Skip to main content

M&L_33_6.pdf

Page 1

ff-y-

n. '

k^b^

I ^^

Natuurlijke hydraulische kalk isolerend - dampopen - duurzaam - kalleien UNILIT CORICAL sanerend - injecties moulures - voegen - pleister metselen - tadelakt - natuurlijke bindmiddelen vette kalk

Arte Constructo

+32(0)3 880 73 73 info@arteconstructo.be


33/6

M..L

EN, L A N D S C H A P P E N EN A R C H E O L O G I E

Tweemaandelijks tijdschrift van de Vlaamse overheid, Onroerend

Erfgoed

ISSN 0770-4948 Jaargang 33 nr. 6 NOV.-DEC.2014

Inhoud Detail van een stamschijf van een afgestorven eik uit het kasteelpark van Elverdmge. In het hout zijn verwondingen te zien, ontstaan tijdens de Eerste Wereldoorlog (foto K, Haneca)

Voorzitter KristJen Verbraeken Eindredactie Marjan Buyle en Peter Van den Hove Kern red actie Marjan Buyle Rudy DeCraef Herman Van den Bossche Peter Van den Hove Redactie Anna Bergmans )o Braeken Mare De Borgher Anton Ervynck Jos Gyselinck Catheline Metdepenninghen Dieter Nuytten Dirk Pauwels Paul Van den Bremt Maarten Van Dijck Thomas Van Driessche Inge Verdurmen Tom Verhofstadt Linda Wylleman Ereleden Edgard Coedleven Marcel M. Celis ]o De Schepper Suzanne Van Aerschot Hedwig Van den Bossche Christine Vanthjllo Het tijdschrift M&.L is opgenomen in het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen en gevalideerd als tijdschrift met peer review. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Redactiesecretariaat Nancy Van den Bossche nancy, va ndenbossche@ rwo.vlaanderen.be Tel. 02 553 16 13 Abonnementen* België: 40 € (losse nummers: 7 € ) Buitenland: 65 € CJP- of studentenkaart: 28 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. IBANBE48 3751 1109 8627 BIC-codeBBRUBEBB van Monumenten & Landschappen Koning Albert ll-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel * Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

38 Groene veteranen. Levende getuigen van de eerste wereldbrand Kristof Haneca

De neogotische gymnasliekzaal van de voormalige Rijksnormaalschool te Brugge in cultuurhistorische context

De restauratie van de Duitse militaire begraafplaats in Hooglede Thomas Van Driessche, Geert Bossaert en Herman van den Bossche

Eva Bouton, Thomas Coomans en Pascal Detheye

Website www.menl.be Advertentiewerving info@onroerenderfgoed.be Vormgeving Bart Delva Druk die Keure- Brugge Fotografie Oswald Pauwels Verantwoordelijk uitgever Sonja Vanblaere Koning Albert ll-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel

1VI&LI ^


A. M. C O N S U L T AM Consult bvba Anthonis de Jonghestraat óA B-9100SINT-NIKLAAS t: 03 780 61 53 f: 03 766 18 52 a.m.consult@skynet.be www.amconsulibe

Restauratie en Monumentenzorg

"f

Uw partner voor het opsporen van de oorzaken van: Vochtvlekken Schade aan pleisterwerk Waterlnflltratles Betonrot Schimmels Houtaantasting door zwam Condensvormlng Houtaantasting door Insecten Opstijgend vocht Regendoorslag Door: Gravlmetrlsche vochtanalyse Kwantitatieve zoutanalyse RH en T datalogging Endoscople Microscopisch onderzoek in situ en/of in het labo Ifv de onderzoeksmethoden

Wij leveren: gefundeerd en praktisch behandelingsadvies voor een efficiënte aanpak van het probleem

B o u w o n d e r n e m i n g

STEENEN HUIS Restoratie & Renovatie

Sonck Frédéric • Siermetselwerk • Ruwbouw • Gewelfbouw • Bekisten en storten van betonnen trappen in bestaande gebouwen ' Gevelreiniging • Steenkapperij: monelen, maaswerk, hogels, pinakel, kapitelen • Natuursteenherstelling met minerale mortel • Gips-, kalk-, leem- en cementpleisterwerk: 1 of 2 lagensysteem • • • •

Lijsten - Stuc - Fixeren van verpoederd pleisterwerk Eigen productie van gebluste kalkdeeg Vloer- en wandbetegeling Schilderwerken met silicaarverf (KEIM)

Tel.: 0472/77.65.04 - Fax: 09/282.93.26

DAVID & GOLIATH Fabrikant van artisanale tegels

CEMENTTEGELS GEGLAZUURDE TEGELS BOOMSE TEGELS KERAMISCHE PATROONTEGELS Ruime basiscollectie op stock maar ook reproductie van historische modellen

Boetiek: Gasthuisstraat 3 1000 Brussel zaakvoerder Pieter Ballegeer 0475/874864 www.davidgoliath.be


Archeologie in de provincie Antwerpen

Puurs-Pullaar. Aan de rand van de middeleeuwse bewoning Vosselaar-Lindehoeve. Een erf uit de ijzertijd aan het Hofeinde Meer-Meirberg. Steentijdbewoning op een Kempense duinrug Meer-Zwaluwstraat. Een ijzertijdnederzetting bij de Mark De verzameling-ZImmermann (1918). Militaire luchtfoto's van Beveren tot Oud-Turnhout Het Mechelse Steen. Een laatmiddeleeuwse gevangenis op de Grote Markt Rumst-Molenveld. Romeinse nederzetting, Romeins kamp Edegem-Buizegem. Vierduizend jaar begraven en cremeren Boom-Krekelenberg. Een erfenis uit de ijzertijd Bornem-Wintam. Baggervondsten bij de aanleg van de zeesluis Kontich-Duffelsesteenweg. Ijzertijdcrematies onder een verkaveling Zoersel-Zoerselbos. Sporen van houtskoolbranders in een oud-bos Q 13 Het arresthuis in Mechelen.

Van randgeval tot lieu de mémoire

• 14 Beerse-Krommenhof. Middeleeuwers op en rond bronstijdgrafheuvels

o 15 Ranst-Zevenbergen. Kelten en Romeinen tussen kerk en kasteel

• 16 Broechem-Nierlender.

De dienst Erfgoed van de provincie Antwerpen Het Merovingisch grafveld speelt een actieve rol in het behoud, de studie • 17 De Sint-Martinuskerk Duffel. en de ontsluiting van alle vormen van erfgoed in De bewogen geschiedenis van een parochiekerk de provincie. In de brochurereeks 'Archeologie in de Provincie Antwerpen' laat ze het publiek Deze rijkelijk geïllustreerde brochures zijn kennismaken met de archeologische vondsten gratis verkrijgbaar bij de dienst Erfgoed. en vindplaatsen in de provincie. Je kan ze aanvragen via cultuurloketoprovincieantwerpen.be of via het nummer 03 240 66 30.

Meer info en andere erfgoedpubllcaties: www.provincieantwerpen.be

Provincie Antwerpen

DIENST ERFGOED Desguinlei 100 • 2018 Antwerpen erfgoedoprovincieantwerpen.be


Als oorlog erfgped wordt

^uste jaargang van M&L in het teken van erfgoed uit W' O p 4 augustus van dit jaar was het l o o jaar geleden dat het Duitse leger België binnen viel. Wat in het oosten van ons land begon als een bewegingsoorlog, waarbij het Belgische leger gevecht na gevecht werd teruggeslagen, mondde enkele weken later in het westen van het land uit in een jarenlange stellingenoorlog. Overal in het Vlaamse landschap heeft die Croote Oorlog sporen nagelaten, weliswaar met erg grote contrasten. Voor heel wat van die overblijfselen is de laatste decennia een bijzondere aandacht ontstaan.

Littekens die men aanvankelijk uit steden, dorpen en landschappen wilde wissen, onder andere tijdens de grote wederopbouw, werden langzaam relicten die men w o u gaan behouden en beschermen; oorlog werd erfgoed, en dit erfgoed werd plots meer dan ooit geprofileerd als dé allerlaatste getuige van de Eerste Wereldoorlog. In wat een bijzonder herdenkingsjaar belooft te worden wil de redactie van het tijdschrift MatL dan ook de nodige aandacht schenken aan de actuele Vlaamse erfgoedzorg rond Wereldoorlog I.

In iedere uitgave van dit jaar zijn bijdragen opgenomen worden over m o n u m e n t e n , landschappen en archeologie in relatie tot de Eerste Wereldoorlog. Verhalen die beginnen bij het in kaart brengen en inventariseren van oorlogserfgoed, verhalen die gaan over onderzoek, verhalen over de vele diverse pogingen o m te beschermen en te behouden, verhalen over hoe een oorlog na 100 jaar ons erfgoed werd, verhalen over hoe dit erfgoed als unieke getuige de herinnering aan de Croote Oorlog voor toekomstige generaties levend kan houden.


LitfJirTüM Levende veteranen In en rond de voormalige frontzone in de Westhoek veroorzaakten niet alleen het oorlogsgeweld, maar ook de grootschalige ontbossing als gevolg van de grote vraag naar constructie- en brandhout, een desolaat en boomloos landschap. Of toch niet helemaal? In de buurt van het voormalige front blijken verrassend genoeg enkele oude bomen wel degelijk de oorlog overleefd te hebben. Kristof Haneca wijst op het bestaan van deze zeldzame reuzen, misschien zelfs talrijker dan gedacht, die in zich letterlijk de wonden dragen van de Eerste Wereldoorlog. Ongeliefd bij houthandelaren door de talrijke inclusies van metaal, zijn ze vandaag de nog levende getuigen van een honderd jaar oud conflict.

Turnen in een neogotische omgeving Vaak ten onrechte vergeleken met de gotische schuur van Ter Doest is de neogotische gymnastiekzaal van de Brugse stadsarchitect Louis Delacenserie niettemin een architecturaal unicum. Gebouwd in 1880-1883 volgens de richtlijnen van het officieel onderwijs, is dit voornamelijk houten interieur nog altijd even indrukwekkend en monumentaal qua afmetingen en materiaalafwerking. Het heeft zijn oorspronkelijke functie al die jaren kunnen behouden en is beschermd als monument. Het toenmalige getouwtrek tussen de Duitse en de Zweedse gymnastiekscholen is af te leiden uit bepaalde keuzes van binnen afwerking en turntoestellen. Eva Bouton, Thomas Coomans en Pascal Delheye bestudeerden dit merkwaardig ontwerp vanuit hun uiteenlopende disciplines en gingen tevens op zoek naar nog andere historische gymzalen uit die periode.

Bloedrood De militaire begraafplaatsen in de Westhoek zijn vandaag schreeuwende aanklachten tegen oorlogsgeweld dat zoveel individueel en familiaal leed veroorzaakte. Toch is er verschil in aanpak. De Commonwealth begraafplaatsen benadrukken met hun rechtopstaande individuele melkwitte grafstenen in strak gelid op keurig gemaaide grasvelden de triomf van de overwinnaars. Op de Duitse militaire verzamelbegraafplaatsen uit de jaren 1950 vervangen platte naamstenen en verspreide groepen van 5 kruisen thans de originele individuele gedenktekens. In Hooglede rusten de Duitse gesneuvelden in een bloeiend heideveld onder bomen. Thomas Van Driessche, Geert Bossaert en Herman van den Bossche doen het relaas van het ontstaan, de evolutie en de recente restauratie en herinrichting van deze begraafplaats.


Groene veteranen. Levende getuigen van de eerste wereldbrand KristofHaneca

Een veteraanboom is "een boom met een ecologische, esthetische of culturele waarde omwille van zijn omvang of de staat waarin hij zich bevindt"

Grote bomen, Croote Oorlog

leeftijd,

(i).

Ook bomen in de aftakelingsfase van hun leven worden hierbij gerekend. In een militaire context heeft de term 'veteraan' een heel andere betekenis, als 'voormalig soldaat'. Beide begrippen staan in de Westhoek echter dicht bij elkaar. Oude bomen in de buurt van de voormalige frontzone, of wat verder weg, blijken niet alleen groot en mooi maar soms zijn ze letterlijk ook levende getuigen van de Eerste Wereldoorlog. Ze zijn vaak ouder dan gedacht en hebben, tegen alle verwachtingen in, de verwoestingen van ' i 4 - ' i 8 overleefd. Het zijn veteranen in alle betekenissen van het woord (2).

Boomloze vlakte Net voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zag men in de regio rond leper een gevarieerd bocagelandschap, waarin kleine percelen omzoomd werden door bomenrijen en hagen. Het was gekenmerkt door ontelbare knotbomen, werd doorkruist door hagen en houtkanten, en telde vele bossen en kasteelparken (3). Net als mens en dier ondergingen dit landschap en de lokale vegetatie de verwoestende krachten van de Eerste Wereldoorlog, waardoor ze onherroepelijk geschonden werden. Dit is kenmerkend voor een stellingenoorlog, op dat moment een nieuw gegeven in de Europese geschiedenis. Een bewegingsoorlog heeft in een landschap een veel beperktere impact dan een jarenlange strijd op één plaats, waarbij aanhoudende

Het slagveld na de Derde Slag om leper, op 15 februari 1918.

Iconische foto genomen door Frank Hurley op 29 oktober 1917

Enkel de stammen van een paar dode bomen staan nog recht

in het verwoeste bos nabij het gehucht Potyze

( © Imperial Wor Museum. Q 10709)

( © Australian

6

IM

L

War

Memorial)


het in de eeuwen vóór de oorlog reeds sterk artilleriebeschietingen en bombardementen het gefragmenteerde bosbestand. Bij alle militaire landschap compleet kunnen verwoesten. operaties waren grote hoeveelheden hout nodig. In de voormalige frontzone van de leperboog Voorbeelden zijn de bouw van spoorlijnen en bleef na de oorlog een verwoest en boomloos barakken of het netwerk van telefoonpalen, en niet landschap achter, op een aantal troosteloze en in het minst de aanleg van wandelpaden naar en sterk beschadigde exemplaren na. Het landschap in de naar schatting 90.000 ha Verwoeste Gewesten over het modderige slagveld, de talloze loopgraven en de (deep) dug-outs. Zowel lokaal als aangevoerd was nog best te omschrijven als een kale steppe of hout werd hiervoor benut. Uit een analyse van het kraterlandschap (4). Door het oorlogsgeweld lijkt materiaal dat werd gebruikt bij de bouw van Duitse het uitgesloten om bomen ouder dan 100 jaar in en Britse loopgraven aan de Nieuw-Zeelandstraat de regio aan te treffen. in Mesen blijkt dat zowel olmenhout en populier van lokale oorsprong, als ingevoerde fijnspar en In de vuurlijn zilverspar werden gebruikt (5). Ook veel grove den Individuele bomen en volledige bosbestanden komt in de constructies voor. Dit is geen inheemse kregen het aan het front hard te verduren. soort maar kon wel ter plekke zijn geoogst aangezien Duizenden afgevuurde stukken munitie reduceerden de boom reeds aan het eind van de 19de eeuw de lokale houtige vegetatie tot er bijna niks meer lokaal werd aangeplant. Zeker olm was rijk van over bleef. De impact van een kogel maakt een voorradig in het landschap rond leper (6). verwonding in de stam die een boom nog relatief Deze boomsoort werd in de streek massaal gemakkelijk kan overgroeien. Bomen zijn immers aangeplant en leverde fraaie, rechte stammen op. 'geprogrammeerd' om een verwonding zo snel Olm is uitstekend bouwof constructiehout, al is de mogelijk af te grendelen en te overgroeien. Zo kan een vitale boom een eenmalige verwonding zonder natuurlijke duurzaamheid aan de lage kant. Zeker bij gebruik in contact met de grond zullen problemen overleven. Maar meestal bleef het niet insecten en schimmels het hout vrij snel aantasten, bij één of meerdere kogels. Grotere projectielen wat na enkele jaren een vervanging noodzaakt. konden grote bomen in één keer omleggen, zeker bij een voltreffer. Timmerhout

Niet alleen het oorlogsgeweld veroorzaakte een grootschalige ontbossing, ook de massale vraag naar constructiehout zorgde voor een kaalslag in

Naast het aanspreken van de houtvoorraad in de lokale bossen werd ook sloophout gebruikt. Uit de verlaten en vernietigde gebouwen in de frontstreek was veel hout te recupereren. Hergebruik van bouwhout was daardoor zeker aan de orde (7).

Deze boom in de buurt van leper werd getroffen door een granaat. De granaat zelf zit nog vast in de boom

Na een voltreffer blijft er bijna niks meer over van deze boom

(© Imperial War Museum, Q 29092)

(© Imperial War Museum. Q 88101)


stofdienden zowel hout, houtskool als steenkool, afhankelijk van wat op dat moment beschikbaar was. Exacte cijfers over de verbruikte hoeveelheden brandstof zijn helaas moeilijk te vinden in de oorlogsarchieven. Zonder twijfel werden de beschikbare voorraden aangevuld met wat nog overbleef van de lokale vegetatie. De ooit veel voorkomende knotbomen, haagkanten en hakhoutstoven in het landschap van de Westhoek vormden alvast een dankbare en productieve bron van brandhout.

Soldaten zoeken beschutting achter enkele knotbomen tegen de rondvliegende munitie. Foto genomen door Lt, J.W, Brooke, nabij Boezingeop 17 augustus 1917 f © Imperial War Museum, Q 88101)

De continue vraag naar constructiehout bleef niet beperkt tot de frontzone rond leper en de IJzer, maar was een globaal probleem tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het bosbestand in Frankrijk kreeg daardoor een sterke strategische waarde, mede door de beperkte mogelijkheden om hout aan te voeren via de trans-Atlantische scheepvaart. Houtexploitatie op een industriële schaal vereist een doordachte aanpak, niet alleen met de nodige technische kennis, maar ook met inzicht in het bosbeheer. Zowel de toevoer van hout naar het front moest gegarandeerd blijven, maar ook het beheer van de bossen mocht niet uit het oog worden verloren, om in de toekomst nog over de nodige houtreserves te beschikken. Dat werd al snel erkend door de geallieerde troepen en het Amerikaanse leger startte, onder andere in samenwerking met de US Forest Service, de rekrutering van ervaren bosarbeiders, boswachters en operatoren van zaagmachines. Dit leidde tot het oprichten van twee regimenten bosbouwers (8). Het eerste regiment, de loth Engineers (Forestry) onder leiding van kolonel James A. Woodruff, arriveerde in Frankrijk in oktober 1917. Ze werden kort daarop gevolgd door een tweede regiment, de 20th Engineers (Forestry) onder gezag van kolonel William A. Mitchell, om te kunnen voldoen aan de steeds stijgende vraag naar hout bij alle militaire operaties.

Strategische bomen Naast een bron van hout hadden bomen ook een militair-strategische functie. Niet alleen boden ze de soldaten beschutting tegen rondvliegende kogels en granaten, ze waren ook een ideaal instrument als observatiepunt, of als schutterspost. Geknotte bomen waren hiervoor de meest geschikte exemplaren aangezien een soldaat zich relatief gemakkelijk kon verschansen in de knot. Bovendien waren knotbomen talrijk in het landschap aanwezig. Door de kaalslag in het oorlogsgebied werd deze strategische mogelijkheid echter steeds zeldzamer, in die mate zelfs dat verdwenen bomen soms werden vervangen door een kopie. Een van de Special Companies van de Royal Engineers in het Britse leger specialiseerde zich in camouflagetechnieken en had werkplaatsen waar

Belgische uitkijkpost in een boom. Een houten platform is verankerd in de kruin ( © Bibliothèque Nationale de France, bew. H. Denis)

l

->

u

KN» ,

'S* '•'''

3*

**•«%

l •f

In de kachel Ook in het dagelijkse leven in en rond de loopgraven was hout onontbeerlijk, al was het maar voor verwarming. Kleine komforen zorgden niet alleen voor een beetje warmte, maar werden vooral gebruikt om maaltijden klaar te maken. Als brand-

8

IM

L

tj&SFWÊi

I'm

i

i


LonpvLccLon.

gfubd&vjaori Tree.

i

1

''AI

r M

ft

u

vvs^/nd/ (vï/itf.ir •^• iw rrjfnyr/ji'mv

B

il

Ar

/ A i\

•G3i

IbffaaaioR. «fi/itydêaion of <l-n:Oiemt/Jmc Cart

(^ecdori tfaxxuj/i 3.ffi^, DugnmittjioimrKj erxxtioii.itfrree _

Plannen voor een observation tree van de Royal Engineers (© Imperial War Museum. Q 17811)

uit staal en camouflagedoek replica's van bomen werden gemaakt. Dergelijke camouflage trees dienden als uitkijkpost en stonden aan Britse zijde ook b e k e n d als observation trees of periscope trees.

De camouflage trees werden soms bemand door een sluipschutter.

Deze knotboom werd door Belgische soldaten gebruikt als schutterspost {© Bibhothèque Nationale de France. bew. H. Denis)

Officieren van het isl battalion of the Liverpool Scottish ontspannen zich in Scottish Wood, bij Elzenwalle (leper). In het bos zijn stronken van gekapte bomen te zien. Een struiklaag ontbreekt volledig en is waarschijnlijk gebruikt als brandhout ( © I n Flanders Fields Museum)

Bossen als rustplaats Achter de frontzone boden bomen en bossen beschutting. Het waren plaatsen waar kampen werden opgebouwd voor de soldaten, om te rusten en te herstellen van de opgelopen verwondingen, na of vóór een verblijf in de frontzone. Maar ook ontspanning hoorde daarbij, door sport en spel of het bekijken van films in een daartoe opgetrokken barak. Nabij de militaire kwartieren verrezen ook barakken met hospitaalfunctie, dikwijls aan de rand van deze bossen. Vandaag is nog een barak van een veldhospitaal te vinden aan het Couthof (9). Deze locatie maakt deel uit van de Sixtusbossen ten noordwesten van Poperinge, nu een lappendeken van kleinere bossen en parken.

Veteranen Ten zuidwesten van Poperinge ligt het nu 56,5 hectare grote Helleketelbos, dat dienst deed als rustplaats tijdens de Eerste Wereldoorlog. Maar een deel van het bos vervulde eveneens een rol als houtleverancier. Een aantal percelen waren aangeplant met naaldhout en tijdens de oorlog werden deze duizenden bomen al snel gekapt door de Britten. Opvallend is dat in een ander deel van dit bos, naast de relatief jonge bomen die pas na de Eerste en Tweede Wereldoorlog werden aange-

1VI&LI

9


Jaarringen In onze regio met een gematigd zeeklimaat beginnen bomen in het voorjaar met de aanmaak van nieuw hout. Dit gebeurt in een uiterst dun laagje weefsel dat zich net onder de bast bevindt: het cambium. Ook tijdens de zomer gaat de aanwas van nieuw hout verder, maar in de herfst en winter stopt de actieve aanmaak van nieuwe houtcellen in het cambium. Deze jaarlijkse regelmaat in de houtaanwas zorgt ervoor dat elkaar opvolgende lagen hout van elkaar te onderscheiden zijn. Op een dwarse doorsnede van een stam zijn ze te zien als ringen, jaarringen dus. Aangezien elk jaar een nieuwe groeiring wordt gevormd, komt een telling van alle ringen op een dwarsdoorsnede van een stam overeen met de leeftijd van de boom. Op voorwaarde dat deze telling gebeurt nabij de overgang van het stamhout naar het wortelstelsel. Worden de ringen op een hoogte van 2m geteld, dan 'mist' men het aantal jaar dat de boom nodig had om tot die hoogte uit te groeien.

Eeuwenoude eik in het Helleketelbos omgeven door jongere exemplaren die nog geen oorlog hebben meegemaakt (foto K. Haneca)

plant, op regelmatige afstand eiken staan met een omtrek tot circa 373 cm (diameter 119 cm) op borsthoogte. Op basis van de diameter is het aannemelijk dat dit bomen zijn met een leeftijd van meer dan 100 jaar. Zouden er dan toch een aantal bomen de totale verwoesting van de Groote Oorlog overleefd hebben? Om deze veronderstelling te onderzoeken kunnen de groeiringen van deze bomen meer vertellen. Daarvoor moeten in het ideale geval de jaarringen geteld worden op een dwarse doorsnede van de stam, maar die is enkel voorhanden na het omhakken of omvallen van de boom.

10 I M&L

Hoeveel hout er elk jaar wordt bijgemaakt, hangt af van talrijke factoren zoals de beschikbaarheid aan voedingsstoffen, de hoeveelheid neerslag en de heersende temperatuur, maar ook omgevende bomen kunnen letterlijk hun schaduw werpen op de groei. Vooral de weersomstandigheden kunnen sterk variëren van jaar tot jaar. Aangezien dit sturende factoren zijn voor de houtaanwas hebben niet alle jaarringen een zelfde breedte, maar zal er steeds een afwisseling zijn van brede en smalle ringen. Bij een gezonde boom zal een jaar met voldoende neerslag en zonlicht zich meestal vertaald zien in een aanzienlijke houtaanwas. Op een stamdoorsnede zijn deze jaren te herkennen als brede ringen. Wordt de groei echter geremd door een aanhoudende droogte, een zomerse insectenplaag of een te lange winter, zal er een smalle groeiring gevormd worden. Binnen de boomstam zorgt de opeenvolging van smalle en brede groeiringen voor een uniek patroon, typisch voor een bepaalde historische periode, vergelijkbaar met een streepjescode, typisch voor een bepaald product.


W M ^

ca. 1767

1750

1775

1800

1825

1850

1875

1900

1925

1950

1975

2000

Kalenderjaar jaarringpatronen van vier eiken uit de regio rond Poperinge:

Gelukkig bestaat er een alternatief. Met een zogenaamde holle aanwasboor kan een boorkern uit de stam worden gehaald. Op een dergelijke boorkern kunnen de jaarringen worden geteld en opgemeten zonder de levenskracht van de boom in gevaar te brengen. Een aantal van de dikste eiken in het Helleketelbos werd aangeboord en hun groeiringen geregistreerd. Bij twee eiken, met een omtrek van 308 en 310 cm, werden respectievelijk 196 en 166 ringen geteld van de bast tot in het merg van de stam. Dit betekent dat deze bomen zijn beginnen groeien rond 1818 en 1848. Ze hadden een leeftijd van ongeveer 70 tot 100 jaar, ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Uit de dikste eik van het Helleketelbos werd eveneens een boorkern gehaald, maar aangezien de boor slechts 60 cm lang is, kon niet tot in de kern geboord worden. Een schatting van het ontbrekende aantal ringen leert ons echter dat deze boom nog een stuk ouder is dan zijn igde-eeuwse soortgenoten, vermoedelijk wel 245 jaar oud en dus daterend uit 1767. Opvallend aan deze oudste bomen is hun kroonvorm, die eerder doet denken aan een boom uit een park dan aan een bosboom. In parken hebben bomen doorgaans meer ruimte en licht. Daardoor vormen ze een grotere kruin en worden laag op de stam zware zijtakken gevormd. Bij bomen in een dicht en gesloten bos is de kruin

meestal kleiner en is het takvrije gedeelte van de stam veel langer. De oudere bomen in het Helleketelbos hebben laag op de stam ook al zware takken wat erop wijst dat dit bos vroeger een meer open structuur had. Het is alvast duidelijk, alleen al door de geringe diameter, dat de tussenliggende bomen veel jonger zijn. Dit bos is vermoedelijk geëvolueerd vanuit een zogenaamd middelhoutbos, wat een bos is waar tussen het regelmatig afgezette hakhout (10) enkele bomen doorgroeien tot dominante exemplaren met een rechte stam.

(a) afgestorven eik uit het kasteetpark van Elverdinge, (b) dikste eik uit het Couthof, (c) (d) en (e) eiken uit het Helleketelbos

In het Couthof deel van de Sixtusbossen, staat de dikste boom van Heuvelland (n). Deze nog steeds vitale eik heeft nu een omtrek van 466 cm op borsthoogte (diameter 148 cm). Ook hier werd een boorkern uit de stam gehaald. Ondanks het feit dat een boor van 60 cm te kort bleek om tot in het centrum van de stam te boren, kan toch een voorzichtige schatting van zijn leeftijd worden gemaakt. Op de boorkern zijn meer dan 150 ringen te tellen, maar er ontbreekt vermoedelijk nog meer dan 20 cm hout tot aan de kern van de stam. Een leeftijd van meer dan 200 jaar, een i8de-eeuwse oorsprong, is daardoor zeker denkbaar. Tussen leper en Poperinge bevinden zich de Galgebossen. Het Britse leger had hier tijdens de Eerste Wereldoorlog een hoofdkwartier. Bij hen

M&sLI n


Eik in het Helleketelbos met een uitstekende geweerloop en een detailfoto van de geweerloop (foto's K. Haneca. bew. H. Denis)

Oude eik aan het kruispunt van het voormalige 'plankenpad' en de Sint-Pietersstraat (foto K. Haneca)

was het bos bekend als Dirty Bucket Camp (12). In dit bos werden verschillende kampen opgeslagen waar soldaten konden uitrusten, zich verzorgen of ontspannen, op weg naar of terugkerend van het front. Doorheen het bos liep een militaire weg, het plankenpad of Plonk Road, en een nabijgelegen hoeve deed dienst als veldhospitaal. Nabij de huidige jachtwachterswoning, die tijdens de oorlog een herberg was, kruiste het plankenpad de SintPietersstraat. Hier stond een barak voor religieuze erediensten en zelfs een cinemazaaltje. Op de kruising staan vandaag nog twee grote zomereiken waarvan wordt beweerd dat ze herhaaldelijk als steun dienden bij het takelen van vastgelopen karren en oorlogstuig uit de drassige grond.

Veteranen met een oorlogswonde Even terugkerend naar het Helleketelbos blijkt dat een van de eiken een wel heel bijzonder relict uit de Eerste Wereldoorlog in zich draagt. En dat mag

12 I M

L

letterlijk geïnterpreteerd worden. Uit de stam van een nu 166-jarige eik steekt een stuk metaal. Een grondige observatie laat weinig twijfel bestaan: het is een geweerloop. Misschien een afgebroken stuk dat in de stam werd gehamerd? Het blijft een raadsel aangezien het meer naar achter gelegen gedeelte van de loop is overgroeid door later gevormd hout. De jaarlijks gevormde nieuwe laag hout vormt zich immers net onder de bast. Een object dat doorheen de bast in het hout vast zit, wordt daardoor jaar na jaar een beetje meer overgroeid, tot het volledig in het stamhout is ingekapseld. Een gelijkend voorbeeld is te vinden nabij het kasteel de Lovie, dat dienst deed als Brits hoofdkwartier van 1915 tot 1918. Daar staat een boom waar uit de stam een ijzeren haak priemt (13). Naar verluidt werd die tijdens de oorlog in de stam geslagen om telefoonkabels aan op te hangen. Naast deze overduidelijke voorbeelden moeten de drukke oorlogsactiviteiten in de bossen rond Poperinge in vele oude veteraanbomen ook minder


Opgeschuurde stamschijf van een oude, afgestorven eik uit het

markante sporen nagelaten hebben. Deze littekens zijn nu voor de voorbijganger verborgen maar in het binnenste van de boom zijn ze nog steeds aanwezig. Ze bestaan doorgaans opnieuw uit metaal en wat daarvan overblijft. De beschadigingen zijn onder andere afkomstig van de vele nagels, in de bomen geslagen voor het vastmaken van tenten of zeildoek, of nader nuttig gebruik. Zo wordt verteld dat op verschillende hoogtes nagels in de stam werden gehamerd om het militaire vest op te hangen, op een andere hoogte om een paard aan te binden en op nog een andere hoogte om de haverzak op te hangen. Een aantal bomen heeft dat duidelijk overleefd, maar binnen in de stam is het metaal nog steeds aanwezig. Bosexploitanten hebben ervaring met deze bomen en zijn er vandaag niet echt in geïnteresseerd. In het stamhout zit te veel metaal, wat het verzagen van het hout bemoeilijkt en door beschadigingen en verkleuringen geen kwaliteitsvolle planken of balken oplevert.

Het kasteelpark Elverdinge

kasteelpark van Elverdinge. In het hout zijn verwondingen te zien, ontstaan tijdens de Eerste

Een bijzonder voorbeeld van een boom met sporen van de Eerste Wereldoorlog is een statige eik die tot 1995 groeide in het kasteelpark van Elverdinge. Deze boom met een omtrek van 330 cm (diameter 105 cm) was toen op sterven na dood en er werd besloten hem om te zagen. Na het vellen was duidelijk zichtbaar dat er zich opvallende verkleuringen in het stamhout bevonden. Waren deze donkere, blauw-zwarte vlekken aan de buitenrand van de stam het gevolg van verwondingen uit de periode 1914-18? Ook hier konden de jaarringen uitsluitsel geven. Daarom werd een dwarse doorsnede van de stam gezaagd, een stamschijf. Deze schijf werd grondig opgeschuurd en gepolijst om zo de jaarringen en de anatomische opbouw van het hout duidelijk leesbaar te maken (14).

Wereldoorlog (foto K. Haneca)

De breedte van de groeiringen opmeten was daarna relatief eenvoudig. Het toonde aan dat de jaarringen

M

L I 13


Detail van een verwonding op de stamschijf die nu in het In Flanders Fields Museum is opgesteld, met aanduiding van de jaren waarin de groeiringen

een dikte hebben die varieert tussen 5,6 m m en slechts 0,7 mm.

werden gevormd (foto K. Haneca)

Na het schuren verschenen ook de verwondingen in de stam, duidelijk zichtbaar. Deze boom kreeg het duidelijk zwaar te verduren maar wanneer gebeurde dat precies? Zijn alle verwondingen tegelijkertijd ontstaan, of werden ze over meerdere jaren aangebracht? Het laatste jaar waarin een volledige groeiring werd gevormd, en de boom nadien finaal is afgestorven, was in 1994. Vanaf de bast tellen we per jaarring één jaar terug: elke groeiring stemt immers overeen met één groeiseizoen, van de lente tot in de herfst. De leeftijd van de boom op het moment dat hij werd gekapt is daardoor gelijk aan het aantal ringen tot aan de bast. Bij deze boom uit het kasteelpark zijn op de stamschijf 235 jaarringen geteld. Deze stamschijf werd op ongeveer 1 m hoogte afgezaagd waardoor de werkelijke leeftijd nog iets hoger kan liggen. Een leeftijd van circa 240 jaar is zeker aanvaardbaar, wat betekent dat deze boom begon te groeien rond 1755-1760. Het groeiringpatroon van de stamschijf is nu exact gedateerd en voor elke groeiring is geweten in welk jaar deze werd gevormd. Nabij de wonden in het hout is het groeiringpatroon sterk verstoord. Zoals gezegd probeert een boom dergelijke verwondingen zo snel mogelijk te overgroeien en af te grendelen. Zo krijgen schimmels en bacteriën geen kans om zich verder in het hout te verspreiden. Het wondweefsel is duidelijk te zien op de opgeschuurde stamschijf. Rond de wondzone is het hout ook donker, blauwzwart gekleurd. Dit is het gevolg van een reactie tussen de tannines die in het eikenhout aanwezig zijn en ijzer, waarbij een zwarte neerslag wordt gevormd. Deze chemische reactie zorgt ervoor dat het hout lokaal een donkere kleur krijgt.

14 I M

L

Op basis van de groeiringen kunnen we aantonen dat al deze verwondingen in hetzelfde jaar zijn toegebracht, namelijk ergens tussen het najaar van 1917 en het vroege voorjaar van 1918. De relatief beperkte hoeveelheid wondweefsel die toen werd gevormd, stemt daarmee overeen. Mocht de boom verwond zijn tijdens het actieve groeiseizoen zou er meer wondweefsel gevormd zijn. De verschillende verwondingen zichtbaar op de stamschijf zijn dus vermoedelijk op het zelfde tijdstip of kort na elkaar tot stand gekomen maar hebben de boom niet verzwakt. Dat valt af te leiden uit het groeiringpatroon want na 1917 is geen dramatische of langdurige afname in de breedte van de groeiringen te zien. De eik groeide schijnbaar onverstoord verder en kapselde zijn verwondingen in. De meest centrale groeiring op de stamschijf werd gevormd in 1760. Op dat moment was deze boom dus al aan het groeien in wat nu het kasteelpark is. Een tiental jaar later kreeg Elverdinge het bezoek van graaf de Ferraris voor het opstellen van zijn kabinetskaarten van de Zuidelijke Nederlanden (1771-78). De locatie van het huidige kasteelpark werd door hem ingekleurd als parklandschap met bomen. Deze toen nog jonge eik was waarschijnlijk een van de vele elementen in dit park. Toen was hij nog onopvallend maar later zou deze boom verder uitgroeien en een prominente positie innemen in het kasteelpark.

Omstreeks 1750 liet baron de Steenhuys in Elverdinge een kasteel in Lodewijk XV-stijl bouwen. Aanpalende gronden om een park in te richten mochten uiteraard niet ontbreken. De leeftijdsbepaling van de afgestorven eik valt dus vrij goed samen met de bouw van het kasteel en zeker met de daaropvolgende aanleg van het park. Op dat ogenblik werden vermoedelijk jonge eiken aangeplant (15).


Recent omgewaaide bomen uit het kasteeipark van Elverdinge die duidelijke sporen van verwondingen uit de Eerste Wereldoorlog in zich dfagen


De stamschijf uit het kasteelpark van Elverdmge, opgesteld in het In Flanders Fields Museum te leper {foto P. Vanoutrive)

Zowel het dorp Elverdinge als het kasteel lagen tijdens de Eerste Wereldoorlog binnen schootsafstand van het lange afstandsgeschut van de Duitse linies. Het dorp werd door Franse en Britse troepen intensief gebruikt als uitvalsbasis en bevoorradingspost. Het kasteel werd ingericht als hoofdkwartier. Daardoor bestookte de vijandelijke artillerie het dorp geregeld en werd het zo goed als volledig vernield. Het kasteel kreeg in 1917, tijdens de nacht van 3 en 4 juni, meerdere voltreffers te verduren tijdens een aanhoudende granaataanval. Een kok en een Britse generaal sneuvelden die nacht na een voltreffer in de keuken. Vanaf november 1917 werden ook herhaaldelijk vliegtuigbommen gedropt boven het dorp. Dit valt binnen de dendrochronologische datering van de verwondingen die te zien zijn op de onderzochte stamschijf. Misschien veroorzaakte één van deze bombardementen wel de talloze verwondingen in de oude eik. Op 13 januari 1918 brak tot overmaat van ramp brand uit in het kasteel, vermoedelijk door een onoplettendheid van een Britse kok. Enkel de muren bleven nog overeind, ze werden behouden bij de wederopbouw in 1925. Dat deze boom met onderhuidse sporen uit WOI geen alleenstaand geval is, werd duidelijk na enkele voorjaarsstormen in 2014. Daarbij waaiden een

16 I M L

aantal grote eiken omver in het kasteelpark. Na het ruimen en verzagen van de omgewaaide bomen kwamen er bij elke stamstuk opnieuw zwarte vlekken in het hout tevoorschijn. Deze verkleuringen zijn te zien op beide uiteinden van de stamstukken. Dit betekent dat waarschijnlijk bijna alle bomen op dit kasteeldomein dergelijke sporen van munitie uit de Eerste Wereldoorlog in zich dragen, en ook dat we deze sporen op alle mogelijke hoogtes van de stam kunnen aantreffen, en niet alleen op de onderste twee meter waar de soldaten zelf nog verwondingen in de stam konden maken. De stamschijf uit Elverdinge is ondertussen een blikvanger in het In Flanders Fields Museum en kan zonder twijfel beschouwd worden als een unieke getuige van de Eerste Wereldoorlog. De 'onderhuidse' verwondingen in het hout vormen een directe link met het oorlogsgeweld en kunnen beschouwd worden als een ingekapselde herinnering.

Levende getuigen In het lappendeken van kleine boscomplexen en parken achter de frontzone, rond leper en Poperinge, zijn vandaag - enigszins verrassend - nog bomen te vinden die de Eerste Wereldoorlog hebben doorstaan en overleefd. Bovendien zijn ze misschien


wel talrijker dan eerst gedacht. Toch krijgen ze niet al te veel aandacht. Bij houtexploitanten zijn ze niet geliefd door de talrijke inclusies van metaal en de donkere verkleuringen in het stamhout. Maar ook als houtige beplanting met erfgoedwaarde zijn ze niet gekend of geïnventariseerd. De erfgoedwaarde laat zich ook niet gemakkelijk aflezen aangezien de leeftijd enkel op basis van de omtrek kan ingeschat worden en eventuele restanten van munitie, ijzeren nagels of verwondingen uit de Eerste Wereldoorlog niet meer aan het oppervlak van de stam zichtbaar zijn. Dan zijn bomen die na de Eerste Wereldoorlog zijn aangeplant ter nagedachtenis van de gesneuvelden beter gedocumenteerd en in sommige gevallen zelfs erkend als monument en beschermd. De levende getuigen van de Eerste Wereldoorlog in de bossen rond Poperinge en leper zijn dat echter niet, alhoewel uit bovenstaand verhaal blijkt dat die erfgoedwaarde er wel degelijk is. In de uitgebreide bosbeheersplannen van de Sixtusbossen (onder andere het Couthof) en de Galgebossen staan alvast de dikste bomen uitdrukkelijk vermeld en zullen deze groene reuzen dus alle groeimogelijkheden geboden worden. Dit is alvast een belangrijke stap in het behoud en beheer van deze groene veteranen.

Kristof Haneca is erfgoedonderzoeker natuurwetenschappen bij het agentschap Onroerend Erfgoed en is gespecialiseerd in dendrochronologie en hout.

Eindnoten (i)

JOYE T. (red.), Het beheer van veteraanbomen, Brussel, 2012, p. 16-18. (2) Pierre Hubau begeleidde een boeiend terreinbezoek aan de bossen rond leper en Poperinge. Annick Vandenbilcke en Pieter Trogh van het In Flanders Fields Museum hielpen bij het opzoeken van extra informatie en een illustratie, waarvoor dank! (3) HEYDE S., Het herstel van het bocage-landschap in de zuidelijke Westhoek na de Eerste Wereldoorlog, in MaJL. Monumenten, Landschappen en Archeologie, jg. 33, nr. 1, 2014, p. 28-41. (4) DENDOOVEN D., De wederopbouw, in CHIELENS P., DENDOOVEN D. en DECOODT H., De laatste getuige. Het landschap van Wereldoorlog I in Vlaanderen, Tielt, 2006, p. 97102. (5) HANECA K., Verslag houtanatomisch onderzoek: Restanten van loopgraven uit WOI te Boezinge en Mesen (prov. WestVlaanderen), in Rapporten Natuurwetenschappelijk Onderzoek - Onroerend Erfgoed, nr. 2012-008, 2012, p. 1-5. (6) TACK G., VAN DEN BREMT P. en HERMY M., Bossen van Vlaanderen. Een historische ecologie, Leuven, 1993, p. 76-77. (7) BARTON P., De slagvelden van Wereldoorlog I. Van leper tot Passendale: het hele verhaal, Tielt, 2008, p. 157. (8) GREELY W.B., The American lumberjack in France, in American Forestry, jg. 25, nr. 306,1919, p. 1093-1108; MOORE B., French forests in the War, in American Forestry, jg. 25, nr. 306, 1919, p. 113-1136. (9) De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed [https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe], id. 213349. (10) Hakhout is een beheersvorm waarbij bomen worden gekapt tot net boven de grond. Vanuit slapende knopen aan de stambasis vormen zich dan relatief snel nieuwe scheuten. Deze groeien uit tot stammen die na enkele jaren worden afgezet, waarna deze cyclus opnieuw kan opstarten. Hakhout is van oudsher een belangrijke bron van brandhout. (11) Persoonlijke mededeling van boswachter Pierre Hubau, regioverantwoordelijke Polders-Heuvelland, Agentschap voor Natuur en Bos (ANB). (12) De Inventaris van het Wereldoorlogerfgoed [https://inventaris.onroerenderfgoed.be/woij, id. 761. (13) De Inventaris van het Wereldoorlogerfgoed [https://inventaris.onroerenderfgoed.be/woi|, id. 853. (14) HANECA K., Verslag dendrochronologisch onderzoek: Stamschijfvan een oude eik uit het kasteelpark van Elverdinge, in Rapporten Natuurwetenschappelijk Onderzoek - Onroerend Erfgoed, nr. 2012-005, 2012, p. 1-13. (15) HANECA K., STUBBE L. en VANDENBILCKE A., Destamschijf van een oude eik uit het kasteelpark van Elverdinge: een getuige boordevol geschiedenis, in Flanders Fields Museum Jaarboek 203j, p. 30-41.

M&LI ^7


De neogotische gymnastiekzaal van de voormalige Rijksnormaalschool te Brugge in cultuurhistorische context Eva Bouton, Thomas Coomans en Pascal Delheye

De gymnastiekzaal van de voormalige

zowel de technische aspecten onderzocht als

Rijksnormaalschool in Brugge is een

de manier waarop de bredere maatschappe-

merkwaardig gebouw in het hart van de

lijke visies op gymnastiek en lichamelijke

historische binnenstad. Ze maakt deel uit van

opvoeding vertaald werden in de architectuur.

het neogotische schoolcomplex dat in i88o-

Het gaat dus om een transdisciplinaire

1883 door de Brugse stadsarchitect Louis

benadering, met een interessante kruis-

Delacenserie werd ontworpen en nu de

bestuiving van architectuur- en sport-

lerarenopleiding van de Hogeschool West-

geschiedenis (1). Terwijl een dergelijke

Vlaanderen (HOWEST) huisvest. Achter de

synergie een academische primeur is in

bakstenen gevels van de vrijstaande zaal

België, is de thematiek zelf internationaal

schuilen een indrukwekkende houten

belanghebbend. Tot nader order is de door

structuur en oude gymnastiektoestellen.

Delacenserie ontworpen gymnastiekzaal

O m de visie van de architect en de betekenis

de oudste ter wereld die nog steeds in

van dit gebouw beter te begrijpen, worden

gebruik is.

De neogotische Brugse gymzaal: een uitzonderlijk monument (foto O. Pauwels)

18 I M & L


Bakstenen gevel van de gymzaal in Brugse stijl

Gymnastiek in het rijksonderwijs Hippolythe Triat (1812-1881) en Joseph Isenbaert (1822-1905) waren de eerste gymnasiarchen die een vurig pleidooi hielden voor de algemene verspreiding van het gymnastiekonderwijs in België (2). Triat opende gymnasia in Luik in 1839 en Brussel in 1842 en was ook de eerste die, overigens tevergeefs, de vraag stelde aan de regering om een Gymnase National, een gecentraliseerd opleidingsinstituut voor gymnastiekleraren, op te richten. Isenbaert richtte de eerste turnvereniging op in Antwerpen en werd in 1846 gymnastiekleerkracht aan het Antwerpse Atheneum, waar hij de bestaande gymnastiekzaal aanpaste volgens de principes van het Duitse turnen (3). Dat werd in het begin van de negentiende eeuw geconceptualiseerd door de nationalistisch geïnspireerde Tumvater Friedrich Ludwig Jahn en vervolgens - nadat de politieke acties van Jahn en zijn discipelen tot een Tumsperre van 1820 tot 1842 hadden geleid - onder meer door Adolf Spiess gepedagogiseerd. Hoewel het Duitse systeem dus werd aangepast aan een schoolse situatie kregen sommige toestellen, zoals de barren, kritiek zowel in Duitsland zelf, waar een heuse Barrenstreit losbarstte, als in het buitenland waar een gelijkaardige methodestrijd werd uitgevochten. Vooral de aanhangers van de 'rationele' en strikt gecontroleerde Zweedse gymnastiek waren gekant

tegen het Duitse turnen dat zij als ondoordacht en acrobatisch bestempelden. Antwerpen zou door enkele belangrijke initiatieven echter lange tijd een belangrijke draaischijf van het turnen blijven, zowel voor het school- als voor het verenigingsturnen. Zo richtte Isenbaert in 1853 een privaat gymnasium op aan de Meir, het Gymnase Isenbaert (4). In 1872 werd onder leiding van Jacob Happel, volgeling van Spiess en opvolger van Isenbaert, een nieuwe gymnastiekzaal aan de Kunstlei gebouwd, het Gymnase Normal (5). Terwijl Isenbaert en Happel het turnen infrastructureel en turntechnisch vorm gaven in Antwerpen, nam Nicolas Jan Cupérus het voortouw in de institutionele ontwikkeling ervan. In 1865 was hij medeoprichter van de Belgische Turnbond en in 1881 was hij stichtend voorzitter van het Bureau des Federations Européennes de Gymnastique (nu Federation Internationale de Gymnastique). Hij zou de internationale turnbeweging blijven leiden tot in 1924 (6). De benaming Gymnase Normal houdt in dat turners er in 1872 ook een opleiding voor gymnastiekleerkrachten wilden uitbouwen. Men erkende de noodzaak van een degelijk gymnastiekonderwijs en met de organieke wet op het middelbaar onderwijs van 1850 was het zelfs verplicht geworden in het officieel onderwijs, maar ondanks dit was er van een wijde verspreiding nog niet veel terecht gekomen (7).

IVI&L

19


Houten binnenstructuur van de gymzaal


Het Gymnase Normal van Jacob Happel in Antwerpen (uit HAPPEL. 1903. p. 287)

Nadat hij legerkapitein en gymnastiekexpert Guillaume Docx (1830-1896), directeur van de 10de linie-regimentschool, al in 1868 de opdracht had gegeven een programma voor het gymnastiekonderwijs in de lagere scholen op te stellen, stuurde minister van Binnenlandse Zaken Eudore Pirmez in 1869 een circulaire naar de provinciale inspecteurs waarin de bouw van een overdekt gymnastieklokaal verplicht werd voor iedere school (8). Toen de katholieken in 1870 aan de macht kwamen, schafte Pirmez' opvolger, Joseph Kervyn de Lettenhove, deze maatregel af. Daarop pleitten de liberale volksvertegenwoordigers dokter Jean-Frangois Vleminckx, voorzitter van de Académie de Médecine, en Auguste Couvreur in de Kamer voor de oprichting van een gymnastieknormaalschool, de benoeming van een gymnastiekinspecteur en de invoering van gymnastiek als verplicht vak in het lager onderwijs. Vleminckx was immers na een bezoek van de Zweed Nycander in 1869 een overtuigd aanhanger van de Zweedse gymnastiek geworden en hij schreef in 1870 een opmerkelijk artikel in de Revue de Belgique ter bevordering van het gymnastiekonderwijs. Door de turners werd hij beschouwd als een van hun pleitbezorgers. De turners volgden de Kamerdebatten met argusogen, waarbij ze zelf ook probeerden hun zaak te bepleiten bij Kervyn de Lettenhove. Die nam echter geen overhaaste beslissingen en gelastte Dumont, inspecteur van het middelbaar onderwijs, met een onderzoek naar de toestand van het gymnastiekonderwijs in de publieke scholen. In het rapport dat in 1872 werd voorgelegd aan de opvolger van Kervyn de

Lettenhove, Charles Delcour, werd onder meer vastgesteld dat goed uitgeruste gymnastieklokalen nagenoeg onbestaande waren en dat de leraren incapabel waren. Daarop stuurde Delcour in datzelfde jaar een commissie naar Duitsland, Denemarken, Nederland en Zweden, landen waar de gymnastiek al deel uitmaakte van het schoolprogramma. De driekoppige commissie bestond uit Thomas Braun, een pedagoog van Duitse origine verbonden aan de rijksnormaalschool in Nijvel, Peter Johan Huibrecht Brouwers, kantonaal inspecteur voor het lager onderwijs in Leuven en legerkapitein Guillaume Docx. De turners beseften dat zij Docx moesten overtuigen, omdat hij in de positie verkeerde om een grote invloed uit te oefenen op de toekomst van het gymnastiekonderwijs. Tot hun ontzetting werd hun methode zwaar bekritiseerd in het rapport van Docx. Het Duitse turnen werd verweten empirisch te zijn en de oefeningen aan de brug en de barre of rekstok werden in de slotzin van het rapport onder meer bestempeld als anormaux, irraüonnels en dangereux (9). Verder vond Docx het oprichten van een normaalschool voor gymnastiek te duur en nutteloos en kon de gymnastiekopleiding het best geïntegreerd worden in het bestaande normaalschoolonderwijs. Dit was een grote streep door de rekening van de aanhangers van het Duitse turnen. Zij hadden namelijk de beslissing van de regering niet afgewacht en waren in 1872 al overgegaan tot de bouw van "un grand gymnase susceptible de devenir une école normale de gymnastique", namelijk het Gymnase Normal aan de Kunstlei in Antwerpen. De leden van de Belgische Turnbond waren dan

M&L I 21


zeggen, de beste oefeningen geselecteerd werden uit de grote gymnastieksystemen, het Duitse turnen en de Zweedse gymnastiek, die hij had aangevuld met spelvormen (11). Ironisch genoeg zou er rond 1900 een nieuwe methodestrijd uitbreken waarbij de methode van Docx door de aanhangers van de Zweedse gymnastiek werd bekritiseerd omwille van de Duitse elementen die ze nog bevatte (zie ook kaderstuk).

É^-Jté* Gymles met kinderen in Brugge tj)dens het interbellum: lijnen zijn met l<ri)t op het parket getrokken en een piano zorgt voor de ritmiek (Stadsarchief Brugge)

Knappe compositie met poserende meisjes en Zweedse toestellen in het interbellum (Stadsarchief Brugge)

ook niet mals voor Docx. Ze argumenteerden dat hij elementen van de Zweedse gymnastiek overnam, zonder te pleiten voor een degelijke wetenschappelijke opleiding zoals die werd gegeven aan het Centraal Gymnastiekinstituut in Stockholm. Toen Docx inderdaad zijn slag thuishaalde en er in 1874 werd gestipuleerd dat gymnastiek een verplicht examenvak zou worden binnen het normaalschoolonderwijs (wat effectief het geval werd in 1877) en dat er ondertussen tijdelijke gymnastiekcursussen zouden worden georganiseerd in Nijvel, Lier en Waver, werd door de turners dan ook smalend gereageerd op die professeurs de six semaines (10). Docx liet zich echter niet van zijn stuk brengen. Hij stond pal achter zijn 'eclectisch systeem' waarbij, naar eigen

Guillaume Docx was dus geen voorstander van het idee om een gymnastieknormaalschool op te richten. Enerzijds moest het gymnastieksysteem zo goedkoop mogelijk geïmplementeerd kunnen worden, zodat de regering er niet veel kosten aan zou hebben. Anderzijds moest het gymnastiekonderwijs geïntegreerd worden in het bestaande programma van de normaalscholen zodat gymnastiek door de gewone leerkracht kon gegeven worden. Volgens Docx was het immers belangrijk dat eenzelfde leerkracht zowel voor de intellectuele als voor de fysieke vorming van de leerlingen kon instaan (12). Deze argumenten sloegen aan bij de beleidsvoerders: in 1875 werd zijn methode geïntroduceerd in het officieel middelbaar onderwijs en in 1879 in het officieel lager onderwijs (13). Er werd een apart programma opgesteld voor jongens en voor meisjes waarbij de oefeningen ook werden aangepast aan de leeftijd van de leerlingen (14). Om ongelukken zoveel mogelijk te vermijden, werd er weinig gebruik gemaakt van toestellen (15). Docx publiceerde ook handleidingen waarbij de oefeningen onderverdeeld werden per leeftijd en geslacht van de leerlingen en hij gaf hierin ook richtlijnen mee voor de constructie van een gymnastiekzaal. Deze regels werden door het Ministerie van Openbaar Onderwijs uitgevaardigd als officiële richtlijn bij de bouw van een gymnastiekzaal. Om te controleren of de door hem opgestelde regels ook effectief werden nageleefd, werd Docx in 1876 aangesteld als gymnastiekinspecteur in de lagere normaalscholen die hij voortaan een- of tweemaal per jaar zou bezoeken (16). Hij stelde zich ook ter beschikking van de gemeentelijke administraties zodat hij hen inlichtingen kon geven over bouwplannen en accommodatie voor het gymnastiekonderwijs in de gemeentescholen (17).

Regels voor de bouw en inrichting van een gymnastiekzaal Guillaume Docx werkte de regels voor de bouw en inrichting van een gymnastiekzaal voor lagere scholen en normaalscholen verder uit. De regels voor het officieel onderwijs door het Ministerie van Openbaar Onderwijs zijn terug te vinden in het driejaarlijks rapport over het lager onderwijs in

22 I M

L


LÉGENDE. A. Partla ds HmSO X frnOO non planchêiée — B. Has-cAtés do J9"»40 X 3i«00 reserves aux apparoils lilas. — C. Baloon «n ponrtour et s'étendant au soin en partie sur Ie bas-cdtés. — D. Esoalier du balcon. — E. Cabinet poor ie professeur. — F. Portemanteaui surmontés d'uns pianohe pour y déposer dssjlivrsa. — O. Étagères pour perches, cordes, Cannes, massuss. haiteres, cbevalet de natation, etc. — ff. Armoire», id. id. — I. Vestibuie-portail aveo porte intérieuro et exiérieuro. '. Trottoir de piainpied aveo ie sol intérieur et Ie sol eitörisur. — K. Rigole converts.

Modelplan voor een standaardgymnastiek-

COUPE LATERALE.

zaat volgens Guillaume Docx

FIG.V.

(uit Rapport tnennal, 1884)

Écbelle de O^OOS p. c.

EA9ADE

COUPE TRANSVERSALE.

FlG.iil.

Échelle de O^OOS p. c.

A/I&L I 23


België van de periode 1879-1881 (18). De tekst werd

m o e s t k u n n e n oefenen. Hierbij werd rekening

aangevuld m e t vijf p l a n n e n die als standaardmodel

g e h o u d e n m e t de afstand die ze i n n e m e n als ze

voor een gymnastiekzaal k o n d e n dienen. In de

zich in rijen opstellen: voor de kleine kinderen was

richtlijnen werd duidelijk onderscheid gemaakt

dit 1,50 m en was er een oppervlakte van 2,25 m 2

tussen gymnastiekzalen voor jongens en voor

voorzien; voor de jongens was dit 1,60 m en een

meisjes. Ook de leeftijd van de leerlingen had een

oppervlakte van 2,56 m 2 ; voor de jonge m a n n e n was

invloed op de architectuur. De richtlijnen waren

h e t 1,70 m en een oppervlakte van 2,89 m 2 .

zeer volledig, waarbij ook aandacht werd besteed

De v o r m van de gymnastiekzaal m o e s t in normaal-

aan de plaatsing van de toestellen. De belangrijkste

scholen een rechthoek zijn van 25 tot 30 m in de

karakteristieken van de regelgevingen worden

lengte en 12 tot 15 m in de breedte. Langs de zijden m o e s t 2,75 m tot 3,25 m voorbehouden zijn o m

hieronder weergegeven.

toestellen te plaatsen e n één van de uiteinden van Een gymnastiekzaal van een school m o e s t een over-

de zaal, zonder planken vloer, was b e s t e m d voor

dekt lokaal zijn, g r e n z e n d aan een koer of een tuin

de springtoestellen. Als een gymnastiekzaal in

en dicht bij de klassen gelegen. Indien er een nieuwe

ongunstige omstandigheden moest gebouwd worden,

constructie gebouwd werd, m o e s t die zo ontworpen

diende getracht te worden om het standaardplan

worden dat deze dienst kon doen als overdekte

zoveel mogelijk te b e n a d e r e n . In dat geval kon de

speelplaats, m a a r ook geschikt was voor plechtig-

r u i m t e voor het opstellen van de toestellen eventueel

h e d e n . Deze karakteristieken waren echter enkel

tot één zijde beperkt worden, m a a r in geen geval

van toepassingen op gymnastiekzalen voor jongens.

m o c h t e n de afmetingen m i n d e r zijn dan 18 m op

Voor meisjes m o c h t de bestaande overdekte speel-

9 m . In het m i d d e n m o e s t de gymnastiekzaal van

plaats gebruikt worden voor de gymnastiek-

7 tot 9 m h o o g zijn en langs de zijkanten t u s s e n

oefeningen en was geen aparte constructie voor de

4,50 m en 5,60 m (20).

gymnastieklessen vereist. Bij lagere scholen op het

Grondplan voor een standaardgymnastiekzaal met aanduidingen voor de plaatsing van de toestellen (uit Rapport triennal 1884)

platteland m o c h t zowel voor jongens als meisjes

Hoewel meisjesnormaalscholen niet verplicht

ook de overdekte speelplaats of een bestaande

waren o m over een gymnastiekzaal te beschikken,

recreatiezaal als gymnastiekruimte gebruikt worden,

werden de ideale afmetingen en richtlijnen toch ook

zodat er slechts een beperkte investering nodig was

duidelijk vermeld. Indien er bijvoorbeeld een

voor de gymnastieklessen (19).

nieuwe school werd gebouwd, kon i m m e r s best een gymnastiekzaal voorzien worden die ook voor

De afmetingen van een gymnastiekzaal voor jongens

andere doeleinden zoals plechtigheden dienst kon

waren gebaseerd op het aantal leerlingen dat er

doen. Net zoals bij een gymnastiekzaal voor jongens.

CD

o w

§ o

5 g LÉGENDE.

1

A ' . P a r t i e non planchéiée. — AA. Deux escflliers pour les sauts en profondeur. — BB Deux planches d'assauts. — CC. Deux mAts. — FF. Deux echelles de cordes. — G ö . Deux cordes lisses — H. Sautoir mobile et tremplin *. — II. Deux echelles verticales. — J. Six perches vacillantes. — K V i n g t - q u a t r e perches fixes. — LL. Deux paires de barres parallèles. — MM Deux echelles obliques. — JVN. Deux echelles horizontales. — 00. Deux cordes h consoles. — P. Cheval sautoir •. — Q. Tabouret-sautoir *. — RR. Perches obliques. — SS. Deux echelles de perroquet. — T. Porte-cannes. — Vü. Cordes è. nofiuds. — VV. Chevalets de natation *. — W- Tabouret du professeur. — cc. Etagères pour Jes divers instruments — v Portemanteaux surmontés d u n e planche pour y déposer les livres.

24 I M

L


moest de zaal rechthoekig zijn waarbij de lengte het dubbele moest zijn van de breedte. De verhoudingen waren anders dan voor jongens omdat voor meisjes minder plaats werd voorzien. In een zaal van 24 m op 12 m, zou het al mogelijk zijn om 100 meisjes te laten oefenen. Indien er spelen of ordeoefeningen werden gedaan, had men een iets grotere oppervlakte nodig en konden slechts 60 meisjes gebruik maken van een zaal met deze afmetingen. De gymnastiekzaal moest helemaal bevloerd zijn, maar ramen, lichtkoepels, toegangsdeur, de twee kleine ruimtes, pijlers, balkon en verwarming moesten aan dezelfde voorwaarden voldoen als bij een gymnastiekzaal voor jongens (21). Voor de openluchtoefeningen diende een koer voorzien te zijn, grenzend aan de schoollokalen en in contact met de gymnastiekzaal. Het moest een natuurlijk terrein zijn met bomen zodat de leerlingen niet in de volle zon zouden moeten oefenen (22).

Daarom werden alle plannen die vanuit Brussel werden voorgelegd meteen weerlegd door een eigen Brugs ontwerp (24). Uiteindelijk haalde Delacenserie zijn slag thuis: in april 1879 werden zijn plannen goedgekeurd (25). Zo tekende een 'lokale' architect een project uit dat moest worden uitgevoerd door het Ministerie van Openbare Werken op basis van de richtlijnen van het Ministerie van Openbaar Onderwijs. De Brugse architect Louis Delacenserie (1838-1909) is vooral bekend als ontwerper van het Centraal Station in Antwerpen, gebouwd van 1895 ioi I 9 0 5 ' en van de Sint-Petrus-en-Pauluskerk in Oostende van 1899-1905. Toch speelde het grootste deel van zijn carrière zich afin zijn geboortestad. Na zijn studies aan de Academie voor Schone Kunsten in Brugge ging hij werken bij de Gentse stadsarchitect Louis Roelandt. Na vervolmakingsverblijven in Parijs, Italië en Griekenland werd hij in 1870 aange-

Monumentale neogotische voorgevel van de Rijksnormaalschool met de toren van het Oude Hof van de Sint-jorisschuttersgilde aan de Sint-Jorisstraat (foto O. Pauwels)

Verder werden in de regelgevingen de toestellen opgesomd die verplicht of aanbevolen waren. Hierbij werd opnieuw een onderscheid gemaakt tussen een jongens- en een meisjesschool en tussen de verschillende graden: lager, middelbaar en normaalonderwijs. Voor meisjes werden onder andere springtouwen, staven, stokken, stangen, ballen en koorden verplicht om aan te kopen en instrumenten zoals halters en knotsen waren aanbevolen. Voor jongens waren verplichte instrumenten stokken, ballen, koorden, springbanen, stangen, klimtouwen, matten, schuine en horizontale ladders en zelfs parallelle barren, wat vrij opmerkelijk was in het licht van de 'barrenstrijd' met de turners. Aanbevolen instrumenten waren onder andere stelten, halters, ijzeren stokken, kogelstaven, knotsen en wipplanken.

De Brugse Rijksnormaalschool en architect Louis Delacenserie Nadat het Brugse stadsbestuur in 1842 de toestemming had gekregen om normaalcursussen te organiseren (23), werd onder het liberale burgemeesterschap van Jules Boyaval een terrein aangekocht in de Sint-Jorisstraat: het Oud Ho/van de Sint-jorisschuttersgilde. In 1873 werd nogmaals bevestigd dat de Rijksnormaalschool in Brugge er effectief zou komen en ontstonden er onmiddellijk discussies over de keuze van een architect. Het Brugse stadsbestuur en de stadsarchitect Louis Delacenserie konden niet aanvaarden dat de opdracht zou gaan naar architecten van het Ministerie van Openbare Werken. Zij vreesden dat een 'externe' architect geen oog zou hebben voor de neogotische ontwerpen die in Brugge gebruikelijk waren.

M&LI 25


Grote binnenkoer van de Rijksnormaaischool (foto O. Pauwels)

steld als stadsarchitect van Brugge. Als adept van de Brugse neogotische beweging bepaalde hij in deze functie mee het huidige uitzicht van de binnenstad. Zowel bij de restauratie van historische monumenten en belangrijke privéwoningen als bij zijn nieuwbouwprojecten waakte hij immers over de neogotische stijl (26). De Rijksnormaaischool was zijn eerste belangrijke nieuwbouwproject. Andere prestigieuze opdrachten zouden volgen: het Provinciaal hof en het Centrale Postgebouw op de Grote Markt van 1885 tot 1892, allebei in samenwerking met René Buyck, en de Minnewaterkliniek van 1881-1892. Zijn engagement als bestuurslid van de Société Archéologique, een vereniging die het bouwen en restaureren in de lokale trant aanmoedigde, sloten daar perfect bij aan (27). Voor zijn nieuwbouwprojecten liet hij zich inspireren door bestaande voorbeelden uit de laatmiddeleeuwse Brugse baksteengotiek (28). Bovendien doceerde Delacenserie vanaf 1870 aan de Academie van Brugge, waarvan hij in 1889 directeur werd. In 1879 werd hij lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten (29). Dat wil niet zeggen dat Delacenserie conservatief was en niet open stond voor nieuwe inzichten. Onder invloed van de theorie en werken van Viollet-le-Duc gebruikte hij ook moderne technieken zoals metaalconstructies voor het geraamte van zijn gebouwen. Voor het ontwerp van de hoofdgevel van de Rijksnormaaischool baseerde Delacenserie zich op de

26 I M

L

reiegevel van het paleis van Gruuthuse (30), dat rond 1400 was gebouwd en onder zijn leiding in 1883 zou worden gerestaureerd (31). Nadat zijn oorspronkelijke ontwerp werd aanvaard, moest hij nog enkele wijzigingen aanbrengen omdat de toren van het Oud Ho/van de Sint-Jorisschuttersgilde moest worden behouden (32). De bouw van het complex kon van start gaan in 1880 en duurde drie jaar (33). Een artikel en plannen van het complex werden in het Belgische architectuurtijdschrift L'Émulation gepubliceerd (34).

De gymnastiekzaal van de Rijksnormaaischool in Brugge Omdat de Rijksnormaaischool een officiële instelling was, moesten bij het ontwerpen van de school de regels van het Ministerie nageleefd worden. De gymnastiekzaal vertoont dan ook veel gelijkenissen met de 'standaard' die werd voorgesteld in de richtlijnen van Guillaume Docx. Een reeks ongedateerde plannen voor het Brugse gymnase is bewaard in het archief van Delacenserie (35). Vermits de Rijksnormaaischool in Brugge ontworpen was als een jongensschool, werden ook wat de gymnastiekzaal betreft uiteraard de richtlijnen voor jongens gevolgd. In 1882, dus nog tijdens het bouwproces, besliste het Ministerie van Openbaar Onderwijs echter om de meisjesnormaalscholen van Brugge en Gent samen te voegen. Het lag dan ook voor de hand om ook jongensnormaalscholen samen te voegen. Omdat de meisjes-


Vrijstaande gymzaal in het midden van de tweede binnenkeer (foto O. Pauwels)

Grondplan van het gelijkvloers van de Rijksnormaalschooi: de Sint-jorisstraat bevindt zich onderaan en de gymzaal bovenaan (uit [.'Emulation. 1887. nr, 12. pi. 55,

1. K M U I . A T I O N OROANt Dfc U Sf C u [i ARCHITFCTUBF DF BEU31QUE

«•.o au Rnfc c

repro H. Denis)

normaalschool van Gent in de buurt lag van een kazerne, namelijk aan de Karel Lodewijk Leganckstraat 4-8, werd de Brugse jongensnormaalschool in 1888 overgebracht naar Gent en de Gentse meisjesnormaalschool naar Brugge (36). Bouwconcept Het bouwterrein voor de Rijksnormaalschooi heeft een oppervlakte van 1 ha, 7 are en 37 ca. De hoofdingang is gesitueerd aan de Sint-jorisstraat en de dienstingang in de Klaverstraat. Het complex heeft twee binnenkoeren waar verschillende vleugels rond gelegen zijn en bestaat uit twee bouwlagen met een halfondergrondse kelder. De grootste koer is trapeziumvormig en langs vier zijden door vleugels omsloten. Deze koer was oorspronkelijk niet betegeld zodat sommige van de door Docx aanbevolen gymnastiek- en spelvormen er in open lucht konden plaatsvinden. Op de koer grenzend aan de Klaverstraat staat de gymnastiekzaal als een vrijstaande constructie. De neogotische constructie bestaat uit twee verdiepingen en een halfondergrondse kelder, zoals de andere gebouwen van het schoolcomplex. Net zoals bij de standaardgymnastiekzaal is het gebouw symmetrisch opgevat, met drie beuken van negen traveeën. Het rechthoekige grondplan heeft een oppervlakte van 504 m 2 (16 op 31,5 m). Deze afmetingen zijn iets groter dan de voorgeschreven afmetingen, maar qua proporties komen ze zeker overeen. De lengte is ook hier ongeveer het dubbele

r •

T

P-O-

Imp -H CLAESEN •

^

7JK!

ECOLE NORMALE DINSTITUTEURS A BRUGES 18S3 ABCH" L DELACENSERIE

M&L I 27


•

••

Grondplan van de kelderverdieping (souterrain), van het gelijkvloers {rez de chaussée), en van de eerste verdieping {galerie) van de gymnastiekzaal door Delacenserie (Brugge, Dienst voor Monumentenzorg en Stadsvernieuwing, repro O. Pauwels)

Cevelopstand en dwarsdoorsnede van de gymnastiekzaal door Delacenserie (Brugge. Dienst voor Monumentenzorg en Stadsvernieuwing, repro O. Pauwels)

y ^

^

<»

•S

^WÉI V

:

• mt

28 I M

1

i


vleugels van de school koos Delacenserie voor metalen dakspanten, maar deze waren enkel zichtbaar op de zolderverdiepingen.

De typische 'Brugse travee' vormt een grote nis in het midden van de voorgevel (foto O. Pauwels)

van de breedte. De zaal heeft een geraamte dat volledig in hout is uitgevoerd en de opvallende houten dakconstructie maakt het gebouw zo bijzonder. De gevels van de gymnastiekzaal zijn bijna volledig in baksteen uitgevoerd en rijkelijk versierd. Onderaan de voorgevel is er een trap die naar de ingang van de zaal leidt. Deze ingangspoort bevindt zich onder een tudorboog en aan iedere zijde van deze poort is er een venster. Naast deze vensters zijn nog eens vensters, die groter zijn dan de eerste. De gelijkvloerse verdieping van de gymnastiekzaal ligt op dezelfde hoogte als de toegangsdeur en is een stuk hoger dan de koer. Op de eerste verdieping is er in het midden van de voorgevel een drieledig venster met bovenaan een neogotische decoratie. Aan beide zijden van dit drieledig venster is er telkens nog een venster dat ongeveer even groot is als die op het gelijkvloers. Nog eens boven deze vensters is er een roosvenster dat met maaswerk is opgevuld. Enkele versieringen aan de gevel zijn in natuursteen uitgevoerd en er zijn muurankers aan de gevel bevestigd. De zijgevels zijn minder decoratief uitgewerkt. Het zadeldak van de gymnastiekzaal is met leien bekleed en wordt gedragen door houten spanten, die binnenin zichtbaar zijn. Voor de meeste andere

Oorspronkelijke indeling Het is duidelijk dat architect Delacenserie de voorschriften van Guillaume Docx minutieus heeft gevolgd voor het ontwerp van de gymnastiekzaal van de Rijksnormaalschool te Brugge. Oorspronkelijk had de gymnastiekzaal twee grote ingangen, één vooraan en één in de achtergevel. Deze poorten waren allebei breed genoeg om twee leerlingen naast elkaar erdoor te laten. Als men binnenkomt door de ingang in de hoofdgevel passeert men eerst twee aparte ruimtes. De ruimte aan de rechterzijde zou mogelijk als kabinet voor de leerkracht kunnen gediend hebben en in de kamer aan de linkerzijde is een trap voorzien die leidt naar de galerij op de eerste verdieping. De galerij was oorspronkelijk enkel via deze houten trap bereikbaar. In het interieur vallen onmiddellijk het dennenhouten geraamte en de open dakconstructie van de gymnastiekzaal op. De galerij op de eerste verdieping steunt op pijlers die dan verder tot aan het plafond doorlopen. Deze galerij loopt rond de hele gymnastiekzaal, is eveneens volledig in hout uitgevoerd en heeft een houten balustrade die ondersteund wordt door elementen in gietijzer.

Op de eerste verdieping zijn aan beide zijden van de galerij individuele kleedkamers voorzien, ook volledig in hout uitgevoerd. Het is uitzonderlijk dat in die periode al individuele kleedkamers voorzien waren en ook de plaatsing van de kleedkamers is merkwaardig. In de voorschriften van het Ministerie werd slechts een kleine ruimte beneden voorzien als kleedkamer, de individuele kleedkamers zijn dus een inventie van de architect. Vermoedelijk heeft Delacenserie ervoor gekozen om ze op de eerste verdieping te voorzien om plaats en kosten te besparen. Voor aparte kleedkamers op de gelijkvloerse verdieping was nog een aparte constructie nodig geweest, grenzend aan de gymnastiekzaal. De kleedkamers bleven tot nu toe ongewijzigd. Oorspronkelijk had de gymnastiekzaal een houten parketvloer met rechte latten. Die werd later vervangen door een parketvloer met visgraatmotief (37). Op de gelijkvloerse verdieping hebben de zijmuren aan elke kant negen vensters. Deze kunnen bovenaan kantelend geopend worden. Onder het drieledig venster in de voor- en achtergevel is in het interieur een decoratie in natuursteen voorzien. In het dak zijn zes dakramen voorzien, drie aan elke zijde, waardoor er veel licht in de gymnastiekzaal binnenvalt. De ramen in de zijgevels konden geopend worden voor ventilatie en daarnaast was ook nog een ander ventilatiesysteem


Uit hout gemaakt, van het parket tot de nok

jSvV

•

JFm*

-

t «

1

hy ;

"W~

"•—1

Fi1

i^M

{ nnrr._M

J WTZ

'


Binnenkrant Nr. 187 Bijlage bij M&L33/6 nov.-dec. 2014


Het schrijn is gewijd aan de iconografie van de heilige Odilia,

Literatuur

één van de 'elfduizend' maagden die samen met de heilige Ursula in Keulen de marteldood stierven. De publicatie focust vooral op de iconografie en op de figuur van de heilige Odilia,

Ö

wiens hagiografie zeer vergelijkbaar is met die van de heilige

QJ

Ursula. In de begijnhofkerk van Sint-Truiden bekleden deze

ö

beide heiligen in de vorm van begin löde-eeuwse muurschilde-

Marjan Buyle

• I—I

ringen een ereplaats op de eerste kerkpijler links vóór het koor. De publicatie wordt afgesloten met een bibliografie.

PQ HET RELIEKSCHRIJN VAN SINT-ODILIA Middeleeuwse paneelschilderingen uit de 13de eeuw zijn uiterst zeldzaam. Het bekendste voorbeeld is het zogenaamde Odiliaschrijn, dat bewaard wordt in het klooster Colen in het Limburgse Kerniel. Het is daar te bewonderen in de rijkelijk uitgewerkte sacristie met Italiaans stucwerk op het plafond en schilderingen van de Luikse schilder Martin Aubée (17291806). Ondanks zijn turbulente geschiedenis, 'verbouwingen' en overschilderingen is het schrijn nog altijd in goede toestand van bewaring, met opvallend heldere kleuren en weinig lacu-

REYNIERS J., Het reliekschrijn van Sint-Odilia. Een verborgen parel herontdekt, Opglabbeek, 2014, 32 p. met talrijke kleurenillustraties, ISBN 978-90-9028-231-2. Het onderzoeksproject naar het Odiliaschrijn, dat loopt van 2014 tot 2015, wordt gesteund door het Fonds Professor Jean-Claude Comhaire, beheerd door de Koning Boudewijnstichting. Het Odiliaschrijn is te bekijken in het klooster Colen, Colenstraat 1, 3840 Kerniel. De publicatie is daar ook verkrijgbaar aan de prijs van € 6. Opbrengst gaat integraal naar het onderhoud van dit beschermde monument.

nes. Het werd recent aan een nieuw onderzoek onderworpen en de resultaten hiervan zijn voorlopig gebundeld in een klein, maar zeer attractief publieksboekje met kwaliteitsvolle illustraties. Verder doorgedreven archivalisch onderzoek, analyse van het verfmateriaal en een koolstofdatering van de botrestanten zouden nog meer gegevens kunnen opleveren over dit aloude

Nathalie Van Roy 8[ Sara Vermeulen

kunstobject. Kunsthistoricus Jeroen Reyniers koos het schrijn uit voor zijn masterproef in Medieval and Renaissance Studies. En hernieuw-

EEN HERBESTEMMINCSONDERZOEK, HOE DOE JE DAT?

de lezing van de archiefdocumenten en wetenschappelijke onderzoeksmethodes wierpen een nieuw licht op dit boeiend

Historisch waardevolle sites met erfgoedwaarden verliezen

en zeldzaam kunstwerk. Het zou oorspronkelijk dateren uit

vandaag steeds vaker hun functie door nieuwe maatschappe-

1292, maar het werd grotendeels hernomen door een 15de-

lijke ontwikkelingen en noden. Hier poneert zich een niet zo

eeuwse schilder, die vrij nauwkeurig het origineel hernam,

evidente ontwerpopdracht: hoe vinden we de juiste balans

zij het iets eenvoudiger. De röntgenopnames tonen aan dat de

tussen het behoud van wat waardevol is en de zoektocht naar

restanten van het onderliggende origineel gedetailleerder zijn

een nieuwe bestemming? En daarbij: hoe kunnen we garande-

uitgewerkt, met bijvoorbeeld meer reliëf in de gezichten en in

ren dat deze bestemming ook duurzaam en haalbaar is?

de kledij.

Het is dus geen overbodige luxe om te investeren in een

Het Odilaschrijn: bovenaan krijgt Ursula de zegen van de paus en onderaan is de marteldood van de elfduizend maagden bij hun aankomst in Keulen voorgesteld (foto KIK Brussel)

degelijke voorafgaande studie: een herbestemmingsonderzoek. De regelgeving voorziet voor beschermde monumenten bovendien een premie voor dergelijk onderzoek.

Hoewel er vandaag al veel haalbaarheidsstudies en herbestemmingsonderzoeken worden uitgevoerd, zijn de finaliteiten van deze studies vaak zeer uiteenlopend. Het onderzoek voor de Kerk Sint-

EERST ONDERZOEKEN, DANHERBESTEMMEN


Jozef-Arbeider in Vosselaar in 2013 werd de start van een zoek-

derzoek, zowel om de totstandkoming van objecten te achter-

tocht naar het hoe en het wat van herbestemmingsonderzoek.

halen als om aangepaste of verbeterde behandelings-

Het inspireerde het agentschap Onroerend Erfgoed tot een

technieken te ontwikkelen, maar ook de keuze van de materia-

nadere studie van inhoud en methodologie om van een herbe-

len die men zal inzetten. Tot slot is de kostprijs van de restau-

stemmingsonderzoek een performant instrument te maken in

ratie uiteraard een niet te veronachtzamen element. De teksten

de zoektocht naar een symbiose tussen de meerwaarde van

behandelen de problematiek van schittering en glans aan de

een nieuwe bestemming en de historische en actuele erfgoed-

hand van een heleboel praktijkvoorbeelden uit verschillende

waarden.

artistieke domeinen, waaronder theaterdecors, spiegels, rococo interieurs en archeologisch vlakglas.

Het resultaat is een nieuwe handleiding met als titel Eerst onderzoeken, dan herbestemmen. Een herbestemmingsonderzoek, hoe doe Je dat?, te downloaden via de website van Onroerend Erfgoed: www.onroerenderfgoed.be/ nl/diensten/publicaties/eerst-onderzoeken-danherbestemmen/

Rudy De Gmef

CLANS IN DE CONSERVATIE-RESTAURATIE / LUSTRE ET BRILLANCE EN CONSERVATIONRESTAURATION

Clans in de conservatie-restauratie / Lustre et brillance en conservation-restauration. Marjan Buyle (red.) , Brussel, 2014.

De teksten worden gepubliceerd in het Nederlands en in het Frans. Prijs 30 € , te verkrijgen bij Marjan Buyle via: maripannehuyiefglrwovlaanderpn hp Op de website van BRK-APROA, www.brk-aproa.org, vindt u eveneens informatie over de werking en de toetredingsvoorwaarden tot de beroepsvereniging, aankondigingen van studiedagen, congressen en andere evenementen, verslagen en programma's van de tweejaarlijkse studiedagen, die samen met het agentschap Onroerend Erfgoed georganiseerd worden.

Naar aanleiding van het tweejaarlijkse congres op 21 en 22 november 2013 over conservatie-restauratie van onroerend en roerend erfgoed publiceert de Beroepsvereniging voor Conservators-Restaurateurs van Kunstvoorwerpen vzw (BRK-APROA) de volledige lezingen. Het thema van de zevende editie van dit congres is Clans in de conservatie-restauratie en dit zowel in letterlijke als figuurlijke betekenis. Zoals Catheline Périer-

Restauratie

d'leteren in haar nabeschouwing stelt, werd ingegaan op een belangrijk aspect van objecten of kunstwerken, namelijk hun uitzicht, "zoals dat bepaald werd door de kunstenaars en dat in theorie althans, door de restaurateur moet bewaard of terugge-

Marjan Buyle

bracht worden". De lezingen brachten volgens Catheline Périerd'leteren een aantal essentiële elementen voor het daglicht die men best in rekening brengt bij de aanpak van een restauratie en/of conservatie van een

FASCINEREND RESTAURATIEPROJECT VAN BESLOTEN HOFJES IN MECHELEN

object. Zo is het gebruik van de juiste terminologie in de

Het verwerven van een middeleeuws retabel was een dure zaak

conservatie-restauratie nood-

en in de 16de eeuw niet aan iedereen gegeven. Vandaar dat iets

zakelijk om tot een gemeen-

minder kapitaalkrachtige kloostergemeenschappen hun toe-

schappelijke taal te komen.

vlucht zochten in de aankoop van enkele kleine gepolychro-

Daarnaast is de context waar-

meerde beeldjes en een retabelkast met geschilderde zijluiken.

in een kunstwerk wordt ge-

Ze vulden deze basiscomponenten aan met zorgvuldig ver-

presenteerd, voornamelijk de

pakte relieken, textiele bloemetjes, pelgrimsinsignes en andere

belichting ervan, cruciaal.

devotionele voorwerpen. Op die manier verkregen ze een

Ook is er de rol van de mate-

retabel in miniatuur. Deze besloten hofjes zijn waardevolle

riële geschiedenis van het

getuigen van de vrouwelijke spiritualiteit van de late middel-

object, die al dan niet moet

eeuwen en van de kunstzinnigheid en de creativiteit van de

meegenomen worden in de

kloostergemeenschappen. Veel van dit erfgoed ging verloren,

behandelingskeuze. Verder is

ook omdat de artistieke en historische waarde ervan vroeger

er het belang van het vooron-

niet voldoende werd onderkend. De Mechelse gasthuiszusters-

Ö •T—I

PQ


patrimonium in Brussel en de Mechelse musea, joke Vandermeersch is coördinator van het team van acht conservatorsrestaurateurs die de behandeling zullen uitvoeren. De stad Mechelen financiert dit project met steun van het Fonds InbevBaillet Latourvan de Koning Boudewijnstichting. Bijkomende sponsoring en partnerschappen worden nog gezocht. De inspiratie voor deze besloten hofjes komt enerzijds uit het Hooglied en anderzijds uit de iconografie van de heiligen. Koning Salomon bezingt zijn bruid in het Hooglied en noemt haar een besloten hof, verwijzend naar een paradijselijke plek waar het goed vertoeven is. Dit roept uiteraard meteen remi-

Besloten hofje met de heiligen Elisabeth, Ursula en Catharina (© Stedelijke Musea Mechelen)

niscenties op aan de heilige Maagd, die praktisch in elk besloten hofje te vinden is. Ook frekwent voorkomend is de afbeelding van de eenhoorn, die alleen getemd kon worden

augustinessen waren evenwel nog in het bezit van een merk-

door een maagd, verwijzend naar de mariale iconografie van

waardig patrimonium: niet minder dan 7 besloten hofjes uit de

de onbevlekte ontvangenis. Het aanvullen van deze gekochte

n6de eeuw van uiteenlopende formaten. Om het duurzaam

beeldjes met allerlei zelfgemaakte versieringen gaf de gasthuis-

behoud ervan te verzekeren gaven ze dit uniek kunstbezit in

zusters tevens de gelegenheid om tijdens die lange uren van

langdurige bruikleen aan de Stedelijke Musea Mechelen.

handenarbeid te mediteren over hun geloof en op die manier

Sinds 2011 zijn deze besloten hofjes ingeschreven op de lijst

dichter bij God te zijn. Naast allerhande bloemetjes verpakten

van het Vlaamse Topstukkendecreet.

ze ook stukjes heiligenreliek in perkament en voorzagen ze van

Twee jaar geleden werd hiervoor een uitvoerig onderzoeks- en

gepaste opschriften. Op die manier gaven ze vorm aan hun

restauratieproject opgestart, in een samenwerkingsverband

voorstelling van het paradijs.

tussen Illuminate - Studiecentrum voor middeleeuwse kunst

Er zijn weinig kunstwerken waarin zoveel verschillende materi-

van de KL) Leuven, het Koninklijk Instituut voor het Kunst-

alen verenigd zijn: hout, steen, albast, ivoor, been, textiel, metaal, was, pijpaarde, glas, papier, leder en perkament, organisch materiaal zoals kersenpitten, koraal, rotskristal, botmate-

Detail van de maagd met de eenhoorn (© KIK Brussel)

riaal. Niet alleen zijn al deze elementen op één of andere manier met elkaar verbonden en op ingenieuze wijze aan de kast verankerd, maar al deze materialen hebben bovendien uiteenlopende degradatiepatronen. Het hoeft geen betoog dat de restauratie van een dergelijk kunstvoorwerp een uiterst complexe aangelegenheid is, al was het maar omdat er zoveel verschillende restauratiespecialisaties moeten samenwerken.

Het uitgebreide vooronderzoek werd zopas afgerond en de eigenlijke restauratie kan beginnen. Wetenschappelijke beeldvorming met innovatieve technieken werd gebruikt om dit

Besloten hofje met de heiligen Augustinus, Anna-ten-drieën en Elisabeth van Hongarije (© KIK Brussel)


eeuwenoude erfgoed te bestuderen: de bijna poëtische röntgenopnames tonen hoe al de elementen structureel met elkaar en met de kast verbonden zijn. Uitgangspunt hierbij is een zo minimaal mogelijke ingreep die vooral op behoud en conservatie gericht is. Hierbij moet ook afgewogen worden wat er zal gebeuren met latere wijzigingen: gedeeltelijke overschilderingen op de zijluiken, toevoegingen van devotionele voorwerpen, kleine beeldjes en dergelijke, veranderingen in de oorspronkelijke opstelling, glazen bescherming van de middenkast, sporen van gebruik en slijtage. Als je bedenkt dat elk besloten hofje samengesteld is uit 3 è 400 objecten van allerlei aard, dan kan men zich de complexiteit van de restauratiebehandeling voorstellen.

De beeldjes die in deze besloten hofjes verwerkt zijn, werden besteld bij plaatselijke Mechelse beeldsnijders en polychromeerders. De productie van de Mechelse ambachtslieden onderscheidt zich van de Brusselse of Antwerpse sculptuur van dezelfde periode door ronde gezichten met hoog voorhoofd, vrij bleke aangezichtskleur met roze wangetjes, gesti-

Gezicht op het 'kasteel' Vranckx met rechts het nieuwbouwgedeelte, ontworpen door aNNo architecten (foto S. De Sadeleer)

leerde ogen met hoge wenkbrauwen en een klein 'kersenmondje'. Omwille van deze eigenschappen worden ze in de kunstli-

In 1903 bouwt architect Jules Taeymans (1872-1944) deze

teratuur omschreven als Mechelse popjes. Hoewel de artis-

woning voor de familie Vrancx in de gemeente Vorst, huidige

tieke kwaliteit duidelijk verschillend is, vertonen de mooiste

deelgemeente van Laakdal. Het beeldbepalende alleenstaande

exemplaren toch alle mogelijke middeleeuwse polychromie-

dubbelhuis wordt opgetrokken aan de hoek van de Markt met

technieken, zij het dan in miniatuurvorm: sgraffito, persbro-

Steenbergen. Taeymans hanteert voor de architectuur zijn

kaat, geponste versieringen, matte en glanzende verguldingen,

typische combinatie van neoclassicisme en art nouveau.

kostbare pigmenten als azuriet en vermiljoen, veelkleurige

Naast de originele volumetrie van het gebouw, bestaande uit

geschilderde boorden.

een hoofdvolume met een kleiner bijgebouw aan de rechterkant, vallen vooral de fijn uitgewerkte gevels van lijstwerk in

De besloten hofjes van Mechelen zullen een vooraanstaande

bak- en zandsteen op. Ook de rondbogige muuropeningen met

rol spelen in de geplande tentoonstelling in 2016 Op zoek naar

de geschilderde decoratie in de rondboogvelden, de panelen-

Utopia, een project van KU[N]ST Leuven vzw rond de herden-

fries onder de houten kroonlijst op klossen, de borstweringen

king van 500 jaar Utopia van Thomas More. Deze hofjes zijn

met panelen, het traliewerk en de sterk gedetailleerde lelie-

immers afbeeldingen van een ideale wereld als een gesloten

vormige muurankers zijn typerend voor deze architectuur.

tuin, netjes afgesloten met een hekje, een voorstelling van het

De woning wordt dan ook op 12 april 2002 beschermd als

paradijs. Vanaf 2018 zullen de besloten hofjes een definitieve

monument omwille van de historische waarde, meer bepaald

opstelling krijgen in het Hof van Busleyden in Mechelen, met

de architectuur- en stedenbouwkundig-historische waarde die

bijzondere aandacht voor hun preventieve conservering en hun

in het beschermingsbesluit wordt omschreven als een gaaf

bewaring en duurzaam behoud op lange termijn. Tijdens de

bewaard gebleven burgerhuis, als zodanig schaars in zijn his-

loop van de behandeling zijn enkele publieksdagen voorzien,

torisch landelijke context, dat beeldbepalend is voor de Markt

met voorinschrijving.

van Vorst, daterend van rond 1900.

Rudy De Gmef

teerd door verschillende personen die de woning wensten te

In 2009 werd het agentschap Onroerend Erfgoed gecontackopen. Allerlei herbestemmingsideeën werden voorgelegd, gaande van het gemeentebestuur dat onderzocht of het gebouw mogelijk kon omgetoverd worden in een bibliotheek,

DE HERBESTEMMING VAN 'KASTEEL' VRANCX TOT BED (% BREAKFAST IN VORST-LAAKDAL

tot particuliere geïnteresseerden die er zelf wilden gaan wonen.

In Vorst kunnen gasten logeren in het hypermoderne gebouw

die er een luxueuze bed of breakfast wenste te realiseren.

Uiteindelijk werd het pand in 2009 verkocht aan een particulier van bed a[ breakfast Art of Dreams. Na een verkwikkende nacht-

Het oorspronkelijke idee van de nieuwe eigenaar was om naast

rust kunnen de loges - bij wijze van contrast - ontbijten in het

het beschermde monument een extra volume te bouwen dat

prachtige decor van het vroegtwintigste eeuwse 'kasteel'

dienst zou doen als woning. In het monument kon men dan de

Vranckx.

bed (g, breakfast onderbrengen. Om dit te realiseren moest het


Ö •i-H

gebouw sterk aangepast worden. Om aan de hedendaagse

Het architectenbureau kwam daarop met een nieuw voorstel:

eisen van toegankelijkheid en comfort tegemoet te komen was

een volume dat losstaat van het bestaande gebouw op de

de realisatie van ondermeer een lift nodig. Daarnaast was het

plaats waar vroeger een minder waardevol gebouwtje stond.

noodzakelijk om voldoende kamers met sanitair te voorzien

In de nieuwbouw werden 4 gastenkamers voorzien.

om de bed aj breakfast rendabel te maken. Hiertoe dienden heel

Tussen de beide volumes ontwierp men een hellend en inte-

wat nieuwe technieken geïntegreerd te worden, wat een grote

graal toegankelijk pad dat de twee volumes ontsluit en ver-

impact op de interieurafwerking zou hebben. Architecten-

bindt, met behoud van de oorspronkelijke toegang als alterna-

bureau aNNo uit Cent onderzocht wat de impact van al deze

tief. Achteraan op het terrein werd een poolhouse met bijho-

ingrepen op de erfgoedwaarden zou zijn, alvorens de plannen

rend zwembad ontworpen.

verder uit te werken. Uit dit onderzoek bleek zulke herbestemming zeer moeilijk te zijn, enkel wat de gemeenschappelijke

Terwijl de plannen voor het nieuwbouwgedeelte langzaamaan

ruimtes op de representatieve gelijkvloerse verdieping van het

'versteenden' tot ze in februari 2013 opgeleverd werden, maak-

monument betreft, leken er geen grote problemen te zijn.

te de eigenaar tussen 2009 en 2014 werk van een aantal drin-

Het agentschap Onroerend Erfgoed suggereerde om de zaken

van het beschermde gedeelte. Zo werd in 2009 het buiten-

om te keren: waarom niet de woning in het historische pand

schrijnwerk van de voor- en de westelijke zijgevel gerestau-

onderbrengen en de gastenkamers in een nieuw volume reali-

reerd, om in 2010 het schrijnwerk van de achtergevel en de

gende werken die noodzakelijk waren voor de instandhouding

seren? Zo kunnen de gastenkamers met alle benodigd com-

kelderramen aan te pakken. In 2011 volgde dan het schrijnwerk

fort, integrale toegankelijkheid en technische voorzieningen

van de oostelijke zijgevel en het bijgebouw. Hoewel voorzien

vrij eenvoudig in het nieuwe gebouw ondergebracht worden,

was om een deel van het schrijnwerk volledig te vervangen,

terwijl de integratie van de privévertrekken van de opdrachtge-

slaagde men er bij de uitvoering toch in om al het schrijnwerk

ver weinig afbreuk zal doen aan de eerste verdieping van het

te behouden, te herstellen en aan te passen aan de hedendaag-

monument. De gelijkvloerse representatieve ruimtes kunnen

se normen. Voor deze werken werden door de Vlaamse

op die manier even goed als ontbijtruimte bij de bed af break-

gemeenschap, agentschap Onroerend Erfgoed, telkens onder-

fast worden ingezet, in onmiddellijk contact met de prachtige

houdpremies toegekend. Ondertussen werden ook lambrise-

historische tuin, die mee in de bescherming werd opgenomen.

ringen waar nodig gereconstrueerd en binnenschrijnwerk hersteld. Na een onderzoek door de afdeling Conservatie en

Gezicht op het nieuwbouwgedeelte, ontworpen door aNNo architecten, met de helling tussen de nieuwbouw en het monument (® Wienerberger)

Restauratie van deArtesis Hogeschool (momenteel Universiteit Antwerpen) naar de toestand en de originele afwerking van het plafond van de gelijkvloerse voorkamer werd dit plafond verstevigd en reconstrueerden de restaurateurs de decoratieve afwerking naar model van een oudere sjabloonschildering. Ook hernam de eigenaar de verdwenen decoratieve beschildering van de fries en de rondboogvelden boven de ramen. Daarnaast werd de bestaande verwarmings- en elektriciteitsinstallatie vernieuwd.

Ondertussen werkten de architecten aan een restauratiepremiedossier voor het dak en de gevels van het monumentale gedeelte. De architecten namen het verslag van Monumentenwacht vzw als leidraad voor de bouwfysische staat van het pand en baseerden zich voorts op het originele bestek van architect Taeymans. Oorspronkelijk werden vermoedelijk alle gevels van deze woning uitgevoerd in mooi karakteristiek 19deeeuws metselwerk met een knipvoeg. Het onderzoek van het resterende voegwerk ter plaatse bevestigde dit. Na beperkte reiniging van de gevels, mogelijk door middel van de rotatiewerveltechniek, en plaatselijk herstel van het metselwerk, voorziet de restauratie in het herstel van het knipvoegwerk in de originele kleur en met bijkleuring van de stenen met een gekleurde minerale verf waar nodig. Verder worden enkel de hoogst noodzakelijke herstellingswerken aan de natuurstenen elementen uitgevoerd en worden deze opnieuw opgevoegd. De gecementeerde plint wordt hersteld en ontbrekende stukken worden gereconstrueerd.


De dakstructuur werd in detail onderzocht, waarbij onder

ai

andere de stabiliteit en de aantastingen van het hout werden bestudeerd. Uit dit onderzoek bleek dat de draagstructuur niet voldoet, zelfs het aanbrengen van isolatie zou al een overbelasting betekenen. De dakstructuur wordt daarom gerestaureerd en verstevigd waar nodig, door middel van platstalen en bijko-

ö ö

mende trekkers. Het dak wordt bovenop de kepers geïsoleerd, hierdoor wordt de dakopbouw iets dikker, een element dat het architectenbureau in de detaillering heeft uitgewerkt, zodat de

•i-H

aansluiting van dit 'dikkere' dak op de goten geen problemen oplevert. De architecten voorzien ook de restauratie van de dakkapel en de bakgoten en regenwaterafvoeren. Tot slot worden ook een aantal interieurelementen gerestaureerd.

Jagersboom, gekandelaarde linde als grens-, hoek- en kruispuntboom (ID: 209) (foto K. Vandevorst)

Dit dossier werd op 3 juli 2014 door het agentschap Onroerend Erfgoed ontvankelijk verklaard. Op 10 november 2014 kende

mens of van de natuur of van beiden samen. Van elk erfgoed-

Geert Bourgeois, Minister-president van de Vlaamse regering

element worden zoveel mogelijk de afmetingen zoals stamom-

en Vlaams ministervan Buitenlands Beleid en Onroerend

trek, hoogte, kruindiameter, lengte, e.d. gegeven.

Erfgoed, een restauratiepremie toe aan de opdrachtgever. Sauna Atlantis bvba. Het totaal bedrag van deze restauratiefa-

Vanaf 2 oktober 2014 is een deel van dit bijzondere erfgoed

se wordt geraamd op 307.990,4 euro (excl. BTW) waarvan de

ook digitaal ontsloten! De eerste gemeente die digitaal

Vlaamse overheid - Agentschap Onroerend Erfgoed voor een

ontsloten wordt, is Zwalm, goed voor 234 inventarisatiefiches.

bedrag van 102.052,15 euro (incl. BTW) in de restauratieve

De komende maanden wordt constant verder gewerkt aan het

werken zal tussenkomen.

uitbreiden van de inventaris. In 2014 worden nog de data voor Herne (Vlaams-Brabant) verwacht. Voor 2015 en 2016 staan Heuvelland, Voeren en Bornem op de planning.

Inventarisatie

Onze inventarissen landschappelijk erfgoed kun je bekijken op: https://inventaris.onroerenderfgoed.be/ile. Met het zoekformulier: https://inventaris.onroerenderfgoed.be/ile/boom/zoeken kun je geografisch zoeken (provincie, gemeente, deelgemeente en straat) of thematischtypologisch controleren op soort, typologie en context.

Geert Van der Linden

OOK BOMEN EN STRUIKEN ZIJN ERFGOED! DE INVENTARIS VAN HOUTIGE BEPLANTINGEN MET ERFGOEDWAARDE GAAT ONLINE

Onderzoek

Statige kasteeldreven, in vorm gesnoeide hagen, kapellekesbomen, vredesbomen, hakhoutpercelen: ze vertellen het verhaal van hoe onze voorouders omgingen met 'houtige beplantin-

Frank Becuwe

gen', hoe ze deze nuttig aanwendden, welke rol deze speelden in bijgeloof en rituelen, hoe bomen en struiken louter voor het esthetische genot werden aangeplant... Sinds 2006 worden alle meldingen van erfgoedbomen en

BIER! EEN VLOEIBARE OORLOGSGESCHIEDENIS. EEN FIETSVERKENNING ACHTER HET IJZERFRONT IN DE ZOMER VAN 1918

-struiken onderzocht en eventueel opgenomen in de inventaris. Gelijktijdig werd gestart met de inventarisatie van telkens

Als open-monument beperkt het Mout- &, Brouwhuis de Snoek

één gemeente per provincie. Zwalm, Herne, Heuvelland,

zich niet tot het ontsluiten van de site op zich maar verricht

Voeren en Bornem werden met uitzondering van de beplantin-

het ook onderzoek naar het brouwindustrieel verleden in

gen in tuinen en parken gebiedsdekkend afgelopen. Bij de

Vlaanderen. Bij recent onderzoek werd dieper ingegaan op de

inventarisatie van dit levend erfgoed werd op zoek gegaan naar

ambachtelijke wijze waarop de ongeveer honderd bierbrouwers

beplantingsvormen die representatief zijn voor het werk van de

in het onbezette landsgedeelte in de Eerste Wereldoorlog


Ö CU

ö • I—I

PQ

brouwden. Bierbrouwen in die periode was geenszins een

Verenigde Staten stokte nu en dan, waardoor de brouwers met

sinecure. Op de industriële brouwerij-mouterij Het Anker (vul-

regelmaat om gerst of mout verlegen zaten. Om toch te vol-

go Feys-Callewaert) in Beveren-aan-de IJzeren enkele middel-

doen aan de uitdrukkelijke verwachtingen werden dan ook

grote dorpsbrouwerijen zoals de brouwerij-mouterij Sint-Joris

maar gezocht naar vervangingsgrondstoffen zoals suikerbie-

(vulgo Six-Colpaert) in Reningelst en de brouwerij-mouterij

ten, haver, bonen en boekweit. Omdat de brouwersgist toch

St.-Louis (vulgo Verlende-Faure) in Lo na, waren alle bierbrou-

van minder goede kwaliteit was, werd ook nog maar eens

werijen kleinschalige dorpsbrouwerijen. Voor hun aandrijving

geknipt in het aantal gistingsdagen. Op deze manier kon de

waren ze doorgaans nog aangewezen op natuurlijke kracht, in

productie worden opgedreven. Iets waarin sommige brouwers

het bijzonder menselijke en soms - onder de vorm van een

trouwens aardig slaagden. Veel brouwerijen verdrie- of vervier-

rosmolen - dierlijke kracht. In enkele gevallen hadden een

voudigden hun productie ten opzichte van 1913, het laatste

stoommachine of een gas- of dieselmotor wel al hun intrede

vooroorlogse jaar. Brouwer Deeren in Eggewaartskapelle wist

gedaan, doch verder ging de mechanisering niet. Eenmaal de

in zijn kleine brouwerij-boerderij zelfs tot elf maal meer te

oorlog zich had ingegraven achter de IJzer en de leperboog

brouwen. Dat dit alles de kwaliteit van het bier geenszins ten

confronteerde de jarenlange aanwezigheid van honderdduizen-

goede kwam, hoeft geen betoog, ook al deed wat verboden

den soldaten en vluchtelingen de brouwers met het ambachte-

maar gedoogde sacharine in de bierton kort voor het verhande-

lijke karakter van hun brouwerijen die helemaal niet uitgerust

len ervan, wonderen.

waren om de sterk gestegen biervraagte ondervangen, och werd dit voornamelijk vanwege de legerleidingen verwacht.

Al is het het Mout- & Brouwhuis de Snoek op de eerste plaats

Om muiterij onder de soldaten te vermijden mocht het hen

om de kennis te doen, toch probeert dit museum-van-de-dorst

onder geen beding ontbreken aan tabak en bier.

zijn onderzoeksresultaten ook steeds voor een breed publiek te

Was hun brouwinstallatie daar al niet op voorzien, ook de

ontsluiten. Omdat van dit vloeibare oorlogsverhaal in het land-

grondstoffenschaarste die zich vooral vanaf het najaar 1916 liet

schap nog diverse materiële sporen bewaard zijn gebleven,

voelen, maakte het er de bierbrouwers niet gemakkelijker op.

werden de onderzoeksresultaten dan ook hertaald in een aan

Het landbouwareaal van deze nochtans agrarische streek bleek

het fietsroutenetwerk opgehangen cultuurtoeristische route.

te klein en de aanvoer vanuit Frankrijk, Engeland en de

Op die manier hoopt het Mout- & Brouwhuis de Snoek de bevolking en de beleidsmakers te sensibiliseren voor het behoud van dit brouwerijerfgoed. Tezelfdertijd wordt nog maar

De igde-eeuwse brouwzaal van het Mout- & Brouwhuis de Snoek (foto F. Becuwe)

eens onderstreept hoe uniek het Mout- & Brouwhuis de Snoek in Alveringem is. Van alle, meer dan drieduizend brouwerijen die ons land voor de oorlog telde, is deze brouwerij-mouterij vandaag immers de enige nog volledig intacte vooroorlogse brouwerijsite.

De onderzoeksresultaten werden verwerkt in de monografie Bier! Een vloeibare oorlogsgeschiedenis, Alveringem, 2014, 96 p., een uitgave van het Mout- &, Brouwhuis de Snoek in de reeks Het Vlaams Brouwbedrijf in Historisch Perspectief, nr. 19. Deze publicatie vormt een aanvulling op het boek Bier aan het Ijzerfront. Het verhaal van de dorst in de Grote Oorlog, Brugge, 2009, De Klaproos, 176 p.


Frank Becuwe

en beheersinformatie ook moge zijn. Sinds enkele jaren probeert het agentschap Onroerend Erfgoed daar echter verandering in te brengen. Zo werd enkele jaren geleden met de

TEL ORGE, TEL MALT. KLEIN- EN CROOTMOUTERIJEN IN VLAANDEREN (1850-1950)

monografie In de ban van Ceres de vraag naar meer kennis omtrent de evolutie van korenwind- en watermolen tot industriële bloemmolen ingelost. Daardoor is het voortaan mogelijk

De voortschrijdende verstedelijking van Vlaanderen die onver-

om uit het nog vrij ruime aanbod aan weliswaar veelal buiten

minderd ook het begin van de 21ste eeuw kenmerkt, dwingt

bedrijf gestelde mechanische maalderijen een typologisch

meer dan ooit tot een intersectorale afweging van ons ruimte-

coherente selectie voor bescherming voor te stellen. Een ander

gebruik. Voor het beleidsveld onroerend erfgoed ligt de ambitie

vergelijkbaar typologisch onderzoek (verschenen in Relicta 6)

daarbij vooral op het vlak van duurzame ontwikkeling.

betrof het hoperfgoed, meer bepaald de hopasten die met hun

Een geleide(lijke) ontwikkeling van ons collectief geheugen

dakruiters, ontdubbelde daken of draaimutsen ooit de hop-

consolideert immers niet alleen de aanwezige cultuurwaarden

streken rond Poperinge, Aalst en Asse-Ternat visueel vorm

maar hanteert deze bovendien als hefbomen voor een verbete-

gaven maarthans nauwelijks meer zijn dan curiositeiten.

ring van zowel de leefbaarheid als de leefkwaliteit van de herkenbare omgeving. Onmiskenbaar is de betekenisvolle rol die

Intussen is ook het onderzoek afgerond naar de ontwikkelings-

weloverwogen erfgoedprojecten speelden en nog spelen bij

geschiedenis van het moutbedrijf dat pas rond 1880 uit de

bijvoorbeeld de herwaardering van verloederde stadswijken of

schaduw van de brouwerijen trad om tot een volwaardige,

het toeristisch aantrekkelijk maken van achtergestelde platte-

autonome nijverheid uit te groeien. Tot dan betrof de mout-

landsgebieden. Hun succes ligt niet in het minst in het maat-

bereiding nog een ambachtelijke activiteit die op basis van

werk dat erfgoedzorg kenmerkt. Door de authentieke uniciteit

empirische kennis, van vader op zoon overgeleverd, eeuwen-

van ons erfgoed te valoriseren wordt namelijk tegemoet geko-

lang nauwelijks of weinig veranderingen had gekend. Door de

men aan een verlangen naar eigenheid en diversiteit, naar

mechanisering die vooral vanaf het laatste kwart van de 19de

zuurstof om zich in een wereld van algemene globalisering en

eeuw het moutbedrijf tekende en de massale invoer van goed-

uniformisering te kunnen handhaven.

kope overzeese gerst via de haven van Antwerpen evolueerde de mouterij echter van een arbeidsintensieve naar een

Ook ons industrieel erfgoed leent zich voor een dergelijke

industriële, kapitaalintensieve activiteit. Het productieproces

katalyserende rol. Veel gedesaffecteerde industriële complexen

zou in enkele decennia een vrij revolutionaire evolutie kennen.

zijn te goed voor de sloop, doch bij gebrek aan kennis wordt

Een ontwikkeling die, zoals een anomieme mouter in 1896

daaraan wel eens voorbijgegaan. Zoals uit de onderzoeks-

opmerkte, ervoor zorgde: "Que la malterie beige devienne plus

balans industrieel erfgoed blijkt (www.onderzoeksbalans.be),

scientifique et que ce soit la science seule qui la guide dans la

ontbreekt voor zeer veel nijverheidsbranches het vereiste in-

production du bon malt". Om het moutindustrieel erfgoed dat

zicht in ontwikkelingsgeschiedenis van de respectieve nijver-

daaruit is voorgekomen, te kunnen duiden, blijft deze kennis

heid om hun specifieke industrieelarcheologische waarden te

ook vandaag onontbeerlijk.

herkennen en bijgevolg ook contextueel te interpreteren. Door het ontbreken van een evaluatiekader verliest de behoudsoptie het meestal van de voor velen meer voor de hand liggende sloopoptie. Wordt dan toch voor behoud geko-

De grootmouterij Dandelooy in Merksem (Ie Petit Journal du Brasscur, 1931)

zen, dan beperkt deze optie zich in veel gevallen tot de schil, de mantel rond het productieproces, waarvan de materiële sporen in het kader van de herbestemming echter worden gewist. Met het strippen van deze nochtans belangrijkste erfgoedwaarden verliest het fabriekspand echter niet alleen zijn historisch verhaal maar wordt ook de meerwaarde waarover het bij erfgoedbehoud-door-ontwikkeling precies gaat, grotendeels onderuit gehaald.

Industrieel erfgoedonderzoek lm. »—Minml

Onderzoek dat resulteert in het aanreiken van een passend referentiekader, is voor de vele nijverheden die vandaag economisch misschien niet langer van betekenis zijn maar wel aan de grondslag liggen van onze welvaarstaat, dan ook een conditio sine qua non. Veel sectoraal onderzoek vond er echter nog niet plaats, hoe belangrijk het brancheonderzoek als beleids-

I

Ö •i-H


De moutbereiding Het drogen van de gerst Een eerste stap in de moutbereiding betrof in het bijzonder na de Tweede Wereldoorlog het drogen van de gerst. Met de door-

CD

Ö Ö •rH

PQ IO

braak van de zelfrijdende pikdorsers na de oorlog werd de oogstperiode immers in belangrijke mate ingekort met als gevolg dat de gerst wel eens onvoldoende rijp ofte vochtig werd geoogst. Voor het opslaan ervan in de mouterijen moest deze inlandse gerst voortaan dan ook sowieso kunstmatig gedroogd worden, aanvankelijk in een gerstast en later met een drooginstallatie.

Het opslaan van de gerst Omdat pas gedorste gerst doorgaans onregelmatig kiemde, was het aangewezen om de brouwgerst eerst gedurende een

De laat igde-eeuwse gegalvaniseerde ijzeren weekkuip in het Mout- & Brouwhuis de Snoek (Alveringem) (Collectie Clayhem Campagne, Keiem)

bepaalde tijd te bewaren. Tijdens deze kiemrust won de gerst immers aan kiemkracht. In kleine mouterijen werd de gerst

Het weken van de gerst

doorgaans in zakken bewaard op een bij voorkeur droge en

Tot in de 19de eeuw gebeurde het weken in houten of bak-

koele graanzolder. In grotere mouterijen werd de gerst niet

stenen weekbakken met een doorgaans platte bodem.

meer opgezakt maar uitgestort op de gerstzolders. Om opwar-

Vanaf het einde van de 19de eeuw kwamen meer en meer ijze-

ming en een schimmelige geur te vermijden werd het graan

ren weekkuipen met een conische bodem voor, wat het afvloei-

regelmatig verlucht door het te herschoppen. Daar dat echter

en van de geweekte gerst vergemakkelijkte. Een variante die

een zeer arbeidsintensieve bezigheid was, werden sommige

toen ook geleidelijk voorkwam, was de betonnen weekkuip met

grote gerstzolders voorzien van luchtkanalen die op de zolder-

een ijzeren tremel. Na de Eerste Wereldoorlog werden meer en

vloer lagen en waarop men de gerst uitstortte.

meer grootmouterijen uitgerust met hydropneumatische weekkuipen met geisers die het graan grondig reinigden en voor

Naar het einde van de 19de eeuw toe vervingen de industriële

een goede verluchting zorgden. Vanaf het interbellum werd de

mouterijen de traditionele graanzolders geleidelijk door graan-

gerst ook soms geweekt in weektrommels. Deze weekinstalla-

silo's omwille van de groeiende nood aan grotere opslag-

tie bestond uit een metalen bak waarin een trommel van me-

infrastructuur voor het in bulk aangevoerde moutgoed.

taalweefsel langzaam om een horizontale as draaide. De on-

Aanvankelijk betroffen deze ronde of vierkante silo's houten of

derste helft van de trommel was in het water gedompeld en

bakstenen constructies. Houten silo's hadden evenwel het

zorgde aldus voor de noodzakelijke weking van de gerst.

nadeel de vorming van parasieten in de hand te werken en het

De bovenste helft was aan de lucht blootgesteld en zorgde

brandgevaar te vergroten. Na 1850 kwamen ook metalen

aldus voor de verluchting.

graansilo's voor. De toepassing van gewapend beton in de architectuur vanaf het einde van de ngde eeuw liet uiteindelijk

Het kiemen van de gerst

de bouw toe van betonnen silo's die immers voor geen con-

Aanvankelijk waren alle mouterijen vloermouterijen, waar het

densatieprobleem zorgen.

kiemen van de geweekte gerst op bij voorkeur ondergrondse

Het reinigen van de gerst

19de eeuw kwamen ook bovengrondse kiemvloeren voor.

Hoe belangrijk een grondige reiniging ook was, de kleinmou-

De grootte ervan hing vóór de opkomst van de industriële

kiem- of moutvloeren gebeurde. Vanaf de tweede helft van de

ters besteedden er nauwelijks aandacht aan. Het reinigen van

mouterijen doorgaans af van de brouwcapaciteit van de eigen

de gerst beperkte zich tot het verwijderen van de meest voor

brouwerij. Omdat het verluchten van kiemzalen belangrijk was,

de hand liggende onzuiverheden door middel van een graan-

lieten ze zich doorgaans kenmerken door beluikte vensterope-

harp of wanmolen. Vanaf 1875 deden ook mechanisch aange-

ningen. Vanaf de late 19de eeuw werden de kiemzalen van

dreven graanreinigers en -sorteerders hun intrede. Dit belette

grotere mouterijen meer en meer van ventilatoren voorzien.

echter niet dat in het vroege interbellum nog altijd veel (brou-

De kiemvloeren bestonden tot in de tweede helft van de 19de

werijen-)mouterijen over reinigingstoestellen beschikten die

eeuw doorgaans uit ongeglazuurde tegels, ofschoon ook bak-

geenszins voldoende waren voor een goede gerstreiniging.

stenen vloeren voorkwamen. Een nadeel van zowel grofkerami-

In grootmouterijen liet de gerstreiniging op het einde van de

sche tegelvloeren als bakstenen vloeren was dat ze tamelijk

19de eeuw ook nog wel eens te wensen over. Pas naarmate

poreus waren. Vanaf de late igde eeuw werden de betegelde

echter meer en meer kleinbrouwerijen hun moutactiviteit

kiemvloeren geleidelijk vervangen door tegelvloeren in Soln-

afstootten, precies omdat hun mout minder kwalitatief was,

hofer-steen of cementen of betonnen kiemvloeren die in het

nam hun aandacht voor een optimale reiniging toe.

belang van een goede kieming geen water absorbeerden.


brandgevaar dat daarmee gepaard ging, werkte vanaf de 16de eeuw de verstening In de hand. De eestovens werden voortaan met twee loodrechte muren omgeven en met een geperforeerd puntvormig gewelf afgedekt. Deze perforaties of baksteenuitsparingen zorgden voor een betere warmteverdeling. De moutast die de Nederlandse brouwer Jakobus Buys in 1799 beschreef, vormde tot in het begin van de 20ste eeuw het model dat in Vlaanderen veelvuldig voorkwam in de mouterijen bij kleinbrouwerijen en -stokerijen. Kenmerkend voor deze ast was de tremelvormige constructie boven een gemetselde vierkantig of rechthoekig onderstel dat de oven uitmaakte. De tremelvormige constructie fungeerde als warmeluchtkamer of hel. Daarboven bevond zich de eestvloer die uit een houten

Betegelde kiemvloer in de brouwerij-mouterij Vanden Bussche in Ardooie (foto J. De Schepper)

maar bij voorkeur Ijzeren rooster bestond. Op het einde van de 18de eeuw kwamen ook moutasten voor met een grofkeramische eestvloer waarvan de ongeglazuurde eesttegels geperforeerd waren. Eén van de tekortkomingen van de laat 18de-

Het grote nadeel van de conventionele vloermouterlj was echter de vele handenarbeid. Met de in 1882 uitgevonden mechanische keerder ontnam de mechanische vloermouterij het moutbedrijf gedeeltelijk zijn arbeidsintensief karakter. Nadelig bleef evenwel de zeer grote afhankelijkheid van de buitentemperatuur. De oplossing voor dit probleem waren de pneumatische mouterijen. In deze mouterijen, die vooral vanaf het interbellum opgang maakten, kon de temperatuur naar wens nauwkeurig geregeld worden. Het kiemgoed werd er in dikke hopen gelegd waar een gekoelde en bevochtigde luchtstroom doorheen werd gejaagd. Het pneumatisch mouten gebeurde ofwel in kiemkasten ofwel in kiemtrommels. Het eesten van het groenmout Om het kiemproces stop te zetten en aan het groenmout zoveel mogelijk water te onttrekken werd het groenmout

eeuwse met een zadeldak afgedekte rookast was een gebrekkige luchtstroom. De bevochtigde warme lucht moest immers ontsnappen via een uilengat of beluikte opening in één van de topgevels. Het vervangen ervan in de 19de eeuw door een met een houten dakruitertje afgedekte opening in de nok van het zadeldak betekende dan ook een belangrijke verbetering. Vanaf de late 19de eeuw werden de dakruiters geleidelijk vervangen door een metalen buis die met een vaste of ronddraaiende schoorsteenkap werd afgedekt. Omdat stro, turf en hout voor rookontwikkeling zorgden, werd de moutast vanaf de 17de eeuw bij voorkeur met kolen gestookt. Vanaf de 19de eeuw werden meer en meer cokes gebruikt die behalve voor veel minder rookontwikkeling ook voor een veel gelijkmatiger branding en groter stralingswarmte zorgden. Vanaf de late jaren 1930 werd geleidelijk ook stookolie

gebruikt.

geëest. Door het eesten verkreeg het mout ook zijn aroma en

Voor een belangrijke verbetering zorgden de cokesovenasten

het donkere mout zijn kleur. Volgens Gerard Doorman gebeur-

onder een afgeknot tentdak. In de regel hadden deze asten een

de het drogen boven het vuur (super torram) in Nederland al

vierkante plattegrond. De eestvloer bestond uit geperforeerd

omstreeks 1010. Van wanneer in Vlaanderen de eerste moutas-

plaatijzer, zeer dichtgeweven metaalgaas of gevlochten ijzer-

ten dateren is moeilijk te achterhalen. In Brugge bijvoorbeeld

draad. De vier muren die de eestvloer omsloten, schraagden

worden ze voor het eerst vermeld in 1305: "... dat nimene meede

een afgeknot piramidevormig dak, bekroond met een houten

droghen ne moet in stoven, no up asten, no met eenighen viere...".

dakruiter of metalen muts. Onder de eestvloer stak in oor-

Ook In Antwerpen wordt in het begin van de 14de eeuw mel-

sprong een tremelvormige warmeluchtkamer, die later veelal

ding gemaakt van moutasten: "...daste daermen mout op

de vorm van een kubus aannam. De gemetselde eestoven

droeght...". Om in de gehele groenmoutmassa een gelijkmatige

onder deze hel was afgedekt met een langs de zijkanten van

temperatuur te verkrijgen is het aangewezen het groenmout te

openingen voorzien gewelf, waardoor zowel een rechtstreekse

keren. Om het eestende mout niet te kwetsen droeg de mouter

straling van de brandstof op de eestvloer als een rookontwikke-

bij het keren moutersschoenen of-pantoffels of onder zijn

ling door het neervallende stof werd vermeden. Via de laterale

schoenen een moutersbindzool van hennep of caoutchouc.

openingen in het gewelf vermengde de warme lucht zich met

Vanaf het einde van de 19de eeuw gebeurde het keren, aanvan-

de lucht in de hel om vervolgens via de eestvloer door de laag

kelijk vooral in grotere mouterijen, meer en meer met mecha-

groenmout te trekken. Een nadeel van deze moutasten was dat

nische keerders. Soms leenden deze installaties zich ook om

ze, evenmin als de voorgaande moutasttypes, verhielpen aan

de ast af te laden, wat tot in de 20ste eeuw veelal manueel

het probleem van een ongelijke droging van het groenmout.

gebeurde.

Ofschoon het fabriceren van goede mout in een ast met één

Doorheen de eeuwen kende de moutast een opmerkelijke

eestvloer gemakkelijker was, werden in Vlaanderen vanaf 1875

ontwikkeling. Aanvankelijk werd het groenmout rechtstreeks

ook tweevloereneesten gebouwd. Naast een veel economischer

boven het vuur geëest op houten eestvloeren. Het enorme

bouw kende deze ast ook een veel zuiniger steenkoolverbruik.


Ö •i-H

PP 12

Wel impliceerde ze geen capaciteitsverdubbeling, In een twee-

Aangezien ze zeer vlug vocht opnemen, taai worden en bijge-

vloereneest trok de warme lucht eerst door de moutlaag op de

volg moeilijk afbreken, vindt het ontkiemen dan ook zo vlug

onderste eestvloer vooraleer op de bovenste eestvloer, de

mogelijk na het eesten plaats. Tot in de tweede helft van de

droogvlaak, het groenmout te drogen. Eenmaal het groenmout

19de eeuw gebeurde dit in veel mouterijen door het mout te

winddroog was, dan werd het van de bovenste eestvloer op de

belopen met sloffen of klompen met een zachtlederen of vilten

onderste vloer, de roostvlaak, gekipt om er in functie van zijn

zool. Een ander middel was het mout van zijn gedroogde kiem-

beoogde kleur en aroma te worden afgeëest of afgestookt.

wortels ontdoen door middel van een zeef of een wanmolen.

Aanvankelijk vertoonden deze moutasten nog diverse gebre-

Vanaf de late 19de eeuw beschikten mechanisch aangedreven

ken. Zo leenden ze zich nauwelijks of niet om het mout op de

mouterijen daartoe over een ontkiemen

onderste eestvloer van veel warmte en een gematigde luchtstroom te voorzien en het groenmout op de bovenste eestvloer

Het opslaan van het mout

aan een meer gematigde hitte en een sterke luchtstroom te

Na het ontkiemen liet men het mout afkoelen in een droge en

onderwerpen. De warmeluchtast die in Vlaanderen op het

verluchte ruimte. Op het einde van de 19de eeuw waren er nog

einde van de 19de eeuw geleidelijk doorbrak, bracht daar ver-

zeer veel brouwers en mouters die hun mout gewoonweg

andering in. Voorts zorgde dit nieuwe asttype er ook voor dat

stockeerden op een primitieve, daarvoor nauwelijks geschikte

het droogproces veel vlugger opstartte. De verbrandingsgas-

graanzolder. Het mout bergen in jutezakken was ook geen

sen van de in een eesthaard verbrande brandstof werden voor-

probaat middel tegen vochtabsorptie. Deed men dit toch, dan

aleer via de schoorsteen de ast te verlaten, doorheen een rook-

legde men die bij voorkeur in een kleine ruimte zonder openin-

buizenstelsel gevoerd. De door deze buizen verwarmde lucht

gen zo op elkaar dat er tussen de zakken geen luchtcirculatie

trok door het mout op de eestvlaken en vervolgens met voch-

mogelijk was. Voor het stockeren van grote hoeveelheden

tigheid beladen door de dampschouw. Een Duitse variante op

mout was het gewoon in bulk bewaren van het mout op een

de warmeluchtast was de zogenaamde Topf-ast, die in het bij-

moutzolder echter vrij ruimteconsumerend. Door op 30 cm

zonder geschikt was voor de bereiding van mout voor lage-

van de (vochtige) muren een houten wand te voorzien optima-

gistingsbieren.

liseerde men de bergcapaciteit van de graanzolder. Soms werd

Vanaf de jaren 1890 manifesteerde het pneumatisch mouten

deze bergruimte gecompartimenteerd door middel van houten

zich ook op het vlak van de mouteesting door het gebruik van

tussenschotten. In vrij veel brouwerijen-mouterijen dekte een

trommelasten die zowel uit een droog- als een eesttrommel

dakje de houten compartimenten af. Middelgrote en grote

bestonden. De stoommachine die in de pneumatische moute-

mouterijen sloegen hun enorme hoeveelheden op in silo's die

rij ook de kiemtrommels aandreef, hield ook deze trommels

in verhouding nog veel minder ruimte consumeerden. Om de

draaiende. Met de stoom van de uitlaatklep van de stoom-

houdbaarheid van het mout te verzekeren dienden de silo's,

machine werd het groenmout gedroogd en geëest. Cruciaal

die veelal houten constructies betroffen, evenzeer op een ade-

was ook dat men met dit systeem het gehele jaar door om het

quate wijze afgedekt te worden. Veel beter voor een droge

even welke moutkwaliteit kon bekomen. Toch verdrong de

bewaring waren echter de silo's in gecementeerd metselwerk

trommelast nooit de meer klassieke moutast.

of, wat nog beter was, in beton.

Het ontkiemen van het mout

Het poetsen van het mout

Omdat de gedroogde kiemworteltjes het bier een onaange-

Om een goed moutmeel te verkrijgen en met een hoog rende-

name smaak bezorgen en voor een kleurverandering kunnen

ment te kunnen beslaan was een volmaakte reiniging van het mout een noodzakelijke voorwaarde. Omstreeks 1835 waren

zorgen, worden ze na het eesten van het mout verwijderd.

daartoe in voor die tijd moderne brouwerijen (-mouterijen) tussen de tremel, waarin het te vermalen mout werd gestort,

De Van Caspel-mouttoren bij de brouwerij-mouterij Sint-Rochus in Ulbeek (foto J. De Schepper)

en de maalstenen of breekcilinder zeven voorzien die door de maalinstallatie in beweging werden gebracht. Dit belette niet dat omstreeks 1921 nog altijd heel wat brouwerijen en/of mouterijen over geen goede moutreinigingsinstallatie beschikten. Het ontkiemen gebeurde sowieso door middel van een of andere moutontkiemer. Om uit het mout stof en andere voor de biersmaak nadelige bestanddeeltjes te verwijderen was echter de aanwezigheid van een moutharp en een moutpoetsmachine aangewezen. Het breken van het mout Om het mout te kunnen beslaan moest het eerst geplet worden. Bij het pletten wordt de moutkorrel in kleine stukjes

^

verdeeld waardoor bij het beslaan het zetmeel zich door toe-


van stoomkracht was het moutbedrijf niet langer afhankelijk van de beperking van kinetische kracht en stond niets nog een (doorgedreven) mechanisering van het moutbedrijf In de weg. De nieuwe energievormen, gas, petroleum en elektriciteit, die tijdens de tweede Industriële revolutie op het einde van de 19de eeuw geleidelijk In de plaats van de stoomkracht traden, zouden deze ontwikkeling op hun beurt verder stuwen.

De studie Tel orge, tel malt. Klein- en grootmouterijen in Vlaanderen ('1850-1950^ verschijnt In het voorjaar 2015.

Ö

ö ö •i-H

PQ 13

Symposia

Nathalie

Vemimme

SYMPOSIUM 'RESTAUREREN MET KWALITEIT', RCE, woensdag 8 oktober 2014, UTRECHT Gietijzeren moutpletbreker in de brouwerij-mouterij Brosens in Hoogstraten (foto J. De Schepper)

Op woensdag 8 oktober 2014 was het alweer de vijftiende keer

doen van de enzymen gemakkelijker laat oplossen. Omstreeks

verwelkomde voor deze feestelijke editie meer dan 300 perso-

dat het Nederlandse Instandhoudingssymposium georganiseerd werd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Jan Van 't Hof, afdelingshoofd Instandhouding RCE

1850 gebeurde dit pletten in Vlaanderen nog grotendeels met

nen In de protestantse Jacoblkerk In Utrecht. Deze monumen-

maalstenen, al had de moutcilindermolen er al zijn intrede

tale kerk Is nog steeds In gebruik voor de eredienst maar Is ook

gedaan. In de loop van de tweede helft van de 19de eeuw ver-

beschikbaar voor concerten, bedrijfspresentaties, recepties,

drongen de cilinderwalsen echter systematisch de maalstenen.

symposia en aanverwante. Dhr. Van 't Hof werd In zijn rol bij-

De introductie, nog vóór de Eerste Wereldoorlog, van moutbre-

gestaan door een tweede dagvoorzitter, Isja Flnaly, eveneens

kers met zes cilinders zorgde voor een definitieve doorbraak.

hoofd Instandhouding, maar bij Vereniging Hendrlck de Keyser. Als thema voor het symposium stond het onderwerp 'Restau-

Het wegen van het mout

ratlekwalltelt' centraal. Voor de Invulling van de dag werd afge-

Om het gewicht te kennen van de gerst en het mout waren de

weken van het klassieke stramien van opeenvolgende lezingen

mouterijen uitgerust met - aanvankelijk mechanische, later

door telkens een expert, maar werd gekozen om de thema's in

elektronische - weegtoestellen. In veel kleinmouterijen beperk-

dialoogvorm met telkens 2 of meer sprekers aan te brengen.

te de weeginstallatie zich echter tot een gewone brugbalans.

In de voormiddag was er een plenair programma voorzien en

Naarmate het bulkvervoer toenam, groeide de betekenis van

In de namiddag waren er 3 reeksen van telkens 3 parallel-

aangepaste, nauwkeurige weeginstallaties.

sessies.

De drijvende kracht

De twee eerste sprekers waren Gerdo van Grootheest, wethouder ruimtelijke ontwikkeling, wonen, natuur en milieu bij de

Bij de ambachtelijke moutbereiding werd aanvankelijk vooral

gemeente Maastricht en Mare Stafleu, hoofd Regio Noord-

mankracht ingezet. Enkel voor het vermalen van het mout

West bij de RCE. Zij brachten In hun dialoog de veranderde

werd soms gebruik gemaakt van paardenkracht. Wind- en

rolverdeling In monumentenzorg tussen gemeente en overheid

waterkracht bleken voor mouterijen, zeker als ze intussen een

te berde en wat de implicaties hiervan zijn voor de restaura-

zekere mechanisatie kenden, geenszins de aangewezen kracht-

tiekwaliteit. Van Grootheest startte zijn betoog met de bevin-

bronnen. Geen van beide natuurlijke energiebronnen verze-

ding dat herbestemming een van de belangrijkste problemen

kerde de vereiste permanente aandrijving. Met de introductie

van steden Is/wordt. Hij lichtte dit toe vla de case van de


nistratieve verlichting (onder andere vergunningsvrij bouwen) vermindert ook de 'servicemomenten' waarin kennisdeling vaak aan bod komt. Dit werd door beide sprekers als een spijtige evolutie ervaren, die moet tegengegaan worden. De tweede plenaire bijdrage werd verzorgd door Maarten Fritz, directeur van architectenbureau Fritz en door Michiel Van Hunen, programmaleider Restauratiekwaliteit bij RCE. Ze stonden stil bij het feit dat bij restauraties de laatste tijd alsmaar meer inbreng van specifieke kennis en ervaring vereist is en hielden het voor hen ideale proces voor restauratie en vernieuwing tegen het licht. Het gevoel leeft dat de traditionele verantwoordelijkheden van de restauratiearchitect onder druk komen te staan. Er wordt in de praktijk steeds meer gewerkt met een spreiding van de verantwoordelijkheid over verschillende specialisten of multidisciplinaire teams. Dit omwille van de groeiende complexiteit van het ontwerp- en bouwproces en de hiermee gepaard gaande steeds groter wordende eisen (energiezuinigheid, toegankelijkheid, etc.) van uit diverse hoeken. De unieke verantwoordelijkheid van de restauratiearchitect bij ingrepen op erfgoed neemt af. Het gevaar dreigt echter dat zijn rol geminimaliseerd wordt. De overheid kan zich niet mengen in de marktwerking, maar kan wel de eigenaars en het publiek bewust maken van wat kwaliteit inhoudt en de instru-

Gezicht op het interieur van de protestantse Jacobikerk in Utrecht (© GJL)

menten hiervoor aanreiken. Ook voor die ingrepen waar de inbreng van een restauratiearchitect minder noodzakelijk is zoals het hervoegen van een gevel. Naast de klassieke instrumenten, bijvoorbeeld subsidies, wordt door de overheid via het

Tapijnkazerne in Maastricht. De herbestemming van deze erfgoedsite, gelegen naast het stadspark, genoot een ruime belangstelling van omwonenden. Zij zagen dit leegstaand groot complex met bijhorende open ruimte als gemeengoed en voelden zich betrokken partij in het denkproces over een mogelijke herbestemming. In Maastricht is echter de beslissing genomen om de herbestemmingsproblematiek voor grote complexen niet case per case aan te pakken, maar voor de volledige stad. De aanpak van leegstaande erfgoedcomplexen (kerken, scholen, kloosters, en andere) impliceert immers een hoge kost. Bovendien komen er steeds meer dergelijke complexen op de markt. Het maken van keuzes dringt zich dus op. De betrokkenheid van omwonenden in het beslissingsproces is niet onbelangrijk, maar kan ook op gespannen voet staan met de beslissingen en verantwoordelijkheden waar de monumenteneigenaars voor staan. Stafleu haalde aan dat vanuit de overheid proactief en faciliterend opgetreden kan worden door het voorafgaandelijk uitvoeren van herbestemmingsstudies voor leegstaande erfgoedcomplexen ten behoeve van eigenaars en mogelijke investeerders. In Ierland gebeurt dit al in zekere mate. Bij de RCE streeft men naar samenwerking en dialoog. Het is belangrijk dat de verschillende overheden elkaar ondersteunen. Ook helderheid over de rolverdeling is noodzakelijk.

programma Restauratiekwaliteit actief ingezet op onder meer de ontwikkeling van richtlijnen, het stimuleren en faciliteren van certificering en het uitwerken van een standaardbestek restauratie. Beide partijen benadrukten dat het belangrijk is afspraken te maken over wie welke instrumenten ontwikkelt (om bijvoorbeeld een wildgroei aan brochures over dezelfde thema's te vermijden). Afstemming over taakverdeling, verantwoordelijkheden en de volgorde van te zetten stappen is cruciaal. De rolverdeling dient in elk geval voor alle betrokken partijen vanaf het begin duidelijk te zijn. Het proces voor restauratie, voorgesteld door de Rijksdienst, onderscheidt 9 stappen. Een eerste stap omvat oriëntatie en vooronderzoek, een tweede betreft planvorming, vervolgens is er de plantoetsing (met diverse overheden/ ook financieel), daarna is er de planbijstelling en uitwerking. Eens dit rond is, kan gestart worden met de selectie van een aannemer, gevolgd door de uitvoering en de oplevering. Aan het einde van het proces dient er een stap voorzien te worden voor beheer en exploitatie en ten slotte een laatste stap voor onderhoud. Het belang van vooroverleg met RCE in een zo vroeg mogelijk stadium is niet te onderschatten. In het begin van het proces lijkt een ambtenaar nodig die een inspirerende generalist is, naarmate het proces vordert zijn specialisten wenselijk.

Het moet duidelijk zijn waar de verschillende overheden voor staan en waar monumenteneigenaren aan toe zijn. Het ver-

Na de koffiepauze kregen Richard Tieskens, directeur van het

minderen van de contacten tussen verschillende overheden en

Rijksvastgoedbedrijf en Harry van Waveren, bestuursvoorzitter

tussen eigenaars en de overheid, door onder andere de admi-

van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumenten-


zorg (ERM) het woord. Zij gingen dieper in op de praktijk van

ven die het streven naar het borgen van restauratiekwaliteit

professioneel opdrachtgeven en uitvoeren. Het Rijksvastgoed-

beogen. Deze zijn toch wel opvallend verschillend in de respec-

bedrijf is een nieuwe organisatie die verantwoordelijk is voor

tieve landen. Naast instrumenten opgenomen in de regelge-

het beheer en de instandhouding van de grootste en meest

ving zoals vergunningen, subsidies en uitvoeringsrichtlijnen en

diverse vastgoedportefeuille van Nederland, waaronder ook

normen werd ook aandacht besteed aan de rolverdeling tussen

heel wat monumenten. Ze stellen gebouwen en terreinen ter

marktpartijen en de overheid en eisen naar certificering.

beschikking van overheden en verkopen ook vastgoedobjecten

Zo bestaat er bijvoorbeeld een Heritage Card voor ambachts-

wanneer dit nodig blijkt. ERM moet zorgen voor de samen-

mannen in het Verenigd Koninkrijk. In België bestaat een fede-

hang van initiatieven voor het bevorderen van restauratie-

rale erkenning voor restauratieaannemers. Spijtig is echter dat

kwaliteit, het ontwikkelen en beheren van kwaliteitsrichtlijnen

deze erkenning minder gericht is op technische bekwaamheid.

samen met het veld en het stimuleren van het gebruik ervan.

Veelbelovend is de evolutie in Vlaanderen naar een kwaliteits-

De focus is het verkrijgen van een professionele structuur voor

label voor erfgoedondernemers, opgenomen in het nieuwe

kwaliteitsborging. Het Rijksvastgoedbedrijf wenst de via ERM

onroerenderfgoeddecreet dat vanaf 2015 in werking treedt.

ontwikkelde uitvoeringsrichtlijnen toe te passen bij de instand-

In Ierland ligt grote nadruk op het traditionele ambacht en

houding van de monumenten. Dit om toetsbare kwaliteit te

zelfregulatie: de heritage contractors regelen er erkenning en

kunnen leveren en voor alle partijen duidelijkheid hierover te

richtlijnen vanuit het ambacht zelf. Dit gebeurt momenteel ook

kunnen creëren voorafgaand aan een project. De al ontwik-

in Nederland. Ook met betrekking tot de toelatingsvoorwaar-

kelde richtlijnen zijn op te splitsen in beoordelingsrichtlijnen

den voor architecten die aan erfgoed werken bestaan er grote

(bevat de eisen waaraan een organisatie of product, proces,

verschillen in Europa. Zo bestaat er bijvoorbeeld een speciale

persoon moet voldoen om een certificaat te verkrijgen) met als

accreditatie in Engeland en Ierland. In Polen worden dan weer

doelgroep het management van een organisatie en uitvoe-

wettelijke eisen gesteld, gebonden aan diploma en ervaring.

ringsrichtlijnen (uitvoeringstechnieken, methoden en de tech-

In Frankrijk oefent de staat nog heel veel controle uit op de

nische specificaties van materialen, gebruik van producten,

restauratieprojecten. De architect heeft er een hele grote rol,

verbindingen etc.) die zich richten tot de uitvoerende mede-

dus worden ook hoge eisen (specifiek diploma, 10 jaar erva-

werkers. Er bestaan al uitvoeringsrichtlijnen over onder meer

ring, slagen voor een staatsexamen) aan zijn persoon gesteld.

restauratie timmerwerk, restauratie historisch metselwerk,

De globale resultaten van de enquête zullen eind dit jaar

restauratie glaspanelen in lood en restauratie steenhouwwerk.

bekend gemaakt worden. Samenwerking en communicatie

De sprekers gaven aan dat er momenteel nog geen eenduidig-

tussen overheden onderling en met eigenaars en erfgoed-

heid bestaat rond de manier van omgaan met deze richtlijnen.

gebruikers werd als heel belangrijk beschouwd door de aan-

De angst leeft bij bedrijven en uitvoerders dat de richtlijnen

wezige experts. Vast staat alvast dat kwaliteitsborging alsmaar

verworden tot een soort semiregelgeving, een keurslijf. Er is

belangrijker wordt in de diverse landen en dat Europese

ook angst voor een inperking van het opdrachtgeverschap en

afstemming op sommige vlakken wenselijk lijkt.

voor een mogelijke verplichting om te werken met gecertifi-

Benott Delaey illustreerde vervolgens via toelichting van de

ceerde bedrijven. Om de onduidelijkheid te verhelpen werd de

prijswinnaars (onder andere het stationsgebouw in Antwerpen,

redactie van een 'uitvoeringscode' voorgesteld die verduidelijkt

het parochiaal ontmoetingshuis in Poundstock - Cornwall VK

hoe met de richtlijnen omgegaan kan worden.

en een hoogoven in Sagunta - Spanje) van de afgelopen 5 jaar de belangrijke waarde van het bekronen met awards door Europa Nostra van kwaliteitsvolle restauraties.

Vlak voor de lunch discussieerden BenoTt Delaey, restauratiearchitect en vertegenwoordiger van Europa Nostra en Linda Miedema, onderzoeker restauratiekwaliteit in Europa bij RCE

De workshops in het namiddagprogramma gingen dieper in op

over restauratiekwaliteit in Europa. Vanuit de RCE werd recent

een aantal thema's of deelfacetten van kwaliteitsborging bij

een bevraging georganiseerd in diverse Europese landen met

restauraties.

als onderwerp restauratiekwaliteit. De vragen gingen onder

Walter de Koning, directeur van de ERM, en Hein van der

meer over de bestaande systemen en instrumenten voor kwali-

Horst, aanbestedingsjurist bij PPS Adviseurs Overheids-

teitsborging in elk land en de mate waarin deze effectief zijn.

opdrachten, zwengelden de discussie aan over de nieuwe

Op 7 oktober, de dag voorafgaand aan het symposium werd

manier van contracteren (onder andere Economisch Meest

een expertmeeting georganiseerd met de bevraagde landen ter

Voordelige Inschrijving, EMVI + ) en de gewijzigde rollen van

bespreking van hun antwoorden (ook Vlaanderen was hier

de betrokken partijen. Ook de rol van kwaliteitsrichtlijnen en

aanwezig, naast een vertegenwoordiger vanuit de federale

de wijze waarop die tot stand komen, kwamen aan bod.

overheid). Enerzijds werd door de experten de ontwikkeling

Pim Schipper, directeur Schakel &, Schrale en bestuurslid van

van Europese normen voor conservatie-restauratie aangehaald.

de Vakgroep Restauratie, en Boudewijn de Bont, directeur Nico

De bemerking werd gemaakt dat er tot op heden heel wat tech-

de Bont B.V. en lid van de Vakgroep Restauratie, en Ramon

nische standaarden uitgewerkt zijn maar nog te weinig echte

Pater, restauratiearchitect bij Archivolt Architecten, hadden het

managementstandaarden (op enkele uitzonderingen na).

over traditionele (zoals open aanbesteding) en vernieuwende

Anderzijds zijn er uiteraard ook nationale of regionale initiatie-

bouworganisatievormen (bijvoorbeeld bouwteamvorm en

Ö Ö •i-H

PQ 15


Ö

design e(fau/W)en het belang van de gekozen bouworganisatie-

bij de RCE praatten over het hoe en waarom van het koppelen

vorm in het organiseren van kwaliteit in de diverse fasen van

van uitvoeringseisen en kwallteitsbevorderende voorwaarden

het (ver)bouwproces. Daarnaast kwam de meerwaarde van de

aan de verlening van subsidies. Ze gaven inzicht in hoe het

toepassing van de methode LEAN bij het verhogen van kwali-

Rijk en de provincies dit wensen te organiseren. Martijn Andela, adjunct-directeur van Erfgoed Lelden en

teit in het bouwproces ter sprake.

QJ

ö ö

• 1—I

PQ 16

Omstreken en bestuurslid van de Federatie Grote MonumenAgnes van Alphen, secretaris van de Vakgroep Restauratie en

tengemeenten, en Peter van Oosten, hoofd Handhaving van de

coördinator bij Nationaal Restauratie Centrum, en Erik Kleijn,

gemeente Lelden vertelden over de veranderende rol en taken

hoofd Gebouwd Erfgoed bij de RCE en Arnold Duin, SVCB-

van gemeenten in planvorming, begeleiding en toezicht bij

adviseur bij SOS Vakmanschap verdedigden het belang van

restauratie-uitvoering. Verder wijdden ze uit over het ERM-

kwaliteitsvolle vakopleidingen restauratie voor de instand-

platform en de website www.monumententoezicht.nl.

houding van het erfgoed. Ze lichtten de huidige problemen

Carlo Huijts, directeur van Vereniging Hendrick de Keyser, en

rond de organisatie van deze opleidingen toe en zetten aan tot

Anita Fluitman, particuliere monumenteneigenaar, en Mare

reflectie over mogelijke oplossingen.

van Roosmalen, senior adviseur en architect bij het Rijksvast-

Marjella Prins, architect bij Architectenbureau Fritz, en Jaco

goedbedrijf benadrukten de rol van opdrachtgevers (professio-

Ruijs, hoofd ontwikkeling en ICT bij de stichting STABU licht-

nele, particuliere en rijkseigenaren) bij het definiëren van kwali-

ten een tip van de sluier over de aan gang zijnde uitbreiding

teit. Meer concreet werd stilgestaan bij de keuzes die eigenaars

met specifieke bestekteksten en ERM- uitvoeringsrichtlijnen

kunnen maken In functie van kwaliteitsvol onderhoud en

voor restauratieve werkzaamheden van de in Nederland vaak

restauratie.

gebruikte besteksystematiek STABU. De voltooiing van de

Daan Holtzervan Bouw-en RestauratieAdviesBuro Holtzeren

uitgebreide STABU zou in 2015 voorzien zijn.

lid van de Vereniging Adviesbureaus Monumentenzorg (VAM),

Bastiaan van de Kraats, directeur van Architectenbureau

en Flip van de Burgt, directeur van Bouw- en Restauratiebedrijf

1 metergS, lid van de Vereniging van Architecten in de Restaura-

Van de Burgt & Strooij BV en bestuursvoorzitter van de

tie (VAWR), en Jacqueline von Santen, senior adviseur architec-

Vakgroep Restauratie voerden een gesprek over de kost van

tuurhistorie bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gin-

(verzekerde) garantie op het uitgevoerde restauratiewerk en

gen dieper In op de zes door de Rijksdienst bepaalde ethische

het feit dat dit ook de restauratiekeuzes mee bepaalt.

uitgangspunten voor restauratie die meespelen bij het nemen van restauratiebeslissingen. Aan de hand van praktijkvoorbeelden toonden ze aan dat bij de vertaling van de restauratieethische uitgangspunten naarde uitvoering materiaalkeuze en keuze van technieken belangrijk zijn voor het behoud van erfgoedwaarden. Harold Koster, hoofd Cultuur en Vrije Tijd bij de provincie

Meer achtergrondinformatie over het programma restauratiekwaliteit van RCE is te vinden op volgend webadres: http://www.cultureelerfgoed.nl/dossiers/ restauratiekwaliteit/wat-doet-het-programmarestauratiekwaliteit

Zuid-Holland, en Frank Altenburg, senior beleidsmedewerker

Wat is archeologie anders dan naar de dood kijken? ^•J

in het Radio 1 programma Touche, live vanuit het Croeningemuseum Brugge, zondag 19 oktober 2014


Een trap leidt naar de galerij en de kleedkamers (foto O. Pauwels)

De kleedkamers strekken zich aan beide lange kanten van de galerij uit (foto O. Pauwels)

voorzien, want op de buitengevels onder de ramen zitten roosters voor de ventilatie. De verwarmingsinstallatie van het gebouw bevindt zich in de kelder en is toegankelijk via een kleine deur links onderaan aan de buitenkant van de hoofdgevel. Ook achteraan de zaal zou oorspronkelijk een toegang geweest zijn die naar de kelder leidde. Net zoals in de rest van de school installeerde men een systeem op basis van stoom onder lage druk. Vandaag is er echter centrale verwarming voorzien in de zaal.

Uitrusting Ook de voorziene toestellen en de plaatsing ervan kwamen sterk overeen met de richtlijnen voor een standaardgymnastiekzaal. Zo werd conform de richtlijnen aan elke zijde van de zaal onder de galerij plaats voorzien om de toestellen te plaatsen. Aan de noordelijke zijde voorzag Delacenserie een hangende ladder, aan de linkerkant verschillende schuine ladders, die telkens per twee langs elkaar bevestigd. In het midden van de zaal zijn aanduidingen op een plan voor hangende ladders en

1VI&L I 31


koorden. Deze koorden waren dan waarschijnlijk aan de houten constructie van de zaal bevestigd. In de voorschriften stond ook dat dit mogelijk moest zijn zodat hier geen nieuwe elementen voor voorzien moesten worden, want Docx wou een zo goedkoop mogelijk gymnastieksysteem. Delacenserie voorzag ook rekken om kleinere en verplaatsbare instrumenten op te bergen. Zo was aan de zuidelijke zijde een bak voorzien om stokken en staven op te bergen. Langs de muur aan de voorzijde van de zaal zijn ook 'hangende rekken' voorzien waarin knotsen werden opgeborgen. Deze zijn nog steeds bewaard, maar hebben nu een andere plaats gekregen in de zaal. Aangezien de gymnastiekzaal aanvankelijk gebouwd werd voor jongens, heeft Delacenserie ook effectief de voorgeschreven toestellen voor jongens voorzien. Voor meisjes waren immers minder toestellen en instrumenten vereist.

Latere aanpassingen

In 1908 verschenen Zweedse toestellen in de gymzaal (foto O. Pauwels)

Onder impuls van kolonel Clément Lefébure moest het 'Belgische' eclectische systeem van Guillaume Docx wijken voor de principes van de Zweedse gymnastiek (38). Lefébure werd in 1898 door de Minister van Oorlog op zending naar Zweden gestuurd en keerde terug als fervente aanhanger van de Zweedse gymnastiek (39). In 1902 werd hij benoemd tot directeur van de militaire Écok Normale de Gymnastique et d'Escrime (ENGE) in Brussel. Via een vergelijkend experiment kon hij de beleidsvoerders overtuigen dat de tot dan gebruikte Docx-methode nefast was in die zin dat ze zelfs tot een daling van de fysieke parameters van de militairen had geleid, terwijl de rationele Zweedse gymnastiek tot een 'regeneratie van het ras' zou leiden (40). Nadat de Zweedse gymnastiek in 1904

als officiële methode in de ENGE was ingevoerd, bleef Lefébure ijveren om die methode ook in het reguliere onderwijs ingang te doen vinden {41). Naar het model van het Centraal Gymnastiekinstituut in Stockholm was hiervoor de oprichting van een universitair instituut voor lichamelijke opvoeding noodzakelijk, zodat de alumni de Zweedse gymnastiek vervolgens in alle graden van het onderwijs zouden kunnen verspreiden. Door toedoen van Cyrille Van Overbergh, directeurgeneraal van Hoger Onderwijs, Wetenschappen en Kunsten, werd in 1908 effectief een Institut Supérieur d'Education Physique (ISEP) aan de Rijksuniversiteit in Gent opgericht. Dat instituut was onder invloed van Lefébure volledig gestoeld op de principes van de Zweedse gymnastiek. Het was het eerste instituut ter wereld waar studenten de graden van kandidaat, licentiaat en doctor in de lichamelijke opvoeding konden verwerven. In datzelfde jaar werd de Zweedse gymnastiek in alle graden van het officieel onderwijs ingevoerd (42). Om die reden moesten de gymnastiekzalen van het rijksonderwijs aangepast worden aan de nieuwe regels. Ook in de Brugse gymnastiekzaal vallen nu nog altijd een aantal typische Zweedse toestellen op, onder meer de banken, het kader, en de klimrekken aan de wanden. Ook de evenwichtsbalken, die door een houten constructie aan de pijlers werden bevestigd, moeten na 1908 in de gymnastiekzaal verschenen zijn. Deze evenwichtsbalken konden verplaatst worden als de hele oppervlakte van de zaal nodig was voor bepaalde oefeningen. Onder het balkon werd een metalen rail voorzien waaraan onder andere touwen konden bevestigd worden. Naar aanleiding van het Belgisch Ministerieel Besluit over de houw en inrichting der schoollokalen van 25 mei 2932 heeft de gymnastiekzaal opnieuw een aantal veranderingen ondergaan. In het eerste hoofdstuk (Art. 7, VII) van dit besluit worden de voorwaarden waaraan een gymnastiekzaal moet voldoen opgesomd (43). Een van die voorwaarden is de volgende: "Er moet een stortbad-kamer ingericht worden in een lokaal dat aan de kleedkamer paalt. Zij moeten bevatten: stortbaden voor warm en koud water, wastafels, een w.c. en, eventueel, een waterplaats. De temperatuur moet er 25 graden bedragen" (44). Omdat de gymnastiekzaal geen stortbad-kamer had, moest hiervoor een geschikte plaats gevonden worden. De noordelijke helft van de kelderverdieping werd verbouwd tot een ruimte met aparte douchecabines. Om deze ruimte van daglicht te voorzien, werden vensters geplaatst in de zijgevel op het niveau van de half ondergrondse kelderverdieping.

32

ML


In de jaren 1930 werd een stortbad-kamer in de onderverdieping aangelegd

De grote binnenkoer van de Rijksnormaalschool in 1897, toen nog niet betegeld

(foto O. Pauwels)

(Stadsarchief Brugge)

Op de buitengevel is er een duidelijk onderscheid op te merken in de bakstenen onderaan en bovenaan de gevel, de onderste bakstenen en raamkaders wijken af van de oorspronkelijke. In het ministerieel besluit wordt vermeld dat de stortbad-kamer naast de kleedkamers moest gelegen zijn. Omdat de kleedkamers zich op de galerij bevinden, was dit praktisch niet mogelijk, maar er werd wel een verbinding voorzien tussen de kleedkamers op de eerste verdieping en de stortbad-kamer in de kelder, door de bouw van een nieuwe annex met een trap achteraan de gymnastiekzaal. Hierdoor werd de tweede toegang achterin de zaal een binnendeur. De traphal besloeg niet het hele volume van het gebouw, maar werd zo geconstrueerd dat het drieledig venster op de eerste verdieping nog gedeeltelijk vrij was. Enkel één raam ervan werd onderaan met de helft verkleind en de natuurstenen versiering onderaan in het interieur verdween door deze verandering. In de traphal zijn op de thans bepleisterde en beschilderde gevels nog de oorspronkelijke buitenmuurankers zichtbaar. De circulatie in de gymnastiekzaal veranderde hierdoor grondig. De douches zelf zijn ondertussen ook al vernieuwd en gemoderniseerd. Enkel de voetbaden en lavabo's behoren nog tot het concept van de jaren 1930.

De centrale koer van de school was oorspronkelijk niet betegeld en kon ook dienen voor de gymnastieklessen. Bomen zorgden er voor schaduw. Ook balspelen en sprongen konden daar beoefend worden. Op de koer waaraan de gymnastiekzaal grenst, was vroeger een kruidentuin die kon gebruikt worden voor de lessen biologie, zodat de leerlingen een aantal zaken uit de praktijk konden leren. Deze kruidentuin moest later echter plaats maken voor een paviljoen. Ook dit paviljoen verdween later weer. Momenteel is er op die plaats een parking voor de leerkrachten en het personeel van de school.

De gymnastiekzaal In 1952 (Brugge, Dienst voor

In 1983 diende de inspecteur-generaal van het Gebouwenfonds voor het rijksonderwijs een aanvraag in voor de herinrichting van de binnenruimten, onder andere voor de uitbouw van een bijkomende sportzaal. Op het einde van de jaren '60 kon de Zweedse gymnastiek zijn dominante positie in het officieel onderwijs immers niet langer handhaven. Terwijl dit in de buurlanden al veel vroeger was gebeurd, werd ook sport in het officiële programma opgenomen. Het advies voor deze bijkomende sportzaal was ongunstig omdat de resterende vrije ruimte te beperkt was en afbraak van de huidige zaal en vervanging door een nieuwe omnisportzaal was uitgesloten: "Deze turnzaal is een prachtig neogotisch gebouw, waarvan de architecturale waarde, zowel door de leden van de Stuurgroep als door de afgevaardigden van het Rijksgehouwenfonds, onderschreven wordt. Bovendien zou het volume van een nieuwe sportzaal storend zijn in het stadslandschap en schril afsteken tegen de waardevolle en homogene omgeving" (45). Er werd besloten dat de school voor specifieke sportbeoefening het best verder gebruik kon maken van de sporthallen in de Rijselsestraat zoals toen reeds werd gedaan. De gymnastiekzaal

Monumentenzorg en Stadsvernieuwing)

M & L I 33


zelf bleef zo intact en bleef ook gebruikt worden voor de niet-sportspecifieke lessen lichamelijke opvoeding.

Cultuurhistorische betekenis en erfgoedwording In de literatuur wordt de gymnastiekzaal vaak vergeleken met de i4de-eeuwse abdij schuur van Ter Doest in Lissewege, waarbij men beweert dat Delacenserie zich hierop zou hebben gebaseerd bij het ontwerpen van het gebouw (46). Hiervoor is echter geen enkel bewijs. Als Bruggeling kende hij uiteraard de middeleeuwse schuur van Ter Doest, maar uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de

Onterecht wordt de houten structuur van de gymzaal vaak vergeleken met die van de abdijschuur in Lissewege (foto O. Pauwels)

34 I 1VI&L

architect gewoonweg de rationele standaardregels voor gymnastiekzalen van het officieel scholen heeft gevolgd. De geïndustrialiseerde 19de eeuw bevorderde rationele architectuurtypes als efficiënte antwoorden op bepaalde vragen en specifieke functies zoals scholen, hospitalen, kerken en stations. Volgens de regels van het Ministerie voor Openbaar Onderwijs moest het geraamte van een gymnastiekzaal uit houten balken bestaan en moest er een galerij zijn die ondersteund werd door houten pijlers zodat hieraan toestellen konden bevestigd worden (zie kadertekst voor andere voorbeelden). De Ter Doest-interpretatie kan door ons onderzoek in elk geval uit de wereld geholpen worden. De kwaliteit van de constructie ligt in het


Nieuwe toestellen dragen bij tot de gebruikswaarde van het monument

De neogotische gymzaal als levend monument (foto O- Pauwels)

(foto O. Pauwets)

feit dat voldaan werd aan de specifieke richtlijnen voor een gymnastiekzaal, terwijl de architect er op hetzelfde moment ook perfect in slaagde om de gymnastiekzaal te doen aansluiten bij de neogotische vormentaal van het gehele complex. De zaal was zeer modern voor haar tijd en voorzag in alle noden. Bij de overgang naar de Zweedse gymnastiek in 1908 was de zaal nog steeds geschikt voor de lessen en moest enkel de uitrusting van de zaal uitgebreid worden met Zweedse toestellen. Ondanks enkele wijzigingen in de structuur ten gevolge van beleidshervormingen in de jaren 1930, bleef de essentie van de ruimte zoals die door Delacenserie werd ontworpen, grotendeels intact. Toen de Zweedse gymnastiek op het einde van de jaren '60 echter zijn dominante positie in het onderwijs niet langer kon handhaven en sport werd geïntroduceerd in het officiële programma, werd de relatie tussen de architectuur en het originele doeleinde van het gebouw gedeeltelijk gebroken. Specifieke sportbeoefening stelde immers andere infrastructurele eisen dan de gymnastiekbewegingen. De niet-sportspecifieke lessen lichamelijke opvoeding kunnen nog steeds in de zaal doorgaan, maar voor sportlessen moest de school gebruik maken van een sportzaal verder in de stad. De zaal is vandaag nog altijd een pronkstuk van de school en wordt ook gebruikt voor plechtigheden.

Het besluit voor de bescherming van het schoolcomplex van de Rijksnormaalschool als monument werd op 23 juli 1989 getekend door de Vlaamse gemeenschapsminister voor monumentenzorg Louis Waltniel. Het complex werd beschermd "om reden van wetenschappelijke, historische, en sociaal culturele waarde" (47). Dankzij deze bescherming zal de gymnastiekzaal in haar huidige vorm bewaard blijven. Ze biedt een eigentijds venster op de ruimtelijke kwaliteit gerealiseerd door Delacenserie in 1883.

Eva Bouton is master in de Kunstwetenschappen en thans student aan het Raymond Lemaire International Centre for Conservation van de KU Leuven. Thomas Coomans doceert architectuurgeschiedenis en monumentenzorg aan het departement Architectuur van de faculteit Ingenieurswetenschappen van de KU Leuven. Pascal Delheye doceert sportgeschiedenis aan de faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen van de KU Leuven.

M L

35


Om de gymnastiekzaal van de Rijksnormaalschool in een ruimere context te plaatsen worden drie andere gymnastiekzalen in België uit dezelfde periode kort besproken. Hier wordt telkens een voorbeeld gegeven voor elk van de drie prominente gymnastieksystemen in België.

Het Gymnase Normal van Jacob Happel in Antwerpen, 1872, architect Émile Wauters Het neoclassicistische Gymnase Normal werd in 1872 gebouwd aan de Kunstlei, nu Frankrijklei in Antwerpen (48). Hier koos men voor de Duitse turnmethode. Kenmerkend hiervoor was dat er veel gebruik werd gemaakt van toestellen. De meeste toestellen konden door de leerlingen zelf in de zaal worden geplaatst en na de les terug worden opgeborgen. Vaste toestellen konden worden bevestigd aan drie balken die op een hoogte van ongeveer 6 m dwars over de zaal liepen (foto p. 21). Het gymnasium was eerst een openbare instelling, maar later kocht Happel alle aandelen van de zaal en werd het zijn privé-gymnasium. Wanneer het werd afgebroken is niet geweten. Het oorspronkelijke doel was het opleiden van gespecialiseerde gymnastiekleerkrachten voor het officieel onderwijs. Omdat niet het Duitse turnen, maar wel het eclectische systeem van Guillaume Docx in de jaren 1870 werd ingevoerd in het officieel onderwijs, konden de Antwerpse turners die nationale opleidingsambities niet waarmaken.

De gymnastiekzaal van het Athenée Royal Jean Toussel in Andenne, 1885, architect Jean-Lambert Blandot De gymnastiekzaal van de voormalige middelbare school van Andenne aan de Rue Adelin Henin, thans Athenée Royal Jean Toussel, werd ontworpen door de Hoeise architect Jean-Lambert Blandot en gebouwd in 1885 (49). Net zoals de gymnastiekzaal van de Rijksnormaalschool in Brugge werd de zaal ontworpen volgens de door de regering uitgevaardigde regels. In tegenstelling tot de Brugse zaal is de gymnastiekzaal van Andenne geen afzonderlijk gebouw en heeft een trapeziumvormig grondplan. Bij het binnenkomen valt ook hier meteen het houten geraamte op. De zaal heeft een houten dakconstructie die rust op twee rijen van telkens vier houten pijlers die ook de galerij ondersteunen. In de zaal vallen nog een aantal toestellen op, zoals ladders en touwen, die er reeds De gymnastiekzaal van de voormalige jongensschool te Andenne (foto E. Bouton)

(foto rechts) Interieur van de gymnastiekzaal van Les Peupliers ontworpen door Victor Horta, enkele jaren na de constructie (uit LEFÉBURE, 1908, fig. 124I

36 I M&L

voor het programma van Docx moeten geweest zijn. Ook hier konden dus verschillende elementen aan de constructie bevestigd worden. Zoals in Brugge werd de uitrusting in Andenne in 1908 aangepast toen de Zweedse gymnastiek werd geïmplementeerd in het officieel onderwijs. Tegen de wanden werden klimrekken geplaatst en tegen de galerij een Zweeds kader. Op 2 juni 1995 werd de gymnastiekzaal van de school beschermd als monument.

De gymnastiekzaal van de kostschool Les Peupliers in Vilvoorde, 1904-1905, architect Victor Horta De gymnastiekzaal van de kostschool Les Peupliers werd in 1904-1905 gebouwd in de Bolwerkstraat 25 te Vilvoorde naar een ontwerp van Victor Horta (50). De school werd bestuurd door Emma Lefébure, de zus van Clément Lefébure, de grote vaandeldrager van de Zweedse gymnastiek in België en Europa. Het was de eerste school in België waar volledig volgens de Zweedse methode aan gymnastiek werd gedaan (51). De lessen werden geleid door gediplomeerden van het Centraal Gymnastiekinstituut in Stockholm. Aangezien Les Peupliers een privéschool was, moest er geen rekening worden gehouden met de door de regering uitgevaardigde regels voor rijksscholen. Voor de constructie van de gymnastiekzaal was er dus volledige vrijheid. Het is duidelijk dat Clément Lefébure, in overleg met Victor Horta, een grote invloed heeft gehad op het ontwerp en de inrichting. Conform Lefébures 'gymnastiekbijbel' L'Éducation Physique en Suède (1903) werden de toestellen tegen de wanden geplaatst zodat in het midden een grote oppervlakte vrij bleef om ordeoefeningen zoals marcheren of lopen te kunnen uitvoeren. In lijn met de Zweedse gymnastiekmethode is de gymnastiekzaal een functioneel gebouw zonder ornamenten. Het is een sobere bakstenen constructie op een rechthoekig grondplan. De gymnastiekzaal met oorspronkelijke uitrusting werd in 1999 beschermd als monument (52). Ze behoort thans tot de Stedelijke Academie van Vilvoorde, maar staat al een tiental jaar leeg.


Eindnoten (i)

BOUTON E., Gymnastiekzalen in België voor de Eerste Wereldoorlog. De zaal van de Brugse Rijksnormaalschool in architectuurhistorische context, onuitg. masterthesis in de Kunstwetenschappen KU Leuven, 2013. Promotoren: prof. dr. Thomas Coomans en prof. dr. Pascal Delheye. (2) DELHEYE P., La naissance de la gymnastiqm en Belgique (iSjo-icjGo), in ARNALT. enTERRETT. (eds.), Auxorigmes de la gfmnastique moderne, Valenciennes, 2011, p. 144-165. (3) DELHEYE P., Struggling for Gymnastics in Belgium: The Rhetorics of the Battle of the Systems (1860-1914), in Stadion: International Journal of the History of Sports, jg. 32. 2006, p. 5859(4) DE WEERDT L., Het leven en werk van Joseph Isenhaert (18221905J, Bijdrage tot de geschiedenis van de lichamelijke opvoeding in België, onuitg. lic.verh. KU Leuven. 1981, p. 152-154. (5) DELHEYE P., Happel in Antwerp (1857-1916) and Euler in Brussels (1860-1882): Two Different Faces of German Turnen in Belgium, in Siidwestdeutsche Turner in der Emigration, Schorndorf, 2004, p. 39. Het gymnasium van Isenbaert aan de Meir en dat van Happel aan de Kunstlei waren de eerste commercieel uitgebate 'sportgelegenheden' in Antwerpen. Zie ook DEN HOLLANDER M., Sport in 't stad: Antwerpen 1830-1914, Leuven, 2 0 0 6 , p. 371. (6) DELHEYE P., Happel in Antwerp, p. 27-50. (7) ID., La naissance de la gymnastique en Belgique, p. 144-165. (8) ID., Struggling for Gymnastics in Belgium, p. 57-81. (9) Ibidem, p. 57-81. (10) Ibidem. (11) DELHEYE P., Gymnastiek is geen spelletje, in Fatsoenlijk vertier deugdzame ontspanning voor arbeiders na 1870, Amsterdam, 2008. p. 192. {12) DE RIJDT A., De invoering van het gymnastiekonderwijs in de Belgische lagere school (ca. 1860-1879), onuitg. lic. verh. KU Leuven, 1974, p. 109-110. (13) DELHEYE P.. Strugg/ing/or Gymnastics in Belgium, p. 65. (14) DE RIJDT A., op. cit., p. 101. Zie ook: DOCX G., Guide pour l'enseignement de la gymnastique des files d l'usage des écoles primaires et des pensionnat. Namen, 1878, p. 40-45: ID., La gymnastique rationnelle appliqué au développement des forces viriles et de l'éducation civique des populations. Namen, 1884, p. 100-115 en 116-150. (15) DERIJDTA., op. d t . . p . 15. (16) MEULEMANS M., Geschiedkundige studie van het gymnastiekonderricht in de scholen van België in de igde eeuw en het werk van G. Docx, onuitg. lic. verh. KU Leuven, 1968, p. 136. (17) LANTMEETERS E., De bijscholing van leerkrachten voor het gymnastiekonderwijs in de Belgische lagere scholen (ca. 18731884), onuitg. lic. verh. KU Leuven, 1975, p. 46. (18) Rapport triennal sur la situation de l'instruction primaire en Belgique. présenté aux chambres legislatives, Ie njuillet 188}. Treizième période triënnale. 1879-1880-1881, Brussel, 1884, p. LXXX - LXXXVII. (19) Ibidem, p. LXXX. (20)Aidem, p. LXX1. (21) Ibidem, p. LXXI. (22) Ibidem, p. LXXV. (23) DE KLERCK K. en VAN DER AUWERA M., De stichting van de Rijksnormaalschool te Brugge: kort verhaal van een lange lijdensweg, Gent, 1979, p. 27. (24) Ibidem, p. 49-50. (25) VAN OYEN L, De neogotische architectuur te Brugge, in Vlaams en Europees perspectief, met als belangrijkste Brugse architect Louis Delacenserie (18)8-1909), onuitg. lic. verh. KU Leuven, 1985, p. 161. (26) De uitvinding van Brugge. De stad van Delacenserie, speciale editie van Museum Bulletin, jg. 29, nr. 3, 2 0 0 9 ; BEERNAERT B. en CONSTANDT L., Stenen herleven: 111 jaar 'kunstige herstellingen' in Brugge, 1877-1988. Brugge, 1988. p. 20. {27) VAN OYEN L, Louis Delacenserie (1838-1909) Brugs architect van de neogotiek, in Vlaanderen, jg. 51, nr. 289, 2002, p. 36. (28) LOBELLE H., Enkele neogotische realisaties van architect Louis Delacenserie te Brugge, in Vlaanderen, jg. 29, nr. 174, 1980, P- 32-34(29) STYNEN H., De onvoltooid verleden tijd. Een geschiedenis van de monumenten- en landschapszorg in België 1S35-1940. Brussel. 1998. p. 185-187 en 356. {30) SCHOTTE B., Evolutie van de Rijksnormaalschool te Brugge. onuitg. lic. verh. Sint-Lucas Gent, 1994, p. 45.

(31) VAN OYEN L, Louis Delacenserie, p. 37. (32) DE KLERCK K. en VAN DER AUWERA M., op. at., p. 53. (33) DUCLOS A., Bruges histoires et souvenirs. Brugge, 1910, p. 522. (34) DELACENSERIE L., École Normale de Bruges, in L'Èmulation, Société Centrale d'Architecture de Belgique, jg. 12, 1887, pi. 35-44. (35) Brugge. Dienst voor Monumentenzorg en Stadsvernieuwing, dossier 0 0 0 4 / W en 582: Archief van Louis Delacenserie: Gymnase, dessin n°i. Plan du sousterrain. rez-de-chaussée et galerie, z.d.; Gymnase, dessin n°2. Facade principale et coupe transversale, z.d.; Gymnase, dessin n'ö, Fagade principale, partie supérieure de l'avant-corps, z.d. (36) DE KLERCK K. en VAN DER AUWERA M., op. cit., p. 74. ; BOGAERT C . LANCLUS K. en VERBEECK M., Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Gent, 19de- en 20Ste-eeuwe stadsuitbreiding (Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, 4NC). Brussel-Gent, 1983: [https://inventaris. onroerenderfgoed.be/dibe/relict/18317]. {37) De exacte datum van vervanging is onbekend, maar gebeurde wel vóór 1939. Op een foto van de gymnastiekzaal in 1939 is de nieuwe vloer reeds aanwezig. (38) DELHEYE P., Strugglingfor Gymnastics in Belgium, p. 71. (39) ID., La Patrie régénérée? Clément Lefébure, l'Ècole Normale de Gymnastique et d'Escrime de l'armée et la percée de la gymnastique suédoise en Belgique (1885-1908), in L'empreinte dejoinville: 130 ans de sport. Parijs, 2003, p. 335-357. (40) ID., Statistics, Gymnastics, and the Origins of Sport Science in Belgium (and Europe, European Journal of Sport Science, 2014 (in voorb.). (41) ID., Gymnastiek is geen spelletje, p. 196. (42) ID., Medische promotie of medisch protectionisme? De creatie van het Hoger Instituut voor Lichamelijke Opvoeding aan de Rijksuniversiteit te Gent, in LENOIR M., TOLLENEER J. en LAPORTE W. (eds.j, 100 jaar opleiding lichamelijke opvoeding en bewegingswetenschappen aan de Universiteit Gent, Gent,, 2007, p. 1-22. (43) VANHAUWAERTG.. Voorschriften voor de bouw en de inrichting van gymnastiek- en sportzalen: vergelijkende studie van de voorschriften aangaande de houw en de inrichting van gymnastiek- en sportzalen van België. Duitsland. Frankrijk. Nederland en Zwitserland, onuitg. lic. verh. KU Leuven, 1971, appendix, p. 1-3. (44) Ibidem, p. 3. (45) Brugge, Stadsarchief, Bouwvergunningen, dossier 2364/86: Herinrichten binnenruimten school (1984). (46) "vrijstaande constructie, opgevat als kapel binnenin afgewerkt met houten gebinte naar het voorbeeld van de XHI-schuur 'Ter Doesf in Lissewege". Uit: GILTÉ S., VANWALLEGHEM A. en VAN VLAENDEREN P.. Stad Brugge, middeleeuwse stadsuitbreiding, noord (Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, i8nb 1), Turnhout, 2004, p. 155. [https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/82824].

(47) [https://beschermingen.onroerenderfgoed.be/object/ id/4.01/31005/453.1/] (48) Antwerpen, Felixarchief, i87i#5o6: bouwvergunning Huis en Local Gymnastique, 1871. Ook: HAPPEL ]., De zeszijdige en evenredige houding en beweging van den gezonden mensch der beide geslachten en op eiken ouderdom in het turnen, het zwemmen, het schaatsen, het schermen, de wandeling, de spelen, het wielrijden, het roeien, het paardrijden, Antwerpen, 1903. (49)HAUREGARD L. en LETURCQ D., Ie gymnase de l'école moyenne d'Andenne, in Le Guetteur wallon. Namen, jg. 71, nr. 2.1995, p. 75-81. (50) Vilvoorde, Stadsarchief, Modern Gemeentearchief Vilvoorde, cl. 5: 2825/33: Bouwvergunning turnzaal Les Peupliers, 1904. Zie ook: KENNES H., Kostsc/iooi Les Peupliers, in De inventaris van het bouwkundig erfgoed, 2005. ID 70364: [https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/70364]. (51) DELHEYE P., La Patrie régénérée?, p. 335-357; DELHEYE P. en VERSCHAETE V., La France battue par la Belgique: Philippe Tissié et l'exemplarité beige avant la Première Guerre mondiale, in SAINT-MARTIN J., LEBECQ P.-A., MORALES Y. en TRAVAILLOT Y. (eds.j, P. Tissie: une croisade sociale en faveur de l'éducation physique (1888-1914), Bordeaux, 2012. (52) Beschermd als stadsgezicht en monument wegens historische waarde. Besluit 3392 van 18 maart 1999: [https://beschermingen.onroerenderfgoed.be/besluit/id/3392/].


De restauratie van de Duitse militaire begraafplaats in Hooglede Thomas Van Driessche, Geert Bossaert en Herman van den Bossche

In de West-Vlaamse gemeente Hooglede ligt een van de twee Duitse militaire begraafplaatsen in Vlaanderen waar militairen eeuwige rust gevonden hebben tussen bloeiende heideplanten (i) De begraafplaats Hooglede-Ost ontstond in 1917 en werd tussen 1954 en 1958 heraangelegd als blühendes Craberfeld door Robert Tischler, de Chefarchitekt von de Volksbund Deutsche Kriegsgrdberfürsorge (VDK). 50 jaar na aanleg waren de heideplanten grotendeels weggekwijnd omdat ze beschaduwd werden door laag vertakte bomen met volwassen kruinen. De Ierse klimop

die was aangeplant ter vervanging van de weggekwijnde heideplanten duwde de resterende heide nog meer in de verdrukking. Intussen stuwden boomwortels traag maar gestaag naam-, merk- en boordstenen en tegelpaden omhoog en uit verband. Tijd dus voor actie. Nadat de begraafplaats in januari 2009 beschermd was als monument, zorgden de Volksbund, bijgestaan door een bureau voor tuin- en landschapsarchitectuur, en het agentschap Onroerend Erfgoed tussen juni 2on en november 2012 voor de restauratie en herinrichting van het blühende Craberfeld. De begraafplaats Hooglede na de restauratie en herinrichting van het grafveld (foto). DeWael)

38 I 1VI L


De begraafplaats tijdens WO I De Duitse militaire begraafplaats Hooglede-Ost ontstond in september 1917, tijdens de Derde Slag om leper, toen de gemeentelijke begraafplaats bij de kerk van Hooglede niet meer volstond om het stijgend aantal doden te begraven. Hooglede-Ost werd aangelegd op een akker ten oosten van het dorp, tussen de Molenstraat en de Beverenstraat. De oorspronkelijke begraafplaats had een oppervlakte van 74 are (2). Eind oktober 1917 lagen er al 800 doden begraven. Dit aantal liep tegen het eind van de oorlog op tot ongeveer 1500. Tijdens de Derde Slag om leper werden in Hooglede nog twee andere Ehrenjriedhöfe aangelegd: Hooglede-West in de Hoogstraat en Hooglede St.-Joseph (de Geite) in de Delaeyestraat. Aan het eind van de oorlog telde Hooglede-West 1117 graven en Hooglede St. Joseph 1264 graven (3).

De begraafplaats Hooglede-Ost in de periode 1920-1926 ( © archief VDK)

Reeds tijdens WO I werden algemene principes voor de vormgeving van de Duitse militaire begraafplaatsen uitgewerkt. Keizer Wilhelm II vaardigde op 28 februari 1917 een ordonnantie uit waarin bepaald werd dat de militaire begraafplaatsen eenvoudig van ontwerp en in harmonie met de natuur moesten zijn. De verbondenheid met de natuur kwam onder meer tot uiting in de beplantingen, waarbij de voorkeur gegeven werd aan 'Duitse' soorten zoals eiken en linden. Op die manier wilde men voor de doden als het ware "ein Stück Heimat in Fremder Erde" creëren (4).

mochten de graven bezoeken en versieren met kransen of bloemen. Het was hun echter niet toegestaan grafkruisen te vervangen of zerken te plaatsen zonder toestemming van de Belgische overheid. Ze mochten evenmin hoge struiken of boompjes planten die het onderhoud van de graven konden belemmeren. De bewakers mochten geen drinkgeld vragen voor het onderhoud van de graven aangezien ze daarvoor door de Service des Sepultures militaires betaald werden. Ze mochten wel drinkgeld aanvaarden als het hun vrijwillig werd aangeboden, bijvoorbeeld voor het planten van bloemen (6).

De periode 1919-1926

Een foto de begraafplaats Hooglede-Ost uit deze periode laat zien dat er toen nauwelijks beplantingen waren. In 1922 verlegde de Service des Sepultures militaires de toegang van de begraafplaats van de noordzijde naar de zuidzijde. Er werd een nieuwe toegangsweg aangelegd op perceel 270b, die de begraafplaats verbond met de Beverenstraat (7).

In de eerste jaren na de oorlog werden de Duitse militaire begraafplaatsen in België beheerd door de Service des Sepultures militaires van het Belgisch leger. Het Verdrag van Versailles bepaalde immers dat elke verdragspartij de oorlogsgraven op zijn grondgebied moest onderhouden, ook die van de voormalige vijand. Wat de term 'onderhoud' precies betekende, was in het Verdrag van Versailles echter niet nader omschreven. De Service des Sepultures militaires interpreteerde 'onderhoud' als het verwijderen van onkruid en iedere andere vorm van begroeiing. Dit minimalistische onderhoud leidde tot heel wat onvrede in Duitsland. Voor de nabestaanden die de graven van hun gesneuvelde familieleden kwamen bezoeken, boden de kale begraafplaatsen een troosteloze aanblik. In de Duitse pers verschenen geregeld artikels waarin de toestand van de Duitse militaire begraafplaatsen in België werd aangeklaagd (5). In 1925 vaardigde de Service des Sepultures militaires richtlijnen uit voor de bewakers van de begraafplaatsen om duidelijkheid te scheppen over wat mocht en wat niet. De families van de nabestaanden

De periode 1926-1940 In 1926 sloten de Belgische en de Duitse regering een verdrag waarbij de bevoegdheid en de kosten voor de aanleg en het onderhoud van de Duitse militaire begraafplaatsen in België aan Duitsland werden overgedragen {Sonderahkommen zur Gestaltung und Pjlege der deutschen Soldatenfriedhöfe, 6 maart 1926). Het beheer van de Duitse militaire begraafplaatsen werd nu overgenomen door de Amtlicher Deutscher Graherdienst, die rapporteerde aan de Duitse ambassade in Brussel. De Service des Sepultures militaires bleef echter bevoegd voor het herbegraven van de gesneuvelde soldaten. Naast de Amtlicher Deutscher Graherdienst was er ook nog een privé-organisatie die voor de Duitse militaire begraafplaatsen in het buitenland zorgde:

1VI&L I 39


De contouren van de beschermde begraafplaats. De oorspronkelijke begraafplaats was gelegen op perceel 270 a. In 1932 werd de begraafplaats uitgebreid tot aan de Beverenstraat, door inlijving van perceel 270 b.

reduceren en de gesneuvelde soldaten over te brengen naar verzamelbegraafplaatsen. In het kader van deze operatie werden 171 van de 237 militaire begraafplaatsen opgeheven, alsook tientallen grafperken op gemeentelijke begraafplaatsen (9). Hooglede-Ost werd aangewezen als verzamelbegraafplaats en moest bijgevolg vergroot worden. In het archief van de Service des Sepultures militaires is een dossier over Hooglede-Ost uit deze periode bewaard gebleven, dat diverse plannen alsook briefwisseling bevat. Om de bestaande begraafplaats te kunnen omvormen tot verzamelbegraafplaats, werd besloten ze naar het zuiden toe uit te breiden, tot aan de Beverenstraat. Op de huidige kadasterkaart komt deze uitbreiding overeen met perceel 270b. De beschikbare oppervlakte steeg daardoor van 74 are naar 1,8 ha. In 1931 gingen de werkzaamheden van start. De begraafplaatsen Hooglede on der Kirche, Hooglede-West en Hooglede St.-Joseph (de Geite) werden opgeheven en de stoffelijke resten van de de in 1919 gestichte Volksbund Deutsche Kriegsgraber- soldaten die er begraven lagen werden naar Hooglede-Ost overgebracht. Hetzelfde geschiedde fürsorge. In België schijnt de Volksbund tijdens het met de begraafplaatsen Gits, Handzame, Ichtegem, interbellum echter geen belangrijke rol gespeeld te Kortemark I en II, Lichtervelde, Ruddervoorde, hebben. Voor zover bekend, heeft Robert Tischler, Torhout, Wingene en Zwevezele (10). Toen de de Chefarchitekt van de Volksbund, in die periode werkzaamheden in 1935 voltooid waren, lagen er in slechts twee begraafplaatsen in Vlaanderen Hooglede-Ost 8247 Duitse soldaten begraven, van ontworpen: de begraafplaats Langemark-Nord en wie er 7960 geïdentificeerd waren (11). Onder de begraafplaats Roeselare de Ruyter, die in de jaren doden bevonden zich ook enkele Russische krijgs1950 opgeheven werd (8). gevangenen. Ieder graf had een houten Dachkreuz Om de onderhoudskosten voor de begraafplaatsen dat bovenaan bedekt was met rood koper. te beperken, besloot de Amtlicher Deutscher GraberIn december 1937 sloot de Graberdienst een dienst het aantal begraafplaatsen drastisch te

Hooglede-Ost na de voltooiing, 1938 of 1939 (© archief VDK)

4 0 I 1VI 1


overeenkomst met de gemeente Hooglede om de velden tegenover de begraafplaats vrij te houden van bebouwing. De elektriciteitsleiding langs de Beverenstraat werd ter hoogte van de begraafplaats ingegraven om het zicht op Roeselare niet te ontsieren (12). In de winter van 1937-1938 werd aan de noordzijde van de begraafplaats de zogenaamde Ehrenhalle gebouwd, een open galerij van 30 m lang en 6 m breed. De galerij telde oorspronkelijk vijftien bogen maar in de jaren 1950 werd dit aantal teruggebracht tot negen. De bouwmaterialen voor de Ehrenhalle zouden volgens de overlevering afkomstig zijn van het Duitse paviljoen dat op de Wereldtentoonstelling van Parijs had gestaan (13). Er zijn echter geen archiefbronnen bekend die dit kunnen bevestigen. De begraafplaats was in het westen, noorden en oosten omgeven met een gracht en een ligusterhaag. Voor de Ehrenhalle lag een verhoogd gazon of terras, dat aan drie kanten omgeven was met een muurtje van natuursteen. Aan weerszijden van de Ehrenhalle stonden populierenrijen. Aan de westen de oostzijde van de begraafplaats lagen grasstroken waarlangs de bezoekers zich naar de Ehrenhalle konden begeven. Deze grasstroken waren met populieren omzoomd zodat ze op dreven leken. Langs de populierenrijen, aan de zijde van de graven, stonden rozenhagen (14). Op het grafveld zelfwas geen plaats voor beplantingen, omdat het volledig bedekt was met eindeloze rijen kruisen. Tussen de kruisen stonden echter hier en daar bloemen.

De periode 1940-1954 Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de Amtlicher Deutscher Graherdienst opgeheven. Voortaan zorgde de Graherdienst van de Wehrmacht voor de aanleg en het beheer van de militaire begraafplaatsen. In 1941 benoemde Hitler Wilhelm Kreis (1873-1955) tot Generalhauratjur die Gestaltung der deutschen Kriegerfriedhöfe (15). De Volfesbund werd op een zijspoor gezet (16). Tijdens de bezetting werden de Duitse militaire begraafplaatsen in België door de Graherdienst van de Wehrmacht onderhouden, maar de kosten waren ten laste van het bezette België. Na de bevrijding werd het beheer van de Duitse militaire begraafplaatsen overgenomen door de Belgische staat. In 1945 droeg het ministerie van Binnenlandse Zaken het beheer over aan de organisaties Nos Tombes/Onze Graven en Souvenir Beige. Begin 1950 maakte de regering een eind aan de overeenkomst met Souvenir Beige. Haar taken werden overgenomen door het Rode Kruis (17). In het begin van de jaren 1950 begon de Belgische regering onderhandelingen met de regering van de Bondsrepubliek teneinde een nieuw verdrag over

het onderhoud van de Duitse militaire begraafplaatsen af te sluiten. Het nieuwe verdrag werd uiteindelijk op 28 mei 1954 ondertekend en trad met terugwerkende kracht op 1 januari van dat jaar in werking. Het bepaalde dat de regering van de Bondsrepubliek de kosten voor de militaire begraafplaatsen zou dragen en ook 18 miljoen frank aan België zou betalen voor het onderhoud ervan tijdens de bezetting. Het beheer van de begraafplaatsen werd overgedragen aan de Volksbund.

De herinrichting van de begraafplaats door Robert Tischler In 1954 bevonden zich in West-Vlaanderen nog 66 Duitse militaire begraafplaatsen uit de Eerste Wereldoorlog, alsook een tiental ereperken op gemeentelijke begraafplaatsen. Om de onderhoudskosten te beperken, besloot de Volksbund de meeste van deze begraafplaatsen af te schaffen en de doden die er begraven lagen, naar Langemark-Nord, Menen-Wald en Vladslo-Praethosch over te brengen. Naast deze drie Sammelfriedhöfe of verzamelbegraafplaatsen bleven slechts twee begraafplaatsen behouden: Hooglede-Ost, reeds vóór WO II een verzamelbegraafplaats, en een kleine begraafplaats in Zeebrugge waar zowel Duitse als Britse soldaten begraven lagen (18). Alle andere Duitse militaire begraafplaatsen in West-Vlaanderen werden opgeheven. In 1958, toen de Umbettungen voltooid waren, bedroeg het aantal doden op de vier verzamelbegraafplaatsen: • Menen-Wald: 48.049, • Langemark-Nord 19.378 (+ een Kameradengrab met 25.000 doden), • Vladslo-Praetbosch 25.638, • Hooglede-Ost 8.247 (ongewijzigd sinds 1935)

Tussen 1955 en 1958 werden de vier verzamelbegraafplaatsen heringericht door Robert Tischler (1885-1959), de Chefarchitekt vsin de Volksbund. Hooglede-Ost werd ingrijpend aangepast (20). De houten kruisen, die veelal vermolmd waren, werden vervangen door eikenhouten blokjes, waarop een metalen plaatje met de namen van telkens twee soldaten bevestigd was. Aanvankelijk was het de bedoeling de vrijgekomen ruimte (9.655 m2) om te vormen tot een grasveld (Rasen). Maar op het beplantingsplan van 2 september 1955 is het woordje Rasen geschrapt en vervangen door Erica (heide). Tischler had besloten het grafveld met heide te beplanten teneinde de begraafplaats in een Blühendes Graberfeld te veranderen. Militaire begraafplaatsen van dit type had de Volksbund reeds in de Lüneburger Heide aangelegd (21). Tussen de heideplanten werden groepjes van vijf basalten Symbolkreuze opgesteld, net zoals in Langemark.


Hooglede-Ost in augustus 1952 (© archiefVDK)

De toegang tot de begraafplaats omstreeks i960 (©archiefVDK)

In totaal werden 215 kruisen geplaatst, 43 grote en 172 kleine. Tussen de brede stroken heide lagen smalle grasstroken, waarlangs de bezoekers zich naar de graven konden begeven. De meeste populieren achter en naast de Ehrenhalle werden gekapt, op drie bomen achter de Ehrenhalle na. Ook de populierenrijen aan de west- en oostzijde van de begraafplaats werden grotendeels gekapt. De randen van de begraafplaats kregen nu een dichtere beplanting, bestaande uit zomereik

42 I M

L

(Quercus rohur) en Amerikaanse eik {Quercus rubra), gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) en Noorse esdoorn (Acer platanoides), gewone lijsterbes (Sorbus aucuparia) en gewone es (Fraxinus excelsior) (22). De begraafplaats werd omgeven met een weg bestaande uit grote betontegels (60 x 60 cm). Ook het plein aan de ingang werd geplaveid met betontegels. Het lage muurtje in het zuiden werd door een muur op borsthoogte vervangen. Zes van de vijftien arcades van de Ehrenhalle werden


'w%i.

rr m

dichtgemetseld, waardoor twee nieuwe binnenruimtes van 5 x 5 m ontstonden. In het midden van de westelijke ruimte werd een massieve sokkel van natuursteen opgesteld, versierd met een leeuwenkop en een engel in reliëf. Op deze sokkel staat een schrijn met de registers van de begraafplaats. De sokkel werd in 1956-1957 ontworpen door de beeldhouwer Fritz Schmoll genannt Eismwerth (1883-1963). Een smeedijzeren hek scheidt de Listenraum van de Ehrenhalk. De ruimte aan de oostzijde diende als opslagplaats. In het midden van de Ehrenhalk werd een mozaïek van Franz Grau (1910-1992) aangebracht, dat Christus als wereldrechter voorstelt. Aan zijn rechterzijde staan twee soldaten, aan zijn linkerzijde twee vrouwen. De volgende grote aanpassing had plaats in 1971, onder leiding van Georg Fischbacher, de opvolger van Robert Tischler. De houten blokjes met de naamplaatjes werden vervangen door liggende naamstenen, zoals op de begraafplaatsen MenenWald, Langemark-Nord en Vladslo-Praethosch (23). De naamstenen van blauwe hardsteen uit Henegouwen zijn 55 x 32 cm groot en vermelden de naam, graad, sterfdatum en grafnummer van telkens twee soldaten. De winter en de lente van 1969-1970 waren zeer droog zodat ongeveer 30 procent van de heide afstierf en vervangen moest worden. In de hete zomer van 1976 gingen

opnieuw zeer veel heidestruiken verloren. Op de schaduwrijke plekken aan de rand van de begraafplaats was de heide zo goed als verdwenen. Horst Howe, de beheerder van de begraafplaats, stelde daarom voor Hooglede-Ost volledig om te vormen tot Rasenfriedhof, maar de Baukitung van de Volkshund in Kassei wees dit af omdat ze absoluut een begraafplaats van het type hlühendes Graherfeld wilde behouden (24). Opdat de heide meer zonlicht zou kunnen krijgen, werden de resterende Canadese populieren aan de rand van de begraafplaats gekapt en werden de eiken en de esdoorns uitgedund.

In het midden van de Ehrenhalk werd omstreeks 1957 een mozaïek van Franz Grau aangebracht, dat Christus als wereldrechter voorstelt (foto K- Vandevorst)

Sinds het begin van de jaren 1990 ging de toestand van de begraafplaats verder achteruit. De Volkshund had onvoldoende mensen en middelen ter beschikking om de begraafplaats te onderhouden. Na de val van het IJzeren Gordijn moest immers voorrang gegeven worden aan de begraafplaatsen in het voormalige Oostblok. De begraafplaats was bovendien nog niet beschermd als monument, zodat de Volkshund geen beroep kon doen op onderhoudspremies. Op de schaduwrijke plekken werd de heide steeds meer verdrongen door klimop. Op de zonnige plekken begon de heide te woekeren, omdat ze niet meer teruggesnoeid werd. Opnieuw werd overwogen de begraafplaats om te vormen tot Rasenfriedhof. Zover kwam het echter

M&L I 43


'pf.

" U>»*5.>»' •

.

^^:;.

$ *

<:

rt

•«•«ff^

%

t-ÉM

I

( • * • « * * '

Blik op de Ehrenhalle in oktober 2000 (foto H. Howe)

niet, omdat de Vlaamse Overheid de begraafplaats in 2009 beschermde als monument, zodat de Volksbund een restauratiepremie kon aanvragen (25). De werkzaamheden begonnen in juni 2011 en werden in november 2012 opgeleverd (26).

De restauratie en herinrichting 2010-2012 De Duitse militaire begraafplaats van Hooglede ligt als een haast perfecte rechthoek met zijn 1,8 ha op een zwak naar het noorden hellend perceel met de Ehrenhalle als imposant eindpunt. Op het zuiden staat langs de Beverenstraat de borsthoge, natuurstenen muur als massieve introductie tot de Ehrenhalle. Een eerder smal centraal geplaatst poortje voor voetgangers en een bredere oostelijke poortdoorgang bieden toegang. De muur loopt nog een paar meters door om de hoeken om aan te sluiten op een strak geschoren haag van gewone haagbeuk (Carpinus hetulus). Het centrale gedeelte van het grafveld baadt in de volle zon, de oostelijke en westelijke lange zijden liggen in de schaduw van volwassen bomen. Omdat de Ehrenhalle en de muren van de begraafplaats in goede staat verkeren maakten zij geen 44

IM L

deel uit van het restauratiedossier. Van de Ehrenhalle diende enkel het dak hersteld en een rond raam vervangen te worden. De Volksbund nam deze werken geheel voor haar rekening. Het grafveld zelfwas er echter minder goed aan toe. Veel van de 4134 naamstenen en de boordstenen tussen het gras en de heidestroken waren verzakt of door boomwortels opgestuwd. Ook de 78 merkstenen die de rijen aangeven, waren weggezakt en hier en daar ontbrak er een. De naamstenen zijn zoals hoger reeds vermeld vervaardigd uit Petit Granit, blauwe hardsteen uit Henegouwen, het bovenvlak van de naamstenen is geschuurd en de zijvlakken gekliefd en op vochtige lommerrijke plaatsen waren zij groen van de algen. De oorspronkelijk gewitte letters op de naamstenen waren nog moeilijk te lezen. De merkstenen zijn van graniet, bovenaan grof gerotst met op elke steen een getallenpaar in verheven reliëf dat verwijst naar de genummerde grafrijen. Door hun ruwe oppervlak waren de merkstenen door algen en korstmossen gekoloniseerd. Ongeveer 3500m of twee derde van de boordstenen van een niet geïdentificeerde Duitse zandsteen waren aan vervanging toe. De intensief belopen beton tegels


Robert Tischler (1885-1959) Robert Tischler werd in 1885 geboren in Frontenhausen (Niederbayern)'1'. Na een beroepsopleiding in de plantentuin van München studeerde hij tuinarchitectuur aan de Staatliche Lehranstalt für Obst- und Gartenhau Proskau. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij als artillerist in Frankrijk en later als cartograaf van een legerstaf in Turkije. Hier leerde hij Siegfried Emmo Eulen kennen, de latere stichter van de Volksbund Deutsche Kriegsgraherfursorge, die in Turkije als Graber-Verwaltungsqffizierv/evkzanm was. Na de oorlog werkte Tischler als tuinarchitect. In 1926 werd hij benoemd tot hoofd van de Bauleitung van de in 1919 gestichte Volksbund. Deze invloedrijke functie zou hij tot aan zijn dood in 1959 bekleden. In het interbellum bezat Robert Tischler nog geen monopolie inzake de vormgeving van de Duitse militaire begraafplaatsen, zoals na de Tweede Wereldoorlog. De meeste vooroorlogse begraafplaatsen werden aangelegd en beheerd door de architecten van de Amtlicher Deutscher Graberdienst. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd deze dienst opgeheven. Voortaan zorgde de Graberdienst van de Wehrmacht voor de aanleg en het beheer van de militaire begraafplaatsen. Tijdens de oorlog kwam Robert Tischler herhaaldelijk in conflict met Wilhelm Kreis, die door Hitler tot Generalbauratfur die Gestaltung der deutschen Kriegerfriedhöfe benoemd was. Tischler wilde zich niet onderwerpen aan het gezag van Kreis, die zijn belangrijkste concurrent was

vele begraafplaatsen uit de Eerste Wereldoorlog (onder meer in Hooglede) de individuele kruisen verving door houten blokjes met naamplaatjes. In zijn laatste ontwerpen ontbraken zelfs de naamplaatjes en waren de graven alleen nog genummerd. De door hem ontworpen grafvelden waren meestal bedekt met een gazon of een uniforme beplanting, die het gemeenschappelijke karakter van de begraafplaats moest beklemtonen. Verspreid over het grafveld stonden groepjes van drie of vijf basalten Symbolkreuze, die een militaire eenheid symboliseerden. Tischler motiveerde de verwijdering van de individuele grafkruisen ook met een financieel argument: houten grafkruisen waren volgens hem niet duurzaam en zouden later hoge onderhoudskosten met zich meebrengen. Kenmerkend voor zijn stijl waren verder monumentale gedenktekens van ruw gehouwen natuursteen, waar de doden als gemeenschap van kameraden werden herdacht. Zo ontwierp hij verschillende Totenburgen, die geïnspireerd waren op middeleeuwse burchten. Zijn stijl viel niet bij iedereen in de smaak: vele nabestaanden rouwden immers liever bij een individueel graf dan op een grafveld met haast onzichtbare naamplaatjes. Na de dood van Tischler zou de Volksbund zijn vormgevingsprincipes aanpassen: de houten blokjes met naamplaatjes werden nu vervangen door liggende stenen met de namen van twee tot acht gesneuvelden.

(2).

In de eerste jaren na de oorlog hervatte de Volksbund geleidelijk aan zijn activiteiten. Tussen 1947 en 1952 ontwierp Robert Tischler als Chefarchitekt van de Volksbund ruim 400 militaire begraafplaatsen in West-Duitsland. In 1952 nam de Bondsdag een wet aan waarbij de Volksbund de bevoegdheid kreeg voor de Duitse militaire begraafplaatsen in het buitenland (de bevoegdheid voor de militaire begraafplaatsen in het binnenland berust sindsdien bij de deelstaten). Tussen 1952 en 1959 ontwierp Robert Tischler tientallen militaire begraafplaatsen voor de gesneuvelden van WO II in Frankrijk, België, Nederland, Luxemburg, Italië, Noorwegen, Griekenland en Noord-Afrika. Daarenboven liet hij verschillende begraafplaatsen uit de Eerste Wereldoorlog opnieuw aanleggen. Tischler hield er andere vormgevingsprincipes op na dan de architecten van de Amtlicher Deutscher Graberdienst. Kenmerkend voor de begraafplaatsen van deze dienst was dat elk graf een individueel grafkruis had. Ook de begraafplaatsen die tijdens WO II door de Wehrmacht aangelegd werden, hadden individuele grafkruisen. Tischler daarentegen hield niet zo van individuele grafkruisen. De gemeenschap van de gesneuvelden was voor hem belangrijker dan de individuele soldaat. Vandaar dat hij op

Robert Tischler (tweede van links) in Menen-Wald (© archief VDK)

Noten (1) Robert Tischler, in: Gert GRÖNING & Joachim WOLSCHKE-BULMAHN, Grüne Biographien. Biographisches Handbuch zur Landschaftsarchitektur des 20. jahrhunderts in Deutschland, Berlin, Hannover, p. 389; Fritz DEBUS, Robert Tischler zum Gedenken, Kriegsgrdberfürsorge, 35,1959, nr. 5, p. 67; Hans SOLTAU, Zum 100. Geburtstag von Robert Tischler, KriegsgriiherJursorge - Stimme und Weg, 61,1985, nr. 4, p. 20-21. (2) Meinhold LURZ,"... ein Stuck Heimat in Fremder Erde". Die Heldenhaine und Totenburgen des Volksbunds Deutsche Kriegsgraherfursorge, ARCH+, nr. 71, (oktober 1983), p. 66-70.

M&LI 45


• ^ ^ .^üi I l , ,

r i-

i

j

DEUT&CHER SOIDATEIMFRIEC

H O O G IE C

Massieve natuurstenen muur met centraal geplaatst toegangspoortje

van 6ocm x 6ocm op de rondweg en het voorplein van de Ehrenhalk waren voor een groot deel verzakt of door boomwortels opgestuwd.

(foto J. De Wael)

Veel heideplanten waren in perioden van aanhoudende droogte afgestorven of stonden er treurig bij, de grootbladige klimop {Hedera helix 'Hybernica'), als schaduwplant ingebracht in de jaren 1970, rukte met rasse schreden op en belaagde de heide, naamstenen en de Symholkreuze (27). Deze zwarte basalten kruisen in groepjes van vijfstonden nog steeds goed overeind behalve in de onmiddellijke omgeving van bomen. Daar waren ook zij weggezakt of opgestuwd. Het gras op het grafveld leed zwaar onder de betreding en was net als de heideplanten door lichtgebrek verdwenen onder de boomkruinen. Zaailingen van gewone es en gewone en Noorse esdoorn schoten tussen de heideplanten op. Na veertig jaar was de begraafplaats aan een structurele restauratie toe. Na de eerste contacten en in de aanloop van de restauratie bezorgde Onroerend Erfgoed de VDK midden 2010 een brief met technische aanbevelingen (28). De Symholkreuze mochten niet

46 I M

L

verplaatst worden en dienden tijdens de werken beschermd te worden tegen beschadiging. Omwille van de natuurlijke schoonheid zouden de korstmossen op de kruisen bewaard worden. De vervanging van de teellaag werd afgeraden maar het inwerken van een geschikt plantsubstraat voor de gekozen heidesoort kon wel, eventueel na een gerichte bodemanalyse. Er diende in voldoende mate rekening gehouden te worden met de aanwezige stoffelijke resten die zich op relatief geringe diepte onder het maaiveld bevinden. De aannemer zou hiervan op de hoogte gesteld worden. Aanroering (sic) van stoffelijke resten moest te allen tijde vermeden worden. Tot slot werd meegedeeld dat de Duitse militaire begraafplaats Hooglede kon beschouwd worden als een ZENmonument, een monument zonder economisch nut, dat voor een verhoogde restauratiepremie van 80% in aanmerking kwam. De verantwoordings- en restauratienota geeft aan dat de plantvakken met heide beter vereenvoudigd konden worden waarmee bedoeld werd dat zij duurzamer en onderhoudsvriendelijker moesten aangelegd worden zonder het totaalbeeld van het


Oprukkende kleinbladige klimop met hier en daar een zaailing van

bloeiend grafveld te schaden. Alle naam- en merkstenen hoorden op voorhand ingemeten, opgenomen, en gereinigd te worden. Om latere verzakkingen te vermijden dienden naar analogie met de Duitse militaire begraafplaats van Langemark de naamstenen op een onderlegsteen met aangepaste fundering geplaatst te worden. De naamstenen in de wortelzones van de bomen moesten zodanig worden verplaatst dat zij in het orthogonaal concept pasten en op dezelfde pas van de andere naamstenen geplaatst konden worden. Ook de merkstenen van de grafrijen dienden te worden weggenomen, gereinigd, teruggeplaatst en aangevuld met behoud van de oorspronkelijke positionering conform de grafregistratielij st. De natuurstenen boordstenen moesten in hetzelfde vlak als de betonnen onderlegstenen geplaatst worden (29).

vulkanisch gesteente (schuim- en basaltlava), zand, klei en teelaarde en afgedekt met een tredbestendig schraal grasmengsel. Vóór en rond de Ehrenhalle hoorde opnieuw een tegelverharding met open voeg in gras geplaatst te worden, zij het op een aangepaste fundering om latere verzakkingen tegen te gaan. Standaardgrasmengsels zijn net als de meeste heidesoorten onderhevig aan schaduwdruk. Er werd besloten om alle gras van de begraafplaats te vervangen. Het bestaande gras diende oppervlakkig afgegraven. De wortelzones mochten tot aan de wortelhalzen licht met teelaarde opgehoogd worden, zodat het nieuw in te zaaien gras zich ook op deze moeilijke groeiplaatsen kon vestigen en handhaven. Alle klimop moest verdwijnen.

Om de toegankelijkheid te verbeteren en uit te breiden werd beslist om het oostelijke tegelpad op te breken en te vervangen door verstevigd gazon in verantwoorde hellingspercentages ten behoeve van de rolstoelgebruikers en personen met een verminderde mobiliteit. Dat verstevigd gazon moest aangelegd worden op een substraat van

De VDK had in samenspraak met Onroerend Erfgoed de grote lijnen van de restauratie uitgezet. De Duitse militaire begraafplaats Hooglede zou een blühendes Grabetfeld blijven, maar de schaduwzones onder de bomen en de wens om de onderhoudskosten te drukken verplichtten de restaurateurs om het aantal heidestroken en hun lengte en breedte te

Amerikaanse eik (foto K. Vandevorst)

M&L

47


verminderen. Het opmaken van de plannen, het opstellen van de werkbeschrijving en het klaar maken van het restauratiedossier werd uitbesteed aan het bureau Bossaert, tuin- en landschapsarchitecten uit Moorslede.

Op zoek naar een geschikte heidesoort Drie noodzakelijke eigenschappen bepaalden de keuze van de heidesoort. De soort moest relatief laag blijven en goed uitstoelen, kalk in de bodem verdragen en ook in de halfschaduw kunnen bloeien. Enkel de winterheide kwam in aanmerking. De winterheide of Margaret Porter's heide, in het Duits Englische Heide, {Erica x darleyensis Bean) is een goed winterharde kruising tussen de kalk minnende tot 50 cm hoge sneeuwheide {Erica carnea L.) uit de Alpen, de Apennijnen en het noorden van de Balkan en de 100 tot 250 cm hoge reuzenvoorjaarsheide {Erica erigena R. Ross) uit Zuid-Ierland, de Gironde (Frankrijk) en Spanje en Portugal. Deze wit tot roze bloeiende hybride werd omstreeks 1890 verkregen door James Smith & Sons van de gelijknamige boomkwekerij in Darley Dale in het graafschap Derbyshire, Groot-Brittannië. De keuze van de cultuurvariëteit viel op de cultuurvariëteit Erica x darleyensis 'Kramer's Rote' uit 1987. 'Kramer's Rote' is ontstaan in de heideplantenkwekerij van Kurt Kramer uit Edewecht in Nedersaksen, Duitsland als kruising van Erica camea 'Myretoun Ruby' en Erica erigena 'Brightness'. De plant heeft twee belangrijke kwaliteitsprijzen in

Detailopname van de winterheide {Erica x darleyensis 'Kramer's Rote') rond een naamsteen (foto |. De Wael)

48 I M

L

de wacht gesleept die bijgedragen hebben tot zijn bekendheid (30). De groeiwijze is breed opgaand, tot 35 cm hoog en 50cm breed. De bladeren zijn (3-)5 tot 8 m m lang, van donkergroen in de zomer tot zeer donker bronskleurig in het voorjaar en de winter. De bloemen zijn 4 tot 5 mm lang in tot 12 cm lange bloeiaren, diep purperrood (31). De plant is gemakkelijk uit stek op te kweken. Er werden 21.800 heideplanten vermeerderd en opgekweekt.

De werken in cijfers De restauratie- en herinrichtingswerken gingen van start in juni 2011. Het grafveld werd geruimd volgens contract en de zaailingen van gewone esdoorn en gewone es werden samen met de heidestruiken en de grootbladige klimop gerooid en afgevoerd. Het weghalen van de een aantal onderste takken zorgde voor meer licht onder de 35 zomereiken, tien Amerikaanse eiken, zes gewone esdoorns, een Noorse esdoorn en twee gewone essen. De verspreid ingeplante, volwassen bomen op de flanken van het grafveld verplichtten de restaurateurs om de plantstroken met heide te verminderen van 7100 tot 2180 m 2 . Omdat die 7100 m 2 al voor ongeveer een derde door oprukkende grootbladige klimop was ingenomen, verminderde het percentage heideplanten op het grafveld slechts met iets meer dan de helft. Vóór de restauratie lagen de plantstroken met heide en grootbladige klimop over de hele breedte van het


3^r

4fcfe>*

1

\'A.'ii'

'l

i-A'

h

^É.ÜÜlK

• •••o • •

•ka

:•:*- ,

• ^

^-.-S.

.-ir-. MMIMiBI^HHSaHHHI

grafveld van rij i tot rij 6o. Nu liggen de plantstroken met uitsluitend heide enkel in het open centrum, weg van de bomen en veel evenwichtiger verspreid op de rijen i - 4, n -14,19 - 22, 29 - 36, 43 - 46, 51 - 54, 61 - 68 en 75 - 78. De tussenliggende rijen en het verstevigd gazon zijn ingezaaid met een tredbestendig grasmengsel op basis van gewoon roodzwenkgras (Festuca rubra var. commutata), rood zwenkgras met fijne uitlopers (Festuca rubra var. trichophylla), roodzwenkgras met forse uitlopers {Festuca rubra var. rubra), uitstoelend veldbeemdgras (Poa pratensis) en een klein percentage gewoon struisgras (Agrostis capillaris). Omdat de roodzwenkgrassen ook goed schaduw verdragen bevat het schaduwgrasmengsel naast gewoon roodzwenkgras en roodzwenkgras met fijne uitlopers en voornamelijk 'Barcampsia', een schaduwresistent ras van ruwe smele (Descampsia caespitosa). Na een moeilijke beginperiode is het

dagelijkse onderhoud inmiddels met een onderhoudspremie geregeld.

X ,• ."

wm

Het bloeiend grafveld na de restauratie en herinrichting met een evenwichtiger spreiding van heidestroken

Besluit

•'i^j,

• M... ' V '

(foto|.DeWael)

De restauratie en herinrichting van de Duitse militaire begraafplaats in 2011-2012 heeft de toekomst van Hooglede-Ost als blühendes Graberfeld naar het voorbeeld van gelijkaardige begraafplaatsen op de Lüneburger Heide voor vele jaren bestendigd. Ook de betere toegankelijkheid is verzekerd. Zelden volgden de bescherming en restauratie van een beschermd monument elkaar zo vlot en snel op. De aandoenlijke schoonheid van de bloeiende heide is hier zeker niet vreemd aan. Als de heide op het grafveld bloeit, klinkt de aanklacht tegen het oorlogsgeweld en nutteloze dood van zoveel vooral jonge levens ondanks de poëtische verstilling nog luider en indringender.

M&L I 49


*^^

ir

W^^*

Een substantieel gedeelte van het grafveld bestaat uit gras

Opdrachtgever:

(foto O, Pauwels)

Eindnoten

Volksbund Deutsche Kriegsgraberfursorge Bedrag van de inschrijving:

214.711.01 euro zonder BTW Premie verlenende instanties:

Vlaams Gewest 50%, Provincie West-Vlaanderen 15% Gemeente Hooglede 15% Ontwerpbureau:

Buro Bossaert, landschaps- en tuinarchitecten, Moorslede

(1)

De andere Duitse militaire begraafplaats met een blühendes Graherfdd ligt in Lommei (Limburg).

(2) Dat blijkt uit een plaatsbeschrijving die na de oorlog werd opgesteld door een landmeter in opdracht van de Service des Sepultures militaires. Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis, Cimetiéres allemands en Belgique, 58/18 b, Hooglede-Ost. {3) VERHELST D., Het Duits militair kerkhof 1^14-1^18 in Hooglede, Kortrijk, 1996, p. 31, 34, 39 en 43. (4) Voor meer informatie over de vormgeving van de Duitse militaire begraafplaatsen tijdens WO 1, zie: RIETZ S., "Wer

Aannemer:

für Freiheit gab sein Blut ruht auch infremder Erde gut". Der

Gebroeders De Wulf bvba, Boezinge

Einfluss deutscher Gartenarchitekten auf die Gestaltung von

Heideplantenkweker:

Soldatenfriedhöfen des Ersten Weltkriegs im "Feindesland", in

Peter Vanwijnsberghe, Ingooigem Onderhoud:

De Groenvoorziener bvba, Vladslo Erfgoedconsulenten Onroerend Erfgoed:

Koen Himpe en Frederik Mahieu

Die Gartenkunst, 21, nr. 2, p. 323-343. (5) VANCOILLIE J., De Duitse militaire begraafplaats Menen Wald. Geschiedenis van de Duitse militaire graven van de eerste Wereldoorlog in Zuid-West-Vlaanderen,

Wevelgem, 2013,

P- 32-35(6) VERHELST D., op. at., p. 72; VANCOILLIE J., op. at., p. 3235(7) Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis, Cimetiéres allemands en Belgique, 58/18 b, Hooglede-Ost. (8) FREYTAG A. en VAN DRIESSCHE T., Die Deutschen

Geert Bossaert is zelfstandig tuin- en landschapsarchitect en lid van de Belgische Vereniging van Tuin- en Landschapsarchitecten. Thomas Van Driessche en Herman van den Bossche zijn erfgoedonderzoekers bij het agentschap Onroerend Erfgoed

Soldatenfriedhöfe des Ersten Weltkriegs in Flandem, in Relicta, nr. 7, 2011, p. 178. (9J Ibidem, p. 175-176. (10) VERHELST D., op. rit., p. 72. (n) Deze cijfers zijn gebaseerd op de inventaris van Fritz Schuit, die voor de Amtlicher Deutscher Graberdienst werkte. Zie: FREYTAG A. en VAN DRIESSCHE T., op. rit., p. 164, p. 179.

50 I M

L


(12) VERHELST D., op. dl., p. 73. (eds.). Wilhelm Kreis: Architekt zwischen Kaiserreich und Demokratie, 1873-1955, München, 1994. (13) SCHEPENS L, In Pace. Soldatenkerkhoven in Vlaanderen. Cimetières militaires en Flandre. Military Cemetaries in (16) LURZ M., "... ein Stück Heimat in Fremder Erde". Die Heldenhaine und Totenburgen des Volksbunds Deutsche KriegsgraberFlanders. Soldatenjnedhöfe m Flandem, Tielt, 1974, p. 90: "De fiirsorge, in ARCH+, nr. 71,1983, p. 66-70. ere-halle van het kerkhof te Hooglede werd opgetrokken met materiaal afkomstig van het Duitse paviljoen op de Wereld- (17) VANCOILLIE J., op. cit., p. 54 tentoonstelling te Parijs in 1928". Deze hypothese werd door (18) De begraafplaats in Zeebrugge bestaat nog steeds. Er liggen 175 Duitse en 30 Britse soldaten begraven: Inventaris Dirk Verhelst overgenomen: VERHELST D., op. cit.. p. 73. Onroerend Erfgoed, relict nr. 79956. Het jaar 1928 kan echter niet kloppen omdat er in 1928 (19) FREYTAG A. en VAN DRIESSCHE T., op. cit., p. 191. geen wereldtentoonstelling in Parijs heeft plaatsgevonden. Waarschijnlijk wordt de Exposition Internationale "Arts et (20) Ibidem, p. 199-204. Techniques dans la Vie moderne" bedoeld, die plaatsvond in {21) Blühende Heide über Grafeem, in Kriegsgraberfursorge, jg. 27, nr. 11,1951, p. 126-127. Parijs van 25 mei tot 25 november 1937. Het Duitse paviljoen op deze tentoonstelling was ontworpen door Albert Speer. (22) Een beplantingsplan van de begraafplaats uit 1955 is Zie: ORY P., Les Expositions universelles de Paris, Parijs, 1982. gepubliceerd door FREYTAG A; en VAN DRIESSCHE T., op. cit., p. 225. (14) Deutsche Kriegsgraberstatten in helpen, z.p., 1938, p. 34:(23) Kriegsgraberfursorge, jg. 48, nr. 1,1972, p. 32. "Alleeartig mit Pappeln hesaumte Rasenwege führen zu heiden (24) FREYTAG A. en VAN DRIESSCHE T., op. cit., p. 202. Seiten des Graberfeldes zum höchsten Punkt des Friedhofs, (25) wo MB van 22 januari 2009 (Belgisch Staatsblad van 27 maart sich als architektonischer Abschluss vor einer grünen Wand von 2009). Pappeln der breitgelagerte Baukörper des Ehrenmals erhebt. (26) (...) Proces verbaal van eindoplevering, 21 november 2012, Von der dem Gebaude vorgelagerten Terrasse ist eine tveite onuitg. document, archief agentschap Onroerend Erfgoed, Aussicht gegeben über das von Pappeln und Rosenhecken Brugge. gefasste Grabfeld hinweg in dieflache Landschaft bis zu den am (27) Er is in de loop der jaren ook hier en daar elfenbloem nahen Horizont sichtbaren Türmen von Roeselare". {Epimedium spec.) als schaduwminnende plant aangeplant, maar dit blijkt niet gedocumenteerd. (15) Wilhelm Kreis was een invloedrijke Duitse architect uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Hij was hoogleraar architec- (28) Brief van 12 juli 2010 van het agentschap Ruimte en Erfgoed, afdeling West-Vlaanderen aan de Volksbund tuur in Dresden en voorzitter van de Bund Deutscher Deutsche Kriegsgraberfursorge, archief agentschap Onroerend Architekten van 1926 tot 1933. Tijdens het naziregime werkte Erfgoed, Brugge hij onder leiding van Albert Speer aan de gigantische plannen voor het naoorlogse Berlijn {Welthauptstadt Germania). (29)Verantwoordings- en restauratienota Duitse militaire Als Generalhaurat für die Deutschen Kriegetfnedhöfe ontwierp begraafplaats Hooglede, z.d., archief agentschap Onroerend Erfgoed, Brugge hij talrijke monumentale grafmonumenten die echter nooit gerealiseerd werden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had hij (30) Award of Garden Merit 1993, Royal Horticultural Society en Getuigschrift van aanbeveling 1989, Koninklijke Vereniging reeds verschillende oorlogsmonumenten in België en van Boskoopse Culturen, Keuringen 1989. Noord-Frankrijk ontworpen. Hij staat ook bekend om zijn monumentale Bismarcktürme. NERDINGER W. en MAI E. (31) RHS Colour Chart, Red-purple group 70A.

Aanplanting van gewone klimop onder een gewone esdoorn, toestand in 2002 (foto: archief VDK)

M LI 5!


Blik op de begraafplaats omstreeks 1940. Tussen de Dachkreuze staan hier en daar geraniums (foto: archief VDK)

De Ehrenhatle in oktober 1956 (foto archief VDK)

••PHI *iïf', •

52 I M

L

mtm


De Ehrenhalle omstreeks 1940 (foto: archief VDK)

Gedegradeerde heide, oprukkende klembladige klimop, zaailingen van gewone en Noorse esdoorn. Toestand in 2009 (foto K. Vandevorst)

S •

tw

èEm

T^*

. . •

•

•f

•^i

1 i^^ M & L I 53


DCUT3CWCQ. J-IOOGI_COC

S01_DATCN*-QICO<JOr -

osx

k - B C U Z C R V P P C N V-CETCIl-UNG

-tc^lif - - 1 9 - i a BCUGlCM AA -<• Soo

Plan van de begraafplaats met de verdeling van de kruisgroepen,

Volkihund rifut.die Kr(e(igrab«roriarf< Bl/NDESnAn. (rTUNO

14 mei 1957 (archief VDK)

MANCUCN^D.-li-.S.-lpSf.

&L.ATT

35

CB2>.r. &1.. -IS

c a » , o. E>I_.


De sokkel in de Listenraum van de Ehrenhalle is in 1956-1957 ontworpen door Fritz Schmoll genannt Eisenwerth. In het schrijn bevinden zich de registers van de begraafplaats Hooglede

1VI&LI 55


*

^

-

.

*

.

•

"

•

*

m

.

'£.*••'$$,

f_

ï\$ •

& £ lï

,*:.•*.

Sffiln^

y / ^

•m

Vï

^

RHP^"*!^

''SW-É

- è --^iSËLL. •i».

AU-


. *

A. - ^ • * . - ,

••>••

•

i

:

;

^

.

IJHH

É^fe'^^jtótól ^ v

^s^;

-Jt-


GREEN VETERANS. LIVING WITNESSES OF THE FIRST WORLD WAR

was available. Most probably, the numerous pollards and coppiced trees in the landscape surrounding Ypres and Poperinge must have been a welcome source for firewood.

In the line of fire, trees and entire forests were eliminated A veteran tree is "a tree which, because of its great age, size by the exploding ammunition. A tree can easily survive a or condition, is of exceptional cultural, landscape or nature single hit by a bullet, as they are 'programmed' to conservation value". A veteran is also defined as a 'former compartmentalize and overgrow the wound. However, soldier'. In Flanders Fields, both terms are closely linked. a direct hit by a larger explosive can eliminate an entire The landscape and local vegetation in and nearby the tree at once. But trees themselves were strategically important. Not only they could serve as a lookout, but Ypres salient was mutilated during the First World War. also as a hide for a marksman. However, due to ongoing By the end of the war, a treeless landscape remained with deforestation of the battlegrounds, this strategic only a few standing dead trunks along the horizon. As a opportunity became increasingly rare. One of the Special consequence one would not expect to find trees in this Companies of the Royal Engineers was equipped to make region over a hundred years old. replicas of trees In metal and camouflage fabrics. Such fake 'camouflage trees' then replaced the original tree The military operations on the battlefield fueled a and were used as an observation post. constant demand for timber, what also led to an intensive deforestation in the local landscape. Soon, forests in France were of most strategic importance to the allied troops as they were the main source for timber. Two special regiments, the loth and 20th engineers Forestry of the U.S. Army, were brought together to organize and manage the timber supplies. Also for everyday activities, as cooking and heating massive amounts of firewood were needed. In the trenches thousands of braziers were fueled with wood, charcoal or coal, depending on what

58 I MSlL

Behind the trenches, the remaining forests served as a resting place for the soldiers. Often medical facilities were organized nearby. An example is the 'Helleketelbos', located southwest of Poperinge. To date, within this forest oak trees can be found that are 166 andigS years old, based on tree-ring analysis. The largest oak tree is estimated to be about 245 years old. Such trees have witnessed and survived the First World War. One of these survivors even has a gun barrel protruding its bark. Similar centenarian trees can be found in the Sixtusbossen and Galgebossen, a group of small forests located nearby the former battle zone of the Ypres salient. These 'veteran'trees are not in demand by timber traders as it is known the trunks contain a lot of metal and discolorations, and are therefore not marketable. A good example of such a tree with embedded relics of the First World War is an oak that grew near the castle of Elverdinge. After the tree died off in 1995, a cross-section of the trunk was polished and examined. Wounds made by exploding ammunition became clearly visible and dated by means of its tree-rings, to the winter of 1917/18. This cross-section of the dead oak tree is now part of the exhibition in the In Flanders Fields Museum, and serves as an example of the last surviving witnesses of the First World War. Furthermore it demonstrates that 'veteran' trees might be a more common feature in today's landscape in the Ypres area as previously thought.


THE NEO-GOTHIC GYMNASIUM OF THE FORMER STATE TEACHERS' COLLEGE IN BRUGES IN A CULTURAL-HISTORICAL CONTEXT The gymnasium of the State Teachers' College (18801883) is a remarkable construction in the heart of Bruges town centre. The freestanding building has an impressive wooden structure and is part of the Neo-Cothic school block of buildings, the first new construction project by the Bruges town architect Louis Delacenserie, built between 1880 and 1883. During the 1870's the gymnastics method by Cuillaume Docx was implemented in public education. Gymnastics thus became a compulsory subject in the State Teachers' Colleges' programme. Docx advocated an 'eclectic system' which, according to him, combined the best of German and Swedish gymnastics, supplemented with game elements. Docx composed manuals in which exercises were subdivided by age and sex and including instructions for the gymnasium's design. These rules were enacted by the Ministry of Public Education as official guidelines for the construction of gymnasiums. These guidelines made a clear distinction between halls for boys and for girls. The dimensions were based on the number of pupils needing to exercise. As the Teachers' College was obviously part of public education system, the Ministry's rules had to be complied with in the design of the buildings. Delacenserie and the Bruges city council disapproved of the work being executed by architects of the Ministry of Public Works as they feared these 'external' architects were not likely to respect the Neo-Gothic tradition in the designs of buildings in Bruges. Eventually the plans by Delacenserie were approved in April 1879. The gymnasium is a freestanding Neo-Gothic construction consisting of two storeys and a semi-subterranean basement, like the other buildings on the school grounds. Like a standard gymnasium the building has a symmetrical design, consisting of nine bays and three naves. The hall's shell is made completely out of wood. Especially the remarkable wooden roof construction

makes it an exceptional building. On both sides of the gallery on the first floor, there are individual changing rooms, equally made completely out of wood. In 1908 the eclectic method by Docx had to make way for Swedish gymnastics. Therefore the gymnasiums in state education had to be adapted according new regulations. Despite some changes in the structure following reforms in the 1930's, when shower stalls were made compulsory, the essence of the design by Delacenserie was to a large extent left intact. By the late 1960's Swedish gymnastics could no longer maintain its prominent position in public education. Sports were also included in the official programme, whereas this had already been done much earlier in neighbouring countries. As the practice of sports required completely different standards than gymnastics, the connection between architecture and the original purpose of the building was partly broken up. Some of the lessons physical education could still go through in the hall, but for some specific sports courses the school had to make use of a sports hall in town. Today the gymnastics hall still is the school's showpiece and is consequently used for ceremonial activities. It offers a modern view on spatial quality carried out by Delacenserie in 1883. The quality of the construction lies in the fact that specific standards for a gymnasium were met, while the architect at the same time perfectly succeeded in connecting the gymnasium with the NeoGothic design of the entire block of buildings. In 1989 the buildings of the Teachers' College were listed for protection as monument for its historical, scientific and socio-cultural value. Thanks to this protection the gymnasium could be preserved in its actual form.


German military cemeteries in Belgium were maintained by the Craberdienst der Wehrmacht and from 1944 to 1954 by the Belgian state. In 1954 the management of the cemeteries was turned over to the Volksbund Deutsche Kriegsgrabeifürsorge. The Chefarchitekt from the Volksbund, Robert Tischler (1885-1959), made some The German World War I military cemetery in Hooglede significant modifications to Hooglede-Ost between 1954 (Province of West-Flanders) is managed by the Volksbund and 1958. The individual wooden crosses were replaced Deutsche Kriegsgrabeifürsorge. This cemetery was laid with a burial field planted with heath. From then on out during the Third Battle of Ypres in 1917 and named the graves were marked with name tags fixed on small Hooglede-Ost. At the end of the war approximately wooden blocks. Groups of five crosses [Symbolkreuze) 1.500 people were buried there. Between 1919 and 1926 were set up on the burial field, representing a military the cemetery was maintained by the Belgian army's unit. Different trees were planted on the borders of the Service des Sepultures militaires, in accordance with the cemetery. Six of the Ehrenhalle's fifteen arcades were Versailles Treaty. In 1926 the Belgian government turned bricked up, thus creating two new rooms. In the middle over the maintenance of German military cemeteries of the western room is a massive stone socle, decorated In Belgium to the Amtlicher Deutscher Craberdienst. In with a lion's head and an angel in relief. This socle carries order to restrict the cemeteries' maintenance costs, this a shrine with the cemetery's registers. The Ehrenhalle department decided to drastically reduce the number of was furthermore decorated with a mosaic by Franz Grau, cemeteries and to transfer the fallen soldiers to collective representing Christ as the final and eternal judge. In cemeteries. During this operation 171 of 237 military 1971 the Volksbund had the name tags replaced with flat cemeteries were removed, as well as dozens of burial gravestones, each with the names of two fallen soldiers. grounds on municipal graveyards. Between 1931 and 1935 From the 1980's on the heath on the graveyard is more Hooglede-Ost was transformed into a collective cemetery. and more overgrown with ivy, thriving in the shadow In 1935 8.247 people lay buried there, each grave with a of the trees. Since the early 1990's the condition of the wooden Kapelkreuz. The cemetery was bordered on three cemetery further deteriorated. In 2009 it was listed as sides with poplars. There was no room for plants on the a protected monument, allowing the Volksbund to apply cemetery itself as it was covered with endless rows of for a restoration subsidy. The works were started in June crosses. In the winter of 1937-1938 to the north side of 2011 and finished in November 2012. The maintenance the cemetery the so-called Ehrenhalle was built, an open has been put out by the Volksbund with an annual gallery of thirty meters by six. During occupation the maintenance fee.

RESTORATION OF THE GERMAN MILITARY CEMETERY IN HOOGLEDE

60 1 m i


HISTORISCHE TUINEN EN PARKEN VLAANDEREN

^

> •

••na, "',,. ' •• S £tt BA

P %•

Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Noordwestelijk Vlaams-Brabant. Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Mechtem, Opwijk, Wemmel Het cahier geeft een beschouwende inleiding van het inventarisgebied, beschrijft 63 tuinen en parken, biedt een Franse en Engelse samenvatting per object, situeringskaart en een tabel met kenmerken en kwaliteiten.

TECHNISCHE

GEGEVENS

AUTEURS ROGER DENEEf, JO WIJNANT, STEFAN VIDTS. WILFRIED VERLEYEN. JOSÉ ANNE DE MOLINA. HILDE KENNES. MARJOLIJN VAN DAMME. RAYMOND DELVAUX, THIERRY DE CLIPPELE. HENRY VAN DER HAEGEN. PETER SOENS. HERLINDE DEJAECK. LEONARD QUINTELIER. DIRK DE MEYERE, GEORGES JACOBS DE HAGEN. GRETA PAESMANS, ANDRÉ CRESENS en STEVEN VAN DEN BORNE

FORMAAT

Vlaamse overheid - agentschap Onroerend Erfgoed Koning Albert 11-laan bus 5 1210 Brussel Tel. 02 553 16 13 - Fax 02 553 16 55

ILLUSTRATIES

KUNSTDRUK GALERIE ART SILK 135 G/M'

AFWERKING

C O Ö R D I N A T I E EN C O N C E P T

GARENGENAAID GEBROCHEERD

EINDREDACTIE

2012

PUBLICATIEjAAR ROGER DENEEF

BESTELADRES

E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be U ontvangt het boek automatisch na overschrijving van 50 € op rekening nummer BE48 3751 109 8627 (BIC BBRUBEBB) t.a.v. Vlaamse Overheid agentschap Onroerend Erfgoed Koning Albert 11-laan bus 5 1210 Brussel met vermelding "M&L Cahier 20"

FOTOGRAFIE OSWALD PAUWELS. ROGER DENEEF. OLGA FILENKO.JO WIJNANT. MARJOLIJN VAN DAMME. STEFAN VIDTS. MARTIN SCHACHT, HILDE KENNES. GRETA PAESMANS. CHRISTEL DARDENNE en CHRIS DEMAEGD

O

erf-i

goed

VLAAMSE 4 OVERHEID


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook