Advies Voorontwerp BVR over het lokaal beleid buitenschoolse opvang en activiteiten Brussel, 25 september 2020
Vlaamse Raad voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Wetstraat 34-36, 1040 Brussel T +32 2 209 01 11 info@vlaamseraadwvg.be www.vlaamseraadwvg.be
Voorontwerp BVR over het lokaal beleid buitenschoolse opvang en activiteiten
Adviesvraag: Voorontwerp BVR over het lokaal beleid buitenschoolse opvang en activiteiten en over de overgangsbepalingen Adviesvrager: Wouter Beke - Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding Ontvangst adviesvraag: 17 juli 2020 Adviestermijn: tot 30 september 2020 Decretale opdracht: adviesfunctie Goedkeuring kamer: Sectorale kamer Gezin en Jongerenwelzijn - 25 september 2020 – bij consensus Contactpersoon: Annemie Nys – anys@serv.be Barbara Krekels – bkrekels@serv.be
2
Voorontwerp BVR over het lokaal beleid buitenschoolse opvang en activiteiten
Inhoud Inhoud .................................................................................................................................. 3 Advies .................................................................................................................................. 4 1
Algemene beschouwingen .................................................................................... 4
2
Artikelsgewijze bespreking ................................................................................... 5
2.1
Regie, samenwerking en kwaliteit ........................................................................ 5
2.2
Subsidie en overgangsmaatregelen ..................................................................... 6
3
Voorontwerp BVR over het lokaal beleid buitenschoolse opvang en activiteiten
Advies Met het voorliggende besluit geeft de Vlaamse regering uitvoering aan het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten (hierna: het decreet). Het decreet zet aan tot het realiseren van een geïntegreerd aanbod van buitenschoolse activiteiten voor kinderen en legt de verantwoordelijkheid voor de organisatie en afstemming bij de lokale besturen. Dat gebeurt binnen het kader van Vlaamse beleidsprioriteiten. Het lokaal bestuur voert de regie en krijgt daarvoor, via het Vlaams Gemeentefonds, middelen op basis van algemene parameters. Een lokaal samenwerkingsverband zal het lokaal bestuur adviseren, gezamenlijke operationele doelstellingen ontwikkelen en operationele acties coördineren, binnen de beschikbare middelen. In dit besluit worden de Vlaamse beleidsprioriteiten voor buitenschoolse activiteiten beschreven en ook de nadere regels voor de organisatie van het lokaal samenwerkingsverband bepaald en een eerste deel van de overgangsbepalingen. Het is de bedoeling om via een toekomstig besluit, tegen uiterlijk 1 januari 2022, verder uitvoering te geven aan de overgangsbepalingen en de decretaal bepaalde subsidie nader te regelen.
1
Algemene beschouwingen
Een kwalitatieve buitenschoolse opvang vereist lokaal maatwerk en samenwerking tussen én met lokaal georganiseerde actoren. De Vlaamse Raad WVG (hierna: de raad) is dan ook tevreden dat er verdere uitvoering wordt gegeven aan de organisatie van buitenschoolse opvang en afstemming tussen buitenschoolse activiteiten. Dit besluit biedt onvoldoende duidelijkheid omdat er nog te veel onbekenden overeind blijven naar inzetbare financiële middelen en regelgeving. Een goede beoordeling van dit besluit is dan ook voorbarig. De raad dringt er sterk op aan dat deze onduidelijkheden de volgende maanden worden weggewerkt om een goede uitrol van dit besluit mogelijk te maken. Er worden met het decreet veel verantwoordelijkheden aan de lokale besturen toevertrouwd om een aanbod te ontwikkelen dat in voldoende mate beschikbaar, bereikbaar, bruikbaar, betaalbaar en betrouwbaar (of kwaliteitsvol) is. De raad dringt aan op inhoudelijke en financiële verduidelijking over hoe dit aanbod dient gerealiseerd te worden. Het is voor de raad belangrijk om eerst op Vlaams niveau het inspiratiekader te ontwikkelen zodat de lokale besturen houvast hebben over welke buitenschoolse opvang we wensen voor onze kinderen en hun gezinnen en over de kwaliteit die we van deze opvang verwachten. Uiteraard moet er ook duidelijkheid over de financiële middelen volgen die deze verantwoordelijkheden moeten ondersteunen. Momenteel is het onduidelijk welk bedrag een lokaal bestuur op basis van de parameters en indicatoren opgenomen in het decreet, maar ook in de overgangsfase, kan of zal krijgen. Naast duidelijkheid over deze subsidiebedragen, dringt de raad aan om snel een overzicht van de huidige toegekende middelen aan organisatoren te krijgen. Ook voor de organisatoren in de buitenschoolse opvang is er veel onzekerheid. Het lokaal bestuur ontwikkelt een lokaal beleid en beslist over de besteding en verdeling van de beschikbare middelen, maar voor de actoren is het momenteel niet duidelijk in welke mate hun dienstverlening zal kunnen worden gecontinueerd. Zo zijn het aantal kinderen met specifieke zorgbehoeften en het aantal kinderen uit kwetsbare gezinnen bijvoorbeeld opgenomen als criteria voor de subsidie 4
Voorontwerp BVR over het lokaal beleid buitenschoolse opvang en activiteiten
die de lokale besturen zullen ontvangen. Wat dit betekent voor de subsidie die naar de voorzieningen stroomt die de zorg en pedagogische ondersteuning van deze kinderen (en hun gezin) opnemen, is tot op heden echter onduidelijk. Daarnaast verwachten we, in het nog te ontwikkelen inspiratiekader, concrete mogelijkheden over hoe het neutraliteitsprincipe kan geborgen worden, door het lokaal bestuur en door de lokale actor die het samenwerkingsverband trekt. Tot slot is er in de toelichting bij het decreet duidelijk sprake van de nood aan voldoende financiële middelen en een duidelijk groeipad om een kwalitatieve buitenschoolse opvang te verzekeren. De raad roept de Vlaamse Regering op om hiervoor voldoende middelen vrij te maken en het broodnodige groeipad spoedig op te stellen. De ambities van het decreet kunnen enkel gerealiseerd worden met voldoende financiële steun vanuit Vlaanderen. De raad apprecieert de financiële inspanning vanuit het beleidsdomein WVG, maar meent dat ook vanuit Onderwijs, Cultuur, Jeugd en Sport duidelijkheid moet zijn over hun inbreng van middelen. In wat volgt, worden er artikelsgewijs een aantal opmerkingen opgelijst.
2
Artikelsgewijze bespreking
2.1
Regie, samenwerking en kwaliteit
Artikel 2 Art. 2. verduidelijkt de Vlaamse beleidsprioriteiten inzake buitenschoolse activiteiten. Een van deze prioriteiten is het vervullen van de regierol, zoals vermeld in artikel 4 tot en met 6 van het decreet, in functie van het geïntegreerde aanbod van buitenschoolse opvang en activiteiten, en het organiseren van de samenwerking, vermeld in artikel 7 tot en met 9 van hetzelfde decreet. Art. 4§1 van het decreet stelt dat het lokaal bestuur zijn regierol opneemt en hiertoe een lokaal beleid ontwikkelt dat rekening houdt met volgende doelstellingen: 1° kinderen ontplooiingskansen en speelmogelijkheden aanbieden buiten de schooluren en buiten de middagopvang op school; 2° ouders de kans geven om te participeren aan de arbeidsmarkt of om een opleiding te volgen; 3° sociale cohesie en gelijke kansen bevorderen. De raad is tevreden dat het besluit zich inschrijft in deze drie doelstellingen en ziet deze graag herhaald in het besluit zelf. De raad meent bovendien dat een evenwichtige realisatie van de drie doestellingen noodzakelijk is om kwaliteit te garanderen. De raad vindt het daarom belangrijk om garanties te krijgen dat de drie doelstellingen gelijkwaardig worden behandeld zodat de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van de buitenschoolse opvang niet in het gedrang komt door de prioritering van één van de drie doelstellingen.
Artikel 3 Het besluit beschrijft in artikel 3 wat er moet gebeuren wanneer het lokaal bestuur de organisatie van het samenwerkingsverband niet op zich neemt. De raad mist in het besluit bepalingen over de organisatie van het samenwerkingsverband door het lokaal bestuur zelf. Meer duidelijkheid hieromtrent zou heel wat onzekerheid bij de actoren in de buitenschoolse opvang opvangen. Het
5
Voorontwerp BVR over het lokaal beleid buitenschoolse opvang en activiteiten
is voor de raad bovendien niet duidelijk wie als relevante lokale actor wordt beschouwd, of wat de gevolgen zijn indien geen enkele relevante actor initiatief neemt om een lokaal samenwerkingsverband op te zetten. Zowel in het decreet, maar ook nu in het besluit ontbreekt bovendien een ondersteunende en bemiddelende rol van de Vlaamse overheid bij de opstart van een samenwerkingsverband. Met het oog op de verdere uitbouw van een kwaliteitsvol beleid, vraagt de raad om in gesprek te gaan met de lokale besturen over welke relevante en bijkomende rapporteringen kunnen worden opgezet om de evolutie van de buitenschoolse kinderopvang binnen een lokaal bestuur op te volgen. De raad meent dat dit toelaat te leren uit eigen initiatieven en ervaringen, maar gemeenten ook aanzet om te benchmarken met andere gemeenten en te leren uit hun initiatieven en ervaringen.
Artikel 4 De neutraliteit van het lokaal samenwerkingsverband is een belangrijk principe. Het besluit biedt momenteel enkel een bevestiging dat de neutraliteit bewaakt moet worden, maar mist concrete mogelijkheden over hoe het neutraliteitsprincipe kan geborgen worden. Het is aan te raden om een neutraal, transparant en rechtvaardig financieringssysteem uit te bouwen dat alle overheidsmiddelen – Vlaams/provinciaal/gemeentelijk – lokaal in kaart brengt. De voorwaarden van zulk gelijk speelveld zitten verankerd in de EU-regels m.b.t. de diensten van algemeen economisch belang (DAEB) en staatssteun. De raad wil verduidelijking welke regelgeving – de DAEB-regels of een andere regelgeving – van toepassing is bij de toekenning van de subsidies door de lokale besturen aan lokale actoren. Art. 4 van het besluit stelt dat het lokaal bestuur en de organisator van het lokaal samenwerkingsverband moeten voorzien in een procedure om klachten over de schending van de neutraliteit in te dienen en te behandelen. De raad is tevreden dat dit opgenomen is in het besluit, maar meent dat er naast de bestaande klachtenprocedure in het ‘Decreet Lokaal Bestuur’ en het administratief toezicht op de lokale besturen, heel wat conflicten bij voorkeur in een bemiddelingstraject worden opgelost. De raad stelt daarom voor om binnen het Agentschap Opgroeien werk te maken van een bemiddelingscommissie en ombudsfunctie over dit decreet.
6
Voorontwerp BVR over het lokaal beleid buitenschoolse opvang en activiteiten
2.2
Subsidie en overgangsmaatregelen
Artikel 5 Art. 5 voorziet in het uitstel van het in gang treden van de overgangstermijn naar 1 januari 2022 (i.p.v. 1 januari 2021). Het is voor de raad onduidelijk waarom een aanvraag tot inkorting van de overgangstermijn (zoals vermeld in art.17, tweede lid van het decreet) enkel kan als elke organisator hiermee akkoord gaat. De raad pleit voor een gefaseerde opstart waarbij de mogelijkheid geboden wordt dat de organisator die wil overstappen, dit ook kan, zonder dat de andere organisatoren hiertoe verplicht worden. Hiertoe is duidelijke informatie over subsidiestromen van groot belang zodat individuele organisatoren de gevolgen van een individuele overstap correct kunnen inschatten. Organisatoren moeten weten wat hun rechten zijn en wat de voorwaarden zijn omtrent het behoud van subsidies tot het einde van de overgangsperiode en het eventueel vroeger evolueren naar financiering vanuit het lokaal bestuur. Een duidelijk tijdspad en inspiratiekader dient de onduidelijkheid die er momenteel bestaat rond de overgangsperiode op te vangen voor zowel de lokale besturen als de organisatoren. De raad dringt er op aan dat een spoedig vervolgbesluit duidelijkheid verschaft. Hij pleit ervoor dat dit grondig gebeurt en dat er rekening wordt gehouden met de diverse subsidiekanalen, statuten en organisatievormen, zodat geen enkele actor uit de boot valt.
Artikel 6 Artikel 6 omschrijft hoe het Agentschap Opgroeien de middelen zal verdelen in de gemeentes in Vlaanderen en Brussel. Het is evident dat de lokale besturen kennis nodig hebben van subsidiebedragen om hun beleid te kunnen uittekenen. We dringen erop aan dat de Vlaamse overheid hier snel duidelijkheid over schept. De raad is tevreden dat de indicator “kwetsbare gezinnen” wordt opgenomen en wordt omschreven, maar vraagt ook dat er snel een duidelijkere invulling aan de indicator “kinderen met een specifieke zorgbehoefte” wordt gegeven. Het is voor de raad bovendien niet duidelijk op basis van welke informatie of wetenschappelijke evidentie de percentages, aantallen en bedragen gekozen zijn. De raad vraagt om de rationale achter deze keuzes mee te geven/te verduidelijken. Tot slot meent de raad dat er voor het voeren van een lange termijn beleid - naast duidelijkheid over de subsidiestromen en voorwaarden - ook inzicht nodig is in de rangschikking van steden en gemeentes om te weten of én wanneer ze voor middelen in aanmerking komen.
7