Skip to main content

Groepssectorfoto 2020.pdf

Page 1

GROEPSSECTORFOTO 2020

DEPARTEMENT WERK & SOCIALE ECONOMIE

vlaanderen.be/departement-wse


GROEPSSECTORFOTO 2020


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Inhoud 1

Inleiding

4

2

Impact Corona op de Vlaamse sectoren

6

3

Tewerkstelling, vacatures en mobiliteit

7

3.1

Tewerkstelling (Paritair Comité)

7

3.2

In- en uitstroom van werknemers (Paritair Comité)

4

5

3

10

3.3 Vacatures 3.3.1 Algemene evolutie (ontvangen & openstaande vacatures) (NACE) 3.3.2 Kansen voor kortgeschoolden / personen met beperkte ervaring (NACE) 3.3.3 Aanwervingen van niet-werkende werkzoekenden (NACE)

12 12 14 15

Diversiteit en werkbaarheid

18

4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3

Diversiteit (Paritair Comité) Profielkenmerken werknemers: geslacht Profielkenmerken werknemers: herkomst Vergrijzing binnen sectoren

18 18 20 25

4.2

WSE-Loonkostverminderingen (Paritair Comité)

32

4.3 4.3.1 4.3.2

Werkbaarheid Werkbaar Werk Werkbaarheidscheques (NACE)

34 34 37

Competenties en aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt

38

5.1 5.1.1 5.1.2

Competentieversterking werkenden Opleidingsinspanningen van werkgevers (NACE) Betaald Educatief Verlof (Paritair Comité)

38 38 40

5.2 5.2.1 5.2.2

Competentieversterking werkzoekenden Opleidingen met stages (NACE) Individuele beroepsopleiding (NACE)

42 42 43

5.3 5.3.1 5.3.2

Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt 45 Leerwerkplekken voor jongeren in het stelsel van leren en werken en duaal leren 45 Leerlingenstages in het voltijds secundair onderwijs (Paritair Comité) 49

6

Methodologische nota

51

7

Lijst van figuren en tabellen

56


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

1 Inleiding Om het Vlaams werkgelegenheidsbeleid uit te voeren, zijn sectoren belangrijke partners voor de Vlaamse Overheid. Sinds 2001 sluiten de sectorale sociale partners overeenkomsten met de Vlaamse Overheid, sectorconvenants genaamd. Momenteel heeft de Vlaamse overheid met 35 sectoren zo’n sectorconvenant afgesloten. Hierin engageren de sectorale sociale partners zich om in hun sector engagementen op te nemen die het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid ondersteunen. Zo werd er de afgelopen jaren gewerkt aan een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, het bevorderen van levenslang leren en het verhogen van diversiteit op de werkvloer. Met deze groepssectorfoto willen we een overkoepelend sectoraal vergelijkend beeld brengen, om het afsluiten van toekomstige sectorconvenants te ondersteunen. We nemen hier alle sectoren van de sectorconvenants op, aangevuld met de uitvaartsector. Afhankelijk van de uitkomst van de convenant-onderhandelingen komt deze sector er in deze generatie immers mogelijk bij. We tonen aan hoe de verschillende sectoren van de convenants zich tot elkaar verhouden, waar ze verschillen en met welke gelijkaardige uitdagingen ze geconfronteerd worden. We maken ook steeds de vergelijking met de Vlaamse arbeidsmarkt als geheel. De sectoren met een sectorconvenant worden afgebakend op basis van hun paritair(e) (sub)comité(s). Helaas zijn niet alle data in deze groepssectorfoto beschikbaar op niveau van paritair comité. Voor een deel van de gegevens wordt gebruik gemaakt van NACE-activiteit om sectoren in te delen. Het is hierbij van belang om op te merken dat er geen perfecte overlap is tussen paritaire comités en NACE-codes, waardoor er verschillen kunnen zijn tussen data op basis van PC en data op basis van NACE. De vertaalslag van paritair comité naar NACE-code werd gemaakt op basis van RSZ-data en input van de sectoren zelf. Toch benadrukken we dat deze oefening altijd imperfecties zal bevatten. We geven bij elk onderdeel aan op basis van welke sectorindeling (paritair comité of NACE) de sectorindeling gemaakt is. Voor een gedetailleerde uitleg over deze methodologische keuzes verwijzen we naar de methodologische nota in bijlage. Verder merken we op dat we niet steeds voor alle sectoren alle data ter beschikking hebben. De twee meest in het oog springende sectoren zijn hier 1) de sector LOKALE BESTUREN. Gezien deze geen paritair comité heeft, kunnen we bij de bronnen op basis van deze sectorindeling geen gegevens opleveren, en 2) de sector APC BEDIENDEN. Hier kunnen we wel data rapporteren op het niveau van paritair comité, maar is het door de grote diversiteit in activiteiten en de omvang van de sector onmogelijk deze af te bakenen in NACE-codes. Verder is het zo dat we in sommige gegevensreeksen geen afzonderlijke cijfers ter beschikking hebben voor bepaalde sectoren. Waar zij gebundeld worden met cijfers voor andere sectoren staat dit steeds aangegeven. Het opstellen van deze groepssectorfoto gebeurt op een bijzonder en uitdagend moment. Sinds maart 2020 wordt de Vlaamse arbeidsmarkt geconfronteerd met een crisis zonder historische precedenten: de Corona-crisis. De impact van deze crisis is nog niet zichtbaar in deze groepssectorfoto, die gebaseerd is op data tot en met 2019. We kiezen er dan ook voor om in hoofdstuk twee kort stil te staan bij wat we voorlopig weten over de impact van deze crisis op de sectoren met een sectorconvenant. In een derde hoofdstuk schetsen we een beeld van de evolutie van de tewerkstelling in de sectoren met een sectorconvenant, waarbij we ook de uitvaartsector meenemen. We hebben hierbij aandacht voor groei- en krimpsectoren en de verhouding tot het gemiddelde van de Vlaamse arbeidsmarkt. We brengen er ook de vraagzijde van de arbeidsmarkt in kaart, door een focus op

4


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

vacatures en hun invulling. Tot slot brengen we in dit hoofdstuk ook mobiliteit op de Vlaamse arbeidsmarkt in beeld, door de in- en uitstroomgraad te capteren. Een vierde hoofdstuk brengt diversiteit binnen sectoren in beeld, waarbij we focussen op geslacht, herkomst en de impact van vergrijzing. We staan er ook stil bij de kwaliteit van het werk, aan de hand van de werkbaarheidsmonitor van de Stichting Innovatie en Arbeid. Het vijfde hoofdstuk gaat in op levenslang leren en competentieversterking bij werkenden (op basis van CVTS) en werkzoekenden, waarbij we IBO’s en stages in beroepsopleidingen in kaart brengen. We staan er ook stil bij de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt, door data op te nemen over het stelsel leren & werken, duaal leren en leerlingenstages in het voltijds secundair onderwijs.

5


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

2 Impact Corona op de Vlaamse sectoren Deze groepssectorfoto werd integraal opgesteld #vanuitonskot. Bij het afronden van de analyses was de Vlaamse economie nog in volle herstart na 7 weken lockdown. Ruim een miljoen werknemers werd tijdelijk werkloos, 370.000 zelfstandigen vroegen een overbruggingsrecht aan na de tijdelijke sluiting van hun zaak. De VASTGOEDSECTOR, de HORECA, de BOUWSECTOR, de CULTUURSECTOR, de GARAGES en de GROOT- EN KLEINHANDEL werden bijzonder zwaar getroffen door de verplichte sluitingen. Sectoren zoals het GOEDEREN- en PERSONENVERVOER, de UITZENDSECTOR en delen van de industrie leden bijzonder zwaar omzetverlies. Maar ook in de sectoren die min of meer konden verder werken, was niets nog hetzelfde. Op zeer korte tijd moest de hele manier van werken omgegooid worden, veiligheidsmaatregelen moesten geïmplementeerd en gecoördineerd worden, planningen geschrapt en herschreven. Ook de sectorfondsen stonden in de vuurlinie: opleidingen vielen stil of moesten plots volledig online plaatsvinden, de ondernemingen moesten ondersteund worden in het ontwikkelen en uitvoeren van Corona-maatregelen,… De economische en maatschappelijke impact van COVID-19 is gigantisch. Deze schok zal nog een tijdje nazinderen op de Vlaamse arbeidsmarkt. Na enkele goede jaren stijgt de werkloosheid opnieuw, en bij het schrijven van deze groepssectorfoto beginnen de eerste Corona-herstructureringen en -faillissementen van start te gaan. Ontslag zou dreigen voor 1 op 5 tijdelijk werklozen. De dienstensectoren, die in de eerste fase van Corona de dans nog leken te ontspringen, beginnen de gevolgen nu ook te voelen en zetten de tering naar de nering. Vooral in sectoren als ADMINISTRATIEVE DIENSTEN, TRANSPORT EN LOGISTIEK, en INFORMATIE EN COMMUNICATIE zijn de tewerkstellingsvooruitzichten fors bijgesteld. Het ontbreekt momenteel aan concrete, gedetailleerde cijfers om de impact van de Corona-crisis op de sectoren met een convenant in kaart te brengen. De meeste cijfers in deze groepssectorfoto dateren van 2019 of vroeger. We schetsen hier dus een beeld pre-Corona. Thema’s als stageplaatsen of aanwerving van werkzoekenden staan momenteel wellicht in heel wat sectoren even niet meer bovenaan de agenda. Toch blijven de structurele uitdagingen voor de Vlaamse arbeidsmarkt bestaan. De vergrijzing en de knelpuntberoepen zijn niet weg, en uitdagingen zoals de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, digitalisering en sociale innovatie zijn door deze crisis zelfs nog verder aangescherpt. Sectoren blijven nood hebben aan competente en productieve werknemers, terwijl we onder de nieuwe Corona-werkzoekenden wellicht bovengemiddeld veel kortgeschoolden en andere kwetsbaren zullen vinden met een nieuwe deuk in hun cv. De Vlaamse overheid en de sectoren hebben er beide belang bij om de handen in elkaar te blijven slaan, en verder te werken aan het ontwikkelen van de competenties van werkenden en werkzoekenden, de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, en de diversiteit op onze werkvloeren.

6


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

3 Tewerkstelling, vacatures en mobiliteit 3.1 Tewerkstelling (Paritair ComitĂŠ) In 2019 was de Vlaamse arbeidsmarkt in goede doen. Met een werkzaamheidsgraad van 75,5% bij de 20- tot 64-jarigen werd een historisch hoogtepunt bereikt We doen het hiermee wel nog steeds minder goed dan de Europese toppers, zoals de Scandinavische landen, Nederland en Duitsland. De grootste vooruitgang in werkzaamheidsgraad werd geboekt bij de 55-plussers. Waar in 2009 35,8% van hen aan het werk was, steeg dit percentage tot 54,9% in 2019. Deze inhaalslag heeft zich echter niet vertaald in een betere positie in het Europese peloton, waar we nog steeds benedengemiddeld scoren. We zien dan ook dat het aantal werknemers in Vlaanderen de laatste 10 jaar stelselmatig gestegen is. Het aantal Vlaamse loontrekkenden1 steeg van 2.065.889 in 2009 tot 2.219.861 in 2019, een toename van 7,5% (Figuur 1). Enkel tussen 2011 en 2013 zagen we een lichte terugval in de cijfers, samenhangend met de uitlopers van de bankencrisis en bijhorende krimp in economische groei en werkgelegenheid. Sinds 2014 zien we een continue stijging van de loontrekkende tewerkstelling in Vlaanderen. Pas in de loop van volgend jaar zal ten volle duidelijk worden welke impact de Corona-crisis zal hebben op de Vlaamse loontrekkende tewerkstelling.

Figuur 1: Evolutie van de tewerkstelling tussen 2009-2019 (Vlaams Gewest) 2.250.000 2.200.000 2.150.000 2.100.000 2.050.000 2.000.000 1.950.000 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Bron: RSZ (bewerking Steunpunt Werk / Departement WSE)

1 Het gaat hier om jaargegevens op basis van RSZ-data. Hierin zijn alle loontrekkenden meegenomen met woonplaats in het Vlaams Gewest. 7


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Ook in deze gunstige context kenden de sectoren in Vlaanderen de laatste vijf jaar (2014-2019) een uiteenlopende evolutie (Figuur 2). Voor de Vlaamse arbeidsmarkt als geheel klopt de tewerkstellingsgroei tussen 2014 en 2019 af op 5,8%. Onder deze stijgende trend gaan op sectoraal niveau echter zeer verschillende evoluties schuil. De algemene trend – die zich al jaren doorzet – is er één van groei in de dienstensectoren en krimp in de traditionele industriële sectoren. 2 Wanneer we het jaarcijfer van 2014 vergelijken met dat van 2019, zien we een uitgesproken groei in de sectoren gelinkt aan internationale handel en transport (TRANSPORT, LOGISTIEK, GRONDAFHANDELING LUCHTHAVEN, INTERNATIONALE HANDEL, VERVOER, LOGISTIEK, PRIVATE AUTOBUS- EN AUTOCARBEDRIJVEN, TAXI-ONDERNEMINGEN, …). Maar ook in andere dienstensectoren zien we een groei die groter is dan het Vlaamse gemiddelde, denken we maar aan VERHUIS EN MEUBELBEWARING (+72,7%), de AUDIOVISUELE SECTOR (+50,5%), DIENSTENCHEQUES (+22,5%) of VASTGOED (+21,5%). Ook binnen de UITZENDSECTOR zit de groei, met 15,7%, fors boven het Vlaamse gemiddelde. Bij de krimpsectoren onderscheiden we vooral een aantal ‘traditionele’ industriële sectoren. Daar is de krimp in tewerkstelling een fenomeen dat zich al geruime tijd doorzet. Vooral bij de DIAMANTNIJVERHEID is de krimp de laatste jaren uitgesproken, met een daling van 22,5% tussen 2014 en 2019. We moeten hier wel opmerken dat grote procentuele verschillen in kleinere sectoren overeen kunnen komen met een relatief beperkte stijging in absolute aantallen. Toch zien we ook binnen de industrie een aantal sectoren die een groei lieten optekenen, in het bijzonder de SCHEIKUNDIGE NIJVERHEID (+7,1%) en de VOEDINGSNIJVERHEID (+5,2%).

2 In deze cijfers werden de metaalsector en montage en kraanverhuur noodgedwongen samengeteld als metaalsector, omdat het subcomité niet beschikbaar was in de gebruikte brondata. Voor de lokale besturen waren in ons bronbestand geen data beschikbaar. Daar deden we beroep op de data voor 2018, die hier terug te vinden zijn: https:// vlaamsestatistieken.login.kanooh.be/personeel-lokale-besturen 8


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Figuur 2: Evolutie van het aantal werknemers tussen 2014 en 2019 (Vlaams Gewest) 5,8%

VLAAMS GEWEST Groene sectoren

2,4%

Voedingsnijverheid

5,2%

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

-2,7%

Scheikundige nijverheid

7,1%

Betonindustrie Metaalsector*

-3,2% -1,3%

Autosector

2,5%

Hout

-5,7%

Bouw

-5,1%

Elektriciens

6,6%

Diamantnijverheid

-22,5%

Textielsector

-2,8%

Kleding & confectie

-8,4%

Brandstoffenhandel

25,6%

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

57,5%

Internationale handel, vervoer, logistiek

16,6%

Binnenscheepvaart

-15,2%

Private autobus- en autocarbedrijven

37,5%

Taxi-ondernemingen

17,9%

Audiovisuele sector & filmproductie

50,5%

Grafische sector

-10,8%

Vermakelijkheidsbedrijven

16,1%

Textielverzorging

-15,2%

Schoonmaak

10,7%

Dienstencheques

22,5%

Uitzendsector

15,8%

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

-3,2%

Horeca

5,4%

Verhuis en meubelbewaring

72,7%

Vastgoedsector

21,5%

Vrije beroepen

13,0%

Uitvaartsector APC Bedienden*

5,0%

Social Profit Lokale besturen*

12,1%

7,4% 0,1% -40%

-20%

0%

20%

40%

60%

80%

Noot: *Montagesector valt onder de metaalsector. Bij ACP Bedienden gaat het voor 2014 om de cijfers voor paritair comitĂŠ 218. Voor de lokale besturen waren in ons bronbestand geen data beschikbaar. Daar deden we beroep op de data voor 2018, die hier terug te vinden zijn: https://vlaamsestatistieken.login.kanooh.be/personeel-lokale-besturen

Bron: RSZ (bewerking Steunpunt Werk / Departement WSE)

9


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

3.2 In- en uitstroom van werknemers (Paritair Comité) De groei- en krimpcijfers uit het vorige hoofdstuk tonen een netto-evolutie, de som van het aantal werknemers die de sectoren verlieten en het aantal werknemers die in de sectoren instroomden. In dit hoofdstuk gaan we wat dieper in op deze achterliggende bruto-bewegingen. We bekijken de in- en uitstroom van werknemers echter niet op sectorniveau, maar op ondernemingsniveau. Wanneer een sector een instroomgraad heeft van bijvoorbeeld 10%, betekent dit dat 10% van alle werknemers in het voorbije jaar werd aangeworven door hun huidige werkgever. Het gaat dan zowel om de instroom vanuit een niet-werkend statuut, vanuit een andere sector (zij-instroom), als om instroom vanuit een andere werkgever uit dezelfde sector. De cijfers tonen dus het gemiddeld personeelsverloop in sectoren. In de loop van 2017 gingen meer dan 423.000 Vlamingen aan het werk voor een nieuwe werkgever. Op een totaal van ruim 2,2 miljoen loontrekkenden, geeft dat een instroomgraad van 18,5%. Het gaat zowel om werknemers die de overstap maakten van de ene werkgever naar de andere, als om nieuwe instroom van werkzoekenden, schoolverlaters of andere niet-beroepsactieven. In datzelfde jaar trok 16,7% van alle Vlaamse loontrekkenden de deur bij hun werkgever achter zich dicht, door aan de slag te gaan bij een andere werkgever of te stoppen met werken. De instroomgraad was in 2017 groter dan de uitstroomgraad, zodat de totale tewerkstelling dat jaar groeide. De UITZENDSECTOR is in deze cijfers natuurlijk erg opvallend. Door het overwicht aan tijdelijke contracten in deze sector, was niet minder dan 81,6% van alle werknemers in 2017 in de loop van dat jaar ingestroomd. 76,5% van de uitzendwerknemers verliet hun werkgever in de loop van dat jaar. Ook de GROENE SECTOREN en de HORECA steken er bovenuit, omwille van het gelegenheidspersoneel dat in de drukke periodes van het jaar (respectievelijk de ‘oogst-’ en de vakantieperiodes) tijdelijk in deze sectoren aan de slag gaat. In de industriële sectoren vinden we heel wat minder personeelsverloop. De AUTOSECTOR en de VOEDINGSNIJVERHEID ontvingen met een instroomgraad van respectievelijk 16,3% en 14,1% slechts iets minder nieuwe werknemers dan gemiddeld, maar de meeste andere industriesectoren schommelden rond de 10%. Zoals ook uit het vorige hoofdstuk bleek, kenden verschillende industriële sectoren een dalende tewerkstelling, wat in deze cijfers betekent dat de uitstroomgraad er hoger is dan de instroomgraad. Dit was in 2017 voor de PAPIER- EN KARTONVERWERKENDE NIJVERHEID, de BETONINDUSTRIE en de HOUTSECTOR het geval. In een aantal dienstensectoren zien we dan weer hogere cijfers. Zo kenden onder meer de KAPPERS, SCHOONHEIDSZORGEN EN FITNESS, de AUDIOVISUELE SECTOR, de VERMAKELIJKHEIDSBEDRIJVEN, de SCHOONMAAKSECTOR en de DIENSTENCHEQUESECTOR een instroom van meer dan 20% van hun personeel, terwijl ook de uitstroom in deze sectoren bovengemiddeld hoog was. In de meeste sectoren was minder dan een kwart van de nieuwe werknemers die in 2017 instroomden jonger dan 25. Onder de sectoren die bovengemiddeld veel jongeren aanwierven, vinden we onder meer de KAPPERS, SCHOONHEIDSZORGEN EN FITNESS (47,2%), de ELEKTRICIENS (34,3%) en de GROENE SECTOREN (32,6%). In de BRANDSTOFFENHANDEL (5,9%), de UITVAARTSECTOR (9,7%) en de TRANSPORTSECTOR3 (11,5%) werden dan weer uitzonderlijk weinig jongeren aangeworven. Van de werknemers die hun werkgever verlieten, was 13,1% ouder dan 55 jaar. Het merendeel van deze uitstroom was wellicht een uitstroom naar pensioen, en niet naar een andere werkgever. In een aantal sectoren loopt het aandeel 55-plussers in de uitstroom echter fors op. In de UITVAARTSECTOR was niet minder dan 50,1% van alle werknemers die uitstroomden ouder dan 55, in de DIAMANTNIJVERHEID ging het om 46,6%. Onder de sectoren met relatief weinig uitstroom van 55-plussers vinden we onder meer de KAPPERS, SCHOONHEIDSZORGEN EN FITNESS (3,0%), de AUDIOVISUELE SECTOR (3,6%) en de UITZENDSECTOR (4,2%).

3 In deze cijfers werden de sectoren Transport en logistiek, Taxi-ondernemingen, Private autobus- en autocarbedrijven en de Verhuisondernemingen noodgedwongen samengeteld als “Transportsector”, omdat de subcomités van paritair comité 140 niet beschikbaar waren in de gebruikte brondata. 10


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Figuur 3: In- en uitstroomgraad, volgens leeftijd (Vlaams Gewest, gemeten tussen 30 juni 2016 en 30 juni 2017) Uitstroomgraad

Instroomgraad

VLAAMS GEWEST

-16,7%

18,5%

Groene sectoren

-39,5%

48,4%

Voedingsnijverheid

-12,7%

14,1%

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

-11,7%

7,8%

Scheikundige nijverheid Betonindustrie*

-8,6%

10,2%

-10,1%

9,8%

Metaalsector Montagesector & kraanverhuur*

-10,5%

11,0%

-10,3%

10,8%

Auto & aanverwante sectoren

-14,1%

16,3%

Hout

-13,1%

12,8%

Bouw

-19,0%

18,9%

Elektriciens

-16,2%

19,8%

Diamantnijverheid

-12,8%

11,5%

Textielsector

-9,0%

9,8%

Kleding & confectie

-13,4%

12,9%

Brandstoffenhandel Transportsector*

-19,4%

17,6%

-18,0%

21,8%

Internationale handel, vervoer, logistiek

-12,7%

15,2%

Binnenscheepvaart Audiovisuele sector & filmproductie*

-25,5%

25,3%

-23,5%

30,3%

Grafische sector

-8,9%

8,9%

Vermakelijkheidsbedrijven

-22,2%

26,7%

Textielverzorging

-13,0%

12,1%

Schoonmaak

-18,6%

21,8%

Dienstencheques

-17,3%

22,2%

Uitzendsector

-76,5%

81,6%

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

-30,8%

30,0%

Horeca

-39,3%

43,2%

Vastgoedsector

-20,1%

22,1%

Vrije beroepen

-16,7%

19,4%

Uitvaartsector

-22,6%

25,5%

APC Bedienden Social Profit*

-15,8%

19,2%

-10,8%

12,7%

-100% -80% -60% -40% -20% 0%

20% 40% 60% 80% 100%

Instroomgraad

Instroomgraad < 25

Uitstroomgraad

Uitstroomgraad 55+

Noot: *In deze cijfers werden de sectoren Transport en logistiek, Taxi-ondernemingen, Private autobus- en autocarbedrijven en de Verhuisondernemingen noodgedwongen samengeteld als “Transportsector”, omdat de subcomités van paritair comité 140 niet beschikbaar waren in de gebruikte brondata. Om dezelfde reden werd de betonsector afgebakend als het gehele PC 106, de filmproductie als PC 303, en werden ook in de social profit de kleine subcomités 319.02, 329.02 en 329.03 meegeteld.

Bron: DynaM-dataset, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en HIVA – KU Leuven (bewerking Departement WSE)

11


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

3.3 Vacatures In dit onderdeel proberen we de vraagzijde van de arbeidsmarkt in kaart te brengen. Dit doen we door te kijken naar de ontvangen en openstaande vacatures die geregistreerd worden bij VDAB. Het vacaturebestand van VDAB is de meest volledige bron die we hiervoor hebben, maar het is belangrijk om op te merken dat deze bron ook zijn tekortkomingen heeft. VDAB capteert immers niet de volledige vacaturemarkt, aangezien werkgevers soms ook andere (en meer informele) kanalen gebruiken voor hun aanwervingen. We bekijken in dit stuk de vacatures in het ‘normaal economisch circuit zonder uitzendopdrachten (NecZu)’, wat overeenstemt met de eigen rapportering van VDAB. Enkel voor de uitzendsector zelf rapporteren we logischerwijs wel de uitzendopdrachten. Onder de sector SCHOONMAAK vallen in de VDAB-vacaturedata ook de DIENSTENCHEQUESSECTOR (aangegeven met * in de grafieken). Voor APC Bedienden en de lokale besturen was het op basis van de VDAB-brondata niet mogelijk om hen hierin af te zonderen. Over deze sectoren kunnen we hier dus geen cijfers meegeven.

3.3.1 Algemene evolutie (ontvangen & openstaande vacatures) (NACE) Hier brengen we de evolutie van de vraagzijde van de arbeidsmarkt in beeld (Figuur 4). Als het gaat over ontvangen vacatures wordt het aantal in de loop van het jaar bijgekomen nieuwe jobs geteld. We kunnen opmerken dat het aantal ontvangen vacatures bij VDAB de laatste jaren in stijgende lijn gaat. Niet alleen economische groei en werkgelegenheidsgroei kunnen deze stijging verklaren, maar mogelijk ook een groeiend ‘marktaandeel’ van VDAB, waarbij steeds meer werkgevers beroep doen op VDAB om hun vacatures te verspreiden. Als we naar Vlaanderen als geheel kijken, steeg het aantal ontvangen vacatures bij VDAB tussen 2018 en 2019 met 1,8% (Figuur 3). In sommige sectoren was de toename opvallender. We moeten hier wel opmerken dat het voornamelijk om kleine sectoren gaat, wat voor een lichte vertekening in de cijfers zorgt. Tegelijk zien we in andere sectoren een krimp. Ook het aantal openstaande vacatures nam toe. Als het gaat over openstaande vacatures wordt het gemiddeld aantal vacatures geteld dat in de loop van een jaar op het einde van elke maand nog niet afgehandeld is, en dus nog open staat. Voor Vlaanderen als geheel kunnen we tussen 2018 en 2019 een stijging opmerken van 3,5%. Het feit dat het aantal openstaande vacatures sneller steeg dan het aantal ontvangen vacatures, kan er op wijzen dat vacatures gemiddeld langer onvervuld bleven. Ook hieronder gaat een erg verscheiden beeld schuil wanneer we de opsplitsing maken tussen sectoren, met een aantal opvallende groeiers, maar ook een aantal sectoren waar we een krimp vaststellen. De grootste toename zien we in de MONTAGESECTOR EN KRAANVERHUUR (+45,6%), de GROENE SECTOREN (+42,0%), en de TAXI-ONDERNEMINGEN (+35,6%). De meest uitgesproken daling zien we bij TRANSPORT, LOGISTIEK, GRONDAFHANDELING LUCHTHAVEN (-31,9%).

12


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Figuur 4: Evolutie van ontvangen en openstaande vacatures in het normaal economisch circuit zonder uitzendopdrachten (Vlaams Gewest, 2018-2019) 1,8% 3,5% 19,9% 42,0% 9,5% 5,6% -10,6% 1,1% -7,6% -6,2% 21,6% 8,7% -22,5% -2,9% 51,8% 45,6% -12,3% -15,6% 5,0% 19,0% -9,0% 2,0% -39,5% -20,3% 21,4% -21,4% -0,5% -28,6% -16,1% 2,1% -12,8% 3,0% -6,9% -31,9% 8,7% 8,3% 0,1% 10,2% 30,4% 35,6% -34,2% -22,0% 0,0% -11,9% 3,6% -9,9% -22,3% -22,2% 6,0% 7,8% 3,4% 0,8% 1,8% -6,2% -1,5% -9,0% 8,0% 2,7% 53,0% 13,7% 17,2% -2,5% -34,1% -9,6% 13,5% 18,7%

VLAAMS GEWEST Groene sectoren Voedingsnijverheid Papier- en kartonverwerkende nijverheid Scheikundige nijverheid Betonindustrie Metaalsector Montagesector & kraanverhuur Auto & aanverwante sectoren Hout Bouw Elektriciens Diamantnijverheid Textielsector Kleding & confectie Brandstoffenhandel Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven Internationale handel, vervoer, logistiek Private autobus- en autocarbedrijven Taxi-ondernemingen Audiovisuele sector & filmproductie Grafische sector Vermakelijkheidsbedrijven Textielverzorging Schoonmaak & dienstencheques* Uitzendsector Kappers, schoonheidszorgen, fitness Horeca Verhuis en meubelbewaring Vastgoedsector Vrije beroepen Uitvaartsector Social Profit -60%

-40%

-20%

Ontvangen vacatures

0%

20%

40%

60%

Openstaande vacatures

Noot: *Het is niet mogelijk om de dienstenchequesector afzonderlijk op te nemen, deze is hier samengenomen met de sector schoonmaak. Ook de APC Bedienden en lokale besturen zijn niet af te bakenen op NACE 2003 4 digit.

Bron: VDAB (bewerking Departement WSE)

13


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

3.3.2 Kansen voor kortgeschoolden / personen met beperkte ervaring (NACE) Sectoren verschillen sterk in het aandeel vacatures dat openstaat voor 1) kortgeschoolden en 2) personen met geen of beperkte werkervaring. In Figuur 5 brengen we de verschillen in de vraag naar scholing en ervaring in beeld voor de verschillende sectoren. Op de x-as geven we weer welk percentage jobs er openstaat voor personen met beperkte of geen (< 6 maanden) ervaring. Op de y-as is weergegeven welk aandeel jobs openstaat voor kortgeschoolden. Uit deze grafiek kunnen we afleiden dat de TAXI-ONDERNEMINGEN en de BRANDSTOFFENHANDEL zowel qua scholing als qua ervaring de minste eisen stellen. Ook binnen de GROENE SECTOREN, TEXTIELVERZORGING, PRIVATE AUTOBUS- EN AUTOCARBEDRIJVEN en binnen de UITVAARTSECTOR liggen er kansen voor deze groep. In andere sectoren wordt een lage vraag naar scholing gecompenseerd door meer nadruk op ervaring. Dit geldt bijvoorbeeld voor de HORECA, waar 74,3% van de jobs openstaan voor kortgeschoolden, maar slechts 30,6% voor personen met beperkte werkervaring. Vergelijkbare cijfers zien we in KLEDING & CONFECTIE, waar in 70,1% van de vacatures geen scholingsvereisten gelden, maar er wel maar 26,0% jobs openstaan voor wie beperkte ervaring heeft. Aan het andere uiteinde zien we dat er sectoren zijn waarin scholingsgraad relevanter is dan werkervaring. Dit is in het bijzonder zo in de SOCIAL PROFIT. Daar staat 44,4% van de jobs open voor kortgeschoolden, maar ligt dat aandeel hoger voor personen met beperkte ervaring (59,0%). Scholing is er dus belangrijker dan ervaring. Ook in heel wat eerder â&#x20AC;&#x2DC;vaktechnischeâ&#x20AC;&#x2122; beroepen, zoals we er veel terugvinden in HOUT, BOUW, of de DIAMANTNIJVERHEID, is de vraag naar geschoolde profielen hoger dan het Vlaams gemiddelde.

14


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Figuur 5: Kruising van het aandeel openstaande vacatures voor kortgeschoolden en personen met minder dan 6 maanden ervaring (Vlaams Gewest, 2019) 100%

Verhuis en meubelbewaring

Private autobus- en autocarbedrijven

80%

Textielverzorging Kleding & confectie

Brandstoffenhandel

Groene sectoren

Horeca

70%

Uitvaartsector Diamantnijverheid

% kortgeschoold

Taxi-ondernemingen

Schoonmaak & dienstencheques*

90%

Vermakelijkheidsbedrijven

Textielsector

60% Bouw

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

Hout

50%

Uitzendsector

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

VLAAMS GEWEST

Betonindustrie

40%

Social Profit

Voedingsnijverheid Grafische sector Papier- en karton- Metaalsector Auto & aanverwante sectoren verwerkende nijverheid

30%

Internationale handel, vervoer, logistiek logisitiek

Elektriciens

Audiovisuele sector & filmproductie

20%

Montagesector & kraanverhuur

Scheikundige nijverheid Vastgoedsector

10% Vrije beroepen

0% 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

% < 6 maand ervaring Noot: *Het is niet mogelijk om de dienstenchequesector afzonderlijk op te nemen, deze is hier samengenomen met de sector schoonmaak. Ook de APC Bedienden en lokale besturen zijn niet af te bakenen op NACE 2003 4 digit.

Bron: VDAB (bewerking Departement WSE)

3.3.3 Aanwervingen van niet-werkende werkzoekenden (NACE) In 2019 werden ruim 229.000 niet-werkende werkzoekenden aangeworven in Vlaanderen, waarvan meer dan 160.000 in ĂŠĂŠn van de sectoren met een sectorconvenant. De cijfers over aanwervingen van kansengroepen in de verschillende sectoren zijn opgenomen in Tabel 1. Het leeuwendeel werd aangeworven in de UITZENDSECTOR, gevolgd door de SOCIAL PROFIT, de HORECA en de BOUW. De convenantsectoren bieden heel wat jobs voor werkzoekenden uit kansengroepen. In de sector SCHOONMAAK & DIENSTENCHEQUES en de AUTOBUSSECTOR hadden meer dan de helft van de aangeworven werkzoekenden geen diploma van het hoger secundair onderwijs behaald. Ook de VERHUISSECTOR, de GROENE SECTOREN en de BRANDSTOFFENHANDEL werven veel kortgeschoolden aan.

15


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Voor personen met een migratie-achtergrond bieden de sectoren SCHOONMAAK & DIENSTENCHEQUES, TAXI-ONDERNEMINGEN en TEXTIELVERZORGING veel kansen. Meer dan 1 op 3 van de aangeworven werkzoekenden in deze sectoren had een huidige of vorige nationaliteit van buiten de EU. Voor werkzoekenden ouder dan 55 kan het een hele uitdaging zijn om een nieuwe job te vinden. Slechts 6,3% van alle aangeworven niet-werkende werkzoekenden in 2019 was ouder dan 55, hoewel zij 22,5% van alle werkzoekenden uitmaken. Onder de sectoren met een convenant zijn enkele transportsectoren uitschieters: Bij de TAXI-ONDERNEMINGEN, de BINNENSCHEEPVAART en de PRIVATE AUTOBUS- EN AUTOCARBEDRIJVEN waren respectievelijk 17,2%, 17,9% en 25,8% van de aangeworven werkzoekenden ouder dan 55. Ook in de VASTGOEDSECTOR en de DIAMANTNIJVERHEID waren meer dan 10% van de aangeworven werkzoekenden al wat ouder. Bijna 1 op 4 werkzoekenden ouder dan 55 heeft een arbeidshandicap. Bij de sectoren die meer dan gemiddeld kansen bieden voor werkzoekenden met een arbeidshandicap vinden we dan ook veel van de sectoren uit de vorige alinea terug. De UITVAARTSECTOR spant hier echter de kroon, met 16,7% personen met arbeidshandicap onder de aangeworven werkzoekenden. De SOCIAL PROFIT volgt met 14,3% op korte afstand. Wat de aanwerving van langdurig werkzoekenden betreft, vinden we geen uitschieters terug. Gemiddeld was in 2019 23,1% van alle aangeworven werkzoekenden al langer dan een jaar werkloos. Enkel de VERMAKELIJKHEIDSBEDRIJVEN zitten daar met 32,6% ruim boven, de meeste andere sectoren situeren zich eerder rond het gemiddelde. De meest diverse sector – althans op het vlak van aanwerving van niet-werkende werkzoekenden – is de sector van de TAXI-ONDERNEMINGEN. Dit is de enige sector met een convenant die elk van de hierboven genoemde groepen meer kansen biedt dan gemiddeld. Hoewel de UITZENDSECTOR er bij geen enkele groep bovenuit steekt, en in het aanwerven van 55-plussers onder het gemiddelde blijft, verdient deze sector qua diversiteit wel een vermelding omdat ze voor 4 van de 5 genoemde groepen (ruim) boven het gemiddelde scoort, en dit bovendien in grote aantallen. De SCHEIKUNDIGE NIJVERHEID, de HOUTSECTOR, de ELEKTRICIENS, de TRANSPORTSECTOR, de INTERNATIONALE HANDEL en de KAPPERS, FITNESS EN SCHOONHEIDSZORGEN werven uit geen enkele van deze kansengroepen meer werkzoekenden aan dan gemiddeld.

Tabel 1: Aanwervingen van niet-werkende werkzoekenden, volgens achtergrondkenmerken (Vlaams Gewest, 2019) SECTOR

TOTAAL

KORT­ GESCHOOLD

MIGRATIEACHTERGROND

55-PLUS

VLAAMS GEWEST

229.228

34,2%

23,6%

6,3%

6,7%

23,1%

1.117

48,8%

19,5%

8,9%

9,9%

23,2%

1.694

35,0%

19,1%

7,3%

5,4%

16,9%

Groene sectoren Voedingsnijverheid Papier- en kartonverwerkende nijverheid Scheikundige nijverheid Betonindustrie Metaalsector Montagesector & kraanverhuur

ARBEIDSHANDICAP

> 1 JAAR WERKZOEKEND

101

19,8%

20,8%

9,9%

2,0%

14,9%

1.179

13,0%

11,6%

5,1%

1,9%

12,0%

120

34,2%

15,8%

5,0%

3,3%

9,2%

1.935

30,7%

19,9%

6,0%

4,3%

16,2%

250

32,8%

21,6%

6,4%

4,8%

15,2%

Auto & aanverwante sectoren

1.740

33,4%

19,3%

4,3%

4,7%

19,4%

Hout

1.045

26,4%

12,4%

5,6%

6,3%

18,7%

Bouw

5.505

44,8%

16,1%

6,0%

7,1%

17,9%

Elektriciens

1.289

27,9%

19,4%

5,3%

3,7%

17,2%

72

25,0%

19,4%

13,9%

8,3%

25,0%

Diamantnijverheid

16


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

SECTOR

Textielsector

TOTAAL

KORT­ GESCHOOLD

MIGRATIEACHTERGROND

55-PLUS

ARBEIDSHANDICAP

> 1 JAAR WERKZOEKEND

187

27,3%

24,1%

8,6%

3,2%

19,3%

Kleding & confectie

2.917

29,6%

21,9%

6,3%

6,0%

19,3%

Brandstoffenhandel

232

48,7%

23,3%

4,3%

7,8%

19,4%

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

620

15,6%

16,6%

2,3%

1,8%

12,6%

Internationale handel, vervoer, logistiek

3.169

22,2%

17,2%

5,1%

3,4%

18,4%

Binnenscheepvaart

56

23,2%

3,6%

17,9%

5,4%

8,9%

Private autobus- en autocarbedrijven

775

51,1%

25,7%

25,8%

11,6%

16,8%

Taxi-ondernemingen

319

47,6%

38,9%

17,2%

10,0%

27,9%

Audiovisuele sector & filmproductie

342

8,2%

6,7%

4,4%

1,8%

27,5%

Grafische sector Vermakelijkheidsbedrijven Textielverzorging Schoonmaak & Dienstencheques* Uitzendsector

779

15,1%

9,8%

9,0%

4,1%

18,7%

1.310

20,0%

8,0%

9,0%

4,8%

32,6%

138

46,4%

34,8%

5,1%

8,7%

28,3%

4.103

55,8%

41,7%

5,5%

8,0%

26,5%

97.097

40,6%

28,2%

5,8%

7,0%

26,8%

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

1.379

27,0%

17,0%

4,1%

5,7%

17,5%

Horeca

8.926

42,4%

29,0%

6,2%

5,2%

20,0%

Verhuis en meubelbewaring

1.213

49,4%

25,0%

8,7%

8,2%

17,2%

647

17,2%

13,4%

11,3%

4,5%

15,9%

1.598

7,6%

12,3%

7,4%

2,9%

11,5%

Vastgoedsector Vrije beroepen Uitvaartsector Social Profit

36

13,9%

0,0%

8,3%

16,7%

22,2%

19.811

33,0%

20,9%

5,9%

14,3%

23,1%

Noot: *De brondata laat niet toe om het onderscheid te maken tussen vacatures voor de schoonmaaksector en de dienstenchequesector, dus zijn deze hier samengeteld. De Lokale Besturen en het APC Bedienden zijn op basis van NACE 2003 niet af te zonderen.

Bron: VDAB (bewerking Departement WSE)

17


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

4 Diversiteit en werkbaarheid 4.1 Diversiteit (Paritair Comité) In dit deel brengen we in kaart hoe divers het werknemersprofiel is binnen de verschillende sectoren met een sectorconvenant en de uitvaartsector. We focussen hier op drie componenten: • Geslacht • Herkomst • Leeftijd Voor geslacht doen we een beroep op RSZ-gegevens die ons een beeld geven van de man-vrouw-verhouding binnen de verschillende sectoren in het jaar 2019.4 Voor herkomst doen we een beroep op data uit het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming van de Kruispuntbank Sociale Zekerheid voor het vierde kwartaal van 2018 (de meest recent beschikbare gegevens). 5 Met deze gegevens capteren we personen met een buitenlandse herkomst (zowel eerste als tweede generatie) binnen de Vlaamse loontrekkende tewerkstelling. Bij leeftijd hebben we in het bijzonder aandacht voor de uitdaging van de vergrijzing waar de Vlaamse arbeidsmarkt in het algemeen, en bepaalde sectoren in het bijzonder, voor staan. Hier doen we een beroep op RSZ-data om het aandeel 50-plussers in de verschillende sectoren in kaart te brengen. Tegelijk werpen we, met behulp van de sectorprojecties van het Steunpunt Werk, een blik op de toekomst en kijken we welke sectoren er in 2025 geconfronteerd zullen worden met een hoge uitstroom van 55-plussers en bijgevolg met een hoge vervangingsvraag.

4.1.1 Profielkenmerken werknemers: geslacht Wanneer we naar de Vlaamse tewerkstelling in het algemeen kijken, zien we een relatief evenwichtige verdeling tussen man en vrouw, met een licht overwicht van mannen (Figuur 6). Als we dit echter uitsplitsen naar sectoren zien we meer uitgesproken verschillen.6 Binnen een aantal sectoren (overwegend binnen de klassieke industrie & bouw) is het mannelijk overwicht vaak zeer groot, met cijfers van meer dan 90% bij de AUTOSECTOR (93,6%), BETONINDUSTRIE (98,9%), HOUT (91,1%), BOUW (99,1%) en ELEKTRICIENS (97,3%). Ook in een aantal dienstensectoren, zoals TRANSPORT, LOGISTIEK, GRONDAFHANDELING LUCHTHAVEN (92,2%), BINNENSCHEEPVAART (94,9%), VERHUIS- EN MEUBELBEWARING (99,2%), en BRANDSTOFFENHANDEL (96,2%) zijn meer dan 90% van de werknemers mannen. Binnen de sectoren met een sectorconvenant zijn sectoren met een overwicht aan vrouwen een minderheid. Het meest uitgesproken overwicht aan vrouwen zien we binnen een aantal dienstensectoren, met name bij de DIENSTENCHEQUES (97,5%), KAPPERS, SCHOONHEIDSZORGEN EN FITNESS (84,1%) en de SOCIAL PROFIT (78,5%). 4 Het gaat hier om gegevens van werknemers met woonplaats in het Vlaams Gewest. 5 Ook hier gaat het om gegevens voor loontrekkenden met woonplaats in het Vlaams Gewest. 6 In deze cijfers werden de metaalsector en montage en kraanverhuur noodgedwongen samengeteld als metaalsector, omdat de subcomités niet beschikbaar waren in de gebruikte brondata. Voor de lokale besturen waren er in ons bronbestand geen data beschikbaar. Daar deden we een beroep op de data voor 2018, die hier terug te vinden zijn: https:// vlaamsestatistieken.login.kanooh.be/personeel-lokale-besturen 18


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Figuur 6: Tewerkstelling naar geslacht (%) (Vlaams Gewest, 2019) VLAAMS GEWEST

51,5% 48,5%

Groene sectoren

77,6% 22,4%

Voedingsnijverheid

68,4% 31,6%

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

78,0% 22,0%

Scheikundige nijverheid

68,3% 31,7%

Betonindustrie Metaalsector*

98,9%

Autosector

93,6%

6,4%

Hout

91,1%

8,9%

Bouw

99,1%

0,9%

Elektriciens

97,3%

2,7%

1,1%

83,6% 16,4%

Diamantnijverheid

52,9% 47,1%

Textielsector

65,6% 34,4%

Kleding & confectie

33,8% 66,2%

Brandstoffenhandel

96,2%

3,8%

92,2%

7,8%

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

56,3% 43,7%

Internationale handel, vervoer, logistiek

94,9%

Binnenscheepvaart

5,1%

85,9% 14,1%

Private autobus- en autocarbedrijven

88,9%

Taxi-ondernemingen

11,1%

58,5% 41,5%

Audiovisuele sector & filmproductie Grafische sector

74,3% 25,7%

Vermakelijkheidsbedrijven

54,5% 45,5%

Textielverzorging

31,5% 68,5%

Schoonmaak

42,7% 57,3%

Dienstencheques

2,5% 97,5%

Uitzendsector

64,5% 35,5%

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

15,9% 84,1%

Horeca

49,7% 50,3% 99,2%

Verhuis en meubelbewaring

0,8%

38,4% 61,6%

Vastgoedsector Vrije beroepen

28,3% 71,7%

Uitvaartsector

66,4% 33,6%

APC Bedienden

58,9% 41,1%

Social Profit Lokale besturen*

21,5% 78,5% 38,0% 62,0% 0%

10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% % mannen

% vrouwen

Noot: *Montagesector valt onder de metaalsector. Voor de lokale besturen waren in ons bronbestand geen data beschikbaar. Daar deden we beroep op de data voor 2018, die hier terug te vinden zijn: https://vlaamsestatistieken.login.kanooh. be/personeel-lokale-besturen

Bron: RSZ (bewerking Steunpunt Werk / Departement WSE)

19


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

4.1.2 Profielkenmerken werknemers: herkomst We kunnen ook nagaan wat het aandeel is van personen met een buitenlandse herkomst in de verschillende sectoren. Om de herkomst van een persoon te bepalen worden 4 criteria in rekening gebracht: de huidige nationaliteit van de persoon, de geboortenationaliteit van de persoon (vóór een eventuele nationaliteitswijziging), de geboortenationaliteit van de vader en de geboortenationaliteit van de moeder. Is één van deze 4 criteria een niet-Belgische nationaliteit, dan wordt de persoon beschouwd als zijnde een persoon van buitenlandse herkomst.7 Op deze manier worden zowel personen van de eerste generatie als van de tweede generatie in kaart gebracht. Voor een beperkt aandeel werknemers is de herkomst onbekend, meestal omdat de gegevens van de ouders niet beschikbaar zijn in het rijksregister. Dit kan vooral bij oudere werknemers voorkomen. Een eerste globaal beeld, waarbij we werknemers opsplitsen naar Belgische en buitenlandse herkomst, toont al aan dat er onder sectoren grote verschillen bestaan naar tewerkstelling van personen met een migratieachtergrond (Figuur 7).8 In de SCHOONMAAK (59,7%) maken personen met een buitenlandse herkomst het merendeel uit van de werknemers. Binnen de DIENSTENCHEQUES (49,6%), de UITZENDSECTOR (45,1%) en de HORECA (42,4%) heeft meer dan 40% van de werknemers een buitenlandse herkomst. Een aantal sectoren heeft dan weer een lager aandeel personen van buitenlandse herkomst dan het Vlaamse gemiddelde. Het gaat hier om een aantal industriële sectoren, zoals de SCHEIKUNDIGE NIJVERHEID (14,2%), METAALSECTOR9 (18,4%), HOUT (17,4%). Het laagste aandeel treffen we aan bij de UITVAARTSECTOR (7,2%), de AUDIOVISUELE SECTOR (11,8%) en de VRIJE BEROEPEN (12,9%).

7 Deze definitie sluit aan bij artikel 2 van het Vlaams Integratie- en Inburgeringsdecreet van 2013: “Een persoon van buitenlandse herkomst is een persoon die wettig en langdurig in België verblijft en die bij zijn geboorte niet de Belgische nationaliteit bezat of van wie minstens één van de ouders bij de geboorte niet de Belgische nationaliteit bezat”. 8 We merken hier op dat we voor de sector lokale besturen geen gegevens kunnen weergeven, gezien deze niet opgenomen was in de brondata. 9 In deze cijfers werden de metaalsector en montage en kraanverhuur noodgedwongen samengeteld als metaalsector, omdat de subcomités niet beschikbaar waren in de gebruikte brondata. 20


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Figuur 7: Tewerkstelling naar herkomst (%) (Vlaams Gewest, vierde kwartaal 2018) VLAAMS GEWEST

76,0% 19,3%

4,6%

Groene sectoren

59,4% 36,5%

4,0%

Voedingsnijverheid

71,3% 24,2%

4,3%

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

74,6% 20,4%

4,9%

Scheikundige nijverheid

81,5% 14,2%

4,2%

Betonindustrie Metaalsector*

67,7% 27,1%

5,0%

77,2% 18,4%

4,2%

Autosector

72,3% 22,8%

4,7%

Hout

77,8% 17,4%

4,7%

Bouw

70,9% 24,6%

4,4%

Elektriciens

72,5% 23,6%

3,7%

Diamantnijverheid

66,4% 28,4%

4,9%

Textielsector

76,5% 18,2%

5,1%

Kleding & confectie

72,5% 22,3%

5,1%

Brandstoffenhandel

71,4% 21,8%

6,8%

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

59,0% 36,0%

5,0%

Internationale handel, vervoer, logistiek

74,3% 21,2%

4,4%

Binnenscheepvaart

71,6% 22,9%

5,3%

Private autobus- en autocarbedrijven

63,5% 26,8%

9,5%

Taxi-ondernemingen

50,2% 38,3%

11,2%

Audiovisuele sector & filmproductie

85,4% 11,8%

2,8%

Grafische sector

82,4% 12,9%

4,5%

Vermakelijkheidsbedrijven

76,0% 19,6%

4,3%

Textielverzorging

60,3% 33,6%

6,0%

Schoonmaak

35,5% 59,7%

4,4%

Dienstencheques

45,3% 49,6%

4,8%

Uitzendsector

51,2% 45,1%

3,4%

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

67,1% 29,8%

2,7%

Horeca

52,2% 42,4%

5,0%

Verhuis en meubelbewaring

63,8% 28,7%

7,5%

Vastgoedsector

73,6% 19,8%

6,5%

Vrije beroepen

83,7% 12,9%

3,3%

Uitvaartsector

72,8%

7,2% 19,9%

APC Bedienden

81,3% 14,8%

3,8%

Social Profit

80,0% 14,9%

5,1%

0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Belgisch

Buitenlands

Onbekend

Noot: *Montagesector valt onder de metaalsector. Voor de lokale besturen waren in ons bronbestand geen data beschikbaar.

Bron: KSZ, Datawarehouse Arbeidsmarkt & Sociale Bescherming (bewerking Departement WSE)

Wanneer we een meer gedetailleerde opsplitsing maken naar herkomst, springen er nog verdere verschillen in het oog. We zoomen hier exclusief in op de groep met buitenlandse herkomst, en laten werknemers met een Belgische herkomst even buiten beschouwing. In Tabel 2 geven we de herkomstgroepen van personen van buitenlandse herkomst in de verschillende sectoren weer. Zo

21


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

zien we in de GROENE SECTOREN (45,8%) en de DIENSTENCHEQUES (39,6%) een significante aanwezigheid van personen met een Oost-Europese herkomst. Personen uit de Maghreb en Turkije vinden we dan weer in sterke mate terug in TRANSPORT, LOGISTIEK, GRONDAFHANDELING LUCHTHAVEN, TAXI-ONDERNEMINGEN, PRIVATE AUTOBUS- EN AUTOCARONDERNEMINGEN en de SCHOONMAAK. Het grootste aandeel van personen met een Afrikaanse herkomst (met uitzondering van de Maghreb) treffen we aan bij de TAXI-ONDERNEMINGEN (14,5%). De sector met het grootste aandeel personen met Aziatische herkomst is de DIAMANTNIJVERHEID (51,5%), een sector met een sterke aanwezigheid van personen van Indische herkomst. Het grootste aandeel werknemers afkomstig uit (Noord-, Midden-, en Zuid-) Amerika & Oceanië vinden we terug in de VERMAKELIJKHEIDSBEDRIJVEN (9,3%) In een aantal sectoren is het merendeel van de personen van buitenlandse herkomst van (West-) Europese origine, met een dominantie van onze buurlanden. Dit geldt in het bijzonder voor de meer traditionele industriële sectoren, maar ook voor heel wat sectoren binnen de tertiaire en quartaire sector. Uitschieters zijn hier de VASTGOEDSECTOR, de VRIJE BEROEPEN, de UITVAARTSECTOR, APC BEDIENDEN en de SOCIAL PROFIT.

22


23

21,4% 29,7% 15,8% 7,2% 16,0% 13,7% 8,1% 23,6% 8,8% 24,0% 6,2% 3,6% 5,4% 15,2% 9,7% 12,5% 11,8% 39,6% 15,3%

14,9% 16,1% 8,4% 15,2% 21,5% 25,9% 15,3% 23,4% 46,9% 18,3% 12,1% 42,4% 28,1% 32,5% 11,5% 8,4% 10,0% 14,2%

Bouw

Elektriciens

Diamantnijverheid

Textielsector

Kleding & confectie

Brandstoffenhandel

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

Internationale handel, vervoer, logistiek

Binnenscheepvaart

Private autobus- en autocarbedrijven

Taxi-ondernemingen

Audiovisuele sector & filmproductie

Grafische sector

Vermakelijkheidsbedrijven

Textielverzorging

Schoonmaaksector

Dienstencheques

Uitzendsector

12,7%

19,9%

Metaalsector *

15,2%

20,0%

15,3%

Betonindustrie

17,5%

8,3%

30,4%

Scheikundige nijverheid

24,3%

20,9%

22,7%

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

Hout

21,1%

16,7%

Voedingsnijverheid

Autosector & aanverwante sectoren

45,8%

9,8%

Groene sectoren

OOST-EUROPA

13,9%

BUURLANDEN

20,7%

VLAAMS GEWEST

NAAM SECTOR

16,3%

16,5%

14,8%

22,4%

22,9%

21,2%

22,8%

16,5%

20,4%

7,3%

25,0%

18,0%

21,1%

25,4%

14,5%

15,6%

21,3%

20,0%

21,7%

23,8%

22,6%

21,5%

24,1%

17,9%

16,4%

13,2%

21,6%

REST EUROPA

11,6%

3,2%

20,5%

10,2%

3,5%

4,8%

6,4%

10,2%

12,1%

3,1%

10,7%

11,6%

8,1%

12,7%

16,4%

1,8%

14,8%

17,2%

7,4%

9,6%

14,6%

13,6%

8,1%

10,1%

10,7%

5,0%

9,0%

TURKIJE

Tabel 2: Tewerkstelling naar buitenlandse herkomst – detail (%) (Vlaams Gewest, vierde kwartaal 2018)

16,6%

7,7%

27,8%

10,7%

5,9%

12,9%

5,9%

25,3%

29,9%

5,2%

13,4%

16,5%

20,5%

9,0%

21,5%

8,4%

17,4%

10,1%

11,9%

14,8%

14,3%

18,7%

13,1%

14,7%

15,4%

7,4%

14,1%

MAGHREB

13,2%

10,1%

9,3%

10,6%

6,3%

5,3%

4,2%

14,5%

5,3%

6,3%

6,5%

9,2%

7,6%

4,8%

5,2%

1,2%

5,5%

3,4%

5,4%

5,4%

5,6%

5,7%

4,8%

6,0%

8,0%

5,9%

8,1%

AFRIKA

10,0%

8,2%

5,1%

19,3%

9,9%

8,4%

8,3%

16,9%

6,5%

6,3%

8,6%

4,8%

7,0%

9,9%

9,5%

51,5%

7,0%

3,1%

6,1%

11,7%

7,7%

4,0%

7,5%

6,6%

9,8%

11,1%

9,9%

AZIË

2,9%

4,8%

2,4%

2,8%

9,3%

4,2%

4,7%

0,9%

1,4%

1,0%

3,7%

0,1%

1,6%

3,1%

1,8%

6,0%

2,1%

1,6%

1,8%

2,0%

2,4%

1,1%

3,6%

1,1%

2,0%

1,8%

2,7%

AMERIKA + OCEANIË

G ROE PSSEC TORFOTO 2020


24

7,4% 8,8% 16,2% 12,2% 8,4% 11,3% 7,6% 7,5%

18,5% 14,7% 22,0% 24,0% 26,4% 45,4% 31,0% 25,2%

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

Horeca

Verhuis en meubelbewaring

Vastgoedsector

Vrije beroepen

Uitvaartsector

APC Bedienden

Social Profit

20,1%

26,6%

28,9%

26,6%

32,6%

29,8%

22,5%

27,7%

REST EUROPA

Bron: KSZ, Datawarehouse Arbeidsmarkt & Sociale Bescherming (bewerking Departement WSE)

7,1%

5,3%

1,0%

8,4%

4,3%

1,6%

5,8%

13,6%

TURKIJE

Noot: *Montagesector valt onder de metaalsector. Voor de lokale besturen waren in ons bronbestand geen data beschikbaar.

OOST-EUROPA

BUURLANDEN

NAAM SECTOR

14,6%

11,6%

5,2%

12,7%

9,2%

11,5%

11,4%

10,9%

MAGHREB

11,9%

4,7%

1,0%

4,9%

3,5%

4,7%

7,9%

3,8%

AFRIKA

9,7%

9,2%

1,0%

8,7%

10,5%

11,0%

25,4%

14,6%

AZIË

3,7%

4,0%

6,2%

3,9%

3,6%

3,1%

3,5%

3,5%

AMERIKA + OCEANIË

G ROE PSSEC TORFOTO 2020


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

4.1.3 Vergrijzing binnen sectoren Demografische evoluties hebben een belangrijke impact op de arbeidsmarkt. Een stijgende scholingsgraad en langer wordende studietrajecten zorgt voor een dalende en latere intrede van jongeren op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd zullen we de komende jaren geconfronteerd worden met de massale uittrede van babyboomers uit de arbeidsmarkt. In Figuur 8 wordt per sector het aandeel 50-plussers weergegeven. In het Vlaamse Gewest was in 2019 iets meer dan 30% van de loontrekkende bevolking ouder dan 50.10 Ook hieronder gaan aanzienlijke sectorale verschillen schuil.11 Zo zijn er wel wat sectoren te identificeren waar het aandeel 50-plussers een stuk lager ligt dan gemiddeld. Uitschieters hier zijn de ELEKTRICIENS (19,7%), de AUDIOVISUELE SECTOR (11,3%), de UITZENDSECTOR (16,3%), KAPPERS, SCHOONHEIDSZORGEN & FITNESS (10,5%). In deze sectoren ligt het aandeel 50-plussers onder de 20%. Tegelijk zien we een aantal sectoren waar het aandeel 50-plussers beduidend hoger is dan het Vlaamse gemiddelde. De DIAMANTNIJVERHEID (50,7%), de TEXTIELSECTOR (42,9%), de BINNENSCHEEPVAART (43,9%), de PRIVATE AUTOBUS – EN AUTOCARBEDRIJVEN (57,5%), de TAXI-ONDERNEMINGEN (52,4%), de TEXTIELVERZORGING (43,4%) en de UITVAARTSECTOR (64,9%) laten allemaal cijfers van (ruim) boven de 40% optekenen.

10 Het gaat hier om werknemers met woonplaats in het Vlaams Gewest. 11 In deze cijfers werden de metaalsector en montage en kraanverhuur noodgedwongen samengeteld als metaalsector, omdat de subcomités niet beschikbaar waren in de gebruikte brondata. We merken hier op dat we voor de sector lokale besturen geen gegevens kunnen weergeven, gezien deze niet opgenomen was in de brondata 25


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Figuur 8: Aandeel 50-plussers in de tewerkstelling per sector (Vlaams Gewest, 2019) VLAAMS GEWEST

30,4%

Groene sectoren

24,7%

Voedingsnijverheid

32,2%

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

37,5%

Scheikundige nijverheid

34,0%

Betonindustrie Metaalsector*

33,6% 32,5%

Autosector

27,5%

Hout

33,7%

Bouw

28,8%

Elektriciens

19,7%

Diamantnijverheid

50,7%

Textielsector

42,9%

Kleding & confectie

34,8%

Brandstoffenhandel

39,7%

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

35,1%

Internationale handel, vervoer, logistiek

26,1%

Binnenscheepvaart

43,9%

Private autobus- en autocarbedrijven

57,5%

Taxi-ondernemingen

52,4%

Audiovisuele sector & filmproductie

11,3%

Grafische sector

36,3%

Vermakelijkheidsbedrijven

24,4%

Textielverzorging

43,4%

Schoonmaak

32,7%

Dienstencheques

31,2%

Uitzendsector

16,3%

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

10,5%

Horeca

26,6%

Verhuis en meubelbewaring

29,9%

Vastgoedsector

35,1%

Vrije beroepen

20,5%

Uitvaartsector

64,9%

APC Bedienden

24,4%

Social Profit

33,7% 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

Noot: *Montagesector valt onder de metaalsector. Voor de lokale besturen waren in ons bronbestand geen data beschikbaar.

Bron: Bron: RSZ (bewerking Steunpunt Werk / Departement WSE)

26


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Gezien de komende jaren steeds meer babyboomers de arbeidsmarkt zullen verlaten, zullen sectoren geconfronteerd worden met een significante vervangingsvraag. In Tabel 3 geven we voor het jaar 2025, op basis van projecties van het Steunpunt Werk,12 weer in welke sectoren de uitstroom van 55-plussers een grote impact zal hebben op de vervangingsvraag. De afbakening van sectoren is hier om methodologische redenen licht anders dan in de bovenstaande figuur. In de tweede kolom staat daarom telkens weergegeven over welke paritaire (sub)comités het precies gaat. Het gaat hier ook om de aanwezigheid van 55-plussers, in tegenstelling tot bovenstaande grafiek, waar het aandeel 50-plussers per sector weergegeven werd. Het beeld hier overlapt wel in grote mate met dat uit Figuur 8. Ook hier zien we een aantal sectoren waarin de uitstroom van 55-plussers bijzonder hoog zal liggen en de vervangingsvraag grotendeels zal gaan over het vervangen van deze groep uittreders. Zo zien we binnen bepaalde sectoren dat de uitstroom van 55-plussers een zeer significant deel van de uitstroom zal vertegenwoordigen in 2025. Dit is het geval bij de DIAMANTNIJVERHEID (48,0%), de TEXTIELSECTOR (41,5% in paritair comité 120), de BINNENSCHEEPVAART (30,1%), de sector van het VERVOER, waarin de paritaire subcomités van PC 140 vervat zijn (27,8%) en de UITVAARTSECTOR (39,0%). Ook hier zien we een aantal sectoren waarin de uitstroom van 55-plussers in de totale uitstroom een stuk lager ligt. Hier gaat het dan onder meer over de ELEKTRICIENS (10,8%), de AUDIOVISUELE SECTOR (7,0%), de KAPPERS, SCHOONHEIDSZORGEN & FITNESS (5,5%). In de uitzendsector is de vervangingsvraag dan wel zeer hoog, maar daar gaat het maar in zeer beperkte mate over het vervangen van uittredende 55-plussers en vooral over het vervangen van andere vormen van uitstroom.

12 Deze kunnen hier in meer detail geconsulteerd worden: https://www.steunpuntwerk.be/sectorprojecties. We kozen ervoor om gebruik te maken van groeiscenario 1 voor deze oefening. 27


28

16,6

149.02 koetswerk

149.04 metaalhandel

125 houtnijverheid (cluster van PC’s 125.01, 125.02, 125.03)

126 stoffering en houtbewerking

124 bouw

149.01 elektriciens

Houtsector

Bouwsector

Elektriciens

10,2

13,9

18,3

17,9

16,5

13,7

19,5

14,8

17,4

17,5

18,1

10,5

14,0

Autosector & aanverwante 112 garagebedrijf sectoren

209 metaalfabrikaten nijverheid

116 scheikundige nijverheid

Scheikundige nijverheid

111 metaal-, machine- en elektrische bouw

136 papier- en kartonbewerking

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

Metaalsector *

20,6

220 voedingsnijverheid

207 scheikundige nijverheid

118 voedingsnijverheid

Voedingsnijverheid

106 cementbedrijf (cluster van PC’s 106.01, 106.02, 106.03)

145 tuinbouwbedrijf

17,3

144 landbouw

Betonindustrie

21,0

132 technische land- en tuinbouwwerken

Groene sectoren 19,9

PC SECTORPROJECTIE

NAAM SECTOR

WERKNEMERS 55+ IN 2025 (%)

Tabel 3: Projectie vervangings- en uitbreidingsvraag 2025

10,8

20,7

26,6

23,8

20,6

16,8

19,0

29,1

26,1

32,1

31,6

32,0

35,8

24,3

25,8

10,4

10,8

11,7

UITSTROOM 55+ / ­TOTALE UITSTROOM

-0,2

-1,6

-3,0

-1,2

0,1

-0,5

-0,9

-0,5

-2,8

-2,5

0,8

-1,3

-1,6

2,0

0,1

3,9

4,0

0,6

VERWACHTE GROEI

0,0

0,0

0,0

0,0

0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,8

0,0

0,0

2,0

0,1

3,9

4,0

0,6

UITBREIDINGSVRAAG (%)

17,6

13,0

11,9

13,9

14,8

16,0

13,7

10,0

10,1

9,8

9,9

10,0

10,2

10,5

13,0

27,2

22,9

18,6

VERVANGINGSVRAAG (%)

17,6

13,0

11,9

13,9

15,0

16,0

13,7

10,0

10,1

9,8

10,6

10,0

10,2

12,4

13,1

31,1

26,9

19,2

TOTALE VRAAG (%)

G ROE PSSEC TORFOTO 2020


29

18,6

Kappers, 314 kappersbedrijf en schoonheidszorgen, fitness schoonheidszorgen

8,4

9,2

18,9

20,2

322 uitzendarbeid (excl. PC 322.01)

130 drukkerij-, grafische kunst- en dagbladbedrijf

Grafische sector

22,3

Uitzendsector

227 audiovisuele sector

Audiovisuele sector & filmproductie

23,9

322.01 erkende ondernemingen v. buurtwerken of -diensten

139 binnenscheepvaart

Binnenscheepvaart

26,8

Dienstencheques

140 vervoer (cluster van PC’s 140, 140.01, 140.02, 140.03, 140.04)

Vervoer

121 schoonmaaken ontsmettings­ ondernemingen

Branstoffenhandel

15,6

Schoonmaaksector

215 kleding- en confectiebedrijf

22,9

26,6

109 kleding- en confectiebedrijf

Kleding & confectie

23,6

110 textielverzorging

214 textielnijverheid en breiwerk

20,3

Textielverzorging

120 textielnijverheid en breiwerk (cluster van PC’s 120, 120.01, 120.02, 120.03)

Textielsector

31,8

18,5

324 diamantnijverheid en -handel (cluster van PC’s 324, 324.01, 324.02)

Diamantnijverheid

WERKNEMERS 55+ IN 2025 (%)

Vermakelijkheidsbedrijven 304 vermakelijkheidsbedrijf

PC SECTORPROJECTIE

NAAM SECTOR

5,5

6,1

18,7

18,5

30,0

12,2

36,1

7,0

30,1

27,8

14,5

29,7

33,3

41,5

48,0

UITSTROOM 55+ / ­TOTALE UITSTROOM

-1,3

4,0

8,2

0,2

-3,1

-0,2

-4,1

3,3

-2,5

0,0

0,9

-4,6

-1,5

-4,9

-4,7

VERWACHTE GROEI

0,0

4,0

8,2

0,2

0,0

0,0

0,0

3,3

0,0

0,0

0,9

0,0

0,0

0,0

0,0

UITBREIDINGSVRAAG (%)

24,5

65,0

18,0

18,5

14,3

23,7

8,2

18,9

13,5

21,1

17,0

12,1

10,0

8,0

8,0

VERVANGINGSVRAAG (%)

24,5

69,0

26,2

18,7

14,3

23,7

8,2

22,3

13,5

21,1

17,9

12,1

10,0

8,0

8,0

TOTALE VRAAG (%)

G ROE PSSEC TORFOTO 2020


30

302 hotelbedrijf

Horeca

323 beheer van gebouwen & dienstboden

320 begrafenisondernemingen

200 (voordien PC 218) aanvullend PC bedienden

318 diensten voor gezins- en bejaardenhulp

319 opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en -diensten

327 beschutte werkplaatsen en sociale werkplaatsen (cluster van PC’s 327, 327.01, 327.02, 327.03)

329 socio-culturele sector

330.01.10 Privé-ziekenhuizen en psychiatrische verzorgingstehuizen

330.01.20 Ouderenzorg : Rusthuizen, rust- en verzorgingstehuizen, service-flats, dagverzorgingscentra voor bejaarden, dagcentra voor bejaarden

330.01.30 Thuisverpleging

330.01.40 Revalidatiecentra

Vastgoedsector

Vrije Beroepen

Uitvaartsector

APC Bedienden

Social Profit

Verhuis & meubelbewaring

PC SECTORPROJECTIE

NAAM SECTOR

16,9

17,1

16,5

17,1

16,5

21,4

15,2

26,2

15,3

38,2

24,8

16,7

WERKNEMERS 55+ IN 2025 (%)

22,4

26,0

23,3

29,6

14,8

34,6

22,8

34,7

14,9

39,0

19,2

13,0

UITSTROOM 55+ / ­TOTALE UITSTROOM

1,2

2,6

4,3

1,7

0,8

1,6

2,3

0,9

1,5

2,0

3,3

-0,5

VERWACHTE GROEI

1,2

2,6

4,3

1,7

0,8

1,6

2,3

0,9

1,5

2,0

3,3

0,0

UITBREIDINGSVRAAG (%)

11,2

10,2

9,3

9,5

20,2

10,7

10,1

9,8

16,1

20,6

19,8

26,7

VERVANGINGSVRAAG (%)

12,4

12,8

13,6

11,3

20,9

12,3

12,3

10,7

17,6

22,6

23,0

26,7

TOTALE VRAAG (%)

G ROE PSSEC TORFOTO 2020


31

330.01.50 Gezondheidsinrichtingen en-diensten residuair van het federaal akkoord

330.03 Dentaaltechnische bedrijven

330.04 Overige gezondheidsinrichtingen en-diensten

331.00.10 Kinderopvang

331.00.20 Welzijns- en gezondheidsinstellingen en -diensten

18,7

8,7

21,6

29,0

20,7

WERKNEMERS 55+ IN 2025 (%)

Bron: Steunpunt Werk, projectiemodel sectoren (bewerking Departement WSE)

PC SECTORPROJECTIE

NAAM SECTOR

17,7

8,1

21,1

34,3

28,5

UITSTROOM 55+ / ­TOTALE UITSTROOM

1,5

6,5

3,9

-1,3

0,3

VERWACHTE GROEI

1,5

6,5

3,9

0,0

0,3

UITBREIDINGSVRAAG (%)

13,9

16,1

15,0

9,9

10,8

VERVANGINGSVRAAG (%)

15,4

22,6

18,9

9,9

11,1

TOTALE VRAAG (%)

G ROE PSSEC TORFOTO 2020


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

4.2 WSE-Loonkostverminderingen (Paritair Comité) In 2019 kregen ruim 240.000 werknemers met werkplaats in het Vlaams Gewest een doelgroepvermindering voor laag- of middengeschoolde jongeren, voor zittende werknemers of aangeworven niet-werkende werkzoekenden ouder dan 55 jaar, of een Vlaamse Ondersteuningspremie voor personen met een arbeidshandicap13. Samengeteld gaat het om 9,4% van alle werkenden in Vlaanderen. De sectoren met relatief veel oudere werknemers ontvangen daardoor ook meer doelgroepverminderingen. De doelgroepvermindering voor zittende werknemers ouder dan 55 is immers niet beperkt in de tijd en kan bijgevolg door alle oudere werknemers genoten worden. De andere doelgroepverminderingen zijn beperkt tot maximaal 8 kwartalen. Bovendien gaan de doelgroepverminderingen voor jongeren gepaard met een vrij lage loongrens, waardoor jongeren met een hoog loon niet in aanmerking komen. De VOP (Vlaamse Ondersteuningspremie) is een premie die de eventuele extra kosten en lagere productiviteit van een werknemer met een arbeidshandicap compenseert. De werknemer in kwestie moet een arbeidshandicap hebben die erkend is door VDAB. De premie wordt uitbetaald aan de werkgever14 en wordt berekend als een percentage van het effectief betaalde loon. Deze maatregel is bedoeld om de tewerkstelling van personen met een arbeidshandicap te bevorderen. In Figuur 9 geven we per sector het aandeel werknemers met één van deze loonkostverminderingen in 2019. Voor de doelgroepverminderingen gaat het om een percentage van het aantal werknemers, voor de VOP gaat het omwille van de kleinere aantallen om een aandeel per 1.000 werknemers15. De sector die de meeste doelgroepverminderingen ontvangt, zijn de PRIVATE AUTOBUS- EN AUTOCARBEDRIJVEN (39,1%), gevolgd door de UITVAARTSECTOR (32,5%) en de TAXI-ONDERNEMINGEN (31,8%). De UITZENDSECTOR is de grootste ontvanger van doelgroepverminderingen voor jongeren (13,9% van alle werknemers), gevolgd door de KAPPERS, SCHOONHEIDSZORGEN EN FITNESS (9,4%) en de HORECA (4,8%). De VOP komt het vaakst voor in de UITZENDSECTOR (30,2 per 1.000 werknemers), de GROENE SECTOREN (27,3), de TEXTIELVERZORGING (24,5) en de HOUTSECTOR (21,4). In andere sectoren is het aantal VOP-betalingen dan weer lager dan het Vlaams gemiddelde. Dit is bijvoorbeeld uitgesproken het geval voor INTERNATIONALE HANDEL, VERVOER, LOGISTIEK (2,3 VOPs per 1000 werknemers), de SCHEIKUNDIGE NIJVERHEID (2,9 VOPs per 1000 werknemers) en de TEXTIELSECTOR (3,2 VOPs per 1000 werknemers).

13 In 2020 werd het doelgroepenbeleid hervormd. De doelgroepvermindering voor middengeschoolde jongeren werd afgeschaft, en de minimumleeftijd voor de doelgroepverminderingen voor oudere werknemers werd verhoogd van 55 naar 58 jaar. 14 De premie staat open voor werkgevers uit de privésector en voor scholen. Voor maatwerkbedrijven en lokale besturen zijn er een aantal bijkomende voorwaarden: https://www.vlaanderen.be/vlaamse-ondersteuningspremie/ vlaamse-ondersteuningspremie-voorwaarden 15 Het aantal werknemers per sector werd afgeleid uit de RSZ-brondata die ook gebruikt werden in deel 1 – Tewerkstelling. Het gaat hier dus om personen die wonen in het Vlaams Gewest. 32


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Figuur 9: Aandeel werknemers met een Vlaamse doelgroepvermindering of een VOP (Vlaams Gewest, 2019) VLAAMS GEWEST

7,1‰

Groene sectoren Voedingsnijverheid

6,7%

2,1%

27,3‰

4,6%

2,0%

6,9‰

11,6%

1,3%

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

6,1‰

17,0%

1,7%

Scheikundige nijverheid

2,9‰

6,8%

0,6%

Betonindustrie

5,2‰

14,9%

0,4%

Metaalsector + Montage *

6,5‰

11,2%

1,3%

Auto & aanverwante sectoren

11,6‰

11,8%

3,7%

Hout

21,4‰

15,0%

3,4%

Bouw

11,5‰

11,3%

1,4%

Elektriciens

6,4‰

8,1%

4,5%

Diamantnijverheid

0‰

23,9%

1,0%

Textielsector

3,2‰

16,6%

1,3%

Kleding & confectie

5,1‰

13,7%

1,5%

Brandstoffenhandel

3,4‰

21,3%

1,1%

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

6‰

16,2%

2,7%

Internationale handel, vervoer, logistiek

2,3‰

8,6%

1,8%

Binnenscheepvaart

11,1‰

15,4%

0,7%

Private autobus- en autocarbedrijven

5,9‰

38,9%

0,2%

Taxi-ondernemingen

17,5‰

29,5%

2,4%

Audiovisuele sector & filmproductie

8,3‰

2,2%

0,8%

Grafische sector

10,5‰

15,9%

1,2%

Vermakelijkheidsbedrijven

4,8‰

7,8%

0,7%

Textielverzorging

24,5‰

18,4%

3,0%

Schoonmaak

6,8‰

11,6%

1,8%

Dienstencheques

8,8‰

13,0%

2,7%

Uitzendsector

30,2‰

7,3% 13,9%

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

9,6‰

3,1%

9,4%

Horeca

8,5‰

8,0%

4,8%

Verhuis en meubelbewaring

11,8‰

16,2%

4,3%

Vastgoedsector

4,8‰

15,9%

2,0%

Vrije beroepen

7,2‰

8,0%

0,9%

Uitvaartsector

8,9‰

31,8%

0,7%

APC Bedienden

4,3‰

7,3%

1,1%

Social Profit

8,7‰

2,9%

1,3%

Lokale besturen

5,2‰

0,0%

0,8%

Oudere werknemers

VOP (per 1.000 werknemers)

Jongeren Noot: *Het Paritair Subcomité van de Montagesector & Kraanverhuur was niet beschikbaar in de brondata, dus werden zij samengevoegd met de metaalsector.

Bron: RSZ, Departement WSE (bewerking Departement WSE)

33


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

4.3 Werkbaarheid 4.3.1

Werkbaar Werk

De Stichting Innovatie en Arbeid van de SERV meet sinds 2004 driejaarlijks, via een enquête, de werkbaarheid van werk in Vlaanderen. Voor de cijfers van 2019 gebeurde dit via een steekproef bij 40.000 Vlaamse werknemers. De sectoridentificatie in de werkbaarheidsmonitor gebeurt door de respondent, op basis van een keuzemenu.16 Er kan geen link gelegd worden met het paritair comité of de NACE-code waaronder de onderneming van betrokkene ressorteert. De Stichting Innovatie en Arbeid rapporteert bovendien enkel over sectoren waarvan de omvang van de deelsteekproef voldoende groot is (≥ 200 eenheden) in functie van een acceptabele betrouwbaarheid van de uitspraken. De resultaten hiervan worden samengebracht in een werkbaarheidsmonitor. De werkbaarheidsmonitor hanteert vier werkbaarheidsindicatoren: psychische vermoeidheid (werkstress), welbevinden in het werk (werkbetrokkenheid, motivatie), leermogelijkheden in de job (kansen om bij te blijven en competentie-ontwikkeling), en werk-privébalans (combinatie van arbeid met gezin en sociaal leven). Voor elk van de vier werkbaarheidsaspecten zijn grenzen bepaald die aangeven of de situatie al dan niet problematisch is. De werkbaarheidsgraad combineert deze vier indicatoren en geeft weer welk aandeel werkenden een kwaliteitsvolle job heeft (= geen knelpunten signaleert op het vlak van psychische vermoeidheid, welbevinden, leermogelijkheden en werk-privébalans).17 In Figuur 10 geven de we evolutie weer van de werkbaarheidsgraad in verschillende geaggregeerde sectoren in Vlaanderen tussen 2016 en 2019. Niet bij alle deze geaggregeerde sectoren vinden we sectoren met een convenant terug, maar we geven de cijfers toch mee voor de volledigheid. Algemeen zien we een daling van de werkbaarheidsgraad. Waar de werkbaarheidsgraad in 2016 51% bedroeg, daalde deze in 2019 tot 49,6%. De daling zet zich door in de meeste sectoren, met de meest uitgesproken achteruitgang in ONDERWIJS (-6,8 procentpunt), METAAL (-5,6 procentpunt), en TRANSPORT (-4,7 procentpunt). De meest uitgesproken vooruitgang zien we in POST-TELECOMMUNICATIE (+4,6 procentpunt) en de FINANCIËLE SECTOR (+4,2 procentpunt).

16 Hier te consulteren: https://www.werkbaarwerk.be/sites/default/files/documenten/Modelenquetebundel_loontrekkenden_WBM2019.pdf 17 Voor meer info, zie: https://www.serv.be/sites/default/files/documenten/StIA_20191130_WerkbaarheidsmonitorWerknemers2019_RAP.pdf en https://www.serv.be/sites/default/files/documenten/StIA_2019_MethodologieWBM2019_ RAP.pdf 34


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Figuur 10: Werkbaarheidsgraad werknemers (Vlaams Gewest), 2016-2019 VLAAMS GEWEST

51,0% 49,6%

Metaal

53,9% 48,3%

Bouw

53,9% 52,6%

Voeding

43,3% 43,6%

Chemie

51,9% 52,9%

Groot- en kleinhandel

46,8% 50,1%

Zakelijke dienstverlening

49,2% 52,4%

Transport

46,6% 41,9%

Post - telecommunicatie

42,1% 46,7%

Financiële sector

51,3% 55,5%

Openbaar bestuur

53,6% 53,7%

Gezondheidszorg

54,4% 50,8%

Onderwijs

52,5% 45,7% 0%

10% 2016

20%

30%

40%

50%

60%

2019

Bron: Vlaamse werkbaarheidsmonitor, SERV-STIA (bewerking Departement WSE)

Wanneer we inzoomen op de verschillende werkbaarheidsindicatoren (Figuur 11), zien we dat de situatie in Vlaanderen voor werkstress het meest problematisch is: daar rapporteert 36,8% een problematische situatie. Voor werk-privébalans is de situatie het best, daar rapporteert 12,8% een problematische situatie. Ook hier springen sectorale verschillen in het oog. De hoogste werkstress vinden we in het ONDERWIJS en in POST-TELECOMMUNICATIE. Wat motivatie betreft, scoren VOEDING en METAAL minder goed. Ook voor leervermogen is het resultaat minder goed bij VOEDING, maar ook bij TRANSPORT. Wat werk-privébalans betreft, zien we vooral problemen in ONDERWIJS, op enige afstand gevolgd door TRANSPORT.

35


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Figuur 11: Mate waarin de werkbaarheidsindicatoren als ‘problematisch’ beschouwd worden, in % (Vlaams Gewest, 2019) VLAAMS GEWEST

36,8 21,1

16,6 12,8

Metaal

34,1 28,5

21,0 11,1

Bouw

33,8 22,2

11,8 12,5

Voeding

38,7 28,0

26,0 14,0

Chemie

32,9 24,1

15,8 12,7

Groot- en kleinhandel

34,3 21,9

24,1 11,2

Zakelijke dienstverlening

33,5 24,0

10,6 11,9

Transport

37,1 26,7

27,2 16,2

Post - telecommunicatie

40,3 25,9

13,9 10,8

Financiële sector

34,9 23,2

8,1 10,7

Openbaar bestuur

32,7 20,1

17,0 10,1

Gezondheidszorg

39,4 15,9

14,4 11,1

Onderwijs

46,3 15,0

6,1 23,7

0%

10%

20%

30%

40%

Werkstress

Leermogelijkheden

Motivatie

Werk-privébalans

Bron: Vlaamse werkbaarheidsmonitor, SERV-STIA (bewerking Departement WSE)

36

50%


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

4.3.2

Werkbaarheidscheques (NACE)

De werkbaarheidscheque is een maatregel waarbij ondernemers financiële steun krijgen om een versnelling hoger te schakelen op het vlak van werkbaar werk. Vlaamse ondernemingen worden gestimuleerd om de werkbaarheid voor de werknemers in kaart te brengen en/of een actieplan rond werkbaar werk op te stellen. Met de werkbaarheidscheque kan een meting of scan aangekocht worden om de werkbaarheid binnen de organisatie in beeld te brengen.18 Projecten worden voor 60% gefinancierd door de Vlaamse Overheid. De maatregel ging pas in 2019 van start, dus is het aantal projecten met werkbaarheidscheques beperkt (n=100). De cijfers moeten dan ook met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Het aantal ligt laag omdat het hier 1) gaat om een zeer recente maatregel en 2) heel wat sectoren zelf scans ontwikkeld hebben, die buiten deze scope vallen. In Figuur 12 geven we weer hoeveel projecten er per sector lopend waren in 2019.

Figuur 12: Aantal projecten met werkbaarheidscheques per sector (Vlaams Gewest, 2019) Voedingsnijverheid

6

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

1

Scheikundige nijverheid

1

Betonindustrie

2

Metaalsector

2

Autosector

3

Hout

4

Bouw

6

Elektriciens

3

Textielsector

2

Internationale handel, vervoer, logistiek

6

Grafische sector

5

Vermakelijkheidsbedrijven

1

Schoonmaak

1

Uitzendsector

1

Horeca

1

Vastgoedsector

3

Vrije beroepen

6

Social Profit

2 0

1

2

3

4

5

6

Aantal projecten 2019

Bron: ESF (bewerking Departement WSE)

18 Naar aanleiding van Corona werd de toepassing verruimd, maar dit zit nog niet in deze cijfers vervat, zie hier: https:// www.vlaanderen.be/werkbaarheidscheque-en-verhoging-kmo-portefeuille/werkbaarheidscheque-wat-en-voor-wie 37


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

5 Competenties en aansluiting onderwijsarbeidsmarkt 5.1 Competentieversterking werkenden 5.1.1 Opleidingsinspanningen van werkgevers (NACE) Het is niet eenvoudig om de opleidingsinspanningen van Vlaamse werkgevers betrouwbaar in kaart te brengen. Geen enkele bron is perfect. In de vorige (groeps)sectorfoto’s werden cijfers uit de sociale balansen gebruikt. Ten gevolge van de federale wet Werkbaar Werk zijn deze cijfers momenteel onderwerp van sociaal overleg, met het oog op het ontwikkelen van een gedragen maatstaf voor de opleidingsinspanningen van werkgevers. In afwachting van die onderhandelingen werden de cijfers op basis van de sociale balansen niet meer geüpdatet, en worden ze hier ook niet gebruikt. Tabel 4 geeft het aandeel werknemers weer dat gedurende het referentiejaar 2015 één of meer interne of externe opleidingen heeft gevolgd op basis van de Continuing Vocational Training Survey (CVTS). Het gaat hier enkel over bedrijven die op vrijwillige basis meegedaan hebben aan de CVTS en bovendien zijn enkel bedrijven met minstens tien werknemers opgenomen. Een opdeling naar sectoren is enkel mogelijk op nationaal niveau en niet op niveau van de gewesten. Deze sectoren komen niet overeen met de sectoren met sectorconvenant omdat de CVTS19 enkel op NACE rev. 2 rapporteert. In wat volgt rapporteren we dus ook over sectoren zonder convenant. De sector ENERGIE, WATER, AFVALVERWERKING EN WINNING VAN DEELSTOFFEN neemt het hoogste aandeel in van werknemers die de afgelopen twaalf maanden een opleiding in of op initiatief van het bedrijf gevolgd hebben. Ook de sectoren FINANCIËLE DIENSTEN EN ONDERSTEUNENDE ACTIVITEITEN, TRANSPORT, LOGISTIEK EN POST, EN CHEMIE, RUBBER, KUNSTSTOFFEN EN VERVAARDIGING VAN BOUWMATERIALEN doen het goed. Sectoren waar het aandeel werknemers dat opleiding volgde het laagst is, zijn de HORECA en de ZAKELIJKE DIENSTVERLENING, DIENSTEN AAN PERSONEN, RECREATIE, CULTUUR EN SPORT.

19 Voor een gedetailleerde beschrijving van de CVTS, zie Penders, I., & Vansteenkiste, S. (2020). De Belgische en regionale opleidingsinspanningen van werkgevers in Europees perspectief. Een analyse op basis van de Continuing Vocational Training Survey. Over.Werk. Tijdschrift van het Steunpunt Werk, 30(1), Steunpunt Werk / Uitgeverij Acco.

38


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Tabel 4: Opleidingsparticipatie werknemers (interne & externe opleidingen) in bedrijven per sector (België, 2015)

SECTOR

AANDEEL WERKNEMERS DAT DE AFGELOPEN 12 MAANDEN OPLEIDING HEEFT GEVOLGD (2015)

Totaal

53,9%

1. Industrie

59,0%

1.1. Industrie, metaal

55,9%

1.1.2. Vervaardiging en herstelling van machines en toestellen

59,2%

1.1.3. Vervaardiging van transportmiddelen 1.2. Industrie, niet-metaal

66,7% 63,7%

1.2.1. Vervaardiging van dranken, voeding en tabak

66,7%

1.2.2. Vervaardiging van textiel en kleding

47,0%

1.2.3. Grafische nijverheid

55,1%

1.2.4. Chemie, rubber, kunststoffen en vervaardiging van bouwmaterialen.

70,3%

1.2.5. Houtindustrie, vervaardiging van meubelen en overige industrie

42,5%

1.3. Energie, water, afvalverwerking en winning van delfstoffen

77,1%

1.3.1. Winning van delfstoffen

75,7%

1.3.2. Energie, water en afvalverwerking

77,2%

1.4. Bouwnijverheid 2. Diensten 2.1. Groot- en detailhandel

44,4% 51,5% 51,9%

2.1.1. Garagewezen

59,1%

2.1.2. Groothandel en handelsbemiddeling

56,6%

2.1.3. Kleinhandel

46,7%

2.2. Transport, logistiek en post

71,1%

2.3. Horeca

32,8%

2.4. Informatica, media en telecom

63,3%

2.5. Financiële diensten en ondersteunende activiteiten

75,8%

2.5.1. Financiële diensten

75,4%

2.5.2. Ondersteunende activiteiten aan financiële instellingen

78,5%

2.6. Zakelijke dienstverlening, diensten aan personen, recreatie, cultuur en sport

40,7%

Bron: CVTS 2015 (Bewerking Steunpunt Werk)

39

59,6%

1.1.1. Metaalnijverheid


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

5.1.2 Betaald Educatief Verlof (Paritair ComitĂŠ) Via betaald educatief verlof (BEV) kunnen werknemers gedurende een bepaalde tijd afwezig zijn om een opleiding te volgen met behoud van hun loon. Recent werd dit Betaald Educatief Verlof hervormd tot het Vlaams Opleidingsverlof, maar hierover zijn nog geen cijfers beschikbaar. Figuur 13 toont het aantal werknemers waarvoor betaald educatief verlof aangevraagd werd in het schooljaar 2018-2019. In het volledige Vlaamse gewest werd BEV aangevraagd voor 52.302 werknemers. De grotere sectoren zijn hierin logischerwijs sterk vertegenwoordigd. De SOCIAL PROFIT is de sector met de meeste aanvragen voor BEV (11.441). Daarnaast maken de METAALSECTOR (7.916) en de APC BEDIENDEN (4.293) vaak gebruik van betaald educatief verlof voor werknemers. Wanneer we de cijfers uitdrukken als het aantal werknemers waarvoor BEV werd aangevraagd per 1000 werknemers in de sector, heeft de sector HOUT proportioneel de meeste aanvragen BEV met 163,7 aanvragen per 1000 werknemers. Daarna komen de PRIVATE AUTOBUS- EN AUTOCARBEDRIJVEN met 132,6 aanvragen per 1000 werknemers en de AUTOSECTOR met aanvragen voor 85 werknemers per 1000.

40


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Figuur 13: Aanvragen BEV per 1.000 werknemers, absoluut aantal tussen haakjes (schooljaar 2018-2019) VLAAMS GEWEST

23,6 (52.302)

Groene sectoren

10,3 (160)

Voedingsnijverheid

25,8 (1.573)

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

37,1 (157)

Scheikundige nijverheid

22,8 (1.902)

Betonindustrie

39,2 (150)

Metaalsector

60,7 (7.935)

Autosector

85,0 (2.758)

Hout

163,7 (2.091)

Bouw

29,5 (2.616)

Elektriciens

21,0 (347)

Diamantnijverheid

13,7 (8)

Textielsector

73,6 (1.034)

Kleding & confectie

31,5 (289)

Brandstoffenhandel

7,8 (7)

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

35,7 (1.222)

Internationale handel, vervoer, logistiek

19,1 (778)

Binnenscheepvaart

0,0 (0)

Private autobus- en autocarbedrijven

132,6 (699)

Taxi-ondernemingen

0,5 (1)

Audiovisuele sector & filmproductie

39,1 (169)

Grafische sector

21,2 (115)

Vermakelijkheidsbedrijven

5,1 (15)

Textielverzorging

6,2 (22)

Schoonmaak

6,3 (144)

Dienstencheques

16,3 (1.000)

Uitzendsector

35,3 (2.779)

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

3,0 (24)

Horeca

6,5 (417)

Verhuis en meubelbewaring

1,3 (1)

Vastgoedsector

6,5 (44)

Vrije beroepen

17,8 (358)

Uitvaartsector

3,7 (5)

APC Bedienden

13,6 (4.293)

Social Profit

34,7 (11.441) 0

Bron: Departement WSE

41

20

40

60

80

100

120

140

160

180


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

5.2

Competentieversterking werkzoekenden

Werkplekleren is ook voor werkenden en voor werkzoekenden een sterke methodiek om competenties te ontwikkelen en zich voor te bereiden op nieuwe evoluties, zowel op vlak van technische, als op vlak van algemene vaardigheden. Sectoren spelen hierin een grote rol door het voorzien van voldoende kwalitatieve leerwerkplekken.

5.2.1

Opleidingen met stages (NACE)

Een beroepsopleiding is gericht op een snelle uitstroom naar betaalde arbeid. Aan de meeste beroepsopleidingen zijn opleidingsstages verbonden met als doel het versterken van reeds aangeleerde competenties en/of de ontwikkeling van competenties die bij voorkeur – of zelfs enkel – op een werkplek kunnen worden geleerd. In het Vlaams gewest werden in 2019 een totaal van 19.047 opleidingen met stages gestart. Meer dan zes op tien (61,7%) van deze opleidingen met stages vonden plaats in de SOCIAL PROFIT. Alle andere sectoren volgen op afstand. Om een beter beeld te geven van het aantal gestarte stages via VDAB opleidingen bekijken we dit ook per 1000 werknemers. Figuur 14 toont dat er in het Vlaams gewest gemiddeld 8,6 VDAB-opleidingen met stages per 1000 werknemers werden gestart. Voor de KLEDING EN CONFECTIE sector is dit 37,2 gestarte stages per 1000 werknemers. Op de tweede en derde plaats volgen de SOCIAL PROFIT (35,7) en de VERMAKELIJKHEIDBEDRIJVEN (21,1). Andere sectoren zoals de GROENE SECTOREN, de BOUW, ELEKTRICIENS, PRIVATE AUTOBUS- EN AUTOCARBEDRIJVEN, GRAFISCHE SECTOR, VERMAKELIJKHEIDSBEDRIJVEN, KAPPERS, SCHOONHEIDSZORGEN EN FITNESS en de VRIJE BEROEPEN scoren ook allemaal boven het gemiddelde van het Vlaamse gewest.

42


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Figuur 14: Het aantal gestarte opleidingen met stages per 1000 werknemers, absolute aantallen tussen haakjes (2019) VLAAMS GEWEST

8,6 (19.047)

Groene sectoren

17,8 (278)

Voedingsnijverheid

2,6 (161)

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

1,7 (7)

Scheikundige nijverheid

1,0 (87)

Betonindustrie Metaalsector*

1,3 (5) 2,0 (260)

Autosector

7,7 (249)

Hout

7,3 (93)

Bouw

10,6 (939)

Elektriciens

10,4 (172)

Textielsector

1,2 (17)

Kleding & confectie

37,2 (342)

Brandstoffenhandel

7,8 (7)

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

1,7 (59)

Internationale handel, vervoer, logistiek

2,3 (94)

Private autobus- en autocarbedrijven

16,1 (85)

Audiovisuele sector & filmproductie

1,6 (7)

Grafische sector

14,0 (76)

Vermakelijkheidsbedrijven

21,1 (62)

Textielverzorging

1,4 (5)

Schoonmaak en dienstencheques*

2,9 (288)

Uitzendsector

1,7 (137)

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

12,3 (100)

Horeca

7,9 (507)

Vastgoedsector

4,3 (29)

Vrije beroepen

8,7 (175)

Social Profit

35,7 (11.753) 0

5

10

15

20

25

30

35

40

Noot: *Montagesector valt onder de metaalsector. Het is niet mogelijk om de Dienstenchequessector afzonderlijk op te nemen. Ook de APC Bedienden en lokale besturen zijn niet af te bakenen op NACE 2003 4 digit.

Bron: VDAB en RSZ (Bewerking Departement WSE)

5.2.2

Individuele beroepsopleiding (NACE)

Bij een contract voor individuele beroepsopleiding (IBO), volgt de werkzoekende één tot zes maanden een opleiding op de werkvloer. De cursist krijgt 80% van het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (GGMMI) onder de vorm van een IBO-premie. Als de cursist de IBO succesvol afrondt, krijgt hij/zij een contract van bepaalde of onbepaalde duur in het bedrijf. In Vlaanderen werden in 2019 11.154 IBO trajecten gestart. De sector BOUW neemt 18,5% van de IBO trajecten voor zich en loopt daarmee ver uit op de andere sectoren. Dit is deels te verklaren door de grootte van deze sector. Ook de HORECA is een grote gebruiker van deze maatregel. Uitgedrukt als het aantal gestarte IBO-trajecten ten opzichte van het aantal werknemers in de sector, toont Figuur 15 dat er in het Vlaams Gewest gemiddeld 5 IBO’s per 1000 werknemers zijn.

43


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

De BRANDSTOFFENHANDEL heeft het meeste IBO-trajecten (76,2) per 1000 werknemers. Dit kan ook deels verklaard worden door het feit dat deze sector niet zo groot is qua aantal werknemers. Op de tweede plaats staat de sector KAPPERS, SCHOONHEIDSZORGEN EN FITNESS met 43,2 IBO-trajecten per 1000 werknemers en als derde komt de KLEDING EN CONFECTIE met 34,3 IBOâ&#x20AC;&#x2122;s per 1000 werknemers. Daarnaast scoren ook heel wat andere sectoren boven het Vlaams gemiddelde.

Figuur 15: Het aantal gestarte IBO trajecten per 1000 werknemers, absolute aantallen tussen haakjes (Vlaams Gewest, 2019) VLAAMS GEWEST

5,0 (11.154)

Groene sectoren

17,8 (278)

Voedingsnijverheid

2,9 (176)

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

3,1 (13)

Scheikundige nijverheid

0,6 (53)

Betonindustrie Metaalsector*

2,6 (10) 2,8 (361)

Autosector

11,3 (366)

Hout

15,0 (191)

Bouw

23,3 (2.068)

Elektriciens

29,4 (486)

Diamantnijverheid

27,5 (16)

Textielsector

2,8 (39)

Kleding & confectie

34,3 (315)

Brandstoffenhandel

76,2 (68)

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

1,0 (35)

Internationale handel, vervoer, logistiek

7,2 (294)

Binnenscheepvaart

2,2 (1)

Private autobus- en autocarbedrijven

8,9 (47)

Taxi-ondernemingen

12,7 (27)

Audiovisuele sector & filmproductie

5,1 (22)

Grafische sector

30 (163)

Vermakelijkheidsbedrijven

9,5 (28)

Textielverzorging Schoonmaak en dienstencheques*

9,3 (33) 2,8 (272)

Uitzendsector

1,2 (91)

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

43,2 (351)

Horeca

12,8 (824)

Vastgoedsector

14,7 (100)

Vrije beroepen

14,3 (288)

Uitvaartsector

1,5 (2)

Social Profit

1,3 (437) 0

5

10

15

20

25

30

35

40

Noot: *Montagesector valt onder de metaalsector. Het is niet mogelijk om de Dienstenchequessector afzonderlijk op te nemen, deze is samengevoegd met de schoonmaaksector. Ook het APC Bedienden en de Lokale Besturen zijn niet af te bakenen op NACE 2003 4 digit.

Bron: VDAB en RSZ (Bewerking Departement WSE)

44


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

5.3

Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt

Om een goede aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt te verzekeren, is het belangrijk dat er voldoende kwalitatieve leerwerkplekken zijn. Hieronder rapporteren we over de spreiding van werkervaringsplaatsen in het stelsel van leren en werken, duaal leren en van leerlingenstages in het voltijds secundair onderwijs over de sectoren met een convenant.

5.3.1 Leerwerkplekken voor jongeren in het stelsel van leren en werken en duaal leren Het stelsel van leren en werken bestaat uit deeltijdse leersystemen binnen het leerplichtonderwijs. Jongeren die kiezen voor het stelsel van leren en werken engageren zich voor een systeem dat uit twee onlosmakelijk met elkaar verbonden componenten bestaat: de component leren en de component werkplekleren. We nemen hier de leertijd (georganiseerd door Syntra Vlaanderen en Syntra) en het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) op. De leertijd is een opleidingsvorm waarbij jongeren een beroep leren in de dagelijkse praktijk van een onderneming. Ze combineren vier dagen beroepsgerichte praktijkopleiding in een onderneming met één dag theoretische vorming in een campus van Syntra. Een doorsnee opleiding duurt drie jaar, maar kan ingekort worden als de jongere een zekere vooropleiding heeft. De beroepsgerichte praktijkopleiding vormt de kern van de opleiding: zonder leerwerkplek in een onderneming kan een jongere niet ingeschreven worden in de leertijd. De leertijd realiseert hiermee met andere woorden per definitie een voltijds engagement. Ook in het deeltijds beroepssecundair onderwijs kunnen jongeren een beroep leren via werkplekleren. Ze volgen twee dagen per week een technische en praktische opleiding in een centrum deeltijds onderwijs (CDO) en combineren dit idealiter met drie dagen werkervaring in een bedrijf. Uit de laatste schoolverlatersstudie van VDAB blijk dat schoolverlaters uit de leertijd relatief sterk staan op de arbeidsmarkt. Na één jaar is het aandeel werkzoekende schoolverlaters 9,3%. Dit heeft te maken met de sterke inzet op de combinatie leren en werken. In het DBSO zijn de beste kaarten weggelegd voor schoolverlaters die een algemene kwalificatie (studiegetuigschrift of diploma) behaalden. Hun aandeel werkzoekenden na een jaar is 15,5%. Dit is een pak beter dan het aandeel werkzoekenden van de DBSO-schoolverlaters die enkel een kwalificatie behalen voor het beroepsgericht gedeelte van de opleiding (27,6%). Sinds 2016 is Vlaanderen gestart met het opzetten van proeftuinen duaal leren. Duaal leren is een geïntegreerd traject in het secundair onderwijs waarin algemene vorming, beroepsgerichte vorming en werkervaring één geheel vormen. Jongeren verwerven de vaardigheden die ze nodig hebben om een kwalificatie te behalen zowel op de werkvloer als op school (of in een centrum voor deeltijds onderwijs of een Syntra-lesplaats). Het leertraject bestaat dus uit een les- en een werkcomponent die op elkaar zijn afgestemd en samen een coherent geheel vormen. Zowel de onderwijs- en opleidingsverstrekker als de onderneming zijn verantwoordelijk voor het aanleren van competenties en geven in nauw overleg vorm aan het opleidingstraject. Elk schooljaar komen hier studierichtingen bij, waardoor het aantal opleidingen stijgt. Om leerlingen te kunnen opleiden in het stelsel van leren en werken en duaal leren is het belangrijk om genoeg kwaliteitsvolle werkplekken aan te bieden. Ondernemingen moeten hiervoor een erkenning aanvragen, maar zij kunnen na enige tijd ook afhaken en dat wordt niet altijd geregistreerd. In 2021 loopt er een hernieuwing van de erkenningen, waardoor we zullen kunnen zien wat de uitval is. Naast werkplekken zijn ook genoeg mentoren in een sector belangrijk. Het is moeilijk het exacte aantal werkplekken per sector weer te geven, aangezien een onderneming verschillende vestigingen kan hebben en deze verschillende vestigingen verschillende goedkeuringen kunnen krijgen voor verschillende opleidingen. Daarbovenop kunnen vestigingen verschillende mentoren

45


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

hebben die dezelfde opleiding begeleiden, die afhankelijk van de sector ook meerdere leerlingen mogen begeleiden. Tabel 5 toont een theoretische inschatting van het aantal werkplekken voor leerlingen in het stelsel van leren en werken en duaal leren in februari 2020. De sector KAPPERS, SCHOONHEIDSZORGEN EN FITNESS hebben het hoogste aantal unieke ondernemingen met erkenning, maar dit wil niet noodzakelijk zeggen dat zij ook de meeste ingevulde werkplekken hebben. Deze sector bestaat voornamelijk uit kleine ondernemingen en mentoren werken in deze sector vaak één op één met leerlingen. De sector BOUW heeft ook een hoog aantal unieke ondernemingen met een erkenning (494), maar ook hier is er vaak maar één werkplek per onderneming. In deze sector zijn er vooral erkenningen voor de opleidingen metselaar en sanitair installateur. Deze twee beroepen zijn al jaren opgenomen in de VDAB knelpuntberoepenlijst. DE SCHEIKUNDIGE NIJVERHEID heeft het grootste aantal werkplekken per onderneming. In deze sector zijn er slechts 41 unieke ondernemingen met een erkenning, maar dit zijn doorgaans grote ondernemingen met verschillende mentoren.

Tabel 5: Theoretische inschatting van het aantal werkplekken per onderneming voor leren en werken en duaal leren (Vlaams gewest, februari 2020)

SECTOR

AANTAL UNIEKE AANTAL ONDERNEMINGEN GOEDGEKEURDE MET ERKENNING ERKENNINGEN

AANTAL UNIEKE MENTOREN

MAX AANTAL LEERLINGEN PER MENTOR

INSCHATTING AANTAL WERKPLEKKEN PER ONDERNEMING

Groene sectoren

324

993

381

1

1

Voedingsnijverheid

160

464

215

3

4

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

2

2

3

3

5

Scheikundige nijverheid

41

48

226

4

22

Autosector

291

462

378

2

3

Hout

115

163

169

2

3

Bouw

494

556

610

1

1

Elektriciens

324

430

410

2

3

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

20

27

31

2

3

Textiel

4

8

8

2

3

Kleding en confectie

7

10

9

2

3

Textielverzorging

2

2

3

2

3

Binnenscheepvaart

28

28

32

3

3

Vermakelijkheidsbedrijven

1

1

1

3

3

Grafische sector

5

5

9

3

5

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

553

835

706

1

1

Horeca

147

170

198

1

1

Social Profit

274

464

664

2

5

Openbare besturen

12

26

37

3

9

Lokale besturen

133

295

511

3

12

53

201

265

3

10

Verhuis Beenhouwers, spekslagers en traiteurs

46


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

AANTAL UNIEKE AANTAL ONDERNEMINGEN GOEDGEKEURDE MET ERKENNING ERKENNINGEN

SECTOR

AANTAL UNIEKE MENTOREN

MAX AANTAL LEERLINGEN PER MENTOR

INSCHATTING AANTAL WERKPLEKKEN PER ONDERNEMING

Overige

87

106

110

3

4

Verkoop en Marketing

64

118

141

3

7

Technologische industrie

172

211

219

3

4

Bron: Syntra Vlaanderen (Bewerking Syntra Vlaanderen) De volgende twee tabellen tonen het aantal gestarte overeenkomsten in leren en werken en duaal leren in de schooljaren 2018-2019 en 2019-2020. Voor het schooljaar 2019-2020 zijn de cijfers nog niet volledig. In het Vlaams Gewest werden in het schooljaar 2018-2019 4.168 overeenkomsten in het stelsel van leren en werken gestart, terwijl dit er in het schooljaar 2019-2020 tot nu toe slechts 2.760 zijn. Duaal leren stijgt anderzijds elk jaar gestaag en in het huidige schooljaar zijn er 1.519 gestarte overeenkomsten. Tabel 6 leert ons verder iets meer over de match tussen het aanbod (zie vorige tabel) en de vraag van leerlingen. We bespreken hier eerst de gestarte overeenkomsten in het stelsel van leren en werken en daarna deze in duaal leren. Over het algemeen bieden sectoren meer erkende werkplekken aan dan er overeenkomsten worden gestart. Niet alle erkende werkplekken worden dus ingevuld. Voor het stelsel van leren en werken zijn de VERKOOP EN MARKETING, de BOUW en de HORECA de sectoren met het grootste aantal gestarte overeenkomsten. In de VERKOOP EN MARKETING gaat het hier vooral over de opleiding kassier. In de HORECA zijn de opleidingen hulpkok en keukenmedewerker de meest gestarte overeenkomsten.

Tabel 6: Aantal gestarte overeenkomsten L&W in het schooljaar 2018/2019 en 2019/2020. SCHOOLJAAR 2018-2019 SECTOR

AANTAL GESTARTE OVEREENKOMSTEN

% VAN ALLE OVEREENKOMSTEN

SCHOOLJAAR 2019-2020 AANTAL GESTARTE OVEREENKOMSTEN

% VAN ALLE OVEREENKOMSTEN

Vlaams Gewest

4.168

Groene sectoren

159

3,8%

136

4,9%

29

1,1%

0,4%

2.760

Voedingsnijverheid

56

1,3%

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

4

0,1%

Scheikundige nijverheid

11

0,3%

11

Autosector

270

6,5%

197

7,1%

Hout

65

1,6%

38

1,4%

Bouw

605

14,5%

439

15,9%

Elektriciens

110

2,6%

72

2,6%

Kleding & confectie

4

0,1%

7

0,3%

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

20

0,7%

8

0,3%

40

1,0%

Grafische sector

1

0,0%

Vermakelijkheidsbedrijven

6

0,1%

Textielverzorging

2

0,0%

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

314

7,5%

161

5,8%

Horeca

574

13,8%

370

13,4%

1

0,0%

1

0,0%

Verhuis en meubelbewaring

47


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

SCHOOLJAAR 2018-2019

SCHOOLJAAR 2019-2020

AANTAL GESTARTE OVEREENKOMSTEN

% VAN ALLE OVEREENKOMSTEN

AANTAL GESTARTE OVEREENKOMSTEN

% VAN ALLE OVEREENKOMSTEN

Social Profit

391

9,4%

288

10,4%

Lokale besturen

135

2,9%

92

3,3%

Beenhouwers, spekslagers en traiteurs

96

2,3%

47

1,7%

Openbare besturen

54

1,3%

30

1,1%

SECTOR

Verkoop en Marketing

768

18,4%

524

19,0%

Technologische industrie

164

3,9%

97

3,5%

Overige

338

8,1%

193

7,0%

Bron: Syntra Vlaanderen (bewerking Departement WSE) Tabel 7 toont dan weer het aantal gestarte overeenkomsten duaal leren in de twee laatste schooljaren. Het aantal overeenkomsten in duaal leren stijgt elk jaar gestaag en in het huidige schooljaar zijn er 1.519 gestarte overeenkomsten. De sector met het grootste aantal overeenkomsten duaal leren in het schooljaar 2019-2020 is KAPPERS, SCHOONHEIDSZORGEN EN FITNESS (235). Het gaat hier vooral over de opleiding haarverzorging duaal en kapper-stylist duaal. Daarna komt de BOUW (163) en de SOCIAL PROFIT (163). In de SOCIAL PROFIT sector en in de LOKALE BESTUREN gaat het vooral over de duale opleidingen kinderbegeleiding duaal en zorgkundige duaal.

Tabel 7: Aantal gestarte overeenkomsten duaal leren in het schooljaar 2018/2019 en 2019/2020 SCHOOLJAAR 2018-2019 SECTOR

Vlaams Gewest

AANTAL GESTARTE OVEREENKOMSTEN

% VAN ALLE OVEREENKOMSTEN

1.370

SCHOOLJAAR 2019-2020 AANTAL GESTARTE OVEREENKOMSTEN

% VAN ALLE OVEREENKOMSTEN

1.519

Groene sectoren

72

5,3%

107

7,0%

Voedingsnijverheid

64

4,7%

64

4,2%

1

0,1%

Papier- en kartonverwerkende nijverheid Scheikundige nijverheid

87

6,4%

65

4,3%

Autosector

84

6,1%

141

9,3%

Hout

37

2,7%

35

2,3%

Bouw

112

8,2%

163

10,7%

Elektriciens

127

9,3%

145

9,5%

11

0,8%

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven Grafische sector Textiel

8

0,6%

8

0,5%

2

0,1%

3

0,2%

Binnenvaart

25

1,8%

12

0,8%

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

208

15,2%

235

15,5%

Horeca

45

3,3%

80

5,3%

Social Profit

184

13,4%

163

10,7%

Lokale besturen

131

9,6%

104

6,8%

Beenhouwers, spekslagers en traiteurs

9

0,7%

30

2,0%

Openbare besturen

9

0,7%

13

0,9%

48


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

SCHOOLJAAR 2018-2019

SCHOOLJAAR 2019-2020

AANTAL GESTARTE OVEREENKOMSTEN

% VAN ALLE OVEREENKOMSTEN

AANTAL GESTARTE OVEREENKOMSTEN

% VAN ALLE OVEREENKOMSTEN

17

1,2%

90

5,9%

Technologische industrie

128

9,3%

29

1,9%

Overige

12

0,9%

29

1,9%

SECTOR

Verkoop en Marketing

Bron: Syntra Vlaanderen (bewerking Departement WSE)

5.3.2 Leerlingenstages in het voltijds secundair onderwijs (Paritair Comité) Ook in het voltijds secundair onderwijs krijgen leerlingen de kans om theorie om te zetten in praktijk gedurende stages. Figuur 16 geeft zowel het aantal leerlingenstages per sectorconvenant voor het schooljaar 2017-2018 (laatste beschikbare schooljaar) weer, als het aantal leerlingenstages ten opzichte van het aantal werknemers in de sector op basis van RSZ tewerkstellingsgegevens. Belangrijk om te weten is dat het hier om het aantal stages gaat en niet om het aantal leerlingen. Leerlingen kunnen meerdere stages lopen in verschillende ondernemingen binnen een sector. Meer dan de helft van de leerlingenstages vindt plaats in de SOCIAL PROFIT sector. Dit gaat vooral over stages in de opleidingen personenzorg en in de HBO5 opleiding verpleegkunde. De tweede sector op het vlak van leerlingenstages is de BOUW met 6.071 leerlingenstages, voornamelijk uit de TSO- en BSO-opleidingen hout en bouw. Door het aantal stageplaatsen te positioneren tegenover de omvang van de sector in de tewerkstelling, krijgen we een idee van de mate waarin stages vertegenwoordigd zijn in de sector in vergelijking met het Vlaams gemiddelde van 38,1 stages per 1000 werknemers. De sector met het hoogste aantal leerlingenstages per 1000 werknemers is de sector KAPPERS, SCHOONHEIDSZORG EN FITNESS met 384,1 stages per 1000 werknemers. Daarnaast zijn stages ook sterk vertegenwoordigd in de SOCIAL PROFIT (155,0), de TRANSPORT, LOGISTIEK EN GRONDAFHANDELING LUCHTHAVEN (195,3) en de GRAFISCHE SECTOR (133,7). Maar ook andere sectoren zoals de GROENE SECTOREN, DE AUTOSECTOR, HOUT, BOUW, ELEKTRICIENS, KLEDING EN CONFECTIE en DE HORECA scoren beter dan het Vlaams gemiddelde.

49


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

Figuur 16: Aantal leerlingenstages per 1000 werknemers, abolute aantallen tussen haakjes (schooljaar 2017-2018) VLAAMS GEWEST

38,1 (84.542)

Groene sectoren

127,8 (1.993)

Voedingsnijverheid

25,4 (1.550)

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

21,7 (92)

Scheikundige nijverheid

8,7 (728)

Betonindustrie

9,1 (35)

Metaalsector

29,8 (3.888)

Autosector

72,9 (2.365)

Hout

112,4 (1.436)

Bouw

68,5 (6.071)

Elektriciens

122,1 (2.020)

Diamantnijverheid

17,2 (10)

Textielsector

7,1 (100)

Kleding & confectie

40,5 (372)

Brandstoffenhandel

5,6 (5)

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

8,2 (282)

Internationale handel, vervoer, logistiek

7,6 (308)

Binnenscheepvaart

126,4 (57)

Private autobus- en autocarbedrijven

10,4 (55)

Taxi-ondernemingen

3,3 (7)

Audiovisuele sector & filmproductie

35,1 (152)

Grafische sector

133,7 (726)

Vermakelijkheidsbedrijven

21,7 (64)

Textielverzorging

8,2 (29)

Schoonmaak

3,3 (77)

Dienstencheques

0,4 (29)

Uitzendsector

4,4 (348)

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

384,1 (3.122)

Horeca

40,2 (2.594)

Verhuis en meubelbewaring

9,2 (7)

Vastgoedsector

11,9 (81)

Vrije beroepen

8,1 (162)

Uitvaartsector

0,0 (0)

APC Bedienden

9,0 (2.848)

Social Profit

155 (51.063)

Lokale besturen

11,0 (1.866) 0

50

100

150

200

Bron: Departement Onderwijs (bewerking Departement WSE)

50

250

300

350

400


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

6 Methodologische nota De sectoren van de sectorconvenants zijn georganiseerd volgens paritair comité. Een groot deel van onze brondata volgt ook die indeling. Het gaat hier om de volgende data: • Data van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), inclusief de Dynam-data. • Data uit het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming van de Kruispuntbank Sociale Zekerheid (KSZ). • Interne data van het Departement Werk & Sociale Economie over WSE-maatregelen, in het bijzonder: de Vlaamse Doelgroepverminderingen (DGV), Vlaamse Ondersteuningspremie (VOP) en Betaald Educatief Verlof (BEV). • Data van Syntra Vlaanderen: leren & werken, duaal leren. • Data van het Departement Onderwijs: leerlingenstages in het voltijds secundair onderwijs. Uit deze data werden de relevante paritaire comités gefilterd. Hier kunnen wel twee belangrijke opmerkingen bij worden gegeven: • De werknemers van de sector LOKALE BESTUREN hebben geen paritair comité. Hierdoor konden we over deze sector maar voor een beperkt aantal variabelen rapporteren. Voor een aantal indicatoren konden we op basis van alternatieve brondata rapporteren, waar dit gebeurd is, wordt dit steeds in een voetnoot aangegeven. • In een aantal data-bronnen worden niet alle paritaire subcomités apart opgenomen. Dit heeft vooral impact op een aantal kleinere sectoren, waar dus niet altijd gegevens op niveau van het specifieke paritaire subcomité beschikbaar zijn. Waar nodig worden verschillende paritaire (sub) comités dus geclusterd weergegeven, als de brondata dit nodig maken. Dit staat steeds in een voetnoot in de tekst weergegeven. Niet alle brondata laten echter toe om gegevens volgens paritair comité te rapporteren. Bij een aantal van onze brondata wordt de NACE-activiteit gebruikt om sectoren in te delen. De NACE-code is een Europees erkende code die toegekend wordt aan een bepaalde klasse van commerciële of niet-commerciële economische activiteiten. In deze groepssectorfoto gaat het om de economische activiteit van de onderneming, niet van de individuele werknemer. Aangezien het paritair comité een werknemerskenmerk is en de NACE-code een werkgeverskenmerk, is een perfecte vertaling van paritaire comités naar NACE-codes onmogelijk. Bepaalde NACE-codes zijn van toepassing op meerdere paritaire comités. We hebben ervoor gekozen om in deze publicatie geen dubbeltellingen toe te laten, en NACE-codes steeds slechts aan één sector toe te kennen. Bij twijfel werd in RSZ-data nagegaan welk paritair comité het grootste deel van de tewerkstelling in de betreffende NACE-code vertegenwoordigde, en werd de NACE-code aan de bijhorende convenantsector toegewezen. Indien de NACE-code sterk verdeeld was over meerdere paritaire comités, werd ze aan geen enkele sector toegewezen en werden de cijfers niet opgenomen. Ook werd er soms voor gekozen – op basis van de kenmerken van brondata – om bepaalde sectoren te clusteren. Waar dit gebeurd is, wordt dit ook steeds duidelijk in de tekst weergegeven. Voor het overzicht van de weerhouden NACE-codes verwijzen we naar Tabel 8. Een deel van de brondata gebruikt NACE 5-DIGIT 2008 om sectoren in te delen. Het gaat hier om 943 Belgische subklassen voorgesteld door 5-digit numerieke codes. Dit is de meest recente NACE-indeling. Deze indeling wordt gebruikt in de data rond werkbaarheidscheques. De data die ons ter beschikking werden gesteld door VDAB zijn opgesteld op basis van de vorige NACE-indeling en op het 4-digit niveau. Hier gaat het dus over NACE 4-DIGIT 2003. Voor twee datareeksen is er een zeer specifieke sectorindeling gebruikt: • De werkbaarheidsmonitor-data van de Stichting Innovatie & Arbeid. De Stichting Innovatie en Arbeid van de SERV meet sinds 2004 driejaarlijks, via een enquête, de werkbaarheid van werk in Vlaanderen. Voor de cijfers van 2019 gebeurde dit via een steekproef bij 40.000 Vlaamse werkne-

51


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

mers. De sectoridentificatie in de werkbaarheidsmonitor gebeurt door de respondent, op basis van het ‘keuzemenu’. Er kan geen link gelegd worden met het paritair comité of de NACE-code waaronder de onderneming van betrokkene ressorteert. De Stichting Innovatie en Arbeid rapporteert bovendien enkel over sectoren waarvan de omvang van de deelsteekproef voldoende groot is (≥ 200 eenheden) in functie van een acceptabele betrouwbaarheid van de uitspraken. • De CVTS-data die licht werpen op opleidingsinspanningen van werkgevers is er enkel NACE 2008 2-digit beschikbaar waardoor we de sectoren niet kunnen opsplitsen naar de sectorconvenanten. Bovendien is een opdeling naar sectoren enkel mogelijk op het niveau van België en niet op het niveau van de gewesten. Om transparant te zijn wordt bij ieder onderwerp aangegeven welke sectorindeling (paritair comité of NACE) er wordt gebruikt in de brondata. Dit om een correcte interpretatie van de gegevens mogelijk te maken.

Tabel 8: Overzicht van de relevante NACE-activiteiten (NACE 4-digit 2003 & NACE 5-digit 2008) per sector van de sectorconvenants NAAM SECTOR

PARITAIR COMITÉ

NACE4-2003

Groene sectoren

132, 144, 145 en 145.04

111 112 113 121 1110 1130 1150 1160 122 123 124 125 1191 1199 1210 1240 130 141 142 502 1250 1260 1290 1301 9253 1309 1410 1420 1430 1450 1461 1462 1471 1472 1479 1490 1500 1610 1620 1630 1640 3210 3220 81300 91041 91042 93127

Voedingsnijverheid

118 en 220

1511 1512 1513 1520 10110 10120 10130 10200 1531 1532 1533 1541 10311 10312 10320 10391 1542 1543 1551 1552 10392 10393 10410 10420 1561 1562 1571 1572 10510 10520 10610 10620 1581 1582 1583 1584 10711 10712 10720 10730 1585 1586 1587 1588 10810 10820 10830 10840 1589 1591 1592 1593 10850 10860 10890 10910 1594 1595 1596 1597 10920 11010 11020 11030 11040 11050 11060 11070 1598

Papier- en kartonverwerkende nijverheid

136

2811 2112 2121 2122 25110 17120 17210 17220 2123 2124 2125 17230 17240 17290

Scheikundige nijverheid

116 en 207

2411 2412 2413 2414 20130 20140 20150 20160 2415 2416 2417 2420 20300 20411 20412 20420 2430 2441 2442 2451 20590 20600 21100 21201 2452 2461 2462 2463 21209 22190 22210 22220 2464 2465 2466 2470 22230 22290 32500 46389 2511 2512 2513 2521 46442 46460 46733 46751 2522 2523 2524 5146 46752 46769 47526 47784 72110 72190 5155

Betonindustrie

106.02

2626 2651 2661 2662 23200 23510 23610 23620 2663 2666 23630 23690

52

NACE5-2008


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

NAAM SECTOR

PARITAIR COMITÃ&#x2030;

NACE4-2003

NACE5-2008

Metaalsector

111 en 209

2710 2721 2722 2731 2732 2733 2734 2735 2741 2742 2743 2744 2745 2750 2751 2752 2753 2754 2812 2821 2822 2830 2840 2851 2852 2861 2862 2863 2871 2872 2873 2874 2875 2911 2912 2913 2914 2921 2922 2923 2924 2932 2940 2941 2942 2943 2951 2952 2953 2954 2955 2956 2960 3320 3350 3511 3512 3520 3542 3543 3550

24100 24200 24310 24320 24330 24340 24410 24420 24430 24440 24450 24460 24510 24520 24530 24540 25120 25210 25290 25300 25400 25501 25502 25610 25620 25710 25720 25731 25739 25910 25920 25930 25940 25991 25999 26510 28110 28120 28130 28140 28150 28210 28220 28230 28240 28250 28291 28292 28293 28294 28295 28296 28299 28300 28410 28490 28910 28920 28930 28940 28950 28960 28990 29310 30110 30120 30200 30300 30400 30920 30990

2811

25110

Montagesector

111.03

Autosector

112, 142.01, 149.02, 149.04 3410 3420 3430 3541 25110 29100 29201 29202 5010 5020 5030 5040 29320 30910 33170 38310 5188 7110 7121 45111 45112 45113 45191 45192 45193 45194 45201 45202 45203 45204 45205 45206 45209 45310 45320 46694 46771 46772 46779 77110 77120 77210 77393

Hout

126, 125.01, 125.02, 125.03

201 202 2010 2020 2100 2200 2400 31010 2030 2040 2051 2052 16100 16210 16220 16230 3610 3611 3612 3613 16240 16291 16292 31020 31091 31092 31099 32200 3614 3630 3662 5244 32910 43320 46130 46471 46732 47522 47524 47591 95240

Bouw

124

4511 4512 4520 4521 4522 4523 4524 4525 4532 4533 4534 4541 4542 4543 4544 4545 4550 5113 5153 5162

Elektriciens

149.01

4531 5143 5186 5245 42220 43211 43212 43222 5272 46431 46693 47410 47420 47540 47592

Diamantnijverheid

324

3622

53

41201 41202 41203 42110 42120 42130 42211 42212 42219 42911 42919 42990 43110 43120 43130 43221 43291 43299 43310 43331 43332 43333 43341 43342 43343 43390 43910 43991 43992 43993 43994 43995 43996 43999 46731 46734 46735 46736 46739 46741 46742 47521 47523 47525 47527 47529 47530 71121

32121


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

NAAM SECTOR

PARITAIR COMITÉ

NACE4-2003

Textielsector

120 en 214

1711 1712 1713 1714 32121 13100 13200 13300 1715 1716 1717 1721 13910 13921 13929 13930 1722 1723 1724 1725 13940 13950 13960 13990 1730 1740 1751 1752 1753 1754 1770

NACE5-2008

Kleding & Confectie

109 en 215

1760 1771 1772 1810 14110 14120 14130 14140 1821 1822 1823 1824 14191 14199 14200 14310 1830 5141 5142 5242 14390 46160 46411 46421 5243 5250 5262 46422 46423 46424 46425 47511 47513 47711 47712 47713 47714 47715 47716 47721 47722 47792 47820

Brandstoffenhandel

127

4022 5050

46710 47300 47781

Transport, logistiek, grondafhandeling luchthaven

140.03 en 140.04

6210 6340

49410 51210 52230 53200

Internationale handel, 226 vervoer, logistiek

6010 6110 6311 6312 46720 46900 49200 50200 6321 6322 6323 6412 52100 52241 52249 52290 7414 7430 7482 70100 70220 82920

Binnenscheepvaart

139

6120

50300 50400

Private autobus- en autocarbedrijven

140.01

6023

49310 49390

Taxi-ondernemingen

140.02

6022

49320

Audiovisuele sector en 227 en 303.01 filmproductie

9211 9212 9213 9220

59111 59112 59113 59114 59120 59130 59140 59201 59202 59203 59209 60100 60200 63120

Grafische sector

130

2211 2212 2213 2215 18110 18120 18130 18140 2221 2222 2223 2223 46491 58110 58130 58140 2224 7440 58190 73110 74103 82190

Vermakelijkheids­ bedrijven

304

9231 9232 9233 9234 90011 90012 90021 90022 9272 90023 90029 90031 90032 90041 90042 93299

Textielverzorging

110

9301

Schoonmaak

121

3710 3720 3721 3722 37000 38110 38120 38211 3723 7470 9000 9001 38212 38213 38219 38222 9002 9003 38321 38322 38323 38329 39000 81100 81210 81220 81290 82110 96099

Dienstencheques

322.01

Niet mogelijk af te zonderen op NACE4-2003 niveau

88101 88999 96011 96012

Uitzendsector

322

7450

78200 78300

Kappers, schoonheidszorgen, fitness

314

9261 9262 9302 9304

93110 93130 93199 96021 96022 96040

Horeca

302

5510 5511 5512 5521 55100 55201 55202 55203 5522 5523 5530 5540 55204 55209 55300 55900 5551 5552 56101 56210 56290 56301 56302 56309

Verhuis en meubelbewaring

140.05

6024

54

96011 96012

49420


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

NAAM SECTOR

PARITAIR COMITÃ&#x2030;

NACE4-2003

Vastgoedsector

323

7011 7012 7020 7031 41101 41102 68201 68202 7032 68203 68204 68311 68312 68321 68322

Vrije beroepen

336

7411 7412 7420 8520

69101 69103 69201 69202 69203 71111 71122 75000

Uitvaartsector

320

9303

96031 96032

APC Bedienden

200

Door de omvang & diversiteit van Door de omvang & diversiteit van deze sector, valt die niet af te deze sector, valt die niet af te bakenen in NACE-activiteiten bakenen in NACE-activiteiten

Social Profit

318.02, 319.01, 327.01, 329.01, 330, 331, 337

8511 8512 8513 8514 8531 8532 9111 9112 9120 9131 9240 9251 9252

84302 85207 85591 85592 85593 86101 86102 86103 86104 86109 86210 86220 86230 86901 86902 86903 86904 86905 86906 86907 86909 87101 87109 87201 87202 87203 87204 87205 87209 87301 87302 87303 87304 87309 87901 87902 87909 88101 88102 88103 88104 88109 88911 88912 88919 88991 88992 88993 88994 88995 88996 88999 91011 91012 91020 91030 93121 93122 93123 93124 93125 93126 93128 93129 93191 93192 93212 93292 94110 94120 94200 94910 94920 94991 94992 94993 94994 94995 94999

Lokale besturen

/

Niet mogelijk af te zonderen op NACE4-2003 niveau

84114 84115 84242 84250

55

NACE5-2008


G ROE PSSEC TORFOTO 2020

7 Lijst van figuren en tabellen Figuur 1: Figuur 2: Figuur 3: Figuur 4: Figuur 5: Figuur 6: Figuur 7: Figuur 8: Figuur 9: Figuur 10: Figuur 11: Figuur 12: Figuur 13: Figuur 14: Figuur 15: Figuur 16:

Tabel 1: Tabel 2: Tabel 3: Tabel 4: Tabel 5: Tabel 6: Tabel 7: Tabel 8:

56

Evolutie van de tewerkstelling tussen 2009-2019 (Vlaams Gewest) Evolutie van het aantal werknemers tussen 2014 en 2019 (Vlaams Gewest) In- en uitstroomgraad, volgens leeftijd (Vlaams Gewest, gemeten tussen 30 juni 2016 en 30 juni 2017) Evolutie van ontvangen en openstaande vacatures in het normaal economisch circuit zonder uitzendopdrachten (Vlaams Gewest, 2018-2019) Kruising van het aandeel openstaande vacatures voor kortgeschoolden en personen met minder dan 6 maanden ervaring (Vlaams Gewest, 2019) Tewerkstelling naar geslacht (%) (Vlaams Gewest, 2019) Tewerkstelling naar herkomst (%) (Vlaams Gewest, vierde kwartaal 2018) Aandeel 50-plussers in de tewerkstelling per sector (Vlaams Gewest, 2019) Aandeel werknemers met een Vlaamse doelgroepvermindering of een VOP (Vlaams Gewest, 2019) Werkbaarheidsgraad werknemers (Vlaams Gewest), 2016-2019 Mate waarin de werkbaarheidsindicatoren als ‘problematisch’ beschouwd worden, in % (Vlaams Gewest, 2019) Aantal projecten met werkbaarheidscheques per sector (Vlaams Gewest, 2019) Aanvragen BEV per 1.000 werknemers, absoluut aantal tussen haakjes (schooljaar 2018-2019) Het aantal gestarte opleidingen met stages per 1000 werknemers, absolute aantallen tussen haakjes (2019) Het aantal gestarte IBO trajecten per 1000 werknemers, absolute aantallen tussen haakjes (Vlaams Gewest, 2019) Aantal leerlingenstages per 1000 werknemers, abolute aantallen tussen haakjes (schooljaar 2017-2018)

7 9 11 13 15 19 21 26 33 35 36 37 41 43 44 50

Aanwervingen van niet-werkende werkzoekenden, volgens achtergrondkenmerken (Vlaams Gewest, 2019) 16 Tewerkstelling naar buitenlandse herkomst – detail (%) (Vlaams Gewest, vierde kwartaal 2018) 23 Projectie vervangings- en uitbreidingsvraag 2025 28 Opleidingsparticipatie werknemers (interne & externe opleidingen) in bedrijven per sector (België, 2015) 39 Theoretische inschatting van het aantal werkplekken per onderneming voor leren en werken en duaal leren (Vlaams gewest, februari 2020) 46 Aantal gestarte overeenkomsten L&W in het schooljaar 2018/2019 en 2019/2020. 47 Aantal gestarte overeenkomsten duaal leren in het schooljaar 2018/2019 en 2019/2020 48 Overzicht van de relevante NACE-activiteiten (NACE 4-digit 2003 & NACE 5-digit 2008) per sector van de sectorconvenants 52


Colofon

S A M E N ST E L L I N G

Vlaamse overheid DEPARTEMENT WERK EN SOCIALE ECONOMIE

Koning Albert II-laan 35 bus 20 1030 Brussel 02 553 42 56 beleid.wse@vlaanderen.be www.vlaanderen.be/departement-wse V E R A N T WO O R D E L I J K E U I TG E V E R

Dirk Vanderpoorten Secretaris-generaal L AY- O U T

Perplex | Aalst U I TG AV E

juni 2020 D E P OT N U M M E R

D/2020/3241/154


DEPARTEMENT WERK & SOCIALE ECONOMIE Koning Albert II-laan 35 bus 20 1030 Brussel www.vlaanderen.be/departement-wse


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Groepssectorfoto 2020.pdf by Vlaanderen-be - Issuu