Skip to main content

milieuhandhavingsrapport _afdeling_milieuinspectie_2009.pdf

Page 1

Milieuhandhavingsrapport 2009 Afdeling Milieu-inspectie

MI • Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

lne

Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Koning Albert II - laan 20 bus 8 - 1000 Brussel Telefoon: 02 553 80 11 - Fax: 02 553 80 05 - info@lne.be - www.lne.be

lne


Voorwoord

03

Inleiding

05 06

Inhoud De afdeling Milieu-inspectie

09 Werking

21

Personeel en middelen

33

Het jaar in cijfers

41

Een aantal projecten en cases

49

Bijlagen

65


2-

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie


Voorwoord Dit Milieuhandhavingsrapport heeft – net als de voorgaande jaren – het informeren van de geïnteresseerde lezer voor ogen, van de door de afdeling Milieu-inspectie vooropgestelde doelstellingen zoals bepaald in het Milieu-inspectieplan 2009. Efficiënt en effectief handhaven van de milieuhygiënewetgeving(en), in de o.m. door de regelgever vastgestelde juridische en ambtelijke kaders, door inzet van de beschikbaar gestelde middelen, is de grote uitdaging van de afdeling Milieu-inspectie. Met haar beleidsnota Leefmilieu en Natuur 2009-2014 dd. 26/10/2009 is Vlaams minister Joke Schauvliege bovendien zeer duidelijk wat de opdrachten van de afdeling Milieu-inspectie betreffen: “Door een verhoging van het aantal lokale toezichthouders – gemeentelijke, intergemeentelijk en politiezone – zal de Vlaamse Milieu-inspectie zich meer kunnen toeleggen op inrichtingen met een grote milieurelevantie, zoals Seveso- en GPBV-bedrijven, en op ketentoezicht op afvalstoffen. De handhaving zal verschuiven van een reactieve naar enerzijds een proactieve invalshoek, geconcretiseerd in specifieke thematische handhavingscampagnes, en anderzijds naar een routinematige invalshoek. Bij dit laatste staan emissiegerichte inspecties en controles van de zelfcontroleactiviteiten van de bedrijven centraal. Daarnaast wordt ook aandacht besteed aan het toezicht op niet-vergunde maar wel vergunningsplichtige inrichtingen en activiteiten.”

Werd er de vorige jaren uitvoerig ingegaan op o.m. alle belangrijke hoofdstukken van het Milieu-inspectieplan: specifieke handhavingscampagnes, routinecontroles, reactieve controles, voortgangscontroles en eigen initiatief, dan is dit nu niet het geval. De reden hiervoor is te vinden in de beslissing om het rapport te reduceren tot een zeventigtal bladzijden (i.p.v. de ca. 107 tot zelfs 150 de vorige jaren). Uiteraard dienden we ons dan ook te beperken tot een beknoptere weergave van slechts enkele markante projecten en casussen. Mogen wij u dan nu uitnodigen om kennis te nemen van dit rapport, waarvan we hopen dat de vernieuwende aanpak uw goedkeuring kan meedragen.

Dr. Sc. Robert Baert Inspecteur-generaal Afdelingshoofd

Voorwoord -

3


Inleiding De afdeling Milieu-inspectie (MI) bericht jaarlijks in het milieuhandhavingsrapport over de organisatie, uitvoering, voortgangscontrole en resultaten van haar milieu-inspecties. Dit rapport is daarmee uitgegroeid tot een belangrijke schakel bij de volledige implementatie van de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten (2001/331/EG). Dat dit rapport noodzakelijk is, wordt al duidelijk in de omschrijving van het doel van de aanbeveling: er zouden milieu-inspecties in de lidstaten moeten worden uitgevoerd volgens minimumcriteria met betrekking tot de organisatie, uitvoering, voortgangscontrole en bekendmaking van de resultaten van de inspecties, om in alle lidstaten de naleving van de communautaire milieuwetgeving kracht bij te zetten en bij te dragen tot een meer consequente uitvoering en handhaving daarvan. De aanbeveling stelt bovendien dat de verslaggeving over inspectieactiviteiten een belangrijke manier is om, door middel van transparantie, de betrokkenheid van burgers, ngo’s en andere belanghebbenden bij de uitvoering van milieuwetgeving te garanderen. Er wordt tevens vermeld dat de verslaggeving toegankelijk moet worden gemaakt in overeenstemming met de Richtlijn betreffende de vrije toegang tot milieu-informatie. Dit milieuhandhavingsrapport probeert zo goed mogelijk de indeling van de aanbeveling te volgen en bestaat daarom uit drie grote delen.

Deel 1: De afdeling Milieu-inspectie Het milieuhandhavingsrapport start met een beschrijving van de organisatie en de werking van de afdeling én met een rapportering over de gebruikte middelen (personeel, budget …).

Deel 2: Het jaar 2009 van MI in cijfers In het tweede deel van dit rapport worden een aantal cijfers meegegeven, die de werklast en de activiteiten van de afdeling weergeven. Alle milieu-inspecties worden uitgevoerd op basis van een milieu-inspectieplan. Dit planmatig werken is een basisbeginsel van de aanbeveling. Zo vermeldt de aanbeveling onder andere dat om de doeltreffendheid van het inspectiesysteem te garanderen, de lidstaten erop toe moeten zien dat milieuinspectieactiviteiten van tevoren worden gepland. In dit deel wordt voor elk onderdeel van het MIP een cijfermatig overzicht gegeven van de uitvoering en de resultaten van dit plan: - een aantal algemene cijfers; - een overzicht van externe gegevens en opdrachten; - een algemeen overzicht van de handhavingsactiviteiten van de afdeling; - een overzicht van de specifieke handhavingscampagnes.

Deel 3: Een aantal projecten en cases Het milieuhandhavingsrapport besluit met de voorstelling van de resultaten van een aantal afgeronde projecten en specifieke cases. Hier kozen we voor een nieuwe aanpak: in plaats van voor elk thema te beschrijven wat er het voorgaande jaar aan inspecties gebeurde en de resultaten daarvan, maken we nu een selectie van thema’s. Van enkele geselecteerde onderwerpen wordt over verschillende jaren heen gerapporteerd.

Inleiding -

5


Inhoud Voorwoord 2 Inleiding 5

1

De afdeling

Milieu-inspectie

9

Organisatie Situering 9 Opdracht 10 Bevoegdheden 10 Toezicht 11 Interne structuur 15 Integrale kwaliteitszorg

2

Werking

16

21

Strategische en operationele planning Het milieu-inspectieplan 22 Samenwerking en overleg 25

3

Personeel en middelen

Personeel 33 Aanwending van kredieten

4

38

Het jaar in cijfers 41

Algemene cijfers 41 Algemene gegevens 41 Gegevens externe oorsprong Activiteiten MI 43

41

Resultaten van het MIP 2009 47

6

-

Titel vh hoofdstuk

21

33


5

Een aantal projecten en cases

49

Ketenhandhaving & havencontroles 49 Controles grondwaterwinning: een overzicht (2005-2009) Controle op de zelfcontrole 57 Toezicht zwarerisicobedrijven 60

11

Bijlagen

52

65

Contactpersonen binnen MI Gebruikte afkortingen 66 Adressen 68

65

Titel vh hoofdstuk

-

7


De afdeling Milieu-inspectie Organisatie Binnen het Vlaamse Gewest is MI het belangrijkste handhavingsorgaan voor het toezicht op de naleving van de milieuhygiÍnewetgeving. Dit hoofdstuk start met de situering van MI binnen de Vlaamse Overheid en binnen het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE). Daarna wordt de aandacht volledig gericht op MI met een omschrijving van de opdracht en de bevoegdheden van de afdeling. De opdracht van MI is uitgebreid en vereist niet alleen ervaring op het terrein, maar ook kennis van zaken, planning en uniformiteit. Daarom is MI opgebouwd uit een dubbele structuur: naast de klassieke verticale structuur is ook een horizontale structuur opgezet in de vorm van werkgroepen per milieucompartiment. Verder wordt de integrale kwaliteitszorg binnen MI, of hoe MI voortdurend naar kwaliteitsborging en –verbetering streeft, nader toegelicht.

Situering van MI Sinds 1 april 2006, met de reorganisatie van de Vlaamse overheid in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid (BBB), maakt MI deel uit van het departement LNE.

De situering binnen het departement LNE en de plaats van het departement binnen het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie worden gevisualiseerd in onderstaande organogrammen.

De afdeling Milieu-inspectie -

9


Opdracht In uitvoering van het Milieuhandhavingsdecreet oefenen de toezichthouders van MI toezicht uit op de milieuhygiënewetgeving. Minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur Joke Schouvliege stelt in haar beleidsnota Leefmilieu en Natuur 20092014 dat MI zich vooral moet toeleggen op inrichtingen met een grote milieurelevantie, zoals Seveso- en GPBV bedrijven, en op het ketentoezicht op afvalstoffen. Dit, uitgebreid met het toezicht op de overige klasse 1-inrichtingen, is de kerntaak van MI. MI streeft voortdurend naar een verhoging van de kwaliteit van de handhaving. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan een doelmatig, deskundig, uniform, geïntegreerd en sturend optreden over heel Vlaanderen en wil MI een voorbeeldfunctie vervullen voor de lokale overheden. Handhaving vormt dan ook het sluitstuk van een goed milieubeleid. De geloofwaardigheid van dat beleid, alsook het bereiken van effectieve milieuresultaten hangt immers af van de mate waarin en de manier waarop de milieuwetgeving wordt gehandhaafd. Naast MI zijn er nog vele andere actoren betrokken bij de handhaving van de milieuhygiënewetgeving. Om de handhaving in haar geheel te laten slagen, moeten alle instanties constructief samenwerken. In het bijzonder moeten concurrerende bevoegdheden worden vermeden. MI is actief in het vormen van netwerken tussen de instanties. Daarnaast heeft MI ook de taak om internationale contacten te leggen en om actief in te spelen op internationale vernieuwingen en tendensen. Voor de beleidsvoorbereiding en beleidsevaluatie heeft MI de opdracht om de Vlaamse minister te adviseren over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regelgeving. Hiertoe koppelt MI over haar ervaringen op het terrein terug naar de beleidsmakers. Tot slot heeft MI de opdracht haar optreden en aanpak op geregelde tijdstippen kenbaar te maken en toe te lichten. Met die transparantie beoogt MI een voldoende breed maatschappelijk draagvlak voor de handhaving te creëren en te behouden.

10 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

Bevoegdheden MI houdt toezicht op de volgende milieuhygiënewetgevingen (of delen ervan) en hun uitvoeringsbesluiten die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest: - de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging; - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging; - de wet van 18 juli 1973 op de geluidshinder; - het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen; - het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake grondwaterbeheer; - het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning; - het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, inzonderheid titel III van 19 april 1995 betreffende bedrijfsinterne milieuzorg, titel IV en titel XV; - het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken; - het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen; - de Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen; - de verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van de gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten; - de verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 97/117/EEG; - de verordening (EG) nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad; - de verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen; - de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; - de verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake


de registratie van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr; 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en richtlijn 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie; - de Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen, vermeld in bijlage III of IIIA bij verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad, naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is; - Het mestdecreet van 22 december 2006; - Het oppervlaktedelfstoffendecreet van 4 april 2003.

Toezicht De toezichthouders van MI oefenen door middel van inspecties en andere vormen van controle toezicht uit en beoordelen of handelingen al dan niet gebeuren in overeenstemming met de regelgeving. Deze controles worden voornamelijk tijdens de normale werkuren uitgevoerd, maar aanvullend wordt er ook ’s avonds, ’s nachts, en in het weekeinde geïnspecteerd. MI beschikt over voldoende dienstwagens met een basisuitrusting geschikt om monsters te nemen of metingen te verrichten. MI is zodanig georganiseerd dat een 24-uurpermanentie verzekerd is.

Toezichtrechten Het milieuhandhavingsdecreet bepaalt dat de toezichthouders bij het uitoefenen van hun toezichtopdrachten beschikken over de volgende toezichtrechten: 1° het recht op toegang; 2° het recht op inzage en kopie van zakelijke gegevens; 3° het recht van onderzoek van zaken, inclusief het monsternemings-, metings-, beproevings- en analyserecht; 4° het recht van onderzoek van transportmiddelen; 5° het recht op ondersteuning; 6° het recht op het doen van vaststellingen door middel van audiovisuele middelen; 7° het recht op bijstand van de politie.

--

Van deze toezichtrechten mogen toezichthouders enkel gebruik maken voor zover dat redelijkerwijs nuttig wordt geacht voor het vervullen van hun toezichtopdrachten. Toezicht gebeurt proactief en heeft als eerste doel het nalevingsgedrag te verbeteren en aldus milieuinbreuken en milieumisdrijven te voorkomen.

Sanctionering Het milieuhandhavingsdecreet voorziet in de sanctionering van enerzijds milieu-inbreuken en anderzijds milieumisdrijven. Dit onderscheid bepaalt in belangrijke mate welk sanctioneringsspoor zal worden gevolgd of voorrang krijgt, het bestuurlijke of het strafrechtelijke. Een milieu-inbreuk is een schending van een administratieve verplichting die voorkomt op een limitatieve lijst bepaald door de Vlaamse regering. Een milieu-inbreuk geeft uitsluitend aanleiding tot een bestuurlijke sanctie. Toezichthouders kunnen, wanneer zij een milieu-inbreuk vaststellen, een verslag van vaststelling bezorgen aan de gewestelijke entiteit, in casu de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer. De gewestelijke entiteit kan deze inbreuken bestraffen met een exclusieve bestuurlijke geldboete.

Strafrechtelijke sanctionering Een milieumisdrijf is elke gedraging die in strijd is met een voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van het milieuhandhavingsdecreet en die strafrechtelijk kan worden bestraft. De bestraffing gebeurt bij voorrang via het strafrecht en in tweede orde door bestuurlijke geldboetes. Als een milieumisdrijf opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid tot stand is gekomen, dan moet de toezichthouder volgens artikel 29 van het wetboek van strafvordering het vastgestelde milieumisdrijf verbaliseren en het proces-verbaal toesturen aan de procureur des Konings. De verbalisant geeft in het proces-verbaal van overtreding aan of het misdrijf een prioritair karakter heeft volgens de criteria vastgelegd in de prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse gewest van 30 mei 2000. De kwalificatie van een strafrechtelijke overtreding als prioritair heeft tot gevolg dat op de meest doeltreffende manier moet worden

De afdeling Milieu-inspectie

- 11


opgetreden, zowel wat betreft bestuurlijke als strafrechtelijke handhaving. Het proces-verbaal moet de magistraat in staat stellen: -- na te gaan of de hem ter kennis gebrachte feiten als wetsovertredingen kunnen gekwalificeerd worden; -- de verantwoordelijkheid van de daders, mededaders en medeplichtigen te bepalen; -- kennis te nemen van al de omstandigheden die het misdrijf zijn voorafgegaan of ermee gepaard gingen, ten einde te kunnen oordelen over de eventuele verzachtende of verzwarende omstandigheden; -- kennis te nemen van andere feiten die het vonnis kunnen beïnvloeden; -- de wettelijkheid van optreden (naar inhoud en vorm) vast te stellen; -- vast te stellen of de voorwaarden voor het bestaan van een bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal vervuld zijn. Het openbaar ministerie kan de overtreder dagvaarden waarna de correctionele rechtbank de feiten kan bestraffen.

Bestuurlijke sanctionering Naast de strafrechtelijke sanctionering van milieumisdrijven voorziet het milieuhandhavingsdecreet ook in een alternatieve bestuurlijke sanctionering: als de procureur des Konings de gewestelijke entiteit tijdig heeft geïnformeerd over zijn beslissing om het milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen, start de gewestelijke entiteit de procedure voor het eventueel opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete. Samen met het proces-verbaal bezorgt de verbalisant aan de procureur des Konings een schriftelijk verzoek om zich binnen de 180 dagen uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het milieumisdrijf. Deze periode kan door de procureur gemotiveerd eenmalig worden verlengd met 180 dagen. Nadat de gewestelijke entiteit de verbalisant heeft geïnformeerd over de beslissing van de procureur tot het niet-strafrechtelijk behandelen van het milieumisdrijf bezorgt de verbalisant haar het dossier binnen de veertien dagen. Tegen de beslissing waarbij de gewestelijke entiteit een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt, kan de overtreder schriftelijk beroep indienen bij het Milieuhandhavingscollege. Het beroep schorst de bestreden beslissing niet. Via bestuurlijke handhaving kan vlugger worden opgetreden tegen bronnen van milieuverstoring dan via gerechtelijke weg.

12 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

Bestuurlijke handhaving Bij bestuurlijke handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen het ‘zachte’ en het ‘harde’ handhavingsparcours. Raadgevingen en aanmaningen vormen het zachte instrumentarium. Zij bevestigen het preventieve karakter van het toezicht. De raadgeving is het middel bij uitstek voor de toezichthouder om (dreigende) probleemsituaties snel en doeltreffend te laten verhelpen. Raadgevingen gaan als het ware de inbreuk of het misdrijf vooraf. Het staat de toezichthouder steeds vrij om raad te geven, ook wanneer de vastgestelde situatie geen overtreding inhoudt. Aanmaningen zijn curatieve instrumenten. Toezichthouders kunnen, wanneer zij het bestaan van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf vaststellen, de vermoedelijke overtreder en andere betrokkenen aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om deze te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen. In principe poogt de toezichthouder door het geven van aanmaningen om een mistoestand te laten saneren. Indien de aanmaningen worden genegeerd of onvoldoende uitgevoerd, rest de toezichthouder geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een bestuurlijke maatregel. Bestuurlijke maatregelen vormen het ‘harde’ instrumentarium en zijn een effectief middel om een impassetoestand te doorbreken. Zij hebben een probleemverhelpende finaliteit omdat zij tot doel hebben de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen met het herstel van het geschonden milieubelang, evenals het verhelpen van de gevolgen ervan en het voorkomen van herhaling. Het treffen van een bestuurlijke maatregel is een administratieve rechtshandeling en aldus onderworpen aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Dat impliceert ondermeer dat de vermoedelijke overtreder wordt gehoord alvorens de bestuurlijke maatregel wordt getroffen. Tijdens een hoorzitting kan de toezichthouder toelichting geven over de procedure tot oplegging, beroep en opheffing. De overtreder kan zijn verweermiddelen meedelen. De toezichthouder dient verschillende zaken na te gaan: -- hoe ernstig de levenskwaliteit verstoord wordt of dreigt verstoord te worden; -- hoe ernstig de verstoring is en waar zij zich voordoet; -- dat de geplande maatregel nuttig is om de gevreesde verstoring tegen te gaan; -- dat de maatregel noodzakelijk of onontbeerlijk is (d.w.z. de minst ingrijpende); -- dat de maatregel proportioneel is.


Bijgevolg moet de maatregel die de toezichthouder oplegt, bekeken vanuit de verschillende mogelijkheden waarover de overheid beschikt, een zo min mogelijke last teweegbrengen voor diegene die hem moet ondergaan. De toezichthouders zullen in hun motivering ingaan op de noodzaak tot het opleggen van een maatregel, de keuze van de maatregel en de uitvoeringsmodaliteiten ervan.

3° een omschrijving van de opgelegde bestuurlijke maatregel en de uitvoeringstermijn ervan; 4° de vermelding dat tegen het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen in beroep kan worden gegaan, alsook een omschrijving van de procedure om in beroep te gaan; 5° de vermelding onder welke voorwaarden de bestuurlijke maatregel wordt opgeheven bij een regularisatiebevel en een stopzettingsbevel.

Bestuurlijke maatregelen kunnen de volgende vormen aannemen: -- een regularisatiebevel, d.i. een bevel aan de overtreder om maatregelen te nemen om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen; -- een stopzettingsbevel, d.i. een bevel aan de overtreder om activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te beëindigen; -- bestuursdwang, d.i. een feitelijke handeling (van diegene die de bestuurlijke maatregel oplegt) om de milieuinbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen; -- een combinatie van bovenstaande maatregelen.

Op basis van de concrete omstandigheden en de aard van de vastgestelde tekortkomingen zal de toezichthouder kiezen voor een regularisatiebevel, een stopzettingbevel, bestuursdwang of een combinatie van deze. Het is evident dat zowel voor het regularisatiebevel als voor het stopzettingbevel uitvoeringstermijnen gelden. Deze termijnen moeten worden bepaald rekening houdend met de tijd die redelijkerwijs nodig is om er uitvoering aan te geven. Wanneer de omstandigheden het echter vereisen, bijvoorbeeld bij een ernstige verontreiniging van een oppervlaktewater, dan kunnen deze termijnen uiterst kort zijn. Het bedrijfsleven dient zich dit goed te realiseren en kan hierop anticiperen door potentiële gebeurtenissen met een belangrijke milieuimpact te inventariseren en door maatregelen vast te leggen die vermelden hoe er dan moet gehandeld worden. Tegen de bestuurlijke maatregel kan de overtreder een niet opschortend beroep indienen bij de bevoegde minister. De afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer controleert of aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan en verleent ook advies aan de minister. De minister doet uitspraak binnen een termijn van 90 dagen na ontvangst van het beroep. De minister kan deze termijn eenmalig verlengen met 90 dagen. Indien niet tijdig een beslissing werd genomen, vervallen de bestuurlijke maatregelen.

Het type maatregel moet in functie van het dossier zo gekozen worden dat de terugkeer naar conformiteit zo efficiënt en effectief mogelijk gebeurt. Bestuurlijke maatregelen kunnen onder meer het volgende inhouden: 1° de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten; 2° het verbod op het gebruik van of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt; 3° de volledige of gedeeltelijke sluiting van een inrichting; 4° het meenemen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen, waarvan het bezit in strijd is met de milieuwetgeving; 5° het onmiddellijk vernietigen, op kosten van de overtreder, van zaken die bederfelijk zijn of waarvan het bezit verboden is. Het besluit tot oplegging van bestuurlijke maatregelen moet omwille van de rechtsbescherming van de overtreder, een aantal minimumvermeldingen bevatten, meer bepaald: 1° een vermelding van de geschonden voorschriften; 2° een overzicht van de vaststellingen inzake de milieuinbreuk of het milieumisdrijf;

Bestuurlijke maatregelen kunnen onderwerp zijn van een verzoek om oplegging door personen die rechtstreeks nadeel ondervinden van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf, personen die een belang hebben bij de beteugeling ervan, en rechtspersonen bedoeld in de wet betreffende het vorderingsrecht inzake de bescherming van het leefmilieu. Er zijn vormvereisten gesteld aan dit verzoek. De verzoekers moeten onder andere vermelden welke gedragingen een milieu-inbreuk of milieumisdrijf kunnen uitmaken. De verzoekers worden zo spoedig mogelijk en binnen de voorziene termijn in kennis gesteld van de beslissing over het al dan niet nemen van bestuurlijke maatregelen en de redenen hiertoe. Tegen deze beslissing kan in beroep gegaan worden bij de minister. De administratieve behandeling van het beroep gebeurt ook door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer. De minister doet uitspraak binnen de 50 dagen na ontvangst van een

De afdeling Milieu-inspectie

- 13


ontvankelijk beroep. Als de minister beslist dat er gevolg moet worden gegeven aan het verzoek, dan wordt het dossier teruggezonden aan de bevoegde persoon en dan moet deze het opnieuw behandelen.

- - 4° het meenemen, bewaren of verwijderen van daar-

Wie bestuurlijke maatregelen neemt, is ook bevoegd om ze op te heffen. Dat kan ambtshalve en gemotiveerd gebeuren door diegene die de bestuurlijke maatregel heeft getroffen of op gemotiveerd verzoek vanwege diegene aan wie de maatregel is opgelegd. In dat laatste geval moet de beslissing 45 dagen na kennisgeving van het verzoek worden genomen. De beslissing vereist een verslag van de toezichthouder met de vaststelling dat de voorwaarden tot opheffing vervuld zijn. Gemotiveerde en ambtshalve opheffing van bestuurlijke maatregelen is eveneens mogelijk als door gewijzigde omstandigheden de oplegging van nieuwe bestuurlijke maatregelen vereist is. Het besluit tot opheffing wordt binnen de 10 dagen ter kennis gebracht aan de vermoedelijke overtreder.

--

Veiligheidsmaatregelen Toezichthouders kunnen alle handelingen stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten wanneer zich een aanzienlijk risico voor mens of leefmilieu voordoet. De veiligheidsmaatregelen zijn erop gericht dat aanzienlijke risico uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren. Welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden, moet in elke probleemsituatie afgewogen worden in het licht van de concrete omstandigheden. Omdat veiligheidsmaatregelen geen bestraffing beogen en uitsluitend gericht zijn op probleemverhelping zal het vrijwaren van het milieubelang sterk doorwegen bij de belangenafweging. De maatregel moet in overeenstemming met het proportionaliteitsbeginsel bijdragen tot het doel, met name het vrijwaren van het milieubelang, en onmisbaar zijn om dit doel te bereiken, m.a.w. hetzelfde doel kan niet bereikt worden met minder vergaande maatregelen. Veiligheidsmaatregelen kunnen o.m. strekken tot - - 1° de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten, ogenblikkelijk of binnen een bepaalde termijn; - - 2° het verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt; - - 3° de hele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting;

14 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

voor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren; - - 5° het niet-betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen. Ook de burgemeester en de gouverneur kunnen veiligheidsmaatregelen nemen. Zij kunnen dit ambtshalve doen of op verzoek van een toezichthouder. De toezichthouders zullen een appel doen op de burgemeester of de gouverneur wanneer zij beter geplaatst zijn om veiligheidsmaatregelen te treffen. De burgemeester beschikt bijvoorbeeld over logistieke en personele middelen (brandweerdiensten, technische diensten) om bepaalde maatregelen uit te voeren of de controle erop uit te voeren (politiediensten). De gouverneur kan in een aantal gevallen gebruik maken van zijn bevoegdheden in het kader van de rampenplanning om veiligheidsmaatregelen uit te voeren of te laten uitvoeren. Het treffen van een veiligheidsmaatregel is een administratieve rechtshandeling en aldus onderworpen aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Dat impliceert ondermeer dat de personen, verantwoordelijk voor het aanzienlijke risico, gehoord moeten worden alvorens de veiligheidsmaatregel wordt getroffen. Tijdens een hoorzitting kan de toezichthouder toelichting geven over de procedure tot oplegging, beroep en opheffing. De personen, verantwoordelijk voor het aanzienlijke risico, kunnen hun verweermiddelen meedelen. Bij hoogdringendheid geldt de hoorplicht niet. Veiligheidsmaatregelen worden schriftelijk opgelegd aan personen die verantwoordelijk zijn voor het aanzienlijk risico zoals aangeduid in het besluit houdende de veiligheidsmaatregelen. Dit besluit omvat een duidelijke omschrijving van de verplichtingen waaraan moet worden voldaan, van het aanzienlijke risico dat het nemen van veiligheidsmaatregelen noodzakelijk maakt, van de veiligheidsmaatregelen die noodzakelijk zijn en hun uitvoeringstermijn. Als een ogenblikkelijk optreden vereist is, kunnen veiligheidmaatregelen ook mondeling worden opgelegd. Als veiligheidsmaatregelen mondeling worden opgelegd en de personen, verantwoordelijk voor het aanzienlijke risico, niet aanwezig zijn, dan wordt ter plaatse en op een zichtbare plaats een schriftelijk bericht achtergelaten en is er een schriftelijke bevestiging aan de verantwoordelijke voor het aanzienlijke risico (binnen de vijf werkdagen bij kennisgeving).


Interne structuur Wie veiligheidsmaatregelen neemt, is ook bevoegd om ze op te heffen. Dit kan ambtshalve gebeuren of op verzoek van personen ten aanzien van wie de veiligheidsmaatregelen zijn genomen. Opheffing van veiligheidsmaatregelen kan gepaard gaan met het opleggen van nieuwe veiligheidsmaatregelen. Een opheffing van veiligheidsmaatregelen op gemotiveerd verzoek vereist een voorafgaand verslag waarin de bevoegde persoon vaststelt dat het aanzienlijke risico is uitgeschakeld of tot een aanvaardbaar niveau is ingeperkt of gestabiliseerd.

MI heeft in elke provincie een buitendienst. Zij staan in hoofdzaak in voor de inspecties, het nemen van maatregelen en de voortgangscontrole bij de saneringen van de gecontroleerde bedrijven. Hun ‘ervaringen op het terrein’ worden gebruikt als input voor de terugkoppeling naar de beleidsmakers.

Een toezichthouder kan de bevoegde overheid via een gemotiveerd verzoek vragen om de milieuvergunning geheel of gedeeltelijk te schorsen of op te heffen wanneer een exploitant de bepalingen van het milieuvergunningendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, of de vergunningsvoorwaarden niet naleeft. Het verzoek kan voorwaarden vermelden die moeten worden vervuld om de schorsing of opheffing af te wenden.

Daarnaast zijn er twee centrale diensten. De belangrijkste taak van Toezicht zwarerisicobedrijven is de planmatige en systematische controle van de zogenaamde Sevesobedrijven. Het Hoofdbestuur stuurt de werking van de thematische werkgroepen. Zij waakt over de planning, de diepgang, de uniforme uitvoering en de integratie van de handhavingscampagnes en ondersteunt zo de toezichthouders. Het hoofdbestuur is ook verantwoordelijk voor de voorbereiding, de formulering en de evaluatie van het handhavingsbeleid van de afdeling.

Rechtsreeks onder het afdelingshoofd werken twee stafmedewerkers. Zij staan in voor de administratieve en organisatorische ondersteuning van de afdeling (personeel, logistiek, financiën en ICT).

De afdeling Milieu-inspectie

- 15


Deze werkgroepen vormen een horizontale structuur binnen de afdeling. Zij moeten garant staan voor een gecoördineerde en uniforme aanpak in het hele Vlaamse Gewest. Eind 2009 waren er zeven werkgroepen actief: Afval (m.i.v. een Ketenteam, verantwoordelijk voor controle op de ophaling en het vervoer van afvalstoffen); Bodem en Grondwater; Geïntegreerde preventie en bestrijding van Verontreiniging (GPBV Industrie en GPBV Veeteelt); Geluid en Trillingen; Genetisch Gemodificeerde Organismen en pathogenen (GGO’s); Lucht (m.i.v. Geur en Ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen) en Water. Een werkgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van elke buitendienst en van het Hoofdbestuur. Deze laatsten fungeren als gangmaker.

Intergrale kwaliteitszorg De Vlaamse Overheid streeft voortdurend naar een zo goed mogelijke uitbouw van haar dienstverlening. Dit veronderstelt een organisatiecultuur waarin een permanente zorg voor kwaliteit en kwaliteitsverbetering centraal staat.

Afhandeling van vaststellingen Al bij het opstellen van de staalkaart van de afdeling werd het belangrijkste proces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’ in kaart gebracht en voorzien van een eerste procedurehandboek. In de loop van de voorbije jaren werden bijkomende documenten aangemaakt, zowel voor de strafrechtelijke als voor de administratiefrechtelijke afhandeling van de vaststellingen. Het kwaliteitshandboek van MI bestaat uit een handhavingsinstrumentarium en 2 codes van goede praktijk. Het handhavingsinstrumentarium geeft de algemene principes van het optreden van MI aan en visualiseert in diverse stroomschema’s hoe er in elke fase van een dossier opgetreden wordt. De Code van goede praktijk voor het proces-verbaal beschrijft in detail hoe een aanvankelijk of navolgend proces-verbaal moet opgesteld worden en heeft als doel te komen tot een kwaliteitsverbetering en een grotere

16 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

uniformiteit van de processen-verbaal van MI. De ‘Prioriteitennota Vervolgingsbeleid Milieurecht in het Vlaamse gewest’ die op 30 mei 2000 door de Commissie Vervolgingsbeleid werd goedgekeurd, is hierin geïmplementeerd. De code van goede praktijk voor de administratiefrechtelijke afhandeling legt de vorm en de inhoud vast van de documenten die in de stroomschema’s van het handhavingsinstrumentarium voorkomen (van het inspectieverslag over de aanmaning en de dwangmaatregel tot het voorstel voor de schorsing of opheffing van een vergunning). Door het van kracht worden van het Handhavingsdecreet op 1 mei 2009 en zijn uitvoeringsbesluiten en latere wijzigingen zijn er nieuwe instrumenten met betrekking tot bestuurlijke handhaving ter beschikking. Als gevolg hiervan wordt het handhavingsinstrumentarium herwerkt.

MI-onderrichtingen MI gebruikt ook interne onderrichtingen om de kwaliteit en/of de uniformiteit bij het uitvoeren van inspecties en bij de beoordeling van vaststellingen te verhogen. Ondermeer als gevolg van de reorganisatie van de Vlaamse Overheid in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid, het van kracht worden van het Handhavingsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten en de Vlaremtrein en andere recente wijzigingen in de regelgeving, startte MI met de herwerking van een groot deel van de bestaande onderrichtingen.

Kwalitatieve uitvoering van monsternames en metingen In 2001 werd gestart met het opstellen van een kwaliteitshandboek monsternames en metingen. Voor afvalwater werden vier procedures uitgeschreven voor de monstername van water met schepmonsters of (tijds- of debietsproportionele) mengmonsters, het gebruik van recipiënten en conserveringsmiddelen, de meting ter plaatse van pH en temperatuur, en de meting ter plaatse van het debiet. Daarnaast werd ook een werk-


voorschrift voor het gebruik van de pH-meter opgesteld. De procedure voor afvalstoffen omvat, naast een aantal algemene principes, ook drie aparte procedures voor de bemonstering van specifieke afvalstromen: poeder- en korrelvormige vaste afvalstoffen, afval aanvaard op stortplaatsen en vloeibare en viskeuze afvalstoffen. Dit kwaliteitshandboek is volledig geïmplementeerd sinds 1 juni 2004.

Gegeven opleidingen MI organiseert voor haar eigen personeelsleden, en ook voor andere doelgroepen, verschillende opleidingen om zo haar expertise ter beschikking te stellen en informatie te verstrekken.

Internationale deelnames. Vormingsactiviteiten Om efficiënt en effectief te kunnen handhaven, is niet alleen een grondige kennis van de wetgeving nodig. Ook wetenschappelijke en technische kennis over de verschillende aspecten van milieuhygiëne zijn onontbeerlijk.

Om evoluties in de milieu(handhavings-)sector op de voet te kunnen volgen, nemen personeelsleden ook deel aan symposia of conferenties in het buitenland.

De toezichthouders en administratieve personeelsleden van de afdeling volgen daarom regelmatig opleidingen. Gevolgde opleidingen Organisator

Aantal deelnemers MI

Duur

MI

89

1 dag

Instituut voor Gerechtelijke Opleiding

12

1 dag

c.v. Interleuven

1

½ dag

Vlarem II trein 22/1/2009

LNE-AMV

88

1 dag

Kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen en gebruik van meettoestellen op het terrein

MI - VITO

34

1 dag

MI (TZR) (en BVBA Abimos)

54

½ dag

Luchtemissiemetingen

MI (werkgroep lucht) (ism SGS en Electrawinds Oostende)

23

½ dag

BREF on Organic Fine Chemicals

MI (Werkgroep GPBV) (ism Bernd Serr)

16

2 dagen

Universiteit Hasselt, Faculteit Rechten ism Centrum voor Milieukunde

4

½ dag

MI (werkgroep GPBV veeteelt) (ism VLM, VITO, DLV, ILVO)

9

½ dag

BBT – drankenindustrie, raffinaderijen, organische bulkchemie

MI - VITO

1

1 dag

Studiedag BBT

LNE-AMV

6

1 dag

Studiedag fijn stof in Vlaanderen (op 2/12/2009)

VMM

8

1 dag

Studiedag Risico’s (Ultra-)Fijn Stof

KVIV

2

1 dag

Onderwerp Milieuhandhavingsdecreet 29/3/2009 Milieuhandhavingsdecreet 16/9/09 Informatievergadering milieuhandhavings-decreet (voor lokale toezichthouders)

Benzinestations: Tankkeuringen in de praktijk

Handhaving van Reach BBT-Veeteelt 31/3/2009

Studienamiddag fijn stof

LNE-AMV

2

½ dag

Studiedag windmolens 9/12/2009

LNE-AMV

4

1 dag

MI

20

½ dag

Centexbel/Fedustria

1

½ dag

BLUG + BVIR

1

1 dag

UMONS

1

1 dag

Dierlijke bijproducten Studiedag “Waterproblematiek in de Vlaamse textielindustrie (7/12/09) Studiedag verkenningsboringen Studiedag diepe Geothermie

De afdeling Milieu-inspectie

- 17


Vervolg tabel: Gevolgde opleidingen Onderwerp Hogere cursus Akoestiek Verkeerslawaai van wegen, spoorwegen en luchthavens

Organisator Technologisch Instituut KVIV

1

2 dagen

3

1dag

GDA Brussel

1

½ dag

DOV

1

1 dag

OVAM-Grondbank

1

1 dag

Workshop DOV

Stroomgebiedsbeheerplannen Workshop ‘Contained?’

VMM

3

½ dag

UA en Bayer Cropscience

1

1 dag

LNE-MI

1

½ dag

VITO

1

1 dag

MI – VITO - FLIR

7

1 dag

VUB

17

2dagen/week

MI (ism CPSB)

25

3 dagen

Toelichting werking en controle microbiële veiligheidskasten Labs dag VITO Demonstratie FLIR-camera Preventieadviseur niveau 1 Seminarie MIP 2010 ‘Naar een lange termijn visie’ Kosten en baten milieubeleid

LNE-AMNE

1

1,5 u

Gluren bij de buren

LNE-AMIS

5

1 dag

Inleiding bij het Europees voorzitterschap

AGO

1

½ dag

Module A EU-vz: Algemeen institutioneel kader van de EU

AGO

4

1 dag

Module B EU-vz: EU-infobronnen

AGO

3

½ dag

Module C EU-vz: Besluitvormingsproces van de EU

AGO

3

½ dag

Module D EU-vz: Besluitvormingsproces van de EU

AGO

2

1 dag

Module E EU-vz: Het Belgisch-Vlaams EU-voorzitterschap

AGO

1

1 dag

ACCESS VBA Training

AGO - Vorming

7

3 dagen

Excel XP – e-learning

Vlaamse Overheid

1

Office Excel 2003

Vlaamse Overheid

2

2 dagen

Toegankelijk Web

LNE

1

½ dag

GIS : Grootschalig Referentie Bestand

AGIV

1

3 dagen

Opleiding functiefamilies

AGO

9

1 dag

Functieweging

AGO

1

1 dag

Instapevent voor nieuwe personeelsleden

AGO

2

1 dag

Kwaliteitsvol communiceren met leidinggevenden niveau C/D

AGO

1

1 dag

Kwaliteitsvol communiceren voor niet-leidinggevenden niveau A/B

AGO

2

2 dagen

Kwaliteitsvol presteren voor niet-leidinggevende van niveau C en D

Vlaamse Overheid

4

2 dagen

Zelforganisatie niveau A en B

AGO

3

3 dagen

Zelforganisatie niveau C en D

Vlaamse Overheid

1

2 dagen

Crisiscommunicatie

Escala

1

2 dagen

GHS-CLP

Essenscia

1

1 dag

Vlimpers

Vlaamse Overheid

7

IDEWE

7

Overheidsopdrachtenregelgeving : initiatie

Vlaamse Overheid

2

Orafin 2010

Vlaamse Overheid

3

Bijscholing/brevetverlenging EHBO

18 -

Duur

ALHRMG (dienst Hinder en Risicobeheer)

Asbestherkenning

Seminarie waterbeheer en bodembeleid

Aantal deelnemers MI

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

½ dag


Gegeven opleidingen Lezing of opleiding

Duur

Lezing (gegeven op 04/02/2009)

3 uur

Opleiding

1 dag

Provincie West-Vlaanderen en milieu-ambtenaren

Lezing

1,5 uur

Controles in mestverwerkingsbedrijven

Provincie West-Vlaanderen en milieu-ambtenaren

Lezing

1,5 uur

Ontwikkelingen in het Seveso II-inspectiesysteem

KVIV (milieucoördinatoren en preventieadviseurs)

Opleiding

½ dag

Rol van de afdeling Milieu-inspectie bij de uitvoering van het milieuhandhavingsdecreet

Toezichthouders, magistraten (in opleiding), politiediensten, …

Lezing

1 dag

GHS-CLP

Milieucoördinatoren

Lezing

½ dag

Opslag van gevaarlijke producten: MI over de vloer: vaststellingen & valkuilen

Milieucoördinatoren

Lezing

½ dag

Demo DOS

Handhavingscollege

Lezing

½ dag

Lezing

1 dag

Onderwerp

Publiek

Administratiefrechtelijke aspecten van Vlarem en enkele begrippen uit het Milieuhandhavingsdecreet

In het kader van de Vlaremopleiding

Toelichting werking afdeling Milieu-inspectie

Personeelsleden van de Afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer; secretariaat Vlaamse Hoge Raad voor Milieuhandhaving en van het Milieuhandhavingscollege

Controles in mestverwerkingsbedrijven

3de Vlaams Afvalcongres Toelichting over de controles op en de wetgeving rond de export van AEEA

Antwerps Gemeentelijk Havenbedrijf + sector actief in de export van 2de handsvoertuigen

Lezing

2 uren

“De Handhaving van REACH”, Universiteit Hasselt, Faculteit Rechten

j

Lezing

1 uur

Dierlijke bijproducten

MI – WG Afval en ankerpunten DBP

Opleiding

1 dag

Werking van MI

milieucoördinatoren

Opleiding

1,5uur

Aantal

Duur

Internationale deelnames Onderwerp/website

Organisator

Lissabon: uitwisseling Europese milieu-inspecteurs (haven- en afvaltransportcontroles) www.impel.eu

Impel-TFS

1

3 dagen

IMPEL-TFS conferentie 2009 http://impeltfs.eu/

IMPEL TFS

1

3 dagen

10th CLEEN Conference http://www.cleen-europe.eu/

CLEEN + Zwitserland

1

2 dagen

Remote Sensing VOC-emissions Workshop

DCMR Milieudienst Rotterdam

3

1 dag

Workshop ‘Doing the right things’

IMPEL

1

2 dagen

Mutual Joint Visit on Inspections under Seveso II directive (workshop Industrial Parks and Domino Effects)

Europese commissie

1

3 dagen

Organisatie

- 19


Werking MI heeft al enkele jaren de missie, visie en waarden van haar organisatie en haar medewerkers duidelijk vastgelegd. Daarnaast werden strategische en operationele doelstellingen bepaald, en kerntaken geïdentificeerd. Het planmatig uitvoeren van controles is voor MI een basiskeuze, die tot uiting komt in een jaarlijks Milieu-inspectieplan (MIP). De opzet van dit jaarplan is heel ruim: het omvat alle activiteiten van de afdeling die kaderen in het proces “Inspecteren en maatregelen nemen”. Zo vormt het MIP de basis voor een doelmatig, deskundig, uniform, integraal en sturend handhavingsbeleid, dat moet leiden tot een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu.

Strategische en operationele planning Naar aanleiding van de hervorming van de Vlaamse overheid in 2006 werden binnen het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) een aantal nieuwe bevoegdheden opgenomen, andere werden afgestaan. Bovendien werd de organisatiestructuur grondig gewijzigd. Dit had tot gevolg dat de strategische doelstellingen en de visie van het departement moesten herzien worden. Daartoe moesten ook de verschillende afdelingen moesten hun doelstellingen en kernactiviteiten herzien, omdat deze moeten bijdragen aan de strategische doelstellingen van het departement. Daarom startte de afdeling in de loop van 2007 met het opstellen van nieuwe strategische en operationele doelstellingen en het vastleggen van kernactiviteiten. De verdere optimalisatie van de structuur en de werking van MI worden hierdoor gestuurd. MI stelde 3 strategische doelstellingen op. Zij geven aan hoe de afdeling wil bijdragen aan de strategische doelstellingen en de visie van het departement: Handhaving van de milieuhygiënewetgeving versterken voor een kwaliteitsvol leefmilieu Actieve wisselwerking met andere milieu(handhavings)actoren intensifiëren

Deze strategische doelstellingen worden ingevuld door een aantal kernactiviteiten die de dagelijkse werking van de afdeling omvatten. De kernactiviteiten zijn: -- opstellen van het milieu-inspectieplan (MIP); -- uitvoeren van het MIP (specifieke handhavingscampagnes, routinecontroles, reactieve controles, voortgangscontroles en eigen initiatief); -- implementeren van handhavingssystemen voor Seveso, GPBV en ketentoezicht afvalstromen; -- beheren van een geïntegreerd informatie- en dossierbeheersysteem; -- opstellen en bijsturen van interne richtlijnen en procedures; -- samenwerken op intra-, inter- en supragewestelijk niveau met andere milieu(handhavings)actoren; -- uitdragen van handhaving naar overige handhavers in het Vlaamse Gewest; -- uitdragen en toelichten van de handhavingsactiviteiten en –resultaten (o.a. milieuhandhavingsrapport); -- terugkoppelen van de ervaringen uit het veld naar de beleidsmakers; -- proactief toetsen van de handhaafbaarheid en hanteerbaarheid van ontwerpregelgeving; -- implementeren van Europese regelgeving (beleidsvoorbereiding); -- organiseren en volgen van vorming en training;

Versterken van de deskundigheid

Werking

- 21


-- opzoeken en verwerken van juridische, milieutechnische en beleidsinformatie; -- administratief ondersteunen (secretariaat, personeel, logistiek, financiën, ICT); -- uitvoeren van managementtaken op departementsniveau. De kernactiviteiten zijn recurrent voor de afdeling. Elk jaar wordt aan een aantal kernactiviteiten extra aandacht besteed. Dit gebeurt zowel planmatig, onder de vorm van operationele doelstellingen voor de afdeling voor het beschouwde werkjaar, als organisatorisch door tijdelijke inzet van meer personele middelen. Voor 2009 werden volgende operationele doelstellingen vastgelegd: -- planmatig inspecteren en maatregelen nemen: optimaliseren van een handhavingssysteem voor Sevesobedrijven en voor ketentoezicht afvalstromen, opzettten van een handhavingssysteem voor GPBV-bedrijven en ketentoezicht afvalstromen; -- optimaliseren van het handhavingsinstrumentarium: implementatie van het Milieuhandhavingsdecreet, uitwerken methodologie aanpak geurproblematiek; -- uitbouwen van een geïntegreerd informatie- en dossierbeheersysteem: integratie van de bestaande databanken; -- opstellen en bijsturen van interne richtlijnen en procedures: actualiseren van richtlijnen n.a.v. BBB en nieuwe wetgeving; -- opzetten, optimaliseren en evalueren van samenwerkingsverbanden met andere milieu(handhavings)actoren: evaluatie van de samenwerkingsovereenkomst i.v.m. afstemming van monitorings- en handhavingsprogramma’s, opzetten van een samenwerkingsverband met de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer, actualisatie van het Samenwerkingsakkoord betreffende de coördinatie van het beleid inzake invoer, uitvoer en doorvoer van afvalstoffen; -- uitdragen van de handhaving van de milieuhygiënewetgeving: evaluatie van het samenwerkingsproject met de gemeentelijke handhavers i.v.m. de controle van de integrale milieuvoorwaarden van garages en carrosseriebedrijven; -- evalueren van en aanbevelingen formuleren voor het beleid, vanuit ervaringen uit het veld, over zelfcontrole lucht, constructieattesten koelinstallaties; -- organiseren van vorming en training gericht op de implementatie van het Milieuhandhavingsdecreet en van de Vlaremtrein.

22 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

Deze operationele doelstellingen werden in de individuele PLOEG-planningen vertaald tot op het niveau van de personeelsleden.

Het milieu-inspectieplan (MIP) Waarom een milieu-inspectieplan? MI is er al geruime tijd van overtuigd dat handhaving het best op een planmatige wijze kan worden aangepakt. In haar milieu-inspectieplan probeert MI al haar inspectieactiviteiten in kaart te brengen en te begroten qua budget en personeelsinzet. Daarvoor heeft ze verschillende redenen. De uitdaging waar de Vlaamse handhavers voor staan, is ervoor te zorgen dat het toezicht op de naleving van de milieuwetgeving evolueert van toevalstreffers naar een planmatige handhaving. Uitwerking kan via jaarprogramma’s voor de handhaving, waarin de prioriteiten voor een bepaald werkjaar worden vastgelegd en de handhavingsacties worden gepland. Essentieel is dat alle handhavingsacties worden uitgevoerd op basis van een diepgaand inzicht. Er is ook de algemene Europese trend naar een meer systematische, planmatige en gecoördineerde handhaving. Die trend werd in 2001 bevestigd in de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten (2001/331/EG). De aanbeveling kwam tot stand met medewerking van het IMPEL-handhavingsnetwerk en somt duidelijk de criteria op waaraan milieu-inspecties minstens zouden moeten voldoen. In de aanbeveling gaat veel aandacht naar het opstellen van milieu-inspectieprogramma’s door de lidstaten, waaruit moet blijken dat alle milieu-inspectieactiviteiten van tevoren worden gepland. Bovendien zouden dergelijke programma’s openbaar moeten worden gemaakt. De programma’s mogen op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau worden opgesteld, maar de lidstaten moeten ervoor zorgen dat de programma’s toepasselijk zijn op alle milieu-inspecties van de gecontroleerde installaties op hun grondgebied.


De meeste van de in de aanbeveling opgesomde richtlijnen inzake milieu-inspectieprogramma’s worden in het MIP toegepast.

Doelstellingen van het MIP De doelstellingen van het MIP bevinden zich op verschillende niveaus. Op het niveau van de organisatie heeft het plan een doelmatige, deskundige, uniforme, integrale en sturende aanpak van de controles tot doel. Een tweede belangrijke doelstelling richt zich op het vlak van de effectiviteit van de controles. Het plan voorziet in diepgaande en zo mogelijk geïntegreerde controles bij klasse 1-inrichtingen die (potentieel) sterk milieubelastend zijn of die ernstige risico’s voor de omgeving inhouden. Bij de selectie van de bedrijven of bedrijfssectoren wordt rekening gehouden met hun milieureputatie en -verleden. De beheersing van het werkvolume en de werkdruk is een derde doelstelling voor het opmaken van de jaarplanning. MI wordt immers geconfronteerd met een groot aantal en een grote diversiteit aan te controleren inrichtingen. Een goede jaarplanning moet prioriteiten leggen en daardoor helpen om het werkvolume en de werkdruk te beheersen.

Totstandkoming van een MIP Het jaarlijks MIP is het resultaat van intensief intern overleg waarbij alle toezichthouders van MI hun stem kunnen laten horen. MI peilt daarnaast ook naar prioritaire handhavingsnoden bij andere (milieu)handhavingsactoren. Voor het MIP 2009 waren dat OVAM, VLM, FAVV en VMM. De verzamelde voorstellen worden geïnventariseerd en uitgediept. Tijdens een planningsseminarie beoordeelt een delegatie van toezichthoudende ambtenaren alle voorstellen en legt daarna de handhavingsprioriteiten voor het komende jaar vast.

Het MIP 2009 In het MIP 2009 zijn alle handhavingsactiviteiten van de afdeling voor het werkjaar 2009 opgenomen. Heel wat inspectiecampagnes kaderen in of geven ondersteuning aan projecten van het MINA-plan 3 of geven uitvoering aan regionale, nationale en internationale verplichtingen. Het MIP 2009 besteedt bijzondere aandacht aan twee specifieke doelgroepen nl. Sevesobedrijven enerzijds en GPBV-bedrijven anderzijds. Het eerste deel van het MIP 2009 bestaat uit een toelichting waarin het kader wordt geschetst waarbinnen MI haar jaarplan heeft opgesteld en omvat onder andere een beschrijving van haar kerntaken, een toelichting over haar interne organisatie, een omschrijving van alle soorten handhavingsactiviteiten (specifieke handhavingscampagnes, routinecontroles, reactieve controles, voortgangscontroles, controles op eigen initiatief), een inschatting van de beschikbare tijd… . Het tweede deel omvat de gedetailleerde beschrijving aan de hand van fiches van alle specifieke handhavingscampagnes en een aantal routineactiviteiten, die verdere verduidelijking vergen. In deze fiches wordt verder uitgediept wat de noodzaak of milieurelevantie, de doelstellingen, het benodigde budget, de personeelsinzet en de begin- en streefdatum van de omschreven handhavingsactiviteit is. Ook worden de verantwoordelijkheden voor de uitvoering ervan vastgelegd. Tenslotte worden alle handhavingsactiviteiten van het MIP 2009 gebundeld in een overzichtelijke tabel. Op de volgende bladzijde wordt deze tabel (zonder budget en tijdsinschatting) weergegeven. Het MIP zelf is te raadplegen op de website van MI: www.milieuinspectie.be.

Na het planningsseminarie werkt het hoofdbestuur de voorstellen verder uit en begroot zowel de personeelsinzet als het budget. Hierbij worden een aantal beginselen van professioneel projectmanagement toegepast: doelstellingen en verantwoordelijkheden worden duidelijk vastgelegd, mijlpalenplannen worden uitgetekend, criteria voor succes worden bepaald… Het MIP wordt daarna definitief aanvaard door de staf en ter goedkeuring voorgelegd aan de secretaris-generaal en de minister.

Werking

- 23


Overzicht van het MIP 2009 Aard

Thema

Veiligheid

Projecten

B&G

Afval

Lucht GGO

Water

Veiligheid

Geluid Acties

Specifieke handhavingscampagnes

GPBV

B&G Afval

Lucht

vorige jaren

GGO Veiligheid Lucht Water

Routine

Geluid Afval Lucht

Reactief

Exploitatie

Titel

- Controle van de veiligheidsaspecten bij afvalverwerkers - Controle van grondwaterwinningen - Controle van meetnetten grondwater rond stortplaatsen - Inspecties OBA-verwerkers en mestvergisters - Controle op de aanwezigheid van PCB's, CFKs in shredderresidu - Controle op het wegtransport van afvalstromen - Controle op de uitvoer van afvalstromen via zeehavens - Controles in het kader van ketentoezicht - Aanpak LDAR - Controle van overbrengers en verwerkers van risicohoudend medisch afval - GeĂŻntegreerde controle van GPBV-landbouwbedrijven (varkens- en pluimveebedrijven) - GeĂŻntegreerde controle van GPBV-bedrijven uit de sectoren chemie en oppervlaktebehandeling van metalen - Controle van RWZI's - Controles op vraag van VMM - Voedingsbedrijven onder richtlijn 91/271 - Lozing van gevaarlijke stoffen - Controle van de zelfcontrole water - Uitvoering van het Seveso II-inspectieprogramma - Veiligheidsonderzoeken - Controle van benzinestations (damprecuperatie fase 2) - Controle van de veiligheidsaspecten van grote opslag van gevaarlijke producten - Geluid- en trillingsonderzoeken - Kwaliteitscontrole akoestische onderzoeken - Controle van de zelfcontrole grondwater - Controles in het kader van de overeenkomst dierlijke bijproducten - Controles afvalverwerkende bedrijven - Controle op het gebruik van ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen - Controle van de zelfcontrole lucht - Evaluatiegeuronderzoeken (Kanaalzone Ieper; Sonac Gent; Walkro Maasmechelen) - Emissiebeperking dioxine-achtige PCB's - Fijn stof (PM10): aanpak van diffuse emissies in 'hot spot'-gebieden - Damprecuperatiefase 1: op- & overslagbedrijven van benzine - Biomassa- en houtafvalverbrandingsinstallaties - Acties ter beperking van de emissie en de verspreiding van zware metalen naar de lucht - Controle VOS-emissies - Controle van ingeperkt gebruik bij inrichtingen met een toelating - Controle van ingeperkt gebruik bij inrichtingen zonder toelating - Veiligheidsonderzoeken - Controle van 'stromen van gevaarlijke producten' bij op- en overslagbedrijven - Geuronderzoeken (Industriezone Genk; Budingen-Zoutleeuw) - Camera-inspecties in riolen en leidingen - Routine- en ad hoc monsternames afvalwater - Ad hoc geluids- en trillingsmetingen - Routine- en ad hoc monsternames afvalstoffen, bodem, grondwater en mest - Routine- en ad hoc emissiemetingen lucht - Immissiemetingen lucht - Controle van milieuvergunningen - Controle van de zelfcontrolemeetprogramma's afvalwater en lucht - Controles asbest - Klachten - Voorvallen - Evaluatieverslag proefvergunning - Evaluatie werkplan + andere documenten - Rapportering kantschriften - Hoog toezicht

Voortgangscontrole (handhavingsinstrumentarium) Eigen initiatief

95

24 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie


Samenwerking en overleg MI werkt samen met diverse instanties om te komen tot een optimale handhaving van de milieuhygiënewetgeving. Hieronder worden slechts enkele specifieke onderwerpen beschreven, met de nadruk op samenwerking die een rechtstreekse impact heeft op de verdeling van toezichtstaken tussen MI en andere instanties en op de strafrechtelijke afhandeling van vastgestelde overtredingen. Daarnaast ontvangt MI geregeld vragen om mee te werken aan de meest diverse overlegstructuren. MI neemt hieraan deel als er voldaan is aan een aantal randvoorwaarden. Zo moet natuurlijk steeds de onafhankelijkheid van het toezicht en de handhaving zijn gewaarborgd. Bovendien kan de expertise van MI enkel worden gebruikt als dat een reële bijdrage levert aan de verbetering van het leefmilieu en de regelgeving in het algemeen en de handhaving in het bijzonder.

Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving (VHRM) Door het decreet van 21 december 2007 werd een nieuwe Titel XVI “Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen” toegevoegd aan het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Deze nieuwe titel, bekend als het milieuhandhavingsdecreet, is op 1 mei 2009 in werking gesteld door de Vlaamse Regering wat zijn oorspronkelijk toepassingsgebied betreft en op 25 juni 2009 voor de uitbreidingsbepalingen. Deze nieuwe handhavingsregeling is opgesplitst in twee grote delen: het beleid en de organisatie van de milieuhandhaving enerzijds, en het toezicht, handhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen anderzijds. In het onderdeel milieuhandhavingsbeleid krijgt de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving (VHRM) een centraal adviserende en beleidsondersteunende opdracht toegewezen. De VHRM werd geïnstalleerd op 16 april 2009 en trad officieel in werking op 1 mei 2009, gelijktijdig met het van kracht worden van het milieuhandhavingsdecreet. Het bijstaan van de Vlaamse Regering bij het toezicht op de coördinatie en de inhoudelijke vormgeving van het milieuhandhavingsbeleid vat de VHRM als volgt op: -- de VHRM stelt krachtlijnen en prioriteiten van het handhavingsbeleid van het milieurecht voor en geeft advies over alle aangelegenheden die betrekking heb

ben op de handhaving van het milieurecht aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement; -- de VHRM stelt jaarlijks een milieuhandhavingsprogramma en een milieuhandhavingsrapport op; -- de VHRM creëert een kader voor coördinatie van de milieuhandhaving door middel van het voeren van systematisch overleg en het voorbereiden, afsluiten en opvolgen van milieuhandhavingsprotocollen tussen de verschillende actoren bevoegd voor milieuhandhaving (ondermeer de Vlaamse Overheid, de federale en lokale politie, de parketten, de gemeenten en de provincies). Vanuit MI wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de samenstelling en de werking van de VHRM. Dr. Sc. Robert Baert, afdelingshoofd van MI, zetelt in de VHRM als ondervoorzitter met een coördinerende taak en mevr. Inge Delvaux, diensthoofd van de dienst Toezicht zwarerisicobedrijven van MI, als plaatsvervangend lid. Daarnaast participeren vertegenwoordigers van MI in de verschillende werkgroepen die werden opgericht binnen de VHRM. Andere gesprekspartners die deel uitmaken van de VHRM zijn vertegenwoordigers van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer, de afdeling Milieuvergunningen, het Agentschap Natuur en Bos, de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, de Vlaamse Milieumaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij, de MINAraad, de SERV, de vzw Vereniging van Vlaamse Provincies, de vzw Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, het college van procureurs-generaal en de federale minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken. MI is er al geruime tijd van overtuigd dat handhaving het best op een planmatige wijze kan worden aangepakt. Daartoe stelt MI jaarlijks een milieu-inspectieplan op. Daarnaast publiceert MI jaarlijks een milieuhandhavingsrapport waarin wordt beschreven hoe de handhaving van de milieuhygiënewetgeving in het Vlaamse Gewest wordt georganiseerd en hoe de uitvoering van de handhavingsactiviteiten verloopt. Deze jarenlange ervaring biedt MI een bijzondere deskundigheid om op een effectieve manier input van hoogstaand niveau te leveren aan de VHRM voor het opstellen van hun jaarlijks milieuhandhavingsprogramma en milieuhandhavingsrapport, waarin een overzicht zal gegeven worden van de opdrachten en activiteiten van alle toezichthouders. Het milieuhandhavingsdecreet heeft duidelijk geopteerd om het aantal toezichthouders bevoegd voor milieuhandhaving te verhogen. De VHRM zal instaan voor het voeren

Werking

- 25


van overleg en afsluiten van milieuhandhavingsprotocollen tussen deze verschillende actoren. Een verhoging van het aantal toezichthouders betekent voor MI concreet dat haar taak zal verschuiven van een reactieve naar enerzijds een proactieve invalshoek, geconcretiseerd in specifieke thematische handhavingscampagnes, en anderzijds naar een routinematige invalshoek waarbij emissiegerichte inspecties en controle van de zelfcontroleactiviteiten van de bedrijven centraal staan. Het gegeven dat MI zich hierdoor meer zal kunnen toeleggen op inrichtingen met een grote milieurelevantie en op ketentoezicht op afvalstoffen werd al voorzien in de beleidsnota Leefmilieu en Natuur 20092014 van de Vlaams minister bevoegd voor Leefmilieu.

Samenwerking binnen de Vlaamse Overheid

gebeurde begin 2008 en bestond uit twee delen: de evaluatie door MI van de afspraken inzake afstemming van monitorings- en handhavingsprogramma’s in 2007 en de evaluatie van het samenwerkingsprotocol MI – OVAM in 2007. Een gelijkaardige evaluatie gebeurde in 2009. Een dergelijke evaluatie wordt voor elk onderdeel intern uitgevoerd door de medewerkers van MI en bracht voor 2009 geen knelpunten aan het licht. Wel werd in de loop van 2009 naar aanleiding van discussies over taakverdeling tussen MI en OVAM in verband met specifieke dossiers rond grondverzet op vraag van de secretaris-generaal een standpunt ingenomen door de juridische dienst van het departement LNE. Het samenwerkingsprotocol tussen MI en OVAM dient nog te worden aangepast rekening houdend met dit juridisch advies. Aangaande de doorstroming van gegevens waarover OVAM en VLM beschikken in het kader van de erkenningsverlening aan de 1774-erkenningsplichtige bedrijven, organiseerde MI in 2009 een eerste overleg met de betrokken actoren. De mogelijkheid om deze gegevensoverdracht formeel op te nemen in de bestaande overeenkomsten tussen MI en beide instanties werd besproken.

Afstemming monitorings- en handhavingstaken Op vraag van de beleidsraad van LNE hebben OVAM, VLM, VMM en MI in 2007 afspraken gemaakt over de overdracht van gegevens tussen de verschillende entiteiten, met het oog op een betere afstemming van monitorings- en handhavingsprogramma’s. De beleidsraad keurde deze afspraken formeel goed. De uitwisseling van gegevens betreft ondermeer: -- het wederzijds doorgeven van suggesties voor jaar- en meetprogramma’s; -- het onderling meedelen van vaststellingen die ressorteren onder de bevoegdheden van een andere entiteit of die een reactie vragen van een andere entiteit; -- het doorgeven van dossiergebonden meetgegevens aan MI ter ondersteuning van vaststellingen die worden vermeld in een proces-verbaal; -- het onderling doorgeven van jaaroverzichten van metingen die kunnen gebruikt worden om prioriteiten te bepalen bij het opstellen van meet- en jaarplannen; -- het doormelden aan elkaar van calamiteiten met aanzienlijke milieu-impact; -- het melden van MI-vaststellingen inzake niet aan gebruikstoelatingen conforme producten bij bedrijven die afvoeren naar de landbouw aan VLM, OVAM en FAVV. De beleidsraad heeft zich tot doel gesteld de uitvoering van deze samenwerkingsovereenkomst jaarlijks te evalueren en, indien nodig, bij te stellen. De eerste evaluatie

26 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

Technisch Overleg Milieuregelgeving (TOM) De uitvoering van het milieubeleid leert dat een geregelde actualisatie van de complexe en zeer uitgebreide milieuregelgeving noodzakelijk is en blijft. De wetgeving moet worden vereenvoudigd en de kwaliteit ervan moet worden verhoogd. Als gevolg van de vele wijzigingen en aanvullingen van de regelgeving moeten de verschillende decreten en besluiten voldoende en tijdig op elkaar afgestemd worden. Daarom ontstond begin 2000 het overlegorgaan TOM. TOM staat voor Technisch Overleg Milieuregelgeving. Het is een permanent overlegorgaan voor alle administraties en diensten die betrokken zijn bij de uitvoering en handhaving van het beleid betreffende milieuhinderlijke inrichtingen en activiteiten. In TOM zitten vertegenwoordigers van het Departement LNE, VMM, OVAM, VLM, andere beleidsvelden van de Vlaamse Overheid die raakpunten hebben met het milieubeleid en de lokale overheden via de Vereniging van Vlaamse Provincies (VVP) en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). TOM streeft, via maximale onderlinge consensus, naar een vanuit juridisch oogpunt eenvormige en correcte toepassing van de milieuregelgeving. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan oplossingen voor overlappingen, lacunes en tegenstrijdigheden in de regelgeving en de uitvoering en handhaving ervan om zo te komen tot een


coherente, resultaatgerichte regelgeving en toepassing ervan. Sinds de start van TOM werden al meerdere knelpunten gesignaleerd, geïnventariseerd en geanalyseerd. TOM legt zijn adviezen ter beslissing voor aan de Vlaamse minister van Leefmilieu. De definitieve TOM-adviezen worden, met de reactie van de Vlaamse minister van Leefmilieu, gepubliceerd op de LNE-website onder de link www.lne.be/themas/regelgeving/tom/adviezen-tom. Ook MI neemt deel aan het TOM-overleg. Als toezichthoudende overheid is ze vertegenwoordigd zowel in de plenaire vergadering als in ad-hoc werkgroepen. Ze waakt erover dat tijdens de bespreking van gesignaleerde knelpunten zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de opgedane handhavingservaring. MI streeft daarbij naar een zo groot mogelijke eenduidigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Medewerking aan regelgevende initiatieven Beleidsformulering en beleidsevaluatie door terugkoppeling van de ervaringen uit het veld behoren tot de kernopdracht van MI. Een van de manieren waarop MI die opdracht probeert te vervullen, is door medewerking te verlenen aan regelgevende initiatieven en zich zo indirect in te schakelen in de beleidscyclus. Op 1 mei 2009 traden het milieuhandhavingsdecreet en de daarbijhorende uitvoeringsbesluiten in werking. Tot de totstandkoming hiervan leverde MI een grote bijdrage. Omdat deze nieuwe handhavingsregeling een belangrijke verandering inhoudt voor de toezichthouders van de afdeling Milieu-inspectie werd op 29 april 2009 - net voor het decreet en de daarbijhorende uitvoeringsbesluiten van kracht werden - een eerste vorming georganiseerd. Deze nieuwe regelgeving harmoniseert de bepalingen betreffende het toezicht, de sancties en de veiligheidsmaatregelen voor de milieuhygiënewetten en -decreten en voor een aantal Europese verordeningen. Omdat deze grondige hervorming een grote impact heeft voor de toezichthouders van MI, werden de belangrijkste documenten aangepast door een ad hoc werkgroep binnen MI zodat vanaf 1 mei 2009 de juridische correctheid werd verzekerd. De verschillende documenten werden in één

allesomvattend document gebundeld. Bij de herwerking worden de eerste ervaringen met het nieuwe decreet ten volle benut. Daarnaast werd in 2009 de gewijzigde Vlaremwetgeving van kracht; ook aan deze verwezenlijking leverde MI een grote bijdrage en werd in 2009 in dit kader een vorming voorzien voor de toezichthouders van MI.

Samenwerking met lokale overheden Het milieuhandhavingsdecreet en de daarbijhorende uitvoeringsbesluiten wijzen het toezicht op en de handhaving van de milieuhygiënewetgeving bij klasse 2- en 3-inrichtingen, niet-ingedeelde inrichtingen en vrijevelddelicten toe aan lokale overheden en leggen voor deze opdracht een minimum aantal toezichthouders voor gemeenten, intergemeentelijke verenigingen of politiezones op. Indien nodig kunnen deze toezichthouders ook vaststellingen doen op basis van zintuiglijke waarneming en zaken laten onderzoeken bij klasse 1-inrichtingen. De lokale toezichthouders moeten een bekwaamheidsbewijs verkrijgen; dat bekwaamheidsbewijs wordt hen uitgereikt nadat ze de speciale Vlarem-opleiding hebben gevolgd en ze geslaagd zijn voor de bijhorende bekwaamheidsproef. Het milieuhandhavingsdecreet voorziet dat elke gemeente beroep moet kunnen doen op minstens één toezichthouder (uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van het decreet) en dat grotere gemeenten (met meer dan 300 klasse 2-inrichtingen of met meer dan 30.000 inwoners als het aantal inrichtingen onvoldoende gekend is) minstens beroep moeten kunnen doen op twee toezichthouders (uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van het decreet). De gemeente kan zich in dit kader op verschillende manieren organiseren; zo kan een gemeente hetzij één of meerdere toezichthouders aanstellen, hetzij beroep doen op toezichthouders die zijn aangesteld binnen een politiezone of een intergemeentelijke vereniging, hetzij opteren voor een combinatie van de twee vorige opties. Ondertussen zijn de meeste Vlaamse gemeenten een overeenkomst aangegaan met de Vlaamse Overheid. Deze Samenwerkingsovereenkomst 2008-2013 is een vrijwillige overeenkomst die een gemeente afsluit met de Vlaamse Overheid op vlak van milieu, waarbij in ruil voor

Personeel, vorming en middelen

- 27


het uitvoeren van een aantal acties financiële en inhoudelijke ondersteuning wordt verkregen van de Vlaamse Overheid. Deze acties impliceren o.a. het instellen van een centraal meldpunt voor milieuklachten, een systematisch overleg tussen verschillende diensten die belast zijn met de handhaving van milieuhinder en de behandeling van klachten (in de eerste plaats overleg tussen de milieudienst en de politiedienst en/of politiezone) en zowel proactieve als reactieve controles uitvoeren op de klasse 2- en 3-inrichtingen, niet-ingedeelde inrichtingen en vrijevelddelicten. Een dergelijke overeenkomst laat MI toe haar volle aandacht te richten op klasse 1-inrichtingen. In het bijzonder worden milieuklachten die MI ontvangt over klasse 2- en 3-inrichtingen, niet-ingedeelde inrichtingen en vrije veld delicten onmiddellijk naar de lokale toezichthouder doorgestuurd; ook klachten over klasse 1-inrichtingen die bij MI niet gekend zijn, worden voor vooronderzoek doorgestuurd naar de lokale toezichthouder. Slechts bij uitzondering wanneer zware hinder plaatsvindt (vb. als de gezondheid van omwonenden in het gedrang kan komen, als er aanwijzingen zijn dat er schadelijke stoffen in de voedselketen kunnen terechtkomen, als er schade wordt toegebracht aan mens en/of het leefmilieu,…) én er kan aangetoond worden dat de lokale toezichthouder in gebreke blijft in klasse 2- en 3-inrichtingen, niet-ingedeelde inrichtingen of vrijevelddelicten, zal MI optreden conform de behandeling van klachten over klasse 1-bedrijven.

Samenwerking met federale overheden Gerechtelijke instanties Op het niveau van de buitendiensten onderhield MI individuele contacten met parketmagistraten. Deze contacten hebben tot doel om via overleg en communicatie te komen tot een efficiënte behandeling van processen-verbaal. In bepaalde gevallen werd MI gevraagd om technische expertise te verlenen. De invulling van deze samenwerking kan verschillen van buitendienst tot buitendienst en van parket tot parket, maar algemeen kan gesteld worden dat er met alle parketten een vrij goed overleg plaatsvond.

28 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

MI bood opnieuw stageplaatsen aan voor gerechtelijk stagiairs. Tijdens hun stage voor de functies van parketmagistraat of rechter moeten zij een tijd doorbrengen bij een aantal externe diensten. Gewoonlijk valt de keuze op strafinrichtingen, politiediensten en juridische diensten, maar ook minder voor de hand liggende diensten zoals MI zijn mogelijk. In 2009 kozen drie gerechtelijk stagiairs om een deel van hun stage bij MI te doorlopen (in WestVlaanderen, Oost-Vlaanderen en in Vlaams-Brabant). Op de buitendienst maakten ze kennis met de inspecties op het terrein. Tijdens die inspecties kwamen allerlei aspecten aan bod zoals monsternames, geluidsmetingen, opstellen van processen-verbaal, geven en voortgangscontrole van aanmaningen en opleggen van bestuurlijke maatregelen. De controle van de vergunningstoestand van een bedrijf en de naleving van de algemene, sectorale en bijzondere voorwaarden kwamen aan bod. Uiteraard werd ook aandacht besteed aan de klachtenbehandeling. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen De samenwerking tussen FAVV en MI situeert zich voornamelijk in het gebied van de dierlijke bijproducten, waar voedselketen en afvalverwerking elkaar gevaarlijk dicht naderen. Bovendien vereist de handhaving van de strenge Europese regelgeving hierover een goede samenwerking tussen de verschillende bevoegde overheden. De samenwerking is sinds 2005 geformaliseerd in een Commissie Dierlijke Bijproducten waarin alle betrokken overheden in België elkaar ontmoeten om, knelpunten en beleidsevoluties en suggesties te bespreken en ervaringen uit te wisselen. Verder wordt er teruggekoppeld over de bevindingen van de Werkgroep Dierlijke Bijproducten van de Europese Commissie, worden aanpassing van nieuwe Europese en lokale regelgeving aangaande dierlijke bijproducten besproken en worden inspecties door het Europese Food and Veterinary Office voorbereid. Bovendien wordt er overlegd over praktische knelpunten aangaande de implementatie van de verordening. De commissie werd in 2009 vijf keer samengeroepen. Naar aanleiding van vaststellingen van MI werd in 2009 onder meer een standpunt besproken over het statuut van restjes van dierlijk materiaal dat in uitsnijderijen te-


rechtkomt in opvangputjes van de afvoergoten voor het reinigingswater. Het gaat om relatief kleine hoeveelheden afval die echter wel bij een groot aantal bedrijven worden geproduceerd, daarom is het goed dat de verschillende overheden een correct en eenduidig standpunt vertolken naar de sector. Binnen de commissie werd een gemeenschappelijk standpunt geformuleerd dat wordt verspreid via de websites van de relevante overheden. Samenwerking rond afvaltransporten MI voert sinds april 2006 controles uit op afvaltransporten in de zeehavens en langs de openbare weg, meestal in samenwerking met de politie. MI nam in 2009 het initiatief om het jaarlijkse overleg met politie, Federale Leefmilieu-Inspectie (FLI) en OVAM te organiseren, ter evaluatie van de gezamenlijke transportcontroles. Sinds 2008 neemt MI ook deel aan het Project Afvalfraude Antwerpen, een samenwerkingsverband tussen parket, politie, douane, OVAM, FLI en MI rond de controles die gebeuren op de uitvoer van afval via de haven van Antwerpen en de Waaslandhaven. De samenwerking met de douane kreeg door dit project een meer gestructureerd karakter, en bovendien leverde MI in mei 2009 ook technische bijstand aan het douaneproject “Demeter”, waarin de uitvoer van afval wereldwijd gecontroleerd werd. Het Vlaamse gewest gaf in 2009 ook de aanzet tot de herziening van het oude samenwerkingsakkoord betreffende in/uit/doorvoer van afvalstoffen, uit 1994. MI nam deel aan de onderhandelingen tussen de vier Belgische bevoegde milieu-overheden, politie, douane, justitie en het openbaar ministerie. Het resultaat van deze onderhandelingen werd principieel goedgekeurd door de Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu op 14 december 2009. Samenwerking met de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s Verder in dit rapport wordt aangegeven dat de inspecties in het kader van het Samenwerkingsakkoord preventie zware ongevallen (Seveso-inspecties) worden uitgevoerd door een inspectieteam dat is samengesteld uit de gewestelijke milieu-inspectie (MI in Vlaanderen) en de federale inspectiedienst bevoegd voor de bescherming van de werknemers. De coördinatie binnen de inspectieteams en de algemene coördinatie worden verzekerd door de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Op 9 en 10 november 2009 was de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s gastheer op een seminarie voor alle Seveso-inspectiediensten. MI nam deel met een

ruime delegatie Sevesoteamleden. Op het seminarie bespraken de inspectiediensten de nieuwe inspectie-instrumenten van het Metatechnisch Evaluatiesysteem 3 (MES 3), was er een terugkoppeling over Europese aangelegenheden en gaf MI toelichting over het milieuhandhavingsdecreet. De inspectiediensten werkten in 2009 verder met het inspectieprogrammasysteem uitgaande van “inspectiedomeinen” (de verschillende technische en organisatorische systemen die moeten worden onderzocht in een Sevesobedrijf) en het geïntegreerd inspectie-instrumentensysteem.

Internationale context IMPEL Het voormalige informele IMPEL-netwerk (dat al opgericht werd in 1992) werd in 2008 omgevormd tot de internationale vzw “Netwerk van de Europese Unie voor de implementatie en handhaving van de milieuwetgeving” (in het Engels: European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law, of kortweg IMPEL). Deze omvorming was nodig om de activiteiten te kunnen blijven uitvoeren en om de financiële inbreng te verzekeren. Alle milieuoverheden van de lidstaten van de Europese Unie (momenteel 27), de toetredende landen (momenteel geen) en de kandidaat lidstaten (momenteel Kroatië, Turkije en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië) en de EEA-landen (European Economic Area Noorwegen, Ijsland en Liechtenstein) kunnen lid worden. In 2009 telde de organisatie 36 leden. De Europese Commissie zelf is niet langer lid van IMPEL. IMPEL heeft sinds zijn oprichting een grote bekendheid verworven en werd intussen formeel erkend in het Zesde Leefmilieuactieprogramma én in de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten. Het blijft een organisatie waarbinnen de leden informatie kunnen delen, problemen kunnen bespreken en elkaar praktisch advies kunnen geven. Op die manier kan belangrijke kennis worden opgedaan en kunnen de beste praktijken op het gebied van inspectie, toezicht en handhaving worden uitgewisseld.

Werking

- 29


De huidige structuur van IMPEL ziet er als volgt uit: -- een raad van bestuur, met Gerard Wolters (NL.) als voorzitter en Terry Shears (VK) als ondervoorzitter; -- een algemene vergadering als beslissingsorgaan; -- clusters, fora voor bespreking en coördinatie van aanverwante activiteiten en projecten. Momenteel zijn er drie clusters: “Verbeteren van vergunningsverlening, inspectie en handhaving”, “Grensoverschrijdend transport van afvalstoffen” en “Betere regelgeving (uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid)”; -- projectteams voor de praktische uitvoering van de goedgekeurde projecten; -- een nationale coördinator per lidstaat die verantwoordelijk is voor de informatiedoorstroming tussen het netwerk en de lidstaat. Meer informatie over IMPEL vindt u op de volgende website: http://ec.europa.eu/environment/impel. IMPEL-TFS IMPEL-TFS (Transfrontier Shipments of Waste) is de cluster van IMPEL die werkt rond grensoverschrijdende overbrengingen van afvalstoffen. De kernactiviteiten van TFS zijn gezamenlijke handhavingsprojecten en de uitwisseling van kennis en ervaring met de handhaving van de EVOAverordening. MI nam van 18 tot 20 maart 2009 deel aan de jaarlijkse plenaire TFS-conferentie in Östersund, Zweden. MI gaf hier een voorstelling van het Project Afvalfraude Antwerpen. MI stuurde ook een vertegenwoordiger naar de bijeenkomst van TFS National Contact Points in september in Helsinki. MI is momenteel betrokken in twee TFS-projecten, namelijk het WEEE-project en het Enforcement Actions II project. Het WEEE-project heeft tot doel de uitvoer van elektronisch afval naar Afrika in kaart te brengen. In het kader van dit project nam MI actief deel aan een workshop in Brussel, waarbij de komende wijzigingen aan de AEEA-richtlijn nagekeken werden op het aspect “handhaafbaarheid”. Voor het Enforcement Actions II project nam één toezichthouder van MI deel aan gezamenlijke transportcontroles in Portugal.

30 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

Naleving van de Europese Richtlijn Stortplaatsen In 2008 en 2009 belastte de EC het Duitse bureau BIPRO Consulting met een onderzoek naar de implementatie en de naleving van de Europese richtlijnen over stortplaatsen in de verschillende lidstaten. Elk van de lidstaten werd daartoe bezocht door een onderzoeker van BIPRO Consulting. De terreinbezoeken hadden onder meer als doel de praktische handhaving van de Europese regelgeving te bediscussiëren, de handhavingsproblemen te inventariseren, de oorzaak ervan aan te geven en mogelijke oplossingen of alternatieve benaderingen te formuleren. MI begeleide op 15 mei 2009 een onderzoeker van BIPRO tijdens een grondige bevraging over de procedures en de acceptatieregeling die Indaver volgt ter implementatie van de Europese stortplaatsbepalingen. Het globale onderzoek in alle Europese lidstaten leidde tot de vaststelling dat de implementatie van de Richtlijn Stortplaatsen in veel lidstaten nog onvoldoende was gerealiseerd. Onder meer deze vaststelling was een rechtstreekse aanleiding tot het overwegen van de oprichting van een ‘Waste Implementation Agency’ die zou instaan voor de handhaving van de Europese afvalstoffenregelgeving. FVO evaluatiemissie van de controle van invoer/doorvoer van dieren en dierlijke producten. Het Europese Food and Veterinary Office (FVO) voerde van 22 juni 2009 tot 3 juli 2009 een evaluatie uit van de controles die worden uitgevoerd op de invoer en de doorvoer van dieren en dierlijke producten. De missie werd begeleid door het FAVV. Omdat deze evaluatie ook een aantal bepalingen omvat van de Europese Verordening 1774/2002 over dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie zijn bestemd en die onder gewestelijke bevoegdheid vallen, was MI als handhavende instantie ook betrokken bij deze missie. Tijdens de openingsvergadering gaf MI een korte presentatie over haar rol in deze materie. Verder begeleidde MI ook de Europese inspecteurs bij de controle van een grensinspectiepost op de nationale luchthaven en een cateringbedrijf dat als inzamelaar van keukenafval van internationaal vervoer – wat als risicovol wordt beschouwd – onder het toezicht van MI valt. De FVO-inspectie was heel tevreden over de correcte en volledige naleving van de Europese regelgeving terzake bij het gecontroleerde bedrijf.


Informele ontmoeting met Ierse EPA In juli 2009 bracht een vijfkoppige delegatie van de Ierse Environmental Protection Agency (EPA) een bezoek aan de wervelbedovens en de roosterovens van Indaver in Doel. Het bezoek kaderde in het initiatief van Indaver om in Ierland een afvalverbrandingsinstallatie op te starten. Na het bezoek aan Indaver hadden enkele mensen van MI een bilateraal onderhoud met de Ierse EPA-inspecteurs waarin praktische ervaringen in verband met de handhaving van dergelijke installaties in het Vlaamse Gewest werden doorgegeven. Deze informele gedachtewisseling werd door de Ieren heel erg geapprecieerd. Samenwerking met Frankrijk Er werden op geregelde basis contacten onderhouden met de DREAL (Franse Milieu-inspectie) die de milieuvergunningen van de Franse bedrijven controleert. Dit maakt een soepel en informeel overleg mogelijk over zowel de milieuregelgeving als de controles in de Franse bedrijven. Zo kreeg MI een beter beeld op de gestelde problematiek (en oplossingen) van grensoverschrijdende PCB- en dioxinevervuiling in de regio Menen waar een schrootverwerkend bedrijf aan beide zijden van de landsgrens een vestiging heeft met identiek dezelfde activiteiten. Deze contacten hebben het ook mogelijk gemaakt om een vlottere afhandeling te bewerkstelligen van een Vlaamse klacht tegen een Frans bedrijf gelegen op de oever van de Leie, die de landsgrens vormt.

Werking

- 31


Personeel en middelen In dit deel wordt een overzicht gegeven van de personele en financiĂŤle middelen die de afdeling ter beschikking heeft om haar opdracht uit te voeren.

Personeel Aantal personeelsleden A2A Afdelingshoofd en Stafdienst

A2

1

B1

C2

C1

D2

2

D1

Totaal

1

6

10

Toezicht zwarerisicobedrijven

10

14

Buitendienst Antwerpen

14

1

11

1

10

1

5

7

1

5

Buitendienst Limburg

6

9

Buitendienst Oost-Vlaanderen Buitendienst Vlaams-Brabant Buitendienst West-Vlaanderen

Aantal beschikbare VTE

B2

2

Hoofdbestuur

Totaal

A1

1

4

13

2

21

4 1

17

1

1

20

2

2

17

1

1

1

1

17

1

2

76

2

21

3

12

0

5

122

1,0

2,0

72,4

2,0

19,1

3,0

10,2

1,0

6,0

116,6

Personeel en middelen

- 33


Afdelingshoofd en stafdienst • V.l.n.r.: Tanja Verschaeren, Hedwig Stylemans, Chris Van Baelen, Robert Baert, Jos Tits Ontbreekt: Daisy Van Calster

Hoofdbestuur • V.l.n.r.: Rita Van Ham, Koen Mergaert, Paul Cuypers, Krista Thomas, Bart Palmans, Hans Delcourt, Martine Blondeel, Jeroen November, Geert Keppens, Roel Vaneerdeweg.

34 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie


Toezicht zwarerisicobedrijven • V.l.n.r.: Christof De Pauw, Inge Delvaux, Wilfried Van den Acker, Jo De Baerdemaeker, Marc Van Kerckvoorde, Inge Dils, Wilfried Biesemans, Philip Tanghe, Nele Loos, Christel Gernay. Ontbreken: Gwenny Vanhaecke, André Goossens, Leentje Timmerman

Buitendienst Antwerpen • V.l.n.r.: Diane Haelwaters, Linda Van Geystelen, Ann Van Deun, Veerle Wiercx, Monique Dirickx, Ann Devisschere, Hilde Slosse, Ilse Colman, Lief Mannaerts, Wim Vermetten, Jan Valckx, Ludo Segers, Jos Moeskops, Els De Jonghe, Hendrik Meulemans, Michael Allison. Ontbreken: Anne Colman, Chris Tackaert, An Swinnen, An Van Steenbergen, Anja Van der Auwera.

Personeel en middelen -

35


Buitendienst Limburg • V.l.n.r.: Tom Nuyts, Sybille Vanderhenst, Tom Maes, Liesbet Rommens, Peter Schoups, Johan Ballings, Peggy Cloostermans, Rudi Rademaekers, Filip Moers, Irène Poelmans, Guido Gerits, Jan De Paep, Freddy Noels Ontbreken: Kaat Vanmeeren, Josée Vanthienen, Peter Brien, Ann Janssens,

Buitendienst Oost-Vlaanderen • V.l.n.r.: Frank Verslype, Frans Van der Cruysse, Paul Van Gijseghem, Wilfried Van Vaerenbergh, Carmen Bauwens, Els Van Bever, Jozef Algoet, Lieve Joos, Gert Govaerts, Myriam Macharis, Eric Ryckaert, Peter Wesemael, Luc Verhaeven, Carine Baert, Steven Overmeire, Peter Permanne, Dony Vandormael, Greta De Maesschalk Ontbreken: Greetje De Wandeler, Marian Lagrou

36 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie


Buitendienst Vlaams-Brabant • V.l.n.r.: Eric Van Gijseghem, Mathy De Preter, Marc Vanthienen, Philippe Verbecq, Gert Van de Cauter, Kathleen Dethier, Carine Holsbeekx, Christiane Renquin, Koen Mandonx, Mia Moens, Dirk Crivits, Christophe Bervoets, Theo Strobbe, Patrick Bergen. Ontbreken: Robert Dupont, Tina Poels

Buitendienst West-Vlaanderen • Achteraan v.l.n.r.: Joke Lahousse, Geert Van Landschoot, Karel Debeuf, Karel Vandamme, Marc De Vos, Robrecht Pillen, Guido Gheysen, Wim Delaere Vooraan v.l.n.r.: Jeannine Tassyns, Marc Sevenant , Roland Loontiens, Danny Deygers, Henri Trypsteen Ontbreken: Jan Corveleyn, Peter De Neve, Lieve Martens, Georges Vande Walle

Personeel en middelen

- 37


Aanwending van de kredieten Laboratoriumkosten Ter ondersteuning van haar sleutelproces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’ sluit MI overeenkomsten af met erkende laboratoria voor het meten, bemonsteren en analyseren van allerhande stoffen en emissies. Voor de meting, monstername en analyse van afvalwater, koelwater en oppervlaktewater enerzijds en bodem, afvalstoffen, meststoffen en grondwater anderzijds werden per provincie overeenkomsten afgesloten. Om emissiemetingen uit te voeren op de schoorsteen van verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties werd met twee laboratoria een contract afgesloten. Naast de hierboven vermelde algemene overeenkomsten werden nog enkele overeenkomsten afgesloten voor een aantal specifieke dossiers. Overzicht van de laboratoriumkosten Vastgelegd bedrag in euro Labocontract afvalwater, koelwater en oppervlaktewater

756.434

Labocontract afvalstoffen, meststoffen en grondwater

528.859

Labocontract luchtemissiemetingen

318.246

Specifieke dossiers

183.939

Totaal

1.787.478

Specifieke handhavingstudies Specifieke handhavingstudies Vastgelegd bedrag in euro Riool-camera

605

Ketentoezicht

50.000

Bio-veiligheid

2.359

Rendementsbepalingen ammoniakgaswassers

78.002

Geuronderzoeken

155.618

Akoestische onderzoeken

23.435

Veiligheidsonderzoeken

19.494

Milieuaspecten GPBV- bedrijven Totaal

66.810 396.323

In bepaalde omstandigheden is het noodzakelijk bijkomende studies te laten verrichten door gespecialiseerde laboratoria of deskundigen. Zo kunnen bijvoorbeeld nietcourante analyses worden uitgevoerd of kan de milieu-

38 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

impact van een specifiek bedrijf worden onderzocht. De studies worden uitgevoerd ter advisering en ter voorlichting van MI. Naast de studies die specifiek gericht zijn op één of meerdere bedrijven, werden ook een aantal algemene handhavingstudies uitgevoerd. Het totale beschikbare vastleggingskrediet voor 2009 bedroeg 2.433.000 euro en er werd 94,10 % vastgelegd. Het ordonnanceringskrediet bedroeg 2.216.000 euro en werd voor 88,97 % uitbetaald.

Werkingsmiddelen De toezichthouders van MI beschikken over heel wat middelen om hun taken efficiënt en effectief uit te voeren. Bij de voorbereiding van een inspectie kan een toezichthouder gebruik maken van het papieren dossier dat op elke buitendienst aanwezig is. Daarnaast hebben ze toegang tot diverse andere documenten (door raadpleging van informatie bij andere entiteiten en/of door raadpleging van databanken via internet): integraal milieujaarverslag, milieu-effectrapporten, veiligheidsrapporten, decretale milieu-audits, meldingen van afvoer van afvalstoffen, meetresultaten allerhande… Elke dienst heeft bovendien een beperkte bibliotheek met publicaties over de handhaving van de milieuhygiënewetgeving en boeken die het mogelijk maken om de evolutie in de gebruikte technieken en in de (handhaving van de) milieuhygiënewetgeving te volgen. Daarnaast gebruiken de toezichthouders steeds meer het elektronisch dossieropvolgingssysteem van MI, waarmee op een eenvoudige manier een overzicht kan bekomen worden van de verschillende documenten die bij MI aanwezig zijn over het betrokken bedrijf. Voor de uitvoering van de inspecties beschikken de toezichthouders van MI over heel wat materieel en over dienstwagens die speciaal werden uitgerust. In elke dienstwagen is een scheidingswand aangebracht zodat propere en mogelijk gecontamineerde items gescheiden kunnen vervoerd worden. Bovendien is elke dienstwagen voorzien van een koelbox, waarmee genomen monsters gekoeld en in het donker kunnen vervoerd worden tussen de plaats van monstername en het laboratorium. Voor het zelf uitvoeren van metingen op het terrein beschikken de toezichthouders ondermeer over pH- en temperatuurmeters, geluidsmeters, trillingsmeters, radioactiviteitsmeters, gasdetectiemeters en PAK-markers


MI zorgt voor het onderhoud en de ijking van deze toestellen. Om bepaalde situaties vast te leggen is in elke dienstwagen ook een fototoestel aanwezig. Ook voor het uitvoeren van monsternames van water, afval en bodem beschikken de toezichthouders over een grote hoeveelheid materieel. Bovendien is er een grote aandacht voor de persoonlijke bescherming tijdens de inspecties: ook hiervoor zijn tal van beschermingsmiddelen, waaronder ook diverse meettoestellen ter beschikking. Bovendien heeft elke toezichthouder een GSM om, indien nodig, dadelijk hulp te roepen. Om de goede werking van de afdeling te waarborgen beschikt MI aldus over een aantal kredieten die haar in de mogelijkheid stellen de noodzakelijke aankopen te realiseren en te zorgen dat haar personeelsleden de nodige vormingen kunnen volgen.

In 2009 werd overgegaan tot de vervanging van 3 dienstwagens. De nieuwe dienstwagens werden uitgebouwd volgens de normen van het kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen. De uitrusting en aankoop van deze wagens bedroeg 105.008,15 euro. In 2009 werd voorzien in de uitbreiding van het aantal dienstwagens. Er werd overgegaan tot de aankoop van 2 bijkomende dienstwagens voor de dienst toezicht zwarerisicobedrijven, 1 dienstwagen voor het hoofdbestuur en 1 dienstwagen voor de stafdienst. Er werden aldus 4 dienstwagens aangekocht voor een globale aankoopprijs van 50.754,96 euro.

Overzicht van benutte kredieten Bedrag in euro Vorming personeelsleden

22.325

Aankoop van bureelbenodigdheden

12.722

Aankoop klein meubilair

20.756

Kosten telefonie (vaste telefonie en GSM verkeer)

19.343

Aankoop veiligheidskledij

6.870

Aankoop documentatie

9.543

Specifieke uitgaven eigen aan de afdeling

72.300

Aankoop tickets on line (NMBS)

12.722

Personeel en middelen -

39


Het jaar in cijfers

In dit deel worden de activiteiten van de afdeling voorgesteld in een aantal cijfers. Deze cijfers geven nooit een volledig beeld van de activiteiten van MI, maar kunnen in een aantal gevallen wel een goede aanwijzing zijn voor tendensen of evoluties. Cijfers geven ook basisinformatie voor de planning en evaluatie van het MIP.

Algemene gegevens

Gegevens externe oorsprong

Beschikken over juiste gegevens is essentieel voor een doeltreffende handhaving.

Vergunningen

De basis hiervoor vormt de kennis van de hinderlijke inrichtingen in Vlaanderen en hun milieuvergunningen. De afdeling Milieu-inspectie verzamelt haar gegevens van deze bedrijven in een databank. Deze gegevens vormen de basis om de activiteiten van de afdeling doeltreffend te kunnen plannen. Overzicht van aantal bedrijven

De afdeling Milieu-inspectie ontvangt een heleboel informatie van buitenaf. Zo krijgt ze een afschrift van alle besluiten aangaande milieuvergunningsaanvragen en bodemsaneringsprojecten.

Overzicht besluiten over klasse 1 bedrijven nieuwe exploitaties

395

hermachtigingen

1.010

verandering of uitbreiding

2.236

klasse 1

24.318

Totaal

3.641

klasse 2

49.332

geweigerde vergunningen eerste aanleg

klasse 3

4.153

definitieve weigeringen

57

niet ingedeeld

3.630

proefvergunningen

71

Totaal

81.433

284

Overzicht van aantal seveso bedrijven hoge drempel

148

lage drempel

136

Totaal

284

CBS: College van Burgemeester en Schepenen DP: Deputatie van de Provincie MIN: minister RvS: Raad van State

Het jaar in cijfers

- 41


Klachten

Voorvallen

MI ontvangt elk jaar heel wat milieuklachten. Niet al deze klachten zijn voor MI bestemd. Klachten over klasse 1 bedrijven worden door MI behandeld, evenals klachten over klasse 2 en klasse 3 inrichtingen die zware hinder veroorzaken.

Alle exploitanten hebben bij de uitbating van hun bedrijf de plicht alle nodige maatregelen te treffen om de buurt te beschermen tegen de risico’s voor en de gevolgen van ongevallen. Dat betekent onder andere dat zij de noodzakelijke interventiemiddelen moeten voorzien en bij hinder, schade of gevaar daartoe onmiddellijk alle nodige maatregelen moeten treffen. Eventueel opgetreden verontreiniging moeten zij op verantwoorde wijze ongedaan maken. Ondanks alle mogelijke preventieve maatregelen gebeuren er echter nog steeds onvoorziene emissies die tot hinder kunnen leiden. Soms escaleren deze voorvallen in die mate dat ze schade berokkenen aan de mensen of het milieu in de omgeving van het bedrijf.

Op de website van de afdeling wordt beschreven welke klachten MI wel of niet behandelt (www.lne.be/organisatie/structuur/afdeling-milieu-inspectie/taken). Overzicht klachten per klasse aantal klachten

aantal betrokken bedrijven of locaties

klasse 1

1.369

522

klasse 2

254

167

klasse 3

52

42

niet ingedeelde inrichting totaal

237

139

1.912

870

Overzicht klachten per milieuompartiment geur

819

geluid

405

exploitatie

340

lucht

207

afval

194

lozing

132

bodem en grondwater

54

mest

35

veiligheid

18

licht

42 -

9

totaal aantal klachten

1.912

aantal daarvoor uitgevoerde inspecties

2.826

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

Naast de zorgplicht rust er ook een meldingsplicht op de exploitanten: zij moeten de voorvallen en de genomen maatregelen melden bij de burgemeester en MI. Als er een voorval heeft plaatsgevonden zal MI, als dat relevant is, er zich van vergewissen of inderdaad de nodige gevolgbeperkende maatregelen werden getroffen. Melding van voorvallen aantal meldingen

1.176

Kantschriften Het parket stelt via een kantschrift vragen bij een procesverbaal of over de voortgang van de administratiefrechtelijke afhandeling.


Activiteiten MI Ontvangen kantschriften

Inspecties

Antwerpen

32

Brugge

7

Brussel

7

Dendermonde

71

Gent

80

Hasselt

139

Ieper

10

Kortrijk

52

Leuven

52

Mechelen

15

Oudenaarde

9

Inspecties op het terrein vormen de basis van het toezicht. Naast de routinecontroles worden een groot deel van de inspecties uitgevoerd in het kader van een gecoördineerd project, na klachten of als voortgangscontrole van een eerder optreden. Het grootste aantal inspecties wordt uitgevoerd tijdens de normale werkuren. Aanvullend wordt er ook ’s avonds, ’s nachts en in het weekend geïnspecteerd, aangezien milieuvervuiling geen ‘nine to five’-aangelegenheid is. Van iedere inspectie wordt een inspectieverslag opgemaakt.

Tongeren

31

Turnhout

16

Overzicht van het aantal uitgevoerde inspecties en gecontroleerde bedrijven

Veurne

29

aantal uitgevoerde inspecties

Totaal

550

- tijdens de diensturen

8.129

- 's avonds

2.476

- 's ochtends

1.287

Parlementaire vragen

- weekend / feestdagen

MI geeft elk jaar heel wat input bij het beantwoorden van diverse vragen vanuit het Vlaams Parlement. Het betreft hierbij schriftelijke vragen, vragen om uitleg en interpellaties. Meestal noodzaken deze vragen niet tot het verrichten van bijkomende inspecties: de dossiers zijn bij MI meestal goed bekend en er is meestal weinig tijd beschikbaar tussen het stellen van de vraag en het meedelen van het antwoord.

aantal gecontroleerde bedrijven

Behandelde parlementaire vragen aantal schriftelijke vragen

13

aantal interpellaties

2

aantal vragen om uitleg

2

12.593

701 4.772

Monsternames en metingen Een toezichthouder kan met de eigen zintuigen heel wat vaststellingen doen, maar in veruit de meeste gevallen is het toch noodzakelijk om monsters te nemen voor een correcte en volledige technische vaststelling of om de juiste graad van verontreiniging of nietconformiteit met de regelgeving te bepalen. Ook in 2009 werden heel wat monsters genomen. Rekening houdend met het feit dat elk monster geanalyseerd wordt op verschillende parameters, betekent dit dat er vele duizenden analyses werden uitgevoerd.

Het jaar in cijfers

- 43


Overzicht van het aantal monsternames afval

760

bodem

37

grondwater water

De routinemonsternames van afvalwater worden steeds op voorhand gepland. MI stelde eind 2008 een planning op voor de in 2009 uit te voeren afvalwatercontroles. Er werd verder gewerkt met een basisfrequentie, zoals in de voorbije jaren. De basisfrequentie is de minimale frequentie waarmee een bedrijf wordt gecontroleerd. In 2009 werden ruim 800 bedrijven gecontroleerd op het lozen van de parameters N en P. Bijna één op de 10 gecontroleerde bedrijven ontving in 2009 een PV voor het lozen van afvalwater met een te hoge concentratie.

Aantal controles

Aantal gecontroleerde bedrijven

Aantal PV’s (% tov aantal bedrijven)

N

1941

819

65 (8%)

P

1941

819

73 (9%)

MAK

750

425

16 (3.8 %)

Monsternames afvalstoffen, bodem en grondwater Sinds 2007 hanteert de afdeling een richtfrequentietabel waarin wordt vastgelegd waar en hoe dikwijls afvalstoffen worden bemonsterd, rekening houdend met het beschikbare budget. Deze planning omvat bemonsteringen bij afvalproducerende en –verwerkende bedrijven en bij producenten van secundaire grondstoffen. Een gedeelte van het budget wordt voorbehouden voor de bemonstering en analyse van afvalstoffen in niet geplande situaties. Metingen lucht en geluid

Resultaten afvalwatercontroles 842

- met steekproef

618

- met uitgebreide controle

224

aantal monsters

2.119

bedrijven één of meermaals in overtreding

Parameter

35 2.119

Monsternames afvalwater

gecontroleerde bedrijven

Analyse van stikstof (N), fosfor (P) en monoaromatische koolwaterstoffen (MAK) in afvalwater

91

Voor het lozen van afvalwater met een te hoge concentratie van één of meerdere monoaromatische koolwaterstoffen kregen in 2009 16 van de 425 gecontroleerde bedrijven een PV.

Net zoals monsternames zijn ook metingen noodzakelijk om een efficiënte controle mogelijk te maken of om de juiste graad van verontreiniging of overtreding te bepalen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal uitgevoerde metingen in 2009. Overzicht van het aantal routinemetingen lucht

109

geluid

78

Controles van koelinstallaties MI controleert jaarlijks de exploitatie van koelinstallaties in bedrijven. Voorkomen en beperken van lekken aan koelinstallaties is belangrijk voor zowel de bescherming van de stratosferische ozonlaag als de bestrijding van het broeikaseffect.

44 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie


Aanvankelijke processen verbaal

Overzicht geteste koelinstallaties Aantal geteste installaties

Lekkende installaties (%)

Totaal aantal gevonden lekken

R22

85

74

153

R507 + R507a

10

40

8

R404a

22

36

Koelmiddel

Totaal aantal

456

aantal prioritaire processen-verbaal

208 (46%)

aantal niet-prioritaire processen-verbaal

248 (54%)

wegens geen of gedeeltelijke vergunning

165

16

wegens niet naleven voorwaarden

330

andere wetgevingen

48

R134a

21

9,5

3

R407 + R407c

19

5,2

1

Processen-verbaal Een aanvankelijk proces-verbaal wordt opgesteld na de vaststelling van een overtreding van de milieuhygiĂŤnewetgeving en wordt verstuurd naar de procureur des Konings. In ĂŠĂŠn proces-verbaal kunnen verschillende overtredingen worden opgenomen. Bij het overzicht van de opgestelde processen-verbaal wordt er een onderscheid gemaakt tussen inbreuken tegen het Milieuvergunningsdecreet en inbreuken tegen andere wetgeving. Binnen het Milieuvergunningsdecreet wordt er verder een onderscheid gemaakt tussen het ontbreken van een (volledige) vergunning en het niet-naleven van de voorwaarden. In de onderstaande tabel is de som van de laatste drie rijen daarom groter dan het getal in de eerste rij. Sinds de prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse gewest op 30 mei 2000 werd goedgekeurd door de Commissie Vervolgingsbeleid (verder prioriteitennota genoemd), en de aangepaste code van goede praktijk voor het proces-verbaal vanaf 1 januari 2001 van kracht werd, kan MI in een proces-verbaal melding maken van het prioritaire karakter van een overtreding volgens de criteria die in de prioriteitennota zijn opgenomen.

Naast de aanvankelijke processen-verbaal worden ook heel wat navolgende processen-verbaal opgesteld. Daarmee worden aanvullende inlichtingen over een aanvankelijk proces-verbaal aan de procureur des Konings bezorgd. Dat gebeurt op eigen initiatief van MI of na een kantschrift van het parket. Zo worden gegevens verstrekt over de administratiefrechtelijke voortgangscontrole door MI, wordt een verklaring van de strafrechtelijk verantwoordelijke van het bedrijf doorgestuurd of wordt gemeld dat feiten opnieuw werden vastgesteld. Als het bedrijf na een aanmaning van MI aan alle voorschriften voldoet, wordt dat eveneens gemeld. Navolgende processen verbaal Totaal aantal

717

Maatregelen Op 1 mei 2009 trad het nieuwe handhavingsdecreet in werking. Dit heeft een belangrijke invloed op de manier waarop de afdeling Milieu-inspectie dossiers aanpakt die na een aanmaning een verdere aanpak vragen. Raadgevingen en aanmaningen Als MI bij een inspectie geen overtredingen vaststelt maar aanwijzingen heeft dat er in de toekomst wel een overtreding kan ontstaan, bijvoorbeeld omdat nieuwe of aangepaste wetgeving in voege zal treden of omdat

Het jaar in cijfers

- 45


de toezichthoudende ambtenaren vanuit hun expertise oordelen dat installaties zouden kunnen falen, dan kan een raadgeving aan de exploitant worden verstuurd om er voor te zorgen dat conformiteit met de wetgeving continu wordt verzekerd. Stelt MI evenwel overtredingen vast, dan wordt de exploitant steeds aangemaand om de toestand te saneren en om alle toepasselijke bepalingen in wetten, decreten, besluiten en vergunningen na te leven. Gewoonlijk volstaat een aanmaning om te komen tot de nodige saneringen. Een aanmaning bestaat in de meeste gevallen uit verschillende deelaanmaningen, die tegen verschillende data moeten uitgevoerd worden. Pas als alle deelaanmaningen zijn uitgevoerd, registreert MI dat de sanering is uitgevoerd.

uitgebaat werd (deels) zonder vergunning, kon MI de burgemeester voorstellen de stopzetting van de activiteiten te bevelen, toestellen te verzegelen of de inrichting te sluiten. Vraag tot optreden van de burgemeester Vraag aan de burgemeester

10

Opgetreden door de burgemeester of gesaneerd door de exploitant

10

Dwangmaatregelen Indien MI voor 1 mei 2009 de burgemeester voorstelde om de stopzetting van de activiteiten te bevelen, toestellen te verzegelen of de inrichting te sluiten én als de burgemeester niet of onvolkomen optrad, kon MI die maatregelen zelf treffen. Ook als een inrichting geëxploiteerd werd in strijd met de vergunningsvoorwaarden en de exploitant weigerde gevolg te geven aan gegeven aanmaningen, kon MI zelf dwangmaatregelen opleggen. Dwangmaatregelen opgelegd door MI Nieuwe dwangmaatregelen opgelegd door MI

4

Lopende dwangmaatregelen uitgevoerd door MI

7

Raadgevingen en aanmaningen zonder proces verbaal

1.178

gesaneerd

1.249

na proces verbaal

384

gesaneerd

449

Vraag tot optreden van de burgemeester Naast de toezichthouders van MI hadden ook de burgemeesters tot 1 mei 2009 een belangrijke rol bij de handhaving van de milieuhygiënewetgeving. Ze vervulden een sleutelrol bij het opleggen van dwangmaatregelen, ook voor een klasse 1-inrichting. Als een klasse 1-inrichting

46 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

Bestuurlijke maatregelen Met de inwerkingtreding van het nieuwe milieuhandhavingsdecreet kunnen de toezichthouders van de afdeling Milieu-inspectie bestuurlijke maatregelen opleggen wanneer zij een milieumisdrijf of een milieu-inbreuk vaststellen. Overzicht bestuurlijke maatregelen Bevel tot staking

2

Bevel tot regularisatie

0

Bestuursdwang

3

Combinatie van bovenstaande bestuurlijke maatregelen

0


Veiligheidsmaatregelen Veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen waarbij de toezichthouders alle handelingen kunnen stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten om een aanzienlijk risico voor mens of milieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren. Ook de veiligheidsmaatregel is een nieuw instrument dat sinds 1 mei 2009 ter beschikking staat van de toezichthouder. Overzicht veiligheidsmaatregelen

Voorstellen tot schorsing en/of opheffing vergunning Als een exploitant de bepalingen van het Milieuvergunningendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, of de vergunningsvoorwaarden niet naleeft, kan de bevoegde overheid de vergunning geheel of gedeeltelijk schorsen of opheffen, alsook de vergunningsvoorwaarden wijzigen of aanvullen. Dat alles kan gebeuren op voorstel van een toezichthouder. Voorstellen tot schorsing of opheffing van de vergunning

De stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten, ogenblikkelijk of binnen een bepaalde termijn

2

Een verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt

0

De gehele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting

0

Het nemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren

0

Het niet betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen

0

Aantal voorstellen

4

Aantal geschorst

1

Aantal nog in behandeling

1

Aantal niet ingewilligd

2

Resultaten van het MIP 2009

Het jaar in cijfers

- 47


Een aantal projecten en cases Ketenhandhaving & havencontroles

Algemeen De afvoer en verwerking van afvalstoffen vanaf de producent is een proces dat in verschillende tussenstappen plaatsvindt. Er kunnen meerdere verwerkers betrokken zijn, ook actoren die de overdracht tussen de verwerkers bewerkstelligen (vervoerders, overslagbedrijven) of faciliteren (overbrengers, handelaars…). Afvalstoffen volgen dus een traject dat een stroom of keten kan genoemd worden. Dit is een concept dat in ruime zin opgevat kan worden (bv. de “asbestketen”) of in enge zin (het reële traject dat een welbepaalde afvalpartij gevolgd heeft). De milieu-wetgeving heeft als doel om enerzijds het niveau van de hinder te beperken ter hoogte van de verwerkers, maar anderzijds ook de volledige afvalstromen in goede banen te leiden. Handhaving van een afvalstroom kan dus niet gelimiteerd worden tot het aspect van onmiddellijke hinder door de verwerker, maar moet ook bijzondere aandacht hebben voor de overdrachtsmomenten (vervoer, verkoop…) waarop de afvalstroom gedevieerd kan worden van de richting die door de wetgever als wenselijk wordt geacht. Het geïntegreerde toezicht op de verschillende stappen in een afvalstroom wordt ketentoezicht genoemd. Integraal toezicht op een keten betekent ook dat de verschillende uitgevoerde inspecties (controles van transporten, registers of verwerkingsinstallaties) geen doel op zich vormen, maar slechts een middel zijn om het algemene doel te bereiken, met name de afvoer van afvalstoffen naar de wettelijk toegelaten “eindbestemming” mee te garanderen. Sinds MI in mei 2006 de taak van de handhaving van een groot deel van de afvalstoffenwetgeving van OVAM heeft overgenomen, vult zij het ketentoezicht in door middel van drie projecten.

De projecten P650 (wegcontroles) en P651 (havencontroles) richten zich uitsluitend op de transportfase. Door deze controles apart te vermelden in het MIP kan MI garanderen dat er jaarlijks een aantal gecoördineerde transportcontroles uitgevoerd worden. Met project P654 werd in het MIP capaciteit gereserveerd om controles uit te voeren bij verschillende actoren die betrokken zijn bij een afvaloverbrenging, en dit telkens naar aanleiding van een vaststelling in een andere controle door MI. Zo zal een vaststelling van een illegaal afvaltransport tijdens een havencontrole (P651) gevolgd kunnen worden door een registercontrole (P654) van de betrokken opdrachtgever. Naast deze geplande controles reageert MI ook op meldingen van douane, politie en andere inspectie-entiteiten, i.v.m. al dan niet illegale afvaltransporten. Milieu-inspectie voorziet in elke buitendienst één personeelslid dat gespecialiseerd is in de controle op afvaltransporten. Deze toezichthouders worden ondersteund door een groep back-ups.

Wegcontroles MI neemt jaarlijks deel aan minstens 20 transportcontroles langs de openbare weg. Deze worden steeds in samenspraak met de federale of lokale politie-eenheden uitgevoerd, waarbij MI voornamelijk technische ondersteuning voorziet. De transportcontroles zijn gelijkmatig verspreid over het hele Vlaamse gewest. In 2009 nam MI deel aan 21 wegcontroles, waaronder enkele grote acties in de gerechtelijke arrondissementen Oudenaarde, Brugge, Kortrijk en Gent. In totaal werden er 183 afvaltransporten gecontroleerd. 27% van die af-

Projecten en cases

- 49


valtransporten was in overtreding met één of meer aspecten van de afvalstoffenwetgeving. Dit ligt in lijn met de voorgaande jaren: bij ca. ¼ van de gecontroleerde wegtransporten met afval, stelt MI een overtreding vast. Het gros van die overtredingen (6 op 10) slaat nog steeds op het identificatieformulier, dat ontbreekt, onvolledig is of foutief werd ingevuld.

baarheid van die informatie voortdurend verandert, moeten de inspecteurs hun selectiemethodes voortdurend aanpassen.

Bijkomend werden nog twee transportcontroles georganiseerd uitsluitend gericht op het vervoer van medisch afval. MI deed hiervoor geen beroep op de stopbevoegdheid van de politie, maar controleerde vrachtwagens bij aankomst bij verwerkers van medisch afval. Tijdens deze twee acties moest MI vaststellen dat geen enkel van de in totaal 25 transporten volledig conform de wetgeving was.

c) administratieve afhandeling: containers die na visuele inspectie duidelijk illegaal blijken, of nog verder onderzoek behoeven, worden administratief geblokkeerd, waarna de communicatie met de exporteur start.

Havencontroles De controles die MI uitvoert in de zeehavens (Antwerpen Rechteroever, Waaslandhaven en Zeebrugge) zijn bijna uitsluitend gericht op de uitvoer van afvalstoffen naar zogenaamde niet-OESO-landen, dit zijn de landen die niet zijn aangesloten bij de OESO en waarvoor bijzondere, eerder restrictieve regels gelden m.b.t. grensoverschrijdende afvaltransporten. De controles van MI vinden voornamelijk plaats op containertrafiek, en in mindere mate op afval dat als bijlading met tweedehandsvoertuigen wordt geëxporteerd. Containercontroles gebeuren steeds in drie stappen: a) selectie: de inspecteurs moeten erin slagen om uit de hoeveelheid van duizenden containers die dagelijks door de havens passeren, net die containers te selecteren die afval bevatten, en bij voorkeur degene met een hoge kans op overtreding. De selectie gebeurt op basis van de beschikbare informatie, zoals transportdocumenten en douane-aangiftes. Omdat de vorm, inhoud en beschik-

b) visuele inspectie: de geselecteerde “verdachte” containers worden uit de stapels gehaald (“vrijgezet”) en door de inspecteurs geopend om de lading te bekijken. Hierbij worden strikte veiligheidsmaatregelen gerespecteerd. De containeratmosfeer wordt vóór opening bemeten met gasmeter en drägerbuisjes. Containers die te vol geladen zijn, worden niet op de kaai geopend, maar worden afgeleid naar een locatie met aangepaste infrastructuur om containers leeg te storten.

MI plant jaarlijks een 20-tal van dergelijke acties, waarbij telkens gemiddeld 10 containers geopend worden. Deze acties worden samen met collega’s van de Federale Leefmilieu-inspectie en de Scheepvaartpolitie uitgevoerd. Daarnaast handelt MI ook de meldingen van verdachte afvaltransporten af die worden doorgegeven door douane, FLI en Scheepvaartpolitie. Resultaten 2009 De resultaten van MI’s havencontroles in 2009 worden beïnvloed door de terugval van de afvalexport door de globale crisis, sinds het najaar van 2008. Een andere belangrijke factor was de algemene invoering van het elektronisch douane-aangiftesysteem in 2009, waardoor de selectie van verdachte containers niet vergemakkelijkt werd. MI inspecteerde in 2009 in totaal 332 partijen (containers en voertuigen geladen met afval). Hiervan waren er minstens 196 afkomstig uit het Vlaamse Gewest. T.o.v. 2008 betekent dit een stijging met meer dan 50%, terwijl de personeelsinzet gelijk bleef. De stijging is deels te verklaren door een toename van de meldingen van Douane en FLI aan MI, maar ook door de organisatie van grote ge-

Evolutie vaststellingen tijdens wegcontroles. Jaar Aard Totaal met afval Overtreding

50 -

2006 Totaal

2007

Internationaal

Totaal

10%

158

117 27%

2008

Internationaal

Totaal

26%

302

22%

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

2009

Internationaal

Totaal

29%

183

27%

Internationaal 24% 27%


coördineerde acties waarbij op korte tijd enkele tientallen containers op één schip gecontroleerd worden. Van deze 196 partijen waren er 28 (14%) illegaal. Evolutie aantal gecontroleerde partijen. 2006

2007

2008

2009

Totaal gecontroleerd

71

190

225

332

Vlaamse oorsprong

35

81

112

196

Illegaal van Vlaamse oorsprong

5

10

23

28

14%

12%

21%

14%

% Illegaal van Vlaamse oorsprong

Export naar Azië (2009) De meest geïnspecteerde afvalstoffen in 2009 blijven metaalschroot (77 partijen), kunststof (49), papier (20) en kabelafval (11), en in mindere mate elektronisch schroot (2). Die worden voornamelijk voor recyclagedoeleinden naar Azië uitgevoerd, i.h.b. China Mainland, Hong Kong en India. Het percentage vastgestelde overtredingen op deze afvalstromen is sterk gedaald, van 23% illegale transporten in 2008 naar 13% in 2009. De belangrijkste verklaring hiervoor is de terugval in de activiteiten van enkele Belgische exporteurs die in de voorgaande jaren regelmatig illegale transporten van elektronisch afval en teerhoudend kabelafval naar China organiseerden. Deze bedrijven waren in 2008 het onderwerp van gerichte acties door de inspectiediensten in de Antwerpse haven, wat dus resulteerde in een sterke vermindering van het aantal vastgestelde illegale transporten in 2009. De uitvoer naar onbekende en/of niet-vergunde verwerkers in het Verre Oosten blijft een probleem. Veel Europese exporteurs van (meestal ongevaarlijk) afval staan weigerachtig tegenover het vrijgeven van de gegevens van de eindverwerker in bv. China of Hong Kong, dikwijls omwille van het commerciële geheim, soms omdat ze inderdaad niet weten waar hun afval effectief verwerkt zal worden.

Nochtans verplicht de Europese EVOA-regelgeving aan de exporteurs om deze informatie bij het transport te voegen. De bevoegde overheden zoals MI zijn eveneens verplicht om na te gaan of het materiaal op ecologisch verantwoorde wijze verwerkt wordt. Export naar Afrika (2009) Naast de export van afvalstromen voor recyclage in Azië, controleerde MI in 2009 ook meer op de uitvoer naar Afrika. Dit was al voorzien in het Milieu-inspectieplan 2009, maar kreeg een extra impuls door de uitzendingen op Canvas begin februari 2009, waarbij de TV-makers lieten zien hoe grote hoeveelheden elektrisch en elektronisch afval zoals oude koelkasten, PC’s,… onder het mom van “tweedehandsgoederen” via de Antwerpse haven naar Afrika verscheept werden om daar gekannibaliseerd, gedumpt, of in erbarmelijke omstandigheden gerecycleerd te worden. MI werd hierover gehoord tijdens een hoorzitting van de Commissie Leefmilieu van het Vlaams Parlement op 23 april 2009. MI controleerde in 2009 21 partijen met bestemming Ghana, Kameroen, DR Congo… en stelde vast dat er in 12 gevallen gevaarlijk afval zoals kapotte monitoren, en/of CFK-houdende koeltoestellen uitgevoerd werden. Deze inspecties leiden in veel gevallen tot onvermijdelijke discussies met de eigenaars over de status van de goederen: “tweedehands” of “afval”, waarbij MI haar beslissing baseert op een Europees “guidance document” terzake. MI heeft deze criteria ook toegelicht aan de verzamelde expeditiebedrijven en kaaiuitbaters die het logistieke deel van deze handel verzorgen, tijdens een workshop in september 2009, georganiseerd door Alfaport en het Antwerpse Havenbedrijf. MI is immers van mening dat deze firma’s hun verantwoordelijkheid moeten opnemen om deze illegale stroom te stoppen.

Projecten en cases

- 51


Samenwerkingsprojecten Als politiek antwoord op de uitzendingen van Canvas nam de Vlaamse overheid het initiatief om het oude Samenwerkingsakkoord van 1994 rond het beleid inzake grensoverschrijdende afvaltransporten, opnieuw leven in te blazen. Samen met OVAM, de andere betrokken gewestelijke milieu-administraties, Financiën (douane), Binnenlandse Zaken (dienst Leefmilieu van de Federale Politie), Justitie en het Openbaar Ministerie, werkte MI een nieuw Samenwerkingsakkoord uit dat principieel goedgekeurd werd op de Interministeriële Conferentie Leefmilieu van 14 december 2009. Het akkoord voorziet in een verstevigde rol voor een coördinatiegroep die o.a. zal instaan voor het ontwikkelen van gezamenlijke procedures voor inspecties, opsporing en vervolging, en voor het afstemmen van de inspectieprioriteiten. Op arrondissementeel niveau spelen de parketten van Dendermonde en Antwerpen sinds 2008 een voortrekkersrol met het Project Afvalfraude Antwerpen, dat alle diensten, die betrokken zijn in de controle op afvalexport in het Antwerpse havengebied, verenigt, MI inbegrepen. Waar processen-verbaal voor illegale uitvoer in het verleden nog regelmatig geseponeerd of met een kleine minnelijke schikking beslecht werden, garanderen deze twee parketten nu meer en snellere opsporingsonderzoeken en vorderingen.

Controles grondwaterwinning: een overzicht (2005-2009) Werkgroepwerking De controles die verband houden met de bodem- of grondwaterproblematiek worden binnen MI gecoördineerd door de werkgroep Bodem & Grondwater. Hierin is elke buitendienst van de afdeling met een toezichthouder vertegenwoordigd, alsook een werkgroepgangmaker vanuit het Hoofdbestuur. Na een periode van inactiviteit is de werkgroep in het najaar van 2004 terug opgestart om vervolgens, via verschillende acties en projecten, een vast onderdeel te vormen van het jaarlijkse MIP. Gedurende de periode 2005-2009, en ook vandaag nog, maakt het controleren van grondwaterwinningen in Vlaanderen de hoofdmoot uit van de activiteiten waarmee deze

52 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

werkgroep zich bezighoudt. Deze controles gebeuren zowel actief bij de bedrijven op het terrein als administratief (controle van de zelfcontrole). Over deze tweede vorm van controles op grondwaterwinningen vindt u verder in dit handhavingsrapport meer verduidelijking. Daarnaast heeft de werkgroep in het verleden ook een aantal kleinere acties en projecten uitgevoerd, zoals het opstellen van een methodiek voor het vaststellen van een bodemverontreiniging, controles op bodemverontreiniging bij kleiduivenschietstanden en controles van mestopslagplaatsen. Hierover is meer informatie terug te vinden in de handhavingsrapporten van de voorgaande jaren. In 2009 is er tevens een nieuw project opgestart m.b.t. de opvolging van de grondwaterkwaliteit rond stortplaatsen, maar verdere controles zijn nog noodzakelijk om een meer uitgebreide rapportering hierover mogelijk te maken.

Grondwater in Vlaanderen Grondwater is één van de natuurlijke rijkdommen in de Vlaamse ondergrond. Het bevindt zich voornamelijk in de zandige Tertiaire geologische afzettingen, maar ook de grindformaties, krijt- en mergelafzettingen en het gespleten vast Primair gesteente in de Paleozoïsche Sokkel bevatten belangrijke grondwaterhoeveelheden. Met uitzondering van de bovenste of freatische watervoerende laag, worden de diepere watervoerende lagen van nature afgesloten door slecht doorlatende, vaak kleiige, geologische pakketten. Deze diepere watervoerende lagen staan meestal onder druk en vertonen veelal een meer constante en betere kwaliteit dan het freatische grondwater. Ze zijn immers minder beïnvloedbaar door de effecten van de seizoenen (vb. langere periodes van droogte) of het landgebruik (vb. bemesting). Het grondwater stopt natuurlijk niet aan de Vlaamse grens, noch is de stroming ervan noodzakelijk gebonden aan de gekende hydrografische bekkens. Afhankelijk van de plaatselijke hydrogeologische situatie is er in- en uitstroom van het grondwater van en naar de ons aangrenzende landen of gewesten. De infiltratie van neerslag die in Vlaanderen valt is zodus slechts een zeer gering deel van de grondwatervoeding en het grondwater in de diepe watervoerende lagen is soms tientallen jaren vanuit zijn intrekzone ‘onderweg’ alvorens het Vlaanderen bereikt. Afhankelijk van de regio en de watervoerende laag is de


grondwatervoeding soms aanzienlijk lager dan de onttrekking, met verdroging tot gevolg. Verschillende sectoren maken, via hun grondwaterwinning, dagelijks gebruik van het ondiepe en diepe grondwater. Daarnaast worden er ook boringen uitgevoerd voor andere doeleinden zoals geothermie (voor vb. verwarming en/of koeling van bedrijfsgebouwen), peilputten, verkenningsboringen… Deze installaties kunnen de verschillende watervoerende en scheidende lagen doorboren en aldus een impact hebben op de kwantiteit en kwaliteit van het daarin aanwezige grondwater. Vandaar de noodzaak om deze natuurlijke rijkdom adequaat te beschermen.

Grondwaterwinning Voor de aanleg en exploitatie van een grondwaterwinning is quasi steeds een Vlarem-milieuvergunning of melding vereist. De enige uitzonderingen op deze regel zijn de grondwaterwinningen uitsluitend uitgerust met een handpomp en die voor huishoudelijke toepassingen met een jaarlijks onttrokken volume kleiner dan 500m³. Naargelang de grootte, noodzaak of ligging van de grondwaterwinningen worden deze ingedeeld in de eerste, tweede of derde klasse. Deze laatste, slechts meldingsplichtige, winningen kunnen niettegenstaande hun indeling toch jaarlijks aanzienlijke volumes grondwater onttrekken. De meest courante voorbeelden hiervan zijn de, al dan niet permanente, bronbemalingen die verband houden met de aanleg of exploitatie van bouwwerken. Daarnaast worden er voor bodemsaneringswerken ook langdurig grotere volumes grondwater onttrokken, doch die winningen worden ‘vergund’ met toepassing van het Bodemdecreet. Eind 2009 zijn er ca. 23.000 Vlarem-vergunde grondwaterwinningen in Vlaanderen gekend (Bron: Databank Ondergrond Vlaanderen). Daarvan maken er ca. 5.000 deel uit van een klasse 1 – ingedeelde inrichting. 726 grondwaterwinningen hiervan zijn winningen met een vergund jaarvolume groter dan 30.000m³, het voornaamste criterium vanaf wanneer de grondwaterwinning zelf een klasse-1 activiteit is. Deze winningen onttrekken grondwater uit alle watervoerende lagen in Vlaanderen vanaf een diepte van enkele meters tot verschillende honderden meters onder het maaiveld. In regel wordt bij de vergunning het diepe grondwater, van zeer goede kwaliteit, voorbehouden voor hoogwaardige toepassingen. Het hergebruik van het grondwater en andere waterbesparende maatregelen worden ook gestimuleerd. Op jaarbasis is er, op basis van de Vlarem-regelgeving, ca. 440 miljoen m³ onttrekkingsvolume effectief vergund (klasse 1 of 2). De sector met

het grootste aandeel hierin is de drinkwatersector, gevolgd door de industrie, de landbouw en de handel en overige diensten. In realiteit worden de effectief onttrokken volumes geschat op 60% van de vergunde hoeveelheid, wat nog steeds overeenkomt met 260 miljoen m³ per jaar. De volumes onttrokken door particuliere winningen, meldingsplichtige winningen of saneringswerken zijn hierbij niet inbegrepen. De verplichte milieuvergunning, de vergunde hoeveelheid en de voorwaarden opgelegd in de milieuvergunningen vormen aldus een eerste belangrijk onderdeel van het grondwaterbeheer. Ze zijn er op gericht om de grondwatervoorraden in Vlaanderen te beschermen.

Noodzaak en organisatie van de controles op grondwaterwinningen Een grondwaterwinning heeft, naast de evidente impact op de grondwaterkwantiteit door het onttrekken zelf, ook een potentieel effect op de grondwaterkwaliteit. Een te sterke verlaging van het grondwaterpeil door de onttrekking kan in de diepere watervoerende lagen, door een te sterke drukafbouw, beluchting en daardoor een verslechtering van de grondwaterkwaliteit teweeg brengen. Door o.a. constructiefouten bij de aanleg van grondwaterwinningen, een slecht beheer van de winning of het fout afsluiten van verlaten winningen kan verontreiniging mogelijk doordringen tot de diepere watervoerende lagen. De impact op de grondwaterkwantiteit is natuurlijk het grootst voor de grotere (vaak klasse 1) winningen, maar voor de grondwaterkwaliteit is deze evenredigheid echter helemaal niet van toepassing. Een slecht beheerde of verlaten boorput is steeds een ernstig risico voor de grondwaterkwaliteit, ongeacht het volume dat daaruit al dan niet onttrokken wordt of werd. Aangezien de grondwatervoorraden van Vlaanderen nu en voor de toekomst zowel kwantitatief als kwalitatief moeten worden veilig gesteld, is naast het vergunningenkader een doeltreffende handhaving van de toepasselijke regelgeving op het terrein een essentieel onderdeel voor het grondwaterbeleid en -beheer in Vlaanderen. In de periode 2005-2009 werden er door MI, gespreid over heel Vlaanderen, 290 grondwaterwinningen op het terrein aan een uitgebreide controle onderworpen.

Projecten en cases

- 53


De specifieke aantallen per jaar worden weergegeven in onderstaande tabel. Jaartal

Aantal gecontroleerde grondwaterwinningen

2005

74

2006

63

2007

56

2008

49

2009

48

Gelet op de toezichtsbevoegdheden van MI concentreerden de controles van de grondwaterwinningen zich voornamelijk op de grotere grondwaterwinningen en/of deze bij de klasse 1 – ingedeelde bedrijven. De hierna volgende evaluatie doet aldus geen uitspraak over grondwaterwinningen op klasse 2 – bedrijven noch deze uit de derde klasse die slechts meldingsplichtig zijn. Het toezicht op deze winningen valt hoofdzakelijk onder de bevoegdheid van de lokale toezichthouders. Het toezicht op de winningen noodzakelijk voor bodemsaneringswerken valt uitsluitend onder de bevoegdheid van OVAM. De 290 door MI gecontroleerde grondwaterwinningen vertegenwoordigen ca. 30% van het totaal aantal klasse 1 winningen (>30.000m³/jaar) en 6 % van de klasse 1 bedrijven waar grondwaterwinning een deel van uitmaakt, gebruik makend van de vergunningscijfers van eind 2009 zoals hoger aangehaald. Voor de selectie van de te controleren bedrijven worden, naast de vergunningsklasse, nog verschillende overige criteria aangewend waaronder: -- bedrijven of sectoren met een twijfelachtige reputatie wat betreft grondwaterwinning; -- bedrijven waarbij uit de zelfcontrole grondwater ernstige tekortkomingen blijken;

54 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

-- recent (her)vergunde grondwaterwinningen; -- illegale grondwaterwinningen (vb. melding VMM, klachten…); -- grondwaterwinningen in overgeëxploiteerde watervoerende lagen en/of die meer onttrekken dan het vergunde volume; -- grondwaterwinningen met strikt op te volgen bijzondere voorwaarden. Als voorbereiding op een controle wordt de administratief vergunde toestand overlopen. Inzake grondwaterwinning zijn hiervoor vooral van belang: het vergunde volume, de vergunde diepte en daaraan gebonden watervoerende laag, het aantal winningsputten, het vergunde gebruik voor het grondwater en de eventueel opgelegde bijzondere voorwaarden. Daar waar voorhanden kunnen de door het bedrijf gemelde gegevens uit het verleden in het dossier worden opgezocht (IMJV, verwijdering debietmeters…) alsook de resultaten van eventuele voorgaande controles. De terreincontroles gebeuren zowel aangekondigd (voornamelijk van toepassing voor onbemande inrichtingen) als onaangekondigd. Ter plaatse worden verschillende aspecten die verband houden met de grondwaterwinning doorgelicht waaronder: -- de vergunde toestand (aantal en diepte van de putten, onttrokken volumes, gebruik van het grondwater) in vergelijking tot de toestand op het terrein; -- de noodzakelijke technische gegevens over de boorputten en debietmeters; -- de aanwezige registers (debiet- en peilregistratie, grondwateranalyses); -- de afwerking en het beheer van de productie- en peilputten;


-- het correct herboren en/of afsluiten van verlaten boorputten; -- het voldoen aan de sectorale en bijzondere voorwaarden; -- de zelfcontrole; -- de IMJV- en heffingsplicht. Daar waar relevant worden de grondwaterstanden door de toezichthouders effectief opgemeten of wordt er een staal van het grondwater genomen voor verdere chemische analyse in het laboratorium. Bij de rondgang op het bedrijf kan er ook aandacht geschonken worden aan eventuele andere risico’s naar bodem- of grondwaterverontreiniging. De vastgestelde gebreken worden opgenomen in het inspectieverslag met bijlagen en opgevolgd via de toezichtsbevoegdheden die MI hiervoor tot haar beschikking heeft, waaronder het opstellen van raadgevingen, aanmaningen en processen-verbaal. Bij ernstige gebreken aan de grondwaterwinning, die onmiddellijk optreden vereisen, kunnen bestuurlijke maatregelen worden opgelegd.

Resultaten van de controles op grondwaterwinningen Een overzicht en evolutie van het percentage bedrijven met vastgestelde gebreken op het gebied van de grondwaterwinning is weergegeven in de onderstaande grafiek. Uit deze grafiek blijkt enerzijds dat het percentage gecontroleerde bedrijven waar een of meerdere gebreken werd vastgesteld daalt van 82% in 2005 tot 67% in 2009. Hoewel dit een gunstige evolutie is, blijft het percentage bedrijven met gebreken hoog. Daarbij dient wel onmid-

dellijk vermeld te worden dat niet elke tekortkoming die wordt vastgesteld een even grote milieu-impact heeft. Zo vormen slecht afgewerkte of beheerde productieputten een groter risico voor de grondwaterkwaliteit dan het niet jaarlijks uitvoeren van een verplichte grondwateranalyse. Een illegale grondwaterwinning of zwartpomper is ook nefaster voor het beheer van de grondwaterkwantiteit dan het niet maandelijks registreren van de tellerstand van de aanwezige debietmeter. Anderzijds kan worden afgeleid dat, hoewel het percentage bedrijven met gebreken daalt in de periode 20052009, er in diezelfde periode gemiddeld een stijging is van het aantal vastgestelde gebreken per bedrijf. De oorsprong hiervan is o.a. terug te vinden in het feit dat de expertise en de ervaring van de afdeling in deze materie in de loop der jaren is toegenomen en dat ten gevolge van de uitgevoerde controlecampagnes er meer ruchtbaarheid aan het thema wordt gegeven. Bijgevolg komen er ook meer meldingen of klachten binnen die een aanleiding kunnen vormen voor een doorgedreven controle ter plaatse. Zo is er bij de controles in 2009 extra aandacht besteed aan mogelijke zwartpompers, wat ook duidelijk te merken is als een stijging dat jaar in het onderdeel ‘vergunde toestand’. Een mogelijke bijkomende verklaring voor deze hoge cijfers is eigen aan de activiteit zelf. Hoewel het belang van het aspect grondwaterwinning, mede ondersteund door het stringent vergunningenbeleid, hoe langer hoe meer wordt benadrukt is de grondwaterwinning voor de meeste bedrijven slechts een nevenactiviteit. Belangrijk te vermelden uitzonderingen hierop zijn bijvoorbeeld de drinkwatersector en de drankenindustrie. De grondwaterwinning is tevens, veelal letterlijk, een van de minst

Projecten en cases

- 55


zichtbare activiteiten van de bedrijfsvoering. Dit alles maakt dat de aandacht voor de grondwaterwinning, na het verkrijgen van een vergunning, snel kan verminderen. Zo is de juiste identificatie en ligging van de productie- of peilputten met de daaraan verbonden leidingen of meters soms voor de exploitant zelf nog een zoekwerk. Zeker wanneer er in het verleden putten buiten gebruik werden gesteld. Een verlaten put wordt zo snel een vergeten put. De specifieke sectorale Vlarem-wetgeving m.b.t. grondwaterwinning, meestal niet letterlijk opgenomen in de milieuvergunning, of zelfs de bijzondere voorwaarden zijn regelmatig onvoldoende gekend. De noodzakelijke technische of administratieve documenten zoals ijkingsattesten, boorstaten of analyseverslagen kunnen in eerste instantie veelal niet worden voorgelegd en dienen, indien nog voorhanden, bij andere leveranciers te worden opgevraagd. Het taartdiagram geeft de procentuele verdeling weer van de meest courante elementen uit de aanmaningen, raadgevingen of processen-verbaal gedurende heel de periode. Kleinere gebreken die via andere mondelinge of schriftelijke communicatie werden gesaneerd worden hierin niet weergegeven. Uit dit diagram blijkt dat zowel naar grondwaterkwaliteit als –kwantiteit verschillende gebreken kunnen worden onderscheiden bij de gecontroleerde bedrijven. Wat de kwantiteit van het grondwater betreft werden er tekortkomingen vastgesteld bij zowel de debiet- als de peilmetingen en hun registratie. 28 bedrijven pompten beduidend meer grondwater op dan vergund was, bij 39 bedrijven was er een mogelijk aftappunt voor de debiet meter aanwezig en 130 bedrijven beschikten niet over een goede of correct geijkte debietmeter. Het niet aan MI melden van het verwijderen of vervangen van de debietmeter werd bij 18 bedrijven aangemaand. Bij evenveel bedrijven gebeurden de debietmetingen niet volgens de voorwaarden uit de vergunning. 105 bedrijven beschikten niet over het verplicht aantal aan te leggen peilputten en 86 bedrijven voerden de peilmetingen niet of onvolledig uit. Bij 61 bedrijven waren de registers voor de debiet- en peilmetingen onvoldoende of afwezig. In verband met de grondwaterkwaliteit werden ook verschillende gebreken vastgesteld. De afwerking van de productieput was bij 135 bedrijven ontoereikend, met een mogelijk verontreinigingsrisico tot gevolg. De verplichte chemische analyses van het grondwater gebeur-

56 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

den bij 90 bedrijven niet of onvolledig. Oude verlaten productieputten, tevens een belangrijke potentiële bron voor verontreiniging, werden bij 53 bedrijven niet correct buiten gebruik gesteld. 22 bedrijven beschikten niet over een volledig vergunde grondwaterwinning en 11 bedrijven hadden een in de vergunning opgelegde grondwaterstudie niet of onvolledig uitgevoerd of de conclusies ervan niet toegepast. 77 bedrijven tenslotte werden aangemaand om bijkomende gegevens, die ter plaatse niet voorhanden bleken, op te vragen en na te sturen. In de periode 2005-2009 werden in het kader van deze projectmatig geplande controles op de grondwaterwinning 37 bedrijven geverbaliseerd, 210 bedrijven werden aangemaand om de gebreken te remediëren en 17 bedrijven ontvingen een raadgeving.

Knelpunten bij de controles Zoals hoger aangehaald is bij de bedrijven meestal het grootste deel van de grondwaterwinning onzichtbaar. Dit begint bij de productieputten zelf, waar enkel de putkelder en een kort stuk van het leidingenwerk kan worden nagekeken. Het grootste gedeelte van de putten zit soms ettelijke honderden meters diep onder de grond en de correcte installatie ervan is, na de aanleg, nog maar moeilijk te verifiëren. Zeker wanneer documenten zoals een duidelijke boorstaat of putschema ontbreken is het geen evidentie om na te gaan of de diepte en afwerking van de put overeenstemt met de gegevens uit het vergunningsdossier. De in de put ingebouwde pomp en leidingen belemmeren immers het effectief opmeten. De aanwezigheid van oude winningsputten is zonder deze documenten in het dossier ook moeilijk traceerbaar. In bepaalde gevallen kan een grondwateranalyse uitsluitsel geven over de aangeboorde watervoerende laag. Echter de aanvulling, kleistoppen of cementering rond de verbuizing, die moeten verhinderen dat verschillende watervoerende lagen met elkaar worden kortgesloten, zijn achteraf quasi niet controleerbaar. Enkel wanneer tijdens de aanleg of buitengebruikstelling van grondwaterwinningen controles worden uitgevoerd, kunnen gebreken gemakkelijker aan het licht worden gebracht. Dit is echter zeer technisch, tijdsintensief en moeilijk organiseerbaar. Sinds maart 2009 is er in de Vlarem-wetgeving een uitgebreide code van goede praktijk ingevoerd voor boringen en voor het exploiteren en afsluiten van boorputten van een grondwaterwinning. Deze code van goede praktijk bestond reeds langer, maar is vanaf toen ook concreet afdwingbaar door MI. Bij een eerste steekproef van 4 controles bij boringen in 2009 bleek alvast dat deze code van goede praktijk in 3 gevallen niet werd gevolgd. Het


aanvullen van de boorgaten gebeurde niet correct of de bemonstering en rapportering van de boorgegevens diende te worden bijgestuurd. Hiervoor werden op het terrein door de toezichthouders bijkomende aanmaningen gegeven. Hoewel de regelgeving de exploitant op dit vlak nu betere richtlijnen en garanties biedt, heeft de exploitant, zoals ook blijkt uit de steekproef, daarom niet noodzakelijk de garantie dat de aanleg, aanpassing of opvulling van een grondwaterwinning ook effectief volgens deze regels zal worden uitgevoerd. Een erkenningsprocedure voor boorfirma’s en een expliciete vermelding in de milieuregelgeving dat boringen of grondwaterwinningen dienen te worden uitgevoerd of aangepast door erkende firma’s kan hierin op termijn beterschap brengen. Uiteraard dient op deze erkenning ook een efficiënt controlesysteem te worden voorzien zodat het aantal vastgestelde gebreken op het terrein effectief verder kan afnemen. Een verplichte registratie van alle uitgevoerde boringen door de erkende firma’s kan daarenboven ook het ontstaan van illegale winningen of boringen ontmoedigen, wat het grondwaterbeheer van Vlaanderen enkel maar ten goede kan komen. Zeker ook nu de laatste jaren de warmte in de Vlaamse ondergrond als hernieuwbare energiebron, zowel voor bedrijfs- als particuliere toepassingen, alsmaar meer wordt aangeboord is het een uitdaging naar de toekomst voor de overheid om hierop in te spelen. De afdeling Milieu-inspectie zal in dit milieuthema dan ook zijn verantwoordelijkheid blijven opnemen.

Controle op de zelfcontrole

Zelfcontrole heeft in elk geval meerdere functies waaronder als belangrijkste: -- controle op de naleving van de voorwaarden; -- beschikbaarheid van milieuinformatie voor de overheid (toezicht, emissie-inventarisatie …) en de bevolking; -- kwaliteitsbewaking van de bedrijfsvoering van het (zuiverings-)proces en stimulans voor voortdurende procesoptimalisatie; -- proactieve maatregel om het milieu zo veel mogelijk te beschermen.

Waarom controle op de zelfcontrole? Om het bereiken van de bovenstaande doelstellingen en functies te garanderen dient de zelfcontrole door de bedrijven consequent te worden uitgevoerd. MI controleert daarom al gedurende meerdere jaren, ook op uitdrukkelijke vraag van de minister, de zelfcontroleverplichtingen in de verschillende milieucompartimenten. In de onderstaande tabel worden de aantallen inspecties in 2009 voor de thema’s lucht, (afval)water en grondwater weergegeven. Controles van de zelfcontrole 2009 Specifieke inspecties in het kader van de zelfcontrole lucht

172

Specifieke inspecties in het kader van de zelfcontrole water

62

Specifieke inspecties in het kader van de zelfcontrole grondwater

25

Totaal

259

Wat is zelfcontrole? De Vlaamse milieuhygiënewetgeving bevat voor ingedeelde inrichtingen heel wat verplichtingen betreffende het meten en registreren van bedrijfseigen gegevens, kortweg zelfcontrole. Veel van die metingen en registraties dienen als eerstelijnscontrole van zowel de procesvoering als de naleving van de geldende voorwaarden. De meest voor de hand liggende voorbeelden zijn de eigen emissiemetingen (lucht, afvalwater …). 
 Ook andere controles, zoals de controle op inkomende afvalstoffen, grondwatermetingen, de onderzoeken van compressoren en de keuringen van houders voor gevaarlijke stoffen… kunnen onder de noemer zelfcontrole worden gecatalogeerd. Het toewijzen van een dergelijke verplichte zelfcontrole aan de exploitant past volledig in het concept van milieuzorgsystemen, die in de bedrijfswereld aan belang winnen.

Het uitvoeren van de zelfcontrole is aldus geen bijkomende ‘last’ voor de bedrijven, de resultaten ervan vormen, indien correct aangewend, een win-win situatie voor zowel het bedrijf als het milieu. Daarom is het ook noodzakelijk dat MI hier gericht op controleert. Uit de controles blijkt bovendien dat bij bedrijven of sectoren waar MI in het verleden veel aandacht heeft geschonken aan de controle op de zelfcontrole, bijvoorbeeld door middel van emissiemetingen in eigen opdracht, er een duidelijk toegenomen aandacht is voor die zelfcontroleverplichting en het nut ervan. Dit resultaat is ook tegelijk het voornaamste doel van de controle op de zelfcontrole en zal daarom voor MI in de toekomst een blijvend aandachtspunt zijn.

Projecten en cases

- 57


Welke bedrijven/sectoren moeten zelfcontrole uitvoeren? Algemeen kan gesteld worden dat quasi alle sectoren te maken krijgen met zelfcontroleverplichtingen. Naargelang de specifieke productie, processen, emissies, grondstofgebruik … zal er in mindere of meerdere mate zelfcontrole moeten worden uitgevoerd. De klasse-indeling uit Vlarem is voor een specifieke sector veelal een maat voor de hoeveelheid verplichte zelfcontrole. Zo zullen de grotere klasse-1 ingedeelde bedrijven uiteraard vaker en meer zelfcontrolemetingen moeten uitvoeren dan de lager ingedeelde bedrijven. Bij emissies via schouwen naar de lucht wordt de verplichting tot het uitvoeren van zelfcontrolemetingen door Vlarem II opgelegd afhankelijk van de aard (soort polluent) en de hoeveelheid (vracht) die door ingedeelde inrichtingen wordt uitgestoten. Vlarem II afdeling 4.4.4 en bijlagen 4.4.3 en 4.4.4 regelen de zelfcontrole lucht voor ingedeelde inrichtingen in het algemeen. Voor sommige sectoren zoals afvalverbrandingsinstallaties, biomassaverbrandingsinstallaties, crematoria, steenbakkerijen, asfaltbetoncentrales, elektriciteitscentrales, metallurgie … zijn de meetverplichtingen opgelegd in sectorale voorwaarden. Daarnaast kan het uitvoeren van eigen metingen ook worden opgelegd in de milieuvergunning. De zelfcontrole voor bedrijven die afvalwater lozen dat geen, respectievelijk één of meer gevaarlijke stoffen bevat is opgenomen in Vlarem II in afdeling 4.2.5. onder art 4.2.5.2.1, respectievelijk art. 4.2.5.3.1. In Vlaanderen zijn er meer dan 500 bedrijven gekend die een zelfcontrole moeten uitvoeren op het geloosde bedrijfsafvalwater. Het grootste deel nl. 85% van deze bedrijven lozen afvalwater met één of meer gevaarlijke stoffen met een debiet boven 15 m3/uur. Het zelfcontroleprogramma bij de lozing van afvalwaterzuiveringsinstallaties waarin “stedelijk” afvalwater wordt behandeld is opgenomen in subafdeling 4.2.5.4. van Vlarem II. Alle bedrijven met een vergunningsplichtige grondwaterwinning moeten, ongeacht het gebruik van het grondwater, zelfcontrole uitvoeren. Deze zelfcontrole is ingeschreven in de sectorale bepalingen van Vlarem II, maar wordt ook vaak bijkomend opgelegd als bijzondere voorwaarde. Eind 2009 zijn er ca. 23.000 vergunde grondwaterwinnin-

58 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

gen gekend (Bron: Databank Ondergrond Vlaanderen). Hiervan moeten er 726, met een vergund jaarvolume >30.000m³, de volledige zelfcontrole grondwater uitvoeren. De overige grondwaterwinningen dienen dit slechts beperkt uit te voeren, tenzij er in de bijzondere voorwaarden expliciete zelfcontrole wordt opgelegd.

Focus op afvalwater en grondwater Hierna wordt voor de thema’s water en grondwater uitgelegd wat de zelfcontroleverplichtingen precies inhouden en wat de resultaten van de controleacties van MI in dit kader zijn. Het thema lucht zal worden behandeld in het Milieuhandhavingsrapport 2010. Wat houdt de zelfcontrole in? Water Voor de zelfcontrole afvalwater is het controleprogramma dat moet worden gevolgd afhankelijk van het geloosde volume afvalwater. Een eenvoudige zelfcontrole, nl. een jaarlijkse meting van de parameters debiet, temperatuur, pH, CZV, BZV, ZS, N-totaal en P-totaal, van bedrijfsafvalwater zonder gevaarlijke stoffen moet uitgevoerd worden vanaf 30 m³/uur of 600 m³/dag of 15.000 m³/ maand. Vanaf een debiet van 100m³/uur moeten er aanvullende metingen gebeuren op de parameters in de vergunning, het debiet, de temperatuur, de pH en de geleidbaarheid (indien dit is opgenomen in de vergunning), volgens een vaste of te bepalen frequentie (bijlage 4.2.5.2.). Het zelfcontroleprogramma voor het lozen van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat met een debiet groter dan 30 m³/uur moet slechts uitgevoerd worden door 27 bedrijven. Voor het lozen van bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen is bepaald dat vanaf een debiet van 15 m³/uur of 300 m³/dag of 7500 m³/maand, de jaarlijkse meting van de parameters debiet, T, pH, CZV, BZV, ZS, N-totaal en P-totaal moet worden aangevuld met de analyse van de metalen (As, Cd, Cu, Cr, Hg, Pb, Ni, Ag en Zn) en de analyse van een aantal bijkomende parameters, afhankelijk van de sector.


De meest uitgebreide zelfcontrole moet worden uitgevoerd vanaf 50 m3/uur (bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen). Het programma wordt dan aangevuld met de parameters van de vergunning die volgens een te bepalen frequentie moeten worden gemeten (bijlage 4.2.5.2). Hierbij horen ook de algemene en sectorale lozingsvoorwaarden. Het debiet, de temperatuur en de pH moeten continu worden geregistreerd en de geleidbaarheid, indien opgenomen in de vergunning. De zelfcontrole voor het lozen van bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen moet uitgevoerd worden door meer dan 400 bedrijven waarvan iets meer dan de helft zich bevindt in de categorie met een debiet van 15 m3/uur tot 50 m3/uur. Het zelfcontroleprogramma voor afvalwaterzuiveringsinstallaties waarin “stedelijk� afvalwater wordt behandeld bestaat uit het monitoren van de parameters BZV, CZV, zwevende stoffen, N, P en de concentratie van de metalen As, Cd, Cr, Cu, Hg, Pb, Ni, Ag en Zn. Grondwater Alle bedrijven met een vergunde grondwaterwinning moeten minimum jaarlijks de onttrokken volumes grondwater per watervoerende laag registreren. Dit gebeurt door het uitlezen van de debietmeterstanden. Deze meterstanden moeten worden bijgehouden in een register ter plaatse. Telkens wanneer, om welke reden dan ook, een debietmeter wordt verwijderd of teruggeplaatst, dient dit in datzelfde register met de overeenkomende meterstanden te worden genoteerd. De debietmeters zelf moeten, afhankelijk van het type, op bepaalde tijdstippen worden herijkt om de correcte werking ervan blijvend te garanderen. Van deze ijking moeten de exploitanten de attesten ter beschikking houden. Dit alles vormt de beperkte zelfcontroleverplichting grondwater. Correcte gegevens over de onttrokken volumes zijn niet alleen essentieel voor het grondwaterbeheer, maar geven het bedrijf ook een correcte weergave van zijn grondstofverbruik. Bedrijven installeren ook vaak bijkomende debietmeters om de deelprocessen te kunnen inventariseren en zodus eventuele waterbesparende maatregelen te kunnen realiseren. Bij grotere grondwaterwinningen, of daar waar bijkomend opgelegd via de bijzondere voorwaarden, moeten er naast de debietmetingen ook peilmetingen en grondwateranalyses worden uitgevoerd en bijgehouden in een register. De peilmetingen moeten maandelijks gebeuren, zowel in de productieput(ten) zelf als in de bijkomend verplicht aan te leggen peilputten. De grondwaterwinning mag tijdens deze metingen in werking zijn, maar minimum 1x per jaar moet de winning 24 uur in rust zijn alvorens de peilmetingen uit te voeren. Peilputten moeten worden aangelegd en de metingen uitgevoerd om de

invloed van de grondwaterwinning te kunnen bepalen op de watervoerende laag waaruit onttrokken wordt en alle daarboven gelegen watervoerende lagen. Een te sterke daling van het grondwaterpeil veroorzaakt immers verdroging, maar kan ook door oxidatie in de productieput een verslechtering van de grondwaterkwaliteit teweeg brengen. In extreme gevallen kan er door de grondwaterwinning o.w.v. de ontwatering zetting optreden en aldus ook verzakkingen aan alle constructies op het maaiveld binnen de invloedstraal. Deze straal kan soms tot ver buiten de exploitatieterreinen reiken. De peilmetingen geven de exploitant en de overheid een noodzakelijk zicht op de evolutie van de grondwaterkwantiteit op en rond de exploitatie. In tegenstelling tot bij een aansluiting op het openbare drinkwaternet, moet de exploitant hier zelf een zicht houden op een voldoende aanwezig debiet en tijdig kunnen inspelen bij tekorten of een te grote impact op de lokale grondwaterhuishouding. Grondwaterstaalnames moeten minimum 1x per jaar worden uitgevoerd (4x per jaar voor de drinkwatersector) per watervoerende laag. Bij een eigen grondwaterwinning is een constante en voldoende kwaliteit voor de beoogde toepassing immers niet automatisch gegarandeerd. Het grondwaterstaal moet verplicht op een set aan anionen en kationen (uitgebreid met een aantal verontreinigende parameters voor de drinkwatersector) in een erkend labo worden geanalyseerd. Deze monitoring van de grondwaterkwaliteit is weerom van belang voor het grondwaterbeheer, maar sterke veranderingen in de kwaliteit zijn ook een signaal voor de exploitant om op te treden. De kwaliteitsverandering kan worden veroorzaakt door een te sterke afpomping, een defect aan de productieput, een grondwaterverontreiniging in de buurt,‌ Op te merken valt dat veel sectoren (vb. voedingsindustrie) o.w.v. andere wettelijke verplichtingen al automatisch een meer uitgebreide controle op de grondwaterkwaliteit met andere modaliteiten moeten uitvoeren, wat hier en daar wel tot verwarring kan leiden. Resultaten van de zelfcontrole Water Een eerste campagne op de controle van de zelfcontrole werd door MI opgestart in 2003 en liep verder in 2004. In totaal werden er gedurende de eerste campagne 159 bedrijven gecontroleerd die bedrijfsafvalwater lozen met gevaarlijke stoffen en een debiet van meer dan 50m3/uur. Bij alle bedrijven werd nagegaan: -- of de controle werd uitgevoerd; -- wie de bemonsteringen uitvoerde; -- of de bemonsteringen gebeurden onder representatieve bedrijfsomstandigheden;

Projecten en cases

- 59


-- of de metingen/analyses werden uitgevoerd door een erkend labo, een erkende deskundige of waren het eigen metingen; -- of de meetapparatuur werd geijkt; -- of alle parameters werden gecontroleerd en met de juiste frequentie; -- of de meetresultaten in overeenstemming waren met de emissiegrenswaarden; -- of er maatregelen werden genomen indien een emissiegrenswaarde werd overschreden. Een tweede campagne op de controle van de zelfcontrole werd door MI uitgevoerd in 2008 en 2009. Gedurende die periode werden er 146 bedrijven (84 in 2008 en 62 in 2009) gecontroleerd. Een samenvatting van de gegevens is weergegeven in onderstaande tabel. Controle van de zelfcontrole afvalwater Jaar Aantal gecontroleerde bedrijven

2003

2004

2008

2009

44

115

84

62

61 %

53%

73%

79%

32%

35%

18%

18%

7%

12%

8%

3%

52%

69%

68%

74%

48%

31%

32%

26%

20/21

33/36

23/27

15/16

Uitvoering van de zelfcontrole volledig in orde met kleine tekortkomingen met meer tekortkomingen Analyseresultaten van de zelfcontrole volledig in orde met overschrijdingen Zelf al maatregelen genomen als tijdens de zelfcontrole overschrijdingen werden vastgesteld

Een vergelijking van de resultaten van de eerste en de tweede campagne leert dat er globaal gezien een verbetering is vast te stellen in het aantal bedrijven dat volledig in orde is voor de uitvoering van de zelfcontrole. Hier hebben de controles van MI effect gehad. Het aantal bedrijven waarvan alle analyseresultaten voldoen aan de gestelde emissiegrenswaarden is slechts licht verbeterd. In bijna alle gevallen ging het om een overschrijding van ĂŠĂŠn of meerdere parameters en nam het bedrijf de nodige maatregelen om deze overschrijdingen te vermijden. De resultaten van de zelfcontrole die wordt uitgevoerd door de N.V. Aquafin op de afvalwaterzuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater worden jaarlijks bezorgd aan de afdeling MI. De resultaten worden steekproefsgewijs door de toezichthouders nagekeken op hun volledigheid en juistheid. De N.V. Aquafin voert de controles

60 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

correct uit en neemt de nodige maatregelen bij het niet halen van de emissiegrenswaarden. Grondwater De controle op de zelfcontrole grondwater wordt door MI sinds 2008 als een aparte actie (A522) in het MIP opgenomen. In de afgelopen 2 jaar werden er telkens 25 bedrijven op deze manier administratief gecontroleerd. Concreet werden bij de bedrijven de volgende gegevens per brief opgevraagd: -- een overzicht van het aantal winningsputten; -- de debietregistratie over een periode van vijf jaar; -- de ijkingsattesten van de debietmeters; -- de peilregistratie over een periode van vijf jaar; -- de grondwateranalyses van het afgelopen jaar. Indien de ontvangen rapportering van de bedrijven ontoereikend bleek, werden ze geselecteerd voor een uitgebreide controle van de grondwaterwinning op het terrein en op die manier verder opgevolgd. Bij 15 van de 50 geselecteerde bedrijven bleek dit het geval. De resultaten van alle terreincontroles (2005-2009), waar controle van de zelfcontrole sowieso altijd een deel van uitmaakt, kan u elders in dit rapport uitgebreid terugvinden. In totaal werden er bij de helft van de 50 administratief gecontroleerde bedrijven tekortkomingen qua zelfcontrole vastgesteld en zijn deze bedrijven hiervoor aangemaand, 3 bedrijven ontvingen een proces-verbaal. Het ontbreken van peilputten (15 bedrijven), het onvoldoende uitvoeren van peilmetingen (12 bedrijven) en de ijking van de debietmeters (11 bedrijven) bleken de meest voorkomende gebreken. 10 bedrijven voerden de grondwateranalyses niet of onvolledig uit en bij 5 bedrijven ontbrak elk register. 2 gecontroleerde bedrijven tenslotte hadden helemaal geen debietmeter geĂŻnstalleerd.

Toezicht zwarerisicobedrijven Het grootste deel van de activiteiten van de dienst Toezicht zwarerisicobedrijven (TZR) stond in 2009 in het teken van de preventie van zware ongevallen bij de zogenaamde Sevesobedrijven.

Uitvoering van het Samenwerkingsakkoord Op 26 juni 2001 werd het Samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn (verder kortweg Samenwerkingsakkoord) van kracht.


Daarmee werd in belangrijke mate de omzetting van de zogenaamde Seveso II-richtlijn gerealiseerd. Het doel van die richtlijn is de realisatie van een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu. Omdat volgens de Europese Unie verschillen in de regelingen voor inspecties door de bevoegde autoriteiten tot verschillende beschermingsniveaus kunnen leiden, stelt de richtlijn ook hoge eisen aan de inspectie door de overheid. Het Samenwerkingsakkoord vertaalt de vereisten van de richtlijn naar de Belgische situatie met gedeelde bevoegdheden voor de federale staat (arbeidsbescherming) en de gewesten (bescherming van de omgeving, mens én milieu). Per gewest werd een inspectieteam opgericht met alle betrokken inspectiediensten, op basis van gelijkwaardigheid en met behoud van alle bevoegdheden. Op die manier zijn er per gewest twee inspectiediensten bevoegd voor een bepaalde inrichting: de gewestelijke milieu-inspectie (TZR van MI in Vlaanderen) en de federale inspectiedienst die bevoegd is voor de bescherming van de werknemers. De belangrijkste taak van het inspectieteam is de uitbouw van een inspectiesysteem dat voldoet aan de gestelde eisen: een inspectieprogramma voor álle Seveso II-inrichtingen, een rapport van elke inspectie en terugkoppeling naar de bedrijfsleiding. De inspectieteams hebben ook taken inzake ongevallenonderzoek, de rapportering daarvan aan de Europese Commissie en het opleggen van een exploitatieverbod volgens bestaande regelgeving als blijkt dat de exploitant duidelijk onvoldoende maatregelen heeft getroffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen voor mens en milieu te beperken. Twee reeksen van drempelwaarden voor tien categorieën van gevaarlijke stoffen en voor een aantal benoemde stoffen bakenen het toepassingsgebied van het Samenwerkingsakkoord af. Daardoor ontstaan drie groepen van bedrijven: -- inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden beneden de eerste drempel, de zogenaamde drempel 0-inrichtingen: deze bedrijven vallen niet onder het toepassingsgebied; -- inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden tussen de eerste en de tweede drempel, de zogenaamde lagedrempelinrichtingen of drempel 1-inrichtingen: deze bedrijven vallen onder het toepassingsgebied met

een aantal verplichtingen, zoals kennisgeving, algemene zorg- en aantoonplicht en preventiebeleid zware ongevallen; -- inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden boven de tweede drempel, de zogenaamde hoge-drempelinrichtingen of drempel 2-inrichtingen: deze bedrijven vallen onder het toepassingsgebied met een aantal extra voorschriften, zoals veiligheidsrapport en veiligheidsbeheersysteem. Door de hoge industrialisatiegraad telt Vlaanderen een groot aantal Sevesobedrijven. Bovendien is dat aantal variabel, bijvoorbeeld door wijzigingen van bedrijfsstructuren of van de aanwezige gevaarlijke stoffen. In de loop van 2007 werd bovendien een wijziging van het toepassingsgebied van kracht. Doordat een aantal drempels gevoelig verlaagden, was er een toename van het aantal Sevesobedrijven, vooral in minder voor de hand liggende sectoren (bijvoorbeeld metaalverwerkende bedrijven).

Seveso II-inspectieprogramma Opmaak van het inspectieprogramma Jaarlijks stellen de Seveso-inspecteurs van beide bevoegde inspectiediensten in onderling overleg een ontwerpinspectieprogramma op voor het volgende werkjaar. Daarbij leggen ze het doel en de reikwijdte van de inspecties vast, net zoals de inspectiedienst die belast is met de inspecties. Zowel gezamenlijke inspecties als controles door één inspectiedienst zijn mogelijk. Het is van groot belang dat het doel en de reikwijdte van de inspecties goed worden vastgelegd. De inspecties moeten immers door onderzoek van de bedrijfsinterne systemen een totaalbeeld geven van de risico’s van de bedrijfsactiviteiten en de beheersing ervan. Met de beschikbare inspectiecapaciteit is het echter niet mogelijk per inspectie voldoende tijd te voorzien om alle bedrijfsinterne systemen te onderzoeken en dat totaalbeeld te verkrijgen. Daarom worden voor elke inspectie doel en reikwijdte vastgelegd, en wordt een deelaspect gecontroleerd. In de loop der jaren wordt door de uitvoering van de jaarprogramma’s het totaalbeeld verkregen. Het inspectieprogrammasysteem gaat uit van ‘inspectiedomeinen’, de verschillende technische, organisato-

Projecten en cases

- 61


rische en bedrijfskundige systemen die moeten worden onderzocht en die toelaten om per bedrijf de aspecten die belangrijk zijn voor de preventie van zware ongevallen gestructureerd in kaart te brengen: Sevesostatus/initiële inspectie, procesinstallatie, operationeel personeel, gevaarlijk werk, noodplanning, ongevallen en incidenten en preventiebeleid zware ongevallen. Inspectiedomeinen kunnen opgesplitst worden in functie van de aanwezigheid van meerdere productie-eenheden in een bedrijf. De inspectiediensten bepaalden de verschillende inspectiedomeinen voor de bedrijven en in functie daarvan legden ze het inspectieprogramma vast voor 2009. Voor de verschillende inspectiedomeinen staan verschillende inspectiemethoden ter beschikking. De inspectie-instrumenten “nieuwe stijl” worden sinds 2008 afgestemd op de inspectiedomeinen. Eind 2009 waren volgende inspectie-instrumenten in testversie beschikbaar: Procesveiligheidsdocumentatie (inspectiedomein procesinstallaties), Ontwerp en wijzigingen van procesinstallaties (inspectiedomein procesinstallaties), Onderzoek van ongevallen en incidenten (inspectiedomein ongevallen en incidenten), Atmosferische Bovengrondse Opslagtanks (inspectiedomein procesinstallaties), Inspectie en onderhoud (inspectiedomein procesinstallaties), Noodplanning (inspectiedomein noodplanning). De inspectiediensten werkten ook aan andere inspectieinstrumenten, maar daarvan verschijnt de discussieversie pas in 2010. Bij het vastleggen van het inspectieprogramma per bedrijf houden de inspectiediensten rekening met de beschikbare gegevens: vergunningen, kennisgeving, veiligheidsrapporten, gegevens uit eerdere inspecties, milieu- en veiligheidstechnische voorgeschiedenis, belangrijke wijzigingen, voorvallen in het betrokken bedrijf of in vergelijkbare bedrijven. De inspectiediensten waken er over dat de verschillende bedrijfsinterne systemen aan bod komen (technisch, organisatorisch, beheer). Daarbij besteden ze bijzondere aandacht aan de installaties met het grootste risico, aan de systemen die ontoereikend of onvoldoende performant zijn en aan de verantwoordelijkheidszin van de bedrijfsleiding. Een belangrijk kenmerk van het inspectieprogramma is het dynamische karakter ervan: als de actualiteit dat vereist (wijzigingen, voorvallen, nieuwe inzichten …) wordt het programma aangepast.

62 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

Uitvoering van het inspectieprogramma Voor de voorbereiding en uitvoering van de geprogrammeerde (gezamenlijke) inspecties maken de betrokken toezichthouders de nodige concrete afspraken. In 2009 voerden de 14 toezichthouders van de dienst Toezicht zwarerisicobedrijven 361 inspecties uit in 254 bedrijven, het merendeel daarvan samen met de federale collega’s van de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s. Meer concreet betekenen die cijfers dat MI in 2009 bij 81 % van de bekende lagedrempelinrichtingen en bij 90 % van de bekende hogedrempelinrichtingen een deelaspect van de veiligheidsproblematiek onderzocht. Bij het aantal inspecties moeten een aantal kanttekeningen worden geplaatst. Eén inspectie kan meerdere inspectiedomeinen of inspectiemethoden omvatten. Zo kan bijvoorbeeld een onderzoek van een specifiek risico voor het inspectiedomein procesinstallatie worden gecombineerd met de voortgangscontrole van de actieplannen naar aanleiding van eerdere controles in hetzelfde of een ander inspectiedomein. Eén inspectie kan eveneens gespreid zijn over verschillende dagen. Controles door Toezicht zwarerisicobedrijven Aantal gecontroleerde hogedrempelinrichtingen

121

Aantal gecontroleerde lagedrempelinrichtingen

111

Aantal gecontroleerde drempel 0-inrichtingen

22

Totaal aantal gecontroleerde inrichtingen

254

Aantal uitgevoerde inspecties

361

Als principe geldt dat er na elke inspectie vanwege de inspectiediensten een handhavingsbrief vertrekt naar het bedrijf. Voor MI kan het daarbij gaan om raadgevingen en aanmaningen, zowel op grond van het Samenwerkingsakkoord als op grond van het Milieuhandhavingsdecreet, afhankelijk van de problematiek en van de effectiviteit van de handhaving. Omdat de belangrijkste verplichting in het Samenwerkingsakkoord (de zorgplicht) geformuleerd is als een doelvoorschrift zullen de inspecteurs in de meeste gevallen een aanmaning geven tot het treffen van de nodige corrigerende acties en het bezorgen van een actieplan daartoe. De meest opvallende vaststelling bij de uitvoering van het inspectieprogramma is het zeer grote aantal voortgangscontroles. Bij ruim de helft van de inspecties was de voortgangscontrole van de tijdige en effectieve uitvoering van de gedefinieerde acties een belangrijk thema.


Die constatering illustreert treffend het belang dat MI hecht aan voortgangscontrole. Verdere inventarisatie van de Sevesobedrijven en de bepaling van de Sevesotatus bleven belangrijk in 2009. Wijzigingen in bedrijfsstructuren en –activiteiten gaven aanleiding tot wijzigingen in Sevesostatus en ook de economische crisis had haar effect: een aantal Sevesobedrijven verminderde zijn productiecapaciteit, legde productielijnen stil of bevroor wijzigingsprojecten. De inspectiediensten besteedden de nodige aandacht aan deze wijzigingen omdat die de beheersing van zware ongevallen kunnen beïnvloeden. Zo moet bijvoorbeeld steeds een minimale personeelsbezetting kunnen worden gegarandeerd voor de uitvoering van het bedrijfsinterne noodplan. Uit een analyse van de zware ongevallen die werden gemeld aan de Europese Commissie is gebleken dat het merendeel ervan het gevolg is van beheerstechnische en organisatorische tekortkomingen. Goede organisatorische systemen zijn dus onontbeerlijk voor de beheersing van de risico’s van zware ongevallen en daarom hechten de inspectiediensten blijvend een groot belang aan de systematische controle ervan. De inspecteurs gebruikten voor de meeste systeeminspecties de inspectie-instrumenten “nieuwe stijl”: de nadruk lag daarbij veel meer op de evaluatie van de effectieve implementering van de elementen van het veiligheidsbeheersysteem in de bedrijven. In 2009 kregen bijvoorbeeld de risicostudies (en de documentatie daarvan), de noodplanning en de wijze van onderzoek van ongevallen en incidenten ruime aandacht. Daarnaast onderzochten de inspecteurs in 2009 verschillende ongevallen en incidenten: een verzakking van een deel van een productie-installatie, een accidentele lozing van ethyleenoxide via de bedrijfsriolering en –waterzuiveringsinstallatie, ongewenste vrijzettingen van gasolie, waterstoffluoride en ammoniak … . Wanneer er zich een ongeval of incident voordoet, doet het inspectieteam de eerste vaststellingen ter plaatse (feiten, getroffen noodmaatregelen …) en geeft het bedrijf de opdracht het ongeval of incident te onderzoeken (oorzaken, gevolgen voor mens en milieu …). Het bedrijf moet dan op basis van de onderzoeksresultaten een actieplan opstellen met maatregelen ter voorkoming van herhaling en maatregelen voor herstel en schoonmaak van het milieu. Bij diverse voortgangscontroles volgt het inspectieteam dan de uitvoering van het actieplan. Omdat uit een eerste inspectiecampagne was geble-

ken dat de Sevesobedrijven onvoldoende op de hoogte waren van de risico’s verbonden aan pijpleidingen met gevaarlijke producten bezorgden de Seveso-inspectiediensten in 2008 een informatienota “Aanbevelingen voor de beheersing van risico’s van pijpleidingen” aan de bedrijven. In 2009 voerden de inspectiediensten een nieuwe campagne bij een tiental bedrijven. Er bleek dat de bedrijven die de informatienota effectief gelezen hadden, ook maatregelen hadden genomen om de risico’s beter te beheersen. De situatie op bedrijven die de informatienota niet gelezen hadden, was echter onvoldoende. Een nieuwe inspectiecampagne zal daarom in de nabije toekomst van start gaan.

Enkele blikvangers In de loop van de maand juli 2009 deden zich bij een chemisch bedrijf in Gent op korte termijn drie incidenten voor waarbij telkens een interventie door de lokale brandweer noodzakelijk was. Telkenmale ging het om een verhoogde SO2-emissie waarbij de hinder de terreingrens overschreed. Deze emissies waren grotendeels het gevolg van ernstige lekken in een SO2-leiding uit een zwavelzuurproductie-eenheid. De provincie belegde een overlegvergadering met de betrokken overheids- (provincie, stad en inspectie) en interventiediensten. Als resultaat legde de burgemeester op 29 juli 2009 veiligheidsmaatregelen op aan het bedrijf. Ten laatste op 7 augustsus 2009 moesten de noodherstellingen aan de lekkende SO2-leiding voltooid zijn en eind september 2009 moest de volledige leiding vervangen zijn. Gedurende deze periode mocht geen productie plaatsvinden. Om te grote thermische spanningen aan de installatie (met grote kans op schade) te voorkomen mochten na 12 uur afkoeling de installaties gedurende 4 uur opgewarmd worden. Tijdens de afkoelingsperiode werden dan de herstellingswerkzaamheden uitgevoerd. Gedurende opwarmingsperiodes werd de omgeving door de brandweer en inspectiediensten continu gemonitord op aanwezigheid van SO2. Begin augustus 2009 werd een voorlopige schelpstructuur over de aangetaste leidingen aangebracht en medio september 2009 waren de oude leidingen vervangen door nieuwe leidingen.

Projecten en cases

- 63


De burgemeester beval eveneens dat de scrubberinstallatie, nodig om de emissiegrenswaarden voor SO2 te kunnen respecteren, afgewerkt en operationeel diende te zijn tegen eind augustus 2009. Het bedrijf slaagde erin om ook deze installatie tijdig te finaliseren met een honderdmaal kleiner SO2emissie als gunstig gevolg. Op 22 september 2009 werd het faillissement vastgesteld van twee verwante chemische bedrijven in de Gentse haven en werden twee curatoren aangeduid. Het betrof een productiesite voor zwavelzuur en oleum deels uit zwavel en deels uit afvalzuren, en een productiesite van fosforzuur en ammoniumfosfaat met bijbehorende stortplaats voor gipsafval. De productie van zwavelzuur en oleum (met ammoniumsulfaat als bijproduct) werd onder curatele nog verder gezet om een eventuele overname niet te compromitteren. Uit overleg tussen de curatele en verschillende overheidsdiensten bleek dat er door de faling problemen zouden (kunnen) rijzen met het beheer van het gipsstort en het beheer en de afvoer van de op de productiesite aanwezige gevaarlijke stoffen. De curatele gaf aan niet over de nodige financiĂŤle middelen te beschikken om dat beheer en die afvoer te realiseren. Ook na het einde van het beheer onder de curatele zou deze problematiek blijven bestaan. De verschillende betrokken overheidsdiensten werkten samen naar een oplossing. TZR volgde de productiesites van zeer nabij. Tijdens een inspectie samen met de brandweer van Gent deed de dienst een aantal vaststellingen, die veiligheidsmaatregelen noodzakelijk maakten. Op 14 oktober legde de afdeling Milieu-inspectie deze veiligheidsmaatregelen op aan de curatoren. Ze omvatten onder meer de verplichting om de installaties die gevaarlijke stoffen bevatten te beheren tot het risico voor mens en leefmilieu tot een aanvaarbaar niveau was herleid. TZR zag toe op de uitvoering van de maatregelen en stelde vast dat ze werden nageleefd of hun relevantie verloren door de overname van de productie- en opslaginstallaties eind december 2009 door een ander bedrijf.

64 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie


Projecten en cases

- 65


Bijlagen

Contactpersonen binnen MI Inhoudelijke ondersteuning Hoofdbestuur

Toezicht zwarerisicobedrijven

BD Antwerpen

BD Limburg

BD Oost-Vlaanderen

BD VlaamsBrabant

BD WestVlaanderen

Martine Blondeel

Inge Delvaux

Linda Van Geystelen

Freddy Noels

Paul Van Gijseghem

Marc Vanthienen

Roland Loontiens

Hans Delcourt

Michael Allison

Peter Brien

Gert Govaerts

Robert Dupont

Marc Sevenant

- ketenteam

Bart Palmans

Ann Van Steenbergen

Tom Nuyts

Steven Overmeire

Patrick Bergen

Jeannine Tassyns

- back-up ketenteam

Bart Palmans

Patrick Bergen Tom Nuyts

Kaat Vanmeeren

Jozef Algoet

Mathy De Preter

Danny Deygers

- dierlijke bijproducten

Roel Vaneerdeweg

Anja Van der Auwera

-

Frans Van der Cruyssen

Christophe Bervoets

Danny Deygers

Water

Rita Van Ham

Ann Van Deun

Rudi Rademaekers Jan De Paep

Wilfried Van Vaerenbergh

Marc Vanthienen Dirk Crivits

Robrecht Pillen

- lucht - emissies

Koen Mergaert

Jos Moeskops Ann Devisschere

Peter Schoups

Peter Wesemael

Eric Van Gijseghem

Geert Van Landschoot

- lucht - immissie

Roel Vaneerdeweg

- ozonafbrekende stoffen - broeikasgassen

Krista Thomas

Els De Jonghe

Peggy Cloostermans

Frans Van der Cruyssen

Mathy De Preter

Karel Vandamme

- VOS

Krista Thomas

Jos Moeskops

Liesbet Rommens

Frank Verslype

Eric Van Gijseghem

Geert Van Landschoot

- geur

Geert Keppens

-

Liesbeth Rommens

Peter Wesemael

Eric Van Gijseghem

Georges Van de Walle

- industrie

Hans Delcourt

Lief Mannaerts Anja Van der Auwera

Johan Ballings

Frank Verslype

Marc Vanthienen

Wim Delaere

- landbouw

Hans Delcourt

Anne Colman

Johan Ballings Tom Nuyts

Lieve Joos

Patrick Bergen Christophe Bervoets

Guido Gheysen

Genetisch Gemodificeerde Organismen

Geert Keppens

An Swinnen

Peggy Cloostermans

Marian Lagrou

Tina Poels

Karel Debeuf

Bodem en Grondwater

Jeroen November

Hendrik Meulemans

Sybille Vanderhenst

Greta De Maesschalck

Tina Poels

Karel Debeuf

Paul Cuypers

Ludo segers

Tom Maes

Frans Van der Cruyssen

Koen Mandonx

Henry Trypsteen Marc De Vos

Stafdienst

Diensthoofd Afval - afval

Lucht

GPBV

Geluid

Bijlagen

- 67


Organisatorische ondersteuning Jan Valckx Wilfried Biesemans

Tom Maes

Luc Verhaeven

Koen Mandonx

Peter De Neve

Chris Van Baelen Tanja Verschaeren

Ilse Colman

Irène Poelmans

Dony Vandormael

Theo Strobbe

Johan Corveleyn

materiaal

Chris Van Baelen Tanja Verschaeren

Ilse Colman

Guido Gerits

Dony Vandormael

Theo Strobbe

Johan Corveleyn

Milieuhandhavingsrapport

Jos Tits

Wim Vermetten

Liesbeth Rommens

Lieve Joos

Marc Vanthienen

Roland Loontiens

Informatica

Jos Tits

personeel

Jeroen November

Jeroen November

Wilfried Van den Acker

Leentje Timmerman

Gebruikte afkortingen Instanties AGIV AGO ALHRMG AMIS AMMC AMNE AMV BLUG CLEEN DREAL EEA EPA FAVV FLI FVO GDA ILVO IMPEL IMPEL-TFS INBO KVIV LNE MI MINA OESO OVAM SERV TOM TZR UA UMONS VEA VHRM VITO VLM VMM VREG VUB VVSG

68 -

Agentschap voor Geografische Informatie van Vlaanderen Agentschap voor Overheidspersoneel Afdeling Lucht, Hinder, Risico, Milieu en Gezondheid Afdeling Milieu-integratie en Subsidie Afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer Afdeling Milieu, Natuur- en Energiebeleid Afdeling Milieuvergunningen Belgisch-Luxemburgse Unie van Geologen Chemical Legislation European Enforcement Network Direction Regional de l’Environnement, de ‘l Aménagement et du Logement European Economic Area Environmental Protection Agency (Ierland) Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Federale Leefmilieu-Inspectie Food and Veterinary Office (Europa) Gerechtelijke Dienst Arrondissement (Federale Politie) Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law IMPEL Transfrontier Shipments of Waste Instituut voor Natuur en Bosonderzoek Koninklijke Vlaamse Ingenieursvereniging Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-inspectie Milieu- en Natuurraad Vlaanderen Organisatie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Sociaal Economische Raad van Vlaanderen Technisch Overleg Milieuregelgeving Dienst Toezicht Zwarerisicobedrijven Universiteit Antwerpen Université de Mons Vlaams Energieagentschap Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieumaatschappij Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt Vrije Universiteit Brussel Vlaamse Vereniging voor Steden en Gemeenten

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie


(Milieu)technische termen AEEA BBB CFK DBP DOV EVOA GGO GPBV GSM ICT IMJV LDAR MES MIP NL OBA PC PCB PLOEG PV RWZI VK VLAREM VOC VOS VTE WEEE

Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparaten Beter Bestuurlijk Beleid Chloorfluorkoolwaterstoffen Dierlijke Bijproducten Databank Ondergrond Vlaanderen Europese Verordening voor het Overbrengen van Afvalstoffen Genetisch Gemodificeerde Organismen GeĂŻntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging Global System for Mobile Communication Informatie en Communicatie Technologie Integraal Milieujaarverslag Leak Detection and Repair Metatechnisch Evaluatiesysteem Milieu-Inspectieplan Nederland Organisch-biologische afvalstoffen personal computer Polychloor bifenylen managementcyclus voor leidinggevenden aan de Vlaamse overheid (Plannen, Leiding geven, Opvolgen, Evalueren, Gewaardeerd worden) Proces verbaal Rioolwaterzuiveringsinstallatie Verenigd Koninkrijk Vlaams Reglement over de Milieuvergunning Volatile Organic Compound (nederlands: VOS) Vluchtige Organische Stoffen voltijds equivalent Waste Electrical and Electronic Equipment (nederlands: AEEA)

Stoffen en parameters Ag As BZV Cd Cr Cu CZV Hg MAK N Ni P PAK Pb pH T Zn ZS

Zilver Arseen Biologisch Zuurstofverbruik Cadmium Chroom Koper Chemisch Zuurstofverbruik Kwik Monoaromatische Koolwaterstoffen Stikstof Nikkel Fosfor Polyaromatische Koolwaterstoffen Lood Zuurtegraad Temperatuur Zink Zwevende Stoffen

Bijlagen

- 69


Adressen Afdelingshoofd en Stafdienst afdelingshoofd: Dr. Sc. Robert Baert, inspecteur-generaal Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 83 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie@lne.vlaanderen.be

Buitendienst Oost-Vlaanderen diensthoofd: ir. Paul Van Gijseghem Apostelhuizen 26k 9000 Gent Tel.: 09-235 58 50 Fax: 09-235 58 79 e-mail: milieu-inspectie.ovl@lne.vlaanderen.be

Hoofdbestuur diensthoofd: Lic. Martine Blondeel Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 83 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie.hb@lne.vlaanderen.be

Buitendienst Vlaams-Brabant diensthoofd: Ing. Marc Vanthienen Nieuw adres sinds 14 maart 2009 Vaartkom 31 bus 2 3000 Leuven Tel.: 016-21 11 50 Fax: 016-21 11 51 e-mail: milieu-inspectie.vbr@lin.vlaanderen.be

Toezicht zwarerisicobedrijven diensthoofd: Dr. Sc. Inge Delvaux Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 89 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie.tzr@lne.vlaanderen.be Buitendienst Antwerpen diensthoofd: Lic. Linda Van Geystelen Lange Kievitstraat 111-113 bus 62 2018 Antwerpen Tel.: 03-224 64 25 Fax: 03-224 64 28 e-mail: milieu-inspectie.ant@lne.vlaanderen.be Buitendienst Limburg diensthoofd: ir. Freddy Noels Koningin Astridlaan 50 bus 5 3500 Hasselt Tel.: 011-74 26 00 Fax: 011-74 26 29 e-mail: milieu-inspectie.lim@lne.vlaanderen.be

70 -

Milieuhandhavingsrapport 2009 van de afdeling Milieu-inspectie

Buitendienst West-Vlaanderen diensthoofd: ir. Roland Loontiens Koningin Astridlaan 29 bus 4 8200 Brugge Tel.: 050-40 42 11 Fax: 050-39 15 12 e-mail: milieu-inspectie.wvl@lne.vlaanderen.be


Bijlagen

- 71


Uitgave Vlaamse Overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-inspectie Verantwoordelijke uitgever Dr. Sc. Robert Baert Inspecteur-generaal Afdelingshoofd Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 BRUSSEL Eindredactie Jos Tits Depotnummer: D/2010/3241/368 Opmaak Dienst communicatie en informatie Druk Vlaamse Overheid Dit rapport is ook beschikbaar op www.milieu-inspectie.be Š Vlaamse Overheid


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
milieuhandhavingsrapport _afdeling_milieuinspectie_2009.pdf by Vlaanderen-be - Issuu