Skip to main content

h20_Naar een functioneel ecologisch netwerk in Vlaanderen.pdf

Page 1

L E F A T S D U O H N I

20. Naar een functioneel ecologisch netwerk in Vlaanderen . . . . . . . . . . . . . . . . . 177 KRIS DECLEER, MIEKE DEWILDE & VALERIE GOETHALS - Waarom een ecologisch netwerk ? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 177 - Beleidsstrategie en juridische randvoorwaarden in Vlaanderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 178 - Evaluatie van het geplande beleid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185 - Beperkingen door de algemene aanpak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185 - De oppervlaktebeperking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185 - De planologische beperkingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 186 - Gebrek aan een totaalvisie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 186 - De categorie "Natuurbuffergebied" ontbreekt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 186 - De procedure tot vaststelling van VEN en IVON is erg omslachtig . . . . . . . . . . . . . . . . . . 187 - De bevoegdheden voor afbakening van het IVON zijn versnipperd . . . . . . . . . . . . . . . . . 187 - Representatieve case-studie : potentiĂŤle grote eenheden heidegebied in NO-Limburg . . 187 - Conclusies en aanbevelingen voor het geplande beleid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 187


20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen

20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen KRIS DECLEER, MIEKE DE WILDE & VALÉRIE GOETHALS

Waarom een ecologisch netwerk? De voorbije eeuw is een sterke achteruitgang van de natuur opgetreden. Oorzaken hiervoor zijn te vinden in de sterke versnippering, het verlies en de kwaliteitsvermindering van verschillende natuurlijke habitats. Het huidige natuurbeleid moet zich concentreren op het behoud en, waar mogelijk, een verhoging van de biodiversiteit (cf. o.a. Verdrag inzake biologische diversiteit, door België geratificeerd op 22/11/96). Een betere bescherming, zo mogelijk het herstel en een aangepast intern en extern beheer van de Vlaamse natuurgebieden, dringen zich op. Ook horizontale maatregelen buiten de beschermde gebieden zijn nodig. Diverse concrete acties werden hiervoor ondertussen opgestart in het kader van het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001. Hoewel sommige diersoorten strikt gebonden kunnen zijn aan één bepaalde plant, hebben levende organismen doorgaans een habitat nodig dat bestaat uit een minimum oppervlakte leefgebied, b.v. grasland, bos, heide,... Verschillende individuen van een soort, die zich binnen een bepaald gebied onderling vermengen en voortplanten, vormen samen een populatie. Populaties die op zichzelf duurzaam kunnen blijven bestaan en in een periode van 100 jaar minder dan 5% kans hebben om uit te sterven, worden in de literatuur arbitrair als een "kernpopulatie" bestempeld (VERBOOM et al., 1997). De habitat moet hiervoor aan welbepaalde eisen van oppervlakte en kwaliteit voldoen, rekening houdend met een minimum aantal individuen in de populatie. Door versnippering en kwaliteitsverlies van de meeste natuurlijke habitats kan in Vlaanderen echter voor veel aandachtssoorten in het natuurbehoud geen kernpopulatie meer overleven (b.v. Otter). Vooral voor minder veeleisende soorten of voor kleinere organismen kunnen die wel nog voorkomen in enkele grotere Vlaamse natuurgebieden (b.v. Gentiaanblauwtje in het Groot Schietveld te Brasschaat). Een duurzame populatie kan ook ontstaan wanneer verschillende kleinere deelpopulaties met elkaar in verbinding staan. Een bepaalde deelpopulatie kan tijdelijk verdwijnen, doch door processen van migratie en (her)kolonisatie blijft de populatie als geheel in stand. In dit geval spreekt

men van een netwerkpopulatie of "metapopulatie". Een dergelijke populatiestructuur is in het sterk versnipperde Vlaanderen kenmerkend voor veel soorten, waarbij elke soort wordt getypeerd door een bepaald dispersie-vermogen en reproductie (vergelijk terzake bijvoorbeeld Bosuil, Boswitje (een dagvlinder) en Boswederik). Het leefbaar blijven van een metapopulatie is bijgevolg sterk afhankelijk van de grootte, kwaliteit, hoeveelheid van de verschillende habitatvlekken en de onderlinge bereikbaarheid ervan. Er wordt verondersteld dat de bereikbaarheid kan worden vergroot door ecologische verbindingswegen. Dit kunnen lijnvormige structuren of corridors zijn, zoals houtkanten, bomenrijen, wegbermen, waterlopen en hun oevers e.d., ofwel op puntvormige structuren of "stapstenen", zoals poelen, kleine bosjes, kleine natuurgebiedjes, braakliggende percelen e.d. Het geheel van habitatvlekken en verbindingen vormt dan een zogenaamd ecologisch netwerk. In Figuur 20.1 wordt het ruimtelijk verschil tussen een kern- en metapopulatie schematisch voorgesteld. Figuur 20.1: Ruimtelijke voorstelling kernpopulatie-metapopulatie (naar Opdam, 1987)

De waardevolle "natuureilanden" kunnen vaak niet tot een optimale ontwikkeling komen ten gevolge van negatieve omgevingsinvloeden zoals verstoring, vervuiling, verdroging, eutrofiëring,.... De effecten hiervan op het natuurlijk milieu zijn doorgaans sterker naarmate het gebied kleiner of minder is gebufferd. Het is daarom belangrijk dat de milieukwaliteit niet alleen in het natuurgebied zelf, maar ook in het omgevend gebied zo optimaal mogelijk is. Zo kan bijvoorbeeld insijpeling van meststoffen vanuit een aangrenzend akkergebied verantwoordelijk zijn voor het verdwijnen of afwezig blijven van bepaalde gebiedseigen planten- en diersoorten. Of kunnen planten en dieren niet meer naar andere natuurgebieden migreren omdat de milieukwaliteit, de waterkwaliteit bijvoorbeeld, in het omgevend gebied ontoereikend is. Een eerste belangrijke maatregel voor het duurzaam in stand houden van metapopulaties is uitbreiding van de huidige waardevolle natuurgebieden, onder meer door natuur-

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

177


20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen ontwikkeling (grotere populaties, betere buffering tegen negatieve invloeden).Vervolgens moeten de geïsoleerde gebieden onderling verbonden worden door zowel lijnvormige elementen (b.v. houtkanten, wegbermen) als grotere landschappelijke gehelen18. Op die manier ontstaat een ecologisch netwerk dat het duurzaam voorbestaan van de wilde flora en fauna in Vlaanderen moet bevorderen en garanderen.

Structuurplan Vlaanderen (MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, 1998) voorzien 10.000 ha bijkomend bosgebied en 38.000 ha bijkomend natuur- en reservaatsgebied als ruimtelijke bestemmingen. Deze maatregel kan worden benut om de huidige, vaak versnipperde groengebieden zo veel mogelijk tot een ruimtelijk samenhangend geheel te brengen.

Ecologische netwerken kunnen op verschillende schaalniveaus worden uitgewerkt. Binnen elke geografische eenheid vanaf het landschapsniveau en groter, is het belangrijk om ecologische netwerken uit te bouwen. De functionaliteit naar de instandhouding van soorten zal echter sterk verschillen afhankelijk van de schaal. Een terrein dat voor een bepaalde soort hooguit een stapsteenfunctie heeft, kan voor een andere soort een permanent leefgebied vormen of zelfs een kernpopulatie herbergen. Centraal staat dus steeds de keuze voor welke organismen het netwerk functioneel moet zijn en aan welke voorwaarden het netwerk bijgevolg moet voldoen, rekeninghoudend met o.a. habitateisen van de soort en het dispersie- en kolonisatievermogen.

Het Decreet Natuurbehoud voorziet in de afbakening van een Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en een Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk (IVON). In het VEN liggen de voor het natuurbehoud in Vlaanderen prioritaire en meest belangrijke gebieden met een opdeling in GEN (Grote Eenheden Natuur) en GENO (Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling). Deze centrale, ecologische kernstructuur voor Vlaanderen wordt uitgebreid en ondersteund door het IVON, bestaande uit NVWG (Natuurverwevingsgebied) en NVBG (Natuurverbindingsgebied). VEN en IVON samen worden ruimtelijk vaak aangeduid met de term "Natuurlijke Structuur", een begrip uit het Structuurplan Vlaanderen dat in feite ook nog alle natuurwaarden omhelst die buiten VEN en IVON gelegen zijn (b.v. ecologische infrastructuur, natuur in de stedelijke sfeer, geïsoleerde natuurgebieden, maar ook de aanwezige natuurlijke abiotische componenten die aan de basis liggen van de aanwezige natuurtypen).

In de meeste Europese landen is de idee van ecologische netwerken al geruime tijd doorgedrongen tot in de beleidskringen. Diverse landen werken aan een uitwerking van het concept of zijn al volop aan uitvoering toe (b.v. Nederland). Op Europese schaal wordt gewerkt aan het "Paneuropean Ecological Network" (EECONET) van de Raad van Europa (BENNETT, 1991), het NATURA 2000netwerk van de Europese Unie (combinatie van Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden), mede in uitvoering van de "Pan-European biological and landscape diversity strategy" (COUNCIL OF EUROPE et al., 1996). Op Vlaams niveau vindt de idee voor de uitbouw van een ecologisch netwerk een juridische basis in het Decreet op het Natuurbehoud en het Natuurlijk Milieu (B.Vl.R. 21/10/97) en de bindende bepalingen van het Structuurplan Vlaanderen (B.Vl.R. 23/9/97).

Beleidsstrategie en juridische randvoorwaarden in Vlaanderen Waar het beleid zich tot op heden vrijwel uitsluitend richtte op de regelgeving voor soortenbescherming en het vrijwaren van de nog waardevolle, doch vaak geïsoleerde natuurgebieden, ziet men nu in dat deze bescherming onvoldoende is en er ook moet worden gestreefd naar uitbreiding en onderlinge verbinding van deze gebieden tot een samenhangend geheel. De beleidskeuzen naar strategie en uitvoering, evenals de juridische onderbouw worden verder kort toegelicht. De bindende bepalingen van het Ruimtelijk 18

Tegen eind 2002 moet een oppervlakte van 125.000 ha VEN en 150.000 ha NVWG zijn afgebakend (Figuur 20.2 en 20.3). Hierbij worden door het beleid wel bepaalde randvoorwaarden opgelegd wat betreft minimumoppervlakte, planologische bestemming en fasering: • Zowel voor VEN als NVWG werd in het Decreet Natuurbehoud strikt vastgelegd welke planologische bestemmingen voor afbakening in aanmerking komen (Tabel 20.1). • Wat de minimum-oppervlakte betreft, wordt gestreefd naar aaneengesloten gebieden van aanvankelijk minimaal 20 ha, doch tegen de afronding van de afbakening einde 2002 naar minimum 40 ha in het westen van Vlaanderen (West- en Oost-Vlaanderen,West-Brabant) en 100 ha in het oosten (Oost-Brabant, Antwerpen, Limburg). Onder bepaalde strikte voorwaarden kan van deze streefoppervlakten afgeweken worden (b.v. wanneer in het gebied uitzonderlijk waardevolle habitats of Rode lijstsoorten voorkomen). Voor de NVBG is in het decreet geen welbepaalde oppervlakte vastgelegd. De aanduiding ervan komt in een latere fase aan bod en zal ondermeer via de provinciale ruimtelijke structuurplanning worden ingevuld. • De beleidskeuze werd gemaakt om de afbakening van de natuurlijke structuur voor Vlaanderen in verschillende

Voorzichtigheid kan echter aangewezen zijn voor gebieden die in natuurhistorisch opzicht steeds gekenmerkt zijn geweest door een sterke isolatie. In deze gebieden kunnen sommige populaties unieke genetische of ecologische kenmerken bezitten die elders ontbreken.

Instituut voor Natuurbehoud 178

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen fasen te laten verlopen. In een eerste fase moet 60 tot 80.000 ha VEN en 70 tot 80.000 ha NVWG worden aangeduid. Bij de twee volgende fasen zal, gelijktijdig met de lopende gewestplanwijzigingen, een vervollediging naar respectievelijk 125.000 ha en 150.000 ha gebeuren waarbij grotere en meer aaneensluitende ruimtelijke gehelen kunnen worden gevormd. Door het beleid werd geopteerd de oppervlakte aan te duiden als VEN en NVW-gebied proportioneel te verdelen over de verschillende gewestplannen (en provincies), rekeninghoudend met de hoeveelheid "aanwezige natuur" en de hoeveelheid "gewenste natuur" voor elk gewestplan. Het Instituut voor Natuurbehoud werd met deze opdracht belast.Voor de aanwezige natuur werd als maatstaf de huidige oppervlakte van de verschillende VEN- en IVON-waardige gewestplanbestemmingen genomen (Tabel 20.2).Voor de gewenste natuur kon worden teruggevallen op het MINAakkoord van 19/1/93 m.b.t. de realisatie van (een welbepaalde proportie van) de categorieën van de vroegere ontwerpGroene Hoofdstructuur (GHS) voor Vlaanderen (MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, 1991), nl. NKG (natuurkerngebied) en NOG (natuurontwikkelingsgebied)19. Tabel 20.2 geeft een overzicht van de basisgegevens. Bij de berekening van de uiteindelijke indicatieve taakstellende oppervlaktes VEN en NVWG per gewestplan (Tabel 20.3 en Tabel 20.4), wogen beide componenten, gewestplan en proportie GHS, even zwaar door20. Een belangrijk aspect dat bij de aanduiding van een natuurlijke structuur bekeken moet worden, zijn de consequenties voor de erin opgenomen gebieden. Alle gevolgen zijn weergegeven in Tabel 20.5 (zie bijlage bij dit hoofdstuk). Aangezien de totaaloppervlakte aan te duiden VENgebied slechts 125.000 ha bedraagt, is het strategisch erg belangrijk dat de geselecteerde gebieden de hoogste meerwaarde voor het natuurbehoud in Vlaanderen opleveren. Daarom worden door het beleid enkele richtlijnen opgegeven i.v.m. de selectie van VEN- en NVWG-gebieden (Nota aan de Vlaamse regering betreffende de uitvoering van het natuurdecreet en de procedure tot aanduiding van VEN en IVON met referentie VR/99/0203/DOC/0160/BIS: (1) Multifunctionele bossen moeten in de regel als NVWG worden aangeduid. Opname van bossen in VEN is slechts mogelijk als ze voldoen aan tenminste één van de volgende criteria: * bos- of natuurreservaat in de bossfeer; * habitats van communautair belang en gebieden waarin populaties voorkomen van meerdere Rode lijstsoorten en andere aandachtssoorten; 19

20

* een zeer hoge natuurpotentie die gerealiseerd kan worden via een uitvoering van een goedgekeurd beheersplan; * integraal en onafscheidelijk deel uitmakend van een VEN-complex, dat wegens het voorkomen in mozaïek met VEN-waardige habitats (heiden, vennen, moerassen, duinen) niet afzonderlijk als NVWG kan worden afgebakend. (2) Opname van landbouwgronden in het VEN gebeurt eveneens volgens enkele richtlijnen. Dit is niet onlogisch, aangezien 13 % van de groengebieden (excl. P,T en ontginningsgebieden met groene nabestemming) en 43 % van de agrarische gebieden met ecologisch belang (Valleigebied, AEB, ABW) momenteel uit intensief grasland en akker bestaan. Landbouwpercelen binnen de VEN-waardige gebieden die in het MAP niet onder verstrengde bemestingsnormen (nulbemesting of "intermediar bemestingsniveau") vallen, worden zeker in de eerste fase in principe zoveel mogelijk uit het VEN geweerd, tenzij: * de akkers en intensieve graslanden momenteel al natuurtechnisch worden beheerd door een natuurorganisatie; * ze ingesloten worden of in ondeelbaar "complex" liggen met: 1) voor het natuurbehoud belangrijke graslandtypen (BWK: Hp met fauna-belang, Hp* en alle halfnatuurlijke graslandtypen); 2) andere belangrijke habitattypen; * de percelen beperkt zijn in oppervlakte en een essentiële bufferfunctie vormen, waaronder de afgebakende buffers rond de habitats van de Vogelrichtlijngebieden; * de potenties voor natuurherstel en -ontwikkeling zeer groot zijn (b.v. omdat de intensieve landbouw van recente datum is en een snel herstel van de oorspronkelijke natuurwaarden te verwachten valt of via waterpeilverhoging de oorspronkelijke toestand snel min of meer kan worden hersteld); * de percelen strategisch cruciaal gelegen zijn om binnen VEN adequate maatregelen te kunnen nemen voor natuurherstel (b.v. waterpeilverhoging), waarbij intensieve landbouw moeilijk uitvoerbaar wordt. Tabel 20.6 (zie bijlage bij dit hoofdstuk) geeft de precieze relatie weer tussen de verschillende BWK-eenheden en de voorziene bemestingsnormen op de diverse gronden met een natuurfunctie.

Het MINA-akkoord (MINA-RAAD, 1993) stipuleert dat de helft van de oppervlakte NKG en 1/4 van de oppervlakte NOG moet worden gerealiseerd. Voor de verwevingsgebieden komen in aanmerking: de helft van de oppervlakte NKG en 3/4 van de oppervlakte NOG. Een taakstellende oppervlakte per gewestplan werd berekend, zowel op basis van a) de VEN- en IVON-waardige bestemmingen op het gewestplan en b) op basis van de GHS, beiden herleid naar resp. 125.000 en 150.000 ha. De uiteindelijke streefoppervlakte werd bekomen door a/2 + b/2.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

179


20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen

Figuur 20.2: Overzicht van de taakstellende oppervlakte voor het Vlaams Ecologisch Netwerk en het Integraal Verwevings en Ondersteunend Netwerk.

Figuur 20.3: Grafische voorstelling van de taakstellende oppervlakte VEN en IVON op schaal Vlaanderen

Instituut voor Natuurbehoud 180

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen Tabel 20.1: Samenvattende tabel van de planologische beperkingen bij de afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk en de Natuurverwevingsgebieden. Planologische bestemmingscategorieën

Huidige oppervlakte (+ extra via RSV)

VEN

IVON

GEN

GENO

NVWG

112.000 (+ 38.000)

X

X

X

2. Groengebied

2.100

X

X

X

3. Parkgebied, Buffergebied,

31.500

X

X

X

4. Bosgebied, Bosgebied met ecologisch belang

43.000 (+10.000)

X

X

X

5. Gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut met voor natuurbehoud relevante overdruk, b.v. overstromingsgebied, wachtbekken

1.200

X

X

X

6. Militair domein

14.500

X

aansluitende delen

X

335 769

X

X

X X

1. Natuurgebied, Reservaatgebied

7. Duinendecreet : - Beschermde duingebieden - Voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden

3.350

aansluitende delen

X

9. Agrarisch gebied met ecologisch belang,Valleigebied, Brongebied, Agrarisch gebied met bijzondere waarde, Natuurontwikkelingsgebied

18.000

aansluitende delen

X

10. Landschappelijk waardevol agrarisch gebied

345.000

X

11. Recreatiegebied

16.000 (+1000)

X

Af te bakenen oppervlakte volgens RSV Af te bakenen oppervlakte volgens Decreet Natuurbehoud Actueel VEN/NVWG-waardige oppervlakte waarbinnen keuze gemaakt moet worden. 1

75 à 100.000 ha

25 à 50.000 ha

RSV: 70.000 ha

8. Ontginningsgebied met nabestemming B/N/R/G/P/T/H

150.000 ha

125.000 ha

150.000 ha

±225.000 ha1

±586.000 ha

Wanneer alleen rekening wordt gehouden met de bestemmingscategorieën R, N, G, P, T, B, Be, Beschermde duingebieden, de helft van alle agrarische en ontginningsgebieden, blijft 199.000 ha over.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

181


Tabel 20.2: Oppervlakte (ha) van de bestemmingscategorieĂŤn per gewestplan/provincie die in aanmerking komen voor opname in het Vlaams Ecologisch Netwerk en/of in Natuurverwevingsgebied, conform het Decreet Natuurbehoud (gewestplannen geactualiseerd tot 1/1/98). Verklaring van de afkortingen: gewestplanbestemmingen zie Tabel 20.1; GHS = Ontwerp Groene Hoofdstructuur; NKG = Natuurkerngebied; NOG = Natuurontwikkelingsgebied; NVG = Natuurverbindingsgebied.

20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen

182

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

Instituut voor Natuurbehoud


Tabel 20.3:Taakstellende, indicatieve oppervlakte (ha) per gewestplan/provincie (groene balkjes) voor de afbakening van 125.000 ha Vlaams Ecologisch Netwerk in Vlaanderen. In een eerste fase zal 60 Ă 80.000 ha worden aangeduid, waarvoor eveneens taakstellende oppervlakten zijn berekend. Voor de precieze berekeningswijze wordt verwezen naar de tekst. Als maat voor de totale oppervlakte die op het gewestplan in aanmerking komt voor opname in het VEN ("totaal VEN-waard" in de tabel) is de som genomen van de oppervlakte van volgende bestemmingscategorieĂŤn: Reservaat-, Natuur- en Groengebied, Bosgebied en Bosgebied met ecologisch belang, Parkgebied, Buffergebied, beschermd duingebied (Duinendecreet), de helft van de oppervlakte van de groep 'Agrarisch gebied met ecologisch belang' en de helft van de oppervlakte ontginningsgebied met een nabestemming 'natuur' in de brede zin. Deze oppervlakte is in Vlaanderen gelijk aan ruim 199.000 ha. In dit voorbeeld is geen rekening gehouden met aansluitende delen Militair domein.

20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen

Instituut voor Natuurbehoud

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

183


Tabel 20.4: Taakstellende, indicatieve oppervlakte (ha) per gewestplan/provincie (groene balkjes) voor de afbakening van 150.000 ha Natuurverwevingsgebied in Vlaanderen. 70.000 ha NVWG kan binnen landbouwgebied afgebakend worden ("NVWG-L"); 80.000 ha ligt daarbuiten ("NVWG-BL"). In een eerste fase zal in totaal 70 Ă 80.000 ha NVWG worden aangeduid, waarvoor eveneens taakstellende oppervlakten zijn berekend. Voor de precieze berekeningswijze wordt verwezen naar de tekst. Als maat voor de totale oppervlakte die op het gewestplan in aanmerking komt voor opname in NVWG ("totaal NVWG-waard" in de tabel) is de som genomen van de oppervlakte van volgende bestemmingscategorieĂŤn: Agrarisch gebied met ecologisch belang, Valleigebied, Agrarisch gebied met bijzondere waarde, Natuurontwikkelingsgebied, voor het duingebied belangrijk landbouwgebied (Duinendecreet) en Landschappelijk waardevol agrarisch gebied (NVWG binnen landbouwgebied); som van de overige oppervlakte IVON-waardige bestemmingen (NVWG buiten landbouwgebied). Deze oppervlakte is in Vlaanderen gelijk aan ruim ruim 361.000 ha resp. 225.000 ha.

20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen

184

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

Instituut voor Natuurbehoud


20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen

Evaluatie van het geplande beleid

De oppervlaktebeperking van het VEN

Op verschillende niveaus kunnen gefundeerde opmerkingen bij het geplande beleid worden gemaakt.

Waar de Ecologische Hoofdstructuur in Nederland een oppervlakte heeft van 700.000 ha of 20 % van het totale Nederlandse grondgebied (kerngebieden en natuurontwikkelings-gebieden, zonder de grote wateren, zie o.a. VAN ZADELHOFF & LAMMERS,1995 en BAL & REIJNEN, 1997), stelt het decreet een oppervlakte VEN van maximaal 125.000 ha, wat betekent dat slechts 9 % van de oppervlakte van Vlaanderen een hogere staat van bescherming krijgt (zie ook grafische voorstelling in Figuur 20.3).

Beperkingen door de algemene aanpak De resultaten van politiek overleg en compromissen tussen de verschillende sectoren, in het bijzonder landbouw, leggen heel wat voorwaarden (beperkingen) op bij de realisatie van een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen. Bovendien werd geopteerd om gefaseerd te werken vanuit een "bottom-up"-benadering. Daarbij worden gebieden geselecteerd op basis van gewestplanbestemming, oppervlakte, actuele en potentiële biologische waarde, waarmee vervolgens getracht wordt een netwerk te realiseren. In plaats daarvan zou "top-down" kunnen worden gewerkt, waarbij eerst een globale visie wordt ontworpen, in dit geval een 'ideaal netwerk', dat dan voort kan worden verfijnd en uitgewerkt, rekeninghoudend met door het beleid vooropgestelde criteria. Vergelijking met de aanpak in Nederland, een land dat inzake bevolkingsdichtheid en algemene toestand van de natuur sterk gelijkt op Vlaanderen, is interessant. Voor het opstellen van de Ecologische Hoofdstructuur in Nederland heeft men gebruik gemaakt van de beide principes: "bottomup" door enkele welbepaalde soorten te viseren (zeldzame, nationaal en internationaal belangrijke), "top-down" door te streven naar logische structuren en welbepaalde natuurdoeltypen (beheersstrategieën) (Werkdocument IKF-NBLF nr 48, Ontwerpnota Ecosysteemvisie EHS, Wageningen, 1993). Een combinatie van deze twee heeft geleid tot een Ecologische Hoofdstructuur.

Door de rechtstreekse koppeling met de gewestplanbestemmingen resulteert de 'eerlijke' verdeling over de verschillende gewestplannen bovendien in het probleem van moeizame invulling ervan in het westen van Vlaanderen tegenover een groot overschot in het oosten, waaruit selectief moet worden gekozen. Dit netwerk biedt kansen aan een bepaald niveau van biodiversiteit in Vlaanderen. Welke organismen in het bijzonder aandacht verdienen is niet gespecifieerd (i.t.t. EHS Nederland). Ondersteunend wetenschappelijk onderzoek heeft in Nederland voor elk natuurdoeltype bepaald wat de minimumoppervlakte is voor een kernpopulatie van elk van de vooropgestelde doelsoorten (Tabel 20.7). Zo blijkt dat een Kwartelkoning een minimumoppervlakte van 1.000 ha nodig heeft om een kernpopulatie te kunnen vormen (KALKHOVEN et al. 1995).Voor zulke soorten biedt het voorgestelde Vlaamse netwerk weinig garanties. Wel zijn er tal van soorten die minder grote aaneengesloten oppervlakten nodig hebben of als metapopulatie in stand kunnen blijven door vanuit de kleinere gebieden te migreren naar elders via de verbindingsgebieden.

Tabel 20.7: Natuurdoeltype en minimumoppervlakte voor een kernpopulatie van minimum 20 reproducerende wijfjes van enkele doelsoorten (Kalkhoven et al., 1995). doelsoort

natuurdoeltype

minimum oppervlakte noodzakelijk voor een kernpopulatie*

Boommarter

bosgemeenschap van arme zandgrond

20.000 ha

IJsvogel

rivier in gevarieerd milieu

20.000 ha

Nachtzwaluw

boslandschap op arme en lemige zandgronden

10.000 ha

Velduil

duinrietland en ruigte

4.000 ha

Das

heuvelland-hakhout

1.600 ha

Kwartelkoning

Laagveenmoeras

1.000 ha

Dodaars

Laagveenmoeras

800 ha

* Men spreekt van een "kernpopulatie" wanneer de kans op uitsterven van een lokale populatie door demografische toevalsfluctuaties zeer klein is. Op grond van theoretische modellen kan worden aangenomen dat dit bij zoogdieren en vogels het geval is wanneer een lokale populatie tenminste 20 reproducerende vrouwtjes telt, mits er sprake is van een geringe beïnvloeding door toevallige milieu-omstandigheden. Wanneer echter ook de milieustochasticiteit een belangrijke rol speelt, moet de kernpopulatie tenminste 50 reproducerende vrouwtjes bevatten. Essentieel is voorts dat er tenminste een beperkte uitwisseling is met andere populaties. Een volledig geïsoleerde populatie moet nog een veel grotere omvang aan reproducerende vrouwtjes hebben.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

185


20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen Werken met een 'ideaal' netwerk, met logische begrenzingen, zuiver toegespitst op de reële situatie, de ecologische noden en potenties, zou leiden tot een aanzienlijk grotere oppervlakte. Met de voorziene oppervlaktebeperking is de ecologisch optimale of gewenste afbakening niet haalbaar. Aanwijzingen hiervoor zijn: • de ontwerp-Groene Hoofdstructuur (1991-1993): op schaal 1/100.000 werd met een perimeterbenadering ca. 362.000 ha aangeduid als waardevol voor het natuurbehoud (NKG+NOG). Wanneer men ervan uitgaat dat ongeveer de helft NOG nu in de categorie NVWG zou terechtkomen, blijft de totale oppervlakte gewenst VEN nog altijd in de grootte-orde van 250.000 ha, wat neerkomt op ongeveer het dubbele van de huidige doelstelling voor het VEN. • De Biologische waarderingskaart: ca. 275.000 ha in Vlaanderen werden gekarteerd als actueel 'biologisch zeer waardevol' of 'biologisch waardevol'. Wanneer men ervan uitgaat dat ongeveer de helft van de biologisch waardevolle zones in NVWG zou terechtkomen, blijft nog ca. 170.000 ha gewenst VEN over. Daarbij werd nog geen enkele keer rekening gehouden met het noodzakelijk streven naar aaneengesloten, grote gebieden via natuurontwikkeling of -herstel waar grote potenties aanwezig zijn. • Voor de provincies West-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en Limburg werden al concrete denkoefeningen verricht m.b.t. een gewenste natuurlijke structuur, in de geest van het Decreet Natuurbehoud. Alleen van volgende provincies zijn cijfergegevens beschikbaar: • West-Vlaanderen: 32.627 ha GEN en GENO; 32.424 ha NVWG • Vlaams-Brabant: 14.092 ha GEN, 13.353 ha GENO, 20.455 ha NVWG, 2.357 ha bosgebied

De planologische beperkingen Niet alleen de maximale VEN-oppervlakte is een beperkende factor, ook het criterium van de gepaste gewestplanbestemming (Tabel 20.1) maakt dat een groot aantal actueel of potentieel waardevolle gebieden niet in het VEN kunnen worden opgenomen. Het is ook onlogisch dat gronden met de bestemming "bosuitbreidingsgebied" niet in aanmerking kunnen komen voor opname in het VEN of als NVW-gebied. In het Structuurplan Vlaanderen werd bovendien een indicatieve oppervlakteverdeling opgenomen voor de 150.000 ha NVWG, nl. max. 70.000 ha in agrarisch gebied, 40.000 ha in bosgebied, 30.000 ha in overige groene bestemmingen en 10.000 ha recreatiegebied. Hoewel deze verdeling niet werd opgenomen in de bindende bepalingen vormen deze oppervlaktequota een bijkomend probleem om tot een optimale natuurlijke structuur te komen.

Zoals in hoofdstuk 18 is geïllustreerd, hebben de groengebieden op het gewestplan in hoge mate een versnipperde structuur, terwijl het in principe de bedoeling zou moeten zijn om grote, samenhangende, hoogwaardige, goed gebufferde natuurgebieden met voldoende uitwisselingsmogelijkheden tussen populaties, te realiseren. Het hele concept van een ecologisch netwerk wordt door de verschillende politieke overeenkomsten in een 'theoretisch' kader geplaatst, waarbij de vraag kan worden gesteld of dit netwerk nog ecologisch functioneel zal zijn. Directe interactie met de groene gewestplanwijzigingen is van groot belang om grote(re) eenheden natuur in Vlaanderen te realiseren. In de nabije toekomst zullen 48.000 ha bijkomend VEN-waardig gebied kunnen worden aangeduid. Voor het VEN waardevolle gebieden met een 'niet-VEN-waardige' planologische bestemming kunnen zo misschien toch nog in de natuurlijke structuur worden opgenomen. Omdat het structuurplanningsproces volgens een andere besluitvorming loopt, bestaan er op voorhand echter geen garanties dat de noodzakelijke aanpassing van de ruimtelijke uitvoeringsplannen ook effectief op de gewenste plaatsen kunnen worden doorgevoerd. Dit legt dan ook een hypotheek op de realisatie van een zo optimaal mogelijk ecologisch netwerk in Vlaanderen.

Gebrek aan een totaalvisie Bij de huidige gefaseerde afbakening van het VEN is het belangrijk niet louter wetenschappelijk, maar ook steeds strategisch te denken. De meest prioritaire, maar soms geïsoleerde gebieden, aangeduid in een eerste fase, kunnen in een latere fase met elkaar worden verbonden door opname van de tussenliggende verbindingsgebieden. Met deze complexe werkwijze weet echter niemand waar precies wat het einddoel wordt. Daarom is het noodzakelijk dat er eerst een gewenste natuurlijke structuur wordt uitgewerkt, gebaseerd op voor het natuurbehoud belangrijke soorten en gebieden. Diverse andere gegevenslagen kunnen hierbij richtgevend zijn: Habitat- en Vogelrichtlijngebieden, Ramsargebieden, rode-lijst-soorten, de Biologische waarderingskaart, aardkundige waarden, hydrologische gegevens,.... Pas dan kan gefaseerd worden gewerkt aan een netwerk dat het ideale model zo sterk mogelijk benadert.

De categorie "Natuurbuffergebied" ontbreekt In vorige concepten rond een ecologisch netwerk voor Vlaanderen (en ook in het Europese EECONET-concept) is sprake van een categorie "Natuurbuffergebied" met het oog op de bescherming van kwetsbare natuur tegen negatieve invloeden vanuit de nabije omgeving. In de huidige Vlaamse benadering moeten natuurgebieden zichzelf bufferen (zoge-

Instituut voor Natuurbehoud 186

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen naamde 'interne buffering'). Dit houdt dan automatisch in dat de natuurgebieden ruimer moeten worden afgebakend. In vele gevallen is deze werkwijze echter niet realistisch: kwelgebieden b.v. zijn afhankelijk van de kwaliteit van meestal grote gebieden die niet noodzakelijk aangrenzend gelegen zijn. Voor het essentiële bufferbeleid rond natuurgebieden blijft het Decreet Natuurbehoud in gebreke.

De procedure tot vaststelling van VEN en IVON is erg omslachtig In juridische kringen bestaat de vrees dat de verschillende in het Decreet Natuurbehoud voorziene afbakeningsprocedures (eventueel met openbare onderzoeken) problematisch kunnen zijn. De procedures kunnen verschillende keren worden doorlopen (cf. fasering in afbakening), zijn omslachtig en duren erg lang. Een slechte coördinatie bij de afbakening kan leiden tot problemen van rechtszekerheid en tussentijdse natuurhandhaving (ondanks stand-still principe). Er kan worden gevreesd voor verstrekkende gevolgen van eventuele schorsings- of vernietigingsuitspraken door de Raad van State, gelet op de nauwe verbondenheid van de verschillende afbakeningsprocedures (VAN HOORICK, 1998).

De bevoegdheden voor afbakening van het IVON zijn versnipperd De afbakening van VEN en NVWG gebeurt door AMINAL Afdeling natuur, de NVBG zouden volgens het Structuurplan Vlaanderen door de provincies worden aangeduid. Alles zou veel duidelijker en gerichter kunnen gebeuren vertrekkende van een ideale structuur aan de hand waarvan VEN, NVWG en NVBG tesamen worden aangeduid. Bovendien zou dan ook een sterkere positie worden ingenomen bij de argumentatie van de prioritaire "groene" gewestplanherzieningen.

Representatieve case-studie: potentiële grote eenheden heidegebied in NoordoostLimburg Om een inzicht te bekomen in de voorgestelde, meer optimale manier van benadering, wordt een voorbeeld uitgewerkt. Een studie van Noordoost-Limburg (VAN GHELUE et al. 1993) geeft aan waar de huidige heidegebieden zijn gesitueerd en welke gebieden potenties hebben voor heideontwikkeling op basis van de bodem (Bodemkaart van België) en de aanwezige biologische uitgangssituatie (karteringseenheden Biologische waarderingskaart).

Een opvallend aspect is de aanzienlijke versnippering en kleinschaligheid van de huidige heidegebieden. Hier en daar zijn mogelijkheden voor ontwikkeling van grotere eenheden (zie Figuur 20.4). De huidige heidegebieden beslaan een oppervlak van 289 ha, de potentiële heidegebieden 641 ha. Door verbinding van de huidige met de potentiële heidegebieden in de omgeving kunnen grote eenheden worden gevormd van ongeveer 600 ha en van 250 ha, met daarnaast enkele kleinere gebieden. Het grootste deel van het studiegebied bevindt zich op het gewestplan Neerpelt-Bree en beslaat ongeveer een vierde van de oppervlakte ervan. In dit voorbeeld voldoet het gewestplan grotendeels aan de planologische voorwaarden voor afbakening van VEN-gebied. Opname van de grote eenheden heidegebied (huidig en potentieel) zou echter betekenen dat reeds 32% van de maximaal aan te duiden VEN-oppervlakte in dit gewestplan werd ingenomen. Er zullen bijgevolg keuzes moeten worden gemaakt en een groot deel van de groengebieden in Noordoost-Limburg zal niet in het ecologisch netwerk kunnen worden opgenomen. Eenzelfde resultaat valt te verwachten in andere delen van Vlaanderen, indien deze consequente 'wetenschappelijke' benadering van de problematiek wordt gevolgd.

Conclusies en aanbevelingen voor het geplande beleid De realisatie van een "Vlaams Ecologisch Netwerk" en een "Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk" moet volledig kaderen binnen de juridisch bindende randvoorwaarden van het Decreet Natuurbehoud (en uitvoeringsbesluiten) en het Structuurplan Vlaanderen. Een deel van de hoger opgesomde kritieken is in de praktijk bijgevolg weinig relevant. Om de huidige biodiversiteit ten minste te behouden en zo mogelijk te vergroten moet het toekomstig natuurbeleid zich richten op een ontsnippering en vergroting van de voor het natuurbehoud belangrijke habitats (kwetsbare of zeldzame habitats, habitats beschermd door de EGHabitatrichtlijn). Een andere algemene doelstelling, die deels volgt uit de vorige, is de verbetering van de habitatkwaliteit door te zorgen voor een degelijke inrichting en beheer en het handhaven of herstellen van een optimale milieukwaliteit. Deze maatregelen zijn voorzien in het Decreet Natuurbehoud, maar zijn voor een groot deel afhankelijk van een correcte en maximale VEN- en IVON-afbakening. Om de concrete afbakening van VEN en IVON zo optimaal mogelijk te laten verlopen, moeten - vanuit ecologische invalshoek - alvast volgende aanbevelingen ter harte worden genomen:

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

187


20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen • De toelaatbare oppervlakte VEN (9% van Vlaanderen) is beperkt, waardoor vele waardevolle gebieden geen extra bescherming en ontwikkelingsmogelijkheden zullen kunnen genieten. De voorziene taakstellende oppervlaktes moeten absoluut worden gehaald en beschouwd als een ecologisch minimum. • Hoewel de berekeningsmethode om tot een taakstellende oppervlakteverdeling voor VEN en NVWG te komen per gewestplan/provincie op zich verdedigbaar is, moeten deze cijfers slechts als richtinggevend (indicatief) worden beschouwd. Een soepele interpretatie moet toelaten dat op Vlaams niveau in een latere fase in bepaalde regio's prioriteiten kunnen worden gelegd in functie van nader te bepalen natuurdoeltypen of -soorten. Anderzijds moeten de taakstellende cijfers behouden blijven om te vermijden dat in regio's met belangrijke natuur, onder externe druk, aan de legitieme eisen van natuurbehoud wordt verzaakt. • Er moet werk worden gemaakt van een globale, gewenste en functioneel samenhangende VEN- en IVON-structuur voor Vlaanderen. Dit moet in eerste instantie gebeuren op basis van landschapsecologische inzichten en noden. Dit werk is essentieel voor de lokalisatie van de prioritaire groene gewestplanwijzigingen, die momenteel lopen. Er kan worden aanbevolen (ter wille van de coherente aanpak) de verbindingsgebieden tegelijkertijd en bij voorkeur door dezelfde instantie(s) te laten afbakenen. Momenteel wordt geopteerd om de verbindingsgebieden door de provincies te laten bepalen als onderdeel van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan. Dit is niet efficiënt en niet bevorderlijk voor de samenhang van de natuurlijke structuur. • Het juridisch kader moet worden verbeterd om een goede buffering van de waardevolle natuurgebieden te kunnen verzekeren, vooral ten aanzien van kwelgebieden (expliciete koppeling met milieuwetgeving is noodzakelijk, zie ook Het Vlaamse Milieubeleidsplan 1997-2001). • De vaststellingsprocedures zijn complex en zouden eventueel kunnen "verzanden" in juridisch getouwtrek. Sensibilisering en waakzaamheid zijn terzake gewenst. Duidelijkheid naar de burger, belangengroepen en diverse overheden moet worden verzekerd. • Een significante versterking van het aantal deskundige medewerkers bij AMINAL Afdeling Natuur en/of het Instituut voor Natuurbehoud is wenselijk om op korte termijn zowel de bestaande gegevens te "vertalen" als leemten in kennis op te vullen.

Instituut voor Natuurbehoud 188

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen Figuur 20.4: Casestudie voor een wetenschappelijk onderbouwde afbakening van het VEN: huidige en potentiĂŤle heidegebieden in NO-Limburg (toelichtingen in de tekst).

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

189


190 Idem

Niet mogelijk

Overal mogelijk

Subsidi‘ring aankoop in agrarisch gebied en agrarisch gebied met landschappelijke waarde mogelijk indien gronden met actuele hoge natuurwaarde en lage landbouwwaarde (art. 36). Subsidies in dit geval lager dan voor VEN-, groen- en bosgebied.

Aankoopsubsidies erkende private natuurverenigingen

gebruiker kan een vergoeding eisen bij aantoonbaar inkomstenverlies tengevolge van verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen

Vergoedingen inkomstenverlies voor particulieren

mogelijk ten laste van het Vlaams Gewest en mits akkoord eigenaar/gebruiker

Grondruil (eigendom/pacht/recht van gebruik)

• Vlaams Gewest en gemeenten kunnen onteigenen ten behoeve van natuurbehoud • eigenaar kan onteigening eisen

Onteigening • Vlaams Gewest en gemeenten kunnen onteigenen ten behoeve van natuurbehoud

• Vlaamse Gewest : alleen binnen de groen- en bosgebieden en bostuitbreidingsgebieden en binnen een vast te stellen uitbreidingszone van een natuurreservaat • Private natuurverenigingen (voorrang aan Vlaams Gewest) : percelen die ze binnen de groen- en bosgebieden huren of in erfpacht hebben, evenals binnen een vast te stellen uitbreidingszone van een erkend natuurreservaat

• Vlaams Gewest (VLM) : overal (met uitzondering van onroerende goederen uitgesloten in VEN)

• private natuurverenigingen : percelen die ze huren of in erfpacht hebben (maar voorrang aan Vlaams Gewest)

NATUURVERWEVINGSGEBIED

VEN : GEN en GENO 1. TERREINVERWERVING Recht van voorkoop

Overal mogelijk

Niet mogelijk

Idem

Idem NVWG

Idem NVWG

N/R/G/B-gebied buiten VEN en NVWG

Idem NVWG

Niet mogelijk

idem

Idem NVWG

Niet mogelijk

Overig gebied

Tabel 20.5: Beknopt overzicht van de juridische consequenties van de afbakening van natuurgebieden binnen het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en de Natuurverwervingsgebieden (NVWG) m.b.t. het natuurbehoudsbeleid (conform het decreet Natuurbehoud).

Bijlage bij 20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

Instituut voor Natuurbehoud


• in agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied alleen indien gronden met hoge actuele of potenti‘le natuurwaarde en geringe landbouwwaarde en indien de erkenning de agrarische structuur niet aantast • in agrarisch gebied met ecologische waarde kunnen specifieke criteria worden vastgesteld

verplicht voor elk gebied (ook vogelrichtlijngebieden)

5. NATUURRICHTPLANNEN

• mogelijk wanneer minstens 90% gelegen in VEN of groen-, park- buffer- en bosgebied • recht van voorkoop door Vlaams Gewest • recht van voorkoop door private verenigingen voor de percelen die ze in beheer hebben • kavelruil en infrastructuur- en kavelwerken • aanpassing wegen en wegenpatroon • bewarende maatregelen in afwachting van projectuitvoering • tijdelijk opheffen van bevoegdheden van administratieve overheden en openbare besturen • opleggen van tijdelijke erfdienstbaarheden • waterhuishoudingswerken, zoals peilwijziging, wijziging van de structuurkenmerken van de waterlopen en aanpassing van de watertoevoer en Ðafvoer • grondwerken, zoals reli‘faanpassing en afgraving • uitbouw van natuureducatieve voorzieningen • bedrijfsverplaatsing

4. NATUURINRICHTING

Mogelijk onder bepaalde voorwaarden (art. 45)

verplicht voor elk gebied (ook vogelrichtlijngebieden)

• buiten groen-, park-, buffer- en bosgebied enkel : kavelruil infrastructuur- en kavelwerken bedrijfsverplaatsing waterhuishouding : geen peilwijziging, wel wijziging structuurkenmerken van waterlopen en aanpassing watertoevoer en -afvoer

• mogelijk wanneer minstens 90% gelegen in groen-, park-, buffer- en bosgebied

Idem

3. VRIJWILLIGE BEHEERSOVEREENKOMSTEN

in agrarisch gebied met ecologische waarde kunnen specifieke criteria worden vastgesteld

2. ERKENNING NATUURRESERVATEN

Verplicht voor natuurverbindingsgebieden en beheersplan voor natuurreservaten

Idem NVWG

Idem

Verplicht voor natuurverbindingsgebieden en beheersplan voor natuurreservaten

Idem NVWG

Idem

• in agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied indien gronden met hoge actuele of potenti‘le natuurwaarde en geringe landbouwwaarde en indien de erkenning de agrarische structuur niet aantast • in agrarisch gebied met ecologische waarde kunnen specifieke criteria worden vastgesteld

Bijlage bij 20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen

Instituut voor Natuurbehoud

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

191


192 Idem VEN • Behoud van historisch permanent grasland • Behoud van de kwaliteit van de habitats en de kwantiteit van de natuurwaarden • Behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding en het tegengaan van risico van verdroging en aantasting van reli‘f en bodem. Binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden : eveneens herstel hiervan • Behoud of herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van de waterlopen

• Bemesting : cf. mestdecreet • Gebruik bestrijdingsmiddelen verboden, uitgez. gebieden met ontheffing in het kader van het mestdecreet (art. 15¤5lid2 en 4 en art. 15 ¤¤1-4 en ¤6) gronden verworven in de periode tussen de aangifte 1995 en de inwerkingtreding van het mestdecreet • Vegetatiewijziging verboden (incl. meerjarige cultuurgewassen en kleine landschapselementen), behoudens beheersplan in het kader van het bosdecreet • Reli‘fwijziging verboden • Grondwaterpeilverlaging en verbetering van de afwatering verboden (rechtstreeks of onrechtstreeks) • Wijziging van de structuur van waterlopen verboden Slechts stimulerende maatregelen ten aanzien van eigenaars en grondgebruikers, ter bevordering van : natuurgerichte bosbouw en ecologisch verantwoorde bebossing en beheer van de vegetatie van kleine landschapselementen en de flora en fauna behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding, het tegengaan van verdroging en de aantasting van reli‘f en bodem zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies (algemeen) en voor de omliggende gebieden (binnen groen-, park-, buffer- en bosgebieden) behoud en herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van de waterlopen totstandkoming van een verenigbaar, recreatief medegebruik

7. VOORSCHRIFTEN VOOR DE BURGER ( cursief = ontheffing mogelijk)

• Bevorderen van een natuurgerichte bosbouw en het instellen van bosreservaten • Behoud van historisch permanent grasland • Behoud, herstel en/of op natuurelementen met hoge natuurkwaliteit afstemmen van de waterhuishouding (o.a. waterkwaliteit, waterkwantiteit, natuurlijke structuur van de waterlopen en hun randzones), zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft op de omliggende gebieden • Bescherming van infiltratiegebieden • Behoud en herstel van het microreli‘f en de structuur van het landschap • Maatregelen mbt recreatief medegebruik • Maatregelen mbt agrarisch medegebruik

6. MAATREGELEN VAN DE ADMINISTRATIEVE OVERHEID (administraties, provincies, gemeenten, polderbesturenÉ)

Bijlage bij 20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

Instituut voor Natuurbehoud


Bijlage bij 20. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen Tabel 20.6: Mestactieplan : gronden met een natuurfunctie en de bemestingsnormen, zoals bepaald in het decreet van 20/12/95 en B.V.R. 9/2/99

1. HALFNATUURLIJKE TOT

Overige VogelRLG:

IV beschermed habitats en buffers (B.Vl.R. 20/12/85 en 1/07/98) (buiten groep I&II)

Integrale VogelRLG,

III

1 2 2

1 2 2

1 2 3

2 2

3 3

3 3

3 -

2

3

3

-

2

3

3

-

1

2

2

-

3 3

3 3

3 3

3

3

3

3

-

3

3

3

-

3

3

3

-

(B.Vl.R. 20/12/85) (buiten groep I&II)

1 1 1

POTENTIEEL BELANGRIJKE GRASLANDEN

1a. Halfnatuurlijke tot soortenrijke permanente graslanden (of hun verruigingsstadia) : • Ha,Hd,Hn,Hf,Hc,Hj,Hm,Hk,Hv,Hu • Hr, Hp*, Hpr*+Da, Hpr* met elementen van Mr, Mc, Hu, Hc • Hpr+Da, Hpr* zonder elementen van Mr, Mc, Hu, Hc 1b. Graslanden met verspreide biologische waarden • weilandcomplex met veel sloten en/of microreliëf (Hpr) • soortenarme graslanden (Hp) met kleine landschapselementen (Mr,Kn,…), exclusief bomenrijen, houtkanten en hagen (Kb, Kh) • Hp met fauna-belang (weidevogels, overwinterende watervogels) • Hp op lemige en kleiige, relatief vochtige bodems in valleien met hoge ecologische prioriteit (relatie met ecologische typologie en evaluatie van waterlopen) • akkers en soortenarme graslanden (B,Hp,Hx) die deel uitmaken van, een enclave vormen in, of voor 3/4 omgeven s) zijn door een erkend of aangewezen natuurreservaat 2. INTENSIEVE

II Agrarisch gebied met ecologisch belang (s.l.)

BWK-eenheden

I Groengebieden (excl. P,T,ontg.)

GROEP

GRASLANDEN EN AKKERS

• akkers (B) • gedegradeerde of zwak ontwikkelde graslanden met sloten en/of microreliëf (Hpr°) • soortenarme cultuurgraslanden (Hx, Hp), al dan niet met bomenrijen, houtkanten of hagen (Kb of Kh), buiten de sfeer van de valleien en waterrijke gebieden • laagstamboomgaarden (Kl); hoogstamboomgaarden (Kj) zonder ondergroei uit de hoger vermelde categorie; bomenof bloemenkwekerij of serres (Kq) • huiskavels rond landbouwbedrijven BEMESTINGSCATEGORIEËN: 1 2

3 4 -

max. 2 GVE/ha/j max. 2 GVE/ha/j + 100 kg minerale N of max. 170 kg org. N/ha/j + 100 kg minerale N; in groengebieden na 2000 : max. 2 GVE/ha/j max. bemesting "groep natuur" basisnorm combinatie komt niet voor

(*al dan niet in combinatie met andere eenheden, uitgez. akker

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

193


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
h20_Naar een functioneel ecologisch netwerk in Vlaanderen.pdf by Vlaanderen-be - Issuu