Skip to main content

dossier 2021-443.pdf

Page 1

Uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/443

Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2021/443

DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Bij mailberichten van 17 november 2021 (herhaald bij mail van 21 november 2021) diende xxx een verzoek in bij het Agentschap voor Natuur en Bos (verder ‘ANB’), tot het bekomen van een afschrift van de bijlagen, alsook van het proces-verbaal van vaststelling door gerechtsdeurwaarder xxx, waarnaar wordt verwezen in het besluit van het Agentschap voor Natuur en Bos d.d. 12 november 2021 waarbij een bestuurlijke maatregel werd opgelegd aan xxx. Bij mailbericht d.d. 17 november 2021 (herhaald bij mail d.d. 22 november 2021) werd de openbaarmaking door ANB geweigerd. Bij mailbericht (en aangetekend schrijven) d.d. 7 december 2021 diende xxx beroep in bij de beroepsinstantie tegen voormelde beslissing. Dit beroep werd geregistreerd op 8 december 2021. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijk verzoek dateert van 17 november 2021. De bestreden beslissing dateert van 17 november 2021. Deze beslissing maakt geen melding van de beroepsmogelijkheid en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het

www.vlaanderen.be


Bestuursdecreet. Bijgevolg start de termijn om een beroep in te dienen conform artikel II.48 §1, 4de lid van het Bestuursdecreet pas vier maanden na de kennisgeving. Het beroep werd ingediend bij mailbericht d.d. 7 december 2021 en is bijgevolg tijdig ingesteld. Het beroepschrift is ontvankelijk. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.

1.

Aangevochten beslissing

In een mailbericht van 17 november 2021 wordt door het celhoofd van de Natuurinspectie van ANB gesteld:

“In de BHBM wordt de rubriek feiten en voorgaanden ingevuld met de vaststellingen zoals ze ook in het PV werden verstuurd. Het PV vertrekt vandaag naar het Parket van Gent. Het PV bevat alle bijlagen (waarnaar ook in de BHBM wordt verwezen). In opdracht van het parket mogen wij enkel het aanvankelijke PV versturen aan de verdachte, zonder de bijlagen. Uw cliënt zal eerstdaags dan ook een afschrift van het PV ontvangen (zonder bijlagen). Indien u inzage wenst in het volledig dossier stel ik voor contact op te nemen met xxx parket bijzondere wetgevingen te Gent. Het spijt me dat het zo dient te verlopen, maar de instructies zijn helder.” xxx reageerde dezelfde dag in een mailbericht dat dit hoe dan ook vreemd is: “de termijn om beroep aan

te tekenen tegen de bestuurlijke maatregel bedraagt slechts 14 dagen, maar de bijlagen waarop de bestuurlijke maatregel gebaseerd is, krijg ik niet te zien. Hoe kan ik dan ordentelijk beroep aantekenen?” Bij mailbericht eveneens van 17 november 2021 antwoordde het celhoofd Natuurinspectie: “(…) De bestuurlijke maatregel staat in principe op zichzelf, maar als (een van) de verdachte(n) betwist iets met de zaak te maken te hebben, dan is het volledige dossier van belang, in het bijzonder de verhoren van alle partijen. Dat zijn nu net de gevoelige bijlagen, het parket is van zodra wij het pv doorsturen, eigenaar van dat PV. Wij kunnen dan nog enkel antwoorden op zijn of haar kantschriften. Mogelijk vraagt men bijkomende onderzoeksdaden. Maar het rechtstreeks bezorgden van de bijlagen kunnen wij niet doen. Intussen loopt de BHBM wel een afzonderlijk spoor, volledig los van de strafrechtelijke procedure… (…)”

Bij mailbericht van 21 november 2021 wijst xxx erop dat hij nog geen reactie mocht ontvangen op zijn herhaald (identiek) verzoek van 17 november 2021 waarbij hij beklemtoont dat zijn verzoek betrekking heeft op de bijlagen bij het Besluit houdende bestuurlijke maatregelen dat aan cliënt werd betekend (en niet op – de bijlagen bij – het proces-verbaal dat aan hem werd betekend bij aangetekend schrijven d.d. 17 november 2021). Hij geeft aan dat enige instructies van de procureur des Konings bezwaarlijk betrekking kunnen hebben op het Besluit houdende bestuurlijke maatregelen. Bij mail van 22 november 2021 wordt door het Celhoofd Natuurinspectie ANB aan xxx geantwoord dat hem reeds eerder werd geantwoord.

2. Inhoud van het beroepschrift

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/443

pagina 2 van 8


De beroeper tekent beroep aan tegen de weigeringsbeslissing en verwijst hierbij naar artikel 32 Grondwet en artikel II.31 Bestuursdecreet. Hij geeft aan dat het uitgangspunt is dat elk bestuursdocument van nature openbaar is, tenzij er redenen zijn die een tijdelijke niet openbaarmaking rechtvaardigen en deze in een wettelijke norm hun grondslag vinden, waarbij uitzonderingen restrictief dienen te worden geïnterpreteerd. De beroeper merkt op dat ANB geen beroep kan doen op artikel II.36, §1, 3° Bestuursdecreet omdat deze uitzonderingsgrond slechts geldt voor bestuursdocumenten die uitsluitend werden opgesteld ten behoeve van de strafvordering. Hij geeft aan dat de bijlagen en het proces-verbaal van vaststelling zijn opgesteld, minstens aangewend, in het kader van het opleggen van een bestuurlijke maatregel die aan zijn cliënt is opgelegd. De beroeper argumenteert verder: “Dat kort na het Besluit houdende bestuurlijke maatregelen

een proces-verbaal werd opgesteld in het kader van een strafrechtelijke procedure, staat hier los van. Het betreft hier twee afzonderlijke, naast elkaar lopende procedures – zoals bevestigd door het AGENTSCHAP NATUUR & BOS bij e-mail d.d. 17 november 2021 (…). Bijgevolg dringt zich ook geen afweging tussen het publiek belang van openbaarheid en de bescherming van de opsporing of vervolging van sanctioneerbare feiten op grond van artikel 27, §1, 4° van de wet van 5 augustus 2006 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie op.”

Hij benadrukt dat het verzoek tot toegang tot het gevraagde kadert in het aantekenen van beroep tegen het Besluit houdende bestuurlijke maatregelen, hetgeen inmiddels is gebeurd. Zijn cliënt wenst de mogelijkheid te hebben om zijn argumentatie verder uit te werken (eventueel t.e.m. het instellen van een vernietigingsberoep bij de Raad van State). Hij stelt dat zijn cliënt, zonder kennisname van de bijlagen bij dit Besluit houdende bestuurlijke maatregelen, zich niet naar behoren kon verweren tegen dit besluit, wat afbreuk doet aan zijn rechten. Wat het voorwerp van zijn verzoek betreft, duidt de beroeper dat er niet verzocht wordt om inzage van – de bijlagen bij – het proces-verbaal in het kader van de strafrechtelijke procedure, maar dat het verzoek louter en alleen de bijlagen (en het proces-verbaal van vaststelling) waarop het Besluit houdende bestuurlijke maatregelen (mede) is gebaseerd, betreft. De beroeper vraagt “de openbaarmaking te bevelen van de bijlagen bij en het proces-verbaal van vaststelling van gerechtsdeurwaarder xxx vermeld in het Besluit houdende bestuurlijke maatregelen van het AGENTSCHAP NATUUR & BOS d.d. 12 november 2021 (xxx)”. 3. Toelichting door ANB De beroepsinstantie nam op 9 en 10 december 2021 bij mail contact op met ANB om nadere toelichting te verkrijgen. Bij mailberichten d.d. 10 en 16 december 2021 ontving de beroepsinstantie volgende toelichting. ANB geeft aan: “De vaststellingen van het proces verbaal werden volledig overgenomen in de rubriek ‘feiten

en voorgaanden’ van de bestuurlijke maatregel. De verbalisant had de verwijzingen naar de bijlagen moeten verwijderen, vermits de bijlagen uiteraard bij het proces-verbaal horen en niet bij de BHBM. Dit is dus een materiële vergissing. De bestuurlijke maatregel zelf bevat dus geen bijlagen, die horen bij het pv. Derhalve werd enkel de BHBM overgemaakt. Er is dus geen sprake van een weigering tot openbaarmaking van een bestuursdocument, wel van strafrechtelijke documenten, met name de bijlagen aan een pv. (…) Beide documenten werden afgesloten en ondertekend door de verbalisant op 12 november. De BHBM werd door de medewerker verzonden op 12/11, het proces verbaal kennelijk pas op 17/11”.

Tevens werd gesteld dat op basis van het Strafwetboek en het geheim van het onderzoek ANB enkel het aanvankelijk PV verstuurt aan de verdachte zonder de bijlagen: “Verbalisanten maken een pv op dat naar

een procureur wordt gestuurd. Het pv is ‘eigendom‘ van het parket, de procureur leidt het onderzoek. Om

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/443

pagina 3 van 8


het onderzoek niet te schaden kunnen wij (en politiediensten) enkel een aanvankelijk PV zonder bijlagen aan de verdachten sturen, ook de navolgende pv’s mogen niet aan verdachten worden verzonden.” Er wordt herhaald dat er geen bijlagen zijn aan dit besluit houdende bestuurlijke maatregel, dat die toebehoren aan het pv en dus aan het parket. Er wordt wel aangegeven: “Indien we bijlagen hebben aan

een BHBM (bvb kaartmateriaal, digitale terreinmodellen), dan sturen we deze uiteraard mee met de BHBM omdat ze er deel van uitmaken.” In een navolgende toelichting stelt ANB dat de openbaarmaking werd geweigerd op basis van artikel II.34, 4° en II. 36, §1, 3°: “Die uitzonderingsgrond stelt: dat de overheid het verzoek tot openbaarmaking kan

weigeren indien het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen bescherming van “het vertrouwelijke karakter van bestuursdocumenten die uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie zijn opgesteld, zolang de mogelijkheid blijft bestaan om een strafsanctie of een administratieve sanctie op te leggen;” Zolang er sprake is van een lopend strafonderzoek kan de openbaarmaking het verdere verloop van dit onderzoek schaden. De neutraliteit en objectiviteit van het onderzoek moet gevrijwaard worden zonder daarbij enige rechten van verdediging in gevaar te brengen of een lopend strafonderzoek te beïnvloeden. Het parket moet over het al dan niet instellen van de strafvordering nog een definitieve beslissing nemen. De bijlagen bij een proces-verbaal genieten dezelfde bescherming als een proces-verbaal. Bij de belangenafweging werd van dit principe uitgegaan en werd besloten dat het belang van de openbaarheid niet opweegt ten opzichte van het belang van de gerechtelijke bescherming. De bijlagen bij het PV en het PV hebben tot doel tot strafvervolging te komen en dient zodoende beschouwd te worden als een vertrouwelijk document ( zie ook: https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/32971 )” Aan de beroepsinstantie werden evenmin, ondanks het herhaaldelijk verzoek, het proces-verbaal en de bijlagen bezorgd, op grond van volgende motivering:

“Het gerechtelijk onderzoek is nog steeds lopende. Het principe blijft dat het opsporingsonderzoek geheim is, behalve wettelijke uitzonderingen (cfr. art. 28qq §1, tweede lid Sv.). Wettelijke uitzonderingen zijn de Salduz-regeling én art. 16.3.25. lid 2 DABM waar een afschrift van het p.v. aan de overtreder dient te worden toegestuurd om de bewijskracht tot het tegendeel te kunnen behouden. In deze fase kan het PV en de bijlagen niet worden vrijgegeven.” 4. Standpunt van de beroepsinstantie Vooreerst blijkt uit het oorspronkelijke verzoek en het beroepschrift van de beroeper duidelijk dat het voorwerp van het beroep betrekking heeft op de bijlagen, alsook het proces-verbaal van vaststelling van gerechtsdeurwaarder xxx, waarnaar wordt verwezen in het besluit van het Agentschap voor Natuur en Bos d.d. 12 november 2021 waarbij een bestuurlijke maatregel werd opgelegd aan xxx. Dit besluit werd aan cliënt van de beroeper betekend bij aangetekend schrijven van 12 november 2021. Uit de toelichting door ANB blijkt dat er geen bijlagen zijn bij het besluit van ANB houdende bestuurlijke maatregelen d.d. 12 november 2021, maar de beroepsinstantie stelt vast dat de beroeper vraagt naar de bijlagen, alsook naar het PV van vaststelling van gerechtsdeurwaarder xxx, waarnaar wordt verwezen in het betrokken besluit van 12 november 2021. Het feit dat deze verwijzing volgens ANB een materiële vergissing is, doen niets af aan het feit dat het in casu gaat om bestuursdocumenten. Het voorwerp van huidig beroep betreft bijgevolg de bijlagen bij het PV xxx. Het PV zelf werd volgens de beroeper betekend aan zijn cliënt bij aangetekend schrijven d.d. 17 november 2021.

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/443

pagina 4 van 8


Processen-verbaal (en de bijlagen) zijn te beschouwen als gerechtelijke documenten én bestuursdocumenten in de zin van artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet (in zoverre in bezit van de overheidsinstantie zoals in casu) en komen derhalve principieel in aanmerking voor openbaarmaking tenzij uitzonderingsgronden van toepassing zijn. In artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet wordt een bestuursdocument gedefinieerd als de informatie, ongeacht de drager ervan, die in het bezit is van een overheidsinstantie. Zoals hierboven werd uiteengezet is het duidelijk dat dit PV en bijlagen waaronder ook het PV van vaststelling van gerechtsdeurwaarder xxx, bestuursdocumenten zijn conform het Bestuursdecreet. In een navolgende toelichting aan de beroepsinstantie heeft ANB om de openbaarmaking te weigeren expliciet beroep gedaan op de uitzonderingsgronden zoals bepaald in artikel II.34, 4° van het Bestuursdecreet en artikel 36, §1, 3° van het Bestuursdecreet. Het Bestuursdecreet maakt, voor wat betreft de uitzonderingen op het recht op openbaarheid, een onderscheid naargelang het gaat om een aanvraag tot openbaarmaking die betrekking heeft op milieuinformatie dan wel op andere informatie. Zoals reeds vermeld heeft de beroepsinstantie geen kennis gekregen van de gevraagde bijlagen bij het PV, noch van het PV. Bijgevolg kan de beroepsinstantie niet in concreto nagaan of en in welke mate wettelijke of decretale uitzonderingsgronden van toepassing zijn en dient het beroep gegrond te worden bevonden, onder voorbehoud van de eventuele toepassing van uitzonderingsgronden. Hieromtrent wenst de beroepsinstantie hoe dan ook reeds het volgende op te merken. Beide door ANB aangehaalde artikelen uit het Bestuursdecreet bepalen dat de openbaarmaking dient te worden afgewezen als het om bestuursdocumenten gaat die uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie zijn opgesteld, zolang de mogelijkheid blijft bestaan om een strafsanctie of een administratieve sanctie op te leggen. Gelet op de concrete omstandigheden van dit beroep is de beroepsinstantie van oordeel dat het PV met in begrip van de bijlagen, niet uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie zijn opgesteld. Zoals immers blijkt uit de hierboven vermelde toelichting zijn het opgestelde PV en de bijlagen ook aangewend met het oog op het nemen van een besluit houdende bestuurlijke maatregel. Bij onderzoek door de beroepsinstantie is ook vastgesteld dat het PV van ANB (met de bijlagen) deel uitmaakt van het administratief dossier m.b.t. het hangende beroep tegen de opgelegde bestuurlijke maatregel. Een dergelijke bestuurlijke maatregel is trouwens geen administratieve sanctie zoals bedoeld in het Bestuursdecreet. In de parlementaire voorbereiding van het Bestuursdecreet wordt immers hierbij aangegeven (Parl.St. Vl.Parl. 2017-18, 1656/1, 59-60): “De toenemende trend inzake het opleggen van

administratieve sancties maakt een bescherming van bestuursdocumenten die uitsluitend werden opgesteld ten behoeve van een administratieve procedure die leidt tot het opleggen van administratiefrechtelijke sancties noodzakelijk wanneer deze sancties onder het toepassingsgebied vallen van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Men moet immers verhinderen dat diegene die het voorwerp uitmaakt van een administratieve sanctie door de openbaarmaking niet de garanties zou genieten die deze internationaalrechtelijke bepalingen hem in dit geval garanderen. Het EHRM kent aan het begrip “straf” een autonome en materiële inhoud toe en wendt daartoe drie criteria aan: ze onderzoekt de juridische kwalificatie van de overtreding in het interne recht, ze gaat na of de norm een algemeen karakter heeft en of het doel van de sanctie zowel preventief als repressief is en controleert vervolgens ook de aard en de

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/443

pagina 5 van 8


ernst van de sanctie die kan worden opgelegd. Deze criteria zijn niet cumulatief, maar een cumulatieve benadering kan aangewezen zijn wanneer de analyse van elk criterium afzonderlijk het niet mogelijk maakt om tot een helder besluit te komen omtrent het bestaan van een “strafvervolging” in de zin van artikel 6, §1, EVRM (EHRM, 24 februari 1994, Bendenoun, Serie A, Vol. 284, §47). Dit belet niet dat deze bestuursdocumenten wel kunnen openbaar gemaakt worden van zodra de sanctie is opgelegd, behoudens eventueel andere uitzonderingsgronden.” Hieruit blijkt dat de bedoelde administratieve sancties onder het toepassingsgebied van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR moeten vallen. Zoals ook door de Raad van State aangegeven is een bestuurlijke maatregel geen sanctie, maar een instrument dat gericht is op het herstel van het leefmilieu: “Blijkens de memorie van

toelichting bij het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het milieubeleidsdecreet met een titel XVI "Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen" is het bij bestuurlijke maatregelen, zoals te dezen opgelegd, "niet zozeer de bedoeling om de overtreder in persoon te raken, dan wel om een einde te stellen aan een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, zijn gevolgen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen" (St. Vl. Parl., nr. 1249/1, 2006-2007, p. 14). Dergelijke maatregelen zijn aldus gericht op de bescherming en het herstel van het leefmilieu en hebben geen repressief of bestraffend oogmerk. Derhalve kan de persoon aan wie een bestuurlijke herstelmaatregel wordt opgelegd, zich niet beroepen op de strafrechtelijke rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden.” (RvS nr. 227.191 van 29 april 2014).

Alsook blijkt uit volgend arrest van de Raad van State: “14. Overeenkomstig artikel 16.4.5 DABM kunnen “na

de vaststelling van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf [...] bestuurlijke maatregelen worden opgelegd”. Artikel 16.4.18, §2, DABM schrijft voor dat het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen “aannemelijk [moet] maken dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is”. Volgens artikel 16.1.2, 2°, DABM moet onder milieumisdrijf worden verstaan: “een gedraging, in strijd met een voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van deze titel, waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van deze titel”. Blijkens de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI „Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen‟, dat later het decreet van 21 december 2007 is geworden, is het bij bestuurlijke maatregelen “niet zozeer de bedoeling om de overtreder in persoon te raken, dan wel om een einde te stellen aan een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, zijn gevolgen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen”, kunnen “bestuurlijke maatregelen […] volledig onafhankelijk van strafsancties worden genomen”, kan een bestuurlijke maatregel aangezien ze “geen sanctie is in de strafrechtelijke betekenis van het woord, […] niet het voorwerp uitmaken van een genademaatregel met toepassing van artikel 110 van het gecoördineerde Grondwet” en zijn “de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering nopens de uitwissing van veroordelingen en het herstel in eer en rechten in strafzaken [evenmin] hierop van toepassing” (St. Vl.Parl., nr. 1249/1, 2006-2007, p. 14). Bestuurlijke maatregelen zijn aldus gericht op de bescherming en het herstel van het leefmilieu en hebben geen repressief of bestraffend oogmerk. Derhalve kan de persoon aan wie een bestuurlijke herstelmaatregel wordt opgelegd, zich niet beroepen op de strafrechtelijke rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden. De bestuurlijke maatregel strekt immers niet tot sanctionering of bestraffing van het milieumisdrijf als dusdanig. De verwerende partij kan in dit verband ook niet dienstig verwijzen naar het beweerd ontbreken van een “intentioneel element” in hoofde van de exploitant. Het aannemelijk bestaan van een milieumisdrijf, op grond van de samenlezing van de artikelen 16.4.5 en 16.4.18, § 2, DABM, vergt in hoofde van de verwerende partij niet de uitoefening van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid” (RvS nr. 239.676 van 26 oktober 2017). Bijgevolg is de beroepsinstantie van oordeel dat door ANB ten onrechte beroep werd gedaan op de uitzonderingsgronden vermeld in artikel II.34, 4° van het Bestuursdecreet en artikel 36, §1, 3° van het Bestuursdecreet.

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/443

pagina 6 van 8


De beroepsinstantie dient nogmaals op te merken dat zij geen kennis heeft gekregen van de gevraagde bijlagen bij het PV. In die zin kan de beroepsinstantie ook niet uitmaken of de gevraagde bijlagen in casu al dan niet milieu-informatie betreffen. Toch wenst de beroepsinstantie, conform artikel II.39, tweede lid Bestuursdecreet, vooreerst te wijzen op artikel 6, §2, 2° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Conform voormeld artikel wijst een federale of niet-federale administratieve overheid de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument af wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk doet aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting. In dit geval is niet vereist dat er een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van de openbaarheid en het beschermde belang. De artikelen 28quinquies en 57 van het Wetboek van Strafvordering bevatten een dergelijke bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting. Volgens artikel 28quinquies, §1 (wat het geheim karakter van het opsporingsonderzoek betreft) en artikel 57 (wat het geheim karakter van het gerechtelijk onderzoek betreft) van het Wetboek van Strafvordering zijn de personen die professioneel betrokken worden bij een strafonderzoek gebonden door het beroepsgeheim en zijn die personen, als zij informatie vrijgeven over een strafonderzoek, bijgevolg strafbaar uit hoofde van artikel 458 van het Strafwetboek. In de rechtspraak werd reeds meermaals gesteld dat het geheim van het strafonderzoek geldt van zodra een overtreding door middel van een proces-verbaal is vastgesteld. Wanneer een proces-verbaal wordt verzonden naar het parket maakt dit deel uit van het strafonderzoek en door deze informatie vervat in het proces-verbaal openbaar te maken, dreigt men het geheim van het strafonderzoek te omzeilen. Uit artikel 458 Strafwetboek kan worden opgemaakt dat de wet of het decreet de gevallen kan bepalen waarin de verplichting wordt opgelegd om geheimen bekend te maken. In de bijkomende toelichting verwijst ANB naar artikel 16.3.25, lid 2 DABM waar een afschrift van het PV aan de overtreder dient te worden toegestuurd om de bewijskracht tot het tegendeel te kunnen behouden. Tevens voorziet artikel 21bis Sv een recht op inzage of afschrift in het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, in te dienen bij de Procureur des Konings of de onderzoeksrechter. Een dergelijk bekomen toelating is in casu niet voorhanden of werd toch niet voorgelegd. De uitzonderingsgrond van artikel 6, §2, 2° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur zou bijgevolg in casu toepassing kunnen vinden voor wat betreft de gevraagde bijlagen die deel uitmaken van het betrokken PV. Daarnaast kan voor bestuursdocumenten die niet uitsluitend werden opgesteld ten behoeve van de strafvordering, maar eventueel wel in een opsporingsonderzoek gebruikt worden, ook nog verwezen worden naar de uitzonderingsgrond bepaald in artikel 6, §1, 5° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Op grond van deze bepaling moet een aanvraag tot openbaarmaking door een federale of niet federale administratieve overheid worden afgewezen als het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de opsporing of vervolging van strafbare feiten. Voor milieu-informatie dient echter artikel 27, §1, 4° van de wet van 5 augustus 2006 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie bekeken te worden. Deze bepaling voorziet dat een vraag tot openbaarmaking afgewezen wordt als het publiek belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de opsporing of vervolging van sanctioneerbare feiten. Deze uitzondering geldt ook voor de niet-federale overheden omdat zij verband houdt met de strafvervolging, die met uitzondering van de bevoegdheden die artikel 11 en 11bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de Gemeenschappen en de Gewesten hebben toegekend, een federale bevoegdheid blijft. In bovenvermelde wet worden met “sanctioneerbare feiten” de strafrechtelijk beteugelde feiten bedoeld, evenals de feiten die onderworpen zijn aan een administratieve sanctie met inbegrip van de disciplinaire maatregelen. Onder deze uitzonderingsgrond kunnen bijvoorbeeld ook de documenten vallen die nog niet gelinkt zijn aan een lopend gerechtelijk onderzoek, maar waarvan de openbaarmaking het onderzoek eventueel kan schaden (Parl.St. Kamer 2005-2006, nr. 51, 2511/001, 36).

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/443

pagina 7 van 8


Beide uitzonderingsgronden vereisen echter wel een concrete belangenafweging, maar indien de niet openbaarmaking al zou voortvloeien uit het inroepen van artikel 6, §2, 2° van de wet van 11 april 1994 die geen belangenafweging vereist, dient hierop niet verder ingegaan of niet verder onderzocht te worden. De beroepsinstantie wenst hierbij te benadrukken dat bij voormelde belangenafweging geen rekening dient te worden gehouden met de individuele belangen. De beroepsinstantie wenst ook nog te wijzen op de eventuele mogelijkheid tot gedeeltelijke openbaarmaking. Na beraadslaging,

BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 7 december 2021 tegen de weigeringsbeslissing d.d. 17 november 2021 vanwege ANB wordt als ontvankelijk en gegrond onder voorbehoud van de toepassing van wettelijke of decretale uitzonderingsgronden, beschouwd.

Geen toestemming tot hergebruik van bestuursdocumenten In zoverre dit beroep gegrond werd verklaard, geldt dat deze inwilliging van de aanvraag tot openbaarmaking GEEN toestemming inhoudt om de gevraagde bestuursdocumenten te hergebruiken, als vermeld in titel II, hoofdstuk 4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 (zie artikel II.44, §3, van het Bestuursdecreet). Brussel, 6 januari 2022 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/443

pagina 8 van 8


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
dossier 2021-443.pdf by Vlaanderen-be - Issuu