Skip to main content

SV_rapport_2021_03_belang_export.pdf

Page 1

RAPPORT STATISTIEK VLAANDEREN, 2021/3

STATISTIEKONTWIKKELING

BELANG VAN DE EXPORT VOOR DE VLAAMSE ECONOMIE THIERRY VERGEYNST


BELANG VAN DE EXPORT VOOR DE VLAAMSE ECONOMIE SAMENVATTING

INHOUD SAMENVATTING 3 INLEIDING 5 1

HET BEGRIP UITVOER

7

1.1 Algemeen

7

1.2 Goederen

7

1.3 Diensten

8

1.4 Verschillen tussen de nationale/regionale

rekeningen en de statistiek van de buitenlandse

handel

9

1.5 Verschillen tussen het ESR 2010 en het ESR 95

10

2

DE UITVOER VOLGENS DE REGIONALE REKENINGEN 13

2.1 Verloop van de uitvoer van goederen en diensten 13 2.2 De uitvoerratio

15

2.3 De uitvoer naar bedrijfstak

16

3

19

DE INTERREGIONALE INPUT-OUTPUTTABEL

3.1 Wat?

19

3.2 Bijdrage aan de belgische uitvoer

21

3.3 Multiplicatoren

23

3.4 Belang van de uitvoer

28

3.4.1 Bruto toegevoegde waarde

28

3.4.2 Werkgelegenheid

31

3.4.3 Vergelijking met RIOT/ESR 95

33

BESLUIT 34 LITERATUURLIJST 36

Dit SV-rapport gaat over het belang van de uitvoer voor de Vlaamse economie. De uitvoer is immers een belangrijke hoeksteen van onze welvaart. Het is daarom interessant om te weten hoeveel bruto toegevoegde waarde en hoeveel werkgelegenheid de uitvoer van Vlaamse goederen en diensten oplevert. Eerst komt aan bod wat juist onder uitvoer verstaan wordt. Het gaat om de uitvoer zoals in de definitie van de nationale rekeningen, met name het Europees stelsel van Rekeningen 2010 (ESR 2010). Het rapport legt de verschillen uit met het oudere ESR 95 en met de handelsstatistieken van het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR). Daarna wordt gefocust op de omvang van de uitvoer volgens de traditionele regionale rekeningen van het ESR 2010. Het gaat om de bedragen van goederen en diensten naar bedrijfstak. De totale uitvoer van goederen en diensten kwam in 2019 op 273 miljard euro. Daarmee lag de uitvoerratio in 2019 op 98%. De uitvoerratio is de verhouding van de uitvoer tegenover het bruto binnenlands product (bbp). Maar dit rapport wil verder gaan. Via een interregionale input-outputtabel (RIOT) wordt een inschatting gemaakt van de bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid door de uitvoer. Een RIOT brengt de onderlinge leveringen tussen

bedrijfstakken in de 3 gewesten in beeld en ook de leveringen aan de finale vraag (consumptie, investeringen en ook uitvoer). In 2015 stelde het Federaal Planbureau (FPB) met medefinanciering van de gewesten een RIOT samen voor het jaar 2010 volgens het ESR 95. Die oefening werd in 2019 herhaald, maar dan volgens het nieuwe ESR 2010. Het is die laatste RIOT die de basis vormt voor de berekeningen in dit rapport. De RIOT laat toe de bijdrage van Vlaamse goederen en diensten tot de Belgische uitvoer in kaart te brengen. Verder kunnen ook multiplicatoren bepaald worden van de bruto toegevoegde waarde en van de werkgelegenheid voor de uitvoer. Zo wordt voor elke bedrijfstak duidelijk hoeveel extra bruto toegevoegde waarde en extra werkgelegenheid een verhoging van de uitvoer met zich meebrengt. Ook kan worden berekend hoeveel bruto toegevoegde waarde en hoeveel werkgelegenheid de totale uitvoer van Vlaamse goederen en diensten genereert. In 2010 ging het om 69 miljard euro bruto toegevoegde waarde en werk voor circa 850.000 personen. Het rapport wordt afgesloten met een beoordeling van de voor- en nadelen van deze methode en de bruikbaarheid ervan voor de opmaak van openbare statistieken over uitvoer. Belangrijkste beperking is dat dergelijke RIOT niet jaarlijks wordt opgemaakt waardoor slechts periodieke berekeningen mogelijk zijn.


INLEIDING Vlaanderen is een welvarende economie. Dat is genoegzaam bekend. De Vlaamse economie is daarbij een erg open economie. Dat komt door 2 redenen: •

•

Het Vlaamse Gewest en België zijn relatief kleine geografische gebieden in de Europese Unie. Dat wil zeggen dat een handelstransactie van een zekere afstand al snel over de landsgrenzen gebeurt, terwijl dat in een groter land meer kans maakt binnen dat land te gebeuren. Het Vlaamse Gewest is centraal gelegen in West-Europa. Er zijn belangrijke ‘poorten’ hier: onze havens en luchthavens. En daarrond zijn veel industriële bedrijven gevestigd. Dat zorgt uiteraard ook voor doorvoer en wederuitvoer. Een deel van de goederen ondergaat nog een bewerking op ons grondgebied vooraleer het verder geëxporteerd wordt of naar het binnenland verscheept en zorgt dus voor toegevoegde waarde en werkgelegenheid.

Uitvoer is belangrijk voor een economie. De uitvoer draagt immers rechtstreeks bij tot de vorming van het bbp, dat een traditionele maatstaf is voor de welvaart die een land of regio genereert.

Statistiek Vlaanderen (SV) publiceert op haar website www. statistiekvlaanderen.be Vlaamse openbare statistieken over de uitvoer van goederen en diensten, en over de uitvoerratio of de uitvoer als % van het bruto binnenlands product (bbp). De bronnen daarvoor zijn de handelsstatistieken en de regionale rekeningen, beide van het Instituut voor Nationale Rekeningen (INR). De handelsstatistieken focussen op de goederenbewegingen en geven een detail naar land van herkomst/bestemming en naar soort handelsgoed. De uitvoer volgens de nationale rekeningen vertrekt van wie de eigenaar is van goederen en diensten en laat toe de uitvoer in verband te brengen met het bbp. Dit rapport gaat nog verder en wil de mogelijkheid onderzoeken hoeveel bruto toegevoegde waarde en hoeveel werkgelegenheid de uitvoer genereert. Zo wordt pas echt duidelijk wat de uitvoer betekent voor de Vlaamse economie. Het basisinstrument voor deze berekeningen is de interregionale input-outputtabel (RIOT). Een RIOT wordt echter niet jaarlijks geactualiseerd. Een uitdieping zoals in dit rapport kan daarom maar periodiek gebeuren.

5


1.

HET BEGRIP UITVOER

1

1.1 ALGEMEEN Het begrip ‘uitvoer’ moet goed geduid worden. In dit rapport wordt de definitie gebruikt van het Europees Stelsel van Rekeningen 2010 (ESR 2010). Dat is een methodologie die het Europese statistiekbureau Eurostat en de EU-lidstaten hanteren voor het opstellen van de nationale (en regionale) rekeningen. Het is een raamwerk waarbij aggregaten zoals de consumptie, de investeringen en ook de uit- en invoer met elkaar in verband gebracht worden en waar het bbp een belangrijk aggregaat is. Het bbp kan op verschillende wijzen berekend worden. Eén daarvan is de bestedingsbenadering. Daarbij is het bbp gelijk aan de consumptie van huishoudens, overheden en instellingen zonder winstoogmerk (C) plus de investeringen en voorraadwijzigingen (I) plus de export (X) min de import (M) van goederen en diensten: Bbp = C + I + X – M. Elke EU-lidstaat moet een welbepaald aantal aggregaten toeleveren aan Eurostat. De statistiek van de regionale uitvoer en invoer van goederen en diensten van het INR maakt geen deel uit van de statistische verplichtingen van ons land ten aanzien van Eurostat. De statistiek van de regionale uit- en invoer kwam tot stand in overleg en in samenwerking met de statistiekdiensten van de gewesten. Volgens het ESR 2010 bestaat de uitvoer van goederen en diensten uit transacties tussen residenten en niet-residenten (Eurostat, 2013, 79-80). Er is sprake van export wanneer er eigendomsoverdracht is. Het doet er niet toe of er sprake is van een daadwerkelijke fysische beweging is van goederen over de landsgrenzen. Bij de leveringen (over de landsgrenzen heen) tussen filialen van eenzelfde bedrijf wordt een eigendomsoverdracht verondersteld als het filiaal dat de goederen ontvangt autonoom beslist over het op de markt brengen van de overgedragen goederen en over de prijszetting.

1.2 GOEDEREN De berekening van de statistiek van de in- en uitvoer van goederen volgens het ESR 2010 baseert zich in belangrijke mate op gegevens van de buitenlandse handel volgens nationaal concept (NBB, 2016). Dit is een statistiek van de in- en uitvoer van goederen die de grens overschrijden en waarbij 1 partij in België woont. Daarnaast is er ook de statistiek van de buitenlandse handel volgens het communautaire concept: die omvat ook de handel waarbij geen van de partijen in België woont. Een belangrijk deel van de in- en uitvoer van goederen komt op rekening van fiscale vertegenwoordigers. Dat zijn juridische entiteiten die administratieve taken vervullen voor ondernemingen van een internationale groep zonder

7


BTW-nummer in België. Zij creëren amper bruto toegevoegde waarde. Hun uit- en invoer gebeurt voor rekening van de klant en wordt daarom aan die klant toegewezen in het ESR 2010 concept. De volgende punten verdienen aandacht: • Goederen die bestemd zijn om maakloonwerk of herstellingen te ondergaan, zijn volgens het ESR 2010 geen in- of uitvoer. • Goederen die ons land passeren om louter doorgevoerd te worden naar een ander land (transithandel) zijn ook geen in- en uitvoer. • Voor een aantal categorieën van in- en uitvoer is er een eigendomsoverdracht zonder dat er een fysieke grensoverschrijdende beweging gebeurt. Typisch is de zogenaamde driehoekshandel of de aankoop van goederen in het buitenland, gevolgd door wederverkoop in het buitenland. • Daarnaast is er ook andere informatie opgenomen die niet voorkomt in de statistiek van de buitenlandse handel zoals e-commerce, illegale economie en boordprovisie. In de nationale rekeningen is er ten slotte ook een bijpassing van de aggregaten om de 3 berekeningswijzen van het bbp op elkaar af te stemmen (bestedingsbenadering, productiebenadering en inkomensbenadering). Men noemt dat ook ‘arbitrage’. De individuele aangiftegegevens waarmee de in- en uitvoer van goederen in de nationale rekeningen zijn samengesteld, vormen de basis voor de regionalisering. De in- en uitvoer van goederen wordt toegewezen aan de locatie van de eigenaar van de goederen (die dus ook de transactie verricht). Voor ondernemingen met een of meerdere vestigingen die zich allemaal binnen hetzelfde arrondissement bevinden stelt dat geen problemen. Voor ondernemingen met vestigingen in meerdere arrondissementen is er een verdeling van de in- en uitvoergegevens volgens de lonen per locatie van de vestiging. Voor onder andere diamant, elektriciteit en gas zijn er specifieke regelingen. Let wel: deze en andere aanpassingen aan de nationale rekeningen werden teruggerekend tot en met 2009. Voor de jaren daarvoor is de verdeelsleutel gebaseerd op het aantal jobs per vestiging. Voor het jaar t-1 wordt gebruik gemaakt van een voorlopige methode. Die bestaat er onder andere in dat een aantal in- en uitvoergegevens regionaal verdeeld worden volgens repertoriumgegevens van t-2, of het al beschikbare deel van t-1 (bijvoorbeeld voor productie-eenheden en lonen). Deze repertoriumgegevens zullen het jaar daarop op het (hele) jaar t-1 gebaseerd zijn. Dit zijn dan de definitieve berekeningen.

1.3 DIENSTEN De waarde van de in- en uitvoer van een dienst heeft steeds betrekking op een transactie tussen ingezetenen en niet-ingezetenen (NBB, 2016). Ook hier doet het er niet toe waar de dienst juist verleend wordt. Er zijn 12 types diensten (volgens de Balance of Payments Manual 6 of BPM6): • • • • • • • • • • • •

maakloondiensten herstellingen vervoersdiensten diensten met betrekking tot het reisverkeer communicatiediensten en informatica- en berichtgevingsdiensten constructiediensten verzekeringsdiensten financiële diensten royalty’s en licenties andere diensten aan ondernemingen persoonlijke, culturele en ontspanningsdiensten niet elders vermelde overheidsdiensten.

Bij de registratie van de in- en uitvoer van diensten is er een verschil tussen het oud systeem dat gebruikt werd tot 2006 en het nieuw systeem waarvoor er vanaf 2008 resultaten zijn. Er zijn geen regionale data voor de jaren 2006 en 2007, die als overgangsjaren beschouwd worden. In het oude systeem waren de aangiften door de banken de bron voor de buitenlandse dienstentransacties. De in- en uitvoer van diensten waarvan de betaling niet via Belgische banken verliep, werd aangegeven door de ondernemingen zelf of er gebeurden bijschattingen. Ten slotte werden soms ook andere bronnen gebruikt, bijvoorbeeld overnachtingen en de gezinsbudgetenquête voor aspecten van het reisverkeer. In het nieuwe systeem komen de bankgegevens niet meer aan bod, maar worden ondernemingen die diensten in- en uitvoeren rechtstreeks bevraagd. De regionale verdeling van de in- en uitvoer van diensten gebeurt in essentie zoals bij de goederen.

1.4 VERSCHILLEN TUSSEN DE NATIONALE/ REGIONALE REKENINGEN EN DE STATISTIEK VAN DE BUITENLANDSE HANDEL Zoals eerder uitgelegd, kennen de regionale rekeningen de uit- en invoer toe aan de locatie(s) waar de uit- of invoerder vestigingen heeft. Als dat in meerdere arrondissementen is, wordt de uit- en invoer verdeeld volgens de lonen per vestiging. Voorts zijn in de regionale (en nationale) rekeningen de transithandel van aardgas en de brutostromen van maakloonwerk

9


en herstellingen niet opgenomen (in de handelsstatistiek volgens het communautair concept zijn herstellingen wel opgenomen). Ten slotte is er ook een arbitrage of bijschatting van de cijfers om de uit- en invoer in overeenstemming te brengen met de berekeningen voor het bbp. In de INR-statistieken van de buitenlandse handel wordt de invoer in principe toegekend aan het gewest waar de eerste toegevoegde waarde zal gebeuren en de uitvoer aan het gewest waar de laatste toegevoegde waarde plaatsvond (INR, 2004). Er worden andere technieken gebruikt als er onvoldoende informatie is daarover (gewest betrokken bij handelstransactie, gewest waar de hoofdzetel gevestigd is).

1.5 VERSCHILLEN TUSSEN HET ESR 2010 EN HET ESR 95 Het oude ESR 95 verschilt op de volgende punten van het ESR 2010 wat betreft de statistiek van de in- en uitvoer (NBB, 2014): • Maakloonwerk: hierbij worden goederen naar het buitenland verscheept om daar een bewerking te ondergaan, zonder eigendomsoverdracht. In het ESR 95 werden de fysische in- en uitvoer van deze goederen als dusdanig geregistreerd. In het ESR 2010 wordt enkel het verlenen van het maakloonwerk zelf als uitvoer van dienst geregistreerd (wanneer het maakloonwerk in België gebeurt). • Onderhoud en herstellingen: de fee (kost) ervoor wordt in het ESR 95 als een goederentransactie geboekt en als een dienstentransactie in het ESR 2010. • Driehoekshandel: dit was voor ESR 95 een dienstentransactie (nettostroom, enkel de handelsmarge), hoewel er eigendomsoverdracht was. In het ESR 2010 is dit een goederentransactie (voor het verschil tussen de verkoop en de aankoop van de goederen).

11


2.

DE UITVOER VOLGENS DE REGIONALE REKENINGEN 2

2.1 VERLOOP VAN DE UITVOER VAN GOEDEREN EN DIENSTEN De Vlaamse uitvoer van goederen en diensten was volgens het ESR2010 in 2019 goed voor 273 miljard euro. De waarde van de Vlaamse uitvoer steeg tussen 2003 en 2019 in lopende prijzen met 104% (figuur 1). Deze toename was niet constant over de tijd. In 2009 nam de uitvoer af, als gevolg van de financieel-economische crisis die ook het handelsverkeer tussen landen trof. Ook de jaren 2013 en 2015 waren zwakkere jaren. De onzekerheid in verband met de euro- en schuldencrisis temperde toen de groei van de economie bij ons en bij onze belangrijkste handelspartners. In 2019 zorgde de trager groeiende wereldeconomie voor een stagnatie van onze uitvoergroei. De uitvoer van goederen kwam in 2019 op 212 miljard euro, de uitvoer van diensten op 61 miljard euro. In de periode 2003-2019 nam de uitvoer van diensten (+153%) sterker toe dan de uitvoer van goederen (+93%). Het gevolg daarvan is dat het aandeel van de diensten toenam van 18% in 2003 tot 22% in 2019. Tussen 2003 en 2007 maakten de goederen meer dan vier vijfden van de waarde van de Vlaamse uitvoer uit. Dit slonk opmerkelijk in 2008 en 2009. De financieel-economische crisis bracht immers vooral een terugloop van het fysieke handelsverkeer met zich mee. In de daaropvolgende jaren bleef het aandeel van de goederen onder de drempel van 80%.

13


Figuur 1. Uitvoer van goederen en diensten Vlaams Gewest, 2003-2019, in miljard euro (lopende prijzen) Goederen

Figuur 2. Aandeel in Belgische uitvoer van goederen en diensten Vlaams Gewest, 2003, 2009 en 2019, in %

Diensten

Goederen

Diensten

Totaal

2003

110

24

2003

72

58

69

2004

120

26

2009

70

58

67

2005

133

27

2019

76

56

70

2006

143

29

2007

154

33

2008

155

40

2009

123

37

2010

145

42

2011

167

42

2012

169

46

2013

169

46

2014

172

50

2015

168

55

2016

186

57

2017

205

59

2018

214

60

2019

212

61

Noot: 2006 en 2007 geschat voor diensten, 2019 voorlopige cijfers. Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen

Het Vlaamse Gewest had in 2019 een aandeel van 70% in de Belgische uitvoer van goederen en diensten samen. In 2003 was het 69% (zie figuur 2). Het Vlaamse aandeel zakte in 2009 tot 67% omdat de financieel-economische crisis de Vlaamse uitvoer naar verhouding sterker trof. Dat komt doordat goederen naar verhouding belangrijker zijn dan diensten in de Vlaamse uitvoer en deze crisis de goederenuitvoer harder trof. Nadien klom het gewicht van het Vlaamse Gewest opnieuw tot 2018 (72%). De zwakkere wereldeconomie trof het Vlaamse Gewest harder in 2019.

Noot: 2019 voorlopige cijfers. Bron: INR

Hierna komen de uitvoerratio en de uitvoer naar bedrijfstak aan bod. Er bestaat geen ESR 2010 statistiek over de uitvoer naar land.

2.2 DE UITVOERRATIO Door de uitvoerprestaties in verhouding te brengen tot het bbp kunnen ze worden vergeleken met andere regio’s of landen. De Vlaamse uitvoerratio kwam in 2019 op 98%. Van 2003 tot 2008 nam deze indicator jaarlijks toe (figuur 3). De financieel-economische crisis van 2009 zorgde voor een inzinking in 2009 (80%). In 2010 en 2011 hernam de uitvoerratio weer. Maar van dan af tot in 2016 bleef deze min of meer constant rond ongeveer 95%. In 2017 en 2018 klom de uitvoerratio net boven 100%, wat wil zeggen dat de waarde van de uitgevoerde goederen en diensten hoger was dan deze van het bruto binnenlands product (bbp). De uitvoerratio is het hoogst in het Vlaamse Gewest. In het Waalse Gewest noteerde de indicator aan 56% in 2019 en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest aan 64% (omwille van het belang van de uitvoer van diensten aldaar). Het Belgisch gemiddelde kwam op 82%.

Het Vlaamse Gewest heeft een groter aandeel in de Belgische uitvoer van goederen (76% in 2019) dan van diensten (56%). Dat heeft te maken met de belangrijke rol van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in de Belgische dienstenuitvoer. Voor dit gewest is in absolute bedragen de uitvoer van diensten zelfs belangrijker dan deze van goederen (30 miljard euro en 25 miljard euro in 2019).

15


Figuur 3. Uitvoerratio Belgische gewesten en België, 2003-2019, in % bbp Vlaams Gewest

Waals Gewest

Brussels Gewest

België

2003

83

46

54

69

2004

86

48

53

70

2005

90

50

55

74

2006

91

54

56

76

2007

94

55

56

78

2008

95

57

62

80

2009

80

52

56

69

2010

90

56

59

76

2011

97

57

62

81

2012

97

55

63

80

2013

95

53

65

79

2014

95

54

65

80

2015

92

55

61

78

2016

97

53

58

79

2017

101

55

61

83

2018

102

54

61

83

2019

98

56

64

82

Bij de Vlaamse diensten was in 2019 het vervoer en de opslag de belangrijkste uitvoerder (29%), gevolgd door de industrie (21%). Samen met de groot- en detailhandel (14%) en de vrije beroepen en wetenschappelijke activiteiten (12%) zijn dat er de belangrijkste bedrijfstakken. In 2003 waren industrie en groot- en kleinhandel met 84% samen ook de belangrijkste bedrijfstakken voor de totale uitvoer van goederen en diensten, maar de industrie stond toen in voor 56%, tegenover 28% voor de groot- en kleinhandel. Het relatieve belang van de industrie nam dus tussen 2003 en 2019 af ten voordele van de groot- en kleinhandel (figuur 4). Figuur 4. Uitvoer naar hoofdbedrijfstak Vlaams Gewest, 2003 en 2019, in % Industrie 2003

56

2019

47

Groot- en detailhandel

0

Overige bedrijfstakken 28

16

36 25

50

17 75

100

Noot: 2019 voorlopige cijfers. Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen

Noot: 2006 en 2007 zijn geschat, 2019 voorlopige cijfers. Bron: INR, bewerking Statistiek Vlaanderen

2.3 DE UITVOER NAAR BEDRIJFSTAK In de regionale rekeningen is er een uitsplitsing van de uitvoer van goederen op het A64-niveau, dat overeenkomt met het NACE 2-digit bedrijfstakdetail. Voor de diensten is er een meer geaggregeerde indeling naar bedrijfstak: het A21-niveau. Hierna wordt het A21-niveau dan ook aangenomen voor goederen en diensten samen. De Vlaamse totale uitvoer van goederen en diensten kwam in 2019 vooral op naam van de industrie (47%) en de groot- en kleinhandel (36%), samen 83%. De andere bedrijfstakken komen veel minder aan bod. De 3de belangrijkste bedrijfstak, vervoer en opslag, is goed voor 7%. Bij de uitvoer van goederen zijn de industrie en groot- en kleinhandel samen zelfs verantwoordelijk voor 96% van de uitvoer. De industrie alleen al neemt 54% voor zijn rekening. Binnen de industrie zijn vooral de chemie (11%), de voedingsnijverheid (9%) en de metaalindustrie en farmacie (beide 7%) belangrijk.

17


3.

DE INTERREGIONALE INPUTOUTPUTTABEL 3

3.1 WAT? De interregionale input-outputtabel (RIOT) voor het jaar 2010 wordt hier gebruikt om het belang van de uitvoer voor de Vlaamse economie te berekenen. Deze RIOT werd opgemaakt door het Federaal Planbureau (FPB), met cofinanciering door en in overleg met de gewesten. De tabel werd opgemaakt volgens het ESR 2010, vandaar RIOT/ESR 2010. Dit sluit aan op een eerdere versie die werd opgemaakt volgens het ESR 95 (RIOT/ESR 95). Een RIOT geeft een overzicht van de monetaire stromen in de economieën van de gewesten (figuur 5). Daarbij worden de intermediaire stromen (levering van goederen en diensten in het productieproces), de stromen naar de finale vraag (consumptie, investeringen en export of C, I en X) en de stromen van de primaire inputs (elementen van de bruto toegevoegde waarde, zoals lonen en belastingen) weergegeven per bedrijfstak. Er worden 143 bedrijfstakken onderscheiden. Figuur 5. Schematisch overzicht van een interregionale input-outputtabel Finaal verbruik (C, I, X)

Intermediair verbruik

BHG

VLG

WG

BHG

VLG

WG

Output

Brussels Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

Buitenland Primaire inputs (elementen bruto toegevoegde waarde) Werkgelegenheid Noot: C=consumptie, I=investeringen en X=export Bron: Statistiek Vlaanderen

19


Bedrijfstakken zijn onderling verweven door toelevering aan elkaar. Bedrijven uit bepaalde bedrijfstakken leveren intermediaire goederen en diensten aan elkaar en ook aan andere bedrijfstakken, die dat dan verder gebruiken in hun productieproces. Omgekeerd zijn bedrijven ook afnemer van producten uit de eigen of uit een andere bedrijfstak. Dat betekent dat niet louter voor de eigen bedrijfstak bruto toegevoegde waarde gerealiseerd wordt of dat een werknemer niet louter voor de eigen bedrijfstak werkt. Daarbij komt dat er ook handel is tussen bedrijven in de 3 gewesten onderling. Een RIOT maakt het mogelijk na te gaan hoeveel bruto toegevoegde waarde ontstaat of hoeveel werkgelegenheid aan de slag is om aan de finale vraag te voldoen. Dat wil zeggen hoeveel bruto toegevoegde waarde voortgebracht of werkgelegenheid ingezet wordt om te zorgen voor consumptie, investeringen en uitvoer. Een (interregionale) input-outputtabel geeft ook een inzicht in de inputstructuur van de productie. Om goederen en diensten te produceren hebben bedrijven immers nood aan toelevering van grondstoffen of hulpfabricaten (intermediaire leveringen) uit het eigen gewest, maar ook uit de andere gewesten en het buitenland. Om ze uiteindelijk samen te stellen tot een product of dienst zijn arbeid, kapitaal en overheidsdiensten nodig. De vergoedingen daarvoor vormen de bestanddelen van de bruto toegevoegde waarde. Er zal hierna ook een vergelijking gemaakt worden met een versie van de interregionale input-outputtabel voor het jaar 2010, opgemaakt volgens het oude ESR 95 raamwerk (RIOT/ESR 95). Daarbij is er aandacht voor de belangrijkste verschillen in resultaten. Belangrijk is nog dit: de RIOT/ESR 2010 verschilt niet enkel van de RIOT/ESR 95 door de toepassing van het nieuwe ESR 2010 raamwerk (met een andere behandeling van een aantal aspecten van de uitvoer), maar is ook opgemaakt in 2020 (de RIOT/ESR 95 in 2015). Dat wil zeggen dat ook verbeteringen in de Belgische nationale rekeningen verwerkt werden en dus ook een invloed hebben op de verschillen tussen beide tabellen. In de interregionale input-outputtabel is de uitvoer 1 van de componenten van de finale vraag. In de RIOT/ESR 2010 gaat het om de totale Belgische uitvoer, niet uitgesplist naar gewest (zoals wel het geval was bij de RIOT/ ESR 95). De RIOT/ESR 2010 geeft wel informatie over de toelevering van de verschillende gewesten aan de Belgische uitvoer. De andere componenten van de finale vraag (consumptie van huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk of IZW’s en overheid, investeringen in vaste activa en voorraadwijzigingen) worden wel naar gewest uitgesplitst. Maar dat komt hier niet aan bod.

Een aantal voorbeelden lichten concreet toe wat dat wil zeggen: • Een Vlaamse handelaar voert een Vlaams product uit. Dat wordt dan geboekt onder de toelevering van het Vlaamse Gewest aan de Belgische uitvoer, zowel het Vlaamse product, als de handelsmarge van de Vlaamse handelaar. • Een Vlaamse handelaar voert een Waals product uit. Hier wordt enkel de handelsmarge van de Vlaamse handelaar als toelevering van het Vlaamse Gewest aan de Belgische uitvoer beschouwd. De waarde van het Waalse product komt op conto van de bijdrage van het Waalse Gewest aan de Belgische uitvoer. • Een Brusselse handelaar voert een Vlaams product uit. De waarde van het Vlaamse product wordt beschouwd als Vlaamse bijdrage tot de Belgische uitvoer. De handelsmarge van de Brusselse handelaar daarentegen is voor rekening van de Brusselse bijdrage aan de Belgische uitvoer. In de RIOT/ESR 95 was het nog mogelijk te onderscheiden aan de uitvoer van welk gewest toegeleverd wordt. In het laatste voorbeeld zou de waarde van het Vlaamse handelsgoed geboekt worden als een bijdrage van het Vlaamse Gewest aan de Brusselse uitvoer, de handelsmarge van de Brusselse handelaar is dan de Brusselse bijdrage aan de Brusselse uitvoer. Vanuit het standpunt van de economische analyse is het in kaart brengen van de daadwerkelijke uitvoer van een Vlaams product, door wie ook, evenals de handelsmarges van Vlaamse handelaars (horizontale lezing inputoutputtabel) zinvoller dan het louter beschrijven van de Vlaamse uitvoer, als fysiek vertrekpunt van de goederen, vanuit welk gewest ze ook afkomstig zijn, plus de Vlaamse handelsmarges (verticale lezing input-outputtabel).

3.2 BIJDRAGE AAN DE BELGISCHE UITVOER De bijdrage van het Vlaamse Gewest aan de Belgische uitvoer lag volgens de RIOT/ESR 2010 op 132 miljard euro. Daarvan komt 93 miljard euro (71%) op naam van goederen en 39 miljard euro (29%) op naam van diensten (figuur 6). Let wel: zoals hiervoor uitgelegd gaat het niet om de Vlaamse uitvoer, maar om de toelevering van Vlaamse goederen en diensten aan de Belgische uitvoer. Zo komt een product dat in het Vlaamse Gewest vervaardigd werd maar door een Brusselse handelaar uitgevoerd, op rekening van de Vlaamse bijdrage aan de Belgische uitvoer (ongerekend de handelsmarge). Maar een product dat door een Waalse firma is afgeleverd aan een Vlaamse handelaar die het op zijn beurt uitvoert, behoort tot de Waalse bijdrage aan de Belgische uitvoer. De beschikbaarheid van fijnmaziger bedrijfstakdata in de RIOT/ESR2010 laat toe de bedrijfstakken te groeperen in hoofdsectoren. Die zijn als volgt gedefinieerd: de primaire sector (NACE 01-09), de industrie (NACE 10-32, 35-39), de bouwnijverheid (NACE 41-43), de tertiaire sector (NACE 33, 45-82, 95-98) en de quartaire sector (NACE 84-94).

21


De Vlaamse bijdrage aan de Belgische uitvoer komt vooral van de industrie (62%) en van de tertiaire sector (34%). De overige sectoren, de primaire, de bouw en de quartaire spelen een vrij marginale rol. Bij de goederen is de industrie dominant (83%). De tertiaire sector komt er op 15%. Bij de diensten is het andersom: daar komt het gros van de uitvoer van de tertiaire sector (80%) en in mindere mate van de industrie (13%). Figuur 6 geeft ook de Waalse en Brusselse bijdrage aan de Belgische uitvoer weer, net als die van de (buitenlandse) import: het gaat om wederuitvoer van goederen. De handelsmarge van bijvoorbeeld een Vlaamse resident die goederen aankoopt en weer uitvoert staat onder ‘import’ vermeld in figuur 6. Die maakt echter deel uit van de regionale statistiek van de uitvoer volgens ESR 2010 voor het Vlaamse Gewest. Figuur 6. Bijdrage van de gewesten en de import aan de Belgische uitvoer Belgische gewesten, 2010, in miljoen euro Vlaams Gewest waarvan: • Primaire sector • Industrie • Bouw • Tertiaire sector • Quartaire sector Waals Gewest Brussels Gewest Import Totaal

GOEDEREN

DIENSTEN

TOTAAL

93.234 1.264 77.073 483 14.342 72 22.263 13.224 75.686 204.407

38.874 17 5.067 1.823 30.933 1.033 11.729 17.196 0 67.798

132.108 1.281 82.141 2.306 45.275 1.105 33.992 30.420 75.686 272.205

Bron: PFB, bewerking Statistiek Vlaanderen

Op het niveau van de NACE 2-digitbedrijfstakken valt de vrij sterke concentratie op van de uitvoer van Vlaamse goederen en diensten bij een aantal bedrijfstakken. Bij de goederen is de chemie de belangrijkste uitvoerder (18% van de Vlaamse goederenuitvoer). Daarnaast scoren nog 5 andere bedrijfstakken hoog: de groothandel (12%), de voeding (11%), de voertuigindustrie (10%), de staalnijverheid (10%) en de aardolieraffinage (9%). De overige bedrijfstakken komen veel minder aan bod. Bij de diensten is de uitvoer vooral geconcentreerd bij 4 bedrijfstakken, met name de opslag en vervoerondersteuning (21%), de hoofdkantoren en bedrijfsadvies (13%), vervoer over water (10%) en vervoer over land (8%). Figuur 7 illustreert dat.

Figuur 7. Bijdrage van de belangrijkste Vlaamse bedrijfstakken aan de Belgische uitvoer Vlaams Gewest, 2010, in miljoen euro Goederen Chemie

16.600

Groothandel

10.958

Voeding

10.499

Voertuigen

9.699

Staalnijverheid

9.236

Aardolieraffinage

8.043 0

2.000

4.000

6.000

8.000 10.000 12.000 14.000 16.000

4.000

6.000

8.000 10.000 12.000 14.000 16.000

Diensten Opslag en vervoerondersteuning

8.098

Hoofdkantoren, bedrijfsadvies

5.210

Vervoer water

3.721

Vervoer land

3.009 0

2.000

Bron: FPB, bewerking Statistiek Vlaanderen

3.3 MULTIPLICATOREN Een input-outputtabel laat toe het gevolg te meten van een verandering in een inputvariabele op de output. Dat zijn de zogenaamde multiplicatoren. In wat volgt zal het effect van een verandering in de export (als deel van de finale vraag) gemeten worden op de bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid, en dit voor de verschillende bedrijfstakken. De multiplicatoren voor de bruto toegevoegde waarde geven de verandering weer van 1 miljoen extra euro van de uitvoervraag op de bruto toegevoegde waarde in een bedrijfstak. Figuur 8 geeft de resultaten weer voor de hoofdsectoren.

Volgens de RIOT/ESR 95 komt de Vlaamse bijdrage aan de Belgische uitvoer op 139 miljard euro. Zowel de uitvoer van goederen (99 miljard euro) als van diensten (40 miljard euro) ligt op een hoger peil in de ESR 95-tabel, maar eerstgenoemde nog meer. De uitvoer van goederen vanuit de Vlaamse tertiaire sector ligt 5 miljard euro hoger in de ESR 95-tabel, de uitvoer vanuit de industrie 1 miljard euro. De dienstenuitvoer vanuit de tertiaire sector ligt in de RIOT/ESR 95 3 miljard euro hoger, maar is 2 miljard euro lager vanuit de industrie.

23


Figuur 8. Bruto toegevoegde waarde- en werkgelegenheidsmultiplicatoren van de uitvoer voor de hoofdsectoren Vlaams Gewest, 2010, impact van verhoging van de export met 1 miljoen euro

Primaire sector Industrie Bouw Tertiaire sector Quartaire sector Totaal

BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE IN MILJOEN EURO

WERKGELEGENHEID IN PERSONEN

0,61 0,42 0,67 0,68 0,89 0,52

10,8 5,0 9,0 8,6 15,4 6,4

Bron: PFB, bewerking Statistiek Vlaanderen

Figuur 8 geeft aan dat een verhoging van de export van Vlaamse goederen en diensten met 1 miljoen euro leidt tot 0,52 miljoen euro (of 520.000 euro) extra bruto toegevoegde waarde. Dat is het resultaat voor alle bedrijfstakken samen. Er zijn duidelijke verschillen naar hoofdsector: een toename van de export met 1 miljoen euro enkel in de quartaire sector zou 0,89 miljoen euro meer bruto toegevoegde waarde voortbrengen. De multiplicator ligt het laagst in de industrie (0,42). De primaire sector, de bouw en de tertiaire sector nemen een middenpositie in.

verhouding minder hoog in het omzetten van hun uitvoer naar bruto toegevoegde waarde. Opmerkelijk is ook de vrij lage waarde in de tertiaire bedrijfstakken van het vervoer over water en de luchtvaart (0,41 en 0,38). Figuur 10 toont de resultaten van de werkgelegenheidsmultiplicatoren. Ook hier scoren een aantal tertiaire bedrijfstakken het hoogst, maar toch minder prominent dan bij de bruto toegevoegde waardemultiplicatoren. In de administratie en ondersteuning van kantoren is de werkgelegenheidsmultiplicator het hoogst (15,7). Maar ook enkele niet-tertiaire bedrijfstakken zoals de landbouw, meubelindustrie en de gespecialiseerde bouw hebben hoge multiplicatoren. De financiële diensten laten een hoge waarde noteren voor de bruto toegevoegde waardemultiplicator, maar eerder een matige waarde voor de werkgelegenheidsmultiplicator. De chemie en de aardolieraffinage hebben de laagste werkgelegenheidsmultiplicator (3,3 en 1,6).

Nog uit figuur 8 blijkt dat een verhoging van de exportvraag met 1 miljoen euro gemiddeld voor 6,4 personen extra werkgelegenheid zorgt (werknemers en zelfstandigen). Ook hier zijn de verschillen per hoofdsector vermeldenswaard. De quartaire sector zorgt voor de meeste extra werkgelegenheid (15,4 personen). In de primaire sector heeft een impuls van de uitvoer met 1 miljoen euro een werkgelegenheid van net geen 11 extra personen als gevolg. In de industrie is dit 5,0. De bouw en de tertiaire sector scoren eerder gemiddeld. De figuren 9 en 10 geven meer detail voor de bedrijfstakken. Enkel de bedrijfstakken die een aandeel van minstens 0,5% hebben in de totale uitvoer zijn opgenomen. Het valt op dat geen enkele bedrijfstak uit de quartaire sector voorkomt in de figuren 9 en 10. Uit de aard van die sector (meestal non-profit) volgt dat er maar weinig exportactiviteit is. Maar niettegenstaande de geringe export zijn de multiplicatoren er wel hoog (zie figuur 8). Figuur 9 laat zien dat de hoogste bruto toegevoegde waardemultiplicatoren zich situeren in tertiaire bedrijfstakken. In de hoofdkantoren en bedrijfsadvies, kleinhandel, financiële diensten en computerconsultancy en programmeren is de multiplicator hoger dan 0,8. De multiplicator is het geringst in het gros van de industriële bedrijfstakken, en het laagst in de aardolieraffinage (0,20). De chemie en de aardolieraffinage zijn bedrijfstakken met een relatief hoge uitvoer, maar zij scoren naar

25


Figuur 9. Bruto toegevoegde waardemultiplicatoren van de uitvoer Vlaams Gewest, voornaamste bedrijfstakken, 2010, in miljoen euro bruto toegevoegde waarde per miljoen euro exportvraag

Figuur 10. Werkgelegenheidsmultiplicatoren van de uitvoer Vlaams Gewest, voornaamste bedrijfstakken, 2010, in aantal personen per miljoen euro exportvraag

Hoofdkantoren, bedrijfsadvies

0,86

Administratie en ondersteuning kantoren

15,7

Kleinhandel

0,84

Kleinhandel

14,6

Financiële diensten

0,84

Hoofdkantoren, bedrijfsadvies

12,3

Computerconsultancy en programmeren

0,83

Landbouw

11,1

Administratie en ondersteuning kantoren

0,78

Ingenieursbureaus, technische testen

10,4

Handel en reparatie motorvoertuigen

0,72

Meubelindustrie

9,8

Ingenieursbureaus, technische testen

0,72

Gespecialiseerde bouw

9,3

Groothandel

0,69

Vervoer land

9,3

Gespecialiseerde bouw

0,69

Handel en reparatie motorvoertuigen

9,1

Opslag en vervoerondersteuning

0,64

Metaalverwerking

8,8

Vervoer land

0,64

Textiel

8,8

Weg- en waterbouw

0,63

Computerconsultancy en programmeren

8,4

Farmacie

0,63

Weg- en waterbouw

8,2

Landbouw

0,62

Keramische producten

8,2

Keramische producten

0,61

Diamant en edelstenen

8,0

Elektrische apparatuur

0,61

Groothandel

7,8

Dranken

0,6

Electronica

7,5

Machines en apparaten

0,57

Opslag en vervoerondersteuning

7,5

Meubelindustrie

0,56

Financiële diensten

7,2

Metaalverwerking

0,56

Voeding

7,2

Electronica

0,55

Houtwerk

7,1

Diamant en edelstenen

0,54

Elektrische apparatuur

6,9

Textiel

0,53

Machines en apparaten

6,6

Kunststof

0,53

Kunststof

6,5

Houtwerk

0,52

Papier

5,8

Voeding

0,49

Dranken

5,7

Papier

0,44

Farmacie

4,8

Chemie

0,42

Luchtvaart

4,6

Vervoer water

0,41

Voertuigen

4,3

Luchtvaart

0,38

Staalnijverheid

3,8

Verwerking van afval

0,33

Vervoer water

3,7

Staalnijverheid

0,33

Verwerking van afval

3,7

Voertuigen

0,29

Chemie

3,3

Aardolieraffinage

0,2

Aardolieraffinage

1,6

0 Bron: FPB, bewerking Statistiek Vlaanderen

0,2

0,4

0,6

0,8

0,0 Bron: FPB, bewerking Statistiek Vlaanderen

2,0

4,0

6,0

8,0

10,0

12,0

14,0

27


3.4 BELANG VAN DE UITVOER Een input-outputtabel laat toe om rekening te houden met de toeleveringsstructuren tussen de verschillende bedrijfstakken onderling en de finale vraag (consumptie, investeringen en uitvoer). Het is onder andere mogelijk om na te gaan hoeveel bruto toegevoegde waarde gerealiseerd wordt voor de Belgische uitvoer en hoeveel werkgelegenheid daarvoor ingezet wordt. Voor de technische details wordt verwezen naar Eurostat (2008, 477-534).

3.4.1 BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE Uit de RIOT/ESR 2010 blijkt dat de totale bruto toegevoegde waarde die door de Belgische uitvoer vanuit alle gewesten gerealiseerd werd in 2010 op 107 miljard euro kwam. Daarvan werd 69 miljard euro bruto toegevoegde waarde gerealiseerd uit de uitvoer van Vlaamse goederen en diensten. Het Vlaamse Gewest heeft dus een aandeel van 65% in de bruto toegevoegde waarde die voor de Belgische uitvoer gerealiseerd wordt. Het aandeel van het Waalse Gewest bedraagt 20% en van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest 16%.

Figuur 11. Bruto toegevoegde waarde gerealiseerd door de uitvoer van Vlaamse producten en diensten, naar hoofdsector Vlaams Gewest, 2010, in miljoen euro en in % BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE IN MILJOEN EURO

Primaire sector Industrie Bouw Tertiaire sector Quartaire sector Totaal

Goederen 776 32.278 324 10.139 63 43.579

Diensten 10 2.529 1.213 20.795 916 25.462

Totaal 785 34.807 1.537 30.934 979 69.041

AANDEEL IN %

Goederen 1,8 74,1 0,7 23,3 0,1 100,0

Diensten 0,0 9,9 4,8 81,7 3,6 100,0

Totaal 1,1 50,4 2,2 44,8 1,4 100,0

Bron: PFB, bewerking Statistiek Vlaanderen

De Vlaamse uitvoer van goederen was in 2010 goed voor 44 miljard euro bruto toegevoegde waardecreatie, de diensten voor 26 miljard euro (figuur 11). Dat komt overeen met een aandeel van 63% voor de goederen en 37% voor de diensten. Bij de uitvoerstromen ging het om 71% voor goederen en 29% om diensten. In het Waalse Gewest is het aandeel bruto toegevoegde waarde uit de export van goederen versus diensten niet veel anders (57% goederen tegenover 43% diensten). In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, een typische diensteneconomie, is de verhouding in het voordeel van de diensten (27% goederen tegenover 74% diensten). Het gros van de bruto toegevoegde waardecreatie komt op naam van de industrie en de tertiaire sector (samen 95%, zie figuur 11). Er is bovendien een vrij sterke concentratie in een aantal bedrijfstakken (figuur 12): de groothandel (12%, voornamelijk goederen), de chemie (11%, voornamelijk goederen), de voeding (8%, vooral goederen), de opslag en vervoerondersteuning (8%, vooral diensten), de hoofdkantoren en bedrijfsadvies (7%, vooral diensten), de staalnijverheid (5%, vooral goederen) en de voertuigen (4%, vooral goederen). Deze 7 bedrijfstakken samen zijn verantwoordelijk voor meer dan de helft van de toegevoegde waarde die door Vlaamse goederen en diensten voor de Belgische uitvoer gecreëerd wordt.

29


Figuur 12. Bruto toegevoegde waarde gerealiseerd door de uitvoer van Vlaamse producten en diensten Vlaams Gewest, naar bedrijfstak, 2010, in miljoen euro Groothandel

8.365

Chemie

7.436

Voeding

5.251

Opslag en vervoerondersteuning

5.217

Hoofdkantoren, bedrijfsadvies

4.622

Staalnijverheid

3.134

Voertuigen

2.960

Machines en apparaten

2.184

Vervoer land

1.940

Farmacie

1.744

Aardolieraffinage

1.642

Vervoer water

1.531

Kunststof

1.443

Textiel

1.411

Metaalverwerking

1.319

Handel en reparatie motorvoertuigen

1.243

Elektrische apparatuur

1.009

Computerconsultancy en programmeren

923

Kleinhandel

826

Keramische producten

748

Luchtvaart

745

Financiële diensten

743

Gespecialiseerde bouw

741

Landbouw

730

Electronica

655

Dranken

644

Papier

631

Ingenieursbureaus, technische testen

625

Openbaar bestuur

529

Administratie en ondersteuning kantoren

526

Weg- en waterbouw

467

Houtwerk

411

Reclame en marktonderzoek

409

Rest

Nog volgens de RIOT/ESR2010 werkten er in 2010 849.500 personen voor de uitvoer van Vlaamse goederen en diensten. Voor de totale Belgische uitvoer zijn er dat 1.288.100. De Vlaamse uitvoer was dus goed voor 66% van de Belgische werkgelegenheid. Voor het Waalse Gewest was dat 20% en voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest 14%. De uitvoer van Vlaamse goederen zorgde voor een tewerkstelling van 523.600 personen, deze van diensten voor 325.900 personen. Dat komt overeen met een verhouding 62% en 38%. Net zoals bij de goederen wijkt deze verhouding voor de Waalse uitvoer niet veel af, en komt het grootste deel van de tewerkstelling voor de uitvoer van Brusselse goederen en diensten van de diensten. Het leeuwendeel (94%) van de tewerkstelling die bij de uitvoer van Vlaamse goederen en diensten wordt gecreëerd, situeert zich in de industrie en de tertiaire sector (figuur 13). Het wekt geen verwondering dat er ook hier sprake is van een vrij sterke concentratie bij enkele bedrijfstakken (figuur 14). Bovenaan vinden we de groothandel (11%) en de voeding (9%), beide vooral uit de uitvoer van goederen. Dan komen de hoofdkantoren en het bedrijfsadvies (8%) en de opslag en vervoerondersteuning (7%), beide vooral tewerkstelling uit de uitvoer van diensten scheppende. De chemie (7%) en de voertuigen (5%) zijn de laatste 2 bedrijfstakken met een aandeel van meer dan 5% in de tewerkstelling door uitvoer (vooral goederen in beide bedrijfstakken). Figuur 13. Werkgelegenheid betrokken bij de uitvoer van Vlaamse producten en diensten, naar hoofdsector Vlaams Gewest, 2010, in personen en in % BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE IN MILJOEN EURO

Primaire sector Industrie Bouw Tertiaire sector Quartaire sector Totaal

Goederen 13.718 382.547 4.393 121.837 1.100 523.595

Diensten 163 25.574 16.348 267.867 15.923 325.873

Totaal 13.881 408.121 20.740 389.704 17.022 849.469

AANDEEL IN %

Goederen 2,6 73,1 0,8 23,3 0,2 100,0

Diensten 0,0 7,8 5,0 82,2 4,9 100,0

Totaal 1,6 48,0 2,4 45,9 2,0 100,0

Bron: PFB, bewerking Statistiek Vlaanderen

6.239 0

Bron: FPB, bewerking Statistiek Vlaanderen

3.4.2 WERKGELEGENHEID

1.000 2.000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000

31


Figuur 14. Werkgelegenheid betrokken bij de uitvoer van Vlaamse producten en diensten Vlaams Gewest, naar bedrijfstak, 2010, in personen Groothandel

94.195

Voeding

76.477

Hoofdkantoren, bedrijfsadvies

65.628

Opslag en vervoerondersteuning

60.932

Chemie

59.101

Voertuigen

43.544

Staalnijverheid

36.433

Vervoer land

28.066

Machines en apparaten

25.282

Textiel

23.263

Metaalverwerking

20.556

Kunststof

17.828

Handel en reparatie motorvoertuigen

15.553

Kleinhandel

14.314

Vervoer water

13.944

Aardolieraffinage

13.449

Farmacie

13.304

Landbouw

3.4.3 VERGELIJKING MET RIOT/ESR 95 Het andere concept waarmee de RIOT/ESR 95 opgesteld werd, leidt tot andere resultaten voor de bruto toegevoegde waarde en de werkgelegenheid die door de uitvoer van goederen en diensten gerealiseerd wordt dan bij gebruik van de RIOT/ESR 2010. Hierna wordt een vergelijking gemaakt van beide, gebaseerd op eenzelfde afbakening van de matrix (toelevering vanuit elk gewest aan de Belgische finale uitvoervraag). Figuur 15 toont dat de verschillen voor de bruto toegevoegde waarde niet zo groot zijn. Volgens de RIOT/ESR 2010 wordt er 0,2% meer bruto toegevoegde waarde gerealiseerd bij de uitvoer van Vlaamse goederen en diensten dan volgens de RIOT/ESR 95. Voor de uitvoer van Waalse goederen en diensten is dat +2% meer volgens de RIOT/ESR 2010, maar voor de Brusselse uitvoer is het 6% minder. Het verschil voor heel België komt op -0,5%.

13.043

Elektrische apparatuur

11.502

Administratie en ondersteuning kantoren

10.548

Gespecialiseerde bouw

10.062

Keramische producten

10.004

Computerconsultancy en programmeren

9.356

Openbaar bestuur

9.208

Electronica

9.076

Ingenieursbureaus, technische testen

9.057

Luchtvaart

8.947

Papier

8.272

Meubelindustrie

6.929

Financiële diensten

6.375

Reclame en marktonderzoek

6.264

Dranken

6.163

Weg- en waterbouw

6.045

Rest

Figuur 15. Bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid betrokken bij de uitvoer volgens 2 versies van de interregionale input-outputtabel Belgische gewesten en België, 2010 BRUTO TOEGEVOEGDE WAARDE (IN MILJOEN EURO) ESR 95 ESR 2010

Vlaams Gewest Waals Gewest Brussels Gewest België

68.926 20.406 17.645 106.977

69.041 20.738 16.670 106.449

WERKGELEGENHEID (IN PERSONEN) ESR 95 ESR 2010

Vlaams Gewest Waals Gewest Brussels Gewest België

896.782 280.386 202.793 1.379.961

849.469 261.706 176.950 1.288.125

VERSCHIL (IN %)

0,2 1,6 -5,5 -0,5 VERSCHIL (IN %)

-5,3 -6,7 -12,7 -6,7

Bron: PFB, bewerking Statistiek Vlaanderen

86.748 0

Bron: FPB, bewerking Statistiek Vlaanderen

Voor de werkgelegenheid zijn de berekeningen volgens de RIOT/ESR 2010 minder gunstig dan volgens de RIOT/ESR 95 en dit voor elk gewest. Zo zou er 5% minder werkgelegenheid zijn door de uitvoer van Vlaamse goederen en diensten volgens de RIOT/ESR 2010. Voor de Waalse en Brusselse uitvoer is dat -7% en -13%. De Belgische werkgelegenheid door de uitvoer is -7% lager. De cijfers liggen in elk gewest volgens de RIOT/ESR 2010 lager, op 1 uitzondering na: de uitvoer van Waalse diensten genereert meer werkgelegenheid volgens de RIOT/ESR 2010 (niet in figuur 15).

20.000

40.000

60.000

80.000

33


BESLUIT

4

Uitvoer is belangrijk voor een kleine, open economie als de Vlaamse. In deze tekst wordt de uitvoer gedefinieerd aan de hand van het ESR 2010 waarbij het eigenaarsprincipe centraal staat. De ESR 2010 is de handleiding die dient om alle variabelen van de nationale en regionale rekeningen op te stellen. Er zijn belangrijke verschillen met de traditionele handelsstatistieken die meer uitgaan van de bewegingen van het goed. Het nieuwe ESR 2010 verschilt op een aantal punten ook van het oude ESR 95. De Vlaamse openbare statistieken (VOS) laten toe om de omvang en evolutie van de uitvoer in kaart te brengen. De Vlaamse uitvoer van goederen en diensten kwam in 2019 op 273 miljard euro. Daarmee is het Vlaamse Gewest goed voor 70% van de Belgische uitvoer. Het gaat om goederen en diensten waarvan de eigenaar die ze exporteert in het Vlaamse Gewest resideert, ongeacht waar de goederen gemaakt werden. De uitvoerwaarde van de diensten is veel minder hoog dan deze van goederen, maar hun aandeel nam toe van 18% in 2003 tot 22% in 2019. Een andere indicator van het belang van de Vlaamse export is de uitvoerratio die 98% bedroeg in 2019. Dat betekent dat de uitvoer bijna even groot was als het bbp.

werkgelegenheid zijn hoger volgens het ESR 95. Niet alleen de overgang van ESR 95 naar ESR 2010 levert verschillen op. Ook updates in de nationale rekeningen spelen hierbij een rol. In de loop van 2021 zal een interregionale input-outputtabel voor het jaar 2015 beschikbaar komen (ESR 2010 methodologie). Het zal interessant zijn om dan opnieuw een gelijkaardige oefening te maken. Daarmee bewijst een RIOT zijn nut als aanvulling bij de traditionele uitvoerstatistieken. Er zijn echter ook nadelen verbonden aan deze methode. Een eerste belangrijke nadeel heeft betrekking op het feit dat een RIOT slechts periodiek, doorgaans 5-jaarlijks, wordt geactualiseerd. Dat maakt dat jaarlijkse cijfers niet mogelijk zijn. Een tweede daarmee samenhangend probleem is dat omwille van de omslachtige samenstelling van een RIOT de cijfers op dit moment nooit erg actueel kunnen zijn. Dat is niet zo een probleem voor structuuranalyses, maar wel voor up to date monitoring waarbij de beschikbaarheid van recent cijfermateriaal noodzakelijk is. Analyses op basis van een RIOT zullen daarom ook in de toekomst een plaats krijgen in meer verdiepende publicaties van Statistiek Vlaanderen, maar lijken voorlopig moeilijk bruikbaar als basis voor een nieuwe Vlaamse openbare statistieken.

Maar op basis van een interregionale input-outputtabel (RIOT) is meer mogelijk. De RIOT voor het jaar 2010 laat toe om het belang van de uitvoer voor de economie te analyseren. Goederen en diensten geproduceerd in het Vlaamse Gewest droegen in 2010 voor 132 miljard euro bij aan de Belgische uitvoer (wat dus niet hetzelfde is als de uitvoer vanuit het Vlaamse Gewest). Die toelevering aan de uitvoer is vooral geconcentreerd bij een aantal bedrijfstakken: chemie, groothandel, voeding, voertuigen en staalnijverheid voor de goederen en opslag en vervoerondersteuning, hoofdkantoren en bedrijfsadvies, vervoer over water en over land bij de diensten. Los van de omvang van de uitvoer blijkt dat de industrie de minste bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid kan scheppen per eenheid uitvoer. De tertiaire sector scoort hier hoger. Ten slotte zorgde de uitvoer van Vlaamse goederen en diensten in 2010 voor 69 miljard euro bruto toegevoegde waarde en voor 849.500 personen werk. Ook hier is dit vooral door toedoen van een aantal bedrijfstakken: groothandel, chemie, voeding, opslag en vervoerondersteuning, hoofdkantoren en bedrijfsadvies. Eenzelfde analyse voor het jaar 2010 volgens de oudere ESR 95-versie van de interregionale input-outputtabel levert geen grote verschillen op voor de bruto toegevoegde waarde (althans niet voor het Vlaamse en Waalse Gewest). De resultaten voor de

35


LITERATUURLIJST

5

Eurostat (2013). European System of Accounts 2010. Luxemburg, 652 p. Eurostat (2008). Manual of supply, use and input-output tables. Luxemburg, 590 p. Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) (2004). Statistiek buitenlandse handel. Kwartaalbericht. Bijzonder nummer voor de periode 2002-2003. Brussel, 104 p. Nationale Bank van België (NBB) (2014). Het ESR 2010: nationale rekeningen voor een wereld in verandering. Handelingen van de studievoormiddag van 27 mei 2014. Brussel, 69 p. Nationale Bank van België (NBB) (2016). Regionale rekeningen. Regionale verdeling van de Belgische in- en uitvoer van goederen en diensten. ESR 2010. Methodologische nota. Brussel, april 2016, 25 p.

37


COLOFON Verantwoordelijke uitgever Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100, 1000 Brussel Auteur Thierry Vergeynst thierry.vergeynst@vlaanderen.be Concept & grafische vormgeving The Oval Office Statistiek Vlaanderen Depotnummer D/2021/3241/115


Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100 1000 Brussel statistiekvlaanderen.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
SV_rapport_2021_03_belang_export.pdf by Vlaanderen-be - Issuu