Uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/312
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2020/312
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 2 november 2020 diende xxx een verzoek in bij de Vlaamse Vervoersmaatschappij De Lijn (hierna vermeld als: De Lijn) om een afschrift te verlenen van de verslagen van het Managementcomité (Raad van Directeuren) bij De Lijn van de maanden augustus, september en oktober 2020. De Lijn heeft met zijn beslissing d.d. 22 november 2020 het openbaarheidsverzoek gedeeltelijk ingewilligd. Op 23 november 2020 diende verzoeker via mail een beroep in bij de beroepsinstantie tegen voormelde gedeeltelijke weigeringsbeslissing van De Lijn. Dit beroep werd geregistreerd op 24 november 2020. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijk openbaarheidsverzoek dateert van 2 november 2020. De gedeeltelijke weigeringsbeslissing van De Lijn dateert van 22 november 2020. Deze beslissing maakt melding van de beroepsmogelijkheid en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het Bestuursdecreet. Het beroepschrift van verzoeker d.d. 23 november 2020 is bijgevolg tijdig ingediend en wordt dan ook als ontvankelijk beschouwd.
www.vlaanderen.be
Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Het oorspronkelijk verzoek
In zijn oorspronkelijk verzoek van 2 november 2020 vroeg xxx bij De Lijn om een afschrift van de verslagen van het Managementcomité (Raad van Directeuren) bij De Lijn van de maanden augustus, september en oktober 2020.
2. De bestreden beslissing Op 22 november 2020 willigde De Lijn het openbaarheidsverzoek gedeeltelijk in. Daarvoor werd verwezen naar de toepassing van de artikelen II.34, 3° (geheim van de beraadslaging) en II.35, 1° van het Bestuursdecreet (economisch, financieel of commercieel belang van een overheidsinstantie).
3. Inhoud van het beroepschrift Verzoeker stelt beroep in tegen de wijze waarop in de door De Lijn overgemaakte dossiers, passages worden zwartgemaakt. In alle verslagen geldt dat voor het zwart maken van passages vlak na de vermelding van de aanwezigen. Vermits uit niets valt op te maken dat dit te maken zou hebben met privacy van personen of met de bescherming van de economische, financiële of commerciële belangen van VVM - De Lijn, vraagt verzoeker aan de beroepsinstantie om deze passages te onderzoeken. Verzoeker wijst er ook op dat bv. de secretaris die de verslagen maakte, niet meer herkenbaar is. Verder stelt verzoeker dat op verschillende plaatsen namen -die nochtans publiek gekend zijn en zomaar uit de samenhang kunnen gehaald worden- systematisch worden zwart gemaakt. Dit toont aan dat onnodig passages worden zwart gemaakt. Verzoeker vraagt aan de beroepsinstantie om die passages terug leesbaar te maken.
4. Standpunt van de beroepsinstantie De beroepsinstantie ontving vanuit De Lijn de integrale notulen van de vier vergaderingen van het Managementcomité bij De Lijn van de maanden augustus, september en oktober 2020, zodat de beroepsinstantie zelf kennis kon nemen van de inhoud ervan en van de weggelaten informatie. Het komt nu aan de beroepsinstantie toe om na te gaan in hoeverre bepaalde informatie al dan niet terecht onleesbaar werd gemaakt door De Lijn in haar beslissing d.d. 22 november 2020.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/312
pagina 2 van 6
a) Weglating van de namen van bepaalde personen bij de vergaderingen van het Managementcomité bij De Lijn in de aanhef van de vier verslagen (aanwezigheid op de vergadering) De beroepsinstantie stelt inderdaad vast dat in de vier verslagen van de vergaderingen van het Managementcomité bij De Lijn die aan verzoeker werden toegestuurd op 22 november 2020, de namen van bepaalde personen die deelnemen aan de vergaderingen en die vermeld worden vooraan het verslag onleesbaar zijn gemaakt. Bij De Lijn wordt in dat verband gewezen naar de toepassing van artikel II.34, 2° Bestuursdecreet. Voormelde decreetbepaling bevat de verplichting om, behoudens toestemming van de betrokkene, een aanvraag af te wijzen als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze bepaling laat niet toe dat gegevens worden verstrekt die de identificatie van derden mogelijk maken, in de mate dat daarmee afbreuk zou worden gedaan aan de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Hoewel het hier om een absolute uitzonderingsgrond gaat waardoor er geen belangenafweging moet plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, vertoont de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet voorziene uitzonderingsgrond niettemin een relatief aspect. De decreetgever was weliswaar van oordeel dat er geen afweging vereist is met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend, maar wijst er desondanks op dat telkens en in concreto geoordeeld moet worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vlaams Parlement, Parl. St. 2017-2018, nr. 1656/1, blz. 58). Artikel 22 van de Grondwet waarborgt uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, net zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dit doet. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond bestaat er precies in om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privéleven te beschermen. De beroepsinstantie merkt op dat bij het onderzoek naar de uitzonderingsgrond met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van informatie in een bestuursdocument die op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft. In casu stelt de beroepsinstantie vast dat in de aanhef van elk verslag van een vergadering van het Managementcomité bij De Lijn de namen van de vaste leden wél leesbaar worden vermeld, daar de vrijgave van die namen geen inbreuk inhoudt op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die personen. Op de website van De Lijn is de volledige samenstelling van het Managementcomité (de vaste leden) immers voor iedereen vrij raadpleegbaar. De namen die wel onleesbaar werden gemaakt in de aanhef van de vier verslagen van de vergaderingen van het Managementcomité bij De Lijn betreffen echter de occasionele leden aan die vergaderingen, waarbij het gaat om personeelsleden van De Lijn. De namen van die personen zijn persoonsgegevens die ontegensprekelijk tot de persoonlijke levenssfeer en het privéleven van de betrokkenen behoren. Daar het hier niet gaat om vaste leden van het Managementcomité bij De Lijn, zijn de namen van die occasionele leden op die vergaderingen niet te achterhalen via de website van De Lijn of via andere mediakanalen. Daarom meent de beroepsinstantie dat die namen van de occasionele leden binnen het Managementcomité van De Lijn dan ook terecht werden afgeschermd door De Lijn, dit in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Op grond van de redenering, zoals hiervoor al werd uiteengezet, gaat het daar om persoonsgegevens van natuurlijke personen, waarvan de bekendmaking wél een afbreuk doet aan de persoonlijke levenssfeer van die personen. Volgens artikel II.50, §1, derde lid van het Bestuursdecreet dient de beroepsinstantie in de regel nog wel de betrokken natuurlijke personen om toestemming aan te schrijven voor het overhandigen van het gevraagde
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/312
pagina 3 van 6
document. Omwille van het omvangrijke aantal personen waarover het hier gaat en bij gebrek aan contactgegevens, ziet de beroepsinstantie daarvan af. De beroepsinstantie is daarom van mening dat het ingestelde beroep, wat dit onderdeel betreft, als ongegrond moet worden beschouwd. b) Weglating van de namen van alle leden van het Managementcomité doorheen de vier verslagen van de vergaderingen zelf De beroepsinstantie kon zelf kennis nemen van de verschillende opgevraagde verslagen. Er wordt vastgesteld dat doorheen de vier verzonden verslagen van het Managementcomité bij De Lijn, bij elk agendapunt de interne beraadslaging rond dat item wordt weergegeven. Om te vermijden dat makkelijk kan worden achterhaald wie welk concreet standpunt heeft ingenomen binnen het Managementcomité (de namen van de betrokkenen wordt immers vermeld en dit bij elk agendapunt in de verslagen), is de beroepsinstantie van oordeel dat in casu terecht die gegevens overal onleesbaar werden gemaakt in de vier opgevraagde verslagen van het Managementcomité. Daarvoor wordt verwezen naar de toepassing van artikel II.34, 3° van het Bestuursdecreet, volgens welke bepaling een aanvraag tot openbaarmaking (gedeeltelijk) moet afgewezen worden als die openbaarmaking afbreuk doet aan het geheim van de beraadslagingen van de organen van de overheidsinstanties die zijn genoemd in artikel II.28, §1 van het Bestuursdecreet. De voormelde uitzonderingsgrond heeft tot doel te vermijden dat een bepaalde discussie zou worden lamgelegd en in de memorie van toelichting bij dat decreetartikel is gestipuleerd dat een document of een deel ervan aan de openbaarheid moet onttrokken worden wanneer, na afweging blijkt dat de lectuur ervan de inhoud van de discussie tijdens een beraadslaging kenbaar maakt, terwijl het een vertrouwelijke discussie betrof. De bepaling van artikel II.34, 3° van het Bestuursdecreet moet strikt worden geïnterpreteerd. Deze uitzondering werd dus in het leven geroepen om de eigenlijke beraadslaging zelf geheim te houden, zodat er niet mag achterhaald kunnen worden, via de openbaarmaking van een document, wie nu precies welk standpunt heeft ingenomen bij de bespreking van een agendapunt binnen een orgaan van een bestuursinstantie. De beroepsinstantie is van oordeel dat in casu deze uitzonderingsgrond van artikel II.34, 3° van het Bestuursdecreet dan ook van toepassing is, daar de bijeenkomsten van het Managementcomité van De Lijn in besloten vergadering plaatsvinden en de vervoersmaatschappij De Lijn ontegensprekelijk een overheidsinstantie is in de zin van het Bestuursdecreet. Daarom bevestigt de beroepsinstantie hierbij uitdrukkelijk het standpunt van De Lijn dat in de verschillende verslagen van de vergaderingen van het Managementcomité bij elke bespreking van een agendapunt, de concrete vermelding van de namen van de aanwezige leden aan die vergadering onleesbaar moet worden gemaakt, zodat niet kan achterhaald worden welk bepaald standpunt die betrokken persoon heeft ingenomen, dit alles in toepassing van artikel II.34,3° van het Bestuursdecreet. Het ingestelde beroep wordt dan ook, wat dit onderdeel betreft, als ongegrond beschouwd. c) Weglaten van kleine stukken uit de inhoud van bepaalde verslagen van het Managementcomité De beroepsinstantie heeft kennis genomen van de volgende passages in twee van de vier opgevraagde verslagen van het Managementcomité van De Lijn, waarbij de inhoud van de bespreking bij een agendapunt voor telkens een heel klein stukje gedeeltelijk onleesbaar werd gemaakt:
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/312
pagina 4 van 6
Verslag d.d. 7 september 2009 Het gaat hier om de weglating van kleine passages op de bladzijden 4, 7, 9 en 10 van dit verslag, waarbij telkens kleine zinssneden onleesbaar werden gemaakt. Het overgrote deel van de inhoud van de desbetreffende agendapunten werd wel openbaar gemaakt.
Verslag d.d. 12 oktober 2020 Het gaat hier om de weglating van enkel kleinere passages op de bladzijden 5 en 7 van dit verslag, waarbij ofwel één alinea of één zinssnede onleesbaar werden gemaakt. Ook hier werd het overgrote deel van de inhoud van de desbetreffende agendapunten wel openbaar gemaakt. De Lijn verwijst ten aanzien van de beroepsinstantie naar de toepassing van artikel II.35, 1° van het Bestuursdecreet, voor wat betreft de voornoemde korte passages uit de beide verslagen die onleesbaar werden gemaakt. Voormeld artikel II.35, 1° van het Bestuursdecreet stipuleert dat een aanvraag om openbaarmaking dient afgewezen te worden indien het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van het economisch, financieel of commercieel belang van een overheidsinstantie. Deze bepaling heeft tot doel de economische, financiële en commerciële belangen van instanties te beschermen tegen het risico van speculatieve daden die voorkennis van informatie kan meebrengen. De beroepsinstantie is van oordeel dat in casu terecht de hiervoor vermelde passages in de beide verslagen onleesbaar werden gemaakt. De beroepsinstantie kon zelf vaststellen dat de hier en daar weggelaten informatie betrekking heeft op gevoelige financiële of commerciële informatie binnen De Lijn, onder meer boekhoudkundige cijfers binnen De Lijn, vertrouwelijke economische info rond het E-Bus project en concrete commercieel gevoelige cijfers inzake dienstverleningskilometers van bus en tram. De beroepsinstantie is van oordeel dat het hier gaat om bedrijfsgevoelige commerciële en financiële informatie van De Lijn, die dient afgeschermd te worden. De beroepsinstantie is in casu van oordeel dat de belangenafweging waartoe artikel II.35, 1° van het Bestuursdecreet, zoals elke relatieve uitzonderingsgrond verplicht, niet tot een oordeel in het voordeel van de beroeper leidt. De weigering van het openbaar maken van die hiervoor vermelde financiële en commerciële gegevens van De Lijn is ingegeven door de vrijwaring van het eigen financieel, commercieel en economisch belang van De Lijn, dat het belang van het integraal openbaar maken van de opgevraagde notulen van de vergaderingen van het Managementcomité van De Lijn in casu overstijgt. De beroepsinstantie moet dan ook vaststellen dat het ingestelde beroep, voor dit onderdeel, als ongegrond moet worden beschouwd. Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 23 november 2020 tegen de gedeeltelijke weigeringsbeslissing van De Lijn d.d. 22 november 2020 wordt als ontvankelijk doch ongegrond beschouwd. Brussel, 24 december 2020
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/312
pagina 5 van 6
Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur,
Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/312
pagina 6 van 6