Skip to main content

gelijke_onderwijskansen_Adv_Vlor.pdf

Page 1

Algemene Raad 21 februari 2020 AR-AR-ADV-1920-006

Spots op gelijke onderwijskansen Advies met beleidsvoorstellen voor krachtig GOK-beleid

Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be


Advies op vraag van Hilde Crevits, viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Onderwijs op 3 mei 2019 Uitgebracht door de Algemene Raad op 21 februari 2020 met eenparigheid van stemmen Voorbereiding: commissie Diversiteit en Gelijke Onderwijskansen op 17 september 2019, 8 oktober 2019, 5 november 2019, 21 november 2019 en 5 december 2019 onder voorzitterschap van Kaat Delrue Met inbreng van: werkgroep Democratisering HO op 15 oktober 2019; commissie Specifieke Noden op 7 november 2019; Raad Hoger Onderwijs op 12 november 2019; Raad Basisonderwijs op 13 november 2019; Raad Secundair Onderwijs op 14 november 2019 Dossierbeheerder: Marleen Colpin

Vlaamse Onderwijsraad – Koning Albert II-laan 37 – BE-1030 Brussel – info@vlor.be – www.vlor.be


INHOUD 1 SITUERING

2

1.1 VERDERE CONCRETISERING VAN EERDER ADVIES

2

1.2 FOCUS VAN DIT ADVIES

2

2 HANTEER EEN GEDEELD KADER VOOR KRACHTIG GOK-BELEID

3

2.1 ALGEMENE DOELSTELLING: DE PRESTATIEKLOOF VERKLEINEN

3

2.2 HEFBOMEN VOOR GELIJKE KANSEN

4

2.3 GEÏNTEGREERD GOK-BELEID VANUIT HET OK-KADER

6

3 BEKIJK VERANTWOORDING BREED EN OPBOUWEND

6

3.1 VIA EEN BREDE WAAIER AAN MECHANISMEN

7

3.2 MET RESPECT VOOR VOORWAARDEN EN UITDAGINGEN

7

4 VERSTERK ALLE PARTNERS OM HUN ROL WAAR TE MAKEN

9

4.1 SAMENWERKING EN EXPERTISEDELING TUSSEN ONDERWIJSPARTNERS EN ANDERE BELEIDSDOMEINEN 9 4.2 DE SCHOOL

10

4.3 ANDERE ACTOREN

11

5 STIMULEER SAMENWERKING EN UITWISSELING TUSSEN LEERPLICHTONDERWIJS EN HOGER ONDERWIJS

12

6 GEEF PRIORITEIT AAN ONDERZOEK NAAR GOK IN BUITENGEWOON ONDERWIJS

14

7 TOT SLOT

15

1


1 Situering 1.1 Verdere concretisering van eerder advies In maart 2019 bracht de Vlor een advies uit met beleidsvoorstellen voor de financiering en het beleid van gelijke onderwijskansen (GOK) in het leerplichtonderwijs.1 Minister Crevits vroeg ons in haar reactie op het advies om de voorstellen verder te concretiseren. Eerst hernemen we kort de aanbevelingen uit het eerdere advies, waar de Vlor nog steeds achter staat. Dat advies vormt één geheel met dit nieuwe advies. Voor de Vlor moet gelijkeonderwijskansenbeleid de prestatiekloof verkleinen, die verklaard kan worden door achtergrondkenmerken. Daarom vragen we: 1 2

3 4 5 6

7

Zet gelijke kansen hoog op de beleidsagenda. Voorzie adequate financiering. • Behoud het GOK-financieringsmechanisme en de gekozen kenmerken. • Integreer de GOK-middelen ook in het secundair onderwijs in de reguliere financiering. • Verwacht transparante verantwoording over gelijkekansenbeleid. • Onderzoek de inzet van GOK-middelen in het buitengewoon onderwijs. • Voorzie bijkomende middelen. Blijf de prestatiekloof monitoren. Zet in op professionalisering en ondersteuning van scholen. Werk aan afstemming en samenwerking met andere beleidsdomeinen. Met aandacht voor: • De centrale rol van de leraar • Belang van vroege participatie • Taalbeleid • Studiekeuze en kostenbeheersing • Toegankelijke hulpverlening Laat extra onderzoek uitvoeren.

1.2 Focus van dit advies GOK mag niet naar de achtergrond verdwijnen, noch op Vlaams beleidsniveau, noch bij scholen. Daarom richt de Vlor met dit advies opnieuw de spot op GOK. We formuleren bijkomende beleidsaanbevelingen voor doelgericht en kwaliteitsvol GOK-beleid. We gaan daarmee in op de vraag tot verdere concretisering door de vorige minister en nemen daarvoor de prioriteiten uit de beleidsnota van minister Weyts als uitgangspunt. In zijn recente advies over die beleidsnota pleit de Vlor voor een versterkt en geïntegreerd gelijke kansenbeleid. Dat is een basisvoorwaarde om kwaliteit en excellentie voor alle leerlingen te kunnen realiseren.2 In dit advies werken we volgende verwachtingen uit, waarbij we aangeven wat we van de overheid verwachten en welke rol het onderwijsveld op zich kan nemen:

1 Vlaamse

Onderwijsraad, Algemene Raad. Beleidsaanbevelingen over de GOK-financiering en het GOK-beleid naar aanleiding van drie SONO-onderzoeken, 28 maart 2019. 2 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Advies over de beleidsnota Onderwijs 2019-2024, 28 november 2019, § 2.2.3 en 5.1.5.

2


Overheid en onderwijsveld scharen zich achter een gedeelde algemene doelstelling en werken een beleid uit om ze te realiseren, elk volgens zijn eigen rol. (zie 2.1) Overheid en scholen nemen de volle breedte van GOK (zes thema's) als uitgangspunt voor beleid dat compenseert voor kansarmoede en geen extra drempels opwerpt. (2.2) Scholen voeren een geïntegreerd GOK-beleid vanuit het referentiekader Onderwijskwaliteit. De overheid stimuleert dat via middelen en ruimte. (2.3) De overheid stimuleert scholen om hun kwaliteitsontwikkeling opbouwend te verantwoorden en creëert de voorwaarden om die cultuur te ontwikkelen. (3) De overheid stimuleert en waardeert overal samenwerking en expertise-uitwisseling om kansarmoede integraal aan te pakken. Veel partners dragen bij aan versterkt GOK-beleid, elk vanuit zijn rol en specifieke expertise. (4) Overheid, scholen en instellingen zetten in op meer samenwerking en expertisedeling tussen leerplicht- en hoger onderwijs. (5) Onderzoek naar GOK in buitengewoon onderwijs krijgt prioriteit. (6)

2 Hanteer een gedeeld kader voor krachtig GOK-beleid Het is belangrijk dat overheid en onderwijsveld met hun GOK-beleid dezelfde doelstelling voor ogen hebben en dezelfde hefbomen hanteren. Alleen dan kan GOK-beleid effectief zijn. Dat gedeeld kader omvat eenzelfde algemene doelstelling, de thema’s van het GOK-beleid en een eenduidige manier waarop overheid en scholen dat kader kunnen hanteren. 3

2.1 Algemene doelstelling: de prestatiekloof verkleinen Het doel van GOK-beleid is de prestatiekloof verkleinen, die verklaard kan worden door achtergrondkenmerken.4 De verschillen tussen leerlingen in leerresultaten en schoolloopbanen mogen niet te verklaren zijn op basis van achtergrondkenmerken zoals socio-economische status (SES) en herkomst. De recentste PISA-resultaten leren ons dat de economische, sociale en culturele status van Vlaamse leerlingen meer dan gemiddeld bepalend is voor hun resultaten op de PISA-testen. En een groeiend aantal leerlingen haalt niet het referentieniveau voor geletterdheid dat nodig is om maatschappelijk te kunnen functioneren. 5 De Vlor benadrukt dat voor alle leerlingen een minimumniveau nagestreefd moet worden.

We gebruiken in dit advies GOK als overkoepelende term voor basis- en secundair onderwijs. In gewoon basisonderwijs is GOK-beleid geoperationaliseerd als SES-beleid en zijn de middelen die scholen krijgen op basis van het aantal leerlingen dat aantikt op SES-indicatoren, geïntegreerd in de reguliere werkingsmiddelen en omkadering. Voor secundair onderwijs en buitengewoon onderwijs zijn de GOK-middelen (omkadering en werking) niet geïntegreerd. 4 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Beleidsaanbevelingen over de GOK-financiering en het GOK-beleid naar aanleiding van drie SONO-onderzoeken, 28 maart 2019, § 2. 5 http://www.pisa.ugent.be/nl/resultaten/vlaamse-publicaties/2018 (geraadpleegd op 10 december 2019). Op 5 december 2019 stelde Inge De Meyer de resultaten van PISA 2018 voor aan de Vlor. 3

3


Om dat mogelijk te maken, is extra ondersteuning nodig voor kinderen en jongeren die hun onderwijsloopbaan starten met een achterstand of verhoogd risico. De Vlor pleit dan ook voor adequate financiering en dus voor behoud van de extra middelen voor scholen met veel leerlingen die aantikken op SES- en GOK-indicatoren.6 Als die middelen, zoals eerder gevraagd, overal geïntegreerd worden in de reguliere financiering, kunnen scholen ze structureel en doeltreffend inzetten. Zo kunnen drempels weggewerkt worden en de voorwaarden om tot excelleren te komen, vervuld. Armoede is een drempel met een heel grote impact op vele aspecten van de ontwikkeling en schoolloopbaan. Voor armoedebestrijding is dan ook een structurele aanpak nodig, in samenwerking tussen de school en vele andere actoren (zie 4.1). De algemene doelstelling is een collectieve verantwoordelijkheid en de realisatie moet in een samenspel van alle actoren nagestreefd worden. Elke actor moet expliciet zijn eigen beleid bepalen en operationaliseren, elk volgens de rol die hij vervult.

2.2 Hefbomen voor gelijke kansen 2.2.1

Zes thema’s

GOK-beleid kan niet gereduceerd worden tot taalbeleid of huiswerkbegeleiding. Kansarmoede is een complexe problematiek die breed aangepakt moet worden. Het GOK-decreet (2002) reikte scholen zes thema’s aan om hun GOK-beleid uit te werken:7 1 preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden, 2 taalvaardigheidsonderwijs, 3 intercultureel onderwijs, 4 doorstroming en oriëntering, 5 socio-emotionele ontwikkeling, 6 leerlingen- en ouderparticipatie. Voor de Vlor zijn die thema’s nog altijd dé structurele hefbomen waarmee scholen kunnen ingrijpen op ongelijke kansen. Samen geven ze de volle breedte en complexiteit van gelijke onderwijskansen weer.

6 Vlaamse

Onderwijsraad, Algemene Raad. Beleidsaanbevelingen over de GOK-financiering en het GOK-beleid naar aanleiding van drie SONO-onderzoeken, 28 maart 2019, § 4.2. 7 Secundaire scholen hanteren die thema’s binnen de driejarige GOK-cyclus. Ze kiezen doelstellingen binnen die thema’s, inspelend op hun beginsituatieanalyse en het profiel van hun leerlingen. Zie Besluit van de Vlaamse Regering houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs (Codex), Art. 228 (zes thema’s voor de eerste graad) en Art. 237 (vijf thema’s voor de tweede en derde graad). Voor buitengewoon onderwijs geldt een aangepaste lijst van thema’s: 1° een gericht aanbod rond taalvaardigheidsonderwijs uitwerken […]; 2° onderwijsgerichte opvoedingsondersteuning aanbieden aan ouders; 3° de (laagdrempelige) sociale functies opnemen in een netwerk met partners uit andere sectoren. Zie Decreet Basisonderwijs, Art. 139 quater decies, en Codex SO, Art. 320.

4


2.2.2

Invulling van de thema’s gebaseerd op recente inzichten

De manier waarop scholen de thema’s invullen, is cruciaal. De aanpak moet de achterstandspositie van leerlingen compenseren, en mag geen extra drempels opwerpen. Recente wetenschappelijke inzichten leren ons hoe dat kan:8 1 Preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden: Scholen brengen de ontwikkeling en het leren van leerlingen breed in kaart, om daar gericht op in te spelen. Daarbij gaat het om vooruitgang op alle ontwikkelingsdomeinen – niet enkel cognitieve. Dat kan aan de hand van een goed leerlingvolgsysteem. Transparante communicatie t.a.v. ouders en leerlingen over de vorderingen is noodzakelijk. Zo komen zij niet voor verrassingen te staan. 2 Taalvaardigheidsonderwijs: Het is erg belangrijk dat dit thema deel uitmaakt van een ruimere aanpak die de complexiteit van kansarmoedebestrijding erkent. Omgaan met meertaligheid en thuistaal, zowel vanuit een emotioneel als vanuit een leerperspectief, maakt deel uit van een doordacht taalbeleid van een school. 3 Intercultureel onderwijs: De Vlor pleit voor een schoolbeleid dat positief omgaat met diversiteit door het als een meerwaarde te zien.9 Verschillen tussen leerlingen waarderen en erkennen, kan de kloof tussen groepen leerlingen helpen verkleinen, zowel op vlak van welbevinden als op vlak van prestaties.10 4 Doorstroming en oriëntering: De school zet actief in op onderwijsloopbaanbegeleiding, incl. studiekeuzebegeleiding. Ook hier pleiten we voor een brede benadering van leerlingen vanuit hun hele persoonlijkheid en ambities, en positief omgaan met diversiteit.11 Duurzame begeleiding beperkt zich niet tot overgangsmomenten en draagt bij aan de preventie van vroegtijdig schoolverlaten. Dat is een blijvend aandachtspunt, ook voor de overheid. 5 Socio-emotionele ontwikkeling: Door op dit thema in te zetten, creëren scholen de noodzakelijke voorwaarden om ambitieuze doelen te realiseren. Een positief gevoel van eigenwaarde en veerkracht stimuleren een positieve leerhouding en ambitie. 6 Leerlingen- en ouderparticipatie: Scholen zetten actief in op een evenwaardige en verbindende relatie met alle ouders en leerlingen. Dialoog, partnerschap en vertrouwen zijn daarbij de codewoorden. Een cruciaal onderdeel van GOK-beleid is een huiswerkbeleid dat rekening houdt met de mogelijkheden en verwachtingen van ouders en leerlingen.

O.a. Rekenhof (2017). Gelijke onderwijskansen in het gewoon basisonderwijs. Het Rekenhof onderzocht welke factoren het GOK-beleid van een school tot een succes kunnen maken. Uit het persbericht: “De gelijkeonderwijskansenproblematiek is complex en een eenvoudige formule om goede resultaten te halen, is er niet. Maar uit de analyse komt de combinatie van een degelijk leerlingvolgsysteem, draagvlak bij de leerkrachten en ouderbetrokkenheid prominent naar voren.” 9 Via de engagementsverklaring Diversiteit als meerwaarde engageert het hele onderwijsveld zich om de onderwijskansen van alle leerlingen te verbeteren, ongeacht hun achtergrond. 10 Celeste, L., Baysu, G. e.a. (2019). Can School Diversity Policies Reduce Belonging and Achievement Gaps Between Minority and Majority Youth? Multiculturalism, Colorblindness, and Assimilationism Assessed. Personality and Social Psychology Bulletin, 45/11, 1603-1618. Loes Meeussen stelde de resultaten van dit onderzoek naar het diversiteitsbeleid van scholen voor aan de Commissie Diversiteit en Gelijke Onderwijskansen op 28 mei 2019. 11 Uit de Diversiteitsbarometer Onderwijs (Unia, 2018) blijkt dat er nood is aan professionalisering en instrumenten om de achtergrond van leerlingen niet onbewust te laten doorwegen bij studieadvies. 8

5


2.3 Geïntegreerd GOK-beleid vanuit het OK-kader De thema’s kunnen niet los van elkaar gezien worden en maken deel uit van elk schoolbeleid. We vinden ze dan ook terug als kwaliteitsverwachtingen in het referentiekader Onderwijskwaliteit of OK-kader.12 Dat kader bevat de minimale kwaliteitsverwachtingen waaraan een school moet tegemoetkomen. Scholen zijn daar de voorbije schooljaren volop mee aan de slag gegaan en de onderwijsinspectie heeft het vertaald naar een toezichtskader. De Vlor verwacht dat scholen het OK-kader met een GOK-bril benaderen en zo hun GOK-beleid integreren in het totale schoolbeleid. Door die GOK-bril vragen ze zich af wat de impact is van het schoolbeleid op leerlingen die vanuit een achterstandspositie vertrekken. De thema’s zijn daarvoor de ankerpunten. Maar scholen mogen ook geen extra drempels opwerpen via hun inschrijvingsbeleid of kostenbeleid. Compenserend werken betekent ook dat ze zich baseren op recente wetenschappelijke inzichten over effecten van armoede en migratieachtergrond op schoolloopbanen en welke aanpak dat vraagt. En dat ze samenwerken met partners uit andere beleidsdomeinen: onderwijs kan kansarmoede niet alleen bestrijden (zie 4.1). GOK-beleid is dus geen kwestie van extra aandacht voor één of twee thema’s: het gaat om een geïntegreerde focus in het totale kwaliteitsbeleid van een school. Van de overheid verwachten we dat ze scholen stimuleert door hen de middelen en ruimte te geven om dat alles te realiseren. We herhalen het pleidooi voor voldoende en geïntegreerde middelen uit het eerdere advies13 en vragen om scholen de beleidsruimte en het vertrouwen te geven om hun GOK-beleid te ontwikkelen en te vertalen naar schooleigen acties, rekening houdend met hun specifieke context. In zijn vorige advies heeft de Vlor duidelijk aangegeven wat de overheid kan doen om te zorgen voor sterke leraren(teams).14 De pedagogische begeleidingsdiensten en centra voor leerlingenbegeleiding zijn uitgelezen partners om scholen bij hun GOK-beleid te ondersteunen (zie 4).

3 Bekijk verantwoording breed en opbouwend Scholen moeten hun beleid transparant verantwoorden, aantonen dat hun aanpak effectief is en gelijke onderwijskansen stimuleert. En dat in de eerste plaats voor de eigen schoolontwikkeling, maar ook ten aanzien van ouders en de overheid. Dat vraagt om monitoring, evaluatie en bijsturing. De Vlor pleit ervoor dat overheid en scholen die evaluatiecyclus en verantwoording opbouwend benaderen.15

http://mijnschoolisok.be/wp-content/uploads/referentiekader.pdf (geraadpleegd op 18 oktober 2019) Onderwijsraad, Algemene Raad. Beleidsaanbevelingen over de GOK-financiering en het GOK-beleid naar aanleiding van drie SONO-onderzoeken, 28 maart 2019, § 4.2. 14 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Beleidsaanbevelingen over de GOK-financiering en het GOK-beleid naar aanleiding van drie SONO-onderzoeken, 28 maart 2019, § 4.1.6. 15 De Vlor vond inspiratie in het concept ‘constructive accountability’ zoals dat door de OESO werd voorgesteld in het kader van het project ‘Strategic Education Government’, meer bepaald in een lerend seminarie waarin het werd toegepast op de Vlaamse context en de verhouding tussen transparantie, vertrouwen en zeer autonome scholen. De financiering op basis van gelijke onderwijskansen gold als casus. Opbouwende verantwoording combineert het perspectief van controle met dat van leren en verbeteren en draagt bij aan de vertrouwensrelatie tussen scholen, stakeholders en overheid. Het komt het best tot ontplooiing als een aantal goed gekozen vormen van horizontale en verticale verantwoording gecombineerd worden. Een verticaal perspectief kijkt naar verantwoording als ‘voldoen aan regelgeving’ en ‘performantie’ (zoals kan blijken uit gestandaardiseerde tests). Horizontale 12

13 Vlaamse

6


Opbouwende verantwoording kenmerkt zich door een combinatie van verschillende perspectieven en leent zich dus uitstekend voor de complexiteit van kansarmoedebestrijding met vele betrokken actoren. Daar kan je niet enkel naar kijken vanuit leerprestaties, maar zijn vele invalshoeken nodig. Opbouwende verantwoording draagt bij aan de cruciale vertrouwensrelatie tussen de partners in GOK-beleid. Opbouwende verantwoording maakt het niet enkel mogelijk om transparanter rekenschap te geven aan externen, maar ook en vooral om de school zelf een duidelijk beeld te geven van hoe effectief het GOK-beleid is en wat er eventueel bijgestuurd moet worden. Zo wordt verantwoording geen doel op zich, maar een middel om aan kwaliteitsontwikkeling te doen. Opbouwende verantwoording vormt dus een opportuniteit om GOK-beleid sterker uit te bouwen (en omgekeerd). Basisscholen moeten geen apart plan meer opmaken voor hun SES-beleid en krijgen geen apart toezicht meer. Dat komt de planlast wel ten goede, maar zorgt er ook voor dat de aandacht voor GOK meer naar de achtergrond verdwijnt.16 Geregeld de spot op gelijke onderwijskansen zetten, is dus echt wel een noodzaak.

3.1 Via een brede waaier aan mechanismen Vlaamse scholen beschikken over heel wat informatie vanuit verschillende perspectieven (horizontaal en verticaal) om werk te maken van opbouwende verantwoording. We denken bijvoorbeeld aan de kwaliteitsverwachtingen van het OK-kader en inzichten uit het toezicht daarop, administratieve data17, instrumenten om GOK-beleid uit te bouwen en vorderingen van leerlingen in kaart te brengen, handreikingen van de pedagogische begeleiding of signalen van het centrum voor leerlingenbegeleiding, professionele kennis van het schoolteam, inzichten en feedback van ouders en leerlingen.18 Al die informatie, die scholen vandaag ook al hanteren om hun beleid te verantwoorden, kunnen ze nog sterker gebruiken om hun GOK-beleid te monitoren en evalueren. Het is vooral zaak om al die elementen naast elkaar te leggen om tot een integraal beeld te komen.

3.2 Met respect voor voorwaarden en uitdagingen Opdat scholen werk kunnen maken van de cultuur van opbouwende verantwoording, moet aan heel wat basisvoorwaarden voldaan zijn. We verwijzen naar de basisvoorwaarden die al aan bod

verantwoordingsmechanismen verbreden het perspectief door bijvoorbeeld te refereren aan de professionele standaarden die een school hanteert of hoe ze meerdere stakeholders betrekt bij de verantwoording. Door die twee perspectieven en interne en externe vormen van evaluatie te combineren, kunnen scholen werken aan een cultuur van evaluatie en verantwoording die in de eerste plaats gericht is op feedback voor de eigen kwaliteitszorg. Zie: https://www.oecd-ilibrary.org/education/constructive-accountability-transparency-and-trust-between-government-andhighly-autonomous-schools-in-flanders_c891abbf-en John De Plecker (Departement Onderwijs en Vorming) presenteerde de inzichten aan de Commissie Diversiteit en Gelijke Onderwijskansen op 17 september 2019. 16 Zie voetnoot 8 17 Via Mijn onderwijs/Dataloep kunnen scholen zien hoe hun leerlingeninstroom evolueert, hoe de schoolloopbanen van hun leerlingen verlopen, hoeveel leerlingen (on)gekwalificeerd uitstromen en hoe die cijfers zich verhouden tot scholen in buurt of in dezelfde context, scholen met een gelijkaardig publiek enzovoort. 18 De Vlaamse Scholierenkoepel heeft een gratis en online feedbacktool zodat elke leerkracht betrouwbare en zinvolle feedback kan verzamelen bij zijn/haar leerlingen. Doel is inspraak in de klas, om samen tot het beste onderwijs te komen. Zie https://www.scholierenkoepel.be/feedbacktool (geraadpleegd op 6 november 2019)

7


kwamen in het vorige advies (bv. het versterken van leraren(teams)) en voegen daar nog enkele aan toe. 3.2.1

Datageletterdheid

Scholen hebben rijke data nodig, die goed toegankelijk en vergelijkbaar zijn. De overheid moet ervoor zorgen dat scholen de data die zij aanbiedt, kunnen interpreteren en gebruiken. De pedagogische begeleidingsdiensten kunnen die rol opnemen. Maar het is een gemiste kans dat zij geen toegang hebben tot de data, tenzij schoolbesturen hen die geven. 3.2.2

Tijd en ruimte om de cultuur te ontwikkelen en op te bouwen

De Oeso stelt: ¬ Scholen kunnen best starten met horizontale verantwoording en ‘low stakes’ (zonder grote gevolgen). Geleidelijk aan kunnen meer verantwoordingsmechanismen geïnstalleerd worden, goed op elkaar afgestemd. ¬ Bottom-up laten groeien zal beter werken dan top-down initiëren. De overheid moet scholen dus tijd geven en zich enigszins terughoudend opstellen. ¬ Aan zo’n cultuur bouwen moet starten op het niveau van scholen en leraren, zodat zij eigenaarschap kunnen ontwikkelen.19 Een cultuur van evaluatie en verantwoording ontplooien vraagt tijd en ruimte, en die hebben scholen vandaag onvoldoende. Schoolteams moeten kunnen kennismaken en gesensibiliseerd worden voor het brede concept van verantwoording en de opbouwende insteek zoals we die hierboven geschetst hebben. Ze moeten binnen hun kernopdracht tijd hebben om samen een visie daarover op te bouwen. Ze moeten mensen kunnen inzetten om data te verzamelen en te combineren, expertise om dat te interpreten en bespreekbaar te maken in het schoolteam. Dat team heeft tijd, ruimte en continuïteit nodig om de resultaten tegen het licht van de praktijk te houden en hun beleid en acties bij te sturen. Tijd en ruimte ook voor overleg met ouders, leerlingen en andere stakeholders. De mogelijkheid om zich te professionaliseren en te laten begeleiden door ondersteunende diensten, die op hun beurt zo’n begeleidingstraject met scholen moeten kunnen aangaan. De Vlor dringt er dan ook op aan dat scholen en hun begeleiders daarvoor de tijd en ruimte krijgen en dat de overheid de randvoorwaarden respecteert. Dan kunnen scholen werken aan dat eigenaarschap en voor zichzelf de meerwaarde van opbouwende verantwoording in beeld brengen, zodat het een evidentie wordt. 3.2.3

Kwaliteitsvolle leerlingenevaluatie

Een kwaliteitsvolle leerlingenevaluatie ligt mee aan de basis van de rijke data waarop scholen verantwoording bouwen. In zijn advies over onderwijskwaliteit ging de Vlor in op de mogelijkheden om versterkt in te zetten op de kwaliteit van de leerlingenevaluatie. 20 In de context van gelijke onderwijskansen en opbouwende verantwoording voegen we daar nog aan toe: het belang van reflectie over de gebruikte instrumenten en de impact van de gevoerde leerlingenevaluatie. Een breed scala aan instrumenten die geen extra drempels opwerpen, is

19 Zie

voetnoot 15 Onderwijsraad, Algemene Raad. Onderwijskwaliteit in breed perspectief. Advies over versterken van interne kwaliteitszorg en leerlingenevaluatie, 20 december 2018, § 3.

20 Vlaamse

8


aangewezen. Een ontwikkelingsgerichte benadering van schoolse vorderingen houdt rekening met het groeipotentieel van leerlingen: het is niet omdat zij op een overgangsmoment bepaalde standaarden nog niet bereikt hebben dat zij niet, mits de juiste begeleiding, verder kunnen groeien op vlak van bijvoorbeeld taalvaardigheid Nederlands. We vragen aan de overheid om die benadering te stimuleren. 3.2.4

Rekening houden met de beginsituatie van scholen

Alle scholen moeten vooruitgang boeken met hun leerlingen, dat staat buiten kijf. Voor scholen met veel leerlingen die vanuit een achterstandspositie vertrekken, moet rekening gehouden worden met hun beginsituatie en met de vooruitgang die ze maken. Het kan niet zijn dat zij in een verplicht begeleidingstraject zouden moeten stappen omdat ze nu eenmaal veel leerlingen met lage SES of migratieachtergrond hebben.

4 Versterk alle partners om hun rol waar te maken Minister Crevits vroeg de Vlor ook om de rol van de pedagogische begeleidingsdiensten in de optimalisering van GOK-beleid te concretiseren. De Vlor benadrukt de belangrijke rol van die diensten, maar wijst op de vele andere actoren die kunnen bijdragen aan versterkt GOK-beleid en op het belang van samenwerking en expertisedeling in transversaal beleid voor kansarmoedebestrijding.

4.1 Samenwerking en expertisedeling tussen onderwijspartners en andere beleidsdomeinen Net omdat kansarmoede zo’n complexe problematiek is, kan Onderwijs niet alleen de verantwoordelijkheid nemen om het aan te pakken. Daar is Onderwijs niet voor uitgerust. Het wil wel de volle verantwoordelijkheid nemen voor wat mogelijk is binnen zijn opdracht en omkadering, en voor samenwerking met andere beleidsdomeinen (Welzijn, Cultuur, Jeugd, …). Die boodschap heeft de Vlor al vaak gegeven in zijn adviezen.21 Transversaal beleid voor kansarmoedebestrijding moet structureel en coherent zijn en kan het best vorm krijgen op lokaal niveau. Lokale besturen kunnen daarin een trekkersrol vervullen, op voorwaarde dat zij daarvoor toegerust zijn. Dat laatste is vooral een probleem voor kleinere steden en gemeenten. Centrumsteden hebben meestal wel voldoende beleidsruimte om partners uit onderwijs en andere beleidsdomeinen samen te brengen en lokaal flankerend beleid te ontwikkelen. Kleinere steden en gemeenten hebben meestal onvoldoende middelen en een beperkt netwerk. Het zou goed zijn als de Vlaamse overheid bekijkt hoe ook kleinere entiteiten voldoende toegerust kunnen worden om de reële uitdagingen op vlak van kansarmoedebestrijding aan te gaan.

21 Vlaamse

Onderwijsraad, Algemene Raad. Beleidsaanbevelingen over de GOK-financiering en het GOK-beleid naar aanleiding van drie SONO-onderzoeken, 28 maart 2019, § 4.5. En: Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Advies over de horizontale beleidsplannen gelijke kansen en integratiebeleid, 14 januari 2016. En: Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Continuïteit in schoolloopbanen van jonge nieuwkomers garanderen, 27 juni 2019.

9


We zien vandaag al heel wat voorbeelden van lokaal geïntegreerd kansarmoedebeleid (structurele initiatieven, projecten, onderwijsopbouwwerk en brugfiguren, brede-schoolinitiatieven, samenwerking met ouders, …) en dringen erop aan dat de Vlaamse overheid lokale samenwerking stimuleert en waardeert. Voorwaarde is dat samenwerking vertrekt van de pedagogische projecten van scholen en arbeidsvoorwaarden respecteert. Bestaande netwerken, zoals lokale overlegplatforms (LOP), die een expliciete opdracht hebben voor gelijke onderwijskansen, kunnen een centrale rol spelen. Complementariteit van de partners in een netwerk is belangrijk: elk zijn rol vanuit zijn specifieke expertise. Partners uit andere beleidsdomeinen kunnen rollen opnemen die Onderwijs niet kan opnemen. Belangrijk is dat alle acties en maatregelen op elkaar inhaken als in een raderwerk. In dat verband wijzen we ook op de nood aan structureel beleid rond huiswerkbegeleiding. Nu zien we versnipperde initiatieven, afhankelijk van lokaal engagement, waartoe niet alle doelgroepen automatisch toegang hebben. Het doel moet zijn om het huiswerkbeleid van scholen te versterken, niet om het uit hun handen te nemen. Dat vraagt om overleg en samenwerking. Voorzichtigheid en goede richtlijnen zijn geboden voor wat betreft de samenwerking van scholen met commerciële partners, want ook dat kan gelijke onderwijskansen onder druk zetten. Denk aan leveranciers van schoolboeken en maaltijden, reisorganisaties enzovoort. Om aan het probleem van onbetaalde schoolfacturen te werken, kunnen scholen inspiratie vinden in de expertise van projecten zoals ‘Samen tegen onbetaalde schoolfacturen’. Samenwerking met incassobureaus moet vermeden worden.

4.2 De school Leraren zijn de spilfiguren voor gelijke onderwijskansen. Zij maken het verschil. We hebben dan ook sterke, voldoende gekwalificeerde leraren en diverse schoolteams nodig, maar stellen vast dat scholen met veel indicatorleerlingen nog meer dan andere scholen kampen met lerarentekort, veel verloop en professionaliseringsnoden.22 We verwachten dat de overheid daarover in gesprek gaat met het veld. De beleidsnota Onderwijs biedt daarvoor alvast aanknopingspunten met de onderwijsambassadeur, maatregelen voor het lerarentekort en de lerarenopleiding, streven naar een meer divers lerarenkorps. In het vorige advies hebben we de professionaliserings- en ondersteuningsnoden in kaart gebracht op het niveau van het schoolbestuur, de school en de individuele leraar. 23 Uit die noden blijkt meteen ook welke rollen andere actoren en instanties kunnen opnemen. We pleitten eerder ook voor een betere aanvangsbegeleiding en versterking van de lerarenopleiding, waar alle facetten van het realiseren van gelijke onderwijskansen en omgaan met diversiteit meer aandacht moeten krijgen. Drempels voor kandidaat-leraren met migratieachtergrond moeten weggewerkt worden. Dat kan op termijn bijdragen aan meer diverse teams.

Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Beleidsaanbevelingen over de GOK-financiering en het GOK-beleid naar aanleiding van drie SONO-onderzoeken, 28 maart 2019, § 4.6.1. 23 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Beleidsaanbevelingen over de GOK-financiering en het GOK-beleid naar aanleiding van drie SONO-onderzoeken, 28 maart 2019, § 4.4. 22

10


4.3 Andere actoren In het realiseren van het GOK-beleid hebben ook andere actoren een rol. De school is echter steeds de initiator en het centrum van samenwerking met dat bredere netwerk. Pedagogische begeleidingsdiensten24 Pedagogische begeleidingsdiensten zijn belangrijke partners voor scholen bij het uittekenen, implementeren, evalueren en bijsturen van hun GOK-beleid. Zij zijn aan zet om scholen te ondersteunen bij de integratie van hun GOK-beleid in hun kwaliteitsbeleid. Daarbij hoort ook de visieontwikkeling en implementatie rond opbouwende verantwoording. Pedagogische begeleidingsdiensten brengen scholen samen in lerende netwerken, stimuleren expertisedeling en reflectie en ontwikkelen waar nodig instrumenten om schoolteams te versterken op de klasvloer, zonder dat daar GOK-middelen van scholen naartoe gaan. De Vlor vindt dat die belangrijke rol niet te rijmen valt met de bijsturingen en besparingen die op de pedagogische begeleidingsdiensten afkomen.25 Centra voor leerlingenbegeleiding De centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) dragen via de rechtstreekse leerlingenbegeleiding bij aan gelijke onderwijskansen van รกlle leerlingen. Via de consultatieve leerlingenbegeleiding en de signaalfunctie versterken zij schoolteams, ook inzake gelijke onderwijskansen. Een meer proactieve betrokkenheid van de CLB is wenselijk, hierbij rekening houdend met het referentiekader CLB-kwaliteit.26 Onderwijsinspectie Aangezien de Vlor pleit voor integratie van GOK-middelen en -beleid in het schoolbeleid, gaat hij uit van een integratie van toezicht op het GOK-beleid in de reguliere doorlichting vanuit het OKkader. Daarvoor schuiven we het kader van opbouwende verantwoording naar voor (zie 3). Onderzoek Evidence-informed werken is heel belangrijk voor de Vlor en we pleiten dan ook voor relevant, kwaliteitsvol en goed toegankelijk onderzoek voor scholen en hun begeleiders om hun praktijk te onderbouwen. De Vlor formuleerde daar recent enkele adviezen over, waarin hij onder andere vraagt dat de overheid zich engageert om de resultaten van beleidsgericht onderzoek (SONO e.a.) mee te nemen in de beleidsvoering. 27 Het SONO-onderzoek dat de complexe realiteit van GOK genuanceerd in kaart brengt, moet een vervolg kennen. Een wetenschappelijk gebaseerde toolkit die scholen in staat stelt om de vorderingen die zij met hun leerlingen maken, te vergelijken met andere scholen met een vergelijkbare populatie, maakt daar deel van uit. Op korte termijn kijkt de Vlor uit naar de vrijgave van de recentste rapporten van de onderzoekslijnen over GOK.

24 Deze

paragraaf heeft ook betrekking op de Permanente Ondersteuningscellen van de Centra voor Leerlingenbegeleiding. 25 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Advies over de beleidsnota Onderwijs 2019-2024, 28 november 2019, ยง 2.2.5. 26 https://www.onderwijsinspectie.be/sites/default/files/atoms/files/2018_RclbK_eindversie.pdf (geraadpleegd op 10 december 2019) 27 Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Meerwaarde van steunpunt beleidsgericht onderwijsonderzoek en verwachtingen voor de toekomst, 23 mei 2019. En: Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Advies over praktijkgericht onderwijsonderzoek: bouwstenen voor een stimulerend beleid, 29 juni 2017.

11


De Vlor wil dialoog over onderzoek naar GOK stimuleren. Overheid, onderzoekers en praktijk moeten samen bepalen hoe de effectiviteit van GOK-beleid onderzocht moet worden en wat daarvoor de indicatoren zijn.28 Die indicatoren kunnen bepaald worden op basis van de algemene doelstelling (2.1) en de thema’s (2.2), de kwaliteitsverwachtingen van het OK(toezichts)kader, net zoals de indicatoren die onderzoekers van het Rekenhof en SONO hanteren. Het is cruciaal om in dat overleg verwachtingen af te stemmen op wat onderzoek kan betekenen, hoe de resultaten geïnterpreteerd kunnen worden en hoe dat de praktijk vooruit kan helpen om meer gelijke onderwijskansen te realiseren. De Vlor wil een rol opnemen voor die dialoog. Ouders en leerlingen Het verbindend partnerschap tussen school, ouders en leerlingen is essentieel voor het leertraject van alle leerlingen en draagt bij tot schoolsucces, maar ook voor het creëren van draagvlak bij alle partners voor het GOK-beleid. Dat kan door al in de communicatie naar toekomstige leerlingen en ouders oog te hebben voor alle groepen en de drempels die dat in de weg staan, weg te werken.29 Een goed GOK-beleid is gemaakt mét ouders en leerlingen. Initiatieven van ouders die een ambassadeursrol opnemen of leerlingen die als rolmodel fungeren, moeten gezocht, gestimuleerd en gefaciliteerd worden. We pleitten eerder al voor dialoog, partnerschap en vertrouwen in de relatie tussen school, ouders en leerlingen. Zij moeten wederzijds verwachtingen kunnen uitspreken en met respect voor ieders rol zoeken waar ze elkaar kunnen versterken.30 In het kader van opbouwende verantwoording kunnen scholen ouders én leerlingen betrekken als bron van feedback voor hun beleid.

5 Stimuleer samenwerking en uitwisseling tussen leerplichtonderwijs en hoger onderwijs SES- en GOK-beleid in leerplichtonderwijs en diversiteitsbeleid in hoger onderwijs kennen elk hun eigen indicatoren, financieringssysteem en verantwoordingsmechanismen. Toch zien we een aantal opportuniteiten voor samenwerking en expertisedeling tussen leerplicht- en hoger onderwijs. Los van hoe de financiering verloopt, delen alle onderwijsniveaus wel de voorkeur voor geïntegreerde financiering, mits transparante verantwoording. Geïntegreerde financiering geeft scholen en instellingen de kans om hun beleid beter toe te spitsen op de eigen context.

5.1 Doorstroom van leerplicht- naar hoger onderwijs: samenwerking Meer en vlottere doorstroom van leerlingen met lage SES of migratieachtergrond van leerplichtnaar hoger onderwijs, kan bevorderd worden door onderwijsloopbaanbegeleiding en studiekeuze-

In het vorige advies stelde de Vlor vast dat ieder onderzoek naar de effectiviteit van GOK zijn eigen indicatoren hanteert, waardoor vergelijking moeilijk is. Zie Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Beleidsaanbevelingen over de GOK-financiering en het GOK-beleid naar aanleiding van drie SONO-onderzoeken, 28 maart 2019, § 4.3.1. 29 De drie ouderkoepels (GO! Ouders, KOOGO en VCOV) ontwikkelden hiertoe een brochure ‘Hoe nemen we alle ouders mee?’ Zie https://www.vcov.be/aanbod/brochures/secundair-onderwijs/Brochure-moeilijk-bereikbare-ouders-SO (geraadpleegd op 6 november 2019) 30 Ook het recent afgeronde onderzoek ‘Potential’ (Strategisch Basisonderzoek) benadrukt het belang van samenwerking in het kader van inclusief onderwijs. http://www.potentialproject.be/ (geraadpleegd op 10 december 2019) en Vantieghem, W. & I. Van de Putte (red.) (2019). Vol potentieel. Krachtig lesgeven in diversiteit. Leuven: Acco. 28

12


en oriënteringsbegeleiding in leerplichtonderwijs sterker uit te bouwen (zie thema ‘doorstroming en oriëntering’ in 2.2). Vele actoren hebben daarin een rol te spelen, o.a. CLB, en ook het hoger onderwijs werkt daar best aan mee. Meer niveau-overstijgende samenwerking rond studiekeuze en oriëntering is mogelijk, o.a. door projecten waarbij leerlingen uit basis-31 en secundair onderwijs kennismaken met de infrastructuur en het aanbod van hoger onderwijs, maar ook met de docenten en studenten. Hoger onderwijs kan ook actief en gericht inspanningen doen om jongeren uit kansengroepen en hun ouders te bereiken, om hen te informeren over de mogelijkheden en het aanbod van hoger onderwijs. We zien een meerwaarde in werken met rolmodellen en ambassadeurs vanuit hoger onderwijs t.a.v. leerplichtonderwijs, maar ook binnen elk onderwijsniveau. Als jongeren zich herkennen in de persoon of het traject van iemand anders, kan dat hen inspireren en richting geven. Er zijn al heel wat goede voorbeelden in de praktijk, maar het kan nog verbreed en veralgemeend worden. De overheid kan dat stimuleren, o.a. om meer diversiteit in lerarenteams te bekomen.32 Voor een groeiend aantal studierichtingen zijn er bij de overgang van secundair naar hoger onderwijs instaptoetsen, ijkingsproeven of toelatingsexamens voorzien, al dan niet verplicht, al dan niet bindend. In zijn recente adviezen daarover was de Vlor bezorgd over mogelijke extra drempels die zij opwerpen voor kansengroepen. Dat moet onderzocht worden.33 Het onderwijsveld is voor dit alles gebaat met kwaliteitsvolle onderzoeksdata. Van de overheid verwachten we dat zij de doorstroom monitoren en die data ter beschikking stellen van scholen en instellingen, incl. koppeling van databanken (zie ook 3.2.1).

5.2 Doorstroom binnen leerplicht- en hoger onderwijs: kennis- en expertisedeling Zowel leerplicht- als hoger onderwijs kampen met mechanismen van waterval en uitval, die zich bij kansengroepen sterker manifesteren. Hoe werken die mechanismen en wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen leerplicht- en hoger onderwijs? Hoe kunnen die mechanismen vermeden worden? Hoe kan doorstroom beter verzekerd worden? Doel is om meer leerlingen (uit kansengroepen) een doorstroomperspectief te kunnen bieden naar richtingen die aansluiten bij hun mogelijkheden en interesses. Om die vragen te beantwoorden, hebben we in de eerste plaats inzicht nodig in processen van studiekeuze(begeleiding) en factoren die ze beïnvloeden, hoe die zich verhouden tot het bestaande systeem en de ingebouwde drempels. Onderzoek daarnaar en expertisedeling tussen actoren uit leerplicht- en hoger onderwijs is dan ook aangewezen. Daarnaast kunnen zij

Denk aan de zogenaamde kinderuniversiteiten. Onderwijsraad, Raad Hoger Onderwijs. Een diversiteitssensitief personeelsbeleid als hefboom voor democratisering. Advies over diversiteit op de werkvloer in het hoger onderwijs, 12 november 2019, § 2.3.2. 33 Vlaamse Onderwijsraad, Raad Hoger Onderwijs. Advies over ijkings- en instaptoetsen, 11 juni 2019. En: Vlaamse Onderwijsraad, Raad Hoger Onderwijs. Advies over het toelatingsexamen arts/tandarts, 9 oktober 2018. 31

32 Vlaamse

13


ervaringen uit de praktijk over de begeleiding van leerlingen en studenten uitwisselen. Begeleiding vanuit de school of de instelling, maar ook door rolmodellen, buddy’s e.d.

5.3 Waar kan samenwerking en kennis- en expertisedeling vorm krijgen? De samenwerking en kennis- en expertisedeling krijgt het best vorm op regionaal niveau, waar partners uit leerplicht- en hoger onderwijs elkaar vinden. We zien dat nu al in verstedelijkt gebied, waar structurele samenwerkingsverbanden bestaan en ontstaan. Regionale samenwerking mag er echter niet toe leiden dat de doorstroom van jongeren naar hoger onderwijs tot de eigen regio beperkt zou blijven. En ook scholen die verder van de instellingen hoger onderwijs afgelegen zijn, moeten aansluiting kunnen vinden bij de samenwerking en expertisedeling. Dat kan op Vlaams of provinciaal niveau bekeken worden. Waar er een lokaal overlegplatform (LOP) is, kan dat een draaischijffunctie vervullen: LOP’s hebben een expliciete opdracht naar gelijke kansen en zij hebben gegevens over de omgevingsanalyse. Maar ook de Vlor wil een rol opnemen als forum voor uitwisseling van inzichten en praktijken en visieontwikkeling, o.a. via het bestaande overlegplatform over de studiekeuze op de overgang van secundair naar hoger onderwijs.

6 Geef prioriteit aan onderzoek naar GOK in buitengewoon onderwijs De Vlor vroeg in zijn vorige advies om nieuw onderzoek naar GOK in buitengewoon onderwijs, 34 zodat voor de GOK-financiering in het buitengewoon onderwijs ook een eenduidig en transparant mechanisme uitgewerkt kan worden. Op vraag van minister Crevits werken we dat wat verder uit. Het onderzoek moet in meerdere fasen gebeuren. We situeren het dan ook best in een meerjarenprogramma voor beleidsgericht onderzoek, zoals de volgende cyclus van SONO. 35 In een eerste fase moet onderzocht worden waar de leerlingen die aantikken op SES- en GOKindicatoren, zich bevinden in het hele buitengewoon onderwijs, in alle types en opleidingsvormen. Nu worden in slechts twee types extra middelen toegekend op basis van een set indicatoren die afwijkt van die voor gewoon onderwijs. De Vlor vraagt om alle indicatoren voor gewoon onderwijs te onderzoeken in het hele buitengewoon onderwijs, zodat we een breed beeld krijgen van de stand van zaken en noden van alle types en onderwijsvormen. Dat vormt de vertrekbasis voor verder onderzoek in functie van toekomstig beleid. Onderstaande vragen kunnen in een volgende fase onderzocht worden. De lijst is niet exhaustief. ¬ Welke indicatoren zijn relevant voor gelijke kansenbeleid in buitengewoon onderwijs? (rekening houdend met de nieuwe types (type basisaanbod en type 9) en gewijzigde criteria voor instroom (bv. type 3)) ¬ Wat is de impact van wijzigende contextfactoren? Bv.

34 Het

laatste onderzoek dateert uit 2007: Ghesquière, P., Mercken, I., Avau, G. & Petry, K. (2007). Onderzoek over mogelijke extra inspanningen van scholen in het buitengewoon onderwijs ten gevolge van de aanwezigheid van GOKkenmerken bij de leerlingenpopulatie. Eindrapport. Onderzoek in opdracht van het Vlaamse Ministerie van Werk, Onderwijs en Vorming. Leuven: KU Leuven. 35 Onderzoek om als basis mee te nemen: Sebrechts, Leen (2018). Onderwijsintegratie van leerlingen met een beperking in Vlaanderen: een verhaal van structurele ongelijkheid. Antwerpen: Universiteit Antwerpen, Faculteit Sociale Wetenschappen, Departement Sociologie.

14


¬ ¬

¬

• Wijzigingen in de bredere maatschappelijke context • De positie van het buitengewoon onderwijs in het onderwijslandschap • Het M-decreet/Begeleidingsdecreet (incl. ondersteuningsnetwerken) • De hervorming van de leerlingenbegeleiding • Interferentie tussen maatschappelijke kwetsbaarheid en specifieke noden Wat zijn oorzaken voor pertinente vaststellingen?36 • Verzwaring van het zorgprofiel in buitengewoon onderwijs • Gezinsverhoudingen als faciliterende dan wel bemoeilijkende factor Verschil gewoon-buitengewoon onderwijs voor leerlingen met een verslag • Wat is het profiel van de leerlingenstroom (als gevolg van het M-decreet) naar gewoon onderwijs, gelinkt aan SES-/GOK-indicatoren? • Interferentie van het gebruik van buitenschoolse hulpverlening met een inclusietraject? Extra financiering: • Op welke domeinen heeft buitengewoon onderwijs nood aan extra ondersteuning om gelijke kansen te realiseren? (omkadering, werking, …) (onderscheid basissecundair?) • Worden de middelen ingezet voor de doelen van GOK-beleid? Waar kan de inzet efficiënter/effectiever?

7 Tot slot Met dit advies wil de Vlor bijdragen aan de versterking van het gelijke onderwijskansenbeleid op alle niveaus, en aan het debat erover met de Vlaamse overheid. We bouwen voort op eerder advieswerk, en ook dit advies is geen eindpunt. We kijken uit naar verdere dialoo

36

De vaststellingen vinden we in de omgevingsanalyse onderwijs die het Departement Onderwijs en Vorming opmaakte ter voorbereiding aan het regeerakkoord (zie https://onderwijs.vlaanderen.be/nl/omgevingsanalyse-onderwijs, geraadpleegd op 27 november 2019) en bleken ook uit de dialoogtafels die de Vlor organiseerde in voorbereiding op een advies over toekomst van onderwijs aan leerlingen met specifieke noden.

15


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
gelijke_onderwijskansen_Adv_Vlor.pdf by Vlaanderen-be - Issuu