Skip to main content

diploma_secundair_onderwijs_Adv_Vlor.pdf

Page 1

Algemene Raad 24 september 2020 AR-AR-ADV-2021-007

Meer kruisbestuiving tussen wegen naar een diploma secundair onderwijs Advies over samenwerking tussen secundair onderwijs, tweedekansonderwijs en de Examencommissie secundair onderwijs om de kansen op een onderwijskwalificatie te verhogen

Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be


Advies op eigen initiatief Uitgebracht door de Algemene Raad op 24 september 2020 met eenparigheid van stemmen Voorbereiding: werkgroep Tweedekansleerwegen op 27 mei 2020, 18 juni 2020, 27 augustus 2020 en op 15 september 2020 onder voorzitterschap van Johan Vandenbranden Werden geconsulteerd: Raad Levenslang en Levensbreed Leren op 8 september en de Raad Secundair Onderwijs op 10 september 2020 Aan dit advies gingen ook twee seminaries en een stage-onderzoek door Delano Elias (UGent) vooraf. Dossierbeheerders: Marleen Colpin en Bram De Geeter

Vlaamse Onderwijsraad – Koning Albert II-laan 37 – BE-1030 Brussel – info@vlor.be – www.vlor.be


INHOUD 1 SITUERING

2

2 FOCUS VAN HET ADVIES

2

3 WAT IS ER NODIG?

4

3.1 ELKAARS WERKING KENNEN

4

3.2 ROLLEN IN LEERLOOPBAANBEGELEIDING VERDUIDELIJKEN EN VERSTERKEN

6

3.3 EXPERTISE UITWISSELEN

6

3.4 SAMENWERKEN ROND VORMGEVING VAN TRAJECTEN EN BEGELEIDING

7

3.5 DOELGROEPENBELEID

8

4 VERSTERK DE WERKING VAN BESTAANDE AANBIEDERS EN ORGANISATIES (VRAGEN AAN DE OVERHEID)

10

1


1 Situering Het Vlaamse onderwijs voorziet verschillende trajecten naar een diploma secundair onderwijs. In de eerste plaats is er de gebruikelijke weg via het regulier secundair onderwijs (leerplichtonderwijs) met een brede waaier aan finaliteiten (doorstroomgericht, arbeidsmarktgericht of dubbele finaliteit), vormen (voltijds op school, duaal, deeltijds) en studierichtingen. Binnen het secundair onderwijs voorziet de regelgeving de mogelijkheid op ‘flexibele leerwegen’ met als doel aangepaste trajecten te voorzien voor specifieke groepen van leerlingen.1 Het is de ambitie van de modernisering van het secundair onderwijs om ongekwalificeerde uitstroom te bestrijden en zoveel mogelijk jongeren via die reguliere weg een onderwijskwalificatie te laten behalen. Voor diegenen voor wie dat, om welke reden dan ook, niet mogelijk is, zijn er ‘tweedekansleerwegen’. Minderjarige of volwassen lerenden kunnen examens afleggen bij de examencommissie secundair onderwijs om een getuigschrift of een diploma secundair onderwijs te behalen. Het tweedekansonderwijs of secundair volwassenenonderwijs, ingericht door centra voor volwassenenonderwijs, voorziet de mogelijkheid om het diploma te behalen voor lerenden die niet meer leerplichtig zijn (18+).2 In dit advies gebruiken we de volgende afkortingen: ‘SO’ voor regulier secundair onderwijs in het leerplichtonderwijs, ‘TKO’ voor tweedekansonderwijs, ‘VO’ voor volwassenenonderwijs, ‘EC’ voor Examencommissie SO, ‘clb’ voor de centra voor leerlingenbegeleiding. We gebruiken ‘de lerende’ zowel voor jongeren die nog leerplichtig zijn, als voor volwassenen (18+) die ofwel nog in het secundair onderwijs zitten, ofwel vroegtijdig uitgevallen zijn en, al dan niet na een eerste werkervaring, de weg zouden kunnen terugvinden naar onderwijs met het doel een diploma SO te behalen. ‘Lesgever’ heeft zowel betrekking op leraren in het secundair onderwijs als op leraren en docenten in het volwassenenonderwijs. ‘Trajectbegeleiding’ staat voor de leerloopbaanbegeleiding van de lerende, in de brede zin. Het kan zich op alle onderwijsniveaus en in alle onderwijsvormen voordoen en mag in dit advies niet verengd worden tot de invulling die het krijgt in duaal leren.

2 Focus van het advies Het streefdoel is en blijft dat zo veel mogelijk jongeren via de gebruikelijke weg een onderwijskwalificatie behalen. Ondanks de inspanningen van het secundair onderwijs om zo veel mogelijk leerlingen aan boord te houden, stellen we vast dat jaar na jaar meer jongeren het onderwijs ongekwalificeerd verlaten. Sinds 2014 nam het aandeel toe van 9,2% naar 11,9% in schooljaar 2017-2018. In grote steden loopt dat cijfer vaak op tot 20%. De oorzaken daarvoor

Omzendbrief SO/2005/04 van 8 juli 2005, Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds secundair onderwijs. De specifieke groepen zijn: hoogbegaafde leerlingen en/of leerlingen die meer uitdaging nodig hebben, leerlingen die tijdelijke leermoeilijkheden of leerachterstand hebben, leerlingen die moeten overzitten en gebaat zijn bij een gepersonaliseerd programma, leerlingen die te kampen hebben met ziekte, herstellende zijn na een ongeval of in verwachting zijn en leerlingen met specifieke talenten (‘sportstatuut’). 2 Met uitzondering van het beroepsspecifieke gedeelte van de opleidingen, dat ook al vanaf 16 jaar kan opgenomen worden. Dat laatste moet dan wel gecombineerd worden met algemene vorming in het leerplichtonderwijs. 1

2


zijn divers en liggen zowel binnen als buiten het onderwijs.3 Ongeveer een derde van die ‘uitstromers’ vindt later de weg nog terug naar het onderwijs met het doel een diploma SO te behalen, maar vele anderen niet.4 Bovendien neemt het aandeel ‘tweedekansleerlingen’ die uiteindelijk een kwalificatie behalen, af. Daarnaast is er een substantiële groep zogenaamde NEET-jongeren. Die groep 15- tot 24-jarigen is niet aan het werk en volgt geen onderwijs of vorming. In Vlaanderen bevindt 7,8% van de jongeren in de leeftijdscategorie 18- tot 24-jarigen zich in die situatie. Na een piek in 2013 lijkt het aandeel NEET-jongeren in Vlaanderen te stagneren.5 We moeten die doelgroep goed in het vizier houden, gezien de economische crisis die op ons afkomt ten gevolge van de coronapandemie. In schooljaar 2020-2021 en de daarop volgende jaren zal blijken of de vrees dat de coronacrisis tot meer ongekwalificeerde uitstroom zal leiden, gegrond is. Het probleem ‘vroegtijdig schoolverlaten’ of ‘ongekwalificeerde uitstroom’ is al lang bekend. Er worden al jarenlang heel wat inspanningen geleverd om het te voorkomen en om (jong)volwassenen (terug) de weg te helpen vinden naar een diploma secundair onderwijs, dat hen betere kansen biedt op een duurzame loopbaan op de arbeidsmarkt. Een goed uitgebouwde leerlingenbegeleiding in SO is de eerste lijn om schooluitval te voorkomen. Scholen en centra voor leerlingenbegeleiding zetten er doorgaans sterk op in en trachten de vertrouwensband tussen leerling en school te versterken. Ze beschikken echter over onvoldoende middelen om die eerstelijnszorg ten volle waar te maken. Daarnaast zijn er mogelijkheden voor flexibele leerwegen (zie hoger), maar het potentieel daarvan blijft onderbenut.6 Scholen en centra hebben vaak ook maar beperkte impact omdat de oorzaken voor ongekwalificeerde uitstroom divers zijn. Vaak zijn ze te wijten aan contextfactoren buiten de school. Er is een Europees referentiekader dat de lidstaten gidst om vroegtijdig schoolverlaten te bestrijden en op Vlaams niveau kennen we het Actieplan Samen tegen Schooluitval, dat uitgaat van een geïntegreerde aanpak waarbij lokale partners, scholen, ouders en leerlingen elk hun rol te spelen hebben. 7 ► Dit advies gaat niet over de problematiek van schooluitval op zich of over de acties van al die partners. Wel richten we ons op het potentieel dat ligt in meer uitwisseling en samenwerking tussen de actoren, in de eerste plaats de aanbieders van de wegen naar een diploma SO. Als zij elkaars werking en rol kennen, expertise uitwisselen en meer samenwerken rond trajectbegeleiding, wordt het ook evidenter om een kwalitatief traject op maat uit te werken voor de groep lerenden die dreigen uit te vallen of die we terug willen halen naar onderwijs, waardoor we de kans op ongekwalificeerde uitstroom kunnen verminderen. Zo’n traject op maat kan voor die specifieke profielen dé manier zijn om alsnog dat diploma te halen en zo een toekomstperspectief te bieden. Het kan hun motivatie om te leren terug aanwakkeren en zorgen voor tussentijdse succeservaringen die nodig zijn om het traject vol te houden. Het traject moet goed aansluiten bij de kwaliteiten, capaciteiten en interesses van de lerende. Idealiter leidt het naar een zo breed mogelijke vorming, maar het kan ook tot een deelkwalificatie en/of beroepskwalificatie leiden. Dat is afhankelijk van wat in dialoog tussen de

https://onderwijs.vlaanderen.be/nl/vroegtijdig-schoolverlaten-risicofactoren-en-kenmerken (geraadpleegd op 16 juli 2020) 4 Beleidsdomein Onderwijs en Vorming (2020). Vroegtijdige schoolverlaters Inschrijvingen en kwalificaties in tweedekansleerwegen. p 12. 5 Departement Onderwijs en Vorming. NEET-jongeren: Not in Education, Employment or Training. 6 Vandecandelaere, M. e.a. (2016). Flexibele leerwegen in Vlaanderen, Onderzoeksrapport. Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -Evaluatie en HIVA, KU Leuven, in opdracht van Departement Onderwijs en Vorming. 7 https://onderwijs.vlaanderen.be/nl/beleid-tegen-schooluitval (geraadpleegd op 16 juli 2020) 3

3


lerende en zijn begeleider(s) als het beste traject voor die lerende – lees: het traject dat hem het verst kan brengen – wordt uitgewerkt.8 Dat kan een traject zijn dat zich binnen een bestaande leerweg afspeelt, maar ook een traject waarbij de lerende twee leerwegen combineert (TKO en EC, SO en EC, SO en TKO). Trajectbegeleiding is noodzakelijk, zowel bij de oriëntering als tijdens het leerproces zelf. Daarom gaan we in dit advies ook in op de rol van diverse instanties, zoals het clb of de leerwinkel, maar ook andere, die jongeren en volwassenen begeleiden naar een traject dat bij hen past. Dit advies heeft verschillende raakpunten met het advies over leercultuur in de volwasseneneducatie dat de Vlor uitbracht op 8 september 2020. 9

3 Wat is er nodig? In dit deel schetsen we de stappen die kunnen gezet worden om meer samenwerking te bevorderen: elkaars werking kennen (3.1), rollen in leerloopbaanbegeleiding verduidelijken en versterken (3.2), expertise uitwisselen (3.3), samenwerken rond de vormgeving van trajecten (3.4) en doelgroepenbeleid (3.5). Om die betere samenwerking te realiseren, zijn inspanningen nodig van de overheid én het werkveld. In deel 4 vatten we de aanbevelingen aan de overheid samen. Op verschillende plaatsen in dit advies geven we aan dat er meer middelen nodig zijn om de beoogde stappen te zetten. Dat moet volgens de Vlor geplaatst worden in een beleidsvisie met een langetermijnperspectief. Verdere uitwerking van prioritering gebeurt dan via overleg met de onderwijspartners.

3.1 Elkaars werking kennen Uit een kleinschalig onderzoek dat de Vlor liet uitvoeren in het kader van een stage, en uit twee seminaries die de Vlor organiseerde in aanloop naar dit advies, bleek duidelijk dat de verschillende aanbieders van leerwegen die naar een diploma SO leiden, elkaars werking te weinig kennen.10 Daardoor zijn ze minder geneigd om door te verwijzen naar die andere aanbieders, want onbekendheid blijkt ook vaak gepaard te gaan met enig wantrouwen. Daarvan getuigden directeurs en begeleiders van scholen SO, centra VO, de Examencommissie en clb tijdens interviews. Het is essentieel dat die eerstelijnsactoren goed op de hoogte zijn van alle mogelijkheden. Zo kunnen zij ouders en leerlingen wiens schooltraject moeilijk verloopt en die dreigen uit te vallen, correct informeren en samen een geïnformeerde beslissing nemen over het juiste traject of doorverwijzen. Er moet dan ook actief ingezet worden op kennisdeling tussen scholen (met name directies, leerlingenbegeleiders en klassenraden), centra en de examencommissie over hun

Nouwen, W, Van Praag, L., Van Caudenberg, R. Clycq, N., Timmerman, C. (2016). School-based Prevention and Intervention Measures and Alternative Learning Approaches to Reduce Early School Leaving. Centre for Migration and Intercultural Studies, Universiteit Antwerpen. Reducing Early School Leaving in Europe, p.40. 9 Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over leercultuur in de volwasseneneducatie, 8 september 2020. 10 Zie verslagen van de seminaries: https://www.vlor.be/activiteiten/verslagen/verkenning-van-de-samenwerking-tussensecundair-onderwijs en https://www.vlor.be/activiteiten/verslagen/seminarie-tweedekansleerwegen 8

4


organisatie, werking en doelgroepenbeleid. Vanzelfsprekend spelen het clb en de pedagogische begeleidingsdiensten in die kennisdeling een belangrijke rol. Voor de doelgroep die al uitgevallen is, en die vaak zoekend is of eerder toevallig op het juiste spoor van tweedekansleerwegen blijkt te komen, zijn de voor de hand liggende partners de leerwinkels, Onderwijskiezer, VDAB, Actiris en de lokale Netwerken tegen Schooluitval in de respectieve provincies. Ook zij moeten dus bij uitstek alle mogelijkheden kennen om mensen goed te kunnen oriënteren naar het juiste traject. Ze moeten hun rol ook nog beter bekendmaken bij alle (informele) netwerken en ondersteunende instanties voor mensen die potentieel nog terug de weg kunnen vinden naar een onderwijskwalificatie. Denk daarbij aan OCMW (lokale besturen), CAW, JAC, jeugdwerk, sociaal-culturele organisaties, initiatieven voor gezinsondersteuning, …11 ‘Informeren’ zien we dus op verschillende niveaus: de stakeholders die lerenden onderwijs en opleiding aanbieden, instanties die hen begeleiden in bredere zin, die lerenden of NEET zelf en hun ouders. Het gaat om een relatief beperkte doelgroep, die wel heel divers is. De bedoelde informatiedeling onder stakeholders moet er toe leiden dat aanbieders elkaars werking beter leren kennen en dus ook tot een positievere beeldvorming komen van de andere mogelijkheden. Dat kan onder meer bewerkstelligd worden door middel van studiedagen en lerende netwerken, waar mensen actief kunnen uitwisselen, maar ook via digitale initiatieven. Ten aanzien van de doelgroep moeten alle mogelijke laagdrempelige kanalen en vormen van communicatie ingezet worden. We benadrukken het belang van transparantie opdat die lerenden voor wie het gemoderniseerde, reguliere secundair onderwijs om welke reden dan ook niet meer de gepaste leerweg is, de mogelijkheden kennen om op een alternatieve manier of via een tweedekansleerweg toch een diploma SO te behalen. We gaan daarbij uit van de sterktes en het potentieel van bestaande organisaties om informatiedeling onderling en ten aanzien van de doelgroep te versterken. Het lijkt ons niet nodig om nieuwe structuren of organisaties in het leven te roepen. Beter is het om de bestaande actoren te versterken in hun rol en hen beter te ondersteunen. Van de overheid verwachten we een doorgedreven inspanning om het belang van een onderwijskwalificatie te benadrukken ten aanzien van de brede maatschappij, naar het voorbeeld van de inspanning die ze doet om duaal leren breder bekend te maken. In de communicatie moet er voldoende aandacht zijn voor het feit dat het tweedekansonderwijs en de Examencommissie zich situeren op het niveau van het secundair onderwijs. Het spreekt voor zich dat ook de lerarenopleiding (meer) aandacht kan besteden aan de opbouw en samenstelling van het volledige onderwijslandschap (met specifieke aandacht voor TKO en EC).

11

In het advies ‘Leercultuur in de volwasseneducatie’ wordt het belang aangehaald van een opschaling in de werking van leerwinkels en Onderwijskiezer. Het advies roept ook op tot meer ambitie inzake de toeleiding vanuit OCMW’s, VDAB enzovoort.

5


3.2 Rollen in leerloopbaanbegeleiding verduidelijken en versterken Binnen het leerplichtonderwijs blijft het clb de cruciale instantie die leerlingen informeert en op mogelijke/alternatieve leerwegen wijst, zeker de leerlingen die uit de boot dreigen te vallen. Via de website Onderwijskiezer heeft het clb ook een aanbod voor lerenden en trajectbegeleiders buiten het leerplichtonderwijs. Onderwijskiezer wordt gezien als dé referentie voor het aanreiken van volledige en neutrale informatie over het hele onderwijs- en opleidingslandschap en dat voor een zeer breed publiek. Maar Onderwijskiezer is een dynamische omgeving en er zijn dan ook meer werkingsmiddelen nodig om de huidige kwaliteit van het informatieaanbod te kunnen blijven garanderen. Het informatieaanbod verbreden (onder meer inzake beroepskwalificaties die behaald worden buiten het onderwijs), de data continu actualiseren, het stijgend aantal vragen beantwoorden en de vele onderwijsvernieuwingen integreren, vereisen meer middelen. Voor de integratie van tools (o.a. de reflectietool), de verwerking van analysegegevens in het kader van het actualiseren van vragenlijsten, … zijn meer mensen met specifieke kennis en vaardigheden nodig. Een afdoende financiering, ten slotte, kan meer synergie tot stand brengen met het aanbod en de werking van VDAB en de sectoropleidingen.12 De Vlor ziet een grote meerwaarde in het concept van de leerwinkels voor leerloopbaanbegeleiding voor volwassenen. We vragen dan ook met aandrang dat er op meer plaatsen in Vlaanderen en Brussel leerwinkels opgericht worden, ten minste één in elke centrumstad. De werking en aansturing van de verschillende leerwinkels moet wel gestroomlijnd worden, want nu zien we veel variatie in het aanbod. De werking van de bestaande leerwinkels kan inspireren. Ook in zijn advies over leerloopbaanbegeleiding voor volwassenen uit 2018 – naar aanleiding van het Europese GOAL-project – stelde de Vlor die piste voor.13 14 We vragen dan ook dat de blauwdruk die naar aanleiding van GOAL ontwikkeld werd door een Vlaams adviescomité, invulling krijgt, met inbegrip van het advies van de Vlor. 15 Als er meer leerwinkels zijn, wordt samenwerking tussen clb en leerwinkels en gegevensuitwisseling – met respect voor privacy – overal evident.

3.3 Expertise uitwisselen Als de stakeholders elkaar beter kennen (zie 3.1), is een evidente volgende stap dat zij ook hun expertise meer gaan uitwisselen. Bij elke instelling of organisatie zit immers veel kennis over hoe je de jongeren en volwassenen die we beogen met dit advies, zo goed mogelijk op maat kan begeleiden. Het tweedekansonderwijs heeft door de evolutie in zijn doelpubliek de voorbije decennia heel veel ervaring opgedaan met zorg en differentiatie. Ook het secundair onderwijs kent via het GOK-beleid en via het stelsel voor leren en werken (dbso en syntra) een lange traditie in beleid en praktijk om leerlingen uit kwetsbare milieus extra te ondersteunen. Het Decreet Leerlingenbegeleiding heeft de verantwoordelijkheden voor de leerlingenbegeleiding duidelijk uitgestippeld maar is nog niet overal volwaardig uitgebouwd. De partners kunnen veel leren van elkaar over (basis)zorg, trajectbegeleiding en maatwerk. Een andere thema voor expertiseuitwisseling tussen de verschillende aanbieders is evaluatie.

Ook het advies ‘Leercultuur in de volwasseneducatie’ wijst op het belang van een opschaling in de werking van clb en Onderwijskiezer. 13 Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over leerloopbaanbegeleiding voor volwassenen, 8 mei 2018. 14 Litster, J., Cara, O. & Carpentieri, J.D. (2016). GOAL - Cross Country Report. UCL, Leuven. En https://projectgoal.eu/ 15 Zie ook advies ‘Leercultuur in de volwasseneducatie’. 12

6


De expertise-uitwisseling kan op verschillende manieren vorm krijgen. Ook hier pleiten we ervoor om de bestaande actoren hun rol voluit te laten spelen. We denken aan de pedagogische begeleidingsdiensten die bijvoorbeeld in het volwassenenonderwijs netoverschrijdend de ‘collegiale visitatie’ organiseren, een methode die een grote meerwaarde kan betekenen. Er zijn uiteraard ook vele andere mogelijke manieren om praktijkgericht kennis te ontwikkelen en delen.

3.4 Samenwerken rond vormgeving van trajecten en begeleiding Na kennismaking en expertise-uitwisseling is actief gaan samenwerken een logisch vervolg. Het doel is om lerenden die daar nood aan hebben een traject aan te bieden dat flexibel opgebouwd wordt, opdat het hen zo ver mogelijk kan brengen. Daarvoor gaan de stakeholders, goed geïnformeerd, dus ook kijken naar trajecten van andere aanbieders. Het scala aan mogelijkheden wordt op die manier verbreed, waardoor er meer op maat kan gewerkt worden. Om leerwegen te kunnen combineren of te schakelen van de ene naar de andere, moeten die leerwegen wel zo goed mogelijk op elkaar afgestemd worden. De belangrijkste uitdaging is een goed zicht krijgen op reeds verworven competenties van lerenden in hun eerdere traject(en), omdat je die dan kan ‘vrijstellen’ en erop voortbouwen. Dat biedt de beste garantie op een passend leertraject. Een school, instelling of klassenraad kan een lerende vrijstellen van bepaalde vakken, lessen, modules, … als het duidelijk is welke doelen en/of competenties bereikt of verworven zijn. De Vlor pleit dan ook voor maximale transparantie, via een haalbare methodiek, over wat een lerende al bereikt heeft, met het oog op een soepel vrijstellingenbeleid.16 Betere afstemming tussen verschillende trajecten kan ook bewerkstelligd worden door een verdere uitrol van de EVC-procedure in het volwassenenonderwijs met daaraan gekoppeld een valabele financiering vanuit de overheid.17 De eindtermen vormen een gemeenschappelijke stam waarop de verschillende curricula geënt kunnen worden, zodat goed kan vergeleken worden welke doelen bereikt zijn.18 De beslissing om al dan niet vrij te stellen behoort tot de autonomie van de instelling. De raad wijst op de expertise inzake vrijstellingenbeleid binnen het tweedekansonderwijs, dat sterk inzet op vrijstellingen. Het is het centrum dat beslist of en welke vrijstellingen worden toegekend, maar tegelijk is er een sterk engagement om dat beleid te hanteren. Binnen het TKO beschikt men dan ook over een goed uitgebouwd instrumentarium om vrijstellingen te bepalen en toe te wijzen in de vorm van concordantietabellen voor opleidingsonderdelen binnen TKO, maar ook tussen TKO en EC, omdat een substantiële groep lerenden die twee combineert.

In het advies ‘Leercultuur in de volwasseneducatie’ wordt gepleit voor meer manieren van certificeren voor volwassenen. Daarenboven wordt gesuggereerd dat men binnen (volwassenen)onderwijs en vorming de omslag maakt van het train & test-principe naar het test & train-principe, waardoor lerenden enkel nog de competenties moeten verwerven waarover ze nog niet beschikken. 17 Het advies ‘Leercultuur in de volwasseneducatie’ haalt het belang aan van een breder uitgerold EVC-beleid met minder complexe procedures. De Vlor adviseert ook de EVC-procedure breder kenbaar te maken en wijst op de resultaten van het VISKA-project. 18 De Vlor wijst er in zijn recente advies wel op dat de haalbaarheid van de nieuwe eindtermen, waarover de raad vragen heeft wat betreft secundair onderwijs, een aandachtspunt vormt voor het tweedekansonderwijs. Zie Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Eindtermen tweede en derde graad secundair onderwijs, 27 augustus 2020. 16

7


Sommige scholen bieden hun leerlingen die dreigen af te haken in de reguliere leerweg, begeleiding bij de voorbereiding op de examens van de Examencommissie. Dat moet voor de Vlor een uitzondering blijven, want onderwijs is veel meer dan dat. Maar het is wel de laatste mogelijkheid om die jongeren nog aan boord te houden. Zijzelf en hun leraren ervaren het als een meerwaarde. De scholen in kwestie lopen wel tegen heel wat vraagtekens aan voor zo’n gecombineerd traject: hoe kan evaluatie op school en bij de Examencommissie op elkaar afgestemd worden? Mogen deze leerlingen in de tweede graad al stage lopen? We vragen voor die scholen een helder kader. Zo nodig moeten hiaten in de regelgeving weggewerkt worden om de combinatie mogelijk te maken. Daarnaast zijn er diverse initiatieven die overkoepelend inzetten op de zoektocht naar de juiste leerweg voor jongeren of jongvolwassenen die uitgevallen zijn of dreigen uit te vallen. Denk aan de netoverstijgende clb-werking ‘KANS Brussel’.19 KANS zoekt samen met leerlingen, ouders, scholen en professionele hulpverleners naar de meest passende ondersteuning voor leerlingen om schooluitval te voorkomen. Of het project ‘lift Brussel’ dat twee opties biedt om het diploma SO alsnog te behalen via de examencommissie of een CVO.20 Het is heel belangrijk dat de draagkracht van het onderwijzend personeel goed bewaakt wordt bij dit alles. Beslissingen over trajecten zoals we die voor ogen hebben, zijn in het secundair onderwijs de bevoegdheid van de klassenraad. Die neemt de draagkracht van het team in overweging voor wat betreft de begeleiding, net zoals de noden van de lerende. Als lerenden trajecten combineren, zijn goede afspraken over de trajectbegeleiding essentieel. Daarvoor moeten de betrokken begeleiders effectief overleggen, en daar hebben ze tijd en ruimte voor nodig. Die marge ontbreekt nu meestal in hun taakinvulling. Meer maatwerk dat ongekwalificeerde uitstroom kan verminderen, vraagt meer middelen. Om de samenwerking en afstemming te faciliteren, zijn de bestaande en eerder genoemde actoren aan zet: de aanbieders zelf en de leerloopbaanbegeleiders. We wijzen bijkomend op het belang van een duidelijk aanspreekpunt en het netoverschrijdend karakter. Naast samenwerking in functie van trajecten en de begeleiding ervan, zijn er meer evidente vormen van samenwerking die de schotten tussen secundair en volwassenenonderwijs kunnen weghalen, namelijk: infrastructuur delen, vakspecifiek expertise op beide niveaus inzetten enzovoort. Die vormen van toenadering zullen ook de zichtbaarheid van het volwassenenonderwijs vergroten voor jongeren die schoolmoe zijn en meerderjarig.

3.5 Doelgroepenbeleid Jongeren kunnen vanaf 16 jaar een beroepsopleiding volgen in het volwassenenonderwijs. De groep minderjarigen in het volwassenenonderwijs is momenteel nog relatief beperkt, maar groeit wel aan. Het is geen evidentie om die jongeren op te vangen in het volwassenenonderwijs. Niet enkel door de niet evidente combinatie met het reguliere doelpubliek – waaronder, zeker in de grootsteden, het aantal anderstaligen sterk aangroeit - maar ook omdat het om een doelgroep gaat die doorgaans veel zorg en intensieve begeleiding vraagt. De centra krijgen daarvoor wel extra financieringspunten en ze zetten meestal ook sterk in op psychosociale begeleiding, maar ze kunnen zich niet beroepen op een instantie zoals het clb of een structureel GOK-beleid zoals

https://www.onderwijsinbrussel.be/ondersteuning/kans-centraal-meldpunt-brussel (geraadpleegd op 29 augustus 2020) 20 http://liftbrussel.brussels/ (geraadpleegd op 29 augustus 2020) 19

8


SO-scholen. Om aan de toenemende zorgvraag in het tweedekansonderwijs te voldoen, moet de overheid afdoende financiering voorzien. Aan de centra vragen we om de bijkomende financiering die ze ontvangen voor die doelgroep, doelgericht in te zetten. Voor anderstalige nieuwkomers die pas vanaf 15 jaar en ouder instromen in het secundair onderwijs, blijkt vaak dat hun tijd in het leerplichtonderwijs te kort is om, eens ze zich de taal voldoende eigen gemaakt hebben, de einddoelen nog te behalen op een leeftijd die nog aansluit bij die van de klasgroep en in een richting die aansluit bij hun kwaliteiten. Voor die doelgroep is het zinvol om te bekijken wat een samenwerking tussen secundair en tweedekansonderwijs kan betekenen in functie van een snellere of zachtere overgang naar het volwassenenonderwijs. Daar kunnen ze gebaat zijn bij een meer doorgedreven NT2-aanbod in combinatie met een beroepsgerichte opleiding. Zo nodig moet de regelgeving daarop aangepast worden, opdat zij ook algemene vorming in een cvo zouden kunnen beginnen volgen voordat ze meerderjarig zijn. Ook dat vraagt maatwerk en dus tijd en ruimte voor expertiseontwikkeling en trajectbegeleiding, waarvoor de omkadering moet opgeschaald worden. We zien al goede voorbeelden van initiatieven voor (meerderjarige) anderstalige nieuwkomers in de vorm van TOEKAN (schakeltraject van onthaalklas naar CVO)21 en BENO (Basiseducatie na onthaalklas).22 Veel van die trajecten integreren Nederlands leren met opleiding op de werkvloer. De doelgroep in kwestie wil meestal een zo kort mogelijk traject volgen opdat ze zo snel mogelijk kunnen gaan werken. Hun financiële situatie vraagt dan ook aandacht, opdat ze Nederlands leren en een beroepsgerichte opleiding kunnen combineren in een diplomagericht traject dat aansluit bij hun mogelijkheden.23 Het moet voor anderstalige nieuwkomers ook een reële piste blijven om een algemeen vormende opleiding te volgen in functie van doorstroming naar hoger onderwijs. De coronacrisis deed ons ook stilstaan bij het potentieel van afstandsonderwijs voor de doelgroep voor wie het schoolse kader te strak aanvoelt. De ervaringen leren ons echter dat we er niet zonder meer van uit kunnen gaan dat het voor alle lerenden geschikt is. Afstandsonderwijs kan tot mooie resultaten leiden voor bepaalde profielen van leerlingen en cursisten in het tweedekansonderwijs en in trajecten waarin lerenden de overgang maken van het leerplichtonderwijs naar de Examencommissie. Maar voor vele anderen is de intensieve, aanklampende begeleiding essentieel en dat is moeilijk te realiseren op afstand. Ook daar geldt het principe van maatwerk. Afstandsonderwijs kan dus in bepaalde gevallen een meerwaarde zijn, maar mag nooit de norm worden, ook niet voor deze doelgroep. Alternerende, gecombineerde trajecten hebben wel potentieel, naast voltijds contactonderwijs. Het statuut van de lerende verandert als hij ‘schakelt’ tussen het leerplichtonderwijs, de examencommissie en het tweedekansonderwijs. Er moet goed onderzocht worden wat daarvan de gevolgen zijn inzake kinderbijslag, beroepsinschakelingstijd, uitkeringen, verdiensten als werkstudent, enzovoort. Het is te vermijden dat schakelen tussen trajecten een lerende benadeelt.

https://epale.ec.europa.eu/nl/blog/schakeltraject-toekan-cvo-volt (geraadpleegd op 29 augustus 2020) https://epale.ec.europa.eu/nl/content/cursist-centraal-basiseducatie-na-okan (geraadpleegd op 29 augustus 2020) 23 Vlaamse Onderwijsraad (2018). Onderwijs voor vluchtelingen. Warm onthaal, vlotte leerloopbaan en duurzaam toekomstperspectief. Verslag van een strategische verkenning. 21 22

9


4 Versterk de werking van bestaande aanbieders en organisaties (vragen aan de overheid) In dit advies pleiten we voor meer kruisbestuiving tussen de aanbieders van wegen naar een diploma secundair onderwijs. We hebben hierboven uitgelegd welke stappen daartoe gezet moeten worden. Van de overheid verwachten we dat zij de nodige middelen voorziet om de aanbieders de mogelijkheid te bieden om hun rol waar te maken. Er zijn ook enkele aanpassingen aan de regelgeving nodig. Concreet vraagt de Vlor: Voor alle lerenden ➢ Benadruk het belang van een onderwijskwalificatie ten aanzien van de brede maatschappij. Voor alle aanbieders en leerloopbaanbegeleiders ➢ Versterk de bestaande aanbieders en leerloopbaanbegeleiders opdat zij hun rol in kennismaking, expertisedeling en samenwerking ten volle kunnen waarmaken. Voor de pedagogische begeleiding ➢ Erken de rol van de pedagogische begeleidingsdiensten als facilitator van kennisdeling en samenwerking en als procesbegeleider bij de ontwikkeling van diverse curriculuminstrumenten door adequate financiering in plaats van besparingen. Voor het regulier secundair onderwijs ➢ Voorzie meer ruimte en middelen om eerstelijnszorg uit te bouwen, binnen het kader van het decreet Leerlingenbegeleiding, zeker rekening houdend met de verwachte impact van de coronacrisis op ongekwalificeerde uitstroom. Versterk scholen zodat ze leerlingen (opnieuw) aan zich kunnen binden en motiveren om hun diploma te halen. ➢ Laat de flexibiliteit die er nu is binnen het systeem van leren en werken en die werkt om leerlingen aan boord te houden en toe te leiden naar een onderwijskwalificatie, niet verloren gaan.24 ➢ Maak werk van een helder kader voor scholen die hun leerlingen aan boord willen houden door hen te begeleiden in hun voorbereiding op de examencommissie. Pas zo nodig de regelgeving aan. ➢ Evalueer de transitietrajecten voor jongeren in bso en breid ze zo mogelijk uit naar andere opleidingsvormen (buso, dbso). Voor het tweedekansonderwijs (secundair volwassenenonderwijs) ➢ Voorzie meer marge voor trajectbegeleiding, gekoppeld aan het financieringsmodel. ➢ Laat de opleidingsprofielen afstemmen op de nieuwe eindtermen, met aandacht voor haalbaarheid. ➢ Pas de regelgeving aan opdat anderstalige nieuwkomers vanaf 16 jaar aanvullende algemene vorming kunnen volgen in het volwassenenonderwijs.

24

10

De Vlor verwijst in dat verband naar zijn herhaalde bezorgdheid over de huidige doelgroep van leren en werken: die doelgroep zal niet zo maar zijn plaats vinden in duaal leren, mede als gevolg van de beperkingen in de programmatie. Zie Vlaamse Onderwijsraad, Raad Secundair Onderwijs. Laat leren en werken niet zomaar inkantelen in duaal leren, 10 oktober 2019. En Vlaamse Onderwijsraad, Raad Secundair Onderwijs. Drempels wegwerken in duaal leren. Toekomstperspectief voor huidige doelgroep leren en werken, 13 juni 2019.


Voor het deeltijds kunstonderwijs (tweedekansleerweg) ➢ Verduidelijk de koppeling tussen de studiebewijzen uitgereikt in het dko en in de andere onderwijsniveaus, in het bijzonder met het oog op het bewerkstelligen van een bijkomende tweedekansleerweg via het deeltijds kunstonderwijs. 25 Voor de Examencommissie secundair onderwijs ➢ Verlaag de drempel voor de jongeren die daarbij gebaat zijn, om deel te nemen aan de infosessie en de examens. De ervaringen tijdens de coronapandemie hebben geleerd dat het ook mogelijk is om van op afstand of lokaal deel te nemen. ➢ Monitor de impact van de modernisering SO en de nieuwe eindtermen op de deelname en de slaagkansen bij de Examencommissie SO. Voor de Centra voor Leerlingenbegeleiding ➢ Voorzie extra middelen voor de clb opdat zij: o hun centrale rol in de leerlingenbegeleiding en leerloopbaanbegeleiding kunnen waarmaken t.a.v. leerlingen en scholen in het secundair onderwijs; o de Onderwijskiezer dynamisch kunnen blijven uitbouwen om te voldoen aan de groeiende vraag. Voor de leerwinkels ➢ Voorzie meer leerwinkels met het oog op een evenwichtige spreiding in Vlaanderen en Brussel, ten minste een in elke centrumstad. ➢ Inspireer het organisatiemodel op bestaande initiatieven en de blauwdruk en advies bij het GOAL-project.

25

Vlaamse Onderwijsraad, Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Advies over het voorontwerp van decreet betreffende het deeltijds kunstonderwijs, 27 juni 2017. En Vlaamse Onderwijsraad, Algemene Raad. Eindtermen tweede en derde graad secundair onderwijs, 27 augustus 2020.

11


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
diploma_secundair_onderwijs_Adv_Vlor.pdf by Vlaanderen-be - Issuu