-o
•o
2 <
> 2
J8B
Historische
Historische tuinen en parken van Vlaanderen Inventaris Vlaams-Brabant Bierbeek, Boutersem, Glabbeek en Oud-Heverlee
Historische tuinen en parken van Vlaanderen Inventaris Vlaams-Brabant Bierbeek, Boutersem, Glabbeek en Oud-Heverlee Roger Deneef, Herlinde De jaeckjo Wijnant, Chris De Maegd, Jacques Halflants,Jos Dewinter, Lydie Mondelaers, Greta Paesmans, Jean-Marie Nolf, Georges Buelens,André Cresens, Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck
Eindredactie Roger
_ M§^ •-/j
en synthese: Deneef
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Monumenten en Landschappen Rr,,ccpl 9nfU Brussel 2004
Verantwoordelijke uitgever: Joris Scheers Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Afdeling Monumenten en Landschappen Koning Albert Il-laan 19 bus 3, 1210 Brussel - tel. (02) 553 16 11 - fax (02) 553 16 05 Niets uit deze uitgave mag op enigerlei wijze worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs en de uitgever.
D/2OO3/3241/369 ISBN 90-403-0196-4
NUR
648
Dit boek verscheen in oktober 2004 en werd uitgegeven door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Afdeling M o n u m e n t e n en Landschappen
Auteurs Georges Buelens, André Cresens, Herlinde De Jaeck, Chris De Maegd, Roger Deneef, Jos Dewinter, Jacques Halflants, Lydie Mondelaersjean-Marie Nolf, Greta Paesmans, Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck, Jo Wijnant Met medewerking van: Louis Blockx, Julia Meulemans, Emile Notschaele
Coördinatie & concept Luc Tack
Redactie en eindredactie Roger Deneef
Fotografie Oswald Pauwels & Kris Vandevorst
Tekeningen Rufin De Meerleer en Jacques Halflants
Leescomité Marijke Hoflack, Veerle De Houwer
IMHDim
Voorwoord
Inleiding DEFINITIES BRONNEN, INTERNE VERWIJZINGEN EN AFKORTINGEN WAT ZIJN MERKWAARDIGE BOMEN? INVALSHOEKEN EN WERKWIJZE BEVINDINGEN
BIERBEEK
(Bierbeek)
SINT-KAMILLUSGESTICHT H O F TER EIKEN WILDERHOF BERKENHOF PASTORIE VAN DE SINT-HILARIUSKERK
BIERBEEK
(Korbeek-Lo):
KORBEEKS KASTEEL (DOMEIN HOTTAT) VIJVERHOF H O F TEN HOOILAARD KORBEEKHOEVE (CALUWAERTSHOEVE) PASTORIE VAN DE HEILIG KRUISKERK PAPIERMOLEKEN VILLA GERMAINE
BIERBEEK
(Lovenjoel)
H E T GROOT PARK (DOMEIN SALVE MATER) H E T KLEIN PARK (DOMEIN AVE REGINA) ZIELENBERG VARENBERG
BIERBEEK
(Opvelp)
KASTEEL VAN OPVELP PASTORIE VAN DE SINT-ANTONIUS-ABTKERK
BOUTERSEM
(Boutersem)
O U D KASTEEL VAN BOUTERSEM NIEUW KASTEEL VAN BOUTERSEM KAPEL VAN ONZE-LIEVE-VROUW VAN STERREBORNE VOORMALIGE BROUWERIJ POLUS PASTORIE VAN DE SINT-HILARIUSKERK PASTORIE VAN DE SINT-MARTINUSKERK VAN BUTSEL
BOUTERSEM
(Kerkom)
HOF VAN KERKOM
BOUTERSEM
(Neervelp)
PASTORIE VAN DE SINT-REMIGIUSKERK
BOUTERSEM
GOED VAN PETEN PASTORIE VAN DE SINT-ANNAKERK
BOUTERSEM
120 123 125
(Vertrijk)
KASTEEL VAN KWABEEK PASTORIE VAN DE ONZE-LIEVE-VROUW- & SINT-LUCIAKERK
127 136
(Attenrode-Wever)
KASTEEL VAN ATTENRODE
GLABBEEK
118
(Roosbeek)
KASTEEL VAN ROOSBEEK
GLABBEEK
IIO
138
(Bunsbeek)
KASTEEL VAN BUNSBEEK
140
VILLA JANSSENS (OF PLATTON)
145
GLABBEEK
(Glabbeek-Zuurbemde)
HOF TEN DRIES VILLA NOTARIS MERTENS KASTEEL VAN ZUURBEMDE
GLABBEEK
147 149 151
(Kapellen)
PASTORIE VAN DE ONZE-LIEVE-VROUWEKERK
157
OUÜ-HEVERLEE / BIERBEEK / LEUVEN HEVERLEEBOS EN MEERDAALWOUD
OUÜ-HEVERLEE CHATEAU DE
(Blenden)
NAMUR
VILLA CHANTILLY
OUÜ-HEVERLEE
159
165 167
(Oud-Heverlee)
HET ZOET WATER
168
KASTEEL VAN HARCOURT
173 177 180
VILLA 'LE CHÊNAU' VILLA VAN ORSHOVEN - LANDELIJKE RUITERSCHOOL
1VI&L
OUD-HEVERLEE ( O u d - H e v e r l e e ) LEUVEN (Heverlee) FILOSOFENFONTEIN
OUD-HEVERLEE
(Sint-Joris-Weert)
VILLA GROTENHOF ('VALVERT') VOORMALIGE PASTORIE VAN DE SINT-JORISKERK SWIGGERSHOF
Résumés Summaries Kaarten met situering van de b e s p r o k e n t u i n e n en p a r k e n O v e r z i c h t van k w a l i t e i t e n en k e n m e r k e Personenregister Dankwoord
vnnRwnnRn
Waarom figureren grote bos- en natuurgebieden zoals het Heverleebos en het Meerdaalwoud in een inventaris van historische tuinen en parken? Wat gebeurde rond 1850 met de meeste 'pastoorsbosjes', waar de dorpspastoors voordien hun gerief- en brandhout uit betrokken? Wat is het verschil tussen een ijskelder en een groentenkelder? Wat heeft een betonnen vliegezwam gemeen met een Lourdesgrot en een neogotische uitkijktoren? Wie uit Zuurbemde schreef er rond het midden van de 19de eeuw Franstalige historische romans? Wat heeft psychiatrie met tuinkunst te maken? Wanneer werd het monumentale toegangshek van het Groot Park te Lovenjoel gestolen? Hoe kan men de opkomst en ontwikkeling van het industrieel en financieel kapitalisme tijdens de 19de eeuw aflezen in de inrichting en heraanleg van onze kasteeldomeinen? Is de tuinarchitect Caloppin, die in 1917 rond het Hof van Kerkom een landschappelijk park ontwierp, wel dezelfde als de Caloppin van het josaphatpark te Schaarbeek en het domein Croenenberg te Vlezenbeek? Wanneer en in welke omstandigheden ontstonden de eerste landschappelijke - 'Engelse' - parken in het oosten van de provincie Vlaams-Brabant? Het inventarisdeel betreffende de gemeente Bierbeek, Boutersem, Glabbeek en Oud-Heverlee - een derde cahier over historische tuinen en parken van Vlaanderen beantwoordt al deze vragen en nog veel meer. Aan de hand van literatuur, archiefstukken, oude kaarten en terreinonderzoek, wordt een indringend beeld geschetst van de ontwikkeling en huidige toestand van 49 historische tuinen en parken vanuit de meest diverse invalshoeken. De opstellen steunen op een gedetailleerde inventaris van bomen, architecturale kenmerken en elementen (bijv. zichtassen of vista's, parkmeubilair, paviljoens, architecturaal microreliëf). Deze inventaris is meer dan een opsomming. Hij bevat beschouwingen over de stilistische evolutie van regelmatig-geomethsche tuinen naar landschappelijke, zogenaamd Engelse parken in het begin van de 19de eeuw; de nog leesbare historische gelaagdheid van vele sites, het belang van horticultuur en dendrologie in de 19de eeuw; de invloed van de modernisering van de verkeersinfrastructuur; het aparte genre van de pastorietuinen; de gevolgen van de iepenziekte etc. De inventaris is ook meer dan een literair-wetenschappelijke vingeroefening, maar een bijzonder nuttig naslagwerk voor al wie mee zorgt voor het bewaken, in stand houden en laten evolueren van onze Vlaamse Historische tuinen en parken. Ontdek - doorheen tijd en geschiedenis - dankzij dit nauwkeurige en prachtige werk van de auteurs, enkele van deze eeuwenoude parels.
Dirk VAN MECHELEN Vlaams minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening
M * *
•
^
^
^
"-^•;:i
->
»•».
11M1 F.miMfi
Definities Voor ons is "tuin: omheind stuk grond waar bloemen gekweekt of groenten enz. geteeld worden" (1ste betekenis in: http://www.vandale.nl/current). In eerdere edities van het 'Groot Woordenboek der Nederlandse taal' (bijvoorbeeld die van 1984) werd ook het behoren "bij een huis en daaraan sluitende, of het omgevende" als essentieel onderdeel van de definitie gegeven. In dat geval zouden volkstuintjes, kerkhoven, begraafplaatsen... ten onrechte buiten de definitie vallen. Voor de definities van park en plantsoen verlaten we ons echter op de oude uitgaven: "Park: terrein bij of om een kasteel of landhuis, bestaande uit bos en weiland, meestal door vijvers en kunstmatige aanleg verfraaid." (2de betekenis in: Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse taal, 1992). "Plantsoen: aanleg met bomen en planten als openbare tuin, publieke wandelplaats" (3de betekenis in: Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse taal, 1992). Deze definities van tuin en park sluiten nauw bij elkaar aan en we vinden ze niet alleen in Franse en Engelse taaiwoordenboeken terug, maar ook in de vakliteratuur, zowel in de oudere, bijvoorbeeld bij J. Vacherot (Les pares et jardins au commencement du XXe siècle, 1908,) als in recente, bijvoorbeeld in de Glossary of Garden history van M. Symes (1993), in de Dictionnaire historique de l'art des jardins van M. Conan (z.d., 1997?) en in jardin - Vocabulaire typologique et technique van M.-H. Bénetière (2000). Wij zullen 'tuin' en 'park' zo consequent mogelijk gebruiken om een verschil in schaal en intensiteit (of intensiviteit) aan te geven: intensief, min of meer kleinschalig (tuin) versus extensief, grootschalig (park). Voor 'h/storisch'verkiezen we de derde definitie van de 'Petit Robert' (uitgave 1983): "Qui est ou mérite d'etre conserve par I'histoire". In de teksten wordt duidelijk gemaakt waarom het de moeite
• Gezocht: het toegangshek van het Groot Park te Lovenjoel,
waard was om een bepaalde tuin of een bepaald
gestolen in 1994
park in de inventaris op te nemen.
(foto J. Piron, 1986)
Dendrologische
Nieuw Kasteel van
rariteiten en
Boutersem
anomalieën: een es
(foto R. Deneef,
met'consoles'
1998)
in het park bi{ het
M&L
Bronnen, interne verwijzingen en afkortingen Een eerder gepubliceerde tekst betreffende de parken van Lovenjoel - Monumenten en Landschappen 12(1), 1993, p. 46-61 - w e r d in min of meer gewijzigde vorm hergebruikt. Alle vermelde kadastrale documenten werden geraadpleegd in het archief van het Kadaster- Directie Brabant, Stevensstraat 7 te 1000 Brussel. Soms wordt verwezen naar de beschrijving van een ander domein dat aan bod komt in dit inventarisdeel: in dat geval wordt de naam van het domein gevolgd door een asterisk (*). - ICM: Institut Cartographique Militaire
Wat zijn merkwaardige bomen? Onder de titel 'Merkwaardige bomen' worden voor een aantal domeinen bomen opgesomd gevolgd door hun stamomtrek. Het meest recente meetgetal wordt in het vet afgedrukt. In België wordt de stamomtrek doorgaans gemeten op 150 cm boven het maaiveld. Door de aanwezigheid van gesteltakken, knobbels, aanwassen... moet hij soms op een andere, meestal lagere, hoogte worden gemeten. In dat geval wordt het stamomtrekgetal gevolgd door een tweede getal tussen haakjes, dat staat voor de afwijkende meethoogte. De regels die gevolgd werden bij het meten van bomen - ook op hellingen of bij scheefgezakte, vanaf de grond vertakte exemplaren... - worden uiteengezet in: R. DENEEF & A. DE HAECK, Borsthoogten en stamomtrekken door de eeuwen heen, p. 26-48 in: jaarboek van de Belgische Dendrologische Vereniging 1996. Bij dit inventarisdeel horen vijf plannen van domeinen, waarop naast de gebouwen en de voornaamste aanlegelementen ook de merkwaardigste bomen worden gesitueerd. Deze bomen worden merkwaardig geacht wegens hun afmetingen, ouderdom en/of de zeldzaamheid van de soort of variëteit - vaak cultuurvariëteit ('cultivar'). Deze plannen zijn geen exacte weergave van de topografie. Het gaat om situatieschetsen, meestal gebaseerd op uitvergrote topografische kaarten, die op zicht werden aangevuld en normaliter volstaan om de aangeduide bomen op het terrein terug te vinden.
Bij de determinatie van bomen en struiken werd meestal gebruikgemaakt van: - BOOM B.K., Nederlandse dendrologie (M®e druk), Wageningen, Veenman & zonen, 1982. - KRÜSSMANN C , Handbuch der Laubgehölze (3 delen), Berlin-Hamburg, Verlag Paul Parey, 19761978. - KRÜSSMANN C , Handbuch der Nadelgehölze, Berlin-Hamburg, Verlag Paul Parey, 1972. Soms van: - REHDER A., Manual of cultivated trees and shrubs (2nd ed.), New-York, MacMillan Publishing Co, 1974. - MITCHELL A., A field guide to the trees of Britain and northern Europe, London, Collins, 1992.
Invalshoeken en werkwijze Cultuurhistorische, artistieke, architecturale, esthetische, sociaal-economische, dendrologische, horticulturele en zelfs ecologische aspecten (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een min of meer authentieke bosflora) werden in de inventaris verrekend. Ook gedeeltelijk of zelfs geheel verdwenen tuinen en parken (zie verder: het overzicht van kwaliteiten en kenmerken) werden opgenomen. De schaal en de functie van de objecten kunnen zeer uiteenlopend zijn, van kleine moes- of villatuinen tot parken en (niet in dit inventarisdeel) tuinwijken van bij de 100 hectare. Ook interessante 20steeeuwse creaties kregen de aandacht, bijvoorbeeld het Sint-Kamillusgesticht te Bierbeek (Bierbeek), of de aanleg bij het kasteel van Bunsbeek. De te inventariseren objecten werden opgespoord aan de hand van literatuuronderzoek, luchtfoto's, oude kaarten (bijvoorbeeld de Ferrariskaart, oude stafkaarten), terreinervaring en overleg met gespecialiseerde personen en verenigingen zoals de Vereniging Belgische Dendrologie, Natuurreservaten en heemkundige of historische verenigingen. Het terreinonderzoek omvatte een gedetailleerde inventaris van bomen, architecturale kenmerken en elementen (bijvoorbeeld zichtassen of vista's, parkmeubilair, paviljoens, architecturaal microreliëf). Ook de spontane plantengroei (flora, vegetatie) kreeg aandacht. Aan het opmeten en beschrijven van bomen werd relatief veel tijd besteed (voor sommige domeinen twee dagen); bomen zijn immers een interessant dateringsmiddel als de stamomtrek als parameter wordt gebruikt. Meestal kon een verband gelegd worden tussen de diverse generaties van aanplantingen en de opeenvolgende aanleg- en bouwcampagnes. Het belang van dit soort 'dendrochronologie' bij park- en tuininventarisatie werd al eerder benadrukt door Tom Williamson (Garden history and systematic survey, in: Garden history. Issues, approaches, methods. Washington D.C., 1992, p. 59-78). Bij het onontbeerlijke archiefonderzoek werd minstens het archief van het kadaster doorgenomen. Meestal was dit de gemakkelijkst toegankelijke, zoniet de enige beschikbare bron van historische gegevens. Bij de datering van gebouwen, landschapselementen, afbraak en heropbouw speelden de kadastrale opmetings- of mutatieschetsen (beschikbaar vanaf 1833) een belangrijke rol. Normaliter worden die opgemaakt binnen het jaar na de wijziging in de toestand van een perceel, maar enkele keren (o.m. voor het Hof van Kerkom te Boutersem) kwam het voor dat er veel meer dan één jaar verliep tussen een belangrijke verbouwing en de registratie ervan. Bovendien stelden we vast dat bepaalde wijzigingen in het landschap, bijvoorbeeld van contouren van vijvers of padentracés, in het geheel niet of pas veel later tot het kadastraal beeld zijn doorgedrongen. De datering aan de hand van kadastrale gegevens werd dus zoveel mogelijk gecontroleerd en gecorrigeerd aan de hand van andere bronnen, zoals jaarstenen in de gevel, militaire topografische kaarten of notariële akten. Met 'primitieve' kadasterkaart wordt de eerste kadasterkaart met de hedendaagse nummering (zonder exponenten) bedoeld, opgesteld tussen 1815 en 1830. Het gaat dus niet noodzakelijk om de oudste kadasterkaarten, zoals de niet genummerde 'plans géométriques' uit de Franse periode, die we voor Oud-Heverlee, Korbeek-Lo en Lovenjoel hebben teruggevonden. De 'primitieve legger' en 'primitieve eigenaar' refereren aan de eigendomstoestand en de perceelsbeschrijving, die in 1830 het uitgangspunt vormden voor het nog steeds vigerende systeem. Om 'primitief' in kadastrale zin te onder-
Het Korbeeks
vermoedeli|k nog
Dieudonné, in ge-
Kasteel op het
aan de gang,
zelschap van een
einde van de jaren
getuige hiervan de
van de tuiniers
1840 op een
wals en de man
(met dank aan
gekleurde litho van
met de potplant op Emile Notschaele,
Ed. Toovey;
de voorgrond,
de beplantingen zijn
mogelijk baron de
Kessel-Lo)
scheiden van de meer gangbare betekenissen, zullen we het woord met een hoofdletter schrijven: Primitieve kadasterkaart. Onderzoek van oud beeldmateriaal zoals prentbriefkaarten, familiekiekjes, factuurhoofdingen, etsen, litho's... bleek bijzonder vruchtbaar, omdat zij een inkijk geven in het dagelijkse leven tijdens de hoogdagen van tuinen en parken. Slechts in één geval - het Hof van Kerkom - was er een familiearchief met aanlegplannen en andere gegevens betreffende de tuin of het park voorhanden en kwam ook de naam van de ontwerper naar boven.
Bevindingen De inventarisatie van dit beperkte, tot voor kort landelijke gebied - vier gemeenten ten zuiden en ten oosten van Leuven, met een totale oppervlakte van 12.876 hectare - leidde tot de selectie van 49 parken, tuinen, tuintjes, plantsoenen... van zeer uiteenlopende aard, functie, historische achtergrond en schaal - van kleine villatuinen van nog geen 30 are tot en met het Heverleebos en het Meerdaalwoud, circa 2.500 hectare. Al kunnen de conclusies van een dergelijk onderzoek slechts een beperkte draagwijdte hebben, toch is een poging tot synthese gewettigd, ook al omdat er een veel ruimer gebied werd onderzocht, dat in dit inventarisdeel echter niet aan bod komt. In de eerste plaats groeide de overtuiging dat het uitzicht en de vorm van de meeste tuinen en parken - zelfs na een ingrijpende (romantische of landschappelijke) 19de-eeuwse 'fase' - In hoge mate schatplichtig zijn aan de primitieve vorm of de functie van het object waaromheen ze aangelegd wer-
den of gegroeid zijn: feodale motte, hoeve, 'hof van plaisantie', molenvijver... Landschapsgenetische aspecten wogen minstens even sterk door als stijl- of modetrends. We hebben dan ook een rudimentaire 'genetische' typologie en classificatie uitgewerkt. De 'landschappelijke' heraanleg in de loop van de 19de eeuw is in een aantal gevallen niet veel meer dan recyclage van oude elementen, niet alleen van gebouwen (of minstens hun funderingen) maar ook van belangrijke landschapselementen: een beek wordt verbreed en opgestuwd zoals in het domein van Kwabeek te Boutersem (Vertrijk) of in het Klein Park te Bierbeek (Lovenjoel), een arm van de slotgracht wordt verbreed en uitgediept zoals bij het Korbeeks Kasteel te Bierbeek (Korbeek-Lo). Op het vrij beperkte belang van brede cultuurstromingen, literaire teksten en essays over tuinaanleg ("high cultural texts") om veranderingen in de tuin- en parkaanleg te verklaren, werd - in een Engelse context - reeds gewezen door de voornoemde Tom Williamson. In parken en tuinen wordt in de eerste plaats geleefd; financiële overwegingen, kostenafwegingen, recreatiebehoeften, landbouwpatronen en de economische en sociale structuur van de plaatselijke gemeenschap waren (en zijn nog steeds) belangrijke vormdeterminanten. Deze vaststelling geldt des te meer voor het gebied dat in dit inventarisdeel wordt besproken: de financiële draagkracht (en culturele horizon) van de bouwers van parken en tuinen in de 19de eeuw (nazaten van de oude feodale landadel of opkomende industriële bourgeoisie) was - vergeleken met Engeland - vrij beperkt. België heeft nooit een bloeiende slavenhandel gekend en kreeg pas in 1908 een kolonie. Desondanks hebben internationale stijlveranderingen een onbetwistbare invloed uitgeoefend. Verrassend was de vaststelling dat tussen 1800 en 1820 (zwaartepunt rond 1810) een hele reeks tuinen en parken - beperkt in oppervlakte en formeel, regelmatig, klassiek-geometrisch, 'Frans' of hoe ook genoemd - een ingrijpende mutatie ondergaat. Het nieuwe patroon met golvende contouren, verbredingen, aanzwellingen en plotse vernauwingen - vaak opgestuwde en verbrede beken en grachten - doet een beetje denken aan de schematische voorstelling van een spijsverteringsstelsel in een schoolboek en is typisch voor een aantal domeinen in een vroeg-romantische of vroeg-landschappelijke fase, zoals het Klein Park van Lovenjoel of het domein van Kwabeek. Het overmatige gekronkel van de padentracés binnen een strakke omkadering en de 'onnatuurlijke natuurlijkheid' in het algemeen duiden bovendien op het rococokarakter van deze jardins a l'anglaise. De strak geometrische patronen van de 18de-eeuwse aanleg (dreven, lanen, terrassen, tuinperimeter) werden
Hooien in arcadisch decor: het Groot Park van Lovenjoel, met het kasteel op de achtergrond, op een prentbnefkaart, eerste kwart 20ste eeuw (collectie E. Smeyers, Ressel-Lo)
zelden volledig uitgewist. De deformalisering betrof in de eerste plaats de waterpartijen, maar in het 'bosquet' van het kasteelpark van Kwabeek is naast het 19de-eeuwse tracé van kronkelpaden ook de 18de-eeuwse patte-d'-oie nog gedeeltelijk zichtbaar. Het Heverleebos en het Meerdaalwoud herbergen het enige voorbeeld van klassieke, 18de-eeuwse landschapsarchitectuur: een dambordpatroon van rechte wegen, groene kamers of 'salons', die nog voortleven in de toponymie, en een monumentale, met linden beplante belvédèreheuvel: de 'Parnassusberg'. In de meeste gevallen wordt deze vroeg-landschappelijke fase verdoezeld door een latere aanleg, die we (uiteraard) dan ook als laat-landschappelijk omschrijven: weidse ellipsen of parabolen die naar binnen toe vertakken, royale vista's, de meer centrale opstelling van een nieuw kasteel, meestal in eclectische stijl. De sobere neoclassicistische landhuizen worden vanaf 1850-1860 vervangen d o o r - in de ogen van de controleurs van het kadaster - riante 'kastelen'. In enkele gevallen (bijvoorbeeld het Klein Park te Lovenjoel) is de vroeg-landschappelijke fase echter nog duidelijk aanwezig.
M&L
Samen met de vroeg-landschappelijke aanleg verdween dikwijls een belangrijk relict van de feodale structuur, met name de slotgracht, vooral wanneer het water tot tegen de gebouwen kwam, zoals bij het kasteel van Kwabeek. Vermoedelijk was dit niet alleen een gevolg van esthetische of stijlbekommernissen, maar ook van milieuhygiënische: de angst voor stilstaand water, bron van "ongezonde uitwasemingen en funeste epidemieën", zoals gesteld wordt in een ambtelijk stuk van 1810. Het aseptische tijdvak was aangebroken. Vanaf omstreeks 1850 komen rond enkele welvarende boerderijen kleine tuinen tot ontwikkeling. In een aanval van welvaart, vaak ondersteund door niet-agrarische nevenactiviteiten zoals brouwerij of paardenfokkerij, wordt de woonvleugel omgebouwd tot villa of 'kasteel' en wordt, in de schaduw daarvan, een embryo van een landschappelijke tuin aangelegd. Dit type hebben we 'herenboerenparkjes' genoemd; voorbeelden hiervan vonden we in Boutersem en Bierbeek (Korbeek-Lo). Enigszins verwant hiermee, maar meer in de tijd verspreid, zijn de 'molenvijverparken', waaromheen zich vroeg of laat een vorm van parkaanleg heeft ontwikkeld. Het centraal gegeven hierbij is de molenvijver(s) en de initiatiefnemer is meestal de molenaar zelf. Het oudste en meest spectaculaire voorbeeld werd aangetroffen in Bierbeek-Lovenjoel ('Het Groot Park'), waar bij de molenvijver rond 1 740 een kasteelachtig buitenverblijf wordt opgetrokken met een regelmatige geometrische, tuin, die in de eerste helft van de 19de eeuw plaats ruimt voor een landschappelijk park. Het molenvijvertype zal in een meer bescheiden vorm tot ver in de 20ste eeuw welvarende molenaars inspireren; de meeste recente voorbeelden - uit het interbellum - vonden we in Bierbeek (Korbeek-Lo) en in Bierbeek (Bierbeek), respectievelijk het Papiermoleken en de molen van Ruisbroek, nu Berkenhof. De kleine villatuin (zelden groter dan 1 hectare) is een type dat tijdens het eerste kwart van de 20ste eeuw aan belang wint en waarvan in Bierbeek en Oud-Heverlee een aantal voorbeelden voorkomen. De meeste van deze tuinen zijn een verkleinde versie van de laat-landschappelijke tuin, maar de moderniteit doet haar intrede in de vorm van een garage (in plaats van een remise met stallen) of een zwembad, zoals op de Zielenberg te Bierbeek (Lovenjoel). In enkele gevallen - vooral in de moesen bloementuinen - zijn invloeden merkbaar van de 'Nouveau jardin pittoresque', soms gecombineerd met cottagearchitectuur, zoals op de Varenberg te Bierbeek (Lovenjoel). Neoformele stijlen of ideeën uit de 'Arts and Crofts'-beweging of de Belgische 'Nouveau jardin pittoresque' (opgericht in 191 3) spelen bij het hertekenen van parken en tuinen aan het einde van de 19de eeuw of tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw overigens een beperkte rol. Ze betreffen alleen de onmiddellijke omgeving van
het huis of het kasteel, de toegangspartij of het ereplein, zoals in het Hof van Kerkom te Boutserem (Kerkom), het kasteel van Bunsbeek te Glabbeek (Bunsbeek) of Villa 'Le Chênau' te Oud-Heverlee. Een apart genre zijn de pastorietuinen. In de loop van de 18de eeuw worden diverse pastorieën herbouwd: Korbeek-Lo, Opvelp, Butsel (Boutersem) en Vertrijk. Deze heropbouw ging meestal gepaard met een herschikking van het hele pastoriegoed. Opvallend hierbij is dat deze herstructurering beantwoordde aan het vigerende model van het "vivre entre cour et jardin". In de loop van de 19de eeuw wordt nogmaals op een bestaande trend ingespeeld door de aanleg van een 'landschappelijk' parkje, naast de oude, vlakke, rechthoekige, bij het huis aansluitende tuin voor 'nut en sier' (groenten en bloemen), meestal met een padenkruis. Hiervoor werd het traditionele 'pastoorsbosje' - soms 'warande van de pastoor' genoemd - aangesproken. Deze bosjes hadden in het 'nieuwe regime' (nieuw statuut van de pastoors, steenkool als energiebron...) hun economische bestaansreden grotendeels verloren. Het is duidelijk dat het hier gaat om miniatuurversies van de kasteelparken in landschappelijke stijl: enkele rode beuken, een slingerpad, een paar bloemperken of corbeilles, een taxusbosje en, als het kon, een vijvertje met een eilandje (Boutersem-Roosbeek). Van hak- of schaarhout is geen spoor meer te bekennen; de onderplanting bestaat uit typische parkheesters als sneeuwbes, boerenjasmijn, deutzia... De details zijn onherroepelijk verdwenen maar de structuur en de bomen zijn meestal nog aanwezig. Van het tuinmeubilair, tuinvazen, beelden, prieeltjes... is in de meeste parken en tuinen weinig overgebleven. Dat is uiteraard niet alleen een gevolg van verwaarlozing. Enkele jaren geleden werd bij nacht en ontij in het centrum van Lovenjoel het monumentale smeedijzeren toegangshek van het Groot Park uit zijn hengsels gelicht en opgeladen. Bij de situering, beschrijving en evaluatie van deze zaken werd daarom enige discretie aan de dag gelegd. Verbredingen en rechttrekkingen van wegen zijn voor een aantal tuinen en parken nefast geweest. Dat ging vaak ten koste van de randbeplanting - oude hagen of bomenrijen, dikwijls bruine beuken - en, soms, van oude tuinmuren en hekken. Een vroege golf van rechttrekkingen en verbredingen in het gebied is rond 1840 merkbaar. In de jaren na de Eerste Wereldoorlog, bij de opkomst van het autoverkeer, was er eveneens een belangrijke piek. De pas uitgebroken iepenziekte werd toen volgens sommigen niet zelden als alibi gebruikt om door massale rooiingen van iepen aanpassingen van
Een in 1850 I860
het Meerdaalwoud
opgeplante dreef
(foto 0. Pauwels,
nabij het boshuis
2004)
'De Warande' aan
IVI&L
de zuidrand van
met brume beuken
het wegennet mogelijk te maken en ze bovendien, dankzij de houtverkoop, te financieren. Een verbolgen commentator in het 'Maandelijks Bulletin van de Vereeniging voor Natuur- en Stedenschoon' (maart 1927, p. 33-34) was daar alleszins van overtuigd. Een bijzonder destructief moment was de 'macadamizering' van het wegennet aan het einde van de jaren 1940 en in de eerste helft van de jaren 1950, toen ook talloze secundaire wegen op een standaardbreedte van 5 of 6 m werden gebracht en bochten werden afgesneden. Het park rond het Hof van Kerkom te Boutersem (Kerkom) werd op die manier ernstig verminkt. Door het toenemende snelverkeer en de risico's die objecten langs de wegbermen vertegenwoordigen, is er bovendien steeds minder tolerantie ten opzichte van bomen. De voorjaarsstormen van 1990, die een grote ravage aanrichtten in het Groot Park te Bierbeek (Lovenjoel), werden gevolgd door een kapping om veiligheidsredenen bedongen door de nationale spoorwegmaatschappij, waardoor de oude bruine beuken, die sinds 1860 de zuidrand van het park vormden, verdwenen. Het is niet eenvoudig om zich een beeld te vormen van de veranderingen en verwoestingen die de opeenvolgende uitbarstingen van de iepenziekte sinds 1919 in onze parken en in het landschap in het algemeen hebben aangericht. De laatste, ons bekende iependreef in Vlaams-Brabant - bij het kasteel van Snoy te Steenokkerzeel (Meisbroek) - is doodgegaan in 1983. De enige min of meer dikke iep die binnen het hier beschouwde gebied werd genoteerd, bevind zich in het Klein Park te Bierbeek (Lovenjoel) en heeft een stamomtrek van 220 cm: lep komt nog voor in de vorm van jonge wortelopslag of als cultivar (Ulmus carpinifolia 'Variegata', Ulmus glabra 'Exoniensis'). Getuigenissen over het belang van de iepen werden onder meer opgevangen met betrekking tot het Hof van Kerkom. In het Klein Park van Bierbeek (Lovenjoel) komt bonte Engelse iep (Ulmus procera 'Argenteovariegata',) nog voor in de vorm van uitbundige wortelopslag, een relict van verdwenen bomengroepen. Historische tuinen en parken worden soms vanuit onverwachte hoek bedreigd. Enkele bieden namelijk interessante ontwikkelingsmogelijkheden voor wonen. Bij de vaststelling van de gewestplannen in de jaren 1970 werden ettelijke van deze landgoederen geheel of gedeeltelijk - vaak de met hoogstammige bomen beplante randzone - ingekleurd als 'woongebied', al dan niet met een 'landelijk karakter'. Dit betekent dat de hoofdfunctie wonen, wanneer dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is, gerealiseerd kan worden. Dat leidde en leidt nog steeds tot de opdeling van tuinen en parken in dure bouwpercelen en de vernietiging van een groot deel van hun historische beplanting. Slachtoffer zijn vooral de typische, eclectische villa's uit de belle époque, omringd door relatief bescheiden parkjes, maar waarvan het volume en de kleur van de bomen beeldbepalend zijn voor de straat of de wijk. Met hen verdwijnen ook de getuigen van een woonvorm die typisch was voor de bourgeoisie in de steden en voor de notabelen in het dorp. Alleen al op grond van de vigerende gewestplannen verkeert ongeveer één vierde van de totnogtoe 450 geïnventariseerde objecten in Vlaams-Brabant in zo'n geval; het aantal 'goedgekeurde en niet vervallen verkavelingen' buiten de woongebieden is vooralsnog onbekend. Voor het hier behandelde gebied bleef het aantal 'stedenbouwkundig'veroordeelde tuinen en parken beperkt tot 6 van de 49 besproken landgoederen. Bijzondere aandacht bij de verdere stedenbouwkundige verfijning van de gebieden waarin deze parken zich bevinden, is aangewezen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling via het nieuwe instrumentarium van de structuurplanning en meer bepaald bij de concrete invulling van het begrip 'minimale woondichtheden' zal bijzondere aandacht voor deze beeldbepalende gebieden noodzakelijk zijn. Een kwalitatieve woonomgeving vraagt immers ruimtelijke kwaliteit, net een aspect van vele tuinen en parken. De aandacht ging ook uit naar sociaal-economische aspecten. Er werd getracht een beeld te schetsen van de sociaal-economische context waarin de beschreven landgoederen zich ontwikkelden. Waar mogelijk werd de sociale, professionele en financiële status van de eigenaar of initiatiefnemer belicht, niet zelden grootgrondbezitter en burgemeester. De uitbouw van een esthetisch-landschappelijk 'cordon sanitaire', het zich opsluiten in arcadische coulissenlandschappen, de ruimtelijke scheiding die ook de uitdrukking is van de groeiende afstand tussen de sociale klassen in de loop van de 19de eeuw, worden vooral vanaf 1850 bepalend voor de aanleg of heraanleg van landgoederen.
Zogenaamde 'enclosure'-operaties waren in de 19de eeuw een belangrijk middel om grote landschappelijke parken te vormen. Stukken openbaar en klein privé-domein werden ingepalmd om een gesloten blok te kunnen vormen, openbare wegen werden omgeleid, keuter- en daglonerboerderijtjes werden aangekocht en afgebroken. In Frankrijk en Engeland kon dit spectaculaire vormen aannemen, maar ook binnen het hier beschouwde gebied zijn er enkele noemenswaardige voorbeelden, zoals het Groot Park te Bierbeek (Lovenjoel). Een laat (1910) en vrij bescheiden voorbeeld is het Vijverhof te Bierbeek (Korbeek-Lo). Het onderzoek van historische tuinen en parken is tot op zekere hoogte een vorm van archeologie: de archeologie van een levenswijze die, hoe interessant ook, onderdeel vormde van een sociaaleconomisch bestel dat sinds de Tweede Wereldoorlog tot het verleden behoort. Verwaarlozing en verval - vooral van de nutsgedeelten en subtiliteiten zoals hagen en prielen - is dan ook de regel. De naoorlogse 'superette' heeft bovendien een fatale slag toegebracht aan de groente- en fruittuinen, die een belangrijk onderdeel vormden van nagenoeg alle tuinen en parken. Roger Deneef
l*1^ -SJJ
.
'
rf# "
!
w¥^\'
J
iföi
i^^
n t_
//• •
x
> ••,
^J
1
^:^f&<^.
-m
Roger Deneef, Suzanne
Lydie
Mondelaers
Van Aerschot-Van
&
Haeverbeeck
BIERBEEK (BIERBEEK): SINT-KAMILLUSGESTICHT KRI|KELBERG 1 , 3 3 6 0
BIERBEEK
jS^tÈL
Het Sint-Kamlllus-
m^
gesticht in vogel-
Ka
perspectief, vlak na de voltooiing in 1933: op de achter-
il
.';v'-'-
mmm
mm mm
grond, in de
--..ir?<-:?
*tk*k
de Molenbeek,
5^-
is het dak zichtbaar van het Hof ten Hooilaard en.
•Hl ^'^ii
iets meer naar links op de foto,
ggp»
•
beboste vallei van
*_
^'•O •,.••-,.
yzê
S
0
l'i^A
^Jsf,
i (%& >-
cialaat Broeders
^* ***"*t
van Liefde, Gent)
^ :
PI 15 hectare rond psychiatrisch hiërarchisch-organisch
r
•
instituut,
gestructureerd
(de kerk in het midden), symmetrisch en modulair opgebouwd rond diverse eenheden en paviljoenen in een eclectische, op streekeigen historische stijlen gesteunde architectuur; de paviljoenen hebben elk, afwisselend,
•
•
•
^
^ ^
Eclectische tuinaanleg uit 1930 over circa
^ Q | M y i'^-fc
^JJI -^«*
m
tSwf'''
het Papiermoleken (archief provin-
mm m:'
dl y^r
te,
De 50 meter hoge toren van het Sint-Kamillusgesticht op de 'Krijkelberg' te Bierbeek is een baken in het landschap ten oosten van Leuven en ook de watertoren van een rond 1930 gebouwd psychiatrisch instituut. De symmetrische en hiërarchisch-organische uitbouw (met de kerk in het midden) en de tuinaanleg rond de diverse eenheden en paviljoenen geven uitdrukking aan een welomschreven religieus, sociaal en therapeutisch project.
strak geometrische en landschappelijke deeltuinen; invloeden van de 'Nouveau jardin pittoresque'; schitterend, vrijwel onaangetast en goed onderhouden geheel.
Kulturkampf, psychiatrie en moderne bouwtechniek Tussen 1928 en 1933 werd op de Krekelberg (dialectisch als Krijkelberg uitgesproken en meestal
als 'Vlaamse renaissance' - werd gebruikgemaakt -4 van moderne materialen en bouwtechnieken: Slnt-Kamllll,s ln de „_.
,
.
,
,
,
.
.
,
,
|aren 1940: het
Deze gebouwen zijn brandvrij: geen houten plan- •VKJt^ en ^ chers, doch overal smaakvol gekozen ceramiekvloeren. administratiegebouw Geen stukje hout werd voor de bekapping gebruikt: met ^ watertoren
alles ijzer, steen, beton, met leien daken . De archi- „ , J
ook zo geschreven) te Bierbeek door de v.z.w. 'Broeders van Liefde' een gesticht voor "behoeftige krankzinnige mannen" (1) gebouwd. O p een terrein van ruim 43 hectare werd een gebouwencomplex opgetrokken waarin, volgens een jubileumboek (2), niet minder dan "17.500 m3 metselwerk, 5.500 m^ beton met een bewapening van ruim 750 ton ijzer, en 1.700 m3 witte Fransche bouwsteen" werden verbruikt. Ondanks de traditionalistische vormgeving - meestal simplificerend omschreven
Meulemans,
tect was Alphonse De Vyvere, die op hetzelfde Lubbeek) moment voor dezelfde bouwheer een vergelijkbaar maar veel bescheidener complex bouwde in Beernem (West-Vlaanderen). De jubileumauteur omschrijft de structuur als "een symmetrisch geheel, waarvan de aslijn den hoofdentrée, het Mariapaviljoen, de centrale badzaal, de kapel en het keukengebouw snijdt. Links en rechts van deze lijn bevinden zich op enkele tientallen meter afstand de overige paviljoenen; terwijl buiten dit symmetrisch geheel, rechts vooraan, de Aalmoezenierswoning en het lazaret gebouwd zijn, en op enkele honderden meter afstand, tegenover het station, de twee villa's der geneesheren . Het instituut was voorzien op 870 zielen. 'Zielen' mag hier vrij letterlijk worden opgevat, gezien de sfeer waarin het project tot stand kwam en de
Het SmtKamillusgesticht in 1953 op (kaartblad 32/2/6, originele schaal 1/5000, uitgave Ministerie van Openbare Werken & Wederopbouw, 1958)
site in 1940 afgebroken Hof van Krekefcerg
M&L
ÏHï
'J '•*
ir rr
brief aan de provinciale overste van de Broeders van Liefde, broeder Filemon (3) en - enkele jaren later - "5z nous avions aux portes de notre ville, outre l'asile de Lovenjoul, un grand asile pour hommes, notre supériorité au point de vue psychiatrique serait si grande qu'ily a tout espoir que les futurs médecins aliénistes voudraient proftter d'un milieu si favorisé' (4). De Vrije Universiteit van Brussel werd als een rechtstreekse rivaal beschouwd.
• Lenötre gereïncarneerd In SintKamillus te Bierbeek: neoformele aanleg tussen het administratiegebouw en het centraal verplegmgs gebouw, vlak na de voltooiing in 1933 (archief provincialaat Broeders van Liefde, Gent)
De informele tuin voor het SintPauluspaviljoen vlak na de voltooiing in 1933 (archief provincialaat Broeders van Liefde, Gent)
A/l&L
ambities van de protagonisten. Kardinaal Mercier was in 1926 gestorven maar zijn project - een van het rooms-katholicisme doordesemde wetenschap die alle domeinen van de menselijke kennis bestrijkt - was nog springlevend. Niet alleen het heil van de patiënten, maar ook dat van de verzorgers werd nagestreefd, "pour ne pas arriver a devoir laisser aux universités anticatholiques ou areligieuses la formation des médecins heiges, la plus influente des classes dirigeantes\ zoals de Leuvense rector monseigneur Ladeuze het in 1924 uitdrukte in een
Sint-Kamillus werd dus beschouwd als oefenterrein voor de medische faculteit van de Katholieke Universiteit van Leuven en als de mannelijke pendant van het verplegingsinstituut voor vrouwen dat in 1926, onder de naam 'Salve Mater' en gerund door de Zusters van Liefde, zijn intrek had genomen in het Groot Park te Lovenjoel, op 2 km daarvandaan (5). Zowel qua ruimtelijk concept als qua architecturale vormgeving zijn de verschillen tussen beide instellingen frappant, ondanks het paviljoenensysteem dat ze gemeen hebben en de verwijzing naar een inheemse traditionele architectuur. Waar Salve Mater zich gevestigd had in het 'bosquet' aan de rand van een bestaand park, het Groot Park uit de nalatenschap van Karel-Victor de Spoelberch, werd Sint-Kamillus opgericht op een (op de oude hoeve Krekelberg na) maagdelijke site: een vruchtbare leemkouter (6), die door de betrokken landbouwers overigens niet zonder slag of stoot — in een paar gevallen mits onteigeningen - werd prijsgegeven (7). Architectuur en ruimtelijke ordening als metafoor In Lovenjoel werd de ordening van het complex grotendeels gedicteerd door de bestaande structuur, het wegenpatroon van het 'bosquet' in het kasteelpark; op de Krekelberg te Bierbeek kon de ontwerper, ongehinderd door bestaande structuren of elementen, zijn inzichten (of die van de bouwheer) uitwerken. De strakke symmetrie, de locatie van de diverse functies, de hoogte en het ruimtebeslag van de gebouwen, weerspiegelen naast de toen gangbare opvattingen over psychiatrische verpleging ook een duidelijk waardensysteem. De strijdvaardigheid die uit de brieven van monseigneur Ladeuze spreekt wordt als het ware belichaamd in het grondplan en (van opzij gezien) de skyline, die aan een slagschip doen denken: de kerk en het dodenhuisje in het spreekwoordelijke midden, de 'boerderij' (fysische motor van het systeem) in de achtersteven en, als 'hoofdmast' of 'boegbeeld', een 50 m hoge toren die het administratiegebouw (commandobrug) bekroont en het
Gesnoeide taxussen en een van de linden op het plein tussen de kapel en het Smt-Oymphnapaviljoen (foto 0. Pauwels. 1999)
hoogste punt van het terrein inneemt. Het gaat om een watertoren met circa 200 m? inhoud; de vormgeving, de gelijkenis met de toren van de universiteitsbibliotheek op het Ladeuzeplein te Leuven, zou kunnen verwijzen naar de band met de universiteit. De strakke symmetrie van het complex wordt aan 'bakboord'-zijde getemperd door het aalmoezeniershuis met daarachter het lazaret en — op veilige afstand, bij het station van Korbeek-Lo — de twee doktersvilla's. Een interpretatie van streekeigen historische stijlen komt bij Sint-Kamillus tot uiting zowel in het materiaalgebruik als in de decoratieve afwerking en de geveldetaillering: geveltoppen met voluten, pinakels en frontons; het contrasterend gebruik van baksteen en witte natuursteen; hoekkettingen; de uitwerking van de talrijke dakvensters; gevelhoge boognissen en boogfriezen; zelfs de Lodewijk XV-getinte vensteromlijstingen van de kapel. De gebouwen van Salve Mater vertonen daarentegen een strakker lijnenspel, dat bovendien nog geaccentueerd wordt door speklagen (horizontaal) en risalieten of lisenen (verticaal). De tuinaanleg Alle paviljoenen, met uitzondering van Sint-Jozef, zijn via een terras verbonden met een eigen tuin,
die door het kadaster ook met een eigen perceelnummer werd bedacht. De oppervlakte van deze tuinen, die de ruimte tussen de paviljoenen opvullen, schommelt rond de 20 are. Zij waren omsloten door hagen, behalve bij Sint-Dymfna - min of meer het strafkwartier van de instelling - waar een metalen afsluiting werd aangebracht, en bij SintJozef, een 'open' paviljoen bestemd voor 'betrouwbare', zelfredzame patiënten (8). Een luchtopname uit 1933 - het dolomiet was toen nog vers en de beplantingen klein - laat het aanlegpatroon uitkomen met een duidelijkheid die teloorging door het uitgroeien van de beplantingen en het minder intensieve onderhoud. De watertoren en het middenrisaliet van het administratief gebouw worden als het ware weerspiegeld in de grote paraboolvormige parterre, die de 'voorsteven' vormt, door twee evenwijdige paden die een verzonken ruimte (met momenteel een waterbekken) omsluiten. Deze ruimte wordt gestoffeerd met siervazen, snoeivormen van gewone buxus (Buxus sempervirens) en Ierse taxussen (Taxus baccata 'Fastigiata'j en, aan de basishoekpunten van de parabool, plantsoentjes met hoogstammige bomen. In de ruimte tussen het administratiegebouw en het gebouw met bad- en therapiezalen (dat een grondplan heeft van een dubbele E in
1V1&L
ligt de boerderij, voorafgegaan door een grote, m vier stroken ingedeelde moestuin. Eén boomgaard bevindt zich tussen de moestuin en de spoorweg (Brussel-Luik), een tweede aan de zuidwestzijde van het complex.
Compacte vorm van fijiupar naast het Smt-Corneliuspaviljoen (foto R. Deneef, I
Elk paviljoen heeft zijn eigen tuin volgens een eigen ontwerp en - paarsgewijze volgens de symmetrie — zelfs een eigen stijl! De stoffering van de plantvlakken en bloembedden én de omkadering van de deeltuinen wijzen op inspiratie vanuit de 'Nouveau jardin pittoresque'-hewegmg en zorgt voor een zekere homogeniteit.
spiegelbeeld) bevinden zich twee rechthoekige, kruisvormig ingedeelde grasparterres met een rechthoekig kruisveld. O p een ansichtkaart die de toestand weergeeft vlak na de aanleg is de randbeplanting van deze ruimte te zien: een gemengde struikenborder op een convex plantvlak met golvende contouren, waarin ook enkele bomen — meestal bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea'J - werden aangeplant. Het dodenhuisje achter dit gebouw is niet zichtbaar op de luchtfoto, maar bevindt zich op een breuklijn in het (naar de boerderij toe dalende) reliëf, een talud dat benut werd voor de aanleg van een rotstuin, waarin momenteel een Japanse vingeresdoorn (Acer palmatum) en diverse exemplaren goudbonte reuzenlevensboom (Thuja plicata 'ZebrinaV staan, die ongetwijfeld (gezien hun afmetingen) tot de originele beplanting behoren. De kapel staat min of meer in het geografische middelpunt van de aanleg en in een grote ruimte die, hellingafwaarts, begrensd wordt door de centrale keuken; deze ruimte is beplant met enkele in kegel of bol gesnoeide taxussen en, in elk van de vier grasperken, een zomerlinde (Tilia platyphyllos) omgeven door een ligusterhaagje. Achter de linie gevormd door het Sint-Jozefpaviljoen, de feestzaal (nog niet te zien op de luchtfoto) en de wasserij.
Het werk in de tuin speelde een belangrijke rol in de therapie. In de visie van dr. Joseph Guislain, tijdens de 19de eeuw de belangrijkste hervormer van de psychiatrische verpleging in België en dé inspirator van de Broeders van Liefde, moest elke patiënt beschikken over ruimte en openheid en moesten tuin- en landbouw een wezenlijk onderdeel vormen van elke instelling voor 'zwakzinnigen' (9). De eerste gespecialiseerde instelling in België, het naar hem genoemde en door de Broeders van Liefde beheerde 'Hospice Guislain', gebouwd in 1853-1857 (10), was nog geconcipieerd volgend het toen gebruikelijke, neoclassicistische systeem van gesloten blokken met binnenpleinen en omlopende galerijen. Bierbeek - en enkele jaren voordien al Lovenjoel — sluit aan bij het paviljoenensysteem dat in Duitsland al in de late jaren 1860 voor hospitalen werd toegepast (11). Vertrekkend vanaf de toren zien we langs weerszijden: afwisselend twee informele, onregelmatige tuinen, met ellipsen, cirkels, lussen; twee geometrische tuinen, waarvan één kruisvormig ingedeeld; twee informele tuinen met een pittoresk gelobd vijvertje waarover een boogbrugje met leuningen van takwerkimitaties in cement... Gezien de gespecialiseerde functie van elk paviljoen zou men geneigd zijn een verband te zoeken tussen het type van therapie of verpleging en het type van tuinaanleg, maar de (voorlopige) onvindbaarheid van elk plan of archiefstuk over de tuinaanleg maakt elke hypothese daaromtrent erg onzeker. Eigenaardig is ook dat zelfs in de publicaties en tijdschriften van de Broeders van Liefde het SintKamillusgesticht slechts bij wijze van uitzondering ter sprake komt. De huidige directeur van Bierbeek meende dat de ontwerper een Gentse tuinarchitect was die de voornaam Wilfried droeg... Het modulair gebruik, niet alleen van aanlegformules en stijlen, maar ook van plantencombina-
De informele tuin voor het SintVinccntiuspaviljoen (foto 0. Pauwels, 1999)
ties, vormt een opvallend kenmerk van de aanleg. Het gaat om bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j, hinokischijncipres (Chamaecyparis obtusa) en, in mindere mate, een bontbladige cultivar van gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus 'Leopoldii'A zomerlinde (Tilia platyphyllos), gewone plataan (Platanus x hispanica) en bonte beshulst (Ilex aquifolium 'ArgenteomarginatajSommige van deze bomen hebben op nog geen 70 jaar tijd respectabele stamomtrekken bereikt.
tot 318 cm voor bruine beuk en 293 cm voor plataan. De belangrijkste haagvormer is liguster (Ligustrum ovalifolium), vaak goudbonte (Aureum'). Gewone taxus (Taxus baccata) is de voornaamste leverancier van snoeivormen en frequent zijn ook de zuilvormige, zogenaamd Ierse taxussen (T.b. 'Fastigiata'y). Een complex net van hagen en snoeivormen dat niet op de hier gereproduceerde oude luchtfoto te zien is, komt aan de noordoostelijke flank van het domein voor als afsluiting van een
M&L
zone die een pépinière, zaaibedden en lage kassen omvat. Het bijbrengen van de plantkunde of de dendrologie behoorde waarschijnlijk niet tot de belangrijkste therapeutische doelstellingen, maar dit belet niet dat er alles bij elkaar een vrij groot aantal soorten werd aangeplant en dat er minstens een dendrologisch curiosum te bewonderen valt: een monumentaal uitgegroeide compacte vorm van fijnspar (Picea abies Nidiformis' of'HumilisV naast het Sint-Corneliuspaviljoen.
NOTEN (1) Aldus omschreven in het koninklijk besluit van 3-10-1928. (2) Broeder FILEMON, Deus caritas est. Jubileumboek ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Broeders van Liefde, 18071932, 1932. p. 210. (3) Brief d.d. 9-10-1924 van Mgr. Ladeuze aan Broeder Filemon. geciteerd in: VANDEGAER A., Het ontstaan en de evolutie van het psychiatrisch centrum Sint-Kamillus te Bierbeek (licentiaatsverhandeling), K.U. Leuven, School Maatschappelijke Gezondheidszorg. Centrum voor Ziekenhuiswerenschap, 1980, p. 14.
Uniek O p tuinarchitecturaal gebied behoort SintKamillus tot de meest interessante realisaties van de regio. In tegenstelling tot vele instituten uit die periode zijn de oorspronkelijke aanleg en vormgeving nog vrij goed bewaard. De toevoegingen, uitbreidingen en nieuwbouwprojecten zijn hoofdzakelijk gesitueerd buiten of aan de rand van het door De Vyvere ontworpen geheel. De staat van onderhoud, ook van elementen die intensieve zorg behoeven zoals de overvloedig voorkomende snoeivormen en hagen, is in vergelijking met de meeste andere domeinen bijna uitstekend te noemen, wat niet belet dat er duidelijke tekenen van degradatie zijn. De belangrijkste bedreiging is ongetwijfeld afkomstig van de ontwikkelingen in de psychiatrische verpleging zelf, waardoor het paviljoenenconcept hoe langer hoe meer tot het verleden gaat behoren.
(4) Brief d.d. 20-4-1928 van Mgr. Ladeuze aan Broeder Filemon. geciteerd in: VANDEGAER, op. cit.. p. 15. (5) DEW1NTER J. & DENEEF R., (1993): De parken van Lovenjoel (Bierbeek). Monumenten & Landschappen 12(1), p. 46-61. (6) Zandleemgronden met textuur B horizont, fase met dikke A horizont {Lhid), volgens SCHEYS G. & BAEYENS L, Bodemkaart van België: kaarthlad Leuven 89E, 1959. (7) Cf. overzichtsnota d.d. 19-2-1980 met betrekking tot SintKamillus Bierbeek, door Br. Koenraad, Generalaat Broeders van Liefde, Rome (archief Provincialaat Broeders van Liefde, Gent). (8) VANDEGAER, op. cit.. p. 28. (9) GUISLAIN J., Lemons orales sur lesphrénopathies, ou Traite théorique et pratique des maladies mentales: cours donné a la climque des étahlissements d'aliénés a Gand. Gent, Hebbelynck, 1852, p. 340. (10) Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen (4nc), stad Gent. 19de- en 20ste-eeuwse stadsuitbreidingen, 1982, p. 99-103; STOCKMAN R., Mijmeringen, Gent, Guislain museum, 1988. (11) PEVSNER N., A history of building types. London, Thames and Hudson, 1976, p. 156.
Roger Deneef & Jo
Wijnant
BIERBEEK (BIERBEEK) HOE TER EIKEN KORBEEK-LOSTRAAT 1 2 4 , 3 3 6 0
BIERBEEK
( P R I V É - B E Z I T , N I E T T O E G A N K E L I ) K V O O R HET PUBLIEK)
Het Hof ter Eiken te Bierbeek (foto 0. Pauwels.
2003)
Kleine 'informele' tuin rond villa, die in 1906-1907 werd gebouwd naast een oude hoeve; achter de villa een in 1994 aangelegde tuin met vijver en watertrap. Het Hof ter Eiken is een oude hoeve langs de Korbeek-Losestraat (1), waarnaast in 1906 een eclectische villa met renaissance-inslag werd gebouwd (2). Het bakstenen gebouw vertoont een vierkant grondplan met diverse uitbouwen, tuitgevels met overhoekse topstukken en windijzers in siersmeedwerk, speklagen en ontlastingsbogen van witte geglazuurde steentjes, een grote erker met een balkon aan de straatzijde. Dit type van eclectische
architectuur komt meermaals voor in het Leuvense, zowel in de binnenstad als in de landelijke rand (zoals Villa Vanorshoven* te O u d Heverlee), onmiskenbaar naar het ontwerp van Theo Van Dormael (3), een van de architecten uit de kring rond Joris Helleputte. Opmerkelijk zijn bepaalde prefabelementen zoals de sierlijke, met spits en siersmeedwerk bekroonde dakkapellen. De oorspronkelijke tuinaanleg is grotendeels decorum voor de oprijlaan. Enkele bomen die daarvan deel uitmaken trekken van ver de aandacht, met name twee hoge balsemzilversparren (Abies balsamea), die met stamomtrekken van 220 cm en 190 cm volgens de referentielijst 'Beltrees' (4) ver-
uit de dikste van België zijn. Opmerkelijk is ook de bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j, met een stamomtrek van 248 cm en geknot op 250 cm hoogte, die met een kring van wortelopslag een soort van prieel vormt. Aan de achterzijde van de villa werd in 1994 een nieuwe, op zichzelf staande tuin aangelegd, waarin een bekken met een 'watertrap' en een gelobde vijver centraal staan.
MERKWAARDIGE BOMEN (opname 22 oktober 1998]
4
h< - ••
' ^
1. balsemzilverspar (Abies balsamea) 220 2. balsemzilverspar (Abies balsamea) 190
df mfart NOTEN (1) Vermeld onder 'Hof te Rijcke' in: Bouwen door de Eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen - arrondissement Leuven, Brussel, Ministerie van Nederlandse Cultuur, 1971, p. 45.
'
(2) Kadastrale opmetingsschets Bierbeek 1907, nr. 16. (3) Verwijzing naar de plannen voor Brasseur-Stroobants, zonder
» .!»•*
,a u ^ ^ * ^
1
* ^ ^ -
1
^
7~
M *J
-
^
<*H^
datum, in Inventaris Archief KADOC, Leuven; zie KADOC Nieuwsbrief, ]\di 1998, p. 5. (4) BAUDOUIN J.C. e.a., Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Stichting Spoelberch Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992, p. 323.
Het Hof ter Eiken
M&L
onder) In I759 op
(rechts boven) en
de kaart van de
het omwalde
baronie Bierbeek
Wilderhof (links
door J.B, Joris.
Roger
Deneef
BIERBEEK (BIERBEEK) WILDERHOE DREEFSTRAAT 9, 3360 BIERBEEK (PRIVÉ-BEZIT, NIET TOEGANKELIJK VOOR HET PUBLIEK)
*• etvnj'ercn Het Wilderhof in
netEyrkeii
1653 opgemeten door Joris Subil (Typographieboeck T B, F. 26, archief Abdij van 't Park)
t?*clravl>oom
Aanleg in landschappelijke stijl rond eclectische villa uit 7 908, oorspronkelijk circa 10 hectare, die het historische domein van het Wilderhof omvat en (tot voor kort) beboste percelen aan de overzijde van de Mollendaalbeek; sterk in waarde gedaald ten gevolge van grondaanvulling
en slecht
beheer.
Het Wilderhof, gelegen naast de Mollendaalbeek in het gehucht Ruisbroek, niet ver van het Berkenhof* en het Hof ter Eiken*, behoort tot de oudste pachthoven van Bierbeek. Het was van
1483 tot 1587 in het bezit van de abdij van Villers en, vanaf 1618 tot de Franse revolutie, eigendom van de abdij van 't Park (1). De oudste afbeelding dateert van 1596-1598 (2). Pierre de Bersaques beeldt het Wilderhof af als een tweeledig omgracht complex met - elk op een eilandje - een semigesloten neerhof en een bakstenen slot met een toren (de middeleeuwse woontoren was al eerder gesloopt). De kaart in 1653 opgemaakt door landmeter Joris Sibil sluit hier vrijwel naadloos op aan. Opvallend op beide kaarten is het perceel boomgaard ten oosten van het Wilderhof (boven op de kaart van Sibil). Deze structuur is nog grotendeels terug te vinden op de kaart van de baronie Bierbeek van 1760 door J.B. Joris [ziep. 30], maar
Het Wilderhof in 1906 eclectisch verbouwd aan de tuinzijde (foto N. Goeyvaerts,
1977)
aan de gebouwen is een en ander vertimmerd. O p het noordelijke eilandje, waar zich het door Villers gebouwde 'kasteel' bevond, was echter elk spoor van bebouwing verdwenen, want in 1674 werd het kasteel zwaar beschadigd door Hollandse soldaten en enkele jaren later afgebroken. O p het zuidelijke eilandje, na het dempen van de oostelijke grachtarm verbonden met het 'vasteland', stond een gesloten hoevecomplex, in plaats van de losstaande gebouwen op de kaart van Sibil. O m de hoge oorlogsbelastingen te kunnen betalen, werd het Wilderhof in 1794 door de abdij van 't Park verkocht aan de weduwe van haar laatste huurder, Ferdinand Hendrickx, van wie een nazaat, Karel Hendrickx, rond 1830 opduikt als Primitieve kadastrale eigenaar. De slotgracht was toen helemaal verdwenen (3) en de functie van het complex was nog uitsluitend agrarisch. In 1895 werd het goed aangekocht door Léon Colins, schepen (en later burgemeester) van Leuven (4), en in 1906 grondig verbouwd (5). Tegen de zuidgevel van de zuidelijke vleugel, het enige onderdeel van het 18de-eeuwse hof dat de 19de eeuw had overleefd, werd een eclectische villa opgetrokken. O o k de binnenhofzijde en het gedeelte van de buitenzijde dat niet door de nieuwbouw aan het oog
waren onttrokken, werden sterk verbouwd (6). De nieuwe vormgeving verwijst naar de traditionele landelijke architectuur (onder meer de trapgevels, ook bij de dakkapellen van het hoevegedeelte, hoekkettingen) én naar het 'heerlijke' verleden van het Wilderhof (torenachtige uitbouw). O p de militaire topografisch kaart van 1908 wordt het Wilderhof dan ook als "chateau" omschreven. De nieuwe tuin werd aangelegd op voormalige beemdpercelen in het zicht van het 'kasteel', ten zuiden en ten zuidwesten van het hof. In het midden van het grote perceel dat onmiddellijk aansluit bij het hof, werd een vijver gegraven met - over een versmald gedeelte - het obligate boogbrugje. Deze ruimte werd omgeven door een strook bosplantsoen, waarin tot voor kort enkele opvallende kleuraccenten voorkwamen — een groep bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV, grauwe abeel (Populus canescens). In vooruitgeschoven positie stond een groepje platanen (Platanus x hispanica). Enkele percelen beemd en bouwland aan de overzijde van de Mollendaalbeek ten zuidwesten van het hof werden bebost en door een net van kronkelpaden geïntegreerd in de nieuwe tuinaanleg. De topografische kaart van 1930 geeft een beeld van het Wilderhofpark in optima forma.
Hei Wilderhof In \
1930; Iets naar het noorden het Hof
^ ^
ter Eiken; links
<e'*>''
bovenaan, het in aanbouw zijnde Sint-Kamillusgestictit; in de rechter bovenhoek, het Vijverhof (ICM. 1937)
Het Wilderhof te Bierbeek op een figuratieve kaart uit 1653 door Joris Sibil - het hooghof (onder het cijfer I) en het neerhof op (i
aparte eilandjes (Typographieboek TB, F. 37, archief Abdij van 't Park)
In 1950 werd het Wilderhof door de erfgenamen van de weduwe Colins aan de benedictijnerorde (de Vereniging L'Encyclopédie Bénédictine) overgemaakt, die er een retraitehuis inrichtte, maar het acht jaar later weer van de hand deed. In 1966 kwam het in handen van de paters salesianen, die er hun noviciaat installeerden (7). In 1975 werd het opnieuw verkocht; op de plek van de vroegere moestuin werden tennisterreinen aangelegd, die in de winterperiode onder een grote ballontent schuilgingen. Door allerlei werken, vooral een aanzienlijke grondaanvulling in 1990, en ondanks de 'rangschikking als landschap' op 18 januari 1982, heeft het domein veel aan waarde ingeboet en is de oudste generatie sierbomen grotendeels verdwenen.
NOTEN (1) MAES E, De oude pachthoven van de Abdij van Park in VlaamsBrahant, 1973, IX, 316 p.; CLEYNEN F. e.a.. Historische schets van Bierheek. Heemkundige Kring Bierbeek, 1975, p. 10; VAN LANI S., Ahdij van 't Park: pachthoeven en landbouwdomein, Heverlee, Vrienden van de abdij van 't Park, 1999, p. 184-193. (2) MINNEN B., Het hertogdom Aarschot onder Karel van Croy (1595-1612). Kadaster en gezichten, Brussel, Gemeentekrediet, 1993, plaat 29. (3) Het Primitieve perceel sectie F nr. 59 (8 are 40 centiare) is geen vijver maar boomgaard. (4) Oudste kadastrale legger Bierbeek, arr. 2407. (5) Kadastrale opmetingsschets Bierbeek 1908, nr. 20. (6) Bouwen door de Eeuwen heen. Inventaris van het cultuurheztt in Vlaanderen - arrondissement Leuven, Brussel, Ministerie van Nederlandse Culruur, 1971, p. 44. (7) Kadastrale legger Bierbeek, art. 4274.
M&L
Roger
Deneef
BIERBEEK (BIERBEEK) BERKENHOE RUYSBROEKSTRAAT 24, 3360 BIERBEEK
Kleine landschappelijke tuin (oorspronkelijk 71 are) aangelegd omstreeks 1910 rond een voormalige molenvijver met eilandje; recent oranjerieachtig gebouw (banket- en receptiezalen) en heraanleg tussen gebouw en vijver (pergola en terras).
Het Berkenhof - een recente benaming voor een deel van het voormalig domein van de watermolen van Ruysbroek — is een laat voorbeeld van wat genetisch als een molenvijverparkje kan worden omschreven. Het centrale gegeven hierbij is de molenvijver, in dit geval een langwerpige vijver van 23 are op de rechteroever van de Mollendaalbeek.
Het molengebouw, een 17de-eeuwse korenwatermolen met molenaarswoning (1), bevindt zich stroomafwaarts aan de overzijde van de beek. In 1876 werd het molengoed opgesplitst. De vijver en de omgevende percelen ('hof' en 'land') op de rechteroever, ongeveer 1 hectare, kwamen daarbij in handen van Leopold Rosseels, "horticulteur" \nt Leuven (2), mogelijk een ons onbekend lid van de bekende Leuvense dynastie van hoveniers en tuinarchitecten (3). Rond 1909 worden de percelen 'hof' en 'land' die de vijver omgeven, tot één perceel 'lustgrond' van 71 are (perceel nr. 387a) samengesmolten. De huidige aanleg - een vage landschapsstijl op beperkte schaal — dateert ongetwijfeld uit die periode en is
hoofdzakelijk op de vijver toegespitst. Hij wordt gekenmerkt door de oude molenvijver met een eilandje, via een betonnen boogbrug met het vasteland verbonden en beplant met taxussen (Taxus baccata), mogelijk ooit in vorm gesnoeid maar nog nauwelijks zichtbaar tussen het kreupelhout. De gevarieerde oeverbeplanting bestaat uit restanten van een rij witte paardekastanjes {Aesculus hippocastanum), twee treurbeuken (Fagus sylvatica 'Pendula'A een zomereik (Quercus robur) en gewone es (Fraxinus excelsior). Deze bomen hebben stamomtrekken tussen 200 en 250 cm. Twee bomen behoren waarschijnlijk tot een oudere beplanting, met name een haagbeuk (Carpinus betulus) met 245 cm omtrek en een Spaanse aak (Acer campestre) met 212 cm omtrek. Het gaat om uitzonderlijke exemplaren, die een vooraanstaande plaats bekleden op de Belgische ranglijst (4). In 1994 werd het houten paviljoen afgebroken, waarin jarenlang het 'uurwerk van Pardon', een ingenieus knutselwerk van lucifers, was ondergebracht. Het werd vervangen door een gebouw met oranjerieallures, waarin de firma 'Berkenhof' (verhuur van feestzalen, traiteurdienst) onderdak vond. De tuin werd daarbij heraangelegd naar ontwerp van Mare Van Wonterghem, met als voornaamste innovaties: een grote pergola tussen het gebouw en de vijver en, aansluitend, een houten terras.
MERKWAARDIGE BOMEN (opname 9 oktober 1998) 1. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 245 4. Spaanse aak (Acer campestre) 212
NOTEN (1) DE SCHEPPER J., beschermingsvoorstel watermolen Ruysbroekstraat 14 te Bierbeek, 1992, archief Monumenten en Landschappen, Leuven; voor overzicht historische achtergrond zie: Historische schets van Bierbeek, Heemkundige Kring Bierbeek, 1975, p. 10. (2) Oudste kadastrale legger Bierbeek, art. 2106. (3) Niet vermeld in: LEFEVER F.A., De Leuvense tuinarchitectenfamilie Rosseels. Meer Schoonheid'SA, 1987, p. 65-73, 99-107. (4) BAUDOUIN J.C. e.a., Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Stichting Spoelberch-Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992, p. 326 en 342.
Roger Deneef & Jo
Wijnant
BIERBEEK (BIERBEEK): PASTORIE VAM DE SIMT-MILARIUSKERK DORPSSTRAAT
26, 3360
BIERBEEK
De dorpskern van Bierbeek met de pastorie anno 1759, op de kaart van de baronie van Bierbeek door J.B. Joris
"BlERBÊECK
1V1&L
Pastorietuin, oorspronkelijk circa 80 are,
te met een lindendreefje; bijna alle aan-
met typische dualiteit: een vlak, bij de
legdetails zijn verdwenen en door recente in-
pastorie aansluitend, (vroeger) geometrisch
grepen (aanleg nieuwe weg) ging ook de
geordend gedeelte en, daarnaast,
oorspronkelijke samenhang tussen beide
een hellend, bebost 'landschappelijk' gedeel-
delen verloren.
Het uitzicht van de pastorie van Bierbeek wordt hoofdzakelijk bepaald door een ingrijpende verbouwing in 1875-1876, maar de volumes van de 17de-eeuwse pastorie zijn nog herkenbaar (1). In de omheiningsmuur van de pastorie bevindt zich een laatgotische poort, waarschijnlijk de toegang tot een priorij die in de 16de eeuw verlaten werd (2). Achter (ten zuiden van) de pastorie zijn nog sporen terug te vinden van de vroegere pastorietuin, een tweeledige structuur die we bij tal van andere pastorieën in de regio hebben aangetroffen: 1° een vlak, rechthoekig perceel (in dit geval het Primitief perceel sectie B nr. 194), dat in het verlengde ligt van het pastoriegebouw en meestal kruisvormig werd ingedeeld; 2° een uitbreiding met een meer bewogen reliëf en een speelsere vorm van aanleg en beplanting (vaak, maar niet hier, met bruine beuken), die meestal rond het midden van de 19de eeuw werd aangelegd en beschouwd kan worden als een bescheiden, klerikale variant op de landschappelijke stijl. In het geval van Bierbeek gaat het om de lager gelegen percelen 188, 189 en 190, op het niveau van de dalbodem van de Molenbeek. Door de recente aangelegde toegangsweg naar de nieuwe begraafplaats op het Mevrouwkensveld worden beide delen gescheiden. De kaart van de baronie van Bierbeek uit 1760, getekend door J.B. Joris, toont een gedeeltelijk omhaagd en gedeeltelijk omwaterd blok, dat beide voornoemde delen omvat. De gracht bestaat uit
een recht stuk, dat ongeveer tot in het midden van de tuin reikt, en uit een gebogen arm, tegen het pad langs de beek aan. Van oude hagen of randbeplanting zijn geen duidelijke relicten bewaard, tenzij misschien een drietal oudere taxussen (Taxus baccata). De andere oude elementen in de beplanting zijn een grootbladige linde (Tiliaplatyphyllos) met 350 cm stamomtrek aan de westrand van het vlakke perceel, en een tamme kastanje (Castanea sativa) met 365 cm stamomtrek aan de rand van de beek. In het lage tuingedeelte komen bovendien restanten van een lindendreefje voor, dat schuin naar de beek toeloopt, met name twaalf grootbladige linden met stamomtrekken tot 205 cm, een relatief jonge beplanting.
MERKWAARDIGE BOMEN (opname 9 oktober 1998) 1. grootbladige linde (Tilia platyphyllos) i'bQ 3. tamme kastanje (Castanea sativa) 365
NOTEN (1) Bouwen door de Eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen - arrondissement Leuven, Brussel, Ministerie van Nederlandse Cultuur, 1971, p. 43. (2) BOETS R. e.a., De Sint-Hilariuskerk van Bierheek, Bierbeek, St.Hilariusparochie, 1990, p. 17-
Roger Deneef, Jo Wijnant, Jacques Haljlants & Lydie Mondelaers
BIERBEEK (KORBEEK-LO, LOVEMJOEL) KORBEEKS KASTEEL (DOMEIN HOTTAT) KLOOSTERSTRAAT,
3360
BIERBEEK
(PRIVÉ-BEZIT, NIET TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)
Het Korbecks kasteel dorpskern van Korbeek-lo op de Ferrariskaart (1771-1775); jj links onderaan is de omwalde pastorie van Korbcek-Lo [ zichtbaar
l
Landgoed van circa 45 hectare (bos en
kasteel na een brand in 1914 en accen-
boomgaarden inbegrepen), waarvan 7/3
tuering van noord-zuid gerichte vista;
tuin of park; de embryonale landschappe-
talrijke oude en zeldzame bomen;
lijke aanleg uit begin 19de eeuw wordt rond
neogotische folly (toren) uit 1856;
1840 uitgebreid en verdringt rond 1900
een van de mooiste en interessantste
grotendeels de 18de-eeuwse geometrische
landgoederen van de regio.
patronen; bouw van nieuw Lodewijk XVI-
Rechts bovenaan
'plan géométrique'
Lo; iets meer naar
links: tiet Hof ten
Op het 'plan
de gemeentegrens,
het Korbeeks
van Korbeek-Lo uit
onder: de kerk en
Hooilaard (archief
géométrique' van
in zijn geheel
Kasteel - ongewij-
1807; bijna centraal
de Korbeek- of
Kadaster Brabant,
Lovenjoel uit 1807
afgebeeld
zigd sinds 1771-
in beeld: de
Caluwaertshoeve;
Brussel)
wordt het Korbeeks
(archief Kadaster
1775 - gedeeltelijk
omwalde pastorie-
onderaan rechts: het
Kasteel, gelegen op
Brabant, Brussel)
afgebeeld op een
tuin van Korbeek-
Vijvertiof; onderaan
Het Korbeeks Kasteel in de 18de eeuw De afbeelding van het domein rond het "chateau Corbeeck" op de Ferrariskaart (1771-1775) laat door zijn geometrische regelmaat weinig vermoeden van het bewogen reliëf dat de site kenmerkt. Het kasteel, de voormalige zetel van een heerlijkheid (1), lag op de grens van Korbeek-Lo en Lovenjoel, aan de voet van het Diestiaan massief van Pellenberg-Lubbeek (2). De noord-zuid gerichte aanleg volgens een langgerekt geometrisch patroon liep uit op een van de vele colluviale dalletjes aan de zuidrand van dit massief (3) en (helemaal boven) op het Bergenhof. Het steilste, door holle wegen doorkruiste gedeelte van de helling was bebost — het "bois de Corbeeck". Het U-vormige grondplan van het kasteelgebouw was naar het zuiden geopend, omringd door een slotgracht die een bijna vierkant eiland van ongeveer 1 hectare vormde. Het kasteelgebouw lag op het snijpunt van twee assen: de asymmetrisch opgebouwde noord-zuid as, gevormd door het Bergenhof, twee parallelle dreven die grote percelen hooi- en akkerland omsluiten, het omgrachte kasteel met een
kleine tuin en een klein 'sterrenbos'; de tweede as vormde een hoek van 45 graden ten opzichte van de eerste, liep evenwijdig met de hoogtelijnen ten oosten van het kasteel en wordt op de Ferrariskaart aangegeven door een 1,6 hectare grote, langwerpige boomgaard. De toegangsdreef lag aan de westzijde van het kasteel. Aan het einde van de 18de eeuw besloeg de aanleg zowat 10 hectare. Het beeld van de Ferrariskaart (1771-1775) is dertig jaar later - op de oudste kadastrale kaartdocumenten (de 'plans géométriques'van Korbeek-Lo en Lovenjoel) uit 1807 - nog helemaal intact, maar er is waarschijnlijk iets gebeurd met het "bois de Corbeeck", dat nu "bois brülé"heet. O p deze kaarten, die wat tuinen betreft geen onderscheid maken tussen 'nut' en 'lust', wordt het kasteel aangeduid met de naam van de eigenaar: "madame Scauten" (4). Charles Schauten (of Schouten), die rond 1830 als eigenaar wordt vermeld in de Primitieve kadastrale legger, was burgemeester van Korbeek-Lo en behoorde ongetwijfeld tot dezelfde familie.
• Recyclage van een deel van de oude slotgracht In een vroeg-landschappelijke aanleg: het Korbeeks Kasteel in 1820-1830 op de Primitieve kadasterkaart van Lovenjoel (archief Kadaster Brabant, Brussel)
• Het Korbeeks
(collectie Blockx-
Kasteel vanaf de
Meulemans,
oprijlaan (zuidwes-
Lubbeek)
ten) rond 1900
De landschappelijke aanleg De Primitieve kadasterkaart (1830-1832) toont een sterk gewijzigd beeld: de slotgracht is verdwenen op de zuidelijke arm na, die verbreed werd tot een echte vijver met een golvende oeverlijn en voorzien van een brugje — naar de manier van afbeelden te oordelen, een boogbrug. Uit de kadastrale legger blijkt dat deze "lustvijvef deel uitmaakte van een "lustgrond' van 2,7 hectare, die
ook het sterrenbos van de Ferrariskaart (perceel Lovenjoel sectie A nr. 77) omvatte. Of de ster op dat ogenblik nog bestond is weinig zeker. Vooral de vijvervorm en het brugje laten vermoeden dat het Korbeeks Kasteel rond 1830 uitkeek over een informele, vroeg-landschappelijke tuin of 'jardin a l'anglaise. Het grondplan van het kasteel bleef onveranderd: een U met de opening naar het zuiden. In de legger van 1830 wordt echter een onderscheid gemaakt tussen "huis' (de noordelijke helft van de U) en " lusthuis" (de uiteinden die onmiddellijk bij de "lustgrond' aansluiten).
Het Korbeeks Kasteel de Dieudonné in 1864. op de eerste militaire topografische kaart (ICM, 1868)
M&L
De uitkijktoren In 1836 worden het kasteel en het hele bezit Schauten te Korbeek-Lo en Lovenjoel (63,5 hectare) aangekocht door Louis-Alexandre de Dieudonné, advocaat en schepen te Leuven, later burgemeester van Korbeek-Lo, in 1842 geridderd en in 1843 "baron de Corbeeck over Loo" (5). Hij zal zich metterwoon in Korbeek-Lo vestigen en een periode van ingrijpende veranderingen inluiden. Het resultaat hiervan zien we op de kadasterkaarten van Popp (1860) en wellicht nog beter op de militaire topografische kaart van 1864. Een gekleurde litho uit het einde van de jaren 1840 [zie p. 14] geeft een ongetwijfeld realistisch beeld van het landgoed vlak na de transformatie. De beplantingen zijn vermoedelijk nog aan de gang, getuige hiervan de wals en de man met de potplant op de voorgrond, mogelijk baron de Dieudonné zelf, in gezelschap van een van de tuiniers.
Het Korbeeks Kasteel van over de vijver (zuidoosten) rond 1900 (collectie Blockx-Meulemans, Lubbeek) 2. De zuidgevel van het Korbeeks Kasteel rond 1900 (collectie Blockx-Meulemans, Lubbeek) 3. Het Korbeeks Kasteel in 1920 heropgebouwd in Louis XV-XVI-mengstijl. niet lang na de heropbouw (collectie Blockx-Meulemans, Lubbeek) 4. Een voor de streek unieke, folly: de belvedèretoren op het hoogste punt van het Korbeeks Kasteeldomein, in 1856 gebouwd naar aanleiding van de 25ste verjaardag van de troonsbestijging door Leopold I foto 0. Pauwels, 1999) 5. Linksboven het Korbeeks Kasteel in 1930; het nieuwe kasteel werd 200 m ten noorden van het in 1914 afgebrande kasteel opgetrokken; de uitkijktoren wordt expliciet aangegeven ("tour"), rechts in beeld onder Pellenberg: het kasteel de Maurissens, eveneens heropgebouwd na een brand in 1914, en het Kastanjehof
|
3
|
"Chm"). links onderaan: het Groot Park (gedeeltelijk) en het Klein Park van Lovenjoel; centraal in beeld, het domein Varenberg of "Les Fougéres" (iü\,
1937)
M&L
^^Ti
**+& ^^éi
m •i 4 * -tkl
il*
• . - _ j .
1^ Het nieuw kasteel van Rorbeek op een visueel-strategische plaats (foto 0 . Pauwels, 1999)
1VI&L
In 1847-1849 wordt de verdwijning van het geometrische drevenpatroon ten westen en ten noorden van het kasteel door het kadaster geregistreerd (6). Tegelijkertijd wordt de vijver aanzienlijk uitgebreid in westelijke richting, waardoor het verband met de vroegere slotgracht verdwijnt en de oppervlakte meer dan verviervoudigt (tot 73 are). Het gedeelte van het kasteelcomplex dat in de Primitieve legger van Korbeek-Lo als "lusthuis" werd aangemerkt, wordt bovendien verbouwd en aanzienlijk uitgebreid. Het nieuwe kasteel dat wordt uitgebouwd op een van de vleugeluiteinden aan de oostzijde van het oude complex volgens een bijna vierkant grondplan zal — op enkele verbou-
wingen na, vooral in 1903 (7) - tot 1914 standhouden. Het heeft sober bepleisterde gevels met een neoclassicistisch uitzicht, drie bouwlagen waarvan de onderste een sokkel vormt, en een schilddak, typisch voor de landelijke herenhuizen van rond 1850. De zuidgevel wordt gekenmerkt door een middenrisaliet bekroond door een driehoekig fronton, dat opgenomen is in de kroonlijst, en door lage tuindeuren. In 1856, naar aanleiding van de vijfentwintigste verjaardag van de troonsbestijging van Koning Leopold I - zoals blijkt uit een opschrift boven de ingangsdeur - wordt op het hoogste punt van het
domein (hoogtelijn 102 m), aan de noordrand van het "bois brülé" en het vertrekpunt van het colluviale dalletje, een merkwaardige, voor de streek unieke, folly gebouwd: een vierkante, uit drie lagen bestaande toren, neo-Tudor getint, uit baksteen met natuurstenen hoekkettingen, boogfriezen en gekanteelde bekroningen, met decoratieve vensteren deuromlijstingen. Hiertegen is een polygonaal traptorentje aangebouwd met schietgatachtige venstertjes, dat bekroond wordt door een open belvédère (8). Het panorama dat van op die plaats werd geboden omvatte het Meerdaalwoud en de Diestiaanheuvels ten noordoosten van Leuven. Deze toren is zowat het enige wat nog aanwezig is van het parkmeubilair. In de zuidoosthoek van het domein bevindt zich, op een heuveltje, een bakstenen sokkel waarop vermoedelijk ooit een tuinvaas of een beeld stond en in 1983 viel ten oosten van de vijver op een ijzerzandstenen sokkel nog een curieus beeldje te bewonderen: een halfopgerichte, op een stok leunende figuur uit witte steen; hiervan is ook alleen de sokkel overgebleven. De uitkijktoren vormde het eind- en (letterlijk) hoogtepunt van een circuit dat voornamelijk het diep ingesneden bovenste gedeelte van het colluviaal dal benutte, maar via lusvormige vertakkingen ook het hele Korbeekbos ontsloot. Deze naar het kasteel toe uitwaaierende ruimte werd opgesmukt met een qua kleur en vorm gevarieerde beplanting, waarvan nog een groot gedeelte bewaard gebleven is: bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV met stamomtrekken van meer dan 400 cm, twee mammoetbomen (Sequoiadendron giganteum) met omtrekken tot 545 cm, een oud exemplaar zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platyphyllos 'Laciniata'j en, vooral, een varenbeuk (Fagus sylvatica 'Asplenifolia'j met een stamomtrek van 365 cm. Een tamme kastanje (Castanea sativa) met 444 cm omtrek in het zuidoosten van het park, en twee bruine beuken met respectievelijk 640 cm en 589 cm omtrek behoren mogelijk tot een oudere, misschien zelfs laat 18de-eeuwse generatie van aanplantingen. De dreef die de grens vormt tussen het zuidoostelijke bosgedeelte en de boomgaard ten oosten van het park bevat waarschijnlijk ook relicten uit de Dieudonné-periode, zomereiken (Quercus robur) met circa 4 m stamomtrek en een wintereik (Quercuspetraea) met 305 cm omtrek. Het landschappelijk park zoals het te zien is op de stafkaart van 1864 bleef voor een belangrijk gedeelte bewaard. In de centrale ruimte werden na de brand van 1914 en de verplaatsing van het kas-
De dienstgebouwen
1921 opgetrokken
van het nieuw
in een rustieke,
van het oude kastcekomplex
Korbeeks Kasteel
neotradltionele stijl
(foto R. Deneef,
worden in 1920-
op de funderingen
1998)
teel (zie verder) enkele ingrijpende herschikkingen uitgevoerd. Daardoor kwamen de beplantingsheuvels ten oosten van de vijver met bruine beuken en Oostenrijkse dennen (Pinus nigra subsp. nigra) buiten de oorspronkelijke zichtassen te liggen. In de zuidwestelijke hoek van het domein bevindt zich een beplantingsheuvel met een oude taxus (Taxus baccata) en oude opslag van zilveresdoorn (Acer saccharinum) die eveneens tot het oorspronkelijke architecturale reliëf behoort, want op de kaarten van 1864 en 1893 wordt dit heuveltje door een pad omsloten. In 1864 bevond de nutstuin zich ten westen van het kasteel, op een vierkant stuk grond van ongeveer 1 hectare. De ruimte rond de vijver was daardoor visueel grotendeels gescheiden van de hellingen ten noorden van het kasteel. Het grootste gedeelte van de oppervlakte ten zuiden van de vijver werd in beslag genomen door een boomgaard, maar die komt in het kaartbeeld van 1893 al niet meer voor. Pas op de kaart van 1908 is te zien dat deze visuele compartimentering verdwenen is, net als elke zweem van interne rechtlijnig-geometrische aanleg. De nutstuin werd verplaatst naar een blok in het zuidwesten, buiten het eigenlijke park, aansluitend bij de portiersloge. De 18de-eeuwse, rechthoekige omkadering van de open ruimte tussen de vijver en het steile gedeelte van de helling (en de monding van het colluviaal dal) bleef evenwel bewaard.
M&L
•
De bruine beuk aan de rand van de vista ten zuiden van het Korbeeks Kasteel, een van de oudste bomen van het domein (foto 0. Pauwels, 1999)
Na de brand Zoals diverse andere kastelen in de omgeving - het VijverhoP te Bierbeek (Korbeek-Lo), het kasteel de Maurissens te Lubbeek (Pellenberg), het kasteel Van Tilt te Holsbeek - werd ook het Korbeeks Kasteel in 1914 door Duitse soldaten platgebrand. Bij de heropbouw in 1920-1921 koos Pierre de Dieudonné voor een meer dramatische opstelling, een locatie 200 m noordwaarts, die ook een zicht bood op het bergopwaarts versmallende dalletje, centraal genoeg om ook nog bergafwaarts, in zuidelijke richting, een boeiend, naar de vijver verbredend perspectief te bieden. De dienstgebouwen (volgens het kadaster 'garage' en 'broeikas') werden in een rustieke, neotraditionele stijl (baksteen, speklagen, trapgeveltjes) opgetrokken op een gedeelte van de funderingen van het oude complex, half verscholen in het reliëf. Het nieuwe kasteel werd gebouwd in een imposante, eclectische, Lodewijk XV-XVI-mengstijl, vooral merkbaar in de stilistische uitwerking. Het bestaat uit twee bouwlagen onder een bekronende balustrade, die rond het hele gebouw loopt. Het mansardedak heeft sierlijke dakvensters, afgewisseld met oeilsde-boeuf. De bakstenen gevels worden geritmeerd door pilasters en, horizontaal, door kordons van
1VI&L
witte natuursteen. In de zuidgevel is er een uitgebouwde inkompartij met een terras en een statige trap. Uit de wederopbouwperiode dateert een nieuwe generatie min of meer interessante aanplantingen, in de eerste plaats de in het oog springende groep fijnsparren (Picea abies) met stamomtrekken tot 289 cm en tot 30 m hoog, in het gazon ten zuidwesten van het nieuwe kasteel; maar ook meer zeldzame soorten, onder andere: nabij de dienstgebouwen een mooi exemplaar himalayazilverspar (Abies spectabilis) (9) met 212 cm stamomtrek, verwonderlijk want deze soort wordt als min of meer vorstgevoelig beschouwd (10); ten oosten van de vijver een (momenteel kwijnend) exemplaar van de zeldzaamste van de twee soorten moerascipres, de zogenaamde rijzige moerascipres (Taxodium ascendens); vlakbij het dienstgebouwencomplex een mooie bontbladige esdoorn (Acer pseudoplatanus 'LeopoldiiV en nog andere dendrologisch interessante bomen zoals varenbeuk. Al deze bomen hebben stamomtrekken tussen 2 en 3 m. Dit geldt ook voor de dubbele beukendreef die vanaf de portiersloge de toegang tot het domein vormt. Langs de oprijlaan staat een prachtige, breed uitgegroeide
hazelaar met veerspletig blad (Corylus avellana 'HeterophyllaV, die waarschijnlijk ook in die periode werd aangeplant. De aanplantingen en wijzigingen die daarna werden uitgevoerd - bijvoorbeeld onder de familie
Hottat, sinds 1939 eigenaar, onder wiens naam het domein nu vooral bekend is - zijn weinig belangrijk. Het Korbeekse kasteeldomein behoort hoe dan ook tot de mooiste en interessantste parken van de regio.
MERKWAARDIGE BOMEN (opnamen in 1983 [cursief], in 1990 [gewoon] (11) en [vet] september 1998)
88. mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) 468 93. bruine beuk {Fagus sylvatica AtropuniceaV
1. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j 389 2. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 423 5. tamme kastanje (Castanea sativa), tweestamming, 399,395 10. hazelaar met veerspletig blad (Corylus avellana 'HeterophyllaV 11 m kroondiameter 11. Corsicaanse den (Pinus nigra subsp. laricio) 235 13. fijnspar (Picea abies) 285/289 14. fijnspar (Picea abies) 245 17. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 412 19. blauwe spar (Picea pungens) 262 21. varenbeuk (Fagus sylvatica 'AsplenifoliaV
445 98. hangende zilverlinde (Tilia xpetiolaris) 341 101. bruine beuk {Fagus sylvatica'Ax.ropuxnce.z) 395 102. Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) 3001328 103. Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) 3401549 105. bruine beuk {Fagus sylvatica'Atropumcea ) 388 106. bruine beuk {Fagus sylvatica AtropuniceaV 387 107. tamme kastanje (Castanea sativa) 385 112. tamme kastanje (Castanea sativa) AAA 113. zomereik (Quercus robur) 353 114. zomereik (Quercus robur) 284 122. gewone taxus (Taxus baccata) 2AA{80)
369/365 23. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 550/589 24. bruine beuk (Fagus sylvatica Atropunicea'j 462 25. zomerlinde met ingesneden blad (Filia platyphyllos 'LaciniataV 445(60) 30. zuilvormige zomereik (Quercus robur 'FastigiataV 350(70)/380(70) 31. rijzige moerascipres (Taxodium ascendens) 200/220/222 32. bontbladige cultivar van gewone esdoorn (Acerpseudoplatanus 'Leopoldii'j 255/264 35. himalayazilverspar (Abies spectabilis) 196/216 4 1 . zomereik (Quercus robur) 345 49. bruine beuk {Fagus sylvatica Atropunicea'J 405 53. gewone robinia (Robiniapseudoacacia) 288/302 67. wintereik (Quercus petraea) 305 69. mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) 545 70. bruine beuk {Fagus sylvatica AtropuniceaV (J7Ö/627/640 7 1 . varenbeuk (Fagus sylvatica AsplenifoliaV 172/196 73. bruine beuk {Fagus sylvatica AtropuniceaV 416 74. bruine beuk {Fagus sylvatica AtropuniceaV 352 75. gewone beuk (Fagus sylvatica) 365 79. gewone taxus (Taxus baccata) 286(10) 87. bruine beuk {Fagus sylvatica AtropuniceaV 490
NOTEN (1) JORLS G. & KENNIS J., Korheek-Lo en zijn fanfare. Geschiedenis en cultuur. Korbeek-Lo, Koninklijke Fanfare Orpheus v.z.w., s.d., p. 133-137, geeft een rudimentaire schets van de historische achtergrond. (2) VAN DEN BROECK E., Carte géologique de la Belpque, feuilie N0 90 Lubbeek-Glabbeek-Suerbempde, 1905. (3) SCHEYS G., Bodemkaart van België: kaarthladLuhbeek 90W. (4) Op de kaart van Korbeek-Lo doorgehaald en vervangen door 'madame Cauters'. (5) COOMANS DE BRACHENE O., Etat présent de la noblesse beige. Annuaire de 1987{Yj, p. 356-360. (6) Kadastrale opmetingsschetsen Lovenjoel 1847, nr. 1; KorbeekLo 1847 nr. 2; 1849, diverse. (7) Kadastrale opmetingsschets Korbeek-Lo 1904, nrs. 13, 14; Lovenjoel nr. 1904. (8) Ten onrechte als verdwenen gemeld en bovendien verkeerd gedateerd door MASSY W., Korbeek-Lo, p. 143 in: Oost-Brabant. I. Het mooie Hagelend{2de druk). Heverlee, Renova, 1965. (9) In 1990 gedetermineerd als Abies nordmanniana onder nr. 6467 in het bestand 'Beltrees', nr. 6467. Abies spectabilis wordt niet vermeld in de databank, noch in de daarvan afgeleide inventaris: BAUDOUIN J.C. c.a.. Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Stichting Spoelberch-Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992. (10) KRÜSSMANN G., Handbuch der Nadelgehölze, 1972, p. 50-51. (11) in het bestand 'Beltrees', de nts. 6460 t/m 6475 (Vereniging Belgische Dendrologie).
Roger Deneef, Herlinde
De Jaeck, Jean-Marie
Greta Paesmans
& Jo
Nolf,
Wijnant
BIERBEEK (KORBEEK-LO): VIJVERHOE BIERBEEKSTRAAT 8 9 , 3 3 6 0
KORBEEK-LO
( P R I V E - B E Z I T , T O E G A N K E L I | K V O O R HET PUBLIEK N A A A N V R A A G BIJ DE T O E R I S T I S C H E G I D S E N V A N DE STAD
LEUVEN)
De watermolen van Korbeek-Lo en het 'Hof te Udecem' op een figuratieve kaart van de "Thiende ra/t Corbeeck over Loo" opgemeten door landtneter Guillaume Subil in maart 1653 (zuiden boven); boven in beeld: het Wlldertiof (Typographieboeck T B, F, 42. archief Abdij van 't Park)
Tuin van circa 4,5 hectare in vroeg-landschappelijke stijl, met aanhorigheden inbegrepen meer dan 7 hectare, aangelegd omstreeks 1800 rond een molenvijver en een huis van plaisantie, dat in 1905-1910 werd vervangen door een Lodewijk XVI-kasteel; enkele zeldzame oude bomen.
Het Hof d'Udekem Het Vijverhof is één van de watermolensites in de regio waaromheen vroeg (1) of laat (2) een tuin of park werd aangelegd. De oorsprong van dit goed gaat minstens terug tot 1367; een zekere Nicolaas van Udekem wordt in dat jaar vermeld als eigenaar van een watermolen te Udekem in de parochie Korbeek-Lo (3). In het kaartboek van de abdij van 't Park (4) wordt de site in 1653 omschreven als "/ Hof te Udecem", bestaande uit een watermolen met een vijver en een huis. De familie d'Udecem of d'Udekem behoorde tot de voorname Leuvense
H 5»- Mwi
• De molen van
de noordrand van
Streythagen met het de vallei boven de
Het Vijverhof op de
en de Atlas van de
kaart van Wierickx
Wegen, 1848
in 1790, vergeleken
(kopieën door
met de Ferraris-
J. Halflants)
laatste 0 van 'Loo'),
Vi|verhof op de
meest westelijke vi|- de omwalde
Ferrariskaart (1771-
ver; bij de steenweg
1775); het Hof ten
Leuven-Tienen
Hooilaard ligt aan
(net boven de
pastorie
kaart (1771-1775)
ffRRflSI5
1VI&L
± 1770
HIJ
-SPEUtOED
C ö R b E f K ov, r
Luu
fr TLAb DSS («Mild 1 8-<l5
geslachten en is onder meer bekend door de stichting van het klooster van Gempe te Sint-JorisWinge (5). De topografische kaart van de 'vrijwouden' van Meerdaal, Mollendaal en Heverlee van landmeter Joris (1769) en de Ferrariskaart (17711775) geven een vergelijkbaar beeld van de toenmalige situatie. Het gebouw aan de westzijde van de Bierbeekstraat (op de kaart rechts van de weg) wordt door Joris aangeduid als "moulin a M. Streithagen". Ongetwijfeld gaat het hier om de Leuvense jurist Gilles-Frantjois Streythagen, raadsheer en schepen van het hertogdom Aarschot. Het rechthoekige volume aan de oostzijde van de straat, dat onmiddellijk paalt aan het molenreservoir, wordt op een figuratieve voorstelling uit 1790 door Wierickx omschreven als "het speelgoed Corbeeck over Loo". De dualiteit huis van plaisantie versus boerderij of molen kwam na de middeleeuwen op talrijke plaatsen voor. Aan het oostelijke uiteinde van de grote vijver beeldt Wierickx een gebouwtje af dat op een tuinpaviljoen lijkt. Hoewel de Ferrariskaart op die plaats al een kleine, vierkante constructie weergeeft, pleiten de stijlkenmerken van het paviljoen dat zich momenteel op die plaats bevindt voor een latere datering, wellicht omstreeks 1850. Het werd in de jaren 1940-1950 uitgebreid en omgebouwd tot woning, maar het centrale gedeelte heeft het voorkomen bewaard van een antiek tempeltje. Het is opgetrokken uit natuursteen en bepleisterde baksteen, omvat drie traveeën en bestaat uit één kamer op de begane grond en één op de verdieping. De tweeledige gevel wordt gevormd door een Palladiaans portiek en een bovenbouw bekroond door een driehoekig fronton.
••,A> > ;
Het kasteel Vijverhof
In 1905-1910 afge-
Heulemans,
vóór 1914;
broken watermolen-
Lubbeek)
een neoclassicistisch
speelhuis-complex
kasteel vervangt het (collectie Blockx-
De ijskelder in het Vijverhof Het Vijverhof op
Rorbeek-Lo;
(opmeting en teke-
een kadastrale
centraal:
ning J.M. Nolf)
kaart opgesteld
de kerk en de
rond 1810;
Korbeek- of
bovenaan:
Caluwaertshoeve
de omwaldc
(archief Kadaster
pastonetuln van
Brabant, Brussel)
De kaart van Wierickx toont een belangrijk verschil met de kaarten van Ferraris en Joris: de langwerpige, rechthoekige strook tuin naast de grote molenvijver omvat twee kleine vijvers, waarvan de grootste met een eilandje. Tegen de "baene op Bierbeek" en aansluitend bij het "speelhuis" ligt een kruisvormig ingedeelde parterretuin en het huis wordt met het tuinpaviljoen aan de andere zijde van de tuin verbonden door een windend, soms vlechtend pad dat door de met bomen beplante landengte tussen de grote molenvijver en de twee kleine vijvers loopt. Het aantal en de vorm van de kleine vijvers fluctueren op de opeenvolgende kaarten: één kleine vijver op het 'plan géométrique' van 1807 [zie pag. 39], twee kleine vijvers op een prekadastrale kaart die vermoedelijk rond 1810 werd opgesteld en op de Primitieve kadasterkaart van 1832 [ziepag. 59]. Deze drie kadastrale documenten hebben ten opzichte van de Wierickxkaart één kenmerk gemeen: kleine vijvers met golvende oeverlijnen, die erop wijzen dat rond 1800 ook hier een zekere deformalisering werd doorgevoerd, een eerste begin van 'jardin anglais' of vroeg-landschappelijke aanleg. De grote molen-
vijver behoudt - althans kadastraal - zijn strakke rechthoekige vorm, maar wordt op de Atlas van de Wegen (1845) met licht golvende contouren weergegeven. Den Biber In 1830 was het landhuis met de drie bijbehorende 'lustvijvers', een perceel 'lusttuin' en een perceel 'lustgrond' - in het totaal 2,6 hectare - in het bezit van Jean Martin Dechamps, in de kadastrale legger rentenier genoemd. De watermolen aan de overkant van de straat was eigendom van Antonius
1VI&L
A Bezoek op het kasteel Vijverhof in 1914 (archief J.H. Nolf)
T De kaaimuur bij het kasteel vormt samen met de esplanade en de balustrades van het kasteelbordes één architecturaal geheel (foto J M Nolf)
M&L
Mattheys, molenaar (6) en werd in de legger tot 1850 als graanmolen omschreven (7), daarna gewoon als huis maar de molen heeft blijkbaar nog gefunctioneerd tot het begin van de 20ste eeuw. In 1847 werd het Vijverhof aangekocht door LouisAlexandre de Dieudonné, advocaat en schepen te Leuven, later burgemeester van Korbeek-Lo, in 1842 geridderd en in 1843 "baron de Corbeeck over Loo"{8). Sinds 1836 was de Dieudonné ook eigenaar van het Korbeeks Kasteel*, waar hij enkele jaren later ging wonen. In 1850 werd het goed
doorverkocht aan een zekere Philippe Lion, koopman uit Leuven, die in 1857 ook de hoeve ten zuiden en de bijbehorende gronden op de linkeroever van de Molenbeek verwierf, waarop later de nutstuin, de remise en de hovenierswoning worden gebouwd. In 1861 kocht Lion ook de watermolen van Mattheys aan. In die periode werd de Molenbeek, die ter hoogte van het 'speelgoed' lichtjes kronkelde, volledig rechtgetrokken en verschenen de eerste tekenen van een ruimere aanleg: de pas aangekochte hoeve op de linkeroever werd grotendeels afgebroken en heropgebouwd tot hovenierswoning. Tegen de Bierbeekstraat aan werd bovendien een koetshuis (volgens het kadaster "pakhuis') gebouwd, dat de kern zal vormen van het nu nog bestaande, maar tot zelfstandige villa verbouwde wagenhuis. Uit die periode dateert vermoedelijk (naar het metselwerk te oordelen) ook de ijskelder. De toegang tot deze ijskelder wordt gevormd door een recht, gewelfd sas. De arduinen stenen die de basis van de toegangsdeurlijst vormden, zijn nog aanwezig. De bergruimte heeft de vorm van een bakstenen cilinder met een ellipsoïdaal koepelgewelf en een platte betegelde vloer. Onder de tegels lopen kanalen, vermoedelijk voor de thermische isolatie.
De hovenierswoning werd in 1892 vergroot en erbij aanleunend werd een serrecomplex gebouwd. Op dat moment stond het Vijverhof bekend als "den Biber", refererend aan de nieuwe eigenaar, baron Antoine de Biber de Rochelée (9), een gepensioneerd legerkapitein van Duitse origine. Het nieuwe kasteel Tussen 1905 en 1910 (10), onder alweer een nieuwe eigenaar (ridder Romain de Schouteete de Tervarent) en na een hertracering van de Bierbeekstraat, werd de watermolen verenigd - of juister gezegd herenigd - met het 'speelgoed' en samen werden ze tot op de grond afgebroken, om plaats te maken voor het nieuwe kasteel. Zoals bij vele kastelen en landhuizen uit het begin van de
20ste eeuw werd gekozen voor een neoclassicisme met een sterke Lodewijk XVI-inslag. Het gebouw telt zeven traveeën en twee bouwlagen plus een ruime mansardeverdieping. Aan de achterzijde is er nog een derde, half ondergrondse bouwlaag met een keuken en dienstvertrekken, gelijkvloers met het maaiveld, dat circa 2,5 m lager ligt dan aan de voorzijde, en dat in de richting van het huidige zwembad nog een halve meter afdaalt. Dit niveauverschil wordt langs beide zijden van het kasteel opgevangen door zachte hellingen en de bordestrap. De traveegeleding wordt bepaald door gegroefde, over de hele hoogte doorgetrokken pilasters en, afwisselend, rechthoekige en rondboogvensters. De drie middelste traveeën zijn langs de (oostelijke) tuinzijde uitgewerkt als een licht
Het kasteel Vijverhof in vogelperspectief vanuit het westen (archief |.H. Kolf)
•
A
Het Vijverhof in
en de dorpskerk
rechts bovenaan de
Het zwembad in
vogelperspectief in
heeft een emblema-
pastorie van
het Vijverhof tijdens
de jaren 1980; de
tische betekenis;
Korbeek-Lo
de {aren 1930
bruine beukendreef
rechts van de kerk
(foto n.v. Belfotop-
(met dank aan
tussen het kasteel
de Rorbeekhoeve;
Eurosense)
Mevr. C. Sepulchre, Korbeek-Lo)
vooruitspringend risaliet onder een driehoekig fronton en met een voorliggend bordes. Dit middenrisaliet vindt in de (westelijke) achtergevel een tegenhanger in de vorm van een rotonde onder een koepel. De architect is niet bekend, maar er is een treffende gelijkenis met het kasteel van Pontchevron nabij Gien, aan de Loire (11), vooral wat betreft de mansardevensters, het smeedwerk van de balkon- en trapleuningen en de koepel. Dit kasteel werd in 1896-1900 gebouwd naar het ontwerp van de Parijse architecten A. Coulomb en L. Chauvet, die ook voor koning Leopold II hebben gewerkt, met name als ontwerpers van niet uitgevoerde stallingen te Oostende (12), en die misschien ook in het Vijverhof hebben gewerkt. Uit een getuigenis van Jean de Schoutheete, kleinzoon van de bouwer van het huidige Vijverhofkasteel, kon bovendien worden opgemaakt dat de bouwplannen vaste vorm kregen tijdens een reis naar Frankrijk. Zoals het oude 'speelhuis', kijkt het nieuwe kasteel uit over de grote molenvijver; samen vormen ze de grote, enige vista, die — voorbij het classicistische tuinpaviljoen en de grens van het park - de beemden langs de Molenbeek bestrijkt. Eindpunt vormt het silhouet van het kasteel de Spoelberch en het 'Groot Park' van Lovenjoel*, zowat 800 m verder. De oever langs de kant van het kasteel bestaat uit een stenen kaaimuur, die samen met de esplanade
M&L
en de balustrades van het kasteelbordes één architecturaal geheel vormen. De bedoeling om de grote vijver als een klassieke spiegelvijver te laten fungeren is overduidelijk. Voor de rest wordt deze vista gestoffeerd met bestaande elementen zoals het oude tuinpaviljoen, dat een beetje verscholen aan de rand staat opgesteld, en een generatie van oude, vermoedelijk nog door Philippe Lion in 18501870 aangeplante bomen, waaronder bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j, vlakbij het tuinpaviljoen een enorm exemplaar Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) en, bij het kasteel, de monumentale maar tijdens de jaren 1980 onthoofde gewone moerascipres (Taxodium distichum), met 458 cm stamomtrek en mogelijk gelijktijdig aangeplant met die naast het genoemde kasteel van de Spoelberch in het Groot Park* te Bierbeek (Lovenjoel). De aanplantingen die dateren uit de tijd van de bouw van het nieuwe kasteel omvatten enkele opvallende soorten en variëteiten, met name een varenbeuk (Fagus sylvatica 'Asplenifolia'J en, uniek, een Maryland eik (Quercus marilandica) (13). Het dreefje van bruine beuken dat vanaf de esplanade voor het kasteel in de richting van de dorpskerk loopt, werd eveneens in die periode aangeplant; het heeft vermoedelijk een emblematische betekenis en verwijst naar een feodale situatie - de rechtstreekse band tussen wereldlijk en geestelijke gezag, kerk en kasteel — die er in het Vijverhof nooit is geweest.
Het kasteel Vijverhof van over de vijver
Amper twee jaar na de voltooiing onderging het kasteel in 1914 hetzelfde lot als diverse andere kastelen uit de omgeving - het Korbeeks Kasteel*, het kasteel de Maurissens te Pellenberg, het kasteel Van Tilt te Holsbeek - het werd door Duitse soldaten platgebrand. In 1920-1925 bouwden de nieuwe eigenaars (de gebroeders De Keyser uir Heverlee) het zo getrouw mogelijk herop. De dakkapellen werden echter in licht gewijzigde vorm gereconstrueerd en de koepel en de balustrades langs de dakrand werden niet hersteld. Bij de wederopbouw komt ook een element uit de nieuwe, naoorlogse levensstijl aan bod, met name een openluchtzwembad tussen het kasteel en de Bierbeekstraat. Opmerkelijk is de vormgeving daarvan, die ondubbelzinnig refereert aan de waterspiegels uit de klassieke tuinkunst. In dit geval wordt het
grote, rechthoekige zwembad geflankeerd door twee kleine bekkens: één bestemd voor waterplanten en één als kinderbad.
C0'0 0 ouwels,
Tijdens het interbellum verandert het kasteel nog enkele malen van eigenaar (Le Coq, Vandoren, Brusselmans). Lecoq, eigenaar van 1925 tot 1930, was een ingenieur die een patent had genomen op een procédé van gaswinning uit steenkolen; zijn bedrijf ging echter over de kop na de krach van 1929. In 1968 werd de universiteit van Leuven eigenaar van het kasteel en het grootste gedeelte van het park — zonder het paviljoen, het wagenhuis en de tuinierswoning. In 1987 werd dit gedeelte aangekocht door de huidige eigenaar, die een reeks nieuwe aanplantingen verrichtte, vaak van zeldzame soorten of cultivars zoals zwarte els met in-
M&L
NOTEN (1) In dit geval en ook het 'Groot Park' te Lovenjoel*. (2) Het Nieuw Kasteel van Boutersem*, het Papiermoleken te Korbeek-Lo*, het Berkenhof te Bierbeek*. (3) VAN ERMEN E., De familie van Udekem en haar oorsprong in het Bierbeekse. Gemeentebestuur Bierbeek, uitgedeeld n.a.v. persconferentie, december 1999. (4) Typographieboeck TB, F42: f. 4lvo, 42ro (archief abdij van 't Park, Heverlee). (5) VAN LANI S., Administratie en archief van het voormalig Norbertinessenklooster van Gempe 's-Hertogeneiland) in SintJoris-Winge: een lang en eeuwenoud verhaal. Analecta Praemonstratensia. LXXIII (1-2), p. 48-74. (6) Ondanks de vermelding "Pont du moulin Deschamps" op de Atlas van de Wegen (1845). (7) Oudste kadastrale legger Korbeek-Lo, art. 83. (8) COOMANS DE BRACHENE O., Etat présent de la noblesse beige. Annuaire de 1987(1), p. 356-360. (9) JORIS G. & KENNIS J., Korbeek-Lo en zijn fanfare. Ge-
• Het Vijvertiof te
schiedenis en cultuur. Korbeek-Lo, Koninklijke Fanfare Orpheus
Korbeek-Lo:
v.z.w., z.d., p. 120.
situering van merkwaardige bomen,
gesneden
blad
(Alnus glutinosa
gebouwen en aan-
hartbladige els (Alnus
legelementen
biloba),
(tekening R. De
styraciflua)
Meerleer)
'ImperialisV
Amerikaanse amberboom en
watercipres
en
(10) De nieuwe toestand wordt kadastraal geregistreerd in 1912
(Ginkgo
(kadastrale opmetingsschets Korbeek-Lo 1912, nr. 8), maar
(Liquidambar
wordt al weergegeven op de miliraire topografische kaart van
cordata), ginkgo (Metasequoia
glyp-
tostroboides).
1908. (11) Cf. BINNEY M., Chateaux of the Loire (Architectural Guides for Traveler), San Francisco, Chronicle Books, p. 118-119. (12) LOMBAERDE P., Leopold II. koning-bouwheer. Pandora
MERKWAARDIGE BOMEN
Snoeck-Ducaju & zoon, 1995, p. 92-93.
(opnamen in 1978 [cursief], in 1 9 8 9 - 9 0 [gewoon] en september 1998 [vet])
(13) Door BAUDOUIN J.C. e.a.. Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Stichting Spoelberch-Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992, p. 382, waarschijn-
1. Maryland eik (Quercus
lijk ten onrechte gedetermineerd als Quercus x bushii, een bas-
marilandica)
taard tussen Q. marilandica en Q. velutina, die volgens
282/5001514 3.
bruine beuk (Fagus sylvatica
Atropunicea'j
4.
gewone moerascipres (Taxodium
distichum)
45114581458 6.
zomereik (Quercus robur) 3 3 1 / 3 3 9
9.
varenbeuk (Fagus sylvatica AsplenifoliaV 264/1801286
10. zuilvormige zomereik (Quercus robur 'FastigiataV 225/243/260 17. zilverlinde (Tilia tomentosa) 5271545
(geknakt
tijdens storm 27-10-2002) 2 1 . Oostenrijkse den (Pinus nigra suhsp.
nigra)
330/344 28. gele paardekastanje (Aesculus flava) 152 36. zomereik met bolstaand blad (Quercus robur 'CucullataV 262 55. gewone taxus (Taxus baccata) 198
M&L
KRÜSSMANN G., Handhuch der Lauhgehölze (III), 1978, p. 83, echter pas in 1931 werd ontdekt.
^58/477/489
Roger
Deneef
BIERBEEK (KORBEEK-LO): HOF TEN HOOILAARD O U D E B A A N 79,
3360
KORBEEK-LO
(PRIVÉ-BEZIT, NIET TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)
• Het Hof ten Hooilaard op een oude kadastrale kaart omstreeks 1810 (archief Kadaster Brabant, Brussel)
1
Landschappelijk park van circa 6 hectare (bebost gedeelte incluis) aangelegd rond 1850 op valleihelling en rond grote en kleine vijver; enkele oude en zeldzame bomen. Rond 1740 werd het H o f ten Hooilaard (afwisselend gespeld als Hoylaerd, Hoeilaart e t c ) , gelegen op de noordflank van de Molenbeekvallei, aangekocht door Theodoris Frantzen, rent- en woudmeester van de hertog van Aarschot (1). Volgens een meting in 1741 beliep het totale grondbezit, dat verspreid lag over de gemeente maar toch vooral rond het hof geconcentreerd was, 36 hec-
tare. O p de figuratieve kaart bij deze meting wordt, naast het hofcomplex, een kleine, geometrisch ingedeelde tuin afgebeeld en iets wat lijkt op een kleine dreef. Aan de voet van de helling bevonden zich enkele vijvertjes, maar het gros van de natte, venige valleibodems (2) bestond uit bos of grote, met bomen afgelijnde percelen "bempt". Het hof zelf lag op een lemig-zandige ontsluiting van het Brusseliaan (3). Dertig jaar later was (blijkens de Ferrariskaart, 1771-1775) een van de grote beemdpercelen langs de Molenbeek in vijver omgezet, mogelijk door de ontginning van oppervlakteveen, misschien ook door het herstel van de bedijking of het sluiswerk van een voormalige vijver.
•
•
T Het Hof ten Hooilaard in 1891. halfweg tussen de dorpskern van Korbeek-Lo met het
heeft de plaats
Hooilaard op de
geruimd voor een
Primitieve kadaster-
njvet
kaart, gedateerd
(archief Kadaster
1832; het wilgenbos
Brabant. Brussel)
Een vroege kadastrale kaart ('plan géometrique) uit 1807 [zie pag. 39] geeft een enigszins afwijkend beeld: op de plaats van het voornoemde dreefje, en gedeeltelijk de tuin overlappend, wordt een "plantation"gesitueerd. Uit een eveneens prekadastrale kaart, die vermoedelijk rond 1810 werd opgesteld en waarop de percelen al een nummer dragen, blijkt dat het waarschijnlijk niet om een plantage van fruitbomen maar van 'geriefhout' ging (perceel 84). Langs de andere zijde van het hof wordt expliciet een boomgaardperceel aangeduid (perceel 90 bis). Merkwaardig is ook de "pepinière"3.zn de voet van de helling (perceel 90), in het verlengde van het enige overgebleven vijvertje. Ten slotte geeft diezelfde kaart ook informatie over het groot-
door een nieuwe
Hooilaard, dat in
villa
1944 zware schade
(collectie Blockx-
opliep en in 1952
Meulemans.
werd vervangen
Lubbeek)
• Het koetshuis, het enige overblijfsel van het oude Hof ten Hooilaard (foto R. Dencef. 19
• Het Hof ten
Vi|verhof (rechts in
Hooilaard in 1865.
beeld) en het
halfweg (bij de C
Papiermoleken
van Corbeek) tussen
(Depot de la
Papiermoleken
de dorpskern van
Guerre 1876)
(ICH. 1899)
Korbeek-Lo met het
Vijverhof (rechts in beeld) en het
1VI&L
Het Hof ten
Het oude Hof ten
• De in 1952 gebouwde villa, het nieuwe Hof ten
ste van de beemdpercelen die bij het hof horen: "plantéd'osiers", het gaat dus om een wilgenhakbos, een 'wissenbeemd', zoals er ook een bij het kasteel van Opvelp* lag. O p de uiteindelijke Primitieve kadasterkaart (gedateerd 1832) heeft het wilgenbos opnieuw de plaats geruimd voor een vijver. Het Hof ten Hooilaard was toen eigendom van Lambert Frantzen, kleinzoon van Theodoris, inspecteur van Waters en Bossen, in 1823 geadeld (4). Het eigendom rond het hof besloeg bijna 15 hectare en omvatte, naast grote percelen weide en akkerland, volgende elementen: 1° een "lusttuin van meer dan 1 hectare, die samen met de grote en de kleine " lustvijvers" een groot gedeelte van de valleibodem bedekte; 2° twee rechthoekige percelen "tuin" (nutstuin), waarvan één door grachten omringd; 3° een gebouwencomplex, waarvan de vleugel die paalt aan de lusttuin expliciet als " lusthuif wordt gekadastreerd. In 1850 werd de lusttuin tot 1,8 hectare uitgebreid en omringde hij de gebouwen. Daarenboven werd de strook die de toegangsweg vormt vanaf de oude
baan Leuven-Tienen (deel van perceel 335) aanzienlijk verbreed, zodat er plaats genoeg was voor de aanplanting van een dreef, waarschijnlijk de bruine beukendreef die voor de helft nog bestaat. Ten slotte werd op een visueel strategische plek op de helling boven de grote vijver een gebouwtje opgetrokken (5), zonder twijfel een tuinpaviljoen of gloriëtte. Dit gebouwtje werd reeds in 1892 afgebroken, maar een uit breuksteen gestapelde keermuur met een Loursdesgrotje, die op de helling boven de vijver een klein terras vormt, is daar vermoedelijk een overblijfsel van.
Hooilaard, de vijver en het park (foto R. Deneef,
Bij een verbouwing in 1914 werd het oude perceel "lusthuis" opgesplitst in drie nieuwe percelen, waaronder een "stal en koetshuis" txx een "broeikas". In 1931 werd de afbraak geregistreerd van het boerderijgedeelte van het Hof ten Hooilaard, zodat nog slechts het 'lusthuis' overbleef. Door de ontploffing van vier wagons met munitie op de nabijgelegen spoorlijn in de nacht van 1 september 1944 werd ook dit zwaar beschadigd. Het domein werd aangekocht door de familie Van der Eist, die in 1952 een nieuwe villa bouwde, niet ver van de plaats waar honderd jaar eerder het tuinpaviljoen werd opgetrokken. Van de oude gebouwen blijft
M&L
nog slechts een klein gedeelte over, met name de remisevleugel met twee rondboogpoorten. De stafkaart van 1930-1931 [zie pag. 65/geeft een beeld van het park in optima forma, zoals het nu nog min of meer herkenbaar is. Het is ook de enige kaart waarop het Hof ten Hooilaard de naam "r/'i?É,tf«" waardig geacht wordt. Het bosplantsoen dat vanouds de voet van de helling van de Brusseliaanontsluiting bedekte (het Primitief perceel 325), werd in die jaren uitgebreid en door nieuwe lanen in de aanleg betrokken. Dit geldt ook voor de beboste percelen langs de Molenbeek. De structuur is eenvoudig: de toegangsdreef, waarvan een aftakking de Molenbeekvallei dwarst stroomopwaarts van de grote vijver en de beboste gedeelten zowel op de valleibodem als op de Brusseliaanopduiking ontsluit; de twee vijvers; de noordelijke valleiflank met het hof. De sierbeplanting is beperkt tot de helling tussen de vijvers en het hof. De percelen die het predikaat "lust-" krijgen beslaan nooit meer dan 3 hectare. O p enkele bruine beuken na, komt er geen sierbeplanting voor in de beboste gedeelten, tenzij een verwilderde, vermoedelijk uit een van de andere parken in de Molenbeekvallei ontsnapte heester, alpenbes (Ribes alpinum), die ook in andere gedeelten van de vallei optreedt als concurrent van de gewone aalbes (Ribes rubrum). De vallei heeft overigens ter hoogte van het Hof ten Hooilaard een vrij interessante flora met, onder andere, groot springzaad {Impatiens nolitangere).
sylvatica 'AtropuniceaV die de toegangsdreef vormt, blijft nog slechts de helft over; de dikste hiervan heeft een stamomtrek van 340 cm. Het dreefgedeelte tussen de Oudebaan en het toegangshek werd in het begin van de jaren 1990 gerooid en heraangeplant met Hongaarse eik (Quercus frainetto).
MERKWAARDIGE BOMEN (opname 27 juni 1998) 1. gewone moerascipres (Taxodium distichum) 324 2. Kaukasische spar (Picea orientalis) 204 5. bruine beuk {Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 340 8. zomereik met witgerand blad (Quercus robur ArgenteomarginataV 2 7 1 , kampioenboom voor België 9. zuilvormige zomereik [Quercus robur 'FastigiataV 219 10. bontbladige cultivar van gewone esdoorn, opmerkelijk compacte vorm (Acerpseudoplatanus 'LeopoldiiV 171
NOTEN (1) JORIS G. & KENNIS J. (z.d.) Korbeek-Lo en zijn fanfare. Geschiedenis en cultuur, Korbeek-Lo, Koninklijke Fanfare Orpheus v.z.w., p. 102-107. (2) Afp (zeer sterk gleyige gronden op lemig materiaal met reductiehorizont) of Agp (gereduceerde gronden op lemig materiaal),
Naast een bekoorlijke site en interessante lei- en snoeivormen van fruitbomen, wordt de aandacht nu vooral getrokken door enkele merkwaardige bomen. De zomereik (Quercus robur 'Argenteomarginata'J aan het uiteinde van de toegangsdreef is een erg zeldzame zilvergerande cultivar (in 1867 geïntroduceerd), met 271 cm stamomtrek veruit de dikste van België. In de dendrologische inventaris van België (6) wordt er slechts één vernoemd, met name in het park van Loppem (Zedelgem), met een stamomtrek van 167 cm, maar in het kasteel van Klein Bijgaarden te Sint-Pieters-Leeuw vonden we een exemplaar met 196 cm omtrek. Merkwaardig zijn ook: de Kaukasische spar (Picea orientalis) aan de grote vijver, met 204 cm stamomtrek op de tiende plaats in de lijst van de 'kampioenen' van België; een laag vertakte zuilvormige zomereik (Quercus robur 'FastigiataV en een opvallend compact en knoestig exemplaar van bontbladige esdoorn (Acer pseudoplatanus 'Leopoldii'/ Van de beplanting met bruine beuk (Fagus
soms vAgp (idem, met veensubsttaat beginnend op geringe diepte), volgens BAEYENS L., Bodemkaart van België: kaarthlad Lubheek 89E. (3) Volgens BAEYENS, op. cit., p. 39: SAf (droge tot matig natte lemige zandgronden met weinig duidelijk humus en/of ijzet B horizont). (4) Oudste kadastrale legger Korbeek-Lo, art. 55); de rest van de grootvaderlijke eigendommen (circa 20 hectare) hoorden toe aan Jan-Hubett Frantzen (att. 54), rentenier uit Walem, mogelijk een broer van Lambert. Die was eigenaar van een perceel 324 land (92 a 50 ca) dat paalt aan het Hooilaardhof, naast een reeks eigendommen die vooral op de Sint-Martinusberg en het Kotbeek-veld lagen. (5) Op de kadastrale opmetingsschets (Korbeck-Lo 1850) is de vorm niet duidelijk te onderscheiden; rond maar misschien ook vijfhoekig. (6) BAUDOUIN J.C. e.a.. Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Stichting Spoelberch-Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992, p. 386.
Roger
Deneef
BIERBEEK (KORBEEK-LO): KORBEEKHOEVE (CALOWAERTSHOEVE) PASTORIESTRAAT, (PRIVÉ-BEZIT,
3360
KORBEEK-LO
NIET TOEGANKELIJK
VOOR
•
.
De Korbeek- of Caluwaertshoeve
HET PUBLIEK)
"-"JV-^j.
-
met een omgracht tulnperceel naast de kerk van KorbeekLo op het Primitief kadasterplan van
•
1832; boven, nabij de steenweg Leuven-Tienen, de
Ar
omwalde pastorie; onderaan het Vijver-
.,•• -n '
hof (archief Kadaster
•
%^k
Brabant, Brussel)
„./
^
•
x
~
V
\
^ i
^ :
«f c S = S = : M»k
" ^
Beplantingsrestant (oude bruine beuken) van een typisch 'herenboerenparkje' rond een historische hoeve die in 1870 gedeeltelijk tot villa werd verbouwd. De Korbeekhoeve ligt in het centrum van Korbeek-Lo, vlak naast de kerk en het VijverhoP en is ook bekend als de 'hoeve Caluwaerts' (1). De familie Caluwaerts was eigenaar van deze hoeve van 1834 tot 1968, toen ze werd aangekocht door de universiteit van Leuven. Deze semi-gesloten hoeve verschijnt op een 'plangéométrique'xüt 1807 [zie pag. 39] omgeven door de elementen waaruit een boerenerf traditioneel is samengesteld {"ver-
ger1, "jardiri', "étang), maar het is wel vreemd dat het tuinperceel (circa 20 are) door een gracht wordt omgeven. Deze ringgracht, ook zichtbaar als perceel 239 op de Primitieve kadasterkaart, zal volgens het kadaster pas in 1870 worden gedempt (2). Tezelfdertijd wordt ook de hoeve verbouwd: de naar de kerk gekeerde vleugel wordt afgebroken en, iets meer naar voren geschoven en los van de andere vleugels, wordt een grote, kasteelachtige villa gebouwd uit baksteen met banden en vensteromlijstingen van gesinterde baksteen, bestaande uit twee bouwlagen onder zadeldak en drie traveeën, waarvan de middelste een puntgevel draagt. De naar de kerk toe gekeerde voorgevel werd vermoedelijk later gecementeerd. De bouwheer
• De opgesmukte woonvleugel van de Korbeek- of Caluwacrtshoeïe (foto R. Deneef, 1998)
was Philippe Caluwaerts (3), die in 1872 burgemeester van Korbeek-Lo werd. De 'castellisatie' van de hoeve was mogelijk bedoeld als een signaal van statusverhoging. In 1968 werd de hoeve, samen met 4 hectare boomgaard en weiland, aangekocht door de Katholieke Universiteit Leuven. Van 1970 tot 1979 was daarin het Laboratorium voor Plantenveredeling gehuisvest, vervolgens het Zoötechnisch Centrum (4). De ruimte tussen de hoeve, de kerk, het Vijverhof en de Bierbeekstraat kreeg een aankleding die passend werd geacht bij het nieuwe gebouw en waarvan drie oude bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV met 339 cm stamomtrek getuigen zijn. Eén van deze beuken bevindt zich momenteel in een aangrenzende tuin, die nu hoort bij het huis Bierbeekstraat nr. 69, maar die in 1870 bij de Caluwaertshoeve hoorde. In deze kleine tuin komen enkele interessante bomen voor, met name een ginkgo (Ginkgo biloba) met 213 cm stamomtrek, en een zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platyphyllos 'LaciniataV met 124 cm stamomtrek.
NOTEN (1) JORIS G. & KENNIS ]., Korheek-Lo en zijn fanfare. Geschiedenis en cultuur, Korbeek-Lo, Koninklijke Fanfare Orpheus v.z.w., s.d., p. 122-124. (2) Kadastrale opmetingsschets Korbeek-Lo 1871, nr. 8; maar op de militaire topografische kaart die de toestand in 1891 wordt geacht weer te geven, wordt ze nog afgebeeld. (3) Althans volgens JORIS & KENNIS, op. cit.; volgens de oudste kadastrale legger (artikels 322 en 173) zou Philippe Caluwaerts in 1861 het hof en aanhorigheden verkocht hebben aan Jan Mattheys Caluwaerts. (4) MOREELS A., Het Zoötechnisch Centrum der K.U. Leuven — 1988, fotokopie, 7 pp.
Roger Deneef
& Greta
Paesmans
BIERBEEK (KORBEEK-LO): PASTORIE VAM DE HEILIG KRUISKERK PASTORIESTRAAT 4 0 , 3360 KORBEEK-LO
Oorspronkelijk omwalde pastorietuin van 76 are, met typische tweeledigheid, die bewaard en herkenbaar bleef: een vlak, bij de pastorie aansluitend en vroeger kruisvormig ingedeeld perceel (70 are), en een omstreeks 1840-1850
'landschappelijk'
aangelegde appendix. T "Oe pastory met
kerkfabriek van
haere vyven en
Korbeek-Lo, I8S0
hor In het kaart-
(archief pastorie
boek met de eigendommen van de
Rorbeek-Lo)
De Norbertijnenabdij van 't Park bezat sinds 1481 het patronaats- en tiendrecht te Korbeek-Lo (1). De in 1752 in opdracht van abt Alexander Slotermans opgerichte pastorie is typologisch interessant als oudste van vier vrijwel identieke norbertijnerpastorieën die in een korte tijdspanne in het Leuvense werden gerealiseerd. Het gaat om een classicistisch geïnspireerd, bak- en zandstenen dubbelhuis, dat vrijwel gaaf bewaard is gebleven, zowel in- als uitwendig. Karakteristiek zijn de verticale banden uit witte zandsteen, die de beneden- en bovenvensters met elkaar verbinden (2). De heropbouw van 1752 ging gepaard met een herschikking van het pastoriegoed. Opvallend hierbij is dat deze herstructurering beantwoordde aan het vigerende model van het "vivre entre cour et jardin", in dit geval een kleine binnenplaats of voortuin tussen poortgebouw en pastorie en, daarachter, de eigenlijke tuin. Een kaartenboek met de eigendommen van de kerkfabriek opgemaakt in 1850 bevat een figuratieve voorstelling van "depastory met haere vyvers en hof, 80 are 23 centiare groot (3). De tweeledigheid die andere pastorietuinen in de regio kenmerkt is ook hier aanwezig, maar erg asymmetrisch: een grote (70 bij 100 m ) , geometrisch aangelegde, door grachten omgeven rechthoek met het pastoriegebouw, tegenover een informeel aangelegde, vierkante appendix (linksboven op de figuratieve kaart) van ongeveer 20 bij 30 m, die niet vanuit het 'eiland' bereikbaar is en ontsloten wordt door een slingerpad. O p de Ferrariskaart (17711775) wordt dit perceeltje als vijver voorgesteld. Het werd vermoedelijk niet lang vóór 1850 bij de tuin ingelijfd en van een modieus, landschappelijk kronkelpad voorzien. H e t geheel is strak afgelijnd, besloten, omgeven door een haag. Tussen de ring-
Opvallend bij de ringgracht is de zuidoostelijke arm (boven op de figuratieve kaart), breder dan de andere, naar het zuidwesten zelfs lichtjes verbredend. Deze arm, waar zich ook een bron bevindt, is de enige die als waterpartij bewaard bleef, met een nogal spectaculaire water- en oevervegetatie die er - behalve Pontederia cordata- erg 'inheems' uitziet, maat desondanks grotendeels werd aangeplant: grote waterweegbree (Alisma plantago-aquatica), gele lis (Iris pseudacorus), aarvederkruid (Myriophyllum spicatum) en ook enkele weliswaar inheemse maar (voor een brongebied in de zandleemstreek) vreemde verschijningen, zoals kikkerbeet (Hydrocharis morsus-ranae), waternavel (Hydrocotyle vulgaris), waterdrieblad (Menyanthes trifoliata), gele plomp (Nuphar lutea) en drijvend fonteinkruid (Potamogeton nutans).
De pastonetuin van Korbeek-Lo met de tot vijver verbrede grachtarm op de voorgrond (foto R. Deneef, 1998)
gracht en deze haag bevindt zich volgens de kaart van 1850 een 6 tot 8 m brede strook waarop met tussenafstanden van 10 m bomen staan geplant, die eigenaardig genoeg hun schaduw afwerpen in zuidwestelijke richting. Het 'eiland' is lotharingskruisgewijze ingedeeld in zes hoofdcompartimenten, die op hun beurt door kruisen zijn onderverdeeld in vier, door paadjes gescheiden modules van circa 10 bij 10 m. Deze modules worden op de kaart grafisch ingevuld met een combinatie van puntjes, bolletjes en streepjes, die ongetwijfeld de gewassen op elk bed symboliseren. O m d a t er geen schaduwen worden afgebeeld gaat het vermoedelijk niet om opgaande planten, hoogstens kleinfruit.
De lange zijarmen van de ringgracht zijn nog als droge depressies herkenbaar. Aan de rand ervan, soms erin, werden bomen aangeplant, voornamelijk zomerlinde (Tilia platyphyllos), die momenteel stamomtrekken hebben tot meer dan 3 m. De meest monumentale boom, een zomereik (Quercus robur) met een stamomtrek van 380 cm, bevindt zich op de appendix. Verspreid komen enkele beuken, waarvan twee bruine (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV en gewone essen (Fraxinus excelsior) voor met stamomtrekken tot 3 m. De oude taxussen op de appendix zijn mogelijk restanten van de beplanting die figureert op de kaart van 1850. Opmerkelijk is een oud exemplaar gele kornoelje (Cornus mas), een soort die frequent in pastorietuinen opduikt. Van de oude indeling van het 'eiland' is geen spoor meer te bekennen.
NOTEN (1) HALFLANTS ]., Norbertijnse pastorieën in het Hageland. Meer Schoonheid 10(3), 1963, p. 20-22; DE KEMPENEER ]., Het
Niet alleen de appendix wordt gekenmerkt door informele aanleg, maar ook de blokken (op de kaart) links en rechts van het pastoriegebouw en, met respect voor symmetrie, de binnenplaats tussen het poortgebouw en het woongedeelte. Opmerkelijk is de inham die de ringgracht vormt in het blok rechts van de pastorie, langs de straatkant geflankeerd door een muur; de aard en de functie hiervan zijn niet duidelijk (aanlegsteiger? pergola?). Binnen de informeel aangelegde gedeelten worden bomen of bomengroepjes afgebeeld, elk met hun schaduw en, in de concave zijde van de wegkronkels, ook bloemperken of corbeilles.
1VI&L
register der beneficiën en kerken van de abdij van Park. Mededelingen der Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving!(2), 1967, p. 127-131. (2) Bouwen door de Eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen - arrondissement Leuven, Brussel, Ministerie van Nederlandse Cultuur, 1971, p. 196-197. (3) Archief pastorie H. Kruiskerk te Bierbeek (Korbeek-Lo).
Roger
Deneef
BIERBEEK (KORBEEK-LO): PAPIERMOLEKEN OASELAAN 27, 3360
KORBEEK-LO
'Negatieve' afbeelding van de grote vijver bij het Papiermoleken op de Primitieve kadasterkaart.1832 (archief Kadaster Brabant, Brussel)
Landschappelijke tuin van 2 hectare rond watermolen en molenvijver, aangelegd in 1920; hoogstammige beplanting gegroepeerd rond vijver met eilandje en betonnen boogbrug. Het Papiermoleken (1) - reeds zo genoemd in de Primitieve kadastrale legger bij het begin van de 19de eeuw (2) - is een van de watermolens in de regio waarbij een park werd aangelegd — in dit geval een van de laatste. Hier was het uitgangspunt een onopgesmukt ensemble — als we de kadastrale leggers van 1830 mogen geloven - van iets meer dan 2 hectare, voor bijna de helft bestaande uit één grote en twee kleine vijvers, en voor de rest uit diverse gebouwen (het eigenlijke molengebouw en drie niet gespecificeerde gebouwen), drie percelen
weide en drie percelen land. Een zekere Aldolphe Massart, boekdrukker te Leuven, werd als eigenaar genoemd. De Primitieve kadasterkaart (1832) stelt de grote vijver voor met vier langwerpige eilandjes. Uit de diverse 19de-eeuwse edities van de militaire topografische kaart (1864, 1893) blijkt echter dat het niet gaat om een vijver met eilandjes, maar een weiland met vijvers, langwerpige bekkens, die vermoedelijk een zuiver functioneel karakter hadden, uitsluitend bedoeld om de watertoevoer van de molen te regelen (3). Hoewel het nuttige het aangename niet uitsluit is er tijdens de 19de eeuw geen enkel element dat wijst op een functie als 'lusttuin' of'lustgrond'. Er is momenteel ook geen spoor te bekennen van een oude sierbeplanting. O p de oudere afbeeldingen van het molengoed, met name op de Ferrariskaart (1771-1775) en, vooral, op de kaart van de baronie Bierbeek van
J.B. Joris (1760) wordt echter een meer idyllisch beeld getoond, waarbij de rij beplantingen langs de oevers en, vooral, de lepelvormige landtong een meer dan louter functionele of industriële betekenis suggereren. Gezien de beperkte afmetingen van het woonhuis is het echter onwaarschijnlijk dat het om een substantieel buitenhuis of huis van plaisantie ging.
,..#-"»
*
i
X il
•;,v; ; ; ; ; ; xi;|ö^^
%
Het Papiermoleken in 1759 op de kaart van de baronie Bierbeek door J.B. Joris (1760)
Het Paplermoleken: de voormalige molenvijver (foto 0. Pauwels, 2003)
De twee kleine vijvers worden in 1865 samengesmolten tot één perceel hooiland. Het molencomplex zelf heeft — althans volgens het kadaster - een bewogen geschiedenis: totale afbraak (1865), gevolgd door heropbouw met aanzienlijke uitbreiding en bouw van een nieuw woonhuis (1869), registratie als kartonfabriek (1883) maar in 1885 als vervallen omschreven en vervolgens omgebouwd tot wolwasserij ("lavoir de laine mü par l'eau"), in 1900 aluminiumgieterij, in 1914 samen met een aantal kastelen in de regio door de Duitsers in brand gestoken. Vanuit horticultureel oogpunt is de wederopbouw in 1920-1921 door Karel Deschampeleire (4) een belangrijk moment. In de kadastrale legger verschijnt voor het eerst de term lusthof voor een perceel met een oppervlakte van 1 hectare 6 are, dat de grote, tot zijn 18deeeuwse afmeting herstelde vijver (circa 71 are)
•4 Het dal van de Molenbeek anno 1930, van west naar oost: het pas aangelegde park het Paplerinoleken, het Hof ten Hooilaard en het Vijverhof; ten zuiden van de spoorweg, het instituut SintKamillus in aanbouw (ICM. 1937)
omvat (5). In de vijver wordt een cirkelvormig eiland aangelegd dat via een betonnen boogbrug toegankelijk is. In 1927 wordt ook het huidige woonhuis gebouwd, een eenvoudig, oninteressant gebouw met twee verdiepingen onder een zadeldak. Na de ingebruikneming van het goed als bijhuis door het psychiatrisch centrum SintKamillus* te Bierbeek, wordt de dienstvleugel tot kapel omgebouwd. De stafkaart van 1930 toont de toestand na de verbouwing en de heraanleg.
- gezien hun afmetingen (180 a 190 cm omtrek) de Noorse esdoorns (Acer platanoides), die vooral langs de Molenbeek voorkomen, mogelijk restanten van een rijbeplanting. O p het hooilandperceel dat in 1865 ontstond door de samensmelting van de twee kleine vijverpercelen - tussen de woning en de vijver-siertuin - bevond zich de nutstuin, getuige daarvan enkele oude fruitbomen. In 1998 lag het domein er verlaten en verwilderd bij.
De nog aanwezige elementen van sierbeplanting dateren van na de wederopbouw. Het meest opvallend is het dreefje gekandelaarde platanen (Platanus x hispanica), met stamomtrekken tot 235 cm, dat van de toegangspoort aan de Oaselaan naar het voormalige molengebouw leidt. Het aspect van een lusttuin blijft voor de rest uitsluitend beperkt tot de vijver, met als voornaamste ingrediënten: twee gele treurwilgen (Salix alba 'TristisV, twee witte paardekastanjes (Aesculus hlppocastanum) en, op het eilandje, een gewone plataan, allemaal bomen met stamomtrekken tussen 2 en 3 m en, samen met de taxussen (Taxus haccata) op het eilandje, waarschijnlijk aangeplant door Deschampeleire. Van latere d a t u m zijn
NOTEN (1) Zie ook: JORIS G. & KENNIS J. (z.d.) Korheek-Lo en zijn fanfare. Geschiedenis en cultuur, Korbeek-Lo, Koninklijke Fanfare Orpheus v.z.w., p, 102-107. (2) Primitieve kadastrale legger Korbeek-Lo, art. 82. (3) Een vergelijkbaar systeem vinden we ook bij de watermolen van Schepdaal (Dilbeek). (4) In de kadastrale legger (Bierbeek, art. 537) omschreven als 'handelaar' te Korbeek-Lo. (5) Dit was overigens al gebeurd in 1908, zie de stafkaart van 1908 (ICM 1928).
Roger
Deneef
BIERBEEK (KORBEEK-LO) VILLA GERMAIME BIERBEEKSTRAAT 1 4 0 , 3 3 6 0
KORBEEK-LO
{ P R I V É - B E Z I T , N I E T T O E C A N K E L I | K V O O R HET PUBLIEK)
• 'Villa Germaine' vóór de eerste
CORBEEK-LOO. — Villa Germaine
wereldoorlog (collectie BlockxHeulemaos, Lubbeek)
Informele tuin rond in 1879 gebouwde villa (samen 28,5 are), met enkele interessante bomen. Langs de Bierbeekstraat te Korbeek-Lo komen nog enkele kleine tuinen voor, waarvan vooral die rond het huis nr. 140 een vermelding verdient. Deze sobere bakstenen villa, twee bouwlagen hoog onder een schilddak, werd in 1879 gebouwd door Antoine Defdlet en vormt de kern van een ommuurde tuin met een oppervlakte van 28,5 are (1). De omheiningsmuur langs de Bierbeekstraat wordt onderbroken door een fraai smeedijzeren hek, zodat de villa ook vanaf de straat kan worden waargenomen. O p een oude ansichtkaart draagt het huis ook een naam, 'Villa Germaine', en zijn twee, nog bestaande, merkwaardige bomen zichtbaar:
een zilverlinde (Tilia tomentosa) links, en een zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platyphyllos 'Laciniata'J rechts van de toegang.
MERKWAARDIGE BOMEN (opname 5 augustus 1998) 1. zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platyphyllos 'LaciniataV 125 2. zilverlinde (Tilia tomentosa) 5X6
NDIEU (1) Oudste kadastrale legger Korbeek-Lo, art. 430; Kadastrale opmetingsschets Korbeek-Lo 1879, nr. 7.
Jos Dewinter
& Roger
Deneef
BIERBEEK (LOVEMJOEL): HET GROOT PARK (DOMEIN SALVE MATER) G R O O T PARK, 3 3 6 0
LOVEN|OEL
Ket Groot Park van Lovenjocl met het / omgrachte "chiteau
de Spielberg" de Heystmolen en de molenvijver op de Ferrariskaart
(1771-1775) I
Park van circa 23 hectare, ontstaan rond een molenvijver en een omstreeks 1750 gebouwd huis van plaisantie, in 1836-1837 heraangelegd in landschappelijke stijl, maar met behoud van talrijke
rechtlijnig-geome-
trische elementen, bijvoorbeeld het drevenpatroon van het 'bosquet', waarin in 1926 de paviljoenen van de psychiatrische kliniek 'Salve Mater' werden opgetrokken; de dalbodem van de Molenbeek is de voornaamste zichtas; uitzonderlijke collectie oude en zeldzame bomen.
De vallei van de Molenbeek De Molenbeek vormt de hoofdas van zowel het 'Groot Park' als het 'Klein Park'*. De valleibodem
bestaat uit natte, lemige gronden en een aantal venige, beboste bronzones (1). Kenmerkend voor deze bronzones zijn soortenrijke vegetaties met specifieke planten als bittere veldkers {Cardamine amard), verspreidbladig goudveil [Chrysosplenium alternifolium), boswederik {Lysimachia nemorum) en groot springzaad {Impatiens noli-tangerè). De grootste plantenrijkdom werd vastgesteld in het valleideel tussen het park van Salve Mater en de dorpskern van Korbeek-Lo (231 soorten vaatplanten op nauwelijks 50 hectare) (2). Tijdens de eerste helft van de 19de eeuw werden enkele landgoederen in deze vallei heraangelegd. Vrij bescheiden van oppervlakte en voornamelijk op opbrengst afgestemd - de onmiddellijke omgeving van een dorpshof (het Klein Park) of van een hoeve met watermolen (het Groot Park) - groeiden ze uit tot min of meer uitgestrekte parken in vroeg-landschappelijke stijl. Grote gedeelten van de vroegere beem-
name alpenbes {Ribes alpinum) (3), die over de hele vallei voorkomt, werd vermoedelijk via de parkaanleg geïntroduceerd.
Van 'Chateau de Spelberg' tot 'Salve Mater'
• Het kasteel de
eerste kwart
Spoelberch met de
20ste eeuw
moerascipres in het (collectie BlockxGroot Park van
Meulemans,
Lovenjoel, op een
Lubbeek)
prentbriefkaart,
• Het Groot Park (links), de dorpskern van Lovenjoel en het Klein Park (rechts) in 1807, op een kadastraal 'plan géometrique' (archief Kadaster
den werden daarbij ingelijfd o f - juister gesteld heringelijst of 'ge-landscaped', want het vroegere bodemgebruik (hooi- en/of graasweide) bleef grotendeels ongewijzigd. Ecologisch gezien veranderde er weinig. Geen van deze parken vormt (ook nu nog niet) een echte breuk in het beekdalecosysteem. Zowel in het Groot als in het Klein Park kan nog een groot gedeelte van de beekdalflora worden teruggevonden. Eén geobotanische anomalie, met
O p de Ferrariskaart (1771-1775) staat het Groot Park vermeld onder de naam "Chateau de Spelberg , uiteraard een spelfout want de latere kaarten vermelden "Spoelberg (1864) of "Spoelberch" (1908). De site omvatte een huis van plaisantie, dat naar aanleiding van een samenkomst van de schepenbank voor het eerst vernoemd wordt in 1755 (4) en vervolgens in 1766, toen het landhuis door een rechte dreef werd verbonden met de kerk van Lovenjoel. Vermoedelijk werd het rond 1750 als buitenverblijf gebouwd door de negende heer van Lovenjoel, burggraaf KarelChristiaan-Jan de Spoelberch, naast een hoeve met een watermolen, een grote vijver stroomopwaarts van de molen en twee kleine vijvers stroomafwaarts ervan. Delen van deze aanhorigheden zijn nog bewaard in min of meer gewijzigde of heropgebouwde vorm. De oorspronkelijke IBde-eeuwse vorm van het kasteel bleef ondanks verbouwingen en de afbraak van sommige bijgebouwen grotendeels behouden.
Brabant, Brussel)
>&
M&L
Het Groot Park en
de strak geometri-
in het nabijgelegen
het kasteel de
sche aanleg van het
Klein Park is deze
Spoelberch op de
Groot Park zal
mutatie al in 1810
Primitieve kadaster-
zeven |aar later
voltrokken
kaart van Lovenjoel
vervangen worden
(archief Kadaster
circa 1830 (rechter-
door een landschap-
Brabant, Brussel)
zijde = noorden);
pelijke aanleg;
• De voornaamste
op het middenplan:
links op de achter-
Het 'Fides' gebouw
eeuw: vanaf 1849
vista in het Groot
een bruine beuk op
grond: het hoofd-
aan de zuidrand
als oranjerie
het oranjerieaspect
Park van Lovenjoel
de plaats van het
gebouw van
van het Groot Park
omschreven: door
verloren
vanaf het bordes
eilandje in de ver-
'Salve Mater'
van Lovenjoel,
een latere verbou-
(collectie Blockx-
van het kasteel:
dwenen parkvijver:
(foto 0. Pauwels. 1992)
eerste kwart 20ste
wing - vermoede-
lieulemans. Lubbeek)
lijk in 1905 - ging
•4 De neogotische grafmonumenten van de familie de Spoelberch op het kerkplein van Lovenjoel (foto R. Deneef. 1991)
De beukendreef in
briefkaart begin
het Groot Park van
20ste eeuw
Lovcn|oel en het
(collectie Blockx-
portaal van de
Meulemans,
Sint-Lambertuskerk.
Lubbeek)
op een prent-
De Sint-Lambertus-
T
kerk van Lovenjoel.
Het kasteel de
1880 op een
Spoelberch in het
tekening van
Groot Park van
G.I.D. Declerck
sinds 1854 in een neogotisch kleedje, vormt het oostelijke
Lovenjoel met.
(collectie J.
eindpunt van de
op de voorgrond,
Dewinter, Lovenjoel)
hoofdvista in het
de Hcystmolen rond
Groot Park (foto 0. Pauwels. 1992)
M&L
I
Boven op de voor-
1926 een prieel
malige ijskelder in
gebouwd
• Het smeedijzeren
het Groot Park van (foto R. Dcneef, Lovenjoel werd in
nacht en ontij uit
toegangshek op het zijn hengsel worden
1991)
kerkplein van
gelicht en opgeladen
Lovenjoel zal enkele
(foto R. Deneef,
jaren later bij
1991)
A De 'Chinese' brug over de Molenbeek in het Groot Park van Lovenjoel, op de achtergrond het hoofdgebouw van 'Ave Regina' (foto 0. Pauwels, 1992)
T De groep oude bruine beuken op de helling tegenover het kasteel in het Groot Park van Lovenjoel, begin 20ste eeuw (collectie BlockxMeulemans, Lubbeek)
Zoals bij de andere tot 'speelgoed' opgedirkte molensites (bijvoorbeeld het VijverhoP te Korbeek-Lo), waren de meeste elementen in de eerste plaats functioneel bedoeld en slechts in bijkomende orde esthetisch. De hoofdlijnen werden gevormd door de grote, min of meer rechthoekige vijver (in feite de molenvijver, reservoir voor de iets verderop gelegen 'Heystmolen'), het grachtenpatroon bij het kasteel en de in 1766 aangelegde dreef tussen het kasteel en de kerk van Lovenjoel. De grachten rond het kasteel worden zowel op de Ferrariskaart als op de eerste kadastrale kaarten van 1807 ('plan géométriqué) en 1810 en de Primitieve kadasterkaart van 1830 weergegeven. In 1810 was dit grachtensysteem nog gesloten via twee schuin op elkaar toelopende, 40 m lange grachten (de percelen 351 en 352 op de Primitieve kadasterkaart).
IS^B 9
mékr 'M
% PB
••
'
^P%
&£**>&&*
- mir
«.
Precies midden deze schuin op elkaar toelopende grachten bevond zich waarschijnlijk poorthek, beginpunt van de dreef in de richting van de dorpskerk. Hij stopte echter bij een terrein vlak voor de kerk, op het 'plan géométriqué'omschreven als boomgaard (de huidige begraafplaats van de Zusters van Liefde en gedeeltelijk ook de tuin van een privé-woning). Uit het kadasterarchief blijkt dat pas rond 1850 de gronden in het noordelijk gedeelte van het huidige domein in het bezit komen van MaximiliaanA n t o o n - T h e o d o o r de Spoelberch. De oude 'Heerbaan', een niet onbelangrijke regionale (in oorsprong Gallo-Romeinse) verbindingsweg die door het park liep, werd in het privé-domein van de Spoelberch opgenomen, samen met diverse percelen gemeentelijke vrije weide en enkele woningen en boerderijen, die werden afgebroken of
1VI&L
A De groep oude
Lovenjoel, nu met
beurt tot ware
bruine beuken op
stamomtrekken tot
bomen zijn uitge-
de helling tegenover
6,20 m, sommige
grocid
het kasteel in het
met afgelegde
(foto 0. Pauwels,
Groot Park van
takken die op hun
1992]
omgebouwd, bijvoorbeeld tot oranjerie (het latere paviljoen 'Fides'). Ter vervanging van de verdwenen 'Heerbaan', werd naast de spoorlijn LeuvenTienen (aangelegd in 1837) onder dezelfde naam een nieuwe openbare weg aangelegd. Het hele domein, nu ongeveer 25 hectare groot, werd met een haag omgeven. Er mag worden aangenomen dat het domein in die periode zijn huidige 'landschappelijke' structuur kreeg, vrij laat vergeleken met andere landgoederen in de regio. Een kadastrale mutatieschets uit 1836-1837 toont de oude geometrische aanleg naast de nieuwe landschappelijke (5). De vijver heeft golvende oevers gekregen en de twee parallelle grachten zijn verdwenen. Later werd de vijver voorzien van een eilandje. O p de stafkaart van 1908, na de dood van de laatste de Spoelberch en de definitieve stillegging van de watermolen, is deze vijver voorgoed verdwenen, maar de contouren ervan én het eilandje worden op de huidige kadasterkaart nog steeds afzonderlijk weergegeven en de vijver en het eilandje zijn ook nog in het microreliëf herkenbaar. O p die plek bevinden zich nog relicten van de oorspronkelijke beplanting van het eiland, namelijk een bruine beuk met 3,60 m stamomtrek, omgeven door wortelopslag van iepen.
Zicht op het kasteel
Lovenjoel, sinds 1854 in een neogotisch kleedje, vormt er het oostelijke eindpunt van. Het kasteel bevindt zich aan de westrand van het park, aan de kant van Korbeek-Lo. Daar wordt het perspectief verlengd in het beemdlandschap van de Molenbeek, met het VijverhoP en de dorpskerk van Korbeek-Lo in de verte. Het gebouw aan de zuidrand van het park, dat momenteel met de naam 'Fides' wordt aangeduid, komt reeds op de Ferrariskaart voor en wordt na twee verbouwingen vanaf 1849 in de kadastrale legger als "orangerie" omschreven. Door een latere verbouwing - vermoedelijk in 1905 - ging het oranjerieaspect verloren. Aan de noordzijde van de beek werden de
in het Groot Park van Lovenjoel vanuit de groep oude beuken op de noordelijke dalhelling (foto 0. Pauwels, 1992)
• Hoofdgebouw van het instituut Salve Mater, in 1926 ingeplant in het 'bosquet' van het Groot Park van Lovenjoel
(collectie BlockxMeulemans, Lubbeek)
Het rond 1835 aangelegde landschapspark wordt gekenmerkt door een oost-west gerichte zichtas, ongeveer 600 m lang, langs de dalbodem van de Molenbeek, hier en daar gestoffeerd met alleenstaande bomen of kleine groepjes en afgezoomd door vooruitspringende en terugwijkende boommassieven op de hellingen. De dorpskerk van
M&L
Grand Looenjoul Panorsm» Öroot Looenjoul KimKn ÜCW
• • - - -
.
..
-i
:
"
• Het Groot Park van
Molenbeekdal naar
kasteel
lovcnjoel bij het
het kasteel, met de
(collectie Blockx-
begin van de 20ste
'chinese' brug en
Meulemans,
eeuw: de grote
de oude moeras-
Lubbeek)
zichtas langs het
cypres bij het
in 1851 verworven 6 hectare bouwland aangewend voor de aanleg van een bosplantsoen met een rechtlijnig, door bruine beuken gevormd drevenpatroon. In dit gedeelte zal in 1926 - na de overname van het domein in 1907 door de universiteit van Leuven - de psychiatrische kliniek 'Salve Mater' worden gevestigd. "Sonder Erch" Het is merkwaardig dat, meer dan een halve eeuw na de formele beëindiging van het Ancien Régime, feodale toestanden de situatie in een dorp nog zó ingrijpend konden beïnvloeden. Zoals gezegd werd rond 1850 een gedeelte van het openbaar domein, met name de Heerbaan, geprivatiseerd en werd de in neogotische stijl verbouwde dorpskerk zowat als parkornament behandeld. De geschiedenis van tuinen en parken geeft uiteraard frappantere voorbeelden van dergelijke praktijken: bij de aanleg van Vaux-le-Vicomte werden niet minder dan drie dorpen afgebroken en verschillende beroemde Engelse parken konden in de 17de en 18de eeuw slechts tot stand komen dankzij niets ontziende 'enclosures' van gemene gronden (6), maar dat gebeurde meer dan honderd tot bijna tweehonderd jaar vroeger. Het silhouet van de Sint-Lambertuskerk speelt een belangrijke rol als pittoresk eindpunt van de vista. In verband met de decorfunctie van de kerk is het waard te vermelden dat na de verbouwing van 1854 de kerk in 1890 opnieuw ter sprake kwam.
M&L
In uitvoering van het testament van MaximiliaanAntoon-Theodoor de Spoelberch (1802-1873) moest de toren, in feite het enige element van de vroegere gotische kerk dat bewaard bleef, verhoogd worden, maar uiteindelijk werd een nieuwe toren ten zuiden van de kerk gepland. Karel-Victor de Spoelberch (1836-1907) reageerde hierop afwijzend, omdat de nieuwe toren niet meer zichtbaar zou zijn vanuit de kasteeldreef die precies naar de oude kerktoren leidde. Het was immers de bedoeling van zijn vader Maximiliaan de bestaande toren hoger op te trekken, zodat hij over de bomen heen zichtbaar zou blijven vanuit het kasteel. Men geraakte het niet eens en de plannen werden nooit uitgevoerd (7). Het kerkpleintje wordt omgeven door de pastorie, heropgebouwd na de Eerste Wereldoorlog, en het verbouwde woongedeelte van een 18 -eeuwse hoeve en bevat twee neogotische grafmonumenten van de familie de Spoelberch (met het familiewapen "Sonder Erch"). Dat met het smeedijzeren hek eromheen is het eigenlijke familiegraf. Het toegangshek van het park werd in de 19de eeuw vervaardigd door de dorpssmid Van Schoonbeeck op bestelling van Maximiliaan de Spoelberch (8). In de nu lege ovalen kaders bovenaan bevonden zich de wapenschilden van de familie; de hekvleugels werden in 1994 gestolen (zie
inleiding). Van het meubilair in het park is niet veel meer overgebleven: twee arduinen vazen, twee van de drie bruggen over de Molenbeek, waarvan de middelste, een sierlijke boogbrug, in de rekeningen van de smid Van Schoonbeeck vermeld wordt als de "Chinese brug", en, nabij het paviljoen SintAndré, een ijskelder met een bakstenen koepelgewelf en een arduinen toegangsdeurtje. Hierop werd in 1926 een tuinpaviljoentje gebouwd, een zevenhoekig puntdak steunend op een open constructie van cementen boomstamimitaties. Uit een tekening van G.I.D. Declerck (9) kan worden opgemaakt dat er in de glorietijd van het park nog meer tuinornamenten waren. Het heuveltje ten zuiden van het kasteel was bedoeld als uitzichtpunt, ooit misschien bekroond met een paviljoen. Het bomenbestand Zowel Jan-Hendrik-Jozef de Spoelberch (1766-1838) als zijn zoon Maximiliaan-Antoon-Theodoor (1802-1873) hadden een grote belangstelling voor dendrologie. In de loop van de 19de eeuw werden talrijke, vaak zeldzame soorten en variëteiten aangeplant, een collectievorming die tot circa 1870 intensief werd voortgezet.
De laatste de Spoelberch van Lovenjoel, KarelVictor, had meer belangstelling voor literatuur en verbleef ook niet zo vaak te Lovenjoel (10). Sommige bomen zijn waarschijnlijk ouder dan het landschapspark. In een excursieverslag van 1894 (11) wordt een gewone moerascipres (Taxodium distichum) vermeld, toen al met een stamomtrek van 308 cm, vermoedelijk het exemplaar dat zich nu nog vlakbij het kasteel bevindt en waarvan de omtrek is aangegroeid tot 463 cm. In dit verslag wordt ook gewag gemaakt van "plus de 350 espèces et variétés de résineux , waarvan er vele zouden zijn afgestorven, "mais il en reste assez pour qu'on s'y arrête un instant". Een tweede excursieverslag, ditmaal van 1922, gewaagt van niet minder dan 1500 "essences indigenes et exotiques" (12). Tijdens een gedetailleerde inventarisatie in 1990 werden circa 120 verschillende soorten en variëteiten van houtachtigen opgetekend. Het verslag van 1922 vermeldt, naast een oude iependreef, nog een aantal soorten die nu uit het park verdwenen zijn, waaronder enkele zeldzame eiken (Quercus macrocarpa, Quercus imbricaria) en een Magnolia grandiflora. De moerascipres bij het kasteel blijkt ondertussen aangegroeid tot een stamomtrek van 340 cm. Een groot gedeelte van het huidige bomenbestand stamt uit de 19de-eeuwse, door Maximiliaan de Spoelberch geconcipieerde aanleg, met name een hele reeks bomen met stamomtrekken van meer dan 300 cm en soms 450 cm en meer. O p de helling tussen de Molenbeek en het instituut bevindt zich onder meer een bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j met een stamomtrek van 670 cm. Deze oudste generatie bevat een aantal zeldzame soorten of variëteiten als: een mispelbladige wintereik (Quercus petraea 'MespilifoliaV, een zuilvorm van Amerikaanse gleditsia (Gleditsia triacanthos 'TortuosaV, Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipiferum), gewone moerascipres (Taxodium distichum), donzige eik (Quercus pubescens), zuilvormige zomereik (Quercus robur 'FastigiataV, een zomereik met witgemarmerd blad (Quercus robur Albomarmorata'J, zwarte els met ingesneden blad (Alnus glutinosa 'IncisaV, wingerdbladige zomerlinde (Tilia platyphyllos 'VitifoliaV, Japanse zelkova (Zelkova serrata), een bolvorm van rode esdoorn (Acer rubrum 'GlobosumV en een uiterst zeldzame, gedrongen vorm van beuk (Fagus sylvatica 'Compacta'j- Het Groot Park van Lovenjoel mag beschouwd worden als een van de belangrijkste dendrologische collecties van België.
De oprichting van het instituut 'Salve Mater' In 1907 werd het hele domein met de bijbehorende boerderijen bij testament geschonken aan Mevrouw E. Gilbert-Ernst uit Leuven, die het in 1915 overmaakte aan de Katholieke Universiteit van Leuven. O p haar beurt verhuurde de Universiteit het kasteel en het park aan de 'Zusters van Liefde' van Gent om er een psychiatrische kliniek voor vrouwen in te vestigen. De mannelijke tegenhanger - het Sint-Kamillusinstituut* - zal enkele jaren later door de 'Broeders van Liefde' op de Krekelberg te Bierbeek worden gebouwd. De zusters kwamen toe op het kasteel in 1916. Tijdens de Eerste Wereldoorlog deed het kasteel een tijdlang dienst als 'Kommandantur' van het Duitse leger. In 1926 werd de psychiatrische kliniek 'Salve Mater' in aanwezigheid van koningin Elisabeth plechtig geopend (13). Tot omstreeks 1980 werd het kasteel gebruikt als internaat voor de studenten psychiatrische verpleegkunde; sinds 1999 wordt het opnieuw bewoond. Met het verdwijnen van de familie de Spoelberch de Lovenjoul kwam er niet direct een einde aan de dendrologische verrijking van het Groot Park. De excursie van de 'Société centrale forestière' van 1922 werd geleid door professor Victorien Antoine (14), de beheerder van het domein, die na afloop van de excursie een volledige studie van het domein voor het Bulletin in het vooruitzicht stelde. Deze belofte werd niet nagekomen, maar de aanplantingen die in deze periode werden uitgevoerd zijn zeer gevarieerd en omvatten een aantal opmerkelijke bomen, onder meer Torreya (Torreya grandis), Cappadocische esdoorn (Acer cappadocicum), wilgenbladeik {Quercus phellos), suikerberk {Betuia lentd), en een van de grootste exemplaren Japanse taxus (Taxus cuspidata) in België. Van deze generatie sneuvelden sinds onze eerste inventaris in 1978 enkele zeldzame specimens, onder meer goudlork {Pseudolarix kaempferi), Amerikaans geelhout {Cladrastis luted) en Virginische hopbeuk (Ostrya virginiana). De aftakeling van het domein, die vooral merkbaar wordt vanaf 1980, als het kasteel wordt ontruimd, is niet zozeer een gevolg van het gebrek aan belangstelling en goodwill vanwege de huidige beheersverantwoordelijken, maar wél van de onzekerheid over de toekomst van het psychiatrisch instituut, waardoor de zorg voor het park naar de achtergrond werd verdrongen. In de recentste aanplantingen werden ook meer courante soorten gebruikt, bijvoorbeeld Corsicaanse den.
Gebouwen, aanlegelementen en merkwaardige bomen in het Groot Park van Lovenjoel (tekening R. De Meerleer)
fijnspar, gele treurwilg, balsempopulier. De voorjaarsstormen van 1990, gevolgd door een kapping die de nationale spoorwegmaatschappij om redenen van veiligheid bedongen had, hebben een grote ravage aangericht onder de oude beukendreven tussen de paviljoenen en hebben het bosplantsoen langs de spoorweg tot een kapvlakte herschapen. Een fatsoenlijk budget én een beheersplan zijn absoluut noodzakelijk om dit belangrijk stuk patrimonium voor de toekomst te vrijwaren.
MERKWAARDIGE BOMEN (opnamen zomer 1990) 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
1VI&L
gewone plataan (Platanus x hispanica) 440 zuilvormige zomereik, ongewoon smal (Quercus rw^wr'Fastigiata'j 150 gewone taxus (Taxus baccata) iOOilQ) gele paardekastanje (Aesculus flava) 150 vtAztesóioorn (Acer negundo) 2\5 reuzenlevensboom (Thuja plicata) diverse stammen tot 132 beuk, eigenaardige compacte vorm (Fagus sylvatica 'Compacta'j 230 Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) 350 witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum) 360 bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 535
11. Amerikaanse gleditsia, +/- zuilvormig (Gleditsia triacanthos 'TortuosaV 346 12. zomereik met witgemarmerd blad (Quercus robur 'AlbomarmorataV 222 13. witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum) 421 - omgevallen tijdens storm oktober 2002; 14. gewone moerascipres (Taxodium distichum) 387 15. gewone beuk (Fagus sylvatica) 4 0 8 16. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 395 17. gewone plataan, bultige stam (Platanus y. hispanica) 552 18. Cappadocische esdoorn (Acer cappadocicum) A\ 19. bolvorm van rode esdoorn (Acer rubrum 'GlobosumV 192 20. massief 19 stammen gewone buxus (Buxus sempervirens) tot 50 21. massief 27 stammen gewone buxus (Buxus sempervirens) tot 54 22. witte es (Fraxinus americana 'JuglandifoliaV 182 23. witte es (Fraxinus americana 'Juglandifoliaj 180 24. tamme kastanje (Castanea sativa) 335 25. Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tuli-
pifera) 244 26. Virginische jeneverbes (Juniperus virginiana) 256 27. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 420 28. mispelbladige wintereik (Quercuspetraea 'MespilifoliaV321 29. Japanse honingboom (Sophora japonica) 193 30. viltige hicory (Carya tomentosa) 155 31. wilgenbladeik (Quercus phellos) 164 32. suikerberk (Betuia lenta) 120 33. donzige eik (Quercuspubescens) 293 34. varenbeuk (Fagus sylvatica AsplenifoliaV 285 35. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 553 36. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 598 37. gewone moerascipres (Taxodium distichum) 410 38. treurbeuk met afgelegde gesteltak (Fagus sylvatica 'PendulaV 4 0 7 , 168 40. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 670 41. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 478 42. zuilvormige zomereik (Quercus robur 'FastigiataV 244
43. zuilvormige zomereik (Quercus rohur 'FastigiataV 348 45. zwarte els met diep ingesneden blad (Alnus glutinosa 'Incisa'Pj 167 46. gewone moerascipres (Taxodium distichum) 463 47. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 412 48. gele paardekastanje (Aesculus flava) 114 49. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j 468 50. suikerberk (Betuia lenta) 115 51. varenbeuk {Fagus sylvatica 'AsplenifoliaV 195 52. gewone beuk (Fagus sylvatica) 450 53. eikbladige beuk (Fagus sylvatica 'Quercifolia'j 148 54. Californische torreya (Torreya californica) 142 55. Japanse zelkova (Zelkova serrata) 168 56. wilgenbladeik (Quercus phellos) 137 57. Virginische hopbeuk (Ostrya virginiana) 72 58. wingerdbladige zomerlinde (Tiliaplatyphyllos 'VitifoliaV 300 59. treurbeuk (Fagus sylvatica 'Pendula'j 350 60. groene es (Fraxinuspennsylvanica) 225 6 1 . zomereik (Quercus rohur) 345 62. Japanse taxus (Taxus cuspidata) 122/67
propriété. C'était Ie temps oü Ton commengait de parier du socialisme.' (7)
Archief van de pastorie Sint-Lambertus Lovenjoel. Zie ook: Archief Monumenten &; Landschappen, Leuven.
(8)
Privé-archief Leo Seldeslachts, Lovenjoel - Boek 6 van de rekeningen van de smidse Van Schoonbeeck te Lovenjoel (19de eeuw).
(9)
Privé-archief Jos Dcwintet, Lovenjoel - pentekening in OostIndische inkt, met de hand gekleurd, door G.I.D. DECLERCK (maakt deel uit van een met de hand geschteven Dictionnaire de communes).
(10) G A V I G L I O C , Charles de Spoelberch de Lovenjoul (1836-1907): un collectionneur
et ses libraires, Paris, Ecole
nationale
des chartes, 1999; zie ook diverse websites, o.m. http://oasis.harvard.edu/html/hou004l2.htm
(briefwisseling
Holland en K. de Spoelberch,
tussen
Fred
http://www.mta.ca/faculty/arts-
letters/mll/french/gautier/index.htm (Société Théophile Gautier, Montpellier). (11) Bulletin de la Société Centrale Porestüre de Belgique, vol. 1, 18931894, p. 528-529. Dit verslag betreft zowel het park Salve Mater als dat van Ave Regina en maakt geen duidelijk ondetscheid tussen beide parken. (12) Bulletin de la Société centrale forestière de Belgique, vol. 29 no. 9. sept. 1922, p. 531-532. (13) Ovet de oprichting van het instituut 'Salve Matet' in het Groot Park van Lovenjoel, zie: ANON., Lovenjoul. Sanatorium Salve Mater - Clinique psychiatrique, Quelques notes administratives. Deus Caritas Est, XXe année, 1926, n° 1, janvier-février, p. 109-
NOTEN
111; LIPPERT P., In Salve Matet, asyl en psychiattische kliniek te Lovenjoel. Caritas, XVIe jrg., 1947, nr. 4, augustus-septem-
(1)
BAEYENS L , Bodmkaart
van België: kaartblad Lubbeek 90W,
1959. (2) Archief Monumenten & Landschappen-Leuven,
(3)
ber,p, 77-91. (14) Victorien Antoine (1883-1971) was vanaf 1911 verbonden aan
floristische
de faculteit landbouwwetenschappen te Leuven, werd in 1918
streeplijsten met opnamen van 1989.
benoemd tot gewoon hoogleraar, emeritaat in 1953, was o.m. lid
Cf. kaart 258 in: VAN ROMPAEY E. & DELVOSALLE L ,
van de Hoge Bosraad en één van de initiatiefnemers tot de
Atlas van de Belgische en Luxemburgse flora - Ptertdofyten en sper-
oprichting van het Bosbiologisch Centrum te Bokrijk-Genk
matofyten, Meise, Nationale Piantentuin, 1979.
(Nouvelles brèves - Bulletin d'information de Tuniversité catholique
(4) Algemeen Rijksarchief Brussel -
Schepenbanken
kantons
Leuven. Schepenbank Lovenjoel nr. 1196 fol. 165, d.d. 5-111766. (5)
Kadastrale opmetingsschets Lovenjoel 1836-1837, nr. 9.
(6)
Cf. WATKIN D., The English vision. The picturesque in architecture, landscape and garden design, London, Mutray Ltd., 1982. DEAUV1LLE M., Souvenirs sur Spoelberch de Lovenjoul. in: Revue générale beige, oktober 1951, p. 849-865, vermeldt met betrekking tot Karel-Victor de Spoelberch volgende anekdote, betekenisvol voor de verhoudingen in het dorp aan het einde van de 19de eeuw: " / ' me souvienspourtant de la rancune qu'il conserva longtemps a son chef jardinier, a qui il voulait bten pardonner de s'enrichir un peu vite a ses dépens, mais qu'il nepouvaitplus guere supporter depuis que eet homme avait osé surenchérir sur sa mise, et se rendre acquéreur, presqu'a son nez, et par surprise, de quelques ares de terre qui étaient attenants aux quatorze hectares de la
deLouvain, 1972, vol. VI n0 10).
Jos Dewinter
& Roger
Deneef
BIERBEEK (LOVEMJOEL): HET KLEIN PARK (Ü01VIE1N AVE REGINA) KLEIN PARK, 3360 LOVENJOEL
erkhofe het
" =
kweel van =
PC ^ « ^ ^ ^ ^ ^f^S
c het Hof ten ^jy^^^Lp^
^p^ijv'**\ ^JIAJSL*?"'
K--^^*I
V
»
»
W ï^^fe"*^?^^*.
,,
Ferransbart ^ O » I t ^ l f k ^ ( * 3 ^ ^ n / / 7 / / J / / ^ / ^ ^ , ^
1771-1775) I f . 4
Porfc von bijna 11 hectare in vroege landschappelijke stijl, met tot vijvers opgestuwde beek, aangelegd bij het oude, tot landhuis omgebouwde Hof ten Poele rond 1810; boog brug (nu verdwenen) en cascade met waterspuwers; belangrijke aanplantingen rond 1860; diverse oude en zeldzame bomen. Het Hof ten Poele Het kasteeltje ten oosten van de dorpskerk van Lovenjoel, op de Ferrariskaart (1771-1775) vermeld onder "chateau de LovenjoeF, gaat terug op het "Hof ten Poelé', voor het eerst vermeld in
1580-1590. De toenmalige eigenaar vroeg vermindering van cijnslasten omdat zijn eigendom vlakbij de grote heerbaan lag en daardoor veel te lijden had van "passerende en repasserende' soldaten. Het was op dat moment cijnsplichtig aan het godshuis van de "arme vrouwkes van Sinte Barbelen" te Leuven. Tussen 1616 en 1640 behoorde "hetpachthofgeheten 't hof te Poele tot Lovenjoet, toe aan jonker Jan van Pulle. Omstreeks 1700 en tot aan het einde van de 18de eeuw was het cijnsplichtig aan het godshuis van Sint-Maartensdal te Leuven. O p 13 december 1752 werd het hof ten Poele openbaar verkocht. Het omvatte: "buys, hoove, schuere ende stallinghe met een woonhuys, append, ende depend, boomgaarden, heussels ende vijvers, t'samen groot twee bunderen, twee dachmaelen ende 55 roe-
den". De koper was ook de bouwer en de eigenaar van het kasteel ten westen van de kerk: "Mher Carolus-Christianus-Joannes van Spoelberch, ridder ende here van Louenioul, voor de som van 2200 gulden coopsom (1). In 1770 werd Fran^ois-Philibert-Joseph Van Bemmel (1725-1807), secretaris van de stad Leuven en ontvanger van de Staten van Brabant, de tiende heer van Lovenjoel. Hij verwierf niet alleen de heerlijke rechten, maar kocht te Lovenjoel ook de meeste onroerende bezittingen uit de nalatenschap van de reeds genoemde KarelChristiaan-Jan de Spoelberch (1709-1772) op. Tot deze eigendommen behoorden zowel het kasteel in het Groot Park* als het Hof ten Poele met het omgevende park. Pas in 1813, na het huwelijk van F r a n c i s Jean Joseph de Spoelberch d'Eynthouts met de weduwe Van Bemmel, kwam het Hof ten Poele met het Klein Park opnieuw in het bezit van de familie de Spoelberch. O p welke wijze de erfopvolging na de Spoelberch d'Eynthouts gebeurde is vooralsnog niet duidelijk: overleed hij kinderloos en kwam het domein zo toe aan zijn neef Jan-Hendrik-Jozef of aan de zoon van laatstgenoemde, burggraaf FelixXavier de Spoelberch, broer van MaximiliaanAntoon-Theodoor, de aanlegger van het Groot Park? Felix-Xavier, volgens de kadastrale gegevens
Peut Lovenjoul. Klein Lotfenjoui,
Hst kasteel in het
van 1830 eisenaar van het Klein Park, overleed D
Loven|oel op een
ongehuwd in 1868. Na enkele verervingen en een prentbriefkaart aanruiling werden beide kastelen van Lovenjoel met ™g 20ste eeuw de bijbehorende parken in 1890 opnieuw verenigd '"'e<:le ' ""f!"' . . J ii i Kessel-Lo) onder één eigenaar: Karel-Victor de Spoelberch. Na het kinderloos overlijden van Karel-Victor in 1907, erfde mevrouw Gilbert-Ernst uit Leuven als algemeen legataris zowel het Groot als het Klein Park. In 1915 schonk zij beide parken aan de Universiteit van Leuven, die in 1923-1924 het recht van gebruik en bewoning overdroeg aan de v.z.w. Zusters van Liefde van Gent. Het medischpedagogisch instituut Ave Regina' nam in 1938
Lovenjoel in vogelperspectief: links het kasteel en de vi|ver, centraal het instituut Ave Regina en de dorpskerk van Lovenjoel, rechts het Groot Park (prentbriefkaart uitgave Ave Regina)
1V1&L
Het kasteel in het Klem Park van Loven|oel (foto 0. Pauwels, 1992)
•
zijn intrek in het Klein Park. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was de geplande nieuwbouw in de zone tussen het kasteel en de kerk voor meer dan de helft voltooid, maar door de oorlogsomstandigheden liet de definitieve voltooiing tot 1949 op zich wachten (2). Uit een figuratieve kaart van de bezittingen van het godshuis Sint-Martens te Leuven, opgemaakt tussen 1744 en 1754 (3), blijkt dat er binnen de perimeter van het huidige park, in de oostelijke spievormige uitloper tussen de steenweg Leuven-Tienen en de oude baan naar Tienen (nu Kerselaarlaan genoemd) toen nog een tweede hoeve was, het Vrijthof genaamd, voor het eerst vermeld in 1484. Het is ons niet bekend wanneer en onder welke omstandigheden dit hof verdween.
De cascade met medaillons en leeuwenkoppen m het Klem Park van Lovenjoel vóór 1924 (collectie E. Smeyers, Kessel-Lo)
M&L
De gegevens over het uitzicht van het kasteel vóór 1905 zijn beperkt tot datgene wat uit de Ferrariskaart, de kadasterkaarten en een schilderij
in privé-bezit (circa 1880) kan worden afgeleid. O p al deze documenten en zelfs nu nog - na ettelijke verbouwingen - blijft de oorsprong van het gebouw duidelijk zichtbaar: een gesloten vierkanthoeve, die mettertijd in de richting van de kerk wordt opengewerkt. De U-vormige plattegrond beantwoordt aan het in de 18de eeuw vigerende model "vivre entre cour etjardin". Na de bouw van het instituut 'Ave Regina' werd het metalen sierhek dat rond 1900 de koer afsloot, verplaatst naar de toegang bij de Stationsstraat. Het kasteel onderging een belangrijke verbouwing in 1885 door de toevoeging twee hoektorens die de zijvleugels met het hoofdgebouw verbinden. Daardoor ging het er ook meer als een kasteel uitzien. Na een laatste grondige verbouwing en vergroting in 1905, verkreeg het zijn huidig neotraditioneel uitzicht. De S-vormige muurankers verwijzen uiteraard naar de naam van de bouwheer. Ontstaan van het 'Klein Park' Zoals in het Groot Park was aan het einde van de 18de eeuw ook hier de aanleg beperkt tot de onmiddellijke omgeving van het kasteel en voornamelijk utilitair bedoeld: een moestuin, een grote (min of meer trapezoïdale) en een kleine, langwerpige vijver en een boomgaard. Op de plaats van het huidige park, ten oosten van het kasteel, geeft de Ferrariskaart (1771-1775) akkers en hooilanden weer omgeven door houtkanten en bomenrijen. De oeverzones van de Molenbeek waren bebost. Een laantje verbond het kasteel met de dorpskerk, haaks op de noord-zuid gerichte laan die vlak naast het kasteel liep en de oude Tiense baan verbond met de nieuwe steenweg Leuven-Tienen. O p een kadastraal 'plan géométrique'mi 1807 [zie pag. 68] is het beeld van de Ferrariskaart nog intact, maar een kadasterkaart van 1810 toont het Klein Park in een nieuw kleedje, als een vroeg-landschappelijk park, een 'jardin k Vanglaise'. De landschappelijk heraanleg zal in het Groot Park pas in 1836-1837 worden geregistreerd, maar diverse tuinen en parken in de regio - de Biolley-T'Serclaes en Gellenberg te Lubbeek, het domein van Kwabeek* te Vertrijk, het VijverhoP te Korbeek-Lo... ondergaan al tijdens het eerste decennium van de 19de eeuw een vergelijkbare metamorfose. In de zone ten noorden en ten oosten van het kasteel verschijnt een embryonale vorm van een vroeglandschappelijke, romantische tuin. Het trapezoïdale vijvertje ten noorden van het kasteel is minstens verdubbeld in oppervlakte, heeft amoeboïde contouren gekregen en versmalt stroomopwaarts geleidelijk tot een kanaalvormige trechter
De cascade in het Klein Park «au Lovenjoel, zonder medaillons (foto 0. Pauwels, 992)
die overspannen wordt door een brug, ongetwijfeld de boogbrug waarvan de bakstenen aanzetten nu nog te zien zijn. De overstort van de vijver naar de Molenbeek krijgt een monumentaal karakter: een dubbele arduinen drempel geflankeerd door twee steles met elk twee waterspuwende bronzen leeuwenkoppen,
een medaillon met een sierlijk bas-reliëf van brons of terracotta en een boogvormige opening onderaan. Deze constructie is bewaard gebleven, weliswaar zonder de medaillons en zonder de leeuwenkoppen op de rechtse stele. Achter de steles gaan volumes schuil die recent met beton werden versterkt, zodat de oorspronkelijke vormen en materialen niet meer zichtbaar zijn, maar in de
1VI&L
A Vroege landschappe-
Primitieve kadaster-
Het Klem Park
ben rond I860
linksboven, het zui-
lijke aanleg uit
kaart, omstreeks
(rechts), de dorps-
grosso modo hun
delijk gedeelte van
1807-1810 in het
1830
kern van Lovenjoel
huidige vorm gekre-
het park bij het
Klem Park van
(archief Kadaster
en het Groot Park
gen; in de rechter-
Korbeeks Kasteel
Lovenjoel op de
Brabant. Brussel)
(links) op de staf-
bovenhoek, het kas-
(ICM, 1868)
kaart van 1864;
teel van Pellenberg
beide parken heb-
(de Maurissens);
achteruitbouw van de linkse stele is wel nog een rudimentair sluisje aanwezig. In de bocht van de oude Tiense weg, op ongeveer 50 m ten zuiden van het kasteel, wordt op een kadasterkaart van 1810 een hoeve aangeduid die nog niet op het 'plan géométrique' van 1807 voorkomt. Dit zou erop kunnen wijzen dat, op het ogenblik dat het landschappelijk park werd aangelegd, de oorspronkelijke agrarische functie van het Hof ten Poel op de nieuwe hoeve (die al in 1840 gedeeltelijk wordt afgebroken en in 1864 volledig verdwijnt) werd overgedragen. De zone ten westen van het kasteel bestond in 1810 nog altijd uit landbouwgronden, doorkruist door de twee voornoemde dreven. Tot ongeveer 200 m ten oosten van het kasteel, een zone die vanaf 1830 op de kadasterkaarten als "Kasteel Blok" werd omschreven, strekte zich de "jardin \\tü]ve Van Bemmet' uit, waarschijnlijk moestuin of een combinatie 'nut en sier'. De plataan (Platanus x hispanica) bij het kasteel heeft een stamomtrek van 481 cm en behoort tot de vroeg-19de-eeuwse aanplanting, samen met enkele haagbeuken (Carpinus betulus), enkele gewone beuken (Fagus sylvatica) en
1VI&L
de Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipiferum) tussen het kasteel en de vijver, die in 1894 reeds 240 cm omtrek had en die in 1988, toen hij gerooid werd, was aangegroeid tot circa 400 cm. De tweede aanlegcampagne Afgaande op de historische kadastergegevens, de stafkaart van 1864 en, vooral, de leeftijdsopbouw, de verspreidingspatronen en de samenstelling van het bomenbestand, kan een tweede fase in de ontwikkeling van het Klein Park worden omschreven. Die valt ongeveer samen met grootscheepse heraanleg van het Groot Park door MaximiliaanAntoon de Spoelberch en werd uitgevoerd door zijn broer Felix-Xavier (1808-1868), die in 1830 als eigenaar wordt vermeld en rond 1860 alle percelen bezat tussen de steenweg Leuven-Tienen, de oude Tiense weg, de kerk van Lovenjoel, de huidige Stationsstraat (voorheen Keizerstraat) en de voormalige Larestraat, dus ook van het "Tuin Blok" ten noorden van de Molenbeek. D e (nu op diverse plaatsen onderbroken maar op een luchtfoto uit 1990 nog duidelijk merkbare) rijen bruine beuken met een tussenruimte van 10 m langs de oude
v.».
;- , r .
..ymz
..
m:-^
•*(**J>*£:
•> Éh VS • Het gebouwencom-
lande vijver van het
plex van Ave Regma
Klein Park
te Lovenjocl gezien
(foto 0. Pauwels,
van over de ver-
1992)
Tiense weg (Kerselaarlaan) en de Molenbeek, hebben een leeftijd van 130 a 140 jaar en zijn ongetwijfeld een relict van een domeinafbakening uit die periode. Dit geldt ook voor de lange bakstenen muur met de (in 2001 verdwenen) tuinvaas langs de voormalige Larestraat, die de moestuin omsluit. Ten zuidoosten van het kasteel, vlakbij de oude Tiense weg (Kerselaarlaan), bevindt zich een met aarde, klimop en vlierstruiken bedekt, bakstenen tongewelf van 10 bij 3 m en in het midden 1,40 m hoog, met vier verluchtingsgaten in de noordelijke flank en een met arduin omlijste deuropening. Deze groentekelder, een uitzonderlijke constructie (met een aarden vloer) die we ook in het goed van Peten* te Boutersem (Roosbeek) hebben aangetroffen, werd waarschijnlijk ook door Felix-Xavier gebouwd. De uitbouw van het park gebeurde uitsluitend in het gedeelte ten oosten van het kasteel en het blijft inderdaad bij een 'klein park'. Dat geldt niet alleen voor de oppervlakte (11 hectare tegen 23 in Salve Mater), maar ook voor de schaal van de aanleg, de verscheidenheid van soorten en de esthetische kwaliteit. De bestellingen die de gebroeders de Spoelberch plaatsten bij de dorpssmid Van Schoonbeeck (4) zijn tekenend voor ver-
schillen in aanpak, ingesteldheid en, misschien ook, financiële draagkracht: spijkers en andere elementaire bestanddelen voor het "Klein Park', volledig afgewerkt siersmeedwerk voor het 'Groot Park'. De stafkaart van 1864 geeft een beeld van deze tweede aanlegfase, die gekenmerkt wordt door een ongeveer 200 m lange zichtas. Aan de noordzijde wordt die begrensd door de vijver met de cascade en het stroomopwaarts versmallende 'kanaal' met de stenen brug. Aan de vorm van de vijver zoals hij wordt weergegeven op de Primitieve kadasterkaart werd sinds 1810 weinig veranderd, afgezien van de aanleg van een eilandje dat al op de kadasterkaart van 1830 voorkomt. De opgestuwde Molenbeek en de kanaalmonding gaan schuil onder hoogstammig groen. De oostelijke flank van de vista bestaat uit aaneengesloten bosplantsoen dat via een drievoudige lus ontsloten wordt. Het grootste gedeelte van het huidige bomenbestand rond het kasteel, de vijver en de vista werd aangeplant rond 1860: enkele platanen (Platanus x hispanica), witte paardekastanjes (Aesculus hippocastanum), Oostenrijkse dennen (Pinus nigra subsp. nigra), een groot aantal
1VI&L
De treurhoningboom in het Klem Park van Lovenjoel, in het begin van de |aren 1980 verdwenen . ^ y (met dank aan B. Rumbaut)
gewone beuken (Fagus sylvatica), zomereiken (Quercus robur), maar ook een moseik (Quercus cerris) met een stamomtrek van 411 cm, een varenbeuk (Fagus sylvatica 'Laciniata', 337 cm) en zoals in Salve Mater en ongeveer van hetzelfde formaat - een mispelbladige wintereik (Quercus petraea 'Mespilifolia', 425 cm). In het oostelijke uiteinde van het bosplantsoen ligt een 3 m hoog, met zomerlinden (Tilia platyphyllos) beplant heuveltje. Het gaat om een belvédère, die vroeger uitzicht bood op een vijver. Deze vijver komt alleen voor op de topografische kaart van 1908, maar de situering en de omvang ervan worden op het terrein nog aangegeven door een natte ruigte met riet, moerasspirea en moesdistel. Met het oog op de aanleg van deze vijver werd de Bruulbeek boogvormig in oostelijke richting omgelegd. De laatste fase in de uitbouw van het park zet in wanneer Karel-Victor de Spoelberch in 1890 het park overneemt. Aan deze fase kan eveneens een generatie parkbomen verbonden worden: een zomereik met lijnvormig blad (Quercus robur 'StrypemondeV, een m a m m o e t b o o m (Sequoiadendron giganteum), enkele Oostenrijkse dennen, een zuilvormige zomereik (Quercus robur 'FastigiataV, een zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platyphyllos 'LaciniataV) een Spaanse aak
(Acer campestre), een in het begin van de jaren 1 980 verdwenen treurhoningboom (Sophora japonica 'PendulaV, twee ginkgo's (Ginkgo biloba), een treurbeuk (Fagus sylvatica 'PendulaV, bonte Engelse iep (Ulmus procera 'Argenteovariegata'j die nog steeds in de vorm van uitbundige wortelopslag aanwezig is. Nabij de noordelijke ingang van het park, bij het hek aan de Dreefstraat, staat één van weinige oudere iepen (Ulmus glabra) die in de regio de diverse golven van iepenziekte overleefd hebben. De meest opmerkelijke toevoeging uit die periode is de beplanting van de huidige Dreefstraat die de Tiensesteenweg verbindt met het kasteel: een dubbele rij zwarte walnotelaars (Juglans nigra) met stamomtrekken tot 250 cm. De stafkaart van 1908, één jaar na het overlijden van Karel-Victor de Spoelberch, geeft het Klein Park weer in optima forma. De aanleg strekt zich uit tot in de oostelijke spie tussen de Tiensesteenweg en de Kerselaarlaan, ongeveer 200 m ten oosten van het kasteel. Pas na het doorlopen van het pad langs de vijver en het 'kanaal' of vanop het belvédèreheuveltje krijgt de bezoeker een uitzicht op de oostelijke helft van het park, niet adembenemend maar toch aantrekkelijk: een niervormige vijver aan de voet van een open helling, omkaderd met hoogstammig groen (waaronder een treurbeuk). Eindpunt van het perspectief is een rij bruine beuken uit de 'Felix-periode', aangeplant op het hoogste punt van het domein, op de plaats waar waarschijnlijk ooit het Vrijthof heeft gestaan.
Het instituut 'Ave Regina' In tegenstelling tot het Groot Park, betekent het einde van het de Spoelberch-tijdperk ook het einde van de dendrologische verrijking. De jongere aanplantingen bestaan uitsluitend uit zeer algemene soorten. Tekenend is ook dat de hierboven beschreven oostelijke helling vrij snel (cfr. stafkaart van 1930) beplant wordt met productiebos (momenteel Amerikaanse eik, Douglasspar, hemlock...). De bouw van het instituut werd oorspronkelijk overwogen in dat gedeelte van het domein, maar uiteindelijk werd gekozen voor de ruimte tussen het kasteel en de dorpskerk. O m het laag gelegen terrein bouwrijp te maken werden grote hoeveelheden bouwpuin aangevoerd. In het begin van de jaren 1950, na de voltooiing van het instituut en in een periode waarin de lokale verbindingswegen enthousiast verbreed en gebetoneerd worden, toont de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen voor een tweede maal belangstelling voor de domeinen de
Spoelberch te Lovenjoel (de eerste maal was honderd jaar vroeger, bij de verbouwing van de dorpskerk). Naar aanleiding van een ontwerp voor de heraanleg en de verbreding van de Statiestraat, "weg van groot verkeer nr. 56", stelt de Commissie in 1952, op aandringen van de Universiteit van Leuven, de 'rangschikking als landschap' voor van "één der mooiste beukencomplexen van het land\ met name de 32 bruine beuken en 2 zomereiken die de westelijke begrenzing van het Klein Park markeren. De bezieler van het beschermingsvoorstel was de nog steeds actieve professor Victorien Antoine [zie het artikel over het Groot Park]. Het gaat om bomen die deel uitmaken van de reeds besproken afbakeningsaanplanting met bruine beuken die door Felix-Xavier de Spoelberch omstreeks het midden van de 19de eeuw werd uitgevoerd. Op 14 april 1955 werden "om redenen van hun esthetische waarde (de) 32 rode beuken wassende langs de Stationstraat te LovenjoeF bij koninklijk besluit gerangschikt als landschap (5). Nagenoeg een halve eeuw later is deze rij via een bijna geruisloos eliminatieproces, waarbij de reuzenzwam (Meripilus giganteus) doorgaans een nieuw sterfgeval aankondigt, uitgedund tot dertien exemplaren.
MERKWAARDIGE BQMFN (opnamen 26 en 30 augustus 1991) 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 9. 17. 18. 20. 21. 22. 23. 31. 32.
mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) 343 Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) 265 zuilvormige zomereik (Quercus rohur 'FastigiataV 248 Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) 320 Oostenrijkseden (Pinus nigra subsp. nigra) 270 zomereik met lijnvormig blad (Quercus robur 'StrypemondeV 215 gewone plataan (Platanus x hispanica) 481 gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 212 varenbeuk (Fagus sylvatica Asplenifolia'J 337 zomerlinde met ingesneden blad (Tiliaplatyphyllos 'Laciniata'j 203 gewone beuk (Fagus sylvatica) 460 moseik (Quercus cerris) 425 gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 230 treurbeuk (Fagus sylvatica 'Pendula'j 250 Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) 322 gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 268
Gebouwen, aanlegelementen en merkwaardige
33. Spaanse aak (Acer campestre) 157 34. gewone plataan (Platanus y. hispanica) 381 35. bruine beuk (Fagus sylvatica Atropunicea'j 382 36. mispelbladige wintereik (Quercus petraea 'MespilifoliaV 300 37. witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum) 352; 39. gewone plataan (Platanus y. hispanica) 396 44. ginkgo (Ginkgo biloba) 204 46. bonte Engelse iep (Ulmus procera 'Argenteovariegatd) wortelopslag
bomen in het Klein Park van lovenjoel (tekening R. De Meerleer)
NOTEN (1) Algemeen Rijksarchief Brussel, Schepenbanken kantons Leuven Lovenjoel nr. 1195, niet gepagineerde folio's. (2) VAN OVERSTRAETEN J., Gids voor Vlaanderen (2de uitgave), Antwerpen, Vlaamse Toeristenbond, 1966. (3) Algemeen Rijksarchief Brussel, Kerkelijk Archief van Brabant, nrs. 15120, folio's 145 en 146. (4) Privé-archief Leo Seldeslachs, Lovenjoel - Boek 6 van de rekeningen van de smidse Van Schoonbeeck te Lovenjoel (19de eeuw). (5) Archief Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, dossier nr. 3473, in: Monumenten & Landschappen, Leuven.
M&L
Roger Deneef, Herlinde De Jaeck & Jo Wijn ant
BIERBEEK (LOVEMJOEL) ZIELENBERG ZIELENBERG
1/3, 3360
KORBEEK-LO
(PRIVÉ-BEZIT, NIET TOEGANKELI)K V O O R
HET PUBLIEK)
• Het domein Zielenberg of 'Bladerhof' te Loven|oel in 1930, vlak na de aanleg, rechts in beeld; de villa vormt het middelpunt van een min of meer radioconcentnsch aanlegpatroon; links, Lovenjoel met het Klein Park en het Groot Park met het pas gebouwde instituut Salve Hater (ICH, 1937)
Park van circa 5 hectare, in 1925-1930 aangelegd op heuvelsite;
radiaal-concentrisch
patroon rond villa met dienstgebouwen, houten belvédèrepaviljoen; zwembad in 1940.
De stafkaart van 1930 geeft een duidelijk beeld van het landgoed, dat enkele jaren eerder was aangelegd op de westflank van de Zielenberg en door de eigenaar aanvankelijk 'Bladerhof' werd genoemd. De Zielenberg maakt deel uit van het massief dat de waterscheiding vormt tussen het Dijle- en het
AHet kasteel Zielenberg te Lovenjoel met dak-
A Een zeshoekige houten gloriette in het domein Zielenberg te Lovenjoel (foto R. Dereef, 1998)
Velpebekken. Bij de aanleg van het domein werd vooral de steile, westwaarts georiënteerde helling benut, een ontsluiting van fijnzandig tertiair substraat (Tongeriaan) (1), die op 200 m afstand een hoogteverschil bereikt van meer dan 20 m. De plaats waar in 1928 de villa werd gebouwd (2) kijkt uit over het Bruulbos en over de vallei van de Bruulbeek. Aan de zuidrand van het circa 5 hectare grote domein, lager op de helling, waren een aantal jaar eerder enkele dienstgebouwen (garage en conciërgewoning) opgetrokken. De nutstuin, die omgeven is door een laag muurtje met een draadafsluiting en die een serre omvat, is gesitueerd in het zuidwesten van het domein, aan de voet van de helling, tegen het Bruulbos aan. Aan de voet van de helling bevindt zich ook een kleine 'Lourdesgrot'. Het uitzicht van de villa, omgeven door terrassen en, vanaf 1940, met een zwembad, wordt vooral bepaald door zijn witstenen parement en gegroefde
pilasters tussen elke travee. Opmerkelijk zijn ook de rozetjes tussen de ramen van de beneden- en de eerste verdieping. Deze villa vormt het centrum van een radiaal-concentrisch patroon van wegen en wandelpaden. O p de helling van het Bruulbeekdal zijn de concentrische paden ingegraven en daardoor ontstond zoiets als een terrassenreliëf. Lijnaanplantingen langs dreven of paden zijn niet meer zichtbaar, behalve een kort dreefje met bruine beuken (Fagus sylvatica AtropuniceaV met stamomtrekken van nog geen 2 m aan de oostzijde van het domein en een rijbeplanting met hangende zilverlinde (Tilia petiolaris), waarvan één met een stamomtrek van 217 cm. Dit is dan ook de dikste boom van het domein, want na bijna 70 jaar hebben weinig bomen een omtrek van 2 m bereikt; de meeste zien er weinig vitaal uit, misschien te verklaren door de bodemgesteldheid. Het hele domein geeft een beboste indruk, die vermoedelijk ook door de ontwerper of eigenaar gewild is, want het wordt in 1930 - direct na de aanleg - bijna integraal als bos in kaart gebracht. Dit is eigenaardig, want daardoor bleef de bewoners van de villa een boeiend panorama onthouden. Dit is vermoedelijk de reden waarom bij een verbouwing in 1940 de uitbreiding van het gebouw in zuidelijke richting van een dakterras werd voorzien, liever dan een opening te maken in de beboste helling.
terras en zwembad, na de verbouwingen van 1940 (collectie BlockxMeulemans, Lubbeek)
De nog aanwezige sieraanplantingen aan de rand van de kleine open ruimte rond de villa bestaan uit twee rode meidoorns (Crataegus laevigata 'Paul's scarletV die de monding van de toegangsdreef signaleren die vanaf de steenweg Leuven-Tienen op de villa toeloopt, een zilverlinde (Tilia tomentosa).
M&L
een Magnolia x soulangeana, een hemelboom (Ailanthus altissima), een Californische schijncipres (Chamaecyparis lawsoniana), een taxus (Taxus baccata 'Aureal een Noorse esdoorn (Acer platanoides), een gewone plataan [Platanus x hispanica), een sitkaspar (Picea sitchensis) en twee grove dennen (Pinus sylvestris). Verder van de villa komen geen siersoorten meer voor, behalve de vermelde rij zilverlinden, een bontbladige esdoorn (Acer pseudoplatanus 'LeopoldiiV en verspreide Pontische rododendrons (Rhododendron ponticum), gewone mahonia (Mahonia aquifolium) en gewone laurierkers (Prunus laurocerasus). Naast het zwembad daalt een trap de helling af naar een (in 1998 bouwvallige) zeshoekige gloriëtte met wanden van houten traliewerk. O p de pergola die een gedeelte van deze trap overdekt, bevindt (3) zich de interessantste, zeldzaamste cultuurplant van het domein: Smilax rotundifolia, een windende, uit Noord-Amerika afkomstige heester uit de leliefamilie (4).
M&L
NOTEN (1) VAN DEN BROECK E., Carte géologique de la Belgique, feuille N" 90 Lubbeek-Glabbeek-Suerbempde,
1905; SCHEYS G.,
Bodemkaart van België: kaartblad Lubheek 90W, 1957. (2) Kadastrale opmetingsschets Lovenjoel 1929 nr. 2 en, voor de dienstgebouwen, 1925, nr. 3. (3) Althans op 19 juni 1998. (4) KRÜSSMANN G., Handbuch p. 340.
der Laubgehölze (III), 1978,
Roger Deneef
& Jo
Wijnant
BIERBEEK (LOVEMJOEE) VARENBERG V A R E N B E R G 3, 3 3 6 0
LOVEN)OEL
(PRIVÉ-BEZIT, NiET TOEGANKELI|K V O O R
HET PUBLIEK)
Het domein Varenberg te Lovenjoel; In de moes- en frulttuln, met een terras en aan de noordzijde afgeschermd door een 'fruitmuur'. is de Inspiratie vanuit de 'Nouveau jardm pittoresque' merkbaar (foto R. Deneef, 1998)
Tuin van circa 3 hectare, in 1914-1920 aangelegd rond een villa in cottagestijl, met garage en tuiniers- of conciërgewoning; in de aanleg van de moes- en fruittuin is de invloed van de 'Nouveau jardin
pittoresque'
merkbaar.
Het "chateau Les Fougères"op de stafkaart van 1930 [ziepag. -^/y ontleent zijn naam aan het oude toponiem Varenberg, op zijn beurt een verwijzing naar de vegetatie die dergelijke ontsluitingen van fijnzandig tertiair substraat (1) vaak kenmerkt, gedomineerd door adelaarsvaren (Pteridium aquilinum). De Varenberg ligt als getuigenheuvel aan de zuidrand van het massief van Pellenberg, daarvan gescheiden door het Nederblok, een vertakt col-
luviaal dal. In 1914 laat de Leuvense notaris Paul Bosmans op voormalige bospercelen een huis en een serre bouwen (2). De rest van het terrein wordt aangelegd als 'lusthof'. Dit huis bestaat uit een bakstenen benedenverdieping en een bovenbouw uit pseudo-vakwerk en was vermoedelijk bedoeld als tuiniers- of conciërgewoning. Het sluit onmiddellijk aan bij de moes- en fruittuin, die aan de noordzijde wordt afgeschermd door een bakstenen 'fruitmuur'. In de aanleg van het terras dat bij dit gebouw aansluit is de inspiratie van de 'Nouveau jardin pittoresque' duidelijk merkbaar: onregelmatige natuurstenen 'slabs', natuurstenen keermuren en een balustrade. De metalen profielen waaraan de leidraden bevestigd waren zitten nog in de muur, maar er is geen leifruit meer aanwezig. In 1918 wordt circa 150 m westwaarts het 'kasteel' gebouwd (3), een grote cottage in vakwerkbouw
m S!
/
Lovenjonl
Chiie»ii "L«s Fougirei.,
,-
Het in 1918
k 1*1
gebouwde 'Chateau Les Fougères' te Lovenjoel in de jaren 1930; de torenspits werd na een brand vervangen door een eenvoudig zadeldak (collectie BlockxMeulemans, Lubbeek)
O,
& Ca-
SÉ^
«A^t^v»
J*i k ^ Js. M i^JPM r wmiï iiiS « J ™ m. mX i i.l B r l f 1 1 i^»l m lil ril l !
1
|
•
maar met een bakstenen benedenverdieping. De oorspronkelijk piramidale torenspits werd door een brand vernield en niet meer opgebouwd maar vervangen door een eenvoudig zadeldak. Het hele landgoed beslaat circa 3 hectare, de oprijlaan vanaf de Pellenbergstraat inbegrepen. De stafkaart van 1930 geeft een beeld van de tuin zoals hij tot voor kort bewaard was: een lusvormige ontsluiting die vanaf het uiteinde van de steil oplopende toegangsdreef zoveel mogelijk de hoogtelijnen volgt en eindigt op een grote rotonde ten zuiden van de villa. Uit een oude prentbriefkaart blijkt dat deze rotonde met rozenperken was afgezoomd en een grote tuinvaas in haar middelpunt had. Door de aanleg van een zwembad en de bouw
Het kasteel van de Varenberg te Lovenjoel zonder toren
(foto J. Wijnant, 19
van een waterbehandelingsgebouwtje heeft dit gedeelte van de tuin een versnipperd, terrasvormig uitzicht gekregen. Ongeveer halverwege tussen de tuinierswoning en het kasteel staat een eenvoudige zeshoekige gloriëtte, in feite meer een overdekt terras, wat laat veronderstellen dat er vanaf die plaats ooit een uitzicht geboden werd in zuidwaartse richting. Te oordelen naar de stamomtrekken (4) van de oudste aanplantingen waren de groeiomstandigheden beter dan op de nabijgelegen Zielenberg*. De meeste bomen hebben omtrekken bereikt tot ver over de twee meter, een bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropuniceaj zelfs tot 309 cm, een hemelboom (Ailanthus altissima) tot 263 cm, een tamme kastanje (Castanea sativa) tot 242 cm, een zomereik (Quercus rohur) tot 234 cm. Van een jongere generatie zijn waarschijnlijk een balsemzilverspar (Abies balsamea) met 178 cm omtrek en — een curiosum verborgen in het bosplantsoen langs de oprijlaan - een Noorse esdoorn met bolstaand blad (Acer platanoides 'CucullatumV met 154 cm omtrek. De jongste aanplantingen zijn zeer gevarieerd en bevatten ook enkele minder courante soorten: reuzenzilverspar (Abies grandis), Koreaanse zilverspar (Abies koreana), blauwe atlasceder (Cedrus atlantica 'Glauca'J, Europese judasboom (Cercis siliquastrum), sikkelcipres (Cryptomeria japonica), zuilvormige beuk (Fagus sylvatica 'DawyckV, ginkgo (Ginkgo biloba), Amerikaanse amberboom (Liquidambar styraciflua), stermagnolia (Magnolia stellata), watercipres (Metasequoia glyptostroboides), kaneelschijnbeuk (Nothofagus antartica), Servische spar (Picea omorika), blauwe spar (Picea pungens 'GlaucaV, draai-den (Pinus contorta).
NOTEN (1) SCHEYS G., Bodemkaart van België: kaarthlad Luhbeek 90W, 1957; met een top van Rupeliaans zand, volgens VAN DEN BROECK E., Carte géologique de la Belgique, feuille N0 90 Lubbeek-Glabbeek-Suerbempde, 1905. (2) Kadastrale opmetingsschets Lovenjoel 1914, nr. 3. (3) Kadastrale opmetingsschets Lovenjoel 1919, nr. 1. (4) opgemeten op 19 juni 1998.
M&L
Roger Deneef
& Jo
Wijnant
BIERBEEK (OPVELP): KASTEEL VAN OPVELP VERBRANDEN TOREN
1,3360
OPVELP
(PRIVÉ-BEZIT, NIET TOEGANKELIJK VOOR
HET PUBLIEK)
De restanten van het kasteel van Opvelp op de Primitieve kadasterkaart, 1820-1830 (archief Kadaster Brabant. Brussel)
•HB
Sporen van een kleine geometrische eilandtuin met brede grachten en 'sterrenbos', typisch voorbeeld van ISde-eeuwse aanleg rond een oude kasteelmotte in een dalbodemsite, circa 3 hectare; verwoest tijdens de 'Brabantse revolutie' in 1789 en afgebroken begin 19de eeuw.
In 1828 kocht Philippe-Antoine-Joseph Wouters de Bouchout, kasteelheer van Kwabeek* in het nabijgelegen Vertrijk en senator, 90 hectare aan in de gemeente Opvelp (1), ongeveer één zevende van de totale gemeentelijke oppervlakte. In deze aankoop was ook het kasteeigoed van de voormalige
heerlijkheid Opvelp begrepen (2). Het omvatte enkele niet nader gedefinieerde huizen, een toegangsdreef, een grote hoeve, een vijver van 21 are, een groot perceel (sectie A nr. 305; 1 hectare 8 are 20 centiare) dat in de Primitieve kadastrale legger als weide wordt aangeduid maar op de Primitieve kadasterkaart als water, een tuinperceel (nr. 290) en een ongeveer even groot perceel akkerland. Het grafische beeld op de kadasterkaart iaat geen twijfel bestaan over de aard van deze weinigzeggende opsomming: een vrij gesofisticeerde, langgerekte, strak geometrische, classicistische tuin (70 m breed en circa 500 m lang, de dreef inbegrepen), waarin water een belangrijke rol speelt. De zogenaamde vijvers zijn de ringgrachten die twee rechthoekige
)
l
!
' ( V A / l / l ///.///
il
1
V/
r • Het kasteel van
De restanten van
Opvelp met lang
het kasteel van
voor de verwoes-
Opvelp met het
(archief Kadaster
ting, op de
sterrenbos op tiet
Brabant, Brussel)
Ferrariskaart
'plan géométnque'
van Opvelp uit 1807
(1771-1775)
landmassa's omgeven. Het afgeronde westelijke, naar de toegangsdreef toegekeerde uiteinde - nog steeds zichtbaar op het terrein — is mogelijk een relict van een oude donjonmotte. De lengteas van de aanleg vormt een stompe hoek met de Velpe stroomopwaarts, die op deze plaats, waar het dal van de Vloedgracht aansluit bij dat van de Velpe, naar het noorden afbuigt. Deze kromming in de vallei wordt overbrugd door een tweede element van aanleg: een perceel van 2 hectare, waarvan het gebruik in de Primitieve kadastrale legger wordt omschreven als "pre' en "oseraie" en dat lokaal nog altijd als de "wissevijver" wordt aangeduid. Toen rond 1820 de eerste kadasterkaart werd opgemaakt, verkeerde het voormalige kasteelgoed in een terminale staat van verval. Van het kasteel, dat in 1790 elf kamers, een zaal en een kapel omvatte (3), en dat vermoedelijk het grootste gedeelte van perceel 290 besloeg, bleven nog slechts twee kleine gebouwen aan weerszijden van de toegang over. Het verval wordt wellicht benadrukt door het feit dat de precieze aard van de oude toegangsdreef in de kadastrale legger voorzichtig in het midden wordt gelaten: "avenue ou paturage". De Ferrariskaart (1771-1775) geeft een idee van de toestand van het goed aan het einde van het Ancien Régime, toen het bewoond werd door de familie Crabeels, de laatste feodale heren. Het aanlegpatroon dat nog doorschemert op de Primitieve kadasterkaart wordt op de Ferrariskaart gepreciseerd: de toegangsdreef, de twee 'eilandjes', de
M&L
hoeve en de 'Wissevijver', toen nog een echte vijver. De kasteelgebouwen beslaan ongeveer de helft van het eerste eilandje (de latere percelen 290 en 291) en bestaan uit twee gebouwtjes, symmetrisch opgestelde ten opzichte van de ingang en vermoedelijk dienstgebouwen, en een tweede, groter, Lvormig gebouw tegen de noordelijke ringgracht aan, waarschijnlijk het hoofdgebouw. O p de oostelijke helft van dit eilandje (perceel 289) en op het tweede eilandje is een formele tuin met padenkruis zichtbaar. Het uitzicht van het oostelijke eilandje vertoont enig verschil met de Primitieve kadasterkaart, die een echte vijver afbeeldt met een rechthoekig eilandje dat aan beide uiteinden via brugjes of dammen met het 'vasteland' verbonden is. De ruimte tussen de hoeve en het kasteel wordt ingenomen door een boomgaard. Een markant element vormt het 'sterrenbos', ongeveer 1,2 hectare groot, op de helling ten zuiden van het tweede eilandje. Dit element - soms is de ster gehalveerd tot een 'patte-d'-oie'- vinden we terug bij andere klassieke tuinen in valleibodemsites, bijvoorbeeld het domein van Kwabeek* te Boutersem (Vertrijk) en het domein d'Overschie te Huldenberg (Neerijse).
Tijdens de 'Brabantse omwenteling' van 1789 werd het kasteel geplunderd en verwoest. Crabeels was een belangrijk functionaris in de Oostenrijkse administratie en de volkswoede was gericht tegen al wat Oostenrijks was. Ook de boomgaard en het sluiswerk werden vernietigd (4). Mogelijk verwijst de naam van de wijk, 'Verbranden Toren', naar deze incidenten. Kort daarop werd het kasteel afge-
In 1892 verdwenen de rmggrachten uit het kadastrale beeld maar in het relief zijn ze nog duidelijk herkenbaar, zoals deze zuidelijk grachtarm (foto 0. Pauwels, 2003)
broken en ontstond de toestand die op een kadastraal 'plan géométrique' uit de Franse periode wordt weergegeven. O p deze min of meer figuratieve kaart, het oudste kadastrale kaartdocument (datum onleesbaar maar vermoedelijk 1807-1810), zien we ook nog het sterrenbos en, onder het nummer 76, de Wissevijver. Na de verkoop van de kasteelsite aan de Opvelpse landbouwersfamilie Decoster in 1852 worden de overblijfselen van het kasteel tot boerderij gerecycleerd (5). In 1892 verdwijnen de ringgrachten uit het kadastrale beeld (6), maar in het huidige reliëf is het patroon dat wordt afgebeeld op de Primitieve kadasterkaart, inclusief de grachten en zelfs de twee dienstgebouwtjes aan de ingang van het kasteeleilandje, nog duidelijk herkenbaar. Bij een recente poging om in de ringgracht van het oostelijke eilandje een vijver uit te graven, werd metselwerk blootgelegd dat vermoedelijk tot de oorspronkelijke kaaimuren van de eilandtuin behoorde.
NOTEN (1) Primitieve kadastrale legger Opvelp, art. 230. (2) VANHOVE L., Opvelp. De agrarische struktuur van een dorp en heerlijkheid aan de hand van een pachtkontrakt uit 14%. Leuven, Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis, publicatienr. 77, 1983, p.107-109. (3) WAUTERS A. (1876) Géographie et histoire des communes heiges. Bruxelles, Culture et Civilisation, facsimileheruitgave 1963, p. 96. (4) WAUTERS, op. at., p. 93. (5) Primitieve kadastrale legger Opvelp, art. 401. (6) Kadastrale opmetingsschets Opvelp 1892, nr. 2.
Roger Deneef
& Greta
Paesmans
BIERBEEK (OPVELP): PASTORIE VAM DE SIMT-ANTONIUS-ABTKERK HOECAARDSESTEENWEC 10, 3360 OPVELP
Pastoriegoed, met tot voor kort een kleine ommuurde tuin tegen het pastoriegebouw aan; grotendeels verstoord door recente aanleg; van de buitenaanleg rest nog slechts een klein rond lindenprieel. Een ijzeren poortje tussen kalkstenen pilasters verbindt het kerkhof rond de Sint-Antonius-abtkerk (voorheen Sint-Lambertus) van Opvelp met de pastorie. De vermoedelijk rond 1780 opgetrokken, bak- en kalkstenen pastorie is een dubbelhuis met twee bouwlagen onder een zadeldak met, centraal, een dakkapel. De voor- (naar de kerk gekeerde) en achtergevels zijn identiek en zoals gebruikelijk zijn de zijgevels, op twee kleine zoldervensters na, blind en afgewerkt met aandaken (1). Tegen de achtergevel aan bevindt zich een eenlaags bijgebouw onder De achtenljde van de pastorie van Opvelp in 1999 en 2003 (foto R. Deneef, 1999)
een zadeldak, dat onder meer dienst deed als keuken, maar dat — voortgaande op de aanwezigheid van brede, momenteel dichtgemetselde korfbogen — oorspronkelijk bedoeld was als remise. Deze zijvleugel sloot tot voor kort aan de straatzijde een kleine ommuurde binnentuin af, waarin zich een sterk verkleinde versie van de Lourdesgrot bevindt. De toestand in 1820-1830 wordt afgebeeld op de Primitieve kadasterkaart [ziepag. 89]. De rest van het pastoriegoed werd in het begin van de jaren 1990 grondig verstoord door de bouw van een parochiezaaltje en de aanleg van een parkeerterrein, gekasseid en omgeven met haagjes (Fagus, Berberis, Stephanandra). Van een min of meer typische pastorietuinbeplanting is slechts een cirkelvormig lindenprieeltje overgebleven, dat zich vlak naast het parkeerterrein bevindt en bestaat uit acht zomerlinden (Tilia platyphyllos), met stamomtrekken tot 113 cm en op ongeveer 3 m hoogte geknot. Dit prieel bevindt zich op de hoek van een perceel, waarop nog enkele oude fruitbomen voorkomen. Aan de rand van dit perceel staan enkele grillige, oude haagbeuken (Carpinus betulus), mogelijk relicten van een oude haag. Rond de parochiezaal bevinden zich enkele oude essen (Fraxinus excelsior) met stamomtrekken tot 264 cm.
NOTEN (1) Bouwen door de Eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen - arrondissement Leuven, Brussel, Ministerie van Nederlandse Cultuur, 1971, p. 178.
Roger
Deneef
BOUTERSEM (BOUTERSEM): OUD KASTEEL VAN BOUTERSEM DROGE
VIJVERS, 3 3 7 0
BOUTERSEM
• Het kasteel van Boutersem op de Ferranskaart (1771I77S), niet lang voor de totale afbraak; ten zuiden van de steenweg Leuven-Tienen, SOO m stroomopwaarts langs de Velpe, ligt een watermolen met molenvijver en 'lusttuin', waarnaast in 1890 het nieuwe, eclectische kasteel zal worden gebouwd
Rond 1650 heraangelegd landgoed, circa 2,5 hectare, met omwalde
hooghof-neerhof-
structuur, boomgaarden en een besloten tuin met barokke broderieparterres en latwerk architectuur; verdwenen rond 1800 maar duidelijke sporen In het reliëf (motte) en de perceelsstructuur.
Het feodale kasteel van Boutersem, het " Caste Hum Bautersem" dat wordt afgebeeld op een gravure van Harrewijn uit 1694 (1), heeft - behalve dat ze tot dezelfde heerlijkheid behoorden, het ene als kasteel, het andere als watermolen - niets te maken met het nieuwe kasteel dat aan het einde van de 19de eeuw een halve kilometer stroomopwaarts
langs de Velpe en aan de steenweg Leuven-Tienen werd opgetrokken (2). Het oude kasteel werd omstreeks 1800 tot op de grond afgebroken, maar verdient een bespreking omdat er in het reliëf nog duidelijke sporen zichtbaar zij. Bovendien is er een afbeelding voorhanden die een min of meer getrouw beeld geeft van de toestand aan het einde van de 17de eeuw, met een bescheiden maar onmiskenbare baroktuin. D e kasteelgebouwen komen nog voor op de Ferrariskaart (1771-1775), maar op de Primitieve kadasterkaart (rond 1820) wordt nog slechts een leeg, driehoekig perceel (sectie B nr. 172) weergegeven. De weg tussen het gehucht Hoogbutsel en het kasteel, die op de oude kadastrale kaarten nog "kasteel wegel' wordt genoemd, loopt parallel met de straat die momenteel "Droge Vijvers" heet, wat ongetwijfeld verwijst naar de gedempte of verlande kasteelgrachten.
TTZÏÏ, • Het kasteel van
besloten baroktum,
Boutersem, heropge-
op een gravure
bouwd in 1650.
van Harrewijn
met donjon en
uit 1694
De oudste afbeelding van het kasteel dateert uit het midden van de 17de eeuw (3). Jean-Jacques de Caestre had de baronie van Boutersem in 1647 aangekocht en vervolgens, ter plekke van het oude neerhof naast de kasteelmotte, een nieuw kasteel gebouwd (4). De gravure van Harrewijn toont een ongewoon scherp beeld van een landelijke kasteeltuin in de 17de eeuw, waarbij de siertuin een op zichzelf staande, besloten entiteit vormt, los van de woning. O p een cirkelvormig eilandje, de middeleeuwse kasteelmotte, bevindt zich een vierkante donjon met spietorentjes, rondboog- en rechthoekige vensters en een zonnewijzer op de naar het kasteel toegekeerde gevel. Het nieuwe kasteel heeft een vierkant grondplan en omsluit een binnenplaats; vermoedelijk werden de funderingen van het feodale neerhof hergebruikt. De detaillering van de gevels door Harrewijn suggereert baksteen en witte zandsteen. Wauters (5) spreekt van een renaissancekasteel, maar de twee in- en uitgezwenkte topgeveltjes met voluten en een driehoekige frontbekroning geven het een uitgesproken barok karakter. De toegangspoort tot het kasteel en de ophaalbrug liggen op één lijn met een van de assen van de besloten baroktuin, aan de overzijde van het neerhof. De hoofduitgang van het complex bevindt zich vermoedelijk in de noordwestvleugel van het neerhof. De besloten siertuin bestaat uit vier, met lage haagjes afgezoomde 'parterres de broderie'; in het
midden van elke parterre prijkt een kleine bolvormige boom, de hoeken van de parterres worden aangegeven door in kegel gesnoeide buxussen of taxussen, behalve de hoeken aan het kruispunt van de assen. Daar staan (iets wat doet denken aan) jonge naaldbomen, mogelijk libanonceders (Cedrus libani), die toen in noordwestelijk Europa nog recente verschijningen waren (6). Op dergelijke manier afgebeelde bomen vormen ook de oeverbeplanting van de donjonmotte. Zowel de motte als de siertuin zijn omgeven door een manshoge afsluiting in latwerk met enkele rondbogige toegangen en kleine ronde openingen op regelmatige afstanden en op ooghoogte. In twee van de hoeken langs de tuinzijde aan de Velpe vormt het latwerk drie 'kabinetten'. De dreef, die ongetwijfeld de hoofdtoegang vormde, loopt door een groot boomgaardperceel, dat naar het noordwesten taps toeloopt. Het geheel - een halve lancetvorm die samenvalt met het latere. Primitieve perceel 172 — wordt omwaterd door de Velpe langs de rechte zijde, en door de Eikenveldbeek langs de gebogen zijden, in beide gevallen met een dubbele lijnvormige oever- of dijkbeplanting.
Wauters (7) schrijft in 1876 dat men tot "enkele jaren geleden' nog een heuveltje van 3 tot 4 m hoog kon waarnemen, bestaande uit fragmenten witte zandsteen en ander puin, maar in 1869 was dat al opgeruimd en was het terrein in cultuur gebracht.
Alle rijbeplantingen waren gerooid en de vijvers en grachten gedempt. Zowel op de luchtfoto's als op het terrein is de donjonmotte, vlak en momenteel begroeid met doorgeschoten hakhout van es en zwarte els, nog herkenbaar. De omgrachting van de motte wordt aangegeven door rietbegroeiing. Eigenaardig is dat op de plaats waar zich de siertuin en de neerhofkoer bevonden - toch bij uitstek vlakke gedeelten — een brede, circa 3 m hoge heuvel ligt, mogelijk de puinheuvel die Wauters in 1876 signaleerde, maar die nu volledig met aarde bedekt is. Waarom het kasteel van Boutersem werd afgebroken is niet bekend. Wauters had horen zeggen dat de toren geslecht werd op last van Vander Meere, de laatste heer en eigenaar. Het is overigens niet het enige heerlijk kasteel uit de omgeving dat de revolutiejaren - zowel de 'Brabantse' als de 'Franse' - niet heeft overleefd (8).
NOTEN (1) Hernomen in; DE CANTILLON, Vermakelykheden van Brabant en deszelfs onderhoorige landen, (Amsterdam, David Weege, 1770) Anastatische herdruk, Amsterdam/Antwerpen, 1981, A. N 0 5 (naast p. 34). (2) Zoals vaag gesuggereerd wordt door ARREN P., Van kasteel naar kasteel, deel 7, Kapellen-Hoogboom, Hobonia, 1997, p. 30-35. (3) Weergegeven in: VERBOUWE A., Iconografie van VlaamschBrabant, V. Kanton Tienen, A. Hessens, afb. 10, tekst p. 27. (4) In: Bouwen door de Eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen - arrondissement Leuven, Brussel, Ministerie van Nederlandse Cultuur, 1971, p. 51 - wordt het kasteel van Boutersem verward met dat van Kwabeek te Boutersem-Vertrijk*, dat 3 km stroomopwaarts ligt. (5) WAUTERS A., Geographic et histoire des communes belges. Arrondissement de Louvain - canton de Tirlemont (II), Bruxelles, Culture et Civilisation (facsimile van editie 1876), 1963, p. 128134. (6) KRÜSSMANN C , Handbuch der Nadelgehölze. Berlin/Hamburg, PaulParey, 1972, p. 72. (7) WAUTERS, op. cit., p. 134. (8) Zie kasteel van Opvelp' te Bierbeek (Opvelp).
Roger Deneef,
Herlinde
Chris De Maegd
& Jo
De Jaeck, Wijnant
BOUTERSEM (BOUTERSEM) NIEUW KASTEEL VAN BOUTERSEM STATIONSSTRAAT 8 2 , 3 3 7 0
BOUTERSEM
( P R I V É - B E Z I T , N I E T T O E G A N K E L I J K V O O R HET PUBLIEK)
De watermolen »an Boutcrsem (foto 0. Pauwels. 1999)
Park in landschappelijke stijl, aangelegd vanaf begin 19de eeuw rond een watermolen en een molenvijver; aanzienlijk
uitge-
breid (tot 13 hectare) en herwerkt in laatlandschappelijke stijl na de bouw van een mooi eclectisch kasteel in 1890; diverse oude en zeldzame bomen.
Van molen tot kasteel Dit kasteel heeft geen uitstaans met het oude feodale kasteel van Boutersem*, het "Castellum Bautersem' dat wordt afgebeeld op een gravure van Harrewijn uit 1694 (1), behalve dat ze tot dezelfde
heerlijkheid behoorden, het ene als watermolen, het andere als kasteel. De sites liggen ongeveer een halve kilometer van elkaar verwijderd (2). Het nieuwe kasteel van Boutersem is genetisch te typeren als een molenvijvergoed. Het basisgegeven van de aanleg wordt gevormd door een molenvijver, zoals het Groot Park* te Bierbeek (Lovenjoel), het VijverhoP te Bierbeek (Korbeek-Lo) of, wat bescheidener en heel wat later, het Papiermoleken* te Bierbeek (Korbeek-Lo) en het BerkenhoP te Bierbeek (Bierbeek). Het watermolencomplex van Boutersem ligt aan de steenweg Leuven-Tienen, bij de samenvloeiing van de Kleine Vondelbeek en de Velpe. Het molen-
goed strekte zich bij het begin van de 19de eeuw stroomopwaarts langs de Velpe uit als een smalle (maximaal 50 m breed), langgerekte enclave van Boutersem in het grondgebied van Vertrijk. De eigenaar rond 1830 was de rentenier Jan-Baptist Janssens. Het goed omvatte een graanmolen, een brouwerij, een woonhuis, een boerderij met binnenplaats en een substantiële "jardin d'agrémenf (Primitief perceel sectie B nr. 196, 23 are 80 centiare) (3). Ten zuiden hiervan bevonden zich de twee vijvers (nrs. 194 en 195), die op de Ferrariskaart [ziepag. 93] tn ook bij het uittekenen van de Primitieve kadasterkaart in 1815 (4) nog één grote waterpartij van circa 1,2 hectare vormden. Helemaal in de zuidpunt van het eigendom, op ongeveer een halve kilometer van de molen, bevond zich daarenboven een "terrain d'agrémenf (5). Bij de aanleg van de spoorlijn Brussel-Luik in 1838 werd deze 'lustgrond' van de rest van het molengoed afgesneden, maar op kadastrale mutatietekeningen uit 1899 en 1900 wordt een verbinding onder de spoorweg aangegeven (6), waarvan het metselwerk nog zichtbaar is. Dit blok ten zuiden van de spoorweg werd nog tot ver in de 20ste eeuw als lustgrond omschreven en tussen het hakhout (vooral gewone esdoorn) komen nog enkele oude stronken of opslag van sierbeplanting voor, onder meer paardekastanje en linde. Het watermolencomplex was dus al minstens vanaf het begin van de 19de eeuw niet uitsluitend functioneel-productief ingericht, maar werd ook als huis van plaisantie of buitengoed gebruikt. In 1854 onderging het watermolencomplex enkele belangrijke verbouwingen (7). De aan de molen vastgebouwde brouwerij werd helemaal afgebroken; daardoor verdween het binnenkoeraspect en werd het erf naar de 'lusthof' toe opengelegd. Bovendien verscheen er een achthoekig gebouwtje, dat niet afzonderlijk werd gekadastreerd maar zonder twijfel een tuinpaviljoen was. Uit een expertise van 1867 (8) weten we dat het landhuis, de remise en het paviljoen {"joli pavilion construit en briques, couvert de tuiles, ayant quinze fenêtres") op één lijn langs één zijde van de binnenplaats lagen, de bedrijfsgebouwen (molen, molenaarswoning en brouwerij) langs de andere zijde, tegen de Velpe aan. Het landhuis werd ook niet permanent, maar slechts "tot november"bewoond.
Bolletjeslijn = grens tussen de voormalige gemeenten Boutersem (noord) en Vertrijk (zuidl
r^ De watermolen van
(fragmenten uit de
en wordt gevormd
zal worden
Boutersem en aan-
'Atlas cadastral de
door de percelen
gebouwd), en het
horigheden na de
Belgique'door P.C.
193b (ten zuiden
molencomplex met
aanleg van de
Popp. I860).
van de spoorweg),
de molenaarswoning
spoorweg (1838) en Het oorspronkelijke
195b (vijver), 196a
(diverse percelen
de verbouwingen
molengoed ligt vol-
(waarop in 1890
197 en 199)
van 1854
ledig in Boutersem
het nieuwe kasteel
Het domein van
op de militaire
van het Oud
Joseph Bertrand bij
topografische kaart
Kasteel van
de watermolen van
van 1893; in de
Boutersem af;
Boutersem tussen
rechter bovenhoek.
links onderaan.
de Leuvense-
langs de recht-
het kasteeldomein
steenweg en de
getrokken Velpe,
van Kwabeek
spoorweg.
tekent zich de site
(ICM, 1896)
Joseph Bertrand en het nieuwe kasteel In 1890 kwam het goed in handen van Joseph Bertrand, die langs moederszijde familiebanden had met Joseph Janssens, "fabricant van suyker te
1VI&L
• Het Nieuw Kasteel bij de watermolen van Boutersem in 1908 (ICH, 1923)
randplantsoen langs de Stationsstraat en in de hoek van deze straat met de spoorweg - duidelijk geïndividualiseerd op eerstgenoemde kaart en nog zichtbaar in situ — een beplantingsheuveltje, waarvan de oorspronkelijke beplanting nog aanwezig is in de vorm van drie witte paardekastanjes (Aesculus hippocastanum). Vanuit het nieuwe kasteel gezien vormde deze bomengroep het eindpunt van de belangrijkste vista; door nieuwe aanplantingen en allerlei opslag is dat nu niet meer het geval.
Het in 1890 door Bertraiul gebouwd kasteel vanuit het zuiden, met enkele van de oudste bruine beuken op de voorgrond (foto 0. Pauwels, 1999)
M&L
Thienen en nazaat van de Primitieve eigenaar. Bertrand was mede-eigenaar van de Tiense suikerfabriek 'P.P. Van den Bossche frères et Janssens' (9). In dit zelfde milieu verkeerde ook ex-diplomaat Léon Van den Bossche, die rond de eeuwwisseling de 'Hortus Thenensis' uitbouwde, waarvan het huidige stadspark van Tienen een relict is (10). Deze connectie verklaart misschien de aanwezigheid van enkele dendrologische rariteiten. In het goed was ondertussen ook de hoek tussen de Vondelbeek, de steenweg Leuven-Tienen en de Stationsstraat opgenomen. Het huis dat daar stond was al in 1877 afgebroken; het geheel werd in 1890 ommuurd en als moestuin ingericht (11). In datzelfde jaar werd ook het hele blok tussen de Stationsstraat en de molenvijvers op het grondgebied Vertrijk - voorheen hoofdzakelijk akkerland als "lusthof bij het domein ingelijfd. O p de stafkaarten van 1894 en 1908 is deze transformatie duidelijk zichtbaar in de vorm van een golvend
Het huidige kasteel, dat Bertrand in 1890 liet optrekken 30 tot 40 m ten zuiden van de molen, is een bakstenen eclectisch gebouw op een vierkante plattegrond met erkers en terrassen en een naar het park (zuidwesten) gekeerd portiek. Het telt twee verdiepingen op een hoog souterrain en heeft een substantiële zolderverdieping, met zandstenen speklagen, hoek- en sierlijsten, van neo-Vlaamserenaissance-inspiratie. Het gaat om een tijke, verzorgde architectuur, met een gevarieerd volumespel. Centraal in de erker boven het portiek bevindt zich een hoogveld met in half-reliëf het bouwjaar 1890 en het familiewapen. Een gedeelte van het oude molen-brouwerijcomplex aan de steenweg Leuven-Tienen werd herbouwd in een vereenvoudigde, sobere versie van het kasteel. Vlakbij het molengebouw, onder oude platanen, bevindt zich een 'speelhuisje' uit 1910 in baksteenbouw, typisch wegens het picturaal gebruik van rode en gesinterde baksteen voor de omlijsting van vensters, deuren en 'schiet- of asemgaten'. De hoofdtoegang van het domein was, aansluitend op de oriëntatie van het nieuwe kasteel, gesitueerd in het zuidwesten, aan de Stationsstraat. De topografische kaart van 1893 suggereert - maar niet
helemaal duidelijk - het volgende: de toegang bevond zich aan de overzijde van de spoorweg, tegenover het station van Vertrijk, op het lustgrondperceel dat in 1838 door de aanleg van de spoorweg van de rest van het domein was afgesneden. De bezoeker kwam via het reeds vermelde - op mutatietekeningen van 1899 en 1900 aangeduide - tunneltje onder de spoorwegbedding in het eigenlijke park en bereikte het kasteel langs een kronkelende toegangsweg tussen Velpe en de vijvers. De kaart van 1908 suggereert vervolgens dat er ten noorden van de spoorweg vanuit de Stationsstraat, op circa 300 m van het kasteel ongeveer ter hoogte van de in 1965 gebouwde villa (cfr. infra) - een nieuwe toegang werd gemaakt. De oprijlaan bewoog zich met een weidse slingerbeweging in de richting van het kasteel. Langs dit tracé, ongeveer zoals het wordt voorgesteld op de topografische kaart van 1908, staan momenteel nog enkele zware bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV met stamomtrekken tussen 350 cm en 483 cm. Sommige van deze bomen stammen vermoedelijk nog uit de Janssens-periode, begin 19de eeuw.
Aanleg van het oostelijke parkgedeelte Een tweede, belangrijke zichtas in zuidoostelijke richting, op het grondgebied Vertrijk, die in het huidige park nog herkenbaar is, kon niet in 1890 worden gerealiseerd, zelfs al waren de meeste van deze percelen eigendom van Bertrand. De storende factor was het brouwerij-herbergcomplex dat toe-
Het Nieuw Kasteel
1919 bij het kas-
bij de watermolen
teel gevoegd en als links onderaan: het
van Boutersem;
van Boutersem in
park aangelegd; in
1930; de weilanden
de rechter boven-
kastecldomein van Kwabeek
ten oosten van de
hoek, de site van
(ICM, 1937)
Velpe werden in
het Oud Kasteel
behoorde aan de nazaten van de brouwer-burgemeester Guillaume Vanderwaeren, de Primitieve eigenaar (de percelen 189, 190, 191 en 192). Deze percelen konden pas in 1919 bij het kasteelgoed worden gevoegd. O p dat moment was een andere Tiense coryfee, Eugène Beauduin, eigenaar van het kasteel (12), maar pas onder zijn opvolger, Georges de Kerchove d'Exaerde, verkreeg het herberg-brouwerijcomplex, nadat twee van de drie vleugels gesloopt waren, zijn huidige uitzicht en werd het park naar het oosten toe uitgebreid, waarbij het meer dan verdubbelde in oppervlakte, tot bijna 13 hectare (13). Het paviljoen in de verste zuidoostelijke hoek vertoont hetzelfde type van baksteen en metselverband als het kasteel, maar of dit paviljoen gelijktijdig met het kasteel werd gebouwd is niet zeker. Het heeft, in tegenstelling tot het kasteel, een duidelijk classicistisch karakter, door de achthoekige plattegrond, de rondboogvorm van de vensters en deuren en het zwak hellende schilddak. Het enige ornament is de licht uitspringende gootlijst van baksteen met een uitspringende sierlijst van kopse bakstenen die een soort van hoekige guirlande vormt. Men zou hier kunnen spreken van een 'mzebo', want het paviljoen bevindt zich
1VI&L
• Zicht vanuit het zuidoosten op het kasteel, het voormalige brouwerij-herbergcomplex en de parkuitbreiding van 1919 (foto 0. Pauwels, 1999)
op een iets hoger gelegen, strategische plaats, met uitzicht op het kasteel en een groot gedeelte van het park. Dit uitzicht wordt momenteel door allerlei opslag belemmerd. De vroegere weilandpercelen tussen de Velpe en dit paviljoen werden door de Kerchove d'Exaerde gestoffeerd met een drietal bomengroepen en een golvende randbeplanting. De structuur van deze nieuwe beplanting is duidelijk afleesbaar van de Het tuinpaviljoen in stafkaart van 1930. De grootste van deze bomende verste zuidooste- groepen bevindt zich tegen de Velpe aan en bestaat hjke hoek van het m o m e n t e e l vooral uit doorgeschoten hakhout van domein (foto 0. Pauwels, 1999)
A/I&L
gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) en gewone es (Fraxinus excelsior), maar ook uit enkele grote exemplaren van beide soorten (stamomtrekken van 262 en 272 cm). Tot diezelfde groep maar mogelijk tot een oudere generatie behoren ook enkele gewone platanen (Platanus x hispanica) met stamomtrekken tussen 251 en 371 cm. Waarschijnlijk gaat het om overblijfselen van een oudere oeverbeplanting langs de Velpe. Een tweede bomengroepje, meer naar het zuidoosten, bestaat uit moerascipressen (Taxodium distichum), waarvan één de cultivar 'Pendens'. Een derde bomengroep bevindt zich aan de zuidoostelijk rand, niet ver van het tuinpaviljoen, in een typische opstelling die door eigenaars vaak "de Twaalf Apostelen wordt genoemd: een ovaal heuveltje met (meestal) twaalf bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV, hier met stamomtrekken rond 250 cm. Vergelijkbare opstellingen vinden we terug bij, onder meer, het kasteel van Rivieren te Aarschot (Gelrode), het kasteel van Kersbeek te Kortenaken (Kersbeek-Miskom) en, tweemaal zelfs, in het kasteeldomein van Meldert te Hoegaarden (Meldert). Het paviljoen wordt omgeven door rode bastaardpaardekastanjes (Aesculus x carnea). Te oordelen naar de afmetingen dateren alle bomen in het parkgedeelte ten oosten van de Velpe, behalve de platanen langs de oever van de Velpe, uit het interbellum.
Vermoedelijk ook door de Kerchove d'Exaerde aangeplant is de groep eenbladige essen (Fraxinus excelsior 'DiversifoliaV in het zuidwestelijke gedeelte met stamomtrekken tussen 135 en 237 cm, waarvan sommige tot de selectie 'Hessei' gerekend kunnen worden. De drie zeldzaamste bomen van het domein bevinden zich aan de oevers van de grote vijver: een cultivar van gewone es met onregelmatige blaadjes (Fraxinus excelsior 'ElegantissimaV, die een eigenaardig gedrongen vorm heeft en waarvan de leeftijd moeilijk is in te schatten, en twee linden met een stamomtrek van 267 en 244 cm die vermoedelijk een kruising zijn tussen hangende zilverlinde en Krimlinde, door Krüssmann (14) Tilia*. orbicularis genoemd. De versnippering De dood van Georges de Kerchove d'Exaerde in 1937 betekende vermoedelijk het einde van het actieve beheer van het domein als geheel. In 1965 werd in de zuidwestelijke hoek van het domein, tegen de Stationsstraat aan, een villa gebouwd. Ongeveer één vierde van het kasteelgoed met de rond 1900 aangelegde oprijlaan werd aldus van de rest afgescheiden, ook visueel, door de aanplanting van een boomgaardje. Daardoor ging de zuidwestelijke vista teloor. De familie de Kerchove d'Exaerde bewoonde het kasteel tot het einde van de jaren 1980. Rond die tijd werden ook de beschikkingen van het gewestplan Tienen-Landen uitgevoerd, die de percelen op de hoek Stationsstraat-Leuvensesteenweg, de vroegere moestuin dus, in de 'woonzone' had opgenomen; om de ontsluiting van de twee bouwpercelen mogelijk te maken werd de in 1890 gebouwde tuinmuur afgebroken. Sinds de verkoop van het kasteel in 1993 ligt het door Bertrand aangelegde kasteelgoed verspreid over zes eigendommen: de al vermelde nieuwbouwpercelen, de voormalige brouwerij ('Kasteelhoeve'), de voormalige watermolen die in een vergevorderde staat van verval verkeert, de in 1965 gebouwde villa, het vroegere brouwerij-herbergcomplex (voormalige eigendom Vanderwaeren) en het kasteel zelf. Deze versnippering is uiteraard niet bevorderlijk voor het beheer, noch voor het behoud of herstel van de oorspronkelijke parkarchitectuur. Het oudste bomenbestand heeft in de voorbije jaren ook geleden onder verschillende activiteiten, onder meer de ruimingswerken aan de Velpe, waardoor schade werd berokkend aan een van de twee Tilia x orbicularis. Bij de aanleg van een nieuwe toegangsweg naar het kasteel werden
Het Nieuw Kasteel van Boutersem (foto 0. Pauwels,
grondwerken uitgevoerd in de wortelzones van de groep oude bruine beuken bij het kasteel, met enigszins voorspelbare gevolgen.
1999)
MERKWAARDIfiF BOMEN (opname 6 augustus en 16 september 1998) 12. eenbladige es (Fraxinus «crf/wor'DiversifoliaV 152 13. eenbladige es (Fraxinus «cre/wor'DiversifoliaV 135 15. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 343 16. eenbladige es (Fraxinus «ar/,Kor'DiversifoliaV 237 17. eenbladige es (Fraxinus excelsior 'Diversifolia'j 182 18. eenbladige es (Fraxinus excelsior'Yi'weKvïoXvèi) 221 26. tamme kastanje (Castanea sativa) 329 28. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropuniceaj 483 36. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 494 37. bastaard van krimlinde & hangende zilverlinde (Tilia x orbicularis)^) 2 6 7 38. gewone es (Fraxinus excelsior) 330 39. Tilia x orbicularis (?) 244 40. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j 334 43. hemelboom (Ailanthus altissima) 238 44. gewone es, cultivar met onregelmatige blaadjes (Fraxinus «cr(?/.Hor'ElegantissimaV 176 (100)
M&L
Het Nieuw Kasteel van Boutersem: situering van gebouwen, aanlegelementen en merkwaardige bomen (tekening R, De Meerleer)
deel van het park afgesneden in 1S18, nu verwilderd
48. oosterse plataan (Platanus orientalis) 4 8 8 49. eenbladige es (Fraxinus ^xw/swr'DiversifoliaV
92. (4) De ontdubbeling van de vijver is op de Primitieve kadasterkaart
210 54. oosterse plataan (Platanus orientalis) 4 8 6 55. gewone plataan (Platanus'm hispanica) 3 6 7 57. gewone plataan (Platanus x hispanica) 394 6 1 . gewone plataan (Platanus •*. hispanica) 374 67. gewone es, met eigenaardige consoleachtige uitstulpingen (Fraxinus excelsior) 2 7 2 68. gewone moerascipres, cultivar met hangende twijgen (Taxodium distichum 'Pendens'^ 244 7 1 . gele bindwilg (Salix x rubens) 3 0 5 87. witte paardekastanje (Aesculus
(3) Primitieve kadastrale legger Boutersem, art. 103 en Vertrijk art.
hippocastanum)
391
(1815) duidelijk een latere toevoeging. (5) Sectie A nr. 193 en, aangrenzend op Vertrijk, een deel van sectie A nr. 255. (6) Kadastrale opmetingsschetsen Boutersem 1838, nr. 7 en 1900, nr. 6; Vertrijk 1899, nr. 4. (7) Kadastrale opmetingsschets Boutersem 1854, nr. 1. (8) Feuille des observations auxquelles ont donné lieu les expertises cadastrales faites en 1867 dans la commune de Bautersem (archief Kadaster Brabant, Brussel). (9) ARREN, op. cit., p. 30, stelt dat Joseph Betrand gehuwd was met Marie-Louise Janssens. Volgens de oudste kadastrale legger (Boutersem, arts. 101 en 665; Vertrijk, arts. 710 en 757) was dit echter zijn moeder, gehuwd met Henri Bertrand.
NOTEN
(10) DENEEF R. & VRANCKEN L, De 'Hortus Thenensis'. Monumemcn & Landschappen 12(6), 1993, p. 25-40.
(1) Cf. DE CANTILLON, Vermakelykheden van Brabant en deszelfs (11) Kadastrale opmetingsschets Boutersem 1877, nr. 3 en 1891, onderhoorige landen, (Amsterdam, David Weege, 1770) Anastatische herdruk, Amsterdam/Antwerpen, 1981, A. N°5. (2) Uit ARREN P., Van kasteel naar kasteel deel 7, KapellenHoogboom, Hobonia, 1997, p. 30-35, zou men kunnen afleiden dat het oude, feodale kasteel zich op de plek bevond waar nu het nieuwe staat.
nr, 4. (12) Kadastrale legger Bourersem 876 en Vertrijk, art. 896. (13) Kadastrale legger Bourersem 1009 en Vertrijk, art. 1042. (14) KRÜSSMANN C , Handbuch der Laubgehölze (111), 1978, p. 421.
Roger
Deneef
BOUTERSEIVI (BOUTERSEM): KAPEL VAM ONZE-LIEVE-VROUW VAN STERREBORNE STERREBORNESTRAAT,
3370
BOUTERSEM
De kapel van OnzeLieve-Vrouw van Sterreborne (foto 0. Pauwels, 1999)
Plantsoen, circa 30 are, rond een oud bedevaartsoord met een grote barokkapel, heropgebouwd in neogotische stijl in 1893 en omgeving heraangelegd met een ringpad en bloemperken; randbeplanting
(grotendeels
bewaard) met gekandelaarde
zomerlinden.
De Sterreborne, pas voor het eerst vermeld in 1632 (1), is een van de talrijke 'miraculeuze' bronnen die in de zandleem- en (vooral) de leemstreek voorkomen en waarop zich een of andere vorm van heiligenverering heeft geënt, die mogelijk teruggaat op een voorchristelijke bronverering (2). De legende
verhaalt dat, lang geleden, twee dames (3) in de toen nog bosrijke omgeving tussen Lovenjoel en Boutersem verdwaalden. Gekweld door dorst en biddend om soelaas tot de Moeder Gods volgden zij een ster, die bleef stille staan boven een bron, zowat 800 m ten noorden van het gehucht Hoogbutsel. Het voorkomen van een bron op die plaats is niet zo verwonderlijk, want volgens de bodemkaart dagzoomt daar een strook zware Diestiaan klei (UDx, d.i. zwak of matig gleyige zware kleigronden met niet bepaalde profielontwikkeUng){A) die fungeert als watervoerende laag voor het lemig zandmassief van Butselbos. De Sterreborne, zoals de bron nadien toepasselijk werd genoemd, werd het toneel van wonderbaarlijke
NlKJW KAMLLÏCOID TAJT STERJW-BOWIB.
Het kapellegoed van (uit: GOETELEN
kapel Sterreborne
Onze-Lieïe-Vrouw
M.L.C., Stella atque
te Butsel bij
van Sterreborne
hm. Een korte
Sotitersem, 1996)
vóór en na 1893
geschiedenis van de
genezingen. In 1965 werden de therapeutische waarde en de geplogenheden tijdens bedevaarten nog als volgt omschreven: "Het water van de bron wordt aangewend tegen eczema of brand. Op een ijzeren tafel achteraan in de kapel offeren de pelgrims lokken hoofdhaar of hangen ze een rood lintje aan de muur. O.L. Vrouw van Sterreborne wordt ook aangeroepen tegen oog-, zenuw- en maagziekten"^. De huidige kapel, een neogotisch gebouw naar ontwerp van Edward Francken, werd in 18931894 opgetrokken. Het verving een gebouw dat op oude foto's duidelijk herkenbaar is als een typische eenbeukige 'boskapel' ergens uit het midden van de 17de eeuw, zoals we die op diverse andere plekken in Brabant aantreffen (bijvoorbeeld OnzeLieve-Vrouw van Steenbergen aan het Zoet Water te Oud-Heverlee), een rustiek product van de contrareformatie. De voorgevel uit bak- en zandsteen, die grotendeels door een aanbouw aan het zicht werd onttrokken, had een duidelijk barokkarakter, onder meer door de voluten. Uit de kadastrale tekeningen blijkt dat de oude kapel anders georiënteerd was. Ze stond aan de rand van een geometrische tuin met padenkruis, enkele bloemperken en hoofdzakelijk zuilvormige bomen. De boom op het kruispunt was misschien een reuzenlevensboom (Thuja plicata). De tuin werd door een houten traliewerk van de onmiddellijke omgeving rond de bron en de kapel gescheiden (6).
M&L
De nieuwe kapel werd ongeveer midden in het perceel (circa 30 are groot) gebouwd. Er zijn twee toegangswegen en een rondweg. Rechts van de toegangsweg naar het kapelportaal bevindt zich de bron in een afzonderlijk veldkapelachtig gebouwtje. De huidige randbeplanting van het kapellegoed bestaat voor de helft uit gekandelaarde zomerlinden (Tilia platyphyllos), geplant met tussenafstanden van 7 tot 8 m, vertakt op circa 250 cm hoogte en geknot op circa 5 cm hoogte. Gezien de stamomtrekken (tot 250 cm) gaat het ongetwijfeld om de oorspronkelijke, bij de heraanleg van 18931894 horende aanplanting. Deze beplanting is alleen maar langs de zuidwestelijke zijde intact. Aan de andere zijde staat slechts één dergelijke linde, die min of meer overschaduwd wordt door twee grote paardekastanjes (Aesculus hippocastanum). Het heterogene karakter van de beplantingen langs de andere zijden wordt nog versterkt door jonge Californische schijncipres (Chamaecyparis lawsoniana) en Italiaanse populieren (Populus nigra 'Italica'J. Opmerkelijk is het heuveltje achter de kapel, waarop tussen twee meidoorns een kruis staat. Dit heuveltje bestond waarschijnlijk ook al in de oude aanleg (zie de lob in het wegenpatroon links onderaan in de tekening). Naast de toegangsweg achter (ten zuidoosten van) de kapel bevindt zich een kleine poel. De struikbeplanting bestaat vooral uit sneeuwbes (Symphoricarpos albus var. laevigatus), maar ook uit één exemplaar Europese pimpernoot (Staphylea pinnata).
NOTEN (1) Door Augustinus Wichmans, vermeld in: GOETELEN M.L.C., Stella atque fons. Een korte geschiedenis van de kapel Sterreborne te Butsel bij Boutersem, 1996. (2) GOETELEN M.L.C., op. cit. (3) "Grawrafn" volgens WAUTERS A., Geographic et histoire des communes belges. Arrondissement de Louvain, canton de Tirlemont (facsimile uitgave 1875), Bruxeiles, Culture et Civilisation, 1963, p. 136. (4) SCHEYS G., Bodemkaart van België: kaarthlad 90W Lubbeek & Verklarende rekst bij het kaartblad, p. 55-56. (5) KEMPENEERS R. & SCHEYS E, Boutersem-Butsel, in: OostBrabant (!), Het mooie Hageland (2de druk), Heverlee, Renova, 1965, p. 82. (6) Schetsen uit: WILS J., Handboek ten gebruike der godvruchtige bedevaarders tot Onze-Lieve- Vrouw van Sterre-Borne te Butzel (bij Vertryck), Charpentier Leuven, 1908, 90 p.
Roger
Deneef
BOUTERSEM (BOUTERSEM): VOORMALIGE BROUWERIJ POLUS LEUVENSESTEENWEG 240, 3370 BOUTERSEM (PRIVÉ-BEZIT, NIET TOECANKELI|K VOOR HET PUBLIEK)
Typische kleine 'herenboerentuin' (20 are) aangelegd in 1900 bij voormalige brouwerij, met bomen rond grasveldje en ringpad. In 1901 kocht Emiel Polus aan de Leuvensesteenweg een voormalige vierkanthoeve die — althans volgens de kadastrale legger (1) - door de familie Huens sinds 1864 als brouwerij en stokerij werd uitgebaat. Polus breidde het gebouwencomplex uit en moderniseerde het - achter het voormalige hof werd een " stoombrouwerif met een industriële schoorsteen opgetrokken (2) - en zette het bedrijf voort, eerst in associatie met de gebroeders Van Hauw, vanaf 1913 uitsluitend in eigen naam. Het oude gedeelte van het complex herbergde de vleugel die door Polus werd bewoond, en grensde pal aan de steenweg. Het werd omkaderd door 86 are
boomgaard en — rechts van de gebouwen - een "hof, 20 are groot, vanaf 1920 als "lusthof omschreven. In tegenstelling tot andere kleine tuinen die omstreeks 1900 werden (her)aangelegd, bijvoorbeeld de pastorietuin van Boutersem, tekent de tuin van Polus zich niet af op de opeenvolgende edities van de militaire topografische kaart, maar hij is nog steeds herkenbaar in situ: een open ruimte, ontsloten door een ringpad, langs drie zijden omgeven door hoogstammige bomen, waarvan het aanplantingsritme werd bepaald door de geboorten van de opeenvolgende kinderen Polus. Het gaat om een Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera), een bruine beuk (Fagus sylvattca 'Atropunicea'X3), een gewone plataan (Platanus x hispanica), een treurbeuk (Fagus sylvattca 'Pendula'j (4) en een
zomerlinde (Tilia platyphyllos), momenteel bomen met stamomtrekken rond de 3 m. Tot diezelfde generatie maar veel dunner behoren ook een bontbladige esdoorn (Acer pseudoplatanus 'Leopoldii'j en een compacte vorm van fijnspar (Picea abies 'Compacta'?/
NOTEN (1) Kadastrale legger Boutersem, art. 96, nrs. 17, 50, 51 en 52. (2) Kadastrale opmetingsschcts Boutersem, 1902, nr. 6/2; kadastrale legger Boutersem, art. 777, nrs. 4, 5, 14; art. 721, nr. 14. (3) In 2003 werd op deze beuk de aanwezigheid van reuzenzwam (Meripilus giganteus) vastgesteld. (4) In 1997 geknakt en omgewaaid.