Skip to main content

TO_bepaling_dijkvegetatie_Hedwige_Prosperpolder_datarapport.pdf

Page 1

T0-bepaling van de dijkvegetatie Hedwige-Prosperpolder Datarapport Bart Vandevoorde, Frederic Van Lierop

Herman Teirlinckgebouw INBO Brussel Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel vlaanderen.be/inbo

Cover_rapport_40p.indd 1

24/01/2022 13:49


Auteurs: Bart Vandevoorde, Frederic Van Lierop Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Reviewer: Erika Van den Bergh Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, dataen kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: Herman Teirlinckgebouw INBO Brussel Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel vlaanderen.be/inbo E-mail: Bart.Vandevoorde@inbo.be Wijze van citeren: Vandevoorde B. & Van Lierop F. (2021). T0-bepaling van de dijkvegetatie Hedwige-Prosperpolder (datarapport). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek jaar 2021 (60). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.70310631 D/2022/3241/038 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2021 (60) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Landzijde van de Scheldedijk ter hoogte van de Prosperpolder in Doel Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van: het Waterbouwkundig Laboratorium (Departement Mobiliteit en Openbare Werken)

Dit werk valt onder een Creative Commons Naamsvermelding‐GelijkDelen 4.0 Internationaal‐licentie.

Cover_rapport_40p.indd 2

24/01/2022 13:49


T0-BEPALING VAN DE DIJKVEGETATIE HEDWIGEPROSPERPOLDER (DATARAPPORT) Bart Vandevoorde & Frederic Van Lierop

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Dankwoord/Voorwoord Deze studie is uitgevoerd in opdracht van het Waterbouwkundig Laboratorium en kadert binnen het ruimer project Living Lab Hedwige-Prosperpolder. We danken het Waterbouwkundig Laboratorium en in het bijzonder Patrik Peeters en Davy Depreiter voor het toewijzen en opvolgen van dit project. Dank voor het geduld want deze studie werd geconfronteerd met onverwachte maai- en begrazingsactiviteiten die telkens een bijstelling van de planning (lees: vertraging) vereisten. Speciale dank aan De Vlaamse Waterweg nv. en aan de aannemer in de persoon van Geert Vanwesenbeeck. En natuurlijk speciale dank aan de INBO-collega’s voor de hulp bij het realiseren van dit project. Vincent Smeekens verzorgde de voorbehandeling van de bodemstalen en het INBOlabo leverde secure, nauwkeurige en kwaliteitsvolle analyses van de bodemstalen. Dank aan Ann Capieau, Alexander Houtave, Liesbeth Papeleu, Nele Roosens, Els Mencke en Gerrit Genouw. Tot slot zijn we Erika Van den Bergh erkentelijk voor de kwaliteitsborging van het rapport.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Samenvatting De huidige Scheldedijk ter hoogte van Prosperpolder (BE) en Hedwigepolder (NL) aan de Belgische-Nederlandse grens heeft in de toekomst, na de ontpoldering, niet langer een waterkerende functie. In afwachting van deze ontpoldering kunnen op deze dijk verschillende in situ-proeven uitgevoerd worden. Zo zijn er plannen om bres-, overloop- en golfoverslagproeven uit te voeren, tot zelfs rampoefeningen, en dit door verschillende onderzoeksinstellingen. Dit gebeurt in het kader van het Interreg-project Polder2C’s Living Lab Hedwige-Prosperpolder. Deze studie maakt ter voorbereiding van de proeven een toestandsbeschrijving (T0-bepaling) van de huidige dijk. Dit is concreet het maken van een vegetatiekaart en van detailopnames van 16 geselecteerde sites waar proeven gepland zijn. Een detailopname omvat het maken van een vegetatieopname, het bepalen van de bedekking en het meten van de worteldensiteit en de biomassa. Van elke site wordt bovendien een bodemstaal geanalyseerd. De vegetatiekaart toont dat Type 3 Soortenarm glanshavergrasland het meest voorkomende vegetatietype is, zowel op de land- als rivierzijde van de dijk. Type 8 Variabele ruigte is het tweede meest voorkomend vegetatietype. Zo’n vegetatie staat vooral aan de voet van de dijk aan rivierzijde. De doelvegetaties op dijken, Type 1 Soortenrijk grasland en Type 2 Soortenrijk glanshavergrasland, bedekken slechts 7.6% van het dijklichaam. In Nederland bestaat bijna 80% van de dijk uit Type 3 Soortenarm glanshavergrasland. Een klein maar vermeldenswaardig aandeel wordt ingenomen door kleine vlekken Rietvegetatie (Type 6) die wijzen op lokale kwelplekken, zoals ook blijkt uit de bodemanalyses. De vegetatie op het Belgisch deel van de dijk is gevarieerder. Type 3 Soortenarm glanshavergrasland is er ook aspectbepalend en domineert zowel de land- als rivierzijde van de dijkhelling. Net als in Nederland neemt Type 8 Variabele ruigte een aardige oppervlakte in, vooral aan de voet van rivierzijde van de dijk. Daar komen ook bomen en struiken voor in tegenstelling tot in Nederland, waar bomen en struiken compleet afwezig zijn. In vergelijking met Nederland is in België een hoger aandeel van de dijk begroeid met de doelvegetaties (Type 1 en 2). Deze komen vooral voor op de kruin aan weerszijden van de dienstweg en aan de teen van de dijk aan landzijde. In plaats van 16 konden maar 8 proefvlakken worden geselecteerd omdat de dijk in Nederland al gemaaid was. Twee proefvlakken liggen in Nederland, de rest in België. Zes van de proefvlakken bevinden zich op de dijkhelling aan landzijde; op de kruin en teen van de dijk is er telkens 1 proefvlak. Deze proefvlakken konden op basis van de vegetatieopnames aan vegetatietypes worden toegekend. Met uitzondering van 1 proefvlak behoren alle proefvlakken op de dijkhelling tot het Type 3 Soortenarm glanshavergrasland. Het andere proefvlak ligt op een kwelplek, en is als een overgangsvegetatie tussen Type 6 Rietvegetatie en Type 5 Brandnetelruigte getypeerd. De vegetatie in de proefvlakken op de kruin en teen behoort tot Type 1 Soortenrijk grasland. De vegetatie is getoetst aan kwaliteitsdoelen. Zo moet er 70% bedekking zijn, en moet de biomassa tussen 0.8 en 4.4 ton droge stof per hectare bedragen. Bovendien zijn meer dan 15 hogere plantensoorten vereist in het proefvlak, moet de Shannon-diversiteit meer dan 1.8 zijn en het Ellenberggetal voor nutriënten minder dan 6.4.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 3 van 40


Slechts in 1 proefvlak, HPP7, vonden we meer dan 15 soorten hogere planten. In datzelfde proefvlak maar ook in proefvlak HPP1, reikte de Shannon-diversiteitsindex boven het doel. Het Ellenberggetal voor nutriënten was wel voldoende laag in de verschillende proefvlakken, alleen in HPP2 met een overgangsvegetatie tussen Type 6 Rietvegetatie en Type 5 Brandnetelruigte was dit niet het geval. In alle proefvlakken met een vegetatie van Type 3 Soortenarm glanshavergrasland of een overgangsvegetatie van Type 6 Rietvegetatie/Type 5 Brandnetelruigte was de biomassa bijna dubbel zo hoog als het vooropgestelde doel. Enkel in de proefvlakken met soortenrijk grasland was de biomassa binnen het bedoelde bereik. De bedekking van de vegetatie geldt als proxy voor de erosiebestendigheid van de vegetatie. In 5 proefvlakken was de bedekking hoger dan het doel van 70% waardoor de vegetatie in deze proefvlakken als erosiebestendig kan beschouwd worden. Sterk afwijkend was proefvlak HPP2. De rietvegetatie/brandnetelruigte leverde een bedekking van maar 31%, ruim ongeschikt naar erosiebestendigheid toe. Ook de worteldichtheid is een onrechtstreekse manier om de erosiebestendigheid of zodekwaliteit te bepalen. In de rietvegetatie/brandnetelruigte van proefvlak HPP2 scoren zowel bedekking als worteldichtheid zeer slecht. In HPP6 en HPP7 scoren beide matig. In de overige proefvlakken waren de resultaten van beide methoden niet in overeenstemming. In HPP1, HPP5 en HPP8 was de bedekking goed, maar toch is de zodekwaliteit slecht. Ook omgekeerd, in proefvlakken HPP3 en HPP4 was de bedekking net niet voldoende, maar de worteldichtheid scoorde toch matig. Bij het indirect bepalen van de erosiebestendigheid beschouwen we het meten van de worteldichtheid als doorslaggevend.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


English abstract After depoldering, the current levee at Prosperpolder and Hedwigepolder, near the DutchBelgian border will no longer have a safety function, which makes it suitable for all kinds of in situ experiments. Several research institutes and universities will conduct experiments such as wave overtopping, breaching and even simulating catastrophic events within the framework of the Interreg-project Polder2C’s Living Lab Hedwige-Prosperpolder. The aim of this study is to describe the actual state of the levee. Therefore, a vegetation map is made, and also a detailed survey of several test zones. Of each test zone a vegetation releve is made, the cover of the vegetation is measured as well as the biomass and the root density. In each test zone a soil sample is taken and analysed. The vegetation map shows that Type 3 Species-poor Arrhenatherum-grassland is the most abundant vegetation type on both the riverside and landside of the levee. Type 8 Tall herb vegetation is the second most abundant vegetation type, especially found at the riverside foot of the levee. Type 1 Species-rich grassland and Type 2 Species-rich Arrhenatherum-grassland, the target vegetation types on levees, cover 7.6% of the levee. In the Netherlands 80% of the levee is covered by Type 3 Species-poor Arrhenatherumgrassland. Only limited, but worth mentioning is the presence of Type 6 Reed vegetation which occurs at the seepage zones on the landside slope of the levee. The soil composition in these seepage zones differs from the other test zones. The Belgian part of the levee has a more divers vegetation composition. Type 3 Species-poor Arrhenatherum-grassland is also the most abundant vegetation type and Type 8 Tall herb vegetation is also the second most abundant vegetation type. The latter occurs especially at the riverside foot of the levee where also Type 9 Trees/shrubs grows. In The Netherlands on the other hand trees/shrubs are completely absent. In the Belgian part, the area covered by the target vegetation, which grows at the crown and landside foot of the levee, is larger. Instead of the planned 16 test zones only 8 could be selected, because in the Netherlands the levee was already mown. Six test zones were situated on the landside slope of the levee (2 in the Netherlands, 4 in Belgium). Also on the crown and landside foot of the levee a test zone was localized. With the releve results the vegetation in the test zones could be assigned to a specific vegetation type. Type 3 Species-poor Arrhenatherum-grassland grows in all the test zones on the slope of the levee. There’s only one exception namely the seepage zone where a mix of reed vegetation and stinging nettle vegetation grows. In the test zones on the crown and landside foot of the levee the target vegetation Type 1 Species-rich grassland is present. The vegetation in the different zones is qualified by appointed quality criteria: the vegetation on a levee needs a cover of at least 70%, the biomass should be in the range between 0.8 and 4.4 ton dry weight a hectare. There should be more than 15 vascular plant species present in each test zone, the Shannon diversity index should be above 1.8 and the Ellenberg value of nitrogen should be below 6.4. Only in one test zone, HPP7, the species target is reached because more than 15 species are present. In the same test zone, but also in HPP1, another zone, the Shannon diversity index is above the target of 1.8. In all the test zones the Ellenberg value of nitrogen is below 6.4. The

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 5 van 40


exception is zone HPP2 where a mixture of reed and stinging nettle occurs and the Ellenberg value is far above 6.4. In all the test zones the biomass was almost twice the target. Only in the test zones HPP7 and HPP8 where the target vegetation type grows, the biomass was within the aimed range. Cover is considered as a measure of erosion resistance. In 5 test zones the cover was above the target of 70%. Again test zone HPP2 was extremely aberrant because the cover was only 31%, far below the aimed 70%. Also the root density was below target in this zone. Also root density is assessed as a measure of erosion resistance of the vegetation. In HPP2, vegetation erosion resistance is too low according to both methods. In HPP6 and HPP7 both methods indicate adequate erosion resistance. However in test zones HPP1, HPP5 and HPP8 vegetation cover is high enough but root density is too low. In test zone HPP3 and HPP4 the opposite is true (low cover but adequate root density). For indirect erosion resistance assessment of the vegetation, the root density is considered as decisive.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Inhoudstafel 1

Inleiding en doelstellingen ........................................................................................... 10

2

Materiaal en methode................................................................................................. 11

3

4

2.1

Studiegebied ....................................................................................................... 11

2.2

Vegetatiekaart..................................................................................................... 11

2.3

Detailopnames .................................................................................................... 13

2.3.1

Vegetatieopnames ....................................................................................... 14

2.3.2

Biomassa ..................................................................................................... 16

2.3.3

Bedekking.................................................................................................... 16

2.3.4

Worteldichtheid ........................................................................................... 17

2.3.5

Bodem......................................................................................................... 17

Resultaten .................................................................................................................. 19 3.1

Vegetatiekaart..................................................................................................... 19

3.2

Detailopnames .................................................................................................... 21

3.2.1

Vegetatieopnames ....................................................................................... 21

3.2.2

Biomassa ..................................................................................................... 24

3.2.3

Bedekking.................................................................................................... 24

3.2.4

Worteldichtheid ........................................................................................... 25

3.2.5

Bodem......................................................................................................... 27

Besluit ........................................................................................................................ 30

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 7 van 40


Lijst van figuren Figuur 1

Figuur 2

Figuur 3 Figuur 4

Figuur 5 Figuur 6 Figuur 7

Figuur 8

Figuur 9

Figuur 10 Figuur 11

Figuur 12 Figuur 13 Figuur 14 Figuur 15 Figuur 16 Figuur 17 Figuur 18 Figuur 19

Het studiegebied: de Scheldedijk ter hoogte van de Prosperpolder (België) en Hedwigepolder (Nederland) (FCIR orthofoto 2019 is als achtergrond gebruikt)......................................................................................................... 11 Bij het karteren worden de grenzen tussen de verschillende vegetatietypes (A, B, D, …) ingemeten. Verschillende types grenspunten worden onderscheiden. Type S vormt de grens tussen 2 vegetatietypes, type T tussen 3 vegetatietypes en type Q tussen 4 vegetatietypes. Type C is een grenspunt tussen 2 vegetatietypes waarvan de ene polygoon volledig binnen de andere ligt....................................................................................... 12 De verschillende kleuren van de punten komen overeen met de datums waarop de kartering is uitgevoerd. ................................................................... 13 Standaard van een proefvlak van 2 x 2 m, welke parallel aan de dienstweg is gelegen. In de 4 hoekpunten worden de meetpunten van 0.5 x 0.5 m gelegd, ter bepaling van de biomassa en om de bedekking in te meten. Met een kruis zijn de vaste hoekpunten aangegeven waarvan de XY‐coördinaten zijn gekend (a is bovenaan, b onderaan). .......................................................... 15 Raster van 0.5 x 0.5 m met 100 rastercellen en 81 snij‐ of datapunten om de bedekking van de vegetatie in te meten............................................................ 17 Vegetatiekaart van het stroomafwaarts deel van het studiegebied (Nederland). Met verschillende kleuren zijn de vegetatietypes aangegeven. ....... 20 Vegetatiekaart van het middelste deel van het studiegebied (NederlandBelgië). De verschillende kleuren geven de verschillende vegetatietypes aan. Met zwarte punten zijn de locaties van de proefvlakken gesitueerd. ........... 20 Vegetatiekaart van het meest stroomopwaarts deel (België) waarop met verschillende kleuren de vegetatietypes zijn aangegeven. De locaties van de proefvlakken in deze zone zijn aangegeven met zwarte punten. ........................ 21 Bovengrondse biomassa van de vegetatie in de verschillende proefvlakken uitgedrukt in kg droge stof per hectare (kg DS/ha). Met Min en Max wordt het bereik aangegeven waartussen de biomassa moet liggen............................. 24 De gemeten bedekking in de verschillende proefvlakken, getoetst aan de doelstelling van 70%. ....................................................................................... 25 Worteldiagram van elk proefvlak waarin per diepteklasse het wortelaantal is gegeven. Links van de rode lijn is de kwaliteit zeer slecht, tussen de rode en oranje is de kwaliteit slecht, tussen oranje en groen matig en rechts van groen is de kwaliteit goed. ............................................................................... 27 Toestandsfoto van het proefvlak HPP1 (BV21/001, 01/06/2021). ....................... 33 Toestandsfoto van het proefvlak HPP2 (BV21/002, 01/06/2021). ....................... 34 Toestandsfoto van het proefvlak HPP3 (BV21/003, 01/06/2021). ....................... 35 Toestandsfoto van het proefvlak HPP4 (BV21/004, 01/06/2021). ....................... 36 Toestandsfoto van het proefvlak HPP5 (BV21/005, 01/06/2021). ....................... 37 Toestandsfoto van het proefvlak HPP6 (BV21/006, 02/06/2021). ....................... 38 Toestandsfoto van het proefvlak HPP7 (BV21/007, 02/06/2021). ....................... 39 Toestandsfoto van het proefvlak HPP8 (BV21/008, 02/06/2021). ....................... 40

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Lijst van tabellen Tabel 1 Tabel 2 Tabel 3 Tabel 4

Tabel 5 Tabel 6 Tabel 7

Tabel 8

Tabel 9 Tabel 10 Tabel 11

Tabel 12

Overzicht van de vegetatietypes die gebruikt zijn als legende-eenheden bij de vegetatiekartering. ..................................................................................... 12 Lambert72-coördinaten van de vaste hoekpunten (zie Figuur 4) van de 8 proefvlakken. Ook de hoogte in meter TAW is gegeven. .................................... 15 De helling van de 8 proefvlakken in procent en graden. Ook de expositie en de afstand tot de kruin van de dijk is gegeven. .................................................. 16 De absolute en relatieve oppervlakten van de verschillende vegetatietypes in het volledige studiegebied (Totaal) en opgesplitst per land (BE: Belgi ë, NL: Nederland)...................................................................................................... 19 Toekenning van de vegetatie in de verschillende proefvlakken aan een bepaald vegetatietype conform Vandevoorde et al. (2019). ............................... 22 De berekende kwaliteitsparameters zijn voor elk proefvlak gegeven en groen gemarkeerd indien voldaan is aan het kwaliteitsdoel. .............................. 22 Vegetatieopnames van de 8 proefvlakken. Naast datum, lengte en breedte van de proefvlakken is ook de bedekking van de verschillende vegetatielagen gegeven. Hoogte (gemiddeld) komt overeen met de vegetatieve spruiten/bladeren. Hoogte (max. ) is de hoogte van de bloeistengels, telkens in cm. Aansluitend zijn voor elk proefvlak per vegetatielaag de aangetroffen plantensoorten gegeven met hun bedekking. ...... 23 Biomassa in de verschillende proefvlakken, gemeten in ton droge stof per hectare. In groen gemarkeerd de proefvlakken die aan de doelstelling voldoen. ......................................................................................................... 24 Bedekking (%) van de vegetatie in de verschillende proefvlakken. In groen gemarkeerde de proefvlakken waar de doelstelling van 70% is gehaald. ............. 25 Beoordeling van de zodekwaliteit op basis van de gemeten worteldichtheid. ..... 26 Textuuranalyses van de verschillende proefvlakken uitgedrukt in volumepercentage per fractie. De overeenkomstige textuurklasse is gegeven.......................................................................................................... 27 Analyseresultaten van de bodemstalen in de proefvlakken (HPP1 tot HPP8). ...... 29

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 9 van 40


1 INLEIDING EN DOELSTELLINGEN De Prosperpolder (BE) en Hedwigepolder (NL) langs de Schelde ter hoogte van de BelgischeNederlandse grens (Linkeroever) worden ontpolderd. Hiervoor wordt de waterkerende dijk landinwaarts verschoven. De huidige dijk heeft hierdoor niet langer een waterkerende functie en wordt zelfs deels weggegraven. In afwachting van de ontpoldering kunnen op deze dijk verschillende in situ-proeven uitgevoerd worden. Dit gebeurt in het kader van het Interreg-project Polder2C’s Living Lab Hedwige-Prosperpolder. Zo zijn er plannen voor bres-, overloop- en golfoverslagproeven, tot zelfs calamiteitenoefeningen en dit door verschillende Belgische en Nederlandse onderzoeksinstellingen. De opdracht van deze studie bestaat uit het opmaken van een toestandsbeschrijving (T0bepaling) van de huidige dijk. Het traject meet 3000 m. Concreet betreft dit:  

een vegetatiekaart van de landzijde van de dijk met door INBO ontwikkelde karteringseenheden (Vandevoorde et al., 2019). detailopnames van 16 sites waarop proeven zullen uitgevoerd worden: o vegetatieopnames, o bedekking bepalen, o biomassa meten, o worteldensiteit bepalen op basis van de handmethode, o analyse van een bodemstaal.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


2 MATERIAAL EN METHODE 2.1

STUDIEGEBIED

Het studiegebied bestaat uit de waterkerende dijk op de linkeroever van de Schelde, gelegen op Belgisch en Nederlands grondgebied ter hoogte van de Prosperpolder ( Doel, Beveren, België) en Hedwigepolder (Hulst, Nederland) (Figuur 1). Het dijktraject heeft een lengte van ongeveer 3 kilometer.

Figuur 1 Het studiegebied: de Scheldedijk ter hoogte van de Prosperpolder (België) en Hedwigepolder (Nederland) (FCIR orthofoto 2019 is als achtergrond gebruikt).

2.2

VEGETATIEKAART

Van de landzijde van de dijk, tussen kruin en teen, alsook van de rivierzijde van de dijk is een vegetatiekaart gemaakt die uit polygonen of veelhoeken bestaat. Elke polygoon bestaat uit een homogene vegetatie-eenheid. De karteringseenheden (= vegetatietypes) uit Vandevoorde et al. (2019), aangevuld met pioniersvegetatie, (Tabel 1) zijn gebruikt om deze polygonen te benoemen. Deze kartering was gepland in 2019 maar het Belgische deel werd toen grotendeels vroegtijdig gemaaid waardoor enkel het Nederlandse deel van de dijk gekarteerd werd (13/06/20219) en een klein deel van de Belgische dijk (29/05/2019) (Figuur 3).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 11 van 40


Het resterende Belgische deel van de dijk is gekarteerd in het voorjaar van 2020 (2627/05/2020). Een deel was toen echter al begraasd door schapen en werd tenslotte eind augustus 2020 in kaart gebracht (27-28/08/2020) (Figuur 3). Tabel 1 Overzicht van de vegetatietypes die gebruikt zijn als legende-eenheden bij de vegetatiekartering.

Vegetatietypes 1 Soortenrijk grasland 2 Soortenrijk glanshavergrasland 3 Soortenarm glanshavergrasland 4 Verruigd glanshavergrasland 5 Brandnetelruigte 6 Rietvegetatie

7 8 9 10 11

Ruigte van Japanse duizendknoop Variabele ruigte Bomen/struiken Andere Pioniervegetatie

Bij het karteren is telkens de grens tussen de verschillende homogene vegetatietypes afgelopen en ingemeten met behulp van een RTK-GPS. Door verschillende types grenspunten te onderscheiden (S, T, Q, C) en telkens te noteren welke vegetatietypes ze begrenzen is het mogelijk om achteraf in een GIS deze puntenkaart om te zetten in een polygonenkaart ( Figuur 2). De digitalisering is uitgevoerd in ArcGis 10.8.1.

Figuur 2 Bij het karteren worden de grenzen tussen de verschillende vegetatietypes (A, B, D, …) ingemeten. Verschillende types grenspunten worden onderscheiden. Type S vormt de grens tussen 2 vegetatietypes, type T tussen 3 vegetatietypes en type Q tussen 4 vegetatietypes. Type C is een grenspunt tussen 2 vegetatietypes waarvan de ene polygoon volledig binnen de andere ligt.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 3 De verschillende kleuren van de punten komen overeen met de datums waarop de kartering is uitgevoerd.

2.3

DETAILOPNAMES

16 locaties of sites, waar proeven zullen worden uitgevoerd, zijn in overleg met de opdrachtgever geselecteerd. Op deze 16 locaties worden detailopnames gemaakt. Dit houdt in het maken van een vegetatieopname, het meten van de bedekking en de worteldensiteit en het bepalen van de biomassa. Van elke site wordt bovendien een bodemstaal geanalyseerd. Op deze 16 locaties zijn telkens proefvlakken van 2 x 2 m afgebakend waarin de verschillende variabelen worden gemeten. De proefvlakken liggen steeds op de kruin, helling of teen aan landzijde van de dijk. De oorspronkelijke verdeling van de locaties of sites over het dijktraject was: 

4 detailopnames op het Belgische Noord-Zuid-deel

4 detailopnames op het Nederlandse Noord-Zuid-deel

4 detailopnames op het Nederlandse Oost-West-deel

2 detailopnames in rietvegetatie

2 detailopnames op vrij te kiezen locatie

Maar zowel in 2019 als in 2020 konden de detailopnames niet gemaakt worden omdat de dijkvegetatie reeds vroegtijdig geklepeld, gemaaid of begraasd was. Ook in 2021 was op een

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 13 van 40


paar stukken na het volledig Nederlandse deel van het traject vroegtijdig gemaaid1. Bijgevolg was het niet mogelijk om de oorspronkelijke planning uit te voeren. In overleg met de opdrachtgever is de planning bijgestuurd tot 8 detailopnames verdeeld over de volgende dijktrajecten: 

4 detailopnames op het Belgische Noord-Zuid-deel

2 detailopnames op vrij te kiezen locaties op het Belgische Noord-Zuid-deel

1 detailopname in rietvegetatie op het Nederlandse Noord-Zuid-deel

1 detailopname in het Nederlandse Oost-West-deel (eventueel buiten projectgebied)

In Vandevoorde et al. (2019) en Van Kerckvoorde (2016) zijn enkele kwaliteitsdoelen voor dijkvegetaties geformuleerd waaraan de proefvlakken worden getoetst: 

De bedekking van de vegetatie op de dijken moet minstens 70% zijn.

De bovengrondse biomassaproductie situeert zich tussen de 0.8 en 4.4 ton droge stof (DS) per hectare.

Aantal soorten hogere planten in een proefvlak van 4 m² is > 15

Shannon-diversiteitsindex 2 in een proefvlak bedraagt > 1.8

In een proefvlak is het Ellenberggetal voor nutriënten3 < 6.4

2.3.1

Vegetatieopnames

Van de proefvlakken zijn er 6 gelokaliseerd op de helling van de dijk, 1 op de kruin en 1 aan de teen van de dijk, telkens aan landzijde. Binnen de deelzone zijn locaties willekeurig gesitueerd. Van de 8 proefvlakken van 2 x 2 m is een vegetatieopname gemaakt volgens de principes van de Frans-Zwitserse school (Schaminée et al., 1995). Per vegetatielaag (kruidlaag, moslaag) is een volledige soortenlijst opgesteld en is de bedekking ingeschat met behulp van de Londoschaal. De vegetatieopnames zijn gemaakt op 1 en 2 juni 2021. De vaste hoekpunten, zoals geïllustreerd in Figuur 4, zijn ingemeten met een RTK-GPS. De coördinaten van deze punten zijn gegeven in Tabel 2. Op basis van de hoogte (meter TAW) van deze punten is de helling (%, °) berekend (Tabel 3).

1

Op 01/06/2021 konden we vaststellen dat een paar dagen eerder het volledig Nederlands deel van het dijktraject gemaaid was. Dit om te voorkomen dat Veldspitsmuis (Crocidura leucodon), een beschermde soort, zich zou vestigen op het dijklichaam. 2 De Shannon-diversiteitsindex is een maat voor de diversiteit. Het is een gecombineerde index omdat deze index zowel rekening houdt met het aantal hogere planten als met hun bedekking of abundantie. Hoe meer soorten en hoe gelijkmatiger hun bedekking, hoe hoger de index. 3 Ellenberg et al. (1992) kenden aan hogere planten indicatiewaarden toe voor onder andere voedselrijkdom. De waarde geeft aan of de soort voedselrijke dan wel voedselarme standplaatsen verkiest op een schaal van 0 tot 10 (hoe hoger, hoe voedselrijker). Door een gewogen gemiddelde te berekenen van de Ellenbergwaarden voor nutriënten (i.e. voedselrijkdom) van de aanwezige soorten op een bepaalde plaats verkrijg je een indicatie van de voedselrijkdom van deze locatie. Gezien het doel is een Ellenberggetal voor nutriënten te hebben lager dan 6.4, mag de bodem maximaal matig voedselrijk tot voedselrijk zijn. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Daarnaast zijn per proefvlak ook locatiekenmerken bepaald zoals expositie, beheer en beschaduwing.

Figuur 4 Standaard van een proefvlak van 2 x 2 m, welke parallel aan de dienstweg is gelegen. In de 4 hoekpunten worden de meetpunten van 0.5 x 0.5 m gelegd, ter bepaling van de biomassa en om de bedekking in te meten. Met een kruis zijn de vaste hoekpunten aangegeven waarvan de XY‐coördinaten zijn gekend (a is bovenaan, b onderaan). Tabel 2 Lambert72-coördinaten van de vaste hoekpunten (zie Figuur 4) van de 8 proefvlakken. Ook de hoogte in meter TAW is gegeven.

Naam hpp1a hpp1b hpp2a hpp2b hpp3a hpp3b hpp4a hpp4b hpp5a hpp5b hpp6a hpp6b hpp7a hpp7b hpp8a hpp8b

Lam72_X Lam72_Y Z_mTAW 140604.142 226066.610 8.901 140604.538 226063.938 8.366 140441.301 226278.274 6.117 140440.644 226275.832 5.431 140691.002 225966.044 6.084 140690.493 225963.482 5.273 140825.905 225843.756 10.760 140825.507 225841.016 10.151 140961.455 225699.702 10.167 140961.108 225697.099 9.527 139938.360 226852.927 8.442 139940.358 226850.981 7.819 140695.304 225947.615 3.941 140695.300 225944.876 3.896 140921.148 225748.397 11.111 140921.045 225745.683 10.916

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 15 van 40


Tabel 3 De helling van de 8 proefvlakken in procent en graden. Ook de expositie en de afstand tot de kruin van de dijk is gegeven.

Naam HPP1 HPP2 HPP3 HPP4 HPP5 HPP6 HPP7 HPP8

2.3.2

Helling (%) 27.8 36.5 44.4 32.0 33.8 32.8 2.3 9.8

Helling (°) 15.5 20.1 23.9 17.7 18.7 18.1 1.3 5.6

Expositie WZW WZW WZW WZW WZW Z WZW ZW

Afstand t.o.v kruin (m) 10 (land) 20 (land) 17 (land) 5 (land) 6.5 (land) 15 (land) 27 (teen) 1.5 (kruin)

Land BE NL BE BE BE NL BE BE

Biomassa

De biomassa van de vegetatie wordt ingemeten in de 4 meetpunten van 0.5 x 0.5 m in het proefvlak (Figuur 4). In deze 4 meetpunten wordt de bovengrondse biomassa tot op ca. 2 cm hoogte weggeknipt en verzameld. Strooisel, gedefinieerd als liggend afgestorven plantenmateriaal niet vasthangend aan de moederplant, wordt niet verzameld. Ook terrestrische mossen en korstmossen worden niet verzameld, tenzij ze doorgroeien tot tussen de hogere planten (> 2 cm hoog). Het plantenmateriaal van de 4 meetpunten wordt apart verzameld en zo snel mogelijk overgebracht naar het labo, waar het wordt gedroogd in een droogstoof bij 105 °C tot er geen gewichtsverlies meer is (Moore & Chapman 1986). Het gewogen drooggewicht in g/m² wordt verrekend naar ton drooggewicht (DS) per hectare en uitgemiddeld per proefvlak (n = 4).

2.3.3

Bedekking

De erosiebestendigheid van de vegetatie in een proefvlak wordt onrechtstreeks bepaald door de bedekking van de vegetatie te meten. Deze wordt ingemeten in de 4 meetpunten van 0.5 x 0.5 m in het proefvlak (Figuur 4) na het wegknippen van de bovengrondse biomassa tot op ca. 2 cm hoogte (zie 2.3.2). Om de vegetatiebedekking in te meten wordt een raster van 0.5 x 0.5 m gebruikt met rastercellen van 0.05 x 0.05 m (Figuur 5). Elk snijpunt binnen het raster, in totaal 81, stelt een datapunt voor. Ter hoogte van elk snijpunt wordt een pin of staafje neergelaten en genoteerd of dit een hogere plant (V), mos (M), strooisel (S) of kale bodem (K) raakt (raammethode volgens Sýkora & Liebrand 1987). Het procentueel aandeel hogere plant geeft ee n waarde voor de bedekking binnen het meetpunt, en wordt uitgemiddeld per proefvlak (n = 4).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 16 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 5 Raster van 0.5 x 0.5 m met 100 rastercellen en 81 snij‐ of datapunten om de bedekking van de vegetatie in te meten.

2.3.4

Worteldichtheid

De erosiebestendigheid wordt niet enkel onrechtstreeks bepaald door de bedekking te meten maar ook door de worteldichtheid te bepalen met behulp van de handmethode. Hiervoor zijn per proefvlak 4 kernmonsters of cores van de bovenste 20 cm genomen (diameter 3 cm), telkens centraal in de 4 meetpunten (Figuur 4). Elke core wordt verdeeld in substalen of partjes van 2.5 cm waarin de duidelijk zichtbare wortels4 met een minimumlengte van 1 cm worden geteld (Sprangers & Arp 1999; VTV, 2007). De worteldichtheid is bepaald op 2-4 juni 2021, terwijl dit normaal tussen midden december en midden maart moet gebeuren. Indien de worteldichtheden getoetst worden aan literatuurgegevens, moet daarom eerst een correctie worden toegepast om het seizoenseffect te compenseren (Schaffers et al., 2010). Deze correctie is in deze studie niet doorgevoerd.

2.3.5

Bodem

In ieder proefvlak is een bodemstaal genomen. Dit bodemstaal is een mengstaal van 5 substalen van 0-20 cm: 1 substaal genomen centraal in het proefvlak en telkens 1 substaal genomen centraal in de 4 meetpunten (Figuur 4). De cores gebruikt voor het bepalen van de worteldensiteit zijn als substalen gebruikt (zie 2.3.4). De stalen zijn genomen tussen 2 en 4 juni 2021 en zijn koel bewaard tot ze konden voorbehandeld worden. Als voorbehandeling zijn de stalen gedroogd bij 40 °C waarna ze met een kaakbreker vermalen en gehomogeniseerd zijn. Steentjes en (grote) wortels zijn op voorhand uit het bodemstaal verwijderd. De volgende fysische en chemische variabelen zijn bepaald: 

Organisch, anorganisch en totaal koolstofgehalte

Kalkgehalte

Mineralen en metalen (Al, As, Ca, Cd, Co, Cr, Cu, Fe, K, Mg, Mn, Na, Ni, P, Pb, S, Se, Zn)

4

Zowel dode als levende wortels zijn in rekening gebracht. Lange wortels van verschillende centimeters zijn als individu geteld en niet per centimeter zoals Schaffers et al. (2010) suggereren. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 17 van 40


Kationenuitwisselingscapaciteit (CEC)

Totaal stikstof en mineraal stikstof (NH4+, NO2-, NO32-)

Mineraal fosfor (P-Olsen)

pH (H2 O)

Geleidbaarheid of conductiviteit

Sulfaatgehalte

Organisch stofgehalte (LOI)

Textuur

De gevolgde analyseprotocols kunnen aangevraagd worden bij de auteurs.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


3 RESULTATEN 3.1

VEGETATIEKAART

In Figuur 6 tot Figuur 8 is de vegetatiekaart van het studiegebied gegeven. De verschillende dijkvegetaties hebben een gezamenlijk oppervlakte van 17.3 ha, waarvan 10.2 ha in Nederland en 7.1 ha in België. Type 3 Soortenarm glanshavergrasland is het meest voorkomende vegetatietype en komt zowel op de land- als rivierzijde van de dijk voor. Op de tweede plaats staat Type 8 Variabele ruigte dat voornamelijk voorkomt aan de voet van de dijk aan rivierzijde. Type 10 Andere is het derde meest voorkomende type. Dit is een restgroep met o.a. de dijkwegenis. De doelvegetaties op dijken, met name Type 1 Soortenrijk grasland en Type 2 Soortenrijk glanshavergrasland bedekken slechts 7.6% van het dijklichaam. In Nederland bestaat bijna 80% van de dijk uit Type 3 Soortenarm glanshavergrasland. De andere meest voorkomende types, met veel lagere oppervlaktes, zijn Type 10 Andere, Type 8 Variabele ruigte en Type 4 Verruigd glanshavergrasland. De doelvegetaties, Type 1 en Type 2, nemen in Nederland amper 0.5% van het dijklichaam in. De kleine vlekken Rietvegetatie (Type 6) kunnen wijzen op lokale kwelplekken. De vegetatie op het Belgisch deel van de dijk is gevarieerder. Toch is ook in België Type 3 Soortenarm glanshavergrasland aspectbepalend zowel aan land- als rivierzijde. Net als in Nederland neemt Type 8 Variabele ruigte een aardig oppervlakte in, vooral aan de voet van de dijk, voornamelijk aan rivierzijde maar lokaal ook aan landzijde. Op dezelfde dijkzone als Type 8 Variabele ruigte, dus onderaan de dijk, komen bomen en struiken (Type 9) voor dit in tegenstelling tot Nederland waar het type bijna compleet afwezig is. In België is een hoger aandeel begroeid met de doelvegetaties (Type 1 en 2; >17%). Vooral op de kruin aan weerszijden van de dienstweg en aan de teen van de dijk aan landzijde komen de doeltypes voor. Tabel 4 De absolute en relatieve oppervlakten van de verschillende vegetatietypes in het volledige studiegebied (Totaal) en opgesplitst per land (BE: België, NL: Nederland).

BE 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11

Vegetatietype Soortenrijk grasland Soortenrijk glanshavergrasland Soortenarm glanshavergrasland Verruigd glanshavergrasland Brandnetelruigte Rietvegetatie Ruigte van Japanse duizendknoop Variabele ruigte Bomen/struiken Andere Pioniervegetatie Totaal

ha 0.50 0.75 2.76 0.39 0.03 0.03 0.01 0.96 0.96 0.61 0.10 7.11

NL % 7.1 10.6 38.7 5.5 0.4 0.5 0.1 13.6 13.6 8.6 1.4 100.0

ha 0.01 0.04 8.09 0.47 0.02 0.02 0.00 0.66 0.00 0.88 0.00 10.20

Totaal % 0.1 0.4 79.4 4.6 0.2 0.2 0.0 6.5 0.0 8.6 0.0 100.0

ha 0.51 0.79 10.85 0.86 0.05 0.05 0.01 1.62 0.97 1.49 0.10 17.31

% 3.0 4.6 62.7 5.0 0.3 0.3 0.1 9.4 5.6 8.6 0.6 100.0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 19 van 40


Figuur 6 Vegetatiekaart van het stroomafwaarts deel van het studiegebied (Nederland). Met verschillende kleuren zijn de vegetatietypes aangegeven.

Figuur 7 Vegetatiekaart van het middelste deel van het studiegebied (Nederland-België). De verschillende kleuren geven de verschillende vegetatietypes aan. Met zwarte punten zijn de locaties van de proefvlakken gesitueerd.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 8 Vegetatiekaart van het meest stroomopwaarts deel (België) waarop met verschillende kleuren de vegetatietypes zijn aangegeven. De locaties van de proefvlakken in deze zone zijn aangegeven met zwarte punten.

3.2

DETAILOPNAMES

Van de 8 geselecteerde locaties of proefvlakken zijn detailopnames gemaakt. Een detailopname bestaat uit een vegetatieopname, een bepaling van de biomassa en bedekking en het meten van de worteldichtheid. Tot slot zijn voor elk proefvlak chemische en fysische bodemkarakteristieken bepaald. De resultaten zijn getoetst aan de kwaliteitsdoelen (Vandevoorde et al., 2019; Van Kerckvoorde, 2016) (zie ook 2.3).

3.2.1

Vegetatieopnames

In de 8 proefvlakken zijn in totaal 38 soorten hogere planten aangetroffen en twee soorten terrestrische mossen (Tabel 7). De meest voorkomende en meest bedekkende plantensoorten zijn hoge competitieve grassen zoals rietzwenkgras (Festuca arundinacea), glanshaver (Arrhenatherum elatius), kropaar (Dactylis glomerata) en ruw beemdgras (Poa trivialis) maar ook, zij het in minder mate, kweek (Elymus repens) en rood zwenkgras (Festuca rubra). De meest voorkomende niet-grassen zijn gevlekte rupsklaver (Medicago arabica) en vergeten wikke (Vicia sativa subsp. segetalis) (Tabel 7). Op basis van de aanwezige plantensoorten, hun bedekking en hoogte is de vegetatie in de verschillende proefvlakken toegekend aan een vegetatietype. Vegetaties die bestaan uit hoge competitieve grassen zoals rietzwenkgras, glanshaver en kropaar en met gevlekte rupsklaver

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 21 van 40


als belangrijkste niet-gras behoren tot Type 3 Soortenarm glanshavergrasland. Dit is het geval voor de proefvlakken HPP1, HPP3 tot HPP6 (Tabel 5, Tabel 7). In proefvlak HPP2 co-domineren riet (Phragmites autralis) en grote brandnetel (Urtica dioica). Naast deze soorten komen nog verschillende ruigtekruiden voor in het proefv lak waardoor het als een overgangsvegetatie kan beschouwd worden tussen Type 6 Rietvegetatie en Type 5 Brandnetelruigte (Tabel 5, Tabel 7). In proefvlak HPP8 en zeker in proefvlak HPP7 bestaat de vegetatie uit een combinatie van verschillende grassoorten en niet-grassoorten. Rietzwenkgras is nog steeds de dominante soort maar kent er een lagere bedekking in vergelijking met de proefvlakken HPP1 en HPP3 tot HPP6. De hoge soortenrijkdom in proefvlak HPP7 is het argument om de aanwezig vegetatie toe te wijzen aan Type 1 Soortenrijk grasland. De soortenrijkdom is lager in proefvlak HPP8 maar de aanwezigheid van de indicatorsoort kattendoorn (Ononis spinosa) motiveert de toewijzing aan Type 1 Soortenrijk grasland (Tabel 5, Tabel 7). Tabel 5 Toekenning van de vegetatie in de verschillende proefvlakken aan een bepaald vegetatietype conform Vandevoorde et al. (2019).

Proefvlak HPP1 HPP2 HPP3 HPP4 HPP5 HPP6 HPP7 HPP8

Vegetatietype Type 3 Soortenarm glanshavergrasland Type 6 Rietvegetatie/Type 5 Brandnetelruigte Type 3 Soortenarm glanshavergrasland Type 3 Soortenarm glanshavergrasland Type 3 Soortenarm glanshavergrasland Type 3 Soortenarm glanshavergrasland Type 1 Soortenrijk grasland Type 1 Soortenrijk grasland

De vegetatie in de proefvlakken (HPP1 tot HPP8) is getoetst aan de kwaliteitsdoelen. Het aantal soorten hogere planten is geteld, de Shannon-diversiteitindex is berekend net als het Ellenberggetal voor nutriënten 5 . Deze berekende kwaliteitsparameters zijn getoetst aan de kwaliteitsdoelen (zie 2.3) waarvan de resultaten gegeven zijn in Tabel 6. Slechts 1 proefvlak, HPP7, voldoet aan het minimumcriterium van meer dan 15 soorten hogere planten. Ook voor wat de Shannon-diversiteitsindex betreft, is het doel in HPP7 gehaald. De index is ruim meer dan 1.8. In HPP1 is dit doel eveneens gehaald en in HPP8 net niet. In de overige proefvlakken ligt de index 7 tot 41% van het gestelde doel. De doelstelling voor het Ellenberggetal voor nutriënten is met uitzondering van proefvlak HPP2 overal gehaald. Tabel 6 De berekende kwaliteitsparameters zijn voor elk proefvlak gegeven en groen gemarkeerd indien voldaan is aan het kwaliteitsdoel.

Aantal soorten Shannon Ellenberg-N

5

HPP1 14 1.88 5.3

HPP2 9 1.07 8.0

HPP3 10 1.31 5.4

HPP4 14 1.68 5.0

HPP5 14 1.68 5.3

HPP6 6 1.35 5.3

HPP7 22 2.45 5.5

HPP8 12 1.79 4.7

Voor de wijze van berekenen verwijzen we naar Vandevoorde et al. (2019) en Van Kerckvoorde (2016).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 7 Vegetatieopnames van de 8 proefvlakken. Naast datum, lengte en breedte van de proefvlakken is ook de bedekking van de verschillende vegetatielagen gegeven. Hoogte (gemiddeld) komt overeen met de vegetatieve spruiten/bladeren. Hoogte (max. ) is de hoogte van de bloeistengels, telkens in cm. Aansluitend zijn voor elk proefvlak per vegetatielaag de aangetroffen plantensoorten gegeven met hun bedekking. Opname Referentie Datum Lengte (cm) Breedte (cm) Oppervlakte (m²)

HPP1 HPP2 HPP3 HPP4 HPP5 HPP6 HPP7 HPP8 BV21/001 BV21/002 BV21/003 BV21/004 BV21/005 BV21/006 BV21/007 BV21/008 1/06/2021 1/06/2021 1/06/2021 1/06/2021 1/06/2021 2/06/2021 2/06/2021 2/06/2021 200 200 200 200 200 200 200 200 200 200 200 200 200 200 200 200 4 4 4 4 4 4 4 4

Totale bedekking (%) Bedekking kruidlaag (%) Bedekking moslaag (%) Bedekking strooisellaag (%)

100 98 1 30

100 99 0 60

98 95 1 20

99 97 5 20

100 99 1 20

99 97 1 20

99 90 2 30

95 90 1 10

Hoogte (gemiddeld) (cm) Hoogte (max.) (cm)

70 120

130 170

90 150

50 110

50 120

50 100

40-60 110

25-40 65, 100

1 1

60 12 12 1 7 1 2

62 12 12 4 1 2 2 1

32 10 42 10 2 1

40 4 42 10

27 7 12 4 2 2 17 4 4 2 1

22 2 42 4

Kruidlaag Rietzwenkgras Glanshaver Gevlekte rupsklaver Kropaar Ruw beemdgras Vergeten wikke Kweek Rood zwenkgras Veldbeemdgras Slipbladige ooievaarsbek Jakobskruiskruid Fluitenkruid Krulzuring Grote brandnetel Speerdistel Haagwinde Zachte ooievaarsbek Paardenbloem Akkervergeet-mij-nietje Gewone melkdistel Riet Heermoes Akkerwinde Gestreepte witbol Kattendoorn Akkerdistel Duizendblad Dubbelkelk Kleefkruid Zachte dravik Gewone hoornbloem Canadese fijnstraal Gewone berenklauw Smalle weegbree Kruipende boterbloem Viltig kruiskruid Gekroesde melkdistel Ringelwikke

Festuca arundinacea Arrhenatherum elatius Medicago arabica Dactylis glomerata Poa trivialis Vicia sativa subsp. segetalis Elymus repens Festuca rubra Poa pratensis Geranium dissectum Senecio jacobaea Anthriscus sylvestris Rumex crispus Urtica dioica Cirsium vulgare Calystegia sepium Geranium molle Taraxacum Myosotis arvensis Sonchus oleraceus Phragmites australis Equisetum arvense Convolvulus arvensis Holcus lanatus Ononis spinosa Cirsium arvense Achillea millefolium Picris echioides Galium aparine Bromus hordeaceus Cerastium fontanum Erigeron canadensis Heracleum sphondylium Plantago lanceolata Ranunculus repens Senecio erucifolius Sonchus asper Vicia hirsuta

50 10 7 4 4 2 20 7

Moslaag Gewoon dikkopmos Kleisnavelmos

Brachythecium rutabulum Oxyrrhynchium hians

1

1

1 1 1

1 1

2 1 1 1 1

7

2 2 17 2

1 1

1

50 1

2 2

1 1 1

1 1 1 1 1

1 1 40 10

4 4 4 2 2 2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

1

4 1

1 1

1

2 1

1 1

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 23 van 40


3.2.2

Biomassa

De gemeten bovengrondse biomassa in de verschillende proefvlakken varieert afgerond tussen de 3.6 en 9.7 ton droge stof per hectare (ton DS/ha). De biomassa’s in HPP1 tot HPP6 liggen min of meer in dezelfde grootteorde en variëren tussen de 7.6 en 9.7 ton DS/ha. De biomassa’s gemeten in HPP7 en HPP8 wijken hier sterk van af en zijn veel lager (Figuur 9, Tabel 8). Als kwaliteitsdoel is een biomassa tussen de 0.4 en 4.4 ton DS/ha vooropgesteld. Enkel de proefvlakken HPP7 en HPP8 liggen binnen dit bereik en voldoen aan deze doelstelling. De overige proefvlakken (HPP1 tot HPP6) wijken hier sterk van af en overschrijden het doel ruimschoots. De biomassa is er veel te hoog, zelfs bijna dubbel zoveel als het vooropgestelde maximum. Tabel 8 Biomassa in de verschillende proefvlakken, gemeten in ton droge stof per hectare. In groen gemarkeerd de proefvlakken die aan de doelstelling voldoen.

Biomassa (ton DS/ha)

HPP1

HPP2

HPP3

HPP4

HPP5

HPP6

HPP7

HPP8

8.8

7.6

9.7

8.0

7.8

7.8

4.4

3.6

Figuur 9 Bovengrondse biomassa van de vegetatie in de verschillende proefvlakken uitgedrukt in kg droge stof per hectare (kg DS/ha). Met Min en Max wordt het bereik aangegeven waartussen de biomassa moet liggen.

3.2.3

Bedekking

De erosiebestendigheid van de vegetatie wordt onrechtstreeks gemeten door het bepalen of meten van de bedekking met behulp van de raammethode. De bedekking van de vegetatie in de proefvlakken ligt tussen de 31% en 82%. HPP2 wijkt sterk af van de andere proefvlakken doordat het een zeer lage bedekking heeft. Het verschil tussen

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 24 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


de overige proefvlakken is veel geringer, hun bedekking ligt tussen de 65% en 82% (Figuur 10, Tabel 9). De bedekking van de vegetatie op de dijken moet minstens 70% zijn (VTV, 2007). Deze doelstelling wordt ruim gehaald in HPP1 en HPP5 maar ook in HPP6, HPP7 en HPP8. In HPP3 en HPP4 wordt deze doelstelling net niet gehaald. De bedekking in HPP2 wijkt ruim af van de doelstelling. Tabel 9 Bedekking (%) van de vegetatie in de verschillende proefvlakken. In groen gemarkeerde de proefvlakken waar de doelstelling van 70% is gehaald.

Bedekking (%)

HPP1 82.1

HPP2 31.2

HPP3 66.7

HPP4 64.8

HPP5 82.1

HPP6 75.0

HPP7 76.9

HPP8 70.1

Figuur 10 De gemeten bedekking in de verschillende proefvlakken, getoetst aan de doelstelling van 70%.

3.2.4

Worteldichtheid

Aan de hand van de worteldichtheid wordt de zodekwaliteit en erosiebestendigheid van de vegetatie in de proefvlakken beoordeeld. Afhankelijk van het aantal wortels per diepteklasse wordt de zodekwaliteit geëvalueerd als zeer slecht, slecht, matig of goed (Sprangers & Arp 1999; VTV, 2007). In proefvlakken HPP3, HPP4, HPP6 en HPP7 is de zodekwaliteit matig, in HPP1, HPP5 en HPP8 slecht en in proefvlak HPP2 is de zodekwaliteit als zeer slecht beoordeeld ( Figuur 11, Tabel 10). In de proefvlakken HPP3 en HPP4 scoort de worteldichtheid op verschillende dieptes goed maar omdat op 2 of meer dieptes een lagere score wordt gehaald, telt de minst gunstige score als eindoordeel (Figuur 11).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 25 van 40


Het verloop van de wortelaantallen in proefvlak HPP8 is bijzonder. De wortelaantallen scoren goed in de bovenste bodemlagen maar tussen 5-10 cm onder het maaiveld dalen de wortelaantallen sterk om uiteindelijk een eindescore van slecht te krijgen (Figuur 11). Tabel 10 Beoordeling van de zodekwaliteit op basis van de gemeten worteldichtheid.

Zodekwaliteit (worteldichtheid)

HPP1 slecht

HPP2 zeer slecht

HPP3 matig

HPP4 matig

HPP5 slecht

HPP6 matig

HPP7 matig

HPP8 slecht

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 26 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Figuur 11 Worteldiagram van elk proefvlak waarin per diepteklasse het wortelaantal is gegeven. Links van de rode lijn is de kwaliteit zeer slecht, tussen de rode en oranje is de kwaliteit slecht, tussen oranje en groen matig en rechts van groen is de kwaliteit goed.

3.2.5

Bodem

De bodemstalen zijn geanalyseerd op fysische en chemische eigenschappen. De textuuranalyses zijn bepaald via laserdiffractie. Tot de fractie klei is gerekend de partikels met een grootte tussen 0.4 - 6 µm, tot de leemfractie de partikels tussen 6 – 63 µm en de partikels tussen 63 – 2000 µm tot de zandfractie. Op basis van deze textuuranalyses kunnen de bodems ingepast worden in het Belgisch classificatiesysteem. Met uitzondering van proefvlak HPP4 en HPP5 die resp. tot de textuurklasse zandleem en zware klei behoren, hebben alle proefvlakken een kleiige textuur ( Tabel 11). Tabel 11 Textuuranalyses van de verschillende proefvlakken uitgedrukt in volumepercentage per fractie. De overeenkomstige textuurklasse is gegeven.

Klei (0.4-6 µm) Leem (6-63 µm) Zand (63-2000 µm) Textuurklasse

HPP1 31.3 55.5 13.2

HPP2 31.0 59.4 9.6

HPP3 21.9 53.6 24.5

HPP4 17.8 54.7 27.5

HPP5 40.3 39.8 19.9

HPP6 25.9 44.0 30.2

HPP7 25 50.9 24.1

HPP8 20.0 38.0 42.0

E Klei

E Klei

E Klei

L Zandleem

U Zware klei

E Klei

E Klei

E Klei

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 27 van 40


De bodem in alle proefvlakken is matig alkalisch (pH tussen 8.14 en 8.38) (Tabel 12). Proefvlak HPP2 wijkt af wat de hoeveelheid koolstof betreft. LOI en het totaal koolsto fgehalte zijn er opvallend hoger dan in de bodem van de andere proefvlakken, waar de LOI gemiddeld 50.5 g/kg en het totaal koolstofgehalte 27.8 g/kg is. Dit verschil is vooral te wijten aan het hoger gehalte aan organische koolstof in dit proefvlak, in vergelijking met de andere proefvlakken (39.3 vs. gemiddeld 20.2 g/kg). Het anorganische koolstofgehalte (TIC) daarentegen is vergelijkbaar tussen de proefvlakken. Deze organische koolstof of organische stof vindt zijn oorsprong in afgestorven plantenmateriaal (wortels, stengels, bladeren). Dit organisch materiaal mineraliseert als er geen limitatie optreedt door nutriënten, zuurstof of zuurtegraad. In het proefvlak HPP2 is het niet te zuur en er zijn ook voldoende nutriënten (N, P) aanwezig. De enige resterende limiterende factor is dan zuurstof. Een tekort aan zuurstof in de bodem treedt op bij waterverzadiging. Ook wat kalk- en sulfaatgehalte betreft, zijn opvallend hogere waarden gemeten in proefvlak HPP2. Hetzelfde patroon is herkenbaar in de nutriënten. De gehaltes aan mineraal stikstof (ammonium, nitriet, nitraat) en mineraal fosfor (P-Olsen) zijn veel hoger in vergelijking met de overige proefvlakken. Als HPP2 buiten beschouwing wordt gelaten, bedraagt het gehalte aan mineraal fosfor (P-Olsen) gemiddeld 24.1 mg/kg en mineraal stikstof 9.3 mg/kg. Soortenrijke graslanden ontwikkelen kan enkel als het gebrek aan een essentiële voedingsstof de groei van de planten limiteert of remt. Raman et al. (2016) stellen dat voor de ontwikkeling van glanshavergrasland de fosforgehaltes onder de 25 mg/kg moeten zijn. Voor glanshavergraslanden in een gunstige staat van instandhouding moeten de fosforwaarden zelfs minder dan 9.1 mg/kg P-Olsen bedragen (Van Calster et al., 2020). De kationenuitwisselingscapaciteit (CEC) varieert tussen de 14.1 en 27.8 cmol(+)/kg en er treedt basenverzadiging op (((Ca Exch. + Mg Exch. + K Exch. + Na Exch.)/CEC) > 100%). Wat de mineralen en metalen betreft zijn de waarden tussen de proefvlakken vergelijkbaar met uitzondering van proefvlak HPP2 en HPP6.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 28 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Tabel 12 Analyseresultaten van de bodemstalen in de proefvlakken (HPP1 tot HPP8). Bodemvariabele LOI pH H2O Geleidbaarheid N-totaal N-mineraal Ammonium Nitriet Nitraat Totaal koolstof TIC TOC P-Olsen Kalkgehalte Sulfaat Ca Exch. Mg Exch. K Exch. Na Exch. Al Exch. Mn Exch. Fe Exch. H Exch. CEC Totaal Al Totaal As Totaal Ca Totaal Cd Totaal Co Totaal Cr Totaal Cu Totaal Fe Totaal K Totaal Mg Totaal Mn Totaal Na Totaal Ni Totaal P Totaal Pb Totaal S Totaal Se Totaal Zn

Eenheid g/kg µs/cm g/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg g/kg g/kg g/kg mg/kg g/kg mg/kg cmol(+)/kg cmol(+)/kg cmol(+)/kg cmol(+)/kg cmol(+)/kg cmol(+)/kg cmol(+)/kg cmol(+)/kg cmol(+)/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg

HPP1 52.3 8.30 124.3 2.0 8.88 6.63 <0,5 2.22 27.5 7.3 20.2 27.28 82.4 15.87 22.99 0.94 1.01 <0,2 <0,05 <0,05 <0,05 <1 22.8 25525.1 14.6 28111.6 0.2 7.0 42.6 9.3 27761.2 6906.6 6192.6 329.6 241.4 19.2 525.3 16.1 445.3 3.4 59.1

HPP2 91.7 8.14 214.4 3.6 23.50 9.39 <0,5 14.04 50.5 11.2 39.3 53.21 128.7 127.21 28.44 4.39 1.35 <0,2 <0,05 <0,05 <0,05 <1 27.8 27497.5 29.1 41180.0 2.4 13.1 67.5 39.6 30970.4 7372.4 6901.2 716.3 299.8 21.5 790.6 77.2 818.8 5.2 379.9

HPP3 51.5 8.29 112.0 1.9 9.07 5.96 <0,5 3.10 28.3 7.6 20.7 23.02 81.5 15.13 18.59 0.69 0.41 <0,2 <0,05 <0,05 <0,05 <1 17.1 16297.4 12.4 27396.8 0.5 5.8 34.4 9.7 21118.3 4744.6 4281.1 244.7 208.6 13.8 528.9 17.9 504.3 2.8 66.5

HPP4 41.3 8.38 109.3 1.5 7.70 5.12 <0,5 2.59 23.7 7.8 16 22.33 84.1 11.58 16.3 0.66 0.74 <0,2 <0,05 <0,05 <0,05 <1 14.1 15261.1 11.4 27486.4 0.2 5.2 30.8 7.9 18978.7 4705.6 3931.3 230.8 195.7 11.8 486.6 15.3 344.2 <1,5 51.9

HPP5 57.8 8.31 175.8 2.0 8.12 5.46 <0,5 2.66 26.5 6.2 20.3 34.79 74.8 38.93 22.87 1.27 1.07 0.54 <0,05 <0,05 <0,05 <1 22.1 24828.9 15.3 24921.0 0.3 7.0 43.5 11.0 27993.2 7201.7 5665.4 384.5 346.6 18.4 550.6 20.7 373.0 3.4 72.7

HPP6 51.3 8.36 105.5 1.9 5.75 3.92 <0,5 1.84 30.9 9.6 21.3 12.08 97.4 13.11 18.81 0.51 0.25 <0,2 <0,05 <0,05 <0,05 <1 16.2 17698.3 15.1 35979.9 0.6 6.2 42.4 16.4 20231.5 4969.6 4362.0 250.8 246.5 13.1 382.1 34.8 576.1 <1,5 138.5

HPP7 56.0 8.15 131.7 2.4 15.42 7.48 <0,5 7.91 30.3 4.6 25.7 26.7 58.9 15.03 21.04 0.98 0.89 <0,2 <0,05 <0,05 <0,05 <1 20.5 19873.9 12.7 19447.4 0.3 6.0 37.2 8.9 23149.0 5904.6 4872.5 247.6 204.8 14.9 482.5 15.9 429.3 1.6 59.3

HPP8 43.4 8.32 113.5 1.6 9.93 5.22 <0,5 4.67 27.1 9.6 17.4 22.68 90.3 14.97 15.51 0.61 0.6 <0,2 <0,05 <0,05 <0,05 <1 14.8 11208.0 11.7 32132.3 0.3 4.7 26.7 6.9 18638.4 3528.1 3377.2 201.1 232.3 10.3 441.5 15.0 447.6 <1,5 54.8

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 29 van 40


4 BESLUIT De verschillende dijkvegetaties hebben een gezamenlijke oppervlakte van 17.3 ha, waarvan 10.2 ha in Nederland en 7.1 ha in België. Type 3 Soortenarm glanshavergrasland is het meest voorkomende vegetatietype, zowel op de land- als rivierzijde van de dijk, terwijl Type 8 Variabele ruigte het tweede meest voorkomende vegetatietype is. Dit staat vooral aan de voet van de dijk aan rivierzijde. De doelvegetaties voor Scheldedijken, Type 1 Soortenrijk grasland en Type 2 Soortenrijk glanshavergrasland, bedekken 7.6% van het dijklichaam. In Nederland bestaat bijna 80% van de dijk uit Type 3 Soortenarm glanshavergrasland. Vermeldenswaardig zijn de kleine vlekken Rietvegetatie (Type 6) die wijzen op lokale kwelplekken, zoals ook blijkt uit de bodemanalyses. De vegetatie op het Belgisch deel van de dijk is gevarieerder. Type 3 Soortenarm glanshavergrasland is er eveneens aspectbepalend en domineert zowel de land- als rivierzijde van de dijkhelling. Net als in Nederland neemt Type 8 Variabele ruigte een aardige oppervlakte in. Het staat ook hier vooral aan de voet van de dijk aan rivierzijde, maar in tegenstelling tot Nederland waar bomen en struiken compleet afwezig zijn, komen daar ook bomen en struiken voor. In vergelijking met Nederland is in België een hoger aandeel van de dijk begroeid met de doelvegetaties (Type 1 en 2), vooral op de kruin aan weerszijden van de dienstweg en aan de teen van de dijk aan landzijde. In plaats van de geplande 16 konden slechts 8 proefvlakken worden geselecteerd omdat de dijk in Nederland reeds gemaaid was. Twee proefvlakken zijn gesitueerd in Nederland, de rest in België. Zes van de proefvlakken liggen op de dijkhelling aan landzijde; op de kruin en teen van de dijk is telkens 1 proefvlak gelokaliseerd. Op basis van de vegetatieopnames van deze proefvlakken konden ze aan een bepaald vegetatietype worden toegekend. Met uitzondering van 1 proefvlak behoren alle proefvlakken op de dijkhelling tot het Type 3 Soortenarm glanshavergrasland. Het andere proefvlak is op een kwelplek gelegen en is als een overgangsvegetatie tussen Type 6 Rietvegetatie en Type 5 Brandnetelruigte getypeerd. De vegetatie in de proefvlakken op de kruin en teen behoren tot Type 1 Soortenrijk grasland. De vegetatie is getoetst aan de kwaliteitsdoelen. Slechts in 1 proefvlak, HPP7, waren er meer dan 15 soorten hogere planten aanwezig. In datzelfde proefvlak maar ook in proefvlak HPP1, reikte de Shannon-diversiteitsindex boven het doel van 1.8. Het Ellenberggetal voor nutriënten was wel voldoende laag in de verschillende proefvlakken, enkel in HPP2 met een overgangsvegetatie tussen Type 6 Rietvegetatie en Type 5 Brandnetelruigte was dit niet het geval. In alle proefvlakken met een vegetatie van Type 3 Soortenarm glanshavergrasland of e en overgangsvegetatie van Type 6 Rietvegetatie/Type 5 Brandnetelruigte was de biomassa ruim te hoog, bijna dubbel zo hoog als het vooropgestelde doel. Enkel in de proefvlakken met soortenrijk grasland was de biomassa binnen het bedoelde bereik. De bedekking van de vegetatie geldt als proxy voor de erosiebestendigheid van de vegetatie. In 5 proefvlakken was de bedekking hoger dan het doel van 70% waardoor de vegetatie in deze ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 30 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


proefvlakken als erosiebestendig kan beschouwd worden. Sterk afwijkend was proefvlak HPP2. De rietvegetatie/brandnetelruigte levert een bedekking van slechts 31%, ruim ongeschikt naar erosiebestendigheid toe. Ook de zodekwaliteit in dit proefvlak, bepaald aan de hand van de worteldichtheid, scoort zeer slecht. De erosiebestendigheid is onrechtstreeks gemeten door het bepalen van de bedekking. Ook het meten van de worteldichtheid is een onrechtstreekse manier om de erosiebestendigheid te meten. Beide methoden zijn toegepast maar de resultaten zijn niet steeds in overeenstemming. In proefvlakken HPP2, HPP6 en HPP7 is er overeenstemming tussen beide methodes. In HPP2 is de bedekking te laag en ook de zodekwaliteit is er zeer slecht. In HPP6 en HPP7 is de bedekking voldoende en de zodekwaliteit matig. Maar in de proefvlakken HPP1, HPP5 en HPP8 is de bedekking goed maar de zodekwaliteit blijkt slecht te zijn. Ook omgekeerd, in proefvlakken HPP3 en HPP4 is de bedekking net niet voldoende, maar de worteldichtheid scoort toch matig. Bij het indirect bepalen van de erosiebestendigheid kan het meten van de worteldichtheid als doorslaggevend worden beschouwd.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 31 van 40


Referenties Ellenberg H., Weber H.E., Düll R., Wirth V., Werner W. & Paulissen D. (1992). Zeigerwerte von Pflanzen in Mitteleuropa. Scripta geobotanica 18: 1-248. Moore P.D. & Chapman S.B. (1986). Methods in Plant Ecology. Second edition. Blackwell Scientific Publications, Oxford, 588 p. Raman M., De Dobbelaer T., Vangansbeke P. & De Schrijver A. (2016). Potenties voor ontwikkeling van kwartelkoning en porseleinhoenhabitat in de Vallei van de Grote Nete. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.R.2016.12622497. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Schaffers A.P., Frissel J.Y., van Adrichem M.H.C. & Huiskes H.P.J. (2010). Seizoensverloop in de doorworteling van dijkgrasland. VTV-toetsing buiten het winterseizoen nader bekeken. Alterrarapport 2014, Alterra, Wageningen. Schaminée J.H.J., Stortelder A.H.F. & Westhoff V. (1995). De vegetatie van Nederland. Deel 1 Inleiding tot de plantensociologie: grondslagen, methoden en toepassingen. Opulus Press, Uppsala, Leiden, 296 p. Sprangers J.T.C.M. & Arp W.A. (1999). Toetsingsparameter dijkgrasland – indicatorsoorten dijkgraslandtypen en worteldichtheidbepalingen (handmethode). Rapport IBN-DLO, Wageningen. Sýkora K.V. & Liebrand C.I.J.M. (1987). Natuurtechnische en civieltechnische aspecten van rivierdijkvegetaties. Landbouwuniversiteit Wageningen, 194 p. Van Calster H., Cools N., De Keersmaeker L., Denys L., Herr C., Leyssen A., Provoost S., Vanderhaeghe F., Vandevoorde B., Wouters J. & Raman M. (2019). Gunstige abiotische bereiken voor vegetatietypes in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (44). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Vandevoorde B., Dhaluin P., Van Lierop F., Elsen R. & Van den Bergh E. (2019). Beheervoorstel voor de dijkvegetaties van de Zeeschelde, Durme en Rupel (district 1 & 2). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (45). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Van Kerckvoorde A. (2016). Een typologie en beschrijving van de kruidvegetatie op bermen en dijken langs W&Z-beheerde waterwegen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek D/2016/3241/278. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 40 p. VTV (2007). Voorschrift Toetsen op Veiligheid Primaire Waterkeringen. Iov. Ministerie van Verkeer en Waterstaat Directoraat-Generaal Water, Den Haag.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 32 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Bijlagen

Bijlage A: Proefvlak 1 (HPP1)

LamX (punt a)

140604.142

Vegetatietype

LamY (punt a) Z mTAW (punt a) LamX (punt b) LamY (punt b) Z mTAW (punt b) Helling (°) Helling (%) Expositie Afstand kruin (m)

226066.610 8.901 140604.538 226063.938 8.366 15.5 27.8 WZW 10 (l a nd)

Aantal soorten Shannon-diversiteit Ellenberg nutriënten Biomassa (ton DS/ha) Bedekking (%) Worteldichtheid

Type 3 Soortenarm gl a nshavergrasland 14 1.88 5.3 8.8 82.1 s l echt

Figuur 12 Toestandsfoto van het proefvlak HPP1 (BV21/001, 01/06/2021).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 33 van 40


Bijlage B: Proefvlak 2 (HPP2)

LamX (punt a)

140441.301

Vegetatietype

LamY (punt a) Z mTAW (punt a) LamX (punt b) LamY (punt b) Z mTAW (punt b) Helling (°) Helling (%) Expositie Afstand kruin (m)

226278.274 6.117 140440.644 226275.832 5.431 20.1 36.5 WZW 20 (l a nd)

Aantal soorten Shannon-diversiteit Ellenberg nutriënten Biomassa (ton DS/ha) Bedekking (%) Worteldichtheid

Type 6 Ri etvegetatie/Type 5 Bra ndnetelruigte 9 1.07 8.0 7.6 31.2 zeer s lecht

Figuur 13 Toestandsfoto van het proefvlak HPP2 (BV21/002, 01/06/2021).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 34 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Bijlage C: Proefvlak 3 (HPP3)

LamX (punt a)

140691.002

Vegetatietype

LamY (punt a) Z mTAW (punt a) LamX (punt b) LamY (punt b) Z mTAW (punt b) Helling (°) Helling (%) Expositie Afstand kruin (m)

225966.044 6.084 140690.493 225963.482 5.273 23.9 44.4 WZW 17 (l a nd)

Aantal soorten Shannon-diversiteit Ellenberg nutriënten Biomassa (ton DS/ha) Bedekking (%) Worteldichtheid

Type 3 Soortenarm gl a nshavergrasland 10 1.31 5.4 9.7 66.7 ma ti g

Figuur 14 Toestandsfoto van het proefvlak HPP3 (BV21/003, 01/06/2021).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 35 van 40


Bijlage D: Proefvlak 4 (HPP4)

LamX (punt a)

140825.905

Vegetatietype

LamY (punt a) Z mTAW (punt a) LamX (punt b) LamY (punt b) Z mTAW (punt b) Helling (°) Helling (%) Expositie Afstand kruin (m)

225843.756 10.760 140825.507 225841.016 10.151 17.7 32.0 WZW 5 (l a nd)

Aantal soorten Shannon-diversiteit Ellenberg nutriënten Biomassa (ton DS/ha) Bedekking (%) Worteldichtheid

Type 3 Soortenarm gl a nshavergrasland 14 1.68 5.0 8.0 64.8 ma ti g

Figuur 15 Toestandsfoto van het proefvlak HPP4 (BV21/004, 01/06/2021).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 36 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Bijlage E: Proefvlak 5 (HPP5)

LamX (punt a)

140961.455

Vegetatietype

LamY (punt a) Z mTAW (punt a) LamX (punt b) LamY (punt b) Z mTAW (punt b) Helling (°) Helling (%) Expositie Afstand kruin (m)

225699.702 10.167 140961.108 225697.099 9.527 18.7 33.8 WZW 6.5 (l a nd)

Aantal soorten Shannon-diversiteit Ellenberg nutriënten Biomassa (ton DS/ha) Bedekking (%) Worteldichtheid

Type 3 Soortenarm gl a nshavergrasland 14 1.68 5.3 7.8 82.1 s l echt

Figuur 16 Toestandsfoto van het proefvlak HPP5 (BV21/005, 01/06/2021).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 37 van 40


Bijlage F: Proefvlak 6 (HPP6)

LamX (punt a)

139938.360

Vegetatietype

LamY (punt a) Z mTAW (punt a) LamX (punt b) LamY (punt b) Z mTAW (punt b) Helling (°) Helling (%) Expositie Afstand kruin (m)

226852.927 8.442 139940.358 226850.981 7.819 18.1 32.8 Z 15 (l a nd)

Aantal soorten Shannon-diversiteit Ellenberg nutriënten Biomassa (ton DS/ha) Bedekking (%) Worteldichtheid

Type 3 Soortenarm gl a nshavergrasland 6 1.35 5.3 7.8 75.0 ma ti g

Figuur 17 Toestandsfoto van het proefvlak HPP6 (BV21/006, 02/06/2021).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 38 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Bijlage G: Proefvlak 7 (HPP7)

LamX (punt a) LamY (punt a) Z mTAW (punt a) LamX (punt b) LamY (punt b) Z mTAW (punt b) Helling (°) Helling (%) Expositie Afstand kruin (m)

140695.304 225947.615 3.941 140695.300 225944.876 3.896 1.3 2.3 WZW 27 (teen)

Vegetatietype Aantal soorten Shannon-diversiteit Ellenberg nutriënten Biomassa (ton DS/ha) Bedekking (%) Worteldichtheid

Type 1 Soortenrijk grasland 22 2.45 5.5 4.4 76.9 ma ti g

Figuur 18 Toestandsfoto van het proefvlak HPP7 (BV21/007, 02/06/2021).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo

doi.org/10.21436/inbor.70310631

Pagina 39 van 40


Bijlage H: Proefvlak 8 (HPP8)

LamX (punt a) LamY (punt a) Z mTAW (punt a) LamX (punt b) LamY (punt b) Z mTAW (punt b) Helling (°) Helling (%) Expositie Afstand kruin (m)

140921.148 225748.397 11.111 140921.045 225745.683 10.916 5.6 9.8 ZW 1.5 (krui n)

Vegetatietype Aantal soorten Shannon-diversiteit Ellenberg nutriënten Biomassa (ton DS/ha) Bedekking (%) Worteldichtheid

Type 1 Soortenrijk grasland 12 1.79 4.7 3.6 70.1 s l echt

Figuur 19 Toestandsfoto van het proefvlak HPP8 (BV21/008, 02/06/2021).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 40 van 40

doi.org/10.21436/inbor.70310631

www.vlaanderen.be/inbo


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook