Jaarrapport
De biologische landbouw in 2011 Vincent Samborski en Luc Van Bellegem Vlaamse overheid | Beleidsdomein Landbouw en Visserij
DE BIOLOGISCHE LANDBOUW IN 2011
Entiteit: Departement Landbouw en Visserij Afdeling: Monitoring en Studie Auteurs: Vincent Samborski (Departement Landbouw en Visserij), Luc Van Bellegem (VLAM) 2012
COLOFON Samenstelling Entiteit: Departement Landbouw en Visserij Afdeling Monitoring en Studie Verantwoordelijke uitgever Jules Van Liefferinge, Secretaris-Generaal van het Beleidsdomein Landbouw en Visserij Depotnummer D/2012/3241/081 Druk Vlaamse overheid Voor bijkomende exemplaren neemt u contact op met Nancy Van Accolyen Koning Albert II-laan 35 bus 40 1030 Brussel Tel. 02 552 78 20 | Fax 02 552 78 21 | ams@vlaanderen.be Een digitale versie vindt u terug op www.vlaanderen.be/landbouw/studies
Vermenigvuldiging en/of overname van gegevens zijn toegestaan mits de bron expliciet vermeld wordt: Samborski V. & Van Bellegem L. (2012) De biologische landbouw in 2011, Departement Landbouw en Visserij, Brussel. Graag vernemen we het als u naar dit rapport verwijst in een publicatie. Als u een exemplaar ervan opstuurt, nemen we het op in onze bibliotheek. Wij doen ons best om alle informatie, webpagina's en downloadbare documenten voor iedereen maximaal toegankelijk te maken. Indien u echter toch problemen ondervindt om bepaalde gegevens te raadplegen, willen wij u hierbij graag helpen. U kunt steeds contact met ons opnemen.
Wilt u op de hoogte gehouden worden van onze nieuwste publicaties, schrijf u dan in op de AMS-nieuwsflash via de onderstaande link: http://www.vlaanderen.be/landbouw/studies/nieuwsflash
INHOUD VOORWOORD............................................................................................................................................. 1 SAMENVATTING ......................................................................................................................................... 2 INLEIDING ................................................................................................................................................. 3 1. DE BIOLOGISCHE LANDBOUW IN EUROPA IN 2010 .................................................................................... 4 1
STAND VAN ZAKEN IN DE EU-27 ...................................................................................................... 4
2
NEDERLAND ................................................................................................................................... 6
3
FRANKRIJK .................................................................................................................................... 7
4
VERENIGD KONINKRIJK................................................................................................................... 8
5
DUITSLAND ................................................................................................................................... 9
2. DE BIOLOGISCHE PRODUCTIE IN VLAANDEREN IN 2011 .......................................................................... 10 1
KERNCIJFERS PRODUCENTEN......................................................................................................... 10
2
KERNCIJFERS AREALEN ................................................................................................................. 13
3
DIERLIJKE PRODUCTIE .................................................................................................................. 14
4
ANDERE MARKTDEELNEMERS ONDER CONTROLE ............................................................................. 15
5
TYPOLOGIE VAN DE BIOLOGISCHE LANDBOUWBEDRIJVEN ................................................................ 16 5.1
Definities en methodologie ................................................................................................... 16
5.2
Resultaat ........................................................................................................................... 16
3. EVOLUTIE VAN DE PRIJZEN .................................................................................................................. 18 1
MELK........................................................................................................................................... 18
2
GROENTEN EN FRUIT .................................................................................................................... 18 2.1
Witloof............................................................................................................................... 19
2.2
Prei ................................................................................................................................... 19
2.3
Wortelen ............................................................................................................................ 20
2.4
Fruit .................................................................................................................................. 21
4. OVERHEIDSUITGAVEN VOOR DE BIOLOGISCHE LANDBOUWSECTOR 2011 ................................................. 22 1
SAMENVATTING............................................................................................................................ 22
2
ONDERZOEK ................................................................................................................................ 23
3
HECTARESTEUN VOOR BIOLANDBOUWERS ...................................................................................... 26
4
3.1
Eigenschappen ................................................................................................................... 26
3.2
Cijfers 2011 ....................................................................................................................... 26
RECHTSTREEKSE STEUN................................................................................................................ 28
5. CONSUMPTIE EN DISTRIBUTIE VAN BIOLOGISCHE PRODUCTEN IN 2011 ................................................... 29 1
MARKTOMVANG ............................................................................................................................ 29
2
CONSUMENTENPROFIEL ................................................................................................................ 31
3
DISTRIBUTIEKANALEN .................................................................................................................. 34
4
PRIJZEN ...................................................................................................................................... 34
6. CONTROLES IN DE BIOLOGISCHE LANDBOUW ........................................................................................ 36
1
CONTROLE ................................................................................................................................... 36
2
IMPORT ....................................................................................................................................... 37
FIGURENLIJST.......................................................................................................................................... 38 TABELLENLIJST ........................................................................................................................................ 39 BRONNENLIJST ........................................................................................................................................ 40 BIJLAGE: BIOLOGISCHE AREALEN PER TEELT IN 2011 .................................................................................. 42
VOORWOORD De publicatie kwam tot stand met medewerking van Marcel De Jong (ADLO), Vanessa Deraedt (ADLO), Jan Maes (ADLO), Sofie Hoste (Boerenbond – Bio Zoekt Boer), Katleen Butaye (ALV), Lieve De Cock (ILVO), Paul Verbeke (BioForum Vlaanderen), Dirk Van Gijseghem (AMS), Jonathan Platteau (AMS) en Andy Oeyen (AMS).
1
SAMENVATTING In 2011 waren er in Vlaanderen 282 biologische producenten actief. Dat zijn er netto 26 meer dan in 2010. Het aantal effectieve stopzettingen bleef beperkt tot twee bedrijven. Sinds het begin van Bio Zoekt Boer kregen 347 producenten advies. In 2011 schakelden 30 producenten om na een bezoek van Bio Zoekt Boer. Eén derde van hen zijn groentetelers. Het areaal steeg met 19% en bedraagt heden 4.563 hectare. Daarvan is 1354 hectare in omschakeling. De groei van het areaal heeft vooral betrekking op grasland (+44%). Het groenteareaal nam toe met +31%. Daartegenover nam het areaal akkerbouwgewassen af met -14% en het areaal fruit met -4%. 45% van de biolandbouwers hebben samen 10% of 450 hectare in handen. 33% van het areaal is in handen van 9 grote bedrijven. Door het beperkt aantal aanbieders op de markt blijven de prijzen een stabiel verloop kennen. De biologische melk bleef in 2011 schommelen tussen 35 en 40 euro voor 100 liter. De witloofprijs klom in 2011 even tot 3 euro per kg, de hoogste waarde sinds het begin van de metingen eind 2007. De overheid besteedde 3,1 miljoen aan de biologische landbouwsector. Dat is 6% meer als vorig jaar. De uitbetalingen van de hectaresteun namen met 28% toe tot 900.000 euro. Het aantal toegenomen steunaanvragers had een stijging in de betalingen van de omschakelingspremie tot gevolg. Daardoor bedraagt het aandeel van de uitgaven ten behoeve van producenten 37,5% van de totale uitgaven. De uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling bedroegen 785.000 euro en stegen met 19% ten opzichte van 2010. Drie vierde van die uitgaven gaan naar onderzoek in de verbetering van de bodemkwaliteit en diverse aspecten binnen de plantaardige productie (onkruidbestrijding, gewasbescherming, veredeling). 14% gaat naar onderzoek in de dierlijke sectoren (huisvesting, dierziekten) en 10% gaat naar de aspecten innovatie en bedrijfsbeheer. De totale bestedingen van biologische producten in België, opgemeten door GfK Panelservices Benelux in opdracht van VLAM, bedroegen 435 miljoen euro in 2011 of een toename van 3% (+20% in 2010). 89% van de Belgische gezinnen kocht vorig jaar een bioproduct. 18% van de gezinnen zijn frequente biokopers en verrichten 77% van alle biobestedingen. Het marktaandeel bio bedraagt 1,4% (voeding+ niet-voeding). Het aandeel van ‘speciaalzaak, natuurvoedingswinkel en overige groeide de voorbije jaren maar lijkt nu te stabiliseren rond de 30%. De klassieke supermarkt blijft het grootste kanaal met 47% en won, na een dip in 2010, vorig jaar terug marktaandeel. De kleinere kanalen zoals hard discount en de rechtstreekse verkoop groeiden vorig jaar en hebben elk zo’n 5% van de bioverkoop in handen. Biologische producten zijn gemiddeld een derde duurder dan gangbare producten. De recentste cijfers met betrekking tot de Europese landen hebben betrekking op 2010. In de EU-27 groeide het biologisch areaal verder met +7% en bedroeg 9,2 miljoen hectares. Hiermee is 5,3% van het totaal landbouwareaal van de 27 lidstaten biologisch. Er zijn twee duidelijk te onderscheiden blokken: de West- en Zuid-Europese landen die op enkele uitzonderingen na, een afremming van de groei kennen en de OostEuropese landen die later toegetreden zijn en nog volop omschakelen. Vlaanderen zit met een aandeel van 30% areaal in omschakeling in het totaal biologisch areaal nog steeds bij de groep groeiers. In Nederland bewandelt de overheid het pad van de verzelfstandiging en bouwt haar financiële steun af. De sector is sterk genoeg om zelf haar toekomstige ontwikkeling in handen te nemen met behulp van de organisatie BioNext klinkt het. De consumentenbestedingen namen er toe met 13% in 2010. In Frankrijk groeit bio opnieuw heel sterk met een omzetgroei van 32% en een areaaltoename van 25%. 53% van de producenten doen er ook aan hoeveverkoop. Het Verenigd Koninkrijk kende voor de tweede keer op rij een daling van zowel areaal als bestedingen door een desinteresse vanuit de overheid voor de biologische landbouw en door de economische crisis. Duitsland kent een stagnatie in de consumentenbestedingen en een stijging van het areaal met 4%. De financiering voor de sector verschuift er van producent naar de keten.
2
INLEIDING Dit zevende jaarrapport heeft als doel een kwantitatief beeld te geven van de biologische landbouw in Vlaanderen en de trends en evoluties binnen de biologische sector. Het rapport situeert de Vlaamse biolandbouw in Europese context, geeft een structureel beeld aan de hand van cijfers en geeft aan hoeveel specifieke steun de sector jaarlijks ontvangt. Het rapport wordt aangevuld met resultaten van het GfK consumentenpanel, die door de VLAM aangereikt worden. Daaruit blijkt hoeveel de consument uitgeeft aan biologische producten, via welke distributiekanalen de producten aangekocht worden en naar welke producten er vraag is. Het rapport kan gebruikt worden om de impact van het Strategisch Plan biologische landbouw 2008-2012 op te volgen.
3
1. DE BIOLOGISCHE LANDBOUW IN EUROPA IN 2010 1 STAND VAN ZAKEN IN DE EU-27 De recentste cijfers hebben betrekking op het jaar 2010. In 2010 kende het Europees biologisch areaal (EU27) een groei met +7% (+8% in 2009) en bedroeg 9,2 miljoen hectare. Dat is een gelijkaardige groei als in 2009. Op basis van 20 landen waarvoor Eurostat-gegevens beschikbaar zijn, stelt men vast dat het areaal in omschakeling en het biologisch areaal blijven toenemen, wat aantoont dat de biosector zal blijven groeien. Het Verenigd Koninkrijk en de Zuid-Europese landen kenden daarentegen een stabilisatie en zelfs daling van hun areaal (bv. Griekenland en Portugal). Het Europees areaal in omschakeling neemt toe met 7% en het Europees biologisch areaal met 15%. Het Europese aandeel bio voor de 27 lidstaten lag in 2010 op 5,31% van de totale oppervlakte cultuurgrond (4,71% in 2009). Spanje komt in absolute cijfers op de eerste plaats met 1,67 miljoen hectare biologisch areaal. 53% of 879.859 hectare van dit areaal ligt geconcentreerd in AndalusiĂŤ waar schapen gehouden worden. Het areaal onder controle betreft vooral grasland, bos en voedergewassen. ItaliĂŤ komt op de tweede plaats, met 1,11 miljoen hectare maar bleef op eenzelfde niveau als het jaar ervoor. Het Verenigd Koninkrijk is het enige EU-land waar bio al 2 jaar op rij achteruitgaat, zowel op het vlak van productie als van consumptie. De grootste areaaldaling is voor Hongarije (-9%) en de grootste areaalstijgingen zijn voor Bulgarije (+108%) en Polen (+42%). Figuur 1: biologisch areaal (oms+bio) in de EU27, in hectares (aflezen op linker-as) en procentueel aandeel biologisch areaal in totaal landbouwareaal (aflezen op rechter-as), 2005-2010 1 800 000
18%
1 600 000
16%
1 400 000
14%
1 200 000
12%
1 000 000
10%
800 000
8%
600 000
6%
400 000
4%
200 000
2%
0
0%
2005
2006
2007
2008
2009
2010
aandeel 2010
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van gegevens FiBL
4
Om een verdere productiegroei of -afname in te schatten, is het van belang om een groei van het areaal in omschakeling te behouden (Figuur 2). Dit zijn immers arealen die potentieel in aanmerking komen voor biologische productie. Hoe hoger het aandeel areaal in omschakeling in het totale biologische areaal, hoe groter de kans dat het areaal verder zal groeien in de volgende jaren. Polen, Roemenië en Bulgarije hebben aandelen van 40% a 50% omschakelingsareaal en kunnen voor volgende jaren als de grootste groeiers gezien worden. Dat is geen verrassing, want deze landen traden veel later toe tot de EU en zijn nu bezig aan een inhaalmanoeuvre. Slovakije, Estland, Spanje, Frankrijk en België bezitten aandelen boven de 30%. Het aandeel van Vlaanderen is 30%. In België en Vlaanderen is de areaalgroei dus nog steeds aan de orde. Landen met aandelen areaal in omschakeling met minder dan 10% hebben minder kans om nog verder te groeien. Nederland (4,8%), het Verenigd Koninkrijk (6,6%) en Griekenland (5,5%) horen in deze groep thuis. Figuur 2: evolutie van het aandeel areaal in omschakeling in het totale biologische areaal voor enkele lidstaten, 2005-2010, in % 80%
70%
60%
50%
40%
30%
20%
10%
0%
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van gegevens van FiBL
Oostenrijk is nog steeds koploper voor wat het aandeel bio-areaal in het totaal landbouwareaal betreft met 17%. Daarna volgen Zweden (14%), Tsjechië (12,7%), Estland (12,5%) en Griekenland (9,5%), allemaal landen met veel extensieve bedrijven. Vlaanderen bengelt onderaan met 0,7 %. De gemiddelde bedrijfsgrootte van het biologisch bedrijf in de EU27 nam toe naar 41,1 hectare. Er zitten enkele uitschieters tussen zoals Slowakije (400,8 hectare per bedrijf), Tsjechië (150 hectare per bedrijf) en het Verenigd Koninkrijk (121 hectare per bedrijf). Het gemiddeld Belgisch biobedrijf is 41,6 hectare maar er is een groot verschil tussen Vlaanderen en Wallonië. In Vlaanderen bedraagt de gemiddelde grootte 14,9 hectare en in Wallonië 50,8 hectare. Dat verschil is historisch, aangezien de landbouw in Wallonië extensief is en vooral grasland omgeschakeld wordt, terwijl in Vlaanderen vooral tuinbouwbedrijven omschakelen.
5
2 NEDERLAND Onze noorderburen trekken de kaart van de verzelfstandiging in de sector. De overheid bouwt haar financiële steun af en moedigt alle actoren aan om via een convenant samen te werken om de markt te laten spelen. De sector bevindt zich in een volgende levensfase waarbij alle nodige structuren beschikbaar zijn om een autonome werking mogelijk te maken. Ook de organisatiestructuren zijn gewijzigd. Platform Biologica is opgegaan in Bionext. Bionext is een ketenorganisatie die zich beroept op de bedrijfswereld en niet meer afhankelijk is van overheidssubsidiëring. Bionext zorgt voor een verdere marktgroei die zo min mogelijk afhangt van buitenlandse productie. De organisatie ontwikkelt ook de verdere regelgeving voor grijze zones op de weg naar innovatie en duurzaamheid zoals CO2 uitstoot, fair-trade, water enz. Ook de coördinatie van de vraaggestuurde kennisontwikkeling behoort tot het takenpakket van Bionext. Het zijn de producenten die de onderzoeksnoden aangeven, waarna ze besproken worden in expertengroepen en doorstroming vinden binnen de verschillende kennisinstellingen zoals Louis Bolk en Wageningen UR. De overheid blijft participeren op het vlak van onderzoek In 2010 nam het aantal producenten met 3,5% toe en bedroeg 1.462 bedrijven, die samen een biologisch areaal bewerkten van 53.948 hectare (+3,9% t.o.v. 2009). 63% daarvan was grasland. Op 6.809 hectare worden aardappelen, groenten en fruit geteeld. De biosector in Nederland zag ook een toename van het aantal verwerkende bedrijven met 13,8%; dat zijn in totaal 1.529 bedrijven. De totale besteding aan biologisch voedsel nam toe met 13,1% en bedroeg 752 miljoen euro. Dat is 1,7% van de totale voedselbesteding in Nederland. De omzet uit biologische zuivelproducten bedroeg 160,5 miljoen euro (+28% t.o.v. 2009). Melk (+39%) en room (+34%) namen de grootste omzetstijgingen voor hun rekening. Ook de vleesproducten zaten in de lift met 11%, maar de groei geldt niet voor alle vleessoorten. De omzet uit varkensvlees daalde met 5,2%, terwijl vers rundvlees met 13% toenam. Tabel 1: omzet bio per productcategorie, Nederland, 2009-2010 Productcategorie
Omzet 2009(miljoen euro)
Omzet 2010 (miljoen euro
Evolutie 20092010
aardappelen
27,7
30,1
8,70%
groenten
91,2
99,2
8,80%
fruit
23,8
26,6
11,80%
vlees en vleeswaren
88,7
98,5
11%
waarvan varkensvlees
13,4
12,7
-5,20%
rundvlees
35,7
40,4
13,20%
pluimveevlees
14,6
15,3
4,80%
vleeswaren
19,5
24,9
27,70%
5,5
5,2
-5,50%
125,2
160,5
28,20%
eieren
18,8
22,2
18,1%
vers brood
55,6
59,1
6,30%
overige voeding
234,1
255,9
9,30%
TOTAAL
665,1
752,1
13,10%
overig vlees zuivelproducten
Bron: LEI Wageningen
6
3 FRANKRIJK De sterke groeicijfers van 2009 zetten zich onverminderd voort in 2010. Het aantal bedrijven nam toe met 25% en bedraagt 20.604 eenheden. Dat is 4% van alle Franse landbouwbedrijven. Ook het areaal steeg met 25% en kwam uit op 845.440 hectare, waarvan 32% of 273.626 hectare in omschakeling was (+80%). Van het biologisch areaal is 61% bestemd voor grasland en voedergewassen, 20% voor akkerbouwgewassen, 8% voor meerjarige teelten. De sterkste areaalstijging is er voor eiwithoudende gewassen (+72%), die van belang zijn als rotatiegewas en gebruikt worden als component bij veevoeders. De omzet die daarmee gepaard gaat, bedroeg 3,38 miljard euro (+32% t.o.v. 2009), waarvan 47% gerealiseerd door grote supermarkten en 25% door gespecialiseerde biowinkels. De jaarlijkse groei neemt alsmaar toe. Ondanks het enorme cijfer is dit maar 2% van de omzet van de totale Franse voedingsmarkt. De belangrijkste productcategorieën zijn die van de kruidenierswaren en dranken (858 miljoen euro of 25%), zuivelproducten (727 miljoen euro of 21%), groenten en fruit (569 miljoen euro of 17%) en vleeswaren (448 miljoen euro of 13%). Uit de cijfers van Agence Bio blijkt ook dat 53% van de producenten aan directe verkoop doen, met hoeveverkoop als belangrijkste tak. In 2010 kochten 43% van de Fransen minstens één biologisch product op maandbasis. Uit een consumentenpeiling op basis van 369 gezinnen verklaarde 80% van de geënquêteerde consumenten dat ze groenten en fruit aankochten, 72% van hen kocht zuivelproducten (melk, kaas, andere) en 53% oliën en kruidenierswaren (waaronder rijst, pasta, granen). 60% van de verwerkers is actief in de brood- en banketbakkerij. Op het beleidsvlak komt de “horizon 2012” van het gelijknamige actieplan met rasse schreden dichterbij. Frankrijk zette in op de biologische productie en stelde als hoofddoelstelling een verdriedubbeling van de biooppervlakte voorop. Het plan is in vijf assen onderverdeeld: omschakeling en duurzaamheid van de biologische landbouwbedrijven, structurering van de keten, consumptie van bioproducten, vorming ontwikkeling en onderzoek en aangepaste regelgeving. Een verdriedubbeling zal er naar alle waarschijnlijkheid niet inzitten, maar een verdubbeling tot 1,2 miljoen hectare behoort nog tot de mogelijke scenario’s indien de groei in 2011 en 2012 minstens 20% bedraagt. De vice-president van Agence Bio verklaart het succes van bio in Frankrijk op drie manieren: • • •
de keten raakt gestructureerd waardoor de instap geruststellender is voor kandidaat-omschakelaars; stabielere prijzen in de biosector en een lagere blootstelling aan speculatie; de groeiende bewustwording op het vlak van milieu en gezondheid bij producent en consument.
Dat er nog een derde aan biologische producten ingevoerd wordt, is volgens hem een belangrijk minpunt.
7
4 VERENIGD KONINKRIJK De biosector in het Verenigd Koninkrijk kende voor de tweede maal op rij een tegenvallend jaar. De verkopen zijn opnieuw gedaald met 5,9%. De totale omzet bedroeg 1.731 miljoen pond (ca. 2 miljard euro). De daling is evenwel niet zo stevig als het jaar ervoor, en de vooruitzichten voor 2011 zijn voorzichtig optimistisch. Het distributiekanaal met de sterkste omzetdaling waren de supermarkten (inclusief de gespecialiseerde biowinkels), met -7,7%. De verklaringen blijven in dezelfde sfeer als vorig jaar hangen: tegenvallende economische omstandigheden en een vermindering in de aankoopfrequentie van de occasionele consument, die bij voorrang gaat besparen in duurdere producten. De “hard users” daarentegen, die 8% van alle bioconsumenten uitmaken, kochten evenveel als de voorgaande jaren. Ook het biologisch areaal nam in de periode 2008-2010 af. Het totaal biologisch areaal bedroeg 718.345 hectare (-2,8% t.o.v. 2009) waarvan 50.794 hectare in conversie. Het areaal in omschakeling daalde hierdoor met 135%. Het areaal fruit nam toe met +17% evenals het areaal permanent grasland (+3%). Dalingen zijn terug te vinden bij de groenten (incl. aardappelen) met -4%. De negatieve trend in het Verenigd Koninkrijk is onder andere te wijten aan het gebrek aan ondersteuning en interesse van de Britse regering in de biologische landbouwsector. De Soil Association spreekt van een “falend en passief beleid” en brachten een publicatie uit, “The Lazy Man of Europe: wake up to what Europe can teach the UK about backing organic food and farming”, waarin ze haar ongenoegen niet onder stoelen en banken steekt. Ze roept de regering op om groener te denken en opnieuw bio in één lijn te krijgen met de rest van Europa. Daarbij wordt herinnerd aan het succes in andere Europese landen en wordt stilgestaan waarom deze landen bio prioritair behandelen. De weinige agromilieupremies die bij bioboeren terechtkomen worden als voorbeeld genoemd van slecht beleid. Terwijl 74% van het biologisch areaal hectaresteun geniet in België, is dat in het Verenigd Koninkrijk slechts 9%. Ook het gemiddeld steunbedrag per hectare vertoont grote verschillen met andere landen. In de EU15 is dat 187 euro per hectare en in het Verenigd Koninkrijk 87 euro per hectare. Tabel 2: omzetten per distributiekanaal in het Verenigd Koninkrijk, miljoen pond, 2009-2010 Distributiekanaal
Omzet pond)
supermarkten 2010 (*) supermarkten 2009
(in
miljoen
1.252 1.356,8
abonnementen, thuislevering, postorder 2010
155,8
abonnementen, thuislevering, postorder 2009
154,2
hoeveverkoop 2010
31,55
hoeveverkoop 2009
32,67
boerenmarkten 2010
17,82
boerenmarkten 2009
18,96
catering 2010
15,33
catering 2009
16,47
kleinhandel 2010
259,3
kleinhandel 2009
261,1
totaal 2010
1.731
totaal 2009
1.840,2
Aandeel in totale verkoop bioproducten
Evolutie 2009
2010
t.o.v
73,7%
-7,7%
8,4%
+1%
1,8%
-3,4%
1,0%
-6%
0,9%
-6,9%
14,29%
-0,7%
100%
-5,9%
(*) inclusief gespecialiseerde winkels Bron: Soil Association
8
5 DUITSLAND Duitsland is één van de pionierslanden op het vlak van bio. Er loopt al sinds 2001 en nog tot 2015 een beleidsplan, Bundesprogramm Ökologischer Landbau (BÖLN). De financiering werd in de loop der jaren stelselmatig verminderd. In 2002 werd 34 miljoen euro vrijgemaakt, terwijl dat sinds 2007 een stabiele 16 miljoen euro bedraagt. Het programma draagt bij aan een blijvende harmonieuze groei op middellange termijn en past zich aan de marktevoluties aan. Elk Bundesland heeft bovendien de vrijheid om de hectaresteunbedragen zelf te bepalen binnen vooraf vastgelegde boven- en ondergrenzen. Een groot verschilpunt met Vlaanderen bijvoorbeeld is dat Duitse landbouwbedrijven in één keer moeten omschakelen als voorwaarde om de hectarepremie te krijgen (L’agriculture biologique en Allemagne, juli 2011). Terwijl het programma tussen 2002 en 2006 vooral gericht was op de producent, lag het accent daarna op de competitiviteit van de producenten en verwerkers. Het Bondsministerie maakte in juni 2011 de sectorcijfers voor 2010 bekend. Met 990.702 hectare is het areaal met 4,6% toegenomen. Die worden bewerkt door 21.942 bedrijven (+4,3%). Met 7,3% van alle Duitse landbouwbedrijven die voor biologische bedrijfsvoering gekozen hebben is Duitsland één van de sterkste leerlingen binnen de EU. De omzet stagneerde in 2010 opnieuw en bedroeg 5,9 miljard euro. Dat is amper twee procent meer dan in 2008 en 2009. Als verklaring worden de lage prijzen en het uit assortiment nemen wegens niet rendabel bij de discounters naar voren gebracht. De trend verschuift meer naar de verkoop via natuurwinkels, die aan schaalvergroting doen. Berekend naar verkoopoppervlakte voor biologische producten nemen de grote supermarkten nog steeds 51% in, maar de natuurwinkels benen hun grotere concurrenten steevast bij. Duitsland beschikt over rendabiliteitscijfers voor biobedrijven. De resultaten van 411 biobedrijven werden vergeleken met een groep conventionele landbouwbedrijven. In het jaar 2009/2010 noteerden ze een financiële opbrengst, die met 21% gedaald was. Ze deden het daarmee slechter dan de groep conventionele bedrijven. Terwijl ze met prijsdalingen voor de melk en de akkerbouwproducten opgezadeld waren, bleven hun kosten gelijk. De opbrengststructuur tussen gangbaar en biologisch verschilt ook sterk. Plantaardige producten zijn populairder. Fruit, groenten en aardappelen zijn de belangrijkste producten en maakten 24% uit van de totale biologische opbrengst. In de gewone landbouw is dat 10%. Voor varkensvlees is het net omgekeerd: een aandeel van 24% in de totale opbrengst uit bioproducten tegenover 33% in de totale opbrengst van conventionele voedingsproducten.
9
2. DE BIOLOGISCHE PRODUCTIE IN VLAANDEREN IN 2011 1 KERNCIJFERS PRODUCENTEN In 2011 namen zowel het aantal producenten als het biologische areaal opnieuw toe. Eind 2011 waren er 282 producenten die een overeenkomst met een controleorganisatie afsloten. Ten opzichte van 2010 zijn er 40 nieuw aangemelde producenten en 14 aangemelde stopzettingen. Van die 14 stopzettingen zijn er 2 gevallen die ophouden met hun productie-activiteit. Bij de overige 12 producenten gaat het om “administratieve” stopzettingen. Bij elke wijziging van bedrijfsnaam, rechtspersoon, eigenaar/uitbater of bij overname wordt eerst een stopzetting geregistreerd onder de oude gegevens en daarna een nieuwe aanmelding met de nieuwe gegevens. Deze bedrijven blijven in werkelijkheid actief en zijn ook terug opgenomen bij de nieuw aangemelde producenten. Er is in absolute cijfers een netto-groei met 26 bedrijven ten opzichte van 2010. De verdeling over de provincies is gespreid over heel Vlaanderen. Tabel 3: aantal biologische producenten onder controle, Vlaanderen, 2011 (aantal bedrijfseenheden)
Totaal onder controle
Gestopt in 2011
Nieuw in 2011
Nettogroei t.o.v. 2010
West-Vlaanderen
62
3
11
+8
Oost-Vlaanderen
68
2
7
+5
Limburg
38
2
7
+5
Antwerpen
59
3
8
+5
Vlaams-Brabant
55
4
7
+3
282
14
40
+26
Totaal
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van gegevens Integra / Certisys / Control Union
Figuur 3 toont in welke mate de landbouwers voor de periode 2000-2011 de biologische teeltwijze kunnen volhouden. De donkergroene balk toont het aantal landbouwers die zich in het betreffende jaar bij een controleorgaan als nieuw hebben aangemeld. De rode balk toont aan hoeveel van die producenten in 2011 nog actief zijn. Van de 49 aangemelde producenten in 2000 zijn er nog 20 actief. Er is een duidelijk verschil tussen de periode 2000-2007 en de periode erna. Vanaf het jaar 2008 zijn er slechts enkele biolandbouwers die de handdoek in de ring hebben gegooid. Het aandeel van de blijvers blijft boven de 80% van alle aangemelden in deze periode. Het lijkt erop dat een aantal landbouwers die meer dan 8 jaar bezig zijn het moeilijker hebben om te overleven. Het aantal landbouwers dat in de jaren 2000 en 2001 met bio begonnen is, is al meer dan gehalveerd. Positief is dat over de tijd heen er een afname is van het aantal reële stopzettingen (zie verder) en de biolandbouwers minder snel afhaken. De toegenomen kennis, de betere begeleiding van de kandidaat-biolandbouwers en een sterker omkaderde sector liggen aan de basis van deze evolutie. 28 biolandbouwers of 10% van de bioboeren staan naast hun productieactiviteit ook nog onder bio-controle voor hun verkoop (als aparte bio-activiteit). In Vlaanderen zijn er ongeveer 110 bioboeren die een eigen verkooppunt hebben waarmee ze afzet creëren voor hun eigen producten en eventueel ook die van collega’s.
10
Figuur 3: aantal instappers in jaar X, aantal overgebleven instappers in 2011 van instappers in jaar X en aandeel van de
50%
20
40%
15
30%
10
20%
5
10%
0
0%
aantal instappers in jaar X
aantal overgebleven instappers van jaar X in 2011
2011
25
2010
60%
2009
30
2008
70%
2007
35
2006
80%
2005
40
2004
90%
2003
45
2002
100%
2001
50
2000
aantal landbouwers
blijvers van jaar X in 2011, Vlaanderen, 2011
aandeel blijvers van jaar X in 2011
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van Integra en Certisys
11
Bio zoekt Boer startte in 2009 met als doelstelling om de omschakeling naar bio in Vlaanderen te stimuleren. Er werd daarbij als streefdoel 10 omschakelaars per jaar vooropgesteld. In de eerste plaats verleent Bio zoekt Boer gepersonaliseerd advies aan gangbare land-en tuinbouwers. Zij zitten met heel diverse vragen over wetgeving, controle, afzetkansen en de omschakelperiode. Voor specifieke vragen over o.a. teelttechniek, afzetgaranties wordt verwezen naar de deskundigen ter zake. Bio zoekt Boer werkt ook op een indirecte manier aan overtuigen door het informeren en sensibiliseren via artikels. Deze moeten land- en tuinbouwers aanzetten tot nadenken over de strategie van hun bedrijf, werken drempelverlagend. De geïnteresseerde landbouwers nemen hierdoor gemakkelijker contact op met Bio zoekt Boer. Bio Zoekt Boer zat in haar derde werkingsjaar. Sinds de start in 2009 kregen 347 land- en tuinbouwers persoonlijk advies van Bio zoekt Boer. Dit houdt in dat de bedrijfsleider “op maat” advies krijgt en er gemiddeld vijf contactmomenten plaatsvinden per jaar. Van de 460 geïnteresseerden zijn in totaal 72 van hen omgeschakeld sinds het ontstaan. Er zijn op dit moment in Vlaanderen 282 bioboeren met 4.563 hectare bio-areaal, waarvan 1.354 in omschakeling. Bepaalde sectoren krijgen meer belangstelling dan andere. Op de 30 producenten die in 2011 na advies bij Bio Zoekt Boer omschakelden vindt men 10 groentetelers, 8 akkerbouwers, 7 pluimveehouders, 3 geiten- en schapenhouders en 2 fruittelers. Zowel in de melkvee, de rundvee- en de varkenssector is er geen enkele omschakeling. De verhouding tussen verleende adviezen (347) en aantal effectieve omschakelaars geeft een zicht op het rendement van Bio zoekt Boer en bedraagt 21% (13% in 2010). (Sofie Hoste, 2012) Figuur 4: aantal verleende adviezen per sector en aantal omschakelaars per sector, 2011
12
2 KERNCIJFERS AREALEN In 2011 steeg het areaal met 19% tot 4.563 hectare waarvan 1.354 hectare in omschakeling (+77%). 920,1 hectare van het areaal in omschakeling doorloopt zijn eerste jaar. De nieuwe boeren brengen 730 hectare in omschakeling en dat is ongeveer eenzelfde niveau als in 2010. Alle biolandbouwers samen hebben naast hun biologische percelen ook nog 1.020 hectare gangbare percelen. De gemiddelde bio-bedrijfsgrootte is 16,2 hectare en vertoont al jaren een lichte stijging. Tabel 4: areaal in omschakeling, biologisch en totaal, Vlaanderen, in hectare, 2011 in omschakeling
Teeltgroep
biologisch
totaal
akkerbouw
137
594
731
bodembedekking (vlinderbloemigen, klavers)
131
636
767
grasland, boomkweek, areaal onder natuurbeheer
934
1.294
2.228
0
0
0
30
392
422
122
293
415
1.354
3.209
4.563
sierteelt groenten fruit totaal
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van Integra / Certisys / Control Union
Figuur 5 toont hoe biologisch de producenten zijn. 74% van alle aangemelde bedrijven is volledig biologisch, 24% is overwegend biologisch. Dat betekent dat ze ofwel gefaseerd aan het omschakelen zijn of ervoor gekozen hebben om op slechts een deel van hun bedrijf biologisch te telen en daarnaast inkomsten halen uit gangbare productie of verbrede activiteiten. 2% van de bedrijven zijn overwegend gangbaar met minder dan 50% van hun landbouwareaal dat bestemd is voor biologische productie. Figuur 5: percentage Vlaamse biobedrijven die volledig bio, overwegend bio en overwegend gangbaar zijn, 2011
2%
24%
74%
100% biologisch
50 - 99,9% biologisch
<50% biologisch
Bron: Departement Landbouw en Visserij
In Tabel 5 wordt de gangbare oppervlakte die ook in het totaalcijfer zit apart weergegeven. 126 biobedrijven ofwel 45% van alle biologische bedrijven zitten in de groep die volledig bio is. Ze hebben samen een totale bedrijfsoppervlakte van minder dan 10 hectare. Deze bedrijven hebben 10% van het areaal of 452 hectare in handen. Daar tegenover wordt een derde van het areaal of 1510 hectare in gebruik genomen door 9 bedrijven.
13
Tabel 5: verdeling van het areaal van de biologische bedrijven over groottecategorieën en de mate waarin ze bio zijn (gangbaar+biologisch). -
100% bio
50-100% bio
<50% bio
>50 hectare
1.510
490
606
20-50 hectare
1.010
405
268
10-20 hectare
396
195
109
5-10 hectare
304
58
46
2-5 hectare
92
24
7
<2 hectare
56
4
3
3.368
1.176
1.039
0
73
947
totaal (bio + gangbaar) waarvan gangbare oppervlakte
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van Integra / Certisys / Control Union
Bij de samenstelling van de percelen valt nog steeds op dat een groot deel van het areaal bestaat uit permanent grasland (1.160 hectare) en stikstofleverende bodembedekkers zoals klavers (+10%). Nog eens 689 hectare bestaat uit gebieden met natuurwaarde die dienen als graasruimte voor fokdieren. Hieronder worden ondergebracht: grassen en heide onder natuurbeheer, gele mosterd, phacelia, houtkanten en heggen… Groenten en fruit maken elk 9% uit van het totale bio-areaal. Er wordt ten opzichte van 2010 meer dan 100 hectare of +31,5% aan allerlei groenten extra geteeld. Dalingen doen zich voor bij de akkerbouwgewassen (14%) zoals maïs, tarwe, haver en non-foodgewassen. Ook het fruitareaal loopt met bijna 4% terug maar dit is van tijdelijke aard aangezien 67 hectare momenteel in het laatste omschakelingsjaar zit. Bij de groenten zal ongeveer 12 hectare omschakelen in 2012. Tabel 6: evolutie van de biologische arealen per teeltgroep, Vlaanderen, in hectare, 2002-2011 -
Evolutie t.o.v. 2010
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
akkerbouw
805
870
876
794
631
687
768
756
849
731
-14%
bodembedekkers
322
456
526
565
559
596
604
670
698
767
+10%
1.973
1.559
1.328
1.302
1.463
1.568
1.464
1.419
1.516
2.228
+47%
1
1
1
0
2
1
1
1
7
0
groenten
348
344
272
296
378
399
385
424
321
422
+31,5%
fruit (incl. noten)
191
201
216
196
234
246
270
389
431
415
-4%
3.640
3.440
3.219
3.153
3.267
3.497
3.492
3.659
3.822
4.563
+19%
242
453
677
517
293
427
366
597
766
1.354
+77%
grasland+boomkweek sierteelt
TOTAAL Waarvan omschakeling
in
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van Integra / Certisys / Control Union
3 DIERLIJKE PRODUCTIE De veestapel neemt toe in de biologische veehouderij. In 2011 werden 370.000 biologische dieren gehouden. Het aantal verkochte varkens bedroeg 1.908 dieren (+14%) en ook het aantal verkochte legkippen nam toe met bijna 100.000 stuks (+64%), terwijl het aantal melkkoeien 1.224 bedroeg (+3%). Ook het aantal biologisch gehouden schapen in Vlaanderen groeit (+108%). In vergelijking met de cijfers van Bio Zoekt Boer valt het op dat de stijging van het aantal legkippen, geiten en schapen toe te schrijven is aan 10 nieuw gecertificeerde bedrijven. Bij de varkens gaat het om een toename van de productie bij al gecontroleerde landbouwers.
14
Tabel 7: evolutie van het aantal biologisch gehouden dieren, Vlaanderen, 2003-2011 -
2003
Runderen
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2.980
2.384
2.043
1.931
2.090
2.533
2.554
2.676
3.014
1.244
987
897
989
978
1.157
1.132
1.191
1.224
1. 635
1.994
1.576
2.810
2.002
2.217
2.098
1.672
1.908
102.767
172.976
175.854
188.340
202.197
205.224
233.804
264.376
357.631
39.347
48.742
61.164
97.768
104.077
80.234
133.885
140.161
230.464
Schapen
2.196
2.133
3.282
4.304
4.196
3.964
1.972
1.859
3.876
Geiten
1.860
1.285
2.261
2.741
2.925
3.760
2.808
2.292
4.134
Paarden en hertachtigen
82
112
143
136
185
238
231
153
196
Andere
30
0
78
0
17
50
24
20
30
111.550
180.884
185.243
200.262
213.612
217.986
243.491
273.748
370.789
TOTAAL excl. Pluimvee
8.783
7.908
9.389
11.922
11.415
12.762
9.687
9.372
13.158
TOTAAL (in GVE)
3.991
3.915
3.853
4.549
4.517
4.874
4.923
4.864
5.898
Waarvan melkkoeien Varkens Pluimvee Waarvan legkippen
TOTAAL (in aantallen)
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van Integra / Certisys / Control Union
4 ANDERE MARKTDEELNEMERS ONDER CONTROLE Naast de producenten staan ook de activiteiten van de bereiders, importeurs, verdelers en sommige verkooppunten onder controle. Omdat een marktdeelnemer ook nog onder controle kan staan voor verschillende nevenactiviteiten werden de cijfers ontdubbeld. In 2011 stonden 539 unieke marktdeelnemers onder controle, exclusief de producenten. Dat is een stijging met 11% ten opzichte van 2010. De toename doet zich voor bij marktdeelnemers die voor meer dan 2 activiteiten gecontroleerd worden. 58 producenten of 21% van alle producenten stonden onder controle voor een andere activiteit dan productie (51 in 2010). Tabel 8 : aantallen marktdeelnemers onder controle 2008-2011 (exclusief producenten) Aantal
Marktactiviteit
onder
Aantal
onder
Aantal
onder
Aantal
onder
Verschil
controle 2008
controle 2009
controle 2010
controle 2011
2011
enkel bereider
236
238
226
226
<->
enkel importeur
18
22
22
20
-2
enkel verdeler
42
58
69
78
+9
enkel verkooppunt
48
47
51
44
-7
118
137
116
171
+55
462
502
484
539
+55
combinatie
van
meerdere activiteiten
Totaal
2010-
Bron : Departement Landbouw en Visserij op basis van Integra / Certisys / Control Union
15
5
TYPOLOGIE VAN DE BIOLOGISCHE LANDBOUWBEDRIJVEN
5.1
Definities en methodologie
AMS deelde de biologische landbouwbedrijven in volgens een Europees aanvaarde typologie (Commission Regulation (EC) No 1242/2008 of 8 December 2008 establishing a Community typology for agricultural holdings) die al enkele jaren toegepast wordt voor niet-biobedrijven. Dat betekent concreet dat Europese landbouwbedrijven volgens uniforme definities met elkaar vergeleken kunnen worden wat betreft hun structurele eigenschappen en economische resultaten. Sinds 2010 is er een nieuwe typologie van kracht waarbij de standard output methode (SO) gebruikt wordt als gemeenschappelijke indicator. Voor verdere toelichtingen rond deze materie wordt verwezen naar de publicatie “De Landbouwactiviteit in Vlaamse gemeenten, proeve van typologie” (Danckaert, Lenders, Oeyen, 2009).
5.2
Resultaat
Deze oefening werd uitgevoerd aan de hand van de gegevens uit 2010. Van de 256 biologische bedrijven werden de overwegend gangbare bedrijven in rekening gebracht. 14% van de bedrijven (in blauwe kleuren) is gemengd, 24% is gespecialiseerd in dierlijke productie en 62% in plantaardige productie. De grootste groep zijn de gespecialiseerde blijvende teelten (47 bedrijven) en de gespecialiseerde tuinbouwbedrijven in open grond (45 bedrijven). Figuur 7 geeft dezelfde onderverdeling weer, maar dan voor alle 28.000 land- en tuinbouwbedrijven in Vlaanderen. Hierbij valt op dat gespecialiseerde opengrondtuinbouw en gespecialiseerde blijvende teelten overheersen in de bio met 41%, terwijl dezelfde categorieën in het totaal aantal bedrijven een aandeel van 7% innemen. De helft van het totaal aantal Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven zijn gespecialiseerd in melkvee, rundvee en akkerbouw. Bij de biolandbouwbedrijven vertegenwoordigen deze drie categorieën 10% van het totaal aantal biobedrijven. Figuur 6: bedrijven die meer dan 50% biologisch zijn, onderverdeeld naar typologie, 2010
gespecialiseerd_ glastuinbouw 6%
gespecialiseerd andere tb 3%
combinaties van gewassen 8%
combinaties van gewassen en veeteelt 4% combinaties van veeteelt 2%
gespecialiseerd opengrondtuinbouw 20%
gespec ialiseerd pluimvee 7% gespec ialiseerd schapen en geiten 6% gespecialiseerd varkens 1%
gespecialiseerd akkerbouw 12%
gespecialiseerd melk en rundvee 1%
gespecialiseerd blijvende teelten 21%
gespecialiseerd rundvee 1%
gespecialiseerd melkvee 8%
Bron: Departement Landbouw en Visserij
16
Figuur 7 : alle Vlaamse landbouwbedrijven onderverdeeld naar typologie, 2010
combinaties van veeteelt 5%
combinaties van gewassen en veeteelt 9%
gespecialiseerd akkerbouw 18%
combinaties van gewassen 2%
gespecialiseerd pluimvee 2% gespecialiseerd varkens 11% gespecialiseerd schapen en geiten 5%
gespecialiseerd melk en rundvee 3% gespecialiseerd rundvee 16%
gespecialiseerd glastuinbouw 6%
gespecialiseerd opengrondtuinbouw 3% gespecialiseerd andere tuinbouw 4% gespecialiseerd blijvende teelten 4% gespecialiseerd melkvee 12%
Bron : Departement Landbouw en Visserij
17
3. EVOLUTIE VAN DE PRIJZEN 1 MELK In 2011 bleef de gangbare melkprijs heel het jaar door op een niveau van 35 euro per 100 liter. De Europese voorschotmelkprijs vertoonde een gemiddelde stijging met 12% in vergelijking met 2010 ( Landbouwleven). De gangbare melkprijs lag onder het Europees gemiddelde, dat 36,97 euro per 100 liter bedroeg. Ook de biologische melkprijs veranderde niet noemenswaardig maar eindigt het jaar wel met een prijs van 38,5 euro per 100 liter en kent al sinds 2009 een voortschrijdende groei. Juni en juli waren de slechtste maanden, met een prijs van 36 euro per 100 liter. Op dat moment bedroeg de kloof tussen beide melksoorten 5 euro, tegen november was dat reeds 10 euro. De Vlaamse bio-melkveehouders produceerden samen 6 miljoen liter melk. Figuur 8: evolutie van de gangbare (Milcobel) en biologische melkprijs (Biomelk Vlaanderen), 2002-2011, België, euro per 100 liter. 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5
jul/11
okt/11
jan/11
apr/11
jul/10
okt/10
jan/10
apr/10
jul/09
okt/09
jan/09
apr/09
jul/08
okt/08
jan/08
apr/08
jul/07
okt/07
jan/07
prijs gangbaar
apr/07
jul/06
okt/06
jan/06
apr/06
jul/05
okt/05
jan/05
apr/05
jul/04
okt/04
jan/04
apr/04
jul/03
okt/03
jan/03
apr/03
jul/02
okt/02
0
prijs bio
Bron: ABS – Drietandmagazine. Gangbare prijs: Milcobel
2 GROENTEN EN FRUIT De verkoopprijzen voor biologische groenten en fruit zijn afkomstig van veiling Coöbra (fusie van Brava en Greenpartners), waarbij momenteel een 60-tal biologische telers aangesloten zijn. Coöbra zorgde voor een omzet van 105 miljoen euro met een aandeel van 6% voor bio is en er ligt een intentieverklaring op tafel om ook een samenwerking aan te gaan met de Mechelse Veilingen. De groenteprijzen kenden in 2011 over het algemeen een forse daling van gemiddeld 25% ten opzichte van dezelfde periode het jaar ervoor. De grootste dalingen zijn te vinden in de serregroenten. Bij de groenten in open lucht was die iets minder uitgesproken. Uit de grafieken blijkt ook dat er teelten zijn zoals wortelen die voor de biolandbouwer niet noodzakelijk een meerprijs opleveren.
18
2.1
Witloof
De gangbare witloofprijzen (vollegrond) schommelen tussen 0,5 euro en 1,5 euro per kg. In 2011 klommen de witloofprijzen omhoog en ze kwamen in het najaar net boven 1,5 euro per kg uit. De prijzen voor biologische witloof liggen tussen 1,5 en 3 euro. In november bereikten de bio-prijzen net als de gangbare hun hoogste niveau. De stijging van de witloofprijzen is het gevolg van een droog voorjaar, waardoor voor de helft minder (vollegrond)witloof geteeld werd als in een normaal jaar. Sinds juli 2011 is hydrocultuur van witloof ook toegelaten in de biologische landbouw. Figuur 9: evolutie van de prijzen voor gangbare en biologische witlooof, 2008-2011, in euro per kg
3.5
3
2.5
2
1.5
1
0.5
0
witloof bio
witloof gangbaar
Bron: Veiling Coรถbra
2.2
Prei
De prijs van gangbare prei kende in 2011 een dalend verloop en zakte van 0,6 euro per kg naar amper 0,2 euro per kg. De daling is ook waarneembaar voor biologische prei, al is die niet zo extreem. In november 2011 bedroeg de prijs 1,3 euro per kg terwijl dat in januari nog 1,6 euro per kg was. De Europese telers hebben in het voorjaar maatregelen genomen tegen de vorst en brachten grotere volumes kwalitatief goede prei op de markt. Het grotere aanbod deed de prijzen dalen.
19
Figuur 10: evolutie van de prijs van gangbare en biologische prei, 2008-2011, in euro per kg 3.5
3
2.5
2
1.5
1
0.5
0
prei bio
prei gangbaar
Bron: Veiling Coรถbra
2.3
Wortelen
In tegenstelling tot prei en witloof, vallen de prijzen voor gangbare en biologische wortelen samen. De prijs piekte in juni met 0,75 euro per kg om daarna terug te dalen tot 0,5 euro per kg. Voor wortelen ontvangt de teler dus geen meerprijs omdat hij die biologisch teelt. Figuur 11: evolutie van de gangbare en biologische prijs van wortelen, 2008-2011, in euro per kg
1 0.9 0.8 0.7 0.6 0.5 0.4 0.3 0.2 0.1 0
wortelen gangbaar
wortelen bio
Bron: Veiling Coรถbra
20
2.4
Fruit
Figuur 12: evolutie van de prijs voor gangbare appels en peren en biologische appels en peren, 2008-2011, in euro per kg. 2 1.8 1.6 1.4 1.2 1 0.8 0.6 0.4 0.2
prijs jonagold (gangbaar)
prijs conférenceperen (gangbaar)
prijs jonagold (bio)
prijs conférenceperen (bio)
nov/11
jul/11
sep/11
mei/11
jan/11
mrt/11
nov/10
jul/10
sep/10
mei/10
jan/10
mrt/10
nov/09
jul/09
sep/09
mei/09
jan/09
mrt/09
nov/08
jul/08
sep/08
mei/08
jan/08
mrt/08
nov/07
jul/07
sep/07
mei/07
jan/07
mrt/07
nov/06
jul/06
sep/06
mei/06
jan/06
mrt/06
0
Bron: Veiling Coöbra
Bovenstaande grafiek geeft de prijzen weer van gangbare en biologische appelen en peren. De twee onderste lijnen geven het verloop weer van gangbaar fruit. De gangbare appel en peer kenden in 2011 hun laagste prijsniveau sinds jaren, met 0,2 euro / kg in oktober voor de Jonagold en 0,4 euro / kg voor de Conférence peer. Door het mooie voorjaar viel de oogst vroeg in 2011 en een ruim internationaal aanbod aan fruit van goede kwaliteit veroorzaakte de waargenomen prijsdalingen. De biopeer kende een stabiel jaar met prijzen die 1,2 tot 1,3 euro per kg bedroegen. De prijs van de biologische Jonagold steeg daarentegen sterk, van 1 euro per kg in januari tot 1,3 euro per kg in het najaar. Door de hagelschade op diverse biologische fruitbedrijven lag het totaal aanbod van Vlaamse bio appelen en peren een stuk lager wat ook de prijsstijging verklaart.
21
4. OVERHEIDSUITGAVEN VOOR DE BIOLOGISCHE LANDBOUWSECTOR 2011 1 SAMENVATTING AMS maakte opnieuw een overzicht van de financiële inspanningen van de overheid ten behoeve van de biosector. Hierbij werden ze ingedeeld volgens de hefboomstructuur van het strategisch plan 2008-2012. De cijfers zijn betalingen die binnen het kalenderjaar 2011 gebeurd zijn. De totale betalingen kenden een stijging van +5,6%. Tabel 9: overzicht van de betalingen voor de biologische landbouw, opgedeeld naar doelstelling in het strategisch plan, 20092011, Vlaanderen Totale uitgave 2009 (in euro)
Totale uitgave 2010 (in euro)
Totale uitgave 2011 (in euro)
Hefboom 1 – Keten- en marktontwikkeling
791.680
731.600
655.941
Hefboom 2 – Biologische productie
992.155
1.055.776
1.170.959
0
0
0
Hefboom 4 – Onderzoek- en kennisuitwisseling
596.658
659.664
785.248
Hefboom 5 – Communicatie en draagvlak
577.333
503.755
504.576
20.700
0
0
2.978.526
2.950.795
3.116.725
Strategische doelstelling
Hefboom 3 – Verhogen van de rendabiliteit
Hefboom 6 – Verbreding van beleid TOTAAL
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
In 2011 vertoonden de hefbomen een stijging met uitzondering van de keten- en marktwerking. Reden hiervoor is een reeks betalingen voorzien voor 2011 die naar 2012 werden geschoven. In totaal ging 3,1 miljoen euro aan overheidsgeld naar de biologische landbouwsector. Hefboom 1 omvat de werkingssubsidie voor BioForum Vlaanderen en communicatiemiddelen voor de korte keten. De werking van BioForum Vlaanderen beïnvloedt echter alle hefbomen uit het Strategisch Plan. In de tweede hefboom is een stijging op te merken door een toename van 28% van de uitgaven hectaresteun, die 900.000 euro bedragen. Verder kunnen landbouwers die aangesloten zijn bij een controleorganisatie van een directe korting op hun controlekosten. 70% wordt door Vlaanderen gefinancierd en 30% door de EU. In totaal gaat het om 123.765 euro. Daarnaast krijgt het controleorgaan een facultatieve subsidie die bepaalde kosten dekt. De betalingen voor het onderzoek kenden een stijging van 19% en bedroegen 785.248 euro. Jaarlijks gaat ongeveer een half miljoen euro naar de vierde hefboom: communicatie, promotie en draagvlakverbreding. Reclamecampagnes, de Bioweken, vormingsprojecten zetten de voordelen van bioproducten in de verf. De Europese Commissie wees in 2011 aan Vlaanderen een budget van 1.359.000 euro toe gespreid over drie jaren voor een nieuwe promotiecampagne, met een Europese cofinanciering van 50%.
22
Figuur 13: evolutie van de overheidsuitgaven 2000-2011 (excl. Indirect IWT onderzoek), Vlaanderen, euro, 2000-2011
3 500 000
3 000 000
2 500 000
2 000 000
1 500 000
1 000 000
500 000
0
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
Bron: Departement Landbouw en Visserij
2 ONDERZOEK Onderzoek en kennisuitwisseling zijn in het Strategisch Plan Biologische Landbouw 2008-2012 een belangrijke hefboom voor de verdere ontwikkeling van de biologische landbouw in Vlaanderen. Het faciliteren van een betere organisatie en samenwerking binnen het onderzoekslandschap wordt als basis gezien om te komen tot meer onderzoek en een betere kennisuitwisseling. Om een betere coördinatie, samenwerking en aansturing van het onderzoek en de kennisuitwisseling voor biologische landbouw mogelijk te maken, werd met de financiële steun van het Strategisch Plan Biologische Landbouw een aanzet gegeven tot het oprichten van 3 netwerken: NOBL (2007), CCBT (2010) en biobedrijfsnetwerken (2009), elk met hun specifieke taken en doelstellingen gericht naar verschillende doelgroepen. Jaarlijks beschikt CCBT over een toelage van de Vlaamse Overheid (160.000 euro) die deels voor de werking en deels voor het financieren van kleine, vraaggestuurde onderzoeksprojecten dient. Binnen dit kader werden in 2011 acht onderzoeksprojecten ondersteund, waarvoor 97.681 euro aan steun uitgegeven is. Daarnaast werd in 2011 70.000 euro extra toegekend aan CCBT voor de subsidiëring van projecten rond voorlichting. Vijf praktijkcentra werkten hiermee in 2011 aan specifieke voorlichtingsacties voor de biologische landbouw. Bij het zoeken naar een efficiënt gebruik van middelen voor onderzoek en kennisuitwisseling wordt meer en meer ook over de grenzen heen gekeken. Drie Vlaamse onderzoeksinstellingen krijgen met steun vanuit de Vlaamse overheid de kans om onderzoek uit te voeren binnen internationale consortia vanuit het COREOrganic II ERAnet. COREOrganic II is een Europees transnationaal netwerk waar nationale budgetten worden samengebracht voor transnationale financiering van onderzoek voor de biologische landbouw en voeding. Bovendien wordt samen met Nederland gezocht naar mogelijkheden om de uitwisseling en verspreiding van kennis uit onderzoek op elkaar af te stemmen en samen te laten plaatsvinden. Het onderzoek opgenomen in het rapport betreft projecten die met overheidsmiddelen gefinancierd werden, en die uitsluitend betrekking hebben op verbeteringen en ontwikkelingen in de biologische landbouwsector. Het betreft specifieke IWT-projecten, onderzoek dat door het departement landbouw (ADLO) gefinancierd wordt, onderzoek gefinancierd met ILVO-middelen komende van de overheid, en de projecten die via het CCBT worden
23
ondersteund. De uitgaven worden dus bekeken naar financieringsbron. Met de verdere verdeling van deze middelen naar de uitvoerders toe wordt geen rekening gehouden. Doctoraatsonderzoeken en onderzoek dat betoelaagd wordt vanuit eigen vermogens, de privésector of met uitsluitend Europese middelen worden buiten beschouwing gehouden vermits het de bedoeling is om de inspanningen van de overheid op te meten. In tegenstelling tot vorige jaren werd een groot deel indirect IWT-onderzoek niet meegenomen in de uitgavencijfers om een correcter beeld te krijgen op de uitgaven. De IWT-projecten die vroeger wel meegenomen werden, zijn projecten waarvan de resultaten zowel toepasbaar zijn in de biologische landbouw als in de gangbare, maar niet uitgevoerd worden onder biologische condities en dus niet specifiek gericht en vertaald worden naar de biologische landbouw. Omwille van deze reden werd beslist om deze projecten niet meer in het onderzoek voor biologische landbouw mee te rekenen. De overheid besteedde 664.000 euro aan onderzoeksprojecten inclusief de dotatie voor Inagro. In 2011 onderging het POVLT Beitem een belangrijke wijziging. Zeven vzw’s op de campus van het POVLT, waaronder PCBT, werden samen met de provinciale werking ondergebracht in één nieuwe organisatie die de naam ‘Inagro’ meekreeg. In die nieuwe organisatie gaat PCBT volledig over in de afdeling ‘biologische productie’ (Inagro-Bio) zodat ook de biowerking in de toekomst verzekerd blijft. De overheid financierde Inagro-Bio ten belope van 105.877 euro. Het Departement Landbouw en Visserij zorgde zelf voor een financiële inbreng in enkele projecten voor een totaal van 168.155 euro(exclusief de middelen voor CCBT). Het opgesomde onderzoek heeft betrekking op het verbeteren van de productie/rendabiliteit door het zoeken naar een betere bodemkwaliteit en alternatieve bestrijdingsmiddelen. De vierde hefboom uit het Strategisch Plan omvat naast het onderzoek ook nog middelen voor de werking van NOBL, het lidmaatschap IFOAM en de subsidie voor de biobedrijfsnetwerken. Tabel 10: betalingen voor de diverse onderzoeksprojecten voor de biologische sector met overheidsmiddelen per financierder, 2011, Vlaanderen Financieringsbron
Besteding (in euro)
IWT
248.250 euro
Dep. Landbouw (ADLO)
168.155 euro
CCBT (*)
97.681 euro
ILVO
44.486 euro
INAGRO-Bio Totaal
105.877 euro 664.449 euro
(*) : door ADLO gefinancierd Bron: Departement Landbouw en Visserij
De uitgaven kunnen ook onderverdeeld worden naar de verschillende thema’s uit de bio-onderzoeksagenda: bodemverbetering, plantaardige productie, dierlijke productie, bedrijfseconomische en sectorale aspecten. Drie vierde van de middelen komt terecht bij de thema’s bodemverbetering en plantaardige productie. Al jaren wordt verregaand onderzoek gevoerd op het vlak van alternatieve gewasbeschermingstechnieken. 14% van de uitgaven wordt besteed aan onderzoek voor de biologische dierlijke productie. Hieronder valt dierenwelzijn, mineralenbenutting in veevoeders, bestrijding van dierenziektes. De overige 10% wordt besteed aan projecten die gericht zijn op bedrijfsbeheer en de innovatieve rol van biolandbouw.
24
Figuur 14: verdeling van de uitgaven onderzoek over de verschillende thema’s, 2011, Vlaanderen. 6% 4%
14% 37%
39%
bodemverbetering
plantaardige productie
dierlijke productie
bedrijfseconomische aspecten
sectorale aspecten (innovatie)
Bron: Departement Landbouw en Visserij
25
3 HECTARESTEUN VOOR BIOLANDBOUWERS 3.1
Eigenschappen
De hectaresteun bestaat uit een premie voor omschakeling en uit een permanente premie. De eerste premie compenseert het geleden inkomensverlies tijdens de omschakelingsperiode terwijl de permanente premie een stimulus is zodat de biolandbouwer de productiemethode zou blijven handhaven. De modaliteiten binnen de EU zijn sterk gedifferentieerd. De hoogte van de steunbedragen verschilt sterk tussen de groepen, naargelang de specifieke behoeften in elk land. In Vlaanderen is de steun heel toegankelijk. Zo goed als alle bioboeren komen in aanmerking voor steun, omdat de steun niet gekoppeld is aan een minimum-areaal of een minimumbedrijfsgrootte. Ook gefaseerd en gedeeltelijk omschakelen is toegelaten, wat inhoudt dat de landbouwer niet meteen zijn volledige bedrijf moet omschakelen maar stapsgewijs te werk kan gaan. In Duitsland is het in één keer volledig omschakelen bijvoorbeeld wel een voorwaarde om hectaresteun te kunnen krijgen. De hectaresteun voor omschakeling in België (en Vlaanderen) is één van de hoogste van Europa volgens een studie door de Europese Commissie besteld, waarin de hectaresteun aan alle lidstaten onderling werd vergeleken (Schwarz, Nieberg, Sanders, 2010). Vooral de omschakeling van grasland geniet een zeer hoge steun waar België Europees koploper is. In de eerste twee jaar krijgt een Vlaamse landbouwer in omschakeling 450 euro per hectare. In jaren 3, 4 en 5 is dat 150 euro per hectare en de permanente premie (vanaf het zesde jaar) bedraagt 120 euro per hectare. Ook voor de omschakeling van groenten en fruit is ons land koploper met bedragen per hectare tussen 700 euro en 1000 euro voor de omschakeling van groenten. Bij de vergelijking met de permanente premie zit Vlaanderen op het gemiddelde. Voor het grasland werden de premies verhoogd in 2005. Vanaf het zesde jaar kan de landbouwer een nieuwe verbintenis voor 5 jaar afsluiten. De hectaresteun is cumuleerbaar met sommige agromilieumaatregelen. Deze betalingen heten “on top” payments want de financiering door Europa is geplafonneerd tot 600 euro per hectare voor eenjarige gewassen, 900 euro per hectare voor gespecialiseerde blijvende teelten en 450 euro per hectare voor andere vormen van grondgebruik. Dat betekent dat Vlaanderen zelf middelen moet bijleggen als het gecumuleerd bedrag van de premies boven dit plafond uitkomt. Tabel 11: schema hectaresteun Vlaanderen (PDPO II), bedragen in euro per hectare In omschakeling -
Bijkomende differentiatie
Permanente premie 1-2 jaren
3-5 jaren
eenjarige gewassen
-
600
360
240
grasland
-
450
150
120
<= 2,5 ha
1000
800
495
>= 2,5 ha
1000
700
380
serregewassen
-
1650
990
790
fruit
-
900
groenten
Jaar 3: 900 Jaren 4 en 5: 620
555
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij
3.2
Cijfers 2011
Landbouwers krijgen elk jaar tot 21 april de kans om een aanvraag in te dienen. De betaling gebeurt dan het voorjaar daarop. In 2011 werden aldus de aanvragen van 2010 uitbetaald. 206 van de 256 geregistreerde biologische producenten kwamen in aanmerking voor de premie. Dat is 80% van alle biolandbouwers. 50 producenten deden geen aanvraag. Instappers moeten zich bij het afsluiten van de verbintenis onmiddellijk voor 5 jaar engageren tot het toepassen van de biologische productiemethode, wat een struikelblok kan zijn bij landbouwers die nog twijfelen. Andere redenen om niet van de premie te kunnen genieten: •
De producent vraagt steun aan voor milieumaatregelen die niet cumuleerbaar zijn met de hectaresteun
26
• •
•
Percelen die na 21 april (afsluiting campagne) aangemeld zijn kunnen pas in het volgend campagnejaar in aanmerking komen voor hectaresteun. De landbouwer geeft bewust niet al zijn percelen aan bij de verzamelaanvraag. Wanneer een veehouder onbegraasde percelen heeft kan hij ervoor kiezen om ze niet aan te geven omdat hij weet dat hij met een veebezetting zal zitten die lager is dan 1,6 GVE per hectare. Deze percelen worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de premie. Producenten met kruiden in pot.
Er werd voor 899.825 euro aan hectaresteun uitbetaald in 2011 (campagnejaar 2010) inclusief de verrekening van nabetalingen en recuperaties. Het bedrag van de uitbetaalde hectaresteun ligt 28% hoger ten opzichte van 2010 (campagnejaar 2009). Dat gebeurde voor een totaal van 3.054 hectares. Oorzaken voor deze grote stijging van de betalingen is een toename van het areaal dat in aanmerking komt voor hectaresteun. Dat ligt 14% hoger dan vorig jaar. Tabel 12: verdeling van de uitbetaalde hectaresteun over de teeltgroepen en de steungroepen, campagnejaar 2010, in euro per hectare omschakeling (1)
bio (2)
bio 5+ (3)
Totalen per teeltgroep
eenjarige akkerbouw- en ruwvoederteelten
129.805
23.261
102.763
255.830
grasland, natuurlijke begroeiing
115.896
23.996
122.809
262.701
23.086
43.115
5.479
53.036
2.525
2.204
9.366
14.095
108.208
17.934
98.943
225.084
373.833
95.960
430.032
899.825
subsidiebedrag per teeltgroep
eenjarige groenteteelten
Beschutte teelten meerjarige groente- en fruitteelten Totalen per steunperiode
17.399
142.115
Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van cijfers Agentschap Landbouw en Visserij (1)
eerste twee jaar, eerste drie jaar voor de fruitteelt
(2)
3e tot 5e jaar, 4de en 5de jaar voor de fruitteelt
(3)
Vanaf het 6de jaar.
Een detail van de betalingen per teeltgroep en per steungroep geeft meer duiding. Het zwaartepunt lag in 2011 duidelijk op de permanente premie, die 48% van de totale hectaresteun vertegenwoordigt. Het mag duidelijk zijn dat deze categorie budgettair verder zal toenemen omdat het aantal blijvende bioboeren ook steeds maar toeneemt. De betalingen voor de omschakelingsjaren nemen een aandeel van 41% in de hectaresteun in. Hoewel het in absolute cijfers om weinig landbouwers gaat, worden ze ondersteund tegen een hoger tarief omdat de financiële lasten in die periode het zwaarst zijn. De resterende 11% gaat naar landbouwers die in hun derde, vierde en vijfde jaar na omschakeling zitten. Per teeltgroep bekeken nemen grasland, eenjarige akkerbouw- en ruwvoederteelten en meerjarige groente- en fruitteelten een nagenoeg gelijk aandeel in de uitgaven waardoor sprake is van een vrij evenwichtige verdeling. Betalingen voor beschutte teelten (groenten, kruiden, sierteelt) nemen 1,5% van de totale betalingen in. Zowel de nieuwe instappers als de teeltsoort waarvoor de aanvraag wordt ingediend spelen een rol bij toename van de uitgaven hectaresteun. Bij een vergelijking met de uitgavencijfers van 2010 valt op dat toename ligt in de omschakelingspremie voor groenten en fruit (67.000 euro meer betalingen) en voor omschakeling van akkerbouw- en ruwvoederteelten (75.000 euro meer betalingen). Verder zijn ook betalingen voor grasland na de omschakelingsjaren toegenomen (28.000 euro).
de de de de
27
Tabel 13: evolutie van het aantal producenten onder controle, het areaal onder controle, het areaal met steun (*) (aflezen op
5 000
1 000 000
4 500
900 000
4 000
800 000
3 500
700 000
3 000
600 000
2 500
500 000
2 000
400 000
1 500
300 000
1 000
200 000
500 0
100
95
102
107
164
176
231
253
251
233
231
236
232
230
230
242
256
282
1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011
100 000 0
campagnejaar areaal met ha-steun
totaal areaal bio onder controle
hectaresteun
aantal bedrijven
Bron: Beleidsdomein Landbouw en Visserij (*) voorlopig cijfer
4 RECHTSTREEKSE STEUN Via het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) wordt steun verleend in het kader van diverse Europese steunregelingen. Deze steunregelingen kunnen opgedeeld worden in twee belangrijke groepen, met name de betalingen die gebeuren in het kader van de directe inkomensondersteuning (pijler I van het GLB) en deze die gebeuren in het kader van de indirecte steun, met name inzake plattelandsontwikkeling (PDPO) (pijler II van het GLB).De rechtstreekse steun is in grote mate ontkoppeld door de introductie van de bedrijfstoeslag. De bedrijfstoeslag is in Vlaanderen individueel bepaald op basis van de historische steun die de landbouwer ontvangen heeft tijdens een referentieperiode of op basis van de historische productie van de landbouwer. De bedrijfstoeslag bestaat uit en wordt toegekend via een aantal toeslagrechten met elk een bepaalde waarde: gewone toeslagrechten (GTR), en speciale toeslagrechten (STR). De biolandbouwers ontvingen naast de bio-specifieke steun (Tabel 12) ook nog rechtstreekse steun (uit Pijler I). Uit de cijfers van het Agentschap Landbouw en Visserij (ALV) blijkt dat 103 biolandbouwers (op een resultaat van 281 biolandbouwers) 968.797 euro aan toeslagrechten (gewone + speciale toeslagrechten) uitbetaald kregen in 2010. Gemiddeld gezien kregen de bedrijven die toeslagrechten uitbetaald kregen in 2010 een bedrag van 9.406 euro aan toeslagrechten. (ALV databank op 09/09/2011). In 2010 zijn in Vlaanderen de slachtpremie kalveren (SK) en de zoogkoeienpremie (ZK) nog gekoppeld. Twaalf van 281 biolandbouwers ontvingen in 2010 de zoogkoeienpremie met een totale waarde van 33.863 euro. Dit komt neer op een gemiddelde zoogkoeienpremie van 2.822 euro per bedrijf. De biolandbouwers ontvingen in 2010 geen slachtpremie kalveren.
28
hectaresteun (₏)
oppervlakte (ha)
linker-as) en de betalingen hectaresteun (aflezen op rechter-as), per campagnejaar, Vlaanderen, campagnejaar 1994-2011
5. CONSUMPTIE EN DISTRIBUTIE VAN BIOLOGISCHE PRODUCTEN IN 2011 1 MARKTOMVANG De bestedingen van de Belgische gezinnen aan biologische producten, opgemeten door GfK Panelservices Benelux, bedroegen vorig jaar ruim 435 miljoen euro. De biobestedingen kwamen hiermee 3% hoger dan het jaar ervoor. Deze stijging wordt verklaard door meer aankopen waardoor het bestede bedrag per gezin toenam. Het aantal biokopers bleef quasi stabiel op 89 op 100.De biomarkt tekent na drie jaar van stevige groei nu een kleinere groei op. Het marktaandeel bio bedroeg 1,4% en omvat zowel voedings- als niet-voedingsproducten. Figuur 15: totale besteding aan biologische producten door de Belgische gezinnen, miljoen euro, 2001-2011
700 600 500
+20% +29%
400
+3%
+12%
300 200 100 0
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
* voeding (vers, diepvries en kruidenierswaren), drogmetica en non-food. Bron: GfK Panelservices Benelux
VLAM volgt binnen de overeenkomst met GfK PanelServices Benelux de verse voeding (inclusief diepvries en enkele kruidenierswaren zoals ontbijtgranen, rijst, droge deegwaren en koekjes) op. De cijfers verder in deze tekst hebben enkel betrekking op deze uitgebreide verscategorie. De groei van de verscategorieĂŤn vertraagde in de eerste drie kwartalen van 2011. In het vierde kwartaal daalden de biobestedingen zelfs met 5%. Op jaarbasis was er nog wel een groei van 3%. De daling in het vierde kwartaal was vooral te wijten aan een dalend kopersaantal bij vlees en een lager gekocht volume bij plantaardige producten. Biozuivel tekende in het vierde kwartaal wel een plus op en groeide verder door. De grootste biocategorie, deze van de plantaardige voeding, kwam vorig jaar uit op 216 miljoen euro. De besteding van biologisch vlees en andere dierlijke voeding stabiliseerde op 84 miljoen euro. De zuivelcategorie groeide vorig jaar van 42 naar 46 miljoen euro.
29
Figuur 16: bestedingen biovoeding in BelgiĂŤ per categorie, in miljoen euro, 2007-2011
+2,5 216
211
200
176 150 147
114
100
0%
84
46
48 25 0
2007
-5%
64
61
50
+10 84
34
37
42
2008
2009
zuivel (excl substituten)
2010
2011
10 17
Q4 2007
dierlijke (excl vleesvervangers)
45
37
29 6 12
Q4 2008
52
10 17 Q4 2009
11
23
Q4 2010
-6% 8% 49
12
21
Q4 2011
plantaardig (incl vlees- en zuivelvervangers)
Bron: GfK PanelServices Benelux
De biobesteding bestaat voor ruim 62% uit plantaardige producten. Zuivel neemt 13,4% voor zijn rekening en andere dierlijke producten iets meer dan 24%. Deze aandelen blijven over de jaren heen vrij stabiel. Bij de gangbare producten zijn dierlijke producten relatief belangrijker dan bij bio. Bij het gangbare hebben de plantaardige en de dierlijke voeding bijna een gelijk aandeel in de gezinsbestedingen namelijk respectievelijk 44% en 41%. Zuivel neemt in het gangbare een iets hoger aandeel in dan bij bio namelijk 15%. Ook hier blijven de verhoudingen stabiel over de jaren heen. Figuur 17: aandeel per categorie binnen verse biovoeding in BelgiĂŤ, 2011
dierlijke (excl. vleesvervangers) 24,3%
zuivel (excl . substituut) 13,4%
plantaardig (incl. vleesvervangers en zuivelsubstituut) 62,4%
Bron: GfK Panelservices Benelux
30
2 CONSUMENTENPROFIEL Het aantal kopers dat op jaarbasis minstens eenmaal een bioproduct kocht, bedroeg vorig jaar 89% van de Belgische bevolking. Dit is een stabilisatie ten opzichte van 2010. Zo’n 18% van de Belgen zijn frequente biokopers. De frequente biokoper koopt minstens eenmaal om de 10 dagen bio. Deze groep staat in voor 77% van alle biobestedingen en bleef vorig jaar stabiel. Binnen de productgroepen zijn er grote verschillen in kopersaantallen. De kopersgroep van biogroenten is met bijna 60% veruit de belangrijkste en kende vorig jaar nog een groei. De tweede belangrijkste kopersgroep is fruit met 39%. Op de derde plaats komt zuivel met 32 kopers op honderd. Dit aantal stagneert de laatste jaren. De biobroodkopers komen met 22% op de vierde plaats. De biovleeskopers waren samen met de vleeswaren en de aardappelen de sterkste groeiers. Hun aantallen verdubbelden sinds 2005. Vorig jaar stabiliseerden de kopersaantallen voor deze categorieën. Een stabiele kopersgroep is deze van bio-eieren op de zevende plaats met 13 à 14%. De kopers van biogevogelte zijn met 9% een kleinere kopersgroep. Het rijtje wordt gesloten door de biovleesvervangers met zo’n 5%. Figuur 18: percentage kopers van enkele bio verscategorieën in België, 2011, België
60
50
40
30
20
10
0
2005 aardappelen
2006 brood
fruit
2007 groenten
2008 zuivel
vlees
2009 vleesvervangers
2010 vleeswaren
2011 gevogelte
eieren
Bron: GfK PanelServices Benelux
In absolute cijfers zijn de welgestelde gezinnen met kinderen en de welgestelde gepensioneerden de belangrijkste groep biokopers. Met “welgesteld” wordt een gezinsinkomensgrens bedoeld van 1.700 euro netto voor een gewoon gezin en 1.300 euro netto voor een gepensioneerde. Samen zijn zij verantwoordelijk voor ruim de helft van de biobesteding terwijl zij zo’n 43% van de bevolking uitmaken. Er is evenwel bij de welgestelde gezinnen met kinderen zeker nog potentieel omdat deze groep met een marktaandeel van 1,4% onder het gemiddelde van 1,8% zit. Huishoudens met kinderen met een beperkt inkomen hebben een laag marktaandeel maar zijn aan een inhaalbeweging bezig. De grootste stijging qua marktaandeel vinden we bij de alleenstaanden ouder dan 40 jaar, de welgestelde gepensioneerden en de tweeverdieners. De jonge alleenstaanden (<40j) zijn wat ondervertegenwoordigd maar
31
het zijn het wel intensieve biokopers. Het marktaandeel bij deze groep piekte in 2008 boven de 3,5% maar viel daarna sterk terug. Tabel 14: marktaandeel bio per levensfase in België, in procentueel aandeel bio in totale voedingsbesteding, 2007-2011 -
2007
2008
2009
2010
2011
jonge alleenstaande<40j
2,5%
3,7%
2,6%
2,4%
2,4%
tweeverdieners
0,6%
0,7%
1,6%
1,7%
2,0%
huishoudens met kinderen, beperkt inkomen
0,4%
0,7%
0,9%
0,9%
1,3%
welgestelde HH met kinderen
1,0%
0,9%
1,2%
1,6%
1,4%
kostwinner (2p)
1,2%
1,7%
1,4%
1,6%
1,5%
alleenstaande>40j
1,3%
1,6%
2,3%
2,7%
3,2%
gepensioneerden met beperkt inkomen
1,1%
1,5%
1,4%
1,5%
1,6%
welgestelde gepensioneerden
1,4%
1,7%
2,0%
2,3%
2,5%
Bron: GfK PanelServices Benelux
VLAM voerde in 2011 een onderzoek uit naar het consumptiegedrag van de Belg via marktonderzoeksbureau InSites Consulting. De resultaten geven inzicht in de consumptiemomenten en –plaatsen. De consumptie van biologische voeding gebeurt voor het overgrote deel thuis. Van alle consumptiemomenten met bioproducten situeert zich 70% thuis, 14% op het werk/school, 7% bij familie of vrienden, 4% in de horeca, 3% onderweg en 3% op overige plaatsen. Over een gemiddelde dag genomen consumeert 29% van de bevolking minstens één bioproduct. Het bioproduct dat het vaakst geconsumeerd wordt, is brood gevolgd door groenten, koffie, zuivel en fruit. Uitgedrukt in besteding per capita is bio-groente qua besteding een groeier tot 2010. Vorig jaar viel de besteding per capita terug van 6,60 euro naar 6,35 euro. Zuivel komt met 5 euro per capita op de tweede plaats. Verder volgt fruit (4,70 euro) en brood (3,50 euro). Aan bio-vlees wordt 3,20 euro per Belg besteed. Bio-gevogelte en bio-eieren volgen met elk 1,40 euro. Bio-vleeswaren, bio-aardappelen en bio-vleesvervangers sluiten de rij met respectievelijk 1,10 euro, 80 cent en 50 cent per capita.
32
Figuur 19: besteding bio vers per categorie in België, 2011, euro per capita op totale bevolking 35
Overige Eieren
30
Gevogelte/wild 25
Vleeswaar Vleesvervangers
20
Vlees 15
Groenten Fruit
10
Brood 5 Aardappelen
2011
2010
2009
2008
2007
2006
0
Zuivelsubstituten Zuivel (excl substituut)
Bron: GfK Panelservices Benelux (inclusief diepvriesproducten)
Het marktaandeel van de biologische producten stabiliseerde in 2011, na enkele jaren van groei, op 1,8%. Het marktaandeel van bio verschilt wel sterk van product tot product. De Vleesvervangers hebben met 19% het hoogste marktaandeel maar verliezen de laatste twee jaar wel terrein. De categorieën met een hoog bioaandeel zijn o.a. eieren (8,7%), groenten (5%) en brood (3%). De vleeswaren staan op de laatste plaats met 0,6%. Eieren, groenten en fruit kennen daarnaast ook jaarlijks een toename van hun marktaandeel. Het marktaandeel van brood, zuivel en vlees blijft daarentegen stabiel. Figuur 20: evolutie marktaandelen vers per productcategorie, België, in % van besteding, 2006-2011
25%
20%
15%
10%
5%
0%
1991*
2006
2007
2008
2009
2010
2011
Bron: GfK PanelServices Benelux
33
3 DISTRIBUTIEKANALEN Het aandeel van ‘speciaalzaak, natuurvoedingswinkel en overige’ groeide de voorbij jaren maar lijkt nu te stabiliseren rond de 30%. De klassieke supermarkt (DIS 1) blijft het grootste kanaal met 47% en won, na een dip in 2010, vorig jaar terug marktaandeel. Een verschil met de gangbare producten is het lage aandeel van hard discount. Dit kanaal betekent voor bio minder dan 5% tegenover 17,5% voor de gangbare voeding. De rechtstreekse verkoop, op de hoeve en de boerenmarkt, werd in 2011, na twee mindere jaren, terug belangrijker en is goed voor 4,6% marktaandeel. De openbare markt daalde van 4,3% naar 3,4% marktaandeel. Figuur 21: distributiekanalen biologische voeding: aandelen op basis van besteding, België, in % van de besteding, 20062011 100%
80%
60%
4.4%
4.0%
26.2%
25.3%
5.8%
6.4%
13.3% 1.5%
4.8%
3.3%
3.4%
4.6%
28.6%
30.0%
30.8%
29.1%
Hoeve en boerenmarkt
Speciaalzaak / Natuurvoeding en overige* 4.4%
4.6%
14.5%
12.2%
10.1%
1.1%
1.5%
2.7%
4.3% 11.8% 3.9%
3.4% 11.3%
Openbare markt
4.8% Buurtsupermarkt
40%
48.7%
48.8%
48.5%
49.2%
20%
Hard discount 45.8%
46.9%
Dis 1
0%
2006
2007
2008
2009
2010
2011
Bron: GfK PanelServices Benelux
4 PRIJZEN Biologische producten zijn gemiddeld een derde duurder dan gangbare producten. Het grootste verschil is er bij bio-eieren en braadkip. Een bio-eitje is bijna dubbel zo duur als een scharrelei. Een biobraadkip is drie kwart duurder dan een standaardkip. Het kleinste prijsverschil is er bij biogroenteburgers (+7%). Ook de evolutie van het prijsverschil verschilt van product tot product. Bij halfvolle melk, kaas, tomaten, groenteburger, varkenskotelet en brood werd het prijsverschil kleiner over de jaren heen. Bij braadkip en eieren werd de prijskloof groter. Biobrood is 25% duurder dan de gangbare variant en dit prijsverschil blijft quasi stabiel.
34
Figuur 22: prijsverschil bioproducten vs gangbaar equivalent, BelgiĂŤ, 2009-2011
Totaal bio Groenteburger Braadkip Varkenskotelet Brood
2011
Aardappel
2010
Tomaten 2009
Eieren Kaas Yoghurt Halfvolle melk 100
150
200
250
index
Bron: GfK PanelServices Belgium
35
6. CONTROLES IN DE BIOLOGISCHE LANDBOUW In tegenstelling tot veel andere lastenboeken of labels, zijn de regels voor de biologische productiemethode vastgelegd in de Europese en Vlaamse wetgeving. De naleving van de wetgeving wordt in Vlaanderen uitgevoerd door de erkende controleorganen.
1 CONTROLE Elke bedrijf wordt minstens één keer per jaar ter plaatse gecontroleerd door de controleorganen. Dit bezoek is altijd aangekondigd en tijdens deze controle worden alle aspecten van het lastenboek gecontroleerd. Daarenboven moeten de controleorganen een minimum aantal steekproefcontroles uitvoeren dat tussen 50 tot 75 procent van het aantal bedrijven ligt. Tijdens een steekproef controle wordt telkens een specifiek deelaspect van het lastenboek gecontroleerd. De selectie van de bedrijven gebeurt op basis van een risicoanalyse, waarin rekening wordt gehouden met resultaten van de eerdere controles, de hoeveelheid producten en het risico op verwisseling van bio- en niet-bioproducten. Daarnaast worden verscherpte controles, naar aanleiding van een ernstige inbreuk, en administratieve controles uitgevoerd. Tabel 15: aantal uitgevoerde controles, 2011 Soort controle
aantal
Steekproefcontrole
481
Verscherpte controle
41
Administratieve controle
97
Bron: Departement Landbouw en Visserij
Het aantal staalnames bij een marktdeelnemer is wettelijk vastgelegd. In 2011 werden 393 stalen genomen en 398 analyses uitgevoerd. Als ten gevolge van een controle of staalname een inbreuk op het lastenboek wordt vastgesteld, is het controleorgaan verplicht een sanctie uit te spreken. Dat kan gaan van een gewone opmerking tot de volledige schorsing van het bedrijf. De term ‘biologisch’ en afgeleiden daarvan zijn wettelijk beschermd. Bij gebruik van deze term op etiketten of reclame van producten moet worden voldaan aan de voorschriften van de regelgeving biologische landbouw. Elk bedrijf dat bioproducten produceert, verwerkt, opslaat, invoert of verhandelt moet onder controle staan van een erkend controleorgaan. In 2011 kreeg de overheid 33 meldingen over bedrijven die mogelijk in overtreding waren met de wetgeving. Ze werden onderzocht door een controleur van de overheid en indien nodig werden de bedrijven aangemaand om zich in regel te stellen. Daarnaast staat de overheid in voor de correcte werking van de controleorganen. In 2011 voerde de overheid in het kader van haar rol als supervisor op de controleorganen 47 administratieve controles en 29 controles ter plaatse uit.
36
2 IMPORT Biologische producten uit derde landen kunnen worden ingevoerd onder strikte voorwaarden. Enkel als blijkt dat de productiemethode en het controlesysteem gelijkwaardig zijn met dat van Europa, kunnen de producten ingevoerd worden. Zo heeft de Europese Commissie 10 landen (Argentinië, Australië, Canada, Costa Rica, India, Israël, Japan, Zwitserland, Tunesië en Nieuw-Zeeland) als equivalent verklaard. Voor invoer uit alle overige landen is een individuele vergunning of importmachtiging vereist. In 2011 werden 349 importmachtigingen afgeleverd voor 42 verschillende landen De meeste machtigingen zijn voor Peru (22%), Turkije (11%), Mexico (11%) en Ecuador (11%). De meest voorkomende producten zijn bananen, koffie, granen en gedroogd fruit.
37
FIGURENLIJST Figuur 1: biologisch areaal (oms+bio) in de EU27, in hectares (aflezen op linker-as) en procentueel aandeel biologisch areaal in totaal landbouwareaal (aflezen op rechter-as), 2005-2010 .............................................. 4 Figuur 2: evolutie van het aandeel areaal in omschakeling in het totale biologische areaal voor enkele lidstaten, 2005-2010, in % ................................................................................................................................... 5 Figuur 3: aantal instappers in jaar X, aantal overgebleven instappers in 2011 van instappers in jaar X en aandeel van de blijvers van jaar X in 2011, Vlaanderen, 2011 ................................................................... 11 Figuur 4: aantal verleende adviezen per sector en aantal omschakelaars per sector, 2011 ............................ 12 Figuur 5: percentage Vlaamse biobedrijven die volledig bio, overwegend bio en overwegend gangbaar zijn, 2011 .................................................................................................................................................. 13 Figuur 6: bedrijven die meer dan 50% biologisch zijn, onderverdeeld naar typologie, 2010 .......................... 16 Figuur 7 : alle Vlaamse landbouwbedrijven onderverdeeld naar typologie, 2010 .......................................... 17 Figuur 8: evolutie van de gangbare (Milcobel) en biologische melkprijs (Biomelk Vlaanderen), 2002-2011, België, euro per 100 liter. ..................................................................................................................... 18 Figuur 9: evolutie van de prijzen voor gangbare en biologische witlooof, 2008-2011, in euro per kg .............. 19 Figuur 10: evolutie van de prijs van gangbare en biologische prei, 2008-2011, in euro per kg....................... 20 Figuur 11: evolutie van de gangbare en biologische prijs van wortelen, 2008-2011, in euro per kg ................ 20 Figuur 12: evolutie van de prijs voor gangbare appels en peren en biologische appels en peren, 2008-2011, in euro per kg. ........................................................................................................................................ 21 Figuur 13: evolutie van de overheidsuitgaven 2000-2011 (excl. Indirect IWT onderzoek), Vlaanderen, 20002011 .................................................................................................................................................. 23 Figuur 14: verdeling van de uitgaven onderzoek over de verschillende thema’s, 2011, Vlaanderen. ............... 25 Figuur 15: totale besteding aan biologische producten door de Belgische gezinnen, miljoen euro, 2001-2011 . 29 Figuur 16: bestedingen biovoeding in België per categorie, in miljoen euro, 2007-2011 ................................ 30 Figuur 17: aandeel per categorie binnen verse biovoeding in België, 2011 .................................................. 30 Figuur 18: percentage kopers van enkele bio verscategorieën in België, 2011, België ................................... 31 Figuur 19: besteding bio vers per categorie in België, 2011, euro per capita op totale bevolking.................... 33 Figuur 20: evolutie marktaandelen vers per productcategorie, België, in % van besteding, 2006-2011 ........... 33 Figuur 21: distributiekanalen biologische voeding: aandelen op basis van besteding, België, in % van de besteding, 2006-2011 .......................................................................................................................... 34 Figuur 22: prijsverschil bioproducten vs gangbaar equivalent, België, 2009-2011 ......................................... 35
38
TABELLENLIJST Tabel 1: omzet bio per productcategorie, Nederland, 2009-2010 ................................................................. 6 Tabel 2: omzetten per distributiekanaal in het Verenigd Koninkrijk, miljoen pond, 2009-2010 ......................... 8 Tabel 3: aantal biologische producenten onder controle, Vlaanderen, 2011 ................................................. 10 Tabel 4: areaal in omschakeling, biologisch en totaal, Vlaanderen, in hectare, 2011 .................................... 13 Tabel 5: verdeling van het areaal van de biologische bedrijven over groottecategorieĂŤn en de mate waarin ze bio zijn (gangbaar+biologisch). ............................................................................................................. 14 Tabel 6: evolutie van de biologische arealen per teeltgroep, Vlaanderen, in hectare, 2002-2011 .................... 14 Tabel 7: evolutie van het aantal biologisch gehouden dieren, Vlaanderen, 2003-2011 .................................. 15 Tabel 8 : aantallen marktdeelnemers onder controle 2008-2011 (exclusief producenten) ............................. 15 Tabel 9: overzicht van de betalingen voor de biologische landbouw, opgedeeld naar doelstelling in het strategisch plan, 2009-2011, Vlaanderen................................................................................................ 22 Tabel 10: betalingen voor de diverse onderzoeksprojecten voor de biologische sector met overheidsmiddelen per financierder, 2011, Vlaanderen.............................................................................................................. 24 Tabel 11: schema hectaresteun Vlaanderen (PDPO II), bedragen in euro per hectare ................................... 26 Tabel 12: verdeling van de uitbetaalde hectaresteun over de teeltgroepen en de steungroepen, campagnejaar 2010, in euro per hectare ..................................................................................................................... 27 Tabel 13: evolutie van het aantal producenten onder controle, het areaal onder controle, het areaal met steun (*) (aflezen op linker-as) en de betalingen hectaresteun (aflezen op rechter-as), per campagnejaar, Vlaanderen, campagnejaar 2010 ........................................................................................................... 28 Tabel 14: marktaandeel bio per levensfase in BelgiĂŤ, in procentueel aandeel bio in totale voedingsbesteding, 2007-2011.......................................................................................................................................... 32 Tabel 15: aantal uitgevoerde controles, 2011 .......................................................................................... 36
39
BRONNENLIJST Aertsens, J. (2011), Organic Food as an Emerging Market: personal determinants of consumption, supply governance and retail strategies, 2011, Doctoral Thesis, Ghent University Agence Bio (2011), L’agriculture biologique en France Bioforum Wallonie (2011), Le bio en chiffres 2011 Bionext, Biotrends 2011, Trends en ontwikkelingen de biologische sector, 28 november 2011 Boer & Tuinder (2011), kansen voor biolandbouw, 29 april 2011 Boer & Tuinder (2011), De stap naar bio nog niet gezet? Bund Ökologische Lebensmittelwirtschaft (BÖLW), Zahlen, Daten, Fakten: die Bio-Branche 2011 BMELV (2011), Organic Farming in Germany still growing (Press Release 124), 22 juni 2011 Claire Largier (Syna Bio) (2011), Organic Products French Market Danckaert S., Lenders S., Oeyen A. (2009), De landbouwactiviteit in Vlaamse gemeenten, proeve van typologie FIBL, 2010, http://www.organic-world.net/statistics-data-tables-excel.html#c6167 G. Schwarz, H. Nieberg, J. Sanders (2010), Organic Farming Support Payments in the EU IFOAM (2010), Organic food and farming: a system approach to meet the sustainability challenge LEI Wageningen (2011), Monitor Duurzaam Voedsel 2010 Metro France, 3 februari 2011, L’agriculture bio à encore bondi en 2010 Organic Farming as Opportunity for European Agriculture, proceedings of congress in Gödöllö, 31 may – 1st june 2011 Perscommuniqué EC (2011) L’UE contribue pour 37,6 millions € à la promotion des produits agricoles dans l’UE, Soil Association (2011), Organic Market Report 2011 Soil Association (2011), The Lazy Man of Europe Task Force Marktontwikkeling Biologische Landbouw, 10 mei 2011, Biologisch groeit flink door in stagnerende foodmarkt, The Guardian, 9 februari 2011, UK governments have failed to support organic farming, says the Soil Association VILT, 26 mei 2011, Nieuwe Nederlandse ketenorganisatie vergroot slagkracht biologische sector VILT, 14 juli 2011, Vlaamse boeren laten kansen biolandbouw liggen
40
VILT, 12 oktober 2011, Tussenkomst in controlekosten voor bio- en streekproduct VILT, 6 januari 2011, Frankrijk snoeit in belastingvoordeel biolandbouw
41
BIJLAGE:BIOLOGISCHE AREALEN PER TEELT IN 2011 plantaardige productie OPPERVLAKTES Akkerbouwgewassen maĂŻs (korrel, silo, suiker) wintertarwe + zomertarwe wintergerst zomergerst winterrogge + zomerrogge snijrogge haver triticale spelt andere granen boekweit textielvlas erwten droog geoogst tuin- en veldbonen (droog geoogst) zonnebloempitten braak (faunabraak, spontane bedekking, poelen) niet-bittere lupinen vlinderbloemigen niet-vlinderbloemige groenbemester non food suikerbieten voederbieten klavers (grasklaver+klaver) luzerne voederwortelen andere voedergewassen hennep hop koolzaad zaad- en pootgoed cichorei niet-ingezaaid akkerland rabarber Sierteelt Weiland en bossen permanent grasland tijdelijk grasland grassen (raaigras) uitloop boomkweek, bossen, weiland met bomen gebieden met natuurwaarde Groenten Groenten onder glas (totaal) stengelgroenten andere vollegrondsgroenten aardappelen bladgroenten kolen peulvruchten witloof (incl witloofwortelen) ui-achtigen wortelen en knollen vruchtgroenten asperge champignons kool en raapzaad kruiden andere groenten
2011 aantal hectare IN OMSCHAKELING 267,98 24,40 10,05 3,29 13,15 5,91 0,00 1,48 20,47 6,13 6,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 31,32 0,00 5,56 1,75 9,69 0,00 0,56 123,45 1,24 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 3,53 0,00 0,00 933,96 228,04 92,86 3,98 1,61 3,28 604,19 30,31 0,00 0,61 1,22 16,21 1,83 0,11 0,00 0,00 0,00 1,02 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 9,31
BIO 1.229,72 145,59 40,39 12,61 50,78 4,71 0,00 11,19 110,01 16,06 20,85 0,57 0,00 0,00 38,90 1,82 82,94 1,00 0,84 3,13 0,85 0,26 15,34 632,14 12,78 0,00 4,90 0,15 15,47 0,00 2,31 2,14 0,09 1,90 0,00 1.293,83 931,65 259,38 1,20 0,31 16,21 85,08 392,08 0,00 3,64 24,48 75,16 56,48 56,65 1,98 9,93 3,33 46,45 8,79 5,22 0,00 4,91 18,36 76,70
totaal 1.497,70 169,99 50,44 15,90 63,93 10,62 0,00 12,67 130,48 22,19 26,85 0,57 0,00 0,00 38,90 1,82 114,26 1,00 6,40 4,88 10,54 0,26 15,90 755,59 14,02 0,00 4,90 0,15 15,47 0,00 2,31 2,14 3,62 1,90 0,00 0,00 2.227,79 1.159,69 352,24 5,18 1,92 19,49 689,27 422,39 0,00 4,25 25,70 91,37 58,31 56,76 1,98 9,93 3,33 47,47 8,79 5,22 0,00 4,91 18,36 86,01
42
Fruit aardbeien meerjarige fruitteelten appelen peren kersen noten kleinfruit (incl bessen) bessen druiven pruimen andere ĂŠĂŠnjarige fruitteelten TOTAAL
121,35 0,88 25,44 46,59 11,94 3,76 0,00 0,03 32,03 0,20 0,48 0,00 1.353,60
293,45 5,86 20,37 166,10 43,99 15,30 0,00 1,59 35,17 0,77 4,30 0,00 3.209,08
414,80 6,74 45,81 212,69 55,93 19,06 0,00 1,62 67,20 0,97 4,78 0,00 4.562,68
Bron : Departement Landbouw en Visserij
43