Skip to main content

Conceptnota_VR_onderwijsinternaten.pdf

Page 1

VR 2020 1311 MED.0345/1QUINQUIES

DE VLAAMSE MINISTER VAN ONDERWIJS , SPORT, DIERENWELZIJN en VLAAMSE RAND

MEDEDELING AAN DE VLAAMSE REGERING Betreft: conceptnota “Onderwijsinternaten, een plaats binnen de samenleving” Samenvatting Deze conceptnota bereidt de ontwikkeling van een regelgevend kader voor onderwijsinternaten en hun internen voor. We geven zicht op het concept voor onderwijsinternaten zoals we dat voor ogen hebben. Met de titel “onderwijsinternaten, een plaats binnen de samenleving” geven we aan dat we evenzeer oog hebben voor het onderwijsinternaat als (fysieke) plaats waar jonge mensen verblijven en begeleid worden als voor de plaats (rol) die het onderwijsinternaat inneemt binnen de samenleving. Bij de verdere beleidsontwikkeling stellen we een aantal uitganspunten, principes en doelstellingen voorop: de maatschappelijke verwachting t.a.v. de onderwijsinternaten, gelijke behandeling, coherentie, autonomie, en toekomstgerichte en sobere regelgeving. Zonder vooruit te lopen op de specifieke gezamenlijke beleidsontwikkeling met Welzijn geven we in beperkte mate ook al de uitdagingen weer die liggen op het snijvlak onderwijs-welzijn. Het is een gedeelde bezorgdheid, en opdracht, om in de ondersteuning van kinderen en jongeren te komen tot logische en goed afgestemde regelgevingen en trajecten.

Pagina 1 van 16


1 SITUERING Deze conceptnota is een eerste stap in het beleidsproject1 “Onderwijsinternaten, een plaats binnen de samenleving”. Met deze titel geven we aan dat we evenzeer oog hebben voor het onderwijsinternaat als (fysieke) plaats waar jonge mensen verblijven en begeleid worden als voor de plaats (rol) die het onderwijsinternaat inneemt binnen de samenleving. Deze conceptnota bereidt de ontwikkeling van een regelgevend kader voor onderwijsinternaten en hun internen voor. De huidige regelgeving is verouderd, ze dateert van begin jaren 80 van de vorige eeuw of zelfs ouder en ze werd nooit wezenlijk aangepast. Ze is weinig samenhangend en heeft heel wat hiaten. Onze onderwijsinternaten hebben recht op een eigen hedendaagse regelgeving die hen als volwaardige sector in staat stelt om de maatschappelijk verwachting in te vullen en om de hedendaagse uitdagingen op een adequate manier tegemoet te kunnen treden. We zullen hiermee een debat van vele decennia afronden.

2 UITGANGSPUNTEN, PRINCIPES EN DOELSTELLINGEN Bij de verdere beleidsontwikkeling stellen we een aantal uitganspunten, principes en doelstellingen voorop.

2.1 DE MAATSCHAPPELIJKE VERWACHTING Een onderwijsinternaat is veel meer dan zijn hotelfunctie (bed, bad, brood). Ouders verwachten dat een onderwijsinternaat de jongeren begeleidt en vormt. Maar, er zijn ook grenzen aan wat we verwachten van onderwijsinternaten. Bij de beleidsontwikkeling vertrekken we daarom vanuit het Referentiekader voor Internaatskwaliteit (RiK). Het RiK beschrijft de maatschappelijke verwachting t.a.v. onderwijsinternaten en is tot stand gekomen in overleg met de sector.

2.2 GELIJKE BEHANDELING We waarborgen een gelijke behandeling van gelijke situaties, zowel wat de onderwijsinternaten als hun internen betreft. Het belang van de betrokken jongeren primeert. Vormen van discriminatie, zowel ten aanzien van de jongeren als ten aanzien van de besturen en inrichtende machten worden uitgesloten.

2.3 COHERENTIE We komen tot één regelgeving waarmee we de gemeenschappelijke punten vatten, maar waarmee we ook de diversiteit binnen de sector onderwijsinternaten recht aan doen. 1

Voor een kadering in het regeerakkoord zie bijlage 1. Pagina 2 van 16


Samen met de minister van Welzijn werken we oplossingen uit voor de noden van jongeren met specifieke zorgnoden. We komen hierop terug onder punt 3.

2.4 AUTONOMIE Onderwijsinternaten zijn zelfstandige organisaties die in partnerschap, met verschillende actoren, hun rol binnen het onderwijslandschap opnemen. We doen appel op het beleidsvoerend vermogen van de besturen en het personeel en zullen hen daartoe ook faciliteren.

2.5 TOEKOMSTGERICHT We gaan uit van de hedendaagse verwachtingen en de huidige hiaten en problemen in het volle besef dat de wereld er morgen anders uit ziet. We houden dan ook rekening met wat we vandaag nog niet kennen en werken een kader uit waarop toekomstige initiatieven en maatregelen geënt kunnen worden.

2.6 SOBERE REGELGEVING Het belang van regelgeving mag niet onderschat worden, het ‘regelt’ immers de verhouding tussen de betrokken sector en de samenleving en het legt zodoende plichten maar ook rechten vast. Regelgeving geeft wel degelijk vorm aan de realiteit. Maar, regelgeving heeft daarin ook zijn beperkingen. Het verhaal eindigt niet bij de regelgeving, het begint er mee. De realiteit wordt evenzeer, wellicht nog meer, op de werkvloer gevormd. We streven naar een sobere en zuinige regelgeving waarbij we enkel de juiste dingen regelen en waarmee we als overheid onze voorwaardenscheppende taak zo maximaal mogelijk opnemen. We geven maximale autonomie aan de besturen en hun personeel bij het concreet organiseren en uitwerken van aanbod.

Pagina 3 van 16


3 SCOPE VAN HET BELEIDSPROJECT, KADERING IN HET GROTERE GEHEEL In deze conceptnota hebben we bijzonder veel aandacht voor structuren en regelgeving. Uiteraard is het ons in de eerste plaats om de betrokken jongeren te doen. Structuren en regelgeving zijn instrumenten om er voor te zorgen dat de betrokken jongeren op een zo adequaat mogelijke wijze benaderd worden. De doelgroep van de onderwijsinternaten zijn die jongeren2 die om de volgende redenen kiezen voor een onderwijsinternaat: • • • •

de afstand tussen de school/opleiding van hun keuze en de eigen woonplaats is te groot om dagelijks te overbruggen; door de professionele activiteiten van de ouders is het niet mogelijk dat de jongere thuis verblijft; de combinatie opleiding en internaat wordt gezien als een ‘totaalervaring’ (horecaopleiding, kunstacademie, sport…); de interne of het gezin heeft baat bij de ondersteuning, het ritme en de structuur die het verblijf op een internaat kan bieden;

Het gaat om zeer diverse redenen en om combinaties ervan, maar de rode draad is dat voor de onderwijsinterne de keuze voor verblijf, bijna louter, gemaakt wordt vanuit het optimale verloop van het onderwijsgebeuren. Het is evident dat het beleidsdomein Onderwijs bevoegd is (regelgeving, financiering/subsidiëring, toezicht) voor ‘onderwijsinternaten en hun internen’. De scope van het beleidsproject ‘onderwijsinternaten, een plaats binnen de samenleving’ beperkt zich tot de internen en de onderwijsinternaten. Onderwijsinternaten zijn echter geen eilanden (cfr. ‘binnen’ de samenleving). Ook actoren binnen het beleidsdomein welzijn bieden residentieel verblijf en begeleiding aan (de motivering voor het verblijf ligt dan eerder in de zorgnood) en deze actoren bieden vaak ook andere vormen van rechtstreeks en niet-rechtstreeks toegankelijke hulpverlening. Op het snijvlak onderwijs en welzijn zien we zeker de volgende elementen die we bij de verdere gezamenlijke beleidsontwikkeling zullen aanpakken: 1. onderwijsinternaten vangen een aantal jongeren op die ‘uit huis geplaatst’ zijn. Het kan hier gaan om opgelegde of vrijwillige maatregelen (jeugdrechter, sociale dienst van de jeugdrechtbank, Vertrouwenscentrum Kindermishandeling en Ondersteuningscentrum Jeugdzorg). Het aandeel van deze jongeren loopt in sommige onderwijsinternaten op tot 30 %. 2. in het landschap van internaten dat we nu binnen onderwijs vatten, zien we enkele actoren die in een heel aparte situatie zitten:

Het gaat in de eerste plaats om jongeren uit het leerplichtonderwijs, waarbij de jongeren uit het secundair onderwijs de grootste groep vormen. In mindere mate bestaat de populatie van onderwijsinternaten ook uit studenten. 2

Pagina 4 van 16


• • •

de (19) MPIGO3 waarvan er 8 ook een beheersovereenkomst hebben als internaat met permanente openstelling (IPO); het Tehuis de Rijzende Ster te Kuurne; het Koninklijk Werk IBIS.

Op deze plaatsen kunnen er (groepen) jongeren verblijven vanuit zowel een overwegend ‘onderwijsinternaatsoverweging’ als vanuit een eerder ‘welzijnsoverweging’. Deze diversiteit speelt vooral bij de MPIGO. Voor de IPO (handicap), het tehuis en het Koninklijk Werk (jeugdhulp) is de situatie eenduidiger. 3. onderwijsinternaten nemen in een aantal gevallen, gelet op hun werking en gelet op hun populatie ook een rol op als ‘welzijnsactor’. 4. binnen de multifunctionele centra (MFC), onder de bevoegdheid van welzijn zijn er ook residenten die er de facto verblijven vanuit eerder een ‘onderwijsinternaatsoverweging’ (zie hoger). Het is daarom in de allereerste plaats van belang van de betrokken jongeren en hun gezinnen, dat de beide beleidsdomeinen (onderwijs & welzijn) zeer goed afstemmen als voor bepaalde situaties de draagkracht van een internaatsetting tijdelijk overschreden wordt. In de komende periode moeten we daarom ook samen met de minister van welzijn de specifieke situatie van deze kinderen en jongeren op dit snijvlak van onderwijs en welzijn verder objectiveren en van daaruit voor deze vier punten oplossingen uitwerken. We houden hierbij rekening met de omslag die het beleidsdomein welzijn op dit moment maakt van een aanbodgestuurd en -gefinancierd systeem naar een vraaggestuurd en persoonsvolgend systeem met het oog op gelijke participatiekansen en zorg op maat voor de jongeren in functie van hun individuele noden en met de flexibele mogelijkheden inzake combinaties van zorg en ondersteuning binnen een integrale jeugdhulp, de ontwikkelingen binnen de pleegzorg (bijv. flexibele vormen van ondersteunende pleegzorg) en een persoonsvolgende financiering voor kinderen en jongeren.

MPIGO: als pars pro toto voor de 16 Medisch Pedagogisch Instituut van het Gemeenschapsonderwijs, de 2 IBSOG (Instituut Buitengewoon Secundair Onderwijs van het Gemeenschapsonderwijs) en het ene AIBOGO (Autonoom Instituut Buitengewoon Onderwijs van het Gemeenschapsonderwijs) 3

Pagina 5 van 16


4 DEELTHEMA’S (VAN HET THEMADECREET) Dit deel van deze tekst is opgebouwd volgens de klassieke onderdelen (thema’s) van een ‘niveaudecreet’. Per thema geven we zicht op de richting die we willen uitgaan en stellen we enkele elementen voor die we verder willen uitklaren.

4.1 ERKENNINGSVOORWAARDEN We voorzien zowel de figuur van ‘erkenning’ als van ‘financiering/subsidiëring’. Het gaat om twee afzonderlijke stappen. De inrichters van een onderwijsinternaat kunnen een erkenning bekomen, zonder dat daar financiering of subsidiëring mee gepaard gaat (zie punt 4.5). Bestaande onderwijsinternaten kunnen een erkenning verliezen indien zij niet meer aan de erkenningsvoorwaarden voldoen. Bij de opstart van een nieuw onderwijsinternaat zal er in het eerste bestaansjaar een toetsing van de erkenningsvoorwaarden door de onderwijsinspectie gebeuren. Als erkenningsvoorwaarden zullen zeker gelden: 1.

in het geheel van de werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen;

2. ingericht zijn onder verantwoordelijkheid van een onderwijsinternaatsbestuur (zie ook 4.8); 3. alle wettelijke bepalingen volgen, met bijzondere aandacht voor het Referentiekader voor Internaatskwaliteit, studieomgeving en studieklimaat; 4. taalregeling en taalkennis personeel; 5. controle door de onderwijsinspectie toelaten; 6. beschikken over aangepaste gebouwen en infrastructuur, met bijzondere aandacht voor universeel ontwerp en preventie van grensoverschrijdend gedrag;

4.2 RECHTEN VAN OUDERS4 EN INTERNEN Als ouders hun kind inschrijven in een onderwijsinternaat ontstaat er een juridische band van wederzijdse engagementen tussen het onderwijsinternaat, de ouders en de interne. De overheid zal minimale voorwaarden bepalen om die verhouding op een hedendaagse manier in te vullen. We beperken ons hier tot de twee voornaamste elementen die die verhouding regelen: het reglement en de inschrijving.

4.3 HET ONDERWIJSINTERNAATSREGLEMENT Onderwijsinternaten dienen te beschikken over een onderwijsinternaatsreglement. Dit reglement regelt de verhouding tussen onderwijsinternaat, ouders en internen. Een inschrijving in een onderwijsinternaat is pas volwaardig als het onderwijsinternaatreglement door de ouders ondertekend is. Ouders: de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in recht of in feite de leerling onder hun bewaring hebben. In het geval de leerling meerderjarig is, wordt onder dit begrip de meerderjarige leerling verstaan. 4

Pagina 6 van 16


We bepalen de minimale inhoud van het reglement: 1.

2. 3. 4. 5. 6.

7. 8. 9. 10. 11. 12. 13.

de financiële regeling, m.i.v: - het kostgeld op jaarbasis; - andere kosten verbonden aan activiteiten die aangeboden worden; - de regeling wanneer er geen gebruik gemaakt wordt van het internaat (door ziekte van de interne, overmacht …); - de wijze waarop een sociale maatregel aangaande de kosten gevraagd kan worden; het aanbod aan activiteiten, met minimaal de studiebegeleiding; wijze waarop ouders met het onderwijsinternaatsbestuur in contact kunnen komen; het gebruik van het Nederlands; regels over opvang overdag, bij ziekte; het recht op inzage door de ouders en hun recht op toelichting bij de gegevens die op de interne betrekking hebben, wijze waarop bij wijziging van internaat informatie doorgegeven wordt aan het volgende onderwijsinternaat; de indeling in leefgroepen (of andere organisatievormen); het gebruik van kamers en zalen; de momenten van toekomen en vertrekken; bezoekregeling; de wijze waarop er een einde kan gesteld worden aan de inschrijving door de ouders; tuchtregeling m.i.v. de mogelijkheid gehoord te worden en een beroepsmogelijkheid; het aanspreekpunt grensoverschrijdend gedrag.

4.4 INSCHRIJVINGSCODE Elke door de overheid gesubsidieerde dienstverlening draagt verantwoordelijkheid voor de gehele doelgroep van die gesubsidieerde dienstverlening. We zullen toelatingsvoorwaarden bepalen (bv. met betrekking tot studenten, specifieke bepalingen voor uit huis geplaatste jongeren). In een beperkte inschrijvingscode bepalen wie een inschrijvingsrecht heeft. Samen met de sector bepalen we, binnen de contouren van regelgeving m.b.t. discriminatie, in welke mate, en onder welke condities, het bestuur de doelgroep van het eigen onderwijsinternaat kan afgrenzen. Daarnaast bevat de inschrijvingscode elementen als ‘wanneer kan men inschrijven’, aanmelden en de link met aanmeldingsprocedures voor scholen, recht op redelijke aanpassingen…

4.5 DE FINANCIERINGS EN SUBSIDIËRINGSVOORWAARDEN (NORMEN) Na de erkenning kan de financiering en subsidiëring5 volgen. We beperken de bijkomende financierings- en subsidiëringsvoorwaarden tot het halen van de programmatie- of rationalisatienorm. De redenering achter ‘normen’ voor programmatie- en rationalisatie met het oog op financiering en subsidiëring is dat organisaties maar op een zinvolle en kwaliteitsvolle manier kunnen werken als er een zekere schaalgrootte is. Met de normen wil de overheid bewaken dat er geen al te kleine (irrationele) entiteiten ontstaan zodat ze haar middelen enkel toekent aan entiteiten met voldoende kritische massa die deze middelen efficiënt en effectief zullen kunnen aanwenden. Binnen onderwijs kennen we de klassieke tweedeling gefinancierd en gesubsidieerd onderwijs. Voor de leesbaarheid van de tekst wordt verder term ‘subsidiering’ en de afgeleiden daarvan gehanteerd. 5

Pagina 7 van 16


We leggen de norm op het niveau van het gehele onderwijsinternaat, niet op het niveau van onderdelen ervan (vestigingsplaats, leefgroep (al dan niet gericht op een subdoelgroep)…). De keuze om bijvoorbeeld te werken in verschillende vestigingsplaatsen ligt volledig bij het bestuur. De overheid kijkt naar het geheel en faciliteert het geheel. Binnen onderwijs zijn programmatie- en rationalisatienormen klassiek gebaseerd op het aantal jongeren/leerlingen/internen. Voor onderwijsinternaten willen we de norm leggen bij het volume omkadering dat het onderwijsinternaat genereert. De redenering hierbij is dat de ‘kritische massa’ voor een zinvolle en kwaliteitsvolle werking niet zozeer bij een welbepaald aantal internen ligt, maar wel in het volume personeel en zodoende bij de organiseerbaarheid van het onderwijsinternaat. Door de normen te baseren op het volume personeel (omkadering gaan we hoe dan ook berekenen en toekennen) hoeven we geen apart normenstelsel, gebaseerd op internen, in de regelgeving te voorzien. Dit is een stuk reglementaire zuinigheid, administratieve vereenvoudiging en we vermijden dat er tegenspraak tussen de twee delen van de regelgeving ontstaat (bv. een klein geheel kan volgens de norm, gebaseerd op het aantal internen, wel gefinancierd of gesubsidieerd blijven, maar het volume omkadering dat toegekend wordt is onvoldoende om het onderwijsinternaat te organiseren).

4.6 OMKADERING, TOEKENNING EN AANWENDING Het concept Op dit moment kennen internaten verschillende manieren voor het toekennen van omkadering en werkingsmiddelen. Dit hangt af van het onderwijsnet, welk soort internaat het betreft en welke doelgroep dit internaat aantrekt. Zo krijgen gesubsidieerde internaten minder directe omkadering maar meer werkingsmiddelen dan gefinancierde. We ontwikkelen een nieuw systeem vanuit de volgende uitgangspunten: 1.

Er is één financieringssysteem voor alle onderwijsinternaten.

2. Er wordt omkadering en werkingsbudget toegekend. 3. De toegekende omkadering wordt uitgedrukt in één omkaderingsrekeneenheid (ORE). In die ORE zit de gehele omkadering vervat (leidinggevende, studiemeesters-opvoeders, anderen). 4. We werken een lineaire omkadering uit.

We werken een nieuw omkaderingssysteem uit waarbij elke interne een aantal ORE genereert. Deze ORE vertrekken van een vaste basis en kunnen aangevuld worden op basis van objectiveerbare verschillen tussen internen. We denken bijvoorbeeld aan: * kleuters; * internen met een (gemotiveerd) verslag (variabel per types); * 7/7 internen (bv. kinderen van ouders met een reizend beroep); * internen met een beperking; De impact van dergelijke nieuw omkaderingssysteem wordt voorafgaand aan de invoering ervan zorgvuldig in kaart gebracht. Indien blijkt dat de continuïteit van te veel internaten in Pagina 8 van 16


het gedrang komt, moet het puur lineaire karakter heroverwogen en desgevallend bijgestuurd worden zonder daarbij gelijke financiering voor gelijke situatie wordt ondergraven. 5. Het bestuur is autonoom in de aanwending van de ORE, uiteraard mits het respecteren van alle reglementaire bepalingen, de regelgeving betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling in het bijzonder. We willen meer mogelijkheden voorzien voor de internaten om te komen tot een multidisciplinaire aanpak en specialisatie. Het wordt mogelijk om naast de gekende studiemeestersopvoeders en beheerders ook mensen met andere profielen (maatschappelijk werker, orthopedagoog, verpleeg/zorgkundigen …) aan te werven. De omkadering voor het aanstellen van de leidinggevende zit vervat in het pakket ORE, het bestuur krijgt hier de mogelijkheden, voor zover het pakket dit toestaat uiteraard, om een aantal keuzes te maken (leidinggevende per vestigingsplaats of niet, leidinggevenden met een specialisatie, deeltijds leidinggevende …). Zeker besturen van onderwijsinternaten die beschikken over een groot volume ORE krijgen hier mogelijkheden. Voordelen Er zijn verschillende voordelen aan dit concept: 1.

het vat verschillende soorten internaten in één systeem maar staat diversiteit toe. Gelijke situaties zullen gelijke omkadering en werkingsmiddelen opleveren;

2. het biedt de mogelijkheid om rationalisatie te benaderen vanuit de organiseerbaarheid/leefbaarheid van de entiteit (door te kijken of er een werkbaar volume omkadering aanwezig is) (zie ook punt 4.5); 3. het biedt meer mogelijkheden om, door fusies, te komen tot meer organiseerbare gehelen, omdat de huidige nadelige effecten op de omkadering wegvallen; 4. het biedt de mogelijkheid om het bestaande personeel in het nieuwe systeem te vatten en de aanwendingsmogelijkheden uit te breiden; 5. het geeft de mogelijkheid om de omkadering te diversifiëren naar bepaalde (nog te bepalen) doelgroepen (bv. internen die scoren op SES, interne kleuters, internen met een beperking); 6. het gaat uit van autonomie van het bestuur en geeft elk bestuur de mogelijkheid om oplossingen te zoeken voor de eigen specifieke situatie (doet beroep op het beleidsvoerend vermogen van het internaatsbestuur maar versterkt dat beleidsvoerend vermogen ook). Het zal zo o.a. mogelijk worden een internaat een plaats te geven in het geheel van residentiële opvang indien het bestuur dit verkiest; 7.

naast het faciliteren van de autonomie van het bestuur stuurt het nieuwe concept de aanwending van de middelen meer naar aanwending voor personeel (handen op de werkvloer).

Pagina 9 van 16


4.7 PERSONEELSMATERIE 4.7.1

De directeur van het internaat

Titulatuur Internaten zijn zelfstandige organisaties met een eigen leidinggevende. Het ambt van beheerder6, die de dagelijkse leiding over het onderwijsinternaat heeft, is aan een herwaardering toe. We willen deze benaming dan ook wijzigen naar ‘directeur’. De inhoud van het ambt omvat een groot takenpakket waarvan heel wat aspecten vergelijkbaar zijn met het takenpakket van een directeur van een school. Het onderwijsinternaat is grotendeels actief buiten de kantooruren. Dit beïnvloedt de momenten van aanwezigheid van de leidinggevende. Een internaatsdirecteur moet ook steeds bereikbaar zijn in noodgevallen, ook ’s nachts. Verloning De verantwoordelijkheden die bij dit ambt horen en de huidige maatschappelijke context waarin onderwijsinternaten voor heel wat uitdagingen staan vraagt om een billijke verloning. De loonspanning van directeurs basisonderwijs t.o.v. beheerders evolueert van 1,21 aan het begin naar 1,10 aan het einde van de loopbaan. We willen de loonspanning verminderen tussen de directeurs basisonderwijs en de internaatsdirecteurs. Daarnaast voorzien we de mogelijkheid voor mensen met een masterdiploma om het ambt van internaatsdirecteur te verwerven, met bijhorende salarisschaal. Toegankelijkheid De vereiste van het “Bewijs van pedagogische bekwaamheid” voor de directeur van een onderwijsinternaat biedt weinig meerwaarde. We laten deze vereiste dan ook los. 4.7.2

Vervangingen

In de huidige vervangingsregeling zitten een aantal anomalieën zoals het niet kunnen vervangen van personeel in bepaalde maanden of pas na 10 werkdagen. We werken een geëigende vervangingsregeling uit voor het personeel binnen de onderwijsinternaten.

4.8 WERKINGSMIDDELEN De werkingsmiddelen voor de onderwijsinternaten zullen duidelijk afgelijnd zijn van de personeelsmiddelen van de instelling. We zien twee geldstromen die samen de werkingsmiddelen van de onderwijsinternaten vormen. Enerzijds zijn er de middelen die we als beleidsdomein Onderwijs verschaffen op basis van het aantal onderwijsinternen binnen de instelling, de tweede geldstroom bestaat uit de kostgelden die de onderwijsinternaten aanrekenen aan de ouders van hun internen. We onderzoeken of er voor de kostgelden rekening kan gehouden worden met : • • • •

minima en maxima; (verplichting tot) sociale maatregelen; gediversifieerd kostgeld (inkomen ouders (gelinkt aan inkomensgerelateerde werkingsmiddelen), noodzaak opleiding, soort opleiding, motivering inschrijving, …); regelgeving met betrekking tot de aanwending;

6 Op dit moment zijn er naast beheerders ook hoofdopvoeders, in de toekomst noemen we deze ambten directeur.

Pagina 10 van 16


•

verhouding kostgeld en daadwerkelijke kostprijs;

Betreffende het werkingsbudget rechtstreeks door de overheid verkregen, houden we rekening met volgende elementen in het opbouwen van nieuwe regelgeving: • • • • • •

Tellingen; Leeftijdsverschil: impact op budget; Sociale correctie; Correctie op basis van beperking; Hulpmiddelen/redelijke aanpassingen; Tijdelijke maatregelen i.f.v. capaciteitsproblematiek.

4.9 KWALITEIT EN TOEZICHT Het in 2018 gepubliceerde Referentiekader Internaatskwaliteit (RiK7) zal als basis dienen voor het vernieuwde toezichtskader voor de onderwijsinternaten. De onderwijsinspectie krijgt een opdracht ten aanzien van de onderwijsinternaten zoals men deze kent binnen elk onderwijsniveau en zal zich niet langer beperken tot bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne. Dankzij de ondersteuning binnen het kader van de nieuwe inspectieopdracht zal de sector in staat zijn zichzelf beter te ontwikkelen en in te zetten op de veranderende noden van haar doelpubliek. Daarnaast versterkt het de positie van de internaten als volwaardige sector binnen onderwijs. Voor het financieel toezicht en de tellingen blijft de verificatie bevoegd. Vermits we onderwijsinternaat zien als zelfstandige organisaties (zie punt 2.4) zal de controle op de aanwending van de middelen ook specifiek gericht zijn op aanwending binnen het onderwijsinternaatsgebeuren. Om de kwaliteit van de werking binnen de onderwijsinternaten te kunnen verhogen zetten we extra in op vorming van het personeel. Vandaag vallen de internaten echter buiten de pedagogische begeleiding. Er is ook weinig aanbod specifiek naar internaten toe. Internaten krijgen hier evenmin middelen voor. Het zal onderwijsinternaten vrij staan om vorming in te kopen bij externe organisaties, dat kan gaan om een PBD, een VK8 of andere organisaties. In de toekomst voorzien we dat een deel van de werkingsmiddelen die de internaten zullen krijgen, voorbestemd is voor opleiding en vorming van het personeel. Zodoende wordt er ruimte gecreëerd om het personeel te laten groeien in de nieuwe kwaliteitsverwachtingen die gesteld worden. We stellen hier als overheid een duidelijke verwachting ten aanzien van het opvolgen en borgen van de interne kwaliteit. Dankzij het kleuren van een deel van de werkingsgelden de eerste drie schooljaren verzekeren we de investering in het personeel.

7 8

Volledige tekst van het RiK: https://www.onderwijsinspectie.be/nl/controle-internaten# VK: Vertrouwenscentrum Kindermishandeling:. http://www.vertrouwenscentrum-kindermishandeling.be/ Pagina 11 van 16


5.VERDER TRAJECT Volgende tabel geeft een samenvattend overzicht van het budgettair groeipad waarbinnen het decreet vorm zal worden gegeven: Schooljaar schooljaar 2021-2022 schooljaar 2022-2023 schooljaar 2023-2024 schooljaar 2024-2025 Totaal

2021 667

667

2022 1.333 1.667

3.000

2023 3.333 1.667 5.000

2024

3.333 1.667

2025

3.333

2.000 5.000 5.000 1.667

5.000

De De goedkeuring van deze conceptnota houdt nog geen enkel financieel of budgettair engagement in. Deze conceptnota wordt voorgelegd aan de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR).

6. AKTENEMING DOOR DE VLAAMSE REGERING De Vlaamse Regering: 1.

neemt akte van de conceptnota "onderwijsinternaten, een plaats binnen de samenleving" en van de erin vervatte principes die voor advies aan de VLOR wordt overgemaakt;

2. vraagt, na kennisname van het VLOR-advies, de uitwerking van regelgevende teksten op basis van bovenstaande principes en concepten 3. gelast de ministers bevoegd voor Welzijn en Onderwijs tegen februari 2021, in overeenstemming met de conceptnota "onderwijsinternaten, een plaats binnen de samenleving", en conceptnota op te stellen waarin oplossingen uitgewerkt worden voor de elementen onder punt 3 van deze nota, onder meer: - het tegemoet komen aan de bijzondere noden van kinderen, die vanuit een verontrustende thuissituatie, al dan niet op vraag van de jeugdrechtbank, verblijven in een onderwijsinternaat - de opmaak van nieuwe beheersovereenkomsten in het kader van het transitietraject met de internaten met permanente openstelling (IPO), het tehuis De Rijzende Ster, het Koninklijk Werk IBIS, en delen van de Medisch Pedagogisch Instituut van het Gemeenschapsonderwijs. In het kader van de opmaak van de beheerovereenkomsten kan op basis van geobjectiveerde zorgnoden ook bekeken worden of en welke de mogelijkheden en modaliteiten voor deze voorzieningen zouden zijn om met ondersteuning vanuit welzijn reeds aan bepaalde noden tegemoet te komen. Voor de delen die in een definitieve transitie komen zal dat gebeuren op basis van een due dilligence, waarbij de betrokken voorzieningen onder de volledige bevoegdheid van welzijn vallen en ook de huidige inzet van middelen overgaan naar welzijn;

Pagina 12 van 16


- op basis van geobjectiveerde zorgnoden onderzoeken of en desgevallende welke de mogelijkheden voor onderwijsinternaten zouden zijn om een rol op te nemen binnen het gehele welzijnslandschap; - op basis van geobjectiveerde zorgnoden onderzoeken of het wenselijk is om een aanbod onderwijsinternaten te voorzien voor jongeren met zeer beperkte zorgnoden binnen het gesubsidieerd onderwijs.

De Vlaamse minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand

Ben WEYTS

Pagina 13 van 16


BIJLAGE 1: KADERING IN HET REGEERAKKOORD DEEL ONDERWIJS “Aangezien de internaten onderwijs meer en meer geplaatste jongeren opvangen, bekijken we samen met de internaten MPI GO! en de IPO’s wat hun rol is in het onderwijslandschap in samenspraak met het beleidsdomein Welzijn. We bekijken de onderfinanciering van de internaten, de internaten voor buitengewoon onderwijs en de opvangcentra in het Gemeenschapsonderwijs (GO!). De rol van de internaatbeheerder wordt hierbij niet uit het oog verloren. De bestaande verschillen tussen de internaten worden weggewerkt.” (pag. 30)

DEEL WELZIJN Personen met een handicap “Overal in Vlaanderen moeten mensen met een gelijke zorgzwaarte ook een gelijke ondersteuning krijgen. Daarom werken voorzieningen verschillen in kostprijs en efficiëntie weg en stemmen we dit verder af met het beleidsdomein Onderwijs zodat dubbele financiering niet mogelijk is.” (pag. 96) Integrale Jeugdhulp “Aangezien de internaten onderwijs meer en meer geplaatste jongeren opvangen, bekijken we samen met de internaten MPI GO! en de IPO’s wat hun rol is in het welzijnslandschap in samenspraak met het beleidsdomein Onderwijs.” (pag. 98)

Pagina 14 van 16


BIJLAGE 2: KERNCIJFERS STATISTISCH JAARBOEK http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=12203 In het statistisch jaarboek zijn de niveau-overschrijdende gegevens van de internaten beschikbaar. Het gaat hierbij echter om de gegevens van 2018-2019, het jaarboek 19-20 werd nog niet vervolledigd.

INTERNATEN Wanneer we over de onderwijsinternaten spreken, spreken we over verschillende soorten instellingen. Er bestaan 142 ‘gewone’ onderwijsinternaten, daarnaast kennen we 1 tehuis voor de bijzondere bijstand binnen de jeugdhulp, 1 Koninklijk Werk Ibis, 5 Schippersinstituten en 19 Medisch Pedagogische Instituten van het Gemeenschapsonderwijs (MPIGO) en de 8 internaten met permanente openstelling (IPO). Dit brengt het totale aantal op 168 ‘entiteiten’. Maar opgelet, sommige van die entiteiten zijn zeer sterk aan mekaar gekoppeld, bv. tehuizen zijn ook onderwijsinternaat, IPO zijn ook MPIGO. Soort instelling MPIGO tehuizen voor kinderen van ouders zonder vaste verblijfplaats Internaat voor geplaatste kinderen Onderwijsinternaten Internaat met Permanente Openstelling

Aantal 19 4 1 141 8

INTERNEN

Internen

Buitengewoon basis

Gewoon basis

Buitengewoon secundair

755

1130

878

Gewoon secundair 8007

Deeltijds secundair 42

Hoger

IPO9

0

265

Totaal

10812 (11077 incl. ipo) Binnen de sector van onderwijsinternen is het duidelijk dat het overgrote deel van de populatie ‘gewone’ onderwijsinternen van het secundair onderwijs zijn. Op afstand volgen de internen uit het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs. De 265 internen uit de IPO werden voor de volledigheid in de tabel opgenomen.

De Internaten met Permanente Openstelling van het GO! maken geen deel uit van de scope van dit beleidsproject. Zij vangen nl. jongeren op tijdens niet-schooldagen. 9

Pagina 15 van 16


AMBTEN Onderstaande tabel geeft een beeld van welke ambten voorkomen binnen de internatensector. De conclusie is duidelijk, het ambt van studiemeester-opvoeder (73%)is het vaakst vertegenwoordigd, gevolgd door het ambt van beheerder (10%). Het ambt van kinderverzorger (7%) is ook prominent aanwezig, vooral binnen de MPIGO en IPO. Andere ondersteunende en paramedische ambten (orthopedagoog, psycholoog, opsteller, …) maken een erg klein deel uit van het geheel. Ambt BEHEERDER EERSTE REKENPLICHTIG CORRESPONDENT ERGOTHERAPEUT HOOFDOPVOEDER KINDERVERZORGER KINESITHERAPEUT KLERK-TYPIST LOGOPEDIST MAATSCHAPPELIJK WERKER OPSTELLER ORTHOPEDAGOOG PSYCHOLOOG REKENPLICHTIG CORRESPONDENT STUDIEMEESTER-OPVOEDER IN EEN INTERNAAT VERPLEGER WEDERTEW. ADMIN. HULP Totaal

Aantal 162 1 12 9 108 21 5 11 11 8 13 4 19 1182 43 4 1613

Procent 10% 0% 1% 1% 7% 1% 0% 1% 1% 0% 1% 0% 1% 73% 3% 0% 100%

Pagina 16 van 16


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Conceptnota_VR_onderwijsinternaten.pdf by Vlaanderen-be - Issuu