Skip to main content

STIA_20210224_Arbeidshandicap_WKN_RAP.pdf

Page 1

Rapport Arbeidshandicap en werkbaar werk bij werknemers Analyse op de Vlaamse werkbaarheidsmonitor werknemers 2007-2019

Brussel, maart 2021

Ria Bourdeaud’hui, Frank Janssens, Stephan Vanderhaeghe

Stichting Innovatie & Arbeid ⚫ Wetstraat 34-36, 1040 Brussel info@serv.be ⚫ www.serv.be/stichting

⚫T

+32 2 209 01 11


Arbeidshandicap en werkbaar werk

Een onderzoek met financiële ondersteuning van de Vlaamse minister bevoegd voor Werk

De Vlaamse werkbaarheidsmonitor is een initiatief van de Vlaamse sociale partners en werd ontwikkeld door de Stichting Innovatie & Arbeid. Alle publicaties kunnen geraadpleegd worden en werkbaarheidscijfers interactief opgevraagd op www.werkbaarwerk.be Bij gebruik van gegevens en informatie uit deze publicatie wordt een correcte bronvermelding op prijs gesteld.

2


Arbeidshandicap en werkbaar werk

Inhoud Inhoud ................................................................................................................................ 3 Samenvatting....................................................................................................................... 5 Inleiding ............................................................................................................................... 9 1

Werknemers met een arbeidshandicap: evolutie en sociodemografische kenmerken ................................................................................... 13

1.1

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap 2007-2019..................................... 13

1.2

Werknemers met een arbeidshandicap naar geslacht, leeftijd en scholingsniveau ....................................................................................................... 14

1.3

Werknemers met een arbeidshandicap naar beroepsgroep ..................................... 17

1.4

Werknemers met een arbeidshandicap naar sector ................................................. 19

1.5

Samenvatting........................................................................................................... 20

2

Werkbaarheidssituatie van werknemers met een arbeidshandicap .................................................................................................... 21

2.1

De werkbaarheidsgraad ........................................................................................... 21

2.2

De werkbaarheidsknelpunten .................................................................................. 23

2.2.1

Werkstress en burn-out ........................................................................................... 24

2.2.2

Motivatie .................................................................................................................. 24

2.2.3

Leermogelijkheden .................................................................................................. 25

2.2.4

Werk-privébalans ..................................................................................................... 26

2.3

De werkbaarheidsrisico’s ......................................................................................... 27

2.3.1

Werkdruk ................................................................................................................. 28

2.3.2

Emotionele belasting ............................................................................................... 29

2.3.3

Taakvariatie ............................................................................................................. 30

2.3.4

Autonomie ............................................................................................................... 31

2.3.5

Ondersteuning door de directe leiding ..................................................................... 31

2.3.6

Arbeidsomstandigheden .......................................................................................... 32

2.3.7

Een cumulatie van werkbaarheidsrisico’s ................................................................ 33

2.4

Risicoprofiel voor werknemers met een arbeidshandicap ........................................ 34

2.4.1

Risicoprofiel voor werkstress ................................................................................... 35

2.4.2

Risicoprofiel voor motivatieproblemen ..................................................................... 37

2.4.3

Risicoprofiel voor leermogelijkheden ....................................................................... 39

2.4.4

Risicoprofiel voor werk-privébalans ......................................................................... 41

2.5

Samenvatting........................................................................................................... 43

3


Arbeidshandicap en werkbaar werk

3

Aanvullende informatie over de arbeidssituatie van werknemers met een arbeidshandicap ...................................................................................... 45

3.1

Opleidingsparticipatie .............................................................................................. 45

3.2

Atypische werktijden ................................................................................................ 45

3.3

Telewerken .............................................................................................................. 47

3.4

Woon-werkverkeer en pendeltijden .......................................................................... 47

3.5

Grensoverschrijdend gedrag .................................................................................... 48

3.6

Indicatoren voor duurzame inzetbaarheid ................................................................ 49

3.7

Samenvatting........................................................................................................... 50

Lijst figuren.......................................................................................................................... 52 Lijst tabellen ........................................................................................................................ 53 Referentielijst ...................................................................................................................... 55

4


Arbeidshandicap en werkbaar werk

Samenvatting Dit rapport is gebaseerd op de werkbaarheidsmeting 2019 en levert geen informatie over de gevolgen van de Corona-crisis (voor de jobs) voor werknemers met een arbeidshandicap. Sinds 2007 zien we de groep werknemers die geconfronteerd worden met een arbeidshandicap in omvang toenemen. In 2019 gaat het om bijna één op de vijf werknemers (18,9%). Dit blijkt uit de werkbaarheidsmeting 2019. 16,2% van de werknemers geeft aan tijdens de dagelijkse bezigheden ‘in zekere mate’ hinder te ervaren door een handicap, een langdurige lichamelijke aandoening of een langdurige lichamelijke ziekte (beperkte arbeidshandicap). Bij 2,7% is er sprake van ‘erge’ hinder (zware arbeidshandicap). Het aandeel van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap nam tussen 2007 en 2019 toe van 14% tot 16,2% en het aandeel van de werknemers met een zware arbeidshandicap steeg van 1,8% tot 2,7% van de populatie. Dit betekent dat op de Vlaamse arbeidsmarkt heel wat werknemers met een arbeidshandicap aan het werk zijn. Ze zijn soms jong, hooggeschoold of zijn aan de slag als (midden) kader, maar ze zijn oververtegenwoordigd bij de 50-plussers, de geschoolde arbeiders/technici en de zorgmedewerkers. Voor deze deelgroepen loopt het aandeel met een arbeidshandicap op tot één op de vier. De kortgeschoolde arbeiders -vaak oudere werknemers- spannen de kroon. Bij deze werknemers rapporteert bijna één op de drie een arbeidshandicap. Wat daarnaast opvalt is dat niettegenstaande het aandeel werknemers met een arbeidshandicap voor vrouwen (19,8%) en mannen (17,8%) vrij dicht bij elkaar ligt, dat niet zo is voor de jobs die ze uitoefenen. Waar bij de mannen met een arbeidshandicap vooral de arbeiders (kortgeschoold en geschoold) oververtegenwoordigd zijn is dat bij de vrouwen vooral bij de kortgeschoolde arbeiders en in de zorgberoepen. De sectorinvalshoek leert dan er in de sectoren voeding, welzijn en zorg, horeca, bouw en textiel/confectie meer dan één op de vijf werknemers kampen met een arbeidshandicap. In deze sectoren schommelt het aandeel werknemers met een zware arbeidshandicap tussen de 2,9% (bouw) en de 5,4% (voeding). Het percentage werkbare jobs ligt beduidend lager bij de werknemers met een arbeidshandicap. In 2019 heeft 15,2% van de werknemers met een zware arbeidshandicap, 32,9% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 54,1% van de werknemers zonder arbeidshandicap, een werkbare job. Sinds 2007 gaat de werkbaarheidssituatie van alle werknemers erop achteruit, ook bij de werknemers met een arbeidshandicap. De lage werkbaarheidscijfers voor werknemers met een arbeidshandicap vinden hun oorsprong in het feit dat zij meer dan de andere werknemers in hun job geconfronteerd worden met werkbaarheidsknelpunten (werkstressproblemen, motivatieproblemen, onvoldoende leermogelijkheden, problemen werk-privécombinatie) : 73,4% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft af te rekenen met werkstressklachten. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 52,9% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 32,4%; 43,2% van de werknemers met een zware arbeidshandicap kampt met motivatieproblemen. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 29,3% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 18,7%;

5


Arbeidshandicap en werkbaar werk

39,4% van de werknemers met een zware arbeidshandicap signaleert een leerdeficit. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 26,3% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 13,8%; 27,7% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft problemen om werk en privé in evenwicht te houden. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 16,3% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 11,6%. De evolutie van de werkbaarheidsknelpunten sinds 2007 bij werknemers met een arbeidshandicap komt deels overeen met deze bij van werknemers zonder arbeidshandicap. De toename van de werkstress en de verbetering op het vlak van leermogelijkheden manifesteren zich bij alle werknemers, ook voor werknemers met een arbeidshandicap. Voor alle werknemers is er sprake van een toename van de motivatieproblemen maar enkel voor de werknemers zonder arbeidshandicap is deze toename statistisch significant. De toename van het werk-privéconflict bij de werknemers zonder arbeidshandicap vinden we niet terug bij de werknemers met een arbeidshandicap. Werkbaarheidsknelpunten gaan hand in hand met risico’s in de arbeidssituatie, dit is bijgevolg ook zo voor werknemers met een arbeidshandicap. Zij worden bovendien meer dan de andere werknemers blootgesteld aan de werkbaarheidsrisico’s in het werk: 51,9% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft een job met hoge werkdruk. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 44,8% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 35,7%; 37% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft emotioneel belastend werk. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 28,6% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 23,8%; 35,4% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft routinematig werk. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 30,4% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 21,0%; 37,8% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft onvoldoende autonomie in het werk. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 25,5% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 16,4%; 25,1% van de werknemers met een zware arbeidshandicap krijgt onvoldoende steun van de directe leiding. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 21,1% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 12,7%; 35,9% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft af te rekenen met fysiek belastende arbeidsomstandigheden. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 28% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 12%; Het frequenter voorkomen van elk van de werkbaarheidsrisico’s bij werknemers met een arbeidshandicap betekent ook dat twee derde van de werknemers met een zware arbeidshandicap twee of meer werkbaarheidsrisico’s cumuleren. Bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat één op de twee en bij de werknemers zonder arbeidshandicap daalt dit naar één op de drie. De evolutie van de risico’s in de arbeidssituatie sinds 2007 bij werknemers met een arbeidshandicap komt deels overeen met deze bij werknemers zonder arbeidshandicap. De toename van de werkdruk en de emotionele belasting, de verbetering op het vlak van autonomie en ondersteuning van de direct leiding manifesteren zich bij alle werknemers, ook deze met een arbeidshandicap. Voor alle werknemers is er sprake van een toename van het aandeel werknemers tewerkgesteld in fysiek belastende arbeidsomstandigheden, maar deze toename is

6


Arbeidshandicap en werkbaar werk

enkel voor de werknemers zonder arbeidshandicap statistisch significant. De verbetering inzake routinematig werk vinden we niet terug bij de werknemers met een arbeidshandicap. De werkbaarheidsmonitor brengt niet enkel de werkbaarheidsgraad en –indicatoren in kaart, maar peilt ook naar aanvullende informatie over de jobkenmerken en –werkbeleving. We lijsten een aantal opvallende vaststellingen op voor de werknemers met een arbeidshandicap: 48% van de werknemers met een zware arbeidshandicap en 55,9% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap namen in de loop van één jaar deel aan een bijscholing of bedrijfstraining (werknemers zonder arbeidshandicap: 61,3%); 48,1% van de werknemers met een zware arbeidshandicap en 59,4% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap werken voltijds. Bij werknemers zonder arbeidshandicap is dat 71,0%; 12,3% van de werknemers met een zware arbeidshandicap en 13% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap (tele)werkt sporadisch of systematisch van thuis uit. Bij werknemers zonder arbeidshandicap is dat 23%. Bij de werknemers met een zware arbeidshandicap is het aandeel dat dagelijks een uur of langer onderweg is (van en naar het werk) kleiner (30,2%) dan bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap (33,3%) of de werknemers zonder arbeidshandicap (35,5%). Van de werknemers met een zware arbeidshandicap werd 9,1% (minstens één keer in het afgelopen jaar) het slachtoffer van lichamelijk geweld en 28,1% van intimidatie of bedreiging. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap was dat respectievelijk 8,2% en 25,9% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap ging het om respectievelijk 5,8% en 16,8%. Bij werknemers met een arbeidshandicap werd een beduidend groter aandeel het slachtoffer van ongewenst seksueel gedrag. Terwijl 3,3% van de werknemers zonder arbeidshandicap (sporadisch of regelmatig) geconfronteerd werd met ongewenst seksueel gedrag, was dat 5,8% bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 7,7% bij werknemers met een zware arbeidshandicap. Ook het aandeel dat slachtoffer werd van pestgedrag ligt veel hoger bij werknemers met een arbeidshandicap. Bij de werknemers zonder arbeidshandicap werd 9,3% geconfronteerd met pestgedrag terwijl dat bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap 17,3% was en 23,3% bij werknemers met een zware arbeidshandicap. Van de werknemers met een zware arbeidshandicap was 37,6% drie of meer keer afwezig op het werk door ziekte of een ongeval. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap was dat 18,5% en bij werknemers zonder arbeidshandicap was 7,8% frequent afwezig. 34,8% van de werknemers met een zware arbeidshandicap, 22,4% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 6,8% van de werknemers zonder arbeidshandicap, waren meer dan 20 dagen afwezig (in het jaar dat aan de enquête voorafging) door ziekte of een ongeval. Het aandeel dat actief naar ander werk uitkijkt is bijna dubbel zo groot bij werknemers met een zware arbeidshandicap (17,4%) dan bij werknemers zonder arbeidshandicap (9,8%). Bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap is 12,6% regelmatig op zoek naar ander werk. Minder dan vier op de tien (37,1%) van de werknemers met een zware arbeidshandicap oordelen dat het haalbaar is om in de huidige job tot het pensioen door te werken. 54,8% van deze werknemers geeft aan dat doorwerken enkel kan mits aangepast werk (lichter werk, deeltijds werk) en 8,1% acht doorwerken tot het pensioen sowieso niet haalbaar. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap registreren we 46,2%, 48,1% en 5,5% als

7


Arbeidshandicap en werkbaar werk

respectieve cijfers. Bij de werknemers zonder arbeidshandicap gaat het om respectievelijk 66,5%, 30,93% en 2,6%.

8


Arbeidshandicap en werkbaar werk

Inleiding De Vlaamse sociale partners dragen al vele jaren de boodschap uit dat langer werken maar kan lukken als dit ook haalbaar is voor de betrokkenen en het werk voldoende kwaliteitsvol is. Ze zetten daarom resoluut in op ‘werkbaar werk’: werk waarvan je niet overspannen of ziek wordt, dat boeiend en motiverend is, kansen biedt op bijblijven/bijleren en voldoende ruimte laat voor gezin en privéleven. Om de vinger aan de pols te houden brengt de Stichting Innovatie & Arbeid sinds 2004 de werkbaarheid van de jobs in Vlaanderen in kaart via een grootschalige, driejaarlijkse schriftelijke bevraging. Sinds 2007 wordt ook specifieke aandacht gegeven aan de werkbaarheidssituatie van werknemers met een arbeidshandicap. Dat zijn werknemers die in de werkbaarheidsenquête aangeven dat ze tijdens hun dagelijkse bezigheden hinder ervaren door een handicap, een langdurige aandoening of een langdurige lichamelijke ziekte. Werkbaarheid wordt - conform de vermelde beleidsdefinitie – in de monitor geoperationaliseerd aan de hand van vier werkbaarheidsindicatoren: psychische vermoeidheid (werkstress), welbevinden in het werk (motivatie, werkbetrokkenheid), leermogelijkheden en werk-privébalans. De werkbaarheidsmonitor beoordeelt niet enkel in welke mate het werk werkbaar is voor de betrokkenen, maar registreert ook een aantal achterliggende risicofactoren. Daartoe werden zes risico-indicatoren ontwikkeld: werkdruk, emotionele belasting, taakvariatie (afwisseling in het werk), autonomie (zelfstandigheid in het werk), ondersteuning door de directe leiding en (belastende fysieke) arbeidsomstandigheden. Daarnaast levert de werkbaarheidsbevraging ook aanvullende informatie op over de arbeidssituatie en werkbeleving zoals: participatie aan bijscholing, arbeidstijdregelingen, telewerk, woon-werkverkeer, confrontatie met grensoverschrijdend gedrag, ziekteverzuim, verloopintentie, werkonzekerheid en de inschatting van de haalbaarheid om door te werken tot de pensioenleeftijd. Dit rapport brengt - op basis van de databank van de opeenvolgende werkbaarheidsmetingen de werkbaarheidssituatie van werknemers met een arbeidshandicap in beeld en is opgedeeld in drie hoofdstukken: Het eerste hoofdstuk bekijkt welk aandeel van de werknemers hinder ervaart door een arbeidshandicap en beschrijft de samenstelling van deze werknemersgroep naar geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, gezinssituatie, beroepsgroep en sector; Het tweede hoofdstuk gaat in op de werkbaarheidssituatie van werknemers met een arbeidshandicap. We nemen de kengetallen voor vier werkbaarheidsindicatoren en zes risicoindicatoren onder de loep en tekenen een risicoprofiel uit voor werkstress, welbevinden, leermogelijkheden en werk-privébalans. Uit deze risicoprofielen kunnen we afleiden voor welke aspecten van de job verbeteringsacties de grootste werkbaarheidswinst kunnen opleveren voor de doelgroep; Het derde hoofdstuk inventariseert de aanvullende informatie over de arbeidssituatie en werkbeleving van werknemers met een (beperkte of zware) arbeidshandicap.

9


Arbeidshandicap en werkbaar werk

10


Arbeidshandicap en werkbaar werk

Methodologie Vlaamse Werkbaarheidsmonitor in een notendop De Vlaamse werkbaarheidsmonitor is een door de Stichting Innovatie & Arbeid ontwikkeld en beheerd meetsysteem, dat de ontwikkelingen in de kwaliteit van de arbeid of werkbaarheid in kaart brengt. Het is gebaseerd op grootschalige, driejaarlijkse (cross-sectionele) surveys bij werknemers en zelfstandige ondernemers op de Vlaamse arbeidsmarkt. Bij de werknemers met een arbeidshandicap, waarover dit rapport gaat, werd de nulmeting uitgevoerd in 2007. De Vlaamse sociale partners hebben de beleidsnotie werkbaarheid concreet gemaakt aan de hand van vier kwaliteitscriteria: werkbaar werk verwijst naar jobs, waarvan je niet overspannen of ziek wordt, die boeiend en motiverend zijn, kansen bieden op bijblijven/bijleren en voldoende ruimte laten voor gezin en privéleven. De werkbaarheidsmonitor hanteert daarom vier werkbaarheidsindicatoren: psychische vermoeidheid (werkstress), welbevinden in het werk (motivatie, werkbetrokkenheid), leermogelijkheden en werk-privé-balans. Meettechnisch is voor de operationalisering van de werkbaarheidsindicatoren geopteerd voor psychometrische schalen. De argumentatie voor het gebruik van dergelijke meetschalen (in plaats van enkelvoudige vragen) ligt in de meetnauwkeurigheid ervan. Bij de constructie van de vragenlijst werd maximaal aansluiting gezocht bij bestaande, wetenschappelijk gevalideerde instrumenten. Voor elk van de vier werkbaarheidsdimensies en -indicatoren zijn voor de schaalscores grenswaarden (‘cut-off points’) bepaald die aangeven of de situatie al dan niet (acuut) problematisch is. De werkbaarheidsgraad als samengestelde index verwijst naar het percentage werknemers dat een kwaliteitsvolle job heeft/in een niet problematische situatie verkeert/geen knelpunten signaleert voor elk van vier genoemde werkbaarheidsdimensies. In de werkbaarheidsmonitor wordt ook gepeild naar een aantal kenmerken van de arbeidssituatie, die de werkbaarheid kunnen bedreigen dan wel bevorderen. In de monitor voor werknemers worden zes jobkenmerken via zogenaamde risico-indicatoren in kaart gebracht: werkdruk, emotionele belasting, (belastende fysieke) arbeidsomstandigheden, taakvariatie (afwisseling in het werk), autonomie (zelfstandigheid in het werk) en ondersteuning door de directe leiding. Ook bij deze zes risico-indicatoren is de indicering gebaseerd op psychometrische schalen en werden grenzen bepaald die aangeven of de situatie al dan niet (acuut) problematisch is. In dit rapport wordt ingezoomd op de werkbaarheidssituatie van werknemers met een arbeidshandicap. In de werkbaarheidsenquête wordt hierover (sinds 2007) de volgende vraag gesteld:

11


Arbeidshandicap en werkbaar werk

De drie onderscheiden groepen noemen we verder in het rapport ‘werknemers met een zware arbeidshandicap’, ‘werknemers met een beperkte arbeidshandicap’ en ‘werknemers zonder arbeidshandicap’. Het aantal respondenten met respectievelijk N=352, N=2.120 en N=10.615 verschilt sterk voor de drie groepen. Vooral het beperkte aantal respondenten met een zware arbeidshandicap verklaart waarom verschillen/evoluties voor deze groep vaak niet al statistisch significant kunnen worden beschouwd.

12


Arbeidshandicap en werkbaar werk

1

Werknemers met een arbeidshandicap: evolutie en socio-demografische kenmerken

In dit hoofdstuk bekijken we eerst het aandeel van de werknemers (dat actief is op de arbeidsmarkt) dat hinder ervaart door een arbeidshandicap en hoe dat aandeel geëvolueerd is sedert 2007.1 Voor het meetpunt 2019 beschrijven we daarna voor een aantal deelgroepen (geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, beroepsgroep en sector) hoe de werknemers zijn verdeeld naar arbeidshandicap (geen arbeidshandicap, beperkte arbeidshandicap, zware arbeidshandicap). Hierdoor krijgen we een beeld van de deelgroepen waarin de werknemers met een arbeidshandicap over/ondervertegenwoordigd zijn.

1.1

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap 20072019

Tussen 2007 en 2019 is het aandeel van de werknemers (zoals geregistreerd op basis van de werkbaarheidsmeting) dat tijdens de dagelijkse bezigheden hindert ervaart door een handicap, een langdurige lichamelijke aandoening of een langdurige lichamelijke ziekte, toegenomen van 15,8% tot 18,9%. Tabel 1:

Aandeel werknemers met/zonder een arbeidshandicap, 2007-2019

geen arbeidshandicap N

beperkte arbeidshandicap N

zware arbeidshandicap N

2007 % 84,2

2010 % 83,3

8046

7341

12853

9140

10615

14,0

15,1

15,7

15,5

16,2

1334

1332

2464

1724

2120

1,8

1,6

2,2

2,3

2,7

175

145

342

257

352

2013 % 82,1

2016 % 82,2

2019 % 81,1

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers, 2007- 2019

1

Belangrijk is hierbij aan te geven dat de populatie van de werkbaarheidsmonitor zich beperkt tot die werknemers die in de vier weken voorafgaand aan de bevraging effectief arbeidsprestaties leverden.

13


Arbeidshandicap en werkbaar werk Figuur 1:

Aandeel werknemers met een (beperkte of zware) arbeidshandicap, 2007-2019

14,0

15,1

15,7

15,5

16,2

beperkte arbeidhandicap

zware arbeidshandicap 1,8

1,6

2007

2010

2,2

2,3

2,7

2013

2016

2019

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers, 2007-2019

Het aandeel van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is toegenomen van 14% tot 16,2% en het aandeel van de werknemers met een zware arbeidshandicap is gestegen van 1,8% tot 2,7% van de populatie. In absolute cijfers gaat het in 2019 om ongeveer 450.000 werknemers met een arbeidshandicap, waarvan 385.000 met een beperkte arbeidshandicap en 65.000 met een zware arbeidshandicap.

1.2

Werknemers met een arbeidshandicap naar geslacht, leeftijd en scholingsniveau

Het aandeel van de werknemers met een arbeidshandicap is iets groter bij de vrouwen (19,8%) dan bij de mannen (17,8%). Bij de vrouwelijke werknemers rapporteert 16,9% een beperkte arbeidshandicap en 2,9% een zware arbeidshandicap. Bij de mannelijke werknemers is dat respectievelijk 15,3% en 2,4%.

14


Arbeidshandicap en werkbaar werk Tabel 2:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar geslacht, leeftijd en scholingsniveau, 2019 zware beperkte geen arbeidshandicap arbeidshandicap arbeidshandicap

Geslacht man vrouw

%

%

%

2,4 2,9

15,3 16,9

82,2 80,2

100,0

5759

100,0

7307

Leeftijd -30 30 - 49 jaar 50+

1,2 2,4 3,6

8,8 14,6 20,7

90,1 83,0 75,7

100,0

1840

100,0

6101

100,0

5134

Hoogste diploma of getuigschrift kortgeschoold middengeschoold hooggeschoold

5,2 3,2 1,7

26,1 19,5 11,8

68,6 77,3 86,5

100,0

1813

100,0

4043

100,0

7137

%

N

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers, 2019 Figuur 2:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar geslacht, 2019

vrouw

19,8

man

80,2

17,8

0

82,2

20

40

arbeidshandicap

60

80

100

geen arbeidshandicap

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers, 2019

15


Arbeidshandicap en werkbaar werk Figuur 3:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar leeftijd, 2019

-30

9,9

30 - 49 jaar

90,1

17,0

50+

83

24,3

0

75,7

20

40

arbeidshandicap

60

80

100

geen arbeidshandicap

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers, 2019

Naar leeftijd zien we dat het aandeel werknemers met een arbeidshandicap toeneemt van 9,9% bij de min-dertigers, over 17% bij de leeftijdsgroep 30 tot 49 jaar, tot bijna een kwart (24,3%) bij de vijftigplussers. Het aandeel met een beperkte arbeidshandicap bedraagt 8,8% bij de mindertigers en neemt toe tot 20,7% bij de vijftigplussers. Het aandeel met een zware arbeidshandicap stijgt van 1,2% bij de min-dertigers tot 3,6% bij de vijftigplussers.

16


Arbeidshandicap en werkbaar werk Figuur 4:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar scholingniveau, 2019

hooggeschoold

13,5

middengeschoold

86,5

22,7

kortgeschoold

77,3

31,4

0

20

arbeidshandicap

68,6

40

60

80

100

geen arbeidshandicap

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers, 2019

Van de hooggeschoolde werknemers geeft 13,5% aan hinder te ondervinden door een arbeidshandicap. Bij de kortgeschoolde werknemers is dat aandeel meer dan dubbel zo groot (31,4%) en bij de middengeschoolde werknemers gaat het om 22,7%. Dat het aandeel werknemers met een arbeidshandicap veel lager is bij hooggeschoolden hangt voor een deel samen met het feit dat het aandeel 50+ers bij de hooggeschoolden binnen die groep veel kleiner is. Van de hooggeschoolden is 33,6% vijftig jaar of ouder terwijl dat bij de middengeschoolden 39,3% en bij de kortgeschoolden 60,6% is.

1.3

Werknemers met een arbeidshandicap naar beroepsgroep

Het percentage werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap ligt het hoogst bij de kortgeschoolde arbeiders. Van deze werknemers rapporteert 5,4% ‘in erge mate’ en 26,1% ‘in zekere mate’ hinder te ervaren door een arbeidshandicap of langdurige aandoening/ziekte. Ook bij de geschoolde arbeiders/technici en zorgmedewerkers ligt het aandeel werknemers met een arbeidshandicap hoger dan gemiddeld. Het gaat om respectievelijk 24,1% en 24,5% versus 18,9% gemiddeld. Het aandeel met een arbeidshandicap ligt een stuk lager bij onderwijskrachten (15,5%), middenkader/professionals (11,6%) en kader-en directieleden (9%).

17


Arbeidshandicap en werkbaar werk Tabel 3:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar beroepsgroep, 2019 zware beperkte geen arbeidshandicap arbeidshandicap arbeidshandicap

Type job

% 26,1 20,6 15,1 20,4 13,8 10,3 8,1

%

kortgeschoolde arbeider geschoolde arbeider of technicus uitvoerend bediende zorgfunctie onderwijsfunctie middenkader of professional kader of directie

5,4 3,5 2,2 4,1 1,7 1,3 0,9

%

%

68,5 75,9 82,7 75,5 84,5 88,4 91,0

N

100,0

1434

100,0

1649

100,0

3651

100,0

1513

100,0

1338

100,0

2421

100,0

753

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers, 2019 Figuur 5:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar beroepsgroep, 2019

kortgeschoolde arbeider

31,5

68,5

zorgfunctie

24,5

75,5

geschoolde arbeider of technicus

24,1

75,9

uitvoerend bediende

17,3

82,7

onderwijsfunctie

15,5

84,5

middenkader of professional

11,6

kader of directie

88,4

9,0 0

91,0 20

arbeidshandicap

40

60

80

100

geen arbeidshandicap

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers, 2019

In onderstaande figuur gaan we voor zowel de mannen als de vrouwen met een arbeidshandicap na in welke beroepsgroepen ze oververtegenwoordigd (ondervertegenwoordigd) zijn.

18


Arbeidshandicap en werkbaar werk Figuur 6:

Vergelijking verdeling werknemers met arbeidshandicap en verdeling alle werknemers naar beroepsgroep, 2019

kader of directie

4%

mannen

middenkader of professional

14%

onderwijsfunctie

4%

zorgfunctie

3%

uitvoerend bediende

21%

geschoolde arbeider of technicus

33%

kortgeschoolde arbeider

22%

kader of directie

2%

vrouwen

middenkader of professional

10%

onderwijsfunctie

12%

zorgfunctie

24%

uitvoerend bediende

30%

geschoolde arbeider of technicus

5%

kortgeschoolde arbeider

17% 0%

verdeling Vlaanderen

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

verdeling werknemers met arbeidshandicap

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers, 2019

De figuur laat zien dat bij de mannen met een arbeidshandicap de arbeiders (kortgeschoold en geschoold) vaker voorkomen dan we zouden verwachten op basis van de verdeling in de Vlaamse arbeidsmarkt. Bij de vrouwen is dit zo bij de kortgeschoolde arbeiders en in de zorgfuncties.

1.4

Werknemers met een arbeidshandicap naar sector

Het aandeel van de werknemers dat ‘in erge’ mate hinder ondervindt door een arbeidshandicap of langdurige aandoening/ziekte (zware arbeidshandicap) is het grootst in de voedingssector (5,4%), de gezondheids- en welzijnszorg (3,6%), de textiel- en confectie (3,5%) en horeca (3,1%). Het aandeel van de werknemers dat ‘in zekere mate’ hinder ondervindt door een arbeidshandicap of langdurige aandoening/ziekte (beperkte arbeidshandicap) is het grootst in de voeding (19,3%), de gezondheids- en welzijnszorg (19,1%), de horeca (18,6%) en de bouw (18,4%)

19


Arbeidshandicap en werkbaar werk Tabel 4:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar sector, 2019 zware beperkte geen arbeidshandicap arbeidshandicap arbeidshandicap

sector

% 17,0 16,9 18,4 19,3 13,0 17,2 18,6 10,9 16,4 14,7 9,7 15,8 19,1 14

%

textiel, confectie metaal bouw voeding chemie groot- en kleinhandel horeca zakelijke dienstverlening transport post- en telecommunicatie financiële sector openbare diensten gezondheids- en welzijnszorg onderwijs

3,5 1,9 2,9 5,4 1,8 2,7 3,1 1,5 2,1 2,7 1,9 2,5 3,6 2,2

%

%

79,4 81,2 78,7 75,3 85,2 80,1 78,3 87,7 81,6 82,6 88,3 81,6 77,3 83,8

N

100,0

141

100,0

904

100,0

553

100,0

368

100,0

609

100,0

850

100,0

161

100,0

754

100,0

477

100,0

258

100,0

463

100,0

1433

100,0

2460

100,0

1680

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers, 2019 Figuur 7:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar sector, 2019 voeding

24,7

75,3

gezondheids- en welzijnszorg

22,7

77,3

horeca

21,7

78,3

bouw

21,3

78,7

textiel, confectie

20,6

79,4

groot- en kleinhandel

19,9

80,1

metaal

18,8

81,2

openbare diensten

18,4

81,6

transport

18,4

81,6

post- en telecommunicatie

17,4

82,6

onderwijs

16,2

83,8

chemie

14,8

85,2

zakelijke dienstverlening

12,3

87,7

financiële sector

11,7

88,3

0

20

arbeidshandicap

40

60

80

100

geen arbeidshandicap

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers, 2019

1.5

Samenvatting

Het aandeel werknemers met een arbeidshandicap neemt sinds het begin van de werkbaarheidsmetingen toe en loopt in 2019 op tot bijna één op de vijf werknemers. (18,9%): 16,2% geeft aan een beperkte arbeidshandicap te ervaren, 2,7% spreekt over een zware

20


Arbeidshandicap en werkbaar werk

arbeidshandicap. Dit betekent dat op de Vlaamse arbeidsmarkt heel wat werknemers met een arbeidshandicap aan het werk zijn. Ze zijn soms jong, hooggeschoold of zijn aan de slag als (midden) kader, maar ze zijn oververtegenwoordigd bij de 50-plussers, de geschoolde arbeiders/technici en de zorgmedewerkers. Voor deze deelgroepen loopt het aandeel met een arbeidshandicap op tot één op de vier. De kortgeschoolde arbeiders -vaak oudere werknemersspannen de kroon. Bij deze werknemers rapporteert bijna één op de drie een arbeidshandicap. Wat daarnaast opvalt is dat niettegenstaande het aandeel werknemers met een arbeidshandicap voor vrouwen (19,8%) en mannen (17,8%) vrij dicht bij elkaar ligt, dat niet zo is voor de jobs die ze uitoefenen. Waar bij de mannen met een arbeidshandicap vooral de arbeiders (kortgeschoold en geschoold) oververtegenwoordigd zijn is dat bij de vrouwen vooral bij de kortgeschoolde arbeiders en in de zorgberoepen. De sectorinvalshoek leert dan er in de sectoren voeding, welzijn en zorg, horeca, bouw en textiel/confectie meer dan één op de vijf werknemers kampen met een arbeidshandicap. In deze sectoren schommelt het aandeel werknemers met een zware arbeidshandicap tussen de 2,9% (bouw) en de 5,4% (voeding).

2

Werkbaarheidssituatie van werknemers met een arbeidshandicap

In dit hoofdstuk nemen we de werkbaarheidssituatie van werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap onder de loep en vergelijken deze met hun collega’s die geen hinder ondervinden door een arbeidshandicap of langdurige ziekte/aandoening. We kijken hoe de werkbaarheidsgraad het afgelopen decennium geëvolueerd is en nemen de kengetallen voor vier werkbaarheidsknelpunten en zes werkbaarheidsrisico’s onder de loep. We ronden het hoofdstuk af met het uittekenen van een risicoprofiel (voor werknemers met een arbeidshandicap) voor werkstressklachten, motivatieproblemen, onvoldoende leermogelijkheden en een problematische werk-privécombinatie.

2.1

De werkbaarheidsgraad

De notie ‘werkbaarheid’ wordt in de werkbaarheidsmonitor geconcretiseerd aan de hand van vier kwaliteitscriteria: psychische vermoeidheid (werkstress), welbevinden in het werk (motivatie, werkbetrokkenheid), leermogelijkheden en werk-privébalans. De werkbaarheidsgraad verwijst naar het percentage werknemers dat een kwaliteitsvolle job heeft en bijgevolg geen knelpunten signaleert voor alle vier genoemde werkbaarheidscriteria. Het percentage werkbare jobs ligt beduidend lager bij de werknemers met een arbeidshandicap. In 2019 heeft 15,2% van de werknemers met een zware arbeidshandicap, 32,9% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 54,1% van de werknemers zonder arbeidshandicap, een werkbare job. Bij de werknemers met een zware arbeidshandicap noteren we geen significante verschuivingen tussen 2007 en 2019. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap zien we een geleidelijke verbetering van de werkbaarheidsgraad in de periode 2007 – 2013, daarna is er sprake van een significante terugval van de werkbaarheidsgraad van 41,3% (2013) over 36,2% (2016) tot 32,9% (2019). De werkbaarheidsvergelijking van 2019 met de nulmeting 2007 toont voor de werknemers een daling van de werkbaarheidsgraad maar enkel

21


Arbeidshandicap en werkbaar werk

voor de werknemers zonder arbeidshandicap kunnen we spreken van een daling die we als statistisch significant kunnen bestempelen.

Tabel 5:

Evolutie van de werkbaarheidsgraad bij werknemers met en zonder een (zware of beperkte) arbeidshandicap op de Vlaamse arbeidsmarkt

2007

2010

2013

2016

2019

%

%

%

%

%

57,8

57,9

58,1

54,7

54,1

7.237

6.586

12.236

8.726

10.074

36,2

38,1

41,3

36,2

32,9

1.185

1.199

2.327

1.623

1.999

19,2

23,9

22,0

21,2

15,2

156

134

322

241

336

geen arbeidshandicap N

beperkte arbeidshandicap N

zware arbeidshandicap N

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2007-2019 Leeswijzer: Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) stijging/daling van de werkbaarheidsgraad ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen/rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) stijging/daling van de werkbaarheidsgraad bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019.

Onderstaande figuur brengt de werkbaarheidsevolutie tussen 2007 en 2019 van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap, de werknemers met een zware arbeidshandicap en deze zonder arbeidshandicap, visueel in beeld. Figuur 8:

Evolutie van de werkbaarheidsgraad bij werknemers met en zonder een (zware of beperkte) arbeidshandicap op de Vlaamse arbeidsmarkt, 2007-2019

57,8%

57,9%

36,2%

38,1%

19,2%

2007

23,9%

58,1% 41,3%

22,0%

54,7%

36,2%

54,1%

32,9%

21,2% 15,2%

2010

beperkte arbeidshandicap

2013 zware arbeidshandicap

2016

2019

geen arbeidshandicap

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2007-2019

De lage werkbaarheidscijfers voor werknemers met een arbeidshandicap komen niet zomaar uit de lucht vallen. Zij vinden hun oorsprong in de werkbaarheidsknelpunten. In de volgende paragraaf gaan we hierop verder in.

22


Arbeidshandicap en werkbaar werk

2.2

De werkbaarheidsknelpunten

De beoordeling van de werkbaarheid van een job (en daarmee de werkbaarheidsgraad) wordt afgeleid uit informatie van de vier werkbaarheidsindicatoren: psychische vermoeidheid (werkstress), welbevinden in het werk (werkbetrokkenheid, motivatie), leermogelijkheden in de job (kansen op bijblijven en competentie-ontwikkeling) en werk-privé-balans (combinatie van arbeid met gezin en sociaal leven). Tabel 6:

Overzicht en omschrijving werkbaarheidsindicatoren Vlaamse werkbaarheidsmonitor Indicator

Omschrijving

Psychische vermoeidheid

de mate waarin de door psychosociale arbeidsbelasting opgebouwde (mentale) vermoeidheid recuperabel is dan wel leidt tot spanningsklachten en verminderd functioneren (problemen met) werkstress

Welbevinden in het werk

de mate waarin werknemers door de aard van de job(inhoud) werkbetrokken zijn/blijven dan wel gedemotiveerd raken (problemen met) werkbetrokkenheid en motivatie

Leermogelijkheden

de mate waarin werknemers door formele opleidingskansen en de dagdagelijkse ervaring op de werkplek hun competenties al dan niet op peil kunnen houden en verder ontwikkelen i.f.v. hun inzetbaarheid op langere termijn (onvoldoende) kansen op bijblijven/competentieontwikkeling

Werk-privébalans

de mate waarin de taakeisen in de werksituatie al dan niet belemmerende effecten hebben op de handelingsmogelijkheden in de ‘thuis’situatie (problemen met) combinatie van arbeid met privé-leven

Voor elk van de vier werkbaarheidsdimensies en -indicatoren zijn grenzen bepaald die aangeven of de situatie al dan niet (acuut) problematisch is (Bourdeaud’hui, Janssens, Vanderhaeghe, 2019b). Bij een problematische situatie spreken we over een werkbaarheidsknelpunt, bij een acuut-problematische situatie over een acuut werkbaarheidsknelpunt. In de werkbaarheidsmonitor wordt met andere woorden met ‘gelede kengetallen’ gewerkt. Naar analogie met de kleurensymboliek van een verkeerslicht, wordt niet enkel een problematische groep afgebakend en becijferd (‘oranje knipperlicht’ - knelpunt), maar daarbinnen ook een subgroep die als ‘acuut problematisch’ kan gelabeld worden (‘rood alarmsignaal’ - acuut knelpunt). Niet problematische, problematische en acuut-problematische situaties worden voor de onderscheiden werkbaarheidsdimensies als volgt benoemd: Tabel 7:

Terminologie voor de kengetallen voor de werkbaarheidsindicatoren Niet problematisch Problematisch

Acuut-problematisch

= geen knelpunt

= knelpunt

= acuut knelpunt

geen werkstress

werkstressproblemen

symptomen burn-out

geen motivatieproblemen

motivatieproblemen

ernstige demotivatie

Leermogelijkheden

voldoende leermogelijkheden

onvoldoende leermogelijkheden

ernstig leerdeficit

Werk-privé-balans

haalbare werk-privécombinatie

problemen werk-privécombinatie

acuut werk-privé-conflict

Psychische vermoeidheid Welbevinden in het werk

23


Arbeidshandicap en werkbaar werk

In dit hoofdstuk nemen we de (evolutie in de) kengetallen voor de vier werkbaarheidsindicatoren onder de loep en vergelijken we de gegevens van werknemers met een (zware) arbeidshandicap met die voor de (controle)groep van werknemers zonder arbeidshandicap.

2.2.1

Werkstress en burn-out

In 2019 worden 52,9% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 73,4% van de werknemers met een zware arbeidshandicap geconfronteerd met werkstressproblemen. Bij respectievelijk 21,6% en 36,4% is zijn de problemen met werkstress zo hoog dat we kunnen spreken van burn-outsymptomen. Dit betekent dat bij de groep zware arbeidshandicap met werkstressproblemen bij één op de twee de werkstressproblemen zo hoog zijn dat er sprake is van burn-outsymptomen (36,4% t.o.v. 73,4%). Bij de werknemers zonder arbeidshandicap ligt deze verhouding lager namelijk één op de drie (11,3% t.o.v. 32,4%). Tabel 8:

Evolutie 2007-2019 van het aandeel met werkstressproblemen en burn-outsymptomen bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap.

werkstressproblemen

geen arbeidshandicap

symptomen burn-out werkstressproblemen symptomen burn-out

2013

2016

%

%

%

25,2 7,8 45,9 18,0 1.320

N

werkstressproblemen

zware arbeidshandicap

2010

%

7.970

N

beperkte arbeidshandicap

2007

symptomen burn-out N

64,5

26,4 7,8 7.255

45,1 16,1 1.314

63,8

25,8 8,0 12.740

42,4 15,5 2.433

62,9

30,5 10,5 8.964

49,2 19,1 1.688

64,0

2019 %

32,4 11,3 10.394

52,9 21,6 2.077

73,4

30,2

31,2

30,0

34,0

36,4

172

141

340

247

346

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2007-2019 Leeswijzer: Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen/rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019. De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie .

Bij de werknemers met een arbeidshandicap is het aandeel met werkstressproblemen significant toegenomen sinds de nulmeting (2007). Dit is ook zo voor de symptomen burn-out bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap. Bij de werknemers met een zware handicap is de toename van het aandeel werknemers met symptomen van burn-out niet significant. De bevindingen over de evolutie van de werkstress/burn-out bij de werknemers met een arbeidshandicap sluiten goed aan bij deze voor de werknemers zonder arbeidshandicap. Het aandeel werknemers met werkstressproblemen en/of symptomen van burn-out is bij de werknemers zonder arbeidshandicap ook gestegen.

2.2.2

Motivatie

In 2019 signaleren 29,3% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 43,2% van de werknemers met een zware arbeidshandicap motivatieproblemen. Bij respectievelijk 16,5% en 22,2% is er sprake van ernstige demotivatie. Tussen de opeenvolgende metingen en over de

24


Arbeidshandicap en werkbaar werk

volledige meetperiode 2007-2019 registreren we bij deze werknemers een niet-significante toename. Uitzondering hierop is de toename bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap van het aandeel met ernstige demotivatie van 13,4% (2007) naar 16,5% (2019), die wel statistisch significant is. Tabel 9:

Evolutie 2007-2019 van het aandeel met (ernstige) motivatieproblemen bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap.

motivatieproblemen

geen arbeidshandicap

ernstige demotivatie N

motivatieproblemen

beperkte arbeidshandicap

ernstige demotivatie

2010

2013

2016

%

%

%

%

16,0

motivatieproblemen ernstige demotivatie N

14,6

16,4

17,9

2019 %

18,7

6,7

6,2

6,9

7,2

8,3

7.983

7.266

12.770

8.987

10.399

28,1 13,4 1.316

N

zware arbeidshandicap

2007

39,9

25,3 12,6 1.309

41,3

24,2 12,6 2.438

36,7

26,6 13,5 1.668

37,1

29,3 16,5 2.075

43,2

22,0

21,7

20,9

19,8

22,2

173

143

335

248

374

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2007-2019 Leeswijzer: Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen/rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019. De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie .

De bevindingen over de evolutie van de (ernstige) motivatieproblemen bij de werknemers met een arbeidshandicap lijken aan te sluiten bij deze voor de werknemers zonder arbeidshandicap. Het aandeel werknemers met (ernstige) motivatieproblemen neemt toe, al is deze toename niet steeds voldoende groot om ze als significant te kunnen bestempelen.

2.2.3

Leermogelijkheden

In 2019 heeft 26,3% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap af te rekenen met onvoldoende leermogelijkheden en bij 9,3% is er sprake van een ernstig leerdeficit. Bij de werknemers met een zware arbeidshandicap gaat het om respectievelijk 39,4% en 18,1%. Over de volledige meetperiode 2007-2019 registreren we bij deze werknemers een niet-significante daling op het vlak van leermogelijkheden. Uitzondering hierop is de daling bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap van het aandeel met een ernstig leerdeficit van 12,2% (2007) naar 9,3% (2019), een daling die wel statistisch significant is .

25


Arbeidshandicap en werkbaar werk Tabel 10:

Evolutie 2007-2019 van het aandeel met onvoldoende leermogelijkheden bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap.

onvoldoende leermogelijkheden ernstig leerdeficit N

onvoldoende leermogelijkheden ernstig leerdeficit

2007

2010

2013

2016

%

%

%

%

17,7

onvoldoende leermogelijkheden ernstig leerdeficit N

15,9

15,3

%

13,8

6,3

5,6

5,5

4,8

4,3

7.371

6.703

12.423

8.947

10.350

29,2 12,2 1.207

N

16,3

2019

46,3

26,8 10,4 1.224

39,0

25,9 8,9 2.380

34,6

26,4 11,5 1.671

35,3

26,3 9,3 2.057

39,4

19,4

18,4

16,6

13,7

18,1

160

136

332

255

343

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2007-2019 Leeswijzer: Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen/rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019. De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie .

De bevindingen over de evolutie van het aandeel werknemers met onvoldoende leermogelijkheden/ernstig leerdeficit bij de werknemers met een arbeidshandicap lijken aan te sluiten bij deze voor de werknemers zonder arbeidshandicap. Het aandeel werknemers met onvoldoende leermogelijkheden/ernstig leerdeficit lijkt af te nemen, al is deze afname niet steeds voldoende groot om ze als significant te kunnen bestempelen.

2.2.4

Werk-privébalans

In 2019 hebben 16,3% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 27,7% van de werknemers met een zware arbeidshandicap problemen met de werk-privécombinatie. Voor respectievelijk 3,8% en 13,8% zijn die problemen acuut. Tussen de opeenvolgende metingen en over de volledige meetperiode 2007-2019 registreren we bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap nauwelijks een verschil, bij werknemers met een zware arbeidshandicap is er sprake van een (niet significante) toename van het aandeel met een (acuut) onevenwicht in de werk-privébalans.

26


Arbeidshandicap en werkbaar werk Tabel 11:

Evolutie 2007-2019 van het aandeel met een (acuut) problematische werk-privébalans bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap.

problemen werk-privé-combinatie

geen arbeidshandicap

2013

2016

%

%

%

2,1 8.012

N

problemen werk-privé-combinatie

16,8

acuut werk-privé-conflict N

problemen werk-privé-combinatie

zware arbeidshandicap

2010

%

9,5

acuut werk-privé-conflict

beperkte arbeidshandicap

2007

N

2,1 7.307

14,4

9,8 2,3 12.778

13,8

11,1 2,7 8.993

15,8

%

11,6 3,1 10.438

16,3

3,8

3,1

3,7

4,5

3,8

1.328

1.323

2.453

1.695

2.083

24,3

acuut werk-privé-conflict

9,6

2019

27,8

27,2

29,3

27,7

8,1

7,6

11,8

10,2

13,8

173

144

338

246

347

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2007-2019 Leeswijzer: Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen/rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019. De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie .

De bevindingen over de evolutie van het aandeel werknemers met (acute) problemen in de werkprivécombinatie bij de werknemers met een zware arbeidshandicap lijken aan te sluiten bij deze voor de werknemers zonder arbeidshandicap. Het aandeel werknemers met een (acuut) onevenwicht in de werk-privécombinatie neemt toe, al is deze toename niet voldoende groot om ze als significant te kunnen bestempelen. Deze vaststelling kunnen we niet doen voor werknemers met een beperkte arbeidshandicap.

2.3

De werkbaarheidsrisico’s

Werknemers met een arbeidshandicap worden meer dan de werknemers zonder arbeidshandicap geconfronteerd met werkbaarheidsknelpunten. Deze knelpunten vinden (deels) hun oorzaak in de arbeidssituatie waarin de werknemers met een arbeidshandicap terechtkomen. Omdat het vanuit beleidsoogpunt uiteraard relevant is om de werkbaarheid van jobs oorzakelijk te kunnen duiden (wat maakt werk (on)werkbaar?), wordt in de werkbaarheidsmonitor ook gepeild naar een aantal kenmerken van de arbeidssituatie die de kwaliteit van jobs bedreigen dan wel bevorderen. In de monitor voor werknemers worden zes jobkenmerken via zogenaamde risico-indicatoren in kaart gebracht: werkdruk, emotionele belasting, taakvariatie (afwisseling in het werk), autonomie (zelfstandigheid in het werk), ondersteuning door de directe leiding en (belastende fysieke) arbeidsomstandigheden.

27


Arbeidshandicap en werkbaar werk Tabel 12:

Overzicht en omschrijving risico-indicatoren Vlaamse werkbaarheidsmonitor Omschrijving

Indicator Werkdruk

de mate van arbeidsbelasting vanuit kwantitatieve taakeisen, zoals werkvolume, werktempo, deadlines

Emotionele belasting

de mate van arbeidsbelasting vanuit contactuele taakeisen, inz. bij omgang met klanten (patiënten, leerlingen) of coördinatieopdrachten

Taakvariatie

de mate waarin de functie-inhoud een afwisselend takenpakket omvat en beroep doet op vaardigheden van werknemers

Autonomie

de mate waarin werknemers invloed hebben op de planning en organisatie van hun eigen werk – ‘regelmogelijkheden’

Ondersteuning directe leiding

de mate waarin werknemers door hun rechtstreekse chef adequaat gecoacht en sociaal gesteund worden

Arbeidsomstandigheden

de mate waarin werknemers blootgesteld worden aan fysieke inconveniënten in de werkomgeving en lichamelijke belasting

Ook voor deze zes werkbaarheidsrisico’s zijn grenzen bepaald die aangeven of de situatie al dan niet (acuut) problematisch is (Bourdeaud’hui, Janssens, Vanderhaeghe, 2019b). Niet problematische, problematische en acuut-problematische situaties worden voor de onderscheiden werkbaarheidsrisico’s als volgt benoemd: Tabel 13:

Terminologie voor de kengetallen voor de risico-indicatoren Niet problematisch

Problematisch

Acuut-problematisch

geen hoge werkdruk

hoge werkdruk

zeer hoge werkdruk

geen emotioneel belastend werk

emotioneel belastend werk

emotionele overbelasting

Taakvariatie

geen routinematig werk

routinematig werk

extreem routinematig werk

Autonomie

voldoende autonomie

gebrek aan autonomie

acuut gebrek aan autonomie

Ondersteuning door de directe leiding

voldoende steun door de directe leiding

onvoldoende steun door de directe leiding

negatieve relatie met de directe leiding

Arbeidsomstandigheden

geen belastende arbeidsomstandigheden

belastende arbeidsomstandigheden

zeer hoge fysieke belasting

Werkdruk Emotionele belasting

2.3.1

Werkdruk

Voor 44,8% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 51,9% van de werknemers met een zware arbeidshandicap, is de werkdruk in 2019 hoog. Bij respectievelijk 21,5% en 34,3% is er sprake van zeer hoge werkdruk. Ten opzichte van 2013 is het aandeel met (zeer) hoge werkdruk bij werknemers met een arbeidshandicap sterk toegenomen.

28


Arbeidshandicap en werkbaar werk Tabel 14:

Evolutie 2007-2019 van het aandeel met een (acuut) problematische werkdruk bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap.

hoge werkdruk

geen arbeidshandicap

2013

2016

%

%

%

11,2 7.385

N

hoge werkdruk

39,6 zeer hoge werkdruk

18,4 1.208

N

hoge werkdruk

zware arbeidshandicap

2010

%

28,9 zeer hoge werkdruk

beperkte arbeidshandicap

2007

46,8 zeer hoge werkdruk

N

29,4 11,3 6.713

38,2 16,4 1.224

46,0

27,6 10,1 12.456

34,7 14,9 2.380

43,7

35,4 14,9 8.959

42,8 21,3 1.669

48,2

2019 %

35,7 15,5 10.361

44,8 21,5 2.058

51,9

27,2

25,5

22,9

32,0

34,3

158

137

332

246

341

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2007-2019 Leeswijzer: Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen/rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019. De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie .

De bevindingen over de evolutie 2007-2019 van het aandeel werknemers met (zeer) hoge werkdruk bij de werknemers met een arbeidshandicap komen overeen met deze voor de werknemers zonder arbeidshandicap. Het aandeel werknemers met een (zeer) hoge werkdruk neemt toe, al is deze toename bij de werknemers met een zware arbeidshandicap niet voldoende groot om ze als significant te kunnen bestempelen.

2.3.2

Emotionele belasting

In 2019 hebben 28,6% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 37% van de werknemers met een zware arbeidshandicap, emotioneel belastend werk. Bij respectievelijk 7,7% en 13,5% is er sprake van emotionele overbelasting. Tussen de opeenvolgende metingen en over de volledige meetperiode 2007-2019 registreren we bij de werknemers met een zware arbeidshandicap een niet significante toename. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap zien we dat de verbetering die in 2013 geregistreerd werd (een daling van 25,7% tot 22,7% van het aandeel met emotioneel belastend werk), sinds 2016 geleidelijk verloren gaat.

29


Arbeidshandicap en werkbaar werk Tabel 15:

Evolutie 2007-2019 van het aandeel met een emotioneel belastend werk bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap.

emotioneel belastend werk

geen arbeidshandicap

emotionele overbelasting emotioneel belastend werk emotionele overbelasting N

emotioneel belastend werk

zware arbeidshandicap

2010

2013

2016

%

%

%

%

19,7 3,9 7.375

N

beperkte arbeidshandicap

2007

emotionele overbelasting N

26,0

19,0 3,6 6.716

25,7

19,2 3,7 12.442

22,7

22,4 4,8 8.952

25,5

2019 %

23,8 5,2 10.354

28,6

5,7

6,3

5,0

5,3

7,7

1.204

1.218

2.382

1.668

2.053

30,2

35,3

27,8

31,1

37,0

11,3

7,4

7,6

9,8

13,5

159

136

331

254

341

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2007-2019 Leeswijzer: Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen/rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019. De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie .

De bevindingen over de evolutie van het aandeel werknemers met emotionele (over)belasting bij de werknemers met een arbeidshandicap lijken overeen te komen met deze voor de werknemers zonder arbeidshandicap. Het aandeel werknemers met emotionele (over)belasting neemt toe, al is deze toename bij de werknemers met een arbeidshandicap niet voldoende groot om ze als significant te kunnen bestempelen.

2.3.3

Taakvariatie

In 2019 hebben 30,4% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 35,4% van de werknemers met een zware arbeidshandicap, routinematig werk. Bij respectievelijk 14,3% en 20,3% is er sprake van extreem routinematig werk. Bij de werknemers met een arbeidshandicap is het aandeel met (extreem) routinematig werk tussen 2007 en 2019 niet significant veranderd. Tabel 16:

Evolutie 2007-2019 van het aandeel met (extreem) routinematig werk bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap.

routinematig werk

geen arbeidshandicap

extreem routinematig werk N

routinematig werk

beperkte arbeidshandicap

extreem routinematig werk routinematig werk extreem routinematig werk N

2010

2013

2016

%

%

%

%

22,3

21,7

22,2

22,0

2019 %

21,0

9,8

9,6

9,7

9,4

9,0

7.385

6.716

12.458

8.951

10.367

29,3 14,1 1.204

N

zware arbeidshandicap

2007

38,6

27,3 14,1 1.217

35,8

29,4 12,3 2.368

34,3

31,5 14,9 1.670

44,3

30,4 14,3 2.056

35,4

18,4

20,4

18,4

20,6

20,3

158

137

332

253

345

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2007-2019 Leeswijzer: Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen/rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019. De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie .

30


Arbeidshandicap en werkbaar werk

De bevindingen over de evolutie van het aandeel werknemers met (extreem) routinematig werk bij de werknemers met een arbeidshandicap lijken niet te stroken met deze voor de werknemers zonder arbeidshandicap. Enkel voor werknemers met een zware arbeidshandicap zien we een weliswaar niet significante daling van het aandeel werknemers met routinematig werk.

2.3.4

Autonomie

In 2019 worden 25,5% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 37,8% van de werknemers met een zware arbeidshandicap, geconfronteerd met een gebrek aan autonomie in het werk. Voor respectievelijk 9,1% en 17,4% is er sprake van een acuut gebrek aan autonomie. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is het aandeel met een gebrek aan autonomie tussen 2007 en 2019 significant gedaald van 29,2% tot 25,5% en is het aandeel met een acuut gebrek aan autonomie significant gedaald van 12,3% tot 9,1%. Bij werknemers met een zware arbeidshandicap is de daling in de periode 2007-2019 niet significant. Tabel 17:

Evolutie 2007-2019 van het aandeel met onvoldoende autonomie bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap.

gebrek aan autonomie

geen arbeidshandicap

acuut gebrek aan autonomie N

gebrek aan autonomie

beperkte arbeidshandicap

acuut gebrek aan autonomie gebrek aan autonomie acuut gebrek aan autonomie N

2010

2013

2016

%

%

%

%

18,3

17,7

17,3

17,5

2019 %

16,4

6,4

5,4

5,8

5,3

4,5

7.370

6.711

12.424

8.936

10.334

29,2 12,3 1.204

N

zware arbeidshandicap

2007

40,6

28,0 12,2 1.216

32,6

26,0 8,7 2.382

30,9

27,1 10,0 1.668

30,4

25,5 9,1 2.056

37,8

22,5

14,1

11,8

14,6

17,4

160

135

330

253

344

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2007-2019 Leeswijzer: Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen/rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019. De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie .

De bevindingen over de evolutie van het aandeel werknemers met een arbeidshandicap met een (acuut) gebrek aan autonomie sluiten vrij goed aan bij deze voor de werknemers zonder arbeidshandicap. De daling van het aandeel werknemers met een (acuut) gebrek aan autonomie vinden we ook terug de werknemers met een beperkte arbeidshandicap (significant) en bij de werknemers met een zware arbeidshandicap (niet significant).

2.3.5

Ondersteuning door de directe leiding

In 2019 krijgen 21,1% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 25,1% van de werknemers met een zware arbeidshandicap, onvoldoende steun van de directe leiding. Bij respectievelijk 8,3% en 13,4% is er sprake van een negatieve relatie met de directe leiding. Bij de werknemers met een arbeidshandicap registreren we over de volledige meetperiode 20072019 een (niet significante) afname van het aandeel werknemers dat onvoldoende kan rekenen op de steun van de leidinggevende.

31


Arbeidshandicap en werkbaar werk Tabel 18:

Evolutie 2007-2019 van het aandeel dat geconfronteerd wordt met onvoldoende steun vanuit/negatieve relatie met de directe leiding, bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap.

onvoldoende steun leiding

geen arbeidshandicap

negatieve relatie met leiding N

onvoldoende steun leiding

beperkte arbeidshandicap

negatieve relatie met leiding

2010

2013

2016

%

%

%

%

14,6

onvoldoende steun leiding negatieve relatie met leiding N

13,4

12,9

13,0

2019 %

12,7

5,5

4,6

4,6

4,3

4,6

7.369

6.719

12.436

8.944

10.339

23,4 9,9 1.207

N

zware arbeidshandicap

2007

30,6

21,1 8,6 1.222

29,2

20,6 8,4 2.379

26,5

19,2 7,8 1.669

27,8

21,1 8,3 2.055

25,1

15,0

16,1

11,7

11,0

13,4

160

137

332

255

343

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2007-2019 Leeswijzer: Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen/rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019. De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie.

De bevindingen over de evolutie van het aandeel werknemers met een gebrek aan ondersteuning door de leidinggevende sluiten nauw aan bij deze voor de werknemers zonder arbeidshandicap. De daling van het aandeel werknemers dat onvoldoende steun krijgt van de leidinggevende/negatieve relatie leidinggevende vinden we ook terug bij de werknemers met een arbeidshandicap, al zijn deze niet statistisch significant.

2.3.6

Arbeidsomstandigheden

In 2019 worden 28% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 35,9% van de werknemers met een zware arbeidshandicap, geconfronteerd met belastende arbeidsomstandigheden. Bij respectievelijk 12,4% en 17,4% is er sprake van een zeer hoge fysieke belasting. Bij de werknemers met een arbeidshandicap is het aandeel met belastende arbeidsomstandigheden tussen 2007 en 2019 niet significant veranderd. De verbetering voor de werknemers met een beperkte arbeidshandicap op het vlak van belastende arbeidsomstandigheden in de periode 2010-2013 kon niet worden bevestigd.

32


Arbeidshandicap en werkbaar werk Tabel 19:

Evolutie 2007-2019 van het aandeel dat met belastende arbeidsomstandigheden geconfronteerd wordt, bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap.

belastende arbeidsomstandigheden

geen arbeidshandicap

zeer hoge fysieke belasting N

belastende arbeidsomstandigheden

beperkte arbeidshandicap

zeer hoge fysieke belasting belastende arbeidsomstandigheden zeer hoge fysieke belasting N

2010

2013

2016

%

%

%

%

11,0

10,1

10,5

11,9

2019 %

12,0

4,0

3,1

3,5

4,3

3,9

7.855

7.211

12.665

9.033

10.490

27,5 11,3 1.298

N

zware arbeidshandicap

2007

33,1

25,7

22,5

9,6

8,1

1.301

2.427

33,8

30,0

27,9 11,8 1.698

32,7

28,0 12,4 2.103

35,9

21,7

16,5

14,1

15,7

17,4

166

139

340

254

348

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2007-2019 Leeswijzer: Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen/rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019. De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie .

De bevindingen over de evolutie van het aandeel werknemers met (zeer) hoge fysieke belasting lijken slechts gedeeltelijk te stroken met deze voor werknemers zonder arbeidshandicap. Met uitzondering van de zeer hoge fysieke belasting voor werknemers met een zware arbeidshandicap is er telkens sprake van een niet-significante toename van het aandeel werknemers met een (zeer) hoge fysieke belasting.

2.3.7

Een cumulatie van werkbaarheidsrisico’s

Voor elk van de werkbaarheidsrisico’s ligt het aandeel werknemers dat ermee geconfronteerd wordt hoger bij werknemers met een arbeidshandicap. Dit maakt dat er zich bij deze werknemers ook ‘cumul’ van de risico’s manifesteert. In onderstaande tabel geven we weer dat met hoeveel van de zes risico’s de werknemer gemiddeld wordt geconfronteerd.

33


Arbeidshandicap en werkbaar werk Figuur 9: Aantal werkbaarheidsrisico’s waarmee werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap geconfronteerd worden (2019)

geen arbeidshandicap

32,0%

33,7%

beperkte arbeidshandicap

22,0%

zware arbeidshandicap 14,7%

0%

26,3%

51,7%

19,5% 20%

34,3%

65,8% 40%

60%

80%

100%

geen werkbaarheidsrisico slechts één werkbaarheidsrisico twee of meer werkbaarheidsrisico's Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019

Uit de figuur blijkt dat 66% van de werknemers met een zware arbeidshandicap twee of meer werkbaarheidsrisico’s combineren. Bij de werknemers met een beperkte handicap is dat net de helft van de werknemers.

2.4

Risicoprofiel voor werknemers met een arbeidshandicap

Werkbaarheidsknelpunten gaan hand in hand met risico’s in de arbeidssituatie, dit is bijgevolg ook zo voor werknemers met een arbeidshandicap. In dit onderdeel tekenen we voor de werknemers met een (beperkte of zware) arbeidshandicap een risicoprofiel uit voor werkstressklachten, motivatieproblemen, onvoldoende leermogelijkheden en een problematische werk-privébalans. Voor elk werkbaarheidsknelpunt gaan we na hoe ernstig de verschillende werkbaarheidsrisico’s zijn. Voor het bepalen van de ernstgraad combineren we twee soorten informatie: •

hoeveel mensen worden met een bepaald werkbaarheidsrisico geconfronteerd (op de xas van elke figuur is aangegeven welk percentage zich in een problematische situatie bevindt voor elk van de zes werkbaarheidsrisico’s).

34


Arbeidshandicap en werkbaar werk

•

hoe sterk hangt een bepaald werkbaarheidsrisico samen met een bepaald werkbaarheidsknelpunt (op de y-as wordt aangegeven hoe sterk het effect is van elk risico ten aanzien van het werkbaarheidsknelpunt.2)

Deze risicoprofielen verschaffen ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren in de arbeidssituatie van werknemers met een arbeidshandicap: een risico is ernstiger naarmate er meer werknemers mee geconfronteerd worden én er een grotere kans bestaat dat werknemers door dit risico met een specifiek werkbaarheidsknelpunt af te rekenen krijgen. In wat volgt bespreken we achtereenvolgens de risicoprofielen voor werkstress, motivatie, leermogelijkheden en werk-privé-balans voor werknemers met een arbeidshandicap.

2.4.1

Risicoprofiel voor werkstress

Ongeveer de helft van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap ervaart werkstress: (52,9%). Bij de werknemers met een zware arbeidshandicap loopt dit op tot bijna drie kwart van de werknemers (73,4%). Dit zijn hoge aandelen waarbij verschillende oorzaken kunnen spelen. Een aantal hiervan liggen in de arbeidssituatie: het werk niet goed georganiseerd, de communicatie verloopt niet vlot of ontstaan er problemen doordat leidinggevenden hun personeel niet goed aansturen. Figuren 10 en 11 illustreren de ‘ernstgraad’ van zes werkstressrisico’s in de arbeidssituatie voor werknemers met een beperkte en werknemers met een zware arbeidshandicap.

2

Op basis van de kengetallen voor de onderscheiden risico-indicatoren en de recent gepubliceerde analyses over de samenhang tussen werkbaarheids- en risico-indicatoren (Bourdeaud’hui, Janssens, Vanderhaeghe, 2020), kunnen we een aantal risicoprofielen ‘op maat van de werknemers met een arbeidshandicap construeren. De waarden op de y-as (sterkte van het effect) zijn odds ratio’s uit de multivariate analyse die gedocumenteerd is in het rapport

35


Arbeidshandicap en werkbaar werk Figuur 10: Risicoprofiel voor werkstressproblemen bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap, 2019

5,0

impact op werkstress

4,5

hoge werkdruk

4,0

3,5 3,0 2,5

onvoldoende ondersteuning leiding

2,0

emotioneel belastend werk

gebrek aan autonomie

1,5

belastende arbeidsomstandigheden routinematig werk

1,0 0%

10%

20%

30%

40%

50%

% werknemers met beperkte arbeidshandicap Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer figuren 10 en 11 De figuren verschaffen ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren voor het ontstaan van werkstressproblemen bij werknemers met een arbeidshandicap. De ernstgraad van specifieke risicofactoren wordt bepaald door 2 elementen: 1. De impact van een specifieke risicofactor (verticale positionering van de onderscheiden buttons, berekend o.b.v. een logistische regressie-analyse en de daaruit resulterende odds ratio’s). Zo vormt een hoge werkdruk (ruim verviervoudiging van de kansverhouding werkstress/geen werkstress) duidelijk een hoger risico voor het ontstaan van werkstress dan een gebrek aan autonomie in het werk (de kansverhouding werkstress/geen werkstress verhoogt met factor anderhalf). 2. Het aandeel werknemers dat zich in een problematische situatie voor een specifieke risicofactor bevindt (horizontale positie van de onderscheiden buttons). Zo zijn er meer werknemers die met een hoge werkdruk dan met onvoldoende ondersteuning door de directe leiding worden geconfronteerd.

36


Arbeidshandicap en werkbaar werk Figuur 11: Risicoprofiel voor werkstressproblemen bij werknemers met een zware arbeidshandicap, 2019

5,0 4,5

impact op werkstress

hoge werkdruk

4,0

3,5 3,0 2,5

onvoldoende ondersteuning leiding

2,0

emotioneel belastend werk belastende arbeidsomstandigheden

1,5

routinematig werk

gebrek aan autonomie

1,0 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

% werknemers met zware arbeidshandicap Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019

Werkdruk vormt duidelijk de meest ernstige risicofactor voor werkstress bij werknemers met een arbeidshandicap. Hoge werkdruk komt niet alleen vaak voor, maar verhoogt ook aanzienlijk de kans op werkstressproblemen (een verviervoudiging van de kansverhouding). 44,8% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 51,9% van de werknemers met een zware arbeidshandicap worden met een hoge werkdruk geconfronteerd in hun job. Ook een gebrek aan ondersteuning door de directe leiding en de emotionele werkbelasting manifesteren zich als een relevant risico (verdubbeling van de kansverhouding werkstress/geen werkstress). Van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap ervaart 21,1% onvoldoende ondersteuning door de directe leiding en heeft 28,6% emotioneel belastend werk. Bij de werknemers met een zware arbeidshandicap is dat respectievelijk 25,1% en 37%.

2.4.2

Risicoprofiel voor motivatieproblemen

Bij de werknemers met een beperkte handicap wordt ongeveer drie op de tien geconfronteerd met motivatieproblemen. Indien er sprake is van een erge arbeidshandicap is dit meer dan vier op de tien. Hiervoor zijn verschillende oorzaken. Een aantal hiervan liggen in de arbeidssituatie: een weinig afwisselende job, onvoldoende regelmogelijkheden, gebrekkige aansturing van de leidinggevende In figuren 12 en 13 wordt de ‘ernstgraad’ van zes motivatierisico’s in de arbeidssituatie van werknemers met een arbeidshandicap geïllustreerd.

37


Arbeidshandicap en werkbaar werk Figuur 12: Risicoprofiel voor motivatieproblemen bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap, 2019

5,0

impact op motivatie

4,5 onvoldoende ondersteuning leiding

4,0

routinematig werk

3,5 3,0 2,5

hoge werkdruk

2,0 emotioneel belastend werk

1,5

gebrek aan autonomie belastende arbeidsomstandigheden

1,0 0%

10%

20%

30%

40%

50%

% werknemers met beperkte arbeidshandicap Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer figuren 12 en 13: De figuren verschaffen ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren voor het ontstaan van motivatieproblemen bij werknemers met een arbeidshandicap. De ernstgraad van specifieke risicofactoren wordt bepaald door 2 elementen: 1. De impact van een specifieke risicofactor (verticale positionering van de onderscheiden buttons, berekend o.b.v. een logistische regressie-analyse en de daaruit resulterende odds ratio’s). Zo vormen routinematig werk en onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding (verviervoudiging van de kansverhouding motivatieproblemen/geen motivatieproblemen) duidelijk een hoger risico voor het ontstaan van motivatieproblemen dan fysiek belastende arbeidsomstandigheden (de toename van de kansverhouding motivatieproblemen/geen motivatieproblemen verhoogt met een factor kleiner dan anderhalf). 2. Het aandeel werknemers dat zich in een problematische situatie voor een specifieke risicofactor bevindt (horizontale positie van de onderscheiden buttons). Zo zijn er duidelijk meer werknemers die met routinematig werk dan met onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding worden geconfronteerd.

38


Arbeidshandicap en werkbaar werk Figuur 13: Risicoprofiel voor motivatieproblemen bij werknemers met een zware arbeidshandicap, 2019

5,0

impact op motivatie

4,5 onvoldoende ondersteuning leiding

4,0

routinematig werk

3,5 3,0

2,5

hoge werkdruk

2,0

emotioneel belastend werk

1,5

belastende arbeidsomstandigheden

1,0 0%

10%

20%

30%

gebrek aan autonomie

40%

50%

60%

% werknemers met zware arbeidshandicap Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019

Routinematig werk en een gebrekkige ondersteuning door de directe leiding halen het motivatiepeil sterk naar beneden (verviervoudiging van de kansverhouding motivatieproblemen/geen motivatieproblemen). Van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap ervaart 21,1% onvoldoende ondersteuning door de directe leiding en heeft 30,4% routinematig werk. Bij de werknemers met een zware arbeidshandicap is dat respectievelijk 25,1% en 35,4%. Omwille van de impact (verdubbeling van het risico) en van het groot aantal betrokken werknemers (meer dan vier op de tien) is ook hoge werkdruk een relevante risicofactor voor het motivatievraagstuk. Gevarieerd werk en een adequate ondersteuning door de directe leiding zijn noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarden om werknemers te motiveren en betrokken te houden. Wanneer de prestatiedruk bepaalde grenzen overschrijdt, heeft dat een negatieve impact op de motivatie.

2.4.3

Risicoprofiel voor leermogelijkheden

Een kwart van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap rapporteert onvoldoende leermogelijkheden in het werk. Bij de werknemers met een zware arbeidshandicap zijn dat er vier op de tien. Hiervoor zijn verschillende oorzaken. Een aantal hiervan zoals onvoldoende taakvariatie of een gebrek aan autonomie vinden we terug in de arbeidssituatie. In figuren 14 en 15 wordt de ‘ernstgraad’ van de vijf risicofactoren voor het ontstaan van een leerdeficit bij werknemers met een arbeidshandicap in beeld gebracht. Routinematig verhoogt in sterke mate (verzesvoudiging van de kansverhouding) het risico op problemen op het vlak van leermogelijkheden. Van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap heeft 30,4% routinematig werk. Bij de werknemers met een zware arbeidshandicap is dat 35,4%. Ook het gebrek aan ondersteuning door de directe leiding

39


Arbeidshandicap en werkbaar werk

(verviervoudiging van de kansverhouding) en onvoldoende zelfstandigheid of autonomie in het werk (meer dan een verdubbeling van de kansverhouding) verhogen in sterke mate het risico op een leerdeficit. Figuur 14: Risicoprofiel voor onvoldoende arbeidshandicap, 2019

leermogelijkheden

bij

werknemers

met

een

beperkte

6,5 routinematig werk

6,0

impact op leermogelijkheden

5,5 5,0 4,5

onvoldoende ondersteuning leiding

4,0 3,5

3,0 gebrek aan autonomie

2,5 2,0

belastende arbeidsomstandigheden

1,5

hoge werkdruk

1,0 0%

10%

20%

30%

40%

50%

% werknemers met beperkte arbeidshandicap Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer figuren 14 en 15: De figuren verschaffen ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren voor het ontstaan van een deficit op het vlak van leermogelijkheden bij werknemers met een arbeidshandicap. De ernstgraad van specifieke risicofactoren wordt bepaald door 2 elementen: 1. De impact van een specifieke risicofactor (verticale positionering van de onderscheiden buttons, berekend o.b.v. een logistische regressie-analyse en de daaruit resulterende odds ratio’s). Zo vormt routinematig werk (ruim verzesvoudiging van de kansverhouding onvoldoende leermogelijkheden/voldoende leermogelijkheden) duidelijk een hoger risico voor het ontstaan van een leerdeficit dan een hoge werkdruk (de kansverhouding onvoldoende leermogelijkheden/voldoende leermogelijkheden verhoogt met een factor 1,15). 2. Het aandeel werknemers dat zich in een problematische situatie voor een specifieke risicofactor bevindt (horizontale positie van de onderscheiden buttons). Zo zijn er beduidend meer werknemers die met routinematig werk dan met onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding worden geconfronteerd.

40


Arbeidshandicap en werkbaar werk Figuur 15: Risicoprofiel voor onvoldoende arbeidshandicap, 2019

leermogelijkheden

bij

werknemers

met

een

zware

6,5 6,0

routinematig werk

impact op leermogelijkheden

5,5 5,0 4,5

onvoldoende ondersteuning leiding

4,0 3,5

3,0 gebrek aan autonomie

2,5 2,0

belastende arbeidsomstandigheden

1,5

hoge werkdruk

1,0 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

% werknemers met zware arbeidshandicap Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019

2.4.4

Risicoprofiel voor werk-privébalans

Voor 16% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is de werk-privécombinatie moeilijk. Bij de werknemers met een zware arbeidshandicap is dat één op de vier. De redenen hiervoor zijn divers maar een aantal oorzaken hiervoor zoals hoge taakeisen vinden we terug in de arbeidssituatie: De figuren 16 en 17 brengen de relevantie van vijf risicofactoren voor een problematische werk-privébalans bij werknemers met een arbeidshandicap in beeld. De belangrijkste risicofactor voor de werk-privébalans is de hoge werkdruk (vervijfvoudiging van de kansverhouding). 44,8% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 51,9% van de werknemers met een zware arbeidshandicap worden met een hoge werkdruk geconfronteerd in hun job. Ook de emotionele belasting en het gebrek aan voldoende ondersteuning door de directe leiding hebben een sterk risicoverhogend effect (een verhoging van de kansverhouding met respectievelijk een factor 2,4 en 2,0).

41


Arbeidshandicap en werkbaar werk Figuur 16: Risicoprofiel voor problemen met de werk-privécombinatie bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap, 2019

6,0 hoge werkdruk

impact op werk-privébalans

5,5 5,0 4,5 4,0 3,5 3,0

emotioneel belastend werk

2,5 2,0 1,5

gebrek aan autonomie

1,0 0%

10%

20%

belastende arbeidsomstandigheden

30%

40%

50%

% werknemers met beperkte arbeidshandicap Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer figuren 16 en 17: De figuren verschaffen ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren voor het ontstaan van problemen met de werk-privécombinatie bij werknemers met een arbeidshandicap. De ernstgraad van specifieke risicofactoren wordt bepaald door 2 elementen: 1. De impact van een specifieke risicofactor (verticale positionering van de onderscheiden buttons, berekend o.b.v. een logistische regressie-analyse en de daaruit resulterende odds ratio’s). Zo vormt een hoge werkdruk (ruim vervijfvoudiging van de kansverhouding problemen met de werk-privé-combinatie/haalbare werk-privé-combinatie) duidelijk een hoger risico voor het ontstaan van een problematische werk-privébalans dan een gebrek aan autonomie (de kansverhouding problemen met de werk-privé-combinatie/haalbare werk-privé-combinatie verhoogt met een factor kleiner dan anderhalf). 2. Het aandeel werknemers dat zich in een problematische situatie voor een specifieke risicofactor bevindt (horizontale positie van de onderscheiden buttons). Zo zijn er meer werknemers die met emotioneel belastend werk dan met onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding worden geconfronteerd.

42


Arbeidshandicap en werkbaar werk Figuur 17: Risicoprofiel voor problemen met de werk-privécombinatie bij werknemers met een zware arbeidshandicap, 2019

6 hoge werkdruk

impact op werk-privébalans

5,5 5 4,5 4 3,5

3

emotioneel belastend werk

2,5 2 1,5

gebrek aan autonomie

1 0%

10%

20%

30%

belastende arbeidsomstandigheden

40%

50%

% werknemers met zware arbeidshandicap Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019

2.5

Samenvatting

Het percentage werkbare jobs ligt beduidend lager bij de werknemers met een arbeidshandicap. In 2019 heeft 15,2% van de werknemers met een zware arbeidshandicap, 32,9% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 54,1% van de werknemers zonder arbeidshandicap, een werkbare job. Sinds 2007 gaat de werkbaarheidssituatie van alle werknemers erop achteruit. De lage werkbaarheidscijfers voor werknemers met een arbeidshandicap vinden hun oorsprong in het feit dat zij meer dan de andere werknemers met werkbaarheidsknelpunten worden geconfronteerd: 73,4% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft af te rekenen met werkstressklachten. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 52,9% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 32,4%; 43,2% van de werknemers met een zware arbeidshandicap kampt met motivatieproblemen. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 29,3% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 18,7%; 39,4% van de werknemers met een zware arbeidshandicap signaleert een leerdeficit. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 26,3% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 13,8%;

43


Arbeidshandicap en werkbaar werk

27,7% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft problemen om werk en privé in evenwicht te houden. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 16,3% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 11,6%. De evolutie van de werkbaarheidsknelpunten sinds 2007 bij werknemers met een arbeidshandicap komt deels overeen met deze bij werknemers zonder arbeidshandicap. De toename van de werkstress en de verbetering op het vlak van leermogelijkheden manifesteren zich bij alle werknemers, ook bij werknemers met een arbeidshandicap. Voor alle werknemers is er sprake van een toename van de motivatieproblemen, maar enkel voor de werknemers zonder arbeidshandicap kunnen we spreken over een statistisch significante toename. De toename van het werk-privéconflict bij de werknemers zonder arbeidshandicap vinden we niet terug bij de werknemers met een arbeidshandicap. Werkbaarheidsknelpunten gaan hand in hand met risico’s in de arbeidssituatie, dit geldt bijgevolg ook voor werknemers met een arbeidshandicap. Zij worden bovendien meer dan de andere werknemers blootgesteld aan de werkbaarheidsrisico’s in het werk: 51,9% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft een job met hoge werkdruk. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 44,8% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 35,7%; 37% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft emotioneel belastend werk. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 28,6% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 23,8%; 35,4% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft routinematig werk. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 30,4% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 21,0%; 37,8% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft onvoldoende autonomie in het werk. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 25,5% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 16,4%; 25,1% van de werknemers met een zware arbeidshandicap krijgt onvoldoende steun van de directe leiding. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 21,1% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 12,7%; 35,9% van de werknemers met een zware arbeidshandicap heeft af te rekenen met fysiek belastende arbeidsomstandigheden. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat 28% en bij de werknemers zonder arbeidshandicap 12%; Het frequenter voorkomen van elk van de werkbaarheidsrisico’s bij werknemers met een arbeidshandicap betekent ook dat twee op de drie van de werknemers met een zware arbeidshandicap twee of meer werkbaarheidsrisico’s cumuleren. Bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat één op de twee en bij de werknemers zonder arbeidshandicap daalt dit naar één op de drie. De evolutie van de risico’s in de arbeidssituatie sinds 2007 bij werknemers met een arbeidshandicap komt deels overeen met deze bij werknemers zonder arbeidshandicap. De toename van de werkdruk en de emotionele belasting, de verbetering op het vlak van autonomie en ondersteuning van de direct leiding manifesteren zich bij alle werknemers, ook deze met een arbeidshandicap. De toename van het aandeel werknemers tewerkgesteld in fysiek belastende arbeidsomstandigheden vinden we bij alle werknemers maar ze is enkel voor de werknemers zonder arbeidshandicap statistisch significant. De verbetering inzake routinematig werk vinden we niet terug bij de werknemers met een arbeidshandicap.

44


Arbeidshandicap en werkbaar werk

3

Aanvullende informatie over de arbeidssituatie van werknemers met een arbeidshandicap

In de werkbaarheidsmonitor wordt ook aanvullende informatie opgevraagd over de arbeidssituatie en werkbeleving van de werknemer. Bij de meting 2019 werden gegevens verzameld over opleidingsparticipatie, arbeidstijdregelingen, telewerk, pendeltijden, grensoverschrijdend gedrag, verloopintentie en de haalbaarheid om door te werken tot de pensioenleeftijd. In dit hoofdstuk brengen we deze informatie bijeen en geven de vergelijkende cijfers voor werknemers zonder arbeidshandicap, werknemers met een beperkte arbeidshandicap en werknemers met een zware arbeidshandicap.

3.1

Opleidingsparticipatie

Tabel 20 rapporteert cijfergegevens over de opleidingsparticipatie. Meer dan zes op de tien (61,3%) van de werknemers zonder arbeidshandicap nam in het jaar dat aan de meting voorafgaat, deel aan een bijscholing of bedrijfstraining. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en de werknemers met een zware arbeidshandicap was dat respectievelijk 55,9% en 48%. Tabel 20:

Opleidingsparticipatie van werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (beperkte of zware) arbeidshandicap, 2019 zware arbeidshandicap

deelname aan bijscholing of bedrijfstraining in het afgelopen jaar

beperkte arbeidshandicap

geen arbeidshandicap

%

%

%

48,0

55,9

61,3

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019

3.2

Atypische werktijden

De informatie over het aandeel werknemers in specifieke arbeidstijdregelingen (deeltijds werk, onvoorspelbare werkroosters, nachtarbeid, overwerk, behandeling e-mails of telefonische bereikbaarheid buiten de werkuren) wordt weergegeven in tabel 21.

45


Arbeidshandicap en werkbaar werk Tabel 21:

Arbeidstijdregimes van werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (beperkte of zware) arbeidshandicap, 2019 zware arbeidshandicap

beperkte arbeidshandicap

geen arbeidshandicap

%

%

%

verdeling voltijders - deeltijders voltijders

48,1

59,4

71,0

deeltijders ≥ 60%

26,5

26,1

21,9

deeltijders < 60%

25,4

14,5

7,1

geen

45,3

43,7

48,6

sporadisch

30,4

39,2

35,1

frequent

24,3

17,1

16,3

geen nachtwerk

89,5

86,8

86,9

1-2 nachtprestaties/maand

2,3

4,5

4,7

roosterwijzigingen

nachtarbeid

3-10 nachtprestaties/maand

5,8

6,8

6,7

>10 nachtprestaties/maand

2,3

1,9

1,7

geen/sporadisch overwerk

65,6

61,2

56,9

frequent overwerk met recuperatie

16,8

19,0

17,9

frequent overwerk zonder recuperatie

17,6

19,8

25,2

overwerk

behandeling e-mails buiten de werkuren neen

50,1

47,1

39,3

sporadisch

21,0

25,1

26,7

regelmatig

28,9

27,8

34,0

neen

32,8

24,6

25,9

sporadisch

25,8

33,2

33,7

regelmatig

41,4

42,2

40,4

40,9

41,6

telefonische bereikbaarheid buiten de werkuren

effectieve gemiddelde wekelijkse arbeidsduur voltijders (aantal uren per week ) 40,3

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019

Bij de werknemers met een arbeidshandicap is er een groter aandeel dat deeltijds werkt dan bij de werknemers zonder arbeidshandicap. Van de laatstgenoemden werkt 29% deeltijds. Van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap werkt 40,6% deeltijds en bij de werknemers met een zware arbeidshandicap is dat 51,9%.

46


Arbeidshandicap en werkbaar werk

56,3% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 54,7% van de werknemers met een zware arbeidshandicap worden (sporadisch of frequent) geconfronteerd met wijzigingen in het uurrooster. Bij de werknemers zonder arbeidshandicap gaat het om 51,4%. 10,5% van de werknemers met een zware arbeidshandicap en 13,2% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap doen op regelmatige basis nachtwerk (prestaties tussen 23u00 en 5u00). Bij de werknemers zonder arbeidshandicap gaat het om 13,1%. Ongeveer een derde (34,4%) van de werknemers met een zware arbeidshandicap en 38,8% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap werkt regelmatig over. Bij de werknemers zonder arbeidshandicap werkt iets meer dan vier op de tien (43,1%) regelmatig over. Bij de werknemers zonder arbeidshandicap is er een groter aandeel dat buiten de werkuren thuis regelmatig e-mails behandelt (34% versus 28,9% van de werknemers met een zware arbeidshandicap en 27,8% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap). Bij de werknemers zonder arbeidshandicap of met een beperkte arbeidshandicap is ongeveer drie op de vier telefonisch bereikbaar buiten de werkuren, bij de werknemers met een zware arbeidshandicap is dat zeven op de tien. De gemiddelde effectieve arbeidsduur bij voltijders bedraagt 40,3 uur bij werknemers met een zware arbeidshandicap, 40,9 uur bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 41,6 uur bij werknemers zonder arbeidshandicap.

3.3

Telewerken

Bij de werknemers met een arbeidshandicap is er een kleiner aandeel dat (sporadisch of systematisch) thuiswerkt dan bij de werknemers zonder arbeidshandicap. Van de laatstgenoemden werkt 12,3% systematisch en 10,7% sporadisch thuis. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap is dat respectievelijk 7,4% en 5,6% en bij werknemers met een zware arbeidshandicap gaat het om respectievelijk 7,3% en 5,0%. Tabel 22:

Aandeel telethuiswerkers bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (beperkte of zware) arbeidshandicap, 2019 zware arbeidshandicap

beperkte arbeidshandicap

geen arbeidshandicap

%

%

%

geen telethuiswerk

87,7

87,0

77,0

sporadisch telethuiswerk (< 1 dag/week)

5,0

5,6

10,7

systematisch telethuiswerk (≥ 1 dag/week)

7,3

7,4

12,3

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019

3.4

Woon-werkverkeer en pendeltijden

In tabel 20 kunnen we zien dat de pendeltijden van werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een beperkte arbeidshandicap ongeveer gelijklopend zijn. Bij de werknemers met een zware arbeidshandicap is het aandeel dat dagelijks een uur of langer onderweg is (van en naar het werk) kleiner (30,2%) dan bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap (33,3%) of de werknemers zonder arbeidshandicap (35,5%).

47


Arbeidshandicap en werkbaar werk Tabel 23:

Dagelijkse pendeltijden van werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (beperkte of zware) arbeidshandicap, 2019 zware arbeidshandicap

beperkte arbeidshandicap

geen arbeidshandicap

%

%

%

minder dan een half uur

35,2

37,1

35,1

minstens een half uur maar minder dan een uur

34,6

29,5

29,3

minstens een uur maar minder dan twee uur

21,2

23,4

25,1

twee uur of meer

9,0

9,9

10,4

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019

3.5

Grensoverschrijdend gedrag

Tabel 24 inventariseert de informatie uit de werkbaarheidsenquête 2019 over het voorkomen van verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag, met name: (verbale) intimidatie of bedreiging, ongewenst seksueel gedrag, (fysieke) agressie en pestgedrag. Tabel 24:

Aandeel werknemers dat slachtoffer werd van lichamelijk geweld, intimidatie, ongewenst seksueel gedrag, pesten 2019 zware arbeidshandicap

beperkte arbeidshandicap

geen arbeidshandicap

%

%

%

nooit

90,8

91,8

94,2

sporadisch

8,0

7,1

5,1

regelmatig

1,1

1,1

0,7

nooit

71,9

74,1

83,2

sporadisch

19,5

22,3

14,3

regelmatig

8,6

3,6

2,5

nooit

92,3

94,2

96,7

sporadisch

7,7

5,5

3,1

regelmatig

0,0

0,3

0,2

slachtoffer van lichamelijk geweld

slachtoffer van intimidatie of bedreiging

slachtoffer van ongewenst seksueel gedrag

slachtoffer van pesten nooit

76,7

82,7

90,7

sporadisch

17,0

13,9

7,8

regelmatig

6,3

3,4

1,5

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019

Van de werknemers zonder arbeidshandicap werd 5,8% (minstens één keer in het afgelopen jaar) het slachtoffer van lichamelijk geweld en 16,8% van intimidatie of bedreiging. Bij de werknemers

48


Arbeidshandicap en werkbaar werk

met een beperkte arbeidshandicap was dat respectievelijk 8,2% en 25,9% en bij de werknemers met een zware arbeidshandicap ging het om respectievelijk 9,1% en 28,1%. Bij werknemers met een arbeidshandicap werd een aanmerkelijk groter aandeel geconfronteerd met ongewenst seksueel gedrag. Terwijl 3,3% van de werknemers zonder arbeidshandicap (sporadisch of regelmatig) geconfronteerd werd met ongewenst seksueel gedrag, was dat 5,8% bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 7,7% bij werknemers met een zware arbeidshandicap. Ook het aandeel dat slachtoffer werd van pestgedrag ligt veel hoger bij werknemers met een arbeidshandicap. Bij de werknemers zonder arbeidshandicap werd 9,3% geconfronteerd met pestgedrag terwijl dat bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap 17,3% was en 23,3% bij werknemers met een zware arbeidshandicap. Een combinatie van de verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag laat zien dat 38,8% van de werknemers met een zware arbeidshandicap, 35,8% van de werknemer met een beperkte arbeidshandicap en 23,3% van de werknemers zonder arbeidshandicap in het afgelopen jaar geconfronteerd werden met één of andere vorm van grensoverschrijdend gedrag. Figuur 18: Aandeel werknemers dat slachtoffer werd grensoverschrijdend gedrag (sporadisch, regelmatig), 2019

50%

40%

38,8%

35,8%

30%

23,3%

20%

10%

0%

zware arbeidshandicap

beperkte arbeidshandicap

geen arbeidshandicap

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019

3.6

Indicatoren voor duurzame inzetbaarheid

Tabel 25 bevat een aantal indicatoren van duurzame inzetbaarheid voor 2019, met gegevens over het ziekteverzuim, de verloopintentie, de werkonzekerheid en de inschatting van de werknemers van de haalbaarheid om (in de huidige job) door te werken tot de pensioenleeftijd.

49


Arbeidshandicap en werkbaar werk

Van de werknemers met een zware arbeidshandicap was 37,6% drie of meer keer afwezig op het werk door ziekte of een ongeval. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap was dat 18,5% en bij werknemers zonder arbeidshandicap was 7,8% frequent afwezig. Ook voor het langdurig ziekteverzuim zijn de verschillen groot. 34,8% van de werknemers met een zware arbeidshandicap, 22,4% van de werknemers met een beperkte arbeidshandicap en 6,8% van de werknemers zonder arbeidshandicap, waren meer dan 20 dagen afwezig (in het jaar dat aan de enquête voorafging) door ziekte of een ongeval. Tabel 25:

Gerapporteerd ziekteverzuim, verloopintentie, inschatting werkonzekerheid en haaalbaarheid om door te werken tot het pensioen naar arbeidshandicap, 2019 zware arbeidshandicap

beperkte arbeidshandicap

geen arbeidshandicap

%

%

%

frequent ziekteverzuim ( ≥ 3 keer afwezig/in afgelopen jaar)

37,6

18,5

7,8

langdurig ziekteverzuim ( > 20 dagen afwezig/in afgelopen jaar)

34,8

22,4

6,8

regelmatig op zoek naar ander werk

17,4

12,6

9,8

kans op jobverlies groot

9,6

3,9

2,5

doorwerken in huidige job tot pensioen haalbaar

37,1

46,2

66,5

doorwerken tot pensioen haalbaar, mits aangepast werk

54,8

48,4

30,9

doorwerken tot pensioen niet haalbaar

8,1

5,5

2,6

ziekteverzuim

verloopintentie en werkonzekerheid

haalbaarheid pensioen*

Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 *

De antwoordpercentages voor de variabele ‘haalbaarheid pensioen’ hebben enkel betrekking op de doelgroep van 40 jaar en ouder.

Het aandeel dat actief naar ander werk uitkijkt is bijna dubbel zo groot bij werknemers met een zware arbeidshandicap (17,4%) dan bij werknemers zonder arbeidshandicap (9,8%). Bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap is 12,6% regelmatig op zoek naar ander werk. Ongeveer vier op de tien (37,1%) van de werknemers met een zware arbeidshandicap oordeelt dat het haalbaar is om in de huidige job tot het pensioen door te werken. 54,8% van deze werknemers geeft aan dat doorwerken enkel kan mits aangepast werk (lichter werk, deeltijds werk) en 8,1% acht doorwerken tot het pensioen sowieso niet haalbaar. Bij de werknemers met een beperkte arbeidshandicap registreren we 46,2%, 48,4% en 5,5% als respectieve cijfers. Bij de werknemers zonder arbeidshandicap gaat het om respectievelijk 66,5%, 30,9% en 2,6%.

3.7

Samenvatting

Niet alleen de werkbaarheidsrisico’s geven aan dat de arbeidssituatie van de werknemers met een arbeidshandicap in een aantal opzichten precairder is dan deze van de werknemers zonder arbeidshandicap. Werknemers met een arbeidshandicap nemen ook minder deel aan bijscholing, ze werken vaker halftijds en ze schatten de kans op jobverlies hoger in. Een ander aandachtspunt bij werknemers met een arbeidshandicap is dat zij frequenter dan andere werknemers aangeven

50


Arbeidshandicap en werkbaar werk

in het afgelopen jaar slachtoffer te zijn geweest van grensoverschrijdend gedrag. Het kan hierbij gaan over lichamelijk geweld, intimidatie, ongewenst seksueel gedrag en/of pesten. Werknemers met een arbeidshandicap scoren minder gunstig op de indicatoren voor duurzame inzetbaarheid: er is meer ziekteverzuim, een hogere verloopintentie en in de huidige job doorwerken tot het pensioen is voor een groter aandeel niet haalbaar, en dit in vergelijking met werknemers zonder arbeidshandicap.

51


Arbeidshandicap en werkbaar werk

Lijst figuren Figuur 1:

Aandeel werknemers met een (beperkte of zware) arbeidshandicap, 2007-2019 14

Figuur 2:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar geslacht, 2019 .................. 15

Figuur 3:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar leeftijd, 2019 ..................... 16

Figuur 4:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar scholingniveau, 2019 ........ 17

Figuur 5:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar beroepsgroep, 2019 ......... 18

Figuur 6: Vergelijking verdeling werknemers met arbeidshandicap en verdeling alle werknemers naar beroepsgroep, 2019 ..................................................................................... 19 Figuur 7:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar sector, 2019...................... 20

Figuur 8: Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2007-2019 bij werknemers met een beperkte en werknemers met een zware arbeidshandicap ...................................................................... 22 Figuur 9: Aantal werkbaarheidsrisico’s waarmee werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap geconfronteerd worden (2019) ..... 34 Figuur 10: Risicoprofiel voor werkstressproblemen bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap, 2019 ............................................................................................................. 36 Figuur 11: Risicoprofiel voor werkstressproblemen bij werknemers met een zware arbeidshandicap, 2019 ............................................................................................................. 37 Figuur 12: Risicoprofiel voor motivatieproblemen bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap, 2019 ............................................................................................................. 38 Figuur 13: Risicoprofiel voor motivatieproblemen bij werknemers met een zware arbeidshandicap, 2019 ............................................................................................................. 39 Figuur 14: Risicoprofiel voor onvoldoende leermogelijkheden bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap, 2019 .............................................................................................. 40 Figuur 15: Risicoprofiel voor onvoldoende leermogelijkheden bij werknemers met een zware arbeidshandicap, 2019 ............................................................................................................. 41 Figuur 16: Risicoprofiel voor problemen met de werk-privécombinatie bij werknemers met een beperkte arbeidshandicap, 2019 .............................................................................................. 42 Figuur 17: Risicoprofiel voor problemen met de werk-privécombinatie bij werknemers met een zware arbeidshandicap, 2019 ................................................................................................... 43 Figuur 18: Aandeel werknemers dat slachtoffer werd grensoverschrijdend gedrag (sporadisch, regelmatig), 2019 ..................................................................................................................... 49

52


Arbeidshandicap en werkbaar werk

Lijst tabellen Tabel 1:

Aandeel werknemers met/zonder een arbeidshandicap, 2007-2019 ................... 13

Tabel 2: Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar geslacht, leeftijd en scholingsniveau, 2019 .............................................................................................................. 15 Tabel 3:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar beroepsgroep, 2019 ......... 18

Tabel 4:

Aandeel werknemers met een arbeidshandicap naar sector, 2019...................... 20

Tabel 5: Evolutie van de werkbaarheidsgraad bij werknemers met en zonder een (zware of beperkte) arbeidshandicap op de Vlaamse arbeidsmarkt ......................................................... 22 Tabel 6: Overzicht en omschrijving werkbaarheidsindicatoren Vlaamse werkbaarheidsmonitor .............................................................................................................. 23 Tabel 7:

Terminologie voor de kengetallen voor de werkbaarheidsindicatoren .................. 23

Tabel 8: Evolutie 2007-2019 van het aandeel met werkstressproblemen en burnoutsymptomen bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap. ...................................................................................................... 24 Tabel 9: Evolutie 2007-2019 van het aandeel met (ernstige) motivatieproblemen bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap. ...................................................................................................................... 25 Tabel 10: Evolutie 2007-2019 van het aandeel met onvoldoende leermogelijkheden bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap. ...................................................................................................................... 26 Tabel 11: Evolutie 2007-2019 van het aandeel met een (acuut) problematische werkprivébalans bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap. ...................................................................................................................... 27 Tabel 12:

Overzicht en omschrijving risico-indicatoren Vlaamse werkbaarheidsmonitor ..... 28

Tabel 13:

Terminologie voor de kengetallen voor de risico-indicatoren ............................... 28

Tabel 14: Evolutie 2007-2019 van het aandeel met een (acuut) problematische werkdruk bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap. ...................................................................................................................... 29 Tabel 15: Evolutie 2007-2019 van het aandeel met een emotioneel belastend werk bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap. ...................................................................................................................... 30 Tabel 16: Evolutie 2007-2019 van het aandeel met (extreem) routinematig werk bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap. ...................................................................................................................... 30 Tabel 17: Evolutie 2007-2019 van het aandeel met onvoldoende autonomie bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap. ......... 31 Tabel 18: Evolutie 2007-2019 van het aandeel dat geconfronteerd wordt met onvoldoende steun vanuit/negatieve relatie met de directe leiding, bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap. ..................................................... 32

53


Arbeidshandicap en werkbaar werk

Tabel 19: Evolutie 2007-2019 van het aandeel dat met belastende arbeidsomstandigheden geconfronteerd wordt, bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (zware of beperkte) arbeidshandicap. .................................................................................................. 33 Tabel 20: Opleidingsparticipatie van werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (beperkte of zware) arbeidshandicap, 2019 ................................................................ 45 Tabel 21: Arbeidstijdregimes van werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (beperkte of zware) arbeidshandicap, 2019 ....................................................................... 46 Tabel 22: Aandeel telethuiswerkers bij werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (beperkte of zware) arbeidshandicap, 2019 ................................................................ 47 Tabel 23: Dagelijkse pendeltijden van werknemers zonder arbeidshandicap en werknemers met een (beperkte of zware) arbeidshandicap, 2019 ................................................................ 48 Tabel 24: Aandeel werknemers dat slachtoffer werd van lichamelijk geweld, intimidatie, ongewenst seksueel gedrag, pesten 2019................................................................................ 48 Tabel 25: Gerapporteerd ziekteverzuim, verloopintentie, inschatting werkonzekerheid en haaalbaarheid om door te werken tot het pensioen naar arbeidshandicap, 2019 ..................... 50

54


Arbeidshandicap en werkbaar werk

Referentielijst Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2019a). Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2019 - werknemers. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13448 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2019b). Methodologie Vlaamse werkbaarheidsmonitor. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13437 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2020). Wat maakt werk werkbaar voor werknemers? Onderzoek naar determinanten van werkbaar werk op basis van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2004-2019. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13638

55


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
STIA_20210224_Arbeidshandicap_WKN_RAP.pdf by Vlaanderen-be - Issuu