INSTEMMINGSDECREET SAMENWERKINGSAKKOORD SCREENINGSMECHANISME BUITENLANDSE DIRECTE INVESTERINGEN
Advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.serv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be
Adviesvraag
Voorontwerp van decreet tot instemming met het samenwerkingsakkoord van (datum) tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest, het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de Franstalige Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot het invoeren van een mechanisme voor de screening van buitenlandse directe investeringen
Adviesvrager
Jan Jambon - minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Buitenlandse Zaken, Cultuur, ICT en Facilitair Management
Ontvangst adviesvraag
15 juli 2022
Decretale opdracht
SERV-decreet 7 mei 2004 art. 20 (SAR-functie)
Goedkeuring raad
12 september 2022
Contactpersoon
Tim Buyse
tbuyse@serv.be
De heer Jan JAMBON Minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Buitenlandse Zaken, Cultuur, Digitalisering en Facilitair Management Martelaarsplein 19 B-1000 Brussel
Instemmingsdecreet samenwerkingsakkoord BDI-screening Mijnheer de minister-president In 2020 riep de SERV de Vlaamse Regering op om van de screening van buitenlandse directe investeringen (BDI) een prioriteit te maken. De SERV meende dat er dringend een bij voorkeur interfederaal mechanisme tot stand moest komen om dergelijke investeringen vooraf te evalueren en desnoods te blokkeren. Voorspelbaarheid, rechtszekerheid, administratieve eenvoud en proportionaliteit werden door de sociale partners naar voor geschoven als de richtinggevende basisprincipes bij het uitwerken van dit screeningsmechanisme. Cruciaal voor de SERV was dat Vlaanderen volwaardig betrokken zou worden bij de uitwerking van dat federaal screeningsmechanisme. ‘Volwaardig’ betekent niet enkel een vertegenwoordiging maar ook dat het gewest waarin de investering plaatsvindt de eindbeslissing moet kunnen nemen over het al dan niet blokkeren van een buitenlandse directe investering. Bovendien vroeg de SERV dat het concrete toepassingsgebied van het nog op te richten interfederale screeningsmechanisme zou bepaald worden in dialoog met de bedrijfs- en academische wereld en de sociale partners. Bij de invoering van een dergelijk mechanisme moeten namelijk keuzes gemaakt worden over het tijdstip van de screening, het toepassingsgebied, een horizontale of sectorale regelgeving en het hanteren van een minimale drempel alvorens een screening gebeurt. Een eerste concrete stap naar een screeningsmechanisme werd gezet toen op 23 februari 2021 een wetsvoorstel werd ingediend tot wijziging van het Wetboek van economisch recht, wat de invoering betreft van een screeningsmechanisme voor directe buitenlandse investeringen die een invloed hebben op onze veiligheidsbelangen en strategische sectoren. De SERV was niet onverdeeld gelukkig met dit wetsvoorstel, met name omdat het onvoldoende waarborgen bevatte voor een volwaardige betrokkenheid van de gewesten. Ook de Vlaamse Regering adviseerde negatief over dit wetsvoorstel en gaf aan de voorkeur te hechten aan een interfederaal screeningsmechanisme op basis van een samenwerkingsakkoord.
Met voorliggend voorontwerp van decreet stemt de Vlaamse Regering in met het ontwerp van samenwerkingsakkoord, dat eerder werd goedgekeurd op het Overlegcomité op 1 juni 2022. Dat akkoord heeft tot doel het invoeren van een mechanisme voor de screening van buitenlandse directe investeringen in België met specifiek toepassingsgebied. Het mechanisme biedt de opportuniteit om de Vlaamse strategische belangen te bewaken tegen een achtergrond van wijzigende machtsverhoudingen en de opkomst van “geo-economie” en “geotechnologie” in de geopolitieke relaties. De SERV is tevreden dat de bepalingen van het samenwerkingsakkoord in belangrijke mate stroken met de aanbevelingen gedaan in zijn eerdere adviezen. Wel wensen de sociale partners drie specifieke elementen onder de aandacht te brengen. Uitgebreid toegangsgebied vereist verdere specificering Het toepassingsgebied opgenomen in art. 4 van het ontwerp van samenwerkingsakkoord is erg uitgebreid en kan aldus potentieel verreikende gevolgen hebben voor de Belgische en Vlaamse economie. Voor de Vlaamse sociale partners is een evenwicht tussen enerzijds veiligheidsbelangen en anderzijds het belang van een open economie met een goed functionerende, transparante kapitaalmarkt en een aantrekkelijk investeringsklimaat, van groot belang.1 In dat kader, en in het licht van de rechtszekerheid, zal het ook cruciaal zijn om een aantal aspecten van het akkoord verder te definiëren, zoals de invulling van het begrip strategische belangen. Ook moeten bij de effectieve invoering van het mechanisme efficiëntie en voorspelbaarheid, met redelijke termijnen, de basisprincipes vormen. Ook wat betreft de drempel (25 of 10 procent) zijn er een aantal aandachtspunten: •
voor snelle groeiers wordt de grens van 10 en zelfs 25 procent snel bereikt en die groep maakt vaak net intensief gebruik van buitenlands kapitaal. Een evaluatie naar proportionaliteit zal zich in deze zeker opdringen.
1
SERV, Advies ‘ Vlaamse screening Buitenlandse Directe Investeringen. Coronacrisis verhoogt urgentie’, Brussel, 7 mei 2020.
•
In artikel 4, §3 staat dat de partijen bij dit samenwerkingsakkoord kunnen besluiten om de drempel van 25 procent te verlagen naar 10 procent en vice versa. Een duidelijke methodologie lijkt hier ook noodzakelijk zodat dit op een coherente manier gebeurt en niet case-by-case zonder kader.
•
Daarnaast is het niet duidelijk of er inzake de drempels enkel wordt gekeken naar (potentiële) buitenlandse investering van individuele investeerders of er ook een analyse volgt op basis van cumulatieve buitenlandse investeringen. Hiermee wordt bijvoorbeeld bedoeld dat een collectief van investeerders waarachter eenzelfde belang schuilt, elke investeerder enkel individueel zal worden beoordeeld of dat het geheel ook in beschouwing wordt genomen.
Screeningssysteem blijft complex en dubbelop Art. 8 van het ontwerp van samenwerkingsakkoord stelt dat de bevoegde overheden binnen de ISC en na de aanmelding de onderzoeken afzonderlijk uitvoeren, en dit (aldus art. 10) wel binnen de schoot van het ISC. Het samenwerkingsakkoord lijkt hier op twee benen te hinken. Er lijkt sprake van een uniek interfederaal mechanisme en -comité waarbinnen de toetsingsen screeningsonderzoeken gebeuren, maar die worden wel ‘afzonderlijk per partij‘ uitgevoerd. Duidelijke afspraken inzake timing en procedures tussen de verschillende partners van dit samenwerkingsakkoord zullen hierin cruciaal zijn. Hoewel het secretariaat van de ISC moet voorzien in de coördinatie tussen de onderscheiden procedures (cf. art. 9) vreest de SERV dat deze aanpak zal leiden tot inefficiëntie, overlap en dubbel werk. Idealiter wordt een uniek interfederaal screeningssysteem ingevoerd dat voor de bevoegde entiteiten voorziet in één enkele risicoanalyse per investeringsproject, uiteraard met naleving van de bevoegdheidsverdeling in België. Beslissingsmacht gefedereerde entiteiten onduidelijk De SERV stelt vast dat het samenwerkingsakkoord, en meer bepaald art. 23 §4 impliceert dat: •
de federale overheid in het beslissingsproces een vetorecht heeft: indien de voorlopige beslissing van de bevoegde federale minister negatief is, zal ook de gecombineerde eindbeslissing negatief zijn;
•
indien méér dan één gefedereerde entiteit bevoegd is, een negatieve eindbeslissing enkel kan volgen wanneer elk van de voorlopige beslissingen van de gefedereerde entiteiten negatief is.
De minister-president gaf op 21 juni 2022 in de Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën, Begroting en Justitie van het Vlaams Parlement aan dat ‘de regio waar de beslissingen worden genomen ‘in charge’ is, steeds samen met het federale niveau’. Voor regio-overstijgende investeringen, blijkt dit evenwel niet ondubbelzinnig het geval. Hoewel art. 23 §3 3° stelt dat een negatieve beslissing resulteert indien één van de bevoegde minister een negatieve voorlopige beslissing neemt, zwakt §4 van hetzelfde artikel dit vetorecht af wanneer meerdere gefedereerde entiteiten bevoegd zijn in hetzelfde dossier. De regeling in art. 23 §4 impliceert aldus dat andere regio’s geen investeringen in Vlaanderen kunnen blokkeren indien Vlaanderen oordeelt dat er geen probleem is. Maar tegelijk zou deze gecombineerde regeling eveneens impliceren dat een investering in Vlaanderen die door Vlaanderen als problematisch wordt gezien, niet door Vlaanderen kan geblokkeerd worden indien een andere bevoegde gefedereerde entiteit oordeelt dat er geen probleem is. Het is voor de SERV niet duidelijk hoe dergelijke situaties worden opgelost binnen het samenwerkingsakkoord. Monitor en evalueer Het samenwerkingsakkoord bevat geen bepalingen die een evaluatie van de werking van het ISC of de toepassing van het screeningsmechanisme voorzien. Het is voor de SERV cruciaal dat de toepassing van het akkoord nauwgezet wordt gemonitord, minstens naar doelmatigheid en administratieve overlast, in samenwerking met het bedrijfsleven en, indien noodzakelijk, wordt bijgestuurd waar wenselijk. Parallel met buitenlandse voorbeelden (Frankrijk, Duitsland) moet ook worden bekeken waar flankerende en/of remediërende maatregelen noodzakelijk blijken te zijn bij deze evaluatie. Hoogachtend Pieter Kerremans
Hans Maertens
administrateur-generaal
voorzitter