Skip to main content

Buitenschoolse_opvang_en_activiteiten_advies_SERV.pdf

Page 1

Advies Buitenschoolse opvang en activiteiten Brussel, 21 juni 2021

SERV_20210621_Buitenschoolse_opvang_en_activiteiten_ADV.docx Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen  Wetstraat 34-36, 1040 Brussel  T +32 2 209 01 11 info@serv.be  www.serv.be


Buitenschoolse opvang en activiteiten

Advies op eigen initiatief: Besluit van de Vlaamse Regering over het lokaal beleid, de samenwerking en de subsidie voor buitenschoolse opvang en activiteiten Decretale opdracht: SERV-decreet 7 mei 2004 art. 11 (overlegfunctie) Goedkeuring raad: 21 juni 2021

Contactpersoon: Kristel Bogaerts - kbogaerts@serv.be

2


De heer Wouter BEKE Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding Ellipsgebouw Koning Albert II laan 35 1030 Schaarbeek, België

contactpersoon Kristel Bogaerts kbogaerts@serv.be

ons kenmerk SERV_BR_20210621_Buitenschoolse_opvang_en activiteiten

Brussel 21 juni 2021

Buitenschoolse opvang en activiteiten Mijnheer de minister De SERV formuleert u dit advies over het Besluit van de Vlaamse Regering over de buitenschoolse opvang en activiteiten op eigen initiatief. De organisatie van de opvang en activiteiten voor schoolkinderen is zeer belangrijk vanuit sociaaleconomisch oogpunt omdat het de ouders van schoolgaande kinderen faciliteert om deel te nemen aan de arbeidsmarkt of aan een opleiding. De concretisering van het decreet over de buitenschoolse opvang en activiteiten van schoolkinderen via dit BVR biedt in dat opzicht nog onvoldoende duidelijkheid en garanties voor de lokale besturen en samenwerkingsverbanden en bijgevolg ook voor de initiatiefnemers van opvang voor kleuters en schoolkinderen en voor de ouders. De SERV vraagt om de onduidelijkheden in het BVR uit te klaren en de lokale besturen tijdig de nodige perspectieven te verschaffen. Daarnaast vraagt de Raad ook om voor de toekomst een duidelijk groeipad op te stellen zodat men de middelen voorziet om de concrete doelstellingen en ambities uit het decreet te realiseren, en men de ambities niet meer moet laten aansluiten bij de beschikbare middelen.

SERV_20210621_Buitenschoolse_opvang_en_activiteiten_ADV.docx Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen  Wetstraat 34-36, 1040 Brussel  T +32 2 209 01 11 info@serv.be  www.serv.be


Buitenschoolse opvang en activiteiten

Hoogachtend

Pieter Kerremans

Ann Vermorgen

administrateur-generaal

voorzitter

Kopie: David Vits

4


Buitenschoolse opvang en activiteiten

Inhoud Inhoud ................................................................................................................................ 5 Krachtlijnen ......................................................................................................................... 6 Advies ................................................................................................................................ 7 1

Situering ................................................................................................................. 7

2

Verrijken van aanbod en kwaliteit als doelstelling nog niet gegarandeerd ......................................................................................................... 7

3

Realistisch budgeteren ......................................................................................... 8

4

Meer zekerheid over kwaliteit ............................................................................... 9

5

Duidelijke lijnen voor de ontwikkeling van lokaal beleid .................................... 9

6

Evaluatief kader ..................................................................................................... 10

7

Opportuniteiten voor meer maatwerk en een pro-actieve aanpak ..................... 11

8

Punctuele vragen en opmerkingen....................................................................... 12

5


Buitenschoolse opvang en activiteiten

Krachtlijnen Met dit advies uit de SERV op eigen initiatief een aantal bezorgdheden over het Besluit van de Vlaamse Regering over de buitenschoolse opvang en activiteiten. De organisatie van de buitenschoolse opvang en activiteiten voor schoolkinderen is zeer belangrijk vanuit sociaaleconomisch oogpunt omdat het de ouders van schoolgaande kinderen faciliteert om deel te nemen aan de arbeidsmarkt of aan een opleiding. Het is dus belangrijk dat er een toereikend, kwalitatief en betaalbaar aanbod gegarandeerd wordt, op maat van de gezinnen, de arbeidsmarkt en de samenleving. De concretisering van het decreet over de buitenschoolse opvang en activiteiten van schoolkinderen via dit BVR biedt in dat opzicht nog onvoldoende garanties. Een toereikende financiering is nodig om een voldoende aanbod te ondersteunen of creëren, een kwaliteitsvolle opvang aan te bieden voor de kinderen en om een duurzaamheid/continuïteit van de werking voor de medewerkers te garanderen. Met de middelen die nu (extra) worden ingezet laat men eerder de ambities aansluiten bij de beschikbare middelen dan men de middelen voorziet om de doelstellingen en ambities uit het decreet te realiseren. Niet ieder lokaal bestuur zal aanspraak kunnen maken op de bijkomende middelen, maar ieder lokaal bestuur zal wel de regiefunctie en de ambities van het decreet moeten waarmaken. Het BVR biedt geen of weinig extra duidelijkheid over de belangrijke indicatoren die bepalen wie bij voorrang de extra middelen kan aanspreken, over een potentieel (financieel) groeipad in globo noch over de verwachtte middelen per lokaal bestuur, het labelen van middelen voor kwalitatieve kleuteropvang na 2031, … Er moet voor de SERV meer aandacht gaan naar de neutraliteit van de regie en de werking van de samenwerkingsverbanden. Inspiratiekaders hierrond, aansluitend bij de corporate governance principes, moeten de lokale besturen en samenwerkingsverbanden op de goede weg zetten. De SERV dringt aan op monitoring en evaluatie, zowel lokaal als centraal (met lokale gegevens), in functie van de regiefunctie, de besteding van middelen (input), het behalen van doelstellingen door en de rol van de actoren op het terrein (output), de werking van het samenwerkingsverband, de gebruikerstevredenheid, de kostendekking, de beschikbare opvangplaatsen en de verdeling van de middelen over opvang (welzijn), jeugd, cultuur en sport. Dat moet toelaten de uitrol van de buitenschoolse opvang en activiteiten onder regie van de lokale besturen te evalueren en waar nodig bij sturen. In het kader van de uitrol van de buitenschoolse opvang en activiteiten kunnen de lokale besturen alvast kansen grijpen voor het realiseren van voldoende, flexibele en betaalbare plaatsen en activiteiten op maat van de gezinnen. De SERV verwijst daarvoor naar de doelstellingen en oplossingen in het recente advies over de kinderopvang op maat van gezinnen, arbeidsmarkt en samenleving.

6


Buitenschoolse opvang en activiteiten

Advies 1

Situering

Het besluit van de Vlaamse Regering over het lokaal beleid, de samenwerking en de subsidie voor buitenschoolse opvang en activiteiten concretiseert een deel van de bepalingen uit het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten. De organisatie van de opvang en activiteiten voor schoolkinderen is zeer belangrijk vanuit sociaaleconomisch oogpunt. Deze opvang en activiteiten faciliteren voor de ouders van schoolgaande kinderen de deelname aan opleiding en aan arbeidsmarkt. Op 3 mei 2021 formuleerde de SERV, eveneens op eigen initiatief, een breder advies over de kinderopvang. Daarin lanceert de SERV een pleidooi om te transformeren naar een kinderopvangmodel op maat van de noden van ouders en een soepel werkende arbeidsmarkt en samenleving. Kinderopvang, zowel voor baby’s en peuters als voor kleuters en schoolkinderen, is immers dé olie in het raderwerk van gezin, arbeidsmarkt en samenleving. In het kader van dit besluit brengt de SERV het belang van kwalitatieve opvang en activiteiten voor schoolkinderen extra onder de aandacht, in het bijzonder ook voor woensdagnamiddagen, weekends en schoolvakanties, op maat van de noden van ouders zodat ze actief kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt of aan een opleiding. Ook de positieve effecten van kwalitatieve ontplooiingsmogelijkheden voor schoolkinderen op hun verdere schoolloopbanen, de aansluiting met de arbeidsmarkt en armoedebestrijding moeten een belangrijke overweging zijn om de opvang van schoolkinderen ernstig te nemen. De SERV formuleert daarom een advies op eigen initiatief over het besluit van de Vlaamse Regering over het lokaal beleid, de samenwerking en de subsidie voor buitenschoolse opvang en activiteiten en legt daarbij de verbinding met het recente, uitgebreide advies over de kinderopvang op maat van ouders, arbeidsmarkt en samenleving.

2

Verrijken van aanbod en kwaliteit als doelstelling nog niet gegarandeerd

Het decreet over de opvang en vrije tijd van schoolkinderen heeft als doel om een geïntegreerd aanbod van buitenschoolse activiteiten voor kinderen te voorzien via samenwerking tussen relevante actoren en met een regierol voor de lokale besturen. Belangrijke doelstellingen daarbij zijn de kinderen speel- en ontplooiingskansen bieden, de arbeidsparticipatie/opleiding van de

7


Buitenschoolse opvang en activiteiten

ouders ondersteunen en het bevorderen van sociale cohesie en gelijke kansen. De SERV vindt dit nog steeds krachtige doelstellingen maar kan in dit besluit helaas onvoldoende handvaten terugvinden die ook kunnen garanderen dat deze doelstellingen gehaald worden: men laat eerder de ambities aansluiten bij de beschikbare middelen dan men de middelen voorziet om de doelstellingen en ambities te realiseren. Het mag geen constante worden bij ieder besluit van de Vlaamse Regering dat het decreet over de buitenschoolse opvang en activiteiten verder concretiseert en uitrolt dat voorwaardenkaders louter aansluiten op de beschikbare middelen, in plaats van op de werkelijke en prangende noden. Zonder voldoende middelen voor alle kinderen en alle lokale besturen dreigt deze hele omvorming een verdeling van de schaarste te worden, eerder dan de beoogde verrijking van het aanbod die het decreet over de buitenschoolse opvang en activiteiten voor ogen had. Meer nog, door een initiële onderfinanciering van de vooropgestelde doelstellingen en het ontbreken van een duidelijk en bindend groeipad dreigt er ook een tweedeling te ontstaan tussen de Vlaamse lokale besturen: tussen gemeenten die, uit andere bronnen, bijkomende middelen kunnen inzetten om de uiteindelijke doelstellingen van het decreet toch te realiseren en de lokale besturen die dat niet kunnen (bv door de sociaaleconomisch zwakkere populatie, andere prangende noden, …). De impact op de gezinnen en de kinderen is dat er zo een samenleving op twee snelheden dreigt te ontstaan en in stand wordt gehouden. De SERV vreest daarom voor grote gevolgen voor de aanbieders van buitenschoolse kinderopvang als er onvoldoende middelen voorzien worden. Een toereikende financiering is nodig om een voldoende aanbod te ondersteunen of creëren, een kwaliteitsvolle opvang aan te bieden voor de kinderen en om een duurzaamheid/continuïteit van de werking voor de medewerkers te garanderen.

3

Realistisch budgeteren

De SERV leest in dit besluit dat de keuze om de buitenschoolse opvang en activiteiten te subsidiëren voor een bedrag van € 50 per kind per jaar gemaakt is om voldoende lokale besturen te kunnen bedienen in functie van het beschikbare budget. Een (extra) budget van € 6,3 miljoen volstaat enkel om voor (extra) 126.000 kinderen de subsidie van € 50 per kind per jaar te dekken. In de nota bij het besluit leest de SERV dat men er van uit gaat dat € 50 per kind nodig is om een minimaal aanbod te kunnen realiseren. Deze verwoording geeft niet het vertrouwen dat dit bedrag onderbouwd is en als realistisch is afgetoetst bij de relevante partners. Het bedrag per kind ligt bovendien beduidend onder het bedrag per kind dat in de huidige budgetten wordt verdeeld. Het wordt bovendien benoemd als een ‘streefcijfer’ (zie ook art.12§2b). De SERV begrijpt deze redeneringen, maar is het hier niet mee eens. Een bedrag van € 50 per kind op jaarbasis kan onmogelijk volstaan om de niet door ouderbijdragen gedekte kost van buitenschoolse opvang en activiteiten te dekken. Voor het verhogen van de werkzaamheidsgraad, een belangrijke beleidsdoelstelling uit het Vlaamse regeerakkoord 2019-2024, is flexibele, kwaliteitsvolle en betaalbare kinderopvang ook voor kleuters en schoolkinderen een belangrijke randvoorwaarde. Alleen dan wordt en blijft het voor ouders mogelijk actief te zijn op of richting de arbeidsmarkt. In functie van die doelstelling moet het aanbod en de financiering verder gaan dan het minimale. Er moet voor de SERV ook principieel gekozen worden om het correcte budget te voorzien om er alle noodzakelijke kosten (personeel- en werkingskosten) effectief mee te kunnen betalen. 8


Buitenschoolse opvang en activiteiten

Alleen zo kan men organisatoren van opvang aanmoedigen om op te starten of uit te breiden, én om dit op een manier te doen dat het betaalbaar is voor gezinnen. Dit vereist een kader dat zekerheid en voldoende ondersteuning biedt en dat duurzame tewerkstelling voor de medewerkers in de opvang garandeert. Het spreekt ook voor zich dat de SERV ook van de beleidsdomeinen Onderwijs, Cultuur, Jeugd en Sport een budgettaire inspanning verwacht in het realiseren van buitenschoolse opvang en activiteiten. Door de prijs nu zo laag te leggen, wordt ook de financiële inspanning die door de Vlaamse Overheid gedaan moet worden om na de overgangsperiode tot een correcte financiering te komen, zwaarder.

4

Meer zekerheid over kwaliteit

De SERV vindt het positief dat er een belangrijke subsidiestroom wordt gereserveerd voor initiatieven met een kwaliteitslabel (gelabelde kleuteropvang). Het belang van kwalitatieve kinderopvang kan echter niet overschat worden. Daarom vindt de SERV het jammer dat slechts 50% van de middelen vanuit het beleidsdomein welzijn gelabeld worden voor de kleuteropvang met een kwaliteitslabel. Naast deze middelen uit het beleidsdomein welzijn kan een lokaal bestuur ook nog beroepen op andere subsidiestromen en andere aanbodsvormen om een aanbod uit te bouwen voor kleuters en lagereschoolkinderen. Dit is ook vandaag de dag het geval. Door de middelen vanuit welzijn maar voor 50% te kleuren voor gelabelde kleuteropvang, dreigt het huidige kwalitatieve opvangaanbod onder druk te komen. Het garanderen van voldoende en kwalitatieve kleuteropvang staat specifiek als doelstelling in het decreet ingeschreven. Er mag geen afroming van middelen gebeuren. Deze bepaling ontneemt noch ontslaat de lokale besturen van hun rol om zelf een lokaal kwaliteitsbeleid uit te werken voor alle opvang die lokaal wordt aangeboden en daarbij horend de verdeling van de andere 50% van de middelen. De SERV meent dat het zinvol is om ook in het kader van kwaliteitsbeleid stevig in te zetten op inspiratiekaders om de lokale besturen en de lokale samenwerkingsverbanden hierin te ondersteunen met een brede waaier aan goede praktijken. De SERV merkt ook op dat er een timing is gekoppeld aan het labelen van deze middelen. Deze bepaling geldt tot 2031. Het feit dat hier een einddatum op wordt gezet, schept onzekerheid en geeft het signaal dat men het labelen op termijn mogelijks wil herzien en afschaffen. Het is belangrijk dat ook hier organisatoren en hun werknemers zo snel mogelijk zekerheid en stabiliteit hebben over de subsidies na 2031. Het besluit vraagt nog om verdere uitwerking over de implicaties voor lokale besturen wanneer ze na de overgangstermijn met deze 50% gelabelde middelen er niet in geslaagd zijn geen of onvoldoende aanbod van kleuteropvang met een kwaliteitslabel te realiseren.

5

Duidelijke lijnen voor de ontwikkeling van lokaal beleid

De SERV toont zich bezorgd over de elementen waar dit besluit nog geen duidelijkheid over kan bieden aan de lokale besturen zoals de concretisering van ‘neutraliteit’ en ‘relevante actoren’ en de subsidies en verdeling van middelen na 2027. 9


Buitenschoolse opvang en activiteiten

De SERV vindt het belangrijk dat er ook snel duidelijkheid komt over de subsidies na 2027 zodat er zekerheid gegeven kan worden aan de lokale besturen en aan de organisatoren. Een verdere bezorgdheid is dat het zeker niet uitgesloten is dat de rangschikking om de middelen te verdelen (art. 14) verdergezet wordt na 2027 (einde overgangsperiode) indien zou blijken dat het budget niet toereikend is om alle lokale besturen te bedienen. Ieder lokaal bestuur zou recht moeten hebben op een minimum aan toegekende middelen. Het is essentieel dat het beleid rond kinderopvang gevoerd wordt via structurele basisfinanciering volgens reële noden en niet volgens projectmatige tendering. Ook de uitwerking van de beoogde neutraliteit van de lokale besturen is niet opgenomen in dit besluit. In het besluit worden enkel de bepalingen uit het decreet hernomen (namelijk: “onder andere door het scheiden van de rol van lokale regisseur en de rol van organisator die het eventueel opneemt”, art. 6 van het decreet). De SERV acht het zeker nodig dit verder te concretiseren, bijvoorbeeld via de verwijzing naar een participatiemodel op basis van corporate governanceprincipes1 om de neutraliteit van de lokale besturen bij het optreden als regisseur en als actor te garanderen. Verder is het in dit kader ook belangrijk om lokaal te voorzien in een toetsing van de ondersteunde opvanginitiatieven en activiteiten aan het verwezenlijken van de lokale beleidsplannen. Ook met betrekking tot de bepalingen ‘relevante actoren’, ‘kwetsbare gezinnen’ en ‘kinderen met een specifieke zorgbehoefte’ is de vraag rond verdere operationalisering op zijn plaats. De operationalisering van deze bepalingen is belangrijk voor de lokale besturen in functie van het voorbereiden en opmaken van de toekomstige beleidsplannen.

6

Evaluatief kader

In het initiële SERV-advies over het decreet over de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten (1 april 2019) benadrukten de Vlaamse sociale partners het belang van monitoring en een evaluatief kader in de verdere uitvoering van het kaderdecreet. Monitoring en evaluatie zijn minstens nodig ten aanzien van de regiefunctie, de besteding van middelen (input), het behalen van doelstellingen door en de rol van de actoren op het terrein (output), de werking van het samenwerkingsverband en gebruikerstevredenheid. Ook monitoring van de kostendekking door de voorziene centrale middelen uit verschillende beleidsdomeinen, het aantal beschikbare opvangplaatsen en de verdeling van de middelen over opvang (welzijn), jeugd, cultuur en sport is hier zeker belangrijk. Het moet toelaten de uitrol van de buitenschoolse opvang en activiteiten onder regie van de lokale besturen te evalueren en waar nodig bij sturen. De doelstellingen van buitenschoolse opvang en vrijetijdsactiviteiten worden centraal vastgelegd maar de lokale besturen krijgen via de regiefunctie de mogelijkheid om maatwerk af te leveren, afgestemd op de lokale vraag en het aanwezige of potentiële aanbod. Er moet van de lokale besturen verwacht worden dat ze zichzelf en de lokale actoren kunnen responsabiliseren door het realiseren van de doelstellingen te monitoren en te evalueren. Dat moet ook toelaten het beleid of de verdeling van middelen waar nodig bij te sturen. Monitoring en evaluatie hebben ook een functie bij de disseminatie van goede praktijken.

1

Zie ook SERV-advies over het decreet over de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten (1 april 2019)

10


Buitenschoolse opvang en activiteiten

Lokale besturen moeten dus ook geresponsabiliseerd kunnen worden, via monitoring en evaluatie. Dit sluit ook aan bij de opmerking van de Inspectie Financiën: “krachtens art.4 van het decreet moet een BVR de nadere regels over de regierol vastleggen en dat gebeurt in dit OBVR niet”. Het is voor de SERV nog niet duidelijk wat de rol van het Agentschap Opgroeien is in het geheel van de buitenschoolse opvang en activiteiten. Heeft het een rol te spelen bij het inspireren van lokale besturen (bv. rond netwerkvorming en samenwerking, rond kwaliteit, ..) en/of heeft het een taak in het kader van de monitoring en evaluatie ? Een verduidelijking op die punten is zeker nog nodig.

7

Opportuniteiten voor meer maatwerk en een pro-actieve aanpak

Het SERV-advies over de rol kinderopvang voor gezin, arbeidsmarkt en samenleving refereert naar de nood aan meer maatwerk in de kinderopvang, nl. meer flexibele en occasionele opvangmogelijkheden. In het kader van dit besluit zitten kansen vervat om via het lokaal loket kinderopvang meer in te zetten op maatwerk en op een pro-actieve, bemiddelende aanpak vanuit het lokaal beleid kinderopvang. De SERV kijkt daar naar de lokale besturen als een belangrijke actor in het organiseren en plannen van kinderopvang via het lokaal overleg en lokaal loket kinderopvang. Door de unieke positie van de lokale besturen (met kennis over de lokale situatie en noden, contacten met gezinnen en de actoren die actief zijn op het terrein en de regiefunctie die hen wordt gegeven) spelen ze een cruciale rol in het verzoenen van vraag naar en aanbod van kinderopvang. Dat geldt niet enkel voor baby’s, maar ook voor kleuters en schoolkinderen. Door aan de regiefunctie ook een outreachende en pro-actieve aanpak te koppelen via actieve bemiddeling door het lokaal loket kinderopvang (brokerage) kan een lokaal beleid kinderopvang écht het verschil maken. Zeker voor kwetsbare groepen moeten oplossingen en aanbod inzake kinderopvang naar hen toe gebracht worden. De consulenten en begeleiders (bv via OCMW, Huizen van het kind, de consultatiebureaus van Kind & Gezin, VDAB) moeten als taak hebben/krijgen te polsen naar opvangnoden en daarover verder te informeren/verwijzen naar de juiste gemeentelijke of lokale kanalen. Op die manier ondersteunen de lokale regie en het lokaal loket kinderopvang mee de opvang op maat van de gezinnen. Het outreachend werken moet daarbij kunnen verlopen via een neutraal loket. De gezinnen moeten alle nodige informatie aangereikt krijgen. Dat is meer dan het in handen stoppen van een dik pakket informatie. Het vereist het actief bevragen van noden van ouders en het op maat aanreiken van informatie en oplossingen om de opvang te regelen op een voor hen (financieel en praktisch) haalbare manier. Daar hoort bijvoorbeeld transparante informatie bij over verlaagde tarieven en kortingen, fiscale voordelen, tussenkomsten door het ziekenfonds of VDAB… Het lokaal loket kinderopvang moet het outreachend werk ook aanvullen met een actieve bemiddelingsfunctie. Lokale of regionale netwerkvorming heeft in deze ook een meerwaarde. De lokale adviseur of consulent heeft een goed overzicht over het aanbod en gaat zelf op zoek naar

11


Buitenschoolse opvang en activiteiten

vrije plaatsen/opvangmogelijkheden. Omgekeerd is het lokaal loket ook een Een bemiddelende rol voor het lokaal loket kinderopvang verzamelplaats waar de aanbieders vrije Ouders, sociaal werkers en trajectbegeleiders kunnen met hun plaatsen of opvangmogelijkheden opvangvragen terecht bij het lokaal loket kinderopvang. signaleren. Het is belangrijk dat de Aanbieders van kinderopvang laten aan datzelfde loket weten welke beschikbaarheid ze hebben, hoe klein die ook is (bv bemiddelaar ook fysiek bereikbaar is en iedere maandag of op woensdagnamiddag een plaats die open dat er een grondige kennis is van het staat, een plaats die door een vakantie voor de komende drie lokale opvanglandschap en de kansen weken beschikbaar is). Het lokaal loket brengt beide partijen samen waardoor er een win-win situatie kan ontstaan. De die geboden kunnen worden via o.a. ouders moeten geen belronde organiseren langs de werkgevers, opleiders, verschillende initiatieven om na te gaan waar er vrije plaatsen arbeidsbemiddeling en sociaal werk. Het zijn, de opvanginitiatieven moeten niet zelf deze vragen beantwoorden en moeten zelf niet op zoek gaan naar de lokaal loket kinderopvang kan ook nog gezinnen die de vrijstaande plaatsen kunnen opvullen. Het actiever ingevuld worden wanneer het occasioneel of flexibel invullen van de vrijstaande plaatsen kan extra instrumenten in handen krijgt om ook de financiële leefbaarheid van bepaalde initiatieven verbeteren. actief te werken aan de sociale functie van kinderopvang. Voorbeelden daarvan zijn het actief zoeken naar occasionele of flexibele plaatsen voor cliënten van het OCMW in een begeleidingstraject of het (tijdelijk) mee betalen van de opvangkosten.

8

Punctuele vragen en opmerkingen Klachtenprocedure

In artikelen 3 en 5 komt de klachtenprocedure ter sprake. De SERV stelt hier voor om waar mogelijk in de eerste plaats conflict vermijdend te werken en ook te opteren voor een bemiddelingstraject via het Agentschap Opgroeien. De implicaties en procedures wanneer er lokaal geen initiatief wordt genomen Bij artikel 4 in het besluit stelt de nota aan de Vlaamse Regering “Stel bijvoorbeeld dat geen enkele actor spontaan het initiatief neemt voor het lokaal samenwerkingsverband, dan is sensibilisering belangrijk”. De regie en organisatie van buitenschoolse opvang en activiteiten is van dergelijk belang dat de bewoording hier over te gaan tot sensibilisering zwak is. De SERV verwacht dat als er geen actor optreed, het lokale bestuur verplicht een initiatief op poten moet zetten.

12


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Buitenschoolse_opvang_en_activiteiten_advies_SERV.pdf by Vlaanderen-be - Issuu