou de comblement. 5.2.1.7

La fonction de la pièce

Le personnage à la tablette reflète, nous l’avons dit, le profil socio-culturel du propriétaire, probablement actif dans la gestion de la cité. Si on considère qu’elle s’intègre dans une série évoquant l’activité du maître des lieux, on peut s’interroger sur la fonction de la pièce. Le décor tout entier souligne en quelques sorte une position politique marquée par le respect du pouvoir en place (physionomie antonine, zone supérieur inspiré des décors de Rome) et la fierté d’une appartenance régionale (choix vestimentaire, candélabre de mode régional, marques d’atelier local). À partir de ces observations, nous pouvons émettre l’hypothèse qu’il s’agissait du lieu où le maître recevait ces clients et gérait ces affaires, un tablinum, petite salle dont nous savons que les décors étaient particulièrement soignés grâce aux nombreuses peintures pompéiennes. Mais en l’absence de plan global de la domus, il est difficile d’évaluer la fiabilité de cette hypothèse. 5.2.2 Ensemble 4, Plafond au satyre 5.2.2.1

Contexte

Secteur 11, US 326. L’ensemble 4 rassemble un petit nombre de plaques qui ont été associées par le décor et surtout par un support bien caractéristique. Lors de la fouille, ces fragments ont été localisés sous le lit de tuiles correspondant à la chute de la toiture, survenu avant l’effondrement des murs (ensemble 3). La position en fouille, les revers conservant quelques traces de lattis, ainsi que le décor,

45 Thomas 2004.

46 Jansen et al. 2001.

283

nous le verrons, permettent de supposer que cet ensemble appartenait au plafond de l’espace A (fig. 5.4). Le nombre trop restreint d’éléments clés du décor n’a pas permis de préciser la composition d’ensemble. Cependant, l’observation attentive de chacun d’eux a permis d’en définir plusieurs séquences. 5.2.2.2

Description du décor

La plaque 1 montre une bande bleue arquée, large de 5 cm, bordée de filets rouge ocre. Cet arc appartenait vraisemblablement à un cercle dont le diamètre est estimé à environ 90 cm. Extérieurement, il est agrémenté d’un double filet à motifs de bordure ajourée rouge ocre: trois points en triangle pointés, alternant avec des bifols pointés. À l’extrémité droite de la plaque 1, un motif de palmette interrompt l’alternance, peut-être pour marquer un axe (fig. 5.29). Les plaques 2 à 5, quant à elles, (fig. 5.30) présentent une bande bleue identique, mais cette fois rectiligne. Elle est bordée par deux filets noirs. Un champ beige, probablement une bande, la borde du côté opposé à la bordure ajourée. Un autre arc de cercle, rouge ocre cette fois, est attesté par les plaques 16 à 19. Il est bordé de filets roses et flanqué, de chaque côté, d’une bordure ajourée de même couleur. À l’intérieur du cercle, la bordure est composée de petits motifs triangulaires juxtaposés, additionnés d’un point et, à l’extérieur, elle est formée par un chapelet de gros points, surmontés de deux plus petits (fig. 5.31). La plaque 8, que l’on peut associer aux plaques 6 et 7, présente des filets d’encadrement ornés d’un autre type de bordure ajourée. Il s’agit d’un double filet rouge ocre, doublé d’un filet rosé sur lequel reposent deux motifs en alternance: un demi-cercle timbré d’un point et un bifol, tous deux surmontés de deux points (fig. 5.32). L’angle ouvert formé par cette bordure possède un côté rectiligne et un côté apparemment légèrement courbe. Cette légère courbure est observée sur à peine 2 cm et pourrait n’être due qu’à une maladresse du peintre en bout de tracé. Cette organisation implique une forme polygonale, plus complexe. La plaque 21 porte un personnage masculin traité en camaïeu de marron-rouge, sur un fond blanc. Le traitement pictural est rapide, mais traduit un geste précis, expressif et de qualité (fig. 5.33). Seuls la tête et le thorax sont conservés. Le jeune homme est représenté en mouvement, la tête tournée de trois quarts vers la droite. Il porte les cheveux longs, ébouriffés. La musculature du buste et des épaules est valorisée par un savant dégradé de couleurs rehaussé de touches plus claires. La position de l’épaule indique que le bras droit était écarté du corps et probablement tendu à l’horizontale. En revanche, le bras gauche devait être légèrement plié vers le bas et tenir un pedum dont seule l’extrémité courbe est conservée.

47 Dubois 2012, 229-244.


284

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

1

0

20 cm

Fig. 5.29 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 4, restitution d’un arc formé par la bande bleue à bordure ajourée (infographie: Lucie Lemoigne, APPA-CEPMR).

Au second plan, derrière son épaule droite, une forme rose se détache, pouvant évoquer un voile puisque l’on distingue l’équivalent entre le pedum et l’épaule. La présence du pedum permet d’identifier sans équivoque, ce personnage à un satyre représenté ici dans une attitude dansante. Personnage associé au cortège dionysiaque, le satyre est abondamment représenté en peinture murale, comme par exemple sur le décor provenant d’Herculanum et conservé au musée de Naples (inv. 9878)48 ou celui de la maison à la Colonnade Toscane49. Les plaques 23 et 24 dévoilent le bas d’une jambe droite et un pied gauche flottant sur le fond blanc (sans ligne de sol, fig. 5.34). Il est difficile d’affi rmer que ces membres inférieurs apparte-

48 Bragantini & Sampaolo 2010, 257.

naient au satyre de la plaque 21. Leur échelle semble légèrement plus petite, mais tout dépend de leur position. La plaque 22 présente également un motif figuré, animalier cette fois, malheureusement incomplet. On y reconnaît cependant une silhouette féline: une panthère, évoquée par les ocelles dessinés sur le pelage (fig. 5.34). La panthère, tout comme le satyre, fait partie du thiase dionysiaque. Les différentes plaques conservées montrent une composition associant des cercles de grandes dimensions et des compartiments polygonaux dont les champs sont vraisemblablement occupés par des figures. Cette association, même si elle ne peut

49 De Franciscis et al. 1999, fig. 143.


Les peintures murales romaines

285

Au revers, peu de fragments conservent des empreintes mais celles qui subsistent sont le négatif des lattis d’une structure en clayonnage (fig. 5.36). Les seules marques visibles de tracés préparatoires se trouvent à la base et au sommet des motifs pointés roses, sous la forme d’arcs de cercles incisés dans l’enduit frais.

2

5.2.3 Imitation de marbre in situ, secteur 11 5.2.3.1

Contexte

Secteur 11, murs 304 et 306. Dans l’espace B du secteur 11 (fig. 5.4), des enduits de plinthe étaient entre en place sur les murs oriental et occidental.

4

5.2.3.2

Description

Mur oriental (mur 304)

À la base du mur oriental, les enduits étaient conservés in situ sur une hauteur d’environ 40 cm (fig. 5.37). Il s’agit d’une plinthe rouge bordeaux, probablement mouchetée, dont la surface picturale est très altérée.

3

5

0

Mur occidental (mur 306)

10 cm

Fig. 5.30 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 4, restitution de la bande bleue à bordure ajourée (infographie: Lucie Lemoigne, APPA-CEPMR).

être précisée, indique une composition centrée agrémentée de motifs dionysiaques. Or, ce type d’organisation est caractéristique des plafonds. On peut proposer alors un médaillon central qui pouvait renfermer le satyre dansant ou même une représentation de Dionysos lui-même, comme sur la voûte d’Echzell50, et les figures du thiase dans les compartiments rayonnants. 5.2.2.3

Observations techniques

La nette coloration des couches et l’induration du torchis indiquent que l’enduit a fortement chauffé (fig. 5.35). La couche picturale présente également des altérations dues à l’incendie: le champ blanc apparaît souvent gris et la tonalité des pigments semble parfois modifiée (fig. 5.36).

50 Schleiermacher 1985.

51

Laken 2010.

À l’angle de la pièce, le mur occidental présentait également des enduits en place, mais ceux-ci révèlent un décor différent: une imitation de marbre blanc à larges veinures beiges (ocre jaune clair) (fig. 5.38a). La tonalité des veinures a été altérée par l’incendie, virant au rouge (fig. 5.39). Cependant, le bas de la plaque conserve encore la couleur d’origine, l’enduit ayant été protégé à cet endroit par l’effondrement de la toiture. La différence de ce décor avec le mur en vis-à-vis correspond probablement à une réfection de la paroi après qu’une porte ait été rebouchée, comme nous avons pu l’observer après dépose de l’enduit (fig. 5.38b). Le traitement de ces imitations de marbre est assez étonnant: veines épaisses et énormes nodules rehaussés de touches blanches ne constituent en aucun cas la copie réaliste d’une pierre existante. Les représentations réalistes sont plus courantes, cependant cette version stylisée, que l’on peut dater des environs du milieu du IIème siècle (avant l’incendie du troisième quart du IIème siècle), annonce peut-être l’exemple d’imitation de marbre presque végétalisé que l’on connaît sur un décor du Vrijthof51 (fig. 5.40).


286

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.31 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 4, restitution de la bande rouge ocre courbe à bordure ajourée (infographie: Lucie Lemoigne, APPA-CEPMR).

19

18

17

16

0

20 cm

0

5.2.4 Décors en remblai secteur 11 5.2.4.1. Ensemble 5 Contexte

Secteur 11, US 511. Description

Dans cet ensemble, une série de petites plaques a été rassemblée. Elles présentent un décor à champ blanc divisé par des doubles traits parallèles rouge ocre, tantôt rectilignes, tantôt courbes (cercles ou arcs de cercle), ornés sur un côté de bordure ajourée de différents types: · alternance de demi-cercles timbrés d’un point et de bifols pointés (plaques 1 et 5, fig. 5.41); · Succession de motifs trifoliés (sorte de rais-de-cœur?, fig. 5.42); · chapelet de perles pointées posé sur un arc de cercle, formant vraisemblablement un cercle bouleté (plaque 9, fig. 5.42); · palmette (probablement associée à d’autres motifs) (plaques 7 et 8, fig. 5.42).

10 cm

Chaque type présente des différences d’écartement des traits. Cette diversité témoigne de l’ampleur du décor dont très peu d’éléments sont conservés. Le premier type de bordure présente une alternance de deux motifs, comparable à celle de l’ensemble 4 (fig. 5.32). Cependant, les deux ensembles se distinguent par leur support, l’agencement des motifs et les tonalités choisies. On retrouve également le motif de cercle bouleté sur la plaque 6, provenant du secteur 27, avec des proportions différentes (fig. 5.43). La variété de proportions ou d’agencements n’a rien de surprenant car ces petits éléments décoratifs viennent rompre le caractère linéaire des formes géométriques sobres et vont se répéter sur les décors de différentes pièces avec de petites variantes, dans un but ornemental. Notons encore que le support des fragments de l’ensemble 5 est similaire à celui de la zone supérieure de l’ensemble 3. Ces rapprochements vont dans le sens d’une réalisation par un même atelier.


Les peintures murales romaines

287

Fig. 5.32 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 4, fi let d’encadrement formant un arc surbaissé, agrémenté d’une bordure ajourée (infographie: Lucie Lemoigne, APPA-CEPMR).

6

7

8

0

20 cm


288

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.33 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 4, plaque 21, satyre dansant (photo APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

289

Fig. 5.34 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 4, panthère, membres inférieurs de personnages (photos APPA-CEPMR).

5.2.4.2

Ensemble 6

Contexte

Secteur 11, US 506 et 511. Description

L’ensemble 6 regroupe quelques petites plaques à fond blanc présentant un même support (fig. 5.44). Ces fragments révèlent quelques éléments du décor. Des doubles filets bleu-verdâtre et noir, à l’effet ombré, sont ornés d’un cabochon rouge bordeaux, d’environ 6 cm de diamètre,

cerclé d’un double trait noir, ponctué de motifs trifoliés et de doubles points en alternance (plaques 3 à 6). Ces filets sont probablement verticaux si l’on en juge par le sens de lissage visible sur le fond blanc. La plaque 4 indique qu’ils sont doublés à 6 cm par un trait rouge ocre. Sur la plaque 1 (très altérée par le feu), le trait est noirâtre. Sur les plaques 7 à 9, on observe des doubles filets rouge bordeaux et noirs, donnant le même effet ombré. Ils sont ornés d’un trait perpendiculaire noir, à l’aspect arrondi, sorte de petit tore (fig. 5.44).


290

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.35 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 4, support représentatif de l’ensemble 4, vue en coupe (photo APPA-CEPMR).

Fig. 5.36 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 4, plaque 7, vue de face et revers avec empreintes de clayonnages (photos APPA-CEPMR).

Le petit tore et le cabochon se retrouvent sur plusieurs décors de la domus. Comme nous l’avons dit pour l’ensemble 3, ces motifs pourraient être un particularisme d’atelier caractérisant une même campagne ornementale. Ce dernier point est conforté par l’observation d’un même type de support, tel que celui des zones médiane et inférieure de l’ensemble 3 ou encore ceux des ensembles 14, 24 ou 32, au mortier représentatif de la phase III de la domus.

5.2.4.3

Ensemble 7

Contexte

Secteur 11, US 511. Description

L’ensemble 7 regroupe quelques fragments provenant d’un décor linéaire très simple à fond blanc. La palette chromatique y est très réduite, les couches picturales se limitant au rouge ocre et au noir.


Les peintures murales romaines

291

Fig. 5.37 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, enduit in situ sur le mur oriental de l’espace B (photo OE).

Fig. 5.38 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, enduit in situ sur le mur occidental de l’espace B et vue du mur après dépose de l’enduit (photo OE).


292

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.39 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, mur occidental, décor d’imitations de marbre après restauration (photo APPA-CEPMR).

Fig. 5.40 Tongres: Vrijthof: plaque 1, imitation de marbre végétalisé (photo APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

293

Fig. 5.41 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 5, bordures ajourées, plaques 1 et 5 (photos APPA-CEPMR).

1 5 0

10 cm

Fig. 5.42 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 5, série de bordures ajourées et cercle bouleté (photos APPA-CEPMR).

Les plaques 1 et 2 indiquent que la plinthe était rouge ocre à mouchetis roses (fig. 5.45). Elle est surmontée d’un fi let rose horizontal, puis d’une bande d’encadrement rouge ocre qui assure la transition avec la zone médiane et se prolonge verticalement pour souligner les angles de la paroi, comme on l’observe sur la plaque 2. Le champ blanc de la zone médiane est divisé en panneaux par des bandes rouge ocre doublées d’un trait noir (plaques 2, 3 et 6). La largeur des bandes ainsi que l’espacement avec les traits sont variables.

52 Eristov & Groetembril 2006.

De nombreux fragments conservés présentent un angle de paroi qui se traduit par un léger ressaut du mortier en limite de fragment. La plaque 7, quant à elle, montre un angle ouvert et arrondi qui correspond à une ouverture (porte ou fenêtre). Lui aussi est souligné d’une bande rouge très usée. Ce type de décor à la composition sobre caractérise les espaces secondaires, liés à l’activité domestique (couloir, cuisine, cave,…)52.


294

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

r : 16 cm

r : 12 cm

S ect eur 11

S ect eur 27 0

10 cm

Fig. 5.43 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 5, motif de cercle bouleté (infographie: Lucie Lemoigne, APPA-CEPMR).

5.2.5 Ensemble 9 (idem ensemble 24) 5.2.5.1

Contexte

Secteur 11, US 511. 5.2.5.2

Description

L’ensemble 9 regroupe quatre petites plaques dont les fragments étaient dispersés dans l’unité stratigraphique 511 (fig. 5.46). La similitude du décor et du support permet de les attribuer à l’ensemble 24, provenant du secteur 26. L’association des fragments des deux secteurs a permis de comprendre la composition générale (cf. ci-après 5.2.11 ). 5.2.6 Ensemble 12, décor linéaire blanc 5.2.6.1

Contexte

Secteur 27, mur 273 et US 283. En 2007, dans le secteur 27 (fig. 5.47), les archéologues ont découvert les vestiges d’enduits muraux, écroulés ‘à plat’ sur les tuiles du toit préalablement effondré (fig. 5.48). L’équipe locale a soigneusement dégagé ces enduits qui se présentaient par le revers, puis elle a contacté le Centre des Peintures

Murales Romaines de Soissons pour le prélèvement. Une expertise a été réalisée afi n de mieux appréhender l’état de conservation des enduits et l’ampleur du travail. Comme pour l’ensemble 1 (secteur 11), nous étions en présence d’enduits très altérés par l’incendie, avec un mortier fragilisé, très fragmenté. La découverte d’un mur effondré in situ a toujours un caractère exceptionnel: d’une part elle est peu fréquente, d’autre part elle livre un décor quasiment complet, ce qui permet de restituer de façon très précise la pièce en trois dimensions (décor et architecture). Ce nouveau cas est particulièrement intéressant; l’enduit se distingue par des revers présentant des chevrons en zigzag délimitant des losanges (fig. 5.49). Les observations faites sur le terrain ont permis de préciser que cet enduit provenait du mur nord de la pièce (mur 273). 5.2.6.2

Méthode de prélèvement

Après quelques repérages à différents endroits, il semblait que l’enduit était blanc, sans motif. L’état de conservation nécessitait un prélèvement par encollage plaque par plaque (fig. 5.50). L’enduit était composé de plusieurs couches de mortier qui avaient tendance à se déliter. Cette situation rendait le prélèvement délicat et nécessitait une méthode par encollage.


Les peintures murales romaines

Fig. 5.44 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 6, cabochons, tores et filets (photos APPA-CEPMR).

295


296

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.45 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 7, décor linéaire à fond blanc (photos APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

Fig. 5.46 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 9, décor similaire à l’ensemble 24 (photos APPA-CEPMR).

297


298

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.47 Tongres: basilique Notre-Dame: plan de la basilique, phase 3, secteur 27, ensemble 12 .

Fig. 5.48 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 12. Vue des enduits effondrés à plat sur un lit de tuiles (photo OE).


Les peintures murales romaines

Fig. 5.49 Tongres: basilique Notre-Dame: détail du système d’accrochage en zigzag au revers des enduits (photo APPA-CEPMR).

299

Fig. 5.50 Tongres: basilique Notre-Dame: prélèvement par encollage (photo APPA-CEPMR).

Pour commencer, la pièce a été divisée en neuf carrés permettant de localiser les plaques, inventoriées au fur et à mesure de leur prélèvement (fig. 5.51). Des relevés schématiques étaient réalisés avant le conditionnement en caisse. Ils ont permis un remontage aisé au moment de l’étude en atelier. 5.2.6.3

Description

L’ensemble des plaques prélevées a été réassemblé et forme deux grandes plaques qui se superposent et peuvent être replacées à partir de leur position d’effondrement (fig. 5.52). Le décor correspond à la zone médiane de la paroi. Il est des plus simples: champ monochrome blanc, bordé par une bande rouge ocre, doublée sur trois côtés d’un filet d’encadrement intérieur également rouge ocre. Il n’existe aucune division verticale en panneaux et inter-panneaux. La limite entre la zone médiane et la zone inférieure est matérialisée par une simple bande rouge ocre également. Un petit graffito a été observé sur la plaque 17: il s’agit d’une forme ovale, quadrillée en oblique, peut-être un poisson (fig. 5.53). D’autres, plus lacunaires, sont visibles sur le fragmentaire. La plaque 1 conserve les empreintes de poutres espacées les unes des autres de 0,50 m. Au moins quatre traces de ces empreintes sont visibles. Leur section a pu être mesurée précisément: 9 par 14,5 cm (fig. 5.52). Au-delà des empreintes, l’enduit continue sur au moins 30 cm. Nous n’avons pas pu prélever les peintures au-delà, car elles continuaient sous les fondations de la basilique. Quelques éléments d’une bande rouge doublée d’un filet ont également été observés le long de la limite orientale. Il s’agit d’une bande verticale qui se situait à proximité de l’angle de la paroi.

Fig. 5.51 Tongres: basilique Notre-Dame: exemples de plaques prélevées, inventoriées et mises en caisse (photo APPA-CEPMR).

5.2.6.4

Dimensions de la paroi

L’espace entre les deux bandes rouges horizontales est estimé à environ 2,60 m (fig. 5.52). Bien qu’aucun élément de plinthe ne nous soit parvenu, celle-ci devait correspondre à la hauteur du soubassement du mur encore conservé: 0,70 m (fig. 5.54). Au-delà de la bande sommitale, l’enduit devait se poursuivre sur une cinquantaine de centimètres environ. À partir de ces observations, la hauteur du mur peut être estimée à environ 3,80 m. La largeur du décor conservée est d’approximativement 4 m.


Fig. 5.52 Tongres: basilique Notre-Dame: ensemble 12, recomposition de la paroi à partir des plaques prélevées (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

300 S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre


Les peintures murales romaines

5.2.6.5

301

Observations techniques

Le support

Le support se compose de quatre couches successives de mortier dont les trois premières contiennent des fragments de tuileau plus ou moins finement broyés selon les couches et constituent un enduit hydraulique (fig. 5.55). Notons qu’aucune trace d’enduit n’a été observée sur le soubassement du mur. Il est donc possible que seule l’élévation en torchis ait été enduite. Les revers

Avant le prélèvement, nous avons pu observer l’ensemble des revers des enduits qui présentaient les empreintes du système d’accrochage, prévu pour l’adhérence de l’enduit sur le mur dont l’élévation était en torchis (fig. 5.49). Il s’agit de stries en zigzag délimitant des losanges. Le même type d’empreintes a été observé sur les revers de l’ensemble 3 (cf. plus haut). La couche picturale

La couche picturale a été appliquée rapidement, avec soin, mais sans finition (lissage). Elle a été très altérée par la violence de l’incendie et présente par endroits un aspect carbonisé, gris. 5.2.6.6. Contexte architectural

Fig. 5.53 Tongres: basilique Notre-Dame: ensemble 12, détail du graffiti (poissons ?) de la plaque 17 (photo APPA-CEPMR).

Après le prélèvement des enduits, la poursuite de la fouille a montré qu’il s’agissait d’un espace extérieur, une petite cour intérieure de la domus équipée d’un caniveau (fig. 5.56). L’enduit

Fig. 5.54 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27. Vue du mur 273 après dégagement (photo OE).


302

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.55 Tongres: basilique Notre-Dame: ensemble 12, support, vue en coupe (photo APPA-CEPMR).

a donc pour fonction de protéger le mur des intempéries. La sobriété du décor indique un espace fonctionnel et non d’agrément. Ce mur aux proportions relativement grandes était aménagé de poutres, placées à environ 3,70 m de haut. La présence de poutres à cet emplacement peut correspondre, soit au débordement de la toiture, soit à l’existence d’un portique le long de ce mur. La position du caniveau permet d’évaluer le débordement de cette charpente. L’ensemble de ces observations réunies permet de proposer une restitution architecturale cohérente et assez précise (fig. 5.57). 5.2.7 Ensemble 14, plafond à réseau 5.2.7.1

Contexte

Secteur 27, US 281 (fig. 5.47). 5.2.7.2

Fig. 5.56 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27. Vue du sol de la cour et de son caniveau (photo OE).

Description du décor

Cet ensemble regroupe douze petites plaques qui proviennent vraisemblablement d’un plafond à fond blanc. Bien que peu de fragments soient conservés, ils présentent les éléments clés qui caractérisent une composition dite à réseau. Il s’agit d’un décor constitué de motifs répétés selon une organisation géométrique. Chaque élément permet de comprendre l’organisation du réseau, basé sur une trame orthogonale formant un quadrillage. La trame est matérialisée par une succession de motifs végétaux et les intersections sont ponctuées d’un cabochon (fig. 5.58).

tonalité bleutée, qui sort cette fois du point du cabochon, suivant un axe transversal. On ignore si le centre des carrés était vide ou orné d’un motif.

Sur les plaques 2, 3, 6 (fig. 5.59), on observe des cabochons composés de double cercles renfermant un disque traité pour moitié en bleu et rouge bordeaux. Le cercle extérieur est orné de points pointés et de petites feuilles trifoliées d’où jaillissent des palmettes rouge bordeaux allongées, couronnée par un demi-cercle bouleté (plaques 1 et 3). Au-delà, un fleuron rouge, à quatre pétales, ornés de points, marque l’intersection entre deux palmettes pour former la trame orthogonale (plaque 1). Sur quelques plaques, on distingue une palmette verte, d’une jolie

Les plaques 11 et 12 présentent des angles architecturaux particuliers et complexes à interpréter (fig. 5.60).

53

Barbet et al. 1997.

A partir de ces éléments, on peut reconstituer le module de base du réseau qui forme donc un carré; lequel se multiplie pour créer un double quadrillage, droit (en rouge) et oblique (en vert) (fig. 5.58). Cette organisation correspond au type 18 de la typologie des décors à réseaux53.

La plaque 11 montre un angle associé au décor en ressaut positionné en oblique par rapport au double filet, on observe qu’une des palmettes vertes borde cet angle. Cette position oblique pourrait indiquer une forme de plafond en bâtière. Mais ce type d’hypothèse a besoin d’être confirmé par plusieurs fragments dont nous ne disposons pas.


Les peintures murales romaines

303

Fig. 5.57 Tongres: basilique Notre-Dame: ensemble 12. Proposition de restitution architecturale (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

Sur la plaque 12, l’angle d’un double filet en encadrement est marqué par un demi-cercle bouleté. Parallèlement au filet, il y a un angle sortant en biseau qui est interrompu 3 cm plus loin par un ressaut de mortier qui indique un nouvel angle. L’enduit forme ainsi une sorte de décrochement que l’on observe également au revers et qui peut correspondre à une contrainte architecturale (ex.: contournement d’une poutre) ou à une forme ornementale en relief. Mais comme pour la plaque 11, un seul indice ne suffit pas à développer une hypothèse. 5.2.7.3

Dimensions et restitution

Les dimensions du plafond ne peuvent être établies à partir de ces quelques vestiges. Cependant, grâce aux plaques 1 et 3, la distance entre les centres de deux cabochons est estimée à environ 48 cm. Cette dimension correspond à la largeur du module qui devait constituer une trame de plafond assez dense. 5.2.7.4

Observations techniques

Le support

Le support de mortier est composé de trois couches. Il est similaire à celui observé pour l’ensemble 3 (secteur 11).

Les pigments et la couche picturale

La palette chromatique employée est sobre, essentiellement du rouge et du bleu, avec une note recherchée dans le mélange de vert et de bleu des palmettes. Notons que ces fragments ne présentent aucune trace d’altération par le feu, alors que, nous l’avons vu pour l’ensemble 11, ce secteur est marqué par la violence de l’incendie. Si la couche picturale est bien lissée, les motifs sont tracés de façon irrégulière, les coups de pinceaux débordent des limites (plaques 2 et 6). Les tracés préparatoires

Des tracés préparatoires reproduisant la trame du réseau ont été réalisés par les peintres pour placer précisément les motifs. Quelques tracés à la cordelette sont clairement identifiés sous un des fleurons verts (plaque 7) et sous un pétale trilobé (plaque 10). Les cercles sont exécutés au compas dont l’empreinte de la pointe sèche au centre est bien visible (plaque 2) (fig. 5.59).


304

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

6

1

3

5

2

7 10

0

4

25 cm

Fig. 5.58 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 14, proposition de restitution du décor à réseau (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

305

Fig. 5.59 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 14, décor à réseau, motifs de cabochon, palmette et fleuron (photos APPA-CEPMR).

5.2.7.5

Analyses iconographique et stylistique

Réseau

Le double quadrillage droit et oblique est un réseau de type 1854 dont plusieurs exemples ont été identifiés dans les décors gallo-romains. Selon les cas, les motifs qui composent le module varient. Des cercles marquent les intersections et la trame est dense. À Schleinikon55 (Suisse), le quadrillage oblique est plus

54 Barbet et al. 1997. 55 Dubois 2012.

discret car masqué par de gros disques placés au centre des carrés formés par le quadrillage droit. À Vanves56 (21-23 place de la République, pièce A), ou Paris (12 rue de l’Abbé de l’Epée57, US 3211, IIème ou IIIème siècle), des torsades rouges suivent le réseau orthogonal. À Spire58 (Allemagne, ‘Kornmarkt’), le double quadrillage est marqué par des fleurons et des motifs géométriques (points, pois plus ou moins allongés).

56 Allonsius & Eristov 2006. 57 Eristov & de Vaugiraud 1997.

58 Gogräfe 1999, 58.


306

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.60 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 14, cabochon et angle en ressaut (photos APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

Fleurons

Le décor de plafond de Brescia59 (domus trouvée sous l’institut C. Arici, époque flavienne) montre des motifs assez proches de ceux observés à Tongres. Bien sûr on remarque immédiatement qu’il s’agit d’une ‘version’ plus élaborée, mais on reconnaît dans le même esprit que la palmette, un bouton floral à deux tiges feuillues latérales et la centrale plus fine ainsi que l’arc de cercle bouleté, ici placé à la base du fleuron et non à son extrémité. On retrouve un motif de même inspiration, là aussi plus sophistiqué, à Mülheim-Kärlich60 ( frigidarium de la villa ‘Im Gründchen’). 5.2.8 Ensemble 15, décor blanc à candélabre 5.2.8.1

Contexte

Secteur 27, US 283 et 498. La majorité des enduits provient de la couche d’incendie du IIème siècle. Les autres fragments, plus épars, ont été découverts dans le niveau de destruction de la phase 4 de l’histoire du site de la domus (deuxième moitié du IIème siècle et IIIème siècle). 5.2.8.2

Description du décor

Cet ensemble à fond blanc regroupe très peu de fragments (fig. 5.61). Sa composition sobre a néanmoins pu être définie à partir des quelques plaques remontées (plaques 1 à 3) qui appartiennent à la zone médiane. Elle est constituée d’un champ monochrome blanc divisé en panneaux et inter-panneaux par des bandes rouge ocre (larges de 3 cm). Les inter-panneaux sont étroits (environ 13 cm) et sont ornés d’un candélabre massif rouge ocre, formé d’une large hampe en deux tons (foncé à gauche, plus clair à droite), agrémentée de divers motifs végétaux qui se superposent en un rythme assez serré: feuilles schématiques larges et courtes, bulbe rond qui surmonte un petit plateau (plaques 1 et 2). Ponctuellement de fines tigelles vertes partent de la hampe pour finir en volutes. Les quelques petites plaques associées indiquent la présence de filets et de traits ocre jaune, rouge ocre et verts. 5.2.8.3

Dimensions – restitution

La largeur de l’inter-panneau peut être restituée par symétrie grâce à la position axiale du candélabre qui, sur la plaque 1, est à 3,5 cm de la bande de bordure: elle mesure donc environ 13 cm, ce qui correspond à une dimension étroite par rapport aux largeurs habituelles qui avoisinent les trente centimètres ou plus. 5.2.8.4

Analyses iconographique et stylistique

Ce décor assez sobre est caractérisé par un candélabre végétalisé à la forme massive et schématique. Ce type est attesté par exemple à Amiens, rue Victor Hugo61 (IIème siècle) et rue des Jacobins62 (deuxième moitié IIème siècle) ou encore dans la

59 Baldassarre et al. 2003, p. 275 et Barbet 1997. 60 Gogräfe 2004.

61 Barbet 2008, 239. 62 Barbet 2008, 240.

307

galerie du sanctuaire de Villards d’Héria (IIème siècle)63. Il peut être classé dans la catégorie des fonds blancs à encadrement et motifs raffinés64. Le caractère stylisé semble marquer l’évolution du candélabre végétalisé au cours du IIème siècle. 5.2.9 Ensemble 16, décor à édicules 5.2.9.1

Contexte

Secteur 16, US 406. Le secteur 16 a fourni de nombreux enduits épars aux contextes variés, livrant une dizaine d’ensembles. Il est situé sous la partie orientale de la nef de la basilique (fig. 5.62). Les fragments de l’ensemble principal 16 ainsi que les ensembles secondaires 17 et 18 ont été prélevés au sein d’une unité stratigraphique correspondant aux fondations d’une petite structure maçonnée mise en place durant la phase 4. Ce réemploi en fondation explique l’état extrêmement fragmentaire et lacunaire de ces enduits. 5.2.9.2. Description du décor Seules de petites plaques éparses ont pu être remontées. Elles permettent de restituer des séquences du décor, mais il est difficile de comprendre comment ces séquences s’agencent les unes par rapport aux autres. La composition semble très élaborée, rythmée par des architectures fictives sur plusieurs plans. Des édicules à fond rouge ocre en panneaux, agrémentés d’édicules secondaires, alternent avec des inter-panneaux noirs dont l’organisation demeure incertaine. Panneaux rouges (fig. 5.76)

Les panneaux rouges sont bordés de chaque côté par une bande en dégradé de bleus, large de 8,5 cm, évoquant une colonne cannelée, ou peut-être un pilastre. Les plaques 1 à 3 (fig. 5.63) montrent la bordure gauche d’un panneau rouge; les plaques 16 et 17, la bordure droite (fig. 5.64). De part et d’autre de ces bandes, sur le fond noir de l’inter-panneau, une colonnette jaune enrubannée semble se détacher en premier plan. Elle doit soutenir l’extrémité de l’entablement qui couronne chaque panneau (plaque 75) (fig. 5.65), figuré par une succession de filets vert foncé et blancs posés sur un fond bleu clair, simulant le relief d’une moulure fictive (plaque 75) (fig. 5.66). Cette couleur bleue est plus soutenue aux extrémités, façon fréquente de rendre un entablement. Dessous, une fine bande rouge bordeaux suggère l’ombre portée (plaque 75). Sous l’entablement, sur le fond rouge du panneau, apparaît la tête d’un animal (plaque 75) (fig. 5.65). La présence d’ocelles sur le pelage permet d’identifier une panthère. L’animal est mieux conservé sur d’autres fragments, mais il n’est jamais complet. Au moins trois panthères sont attestées (fig. 5.66). Sur plusieurs fragments, les pattes de ces félins reposent sur un second entablement, peint en dégradé de jaunes cette fois (fig. 5.67), qui

63 Lerat 1998. 64 Eristov & Groetembril, 2006, 59.


308

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.61 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 15, inter-panneau à candélabre (photo APPA-CEPMR).

atteste l’existence d’un second édicule imbriqué dans le premier. On ignore le nombre et la position des panthères; on peut en supposer une à chaque extrémité, conformément à une tradition bien établie. Ces entablements à dominante jaune présentent parfois des nuances verdâtres, que l’on peut situer aux extrémités, selon l’habitude que nous avons déjà mentionnée. Sous les entablements sont représentées des consoles espacées de 7 cm (fig. 5.67).

On y observe également, à plusieurs reprises, des rubans et nœuds en coque, indiquant que des objets y étaient suspendus (guirlande, clipeus, …) (fig. 5.68). Nous savons grâce aux plaques 44 et 134 que cet entablement avait pour support des hampes végétales dont nous retrouvons par ailleurs de nombreux éléments (fig. 5.69). Elles sont peintes en deux tonalités pour rendre le volume: vert clair (côté extérieur) et vert foncé (côté intérieur). Elles sont agrémentées de


Les peintures murales romaines

309

Fig. 5.62 Tongres: basilique Notre-Dame: phase 3, localisation du secteur 16.

feuilles vertes épaisses et de fines tiges portant des petites fleurs stylisées jaunes. Un ruban venait s’enrouler autour de la hampe (fig. 5.69); semblable à celui qui pend sous l’entablement et reconnaissable à côté de petites feuilles vertes, il confirme bien que des guirlandes pendaient de l’entablement et, retombant en festons, venaient s’accrocher aux supports verticaux. Les plaques 45 et 49 montrent une forme circulaire d’où tombent des rubans tombants. Il pourrait s’agir d’un bouclier (clipeus), en l’occurrence associé aux guirlandes, marquant peut-être leur jonction (fig. 5.70). Il serait alors accroché à l’entablement secondaire. Mais il peut tout aussi bien être suspendu à l’entablement principal, au centre, par exemple entre les panthères. Nous n’avons pas d’indice pour le préciser. Sur la plaque 99 est visible un motif peint en rehaut et très écaillé. On y distingue le contour d’un visage, une chevelure ondulée blonde, le haut du torse et l’accroche des ailes (fig. 5.71). Cette figure féminine évoque une sphinge. Elle est légèrement inclinée vers la droite. Au-dessus, apparaît un épais filet rouge bordeaux semblable à l’ombre portée des entablements, ce qui permet de la situer sous l’entablement principal, reposant vraisemblablement sur l’entablement secondaire.

Inter-panneaux

Revenons maintenant aux inter-panneaux noirs. Sur plusieurs plaques (plaque 1 en particulier) (fig. 5.63), une deuxième colonnette apparaît, à 3 cm de celle qui soutient l’entablement du panneau principal; de teintes un peu moins vives, en dégradé de rose et de jaune, elle semble être en second plan, suggérant un édicule vu en perspective. Cette hypothèse est confirmée par la plaque 131 (fig. 5.72): on y voit l’extrémité droite de l’entablement du panneau rouge soutenue par la colonnette enrubannée, puis le retour, en mauve, de cet entablement reposant sur un chapiteau vert pâle à volute blanche. Les inter-panneaux étaient donc occupés par un motif architectural assez grêle, prolongeant, en un décrochement fictif, l’encadrement des panneaux. La colonnette de l’arrière-plan est bordée d’une bande verte à filet blanc, simple encadrement peut-être à la percée suggérée en inter-panneau (fig. 5.72 et 5.76). Sur la plaque 24 est représentée une moulure fictive, traversée ou bordée par la colonne bleue. La tonalité jaune clair de la moulure est similaire à celle située sous la base de la colonnette enrubannée de la plaque 1 (fig. 5.73). Si l’on considère sa proximité avec la bande bleue et son jeu coloré, la moulure a probablement servi de


310

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.63 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, bordures de panneaux rouge ocre (colonnes cannelées et colonnettes) (photos APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

311

Fig. 5.64 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, éléments d’architecture fictive, inter-panneau (photos APPA-CEPMR).

socle aux colonnettes. Ainsi, l’édicule en perspective de l’inter-panneau n’occupait pas toute sa hauteur. Sur quelques plaques, on peut voir, à proximité de la large colonne bleue, des motifs végétaux sur le fond noir (fig. 5.74). Leur emplacement est incertain; ils pouvaient occuper l’espace laissé libre sous l’édicule que nous venons de voir (fig. 5.76). Un inter-panneau d’un type différent, ailleurs sur la paroi, n’est pas exclu non plus. Ces grappes végétales semblent s’enrouler autour d’un filet vertical jaune clair placé à 9 cm de la colonne bleue (fig. 5.74 et 5.75). Elles sont garnies de boutons floraux, de fleurs épanouies ou encore des feuilles, reliés par des tigelles agrémentées de vrilles. Elles sont traitées dans des nuances colorées tantôt jaunes et jaune clair, tantôt verts et vert clair. Les plaques 228, 231 et 245 présentent des traces de motifs complètement effacés qui attestent que le champ au-dessus de l’entablement principal des panneaux était couronné de divers ornements, probablement végétaux et figurés. Ces motifs complexes, reposant sur les entablements, ne sont malheureusement pas identifiables car les couches picturales sont très écaillées (fig. 5.77). Fig. 5.65 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, entablement couronnant un panneau rouge, avec une petite tête de panthère qui apparaît sur le fond rouge (photo APPA-CEPMR).


312

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.66 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, panthères bondissant sur l’entablement intérieur(photos APPA-CEPMR).

Éléments isolés

De nombreux motifs, très variés, sont restés isolés car ils n’étaient pas associés à un élément structurant de la composition (filet, bande, colonne, …). Ils se détachent tous sur un champ noir, ce qui permet de supposer qu’ils ornaient les inter-panneaux ou le champ situé au-dessus des panneaux, mais leur répartition nous échappe. Certains fragments présentent un motif dont la facture est caractéristique des carnations. Ainsi, la plaque 247 révèle le talon et le bas d’une jambe, modelés dans les tons ocre et brun. Sur la plaque 225, c’est le bas d’un visage dont on distingue le menton, la bouche et le nez, qui est représenté (fig. 5.78). Ces éléments figurés sont peints à échelle assez petite, bien caractéristique des personnages qui peuvent animer les inter-panneaux. Mentionnons encore deux visages féminins, probablement des masques, réalisés à une échelle plus grande (plaques 158, 159) (fig. 5.79). Leur traitement pictural est différent, notamment dans le rendu du modelé, mais le support est le même. Le premier est un visage auquel les yeux en demi-cercle donnent un aspect figé, théâtral, avec des ombres en croisillons. Le second est finement modelé, ce qui lui donne un rendu plus réaliste. De nombreux fragments témoignent de la diversité des motifs: vase ou entablement supportant un personnage, tiges croisées,

ailes et tête d’oiseaux, grappes de raisins, hampe à volutes, végétaux, rubans…tant de motifs à des échelles inégales qui laissent entrevoir la richesse et la densité du décor (fig. 5.80). 5.2.9.3

Observations techniques

Dimensions

Les peintures étant très lacunaires, nous n’avons pu relever que de petits éléments du vocabulaire architectural, ou seulement évaluer les échelles des personnages représentés. En ce qui concerne les deux types d’entablement identifiés, nous avons observé leur largeur spécifique: 5 cm pour les entablements supportés par les colonnettes enrubannées et 6,5 à 7 cm pour les entablements secondaires. Les colonnettes enrubannées supportant les entablements varient de 2 à 3 cm de largeur. Observations des supports

Le support est différent des mortiers récurrents de la phase 3 (ensembles 3, 14 et 24). Il montre une alternance dans la nature du granulat dans les couches de préparation (fig. 5.81). Sable siliceux pour la première, siliceux et calcaire pour la suivante, et une couche de finition à cristaux de calcite. Ses caractéristiques lui sont propres et ne peuvent pas nous permettre de lui attribuer une phase plutôt qu’une autre.


Les peintures murales romaines

313

75

60

61

59 134 32 4 4 58

0

20 cm

Fig. 5.67 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, proposition de restitution du décor, détail d’un entablement intérieur (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

Quelques plaques au décor similaire présentent cependant un support différent. Le traitement pictural, proche du précédent, montre cependant quelques variations dans la qualité de réalisation: on retrouve la hampe végétale verte avec tige à feuille et fleur, mais peinte sur un fond rouge orangé moins lisse avec une touche plus molle (fig. 5.82). On observe également des entablements aux tonalités légèrement différentes bordant le champ rouge orangé et un champ noir. Un décor identique avec des techniques et des matériaux différents témoigne d’une réfection ponctuelle d’une paroi de la pièce et d’un décor qui a perduré. Réfection

Quelques fragments à champ noir étaient recouverts d’un fi n badigeon noir qui témoignage également d’une réfection. Le décor sous-jacent correspond aux végétaux enroulés autour du fi let jaune. Observation des couches picturales

D’une manière générale, nous avons observé une gamme colorée très riche, où alternent des pigments simplement appliquées en aplat, en mélanges ou en superpositions.

Plus précisément, les panneaux rouge ocre sont traités en aplat, tout comme le fond noir des inter-panneaux ainsi que les ombres portées des architectures fictives. Les colonnes et les entablements sont, eux, traités en relief fictif. Les fi nes colonnes enrubannées sont modelées par deux fi nes bandes verticales juxtaposées, l’une marron, l’autre jaune clair et les colonnettes végétales par deux fi nes bandes vertes et vert clair. Les couches picturales vertes comportent une matrice verte avec des grains verts plus intenses, mais sans bleu égyptien en mélange. Les bandes verticales bleues (colonnes) montrent un jeu de cannelures nuancé par des traits bleus à blancs. En ce qui concerne les teintes bleues, de nombreux grains de bleu égyptien, anguleux et peu dispersés sont pris dans une matrice bleu clair. Pour les cannelures plus claires à blanches, la matrice de chaux est dominante, les grains bleus plus dispersés, ce qui reflète une forte dilution du pigment. Sur l’ensemble du décor, les couches picturales vertes ne comportent pas de grains de bleu égyptien dans les hampes végétales alors que la plaque 124 (support 2) montre en sa hampe une matrice verte à grains bleus (bleu égyptien) et grains verts (terres vertes), ce qui ajoute encore une différence de mise en œuvre lors de la réfection.


314

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

4 3

86 85

87

89

29

0

20 cm

Fig. 5.68 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, proposition de restitution du décor, guirlandes vertes suspendues (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

Plusieurs représentations, essentiellement sur fond rouge, laissent entrevoir une sous-couche verte. Cette dernière est très visible sous des figures malheureusement incomplètes mais qui suggèrent un traitement de carnation, c’est le cas des plaques 101 et 122. Elle est aussi apparente sous le pelage des panthères (fig. 5.83). 5.2.9.4

Analyse stylistique et iconographique

Bien que seules de petites séquences ornementales nous soient parvenues, elles suffisent à laisser entrevoir la qualité et le raffinement de ce décor. Les motifs sont peints avec fi nesse, rigueur et minutie et révèlent la variété du programme iconographique. Les parois rythmées par des édicules sont bien entendu extrêmement abondantes dans l’Antiquité romaine. Dès le Troisième style pompéien, les constructions fictives très élaborées se déve-

65 Barbet 2008, fig. 379.

66 Barbet 2008, 171-175.

loppent pour aboutir au Quatrième style à des modèles imbriqués d’une extrême complexité. En Gaule, ce sont souvent les panneaux qui sont traités en édicules réduits à forme simple, des colonnes portant un entablement, sur lequel des animaux bondissant sont posés, sur l’ensemble 6 du petit temple d’Eu-Boisl’Abbé (première moitié du IIème siècle)65. On connaît également quelques exemples arborant une forme un peu plus complexe, présentant des décrochements au niveau des entablements pour créer une perspective. On mentionnera par exemple le décor de la villa de Mercin-et-Vaux où les édicules sont parés de frontons (deuxième moitié Ier siècle)66. À Tongres, les édicules en plus des décrochements, ont une forme imbriquée qui correspond davantage à ce que l’on connaît en Campanie, comme par exemple sur le décor du triclinium 11 de la maison du Verger à Pompéi. En inter-panneaux, la présence d’architecture élaborée en perspective permet de conclure à une réminiscence, des décors pom-


Les peintures murales romaines

315

30

29

25

38

0

20 cm

Fig. 5.69 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, proposition de restitution d’une hampe avec rubans enroulés (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).


316

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

péiens dits de quatrième style, comme par exemple, ceux de la maison d’Octavius Quartio (Pompéi, II, 2, 2). En Gaule, on connaît quelques exemples de ces modèles mais dans une conception simplifiée, avec un effet de perspective plus sobre. Nous citerons pour exemples le décor d’Auxerre (Vaulabelle, pièces 1827, fin Ier-début IIème siècle)67, de Saint-Martin-Longueau68, mais un décor issu de la fouille voisine de la basilique, place du Vrijthof (IIe siècle)69, où l’on retrouve une organisation très proche. La représentation d’animaux bondissants (caprins, cervidés, félins ou monstres marins ou ailés) au-dessus des panneaux sont récurrents en Gaule. Ces animaux miniatures viennent animer ce champ du décor dès le milieu du Ier siècle. Parmi eux, les panthères, animaux dionysiaques, ont connu un certain engouement. On en trouve parfois plusieurs, mises en scène, comme par exemple sur le décor aux Panthères de la domus de Vésone à Périgueux (IIème siècle)70 où elles courent dans des rinceaux de vignes, ou encore dans la villa du Liégeaud à la Croisille-surBrillance (postérieur à 150 ap. J.-C.)71 où elles sont associées à des combats de gladiateurs; mais elles sont plus souvent représentées par deux, opposées, bondissant ou posées à l’extrémité de l’entablement, comme à Saint-Martin Longueau (début IIème siècle)72, à Vendeuil-Caply (dernier tiers du Ier siècle)73 ou dans le couloir de la villa de Vichten où elles ont des proportions plus imposantes(120 ap. J.-C.)74.

Fig. 5.70 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, bouclier suspendu (clipeus) (photo APPA-CEPMR).

Dans son livre sur la peinture en Gaule, A. Barbet consacre un paragraphe aux masques75. Représentés posés ou suspendus, de face ou de profil, il semble qu’au IIème siècle la tendance est de les traiter comme des copies de vrai visage, rendant le modelé des chairs. Les exemples de Tongres rentrent tout à fait dans ce type de représentation.

Fig. 5.71 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, plaque 99, figure féminine, sphinge (?) (photo APPA-CEPMR).

67 Allag & Pedroso 2003. 68 Défente 1990. 69 Laken 2010, fig. 4.

70 Barbet et al. 2012, 72-79. 71 Dumasy-Mathieu 1991. 72 Defente 1990, 54-58.

73 Sestier 1990, 75-81. 74 Groetembril 2007. 75 Barbet 2008, 359.


Les peintures murales romaines

317

Fig. 5.72 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, proposition de restitution de l’angle supérieur droit du panneau et de la liaison avec l’inter-panneau (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

5.2.10

Ensembles secondaires du secteur 16

Nous rassemblons dans ce chapitre trois ensembles attestés par quelques fragments seulement (fig. 5.62). 5.2.10.1 Ensemble 17 Secteur 16, US 406 (fig. 5.62). Comme pour l’ensemble 16, les fragments proviennent des niveaux de fondation d’une base maçonnée de la phase 4. Les fragments d’enduit, utilisés en remploi, sont donc antérieur. Ce petit lot de fragments au support émoussé ne représente qu’une petite caisse d’enduits. Il montre quelques fragments à fond rouge ocre foncé, ornés de motifs végétaux et un fragment présente le bassin d’un petit personnage masculin nu (plaque 7) (fig. 5.84). La carnation est figurée dans des teintes ocre jaune sur une couche de préparation verte. Le décor est composé d’un champ rouge ocre, orné d’une bande verte bordée par un filet blanc et probablement de motifs végétaux verts et ocre jaune (plaques 3, 4 et 5).

5.2.10.2 Ensemble 18 Secteur 16, US 406 et 480 (fig. 5.62). L’ensemble 18, très lacunaire, montre un décor sobre à fond blanc. Il se compose d’une plinthe noire à mouchetis ocre jaune et rouge ocre (plaque 1) (fig. 5.85) surmontée d’une bande rouge dont on ne connaît pas la largeur, et soulignée d’un filet blanc. La bande rouge sépare la plinthe du champ blanc (plaques 2, 3 et 4). Celui-ci présente de nombreuses traces de graffiti, couramment observées sur les parois des espaces de circulation. 5.2.10.3 Ensemble 23 Secteur 16, US 375. Ce groupe est constitué de quelques fragments d’un décor blanc sobre à bandes rouges.Ainsi, une bande rouge ocre marque les angles et les ouvertures de la paroi à fond blanc (plaques 1 et 4) (fig. 5.86). En angle de paroi, elle est parfois agrémentée d’un trait noir placé à 4 cm. Au niveau de l’ouverture, elle est ornée d’un filet noir pointé dans l’angle.


318

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.73 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, restitution de la base des colonnettes enrubannées (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

23

16

1 24

0 5.2.11

Ensemble 24, décor à panneaux jaune en arcade

5.2.11.1 Contexte Secteur 26, US 281, 501, 511 et 520 (fig. 5.87). Les fragments sont issus de divers remblais de ce secteur. Les fragments identifiés comme l’ensemble 9 provenant du secteur 11 et un fragment du secteur 27, peuvent être rapprochés de l’ensemble 26 à la fois par leur support de mortier similaire et par les motifs observés.

20 cm 5.2.11.2 Description du décor L’organisation correspond au schéma habituellement représenté en Gaule. La zone inférieure est composée d’une plinthe, puis d’une partie à compartiments alternativement longs et étroits; la zone médiane est ornée de panneaux et d’inter-panneaux reproduisant le même rythme. La plinthe rose saumon mouchetée de blanc, dont nous ignorons la hauteur (16 cm conservés), est couronnée d’un double fi let noir et blanc. Au-dessus, des compartiments rouge bordeaux succèdent à des inter-compartiments jaunes (plaque 2) (fig. 5.88 et 5.89).


Les peintures murales romaines

Fig. 5.74 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, motifs végétaux (photos APPA-CEPMR).

319


320

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.75 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, restitution de l’espace orné par des bouquets de feuilles et des boutons floraux (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

4

2

0

Les inter-compartiments jaunes sont bordés d’un fi let blanc doublé d’un fi n fi let noir intérieur encadrant les quatre côtés. Les compartiments rouges en revanche ne présentent pas de fi let intérieur noir. Au moins un de ces compartiments est orné d’une scène figurée posée sur une ligne de sol, concrétisée par une bande blanche (plaque 2) (fig. 5.88). Celle-ci est située à 16 cm au-dessus du double fi let qui encadre le compartiment. Le sol vu en perspective est suggéré par de larges coups de pinceau mauves. Le personnage est placé à l’extrémité gauche, seules sont conservées les jambes jusqu’à mi-mollet. Il porte de fi nes sandales: une lanière entoure la cheville, deux le talon, une autre les orteils et enfi n une tige relie l’ensemble sur le cou-de-pied. Une fi ne semelle, reposant sur la bande de sol, est visible sous les pieds. Des rehauts blancs apportent l’effet de modelé et marquent les orteils. La plaque 4 dévoile une petite partie d’un motif d’apparence végétale, composé de larges feuilles assemblées de façon dense (arbre, buissons? fig. 5.90). Ce motif agrémentait vraisemblablement une des scènes figurées. Une bande rouge (jaune brûlé?) bordée de blanc court horizontalement le long de la paroi. Elle sert de séparation entre la zone inférieure et la zone médiane. Il semble qu’elle se prolonge verticalement pour souligner les angles de paroi (plaque 1) (fig. 5.88 et 5.89).

20 cm

La zone médiane est composée de panneaux rouges (jaune brûlé) encadrés d’une fi ne bande blanche et posés sur un fond rouge bordeaux (plaque 1) (fig. 5.88). Aucun motif d’inter-panneaux, emplacement privilégié où le peintre va développer les thèmes ornementaux, n’est conservé. En revanche, quelques plaques proviennent de la partie supérieure des panneaux, indiquant une organisation en arc de cercle formé par une guirlande végétale bicolore (rouge et blanche), qui dégage des écoinçons verts (plaque 3) (fig. 5.91) ou bleus (plaque 14). Le couronnement est occupé par des monstres marins aux tons roses, dont ne restent que les queues (plaque 3); il est donc impossible de savoir s’il s’agissait de dauphins, chevaux, panthères … Le haut de la paroi se termine probablement par une moulure soulignée de rouge, dont nous n’avons pas de vestige, mais dont subsistent des traces d’arrachement visibles au-dessus des animaux marins (plaque 3). Les fragments découverts dans les secteurs 11 et 27, que nous proposons de rapprocher de cet ensemble, nous apportent quelques informations supplémentaires (fig. 5.89). La bande d’encadrement blanche est ponctuellement agrémentée de deux petits tores blancs, espacé de 6,5 cm. Sur les deux fragments provenant des autres secteurs, les deux tores présentent le même espace-


Les peintures murales romaines

131

24 5 79

75

78

120

59

21 17

14 5

321

134 22

61

61

32

4 4 58

4 3

86 85

87

85

29

16

23

1

24

4

2

0

50 cm

Fig. 5.76 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, proposition de restitution partielle du décor (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

ment. Nous proposons de les placer dans la partie supérieure des panneaux, peut-être à la naissance des arcs, comme cela est attesté dans l’ensemble 3 (cf. 5.2.1). Sur la plaque 4 du secteur 11, on observe en outre l’extrémité droite d’un motif sur le fond rouge bordeaux qui appartiendrait au candélabre (fig. 5.92). C’est malheureusement le seul et très maigre vestige qui témoigne du décor de l’inter-panneau.

zone médiane est de 6,7 cm, et que la zone de couronnement avec les animaux marins mesure 19 cm. La largeur du panneau peut être déduite de la courbure de l’arc: on l’estime à 125 cm.

5.2.11.3 Dimensions

5.2.11.4 Observations techniques

Nous ne connaissons de façon certaine que peu de dimensions pour restituer ce décor. On sait que la base de la scène figurée se situe à environ 16 cm du double fi let qui surplombe la plinthe mouchetée, que la bande de séparation entre zone inférieure et

La restitution proposée (fig. 5.89) tient compte de proportions vraisemblables en fonction des dimensions généralement observées sur les décors en Gaule.

Le support

Le support composé de trois couches de mortier est homogène sur l’ensemble de la paroi (fig. 5.93).


322

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.77 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, plaque 245, traces de motifs végétaux ou figurés situés au-dessus de l’entablement principal (photo APPA-CEPMR).

Fig. 5.78 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, visage, jambe et talon partiellement conservés (photos APPA-CEPMR).

Fig. 5.79 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, visages féminins (masques) (photos APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

323

Fig. 5.80 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, vase supportant un personnage, grappes de raisin, tête d’oiseau (photos APPA-CEPMR).

Fig. 5.81 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, support représentatif vu en coupe (photo APPA-CEPMR).

Fig. 5.82 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, hampe végétale similaire sur deux types de supports, témoin d’une réfection ponctuelle sur un même décor (photos APPA-CEPMR).


324

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.83 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 16, plaque 60, détail d’une panthère peinte sur une sous-couche verte (photos APPA-CEPMR).

Fig. 5.84 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 17, fragments à fond rouge ocre foncé, ornés de motifs végétaux, petit personnage masculin nu (bassin) (photos APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

325

Fig. 5.85 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 18, décor à plinthe noire mouchetée, bande rouge et fond blanc, graffiti (photos APPA-CEPMR).


326

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.86 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 23, plaque 4, encadrement de fenêtre (photo APPA-CEPMR).

Fig. 5.87 Tongres: basilique Notre-Dame: plan de la basilique, phase 3, localisation du secteur 26.


Les peintures murales romaines

327

Fig. 5.88 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 26, ensemble 24, compartiment de zone inférieure, détail des pieds chaussés de sandales (photos APPA-CEPMR).

Traitement de surface et couche picturale

5.2.11.5 Analyses iconographiques et stylistiques

Les couleurs employées appartiennent à la gamme chromatique habituelle: ocres (rouge, jaune), terre verte. Notons l’emploi de bleu uniquement dans un des écoinçons de panneau. Nous observons dans cet ensemble une modification des couleurs d’origine sous l’action d’un incendie comme nous l’avons remarqué sur plusieurs autres décors. La couleur la plus sensible à ces modifications est l’ocre jaune qui vire au rouge dès 260°C76. On remarque que cette altération est visible pour les plaques en bas de paroi (elle l’est moins pour le rouge bordeaux) et que celles placées dans la partie supérieure des panneaux n’ont pas subi de modification.

Ce décor annonce les ensembles 1 et 11 (voir décors de la phase 4) par l’ornementation assez inhabituelle des panneaux de la zone médiane. On y observe en effet la présence d’arcs de cercle convexes qui dégagent des écoinçons d’une couleur différente de celle des panneaux.

Tracés préparatoires

Un tracé préparatoire incisé, assez bien masqué par les rehauts de peintures, est légèrement visible sous la guirlande marquant l’arcade des panneaux.

76 Delamare 1987.

Personnages

Les scènes figurées en zone inférieure rappellent celles de l’ensemble 3 (cf. plus haut 5.2.1) et de l’ensemble 11 (cf. ci-après 5.3.4). Notons ici la présence d’une bande de sol, sur laquelle sont placés les personnages. Il est impossible de savoir quel type de scène y était figuré, mais nous pouvons supposer qu’il s’agit plutôt de scènes de vie quotidienne, comme pour l’ensemble 3. On retrouve dans les fragments issus du secteur 11 d’autres représentations de pieds chaussés proches de ceux de cet ensemble (plaques 85 et 86, ensemble 3).


328

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

moul ure?

3

13

3 ( W P 11)

14

4 ( W P 11)

4 ( W P 27)

1

6

5 4

9

0

2

50 cm

Fig. 5.89 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 26, ensemble 24, proposition de restitution du décor (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

Nous l’avons dit, ces scènes pouvaient être associées à un motif végétal assez dense, qui indique que la scène se déroule en extérieur, comme par exemple dans les compartiments du décor de

77 Jansen et al. 2001, 125 et fig. 61.

la maison 1 de Xanten77. Malheureusement, dans le cas qui nous concerne, nous ignorons si le feuillage est associé à un personnage ou à un animal.


Les peintures murales romaines

329

Fig. 5.90 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 26, ensemble 24. Monstre marin posé sur le panneau. Motif végétal indéterminé (photos APPA-CEPMR).

Animaux marins en partie haute

Les animaux, qu’ils soient terrestres ou marins, placés au-dessus des panneaux sont également fréquents. Cependant, parmi les différents décors provenant des fouilles de la basilique de Tongres, c’est le seul exemple marin attesté78. Ils sont toujours tournés dos à dos vers l’angle des panneaux ou des édicules qu’ils dominent. A Bayeux, rue Saint-Patrice79, dauphins, félins et chevaux marins ornent la partie haute de la paroi; à Amiens80 (Clos de l’Oratoire, IIème siècle), de sont des chevaux marins tenus par un cavalier; à Longjumeau81 (Champtier des Cerisiers, IIème siècle) il s’agit aussi de chevaux marins. Les peintures du couloir 4 de la villa de Vichten82 (Luxembourg, première moitié du IIème siècle) présentent en partie haute à la fois des animaux bondissants (panthères, cervidés) et des figures marines (centaure, cheval). Cet ensemble s’inscrit bien dans le programme iconographique qui apparaît à travers l’étude des peintures des fouilles de la

78 Il est possible que des animaux ornent la zone de couronnement de l’ensemble 11 du secteur 27, mais les traces sont trop infimes pour apporter une confirmation.

79 80 81 82

basilique de Tongres. On retrouve des scènes figurées observées pour les phases 3 et 4 et une ornementation en arc dans les panneaux qui amorce une tendance que l’on retrouve dans d’autres décors lors de la phase 4. 5.2.12

Ensemble 25, décor à réseau

5.2.12.1 Contexte Secteur 26, US 501 (fig. 5.87). La majorité des enduits provient de la couche de destruction de la phase 3 de l’histoire du site (deuxième moitié du IIème siècle). Les découvertes de quelques autres dans les couches médiévales ou post médiévales, ainsi que dans une couche de destruction d’époque flavienne sont probablement dues à des perturbations.

Amadei-Kwifati & Bujard 2007. Defente 1995. Mallet et al. 2011. Groetembril 2007.


330

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.91 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 26, ensemble 24, diverses plaques (photos APPA-CEPMR).

5.2.12.2 Description du décor Plusieurs lots d’enduit blanc sur des supports différents ont été observés dans ce contexte. Parmi eux, nous avons inventorié un ensemble homogène, aux motifs bien identifiables (fig. 5.94 et 5.95).

ron 45° (plaque 2). Deux tiges fuselées se terminent en deux points (feuilles rondes?); elles encadrent une tige plus large, lancéolée. La palmette rouge est surmontée d’un demi-cercle bouleté plus ou moins arrondi (plaques 1 et 11). Un fleuron, rouge, très incomplet vient se placer dans l’axe (plaques 1, 6 et 11).

Près d’une bordure en relief, aujourd’hui arrachée, soulignée d’une bande rouge, une palmette est déclinée en deux couleurs (rouge et vert), l’une perpendiculaire au filet, la seconde à envi-

Le nombre de fragments est réduit, mais il est vraisemblable que cet ensemble ornait un plafond à réseau, basé sur un double quadrillage, droit en rouge et oblique en vert (type 18). Les motifs


Les peintures murales romaines

331

sont semblables à ceux de l’ensemble 14, découvert dans le secteur 27 (cf. plus haut 5.2.7). 5.2.12.3 Observations techniques On retrouve les mêmes caractéristiques au niveau du support que pour l’ensemble 14. Les couleurs employées sont sobres: essentiellement du rouge, un peu de bleu pour les disques et un mélange de vert et de bleu pour le quadrillage oblique. Quelques tracés préparatoires à la cordelette sont observables sous les palmettes verts (plaques 4, 5 et 7). L’arrachement de la corniche visible sur la plaque 2 est en surépaisseur par rapport à la couche picturale. Il semble qu’il y ait eu un ajout de matière avant d’appliquer la corniche. Les nombreuses marques ligneuses pourraient suggérer un élément en bois plutôt qu’en stuc. 5.2.12.4 Commentaires La méthode d’étude de l’ensemble des fragments issus de fouilles de la basilique a impliqué une numérotation des ensembles selon les secteurs. La synthèse finale permet de faire les rapprochements entre des ensembles provenant de secteurs différents. C’est ainsi que nous proposons de rapprocher cet ensemble de celui découvert dans le secteur 27 (ensemble 14, US 281). Les motifs de palmettes verts et rouges sont semblables, on retrouve le même tracé à la cordelette sous le motif vert, les supports sont identiques. Il est possible que ces deux ensembles n’en forment qu’un, mais il se peut également qu’ils ornaient deux plafonds différents réalisés en même temps, sur la base d’un même motif. Nous avons trop peu d’éléments pour savoir si dans le détail, il existait des différences qui nous permettraient d’identifier un ou deux décors.

Fig. 5.92 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 26, ensemble 24, détail plaque 4. Petits tores ornant les bordures de panneaux (photo APPA-CEPMR).

5.2.13

Ensemble 26, imitation de marbre et drapé

5.2.13.1 Contexte Secteur 26, US 353, 475 et 501 (fig. 5.87). Il n’y a pas de provenance principale, on retrouve des fragments de cet ensemble dans plusieurs secteurs, même si c’est le secteur 26 qui a livré les plus caractéristiques.

Fig. 5.93 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 26, ensemble 24, support représentatif, vue en coupe (photo APPA-CEPMR).


332

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.94 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 26, ensemble 25, décor à réseau (photos APPA-CEPMR).

5.2.13.2 Description Les plaques que nous avons recomposées ne permettent pas de faire une description précise de cet ensemble. La plaque 1 présente des coups de pinceau juxtaposés dans des nuances subtiles, caractéristiques des représentations de drapé, qui nous indique que l’on est en présence d’une scène figurée. Dans le bas de la plaque, on observe une forme allongée qui pourrait bien être le pied du personnage drapé (plaque 1) (fig. 5.96). Les autres plaques associées à cette figure présentent des imitations de marbre (veines fines vertes sur fond rouge bordeaux), et ce que nous proposons d’identifier comme une colonne rose enrubannée (plaque 2) (fig. 5.96).

5.2.14

Ensemble 31

5.2.14.1 Contexte Secteur 12, US 341 (fig. 5.97). 5.2.14.2 Description du décor Peu d’éléments de cet ensemble à fond blanc sont conservés. Il y a d’abord des éléments qui devaient structurer le décor: deux filets jaunes qui retombent sur une bande rouge horizontale (fig. 5.98). Quelques fragments montrent l’association de vrilles et des fleurs à huit pétales cordiformes (fig. 5.98 et 5.99). La plaque 7 indique la présence d’une vrille et d’une fleur à proximité d’un filet jaune.


Les peintures murales romaines

333

Fig. 5.95 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 26, ensemble 25, décor à réseau (photos APPA-CEPMR).

5.2.14.3 Observations techniques

5.2.14.4 Commentaires

Le support de mortier de cet ensemble se caractérise par l’emploi de tuileau.

L’élément original de cet ensemble est la technique de réalisation des pétales de fleurs. En effet, très peu d’exemples sont connus. A Cologne83 (cloître Sainte Cécile, thermes, insula E/7-8), cet effet estampé est visible aussi pour des petites fleurs, mais à pétales triangulaires. R. Thomas en mentionne également d’autres dans la maison à péristyle de l’insula (décor de plafond), ainsi que dans le prétoire (décor de zone supérieure, première moitié du IIème siècle).

La couche picturale est assez altérée par des concrétions calcaires. D’autre part, les fragments ont subi une chauffe due à un incendie, remarquable surtout sur les motifs de vrilles et de fleurs, dont un exemplaire intact nous est parvenu (plaque 7). La forme des pétales des fleurs, ainsi que leur remplissage suggèrent une impression par tampon. Les pétales sont en léger creux, là où la peinture est plus dense.

83 Thomas 1993, 292.


334

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.96 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 26, ensemble 26, scène figurée, membres inférieurs d’un personage avec drapé d’où sortent les pieds (photos APPA-CEPMR).

5.2.15

Peintures en place

Dans le secteur 26, un mur (US 238 et 242) présentait des enduits encore in situ sur son parement méridional (fig. 5.100). Dans une phase ultérieure, un second mur (US 298) a été construit juste devant le premier, accolé à celui-ci (fig. 5.101). Lors de la fouille, les enduits étaient en partie cachés par le mur 299 (fig. 5.102). Ils ont fait l’objet d’une consolidation en place84, pour être intégrés au projet de valorisation du site. 5.2.15.1 Consolidation Les opérations de consolidation des enduits en place sous la basilique avaient pour but de rendre leur cohésion aux différentes couches de mortier, de rétablir la cohésion entre le mur et le mortier et de réaliser un nettoyage final de la surface. Le constat d’état des peintures et des mortiers a mis en évidence quelques zones de décollement des différentes couches de mortier et des poches entre les peintures et le support. Le renforcement de la cohésion des différentes couches a été réalisée par des injections d’une préparation, composée de chaux

naturelle, et la pose de presses afin de forcer le contact entre les différentes couches et de les maintenir ensemble après séchage. Ensuite, des solins, à base essentiellement de chaux hydratée, ont été posés tout le long de la périphérie des enduits, pour garantir l’adhérence au mur. Sur la surface des peintures, les fissures et lacunes existantes ont été comblées avec le même produit. Après la phase de consolidation nous avons nettoyé l’ensemble de la surface des peintures. 5.2.15.2 Description des décors et problématiques L’observation des enduits permettait de distinguer d’emblais trois décors différents (fig. 5.101 et 5.102). Décor A (phase 3)

Le décor A présente la plus grande surface conservée. Il est vraisemblablement, d’un point de vu chronologique, celui qui a été réalisé en premier. L’extrémité gauche de la plaque présente un

84 Intervention de consolidation en 2008 par R. Nunes Pedroso et S. Groetembril (CEPMR).


Les peintures murales romaines

335

Fig. 5.97 Tongres: basilique Notre-Dame:Plan de la basilique, localisation du secteur 12, phase 3.

ressaut de mortier qui indique que l’on est à l’angle de la paroi, mais on ne conserve plus aucune trace du retour du mur.

Le décor est constitué d’une plinthe rose mouchetée, surmontée d’une bande de transition rouge ocre, puis ocre jaune.

Il s’agit d’un décor sobre, composé d’une plinthe rouge bordeaux mouchetée de noir, de blanc et de jaune, couronnée d’une double bande de transition blanche et rouge ocre (fig. 5.103).

Ce deuxième décor témoigne d’une réfection de l’espace architectural. Etant donné que sa composition est identique à celle du décor A – seules les tonalités varient – il est possible qu’on ait complété l’enduit après avoir agrandi l’espace sans se préoccuper de refaire à l’identique.

Au-dessus se développe la zone médiane, grand champ monochrome blanc, bordé à l’angle de la paroi par une bande rouge ocre, ornée d’un fin filet intérieur noir qui retombe sur la bande de transition. A cet endroit le filet est agrémenté d’une petite base triangulaire surmontée d’un trait, façon singulière de soigner la finition (fig. 5.101). Le champ blanc ne comporte aucune division en panneau. Il peut être rapproché de l’ensemble 12 dans le secteur 27 qui assurait le parement d’un mur extérieur, dans une cour. Décor B (phase 3)

Le décor B correspond à une petite plaque d’enduit qui a été appliqué, dans un second temps, directement contre l’enduit du décor A, là où on aurait dû avoir le retour du mur au décor A, vraisemblablement détruit et récupéré (fig. 5.101).

Décor C (phase 4)

Le décor C correspond à une plaque qui surplombe les deux autres. Elle présente une plinthe rouge mouchetée soulignée d’un champ gris (fig. 5.104). Le bas de la plaque présente un ressaut de mortier qui indique qu’elle était en contact avec le sol, aujourd’hui complètement disparu. Ce décor a donc été réalisé après un rehaussement des sols. Ces peintures in situ témoignent des divers remaniements qui ont été effectués au sein de la domus à travers le temps.


336

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.98 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 12, ensemble 31, décor à fond blanc, vrilles et fleurs à pétales cordiformes (photos APPA-CEPMR).

Fig. 5.99 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 12, ensemble 31, fleurs à pétales cordiformes (photos APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

337

Fig. 5.100 Tongres: basilique Notre-Dame:Plan de la basilique, phase 3, localisation du secteur 26.

Fig. 5.101 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 26, décor in situ, extrémité gauche du mur 242, trois décors différents, A, B, C (photos APPA-CEPMR).


338

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.102 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 26, relevé graphique des décors in situ (infographie: R. Nunes Pedroso, APPA-CEPMR).

Fig. 5.103 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 26, décor in situ, extrémité droite du mur, plinthe moucheté et bande de transition (photo APPA-CEPMR).

Solin

Solin Solin

Lacune

Mur

Tuiles

Mortier

Solin

Mur

Mur

0

50 cm

Fig. 5.104 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 26, décor in situ, détail de la plaque du décor C (photo APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

5.3

Phase 4: deuxième moitié IIème et IIIème siècle ap. †J.-C.

5.3.1 Ensemble 1, Décor à panneau arqué et candélabre 5.3.1.1

Contexte

Outre les enduits effondrés, quelques plaques de la plinthe rouge mouchetée subsistaient in situ, sur le soubassement du mur nord (mur 517, fig. 5.107). Malheureusement, elles se sont désolidarisées du mur avant l’intervention des spécialistes. 5.3.1.2

Secteur 11, murs 517, US 524 (fig. 5.105). Cet ensemble provient de l’effondrement d’un mur à plat sur un lit de tuiles correspondant à la chute de la toiture (fig. 5.106). Les enduits étaient dans un piteux état de conservation dû à la violence de la destruction (incendie et effondrement de l’architecture). Ils étaient extrêmement pulvérulents et se délitaient. Leur prélèvement ne pouvait se faire par simple manipulation. Les archéologues du CPMR de Soissons ont été appelés en septembre 2005 pour poursuivre les opérations85. L’intervention, bien que très délicate, a rempli ses objectifs: tous les enduits effondrés ont été sauvegardés, prélevés par encollage.

Traitement des plaques prélevées par encollage

Avant l’étude globale, les plaques encollées ont été stabilisées prioritairement ainsi que les fragments périphériques et quelques plaques de l’ensemble 2 dont l’état de conservation était très critique et instable. Les étapes de stabilisation sont détaillées dans le rapport d’étude (fig. 5.108)86. C’était une opération extrêmement délicate étant donné que chaque plaque était micro-fragmentée, peu épaisse et déformée. Les plaques ainsi mises sur galettes sont désormais manipulables (fig. 5.109). Assemblées les unes par rapport aux autres, grâce à la numérotation rigoureuse appliquée lors de la fouille, elles permettent de recomposer de façon spectaculaire une grande partie du parement du mur nord de la pièce.

Fig. 5.105 Tongres: basilique Notre-Dame: plan de la basilique, phase 4, localisation du secteur 11.

85 Groetembril 2005.

339

86 Groetembril et al. 2006.


340

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.106 Tongres: basilique Notre-Dame: vue des enduits effondrés ‘à plat’, fouilles 2005 (photo OE).

5.3.1.3

Description du décor du mur nord

Nous l’avons dit, ce décor a été détruit lors d’un violent incendie. La chaleur émanée et les flammes ont engendré la modification irréversible des couleurs. Dans la description, nous mentionnerons les couleurs aujourd’hui visibles, car pas le moindre fragment n’a été épargné par cette altération et ne témoigne de la couleur d’origine. Le décor est composé d’une zone inférieure peu développée et d’une zone médiane divisée en panneaux et inter-panneaux. La zone inférieure est simplement une plinthe rouge mouchetée dont la hauteur est estimée à environ 0,50 m d’après les éléments conservés in situ sur le mur (fig. 5.107 et 5.110). Elle est surmontée d’une double bande de transition, de 11 cm de large, rouge bordeaux et rose, bordée de filets blancs. La zone médiane est constituée d’un grand champ rouge bordeaux sur lequel sont placés deux panneaux rouges, directement posés sur la bande de transition (fig. 5.111). Leur espacement délimite un inter-panneau central d’environ 30 cm de large; deux demi inter-panneaux de 12 cm de large sont réservés, sans décor, en limite de paroi (plaques 2 et 3).

Ces panneaux sont encadrés par un simple filet blanc. Ils sont ornés dans leur partie supérieure d’un arc de perles et pirouettes blanches (fig. 5.112). Au-delà de cet arc, la couleur du fond change: gris pour le panneau de gauche et kaki noirâtre pour le panneau de droite, dessinant des écoinçons dans les angles. Sur l’écoinçon gauche du panneau de droite, on observe les éléments d’un motif bleuté. Ce motif est trop partiellement conservé pour être interprété. L’inter-panneau est orné d’un candélabre dans les tons beige et rose (fig. 5.113). Celui-ci est composé d’une hampe verticale sobre, d’une largeur relativement constante (3 cm), sans base, directement posée sur la bande de séparation. Cette hampe, un peu austère, est décorée alternativement d’objets accrochés par un ruban et de bouquet de feuillages. De bas en haut, on trouve d’abord un objet que nous n’avons pas identifié, fait de trois traits courbes (motif 1) (fig. 5.114): les deux premiers, beiges, ont une épaisseur qui les rend plus distincts, indiquant ainsi le premier plan. Dessous, le troisième, en rose, est plus dilué, marquant sans doute l’arrière-plan. Entre les traits, la partie centrale est vide. Cet objet, orné d’un ruban rose en feston, est maintenu à la hampe par un nœud en coque rose.


Les peintures murales romaines

341

Fig. 5.107 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, plinthe nord en place en 2005 (photo OE).

Cette façon de faire montre la volonté de présenter l’objet en perspective. La touche picturale donne une certaine mollesse, une certaine nonchalance, à ce motif dont la lecture est énigmatique. Il est réalisé rapidement en trois coups de large pinceau dont on voit nettement la trace des poils aux extrémités. Un peu plus haut (à environ 10 cm), une touffe végétale naît d’un anneau qui enlace la hampe, à la façon d’un culot d’acanthe (motif 2) (fig. 5.113 et 5.115). Elle est composée de quatre tiges se terminant par une feuille: deux beiges à droite, deux roses à gauche. Environ 32 cm plus haut, on peut voir une ombelle lisse, sans fioriture, vue en contre-plongée (motif 3) (fig. 5.113 et 5.116). Le dessus est peint en beige et le dessous en rose. Sur l’ombelle, sont posés symétriquement deux fruits ronds et rouges, représentés de manière schématique, sans feuille ni queue. L’ombelle est agrémentée d’un ruban rose en feston dont les pans retombent. Ensuite, à 17 cm, une nouvelle touffe de feuillages est dessinée, mais de façon plus étoffée que la précédente (motif 4) (fig. 5.113 et 5.117). Elle naît, comme la première, d’un anneau qui entoure la hampe, et est composée de tiges terminées par une feuille et de

feuilles seules, parfois ponctuées d’une tache. Les feuilles sont tantôt beiges ou bleues à droite, tantôt noirâtres ou roses à gauche. Les peintures beige et noire sont appliquées avec empâtement, tandis que les bleue et rose sont fluides, presque translucides. On observe ici les mêmes méthodes rudimentaires, mais efficaces, pour la mise en perspective d’un motif et, de surcroît, un jeu d’ombre dans l’asymétrie des couleurs utilisées, claires d’un côté et sombres de l’autre. La rapidité de la facture ainsi que le jeu des matières et des couleurs lui donnent un aspect de bouquet volumineux assez réussi. Une vingtaine de centimètres plus haut, on trouve un petit objet rapidement tracé, comme celui du bas, avec un large pinceau qui empâte le trait et nuit à sa lisibilité (motif 5) (fig. 5.113 et 5.118). Son contour est beige et le centre est rose. Sa forme hémisphérique permet cependant de l’interpréter comme la représentation très schématique d’un bouclier de profil (scutum, pelte ou clipeus?). Il est suspendu par un nœud en coque et est orné d’un ruban en feston aux pans retombant et de deux thyrses croisés en arrière-plan.


342

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.108 Tongres: basilique Notre-Dame: plaque en cours de stabilisation. Pose d’un renfort en tissu de verre au revers après consolidation (photo APPA-CEPMR).

Le dernier élément conservé est l’amorce d’une touffe de feuilles, incomplète (motif 6). On distingue le culot et le départ de tige et de feuilles. Nous ne possédons ni le motif sommital du candélabre, ni la zone de couronnement, car la suite du décor se trouve sous les fondations de la basilique actuelle. Cependant quelques fragments ont été récupérés lors d’une percée sous le mur médiéval. Ils forment deux plaques qui figurent un motif circulaire incomplet suspendu par des rubans à la bande sommitale du décor (fig. 5.119). Il s’agit vraisemblablement d’un clipeus dont le traitement est similaire au motif 5 du candélabre. De part et d’autre de ce bouclier, se développent des volutes stylisées, puis un motif kaki trifide. Ce motif suspendu peut être localisé soit au-dessus du candélabre, soit en position centrée au-dessus du panneau. La forme

trifide nous rappelle la façon avec laquelle est représentée habituellement l’extrémité de la queue d’un monstre marin. En effet, elle est très proche de celle conservée par exemple dans l’ensemble 24 (cf. plus haut 5.2.11). On serait donc tenté de privilégier la position axiale au-dessus du panneau. 5.3.1.4

Restitution de la paroi nord

Les éléments conservés permettent de restituer les dimensions du décor (fig. 5.111). Nous savons que le mur 517 mesurait 3,70 m de long (fig. 5.105), que l’inter-panneau fait 0,30 m de large (1 pied romain) et que les demi inter-panneaux font chacun 0,12 cm (plaque 2 et 3). Si l’on soustrait ces trois dimensions à la longueur du mur, on obtient la


Les peintures murales romaines

343

Fig. 5.109 Tongres: basilique Notre-Dame: plaque avant et après stabilisation (photos APPA-CEPMR).

largeur des deux panneaux que l’on divise par deux pour obtenir la largeur d’un seul: 1,58 m. Or, nous avons souvent observé, en Gaule, une proportion pour les panneaux de 2/3 en largeur pour 3/3 en hauteur. S’il mesure 1,58 m de large, on peut restituer avec vraisemblance une hauteur de 2,37 m. Cette restitution est cohérente avec la dimension que l’on obtient si on prolonge les arcs des écoinçons. Au-dessus, la zone de couronnement, en raccord avec le plafond était d’au 30 cm environ. La zone inférieure mesurait environ 0,60 m (fig. 5.107). La hauteur minimale du mur peut alors être évaluée à 3,30 m.

Fig. 5.110 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, plaque 6, plinthe rouge mouchetée couronnée par la double bande de transition (photo APPA-CEPMR).


344

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

4

5

3

2

1

6

0

100 cm

Fig. 5.111 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, proposition de restitution partielle de la paroi (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

5.3.1.5

Observations techniques

Le support

L’enduit est très épais (environ 4 cm) et a été appliqué en trois couches: une couche de préparation, une couche de transition et une couche de surface (fig. 5.120). Le revers

Au dos de certains fragments, on peut observer une épaisse couche de torchis qui a gardé les empreintes de la structure du mur en terre: lattis entrecroisé du clayonnage en bois et pan de

bois vertical. Grâce à l’incendie, la terre a cuit et est, dès lors, assez bien conservée (fig. 5.121). Ces fragments témoignent également de la violence de l’incendie qui a sévi dans cette partie de la domus. Etat de conservation

Nous l’avons dit, l’état de conservation du mortier est mauvais, imputé directement au contexte de destruction de l’habitation. Il est, dans son ensemble, extrêmement poreux, ce qui rend la manipulation des enduits très délicate.


Les peintures murales romaines

345

Fig. 5.112 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, arc de perles et pirouettes dessinant des écoinçons dans les angles supérieurs des panneaux (photos APPA-CEPMR).

La couche picturale a été exposée à une température probablement très élevée. Elle est donc altérée et les couleurs visibles aujourd’hui ne correspondent plus à celles d’origine. Le rouge des panneaux présente par endroits des nuées jaunâtres (fig. 5.122). En revanche, le candélabre et ses motifs, visibles désormais dans des tons beiges, sont complètement modifiés par rapport aux pigments d’origine (fig. 5.114 à 5.118). Il en va de même pour la couleur des écoinçons des panneaux (fig. 5.112). Seuls le blanc des filets, devenu moins éclatant, et le bleu, qui est déjà le résultat d’une cuisson, sont identifiables sans ambiguïté. Tracés préparatoires

Peu de ces tracés sont visibles. La composition a probablement été esquissée à l’ocre (comme c’est souvent le cas), puis recouverte par le décor, ce qui explique qu’elle n’est plus visible. En revanche, des tracés incisés courbes ont été réalisés en partie supérieure des panneaux pour matérialiser l’arc que devaient suivre les perles et pirouettes (fig. 5.123). Qualité d’exécution

L’ouvrage est dans l’ensemble assez soigné. Le fond est bien lissé. La rigueur et la précision ne sont cependant pas de mise; en effet, la hampe du candélabre, qui d’ordinaire est centrée, est ici décalée vers la droite (située à 12 cm du filet de gauche et à 15 cm du filet de droite). Les motifs sont peints avec des gestes rapides qui correspondent à une mode figurative plus expressive que réaliste. Ajoutée à cela, l’utilisation d’un large pinceau donne aux motifs un rendu plutôt souple (fig. 5.114). L’apparente mollesse de la facture est contrecarrée par un jeu des couleurs et des matières assez bien maîtrisé.

87 Allag et al. 2014. 88 Sabrié & Solier 1987, 289-295, fig. 131-132, 246.

89 Thomas 1993, 378-385.

5.3.1.6. Analyse stylistique et iconographique Le décor à candélabres a connu un engouement tel en Gaule aux Ier et IIème siècles ap. J-C. qu’il en devient banal; mais celui-ci est toutefois particulier. Certes, les couleurs d’origine de cette peinture ne nous sont pas connues avec certitude, mais l’ensemble des panneaux rouge ocre et des inter-panneaux rouge bordeaux présente une association peu fréquente, mais déjà rencontrée à Aix-en-Provence (38-42 Bld de la République, fin Ier siècle)87. Candélabre

Le candélabre est peint d’une façon rapide et peu soignée; les objets sont schématisés au point d’en rendre l’identification difficile. Il est composé d’une hampe massive ornée alternativement de touffe végétale, d’objets suspendus par des rubans et d’une ombelle à ruban. Or, si la combinaison de feuillages et d’ombelles est assez commune, les trois éléments ne sont pas souvent associés en Gaule. On peut cependant trouver une composition assez proche sur un candélabre de Narbonne (pièce G de la maison à Portiques)88: on y observe des tiges avec feuilles, des ombelles à rubans et des acrotères. Ces trois éléments y sont répétés cinq fois; mais la base du candélabre n’est pas connue. Une alternance d’ombelles, de feuillages et d’objets accrochés à la hampe du candélabre, semble être plus commune dans les régions germaniques. Un décor de candélabre provenant d’une maison au Flottenlager à Cologne-Marienburg (mur nord, fin Ier – début IIème siècle)89, assez modeste, montre cette même alternance. Les candélabres portent, de haut en bas, une lyre, une syrinx (flûte de Pan) et une corne à boire, alternant avec des ombelles et des feuillages90. La partie basse de la hampe, sous la corne à boire, est ornée uniquement de feuilles et la hampe est

90 Thomas 1993, Taf. IV. 2-3, 22; Thomas 1989/90, 10-11, fig. 12-13.


346

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.113 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, candélabre orné d’objets accrochés et de bouquets de feuillages (relevés et photos APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

347

Fig. 5.114 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, motif 1 du candélabre. Objet (?) accroché à la hampe par un nœud en coque (photo APPA-CEPMR).

Fig. 5.116 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, candélabre et motifs 3 et 4 : pommes sur une ombelle et touffe de feuillage (photo APPA-CEPMR).

Fig. 5.115 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, candélabre et motif 2, touffe végétale (photo APPA-CEPMR).


348

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.117 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, motif 4, touffe végétale (photo APPA-CEPMR).

Fig. 5.118 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, motif 5 du candélabre, bouclier avec thyrses croisés, nœud et ruban (photo APPA-CEPMR).

posée directement sur la bande de transition. Le sommet du candélabre porte un canthare.

monde dionysiaque, comme les thyrses croisés, qui sont également nombreux. Les exemples sont multiples; mentionnons pour la Gaule Belgique: Amiens, rue de l’Oratoire (zone basse)91: clipeus et corne à boire suspendus; Soissons, rue Paul Deviolaine, salle XIV (zone supérieure)92: flûtes de Pan, tambourins et plectres suspendus.

Dans le Rheinisches Landesmuseum à Trèves se trouve un autre exemple, découvert au pied d’un mur de la Konstantinsplatz sur un inter-panneau noir, on voit une hampe de candélabre, sans base et massive, comme à Tongres, avec une corne suspendue par un noeud en coque. La simplicité du décor, qui apparaît dans la grande liberté d’exécution du candélabre et des rubans, ainsi que les filets blancs de séparation entre les panneaux, font penser au décor de Tongres. Les clipei, les rhytons ou cornes à boire et les instruments de musique – comme la lyre, la syrinx et le tympanon (tambourin) – sont très fréquents dans la peinture en Gaule. Ils peuvent être représentés suspendus par des rubans en haut de la zone médiane, en zone supérieure ou en zone inférieure, ou bien posés par paires sur les ombelles des candélabres. Ils font référence au

91 Defente 1995, 153-156. 92 Barbet 2008, 162 et fig. 237.

Le style libre du ‘candélabre schématisé’ ne favorise pas l’identification des objets. Le motif 5 avec les thyrses croisés peut être interprété sans ambiguïté comme un bouclier. En revanche, le motif 1 ne fait référence à aucun de ces objets bien identifiés dans les répertoires. Un décor très fragmentaire d’Aubechies (Belgique), daté stylistiquement de la fin du IIème ou du début du IIIème siècle, est peutêtre le plus proche de notre décor: sur les fragments d’un candélabre schématisé, l’auteur a reconnu des boucliers ronds, ovales et des peltes, ‘pourvus d’anses à rubans pendants’93.

93 Delplace 1985, 96-98 et fig. 11; Delplace 1991, 40-41 et fig. 3.5; Peintures murales romaines d’Aubechies. Catalogue de l’exposition, Maison

communale, Aubechies, 12-27 juin 1976, fig. ‘candélabre’.


Les peintures murales romaines

349

Fig. 5.119 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, plaques 4 et 5, motif suspendu à la bande sommitale (clipeus ?) (relevés et photso APPA-CEPMR).

Fig. 5.120 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, support représentatif, vue en coupe (photo APPA-CEPMR).


350

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.121 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, empreintes de clayonnage et d’un pan de bois, au revers du torchis (photos APPA-CEPMR).

L’ombelle même est très épurée, lisse, sans feston; les deux boules qu’elle supporte sont dans le même esprit: elles font allusion à des fruits, mais n’offrent pas les détails qui le confirmeraient et indiqueraient de quels fruits il s’agit, probablement des pommes. On trouve une représentation identique de pommes sur des petits plateaux dans l’ensemble 3 de la domus (fig. 5.14) (cf. 5.2.1). La représentation de fruits sur les peintures d’Italie est abondante dès le Deuxième style: on les trouve en nature morte (xenia, cadeaux d’hospitalité), dans les représentations de jardin, dans les guirlandes, en vignette, seuls ou picorés par un oiseau, … On les observe à tous les niveaux de la paroi. Quoi d’étonnant puisque le repas traditionnel se conclut par des fruits et que ceuxci sont présentés en offrandes aux dieux. La pomme est très appréciée et fait partie des fruits qui se conservent facilement.

94 Peintures conservées dans les réserves du Rheinisches Landesmuseum de Trêves, inédit.

En Gaule, les représentations de fruits sont également bien attestées. En Germanie, on peut citer, entre autres la coupe de fruits en tableautin à Trèves (Kornmarkt)94 et la corbeille de fruits sur une ombelle à Cologne (Fleischmengergasse)95. Les pommes sont connues sur plusieurs décors à Narbonne: Clos de la Lombarde96, pommes dans le décor de feuillage de la pièce A de la maison III, deux pommes sur une ligne de sol dans la salle C de la maison III; Boulevard F. Mistral, une pomme et deux cerises sur une ligne de sol en vignette de panneau. Et aussi à Nîmes, Villa Roma97, dans la maison 10, deux pommes flottent en centre de panneaux et dans la maison 1, c’est une poire qui est représentée. On les retrouve donc aussi bien noyées dans des feuillages que dénudées au centre de grands panneaux.

95 Thomas 1993, fig. 130 a-b. 96 Sabrié 1995, 79, 84 et 86.

97 Sabrié 1998, 44 et fig. 53.


Les peintures murales romaines

351

Fig. 5.122 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, détail des altérations de la couche picturale (photos APPA-CEPMR).

Fig. 5.123 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 1, tracé préparatoire incisé (photo APPA-CEPMR).


352

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

A Tongres, le fait que les pommes soient posées sur une ombelle ferait plutôt allusion aux offrandes. Les fruits ronds, ainsi que les bouquets, font partie des présents souvent représentés sur les statuettes en pierre trouvées dans les sanctuaires98. Parmi les objets votifs en Gaule, aux Ier et IIème siècles, on découvre aussi des armes miniatures en bronze (boucliers, lances, pointes,…)99. Les rubans posés sur les objets font également partie des rituels sacrés. Sur notre candélabre, la taille des objets semble très petite par rapport aux bouquets de feuillage. Associés à l’ombelle de fruits et à la présence des rubans, on pourrait proposer pour le bouclier et le motif énigmatique une allusion à ces ex-voto miniatures. Sous cet angle, la composition du candélabre semble plus claire avec un choix de motif lié au rituel sacré. Perles et pirouettes

Les perles et pirouettes sont très répandues dans la peinture murale romaine. On les rencontre souvent en bordure de formes géométriques dans les imitations de marbre, les compartiments ou les médaillons. La représentation habituelle est la combinaison d’une perle (ovale ou allongée) et de deux pirouettes (rondes ou étroites); une seule pirouette est plus rare. Bien attestées dans la peinture campanienne, elles sont aussi abondantes en Gaule et dans les provinces du Nord, comme le montre la carte de répartition. Il est évident que ce motif de perles et pirouettes est dérivé de l’architecture monumentale où on les observe sur de nombreux entablements, chapiteaux, etc. Dans l’habitat, ce sont les décors en stuc qui reprennent ces chapelets comme ornement de corniche ou de plafond. À Tongres, la représentation est simple; sans effet de trompel’œil, elle s’éloigne des imitations de stuc. Mais figurée sous la forme d’un arc, séparant des champs de couleurs différentes, elle montre la volonté de simuler une architecture: une arcade bordée d’une moulure très schématique, dont la couleur blanche rappellerait celle du stuc ou de la pierre. Dans la villa de Schleinikon, elles bordent une niche arquée (Suisse, canton de Zürich)100. À Tongres, le site de la basilique a révélé, nous le verrons, plusieurs décors à panneaux et écoinçons, l’arcade étant matérialisée tantôt par des perles et pirouettes, tantôt par des guirlandes: ensemble 11 et ensemble 24. À Strasbourg sur le décor de la ‘Haute Montée’, l’encadrement supérieur du panneau en arcade est matérialisée par une guirlande (IIème siècle)101. Le candélabre semble, à première vue, peu raffiné et schématique. Ce style pictural plutôt expressionniste fait partie de l’évolution des candélabres, et également d’autres éléments décoratifs, à travers le temps. Les motifs représentés en quelques touches rapides sont la schématisation de toute une iconographie bien ancrée dans les esprits de l’époque. On observe une schématisation de l’objet mais aussi des principes de perspectives. Les rubans et les feuillages, eux, sont peints avec plus de précision et un effet de ‘clair-obscur’.

98 Deyts 1994. 99 Squevin 1994. 100 Dubois 2012, 237.

Les perles et pirouettes sont une allusion à l’architecture, par un jeu de simple contraste coloré. Essayons de pousser l’interprétation un peu plus loin; les perles et pirouettes n’appartiennent pas à n’importe quelle architecture, elles ornent les constructions en pierre essentiellement d’ordre public et nous les connaissons abondamment en ornement des entablements et des chapiteaux des temples. Le candélabre, par la présence de fruits, fait allusion aux offrandes qui englobent aussi les boucliers et les armes miniatures. Les deux éléments associés ne pourraient-ils pas montrer la volonté de perpétuer certain rituel ou de protéger la maison par ces allusions aux pratiques sacrées? Les peintures de cet ensemble 1 sont étonnantes et, dans l’observation des détails, on ressent une certaine noblesse du décor. Bien qu’ancré dans la série des décors traditionnels à candélabre, ce décor montre un certain raffinement. Ces peintures, détruites par l’incendie de la fin du IIIème siècle, peut être datées, à partir du contexte archéologique, confirmé par les observations stylistiques, de la deuxième moitié du IIème siècle. 5.3.2 Ensemble 2, Décor à imitations de marbres Julien Boislève102, avec la collaboration de S. Groetembril. 5.3.2.1

Contexte

Secteur 11, murs 517, US 524. Les enduits sont trouvés dans une pièce du secteur 11, dont trois parois ont été repérées à la fouille. Ils proviennent toutefois de la pièce voisine, au nord (fig. 5.105), la chute de la paroi entrainé avec elle les deux parements enduits. Les peintures se présentaient en une couche homogène (US 524) livrant un décor effondré en place qui apparaissait de face et en connexion sur l’essentiel de la surface dégagée (fig. 5.124). Cette grande plaque est toutefois percée par deux perturbations postérieures: une grande fosse qui occupe le quart sud-ouest de la zone fouillée et une plus petite au centre et contre le mur 517. Le sens de lecture du décor et la présence d’un second décor effondré en place et de revers, (correspondant à l’ensemble 1, cf. supra 5.3.1) indiquent clairement qu’il s’agit d’une seule paroi qui a chu d’un seul tenant dans l’espace concerné. Cette destruction du mur nord de la pièce est manifestement liée à l’incendie de la fin du IIIème siècle. L’enduit, bien qu’en connexion sur l’essentiel de la surface, présentait des déformations importantes et un léger pendage. La fragmentation était considérable (fig. 5.124), favorisée par la fragilité des mortiers, souvent devenus pulvérulents sous l’effet de la chauffe, et le poids des matériaux entraînés dans la destruction.

101 Tessariol & Groetembril 2012, 124-125 et fig. 4. 102 Toïchographologue, CEPMR, UMR 8546 AOROC, CNRS-ENS; Julien.boisleve@inrap.fr.


Les peintures murales romaines

353

Fig. 5.124 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, vue des plaques effondrées et de leur forte fragmentation (photos OE).


354

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

5.3.2.2

Mode de prélèvement

La pièce a été dégagée par moitié, la partie orientale étant fouillée en premier. Aucune vue d’ensemble de l’effondrement n’est donc disponible et la documentation photographique manque pour les effondrements en place concernant la moitié occidentale de la pièce. Certaines plaques (notamment plaque 17) ont ainsi été prélevées avant dégagement complet de la zone. La fragilité du matériau au sein d’un effondrement en place imposait un prélèvement par encollage afin de conserver les connexions existantes et de garantir la cohésion du mobilier archéologique. Les tentatives d’encollage avec des méthodes inadéquates ont poussé les fouilleurs à un prélèvement manuel. La fragmentation déjà importante s’est trouvée accrue par ce choix de prélèvement et une grande partie des connexions étaient alors perdues. Aucun dispositif de localisation des plaques n’ayant été mis en place, l’étude a dû s’appuyer sur les photos de l’effondrement de la partie orientale qui ont permis de replacer une bonne partie des éléments les uns par rapport aux autres et de garantir la fiabilité de la restitution proposée. Lors de l’intervention du CEPMR, en septembre 2005103, quelques plaques de ce décor subsistaient, notamment dans la partie occidentale de la pièce. Elles ont fait l’objet d’une couverture photo pour l’essentiel d’entre elles et ont été déposées par encollage. Elles ont par ailleurs été localisées par un système de carroyage implanté sur la zone de fouille. 5.3.2.3

État général de conservation

L’état de conservation est dans l’ensemble très mauvais. En effet, le support est fragile ce qui rend toute manipulation délicate. Il est, en outre, rarement conservé dans son intégralité du fait d’une désolidarisation des différentes couches de mortier. Dès lors, la fragmentation est importante et il a fallu recomposer des plaques à partir de fragments de petite taille, souvent inférieure au centimètre (fig. 5.125). La température élevée liée à l’incendie a altéré une grande partie du décor, à l’exception de quelques plaques qui appartiennent au sommet de la paroi. Outre la rubéfaction des mortiers, le feu a entraîné une altération des pigments et donc la modification de leur teinte d’origine, n’offrant plus qu’une palette de divers tons de rouge clair à rouge bordeaux. Par chance, l’essentiel des couleurs peut être restitué à partir des plaques non incendiées. En revanche, la surface peinte est plutôt bien conservée. Le motif est parfaitement lisible et l’ensemble ne présente que quelques griffures sans doute liées à l’effondrement, et quelques zones d’usures, assez localisées. 5.3.2.4

Description du décor

La recomposition de grandes plaques, localisables sur photographie, au moins pour la partie occidentale de la pièce, permet

103 Voir le rapport d’intervention: Groetembril 2005.

une bonne compréhension du décor sur la presque totalité de sa hauteur (fig. 5.126 et 5.127). L’essentiel des vestiges est rattaché à l’extrémité orientale de la paroi où les plaques 17, 18 et 30 présentent un angle en ressaut avec arrachement caractéristique du retour vers un mur d’orientation nord-sud. Le problème de la zone inférieure

La question de la zone inférieure est problématique. Elle est totalement absente sur les plaques qui nous sont parvenues. Ce hiatus trouve une explication dans la nature même de l’effondrement de la paroi et de son architecture. Seule l’élévation en terre est tombée dans la pièce sous l’action de l’incendie. Le soubassement maçonné en briques et moellons est quant à lui resté en élévation. Son parement nord, qui conservait peut-être encore la base de l’enduit en place, n’était pas accessible dans l’emprise de fouille et n’a donc pu être dégagé. Il faut donc rétablir sous la zone médiane que nous connaissons par l’effondrement, un soubassement correspondant au moins à la hauteur conservée du mur. La nature décorative de cette zone, même si nous la supposons dans la continuité du décor de zone médiane, demeure totalement inconnue. La zone médiane

La totalité des plaques qui ont pu être recomposées appartiennent à la zone médiane du décor (fig. 5.128 à 5.132) et concernent toute sa hauteur. Par un jeu de symétrie et de déductions géométriques, la restitution intégrale de cette partie de la paroi est donc envisageable avec une marge d’erreur restreinte. La zone médiane est partitionnée par des colonnes engagées fictives qui reposent sur une bande de transition orangée à veinures blanches (plaques 8, 9 et 10) (fig. 5.126 et 5.129). Entre ces colonnes, la composition s’organise sur trois registres à imitation de marbres. Le registre médian offre une hauteur plus conséquente. Les dimensions de chacun peuvent être restituées par déduction des motifs géométriques. Les registres inférieur et supérieur sont de même nature et consistent en compartiments rectangulaires couchés ornés d’un cadre et d’un losange inscrit avec cercle inclus (fig. 5.130 et 5.131). Les plaques 1 et 8, non directement jointives, mais dont on sait qu’elles sont très proches, permettent de rétablir les dimensions du compartiment. La hauteur est de 42 cm et la largeur est déduite par restitution du losange. Elle s’établit ici à 109 cm et avec l’encadrement, le compartiment mesure donc 122 cm de largeur. L’encadrement, présent sur les quatre côtés, est constitué d’une bande traitée en imitation d’un marbre vert: fond vert foncé rehaussé de nébulosités vert clair à blanches avec un certain effet de transparence. Il est bordé, à l’intérieur, d’une bande blanche (1,2 cm) qui évoque ces petites baguettes de marbre blanc, les listels, qui prennent souvent place, dans les opera sectilia, entre deux champs colorés et définissent les grandes lignes du motif. Le champ ainsi encadré est traité en imitation de porphyre


Les peintures murales romaines

355

Fig. 5.125 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, plaque 8, détail de la base de colonne, état de la fragmentation (photo J. Boislève, APPA – CEPMR).


356

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

34 35

18

32 25

30

31

33 21

22 23

26

27 17 7 6

5

20

13

19

14 29

24

15

28 16 1

12 11 4

3 2 10

9

8

z one inférieure inconnue

0

1m

Fig. 5.126 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, restitution hypothétique au trait du parement nord du mur 517 (infographie: J. Boislève, APPA – CEPMR).

rouge: fond rouge bordeaux fi nement moucheté de rose et de blanc. Au centre, le losange couché est dessiné, pour ses deux côtés supérieurs, par une bande blanche, doublée d’un trait intérieur rouge foncé (fig. 5.130). Les deux côtés inférieurs sont peints d’un fi let noir. Cette opposition crée une mise en relief des placages, le tracé noir évoquant une ombre par opposition au trait blanc recevant la lumière. Le remplissage du losange développe une imitation de marbre jaune à veinures aléatoires beiges. Au centre, le disque est cerné d’un double cercle blanc et rouge à l’extérieur (plaques 1 et 4). L’imitation de marbre ornant le

disque n’est connue que très partiellement sur la plaque 1 et semble développer un fond rouge rehaussé de touches vertes. Le diamètre du cercle est estimé à 21 cm. Le registre central, beaucoup plus développé en hauteur puisqu’il peut être restitué à près de 1,90 m, se présente tel un grand placage de marbre (fig. 5.128, 5.130 et 5.132). Le panneau, large de 93 cm est pourvu sur ses quatre côtés d’un encadrement constitué d’une bande d’environ 10 cm de largeur, à fond rouge bordeaux couvert de tachetures roses et blanches qui correspondent


Les peintures murales romaines

357

z one inférieure inconnue

0

1m

Fig. 5.127 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, restitution hypothétique colorée du parement nord du mur 517 (infographie: J. Boislève, APPA – CEPMR).

à des coulures assez libres d’une peinture très diluée (fig. 5.133). Cette bande est bordée intérieurement d’une double bande blanche et marron (environ 1,3 cm chacune). Le panneau présente un fond beige orangé agrémenté de projections de peinture blanche particulièrement couvrantes. Plusieurs plaques (n° 17 à 19, 23 à 25 et 27) indiquent la présence d’un encadrement intérieur noir, situé à 10 cm du bord. Toutefois nous n’observons pas cette bande sur la plaque 1 qui correspond à la partie inférieure du panneau. Or, d’après l’effondrement, il est clair que les plaques 1,17 et 18 appartiennent bien à la même paroi et plus

précisément au même panneau. Il faut donc rétablir le fi let noir sur seulement trois côtés du panneau, même si cette solution n’est pas totalement satisfaisante pour plusieurs raisons. Tout d’abord, si la bande venait buter verticalement contre le bord inférieur du panneau, elle devrait être visible dans l’angle droit de la plaque 1 même si, à l’endroit supposé, le champ beige à mouchetures blanches n’est conservé que sur quelques centimètres. D’autre part, on verrait volontiers, dans cette bande noire, un effet d’ombre et de lumière comme dans les autres registres. Pour donner un effet de relief au panneau, comme sur les orthostates


358

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

1

0

25 cm

Fig. 5.128 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, plaque 1, imitation d’opus sectile, registre inférieur et panneau médian (photo J. Boislève, APPA – CEPMR).


Les peintures murales romaines

359

8

0

20 cm

Fig. 5.129 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, plaque 8, base de colonne (photo et relevé J. Boislève, APPA – CEPMR).

de Deuxième style, le procédé devrait consister à peindre un encadrement intérieur noir sur deux côtés et blanc sur les deux autres. Il semble que cette solution n’ait pas été choisie ici. Le centre du panneau est occupé par un disque visible sur les plaques 1, 5, 6 et 7 (fig. 5.133). Sa position précise sur la plaque 1 (fig. 5.128), par rapport à la hauteur et à la largeur du panneau permet d’établir toutes les dimensions du décor. Le disque peint en imitation de porphyre rouge mesurait 25 cm de diamètre.

Il est cerclé de blanc sur sa moitié droite et de noir sur sa moitié gauche, toujours pour créer cet effet de mise en relief. Enfi n, le registre supérieur est renseigné par la plaque 18 (fig. 5.134) qui n’a pas été atteinte par l’incendie, conservant ainsi ses couleurs d’origine. Les plaques 31 à 35, d’après leur position dans l’effondrement et leur nature également non rubéfiée, doivent aussi appartenir au registre supérieur mais au niveau du panneau situé à l’extrémité droite de la paroi.


360

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

17

0

25 cm

Fig. 5.130 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, plaque 18, imitation d’opus sectile, colonne, angle de panneau médian et registre supérieur (photo et relevé J. Boislève, APPA – CEPMR).


Les peintures murales romaines

361

18

0

25 cm

Fig. 5.131 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, plaque 34, imitation d’opus sectile, registre supérieur, losange couché (photo et relevé J. Boislève, APPA – CEPMR).


362

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.132 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, plaque 17, imitation d’opus sectile, panneau médian (photo et relevé J. Boislève, APPA – CEPMR).

0

La transition entre placage médian et registre supérieur se fait par une succession de fi lets blancs, jaunes à beige et noirs. Au-dessus, le registre apparaît similaire au registre inférieur, créant ainsi une symétrie par rapport aux panneaux. Sa hauteur (40 cm) est comparable à celle du registre inférieur. On retrouve ici un encadrement verdâtre tacheté de blanc, bordé d’une bande blanche et enserrant un losange couché traité en marbre de Chemtou, se détachant sur un fond de porphyre rouge (fig. 5.134 et 5.135). Comme sur le registre inférieur, le losange est bordé d’un fi let marron-rouge, puis d’une bande blanche sur ses deux côtés supérieurs et noire sur ses côtés inférieurs. Les colonnes (fig. 5.129) sont peintes en blanc crème rehaussé de tracés beiges évoquant la modénature. Leur base présente un socle carré, surmonté d’un cavet renversé dont la courbure gagne progressivement la largeur du fût (11,6 cm). Le bas du fût présente une succession de moulures ornementales, puis une ligne de carrés marron qui évoquent des tenons, et enfi n une moulure qui couronne cette partie inférieure de la colonne. Au-dessus, le fût est lisse sur 33,5 cm. puis des cannelures se développent en une série de fi lets parallèles en dégradé de deux teintes de marron et beige qui évoquent les ombres destinées à créer l’illusion des creux. Le traitement du chapiteau est connu par la plaque 18 qui correspond à une demi-colonne sise en angle de paroi (fig. 5.130 et 5.134). Le modèle apparaît à peu près similaire à la base et évoque l’ordre dorique. La plaque, non brûlée, livre les couleurs

20 cm

d’origine et permet de les rétablir pour les plaques altérées. Les bandes et motifs sont d’un vert clair pastel sur un fond blanc légèrement crème. La colonne d’angle est bordée, sur son côté droit, d’une bande noire qui souligne son profi l, tant pour le fût que pour le chapiteau, et crée une ombre. Cette bande se retrouve à gauche de la colonne visible sur la plaque 11 mais n’apparaît pas jusqu’à la base (fig. 5.126). Elle ne semble pourtant pas effacée et s’interrompt donc à peu près à 40 cm de hauteur. La présence de la bande noire à droite d’une colonne et à gauche de la suivante, de part et d’autre d’un même panneau, paraît incohérente avec un effet de lumière provenant d’un même côté de la paroi. Elle est donc impropre à créer un effet d’éclairage réaliste, accentuant l’illusion du relief et cette incohérence se vérifie sur d’autres points du décor (cf. infra). Le couronnement de la paroi est connu par quelques indices à l’extrémité gauche de la plaque 18. Le chapiteau porte un entablement suggéré par une simple bande à fond grisâtre et veinures blanches de 5 cm de largeur (fi g. 5.135). Une bande noire termine la paroi et assure vraisemblablement le raccord avec le plafond. La plaque 36 (fig. 5.136) montre que tous les compartiments n’étaient pas identiques. Le motif est le même, mais l’ordre des imitations de marbre varie. Sur cette plaque l’encadrement est une imitation de Chemtou, le rectangle est en marbre verdâtre à tachetures vaporeuses blanches; le losange et le cercle sont inchangés.


Les peintures murales romaines

363

Fig. 5.133 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, détail de l’encadrement et du disque central des panneaux médians (photo J. Boislève, APPA – CEPMR).

Fig. 5.134 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, plaque 12, extrémité arrondie des cannelures, et plaque 18, détail du chapiteau de colonne (photo J. Boislève, APPA – CEPMR).


364

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.135 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, détail du compartiment supérieur et de la bande de couronnement (photo J. Boislève, APPA – CEPMR).

le positif de stries parallèles qui correspondent à des traces d’accrochage en chevrons (fig. 5.137), probablement identiques à celles observées pour l’ensemble 1 puisque ces deux décors appartiennent au même mur. Le support

Il est constitué d’un mortier sableux fragile ayant subi une altération importante par le feu (fig. 5.138, cf. 5.4). Le traitement de surface

Fig. 5.136 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, plaque 36 (photo J. Boislève, APPA – CEPMR).

Cet élément pourrait donc être replacé sur le panneau central de la paroi, donnant au décor un rythme induit par de légères variations chromatiques (fig. 5.127). 5.3.2.5

Observations techniques

Le revers

La forte dégradation des mortiers n’a pas favorisé la conservation des revers de l’enduit. Toutefois, quelques plaques montrent

L’aspect de surface de l’enduit est dans l’ensemble soigné bien qu’imparfaitement lisse, comme on a pu l’observer par exemple sur l’ensemble 3. Ici, le lissage apparaît assez sommaire. De plus, la pose de la peinture en une couche assez épaisse renforce cette impression. En effet, le pigment est appliqué en une matière dense. Ainsi, les différents mouchetis ou tachetures présentent une nette surépaisseur sur le fond uni et, certains, une granulométrie assez importante (fig. 5.139). C’est le cas pour les mouchetis rapides couvrant les fonds des panneaux où on note d’ailleurs que certaines zones ont été encore lissées après l’exécution du mouchetis, sans doute plus pour étaler un peu le pigment blanc qui se mélange alors légèrement au fond rouge (fig. 5.140), que pour obtenir une surface lisse. On cherche ici plutôt un effet d’imitation de marbre. À l’inverse, certaines zones semblent plus finement réalisées. Les fonds de porphyre rouge offrent un rouge bordeaux bien homogène et parfaitement lissé sur lequel est projeté un fin mouchetis. Ailleurs, on retrouve un certain empâtement de la peinture qui conserve donc de façon assez marquée l’empreinte du coup de pinceau (fig. 5.141) et crée une forme de surépaisseur qui finalement accentue un peu les jeux de léger relief. La gamme chromatique déployée sur le décor d’imitation d’opus sectile est relativement sommaire. L’essentiel des couleurs fait appel à des ocres jaunes, rouges ou bruns qui sont des pigments facilement accessibles et donc assez peu coûteux.


Les peintures murales romaines

365

Fig. 5.137 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, stries d’accrochage en chevrons au revers d’une plaque encollée (photo J. Boislève, APPA – CEPMR).

Fig. 5.138 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, support représentatif, vue en coupe (photo J. Boislève, APPA – CEPMR).

Fig. 5.139 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, détail des projections sur le panneau médian (photo J. Boislève, APPA – CEPMR).


366

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.141 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, détail de l’empâtement de la peinture sur le chapiteau de colonne (photo J. Boislève, APPA – CEPMR).

(1) Le remplissage des losanges couchés (plaques 18 et 34) est un fond jaune avec quelques effets de dégradé, passé en larges coups de pinceau dont l’empreinte reste visible dans l’épaisseur de la matière. Le fond est ensuite rehaussé de tracés irréguliers d’un marron à beige très dilué. Les lignes courbes qui s’entrecroisent créent les veinures d’un marbre qu’on identifie aisément au marbre jaune de Chemtou (Marmor Numidicum, Simitthus), exploité en Tunisie et dont l’imitation est particulièrement fréquente en peinture. Fig. 5.140 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, détail du lissage exécuté après la pose des marbrures sur le panneau médian (photo J. Boislève, APPA – CEPMR).

Les tracés préparatoires

L’examen des plaques n’a révélé aucun tracé préparatoire ce qui peut sembler assez surprenant dans le cas d’un décor au découpage aussi géométrique où s’insèrent notamment des figures telles que les losanges qui appellent souvent de petits repères pour marquer le centre des côtés du rectangle. Angles des panneaux, emplacement des colonnes ou tracé des longues bandes horizontales ne paraissent pas avoir nécessité la pose préalable de repères, simples marques ou tracés incisés plus importants. On ne peut toutefois exclure l’existence de tracés peints, toujours plus difficiles à repérer, mais aucun n’a été identifié sur les parties où la peinture pouvait s’écailler légèrement. De même, les cercles qui sont souvent tracés préalablement au compas à pointes sèches, ne présentent pas ici de tracé incisé; le pinceau devait donc être directement monté sur le compas. La réalisation des imitations

Sept types d’imitations de roches décoratives sont identifiés sur l’ensemble 2 (fig. 5.142). Ils sont réalisés dans des coloris différents mais aussi avec des procédés variés dont la nature exacte n’est pas toujours aisée à rétablir.

(2) Le remplissage des écoinçons des compartiments rectangulaires (plaques 1, 5 à 8, 18 et 34), ainsi que celui du disque central des panneaux médians, est un marbre à fond rouge bordeaux finement lissé et recouvert d’un très fin mouchetis en deux teintes, du rose et du blanc. Les fines projections sont manifestement réalisées à la brosse dure. Là encore, l’imitation est facilement identifiable, il s’agit du porphyre rouge d’Égypte, roche noble et de fait largement représentée sur les décors peints. (3) Les bandes d’encadrement des panneaux médians (plaques 1, 17, 18, 31 et 34) sont constituées d’un fond rouge bordeaux à violacé rehaussé de coulures roses et blanches. Plus que des mouchetis, il s’agit bien de coulures. On voit le cheminement de gouttes de peinture très diluée qui créent des sortes de marbrures ondulantes jouant sur la transparence et l’épaisseur de la peinture, liées à la concentration du pigment. L’application permettant d’obtenir cet effet soulève plusieurs questions. Il ne s’agit manifestement pas d’un simple point de pigment qui coulerait sur la paroi car la direction des coulures n’est pas uniformément orientée vers le bas. On perçoit nettement une action qui force son cheminement. Des projections laisseraient de fines gouttelettes ou à l’inverse des gouttes effilées. Une action de souffle sur le pigment dilué répartirait bien la peinture mais donnerait des contours découpés de petites projections. C’est donc sans doute au pinceau, d’un geste léger mais surtout avec une charge de pigment importante et fortement diluée que sont effectuées ces marbrures, dans un mouvement rapide. Ici, le rendu final pourrait évoquer une roche locale.


Les peintures murales romaines

(4) Les bandes d’encadrement des compartiments des registres supérieur et inférieur, présente un fond vert foncé rehaussé de tachetures vert clair. Le fond est passé au pinceau en une touche rapide et fluide. Les tachetures, qui sont très vaporeuses, jouent sur la transparence et des contours peu marqués qui sont sans doute créés par une application à l’éponge ou un procédé similaire laissant des zones où le pigment à bien adhéré à la paroi et d’autres où il ne s’est pas appliqué. Il pourrait s’agir de la figuration d’une roche régionale qui présente cet aspect vaporeux: la diabase de Trèves, variété locale de dolérite de couleur verte affleurant à l’est de la moyenne Moselle (vallée de la Ruwer). Il est intéressant de noter que de nombreux fragments de cette roche ont été trouvés lors des fouilles de la basilique et ont été identifiés par analyse104. (5) La surface des panneaux livre un fond beige à marron, correspondant à l’application d’une couche épaisse de pigment (plaques 1 et 17). Elle est recouverte d’une multitude de projections blanches d’un pigment plus ou moins dilué créant parfois des tâches vives et d’autres beaucoup plus légères dont la transparence laisse entrevoir la couleur du fond. Ces mouchetis très longilignes et éclatés correspondent nettement à des projections très vives qui écrasent les gouttes tout en longueur. Si on observe un sens dominant du geste, plutôt vers le bas et légèrement de biais, l’artisan à tout de même souvent croisé son mouvement. Par ailleurs, sur certaines zones, on observe une intervention postérieure à l’application des projections, un lissage assez rapide qui écrase les gouttes blanches et les mélange légèrement au pigment brun-rouge. Le rendu final est étonnant, créant une surface imposante très chargée des ces projections. Une nouvelle fois, il apparaît qu’il ne faut pas chercher ici une imitation fidèle mais plutôt une création rendue justement possible par la peinture. (6) On observe encore un traitement différent sur la bande sommitale (plaque 18) qui doit être la même que celle, aperçue seulement sur quelques centimètres, sous les colonnes (plaque 10). Sur un fond gris à verdâtre, des coulures blanches et verticales sont visibles. Elles paraissent appliquées au pinceau et ne renvoient pas de façon évidente à un marbre précis. (7) Enfin, il faut encore compter avec l’imitation présente au centre des cercles inclus dans les compartiments à losanges couchés. Ce type n’est malheureusement qu’aperçu sur de toutes petites surfaces, ne permettant pas son observation précise (plaques 1 et 36). On perçoit, sur un fond rubéfié, d’assez grosses touches vertes réalisées à la pointe du pinceau. Leur forme à priori assez ovale rappellerait volontiers les touches vert clair du porphyre vert. Toutefois, le motif étant incomplet, cette identification demeure hypothétique. À ces imitations de placages de marbres colorés, il faut ajouter d’autres éléments plus simples, les bandes blanches et noires, qui outre le jeu de lumière potentiel, correspondraient volontiers aux listels ou astragales des sectilia. Elles sont le plus souvent en

104 Vanderhoeven sous presse.

367

marbre blanc et en schiste noir, correspondant donc aux couleurs représentées en peinture. Enfin, le fût de la colonne, s’il n’est pas traité en marbre coloré, peut aussi, par sa couleur blanc crème, évoquer un des nombreux marbres blancs utilisé à l’époque romaine et dont certains types, comme le Carrare, sont presque immaculés. 5.3.2.6

Dimensions de la paroi et données architecturales

L’aspect très géométrique de la composition et des motifs qui la composent autorise, à partir d’un pourcentage réduit de la surface du décor, une restitution assez fiable de l’ensemble. Dès lors, quelques dimensions sont à prendre en compte. Il demeure toutefois toujours une inconnue: la hauteur de la zone inférieure ou de la plinthe. La hauteur du registre inférieur est de 44 cm, soit la hauteur du compartiment à losange inscrit, encadrement compris. Le panneau médian est plus incomplet, mais l’amorce du cercle central, sur une section suffisante pour estimer son diamètre et en lien assuré avec le bas et le côté droit du panneau, permet de rétablir la hauteur et la largeur, dans la mesure où le cercle est bien en position centrale. Le diamètre du cercle cernant le disque de porphyre rouge peut être estimé à environ 25 cm. Il se situe à 45 cm du bord vertical du panneau (encadrement compris) et 81 cm de son bord inférieur. Le panneau doit donc mesurer 1,85 m de hauteur et 1,18 m de largeur. Dès lors, si ces mesures ne respectent pas parfaitement la proportion souvent observée pour le rapport entre hauteur et largeur des panneaux (soit une largeur égale à 2/3 de la hauteur), elles ne s’en éloignent que de quelques centimètres. Enfin, le registre supérieur présente une hauteur à peu près équivalente à celle du registre inférieur, soit 41 cm. Si on ajoute encore les largeurs de quelques bandes d’encadrement, la hauteur du décor, d’après les éléments conservés, peut-être restituée à 2,95 m. Mais il faut encore ajouter à ceci une zone inférieure qui doit donc conduire vers une paroi de l’ordre de 3,50 m. Cette estimation est à peu près de même envergure que celle proposée pour le décor de l’ensemble 1 qui correspond, rappelons-le, à l’autre parement du même mur (cf. ensemble 1). Le nombre de panneaux à restituer sur la paroi est déduit à partir d’une longueur établie de 3,70 m, correspondant à la mesure disponible sur le parement accessible du même mur, côté sud. La largeur des panneaux, de 1,19 m, et le rythme des colonnes, larges de 0,15 m, ne permet pas de rétablir trois panneaux de même taille. Nous supposons donc, comme c’est parfois le cas, un rythme de trois panneaux mais avec un élément central aux dimensions différentes, en l’occurrence un panneau plus étroit dont la largeur s’établirait ici à 87 cm. 5.3.2.7

Analyse stylistique

Ce décor appartient à un répertoire bien identifié en peinture murale romaine, rassemblé sous le terme générique de «décor à imitation de marbres». Profitant des possibilités illusionnistes


368

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.142 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, détail et description des différentes imitations de marbres (photos J. Boislève, APPA – CEPMR).


Les peintures murales romaines

Fig. 5.142 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 2, détail et description des différentes imitations de marbres, suite (photos J. Boislève, APPA – CEPMR).

369


370

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

que procure la technique, les peintres vont très tôt développer sur les parois des copies de placages de roches décoratives. Le procédé, qui permet tout d’abord une économie par rapport à un matériau coûteux, voire particulièrement luxueux pour certains lithotypes rares et d’importation lointaine, intègre presque dès l’origine le répertoire décoratif de la peinture et élargit peu à peu ses propres codes. La peinture romaine est particulièrement riche de ces décors qui connaissent un engouement considérable et une très large diffusion dans toutes les provinces. En Gaule et dans les provinces de Germanie, la seconde moitié du IIe s. voit un retour à une peinture encadrée d’éléments architecturaux, colonnes et pilastres, qui se développent souvent au-dessus d’une zone inférieure à riches imitations de marbre. Il faut d’ailleurs distinguer ici les imitations d’opus sectile qui offrent des compositions plus variées en agençant des motifs plus ou moins complexes, presque toujours géométriques et qui se différencient donc des placages simples où s’enchainent des compartiments d’un seul type de roche, sans recherche de motifs. Comme sur les véritables placages, toutes ces compositions juxtaposent des champs colorés aux contrastes forts. Le décor de Tongres présente toutefois des aspects stylistiques qui permettent encore d’affiner la lecture de cette réalisation au sein des productions rattachées à ce répertoire. Elles définissent aussi un décor plutôt original. Il se distingue de la série par la représentation de marbres qui couvre la totalité de la paroi. Ce cas n’est pas unique, mais n’est pas des plus fréquents, l’imitation de marbre étant largement réservée aux zones inférieures, qui peuvent d’ailleurs être de taille importante et qui forment, le plus souvent, une sorte de soubassement marmoréen, écrin au-dessus duquel se développe un autre type de composition. Ainsi, les décors de Lisieux105, de Charleville-Mézières106 ou encore de Boult-sur-Suippe107, mais peut-être aussi celui de Chartres108, présentent un important soubassement à imitation de marbres, surmonté d’une scène figurée, imposante puisque constituant dans trois cas une mégalographie. Dans d’autres cas, en l’absence de scène figurée, on trouve volontiers une zone médiane au décor plus architecturé même si ces éléments sont aussi présents à Charleville et à Boult-sur-Suippe où des édicules, plus ou moins fictifs, encadrent la scène. À Genainville109, la zone médiane développe d’une part de larges pilastres cannelés et d’autre part des édicules plus légers. À Escolives-SainteCamille110, cette zone n’est que partiellement connue mais semble aussi présenter des colonnes marmoréennes séparant des panneaux rouges et supportant un entablement à consoles plates.

105 Site du Centre Hospitalier, thermes, salle J. Daté de la fin du IIème siècle ou du début du IIIème siècle (Allag & Batrel 1985; Barbet 2008, 268-271). 106 Site du quartier de Montcy-Saint-Pierre. Daté de la fin du IIème siècle ou du début du IIIème siècle (Barbet 2008, 282-284). 107 Décor supposé appartenir à un mausolée édifié dans le courant du IIIème siècle (Allag et al. 1988; Allag et al. 1990; Barbet 2008, 279-280). 108 Site de la place des Épars, pièce 1. Daté de la toute fin du IIe siècle ou du début du IIIème siècle

Même type de composition à Arnouville-lès-Gonesse111 où le soubassement très détaillé est surmonté d›une composition plus classique à panneaux rouges et inter-panneaux noirs tout de même encadrés de fins édicules. À Vieux112 en revanche, alors que la zone inférieure développe un étonnant jeu de stucs peints en imitation de marbre, la zone médiane n’offre qu’un agencement classique à panneaux rouges et inter-panneaux noirs à candélabres, toute référence architecturale semble avoir ici disparu. Si le caractère architectural est bien présent en zone médiane de ces décors, ils ne développent pas, comme à Tongres, un placage de marbre couvrant toute la surface. En Gaule, peu d’exemples présentent ces caractéristiques. On citera le décor de la pièce 1 de l’enclos des Chartreux à Aix-en-Provence où la composition, assez proche, imite une riche architecture marmoréenne, reconstituée sur 4,20 m de haut, avec de grands placages de porphyre sur fond de Chemtou séparés par des pilastres et couronnés par des peltes en opus sectile (150 ap. J.-C.)113. À Mané-Véchen114, les parois principales d’une pièce ouvrant sur une exèdre sont ornées d’une composition complexe d’imitation d’opus sectile qui se développe sur toute la hauteur du mur en réinterprétant un vocabulaire de Deuxième style à orthostates surmontés de registres détaillés, le tout allié à un jeu de véritables reliefs en stuc. Un cas similaire vient d’être étudié à Grand115 où une pièce de réception offre un décor couvrant toute la paroi et associant également relief en stuc et traitement en imitation de marbres au sein d’une composition complexe. La pièce ouvre sur une exèdre où se retrouve un décor mégalographique. Hormis le caractère couvrant de l’imitation, le style est très éloigné de celui de Tongres. Les restitutions proposées pour les villae de Münsingen et Holstein116 se rapprochent du cas de ManéVéchen et de Grand et montrent aussi une paroi à imitations de marbres dans un contexte là encore lié à une abside ou une exèdre au décor figuré et sur laquelle ouvrent les parois marmoréennes qui contribuent donc à la mise en valeur de cet espace architectural. Mais là aussi, la composition diffère de notre ensemble. La zone médiane est un décor à partition de colonnes, un type de composition également fréquent mais qui ménage, dans l’entrecolonnement, un espace plutôt dédié à des panneaux unis, comme à Escolives-Sainte-Camille. Le développement de placages de marbres dans cet espace, qui plus est partitionné en trois registres, est une forme sans réel équivalent à ce jour, du moins pas aussi complet et hormis les décors du Deuxième style pompéien où les orthostates marmoréens occupent cette place. Le site de l’Îlot Turmel à Metz117, offre une composition assez proche de la celle de Tongres avec des colonnes blanches reposant sur un soubassement à imitation de marbre et séparant en zone

(Allag & Joly 1995). 109 Site des Vaux-de-la-Celle, galerie nord du temple, mur A. Daté du troisième quart du IIème siècle (Mitard 1993; Berthier 1980). 110 Pièces RG et RE. Décors datés du milieu ou de la deuxième moitié du IIème siècle (Barbet et al. 2003). 111 Flécher 2012. 112 Site de la maison au Grand Péristyle, pièce II. Daté de la fin du IIème siècle ou du début du IIème siècle (Boislève 2012).

113 Carrion Masgrau 1995, fig.2; Barbet 2015, fig. 252. 114 Salle AB, décor daté de la toute fin IIème ou du début du IIIème siècle (Boislève 2006; Boislève & Provost 2011). 115 Froeliger et al. 2016. 116 Kapossy 1966. 117 Thorel et al. 2014.


Les peintures murales romaines

médiane des panneaux également traités en imitation. Proposé à la fin du IIème siècle ou au début du IIIème ce décor demeure moins complet et la partie supérieure notamment demeure inconnue. En Espagne, où les compositions à imitations de marbres ont aussi connu un fort engouement (comme à Mérida), on trouve divers décors, liant partition de colonnes et panneaux d’imitations. Ainsi, à la villa de El Ruedo à Almedinilla, le décor en trois zones présente un soubassement de compartiments simples à imitations, une zone médiane à colonnes et grands panneaux et un registre supérieur de compartiments à imitations et motifs complexes, notamment des losanges couchés avec cercles inscrits (fin IIIème siècle)118. Géographiquement encore plus éloigné, le site d’Ephèse livre deux décors où l’imitation envahit toute la paroi, y compris l’entrecolonnement. Dans la pièce Sudraüm 2 de la Hanghaus 1119, le décor consiste également en grands panneaux de marbres séparés par d’assez fines colonnes (IIIème siècle). De la même maison, mais dans le cenatorium B120, provient un décor beaucoup plus complexe où la zone médiane à partition de colonnes encadre des panneaux aux découpes complexes. Toutefois, dans tous ces cas, les colonnes reposent sur un registre inférieur et soutiennent une zone supérieure, la zone médiane constituant un seul et même registre. Seul le second décor d’Ephèse se rapproche de celui de Tongres par la division, entre les colonnes, avec une sorte de plinthe puis des panneaux. Mais les colonnes s’interrompent bien sous la zone supérieure et leur base repose par ailleurs sur une plinthe faite d’un véritable lambris de marbre. Ces exemples illustrent un type de décor aux marbres couvrants qui semble apparaître dans la deuxième moitié du IIème siècle et se développe au IIIème siècle. Du point de vue des motifs géométriques identifiés, nous retrouvons des poncifs de ce type de décor. Les registres étroits à losanges couchés avec ou sans cercles inscrits sont nombreux. Nous pouvons citer pour exemple, les décors de Carhaix121, de Vieux122, de Lisieux123,… Les lithotypes associés renvoient également à des modèles bien connus par ailleurs: porphyre rouge et marbre de Chemtou jaune fonctionnent ainsi très souvent de pair comme l’ont bien noté C. Allag et F. Monier124. Leur représentation plus ou moins fidèle est très codifiée de sorte que même sans atteindre un réalisme parfait, ces deux roches sont particulièrement identifiables. Dès lors, il peut paraître surprenant de les voir cohabiter, à Tongres, avec d’autres représentations beaucoup plus fantaisistes et qui ne relèvent probablement pas d’une volonté naturaliste. Mais le procédé est en fait fréquent, et, dès le Deuxième style pompéien, les imitations peintes s’enrichissent de véritables créations qui inventent autant des formes improbables que des couleurs irréelles.

118 Cánovas 2002, fig. 122-123. 119 Zimmermann & Ladstätter 2010, 167. 120 Zimmermann & Ladstätter 2010, 13 et 167. 121 Site du centre hospitalier (Boislève & Labaune-Jean 2011). 122 Jardel et al. 2012.

371

C’est finalement bien là toute la particularité de ce décor: développer des éléments et des codes stylistiques bien ancrés dans les répertoires décoratifs connus par ailleurs et les agencer d’une manière plus libre, plus originale, qui se détache de ces modèles dans une forme de réinterprétation. L’imitation de marbre est toujours le signe d’une recherche de monumentalité, imposant au regard la richesse chromatique d’une paroi intégralement marmoréenne. Mais ce mouvement de renouveau, caractéristique de la période sévérienne, donne à ces productions une lointaine filiation avec les premiers styles pompéiens, mais dans une interprétation qui ne prête pas à confusion. Ainsi, si l’organisation du décor en registres superposés et placés en arrière de grandes colonnes évoque forcément les compositions du Deuxième style, la manière de peindre, les choix chromatiques, la rapidité d’exécution n’appartiennent plus du tout à cette mouvance et relèvent bien de pratiques nouvelles. Cette mode des imitations de marbre tend à s’amplifier à partir de la seconde moitié du IIème siècle, période dont date très certainement la réalisation du décor de Tongres qu’on sait nécessairement postérieur à 150 et antérieur à 270. Quant au contexte architectural de ce décor et à son statut dans la maison, il demeure difficile à évaluer puisque la pièce même dont il provient n’était pas accessible à la fouille et que nous n’en connaissons rien. On retiendra toutefois, comme l’a rappelé A Barbet125, que les imitations d’opus sectile s’aperçoivent souvent dans des pièces de belles proportions qui visent un certain prestige. Les salles les plus riches sont facilement ornées de ce type de décor comme à Vieux où il prend place dans la grande pièce d’apparat à mosaïque ou à Autun, avec la fameuse mosaïque des auteurs grecs. Nous avons déjà dit que les imitations accompagnent les grandes représentations figurées qu’elles soient sur la partie supérieure du même mur126 ou mises en exergue sur une partie de la pièce127. Il semble donc bien y avoir une corrélation entre le statut de la pièce et ce choix décoratif. Dès lors, il n’est peut-être pas totalement imprudent de voir, dans cette pièce de la demeure de Tongres, une salle importante. 5.3.3 Ensemble 10, Décor à candélabre végétal 5.3.3.1

Contexte

Secteur 11, US 523. Cet ensemble représente un petit lot d’enduits fragmentaires homogènes, conditionnés dans cinq cagettes. La quantité conservée est donc extrêmement résiduelle. Le contexte de remblai ne permet pas de déterminer leur provenance au sein de la structure. Les fragments ont été prélevés au niveau du mur est de la pièce (fig. 5.105). Ils comportent localement des traces d’altération par le feu.

123 Barbet 2008, 269. 124 Allag & Monier 2004. 125 Barbet 2008, 260-261. 126 À Lisieux, Charleville-Mézières, Boult-sur-Suippe.

127 Par exemple en exèdre ou abside comme à Holstein, Mané-Véchen et Münsingen.


372

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

5.3.3.2

Description

Le décor est composé une zone inférieure à compartiments noirs surmontés d’une moulure fictive (double bande de séparation qui assure la séparation avec la zone médiane). Celle-ci est organisée en panneaux rouge ocre alternant avec des inter-panneaux noirs ornés de candélabres (fig. 5.143). Le décor étant extrêmement lacunaire, aucun fragment ne témoigne de l’organisation de la plinthe, située en bas de paroi. En revanche, la plaque 15 donne certaines informations sur la partie basse (fig. 5.144. Un fond noir porte un double filet ocre jaune (assombris sous l’action du feu), surmonté d’une bande marron, puis verte. Ces éléments du décor supposent une organisation en compartiments, agrémentés de double filet d’encadrement intérieur ocre jaune. La plaque 14 (fig. 5.145) illustre la jonction entre la partie basse et la zone médiane. Elle comporte un champ vert correspondant à la bande précédemment évoquée, ainsi qu’une large bande ocre jaune foncé, agrémentée de filets en dégradé d’ocre jaune et brun (traitement habituel des corniches fictives), et surmontée d’une large bande ocre jaune clair. Notons aussi qu’une partie de la plaque porte des changements de teintes qui correspondent à une altération ponctuelle de la couche picturale par le feu: contact avec les flammes ou avec une poutre embrasée. Cette plaque nous a permis de déduire la séquence suivante: la bande verte constitue l’encadrement des compartiments de zone inférieure; la moulure fictive et la bande jaune clair forment la double bande de transition qui marque habituellement la séparation avec la zone médiane (fig. 5.143). La zone médiane (plaques 1, 2 et 12) présente une alternance de panneaux rouge ocre et d’inter-panneaux noirs à candélabre (fig. 5.146 et 5.147). Les panneaux reposent directement sur la bande de transition. Ils sont bordés d’une bande tantôt ocre jaune (plaques 5 et 12), tantôt verte (plaque 13) (fig. 5.144), flanquée de traits blancs et sont agrémentés d’un double trait intérieur bleu clair (bleu égyptien en forte dispersion dans une matrice blanche, plaques 6 et 12). 5.3.4 Ensemble 11, Décor du pseudo Priape 5.3.4.1

Contexte

Secteur 27, mur 495-496, US 467, 468, 475, 491, 498 et 832. L’ensemble 11 correspond aux enduits encore en place sur le bas du mur 495-496 (fig. 5.148) et qui ont fait l’objet d’une dépose en 2007, lors de la fouille128. Aux peintures in situ sont associés des fragments provenant des couches de comblement, prélevés au pied du mur. On ignore les dimensions de la pièce d’où proviennent ces peintures, car seul un mur (US 495-496) a été en partie mis au jour, les autres se trouvant en dehors de l’emprise de la fouille.

128 Nunes Pedroso & Groetembril 2007.

Cependant, la longueur de ce mur (6,26 m), caractérisé par un décrochement et associé à un vaste sol en béton de tuileau (dégagé sur environ 30 m2), révèle une salle aux dimensions imposantes, arborant un plan en T. La composition générale a pu être appréhendée grâce à l’étude conjuguée des enduits in situ et du matériel fragmentaire résiduel. L’enduit in situ a livré, bien entendu, une vision très précise du décor de zone inférieure, ainsi que son rythme. Le fragmentaire, bien que peu abondant (par rapport à ce que l’on aurait pu espérer d’une pièce d’une telle ampleur), a apporté les clés pour comprendre l’organisation générale, sans pour autant livrer les détails ornementaux. 5.3.4.2

Description du décor

Décor in situ

Les enduits étaient conservés sur le parement méridional du mur nord de la pièce, sur une hauteur maximale de 0,50 m (fig. 5.149). En raison du décrochement, l’enduit couvrait trois sections de mur que nous avons appelées N1, N2 et N3 (fig. 5.148, 5.149 et 5.150). La longueur de la plaque d’enduit conservée sur le mur N1 était de 0,86 m environ, sur N2 de 0,48 m et sur N3 de 5,40 m. Il s’agit bien entendu de la zone inférieure de la paroi. Elle est composée d’une plinthe rouge ocre, bordée d’un filet blanc et surmontée d’une partie basse où alternent des compartiments larges et étroits qui donnent le rythme du décor (fig. 5.149). Les compartiments étroits sont rouges, bordés de filets rouge bordeaux (jaune brûlé) (fig. 5.151). Ils sont dénués de motifs; leur largeur varie entre 20 et 24 cm. Les compartiments noirs sont flanqués latéralement de larges bandes vertes (9,5 cm) et de deux filets d’encadrement intérieur, tantôt rouges, tantôt verts, tantôt jaunes, qui retombent sur le filet blanc horizontal de la plinthe (fig. 5.152). Leur limite supérieure n’est pas conservée et leur largeur est variable (100 cm, 116 cm, 120 cm). Chacun de ces compartiments était orné d’une scène figurée avec un personnage; malheureusement elles sont toutes lacunaires. Le rythme de ces compartiments se développe de façon continue, avec une interruption à l’angle entre N2 et N3. En effet, N1 présente un compartiment noir et un demi-compartiment rouge dans l’angle avec N2 (fig. 5.150). Puis N2 est occupé par un demi-compartiment rouge, une bande verte et le départ d’un compartiment noir (fig. 5.150). Après cet angle, N3 débute par un demi-compartiment rouge, au-delà duquel le rythme reprend avec une alternance de quatre compartiments noirs et trois rouges (fig. 5.149). Nous l’avons dit, chaque compartiment noir renferme une scène figurée dont voici le détail:


Les peintures murales romaines

2 1

5

13

6

12

9

10

11

14 15

0

20 cm

Fig. 5.143 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 10, restitution partielle du décor (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

· N1: motif très fluide en camaïeu de rouge rosé, difficile à interpréter: peut-être des mains tendues vers un panier ou un bac? (fig. 5.153). · N3: (de gauche à droite) traces de jambes; personnage en tunique ramassant des fruits; personnage exhibant son sexe et portant des fruits; deux jambes (fig. 5.154). Nous nous attarderons davantage sur trois des compartiments en N3, mieux conservés, où des personnages sont bien attestés; mais leur lisibilité est entravée par un voile de calcite et des lacunes importantes. Le quatrième compartiment, à l’extrémité gauche, est trop altéré pour identifier la scène (fig. 5.153). L’arasement du décor s’arrête au niveau de leurs épaules. Le plus à droite est très partiellement conservé; seules sont visibles deux jambes. Le suivant montre un personnage courant vers la droite (fig. 5.154). Sa tunique est relevée pour maintenir des fruits ronds, jaunes, et laisse apparaître son sexe disproportionné. Le troisième personnage, vêtu d’une courte tunique verte, est en mouvement également vers la droite; son bras droit est tendu, il désigne de son index les mêmes types de fruits, tombés sur le sol (fig. 5.155). Fig. 5.144 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 10, plaque 15, partie basse (photo APPA-CEPMR).

373


374

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.145 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 10, plaque 14, moulure fictive de transition entre la partie basse et la partie médiane (photo APPA-CEPMR).

Fig. 5.146 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 10, plaque 12, bande jaune de transition avec la zone médiane, panneau rouge et inter-panneau noir (photo APPA-CEPMR).

Décor fragmentaire

Les peintures trouvées en fragments dans les couches au pied du mur proviennent de la zone inférieure et de la zone médiane. Cependant, elles représentent un volume assez restreint, et nous n’avons pu remonter que quelques plaques qui laissent entrevoir l’organisation générale du haut de la zone inférieure et de la zone médiane.

Les plaques 3 et 4 proviennent de l’angle des murs 495 et 496 et présentent une arête arrondie (fig. 5.156). Une double bande horizontale, orangée traversée par deux filets rouges et jaune clair, couronne la zone inférieure et sert de transition avec la zone médiane (plaques 8 à 10) (fig. 5.158).

Pour la zone inférieure, les plaques 1, 2, 5 et 6 viennent préciser l’organisation observée sur les enduits in situ (fig. 5.156, 5.157 et 5.158). En effet, elles confirment que la bande verte et les filets verticaux, repérés en place, se rabattent horizontalement en haut de chaque compartiment pour clore la zone inférieure (fig. 5.158).

Le remontage de quelques plaques nous permet de saisir les grandes lignes de l’organisation de la zone médiane. A l’alternance des compartiments noirs et des inter-compartiments rouges de la zone inférieure répond une alternance de panneaux rouges et d’inter-panneaux noirs (fig. 5.160). La retombée des panneaux n’est pas connue, on peut supposer qu’ils reposent directement sur la double bande de transition, à l’image des compartiments.

On apprend également que les scènes figurées étaient probablement accompagnées d’inscriptions peintes dont un seul fragment nous est parvenu (plaque 36) (fig. 5.159). On distingue trois lettres majuscules blanches hautes de 2 cm: N? I S.

Les panneaux rouges sont de deux types (fig. 5.160). Le premier est encadré d’une bande verte bordée de part et d’autre d’un filet blanc; à 4,3 cm, deux filets jaunes servent d’encadrement intérieur (plaque 11). La partie haute est marquée d’un arc


Les peintures murales romaines

375

Fig. 5.147 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 11, ensemble 10, hampe de candélabre (photos APPA-CEPMR).

composé d’une guirlande végétale bicolore, verte à l’intérieur de l’arc et rouge au-dessus (plaques 12 et 17) (fig. 5.161). Les écoinçons ainsi formés au-dessus du panneau sont jaunes. Le second type de panneau présente une variante de couleurs: la bande d’encadrement est jaune, toujours bordée de filets blancs, mais l’arc est composé de perles et pirouettes jaunes, les écoinçons sont alors verts (plaques 18 et 19) (fig. 5.161). Nous associons à ce type de panneau deux filets d’encadrement intérieur blancs (plaque 23). Ces filets suivent l’arcature (fig. 5.162). La bande d’encadrement, verte ou jaune, dessine un rectangle (plaque 22). Deux plaques indiquent la présence de motifs rosâtres au contact de la bande verte; il est possible qu’il s’agisse d’animaux ornant la partie haute du décor.

rouge; des petites touches en virgule viennent agrémenter le bord de l’ombelle. En-dessous, à 4 cm, est placé un petit anneau représenté avec la même perspective. De cet anneau retombent de fins rubans jaunes, très altérés. D’autres plaques semblent montrer des motifs végétalisés: en haut de la plaque 25, on observe une sorte de gaine de feuilles (?); sur la plaque 27, une fleur en calice, et sur la plaque 28 un volubilis (fig. 5.164). On remarque également des petits objets accrochés à la hampe par des rubans roses: peut-être un clipeus, plaque 25. Ces rubans ne sont visibles qu’en négatif, à proximité de la hampe. Notons aussi quelques ‘bouquets’ de feuilles vertes à tigelles rouges ou vertes qui pourraient provenir d’un autre candélabre, aux tonalités différentes (plaques 29 et 30) (fig. 5.164).

Les inter-panneaux noirs sont ornés de candélabres (plaques 25 à 31) (fig. 5.163 et 5.164), traités dans des to1s roses et composés d’une fine hampe verticale, plutôt sobre, décorée d’objets accrochés et de motifs végétaux. La hampe est figurée en deux tons, clair à gauche, et foncé à droite, simulant un éclairage latéral, venant de la gauche. D’une largeur relativement constante (entre 1 cm et 1,4 cm), elle porte divers motifs. Parmi ceux-ci, on retrouve l’habituelle ombelle (plaque 26, fig. 5.163). Elle est ici assez sommaire: vue en perspective, en contre-plongée, elle est marquée de deux traits blancs et surmontée d’un large plateau

Aucun fragment ne nous informe sur le raccord avec le plafond. 5.3.4.3

Dimensions de la paroi

Nous l’avons dit, les peintures en place nous donnent le rythme et les dimensions précises des compartiments de zone inférieure. Elles laissent présager l’organisation de la zone médiane qui a été précisée par le fragmentaire. Notons que les légères variations de largeur des compartiments devaient avoir une incidence en zone médiane.


376

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.148 Tongres: basilique Notre-Dame: plan de la basilique, phase 4, localisation du secteur 27.

Fig. 5.149 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, décor in situ sur les murs 495-496 (photo OE).


Les peintures murales romaines

377

Fig. 5.150 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, décor in situ sur les murs 495-496 (photo OE), vue des trois faces du mur N1, N2, N3.

Fig. 5.151 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, détail d’un compartiment rouge (photo APPA-CEPMR).


378

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.152 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, relevé du décor in situ sur les murs 495-496, détail du compartiment gauche avec personnage en tunique ramassant des fruits (photo OE et relevé: L. Laken).

Fig. 5.153 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, détail de la scène figurée en N1, motif non identifié (photo APPA-CEPMR).

La restitution proposée (fig. 5.160) tient compte des compositions habituelles en Gaule: les inter-panneaux s’alignent sur les compartiments étroits; la largeur d’un panneau est généralement égale aux deux tiers de sa hauteur. En l’absence d’autres éléments, nous nous sommes basés sur ces indications. La hauteur des compartiments a été restituée en fonction des proportions des personnages, associées aux dimensions des filets et bandes d’encadrements observées sur le fragmentaire. La zone inférieure devait donc présenter une hauteur d’environ 0,90 m (bande de transition comprise).

Les plaques 11 et 25 nous livrent la largeur de l’inter-panneau. Puisqu’elles présentent un bord et la hampe de candélabre qui occupe d’ordinaire une position axiale, nous pouvons restituer une largeur d’environ 22 cm. Cette dimension se cale parfaitement sur les compartiments rouges de zone inférieure qui ont une largeur entre 20 et 24 cm. Les panneaux se superposent aux compartiments noirs et devaient avoir une largeur d’environ 1,20 m, ce qui nous permet de proposer une hauteur de panneau d’environ 1,80 m.


Les peintures murales romaines

379

Fig. 5.154 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, personnage exhibant son sexe et portant des fruits dans son vêtement (photos APPA-CEPMR).

Fig. 5.155 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, personnage en tunique montrant du doigt un fruit (photo APPA-CEPMR).


380

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.156 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, plaques diverses (photos APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

381

Fig. 5.157 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, restitution d’un compartiment rouge (infographie : J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

1 0

25 cm

Si l’on en juge par l’ensemble 24 (cf. 5.2.11), où il existait, audessus des panneaux, un espace d’au-moins 0,30 m avant le raccord avec le plafond, on peut estimer la hauteur de la paroi de cette pièce à plus de 3 m. 5.3.4.4

Observations techniques

Les supports

Les fragments découverts dans les couches de démolition au pied du mur 495-496 indiquent deux types de support. Le premier, sur les fragments provenant de la zone inférieure, est bien le même que celui de la peinture en place. Le second est associé aux fragments de la zone médiane (fi g. 5.165). Cette différence de support selon la zone de décor nous a permis d’attribuer les inscriptions peintes déjà évoquées (plaque 36) à la zone inférieure.

Le traitement de surface et la couche picturale

La gamme chromatique est composée des pigments les plus fréquemment employés en fresque: noir, rouge, jaune, vert, et de mélanges de ces pigments pour obtenir des teintes variées, en particulier dans les roses. On observe sur la plupart des fragments une altération des couleurs, probablement due à une application un peu tardive des pigments sur un enduit déjà trop sec: les verts des bandes notamment tiennent mal, ainsi que les fi ns rubans ornant les candélabres. De plus, quelques fragments présentent un autre type d’altération, causée par la chaleur dégagée par un incendie. Le changement le plus remarquable est le jaune de l’un des écoinçons qui a viré au rouge (plaques 12 et 17) (fig. 5.166). On observe aussi une modification du noir de l’inter-panneau, qui est devenu un gris très clair (plaques 29 à 31). Les trois différentes couleurs, observées sur les doubles fi lets d’encadrement des compartiments des


382

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.158 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, restitution partielle des zones inférieure et médiane (infographie : J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).

26

27

11

10

8 2

6

0

peintures in situ (jaune, rouge et vert), ne sont sûrement pas toutes les couleurs originelles; il devait y avoir une alternance de couleurs comme pour les panneaux de zone médiane, mais nous ne pouvons les défi nir avec certitude. 5.3.4.5

Analyses iconographiques et stylistiques

La question de Priape?

Dès la découverte en 2007, il semblait évident d’identifier le personnage exhibant son sexe disproportionné et portant des fruits dans le repli de sa tunique à une représentation de Priape. Il est vrai que cette imagerie est propre au dieu, abondamment représenté dans une attitude ithyphallique, l’association aux fruits le confi rmant dans son rôle de protecteur des vergers.

129 Dumas & Fürdös 2012. 130 PPM III, 21 et fig. 3.

131 Barbet 2008, fig. 83. 132 Dumas & Fürdös 2012.

50 cm

Cependant, on ne peut pas manquer de remarquer ici que le sexe n’est pas en érection, contrairement à l’image habituelle de Priape, au point que sa représentation peut se réduire à son seul phallus129. Lorsqu’il est représenté portant des fruits dans la tunique, son phallus sert à soutenir leur poids. Il est représenté dans cette position par exemple à Pompéi dans le Complexe de Riti magici (II, 1, 12)130, à Lyon rue des Farges131, et sur la sculpture découverte à Saint-Rémy de Provence132. On pense plutôt à des représentations caricaturales (bouffons, danseurs parodiques, acteurs comiques) comme on en trouve de multiples en Campanie sous forme de statuettes133. On peut donc se poser la question de l’identification de ce personnage à Priape. Il pourrait en réalité s’agir d’une scène parodique. Le personnage qui porte les fruits dans sa tunique court

133 Grant & Mulas 1974.


Les peintures murales romaines

383

Fig. 5.159 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, plaque 36, inscription peinte en zone inférieure (photo APPA-CEPMR).

17

12

26

27

11

10 7

5

8

2

6 1 3

Zone inférieure déposée 0

100 cm

Fig. 5.160 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, proposition de restitution du décor (infographie: J.-F. Lefèvre, APPA-CEPMR).


384

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.161 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, divers, arc composé d’une guirlande végétale (photos APPA-CEPMR).

Fig. 5.162 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, plaque 24, filets d’encadrement intérieur (photo APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

385

Fig. 5.163 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, inter-panneau à candélabre orné d’objets et de motifs végétaux (relevés et photos APPA-CEPMR).


386

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.164 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, divers motifs de l’inter-panneau (relevés et photos APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

vers la droite, et semble suivi par le personnage placé dans le compartiment de gauche. Cette attitude ne correspond pas à l’image habituelle de Priape, censé veiller sur les vergers, et non les piller. Les hermès ithyphalliques protègent les récoltes des voleurs, qui seront poursuivis par la colère du dieu en cas de profanation134. L’homme de gauche est en tunique courte, indiquant un travailleur ou serviteur, qui aurait surpris le voleur et désigne les fruits tombés au sol. Le voleur au sexe démesuré serait-il une sorte de parodie du dieu, une provocation, un défi qui lui serait lancé? Il est dommage que le haut des compartiments ait disparu, ainsi que les inscriptions peintes qui accompagnaient ces scènes.

387

Tongres: dans le premier cas c’est un Amour qui est mis en scène, dans le second, il s’agit de scènes nilotiques. Inscriptions peintes

Elles sont rares dans les provinces romaines. Elles servent de commentaire, parfois indiquent le nom d’un personnage. On a déjà évoqué les peintures du cryptoportique de Meikirch, où chacune des scènes figurées est accompagnée d’une inscription peinte, mélange de grec, de latin et de gaulois; mentionnons aussi celles de Saint Germain d’Esteuil140 (début IIème siècle) et de Bad

Scènes figurées à personnages en zone inférieure

Le rapport de 2007 indiquait déjà le peu d’exemples de représentations de personnages en zone inférieure. Il faut toutefois noter qu’à Tongres même, dans les fouilles de la basilique, nous en avons au moins trois ( ensemble 11, 3 et 24). Un parallèle intéressant pour cet ensemble provient du cryptoportique de la villa de Meikirch, en Suisse135 (extrême fin du IIème siècle). Les compartiments de zone inférieure sont ornés de scènes accompagnées d’inscriptions peintes calées entre deux tracés préparatoires incisés, comme à Tongres. Leur interprétation a été difficile, et deux hypothèses ont été proposées (religieuse ou humoristique). On retrouve des personnages en tunique courte, dont un qui lève sa tunique devant trois hermès ithyphalliques. Les personnages ou animaux reposent directement sur la bande inférieure des compartiments. D’après les auteurs136, cette absence de ligne de sol est caractéristique des peintures de la seconde moitié du IIème siècle et du IIIème siècle. Notons toutefois qu’à Mechern137 (Allemagne), les gladiateurs sont posés sur des lignes de sol, et que les peintures sont datées de la deuxième moitié du IIème siècle. En Gaule Belgique, des scènes figurées à personnages sont attestées à Soissons rue Deviolaine138 (sous la salle I et la salle IV, première moitié Ier siècle) et à Mercin-et-Vaux139 (scènes nilotiques, deuxième moitié du Ier siècle). Ces deux exemples sont un peu différents cependant de notre ensemble de

Fig. 5.165 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, support représentatif, vue en coupe (photo APPA-CEPMR).

Fig. 5.166 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 27, ensemble 11, détails des plaques 12 et 17 montrant l’altération des pigments (photos APPA-CEPMR).

134 Fürdös 2010. 135 Fuchs et al. 2004. 136 Fuchs et al. 2004, 163 (sur le CD version française).

137 138 139 140

Defente 1990, 60-66. Barbet 2008, 98. Barbet 2008, 173. Barbet 2008, 225.


388

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Kreuznach141 (Allemagne), associées peut-être à une scène mythologique ou de gladiateurs. Panneaux à écoinçons

La partie supérieure des panneaux est peu habituelle. Là encore c’est dans la domus de Tongres que l’on trouve plusieurs exemples (cf. secteur 11, ensemble 1, et secteur 26, ensemble 24). L’arc en perles et pirouettes est à rapprocher de l’ensemble 1 (cf. 5.3.1). Ce motif apparaît souvent en bordure de médaillon. L’arc en guirlande végétale est quant à lui proche de l’ensemble 24 (cf. 5.2.11). Dans chacun de ces décors, l’arc dégage des écoinçons d’une couleur différente de celle qui prédomine dans le panneau. À ce jour, nous n’avons pas trouvé d’exemples similaires ailleurs. Mentionnons quand même un exemple à Strasbourg142 (rue de la Haute Montée, où une guirlande végétale en deux tons ferme le panneau en partie haute, sous la forme d’un arc ou d’un fronton. Notons toutefois que les panneaux peuvent prendre des formes originales, comme à Périgueux, cave Pinel143 (milieu du Ier siècle): une guirlande végétale en arc de cercle, concave en bas du panneau, convexe en haut, ceint le panneau. Nous n’avons donc pas, à proprement parler, d’écoinçons dégagés, et peints dans une autre couleur que le reste du panneau, mais plutôt des panneaux placés sur le fond noir de la zone médiane. De même à Soissons rue Deviolaine144 (salle 1, deuxième moitié du Ier siècle), où le panneau se termine dans sa partie supérieure par des volutes. À Lisieux145 (couloir C, fin IIème – début IIIème siècle), les arcs sont placés au-dessus des panneaux, simulant une arcature. L’originalité de cet ensemble est liée à l’ornementation particulière des panneaux, observée à plusieurs reprises dans le lot d’enduit peint de la basilique, et par la présence de scènes figurées en zone inférieure, ce caractère vraisemblablement humoristiques. A Pompéi, un exemple d’homme au sexe disproportionné est représenté dans les thermes suburbains, il s’agit probablement là aussi d’une caricature. Mais cet aspect parodique se retrouve essentiellement, en peinture, dans les scènes nilotiques avec les représentations de pygmées, du Ier siècle. Cependant, il semble que ce type de représentation trouve un nouvel engouement dans les provinces du nord, dès la deuxième moitié du IIème siècle.

5.3.5.2

Description

Il présente un champ noir à tiges végétales vertes, séparé d’un champ rouge orangé par une épaisse moulure fictive (plaques 1 et 2) (fig. 5.168 et 5.169). Cette dernière est composée d’une double bande. La première bande est rythmée par des motifs triangulaires aux formes courbes, traité en ocre jaune à rehauts blancs sur fond marron pour marquer les effets d’ombre et de lumière. Ce motif atypique évoque une frise très stylisée peutêtre d’oves. La seconde bande est rose, simplement soulignée d’un filet blanc. Le champ rouge orangé est scandé par des doubles traits ocre jaunes (plaque 4) (fig. 5.169). Il est aussi bordé par une guirlande ocre jaune ombrée (plaque 3) (fig. 5.169) marquant la limite droite avec un champ gris. Il porte aussi une moulure fictive ocre jaune alternant bandes et filets marron (plaque 5). Le nombre très réduit de fragments ne permet pas de comprendre l’organisation générale du décor. Cependant, en confrontant les indices recueillis sur certaines de ces plaques, avec les schémas décoratifs habituellement observés dans les provinces de la Gaule romaine, ces fragments pourraient entrer dans la composition suivante: une zone basse, ornée de végétaux sur fond noir surmontée d’une double bande traitée en moulure fictive. Cette dernière marquant la séparation avec un panneau rouge ocre orangé fermé en arc de cercle par une guirlande ocre jaune en partie haute du panneau, et couronné par une seconde moulure fictive. 5.3.6 Ensemble 20, imitations de marbres 5.3.6.1. Contexte Secteur 16, , US 567. 5.3.6.2

Description

Ce petit groupe au support singulier était mêlé aux fragments de l’ensemble 19. Son état est extrêmement lacunaire et composé d’imitations de marbres, fines et soignées.

Secteur 16, , US 567 et 551 (fig. 5.167).

On observe des marbres à veinures blanches sur un fond rose à marron (plaques 1 et 2) (fig. 5.170), des marbres à veinures blanches sur fond noir avec une couche sous-jacente rosée (plaques 5, 6, 7, 8, 9 et 10) (fig. 5.170 et 5.171), d’autres de teinte rouge bordeaux, tachetés de rose et rouge ocre semblable au porphyre rouge (plaques 3, 4, 11, 12), d’autres encore brunes (couche sous-jacente rose), tachetés de vert. La plaque 13 montre un trait noir rectiligne traversant le champ à touches vertes (fig. 5.171).

Ce petit lot était mêlé aux fragments de l’ensemble 20 (cf. 5.3.6). L’état de conservation est extrêmement lacunaire mais quelques fragments et une plaque recomposée témoignent d’un décor assez complexe.

Certaines de ces imitations sont associées entre elles. Un champ noir à touches vertes est séparé d’une imitation de porphyre rouge par un filet blanc (plaque 4), des porphyres rouges et des marbres à veinures blanches sont séparés dans un premier cas par

5.3.5 Ensemble 19 5.3.5.1

Contexte

141 Gogräfe 1999, fig. 140. 142 Tessariol & Groetembril 2012, 124-125.

143 Barbet 2008, 85 et fig. 99. 144 Barbet 2008, fig. 247.

145 Barbet 2008, fig. 421.


Les peintures murales romaines

389

Fig. 5.167 Tongres: basilique Notre-Dame:Plan de la basilique, phase 4, localisation du secteur 16.

une fine bande brune courbe (plaque 9), dans l’autre cas par une double bande blanche et brune rectiligne (plaque 10). Le support est atypique, mais la technique picturale pour peindre les marbres est identique à celle observée pour l’ensemble 2. 5.3.7. Ensemble 21, décor jaune à filet bouleté 5.3.7.1

Contexte

Secteur 16, US 567. 5.3.7.2

Description

Ce petit groupe, lui aussi extrêmement lacunaire, appartient à un décor ocre jaune à filet intérieur bouleté. Un champ marron-jaune traversé par un filet noir (0,6 cm) est surmonté à 7 cm d’une bande verte bordée de part et d’autre par un fin filet blanc (plaques 1 et 3) (fig. 5.172). Elle le sépare d’un champ jaune orangé d’un panneau. Ce dernier est encadré d’une bande rouge ocre bordée de part et d’autre par un trait blanc et un filet d’encadrement intérieur rouge ocre, bouleté au niveau des angles (plaque 4) (fig. 5.172).

Il est difficile de se prononcer sur la couleur d’origine du panneau, elle a pu légèrement chauffée et passer de la teinte ocre jaune à la teinte plus orangée actuellement visible. Le support comporte de nombreux points communs avec celui de la zone inférieure de l’ensemble 3. Quant au décor, le peu d’éléments conservés témoigne de la similitude des deux décors. Notons que l’épaisseur des bandes (2 cm) et l’écartement du filet intérieur (3,4 cm) sont les mêmes. 5.3.8 Enduits blanc, secteur 22 (fig. 5.173) Ce secteur a livré quelques petites plaques dans des contextes isolés dont nous présentons les éléments essentiels. Plaques 1 et 2

Provenance principale: US 486. On distingue un champ blanc et un champ rouge bordeaux traversé par des filets roses et à taches vertes (fig. 5.174).


390

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.168 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 19, moulure fictive (photo APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

391

Fig. 5.169 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 19, champ rouge bordé par une guirlande, moulure fictive ocre jaune (photos APPA-CEPMR).

Fig. 5.170 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 20, imitations de marbre à veinures blanches sur fond rose marron, porphyre rouge (photos APPA-CEPMR).


392

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.171 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 20, imitation de marbres (photos APPA-CEPMR).


Les peintures murales romaines

393

Fig. 5.172 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 16, ensemble 21, décor ocre jaune à panneau et filet d’encadrement bouleté (photos APPA-CEPMR).

Plaques 3 à 7

Provenance principale: US 270? Il s’agit d’un lot de torchis rubéfié. Des empreintes de pans de bois (plaques 5 et 6) et des incisions sont conservées (fig. 5.174). Plaque 8

Provenance principale: US 486. En 2005, une petite plaque effondrée en place avait été dégagée lors d’un sondage sous le porche septentrional de la basilique. Elle a été prélevée par encollage, puis restaurée par le CEPMR146.

146 Amadei & Groetembril 2005.

Le décor est sobre, il présente un champ monochrome blanc souligné par une plinthe rouge ocre d’au moins 25 cm et encadré par une bande doublée d’un filet rouge, bordant les angles de la paroi (fig. 5.175). L’organisation est identique à celle observée sur les ensembles 12 et 13. Ce type d’enduit peut correspondre à un parement extérieur ou de salle de service.


394

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.173 Tongres: basilique Notre-Dame: plan de la basilique, phase 4, localisation du secteur 22.

5.4

Analyses des supports et des couches picturales

5.4.1 Apport des études pétrographiques et des analyses physico chimiques des couches picturales Dans le cadre de cette étude, nous avons pu solliciter des compétences complémentaires, axées d’une part sur l’analyse des supports des peintures et d’autre part, sur l’analyse des couches picturales à partir du matériel fragmentaire associé aux ensembles décoratifs inventoriés, sur des critères de parenté, tels que la mise en œuvre, le choix des matériaux, la facture. Devant l’ampleur et la richesse du matériel, il nous a fallu faire des choix selon les problématiques développées au cours de l’étude. A Tongres, s’il y a eu beaucoup de perturbations liées aux différentes phases successives d’édification ou de destruction, la découverte d’enduits effondrés en place constitue une importante source d’informations.

147 Coutelas et al. 2009.

Le travail préalable d’échantillonnage des ensembles a été réalisé au CEPMR selon deux contraintes essentielles: constituer un prélèvement représentatif des mises en œuvre et sélectionner les fragments le plus en amont possible afin de pouvoir associer les résultats des analyses des matériaux avec l’étude iconographique. 5.4.1.1

Supports

Les observations macroscopiques des enduits en coupe au CEPMR ont permis d’effectuer les premiers groupements en fonction des caractéristiques techniques, d’après la méthodologie mise en place par A. Coutelas147 (ArkeMine SARL, chercheur associé UMR 8546 CNRS-ENS, Paris). Cette étape a abouti à une sélection d’échantillons de référence, préparés en lame mince et étudiés en microscopie optique en transmission148. L’étude pétrographique avait pour but d’identifier les matières premières et les différents supports, de confronter les techniques

148 Dix-huit lames minces ont été réalisées au Département des Sciences de la Terre de l’Université Paris VI.


Les peintures murales romaines

395

Fig. 5.174 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 22, plaques 1 et 2, champ rouge bordeaux traversé par des filets roses et taches vertes, plaques 3 à 7, torchis cuit, empreintes de montant et incisions (photos APPA-CEPMR).

Fig. 5.175 Tongres: basilique Notre-Dame: secteur 22, plaque 8, décor blanc à bande et filet rouge, plinthe rouge (photo APPA-CEPMR).


396

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

de réalisation et les phases connues des domus, puis de les replacer dans le contexte de la Gaule romaine. En ce qui concerne les matières premières, l’étude des supports en lame mince a permis de distinguer deux groupes. Le premier formé de couches de préparation à mortiers riches en sable siliceux et sable calcaire, avec une couche de finition pauvre en granulat ou avec quelques cristaux de calcite. Ces caractéristiques sont communes à une grande majorité des décors datés de la phase 3 (destruction dans le courant de la deuxième moitié du IIème siècle). Le second plus diversifié et hétérogène, contenant du tuileau, du sable siliceux, ou encore des fragments de mortier en réemploi. La récupération de matériaux antérieurs est une pratique inattendue étant donné l’environnement géologique de Tongres riche de formations calcaires et sableuses. La question se pose aussi sur d’éventuelles difficultés d’approvisionnement des terres cuites architecturales à Tongres, les mortiers de ces fragments étant généralement riches en tuileau. Plus en détail, les ensembles décoratifs 1 et 2 datés de la phase 4 (deuxième moitié du IIème siècle, IIIème siècle) sont différents par leur couches de finition et l’utilisation de tuileau mais se rapprochent à travers leurs couches de préparation, chargées de sable siliceux et argileux. Le support des zones médiane et supérieure de l’ensemble 3 est le même que pour les ensembles 14 et 24. En macroscopie, les ensembles 5 et 32 ont un support similaire. L’analyse des supports confirme ainsi le regroupement de plusieurs ensembles de la phase 3 (fin du Ier – première moitié du IIème siècle). Ils corroborent les rapprochements stylistiques réalisés au cours de l’étude, arguments complémentaires en faveur d’une même mise en œuvre pour les décors concernés, voire d’une même campagne de décoration. 5.4.1.2

Couches picturales

La première étape de l’étude des pigments a consisté à réaliser des observations à l’œil nu et sous loupe binoculaire au CEPMR avant la phase d’analyse149 qui a été réalisée en laboratoire par Michel Bouchard (CARAA150). La gamme des pigments utilisée pour la réalisation des décors à fresque à l’époque romaine étant désormais bien connue, les analyses qui consistent à déterminer les composants minéraux ont permis de confirmer, de manière analytique, les hypothèses posées à partir de deux outils complémentaires, la spectrométrie de fluorescence X (SFX, composition élémentaire) et la microscopie Raman (composition moléculaire). Ainsi, la cuprorivaïte, phase cristallisée du pigment bleu égyptien, a été identifiée pour les couches picturales bleues, avec des

149 Bouchard 2012.

granulométries variées, des terres vertes pour les couches vertes, avec la présence conjointe de fer, potassium, titane et manganèse. Du bleu avait été ajouté dans les couches picturales vertes pour les ensembles 1, 3 et 16 appartenant aux deux domus successives. Les couches picturales rouge ocre sont composées d’oxydes de fer de type hématite, en dispersion plus importante dans le carbonate de calcium pour les roses. Les jaunes correspondent à des ocres jaunes, les fonds et rehauts blancs sont composés de calcite. En parallèle, nous avions relevé des éléments spécifiques; en ce qui concerne les couches picturales rouges, les deux phases de construction ont fourni une grande variété de teintes: il s’agit d’une part de l’influence des dispersions des grains au sein du carbonate de calcium et d’autre part, de la pureté du matériau, hématite seule ou mélange hétérogène à base d’oxydes de fer. Quant au cinabre, rare motif rouge vif significatif est représenté en encadrement de panneau de zone supérieure (ensemble 3, daté de la phase 3). Son identification est confirmée par les spectres Raman. S’il semble avoir été utilisé pur dans une matrice de chaux, car aucun grain d’hématite n’a été détecté dans cette même couche, le pigment a été posé sur une sous couche ocre jaune. L’analyse des couches picturales noires n’a pas permis de détecter la présence de phosphates caractéristiques des pigments fabriqués à partir d’os calcinés, ni d’oxyde de manganèse. Par contre, le noir de carbone semble avoir été additionné d’oxyde de fer, matériau identifié de manière récurrente pour les deux phases de construction, mais en faible proportion. Les analyses SFX ont détecté la présence de composés à base de plomb. Présents dans les couches picturales des fonds ainsi qu’au sein de motifs en rehauts (ensemble 3, 13, 16), il pourrait s’agir de céruse (blanche), ou de produits de calcination, massicot (jaune), litharge (jaune-orangé) et enfin minium (rouge vif). La présence de minium dans le décor effondré en place, antérieur à 70 de notre ère (ensemble 13, phase 3) détectée cette fois en Raman et associée à l’hématite est à relever. En effet, si l’incompatibilité de ce pigment avec le carbonate de calcium était connue, il ne faut pas en revanche, exclure l’existence de tels procédés en marge des pratiques communes. A l’issu de ces analyses et de l’étude archéologique, nous constatons que les techniques d’applications mises en œuvre (granulométries, sous-couches, mélanges de pigments) ne sont pas caractéristiques d’une phase de construction telle qu’on a pu l’observer sur les mortiers de certains ensembles décoratifs de la première domus. Elles semblent moins répondre à des obstacles d’approvisionnements, que dépendre plus logiquement, aux contraintes et exigences liées à chaque espace de vie.

150 CARAA, Centre d’Analyses et de Recherche en Art et Archéologie, 41 ter rue Anatole France, 94270 le Kremlin Bicêtre.


Les peintures murales romaines

5.4.2 Les mortiers de support des peintures murales de la basilique de Tongres: analyses pétrographiques Arnaud Coutelas151 5.4.2.1

Introduction

On sait, notamment depuis les années 1970 et les travaux de Michel Frizot152, que les préceptes qui nous sont parvenus des auteurs antiques – Vitruve et Pline essentiellement – sur la préparation des enduits peints ne sont que très rarement attestés par l’archéologie, sinon seulement pour des édifices prestigieux de la péninsule italique. Il convient donc, pour nos régions, de s’émanciper de ces traités antiques. Pour ce faire, les travaux d’analyse des supports de peintures murales de Gaule ont repris au début des années 2000. La méthode choisie pour les analyses est celle de la pétrographie des roches sédimentaires, les mortiers de chaux – ces matériaux constitutifs des différentes couches des enduits – étant des analogues des roches calcaires gréseuses. Les enduits sont observés en coupe, afin d’établir le nombre et la nature des couches. Des échantillons de référence sont alors préparés en lame mince, puis observés au microscope optique en transmission. Au besoin, tout un ensemble de techniques complémentaires peuvent être sollicitées, que nous ne détaillerons pas ici153. Ces travaux récents ont aboutis à plusieurs synthèses154, lesquelles nous permettent de mieux percevoir quel était le patrimoine technique réel des stucateurs et peintres des trois Gaules. Depuis, plusieurs travaux ont pu compléter ces premières synthèses, notamment pour les peintures de Bordeaux dans le Sud-Ouest de la France155, de Strasbourg156 et de la citée des Leuques et des Médiomatriques157. Les peintures découvertes lors de la fouille de la basilique de Tongres nous permettent aujourd’hui d’étudier un des lots de peintures les plus septentrionaux. Plusieurs objectifs ont été définis: · identifier les matières premières employées pour la confection des mortiers; · identifier les différents supports en présence; · appréhender les techniques de réalisation des supports de peinture murale selon les phases connues des domus; · confronter les résultats aux techniques connues sur l’ensemble des provinces de Gaule romaine. Pour ce faire, l’ensemble des fragments de peinture a été étudié en ‘macroscopie’ (à l’œil nu à et à la loupe de diamantaire) par Lucie Lemoigne (CEPMR), afin de déterminer de premiers regroupements. Des ensembles ont ainsi pu être définis, sur la base des caractéristiques à la fois stylistiques et techniques.

151 ArkeMine, UMR 8546 AOROC; arnaud.coutelas@arkemine.fr. 152 Frizot 1975. 153 Pour la méthode et ses apports, voir Elsen 2006. Pour l’application de cette méthode aux mortiers archéologiques, et la présentation de ces matériaux, voir Coutelas et al. 2009. 154 Coutelas 2006 et 2007.

397

Puis, des lames minces ont été préparées158 à partir de dix-huit échantillons de référence (tableau 5.1, fig. 5.176 et fig. 5.177), et analysées au microscope optique en transmission159. Deux phases principales ont été définies sur le site archéologique. La phase 3 correspond à la fin du Ier siècle et à la première moitié du IIème siècle. La phase 4 comprend la seconde moitié du IIème siècle et le IIIème siècle. Rares sont les éléments antérieurs, pré-flaviens (avant l’incendie de 69/70 ap. J.-C.). Les échantillons analysés en pétrographie recouvrent ces différents contextes. Ils sont de plus caractéristiques de plusieurs ensembles décoratifs mis en évidence lors des travaux effectués par le CEPMR (tableau 5.1). 5.4.2.2

Résultats

Les analyses et les matières premières

La figure 5.178 fait la synthèse des données obtenues lors des observations en microscopie optique. Il en ressort que le lot de peintures murales de la basilique de Tongres présente deux ensembles de support. Le premier comprend tous les enduits constitués de couches de préparation à mortiers riches en sable siliceux (quartzeux surtout) et calcaire (calcaire micritique le plus souvent), avec une couche de finition pauvre en granulat ou à monocristaux de calcite (marbre broyé?). Le second est plus diversifié, avec des couches de préparation contenant du tuileau ou du sable purement siliceux, et/ou des fragments de mortier. Ce second groupe est, de fait, extrêmement hétérogène. Les enduits contenant du tuileau sont peu nombreux. Il s’agit du mortier de la couche (a) (couche de finition) de l’échantillon WP11S-01, et celui de la couche (b) de WP27S-03160. Pour le premier, les fragments de tuileau sont plutôt hétérogènes, mais ils ont en commun de présenter un dégraissant assez abondant, constitué de limons quartzeux. La couche (b) de l’enduit présente aussi quelques tuileaux, mais la plupart, sinon la totalité, proviennent du broyage d’un mortier de tuileau (cf. infra). Pour le second, c’est une grande homogénéité des terres cuites qui est observée pour la couche (b), avec chaque fois du tuileau ocre à dégraissant assez abondant, fait de limons quartzeux. L’origine de la production de la terre cuite est probablement locale, faisant appel aux formations lœssiques. Le broyage d’un seul type de TCA161 indique par ailleurs une récupération ciblée de ces objets. Fait remarquable, les couches (b) de WP11S-03 et (c) de WP16S-07 sont apparemment chargées en tuileaux, mais ceux-ci sont en réalité issus du broyage d’un mortier de tuileau. Les fragments de terre cuite, de couleur ocre et chargés de limons quartzeux, sont en effet chaque fois englobés dans une matrice de chaux autre que celle du mortier de la couche d’enduit.

155 Tessariol & Coutelas 2013. 156 Coutelas 2012. 157 Coutelas 2014. 158 Les lames minces ont été réalisées au Département de Sciences de la Terre de l’Université Paris 6. 159 Ce sont en réalité 19 lames qui ont été préparées, l’échantillon WP27S03, très épais, ayant donné lieu à deux lames.

160 On trouve aussi du tuileau dans les couches de l’enduit WP27S-01, mais toujours en quantité bien moindre que le granulat siliceux. 161 Terre cuite architecturale.


398

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Tableau 5.1 Tongres: basilique Notre-Dame: liste des échantillons analysés en pétrographie, provenances et contextes (document et données APPA-CEPMR et A. Vanderhoeven). Référence de l’échantillon

Secteur

US SPOOR

Décor/ Ensemble

CONTEXTES

WP11S-01

11

524

1

WP11S-02

11

524

2

Phase 4 (domus) (deuxième moitié du IIème siècle et IIIème siècle), couche de destruction.

WP11S-03

11

520

3

WP11S-04

11

520

3

WP11S-05 (stuc)

11

520

3

Phase 3 (domus) (fin du Ier siècle et première moitié du IIème siècle), couche de destruction.

WP11S-06

11

520

3

WP11S-07

11

520

4

WP27S-01

27

498

11

WP27S-02

27

498

11

Phase 4 (domus) (deuxième moitié du IIème siècle et IIIème siècle), niveau de destruction.

WP27S-03

27

281

12

Couche d’incendie du IIème siècle

WP27S-04

27

83

13

Phase 1 (bâtiment en torchis) (époque pré-flavienne - avant l’incendie de 69/70)

WP27S-05

27

281

14

Phase 3 (domus) (fin du Ier siècle et première moitié du IIème siècle), couche de destruction.

WP16S-01

16

406

16

Phase 3 (domus) (fin du Ier siècle et première moitié du IIème siècle) (utilisés comme fondations d’un petit monument de phase 4).

WP16S-02

16

406

16

WP16S-06

16

567

20

Phase 4 (domus) (deuxième moitié du IIème siècle et IIIème siècle), niveau de destruction.

WP16S-07

16

528

21

Phase 4 (domus) (deuxième moitié du IIème siècle et IIIème siècle), niveau de destruction.

WP26S-01

26

501

24

Phase 3 (domus) (fin du Ier siècle et première moitié du IIème siècle, couche de destruction.

WP26S-03

26

475

26

Phase 4 (domus) (deuxième moitié du IIème siècle et IIIème siècle), niveau de destruction.

WP11S-08

11

520

5

Phase 3 (domus) (fin du Ier siècle et première moitié du IIème siècle), couche de destruction.

WP25S-01

25

286

32

Phase 3 (domus) (fin du Ier siècle et première moitié du IIème siècle), couche de destruction.

Prélèvements pour observations macroscopiques

Plus encore, le granulat de la couche (b) de WP11S-03, et secondairement de la couche (c) de WP16S-07, montre un granulat entièrement issu du broyage de divers mortiers de chaux, riches en granulat siliceux ou en tuileau. On peut donc se demander si, pour ces enduits, l’approvisionnement en matières premières n’a pas posé de sérieux problèmes, obligeant à des pratiques de récupération de matériaux antérieurs. C’est, toutefois, assez étonnant sachant que la ville actuelle de Tongres se situe dans la vallée du Geer (Jeker), à la limite entre les formations de l’Eocène supérieur et du Crétacé supérieur162, soit donc dans un environnement géologique riche de formations calcaires et sableuses.

162 Mottequin & Marion 2012.

Pour le granulat naturel, la formation des silex résiduels (Sx), ou des ‘argiles à silex’ (terminologie française), présente sur les plateaux, s’avère particulièrement intéressante. Il s’agit en effet d’une couche d’altération constituée par endroits de sables oligocènes infiltrés entre les silex issus de l’altération des formations calcaires crétacées. Cependant, c’est plutôt vers les alluvions anciennes – dépôts fluviatiles avec sables, parfois argileux ou limoneux, et graviers de type quartz, quartzite, roches diverses et silex – que l’on doit se tourner pour trouver la source des sables siliceux et silico-calcaires des mortiers. La présence de coquilles ‘actuelles’ dans les mortiers confirme que l’extraction s’est déroulée le long de la rivière.


Les peintures murales romaines

399

Fig. 5.176 Tongres: basilique Notre-Dame: lames minces des peintures murales (planche n°1). La couche picturale est positionnée, par convention, en haut, à l’horizontale. On trouvera les descriptions dans le texte. Notez les éléments de tuileau (ocre brun) dans la lame WP11S-03, entourés chaque fois d’une gangue plus brune (doc. A. Coutelas).


400

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.177 Tongres: basilique Notre-Dame: lames minces des peintures murales (planche n°2). Le support complet de WP27S-03 est restitué avec deux lames. La 2e couche est un mortier de tuileau. La couche caramel en bas correspond au torchis du mur (doc. A. Coutelas).


Les peintures murales romaines

401

Fig. 5.178 Tongres: basilique Notre-Dame: synthèse des différents supports des peintures analysés en microscopie. Les couches partageant une même couleur sont préparées avec un même mortier (doc. A. Coutelas).


402

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Il semble que, pour la chaux, il faille plutôt se tourner vers la Formation de Maastricht, car elle donne une chaux grasse, alors que les craies de la Formation de Gulpen sont plutôt, actuellement, utilisées pour la fabrication des ciments Portland, du fait peut-être de la présence de glauconies et de silex. Les supports: relations entre ensemble décoratif, fonction, composition et chronologie Le bâtiment pré-f lavien

Seul l’échantillon WP27S-04, de l’ensemble décoratif 13, semble appartenir à cette phase précoce. C’est un support à quatre couches. Il possède une couche de finition assez faiblement chargée en cristaux de calcite, et trois couches de chaux et sable naturel, les couches (b) et (c) étant à sable silico-calcaire, tandis que la couche (d) est à sable purement siliceux. Seul le support de WP16S-01 présentera, plus tard, une succession assez similaire de couches, mais la composition de chaque mortier sera systématiquement très différente. En réalité, ce qui distingue ce support des autres, plus récents, est sa densité, avec quatre couches de mortier pour une épaisseur totale de 1,5 cm seulement. Du secteur 16, les échantillons WP16S-01 et 02, de l’ensemble décoratif 16, pourraient toutefois aussi être anciens, au regard du décor et ayant été utilisés en fondation d’une construction de la phase 4. Les deux échantillons ne présentent pas le même support. On note par exemple que la couche (a) du premier est très riche en cristaux de calcite (fig. 5.179). Il présente de plus une couche (d), en mortier de chaux et de sable siliceux. Enfin, sa couche (b) se distingue par une proportion plus importante en sable calcaire qu’en sable siliceux. Donc, si ces deux enduits ont effectivement le même décor, leurs compositions sont en revanche très éloignées. Plutôt que l’intervention de deux équipes de peintres, nous pouvons supposer qu’il s’agit ici de l’exemple d’une restauration d’un décor. En effet, la couche (c) de WP16S-02 contient au moins un fragment d’une peinture murale antérieure, ce qui, du fait de la très faible teneur, pourrait être le témoignage d’une pollution de l’aire de gâchage suite à la dépose d’un premier enduit. Domus phase 3

Des décors de cette phase ont été retrouvés dans plusieurs secteurs. L’ensemble décoratif 3 est particulièrement représentatif du secteur 11. Quatre échantillons de ce décor ont été étudiés afin de vérifier si le support varie selon la position de l’enduit sur la paroi. WP11S-03 est issu de la plinthe, WP11S-04 de la zone médiane, WP11S-06 de la zone supérieure et WP11S-05 d’une corniche de stuc fixée à la transition entre zone médiane et zone supérieure. Les analyses montrent qu’à de légères variations près, les supports des zones médiane et supérieure sont identiques. Il s’agit chaque fois d’un enduit à trois couches: la couche de finition est très faiblement chargée de cristaux de calcite, la couche (b) est à sable silico-calcaire, de même que la couche (c), un peu plus grossière. Cette dernière a parfois été posée en deux étapes.

163 Coutelas & Vauxion sous presse.

Un seul matériau compose la corniche WP11S-05. Il a été appliqué en deux fois. Il s’agit d’un mortier chargé là encore de sable silico-calcaire, avec en plus quelques tuileaux et cristaux de calcite. Il se démarque par une proportion assez faible en granulat, ce qui est finalement le seul trait technique concédé à sa fonction de stuc. Sa surface est badigeonnée d’un fin lait de chaux, pur. La zone inférieure – échantillon WP11S-03 – se démarque de ce premier groupe, avec un support tout autre. La couche de finition est épaisse, à sable siliceux. La couche (c) n’a pas été vue en pétrographie, mais elle semble chargée de sable silico-calcaire. En revanche, la couche (b) est originale avec un mortier de chaux chargé de résidus du broyage de divers mortiers de chaux, à granulat siliceux ou de tuileau. L’impression laissée par ce support est donc particulière. Seules les zones médiane et supérieure présentent un enduit somme toute assez commun, caractéristique des peintures d’intérieur, avec trois couches de mortier de chaux, celle de finition étant fine et à quelques cristaux de calcite (de type marbre broyé). Le stuc de la corniche a une composition assez peu canonique, avec un granulat ayant subi peu de sélection; seule sa faible teneur est quelque peu significative. Mais, plus encore, le support de la zone inférieure est très différent, et original avec l’emploi en couche (b) d’un granulat de mortiers broyés, à tuileaux souvent. Le besoin de tuileau pour la partie basse peut s’expliquer par le soin habituellement apporté à ce secteur de la paroi, soumis aux remontés capillaires, mais le fait que ces fragments de terre cuite proviennent de mortiers antérieurs surprend et renvoie vers une pratique spécifique de récupération163. Le support de l’échantillon WP11S-08, étudié uniquement en macroscopie et représentatif de l’ensemble décoratif 5, semble présenter exactement le même support que celui des zones médiane et supérieure du décor 3. Du même secteur, l’ensemble décoratif 4 est représenté par l’échantillon WP11S-07. Il a visiblement chauffé. Mais, bien qu’à trois couches lui aussi, avec de nouveau une couche de finition à quelques cristaux de calcite et deux couches de préparation à sable silico-calcaire, il possède clairement un support autre que celui de l’ensemble 3. La couche (c) semble particulièrement riche en argile, ce qui pourrait peut-être s’expliquer par sa position d’origine, en haut de paroi ou en plafond, si l’on en croit le contexte de découverte et les traces de lattis au revers. Il est assez intéressant de noter que le support WP27S-05, de l’ensemble décoratif 14, présente lui aussi un support à trois couches, avec une couche de finition à quelques cristaux de calcite et deux couches de préparation à sable silico-calcaire. Il paraît très probable qu’il s’agisse d’un support identique à celui des zones médiane et supérieure de l’ensemble décoratif 3. Du même secteur 27, l’échantillon WP27S-03 provient d’une couche d’incendie du IIème siècle et représente l’ensemble décoratif 12. Le support est à quatre couches, avec une couche de finition à cristaux de calcite, une couche (b) en mortier de tuileau, et


Les peintures murales romaines

403

Fig. 5.179 Tongres: basilique Notre-Dame: microphotographie en lumière polarisée et analysée des dernières couches de la peinture de l’échantillon WP16S-01. On peut observer la couche picturale (placée ici à l’horizontale), sombre, à quelques cristaux de calcite et épaisse de 200 µm. La couche de finition de la peinture, placée au-dessous, est riche en cristaux anguleux de calcite (éléments à l’aspect irisé) (doc. A. Coutelas).

aux couches (c) et (d) à sable silico-calcaire. La forte teneur en ‘marbre broyé’ de la couche (a) et la présence de la couche de tuileau en dernière couche de préparation démarque ce support des autres réalisations de cet état. La position d’origine de l’enduit, d’après ce support, est à situer dans une pièce plus humide164. Quoi qu’il en soit, il semble tout de même que l’on puisse associer ce support au lot décoratif 4, du secteur 11, par la ressemblance entre la couche (c) de WP27S-03 et la couche (b) de WP11S-07. Le secteur 26 a aussi livré des enduits de cette phase. Le premier groupe correspond au fragment WP26S-01, soit l’ensemble décoratif 24. Son support est, de nouveau, à trois couches. Il est similaire à celui des zones médiane et supérieure du décor 3. En revanche, le support représenté par l’échantillon WP26S-03, soit l’ensemble décoratif 26, issu d’un niveau de destruction de l’époque flavienne, est très différent. Nous avons observé cinq couches. La couche (a) est à quelques cristaux de calcite. La précédente est à sable silico-calcaire, alors que les trois premières posées sont à sable essentiellement siliceux. Cette densité de couches pour une épaisseur réduite (moins de 3 cm), avec prédilection pour un sable pauvre en grains calcaires, nous rappelle

quelque peu le support WP27S-04, pré-flavien; les couches de mortier sont cependant très différentes. Enfin, reste l’échantillon WP25S-01, de l’ensemble décoratif 32. Il a été étudié uniquement en macroscopie. Son support rappelle fortement celui des zones médiane et supérieure de l’ensemble décoratif 3. Sa couche de finition est aussi épaisse que celle de WP11S-06. Domus phase 4

Des échantillons des secteurs 11, 16 et 27, datés de cette phase, nous ont été confiés. Il s’agit tout d’abord des échantillons WP11S-01 et 02, respectivement de l’ensemble décoratif 1 et de l’ensemble décoratif 2. Les deux supports sont différents, puisque le premier est à deux couches, avec en couche (a) un mortier de tuileau, et que le second est à trois couches, avec une couche (a) chargée de quelques quartz et une couche (b) à sable siliceux. Cependant, ils peuvent être associés à partir de la composition de leur première couche de préparation. En effet, la couche (b) de WP11S-01 et la couche (c) de WP11S-02 sont iden-

164 L’espace correspond, selon les données de la fouille, à une petite cour intérieure équipée d’un caniveau.


404

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

tiques, préparées avec un mortier de chaux assez argileux, chargé principalement de quartz et secondairement de nodules de mortier de tuileau. La teneur en ce dernier élément n’atteint pas celle observée pour l’échantillon WP11S-03, de la troisième phase. La composition de cette couche est donc assez fruste, tout comme semble l’être l’ensemble du support. Les variations observées entre les deux fragments pourraient témoigner d’une utilisation dans des contextes distincts, par exemple en extérieur pour le premier et en intérieur pour le second. L’ensemble décoratif 11 comprend les échantillons WP27S-01 et WP27S-02. Le premier est caractéristique de la zone inférieure, tandis que le second correspond à la zone médiane. Comme pour le décor 3 de la phase antérieure, on remarque un changement radical de support entre la partie basse et la zone médiane, puisque WP27S-01 est à trois couches – deux couches de mortier de chaux, sable siliceux et tuileau recouvertes par une couche de chaux pure – alors que WP27S-02 est à deux couches: une couche de mortier de chaux et de sable siliceux couverte par une couche de finition à quelques quartz (fig. 5.180). C’est, encore une fois, la présence de tuileau en partie basse qui distingue surtout les deux supports, ce qui témoigne probablement, de nouveau, d’une volonté d’assurer la tenue dans le temps de l’enduit en bas de paroi, et ce malgré les possibles remontées d’humidité.

Enfin, deux échantillons du secteur 16 appartiennent à cette phase. Un exemple de restauration nous est donné par l’échantillon WP16S-06, de l’ensemble décoratif 20. Deux décors sont en effet superposés. La troisième phase est à trois couches, avec une couche de finition à quelques cristaux de calcite, une couche (b) à sable calcaire (avec quelques fragments d’une peinture murale antérieure) et une couche (c) à sable essentiellement siliceux. La couche picturale apparaît rosée. La quatrième phase est caractérisée par un support plus commun pour ce site, avec une couche (a) à quelques cristaux de calcite et quelques quartz et une couche (b) à sable silico-calcaire. Plusieurs recharges de lait de chaux se voient en surface. Le dernier fragment, WP16S-07, correspond à l’ensemble décoratif 21. Le support est à trois couches, celle de finition est à cristaux de calcite, la couche (b) est à sable siliceux et la couche (c) est à fragments de mortiers (mortier de tuileau surtout). Si l’on fait abstraction de la couche (a), nous retrouvons le même support que celui de la zone inférieure du décor 3. Il est fort peu probable que deux supports aussi originaux aient pu être réalisés à plusieurs décennies d’écart. Le décor 21 pourrait ainsi avoir été laissé en place entre la phase 3 et la phase 4.

Fig. 5.180 Tongres: basilique Notre-Dame: microphotographie en lumière polarisée non analysée des dernières couches de la peinture de l’échantillon WP27S-02. Au-dessus de la couche de préparation riche en quartz (grains blancs subanguleux), on observe la couche de finition épaisse de 500 µm, moins riche en quartz. La couche picturale repose sur une fine couche de chaux (doc. A. Coutelas).


Les peintures murales romaines

5.4.2.3

Discussions

Le lot de peintures murales du site de la basilique de Tongres possède des caractéristiques assez communes pour les ensembles de peintures murales d’un site antique, à savoir une homogénéité globale, et une certaine diversité dans le détail. En effet, on a pu repérer pour cet ensemble d’enduits le choix assez répandu de l’emploi de deux à trois couches de mortier de chaux et de sable naturel avec, en finition, une fine couche généralement pauvre en granulat, sinon chargée de cristaux de calcite. Ce type de support est plutôt simple, sans être cependant simpliste. Les matières premières sont locales et le savoir-faire bon, avec parfois une très bonne maîtrise dans la réalisation de la couche de finition et de la couche picturale, donnant à l’enduit une surface parfaitement lisse et dure (notamment pour les échantillons WP11S-04, WP16S-01 et WP16S-07, à la couche picturale colorée, parfois chargée elle-même de cristaux de calcite; fig. 5.179). Les variations que nous avons perçues ont plusieurs origines. Elles sont liées tout d’abord au phasage. Il apparaît que les enduits de la phase 3 sont assez homogènes, au point que l’on peut avancer qu’une seule équipe a dû intervenir pour la décoration de la plupart des secteurs du bâtiment: les décors 3, 14 et 24, respectivement des secteurs 11, 27 et 26, ont des supports identiques. Les décors des phases antérieure et postérieure montre des différences, parfois légères (ajout d’une couche, emploi de sable siliceux plutôt que silico-calcaire, etc.), qui peuvent être liées soit au savoir-faire des intervenants, soit à un patrimoine technique local différent, en rapport avec son époque. Une autre explication des variations de techniques observées est en lien avec le contexte d’origine de l’enduit. La position de l’enduit sur la paroi ou dans l’édifice peut expliquer la nature de son support. Généralement, c’est le contexte d’ouverture et d’humidité des espaces qui entraine des adaptations des recettes. La présence de couches de mortier de tuileau et l’absence de cristaux de calcite dans la couche de finition sont des bons arguments pour identifier des enduits placés en extérieur ou dans des salles thermales. Ici, seuls les échantillons WP11S-01 et WP27S-03 montrent une réelle couche de mortier de tuileau, en couche (a) pour le premier, et en couche (b) pour le second. Pour ce dernier, la présence de calcite dans la couche de finition confirme les données de fouille, à savoir que l’espace était protégé mais soumis à l’humidité, s’agissant d’un appentis (espace semi-ouvert). Pour le premier, nous avons indiqué qu’il pourrait s’agir d’une peinture d’extérieur, probablement contemporaine du décor n°02, lequel est plutôt pour l’intérieur, en atmosphère sèche. Par extension, le choix du broyage de mortiers de tuileau pour fournir le granulat de couches de préparation des enduits WP11S-03 et WP16S-07 pourrait dénoter le souci d’assurer une meilleure résistance à l’eau des enduits placés en partie inférieure de la paroi. Notons cependant que la variation du support du décor 3 entre

405

la zone basse et les zones supérieures est inhabituelle dans son ampleur, et que l’on peut se demander s’il n’y a pas eu ici soit une réfection, soit un changement d’équipe. 5.4.2.4

Conclusions

Les peintures murales de la basilique de Tongres viennent donc enrichir notre corpus de supports de peintures antiques. D’un point de vue technique, ces réalisations s’insèrent parfaitement dans le patrimoine connu pour les provinces des trois Gaules. On remarque pour ce site que la règle pour les peintures d’intérieur est l’emploi de deux à trois couches de préparation à granulat naturel, siliceux ou, plus souvent, silico-calcaire. Les couches de finition sont généralement fines, pauvres en granulat, sinon à cristaux de calcite issus peut-être du broyage de marbres blancs importés ou de roches plus locales. Ce lot nous a tout de même réservé quelques surprises. La première est la découverte d’un programme de revêtement quasi unitaire pour l’ensemble de la phase 3. Même si cela se comprend aisément dans un nouveau contexte de construction en matériaux durs sur le site (fin Ier siècle), avec l’intervention d’une seule équipe d’artisans pour la décoration d’un nouvel édifice, ce n’est pas un résultat habituel, du fait généralement de l’importance des réfections antiques et de la diversité intrinsèque de ces revêtements au support variant selon la fonction des espaces et, parfois, l’emplacement sur la paroi. Ici, l’homogénéité est globalement telle que nous ne pouvons que difficilement discuter la fonction ou la hiérarchie des espaces par la simple observation des enduits. Peut-être que les décorateurs ne possédaient pas dans leur bagage technique de quoi adapter pleinement les supports à leur paroi, à moins que le contexte de reconstruction explique une certaine simplification des pratiques, afin peut-être d’accélérer le chantier. L’autre surprise a été la découverte de matériaux au granulat issus du broyage de mortiers de chaux antérieurs. Ce n’est pas, bien au contraire même, réservé qu’aux enduits les plus récents, dans lesquels on retrouverait des fragments des enduits des phases précédentes. Si plusieurs mortiers contiennent effectivement seulement quelques éléments qui pourraient tout aussi bien être des ajouts ou, au contraire, des pollutions, deux couches sont en revanche chargées avec uniquement ce granulat. Il s’agit alors, essentiellement, de mortier de tuileau broyé. On peut donc supposer que la recherche de tuileau est à l’origine de cette pratique de récupération, à moins que ce soit la qualité réputée à ces matériaux qui soit à l’origine de leur choix. Quoi qu’il en soit, cela reste une pratique qui semble, pour l’heure, tout à fait exceptionnelle pour la Gaule romaine, mais qui pourrait bien être la marque d’un patrimoine technique local.


406

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

5.4.3 Caractérisation des couches picturales Michel Bouchard165 5.4.3.1

Introduction

Dans le cadre de l’étude technique des enduits peints antiques découverts dans la basilique de Tongres, vingt-cinq échantillons de peintures murales ont été analysés par spectroscopie de fluorescence X (SFX), microscopie Raman et spectroscopie infrarouge (IRTF) (pour deux échantillons).

micromètres de diamètre peut être effectuée. La caractérisation finale du matériau se fait par comparaison du spectre obtenu avec une base de données de spectres de référence166. Si un spectre inconnu ne trouve pas de référence correspondante, certaines bandes caractéristiques permettent de déduire les propriétés moléculaires du matériau analysé.

L’objectif des analyses était de déterminer la composition minérale et moléculaire des couches picturales par la caractérisation des pigments utilisés, des charges minérales et d’éventuels liants organiques.

Les analyses par microscopie Raman sur les échantillons de peinture murale ont été menées à l’aide d’un spectromètre JY Labram HR. Le laser choisi est un RL 785 HPNIR afin de réduire au maximum l’effet de fluorescence. Les temps d’acquisition sont de 10 à 40 sec avec des accumulations de 2 à 3 fois sur une gamme spectrale de 100 à 3800 cm-1. Les spectres sont calibrés à partir d’un échantillon de cristal de silicium (bande principale à 520.5 cm-1).

5.4.3.2

Spectrométrie Infrarouge à Transformée de Fourier (IRTF)

Instrumentation

Spectroscopie de f luorescence X (SFX ou FX)

La spectrométrie FX portable est une technique ‘non-invasive’ (aucun prélèvement n’est effectué sur l’œuvre) permettant d’obtenir la composition élémentaire du matériel étudié. Appliquée aux peintures, la SFX permet de déterminer qualitativement quels sont les pigments inorganiques présents dans les couches supérieures (ou dans les couches sous-jacentes, selon l’épaisseur des couches) (ex.: Hg et S pour un pigment à base de cinabre). Parce que la spectrométrie FX est basée sur le principe des rayonnements X, les informations enregistrées proviennent simultanément de toutes les couches de peinture en présence. Ainsi les éléments composant les couches préparatoires ou les couches de peintures sous-jacentes sont également détectés. La composition exacte de chaque couche peut être déterminée en combinant les analyses SFX avec une coupe transversale de la peinture. Une analyse moléculaire des pigments peut être effectuée en combinant la SFX avec une autre technique, telle que la microscopie Raman ou la diffraction des rayons X. Le spectromètre FX portable utilisé au sein de cette étude est un NITON GOLDD (détecteur SDD -silicon drift detectorAg Tube, 15-50 KV, 40 µA). Cet instrument dispose d’une camera intégrée permettant de visualiser l’aire analysée. Microscopie Raman

La microscopie Raman est une technique non-invasive qui permet de déterminer de manière exacte la composition moléculaire ou minérale du matériau étudié (ex.: crocoïte: PbCrO4), alors que la spectroscopie de fluorescence X (SFX) ou spectrométrie X par dispersion d’énergie (EDS) informent uniquement sur les éléments chimiques présents: Cr et Pb. La microscopie Raman peut être appliquée aux matériaux organiques (ex.: indigo) comme aux matériaux inorganiques (ex.: atacamite, lazurite). Grâce au couplage du spectromètre Raman avec un microscope, l’analyse de particules de quelques

165 CARAA, Centre d’Analyses et de Recherche en Art et Archéologie; mbouchard@caraa.fr.

La Spectrométrie Infrarouge à Transformée de Fourier (ou FTIR: Fourier Transformed InfraRed spectroscopy) est basée sur l’absorption d’un rayonnement infrarouge par le matériau analysé. Elle permet via la détection des vibrations caractéristiques des liaisons chimiques, d’effectuer l’analyse des fonctions chimiques présentes dans le matériau. Cette méthode d’analyse est simple à mettre en œuvre et non destructrice. Elle permet d’analyser aussi bien les matériaux organiques que les matériaux inorganiques. La grande diversité des montages expérimentaux permet la caractérisation de pratiquement tous types d’échantillon, quel que soit leur état physique ou de surface. Cette technique d’analyse est principalement utilisée dans le domaine des Arts pour caractériser des substances organiques: liants, matériaux constitutifs des œuvres, produits provenant d’anciennes restaurations. Les analyses menées dans le cadre de cette étude ont été réalisées par couplage d’un microscope CONTINUUM et d’un spectrophotomètre IRTF Nexus (Thermo-Nicolet), les mesures ont été prises par transmission. 5.4.3.3

Résultats

Palette des pigments

La composition élémentaire et moléculaire obtenue par SFX et microscopie Raman des différents échantillons est listée dans le tableau des résultats (fig. 5.181). Afin de faciliter la lecture du tableau, uniquement les noms usuels des pigments sont utilisés. Les termes usuels ne répondant pas à la nomenclature officielle de minéralogie (IMA) sont notés en italique (ex. ocres rouges ou bleu Egyptien). La calcite – omniprésente dans la plupart des échantillons – n’est pas répertoriée dans les tableaux ci-dessous (sauf s’il s’agit d’une zone exclusivement blanche).

166 Base de données Spectrométrie Raman (Interne-CARAA).


Les peintures murales romaines

Plusieurs échantillons comportant de multiples rehauts ont fait l’objet d’une observation en section afin de clarifier leur stratigraphie. L’un d’eux correspond à des motifs surmontant l’un des entablements principaux de l’ensemble 16 (phase 3). Les couches picturales ont été préalablement analysées en surface par (SFX) et S. Raman, les figures 5.182 et 5.183 montrent la stratigraphie comprenant le mortier (1), et les couches picturales (2 à 4). La palette des pigments minéraux détectés sur les fragments de fresque se composent de la sorte: · la calcite (CaCO3), quasi-omniprésente au sein des échantillons étudiés, joue le rôle de pigment blanc dans 14 des prélèvements, de charge ou de liant dans les autres. Elle est identifiée par les bandes Raman à 1085 et 282 cm-1 (fig. 5.184); · l’hématite (α -Fe2O3; ou l’ocre rouge) est la principale matière utilisée comme pigment rouge. Elle est identifiée par les bandes Raman à 611, 411, 291 et 224 cm-1 (fig. 5.184); · le minium (Pb3O4) est occasionnellement utilisé pour la fabrication de certains des pigments orange et rouges; · Le cinabre (HgS) est quant à lui détecté dans un seul échantillon et identifié par les bandes Raman à 493, 344, 286 et 254 cm-1 (fig. 5.184); · la goethite (α -FeOOH; ou l’ocre jaune) est principalement utilisée pour la fabrication des pigments jaunes. Elle est identifiée par les bandes Raman à 550, 398 et 301 cm-1; · des terres vertes (de type céladonite - K(Mg,Fe)(Fe,Al) [Si4O10](OH)2 – ou glauconite – (K,Na)(FeIII,Al,Mg)2 [(Si,Al,FeIII)4O10](OH)2 -) composent les pigments verts. La faible résolution des spectres Raman obtenus sur ces minéraux ne permet pas de distinguer définitivement ces deux types d’aluminosilicates. On parvient cependant à les identifier grâce à des bandes Raman communes localisées à 544, 379, 279, 198 et 145 cm-1 (fig. 5.184)167. Certaines zones ~ vertes présentent des nuances acquises par l’adjonction de bleu Égyptien; · le bleu Egyptien (cuprorivaite; formule théorique CaO·CuO·4SiO2) est le seul pigment bleu utilisé. Diverses nuances ont pu être obtenues par les granulométries variables, sa concentration au sein du liant et par adjonction de pigments verts; · du noir de charbon (carbone) sous la forme de graphite faiblement cristallisé a permis de préparer les pigments noirs. Il est caractérisé par les massifs Raman à ~1598 et ~1320 cm-1 (fig. 5.184). Les nuances de gris ou beige, sont obtenues par dilution avec de la calcite ou avec un mélange calcite, et ocres rouges; · enfin, une pigmentation légèrement bleutée est liée à une l’utilisation mixte de graphite et de calcite microcristallins. Recherche de liants

Les analyses IRTF menées sur deux échantillons n’ont pas permis de mettre en évidence de liants organiques en particulier. Ce résultat peut être lié bien sûr à l’absence de liants organiques lors de l’application de la couche picturale, mais il peut également être dû à une dégradation totale des traces organiques au

167 Ospitali et al. 2008, 1066-1073.

407

cours des processus d’altération des fresques in-situ et en sol archéologique par la suite. Une exploration par chromatographie couplée à la spectrométrie de masse sera envisagée dans les futures études. Conclusion générale Il est peu fréquent que lors de fouilles urbaines une quantité aussi importante de décors soit mise au jour. Bien que l’aménagement des églises médiévales successives ait détruit une partie des niveaux antiques, il a aussi été le garant de la préservation d’espaces intacts, avec une stratigraphie imposante. La présence de cette vaste nef au travers des siècles a protégé les vestiges et favorisé leur conservation. L’étude de ce mobilier nous donne une lisibilité, rarement possible, sur deux demeures, à la fois dans l’espace et dans le temps. Ainsi les différentes observations stylistiques ont permis de mettre en évidence des tendances régionales, certaines bien localisées en Germanie, d’autres plus étendues: en Germanie et Gaule Belgique). Pour les modes spécifiques à la Germanie, nous retiendrons les entablements à frise de rais-de-cœur ou d’oves qui se distinguent par leur taille importante et la découpe du motif qui se détache sur le fond. Cette façon de faire est bien localisée dans le nord-est de la Gaule et ne se retrouve pas ailleurs. Les compartiments de zone inférieure renfermant des scènes figurées, de genre ou parodiques, semblent également avoir une résonnance dans les provinces septentrionales, Auxerre en ayant livré l’exemple le plus au sud à ce jour. Le type de candélabre à base statuaire est un modèle peu fréquent. Il trouve une comparaison en Germanie et une en Gaule Belgique. La série n’est donc pas assez représentative pour en déduire une tendance; de futures découvertes viendront peutêtre préciser cette hypothèse de style régional. La représentation des panneaux sous la forme d’arcade est attestée sur trois décors à Tongres. Nous les avons rapprochés de compositions proches, mais pas identiques, à Strasbourg et à Périgueux, où l’aspect architectural est moins marqué. La forme n’est donc pas fréquente et correspond probablement à une style local ou d’atelier. Des marques d’atelier ont également pu être observées. En effet, deux motifs en particulier, réalisés précisément de la même manière sur divers décors, dans des tonalités variées, peuvent être considérés comme peints lors d’une même campagne ornementale. Il s’agit des cabochons et des petits tores qui viennent agrémenter les filets d’encadrement. Bien que fréquents à tous les niveaux de la paroi, aussi bien en Gaule qu’en Campanie, ici ils se caractérisent par une conception identique et systématique, ce qui permet de les identifier comme peints par un même atelier.


408

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.181 Tongres: basilique Notre-Dame: composition élémentaire et minérale obtenue par SFX et microscopie Raman (doc. M. Bouchard).


Les peintures murales romaines

409


410

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Fig. 5.182 Tongres: basilique NotreDame: microphotographie de l’échantillon WP16CP13. Grossissement x200 (doc. M. Bouchard).

Fig. 5.183 Tongres: basilique Notre-Dame: représentation des couches identifiées dans l’échantillon WP16CP13 (doc. M. Bouchard).

Fig. 5.184 Tongres: basilique Notre-Dame: spectres Raman de quatre phases minérales identifiés dans les pigments et correspondant de haut en bas à: graphite semi-cristallin; Terres-vertes (céladonite ou glauconite) en association avec de la calcite; hématite et calcite; cinabre (doc. M. Bouchard).


Les peintures murales romaines

Outre les interprétations iconographiques, une attention particulière a été accordée aux techniques de confection des peintures, à l’échelle des occupations successives, précisées par des analyses qui nous ont permis de mieux les appréhender. Ces observations archéométriques ont ainsi complété nos connaissances sur les approvisionnements et les choix des matériaux. En ressort une qualité de la mise en œuvre constante, en parfaite adéquation avec la qualité de l’architecture observée. Toutes deux corroborent le statut privilégié du bâti. Il n’est plus nécessaire de le démontrer, la peinture est l’épiderme d’une architecture disparue, elle contribue à la restituer. Elle a permis de révéler la hauteur de certaines élévations. Les ensembles 1 et 2 qui proviennent de l’effondrement d’un seul mur permettent de restituer une hauteur d’environ 3,50 m. D’autres décors restitués sur la base des proportions connues ont également ces dimensions. Le mur extérieur de la cour aurait quant à lui une hauteur d’au moins 3,80 m sous la toiture. Seul l’ensemble 3 présente une hauteur d’au moins 5,70 m qui indique différents niveaux d’élévation du bâtiment. Ces dimensions sont précieuses pour envisager la restitution en trois dimensions de cette habitation qui ne semble pas comporter d’étage. Notons encore que quatre plafonds à fond blanc ont été identifiés. Trois présentent une composition en réseaux et un seul une composition centrée à scène figurée. Particulièrement remarquable, l’ensemble 3 rassemble à lui seul diverses tendances que nous venons d’évoquer. On y trouve les marques d’atelier local, ainsi qu’une sensibilité aux modes régionales, mêlées à celles venues de Rome. En émane une sorte de double revendication: fierté des origines gauloises et reconnaissance de Rome. Ces thèmes ainsi valorisés reflètent probablement l’évolution administrative de la ville qui reçoit le statut de civitas au IIème siècle, mais aussi, comme nous l’avons vu, le profil socio-culturel du propriétaire appartenant à l’élite de la cité. Toutes ces observations permettent de se poser la question de la nature même du bâtiment dont le plan reste très lacunaire, et de la répartition des espaces privés et publics. Abréviations AFPMA 1980 = Peinture murale en Gaule. Actes des séminaires de l’Association Française pour la Peinture Murale Antique (AFPMA), Lyon 20-21 février, Narbonne 30 avril-1 mai 1979, Paris-Soissons 1-2 novembre, Publication du Centre de Recherches sur les Techniques Gréco-Romaines 9, Dijon. AFPMA 1985a = barbet a. (dir.) 1985: Peinture murale en Gaule. Actes des séminaires de l’Association Française pour la Peinture Murale Antique (AFPMA), Lisieux 1-2 mai 1982, Bordeaux 21-22 mai 1983, British Archaeological Reports. International series 240, Oxford. AFPMA 1985b = allag cl. (dir.) 1985: Les enduits peints gallo-romains dans le nord de la France. Actes du VIIIe séminaire de l’Association Française pour la Peinture Murale Antique (AFPMA), Valenciennes 29-30 avril 1984, Revue du Nord LXVII (264), Villeneuve d’Ascq.

411

AFPMA 1987 = barbet a. (dir.) 1987: La peinture murale antique, restitution et iconographie. Actes du IXe séminaire de l’Association Française pour la Peinture Murale Antique (AFPMA), Paris 27-28 avril 1985, Documents d’Archéologie Française 10, Paris. AFPMA 1990 = allag cl. (dir.) 1990: La peinture murale romaine dans les provinces du nord. Actes du XIe séminaire de l’Association Française pour la Peinture Murale Antique (AFPMA), Reims 30 avril-1 mai 1990, Revue Archéologique de Picardie 1990 (1-2), Amiens. AFPMA 1995 = defente d. & delplace c. (dir.) 1995: Actes des séminaires de l’Association Française pour la Peinture Murale Antique (AFPMA), Aix-en-Provence 1990, Narbonne 1991, Chartres 1993, Revue Archéologique de Picardie n° spécial 10, Amiens. AFPMA 2003 = allag cl. (dir.) 2003: Peinture antique en Bourgogne. Actes du XVIe séminaire de l’Association Française pour la Peinture Murale Antique (AFPMA), Auxerre 24-25 octobre 1997, Revue Archéologique de l’Est, supplément 21, Dijon. AFPMA 2012 = fuchs m.e. & monier f. (dir.) 2012: Les enduits peints en Gaule romaine: approches croisées. Actes du XXIIIe séminaire de l’Association Française pour la Peinture Murale Antique (AFPMA), Paris 13-14 novembre 2009, Revue Archéologique de l’Est, supplément 31, Dijon. AFPMA 2013 = boislève j., dardenay a. & monier fl. (dir.) 2013: Peintures murales et stucs d’époque romain, de la fouille au musée. Actes des XXIVe et XXVe colloques de l’Association Française pour la Peinture Murale Antique (AFPMA), Narbonne 2010, Paris 2011, Collection de l’AFPMA, Pictor 1, Bordeaux. AIPMA 2004 = borhy l. (éd.) 2004: Plafonds et voûtes à l’époque antique. Actes du VIIIe Colloque international de l’Association Internationale pour la Peinture Murale Antique (AIPMA), Budapest-Veszprém 15-19 mai 2001, Budapest. AIPMA 2007 = guiral pelegrin c. (éd.) 2007: Circulacion de temas y sistemas decorativos en la pintura mural antigua, Actes du IXe Colloque international de l’Association Internationale pour la Peinture Murale Antique (AIPMA), Saragosse 21-25 septembre 2004, Saragosse. AIPMA 2010 = bragantini i. (éd.) 2010: Actes du Xe Colloque international de l’Association Internationale pour la Peinture Murale Antique (AIPMA), Naples 18-21 septembre 2007, Naples. PPM = Pompeii: Pitture e Mosaici, Istituto della Enciclopedia italiana, 1990-2003, vol. I-X, Rome.


412

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Bibliographie allag cl., bardoux b. & chossenot d. 1988: La mort d’Adonis: une peinture murale galloromaine à Boult-sur-Suippe (Marne), Bulletin de la Société Archéologique Champenoise 81 (2), 93-110. Allag Cl., Bardoux B. & Chossenot D. 1990: Une scène mythologique à Boult-sur-Suippe. Dans: AFPMA 1990, 147-160. Allag Cl. & Batrel M. 1985: Les peintures murales de Lisieux. Dans: AFPMA 1985a, 29-38. Allag Cl., Huguet C. & Nin N. 2014: Une domus en rouge et noir, 38-42 boulevard de la République. Dans: Nin N. (dir.), Aix en Archéologie, 25 ans de découvertes, Bruxelles, 199-204. Allag Cl. & Joly D. 1995: Les peintures murales de Chartres, étude de quelques ensembles homogènes. Dans: AFPMA 1995, 169-187. Allag Cl. & Monier F. 2004: La représentation des roches décoratives dans la peinture murale romaine. Dans: Chardron-Picault P., Lorenz J., Rat P. & Sauron G. (dir.), Les roches décoratives dans l’architecture antique et du haut Moyen Âge, Archéologie et Histoire de l’Art 16, Paris, 355-368. Allag Cl. & Nunes Pedroso R. 2003: Les peintures murales romaines de Vaulabelle à Auxerre et leur présentation au musée Saint-Germain. Dans: AFPMA 2003, 17-30. Allonsius C. & Eristov H. 2006: Les peintures murales. Dans: du Bouëtiez de Kerorguen E. (dir.), Vanves (Hauts-de-Seine) 21-23 place de la République, Rapport Final d’Opération, 15 mars-3 août 2004, 3 volumes, Île-de-France, 9-52. Amadei-Kwifati B. & Bujard S. 2007: Les peintures de la rue Saint-Patrice à Bayeux (Calvados). Dans: AIPMA 2007, 423-426. Amadei B. & Groetembril S. 2005: Tongres Basilique Notre-Dame (Limbourg, Belgique), Rapport d’intervention CEPMR, Soissons. Baldassare I., Pontrandolfo A., Rouveret A. & Salvadori M. 2003: La Peinture romaine de l’époque hellénistique à l’Antiquité tardive, Milan. Balmelle C., Blanchard-Lemee M., Christophe J., Darmon J.-P., Guimier-Sorbets A.-M., Lavagne H., Prudhomme R. & Stern H. 1985: Le décor géométrique de la mosaïque romaine, Paris. Balmelle C., Éristov H. & Monier F. (dir.) 2011: Décor et architecture en Gaule entre l’Antiquité et le haut Moyen Âge, Actes du colloque international, Université de Toulouse II-Le Mirail, 9-12 octobre 2008, Aquitania Supplément 20, Bordeaux. Barbet A. 1974a: Peintures murales de Mercin-et-Vaux, étude comparée (première partie), Gallia 32 (1), 107-135. Barbet A. 1974b: Recueil Général des Peintures Murales de la Gaule, tome 1, Province de Narbonnaise, fasc. 1, Glanum, Gallia Supplément 27, Paris. Barbet A. 1975: Peintures murales de Mercin-et-Vaux, étude comparée (deuxième partie), Gallia 33 (1), 95-115. Barbet A. 2004: Les compositions de plafonds et de voûtes antiques. Essai de classification et de vocabulaire. Dans: AIPMA 2004, 27-36. Barbet A. 2008: La peinture murale en Gaule romaine, Paris. Barbet A. 2015: Le décor peint des maisons d’Aix-en-Provence. Dans: Nin N. (dir.), Aix antique, une cité en Gaule du Sud, catalogue d’exposition du Musée Granet à Aix-en-Provence, 6 décembre 2014-3 mai 2015, Milan, 178-197.


Les peintures murales romaines

Barbet A., Allonsius C., Bujard S., Dagand P., Groetembril S., Lefèvre F., Maleyre I. & Lemoigne L. 2012: Peintures de Périgueux. Edifice de la rue des Bouquets ou la domus de Vésone. V - Les peintures fragmentaires, Aquitania 28, 49-98. Barbet A., Davreu Y., Le Bot A. & Magnan D. 1977: Peintures murales romaines d’Alésia, l’hypocauste n° 1, Gallia 35, 173-199. Barbet A., Douaud R., Lanèpce V. & Ory F. 1997: Imitations d’opus sectile et décors à réseau. Essai de terminologie, CEPMR Bulletin de Liaison 12, Paris. Barbet A., Laurent P. & Lepert C. 2003: Escolives-Sainte-Camille (Yonne), étude d’un décor peint. Dans: AFPMA 2003, 55-67. Barbet A. & Savarit-Dubbick M.-O. 1983: Peinture murale romaine en Gironde, catalogue d’exposition, Bordeaux. Barbier G., Blanc N., Coulon G., Gury F. & Pichonnet M. 1999: La vannerie à l’époque galloromaine. Exposition, Sant-Marcel, Musée d’Argentomagus, 26 juin-28 nov. 1999, Argentomagus. Berthier G. 1980: Les peintures du temple de Genainville. Dans: AFPMA 1980, 127-134. Blanc N. & Nercessian A. 1992: La cuisine romaine, Grenoble. Boislève J. 2006: La villa de Mané-Véchen en Plouhinec (Morbihan), étude des peintures de la salle AB, CEPMR rapport interne, Soissons. Boislève J. 2012: La maison au Grand Péristyle à Aregenua (Vieux, Calvados), une relecture du programme décoratif peint et stuqué. Dans: Boislève J., Jardel K. & Tendron G. (dir.), Décor des édifices publics et religieux en Gaule durant l’Antiquité. Ier-IVe siècle. Peinture, mosaïque, stuc et décor architectonique. Actes du colloque de Caen. Service Archéologie, conseil général de Calvados, 7-8 avril 2011, Mémoire XLV, Caen, 135-153. Boislève J., Jardel K. & Tendron G. (dir.) 2012: Décor des édifices publics et religieux en Gaule durant l’Antiquité. Ier-IVe siècle. Peinture, mosaïque, stuc et décor architectonique. Actes du colloque de Caen. Service Archéologie, conseil général de Calvados, 7-8 avril 2011, Mémoire XLV, Caen. Boislève J. & Labaune-Jean F. 2011: Quelques peintures murales romaines et autres éléments décoratifs à Carhaix-Vorgium (Finistère), Arémorica 2010 (4), Brest, 125-137. Boislève J. & Provost A. 2011: Les stucs de la villa maritima de Mané-Véchen, anciennes découvertes et nouveaux décors. Dans: Balmelle C., Éristov H. & Monier F. (dir.), Décor et architecture en Gaule entre l’Antiquité et le haut Moyen Âge, Actes du colloque international, Université de Toulouse II-Le Mirail, 9-12 octobre 2008, Aquitania Supplément 20, Bordeaux, 539-552. Bouchard M. 2012: Peintures murales de la basilique de Tongres. Rapport analytique interne, Soissons. Bragantini I. & Sampaolo V. 2010: La pittura pompeiana, Milan. Cánovas Á. 2002: La decoración pictórica de la villa de El Ruedo (Almediilla, Córdoba), Arqueología Cordobesa 5, Cordoue. Carrion Masgrau I. 1995: L’enclos des Chartreux d’Aix-en-Provence (Bouches-du-Rhône). Domus I, état 3 et domus III, état 1. Dans: AFPMA 1995, 77-83. Coutelas A. 2006: Les couches de finition dans les supports de peintures murales en Gaule romaine, Les Dossiers d’Archéologie 318, 80-81. Coutelas A. 2007: Les mortiers de support des peintures murales de Gaule romaine: première synthèse. Dans: AIPMA 2007, 505-507 et pl. 45.

413


414

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Coutelas A. 2012: Les analyses réalisées: l’étude des mortiers de support des peintures murales. Dans: Schnitzler B. (dir.), Un art de l’illusion. Peintures murales romaines en Alsace, catalogue d’exposition, Strasbourg, 128-131. Coutelas A. 2014: L’analyse des mortiers de support des peintures murales de Metz-Divodurum. Dans: Heckenbenner D. & Mondy M. (dir.), Les décors peints et stuqués dans la cité des Médiomatriques, Ier-IIIe siècle p.C. I. Metz-Divodurum, Collection de l’AFPMA, Pictor 4, Bordeaux, 191198 et 235-241 (annexe 1). Coutelas A. (dir.), Büttner S., Oberlin Ch., Palazzo-Bertholon B., Prigent D. & Suméra F. 2009: Le mortier de chaux, Paris. Coutelas A. & Vauxion O. 2015 sous presse: Les enduits fragmentaires: leurs propriétés comme matériau de construction et leur remploi à Pompéi et en Gaule romaine. Dans: Carrive M. (éd.), Après la peinture en place: la deuxième vie des enduits peints, Actes des Journées d’études de Rome, 11-12 juin 2015. Croisille J.-M. 1995: L’art de la nature morte. Dans: Lavagne H., de Balanda E. & UribeEcheverria A. (dir.), Jeunesse de la Beauté. La peinture romaine antique, Paris, 60-66. De Caro S. 1999: Natures mortes de Pompéi, guide à l’exposition, Soprintendenza archeologica di Napoli e Caserta, Naples. Defente D. 1990: Représentations figurées de quelques sites en Picardie. Dans: AFPMA 1990, 41-73. Defente D. 1995: Découvertes récentes en Picardie. Nouveaux décors à Amiens et Soissons. Dans: AFPMA 1995, 147-157. De Franciscis A., Landlaw A., Schefold K. & Stocka V.-M. 1999: La peinture de Pompéi, Paris. Delamare F. 1987: Les pigments à base d’oxydes de fer et leur utilisation en peinture pariétale et murale. Dans: Delamare F. (éd.), Datation-caractérisation des peintures pariétales et murales, PACT 17, 333-344. Delplace Chr. 1985: Les peintures murales romaines d’Aubechies en Belgique. Dans: AFPMA 1985b, 79-100. Delplace Chr. 1991: Les peintures murales romaines de Belgique, Amphora 63. Deyts S. 1994: Différents types de sanctuaires en pierre, offrandes et ex-voto, principalement dans le nord-est de la France. Dans: Goudineau C., Fauduet I. & Coulon G. (dir.), Les sanctuaires de tradition indigène en Gaule romaine, Actes du Colloque d’Argentomagus, 8-10 oct. 1992, Paris, 153-159. Drack W. 1986: Römische Wandmalerei aus der Schweiz, Feldmeilen. Dubois Y. 2012: Relectures et nouveautés picturales en Suisse allemande: les enduits d’Oberweningen, Schleinikon et Oberbuchsiten. Dans: AFPMA 2012, 229-244. Dumas C. & Fürdös D. 2012: Priape entre invocation et superstition, Dossiers d’Archéologie, Hors Série n° 22, avril 2012, 36-41. Dumasy-Mathieu F. 1991: La villa du Liégeaud et ses peintures, Documents d’Archéologie Française 31, Paris. Elsen J. 2006: Microscopy of historic mortars, a review, Cement and Concrete Research 36, 1416-1424. Eristov H. & de Vaugiraud S. 1997: La cave gallo-romaine n°4 du 12 rue de l’Abbé de l’Epée: les décors muraux, Cahiers de la Rotonde 19, 17-45.


Les peintures murales romaines

Eristov H. & Groetembril S. 2006: Murs blancs en Gaule, entre économie et raffinement, Dossiers d’Archéologie 318, 58-61. Flécher J.-F. 2012: Le décor peint d’Arnouville-lès-Gonesse. Dans: AFPMA 2012, 195-206. Frizot M. 1975: Mortiers et enduits peints antiques, étude technique et archéologique, Centre de Recherches sur les Techniques Gréco-Romaines 4, Dijon. Froeliger N., Mondy M. & Thorel M. 2016: Les décors peints et stuqués des salles de réception 1 et 8-9 de la domus de la Fontainotte à Grand (Vosges). Dans: AFPMA 2016, 165-185. Fuchs M. 1989: Peintures romaines dans les collections suisses, CEPMR Bulletin de Liaison 9, Paris. Fuchs M. 1993: Ouvertures sur la peinture viticole de Baugy romain, Archäologie der Schweiz 16, 118-127. Fuchs M., Bujard S. & Broillet-Ramjoue E. 2004: Les peintures murales de la villa romaine de Meikirch. Dans: Suter P.-J. (éd.), Meikirch, Villa romana, Gräber und Kirche, Bern, 85-150. Fürdös D. 2010: Le polymorphisme de Priape. Les forms multiples d’un dieu, Mosaïque 3, mars 2010, 143-167. Gogräfe R. 1999: Die Römischen Wand- und Deckenmalereien im nördlichen Obergermanien, Archäologische Forschungen in der Pfalz 2, Neustadt. Gogräfe R. 2004: Flach- und Tonnendecken in der östlichen provincia Belgica und des nördlichen Germania superior. Dans: AIPMA 2004, 221-231. Grant M. & Mulas A. 1974: Eros à Pompéi, Rome. Groetembril S. 2007: Le couloir peint de Vichten. Dans: AIPMA 2007, 419-422. Groetembril S., Allonsius C. & Guilbaud C. 2005: Tongres, basilique Notre-Dame. Limbourg, Belgique. Rapport de fouille CEPMR, Soissons. Groetembril S., Laken L., Amadei-Kwifati B., Lemoigne L. & Vibert-Guigue C. 2006: Tongres, basilique Notre-Dame. Limbourg, Belgique. Rapport d’étude et de traitement des enduits peint. Ensembles I et II, Soissons. Grünewald M. & Vogt K. 2002: Römische Häuser in Worms, Grabungen an der Stiftskirche St. Paul in Worms IV. Dans: Gogräfe R. & Kell K. (eds), Haus und Siedlung in den römischen Nordwestprovinzen. Grabungsbefund, Architektur und Ausstattung. Internationales Symposium der Stadt Homburg vom 23. und 24. November 2000, Homburg-Saar, Forschungen im Römischen Schwarzenacker IV, Homburg, 165-176. Guidobaldi M.-P. & Esposito D. 2012: Herculanum, Paris. Henz K.-P. & Schumacher F.-J. 1998: Die Römischen Wandmalereien von Mechern, Saarbrücken. Jansen B., Schreiter Ch. & Zelle M. (coll. Daszkiewicz M., Riederer J., Riedl N. & Schneider G.) 2001: Die römischen Wandmalereien aus dem Stadtgebiet der Colonia Ulpia Traiana, Xantener Berichte 11, Mainz. Jardel K., Boislève J. & Tendron G. 2012: Aménagement et décor de la curie du forum d’Aregenua (Vieux, Calvados). Dans: Boislève J., Jardel K. & Tendron G. (dir.), Décor des édifices publics et religieux en Gaule durant l’Antiquité. Ier-IVe siècle. Peinture, mosaïque, stuc et décor architectonique. Actes du colloque de Caen. Service Archéologie, conseil général de Calvados, 7-8 avril 2011, Mémoire XLV, Caen, 91-109.

415


416

S. Groetembril, C. Allonsius, L. Lemoigne & J.-F. Lefèvre

Kapossy B. 1966: Römische Wandmalereien aus Münsingen und Hölstein, Acta Bernensia 4, Bern. Laken L. 2005: Fragmenten van beschilderd pleisterwerk. Dans: Tichelman G. (ed.), Het villacomplex Kerkrade-Holzkuil, ADC ArcheoProjecten Rapport 155, Amersfoort, 289-295. Laken L. 2010: Wall-paintings in Atuatuca Tungrorum: preliminary report on the plaster fragments from the Vrijthof in Tongeren (Belgium). Dans: AIPMA 2010, 865-869. Lefevre A. 2001: Les enduits peints du remblai du bâtiment 5. Dans: Kerébel H. (dir.), Corseul (Côtes-d’Armor), un quartier de la ville antique. Les fouilles de Monterfil II, Documents d’Archéologie Française 88, Paris, 67-68. Loustaud J.-P., Barbet A. & Monier F. 1993: Les peintures murales de la Maison des Nones de Mars à Limoges, Aquitania 11, 63-111. Mallet F., Besson C. & Allonsius C. 2011: Les enduits peints de deux villas en Ile-de-France. Dans: Balmelle C., Éristov H. & Monier F. (dir.), Décor et architecture en Gaule entre l’Antiquité et le haut Moyen Âge, Actes du colloque international, Université de Toulouse II-Le Mirail, 9-12 octobre 2008, Aquitania Supplément 20, Bordeaux, 161-170. Mitard P.-H. 1993: Le sanctuaire gallo-romain des Vaux-de-la-Celle à Genainville (Val-d’Oise), Bulletin Archéologique du Vexin Français 26, Guiry-en-Vexin. Mottequin B. & Marion J.-M. 2012: Carte géologique de Wallonie, Tongres-Herderen no 34/5-6, notice explicative, Namur. Nunes Pedroso R. & Groetembril S. 2007: Tongres, basilique Notre-Dame, Limbourg, Belgique. Rapport d’intervention. Déposes des enduits werkput 27, vlak 9, Soissons. Ospitali F., Bersandi D., Di Lonardo G. & Lottici P.P. 2008: ‘Green earths’: vibrational and elemental characterization of glauconites, celadonites and historical pigments, Journal of Raman Spectroscopy 39 (8), 1066-1073. Ramjoue E., Pulga S. & Rinuy A. 1995: Les peintures gallo-romaines de la domus de SaintAntoine à Genève: d’une observation à l’autre, Zeitschrift für Schweizerische Archäeologie und Kunstgeschichte 52, 173-190. Riffaud-Longuespe Ph. 1995: Un décor de plafond restitué à La Roquebrussanne. Dans: AFPMA 1995, 93-98. Roche-Bernard G. 1993: Costumes et textiles en Gaule romaine, Paris. Ruppiené V. 2015: Natursteinverkleidungen in den Bauten der Colonia Ulpia Traiana. Gesteinskundliche Analysen, Herkunftbestimmung und Rekonstruktion, Xantener Berichte. Grabung Forschung - Präsentation 28, Darmstadt, 179-183. sabrié r. & sabrié m. 1995: Peintures romaines de Narbonne, catalogue d’exposition, Narbonne. Sabrié M. & Sabrié R. 1998: Les peintures murales de la Villa Roma à Nîmes, Revue Archéologique de Narbonnaise 31 (1), 13-71. sabrie m. & sabrié r. 2011: La maison au Grand Triclinium du Clos de la Lombarde à Narbonne, Archéologie et Histoire Romaine 19. sabrie m., sabrié r. & solier y. 1987: La maison à Portiques du Clos de la Lombarde à Narbonne et sa décoration murale (Fouilles 1975-1983), Revue Archéologique de Narbonnaise, Supplément 16, Paris. Schleiermacher M. 1985: Die römischen Deken-malereien aus Eschzell, Germania 63 (2), 507-519. Sestier Ph. 1990: Bêtes et marbres de Vendeuil-Caply (Oise). Dans: AFPMA 1990, 75-82.


Les peintures murales romaines

Squevin B. 1994: Les armes miniatures des centres cultuels de Baalons-Bouvelmont. Dans: Goudineau C., Fauduet I. & Coulon G. (dir.), Les sanctuaires de tradition indigène en Gaule romaine, Actes du Colloque d’Argentomagus, 8-10 oct. 1992, Paris, 138-142. Suter P.-J. 2004: Meikirch, Villa romana, Gräber und Kirche, Bern (version française tirée du CD-rom). Swinkels L.J.F. 1987: A gladiatorum munus depicted in a Roman villa at Maasbracht. Dans: Bögli H. & Fuchs M. (dir.), Pictores per Provincias, Actes du 3e colloque international sur la peinture murale romaine, Avenches, 28-31 août 1986, Cahiers d’Archéologie Romande-Série Aventicum 43, Avenches, 191-195. Swinkels L.J.F. & Moormann E.M. 1980: Wall-Painting Fragments from a Roman Villa at Vlengendaal (Bocholtz), Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 30, 347-365. Tessariol M. & Coutelas A. 2013: Apport des analyses archéométriques de peintures murales romaines: quelques exemples récents. Dans: AFPMA 2013, 461-470. tessariol m. & groetembril s. 2012: Strasbourg, rue de la Haute Montée. Dans: Schnitzler B. (dir.), Un art de l’illusion. Peintures murales romaines en Alsace, Strasbourg, 114-126. Thomas E. 1964: Römische Villen in Pannonien, Budapest. Thomas R. 1983: Neue Uberlegungen zur romischen Wandmalerei von Koln. Dans: Barbet A. (éd.), La peinture murale romaine dans les provinces de l’Empire. Journées d’étude de Paris 23-25 septembre 1982, British Archaeological Reports. International Series 165, Oxford, 77-111. Thomas R. 1984: Allemagne, Autriche, Hongrie, Dans: La peinture romaine, Histoire et Archéologie. Les dossiers 89, 45-53. Thomas R. 1987: Une frise iliaque à Cologne. Dans: AFPMA 1987, 47-51. Thomas R. 1989-1990: Neue römische Malerei in Köln, Römisch-Germanisches Museum Köln, Köln, 10-11, fig. 12-13. Thomas R. 1993: Römische wandmalerei in Köln, Kölner Forschungen 6, Mayence. Thomas R. 1995: Die Dekorationssysteme der römischen Wandmalerei von augusteischer bis in trajanische Zeit, Mayence. Thomas R. 2004: Römische wohnhäuser und ihre wandmalereien an der breite strasse in Köln, Kölner Jahrbuch 37, 569-698. Thorel M., Coutelas A. & Mondy M. (coll. Boulanger K.) 2014: Îlot Turmel. Dans: Heckenbenner D. & Mondy M. (dir.), Les décors peints et stuqués dans la cité des Médiomatriques, Ier-IIIe siècle p.C./I. Metz-Divodurum, Collection de l’AFPMA, Pictor 4, Bordeaux, 149-156. vanderhoeven a. sous presse: Stenen fragmenten van interieurdecoraties. Dans: Vanderhoeven A. & Ervynck A. (red.), Het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek van de O.L.V.basiliek van Tongeren (1997-2013). Deel 4: De laat-Romeinse en vroegmiddeleeuwse periode, Relicta Monografieën 14, Brussel. schindler r. 1980: Führer durch das Landesmuseum Trier, Trèves. Zimmermann N. & Ladstätter S. 2010: Wandmalerei in Ephesos von hellenistischer bis in byzantinische Zeit, Vienne.

417


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook