Skip to main content

Verslagboek_Raad_betwistingen_werkjaar 2007_0.pdf

Page 1

Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen

Verslag over de werkzaamheden 2007


Inhoudstafel 1. Inleiding

2 p.

2. Samenstelling van de Raad

2 p.

3. Statistische gegevens en toelichting

3 p.

3.1. Verzoekschriften en zittingsdagen

3 p.

3.2. Verzoekende partijen

4 p.

3.3. Voorwerp van het verzoekschrift

7 p.

3.4. Uitspraken

8 p.

3.5. Bijstand door een raadsman

9 p.

3.6. Schorsing van de werkzaamheden

10 p.

3.7. Ordetermijn van 15 dagen

11 p.

4. Overzicht en analyse van de beslissingen van de Raad

13 p.

4.1 Ontvankelijkheid

14 p.

4.1.1. Tijdigheid van het verzoekschrift

15 p.

4.1.2. Naleving van vormvoorschriften

16 p.

4.1.3. Regelmatig ingesteld en uitgeput intern beroep

18 p.

4.1.4. Ontvankelijkheid inzake voorwerp

21 p.

4.1.5. Onontvankelijkheid op grond van afstand van beroep.

24 p.

4.1.6. Onontvankelijkheid wegens gebrek aan belang

25 p.

4.1.7. Onontvankelijkheid wegens het niet naleven van de taalvoorschriften

26 p.

4.2 Gegrondheid

27 p.

4.2.1. Beroep tegen een examenbeslissing

28 p.

4.2.2. Beroep tegen een examentuchtbeslissing

40 p.

4.2.3. Beroep in verband met toekennen van een vrijstelling

40 p.

4.2.4 Beroep in verband met toekenning van een bewijs van bekwaamheid

42 p.

4.2.5. Opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking zoals bepaald in artikel 52 van het Flexibiliseringsdereet

42 p.

4.2.6. Een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgelegd

43 p.

4.3 Beroepsmogelijkheden

44 p.

5. Aanbevelingen door de Raad

45 p.

5.1. Medewerkers en middelen

45 p.

5.2. Opvolging van de uitspraken

45 p.

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

1


1. Inleiding Voorliggende document brengt verslag uit over de werking van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen 1 gedurende het jaar 2007, het derde werkjaar van de Raad. In dit verslag worden de zaken die ingeleid werden tijdens het werkjaar 2007 toegelicht. Na behandeling van de zaken worden de uitspraken, zoals decretaal bepaald, geanonimiseerd gepubliceerd op de webstek met aanduiding van het rolnummer. De besluiten waarnaar in voorliggend verslag worden verwezen zijn te raadplegen op deze webstek. Het verslag sluit af met aanbevelingen door de leden van de Raad. Het jaarverslag wordt gepubliceerd op de webstek: www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/Raad/

2. Samenstelling van de Raad Tijdens het werkjaar 2007 was de Raad als volgt samengesteld: Voorzitter: de heer Marc Boes Plaatsvervangend voorzitter: de heer Jean Dujardin en mevrouw Kaat Leus. Werkend bijzitter: de heer Luc Van de Velde mevrouw Jacqueline Hellemans Plaatsvervangend bijzitter: mevrouw Christiane Vanvinckenroye de heer Henri Verhaaren de heer Jan Geens De Raad wordt samengesteld in functie van de beschikbaarheid van de leden. Ook in de loop van het derde werkjaar hebben de betrokken partijen geen leden gewraakt. Wanneer een lid verbonden is aan een bepaalde instelling zetelt hij niet in ingeval zijn instelling betrokken partij is. Tijdens het werkjaar 2007 werden 89 zaken ingeleid.

Erwin Malfroy en Karla Van Lint waren in 2007 aangesteld als secretaris van de Raad. Het secretariaat werd mede praktisch ondersteund door Patricia Coekaerts.

1

Hierna Raad genoemd

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

2


3. Statistische gegevens en toelichting 3.1. Verzoekschriften en zittingsdagen In 2007 werden er 89 verzoekschriften ingediend en geregistreerd. Het aantal verzoeken is sterk gestegen ten opzichte van het werkjaar 2006 (43) en het werkjaar 2005 (48). De verzoekschriften werden verspreid ingediend met hoogtepunten in juli (21), september (12) en oktober (30). aantal ingediende beroepen per m aand 35

30

30 25

21

20 12

15

7

10 3

5

2

1

1

5

4

3 0

no ve m be r de ce m be r

ok to be r

se pt em be r

au gu st us

ju li

ju ni

m ei

ap ril

m aa rt

fe br ua ri

ja nu ar

i

0

De Raad heeft 88 verzoekschriften behandeld tijdens een zitting in 2007 en dit verspreid over 29 zittingsdagen. Eén verzoekschrift van 2007 2 werd behandeld tijdens een zitting begin januari 2008. Twee behandelde verzoekschriften betreffen een registratie in 2006 waarvan één uitgestelde zaak. Vier zaken 3 werden gespreid over twee zittingsdagen behandeld. Twee verzoekschriften 4 werden door de Raad wegens hun samenhang samen behandeld en in één besluit opgenomen. zittingsdatum

rolnummers

maandag 15 januari 2007

2006/043

dinsdag 23 januari 2007

2007/001 - 2007/002

maandag 12 februari 2007

2007/003

woensdag 28 februari 2007

2007/004

dinsdag 6 maart 2007

2007/005

donderdag 26 april 2007

2007/006 - 2007/007

dinsdag 26 juni 2007

2007/008 - 2007/009

vrijdag 6 juli 2007

2007/010

donderdag 26 juli 2007

2007/013

2

Raad nr. 2007/084 Raad, nrs.2007/011, 020, 072, 084 4 Raad, nrs.2007/043 en 2007/056 3

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

3


dinsdag 31 juli 2007

2007/015 - 2007/016

dinsdag 7 augustus 2007

dinsdag 21 augustus 2007

2007/028 - 2007/022 - 2007/026 2007/011 - 2007/012 - 2007/014 - 2007/017 - 2007/018 2007/021 - 2007/027 2007/024 - 2007/025 - 2007/029 - 2007/030 - 2007/031 2007/032 - 2007/033

vrijdag 24 augustus 2007

2007/019 - 2007/023

donderdag 13 september 2007

2007/034 - 2007/035 - 2007/036

vrijdag 5 oktober 2007

2006/033 - 2007/037 - 2007/38 - 2007/040

donderdag 11 oktober 2007

dinsdag 23 oktober 2007

2007/020 - 2007/039 - 2007/055 2007/047 - 2007/050 - 2007/044 - 2007/045 - 2007/041 2007/043 - 2007/056 - 2007/049 - 2007/052 2007/042 - 2007/046 - 2007/048 - 2007/051 - 2007/053 2007/054

woensdag 7 november 2007

2007/066 - 2007/060 - 2007/057

donderdag 8 november 2007

2007/068 - 2007/064 - 2007/062 2007/067 - 2007/059 - 2007/061 - 2007/063 - 2007/065 2007/069

vrijdag 17 augustus 2007

donderdag 18 oktober 2007

vrijdag 9 november 2007 woensdag 14 november 2007 woensdag 21 november 2007

2007/070 - 2007/071 - 2007/076 2007/058 - 2007/079 - 2007/073 - 2007/074 – 2007/075 – 2007/077 - 2007/078

maandag 3 december 2007

2007/072 - 2007/082

vrijdag 7 december 2007

2007/080 - 2007/081

maandag 17 december 2007

2007/084 - 2007/086

vrijdag 21 december 2007

2007/083 - 2007/088 - 2007/085 - 2007/087

maandag 24 december 2007

2007/089

3.2. Verzoekende partijen De 89 verzoekschriften zijn ingediend door 70 verschillende personen. Een aantal studenten dienden meerdere keren na elkaar een verzoekschrift in waarvoor ook telkens een nieuwe zittingsdag werd vastgelegd. Het betreft doorgaans studenten die na een vernietigingsbeslissing van de Raad niet akkoord gaan met de nadien genomen nieuwe beslissing of studenten die na een niet ontvankelijk verzoekschrift of een verzoekschrift zonder voorwerp een volgende keer de zaak toch ten gronde kunnen voorleggen aan de Raad. • • • •

7 personen met 2 verzoekschriften 2 personen met 3 verzoekschriften 1 persoon met 4 verzoekschriften 1 persoon met 6 verzoekschriften

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

4


Aantal terugkerende zaken en uitspraak rolnummers 1 006 - 017 2 012 - 037 3 014 - 034 4 027 - 040 5 054 - 080 6 053 - 082 7 060 - 084 8 010 - 024 - 051 9 020 - 039 - 055 10 043 - 056 - 083 - 088 11 032 - 048 - 072 - 086 - 087 - 089

beslissingen onontvankelijk - niet gegrond gegrond - niet gegrond onontvankelijk - gegrond gegrond - niet gegrond zonder voorwerp - niet gegrond tweemaal gegrond gegrond - niet gegrond driemaal gegrond zonder voorwerp - tweemaal niet gegrond gegrond - tweemaal niet gegrond - onontvankelijk tweemaal gegrond - zonder voorwerp - onontvankelijk - niet gegrond

In 2007 hebben 51 mannen en 38 vrouwen een beroep ingesteld bij de Raad.

Verdeling m an-vrouw

Vrouw 43% Man 57%

De verzoekers zijn afkomstig uit verschillende provincies, het derde jaar op rij komt het grootste aantal uit de provincie Antwerpen.

45

Aantal per provincie w oonplaats student

40 35 30 25 20 15 10 5 0

Aantal

Antw erpen

OostVlaanderen

Vlaams-Brabant

WestVlaanderen

Limburg

Brussels Hoofdstedelijk

40

19

6

12

6

6

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

5


In 2007 zijn het ook zoals de vorige 2 werkjaren in hogere mate hogeschoolstudenten die beroep aantekenen bij de Raad.

Universiteit 35%

Hogeschool 65%

Verschillende studiegebieden kwamen in de verzoekschriften aan bod en de verzoekers bevonden zich ook in verschillende stadia van hun studieloopbaan. studiegebied

soort opleiding

aantal

Hogeschool Architectuur

Audiovisuele en beeldende kunst

Professioneel gerichte bachelor

1

Academisch gerichte bachelor

2

Academisch gerichte bachelor

7

Initiële lerarenopleiding van academisch niveau

2

Gecombineerde studiegebieden (*1)

Afbouw Hosp

1

Gezondheidszorg

Professioneel gerichte bachelor

5

Academisch gerichte bachelor

1

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

Professioneel gerichte bachelor - Basisopleiding 1 cyclus

9

Academisch gerichte bachelor

1

Voortgezette opleiding

1

Professioneel gerichte bachelor

5

Academisch gerichte bachelor

3

Industriële wetenschappen en technologie

Muziek en dramatische kunst

Basisopleiding 2 van 2

1

Nautische wetenschappen

Basisopleiding 2e cyclus

1

Onderwijs

Professioneel gerichte bachelor

12

Sociaal-agogisch werk

Professioneel gerichte bachelor

6

Universiteit Biomedische wetenschappen

Basisopleiding 2e cyclus

1

Diergeneeskunde

Basisopleiding 2e cyclus

1

Economische en toegepaste economische wetenschappen

Academische initiële lerarenopleiding

1

Basisopleiding 2e cyclus

8

Farmaceutische wetenschappen

Academisch gerichte bachelor

1

Geneeskunde

Basisopleiding 2e cyclus

2

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht Academische initiële lerarenopleiding

1

Politieke en sociale wetenschappen

Basisopleiding 2e cyclus

1

Schakelprogramma

1

Voorbereidingsprogramma

1

Psychologie en pedagogische wetenschappen

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

Academisch gerichte bachelor

3

Basisopleiding 2e cyclus

1

Schakelprogramma

2

6


Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

Academisch gerichte bachelor

2

Basisopleiding 2e cyclus

1

Tandheelkunde

Academisch gerichte bachelor

1

Wetenschappen

Academische initiële lerarenopleiding

1

Basisopleiding 2e cyclus

1

Zonder specifiek studiegebied (*2)

1

(*1) Onder de noemer “gecombineerde studiegebieden” ressorteren opleidingen die niet thuis te brengen zijn in één studiegebied. (*2) Eén beroep ressorteert niet onder een bepaald studiegebied. De zaak handelde over de resultaten van een taalexamen voorafgaand aan een inschrijving.

De meeste verzoekers komen voor de universiteiten uit het studiegebied Economische en toegepaste economische wetenschappen (9) en voor de hogescholen uit het studiegebied Onderwijs (12) gevolgd door Handelswetenschappen en bedrijfskunde (11). 3.3. Voorwerp van het verzoekschrift Uit onderstaande tabel blijkt dat de verzoekschriften in 29 gevallen louter tegen theorieopleidingsonderdelen werden ingesteld en in 17 gevallen louter tegen stagebeslissingen. soort opleidingsonderdeel praktijk proefschrift stage theorie ganse opleiding proefschrift + globaal eindresultaat stage + (ganse opleiding) stage + praktijk stage + proeflessen stage + proefschrift stage + proefschrift + theorie stage + theorie theorie + praktijk voorbereidingsprogramma nvt (002 en 070)

aantal 7 8 17 29 4 1 2 1 2 1 2 5 7 1 2

Uit onderstaande tabel blijkt dat nog steeds in hoofdzaak examenbeslissingen deel uitmaken van een betwisting. Het aantal betwistingen over een examentuchtbeslissing en het al dan niet toekennen van een vrijstelling zijn wel licht toegenomen ten opzichte van 2005 en 2006. studievoortgangsbeslissing Examenbeslissing Examentuchtbeslissing Maatregel studievoortgangsbewaking/weigering inschrijving - art 52 flex

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

2007

% 2007

68 76,4%

2006

% 2006

32 74,4%

2005

% 2005

38 79,2%

5

5,6%

1

2,3%

1

2,1%

6

6,7%

4

9,3%

6 12,5%

7


Toekenning vrijstelling Maatregel studievoortgangsbewaking/weigering inschrijving - art 52 flex + toekennen vrijstelling art. 51 flex - evc/evk rechtstreeks diplomering

8

9,0%

2

4,7%

2

4,2%

1

1,1%

-

-

-

-

-

-

1

2,3%

-

-

Schakel- en/of voorbereidingsprogramma

1

1,1%

-

-

-

-

examenbeslissing + examentuchtbeslissing

-

-

3

7,0%

-

-

Toekenning vrijstelling + examenbeslissing

-

-

-

-

1

2,1%

Totaal aantal zaken

89

43

48

3.4. Uitspraken In 30 gevallen besliste de Raad dat het beroep van de verzoeker volledig gegrond was. In 14 zaken heeft de Raad zich niet moeten uitspreken over de grond van de zaak wegens onontvankelijkheid (7 zaken) en in 7 zaken omdat het verzoek in de loop van de procedure zonder voorwerp werd. In één geval was het beroep deels ontvankelijk maar ongegrond. In totaal werden 41 zaken niet gegrond verklaard. Op een totaal van 75 ontvankelijke (en deels ontvankelijke) zaken zijn er 34 gegronde (en deels gegronde) zaken, wat neerkomt op een percentage van 45 %.

45

Ontvankelijkheid - gegrondheid

40 35 30 25 20 15 10 5 0

aantal

volledig ontvankelijk - volledig gegrond

30

volledig ontvankelijk - niet gegrond

40

volledig ontvankelijk - deels gegrond

4

deels ontvankelijk - niet gegrond

1

niet ontvankelijk - niet van toepassing

7

niet van toepassing nvt (7 zonder voorwerp)

7

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

8


Alle ontvankelijke zaken en hun gegrondheid

1%

40% 54%

5% volledig ontvankelijk - volledig gegrond

volledig ontvankelijk - deels gegrond

volledig ontvankelijk - niet gegrond

deels ontvankelijk - niet gegrond

3.5. Bijstand door een raadsman In 52 zaken deed de student een beroep op een raadsman (30 zaken met een advocaat en 23 zaken met een andere raadsman vb. familielid). De onderwijsinstellingen deden in 41 zaken een beroep op een advocaat. Raadsman student 40 30 20 10 0

aantal

advocaat

andere raadsman

neen

30

23

36

Raadsman instelling

50 40 30 20 10 0 aantal

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

ja

neen

41

48

9


Voor het werkjaar 2007 werd in 11 van de 34 gegronde besluiten door de student beroep gedaan op een advocaat. In 9 van de 34 gegronde zaken werd door de instelling beroep gedaan op een advocaat.

Raadsman verzoekende partij – ontvankelijkheid – gegrondheid raadsman student advocaat

andere raadsman

geen raadsman

ontvankelijkheid gegrondheid volledig ontvankelijk volledig gegrond deels gegrond niet gegrond niet ontvankelijk nvt nvt nvt volledig ontvankelijk volledig gegrond deels gegrond niet gegrond deels ontvankelijk niet gegrond neen nvt volledig ontvankelijk volledig gegrond deels gegrond niet gegrond neen nvt nvt nvt

aantal 10 1 15 2 2 7 1 13 1 1 13 2 12 4 5

Raadsman verwerende partij – ontvankelijkheid – gegrondheid raadsman instelling ontvankelijkheid gegrondheid Ja volledig ontvankelijk volledig gegrond niet gegrond deels ontvankelijk niet gegrond neen nvt nvt nvt Neen volledig ontvankelijk volledig gegrond deels gegrond niet gegrond neen nvt nvt nvt

aantal 9 23 1 3 5 21 4 17 4 2

3.6. Schorsing van de werkzaamheden Het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student laat toe dat de instellingen een schorsing der werkzaamheden aanvragen van de beroepen die in juli/augustus worden ingesteld. In 2007 hebben 10 hogescholen en 1 universiteit een schorsingsperiode aangevraagd. Het decreet laat een schorsing toe van 21 kalenderdagen. De Raad is meestal bereid om het verzoek in te willigen, maar meldt uitdrukkelijk dat gezien de ordetermijn van 15 kalenderdagen, bij het vaststellen van de procedurekalender en de termijnen voor het indienen van de antwoordnota’s wel rekening gehouden

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

10


worden met de dagen die reeds verstreken zijn vooraleer de schorsingsperiode aanvangt. Studenten moeten zo nodig tijdig een tweede zittijd kunnen voorbereiden. De Raad wenst dan ook bij voorkeur alle zaken te behandelen ten laatste in de eerste helft van augustus. Als schorsingsaanvragen betrekking hebben op termijnen die nog lopen na de eerste week van augustus worden deze doorgaans ingekort.

3.7. Ordetermijn van 15 dagen De Raad spreekt zich uit binnen een ordetermijn van vijftien kalenderdagen, termijn die ingaat de dag na deze waarop het beroep werd ingeschreven in het register. Het overschrijden van deze termijn is zonder gevolg wat de geldigheid van de uitspraak betreft. De Raad stelt voor zover mogelijk steeds deze ordetermijn voorop wanneer een zittingsdag wordt vastgesteld. In de drukke periodes (na de juni- en septemberzittijd) worden de zaken wel gebundeld op bepaalde zittingsdagen. Als een aanvraag tot schorsing van de termijnen wordt toegekend leidt dit meestal tot een overschrijding van de termijn (met maximaal 21 kalenderdagen zoals toegestaan door het decreet). Verder wordt een enkele keer de termijn in beperkte mate verlengd wanneer een goede rechtsbedeling en het belang van beide partijen dit vereisen. Globaal genomen kan gesteld worden dat een vierde van de zaken binnen de ordetermijn werd behandeld. De overige zaken worden ongeveer binnen drie weken afgehandeld. Slechts zes van 89 ingeleide zaken werden om specifieke redenen ruimer buiten de ordetermijn behandeld. Hierna volgt een overzicht.

datum registratie 8/01/2007 8/01/2007 8/01/2007 13/02/2007 20/02/2007 26/03/2007 4/04/2007 7/06/2007 11/06/2007 19/06/2007 9/07/2007 13/07/2007 13/07/2007 13/07/2007 17/07/2007 18/07/2007 19/07/2007 19/07/2007 19/07/2007 19/07/2007

rolnummer 2007/001 2007/002 2007/003 2007/004 2007/005 2007/006 2007/007 2007/008 2007/009 2007/010 2007/011 2007/013 2007/012 2007/014 2007/015 2007/016 2007/017 2007/018 2007/021 2007/019

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

datum besluit 23/01/2007 23/01/2007 12/02/2007 28/02/2007 6/03/2007 26/04/2007 26/04/2007 26/06/2007 26/06/2007 6/07/2007 17/08/2007 26/07/2007 17/08/2007 17/08/2007 31/07/2007 31/07/2007 17/08/2007 17/08/2007 17/08/2007 24/08/2007

11


19/07/2007 19/07/2007 20/07/2007 20/07/2007 20/07/2007 23/07/2007 23/07/2007 24/07/2007 24/07/2007 25/07/2007 31/07/2007 31/07/2007 1/08/2007 6/08/2007 27/08/2007 29/08/2007 3/09/2007 11/09/2007 14/09/2007 17/09/2007 19/09/2007 20/09/2007 26/09/2007 26/09/2007 26/09/2007 27/09/2007 28/09/2007 1/10/2007 1/10/2007 1/10/2007 2/10/2007 2/10/2007 2/10/2007 2/10/2007 2/10/2007 3/10/2007 4/10/2007 8/10/2007 8/10/2007 8/10/2007 9/10/2007 9/10/2007 9/10/2007 9/10/2007 9/10/2007 9/10/2007 10/10/2007

2007/020 2007/039 2007/022 2007/024 2007/023 2007/026 2007/025 2007/028 2007/027 2007/029 2007/030 2007/031 2007/032 2007/033 2007/034 2007/035 2007/036 2007/037 2007/038 2007/040 2007/041 2007/042 2007/043 2007/044 2007/045 2007/046 2007/047 2007/049 2007/050 2007/048 2007/052 2007/051 2007/053 2007/054 2007/080 2007/055 2007/056 2007/057 2007/059 2007/058 2007/060 2007/062 2007/064 2007/061 2007/063 2007/065 2007/066

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

11/10/2007 11/10/2007 7/08/2007 21/08/2007 24/08/2007 7/08/2007 21/08/2007 7/08/2007 17/08/2007 21/08/2007 21/08/2007 21/08/2007 21/08/2007 21/08/2007 13/09/2007 13/09/2007 13/09/2007 5/10/2007 5/10/2007 5/10/2007 18/10/2007 23/10/2007 18/10/2007 18/10/2007 18/10/2007 23/10/2007 18/10/2007 18/10/2007 18/10/2007 23/10/2007 18/10/2007 23/10/2007 23/10/2007 23/10/2007 7/12/2007 11/10/2007 18/10/2007 7/11/2007 9/11/2007 21/11/2007 7/11/2007 8/11/2007 8/11/2007 9/11/2007 9/11/2007 9/11/2007 7/11/2007

12


10/10/2007 10/10/2007 11/10/2007 12/10/2007 16/10/2007 16/10/2007 17/10/2007 17/10/2007 17/10/2007 25/10/2007 29/10/2007 7/11/2007 12/11/2007 14/11/2007 22/11/2007 26/11/2007 27/11/2007 3/12/2007 5/12/2007 10/12/2007 10/12/2007 14/12/2007

2007/068 2007/067 2007/069 2007/070 2007/071 2007/072 2007/073 2007/074 2007/075 2007/076 2007/077 2007/078 2007/079 2007/081 2007/082 2007/083 2007/084 2007/085 2007/086 2007/087 2007/088 2007/089

8/11/2007 9/11/2007 9/11/2007 14/11/2007 14/11/2007 3/12/2007 21/11/2007 21/11/2007 21/11/2007 14/11/2007 21/11/2007 21/11/2007 21/11/2007 7/12/2007 3/12/2007 21/12/2007 22/01/2008 21/12/2007 17/12/2007 21/12/2007 24/12/2007 24/12/2007

4. Overzicht en analyse van de beslissingen van de Raad De uitspraken van de Raad liggen in de lijn van het werkjaar 2006. In 45 %, waarbij de Raad zich gebogen heeft over de grond van de zaak, heeft de Raad het verzoek gegrond verklaard. Vorig jaar betrof zulks een verhouding van ongeveer 1 op 2. Het eerste werkjaar betrof het een verhouding van 1 op 4. Het aantal beroepen dat onontvankelijk wordt verklaard blijft beperkt, met name 7 beroepen. 7 beroepen werden zonder voorwerp verklaard. Overzicht van de uitspraken over drie werkjaren 2005 - 2006 - 2007

Aantal verzoekschriften: • 2005 – 48 verzoekschriften • 2006 – 43 verzoekschriften • 2007 – 89 verzoekschriften

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

13


Ontvankelijkheid van het aantal verzoekschriften Ontvankelijkheid

80 70 60 50 40 30 20 10 0

volledig ontvankelijk

deels ontvankelijk

niet ontvankelijk

niet van toepassing

2007

74

1

7

7

2006

33

0

6

4

2005

35

1

6

6

Ontvankelijke zaken en hun gegrondheid

40 30 20 10 0

volledig ontvankelijk volledig ontvankelijk volledig ontvankelijk deels ontvankelijk volledig gegrond

niet gegrond

deels gegrond

niet gegrond

2007

30

40

4

1

2006

17

15

1

0

2005

2

26

7

1

Vooreerst worden de besluiten van het werkjaar 2007 naar hun ontvankelijkheid (4.1) geanalyseerd en vervolgens komen de ten gronde behandelde zaken (4.2) aan bod. 4.1. Ontvankelijkheid De Raad onderzoekt ambtshalve de ontvankelijkheid van de verzoekschriften. Vaak wordt deze ook door de instelling ingeroepen. In een aantal zaken meldt de instelling

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

14


uitdrukkelijk dat zij zich wat de ontvankelijkheid van het verzoek betreft naar de wijsheid van de Raad gedraagt. Ingeval reeds tijdens de zitting blijkt dat een zaak zonder discussie als nietontvankelijk moet beschouwd worden vb. er is geen intern beroep ingesteld; de beroepstermijn van vijf kalenderdagen werd duidelijk niet gerespecteerd; het verzoekschrift werd niet ondertekend, gaat de Raad doorgaans tijdens de zitting niet verder op de grond van de zaak in. In het werkjaar 2007 werden 7 beroepen 5 onontvankelijk verklaard: • op grond van niet-tijdigheid 6 ; • wegens ontbreken van het intern beroep 7 ; • op grond van onbevoegdheid naar voorwerp 8 ; • wegens ontbreken van belang 9 ; • wegens niet naleven van een vormvoorschrift 10 . Nog 7 beroepen waren niet ontvankelijk wegens zonder voorwerp

11

.

Deze zaken zijn te raadplegen op basis van de aangeduide rolnummers op de webstek van de Raad. Ingedeeld volgens de verschillende gronden van onontvankelijkheid die zijn ingeroepen tijdens dit werkjaar wordt hierna de belangrijkste rechtspraak van de Raad weergegeven. 4.1.1. Tijdigheid van het verzoekschrift 1. De Raad gaat ambtshalve na of een verzoekschrift binnen de decretaal bepaalde termijn is ingediend. De besluiten van het werkjaar 2007 geven telkens volgens een gebruikelijke formule het tijdspad weer. 2. Slechts in één geval 12 werd een beroep tijdens het werkjaar 2007 niet ontvankelijk verklaard wegens ontijdigheid. Ook dit werkjaar werden wel enkele verzoeken 13 die buiten de termijn zijn ingesteld toch ontvankelijk verklaard omdat de beroepsmogelijkheid en/of de modaliteiten niet of onvolledig waren vermeld in de beslissing op intern beroep 14 . Blijkbaar zijn er nog steeds instellingen die de externe beroepsmogelijk niet of niet nauwkeurig aangeven vb. geen adressering, geen correcte vervaltermijn…. Studenten kunnen in dat geval blijvend een extern beroep instellen wat de rechtszekerheid in geen geval ten goede komt en bovendien de rechten op verdediging van de studenten schaadt, wanneer zij niet uitdrukkelijk en correct op hun beroepmogelijkheid worden gewezen. 3. De datum van kennisname van de beslissing op intern beroep is beslissend voor de aanvang van de vervaltermijn van vijf kalenderdagen. Een weekend of feestdag 5

Raad, nrs. 2007/002, 003, 006, 014, 038, 086, 088 Raad, nr. 2007/088 7 Raad, nrs. 2007/003, 038 8 Raad, nrs. 2007/003, 006, 086 9 Raad nr. 2007/002 10 Raad, nr. 2007/014 11 Raad, nrs. 2007/020, 047, 054, 058, 072, 077,079 12 Raad, nr. 2007/088 13 Raad, nrs. 2007/081, 085 14 Artikel 35 van het Openbaarheidsdecreet 6

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

15


verlengt automatisch deze termijn. In andere gevallen ligt de bewijslast bij de student. De verwerende partij voegt niet vaak een bewijs van aangetekende zending van de beslissing op intern beroep toe aan het dossier. Zoals hoger aangehaald werd er slechts één beroep niet tijdig ingesteld. In dat geval betrof het een duidelijke overschrijding van de beroepstermijn en had de betreffende student bovendien een ander wel tijdig beroep ingesteld. De uitdrukkelijke vermelding in de interne beroepsbeslissing van de termijn helpt de studenten duidelijk om hun beroep binnen de decretaal bepaalde vervaltermijn in te stellen. De tijdigheid van het interne beroep daarentegen werd dit werkjaar wel meermaals het voorwerp van dispuut (zie verder onder punt 3). 4.1.2. Naleving van vormvoorschriften 1. In geval er een betwisting bestaat over de naleving van bepaalde formaliteiten, die niet op straffe van nietigheid werden voorgeschreven, gaat de Raad telkens na in hoeverre de rechten van verdediging werden gerespecteerd. Het niet naleven van de vormvoorschriften leidt tot een zwaardere bewijslast voor de student of instelling die de betreffende vormvoorschriften niet heeft nageleefd. 2. Het decreet 15 schrijft slechts één vormvereiste op straffe van onontvankelijkheid voor: de ondertekening van het beroep door de verzoeker of zijn raadsman. Het decreet laat wat dit betreft geen enkele appreciatieruimte aan de Raad. In een zaak 16 heeft de Raad het verzoek onontvankelijk verklaard op grond van het ontbreken van de handtekening. De Raad verwijst in zijn beslissing naar de rechtspraak van de Raad van State waar gesteld wordt dat een ingescande handtekening en een handtekening uitsluitend op de bijgevoegde documenten ook onvoldoende is. In het behandelde geval heeft de student nadien wel een ontvankelijk beroep kunnen instellen. Het decreet staat toe dat een niet ontvankelijk verzoekschrift kan vervangen worden door een nieuw in voorkomend geval wel ondertekend verzoekschrift, in geval de beroepstermijn nog niet is verstreken 17 . 3. Als een raadsman die geen advocaat is (en die al dan niet het verzoekschrift ondertekend heeft) zonder verzoekende partij aanwezig is, dan wordt een volmacht vereist die ten laatste op de zitting dient neergelegd 18 . Dit wordt steeds ambtshalve door de Raad nagegaan. Het voorschrift stelde tot op vandaag nog geen probleem. De procedure voor de Raad kent geen uitspraak bij verstek met mogelijkheid om een verzet aan te tekenen. Ingeval van regelmatige oproeping belet de procedure niet dat in afwezigheid van één of beide partijen een beslissing wordt genomen. In 2007 is in 11 gevallen 19 de verzoekende partij niet komen opdagen tijdens de zitting en slechts in één geval 20 was de instelling niet vertegenwoordigd. De student komt meestal zelf naar de zitting al dan niet vergezeld van zijn raadsman.

15

Artikel II.24 §2 Aanvullingsdecreet Raad, nrs. 2007/014 en 034 17 Artikel II. Aanvullingsdecreet 18 Artikel II.39 Aanvullingsdecreet 19 Raad, nrs. 2007/002, 041, 046, 047, 057, 066, 077, 078, 079, 086, 089 20 Raad, nr. 2007/047 16

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

16


4. In één zaak werd de ontvankelijkheid betwist omdat het verzoekschrift geen correcte omschrijving van het voorwerp inhield. De verwerende partij stelde dat de opleiding die het voorwerp uitmaakte van de beslissing niet correct was omschreven. De Raad besliste in het voordeel van de student dat uit het verzoek wel duidelijk bleek welke opleiding het betrof en dat een niet correcte vermelding van de naam van de opleiding de verwerende partij geen nadeel heeft berokkend bij haar verdediging 21 . 5. Artikel II.24 van het Aanvullingsdecreet schrijft voor dat, samen met het indienen van het verzoek, een kopie van het verzoekschrift aangetekend bezorgd moet worden aan de instelling. De Raad behandelde een zaak waar de ontvankelijkheid werd betwist op grond van dit voorschrift 22 . Het betrof een aanvullend verzoekschrift waarvan de kopie door de student niet aan de instelling was bezorgd. De kopie werd wel door het secretariaat van de Raad aan de instelling bezorgd. Het beroep werd ontvankelijk 23 verklaard. De Raad stelde dat: “de latere mededeling van een kopie van de aanvullende motivering bij het verzoekschrift in deze zaak geen nadeel heeft berokkend aan de verwerende partij die zich naar behoren heeft kunnen verdedigen.” “De Raad voegt er nog aan toe dat de instelling, door het besluit en de motivering bij twee verschillende brieven mee te delen aan verzoekende partij, zelf dit procedureprobleem heeft veroorzaakt en zich dus niet kan beklagen over het niet toezenden van het aanvullende verzoekschrift.” 6. Artikel II.32 van het Aanvullingsdecreet schrijft voor dat de antwoordnota en de wederantwoordnota aan de Raad en de tegenpartij worden bezorgd via het meest gerede middel. De Raad vraagt uitdrukkelijk om dit via de e-mail te bezorgen. Een niet tijdig aan de Raad bezorgde nota wordt in beginsel uit de procedure geweerd. Doorgaans stellen deze voorschriften geen problemen. De Raad gaat na in hoeverre de rechten van verdediging al dan niet zijn geschonden. Slechts zeer uitzonderlijk heeft de Raad een nota uit de procedure moeten weren 24 . 7. Artikel II.25 van het Aanvullingsdecreet bepaalt dat verzoekende partij naderhand slechts bijkomende overtuigingsstukken aan het dossier kan toevoegen voorzover deze bij de opmaak van het verzoekschrift nog niet aan verzoeker bekend waren. Over het naderhand neerleggen van stukken die al dan niet uit de procedure worden geweerd, wordt beslist in functie van de rechten van verdediging. Ingeval het bijkomende stukken betreft die een partij tijdens de zitting wenst neer te leggen vraagt de Raad aan de tegenpartij of zij hiertegen bezwaar heeft. Dit wordt telkens op het proces-verbaal genoteerd. Enkele voorbeelden uit de rechtspraak: ‘Bij brief van 2 april 2007 werd aan verzoekende partij het proces-verbaal ter motivering van de beslissing bezorgd. Verzoekende partij diende op basis van deze schriftelijk meegedeelde motivering, ter vervollediging van het eerste verzoek, een aanvullend verweerschrift in bij

21

Raad, nr. 2007/082 Raad, nr. 2007/007 23 Raad, nr. 2007/018 24 Raad, nr. 2007/003, 026, 033, 034, 043, 056 22

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

17


aangetekend schrijven van 10 april 2007. De Raad voegt beide brieven samen en beschouwt dit geheel als één verzoekschrift.25 ’ ‘Dat bijlage 5 een verslag betreft van de weerlegging van de argumenten van de examencommissie door verzoekende partij. Dat er geen bewijs kan voorgelegd worden dat verwerende partij heeft kunnen kennis nemen van dit stuk. Dat de Raad derhalve beslist dat dit stuk uit de procedure wordt geweerd. 26 ’ ‘De Raad stelt vast dat de bijkomende overtuigingsstukken en de aanvullende argumentatie zijn bezorgd aan de verwerende partij bij brief van 4 augustus 2007. Verwerende partij diende tegen 10 augustus 2007 een antwoordnota in te dienen. Ze heeft tijdig kunnen kennis nemen van dit aanvullend dossier en haar naar behoren kunnen verdedigen. 27 ’ -‘ Dat de verzoekende partij niet eerder kennis zou hebben van het volledige examenreglement is niet aannemelijk. Hetzelfde geldt voor de ECTS fiches. Het aanvullende verzoekschrift bevat bovendien vooral bijkomende juridische argumenten, die ofwel in het oorspronkelijke verzoekschrift, ofwel, voor zover ze reeds in het oorspronkelijke verzoekschrift besloten waren, in de wederantwoordnota hadden kunnen worden opgenomen. 28 ’ -‘Niets belette de verzoekende partij om het onderwijs- en examenreglement 2006-2007 in te roepen in haar intern beroep en daarna in het beroep bij de Raad. Argumenten geput uit dit reglement die voor het eerst in de werderantwoordnota worden geformuleerd zijn derhalve laattijdig en onontvankelijk. 29 ’ 4.1.3. Regelmatig ingesteld en uitgeput intern beroep 1. De Raad gaat voorafgaandelijk telkens ambtshalve na of een intern beroep werd ingesteld. Een beroep bij de Raad is zonder meer niet ontvankelijk indien het intern beroep niet is ingesteld 30 . Als de instelling geen beslissing op intern beroep neemt binnen de termijn van 15 kalenderdagen, kan de student rechtstreeks naar de Raad stappen. Het decreet bepaalt dat bij het achterwege blijven van een beslissing op intern beroep de vervaltermijn van vijf dagen begint te lopen de dag na het verstrijken van de termijn van 15 kalenderdagen 31 . De Raad heeft zich nog duidelijk uitgesproken over de vraag of een buiten deze termijn genomen beslissing op intern beroep nog als een rechtmatige beslissing op intern beroep dient beschouwd te worden. De Raad besliste in dit verband: “Zelfs in de veronderstelling dat de brief van 6 juli 2007 als een geldig intern beroep moet worden beschouwd, moet worden vastgesteld dat de instelling niet binnen de decretaal bepaalde termijn van 15 kalenderdagen een besluit heeft genomen, en dat vervolgens geen 25

Raad, nr. 2007/007 Raad, nr. 2007/018 27 Raad, nr. 2007/018 28 Raad, nr. 2007/012 29 Raad, nr. 2007/061 30 Artikel II.15 Aanvullingsdecreet; Raad nr.2007/003, 038 31 Aanvullingsdecreet artikel II.24 en II.14 26

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

18


beroep bij de Raad werd ingesteld binnen de 5 kalenderdagen na het verstrijken van de vermelde termijn van 15 kalenderdagen. Het huidige beroep bij de Raad kan dus zeker niet voortbouwen op de brief van 6 juli 2007. 32 ” Zoals de decreetgever bij de wijze waarop het verzoekschrift wordt ingediend overdreven formalisme heeft willen verhinderen, geldt dit naar analogie ook wat het instellen van het intern beroep betreft. De Rechtspraak van de Raad luidt wat dit betreft: “In het geval dat de verzoekende partij kiest voor een vorm van beroep die niet door het reglement wordt bepaald, draagt zij wel de bewijslast dat het beroep (1) tijdig, (2) volledig en (3) naar behoren ter kennis is gebracht van de instelling.” Zo besliste de Raad in een zaak dat er wel degelijk intern beroep was ingesteld en dat de genomen beslissing dient beschouwd te worden als een beslissing op intern beroep 33 . In een andere zaak 34 waar de vraag werd gesteld of een brief kon beschouwd worden als een beslissing op intern beroep werd als volgt beslist: “Om na te gaan of een brief kan gelden als intern beroep moet gelet worden op de bedoeling ervan. In dit geval heeft de verzoekende partij in de brief van 24 september 2007 duidelijk gesteld het niet eens te zijn met de hiervoor vermelde evaluaties. De verwerende partij kon zich niet vergissen over de draagwijdte ervan, namelijk dat het om een intern beroep ging.” 2. Meerdere besluiten in het werkjaar 2007 betroffen de regelmatigheid van het interne beroep dat werd ingesteld door de verzoekende partij. Als de vraag over de regelmatigheid van het intern beroep van de zaak zich stelt dan wordt deze telkens bij de ‘grond’ van de zaak behandeld 35 . Deze beroepen worden derhalve wel ontvankelijk verklaard maar de al dan niet regelmatigheid van het beroep wordt bij de grond van de zaak onderzocht en leidt in voorkomend geval tot een niet gegrond beroep. De Raad hanteert in haar besluiten de volgende formulering: ‘Of het besluit op intern beroep, dit beroep, terecht onontvankelijk heeft verklaard wordt hierna bij de beoordeling van de grond van de zaak onderzocht.’ Zoals hoger reeds aangehaald wordt de niet tijdigheid van het intern beroep dit werkjaar meermaals door de instelling ingeroepen. Studenten overtreden meermaals de decretaal ingestelde termijn van vijf kalenderdagen ingaand, ingeval van een examenbeslissing, de dag na de proclamatie 36 . Dit heeft zeer waarschijnlijk te maken met het feit dat in de ‘initiële’ beslissingen studenten niet uitdrukkelijk op hun beroepsmogelijkheid en de vervaltermijn worden gewezen. Het betreft bovendien een zeer korte termijn. Vooral wat het interne beroep betreft komt het voor dat studenten vaak eerst aankloppen bij de ombudsman en/of door omstandigheden de termijn laten voorbij gaan. Uit de ingediende verzoekschriften blijkt dat studenten niet altijd goed worden ingelicht over de te volgen procedure. Als de onderwijs- en examenregeling duidelijk is gaat de Raad er 32

Raad, nr. 2007/035 Raad, nr. 2007/088 34 Raad, nr. 2007/074 35 Raad, nrs. 2007/008, 025, 031, 035, 037, 049, 057, 071, 074, 080, 081, 089 36 Artikel II.13 Aanvullingsdecreet 33

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

19


echter van uit dat de student hiervan heeft kunnen kennis nemen en dus op de hoogte hoort te zijn van de te volgen procedure. Meerdere beroepen bij de Raad betreffen de al dan niet tijdigheid van het intern beroep 37 : - In een zaak stelde verzoekende partij een intern beroep op grond van een in het onderwijsreglement vastgestelde procedure die niet conform was met het decreet. In dit reglement staat dat een beroep kan aangetekend worden de vierde werkdag volgend op de dag waarop de bekendmaking plaatsvond. Verwerende partij riep de niet tijdigheid van het beroep in.‘ De Raad stelde : ‘dit reglement kan niet ingeroepen worden tegen een uitdrukkelijke decretale bepaling die een vervaltermijn instelt.’ - In één zaak 38 riep de verzoekende partij in dat de beslissingen op intern beroep niet tijdig – binnen de decretaal bepaalde termijn van 15 dagen- was ter kennis werd gebracht . ‘Uit de voorgelegde stukken blijkt dat het universiteitsbestuur de beslissing aan verzoeker per e-mail heeft medegedeeld op 11 december 2007 om 21.18u, dit is binnen de daartoe voorziene termijn. Het examenreglement bepaalt overigens niet op welke wijze de bekendmaking moet gebeuren. De Raad acht de bekendmaking per e-mail in voorliggend geval als een voldoende kennisgeving.’ - Met proclamatie wordt bedoeld de officiële bekendmaking van de resultaten. Het examenreglement van de instelling bepaalt dat studenten verplicht moeten aanwezig zijn op de proclamaties. De resultaten worden na proclamatie via de elektronische leeromgeving bekendgemaakt. In casu werd de examenbeslissing aan verzoekende partij geproclameerd op12 september 2007. Verzoekende partij stelt dat zij voorafgaand verwittigd heeft dat zij wegens vakantie niet kon aanwezig zijn op de proclamatie en dat de resultaten haar pas op 20 september 2007 zijn bekendgemaakt. De Raad stelt dat de reden die verzoekende partij aangeeft niet kan beschouwd worden als overmacht (zie ook in dit verband het besluit van de Raad met rolnummer 2007/025). In verband met een gebrek bij de bekendmaking van de examenbeslissingen oordeelde de Raad: -‘In een eerste middel stelt de verzoekende partij dat het examenresultaat niet werd meegedeeld overeenkomstig artikel 44 van het examenreglement. Gebreken in de bekendmaking hebben behoudens andersluidende regelgeving, wat hier niet het geval is, geen invloed op de rechtmatigheid van de bekendgemaakte beslissing. Gebreken in de bekendmaking kunnen mogelijk gevolgen hebben voor wat betreft het instellen van beroepen tegen dergelijke beslissingen, maar in dit geval blijkt dat de verzoekende partij het beroep bij de Raad heeft kunnen instellen, en zij toont niet aan dat zij daarbij gehinderd is geweest door de beweerde gebreken in de bekendmaking. Het middel is niet gegrond. 39 ’ Andere beslissingen die het intern beroep betreffen:

37

Raad, nrs. 2007/025, 031, 049, 057, 071, 081 Raad, nr. 2007/089 39 Raad, nr. 2007/083 38

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

20


- In één zaak 40 vroeg de instelling een intern beroep als onontvankelijk te beschouwen omdat het was ingesteld via elektronische post en bij de voorzitter van de examencommissie wat niet volgens de voorschriften van het examenreglement was gebeurd. De Raad stelde dat: “Eerdere rechtspraak van de Raad stelt dat “In het geval dat de verzoekende partij kiest voor een vorm van beroep die niet door het reglement wordt bepaald, zij wel de bewijslast draagt dat het beroep (1) tijdig, (2) volledig en (3) naar behoren ter kennis is gebracht van de instelling.” Gezien het intern beroep als ontvankelijk werd beschouwd kan hieruit geconcludeerd worden dat het intern beroep wel degelijk naar behoren is ter kennis gebracht en derhalve als regelmatig en ontvankelijk dient beschouwd te worden.” - In een aantal verzoeken wordt de ‘partijdigheid’ van het beslissingsorgaan in intern beroep in vraag gesteld 41 . De Raad besliste ondermeer: “Het argument dat de interne beroepsinstantie rechter en partij zou zijn wordt niet onderbouwd en is ongegrond. De Raad merkt verder op dat het feit dat de examencommissie en de interne beroepsinstantie tot dezelfde instelling behoren niet als zodanig tot de conclusie leidt dat de interne beroepsinstantie niet onafhankelijk en onpartijdig zou zijn.” - Een zaak 42 betrof de vraag of het beroep bij het bevoegd orgaan was ingesteld. De Raad besliste: “De Raad stelt vast dat de desbetreffende artikelen van het onderwijs- en examenreglement, zoals dit van toepassing was in het academiejaar 2005-2006, op zodanige wijze waren geformuleerd dat de student redelijkerwijze kon twijfelen bij wie het intern beroep ontvankelijk diende te worden ingediend. De onduidelijkheid over het reglement dat van toepassing was kan derhalve niet worden aangerekend aan de verzoekende partij.” 4.1.4. Ontvankelijkheid inzake voorwerp 43 1. De Raad gaat ambtshalve na of de ingestelde beroepen binnen zijn bevoegdheid vallen. Ook de instellingen hebben meermaals de onontvankelijkheid van een verzoek ingeroepen op grond van de niet- bevoegdheid van de Raad naar voorwerp. 2. Meerdere zaken betreffen een betwisting over de classificatie van een bepaalde beslissing als studievoortgangsbeslissing, waarvoor de Raad bevoegd is. De bevoegdheid van de Raad is decretaal strikt afgelijnd. De Raad is bevoegd voor het beoordelen van studievoortgangsbeslissingen. Artikel II.1, 15° bis, bepaalt limitatief voor welke studievoortgangsbeslissingen de Raad bevoegd is. In die zin besliste de Raad in een zaak dat ondanks de vermelding van de beroepsmogelijkheid bij de Raad door de instelling de betreffende beslissing geen studievoortgangsbeslissing betrof waarvoor de Raad bevoegd is. In voorkomend

40

Raad, nr. 2007/ 063 Raad, nrs. 2007/037, 087 42 Raad, nr. 2007/008 43 Raad, nrs. 2007/003, 006, 007, 061, 068, 086, 087, 089 41

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

21


geval betrof het een betwisting over de samenstelling van het studieprogramma dat aan een student was opgelegd 44 . 3. Hierna volgen enkele voorbeelden uit de rechtspraak van de Raad: - ‘Tot slot vraagt verzoekende partij dat de Raad aan de universiteit de verplichting zou opleggen de gevraagde vrijstelling te verlenen en haar vervolgens geslaagd te verklaren. De Raad kan hierop niet ingaan daar hij in deze aangelegenheden niet bevoegd is. 45’ - ‘De Raad verstaat deze vragen als een verzoek om de instelling te bevelen de vermelde gegevens mee te delen. Daarvoor is de Raad niet bevoegd. De verzoekende partij vraagt de Raad om (6) het betreffende ‘werk’ als voldoende te beoordelen. De Raad kan enkel een beslissing vernietigen en opnieuw doorverwijzen naar de bevoegde instantie voor een nieuwe beslissing onder door de Raad te bepalen voorwaarden. 46 ’ - ‘De Raad heeft toetsingsbevoegdheid wat betreft examentuchtbeslissingen (artikel II.15 van het decreet). Een examentuchtbeslissing, zoals gedefinieerd in artikel II.1,6° van hetzelfde decreet betreft ‘elke sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten’. Het voorwerp van voorliggend verzoekschrift betreft een sanctie opgelegd naar aanleiding van een stage. Conform het stagereglement van de instelling wordt het niet-toegelaten worden tot de stage op basis van een weigering door de stageschool beschouwd als een niet volbrachte stage en resulteert in een ongewettigde afwezigheid voor de stage. Ongewettigde afwezigheid wordt gesanctioneerd met een ‘afwezig’ voor de opleidingsonderdelen stage gemeenschappelijk en stage specifiek. De betreffende tuchtsanctie heeft rechtstreeks tot gevolg dat verzoekende partij niet geslaagd is voor het opleidingsonderdeel stage gemeenschappelijk en stage specifiek en kan daarom beschouwd worden als een examentuchtbeslissing. 47 ’ - ‘De Raad stelt vast dat met betrekking tot het opleidingsonderdeel Stage 1 en Professionalisering 1 nog geen studievoortgangsbeslissing werd genomen in de zin van het Aanvullingsdecreet. De tussentijdse evaluaties kunnen niet beschouwd worden als een studievoortgangsbeslissing. Wat betreft de tuchtmaatregel (uitsluiting van deelnemen gedurende één week aan de opleidingsactiviteiten Stage 1 en Professionalisering 1) stelt de Raad vast dat dit geen examentuchtbeslissing is in de zin van het Aanvullingsdecreet. De Raad is derhalve niet bevoegd om over de aangevochten beslissing uitspraak te doen. 48 ’ - ‘In een laatste middel vraagt verzoekende partij om de universiteit de verplichting op te leggen verzoeker geslaagd te verklaren. De Raad kan hierop evenmin ingaan daar hij daartoe niet bevoegd is.’ - ‘In een volgend middel vraagt verzoekende partij de herziening van de beslissing van de Raad nr. 2007/072 van 3 december 2007 waarbij het beroep van verzoekende partij tegen de examenbeslissing zonder voorwerp werd verklaard. De Raad kan op de vraag tot herziening, 44

Raad, nr. 2007/086 Raad, nr. 2007/087 46 Raad, nr. 2007/068 47 Raad, nr. 2007/007 48 Raad, nr. 2007/006 45

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

22


wat de examenbeslissing betreft, niet ingaan daar hij niet bevoegd is zijn eigen beslissingen te herzien.’ - ‘Het derde middel heeft bijna uitsluitend betrekking op het examen voor de module NKO van de eerste zittijd, en is in zoverre wegens laattijdigheid en niet gebruik van intern beroep onontvankelijk 49 .’ 4. Verhouding tussen oorspronkelijke beslissing en intern beroep De Raad stelt dat het inherent is aan de procedure, zoals deze werd uitgewerkt in artikelen II.21 tot en met artikel II. 23 van het Aanvullingsdecreet, dat de beslissing op intern beroep samen met de initiële examenbeslissing voorwerp uitmaakt van het beroep bij de Raad. Soms is een beroep gericht is tegen uitsluitend de initiële beslissing of uitsluitend de beslissing op intern beroep. In de meeste verzoekschriften worden beide beslissingen aangehaald. Tot nu vernietigt de Raad in voorkomend geval beide beslissingen als dit uitdrukkelijk in het voorwerp wordt aangeduid. Ingeval een nieuwe beslissing dient genomen te worden vermeldt de Raad in zijn besluit dat deze door de binnen de instelling ‘bevoegde instantie’ moet worden genomen. Dit kan al naargelang het reglement voorschrijft een specifiek daartoe opgerichte interne beroepsinstantie zijn of de examencommissie die ook de initiële examenbeslissing heeft genomen. De procedures op intern beroep zijn zeer verscheiden en vaak ook complex uitgewerkt. De decreetgever geeft autonomie aan de instellingen met uitzondering van de beroepstermijnen. De Raad heeft reeds in zijn vroegere uitspraken bepaald dat niets de instelling ervan weerhoudt om een intern beroep in een getrapte wijze in te stellen waarbij het dossier opnieuw doorverwezen wordt naar de initieel ingestelde examencommissie voor het nemen van een nieuwe beslissing ten gronde. In de rechtspraak van de Raad zijn meerdere voorbeelden waartoe de complexe organisatie van het interne beroep kan leiden 50 . ‘Verwerende partij stelt dat verzoekende partij uitsluitend de beslissing op intern beroep d.d. 26 september 2007 betwist die het beroep tegen de initiële examenbeslissing van 13 september 2007 heeft afgewezen. Verwerende partij stelt dat het verzoekschrift gezien het zich beperkt tot deze beslissing op intern beroep onontvankelijk is wegens gebrek aan belang. De Raad 51 stelt dat de beslissing op intern beroep zoals bepaald in artikel II.13 van het Aanvullingsdecreet op zich geen studievoortgangsbeslissing is zoals opgesomd in II.1 15° bis en enkel samen met de initiële examenbeslissing voorwerp uitmaakt van het beroep bij de Raad. Dit is inherent aan de procedure zoals deze is uitgewerkt in het Aanvullingsdecreet 52 . Voorliggend verzoek moet dus gelezen worden als een beroep tegen beide beslissingen.’ Een aantal instellingen volgen de regel van de devolutieve werking van het intern beroep zoals deze in de rechtspraak van de Raad van State wordt toegepast. Hierna

49

Raad, nr. 2007/061 Raad, nr. 2008/080 51 Raad, nr. 2006/032 52 Raad, nr. 2008/063 50

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

23


volgt in die zin de argumentatie van de instelling opgenomen in de antwoordnota ingediend bij een verzoekschrift 53 : ‘Het extern beroep is onontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de beslissing van de Examencommissie d.d. 29 november 2007. Tegen die beslissing werd immers intern beroep ingesteld bij de Interne Beroepscommissie. Het gaat om een administratief beroep. Typisch voor een georganiseerd beroep is de devolutieve werking ervan. Deze devolutieve werking houdt in dat door het administratief beroep het dossier integraal bij de beroepsinstantie terechtkomt, die het in al zijn aspecten opnieuw dient te onderzoeken en een nieuwe beslissing moet nemen die in de plaats komt van de beslissing van de instantie die in eerste administratieve aanleg bevoegd was om over het dossier te beslissen. Het besluit dat in eerste administratieve aanleg is genomen, wordt geacht niet meer te bestaan, en kan dus ook niet meer het voorwerp uitmaken van een beroep bij een rechterlijke instantie – i.c. de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen).’

4.1.5. Onontvankelijkheid op grond van afstand van beroep In een aantal zaken doet de student uitdrukkelijk afstand van zijn beroep. Deze beroepen worden dan zonder voorwerp verklaard. Afstand van beroep kan niet vermoed worden maar dient uitdrukkelijk te gebeuren. In 7 zaken werden tijdens het werkjaar 2007 de beroepen zonder voorwerp 54 verklaard. Deze zaken betreffen examenbeslissingen en in één geval een beslissing tot weigering van een inschrijving 55 . Het betreft dan studenten die in de loop van de procedure met de instelling tot een oplossing zijn gekomen; studenten die intussen geslaagd zijn; een andere instelling /of opleiding hebben gevonden en geen belang meer hebben bij een verdere behandeling. Telkens deden de partijen expliciet afstand van hun beroep. In één zaak bleek tijdens de zitting dat naar aanleiding van het interne beroep een nieuwe initiële beslissing is genomen waartegen de verzoekende partij opnieuw een intern beroep aantekende dat nog lopende was 56 . Deze zaak werd nadien opnieuw ingeleid. In één zaak kwamen de partijen na uitstel tijdens een eerste zitting tot een onderhandelde oplossing. De examenbeslissing werd tussen de twee zittingen door een andere beslissing vervangen waar beide partijen zich konden in vinden 57 . De verzoekende partij werd als geslaagd verklaard voor het betreffende opleidingsonderdeel. Nog in een zaak werd de betwiste examenbeslissing in de loop van de procedure vervangen door een nieuwe examenbeslissing waartegen de betreffende student later een nieuw verzoekschrift indiende 58 .

53

Raad, nr. 2008/001 Raad, nrs. 2007/020, 047, 054, 058, 072, 077, 079 55 Raad, nr. 2007/077 56 Raad, nr. 2007/054 57 Raad, nrs. 2007/058 58 Raad, nrs. 2007/072 54

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

24


4.1.6. Onontvankelijkheid wegens gebrek aan belang 59 In meerdere verzoeken wordt door de instelling een gebrek aan belang ingeroepen. Voorzover deze vraag ook de bevoegdheid van de Raad aanbelangt, onderzoekt de Raad deze vraag ook ambtshalve. Hierna volgt de belangrijkste rechtspraak: - ‘Het recht op een verdere inschrijving werd haar geweigerd. Verzoekende partij tekende geen beroep aan tegen deze studievoortgangsbeslissing zodat deze uitvoerbaar is en bijgevolg verzoekende partij niet opnieuw kan toegelaten worden tot het afleggen van examens of het zich opnieuw inschrijven aan de instelling. De Raad stelt dat het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking zoals bepaald in artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet, in voorkomend geval een weigering van inschrijving, enkel geldt binnen een bepaalde opleiding en instelling. Verzoekende partij kan evenwel opnieuw toegelaten worden om zich in te schrijven in een andere instelling en/of opleiding. Het is bovendien niet uitgesloten dat de verwerende partij zelf beslist om de verzoekende partij opnieuw in te schrijven, mocht blijken dat het huidige beroep gegrond is. In die zin heeft zij wel degelijk belang om de examenbeslissing aan te vechten met het oog op het behalen van credits. 60 ’ - ‘Zonder in te gaan op de andere ontvankelijkheidsvereisten, beslist de Raad dat minstens op grond van het ontbreken van een actueel belang het beroep niet ontvankelijk is. Uit het dossier blijkt namelijk dat verzoekende partij inmiddels op 18 december een nieuw examen aflegde en deze keer met succes. Bij beslissing van 18 december 2006 werd zij geslaagd verklaard. Verzoekende partij heeft bijgevolg geen voldoende belang meer bij de behandeling van het beroep.’ - ‘De instelling houdt voor dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de nagestreefde vernietiging, omdat de resultaten voor de opleidingsonderdelen die zij in de derde examenperiode heeft afgelegd van die aard zijn dat zij daarvoor geen credit kon krijgen, zodat de vernietiging van de opgelegde sanctie haar geen voordeel bijbrengt. Een persoon aan wie een disciplinaire sanctie wordt opgelegd heeft in ieder geval minstens een moreel belang om de sanctie te betwisten. De exceptie van de instelling is niet gegrond 61 .’ - ‘De Raad stelt dat verzoekende partij belang heeft om zijn intern beroep met betrekking tot het opleidingsonderdeel ‘Stage’ - waarvan het resultaat reeds was vastgesteld in de tweede examenperiode - pas in te stellen na de derde examenperiode gezien de quotering tijdens de junizittijd voor de ‘Stage’ integrerend deel uitmaakt van de globale evaluatie in september. Het resultaat voor het opleidingsonderdeel ‘Stage’ is immers bepalend voor het toepassen van de deliberatieregels, rekening houdend met alle resultaten die pas in de derde examenperiode definitief zijn vastgesteld62 .’ -‘….en verder dat een wijziging van het betwiste cijfer geen invloed zou hebben op het jaarresultaat, aangezien dat ook met een hoger cijfer nog “onderscheiding” zou zijn gebleven…..

59

Raad, nr. 2007/002, 028, 056, 059, 061 Raad, nr. 2008/061 61 Raad, nr. 2008/059 62 Raad, nr. 2007/056 60

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

25


De betwiste beslissing is een examenbeslissing en de verzoekende partij stelt terecht dat het niet uitgesloten is dat de toegekende quotering eventuele vrijstellingen voor toekomstige studies in het gedrang kan brengen. Verzoekende partij beschikt over het vereiste belang. 63 ’ 4.1.7. Onontvankelijkheid wegens het niet naleven van de taalvoorschriften Tijdens het werkjaar 2007 werden ook verzoekschriften van buitenlandse studenten behandeld die in een anderstalige opleiding waren ingeschreven. De taal van de procedure van de Raad is het Nederlands 64 . De taalregeling houdt concreet in dat gevraagd wordt om de specifieke proceduredocumenten in het Nederlands op te stellen. De Raad stelt dat een vertaling van het verzoekschrift in de loop van de procedure in geval zoals in voorliggende zaak bleek geen schending in te houden van de rechten van verdediging, en geen reden is om het beroep niet ten gronde behandelen 65 .

63

Raad, nr. 2007/028 Artikel 14 van het Huishoudelijk Reglement 65 Raad, nr. 2007/003 64

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

26


4.2. Gegrondheid In 2007 werd er een merkelijk hoger aantal zaken ingeleid. Zoals uit de hiervoor weergegeven tabel blijkt ligt het aantal ‘gegronde’ zaken in de lijn van vorig jaar. De in de voetnoot aangeduide gegronde uitspraken zijn te raadplegen op basis van de rolnummers op de webstek van de Raad 66 . Enkele algemene vaststellingen: - In de besluiten werd veelvuldig benadrukt dat het de Raad niet toekomt zijn appreciatie in de plaats te stellen van die van de examencommissie of de bevoegde instantie. Nog steeds bestaat het misverstand bij heel wat studenten dat de bevoegdheid van de Raad veel verder reikt en dat de Raad in de plaats van de instelling een nieuwe studievoortgangbeslissing kan nemen. Hij kan de bestreden beslissing vernietigen wanneer zij in strijd is met de decretale en reglementaire bepalingen, de onderwijs- en examenregeling en de algemene administratieve beginselen of wanneer een beslissing ‘kennelijk onredelijk’ is 67 . In meerdere besluiten moet de Raad studenten hierop wijzen 68 . - De Raad diende in 2007 geen enkele maal op te leggen dat de student in afwachting van een nieuwe beslissing voorlopig moest ingeschreven worden 69 . Slechts uitzonderlijk wordt dit gevraagd. Studenten kunnen zich meestal gewoon opnieuw inschrijven ondanks de hangende procedure. In functie van de beslissing wordt hun studiecontract nadien aangepast. Vaak opteren ze wel voor een andere instelling. - De Raad beoordeelt soeverein of hij al dan niet in gaat op een vraag om getuigen te horen. Enkel wanneer een getuigenis noodzakelijk is om tot een beslissing te komen wordt een verzoek ingewilligd. Het afgelopen werkjaar heeft de Raad het in geen geval noodzakelijk geacht om in te gaan op deze vraag 70 . Een voorbeeld uit de rechtspraak: “Verzoekende partij vraagt in haar verzoekschrift om twee personen als getuigen op te roepen die meer details over het vervullen van opdrachten zoals beschreven in het programma van het opleidingsonderdeel stage kunnen verstrekken. Zoals hierna zal blijken acht de Raad het niet nodig deze getuigen te horen.” De Raad kan ook ingeval hij het noodzakelijk acht om tot een beslissing te komen zelf getuigen oproepen om de zaak verder te kunnen onderzoeken. Dit is het afgelopen werkjaar in twee gevallen gebeurd 71 Deze zaken werden dan gespreid over twee zittingsdagen behandeld. Een voorbeeld uit de rechtspraak:

66

Raad, nrs. 2007/004, 005, 008, 009, 010, 012, 015, 016, 018, 019, 022, 024, 027, 028, 029, 030, 032, 033, 034, 036, 042, 043, 044, 046, 048, 051, 053, 060, 064, 066, 069, 074, 075, 082 67 Artikel II.21, Aanvullingsdecreet 68 Raad, nrs. 2007/018, 023, 033, 041, 050, 052, 063, 075, 087, 089,… 69 Artikel II.21, Aanvullingsdecreet 70 Raad, nr. 2007/001, 064, 069 71 Raad, nr. 2007/011, 084

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

27


‘Om die reden is de Raad van oordeel dat, vooraleer een beslissing te kunnen nemen, aan de Raad toelichting dient te worden verstrekt door de auteur van het e-mailbericht van ……en door diegene die de kopij van verzoekende partij heeft verbeterd en geëvalueerd.’ - De Raad kan ook voorwaarden 72 , inzake de organisatie van het examen of inzake de motieven die bij het nemen van de beslissing moeten worden betrokken, verbinden aan het nemen van een nieuwe beslissing. In verschillende besluiten neemt de Raad overwegingen op in het licht waarvan een nieuwe beslissing moet worden genomen. Als een beslissing werd vernietigd, stelde de Raad telkens een vrij korte termijn vast waarbinnen een nieuwe beslissing dient te worden genomen. - Artikel II.37 van het Aanvullingsdecreet bepaalt dat de Raad op alle opmerkingen van de partijen die de aan het geschil te geven oplossing beïnvloeden antwoordt. Als een beslissing wordt vernietigd volstaat in principe dat het middel dat leidt tot de vernietiging wordt beantwoord. Voorbeelden uit de rechtspraak: - ‘De verzoekende partij stelt dat de gegrondheid van het eerste middel de gegrondheid van de andere middelen impliceert. Dat is niet zo. Maar daar die middelen een ruimere vernietiging tot gevolg kunnen hebben worden ze hierna besproken. 73 ’ - ‘Het middel is gegrond. De andere middelen kunnen tot geen ruimere vernietiging leiden en dienen niet te worden onderzocht. Om dezelfde reden is het overbodig om de getuigen te horen die verzoekende partij heeft voorgesteld. 74 ’ Ingedeeld volgens de verschillende soorten studievoortgangsbeslissingen, die reeds voorwerp zijn geweest van een verzoekschrift, wordt de belangrijkste rechtspraak van de Raad hieronder weergegeven. 4.2.1. Beroep tegen een examenbeslissing Het grootste gedeelte van de aanhangig gemaakte beroepen (68 beroepen) betreffen nog steeds examenbeslissingen. Hierna worden enkele middelen besproken die aanleiding hebben gegeven tot specifieke rechtspraak in 2007: samenstelling van de examencommissie; onpartijdigheid; recht op gehoor; gebrekkige motivering; gebrekkige begeleiding; de gehanteerde deliberatie- en evaluatiemethodes. Verder wordt ingegaan op de stagebeoordelingen die voorwerp waren van een geschil en worden een aantal specifieke besluiten weergegeven. Samenstelling van de examencommissie 75 In verschillende zaken werd de regelmatigheid van de samenstelling van de examencommissie door studenten betwist. De Raad gaat telkens na of de in het reglement bepaalde regeling werd nageleefd en de samengestelde jury voldoende 72

Artikel II.24 Aanvullingsdecreet Raad, nr. 2007/005 74 Raad, nr. 2007/069 75 Raad, nr. 2007/039 73

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

28


representatief is. In artikel 78, 4° van het Structuurdecreet van 4 april 2003 wordt aan de instellingen opgelegd om in hun onderwijsreglement op te nemen de wijze waarop de representativiteit van de samengestelde examencommissie wordt gegarandeerd. De Raad besliste in dit verband dat de aanwezigheid van de meerderheid van de leden van de examencommissie volstaat ondanks het feit dat het examenreglement bepaalde dat alle leden dienen aanwezig te zijn, behoudens overmacht. Een voorbeeld uit de rechtspraak (in het betreffende geval waren twee leden niet aanwezig): - ‘De draagwijdte van artikel 20 van het examenreglement is dat het voor elk lid van de examencommissie een deontologische plicht is om aanwezig te zijn op de vergaderingen van de examencommissie, maar niet dat de examencommissie niet kan beslissen als niet elk lid (behoudens overmacht) aanwezig is. Dat zou immers betekenen dat elk afzonderlijk lid van de commissie het in zijn macht zou hebben te beletten dat de examencommissie gelijk welke beslissing kan nemen, gewoon door afwezig te blijven. Een zo ver strekkende interpretatie van artikel 20 van het reglement is niet verzoenbaar met het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst. Het volstaat dat de meerderheid van de leden van de examencommissie aanwezig is, wat hier het geval was.’ - ‘Het is evident dat dit nieuw samengesteld orgaan, om die beslissing te kunnen nemen, diende te beschikken over een ontwerp en de daarmee gepaard gaande toelichting door de verzoekende partij. Alleen in die omstandigheden zou de nieuwe jury als collegiaal orgaan een beslissing kunnen nemen over het betwiste gedeelte van het opleidingsonderdeel. Het wordt niet betwist dat verzoekende partij geen ontwerp heeft ingediend en zich evenmin bij de jury heeft aangeboden op het daartoe gestelde tijdstip. Het is in die omstandigheden niet onredelijk dat de examencommissie de beslissing heeft genomen die het voorwerp is van het huidig beroep. 76 ’ Onpartijdigheid 77 Studenten vragen meermaals de vernietiging van een studievoortgangsbeslissing op grond van partijdigheid of vooringenomenheid van de examencommissie, de docent of de commissie samengesteld ingeval van intern beroep. Uit de rechtspraak blijkt dat het aantonen van zijn gelijk in dit verband zeer moeilijk is. De Raad gaat er van uit dat een vermoeden van deskundigheid en objectiviteit kleeft aan de hoedanigheid van examinatoren 78 . Enkele voorbeelden uit de rechtspraak: - ‘Verzoeker acht vervolgens het onpartijdigheidsbeginsel geschonden “gezien de samenstelling van de commissie” en “gezien de uitlatingen dat werkstudenten meer faciliteiten hebben (dan) de gewone studenten”. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de Interne Beroepscommissie die het beroep van verzoeker heeft behandeld, bestond uit leden die niet betrokken waren bij de bestreden examenbeslissing. De Raad ziet niet in waaruit de schending van het onpartijdigheidsbeginsel zou bestaan. De Raad kan evenmin aannemen dat

76

Raad, nr. 2007/001 Raad, nr. 2007/021, 087, 089 78 Raad, nr. 2007/026 77

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

29


het onpartijdigheidsbeginsel zou geschonden zijn door de enkele verklaring dat werkstudenten meer faciliteiten hebben dan gewone studenten. 79 ’ - ‘De Raad ziet vervolgens niet in dat het onpartijdigheidsbeginsel zou geschonden zijn door het enkele feit dat leden van de Interne Beroepscommissie, o.m. de vice-rector en de directeur onderwijsaangelegenheden, bepaalde mailberichten voor kennisgeving zouden ontvangen hebben m.b.t. de beroepen die verzoekende partij heeft ingesteld. De Raad is om die redenen van oordeel dat het onpartijdigheidsbeginsel niet werd geschonden. 80 ’ - ‘Vervolgens stelt de verzoekende partij dat zij met vooringenomenheid werd behandeld, wat zij toeschrijft aan het feit dat haar functiebeperkingen niet naar behoren werden meegedeeld. Er moet worden vastgesteld dat de woorden van de jury van het eindwerk, (“men niet zulke goede presentatie van mij verwacht had en dat men hiervan zeer tevreden was”, aldus de verzoekende partij) zich redelijkerwijze eerder laten verklaren doordat de jury juist wel kennis had van de functiebeperking van de verzoekende partij veeleer dan het omgekeerde. 81 ’ In één geval legde de Raad een herstelmaatregel op die er uit bestond dat een nieuw proef diende afgenomen te worden voor een volledig anders samengestelde jury - ‘Dat vervolgens niet wordt betwist dat een lid van de jury voor de aanvang van de mondelinge proef uitlatingen heeft gedaan aan het adres van de student die door de student zouden kunnen begrepen worden als een vooringenomenheid. Om elke schijn van vooringenomenheid of partijdigheid weg te nemen wordt door de Raad een herstelmaatregel opgelegd.’ Recht op gehoor In meerdere zaken werd aanvullend door de studenten de klacht geformuleerd dat zij onvoldoende zijn gehoord. Dit betreft vaak een bezwaar dat in het kader van een interne beroepsprocedure wordt opgeworpen, 82 . De Raad beslist meermaals dat het ‘recht op gehoor’ niet is geschonden wanneer het schriftelijk dossier voldoende informatief is. - ‘…De Raad stelt vast dat de procedure in beroep voor de Interne Beroepscommissie niet voorziet in de verplichting om de student te horen en dat het aannemelijk is dat de Interne Beroepscommissie bij de behandeling van het beroep van oordeel was dat zij voldoende was voorgelicht door het schriftelijk verweer van verzoekende partij. De Raad acht de hoorplicht te dezen niet geschonden. 83 ’ - ‘De algemene onderwijsregeling van de verwerende partij, bepaalt niet dat een student die verzoekt om een derde of volgende inschrijving gehoord moet worden door de departementsraad of door het departementshoofd. De toepasselijke regelgeving bepaalt wel dat de betrokken student die om een derde of volgende inschrijving verzoekt een gemotiveerde schriftelijke aanvraag indient bij het departementshoofd. De verzoekende partij is in de gelegenheid geweest om haar argumenten voor het verkrijgen van een toelating voor een 79

Raad, nr. 2007/089 Raad, nr. 2007/089 81 Raad, nr. 2007/083 82 Raad, nr. 2007/060, 085, 087, 089 83 Raad, nr. 2007/087 80

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

30


derde inschrijving uitvoerig uiteen te zetten. Onder die omstandigheden moest zij niet nog eens gehoord worden door de departementsraad of het departementshoofd. In een geval vernietigde de Raad een beslissing omdat de student niet was gehoord in het kader van het interne beroep. Het onderwijsreglement van de instelling bepaalde dat de coördinator Studentenbeleid alle betrokken partijen hoort en in elk geval de student. - ‘Nochtans zou de toepassing van het hoorrecht in voorliggende zaak, mede gelet op de door verzoekende partij naar voor gebrachte onduidelijkheden met betrekking tot de examenkopij, hebben kunnen leiden tot een zorgvuldiger en correctere feitengaring en besluitvorming … De Raad beslist dat in deze zaak de hoorplicht bij de uitoefening van het intern beroep is geschonden en dat het beroep in die mate gegrond is omdat in de gegeven omstandigheden de Raad niet beschikt over de vereiste gegevens om de middelen van verzoekende partij te beoordelen noch of de genomen beslissing berust op feitelijk correcte gegevens. 84 ’ Gebrekkige motivering 85 Dit middel (formele en materiële motiveringsplicht) maakt voorwerp uit van de meeste verzoekschriften. Of een motivering afdoende is hangt samen met de aard van het examen. Ingeval van een kennisexamen volstaat in principe vermelding van de quotering en de verwijzing naar de deliberatiecriteria. Ingeval van examenbeslissingen over een stage is het uitsluitend weergeven van de examenquotering onvoldoende en blijkt de motivering in veel gevallen te summier. Wanneer het ‘artistieke prestaties’ betreft blijft een goed gemotiveerde examenbeslissing vaak niet eenvoudig. Met deze moeilijke objectiveerbaarheid houdt de Raad rekening. Een gebrekkige motivering kan bij het nemen van een nieuwe beslissing of in het kader van het intern beroep rechtgezet worden. Enkele voorbeelden van ‘niet gegronde’ uitspraken: - ‘De vaststelling dat de juryleden op grond van andere motieven tot eenzelfde evaluatie zijn gekomen bewijst niet dat die evaluatie daardoor ondeugdelijk gemotiveerd is. Dat, op het eerste gezicht, er mogelijk sprake is van enige tegenstrijdigheid in de formulering van de motieven van de verscheidene leden van de jury, maakt niet dat de evaluatie niet naar behoren is gemotiveerd, nu (1) zeker wat artistieke prestaties betreft, in redelijkheid verschillende standpunten kunnen worden ingenomen, en (2) de verzoekende partij nalaat de door haar aangevoerde tegenstrijdigheden te betrekken op de concrete inhoud van haar eindwerk, zodat het niet aangetoond is dat er sprake is van tegenstrijdigheden, laat staan van tegenstrijdigheden die zo evident zijn dat zij de motivering van de globale evaluatie ondeugdelijk maken. 86 ’ -‘….Het evenredigheidsbeginsel noch het draagkrachtbeginsel waarop de verzoekende partij zich beroept zijn geschonden. Het departementshoofd moest zijn beslissing zelfstandig motiveren, zonder noodzakelijkerwijze te antwoorden op elk afzonderlijk argument van de verzoekende partij. De argumenten die de verzoekende partij naar voren heeft gebracht zijn

84

Raad, nr. 2007/060 Raad, nr. 2007/012, 015, 021, 027, 037, 039, 040, 053, 080, 082, 085 86 Raad, nr. 2007/080 85

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

31


niet van aard de pertinentie van de motieven van de bestreden beslissing in twijfel te trekken. 87 ’ -‘De verzoekende partij geeft geen enkele inhoudelijke kritiek op deze motivering. 88 ’ - ‘Verzoekende partij verwijst ook naar de eindverhandeling van een medestudente die met haar vergelijkbaar is en die wel een positieve evaluatie heeft gekregen. De verantwoording van de evaluatie van de eindverhandeling van verzoekende partij is uitvoerig en gemotiveerd en volstaat bij gebrek aan enige kritiek als motivatie van de evaluatie zodat een vergelijking met andere eindverhandelingen in dit verband geen zin heeft. Het beroep is niet gegrond. 89 ’ Enkele ‘gegronde’ gevallen: - ‘De Raad is van oordeel dat in voorliggend geval de hogeronderwijsinstelling onredelijk heeft gehandeld wat de motivering betreft doordat zij niet op een éénduidige wijze aangeeft hoe de globale verantwoording is ontstaan vanuit de evaluatie van de vier onderdelen. 90 ’ - ‘De Raad stelt vast dat er een tegenstrijdigheid is in de motivering van de onderwijsinstelling. Dat aan de ene kant wordt beweerd dat de herkansing van de stage een volledig hernemen is van de stage (zie antwoordnota) en dat aan de andere kant tijdens de hoorzitting gebleken is dat enkel de punten die dienen geremedieerd te worden nog voorwerp uitmaken van de evaluatie van de verkorte stage.91 ’ -‘De Raad is zich ervan bewust dat de evaluatie van artistieke prestaties uit de aard van de zaak moeilijker objectiveerbaar is dan voor andere prestaties het geval is. In deze zaak dient de Raad evenwel vast te stellen dat, buiten de blote beweringen daarover in het besluit op intern beroep genomen, de verwerende partij geen enkel document of ander gegeven bijbrengt dat de aan de verzoekende partij toegekende quotering verantwoordt. Dit gebrek aan motivering brengt met zich mee dat de bestreden beslissingen niet in stand kunnen blijven. 92 ’ - ‘De Raad is zich ervan bewust dat de evaluatie van artistieke prestaties uit de aard van de zaak moeilijker objectiveerbaar is dan voor andere prestaties het geval is. In de voorliggende zaak stelt de Raad evenwel vast dat de evaluatie op drie aspecten betrekking heeft, dat de verzoekende partij voor de drie aspecten een “onvoldoende” behaalt, maar dat de motivering van de jury, hoewel op zichzelf begrijpelijk, niet differentieert naar die drie aspecten. Die motivering maakt onvoldoende duidelijk waarom de verzoekende partij voor elk van de drie aspecten een “onvoldoende” krijgt. 93 ’ - ‘Het staat buiten betwisting dat de proef die de student heeft afgelegd geen kennisexamen is en dat daar uit volgt dat ook in deze enkel de door de jury toegekende punten op zich de uitslag niet kunnen rechtvaardigen. 94 ’ 87

Raad, nr. 2007/085 Raad, nr. 2007/039 en 040 89 Raad, nr. 2007/065 90 Raad, nr. 2007/053 91 Raad, nr. 2007/082 92 Raad, nr. 2007/027 93 Raad, nr. 2007/012 94 Raad, nr. 2007/022 88

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

32


- ‘In de regel volstaat voor de motivering van een deliberatiebeslissing van een examencommissie de vermelding van de examenuitslagen en de verwijzing naar de deliberatiecriteria. In dit geval diende alleen gedelibereerd te worden aan de hand van het resultaat van de stage van de verzoekende partij. …Hoewel de verzoekende partij wist dat er problemen waren met haar stage …..en hoewel zij weigerde in te gaan op een afrondend supervisiegesprek waar zij kennis had kunnen nemen van de negatieve evaluatie van haar stagepraktijk…., blijkt niet dat de examencommissie de quotering als dusdanig heeft gemotiveerd, terwijl artikel 95 van het onderwijs- en examenreglement van de instelling bepaalt dat het de examencommissie is die beslist over de examencijfers van alle opleidingsonderdelen en modules. In het evaluatieverslag is er enkel sprake van “onvoldoende”. In die omstandigheden kwam het de examencommissie toe om de quotering, die elke kans op slagen uitsloot, te motiveren. Dit gebrek aan motivering is ook in het kader van het intern beroep niet verholpen. 95 ’ - ‘De instelling verwijst naar de “bijlage” bij de beslissing van de interne beroepsinstantie, maar die bijlage bestaat uit niet meer dan een herhaling van de doelstellingen, inhoud, onderwijsmethode, sleutelwoorden, begincompetenties, eindcompetenties, vaardigheden, verplichte literatuur, ander studiemateriaal, evaluatie en organisatie, zonder enige verwijzing naar de verzoekende partij. Wel is er een nota die klaarblijkelijk gevoegd was bij de beslissing van de examencommissie: In deze zaak moet worden vastgesteld dat de opgegeven motivering vaag en algemeen is en door geen enkel ander document of gegeven ondersteund wordt. In het licht van de door de verzoekende partij opgeworpen bezwaren is de motivering voor de bestreden beslissingen ontoereikend.’ Beroepen die uitsluitend op grond van ontoereikende motivering worden vernietigd blijken vaak een pyrrusoverwinning 96 . Als een student dan na vernietiging door de Raad opnieuw zijn beroep voorlegt met als voorwerp dit maal een beter gemotiveerde examenbeslissing blijkt het tweede beroep dan niet gegrond. - ‘Waar de motivering van de bestreden beslissingen een eerste maal als niet afdoende werd beoordeeld, kan de instelling het recht niet ontzegd worden de nieuwe beslissingen die zij neemt, beter te motiveren. Het feit dat die motieven pas geformuleerd worden na de vernietiging van de eerste beslissingen, is op zichzelf geen reden om die motieven te verwerpen. In de voorliggende zaak moet worden vastgesteld dat de motieven dit keer betrekking hebben op de drie aspecten van het opleidingsonderdeel, uitvoerig en begrijpelijk zijn. Binnen de grenzen van zijn bevoegdheid kan de Raad niet tot de conclusie komen dat de genomen beslissingen kennelijk onredelijk zijn. 97 ’ Gebrekkige begeleiding 98 De meeste besluiten van de Raad stellen duidelijk dat gebreken in de begeleiding op zich niet verantwoorden waarom de evaluatie niet zou beantwoorden aan de waarde van de prestaties van de student. Een gebrekkige begeleiding leidt daarom nog niet 95

Raad, nr. 2007/005 Raad, nrs. 2007/012, 027, 036, en 037, 040, 060 en 084 97 Raad, nr 2007/012 98 Raad, nr. 2007/037, 064, 065, 080 en 083 96

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

33


tot de consequentie dat de quotering voor het betrokken opleidingsonderdeel onregelmatig of kennelijk onredelijk zou zijn Slechte begeleiding wordt voornamelijk in het kader van stages en eindwerken als middel aangevoerd. Het is niet eenvoudig om aan te tonen dat een slechte begeleiding een dermate grote invloed heeft gehad op het bereikte resultaat dat dit niet kan overeind blijven. Enkele voorbeelden: - ‘Samengevat komt de klacht van verzoekende partij er op neer dat de evaluatie voor haar eindwerk onbegrijpelijk is in het licht van de begeleiding door de promotor in de loop van het jaar. Zij betwist evenwel niet op inhoudelijke gronden de evaluatie. Zoals de Raad reeds eerder heeft gesteld is een gebrekkige begeleiding geen reden om een negatieve in een positieve evaluatie te veranderen. 99 ’ - ‘Ook de argumenten over de afwezigheid bij sommige contactmomenten of gebrek aan begeleiding zijn van geen belang, daar niet wordt aangetoond dat zij enige invloed op de evaluatie hebben gehad. 100 ’ Gehanteerde beoordelings- en deliberatiecriteria en methodes 101 Vaak betreft een betwisting de evaluatiemethode en/of het deliberatiesysteem die niet conform is met het onderwijsreglement of kennelijk onredelijk of blijkt niet uit de motivering op welke evaluatiecrieteria de examencommissie zich heeft gesteund. De Raad heeft dit meermaals vastgesteld. Ingeval een student de evaluatiemethode betwist betreft het ook vaak een groepsbeoordeling en/of een vorm van peerassessment. Hierna volgen enkele voorbeelden uit de rechtspraak waar het beroep van de student ‘gegrond’ werd verklaard: -‘Uit de stukken van het dossier en meer specifiek het verzoekschrift op intern beroep blijkt dat er onduidelijkheden waren omtrent de toegekende quotering en met betrekking tot de examenkopij die verzoekende partij kon inzien op 17 september 2007……………………… Temeer nu ter zitting is gebleken dat de toegekende quotering voor het betrokken opleidingsonderdeel en de quoteringen voor de verschillende vragen tijdens de septemberzittijd alvast niet overeenstemmen met de punten zoals ze vermeld staan op de examenkopij die tijdens de zitting aan de Raad en aan verzoekende partij werd voorgelegd. 102 ’ -‘Beide opleidingsonderdelen, aldus de instelling, maken het voorwerp uit van een globale beoordeling, en de achterliggende reden hiervan is dat de proeflessen zich weerspiegelen tijdens de stage en aldus best samen met de stage worden geëvalueerd. Een dergelijke motivering is onbegrijpelijk. Het zou immers betekenen dat als de proeflessen niet goed zijn, de stage dus even slecht zal zijn, ongeacht de inspanningen die de student zich zal getroosten, en omgekeerd dat als de proeflessen goed zijn, de stage dus ook goed zal zijn, 99

Raad, nr. 2007/065 Raad, nr. 2007/080 101 Raad, nr. 2007/015, 018, 028, 030, 033, 034, 060, 080, 083, 084 102 Raad, nr. 2007/060 100

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

34


hoe ondermaats de stage ook verlopen kan zijn. Een gelijke beoordeling zou enkel aanvaardbaar zijn als de “Proeflessen” en “Stage” samen een opleidingsonderdeel zouden vormen, maar dat is niet het geval. Verder moet worden vastgesteld dat de motivering voor de evaluatie van de stage summier en zeer algemeen is en niet duidelijk maakt op welke evaluatiecriteria zij gesteund is 103 ’ -‘Door het ontbreken van de door de vier andere studenten toegekende scores en van de scores van het eerste semester, is de Raad niet in staat de regelmatigheid van het cijfer voor peer evaluatie na te gaan. Verder blijkt uit de meegedeelde stukken onvoldoende hoe de evaluatie van de individuele presentatie gemotiveerd wordt. 104 - ‘Daar verwerende partij zelf pas laattijdig de relevante informatie over de evaluatie van dit opleidingsonderdeel heeft meegedeeld, gaat de Raad ervan uit dat in de huidige stand van zaken, tenminste op deze twee punten de evaluatie niet naar behoren is gemotiveerd. 105 ’ - ‘Bovendien is dat laatste cijfer totaal onbegrijpelijk in het licht van de appreciatie van de verschillende aspecten van die rubriek, waar de verzoekende partij, op een schaal van “onvoldoende” tot “uitstekend” vier maal “goed” en vier maal “middelmatig” krijgt (voor drie aspecten was er geen enkele appreciatie). Ter vergelijking: de tweede lezer, die voor deze deelscore een 6,5/15 toekende, gaf zes maal een appreciatie “onvoldoende” en vijf maal een appreciatie “middelmatig”. De evaluatie voor het opleidingsonderdeel “Stage” berust manifest op een onjuiste feitelijke grondslag. De bestreden beslissingen kunnen niet in stand blijven. 106 ’ -‘De Raad stelt vast dat uit geen van de meegedeelde stukken blijkt wat er van de studenten wordt verwacht voor dit opleidingsonderdeel, noch wat de criteria zijn op grond waarvan de jury het eindwerk quoteert. In dit opzicht is de beslissing van de examencommissie niet voldoende gemotiveerd. 107 ’ -‘In zoverre het middel erover klaagt dat de verzoekende partij in de tweede zittijd niet geëxamineerd werd over de permanente evaluatie, is het middel niet gegrond, nu de verzoekende partij zelf aangeeft dat zij niet meegedaan had aan de permanente evaluatie, daar zij dacht, verkeerdelijk zoals ze zelf stelt, dat ze daarvan vrijgesteld was. Om die reden was de instelling niet verplicht om in de tweede zittijd in een alternatief te voorzien voor de permanente evaluatie. 108 ’ In één zaak stelde de Raad duidelijk voorop dat elke beoordeling binnen een bepaald academiejaar op zich staat. - ‘In essentie komt dit middel erop neer, dat het niet kan dat er in het derde jaar een bemoeilijkend element zou opduiken zonder dat daarvan op enige wijze gewag werd gemaakt in het eerste en tweede jaar…… In ieder geval, de verzoekende partij kan niet gevolgd worden in haar redenering dat als er geen problemen waren met de stage in het tweede jaar (wat niet helemaal correct is), er dus 103

Raad, nr. 2007/034 Raad, nr. 2007/030 en 033 105 Raad, nr. 2007/028 106 Raad, nr. 2007/018 107 Raad, nr. 2007/015 108 Raad, nr. 2007/061 104

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

35


geen problemen kunnen zijn met de stage in het derde jaar. Elke stage in een ander jaar heeft zijn eigen finaliteit, zoals elk opleidingsonderdeel, en het is niet omdat men geslaagd is voor de stages in de vorige jaren dat men ook moet slagen voor de stage in het derde jaar, evenmin als dat het geval is voor andere opleidingsonderdelen die onder dezelfde naam in verschillende jaren aan bod komen. 109 ’ Stagebeoordelingen Stagebeslissingen zijn moeilijk te beoordelen door de Raad. Tijdens de zitting blijken aanvullend bij de neergelegde stukken meestal uitvoerige uitleg van beide partijen noodzakelijk om tot een beslissing te komen. Studenten betwisten vaak op grond van ‘discrepantie’ tussen de uiteindelijke quotering door de stagebegeleiders binnen de hogescholen en de verslagen van de stagementoren. De ‘motivering’ van de stage blijkt vaak te summier. Zoals hoger reeds aangehaald is ‘gebrekkige begeleiding’ ook in het kader van een stage op zich onvoldoende om de betreffende examenbeslissing te vernietigen. Uit de uitspraken van de Raad blijkt dit werkjaar dat al dan niet aanwezigheid op de stages dikwijls het dispuut is als ook het ontbreken van stageverslagen 110 meermaals voorkomt. Uit het overzicht blijkt dat naargelang het dossier zowel in het voordeel als nadeel van de student werd beslist. Hierna enkele opvallende ‘gegronde’ zaken ter illustratie 111 : -‘Wat beide stages betreft is er onduidelijkheid over het juiste aantal uren stage die de verzoekende partij doorliep en uit de door de instelling voorgelegde stukken blijkt onvoldoende op welke tijdstippen verzoekende partij al dan niet aanwezig was. De Raad is van oordeel dat om voormelde redenen voor de beide opleidingsonderdelen de gegeven quotering niet kan overeind blijven. 112 ’ -‘Wat het al dan niet bestaan betreft van een geldige stage, heeft de hogeronderwijsinstelling zich op een louter formeel standpunt gesteld door het stagecontract ‘club’ als niet-bestaande te beschouwen omdat het slechts door de verzoekende partij werd ondertekend. De Raad is van oordeel dat de daaruit voortvloeiende sanctie, met name het niet in aanmerking nemen van de andere stagecomponenten, onevenredig is met de eventuele tekortkomingen die aan de verzoekende partij kunnen worden toegeschreven. 113 ’ ‘Het reglement van de verwerende partij voorziet niet in de mogelijkheid om een ongewettigde afwezigheid ongedaan te maken, maar verbiedt dat evenmin. Er mag dus worden aangenomen dat de betrokken docent, door aan de verzoekende partij de gelegenheid te geven de ongewettigde afwezigheid in te halen, niet onregelmatig heeft gehandeld. De door de docent gedane toezegging heeft tot gevolg dat met de ongewettigde afwezigheid geen rekening meer mag worden gehouden bij de permanente evaluatie, voor zover vanzelfsprekend de verzoekende partij effectief de gemiste laboratoriumoefening heeft ingehaald. 114 ’ 109

Raad, nr. 2007/005 Raad, nr. 2007/064 111 Raad, nrs. 2007/019, 027, 036, 044, 055, 064; 066, 067, 075 112 Raad, nr. 2007/075 113 Raad, nr. 2007/044 114 Raad, nr. 2007/029 110

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

36


-‘Uit het dossier blijkt dat de motivering om de student als niet geslaagd te verklaren voor de stage, gesteund is op vaststellingen die werden gedaan tijdens stagebezoeken op 7, 8 en 15 mei 2007 en dat de schriftelijke verslagen werden meegedeeld helemaal op het einde van de stageperiode. Dit wordt tijdens de hoorzitting niet tegengesproken door verwerende partij. Deze handelwijze heeft tot gevolg dat de student niet tijdig voldoende feedback kreeg en derhalve niet meer in de mogelijkheid was om de werkpunten bij te sturen. 115 ’ -‘Voor zover als nodig wijst de Raad er op dat het benutten van het eindevaluatiegesprek als zodanig weliswaar noodzakelijk kan zijn om de derde examenles te faciliteren en naar een niveau te brengen dat kan leiden tot een beter resultaat, maar dat daarentegen uit de stagemap niet blijkt dat het plaatshebben van dat eindevaluatiegesprek een noodzakelijke voorwaarde is voor de uitoefening van het recht op die derde examenles wanneer op de voorgaande twee examenlessen geen 10/20 werd behaald. Uit de bovenvermelde stagemap, pagina 7, blijkt niet dat de organisatie van de derde examenles, wanneer er op de vorige examenlessen geen 10/20 werd behaald, slechts een mogelijkheid is. 116 ’ Enkele bedenkingen naar aanleiding van de ingediende dossiers. De meeste examenreglementen bepalen dat een tekort op een stage geen tolerantie toelaat en dus niet delibereerbaar is. Stagebeoordelingen zijn dus meestal doorslaggevend voor het al dan niet halen van een diploma. Uit de dossiers blijkt echter dat de beoordelingssystemen nog niet altijd optimaal zijn en dat de instellingen in sommige gevallen hun evaluatiemethodes zorgvuldiger moeten uitwerken. Dit heeft ook ongetwijfeld te maken met de complexe wijze waarop deze beoordelingen tot stand komen. De stagereglementen zijn wat de evaluatiesysteem betreft vaak niet nauwkeurig genoeg opgesteld. Bovendien blijkt vaak volgens de examenreglementering geen tweede examenkans mogelijk ingeval van stages. Het Flexibiliseringsdecreet 117 laat dit toe ingeval de aard van het opleidingsonderdeel een tweede kans moeilijk organiseerbaar maakt. Wanneer het stages betreft in het kader van de lerarenopleiding lijkt dit verantwoord. De Raad stelt zich wel vragen bij ongenuanceerd toepassen op alle stages en op elke vorm van permanente evaluatie. Een aantal instellingen voorzien wel in de mogelijkheid van een tweede examenkans ingeval van stage vb. wanneer slechts een klein gedeelte van de stage dient opnieuw gedaan te worden of lossen dit op door een vervangopdracht te voorzien. De Raad beveelt dit aan gezien de zware gevolgen voor de studenten 118 . Tekorten op stage hebben immers meestal tot gevolg dat studenten een heel jaar dreigen te verliezen. Temeer daar het vaak zoals blijkt uit de ingediende beroepen gaat om laatstejaarsstudenten met als de stage als enige tekort. Soms blijkt ook dat instellingen ten aanzien van bepaalde studenten pas in het derde programmajaar tot de conclusie komen dat de student niet geschikt is voor een bepaalde opleiding. Dit is meestal wel terecht en heeft te maken met het geleidelijk 115

Raad, nr. 2007/019 Raad, nr. 2007/066 117 Artikel 29,§2 van het Flexibiliseringsdecreet van 30 april 2004 118 Raad, nr. 2007/007 116

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

37


opbouwen van de moeilijkheidsgraad en het niveau van de competenties welke gevraagd worden van de studenten in het kader van een laatste jaarsstage. Een snellere heroriëntering kan echter veel leed besparen. Enkele specifieke besluiten Gezag van gewijsde In enkele besluiten werd (al dan niet door de verzoekende partij gevraagd) door de Raad gewezen op het gezag van gewijsde van zijn uitspraken 119 . In één beslissing heeft de Raad nadat door de verzoekende partij na twee gegronde besluiten een derde maal een beroep was ingediend, de ‘rechtsplicht’ ingeroepen 120 en werd aan de instelling opgelegd om een nieuwe beslissing te nemen waarbij zij rekening houdt met het gezag van gewijsde vervat in de vorige besluiten van de Raad . - ‘De Raad merkt op dat het niet aannemelijk is dat de verwerende partij pas bij een derde onderzoek - nadat twee beslissingen werden vernietigd wegens hetzelfde onwettig motief een nieuw en hierboven ontoereikend bevonden motief zou kunnen bedenken om de vrijstelling te weigeren. De verzoekende partij kan te dezen ernstig staande houden dat de instelling geen reden had om de vrijstelling te weigeren en dat zij dus de rechtsplicht had om de vrijstelling te verlenen.’ In één zaak heeft de instelling uitdrukkelijk gepreciseerd dat zij zich wat de grond van betreft ‘naar de wijsheid van de Raad’ gedraagt wat in principe wil zeggen dat zij aanneemt dat het beroep als gegrond zal worden beschouwd. In de betreffende zaak beschikte de instelling over geen enkel stageverslag en geen enkele motivering om de stagebeoordeling die was gegeven te verantwoorden. De betreffende student werd voor het opleidingsonderdeel geslaagd verklaard na vernietiging van de initiële beslissing door de Raad. 121 Examenvorm -‘De klacht dat de examenvorm in de tweede zittijd niet dezelfde was als in de eerste zittijd is niet gegrond, nu de examencommissie onweersproken stelt dat de wijziging van de examenvorm werd meegedeeld bij de aanvang van het academiejaar. 122 ’ - ‘Artikel 24 alinea 2 bepaalt dat in geval van overmacht of wettige reden van verhindering de examinator aan de decaan kan vragen om ontheven te worden geheel of gedeeltelijk van zijn examenopdracht waarna de decaan een plaatsvervangende examinator voorstelt aan de rector. In deze zaak staat het vast dat het examen over het bewuste opleidingsonderdeel niet door de vaktitularis werd afgenomen, zoals door de verwerende partij ter zitting werd erkend, en het blijkt niet dat de persoon die het examen wel heeft afgenomen aangesteld werd overeenkomstig artikel 24 alinea 2. Het middel is gegrond. De andere middelen kunnen tot 119

Raad, nr. 2007/024, 087 Raad, nr. 2007/051 121 Raad, nr. 2007/016 122 Raad, nr. 2007/061 120

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

38


geen ruimere vernietiging leiden en dienen niet te worden onderzocht. Om dezelfde reden is het overbodig om de getuigen te horen die verzoekende partij heeft voorgesteld. 123 ’ Studiewijzer -‘De Raad is echter van oordeel dat de studiewijzer een louter informatieve waarde heeft en niet kan gelijkgesteld worden met de voorschriften opgenomen in het Onderwijs- en Examenreglement en het niet volgen van de informatie opgenomen in de studiewijzer op zichzelf genomen geen aanleiding kan geven tot een vernietiging van een examenbeslissing. 124 ’ Functiebeperkingen Een aantal besluiten betreffen specifiek de problematiek van functiebeperkingen en de impact op een examenbeslissing. - ‘…., toont zij verder niet aan dat zij aan de verwerende partij gevraagd heeft om daarvan melding te maken aan het stagebedrijf, wat nochtans op de weg van de verzoekende partij had gelegen, omdat zij te kennen had gegeven dat haar functiebeperking niet bekend gemaakt zou worden aan de medestudenten, wat bij de verwerende partij terecht de indruk kon wekken dat zij niet zonder verzoek van de verzoekende partij die functiebeperking aan andere personen mocht melden, afgezien nog van de vraag of met die melding kon worden volstaan, dan wel of er ook vanwege het stagebedrijf specifieke maatregelen genomen moesten worden, waarover de verzoekende partij geen enkele informatie had gegeven. De Wet van 8 december 1992 tot bescherming van persoonsgegevens verzet er zich overigens tegen dat de verwerende partij aan derden informatie zou geven over de functiebeperking van verzoekende partij zonder haar toestemming. 125 ’ - ‘In het vijfde middel klaagt de verzoekende partij, voor zover als rechtens relevant, erover dat de examencommissie geweigerd heeft rekening te houden met de bijzondere omstandigheden waarin zij verkeerde ten gevolge van haar functiebeperkingen. Het middel is ongegrond. De examencommissie wijst erop dat de verzoekende partij geen afspraken heeft gemaakt met de verantwoordelijke inzake functiebeperkingen hoewel zij wist dat dit mogelijk was. 126 ’ - ‘De verzoekende partij betwist eveneens het resultaat voor het deel “Sport en spel” van het opleidingsonderdeel “Hulpverlener en team: Groepswerk”, waar volgens haar ten onrechte geen rekening gehouden werd met haar medisch gestaafde toestand. Uit de stukken blijkt evenwel dat de verzoekende partij ook de vervangende opdrachten niet naar behoren heeft afgewerkt, en dat geldt ook voor die aspecten van de activiteit waarvoor haar toestand geen rol speelde. 127 ’ Examenbeoordeling /tegenstrijdige getuigenissen

123

Raad, nr. 2007/069 Raad, nr. 2007/056 125 Raad, nr. 2007/083 126 Raad, nr. 2007/083 127 Raad, nr. 2007/021 124

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

39


Het komt de Raad niet toe zijn oordeel over de feiten in de plaats te stellen van die van de verwerende partij maar enkel om na te gaan of de verwerende partij bij het nemen van de betwiste beslissingen rechtmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid gehandeld heeft. In dit geval werd de verwerende partij geconfronteerd met twee tegengestelde standpunten, enerzijds het standpunt van de verzoekende partij en anderzijds het standpunt van de heer…. Ook al valt niet uit te sluiten dat verzoekende partij te goeder trouw gedacht kan hebben het verslag van de heer ……….ontvangen te hebben, kan niet gezegd worden dat het oordeel van verwerende partij dat de verzoekende partij op bedrieglijke wijze het verslag als zijnde afkomstig van de heer ….heeft ingediend, gelet op de gegevens van de zaak als onredelijk moet worden beschouwd. 128 ’ 4.2.2. Een beroep tegen een examentuchtbeslissing 129 In 5 zaken aanhangig gemaakt in het werkjaar 2007 betrof het voorwerp een examentuchtbeslissing. De Raad gaat na of de zwaarte van de tuchtstraf niet kennelijk onredelijk is gelet op de ernst van de feiten. In die zin besliste de Raad nu eens in het voordeel, dan weer in het nadeel van de student. Enkele voorbeelden uit de rechtspraak: - ‘Uit de meegedeelde stukken blijkt dat de verzoekende partij op een aantal punten te kort is geschoten in het volbrengen van haar stage (voorbereiding van het lessenrooster en contacten met de leerkracht). Andere tekortkomingen (overtredingen van het schoolreglement in verband met contact met leerlingen en gedrag in het algemeen) zijn naar het oordeel van de Raad veel minder duidelijk bewezen. Alles samengenomen is de opgelegd sanctie als zwaar te beschouwen maar blijkt ze net binnen de grenzen van de redelijkheid. Wel vindt de Raad dat daarom juist sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die overeenkomstig punt 3 van het deel 1 van het stagereglement verantwoorden dat een bijkomende stage in de tweede zittijd, zonodig, volbracht zal worden. 130 ’ - ‘….Het gaat evenwel niet op om nadat eerdere gelijkaardige feiten zich hebben voorgedaan, de verzoekende partij er niet op te wijzen dat dergelijke feiten tot een tuchtbeslissing aanleiding kunnen geven, om vervolgens wanneer een volgend gelijkaardig feit zich voordoet, de op een na zwaarste sanctie op te leggen. In het licht van de voorgaande vaststellingen is de opgelegde sanctie kennelijk onevenredig te noemen en kunnen de bestreden beslissingen niet in stand blijven. 131 ’ 4.2.3. Een beroep in verband met het toekennen van een vrijstelling 132 In negen zaken was het voorwerp van de betwisting het toekennen van een vrijstelling.

128

Raad, nr. 2007/011 Raad, nrs. 2007/004, 006, 007, 011 en 059 130 Raad, nr. 2007/007 131 Raad, nr. 2007/004 132 Raad, nrs. 2007/003, 009, 010, 024, 032, 048, 051, 086 en 087 129

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

40


De Raad benadrukt in zijn besluiten dat een motivering die zich uitsluitend baseert op de inhoud van de cursussen niet volstaat en dat dient na te gaan te worden in hoeverre de leerresultaten voldoende overeenstemmen. De Raad heeft ook uitdrukkelijk in zijn besluiten gesteld dat het al dan niet toekennen van een ‘deelvrijstelling’ ingeval de student dit aanvraagt, moet onderzocht worden. De Raad stelt dat een vrijstelling niet van rechtswege moet toegekend worden maar dient aangevraagd te worden tenzij het onderwijsreglement in die mogelijkheid voorziet. Enkele voorbeelden uit de rechtspraak: - ‘De Raad is van oordeel dat de instelling bij de beoordeling te veel de nadruk heeft gelegd op de vergelijking van de inhoud van de cursussen en te weinig oog heeft gehad voor de vergelijking van de eigen eindtermen met de eindtermen die vermeld worden in het creditbewijs voor het opleidingsonderdeel “Monetaire Economie en Beleid” gedoceerd aan de faculteit TEW van de ….en niet éénduidig heeft aangegeven hoe via de eindtermen van het opleidingsonderdeel “Monetaire Economie en Beleid” niet de eindtermen van het opleidingsonderdeel “Financiële Economie II” zouden kunnen bereikt worden. 133 ’ - ‘De Raad stelt evenwel vast dat bij het onderzoek van de vrijstellingen volgens artikel 27 van het examenreglement van de instelling kan verleend worden voor componenten van opleidingsonderdelen. Uit het dossier blijkt niet dat de toelatingscommissie van de …een eventuele toekenning van een deelvrijstelling heeft onderzocht. De Raad is van oordeel dat dit het geval had kunnen zijn voor een deel van het betreffende opleidingsonderdeel, zoals verzoekende partij heeft gevraagd in haar brief van 29 mei 2007.’ - ‘…. Het toekennen van een vrijstelling komt niet neer op een extra examenkans. Wat betreft het verbod om via een credit- of examencontract een bijkomende examenkans te krijgen (artikel 40, §3 van het onderwijs- en examenreglement) merkt de Raad op dat dit enkel betrekking kan hebben op credit- en examencontracten van de eigen instelling daar de verwerende partij uiteraard niet bevoegd is om te bepalen dat een student geen credit- of examencontracten mag afsluiten met een andere hogeronderwijsinstelling. …. De Raad merkt overigens op dat de toepasselijke regelgeving niet bepaalt dat vrijstellingen moeten aangevraagd worden bij het begin van de opleiding of deel van de opleiding dat de student wil volgen. Het is immers perfect mogelijk dat een student pas in de loop van de opleiding tot de vaststelling komt dat hij in aanmerking komt voor een of meer vrijstellingen, en er is dan geen goede reden te bedenken dat over een aanvraag tot vrijstelling niet onmiddellijk beslist kan worden, maar dat de student de vraag maar kan indienen bij een volgende opleiding of deel van een opleiding. 134 ’ - ‘Het middel is in dit onderdeel niet ontvankelijk, omdat niet blijkt dat de verzoekende partij voor dit subonderdeel een vrijstelling heeft gevraagd en verkregen, en een geschil over een aanvraag tot vrijstelling, als zelfstandig geschil, niet gevoerd kan worden in een discussie over een examenresultaat. Dat is alleen anders als het reglement zelf in een vrijstelling van rechtswege voorziet wat hier niet het geval is. 135 ’

133

Raad, nr. 2008/048 Raad, nr. 2007/032 135 Raad, nr. 2007/062 134

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

41


-‘Uit de gegevens die ter zitting werden meegedeeld is gebleken dat de feiten waarvoor de verzoekende partij werd veroordeeld, in dit geval geen invloed konden hebben op de toegekende quotering. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing om aan de verzoekende partij geen vrijstelling te geven voor het opleidingsonderdeel Orthopedagogische praktijk en stage, niet in stand kan blijven. De interne beroepsinstantie zal een nieuw besluit nemen voor de in het beschikkend gedeelte vermelde datum. 136 ’ - ‘Voorts kan worden opgemerkt dat de Raad met gezag van gewijsde heeft geoordeeld dat de strafrechtelijke veroordeling van de verzoekende partij in dit geval geen motief is om de vrijstelling die de verzoekende partij gevraagd heeft op grond van de credit die zij behaald heeft voor het opleidingsonderdeel te weigeren. 137 ’ 4.2.4. Een beroep in verband met de toekenning van een bewijs van bekwaamheid Tot nu toe heeft de Raad nog geen standpunt ten gronde moeten innemen naar aanleiding van een betwisting over het toekennen van een bewijs van bekwaamheid op grond van EVC’s. Uit een overzicht van procedures inzake EVC die door de VLOR-Raad in samenwerking met de associaties als verantwoordelijke inzake EVCprocedures werden opgesteld blijkt ook dat slechts zeer uitzonderlijk een intern beroep werd ingeleid. 4.2.5. Opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking zoals bepaald in artikel 52 van het Flexibiliseringsdereet 138 Deze studievoortgangsbeslissing maakt in zes gevallen een voorwerp uit van een beroep. Aan een student die een diploma wenst te behalen en zich inschrijft met een diplomacontract kunnen maatregelen van studievoortgang opgelegd worden, indien hij niet slaagt voor 50% van de studiepunten waarop het betreffende diplomacontract betrekking heeft. Deze maatregelen kunnen inhouden: het opleggen van bindende voorwaarden voor de inschrijving of het weigeren van een inschrijving. Ingeval hij niet voldoet aan de opgenomen maatregelen kan hem een volgende inschrijving geweigerd worden. Uitzonderlijk kan een student ook ‘geweigerd’ worden nadat hij een eerste maal niet geslaagd is voor 50% van de ingeschreven studiepunten, voor zover de instelling op basis van zijn dossier kan aantonen dat de student manifest geen kans op slagen heeft. Weigeringsbeslissingen zijn zes maal voorwerp van een betwisting geweest bij de Raad. Zoals hoger omschreven gaat de Raad steeds ambtshalve na of een bepaalde beslissing tot zijn bevoegdheid behoort. Weigeringen van inschrijving behoren tot de bevoegdheid van de Raad voor zover zij binnen de omschrijving van artikel 52 van het Flexibiliseringsdecreet vallen. Dit is een strikt omschreven toepassingsgebied en een aantal verzoeken zijn onontvankelijk verklaard omdat zij eerder het samengestelde studieprogramma en de omvang van het studiepakket betreffen.

136

Raad, nr. 2007010 Raad, nr. 2007/024 138 Raad, nrs. 2007/003, 047, 061, 062, 070, 076, 077, 085 137

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

42


Uit de dossiers inzake weigering blijkt vaak dat de studenten onvoldoende motiveren waarom zij door een gewijzigde toestand wel degelijk kans hebben op slagen. In geen van de door de Raad behandelde gevallen die handelden over de concrete toepassing van deze bepaling voor studenten met een diplomacontract oordeelde de Raad in het voordeel van de student. De beslissingen van de instelling waren naar het oordeel van de Raad niet kennelijk onredelijk. Beroepen in verband met de weigering voor een examencontract zijn dit werkjaar niet ingediend. Enkele uitspraken van de Raad: - ‘Van een kennelijke wanverhouding tussen de ernst van de feiten en de gevolgen van de beslissing is geen sprake. Ook het argument dat, los van de door verzoekende partij aangevoerde gezondheids- en relatieproblemen, de bestreden beslissing onredelijk zou zijn omdat er een wanverhouding is tussen het ontnemen van een kans op het behalen van een diploma, en het ontbreken van een quotering van één opleidingsonderdeel, is niet gegrond. Het is niet kennelijk onredelijk te oordelen dat, gelet op het belang van de eindverhandeling in het geheel van de opleiding, omwille van het ontbreken van een quotering van één opleidingsonderdeel een derde inschrijving niet wordt toegestaan. Tijdens de zitting is gebleken dat er problemen waren met de begeleiding van de eindverhandeling door de toenmalige promotor, die mogelijkerwijze mede het resultaat ervan hebben beïnvloed. Deze gegevens kunnen een rol spelen bij de beslissing over een eventuele vraag tot herinschrijving op welke grondslag die herinschrijving ook gevraagd wordt 139 ’ - ‘De verzoekende partij voert aan dat zij in het verleden met gezondheidsproblemen en relatieproblemen te kampen heeft gehad. De Raad wenst de ernst van die problemen niet te minimaliseren, en kan aanvaarden dat de verzoekende partij juist daardoor zo weinig vooruitgang heeft geboekt in haar studie. Daaruit volgt evenwel niet dat de bestreden beslissingen om aan de verzoekende partij de toelating tot herinschrijving te weigeren, beslissingen die steunen op de objectieve, ook door de verzoekende partij niet betwiste, slechte studieresultaten, onregelmatig of kennelijk onredelijk zouden zijn. De verwerende partij heeft uit die studieresultaten met reden kunnen afleiden dat een herinschrijving van de verzoekende partij onvoldoende perspectief op succes bood. 140 ’ 4.2.6. Een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgelegd 141 De Raad heeft dit werkjaar voor de eerste maal een beroep gehad met als voorwerp deze studievoortgangsbeslissing 142 . Het voorwerp betrof het verkrijgen van toelating voor het schakel/voorbereidingsjaar tot de masteropleiding waarbij gesteld werd dat de student niet kon worden ingeschreven. 139

Raad, nr. 2007/070 Raad, nr. 2007/076 141 Artikel II.1 15 bis e) van het Aanvullingsdecreet 142 Raad, nr. 2007/046 140

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

43


De Raad besliste in dit verband dat ondanks het feit dat het al dan niet toelaten tot een voorbereidingsprogramma bepaald werd op algemene wijze door het opstellen van een lijst van diploma’s, een individuele beslissing betreft die tot de bevoegdheid van de Raad behoort en dat elke aanvraag in dit verband individueel dient onderzocht te worden ingeval een student niet toegelaten wordt tot het betreffende studieprogramma. De Raad besliste: - wat de bevoegdheid betreft: ‘Zonder hierin te worden tegengesproken door de verwerende partij, is de Raad van oordeel dat het in voorliggend geval een betwisting betreft over een individuele beslissing over het al of niet toelaten van verzoekende partij tot het voorbereidingsprogramma. Een dergelijke beslissing betreft een studievoortgangsbeslissing waarvoor de Raad bevoegd is.’ - wat de grond van de zaak betreft: ‘De Raad beschouwt deze lijst van diploma’s als een richtsnoer bij de beoordeling van de individuele aanvragen tot toelating tot het voorbereidingsprogramma maar ontslaat de hogeronderwijsinstelling in genen dele van het geïndividualiseerd onderzoek van de aanvraag met inbegrip van de bijzonderheden eigen aan het individuele dossier. 143 ’ Deze zaak en meer specifiek het aspect van de bevoegdheid van de Raad is momenteel hangende bij Raad van State (zie punt 4.3) 4.3. Beroepsmogelijkheden Tegen de uitspraken van de Raad is een administratief cassatieberoep bij de Raad van State mogelijk overeenkomstig artikel 14, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. In 2007 zijn 6 beroepen ingeleid bij de Raad van State. Het betreft in twee gevallen een instelling en in vier gevallen de student die een beroep instelde. Op een totaal van 89 verzoekschriften betreft dit 6,7 %. Eén beroep werd niet toelaatbaar verklaard. In één beroep heeft de verzoeker in voorkomend geval de instelling haar beroep wegens geen verder belang ingetrokken. De overige 4 beroepen liggen momenteel ter behandeling bij de Raad van State. In geen van deze beroepen heeft de Raad van State op het ogenblik van de redactie van dit verslag reeds een uitspraak gedaan. Ingeval de Raad van State een besluit van de Raad vernietigt, komt deze zaak terug voor behandeling naar de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Rolnummer 2007/021 2007/046 2007/056 2007/083 2007/088 2007/048

Toelaatbaarheid niet-toelaatbaar toelaatbaar toelaatbaar toelaatbaar toelaatbaar toelaatbaar

Beslissing ---nog geen beslissing nog geen beslissing nog geen beslissing nog geen beslissing verzoekende partij doet afstand van de lopende procedure

143

Artikel II.1, 15° bis,e) van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2004

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

44


5. Aanbevelingen door de Raad 5.1. Medewerkers en middelen Het aantal zaken dat de Raad in 2007 te behandelen had is gevoelig toegenomen in vergelijking met de twee eerste werkingsjaren van de Raad. De eerste gegevens voor het jaar 2008 tonen aan dat die stijgende trend zich doorzet. Tot nu toe is de Raad erin geslaagd de werklast naar behoren op te vangen. Dat is in de eerste plaats te danken aan de onverdroten inzet van de medewerkers van de Raad: de beide secretarissen, mevrouw Karla Van Lint en de heer Erwin Malfroy, alsook mevrouw Patricia Coekaerts. De Raad wenst hen uitdrukkelijk te danken voor hun grote inzet. Deze personen staan niet voltijds ter beschikking van de Raad; daarbij komt dat de heer Malfroy in de loop van 2008 zijn ontslag heeft aangeboden als secretaris, zodat mevrouw Van Lint sedert enige tijd de taak van secretaris alleen moet waarnemen. De Raad stelt vast dat de grenzen van de werklast, die met de huidige personeelsbezetting gedragen moet worden, bereikt zijn. Dat wordt aangetoond doordat dit jaarverslag vrij laat in het jaar kon worden opgesteld: dat is in vergelijking met de eigenlijke taak van de Raad, een minder dringende aangelegenheid, maar het blijft een zorg dat dit verslag niet eerder gemaakt kon worden. De Raad dringt aan op een spoedige benoeming van een nieuwe secretaris ter vervanging van de heer Malfroy. Rekening houdend met de stijging van het aantal zaken, en, naar het zich laat aanzien, een mogelijke uitbreiding van de bevoegdheid van de Raad, dringt de Raad er ook op aan dat er bijkomend personeel ter beschikking wordt gesteld voor de ondersteuning van de Raad. Het is eigen aan de werking van de Raad dat er vooral in de maanden juli-augustus en oktober-november veel werk is, en het is dus van belang dat in die periode voldoende personeel beschikbaar is om een normale werking van de Raad te verzekeren. 5.2. Opvolging van de uitspraken. In het vorige jaarverslag werd de wens al uitgedrukt dat de onderwijsinstellingen de Raad zouden mededelen welk gevolg aan uitspraken van de Raad wordt gegeven. Nu gebeurt dit enkel sporadisch, en dan meestal nog omdat de nieuwe beslissing na de vernietiging van een eerdere beslissing, op haar beurt wordt aangevochten bij de Raad. Een systematische informatie over de wijze waarop de instellingen gevolg geven aan de besluiten van de Raad is bijzonder leerrijk en kan bijdragen tot een betere werking van de Raad.

Jaarlijks verslagboek 2007 – Raad

45


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook