Skip to main content

PDFsam_merge_0.pdf

Page 1

RUILVERKAVELINGSPROJECT WEELDE

Uitvoering Monitoringprogramma Module Avifauna, jaar ‘+5’ (2009)

Vlaamse Landmaatschappij, Provinciale afdeling Antwerpen Stijn Leestmans & Tom Vermeulen (2010)


Inhoudstafel Inhoudstafel ___________________________________________________________ - 2 Inleiding_______________________________________________________________ - 3 Hoofdstuk I. Resultaten Monitoring 2006 (t=2) _______________________________ - 4 I.1 Territoriumkartering __________________________________________________ - 4 I.2 Territoriumgegevens _________________________________________________ - 4 I.2 Overzicht maatregelen binnen Maatregelen tot Landinrichting _________________ - 5 I.3 Beheermaatregelen__________________________________________________ - 5 Hoofdstuk II. Vergelijking resultaten 2001 (t= -1), 2006 (t= 2) en 2009 (t=5) _______ - 13 II.1

Bespreking per soort ____________________________________________ - 13 -

II.2

Bespreking per ecologische soortengroep ____________________________ - 16 -

III. Referenties_________________________________________________________ - 20 IV Kaartmateriaal ______________________________________________________ - 21 V Leeswijzer __________________________________________________________ - 21 -

-2-


Inleiding Dit rapport behandelt de situatie van de avifauna binnen het ruilverkavelingsproject Weelde 5 jaar (T = + 5) na de uitvoering van de werken op basis van gegevens verzameld in 2009. De monitoring van de avifauna, met de nadruk op weidevogels, kadert binnen een algeheel monitoringsprogramma, waar naast vogels ook de herpetofauna en vegetatie worden opgevolgd. Dit conform de ministeriële richtlijn van 14 maart 2000 betreffende de implementatie van de methodiek voor het optimaliseren en meetbaar maken van de ecologische inbreng in de ruilverkaveling, in toepassing van de studie van het Instituut voor Natuurbehoud en van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Het monitoringsprogramma (Vlaamse Landmaatschappij, 2001) werd goedgekeurd door de minister op 22 februari 2002. Voor informatie omtrent de monitoring van overige modules wordt naar dat rapport verwezen (zie III. Referenties). Voor een uitvoerige beschrijving van het projectgebied wordt verwezen naar het rapport ‘Ruilverkavelingsproject Weelde. Uitvoering monitoringsprogramma Avifauna, jaar -1 (2001)’. De uitvoering van de ruilverkavelingswerken besloeg de jaren 2002, 2003 en 2004 en startte in het voorjaar van 2002. De avifauna werd voor het eerst beschreven bij het vastleggen van de uitgangssituatie in 2001 (T=-1) door Stijn Leestmans, werkzaam bij de Vlaamse Landmaatschappij, Afdeling Provincie Antwerpen. Voor de algemene informatie over monitoring avifauna, definities en gebruikte methodes wordt dan ook naar bovenvermeld rapport verwezen. Het rapport is opgebouwd als volgt: Hoofdstuk I: beschrijving van de monitoringsresultaten, zoals opgenomen in 2009. Ook het gevoerde beheer over de verschillende jaren wordt kort beschreven. Hoofdstuk II: omvat een summiere vergelijking van de resultaten van T= -1, T= +2 en T= +5.

-3-


Hoofdstuk I. Resultaten Monitoring 2006 (t=2) I.1 Territoriumkartering De inventarisatie werd uitgevoerd door middel van een uitgebreide territoriumkartering, gebaseerd op de methode van Hustings et al., 1989. In totaal werden er 5 inventarisatierondes afgewerkt. Voor de gedetailleerde werkwijze wordt verwezen naar ‘Ruilverkavelingsproject Weelde. Uitvoering monitoringsprogramma Avifauna, jaar -1 (2001)’. Inventarisatieronde 1 2 3 4 5

Datum 10.04.2009 30.04.2009 13.05.2009 29.05.2009 12.06.2009

Weer Droog met opklaringen, 18°C Droog met opklaringen 20°C Droog met opklaringen, 22°C Warm, 28°C Droog met brede opklaringen, 25°C

Tabel I.1: Overzicht inventarisatieronden

I.2 Territoriumgegevens Alle individuele waarnemingen werden geïnterpreteerd (volgens methode van Hustings et al., 1989) door S. Leestmans. Dit resulteerde in een overzicht van de waargenomen territoria per soort (zie tabel I.2). De gegevens worden ruimtelijk weergegeven in de bijgevoegde kaarten (van 2 t/m 8). Soort

Aantal territoria

Rode Lijst-status Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Bedreigd Momenteel niet bedreigd Kwetsbaar Momenteel niet bedreigd

blauwborst 4 (5) boompieper 7 fitis 9 gele kwikstaart 7 grasmus 12 graspieper 12 grutto (1) wulp (3) heggenmus 5 kievit 72 kneu 7 roodborsttapuit 7 rietgors 5 scholekster 4 (5) veldleeuwerik 8 zwarte roodstaart 1 Tabel I.2: Overzicht territoria broedvogels binnen ruilverkaveling Weelde. Wanneer men broedgevallen vermoed worden deze met () aangegeven

Ten opzichte van de vorige inventarisatieronde in 2006 zijn de volgende soorten verdwenen als broedvogel: boomleeuwerik, patrijs, kwartel en bergeend. Wilde eend werd evenmin waargenomen als broedvogel, maar er wordt vanuit gegaan dat deze zeer algemene broedvogel wel tot broeden is gekomen. Van grutto werd 1 vermoedelijk broedgeval vastgesteld, maar hierover bestaat onzekerheid. Wel kan met zekerheid gesteld worden, dat er geen jongen vliegvlug zijn geworden. Dit geldt ook voor wulp, waar men 3 vermoedelijke broedgevallen heeft waargenomen, maar dit evenwel zonder broedsucces. De zwartkopmeeuw is een paar keer gezien en gehoord in en rond de kokmeeuwkolonie. Het is niet uit te sluiten dat 1 tot 2 paren daar ook effectief hebben gebroed. Van blauwborst kan

-4-


er ook met zekerheid gesteld worden dat de 2 koppels aan Bloksgoor tot een 2de broedsel zijn gekomen. Volgende soorten werden eveneens waargenomen: beflijster, bergeend, boomleeuwerik, bruine kiekendief, geoorde fuut, groene specht, krakeend, paapje, patrijs, regenwulp, slobeend, spotvogel, tapuit, tureluur, wespendief, wilde eend, wintertaling, witgatje, en zwartkopmeeuw. Er werd echter geen broed- en/of territoriaal gedrag vastgesteld.

I.2 Overzicht maatregelen binnen Maatregelen tot Landinrichting Op kaart 1 worden de maatregelen tot landinrichting weergegeven waar werken werden uitgevoerd in het kader van natuur. In totaal werden er 3 grote natuurbouwzones gerealiseerd. De zone ‘Vlasroot-Flaasheide’ (zo’n 38 ha), waarvan een 22 ha bestaat uit natte graslanden en lokale depressies, aansluitend op arme drogere zandgronden (ten dele bebost). Binnen deze zone werden maatregelen getroffen ten behoeve van weidevogels. Een bestaande depressie (slenk) werd uitgediept en er werd een nieuwe gegraven. Op de hogere zandrug werd een dennenbos gerooid en de strooisellaag werd afgeplagd. De combinatie van natte graslanden, heischrale vegetatie en bosranden zorgen voor een gevarieerd open biotoop. In de zone ’Litse hei’ (7 ha) werd de nadruk vooral gelegd op het vegetatiekundig aspect. Het perceel, gelegen in de vallei van de Ossevenloop, heeft nog een uitgesproken gradiënt van droog naar zeer nat. De laatste grote zone ‘Eindegoor-Bloksgoor’ vormt een grensoverschrijdend natuurgebied aan de Nederlandse kant (landinrichtingsproject Baarle-Nassau). Ook hier werden maatregelen getroffen die de weidevogels een permanent refugium moeten bieden. Bestaande depressies werden verdiept, diepe sloten kregen zeer zwakhellende oevers. In de natte, veengronden werden de opschietende wilgen en berken gekapt (met behoud van een aantal grotere wilgen ten behoeve van o.a. blauwborst). I.3 Beheermaatregelen In tabel I.3 wordt een overzicht gegeven van de door het Agentschap voor Natuur en Bos genomen beheermaatregelen sinds 2003 op de percelen die werden ingericht voor natuur. De beheerszones worden weergegeven op kaart I in bijlage.

-5-


Tabel I.3: Overzicht beheermaatregelen sinds 2001 Perceels- Beheer tot en nummer met 2003 A1 Akker

Beheer in 2003

Beheer in 2004

Beheer in 2005

Afgegraven akker, braak

Beweiding, bekalking

Beweiding, bekalking

Beheer in 2008

Beweiding, bekalking; scheuren, inzaaien met grasmengsel en bemesten na 1 juli Beweiding, bekalking; scheuren, inzaaien met grasmengsel en bemesten na 1 juli Beweiding, bemesting na 1 juli, bekalking

Geen verder beheer

Beweiding, bemesting na 1 juli

Beweiding, bemesting na 1 juli, bekalking

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Beweiding

Beweiding

Beweiding

Bemest en ingezaaid met grasmengsel; beweiding 1 maaibeurt in juli Beweiding

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Beweiding

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Geen beheer

Beweiding

Beweiding

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Moerassige depressie, geen verder beheer Geen beheer

Moerassige depressie, geen verder beheer Beweiding, gescheurd na 1 juli, bemest en

Moerassige depressie, geen verder beheer

Geen verder beheer

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

A2

Al enkele jaren braakliggend grasland

Braak

Beweiding, bekalking

Beweiding, bekalking

A3

Akker

Braakliggende akker

Beweiding, bemesting na 1 juli

A4

Akker

Braakliggende akker

A5

Akker

B1

Akker

Braakliggende akker Afgegraven akker, braakliggend

Bemest en bekalkt, ingezaaid met grasmengsel; beweiding Bemest en bekalkt, ingezaaid met grasmengsel; beweiding Eén maaibeurt in september Ingezaaid met grasmengsel (mislukt)

B2

Grasland

Braakliggend grasland

B3

Akker

B4

Moerassige depressie

Afgegraven akker, braakliggend Moerassige depressie

B5

Akker

Afgegraven akker, braakliggend

Beheer in 2006

Beweiding

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3


Perceelsnummer

Beheer tot en met 2003

Beheer in 2003

B6

Al enkele jaren braakliggend grasland

Braakliggend grasland

C1

Grasland

C2

Akker

Braakliggend grasland Afgegraven akker, 1 maaibeurt in september

C3

Akker

D1

Akker

D2

Grasland

D3

Grasland

Afgegraven akker, 1 maaibeurt in september Braakliggende akker

Grasland, 1 maaibeurt in juni Grasland, 1 maaibeurt in juni

Beheer in 2004

Beheer in 2005

Beheer in 2006

Beheer in 2008

bekalkt, ingezaaid met grasmengsel 1 maaibeurt in juli Beweiding, gescheurd na 1 juli, bemest en bekalkt, ingezaaid met grasmengsel Beweiding Beweiding

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Beweiding

Beweiding

Beweiding

Beweiding

Ingezaaid met grasmengsel en bemest, beweiding Beweiding

Ingezaaid met grasmengsel en bemest, beweiding

Onderste helft gescheurd na 1 juli, bemest en bekalkt, ingezaaid met grasmengsel; beweiding Beweiding

Beweiding, bekalking

Beweiding en 2/3 van oppervlakte bemest met ruwe stalmest, begin 10m vanaf loop

Beweiding, bekalking

Beweiding

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting en bekalking

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting en bekalking

Beweiding, bemesting, bekalking tss. 15/2 en 15/3

Beweiding, bekalking

Beweiding, bemesting en bekalking

Weide gescheurd, geploegd, bemest en omgezet in akkerland met zomergraan (t.b.v.akkervogels zoals veldleeuwerik, geelgors, boompieper)

-7-


Perceels- Beheer tot en nummer met 2003 D4 Dennenbos

Beheer in 2003

Beheer in 2004

Dennenbos

Gekapt

Afgegraven akker, 1 maaibeurt in september Braakliggende akker, 1 maaibeurt in september

1 maaibeurt in september

E1

Akker

E2

Akker

E3

Naaldbos

Naaldbos

E4

Grasland

F1

Grasland

Beheer in 2005

Beheer in 2006

Beheer in 2008

Geplagd in januari, sindsdien geen beheer 1 maaibeurt in september

Uitspreiden heidemaaisel, verwijderen opslag bramen

Geen beheer gebeurd

1 maaibeurt in september

Maaien in eigen beheer met afvoer van maaisel na augustus

Ingezaaid met Italiaans raaigras; 2 maaibeurten (half juni en augustus) Gekapt, geplagd

1 maaibeurt (half juni), nadien nabeweiding

1 maaibeurt (half juni), nadien nabeweiding

Maaien, nabeweiding, biezen scheuren, bekalken, bemesten, inzaaien met Italiaans raaigras

Verwijderen opslag bramen

Uitspreiden heidemaaisel

Geen beheer gebeurd

Grasland

2 maaibeurten (half juni en augustus)

1 maaibeurt (half juni), nadien nabeweiding

Maaien en nabeweiding

Grasland

1 maaibeurt (september)

1 maaibeurt (half juni), nadien nabeweiding Beweiding

Beweiding

Maaien en nabeweiding

Opmerkingen • Bekalking houdt steeds een maximum van 2 ton/ha/jaar in. • De startbemesting (bij inzaaien van grasland) is vrij (wettelijke limiet voor graslanden). De 'onderhoudsbemesting' is vastgesteld op 200 kg N/ha per jaar. • Beweiding (met runderen) vanaf 15 mei. Tussen 15 mei en 1 juni mag de graasdruk niet hoger zijn dan 1 GVE/ha, vanaf 1 juni zijn 3 GVE/ha toegelaten. Van 15 mei tot 15 juni mogen enkel runderen van meer dan 2 jaar oud ingeschaard worden. De dieren mogen niet bijgevoederd worden. Het gebruik van kunstmest of biociden is niet toegestaan

-8-


Bespreking Beheer en Maatregelen1 Eindegoor Volgende maatregelen en beheer werden genomen: Omzetten akkers naar grasland en beweiding • In Eindegoor werden enkele akkers omgezet naar grasland. Dit gebeurde door inzaaien met een grasmengsel in 2004, 2005 of 2006. Sommige akkers werden vooraf afgeplagd. • Beweiding startte in 2004 en 2005. Beweiding (met runderen) gebeurt vanaf 15 mei. Tussen 15 mei en 1 juni mag de graasdruk niet hoger zijn dan 1 GVE/ha, vanaf 1 juni zijn 3 GVE/ha toegelaten. Van 15 mei tot 15 juni mogen enkel runderen van meer dan 2 jaar oud ingeschaard worden. De dieren mogen niet bijgevoederd worden. • Alle graslanden kregen en krijgen jaarlijks een bekalking sinds 2004. Bekalking houdt steeds een maximum van 2 ton/ha/jaar in. • Vrijwel alle graslanden krijgen een bemesting. De 'onderhoudsbemesting' is vastgesteld op 200 kg N/ha per jaar. • Het gebruik van kunstmest of biociden is niet toegestaan • Sinds 2006 werden geen nieuwe graslanden meer ingezaaid. Beweiding werd verdergezet, m.u.v. de zone A1 waar geen verder beheer meer plaatsvond.

Graven van plassen In voormalige akkers en grasland werden plassen gegraven. Resultaten: Omzetten akkers naar grasland en beweiding De voorheen omgezette akkers naar grasland waren in 2006 geëvolueerd naar een Witbolstadium. De meer recent ingezaaide graslanden (2005, 2006) vertoonden in 2006 nog kenmerken van het ingezaaid mengsel (bv. A1, A2, A4, B1). Nu kunnen er echter op het terrein duidelijke verschillen waargenomen worden. Graslanden die pas in 2005 of 2006 werden ingezaaid, vertonen nog een duidelijke evolutie en kenmerken van de ingezaaide graslandsoorten. De evolutie heeft nu reeds in het Witbolstadium plaatsgevonden. De in 2006 naar Witbolvegetaties geëvolueerde graslanden kennen nu echter een sterke uitbreiding met Pitrus, in die mate dat in sommige graslanden enkel een dominantie van Pitrus aanwezig is. Een sterke verschraling van de graslanden is (nog) niet te verwachten, gezien de toepassing van bemesting. Ook de ligging in akkergebied veroorzaakt een bijkomende bemesting door in- en afspoeling van meststoffen van de akkers. In de meeste situaties werd door afgraven en plaggen een nattere vegetatie verkregen. Deze behoort evenwel tot een ‘voedselrijk’ type. De plagzones zijn als dusdanig nog weinig herkenbaar op het terrein, waar dit in 2006 nog wel het geval was.

Graven van plassen De plassen vertonen geen watervegetatie. Ze zijn zeer voedselrijk. De oever vertoont een vegetatie met dominantie van Pitrus en/of Grote lisdodde. Bloksgoor Volgende maatregelen en beheer werden genomen: Omzetten akkers naar grasland en beweiding Ook in Bloksgoor werden analoge maatregelen en beheer genomen als in Eindegoor.

Graven van plassen In een voormalige akker (B5) en in een moerassige depressie (B4) werden plassen gegraven.

Uit: Ruilverkaveling Weelde. Uitvoering monitoringprogramma, Module Vegetatie – jaar +5 (2009). Econnection, september 2009, 1


Resultaten: Omzetten akkers naar grasland en beweiding De resultaten voor de ingezaaide akkers zijn analoog als in Eindegoor. Er heeft hier echter een minder sterke ontwikkeling naar Pitrusvegetaties plaats (in het noordelijk deel) (zones B5 en B6). Wat betreft de niet ingezaaide akkers of voordien al grasland zijnde percelen (B2 en B3), is de situatie duidelijk geëvolueerd naar een gunstige situatie met een evolutie naar ‘Witbolgraslanden’. In 2009 is deze fase hier nog steeds aanwezig. Alle graslanden worden sinds 2008 bekalkt. Wellicht heeft de geringere afplagging en de bekalking in Bloksgoor voor een minder snelle evolutie naar Pitrusvegetaties in Bloksgoor (t.o.v. de evolutie in Eindegoor) kunnen zorgen.

Graven van plassen De plas in de voormalige akker (B5) is diep en vertoont geen watervegetatie. De plassen in de moerassige depressie (B4) vertonen een vegetatie van laagvenen. De evolutie is er positief, alhoewel de lage ligging negatieve invloeden van de hoger liggende akkers kan bewerkstelligen. Sinds 2006 is er wel een sterke verbossing merkbaar (met Wilg in het moeras zelf en Berk aan de westelijke rand). Ook de ontwikkeling van Grote lisdodde of Pitrus is hier sterk toegenomen sinds 2006. Litse Heide Volgende maatregelen en beheer werden genomen: Omzetten akkers naar grasland en beweiding • In de Litse Heide werden akkers afgeplagd en beweid vanaf 2004. Dezelfde voorwaarden qua beweiding gelden als in Eindegoor en Bloksgoor. • Sinds 2008 wordt in 1 zone deels bemest met ruwe stalmest (zone C2). • Er wordt sinds 2008 geen bekalking meer toegepast.

Graven van plassen In de Litse Heide werd in 1 perceel (C1) een poel gegraven. Resultaten: Omzetten akkers naar grasland en beweiding De graslanden bevinden zich in een ‘Witbolstadium’ of overgang naar graslanden met Dotterbloemelementen. Dit duidt op een gunstige evolutie. Het pioniersstadium dat nog in 2006 in de zone C3 aanwezig was, is slechts lokaal nog zichtbaar.

Graven van plassen De poel vertoont een oevervegetatie van o.m. dominantie met Pitrus. De poel is voedselrijk, o.m. door de lage ligging en instroom van meststoffen vanuit de aanpalende akkers. Sinds 2006 is een grotere wateroppervlakte ingenomen door Pitrus. Vlasroot Volgende maatregelen en beheer werden genomen: Omzetten akkers naar grasland en beweiding/maaibeheer Akkers werden omgezet naar grasland (E1, E2) door eventuele voorafgaande afplagging. Het huidige beheer bestaat uit 1 maaibeurt (na augustus), eventueel met nabeweiding. 1 zone (E2) werd ingezaaid met Italiaans raaigras. In E2 gebeurt sinds 2008 een bekalking. De zone D3 werd in 2008 gescheurd en omgezet naar akkerland met zomergraan t.b.v. akkervogels. Beweiding/maaien van graslanden Percelen die in 2003 in grasland waren (D2, D3, E4, F1), werden vanaf 2004 beweid of vanaf 2005 gemaaid (1x/jaar, half juni) en nabeweid. Sommige (D1 en D2) worden bemest en bekalkt.

- 10 -


Graven van plassen Er werden 2 plassen gegraven in een voormalige akker (E2) en grasland (D2). Sinds 2006 heeft zich aan de randen van de plassen Pitrus ontwikkeld. Kappen van dennenaanplant Op 2 percelen (D4 en E3) werden naaldhoutaanplantingen gekapt. Een gedeelte ervan werd afgeplagd in 2004 en 2005, Bramen werden verwijderd en in 2006 werd heidemaaisel uitgespreid op het terrein. Momenteel gebeurt er geen beheer meer in deze zones. Aanplant van loofhout In verschillende percelen op voormalig grasland werd gemengd loofhout aangeplant (o.m. Wilde lijsterbes, Ruwe berk, Sporkehout, Zomereik). Momenteel gebeurt geen verder beheer, tenzij het maaien van een deel van het voormalig grasland waar geen aanplant is gebeurd. Resultaten: Omzetten akkers naar grasland en beweiding De recent ingezaaide akkers in de zone E2 zijn als dusdanig nog op het terrein herkenbaar. De dominante grassoort is Italiaans raaigras. De eerder ingezaaide graslanden in deze zone hebben wel reeds een evolutie naar soortenrijker grasland, met een evolutie naar het Witbolstadium. Graslanden die reeds in een vroeg stadium werden ingezaaid (voor 2005) hebben nu een evolutie met meer Pitrus. De zones blijven echter nog lokaal (zone E4). Beweiding/maaien van graslanden Alle graslanden die een bemesting en bekalking vertonen en sinds 2004 beweid worden (D1 en D2) , bevinden zich in een voedselrijk stadium met een lage soortenrijkdom. Sinds 2006 is echter de aanwezigheid van de ingezaaide soorten merkbaar verminderd en is nu meer een evolutie naar Witbolgraslanden op de voedselrijkere delen (zone D2) en graslanden op armere gronden (met o.m. Schapenzuring en Gewoon struisgras) (in zone E1) merkbaar. Graslanden die vooraf 1 of 2 maaibeurten per jaar gekregen hebben, en nadien een beheer als weiland (beweiding) of hooiweide (1 maaibeurt half juni en nadien nabeweiding) zonder bemesting en bekalking, vertonen duidelijk een voedselarmere en soortenrijkere vegetatie. Het betreft de percelen E4 en E1.

Graven van plassen De 2 plassen vertonen een oevervegetatie met dominantie van Pitrus. Ze zijn voedselrijk. Kappen van dennenaanplant De afgeplagde en met heidemaaisel bedekte terreinen vertonen een evolutie naar Struikheidevegetatie. Er treedt reeds opslag op van o.m. Ruwe berk en Zomereik. Deze evolutie is sterker geworden sinds 2006 wegens het achterwege blijven van een beheer. Het tijdig verwijderen van de opslag is dus noodzakelijk. De niet afgeplagde delen die enkel gekapt werden, vertonen een evolutie naar loofhoutstruweel, met o.m. als soorten Zomereik, Sporkehout, Ruwe berk, Wilde lijsterbes en met in de ondergroei o.m. Bramen en varens. Aanplant van loofhout Er treedt reeds een evolutie op naar bos. De voormalige graslandsoorten zijn vrijwel niet herkenbaar meer in de percelen. Het niet-beplante deel is ruig, met lokaal t.h.v. de bomenrij Grote brandnetel en Distels. Algemene conclusies Omzetten akkers naar grasland en beweiding In Eindegoor is van de recent ingezaaide graslanden een evolutie merkbaar naar meer soortenrijke graslanden (Witbolstadium). De reeds eerder ingezaaide graslanden kennen een sterke ontwikkeling van Pitrus, in de zones die afgeplagd zijn. Door de inspoeling van meststoffen van de hoger gelegen en omringende akkers, eventueel gecombineerd met een bijkomende bemesting blijft de voedselrijkdom van de graslanden in het studiegebied hoog. Het achterwege laten van bemesting zou een bijdrage kunnen leveren aan de vermindering van deze voedselrijkdom (dit geldt zowel voor het nitraat- als het fosfaatgehalte). Het toedienen van bijkomende bekalking kon geen duidelijke verschillen in de vegetatie naar voor brengen. Bekalking in Bloksgoor in de zone B-5 en B-3 is evenwel af te raden, gezien het voorkomen van (zure) laagveenvegetaties in Bloksgoor.

- 11 -


In de Litse Heide werd sinds 2008 de bekalking stopgezet, wat positief is, gezien de aanwezigheid van zuurteminnende vegetaties. Ook in Vlasroot komen waardevolle zuurteindicerende vegetaties voor (zure graslanden en Struikheidevegetaties), zodat bekalking hier niet gewenst is (dit gebeurt momenteel niet in de betreffende zones). Beweiding/maaien van graslanden Maaibeheer (met afvoer van veel N) en eventuele nabeweiding houdt de vegetatie laagproductief. Dit komt in het studiegebied duidelijk naar voor in een aantal percelen in Vlasroot, waar reeds vertrokken is van een graslandsituatie, en waar bemesting achterwege gelaten wordt. Werden er vooraf 2 maaibeurten uitgevoerd i.p.v. 1 of geen maaibeurt, dan heeft dit een duidelijke verschralende invloed op het grasland.

Graven van plassen Er werden een aantal nieuwe plassen en vennen gegraven in voormalig intensief gebruikte graslanden of akkers (Eindegoor, Bloksgoor, Vlasroot). In alle gevallen kon geen oligotrofe of mesotrofe plas met de daarbij horende vegetaties bekomen worden. Competitieve soorten zoals Pitrus en Grote lisdodde domineren. In 1 enkel geval (Bloksgoor) werden natte heidesoorten en venoeversoorten zoals Tormentil en Veenpluis aangetroffen, indicatoren voor mesotrofe omstandigheden. Kappen van dennenaanplant Het kappen van dennenaanplantingen in Vlasroot, gevolgd door afplagging en uitstrooien van heidemaaisel heeft een duidelijke positieve invloed met ontwikkeling van Struikheidevegetaties als gevolg gehad. Opslag van loofhout trad echter reeds snel op, zodat gepaste beheermaatregelen hiervoor op korte termijn dienen uitgevoerd te worden. Waar geen afplagging en inzaai gebeurde, ontwikkelt zich spontaan een loofhoutstruweel (ZomereikenBerkenbos). Aanplant van loofhout • Aanplant van loofhout op voormalige graslanden heeft een duidelijke verruigende invloed op de voormalige graslandsoorten (Vlasroot)

- 12 -


Hoofdstuk II. Vergelijking resultaten 2001 (t= -1), 2006 (t= 2) en 2009 (t=+5) Ecologische soortengroep

Soortnaam

geelgorsgroep

T = -1

T=2

T= 5

boomleeuwerik

0

2

0

boompieper geelgors heggenmus grasmus fitis kneu

7 3 2 0 9 6

8 0 4 8 2 3

7 1 5 12 9 7

roodborsttapuit patrijs kievit scholekster graspieper kwartel veldleeuwerik wulp gele kwikstaart grutto wilde eend

Wulpgroep

Veldleeuwerikgroep

Roodborsttapuitgroep

Gruttogroep

Aantal territoria

5 4 7 2 4 0 78 78 72 8 4 4 (5) 14 11 12 2 1 0 13 10 8 6 6 (3) 5 4 7 15 6 1 0 3 0 Overige broedvogels 0 4 4 (5) 0 4 5

totaal per groep

Totaal per groep

Totaal per groep 2009

2001

2006

12

14

13

20

17

35

123

114

96 (100)

40

32

27 (30)

15

9

1

0

8

9 (10)

rietgorsgroep

blauwborst rietgors

Zwarte roodstaartgroep

zwarte roodstaart

0

1

1

0

1

1

bergeend

0

1

0

0

1

1

2

Slobeend-groep

kokmeeuw

TOTAAL 175 120 159 Tabel II.1: aantal territoria per soort en per ecologische soortengroep voor de doelsoorten en overige broedvogels op t = -1 en t = 2 en t= +5.

II.1 •

2

Bespreking per soort De oorspronkelijk aan natte heide, veengebieden en natte zeggenmoerassen gebonden grutto (zie kaart II) broedt nu hoofdzakelijk op matig tot intensief gebruikte, laaggelegen graslanden. De dramatische achteruitgang van de soort binnen het ruilverkavelingsgebied (van 15 naar ‘vermoedelijk’ 1 broedgeval) ligt in de tendens

Slobeend-groep: soorten van kleinschalig, ondiep (matig) voedselrijk open water. Uit Sierdsema H. (1995).


•

•

•

•

•

•

van de Noorderkempen3. De achteruitgang van het grutto-bestand kan verklaard worden door de toenemende oppervlakte aan maïsakkers en de opgang van ééntonige raaigraslanden. Ook het te vroeg maaien van graslanden zorgt voor een hoog sterftecijfer bij de kuikens. Vanuit Nederland, waar onderzoek naar de achteruitgang van de gruttopopulaties reeds volop aan de gang is, komen de eerste berichten over de invloed van predatie en eierroof, Er is momenteel te weinig inzicht over de invloed van predatie in de RVK Weelde op weidevogels. Op basis van afschotgegevens bestaan er sterke vermoedens dat de populatiedichtheid van de vos in de regio zeer sterk is toegenomen. Maar ook andere soorten zoals wezel, blauwe reiger en buizerd kunnen een nog grotere rol spelen in predatie op weidevogels dan de vos. De achteruitgang van veldleeuwerik (zie kaart II) is een algemene trend die zich afspeelt in heel Vlaanderen en werd reeds uitvoerig besproken in tal van artikels. Voornaamste redenen zijn de algemene schaalvergroting van de moderne landbouw (met minder diversiteit aan gewassen). Daarmee gepaard gaan blijkt ook dat het gebruik van meer pesticiden, het verdwijnen van wintervoedsel (zoals graanresten), het verdwijnen van braakliggende akkers en de uitbreiding van maïsteelt ten koste van graanteelten een nefaste invloed hebben. Met 7 ‘vermoedelijke’ broedgevallen blijft de gele kwikstaart op een stabiel niveau. De in de Noorderkempen eerder zeldzame broedvogel (in tegenstelling tot de WestVlaamse polderstreken) blijkt de opkomst van de monoculturen aan maïs niet goed te hebben verteerd. In gebieden met een meer diverse teeltkeuze blijven ze het beter doen. De wulp, een van nature typische broedvogel van grotere heidegebieden, heeft zich als gevolg van het verdwijnen van natte heide- en veengebieden aangepast en is nu voornamelijk terug te vinden in cultuurgraslanden. In het projectgebied zijn nog 3 broedparen wulpen aanwezig, maar het broedsucces ligt hoogstwaarschijnlijk zeer laag. Zonder gepaste maatregelen zal de wulp waarschijnlijk verdwijnen uit het gebied. Het aantal kievit-territoria, zo blijkt uit de monitoringgegevens, loopt ten opzichte van 2006 licht achteruit. Dit is hoogstwaarschijnlijk te wijten aan de weersomstandigheden in het voorjaar van 2009, waar april een zeer natte maand was. Toen begin mei een drogere periode aanbrak zaten veel koppels reeds met nesten, maar was het ook een ideale periode voor landbouwers om hun gronden te beginnen bewerken. Veel kievitkoppels zijn dan ook hun 1ste broedsel verloren en moesten alsnog voor een 2de broedsel zorgen. Uit de literatuur is echter gebleken dat het 1ste legsel van primordiaal belang is voor weidevogels (draagt tot 66 % bij aan hun broedsucces), waarbij een tweede legsel al snel veel minder succesvol zal blijken (tot max 30%) Zowel de kwartel als de patrijs zijn als broedvogel verdwenen uit het ruilverkavelingsgebied. De kwartel is sowieso iets minder talrijk aanwezig in de Noorderkempen. Zoals algemeen bekend, is dit een tendens die voor alle patrijsachtigen in West-Europa van toepassing is. De boosdoener is ook hier de toenemende intensifiëring van het landbouwgebied. Door de schaalvergroting en de opkomst van monoculturen is de kwaliteit van hun leefgebied sterk aangetast. Ook het toenemend gebruik van pesticiden/herbiciden hebben tot gevolg dat het aanbod van insecten voor de kuikens sterk afneemt. Daarnaast is het verdwijnen van kleinere lijnvormige landschapselementen en bijgevolg nestplaatsen een bijkomende oorzaak waarom deze soorten het slecht doen. De in het begin van de 20ste eeuw enkel aan de kust voorkomende scholekster, heeft zich sinds 1960 landinwaarts verplaatst waar hij tot broeden kwam op akker- en graslanden. De toename in aantallen en verschuiving landinwaarts wordt

3

Dit in tegenstelling tot de tendens in Vlaanderen, waar er, mede dankzij een sterke toename in broedparen in de Kust- en Scheldepolders, een positieve evolutie aan de gang is.

- 14 -


•

•

•

•

•

•

toegeschreven aan de toenemende vermesting en het daarbij stijgende aanbod aan regenwormen en emelten. In de ruilverkaveling Weelde werden in het broedseizoen 2009 slechts 4 nesten gevonden, wat een halvering zou zijn ten opzichte van de vorige jaren. Vermoedelijk is dit slechts van tijdelijke aard, daar de scholekster één van de weinige soorten is, die zich gemakkelijk kan aanpassen aan de toenemende veranderingen in het landbouwgebied. de grasmus-populatie (zie kaart III), lijkt het, zoals in de rest van de ons omringende landen, goed te doen. Na een spectaculaire daling in de jaren ’60 ten gevolge van slechte weersomstandigheden in hun overwinteringgebied, zien we een trage maar zekere toename van de aantallen in het landbouwgebied. Ondanks dat zij een voorkeur vertonen voor kleinschaligere landschappen, kunnen zij goed gedijen in open landschappen met kleine ruigere hoekjes en hier en daar een houtkant. De aanwezigheid van een aantal ruigere percelen (bvb boscompensatie Flaasheide) heeft hier zeker bijgedragen aan het voorkomen van de grasmus. Het fitis-bestand heeft zich ten opzichte van 2006 opnieuw hersteld (zie kaart III). Of de aanwezige territoria werden vorige inventarisatieronde niet waargenomen of, en dat is meer waarschijnlijk, zo blijkt uit de literatuur dat, net als in andere Europese landen, de fitispopulaties zeer sterke schommelingen kennen. De reden hiervoor, en of dit negatieve repercusies naar de toekomst toe is niet duidelijk. Hetzelfde geldt echter ook voor de roodborsttapuit, waar we, na een terugval naar slechts 4 territoria, opnieuw 7 broedgevallen waarnemen. Net als de grasmus profiteren de roodborsttapuitten ook hier van de verruiging op een aantal percelen. Net als de grasmus en de fitis, doet de kneupopulatie het (opnieuw) uitstekend. Dit in tegenstelling tot de algemene tendenzen in Noordwest-Europa waar men ziet dat de populaties kelderen (in Groot-Brittannië zelfs tot 50%). De voornaamste oorzaak is, net als bij de geelgors, de toenemende intensifiëring van de landbouw (monoculturen, herbiciden,…) waardoor de voedselbeschikbaarheid in de winter daalt. Het gevolg is dan ook dat de vogels de wintermaanden niet overleven en/of in slechte conditie aan het broedseizoen beginnen. Door de aanwezigheid van de vele overhoekjes, verruigde randen en struwelen blijven ze het hier echter beter doen Bij de rietgorsgroep is een duidelijke positieve trend binnen het ruilverkavelingsgebied te zien. De rietgors (zie kaart IV) kwam voor 2001 niet tot broeden binnen het ruilverkavelingsgebied. Door het graven van ondiepe plassen, het aanleggen van natuurtechnische oevers en het lokaal afgraven van de toplaag werd een moeraszone/natte graslanden aangevuld met open waterpartijen met opgaande oeverbegroeiing. Naast de rietgors (welke zich vnl. richt op de ruigere riet,- pitrus,- en biezenvegetaties kon ook de blauwborst (zie kaart IV) profiteren van deze nieuwe situatie. Ten zuiden van Flaasheide vindt men een zandige rug terug die in het verleden werd opgeplant met grove den. In het ruilverkavelingsplan werden maatregelen voorzien om deze monotone aanplant om te vormen naar een droge heidevegetatie, met overgang naar het bestaande dennenbos. Circa 4 ha werd gekapt en de kapvlakte werd nadien afgeplagd (enkel verwijderen van de strooisellaag). Deze nieuwe situatie werd snel gekoloniseerd door de boomleeuwerik, daar zijn voorkeur uitgaat naar dergelijke biotopen (zandige, open vlakten met opgaande dennen). Het is daarnaast een trend die zich ook buiten het ruilverkavelingssgebied voortzet. Sinds medio de jaren ’90 is deze soort aan een opmars bezig. Men vermoed dat er verschillende factoren zijn die bijdragen aan het behoud van de populaties, als daar zijn het omvormingsbeheer van productiebossen naar meer inheemse bossen (met (tijdelijk) zandige plekken tot gevolg), de zachtere winters (daar boomleeuweriken soms erg te lijden hebben tijdens strenge winters) en de toename in heideherstelprojecten. Door de sterke verbossing in het gebied van Flaasheide sinds 2006 is de soort hier terug verdwenen als broedvogel. Ondanks de negatieve trend in Vlaanderen blijft de boompieper binnen het ruilverkaveling gebied redelijk stabiel met 7 aangetroffen populaties (met naar alle

- 15 -


waarschijnlijkheid ook broedsucces). De reden hiervoor is waarschijnlijk de blijvende aanwezigheid van houtkanten, bomenrijen en de aanwezigheid van FlaasheideSchriekheide, waar na de ontbossing van de zandige rug opnieuw een sterke verbossing aan het optreden is. • Alhoewel de meeste soorten van de Geelgors-groep (zie kaart V) een positieve evolutie hebben ten opzicht van 2001, blijkt dat de geelgors niet meer voorkomt binnen het projectgebied. De achteruitgang van 3 territoria naar 1 heeft waarschijnlijk oa te maken met het verdwijnen van de kleine landschapselementen door de autonome evolutie in het gebied. Ook het verhoogd gebruik van pesticiden blijkt een nefaste invloed te hebben op de geelgors-populaties. Tijdens de opmaak van het ruilverkavelingsplan werd er veel aandacht besteed aan de aanplanting van brede houtkanten, bomenrijen en ruigere bermen. Door dergelijke maatregelen te treffen kan de achteruitgang van de soort tegengegaan worden, zoals blijkt uit enkele initiatieven in Limburg en Vlaams-Brabant. Desondanks blijft de geelgors sterk achteruit te gaan in heel de Kempen en zal het niet evident zijn om deze soort terug te krijgen als broedvogel. • Binnen de geelgors-groep blijft de heggenmus het redelijk goed doen. Ten opzichte van de vorige inventarisatieronde in 2006 is de populatie grosso modo stabiel gebleven. Doordat deze soort vrij onopvallend aanwezig is (met uitzondering tijdens de korte periode bij het begin van het broedseizoen) kan het evenwel een lichte onderschatting zijn. Deze soort doet het , net als in de rest van Vlaanderen behoorlijk goed. • Graspiepers zijn typische soorten van het open landschap. Ze verkiezen de iets nattere graslanden met een hogere vegetatie en slootranden om in te broeden, in afwisseling met kortere vegetaties om te foerageren (naar slakjes, insecten en larven). Buiten het broedseizoen worden ze ook sporadisch waargenomen op akkerland. De soort blijkt redelijk stand te houden in het gemonitorde gebied. Dit ondanks dat ook deze soort zwaar te lijden heeft onder de toenemende schaalvergroting van de landbouw. Door het permanent opstuwen van de in 2004 uitgegraven slenk ter hoogte van Vlasroot heeft er zich een permanente waterpartij gevormd. Hier heeft zich reeds een geruime tijd een Kokmeeuwenkolonie gevestigd met naar schatting zo’n 300 koppels. II.2 Bespreking per ecologische soortengroep In het monitoringsprogramma werd de nadruk gelegd op 2 doelgemeenschappen, waaraan telkens een aantal ecologische soortengroepen werden gekoppeld nl. Æ Weidevogels en aandachtssoorten van het open gebied en half open gebied - Veldleeuwerik-groep - Wulp-groep - Grutto-groep - Roodborsttapuit-groep Æ Aandachtssoorten van open bos, bosranden en boomgroepen met kale en zandige bodem - Geelgorsgroep II.2.1

Weidevogels en aandachtssoorten van het open gebied en half open gebied

Het succes van de tussen 2002-2004 genomen maatregelen om deze doelsoortengroep te beschermen bleven tot hier toe beperkt tot onvoldoende. Van de 4 ecologische doelgroepen van dit type gaan er 3 achteruit, waarvan de grutto-groep met dramatische cijfers. Dit ligt volledig in de lijn van de verwachtingen daar deze groep het in andere landbouwgebieden ook zeer slecht doen. De reden hiervoor is al meermaals

- 16 -


aangehaald, zijnde een combinatie van de intensifiëring van de landbouwproductie, een toename in predatie en een beheer dat niet is afgestemd op deze soorten. De ecologische soortengroep rond de roodborsttapuit gaat er, in tegenstelling tot de overige, sterk op vooruit (van 17 naar 35 territoria). Dit door de inspanningen van de ruilverkaveling bij de aanleg van kleine landschapselementen als oeverhoekjes en houtkanten in het open gebied. Vooral de fitis heeft hiervan kunnen profiteren. De zone voor maatregelen aan de Litse heide schieten duidelijk hun doel voorbij zoals valt af te lezen uit de kaarten in bijlage. De totale afwezigheid van soorten als grutto, wulp, veldleeuwerik, graspieper en in mindere mate zelfs kievit is hier een duidelijke aanduiding van. Er wordt dan ook voorgesteld om het beheer vooral toe te spitsen naar vegetatie toe. Ten oosten van de maatregelen tot landinrichting aan Litse Heide kan wel geïnvesteerd worden (via het beheerovereenkomstenpakket ‘weidevogels) in graslandbeheer. Het gebied Vlasroot is veel natter geworden wat ook blijkt uit de waarnemingen van eendensoorten en enkele steltlopers. De aanwezige kokmeeuwenkolonie (met enkele zwartkopmeeuwen) zorgt er tevens voor dat typische broedvogels van graslanden geen kans krijgen. Veel soorten vluchten naar de naastgelegen percelen waar ze minder kansen krijgen om tot een succesvol broeden te komen. II.2.2

Aandachtssoorten van open bos, bosranden en boomgroepen met kale en zandige bodem

Deze doelgemeenschap blijft het, als enigste soortengroep, goed doen binnen de ruilverkaveling. De geelgors blijft het na 5 jaar nog steeds slecht doen, net zoals overal in Vlaanderen. Andere soorten van bosranden en kleine opgaande begroeiingen blijven goed stand houden binnen het projectgebied.

- 17 -


SAMENVATTING EN AANBEVELINGEN NAAR BEHEER Samenvattend moet men vaststellen dat de soorten die gebonden zijn aan structuurrijke graslanden in het open gebied opnieuw dramatisch achteruit gaan. De voornaamste reden lijkt hier het habitatverlies te zijn. Daarom dient er in de eerste plaats aandacht uit te gaan naar bescherming en het goede beheer van de biotopen. Momenteel heeft het Agentschap voor Natuur en Bos zo’n 69 ha in beheer. Daarnaast zijn er een heleboel soorten die naast graslanden ook gebaat zijn bij ruigere percelen, in combinatie met graanveldjes. Daarnaast kan het nodig zijn om per soort (of indien mogelijk ecologische soortengroep) een soortbeschermingsplan op te stellen waarin alle knelpunten worden vermeld die verantwoordelijk zijn voor de achteruitgang en een hieraan gekoppeld voorstel tot herstelmaatregelen. Vanuit de Vlaamse Broedvogelatlas werd al gepleit om een doorgedreven monitoring op te starten omdat de vrees bestond dat, wanneer populaties onder een bepaald niveau zakken en niet meer zelfonderhoudend zijn, het veel moeilijker is om tot een herstel te komen. Door een continue opvolging kan men echter op tijd aan de alarmbel trekken en gebieds- en/of soortgerichte maatregelen nemen. Sinds 2007 is in het INBO (ism Natuurpunt) dan ook een nieuw, grootschalig vogelmonitoringproject gestart met als doel om bepaalde trends van algemene broedvogels in kaart te brengen (Algemene Broedvogelmonitoring Vlaanderen, (ABV)), en indien noodzakelijk, hierop vanuit het beleid in te spelen om de neerwaartse trend om te buigen. Men dient resolute keuzes te maken in het open gebied. De kennis en ervaring met weidevogelbeheer zijn ondertussen bekend en gekend Instrumenten als ruilverkaveling, beheerovereenkomsten en andere kleinere initiatieven dienen maximaal te worden ingezet om het open landbouwgebied opnieuw structuur te geven in de vorm van houtkanten, graanakkers, ruigtestroken in afwisseling met schralere bermen en licht bemeste graslandpercelen. Ook dient men resoluut keuzes te maken over de te realiseren natuurdoelen. De opmaak van de instandhoudingsdoelstellingen (s-IHD’s) voor het Vogelrichtlijngebied ‘Gebieden te Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout’ zullen hierin bepalend zijn. Belangrijke opmerking hierbij is dat de typische graslandgebonden soorten als grutto, veldleeuwerik en wulp niet zijn aangemeld en men erop dient toe te zien dat voor deze soorten ook een ‘gunstige staat van instandhouding’ kan worden vastgelegd. In Groot-Brittannië werden experimenten uitgevoerd om binnen monotone akkers plots van min 4 x 4 m /ha te laten braakliggen ten voordele van veldleeuwerikken. Momenteel heeft dit een voorzichtig positief effect. Uit proeven in Nederland blijkt echter dat deze maatregelen weinig tot geen effect hebben. De in Vlaanderen in 2009 opgestarte beheerovereenkomsten rond dergelijke ‘leeuwerikvlakjes’ dienen echter hun nut nog te bewijzen in Limburg en Vlaams-Brabant. Boompieper heeft veel variatie nodig, complexen van oudere en jongere naaldhoutcomplexen. Dus bvb bij plagwerkzaamheden en heideherstelprojecten dient men voldoende structuurvariatie te behouden en te kiezen voor een eerder extensieve begrazing zodat voldoende verjonging mogelijk blijft. Gebruik zomergraan, welke in de lente wordt gezaaid en tegen de winter opnieuw wordt geoogst. Indien men na de oogst zorgt voor het achterblijven van voldoende zaden hebben akkervogels voldoende voedsel om de winter door te komen. Een bijkomend voordeel is dat vooral vlinders (en bijgevolg rupsen) gebruik maken van zomergranen waardoor hierdoor ook een extra voedselinput wordt gegeven. Soorten als grasmussen hebben dan weer baat bij ruigere percelen (bvb bij natuurontwikkeling op landbouwgronden). Wanneer de plantengroei opnieuw te hoog en te dens wordt, gaan ze op zoek naar andere ruigtepercelen.

- 18 -


Patrijzen en kwartels hebben baat bij een zeer gevarieerd landschap. Ze broeden bij voorkeur in ruigere plekken, waarbij er voldoende variatie bestaat in vegetatiesuccessie, gaande van kale zandige bodem (stofbaden tegen parasieten, over korte graslandvegetaties (met voldoende insecten voor de jonge kuikens) tot graanakkers met voldoende zaden om de winter door te komen. In het boek ‘Akkervogels’ (Dijksterhuis, K. en Hut, H. (2009) worden aanbevelingen gegeven om zogenaamde ‘trioranden’ aan te leggen in het landbouwgebied. Dit zijn bredere graslandbermen bij akkerranden die een verschillend maaibeheer krijgen.

- 19 -


III. Referenties ●

Dijksterhuis, K. en Hut, H. (2009). Uitgeverij, 2009. Zutphen.

Akkervogels.

Een uitgave van Roodbont

●

Sierdsema H. (1995). Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SBB-rapport 1995-1, SOVONonderzoeksrappport 1995/04. SBB/SOVON, Driebergen/Beek-Ubbergen. pp. 88

●

Vermeersch G., Anselin A., Devos K., Herremans M., Stevens J., Gabriëls J. & Van Der Krieken B. (2004). Atlas van de Vlaamse Broedvogels 20002002.Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 23, Brussel.

●

Vlaamse Landmaatschappij (2001): Monitoringprogramma Weelde. Vlaamse Landmaatschappij, Provinciale Afdeling Antwerpen. Herentals

●

Vlaamse Landmaatschappij (2003): Ruilverkavelingsproject Weelde. Uitvoering monitoringsprogramma Avifauna, jaar -1 (2001). Vlaamse Landmaatschappij, Provinciale Afdeling Antwerpen. Herentals

●

Website http://www.iucnredlist.org (2009)

- 20 -


IV Kaartmateriaal

I. II. III. IV. V.

Overzicht beheerblokken Territoria per ecologische soortengroep: Wulp-, Grutto- en Veldleeuwerikgroep (excl kievit) Territoria per ecologische soortengroep: Roodborsttapuit-groep Territoria per ecologische soortengroep: Rietgors- en Zwarte Roodstaartgroep Territoria per ecologische soortengroep: Geelgors-groep

V Leeswijzer De bijgevoegde Cdrom bevat de volgende digitale bestanden: Rapport -

Het eindrapport ‘Ruilverkaveling Weelde : Uitvoering Monitoringprogramma Module Avifauna, jaar ‘+5’ (2009) (.pdf en .doc)

-

Kaart I t/m V (.pdf)

GIS - Algemene shape-files, ruwe data, territoria per soort,…. - Leeswijzer GIS

- 21 -


WEELDE

Vlasroot - Flaasheide

Monitoring AVIFAUNA 2009 I Overzicht beheerblokken

Litse Hei E-4 E-2 C-1 C-3

D-1

Legende

E-3

beheerblokken

D-2 E-1

ruilverkaveling Weelde

D-3 D-4

! nummers verwijzen naar tabel I.3 op pg 6 C-2

Eindegoor-Bloksgoor B-6 B-5 B-4 B-3 B-2 B-1 A-5 A-4 A-3 A-2 A-1

Bronvermelding: digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, 1991-2007 (AGIV).

0

250

500

1.000 m

¸


WEELDE

Monitoring AVIFAUNA 2009 II Wulp,- Grutto,- en Veldleeuwerikgroep Legende scholekster veldleeuwerik graspieper grutto (vermoedelijk broedgeval) gele kwikstaart

ruilverkaveling Weelde

Bronvermelding: digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, 1991-2007 (AGIV).

0

250

500

1.000 m

¸


WEELDE

Monitoring AVIFAUNA 2009 III Roodborsttapuit-groep Legende

grasmus fitis kneu roodborsttapuit

ruilverkaveling Weelde

Bronvermelding: digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, 1991-2007 (AGIV).

0

250

500

1.000 m

¸


WEELDE

Monitoring AVIFAUNA 2009 IV Rietgors- en Zwarte Roodstaartgroep Legende

blauwborst rietgors zwarte roodstaart ruilverkaveling Weelde

Bronvermelding: digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, 1991-2007 (AGIV).

0

250

500

1.000 m

¸


WEELDE

Monitoring AVIFAUNA 2009 V Geelgorsgroep Legende

boompieper geelgors heggemus ruilverkaveling Weelde

Bronvermelding: digitale versie van topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, 1991-2007 (AGIV).

0

250

500

1.000 m

¸


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
PDFsam_merge_0.pdf by Vlaanderen-be - Issuu