Skip to main content

M&L_4_6.pdf

Page 1

MONUMENTEN EN

LANMCHAPPEN R 1985 - TWEEMAANDELIJKS


•SS

i

H

W&t'- ^JSE!! 03Rir 1' IW .1

A x e l Ve r v o o r d t A

N

T

W

E

R

P E

N

Vlaeykensgangnv Oude Koornmarkt 16 B-2000 AntwerpenTel.032336780-90 Telex:AXELVB 73358 Vmaf begin 1986: KASTEEL VAN -sGRAVENWEZEL St.|obstcemvcgB22,:i2 'sGravenwezel Tel.03 658M70


HEDENDAAGSE METHODEN BIJ DE ZACHTE RESTAURATIE VAN GEBOUWEN EN MONUMENTEN

Constructieve scheurinjectle Consolidatie van hout en steen Restauratie van steen en beeldhouwwerk Behandeling tegen muurvocht

Constructieve restauratie van houten draagbalken en balkkoppen Curatieve en preventieve behandeling van hout Antizwambehandeling

onderzoek advies fabrikatie van produkten uitvoering in kerken steenrestauratie met RESILITH muurafdichting met IMPERPLEX

N.V. RESIPLAST Mallekotstraat 63, 2500 Lier - Tel. 03/489.04.48

Solar n v

POLYMEERCHEMISCHE HOUTRESTAURATIE

Afd. Restauratietechnieken Kleine Breedstraat 51 2700 SINT-NIKLAAS 03/776.91.62-777.62.23

volgens het,reeds in meer dan duizend kerken, kastelen,raadhuizen,paleizen en woonhuizen toegepaste renofors - bèta - systeem (Belgisch Octrooi nr.793.103)

Officieel licentiehouder Renofors-Beta-systeem

OOk Sterk in: gevelreiniging-steenverharding-vochtwering-drooglegging van muren met capillair stijgend vocht-dichtingswerken-betonrestauratie-houtbehandeling-brandremming 3ratis advies & bestek

STIJL- EN KUNSTMEUBELEN naar maat Copie antieke kasten - l?5/!»6 eeuw.

PERZISCHE TAPIJTEN Alle maten - unieke kollektie Rechtstreekse invoer. Certificaat van echtheid.

ZETELGARNITUREN Alle stijl- en kunsttapisseriezetels. Restauratie van antieke stijlzetels volgens de periode.

GYSEMANS BAAN IIER-AARSCHOT (rechtover de kerk) 2590 BERLAAR-HEIKANT — O 0 1 5 / 2 4 . 1 4 . 7 1 Open ; ma., d l . , woe. van 13.30 - 19 u. Zaterdag 9-12 en 13.30-18 u. en op afspraak.


AitèmiH Ian AMWH l v r;i i:

* " ' ""' •% M

%},

• • • • • •

NORMANDISCHE STIJLBOUW EIKEN BALKEN OUDE VLOERTEGELS BOURGONDISCHE DALLEN ANTIQUITEITEN FRANSE STIJLSCHOUWEN IN NATUURSTEEN , WARMTE - RECUPERATEUR - OE CHALEUR

IGNO-FOR • • • • • •

MAISONS NORMANDES POUTRES EN CHÊNE PAVÉS DE TERRE QUITE DALLES DE BOURGOGNE ANTIQUITÉS QHEMINËES DE STYLE EN PIERRE

BEZOEK ONZE EXCLUSIEVE TOONZAAL VISITEZ NOTRE SALLE D'EXPQSITION EXCLUSIVE

'tl$afttnl£xkmm PIERSTRAAT, 29 B-2638 REET TEL: 03/888.46.34

DE

WANDE LI NG

OPEN : van 14 tot 18 u. (OF NA AFSPRAAK) ZATERDAG : van 10 tot 16 u. ZONDAG GESLOTEN OUVBRT : de 14 è 18 H (APRËS RENDEZ-VOUS) SAMEDI : de 10 a 16 H FERME LE DIMANCHE

RIETEN DAKEN

WILLY IBENS P.V.B.A.

Brandbeveiligde daken Rietmatten en rietplaten Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie Leopoldslei 161 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 53 45

R E S T A Lei 6 L e u v e n

U

R

A N T 016/23 62 21

Visspecialiteiten Vlees- en Wildgerechten k a a r t wisselend volgens seizoen en aanbod Menu aan 900,- fr. Open : alle dagen van 12 u. - 14.30 u. 119 u. - 21.30 u. Gesloten : Zaterdagmiddag Voor reservatie : S (016) 23 62 21


i i i i l i i ^ : Spectron herstelt, ondeitioudt ^ ^ ^ B en injekteert alle soorten bouwwerken. Spectron N.V. Injekteerbedrijf Liersesteenweg 36, B-2800 Mechelen Telefoon (015) 21.99.02

^

N ö

Arthur VANDENDORPE <n Algemene Bouwonderneming

o

Groene Poortedreef 40 8200 Brugge 2 Tel. (050) 38 32 96 - 33 03 88 verkoop oude dakgebinten • Gevelstenen Moeien - Balken • vloeren, enz.

Restauratie en vernieuwbouw

INOIRS DAKBEDEKKING Fabriek van bladlood loden buizen soldeer- en diverse loodspecialiteiten

B Verdeler Verdeler Verdeler

B B van ZINK met kopertitaan gelegeerd. van SPAANSE natuurleien met homologatie. van BLADKOPER.

St.-Pleterskaai 31

8000 BRUGGE

Tel. (050)32 29 41

Telex: 81 316 Lamino b


JAN STAS

RMLZ-DOCUMENTATIEMAP LANDSCHAPSONDERZOEK 13 = boomverzorging & boomchirurgie opnieuw bekeken + landschapsperceptie internationaal

Garniering-Stoffering Nieuwstraat 20 2180 Heide-Kalmthout B. : 03/666 58 55 NI. : 09 32 3666 5855

VOLLEDIGE RESTAURATIE (met certificaat) ZIT- en LIGMEUBELEN en MUURSTOFFERING OORSPRONKELIJKE MATERIALEN OORSPRONKELIJKE WERKWIJZE Bezoek op afspraak onze toonzaal en ons werkhuis. Vraag gratis (vrijblijvend) prijsofferte. Ook Nieuwbouw

Map nr. 4 (oktober 1985) bevat twee bijdragen : • Nieuwe inzichten in verband met boomverzorging door A. De Haeck en P. Geeroms Hoe beschermen bomen zich tegen verwondingen en infecties ? De compartimenteringstheorie van Shigo wordt getoetst aan de courante praktijk.

Volledig paardenharen vulling Originele uitgeschoren mohair velours Galonafwerking op tekening en kleur

• Visuele landschapsevaluatie en socio-culturele achtergrond : een internationale vergelijking van Derde Wereld landen door W.E.J. Tips In welke mate beïnvloedt de socio-culturele achtergrond (nationaliteit, etnie ...) de voorkeur voor bepaalde landschapstypen ? Een perceptieonderzoek made in Thailand. Met uitgebreide samenvattingen in het Nederlands, Frans en Engels. o o o o

Verzorgde offset - rijk geïllustreerd Formaat 29,7 x 21 cm Prijs per nummer : 100,- Bfr. Voor de lopende reeks (nrs. 10, 11, 12 en 13) : 300,- Bfr. Over te schrijven of te storten op rekening 000-2001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg.

Volledig op tekening gekapitoneerde rug en arm Handgebonden veren zit - donzen kussen - maatwerk Enkele materialen die wij in 198S nog ter beschikking hebben : zuivere zijden veloers, zijden stof, hand geborduurde stoffen op eigen tekening, paardenharen stof, mohairs eigen tekening eigen kleur ook uitgeschoren. verschillende Ieders, wolmoquette eigen kleur twee dikten, grote kollektie kwaliteitsstoffen. stoffen op ingedrukte tekening, copy's alle passement, erin, wol, dons, paardenhaar, natuurlijke watten.

Voor meer informatie, bel of schrijf naar : MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu BESTUUR MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel Tel. 02/513.99.20 - vragen naar L. Tack


Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Bestuur Monumenten en Landschappen

ISSN 0770-4948 4de jaargang Nr. 6 - november-december 1985

MOM M I M I \ EN «•PEN

M&L INHOUD Redactioneel

7

Het Zuiderpershuis en de zeven andere hydraulische stations in Antwerpen A. Himler

8

Het Molsbroek R. de Meirsman en P. Van den Bremt

29

Bezoekerscentrum Molsbroek Lokeren W. Slock en C. Lievens

40

Een ommekeer voor de Kemmelberg ? G. Ostyn

49 [1-20] [2] [6] [16] [17]

M&L Binnenkrant Literatuur B. M. L. -Activiteiten Wetgeving Tentoonstellingen Het Zuiderpershuis in Antwerpen (foto G. Charlier) Redactie Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmillieu, Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel. Tel. 02/513.99.20. Eindredactie : H. Stynen. Redactiesecretariaat : M. Hoflack. Administratie en promotie : L. Tack. Zetwerk : D. Torbeyns. Produktie en vormgeving : M. Ramakers. Redactiecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), E. De Temmerman (afgevaardigde van Gemeenschapsminister K. Poma), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, W. Claes, A. Demey, J. De Schepper, M. Fierlafijn, M. Hoflack, C. Lievens, H. Jult, M. Ramakers, H. Stynen, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Abonnementsvoorwaarden JAARABONNEMENT 1986 : België : 840 fr. (losse nummers verkrijgbaar voor 150 fr.) CJP'ers betalen : 720 fr. Buitenland : 980 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 0002001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding „M&L-jaarabonnement 1986". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Advertentiewerving : De Ganzerik, J. Casier, Philipstockstraat 39, 8000 Brugge - Tel. 050/33.82.20. Druk : die Keure, Brugge

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE

GEMEENSCHAP M&L 5


is de naam van een serie van zes reprodukties op prentbriefkaartformaat, die de aandacht willen vestigen op het art-nouveau- en art-décopatrimonium, dat Brussel rijk is. Het uitgangspunt van deze reeks was een aantal akwarellen van Myriam Dierickx. Zij koos enkele architecturale details en verwerkte er menselijke figuratie in. De reeks, opgeborgen in een handig mapje, kan besteld worden door overschrijving van 120 fr. op rek. nr. 000-2001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding 'Brussels detail'. Wie een M&L-abonnement cadeau doet aan vrienden, kennissen of nog familieleden, krijgt automatisch dit bekoorlijk mapje toegestuurd. Het volstaat onderstaande bon - kan ook door een berichtje - terug te sturen.

Mevrouw, Mijnheer wonende schenkt een jaarabonnement M&L aan :

wonende Na storting van 840 fr. op bovenvermelde rekening met vermelding 'M&L-cadeau' ontvang ik 'Brussels Detail'

Terug te sturen naar A.R.O.L., Bestuur Monumenten en Landschappen, t.a.v. L. Tack, Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel.


Redactioneel In twee aansluitende bijdragen wordt in dit laatste nummer van het kalenderjaar 1985 'ingezoomd' op het landschap Het Molsbroek in Lokeren. R. de Meirsman en P. Van den Bremt, Landschapsinspecteurs van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen, laten ons kennismaken met de landschappelijke gegevenheden van dit natuurgebied, deels op basis van de eigen bevindingen als verantwoordelijke inspecteurs landschapszorg, deels op basis van de resultaten van recent wetenschappelijk onderzoek in en rond het betrokken gebied. In het verlengde hiervan, en evident hiermee samengaand werden beheersmaatregelen uitgewerkt die, in combinatie met een aanvullende bescherming van het landschap, voldoende waarborgen voor de toekomst zouden moeten leveren. De v.z.w. Durme, opgericht in 1969, is de actieve motor die voor het beheer instaat en die deze initiatieven draagt. Deze v.z.w. wist ook van de Koning Boudewijnstichting steun te bekomen voor de oprichting van een bezoekerscentrum, dat het gebied op een verantwoorde wijze dient te ontsluiten. De ontwerpers C. Lievens en W. Stock van de Afdeling Architectuur van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen stellen in een aansluitende bijdrage het gebouw voor dat inmiddels gerealiseerd werd. Zij brengen tevens verslag uit over het ganse proces van de totstandkoming ervan, van overleg naar programma en uiteindelijke realisatie. Binnen het korte termijnprogramma rest nog enkel de uitvoering van de door G. Van der Linden geconcipieerde ecotuin. Het hele project toont aan wat er inhoudelijk en materieel bereikt kan worden als alle betrokken partijen van diverse pluimage zich maximaal inzetten en samenwerken. Waar het Molsbroek kadert in het programma 'Stad en dorp 1980' van de Koning Boudewijnstichting, is Het Zuiderpershuis in Antwerpen onder te brengen in het programma 'Bouwkundig Erfgoed' van dezelfde Stichting. Zoals ook vorig jaar het geval was werd in elk van de Vlaamse Provincies een werking opgezet rond een beschermd monument: animatie onder meer in de vorm van wandelzoektochten, stimuleren van en bijdragen tot de restauratie. Het betreft telkens objecten die zonder deze extra-steun, moeilijker of niet aan bod zouden komen. Uit de projecten 1985, waarover in voorgaande nummers werd bericht in de Binnenkrant, verkoos de redactie het Zuiderpershuis extra in de kijker te plaatsen. Dit merkwaardig en fascinerend monumentaal industrieel-archeologisch gebouw wordt door de Antwerpse havenspecialist A. Himler, in zijn globale context belicht en gedetailleerd geanalyseerd. We willen nog vermelden dat het gebouw momenteel geschikt gemaakt wordt om als 'thuishaven' te fungeren voor het 'Collectief Internationale Nieuwe Scène': repetitieruimte, administratie en occasionele voorstellingen, een bestemming waar het gebouw zich op alle niveaus uitstekend toe leent. Tenslotte stelt Guido Ostyn van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen het probleem van het landschap van de Kemmelberg beknopt voor. Deze getuigeheuvel blijkt een 'afgezette' zandbank te zijn die zijn bekendheid vooral te danken heeft aan een aantal recentere evenementen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bekleedde de berg als uitkijkpost een belangrijke strategische functie in de loopgravenoorlog. Gebrek aan hout heeft toen wel een volledige ontbossing tot gevolg gehad. In recente sportevenementen - de 24 uren van leper en de wielerwedstrijd Gent-Wevelgem - neemt de Kemmelberg opnieuw een centrale plaats in. Onder de titel 'een ommekeer voor de Kemmelberg' worden deze fenomenen gerelateerd aan de gevolgen ervan voor het inmiddels als landschap beschermde gebied, bij Koninklijk Besluit van 24 december 1979. Een lans wordt gebroken om in samenwerking met de diverse betrokken partijen de geschetste beheersopties waar te maken en indien nodig bij te sturen... . Rest ons nog de aangename plicht onze lezers prettige eindejaarsfeesten toe te wensen. M&L 7


Het Zuiderpershuis en de zeven andere hydraulische stations in Antwerpen A. Himler ingenieur

Toen de industriële toepassingen van elektriciteit in de 19de eeuw nog in het experimentele stadium verkeerden, waren er andere vormen van energiedragers in gebruik, onder andere stoom, gas en perslucht. Ook de hydraulische drijfkracht door middel van koud water onder hoge druk, behoorde daar sinds 1846 toe. Het onderwerp komt zelden ter sprake in werken over techniekgeschiedenis, al bestaan er tal van publikaties over (1). Sommige beperken zich tot een specifieke toepassing ervan, zoals de liften tot 1982 van de Eiffeltoren (1887-1889) (2) of de hefwerktuigen en lieren aan boord van schepen (3). Het systeem heeft in belangrijke mate bijgedragen tot de opgang van Antwerpen tot wereldhaven, na in de grote Engelse havens zijn degelijkheid en betrouwbaarheid bewezen te hebben. Het rond de jongste eeuwwisseling vermaarde systeem is thans vrij onbekend, maar de moderne hydraulische bewegingsinrichtingen met olie onder hoge tot zeer hoge druk, zijn er rechtstreeks van afgeleid. Te lande is het 'hart' van zo'n hydraulisch systeem met koud perswater het pershuis of hydraulisch station. In Antwerpen werden er in de periode 1865-1904 acht opgericht, en bestonden er plannen voor een negende. Daarvan zijn er thans nog drie te vinden: het Noorderpershuis (1878, hoek Indiënstraat en Kattendijkdok-Oostkaai); het tot het stapelhuis Sint-Felix (1863) behorend pershuisje (1885, Oude Leeuwenrui 27) en het Zuiderpershuis (1882, Waalsekaai 14) (4). Beide laatstgenoemde zijn beschermd als monument bij Koninklijk Besluit van respectievelijk 2 februari 1976 en 20 februari 1979. Alle drie werden als belangrijke bezienswaardigheden gekozen voor de monumententocht, ingericht door de Koning Boudewijnstichting op zondag 22 september 1985 in Antwerpen met 1000 deelnemers (5). In de hiernavolgende bijdrage wordt eerst de historische context onderzocht waarin het Zuiderpershuis ontstond en die vormbepalend was, naast de aanleiding tot de aanleg van een 5,5 kilometer lange kaaimuur langsheen de rechter Scheldeoever. Hier werden immers circa 200 havenwerktuigen geïnstalleerd, vooral walkranen en kaapstanders voor het verplaatsen van treinwagons, die van 1885 tot 1975 werden aangedreven door perswater geleverd door het Zuiderpershuis. Vervolgens wordt het werkingsprincipe van deze hydraulische technologie uiteengezet en nader toegelicht, aan de hand van de 'case-study': het Zuiderpershuis, in het ambtelijk jargon afgekort als 'ZPH', overeenkomstig het Noorderpershuis: 'NPH'.

De historische en economische context Aanleiding tot de havenverbeteringen van 1856-1885: de grote traflekgroei. In 1863 werd de Scheldetol afgekocht die door Nederland geheven werd op het goederenvervoer ingevolge het Verdrag der XXIV artikelen uit 1839. Het goederenverkeer vertoonde vanaf dat jaar van de vrije vaart op de Schelde een uitgesproken stijging, die nog versterkt werd vanaf 1871, toen Antwerpen de neutrale uitwijkhaven werd voor vele schepen tijdens de Frans-Duitse oorlog (1870-1871). Nadat de vrede hersteld was, verliep die 8

M&L

extra trafiek wel gedeeltelijk, maar een aantal vreemde handelshuizen en rederijen hadden tijdens deze korte expansieperiode blijvende contacten gelegd met het Antwerpse bedrijfsleven, wat van groot belang zou blijken. Een Franstalig werk uit 1879 geeft de trend per tien jaar vanaf 1840 in de (aangevulde) tabel 1 (6). Samengevat komt het erop neer dat in de periode 18401878 zowel het aantal schepen als de gemidddelde tonnemaat verdrievoudigde, terwijl het goederenverkeer haast negen keer groter werd. De periode van 10 jaar vanaf de vrije Scheldevaart wordt weergegeven in tabel 2 (7).


De drie nog bestaande pershuizen. Boven: zicht op het Noorderpershuis uit zuidwestelijke hoek (circa 1925). Links onder: het privé-pershuis uit 1885 aan de Oude Leeuwenrui nr. 27 voor de magazijnen Sint-Felix, Rubens-Noord en Rubens-Zuid. Inwendig gesloopt vermoedelijk circa 1932. Rechts onder: het Zuiderpershuis, accumulatorenkamer met daarachter de machinekamer met lichtkoepel in 1982. De 35 m hoge schoorsteen werd wegens bouwvalligheid gesloopt in november 1984 (foto's Technische Dienst Havenbedrijf, Stad Antwerpen).

M&L 9


Totaal

Periode 1840-1849 1850-1859 1860-1869 1870-1878

10 10 10 9

15.435 18.302 29.566 40.593

Gemiddeld per jaar 1.544 1.830 2.957 4.510

Gemiddeld per schip

Tonnemaat in B.N.T.

Aantal schepen

Aantal jaren

%

Totaal

100 119 192 292

2.424.468 3.674.875 8.225.331 18.751.644

Gemiddeld per jaar 242.447 367.487 822.533 2.083.516

%

B.N.T.

%

100 152 339 859

157 201 278 462

100 128 176 294

Vullingsgraad

92 87,40 91,90 93

% % % %

tabel 1 overzicht van de trafiekgroei van 1840 tot 1878

tabel 2 trafiekgroei over een periode van 10 jaar vanaf de vrije Scheldevaart J^ j ^ J^ (Rotterdam) kreeg in 1872 via de Nieuwe Waterweg eveneens rechtstreeks verbinding met de Noordzee. aantal aangekomen zeeschepen Belgische netto tonnemaat Gemiddeld Aanvoer Gemiddelde aanvoer per schip Afvoer Totaal goederenverkeer (aan- en afvoer) Groeifactor goederenverkeer

2553 609.353 B.N.T. 238,7 B.N.T. 588.445 t 230,5 t 250.6321 839.077 t

4797 2.062.236 B.N.T. 429,9 B.N.T. 1.861.772 t 388,1 t 397.352 t 2.259.124 t x 2,69

Bijkomende oorzaken van deze spectaculaire groei, naast de afkoop van de Scheldetol, zijn onder meer: — de snel toenemende industrialisatie, aangeduid als de Industriële Revolutie; — de uitbouw van een dicht spoorwegnet vanaf 1835, inzonderlijk het in gebruik nemen in 1843 van de verbinding Antwerpen-Keulen of 'IJzeren Rijn', omdat deze de Schelde met de Rijn verbindt. Het vervoer vergde slechts 36 uur, terwijl het per binnenschip vanuit Rotterdam naar Keulen acht dagen duurde; — ongewone aangroei van de petroleumtrafiek. Antwerpen was de eerste Europese haven waar de aardolie (aangeboord op 27.8.1859 door E. Drake in de V.S.A.) ingevoerd werd. Dat was in 1861 en vanaf eind 1863 was de Scheldestad er de belangrijkste Europese opslagplaats van geworden; — de geweldige toename van stoomschepen vanaf 1863, die het aantal zeilschepen in Antwerpen overtreffen na 1871 (8). Kortom, steeds grotere schepen en met toenemende diepgang kwamen de rivier opvaren, vooral vanaf 1852. De havenfaciliteiten waren hiertoe volkomen ontoereikend, zowel in de dokken als aan de rede. Deze situatie handhaven zou nefaste gevolgen hebben gehad voor Antwerpen (9), daar de concurrerende Noordzeehavens Hamburg, Bremen, Amsterdam, Duinkerke en Le Havre onophoudelijk verbeteringswerken uitvoerden. De Nederlandse regering financierde alle grote havenwerken (10) zoals de creatie van een haven in Vlissingen, waar de meest directe spoorweglijn naar Duitsland gesitueerd werd; Amsterdam werd in rechtstreekse verbinding met de zee gebracht (Umuiden) door het Noordzeekanaal naar de IJ (1865-1876); Antwerpens grootste concurrent 10 M&L

In 1878 wees niets op de crisissen van de volgende jaren, met wat het goederenverkeer betreft 9 % terugval in 1881 en, na een nieuwe stijging, een terugval met 3 % en een stagnatie tijdens de jaren 1885-1886; de tonnemaat viel met 6 % terug in 1881 en 9 % in 1884-1886 (7). De toestand in de Antwerpse dokken tot 1865 en 1873 (11) Voor de zeevaart bezat de stad sinds de Franse bezetting de twee zogenaamde Oude Dokken: het Kleine Dok (1811; 2,87 ha.) en het Groot Dok (1812; 7 ha; op 1.2.1878, 5,90 ha door beëindiging kaaiverbredingen sinds 1875 (18 m op Entrepótkaai en 24 m op Godefriduskaai); sinds 1885 5,73 ha na verbreding kaai bij herstelling ingestort gedeelte van Napoleonskaai op 11.5.1884). Ze werden door een sluis gescheiden van de Schelde, omdat die toen een getijdenverschil van circa 4 meter had en de dokken aldus een vrijwel constant waterpeil en stilstaand water hadden. Vanaf 10.8.1903 — 100 jaar na Napoleons decreet tot aanleg van deze dokken — worden ze Bonapartedok en Willemdok genoemd. Deze laatste benaming is te wijten aan het feit dat Willem I van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden beide dokken in volle eigendom aan de stad afstond op 12.12.1815, op voorwaarde dat de schuine hellingen (taluds) zouden worden vervangen door kaaimuren op kosten van de stad, wat pas in 1837 voltooid zou zijn. Na 1843 werd deze havenkom vlug veel te klein. In dat jaar namelijk werd in de onmiddellijke buurt (de Ankerrui) het goederenstation van de 'IJzeren Rijn' ingehuldigd. In 1847-1849 werd in het verlengde (de Oude Leeuwenrui) een afdak opgericht voor goederen die per trein aan- en afgevoerd werden. Een grondige verandering van beide straten volgde spoedig. Oude industriële gebouwen die talrijk aanwezig waren aan dit in 1847 overwelfd verlengde van de Brouwersvliet, werden omgevormd tot pakhuizen, en nieuwe magazijnen werden opgericht. Hoewel het goederenstation verdween in 1876 en de grote hangar in 1878, heeft de Oude Leeuwenrui in 1985 nog gedeeltelijk het 19de-eeuwse karakter bewaard (12). Meteen is ook de oorsprong van de benaming 'Rijnkaai',


De Zuiderdokken lussen sluiting (1.1.1967) en demping (15.7.1968 - 3.6.1969), vanuit het noorden. Het complex Zuiderpershuis bevindt zich vooraan rechts, tussen de Timmerwerfstraat en de Leuvenstraat. Die zijn schuin aangelegd omdat door laatstgenoemde de spoorlijn van de Scheldekaaien (rechts) een aftakking had, die aan de zuidkant (rechts boven) via de eveneens schuine Schaliënslraat het hoofdspoor opnieuw vervoegde. Deze beide straten gelden daarom in de volksmond nog steeds als 'wagonnekesweide'. Het hoge gebouw in de Leuvenstraat, ter hoogte van de schouw van het Zuiderpershuis (gesloopt eind november 1983 wegens bouwvalligheid) staat het pakhuis 'La Nationale', het toekomstig Museum voor Moderne Kunst. Het lagere gebouw met hel twaalfledig zaagdak bevatte van 1959 lot 1985 de elektrische pompen van hel Zuiderpershuis, naast de nog bestaande hoogspanningsposl. Op die plaats stond hel pershuis van de N. V. Compagnie Hydro-Electrique Anversoise, die in 1892-1897 perswater leverde voor de aandrijving van dynamo's in drie elektriciteitsstations (Groenplaats, Leopoldslraat en Breydelstraat) voor circa 300 aangeslotenen (luchtopname Gazet van Antwerpen).

M&L

11


Het derde door de Stad Antwerpen opgerichte pershuis. aan de noord-westhoek van het Amerikadok, kaai nr. 57. Vooraan een hydraulische grootportaalkraan van 2 ton, waarvan La Meuse er 3 leverde in 1905. Detail van de lange aquarel 'zicht op de rede van Antwerpen 1914' van J.F. Hypsos, bewaard in het Nationaal Scheepvaartmuseum in Antwerpen (foto Technische Dienst Havenbedrijf, Stad Antwerpen).

vlakbij de Schelde, tussen Bonapartesluis en Kattendijksluis, verklaard. Toen onder de Ankerrui, de Oude Leeuwenrui en de Brouwersvliet de eerste voertuigentunnel naar de Linkeroever werd aangelegd, werd de benaming Rijnplaats aan de Italiëlei op 11.9.1933 gewijzigd in Grote Tunnelplaats. Op 19.8.1856 liet het stadsbestuur graafwerken aanvatten voor de aanleg van een nieuw dok buiten de stadsomwalling: het Kattendijkdok (6,3 ha) met sluis en saskom (0,77 ha). Dit dok dat het middengedeelte vormde van het huidige in 1881 voltooide Kattendijkdok (13,73 ha groot) werd ingehuldigd door Koning Leopold I op 22.10.1860. De werken aan het daarop aansluitende Mexicodok, weldra Houtdok genoemd wegens de er behandelde trafiek, liepen van 5.11.1861 tot in 1864 (toen 5,2 ha). Intussen werd, na jarenlang geschil tussen Stad en Regering (1852-1856) op 4.10.1864 de afbraak aangevat van de 16de-eeuwse Spaanse Vesten die de stad met haar toen 118.195 inwoners op een oppervlakte van 294 ha gekneld hielden. C. Ybry uit Parijs was de enige geïnteresseerde voor de aankoop van de vestingen (voor 15.000.000,-fr.) die 154 ha besloegen en waarvan na sloping 34 ha voor haveninrichtingen moesten worden aangewend en 55 ha voor straten en openbare pleinen. Een verkavelingsplan was reeds ingediend op 9.6.1864 door Th. Van Beveren, oud-kapitein van de genie en stadsingenieur van 6.8.1863 tot zijn overlijden in 1875. Na enige 12

M&L

wijzigingen aan het plan, en na goedkeuring van het contract en het bestek door de Gemeenteraad op 28.6.1865, droeg Ybry zijn verbintenissen over aan de op 17.11.1865 in Parijs gestichte 'Société Immobilière'. De overname en het definitieve plan werden op 20.1.1866 door de Gemeenteraad goedgekeurd. Als gevolg van het contract van 1.2.1866 werd de haven aanzienlijk uitgebreid. Daartoe behoort de verbinding van beide tot dusver onafhankelijke havens, binnen en buiten de toen gesloopte vestingen. Deze werken kostten in totaal circa 17.000.000,- fr., onteigeningen inbegrepen. Daarnaast werden treinsporen langsheen een aantal kaaien aangelegd, in uitvoering van de wet van 8.7.1865 (13). De totale oppervlakte van de dokken bedroeg 16,9 ha eind 1863, en zou bij de voltooiing van de werken in 1873 reeds tot 41,84 ha opgelopen zijn. Meergelegenheid was er in 1863 aan 2.680 m kaaimuur en circa 170 m taluds. Van 1873 tot de volgende havenvergroting in 1887 was er circa 3.880 m muur en circa 2.472 m schuine helling. Deze cijfers betreffen steeds de nuttige aanleglengten, met uitsluiting van sluis- en bruggeulen en de nabijheid van de hoeken. Al deze dokken waren gevat binnen de nieuwe vestinggordel (van H.A. Brialmont, 1821-1903) volgens de wet van 8.9.1959, vanaf het Zuidkasteel uit 1567 via het tracé van de in 1969 geopende E3-ring tot Austruweel, waar


het Noordkasteel zou worden opgericht. Merkwaardig is dat de havenuitbreidingen vanaf 1887 nimmer meer het strenge patroon van haaks ten opzichte van elkaar staande dokken zullen vertonen, nagenoeg volgens de noordzuid en oost-westrichtingen, zoals bij de oudere dokken het geval is. Inzake hefwerktuigen bestond er weinig materiaal; er waren enkel handkranen (14): — 1 x 10 t (circa 1863-1885) — 1 x 12 t (1836-circa 1885) — 1 x 24 t (1853-1912) — 1 x 40 t (1867-circa 1914; hydraulisch vanaf 1878). Hier en daar stonden op de kaaien open houten afdaken, meestal van het type zoals het exemplaar uit 1877 op de Napoleonkaai aan de Willembrug en van de uitbreiding in 1893, waarvan twee gedeelten bewaard worden bij de aanleg van het recreatieterrein aldaar in 1983-1986. IJzeren afdaken verschijnen pas na 1885. De Rede tot 1877 en de nieuwe Scheldekaaien van 18771885 en 1897-1903 (15) De vroegere kaaien strekten zich uit vanaf het Zuidkasteel (Sint-Michielsbastion aan de Arsenaalstraat) stroomopwaarts tot aan de Kattendijksluis. Van het bolwerk tot aan de Bonapartesluis, verliepen ze zigzagvormig, 24 tot 49 meter breed en 1.437 m lang. De 650 m lange Rijnkaai daarentegen was enigszins hol en circa 80 m breed. De top van 157° van de in de Schelde vooruitspringende driehoek, gevormd door de Jordaenskaai en de E. Van Dijckkaai, eindigde in een kleine landtong tussen de Zakstraat en het Steen. Het had de vorm van een onregelmatige veelhoek met 5 of 6 zijden in de rivier en ongeveer omschrijfbaar door een halve cirkel. Het was circa 1.900 m 2 (0,19 ha) groot met een basis van 73 m (16), en verdween in 1883-1884 (17) bij de rechttrekking van de Scheldekaaien. Aan deze Werf, Werp of Aenwerp, waaraan de stad vermoedelijk de naam dankt, concentreerden de voornaamste los- en laadactiviteiten zich vanouds. De plaats werd evengoed Kraenenhoofd genoemd, omdat er zich vanaf minstens 1263 een vaste walkraan bevond. De aandrijving gebeurde door enkele vaste mannen, de Kraenekinders genoemd, die in een tredmolen liepen. Die eerste (?) kraan had verschillende opvolgers: in 1369, 1546 en 1664. De tweede en de derde stonden gedurende enige jaren naast elkaar, zoals uit een afbeelding uit circa 1550 blijkt. De kraan uit 1664 werd gesloopt vanaf 3.1.1811, nadat er nauwkeurige technische tekeningen in doorsnede van de buitenzijden zowel als van het mechanisme aan de binnenzijde gemaakt werden (18). Dit Kraenenhoofd stak circa 80 meter vóór de huidige kaaimuur in de Schelde uit. Het werd gespaard toen Napoleon de (primitievere) Van Dijckkaai en de Jordaenskaai liet bouwen, omdat het eventueel als geschutsbatterij kon worden ingericht. Maar later moest het verdwijnen omdat het verantwoordelijk geacht werd voor de stroomversnellingen en de verzandingen in de onmiddellijke omgeving.

De breedte van de Schelde was namelijk zeer onregelmatig. Vóór het Zuidkasteel en na de Kattendijksluis bedroeg die bij eb circa 400 m; ter hoogte van de stad varieerde de breedte tussen 590 en (aan de Werf) 270 m. Behalve van de sluismond tot de Oude Dokken werd de kaai nog onderbroken door de toegang tot de vier vlieten uit 1216-1543, die enkel geschikt waren voor de binnenvaart en die bij eb droogvielen. Alleen de Rijnkaai was geplaveid en vanaf 1870 voorzien van treinsporen en open houten afdaken die circa 0,5 ha bergruimte boden. De totale kaaioppervlakte langsheen de rede besloeg ongeveer 9 ha. Op 29.7.1870 richtte de Minister van Openbare Werken dan een commissie in die een algemeen plan moest opmaken voor de herbouw en de bouw van kaaimuren over de gehele lengte vóór Antwerpen. Een uitvoerige briefwisseling, besprekingen en conventies volgden toen tussen het Rijk, de Stad en de achtereenvolgende aannemers, die de 108 ha terrein van het te slopen 16de-eeuwse Zuidkasteel bouwrijp zouden maken. Dit waren: de Duitse bankier Strousberg, koper voor 14.000.000,- fr. op 14.10.1869; vanaf 22.12.1873 de 'Compagnie Immobilière de Belgique' die, bekrachtigd door Koninklijk Besluit van 21.5.1874, de zaak weer doorgaf aan de 'Société anonyme du Sud d'Anvers'. Op 17.4.1874 kwam de wet tot stand die de 'Conventie over de Scheldekaaien' bekrachtigde. Deze bestond uit twee delen. Het eerste dateerde van 16.1.1874, en stelde dat volgens een nieuwe richtingslijn nieuwe kaaimuren dienden gebouwd op rijkskosten tussen de Kattendijksluis en het Sint-Michielsbastion, onteigeningen inbegrepen. De Werf zou daarbij verdwijnen. De Stad zal de havenwerktuigen bekostigen, alsook de op te richten hangars en magazijnen voor goederen, wachtzalen voor reizigers, enz. Een bijkomende conventie van 14.3.1874 voorzag bovendien de aanleg van het binnenvaartdok (Ie bassin du batelage) op staatskosten en over te maken aan de Stad. De nieuwe lijnrichting van de kaaien zoals bepaald door de commissie, bestaat uit vier cirkelbogen die tangentiaal in elkaar overvloeien, samen 3.532 m lang. Deze langgerekte asymmetrische boog zal ontstaan door wegbaggeren van het Kraenenhoofd en door indijking noordelijk en zuidelijk daarvan. De kaaimuur zal dus gedeeltelijk in het water moeten worden opgetrokken. Hierdoor zouden zowel de vaargeul als de aanlegplaatsen verbeteren tot 8 meter diepgang bij laag water (aan Rijnkaai zelfs met 10-12 meter) en tot 330-350 meter breedte van het water. De 3,5 km lange muur zou meergelegenheid bieden voor minstens 50 stoomschepen van 3.000-3.500 ton, die geen tijd zouden verliezen in de sluizen bij het in- en uitvaren van het dokkencomplex. De stad drong aan op spoed, omdat de bestaande ongeschikte toestand er oorzaak van zou kunnen zijn dat de snel aan belang toenemende overzeese stoombootdiensten afgewend worden naar beter uitgeruste havens. Op 15.12.1875 keurde minister A. Beernaert het bestek goed voor het slopen van de bestaande kaaimuren en steigers buiten de nieuwe richtingslijn; het oprichten van een kaaimuur met een draagkracht van 6 ton/m 2 op vaste M&L

13


grond op een diepte van 8 m bij eb; het bouwen van een ijzeren viotbrug van 100 m bij 20 m met een toegangshelling aan de Boterrui (Steenplein) en twee van 20 m bij 10 m met dito; het bouwen van uitsparingen hiervoor in de kaaimuur; het uitvoeren van de nodige baggerwerken en het graven van de Zuidschippersdokken. De aanvankelijk tevens geplande bouw van de Scheldebrug en van het Zuidstation werd naar afzonderlijke ondernemingen verschoven. De aanbesteding had plaats op 31.5.1876. Omdat geen van de vijf ondernemingen met in totaal 19 biedingen voldoening schonk, werd er niet op ingegaan. Een nieuwe aanbesteding had plaats met gewijzigd bestek op 22.1.1877. Het was de nieuwe inschrijvende onderneming Couvreux et Hersent aan wie het werk gegund werd voor 38.275.225,- fr. Dat was de laagste inschrijving van de 14 ingediende varianten door drie aannemers. Het geselecteerde project betreft een volle muur gebouwd op caissons (zinkkisten) met behulp van perslucht. De aannemers Couvreux et Hersent hadden toen reeds tal van grote waterbouwkundige werken op hun naam staan, onder meer in Suez, Frankrijk en Algerije. Bij hun inschrijving hadden ze juist met succes de moeilijke omleidingswerken aan de Donau in Wenen beëindigd.

- tussen Boterrui en Sint-Michielsbastion circa 3 ha - ten zuiden van het bolwerk circa 12,50 ha — op de vlieten: 1,85 ha.

De uitvoering van het werk begon op 4.5.1877 en was verdeeld in vier secties. De eerste sectie werd het eerst afgewerkt en aan de stad overgedragen op 1.1.1882 omdat zij tevens de Zuiderdokken omvatte, nodig om er de binnenschepen uit de vier vlieten naar te evacueren. De bouw van de kaaimuur werd stroomopwaarts begonnen in volle rivier op circa 100 m van de oude oever, door middel van drijvende stellingen. De kaaibreedte aan het meest zuidelijke punt, dit is 550 m stroomopwaarts vanaf de Zuidersluis, werd 90 m, geleidelijk toenemend tot 100 m vanaf de Arsenaalstraat, tot aan de Kattendijksluis. Deze strook werd onderverdeeld in een gedeelte van 70 a 80 m breed en een van 20 m. Eerstgenoemd omvat de voorkaaien met kranen en treinsporen, de ijzeren afdaken met (toen) treinsporen en daarachter de twee hoofdsporen en nevensporen. Aan de andere zijde van het smeedijzeren hekken lag het gebied voor de voertuigen en voetgangers. Alles samen betekende het een oppervlakte van 32 ha, wat de onteigening vergde van circa 8,5 ha met 599 huizen. Alléén het Steen, met delen van de oude burchtmuur uit de 12de eeuw, ontkwam aan de sloping in de vrij te maken strook. Het werd zelfs hersteld en met een vleugel vergroot, waarna het op 12.8.1890 als Museum voor Oudheden geopend werd. Door het wegbaggeren van de Werf en de oude kaaien vanaf de Koolvliet tot aan de Boterrui (sedert 1893 ook Suikerrui genoemd), zijn 1,41 ha verloren gegaan. Anderzijds echter werd circa 19 ha grond bijgewonnen (19): — op de rivier: - aan de Rijnkaai circa 0,98 ha - tussen Bonapartesluis en Koolvliet circa 0,60 ha

Het begin van de economische hausse viel samen met de verdere verlenging zuidwaarts (21) van de kaaimuur met 2.000 m. Dat gebeurde in 1897-1903 op dezelfde wijze door Hersent et Fils uit Parijs. De kosten werden ook hier door het Rijk gedragen. De Stad deed het nodige voor de bestrating, de havenloodsen, de magazijnen en het opstellen van de walkranen. Deze laatste, zowel als de hangars en spoorwegverbindingen, waren echter van een heel ander type om de ontzettend drukke voorkaai optimaal te kunnen benutten. Omdat de 5,5 km lange kaaimuur aldus in twee stukken verwezenlijkt werd, bleven gedurende vele jaren de benamingen Oude Scheldekaaien en Nieuwe Scheldekaaien in gebruik. De uitdrukkingen blijven bewaard in oudere werken over de Antwerpse haven, maar thans spreekt men over de Noordelijke kaaimuur en de Zuidelijke kaaimuur, die onmerkbaar in elkaar overgaan ter hoogte van afdak nr. 12 (22).

14

M&L

Hoewel de werken in feite volledig voltooid waren in 1884, besliste de Staat ingevolge het buitengewoon hoge tij van 12.12.1883 met niveau van + 6,60 m, de kaaien met 0,30 m te verhogen, dus tot 6,80 m. Dit gebeurde vanaf april 1884 op Rijkskosten (20). Op 26.7.1885 werden de voltooide Scheldekaaien ingehuldigd door Koning Leopold II en Koningin Maria-Henrietta. Door deze en andere bijkomende kosten liep de totale rekening van de aannemer op tot 44.314.668,- fr. Samen met de onteigeningen (circa 24 miljoen), de verwerving van terreinen voor de Zuiderdokken en een strook van 45 meter langsheen de Schelde van de S.A. du Sud d'Anvers (2,87 miljoen), de uitrusting van de kaaien (afdaken, sporen, perswaterleidingen, kranen,...: 7,4 miljoen) en het Zuidstation (5 miljoen), kostte dit geweldig project het toen enorme bedrag van 83,6 miljoen. Naarmate de secties aan de Stad overgedragen werden, kon deze ze geleidelijk aan uitrusten met afdaken, kranen en kaapstanders.

De urbanisatie van het Zuid. De stedebouw op het Zuid is onafscheidbaar verbonden met de hierboven beschreven algemene verbetering van de haveninstallaties langsheen de rede. In het contract van de verkoop van 14.10.1869 aan Strousberg, is bepaald dat de citadel moet worden gesloopt en dat op de vrijgekomen 108 hectare een nieuwe stadswijk met minstens 49 ha havengebied dient aangelegd. Bovendien moest de koper 10 ha terug aan het Rijk overdragen, bestemd voor een spoorwegstation (23). Het Zuidkasteel met toebehoren bestreek het terrein tussen de Amerikalei en de Waalsekaai enerzijds, en van de Scheldestraat, het Marnixplein en de De Vrièrestraat tot de Jan Van Gentstraat en de Bolivarplaats anderzijds.


jfctfttde-

<Ztl' cöfe.

c&ts (fcca.^

wccl/o

Het Zuiderpershuis, ontwerp van de gevel voor de accumulatorenkamer, Waalsekaai 14. In het midden een kopie van de Herakles Farnese door Glycon van Athene. Detail van het plan bij het lastenkohier van 11.8.1881. Ernaast: de accumulatoren van hel pershuis aan kaai nr. 57. Ontwerptekening bij het afzonderlijk lastenkohier van 1905 (foto's Technische Dienst Havenbedrijf, Stad Antwerpen).

De eerste houweelslag tot het afbreken van het Zuidkasteel zou evenwel pas gegeven worden op 17.8.1874, door Koning Leopold II. De elders door financiële tegenslagen geteisterde Strousberg had het terrein namelijk ongewijzigd van de hand gedaan op 22.12.1873. De S.A. du Sud d'Anvers, die uiteindelijk het terrein verwierf, was voor de helft der aandelen bezit van de Stad. Deze had ruime inspraak en nam de verbreding van de Boeksteeg op zich, die dan vanaf 1879 als de brede en haast rechte Nationalestraat de verbinding van de nieuwe wijk met het stadscentrum verzekert. In deze wijk werd het idee van wonen en werken in dezelfde buurt verwezenlijkt. De onmiddellijke omgeving van de (in

1968-1969 gedempte) Zuiderdokken tot de rivier was in hoofdzaak voor de havengebonden bedrijven, maar ook een (nu verdwenen) suikerfabriek en de vismijn kregen daar een geschikte plaats (24). Het stratenplan is hier rechthoekig, maar wordt doorsneden door enige schuine straten. Dat was volgens de planmakers nodig opdat de goederentreinen langsheen de Scheldekaaien geen kostbaar tijdverlies zouden hebben bij het wachten voor de gesloten brug over het benedenhoofd (rivierkant) van de sluis der Zuiderdokken. Langs de lus doorheen die schuine straten en over de brug van het bovenhoofd (dokzijde) kon de trein zich aldus ongehinderd verder haasten (15). M&L

15


De straten aan de andere zijde van de Zuiderdokken werden hoofdzakelijk aangelegd als woonstraten met een voor Antwerpen en de randgemeenten uniek en fraai stratenpatroon. Het is geïnspireerd door de opvattingen van stedebouw voor Parijs door G.E. Haussmann (18091891) onder Napoleon III, met het scheppen van brede boulevards met fraaie perspectieven op belangrijke grote gebouwen en monumenten (25). In die beginperiode zijn dat er slechts drie: het gedenkteken 'Vrijmaking der Schelde' (1879-1883) op het Marnixplein, iets verderop het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (18841887) als middelpunt van de woonzone, en het Zuidstation (1896-1898, gesloopt in 1969) dat als afsluiting ervan fungeerde. Het vierde grote en imposante gebouw uit die tijd, het Zuiderpershuis (1882-1883), bevindt zich vreemd genoeg niet op zo'n aslijn. Het staat op een schijnbaar willekeurige plaats langsheen de westelijke kaai van de dokken (1881) tussen pakhuizen en andere industriële gebouwen van havengebonden bedrijven, en enkele drankgelegenheden. Rondom deze dokken zijn weliswaar tal van gebouwen in verzorgde architectuur opgericht. Vele zijn nu verwaarloosd, maar aan de Vlaamse kaai zijn enkele gevels uit 1906 mooi opgepoetst. Merkwaardig is het zich herhalend schema van huizenblokken aan de Vlaamse kaai tussen Scheldestraat en de Gillisplaats (waar de Waterpoort uit 1624 in 1936 werd heengebracht en herbouwd) en op de Waalsekaai nr. 61-62. Een groot fraai en symmetrisch uitgewerkt complex van woningen en pakhuizen met 32-38 m gevelbreedte en onderling alle verschillend, vormt het middenstuk. De Zuiderdokken hebben een langdradige wordingsgeschiedenis (26) die in het kort op het volgende neerkomt: de voorziene wateroppervlakte moest circa 4 ha bedragen. Ze moest dienen om de schepen te herbergen, die bij de overkluizing van de vier vlieten verdreven zullen worden. Rijnschepen met hun 66 m lengte zouden naar de noordelijke dokken verwezen worden. Daardoor verviel de enorme waterplas van circa 18 ha uit het Koninklijk Besluit van 5.5.1871 voorgesteld door Strousberg en gesitueerd tussen het Bolivarplein en het Kiel, in de vorm van een gestileerde hand met vier vingers. Later volgde een ontwerp met één langgerekt dok van 4 ha vanaf de Zuidersluis tot het kruispunt Volkstraat-Karel Rogierstraat, dus ongeveer evenwijdig met de Verschansingstraat, in een diagonaal stratenpatroon. Tenslotte viel de keuze op het ontwerp van 2.9.1874 van de S.A. du Sud, bekrachtigd bij Koninklijk Besluit van 18.9.1875. Het werden drie dokken, ongeveer evenwijdig met de rivier, van noord naar zuid: Kooldok (1,23 ha), Zuidschippersdok (1,74 ha) met sluis en saskom (0,19 ha), Steendok (1,13 ha). De saskom ligt precies op de plaats waar de militaire sluis van de vestinggracht lag. Tal van straatnamen op het Zuid herinneren aan de verdwenen burcht: Kasteelstraat, Kasteelpleinstraat, Verschansingstraat, Belegstraat, Bresstraat, Bestromingstraat. Batterijstraat, Gijzelaarsstraat. Andere gedenken grote figuren of feiten uit het Geuzenverleden: Graaf van Egmont, Graaf van Hoorne, (Willem de) Zwijger, 16

M&L

Marnix, Admiraal de Boisot, Geuzen, Pacificatie, naast Bolivar (1783-1830), bevrijder van het Spaanse juk in Zuid-Amerika. Tijdgenoten beklemtonen dat deze stadsvergroting ingevolge het contract van verkoop bevestigd door de wet van 10.1.1870, enkel genoodzaakt werd door onvoldoende Scheldekaaien en andere haveninrichtingen en niet door bevolkingstoename (27). Antwerpen telde in 1869 namelijk 126.064 inwoners en met die van Berchem en Borgerhout erbij waren dat er circa 150.000 binnen de omwalling. Daarvoor was nog ruim plaats genoeg binnen de immers pas in 1864 fel vergrote oppervlakte. Bovendien bevond men zich bij de aanvang van de sloping van het Zuidkasteel in het begin van de malaiseperiode 1873-1896, met de landbouwcrisis van 1878 in Nederland en België en de begeleidende verschijnselen. Diepgaande crisis heerste in 1878-1879 en 1887-1894 en de hausse kwam pas na 1896 (28). Die inzinking is opvallend voor 1884-1886 op de grafiek van het zeevaartverkeer en goederenverkeer (29). Het Zuid, opgevat als residentieel kwartier, lag er maar triest bij: volgens kroniekschrijver Horemans als 'de woestijn die de tentoonstelling van 1885 had nagelaten, vage gronden waarop zich de hele woelige kinderbent uit de omtrek uitleefde...'. Het zou inderdaad nog vele jaren duren vooraleer het Zuid een behoorlijk bewoonbaar stadsdeel zou worden (30). De reeds genoemde grote gebouwen aldaar kregen pas veel later waardig gezelschap: de synagoog (1893), de kerk van Sint-Michel en Sint-Petrus (1893-1897), het Hoger Handelsgesticht (1893-1897), de Vismarkt (1892-1894), het Liberale Volkshuis 'Hulp U Zelve' (1898-1900), het Hippodroom (1902, gesloopt in 1973) naast het gedenkteken baron A. Lambermont (1911-1912) en dat van baron Dhanis (1913). De grote havenwerken die hier beschouwd werden, vallen juist in die crisisperiode en waren stellig een heilzaam middel om velen van werkeloosheid te vrijwaren. Een hefboom die voor de heropleving kon dienen, zonder dat zulks in de voorafgaande roesvolle tijd van spectaculaire havenopgang zo kon worden voorzien.

De waterpershuizen Wijzigende oplossing voor stijgende energievraag De toenemende havenactiviteiten in Antwerpen vanaf 1863 en de daaruit voortvloeiende verbetering en groei van de haveninrichtingen, vergden betere en vluggere hijswerktuigen dan de enkele zware stadskranen met handbewegingen en de primitieve driepikkels met katrol ('bikken'), die eigendom waren van de scheepsladers en -lossers en boven de open luiken opgesteld werden. Daarom werd hier in 1865 een volkomen nieuwe technologie geïntroduceerd, die snel aan belang won in magazijnen, spoorwegstations en op de kaaien.


Details van hel Zuiderpershuis. Links: accumulator ballastkist (cf. schema p. 25). Rechts: assedeur van de fabrieksschouw. Onder: bergplaats voor steenkolen, met stuk van wagenweegschaal links voor en op de achtergrond rekken voor het ophangen van reservehijskettingen van hydraulische kranen (fotobureau Focus & Herman Selleslaghs).

I \ t -—-——:

l

t

M&L

17


pv, ^

J/

\

/

/

N

x »

K/ ^'

f

AA ^

^

^•L.^ .^

i

W A

/ /

4

>f

•

x.

•

s^ \ " ••' ' ^ s ^

^ ^ *

y

/

^

1 | !

I^HK^.

^

'

ilfl

^P>^H

.X

Bovenlicht van de stoommachinehal van het Zuiderpershuis (fotobureau Focus & Herman Selleslaghs).

Binnenkoer van Zuiderpershuis met ingang tot draaierij-paswerkerij. De twee buizen in de lucht zijn waterpersleidingen (fotoburcau Focus & Herman Selleslaghs).

mJll 11

Mi 5.

# Il

18

M&L

-

'1


Van privé-zijde kwam het initiatief om een Engelse spitstechnologie in te voeren: energieverdeling over afstand vanuit een centrale, door middel van onder druk gezet koud water. Het was de Compagnie des Docks-Entrepóts d'Anvers die in haar grootste pakhuis, het Koninklijk Stapelhuis (toen 45.000 m2 stapeloppervlakte, voor 57.000 ton goederen) in 1865 een hydraulische centrale inrichtte en enkele met het perswater bewogen hefwerktuigen installeerde. Het uitbatingsresultaat was zo goed, dat de vennootschap op 8.1.1866 aan de stad voorstelde om de kaaien van de dokken, die toen alle vlakbij lagen, van walkranen te voorzien die zouden worden bewogen uit haar waterpershuis en door haar zouden worden uitgebaat. Na uitvoerige briefwisseling en studie besloot de Gemeenteraad op 29.8.1872 het voorstel af te wijzen en 'het College te gelasten bij de Stadsingenieur aan te dringen van zonder verwijl het verslag zijner reis, in de bijzonderste havensteden van Europa gedaan, juist om er de haveninrichtingen te bestuderen, in te dienen met stellige voorstellen tot het vervolledigen van de bestaande haveninrichtingen' (31). Twee energie-systemen kwamen in aanmerking voor gebruik in de Antwerpse haven: stoom dat alleen toepasbaar was voor de kranen, of waterdruk waarmee ook bruggen en sluizen konden worden bediend. In 1877 werd gekozen voor het waterdruksysteem, voornamelijk omwille van de ruimere toepassingsmogelijkheden en het kleinere brandgevaar. Intussen had de staat sinds 1873 voor het spoorwegstation Antwerpen-Dokken een pershuis ingericht voor 46 kranen en 30 kaapstanders. Door de voordelen van deze grotere en zwaardere installatie, bleven navolgingen niet lang uit. Tot 1904 werden in Antwerpen aldus acht pershuizen gebouwd. In tabel 3 worden ze overzichtelijk met installatie en afhankelijkheden vermeld. De eerstgebouwde verdween ook het eerst, door de verwoestende brand van 5.6.1901, want bij de herbouw van het Koninklijk Stapelhuis in 1902 werd elektriciteit als drijfkracht gekozen. De stad bouwde er drie, alle voor de haven, waarvan er twee het langst in Antwerpen in bedrijf bleven: het Noorderpershuis, van 1878 tot 1975, en het Zuiderpershuis van 1883 tot 1977. Eerstgenoemde bediende de havenwerktuigen van de noorderdokken tot de zuidkant van de Royerssluis (1907) en van het Lefebvredok (1887). Het leidingnet was 24 km lang (32). De tweede bevoorraadde de hydraulische tuigen langsheen de eerst 3,5 km lange, maar na 1903 5,5 km lange Scheldekaaien langs 15 km leidingen. Op 20.10.1886 werden beide circuits met elkaar verbonden om voor het gehele gebied een enigszins gelijkmatige druk te bekomen. Het verlies was namelijk aanzienlijk: 13,3 % per 6 km volgens meting bij de N.V. Compagnie Hydro-Electrique Anversoise (33) en 15 m3/h of 131.400 nrVjaar in de haven (34). Het derde door de stad gebouwde pershuis bevond zich even ten noorden van de Royerssluis aan kaai nr. 57 van het Amerikadok, en leverde de energie voor een draaibrug en een 30-tal kranen verspreid over 6 km rond het genoemd dok, tot de elektrificatie van dat gebied in 1926.

Aan de keuze door de stad waren enkele andere opties voorafgegaan. Zo onderzocht het College op 21.5.1861 het voorstel van Cockerill voor de bouw van kranen met perslucht (35). In afwachting van de invoering van de hydraulische energieverdeling voor havenwerktuigen door koud dokwater onder een druk van circa 50 bar (kg/cm2) (op 24.11.1878 voor bruggen, sluisdeuren, magazijnliften, kranen, kraanbok 120 t en rioolschuiven), kocht de Stad een aantal Engelse stoomkranen voor kolen- en ertsbehandeling rond het Asiadok. In 1877 stonden er drie en het jaar daarop zes; maar door veelvuldige sabotage werden ze de eerste jaren weinig gebruikt. Bij de aankoop kostten ze 15.583,-fr./stuk maar in 1886 worden ze verkocht tegen 600,-fr. Ze bleken veel duurder in uitbating en onderhoud dan de eveneens over sporen verrijdbare hydraulische kranen van 1,5 t en 2 t, waarvan de eerste zes aan 11.765,-fr./stuk op de Entrepotkaai verschenen eind 1878. De Stad kocht tussen 1878 en 1912, 335 op sporen verplaatsbare hydraulische walkranen van 1,5 en 2 ton. De meeste waren geschikt voor verdubbeling van de hijskracht op halve reikwijdte, door een bijkomend wiel in het midden van de arm of giek. De laatste 34 walkranen werden op 1.1.1975 buiten dienst gesteld. Twee modellen, de meest voorkomende portaalkraan nr. 111 (1907), waarvan 226 stuks aangeschaft werden, en een portaalpyramidekraan of 'kemel' nr. 97 (1912) zoals er 20 werkten, werden op 24.4.1975 als merkwaardig industrieel antiek ter hoogte van het noorderwandelterras aan het Steen neergezet. Een ouder type van 'kemel', nr. 126 (1902), werd verkocht aan het Maritiem Museum 'Prins Hendrik' in Rotterdam en vertrok op 26 april 1985. Daar waren er namelijk geen bewaard gebleven en ook het enige pershuis aldaar, aan de Binnenhaven-Oostkaai, werd reeds lang geleden gesloopt. Naast die walkranen werkten in Antwerpen diverse zwaardere vaste hydraulische hefwerktuigen: een kraanbok van 120 ton (1878-1935), twee kranen van 40 ton en twee van 10 ton, alsook een 'kolentip' (1897-circa 1925) die een treinwagon van 25 ton omhoog voerde en de lading van 15 ton dan in een binnenschip kiepte aan het Kempisch dok, kaai nr. 35. Elektrische kranen werden in Antwerpen geïntroduceerd in 1908 en wel meteen 80 stuks, wat op een enorm vertrouwen in de nieuwe energievorm wijst. Vanaf 1930 overtroffen zij de hydraulische kranen in aantal, dat toen tot 291 teruggelopen was. Het hoogste aantal elektrische stadskranen werd bereikt in 1963 met 386 stuks, toen er nog 113 hydraulische waren (36). Water als energie-overbrenger De hydraulische technologie voor beweging van hefwerktuigen door middel van onder druk gezet koud water (géén samengeperst water !) werd ontwikkeld vanaf circa 1850. Die hefwerktuigen waren uitvindingen van ir. Sir W.G. Armstrong, de beroemde Engelse werktuigkundige en kanonnenbouwer uit Newcastle-upon-Tyne (1810-1900). M&L

19


Oorspronkelijk dreef hij de door hem ontwikkelde hijswerktuigen aan met perswater dat afkomstig was van een watertoren. Dat was vanaf 1846. De 103 meter hoge, in 1852 door J.W. Wild gebouwde toren, naar het voorbeeld van het Palezzo Pubblico in Siena, voor de havenwerktuigen in Grimsby (Oost-Engeland) en thans enkel nog gebruikt voor het spuien van de dokken, is er één van (37). Maar reeds in 1851 vond Armstrong de accumulator (vergaarder) uit, waarmee hij zijn systeem naar tal van grote havensteden kon exporteren: Liverpool, London, Glasgow, Marseille, Antwerpen (1865), Rotterdam (1878), Amsterdam (1886), Gent, Buenos Aires, e.a. In 1873 werkten reeds meer dan 600 van zijn 'waterkranen' in Engelse havens. De accumulator kon in een veel lager gebouw ondergebracht worden, wat de bouwkosten aanzienlijk reduceerde en het tevens mogelijk maakte op minder vaste bouwgronden zo'n energiecentrale neer te zetten. Zo'n accumulator is in feite een waterpers zoals uitgevonden door Pascal in 1653. Die bewees daarmee dat een druk uitgeoefend op een vloeistof zich in alle richtingen gelijkmatig voortplant. Het volstaat dus om in een gesloten hydraulisch systeem (water, later olie) op één plaats op een kleine oppervlakte een aanzienlijke druk uit te oefenen door middel van een plunjer of zuiger in een pompcilinder, opdat die druk zonder veel verlies elders in het systeem kan worden 'afgetapt'. In toepassing hiervan construeerde de Engelse ingenieur Bramah in 1797 de eerste industriële waterpers die, nauwelijks gewijzigd, tot ver in de 20ste eeuw toegepast werd om wol, katoen, hooi, turf, in omvang te verkleinen en om olie uit zaden en suikerhoudend sap uit bieten te drijven. Daar de druk een kracht is per oppervlakte-eenheid (kg/cm2 bijvoorbeeld) volstaat het op het verbruikspunt een zuiger te installeren, waarvan de oppervlakte voldoende groot is om de gewenste kracht op te vangen en door te geven. Bij de accumulator van Armstrong wordt een betrekkelijk kleine hoeveelheid water (0,6 - 1,5 m 3 ) door een pomp onder druk gezet in een verticaal opgestelde cilinder. De inhoud hiervan kan verkleind worden door het zakken van een met ballast verzwaarde zuiger, die langs boven op de vloeistof een tegendruk geeft. Het langs onderaan weggestuwde perswater werd als drijfkracht doorheen zware ondergrondse leidingen naar de verschillende haveninstallatie gevoerd. In Engeland werd als werkingsdruk 700 pond per vierkante duim gekozen, of 47,62 atm of 49,19 kg/cm2, wat aanvankelijk ook voor Antwerpen gold. Vanaf 1910 wordt hier echter 50 atm vermeld als te behouden drukking, die te vermeerderen is met 1 atm wegens wrijvingsverlies door inschakeling van de accumulator. Diens zweven betekent dus circa 2 % rendementsverlies en de persdruk aan de pomp bedraagt daarom theoretisch 51 atm of 52,68 kg/cm2. De zuiger van de twee accumulatoren in het Zuiderpershuis hebben een diameter van 507,5 mm; de oppervlakte is dus 2022 cm 2 , zodat eigen gewicht en ballast oorspronkelijk samen Hiernaast: voorgevel van het Zuiderpershuis in 1985 (foto G. Charlicr).

20

M&L

99,45 t moesten wegen. Met de slaglengte van 7.167 mm bedraagt de waterinhoud van een dergelijke buffer 1.449 1. De zuiger is hol, weegt circa 4,2 t en draagt bovenaan een driearmig juk van circa 3,1 t, waaraan door middel van 12 bouten de ballastkist hangt. Deze is uitgevoerd als een holle plaatstalen cilinder, 3,025 m 0/1,10 m 0 x 7 m, en bevat ijzerslakken of beton als ballast. In de onderste stand rust deze houder op enkele steunen. Men ziet dan dus enkel de ballastkist, maar niet de erdoor omhulde eigenlijke accumulator. De armen van het juk bewegen zich in drie verticale U-vormige geleidingsprofielen. Nabij de zoldering bevinden zich twee zware overspannende balken (76 cm bij 38 cm) waar de zuiger bij demontage tegen gevoerd wordt door middel van (via een smoorklep) verminderde waterdruk en een takel, na het losmaken van de ballastkist en de verwijdering van het juk (38). Het systeem is het beste te vergelijken met een verticaal gehouden fietspomp, waar langs onder water ingespoten wordt. Daardoor gaat de zuiger stijgen en uiteraard ook het handvat, dat met de ballastkist kan vergeleken worden. In de bovenste stand gekomen werd via een overbrengingssysteem de perspomp stilgelegd. Anders zou de zuiger met stang en ballastkist dwars door het dak gedrukt zijn, met een opwaartse kracht van circa 100 ton. Als de zuiger weer wat gezakt was, door verbruik van perswater (dat in Antwerpen niet gerecupereerd werd, maar in de dokken geloosd) door de toestellen, werd de perspomp weer in gang gezet. In de praktijk veerde de ballastkist rond de verticale watercilinder voortdurend zachtjes op en neer, het evenwicht zoekend tussen het toegevoerde en het afgenomen water. Het kon dan ook nimmer met een klap omlaag komen, zoals een toekomstig architect in 1978 naast tal van andere fouten in zijn scriptie schreef over het monumentale Zuiderpershuis. Op grond daarvan beweerde hij verder dat daarom de zware natuursteen aldaar noodzakelijk was (39). De enige reden voor aanwending van de natuursteen, die slechts de voorgevel van dit in feite bakstenen gebouw bekleedt, was om als blikvanger te dienen in een buurt die als een residentieel kwartier gepland was. Daarvan getuigt ook het daar staand Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, waarvan de stoere constructie evenmin nodig is om er de schilderijen in te kunnen herbergen. Overigens werden vrijwel alle pershuizen in binnen- en buitenland opgetrokken in gewone baksteen. Begrijpelijke uitzonderingen gelden slechts waar natuursteen overvloedig voorradig is, zoals voor de pershuizen voor de vier scheepsliften van het Centrumkanaal tussen Mons en La Louvière: één uit 1888 en drie uit 1917. De 27 pershuizen die in London verrezen, zijn alle in baksteen, zoals dat aan de zuid-oostkant van de Tower Bridge uit 1894 werkend tot 1977 en nu ingericht als museum. Vandaar dat ook het privé-pershuis aan de Oude Leeuwenrui 27 uit baksteen gebouwd werd, net als het eerste dat de Stad oprichtte voor haveninstallaties, het Noorderpershuis.


Tabel 3 met de acht in 1865-1906 opgerichte hydraulische centrales en één gepland onderstation te Antwerpen (*). Benaming (bouwjaar)

Ligging

In bedrijf van

tot

1

'Presse hydraulique' (hydraulische pers, accumulator) in het Koninklijk Stapelhuis of Entrepot (1830-1832). Afgebrand op 5.6.1901. Eigenaar : 1830 : Belgische Staat. 1865 : Compagnie des DocksEntrepóts et Magasins d'Anvers. Vanaf 1.1.1884 : Stad Antwerpen.

Ankerrui 17 (op de plaats van de huidige hoofdingang tot het complex, zuid-westhoek).

1865.

5.6.1901 (t.g.v. de grote brand).

2

Spoorwegstation "Antwerpen-Dokken'(1873). Eigenaar : Spoorwegen.

Noorderplaats nr. 2.

1874.

? (ca. 1900?).

3

Noorderpershuis (1877-1878). Eigenaar : Stad Antwerpen.

Kattendijkdok, Oostkaai nr. 1,2,3 (hoek Indiënstraat 1, 3,5).

24.11.1878.

Walkranen tot op 31.12.1974, Gevelkranen in magazijnen (§ 5) tot 20.12.1975.

4

Zuiderpershuis (1882-1883). Eigenaar : Stad Antwerpen.

Waalsekaai nr. 14.

Bruggen vanaf 1883. Walkranen vanaf 1.5.1885.

Walkranen tot op 31.12.1974. Nassaubrug tot op 27.6.1977.

5

Pershuis van de magazijnen St.-Felix(1863). Rubens-Noord en Rubens-Zuid (ca. 1860). Eigenaar : Compagnie des Docks, Entrepots & Magasins généraux d'Anvers. Na 16.12.1912 : Stad Antwerpen.

Oude Leeuwenrui nr. 27 (in 1884 eerst Aerdendijk nr. 78, dan Oude Leeuwenrui nr. 21).

1885.

Ca. 1930-1935 (Het leidingsnet der magazijnen werd dan gekoppeld aan dat van het Noorderpershuis).

6

Zuidstation (1896-1898). Gesloopt in 1965. Eigenaar : Spoorwegen.

Bolivarplaats.

Alleen de gebouwen. De twee accumulatortorens die de westbouw flankeren werden niet ingericht wegens de overgang op elektriciteit.

7

Hydraulische fabriek van de N. V. Compagnie Hydro-Electrique Anversoise. Gesloopt. Eigenaar : Compagnie Hydro-Electrique Anversoise N.V. (o.l.v. de brevethouder der waterturbines Prof. F. Van Rysselberghe, vanaf de oprichting op 20.9.1892 tot zijn overlijden op 14.2.1893).

Timmerwerfstraat nr. 8-36 en Cockerillkaai 7-8-9 (palend aan de noorderzijde van het Zuiderpershuis).

Mei 1894.

Januari 1900. (opgeslorpt door de Compagnie Electrique Anversoise, opgericht op 6.7.1898).

8

Pershuis (1904-1905 ; accumulatortoren 1905-1906) aan kaai nr. 57. Vergroot in 1911, gesloopt na 1928. Eigenaar : Stad Antwerpen.

Amerikadok, kaai nr. 57 (noord-westhoek).

1907.

1926 (Wegens elektrificering van het gebied).

Geplande accumulator in het Hansahuis (1564-1568) na inrichting als experimenteel graanmagazijn in 1884-1886. Afgebrand op 10.12.1893. Eigenaar : Sinds 1881 : Stad Antwerpen.

Hanzestedenplaats : schiereiland tussen Bonapartedok (1811) en Willemdok (1812).

Project onuitgevoerd door de verwoestende brand. Wegens bestendig onvoldoende druk werd op 20.10.1886 het leidingsnet van het Noorderpershuis verbonden met dat van het Zuiderpershuis, en in 1889 werd een rechtstreekse leiding dus korter vanaf het Noorderpershuis aangelegd, maar beide ingrepen hielpen weinig.

(*) Bronnen :§ 1. G. Royers, e.a.,/Invers,/>o«demer Bruxelles 1885, p. 173, 200-203.— § 2. Idem, p. 173, 209, 211-215.— § 3. Idem. p. 171-172. — § 4. Idem, p. 173-174. — § 5. Stadsarchief Antwerpen, bundel MA 3597/51/20. — § 6. Als § 1, p. 211. — § 7. Stad Antwerpen, Antwerpen 18601960, 1960, p. 387 ; Stad Antwerpen, 100 jaar Zuid, 1874-1974, p. 122-123 ; M. De Schampheleire in Industriële revoluties in de provincie Antwerpen (o.l.v. R. Baetens), Antwerpen 1984, p. 416-418. — § 8. Stadsarchief Antwerpen, bundels MA 962/14/3 C (gebouw, inwendig 7,25 m x 19,50 m x h 8,2 m) en MA 1358/2/2 (achthoekige accumulatortoren met 12,86 m hoge muren en een puntdak). Voorde andere jaren zie A. Himler, Koudwaterdruk voor havenwerktuigen te Antwerpen, in Antwerpen, tijdschrift der Stad Antwerpen, XXIe jg, nr. 1/1975, p. 41-50. 56-57, alwaar ook verdere bronvermeldingen.

22

M&L


Geïnstalleerd vermogen (1 pk = 0,736 kW) en aantal accumulatoren

Afhankelijke werktuigen

Horizontale stoommachine met twee cilinders, zonder condensatie, 50 pk. Twee perspompen van 780 l/min. Eén accumulator (428 mm 0 en 4,65 m slaglengte, dus 669 1 waterinhoud), massa (**) ca. 70,74 t. Na de brand gerecupereerd, zie § 8.

10 kranen voor 900 kg. 7 liften voor 1.400 kg. 1 'jigger' (windas) op wielen voor 600 kg (z.o. § 5). (Na de brand alleen elektrische hefwerktuigen, 24 stuks van 600-1500 kg).

Twee horizontale expansiestoommachines, samen 75 pk, die afzonderlijk kunnen werken. Max. 60 omw./min. Twee perspompen van 708 l/min. Eén accumulator (430 mm 0 en 5,18 m slaglengte ; 745 1) ; massa (**) ca. 71,40 t.

21 kranen voor 1.000 kg.; 17 kranen voor 1.500 kg.; 3 kranen voor 2.000 kg.; 4 kranen voor 5.000 kg.; 1 kraan voor 10.000 kg.; 25 kaapstanders voor 408 kg.; 5 kaapstanders (voor 2,5 t/5 t ?).

In 1878 : één horizontale expansiestoommachine, 150 pk, max. 60 omw./ min. In 1886 de tweede en in 1892 de derde van 150 pk. In 1930-1932 sloping stoominrichtingen en installatie van vier elektrisch gedreven centrifugaalpompen : 2 x 155 m3/h (315 pk) + 2 x 105 m3/h (215 pk), samen 1.060 pk. In 1878 één accumulator (507,5 mm 0 en 7,167 m slaglengte ; 1.449 1), massa (**) ca. 99,45 t. Van 1881 tot ca. 1930 twee accumulatoren. De tweede accumulator werd gesloopt in april 1976.

In 1878 : 3 kranen 1,51/0,75 t (Entrepótkaai aan Willemdok). In 1885 :14 kranen 1,51/0,75 t.; 1 kraan 21/0,75 t.; 2 kranen 40 t.; 1 kraanbok 120 t.; 7 draaibruggen en 1 rolbrug; ca. 20 kaapstanders; 10 sluisdeurmechanismen. In 1910 : 156 kranen 1,5 tof 2 t.; 1 kraan 10 t.; 2 kranen 20 t ; 2 kranen 40 t.; 1 kraanbok 120 t.; 1 wagonlift 25 t voor 15 t kolenlading.; 9 draaibruggen, 1 hefbrug en 2 rolbruggen; ca. 35 kaapstanders; 10 sluisdeurmechanismen. Leidingsnet max. 24 km.

In 1882 : 2 compoundstoommachines, elk 200 pk, voor 2 pompen van 1.820 1/rain. 1902-eind 1921 :1 elektrische pomp van 500 pk in huur. 1.1.1960 : alles elektrisch. Vier centrifugaalpompen : 2 x 175 m3/h (500 pk) + 1 x 125 m3/h (400 pk) + 1 x 75 m3/h (nacht- en zondagwerk, 300 pk). Twee accumulatoren van ca (**) 100 t., identiek als in § 3. (De enige die bewaard bleven na 1975).

In 1885 : 22 kranen 1,5 t/0,75 t ; 3 draaibruggen. In 1910 : 156kranenl,5 t o f 2 t.;3draaibruggen; ca. 30 kaapstanders; 6 sluisdeurmechanismen; 3 rioolschuiven; 1 heftoestel van een grinthandelaar (Vlaamsekaai). Leidingnet max. 15 km.

Een compoundstoommachine, 55 pk. Eén accumulator. (Geschat : ca. 4 m slaglengte en ca. 600 1 inhoud ; vgl. § 1) ; gesloopt, mogelijk ca. 1935. Neogotische toren met 10 m gevelhoogte.

St.-Felix : 5 gevelkranen 700 kg. 5 liften 1.200 kg, gesloopt in 1956. 2 "jiggers', vast op platform, voor 400 kg (= ex-mobiele voor 600 kg uit § 1) en 600 kg van ca. 1920 tot 21.11.1975 (sindsdien bij Nationaal Scheepvaartmuseum, Antwerpen). Rubens-N. en Rubens-Z. : elk 1 gevelkraan 400 kg.

De voorziene stoomuitrusting en accumulator werden niet geïnstalleerd.

Alleen elektrische kranen en kaapstanders.

Twee Sulzerstoommachines van 500 pk. Twee waterpompen van elk 7.440 l/min. Twee accumulatoren van 40 t (na stopzetting gekocht door de stad aan spotprijs. College B. & S., 7.4.1899), blijkbaar (**) 322 mm 0 .

Drie elektrische stations met waterturbines (patent van F. Van Rysselberghe) : Groenplaats (alwaar in 1892-1894 experimenteel gedreven door perswater uit de haven), Leopoldstraat en Breydelstraat. Eind 1894,318 abonnenten waarvan reeds 242 bediend. In 1899,470 en in 1899,532 bediende klanten. Gepland buizennet tegen 1896 ; min. 8 km met 4.500 l/min.

Eéndrietraps-expansiestoomraachine 130 pk. In 1911 : tweede gelijkaardige, als reserve. Eén accumulator (overgebracht uit de afgebrande Entrepot : § 1).

In 1907 : 25-30 kranen 2 t en de watermotor van Amerikabrug. In 1926 : 4 kranen 1,5 t en 24 van 2 t, alle te verhuizen. Leidingsnet 3 km.

Een accumulator gepland in 1893-1896.

I watermotor (ca. 10 pk), geplaatst op schipdek voor 2 Poulsam (bakjes-)elevatoren van 40 en 60 ton/uur, elk met een afvoerband. 4 bakjeselevatoren, elk met watermotor 22 pk. II transportriemen, elk met watermotor 18 pk.

(**) Berekening A. Himler, vooreen druk van 700 pond/vierkante duim of 49,19 kg/cm2. De opgegeven diameter betreft de accumulatorplunjer, die met enige radiale speling in de hem omgevende cilinder zit. Voor de evenwichtige werking van het systeem is het noodzakelijk dat het totale gewicht van de accumulatorplunjer (ca. 4,2 t in het Zuiderpershuis), het drie-armig juk (ca. 3,1 t), de ballastkist en alle meebewegende toebehoren, gelijk is aan de opwaartse druk. Indien enkel het gewicht van de accumulator bekend is en de werkdruk, is het dus mogelijk de plunjerdoormeter te berekenen en omgekeerd.

M&L

23


Het Zuiderpershuis (40) Voor de toen snel groeiende haven was het Noorderpershuis spoedig ontoereikend. Daarom werden reeds in 1882 het Zuiderpershuis gebouwd (het enige waar de twee accumulatoren nog aanwezig zijn en dat stilgelegd werd op 27 juni 1977) en in 1904 het na 1928 gesloopte pershuis aan kaai nr. 57 van het Amerikadok. Dit was een imitatie op kleinere schaal van het pomphuis uit 1895 van stadsdroogdok nr. 1: een ijzeren gebinte, opgevuld met bakstenen die mozaïeken vormen (41). Het Zuiderpershuis is ontworpen door ir. P. De Wit (1846-1888), onderingenieur in stadsdienst (42) en één van de bekwaamste medewerkers van hoofdingenieurdirecteur G. Royers (43). Het bestek van de voorgevel met de twee torens aan de Waalsekaai nr. 14 op het plan dd. 4-11.8.1881, wijkt slechts in details af van de uitvoering. Die is correct afgebeeld en becommentarieerd in het architecten-tijdschrift l'Emulation van 1887 (44), op naam van architect E. Dieltiens (1848-1920). In hoeverre deze buitenstaander bij het ontwerp betrokken werd en waarom, gezien de bekwame stadsarchitecten uit die tijd, is me onbekend. Wellicht omdat er enorme haast gezet werd achter het project, in die mate dat er zelfs geen tijd gegund werd om het bestek te vertalen. De aanneming betreft twee gebouwen. Het ene bevat de eigenlijke machinezaal en de stoomketelhal, een schouw van 30 meter, ... . Aan de Waalsekaai heeft het een monumentale gevel waarachter de beide accumulatoren geborgen zijn en 'welke aanzienlijke afmetingen in verband zijn met de buitengewone hoogte dezer toestellen' en 'zeer indrukwekkend en in verhouding met de twee reuzen die er achter gehuisd zijn' (45). Het is in composietstijl, treffend door zijn zwaar massief voorkomen. De gevel van het andere gebouw aan de Timmerwerfstraat is in Vlaamse renaissance. Hier bevonden zich de woningen van de ambtenaar, die gelast was met het algemeen bestuur van toestellen, en die van de oppermachinist, met bureaus, werkplaatsen,... . De kosten voor de oprichting werden geschat op 241.264,31,-fr. maar werden op 31.10.1881 toegewezen voor 208.840,-fr. aan R. Hargot (Sint-Gillis-Brussel) (46), aan wie op 27.11.1882 een premie van 7.000,-fr. verleend werd, omdat het hoogdringende werk 70 dagen vóór de gestelde einddatum voltooid was. Toch bleef hij tot 1.9.1883 aan het werk voor versterking van de funderingen, waarvoor hem afkortingen van 10.000,-fr. (13.10.1882) en 25.000,-fr. (25.5.1883) gegeven werden, en meerwerken, waardoor zijn rekening 264.114,99,-fr. beliep. Anderzijds werd aan de S.A. du Sud 1.363,-fr. voor riolering en voetpad betaald (47). Intussen werd het gebouw bedrijfsklaar gemaakt door middel van vijf stoomketels (De Nayer & C, Willebroek, 64.000,-fr.) en twee compoundstoommachines van elk 200 pk (147 kW) met twee tweetrapszuigerpompen (Soc. de la Meuse, Luik, 205.000,-fr.). 24

M&L

De grote haast bij de oprichting en voltooiing heeft de stad veel geld gekost, met twijfelachtig rendement tijdens de eerstvolgende jaren. Want hoewel de eerste sectie der Scheldekaaien en de Zuid(schipp)er(s)dokken in 1881 voltooid waren en op 1.1.1882 aan de stad werden overgedragen, lagen er dan nog geen ondergrondse ijzeren perswaterleidingen, noch kraansporen. Wat er wel reeds lag moest grotendeels 0,30 meter hoger herbouwd worden na de springvloed van 12.12.1883. Tot de werking van de eerste 22 hydraulische portaalkranen aan de Scheldekaai vanaf 1.5.1885 deed het Zuiderpershuis alleen dienst voor de vier draaibruggen aan deze dokken (48). De reeds vermelde volop woedende crisis zal ook wel een negatieve invloed gehad hebben. Nochtans getuigt de verwerking van de accumulatoren in twee torens met weelderige architectuur van de status en de welstand van de Antwerpse haven aan het einde van de vorige eeuw: zelfs de vaak zo functionele industriële gebouwen kregen een esthetisch verantwoorde gevel. Die monumentale gevel van 14,5 m breed en circa 24,5 m hoog werd in een boek uit 1895, bedoeld ter ophemeling van de in 1891 overleden F. Lefebvre, schepen van Openbare Werken, beschreven als 'heel in arduin, doet hij het gebouw (...) voorkomen als eene forteres of als een verblijf van machtige cyclopen' (49). De stijl is neobarok, met de kenmerkende pompeuze en sterk plastische massawerking en eclectische (samenrapende) vormgeving. Opmerkelijk is alleszins dat een jonge techniek (de hydraulische techniek dus) ondergebracht werd in een gebouw met vertrouwde architecturale vormen. Boven de stoer aandoende onderbouw, grotendeels uitgevoerd in zwaar rustica (bruutwerk) uit grijze steen, verheffen zich twee onderling verbonden cilindrische torens in witte steen. Ze zijn voorzien van een zware vierkante kroonlijst die, net als de gevel zelf, in het midden terugspringt, maar doorloopt. Daarboven staan twee losse kleinere torens in witte en grijze steen, elk bekroond met een geribde stenen koepel. Verder zijn beide omgeven door een balustrade-achtige constructie, met op de hoekpunten doorgezakte zuiltjes die met een stenen bol versierd zijn. Beide cilindervormige partijen zijn gevat tussen vier gladde zuilen, met eenvoudig gehouden kapiteel en zonder voetstuk. Alleen aan de voorgevelzijde worden deze gehelen doorsneden door vier horizontale geledingen, die aan speklagen uit de baksteenbouw herinneren. Drie ervan worden tussen de zuilen onderbroken door een smalle verticale raamomlijsting, die een schietgat lijkt te suggereren. De zuilen met die in het ontwerp ontbrekende zonderlinge geledingen, vertonen een opvallende overeenkomst met de zes onder een groot fronton aan de gevel van de directeurswoning van het zoutmijncomplex in Arc-et-Senans uit 1775-1779 door C L . Ledoux (17681806). Boven elk pseudo-schietgat bevindt zich juist onder de kroonlijst een rond venster met zware lijst. Die is versierd met vier wiggen die evenmin in het ontwerp voorkomen. De koepeltorens zijn rondom voorzien van vier kleinere, smalle, hoge vensters. Op het ontwerpplan


Het Zuiderpershuis, zicht in de machinezaal vanuit zuidoostelijke hoek, circa 1925. Beide stoommachines, elk met hun hogedrukwaterpomp, gesloopt in 1959. Onder : doorsnede van het Zuiderpershuis in schemavorm (plan HB/TD nr. ST 161-3891-3892). (foto's Technische Dienst Havenbedrijf, Stad Antwerpen).

werden

STOOMKETELS

u

VOEDINGSPOMP

AANVOER WATER UIT ZUIDSCHIPPERSDOKKEN

ZUIDERPERSHUIS M&L

25


zijn de koepels glad. Met hun ribben herinneren ze aan de enorme vijf ton zware monoliet met de eigenaardige 'oren' (die mogelijk voor het plaatsen nodig waren) op het graf van de Oostgotische koning Theoderik de Grote, in Ravenna opgericht circa 520. De dubbele eikehouten deur is inspringend gevat in een trapeziumvormige omlijsting, wat dan weer aan de Incaarchitectuur doet denken. Daarboven staat een zwaar fronton, ingewikkelder dan in het ontwerp. Het is versierd met een fraaie gebeeldhouwde leeuwekop tussen twee 'Christusnagels' en een eierlijst aan de onderzijde. Het dier, traditioneel symbool van de kracht, vervangt het blijkbaar op het ontwerpplan voorziene meer dan levensgrote beeld van Hercules. Dit was gemakkelijk te identificeren als een copie van de bekende Herakles Farnèse door Glycon van Athene, naar een verloren werk van Lysippos, gunsteling van Alexander de Grote (4de eeuw vóór Christus). Het verband tussen deze krachtcentrale en die Griekse heros, zinnebeeld van kracht en energie, ligt voor de hand. Intrigerend is de grote steen die als een veel te dikke luifel vooruitsteekt boven de plaats waar het standbeeld voorzien was: wellicht de drager voor het eveneens weggevallen stadswapen? Van de zijgevels zijn enkel de gedeelten boven circa 13,5 m zorgvuldig in natuursteen uitgevoerd; daaronder niets dan baksteen. Begrijpelijk, want blijkens de ontwerp-

tekening moest het gebouw aan beide zijden ingebouwd worden. De achtergevel vertoont geen nisvorm, maar een groot raam en ook de kroonlijst is hier recht. Daar de machinekamer van 13,6 m bij 13,6 m en met typische lichtkap aangebouwd is aan de slechts 3 m brede accumulatorenkamer, vertoont alleen het gevelgedeelte boven een hoogte van circa 10 m een gelijkaardige uitvoering als die aan de straatzijde. Letterlijk als bekroning van het werk werd eind 1884 elke toren voorzien van een fraaie bundel zigzagvormige bliksemafleiders; dat gebeurde meteen ook voor het Noorderpershuis, want het uitvallen van één van beide centrales door inslag zou rampzalig geweest zijn voor de havenuitbating. Het Zuiderpershuis bediende op zijn hoogtepunt zowat 164 walkranen, een viertal bruggen en een dertigtal kaapstanders. Het bleef operationeel tot midden 1977; toen werd overgegaan tot de installatie van een pomp bij het laatste tuig (namelijk de Nassaubrug), dat ervan afhankelijk was. Het hele complex werd bij Koninklijk Besluit van 20.2.1979 beschermd. Het bevat naast de twee accumulatoren, tal van andere interessante relicten: een kettinguitgloeioven waarin de hijskettingen van de hydrauli-

Binnenkoer van Zuiderpershuis met in de lucht twee waterpersleidingen (fotobureau Focus & Herman Selleslaghs).

26

M&L


Links: de binnenkoer van hel Zuiderpershuis (cf. foto p. 26) van rechts genomen: het gebogen venster behoort tot de stoomketelhal Onder: toegang tot de stoomketelhal (rechts) (fotobureau Focus & Herman Selleslaghs).

sche kranen om de 600 werkuren dienden uitgegloeid te worden. In de vlak bij gelegen en nog intacte smidse hadden vier smeden en hun helpers een continue taak om de vele kettingen te controleren en te herstellen. In de aanpalende paswerkerij werden de werktuigmachines uit 1883 in situ bewaard en, mits kleine wijzigingen aan het aandrijfsysteem, nog tot de ontruiming van het pand door de Technische Dienst van het Havenbedrijf van de Stad Antwerpen op 1.1.1985 gebruikt. Het Zuiderpershuis is weliswaar nog eigendom van de stad, maar er is een principieel akkoord betreffende een erfpachtovereenkomst met het Collectief Internationale Nieuwe Scène, waarvan de organisatorische belangen waargenomen worden door de v.z.w. Zuiderpershuis. Het Collectief Internationale Nieuwe Scène — in eerste instantie een reizend theatergezelschap — wil in het Zuiderpershuis een centrum uitbouwen rond vier functies:

— een repetitieruimte voor tentprodukties: een ruimte waar eigen produkties degelijk kunnen worden voorbereid is een noodzaak voor dit theatergezelschap; — een ruimte voor eigen zaalvoorstellingen; — een receptietheater zodat interessante produkties uit het buitenland ook naar Vlaanderen kunnen komen; — een professionele opleiding voor amateur-toneelbeoefenaars. Het complex, dat gedurende bijna 100 jaar het 'hart' was van een groot deel van de haven, wordt dus een mooi voorbeeld van een nieuwe functie voor een waardevol historisch monument. Het pand zal volledig gerestaureerd en omgebouwd worden. De geraamde kosten bedragen 30 miljoen,-fr., waarbij een tussenkomst van 2,5 miljoen,-fr. vanwege de Koning Boudewijnstichting. M&L

27


Voetnoten

(1) G. Luther, La construction et I'installation de greniers spécialement de magasins a grain dans leur derniers perfectionnements, Brunswick, 1887, p. 43-64. La force motrice hydraulique. F. Chaudy, Machines hydrauliques, Dunod et Vicq, Paris, 1895. L. Bergeron, Machines hydrauliques, Dunod, Paris, 1928 (inzonderlijk p. 758-799). A.H. Gibson, Hydraulics and its applications. Constable & C Ltd, London, 1911 (inzonderlijk p. 729-770). I. McNeil Hydraulic Power, Longman Group Ltd, London, 1972. Ook in oude ingenieurhandboeken, o.a. L.-A. Barre, Ch. Vigreux, naast vele uitgaven van oude ingenieurshandboeken o.m. L.-A. Barre, Ch. Vigreux, e.a.. Notes & formules de l'ingénieur, du constructeurmécanicien, du métallurgiste & de l'électricien, E. Bernard & C , Paris, 1897, p. 602-604, 656-670 en Hütte, Manuel de l'ingénieur, T L , Ch. Béranger, Paris & Liège, 1911, p. 1199-1215. (2) B. Marrey et P. Chemetov, Architectures, Paris 1848-1914, ICOMOS-France, 1972, p. 64-65. (3) A.D.F.W. Lichtenbelt, Het scheepstoomwerktuig. Een handboek (...). Deel 3, Hulp- en bijwerktuigen. 4° druk, 1919, p. 422-440 en platen XL en XLI. (4) Jaartallen van indienstname. (5) Vouwblad met wandelkaart door P. Diriken en A. Himler. Voor het Zuiderpershuis lezen: twee stoommachines van elk 200 pk. De afbeelding 'Het Margueriedokje aan de oostelijke Scheldekaai' lezen als: 'Het Bonapartedok met op de achtergrond de Rijnkaai'. (6) Association des Ingénieurs sortis de l'Ecole de Liège, Anvers, aperqu sur ses Installations Maritimes et son Industrie/Excursion des 3, 4 et 5 Aoüt 1879, Anvers, 1879, pi. 1 en tabel p. 15 (P. De Wit). (7) Antwerpen 1860-1960, Stad Antwerpen, 1960, deel I, p. 515. (8) A. Himler, De haveninfrastructuur, grafiek 1800-1914, fig. 4, p. 323 in R. Baetens, Industriële revoluties in de Provincie Antwerpen, Antwerpen, 1984. (9) Als (6), p. 7. (10) H. De Matthys, Les nouvelles installations maritimes du port d'Anvers, in Annales des travaux publics de Belgique, tome 47, Bruxelles, 1890, p. 44. (11) Alle havenafmetingen uit (8), tabellen 1-3, p. 316-318 en fig. 2, p. 322. (12) A. Thijs, Pakhuizen te Antwerpen in 1874, een balans na honderd jaar, in Antwerpen, tijdschrift der Stad Antwerpen, 21e jg. nr. 1-april 1975, p. 18. (13) Als (6), p.6. (14) A. Himler Zware lastkranen.historische evolutie. Deel 1: tot circa 1900, in Hinterland nr. 111 N, jg. XXX-1981, p. 43-51. (15) Behoudens andere vermelding, uit (6), (10) en G. Royers, e.a. Anvers port de mer, Bruxelles, 1885, p. 141-145, 153-159. (16) Opmeting A. Himler op plan H. De Matthys dd. 11-13 december 1879, schaal 1/1250 (archief Havenbedrijf, Technische Dienst HB/TD, karton nr.15, bundel nr. 47) en schets arch. P. Bourla, Plan general du Werff et des sondes faites en avant, dd. 5 Avril 1821, schaal circa 1/500 (Archief HB/TD, Bibl. nr. 297). (17) A. Himler, Honderd jaar rechte Scheldekaaien 1885-1985, als bijlage bij De Lloyd van 19.9.1985, p. XIII-XVIII (met een 25-tal zetfouten in data en afmetingen). (18) Archief HB/TD. nr. HW/G-10-19. Doorsneden gereproduceerd met berekening (circa 1 ton) in (14) p. 45 en A. Himler, in 'Een stad groeit: eenheid in verscheidenheid', tentoonstellingscatalogus 7.726.9.1984, p. 80-81 en 94, fig. 4, vgl. fig. 5. (19) Als (16), plan H. De Matthys. (20) Als (7), p. 448. (21) Anoniem, Notice sur Ie Port d'Anvers, Bruxelles, 1905, p. 19-21.

28

M&L

(22) Chronologie 1870-1903 der kaden aan de Schelde in Een eeuw openbare werken te Antwerpen, 1863-1963, Gedenkboek en catalogus 21.8-6.9.1964, p. 123-125. Dienst voor Werken der Stad Antwerpen, 1964. (23) S.A. du Sud d'Anvers. Installations maritimes du port d'Anvers, p. 470. Anvers, 1875 (met alle conventies, wetten en K.B., naast allerlei briefwisseling, 1869-1875). Bibl. HB/TD nr. 48. (24) en (25) H.B. Cools in 100 jaar Zuid, 1874-1974, p. 42-43, Stad Antwerpen, 1974. (26) Uit (6), (10) en (23). (27) G. Royers, e.a. Anvers port de mer, Bruxelles 1885, p. 73. (28) E.H. Kossmann, De Lage Landen 1780-1940. Anderhalve eeuw Nederland en België, Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1982, p. 312-317; L. Denys, De Belgische arbeider in 1886; kapitalisme zonder sociale wetgeving, in Intermediair, 1 juni 1973, p. 7 en 9. (29) G. Thues, Antwerpen, groei tot wereldhaven in Antwerpen, tijdschrift der Stad Antwerpen, 21ste jg. nr.l - april 1975, p. 27, fig.l. Vgl. (8). (30) Als (24)-(25), p. 25 bij L. Delwaide. (31) A. Himler, Koudwaterdruk voor havenwerktuigen te Antwerpen 1878-1975, in Antwerpen, tijdschrift der Stad Antwerpen, 21ste jg. nr. 1 - april 1975, p. 37-38. (32) A. Himler, Goederenverkeer: de haven, in Antwerpen 1830-1980, tentoonstellingscatalogus 11.7-28.1980, fig. 57 p. 49 en fig. 67, p. 53, doch onderschriften om te wisselen. (33) M. De Schampheleire. De elektriciteitsvoorziening, in boek als (8), p. 415. (34) Als (31), p. 50. (35) Als (7), p. 484. (36) Als (29), fig. 3, p. 29. (37) K. Falconer, Guide to England's industrial heritage, London, 1980, p. 121: Hydraulic Tower, Grimsby Docks. (38) Als (31), p. 41 alwaar opsomming der bronnen. (39) ... waarmee meteen een bestemming gevonden zou zijn voor het geld dat toen zo overvloedig zou geweest zijn door de door hem beweerde afwezigheid van de crisis. Na de snelle voltooiing zouden de wachtende kranen meteen aan de slag hebben kunnen gaan. Die ongegronde fantasieën werden helaas hernomen in enkele publikaties zonder kritisch onderzoek, door onbevoegden die het systeem evenmin in werking gekend hebben. Nieuwe Scene, 9de jg. nr. 1/1985, p. 6-7 en De Nieuwe Gazet, 9-10.2.1985 (rechtgezet in DNG, 18.3.1985 via lezersbrief), naar R. Steenmeyer, NHIBS 1978. (40) A. Himler, Het Zuiderpershuis en het Noorderpershuis te Antwerpen, onuitgegeven scriptie aan het Kunsthistorisch Instituut van Antwerpen, 17.5.1973; A. Himler, Het akkumulatiegebouw van het Zuiderpershuis te Antwerpen, in Kontakt, (Koninklijke Maatschappij der Bouwmeesters van Antwerpen), 15.10.1974, p. 56-57; A. Himler, Het complex Zuiderpershuis (1882) als technologisch museum, inzonderlijk gewijd aan havenwerktuigen, korte onuitgegeven scriptie, NHIBS, 13.2.1977; ook in (31), p. 43-47. (41) Als (31), p. 47-48. (42) Biografie in (22), p. 61-62. (43) Idem, p. 38-40. (44) 12de jg. 1887, plaat 10 en p. 46, beoordeling hernomen in (31), p. 46, n. 64. (45) Stad Antwerpen, Verslag der Commissie van openbare werken. Gemeenteraad, 18.8.1881 (Stadsarchief Antwerpen, MA 982/19 C). (46) Stadsarchief Antwerpen, MA 3597/60/25. (47) Idem, MA 982/19 C. (48) Rapport sur I'administration et la situation des affaires de la Ville d'Anvers, Excercice 1882, p. 165-170; Exc. 1883, p. 164-166, 168; Exc. 1884, p. 183-184; Exc. 1885, p. 183-184, 188. (49) J. Van de Venne, Joseph Lefebvre en zijn werk, Antwerpen, 1895, p. 47.


BINNENKRANT EEN JOURNAAL MET RECENTE INFORMATIE OVER DE MONUMENTEN- EN LANDSCHAPSZORG


M&L BINNENKRANT

LITERATUUR Oostende. Kruispunt van Europa. Een Koninklijke stad, Mappamundi, 1985.

Op 16 december jongstleden stelde de uitgeverij Mappamundi deze nieuwe publikatie voor. Bij het uitpluizen van de steekkaarten van 'ostendiana' in de Stedelijke Bibliotheek bleek dat er, niettegenstaande de toch wel omvangrijke hoeveelheid publikaties die er over Oostende zijn verschenen, geen enkel recent algemeen werk over die stad bestond. Laat staan een luxueuze uitgave met talrijke kleurenillustraties en kunstreprodukties. Verwonderlijk toch als men bedenkt dat er over steden als Brugge, Gent, Antwerpen en noem maar op, jaarlijks verschillende boeken met dergelijk opzet verschijnen. Deze bedenking en het feit dat Oostende wel degelijk iets te bieden heeft aan haar eigen inwoners en een

DËPAKT

[2]

D'USTCKOC,

massa toeristen, leidden uiteindelijk tot de publikatie van dit omvangrijk werk. Na het grote succes van de kaartenboeken ('Vlaanderen in Oude Kaarten', 'Het Hertogdom Brabant in Kaart en Prent'...) legt Mappamundi zich nu ook toe op het publiceren van actuele boeken, steeds hun principe van de verzorgde uitgave en de rijke illustraties huldigend, wat in een meer en meer visueel ingestelde wereld zeker van het allergrootste belang is. Voor deze uitgave werd op zoek gegaan naar auteurs, het merendeel Oostendenaars, die beroeps- of gevoelsmatig (en in vele gevallen de twee) bij Oostende betrokken waren. Naargelang van him specialisatie wijdden zij een met kennis van zaken geschreven bijdrage aan een of ander facet van de koningin der Badsteden. Een koningin op velerlei gebied, zo bleek achteraf, want niet minder dan 23 auteurs en 28 artikels dienden zich aan. Stuk voor stuk met bijdragen waarin op een levendige en bevattelijke wijze bekende en minder bekende plaatsen, figuren en gebeurtenissen onder de loep worden genomen. Het boek is geïllustreerd met talrijke geslaagde kleurenopnames, interessante luchtfoto's, reprodukties van Oostendse kunst en een aantal opgemerkte etsen en gravures uit een charmant verleden (Antony). Ook vooral door de zorg besteed aan het illustratiemateriaal, beantwoordt het boek in vele opzichten aan de doelstelling van zo'n uitgave, namelijk een kleurrijk en dynamisch beeld ophangen van een veelzijdige en moderne stad zoals Oostende en dit voornamelijk door middel van referentiepunten met verleden en toekomst.

De samenstelling van het boek ziet er als volgt uit: Het voorwoord is van burgemeester J. Goekint. Paul Vandewalle schetst de historiek van de stad Oostende, bespreekt het Beleg van Oostende en laat ons nader kennismaken met de Oostendse Compagnie. W. Debrock heeft het over de wonderlijke bloei van Oostende onder de Oostenrijkse vorsten. N. Hostyn behandelt de schone kunsten in Oostende in de 18de, 19de en 20ste eeuw. Ter afsluiting van de historische benadering laat D. Vermeesch ons 200 jaar toerisme meebeleven. Oostende is echter ook een draaischijf in het Europees verkeer. Getuige daarvan de bijdragen van G. Feron over de spoorwegen, R. Makelberge over de havenfunctie en J. Bonte over de lijn Oostende-Dover. W. Van Roost behandelt tenslotte de Oostendse luchthaven. Bovendien gaat hij dieper in op de problematiek van de zeevisserij, vroeger en nu, terwijl J. Daue op een pittige manier de Oostendse gastronomie en gastvrijheid serveert. Dat Oostende over heel wat troefkaarten beschikt in de toekomst bewijzen de artikels van D. Vermeesch over de toeristische toekomst, van W. Bosschem over het Casino-Kursaal, van W. Guillemin over de faam van het Wellington Hippodroom, van R. Vanmoerkerke over de sportieve troeven en zijn liefde over d e polders en tenslotte brengt P. Vandewalle nog een korte bijdrage over de eigenheid van Stene. R. Desnerck laat het Oostende in al zijn varianten de revue passeren. In een laatste deeltje maken we kennis met het Oostende van de toekomst. De onderwijsmogelijkheden worden ruim voorgesteld met bijdragen van M. De Winter over de Stedelijke Visserijschool; John Bauwens, J. Decleyre over de Stedelijke Hotelschool, G. Manderyck over het Hoger Technisch Instituut en de Katholieke Industriële Hogeschool van West-Vlaanderen, R.C. Demets over het Hoger Rijksinstituut voor Paramedische beroepen en tenslotte W. Van Parijs over de Hogere Zeevaartschool. Om het Oostendeboek af te ronden deden J. Christiaens en R. Decroos een gezamenlijke inspanning om de stedebouwkundige plannen voor de toekomst in een breder perspectief voor te stellen. Technische gegevens: Ongeveer 75 quadrichromies, waaronder enkele unieke opnames van fotograaf Antony. Omvang: 144 p. Formaat: 34 x 2S cm. Kostprijs: 1450,-fr. (verzendkosten inch). Te bestellen door overschrijving op rekeningnummer 001-1386512-70 met vermelding "Boek Oostende'. M. Ramakers.


M&L BINNENKRANT Deseyn G., Dubois M., Fredezicq-Lüar M., Laleman M.C., Van Cleven ƒ., Van Tyghem F. Hoofdredactie Poulain N., Gent & Architectuur. Trots, schande en herwaardering in een overzicht, Brugge, M. Van de Wiele, 1985, 168 p. (1150,-Bfr.). Dit uitgebreide overzichtswerk poogt noch concurrentie aan te gaan met de bestaande architectuurinventarissen "Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 4na, b, c, d', noch de onlangs verschenen 'Gids voor oud Gent' in de schaduw te stellen. Wat het wel beoogt is een bevattelijke synthese. De auteurs die als autoriteit gelden voor de door hun behandelde periode, hebben zich voor hun teksten vooral gebaseerd op de talrijke architectuurhistorische en archeologische studies die de laatste decennia in verscheidene wetenschappelijke tijdschriften, tentoonstellingscatalogi en verhandelingen aan bod kwamen. In dit opzicht vormt dit werk een omvangrijke uitbreiding op het vrij summier opgestelde architectuurdeel van de tentoonstellingscatalogus 'Gent duizend jaar kunst en cultuur", dat in 1975 verscheen. Opvallend hierbij is de uitgebreide aandacht die besteed wordt aan het industriële verleden, de 19de-eeuwse architectuur en de tot op heden weinig besproken moderne architectuur in Gent. Zo stelt de redactie haar doelstellingen voor. Het boek doornemend kunnen we ze in grote lijnen geslaagd noemen in haar opzet. Een aantal kanttekeningen willen we nochtans plaatsen. De titel Gent & Architectuur dekt inderdaad de lading: het gaat over Gent en meer bepaald over architectuur. We kunnen uiteraard onmogelijk alle bijdragen, die chronologisch volgens de behandelde periode zijn geschikt, bespreken. Wat onmiddelüjk opvalt is het overwegend stilistisch-beschrijvende karakter. Enkel bij Van Cleven en Dubois zijn cianzetten merkbaar van een ruimere benadering. De stedebouwkundige evolutie komt, gelet op het opzet, minder aan bod. Binnen de redactie is blijkbaar ook weinig werk gemaakt van het ontwikkelen van een visie op het boek: het is aaneenschakeling van artikels geworden, een eindredactie is niet voelbaar. Een voorbeeld zal dit verduidelijken. Waarom hoofdstuk 6 'tussen burgerlijke romantiek en grootstedelijke realiteit' — grosso modo de 19de eeuw — en hoofdstuk 8 "Bouwen voor de industrie" — idem dito — uit mekaar gehaald zijn, is ons een raadsel. De met het boek beoogde synthese zou door een geïntegreerde benadering meer gediend zijn. Nu worden in 'Bouwen voor de industrie' naast fabrieksgebouwen en toebehoren, op een volstrekt onlogische wijze de dis-

V-.rhrr/ pirtiklln i.uj.ftj DttrvH.

mm liuhi.ii. \Uiri,- Imlrriiii lil#r \ltiri, Ihriilinr Laltmitn

GENT& ARCHITECTUUR TROTS.SCHANDE ENHETOCAARDERING «INEEN

•

tributie- en dienstverlenende sector behandeld: watertorens, winkelgalerijen, banken ... hoewel dit uiteraard alles met de 'grootstedelijke realiteit' te maken heeft. Deze fenomenen hebben natuurlijk veel te maken met de industriële ontwikkeling, wat echter des te meer pleit voor de gesignaleerde geïntegreerde benadering. Warmeer we dan vaststellen dat hoofdstuk 6 ook een warenhuis 'behandelt' en dat de 'industriële' gietijzeren spits van het belfort (p. 135) in hoofdstuk 8 belandt, wordt de genomen optie helemaal onzinnig. De voor ons meest doorwegende kritiek is echter te plaatsen op de ondertitel van het boek: 'trots, schande en herwaardering". Dit aspect komt hoegenaamd niet aan bod tenzij enkel gealludeerd wordt op de bijdrage van Marc Dubois over de ontwikkelingen vanaf 1900 en dan vooral die sedert de Tweede Wereldoorlog. Met de 'trots' worden allicht de bekende topmonumenten bedoeld. Met de "schande' wordt wellicht een toespeling gemaakt op onverantwoorde slopingen, de slecht geïntegreerde en buitenschalige projecten waaraan de Gentse binnenstad ten prooi viel in de jaren '60 en '70. Herwaardering slaat dan op een evaluatie die gemaakt wordt van de enigszins traag op gang gekomen aanpak van de Gentse Kuip. Het overzicht vanaf de prilste nederzetting tot nu met deze titel beladen, wekt dus verwachtingen die volstrekt niet worden ingelost. Wanneer we bijvoorbeeld weten dat de stad Gent de oudste stedelijke Commissie voor Monumentenzorg van ons land bezit — zij werd opgericht in 1824 — zal de lezer allicht begrijpen dat het ontbreken van elke verwijzing naar of be-

^OVERZICHT

schouwing over de door deze Commissie bereikte resultaten, voor ons volstrekt onverantwoord overkomt. Enkel het gedenkboek van deze commissie bij het 100-jarig bestaan wordt in de bibliografie vermeld. De verzorgde en met een aantal nieteerder gepubliceerde illustraties verluchte uitgave ware beter gediend geweest met de eenvoudige titel: "Gent & Architectuur", zonder meer, zonder verdere pretenties ook. Als dusdanig is het een nuttig en vaak lezenswaardig naslagwerk. Naast een verklarende woordenlijst van vaktermen werd eveneens een index gemaakt op persoonsnamen (vooral architecten en opdrachtgevers) en op Gentse plaats- en zaaknamen. Dit laat zowel de vorser als de leek toe, directe informatie te vinden over een bouwwerk en zijn mogelijke architect. H. Stynen.

Jobann Joseph Couven, Een Akens architect uit de 18de eeuw, werkzaam tussen Rijn en Maas, Kunst & Oudheden, nr. 27, 1985 (tentoonstellingscatalogus) Voor het ontstaan van een bouwwerk, interieur of tuinaanleg dient zoveel in aanmerking te worden genomen, dat opdrachtgever, architect en uitvoerder het niet zonder ontwerp- en uitvoeringstekeningen kunnen stellen. Van het architecturaal levenswerk van Johann Joseph Couven, een achttiende-eeuws bouwmeester uit Aken, bleven grosso modo 600 dergelijke tekeningen bewaard. Uit deze omvangrijke portefeuille weerhield het Suermondt-Ludwig-Museum in

[3]


M&L BINNENKRANT 'Een Ministerie voor de Vlamingen'

JJ.COUVEN

27

Aken, waar de verzameling zorgvuldig bewaard wordt, een 150-tal tekeningen die een geïnteresseerd publiek een goed beeld kunnen bieden van Couvens architectuuropvatting. Zij zijn door Mevrouw Katharina Kover bestudeerd en beschreven en reeds in 1983 aan het Akense publiek getoond. De tentoonstelling kwam destijds tot stand onder meer met de steun van de werkgroep Kunst en Kuituur van de Euregio MaasRijn. De verantwoording van deze grensoverschrijdende aanpak moet in de eerste plaats gezocht worden in het oeuvre van Couven zelf. Franse en Duitse barokopvattingen gaan er een dialoog aan met de streekgebonden Rijn-Maaslandse traditie. Ook het werkterrein van Couven is te situeren tussen Rijn en Maas. Hij bouwde niet alleen in Düsseldorf, Aken en Burtscheidt, maar ook in Eupen en in Nederlands- en BelgischLimburg. Onze bijzondere interesse gaat uit naar het jachtslot dat hij voor prinsbisschop Jan Theodoor van Beieren in 1752 bouwde in Maaseik, en de residenties voor abdis Antoinette, gravin van Eltz-Kempennich in Munsterbilzen (1757) en voor abdis Anna Caroline van Berghe in Sinnich in Voeren (1754). De Provinciale Dienst voor het Kunstpatrimonium kreeg de opdracht om de Couvententoonstelling voor het Limburgse publiek te ontsluiten. Het Euregionale, grensoverschrijdende karakter deed ons besluiten om in het kader van de samenwerking Provincie - Vlaamse Gemeenschap, de expositie betekenisvol onder te brengen in Alden Biesen, voormalig hoofdhuis van de Duitse Orde voor de balije Biesen. C.G. De Dijn.

[4]

Over het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap verscheen de brochure 'Een Ministerie voor de Vlamingen'. Hierin wordt dit zeer complexe ministerie voor het eerst op een verstaanbare wijze aan de Vlaamse burger voorgesteld. Naast een voorwoord van de heer Gaston Geens, Voorzitter van de Vlaamse Regering en een inleiding door de heer Etienne De Ryck, Secretaris-generaal, vindt de lezer er elk van de dertien onderdelen van dat ministerie afzonderlijk in behandeld, waaronder AR.O.L. en het Bestuur voor Momunenten en Landschappen. Elk deel bevat een duidelijk organogram, een korte beschrijving van de voornaamste taken en bevoegdheden en een lijst met nuttige adressen. De bladzijden worden afgesloten met een uitgebreide trefwoordenlijst. Deze handige wegwijzer voor iedereen die in contact komt met de Vlaamse Administratie kost 80,- fr. per exemplaar (verzending inbegrepen) en kan verkregen worden na storting van het verschuldigde bedrag op postrekening 0002001728-36 met vermelding van 'Een Ministerie voor de Vlamingen' en het gewenste aantal exemplaren.

Een nieuw dossier van de Koning Boudewijnstichting: Aspecten in verband met de kwalitatieve behoeften inzake Volkshuisvesting

Koning Boudewijnstichting Vlaamse Regionale voor Stedebouw en Huisvesting, Ontwikkeling en Ruimtelijke Ordening v.z.w.

De vraag naar de taak en de mogelijkheden van sociale huisvesting is actueler dan ooit. Op een ogenblik dat meer behoefte ontstaat aan behoorlijke en betaalbare woningen, verminderen de financiële mogelijkheden aanzienlijk. Welke prioritaire maatregelen zijn nodig om de sociale huisvesting toe te laten haar geëigende taak te vervullen: ruimte scheppen opdat ieder, hoe onbemiddeld ook, zijn recht op wonen kan laten gelden? Deze bekommernis ligt aan de basis van de activiteiten die de Koning Boudewijnstichting sinds 1983 ontwikkelt in verband met de sociale huisvesting. Het werd inmiddels uitgebouwd tot een gemeenschappelijk project van de programma's Ruimtelijke Ordening/Leefmilieu en Welzijnszorg. De herdenking van de 'Dag van de Stedebouw", georganiseerd door de Vlaamse regionale voor Stedebouw en Huisvesting, Ontwikkeling en Ruimtelijke Ordening v.z.w., handelde dat jaar over de toekomst van het sociaal huisvestingsbeleid in Vlaanderen. Tevens gaf de Koning Boudewijnstichting toen aan de Vlaamse Regionale de opdracht voor een onderzoek betreffende 'aspecten in verband met de kwalitatieve behoeften inzake volkshuisvesting'. De eerste resultaten van dit onderzoek werden mondeling toegelicht tijdens de Dag van de Stedebouw 1983. Verder uitgewerkt en uitgediept worden ze voorgesteld in het voorhggende dossier. Concreet wil deze publikatie antwoorden op de vraag: welke soort van huur-


M&L BINNENKRANT woningen dienen de sociale huisvestingsmaatschappijen te verwezenlijken in functie van de bevolkingscategorieén waarnaar ze zich richten? Achtereenvolgens komen volgende punten aan de orde: — de evolutie van bestaande woningnormen in de volkshuisvesting en hun toepassing; — de feitelijke toegankelijkheid van sociale nieuwbouwwoningen bij een eerste verhuring; — de kwalitatieve evolutie en toestand van het globale woningenpatrimonium; — programmatische en financiële mogelijkheden inzake vernieuwbouw. De pubhkatie 'Aspecten in verband met de kwalitatieve behoeften inzake Volkshuisvesting' kan besteld worden bij de Koning Boudewijnstichting, Brederodestraat 21, 1000 Brussel of telefonisch op het nummer 02/511.18.40 en kost 120,-fr. (exclusief verzendingskosten).

Geert Bekaert, Stapstenen, deel I, Brussel, 1985.

deel daarvan is die verbazing gebleven. 'Waarom geen opstellen verzamelen', luidt Geert Bekaerts vraag die tegelijk geen vraag is. De beweegredenen van een auteur hoeven niet noodzakelijk dezelfde te zijn als die van zijn verzamelaars. Maar ze hoeven evenmin ver uiteen te lopen. Zoals het schrijven hoort ook het verzamelen tot 'het ogenblik dat wordt gemaakt en weer opgeheven': verzamelen is 'bijeen lezen', is herlezen; en lezen is geen grijpende maar een tastende ervaring. Een telkens te vernieuwen en te verrijken ervaring. Verzamelen is dan ook geen toeëigenen, geen recupereren, geen zorg om een monument. Verzamelen gebeurt uit noodzaak. Daarom: als men zich afvraagt waarom deze opstellen onder de zoden vandaan dienden gehaald, waarom die typische geur van oude, gestapelde kranten moest worden opgehaald, dan zijn we geneigd te antwoorden: omdat we deze verzameling doodeenvoudig nodig hebben. En het is voor één keer misschien geen slechte zaak dat onze misschien wat naïeve rechtlijnigheid Geert Bekaerts nuancerende en relativerende benaderingswijze heeft overwoekerd.

1950-1965

Daarmee is de vraag niet verplaatst: vanwaar die noodzaak aan Geert Bekaerts geschriften - ongeacht de patina ervan? Vanuit onze optiek speelt deze vraag op velerlei vlakken: ze heeft te maken met de verwarring die heerst aan de verschillende architectuurinstituten en de daaruit voortvloeiende onvruchtbare disparaatheid van inzichten, met de afwezigheid van een geestkrachtig architectuurklimaat in ons land en de daaruit volgende levensnoodzakelijkheid van vrije, ongebonden kritiek, kortom, met de vele misverstanden omtrent architectuur en, meer specifiek, de misverstanden omtrent het werk van Geert Bekaert zelf.

Op 27 september werd in aanwezigheid van Minister Poma, Stapstenen, het eerste deel van de Verzamelde Opstellen van Geert Bekaert, aan het publiek voorgesteld. Bij die gelegenheid sprak prof. Ch. Vermeersch (RU.Gent), één van de initiatiefnemers tot deze uitgave, gerealiseerd door de Stichting Monumentenen Landschapszorg v.z.w. . Bij die gelegenheid hield hij volgende toespraak: „Geert Bekaert reageerde een beetje verbaasd toen we hem in het voorjaar van 1983 overvielen met het voorstel om zijn geschriften in verscheidene boekdelen te bundelen. Blijkens zijn voorwoord in het zopas verschenen eerste

In onze onderwijsopdracht ervaren wij hoe gemakkelijk men bezwijkt voor de verleiding van grijpklare, eenzijdige, al dan niet modieuze inzichten. Dit gaat ten koste van de belangrijkste opdracht in een opleiding: het ontwikkelen van persoonlijke inzichten, de opdracht tot persoonlijkheid. De tastende wijze waarop Geert Bekaert zijn standpunten ontwückelt, confronteert ons met onze vooroordelen; echter niet om deze te vervangen door de 'juiste', de 'correcte' oordelen. Men doet het werk van Geert Bekaert geen recht met de blinde absorptie van zijn inzichten maar met een persoonlijke verwerking ervan. Midden in een tijdsgewricht van nivellering zou men zijn teksten kunnen zien als één groot pleidooi voor oorspronkelijkheid. Mede hierom vormen ze onontbeerlijk studiemateriaal in elk architectuurinstituut.

GEERT BEKAERT

Verzamelde Opstellen

1 STAPSTENEN

Maar daartoe moeten deze teksten natuurlijk wel beschikbaar zijn. En dat is geen gemakkelijke zaak met een auteur wiens werk zo vruchtbaar-divers ligt en zowel gelegenheidstoespraken als uitvoerig-studieuze geschriften bevat, die niet altijd gepubliceerd werden of hun weg vonden naar uiteenlopende tijdschriften, boekwerken, kranten, plakettes en andere gelegenheidspublikaties. Als we het zoeven hadden over de noodzaak aan een persoonlijke verwerking, de noodzaak aan échte lectuur, dan raken we ons inziens daarmee aan de bron van de vele misverstanden omtrent dit werk, misverstanden die misschien vooral bij architecten leven. Hun verlangen naar zogenaamd 'praktische', hanteerbare stellingnamen maakt dat zij dit werk — vaak zonder het zelf te beseffen — uitfilteren op zoek naar de bevestiging van hun voorafgegeven zekerheden. Aan dit soort dissectie is dit werk erg weerbarstig. Precies zoals Geert Bekaert zich zijn onderwerp niet toeeigent maar er — bijna deemoedig — naar luistert, er zich voor open stelt, zo is het ook niet mogelijk zich deze teksten toe te eigenen zonder de ziel ervan te kwetsen. En dat is wat meestal gebeurt: de mythe van ontoegankelijkheid die men aan deze teksten toeschrijft is inderdaad niet meer dan een mythe, die vooral vertelt over de onwil en de onrijpheid van de lezer om voeling te krijgen met de complexiteit van het behandelde onderwerp. Het is een schijnbare ontoegankelijkheid omdat deze geschriften precies een niet-aflatende poging inhouden om de verschillende aspecten van het onderwerp, d e onuitputtelijkheid van het onderwerp, bijeen te houden. De auteur is de bewaarder, de beschermer van die onuitputtelijkheid. Nu is deze wringing tussen auteur en lezer niet erg. Alleen komt het erop aan om haar te ontginnen, vruchtbaar te maken in een persoonlijke lectuur. Zoals Geert Bekaert ons keer op keer vraagt om te willen en kunnen luisteren naar wat een kunstwerk of een gebouw ons te vertellen heeft, zo moet ook zijn werk voorzichtig betreden en ontdekt worden. Soms zal men daar pas in slagen na enkele jaren van geduldig lezen en herlezen. En ook dan is er niet zoiets als een eindpunt bereikt, een definitief begrijpen. Misschien moet men, op het ogenblik dat men contact heeft met een tekst, afscheid ervan kunnen nemen. Lezen en vergeten. Misschien hebben ook wij deze teksten verzameld om ze te kunnen vergeten. Of, wat op hetzelfde neerkomt, om ze als een vanzelfsprekend geestesgoed te kunnen beschouwen". Stapstenen icosf 750,-fr. voor een genaaide uitgave en 950,-fr. voor een ingebonden exemplaar.

[5]


M&L BINNENKRANT Het is verkrijgbaar bij de v.z.w. Stichting Monumenten- en Landschapszorg, Nijverheidsstraat 23 b 23, 1040 Brussel (02/ 230.38.76) en door overschrijving op rekeningnummer 426-3141111-35 met vermelding 'Stapstenen' en toevoeging van de portkosten (50,-b.)-

De publikatie is ook te verkrijgen in de boekhandel of bij uitgeverij Mare Van d e Wiele pvba, Jakobijnessenstraat 5, 8000 Brugge (050/33.38.05) die tevens de distributie in de boekhandel waarneemt. Voor Nederland gebeurt dit via 'Het Boekenhuis', Koepoortbrug 4, 2000 Ant-

werpen (03/234.35.12) of door overschrijving op rekening Paribas-Maastricht 633670-480 van de som van respectievelijk (genaaid) 38 of (gebonden) 48 gulden, te vermeerderen met de portkosten (5 gulden).

Heropening Sint-Jan-de-Doperkerk in Leuven.

Na de toespraken van de Heren Gysembergs en Tavemier, volgde een liturgische viering. De genodigden werd vervolgens verzocht zich naar buiten te begeven waar de Heer K. Poma, Gemeenschapsminster van Cultuur, een gedenksteen onthulde. Een toespraak van de Minister was in d e persmap voorzien, doch om technische redenen heeft de minister deze niet gehouden. Volledigheidshalve wordt de toespraak hieronder afgedrukt: „Het verheugt mij, vandaag hier betrokken te worden bij de plechtige herope-

ning van de gerestaureerde Begijnhofkerk. Inderdaad, als Gemeenschapsminister van Cultuur heb ik steeds de bescherming van monumenten en landschappen ter harte genomen. Met bijzondere belangstelling heb ik dan ook de werken aan deze Begijnhofkerk gevolgd. Immers, bij monumentenzorgers kent het Groot Begijnhof van Leuven grote, zelfs internationale vermaardheid. En terecht.

Na een grondige restauratie (cf. M&L 4/ 4) werd op vrijdag 20 september de SintJan-de-Doperkerk in Leuven, beter gekend onder de benaming "Begijnhofkerk', plechtig heropend. Bij deze gelegenheid droeg de Heer Gysembergs, voorzitter van het Leuvense O.C.M.W., de sleutels van de kerk over aan de Heer Tavemier, vice-rector van de K.U. Leuven, die d e kerk in erfpacht krijgt voor een periode van 99 jaar.

In het bijzijn van de Heer Tavemier, Vice-reclor van de K.U.Leuven,

[6]

onthult K. Poma, Gemeenschapsminister van Cultuur, de gedenksteen.


M&L BINNENKRANT Want de restauratie van de huizen en hun renovatie als woningen voor studenten en academici van de Katholieke Universtiteit, is een der eerste realisaties geweest die de waarde en de betekenis van historische ensembles erkende. Een eerste uiting dus van een monumentenzorg die terzelfder tijd ook stadsherstel kan zijn. In 1962, toen met de restauratie van het Begijnhofcomplex werd gestart, was dit stadsrenovatie avant-la-lettre, meer zelfs, dit was avant-garde. Immers het decreet ter bescherming van de monumenten, stads- en dorpsgezichten zou er pas in 1976 komen, en het besluit van de Vlaamse Executieve over de stads- en dorpskem-herwaarderings-operatie pas in 1983. Voor de restauratie van het Groot Begijnhof verdient het O.C.M. W. alle lof en respect. Meer dan 20 jaar na de aanvang van de renovatie van het Begijnhofcomplex, is ook de restauratie van haar kerk voltooid. Ik ben ervan overtuigd dat deze restauratie de vermaardheid van het Groot Begijnhof nog aanzienlijk zal vergroten. Om meerdere redenen trouwens: — anders dan zo dikwijls het geval is, werd dit monument in zijn globaliteit gerestaureerd: niet alleen het gebouw, ook zijn interieur met meubels en kunstvoorwerpen en zijn kerkhof, kregen een verzorgende behandeling; — de optie, het concept en de uitvoering van deze restauratie kunnen voorbeeldig genoemd worden. Men beperkte zich niet tot een louter weer gezond maken van het monument, ook de betekeniswaarden werden erkend, waardoor de spirituele waarden versterkt werden. Dit ervaart men vooral in het interieur dat, dank zij de witgekalkte pleisterlaag, zijn gedematerialiseerd karakter van gotische ruimte bewaard en versterkt zag. Het gewelf, de apostelbeelden en het rijke meubilair, die de kerk sedert de 17de eeuw verrijken, integreren zich moeiteloos in dit sober en helder interieur. De nieuwe functie als universitaire parochiekerk bracht eisen met zich mee verbonden aan liturgie en comfort. Mijnheer de vice-rector, U krijgt vandaag dus een zeldzaam rijke parochiekerk voor uw Katholieke Universiteit van Leuven. Even rijk aan betekenissen als de instelling waarvan u de voorzitter bent. Deze kerk bezit een ongemeen waardevol kunstpatrimonium, een reeks merkwaardige muurschilderingen, een juweel van een sacristie en, een unicum voor onze streken, een kleurrijk beschilderd portaal. Op zo'n parochiekerk kunnen U en de hele universitaire gemeenschap, terecht fier gaan... .

Maar ook op andere vlakken dan de loutere monumentenzorg opende d e voorbije restauratiecampagne — ze duurde 8 jaar — nieuwe perspectieven: wetenschappelijke, historische en kunsthistorische. Het zou mij te ver leiden dit hier, zelfs beknopt te illustreren. Het volstaat, en bij wijze van voorbeeld, aan te stippen dat naar aanleiding van de restauratie en op basis van archiefonderzoek, de geschiedenis van de kerk werd herschreven. De publikatie van de resultaten van dit onderzoek, de bespreking en de evaluatie van de restauratie, de belichting van een aantal deelfacetten, vullen haast het hele septembernummer van het tijdschrift 'monumenten en landschappen'. U ontving er een exemplaar van. De respectieve auteurs verdienen terecht onze felicitaties. Maar ook allen die tijdens de voorbereiding en uitvoering van de restauratie betrokken zijn geweest, wil ik hier vermelden en gelukwensen. Meer in het bijzonder: de heer voorzitter Gysembergs en zijn raadsleden van het O.C.M.W., die de iniliatiefnemers zijn van deze restauratie; de Katholieke Universiteit Leuven, die als erfpachtnemer het eigenaarsaandeel in de restauratiekosten droeg; de Provincie Brabant en de Stad Leuven die beide ook een belangrijke financiële bijdrage leverden; ingenieur-architect Vandendael, de ontwerper; de firma Building en de N.V. De Decker, en verder alle firma's die de realisatie en de uiterst verzorgde uitvoering verzekerden; en verder Mevrouw Masschelein en haar medewerkers en medewerksters van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium; de ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en in het bijzonder de inspecteurs van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen, die het geheel volgden en begeleidden: Mevrouwen Bergmans, Buyle en De Maegd, de Heren Dekoninck en Fauconnier. Dames en Heren, Dankzij de inspanning en goede samenwerking van velen, kan de Vlaamse Gemeenschap samen met U, mijnheer de vice-rector en met U, mijnheer d e voorzitter, terecht trots zijn op de Sint-Jan-deDoperkerk van het Groot Begijnhof. Om de herinnering aan deze restauratie levendig te houden, onthul ik thans graag deze gedenksteen." K Poma. Gemeenschapsminister van Cultuur 20 september 1985.

Werkbezoek van de Duitstalige Gemeenschap van België en de Rheiniches Amt fur Denkmalpflege. In het kader van het onlangs gesloten samenwerkingsakkoord tussen de Duitstalige en de Vlaamse Gemeenschap van België, nodigde het Bestuur op 15 oktober 1985 een delegatie uit van de Duitstalige Gemeenschap om een werkbezoek aan Vlaanderen te brengen. Aangezien het Bestuur in 1984 een bezoek bracht aan het Rijnland, vond men het opportuun eveneens een delegatie van de Rheiniches Amt für Denkmalpflege (West-Duitsland) uit te nodigen. Met beide delegaties werd afgesproken in Tongeren, waar C. Vanthillo en J. Gyselinck, inspecteurs Limburg, de Duitstaligen begroetten en een aantal bijzondere restauratiewerken voorstelden: de basiliek van Tongeren met zijn rondgang en kerkschat en het 'Spaans Huis', een merkwaardig monument in traditionele vakwerkstijl, waarvan de restauratie beëindigd is.

Mevrouw C. Vanthillo verwelkomt onze Duitse gasten en schetst de historiek van Tongeren.

Even buiten Tongeren, in Berg, werd een restauratiewerk aangedaan; een traditioneel-Romaanse dorpskerk met neogotische aankleding, waarvoor de gasten veel belangstelling koesterden. Op het middaguur werd naar Leuven afgereisd, waar de heer Etienne De Ryck, Secretaris-generaal van de Vlaamse Gemeenschap, in de Faculty Club van het Begijnhof de delegaties verwelkomde. In zijn toespraak heette d e Secretarisgeneraal de Heer Mainzer, Hoofd van de Reiniches Amt für Denkmalpflege, en de Heer Hellebrandt, Bestuursdirecteur van de Duitstalige Gemeenschap, welkom. Hij voegde er aan toe dat het samenbrengen van deze twee delegaties niet uit tijdsbesparende overwegingen is gebeurd, maar dat het logisch en interessant bleek vertegenwoordigers van gebieden aan weerszijden van de grens samen te brengen met Vlaamse Monumentenzorgers en meer bepaald deze van aanpalende provincies als Limburg en Brabant.

[7]


M&L BINNENKRANT

De Heer E. De Ryck, Secretaris-generaal, tijdens zijn toespraak. Van links naar rechts: de heren Coedleven, Hellebrandt, Maimer, Lennertz.

Vergezeld van de heren Hellebrandt, Bestuursdirecteur van de Duitstalige Gemeenschap en Coedleven, Adviseur-hoofd van dienst, bezoekt de heer E. De Ryck, Secretaris-generaal, de onlangs gerestaureerde Sint-Jan-de-Doperkerk in Leuven.

Wat de monumentenzorg in Vlaanderen betreft stond de Secretaris-generaal zijn gasten als volgt te woord: 'Het programma van deze ontmoetingsdag brengt een waaier van diverse realisaties in diverse stadia van uitvoering aan het licht. Deze concrete problemen met al wat dit betekent aan beslissingen, opties en correcties leggen we voor als mogelijk uitgangspunt voor een verder uit te bouwen discussie omtrent monumentenzorg. Fundamentele vragen als het 'hoe', het 'waarom' en 'voor wie' dienen steeds opnieuw gesteld en opnieuw onderzocht, om niet te vervallen in theoretische clichés of administratieve routine. De vandaag voorgestelde objecten belichten diverse facetten van onze benadering. Centraal staat dat elk monument uniek is en als dusdanig dient behandeld. Genuanceerde restauratieopties, die leiden tot historiserende, conserverende of 'creatieve' oplossingen, moeten steeds het resultaat zijn van een verantwoorde studie van het gebouw en zijn omgeving, zijn blijvende of mogelijke nieuwe functies. De beslissingen, die in dit stadium worden genomen, moeten kunnen worden nagetrokken en zonodig aangepast en omgebogen in de loop van de uitvoering: nieuwe gegevens komen vaak aan het licht tijdens de restauraties. Ook technieken en inzichten evolueren snel... . De Vlaamse Gemeenschap heeft dus gekozen voor een dynamische monumentenzorg met oog voor de aanbevolen internationaal geïntegreerde conservatie en ruimte voor eigentijdse inbreng ook wat vormgeving betreft.

Monumentenzorg lijkt ons niet te behoren tot de categorie van historiserende en mummificerende bezigheden, noch tot deze van d e louter technische, wetmatige, quasi chirugicale ingrepen. Monumenten moeten zo normaal mogelijk kunnen verder leven en hun eigen specifieke rol kunnen blijven spelen met al wat dit veronderstelt aan culturele referentie, kritische inbreng en stimulans voor de uitbouw van een eigentijdse architectuur...'. In zijn wederwoord benadrukte d e heer Mainzer de bestaande bomden tussen de delegaties en hij bedankte tevens de Vlaamse Gemeenschap voor de keurige organisatie van deze ontmoetingsdag. Ook de heer Hellebrandt benadrukte in vloeiend Nederlands het belang van werkdagen in verband met het uitwisselen van informatie en het confronteren van het ideeëngoed. Op het namiddagprogramma stonden enkele Leuvense monumenten en in het bijzonder de Sint-Jan-de-Doperkerk van het Groot Begijnhof (zie M&L 4/5) op het programma. Chris De Maegd en An Bergmans, inspecteurs Brabant, legden in hun uiteenzetting vooral het accent op d e 'globale restauratie' van deze kerk. Na een grondige rondleiding werd via de aantrekkelijke straten van het Begijnhof verder gewandeld tot aan de Janseniustoren, waar de heer Lucas Van Herck, architect van het project, voor de nodige commentaar zorgde. Vooral de integratie tussen oud en nieuw, noodzakelijk omwille van d e nieuwe functie en het beveiligingsprobleem — in dit complex werden immers

[8]

klaslokalen ondergebracht — trof de aanwezigen. Na dit laatste bezoek werd nog even van gedachten gewisseld in een typisch Leuvense gelegenheid. M. Ramakers.

Tentoonstelling 'Van Winkelen en Puien' in Haarlem. Gedurende de zomermaanden werden allerlei voorbereidingen getroffen om de tentoonstelling: 'Van Winkelen en Puien', die twee jaar geleden werd opgezet ter gelegenheid van de voltooiing van de inventarisatie van het Bouwkundig Erfgoed van de Stad Gent (cf. M&L 2/ 1) en die een volledig overzicht biedt van de evolutie van de winkelpui-architectuur in het Gentse, aan het Haarlemse publiek voor te stellen. Nadat afspraken werden gemaakt met de Heer Courtois, eerste secretaris van d e Ambassade van België in Den Haag en de Heer J.AH. Post, voorzitter van het Bestuur 'De vrienden van de Grote Kerk in Haarlem' en tevens contactpersoon met het Stadsbestuur van Haarlem, werd het nodige materiaal via de kanalen van het Commissariaat-generaal voor Internationale Culturele Samenwerking naar Haarlem gevoerd. Mevrouw M. Verbeeck, die deel uitmaakt van ons inventaristeam van OostVlaanderen, reisde op donderdag 3 oktober naar Nederland om er met behulp van d e plaatselijke fotoclub, d e tentoonstelling op te bouwen in de kloostergang van het Stadhuis van Haarlem.


M&L BINNENKRANT Op zaterdag 5 oktober vond de Bavodag plaats, die dit jaar werd georganiseerd met medewerking van de Stad Gent en waartoe dus ook het Bestuur via de vermelde tentoonstelling zijn steentje bijdroeg. In de vroege ochtend werd deze voor de Stad Haarlem bijzonder feestelijke dag plechtig geopend in aanwezigheid van de Heer en Mevrouw Herpin, de nieuwe Belgische Ambassadeur in Den Haag, burgemeester Mevrouw Schmitz, de Heer Courtois en talrijke afgevaardigden van het Gentse Stadsbestuur. Onder deskundige leiding van de Heer Bogaart werd het gezelschap rondgeleid in de pas gerestaureerde Grote Kerk in Haarlem. Met een geslaagd recital op het gigantische orgel van deze unieke kerk sloot Mevrouw De Bondt uit Gent de voormiddagplechtigheid af.

Burgemeester mevrouw Schmitz tijdens haar toespraak. Op vrijdag 4 oktober omstreeks 15 uur vond de plechtige opening plaats. Op uitnodiging van 'De vrienden van de Grote Kerk' en van het Stadsbestuur, waren ook de heer M. Fierlafijn, adjunctadviseur van het Bestuur en de Heer M. Ramakers, verantwoordelijke Pers & Voorlichting, op de plechtigheid aanwezig. Na een bijzonder hartelijk verwelkomingswoord van Burgemeester Mevrouw Schmitz en een kort exposé aangaande de voorbereiding en de samenwerking door de Heer J.A.M. Post, verklaarde de Heer Courtois, namens de Gemeenschapsminister van Cultuur, deze tentoonstelling voor geopend. Mevrouw Verbeeck leidde de prominenten

Het Bestuur, sterk opgetogen door de ontvangst en de vlekkeloze organisatie J.A.M. Post, voorzitter van 'De Vrienden van — waarvoor speciaal de heren J.A.H. Post, R. Bogaart en Mevrouw L. Kusters de Grote Kerk'. worden bedankt — hoopt dat deze samenwerking leidt tot een ruimere berond en verschafte uitleg over het Gentkendheid van ons eigen cultureel erfse winkelpui-fenomeen. goed in het buitenland. Er werd van de gelegenheid gebruik Bovendien kan dit een aanzet betekenen gemaakt om afspraken te maken aanom zulke uitwisselingen in de toekomst gaande de mogelijkheden om deze en/ nog meer te bevorderen. of andere tentoonstellingen van het BeDe tentoonstelling liep tot 29 oktober en stuur op andere plaatsen in Nederland kende een verdiend succes bij het Haarvoor te stellen. lemse publiek. De delegatie van het Bestuur werd later op de dag uitgenodigd om de plechtige inhuldiging van het pas gerestaureerde Haarlems Hofje bij te wonen. Dit bleek een bijzonder geslaagd initiatief, aangezien het ons toeliet een parallel te trekWerkzaamheden van de conserveken met soortgelijke verwezenlijkingen ringsploeg. in Vlaanderen, en dan specifiek wat onze beluiken betreft. In de Sint-Carolus-Borromeuskerk in Antwerpen werd gewerkt aan de fixering van twee paneelschilderingen in de linkerzijapsis. Het betreft 17deeeuwse voorstellingen uit het leven van de H. Franciscus van Assisi door Comelis Schut. Tevens werden kleine herstellingen uitgevoerd aan de geschilderde apostelenreeks, de zogenaamde 'Apostolado' en aan de Kruisweg. De volledige restauratie van deze kerk loopt ten einde. Aan het interieur werd bijzondere zorg besteed en dit prachtige en rijk uitgewerkte barokensemble kan weer in zijn vroegere luister bewonderd worden. In de Gentse Sint-Niklaaskerk werden eveneens enkele paneelschilderingen gefixeerd. Ze vertoonden sterke opstulpingen van de picturale laag en werden met een mengsel van was en hars behandeld, om afschilferingen tegen te gaan.

De Heer Courtois, cultureel attaché, tijdens Mevrouw Af. Verbeeck leidt de prommenten zijn toespraak. rond.

In de Gentse Sint-Amanduskapel aan de Oude Houtlei werd, met het oog op latere schilderwerken, gezocht naar de oor-

[9]


M&L BINNENKRANT treffende pand had de ploeg in 1978 de volledige beschilderingen van twee kamers vrijgelegd en geconserveerd. Thans werden er in een derde vertrek nog resten vrijgelegd van een decoratief versieringsschema met bloemvazen en guirlandes. In een nis van de ingangspoort van het Diestse Begijnhof staat een barokke 17de-eeuwse Madonna met Kind. Deze massieve houtsculptuur werd geconserveerd door de ploeg en nadien herschilderd op het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, zodat een buitenopstelling weer mogelijk werd. De Onze-Lieve-Vrouw-Geboortekerk in Oostham bezit een merkwaardige reeks houtsculpturen van hoge kwaliteit. De hele serie beelden werd geconserveerd: houtwormbehandeling, herlijming van afgebroken stukken, fixering van de verflaag en lichte reiniging. Antwerpen, Sint-Carolus Borromeuskerk: het paneel van Comelus Schut tijdens het fixeren en vervolgens na de behandeling. spronkelijke kleurgeving van het barokke interieur. De muren en de gewelfvelden waren origineel in een goudoker geschilderd. Het stucwerk was onbeschilderd en de vensteromlijstingen waren in twee tinten van oker uitgemonsterd. De stukken blauwe steen rond vensters en deuren waren gepolierd en 'gezwart', om zwart marmer te imiteren. Een vrij uitzonderlijk kleurschema werd vastgesteld na onderzoek van de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw-van-den-Akker in Minderhout-Hoogstraten. De kleurrijkdom van de vensteromlijstingen en het stucplafond is bijzonder interessant en vertoont tinten van blauw, roze, rood, oker, groen en bladgoud.

De Leuvense Sint-Jan-de-Doperkerk in het Begijnhof heropent zijn deuren na een jarenlange restauratie. De afgenomen en gerestaureerde muurschilderingen werden terug naar de kerk gebracht en er werd ter plaatse gewerkt aan het herinwerken van de 14de-eeuwse schilderingen onder het venster van de zijbeuk. Tevens werd er bijkomend onderzoek verricht naar de kleurstelling van de sacristie, die in de oorspronkelijke prachtige kleuren wordt herschilderd. In een woonhuis op het Martelaarsplein in Brussel werd bijkomend onderzoek verricht naar de aanwezigheid van 18deeeuwse muurschilderingen. In het be-

In de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw-vande-Blijde-Vrede in Helshoven-Borgloon wordt thans gewerkt aan de fixering van 16de-eeuwse geschilderde wapenschilden op het altaar. M. Buyle.

Bezoek aan de Weissenhofsiedlung in restauratie in Stuttgart. Naar aanleiding van de komende restauratie van het huis Guiette van architect Le Corbusier in Antwerpen, werd een bezoek gepland aan de restauratie van de Weissenhofsiedlung in Stuttgart, Duitsland. Het woonhuis in Antwerpen dateert uit 1928 en is gebaseerd op hetzelfde concept als de eengezinswoning van Le Corbusier in Stuttgart van 1927.

Historiek Het ontstaan van de Weissenhofsiedlung is te danken aan het initiatief van een Stuttgarter architectengroep rond Richard Döcker, leden van de 'Deutscher Werkbund'. Zij slaagden erin het stadsbestuur van Stuttgart te overtuigen om in het kader van haar woningbouwprogramma op haar bouwgronden op de Killesberg een modelwijk van ca. 60 wooneenheden te bouwen naar de ideeen van de Werkbund. Aanvankelijk was de planning in handen van Paul Bonatz — de ontwerper van het in 1908 geplande nieuwe stationsgebouw van Stuttgart — en Paul Schmitthenner — de architect van d e in 1933 opgerichte houten Kochenhofsiedlung op de Killesberg. Bonatz en Schmitthenner traden evenwel uit de Werkbund omdat ze de opvattingen van een nieuwe architectuur, bevrijd van alle tradities, Oostham, kerk Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte: het beeld van de Heilige Margaietha vóór (aan- niet deelden. De 'traditionalistische' bouwwerken van deze architecten staan tasting door houtworm) en na de behandeling.

[10]


M&L BINNENKRANT vandaag naast de 'modernistische' Weissenhofsiedlungen op dezelfde monumentenlijst. De modelwijk op de Killesberg zou voor de duur van een grote Werkbundtentoonstelling opengesteld worden voor het publiek, om nadien toegevoegd te worden aan het door de stad beheerde woningpatrimonium. De Werkbund had zich bij zijn oprichting in 1907 in München tot doel gesteld, door een samenwerking tussen kunst, ambacht en industrie, de kwaliteit van de industrieel vervaardigde produkten te verbeteren. Men reageerde tegen alles wat stijl pretendeerde te zijn, zowel tegen alle historiserende stijlen als tegen de Jugendstil Men was op zoek naar een nieuwe wooncultuur en naar het zinvolle gebruik van nieuwe materialen en bouwtechnieken. De nieuwe vorm behoorde het resultaat van dit zoeken te zijn en niet het vooropgezette doel. Het getuigt van de nodige dubbelzinnigheid vanwege de initiatiefnemers dat ze de vraag van de nieuwe woning niet reduceerden tot een louter technisch en economisch probleem van standaardisatie en rationalisatie, maar het in eerste instantie beschouwden als een probleem van vormgeving en dat ze daarom de belangrijkste architecten van de MoZustand der WeiBenhofsiedlung 1927 1- 4 5- 9 10 11 12 13 14—15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26-27 28-30 31-32 33

Ludwig Mies van der Rohe (Am WeiBenhof 14-20) J. J. P. Oud (Pankokweg 1-9) Victor Bourgeois (Friedrich-Ebert-StraBe 118) Adolf G. Schneck (Friedrich-Ebert-StraBe 114) Adolf G. Schneck (Bruckmannweg 1) Le Corbusier mit Pierre Jeanneret (Bruckmannweg 2) Le Corbusier mit Pierre Jeanneret (RathenaustraBe 1—3) Walter Gropius (Bruckmannweg 4) Walter Gropius (Bruckmannweg 6) Ludwig Hilberseimer (RathenaustraBe 5) Bruno Taut (Bruckmannweg 8) Hans Poelzig (RathenaustraBe 7) Richard Döcker (Bruckmannweg 10) Richard Döcker (RathenaustraBe 9) Max Taut (Bruckmannweg 12) Max Taut (RathenaustraBe 11) Adolf Rading (Am WeiBenhof 22) Josef Frank (RathenaustraBe 13-15) Mart Stam (Am WeiBenhof 24-28) Peter Behrens (Hölzelweg 3-5) Hans Scharoun (Hölzelweg 1)

Die Mauser 16-20. 22-25 sind nicht mehr in alter Form aufgebaut, Haus 21 wurde nicht wieder aufgebaut

derne Beweging uitnodigden hun visie van een moderne woonvorm te realiseren. Architect Mies van der Rohe (Berlijn) had de algemene leiding, ontwierp het stedebouwkundig model en het grote appartementsblok dat de ruggegraat vormt van de hele wijk. Verder werden woningen gerealiseerd door de Duitse architecten Richard Döcker (Stuttgart), Adolf Schneck (Stuttgart), Adolf Rading (Breslau), Hans Scharoun (Berlijn), Peter Behrens (Berlijn), Ludwig Hilbesheimer (Berlijn), Hans Poelzig (Berlijn), Bruno Taut en Max Taut (Berlijn) en Walter Gropius (Dessau). Uit het buitenland werden Le Corbusier en Pierre Jeanneret (Parijs), J.J.P. Oud (Rotterdam), Mark Stam (Rotterdam) en Jozef Franck (Wenen) ontboden. De woning van architect Victor Bourgeois (Brussel) is het resultaat van een privaat initiatief. In februari 1927 startte men met de aanleg van straten en nutsleidingen op de weide en de boomgaard van het landgoed 'Weissenhof, en in juli werd de tentoonstelling geopend. Richard Döcker hield bouwtoezicht op alle werken met uitzondering van de Le Corbusier-gebouwen. Aangezien men bij elk ontwerp met een andere bouwtechniek experimenteerde, was dit geen eenvoudige taak.

Het huis Le Corbusier in de Rathenaustrasse.

Le Corbusier had zijn jonge medewerker Adolf Roth (Zurich) vanuit Parijs gezonden om de werken van nabij te volgen. De uitzonderlijk korte bouwperiode kon worden gerealiseerd omdat de meeste constructiemethodes bedacht waren voor snelle, economische uitvoering. Op enkele woningen na is de Siedlung afgewerkt bij de opening van de tentoonstelling. De geraamde bouwkosten werden evenwel ruim overschreden. De meeste interieurs waren voor de tentoonstelling bemeubeld en ingericht op eigen initiatief en kosten van de ontwerpers. In 1943 werden enkele gebouwen volledig vernield door bominslagen. De meeste werden echter na de oorlog verbouwd en opgelapt tot ze onherkenbaar geworden waren. Restauratie Naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan neemt de vereniging 'vrienden van de Weissenhofsiedlung' deze keer het initiatief tot een internationale oproep, die de aanzet zal zijn tot de restauratie van de wijk. Terwijl de Werkbund de beslissing neemt om de wijk niet wederop te bouwen, is het antwoord op de internationale oproep er een vóór behoud en reconstitutie van de gebouwen naar hun originele toestand. In 1981 krijgt het 'Staatliche Hochbauamt' de opdracht voor sanering en restauratie van de Siedlung. De beëindiging van de derde en laatste restauratiefase wordt verwacht tegen de 60ste verjaardag van de wijk. De restauratiekosten worden door de Bundesstaat gedragen, daar de Siedlung staatseigendom is. In 1939 was de wijk door de nationaal-socialisten van

[Hl


M&L BINNENKRANT de stad overgenomen. Toen was het de bedoeling de Siedlung, die als 'artfremdes Kulturgut' werd bestempeld, te slopen en op deze uitzonderlijke site een militair-administratief complex op te richten. Het uitbreken van de oorlog heeft de sloop verhinderd. De restauratie omvat de nu nog resterende gebouwen van 1927. Deze werden reeds in 1956 wettelijk beschermd. In een eerste fase werden de vijf rijwoningen van JJ.P. Oud, het eengezinshuis en de dubbelwoning van Le Corbusier en het woningenblok van P. Behrens opgeknapt. Van de tweede fase zijn reeds het blokje van 3 rijwoningen van M. Stam en de dubbelwoning van J. Franck voltooid. De eerste helft van het appartementsgebouw van L. Mies van der Rohe staat nog in de steigers. De tweede helft van dit gebouw zal samen met de beide woningen van A. Schneck en het huis van V. Bourgeois, in de derde fase volgen. De restauratie heeft een bijna onmogelijk doel voor ogen: het vinden van oplossingen die zowel een bouwtechnische verbetering betekenen, als de wensen van de bewoners respecteren en tegelijk het gebouw in zijn originele toestand en voorkomen herstellen. Zowat voor alle woningen achtte men het nodig de thermische isolatie te verbeteren. Hoewel aan dit probleem vandaag bij de restauratie zeker meer aandacht en energie wordt besteed, kan men niet zeggen dat dit bij de bouw over het hoofd gezien werd, integendeel. Voor de inplanting van de gebouwen in de site richtte men zich voornamelijk naar de zon. Architect JJ.P. Oud keerde zijn huizenrij met de woonruimte naar het zuiden en met het achterkoeltje naar de straat, wat meteen de zeer eigen

'voorgevel' opleverde. De buitenmuren realiseerde hij in ontdubbelde gegoten betonwanden. Le Corbusier ontwierp een houten schuifraam, voorzien van dubbele, hoewel geen isolerende, beglazing. De zuidgevel van het eengezinshuis concipieerde hij als een dubbele glazen gevel, een zeer smalle wintertuin, waarvan evenwel slechts het buitenste raamwerk werd uitgevoerd. Het appartementsgebouw van L. Mies van der Rohe was oorspronkelijk zelfs geïsoleerd met geperste turfplaten. Bij de restauratie werden deze gebouwen thermisch geïsoleerd door de gevels af te werken met isolerende pleisters, of door isolatieplaten aan te brengen onder de afwerkingspleisterlaag. Dit gebeurde steeds nadat de oude bezetting verwijderd en alle schade aan beton- of staalskelet hersteld was. Bij het Mies-blok wordt momenteel het systeem van isolatieplaten met afwerkpleister van een 20 jaar oude restauratie verwijderd om vernieuwd te worden. Men wil met deze thermische buitenisolatie niet alleen de verwarmingskosten drukken, maar ook op lange termijn de instandhoudings- en restauratiekosten beperken. Daar de meeste gebouwen bestaan uit een structuur van gewapend beton of staal, opgevuld met metselwerk van bimsblokken of baksteen, en daar verschillende bouwmaterialen verschillend uitzetten onder invloed van temperatuurschommelingen, tekenden zich steeds barsten af in de gevelbezetting. Een voldoende thermische buitenisolatie kan dit voorkomen, daar ze de constructie ongevoelig maakt voor temperatuurschommelingen. Bij het aanbrengen van deze uiteraard veel dikkere nieuwe buitenafwerking diende veel aandacht besteed te worden aan alle aansluitings-

Huizen in de Pankokweg 1-9. Architect JJ.P. Oud.

[12]

details voor ramen, plinten, binnen- en buitenhoeken om de oorspronkelijke, perfecte maatvoering van de gevels zo weinig mogelijk te verstoren. Overigens illustreert het hele opzet tot reconstitutie van de oorspronkelijke toestand bijzonder goed alle kwetsbare kanten van deze moderne architectuur. Van het P. Behrenshuis werd het later aangebrachte zadeldak afgenomen om het volume met het platte dak te herstellen. Overbouwde dakterrassen en aangebouwde balkons dienden gesloopt om het oorspronkelijk concept te herstellen. Verbouwde raamopeningen werden opengebroken tot hun originele grootte en proporties. Zowat alle houten en stalen schrijnwerk, dat ooit naar de inzichten van de bewoners was vervangen, diende hermaakt naar de oorspronkelijke detailtekeningen van de ontwerpers. Een ander delicaat punt was het herstel van de originele kleurigheid van de Siedlung. Ten onrechte werd in de loop van de geschiedenis de oudere benaming 'Weissenhof vereenzelvigd met de gebouwen, en werden de gekleurde gevels wit overschilderd. Aan de hand van archiefdocumenten en van in situ gevonden verfresten werden de Le Corbusiergebouwen in Engels groen, gebrande sienna, gebrande omber, ultramarijn, anthraciet en lichte oker herschilderd. De noordgevel van de woningenrij van M. Stam werd in krachtig blauw en de zuidgevel in flets geel gezet, en het Mies-blok wordt helemaal licht roze bezet en krijgt weer donkergrijs geschilderd schrijnwerk. Daar waar de huurders bereid gevonden werden, kon deze kleurigheid ook in de interieurs worden hersteld. Evaluatie Eén ding wordt door deze restauratie wel bijzonder in de verf gezet, namelijk dat we er ons al te gemakkelijk vanaf maken als we deze eerste modernisten de schuld willen geven voor het banale en kleurloze van heel wat, latere, modernistische architectuur. Dit verantwoordt ten volle het documentaire karakter van deze restauratie. Een restauratie die tegelijk de verloochening betekent van het oorspronkelijk idee voor deze 'machines a habiter', die nooit voor de eeuwigheid bedoeld waren. De restauratie van deze jonge monumenten uit de jaren twintig is in enkele opzichten moeilijker dan de restauratie van gebouwen uit de vorige eeuwen. Niet alleen omdat destijds met nieuwe bouwmaterialen en constructies werd geëxperimenteerd, maar ook omdat deze moderne materialen zoals cement en staal, in vergelijking met traditionele materialen, een kortere levensduur hebben en daarenboven ook veel moeilijker te herstellen zijn. Het onvermogen om met waardigheid oud te worden onderscheidt dit 'nieuwe bouwen' van alle


M&L BINNENKRANT bouwkunst van vroegere eeuwen. De sporen die de geschiedenis op deze gebouwen achterlaat, doen er alleen maar van af. Nergens tref je een behoudenswaardige verbouwing of een waardevolle toevoeging aan. Deze moderne architectuur laat geen wijzigingen toe. Geconcipieerd in weerwil van de geschiedenis verdragen deze gebouwen zelf niet de minste evolutie, steeds dreigt het concept te worden geschonden. Het toepassen van de nieuwste materialen en technieken bij de restauratie is al even moeilijk. De pretentie van de radicale breuk met de geschiedenis verplicht nu tot d e pijnlijkste nauwkeurigheid bij de renovatie. Maar gelukkig kan men ook zeggen dat deze jonge monumenten het frisse, nieuwe aspect na een restauratie ook veel beter staat. Er bestaat hoedanook geen andere keuze, want een mooie ruïne levert dit 'nieuwe bouwen' zeker niet op. A. Malliet - L. Wylleman

Technology of Preservation and Treatment of Stone Course, Venetië, 23 april - 21 juni 1988. Georganiseerd door Unesco, Iccrom en Soprintendenza di Venezia Deelnemers : 26 uit 19 verschillende landen. Voor A.R.O.L. - B.M.L.: bijgewoond door L. Dekoninck. Venetië gedoemd om in de golven te verdwijnen? Volgens het 'Venice Hologram', (1) een rapport van 1972, had men toen reeds zicht op een technische oplossing de 'Aqua Alte' buiten de stad te houden. Vandaag de dag zijn verschillende oplossingen op papier tot in detail uitgewerkt. Op papier althans, want een versnipperd systeem van bevoegdheden staat een uitvoering in de weg. Op privéinitiatief bijeengebrachte internationale fondsen, worden ingehouden in afwachting van een oplossing voor dit administratief probleem van verantwoordelijkheid. De vele 'Save Venice'-committees bleken inderdaad niet bij machte de geldelijke verantwoordelijkheid te dragen. Unesco heeft er steeds voor geijverd dat het Venetiaans probleem gecoördineerd zou worden vanuit een bevoegde Internationale instantie. Reeds in 1971 had ze een autonoom programma uitgewerkt en Venetië uitgeroepen tot het meest geschikte centrum voor al hun activiteiten betreffende instandhouding van monumenten en kunstwerken, en de daarmee in verband staande pollutieproblemen. Het moet dan ook in dit licht bekeken worden dat deze tweejaarlijkse cursus — nu reeds voor de vierde maal — daar plaatsvond.

Sprekers en thema's . Tijdens ons bezoek aan de National Research Council zou L. Carbognin, medeauteur van de publikatie 'The City and the lagoon of Venice' (2), uitvoerig spreken over de geologie en waterhuishoudkunde van de Venetiaanse Lagune, waarvan hier een bondige samenvatting. De lagune is ± 6000 jaar geleden ontstaan door rivierafzettingen die door golfslag en zeestromingen opgeworpen werden tot een smalle eilandengordel waarachter zich een brakwaterbekken van 50 km lang bij 8 tot 14 km breed vormde. Rond 1000 na Christus was dit bekken met zijn 8 openingen naar zee één groot, moeilijk toegankelijk moeras: een ideale schuilplaats voor diegenen die aan de moordende Hunnenhorden trachtten te ontsnappen: aan deze van de Terraferma weggevluchten, heeft Venetië dan ook zijn ontstaan te danken. De Adige-, Bacchiglione-, Brenta-, Sile-, en Piava-rivieren voorzagen dit bassin van brak water, maar deden het stilaan ook verzanden. Noch het natuurlijk proces van land dat zakt onder druk van alluviale afzettting, noch het fenomeen van het stijgend zeewatemiveau door afsmelting van de ijskappen, vormden een voldoende tegengewicht: de moerassen verzandden meer en meer. De Serenissima zag zijn beste verdedigingsmiddel verdwijnen en begon in de 14de eeuw met indrukwekkende waterwerken: rivieren werden rechtstreeks in zee gekanaliseerd, men begon landinwaarts kanalen uit te baggeren voor de scheepvaart en men verminderde ook het aantal zeegaten tot drie. (De woorden 'weeg hem, betaal hem, en als hij een fout maakt, hang hem', 800 jaar geleden uitgesproken door de doge bij de installering van een nieuwe watermagistraat, duiden op het vitale belang van deze waterwerken, die trouwens de hele Venetiaanse Republiek zullen beheersen). Nu er geen sedimenten meer in de lagune werden afgezet, ging deze door natuurlijke zakking stilaan meer en meer verdiepen en een erosief proces kreeg de overhand: de wateroppervlakte breidde zich uit, moerassen verdwenen, en zelfs produktieve landbouwgronden aan de lagunerand kwamen onder water te staan. De laatste 150 jaar werd deze wateroppervlakte door mensen-toedoen zeer sterk gereduceerd: het uitdiepen van nieuwe scheepvaartkanalen, het ophogen van de 'slikken' voor industriële en stedelijke uitbreiding en het indijken van visbroedplaatsen om ze te beschermen tegen het precair evenwicht van de lagune, hadden tot gevolg dat deze smaller en dieper werd. Maar vooral een ongebreidelde grondwaterexploitatie van 1950 tot 1970 vooral door de industrie, is er verantwoordelijk voor dat Venetië plots nog dieper wegzonk. Toen men het verband inzag en

ophield met het leegzuigen van de ondergrondse waterreservoirs, was het irreversibele kwaad geschied: op 20 jaar tijds is Venetië meer dan 10 cm gezakt. Voor een stad die vanaf 1908 zijn drempel ten opzichte van het zeeniveau ziet verlagen van 130 tot 108 cm, is dit catastrofaal. Bovendien zijn eb en vloed van de Adriatische zee, alhoewel een binnenzee, er evenzeer werkzaam en worden ze soms nog versterkt door d e huidige vorm van de lagune: getuige hiervan het onrustwekkend toenemen van de 'aqua alte' - springvloeden die de laatste jaren het grootste deel van de stad geregeld onder water zetten. Of zeggen we beter 'in de pekel' zetten, want waar het lagunewater vroeger brak was, heeft het nu alle karakteristieken van zout zeewater. En de situatie zal er wellicht niet op verbeteren als men de afbrokkeling ziet van de smalle eilandengordel die de lagune afschermen en die van uitzonderlijk belang zijn als de enige - kwetsbare - bumper tegen een zonder ophouden aanvallende zee. Onze eerste bezoeken aan gebouwen en kunstwerken werden ingeleid door P. Rylands, kunsthistoricus, verbonden aan de Peggy Guggenheimcollection, met een geschiedkundig overzicht van de Venetiaanse architectuur, beeldhouwen schilderkunst, en door P. Rockwell, beeldhouwer in Rome die — met het gereedschap in de hand en ons soms met de neus op de stenen duwend — trachtte van onze ogen beeldhouwersogen te maken: het steenkappen van groeve tot beeldhouwwerk, in de oude tijd, middeleeuwen, renaissance en postrenaissance. L. Lazzarini, geoloog en V. Fassina, chemicus, beiden werkzaam in het laboratorium van de Soprintendenza ai Beni Artistic! e Storici de Venezia, doceerden 2 weken lang respectievelijk over geologie, mineralogie en petrografie en over vochtige en droge lucht, oppervlakteaantasting door polluerende produkten (3) en diverse reinigingsmethodes (4). Ze toonden ons in hun labo de verschillende momenteel gebruikte microscopische en scheikundige analysetechnieken: een voor Venetië onmisbaar laboratorium: - allereerst voor het bepalen van aard en herkomst van de steen, wat in Venetië niet altijd zo maar voor de hand liggend is; deze stad is immers overrijk aan natuursteen uit heel de wereld (tijdens het doganaat stipuleerde een wet dat geen enkel schip de thuishaven binnen mocht zonder één of ander bouwmateriaal of beeldhouwwerk meegebracht te hebben om de stad verder mee uit te bouwen of te verfraaien). - ten tweede omdat het aftakelingsproces ook aan Venetië niet voorbijgaat; niet alleen kampt het met een grote overlast van water dat tot overmaat van ramp ook nog zout is, maar bovendien is

[131


M&L BINNENKRANT

Venüeuwen of restaureren ? In Italië zegt men : restaureren (Paleis in Padua). het mdustriële Mestte met zijn polluerende rookgassen zeer dichtbij. Het laboratorium analyseert de steen en zijn verwering in al zijn facetten, stelt de diagnose en schrijft remedies voor; en — het moet hier gezegd — het wordt ginder geval per geval onderzocht omdat — en dit zou tijdens het verdere verloop van de cursus nog verscheidene malen tot uiting komen — er geen vaste restauratie-vuistregels bestaan simpelweg vanwege het feit dat er zoveel verschillende deterloratiefactoren zijn en vooral omdat niet 2 stenen identiek zijn. Hierbij aansluitend bezochten we steengroeven en steenkappersbedrijven in Carrara en Vicenza.

M.L. Tabasso, chemiste aan het Institute Centrale del Restauro in Rome, ging dieper in op de porositeit van de steen, de aanwezigheid van water en de groei van kristallen in deze poriën en d e mogelijke schadegevallen door vorst, zoutkristallisatie, thermische en mechanische spanningen of door chemische wijziging van verschillende mineralen. P. Rossi Doria, natuurkundige CNR - Institute di Fisica Technica in Rome, zou de gebruikte analysemethodes en parameters van kunstmatige verouderingsproeven op monsters en in situ toelichten: volgens een allegaartje van normen van over heel de wereld (Normativa Manufatti Lapidei, Bureau of Standarda USA, WTCB - België, DIN - Duitsland, ASTM - Britisch Stan-

dards Institution) slechts gedeeltelijk, door RILEM geïnternationaliseerd, wat spijtig genoeg het vergelijken van uitslagen dikwijls quasi onmogelijk maakt. L. Barcellona, biologe bij het ING in Rome, weidde uitvoerig uit over cellen, bacteriën, zwammen, korstmossen, algen en mossen en hoe ze te bestrijden. Hoe microscopisch klein het biodeterioratie-agens ook is, het is er dikwijls d e oorzaak van dat Ca-carbonaat gemakkelijker gaat oplossen; en zelfs als dit agens niet gevaarlijk is, gaat het misschien een ander agens aantrekken dat wel destructief is; bovendien zijn ze praktisch altijd een goede basis als aantrekkingspool voor chemische pollutievastzettingen vanuit de lucht. We werden praktisch geoefend in het nemen van monsters op het terrein en in het analyseren daarvan in het labo. A. Villa, landbouwdeskundige (CibaGeigoy-Spa) toonde interessante dia's over onkruid en toepassingen van verdelgingsmiddelen, voornamelijk van belang voor de bescherming van archeologische sites. Na al deze wel erg 'wetenschappelijke' chemie en biochemie was het voor velen onder ons een opluchting J. Ashurst, architect bij het Departement of the Environment in Londen, aan het woord te horen over praktisch onderzoek, diagnose en herstellen door reiniging en consolidatie, en over hoe het gezond verstand zeer dikwijls schade kan voorkomen. I. Massari, ingenieur in Rome, expliceerde zijn systeem van controleren van vocht in muren: een combinatie van waterdichte sperlagen- (vroeger met klei, nu met betonite)-dramering-verluchting: ingewikkeld en duur maar wel effectief. Andere systemen waren: tegen capilair vocht door knapensiphons (weinig effectief), elektro-osmose (niet gegarandeerd effectief), injecties onder lage druk, onderkappen; tegen condensvocht door verwarmen (het creëren van 1 a 2 % temperatuurverschil blijkt reeds voldoende te zijn om een luchtcirculatie te veroorzaken die condensatie verhindert), vervangen van vlakken met grote inertie door vlakken met kleine inertie, afschermen tegen radiatie; tegen hygroscopisch vocht door aanbrengen van speciale pleisters en door chemische transformatie van oplosbare zouten in onoplosbare. S. Perez Arroyo, ingenieur aan het polytechnisch instituut Madrid, raakte heel eventjes de structurele problemen aan die kunnen ontstaan door verwering van metselwerk.

Kalkzandsteengioeve

[14]

nabij Vicenza.

G. Torraca, chemicus, Iccrom-Roma (5) zette de 6 basisprincipes van een goede steenconservatie op een rijtje.


M&L BINNENKRANT 1. dringende behandeling (evt) door voorlopige conservering of door tijdelijk inpakken of inkisten in afwachting van de definitieve restauratie (wat in Italië blijkbaar courant gebeurt); 2. diagnose-studie: identificatie en herkomst van de steen, porositeit, onderzoek van deterioratie, weerkundige en vervuilingsgegevens van de omgeving en dit gedurende min. 1 jaar, opzoeken van technische litteratuur over de steen en — en dit wordt maar al te dikwijls verwaarloosd — op kaart brengen van de deterioratie- en geconsolideerde of behandelde vlakken; 3. reiniging: met steeds voor ogen geen oorspronkelijk materiaal te beschadigen, geen microbarstjes te veroorzaken en geen oplosbare zouten te creëren; 4. consolidatie door opvullen door middel van spatel, door impregnatie, door injectie of door verlijmen met anorganisch materiaal (met calcium of bariumhydroxide die in reactie met CO2 uit de lucht het carbonaat bindmiddel vormen, of met consolideerstoffen die silica vormen), met organische stoffen (synthetische thermoplasten: polymeren, acryl, polyvinylacetaat en thermoharders: epoxys, polyesters) met siliconen of met silanen; 5. bescherming door kalken, kaleien, verven of aanbrengen van waterwerende harsen (vroeger bijenwas, parafine, olie of vet, nu thermoplasten en siliconen); 6. onderhoud: oproep tot oprichten van een 'monumenten-politie' (zoals de Nederlandse monumenten-wacht), maar structuur en praktijk van de bestaande diensten die zich bezig houden met conservatie en restauratie, laten dit vooralsnog niet toe. De steenconservatie door middel van polymeren, vinyl-, acryl-, epoxy-, polyester-, en siliconenharsen werd zeer uitvoerig behandeld door — hoe zou het anders kunnen — 4 chemisten: L. Marchesini, Institute Chemico Paolua, E. De Witte, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium Brussel, die de effectiviteit en de chemische markt van beschermings- en consolidatieprodukten onder de loupe nam, E. Charola, Metropolitan Museum of Art, New York, met een zijsprongetje naar mortels en pleisters, door S. Lewin, University of New York met identificatie van vroegere behandelingen en met — blijkbaar zijn stok-

paardje — steenconservatie door middel van bariumhydroxide en silicaten en door R. Wihr, restaurateur Bamberg Duitsland, met dia's over foutieve conservatiebehandelingen. Tenslotte, in de overtuiging dat de diverse steenbeschermingstechnieken gegroeid zijn vanuit de bekommernis onze muurschilderingen te behouden, sprak — alhoewel niet voorzien in het programma, maar wel op algemene aanvraag van de cursisten — P. Schwarzbaum over zijn wereldpraktijk als restaurateur bij het ICCROM in Rome. De overwegend theoretisch-wetenschappelijke toon van de cursus werd gelukkig enkele malen afgewisseld met bezoeken aan een restauratieatelier of instituut: Firenze - Opificio delle Pietre Dure; Bologna - Centre per la conservazione delle sculture aU'aperto; Padua - laboratorium of Restoration RWS; Murano Stazino Sperimentale del Vetro; Roma Institute Centrale del Restauro. Ook in Rome werden we ontvangen door C. Erder, directeur van het deze restauratiecursus organiserende instituut, het ICCROM, dat — niet te vergeten — waarschijnlijk het best uitgebouwde documentatiecentrum ter wereld bezit in verband met restaureren. In Venezia, Torcello, Murano, Padova, Bologna, Firenze, Roma klommen we zo'n 20 keer op de stellingen waar ons uitleg werd verschaft door restaurateurs als O. Nonfarmale, G. Galli, P. en L. Mora, G. Fazio, A. Martini. Dat in Italië zoveel restauratiewerken toch zolang in de steigers blijven staat is — zo werd ons daar verteld — niet alleen om politieke redenen maar ook omdat er een onderzoek aan de gang is naar de uiteindelijke afwerking van de monumenten: uit nauwkeurige onderzoeken blijkt namelijk dat de meeste monumenten van in den beginne beschilderd waren en dat juist de steenvlakken die nu nog beschilderd zijn, praktisch niet verweerd zijn; er gaan dan ook meer en meer stemmen op deze initiële techniek van schilderen als beste beschermingsmiddel weer toe te passen. Spijtig genoeg hebben we slechts enkele malen een werk-in-actie gezien, wat gedeeltelijk werd goedgemaakt door het zelf kunnen uitproberen van reinigings- en consolidatieprocédés op de buitenmuren van onze cursus-lokalen: een middeleeuws klooster langs de Fondamenta della Misericordia.

Een voor mij — en ik dacht ook voor de meeste andere deelnemers — leerrijke restauratiecursus, niet alleen op wetenschappelijk en technisch gebied, maar ook vanwege het professionele en menselijke contact. L. Dekoninck (1) Judith and Walter Munk, Véiuce Hologram, in Proceedings of the American Philosophical Society, 1972, Volume 116, no. 5. (2) Laura Carbognin, Paolo Gatto, Francesco Marabini; The City and the lagoon of Venice. A Guidebook on the Environment and Land Subsidence, gepubliceerd ter gelegenheid van het Third International Symposium on Land Subsidence, Venice, march 1984. (3) Giovanni Amoroso and Vasco Fassina. Stone Decay and Conservation. Atmospheric Pollution, Cleaning, ConsoUdation, and Protection, Elsevier, 1983. (4) Lorenzo lazzarini, la pulitura dei materiali lapidei da costruzione e scultura, Padova, cedan 1981. (5) Giorgio Torraca, Porous Building Materials, ICCROM, 1982. Deze vijf publikaties zijn ter beschikking in de bibliotheek van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen.

Roerend cultureel patrimonium. — Bij Ministerieel Besluit van 19 augustus 1985 werd het architectuurarchief J. De Roover (Antwerpen) ingeschreven op de lijst van voorwerpen en verzamelingen die behoren tot het roerend cultureel patrimonium. — Bij Ministerieel Besluit van 14 juni 1985 werd het schilderij 'Het Laatste Avondmaal' naar L. Da Vinci (Da Vincimuseum, Westerlo-Tongerlo) ingeschreven op het ontwerp van lijst van voorwerpen en verzamelingen die behoren tot het roerend cultureel patrimonium. — Bij Ministerieel Besluit van 19 augustus 1985 werd de muurschildering afkomstig uit het huis 'De Croone' (Antwerpen) ingeschreven op het ontwerp van lijst van voorwerpen en verzamelingen die behoren tot het roerend cultureel patrimonium.

[15]


M&L BINNENKRANT

Restauratiewerken en subsidiëring Ten behoeve van de lezer die belangstelling heeft voor de bestuurlijke aspecten van de monumentenzorg in Vlaanderen, volgt hiema een overzicht van het huidige wettelijk stelsel dat d e subsidiëring regelt voor restauratiewerken aan beschermde monumenten. — Wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen: artikel 2, eerste lid; (B.S. 5 september 1931) — Decreet van 3 maart 1976 tot bescherming Vein monumenten en stads- en dorpsgezichten: artikel 11, § 8; (B.S. 22 april 1976) — Besluit van de Vlaamse Executieve van 1 juli 1982 tot bepaling voor het Nederlandse taalgebied van de verdeling der kosten voor werken aan beschermd e monumenten, andere dan gebouwen bestemd voor een erkende eredienst, seminaries en pastorieën; (B.S. 25 februari 1983) — Decreet van 17 november 1982 houdende de bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Executieve van 1 juli 1982; (B.S. 29 januari 1983) — Besluit van de Vlaamse Executieve van 4 juli 1984 tot bepaling voor het Nederlandse taalgebied van de verdeling der kosten voor werken aan beschermde monumenten bestemd voor een erkende eredienst, seminaries en pastorieën; (B.S. 27 juli 1984) — Decreet van 30 oktober 1984 houdende de bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Executieve van 4 juli 1984; (B.S. 24 januari 1985) — Omzendbrief ML/l van 27 maart 1985 betreffende de procedure voor subsidiëring van werken aan beschermde monumenten; (B.S. 31 augustus 1985) — Omzendbrief ML/2 van 27 maart 1985 betreffende de spoedprocedure voor subsidiëring van werken aan beschermde monumenten; (B.S. 31 augustus 1985) Met betrekking op een correcte en vlotte toepassing van de subsidieregeling heeft het Bestuur voor Monumenten en Landschappen voor eigen administratief gebruik een document opgemaakt dat in de vorm van een beknopte handleiding de praktische richtlijnen bevat bij de behandeling van een restauratiedossier. Alhoewel dit document 'Het Restauratiedossier - Richtlijnen voor de Inspecteurs' (1 oktober 1985) buiten het eigen Bestuur geen normatief karakter heeft, kan het ook nuttig geraadpleegd worden door al wie bij een restauratiedossier administratief betrokken is. M. Fierlafijn.

[16]

Ministerieel Besluit houdende delegaties van bevoegdheid inzake monumenten en landschappen aan bepaalde ambtenaren van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu

'Namens de Gemeenschapsminister, Voor (graad van de gedelegeerde ambtenaar) De Gemachtigde (graad van de ambtenaar die voornoemde ambtenaar vervangt)'.

De Gemeenschapsminister van Cultuur, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op de artikelen 4 en 87;

Artikel 3. § 1. Met betrekking tot het verlenen van subsidies voor werken aan beschermde monumenten, voorwerpen en verzamelingen, zijn bevoegd voor het goedkeuren van de ontwerpen van d e werken en voor het verlenen van de vaste belofte van toelagen op voorwaarde dat de Gemeenschapsminister van Cultuur de principiële belofte van toelage heeft verleend. 1. d e directeur-generaal, voor zover het bedrag van de gesubsidieerde werken, exclusief de Belasting op de Toegevoegde Waarde, de volgende bedragen niet overschrijdt: — 50 miljoen, bij openbare aanbesteding of algemene offerte-aanvraag; — 8 miljoen, bij beperkte aanbesteding of beperkte offerte-aanvraag; — 5 miljoen, bij onderhandse opdracht; 2. de adviseur-hoofd van dienst, voor zover het bedrag van de gesubsidieerde werken de helft van de vermelde bedragen niet overschrijdt.

Gelet op het besluit van de Vlaamse Executieve van 18 januari 1982 houdende bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Executieve, gewijzigd bij besluit van 14 juli 1982; Gelet op het besluit van de Vlaamse Executieve van 28 januari 1982 houdende organisatie van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Executieve, gewijzigd bij de besluiten van 27 april 1983 en 20 juni 1984, inzonderheid op het artikel 2bis. Besluit: Artikel 1. § 1. Behalve wanneer het uitdrukkelijk anders wordt bepaald, gelden de bij dit besluit verleende delegaties enkel voor de ambtenaren van het Bestuur Monumenten en Landschappen van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu. § 2. Ingeval van afwezigheid van een gedelegeerde ambtenaar kunnen de bevoegdheden waarmede hij is bekleed, voor de duur van zijn afwezigheid door hem worden overgedragen aan de ambtenaar van het Bestuur Monumenten en Landschappen die met de waarneming van dat ambt kan belast worden, rekening houdend met de volgorde in graad en dienstanciënniteit. § 3. De bij dit besluit verleende delegatie van bevoegdheden wordt mede verleend aan de hiërarchische chefs van de met die bevoegdheden beklede ambtenaar. Artikel 2. De ambtenaren die bevoegd zijn om te ondertekenen in naam van de gemeenschapsminister, plaatsen boven de vermelding van hun naam en hun handtekening de formule: 'Voor de Gemeenschapsminister', De Gemachtigde (graad van de gedelegeerde ambtenaar)'. Ingeval van afwezigheid van de gedelegeerde ambtenaar is de te gebruiken formule als volgt:

§ 2. Voor de toepassing van artikel 4 § 4.a van het besluit van de Vlaamse Executieve van 1 juli 1982 tot bepaling voor het Nederlandse taalgebied van de verdeling der kosten voor werken aan beschermde monumenten, andere dan gebouwen bestemd voor een erkende eredienst, seminaries en pastorieën, en van artikel 3 § 5,1 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 4 juli 1984 tot bepaling voor het Nederlandse taalgebied van de verdeling der kosten voor werken aan beschermde monumenten bestemd voor een erkende eredienst, seminaries en pastorieën, zijn de gemachtigden van de Gemeenschapsminister: 1. de directeur-generaal voor zover het bedrag van de verrekening niet hoger ligt dan 5 miljoen frank; 2. de adviseur-hoofd van dienst voor zover het bedrag van de verrekening niet hoger ligt dan 2,5 miljoen frank. § 3. Met betrekking tot het verlenen van subsidies overeenkomstig de omzendbrief van 27 maart 1985 betreffende de spoedprocedure voor de subsidiëring van werken aan beschermde monumenten en voor zover het daarin vermelde bedrag van 600.000,-fr. niet wordt overschreden, is de adviseur-hoofd van dienst bevoegd voor:


1

— het vaststellen van de kostenverdeling; — het goedkeuren van de aan te gane verbintenissen en van de voorgelegde documenten; — het verlenen van de principiële en vaste belofte van toelage. § 4. Ter uitvoering van de omzendbrieven van 27 maait 1985 die de procedure en spoedprocedure voor de subsidiëring van werken aan beschermde monumenten regelen, is de adviseur-hoofd van dienst wat de gespecialiseerde werken betreft bevoegd om: — de wijze van gunnen te bepalen; — de lijst van te raadplegen aannemers voor te stellen. Artikel 4. Ter uitvoering van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en van het decreet van 17 november 1982 houdende bescherming van het roerend cultureel patrimonium wordt aan de directeur-generaal de bevoegdheid verleend om de voorstellen, voorontwerpen en ontwerpen ter advies voor te leggen aan de instanties die daartoe bij wet en decreet zijn aangewezen. Artikel 5. Voor de toepassing van de artikelen 5 § 4 e n l l § 2 e n 3 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten zijn de gemachtigden van de Gemeenschapsminister 1. de directeur-generaal, voor het gehele grondgebied van het Nederlandse taalgebied; 2. de adviseur-hoofd van dienst, voor het gehele grondgebied van het Nederlandse taalgebied;

Met zicht op zee. Tweehonderd jaar bouwen aan badplaatsen in België, Nederland en Duitsland. Het idee voor de tentoonstelling 'Met zicht op zee' ontstond na een reis naar het Duitse waddeneiland Borkum, dat voor de Nederlandse kust ligt. Wie met het beeld van de Nederlandse waddeneilanden voor ogen wordt geconfronteerd met de witte gevelwand van het Borkumse zeefiront, staat perplex. Wie vertrouwd is met het beeld van het Hollandse duinlandschap kan een zelfde reactie verwachten bij een bezoek aan de Belgische kust.

M&L BINNENKRANT 3. het hoofd van dienst in de provincie, voor het gebied waarvoor hij bevoegd is. Artikel 6. Voor de toepassing van de artikelen 3, 5, 6, 8 en 9 van het Koninklijk Besluit van 6 december 1976 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake de instandhouding en het onderhoud van de monumenten en de stads- en dorpsgezichten zijn de gemachtigden van de gemeenschapsminister de in artikel 5 aangewezen ambtenaren. Artikel 7. Ter uitvoering van het decreet van 17 november 1982 houdende bescherming van het roerend cultureel patrimonium, hebben de in artikel 5 aangewezen ambtenaren de bevoegheid om: — de machtiging te verlenen overeenkomstig artikel 8 § 1 van het decreet; — kermis te nemen van de berichten van verlies, vernietiging of beschadiging overeenkomstig artikel 8 § 3 van het decreet; — toelating te verlenen tot herstel of restauratie van beschermde voorwerpen of verzamelingen overeenkomstig artikel 11, derde lid van het decreet. Artikel 8. Aan de adjunct-adviseurs, eerstaanwezend inspecteur en eerstaanwezend architect wordt bevoegdheid verleend om: 1. de betekeningen te verrichten van de ministeriële besluiten van de Vlaamse Executieve overeenkomstig de wetgeving op de monumenten en landschappen en het roerend cultureel patrimonium; 2. de misdrijven tegen de wetgeving op de monumenten- en landschapszorg en het roerend cultureel patrimonium bij de rechtbanken aanhangig te maken.

'Met zicht op zee' is opgezet om de badplaatsvormen en -gebouwen onder de aandacht van het publiek te brengen. Het blikveld van 'Met zicht op zee' bestrijkt de Belgische, de Nederlandse en de Duitse Noordzeekust. Het internationale karakter van de badcultuur en de onderlinge verschillen tussen badplaatsen, komen daardoor goed tot hun recht. De badplaats heeft een korte, maar bewogen geschiedenis. Nog geen tweehonderd jaar geleden bestond er nauwelijks kustbebouwing. De weinige gebouwen die er stonden, dienden de scheepvaart en de visvangst. De bestaande steden en dorpen lagen achter

Artikel 9. § 1. Worden aangewezen als ambtenaren die werken kunnen stilleggen en die toegang hebben tot de voor bescherming vatbare en beschermde goederen om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten, overeenkomstig artikel 11 § 4 en 5 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten: de bestuurssecretarissen, inspecteurs en architecten. § 2. Onverminderd de bevoegdheden van de directeur-generaal en de adviseur-hoofd van dienst, worden afgevaardigd om toegang te hebben tot de plaatsen waar de voor bescherming vatbare en beschermde zaken zich bevinden om er de nodige vaststellingen te verrichten in verband met de bescherming en het wetenschappelijk onderzoek, overeenkomstig artikel 9 van het decreet van 17 november 1982 houdende bescherming van het roerend cultureel patrimonium: de bestuurssecretarissen, inspecteurs en architecten. Artikel 10. Ter uitvoering van artikel 2 van het decreet van 28 januari 1977 houdende vaststelling van het wapen en de vlag van de gemeenten, heeft de adviseur-hoofd van dienst de bevoegdheid om namens de Gemeenschapsminister in voorkomend geval aan de gemeenteraad mede te delen dat de gemeenteraadsbeslissing niet ter bekrachtiging wordt voorgelegd, met het gemotiveerd verzoek een nieuwe beslissing te nemen binnen de termijn door hem bepaald. Brussel, 3 september 1985. De Gemeenschapsminister van Cultuur, K. Poma.

de duinen, afgewend van de zee. Het zeebad bracht hierin verandering. Er kwamen badhuizen en hotels met zicht op zee. De idee dat zeewater een heilzame invloed had op de gezondheid deed een nieuw soort kustbebouwing ontstaan. De toepassing van zeewater-therapie vond voor het eerst plaats in het begin van de 18de eeuw aan de Britse kant van het Noordzeebekken, in Scarborough. Aan het einde van de eeuw werd het zeebad pas echt populair. De nieuwe mode sloeg over naar de kusten van het vasteland. Rond het ingaan van de 19de eeuw ontstonden daar de eerste bad-

[17]


M&L BINNENKRANT Vooral in de badplaatsen van België en Duitsland speelde het kurhaus een centrale rol in het badleven. In Nederland was alleen het kurhaus van Scheveningen een succesvolle onderneming. De tentoonstelling wordt begeleid met een publikatie. Peter Saai, Flip Spangenberg, Jos Bemdsen, Met zicht op zee, Tweehonderd jaar bouwen aan badplaatsen in Nederland, België en Duitsland, Staatsuitgeverij, Den Haag, 1985. Volgens de recente berichten reist de tentoonstelling in 1986 nog naar Amsterdam (6.2 tot en met 16.3); Bremerhaven (april/mei); Knokke (30.5 tot en met 29.6); Vlissingen (juli); Nordemey (augustus/ september).

De tentoonstelling zoals ze werd opgesteld in Den Haag.

voorzieningen, logementen en uitspanningen. Gedurende de 19de eeuw raakte het oorspronkelijke therapeutische uitgangspunt steeds meer op de achtergrond ten gunste van de ontspanning en het vermaak. Alleen in Duitsland staat het zeebad tot vandaag nog overwegend in het teken van de gezondheid. De nieuwe badplaatsen lagen meestal op moeilijk bereikbare plekken aan de kust. Uitzonderingen op deze regel vormden Oostende en Scheveningen. Deze plaatsen namen dan ook van meet af aan een voordelige positie in. In het begin van de 19de eeuw was de reis naar zee een moeizame en kostbare onderneming die voor weinigen was weggelegd. Zonder goedkoop en snel transport is de bloei van de moeilijk bereikbare badplaatsen ondenkbaar. Vooral het samenvallen van de opkomst van de spoorwegen en de groei van de badplaats, maakt duidelijk dat de laatste een kind is van de industriële revolutie. Met de aanleg van tramwegen deed het dagje naar zee zijn intrede. De toename van het autobezit droeg er toe bij dat steeds meer badgasten uitwaaierden langs de gehele kust. In het begin van de 19de eeuw werd d e aanblik van de badplaatsen aan de zeezijde bepaald door vrijstaande gebouwen. Door d e toename van het bezoekersaantal werd de behoefte aan onderkomens met zicht op zee groter. Steeds meer percelen langs de zee werden bebouwd. Ook de bouwhoogte nam toe. Er ontstond een lang en hoog, aaneengesloten zeefront dat sterk contrasteerde met de erachter gelegen lagere bebouwing en de natuurlijke omgeving.

[18]

Temidden van de specifieke badplaatsbebouwing namen de vermaaksgebouwen een belangrijke plaats in. Het meest kenmerkend was het kurhaus, ook wel casino of kurzaal genoemd. Dat was bij uitstek de plaats waar de badgasten elkaar ontmoetten, waar zij een concert bijwoonden of waar ze de krant lazen. Het kurhaus nam van het begin af aan een centrale plaats in. Zijn functie vertoonde een grote gelijkenis met die van het kurhaus in de bronnenbadplaatsen in het binnenland. Het was een voortbrengsel van de 19de-eeuwse burgerlijke cultuur, vergelijkbaar met de opera, de schouwburg en het museum in de metropolen.

veehonderd jaar bouwen aan badplaatsen \ Nederland, België en Duitsland

JT ZICHT OP ZEE B8 88 iiiiiV ii I! iM \ r j u UI iü ju"

Tentoonstelling: de unieke architectuur van Antoni Gaudi. Voor wie ooit Barcelona heeft bezocht en er de beroemde Sagrada Familiakerk en het onvergetelijke Parque Güell heeft aanschouwd, zal het zeker duidelijk zijn dat de Catalaanse bouwmeester Antoni Gaudi, onder geen enkele noemer te vatten is. Gaudi heeft zich volkomen los weten te maken van stijlen en historische periodes en heeft met een overdonderende creativiteit een werkelijk unieke architectuur geschapen. Hij heeft niet alleen een zeer onafhankelijke visie op structuur, vorm en ruimte ontwikkeld, maar hij heeft ook tal van mechanismen en systemen uitgedacht om zijn ideeën te realiseren. Antoni Gaudi, van wie de sterk religieuze en mystieke betrokkenheid eng verweven was met een grote liefde voor Catalonië, werd op 25 juni 1852 in Reus geboren uit een familie van koperslagers. In 1869 verhuisde hij naar Barcelona en ging er aan de Escuela Provincial architectuur studeren. Leven en werken van Gaudi kunnen in drie grote periodes worden opgedeeld. In een eerste fase (1878-1882) hebben zijn werken een uitgesproken urbanistisch en sociaal karakter, maar zij getuigen reeds van zijn veelzijdigheid: hij ontwerpt lantaarnpalen, een bloemenstand, een kiosk, een fabriek en twee flatgebouwen voor d e coöperatieve onderneming Obrera Mataronense. Tussen 1883 en 1900 ontwikkelt hij een eigen plasticiteit en geeft hij een vrije en zeer persoonlijke interpretatie aan de islamitische, gotische en barokkunst. Hij legt nu ook bijzonder de nadruk op de techniek en d e toegepaste kunst. Het is in deze periode van intense activiteit dat hij on-


der meer het Güell paviljoen en het Bisschoppelijk Paleis van Astora ontwerpt. In de derde periode (1918-1926) werkt Gaudi nog slechts uitsluitend aan de Sagrada Familia, zijn meesterwerk. En toch heeft hij deze boetekerk, ter ere van de Heilige Familie, niet kunnen voleindigen. Gaudi stierf op 10 juni 1926, maar zelfs vandaag zijn nog 'slechts' acht van de achttien ontworpen torens gebouwd. Want vermits de Sagrada Familia een boetekerk is, moet het geld voor het bouwwerk uitsluitend uit giften en aalmoezen worden geput. Aan het werk van Gaudi en aan zijn boeiende persoonlijkheid werd een tentoonstelling gewijd, een bijdrage van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas aan Europalia '85 - Espana. De tentoonstelling werd gerealiseerd in opdracht van de Fundacio Caixa de Pensions, het cultureel centrum van een grote spaarbank uit Barcelona. De Gaudi-tentoonstelling beleefde begin van dit jaar haar succesvolle première in Barcelona en ging daarna naar Madrid. Na Brussel reist ze onder meer nog naar het Zuidfranse Nimes, naar New York, Japan, Taiwan en Korea. Op 6 januari nam de Heer A. Vermeulen, voorheen kabinetschef van Gemeenschapsminister K. Poma, zijn dienst op als directeur-generaal van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu (A.R.O.L.), waarvan het Bestuur voor Monumenten en Landschappen deel uitmaakt. De functie werd tot dan toe en dit voor vier jaar waargenomen door de Heer A. Denteneer, inspecteur-generaal Leefmilieu. Het Bestuur voor Monumenten en Landschappen dankt de heer A Denteneer voor de door hem bewezen goede diensten gedurende deze vier jaar en maakt de Heer A. Vermeulen zijn beste wensen over voor een vruchtbare loopbaan als Directeur-generaal. De Adviseur-hoofd van Dienst, E. Goedleven.

Erratum : M&L 4/5 (sept.-okt.): Legende bij foto bovenaan : 'bewaarde barokpoort van het kasteel' Hof ter Linden in Edegem (foto G. Charlier).


Het Molsbroek R. de Meirsman en P. van den Bremt B.M.L.

Het Molsbroek, gelegen op het grondgebied van de gemeente Lokeren (Provincie Oost-Vlaanderen), werd als landschap beschermd. Het beschermde gebied bevat, naast het erkende natuurreservaat, waarvan het Ministerie van Openbare Werken eigenaar is, enkele private eigendommen. De openbare eigendom wordt door het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen gehuurd en als reservaat beheerd door de regionale v.z.w. Durme. Ter gelegenheid van de officiële openstelling van het 'Bezoekerscentrum' en de toekomstige realisatie van de 'Ecotuin', wordt hieronder de landschappelijke waarde van het gebied beschreven. De beschrijving is voornamelijk gesteund op wetenschappelijk onderzoek dat sinds de jaren zeventig in of nabij het beschermde gebied werd uitgevoerd. Aansluitend worden in het kort de huidige beheerswerken in het natuurreservaat toegelicht. Het is geen toeval dat in de nabijheid van het Molsbroek duinen en een rivier voorkomen. Hun ontstaan is onverbrekelijk met elkaar verbonden. Naar het einde van het Würmijstijdperk of Weichsel (zie tabel) werd een groot deel van Vlaanderen met een laatste laag pleistoceen zand bedekt. Rivieren zoals wij ze tegenwoordig in onze streken aantreffen, waren onbestaande. De toenmalige rivieren zijn vergelijkbaar met

Hoe het groeide (over geomorfologie (1) en archeologie (2)) De geomorfologische en archeologische beschrijving berust grotendeels op recent wetenschappelijk onderzoek (Thoen & Verbruggen, 1985). Tabel: lijdsas mei links: geologische lijdsschaal (naar Verbruggen, 1971a) en rechts: historische tijdsschaal (naar De Laet,

TIJDSAS x 1000 jaar Absolute ouderdom (BP') HEDEN 0

' . .1985

1971).

.Subatlanticum

HISTORIE

- 0,05 Romeinse tijd - 0,6 Uzcrtud

-2,8

- 1,8 Bronstijd , Subboreaal

-5.0

, Atlanticum

- 7,8

.Boreaal HOLOCEEN

METAALTIJD

-

STEENTIJD

i_ _ PREHISTORIE

Nieuwe Steentijd of " - 4,5 Neolithicum

-9,4 '

.Preboreaal

-10,3 •

, Tardiglaciaal

-13,8

Middensteentijd - 8,0 of Mesolithicum

( Würm-ijstijdperk , (Weichsel) - 90,0

} J 1 V?

KWARTAIR

.

PLEISTOCEEN

Oude Steentijd of Paleojithicum

,

,

Verschillende (^ Interglacialen en ) .IJstijdperken -2500,0 |

* BP = Before Present

M&L

29


Kuan I: topografische ligging van het Molsbroek (naar kaanblad 1418, Nationaal Geografisch Instituut 1968) (Tekening B. De Schaepmeester).

rivieren uit aride gebieden die slechts gedurende korte perioden water vervoeren. Toen tijdens het Tardiglaciaal, de overgangsperiode van het Weichsel naar het Holoceen, het klimaat verwarmde, vervoerden de rivieren geleidelijk het hele jaar door water. Alhoewel de toendravegetatie uit de glaciaire periode door een rijkere vegetatie vervangen werd, was het plantendek niet genoeg ontwikkeld om het zand voldoende vast te leggen. Door erosie werd materiaal in de stroming meegesleurd. In zandig Vlaanderen sneden de rivieren zich in en werden de huidige valleien gevormd ( ± 13.000 jaar geleden) (3). De rivier vervoerde het materiaal tot de stroomsnelheid te laag werd, waarna het terug werd afgezet. 30

M&L

Naast deze riviererosie speelde ook de verplaatsing van zand door de overheersende westen- tot zuidwestenwinden een rol. Het samenspel van water en wind (erosie-transport-sedimentatie) verplaatste het zand, waarbij kenmerkende landschapselementen werden gevormd zoals land- of stuif duinen in Wetteren, Destelbergen, Berlare en Lokeren-Waasmunster, en oude rivierarmen of meanders in Berlare, Destelbergen en Lokeren-Waasmunster. Onder invloed van de mens zijn deze elementen onherroepelijk aangetast of verdwenen (b.v. afgegraven landduinen in Destelbergen, Berlare en Lokeren-Waasmunster) of herkenbaar geworden (b.v. uitgeveende Scheldemeander te Berlare: De Coster, 1982).


Kaart 2: waterbeheersing. Door de aanleg van een dijk (zwarte scheidingslijn) wordt het gebied in twee kommen verdeeld (in kom II wordt een hoger waterpeil ingesteld dan in kom I). (naar kaartblad 14/8. Nationaal Geografisch Instituut 1968) (tekening B. De Schaepmeester).

Beide bovenvermelde vormen zijn in het beschermde landschap aanwezig. Een restant van de landduinen wordt als een instulping van het natuurreservaat op een topografische kaart opgemerkt (zie kaart 1). Een deel van een oude rivierarm vinden we langsheen de grens van de hogergelegen (zandige) en de lagergelegen (kleiige) gronden terug. Deze grens die als een stootoever kan worden geïnterpreteerd, valt ongeveer samen met de dijk rond het natuurreservaat. Het onderzoek door Verbruggen heeft aangetoond dat het een (oude) Durmearm betreft. Met behulp van pollenanalyse (4) werd bepaald dat deze arm 12 000 a 9000 jaar geleden verlaten of afgesneden werd. Sindsdien kan deze arm als een stilstaand water beschouwd worden waarin afgestorven plantenma-

teriaal (veenvorming) zich ophoopte. Dit proces was in het Atlanticum nagenoeg beëindigd toen dit materiaal het wateroppervlak bereikte. In de daaropvolgende perioden wordt een geleidelijke stijging van het grondwater vooropgesteld. Het gaf aanleiding tot nieuwe afzettingen van venige klei en/of veen. Dit verschijnsel zette zich door tot ongeveer 2000 jaar geleden, waarna enkel klei afgezet werd (Minnaert & Verbruggen, 1985). Deze klei vormt de alluviale afzettingen die in het reservaat aan de oppervlakte aangetroffen worden. De aanwezigheid van de mens in het Waasland moet reeds in het epipaleolithicum geplaatst worden. Sporen die op deze periode wijzen werden aangetroffen in KleinSinaai (Stekene) (Van Moerkerke & De Belie, 1980). M&L

31


Bij opgravingen in Verrebroek (Beveren) kon in tegenstelling met bovenvermelde opzoekingswerken, een preciezere datering vooropgesteld worden. Het materiaal bleek 9000 jaar oud te zijn, dus vroeg-mesolitisch (Van Hove, 1985).

Wat er groeit (over planten en dieren en hun milieu)

In de onmiddellijke nabijheid van het Molsbroek werden in de jaren zeventig verschillende archeologische vondsten opgetekend die in de richting van een nederzetting wezen (Archeologische Kroniek van het Land van Waas, 1974 en 1976). Tenslotte geeft Thoen een duidelijk beeld van de ontwikkeling van deze nederzetting. De nederzetting ontstond op het einde van het Neolithicum op de rechteroever van de oude Durmearm, stroomafwaarts van het Molsbroek. De bewoning zette zich daarna door in de Ijzertijd en de Romeinse tijd (5). In deze laatste periode was de bewoningskern naar de linkeroever verlegd, waarbij de oudere site als begraafplaats werd gebruikt.

Het water: biologisch en fysico-chemisch Reeds in 1970 en 1972 zijn in samenwerking met het laboratorium voor plantenmorfologie van de R.U.G. projecten gestart, die twee aspecten van het aquatisch leven belichtten. Het onderzoek over het fytoplankton (6) en perifyton (7) werd door respectievelijk Caljon (1971) en Tijsebaert (1973) uitgevoerd. Uit de conclusie van beide werken kan gesteld worden dat het water voedselrijk is. Deze toestand wordt in de produktiviteit van de organismen weerspiegeld. De samenstelling van de bestudeerde organismengroepen wijst duidelijk op een waterkwaliteit die 6-mesosaproob (8) genoemd wordt.

Vanaf de Romeinse tijd kwam het laaggelegen gebied regelmatig onder water. Vermoedelijk kan de vegetatie in deze periode getypeerd worden als een broekbos tot op het ogenblik dat het gebied ontgonnen werd. Wanneer dit precies moet worden gesitueerd, is momenteel nog niet achterhaald. Tot vóór 1963 bleef het echter wel een landbouwfunctie behouden.

In de jaren 1982 en 1983 werden door het Bestuur voor Monumenten en Landschappen (De Meirsman & Plateau, 1984) een zestal steekproeven uitgevoerd om zich een idee te kunnen vormen over de waterkwaliteit. De conclusie van dit onderzoek kunnen we als volgt samenvatten: — het water is voedselrijk, gekenmerkt door een hoog fosfaatgehalte; — het chloridegehalte van het water is hoog; — een tijdelijke verhoging van de hardheid, de alkaliniteit en de geleidbaarheid bleek verband te houden met een slibruiming, waarbij het slib op de oever gedeponeerd werd; — het Durmewater ter hoogte van het sluisje (stroomopwaarts van de afdamming van de Durme) vertoont weinig kwaliteitsverschillen met het water uit het reservaat. Nochtans kon in de Durme een iets hogere concentratie aan voedingselementen vastgesteld worden.

In 1963 werd in opdracht van het Ministerie van Openbare Werken een dijk omheen het huidige reservaat gelegd. Het gebied werd als overstromingsgebied gebruikt, waardoor men de verzanding van de Durme en het overstromingsgevaar hoopte tegen te gaan. Reeds in 1965 werd deze nieuwe functie opgeheven door de Durme af te dammen. Aangezien het gebied in het toenmalige concept van de overheid geen nut meer had, werd het door het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen gehuurd. Onder het beheer van de v.z.w. Durme kreeg het zijn huidige bestemming: natuurreservaat.

Een gedeelte van hel landduin gezien van op de wandeldijk (foto B.M.L.).

32

M&L

Niettegenstaande men de indruk heeft dat het reservaat door de ringdijk volledig afgesloten is van de buitenwe-

De grootste oppervlakte van Kom I is in gebruik als weide (foto B.M.L.).


• JIÉ^^t^' ::,y^f'^ , i-'ïS^g

V-

•V '

.•:'

j4

W^j^te^

W

%||||| m

fi c^f

RH m.|m^

mm . M^Sa

n

\) i ^ [\.^^W^W ^Svff »-'fi

H^a^BB^.'-

mL

^^W

• ^ A i ^ ^ '/"'••ÉI ^p^ ^jÖaL m^H 'Pwnll •-i

•

>

^B m

£?/; overzicht van vegetaties. Verlandingsvegetatie links: spontane bosontwikkeling links boven; landvegetaties onderhevig aan overstromingen in het midden (foto G. Charlier).

reld, wordt het volgende vastgesteld: bij hevige neerslag wordt het water van ondergelopen straten in het gebied gepompt. Tevens is het mogelijk dat er water doorheen de Durmedijk of het sluisje sijpelt, terwijl depositie van luchtverontreinigende stoffen niet geheel is uitgesloten. Naast de kwaliteit vormt de kwantiteit een belangrijk beheersaspect, zoals blijkt uit de botanische en ornithologische beschrijving van het gebied. De voorkomende plante- en vogelsoorten zijn meestal sterk gebonden aan de handhaving van het waterpeil juist onder of juist boven het maaiveld en aan een waterpeil dat fluctueert tussen een maximum in de winter en een minimum in de zomer. Het successieschema op p. 34 illustreert de belangrijkheid van het waterpeil voor het botanisch beheer. Kleine verschillen in het waterpeil geven aanleiding tot een grote diversificatie in het voorkomen van de plantesoorten. Vegetatie (Quintelier, 1971; Kuyken-Quintelier, 1972; Kuyken-Quintelier & Verstraeten, 1973). De vegetatieontwikkeling binnen het Molsbroek wordt in hoge mate beïnvloed door de waterstand. Factoren die

een grote weerslag hebben op de verscheidenheid en op de samenstelling van de vegetatietypen zijn: — de hoogte van de waterstand ten opzichte van het maaiveld; — de lengte van de periode van overstroming of inundatieduur. De verschillende vegetatietypen, voorkomend in het reservaat, kunnen herleid worden tot drie hoofdtypen: de waterplantenvegetaties, de verlandingsvegetaties en de landvegetaties. De waterplantenvegetaties (Segal, 1965; Westhoff & Den Held, 1969) In de open waterruimte van het reservaat, met name de vijver en het geheel van sloten en afwateringskanaaltjes, kan men een aantal typische plantengemeenschappen onderscheiden. Een eerste groep wordt gevormd door de Kroosvegetaties: als laag georganiseerde vegetaties, aangepast aan kleine waterruimten, zijn ze niet duidelijk gebonden aan een vaste plaats en bestaan ze uit losdrijvende of in het water zwevende planten. Een associatie die veelvuldig in het slotensysteem wordt aangetroffen is de gemeenschap met Veelwortelig Kroos M&L

33


SUCCESSIESCHEMA

/..'f •wmiiNvn'iir.:! MOERASSPIREA VERBOND

GTOTE

ZEGGEN

VEGETATtEEN^DES

Hei bezoekerscentrum geïntegreerd in hel landschap (foto B.M.L.).

i-Mm T ^ -•%. „-«e..

34

M&L

en Klein Kroos, die kenmerkend is voor rustige, zwak vervuilde, ondiepe wateren. Op bepaalde plaatsen, waar de sloten volledig afgeschermd zijn van windwerking, kunnen de Kroosvegetaties zich centimeters dik ophopen. In die samengedreven Kroospaketten komen, naast Veelwortelig Kroos en Klein Kroos, ook nog het voor onze streken eerder zeldzame Wortelloos Kroos voor. Op andere plaatsen dan weer domineert de associatie met Puntkroos. Net onder het wateroppervlak kan Puntkroos een gemeenschap vormen van vrij in het water zwevende planten. In tegenstelling met de los drijvende of zwevende Kroosgemeenschappen bestaan de Fonteinkruidvegetaties uit in de bodem wortelende planten. In de maanden mei, juni en juli zijn soorten zoals Gekroesd fonteinkruid, Haarfijn fonteinkruid en Tenger fonteinkruid op sommige plaatsen toonaangevend. Later op het seizoen worden ze vaak verdrongen door een plantengemeenschap waarin Waterpest domineert. Het is dan vooral Smalbladige waterpest die plaatselijk massaal kan optreden. Deze plantesoort die slechts in 1939 voor de eerste maal in België werd waargenomen, verdringt nu meer en meer de Waterpest, zelf een indringer sinds de tweede helft van de vorige eeuw. De Smalbladige waterpest schijnt zich beter aan te passen aan voedselrijker water. Elders domineert het Aarvederkruid. Een vegetatie met Hoornblad sluit op bepaalde plaatsen de sloten praktisch af. Eenvormige dikke paketten Gedoomd hoornblad ontwikkelen zich vooral daar waar recent werken werden uitgevoerd aan sloten of afwateringen. Tenslotte zijn er de vegetaties met Kikkerbeet. Ze komen voor op beschutte plaatsen in ondiep (minder dan 1 m) water tussen de zeggepollen. Segal (1965) rekent een dergelijke plantengemeenschap tot de Krabbescheervegetatie. De verlandingsvegetaties Her en der langsheen de sloten komen typische verlandingsvegetaties voor. In ondiep, matig voedselrijk water (minder dan 30 cm diep) vindt men de associatie met Kleine egelskop en Pijlkruid waarin naast de zopas vernoemde plantesoorten ook soorten als Holpijp en Kikkerbeet kunnen voorkomen. De vorige plantengemeenschap wordt elders vervangen door een Lisdoddenvegegatie, ofwel komen beide associaties in een mozaïekstructuur voor. Naast Grote en Kleine lisdodde groeien er dan soorten uit de vorige associatie of planten zoals Waterzuring, Veen wortel en sporadisch Zwanebloem. Nabij ondiepe slootwallen of aan de rand van zeggevelden treft men — verspreid over het reservaat — vegetaties aan met Grote waterweegbree en Gele waterkers. De landvegetaties Er kan onderscheid gemaakt worden tussen plantengemeenschappen die gedurende een min of meer lange periode onder water staan en tussen plantengemeenschappen die in normale omstandigheden niet overstroomd worden.


Vegetaties onderhevig aan overstromingen In elk van de hierna besproken vegetatietypen overheerst één plantesoort: afhankelijk van de waterstand zal binnen elk type een soort zich optimaal kunnen ontwikkelen. Zowat een kwart van de oppervlakte van het reservaat wordt ingenomen door bijna uniforme vegetaties waarin Scherpe zegge domineert. Bijna het hele jaar door staat deze oppervlakte onder water, op een zeldzame korte periode na. Slechts hier en daar — vooral langs de grachtranden — wordt de eenvormigheid van dit vegetatietype doorbroken. Er groeit dan Gele lis, Kattestaart en Kleine lisdodde. Daar waar Scherpe zegge zijn optimum bereikt op percelen met een blijvend hoge waterstand, heeft Liesgras eerder een voorkeur voor plaatsen die minder langdurig overstroomd worden. Toch staat ook hier in droge zomermaanden de grondwatertafel nog maar iets onder of zelfs iets boven het maaiveld. In het vegetatietype met Liesgras is de soortenrijkdom al wat groter: men vindt onder meer Gele waterkers. Gele lis, Holpijp en Rietgras. Een nog kortere overstromingsduur en bijgevolg een langere droogteperiode vereist de vegetatie met Rietgras:

een optimale ontwikkeling vergt een overstromingsperiode tijdens de late herfst en de wintermaanden en een droogteperiode vanaf april-mei, waarbij de grondwaterspiegel tot een tiental centimeter beneden het maaiveld mag dalen. In floristische samenstelling vertoont dit vegetatietype een sterke overeenkomst met het vorige. Op plaatsen die enkel in de winter onder water staan, in de contactzone van de plantengemeenschappen met Rietgras en Scherpe zegge, komt de vegetatie met Tweerijige zegge voor. Langsheen de Durme tenslotte, treft men uitgestrekte rietvelden aan. Riet is niet gebonden aan een specifieke waterstand of aan een bepaalde bodemsoort. Het plant zich vooral vegetatief voort en kan dan dicht aaneengesloten velden vormen. Vestiging van Riet uit zaad vindt vooral plaats wanneer na een vochtige periode plotseling een lagere waterstand volgt: uitzaaien gebeurt dus vooral op drogere plaatsen. Vegetatie van drogere standplaatsen Als de grondwaterstand lager is dan het maaiveld, treden weer andere plantengemeenschappen op. We vernoe-

Landvegetaties onderhevig aan overstromingen zijn typerend voor kom / / (foto G. Charlier).

•JÊÊÊk.

.SSl

M&L

35


Verlandinsvegetaties onderhevig aan overstroming typerend voor kom II (foto G. Charlicr)

men hier enkel de voornaamste. Vegetaties behorende tot het Moerasspireaverbond, dit wil zeggen ruigtkruidengemeenschappen van relatief weinig bemeste vochtige gronden, vindt men hoofdzakelijk in de contactzones met de rietlandgemeenschappen. Kenmerkende soorten zijn naast Moerasspirea, Valeriaan, Poelruit en in mindere mate Kattestaart en Speerdistel. Plaatselijk kunnen ook ruderale soorten domineren zoals de Grote brandnetel en de Akkerdistel: men vindt ze vooral in de overgangszones tussen natte en droge ruigtkruidengemeenschappen langs de slootwallen of op de met slib opgehoogde terreinen. Lintvormige vegetaties op vochtige plaatsen, met Wolfspoot of met Lidrus, worden langs grachten en afwateringssloten aangetroffen. Graslanden Graslanden bedekken ook een vrij aanzienlijke oppervlakte van het reservaat. De meest kenmerkende grassoorten zijn Ruw beemdgras, Veldbeemdgras, Fioringras, Frans raaigras en Witbol. De graslanden bevatten veelal een mengelmoes van verschillende plantengemeenschappen. 36

M&L

Bos Spontane bosontwikkeling met Zwarte els als dominerende soort komt verspreid voor over het hele Molsbroek. Andere frequent voorkomende bomen- en struiksoorten zijn wilgen en langsheen oude rijwegen en perceelsgrenzen bramen, Eenstijlige meidoornen en rozen. Tenslotte zijn er nog de oude aanplantingen van Canadapopulier en van diverse loofboomsoorten op de opgehoogde terreinen. Hier en daar werden ook Zwarte els en wilg als schermgroen aangeplant. Avifauna (Roels & Verstraeten, 1969; De Beule, 1982; Verstraeten, 1985). De laag gelegen zeggevelden binnen het Molsbroek trekken heel wat watervogels aan. Elk jaar en dan vooral in de periode januari-april, pleisteren er grote aantallen eenden. Naast de wilde eend die er het talrijkst voorkomt, zijn er ook nog Slobeend, Pijlstaart, Wintertaling, Smient, Tafeleend en Kuifeend. Wilde eend, Slobeend, Meerkoet, Waterhoen en Dodaars zijn broedvogels. Een mogelijke broedvogel is hier Zomertaling. De droogvallende slijkplaten in voor- en najaar lokken overwegend steltlopers aan zoals Grutto,


Begroeiing aan de voel van de wandeldijk met drijvende waterplanten in de sloot (foto G. Charlicr).

Kleine plevier, Watersnip, Oeverloper, Groenpootruiter, Zwarte ruiter, Witgatje... . De blauwe reiger daarentegen foerageert er het hele jaar door. Een eerste broedgeval werd genoteerd in 1985 (Verstraeten, 1985). Sinds enkele jaren broedt ook de fuut in het reservaat: zijn vlottend nest kan vrij gemakkelijk schommelingen van het waterpeil volgen. Bij voldoende hoge waterstand pleisteren er ook heel wat watervogels in de zones met Rietgras en Liesgras. In het broedseizoen huizen hier Waterhoen, Rietgors en Rietzanger. In de maanden juli-augustus dan weer dienen deze uitgestrekte rietvelden als slaapplaats voor de gele kwik, een vogelsoort die er de laatste jaren echter in kleiner aantal wordt waargenomen. Tijdens het najaar worden er duizenden graspiepers en veldleeuweriken op doortrek geringd. Bij dit inzamelen van gegevens voor wetenschappelijk onderzoek worden ook zeldzame vogelsoorten genoteerd als Roodkeelpieper. Grote Pieper, IJsgors, Bladkoninkje en Kortteenleeuwerik evenals tientallen waterpiepers en soms een oeverpieper. Ook de rietvelden en de ruigten herbergen een specifieke avifauna. Bij de soorten die er soms overwinteren.

vernoemen we het baardmannetje. Boerenzwaluwen vinden er in de late zomer een slaapplaats. Tijdens het broedseizoen komen Rietzanger, Kleine karekiet en Bosrietzanger er talrijk voor. Meer ongewone broedvogels zijn Blauwborst, Waterral en Porseleinhoen. De hoger gelegen delen van het reservaat, vooral daar waar het Elzenbroek in uitbreiding is of knotwilgen de percelen omzomen, zijn van belang voor zangvogels als Fitis, Tjiftjaf, Heggemus, Winterkoninkje, Spotvogel, Zwartkop, Tuinfluiter, Merel en Zanglijster die er elk jaar hun broedbiotoop vinden. Vooral tijdens de winterperiode kan men er ook groepjes mezen en sijzen waarnemen. Een andere gewone verschijning in die periode is de grote bonte specht die er trouwens sinds enkele jaren tot broeden komt. In de wortelkluit van omgevallen populieren graaft de ijsvogel zijn broedpijpen. Het ijsvogelbestand is sterk afhankelijk van zachte winters. Enkele roofvogels broeden in de onmiddellijke omgeving van het Molsbroek, met name Torenvalk, Ransuil en Kerkuil. M&L

37


Andere interessante broedvogels uit de omgeving van het reservaat zijn Braamsluiper en Oeverzwaluw. In het totaal werden zowat 200 vogelsoorten waargenomen in en om het gebied, waaronder er 65 soorten een of meerdere malen hebben gebroed.

Het beheer (naar v.z.w. Durme, 1984) Het doel van een beheer bestaat er in de waarde van een gebied te behouden en zo mogelijk nog te verhogen. Het behoud wordt echter niet steeds bereikt door nietsdoen maar eerder door het uitvoeren van beheersmaatregelen. De maatregelen worden in een beheersplan opgenomen dat na goedkeuring door het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen aan de begeleidende openbare instanties wordt voorgelegd i.e. de Dienst voor Natuurbehoud en het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. Het beheer van het reservaat kan onderverdeeld worden in vijf aspecten: algemeen beheer, botanisch beheer, faunabeheer (voornamelijk ornithologisch), wetenschappelijk onderzoek (voornamelijk botanisch en ornithologisch) en sociaal beheer. Het voornaamste element van het algemeen beheer is de beheersing van het waterpeil. Het beïnvloedt zowel de botanische, de ornithologische als de esthetische (het uitzicht) waarde. Aangezien het gebied als een alluviale vlakte beschouwd kan worden, zijn de hoogteverschillen te klein om terzelfder tijd voldoende diepe waterplassen en een grote oppervlakte permanente graslanden te bekomen. Voor dit doel werd een dijk aangelegd die het gebied in twee kommen verdeelt (zie kaart 2, p. 31). Kom I heeft voornamelijk een botanisch belang. Er zijn zowel maaiweiden als graasweiden. In Kom II (en kom Ia) daarentegen overheerst het ornithologisch belang. Het is een pleisterplaats voor vele soorten watervogels. De grootste oppervlakte van Kom I is in gebruik als maaiweide of als graasweide. De begrazing met runderen is extensief, het streefdoel is 1 dier per 3 hectare. Op deze wijze wordt de voedselrijkdom van de bodem verarmd waardoor een grotere diversificatie in de plantesoorten bekomen wordt. Het is duidelijk dat een dergelijk beheer deze kom tevens voor weidevogels belangrijk maakt. In kom II wordt een hoger waterpeil ingesteld dan in kom I, om op enkele plaatsen een voldoende waterdiepte te bekomen. In deze kom worden onder andere volgende beheerswerken uitgevoerd: — verwijderen van slib om vrij diepe waterplassen te behouden voor watervogels die aangewezen zijn op specifiek voedsel dat in het water voorkomt, zoals plankton, kleinere diertjes, vissen en planten; — regelmatig frezen van de bodem van ondiepe plaatsen over kleine oppervlakten om slijkplaten te behouden. 38

M&L

Slijkplaten zijn rijk aan bodemorganismen die in het bijzonder een voedselbron zijn voor steltlopers; — niets doen in de moerassige zeggevelden omdat deze vegetatie een rust- en/of vluchtplaats en een broedplaats betekent voor diverse vogelsoorten. Over kleine oppervlakten in kom I en II wordt de bovenlaag van de bodem weggehaald. Deze werkwijze, ook plaggen genoemd, laat toe dat op deze plaatsen een andere vegetatie tot ontwikkeling komt dan enkele meters verder op. Zowel educatief als natuurwetenschappelijk is dit verantwoord. Er wordt een grotere diversificatie in plantesoorten bekomen en het behoud van een aantal zeldzame plantesoorten wordt verzekerd. Een beheer van een natuurgebied moet regelmatig grondig getoetst worden om na te gaan of die beheersmaatregelen werkelijk het nagestreefde doel dienen. Wat het Molsbroek betreft is een B.T.K.-project gestart dat de botanische beheersmaatregelen zal evalueren in functie van de studie van Quintelier (1971). De conclusies van deze studie zullen in 1986 in een rapport opgenomen worden. Regelmatig worden in het gebied vogeltellingen verricht, die systematisch worden gebundeld en ter beschikking gesteld van de geïnteresseerde. Het sociaal beheer omvat voornamelijk de educatieve inrichting van het gebied. Reeds enkele jaren geleden werd langsheen de wandeldijk (4,5 km) een natuurleerpad uitgezet en werd in de buurt van de 'eendenpleisterplaats' een vaste kijker opgesteld. Een belangrijk instrument in de educatieve uitbouw vormt echter het 'Natuurcentrum' of 'Bezoekerscentrum'. Door de oprichting van dit centrum worden de bezoekers op een waardige manier opgevangen, waarbij ze binnen het gebouw in contact worden gebracht met de natuurlijke omgeving, zonder de natuur zelf te storen.

Besluit In de overgangsperiode van het Weichsel naar het Holoceen, het Tardiglaciaal, werd de vorm van het landschap in de omgeving van het Molsbroek grotendeels vastgelegd. Duidelijke resten van de Durmearm die in deze periode in het Molsbroek werd gevormd, zijn onder latere afzettingen van venige klei en klei verdwenen. Nadat het gebied gedurende een lange periode een landbouwfunctie toebedeeld was, werd het ingericht als overstromingsgebied. Door de afdamming van de Durme werd ook deze functie opgegeven, waarna het gebied omwille van de wetenschappelijke waarde het statuut natuurreservaat en beschermd landschap verkreeg.


Om het gebied op een verantwoorde wijze te beheren werden verschillende wetenschappelijke onderzoeken uitgevoerd. De resultaten werden vertaald naar beheersmaatregelen die tot doel hadden de waarde van het gebied te behouden en zo mogelijk nog te verhogen. Evaluatie van het gevoerde beheer geschiedt door regelmatige vogeltellingen uit te voeren. In 1985 werd tevens gestart met een botanische evaluatie. Tenslotte is de bouw van het 'Bezoekerscentrum' een voorname stap voorwaarts in de natuureducatieve uitbouw van het gebied.

Dankwoord De auteurs wensen Dr. C. Verbruggen (Seminarie voor Regionale Geografie R.U.G.) en Dr. H. Thoen (Seminarie voor Archeologie R.U.G.) te bedanken voor hun bereidwillige medewerking bij de totstandkoming van dit artikel. Tevens wensen zij Dr. R. Van Hove (Archeologische Dienst van het Land van Waas) te bedanken voor bijkomende informatie. Tenslotte wordt 'last but not least' de heer A. Verstraeten (v.z.w. Durme) in deze dankbetuiging betrokken voor het verstrekken van alle andere informatie.

Voetnoten

— De Coster R., (1982). Evolutie van de Oude Scheldemeander te Berlare. De Aardrijkskunde 4,317-332. — De Laet S.J., (1979). Prehistorische kuituren in het Zuiden der Lage Landen. Universa, Weiteren, 2e herwerkte uitgave. 1979. — De Meirsman R. & Plateau P., (1984). Onderzoek van enkele scheikundige parameters van het water in hel Molsbroek ter ondersteuning van het beheer. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, A.R.O.L., B.M.L. (inwendig rapport). — De Moor G. & Heyse L., (1978). De morfologische evolutie van de Vlaamse Vallei. De Aardrijkskunde 2(4), 343-375. — Durme, v.z.w. (1984). Beheersplan reservaat Molsbroek-Lokeren. 39 pp. — Guillemijn B., (1982). Er was eens... . Informatie over paleontologische vondsten nabij het Molsbroek in Lokeren. Stentor 18(1), 41-80. — Heyse I. & De Moor G., (1979). Fysische aspekten van BinnenVlaanderen, Verslag van de excursie van 26 oktober 1977. De Aardrijkskunde 3(1), 25-49. — Kuyken - Quintelier H., (1972) Fytosociologische studie van een moerasreservaat het Molsbroek te Lokeren (Oost-Vlaanderen). Biologisch Jaarboek Dodonea 40, 254-270. — Kuyken - Quintelier H. & Verstraeten A., (1973). — Minnaert G. & Verbruggen C , (1985). Palynologisch onderzoek van een veenprofiel uil het Doeldok te Doel (Oost-Vlaanderen). Bijdragen van de Archeologische Dienst Waasland (in druk). — Nationaal Geografisch Instituut (1968). - Topografische kaart. Kaartblad 14/8 (Lokeren). Schaal 1/10 000 (2de uitgave). — Quintelier H., (1971). Fytosociologie van het Molsbroek bij Lokeren (Oost-Vlaanderen). Licentiaatsverhandeling, R.U.G., 83 pp. — Roels A. & Verstraeten A., (1969). Het Molsbroek te Lokeren, Biologisch verslag. V.z.w. Durme, Lokeren, B. 48 pp. — Segal S., (1965). Een vegetatieonderzoek van hogere waterplanten in Nederland. Wetenschappelijke Mededelingen van de K.V.N.V. nr. 57., Hoorn, Nederland, 80 pp. — Tavernier & De Moor (1974). L'évolution du bassin de l'Escaut. pp. 159-231 in: P. Macar (éd.), L'évolution quaternaire du bassin de l'Escaut. Soc. Géol. Belg - Centenaire. — Thoen H. & Verbruggen C , (1985). De fysische kenmerken van de archeologische nederzetting van Waasmunster-Eeckhoul. Bijdragen van de Archeologische Dienst Waasland (in druk). — Tijsebaert J.P., (1973). Perifyton-onderzoek in het Molsbroek (Lokeren). Licentiaatsverhandeling, R.U.G., 83 pp. — Van Hove R., (1985). Persoonlijke mededeling. — Van Moerkerke J. & De Belie A., (1980). Epipaleolithicum en LaatNeolithicum te Klein-Sinaai (Stekene) V.O.B.O.V.-Info 14,1-13. — Verbruggen C., (1971a). Postglaciale landschapsgeschiedenis van zandig Vlaanderen. Botanische ecologische en morfologische aspecten op basis van palynologisch onderzoek. Gent, R.U.G., doctoraatsthesis. — Verbruggen C , (1971b). La morphogénèse de la vallée flamande. Bref apergu et quelques aspects nouveaux. Hommes et Terres du Nord. 1, 61-68. — Verstraeten A., (1985). Persoonlijke mededelingen. — Westhof f V. & Den Held A.J., (1969). Plantengemeenschappen in Nederland. J. Thieme & Cie., Zutphen, Nederland.

(1) Geomorfologie: studie van de vorm van het landschap. (2) Archeologie: is de wetenschap die zich bezighoudt met de studie van de materiële overblijfselen van de mens in het verleden, met het doel hieruit de gegevens te verkrijgen waarmee, zowel in menswetenschappen (geschiedenis, epigrafie, ...) als natuurwetenschappen (geologie, pedologie, palynologie, ...) getracht wordt het beeld van de menselijke samenleving in al zijn aspecten te reconstrueren. (3) Over de invloed van het kwartair op de vorm van het Vlaamse landschap zijn reeds verschillende publikaties verschenen (De Moor & Heyse, 1978; Heyse & De Moor, 1979; Tavernier & De Moor, 1974). In het kader van dit artikel dient aangestipt te worden dat een aantal wetenschapsmensen vooropstellen dat de rivieren zich in het Boreaal opnieuw insneden. Verbruggen (1971a en 1971b) beweert echter dat in deze periode zulke ingrijpende veranderingen in het landschap zich niet konden voordoen. (4) Pollen of stuifmeel van planten blijft eeuwenlang in veenafzettingen bewaard. Aangezien het stuifmeel karakteristiek is voor iedere plantesoort (in zekere zin vergelijkbaar met een menselijke vingerafdruk), is het voor een palynoloog mogelijk door vergelijking met de huidige stuifmeelkorrels het plantengeslacht of zelfs de plantesoort te bepalen. (5) In het bezoekerscentrum zal naast materiaal uit de Romeinse tijd zoals een waterput, een kruik en dakpannen, ook ouder materiaal zoals een silex-bijl, tentoongesteld worden. Een deel van de permanente tentoonstelling zal tevens gewijd zijn aan paleontologische vondsten. Tijdens de zandwinning in de buurt van het Molsbroek werden enkele beenderfragmenten van uitgestorven diersoorten gevonden, zoals onder andere Steppebizon, Mammoet, Wolharige neushoorn en Gekraagde lemming. Deze vondsten kunnen als merkwaardig tot zelfs zeldzaam beschouwd worden (Guillemijn, 1982). (6) Fytoplankton: microscopisch kleine planten (algen of wieren) die in het water zweven. (7) Perifyton: microscopisch kleine organismen die zich op planten bevinden. (8) Saprobie; systeem om de vervuilingsgraad van het water aan te duiden aan de hand van bepaalde organismen die in dat water voorkomen. Dergelijke organismen worden indicatoren genoemd. Meestal worden volgende saprobieën voorgesteld: polysaproob.^-X-mesosaproob, 6-mesosaproob en oligosaproob (in dalende volgorde van vervuilingsgraad).

Bibliografie — Archeologische Kroniek van het Land van Waas (1974 en 1976). Annalen van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas. — Caljon A., (1971). Ekosyslemalische studie van het fytoplankton van het Molsbroek hij Lokeren (Oost-Vlaanderen). Licentiaatsverhandeling R.U.G. — De Beule J., (1982). Broedvogelinventarisatie 1981 in het Molsbroek en onmiddellijke omgeving + vergelijking met de inventarisatie 1968. Stentor 18(1), 13-40.

M&L

39


Bezoekerscentrum Molsbroek Lokeren W. Slock en C. Lievens B.M.L., Afdeling Architectuur

In 1979 startte de Koning Boudewijnstichting een uitgebreide campagne die gericht was op de leefomgeving. De feestelijkheden die in 1980 naar aanleiding van de 150ste verjaardag van de onafhankelijkheid van België plaatsvonden, boden een unieke gelegenheid om rond dit thema een reeks initiatieven te starten onder de naam 'Stad en Dorp '80'. De bedoeling van de Stichting was op verschillende plaatsen in de provincies initiatieven uit te werken, met een blijvend karakter in de sector van het leefmilieu. In overleg met de verschillende provinciebesturen in Vlaanderen, en na samenspraak met de overkoepelende leefmilieu- en natuurbeschermingsverenigingen, werden een 15-tal projecten weerhouden. Voor de provincie Oost-Vlaanderen viel de keuze op het landschapspark 'Krekengebied' in het noorden van de provincie langsheen de grens met Nederland, en op het natuurgebied 'Het Molsbroek' in Lokeren. Dit natuurgebied werd voorgedragen door de in januari 1969 opgerichte v.z.w. Durme, sindsdien ook officieel erkend als beheerder van het 80 hectare grote natuurgebied. Het landschap van het Molsbroek werd beschermd bij Koninklijk Besluit van 27 mei 1975. Dit besluit is ondertussen uitgebreid met het oog op een betere beveiliging van de natuur- en landschapswaarden (M. B. van 23 november 1984).

Doelstellingen en uitwerking

Bij de oprichting van de v.z.w. werden de belangrijkste doelstellingen als volgt geformuleerd; in Vlaanderen de

Situaticplan (tekening Afdeling Architectuur).

40

M&L

belangstelling opwekken voor de natuur, in het bijzonder de Durmestreek; actief optreden om het landschap, de fauna en de flora te beveiligen; overtredingen van de wetten op jacht-, vis- en vogelvangst, lucht- en waterbezoedeling bestrijden; inspanningen leveren om van het 'Molsbroek' een volwaardig reservaat te maken.

Liggingsplan (tekening Afdeling Architectuur


Hel doel verwezenlijkt (foto G. Charlier).

Hiervoor werd voor Molsbroek een wetenschappelijk gefundeerd beheersplan opgesteld, waarin volgende onderdelen: landschapsbeheer, fauna- en florabeheer en sociaal beheer (opvang van het publiek). Dit beheersplan was het eerste dat in een rangschikkingsbesluit werd opgenomen. In het kader van dit sociaal beheer werd in 1977 een klein info-paviljoen (6 m2) opgericht om het publiek bij de wandelingen te begeleiden. Gezien echter de grote toeloop van bezoekers en wandelaars, bleek deze oplossing ontoereikend. Verschillende types van wandelaars dienden bovendien hun gading te vinden. Enerzijds de individuele wandelaar, die alleen of in familie tijdens de weekends en op vakantiedagen ontspanning in het natuurgebied kwamen zoeken, en anderzijds de al of niet georganiseerde groepen, verenigingen en klassen, die onder leiding van natuurgidsen het gebied wilden verkennen. Beide categorieën dienden op een verschillende wijze aandacht te krijgen. Aldus werd de oprichting van een groter bezoekerscentrum stilaan een noodzaak. Het uiteindelijke doel van

het bezoekerscentrum werd als volgt geformuleerd: „Bij de potentiële bezoeker een bewustwording los maken voor het natuurgebeuren en de bedreigingen, inspelend op de eigen ervaringswereld". Een tweetal vormingsdoelen stonden hierbij voor ogen: enerzijds via de cognitieve weg van inzicht en kennis en anderzijds via het aanvoelen en het affectieve de bezoeker gevoelig maken voor en bewust van dit landschap. De inkleding, de uitrusting en het imago van het bezoekerscentrum moeten dan ook aan bepaalde educatieve normen beantwoorden met een grote beweeglijkheid in aanbod en vormgeving. De doelstellingen van de v.z.w. werden in concreto uitgewerkt. Op basis van bestaande opvangcentra in binnen- en buitenland, werd een lijvig rapport opgesteld dat tot in de bijzonderheden zo veel mogelijk aspecten van een bezoekerscentrum omschreef. Naast deze inhoudelijke werkgroep werd eveneens een technische werkgroep opgericht die moest instaan voor de begeleiding en de concrete realisatie van het project. Naast de Koning Boudewijnstichting en de v.z.w. Durme M&L

41


•

als initiatiefnemer, werden eveneens in de werkgroep opgenomen: — het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, huurder van het domein; — de stad Lokeren als eigenaar en bouwheer van het bezoekerscentrum; — het Bestuur der Waterwegen als eigenaar van de gronden waarop het gebouw diende opgericht; — het Provinciaal Bestuur als mede-financierster met de Koning Boudewijnstichting; — het Commissariaat-Generaal voor Toerisme als subsidiërende overheid; — de toenmalige Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg, nu Bestuur voor Monumenten en Landschappen, met name de Afdeling Architectuur, die instond voor het ontwerp en de begeleiding van het project bezoekerscentrum, en een landschapsdeskundige van hetzelfde Bestuur, die het ontwerp en de aanleg van de ecotuin en omgeving van het gebouw tot zijn taak had. Op regelmatige tijdstippen werden coördinatievergaderingen belegd, om alle administratieve geplogenheid op een vlotte manier te laten verlopen. Niettegenstaande de inspanningen van alle personen hierbij aanwezig, diende men toch te wachten tot de zomer van 1984 vooraleer tot de uiteindelijke realisatie kon worden overgegaan.

Doorsnede (tekening Afdeling Architectuur)

42

M&L

De Afdeling Architectuur van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen hielp vanaf het begin mee aan de ontwikkeling van het project.

Een gebouw in 'natuurlijke' materialen Van meet af aan werd geopteerd om het gebouw in natuurlijke materialen op te richten, zowel de structuur als wanden en bedaking. Hout werd als materiaal bij uitstek weerhouden. De opzet van de ontwerpers was vanuit educatief en constructief oogpunt, een duidelijke structuur voor het gebouw te ontwikkelen. Deze structuur dient zowel binnenin als van buitenaf door de bezoeker afgeleid en ervaren te worden. Een structuur die door een kind ervaren wordt als een speeldoos en door een volwassene als een puzzel, waarvan men het raadsel wil oplossen. Vertrekkende van een raster van 60 bij 60 cm werden op een regelmatige afstand van 3 m, 4 spantconstructies met dakstoel opgericht. 16 drievoudig samengestelde houten kolommen op de gelijkvloerse verdieping dragen de bovenliggende verdiepingen en de dakconstructie. De kolommen versmallen door ontdubbeling naargelang zij hogerop gaan.


Gelijkvloerse verdieping (tekening Afdeling Architectuur).

L Ter hoogte van de verdiepings- en duplex-vloer worden zij omvat door dubbele dragende moerbalken, die op hun beurt de balklagen ondersteunen. Gordingen en spanten vullen het totale skelet aan. De wanden — samengesteld uit een draagstructuur van kepers —, de vloeren en daken worden aan de binnenzijde verstijfd en afgewerkt met multiplexplaten. Aan de buitenkant zijn deze wanden afgewerkt met cederplanken, de bedaking met ceder-shingles. Ceder heeft de eigenschap onder invloed van licht, regen en wind te verkleuren van donker naar licht roodbruin, en na verloop van tijd tot dezelfde schakeringen in zilvergrijs, zonder dat dit de duurzaamheid van het hout beïnvloedt. Het hele gebouw rust op een algemene fundeerplaat met vorstrand in gewapend beton, voorzien van een ringbalk

waarop de kolomvoeten rusten. Die zijn door middel van gegalvaniseerde schoenen op de basis bevestigd. Alle afwerkingen boven ramen, aan dorpels, slabben en goten zijn om esthetische redenen afgewerkt en uitgevoerd in rood koper. Met uitzondering van de gelijkvloerse verdieping, waar een tegelvloer voorzien is, zijn de verdiepingsvloeren bekleed met zwarte rubbernoppenbevloering. Het volledige gebouw werd geïsoleerd met vaste polyurethaan hardschuim-platen. Vanuit de noodzaak om alle ruimtes maximaal te benutten, en om het brandgevaar te minimaliseren, werd geopteerd voor een elektrisch verwarmingssysteem: accumulatiekachels in de werkruimtes en stralings- en convectiekachels in de tentoonstellingsruimte. M&L

43


Voor het meubilair werden reeds enkele voorzieningen getroffen in de ontwerpfase; een tweetal bureautafels en kasten, een toonbank en een kast voor de info- en verkoophoek. Het overige materiaal zoals tentoonstellingspanelen en tafels, zitbanken en ander meubilair zal later door een B.T.K.-ploeg in dienst van de v.z.w., en in samenspraak met de architecten gerealiseerd worden. Aangezien de structuren voor het terras en de trapconstructie bijzonder stevig moeten zijn, werden zij uitgevoerd in merbau, tevens een bijzonder duurzame houtsoort. Het skelet is gebaseerd op dezelfde constructieprincipes als het gebouw. De bevloering bestaat uit 3/4 planken in merbau. De kolommen dragen op geïsoleerde betonvoeten en zijn door middel van kokerprofielen op deze basis bevestigd. De werken startten op 6 juni 1984 en werden voorlopig opgeleverd op 30 januari 1985. De vlotte samenwerking tussen de aannemer, de architecten, het stadsbestuur en de v.z.w. Durme, zorgden ervoor dat de uitvoering op een minimum van tijd tot een gunstig resultaat leidde. De goede vakkennis van de aannemer maakte van deze realisatie een aangename en boeiende ervaring. De verantwoordelijken op de wekelijkse werkvergaderingen waren steeds voltallig aanwezig. Dit droeg bij tot een goede verstandhouding. Via de strikt bijgehouden werkverslagen, werd gezorgd voor de nodige informatie-overdracht naar alle betrokken partijen.

Een ecotuin In samenwerking met de Afdeling Architectuur werd door de heer Van der Linden, landschapsarchitect van hetzelfde Bestuur, een concept uitgewerkt voor de aanleg van de onmiddellijke omgeving van het bezoekerscentrum. Rekening houdend met de conclusies van de 44

M&L

rapporten van de technische en inhoudelijke werkgroep kwam men tot een duidelijke, eensgezinde optie. De inplanting van het bezoekerscentrum werd na herhaalde discussies in verband met bereikbaarheid, toezicht en vandalisme, vastgelegd in de onmiddellijke omgeving van een bestaande poel (zie kaart). Deze situering werd ook aangegrepen om de bedding van de Molsbergenstraat in zijn oorspronkelijke staat te herstellen, waardoor er rondom het bezoekerscentrum ruimte vrijkwam voor allerhande uitrustingen. Met als gegeven de bestaande vijver en een kleine duin, werd een concept uitgewerkt voor een zogenaamde ecotuin. Uit een collectie houtachtigen, kruidachtigen en de bestaande poel werd getracht een aanschouwelijke en synthetische voorstelling te geven van de plantengroei die het 'Molsbroek' kenmerkt. Verschillende plantesoorten die tijdens de wandeling vanop de dijk niet bereikbaar zijn, worden op die manier toch in hun natuurlijk milieu gesimuleerd. Hetzij in een vochtige ondergrond, in en op de oevers van de vijver, hetzij in een droge ondergrond, op en in de omgeving van de duin. Rondom het bezoekerscentrum werden eveneens een tweetal picknickplaatsen voorzien op een verharde ondergrond, alsook een kleine parkeerplaats voor dienstwagens. Deze verschillende entiteiten werden verbonden door smalle paadjes in Dolomiet of kasseien. Al deze uitvoeringen dienen echter in de nabije toekomst nog gerealiseerd te worden. De technische diensten van de stad en de inmiddels werkzame B.T.K.-ploeg hebben hiertoe reeds de aanzet gegeven. De natuureducatieve opzet van de buitenruimte wordt naderhand nog uitgebreid met nestkastjes voor vogels en vleermuizen, een winterkast voor egels, een voedertafel met schuilhut, een bord met overzichtskaart van het reservaat, kijkpalen om de aandacht te vestigen op terreindetails,... .


M&L 45


be*taande

bomen

heesrers - h a k h o u t •Vv-^

log>

1 l.E

verhardingen

heesters

1 tjnr. spontane begroeiing

Omwerp van omgeving van het Bezoekerscentrum door G. Van der Linden, B.M.L. (tekening Afdeling Architectuur).

De hoofdbedoeling van de werkgroep was de totale aanleg in te kaderen in de wandeling rondom het natuurgebied. In het verleden werden verschillende rustpunten op de wandelroute voorzien. Informatieborden verstrekken er uitleg over het reservaat, en zitbanken bieden de wandelaars de mogelijkheid even te verpozen.

Een rondleiding in het bezoekerscentrum Het bezoekerscentrum fungeert als motor en als centrum van het hele project. De bezoeker benadert het gebouw vanop de dijk, via een langzaam stijgende trapconstructie. Vanop het terras dat hierop aansluit, wordt hem een panorama aangeboden over het reservaat. Zonder gehinderd te worden door voorbijgaande wandelaars kan hij hier vóór de wandeling zijn eerste indrukken vastleggen, of de indrukken tijdens de wandeling opgedaan verwerken. Via een toegangsdeur met sas komt de bezoeker vervolgens in de belangrijkste ruimte van het gebouw. Die reikt tot aan de nok van het dak en omarmt als het ware een kleiner niveau, dat verder in de tekst als duplex wordt aangeduid. Een hoekje ingericht als zitruimte, waar de wandelaar even kan uitrusten, enkele brochures en tijdschriften kan raadplegen of een drankje en zijn pick-nick kan verbruiken, bevindt zich aan de ene zijde van het sas. Hier recht tegenover is een info- en verkoopstand. Naast de verkoop van affiches en brochures, een uitleendienst voor educatieve uitrustingen, kan hier ook de nodige informatie bekomen worden inzake de lopende tentoonstellingen en de activiteiten van de vereniging. Via een loketraampje uitgevend op het terras kan een vlugge verkoop georganiseerd worden, wanneer grote groepen zich aanmelden. 46

M&L

De belangrijkste activiteit op dit niveau is evenwel de tentoonstelling. Slechts sporadisch zullen hiervoor vaste panelen gebruikt worden. Naast enkele vaste onderwerpen, zoals het landschap als resultaat van de wisselwerking tussen mens en natuur, het verband tussen bodem, waterhuishouding en vegetatie en de situering van het gebied in zijn grote omgeving, komen vooral wisselende onderwerpen aan bod: het gaat om seizoengebonden thema's zoals detailstudies van in een bepaald seizoen opvallende planten en dieren; niet seizoengebonden thema's inspelend op de actualiteit in en buiten het reservaat in verband met beheer, visvangst of bepaalde plagen en hun bestrijding, jacht, luchtvervuiling; ecologische theorieën waar op een eenvoudige manier enkele leefgemeenschappen, voedselpyramiden, voedselwebben en dergelijke uitgelegd worden. Kortom een spiegel van de omgevende natuur. In een terrarium en aquarium worden per seizoen dieren die in het 'Molsbroek' aanwezig zijn maar moeilijk te observeren, in hun activiteiten gevolgd zoals kevers, rupsen, vissen. Naast dit levend materiaal wordt eveneens aandacht besteed aan herbariummateriaal, vogelnesten, braakballen van uilen, opgezette dieren . . . . Al dit materiaal zal door de bezoeker via kijkkasten, spelletjes, teksten en tekeningen kunnen worden beleefd. De tentoonstelling loopt door over alle verdiepingen. Via een spiltrap komt de bezoeker op de duplex-verdieping. Vanop deze trap heeft hij een mooi uitzicht op enkele merkwaardige schietstanden uit de tweede wereldoorlog die zich aan de overkant van de Molsbergenstraat bevinden. In de westgevel is een grote, beglaasde oppervlakte voorzien. Door een kijker kunnen van hieruit observaties gebeuren van alles wat leeft en beweegt in het reservaat. Wanneer de bezoeker dezelfde trap weer afdaalt naar de gelijkvloerse verdieping, komt hij op het niveau van de Molsbergenstraat. Deze verdieping heeft een rechtstreekse doorgang naar buiten, omdat zich hier publieke


toiletten bevinden. In een grotere ruimte die in eerste instantie als atelier dienst doet voor het opbouwen van de tentoonstelling, zijn in een latere fase allerlei activiteiten gepland. Naast het inrichten van klassen, zullen continu diaprojecties plaatsvinden. Bij bijzondere gelegenheden kunnen voordrachten en vergaderingen georganiseerd worden. Videovoorstellingen worden eveneens tot de haalbare activiteiten gerekend. Naast een kantoortje en de eetruimte voor het personeel, zijn nog een tweetal bergingen voorzien: een bergplaats voor klein materiaal en bijkomende voorzieningen voor de wandelaar zoals halshangbordjes, veldlaboratorium, kijkers, bandrecorders, en een grote bergplaats

voor allerhande benodigdheden voor onderhoud en beheer van het gebouw en het reservaat. Aldus beëindigen wij onze wandeling. Wij hebben kennis gemaakt met de diverse aspecten waarrond het project Bezoekerscentrum gegroeid is. Aan de basis van dit opzet ligt de inspanning en het doorzettingsvermogen van tal van mensen. Zij zijn erin geslaagd continuïteit te verzekeren en de initiële doelstellingen vanaf de startperiode tot concrete realisatie te brengen. Dank zij een harmonische samenwerking van beëdigde wachters, B.T.K.-ers, D.A.C.-ers, gewetensbezwaarden en tal van vrijwilligers, kunnen de werkzaamheden voorlopig voortgezet en verder ontwikkeld worden.

Duplexverdieping. Uitkijkposl en tentoonstellingsruimte (tekening Afdeling Architectuur).

M&L

47


Een ommekeer voor de Kemmelberg ? Guido Ostyn Inspecteur B.M.L.

De Kemmelberg, gelegen in de gemeente Heuvelland in het zuidwesten van de provincie WestVlaanderen, heeft reeds een bewogen geschiedenis achter de rug waarin onder andere de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol speelde. Ook de toekomst bood tot voor kort weinig hoopvolle perspectieven, zeker wat het behoud van het bos betrof. Recent getroffen maatregelen pogen hierin een kentering te brengen. H o e kent m e n de K e m m e l b e r g ?

'Road section 4 - start Kemmelberg. Vertrek Dries 50 m, haakse bocht links - 650 m, tweesprong links - 480 m, kruispunt over - 210 m, T rechts - 190 m, 90° rechts, 90° links - 370 m, schuin rechts, begin grint (Lokerdreef) - 630 m, 90° links, einde grint - 250 m, haakse bocht rechts - ...'. 'Andermaal speelde de Kemmelberg zijn rol van scherprechter. Bij de tweede doortocht van de belangrijke Dc Kemmelberg mei omgeving op de kaart van Vandermaelen (ca. 1845).

48

M&L

wielerwedstrijd Gent-Wevelgem werd het peloton na de door de renners gevreesde beklimming, verder uitgedund, waarna zich een kopgroep van een tiental renners vormde. Dit groepje bleef tot aan de eindstreep voorop'. Deze twee passages, respectievelijk vrij naar het roadbook van de autorally 'De 24 Uren van leper' en naar een krantenartikel over de semi-klassieker Gent-Wevelgem, illustreren hoe de Kemmelberg enkele malen per jaar in de actualiteit komt. Wie de plaatselijke situatie niet kent, stelt zich dan praktisch automatisch de Kemmelberg voor als een prima sportterrein en be-


De doorlacht van een of andere sportmanifestatie brengt een ware volkstoeloop mee.

grijpt zeker de steeds toenemende contestatie rond de doortocht van deze sportmanifestaties niet. Hierna wordt gepoogd een beknopt maar toch zo duidelijk mogelijk beeld op te hangen van de betekenis van de Kemmelberg, die trouwens op 24.12.1979 als landschap werd gerangschikt omwille van zijn historische, wetenschappelijke en esthetische waarde.

Geen berg, wel het restant van een zandbank Het ontstaan van de Kemmelberg is op zich reeds interessant en merkwaardig te noemen. Deze 156 meter ho-

ge heuvel maakt deel uit van de rij tertiaire getuigeheuvels die van Cassel in Noord-Frankrijk via de WestVlaamse heuvels en de Vlaamse Ardennen (Oost-Vlaanderen) tot het Hageland in het noordoosten van Brabant loopt. Zowat 7 miljoen jaar geleden (einde Mioceen) werd een groot deel van België vanuit het noordoosten door de Diestiaanzee overspoeld. Evenwijdig met de kustlijn werden een groot aantal zandbanken afgezet, die opgebouwd waren uit zanden en silexen afkomstig uit het Nauw van Calais. Na de terugtrekking of regressie van de zee, die gepaard ging met het rijzen van het land, bleef een vlak gebied, een plateau over. De nadien volgende erosie door water en wind (fluvio-eolische erosie) zorgde voor het ontstaan van relatief brede valleien met een complex hydrografisch net. M&L

49


LEGENDE restanten van de Diestiaantransgressie (einde Mioceen, 7 miljoen jaar geleden)

1

Casselberg

^

Muziekberg

j

Mont des Recollets

•J

Pottelberg

^

Catsberg

y

Mont de Rode

J

Zwarte Berg

|

Rode Berg

5

Kemmelberg

J

St.-Aubertsberg

*

Kluisberg

l

Hotond

De gordel tertiaire geluigeheuvels

30

van Noord-Frankrijk

tot

M&L

60 km

Brabant.

Het interfluvium tussen IJzer en Leie bleef evenwel vlak, met uitzondering van de voormalige zandbanken die door hun harde toplaag tamelijk goed aan erosie weerstonden. Door langdurige verwering was het glauconietrijke Diestiaanzand immers geoxydeerd tot ijzerzandsteen. Hierdoor werden de zandbanken samen met de er onder liggende oudere lagen, in reliëf geplaatst (Goossens, 1984). Tijdens het Kwartair werd nog heel wat materiaal, voornamelijk leem en zandleem, aangevoerd en afgezet waardoor de tertiaire lagen door een recenter pakket werden bedekt. Dit pakket kent van hoog naar laag een overgang van lemige zandgronden via zandleemgronden naar praktisch zuivere leemgronden. Enkel in de in omvang beperkte beekvalleitjes komt meer kleiig materiaal voor. De aard van het kwartaire dek bepaalt ook het bodemgebruik. De topzones met schrale, verharde zandgrond zijn bebost. De met leem bedekte, niet te steile hellingen, zijn als akkerland in gebruik, terwijl de steilere hellingen alsook de laaggelegen valleibodems in grasland zijn gebracht. 50

45

Van pre-historie naar recente historie De Vereniging voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in West-Vlaanderen verrichtte een aantal opgravingscampagnes op de Kemmelberg tussen 1968 en 1980. Hieruit bleek dat gedeelten van het plateau op de top reeds tijdens het Midden-Neolithicum en in de Vroege Ijzertijd bewoond waren. Er kon echter niet uitgemaakt worden of deze bewoning permanent of slechts tijdelijk was in noodsituaties. Het verdedigingssysteem van het site bestond uit wallen en grachten waarbij vaak van de bestaande terreinconfiguratie gebruik werd gemaakt (Van Doorselaer, 1974). Over de latere evolutie zijn minder gegevens beschikbaar. De Romeinse bezetting in de streek was zeer beperkt. Wel is geweten dat rond de 10de eeuw NC het zuiden van West-Vlaanderen schaars bewoond was en dat het landschap gekenmerkt werd door een afwisseling van bos, heide, woeste grond en cultuurland.


Rond 1775 was de top van de Kemmelberg nog nagenoeg volledig bebost, terwijl er zich op de flanken een aantal boerderijen gevestigd hadden die door een boomgaard en akkers omgeven waren. Tot 1910 was er een stelselmatige uitbreiding van het landbouwareaal ten koste van het bos. Op de top zelf nam de bebouwing toe met onder andere de bouw van de eerste Uitkijktoren. Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte de Kemmelberg zelf geen deel uit van de frontlinie. Wel mogen de gevolgen voor het bos rampzalig genoemd worden. Door de grote vraag naar hout werd het bos immers volledig gerooid zodat in 1918 een nagenoeg kale heuvel overbleef. Mede door het versnipperde eigendomsbezit gebeurde de heraanplanting vaak op een onoordeelkundige wijze. De structuur van de ondergrond en de toenemende recreatiedruk, alsook de invloed van sportwedstrijden (autorally, motocross,... ) hebben het ongestoord opgroeien van de nieuwe aanplantingen sterk belemmerd.

Flora op en rond de Kemmelberg Uit inventarisaties van de hogere planten verricht door het Bestuur voor Monumenten en Landschappen (1980-

1984), blijkt dat de flora nog zeer rijk kan worden genoemd. Dit komt misschien vrij eigenaardig over wanneer men de desolate toestand van het bos op de top bekijkt. De boomlaag is er nog wel, maar de fysische gesteldheid van de meeste bomen is bedenkelijk. De struik- en kruidlaag zijn nagenoeg verdwenen. Sporadisch is er nog een ondergroei waarneembaar van Braam en enkele vlekken Wilde hyacint. Een verdere verkenning leert evenwel dat in de reeds jaren afgesloten gedeelten de situatie heel wat gunstiger is. De hogervernoemde lagen zijn er duidelijk aanwezig en bovendien vrij soortenrijk. Zo is de boomlaag opgebouwd uit onder andere Beuk, Zomereik, Amerikaanse eik. Gewone esdoorn, Tamme Kastanje en Ruwe berk. De struiklaag omvat onder andere Vlier, Hazelaar, Haagbeuk en Sporkehout. In de kruidlaag dienen als belangrijkste voorjaarsbloeiers en bosplanten volgende soorten te worden vermeld: Wilde hyacint. Muskuskruid, Kruipend zenegroen, Bosanemoon, Gele dovenetel. Gevlekte aronskelk. Slanke sleutelbloem, Veelbloemige salomonszegel. Kleine maagdenpalm, Stompsporig bosviooltje en Adelaarsvaren. Naast de beboste gedeelten omvat de Kemmelberg ook nog een aantal mooie houtkan ten, holle wegen en wegbermen. De houtkanten zijn voornamelijk uit volgende struiken opgebouwd: Sleedoorn, Hulst, Eénstijlige mei-

Volgende pagina: de 'kale' top van de Kemmelberg. De kruid- en slruiklagen ontbreken nagenoeg volledig. Onder: de Kemmelberg zoals bekend bij elke sportliefhebber.

/r.-'

•**fmks

1

M&L

51


B

&t

r* * " •

-

Wm

3iM ^%^L •é. **&:

I

. .'f

3PC

••.

»

" 'm*

•*

••* l, **^Ss..

^


>

^

•*•*? J

•JÉ '* *. — -

^ ''T

^ t

|

> -

-

-V

-

>--.«r •• a, *

*

*

.

-

*

"

•

-r • IK

il-, f

^ « ^


doorn en Vlier. De wegbermen waarvan de soortenrijke vegetatie zich pas mits een aangepast beheer ten volle kan ontwikkelen, worden gekenmerkt door de aanwezigheid van onder andere Dagkoekoeksbloem, Robertskruid, Grootbloemmuur, Knoopkruid, Bereklauw, Fluitekruid. Duizendblad,... . Langs kleine grachtjes en in de omgeving van de bronniveaus worden een aantal plantesoorten typisch voor vochtige milieus aangetroffen. Voorbeelden hiervan zijn Pinksterbloem, Gele lis, Moeraszegge, Hangende zegge, Reuzepaardestaart, Pitrus, Wederik, Watermunt, Moerasvergeet-mij-nietje,... . Uit de vergelijking met inventarisaties verricht in de periode 1943-1960 blijkt dat een aantal toen nog regelmatig waargenomen typische bosplanten, tijdens recentere onderzoeken niet meer werden teruggevonden. Dit geldt onder meer voor Verspreidbladig goudveil, Lelietje-terdalen, Breedbladige wespenorchis. Witte klaverzuring. Eikvaren en Tongvaren. Ondanks het verdwijnen van deze soorten kan de flora van de Kemmelberg nog als waardevol bestempeld worden. Uit de indeling in socio-ecologische hoofdgroepen volgens de methode van Stieperaere en Fransen (1982) volgt dat 89 gevonden plantesoorten kenmerkend zijn voor bossen, kaalslagen, zomen en struwelen. Er dient wel opgemerkt dat uit de verschillende inventarisaties niet kan worden afgeleid in welke mate een bepaalde soort voorkwam of voorkomt.

De Kemmelberg met zijn problemen Zoals reeds hoger vermeld, ligt de oorsprong van de problemen van het bos op de Kemmelberg bij de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog. Samen met de doortocht en organisatie van sportwedstrijden over en op de berg zorgde de sterk toenemende mobiliteit van de bevolking er de laatste decennia voor dat het bos in een kritieke situatie terechtkwam. De draagkracht van het niet afgesloten gedeelte werd ruim overschreden. De busstructuur werd aangetast, de struik- en kruidlaag verdwenen en de bodemerosie nam door het ontbreken van een plantendek en de intense betreding, gevaarlijke afmetingen aan. De aantrekkingskracht van de Kemmelberg op de recreant kan evenwel niet genegeerd worden. Tijdens een beperkt onderzoek, uitgevoerd door het Landschapscentrum Heuvelland in samenwerking met de Koning Boudewijnstichting werd vastgesteld dat het 'op de Kemmelberg zijn' vaak de doorslag gaf voor een bezoek. De Kemmelberg is namelijk het hoogste punt van WestVlaanderen en is via sportwedstrijden en de hierdoor aangetrokken media bij een ruim publiek bekend. Tijdens zonnige weekends is de toeloop dan ook soms massaal, wat onder andere de nodige parkeerproblemen veroorzaakt. Tevens wordt kris-kras door het bos gewandeld, ondanks een padendichtheid van 222 m/ha op de top. 54

M&L

Het uitblijven van een aangepast beheer en de specifieke eigendomstoestand van de top (privaat grondbezit dat door de bezoekers als openbaar domein wordt beschouwd) verergerden de toestand enkel, zodat het initiatief van de v.z.w. Stichting Kemmelberg zeker niet te vroeg komt. Een eerste reeks maatregelen werd reeds uitgevoerd. Hoofddoel hierbij was en is het herstel van het bos waarbij de recreatie in functie van het bos dient te worden gesteld en niet omgekeerd, zoals tot voor kort het geval was. Om hieraan te voldoen werden bijvoorbeeld twee parkeerterreinen op een bescheiden manier uitgebouwd. Op twee percelen die reeds jaren deze functie hadden, werden met kasseistenen parkeervakken afgeboord, waardoor een verhoogde capaciteit werd verkregen. Dit ging gepaard met het invoeren van een parkeerverbod in het centrale bosperceel. De westelijke helft van dit perceel werd bovendien voor het publiek afgesloten. Waar de keuze op het eerste gezicht misschien onlogisch lijkt, gelet op de totale afwezigheid van ondergroei in de oostelijke helft, waren de doorslaggevende argumenten dat wat nog aanwezig is van een verdere achteruitgang diende te worden gevrijwaard, en dat het herstel van de ondergroei in de westelijke helft het snelst zal gebeuren. Dit laatste laat toe de recreant op relatief korte termijn (enkele jaren) de resultaten van de genomen maatregel te tonen, wat tevens een psychologisch voordeel is bij de verdere werking. Gelijktijdig met het afsluiten van een deel van het bos werden drie nieuwe wandelpaden uitgestippeld met als bijkomende bedoeling de recreant kennis te laten maken met de ruimere omgeving, dit alles zonder de aanleg van nieuwe wegen of het aanbrengen van verhardingen. De begeleidende brochure is tevens een ideaal middel om de noodzaak van de getroffen maatregelen en de waarden van het gebied toe te lichten. Het verstrekken van informatie is immers zeer belangrijk, wat onder meer resulteerde in het plaatsen van info-panelen, het uitwerken van een tentoonstelling en de publikatie van de brochure 'Wat met de Kemmelberg ?'. De volgende fase van de werking dient met de nodige omzichtigheid te gebeuren, namelijk het uitwerken van een werkschema voor het bos zelf, wat dan ook in samenspraak met de hiervoor bevoegde diensten zal gebeuren. Eén zaak staat echter reeds vast: het eventuele volledige herstel vergt van alle betrokkenen gedurende jaren een blijvende inspanning en vraagt van de huidige recreanten een mentaliteitsverandering. Wanneer blijkt dat de getroffen maatregelen niet worden nageleefd of onvoldoende zijn bij de doortocht van sportmanifestaties, zal de situatie moeten worden herzien en de nodige bijsturing doorgevoerd.

Besluit De waarden van de als landschap gerangschikte Kemmelberg zijn bij het grote publiek nog onvoldoende gekend. Zowel op geologisch, archeologisch, biologisch als


esthetisch vlak heeft het gebied de bezoekers heel wat te bieden. Bij dit alles moet echter rekening gehouden worden met de grote kwetsbaarheid van voornamelijk de beboste top. D a a r o m ook werden beperkingen opgelegd aan de recreatie en de doortocht van sportwedstrijden. Mits het consequent uitwerken van de genomen optie — de herwaardering van de Kemmelberg met recreatie in functie van het bos — zal het gebied heel wat van zijn vergane glorie herwinnen en niet enkel meer o p geologisch vlak een 'getuige'-heuvel zijn.

Zij worden u ook toegestuurd na overschrijving van: 80,-fr. voor 'Wat met de Kemmelberg?' 30,-fr. voor 'Wandelen op en rond de Kemmelberg'. op rekeningnummer 068-2006805-96 van de v.z.w. Stichting Kemmelberg met vermelding van de gewenste publikatie(s).

Wie bijkomende gegevens wenst over de Kemmelberg kan die vinden in de publikaties uitgegeven door de v.z.w. Stichting Kemmelberg. In samenwerking met het Bestuur voor Monumenten en Landschappen verscheen de brochure 'Wat met de Kemmelberg?' De begeleidende brochure bij de uitgestippelde wandelpaden 'Wandelen op en rond de Kemmelberg' is een co-produktie met de V.V.V. Westvlaamse Bergen. De brochures zijn verkrijgbaar in: — Kemmel: v.z.w. Stichting Kemmelberg, gemeentehuis 'de Warande' V.V.V.-Westvlaamse Bergen, Polenstraat 12 — Brugge: Bestuur voor Monumenten en Landschappen, Oude Gentweg 75D.

Bibliografie — Goossens D., (1984). Inleiding tot de geologie en de geomorfologie van België. Uitg. van de Berg. Geologische Boekhandel W.G. Witkam. Enschede. — Ostyn G., Strobbe M. & Boury F.. (1985). Wat met de Kemmelberg? Bijdrage tot de herwaardering van de Kemmelberg. V.z.w. Stichting Kemmelberg & Bestuur voor Monumenten en Landschappen. — Stieperaere H. & Fransen K.. (1982). Standaardlijst van de Belgische vaatplanten met aanduiding van hun zeldzaamheid en socio-ecologische groep. Dumortiera 22, 1-41. — Van Doorselaer A., De Meulemeester J., Putman R & Putman J., (1974). Resultaten van zes opgravingscampagnes op de Kemmelberg. Archaeologica Belgica. 161. Brussel.

Erosie veroorzaakt onder meer het blootstellen van boomwortets en ernstige beschadiging van het homenbestand in het algemeen.

•y ^&,

u^rtv»

^M£iC,-:. V •• . M&L

55


Summary The 'Zuiderpershuis' at Antwerp When in the 19th century the industrial applications of electricity were still in an experimental phase, the energies used were steam, gas and compressed air. Hydraulic driving by means of cold water under high pressure was applied since 1846. This subject however is hardly mentioned in the numerous books on the history of technique. Nevertheless has this system considerably contributed to the growth of Antwerp into an international port, after having proved its efficacy in England. It reached its summit at about the turn of the century, but is almost forgotten by now. The conjunction of several factors in the 2nd half of the 19th century induced a thorough expansion of the harbour. One of the most drastic interventions was the construction of new quay-walls, as the old ones were no longer compatible with the demands of the ever increasing steamship traffic and other industrial progresses. The new walls were attended with new paving, warehouses, cranes... . The urbanization of the South Quarter of the town is inseparately related to the harbour expansion. It realized the combination of working and living in the same area. Part of the South Quarter, most remote from the docks, was worked into a residential area, displaying a streetpattern inspired by Haussmann: it consisted of large boulevards with vistas on important monuments. The 'Zuiderpershuis' built amid warehouses and other industrial buildings, is an exception. The 'Zuiderpershuis' and 7 other hydraulic press houses, raised in Antwerp before 1904, came in answer to the increasing harbour activities: better and faster hoisting-cranes were required; an entirely new technology based on the spreading of energy out of a centre by means of cold water put under pressure, was introduced. This system was predominantly used in industry till 1930, when the electric cranes outnumbered the hydraulic cranes. The 'Zuiderpershuis' built in 1882, was closed down in 1977. It preserves a number of remarkable architectural relics. The two towers of a striking architectural elaboration, and housing the accumulators, testify to the status and welfare of the Antwerp port at the end 19th century. At its utmost the 'Zuiderpershuis' supplied 164 cranes, 4 bridges and 30 capstans with energy. The entire complex was listed as a monument by Royal Enactment of 20.02.1979. It was the heart of a great part of the harbour for almost 100 years. It will be completely restored and rebuilt in the near future, and will be attributed an entirely different function, viz as accommodation for a theatre company. Another valuable historical monument will thus be saved for the future. 'Molsbroek' at Lokeren (East-Flanders) 'Molsbroek' is situated in the alluvial plain of the Durme valley. Its generation is closely related to the interaction at the end of the Pleistocene of natural elements, like wind, water and soil. This resulted in a typical river landscape with dunes and river-arms. The reclamation in the area led to the partial disappearance of the dunes. Clear remains of the Durme-arm have been covered by sedimentations of peaty clay and clay in recent periods. In the near vicinity of 'Molsbroek' were registered several archaeological finds referring to occupation that goes back as far as the end of the Neolithic. As the low-lying area was often inundated from the Roman Era on, there was a gradual shift realized towards agricultural exploitation. The agricultural function lasted till 1963, when the Ministry of Public Works built a dike around the present nature reserve. Within the dikes generated an inundation area, a function that was abandoned in 1965 already. The area was hired by the Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (Royal Belgian Institute for Natural Sciences); the Durme v.z.w. was assigned the management as a nature reserve.

56

M&L

The nature reserve is extremely important for its ornithological value as a wetland, without however neglecting other biological values. Because of its natural-scientific characteristics the area was listed as a nature reserve by Ministerial Decree, and as a landscape by Royal Enactment of 27 May 1975. Since the status of nature reserve automatically implies a natural-scientific management there was a plan elaborated emphasizing aspects of flora and fauna, together with scientific research. The Durme v.z.w. concentrated on the social aspect of the plan (cf. A Visitor's Centre for 'Molsbroek'). A Visitor's Centre for 'Molsbroek' The primary goal of Durme v.z.w. was to make 'Molsbroek' into a nature reserve of full value. Answering to the social aspect of the abovementioned management plan an information pavillion was built in 1977. But this being insufficient compared to the concourse of visitors, the need for a larger 'visitors centre' became tangible. It should strive to evoke a consciousness by the potential visitor for the natural process and the threats, starting from the own experience'. The realization of this centre depended on a working-group as regards contents, and a technical working-group. The Durme v.z.w., the Koning Boudewijnstichting and our Bestuur voor Monumenten en Landschappen belonged to the second one. The building had to represent a clear structure from an educative and constructive viewpoint, as it was conceived as the centre and motor of the entire project. Natural building-materials, especially wood, were preferred for interior and exterior. A first stage of the works, which started on 6 June 1984, came to en end on 30 January 1985. There are further steps to be taken for the layout of the immediate surrounding of the 'visitor's centre'. The extant pond and the small dune will be taken as the starting-point for realizing a garden, giving a visual and synthetic representation of the plants of 'Molsbroek'. The nature-educative aspect is to be elaborated as well. The realization of these aspects in the future will depend on the continuation of the mutual co-operation of several institutions, which made the present result possible. A Turn for the Kemmelberg? The Kemmelberg at Heuvelland, situated in the southeast of WestFlanders, was listed as a landscape on 24 December 1979. It has a long history to look back upon. Its generation is related to the inundaton of a large part of Belgium by the Diestien sea in the mid-Miocene; a whole series of sandbanks was deposited parallel to the coastline. The regression left a flat landscape intersected by a complex hydrographic system. A number of former sandbanks are the only elevations in the interfluvium of Leie and IJzer. The deposits during the Quarternary, composed mainly of loam and sandy loam, determined the land use of the Kemmelberg at present: afforestation on the top, arable land on the gentle slopes and grassland on the steep slopes and in the valley. The afforestation of the entire hill has steadily been pushed back by agricultural activities. But the First World War gave the death-blow: the wood was completely cut down by 1918, as a result of the great demand for it in times of war. The new plantation was carried out defectively; in addition the spontaneous growth of plants was hindered by the ever increasing recreation and by sports activities (rally, cycle race). A Foundation Kemmelberg v.z.w. was called into being in view of countering this unfavourable evolution. Part of the landscape was closed to the public; there were special walk-paths laid out... . The organization recently of an exhibition and a publication on the Kemmelberg problems, are aimed at the sensibilisation of responsible institutions and the public, as the saveguarding of the landscape Kemmelberg depends on the goodwill and dedication of everyone.


vakmanschap is geen hol woord

NATUURSTEEN

L.AMINCK

NATUURSTEENBEWERKING RESTAURATIE VAN MONUMENTALE GEBOUWEN ERKENNING NR. 1563 - KLAS 7 - KAT. D 9 - D 24

Van Amstelstraat 63 - 2100 Antwerpen tel. : 03/325.03.83 telex : NAVLAM 32158

Gasstraat 1 IA - 9100 Lokeren tel. : 091/48.12.17


CEMENTINJECTIE

POLYMEERCHEMISCHE HOUTRESTAURATIE

EPOXYINJECTIE

ONDERWATERINJECTIE

Slopen hoeft niet: N.V. E.C.C, restaureert oude metselwerken, houten balken, natuursteen, beton, enz... Ook uitwendig gelijmde wapeningen en verlijmingen. Lost extreme problemen probleemloos op. En brengt tevens het herstelde op zijn oorspronkelijke sterkte terug. Zonder hak- en breekwerk. Snel en zeker.

NEEM LIEVER DE TELEFOON EN BEL NV. E.C.C. 03-828.94.95 (5L) N.V. E.C.C. Terbekehofdreef 50-52 - 2610 Antwerpen Tel. 03/828.94.95 (5 I.) - Telex 73332 ECC


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_4_6.pdf by Vlaanderen-be - Issuu