Advies Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid Brussel, 1 februari 2021
COMDIV_20210201_Wijzigingsdecreet_Vlaams_Integratie_Inburgeringsbeleid_ADV Commissie Diversiteit ⚫ Wetstraat 34-36, 1040 Brussel ⚫ T +32 2 209 01 11 info@serv.be ⚫ www.serv.be/diversiteit
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
Adviesvraag: Voorontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratieen inburgeringsbeleid Adviesvrager: Bart Somers - Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen Ontvangst adviesvraag: 21 december 2020 Adviestermijn: 36 dagen Decretale opdracht: SERV-decreet 7 mei 2004 art. 11 (overlegfunctie) Goedkeuring raad: 1 februari 2021
Contactpersoon: Liselotte Hedebouw – Lhedebouw@serv.be Nele Vanheeswijck – Nvanheeswijck@serv.be
2
De heer Bart SOMERS Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen Arenberggebouw Arenbergstraat 7 1000 Brussel
contactpersoon Liselotte Hedebouw Lhedebouw@serv.be Nele Vanheeswijck Nvanheeswijck@serv.be
ons kenmerk COMDIV_BR_20210201_Vlaams_Integratie_Inburgeringsbeleid
Brussel 1 februari 2021
Wijzigingsdecreet Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid Mijnheer de minister Op 21 december 2020 vroeg U de SERV om advies over het voorontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse Integratie- en Inburgeringsbeleid. Dit voorontwerp van decreet wijzigt het inburgeringsbeleid op een aantal belangrijke elementen: de afbakening van de doelgroep, de onderdelen van het inburgeringstraject, de resultaatsverbintenis bij het inburgeringstraject, de kostprijs van het inburgeringstraject, het inburgeringscontract, de uitwisseling van gegevens over het inburgeringstraject en de vereiste taalniveaus. Er worden ook een aantal wijzigingen in verband met het integratiebeleid doorgevoerd. De SERV behandelde deze adviesvraag binnen de Commissie Diversiteit, waarin de sociale partners samen met het Minderhedenforum en het Gebruikersoverleg Handicap, Chronische ziekte en Arbeid adviezen formuleren over evenredige arbeidsdeelname, diversiteit en gelijke behandeling. Hierbij bezorgen wij u graag het advies en hopen wij dat u deze aanbevelingen ter harte neemt in de verdere uitbouw van uw beleid. Uiteraard zijn we steeds bereid om hierover met u van gedachten te wisselen.
COMDIV_20210201_Wijzigingsdecreet_Vlaams_Integratie_Inburgeringsbeleid_ADV Commissie Diversiteit ⚫ Wetstraat 34-36, 1040 Brussel ⚫ T +32 2 209 01 11 info@serv.be ⚫ www.serv.be/diversiteit
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
Hoogachtend
Pieter Kerremans
Ann Vermorgen
administrateur-generaal
voorzitter
4
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
Inhoud Inhoud ................................................................................................................................ 5 Krachtlijnen ......................................................................................................................... 6 Advies ................................................................................................................................ 9 1
Situering ................................................................................................................. 9
2
Aanbevelingen ....................................................................................................... 9
2.1
Afbakening doelgroep decreet ................................................................................. 9
2.1.1
Mensen zonder wettig verblijf .................................................................................. 9
2.1.2
Woonwagenbewoners ............................................................................................. 10
2.2
Doelstellingen van het integratiebeleid..................................................................... 12
2.3
Nieuwe aanpak horizontaal integratiebeleidsplan .................................................... 12
2.4
Participatieorganisatie ............................................................................................. 14
2.5
Doelgroep inburgeringstrajecten .............................................................................. 15
2.6
Twee nieuwe pijlers in het inburgeringstraject.......................................................... 16
2.6.1
Verplichte inschrijving bij de VDAB .......................................................................... 16
2.6.2
Uitwerking vierde pijler ............................................................................................. 17
2.7
Inburgeringscontract ................................................................................................ 18
2.7.1
Termijn inburgeringstraject ...................................................................................... 18
2.7.2
Essentiële rechten en plichten ................................................................................. 19
2.8
Inburgeringsattest en delen resultaten met DVZ ...................................................... 20
2.9
NT2 en te bereiken taalniveau ................................................................................. 20
2.9.1
Gestandaardiseerde testen MO en NT2 .................................................................. 20
2.9.2
Versterking taalkennis na inburgeringstraject........................................................... 21
2.10
Invoering van retributies voor cursus en test NT2 en Maatschappelijke Oriëntatie ................................................................................................................. 22
2.11
Sociaal tolken en sociaal vertalen ............................................................................ 24
2.12
Evaluatie .................................................................................................................. 25
5
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
Krachtlijnen Op 21 december 2020 vroeg de minister advies aan de SERV over het voorontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse Integratie- en Inburgeringsbeleid. De SERV behandelde deze adviesvraag binnen de Commissie Diversiteit. Gezien personen zonder wettig verblijf opnieuw worden geschrapt als doelgroep van het integratiebeleid, vraagt de commissie verduidelijking over de begeleiding en ondersteuning die ten aanzien van deze zeer precaire groep zal worden voorzien. De grondrechten van personen zonder wettig verblijf moeten gewaarborgd blijven. De commissie vraagt om alle woonwagenbewoners te erkennen als specifieke doelgroep van het integratiebeleid. Ten aanzien van deze groep is er nood aan breder integratiewerk. De commissie betreurt dat de toegankelijkheid van alle voorzieningen wordt geschrapt als doelstelling van het integratiedecreet. Het zetten van stappen naar werk en/of opleiding vergt immers enige stabiliteit in de eigen levenssituatie (o.a. rond verblijfszekerheid, huisvesting). De integratie van het horizontaal integratiebeleidsplan en het gelijke kansen beleidsplan is positief, alsook het realiseren van een sterkere focus in het geïntegreerd actieplan. Om de noodzakelijke coördinatie, coherentie en synergie van het horizontaal integratiebeleid te realiseren pleit de commissie voor het behoud van de Commissie Integratiebeleid en in te zetten op het versterken van de slagkracht ervan. Er moet ook voldoende aandacht gaan naar beleidsparticipatie van de kansengroepen om hun ervaringsdeskundigheid mee te nemen in de uitbouw van het beleid en te komen tot een gedragen horizontaal plan. Dat vergt een participatief traject. De commissie vraagt ook de rapporteringsplicht aan het Vlaams Parlement te behouden en een adviesvraag aan de Commissie Diversiteit decretaal te verankeren. Het is goed dat de rol en taken van de participatieorganisatie verankerd blijven. Het blijft daarbij belangrijk dat deze organisatie in de mogelijkheid wordt gesteld om deze rol en taken in de praktijk effectief waar te maken én haar autonome en onafhankelijke werking behoudt. De commissie kan zich er niet in vinden dat het wijzigingsdecreet alle verzoekers tot internationale bescherming uitsluit voor de inburgeringstrajecten totdat ze een beslissing met betrekking tot hun verzoek hebben ontvangen. Vanaf 4 maanden na indiening van hun verzoek krijgen ze immers toegang tot de arbeidsmarkt en logischerwijs ook tot inburgeringstrajecten die hun arbeidsmarktparticipatie kunnen versterken. De commissie kan zich vinden in een verplichte inschrijving bij VDAB voor alle inburgeraars op beroepsactieve leeftijd die niet werken. Wel moet VDAB in functie van het gekozen perspectief pragmatisch bekijken wat het meest passende vervolg is voor elke inburgeraar. Verder is het belangrijk om voor inburgeraars die willen en kunnen werken, in te zetten op optimale kansen en ondersteuning om daar ook in te slagen. Daartoe moet VDAB garanderen dat wie zich inschrijft ook de nodige begeleiding en dienstverlening krijgt. Tot slot moet verder worden ingezet op kortere geïntegreerde of gecombineerde trajecten. Het is positief dat er aandacht komt voor het creëren van een netwerk. Wel is het belangrijk dat eerst alle noodzakelijke voorwaarden tot een goed participatie- en netwerktraject zijn vervuld, vooraleer deze nieuwe pijler een verplicht onderdeel wordt van inburgering. De commissie hecht hier veel belang aan een toereikend aanbod. Zolang dit niet kan worden gegarandeerd pleit ze voor een latere of voorwaardelijke inwerkingtreding van deze pijler. Verder is het belangrijk om alle beschikbare expertise te benutten en in te zetten op maatwerk in functie van de inburgeraar en zijn perspectief, bijvoorbeeld door mentoring naar werk, tutoring naar onderwijs, vrijwilligerswerk of werkplekleren als deel van je VDAB-traject.
6
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
De commissie vraagt zich af of een richttermijn voor het inburgeringstraject, gebaseerd op de mediane doorlooptijd voor de verschillende NT2-trajecttypes, wel zinvol is? Dit des te meer omdat het gevolg van het niet behalen van de vooropgestelde termijn onduidelijk is. Bovendien houdt dit criterium weinig rekening met andere factoren zoals bijvoorbeeld het verzwaren van het hele inburgeringstraject met een derde en vierde pijler. De commissie vraagt zich af welke concrete meerwaarde de verklaring inzake essentiële rechten en plichten heeft ten aanzien van de cursus maatschappelijke oriëntatie. Verder stelt ze zich vragen bij de inhoud en de juridische basis van de voorgestelde verklaring. De commissie betreurt dat het behalen van het inburgeringsattest verder wordt bemoeilijkt door de verplichting om ook de doelen van de twee nieuwe pijlers te behalen. De commissie kan zich niet vinden in het mogelijk maken van gegevensuitwisseling met DVZ, met als doelstelling de beslissing over het al dan niet verlengen van de verblijftitel te linken aan het gevolgde inburgeringstraject. Aangezien de federale wetgeving zich niet uitspreekt over de nood aan informatie over de inhoud of resultaten van het gelopen inburgeringstraject vindt de commissie de voorgestelde gegevensuitwisseling niet proportioneel. Bovendien is het voor de commissie niet aanvaardbaar dat door deze gegevensuitwisseling nieuwkomers die inburgeren in Vlaanderen voor de verlenging van hun verblijfstitel anders, en potentieel strenger, worden beoordeeld dan nieuwkomers die inburgeren in de andere regio’s van het land. Gestandaardiseerde NT2-testen mogen er niet toe leiden dat de aantrekkelijkheid van geïntegreerde en gecombineerde trajecten verdwijnt en trajecten naar duurzaam werk langer duren. De geïntegreerde taalopleidingen van de VDAB moeten uitmonden in NT2certificaten die van tel zijn inburgeringstrajecten. Bij invoering van gestandaardiseerde NT2-testen vraagt de commissie (1) garanties inzake onderwijskwaliteit bij alle NT2-aanbieders, inclusief het mogelijks aanvullend privé-aanbod, (2) duidelijkheid over hoe concreet zal worden omgegaan met inburgeraars die niet slagen omwille van beperkte leercapaciteiten en (3) de mogelijkheid van vrijstellingen op basis van andere getuigschriften NT2 die het nodige taalniveau aantonen. Het ambitieniveau op het vlak van de Nederlandse taal moet hoog liggen. Tegelijkertijd stelt de commissie het uniform opleggen van een bijkomend taalniveau B1 na afronding van het inburgeringstraject in vraag. Onderzoek toont aan dat taalopleiding een meerwaarde heeft voor de arbeidsmarktkansen van werkzoekenden tot men echt basisgebruiker (A2) is, zoals voorzien in het inburgeringstraject. Het opleggen van zo een bijkomend taalniveau mag tewerkstelling niet in de weg staan. Bovendien vraagt taalverwerving maatwerk, qua taalniveau en termijn waarop men dat niveau wil behalen. Er is bovendien nood aan een sterker, breder en meer toegankelijk aanbod NT2, ook op de werkvloer, om een aanbod op maat van de doelgroep te realiseren. De commissie kan zich niet vinden in het afstappen van het principe van kosteloos NT2 en is bezorgd dat het invoeren van retributies voor de cursussen en testen NT2 en MO eerder extra drempels zullen opwerpen. De kosten zullen immers snel oplopen terwijl inburgeringstrajecten gericht zijn op een groep met al een hoog armoederisico. Bovendien zijn er vandaag al mogelijkheden om administratieve sancties op te leggen, onder meer voor het onregelmatig deelnemen aan de lessen. De commissie vraagt op korte termijn een evaluatie van het nieuwe financieringsmodel inzake sociaal tolken en sociaal vertalen. Het wijzigingsdecreet bevestigt dit model maar dat mag niet tot gevolg hebben dat de financiële drempels voor de voorzieningen zo hoog wordt dat er geen beroep op wordt gedaan in situatie waarin dat wel noodzakelijk is voor een kwaliteitsvolle dienstverlening. Specifiek wat betreft trajecten naar werk vraagt de commissie dat de VDAB en OCMW’s blijvend inzetten op het weloverwogen gebruik van andere talen
7
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
en communicatiehulpmiddelen zoals sociaal tolken, om een toegankelijke dienstverlening te verzekeren. Gezien de belangrijke wijzigingen vraagt de Commissie Diversiteit om na twee jaar een evaluatie uit te voeren van het wijzigingsdecreet.
8
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
Advies 1
Situering
Op 21 december 2020 vroeg de Vlaams minister van Integratie en Inburgering de SERV om advies over het voorontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse Integratie- en inburgeringsbeleid. Met dit voorontwerp van decreet wordt het inburgeringsbeleid op een aantal belangrijke elementen gewijzigd: de afbakening van de doelgroep, de onderdelen van het inburgeringstraject, de resultaatsverbintenis bij het inburgeringstraject, de kostprijs van het inburgeringstraject, het inburgeringscontract, de uitwisseling van gegevens over het inburgeringstraject en de vereiste taalniveaus. Er worden ook een aantal wijzigingen in verband met het integratiebeleid doorgevoerd. Op basis van deze wijzigingen wil de minister uitvoering geven aan de ambities in het Vlaamse Regeerakkoord wat betreft de hertekening van het inburgeringsbeleid. De doelstelling die daarbij voorop staat is het inburgeringsbeleid slagkrachtiger maken, met oog voor (1) een verhoogde economische zelfredzaamheid, (2) snelle actieve maatschappelijke participatie, (3) doorgedreven taalverwerving en (4) kennis van de Vlaamse waarden en samenleving. De SERV behandelde deze adviesvraag binnen de Commissie Diversiteit waarin naast de sociale partners ook het Minderhedenforum en het Gebruikersoverleg Handicap en Arbeid zijn vertegenwoordigd.
2
Aanbevelingen
2.1
Afbakening doelgroep decreet
2.1.1
Mensen zonder wettig verblijf
Nu personen zonder wettig verblijf opnieuw geschrapt worden als doelgroep van het integratiebeleid, vraagt de commissie verduidelijking over de begeleiding en ondersteuning die ten aanzien van deze zeer precaire doelgroep1 zal worden voorzien, met welke middelen en door welke beleidsdomeinen en instanties die zal worden opgenomen. De grondrechten van personen zonder wettig verblijf moeten gewaarborgd blijven. Op basis van het voorontwerp van decreet zal het inburgerings- en integratiebeleid zich niet langer richten op personen zonder wettig verblijf (Art. 3). In het decreet ging het specifiek om vreemdelingen die zich in België bevinden zonder wettig verblijfstatuut en die wegens een noodsituatie begeleiding vragen. In 2018 werd deze doelgroep opgenomen in het inburgeringsen integratiedecreet en vroeg de commissie om binnen het integratie- en inburgeringsbeleid een specifieke decretale opdracht ten aanzien van deze groep te formuleren en te verduidelijken
1
Schattingen van het aantal personen zonder wettig verblijf zijn zeer moeilijk te maken. In België gebeurde in het kader van de regularisatiecampagne van 2000 een schatting van 87.000 personen. Andere schattingen voor België variëren tussen 100.000 en 140.000 personen. (Bron: Nicaise, I., Schockaert, I., Bircan, T. (2019). The uncounted poor in EU-SILC: A statistical profile of the income and living conditions of homeless people, undocumented immigrants and travelers in Belgium. In: H. Gaisbauer, G. Schweiger, C. Sedmak (Eds.), Absolute poverty in Europe. Interdisciplinary perspectives on a hidden phenomenon Ides Nicaise, Ingrid Schockaert and Tuba Bircan, (73-96). Bristol: Policy Press. ISBN: 978-1447341284.) Vaak Vaak gaat het om mensen die uitgeprocedeerd zijn, of nooit asiel hebben aangevraagd. Anderen kwamen dan weer legaal naar België, bijvoorbeeld als student, maar bleven langer dan de verblijfsvergunning toeliet. Een belangrijk deel van de gevestigde personen met migratieachtergrond heeft een periode zonder wettig verblijf achter de rug.
9
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
welke ondersteuning door wie zal worden geboden. Nu moet de commissie vaststellen dat personen zonder wettig verblijf opnieuw worden geschrapt als doelgroep met de argumentatie dat er geen instrumenten voorhanden zijn binnen het beleidsdomein om de grondrechten van deze groep te waarborgen en wordt verwezen naar andere beleidsdomeinen zonder dat verder te specifiëren. Binnen het doelstellingenkader horizontale integratie- en gelijke kansenbeleidsplan 2020-20242 is evenmin specifieke aandacht voor deze kwetsbare groep. De commissie wenst ook te onderstrepen dat binnen het integratiebeleid bijvoorbeeld de juridische helpdesk een belangrijk instrument is om informatie te voorzien voor wie vreemdelingen zonder wettig verblijf bijstaat in het opnemen van hun basisrechten. De uitzonderlijke coronatijden en periodes van lockdown maken op dit moment duidelijk dat het opnemen van basisrechten ook door deze groep, onder meer op vlak van gezondheidszorg, cruciaal is voor de persoon zelf alsook de hele maatschappij. De commissie ondersteunt de uitzondering voor minderjarige nieuwkomers zonder wettig verblijf, die wel een doelgroep van het integratiebeleid blijft (Art.3). Tegelijkertijd betreurt de commissie dat ook voor deze groep de toeleidingsopdracht naar andere levensdomeinen zoals huisvesting en welzijn wordt geschrapt (zie onderdeel 2.2) en dat de uitzondering voor minderjarige nieuwkomers enkel gaat over de menswaardige begeleiding en oriëntering naar het kleuteronderwijs en het onderwijs voor leerplichtigen (Art. 4). De commissie is ook bezorgd over hoe scherp de leeftijdsgrens van 18 jaar in de praktijk zal worden gehanteerd. Zo is het risico om in ongekwalificeerde uitstroom terecht te komen immers hoog. De commissie vroeg eerder3 al om voor niet begeleide minderjarige jongeren die de leeftijd van de leerplicht naderen in te zetten op specifieke ondersteuningsprogramma’s.4
2.1.2
Woonwagenbewoners
De commissie kan zich niet vinden in het schrappen van woonwagenbewoners5,6 uit het integratiedecreet en vraagt opnieuw om alle woonwagenbewoners als specifieke doelgroep van het integratiebeleid te erkennen.7 Er is immers nood aan breder integratiewerk ten aanzien van deze kwetsbare en moeilijke doelgroep. Een snelle aansluiting en insluiting van deze groep is immers niet evident gezien deze groep vaak zelf heel wantrouwend staat ten aanzien van de ‘burgergemeenschap’. Tegelijkertijd is er vaak wantrouwen bij de ontvangende samenleving omwille van de specifieke levenswijze van deze
2
Doelstellingenkader horizontale integratie- en gelijke kansenbeleidsplan 2020-2024
3
Commissie Diversiteit (25 mei 2016). Advies vluchtelingen. SERV, Brussel.
4
OECD (2016). Making integration work. Refugees and others in need of protection.
5
In Vlaanderen worden woonwagenbewoners gedefinieerd als personen die legaal in België verblijven en die wonen of woonden in een woonwagen, of waarvan de ouders dat deden, met uitzondering van bewoners van campings of gebieden met weekendverblijven. In Vlaanderen groepeert deze groep zichzelf in drie subgroepen: Voyageurs, Roms en Manoesjen of Sinti. Bron: Reidsma, M., Juchtmans, G., Chakkar, S. & De Cuyper, P. (2020). Rondtrekkende woonwagenbewoners. Een overzicht van de leefomstandigheden van rondtrekkende woonwagenbewoners en bestaande initiatieven ter ondersteuning. HIVA, Leuven.
6
Volgens een raming van het Kruispunt Migratie-Integratie woonden in 2011 in Vlaanderen en Brussel 976 gezinnen in een woonwagen, naar schatting 2.576 personen. Waarbij personen die in huizen woonden niet werden meegeteld (naar schatting 5.000-10.000). Mogelijks is deze groep sterk gegroeid sinds deze schattingen door een snelle bevolkingsgroei bij deze groep. Bron: Idem.
7
Commissie Diversiteit (7 mei 2018). Voorontwerp decreet wijziging Vlaamse Integratie- en Inburgeringsbeleid. SERV, Brussel.
10
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
groep.8 Sinds het decreet inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden van 28 april 1998 heeft het Vlaamse integratiebeleid ook aandacht voor traditionele woonwagenbewoners. Bij wijziging van het decreet in 2018 werd deze focus verengd tot rondtrekkende woonwagenbewoners en werd voor woonwagenbewoners die op residentieel terrein wonen verwezen naar het beleidsdomein Wonen. Tegelijkertijd werd in 2018 de hele doelgroep, ook rondtrekkende woonwagenbewoners, geschrapt als doelgroep voor Agentschap Inburgering en Integratie (AgII) waardoor deze niet meer kon inzetten op een vormings- en ondersteuningsaanbod op maat van deze groep of lokale besturen ondersteunen met informatie en advies met betrekking tot deze moeilijke doelgroep. Het huidige wijzigingsdecreet gaat nog een stap verder en schrapt woonwagenbewoners volledig als doelgroep uit het integratiedecreet (Art. 3). De commissie onderschrijft dat woonwagenbewoners onderdeel dienen uit te maken van het inclusief beleid van de verschillende beleidsdomeinen, zoals in de Memorie van Toelichting bij het wijzigingsdecreet wordt gesteld. Tegelijkertijd stelt de commissie zich ernstige vragen over hoe dat zal worden gerealiseerd. Zo blijft het onduidelijk welk beleidsdomein de noodzakelijke trekkende en coördinerende rol zal opnemen die tot nu toe bij het beleidsdomein Integratie lag. Ook kan de commissie in het nieuwe doelstellingenkader voor het horizontale integratie- en gelijke kansenbeleidsplan 2020-2024 en het eerste actieplan daarbinnen geen specifieke aandacht voor deze kwetsbare groep terug vinden9. De commissie vraagt dat Vlaanderen de nieuwe Europese Roma10,11-strategie opnieuw vertaalt tot een gedragen en goed gecoördineerd Vlaams actieplan zodat ook voldoende aandacht gaat voor de ruimere groep dan woonwagenbewoners. In mei 2011 maakte de Raad van Europe het EU Framework for National Roma Integration Strategies up to 2020, een Roma-actieplan, op. Het legt de lidstaten op om zelf een Roma-actieplan op te stellen en hun integratiebeleid moet zich ook op de Roma richten. Vlaanderen12 werkte in 2012 een Vlaams actieplan MOE(roma)-migranten (Midden- en Oost-Europese) dat deel uitmaakte van het Belgische plan. AgII was trekker van heel wat acties en een belangrijke partner voor reguliere sectoren (onderwijs, tewerkstelling, welzijn, …) . Op 7 oktober 2020 lanceerde de Raad van Europa een nieuwe Roma-strategie gericht op gelijkheid, inclusie en participatie.13
8
https://www.agii.be/thema/bijzondere-groepen/roma/romabeleid
9
Doelstellingenkader horizontale integratie- en gelijke kansenbeleidsplan 2020-2024
10
Binnen de Europese Roma-strategie slaat Roma op verschillende groepen die onderling zeer heterogeen zijn, maar het (al dan niet in het verre verleden) nomadisch bestaan als gemeenschappelijk kenmerk hebben.
11
The term ‘Roma’ used at the Council of Europe refers to Roma, Sinti, Kale and related gorups in Europe, including Travellers and the Eastern groups (Dom and Lom), and covers the wide diversity of the groups concerned, including persons who identify themselves as Gypsies. Bron: Reidsma, M., Juchtmans, G., Chakkar, S. & De Cuyper, P. (2020). Rondtrekkende woonwagenbewoners. Een overzicht van de leefomstandigheden van rondtrekkende woonwagenbewoners en bestaande initiatieven ter ondersteuning. HIVA, Leuven.
12
Vlaanderen hanteert beleidsmatig een veel nauwere definitie van Roma en rekent enkel personen uit Middenen Oost-Europe die vooral vanaf de jaren 90 van de vorige eeuw naar België zijn gekomen en veelal in vaste woningen verblijven tot deze groep. Bron: Idem.
13
https://ec.europa.eu/info/publications/new-eu-roma-strategic-framework-equality-inclusion-and-participationfull-package_en
11
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
2.2
Doelstellingen van het integratiebeleid
De commissie betreurt dat de toegankelijkheid van alle voorzieningen wordt geschrapt als doelstelling van het integratiedecreet (Art.4)14. Voor de sociale partners en het Minderhedenforum is werk immers een belangrijke component en motor van duurzame integratie. En het zetten van stappen naar werk en/of opleiding vergt enige stabiliteit in de eigen levenssituatie (o.a. rond verblijfszekerheid, het hebben van kwaliteitsvolle en betaalbare huisvesting, toegankelijke zorg).15 De commissie ziet niet hoe een schrapping van deze doelstelling daartoe kan bijdragen. Evenmin is duidelijk hoe deze schrapping zal bijdragen aan de vooropgestelde doelstellingen van het wijzigingsdecreet, met name een verhoogde economische zelfredzaamheid, een snelle actieve maatschappelijke participatie, een doorgedreven taalverwerving en de kennis van de Vlaamse waarden en samenleving.
2.3
Nieuwe aanpak horizontaal integratiebeleidsplan
Het is positief dat er wordt overgegaan naar een integratie van het Horizontaal Integratiebeleidsplan en het Gelijke Kansen beleidsplan. De commissie vindt het ook goed dat de termijn voor opmaak van het horizontaal integratiebeleidsplan wordt ingekort van 12 naar 6 maanden na aantreden van een nieuwe Vlaamse Regering (Art. 5). Het is bovendien belangrijk dat het geïntegreerd actieplan een sterkere focus zal kennen met enkel acties die aanvullend zijn aan het reguliere beleid binnen de domeinen en acties waarbij samenwerking tussen beleidsdomeinen vereist is. De commissie pleitte in het verleden16 reeds voor een integratie van het horizontaal integratiebeleidsplan en het horizontaal gelijkekansen beleidsplan. Er kan immers moeilijk over integratie worden gesproken zonder ook over gelijke kansen en volwaardige participatie te spreken en omgekeerd. Bovendien biedt het meer mogelijkheden om ook aandacht te hebben voor intersectionele problematieken. Het is goed dat het wijzigingsdecreet de focus in het horizontaal actieplan verlegt naar vernieuwende samenwerkingen voor een langere looptijd om zo daadwerkelijk impact te genereren. Tegelijkertijd heeft de commissie een aantal belangrijke bedenkingen bij de nieuwe aanpak van het horizontaal integratiebeleidsplan die met het wijzigingsdecreet zou worden verankerd. Het gaat over volgende belangrijke wijzigingen: De rapporteringsplicht over de voortgang van het actieplan en de realisaties en voortgang van het gevoerde beleid aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement worden afgeschaft (Art. 5, 7°), De actualisatie van het geïntegreerd actieplan na 2 jaar wordt afgeschaft (Art.5, 7°), De commissie Integratiebeleid wordt afgeschaft (Art. 6). Er worden aanspreekpunten binnen de relevante beleidsdomeinen aangewezen die bijdragen aan het horizontaal integratiebeleidsplan (Art. 7, §1) en het Agentschap Binnenlands Bestuur zal instaan voor de coördinatie van het netwerk van aanspreekpunten (Art. 7,§2). De Commissie Diversiteit doet daarbij volgende aanbevelingen:
14
Het integratiebeleid werd tot nu gezien als het beleid dat met onderling afgestemde initiatieven inspeelt op de situaties en dynamieken die verbonden zijn met de gevolgen van migratie, met als doel (1) zelfstandige en evenredige participatie, (2) toegankelijkheid van alle voorzieningen, (3) actief en gedeeld burgerschap van eenieder en (4) het verkrijgen van sociale samenhang.
15
Commissie Diversiteit (25 mei 2016). Advies vluchtelingen. SERV, Brussel.
16
Commissie Diversiteit (18 januari 2016). Horizontaal integratie- en gelijke kansenbeleidsplan. SERV, Brussel.
12
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
Om de noodzakelijke coördinatie, coherentie en synergie van het horizontaal integratiebeleid te realiseren pleit de commissie voor het behoud van de Commissie Integratiebeleid, met niet alleen de aanspreekpunten binnen de betrokken beleidsdomeinen maar ook andere relevante partners (o.a. AgII, Agentschap Binnenlands Bestuur en de participatieorganisatie), en in te zetten op het versterken van de slagkracht ervan. Het is goed dat de Vlaamse Regering vast houdt aan interne coördinatie wat betreft het horizontale integratiebeleid en dat er blijvend aanspreekpunten worden aangeduid die de doelstellingen op vlak van integratie in het eigen domein uitwerken, implementeren en opvolgen. Tegelijkertijd weten we dat het urgentiebesef met betrekking tot integratie vaak laag is in de verschillende beleidsdomeinen.17 Zo bleek dat een aantal beleidsdomeinen bij opmaak van het voorgaande horizontale plan geen enkele actie hadden geformuleerd.18 Een horizontaal plan heeft tot doel een aantal zaken meer prioriteit te geven maar heeft als valkuil dat niemand zich nog verantwoordelijk voelt en er minder eigenaarschap wordt ervaren.19 Het is belangrijk dat een netwerk met de nodige expertise én slagkracht zorgt voor coördinatie, coherentie en synergie. De Commissie Diversiteit vraagt om voldoende aandacht te geven aan beleidsparticipatie van de kansengroepen om hun ervaringsdeskundigheid mee te nemen in de uitbouw van het beleid en te komen tot een gedragen horizontaal plan op het gebied van integratie en gelijke kansen20. Tot nu maakte het Minderhedenforum als vertegenwoordiger van personen met een migratieachtergrond deel uit van de commissie integratiebeleid die tot taak had toe te zien op de coherentie, synergie en coördinatie van het Vlaamse integratiebeleid en ook het ontwerp van geïntegreerd plan opmaakte, evalueerde en actualiseerde. Beleidsparticipatie gaat voor de commissie verder dan de betrokken doelgroepen de kans geven om een inbreng te doen bij de opmaak van een horizontaal beleidsplan dat hen aanbelangt. Het vergt een participatief proces van overleg tussen de verschillende stakeholders, doelgroepen en beleidsdomeinen over de prioriteiten en doelstellingen, over de keuzes van de acties en indicatoren om deze op te volgen en te evalueren, over de afstemming tussen acties, over de evaluatie en nodige bijsturingen, ... De commissie vraagt om in het decreet ook vast te leggen dat de geformuleerde acties in het geïntegreerd actieplan moeten voldoen aan de SMART-principes (specifiek, meetbaar, actiegericht, relevant en tijdgebonden) (Art. 5, §1, 3° van het huidige integratiedecreet).21 Om tot een resultaatsgericht horizontaal beleidsplan te komen moet er duidelijkheid zijn over de timing van de acties, het te volgen tijdspad, de toekenning van mensen en middelen om de acties te realiseren en de opvolging en evaluatie van (tussentijdse) resultaten. Duidelijke kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren om deze acties op te volgen, te evalueren en bij te sturen zijn daarbij noodzakelijk. In het decreet houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid van 10 juli 2008 is dit reeds concreter uitgewerkt waarbij het actieplan een tijdspad voor de uitvoering van acties moet bevatten, alsook de opgave van indicatoren waarmee de voortgang zal worden gemeten en de ingezette middelen en instrumenten (Art. 10, 4°, 5° en 6°) De commissie vindt het geen voorbeeld van degelijk bestuur dat met het wijzigingsdecreet zowel de rapporteringsplicht aan de Vlaamse Regering en het 17
Vandermeerschen, H., De Cuyper, P. & De Rick, K. (2019). Een evaluatiekader voor het Vlaamse integratiebeleid. Deel 5: Analyse van de beleidsinstrumenten van het Vlaamse Integratiebeleid: de weg van ‘tool’ tot doelstelling. HIVA, Leuven.
18
Commissie Diversiteit (18 januari 2016). Horizontaal integratie- en gelijke kansenbeleidsplan. SERV, Brussel.
19
Vandermeerschen, H., De Cuyper, P. & De Rick, K. (2019). Een evaluatiekader voor het Vlaamse integratiebeleid. Deel 5: Analyse van de beleidsinstrumenten van het Vlaamse Integratiebeleid: de weg van ‘tool’ tot doelstelling. HIVA, Leuven.
20
Idem
21
Idem
13
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
Vlaams parlement als de actualisatie van het geïntegreerd actieplan worden afgeschaft (Art. 5, 7°). De opgelegde rapportering en timing daarvan zorgden dat het thema op de agenda bleef staan, er ritme bleef in de opvolging ervan en verschillende actoren ook op hun verantwoordelijkheid konden worden gewezen.22 Ook bij oprichting van de voorgestelde Werkgroep Horizontaal Integratiebeleid (zie supra) moet de rapporteringsplicht aan het Vlaams Parlement worden behouden. Bovendien merkt de commissie ook op dat een tussentijdse rapportering is voorzien in het Gelijke Kansen en Behandelingsdecreet (Art 10). De commissie vroeg eerder om de tussentijdse evaluaties en rapporteringen ook aan het VESOC-overleg en de Commissie Diversiteit bij de SERV te bezorgen.23 Gezien het belang van het horizontaal integratiebeleidsplan en het geïntegreerd actieplan vraagt de commissie om de adviesvraag aan de Commissie Diversiteit decretaal te verankeren. Binnen de Commissie Diversiteit wordt het overleg tussen de Vlaamse sociale partners en de vertegenwoordigers van de kansengroepen structureel voorzien zodat de knowhow van de kansengroepen kan worden ingebracht in het beleid er ook draagvlak kan worden gecreëerd bij de betrokken kansengroepen. In het verleden werd reeds advies gevraagd over de horizontale integratie en gelijkekansen beleidsplannen maar niet structureel. De Commissie Diversiteit wil in de toekomst graag blijvend een bijdrage leveren bij de opmaak van het horizontaal integratiebeleidsplan. Ook het bredere integratiebeleid, zoals vermeld in artikel 4 van het decreet, dat veel ruimer gaat dan het horizontaal integratiebeleidsplan vergt coherentie, synergie en coördinatie. De commissie ziet ook hier een belangrijke rol de huidige commissie integratiebeleid waarbij wordt ingezet op een versterking van de slagkracht ervan. Het bredere integratiebeleid zal worden gerealiseerd binnen het algemene beleid van de verschillende beleidsdomeinen. Dat zal grotendeels verlopen via algemene maatregelen en alleen als dat nodig is via een specifiek aanbod. Ook dit bredere integratiebeleid moet opgevolgd, geëvalueerd en waar nodig bijgestuurd worden. Om zicht te krijgen op welke acties nodig zijn per beleidsdomein is een grondige analyse per beleidsdomein een belangrijke basis. De commissie vraagt dan ook om een analyse per beleidsdomein te behouden in het decreet (Art. 5, 6°) als hefboom om te komen tot relevante acties die duidelijk bijdragen aan het realiseren van de achterliggende doelstelling, met name het dichten van de etnische kloof in de verschillende beleidsdomeinen.
2.4
Participatieorganisatie
De Commissie Diversiteit vindt het goed dat de rol en taken van de participatieorganisatie in het decreet verankerd blijven en een structurele en gebiedsdekkende participatie wordt voorzien. De commissie onderstreept dat het daarbij belangrijk blijft dat de participatieorganisatie ook in de mogelijkheid worden gesteld om deze rol en taken in de praktijk effectief waar te maken én dat de participatieorganisatie haar autonome en onafhankelijke werking behoudt. De commissie hecht veel belang aan beleidsparticipatie en empowerment van de kansengroepen om hun ervaringsdeskundigheid mee te nemen in de uitbouw van het beleid. Ook het nieuwe Doelstellingenkader Horizontaal Integratie en Gelijke Kansen Beleidsplan 2020-2024 benadrukt het belang van beleidsparticipatie.24 Zo wordt in doelstelling 7 gesteld: ‘Om het perspectief van alle burgers, ongeacht hun diverse achtergronden en kenmerken, mee te nemen zetten alle Vlaamse instellingen in op beleidsparticipatie. Het streefdoel is dat mannen, en vrouwen, personen met een handicap, personen van buitenlandse 22
Idem
23
Commissie Diversiteit (18 januari 2016). Horizontaal integratie- en gelijke kansenbeleidsplan. SERV, Brussel.
24
Doelstellingenkader horizontale integratie- en gelijke kansenbeleidsplan 2020-2024
14
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
herkomst, LGBTQI+ personen maximaal deelnemen aan bestaande en nieuwe vormen van inspraak en participatie aan beleid. Niet alleen worden de stemmen van verschillende groepen zo gehoord: de verscheidenheid aan perspectieven binnen brengen, is een verrijking voor het inclusieve Vlaamse beleid en zal de doeltreffendheid van dat beleid ten goede komen.’ Om ook de ervaringsdeskundigheid van de doelgroep van buitenlandse herkomst mee te nemen in de uitbouw van het inburgerings- en integratiebeleid is beleidsparticipatie een cruciaal element.
2.5
Doelgroep inburgeringstrajecten
De commissie kan zich er niet in vinden dat met het wijzigingsdecreet ook alle verzoekers van internationale bescherming na vier maanden procedure, wanneer ze ook toegang krijgen tot de arbeidsmarkt, voor de inburgeringstrajecten worden uitgesloten totdat ze een beslissing met betrekking tot hun verzoek hebben ontvangen (Art. 18). Voor de sociale partners en het Minderhedenforum zijn inburgeringstrajecten ook belangrijk in het bevorderen van de arbeidsmarktparticipatie van nieuwkomers met een arbeidsperspectief. De diensten inzake integratie en activering, inclusief het inburgeringstraject, moeten zo snel mogelijk beschikbaar zijn voor verzoekers tot internationale bescherming. Een groot aandeel onder hen heeft immers een arbeidsperspectief en een grote kans op erkenning. De commissie merkt daarbij op dat: Verzoekers van internationale bescherming kunnen na een termijn van vier maanden na indiening van hun verzoek werken als werknemer25, zich inschrijven bij de VDAB of een beroepskaart aanvragen. Het is dan ook niet meer dan logisch dat zij vanaf diezelfde termijn ook toegang krijgen tot inburgeringstrajecten die hun arbeidsmarktparticipatie kunnen versterken, onder meer door hen wegwijs te maken met de omgangsvormen en normen en waarden van de samenleving. De erkenningsgraad bij verzoekers tot internationale bescherming ligt nog altijd hoog26. In 2019 lag die in totaal op 36,9% waarvan 31,4% de vluchtelingenstatus27 kregen en 5,5% de subsidiaire bescherming28. Wanneer de onontvankelijke dossiers (o.a. meervoudige verzoeken en verzoeken van personen die al internationale bescherming krijgen in andere lidstaten), die met voorkeur worden behandeld, uit deze cijfers worden weggelaten stijgt de erkenningsgraad tot 50,5%. Het schrappen van verzoekers tot internationale bescherming als doelgroep van het inburgeringstraject zou betekenen dat een grote groep nieuwkomers tot 12 maanden of 25
Tijdens de asielprocedure krijgen verzoekers tot internationale bescherming een attest van immatriculatie. Deze personen zijn vrijgesteld van gecombineerde vergunning (single permit) en mogen werken na een wachtperiode van 4 maanden na de daadwerkelijke indiening van hun verzoek tot internationale bescherming.
26
Bron cijfers: https://www.cgvs.be/nl/actueel/asielstatistieken-overzicht-2019
27
De erkenning als vluchteling geeft recht op een initieel beperkt verblijf van vijf jaar in België (elektronische vreemdelingenkaart A). Na vijf jaar, te rekenen vanaf de indiening van het verzoek om internationale bescherming, krijgt de vluchteling een onbeperkt verblijfsrecht (elektronische vreemdelingenkaart B). De vluchteling is onderworpen aan het Belgisch recht en moet dezelfde wetten respecteren als Belgen. https://www.cgvs.be/nl/asiel/erkende-vluchtelingen
28
De status van subsidiaire bescherming geeft recht op een initieel beperkt verblijf in België: de elektronische vreemdelingenkaart A. De elektronische A-kaart is één jaar geldig en kan worden vernieuwd voor een periode van 2 jaar. Na deze 2 jaar kan opnieuw een vernieuwing voor 2 jaar aangevraagd worden. Na vijf jaar, te rekenen vanaf de indiening van het verzoek om internationale bescherming, krijgt de subsidiair beschermde een onbeperkt verblijfsrecht: de elektronische vreemdelingenkaart B. De subsidiair beschermde kan in België werken na het aanvragen van een arbeidskaart (werknemer) of een beroepskaart (zelfstandige). https://www.cgvs.be/nl/asiel/subsidiair-beschermden
15
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
langer moet wachten vooraleer ze hun inburgeringstraject kunnen aanvatten. Sinds 2015 is de gemiddelde duurtijd voor er een beslissing wordt genomen bij aanvraag tot internationale bescherming opgelopen van gemiddeld 222 dagen tot 392 dagen in de eerste drie kwartaal van 2019.29 Dit betekent dat verzoekers tot internationale bescherming gemiddeld langer dan één jaar wachten op een beslissing in hun dossier en dus uitgesloten zouden blijven van vrijwillige inburgeringstrajecten. In de Memorie van Toelichting wordt verwezen naar landen waar het regulier inburgeringstraject eveneens wordt voorbehouden voor nieuwkomers met een ‘duurzaam verblijf’ (Denemarken, Finland en Frankrijk). De duurtijd van de asielprocedure is in deze landen echter een stuk korter. In Denemarken gaat het om 105 dagen voor asiel en 40 dagen voor gezinshereniging30. In Frankrijk duurde het in 2019 gemiddeld 161 dagen31 voor een eerste beslissing en in Finland gaat het om 6 maanden32. De commissie onderstreept dat het belangrijk is dat de VDAB actief blijft investeren in inschrijving van verzoekers van internationale bescherming vanaf vier maanden na de start van hun procedure en dit via een outreachende (samen)werking met Fedasil.
2.6
Twee nieuwe pijlers in het inburgeringstraject
2.6.1
Verplichte inschrijving bij de VDAB
De Commissie Diversiteit kan zich vinden in een verplichte inschrijving bij VDAB voor alle inburgeraars op beroepsactieve leeftijd die niet werken. Om de rol als arbeidsmarktregisseur ten volle te kunnen realiseren vindt de commissie het namelijk noodzakelijk dat VDAB van elke persoon op beroepsactieve leeftijd duidelijk weet of deze werk heeft, werkzoekende is, een opleiding volgt dan wel niet beroepsactief is of wil zijn33. Enkel op die manier kan het bemiddelings- en activeringsbeleid van VDAB verder worden afgestemd op de noden van personen binnen de potentiële arbeidsreserve. Door inburgeraars van bij aanvang op de radar van VDAB te krijgen kan hun participatie op de arbeidsmarkt vergroten en versnellen. Bijkomend vindt de commissie het positief dat hiertoe wordt gestreefd naar een geïntegreerde intake van inburgeraars, i.p.v. dat zij zich moeten aanmelden én bij de agentschappen én bij de VDAB en andere partners. Wel is het zo dat inburgeraars verschillende perspectieven kunnen opgegeven voor hun inburgeringstraject. Naast een professionele drijfveer kunnen inburgeraars ook een educatief of sociaal perspectief voor ogen hebben. VDAB moet in functie van deze keuze op een pragmatische manier bekijken wat het meest passende vervolg is voor elke inburgeraar. De commissie vindt het wel belangrijk om in elk traject, ook die zonder professioneel perspectief, voldoende informatie te geven over de arbeidsmarkt, o.a. over het belang van werk, hoe geraak je aan werk, rechten en plichten op de arbeidsmarkt, kinderopvang en mogelijkheden inzake combinatie van werk en gezin, mogelijkheden en wegen 29
https://www.dekamer.be/kvvcr/showpage.cfm?section=qrva&language=nl&cfm=qrvaXml.cfm?legislat=55&dossierID=55B009-1085-0203-2019202001155.xml
30
https://www.parlementairemonitor.nl/9353000/1/j9vvij5epmj1ey0/vi3ahok7dtzv
31
http://www.cnda.fr/content/download/168271/1684126/version/3/file/RA2019-CNDA.pdf;
https://asylumineurope.org/reports/country/franc 32
https://migri.fi/documents/5202425/6165225/Information+for+asylum+seekers+%28en%29; https://migri.fi/en/processing-times
33
Commissie Diversiteit (31 januari 2020). Advies Een outreachende aanpak in trajecten naar werk voor moeilijk bereikbare werkbereide niet-beroepsactieven. SERV, Brussel. , Commissie Diversiteit (3 mei 2019). Advies actielijst personen met een migratieachtergrond. SERV, Brussel.
16
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
naar ondernemerschap34. Volgens de commissie kan een verplichte inschrijving bij VDAB hiertoe bijdragen en inburgeraars die op (langere) termijn wel een professioneel perspectief hebben beter voorbereiden op een overstap naar de arbeidsmarkt. De commissie vindt het verder belangrijk om voor inburgeraars die willen en kunnen werken, in te zetten op optimale kansen en ondersteuning om daar ook in te slagen. Daartoe moet VDAB in eerste instantie garanderen dat wie zich inschrijft ook de nodige begeleiding en dienstverlening krijgt. Voor de commissie moeten inburgeraars daarom op dezelfde manier worden ingeschat door VDAB als andere werkzoekenden zodat ze, volgens hun noden, op dezelfde begeleiding en dienstverlening kunnen rekenen.35 De commissie pleit er tot slot voor om verder in te zetten op kortere geïntegreerde of gecombineerde trajecten, waarbij taalverwerving, beroepsopleiding en ervaring opdoen op de werkvloer niet na elkaar maar zo veel mogelijk tegelijkertijd verlopen. In geïntegreerde trajecten wordt de inhoud op elkaar afgestemd. Er wordt bijvoorbeeld loopbaanoriëntatie gegeven in de Nederlandse les en Nederlands geleerd tijdens het werkplekleren. In gecombineerde trajecten lopen de acties parallel zonder dat de inhoud op elkaar is afgestemd. Deze evolutie lijkt evident, maar in de praktijk blijkt dit nog niet het geval. Zo loopt bv. de automatische gegevensuitwisseling tussen het AgII en de VDAB nog niet volledig en correct36. De commissie vindt het dan ook positief dat door de geïntegreerde intake van inburgeraars verder op wordt ingezet op uitwisseling en samenwerking tussen VDAB, AgII en de OCMW’s.
2.6.2
Uitwerking vierde pijler
De Commissie Diversiteit vindt het positief dat er met de vierde pijler aandacht komt voor het creëren van een netwerk. Aangezien het hier gaat om een nieuwe pijler in het inburgeringstraject is het voor de commissie wel belangrijk dat eerst alle noodzakelijke voorwaarden om tot een goed participatie- en netwerktraject te komen zijn vervuld, vooraleer dit kan worden opgenomen als verplicht onderdeel van inburgering. Een eerste essentiële voorwaarde voor de commissie is dat er een toereikend en gepast aanbod aan trajecten kan worden gegarandeerd voor alle inburgeraars. Zolang dit niet het geval is pleit de commissie voor een latere of voorwaardelijke inwerkingtreding van deze pijler. Daartoe kan bijvoorbeeld in het inburgeringscontract de garantie worden opgenomen dat wanneer een inburgeraar kan aantonen dat er na een redelijke periode geen geschikte stage of buddy werd gevonden, deze alsnog een inburgeringsattest kan bekomen. Hoewel er vandaag al heel wat goede praktijken bestaan op vlak van vrijwilligerswerk, buddy- en mentoringsprojecten, moet het participatieen netwerktraject nog worden ontwikkeld en uitgerold. De lokale besturen zullen grotendeels instaan voor het aanbod. Voorlopig is het echter nog onduidelijk of het bestaande aanbod toereikend is, welk budget er nodig is en zal worden toegekend. Ter voorbereiding en om de noden hieromtrent uit te klaren ging op 1 januari 2021 een AMIF-project met proeftuinen van start, in samenwerking met de VVSG en AgII. Idealiter was volgens de commissie ook VDAB reeds betrokken als partner in dit proefproject. De commissie vraagt om dit mee te nemen als belangrijk aandachtspunt in de verdere uitrol van deze trajecten. Na de pilootfase moet duidelijk zijn welke ondersteuning nodig is voor deze vierde pijler.. De commissie vraagt om
34
Commissie Diversiteit (31 januari 2020). Advies Een outreachende aanpak in trajecten naar werk voor moeilijk bereikbare werkbereide niet-beroepsactieven. SERV, Brussel. , Commissie Diversiteit (3 mei 2019). Advies actielijst personen met een migratieachtergrond. SERV, Brussel.
35
Commissie Diversiteit (31 januari 2020). Advies Een outreachende aanpak in trajecten naar werk voor moeilijk bereikbare werkbereide niet-beroepsactieven. SERV, Brussel.
36
Commissie Diversiteit (3 mei 2019). Advies actielijst personen met een migratieachtergrond. SERV, Brussel.
17
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
in de evaluatie van de pilootprojecten aandacht te hebben voor een kwalitatief en toereikend aanbod evenals voor te betrekken partners en de regierol. Voor de commissie kan bovendien de verantwoordelijkheid voor het vinden van een buddy of stageplek niet bij de inburgeraar worden gelegd zolang er geen garantie is van een toereikend aanbod. Het ontwerpdecreet stelt nochtans dat de verplichte inburgeraar zelf de verantwoordelijkheid krijgt om te bewijzen dat hij voldoende inspanningen levert in het kader van de vierde pijler. De Commissie Diversiteit vraagt dat de lokale besturen, die in de Memorie van Toelichting worden benoemd als regisseur van het netwerktraject, de samenwerking aangaan met (middenveld)organisaties die reeds ervaring hebben met buddy(FMDO,…), mentoring- (DUO for a JOB, Mentor2Work, Motivation United,…) en vrijwilligersprojecten (RefuInterim,…) of die nieuwe relevante projecten opzetten. Om een toereikend en kwalitatief aanbod te garanderen is het namelijk belangrijk dat alle expertise hieromtrent optimaal wordt benut. De commissie vindt het tot slot belangrijk om in dit traject te werken op maat van de inburgeraar. Om een maximaal effect te bekomen moet de aanpak afgestemd zijn op en een meerwaarde bieden voor het gekozen perspectief. Op die manier kan het participatie- en netwerktraject de weg naar participatie in de samenleving, in het onderwijs en op de arbeidsmarkt verkorten. Zo kunnen voor inburgeraars met een professioneel perspectief bijvoorbeeld mentoringsprogramma’s een meerwaarde hebben. Het is belangrijk om daarbij te investeren in kritische succesfactoren (bv. mentoren met een omvangrijk en sectorspecifiek netwerk, duidelijk kader, goede en systematische opvolging). Deze mentoringprogramma’s vergen bovendien een betrokkenheid van zowel partners die contacten hebben met werkgevers als partners met specifieke kennis en ervaring met de doelgroep. Ook vrijwilligerswerk of stages die aansluiten bij het jobdoelwit van de inburgeraar kunnen de zoektocht naar een job vergemakkelijken. Wel kan de korte duur van 40 uur ervoor zorgen dat organisaties of bedrijven minder bereid zijn om stageplaatsen ter beschikking te stellen. De Commissie Diversiteit vraagt daarom dat tewerkstellingsgerichte mentoringsprogramma’s, vormen van werkplekleren of vrijwilligerswerk waaraan inburgeraars deelnemen als onderdeel van hun traject bij VDAB, ook kunnen gelden als vrijstelling voor het participatie- en netwerktraject. Voor inburgeraars met een educatief- of sociaal perspectief kunnen bijvoorbeeld buddywerkingen een meerwaarde bieden. Op vlak van maatschappelijke participatie bestaan reeds heel wat goede praktijken. Ook binnen het hoger onderwijs is er hier en daar al ervaring met tutoringprojecten, maar deze zijn zelden gericht op het versterken van nieuwkomers die instromen in de opleiding.
2.7
Inburgeringscontract
2.7.1
Termijn inburgeringstraject
De commissie Diversiteit heeft enkele belangrijke bedenkingen bij het afstappen van de uniforme duurtijd van één jaar voor het realiseren van het inburgeringstraject, en opnemen van een richttermijn in het inburgeringscontract. Gezien het NT2-traject het onderdeel is dat het meeste tijd in beslag neemt, wordt de duur van dit traject vooropgesteld als richtinggevende termijn voor het hele inburgeringstraject. In de memorie van toelichting wordt voor de richttermijnen vertrokken van de mediane doorlooptijd voor de verschillende NT2-trajecttypes (CVO verkort, normaal, verlengd, CBE, alfa-cursisten). Concreet betekent dit dat de helft van de inburgeraars deze termijnen niet haalt en er langer over doet. De Commissie Diversiteit vraagt zich daarom af of deze termijnen wel zinvol zijn als richtsnoer? Dit des te meer omdat het voor de commissie onduidelijk is wat het gevolg is van het niet behalen van de 18
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
vooropgestelde termijn. Over deze termijn niets opgenomen in het luik sanctionering (art. 33 en 34) van het ontwerpdecreet. Een opschorting van het inburgeringstraject is bovendien enkel mogelijk voor inburgeraars die dit traject niet kunnen combineren met hun werk of opleiding of die om medische of persoonlijke redenen hun inburgeringstraject moeten onderbreken (art. 28 §3). Door de richttermijn enkel te baseren op de mediane doorlooptijd van de NT2-trajecten wordt volgens de Commissie Diversiteit te weinig rekening met andere factoren zoals: • Het verzwaren van het hele inburgeringstraject met een derde en vierde pijler • De noodzaak om te slagen op de testen MO en NT2 en de verplichte herschrijving totdat deze doelstelling is behaald.
2.7.2
Essentiële rechten en plichten
De Commissie Diversiteit stelt zich enkele belangrijke vragen bij art. 28 van het ontwerpdecreet, dat stelt dat het inburgeringscontract in de toekomst een bepaling zal bevatten over de essentiële rechten en plichten die in onze samenleving moeten worden gerespecteerd. De memorie van toelichting verduidelijkt dat deze verklaring als bijlage aan het inburgeringscontract zal worden toegevoegd, en licht het meerledig doel van deze verklaring toe37. De Commissie Diversiteit vraagt zich in eerste instantie af wat de concrete meerwaarde is van deze verklaring ten aanzien van de cursus maatschappelijke oriëntatie (MO). De cursus MO is een verplicht onderdeel van het inburgeringstraject en heeft als doel om inburgeraars maatschappelijk zelfredzamer te maken door hen wegwijs te maken in onze samenleving, in de verschillende instanties, diensten, administratieve plichten, vrijheden en rechten, etc. Een versterkte focus op normen en waarden mag deze doelstelling niet in het gedrang brengen. De Commissie Diversiteit stelt zich verder enkele vragen in verband met de inhoud en de juridische basis van de voorgestelde verklaring. • Het ontwerpdecreet lijkt een gelijkaardig concept als de federale nieuwkomersverklaring38 te integreren in het inburgeringscontract, dat door elke verplichte inburgeraar moet worden ondertekend. De Commissie Diversiteit vraagt zich af of het juridisch bezwaar waarvan sprake bij de nieuwkomersverklaring ook hier van toepassing is? Een van de doelstellingen aangehaald in de Memorie van Toelichting is namelijk het ‘vragen dat men de waarden en normen van de ontvangende samenleving respecteert en onderschrijft’. • De Commissie Diversiteit is verder benieuwd naar de concrete uitwerking van de verklaring, die middels besluit van de Vlaamse Regering zal verlopen. De
37
1. Verwelkomen van nieuwkomers in de samenleving 2. Duiden van de gedeelde sokkel van waarden en die voor elke burger in Vlaanderen gelden 3. Vragen dat men de waarden en normen van de ontvangende samenleving respecteert en onderschrijft 4. Binding tot stand brengen tussen nieuwkomers en ontvangende samenleving 5. Een instrument zijn voor de volgende stappen in het proces van inburgeren en samenleven.
38
In 2016 kwam de toenmalig staatssecretaris voor asiel en migratie met een wetsontwerp voor een nieuwkomersverklaring waarin nieuwkomers zouden moeten verklaren onze waarden en normen te aanvaarden. De Raad van State oordeelde dat de overheid niemand kan verplichten om bepaalde waarden en normen te aanvaarden. Ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens laat dat niet toe. Het wetsontwerp werd aangepast waardoor nieuwkomers de verklaring niet langer moeten aanvaarden, maar er wel naar moeten handelen. De wet tot invoering van een algemene verblijfsvoorwaarde in de Verblijfswet, in werking getreden op 26 januari 2017, creëerde de mogelijkheid de aangepaste nieuwkomersverklaring in te voeren. Voordat dit deel van de wet in werking kan treden moet echter eerst nog een samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeenschappen gesloten worden. Deze overeenkomst is nog niet gerealiseerd.
19
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
commissie vindt het belangrijk dat zo’n verklaring volledig en evenwichtig wordt opgesteld.
2.8
Inburgeringsattest en delen resultaten met DVZ
De Commissie Diversiteit betreurt dat het behalen van het inburgeringsattest verder wordt bemoeilijkt door het toevoegen van de verplichting om ook de doelen van de twee nieuwe pijlers te behalen. De commissie gaf in het verleden aan dat ze, om verschillende redenen, een inburgeringscertificaat of -attest niet ziet als het meest effectieve en efficiënte middel om meer doorstroom naar werk te realiseren voor inburgeraars39. Aangezien ervoor is gekozen om wel met een inburgeringsattest te werken, heeft het al dan niet behalen ervan ook een impact op de arbeidsmarkpositie van inburgeraars. De Commissie Diversiteit kan zich niet vinden in het mogelijk maken van de gegevensuitwisseling met de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) (art. 14), die als doelstelling heeft om het al dan niet verlengen van de verblijftitel te linken aan het gevolgde inburgeringstraject. De federale wetgeving bepaalt dat nieuwkomers die een verblijfsaanvraag hebben ingediend inspanningen tot integratie moeten bewijzen. Eén manier om dit bewijs te leveren is het volgen van een inburgeringscursus voorzien door de bevoegde overheid van de hoofdverblijfplaats. Over de inhoud of resultaten van het gelopen inburgeringstraject wordt in de wetgeving niets gezegd. De Commissie Diversiteit vindt de voorgestelde gegevensuitwisseling omwille van die reden niet proportioneel. Bovendien is het voor de commissie niet aanvaardbaar dat door deze gegevensuitwisseling nieuwkomers die inburgeren in Vlaanderen voor de verlenging van hun verblijfstitel anders, en potentieel strenger, worden beoordeeld dan nieuwkomers die inburgeren in de andere regio’s van het land.
2.9
NT2 en te bereiken taalniveau
2.9.1
Gestandaardiseerde testen MO en NT2
De invoering van gestandaardiseerde testen NT2 moet voor de commissie gepaard gaan met garanties inzake onderwijskwaliteit bij alle NT2-aanbieders en tegelijkertijd voldoende autonomie van de NT2-aanbieders garanderen. Dat moet uiteraard ook gelden voor het aanvullend privé-aanbod waarop in de toekomst mogelijks beroep zal worden gedaan. Zowel voor MO als NT2 zal een regelmatige deelname aan de opleidingen niet meer volstaan maar moet elke inburgeraar slagen voor de gestandaardiseerde testen die voor beide onderdelen zullen worden ingevoerd. Niet slagen betekent dat de test opnieuw moet worden gedaan, inclusief het betalen van de retributie. Het niet slagen voor de gestandaardiseerde NT2-tesen mag dan ook niet het gevolg zijn van een gebrekkige kwaliteit van de verplichte aangeboden NT2opleidingen. De commissie vraagt duidelijkheid over hoe concreet zal worden omgegaan met inburgeraars die omwille van beperkte leercapaciteiten niet kunnen slagen voor de testen MO en NT2. In de Memorie van Toelichting wordt enkel aangegeven dat daar rekening mee zal worden gehouden maar het blijft onduidelijk door wie en hoe zal worden bepaald wie onvoldoende leercapaciteiten heeft en op welke manier daar dan rekening mee zal worden gehouden.
39
Commissie Diversiteit (20 januari 2010). Advies over het civiel effect inburgering. SERV, Brussel.
20
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
De gestandaardiseerde NT2-testen mogen er niet toe leiden dat de aantrekkelijkheid van geïntegreerde of gecombineerde trajecten verdwijnt en trajecten naar duurzaam werk langer duren. Daarom zouden ook de geïntegreerde taalopleidingen van de VDAB moeten uitmonden in NT2-certificaten die van tel zijn in het inburgeringscontract. Ook pleit de commissie, bij invoering van gestandaardiseerde NT2-testen, voor het ontwikkelen van aanvullende spoedcursussen bij CVO’s en CBE’s om personen in geïntegreerde of gecombineerde trajecten voldoende voor te bereiden zodat ze ook slagen voor de testen. De sociale partners en het Minderhedenforum pleitten steeds om in te zetten op geïntegreerde of gecombineerde trajecten, waarbij taalverwerving, beroepsopleiding en ervaring op doen op de werkvloer niet na elkaar maar zoveel mogelijk tegelijkertijd verlopen.40 De aangeboden vocabulaire (en mogelijks ook grammatica) in deze opleidingen is gericht op de beroeps- en sectorale realiteit waarin men terecht wil komen. Het is voor de commissie onduidelijk hoe deze zich verhouden tot het vereiste taalniveau voor inburgering. De commissie vraagt dat, in de geest van het competentiegericht loopbaanbeleid, het bij de invoering van de gestandaardiseerde testen NT2 mogelijk moet zijn om vrijstellingen te voorzien voor personen die op basis van een ander getuigschrift NT2 (bv. Certificaat Nederlands als Vreemde Taal van de Nederlandse Taalunie, Selor-taalcertificaat) het nodige taalniveau kunnen aantonen. Bij invoering van het wijzigingsdecreet zullen de doelstellingen voor MO op een gestandaardiseerde manier worden getest waarbij het AgII instaat voor de organisatie daarvan (Art. 22). Ook voor NT2 worden gestandaardiseerde testen voorzien waarvan de invoering zal gebeuren via de regelgeving van het volwassenenonderwijs.
2.9.2
Versterking taalkennis na inburgeringstraject
Het ambitieniveau op het vlak van de Nederlandse taal moet voor de commissie hoog liggen. Tegelijkertijd heeft de commissie belangrijke vragen bij het uniform opleggen van een bijkomend taalniveau B1 na het afronden van het inburgeringstraject en de termijn waarop dat moet worden behaald. De commissie vraagt naar de motivatie om het taalniveau uniform te verhogen naar B1. Het wijzigingsdecreet verplicht ex-inburgeraars op beroepsactieve leeftijd om een taalniveau B1 mondeling te behalen 24 maanden na succesvolle afronding van het inburgeringstraject en geen 6 maanden onafgebroken heeft gewerkt of gestudeerd in die periode (Art. 31). De commissie wijst er op dat: Onderzoek toont aan dat taalopleiding een meerwaarde heeft voor de arbeidsmarktkansen voor werkzoekenden tot men echt basisgebruiker (A2) is, zoals voorzien in het inburgeringstraject41. Gezien werk een belangrijke factor is voor een snelle en duurzame integratie mag het opleggen van een bijkomend taalniveau na afronding van het inburgeringstraject tewerkstelling niet in de weg staan. Uit onderzoek blijkt dat kansen op tewerkstelling globaal gezien sterker samenhangen met werkervaring dan met het hoogst gevolgde taalniveau NT2.42 Een bijkomend algemene
40
Zie bv. Commissie Diversiteit (3 mei 2019). Advies actielijst personen met een migratieachtergrond. SERV, Brussel.; Commissie Diversiteit (25 mei 2016). Advies vluchtelingen. SERV, Brussel.
41
De Cuyper, P. & Vandermeerschen, H. (2016). Helpt bijkomende taalopleiding inburgeraars op de arbeidsmarkt? Het rendement van opeenvolgende NT2-opleidingen voor inburgeraars in kaart gebracht. HIVA, Leuven/Steunpunt Inburgering en Integratie.
42
Idem
21
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
verhoging van het taalniveau zou weinig rendement met zich mee brengen op de arbeidsmarkt. Taalverwerving vraagt maatwerk, zowel wat betreft het na te streven taalniveau als de termijn waarop men dat wil behalen. De trajectbegeleider kan doelstellingen inzake na te streven taalniveau en de termijn waarin dat kan worden gerealiseerd samen met de exinburgeraar vastleggen in functie van de het leervermogen, het geambieerde jobdoelwit, de persoonlijke omstandigheden, het beschikbare publieke NT2-aanbod in de regio, … .43 Zo kan voor hooggeschoolde anderstaligen het behalen van een hoger taalniveau wel een belangrijke sleutel zijn om door te stromen naar een job op hun niveau. Onderzoek geeft aan dat voor jobs waarin een zeer goede taalbeheersing noodzakelijk is, een vergevorderd niveau (B2) een bijkomende meerwaarde kan opleveren44. Een aanbod op maat van de doelgroep is een belangrijk aspect van een slagkrachtig, doelgericht en doelmatig NT2-beleid. Er is nood aan een sterker, breder en meer toegankelijk aanbod NT2, ook op de werkvloer.45 Terwijl maatwerk op vlak van NT2 voor een aantal doelgroepen klassikaal onderwijs impliceert, gaat het voor anderen veel eerder om een aanbod op de werk- of opleidingsvloer, digitaal en modulair uitgewerkte lesvormen, avondonderwijs, of een combinatie van deze. De commissie wijst er op dat de uitzondering voor het behalen van het bijkomend taalniveau B1 mondeling (24 maanden na afronden van het inburgeringstraject) voor exinburgeraars die 6 maanden onafgebroken hebben gewerkt niet is afgestemd op de realiteit van personen met een migratieachtergrond op de Vlaamse arbeidsmarkt. Zo hebben werkenden geboren buiten de EU vaker tijdelijke contracten: 17,2% ten aanzien van 7,1% van de werkenden geboren in België. Bovendien is het zo dat van de werkenden in tijdelijke contracten, een groter aandeel werkenden geboren buiten de EU28 als uitzendkracht werkt dan werkenden geboren in België: 38,1% t.a.v. 24,8%.46 Als gevolg van de coronacrisis maakt dit hen bovendien kwetsbaarder voor permanent jobverlies (in het tweede kwartaal van 2020).47
2.10
Invoering van retributies voor cursus en test NT2 en Maatschappelijke Oriëntatie
De commissie kan zich niet vinden in het afstappen van het principe van kosteloos NT2 en is bezorgd dat met het invoeren van retributies voor de cursussen en elke test voor NT2 en MO (Art. 22, 23) eerder extra drempels zullen worden ingevoerd. Deze cursussen en testen worden momenteel kosteloos aangeboden en moeten als hefboom dienen voor integratie en (het zetten van stappen naar) werk. De totale kost van de retributies die met het wijzigingsdecreet worden ingevoerd, zullen al snel oplopen. De commissie dringt aan om de vrijstellingsregeling van inschrijvingsgelden uit het volwassenenonderwijs voor de
43
Op basis van de ERK-berg van het AgII, die een beeld geeft van hoe een traject Nederlands leren (NT2) verloopt binnen de verschillende scholen, blijkt dat een standaardtraject via CBE gemiddeld 2 jaar (2 trajecten van 1 jaar) in beslag neemt om tot niveau A2 te komen (zoals voorzien in het inburgeringstraject). CBE’s bieden geen vervolgtraject naar niveau B1 aan. Trajecten binnen CVO’s van A2 naar B1 mondeling verlopen via 4 trajecten die gemiddeld 3 maanden in beslag nemen. Bron: ERK-berg.
44
Idem
45
Zie ook: SERV (30 mei 2016). Advies conceptnota NT2. SERV, Brussel; Commissie Diversiteit (3 mei 2019). Advies actielijst personen met een migratieachtergrond. SERV.
46
Steunpunt Werk (2020).Trendrapport 2020. Kwetsbare groepen op de Vlaamse arbeidsmarkt. Departement Werk en Sociale Economie, Brussel.
47
Idem
22
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
cursus NT2 te behouden en uit te breiden naar de cursus MO en de testen NT2 en MO. Op basis van het financieringsdecreet (2018)48 zet het volwassenenonderwijs sterk in op kwetsbare groepen, onder meer door gehele of gedeeltelijke vrijstellingen van inschrijvingsgeld voor onder meer inburgeraars met een ondertekend inburgeringscontract, personen die materiële hulp genieten, een leefloon ontvangen, werkzoekenden in de beroepsinschakelingstijd. De commissie vraagt om dit principe door te trekken zodat de cursussen NT2 en MO betaalbaar worden gehouden en de testen kosteloos blijven. De commissie maakt daarbij volgende bedenkingen een aanbevelingen: De kosten die door de invoering van de retributies met het inburgeringstraject (zowel NT2 als MO) gepaard zullen gaan, zullen gauw oplopen, zeker voor nieuwkomers. Bovendien kunnen ze sterk verhogen bij het niet slagen voor een test. In de Memorie van Toelichting wordt gesteld dat het bedrag voor de cursussen NT2 en MO en voor de retributies voor het afleggen van de testen NT2 en MO in de uitvoeringsbesluiten zal worden bepaald en vastgelegd zullen worden op telkens €90. Voor een tweeoudergezin zonder meerderjarige kinderen gaat het bijvoorbeeld al over €720, wanneer beide ouders telkens voor elke test slagen. Dat bedrag houdt bovendien geen rekening met de invoering van het verplicht behalen van het mondelinge taalniveau B1 voor ex-inburgeraars ten laatste 2 jaar na het behalen van hun inburgeringsattest wanneer ze niet werken of een opleiding volgen. De commissie onderstreept dat inburgeringstrajecten gericht zijn op een groep met al een hoog armoederisico. Zoals in het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding (VAPA) 20202024 wordt aangegeven zijn de uitdagingen op vlak van armoede zeer hoog.49 In 2019 lag het armoederisico in Vlaanderen voor personen geboren buiten de EU op 30%50. Dat is ruim 4 keer hoger dan het armoederisico voor personen geboren in België (7%). Daarbij dreigt de coronacrisis ook een lang aanslepende sociale crisis te worden met een verdieping en verbreding van de armoede. De SERV wees er in haar advies op het actieplan op dat gezinnen in armoede bovenal nood hebben aan maatregelen die het inkomen versterken en/of kostenbeheersende maatregelen waardoor hun beschikbaar gezinsinkomen vergroot.51 Het invoeren van de retributies voor de cursussen en testen NT2 en MO gaan in tegen deze nood en de doelstelling van het VAPA. Bovendien rijst de vraag of de kosten niet zullen worden doorgeschoven naar de lokale besturen die veel nieuwkomers financieel ondersteunen bij de start van hun traject. In de Memorie van Toelichting wordt gesteld dat de invoering van de retributies het inburgeringstraject minder vrijblijvend moet maken. Vandaag bestaat reeds de mogelijkheid om administratieve sancties op te leggen, onder meer voor het onregelmatig deelnemen aan de lessen. Op basis van het decreet kunnen deze boetes vandaag variëren tussen €50 en €5000 en liggen volgens het Minderhedenforum in de praktijk vaak op een bedrag van €100. De invoering van de retributies mag niet leiden tot afhaakgedrag bij het volgen van een vrijwillig inburgeringstraject. Momenteel zijn de helft van de inburgeringstrajecten 48
Decreet tot wijziging van de rechtspositie van het personeel van de centra voor volwassenenonderwijs en tot wijziging van het financieringsluik van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
49
Vlaams Actieplan Armoedebestrijding 2020-2024
50
Bron cijfers: Statistiek Vlaanderen https://www.statistiekvlaanderen.be/nl/bevolking-onder-dearmoededrempel#hoogste_armoederisico_bij_werklozen,_eenoudergezinnen_en_personen_geboren_buiten_ eu
51
SERV (26 oktober 2020). Advies VAPA. SERV, Brussel.
23
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
vrijwillige inburgeringstrajecten.52 Het NT2-onderwijs is ook een belangrijke opstap voor inburgering53 en die doorstroom mag niet in het gedrang komen.54 Niet alle inburgeraars zijn verplicht om een inburgeringstraject te volgen, bijvoorbeeld omdat ze afkomstig zijn uit een land dat tot de Europese Unie behoort (Roemenië, Bulgarije, …). Tegelijkertijd is het goed mogelijk dat zij net wel nood en baat hebben aan het vrijwillig volgen van dit traject. Hoge kosten kunnen echter leiden tot afhaakgedrag.55 De commissie vraagt om vooral sterk in te zetten op het verhogen van het civiel effect van inburgering op de participatie op de arbeidsmarkt (en andere maatschappelijke domeinen). Werk is de meest bepalende factor voor het economische effect van migratie (groei, overheidsfinanciën, ...)56, vooral in landen met een sterke sociale zekerheid zoals in België.57 Een betere arbeidsmarktpositie van nieuwkomers komt zowel de persoon zelf, als de hele samenleving en economie ten goede. Onderzoek (2016) toont aan dat het civiel effect van inburgeringstrajecten op de arbeidsmarkt nog beperkt is. Zo blijkt dat 5 jaar na aankomst, de groep werkenden niet meer groeit en blijft het tewerkstellingspercentage schommelen 40% en 45%58. Bovendien wijst de commissie er op dat taaltesten anderstaligen ook de mogelijkheid geven om een job uit te oefenen bij de overheid of in het onderwijs. Met het invoeren van retributies werpt de overheid nu zelf een extra drempel op.
2.11
Sociaal tolken en sociaal vertalen
Kennis van de Nederlandse taal is een sleutelelement tot volwaardige participatie, maar mag geen uitsluitingsmechanisme vormen. De Commissie Diversiteit vraagt evenwaardige aandacht en inspanningen wat betreft Nederlands leren en taalondersteuning/tolken en pleit voor voldoende pragmatisme met betrekking tot taal. Inzake het wijzigingsdecreet maakt de commissie volgende aanbevelingen en bemerkingen: Het wijzigingsdecreet bevestigt het nieuwe financieringsmodel inzake sociaal tolken en sociaal vertalen (Art. 37) maar dat mag voor de commissie niet tot gevolg hebben dat de financiële drempel voor de voorzieningen zodanig hoog wordt dat er geen beroep wordt gedaan op deze dienstverlening in situaties waarin dat wel noodzakelijk is om een kwaliteitsvolle dienstverlening te garanderen. De commissie vraagt op korte termijn een evaluatie van het nieuwe financieringsmodel. De commissie is bezorgd over de impact van het nieuwe financieringsmodel dat de agentschappen sinds 1 januari 2020 hanteren waarbij de gebruikers(overheden) instaan voor het betalen van de te presteren tolk52
Zie beleidsnota
53
Meeus, Joke & De Cuyper, Peter (2015). De NT2 trajecten van inburgeraars in kaart gebracht. Inzicht in de doelgroep, het behalen van basistaalvaardigheid, duur van het NT2-traject en opstap naar een vervolgcursus. Rapport. Steunpunt Inburgering en Integratie.
54
SERV (30 mei 2016). Advies conceptnota NT2. SERV, Brussel.
55
Zie bijvoorbeeld Geets, J., Van den Eede, S., Wets, J., Timmerman, C. & Lamberts, M. (2007). Hoe wordt het inburgeringsbeleid geapprecieerd?: evaluatie vanuit het perspectief van de nieuwkomers. HIVA, Leuven (HIVA); McGivney, V. (2004). Understanding persistence in adult learning. Open Learning, 19, (1), 33-46.
56
Perscommuniqué Nationale Bank België–24 februari 2016
57
OECD (May 2014). Policy Brief. The Fiscal and Economic Impact of Migration., OECD (May 2014). Migration Policy Debates. Is migration good for the economy?
58
Wets, J. & De Cuyper, P. (2016). Inburgeraars op de arbeidsmarkt. Een analyse van de socio-economische trajecten van inburgeraars. Hiva, Leuven.
24
Wijzigingsdecreet Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid
en vertaalprestaties en de agentschappen niet meer tussenkomen in de vergoeding van de tolken. Evenmin mag het tot gevolg hebben dat anderstaligen geen andere optie zien dan beroep te doen op een vrijwillige tolk uit hun omgeving, zoals de eigen kinderen, die niet de nodige opleiding en deontologische vorming van een sociaal tolk heeft genoten en waarvan het niet steeds wenselijk is dat ze bij de gesprekken betrokken zijn. Specifiek wat betreft trajecten naar werk vraagt de commissie dat de VDAB en OCMW’s blijvend inzetten op sociaal tolken. Ook doet de VDAB in haar dienstverlening ten aanzien van nieuwkomers een beroep op de praktische uitzondering voorzien door de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, die toestaat dat vreemde talen in een dienst worden gebruikt als uitzondering en overgangsmaatregel om bepaalde doelgroepen te informeren59. Dit is voor de Commissie Diversiteit een voorbeeld van pragmatische aanpak inzake taal. De commissie riep al eerder op om dat principe door te trekken binnen allerlei instanties waarmee verzoekers van internationale bescherming, erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden tijdens hun eerste jaar in België mee in contact komen (lokale besturen, OCMW’s, huisvestingsdiensten, scholen, medische diensten, …).60 Daarnaast kan het gebruik van een sociaal tolk bij de VDAB er in belangrijke mate toe bijdragen dat het profiel en de competenties van de persoon beter kunnen worden ingeschat, dat de persoon beter kan worden begeleid in het zetten van stappen naar de arbeidsmarkt en dat de persoon beter kan worden ondersteund om de regie over het eigen traject in handen te nemen. Dit is nog belangrijker nu nieuwkomers tijdens hun inburgeringstraject zo snel mogelijk en ten laatste binnen de 2 maanden zich moeten inschrijven bij de VDAB. Dit is ook belangrijk voor groepen die niet verplicht zijn om een inburgeringstraject te volgen of oudkomers die in België aankwamen toen het inburgeringsbeleid nog niet zo sterk was uitgewerkt: zij kampen soms nog met moeilijkheden om complexe talige situaties correct in te schatten.
2.12
Evaluatie
Gezien de belangrijke wijzigingen vraagt de Commissie Diversiteit om na twee jaar een evaluatie uit te voeren van het wijzigingsdecreet.
59
https://www.vlaanderen.be/taalwetwijzer/gevallen-van-meertaligheid-bij-overheidscommunicatie
60
Commissie Diversiteit (25 mei 2016). Advies vluchtelingen. SERV, Brussel.
25