Skip to main content

GOVO-rapport-2021-uitgebreid.pdf

Page 1

GOVO Genderonderzoek naar werksituatie en salaris bij de Vlaamse overheid 2018 Rapport 2021

Vlaamse overheid Dienst Diversiteitsbeleid - Statistiek Vlaanderen


GOVO

Genderonderzoek naar werksituatie en salaris bij de Vlaamse overheid

Rapport Vlimpers - data 2018 Oktober 2021

Vlaamse overheid Dienst Diversiteitsbeleid - Agentschap Overheidspersoneel Jolien Voorspoels jolien.voorspoels@vlaanderen.be

Michiel Trippas michiel.trippas@vlaanderen.be

VSA - Statistiek Vlaanderen Walter Van Dongen walter.vandongen@vlaanderen.be


Inhoud 0 1 1b 2 3 4 5 6 7 8 9 9b

Algemene inleiding Profiel van de werknemers van de Vlaamse overheid naar gender Profiel van de werknemers van de Vlaamse overheid naar gender en functieniveau Profiel van de werknemers bij de Vlaamse overheid en in het Vlaamse Gewest Werksituatie en salaris naar gender, functieniveau en leeftijd Verdeling van werknemers naar totaal bruto salaris, gender en andere aspecten (%) Verdeling van werknemers naar totaal bruto salaris, gender en beleidsdomein (%) Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd en andere aspecten Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd en beleidsdomein Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd, beleidsdomein en entiteit Multivariate analyse van totaal bruto en bruto maandsalaris Berekening van salariscomponenten op basis van de regressies

3 16 58 64 77 100 111 126 133 150 158 168

Literatuurlijst

171

Bijlagen 1 Personeelsaantal in Vlimpers naar beleidsdomein en entiteit 2 Definitie van begrippen 3 Componenten van het salaris 4 GOVO - spss-bestand - variabelen

172 173 176 177


Algemene inleiding Achtergrond en doelstelling van het onderzoek De voorbije jaren was het maatschappelijk debat over de ongelijkheid in loopbaan en verloning tussen mannen en vrouwen enigzins op de achtergrond geraakt. Uiteraard onterecht. Het maatschappelijk streven naar (meer) (gender)gelijkheid op de arbeidsmarkt en in organisaties (privé en publiek) is immers een belangrijk onderdeel van de brede democratisering van het maatschappelijk leven (Van Dongen, 2008). Democratisering veronderstelt dat een werkbaar evenwicht worden gerealiseerd tussen de basiswaarden vrijheid, gelijkheid, solidariteit en doelmatigheid. Meer/voldoende gelijkheid gaat daarbij hand in hand met meer/voldoende vrijheid, solidariteit en doelmatigheid. Een voldoende gelijke arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen binnen de organisaties is in dat perspectief een belangrijke doelstelling, met aandacht voor centrale aspecten zoals werktijdregeling, functieniveau, statuut, vergoedingen, samenwerkingsverband, taakinhoud en besluitvorming. De Vlaamse overheid heeft als zeer grote publieke organisatie een voorbeeldfunctie in dat democratiseringsproces. Ze dient bijgevolg de (gender)gelijkheid zo veel en zo breed mogelijk te realiseren in de eigen organisaties. Uiteraard zijn graduele verschillen tussen de diverse organisaties mogelijk en zinvol, uitgaande van de concrete verschillen in opdrachten, beroepen/functies enz. Uitgaande van het fundamenteel principe 'gelijk loon voor gelijk werk' in het Europese en in het Belgische rechtssysteem is het personeelsstatuut van de Vlaamse overheid gericht op de realisatie van (gender)gelijkheid in de verloning. Het salaris wordt bepaald volgens een baremastelsel dat is gebaseerd op factoren als anciënniteit, functieniveau, statuut en werkregime. Tegenover het positieve formele stelsel staan in werkelijkheid hardnekkige genderverschillen in arbeidsparticipatie en verloning. Daarbij spelen verschillen in loopbaanverloop, aantal werkdagen, functieniveau, functie/beroep en groeikansen een grote rol.

3


De concrete betekenis van die structurele factoren voor de loonvorming is gebaseerd op normatieve keuzen in het verleden. Die keuzen staan principieel altijd ter discussie en structurele factoren kunnen worden gewijzigd uit hoofde van wijzigingen in die normatieve keuzen, De voorbije decennia heeft de Vlaamse overheid diverse initiatieven genomen om de bestaande genderongelijkheid in loopbaan en verloning (verder) te verkleinen. Dat is en blijft een werk van lange adem dat consequent moet worden volgehouden. De dienst Diversiteitsbeleid wil de komende jaren opnieuw voldoende aandacht besteden aan het dichten van de genderkloof bij de Vlaamse overheid. Een recurrent grondig genderonderzoek binnen de Vlaamse overheid is daarbij een belangrijk onderdeel. In het kader van het Strategisch Gelijkekansen- en Diversiteitsplan Vlaamse overheid 2016-2020 nam de dienst Diversiteitsbeleid in 2018 het initiatief om GOVO te ontwikkelen: “In tijden waarin heel wat aandacht gaat naar de discussie over de verlenging van de loopbaan, wordt er weinig gesproken over de loopbaankloof tussen mannen en vrouwen. Dat die ‘genderloopbaankloof’ geen evident begrip is, maakt het aanzwengelen van de discussie erover extra moeilijk. Loonkloof, verschil in studiekeuze, verschil in arbeidsmarktpositie, ongelijke vertegenwoordiging in sectoren en in verticale doorstroom: het zijn maar enkele factoren in een complexe thematiek. … Verschillende initiatieven moeten genomen worden om de loopbaankloof te dichten, ook bij de Vlaamse overheid. Hierin kan de Vlaamse overheid als werkgever een voorbeeldrol spelen. Meer transparantie kan genderongelijkheid open aankaarten. De dienst Diversiteitsbeleid zal in de komende jaren een bijkomende inspanning leveren om de genderloopbaankloof bij de Vlaamse overheid in kaart te brengen en te investeren in het verkleinen ervan.” GOVO (Genderonderzoek Vlaamse overheid) is een initiatief van de dienst Diversiteitsbeleid en wordt uitgevoerd in samenwerking met Statistiek Vlaanderen. Het doel is de gender(on)gelijkheid bij de Vlaamse overheid in kaart te brengen, in relatie tot andere belangrijke factoren zoals functieniveau, leeftijd, werktijden, statuut, enz. Het onderzoek behandelt stap voor stap de componenten van de werksituatie en het salaris van de werknemers van de Vlaamse overheid (entiteiten aangesloten bij Vlimpers). De eerste doelstelling is de ontwikkeling en validatie van GOVO als onderzoeksinstrument opdat de analyse driejaarlijks kan worden herhaald. Vanuit het principe van onderbouwd beleid leidt dit tot de tweede doelstelling. De dienst Diversiteitsbeleid zal GOVO gebruiken om te komen tot gerichte aanbevelingen ter bevordering van gendergelijkheid binnen de Vlaamse overheid. Een driejaarlijkse herhaling van GOVO levert daarvoor een goed beeld van de actuele stand van zaken.

4


Data en werkwijze Het onderzoek is eind 2018 opgestart. Het is gericht op alle werknemers van de Vlaamse overheid, d.w.z. werknemers van de entiteiten van de Vlaamse overheid waarvoor het Vlaams Personeelsstatuut van kracht is. Degelijk onderzoek naar de werksituatie en het salaris van werknemers van de Vlaamse overheid vereist een goed databestand met voldoende consistente en betrouwbare gegevens over voldoende werknemers. Daarom wordt gebruik gemaakt van de gegevens van het personeelssysteem Vlimpers dat al geruime tijd van toepassing is en inmiddels de meerderheid van de medewerkers van de Vlaamse overheid omvat. Na overleg met de verantwoordelijken van Vlimpers werd afgesproken om te starten met de data van 2018. In een vervolgonderzoek kunnen recentere data worden gebruikt. De Vlimpers-data van 2018 werden in oktober 2019 geleverd. In 2018 werkten 28.645 personen bij de Vlaamse overheid, tegenover 27.499 personen in 2014. De stijging is grotendeels het gevolg van de zesde staatshervorming waarbij Vlaanderen nieuwe bevoegdheden kreeg en personeelsleden overkwamen van het federale niveau. (Agentschap voor Overheidspersoneel, Statistiek Vlaanderen). Bijlage 1 toont voor 2017 en 2018 het personeelsaantal in Vlimpers, naar beleidsdomein en entiteit. In 2018 telde Vlimpers 20.755 personeelsleden, tegenover 18.737 in 2017, een toename van bijna 11%. Die stijging is hoofdzakelijk te wijten aan de aansluiting van de Vlaamse Landmaatschappij en de Vlaamse Waterweg bij Vlimpers. Het aandeel personeelsleden opgenomen in Vlimpers in het totaal aantal personeelsleden van de Vlaamse overheid steeg van 65,6% in 2017 tot 72,5% in 2018. We gaan ervanuit dat de gegevens van Vlimpers voldoende respresentatief zijn voor alle medewerkers van de Vlaamse overheid, aangezien voor iedereen het Vlaams Personeelsstatuut van kracht is. Toch moet rekening worden gehouden met een kleine foutenmarge. Het vervolgonderzoek zal een ruimere populatie bestuderen wegens de toetreding van een aantal (grote) entiteiten in 2019 en 2020. De Vlimpers-gegevens van 2018 werden geleverd in een Excel-bestand. Het omvat alle gegevens van 20.603 werknemers die bruikbaar zijn voor het onderzoek, over de persoonlijke situatie, over de loopbaan en werksituatie en over de diverse salariscomponenten.

5


De gegevens van het Excel-bestand werden eerst via het statistisch programma SPSS omgezet naar een spss-inputbestand. Vervolgens werden de inputvariabelen in SPSS getransformeerd tot een geheel van variabelen die nodig zijn voor de analyses. Bijlage 4 toont de gebruikte variabelen, met naam en beschrijving. GOVO heeft het voordeel te werken op basis van uitgebreide, reële data. Tegelijk betekent dit dat er variaties in registratie kunnen optreden. Niet elke variabele wordt automatisch geregistreerd in Vlimpers en kan afhankelijk zijn van hoe strikt personeelsleden hun Vlimpers dossier onderhouden. Dit is bijvoorbeeld zo voor de registratie van telewerken (PTOW). We beklemtonen bovendien dat de gegevens van 2018 zijn en dus de werksituatie vóór de COVID-19-crisis weergeven. In dit onderzoek staan genderverschillen (en -gelijkenissen) in de werksituatie en het salaris centraal. De variabele gender is enkel binair (mannen/vrouwen) beschikbaar in de Vlimpers-gegevens (op basis van informatie uit het Rijksregister). Gender betreft hier dus ‘administratieve geslachtsinformatie’ die officieel is geregistreerd en komt niet noodzakelijk overeen met de genderidentiteit noch met het geboortegeslacht van de persoon. We gebruiken hier de term ‘gender’ en niet ‘geslacht’ omdat de focus ligt op de persoonlijke identiteit en de interacties daarvan met persoonlijke, professionele en maatschappelijke situatie. Die interacties maken diversiteit en nuances zichtbaar met betrekking tot loopbanen en salaris. Genderverschillen verwijzen hier dus naar verschillen tussen de groep mannen en de groep vrouwen voor diverse belangrijke aspecten, al dan niet in combinatie met elkaar. De Vlaamse overheid kent formeel goedgekeurde rapporteringsdefinities en regelingen. Deze kunnen de interpretatie van de data ondersteunen: Kaderfuncties: https://overheid.vlaanderen.be/definitie-kaderfuncties. Deze verschijnen als “niveau A+” in de analyses. Anciënniteit: https://overheid.vlaanderen.be/personeel/verloning-en-voordelen/impact-van-ervaring-of-anciënniteit-op-salaris. In de verdere analyses focussen we op dienstanciënniteit. Personeelsbeschikbaarheid en -aanwezigheid: https://overheid.vlaanderen.be/definities-personeelseffectieven. Bijlage 2 geeft de betekenis weer van de gebruikte begrippen. Hoofdstukken 1 en 2 schetsen een algemeen profiel van alle 20.604 medewerkers in het Vlimpers-bestand. Vanaf hoofdstuk 3 onderzoeken we de relevante verschillen naar gender, functieniveau, leeftijd en andere aspecten. Daarom worden alleen de werknemers opgenomen met een voldoende vergelijkbare werksituatie: minstens 100 effectieve VTE werkdagen en ten hoogste 50 dagen ziekteverlof en dienstvrijstelling samen. Het maximale aantal werknemers in de analyses bedraagt dan 17.259.

6


Een centraal uitgangspunt is de analyse van het salaris van de medewerkers, meer specifiek de genderverschillen. Bijlage 3 toont de componenten en opbouw van het salaris. We beklemtonen daarbij dat ziekteverlof, dienstvrijstelling en jaarlijks verlof deel uitmaken van de verloning. Die dagen worden dus gelijkgesteld met effectieve werkdagen in kader van verloning. In de analyses zijn de gelijkgestelde afwezigheden evenwel niet opgenomen in de variabele “werkdagen per jaar”, maar als een afzonderlijke variabele. Mogelijks biedt dat (deels) een verklaring voor het ‘verkleinen’ of ‘omkeren’ van de genderverschillen voor het maandsalaris en uursalaris.

De opbouw van het rapport volgt (grotendeels) de chronologie en logica van het onderzoek: van verkennende eenvoudige analyses naar doelgerichte meerdimensionale analyses om af te ronden met multivariate analyses waarin alle relevante factoren worden samengenomen. De eenvoudige analyses zijn nodig voor een doelmatige selectie van de variabelen voor de multivariate analyse. De eenvoudige analyses in hoofdstukken 1 tot 3 zijn verkennend en behandelen de werksituatie en een aantal salariscomponenten: loonkosten, totaal bruto salaris, bruto salaris en totaal netto salaris, per maand en per gepresteerd werkuur. De meerdimensionale analyses in hoofdstukken 4 tot en met 7 zijn toegespitst op het totaal bruto salaris per maand en per gepresteerd werkuur, dat de basis is voor het uiteindelijke netto salaris. Hoofdstuk 8 besteedt extra aandacht aan het belangrijke verschil tussen het totaal bruto salaris en het bruto salaris, meer specifiek de betekenis ervan voor de interpretatie en verklaring van de genderverschillen. In hoofdstuk 9 volgen ten slotte de multivariate analyses. Omwille van de belangrijke genderverschillen wordt voor alle salariscomponenten een multivariate analyse uitgevoerd, maar met specifieke aandacht voor het verschil tussen het totaal bruto salaris en het bruto salaris. Het onderzoek resulteert in een omvattend, multifunctioneel instrument voor analyse en rapportering. Op basis van de ingevoerde SPSS-tabellen worden in één Excel-bestand diverse outputs geproduceerd: een tabellenboek (met grafieken), een basisrapport met toelichting bij alle tabellen en grafieken, een Statistiek Vlaanderen rapport voor het brede publiek met een selectie van de tabellen en grafieken, een aangepaste versie voor presentaties. Het instrument is de basis voor de periodieke herhaling van het onderzoek in de toekomst.

7


Samenvatting van de resultaten Het uitgangspunt van dit onderzoek is de maatschappelijke ambitie om de onwenselijke loopbaan- en inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen weg te werken. Het centrale probleem daarbij is dat die verschillen nog niet voldoende kunnen worden verklaard. Met dit rapport wil de dienst Diversiteitsbeleid de genderongelijkheid bij de Vlaamse overheid in kaart brengen, in relatie tot andere belangrijke factoren zoals functieniveau, leeftijd, werktijden, statuut, enz. Op basis daarvan kunnen maatregelen worden voorgesteld om die ongelijkheid verder te verkleinen. Hoofdstuk 1 schetst een algemeen genderprofiel van de werknemers van de Vlaamse overheid die in het personeelssysteem Vlimpers zijn opgenomen. Algemeen zijn er meer vrouwen dan mannen in de jongere leeftijdsgroepen, met een hoger onderwijsniveau en met een partner die werkt in de privésector, als zelfstandige of die gepensioneerd is. Met betrekking tot de werksituatie zijn er meer vrouwen dan mannen met werklocatie in Brussel, als contractueel in dienst, met maximaal 10 jaar geldelijke, dienst- en niveau-anciënniteit, deeltijds actief, meer dan 50 dagen per jaar afwezig, met meer dagen onbetaald verlof, loopbaanonderbreking, zorgkrediet, met telewerk, werkzaam bij Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, bij Kanselarij en Bestuur en bij Financiën en Begroting. Tot slot zijn er meer vrouwen in de lagere salariscategorieën. Voorts zijn er minder vrouwen dan mannen werkzaam in niveaus A+ (kaderfuncties) en D, in de groep met meer dan 200 VTE werkdagen per jaar, in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. Aansluitend zijn er minder vrouwen in de hoogste salariscategorieën. Ten slotte zijn er grote verschillen tussen de entiteiten in het aandeel vrouwen. In hoofdstuk 1b wordt een aanvullend profiel geschetst van de werknemers aan de hand van driedimensionale tabellen en grafieken (kolompercentages), naar gender, functieniveau en enkele andere persoonlijke en werk gebonden aspecten.

8


In hoofdstuk 2 worden enkele aspecten van het genderprofiel in hoofdstuk 1 vergeleken met de Vlaamse werkende bevolking van 18 tot 64 jaar, op basis van overeenkomstige gegevens van de Enquête naar de Arbeidskrachtentelling (EAK) en de Enquête naar Inkomens en Levensomstandigheden (SILC). De vergelijking met EAK laat grote verschillen zien. Minder medewerkers van de VO dan in het hele Vlaamse Gewest wonen buiten België, in de provincies Antwerpen en Limburg, zijn buiten België geboren, behoren tot de 18-34-jarigen, hebben een diploma hoger secundair of bachelor, hebben een leidinggevende functie. Tegelijk zijn er bij de VO tegenover in het hele Vlaamse Gewest veel meer 50-plussers, medewerkers met diploma master/doctoraat, veel meer werknemers met werklocatie in het Brusselse Gewest, met een vaste benoeming, met 90-120 gepresteerde werkuren per maand en met 1 tot 50% dagen thuiswerk.

De analyse in hoofdstuk 3 laat belangrijke verschillen zien in de gemiddelde waarden van centrale aspecten, met onderscheid naar gender, functieniveau en leeftijd. Het totaal aantal werkdagen per jaar ligt veel lager bij vrouwen, daalt met de leeftijd en stijgt met het functieniveau. Tegelijk ligt het totaal aantal afwezigheidsdagen veel hoger bij vrouwen, stijgt met de leeftijd en daalt met het functieniveau. Dat geldt ook voor het aantal dagen ziekteverlof, loopbaanonderbreking en zorgkrediet afzonderlijk. Ook het aantal dagen telewerken ligt veel hoger bij vrouwen, daalt met leeftijd en kent grote verschillen naar functieniveau. De loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris per maand liggen bij vrouwen resp. +/- 950, 860 en 480 euro per maand lager dan bij mannen, of resp. 17%, 18% en 16%. Er zijn grote verschillen naar functieniveau en leeftijd en opvallend grote genderverschillen bij 50-plussers in niveau A. Voor het bruto salaris per maand ligt het gemiddelde genderverschil veel lager (435 euro), vooral wegens het wegvallen van de veel hogere bruto toelagen bij mannen (vooral 50-plussers in niveau A). De loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris per gepresteerd werkuur liggen eveneens lager bij vrouwen dan bij mannen, maar de genderverschillen zijn kleiner: resp. +/- 4,0 euro, 3,9 euro en 1,8 euro per maand minder, of resp. 8,6%, 10,2% en 7,6%. Voor het bruto salaris per gepresteerd werkuur zijn de genderverschillen nog kleiner wegens het wegvallen van de hoge bruto toelagen: 1 euro of 3,4% per werkuur minder.

9


Hoofdstuk 4 biedt tegenover de gemiddelden in vorige hoofdstukken een aanvullend beeld van de procentuele verdeling van de werknemers voor het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur), met onderscheid naar gender en andere relevante aspecten. Daaruit blijkt dat voor het totaal bruto salaris per maand en per werkuur de verdeling naar functieniveau grote genderverschillen vertoont: in alle functieniveaus bevindt zich een hoger aandeel vrouwen in de lagere inkomensgroepen. De genderverschillen zijn het grootst voor niveaus C en D in de lagere inkomensgroepen. De verschillen naar leeftijd zijn groot maar kleiner dan naar functieniveau: bij mannen zijn er meer jongeren met een lager inkomen, bij vrouwen meer jongeren met een hoger inkomen. De genderverschillen zijn het grootst bij de 40 tot 49-jarigen. De genderverschillen binnen de subgroepen naar dienstanciënniteit, beroepsstatuut en aantal werkdagen per jaar zijn relatief klein. De genderverschillen zijn groter voor het totaal bruto salaris per maand dan voor het totaal bruto salaris per werkuur.

Hoofdstuk 5 sluit direct aan bij het vorige en geeft de procentuele verdeling van de werknemers voor het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur), naar gender en het beleidsdomein binnen de Vlaamse overheid. Algemeen gezien zijn er vrij grote verschillen tussen de 11 beleidsdomeinen in de verdeling naar totaal bruto salaris. Bij mannen zijn die verschillen groter dan bij vrouwen. Voor het totaal bruto salaris per maand zijn er grote genderverschillen in de beleidsdomeinen Kanselarij en Bestuur; Internationaal Vlaanderen; Economie Wetenschap en Innovatie; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie; Landbouw en Visserij en Mobiliteit en Openbare Werken. Voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur zijn de genderverschillen algemeen kleiner. Ze zijn groot in de beleidsdomeinen Kanselarij en Bestuur; Internationaal Vlaanderen; Economie Wetenschap en Innovatie; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie en Mobiliteit en Openbare Werken. In het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken wordt het genderverschil grotendeels bepaald door mannen ouder dan 40 jaar in niveau A die een zeer hoog salaris genieten. De betekenis ervan wordt hier evenwel onderschat omdat ze in procenten worden samengenomen in de groep >10.000 euro per maand of >100 euro per werkuur, ongeacht de hoogte van die salarissen.

10


Hoofdstuk 6 gaat nog een stap verder en behandelt het meerdimensionale verband tussen het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) enerzijds en de factoren gender, functieniveau en leeftijd anderzijds, met bijkomend onderscheid naar dienstanciënniteit, beroepsstatuut en aantal werkdagen per jaar. De verschillen naar functieniveau en leeftijd zijn in alle tabellen/grafieken duidelijk zichtbaar, voor het totaal bruto salaris per maand en per gepresteerd werkuur. Relatief gezien zijn er grote genderverschillen zichtbaar bij werknemers met meer dan 15 jaar dienstanciënniteit, bij statutaire en contractuele medewerkers en bij medewerkers met meer dan 200 werkdagen per jaar. De zeer grote genderverschillen worden vooral bepaald door de groep oudere mannen in niveau A met een zeer hoog salaris. Hoofdstuk 7 laat zien waar die verschillen gesitueerd zijn.

Hoofdstuk 7 vult vorig hoofdstuk aan en behandelt de betekenis van het beleidsdomein. In bijna alle beleidsdomeinen is er voor mannen en vrouwen een positief verband tussen salaris enerzijds en functieniveau en leeftijd anderzijds. Het gemiddelde maandsalaris van mannen is in bijna alle subgroepen hoger dan dat van vrouwen. Het gemiddeld uurloon van mannen is evenwel in meer subgroepen lager dan dat van vrouwen. Voor het totale brutosalaris per maand zijn er vrij grote genderverschillen in de beleidsdomeinen Kanselarij en Bestuur; Financiën en begroting; Welzijn, Gezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie en in Landbouw en Visserij. Er zijn zeer grote genderverschillen in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. De genderverschillen zijn gemiddeld kleiner voor het totale brutosalaris per gepresteerd werkuur. De verschillen zijn vrij groot in de beleidsdomeinen Financiën en begroting; Economie, Wetenschap en Innovatie en in Landbouw en Visserij. In het domein Mobiliteit en Openbare Werken zijn de verschillen weer erg groot. In het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken worden die genderverschillen vooral bepaald door de zeer hoge salarissen van oudere mannen in niveau A, vooral door de zeer hoge bruto toelagen. De impact op het algemene verschil naar gender en functieniveau is groot door het veel hoger aantal mannen in die groep.

11


Hoofdstuk 8 gaat op zoek naar de bron van die zeer grote genderverschillen in het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur), door nadere analyse van het verband met de entiteiten binnen de beleidsdomeinen. In het grootste domein Mobiliteit en Openbare Werken (4.175 medewerkers) zijn er zeer hoge salarissen en zeer grote genderverschillen in het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK, 1.164 medewerkers), meer specifiek in niveau A en vooral bij 50-plussers. De waarden van dit beleidsdomein en deze entiteit wegen relatief sterker door in de algemene gemiddelden. De afsluitende overzichtstabellen tonen dat het algemene genderverschil voor het totaal bruto maandsalaris 861 euro bedraagt (zonder MDK 530 euro), tegenover 435 euro voor het bruto maandsalaris (zonder MDK 390 euro). Voor het totaal bruto uursalaris ligt het genderverschil op 3,9 euro (zonder MDK 1,6 euro), tegenover 1,0 euro voor het totaal bruto uursalaris (zonder MDK 0,9 euro). Het wegvallen van de hoge bruto toelagen in het bruto salaris in alle beleidsdomeinen en entiteiten leidt tot de sterkste daling van de genderverschillen. Het weglaten van de entiteit MDK impliceert een kleinere extra daling van de genderverschillen, aangezien dan ook het effect van de hogere salarisschalen in die entiteit wegvalt.

In hoofdstuk 9 wordt het onderzoek afgerond met een multivariate analyse van de relatie tussen het salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) en de relevante verklarende factoren: gender, functieniveau, leeftijd, dienstanciënniteit, aantal werkdagen per jaar, type arbeidscontract, beleidsdomein en entiteit. De multivariate analyse is uitgevoerd via meervoudige lineaire regressies (in SPSS). We geven een eenvoudige, begrijpelijke voorstelling van de invloed van de relevante onafhankelijke variabelen. Alle onafhankelijke variabelen zijn omgezet tot diverse binaire variabelen (met waarde 1 of 0), ook dummies genoemd, zodat ze een duidelijke betekenis krijgen in de vergelijking. Er worden geen gecombineerde dummies opgenomen, omdat de extra bijdrage tot de verklaarde variantie R2 zeer beperkt is. Voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar ligt de totaal verklaarde variantie (R2) op 0,138, wat laag is. Achterliggend is de beperkte variatie die het personeelsstatuut mogelijk maakt meer bepalend. Gender heeft het grootste, negatieve effect: vrouwen werken gemiddeld 15 VTE dagen minder per jaar dan mannen. Ook de dummies voor functieniveau D, voor 3 leeftijdsgroepen en voor personen werkzaam in entiteit MDK dragen bij tot de verklaring.

12


Vervolgens worden de regressieresultaten toegelicht voor de diverse componenten van het salaris, per maand en per gepresteerd werkuur. De referentiegroep (alle dummies zijn nul) is: mannen, functieniveau A, 55 jaar of ouder, meer dan 200 werkdagen/jaar, meer dan 25 dienstjaren, statutair en niet in entiteit MDK. De beste resultaten zijn er voor het bruto maandsalaris, met een totale verklaarde variantie (R2) van 0,847. Dat is zeer hoog en beduidend hoger dan voor de loonkosten en het totaal bruto maandsalaris en het totaal netto maandsalaris, met een R2 van respectievelijk 0,669, 0,702 en 0,672. Bijna 85% van de variantie wordt verklaard door onafhankelijke variabelen in het model. Vooral het wegvallen van de bruto toelagen leidt tot de hogere R2. Gender heeft een zeer beperkt negatief effect, met gemiddeld 94 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is negatief en zeer groot: tegenover de referentiegroep ligt het gemiddelde bruto maandsalaris voor die subgroepen veel lager. Het verschil neemt ook toe wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect positief en kleiner. De dummies voor 2 leeftijdsgroepen, voor 100-150 en 150-175 gepresteerde werkdagen per jaar, voor 0-5 en 5-15 dienstjaren en voor werknemers van entiteit MDK leveren een significante maar kleinere bijdrage aan de verklaring. De modellen met gecombineerde dummies (functieniveau en gender, functieniveau en leeftijd, dienstjaren en gender, werkdagen per jaar en gender) leveren bijna geen extra R2 op. Wel geven de coëfficiënten meer genuanceerde informatie. Zo is bijv. het gecontroleerde genderverschil groter voor functieniveaus A en A+ dan voor de lagere functieniveaus. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK levert evenmin een noemenswaardige extra R2 op. Hoewel de R2 voor de loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris duidelijk kleiner is, zijn de effecten van de diverse dummies bijna dezelfde, met uitzondering van de veel grotere invloed van de dummy ‘werkzaam in entiteit MDK’. Een bijkomende verklaring (en hogere R2) is wellicht mogelijk met het beroep of de functie van de werknemers, in combinatie met gender, functieniveau, beleidsdomein en entiteit. In Vlimpers is deze variabele helaas niet beschikbaar.

Het bijkomende hoofdstuk 9b biedt enkele eenvoudige tabellen voor de berekening van de diverse salariscomponenten voor specifieke subgroepen van medewerkers, op basis van de regressies en uitgaande van de referentiegroep. Het mechanisme van de regressie met de binaire onafhankelijke variabelen wordt zo duidelijk gemaakt op microniveau.

13


Conclusies Tot slot kunnen we de belangrijkste conclusies van dit onderzoek formuleren. Genderverschillen blijven aanwezig binnen de Vlaamse overheid. Maar ze moeten altijd in combinatie met andere factoren worden bekeken en geïnterpreteerd. In dat opzicht zijn er diverse geledingen in de genderverschillen. Het is belangrijk om die te onderscheiden. Het startpunt zijn de significante genderverschillen in tweedimensionale verbanden met diverse relevante factoren waarover gegevens beschikbaar zijn: persoonlijke kenmerken, werksituatie en salariscomponenten. Vervolgens kan men via drie- of vierdimensionale verbanden op zoek gaan naar de centrale verklarende variabelen voor verschillen in de werksituatie en de salariscomponenten (per maand en per gepresteerd werkuur). Daarbij worden de genderverschillen gerelateerd aan bepaalde subgroepen en bijgevolg gedifferentieerd en genuanceerd. Dat mag evenwel niet leiden tot het wegredeneren of minimaliseren van de verschillen. Het totaal bruto en netto maandsalaris zijn de bedragen die de medewerkers werkelijk ontvangen. Ze zijn het gevolg van de feitelijke werksituatie en het bestaande verloningssysteem. Het algemeen genderverschil voor deze salariscomponenten ligt hoog, maar er zijn grote verschillen tussen de diverse subgroepen, naargelang de waarde voor de centrale variabelen. Voor het bruto maandsalaris (zonder vakantiegeld, eindejaarspremie en uiteenlopende bruto toelagen) zijn de genderverschillen veel kleiner, zowel algemeen als in de diverse subgroepen. Het is niet het werkelijke bedrag dat de medewerkers ontvangen, maar het biedt een 'betere' meting omdat de zeer grote genderverschillen in die bruto toelagen worden uitgeschakeld. Op analoge wijze kan men andere differentiërende factoren 'uitschakelen' of 'conditioneren', zodat de genderverschillen verder worden verfijnd, genuanceerd, gerelateerd. Dat proces van nuanceren en conditioneren kan men gestructureerd uitvoeren via multivariate analyses, om een (meer) 'geïntegreerde en gecontroleerde' verklaring te geven voor de verschillen in het salaris (per maand en per gepresteerd werkuur). De relevante verklarende factoren in dit onderzoek zijn: gender, functieniveau, leeftijd, dienstanciënniteit, aantal werkdagen per jaar, type arbeidscontract, beleidsdomein en entiteit.

14


De gecontroleerde 'netto-genderverschillen' van de regressies van de diverse salariscomponenten zijn klein tot zeer klein. De verschillen in salaris kunnen dus bijna volledig worden toegeschreven aan andere verklarende factoren, vooral functieniveau, leeftijd, aantal werkdagen en specifiek 'werkzaam zijn in entiteit MDK'. De vrij grote genderverschillen in het salaris zijn dan grotendeels het resultaat van genderverschillen voor diezelfde centrale variabelen. De volgende stap is om op basis van het geldende maatschappelijke kader te bepalen welke verschillen in salaris en werksituatie als onwenselijk worden beschouwd en moeten worden verkleind. Op basis daarvan kan men specifieke maatregelen ontwikkelen om doelgericht de onderliggende genderverschillen voor die centrale variabelen aan te pakken en voor zover nodig weg te werken. GOVO presenteert een robuuste methodiek opdat het onderzoek herhaald kan worden. Een bijkomende meerwaarde is dat de data en methodiek toelaten om specifieke trends en hypothesen verder te onderzoeken.

15


1 Profiel van de werknemers van de Vlaamse overheid naar gender Inleiding en samenvatting In dit hoofdstuk schetsen we eerst een algemeen genderprofiel van de werknemers van de Vlaamse overheid die in het personeelssysteem Vlimpers zijn opgenomen. We tonen met eenvoudige tweedimensionale kruistabellen en grafieken (kolom- en rijprecentages) de verschillen en gelijkenissen tussen mannen en vrouwen voor een aantal persoonlijke kenmerken, een aantal aspecten van de huidige werksituatie en van het salaris. Dat algemeen genderprofiel laat de relevante genderverschillen zien voor persoonlijke kenmerken, aspecten van de werksituatie en van het salaris. Bijlage 2 geeft de betekenis weer van de gebruikte begrippen. Bijlage 3 toont de componenten en samenstelling van het salaris. We beklemtonen hier het belangrijke verschil tussen het bruto salaris en het totaal bruto salaris (met bruto vakantiegeld, eindejaarspremieen toelagen). Persoonlijke kenmerken: - meer vrouwen in de jongere leeftijdsgroepen; - meer vrouwen met een hoger onderwijsniveau; - meer vrouwen met een zelfstandige of gepensioneerde partner. Werksituatie: - veel minder vrouwen werkzaam in beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken, veel meer vrouwen bij Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, bij Kanselarij en Bestuur en bij Financiën en Begroting; - zeer grote verschillen in het aandeel vrouwen tussen de entiteiten: van 12,7% vrouwen in het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust tot meer dan 75% vrouwen in het Departement WVG, de Vlaamse Onderwijsraad en de Onderwijsinspectie; - veel meer vrouwen hebben hun werklocatie in Brussel; - meer vrouwen zijn als contractueel in dienst; - minder vrouwen zijn werkzaam in niveaus A+(kaderfuncties) en D, meer vrouwen in niveaus B en C; - minder vrouwen zijn leidinggevend, veel minder vrouwen in topkader en middenkader; - meer vrouwen met maximaal 10 jaar geldelijke, dienst- en niveau-anciënniteit; - minder vrouwen met personeelsbeschikbaarheid >90% (gemiddeld 7,6% lager); - veel minder vrouwen met personeelsaanwezigheid >80% (gemiddeld 10,7% lager); - veel meer vrouwen met deeltijds werkregime; - minder vrouwen met meer dan 200 VTE werkdagen per jaar (gemiddeld 23,7 VTE dagen minder); - veel meer vrouwen met meer dan 50 afwezigheidsdagen (gemiddeld 22,8 VTE dagen meer); - meer vrouwen met (meer dagen) onbetaald verlof, loopbaanonderbreking, zorgkrediet; - veel meer vrouwen met telewerk (gemiddeld 9,1 VTE dagen meer); - veel minder vrouwen met meer dan 35 euro totaal netto salaris per gepresteerd werkuur, ongeveer evenveel vrouwen als mannen in categorieën 15 tot 35 euro per werkuur;

16


Salaris: - veel minder vrouwen met meer dan 6000 euro loonkosten en totaal bruto salaris per maand, veel meer vrouwen in categorieën 1000-4000 euro per maand; - veel minder vrouwen met meer dan 5000 euro bruto salaris per maand, veel meer vrouwen in categorieën 1000-2000 euro per maand; - veel minder vrouwen met meer dan 3000 euro totaal netto salaris per maand, veel meer vrouwen in categorieën 1000-3000 euro per maand; - veel minder vrouwen met meer dan 60 euro loonkosten en totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur, ongeveer evenveel vrouwen als mannen in categorieën 20 tot 60 euro per werkuur.

In de volgende hoofstukken gaan we dieper in op de significante genderverschillen. Uit dit hoofdstuk nemen we alvast aandachtspunten mee die aansluiten op maatschappelijke trends of vragen/hypothesen oproepen voor de toekomst. We zien genderverschillen bij het beroep van de partners. Partners van vrouwen binnen de Vlaamse overheid werken meer in de privésector, als zelfstandige of zijn gepensioneerd in vergelijking met de partners van de mannelijke collega’s. Gezien de verschillende beschikbaarheid van zorgstelsels in verschillende sectoren roept dit volgende hypothese op. Is er een correlatie tussen het beroep van de partner en het gebruik van zorgstelsels als medewerker van de Vlaamse overheid? Dit verklaart mogelijks waarom vrouwen binnen de Vlaamse overheid meer beroep doen op specifieke zorgstelsels en/of meer afwezig zijn. Dit sluit eveneens aan op de ongelijke maatschappelijke verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid tussen mannen en vrouwen. Wanneer we geldelijke en dienstanciënniteit naast elkaar leggen, zien we dat de Vlaamse overheid ervaren personen te werk stelt. Geldelijke anciënniteit telt gemiddeld 18,5 jaren en dienstanciënniteit gemiddeld 14 jaren. Het gemiddelde genderverschil bij geldelijke anciënniteit (-0.9) is kleiner dan bij dienstanciënniteit (-1,9). Dit betekent mogelijks dat professionele ervaring buiten de Vlaamse overheid bijna gelijk erkend en gewaardeerd wordt voor mannen en vrouwen aan de start van hun loopbaan bij de Vlaamse overheid. Gemiddeld zijn vrouwen meer dagen afwezig wegens jaarlijks verlof, onbetaald verlof, ziekteverlof, loopbaanonderbreking, zorgkrediet en dienstvrijstelling dan mannen. In de kleine groep personeelsleden die meer dan 10 dagen dienstvrijstelling opnemen, zijn mannen in de meerderheid. Dit is mogelijks te verklaren door de specifieke redenen voor dienstvrijstelling zoals externe vorming, vrijwilligerswerk voor een brandweerkorps, een vakbond en het Rode Kruis, deelname aan topsport en een politieke functie. Aangezien de variabele 'aantal kinderen ten laste' niet voor alle medewerkers beschikbaar is, kan de variabele 'huishoudtype' niet correct worden geconstrueerd. Bijgevolg worden deze variabelen niet in de analyse opgenomen.

17


Alle werknemers Mannen 10.264 49,8

Aantal %

Vrouwen 10.340 50,2

Totaal 20.604 100,0

12.000

100

10.000

80

8.000

60

6.000

40

4.000

20

2.000

0

0 Mannen

Vrouwen

Mannen

Vrouwen

In 2018 waren 20.604 werknemers van de Vlaamse overheid voor hun personeelsdossier opgenomen in het systeem Vlimpers, 10.264 mannen (49,8%) en 10.340 vrouwen (50,2%).

18


Land woonplaats % kolom

België Buiten België

N - Totaal

% rij

Mannen 99,0 1,0

Vrouwen 99,2 0,8

10.264

10.339

Totaal 99,1 0,9 20.603

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

Mannen 49,8 55,2

Vrouwen 50,2 44,8

49,8

50,2

N 20.422 181 20.603

0

0 Mannen België

België

Vrouwen

Buiten België Mannen

Buiten België

Ruim 99% van de werknemers woonde in België, waarvan 49,8% mannen en 50,2% vrouwen. Bijna 1% woonde in het buitenland, waarvan 55,2% mannen en 44,8% vrouwen.

19

Vrouwen


Provincie woonplaats % kolom

Antwerpen Oost Vlaanderen West Vlaanderen Vlaams Brabant Limburg Brussels Gewest Waals Gewest/extern

N - Totaal

% rij

Mannen 22,8 29,2 18,0 16,9 10,1 2,2 0,8

Vrouwen 18,8 34,1 13,2 21,2 8,8 3,0 0,9

10.173

10.271

Totaal 20,8 31,6 15,6 19,1 9,4 2,6 0,8 20.444

Vrouwen 45,5 54,1 42,6 55,8 46,6 58,2 53,3

49,8

50,2

N 4.253 6.466 3.191 3.902 1.931 536 165 20.444

100

40

80

30

60

20

40

10 0

Mannen 54,5 45,9 57,4 44,2 53,4 41,8 46,7

20 0 Mannen

Antwerpen Vlaams Brabant

Vrouwen Oost Vlaanderen Limburg

Antwerpen

West Vlaanderen Brussels Gewest

Oost West Vlaams Vlaanderen Vlaanderen Brabant Mannen

Vrouwen

Met 31,6% is de provincie Oost-Vlaanderen het meest vertegenwoordigd bij de werknemers van de Vlaamse overheid, gevolgd door de provincie Antwerpen (20,8%). Bij mannen is het aandeel wonend in de provincies Antwerpen en West Vlaanderen hoger, bij vrouwen het aandeel van Oost Vlaanderen en Vlaams Brabant. De man-vrouw-verdeling is voor alle werknemers samen bijna 50-50, maar per provincie is er meer ongelijke verdeling. Bij de medewerkers wonend in de provincies Antwerpen, West Vlaanderen en Limburg ligt het aandeel mannen hoger.

20

Limburg


Land van geboorte % kolom

België EU - buiten België Buiten EU

N - Totaal

% rij

Mannen 97,4 1,4 1,2

Vrouwen 96,4 1,7 1,9

10.264

10.340

Totaal 96,9 1,6 1,6 20.604

Mannen 50,1 45,5 38,6

Vrouwen 49,9 54,5 61,4

49,8

50,2

N 19.962 321 321 20.604

100

150

80

100

60

40

50

20 0

Mannen België

EU - buiten België

Vrouwen

0

België

Buiten EU

EU - buiten België Mannen

Buiten EU

Vrouwen

Bijna 97% van de werknemers van de Vlaamse overheid is in België geboren, 1,6% in de EU (buiten België) en 1,6% buiten de EU. Bij vrouwen ligt het aandeel dat is geboren in de EU (buiten België) en buiten de EU hoger dan bij mannen. De man-vrouw-verdeling is voor de werknemers geboren in België bijna 50-50. Bij de werknemers geboren in de EU ligt het aandeel vrouwen hoger en dat is nog meer het geval bij de werknemers geboren buiten de EU.

21


Land van herkomst ** % kolom

België Buiten België

N - Totaal

% rij

Mannen 94,7 5,3

Vrouwen 93,1 6,9

10.211

10.216

Totaal 93,9 6,1 20.427

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

Mannen België

Vrouwen

Mannen 50,4 43,3

Vrouwen 49,6 56,7

50,0

50,0

0

N 19.177 1.250 20.427

België

Buiten België

Buiten België Mannen

Vrouwen

** Data Dienst Diversiteitsbeleid - op basis van anonieme, geaggregeerde monitoring via het Rijksregister De definitie voor buitenlandse herkomst is sinds 2016 voor alle beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid van toepassing: een niet-Belgische nationaliteit hebben, bij de geboorte een niet-Belgische nationaliteit hebben of minstens één ouder hebben met een niet-Belgische geboortenationaliteit.

Volgens de officiële definitie van 'buitenlandse herkomst' is bijna 94% van de werknemers van de Vlaamse overheid van Belgische herkomst en ruim 6% van buitenlandse herkomst. Bij vrouwen ligt het aandeel van Belgische herkomst hoger dan bij mannen. De man-vrouw-verdeling is voor de werknemers van Belgische herkomst bijna gelijk. Bij de werknemers van buitenlandse herkomst ligt het aandeel vrouwen met bijna 57% beduidend hoger dan dat van mannen.

22


Leeftijd % kolom

18-34 35-44 45-54 55 +

N - Totaal Gemiddelde

% rij

Mannen 16,2 28,6 30,3 24,8

Vrouwen 20,6 33,5 27,7 18,2

10.264 45,8

10.340 43,6

Totaal 18,4 31,1 29,0 21,5 20.604 44,7

40

100

30

80

Vrouwen 56,2 54,1 48,0 42,5

49,8

50,2

N 3.792 6.400 5.983 4.429 20.604

60

20

40

10

0

Mannen 43,8 45,9 52,0 57,5

20 Mannen 18-34 35-44

0

Vrouwen 45-54

18-34

55 +

35-44 Mannen

45-54 Vrouwen

Naar leeftijd is er een vrij gelijke verdeling, met een iets lager aandeel voor de groep van 18-34 jaar en de 55 plussers. Bij vrouwen ligt het aandeel van de twee jongere leeftijdsgroepen hoger dan bij mannen. Bij mannen is het aandeel van de twee oudere groepen groter. De gemiddelde leeftijd lag bij mannen op 46 jaar, bij vrouwen op 45. De man-vrouw-verdeling binnen de leeftijdsgroepen varieert. Bij de jongste groep ligt het aandeel vrouwen veel hoger dan het aandeel mannen. Bij de oudste groep geldt het omgekeerde.

23

55 +


Onderwijsniveau % kolom

Lager secundair Hoger secundair Hoger bachelor Hoger master/doctor

N - Totaal

% rij

Mannen 18,9 25,0 17,6 38,6

Vrouwen 12,1 25,5 22,7 39,7

10.264

10.340

Totaal 15,5 25,2 20,2 39,1 20.604

Mannen 60,8 49,3 43,4 49,1

Vrouwen 39,2 50,7 56,6 50,9

49,8

50,2

N 3.195 5.197 4.153 8.059 20.604

100

60

80 40

60 40

20 0

20 0 Mannen Lager secundair Hoger bachelor

Lager secundair

Vrouwen Hoger secundair Hoger master/doctor

Hoger secundair

Hoger bachelor

Mannen

Vrouwen

Naar onderwijsniveau is er een ongelijke verdeling, met het laagste aandeel van personen met een diploma lager secundair en het hoogste aandeel voor de hoger geschoolden (master/doctor). Bij vrouwen liggen alle aandelen behalve lager secundair hoger dan de aandelen bij de mannen. De man-vrouw-verdeling binnen de onderwijsniveaus varieert bijgevolg sterk. Bij de laagst geschoolden ligt het aandeel mannen veel hoger dan het aandeel vrouwen. Voor het onderwijsniveau hoger secundair en hoger onderwijs mast/doctor is de verdeling bijna gelijk. Bij het onderwijsniveau bachelor ligt het aandeel vrouwen veel hoger.

24

Hoger master/doctor


Samenwonen met partner % kolom

Partner Geen partner

N - Totaal

% rij

Mannen 70,6 29,4

Vrouwen 69,9 30,1

10.264

10.340

80

Totaal 70,3 29,7 20.604

Vrouwen 50,0 50,7

49,8

50,2

N 14.475 6.129 20.604

100

60

80

40

60 40

20 0

Mannen 50,0 49,3

20 Mannen Partner

Vrouwen

0

Partner

Geen partner

Geen partner Mannen

Ruim 70% van de werknemers van de Vlaamse overheid woont samen met een vaste partner. De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn verwaarloosbaar.

25

Vrouwen


Personen in huishouden % kolom

1 2 3 4+

N - Totaal

% rij

Mannen 21,2 15,4 17,4 46,1

Vrouwen 17,8 21,4 20,9 39,9

10.264

10.340

Totaal 19,5 18,4 19,2 43,0 20.604

50

100

40

80

30

60

20

40

10

20

0

Mannen

Vrouwen 1

2

3

Mannen 54,1 41,6 45,2 53,4

Vrouwen 45,9 58,4 54,8 46,6

49,8

50,2

0

1

N 4.013 3.789 3.951 8.851 20.604

2 Mannen

4+

3 Vrouwen

43% van de werknemers van de Vlaamse overheid woont in een huishouden met 4 of meer leden. Ongeveer 19% woont in een huishouden met 1, 2 respectievelijk 3 leden. Een hoger aandeel mannen leeft in een huishouden met 1 of 4+ leden, terwijl meer vrouwen een huishouden hebben met 2 of 3 leden. De genderverschillen binnen de groepen naar aantal huishoudleden zijn ook duidelijk. Bij alleenstaande werknemers en werknemers met 4+ huishoudleden ligt het aandeel mannen hoger. Bij de twee andere groepen geldt het omgekeerde.

26

4+


Langdurige ziekte of handicap ** % kolom

Ja Neen

Vrouwen 2,2 97,8

Totaal

10.172

10.249

N - Totaal

2,2 97,8

Mannen 49,5 49,8

Vrouwen 50,5 50,2

20.421

49,8

50,2

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

Mannen

Vrouwen Ja

**

% rij

Mannen 2,2 97,8

0

N 442 19.979 20.421

Ja

Neen Mannen

Neen

Vrouwen

Gecorrigeerde data van Vlimpers - Monitor Dienst Diversiteitsbeleid Definitie: een persoon met een langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuigelijke beperking die deze persoon in wisselwerking met diverse drempels kan beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de arbeidsmarkt.

395 werknemers (of bijna 2%) van de Vlaamse overheid geven aan dat ze een langdurige ziekte of handicap hebben. Er zijn geen noemenswaardige verschillen tussen mannen en vrouwen.

27


Gender partner % kolom

Man Vrouw Geen partner

N - Totaal

% rij

Mannen 2,0 68,6 29,4

Vrouwen 68,4 1,6 30,0

10.264

10.340

Mannen 2,8 97,8 49,3

Vrouwen 97,2 2,2 50,7

49,8

50,2

N 7.277 7.200 6.125 20.604

100

80

80

60

60

40

40

20 0

Totaal 35,3 34,9 29,7 20.604

20 Mannen Man

Vrouwen Vrouw

0

Man

Geen partner

Vrouw

Mannen

Geen partner

Vrouwen

68,6% van de mannelijke werknemers heeft een vrouw als vaste partner, 2,0% heeft een man als partner en 29,4% heeft geen partner. Bij de vrouwen heeft 68,4% een man als vaste partner, 1,6% heeft een vrouw als partner en 30,0% heeft geen partner. Er zijn geen noemenswaardige verschillen tussen mannen en vrouwen.

28


Beroepsgroep partner % kolom

Werknemer privé Ambtenaar Zelfstandige Zonder werk Gepensioneerd Geen partner

N - Totaal

% rij

Mannen 37,8 23,2 2,5 6,3 0,3 29,8

Vrouwen 42,7 18,5 6,0 1,2 1,0 30,5

10.131

10.183

Totaal 40,3 20,9 4,3 3,7 0,7 30,2 20.314

Mannen 46,8 55,5 29,3 83,8 26,3 49,3

Vrouwen 53,2 44,5 70,7 16,2 73,7 50,7

49,9

50,1

50

100

40

80

30

60 40

20

20

10 0

N 8.181 4.241 869 761 133 6.129 20.314

0 Mannen Werknemer privé Zonder werk

Vrouwen Ambtenaar Gepensioneerd

Zelfstandige Geen partner

Mannen

Vrouwen

Iets meer dan 40% van de werknemers heeft een partner die werknemer is in de privé, bij bijna 21% is de partner ambtenaar, bij 4,3% zelfstandige, bij 3,7% werkloos en bij 0,7% gepensioneerd. Bij een hoger aandeel vrouwen is de partner werknemer in de privé, zelfstandige of gepensioneerd. Omgekeerd heeft een hoger aandeel mannen een partner die ambtenaar of werkloos is. De genderverschillen binnen de beroepsgroepen van de partner zijn matig voor de categorieën werknemer privé (53,2% vrouwen) en ambtenaar (55,5% mannen). Ze zijn zeer groot voor de categorieën zelfstandigen (70,7% vrouwen), werklozen (83,8% mannen) en gepensioneerden (73,7% vrouwen).

29


Beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid % kolom

Mannen 8,3 4,1 2,6 2,9 4,4 9,7 6,1 1,5 4,1 22,0 34,4

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken N - Totaal

10.264

% rij

Vrouwen 12,7 6,6 4,1 3,0 7,3 21,3 6,4 2,8 4,3 19,9 11,5

10.340

Totaal 10,5 5,3 3,3 3,0 5,9 15,5 6,2 2,1 4,2 21,0 22,9 20.604

Mannen

Vrouwen

Mobiliteit en Openbare Werken Omgeving Landbouw en Visserij Werk en Sociale Economie Cultuur, Jeugd, Sport en Media Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Onderwijs en Vorming Economie, Wetenschap en Innovatie Internationaal Vlaanderen Financiën en Begroting Kanselarij en Bestuur 5

10

15

20

25

30

35

% rij

20

40 Mannen

60

80 Vrouwen

50,2

N 2.169 1.100 689 609 1.210 3.198 1.287 441 858 4.319 4.724 20.604

De genderverschillen binnen de beleidsdomeinen zijn groot. In Mobiliteit en Openbare Werken is het aandeel mannen (75%) veel groter dan dat van vrouwen (25%) en in Omgeving is het iets groter. In alle andere beleidsdomeinen ligt het aandeel vrouwen (veel) hoger. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin kent het hoogste aandeel vrouwen (69%).

Mobiliteit en Openbare Werken Omgeving Landbouw en Visserij Werk en Sociale Economie Cultuur, Jeugd, Sport en Media Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Onderwijs en Vorming Economie, Wetenschap en Innovatie Internationaal Vlaanderen Financiën en Begroting Kanselarij en Bestuur 0

49,8

Vrouwen 60,8 62,0 61,5 51,2 62,4 69,0 51,4 64,9 51,5 47,7 25,3

Met 4.724 van werknemers (22,9%) is Mobiliteit en Openbare werken het grootste beleidsdomein in aantal werknemers, gevolgd door Omgeving (21,0%), Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (15,5%) en Kanselarij en Bestuur (10,5%). Het beleidsdomein Werk en Sociale Economie telt het laagste aantal werknemers (2,1%), voorafgegaan door Economie, Wetenschap en Innovatie (3,0%) en Internationaal Vlaanderen (3;3%). Bij mannen valt het veel groter aandeel in Mobiliteit en Openbare Werken op. Bij vrouwen is er een groter aandeel in Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Kanselarij en Bestuur en Financiën en Begroting.

% kolom

0

Mannen 39,2 38,0 38,5 48,8 37,6 31,0 48,6 35,1 48,5 52,3 74,7

De verschillen tussen de beleidsdomeinen zijn vooral verbonden met de verschillen in taakinhoud en de functies, als resultaat van de ontwikkeling tijdens de voorbije decennia. Ze gaan niet gepaard met een beoordeling.

100

30


0

Opgroeien Agentschap Wegen en Verkeer De Vlaamse Waterweg nv Agentschap voor Maritieme Dienstverlening… Departement WVG Departement Omgeving Vlaamse Belastingdienst Vlaamse Milieumaatschappij Agentschap Facilitair Bedrijf Departement MOW Sport Vlaanderen Agentschap voor Natuur en Bos Departement LV Vlaamse Landmaatschappij Departement Cultuur, Jeugd en Media Agentschap voor Onderwijsdiensten Agentschap Overheidspersoneel Agentschap Binnenlands Bestuur Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Flanders Investment and Trade Agentschap Innoveren en Ondernemen Departement WSE Vlaams Agentschap voor Personen met een… Onroerend Erfgoed Zorg en Gezondheid Wonen Vlaanderen Departement Kanselarij en Bestuur Departement Onderwijs en Vorming Ahovoks Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek Agentschap Informatie Vlaanderen Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Toerisme Vlaanderen Departement FB GO! Agentschap Plantentuin Meise Departement Buitenlandse Zaken SYNTRA Vlaanderen Departement EWI Vlaams Energieagentschap Agentschap voor Infrastructuur in het… Dienst van de Bestuursrechtscolleges Audit Vlaanderen Vlaamse Onderwijsraad Vlaamse Regulator voor de Media Onderwijsinspectie Milieu- en Natuurraad Vlaanderen Strategische adviesraad Ruimtelijke…

Entiteiten van de Vlaamse overheid

Aantal werknemers per entiteit

1600

1400

1200

1000

800

600

400

200

Er zijn grote verschillen tussen de entiteiten in aantal werknemers. De 5 grootste entiteiten zijn Opgroeien (1.612 werknemers), Agentschap Wegen en Verkeer (1.391), De Vlaamse Waterweg nv (1.310), Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (1.246) en het Departement WVG (1.010). De 5 kleinste entiteiten zijn Vlaamse Onderwijsraad (21 werknemers), Vlaamse Regulator voor de Media (19), Onderwijsinspectie (14), Milieu- en Natuurraad Vlaanderen (9) en Strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening en Onroerend erfgoed (4).

31


0%

Agentschap voor Maritieme… Agentschap voor Natuur en Bos De Vlaamse Waterweg nv Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Agentschap Wegen en Verkeer Departement MOW Vlaamse Regulator voor de Media Agentschap Plantentuin Meise Vlaamse Milieumaatschappij Audit Vlaanderen Milieu- en Natuurraad Vlaanderen Sport Vlaanderen Instituut voor Landbouw en… Vlaamse Landmaatschappij Departement LV Departement FB Agentschap Informatie Vlaanderen Agentschap Binnenlands Bestuur Departement Kanselarij en Bestuur Agentschap Innoveren en Ondernemen Dienst van de Bestuursrechtscolleges Departement Buitenlandse Zaken GO! Onderwijs Vlaamse Gemeenschap Departement EWI Departement Cultuur, Jeugd en Media Onroerend Erfgoed Vlaams Energieagentschap Wonen Vlaanderen Departement Omgeving Agentschap voor Infrastructuur in het… Departement Onderwijs en Vorming Openbare Vlaamse… Flanders Investment and Trade Agentschap voor Onderwijsdiensten Departement WSE Vlaamse Belastingdienst Opgroeien Ahovoks Agentschap Facilitair Bedrijf Toerisme Vlaanderen Zorg en Gezondheid SYNTRA Vlaanderen Agentschap Overheidspersoneel Vlaams Agentschap voor Personen met… Departement WVG Vlaamse Onderwijsraad Onderwijsinspectie Strategische adviesraad Ruimtelijke…

Entiteiten van de Vlaamse overheid

Aandeel mannen en vrouwen per entiteit

100%

90%

80%

70%

60%

50%

40%

30%

20%

10%

Mannen Vrouwen

Ook voor het aandeel mannen en vrouwen zijn er grote verschillen tussen de intiteiten. De entiteiten met het hoogste aandeel mannen zijn Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (87% mannen), Agentschap voor Natuur en Bos (75%), De Vlaamse Waterweg nv (74%) en Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (73%). De entiteiten met het hoogste aandeel vrouwen zijn Strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening en Onroerend erfgoed (100% vrouwen), Onderwijsinspectie (79%), Vlaamse Onderwijsraad (76%) en Departement WVG (76%). Entiteiten met een bijna gelijk aandeel mannen en vrouwen zijn Sport Vlaanderen (47% vrouwen), Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (49%), Vlaamse Landmaatschappij (50%), Departement LV (53%), Departement FB (53%) en Agentschap Informatie Vlaanderen (53%). De verschillen tussen de entiteiten zijn eveneens het resultaat van de ontwikkeling van taakinhoud en functies tijdens de voorbije decennia en impliceren geen beoordeling. 32


Provincie van werklocatie % kolom

Antwerpen Oost Vlaanderen West Vlaanderen Vlaams Brabant Limburg Brussels Gewest Buitenland

N - Totaal

% rij

Mannen 19,7 13,5 14,6 7,5 8,0 33,7 3,0

Vrouwen 15,1 15,5 10,7 6,1 6,5 44,4 1,8

10.264

10.340

Totaal 17,4 14,5 12,6 6,8 7,2 39,1 2,4 20.604

Vrouwen 43,5 53,6 42,5 44,9 45,0 57,0 37,1

49,8

50,2

N 3.578 2.982 2.604 1.399 1.492 8.053 496 20.604

100

50

80

40

60

30

40

20

20

10

0

0

Mannen 56,5 46,4 57,5 55,1 55,0 43,0 62,9

Mannen Antwerpen Vlaams Brabant

Vrouwen Oost Vlaanderen Limburg

West Vlaanderen Brussels Gewest

Mannen

Vrouwen

Iets meer dan 39% van de werknemers heeft zijn werklocatie in het Brussels Gewest. Daarna volgen de provincies Antwerpen (17,4%), Oost Vlaanderen (14,5%) en West Vlaanderen (12,6%). Vlaams Brabant en Limburg zijn elk goed voor ongeveer 7% van de werknemers. 2,4% van de werknemers werkt in het buitenland. Een hoger aandeel mannen werkt in Antwerpen, West Vlaanderen, Vlaams Brabant, Limburg en het buitenland. Bij vrouwen ligt het aandeel met werklocatie in Oost Vlaanderen iets hoger en veel hoger in het Brussels Gewest. De man-vrouw-verdeling varieert vrij sterk. Bij de medewerkers met locatie in de provincies Antwerpen, West Vlaanderen, Vlaams Brabant, Limburg en het buitenland ligt het aandeel mannen hoger. Voor de andere provincies ligt het aandeel vrouwen hoger.

33


Beroepsstatuut % kolom

Statutair Statutair op proef Contractueel

N - Totaal

% rij

Mannen 78,9 2,3 18,8

Vrouwen 71,0 2,9 26,1

10.264

10.340

Totaal 74,9 2,6 22,4 20.604

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

Mannen Statutair

Statutair op proef

Vrouwen

Mannen 52,4 44,1 41,7

Vrouwen 47,6 55,9 58,3

49,8

50,2

0

Statutair

Contractueel

N 15.438 542 4.624 20.604

Statutair op proef

Mannen

Contractueel

Vrouwen

Bijna 75% van de werknemers van de Vlaams Overheid is statutair (vaste benoeming), 2,6% is statutair op proef en 22,4% is contractueel. Een hoger aandeel mannen is statutair, terwijl meer vrouwen contractueel zijn of statutair op proef. De man-vrouw-verdeling binnen de statuten varieert vrij sterk. Bij de statuaire medewerkers ligt het aandeel mannen (52,4%) hoger. Bij de andere caegorieën ligt het aandeel vrouwen duidelijk hoger.

34


Functieniveau % kolom

A+ A B C D

N - Totaal

% rij

Mannen 8,7 30,1 19,1 20,5 21,7

Vrouwen 5,9 28,9 28,6 24,7 11,9

10.264

10.340

Mannen 59,7 50,8 39,9 45,1 64,3

Vrouwen 40,3 49,2 60,1 54,9 35,7

49,8

50,2

N 1.505 6.075 4.911 4.658 3.455 20.604

A

B

100

40

80

30

60

20

40

10 0

Totaal 7,3 29,5 23,8 22,6 16,8 20.604

20 Mannen A+

Vrouwen A

B

C

0

A+

Mannen

D

C Vrouwen

Er zijn 1.505 medewerkers (7,3%) in niveau A+ (kaderfuncties binnen niveau A). Niveau A telt 29,5% van de medewerkers, niveau B 23,8%, niveau C 22,6% en niveau D 16,8%. Een hoger aandeel mannen zit in de niveaus A+, A en D, terwijl er meer vrouwen zijn in niveaus B en C. De man-vrouw-verdeling binnen de niveaus varieert vrij sterk. In niveau A+ ligt het aandeel mannen (59,7%) veel hoger. In niveau A is er bijna een gelijke verdeling. In niveaus B en C ligt het aandeel vrouwen met 60,1% en 54,9% hoger. Niveau D telt dan weer veel meer mannen (64,3%).

35

D


Leidinggevend kader % kolom

Leidinggevend Niet-leidinggevend kader Medewerker

N - Totaal

% rij

Mannen 3,5 5,2 91,3

Vrouwen 2,4 3,4 94,1

10.264

10.340

Totaal 3,0 4,3 92,7 20.604

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

Mannen Leidinggevend

Vrouwen Niet-leidinggevend kader

Mannen 59,0 60,2 49,0

Vrouwen 41,0 39,8 51,0

49,8

50,2

0

Leidinggevend

Medewerker

N 614 891 19.099 20.604

Niet-leidinggevend kader

Mannen

Medewerker

Vrouwen

Er zijn 614 officieel leidinggevende medewerkers, of 3,0% van het totaal. Het niet-leidinggevend kader telt 4,3% van de medewerkers. De niet-leidinggevende medewerkers vertegenwoordigen bijna 93% van het totaal. Een hoger aandeel mannen heeft een leidinggevende of niet-leidinggevend kaderfunctie. De man-vrouw-verdeling is nog vrij ongelijk. Bij de leidinggevenden en het niet-leidinggevend kader ligt het aandeel mannen (59,0 en 60,2%) veel hoger. Bij de niet-leidinggevende medewerkers ligt het aandeel vrouwen 2 procentpunten hoger.

36


Geldelijke anciënniteit % kolom

% rij

0-10 jaar 10-20 jaar 20-30 jaar >30 jaar

Mannen 20,0 38,4 25,3 16,3

Vrouwen 22,5 40,0 23,3 14,2

N - Totaal Gemiddelde

10.225 18,9

10.201 18,0

Totaal 21,2 39,2 24,3 15,3 20.426 18,5

50

100

40

80

30

60

20

40

10

20

0

Mannen 0-10 jaar

10-20 jaar

Vrouwen 53,0 51,0 47,8 46,4

50,1

49,9

0

Vrouwen 20-30 jaar

Mannen 47,0 49,0 52,2 53,6

0-10 jaar

>30 jaar

N 4.340 7.998 4.969 3.119 20.426

10-20 jaar

20-30 jaar

Mannen

Vrouwen

Iets meer dan 21% heeft 0 tot 10 jaar geldelijke anciënniteit, 39,2% heeft 10 tot 20 jaar, 24,3% 20 tot 30 jaar en 15,3% meer dan 30 jaar. Een iets hoger aandeel mannen heeft meer dan 20 jaar geldelijke anciënniteit. De man-vrouw-verdeling is bijna gelijk. Bij de medewerkers met 0 tot 20 jaar geldelijke anciënniteit (samen veruit de grootste groep) ligt het aandeel vrouwen hoger. Bij de groep met meer dan 20 jaar geldelijke anciënniteit ligt het aandeel mannen hoger.

37

>30 jaar


Dienstanciënniteit % kolom

% rij

0-10 jaar 10-20 jaar 20-30 jaar >30 jaar

Mannen 37,1 34,7 16,8 11,4

Vrouwen 45,3 31,5 15,2 8,0

N - Totaal Gemiddelde

10.225 15,0

10.201 13,1

Totaal 41,2 33,1 16,0 9,7 20.426 14,0

50

100

40

80

30

60

20

40

10

20

0

Mannen 0-10 jaar

10-20 jaar

Vrouwen 54,9 47,5 47,4 41,2

50,1

49,9

0

Vrouwen 20-30 jaar

Mannen 45,1 52,5 52,6 58,8

0-10 jaar

>30 jaar

N 8.422 6.756 3.266 1.982 20.426

10-20 jaar

20-30 jaar

Mannen

Vrouwen

Iets meer dan 41% heeft 0 tot 10 jaar dienstanciënniteit, 33,1% heeft 10 tot 20 jaar, 16,0% 20 tot 30 jaar en 9,7% meer dan 30 jaar. Een hoger aandeel vrouwen heeft 0 tot 10 jaar dienstanciënniteit. Het gemiddelde lag bij mannen op 15 jaar, bij vrouwen op 13 jaar. De man-vrouw-verdeling laat iets meer ongelijkheid zien dan bij de geldelijke anciënniteit. Bij de medewerkers met 0 tot 10 jaar geldelijke anciënniteit ligt het aandeel vrouwen hoger. Bij de groep met meer dan 10 jaar geldelijke anciënniteit ligt het aandeel mannen hoger.

38

>30 jaar


Werkuren regime % kolom

% rij

1-20 20-25 25-30

Mannen 0,6 0,1 0,1

Vrouwen 1,5 0,2 1,2

Totaal 1,0 0,2 0,7

Mannen 28,7 34,3 10,8

Vrouwen 71,3 65,7 89,2

N 216 35 139

30-35 35-40

0,3 98,8

1,3 95,8

0,8 97,3

19,4 50,6

80,6 49,4

170 20.044

10.264

10.340

20.604

49,8

50,2

20.604

20-25

25-30

N - Totaal 120

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20 0

Mannen 1-20

20-25

0

Vrouwen 25-30

30-35

1-20

35-40

Mannen

30-35 Vrouwen

Iets meer dan 97% van de medewerkers had een werkregime van 35 tot 40 uur per week. Slechts 0,8% had een regime van 30-35 uur, 0,7% van 25 tot 30 uur en 1,2% van 20 tot 25 uur. Een hoger aandeel mannen had een voltijds regime en een hoger aandeel vrouwen had een deeltijds regime. Bij medewerkers met een voltijds werkregime was het aandeel mannen en vrouwen bijna gelijk. Bij de groep met een deeltijds werkregime lag het aandeel vrouwen veel hoger.

39

35-40


Werkdagen VTE per jaar % kolom

Mannen 2,1 0,6 1,0 1,1 1,2 2,1 3,0 3,1 5,3 10,2 17,2 25,6 27,5

0 10-20 20-40 40-60 60-80 80-100 100-120 120-140 140-160 160-180 180-200 200-210 210-220

N - Totaal Gemiddelde

10.229 180,5

Vrouwen 2,9 1,4 1,5 1,8 2,9 5,3 6,4 6,3 11,7 16,8 15,4 15,8 11,8

10.193 156,8

Totaal 2,5 1,0 1,2 1,4 2,1 3,7 4,7 4,7 8,5 13,5 16,3 20,7 19,7 20.422 168,7

% rij

Mannen 42,4 31,0 39,4 37,4 30,2 28,6 31,9 32,7 31,5 37,8 52,8 61,9 70,0

50,1

Vrouwen 57,6 69,0 60,6 62,6 69,8 71,4 68,1 67,3 68,5 62,2 47,2 38,1 30,0

49,9

N 516 213 249 289 420 753 955 958 1.735 2.757 3.329 4.231 4.017 20.422

100

30

80 20

60 40

10

20 0 0 80-100 180-200

Mannen 10-20 100-120 200-210

20-40 120-140 210-220

Vrouwen 40-60 140-160

0 60-80 160-180

Mannen

Vrouwen

Het aantal VTE werkdagen per jaar lag bij 40,4% van de medewerkers tussen 200 en 220 dagen, bij 29,8% tussen 160 en 200 dagen, bij 17,9% tussen 100 en 160 dagen en bij 11,9% tussen 0 en 100 dagen. Bij een veel hoger aandeel mannen lag het aantal VTE werkdagen per jaar boven 180 en bij een hoger aandeel vrouwen bedroeg dat maximaal 180. Het gemiddelde lag bij mannen op 181 werkdagen per jaar, bij vrouwen op 157 dagen. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met meer dan 180 werkdagen per jaar (grootste groep) lag het aandeel mannen veel hoger. In alle categorieën met minder werkdagen lag het aandeel vrouwen veel hoger.

40


Jaarlijks betaald verlof - VTE dagen per jaar % kolom

0 1-10 10-20 20-30 30-40 40-50 >50

N - Totaal Gemiddelde

% rij

Mannen 15,3 2,4 4,8 31,1 38,7 6,0 1,7

Vrouwen 5,6 4,3 10,3 37,8 36,2 4,9 1,0

10.229 26,2

10.193 27,0

Totaal 10,4 3,3 7,5 34,4 37,5 5,4 1,4 20.422 26,6

50

100

40

80

30

60

20

40

10

20

0

Mannen 0

1-10

10-20

30-40

40-50

Vrouwen 26,8 63,5 68,3 54,7 48,2 44,9 37,1

50,1

49,9

0

Vrouwen 20-30

Mannen 73,2 36,5 31,7 45,3 51,8 55,1 62,9

0

>50

1-10

10-20

N 2.133 684 1.531 7.033 7.655 1.108 278 20.422

20-30

Mannen

30-40

40-50

Vrouwen

10,4% van de medewerkers heeft volgens Vlimpers geen enkele dag jaarlijks betaald verlof genomen. Het betreft werknemers van enkele entiteiten (met een hoger aandeel mannen) die het jaarlijks verlof niet via Vlimpers registeren. Bij 10,8% lag het aantal verlofdagen tussen 1 en 20 dagen, bij 34,4% tussen 20 en 30 dagen, bij 37,5% tussen 30 en 40 dagen en bij 6,8% lag het aantal hoger dan 40 dagen. Een veel hoger aandeel mannen nam geen betaald verlof. Het aandeel van vrouwen lag hoger in de categorieën 1 tot 30 dagen per jaar en het aandeel mannen lag hoger in de categorieën vanaf 30 dagen per jaar. Dit verschil gaat samen met het verschil in aantal werkdagen per jaar. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag verlof lag het aandeel mannen veel hoger. In de categorieën 1 tot 30 dagen per jaar lag het aandeel vrouwen hoger en in de categorieën vanaf 30 dagen het aandeel mannen.

41

>50


Onbetaald verlof - VTE dagen per jaar % kolom

0 1-10 10-20 20-30 30-40 40-50 >50

N - Totaal Gemiddelde

% rij

Mannen 91,4 4,3 2,8 0,1 0,1 0,2 1,2

Vrouwen 80,7 11,5 5,5 0,3 0,1 0,2 1,7

10.229 2,3

10.193 3,9

Totaal 86,0 7,9 4,2 0,2 0,1 0,2 1,4 20.422 3,1

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0 0

Mannen 1-10

10-20

20-30

Vrouwen 30-40

40-50

Mannen 53,2 27,1 34,1 35,7 28,6 42,1 41,0

Vrouwen 46,8 72,9 65,9 64,3 71,4 57,9 59,0

50,1

49,9

0

0

>50

1-10

10-20

N 17.571 1.605 850 42 21 38 295 20.422

20-30

Mannen

30-40

40-50

Vrouwen

86,0% van de medewerkers heeft geen enkele dag onbetaald verlof genomen. Bij 7,9% lag het aantal verlofdagen tussen 1 en 10 dagen, bij 4,2% tussen 10 en 20 dagen bij 1,9% lag het hoger dan 20 dagen. Een iets hoger aandeel mannen nam geen onbetaald verlof. Het aandeel van vrouwen lag hoger in alle categorieën van 1 tot 50+ dagen per jaar. Iedere medewerker heeft jaarlijks recht op 20 dagen onbetaald verlof. Onbetaald verlof boven de 20 dagen per jaar kan als een gunst worden toegekend. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag onbetaald verlof lag het aandeel mannen veel hoger. In de categorieën 1 tot 50+ dagen per jaar lag het aandeel vrouwen veel hoger .

42

>50


Ziekteverlof - VTE dagen per jaar % kolom

0 1-5 5-10 10-30 30-50 >50

N - Totaal Gemiddelde

% rij

Mannen 51,3 22,1 8,4 9,2 2,9 6,1

Vrouwen 29,5 28,9 13,1 14,4 4,2 9,9

10.229 11,1

10.193 17,7

Totaal 40,4 25,5 10,8 11,8 3,5 8,0 20.422 14,4

60

100

50

80

40

Mannen 63,6 43,5 39,2 39,1 40,7 38,1

Vrouwen 36,4 56,5 60,8 60,9 59,3 61,9

50,1

49,9

N 8.253 5.210 2.196 2.407 724 1.632 20.422

60

30

40

20

20

10 0

Mannen 0

1-5

5-10

0

Vrouwen 10-30

30-50

0

>50

1-5

5-10 Mannen

10-30

30-50

Vrouwen

40,4% van de medewerkers heeft geen enkele dag ziekteverlof (erkend en betaald) genomen. Bij 25,5% lag het aantal dagen tussen 1 en 5 dagen, bij 10,8% tussen 5 en 10 dagen, bij 11,8% tussen 10 en 30 dagen en bij 11,5% lag het hoger dan 30 dagen. Een veel hoger aandeel mannen nam geen enkele dag ziekteverlof. Het aandeel van vrouwen lag veel hoger in alle categorieën van 1 tot 50+ dagen per jaar. Het gemiddelde lag bij mannen op 11 dagen per jaar, bij vrouwen op bijna 18 dagen. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag ziekteverlof (grootste groep) lag het aandeel mannen veel hoger. In alle andere categorieën lag het aandeel vrouwen veel hoger.

43

>50


Loopbaanonderbreking - VTE dagen per jaar % kolom

0 1-10 10-20 20-30 30-40 40-50 >50

N - Totaal Gemiddelde

% rij

Mannen 88,9 0,5 1,5 2,5 0,6 1,7 4,2

Vrouwen 82,4 0,8 1,5 3,5 1,1 2,4 8,3

10.229 4,6

10.193 8,7

Totaal 85,6 0,7 1,5 3,0 0,9 2,1 6,3 20.422 6,6

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

Mannen 0

1-10

10-20

30-40

40-50

Vrouwen 48,0 60,7 48,9 57,8 63,1 59,1 66,2

50,1

49,9

0

Vrouwen 20-30

Mannen 52,0 39,3 51,1 42,2 36,9 40,9 33,8

0

>50

1-10

10-20

N 17.487 140 305 609 179 421 1.281 20.422

20-30

Mannen

30-40

40-50

Vrouwen

85,6% van de medewerkers nam geen enkele dag loopbaanonderbreking (voltijds of deeltijds). Bij 5,2% lag het aantal dagen tussen 1 en 30 dagen, bij 6,0% tussen 30 en 50 dagen en bij 6,3% lag het hoger dan 50 dagen. Een veel hoger aandeel mannen nam geen enkele dag ziekteverlof. Het aandeel van vrouwen lag veel hoger in alle categorieën van 1 tot 50+ dagen per jaar. Het gemiddelde lag bij mannen op 5 dagen per jaar, bij vrouwen op 9 dagen. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag loopbaanonderbreking (grootste groep) lag het aandeel mannen iets hoger. In alle andere categorieën lag het aandeel vrouwen veel hoger.

44

>50


Zorgkrediet - VTE dagen per jaar % kolom

0 1-20 20-40 >40

N - Totaal Gemiddelde

% rij

Mannen 98,0 0,4 0,5 1,1

Vrouwen 91,0 1,8 2,3 5,0

10.229 1,1

10.193 4,5

Totaal 94,5 1,1 1,4 3,0 20.422 2,8

120

100

100

80

80

Mannen 52,0 19,2 18,0 17,8

Vrouwen 48,0 80,8 82,0 82,2

50,1

49,9

N 19.296 224 283 619 20.422

60

60

40

40

20

20 0

Mannen 0

1-20

Vrouwen 20-40

0

0

>40

1-20 Mannen

20-40 Vrouwen

94,5% van de medewerkers nam geen enkele dag zorgkrediet (voltijds of deeltijds). Bij 1,1% lag het aantal dagen tussen 1 en 20, bij 1,4% tussen 20 en 40 dagen en bij 3,0% lag het hoger dan 40 dagen. Een iets hoger aandeel mannen nam geen enkele dag zorgkrediet. Het aandeel van vrouwen lag veel hoger in alle categorieën van 1 tot 40+ dagen per jaar. Het gemiddelde lag bij mannen op 1 dag per jaar, bij vrouwen op 4,5 dagen. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag loopbaanonderbreking (grootste groep) lag het aandeel mannen iets hoger. In alle andere categorieën lag het aandeel vrouwen veel hoger.

45

>40


Dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar % kolom

0 1-2 2-5 5-10 >10

N - Totaal Gemiddelde

% rij

Mannen 66,6 21,7 8,2 2,4 1,1

Vrouwen 50,5 34,8 11,4 2,5 0,8

10.229 0,9

10.193 1,1

Totaal 58,6 28,2 9,8 2,5 1,0 20.422 1,0

80

100

60

80

Vrouwen 43,1 61,5 58,1 50,5 40,8

50,1

49,9

N 11.960 5.763 1.998 505 196 20.422

0

1-2

2-5

60

40

40

20 0

Mannen 56,9 38,5 41,9 49,5 59,2

20 Mannen 0

1-2

Vrouwen 2-5

5-10

0

>10

Mannen

5-10 Vrouwen

58,6% van de medewerkers nam geen enkele dag dienstvrijstelling (voltijds of deeltijds). 28,2% nam 1 of 2 dagen, 9,8% 2 tot 5 dagen en 3,5% nam meer dan 5 dagen. Een hoger aandeel mannen nam geen enkele dag dienstvrijstelling . Het aandeel van vrouwen lag hoger in de categorieën van 1 tot 5 dagen per jaar . De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag dienstvrijstelling (grootste groep) lag het aandeel mannen veel hoger. In de categorie 1-2 dagen per jaar (ook een grote groep) lag het aandeel vrouwen veel hoger. Het aandeel mannen lag hoger in de kleine groep met meer dan 10 dagen.

46

>10


Afwezigheid totaal - VTE dagen per jaar % kolom

1-20 20-40 40-60 60-80 80-100 100-120 120-140 140-160 160-180 180-200 >200

% rij

Mannen 13,4 11,7 43,1 14,2 6,2 3,9 1,8 1,4 1,2 0,8 2,2

Vrouwen 3,8 10,2 37,3 16,3 10,4 7,6 3,8 2,7 2,5 1,3 4,0

10.229 60,2

10.193 76,8

N - Totaal Gemiddelde

Totaal 8,6 10,9 40,2 15,3 8,3 5,8 2,8 2,0 1,8 1,1 3,1 20.422 68,4

Mannen 78,1 53,5 53,7 46,7 37,5 34,2 32,6 35,0 31,7 37,6 35,5

Vrouwen 21,9 46,5 46,3 53,3 62,5 65,8 67,4 65,0 68,3 62,4 64,5

50,1

49,9

N 1.760 2.230 8.214 3.118 1.702 1.183 577 417 375 218 628 20.422

100

60

80 40

60 40

20 0 1-20 120-140

20 0 Mannen 20-40 40-60 140-160 160-180

Vrouwen 60-80 80-100 180-200 >200

100-120

Mannen

Vrouwen

Ruim 40% van de medewerkers had 1 tot 50 afwezigheidsdagen, bijna 43% nam 50 tot 100 dagen, 9,7% had 100 tot 150 dagen, 3,8% 150 tot 200 dagen en 3,1% meer dan 200 dagen. Een veel hoger aandeel mannen was 1 tot 50 dagen afwezig. Het aandeel van vrouwen lag hoger alle categorieën hoger dan 50 dagen. Het gemiddelde lag bij mannen op 60 dagen per jaar, bij vrouwen op 77 dagen. De man-vrouw-verdeling is zeer ongelijk. Bij medewerkers met 1 tot 50 afwezigheidsdagen lag het aandeel mannen veel hoger. In de categorie 50 tot 100 dagen per jaar lag het aandeel van mannen en vrouwen bijna gelijk, maar in de categorieën hoger dan 50 dagen lag het aandeel van vrouwen veel hoger.

47


Telewerken - VTE dagen per jaar % kolom

0 1-10 10-30 30-50 50-80 >80

N - Totaal Gemiddelde

% rij

Mannen 57,2 12,0 11,2 8,9 7,1 3,5

Vrouwen 33,6 15,1 17,6 16,2 12,7 4,8

10.229 14,2

10.193 23,3

Totaal 45,4 13,6 14,4 12,6 9,9 4,2 20.422 18,7

60

100

50

80

40

Mannen 63,1 44,5 38,9 35,7 35,9 42,5

Vrouwen 36,9 55,5 61,1 64,3 64,1 57,5

50,1

49,9

N 9.268 2.770 2.943 2.564 2.026 851 20.422

60

30

40

20

20

10

0

Mannen 0

1-10

10-30

0

Vrouwen 30-50

50-80

0

>80

1-10

10-30 Mannen

30-50

50-80

Vrouwen

45,6% van de medewerkers had in 2018 geen enkele dag met telewerk. Bij 13,6% lag het aantal dagen telewerk tussen 1 en 10 dagen, bij 14,4% tussen 10 en 30 dagen, bij 12,6% tussen 30 en 50 dagen en bij 14,1% lag het hoger dan 50 dagen. Een veel hoger aandeel mannen had geen enkele dag met telewerk. Het aandeel van vrouwen lag veel hoger in alle categorieën van 1 tot 80+ dagen per jaar. Het gemiddelde lag bij mannen op 14 dagen per jaar, bij vrouwen op 23 dagen. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag telewerk (grootste groep) lag het aandeel mannen veel hoger. In de categorieën met 1 tot 80+ dagen telewerk lag het aandeel vrouwen veel hoger. Aangezien de registratie van telewerken in 2018 nog niet volledig verplicht was, moet men bij deze cijfers rekening houden met een zekere foutenmarge. We gaan er vanuit dat die foutenmarge bij mannen en vrouwen even groot is.

48

>80


Loonkosten per maand - per 1.000 euro % kolom

% rij

Mannen 2,2 1,8 5,2 21,5 24,3 16,5 10,3 5,4 3,6 3,2 6,1

1-1.000 1.000-2.000 2.000-3.000 3.000-4.000 4.000-5.000 5.000-6.000 6.000-7.000 7.000-8.000 8.000-9.000 9.000-1.0000 >1.0000

N - Totaal Gemiddelde

10.230 5.413

Totaal 2,7 3,2 8,4 24,3 23,5 15,6 8,8 4,6 2,9 2,3 3,7 20.430 4.896

Vrouwen 3,2 4,7 11,6 27,1 22,8 14,6 7,3 3,9 2,1 1,4 1,2

10.200 4.378

Mannen 40,8 27,5 30,9 44,3 51,6 53,0 58,6 58,3 63,5 69,8 83,2

50,1

Vrouwen 59,2 72,5 69,1 55,7 48,4 47,0 41,4 41,7 36,5 30,2 16,8

49,9

N 556 662 1.715 4.968 4.807 3.182 1.789 949 583 473 746 20.430

100

30

80 20

60 40

10

20 0

0

Mannen 1-1.000 4.000-5.000 8.000-9.000

1.000-2.000 5.000-6.000 9.000-1.0000

Vrouwen 2.000-3.000 6.000-7.000 >1.0000

3.000-4.000 7.000-8.000

Mannen

Vrouwen

Voor bijna 16% van de medewerkers lagen de loonkosten in 2018 onder de 3.000 euro per maand. Bij 24,3% bedroegen de loonkosten 3.000 tot 4.000 euro per maand, bij 23,5% 4000 tot 5000 euro, bij 15,6% 5.000 tot 6.000 euro, bij 8,8% 6.000 tot 7.000 euro en bij bijna 15% meer dan 7.000 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 4.000 euro, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in alle categorieën tot 4.000 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 5.413 euro per maand, bij vrouwen op 4.378 euro. De man-vrouw-verdeling binnen de looncategorieën is ongelijk. Vanaf 4.000 euro lag het aandeel mannen hoger en dat nam met de loonkosten verder toe. In de lagere klassen lag het aandeel vrouwen (veel) hoger.

49


Totaal bruto salaris per maand - per 1000 euro % kolom

% rij

Mannen 2,7 3,1 15,7 28,9 20,5 11,3 7,1 3,8 2,2 1,3 3,4

1-1000 1000-2000 2000-3000 3000-4000 4000-5000 5000-6000 6000-7000 7000-8000 8000-9000 9000-10000 >10000

N - Totaal Gemiddelde

10.230 4.528

Totaal 3,4 5,4 20,5 28,8 19,4 10,0 5,5 2,8 1,6 0,9 1,8 20.430 4.065

Vrouwen 4,1 7,7 25,3 28,8 18,4 8,6 3,9 1,8 0,9 0,4 0,2

10.200 3.601

Mannen 40,1 28,7 38,3 50,2 52,8 56,9 64,6 68,1 70,5 77,0 93,5

50,1

Vrouwen 59,9 71,3 61,7 49,8 47,2 43,1 35,4 31,9 29,5 23,0 6,5

49,9

N 693 1.097 4.178 5.892 3.965 2.034 1.131 570 322 178 370 20.430

100

30

80 20

60 40

10

20 0

0

Mannen 1-1000 4000-5000 8000-9000

1000-2000 5000-6000 9000-10000

Vrouwen 2000-3000 6000-7000 >10000

3000-4000 7000-8000

Mannen

Vrouwen

Voor iets meer dan 29% van de medewerkers lag het totaal bruto salaris onder de 3000 euro per maand. Bij 28,8% bedroeg het 3.000 tot 4.000 euro per maand, bij 19,4% 4.000 tot 5.000 euro, bij 10,0% 5.000 tot 6.000 euro, bij 5,5% 6.000 tot 7.000 euro en bij 7% meer dan 7.000 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 4.000 euro, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in de categorieën tot 3.000 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 4.528 euro per maand, bij vrouwen op 3.601 euro. De man-vrouw-verdeling binnen de salarisklassen is ongelijk. Vanaf 4.000 euro lag het aandeel mannen duidelijk hoger en dat nam toe met het inkomen. In de lagere klassen lag het aandeel vrouwen (veel) hoger.

50


Bruto salaris per maand - per 1000 euro % kolom

% rij

Mannen 3,2 6,6 34,2 23,6 12,6 9,8 4,5 4,0 1,1 0,3 0,0

1-1000 1000-2000 2000-3000 3000-4000 4000-5000 5000-6000 6000-7000 7000-8000 8000-9000 9000-10000 >10000

N - Totaal Gemiddelde

10.230 3.618

Totaal 4,1 9,8 34,6 24,6 12,4 7,7 3,3 2,5 0,7 0,2 0,0 20.430 3.356

Vrouwen 5,1 12,9 34,9 25,7 12,2 5,6 2,2 1,0 0,4 0,1 0,0

10.200 3.094

Mannen 38,7 33,9 49,5 48,0 51,0 64,0 67,5 80,2 74,7 71,7 66,7

50,1

Vrouwen 61,3 66,1 50,5 52,0 49,0 36,0 32,5 19,8 25,3 28,3 33,3

49,9

N 843 1.993 7.064 5.034 2.531 1.573 681 509 150 46 6 20.430

100

40

80

30

60

20

40

10

20 0

0

Mannen 1-1000 4000-5000 8000-9000

1000-2000 5000-6000 9000-10000

Vrouwen 2000-3000 6000-7000 >10000

3000-4000 7000-8000

Mannen

Vrouwen

Het bruto maandsalaris is gelijk aan het totaal bruto maandsalaris zonder de eindejaarstoelage, het vakantiegeld en de bijkomende toelagen voor specifieke arbeidsvoorwaarden. Voor ruim 48% van de medewerkers lag het bruto salaris onder de 3.000 euro per maand. Bij 24,6% bedroeg het 3.000 tot 4.000 euro per maand, bij 12,4% 4.000 tot 5.000 euro, bij 7,7% 5.000 tot 6.000 euro, bij bijna 7% meer dan 6.000 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 4.000 euro, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in de categorieën tot 4.000 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 3.618 euro per maand, bij vrouwen op 3.094 euro. De man-vrouw-verdeling binnen de salarisklassen is ongelijk. Vanaf 4.000 euro lag het aandeel mannen hoger en dat nam tot 8.000 euro. In de lagere klassen lag het aandeel vrouwen hoger.

51


Bruto toelagen per maand - per 1500 euro % kolom

% rij

Mannen 32,5 46,8 9,8 4,8 1,3 0,7 3,7

0 1-500 500-1000 1000-1500 1500-2000 2000-2500 >2500

N - Totaal

10.230 460

Gemiddelde

Vrouwen 38,0 55,9 3,6 0,9 0,1 0,1 0,1

10.199 119

Totaal 35,3 51,4

Mannen 45,9 45,4 73,1 84,8 91,7 92,0 97,4 50,1

6,7 2,8 0,7 0,4 1,9

20.429 289

60

100

50

80

40

60

30

40

20

N 7.271 10.588 1.382 579 145 75 389 20.429

20

10

0

0 0

Vrouwen 54,1 54,6 26,9 15,2 8,3 8,0 2,6 49,9

Mannen 1-500

500-1000

Vrouwen 1000-1500

1500-2000

2000-2500

>2500

Mannen

Vrouwen

De bruto toelagen omvatten diverse toelagen die worden toegekend aan specifieke groepen werknemers als vergoeding voor specifieke werkomstandigheden. De bruto toelagen zijn zeer ongelijk verdeeld. Ruim 35% van de medewerkers ontving geen extra toelagen, bijna 61% ontving minder dan 1.500 euro per maand, 1,3% 1.500 tot 3.000 euro en 1,7% meer dan 3.000 euro. Bij mannen lag het aandeel lager in de groep zonder toelagen, ongeveer even hoog in de groep 1-1500 euro per maand en veel hoger in alle klassen vanaf 1.500 euro. Het gemiddelde lag bij mannen op 460 euro per maand, bij vrouwen op 119 euro, bijna 4 keer lager. De man-vrouw-verdeling binnen de salarisklassen is zeer ongelijk. Vanaf 1.500 euro per maand lag het aandeel mannen veel hoger dan dat van vrouwen, van 91% tot 100% in de hoogste klassen.

52


Totaal netto salaris per maand - per 500 euro % kolom

Mannen 5,2 7,4 28,4 25,5 14,9 7,9 4,2 2,1 0,7 0,7 3,0

1-1500 1500-2000 2000-2500 2500-3000 3000-3500 3500-4000 4000-4500 4500-5000 5000-5500 5500-6000 >6000

N - Totaal Gemiddelde

10.230 2.865

% rij

Vrouwen 10,2 17,9 33,6 22,1 9,9 3,7 1,6 0,6 0,2 0,1 0,2

10.200 2.344

Totaal 7,7 12,7 31,0 23,8 12,4 5,8 2,9 1,4 0,5 0,4 1,6 20.430 2.605

Mannen 33,7 29,5 45,8 53,7 60,2 68,0 72,6 77,9 77,2 87,3 95,1

50,1

Vrouwen 66,3 70,5 54,2 46,3 39,8 32,0 27,4 22,1 22,8 12,7 4,9

49,9

N 1.569 2.586 6.334 4.863 2.533 1.185 587 276 92 79 326 20.430

100

40

80

30

60 20

40

10

20 0

0

Mannen 1-1500 3000-3500 5000-5500

1500-2000 3500-4000 5500-6000

Vrouwen 2000-2500 4000-4500 >6000

2500-3000 4500-5000

Mannen

Vrouwen

Voor bijna 20% van de medewerkers lag het totaal netto salaris onder de 2.000 euro per maand. Bij 31,0% bedroeg het 2.000 tot 2.500 euro per maand, bij 23,8% 2.500 tot 3.000 euro, bij 12,4% 3.000 tot 3.500 euro, bij 5,8% 3.500 tot 4.000 euro en bij 6,7% meer dan 4.000 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 2.500 euro, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in de categorieën tot 2.500 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 2.865 euro per maand, bij vrouwen op 2.344 euro. De man-vrouw-verdeling binnen de salarisklassen is ongelijk. Vanaf 2.500 euro lag het aandeel mannen duidelijk hoger en dat nam toe met het inkomen. In de lagere klassen lag het aandeel vrouwen (veel) hoger.

53


Netto salaris per maand - per 500 euro % kolom

% rij

Mannen 5,6 12,7 30,2 22,3 13,5 6,2 3,6 1,8 0,5 0,6 3,0

1-1500 1500-2000 2000-2500 2500-3000 3000-3500 3500-4000 4000-4500 4500-5000 5000-5500 5500-6000 >6000

N - Totaal Gemiddelde

10.230 2.752

Vrouwen 11,4 25,2 31,1 19,2 7,9 3,1 1,3 0,4 0,1 0,1 0,1

10.200 2.243

Totaal 8,5 18,9 30,7 20,8 10,7 4,6 2,5 1,1 0,3 0,4 1,6 20.430 2.498

Mannen 33,0 33,5 49,3 53,8 63,1 67,0 73,6 80,6 80,9 86,1 95,4

50,1

Vrouwen 67,0 66,5 50,7 46,2 36,9 33,0 26,4 19,4 19,1 13,9 4,6

49,9

N 1.729 3.868 6.263 4.241 2.186 946 507 227 68 72 323 20.430

100

40

80

30

60

20

40

10

20 0

0

Mannen 1-1500 3000-3500 5000-5500

1500-2000 3500-4000 5500-6000

Vrouwen 2000-2500 4000-4500 >6000

2500-3000 4500-5000

Mannen

Vrouwen

Het netto maandsalaris is gelijk aan het bruto maandsalaris zonder de vergoeding voor fietsvervoer en maaltijdcheques. Voor ruim 27% van de medewerkers lag het totaal netto maandsalaris onder de 2.000 euro. Bij 30,7% bedroeg het 2.000 tot 2.500 euro per maand, bij 20,8% 2.500 tot 3.000 euro, bij 10,7% 3000 tot 3500 euro, bij 4,6% 3.500 tot 4.000 euro en bij 5,9% meer dan 4.000 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 2.500 euro, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in de categorieën tot 2.500 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 2.752 euro per maand, bij vrouwen op 2.243 euro. De man-vrouw-verdeling binnen de salarisklassen is ongelijk. Vanaf 2.500 euro lag het aandeel mannen duidelijk hoger en dat nam toe met het inkomen. In de lagere klassen lag het aandeel vrouwen (veel) hoger.

54


Gemiddelden voor diverse aspecten Mannen 45,8 18,9 15,0

Leeftijd Geldelijke anciënniteit - jaren Dienstanciënniteit - jaren

0

10

Vrouwen 43,6 18,0 13,1

Totaal 44,7 18,5 14,0

20

N 20.604 20.426 20.426

30

M-V 2,2 0,9 1,9

40

50

Leeftijd Mannen Vrouwen

Geldelijke anciënniteit - jaren Dienstanciënniteit - jaren

Mannen 181 193 60

Werkdagen - VTE dagen/jaar Werk, ziekte, vrijstelling - VTE dagen/jaar Afwezigheid totaal - VTE dagen/jaar

0

50

Vrouwen 157 176 77

Totaal 169 184 68

100

150

N 20.422 20.422 20.422

200

M-V 23,7 17,0 -16,6

250

Werkdagen - VTE dagen/jaar Mannen Vrouwen

Werk, ziekte, vrijstelling - VTE dagen/jaar Afwezigheid totaal - VTE dagen/jaar

55


Mannen 26,2 2,3 11,1 4,6 1,1 0,9 14,2

Jaarlijks verlof - dagen/jaar Onbetaald verlof - VTE dagen/jaar Ziekteverlof - VTE dagen/jaar Loopbaanonderbreking - VTE dagen/jaar Zorgkrediet - VTE dagen/jaar Dienstvrijstelling - VTE dagen/jaar Telewerken - VTE dagen/jaar

0

Vrouwen 27,0 3,9 17,7 8,7 4,5 1,1 23,3

5

Totaal

10

26,6 3,1 14,4 6,6 2,8 1,0 18,7

N 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422

15

20

M-V -0,8 -1,5 -6,6 -4,1 -3,5 -0,1 -9,1

25

30

Jaarlijks verlof - dagen/jaar Onbetaald verlof - VTE dagen/jaar Ziekteverlof - VTE dagen/jaar

Mannen

Loopbaanonderbreking - VTE dagen/jaar Zorgkrediet - VTE dagen/jaar Dienstvrijstelling - VTE dagen/jaar Telewerken - VTE dagen/jaar

Loonkosten per maand Totaal bruto salaris per maand Bruto salaris per maand Bruto toelagen per maand Totaal netto salaris per maand Netto salaris per maand

0

1000

Mannen 5.413 4.528 3.618 460 2.865 2.752

Vrouwen 4.378 3.601 3.094 119 2.344 2.243

2000

3000

Totaal 4.896 4.065 3.356 289 2.605 2.498

4000

Loonkosten per maand Totaal bruto salaris per maand Bruto salaris per maand Bruto toelagen per maand Totaal netto salaris per maand Netto salaris per maand

N 20.430 20.430 20.430 20.430 20.430 20.430

5000

M-V 1.036 928 524 341 520 509

6000

Mannen Vrouwen

56


VTE werkdagen per maand per persoon Mannen 17,4 15,5 17,6 14,8 15,7 16,3 13,3 13,8 15,3 18,0 15,4 12,8

Januari Februari Maart April Mei Juni Juli Augustus September Oktober November December

Vrouwen 14,9 13,2 15,2 12,5 13,4 14,1 10,9 11,0 13,2 15,6 13,4 10,8

Totaal 16,1 14,4 16,4 13,6 14,5 15,2 12,1 12,4 14,3 16,8 14,4 11,8

N 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422

M-V 2,5 2,3 2,4 2,3 2,3 2,2 2,4 2,8 2,2 2,4 2,0 2,0

Aantal

%

35 30 25 20 15 10 5 0

100% 80% 60% 40% 20% 0%

Mannen

Vrouwen

Mannen

57

Vrouwen


1b Profiel van de werknemers van de Vlaamse overheid naar gender en functieniveau Inleiding en samenvatting In dit hoofdstuk 1b schetsen we een aanvullend profiel van de werknemers aan de hand van driedimensionale tabellen en grafieken (kolomprecentages), naar gender, functieniveau en enkele andere aspecten. Persoonlijke gegevens: leeftijd, onderwijsniveau, en beroepsgroep partner. Loopbaan/werksituatie: provincie van werklocatie en beroepsstatuut.

Uit dit hoofdstuk nemen we volgende aandachtspunten mee die aansluiten op maatschappelijke trends en/of vragen/hypothesen oproepen voor de toekomst. De kruising van gender, functieniveau en onderwijsniveau geeft ons enige indicatie over het zogenaamd al dan niet werken boven/onder onderwijsniveau. Het is belangrijk dat ook ervaring en niet enkel diploma erkend wordt in functieniveau en doorstroom, maar zogenaamd werken onder onderwijsniveau beperkt mogelijks aanwezig potentieel in de organisatie. Het grootste genderverschil betreft hier de medewerkers op niveau B. Bij vrouwen op niveau B zien we dat één vijfde, 21,6%, beschikt over een master/doctordiploma. Deze diploma’s verbindt de Vlaamse overheid eerder met niveaus A en A+. Hier zit dus een enorm doorgroeipotentieel voor vrouwen. Bij mannen bedraagt dit één tiende, 10,6%. Hierbij is de open vraag waarom vrouwen meer dan mannen “onder hun onderwijsniveau” werken. Is dit een persoonlijke keuze of is deze keuze beïnvloed door drempels in de organisatie, maatschappij en/of thuissituatie? De kruising van gender, functieniveau en beroepsgroep partner toont gelijkaardige tendensen als in hoofdstuk 1. Bij vrouwen is het aandeel met een partner werkend in de privé of als zelfstandige of een gepensioneerde partner groter. Bij mannen ligt het aandeel met een partner die werkt als ambtenaar of met een werkloze partner hoger. Kijken we naar de kaderfuncties (A+) dan lijkt het dat vrouwen minder kunnen terugvallen op een partner die in het huishouden ook zorgtaken kan opnemen. Zo kunnen zelfstandigen en privé werknemers op minder zorgstelsels beroep doen dan ambtenaren. Het genderverschil is zelfs het grootst bij de werknemers zonder partner. Gezien de ongelijke (on)betaalde arbeidsverdeling in de maatschappij is het mogelijk dat ook vrouwen in kaderfuncties binnen de Vlaamse overheid een moeilijkere werk-privé combinatie ervaren . Vrouwen zijn zo’n 10% meer aan het werk in het Brussels hoofdstedelijk gewest. Dit is mogelijk een indicatie naar verschillen in functie(groepen) tussen mannen en vrouwen, waarover we geen directe gegevens hebben. Het grote genderverschil volgens statuut op niveau D doet de vraag rijzen over de verschillende functies die mannen en vrouwen mogelijks invullen op dit niveau. Waarom werken vrouwen hier meer contractueel en in mogelijks meer precaire contracten?

58


Leeftijd %

Mannen Functieniveau A+ A 2,2 19,0 26,3 34,1 37,6 27,8 33,9 19,1 898 3.085

18-34 35-44 45-54 55 + N

B C D 23,6 15,1 12,4 33,7 26,3 19,8 28,4 29,0 34,0 14,3 29,6 33,8 1.958 2.100 2.223

Tot 16,2 28,6 30,3 24,8 10.264

N

1.662 2.940 3.114 2.548

Mannen

%

%p

Vrouwen A+ A B C D Tot 3,6 24,8 31,2 12,9 9,3 20,6 32,9 43,1 35,6 27,6 17,5 33,5 41,4 23,5 22,6 32,0 35,0 27,7 22,1 8,7 10,6 27,5 38,2 18,2 607 2.990 2.953 2.558 1.232 10.340

Genderverschil A+ A -1,4 -5,8 -6,7 -9,0 -3,7 4,3 11,8 10,5

Vrouwen 50

15

40

40

10

30

30

20

20

10

10 A+

A

18-34

B

35-44

C

45-54

D

Tot

55 +

0

D 3,0 2,4 -1,0 -4,4

Tot -4,4 -4,8 2,6 6,6

Genderverschil M - V

50

0

N

2.130 3.460 2.869 1.881

M-V B C -7,6 2,2 -1,9 -1,3 5,8 -3,0 3,7 2,1

5 0 -5

-10 A+

A

18-34

B

C

35-44

45-54

D

Tot

55 +

-15

A+

A

18-34

Er is een zwak negatief verband tussen functieniveau en leeftijd. Wel zijn er vrije grote genderverschillen in de combinatie van functieniveau en leeftijd. Bij mannen van niveau A+ ligt alleen het aandeel 55-plussers hoger dan bij vrouwen van niveau A+. Bij werknemers van niveaus A en B ligt bij vrouwen het aandeel 18 tot 44-jarigen hoger dan bij mannen, terwijl bij mannen het aandeel 45plussers groter is. Voor niveaus C en D zijn de verschillen kleiner.

59

B

35-44

C

45-54

D

Tot

55 +


Onderwijsniveau %

%

Mannen Functieniveau A+ A Lager secundair 2,8 2,3 Hoger secundair 3,1 1,3 Hoger bachelor 2,6 3,5 Hoger master/doctor 91,5 92,9 898 3.085 N

B C D 2,9 13,1 68,2 11,0 76,5 30,2 75,5 7,9 1,3 10,6 2,5 0,4 1.958 2.100 2.223

Tot 18,9 25,0 17,6 38,6 10.264

N

1.942 2.561 1.804 3.957

Mannen

%p

Vrouwen A+ A B C D Tot 3,1 3,1 3,1 10,2 64,0 12,1 0,7 0,5 7,0 77,6 34,5 25,5 0,7 2,2 68,2 9,7 1,4 22,7 95,6 94,2 21,6 2,5 0,2 39,7 607 2.990 2.953 2.558 1.232 10.340

10

80

80

5

60

60

0

40

40

-5

20

20

-10

B

C D Tot Hoger secundair Hoger master/doctor

0

A+ A Lager secundair Hoger bachelor

B

C D Tot Hoger secundair Hoger master/doctor

-15

A+ A Lager secundair Hoger bachelor

Er is een sterk positief verband tussen functieniveau en onderwijsniveau, als logisch gevolg van de diplomavereisten voor de diverse functies. Meer dan 90% van de medewerkers van niveau A+ en A hebben een diploma hoger master/doctor. Bij vrouwen ligt dat percentage iets hoger dan bij mannen. Bij de medewerkers van niveau D heeft ongeveer 2/3 een diploma lager secundair en 1/3 een diploma hoger secundair, Bij medewerkers van niveau A+, A, C en D zijn de genderverschillen klein. Bij mannen van niveau B ligt het aandeel met diploma hoger secundair en bachelor hoger, tegenover een hoger aandeel met diploma master/doctor bij vrouwen van niveau B.

60

Genderverschil M - V A+ A B C -0,3 -0,8 -0,3 2,9 2,5 0,8 4,0 -1,1 1,9 1,3 7,3 -1,8 -4,0 -1,3 -11,0 0,1

D 4,2 -4,3 -0,1 0,2

Tot 6,8 -0,5 -5,1 -1,1

Genderverschil M - V

100

A+ A Lager secundair Hoger bachelor

1.253 2.636 2.349 4.102

Vrouwen

100

0

N

B

C D Tot Hoger secundair Hoger master/doctor


Beroepsgroep partner %

%

Mannen Functieniveau A+ A B C D Werknemer privé 44,8 36,5 35,7 38,6 35,6 Ambtenaar 24,1 24,9 25,4 22,1 18,3 Zelfstandige 4,7 2,9 2,2 2,0 1,7 Zonder werk 6,8 7,5 3,2 4,2 8,8 Gepensioneerd 0,3 0,2 0,6 0,4 0,2 Geen partner 18,6 26,9 31,5 31,0 34,1 891 3.054 1.930 2.064 2.192 N

Tot 37,3 22,9 2,5 6,2 0,3 29,4 10.131

N

3.829 2.354 255 638 35 3.020

Mannen 50

40

40

30

30

20

20

10

10 A+

A

B

Werknemer privé Zelfstandige Gepensioneerd

C

C 43,2 18,1 4,7 1,3 1,4 29,7 2.513

D 44,2 15,2 4,1 1,4 2,4 31,0 1.211

Tot 42,1 18,2 5,9 1,2 0,9 30,1 10.183

D

Tot

Ambtenaar Zonder werk Geen partner

0

Genderverschil M - V A+ A B C -0,7 -5,5 -4,0 -4,5 6,1 5,5 6,9 4,0 -1,7 -4,6 -3,8 -2,7 5,0 6,2 2,3 2,9 -0,2 -0,2 0,0 -1,0 -8,3 -1,2 -1,3 1,3

N

4.352 1.887 614 123 98 3.109

Vrouwen

50

0

%p

Vrouwen A+ A B 45,5 42,0 39,7 18,0 19,4 18,5 6,4 7,5 6,1 1,8 1,3 0,8 0,5 0,4 0,6 26,9 28,1 32,7 601 2.951 2.907

D -8,7 3,1 -2,5 7,4 -2,1 3,0

Genderverschil M - V 10 5

0 -5 A+

A

B

C

Werknemer privé Zelfstandige Gepensioneerd

D

Tot

Ambtenaar Zonder werk Geen partner

-10

A+

Er is een zwak verband tussen functieniveau en beroepsgroep van de partner. Binnen de diverse functieniveaus zijn er wel enkele significante genderverschillen. Bij vrouwen van niveau A+ ligt het aandeel zonder partner ruim 8% hoger dan bij mannen van niveau A+. Het aandeel vrouwen met een partner die in de privé werkt is bijna even groot voor niveau A+ maar het is duidelijk groter voor niveau D. Voor alle functieniveaus ligt het aandeel vrouwen met een partner die ambtenaar is of geen werk heeft, hoger dan bij mannen. Het aandeel vrouwen met een zelfstandig partner ligt bij alle functieniveaus lager dan bij mannen, met een kleiner verschil voor niveau A+. Bij vrouwen van niveau ligt het aandeel met een gepensioneerde partner iets hoger dan bij mannen van niveau D.

61

A

B

Werknemer privé Zelfstandige Gepensioneerd

C

D

Tot

Ambtenaar Zonder werk Geen partner

Tot -4,8 4,7 -3,5 5,0 -0,6 -0,6


Provincie van werklocatie %

%

Mannen Functieniveau A+ A Antwerpen 7,0 17,9 Oost Vlaanderen 7,3 13,0 West Vlaanderen 3,6 7,4 Vlaams Brabant 2,9 4,9 Limburg 3,9 4,0 Brussels Gewest 72,9 46,8 Buitenland 2,3 5,9 898 3.085 N

B C D 21,0 19,0 26,8 15,6 15,7 12,6 17,9 15,6 25,2 8,5 9,0 10,6 8,2 9,6 13,5 28,0 29,8 8,4 0,8 1,3 3,0 1.958 2.100 2.223

Mannen 80

60

60

40

40

20

20 A+ A B Antwerpen West Vlaanderen Limburg Buitenland

C

D Tot Oost Vlaanderen Vlaams Brabant Brussels Gewest

N

2.020 1.383 1.498 771 821 3.459 312

N

1.558 1.599 1.106 628 671 4.594 184

Vrouwen

80

0

Tot 19,7 13,5 14,6 7,5 8,0 33,7 3,0 10.264

%p

Vrouwen A+ A B C D Tot 5,3 12,0 20,5 14,9 14,7 15,1 10,4 13,2 17,5 16,5 16,5 15,5 2,8 6,3 14,8 10,9 15,2 10,7 2,0 5,1 7,0 6,2 8,0 6,1 1,6 4,5 8,4 7,5 7,1 6,5 77,8 57,2 28,3 43,1 38,3 44,4 0,2 1,7 3,6 0,9 0,2 1,8 607 2.990 2.953 2.558 1.232 10.340

0

Genderverschil M - V A+ A B C 1,7 5,9 0,5 4,1 -3,0 -0,1 -1,8 -0,8 0,8 1,1 3,1 4,7 0,9 -0,2 1,6 2,8 2,3 -0,5 -0,2 2,2 -4,8 -10 -0,4 -13 2,2 4,2 -2,8 0,4

D 12,1 -3,9 10,1 2,6 6,4 -30 2,8

Genderverschil M - V 10 0 -10 -20

A+ A B Antwerpen West Vlaanderen Limburg Buitenland

C

D Tot Oost Vlaanderen Vlaams Brabant Brussels Gewest

-30

A+ A B Antwerpen West Vlaanderen Limburg Buitenland

Algemeen gezien zijn de genderverschillen voor de provincie van de werklocatie binnen functieniveaus A,+, A, B en C klein. Bij de medewerkers van niveau A en C ligt het aandeel vrouwen met werklocatie in het Brussels Gewest 10% respectievelijk 13% hoger. Bij vrouwen van niveau D ligt dat percentage zelfs 30% hoger dan bij mannen. Daartegenover staat dat een groter aandeel mannen van niveau D in de provincie Antwerpen en West Vlaanderen werkt.

62

C

D Tot Oost Vlaanderen Vlaams Brabant Brussels Gewest

Tot 4,6 -2,0 3,9 1,4 1,5 -10,7 1,3


Beroepsstatuut %

Statutair Contractueel N

%

Mannen Functieniveau A+ A 88,1 78,7 11,9 21,3 898 3.085

B C D 74,4 82,5 75,9 25,6 17,5 24,1 1.958 2.100 2.223

Tot 78,9 21,1 10.264

N

8.097 2.167

Mannen

%p

Vrouwen A+ A B C 86,8 72,6 67,1 80,5 13,2 27,4 32,9 19,5 607 2.990 2.953 2.558

D Tot 48,9 71,0 51,1 29,0 1.232 10.340

30

80

80

20

60

60

40

40

20

20 A

Statutair

B

C

D

Contractueel

Tot

0

D 27 -27

Genderverschil M - V

100

A+

7.341 2.999

Vrouwen

100

0

Genderverschil M - V A+ A B C 1,3 6,1 7,3 2,0 -1,3 -6,1 -7,3 -2,0

N

10 0 -10 -20 A+

A

B

C

Statutair

D

Tot

-30

A+

Contractueel

Het aandeel contractuelen ligt bij vrouwen bijna 8% hoger dan bij mannen. Die genderverschillen varieëren sterk naar functieniveau. Bij vrouwen van niveau D ligt het aandeel contractuelen liefst 27% hoger dan bij mannen van dat niveau. Bij vrouwen van niveaus A en B is het aandeel contractuelen 6,1% respectievelijk 7,3% groter dan bij mannen. In niveaus A+ en C zijn de verschillen klein.

63

A

Statutair

B

C

D

Contractueel

Tot

Tot 7,9 -7,9


2 Profiel van de werknemers bij de Vlaamse overheid en in het Vlaamse Gewest Inleiding en samenvatting Dit hoofdstuk biedt voor enkele aspecten van het genderprofiel in het vorige hoofdstuk een vergelijking van de werknemers van de Vlaamse overheid (18 tot 64 jaar) (in Vlimpers) met de werknemers van 18 tot 64 jaar in het hele Vlaamse Gewest. Voor het Vlaamse Gewest gebruiken we gegevens van de Enquête naar de Arbeidskrachtentelling (EAK) en van de Enquête naar Inkomens en Levensomstandigheden (SILC). De vergelijking gebeurt aan de hand van eenvoudige tweedimensionale kruistabellen en grafieken (kolom- en rijprecentages). Meer info over EAK: https://www.statistiekvlaanderen.be/KSMD-149a-uren-beroepsarbeid-per-week. Meer info over SILC: https://www.statistiekvlaanderen.be/KSMD-155-individuele-inkomens-silc. De vergelijking met de EAK brengt de volgende verschillen aan het licht: - minder medewerkers van de VO wonen buiten België; - veel meer medewerkers van de VO wonen in Oost Vlaanderen, minder in de provincies Antwerpen en Limburg; - minder medewerkers van de VO zijn buiten België geboren; - bij de VO werken werken er veel minder 18-34-jarigen en veel meer 50-plussers; - er zijn veel meer medewerkers met diploma master/doctoraat bij de VO; - veel meer werknemers van de VO hebben het Brusselse Gewest als werklocatie; - veel meer medewerkers van de VO hebben een vaste benoeming; - er zijn bij de VO veel meer werknemers met 90-120 werkuren per maand en veel minder werknemers met meer dan 120 uur; - bij de VO zijn er veel minder medewerkers met een leidinggevende functie; - er zijn veel minder medewerkers zonder thuiswerk bij de VO en veel meer met 1 tot 50% dagen thuiswerken. De vergelijking met SILC laat de volgende verschillen zien: - er zijn bij de VO veel meer medewerkers met een totaal bruto maandsalaris boven 4.500 euro; het gemiddeld salaris ligt 530 euro hoger, bij vrouwen 560 euro; - het aandeel medewerkers met een totaal netto maandsalaris boven 3000 euro ligt hoger bij de VO; gemiddeld bijna 300 euro hoger, bij vrouwen 330 euro; - de VO kent iets kleinere genderverschillen binnen de diverse salariscategorieën.

64


Uit dit vergelijkend hoofdstuk noteren we de volgende centrale elementen. Het gemiddeld salaris ligt binnen de Vlaamse overheid hoger dan bij de werkende bevolking in het Vlaams gewest. De gemiddelde genderkloof voor het maandsalaris is kleiner bij de Vlaamse overheid. Dit keert om voor het salaris per werkuur. Voor het totaal netto salaris per maand zijn vrouwen in het Vlaams gewest met 13,8% veel meer vertegenwoordigd in de hoogste loonklasse (> €7500) dan vrouwen bij de Vlaamse overheid (2%) ten opzichte van hun respectievelijke mannelijke collega’s. De Vlaamse overheid kent veel minder leidinggevende functies dan organisaties in het Vlaams gewest. Met 41% zijn vrouwen in leidinggevende functies bij de Vlaamse overheid wel beter vertegenwoordigd (34,3% in Vlaams gewest). Wel moet men rekening houden met een mogelijk verschil in de betekenis van leidinggeven bij de VO en in de enquête EAK. Voor zowel onderwijsniveau als beroepsstatuut verwerven we mogelijks indirect inzicht in de verschillen in functies (en sector). Bij de Vlaamse overheid zijn er veel meer hoger geschoolde medewerkers dan in het Vlaamse gewest. De meeste functies bij de Vlaamse overheid zijn immers aan een diploma gebonden. Bij de Vlaamse overheid zijn iets meer mannelijke statutaire ambtenaren. In het Vlaams gewest zijn er meer vrouwen met een vaste benoeming. Mogelijks is dit verbonden met de gender gesegregeerde sectoren zoals onderwijs en zorg.

65


Land van geboorte

Vlaamse overheid - GOVO % kolom

België EU - buiten België Buiten EU

Totaal - N

Vlaams Gewest - EAK % kolom

% rij

Mannen 97,4 1,4 1,2

Vrouwen 96,4 1,7 1,9

Totaal 96,9 1,6 1,6

Mannen 50,1 45,5 38,6

10.264

10.340

20.604

49,8

Vrouwen Totaal - N 49,9 19.962 54,5 321 61,4 321

50,2

20.604

% rij

Mannen 86,5 5,4 8,0

Vrouwen 86,8 6,0 7,2

Totaal 86,7 5,7 7,6

Mannen 51,1 48,6 54,1

1.269.159

1.211.479

2.480.638

51,2

Vrouwen Totaal - N 48,9 2.150.580 51,4 141.308 45,9 188.750

48,8

EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)

% kolom

150

100 80

100

60 40

50

20

0

Mannen België

% rij

Vrouwen EU - buiten België

Totaal

0

Buiten EU

België

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

België

EU - buiten België Mannen

Buiten EU

Vrouwen

Mannen

0

België

Vrouwen

EU - buiten België

EU - buiten België Mannen

Buiten EU

Buiten EU

Vrouwen

De VO telde in 2018 3,2% medewerkers die buiten België zijn geboren, tegenover 13,3% in het hele VG. Bij de VO lag dat aandeel iets hoger bij vrouwen; in het VG was dat omgekeerd. De man-vrouwverdeling binnen de 3 categorieën voor geboorteland toont eveens verschillen tussen de VO en het VG. Bij de VO is het aandeel mannen geboren buiten de EU duidelijk lager.

66

2.480.638


Leeftijd

Vlaamse overheid - GOVO % kolom

18-34 jaar 35-44 jaar 45-54 Jaar 55+ jaar

Totaal - N Gemiddelde

Vlaams Gewest - EAK % kolom

% rij

Mannen 16,2 28,6 30,3 24,8

Vrouwen 20,6 33,5 27,7 18,2

Totaal 18,4 31,1 29,0 21,5

Mannen 43,8 45,9 52,0 57,5

10.264 45,8

10.340 43,6

20.604 44,7

49,8

Vrouwen Totaal - N 56,2 3.792 54,1 6.400 48,0 5.983 42,5 4.429

50,2

20.604

% rij

Mannen 32,2 25,2 26,4 16,2

Vrouwen 32,0 26,4 26,6 15,0

Totaal 32,1 25,8 26,5 15,6

Mannen 51,4 50,0 51,0 53,1

1.269.322 41,3

1.211.479 41,2

2.480.801 41,3

51,2

Vrouwen Totaal - N 48,6 796.526 50,0 639.100 49,0 658.384 46,9 386.791

48,8

EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)

% kolom

40

40

30

30

20

20

10

10

0

Mannen 18-34 jaar

% rij

35-44 jaar

0

Vrouwen 45-54 Jaar

55+ jaar

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

18-34 jaar

35-44 jaar Mannen

45-54 Jaar

55+ jaar

Vrouwen

Mannen 18-34 jaar

0

18-34 jaar

35-44 jaar

35-44 jaar Mannen

Vrouwen 45-54 Jaar

45-54 Jaar Vrouwen

Bij de VO lag het aandeel personen bij de 18 tot 34-jarigen veel lager en bij de 55-plussers veel hoger dan in het VG. Bij de VO lag het aandeel 55-plussers bij mannen nog hoger. De gemiddelde leeftijd van de werknemers bij de VO lag op 44,7 jaar en in het VG op 41,3 jaar. Bij de VO is het verschil tussen mannen en vrouwen groter. De man-vrouwverdeling binnen de leeftijdsgroepen verschilt eveneens tussen de VO en het VG. Bij de VO lag het aandeel mannen lagervrouwen hoger bij de 18 tot 44-jarigen en het aandeel mannen hoger bij de 55-plussers.

67

55+ jaar

55+ jaar

2.480.801


Onderwijsniveau

Vlaamse overheid - GOVO % kolom

Lager secundair Hoger secundair Hoger bachelor Hoger master/doctor

Totaal - N

Vlaams Gewest - EAK % kolom

% rij

Mannen 18,9 25,0 17,6 38,6

Vrouwen 12,1 25,5 22,7 39,7

Totaal 15,5 25,2 20,2 39,1

Mannen 60,8 49,3 43,4 49,1

10.264

10.340

20.604

49,8

Vrouwen Totaal - N 39,2 3.195 50,7 5.197 56,6 4.153 50,9 8.059

50,2

20.604

% rij

Mannen 15,8 46,0 20,4 17,8

Vrouwen 11,0 37,3 33,1 18,7

Totaal 13,4 41,7 26,6 18,2

Mannen 60,1 56,4 39,3 50,0

1.269.323

1.211.478

2.480.801

51,2

Vrouwen Totaal - N 39,9 333.483 43,6 1.034.579 60,7 660.250 50,0 452.489

48,8

EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)

% kolom

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

% rij

Mannen Lager secundair Hoger bachelor

Vrouwen Hoger secundair Hoger master/doctor

0

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

Lager secundair

Hoger secundair Mannen

Hoger bachelor Vrouwen

Hoger master/doctor

0

Mannen Lager secundair Hoger bachelor

Lager secundair

Hoger secundair Mannen

Vrouwen Hoger secundair Hoger master/doctor

Hoger bachelor Vrouwen

Bij de VO lag het aandeel medewerkers met een diploma hoger secundair veel lager dan in het VG. Het aandeel met een diploma lager secundair lag bij de VO iets hoger dan in het VG en het aandeel met een diploma master of doctor veel hoger. De man-vrouwverdeling binnen de onderwijsniveaus laat minder verschillen tussen de VO en het VG zien. Bij de VO lag het aandeel mannen lager bij de personen met een diploma hoger secundair.

68

Hoger master/doctor

2.480.801


Provincie van werklocatie

Vlaamse overheid - GOVO % kolom

Antwerpen Oost Vlaanderen West Vlaanderen Vlaams Brabant Limburg Brussels Gewest Waals Gewest/extern

Totaal - N

Vlaams Gewest - EAK % kolom

% rij

Mannen 19,7 13,5 14,6 7,5 8,0 33,7 3,0

Vrouwen 15,1 15,5 10,7 6,1 6,5 44,4 1,8

Totaal 17,4 14,5 12,6 6,8 7,2 39,1 2,4

Mannen 56,5 46,4 57,5 55,1 55,0 43,0 62,9

10.264

10.340

20.604

49,8

Vrouwen Totaal - N 43,5 3.578 53,6 2.982 42,5 2.604 44,9 1.399 45,0 1.492 57,0 8.053 37,1 496

50,2

20.604

% rij

Mannen 27,6 19,0 16,0 13,6 11,6 8,8 3,4

Vrouwen 27,1 19,8 17,0 13,7 11,8 8,5 2,1

Totaal 27,4 19,4 16,5 13,6 11,7 8,6 2,7

Mannen 51,6 50,1 49,7 51,1 50,7 52,0 63,3

1.269.320

1.211.478

2.480.798

51,2

Vrouwen Totaal - N 48,4 679.129 49,9 480.707 50,3 409.498 48,9 338.480 49,3 290.779 48,0 214.264 36,7 67.941

48,8

EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)

% kolom

40

40

30

30

20

20

10 0

10 Mannen

Antwerpen Vlaams Brabant Waals Gewest/extern

% rij

Vrouwen Oost Vlaanderen Limburg

West Vlaanderen Brussels Gewest

100 80 60 40 20 0

0

Mannen

Antwerpen Vlaams Brabant Waals Gewest/extern

Vrouwen Oost Vlaanderen Limburg

West Vlaanderen Brussels Gewest

100 80 60 40 20 0

Mannen

Vrouwen

Mannen

Vrouwen

Bij de VO lag bij mannen en vrouwen het aandeel met werklocatie in het Brussels Gewest veel hoger dan in het VG, terwijl het aandeel in alle Vlaamse provincies lager lag. De man-vrouwverdeling binnen de provincies laat weinig verschillen tussen de VO en het VG zien. Bij de VO lag het aandeel vrouwen dat werkt in het Brussels Gewest 9 procentpunten hoger dan in het VG.

69

2.480.798


Beroepsstatuut

Vlaamse overheid - GOVO % kolom

Vaste benoeming Contractueel

Totaal - N

Vlaams Gewest - EAK % kolom

% rij

Mannen 78,9 21,1

Vrouwen 71,0 29,0

Totaal 74,9 25,1

Mannen 52,4 41,9

10.264

10.340

20.604

49,8

Vrouwen Totaal - N 47,6 15.438 58,1 5.166

50,2

20.604

% rij

Mannen 12,5 87,5

Vrouwen 16,5 83,5

Totaal 14,5 85,5

Mannen 44,3 52,3

1.269.322

1.211.479

2.480.801

51,2

Vrouwen Totaal - N 55,7 359.520 47,7 2.121.281

EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)

% kolom

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

% rij

Mannen Vaste benoeming

Vrouwen Contractueel

0

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

Vaste benoeming Mannen

Contractueel Vrouwen

0

Mannen Vaste benoeming

Vaste benoeming Mannen

Vrouwen Contractueel

Contractueel Vrouwen

Bij de VO lag bij mannen en vrouwen het aandeel met een vaste benoeming veel hoger dan in het VG, terwijl het aandeel contractuelen veel lager lag. De man-vrouwverdeling binnen de 2 beroepsgroepen geeft voor de VO het omgekeerde beeld van de VG . Bij de VO lag bij de vastbenoemde het aandeel vrouwen lager dan in het VG. Bij de contractuelen daarentegen lag bij de VO het aandeel vrouwen hoger dan in het VG.

70

48,8

2.480.801


Werkdagen per jaar

Vlaamse overheid - GOVO % kolom

1-60 60-90 90-120 >120

Totaal - N Gemiddelde

Vlaams Gewest - EAK % kolom

% rij

Mannen 7,5 6,9 20,6 65,0

Vrouwen 13,8 15,4 33,3 37,6

Totaal 10,7 11,1 26,9 51,3

Mannen 35,4 31,1 38,3 63,4

10.229 114

10.193 99

20.422 107

50,1

Vrouwen Totaal - N 64,6 2.177 68,9 2.276 61,7 5.495 36,6 10.474

49,9

20.422

% rij

Mannen 5,1 3,5 6,1 85,3

Vrouwen 8,5 17,7 23,0 50,9

Totaal 6,8 10,4 14,4 68,5

Mannen 38,8 17,0 21,7 63,7

1.269.322 132

1.211.480 109

2.480.802 120

51,2

Vrouwen Totaal - N 61,2 167.646 83,0 257.797 78,3 356.027 36,3 1.699.332

48,8

EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)

% kolom

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

Mannen 1-60

% rij

0

Vrouwen

60-90

90-120

>120

1-60

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

1-60

60-90 Mannen

90-120

>120

Vrouwen

Mannen

0

1-60

Vrouwen

60-90

60-90 Mannen

90-120

>120

90-120

>120

Vrouwen

Bij de VO lag - vooral bij mannen - het aandeel werknemers met 90 tot 120 werkuren per maand hoger dan in het VG, terwijl het aandeel werknemers met meer dan 120 uur per maand veel lager lag dan in het VG. Het gemiddelde aantal lag bij de VO op 107 werkuren per maand, in het VG op 122. De man-vrouwverdeling laat zien dat bij de VO het aandeel vrouwen bij de medewerkers met 60 tot 120 werkuren per maand lager lag dan in het VG. Bij de personen met meer dan 120 uur per maand lag het aandeel vrouwen bij de VO even hoog als in het VG.

71

2.480.802


Leiding geven

Vlaamse overheid - GOVO % kolom

Leidinggevend Niet-leidinggevend

Totaal - N

Vlaams Gewest - EAK % kolom

% rij

Mannen 3,5 96,5

Vrouwen 2,4 97,6

Totaal 3,0 97,0

Mannen 59,0 49,5

10.264

10.340

20.604

49,8

Vrouwen Totaal - N 41,0 614 50,5 19.990

50,2

20.604

% rij

Mannen 25,2 74,8

Vrouwen 13,8 86,2

Totaal 19,6 80,4

Mannen 65,7 47,6

1.270.385

1.211.229

2.481.614

51,2

Vrouwen Totaal - N 34,3 487.556 52,4 1.994.058

EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)

% kolom

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

Mannen Leidinggevend

% rij

Vrouwen

0

Niet-leidinggevend

Leidinggevend

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

Leidinggevend Mannen

Niet-leidinggevend Vrouwen

Mannen

0

Leidinggevend Mannen

Vrouwen Niet-leidinggevend

Niet-leidinggevend Vrouwen

Bij de VO lag het aandeel leidinggevende medewerkers op 3,0%, tegenover 19,6% in het VG. Bij de VO lag het aandeel leidinggevenden 1 procentpunt hoger bij mannen dan bij vrouwen. In het VG lag dat aandeel 11 procentpunten hoger bij mannen. De man-vrouwverdeling is iets gunstiger bij de VO. Bij de VO lag het aandeel vrouwen bij de leidinggevenden iets hoger dan in het VG.

72

48,8

2.481.614


Aandeel werkdagen thuis

Vlaamse overheid - GOVO % kolom

Vlaams Gewest - EAK % kolom

% rij

0% 1-50% 50-100%

Mannen 57,2 41,9 1,0

Vrouwen 33,6 64,8 1,6

Totaal 45,4 53,3 1,3

Mannen 63,1 39,3 38,0

Totaal - N

10.229

10.193

20.422

50,1

Vrouwen Totaal - N 36,9 9.268 60,7 10.891 62,0 263

49,9

20.422

% rij

Mannen 83,7 13,9 2,4

Vrouwen 82,2 14,1 3,7

Totaal 83,0 14,0 3,1

Mannen 52,0 51,3 40,9

1.231.002

1.155.344

2.386.346

51,6

Vrouwen Totaal - N 48,0 1.979.718 48,7 333.526 59,1 73.102

EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)

% kolom

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

Mannen 0%

% rij

Vrouwen 1-50%

0

50-100%

0%

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

0%

1-50% Mannen

Mannen

50-100%

Vrouwen

0

Vrouwen 1-50%

0%

50-100%

1-50% Mannen

Vrouwen

Bij de VO lag het aandeel medewerkers zonder thuiswerk veel lager dan in het VG en het aandeel met 1 tot 50% werkdagen thuis werken veel hoger. De man-vrouwverdeling laat meer ongelijkheid zien bij de VO dan in het VG. Bij de VO lag in de groep zonder thuiswerk het aandeel vrouwen lager dan in het VG en bij de groep met thuiswerk hoger.

73

50-100%

48,4

2.386.346


Totaal bruto salaris per maand

Vlaamse overheid - GOVO % kolom

Vlaams Gewest - SILC % kolom

% rij

0-1500 1500-3000 3000-4500 4500-6000 6000-7500 >7500

Mannen 3,9 17,5 40,9 19,8 9,2 8,7

Vrouwen 7,2 29,8 39,7 16,0 5,1 2,2

Totaal 5,5 23,7 40,3 17,9 7,2 5,4

Mannen 35,5 37,1 50,8 55,3 64,4 80,0

Totaal - N Gemiddelde

10.230 4.528

10.200 3.601

20.430 4.065

50,1

Vrouwen Totaal - N 64,5 1.132 62,9 4.836 49,2 8.235 44,7 3.656 35,6 1.465 20,0 1.106

49,9

20.430

% rij

Mannen 8,6 21,0 38,4 16,4 7,0 8,6

Vrouwen 16,0 37,8 31,0 10,5 2,7 2,0

Totaal 12,3 29,4 34,7 13,5 4,9 5,3

Mannen 34,7 35,6 55,3 61,0 71,9 80,9

1.222.270 4.141

1.227.889 3.040

2.450.159 3.589

49,9

Vrouwen Totaal - N 65,3 301.627 64,4 720.930 44,7 849.750 39,0 329.625 28,1 119.047 19,1 129.180

50,1

EU-SILC Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)

% kolom

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

Mannen 0-1500 4500-6000

% rij

1500-3000 6000-7500

Vrouwen 3000-4500 >7500

0

0-1500 4500-6000

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

0 Mannen

Vrouwen

Mannen 1500-3000 6000-7500

Mannen

Vrouwen 3000-4500 >7500

Vrouwen

Bij de VO bedroeg het aandeel medewerkers met een totaal bruto salaris boven 4.500 euro per maand 30,5%, tegenover 23,6% in het VG. Het gemiddelde totaal bruto salaris lag bij de VO op 4.065 euro per maand, in het VG op 3.589 euro. Het verschil tussen mannen en vrouwen (928 euro) is bij de VO kleiner dan in het VG (1.101 euro), in euro en procentueel. De man-vrouwverdeling laat een kleinere ongelijkheid zien bij de VO dan in het VG. Bij de VO lag het aandeel vrouwen in de hogere inkomensgroepen hoger dan in het VG. 74

2.450.159


Totaal netto salaris per maand

Vlaamse overheid - GOVO % kolom

Vlaams Gewest - SILC % kolom

% rij

0-1500 1500-3000 3000-4500 4500-6000 6000-7500 >7500

Mannen 5,2 61,4 27,0 3,5 1,6 1,4

Vrouwen 10,2 73,6 15,2 0,9 0,1 0,0

Totaal 7,7 67,5 21,1 2,2 0,9 0,7

Mannen 33,7 45,5 64,1 79,4 92,7 98,0

Totaal - N Gemiddelde

10.230 2.865

10.200 2.344

20.430 2.605

50,1

Vrouwen Totaal - N 66,3 1.569 54,5 13.783 35,9 4.305 20,6 447 7,3 178 2,0 148

49,9

20.430

% rij

Mannen 11,7 61,5 21,2 3,7 1,2 0,7

Vrouwen 26,0 64,7 7,9 1,0 0,2 0,3

Totaal 18,9 63,1 14,5 2,4 0,7 0,5

Mannen 31,0 48,6 72,7 78,0 88,0 73,6

1.222.270 2.607

1.227.888 2.015

2.450.158 2.310

49,9

Vrouwen Totaal - N 69,0 462.406 51,4 1.545.592 27,3 355.671 22,0 57.758 12,0 16.307 26,4 12.424

50,1

EU-SILC Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)

% kolom

80

80

60

60

40

40

20

20

0

Mannen

0-1500 4500-6000

% rij

1500-3000 6000-7500

Vrouwen 3000-4500 >7500

0

100

100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

0 Mannen

Vrouwen

Mannen 0-1500 4500-6000

1500-3000 6000-7500

Mannen

Vrouwen 3000-4500 >7500

Vrouwen

Bij de VO bedroeg het aandeel medewerkers met een totaal netto salaris boven 3.000 euro per maand 24,9%, tegenover 18,0% in het VG. Het gemiddelde totaal netto salaris lag bij de VO op 2.605 euro per maand, in het VG op 2.310 euro. Het verschil tussen mannen en vrouwen bedroeg 520 euro bij de VO, tegenover 592 euro in het VG. De man-vrouwverdeling laat een kleinere ongelijkheid zien bij de VO dan in het VG. Bij de VO lag het aandeel vrouwen in de hogere inkomensgroepen hoger dan in het VG, met uitzondering van de hoogste inkomensgroep (2% vrouwen bij VO tegenover 26,4% in VG). 75

2.450.158


Gemiddelden naar gender en leeftijd Vlaamse overheid - GOVO

Totaal bruto salaris per maand in euro

Mannen 3.097 4.222 4.964 5.281 4.528

18-34 jaar 35-44 jaar 45-54 Jaar 55+ jaar Totaal

Vrouwen 2.845 3.632 4.061 3.698 3.601

Vlaams Gewest - SILC

Totaal Totaal - N 2.956 3.757 3.905 6.337 4.533 5.933 4.612 4.403 4.065 20.430

Mannen 3.050 4.322 4.741 4.898 4.141

Vrouwen 2.468 3.176 3.398 3.216 3.040

Totaal 2.770 3.727 4.062 4.059 3.589

Totaal - N 722.480 667.338 636.027 424.312 2.450.157

EU-SILC Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)

0

1000

2000

3000

4000

5000

Mannen Vrouwen

18-34 jaar 35-44 jaar

55+ jaar

55+ jaar

Totaal

Totaal

in euro

Mannen 2.132 2.740 3.094 3.206 2.865

Vrouwen 1.954 2.376 2.576 2.374 2.344

2000

3000

4000

5000

6000 Mannen

Vrouwen

35-44 jaar 45-54 Jaar

18-34 jaar 35-44 jaar 45-54 Jaar 55+ jaar Totaal

1000

18-34 jaar

45-54 Jaar

Vlaamse overheid - GOVO

Totaal netto salaris per maand

0

6000

Vlaams Gewest - SILC

Totaal Totaal - N 2.033 3.757 2.545 6.337 2.847 5.933 2.854 4.403 2.605 20.430

Mannen 2.058 2.729 2.913 2.934 2.607

Vrouwen 1.698 2.096 2.214 2.101 2.015

Totaal 1.884 2.400 2.560 2.519 2.310

Totaal - N 722.480 667.338 636.027 424.312 2.450.157

EU-SILC Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)

0 18-34 jaar 35-44 jaar

500

1000

1500

2000

2500

3000

0

3500

Mannen Vrouwen

1000

1500

2000

2500

3000

3500

18-34 jaar

Mannen

35-44 jaar

Vrouwen

45-54 Jaar

45-54 Jaar

55+ jaar

55+ jaar

Totaal

Totaal

76

500


3 Werksituatie en salaris naar gender, functieniveau en leeftijd Inleiding en samenvatting Dit hoofdstuk gaat dieper in op de relevante aspecten van de werksituatie en het inkomen van de werknemers van de Vlaamse overheid. Per aspect worden de gemiddelde waarden gegeven in driedimensionale tabellen en grafieken, met onderscheid naar gender, functieniveau en leeftijd. Tevens worden de genderverschillen getoond voor de subgroepen, in waarde en procentueel. Aangezien we de relevante verschillen naar gender, functieniveau, leeftijd en andere aspecten bestuderen, worden in de analyses alleen de werknemers opgenomen die 2018 een voldoende vergelijkbare werksituatie hadden, met minstens 100 effectieve VTE werkdagen en ten hoogste 50 dagen ziekteverlof en dienstvrijstelling samen. Het maximale aantal werknemers in de analyses daalt bijgevolg van 20.603 tot 17.259. De selectie maakt een meer gecontroleerde genderanalyse mogelijk in licht van de beoogde gendergelijkheid. De gehanteerde criteria zijn altijd voor discussie vatbaar, maar de wijziging ervan impliceert slechts kleine verschillen in de resultaten. De analyse laat een aantal belangrijke verschillen naar gender, functieniveau en leeftijd zien. Het totaal aantal afwezigheidsdagen ligt veel hoger bij vrouwen, stijgt met leeftijd en daalt met functieniveau. Het aantal dagen ziekteverlof en loopbaanonderbreking ligt procentueel veel hoger bij vrouwen, stijgt met leeftijd en daalt met functieniveau. Het aantal dagen zorgkrediet ligt hoger bij vrouwen, piekt bij 40 tot 49-jarigen en stijgt vooral bij vrouwen in niveaus A, B en C. Het aantal dagen telewerken ligt veel hoger bij vrouwen, daalt met leeftijd en kent grote verschillen naar functieniveau. De loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris per maand liggen veel lager bij vrouwen, respectievelijk ongeveer 950, 860 en 480 euro per maand minder, of respectievelijk 17%, 18% en 16%. Er zijn grote verschillen naar functieniveau en leeftijd; het meest opvallend zijn de grote genderverschillen bij 50-plussers in niveau A. Voor het bruto salaris per maand ligt het gemiddelde genderverschil veel lager (435 euro of bijna 12%), vooral wegens het wegvallen van de veel hogere bruto toelagen bij mannen (vooral 50-plussers in niveau A). De loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris per gepresteerd werkuur liggen eveneens lager bij vrouwen, maar de genderverschillen zijn kleiner, respectievelijk 4,0 euro, 3,9 euro en 1,8 euro per maand minder, of respectievelijk ongeveer 9%, 10% en 8%. Er zijn eveneens grote verschillen naar functieniveau en leeftijd en zeer grote genderverschillen bij 50plussers in niveau A. Het gemiddelde genderverschil is veel kleiner voor het bruto salaris per gepresteerd werkuur (1,0 euro), vooral wegens het wegvallen van de veel hogere bruto toelagen bij mannen (vooral 50-plussers in niveau A). Naast het salaris per gepresteerd werkuur kan men ook het salaris per erkend werkuur berekenen. Dat is gebaseerd op het aantal erkende VTE-werkdagen, de som van gepresteerde VTE-werkdagen en gelijkgestelde afwezigheidsdagen. Ze vormen de basis van de salarisberekening en bieden inzicht in de genderongelijkheid van het salaris dat medewerkers effectief ontvangen.

77


Op basis van dit hoofdstuk duiden we alvast enkele tendensen aan die aansluiten op maatschappelijke trends en/of vragen/hypothesen oproepen voor de toekomst. Het totaal aantal afwezigheidsdagen (betaald en onbetaald verlof, ziektverlof, zorgkrediet en dienstvrijstelling) ligt duidelijk hoger bij vrouwen in vergelijking tot mannen. Dit is waarschijnlijk een indicatie van de maatschappelijke trend waarbij zowel betaalde als onbetaalde arbeid ongelijk verdeeld is tussen mannen en vrouwen. Hierbij dragen voornamelijk vrouwen de zorgtaken, ook wel de “tweede shift” genoemd. We zien ook meer diversiteit naar leeftijd binnen de groep vrouwen dan bij mannen. Zo ligt het gemiddeld aantal VTE dagen loopbaanonderbreking bij 50+ vrouwen veel hoger. De variatie volgens functieniveau voor ziektedagen en telewerkdagen informeert ons mogelijk indirect over de verschillende functies (en werkbelasting) waarover deze dataset geen gegevens en dus geen direct inzicht biedt. Ook binnen de functieniveaus zijn er grote genderverschillen. Zo telewerken vrouwen in niveaus C en D veel meer dan mannen. Kijken we specifiek naar kaderfuncties (niveau A+), vallen ook enkele zaken op. In die groep zijn jonge vrouwen meer afwezig en maken ze meer gebruik van loopbaanonderbreking. Voorts hebben personen in kaderfuncties gemiddeld de grootste huishoudens. Dit roept de vraag op of vrouwen, meer dan mannen, in kaderfuncties thuis nog meer een klassieke genderverdeling van de zorgtaken kennen. Voor het inkomen zijn de genderverschillen in niveau A+ vaak het kleinst, zeker in vergelijking met niveau A. Opvallend is dat het loonverschil tussen niveau A en A+ volgens leeftijd daalt bij mannen, terwijl dit net toeneemt voor vrouwen. De tabellen suggereren dat er grotere genderverschillen bij 50-plussers in niveau A optreden. De kruistabellen naar gender, functieniveau en leeftijd brengen verscheidene verschillen naar inkomen in kaart. Gemiddelde salariscomponenten stijgen sterker volgens leeftijd bij mannen dan bij vrouwen, waardoor ook het genderverschil met leeftijd vergroot. Men zou verwachten dat leeftijd, sterk gelinkt aan anciënniteit bij mannen en vrouwen, een gelijkaardige impact heeft. De tabellen laten zien dat een specifieke subgroep bij mannen sterker doorweegt in de gemiddelde waarden (cf. 50-plussers in niveau A). Mannen kennen een grotere inkomensdiversiteit naar functie niveau dan vrouwen. Binnen de niveaus vallen ook genderverschillen op, voornamelijk in niveaus D en A. Opnieuw duidt dit op een mogelijke gender gebonden functieverdeling binnen die niveaus. De vraagt rijst dan waarom verschillende functies in één niveau tot zulke grote salarisverschillen zouden leiden. In vergelijking met de maandsalarissen zien we bij het salaris per gepresteerd werkuur ook ‘negatieve’ genderverschillen naar boven komen, dit wil zeggen dat in sommige groepen vrouwen gemiddeld per gepresteerd werkuur meer verdienen dan mannen. Dit is wellicht omdat het salaris, inclusief ziekteverlof, dienstvrijstelling en jaarlijks verlof, gedeeld wordt door gemiddeld minder effectieve werkdagen per jaar dan bij mannen.

78


Leeftijd Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 36,4 44,2 33,5 43,9 33,2 44,4 33,5 44,8 32,7 45,3 33,4 44,4

2.725

2.805

50+ 56,2 55,9 55,4 56,4 55,9 56,0

Tot 49,9 44,4 42,5 46,2 48,0 45,6

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 36,6 44,6 33,6 43,8 31,9 44,1 33,5 44,8 33,1 45,1 33,1 44,3

3.066

2.654

60

M-V 50+ 55,4 55,1 55,2 55,6 55,8 55,5

Tot 47,8 41,1 40,2 46,3 49,0 43,4

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 -0,1 -0,4 -0,1 0,1 1,3 0,4 0,0 0,0 -0,4 0,2 0,3 0,2

Genderverschil M - V

50

6,0

40

1,0

4,0

30

0,5

20

40-49

Mannen A+

50+ A

18-39 B

40-49

Vrouwen C D

50+

-1,0

50+ 1,4 1,5 0,4 1,3 0,1 0,9

0,0

-0,5 18-39

18-39 40-49 -0,3 -1,0 -0,3 0,3 3,8 0,8 -0,1 0,0 -1,3 0,5 1,0 0,4

2,0

0,0

10

Tot 2,2 3,3 2,2 -0,2 -1,0 2,2

Genderverschil %

1,5

0

50+ 0,8 0,8 0,2 0,7 0,0 0,5

18-39 A+

40-49 A B C

50+

-2,0

D

18-39 A+

Bij mannen bedroeg bedroeg de gemiddelde leeftijd in de leeftijdsgroep 18-39 jaar 33,4 jaar, bij de 40 tot 39jarigen 44,4 jaar en bij de 50-plussers 56 jaar. Bij vrouwen was dit respectievelijk 33,1 jaar, 44,3 jaar en 55,5 jaar. Binnen de leeftijdsgroepen zijn er weinig verschillen naar functieniveau. De genderverschillen in aantal jaren en in % zijn zeer klein, zowel voor leeftijd als voor functieniveau.

79

A

40-49 B C

50+ D

Tot 4,3 7,4 5,2 -0,4 -2,2 4,8


Aantal personen in huishouden Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 3,1 3,8 2,8 3,5 2,6 3,3 2,6 3,2 2,4 3,2 2,7 3,4

2.725

2.805

50+ 3,7 3,4 3,2 3,1 3,0 3,2

Tot 3,6 3,2 3,0 3,0 2,9 3,1

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 3,5 3,6 2,9 3,5 2,7 3,3 2,9 3,0 2,8 2,9 2,8 3,3

3.066

2.654

4

Tot 3,3 3,2 2,9 2,9 2,8 3,0

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 -0,4 0,2 -0,2 0,0 0,0 0,0 -0,3 0,2 -0,4 0,3 -0,2 0,1

50+ 0,7 0,4 0,2 0,3 0,3 0,4

Genderverschil M - V

3 2 1 0

M-V 50+ 3,0 3,0 3,0 2,8 2,7 2,9

18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49 Vrouwen

A

B

C

D

50+

0,8 0,6 0,4 0,2 0,0 -0,2 -0,4 -0,6

Tot 0,3 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1

18-39 40-49 -13,2 5,3 -6,5 0,3 -0,8 0,6 -10,4 5,3 -15,1 9,5 -6,8 2,7

50+ 18,6 12,0 6,9 10,4 9,6 11,7

Genderverschil % 30

20 10 0 -10 18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

-20

18-39

D

40-49 A+

Het gemiddeld aantal huishoudleden lag bij de mannen op 3,1 personen en bij de vrouwen op 3,0. Bij de 18 tot 39-jarige mannen lag het aantal huishoudeleden lager dan bij de 40-plussers. Binnen alle leeftijdsgroepen daalt het aantal huishoudleden met het functieniveau. De genderverschillen (in aantal en %) zijn duidelijk: het aantal huishoudleden lag iets hoger bij jongere vrouwen en iets lager bij vrouwen van 50 jaar en ouder.

80

A

B

50+ C

D

Tot 9,1 2,5 3,0 3,4 4,8 3,9


Geldelijke anciënniteit - jaren Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N 35 30 25 20 15 10 5 0

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 12,6 19,5 8,9 17,5 9,3 18,9 10,6 17,8 8,2 15,9 9,4 17,8

2.725

2.805

50+ 30,1 26,3 27,6 29,6 23,8 27,0

Tot 24,6 17,5 17,0 20,5 18,3 18,9

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.870 9.071

Vrouwen 18-39 40-49 13,1 19,7 9,6 18,2 8,4 19,3 11,0 19,8 8,1 15,7 9,4 18,8

3.066

2.654

M-V 50+ 29,0 26,9 28,3 30,5 23,9 28,0

Tot 22,5 15,8 15,7 21,9 19,0 18,1

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 -0,5 -0,2 -0,7 -0,6 0,9 -0,4 -0,4 -2,0 0,1 0,2 -0,1 -1,0

Genderverschil M - V 15,0

1,0

10,0 0,0 -5,0

-2,0 50+

18-39

Mannen A+

40-49 Vrouwen

A

B

C

D

50+

-3,0

18-39 40-49 -4,1 -1,0 -7,4 -3,5 10,0 -2,3 -4,0 -11,1 0,7 1,1 -0,7 -5,5

5,0

-1,0

40-49

Tot 2,1 1,8 1,4 -1,4 -0,7 0,8

Genderverschil %

2,0

0,0

18-39

50+ 1,1 -0,7 -0,7 -0,9 -0,1 -1,1

-10,0 18-39

40-49

A+

A

B

50+

C

D

-15,0

18-39

A+

De gemiddelde geldelijke anciënniteit lag bij de mannen op 18,9 jaar en bij de vrouwen op 18,1 jaar. De geldelijke anciënniteit neemt logischerwijs sterk toe met de leeftijd. Binnen de leeftijdsgroepen zijn de verschillen naar functieniveau klein. Alleen het iets lagere gemiddelde van mannen en vrouwen in niveau D valt op. De genderverschillen zijn zeer klein, voor bijna alle combinaties van leeftijd en functieniveau. Alleen bij de 40 tot 49-jarigen in niveau C bedroeg het verschil bijna 2 jaar of iets meer dan 10%.

81

40-49

A

B

50+

C

D

50+ 3,6 -2,5 -2,6 -2,9 -0,4 -3,9

Tot 8,5 10,1 8,0 -7,0 -3,8 4,1


Dienstanciënniteit - jaren Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 10,1 14,9 6,2 12,9 7,0 14,6 8,1 13,6 6,7 13,6 7,0 13,7

2.725

2.805

50+ 21,9 21,1 20,5 25,2 21,3 22,1

Tot 18,2 13,3 12,9 16,7 16,1 15,0

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.870 9.071

Vrouwen 18-39 40-49 10,0 14,9 6,7 13,0 5,5 11,6 8,2 14,5 6,4 11,8 6,6 13,1

3.066

30

2.654

M-V 50+ 21,5 18,8 20,4 24,2 19,2 21,3

Tot 16,9 11,1 10,3 16,9 15,0 13,1

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 0,1 -0,1 -0,5 -0,2 1,5 3,0 -0,2 -0,9 0,3 1,8 0,4 0,6

Genderverschil M - V

20

3,0

15

2,0

10

1,0

5

0,0

0

-1,0

18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49 Vrouwen

A

B

C

D

50+

-2,0

Tot 1,3 2,2 2,6 -0,2 1,1 1,8

18-39 40-49 1,2 -0,4 -7,9 -1,2 21,8 20,7 -1,9 -6,8 4,8 12,9 5,4 4,7

Genderverschil %

4,0

25

50+ 0,3 2,3 0,2 1,0 2,1 0,8

30,0 20,0 10,0 0,0 18-39

A+

40-49 A B C

50+

D

-10,0

18-39 A+

De gemiddelde dienstanciënniteit lag bij de mannen op 15 jaar en bij de vrouwen op 13,1 jaar. De dienstanciënniteit neemt eveneens sterk toe met de leeftijd. Binnen de leeftijdsgroepen zijn de verschillen naar functieniveau klein. Alleen de hogere anciënniteit bij jongeren in niveau A+ en bij 50-plussers in niveau C valt op. De genderverschillen zijn voor de meeste combinaties van leeftijd en functieniveau vrij klein, met enkele uitzonderingen: de 18 tot 39-jarigen in niveau B, de 40 tot 49-jarigen in niveaus C en D en de 50-plussers in niveaus A en D.

82

40-49 A B C

50+

D

50+ 1,5 11,1 0,9 4,0 9,9 3,5

Tot 7,3 16,6 20,3 -1,1 6,5 12,2


Werkdagen - VTE per jaar Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 202,1 202,2 198,4 197,4 194,4 194,8 194,3 193,4 190,4 194,9 195,3 196,2

2.725

2.805

50+ 200,2 196,5 191,6 190,0 189,6 193,1

Tot 201,1 197,4 193,8 192,3 191,1 194,7

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 192,0 196,7 182,6 179,8 178,3 178,0 179,8 182,0 171,4 176,1 180,2 180,9

3.066

2.654

250

Tot 195,1 181,2 177,1 177,2 168,0 178,6

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 10,1 5,5 15,8 17,6 16,1 16,8 14,4 11,4 19,1 18,8 15,1 15,3

50+ 5,3 16,1 18,9 18,1 26,2 19,0

Genderverschil M - V

200 150 100 50

0

M-V 50+ 194,9 180,4 172,6 172,0 163,4 174,1

18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49 Vrouwen

A

B

C

D

50+

15

20

10

10

5

18-39

40-49

A+

A

B

50+

C

0

18-39

D

40-49

A+

Het gemiddeld aantal werkdagen per jaar lag bij de mannen op 194,7 dagen en bij de vrouwen op 178,6 dagen, een significant verschil van 16,1 dagen. In lijn met de aanwezigheidsgraad is er bij de mannen geen verschil naar leeftijd. Bij de vrouwen lag het gemiddelde iets lager bij de 50-plussers. Binnen de leeftijdsgroepen zijn de verschillen naar functieniveau zeer klein. Bij mannen en vrouwen van 18 tot 39 jaar en van 50 jaar en ouder steeg het percentage licht met het functieniveau. De genderverschillen liggen voor de meeste subgroepen tussen 10 en 20 dagen per jaar, met een hoger gemiddelde bij de medewerkers in niveau D, vooral de 50-plussers (26,2 dagen).

83

18-39 40-49 5,0 2,7 7,9 8,9 8,3 8,6 7,4 5,9 10,0 9,7 7,7 7,8

Genderverschil %

30

0

Tot 6,0 16,2 16,8 15,1 23,1 16,1

A

B

50+

C

D

50+ 2,6 8,2 9,9 9,5 13,8 9,8

Tot 3,0 8,2 8,6 7,9 12,1 8,3


Afwezigheidsdagen - VTE per jaar Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 7,2 9,4 12,6 15,4 15,8 17,5 14,6 18,2 19,4 15,7 14,8 15,8

2.725

2.805

50+ 10,1 14,6 19,1 21,7 21,7 18,1

Tot 9,5 14,2 17,1 18,6 19,7 16,4

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 20,9 16,2 29,6 34,7 31,8 36,8 32,2 31,5 30,3 28,2 30,6 32,5

3.066

2.654

50

M-V 50+ 16,8 32,7 40,7 42,2 42,0 37,8

Tot 17,3 32,0 35,1 36,2 36,5 33,4

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 -13,7 -6,8 -17,0 -19,3 -16,1 -19,4 -17,6 -13,3 -10,9 -12,5 -15,9 -16,7

Genderverschil M - V 0

0

30

-5

-50

20

-10

10

-15

0

-20 40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49 Vrouwen

A

B

C

D

50+

-25

Tot -7,7 -17,8 -18,0 -17,6 -16,7 -17,0

18-39 40-49 -190 -72 -134 -126 -102 -111 -120 -73 -56 -80 -107 -106

Genderverschil %

40

18-39

50+ -6,7 -18,0 -21,6 -20,5 -20,3 -19,7

-100 -150 18-39

40-49

A+

A

B

50+

C

D

-200

18-39

A+

40-49

A

Het gemiddeld aantal afwezigheidsdagen per jaar lag bij de mannen op 16,4 dagen en bij de vrouwen op 33,4. Bij mannen en vrouwen neemt het aantal dagen toe met de leeftijd, bij vrouwen meer dan bij mannen. Binnen bijna alle leeftijdsgroepen daalt het aantal dagen met het functieniveau. Alleen bij de vrouwen van 40 tot 49 jaar steeg het percentage met het functieniveau. De genderverschillen liggen tussen 10 en 20 dagen per jaar, met uitzondering van het kleinere verschil bij de 40plussers in niveau A+.

84

B

50+

C

D

50+ -66 -123 -113 -94 -94 -109

Tot -81 -125 -105 -95 -85 -104


Telewerken - VTE dagen per jaar Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 22,5 19,6 24,4 22,9 18,1 20,2 18,4 14,2 1,2 1,1 17,8 16,8

2.725

2.805

50+ 16,5 16,4 20,1 16,6 0,8 12,5

Tot 18,2 21,3 19,3 16,5 0,9 15,4

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 26,9 24,1 30,8 29,6 21,4 28,4 34,3 36,4 7,4 9,5 26,7 28,8

3.066

2.654

40

M-V 50+ 22,9 26,5 26,2 32,7 12,4 25,5

Tot 24,1 29,6 24,5 34,3 10,7 27,0

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 -4,4 -4,5 -6,4 -6,7 -3,2 -8,1 -15,9 -22,1 -6,2 -8,4 -8,9 -12,0

Genderverschil M - V

30

20

0

-5

-500

-10

-15

0

-20 18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49 Vrouwen

A

B

C

D

50+

-25

Tot -5,9 -8,4 -5,2 -17,8 -9,8 -11,6

18-39 40-49 -19 -23 -26 -29 -18 -40 -87 -155 -539 -755 -50 -71

50+ -39 -61 -31 -98 -1522 -103

Genderverschil %

0

10

50+ -6,4 -10,1 -6,1 -16,1 -11,6 -13,0

-1000 -1500 18-39

40-49

A+

A

B

50+

C

D

-2000

18-39

A+

Het gemiddeld aantal dagen telewerk per jaar lag bij de mannen op 15,4 dagen en bij de vrouwen op 27,0 dagen, een groot verschil van 11,6 dagen. Bij mannen daalde het aantal dagen met de leeftijd. Bij vrouwen is het verschil naar leeftijd klein. Bij mannen stijgt binnen de leeftijdsgroepen het aantal telewerkdagen met het functieniveau, met een zeer laag aantal in niveau D. Bij vrouwen in niveau D lag het aantal dagen ook veel lager en bij vrouwen in niveau C valt het hogere aantal dagen op. De genderverschillen liggen meestal tussen 5 en 10 dagen per jaar, met zichtbaar hogere waarden bij de medewerkers in niveau C. Opvallend is tenslotte het grote procentuele verschil bij de medewerkers in niveau D, vooral bij de 50-plussers.

85

40-49

A

B

C

50+

D

Tot -32 -39 -27 -108 -1045 -75


Aandeel telewerken in werkdagen - % Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 11,2 9,7 12,3 11,7 9,2 10,2 9,4 7,4 0,6 0,6 9,0 8,6

2.725

2.805

50+ 8,3 8,5 10,4 8,7 0,4 6,5

Tot 9,1 10,9 9,8 8,6 0,5 7,9

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 14,0 12,3 17,0 16,5 11,8 15,7 18,9 19,8 4,4 5,2 14,7 15,8

3.066

2.654

25

Tot 12,5 16,4 13,6 19,0 6,2 15,0

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 -2,9 -2,6 -4,7 -4,8 -2,6 -5,5 -9,5 -12,4 -3,8 -4,6 -5,7 -7,3

Genderverschil M - V

15

Tot -3,4 -5,5 -3,8 -10,4 -5,7 -7,1

18-39 40-49 -26 -27 -38 -41 -28 -54 -101 -167 -647 -781 -63 -85

50+ -44 -72 -43 -111 -1629 -120

0 -500

-5

10

50+ -3,6 -6,1 -4,5 -9,7 -6,8 -7,8

Genderverschil %

0

20

-1000

5

0

M-V 50+ 11,9 14,7 15,0 18,4 7,3 14,3

-10 18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49 Vrouwen

A

B

C

D

50+

-15

-1500 18-39

40-49

A+

A

B

50+

C

D

-2000

18-39

A+

Het gemiddeld aandeel van de telewerkdagen geeft eenzelfde beeld als het aantal telewerkdagen. Het bedroeg 7,9% bij de mannen en 15,0% bij de vrouwen. Bij mannen daalde het aandeel met de leeftijd. Bij vrouwen is het verschil naar leeftijd klein. Bij mannen stijgt binnen de leeftijdsgroepen het aandeel telewerkdagen met het functieniveau, met een zeer laag aandeel in niveau D. Bij vrouwen in niveau D lag het aandeel dagen ook veel lager en bij vrouwen in niveau C valt het hogere aandeel op. Bij mannen en vrouwen in niveau A ligt het aandeel hoger dan in niveau A+. De genderverschillen liggen meestal tussen 5 en 10% , met zichtbaar hogere scores bij de medewerkers in niveau C. Opvallend is opnieuw het grote procentuele verschil bij de medewerkers in niveau D, vooral bij de 50plussers.

86

40-49

A

B

C

50+

D

Tot -37 -51 -39 -122 -1144 -89


Loonkosten per maand Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 7.252 8.486 5.520 7.177 4.004 4.689 3.622 4.153 3.604 4.069 4.482 5.728

2.725

2.805

50+ 9.793 9.189 5.427 4.847 4.252 6.512

Tot 9.072 7.286 4.585 4.279 4.058 5.660

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 6.708 8.027 5.090 6.002 3.622 4.293 3.305 3.886 2.997 3.320 4.178 5.001

3.066

12000

Tot 8.275 5.714 4.053 3.889 3.236 4.714

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 544 460 429 1.175 382 396 317 268 607 749 304 727

50+ 633 2.444 663 582 974 1.440

Genderverschil M - V

10000

2500

8000

2000

6000

18-39 40-49 7,5 5,4 7,8 16,4 9,5 8,5 8,7 6,4 16,9 18,4 6,8 12,7

30 20

1000

2000

Tot 797 1.572 532 390 822 946

Genderverschil %

1500

4000 0

2.654

M-V 50+ 9.160 6.745 4.763 4.265 3.277 5.072

10

500 18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49 Vrouwen

A

B

C

D

50+

0

18-39

A+

40-49

A

B

C

50+

D

0

18-39

40-49

A+

De gemiddelde loonkosten per maand lagen bij de mannen op 5.660 euro en bij de vrouwen op 4.714 euro, een duidelijk verschil van 946 euro (16,7%). De loonkosten stijgen bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil in loonkosten sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in de loonkosten naar functieniveau, die bovendien toenemen met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal rond 500 euro, met veel hogere bedragen bij de medewerkers bij de 40 tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.

87

A

B

50+

C

D

50+ 6,5 26,6 12,2 12,0 22,9 22,1

Tot 8,8 21,6 11,6 9,1 20,2 16,7


Totaal bruto salaris per maand Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.166 7.200 4.553 6.116 3.220 3.841 2.957 3.439 2.881 3.376 3.660 4.812

2.725

2.805

50+ 8.219 7.961 4.437 4.066 3.528 5.504

Tot 7.649 6.201 3.729 3.552 3.342 4.736

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 5.747 6.858 4.178 4.931 2.939 3.600 2.675 3.177 2.285 2.576 3.409 4.135

3.066

10.000

2.654

M-V 50+ 7.794 5.557 3.933 3.504 2.579 4.177

Tot 7.059 4.695 3.339 3.180 2.524 3.875

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 419 342 374 1.185 281 241 281 262 596 800 251 677

50+ 425 2.404 505 562 949 1.327

Genderverschil M - V

8.000

2.500

6.000

2.000

4.000

1.500

2.000

1.000

0

500 18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49 Vrouwen

A

B

C

D

50+

0

Tot 590 1.506 390 373 818 861

18-39 40-49 6,8 4,7 8,2 19,4 8,7 6,3 9,5 7,6 20,7 23,7 6,9 14,1

Genderverschil % 30 20

10

18-39

A+

40-49

A

B

C

50+

0

18-39

D

40-49

A+

Het gemiddeld totaal bruto salaris per maand lag bij de mannen op 4.736 euro en bij de vrouwen op 3.875 euro, een groot verschil van 861 euro (18,2%). Het totaal bruto salaris stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil in bruto salaris sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in het bruto salaris naar functieniveau, die toenemen met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal rond 400 euro, met veel hogere bedragen bij de 40 tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.

88

A

B

50+

C

D

50+ 5,2 30,2 11,4 13,8 26,9 24,1

Tot 7,7 24,3 10,5 10,5 24,5 18,2


Bruto salaris per maand Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.396 6.342 3.863 4.820 2.676 3.237 2.339 2.760 2.038 2.399 2.997 3.873

2.725

2.805

50+ 7.173 5.705 3.676 3.351 2.580 4.278

Tot 6.698 4.792 3.111 2.877 2.411 3.768

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 5.038 6.056 3.667 4.297 2.464 3.059 2.245 2.723 1.805 2.071 2.920 3.565

3.066

10.000

2.654

M-V 50+ 6.830 4.832 3.378 3.019 2.125 3.597

Tot 6.205 4.102 2.828 2.719 2.053 3.333

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 359 287 196 523 212 178 94 37 232 329 76 309

50+ 343 872 298 332 455 681

Genderverschil M - V

8.000

2.500

6.000

2.000

4.000

1.500

2.000

1.000

0

500 18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49 Vrouwen

A

B

C

D

50+

0

Tot 493 690 284 158 358 435

18-39 40-49 6,6 4,5 5,1 10,8 7,9 5,5 4,0 1,4 11,4 13,7 2,6 8,0

Genderverschil % 30 20

10

18-39

A+

40-49

A

B

C

50+

D

0

18-39

40-49

A+

Het gemiddeld bruto salaris per maand lag bij de mannen op 3.768 euro en bij de vrouwen op 3.333 euro, een verschil van 435 euro (11,6%). Het bruto salaris stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil in bruto salaris sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in het bruto salaris naar functieniveau, die sterk toenemen met de leeftijd. Bij mannen daalt het verschil tussen niveau A+ en A zeer licht met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen veel lager dan voor het totaal bruto maandsalaris, met hogere bedragen bij de 40 tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoger.

89

A

B

50+

C

D

50+ 4,8 15,3 8,1 9,9 17,6 15,9

Tot 7,4 14,4 9,1 5,5 14,9 11,6


Bruto toelagen per maand Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 142 112 228 707 220 195 320 324 577 656 297 458

2.725

2.805

50+ 199 1.555 290 289 602 692

Tot 162 826 229 308 609 501

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 124 98 76 108 178 151 142 107 236 218 135 127

3.066

2.000

Tot 129 96 159 112 190 130

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 18 14 152 600 42 44 178 217 340 438 162 331

50+ 39 1.429 166 192 439 565

Genderverschil M - V

1.500

1.000 500 0

2.654

M-V 50+ 160 127 124 97 163 126

18-39

40-49

50+

18-39

40-49

Mannen A+

Vrouwen A

B

C

D

50+

100

2.000

80

1.500

60

1.000

40

500

20 18-39

A+

40-49

A

B

C

50+

D

0

18-39

40-49

A+

De gemiddelde bruto toelagen per maand lagen bij de mannen op 501 euro en bij de vrouwen op 130 euro, een verschil van 371 euro (74,1%). Ze bepalen dus grotendeels het grote genderverschil in het totaal bruto maandsalaris. Bij mannen zijn er binnen alle leeftijdsgroepen zeer grote verschillen naar functieniveau, met een zeer hoog bedrag bij 50-plussers in niveau A, naast een vrij hoog bedrag bij de 40 tot 49-jarigen in niveau A en bij de medewerkers in niveau D. De genderverschillen liggen hoog, met hogere bedragen bij de 40 tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A. De verschillen zijn ook relatief groot bij de medewerkers van niveau D. De procentuele verschillen liggen in bijna alle subgroepen hoog.

90

18-39 40-49 12,4 12,2 66,8 84,8 19,0 22,5 55,5 66,9 59,0 66,7 54,6 72,2

Genderverschil %

2.500

0

Tot 33 730 70 196 419 371

A

B

50+

C

D

50+ 19,7 91,8 57,2 66,4 72,9 81,8

Tot 20,6 88,3 30,4 63,5 68,8 74,1


Totaal netto salaris per maand Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 3.566 2.844 2.271 2.166 2.168 2.470

2.725

Genderverschil

40-49 4.050 3.609 2.609 2.433 2.466 3.042

50+ 4.529 4.428 2.867 2.668 2.496 3.339

Tot 4.261 3.623 2.532 2.449 2.413 2.986

2.805

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 3.327 3.803 2.626 3.002 2.074 2.421 1.991 2.222 1.831 1.952 2.292 2.646

3.066

5.000

2.654

M-V 50+ 4.161 3.253 2.541 2.337 1.919 2.630

Tot 3.871 2.873 2.274 2.208 1.911 2.509

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 240 248 218 606 197 187 176 211 337 514 178 396

50+ 368 1.175 326 332 576 709

Genderverschil M - V

4.000

1.250

3.000

1.000

2.000

750

1.000

500

0

250 18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49 Vrouwen

A

B

C

D

50+

0

Tot 390 750 258 242 502 478

18-39 40-49 6,7 6,1 7,7 16,8 8,7 7,2 8,1 8,7 15,6 20,8 7,2 13,0

Genderverschil % 30 20

10

18-39

A+

40-49

A

B

50+

C

D

0

18-39

40-49

A+

Het gemiddeld totaal netto salaris per maand lag bij de mannen op 2.986 euro en bij de vrouwen op 2.509 euro, een verschil van 478 euro (16,0%). Het netto salaris stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil in netto salaris sterk toe met de leeftijd, evenwel minder sterk als de loonkosten en het bruto salaris. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in het netto salaris naar functieniveau, die sterk toenemen met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen het dat verschil toe. Bij 18- tot 49-jarige mannen is het totaal netto salaris in niveaus C en D nagenoeg gelijk. De genderverschillen liggen meestal rond 250 euro, met veel hogere bedragen bij de medewerkers bij de 40 tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.

91

A

B

50+

C

D

50+ 8,1 26,5 11,4 12,4 23,1 21,2

Tot 9,2 20,7 10,2 9,9 20,8 16,0


Aandeel totaal netto salaris in bruto salaris - % Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 58,2 56,6 62,5 60,3 71,1 68,6 72,4 71,7 76,2 74,4 68,8 66,0

2.725

2.805

50+ 55,5 57,4 65,4 66,6 71,7 64,1

Tot 56,2 60,1 68,8 69,8 73,4 66,1

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 58,2 55,8 63,3 61,3 71,2 68,1 75,0 70,8 81,5 77,3 69,0 66,2

3.066

2.654

100

M-V 50+ 53,8 59,1 65,5 67,9 76,0 66,2

Tot 55,4 61,8 69,1 70,7 77,4 67,2

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 0,0 0,8 -0,8 -1,0 -0,1 0,5 -2,6 0,8 -5,3 -3,0 -0,2 -0,1

50+ 1,7 -1,8 -0,1 -1,3 -4,3 -2,1

Genderverschil M - V

80

4

60

2

40

0

20

-2

0

-4 18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49 Vrouwen

A

B

C

D

50+

-6

Tot 0,8 -1,7 -0,3 -0,9 -4,0 -1,1

18-39 40-49 0,0 1,4 -1,2 -1,6 -0,2 0,7 -3,6 1,1 -7,0 -4,0 -0,3 -0,2

Genderverschil % 5 0

-5

18-39

40-49

A+

A

B

50+

C

-10

18-39

D

40-49

A+

Het gemiddeld aandeel van het totaal netto salaris in het totaal bruto salaris lag bij de mannen op 66,1% en bij vrouwen op 67,2%. Bij de jongeren ligt het percentage iets hoger. Binnen alle leeftijdsgroepen daalt het aandeel met stijgend functieniveau. Tussen de niveaus A+ en A enerzijds en de niveau B, C en D anderzijds is het verschil groter, vooral bij de jongeren. De genderverschillen zijn klein voor bijna alle combinaties van leeftijd en functieniveau. Bij de jongeren in niveaus C en in alle leeftijdsgroepen in niveau D is het verschil iets groter.

92

A

B

50+

C

D

50+ 3,0 -3,1 -0,2 -1,9 -6,0 -3,3

Tot 1,4 -2,9 -0,4 -1,3 -5,4 -1,7


Loonkosten per gepresteerd werkuur ** Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 56,8 66,4 44,0 57,2 32,6 38,2 29,5 34,1 30,0 33,1 36,2 46,0

2.725

2.805

50+ 77,3 73,3 44,4 40,4 35,6 52,8

Tot 71,4 58,1 37,4 35,3 33,7 45,7

3.545

9.075

N

841 2.789 1.733 1.837 1.874 9.074

Vrouwen 18-39 40-49 55,7 64,4 44,8 53,0 32,4 38,4 29,3 33,8 27,6 29,9 36,9 43,7

3.066

2.654

M-V 50+ 74,7 59,3 43,9 39,4 31,7 45,6

Tot 67,2 50,4 36,5 35,0 30,5 41,8

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 1,1 1,9 -0,8 4,2 0,2 -0,2 0,2 0,2 2,4 3,2 -0,7 2,3

50+ 2,7 13,9 0,5 1,0 3,8 7,2

Tot 4,1 7,7 0,9 0,3 3,2 4,0

18-39 40-49 2,0 2,9 -1,9 7,3 0,7 -0,5 0,8 0,6 8,0 9,6 -2,0 5,0

** per gepresteerd werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.

80

Genderverschil M - V 15

60

15

5

20 0

20

10

40

10 5

0 18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49

Vrouwen A

B

C

D

50+

-5

Genderverschil % 25

0 18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

D

-5

18-39

40-49 A+

De gemiddelde loonkosten per gepresteerd werkuur lagen bij de mannen op 45,7 euro en bij de vrouwen op 41,8 euro, een verschil van 4,0 euro (8,6%). De loonkosten per werkuur stijgen bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in de loonkosten naar functieniveau, vooral tussen niveaus A+ en A enerzijds en de niveaus B, C en D anderzijds. Die verschillen nemen sterk toe met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen het dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal tussen 1 en 5 euro per uur, met veel hogere bedragen bij de 40 tot 49jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.

93

A

B

50+ C

D

50+ 3,4 19,0 1,1 2,5 10,8 13,6

Tot 5,8 13,3 2,4 1,0 9,4 8,6


Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur ** Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 48,2 56,3 36,2 48,7 26,2 31,3 24,1 28,1 23,9 27,3 29,5 38,6

2.725

2.805

50+ 64,9 63,3 36,8 33,8 29,4 44,6

Tot 60,2 49,3 30,5 29,3 27,6 38,2

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 47,7 55,0 36,8 43,5 26,3 32,1 23,7 27,7 21,0 23,2 30,2 36,1

3.066

2.654

M-V 50+ 63,5 49,0 36,2 32,4 25,0 37,5

Tot 57,3 41,4 30,1 28,6 23,8 34,3

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 0,5 1,2 -0,6 5,2 -0,1 -0,9 0,4 0,5 2,9 4,1 -0,6 2,5

50+ 1,4 14,3 0,6 1,5 4,4 7,1

Tot 2,8 7,9 0,5 0,7 3,8 3,9

18-39 40-49 1,0 2,2 -1,5 10,6 -0,4 -2,8 1,6 1,8 12,0 15,2 -2,2 6,4

** per gepresteerd werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.

80

Genderverschil M - V

60 40 20 0

18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49

Vrouwen A

B

C

D

50+

Genderverschil %

15

30

10

20

5

10

0

0

-5

18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

D

-10

18-39

40-49 A+

Het gemiddeld totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur lag bij de mannen op 38,2 euro en bij de vrouwen op 34,3 euro, een verschil van 3,9 euro (10,2%). Het bruto salaris per werkuur stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil in loonkosten sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen naar functieniveau, vooral tussen niveaus A+ en A enerzijds en de niveaus B, C en D anderzijds. Die verschillen nemen toe met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal tussen 1 en 5 euro per uur, met veel hogere bedragen bij de 40 tot 49jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.

94

A

B

50+ C

D

50+ 2,2 22,6 1,8 4,3 15,1 15,8

Tot 4,7 16,1 1,5 2,4 13,9 10,2


Totaal bruto salaris per erkend werkuur ** Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 46,5 53,8 34,2 45,8 24,3 28,9 22,4 25,8 21,9 25,4 27,6 36,1

2.701

2.805

50+ 62,2 60,4 33,7 30,8 26,7 41,7

Tot 57,6 46,7 28,2 26,8 25,3 35,7

3.543

9.049

N

840 2.789 1.734 1.837 1.868 9.068

Vrouwen 18-39 40-49 43,0 51,3 31,6 37,3 22,7 27,5 20,3 23,9 18,1 20,3 26,0 31,3

3.066

2.654

M-V 50+ 58,7 42,6 30,1 27,0 20,8 32,2

Tot 53,0 35,6 25,6 24,2 20,1 29,6

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 3,5 2,5 2,6 8,5 1,7 1,3 2,2 1,9 3,7 5,1 1,6 4,7

50+ 3,5 17,9 3,6 3,7 6,0 9,6

Tot 4,6 11,1 2,5 2,6 5,1 6,2

18-39 40-49 7,5 4,6 7,5 18,6 6,8 4,6 9,7 7,2 17,1 20,3 5,9 13,1

** Per erkend werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal erkende werkuren per jaar.

80

Genderverschil M - V 15

60

20

20 0

30

10

40

Genderverschil % 40

5 18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49

Vrouwen A

B

C

D

50+

0

10 18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

D

0

18-39

40-49 A+

De genderverschillen zijn voor het totaal bruto salaris per erkend werkuur duidelijk groter dan voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur.

95

A

B

50+ C

D

50+ 5,6 29,5 10,6 12,2 22,3 22,9

Tot 8,0 23,8 8,9 9,6 20,3 17,2


Bruto salaris per gepresteerd werkuur ** Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 42,2 49,6 30,8 38,6 21,8 26,3 19,1 22,7 17,1 19,6 24,2 31,1

2.725

2.805

50+ 56,7 45,8 30,5 28,0 21,7 34,8

Tot 52,7 38,4 25,5 23,8 20,1 30,5

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 41,8 48,6 32,3 37,9 22,1 27,2 19,9 23,7 16,7 18,7 25,8 31,0

3.066

2.654

M-V 50+ 55,6 42,5 31,0 27,9 20,6 32,3

Tot 50,4 36,1 25,4 24,4 19,4 29,5

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 0,4 1,0 -1,4 0,7 -0,3 -0,9 -0,8 -1,0 0,4 0,9 -1,6 0,1

50+ 1,1 3,3 -0,6 0,1 1,1 2,6

Tot 2,3 2,3 0,0 -0,7 0,7 1,0

18-39 40-49 1,0 2,0 -4,7 1,9 -1,3 -3,5 -4,0 -4,6 2,3 4,6 -6,6 0,3

** per gepresteerd werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.

80

Genderverschil M - V

60 40 20 0

18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49

Vrouwen A

B

C

D

50+

Genderverschil %

15

30

10

20

5

10

0

0

-5

18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

D

-10

18-39

40-49 A+

Het gemiddeld bruto salaris per gepresteerd werkuur lag bij de mannen op 30,5 euro en bij de vrouwen op 29,5 euro, een verschil van slechts 1,0 euro (3,4%). Het bruto salaris per werkuur stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen naar functieniveau. Die verschillen nemen toe met de leeftijd. Bij mannen daalt het verschil tussen niveau A+ en A lichtjes met hogere leeftijd, bij vrouwen stijgt dat verschil. De genderverschillen liggen veel lager dan voor het totaal bruto maandsalaris, met meer negatieve verschillen (vrouwen verdienen per uur meer dan mannen). Wel zijn er nog hogere bedragen bij de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoger.

96

A

B

50+ C

D

50+ 1,9 7,2 -1,9 0,3 5,1 7,3

Tot 4,4 5,9 0,1 -2,8 3,5 3,4


Bruto salaris per erkend werkuur ** Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 40,7 47,4 29,0 36,1 20,2 24,3 17,8 20,7 15,4 18,1 22,6 29,0

2.701

2.805

50+ 54,1 43,3 27,9 25,4 19,5 32,4

Tot 50,4 36,1 23,5 21,7 18,2 28,4

3.543

9.049

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 37,7 45,3 27,7 32,5 19,0 23,4 17,0 20,5 14,3 16,3 22,2 27,0

3.066

2.654

M-V 50+ 51,4 37,0 25,8 23,3 17,1 27,7

Tot 46,6 31,1 21,7 20,7 16,4 25,4

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 3,0 2,1 1,3 3,6 1,2 0,9 0,8 0,2 1,1 1,8 0,4 2,0

50+ 2,7 6,3 2,0 2,1 2,4 4,7

Tot 3,8 5,0 1,8 1,0 1,8 3,0

18-39 40-49 7,4 4,4 4,4 10,0 6,0 3,9 4,4 0,9 6,9 9,9 1,6 7,0

** Per erkend werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal erkende werkuren per jaar.

80

Genderverschil M - V

60 40 20 0

18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49

Vrouwen A

B

C

D

50+

Genderverschil %

15

30

10

20

5

10

0

18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

D

0

18-39

40-49 A+

De genderverschillen zijn ook voor het bruto salaris per erkend werkuur groter dan voor het bruto salaris per gepresteerd werkuur, maar kleiner dan voor het totaal bruto salaris.

97

A

B

50+ C

D

50+ 5,0 14,6 7,3 8,2 12,2 14,5

Tot 7,6 13,9 7,6 4,6 10,0 10,5


Bruto toelagen per gepresteerd werkuur ** Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 1,1 0,9 1,7 5,3 1,8 1,6 2,5 2,6 4,6 5,2 2,4 3,5

2.725

2.805

50+ 1,6 11,9 2,5 2,3 4,8 5,4

Tot 1,3 6,3 1,9 2,5 4,8 3,9

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 1,1 0,8 0,7 1,0 1,6 1,4 1,3 0,9 2,1 1,9 1,2 1,2

3.066

2.654

M-V 50+ 1,3 1,2 1,2 0,9 1,5 1,2

Tot 1,1 0,9 1,5 1,0 1,7 1,2

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 0,0 0,1 1,1 4,3 0,2 0,2 1,3 1,7 2,5 3,2 1,1 2,4

50+ 0,2 10,7 1,3 1,4 3,3 4,2

Tot 0,2 5,4 0,4 1,5 3,1 2,7

18-39 40-49 2,2 7,8 60,5 81,1 11,8 11,9 50,5 64,4 54,4 63,0 48,8 67,5

** per gepresteerd werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.

14 12 10 8 6 4 2 0

Genderverschil M - V 100

10

80 60

5

40

0 18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49

Vrouwen A

B

C

D

50+

Genderverschil %

15

-5

20 18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

D

0

18-39

40-49 A+

De gemiddelde bruto toelagen per werkuur bedroegen bij de mannen 3,9 euro en bij de vrouwen 1,2 euro, een verschil van 2,7 (69,9%). Ze bepalen dus grotendeels het genderverschil in het totaal bruto salaris per werkuur. Bij mannen zijn er binnen alle leeftijdsgroepen zeer grote verschillen naar functieniveau, met een zeer hoog bedrag bij 50-plussers in niveau A, naast een vrij hoog bedrag bij de 40 tot 49-jarigen in niveau A en bij de medewerkers in niveau D. De genderverschillen liggen hoog, met hogere bedragen bij de 40 tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A. De verschillen zijn ook relatief groot bij de medewerkers van niveau D. De procentuele verschillen liggen in bijna alle subgroepen hoog.

98

A

B

50+ C

D

50+ 15,3 89,8 51,4 61,2 68,0 78,3

Tot 15,7 85,8 23,1 59,2 64,2 69,9


Totaal netto salaris per gepresteerd werkuur ** Gemiddelde Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Genderverschil

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 27,9 31,7 22,7 28,8 18,6 21,3 17,7 20,0 18,1 20,1 20,0 24,5

2.725

2.805

50+ 35,8 35,4 23,9 22,3 20,9 27,2

Tot 33,5 28,9 20,8 20,3 20,1 24,2

3.545

9.075

N

841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 27,7 30,6 23,2 26,6 18,7 21,8 17,7 19,4 17,0 17,7 20,4 23,3

3.066

2.654

M-V 50+ 34,0 28,8 23,5 21,8 18,8 23,9

Tot 31,5 25,4 20,6 20,0 18,2 22,4

2.464

8.184

N

553 2.470 2.270 2.042 849 8.184

% (M-V)/M

18-39 40-49 0,2 1,1 -0,5 2,2 -0,1 -0,5 0,0 0,6 1,1 2,3 -0,4 1,2

50+ 1,8 6,5 0,3 0,5 2,1 3,3

Tot 2,0 3,5 0,2 0,3 1,9 1,8

18-39 40-49 0,7 3,5 -2,2 7,6 -0,7 -2,1 0,1 2,8 6,1 11,5 -1,8 5,0

** per gepresteerd werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.

40

Genderverschil M - V 8

30

Genderverschil % 25

6

20

15

4

10

2

0

0 18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

40-49

Vrouwen A

B

C

D

50+

-2

5

18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

D

-5

18-39

40-49 A+

Het gemiddeld totaal netto salaris per gepresteerd werkuur lag bij de mannen op 24,2 euro en bij de vrouwen op 22,4 euro, een verschil van 1,8 euro (7,6%). Het totaal netto salaris per werkuur stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen naar functieniveau, vooral tussen niveaus A+ en A enerzijds en de niveaus B, C en D anderzijds. Die verschillen nemen toe met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal tussen 1 en 2 euro per uur, met veel hogere bedragen bij de 40 tot 49jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.

99

A

B

50+ C

D

50+ 5,0 18,5 1,4 2,4 10,1 12,1

Tot 6,0 12,1 1,0 1,5 9,3 7,6


4 Verdeling van werknemers naar totaal bruto salaris, gender en andere aspecten (%) Inleiding en samenvatting Dit hoofdstuk geeft een beeld van de procentuele verdeling van de werknemers naar totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur), naar gender en relevante andere aspecten: functieniveau, leeftijd, dienstanciënniteit, beroepsstatuut en aantal werkdagen per jaar. Het totaal bruto salaris per maand wordt gegeven in klassen van 1000 euro en het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur in klassen van 10 euro. De analyse toont de graduele verschillen in de inkomens voor de diverse aspecten. De verschillen naar functieniveau zijn zeer groot voor mannen en vrouwen. In alle functieniveaus zijn er meer vrouwen in lagere inkomensgroepen. De genderverschillen zijn het grootst voor niveaus C en D in de lagere inkomensgroepen. De verschillen naar leeftijd zijn groot maar kleiner dan naar functieniveau. Bij mannen zijn er meer jongeren met een lager inkomen, bij vrouwen meer jongeren met een hoger inkomen. De genderverschillen zijn het grootst bij de 40 tot 49-jarigen. De verdelingen naar dienstanciënniteit, beroepsstatuut en aantal werkdagen per jaar tonen significante verschillen, maar de genderverschillen binnen de subgroepen zijn relatief klein. Algemeen gezien zijn de genderverschillen voor het totaal bruto salaris per maand groter dan die voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur. Uit dit hoofdstuk nemen we volgende vaststellingen of vragen mee: Bij de verdelingen naar functieniveau valt op dat er een grotere groep mannen in niveau A in de hoogste inkomenscategorie vallen dan mannen in niveau A+. De inkomenscurve van jonge vrouwen ligt meer rechts dan die van jonge mannen, met meer hogere inkomens. Is dat een indicatie voor meer recente wijzigingen in het personeelsbestand en zijn jonge vrouwen aan een 'inhaalbeweging' bezig? De verdelingen naar dienstanciënniteit tonen dat genderverschillen toenemen met stijgende dienstanciënniteit. Dit is deels te verklaren doordat vrouwen meer deeltijds werken en minder doorgroeien naar hogere functieniveaus.

100


1. Totaal bruto salaris per maand Functieniveau %

TBSM euro Mannen Functieniveau A+

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal

0,1 0,4 0,1 1,5 8,7 23,8 27,5 21,0 11,3 5,6 100

A 0,6 1,8 8,9 27,5 28,0 15,7 4,6 1,1 1,2 10,5 100

B 2,0 15,8 49,5 27,0 5,1 0,5 0,0 0,0 0,0 0,2 100

C 3,0 23,5 45,2 22,1 4,1 1,5 0,5 0,1 0,0 0,0 100

D 4,5 33,1 40,6 16,9 4,2 0,6 0,1 0,1 0,0 0,0 100

% Vrouwen A+ A 0,0 0,2 0,0 3,8 0,7 20,4 5,2 41,6 16,5 24,0 29,1 8,0 24,2 1,5 15,2 0,2 6,0 0,2 3,1 0,2 100 100

Tot N 192 2,1 15,2 1.379 29,8 2.700 21,7 1.971 12,1 1.095 687 7,6 4,1 369 211 2,3 129 1,4 3,8 342 100 9.075

B 3,7 31,9 45,5 16,1 2,6 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 100

C 4,1 40,0 41,1 13,0 1,6 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 100

D 19,8 60,2 17,8 1,9 0,4 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 100

Tot N 341 4,2 26,2 2.147 30,9 2.531 20,8 1.704 778 9,5 4,4 362 171 2,1 89 1,1 38 0,5 23 0,3 100 8.184

%p Genderverschil A+ A 0,1 0,4 0,4 -2,0 -0,6 -11,5 -3,7 -14,1 -7,8 4,0 -5,3 7,7 3,3 3,1 5,8 0,9 5,3 1,0 2,5 10,3

M-V B -1,7 -16,1 4,0 10,9 2,5 0,5 0,0 0,0 0,0 0,2

C -1,1 -16,5 4,1 9,1 2,5 1,4 0,5 0,1 0,0 0,0

D -15,3 -27,1 22,8 15,0 3,8 0,6 0,1 0,1 0,0 0,0

Tot -2,1 -11,0 -1,1 0,9 2,6 3,2 2,0 1,2 0,9 3,5

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro

Mannen

Vrouwen

Genderverschil M - V

60

60

30

50

50

20

40

40

10

30

30

0

20

20

-10

10

10

-20

0

0

-30

A+

A

B

C

D

A+

A

B

C

D

A+

A

B

De verschillen naar functieniveau zijn zeer groot voor mannen en vrouwen, met de curves van niveau A+ helemaal rechts, de curve van niveau A in het midden en de curven van niveaus B, C en D helemaal links, elkaar grotendeels overlappend. De curven van vrouwen liggen voor alle niveaus meer naar links dan bij mannen: meer vrouwen in lagere inkomensgroepen. Het valt op dat 10,5% van de mannen met functieniveau A een maandsalaris boven 10.000 euro heeft, tegenover 5,6% bij mannen met niveau A+. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor niveau C en D, in de inkomens tot 4.000 euro per maand. Voor niveau A zijn de verschillen het grootst bij inkomens tussen 3.000 en 7.000 euro en voor niveau A+ tussen 5.000 en 10.000 euro.

101

C

D


Leeftijd

TBSM euro

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal

% Mannen Leeftijd 18-39 40-49 4,4 1,2 26,8 11,4 36,5 29,6 21,0 21,3 7,3 17,0 2,1 9,9 0,7 3,3 0,4 2,0 0,4 0,9 0,3 3,4 100 100

50+ 1,0 9,3 24,7 22,6 11,8 9,9 7,2 4,1 2,6 6,7 100

Tot N 192 2,1 15,2 1.379 29,8 2.700 21,7 1.971 12,1 1.095 687 7,6 4,1 369 211 2,3 129 1,4 3,8 342 100 9.075

% Vrouwen 18-39 40-49 2,1 5,5 15,2 36,2 29,8 31,4 21,7 19,7 12,1 6,0 7,6 0,8 4,1 0,3 2,3 0,1 1,4 0,0 3,8 0,0 100 100

50+ 2,3 19,3 31,4 22,9 13,6 6,9 2,0 1,1 0,3 0,3 100

%p Genderverschil M - V 18-39 40-49 50+ 2,3 -4,3 -1,3 11,6 -24,8 -10,0 6,7 -1,8 -6,7 -0,7 1,6 -0,3 -4,8 11,0 -1,8 -5,5 9,1 3,0 -3,4 3,0 5,2 -1,9 1,9 3,0 -1,0 0,9 2,3 -3,5 3,4 6,4

Tot N 341 4,5 21,3 2.147 29,9 2.531 19,9 1.704 778 9,5 6,3 362 171 4,4 89 2,4 38 1,1 23 0,6 100 8.184

Tot -2,4 -6,1 -0,1 1,8 2,6 1,3 -0,3 -0,1 0,3 3,2

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro

Mannen

Vrouwen

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0

18-39

40-49

50+

Genderverschil M - V 30 20 10 0 -10 -20 -30

18-39

40-49

50+

18-39

40-49

De verschillen naar leeftijd zijn beduidend maar niet zo groot als voor het functieniveau. Bij mannen ligt de curve van jongeren helemaal links, bij vrouwen ligt die het meest naar rechts, dus met hogere inkomens. Bij vrouwen ligt de curve van de 40 tot 49-jarigen het meest links, met lagere inkomens. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst bij de 40 tot 49-jarigen, voor de inkomens tussen 2.000 en 7.000 euro per maand. Voor de jongeren en de 50-plussers zijn de verschillen kleiner.

102

50+


Dienstanciënniteit

TBSM euro

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal

% Mannen Anciënniteit 0-10 10-20 4,8 0,7 24,9 13,8 31,5 33,5 20,4 18,6 8,7 15,2 3,9 8,2 1,6 3,6 1,4 1,7 1,0 0,6 1,7 4,1 100 100

>20 0,3 4,1 22,7 27,5 12,6 11,6 7,8 4,3 3,0 6,1 100

Tot N 188 2,1 15,2 1.379 29,8 2.700 21,7 1.971 12,1 1.095 687 7,6 4,1 369 211 2,3 129 1,4 3,8 342 100 9.071

% Vrouwen 0-10 10-20 6,6 2,4 33,9 23,8 30,7 28,1 19,4 21,5 5,7 14,6 1,9 6,1 0,7 1,9 0,6 1,1 0,1 0,3 0,2 0,3 100 100

>20 1,9 14,8 35,2 22,6 9,8 6,9 5,0 2,1 1,4 0,3 100

%p Genderverschil M - V 0-10 10-20 >20 -1,8 -1,7 -1,6 -9,0 -10,0 -10,7 0,8 5,4 -12,5 1,0 -2,9 4,9 3,0 0,6 2,8 2,0 2,1 4,7 0,9 1,7 2,8 0,8 0,6 2,2 0,9 0,3 1,6 1,5 3,8 5,8

Tot N 341 4,2 26,2 2.147 30,9 2.531 20,8 1.704 778 9,5 4,4 362 171 2,1 89 1,1 38 0,5 23 0,3 100 8.184

Tot -2,1 -11,0 -1,1 0,9 2,6 3,2 2,0 1,2 0,9 3,5

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro

Mannen

Vrouwen

Genderverschil M - V

40

40

20

30

30

10

20

20

0

10

10

-10

0

0

-20

0-10

10-20

>20

0-10

10-20

>20

0-10

10-20

De verschillen naar dienstanciënniteit zijn vrij groot. De curven van mannen en vrouwen met maximaal 10 jaar dienst ligt helemaal links, de curve van mannen en vrouwen met meer dan 20 jaar dienst ligt het meest rechts. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor de inkomens tussen 3.000 en 4.000 euro per maand. Voor de inkomensgroepen vanaf 4.000 euro zijn de verschillen kleiner.

103

>20


Beroepsstatuut

TBSM euro

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal

% Mannen Statuut Stat Cont 0,4 9,2 10,8 32,7 29,6 30,2 23,2 15,6 13,6 5,9 8,7 3,2 4,7 1,5 2,7 0,7 1,6 0,7 4,6 0,4 100 100

Tot N 192 2,1 15,2 1.379 29,8 2.700 21,7 1.971 12,1 1.095 687 7,6 4,1 369 211 2,3 129 1,4 3,8 342 100 9.075

% Vrouwen Stat Cont 1,5 11,7 20,4 42,5 32,5 26,4 23,5 13,5 11,6 3,6 5,5 1,3 2,6 0,6 1,4 0,2 0,6 0,1 0,4 0,0 100 100

%p Genderverschil Stat Cont -1,1 -2,5 -9,6 -9,8 -2,9 3,8 -0,3 2,1 2,0 2,3 3,2 1,9 2,1 0,9 1,3 0,5 1,0 0,6 4,2 0,4

Tot N 341 4,2 26,2 2.147 30,9 2.531 20,8 1.704 778 9,5 4,4 362 171 2,1 89 1,1 38 0,5 23 0,3 100 8.184

M-V Tot -2,1 -11,0 -1,1 0,9 2,6 3,2 2,0 1,2 0,9 3,5

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro Stat = statutair / Cont = contractueel

Mannen

Vrouwen

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0

Stat

Cont

Genderverschil M - V 20 10 0 -10 -20

Stat

Cont

Stat

Cont

De verschillen naar beroepsstatuut zijn eveneens groot bij mannen en vrouwen. De curve van contractuelen ligt duidelijk meer naar links, dus met meer lagere inkomens dan bij de statutaire medewerkers. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor de inkomens tussen 2.000 en 4.000 euro per maand, met een hoger aandeel vrouwen. Voor de inkomens van 4.000 tot 10.000 euro zijn de verschillen beperkt.

104


Werkdagen VTE per jaar

TBSM euro

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal

% Mannen Werkdagen100-200 >200 4,5 0,5 24,9 8,7 32,6 27,9 19,6 23,2 9,6 13,7 4,7 9,5 1,9 5,5 1,1 3,2 0,7 1,9 0,5 6,0 100 100

Tot N 192 2,1 15,2 1.379 29,8 2.700 21,7 1.971 12,1 1.095 687 7,6 4,1 369 211 2,3 129 1,4 3,8 342 100 9.075

% Vrouwen 100-200 >200 6,4 0,0 32,2 14,9 31,0 30,9 19,1 24,1 7,5 13,4 2,5 8,1 1,0 4,2 0,4 2,5 0,1 1,1 0,0 0,8 100 100

%p Genderverschil 100-200 >200 -1,9 0,5 -7,3 -6,2 1,6 -3,0 0,5 -0,9 2,1 0,3 2,2 1,4 0,9 1,3 0,7 0,7 0,6 0,8 0,5 5,2

Tot N 341 4,2 26,2 2.147 30,9 2.531 20,8 1.704 778 9,5 4,4 362 171 2,1 89 1,1 38 0,5 23 0,3 100 8.184

M-V Tot -2,1 -11,0 -1,1 0,9 2,6 3,2 2,0 1,2 0,9 3,5

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro

Mannen

Vrouwen

35 30 25 20 15 10 5 0

Genderverschil M - V

35 30 25 20 15 10 5 0

100-200

>200

20 10 0 -10 -20

100-200

>200

100-200

>200

De verschillen naar aantal gepresteerde VTE-werkdagen per jaar zijn eveneens groot bij mannen en vrouwen. De curve van medewerkers met minder dan 200 werkdagen ligt duidelijk meer naar links, dus met meer lagere inkomens dan bij medewerkers met meer dan 200 werkdagen. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor de inkomens tussen 2.000 en 4.000 euro per maand, met een hoger aandeel vrouwen. Voor de inkomens van 4.000 tot 10.000 euro zijn de verschillen beperkt.

105


2. Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Functieniveau % TBSW euro Mannen Functieniveau A+

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100 >100 Totaal

0,1 0,0 1,4 17,2 35,7 26,8 13,6 2,1 2,1 1,0 100

A 0,4 5,8 30,0 37,9 11,2 3,1 1,5 1,5 1,4 7,2 100

B 1,3 53,2 37,8 6,6 0,9 0,0 0,1 0,0 0,0 0,2 100

C 4,6 53,3 35,2 5,5 1,3 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 100

D 8,7 59,8 26,9 4,0 0,6 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 100

% Vrouwen A+ A 0,0 0,1 0,0 7,4 2,0 38,9 24,6 40,5 38,5 10,2 23,7 2,1 8,0 0,5 1,4 0,2 0,9 0,0 0,9 0,0 100 100

Tot N 281 3,1 35,1 3.184 29,3 2.656 16,4 1.491 661 7,3 313 3,4 158 1,7 61 0,7 58 0,6 212 2,3 100 9.075

B 2,3 52,1 38,5 6,7 0,5 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 100

C 4,8 57,6 33,7 3,6 0,2 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 100

D 19,6 71,4 8,7 0,4 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 100

Tot N 319 3,9 38,5 3.149 31,9 2.607 16,7 1.364 479 5,9 184 2,2 57 0,7 14 0,2 5 0,1 6 0,1 100 8.184

%p Genderverschil A+ A 0,1 0,3 0,0 -1,6 -0,6 -8,9 -7,4 -2,6 -2,8 1,0 3,1 1,0 5,6 1,0 0,7 1,3 1,2 1,4 0,1 7,2

M-V B -1,0 1,1 -0,7 -0,1 0,4 0,0 0,1 0,0 0,0 0,2

C -0,2 -4,3 1,5 1,9 1,1 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0

D -10,9 -11,6 18,2 3,6 0,6 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

Mannen

Vrouwen

Genderverschil M - V

80

80

20

60

60

10

40

40

0

20

20

-10

0

0

-20

A+

A

B

C

D

A+

A

B

C

D

A+

A

B

C

De verschillen naar functieniveau zijn zeer groot voor mannen en vrouwen, met de curves van niveau A+ helemaal rechts, de curve van niveau A in het midden en de curven van niveaus B, C en D helemaal links, elkaar grotendeels overlappend. De curven van vrouwen liggen voor alle niveaus meer naar links dan bij mannen: meer vrouwen in lagere inkomensgroepen. Ook hier valt op dat 7,2% van de mannen met functieniveau A een salaris boven 100 euro per uur heeft, tegenover 1% bij mannen van niveau A+. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor niveau D, bij de inkomens tot 50 euro per gepresteerd werkuur. Voor niveau A zijn de verschillen het grootst bij inkomens tussen 40 en 50 euro en voor niveau A+ tussen 60 en 80 euro per uur. 106

D

Tot -0,8 -3,4 -2,6 -0,3 1,4 1,2 1,0 0,5 0,5 2,2


Leeftijd

TBSW euro

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100 >100 Totaal

% Mannen Leeftijd 18-39 40-49 7,3 1,2 54,3 32,7 26,8 28,9 8,9 22,1 1,4 8,1 0,8 2,7 0,4 1,4 0,2 1,0 0,0 0,8 0,0 1,1 100 100

50+ 1,4 22,2 31,5 17,8 11,2 6,1 3,1 0,8 1,0 5,1 100

Tot N 281 3,1 35,1 3.184 29,3 2.656 16,4 1.491 661 7,3 313 3,4 158 1,7 61 0,7 58 0,6 212 2,3 100 9.075

% Vrouwen 18-39 40-49 3,1 6,6 35,1 51,3 29,3 29,4 16,4 9,9 7,3 2,0 3,4 0,8 1,7 0,1 0,7 0,0 0,6 0,0 2,3 0,0 100 100

50+ 2,2 32,1 32,2 23,4 7,3 2,3 0,3 0,2 0,0 0,0 100

%p Genderverschil 18-39 40-49 4,2 -5,4 19,2 -18,6 -2,5 -0,5 -7,5 12,2 -5,9 6,1 -2,6 1,9 -1,3 1,3 -0,5 1,0 -0,6 0,8 -2,3 1,1

Tot N 319 2,4 29,5 3.149 34,6 2.607 17,8 1.364 479 9,1 184 4,1 57 1,8 14 0,3 5 0,2 6 0,2 100 8.184

M-V 50+ -0,8 -9,9 -0,7 -5,6 3,9 3,8 2,8 0,6 1,0 5,1

Tot 0,7 5,6 -5,3 -1,4 -1,8 -0,7 -0,1 0,4 0,4 2,1

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

Mannen

Vrouwen

60

60

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0

18-39

40-49

50+

Genderverschil M - V 20 10 0 -10 -20

18-39

40-49

50+

18-39

40-49

De verschillen naar leeftijd zijn beduidend maar niet zo groot als voor het functieniveau. Bij mannen ligt de curve van jongeren helemaal links, bij vrouwen ligt die het meest naar rechts, dus met hogere inkomens. Bij vrouwen ligt de curve van de 40 tot 49-jarigen het meest links, met lagere inkomens. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst bij de groep van 18 tot 49-jaar, voor de inkomens tussen 20 en 50 euro per gepresteerd werkuur. Voor de 50-plussers zijn de verschillen kleiner.

107

50+


Dienstanciënniteit

TBSW euro

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100 >100 Totaal

% Mannen Anciënniteit 0-10 10-20 7,6 0,7 47,3 38,2 25,8 27,2 11,3 19,4 3,0 7,3 2,3 2,2 1,3 0,7 0,8 0,7 0,4 0,8 0,1 2,7 100 100

>20 0,0 15,0 36,5 19,4 12,9 6,5 3,7 0,4 0,7 4,9 100

Tot N 277 3,1 35,1 3.184 29,3 2.656 16,4 1.491 661 7,3 313 3,5 158 1,7 61 0,7 58 0,6 212 2,3 100 9.071

% Vrouwen 0-10 10-20 7,9 1,0 45,8 38,1 30,9 26,8 10,7 23,9 2,7 6,9 1,4 2,5 0,4 0,4 0,1 0,3 0,0 0,0 0,0 0,0 100 100

>20 0,2 24,6 40,6 18,2 10,6 3,5 1,7 0,2 0,2 0,3 100

%p Genderverschil 0-10 10-20 -0,3 -0,3 1,5 0,1 -5,1 0,4 0,6 -4,5 0,3 0,4 0,9 -0,3 0,9 0,3 0,7 0,4 0,4 0,8 0,1 2,7

Tot N 319 3,9 38,5 3.149 31,9 2.607 16,7 1.364 479 5,9 184 2,2 57 0,7 14 0,2 5 0,1 6 0,1 100 8.184

M-V >20 -0,2 -9,6 -4,1 1,2 2,3 3,0 2,0 0,2 0,5 4,6

Tot -0,8 -3,4 -2,6 -0,3 1,4 1,3 1,0 0,5 0,5 2,2

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

Mannen

Vrouwen

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0

0-10

10-20

>20

Genderverschil M - V 20 10 0 -10 -20

0-10

10-20

>20

0-10

10-20

>20

De verschillen naar dienstanciënniteit zijn vrij groot. De curven van mannen en vrouwen met maximaal 10 jaar dienst ligt helemaal links, de curve van mannen en vrouwen met meer dan 20 jaar dienst ligt het meest rechts. De genderverschillen in de verdeling zijn algemeen gezien vrij klein. Alleen bij werknemers met meer dan 20 jaar dienst is het verschil vrij groot voor de inkomens tussen 20 en 30 euro per gepresteerd werkuur.

108


Beroepsstatuut

TBSW euro

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100 >100 Totaal

% Mannen Statuut Stat Cont 0,6 13,0 30,8 52,3 31,0 22,4 18,7 7,5 8,5 2,5 4,0 1,1 2,0 0,6 0,8 0,1 0,7 0,2 2,8 0,3 100 100

Tot N 281 3,1 35,1 3.184 29,3 2.656 16,4 1.491 661 7,3 313 3,4 158 1,7 61 0,7 58 0,6 212 2,3 100 9.075

% Vrouwen Stat Cont 0,8 12,5 32,3 55,7 34,9 23,4 20,5 6,0 7,4 1,6 2,8 0,6 0,9 0,1 0,2 0,0 0,1 0,0 0,1 0,0 100 100

%p Genderverschil Stat Cont -0,2 0,5 -1,5 -3,4 -3,9 -1,0 -1,8 1,5 1,1 0,9 1,2 0,5 1,1 0,5 0,6 0,1 0,6 0,2 2,7 0,3

Tot N 319 3,9 38,5 3.149 31,9 2.607 16,7 1.364 479 5,9 184 2,2 57 0,7 14 0,2 5 0,1 6 0,1 100 8.184

M-V Tot -0,8 -3,4 -2,6 -0,3 1,4 1,2 1,0 0,5 0,5 2,2

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro Stat = statutair / Cont = contractueel

Mannen

Vrouwen

60

60

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0

Stat

Cont

Genderverschil M - V 20 10 0 -10 -20

Stat

Cont

Stat

Cont

De verschillen naar beroepsstatuut zijn eveneens groot bij mannen en vrouwen. De curve van contractuelen ligt duidelijk meer naar links, dus met meer lagere inkomens dan bij de statutaire medewerkers. De genderverschillen in de verdeling zijn klein, zeker voor de inkomens van 50 tot 100 euro per gepresteerd werkuur.

109


Werkdagen VTE per jaar

TBSW euro

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100 >100 Totaal

% Mannen Werkdagen100-200 >200 3,6 3,9 36,9 37,2 31,2 33,1 16,0 17,4 7,3 5,8 2,7 1,9 1,4 0,5 0,2 0,1 0,3 0,0 0,4 0,1 100 100

Tot N 3,8 344 37,1 3.341 32,3 2.914 16,9 1.519 575 6,4 2,2 200 77 0,9 12 0,1 11 0,1 18 0,2 100 9.011

% Vrouwen 100-200 >200 2,7 3,8 33,9 40,9 28,0 29,5 16,7 15,2 7,3 6,0 4,0 2,9 2,0 1,1 1,0 0,3 0,9 0,1 3,6 0,1 100 100

%p Genderverschil 100-200 >200 0,9 0,1 3,0 -3,7 3,2 3,6 -0,7 2,2 0,0 -0,2 -1,3 -1,0 -0,6 -0,6 -0,8 -0,2 -0,6 -0,1 -3,2 0,0

Tot N 3,1 256 36,3 2.992 28,5 2.349 16,2 1.336 6,9 565 297 3,6 138 1,7 63 0,8 52 0,6 2,4 200 100 8.248

M-V Tot 0,7 0,8 3,8 0,7 -0,5 -1,4 -0,8 -0,7 -0,5 -2,2

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

Mannen

Vrouwen

40

Genderverschil M - V

50

20

40

30

10

30

20

0

20

10

-10

10

0

0

100-200

>200

-20

100-200

>200

Stat

Cont

De verschillen naar aantal VTE-werkdagen per jaar zijn zeer klein bij mannen en beperkt bij vrouwen. Dat is logisch aangezien het effect van het aantal werkdagen hier is geneutraliseerd. Bij vrouwen ligt de curve van medewerkers met minder dan 200 werkdagen zelfs iets meer naar rechts, dus met iets meer hogere inkomens per werkuur dan bij medewerkers met meer dan 200 werkdagen. De genderverschillen in de verdeling zijn ook hier klein, zeker voor de inkomens van 50 tot 100 euro per gepresteerd werkuur.

110


5 Verdeling van werknemers naar totaal bruto salaris, gender en beleidsdomein (%) Inleiding en samenvatting Dit hoofdstuk geeft de procentuele verdeling van de werknemers naar totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur), gender en het beleidsdomein binnen de Vlaamse overheid. Eerst wordt een overzicht gegeven van alle beleidsdomeinen samen. Daarna worden de genderverschillen afzonderlijk getoond voor de 11 beleidsdomeinen in 2018 (de entiteiten die aangesloten zijn bij Vlimpers). Het totaal bruto salaris per maand wordt hier ook weergegeven in klassen van 1000 euro en het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur in klassen van 10 euro. De 11 beleidsdomeinen zijn: Kanselarij en Bestuur; Financiën en Begroting; Internationaal Vlaanderen; Economie Wetenschap en Innovatie; Onderwijs en Vorming; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Cultuur, Jeugd, Sport en Media; Werk en Sociale Economie; Landbouw en Visserij; Omgeving; Mobiliteit en Openbare Werken. Er zijn vrij grote verschillen in de inkomensverdeling tussen de beleidsdomeinen. Bij mannen zijn die groter dan bij vrouwen. Voor het totaal bruto salaris per maand zijn er grote genderverschillen in de volgende beleidsdomeinen: Kanselarij en Bestuur; Internationaal Vlaanderen; Economie Wetenschap en Innovatie; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie; Landbouw en Visserij; Mobiliteit en Openbare Werken. Voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur zijn de genderverschillen algemeen kleiner. Ze blijven groot in enkele beleidsdomeinen: Kanselarij en Bestuur; Internationaal Vlaanderen; Economie Wetenschap en Innovatie; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie; Mobiliteit en Openbare Werken. In het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken wordt het genderverschil in grote mate bepaald door de groep oudere mannen in niveau A met een zeer hoog salaris.

Uit dit hoofdstuk nemen we volgende vaststellingen of vragen mee: Vaak situeren de grootste genderverschillen zich rond de inkomens €2000-3000. Dat kan indirect wijzen op sterk gendergebonden functies binnen de Vlaamse overheid die vooral door vrouwen worden uitgevoerd. Ook binnen beleidsdomeinen vallen bepaalde verschillen op, zoals een grotere groep mannen in de laagste inkomensgroep bij Cultuur, Jeugd, Sport en Media of de genderverschillen bij Internationaal Vlaanderen. Krijgen we hier opnieuw indirect zicht op specifieke functies die verschillend verloond worden en waar de gendersamenstelling niet evenwichtig is? In het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare werken wordt het genderverschil in grote mate bepaald door een specifieke subgroep mannen 40-plussers in niveau A met een zeer hoog salaris. In de overige entiteiten van dat beleidsdomein zijn de genderverschillen veeleer klein. Bijgevolg rijst de vraag of die specifieke situatie mogelijks een uitdovend fenomeen is in de toekomst.

111


1. Totaal bruto salaris per maand Alle beleidsdomeinen samen Mannen Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N

Mannen 40 35 30 25 20 15 10

5 0

Vrouwen

<2 000

3.000

4.000

5.000

6.000

7.000

8.000

9.000 10.000>10.000

3,8 1,4 1,4 1,5 0,5 2,5 10,8 1,5 2,1 1,3 1,1 2,1

12,9 17,8 5,2 14,6 18,4 14,5 27,5 7,5 9,6 18,3 12,9 15,2

22,8 31,8 20,4 20,5 27,8 36,7 28,5 17,2 26,8 26,6 34,0 29,8

21,5 20,0 18,5 14,6 26,9 22,5 13,7 31,3 18,8 20,8 23,8 21,7

12,9 9,3 19,0 11,9 12,1 13,5 8,0 21,6 13,5 14,9 9,6 12,1

11,4 8,2 17,1 12,3 7,3 4,7 5,9 10,4 15,1 9,7 4,3 7,6

7,1 4,4 8,1 9,3 2,7 2,8 3,4 2,2 8,3 5,2 2,1 4,1

3,7 5,5 4,3 11,2 2,2 1,4 0,8 3,0 3,6 1,8 1,4 2,3

191

1.379

2.704

1.969

1.098

690

372

209

N

<2 000

3.000

4.000

5.000

6.000

7.000

8.000

2,1 1,1 5,2 3,4 1,2 1,1 0,6 1,5 1,8 0,9 1,4 1,4

731 1,9 0,5 365 211 0,9 268 0,7 413 1,0 0,4 850 527 0,9 134 3,7 0,3 384 0,5 2.016 9,3 3.176 3,8 9.075

9,8 2,9 2,3 1,9 1,3 4,5 5,5 2,6 6,1 2,4 3,2 4,2

33,0 27,0 20,5 15,4 24,3 30,6 33,2 15,9 18,6 21,7 26,1 26,2

22,7 33,8 27,4 27,0 32,7 38,2 28,3 34,4 26,1 27,9 33,4 30,9

17,3 19,1 28,4 25,1 24,1 17,5 15,8 29,1 18,9 25,2 20,1 20,8

7,5 9,5 10,2 9,7 9,0 5,4 11,1 11,0 14,6 13,0 9,8 9,5

4,6 3,5 7,4 9,7 3,7 1,9 4,5 3,5 6,9 6,5 3,2 4,4

3,2 2,0 2,3 5,4 2,3 1,1 0,6 2,6 5,3 1,6 1,8 2,1

0,7 1,8 0,9 4,2 1,1 0,6 0,6 0,0 2,9 1,1 0,9 1,1

0,6 0,4 0,0 0,8 1,0 0,1 0,2 0,9 0,3 0,5 0,9 0,5

127

345

344

2.144

2.529

1.702

777

360

172

90

41

Vrouwen 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal

N

0,6 1.029 0,0 545 215 0,5 259 0,8 614 0,5 0,1 1.728 0,2 488 227 0,0 376 0,3 0,2 1.704 0,5 999 0,3 8.184 25

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal

Bij mannen zijn de verschillen tussen de diverse beleidsdomeinen veel groter dan bij vrouwen. In alle beleidsdomeinen zijn er meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 5.000 euro. Bij mannen valt voor het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport, Media het hogere percentage op bij de inkomens tot 3.000 euro. In het domein Werk en Sociale Economie ligt het aandeel mannen in de groep 5.000-6.000 euro hoger. Bij Economie Wetenschap en Innovatie zijn er meer mannen met een maandsalaris van 8.000 tot 9.000 euro. Bij mannen valt het hoge percentage met meer dan 10.000 euro per maand op in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. Het betreft 40- en vooral 50-plussers met zeer hoge inkomens in niveau A, in 1 entiteit. 112

9.000 10.000>10.000


Per beleidsdomein Kanselarij en Bestuur TBSM euro

%

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal N

M 3,8 12,9 22,8 21,5 12,9 11,4 7,1 3,7 2,1 1,9

V 9,8 33,0 22,7 17,3 7,5 4,6 3,2 0,7 0,6 0,6

Tot 7,3 24,7 22,8 19,0 9,7 7,4 4,8 1,9 1,2 1,1

731

1029

1760

100

100

100

N

129 434 401 335 171 130 85 34 21 20

1760

%p

M-V -6,0 -20,1 0,1 4,2 5,4 6,8 3,9 3,0 1,5 1,3

40

20

30

10

20

0

10

-10

0

-20 M

V

M-V

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro

De genderverschillen zijn groot in dit beleidsdomein: veel meer vrouwen in de inkomengroep van 2.000 tot 3.000 euro per maand en meer mannen met meer dan 4.000 euro.

Financiën en Begroting TBSM euro

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 >9.000 Totaal N

%

M 1,4 17,8 31,8 20,0 9,3 8,2 4,4 5,5 1,6

V 2,9 27,0 33,8 19,1 9,5 3,5 2,0 1,8 0,4

Tot 2,3 23,3 33,0 19,5 9,5 5,4 3,0 3,3 0,9

365

545

910

100

100

100

N 21 212 300 177 86 49 27 30 8 910

%p

M-V -1,5 -9,2 -2,0 0,9 -0,2 4,7 2,4 3,7 1,2

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro

40

20

30

10

20

0

10

-10

0

-20 M

V

De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn hier vrij klein. Bij de inkomens van 2.000 tot 3.000 euro per maand is het verschil het grootst.

113

M-V


Internationaal Vlaanderen TBSM euro

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 >9.000 Totaal N

%

M 1,4 5,2 20,4 18,5 19,0 17,1 8,1 4,3 6,1

V 2,3 20,5 27,4 28,4 10,2 7,4 2,3 0,9 0,5

Tot 1,9 12,9 23,9 23,5 14,6 12,2 5,2 2,6 3,3

211

215

426

100

100

100

N 8 55 102 100 62 52 22 11 14 426

%p

M-V -0,9 -15,3 -7,0 -9,9 8,8 9,7 5,8 3,4 5,6

30

20

25

10

20 15

0

10

-10

5 0

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >9.000

-20 M

V

M-V

De genderverschillen zijn zeer groot: veel meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 7.000 euro per maand en meer mannen met meer dan 5.000 euro.

Economie Wetenschap en Innovatie TBSM euro

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 >9.000 Totaal N

%

%p

M 1,5 14,6 20,5 14,6 11,9 12,3 9,3 11,2 4,1

V 1,9 15,4 27,0 25,1 9,7 9,7 5,4 4,2 1,6

Tot 1,7 15,0 23,7 19,7 10,8 11,0 7,4 7,8 2,9

100

100

100

268

259

527

N 9 79 125 104 57 58 39 41 15 527

M-V -0,4 -0,8 -6,5 -10,5 2,2 2,6 3,9 7,0 2,5

30

20

25

10

20 15

0

10

-10

5 0

-20 M

V

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >9.000

De genderverschillen zijn weer groot, met meer vrouwen in de inkomensgroepen van 4.000 tot 6.000 euro per maand en meer mannen met meer dan 5.000 euro.

114

M-V


Onderwijs en Vorming TBSM euro

%

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal N

%p

M 0,5 18,4 27,8 26,9 12,1 7,3 2,7 2,2 1,2 1,0

V 1,3 24,3 32,7 24,1 9,0 3,7 2,3 1,1 1,0 0,5

Tot 1,0 21,9 30,8 25,2 10,2 5,2 2,4 1,6 1,1 0,7

100

100

100

413

614

1027

N 10 225 316 259 105 53 25 16 11 7 1027

M-V -0,8 -5,9 -4,9 2,8 3,1 3,6 0,4 1,1 0,2 0,5

40

20

30

10

20

0

10

-10

0

-20 M

V

M-V

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro

De genderverschillen zijn klein, met iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 4.000 euro per maand en iets meer mannen met 4.000 tot 7.000 euro.

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin TBSM euro

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 >9.000 Totaal N

%

%p

M 2,5 14,5 36,7 22,5 13,5 4,7 2,8 1,4 1,5

V 4,5 30,6 38,2 17,5 5,4 1,9 1,1 0,6 0,2

Tot 3,8 25,3 37,7 19,2 8,1 2,8 1,7 0,9 0,6

100

100

100

850

1728

2578

N

98 652 972 494 209 73 43 23 14

M-V -2,0 -16,1 -1,5 5,0 8,1 2,8 1,7 0,8 1,3

50

20

40

10

30

0

20 10

-10

0

-20

2578

M

V

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >9.000

De genderverschillen zijn hier iets groter, met meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 3.000 euro per maand en meer mannen met 5.000 tot 7.000 euro.

115

M-V


Cultuur, Jeugd, Sport en Media TBSM euro

%

%p

M 10,8 27,5 28,5 13,7 8,0 5,9 3,4 0,8 1,5

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 >9.000 Totaal N

V 5,5 33,2 28,3 15,8 11,1 4,5 0,6 0,6 0,4

Tot 8,3 30,2 28,4 14,7 9,5 5,2 2,1 0,7 1,0

100

100

100

527

488

1015

N 84 307 288 149 96 53 21 7 10 1015

M-V 5,3 -5,7 0,2 -2,1 -3,1 1,4 2,8 0,2 1,1

40

20

30

10

20

0

10

-10

0

-20 M

V

M-V

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >9.000

De genderverschillen zijn klein: iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 6.000 euro per maand. Wel valt het hoge percentage mannen op in de groep tot 2.000 euro.

Werk en Sociale Economie TBSM euro

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 >8.000 Totaal N

%

%p

M 1,5 7,5 17,2 31,3 21,6 10,4 2,2 8,2

V Tot 2,6 2,2 15,9 12,7 34,4 28,0 29,1 29,9 11,0 15,0 3,5 6,1 2,6 2,5 0,9 3,6

100

100

100

134

227

361

N 8 46 101 108 54 22 9 13 361

M-V -1,1 -8,4 -17,2 2,2 10,6 6,9 -0,4 7,3

40

20

30

10

20

0

10

-10

0

-20 M

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 8.000-9.000, 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >8.000

V

De genderverschillen zijn in dit beleidsdomein groot, met veel meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 4.000 euro per maand en meer mannen met 5.000 tot 7.000 euro.

116

M-V


Landbouw en Visserij TBSM euro

%

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 >9.000 Totaal N

%p

M 2,1 9,6 26,8 18,8 13,5 15,1 8,3 3,6 2,1

V 6,1 18,6 26,1 18,9 14,6 6,9 5,3 2,9 0,6

Tot 4,1 14,1 26,4 18,8 14,1 11,1 6,8 3,3 1,4

N 31 107 201 143 107 84 52 25 10

100

100

100

760

384

376

760

M-V -4,0 -9,0 0,7 -0,1 -1,1 8,2 3,0 0,7 1,5

30

20

25

10

20 15

0

10

-10

5 0

-20 M

V

M-V

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro

De genderverschillen zijn hier matig: meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 3.000 euro per maand en meer mannen met 6.000 tot 7.000 euro.

Omgeving TBSM euro

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal N

%

%p

M 1,3 18,3 26,6 20,8 14,9 9,7 5,2 1,8 0,9 0,5 100

2016

V 2,4 21,7 27,9 25,2 13,0 6,5 1,6 1,1 0,5 0,2

Tot 1,8 19,8 27,2 22,8 14,0 8,2 3,5 1,5 0,7 0,3

N 68 738 1011 850 522 306 132 54 26 13 100 100 3720 1704 3720

M-V -1,1 -3,4 -1,3 -4,4 1,9 3,2 3,6 0,7 0,4 0,3

30

20

25

10

20 15

0

10

-10

5 0

-20 M

V

M-V

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro

De genderverschillen zijn klein, met iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 5.000 euro per maand en iets meer mannen met 5.000 tot 7.000 euro.

117


Mobiliteit en Openbare Werken TBSM euro

<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal N

%

%p

M 1,1 12,9 34,0 23,8 9,6 4,3 2,1 1,4 1,4 9,3

V 3,2 26,1 33,4 20,1 9,8 3,2 1,8 0,9 0,9 0,5

Tot 1,6 16,1 33,9 22,9 9,7 4,0 2,0 1,3 1,3 7,2

100

100

100

3176

999

4175

N 67 671 1414 956 404 169 85 55 55 299 4175

M-V -2,1 -13,2 0,6 3,7 -0,2 1,1 0,3 0,5 0,5 8,8

40

20

30

10

20

0

10

-10

0

-20 M

V

TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro

De verschillen zijn vrij klein tot 10.000 euro per maand, met meer vrouwen bij de inkomens van 2.000 tot 3.000 euro. Bij de groep met meer dan 10.000 euro per maand is het verschil hier opvallend groot. In deze groep zitten de 40-plussers van niveau A met zeer hoge inkomens, zoals vermeld in hoofdstuk 3.

118

M-V


2. Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Alle beleidsdomeinen samen Mannen

Vrouwen

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100 Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N

6,3 2,7 0,0 6,7 3,6 1,6 11,6 1,5 2,6 2,1 2,0 3,1

26,7 40,3 21,3 22,0 34,1 39,9 40,8 15,7 28,9 34,9 38,0 35,1

27,2 25,8 26,1 24,3 32,9 31,6 25,4 39,6 26,8 26,9 31,6 29,3

18,9 15,6 24,6 16,4 17,9 17,4 12,9 27,6 21,4 21,3 11,4 16,4

11,5 6,0 16,1 11,9 6,1 5,6 6,3 6,0 13,0 9,6 4,1 7,3

4,9 7,9 6,2 13,8 3,1 1,8 1,5 3,0 4,7 3,4 2,2 3,4

3,0 0,8 4,7 3,7 1,2 1,6 0,8 3,0 2,1 1,3 1,6 1,7

0,7 0,0 0,5 0,7 0,5 0,1 0,4 0,7 0,3 0,1 1,4 0,7

0,7 0,5 0,5 0,4 0,2 0,1 0,4 0,0 0,0 0,2 1,3 0,6

281

3.185

2.659

1.488

662

309

154

64

54

Mannen 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0

>100

N

731 0,1 0,3 365 211 0,0 0,0 268 413 0,2 0,1 850 527 0,0 134 3,0 0,3 384 0,0 2.016 6,4 3.176 2,3 9.075 209

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100

10,0 2,6 2,3 1,5 2,0 3,6 5,9 1,3 5,9 1,9 3,2 3,9

41,8 43,5 31,6 22,8 37,5 43,3 44,7 36,1 31,4 30,7 43,6 38,5

24,0 30,1 31,6 37,1 37,9 37,0 26,6 36,1 23,1 32,7 30,2 31,9

14,5 15,2 20,9 17,8 15,0 11,6 15,4 17,6 21,8 23,7 14,8 16,7

5,5 4,6 10,2 10,8 4,4 2,9 5,9 7,0 12,0 8,0 4,3 5,9

2,8 3,1 2,3 7,7 1,5 1,3 1,0 0,9 5,3 2,1 1,9 2,2

0,9 0,6 0,0 1,5 1,3 0,2 0,4 0,9 0,5 0,5 1,5 0,7

0,5 0,2 0,5 0,8 0,2 0,0 0,0 0,0 0,0 0,1 0,3 0,2

0,0 0,0 0,5 0,0 0,2 0,0 0,0 0,0 0,0 0,2 0,0 0,1

319

3.151

2.611

1.367

483

180

57

16

8

>100

8

Vrouwen 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal

Bij mannen zijn de verschillen tussen de diverse beleidsdomeinen veel groter dan bij vrouwen. In alle beleidsdomeinen zijn er meer vrouwen in de inkomensgroepen van 20 tot 50 euro per gepresteerd werkuur. Bij mannen valt voor het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport, Media het hogere percentage op in de inkomensgroepen tot 20 euro. In het domein Werk en Sociale Economie ligt het aandeel mannen met 30 tot 50 euro hoger. In het domein Economie, Wetenschap en Innovatie zijn er meer mannen met 60 tot 70 euro per gepresteerd werkuur. Bij mannen valt het hoge percentage met meer dan 100 euro per gepresteerd werkuur op in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. Het betreft 40- en vooral 50-plussers met zeer hoge inkomens in niveau A, in 1 entiteit. 119

N

0,0 1.029 0,2 545 215 0,0 0,0 259 614 0,2 0,1 1.728 0,0 488 227 0,0 376 0,0 0,1 1.704 0,1 999 0,1 8.184


Per beleidsdomein Kanselarij en Bestuur TBSM euro

%

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N

M V Tot 6,3 10,0 8,5 26,7 41,8 35,5 27,2 24,0 25,3 18,9 14,5 16,3 11,5 5,5 8,0 4,9 2,8 3,7 3,0 0,9 1,8 1,5 0,5 1,0 100 100 100 731 1029 1760

N

149 625 446 287 141 65 31 16 1760

M-V -3,7 -15,1 3,2 4,4 6,0 2,1 2,1 1,0

50

20

40

10

30

0

20 10

-10

0

-20 M

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

V

M-V

De genderverschillen zijn groot in dit beleidsdomein: veel meer vrouwen in de inkomengroep van 20 tot 30 euro per gepresteerd werkuur.

Financiën en Begroting TBSM euro

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N

%

M 2,7 40,3 25,8 15,6 6,0 7,9 0,8 0,8 100 365

V 2,6 43,5 30,1 15,2 4,6 3,1 0,6 0,4 100 545

Tot 2,6 42,2 28,4 15,4 5,2 5,1 0,7 0,5 100 910

N 24 384 258 140 47 46 6 5 910

%p

M-V 0,1 -3,2 -4,3 0,4 1,4 4,8 0,2 0,4

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

50

20

40

10

30

0

20 10

-10

0

-20 M

V

M-V

De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn hier klein, met iets meer vrouwen bij de inkomensgroep van 20 tot 30 euro en iets meer mannen met 60 tot 70 euro per gepresteerd werkuur.

120


Internationaal Vlaanderen TBSM euro

%

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N

M 0,0 21,3 26,1 24,6 16,1 6,2 4,7 1,0 100 211

V 2,3 31,6 31,6 20,9 10,2 2,3 0,0 1,0 100 215

Tot 1,2 26,5 28,9 22,8 13,1 4,2 2,3 1,0 100 426

N 5 113 123 97 56 18 10 4 426

%p

M-V -2,3 -10,3 -5,5 3,7 5,9 3,9 4,7 0,0

40

20

30

10

20

0

10

-10

0

-20 M

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

V

M-V

De genderverschillen zijn vrij groot: meer vrouwen in de inkomensgroepen van 20 tot 30 euro per uur en meer mannen met 40 tot 80 euro per gepresteerd werkuur.

Economie Wetenschap en Innovatie TBSM euro

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N

%

M 6,7 22,0 24,3 16,4 11,9 13,8 3,7 1,1 100 268

%p

V 1,5 22,8 37,1 17,8 10,8 7,7 1,5 0,8 100 259

Tot 4,2 22,4 30,6 17,1 11,4 10,8 2,7 1,0 100 527

N 22 118 161 90 60 57 14 5 527

M-V 5,2 -0,8 -12,8 -1,4 1,1 6,1 2,2 0,3

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

40

20

30

10

20

0

10

-10

0

-20 M

V

M-V

De genderverschillen zijn hier ook vrij groot, met meer vrouwen in de inkomensgroepen van 30 tot 40 euro per uur en meer mannen met maximaal 10 tot 20 euro en 60 tot 70 euro per gepresteerd werkuur.

121


Onderwijs en Vorming TBSM euro

%

%p

M 3,6 34,1 32,9 17,9 6,1 3,1 1,2 0,9

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N

V 2,0 37,5 37,9 15,0 4,4 1,5 1,3 0,6

Tot 2,6 36,1 35,9 16,2 5,1 2,1 1,3 0,7

100

100

100

413

614

1027

N 27 371 369 166 52 22 13 7 1027

M-V 1,6 -3,4 -5,0 2,9 1,7 1,6 -0,1 0,3

40

20

30

10

20

0

10

-10

0

-20 M

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

V

M-V

De genderverschillen zijn in dit domein klein, met iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 20 tot 40 euro per uur en iets meer mannen met 40 tot 60 euro per gepresteerd werkuur.

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin TBSM euro

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N

%

%p

M 1,6 39,9 31,6 17,4 5,6 1,8 1,6 0,3 100

850

V 3,6 43,3 37,0 11,6 2,9 1,3 0,2 0,1

Tot 2,9 42,2 35,3 13,5 3,8 1,4 0,7 0,1

N 76 1087 909 348 98 37 18 5 100 100 2578 1728 2578

M-V -2,0 -3,4 -5,4 5,8 2,7 0,5 1,4 0,2

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

50

20

40

10

30

0

20 10

-10

0

-20 M

V

M-V

De genderverschillen zijn vrij klein: iets meer vrouwen in de inkomensgroepen tot 40 euro per uur en iets meer mannen met 40 tot 60 euro per gepresteerd werkuur.

122


Cultuur, Jeugd, Sport en Media TBSM euro

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N

%

%p

M 11,6 40,8 25,4 12,9 6,3 1,5 0,8 0,8

V 5,9 44,7 26,6 15,4 5,9 1,0 0,4 0,0

Tot 8,9 42,7 26,0 14,1 6,1 1,3 0,6 0,4

100

100

100

527

488

1015

N 90 433 264 143 62 13 6 4 1015

M-V 5,7 -3,9 -1,2 -2,5 0,4 0,5 0,4 0,8

50

20

40

10

30

0

20 10

-10

0

-20 M

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

V

M-V

De genderverschillen zijn hier klein: iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 20 tot 50 euro per uur en - opvallend meer mannen met maximaal 20 euro per gepresteerd werkuur.

Werk en Sociale Economie TBSM euro

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N

%

%p

M 1,5 15,7 39,6 27,6 6,0 3,0 3,0 3,7

V 1,3 36,1 36,1 17,6 7,0 0,9 0,9 0,0

Tot 1,4 28,5 37,4 21,3 6,6 1,7 1,7 1,4

100

100

100

134

227

361

N 5 103 135 77 24 6 6 5 361

M-V 0,2 -20,4 3,5 10,0 -1,0 2,1 2,1 3,7

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

50

20

40

10

30

0

20 10

-10

0

-20 M

V

M-V

De genderverschillen zijn in dit beleidsdomein vrij groot, met veel meer vrouwen in de groep van 20 tot 30 euro per uur en vooral meer mannen met 40 tot 50 euro per gepresteerd werkuur.

123


Landbouw en Visserij TBSM euro

%

%p

M 2,6 28,9 26,8 21,4 13,0 4,7 2,1 0,6

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N

V 5,9 31,4 23,1 21,8 12,0 5,3 0,5 0,0

Tot 4,2 30,1 25,0 21,6 12,5 5,0 1,3 0,2

100

100

100

384

376

760

N 32 229 190 164 95 38 10 2 760

M-V -3,3 -2,5 3,7 -0,4 1,0 -0,6 1,6 0,6

40

20

30

10

20

0

10

-10

0

-20 M

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

V

M-V

De genderverschillen zijn hier zeer klein, met iets meer vrouwen in de groep tot 30 euro per uur en iets meer mannen met 30 tot 40 euro per gepresteerd werkuur.

Omgeving TBSM euro

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N

%

%p

M 2,1 34,9 26,9 21,3 9,6 3,4 1,3 0,3 100

2016

V 1,9 30,7 32,7 23,7 8,0 2,1 0,5 0,4

Tot 2,0 33,0 29,6 22,4 8,9 2,8 0,9 0,3

N 75 1227 1101 833 331 105 35 13 100 100 3720 1704 3720

M-V 0,2 4,2 -5,8 -2,4 1,6 1,3 0,8 -0,1

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

40

20

30

10

20

0

10

-10

0

-20 M

V

M-V

De genderverschillen zijn ook in dit domein beperkt: iets meer vrouwen in de groep van 30 tot 50 euro per uur en iets meer mannen met 20 tot 30 euro per gepresteerd werkuur.

124


Mobiliteit en Openbare Werken TBSM euro

10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N

%

%p

M 2,0 38,0 31,6 11,4 4,1 2,2 1,6 9,1

V 3,2 43,6 30,2 14,8 4,3 1,9 1,5 0,4

Tot 2,3 39,4 31,3 12,2 4,2 2,2 1,6 7,0

100

100

100

3176

999

4175

N 95 1643 1307 510 174 90 66 290 4175

M-V -1,2 -5,6 1,4 -3,4 -0,2 0,3 0,1 8,7

TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro

50

20

40

10

30

0

20 10

-10

0

-20 M

V

M-V

De verschillen zijn vrij klein, met iets meer vrouwen bij de inkomens van 20 tot 30 euro en 40 tot 50 euro per gepresteerd werkuur. Bij de groep met meer dan 100 euro per gepresteerd werkuur is het verschil hier weer groot. Zoals eerder vermeld, omvat deze groep de 40-plussers van niveau A met zeer hoge inkomens.

125


6 Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd en andere aspecten Inleiding en samenvatting Uitgaande van hoofdstuk 3 gaat we in dit hoofdstuk dieper in op de relatie tussen het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) van de werknemers van de Vlaamse overheid en enkele relevante verklarende aspecten. Per aspect worden de gemiddelde waarden van het salaris gegeven in vierdimensionale tabellen en grafieken, met onderscheid naar gender, functieniveau en leeftijd. Tevens worden de genderverschillen getoond voor de diverse subgroepen, in waarde en procentueel. Voor het goed begrijpen van de genderverschillen in de tabellen, wijzen we op het belang van de N-waarden voor de subgroepen naar leeftijd en functieniveau. Zo kunnen de genderverschillen (naar leeftijd) binnen de functieniveaus vrij klein zijn, terwijl de genderverschillen voor alle functieniveaus samen naar leeftijd groot zijn. Dit is te wijten aan het verschil in aantal personen. De verschillen naar functieniveau en leeftijd zijn in alle tabellen/grafieken duidelijk zichtbaar, voor het totaal bruto salaris per maand en per gepresteerd werkuur. Voorts zijn er specifieke genderverschillen voor de combinatie van de factoren. Specifieke grote verschillen zijn er bij werknemers met meer dan 15 jaar dienstanciënniteit, bij statutaire en contractuele medewerkers en bij medewerkers met meer dan 200 werkdagen per jaar. De zeer grote genderverschillen worden in grote mate bepaald door de groep oudere mannen in niveau A met een zeer hoog salaris. Hoofdstuk 5 liet zien dat die mannen hoofdzakelijk werkzaam zijn in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. In hoofdstuk 7 wordt dat verder onderzocht.

Uit dit hoofdstuk nemen we volgende vaststellingen of vragen mee: Zoals in hoofdstuk 4 zien we dat het genderverschil toeneemt bij stijgende dienstanciënniteit. Daarvoor geldt dezelfde mogelijke verklaring. De gegevens naar beroepsstatuut tonen grotere genderverschillen in de groep statutairen dan in de groep contractuelen. Komt dat door de verschillende gendersamenstellingen van de respectievelijke groepen? De groep werknemers met meer dan 200 werkdagen kent grotere genderverschillen dan de groep met 100 tot 200 werkdagen. Hoe kan dat verklaard worden? Komen we daarbij weer bij de impact van de specifieke groep oudere mannen in niveau A? Opnieuw bieden de gegevens naar niveau mogelijks inzicht in de gendergebonden verdeling van functies. Zo zien we negatieve genderverschillen (vrouwen verdienen meer) in niveau B en bij jongeren in niveau A. Vooral bij niveau D merken we algemeen grote genderverschillen en rijst de vraag welke functies hier tot die verschillen leiden.

126


1. Totaal bruto salaris per maand Dienstanciënniteit 0-15 jaar

Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.063 6.902 4.514 6.216 3.172 3.577 2.899 3.288 2.863 3.158 3.632 4.716

2.512

18-39

40-49 Mannen A+

>15 jaar

10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

1.425

50+

956

18-39

A

Tot 7.204 5.291 3.404 3.150 3.037 4.167

4.893

40-49

N

322 1.638 1.057 935 941 4.893

50+

B

18-39

40-49

50+

Mannen A+

A

1.380

18-39 B

C

50+ 8.240 8.488 4.595 4.176 3.703 5.788

2.586

40-49 Vrouwen D

Tot 7.925 7.496 4.236 3.970 3.664 5.408

4.178

50+

N

519 1.151 677 902 929 4.178

50+ 7.989 5.243 3.753 3.159 2.310 3.827

1.411

772

18-39 A+

A

5.048

N

230 1.719 1.648 989 462 5.048

201

40-49 B C

50+ 7.731 5.715 4.026 3.627 2.751 4.336

1.243

50+ 174 987 385 508 861 926

Tot 580 873 244 296 714 557

A

Tot 8,1 16,5 7,2 9,4 23,5 13,4

50+

3.136

40-49 B C

50+ 2,1 15,8 9,3 13,8 27,2 19,5

D

Tot 7.370 5.331 3.811 3.486 2.764 4.303

1.692

% (M-V)/M 18-39 40-49 6,4 3,0 8,0 23,3 8,1 0,5 9,9 8,7 21,7 23,0 6,6 16,6

Bij deze subgroep met minder dan 15 jaar dienst zijn de verschillen naar functieniveau - die toenemen met de leeftijd - weer zichtbaar (zie ook hoofdstuk 3). De genderverschillen liggen meestal rond 400 euro, met hogere bedragen bij de 40 tot 49- jarigen en 50-plussers in niveaus A en D.

N

323 751 622 1.053 387 3.136

50+ D

127

M-V 18-39 40-49 399 441 701 872 252 384 370 283 393 808 345 548

50+ 509 2773 569 548 951 1451

Tot 555 2165 424 484 900 1104

% (M-V)/M 18-39 40-49 5,8 6,0 12,8 14,6 6,8 9,5 10,9 7,8 12,3 22,4 8,6 11,2

50+ 6,2 32,7 12,4 13,1 25,7 25,1

Tot 7,0 28,9 10,0 12,2 24,6 20,4

Bij medewerkers met meer dan 15 jaar dienst nemen de verschillen naar functieniveau ook toe met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A evenwel af. Bij de 50-plussers ligt het gemiddeld inkomen in niveau A zelfs iets hoger dan in niveau A+. Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau A met ruim 2.770 euro per maand zeer hoog.

Genderverschil M - V

18-39 A+

M-V 18-39 40-49 390 210 360 1446 258 17 286 286 621 725 241 781

Genderverschil

Vrouwen 18-39 40-49 6.474 6.961 4.789 5.115 3.436 3.661 3.025 3.331 2.800 2.804 3.658 4.362

3000 2500 2000 1500 1000 500 0

Tot 6.624 4.418 3.160 2.854 2.324 3.610

Genderverschil M - V

Vrouwen C D

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.872 7.402 5.491 5.986 3.688 4.044 3.395 3.613 3.194 3.612 4.003 4.911

212

2.865

3000 2500 2000 1500 1000 500 0

Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

50+ 8.164 6.231 4.138 3.666 3.171 4.753

Genderverschil

Vrouwen 18-39 40-49 5.673 6.692 4.154 4.770 2.915 3.560 2.613 3.003 2.242 2.433 3.391 3.934


Beroepsstatuut Statutair Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Gemiddelde

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.377 7.294 4.957 6.281 3.416 3.913 3.205 3.517 3.168 3.573 3.968 4.982

1.673

2.397

50+ 8.208 8.189 4.329 4.122 3.680 5.638

3.195

Tot 7.741 6.654 3.874 3.721 3.569 5.037

7.265

N

744 2.246 1.313 1.528 1.434 7.265

1.749

10.000 6.000 4.000 2.000 0

18-39

40-49

50+

Mannen A+

Contractueel Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

18-39

A

40-49

50+

A+

Gemiddelde

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.731 6.443 3.889 4.913 2.942 3.395 2.435 3.005 2.531 2.678 3.171 3.813

1.052

408

50+ 8.342 5.475 5.421 3.272 2.651 4.279

350

Tot 6.942 4.329 3.276 2.716 2.604 3.530

1.810

N

97 543 421 309 440 1.810

1.317

8.000 6.000 4.000 2.000 18-39

40-49

Mannen A+

50+

A

B

18-39

40-49

C

Vrouwen D

50+

2500 2000 1500 1000 500 0 -500

Tot 7.229 4.921 3.536 3.281 2.789 4.135

2.064

6.016

40-49 A

N

479 1.848 1.624 1.657 408 6.016

B

50+ 367 2581 318 584 885 1254

Tot 512 1732 338 440 779 902

C

2.168

40-49 B

Tot 6,6 26,0 8,7 11,8 21,8 17,9

Bij mannelijke statutairen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af. Bij de 50-plussers ligt het gemiddeld inkomen in niveau A bijna even hoog als in niveau A+. Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau A met ruim 2.580 euro per maand zeer hoog. Bij de 40 tot 49 jarigen bedraagt dat verschil ruim 1.250 euro.

N

74 622 646 385 441 2.168

50+ C

D

128

M-V 18-39 40-49 212 331 110 491 202 136 -3 46 376 295 104 354

50+ 1509 276 2148 103 355 1172

Tot 980 305 434 -26 325 374

% (M-V)/M 18-39 40-49 3,7 5,1 2,8 10,0 6,9 4,0 -0,1 1,5 14,9 11,0 3,3 9,3

50+ 18,1 5,0 39,6 3,1 13,4 27,4

Tot 14,1 7,1 13,3 -1,0 12,5 10,6

Bij mannelijke contractuelen neemt het verschil tussen niveau A+ en A wel toe. Bij vrouwelijke contractuelen neemt het evenwel af. Bij mannelijke 50-plussers ligt het inkomen in niveau B bijna even hoog als in niveau A. Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau en vooral in niveau B zeer hoog.

Genderverschil M - V

A

50+ 4,5 31,5 7,3 14,2 24,0 22,2

D

Tot 5.962 4.024 2.842 2.742 2.279 3.155

400

18-39

% (M-V)/M 18-39 40-49 8,1 4,3 10,4 20,3 8,9 6,9 12,6 8,3 13,7 21,8 7,6 14,2

50+

50+ 6.832 5.199 3.273 3.169 2.296 3.107

451

A+

M-V 18-39 40-49 517 315 517 1274 304 270 404 291 432 780 301 708

Genderverschil

Vrouwen 18-39 40-49 5.518 6.112 3.779 4.423 2.740 3.259 2.438 2.959 2.155 2.383 3.066 3.458

10.000

0

2.203

18-39

Vrouwen C D

B

50+ 7.842 5.607 4.012 3.538 2.795 4.384

Genderverschil M - V

3000 2500 2000 1500 1000 500 0

8.000

Genderverschil

Vrouwen 18-39 40-49 5.860 6.979 4.440 5.007 3.112 3.642 2.801 3.226 2.735 2.793 3.666 4.273


Werkdagen VTE per jaar 100-200 dagen Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Gemiddelde

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.617 6.748 4.128 4.944 2.977 3.571 2.759 3.160 2.522 2.885 3.229 4.043

1.097

1.073

50+ 7.552 5.717 4.172 3.682 3.088 4.289

1.472

Tot 7.081 4.908 3.495 3.272 2.910 3.897

3.642

N

228 952 744 849 869 3.642

1.906

10.000 6.000 4.000 2.000 0

18-39

40-49

50+

Mannen A+

>200 dagen Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

18-39

A

40-49

50+

A+

Gemiddelde

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.344 7.375 4.777 6.766 3.394 4.027 3.113 3.664 3.217 3.699 3.950 5.288

1.628

1.732

50+ 8.466 9.021 4.680 4.432 3.945 6.367

2.073

Tot 7.860 6.871 3.905 3.793 3.716 5.299

5.433

N

613 1.837 990 988 1.005 5.433

1.160

8.000 6.000 4.000 2.000 18-39

40-49

Mannen A+

50+

A

B

18-39

40-49

C

Vrouwen D

50+

3000 2500 2000 1500 1000 500 0 -500

Tot 6.389 4.449 3.182 3.015 2.385 3.530

1.747

5.369

40-49 A

N

221 1.526 1.520 1.432 670 5.369

B

50+ 440 536 399 377 634 593

Tot 691 459 313 257 525 367

C

2.815

40-49 B

Tot 9,8 9,3 9,0 7,8 18,0 9,4

Bij medewerkers met minder dan 200 werkdagen is het verschil tussen niveau A+ en A groot in alle leeftijdsgroepen. De genderverschillen liggen algemeen gezien vrij laag, vooral bij de 18 tot 39-jarigen.

N

332 944 750 610 179 2.815

Genderverschil M - V

A

50+ 5,8 9,4 9,6 10,2 20,5 13,8

D

Tot 7.505 5.094 3.655 3.566 3.044 4.534

717

18-39

% (M-V)/M 18-39 40-49 2,1 8,8 2,7 7,4 7,1 5,4 8,0 4,9 15,0 16,8 1,4 7,3

50+

50+ 8.205 6.217 4.465 4.061 3.200 5.349

938

A+

M-V 18-39 40-49 120 595 110 366 213 193 221 156 378 486 47 294

Genderverschil

Vrouwen 18-39 40-49 6.003 7.287 4.396 5.623 3.234 4.057 2.967 3.532 2.791 2.982 3.780 4.842

10.000

0

1.716

18-39

Vrouwen C D

B

50+ 7.112 5.181 3.773 3.304 2.454 3.696

Genderverschil M - V

3000 2500 2000 1500 1000 500 0

8.000

Genderverschil

Vrouwen 18-39 40-49 5.497 6.153 4.018 4.579 2.764 3.378 2.538 3.004 2.144 2.399 3.182 3.749

50+ C

D

129

M-V 18-39 40-49 50+ 341 88 261 381 1143 2804 160 -30 216 146 132 370 425 717 745 170 446 1018

Tot 355 1777 249 228 671 765

% (M-V)/M 18-39 40-49 5,4 1,2 8,0 16,9 4,7 -0,7 4,7 3,6 13,2 19,4 4,3 8,4

50+ 3,1 31,1 4,6 8,4 18,9 16,0

Tot 4,5 25,9 6,4 6,0 18,1 14,4

Bij mannelijke medewerkers met meer dan 200 werkdagen vermindert het verschil tussen niveau A+ en A sterk met de leeftijd. Bij de 50-plussers ligt het inkomen in niveau A duidelijk hoger dan in niveau A+. Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau A met ruim 2.800 euro per maand zeer hoog. Bij de 40 tot 49 jarigen bedraagt dat verschil ruim 1.000 euro.


2. Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Dienstanciënniteit 0-15 jaar Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Gemiddelde

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 47,3 54,4 35,9 49,2 25,8 29,3 23,6 26,8 23,7 25,6 29,3 37,7

2.512

1.425

50+ 65,3 50,4 33,9 29,9 26,2 38,6

956

Tot 57,1 42,1 27,7 25,7 25,0 33,6

4.893

N

322 1.638 1.057 935 941 4.893

2.865

80 20 15 10 5 0 -5

60 40

20 0

18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

>15 jaar Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

A

B

40-49

50+

Vrouwen C D

212

1.380

50+ 64,8 67,2 38,4 34,9 31,0 46,8

2.586

Tot 62,1 59,6 34,9 33,0 30,4 43,7

4.178

40 20 0

18-39

40-49

50+

18-39

Mannen

A+

A

B

40-49

Vrouwen C D

50+

772

18-39

519 1.151 677 902 929 4.178

201

20 15 10 5 0 -5

5.048

40-49

A

N

230 1.719 1.648 989 462 5.048

B

50+ 63,1 50,2 37,1 33,6 26,4 38,9

1.243

1.692

40-49

A+

50+ 0,7 3,9 -0,6 1,0 3,5 4,1

Tot 3,0 3,2 -0,6 0,3 3,1 1,6

A

B

% (M-V)/M 18-39 40-49 0,3 0,5 -1,6 14,2 -1,4 -8,8 2,0 2,6 12,5 14,8 -2,5 8,4

50+ 1,0 7,8 -1,7 3,2 13,3 10,7

Tot 5,2 7,6 -2,3 1,2 12,6 4,8

Bij de groep met minder dan 15 jaar dienst nemen de verschillen naar functieniveau toe met de leeftijd. De genderverschillen zijn vooral significant voor niveau D. Voor enkele subgroepen ligt het inkomen per gepresteerd werkuur van vrouwen iets hoger dan dat van mannen. Dat is het duidelijkst bij de 40 tot 49-jarigen in niveau B.

50+

C

D

Tot 59,6 47,0 34,5 31,6 26,1 38,1

3.136

Genderverschil M - V

18-39

M-V 18-39 40-49 0,1 0,3 -0,6 7,0 -0,4 -2,6 0,5 0,7 3,0 3,8 -0,7 3,2

Genderverschil

Vrouwen 18-39 40-49 52,4 55,6 43,3 45,0 30,5 32,6 26,8 29,0 25,1 25,3 32,4 37,8

N

Tot 54,1 38,9 28,4 25,3 21,8 32,0

Genderverschil M - V

80 60

50+ 64,6 46,5 34,4 28,9 22,7 34,5

1.411

A+

Gemiddelde

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 53,9 57,6 42,8 48,1 30,6 32,8 27,6 29,7 27,7 29,1 32,6 39,4

Genderverschil

Vrouwen 18-39 40-49 47,2 54,2 36,5 42,2 26,1 31,9 23,1 26,1 20,7 21,8 30,0 34,5

50+

C D 130

N

323 751 622 1.053 387 3.136

M-V 18-39 40-49 1,4 2,0 -0,5 3,0 0,1 0,2 0,7 0,7 2,6 3,8 0,1 1,6

50+ 1,7 17,0 1,3 1,3 4,6 7,9

Tot 2,5 12,6 0,4 1,4 4,3 5,6

% (M-V)/M 18-39 40-49 2,7 3,4 -1,1 6,3 0,3 0,7 2,7 2,4 9,4 13,2 0,5 4,0

50+ 2,6 25,3 3,4 3,8 14,8 16,9

Tot 3,9 21,2 1,1 4,2 14,1 12,8

Ook hier neemt bij mannen het verschil tussen niveau A+ en A af. Bij de 50-plussers ligt het inkomen in niveau A hoger dan in niveau A+. Bijgevolg ligt het genderverschil alleen bij de 50-plussers in niveau A met 17 euro per gepresteerd werkuur zeer hoog. Bij de jongeren in niveau A ligt het uursalaris van vrouwen iets hoger dan dat van mannen.


Beroepsstatuut Statutair Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Gemiddelde

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 49,5 56,8 39,2 50,0 27,6 31,8 25,8 28,7 25,8 28,6 31,7 39,8

1.673

2.397

50+ 64,6 65,0 36,0 34,3 30,5 45,6

3.195

Tot 60,7 52,8 31,7 30,6 29,3 40,5

7.265

N

744 2.246 1.313 1.528 1.434 7.265

1.749

80 20 15 10 5 0 -5

60

40 20 0

18-39

40-49

50+

18-39

Mannen

A+

Contractueel Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

A

B

40-49

50+

Vrouwen C D

1.052

408

50+ 68,4 44,5 44,3 27,0 23,0 35,5

350

Tot 56,2 34,9 27,0 22,7 22,3 29,0

1.810

40 20 0

18-39

40-49

50+

18-39

Mannen

A+

A

B

40-49

Vrouwen C D

50+

2.064

18-39

97 543 421 309 440 1.810

1.317

20 15 10 5 0 -5

6.016

40-49 A

N

479 1.848 1.624 1.657 408 6.016

B

50+ 55,2 45,2 29,8 28,1 22,5 28,5

451

Tot 49,4 34,8 25,3 24,3 21,6 27,9

400

2.168

40-49 A+

Tot 2,1 9,2 -0,3 1,0 3,2 3,9

A

B

50+ C

% (M-V)/M 18-39 40-49 1,6 2,1 -1,3 11,6 -2,1 -2,2 4,0 2,4 5,8 13,5 -3,1 6,5

50+ 1,1 23,9 -2,6 4,5 12,1 13,8

Tot 3,5 17,4 -1,0 3,4 10,8 9,6

D

Genderverschil M - V

18-39

50+ 0,7 15,5 -0,9 1,5 3,7 6,3

Opnieuw neemt bij mannelijke statutairen het verschil tussen niveau A+ en A af. Bij de 50-plussers ligt het inkomen in niveau A iets hoger dan in niveau A+. Het genderverschil bij de 50-plussers in niveau A is bijgevolg weer zeer groot. Bij de jongeren in niveau A en bij alle werknemers in niveau B verdienen vrouwen per gepresteerd werkuur iets meer dan mannen.

50+ C

M-V 18-39 40-49 0,8 1,2 -0,5 5,8 -0,6 -0,7 1,0 0,7 1,5 3,9 -1,0 2,6

Genderverschil

Vrouwen 18-39 40-49 45,5 51,3 32,4 39,0 24,2 29,4 21,7 25,9 20,1 21,8 26,8 30,6

N

Tot 58,6 43,6 32,0 29,6 26,1 36,6

Genderverschil M - V

80 60

50+ 63,9 49,5 37,0 32,8 26,8 39,3

2.203

A+

Gemiddelde

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 45,4 52,0 31,4 39,3 24,2 28,1 20,5 24,9 21,6 22,6 26,1 31,2

Genderverschil

Vrouwen 18-39 40-49 48,8 55,7 39,7 44,2 28,2 32,5 24,7 28,0 24,3 24,8 32,7 37,2

D

131

N

74 622 646 385 441 2.168

M-V 18-39 40-49 -0,1 0,7 -1,0 0,3 0,0 -1,4 -1,2 -1,0 1,5 0,9 -0,7 0,6

50+ 13,2 -0,8 14,5 -1,1 0,5 7,0

Tot 6,8 0,2 1,7 -1,6 0,6 1,1

% (M-V)/M 18-39 40-49 -0,3 1,3 -3,2 0,7 0,1 -4,9 -6,0 -4,0 6,8 3,8 -2,8 1,9

50+ 19,4 -1,7 32,8 -4,2 2,1 19,8

Tot 12,1 0,5 6,4 -7,1 2,8 4,0

Bij mannelijke contractuelen stijgt het verschil tussen niveau A+ en A, bij vrouwen daalt het. Bij de 50-plussers ligt het uursalaris in niveau B bijna even hoog als in niveau A. Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau B zeer hoog. Bij de contractuelen in niveaus A en C verdienen vrouwen iets meer per gepresteerd werkuur dan mannen.


Werkdagen VTE per jaar 100-200 dagen Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Gemiddelde

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 49,0 58,1 36,5 44,8 27,0 32,5 24,8 28,8 23,7 26,7 29,1 36,5

1.097

1.073

50+ 67,3 53,1 38,2 34,1 29,1 39,6

1.472

Tot 62,2 44,5 31,8 29,9 27,3 35,5

3.642

N

228 952 744 849 869 3.642

1.906

80 25 20 15 10 5 0 -5

60

40 20 0

18-39

40-49

50+

18-39

Mannen

A+

>200 dagen Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

A

B

40-49

50+

Vrouwen C D

1.628

1.732

50+ 64,1 68,1 35,6 33,6 29,7 48,1

2.073

Tot 59,4 51,8 29,6 28,7 27,9 40,0

5.433

40 20 0

18-39

40-49

50+

18-39

Mannen

A+

A

B

40-49

Vrouwen C D

50+

1.747

18-39

613 1.837 990 988 1.005 5.433

1.160

25 20 15 10 5 0 -5

5.369

40-49 A

N

221 1.526 1.520 1.432 670 5.369

B

C

Tot 4,2 1,4 0,6 0,8 3,3 1,3

Tot 56,9 38,5 27,7 27,1 23,1 34,4

717

2.815

40-49 A

B

% (M-V)/M 18-39 40-49 -1,3 5,5 -7,9 1,7 -1,5 -1,0 2,5 2,5 11,3 12,3 -6,8 2,1

50+ 2,3 5,8 3,5 3,5 13,6 8,4

Tot 6,8 3,2 1,9 2,5 12,1 3,6

Bij medewerkers met minder dan 200 werkdagen is het verschil tussen niveau A+ en A groot in alle leeftijdsgroepen. Bij vrouwen stijgt het met de leeftijd. De genderverschillen zijn algemeen gezien vrij klein. De grootste verschillen zijn er in niveau D. Bij de jongeren in niveau A verdienen vrouwen bijna 3 euro per gepresteerd werkuur meer dan mannen.

D

Genderverschil M - V

A+

50+ 1,6 3,1 1,3 1,2 4,0 3,3

50+

50+ 62,2 47,2 33,9 30,8 24,3 40,6

938

18-39

M-V 18-39 40-49 -0,6 3,2 -2,9 0,7 -0,4 -0,3 0,6 0,7 2,7 3,3 -2,0 0,8

Genderverschil

Vrouwen 18-39 40-49 45,7 55,1 33,2 42,5 24,5 30,8 22,6 26,8 21,1 22,6 28,7 36,7

N

Tot 58,0 43,1 31,2 29,2 24,0 34,3

Genderverschil M - V

80 60

50+ 65,7 50,0 36,9 32,9 25,1 36,3

1.716

A+

Gemiddelde

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 47,9 55,6 36,1 50,9 25,7 30,4 23,5 27,6 24,1 27,7 29,8 39,8

Genderverschil

Vrouwen 18-39 40-49 49,7 54,9 39,4 44,0 27,4 32,8 24,2 28,1 21,0 23,4 31,1 35,8

50+ C

D

132

N

332 944 750 610 179 2.815

M-V 18-39 40-49 2,2 0,5 2,8 8,3 1,1 -0,3 0,9 0,8 3,0 5,1 1,2 3,1

50+ 1,9 21,0 1,7 2,7 5,5 7,6

Tot 2,5 13,3 1,8 1,6 4,9 5,6

% (M-V)/M 18-39 40-49 4,7 0,8 7,9 16,3 4,4 -1,1 3,8 3,0 12,4 18,6 3,9 7,9

50+ 3,0 30,8 4,7 8,1 18,4 15,7

Tot 4,3 25,6 6,2 5,5 17,4 14,1

Bij mannelijke medewerkers met meer dan 200 werkdagen vermindert het verschil tussen niveau A+ en A sterk met de leeftijd. Bij de 50-plussers ligt het uursalaris in niveau A duidelijk hoger dan in niveau A+. Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau A met 21 euro per gepresteerd werkuur zeer hoog. Bij de 40 tot 49 jarigen bedraagt dat verschil ruim 8 euro per gepresteerd uur. Procentueel gezien kent niveau D ook grote genderverschillen.


7 Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd en beleidsdomein Inleiding en samenvatting Aansluitend bij hoofdstuk 6 bespreken we hier de relatie tussen het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) en de factoren gender, functieniveau, leeftijd en beleidsdomein. Eerst geven we voor alle beleidsdomeinen een overzicht met het onderscheid naar gender en functieniveau en naar gender en leeftijd. Daarna volgen per beleidsdomein de gemiddelde waarden van het salaris in een vierdimensionale tabel en grafiek, met onderscheid naar gender, functieniveau en leeftijd. Tevens worden de genderverschillen getoond voor de diverse subgroepen, in waarde en procentueel. Opnieuw wijzen we op het belang van de N-waarden voor de subgroepen naar leeftijd en functieniveau. Zo kunnen de genderverschillen (naar leeftijd) binnen de functieniveaus vrij klein zijn, terwijl de genderverschillen voor alle functieniveaus samen naar leeftijd groot zijn, omwille van een groot verschil in aantal personen in de betreffende groepen. In de subgroepen (cellen) met een te klein aantal personen om zinvolle uitspraken te doen staan kruisjes in plaats van gegevens. Over het algemeen is er in bijna alle beleidsdomeinen voor mannen en vrouwen een positieve relatie tussen salaris enerzijds en functieniveau en leeftijd anderzijds. Het gemiddelde maandsalaris van mannen is in bijna alle subgroepen hoger dan dat van vrouwen, terwijl het gemiddelde uurloon van mannen in meer subgroepen lager is dan dat van vrouwen. Voor het totale brutosalaris per maand zijn er vrij grote genderverschillen in de beleidsdomeinen Kanselarij en Bestuur; Financiën en Begroting; Welzijn, Gezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie en in Landbouw en Visserij. Genderverschillen zijn zeer groot in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. Over het totale brutosalaris per arbeidsuur zijn de genderverschillen gemiddeld kleiner. De verschillen zijn vrij groot in de beleidsdomeinen Financiën en Begroting; Economie, Wetenschap en Innovatie en in Landbouw en Visserij. In het domein Mobiliteit en Openbare Werken zijn de verschillen weer erg groot. Het zeer grote genderverschil in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken wordt vooral bepaald door de zeer hoge salarissen van oudere mannen op niveau A, met name door de zeer hoge bruto toelagen. De impact daarvan op het algemene verschil naar gender en functieniveau is groot door het grote aantal mannen versus het zeer lage aantal vrouwen in die subgroep. In hoofdstuk 8 wordt die specifieke subgroep verder onderzocht.

133


1. Totaal bruto salaris per maand Alle beleidsdomeinen samen Functieniveau Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N

Gemiddelde

Mannen A+ 7.566 7.572 7.930 7.767 7.685 7.454 7.315 7.596 8.059 7.724 7.623 7.649

841

Genderverschil

A 5.277 4.876 5.455 5.222 5.024 5.138 4.548 4.920 5.724 5.339 8.325 6.201

2.789

B 3.646 3.968 3.614 3.784 3.481 3.781 3.297 6.806 3.716 3.664 3.686 3.729

1.734

C 3.563 3.410 3.582 3.216 3.545 3.550 2.872 3.599 3.718 3.475 3.756 3.552

1.837

D 2.596 2.804 3.024 2.694 2.670 3.193 2.733 2.420 2.517 2.869 3.714 3.342

1.874

Mannen

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal

Vrouwen

A+

A B C

D

0

2.000

4.000

6.000

A B C D

4.000

6.000

731 365 211 268 413 850 527 134 384 2.016 3.176 9.075

553

8.000

A 4.551 4.742 4.592 4.915 4.515 4.491 4.559 4.404 5.225 4.743 4.898 4.695

2.470

B 3.203 3.972 3.360 3.619 3.214 3.288 3.213 3.320 3.261 3.362 3.385 3.339

2.270

C 3.148 3.213 3.376 3.507 3.409 2.999 3.180 3.365 3.366 3.030 3.196 3.180

2.042

D 2.290 2.651 2.700 2.538 2.700 2.738 2.510 2.809 2.293 2.577 2.940 2.524

849

Tot 3.671 3.854 4.138 4.577 4.010 3.549 3.648 4.036 4.250 4.100 3.890 3.875

8.184

N

1.029 545 215 259 614 1.728 488 227 376 1.704 999 8.184

M-V A+ A B 611 726 443 819 134 -4 1.379 863 254 282 307 166 451 509 268 550 647 493 369 -11 84 821 516 3.486 682 500 455 521 596 302 579 3.426 301 590 1.506 390

Genderverschil Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal -500

A+

2.000

9.075

N

8.000

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal 0

Tot 4.834 4.473 5.408 5.249 4.413 4.219 3.683 5.347 4.893 4.477 5.131 4.736

Vrouwen A+ 6.955 6.753 6.551 7.485 7.234 6.904 6.946 6.775 7.376 7.202 7.044 7.059

C 415 196 205 -291 136 551 -308 234 352 446 561 373

D 307 153 324 156 -30 455 223 -389 224 292 774 818

A+ A B C D

500

1.500

2.500

3.500

Bij mannen en vrouwen stijgt in bijna alle beleidsdomeinen het gemiddeld inkomen sterk met het functieniveau. Dit sterke positieve verband wordt in een paar beleidsdomeinen bij mannen doorbroken. In het domein Werk en Sociale Economie ligt het salaris van mannen in niveau B veel hoger dan in de andere domeinen. Voor deze subgroep is het genderverschil veel groter. Wegens het kleine aantal weegt deze groep niet door in het algemene gemiddelde. In het domein Mobiliteit en Openbare Werken ligt het salaris van mannen in niveau A veel hoger dan dat van medewerkers van niveaus A en A+ in de andere domeinen. Het betreft hier een vrij grote groep medewerkers met zeer hoge inkomens in 1 entiteit. Ook voor deze groep is het genderverschil veel groter. Wegens het relatief grote aantal medewerkers weegt deze groep wel sterk door in het algemene gemiddelde. 134

Tot 1.163 619 1.270 672 403 669 35 1.311 643 377 1.241 861


Leeftijd

Genderverschil

Gemiddelde

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N

Mannen 18-39 3.810 3.460 3.991 3.907 3.536 3.406 2.739 3.896 4.036 3.589 3.907 3.660

2.725

40-49 4.837 4.363 5.355 5.224 4.590 4.518 4.023 5.131 4.951 4.576 5.101 4.812

2.805

50+ 5.611 5.422 6.174 6.027 5.132 5.049 4.310 6.570 5.513 4.943 6.045 5.504

3.545

Tot 4.834 4.473 5.408 5.249 4.413 4.219 3.683 5.347 4.893 4.477 5.131 4.736

9.075

Mannen

N

731 365 211 268 413 850 527 134 384 2.016 3.176 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 3.417 3.835 3.241 4.050 3.601 4.525 3.843 4.585 3.408 4.281 3.070 3.931 3.154 3.845 3.785 4.246 3.843 4.485 3.706 4.268 3.603 4.170 3.409 4.135

3.066

2.654

50+ 3.800 4.157 4.316 4.968 4.384 4.256 3.868 4.128 4.428 4.312 3.928 4.177

2.464

Tot 3.671 3.854 4.138 4.577 4.010 3.549 3.648 4.036 4.250 4.100 3.890 3.875

8.184

M-V 18-39 393 218 389 64 128 336 -415 111 193 -117 304 251

N

1.029 545 215 259 614 1.728 488 227 376 1.704 999 8.184

40-49 50+ 1.002 1.811 313 1.265 830 1.859 638 1.059 309 748 587 793 177 442 886 2.441 466 1.085 308 631 931 2.117 677 1.327

Tot 1.163 619 1.270 672 403 669 35 1.311 643 377 1.241 861

N -298 -180 -4 9 -201 -878 39 -93 8 312 2.177 891

Genderverschil

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en… Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken 0

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal

18-39 40-49 50+

2.000

4.000

6.000

-1.000

Vrouwen Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en… Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken 0

18-39

40-49 50+

2.000

4.000

18-39

40-49 50+

0

1.000

2.000

3.000

Bij mannen is er in alle beleidsdomeinen een sterk positief verband tussen het salaris en de leeftijd. Bij vrouwen is dat verband minder algemeen en minder uitgesproken. In een aantal beleidsdomeinen ligt het gemiddeld maandsalaris van 50-plussers boven 6.000 euro. In een aantal beleidsdomeinen is het genderverschil bij mannelijke 50-plussers zeer groot. Vooral het domein Werk en Sociale Economie en Mobiliteit en Openbare Werken weegt zwaar door wegens het relatief grote aantal medewerkers. Het betreft hier weer de groep medewerkers met zeer hoge inkomens in 1 entiteit.

6.000

135


Per beleidsdomein Kanselarij en Bestuur Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.313 7.190 4.398 5.352 3.215 3.644 2.897 3.351 2.185 2.482 3.810 4.837

219

224

50+ 8.096 6.282 4.382 4.085 2.918 5.611

288

Tot 7.566 5.277 3.646 3.563 2.596 4.834

731

Vrouwen 18-39 40-49 5.859 6.558 4.121 4.940 2.910 3.288 2.784 3.033 2.110 2.384 3.417 3.835

N

146 253 91 141 100 731

374

1.500

297

Genderverschil

50+ 7.735 5.325 3.950 3.434 2.319 3.800

Tot 6.955 4.551 3.203 3.148 2.290 3.671

358

1.029

N

100 289 139 203 298 1.029

500 0 40-49 Mannen A+

50+ A

B

18-39

40-49

C

Vrouwen D

50+

-500

18-39 A+

A

40-49 B C

40-49 632 412 355 318 98 1.002

50+ 361 957 433 651 599 1.811

Tot 611 726 443 415 307 1.163

% (M-V)/M 18-39 40-49 7,2 8,8 6,3 7,7 9,5 9,7 3,9 9,5 3,4 3,9 10,3 20,7

50+ 4,5 15,2 9,9 15,9 20,5 32,3

Tot 8,1 13,8 12,1 11,6 11,8 24,1

Het gemiddeld maandsalaris ligt in dit domein bij mannen op 4.834 euro en bij vrouwen op 3.671 euro, een groot verschil van 1.163 euro. Het salaris stijgt bij mannen en vrouwen sterk met leeftijd en functieniveau. Het genderverschil is met 957 euro het grootst bij de 50plussers in niveau A, gevolgd door de 50-plussers in niveau C en de 40 tot 49-jarigen in niveau A+.

Genderverschil M - V

1.000

18-39

M-V 18-39 454 276 304 113 75 393

50+

D

Financiën en Begroting Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.301 6.488 4.322 5.278 3.357 3.868 2.791 3.452 2.555 3.055 3.460 4.363 135 77

50+ 8.094 5.824 4.626 4.072 2.928 5.422 153

Tot 7.572 4.876 3.968 3.410 2.804 4.473 365

Vrouwen 18-39 40-49 5.470 6.898 4.046 5.252 3.191 3.882 2.652 3.353 2.114 2.693 3.241 4.050 158 192

N

64 56 97 124 24 365

1.500

Genderverschil

50+ 7.542 5.374 4.557 3.560 2.786 4.157 195

Tot 6.753 4.742 3.972 3.213 2.651 3.854 545

Genderverschil M - V

1.000 500

0 18-39

40-49 Mannen A+

50+ A

18-39 B

40-49

Vrouwen C D

50+

-500

18-39 A+

A

40-49 B C

50+

D

136

N

48 73 130 239 55 545

M-V 18-39 831 276 166 139 440 218

40-49 -411 26 -14 98 363 313

50+ 552 450 69 513 142 1.265

Tot 819 134 -4 196 153 619

% (M-V)/M 18-39 40-49 13,2 -6,3 6,4 0,5 4,9 -0,4 5,0 2,9 17,2 11,9 6,3 7,2

50+ 6,8 7,7 1,5 12,6 4,9 23,3

Tot 10,8 2,7 -0,1 5,8 5,5 13,8

Het gemiddeld maandsalaris bedraagt hier bij mannen 4.473 euro en bij vrouwen 3.854 euro, een verschil van 619 euro. Het salaris stijgt weer sterk met leeftijd en functieniveau. Het genderverschil is met 831 euro het grootst bij de 18 tot 39jarigen in niveau A+, gevolgd door de 50-plussers in niveaus A+, A en C. Procentueel is het genderverschil met 17,2% het grootst bij 18 tot 39-jarigen in niveau D. Bij 40-49-jarigen in niveau A+ ligt het salaris van vrouwen ruim 400 euro hoger dan dat van mannen.


Internationaal Vlaanderen Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x x 4.428 5.484 3.257 3.444 x x x x 3.991 5.355

50

64

50+ x 6.290 4.039 x x 6.174

97

Tot x 5.455 3.614 x x 5.408

211

N

45 103 37 18 8 211

8.000

73

1.000

6.000 4.000

67

Genderverschil

50+ x 5.647 3.814 x x 4.316

Tot x 4.592 3.360 x x 4.138

75

215

N

22 83 54 47 9 215

0

18-39

40-49

50+

Mannen A+

18-39

A

40-49

50+

-500

Vrouwen C D

B

18-39 A+

40-49 A B C

M-V 18-39 x 456 601 x x 389

40-49 x 570 -290 x x 830

50+ x 643 225 x x 1.859

Tot x 863 254 x x 1.270

% (M-V)/M 18-39 40-49 x x 10,3 10,4 18,5 -8,4 x x x x 9,8 15,5

50+ x 10,2 5,6 x x 30,1

Tot x 15,8 7,0 x x 23,5

Hier ligt het maandsalaris van mannen op 5.408 euro en dat van vrouwen 4.138 euro, een verschil van 1.270 euro. Wegens te kleine aantallen zijn geen uitspraken mogelijk voor niveaus A+, B en D. Het genderverschil is zeer groot bij de 50-plussers (1.859 euro). Bij 40-49-jarigen in niveau B ligt het salaris van vrouwen hoger dan dat van mannen.

Genderverschil M - V

500

2.000 0

Vrouwen 18-39 40-49 x x 3.972 4.914 2.656 3.734 x x x x 3.601 4.525

50+ D

Economie Wetenschap en Innovatie Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.166 7.655 4.297 5.374 3.127 3.981 2.873 3.050 2.309 2.429 3.907 5.224

68

80

50+ 8.173 5.914 4.266 3.612 2.973 6.027

120

Tot 7.767 5.222 3.784 3.216 2.694 5.249

268

Vrouwen 18-39 40-49 5.715 6.973 4.286 4.771 2.940 3.622 2.752 3.527 2.440 2.631 3.843 4.585

N

85 74 39 46 24 268

60

1.500

88

Genderverschil

50+ 8.514 5.800 3.917 3.769 2.532 4.968

Tot 7.485 4.915 3.619 3.507 2.538 4.577

111

259

Genderverschil M - V

1.000 500

0 18-39

40-49

Mannen A+

50+

A

B

18-39

40-49

C

Vrouwen D

50+

-500

18-39 A+

A

40-49 B C

50+ D

137

N

43 88 41 64 23 259

M-V 18-39 452 12 187 121 -131 64

40-49 682 602 359 -477 -202 638

50+ -341 114 348 -157 441 1.059

Tot 282 307 166 -291 156 672

% (M-V)/M 18-39 40-49 7,3 8,9 0,3 11,2 6,0 9,0 4,2 -15,6 -5,7 -8,3 1,6 12,2

50+ -4,2 1,9 8,2 -4,4 14,8 17,6

Tot 3,6 5,9 4,4 -9,0 5,8 12,8

Het maandsalaris van mannen bedraagt 5.249 euro en dat van vrouwen 4.577 euro, een verschil van 672 euro. Het salaris stijgt sterk met leeftijd en functieniveau. Het grootste genderverschil is er bij 40-49-jarigen in niveau A+ (682 euro) en niveau A (602 euro). Bij enkele categorieën ligt het salaris van vrouwen hoger dan dat van mannen. Bij 40-49-jarigen in niveau C bedraagt dat 477 euro per maand.


Onderwijs en Vorming Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.858 6.953 4.409 4.995 3.077 3.764 2.818 3.448 x x 3.536 4.590

150

106

50+ 8.538 5.742 3.944 4.053 x 5.132

157

Tot 7.685 5.024 3.481 3.545 x 4.413

413

Vrouwen 18-39 40-49 6.043 6.784 3.996 4.774 2.869 3.669 2.689 3.239 x x 3.408 4.281

N

46 128 126 98 15 413

216

1.500

180

Genderverschil

50+ 8.073 5.373 3.692 3.674 x 4.384

Tot 7.234 4.515 3.214 3.409 x 4.010

218

614

N

58 178 155 196 27 614

500 0 40-49

50+

Mannen A+

18-39

A

40-49

50+

-500

Vrouwen C D

B

18-39 A+

40-49 A B C

40-49 169 221 95 209 x 309

50+ 465 369 252 379 x 748

Tot 451 509 268 136 x 403

% (M-V)/M 18-39 40-49 -3,2 2,4 9,4 4,4 6,8 2,5 4,6 6,1 x x 3,6 6,7

50+ 5,4 6,4 6,4 9,3 x 14,6

Tot 5,9 10,1 7,7 3,8 x 9,1

Het maandsalaris van mannen ligt op 4.413 euro en dat van vrouwen op 4.010 euro, een vrij klein verschil van 403 euro. De genderverschillen zijn algemeen vrij klein. Het grootste verschil is er bij 50-plussers in niveau A+ (465 euro). Jongere vrouwen met functieniveau A+ verdienen iets meer dan hun mannelijke collega's.

Genderverschil M - V

1.000

18-39

M-V 18-39 -185 413 208 129 x 128

50+ D

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.771 7.308 4.414 5.169 3.309 4.063 3.004 3.393 3.022 3.073 3.406 4.518

350

246

50+ 8.007 5.608 4.549 4.145 3.527 5.049

254

Tot 7.454 5.138 3.781 3.550 3.193 4.219

850

Vrouwen 18-39 40-49 5.126 6.817 3.930 4.736 2.954 3.704 2.512 3.096 2.651 2.663 3.070 3.931

N

73 131 433 144 69 850

896

1.500

487

Genderverschil

50+ 7.495 5.409 3.919 3.435 2.834 4.256

Tot 6.904 4.491 3.288 2.999 2.738 3.549

345

1.728

500

0 40-49 Mannen A+

50+ A

B

18-39

40-49

C

Vrouwen D

50+

-500

18-39 A+

A

40-49 B C

50+ D

138

59 284 1.084 238 63 1.728

M-V 18-39 645 484 355 491 371 336

40-49 492 433 358 297 410 587

50+ 512 200 630 710 693 793

Tot 550 647 493 551 455 669

% (M-V)/M 18-39 40-49 11,2 6,7 11,0 8,4 10,7 8,8 16,4 8,8 12,3 13,4 9,9 13,0

50+ 6,4 3,6 13,8 17,1 19,7 15,7

Tot 7,4 12,6 13,0 15,5 14,3 15,9

Het maandsalaris van mannen bedraagt 4.219 euro, dat van vrouwen 3.549 euro, een verschil van 669 euro. De genderverschillen liggen tussen 200 en 710 euro. Het grootste verschil is er bij 50-plussers in niveau C (710 euro), gevolgd door niveau D (693 euro) en niveau B (630 euro). In geen enkele subgroep verdienen vrouwen meer dan mannen.

Genderverschil M - V

1.000

18-39

N


Cultuur, Jeugd, Sport en Media Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.609 6.722 3.374 5.040 2.824 3.517 1.817 3.317 2.529 2.887 2.739 4.023

184

18-39

40-49 Mannen A+

143

50+ A

B

50+ 8.104 5.818 4.498 3.730 2.767 4.310

200

18-39

40-49

C

Vrouwen D

Tot 7.315 4.548 3.297 2.872 2.733 3.683

527

Vrouwen 18-39 40-49 5.957 6.495 3.796 4.749 2.564 3.537 2.544 3.137 2.261 2.559 3.154 3.845

N

47 128 62 131 159 527

146

1.500 1.000 500 0 -500 -1.000

50+

135

Genderverschil

50+ 7.694 5.458 3.832 3.486 2.564 3.868

Tot 6.946 4.559 3.213 3.180 2.510 3.648

207

488

N

23 157 72 121 115 488

40-49 A B C

40-49 228 292 -20 180 328 177

50+ 410 360 666 243 203 442

Tot 369 -11 84 -308 223 35

% (M-V)/M 18-39 40-49 -6,2 3,4 -12,5 5,8 9,2 -0,6 -40,1 5,4 10,6 11,4 -15,2 4,4

50+ Tot 5,1 5,0 6,2 -0,2 14,8 2,5 6,5 -10,7 7,3 8,2 10,2 1,0

Het maandsalaris van mannen ligt op 3.683 euro, dat van vrouwen op 3.648 euro, een zeer klein verschil van 35 euro. De genderverschillen variëren wel sterk. Het grootste verschil is er bij 18-39-jaringen in niveau C (-728 euro), gevolgd door 50plussers in niveau B (693 euro) en niveau C (630 euro). Bij de jongeren in niveaus A+, A en C verdienen vrouwen duidelijk meer dan mannen.

Genderverschil M - V

18-39 A+

M-V 18-39 -349 -422 261 -728 268 -415

50+ D

Werk en Sociale Economie Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x x 4.218 5.102 x x 2.971 3.656 x x 3.896 5.131

43

34

50+ x 5.729 x 3.979 x 6.570

57

Tot x 4.920 x 3.599 x 5.347

134

Vrouwen 18-39 40-49 x x 4.039 4.933 x x 2.718 3.295 x x 3.785 4.246

N

20 70 20 22 2 134

84

1.500

67

Genderverschil

50+ x 4.827 x 3.604 x 4.128

Tot x 4.404 x 3.365 x 4.036

76

227

500 40-49

Mannen A+

50+

A

B

18-39

40-49

C

Vrouwen D

50+

0

18-39 A+

A

40-49 B C

50+ D

139

17 100 28 67 15 227

M-V 18-39 x 180 x 253 x 111

40-49 x 169 x 361 x 886

50+ x 902 x 375 x 2.441

Tot x 516 x 234 x 1.311

% (M-V)/M 18-39 40-49 x x 4,3 3,3 x x 8,5 9,9 x x 2,9 17,3

50+ x 15,7 x 9,4 x 37,2

Tot x 10,5 x 6,5 x 24,5

Het maandsalaris van mannen bedraagt 5.347 euro, dat van vrouwen 4.036 euro, een groot verschil van 1.311 euro. Wegens te kleine aantallen zijn geen uitspraken mogelijk voor niveaus A+, B en D. Voor alle functieniveaus samen zijn de genderverschillen zeer groot bij de 50-plussers (2.441 euro).

Genderverschil M - V

1.000

18-39

N


Landbouw en Visserij Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.825 7.187 4.859 5.859 3.214 3.732 3.240 3.582 x x 4.036 4.951

108

50+ 8.857 6.567 4.208 4.075 x 5.513

140

136

Tot 8.059 5.724 3.716 3.718 x 4.893

384

Vrouwen 18-39 40-49 6.319 7.270 4.648 5.494 2.898 3.327 3.072 3.355 x x 3.843 4.485

N

39 155 107 59 24 384

127

1.500

127

Genderverschil

50+ 7.666 6.142 4.261 3.493 x 4.428

Tot 7.376 5.225 3.261 3.366 x 4.250

122

376

N

35 134 94 69 44 376

500 0 40-49 Mannen A+

50+ A

18-39

40-49

C

Vrouwen D

B

50+

-500

18-39 A+

40-49 A B C

40-49 -83 365 406 228 x 466

50+ 1.191 425 -53 582 x 1.085

Tot 682 500 455 352 x 643

% (M-V)/M 18-39 40-49 7,4 -1,2 4,3 6,2 9,8 10,9 5,2 6,4 x x 4,8 9,4

50+ 13,4 6,5 -1,3 14,3 x 19,7

Tot 8,5 8,7 12,2 9,5 x 13,1

Het maandsalaris van mannen ligt op 4.893 euro, dat van vrouwen op 4.250 euro, een verschil van 643 euro. Wegens te kleine aantallen zijn geen uitspraken mogelijk voor niveau D. De grootste genderverschillen zijn er bij 50-plussers in niveau A+ (1.191 euro), gevolgd door 50-plussers in niveau D (582 euro) en A (425 euro). Bij de 40-49-jarigen in niveau A+ en bij 50-plussers in niveau B verdienen vrouwen iets meer dan mannen.

Genderverschil M - V

1.000

18-39

M-V 18-39 505 211 316 169 x 193

50+ D

Omgeving Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.210 7.037 4.352 5.358 3.113 3.796 2.846 3.240 2.597 2.922 3.589 4.576

513

666

50+ 8.150 6.156 4.193 3.857 2.970 4.943

837

Tot 7.724 5.339 3.664 3.475 2.869 4.477

2.016

Vrouwen 18-39 40-49 5.774 6.981 4.266 4.833 2.974 3.383 2.653 2.996 2.229 2.638 3.706 4.268

N

148 827 321 372 348 2.016

548

1.500

654

Genderverschil

50+ 8.016 5.599 3.770 3.286 2.650 4.312

Tot 7.202 4.743 3.362 3.030 2.577 4.100

502

1.704

500

0 40-49

Mannen A+

50+

A

B

18-39

40-49

C

Vrouwen D

50+

-500

18-39 A+

A

40-49 B C

50+ D

140

99 791 290 434 90 1.704

M-V 18-39 436 86 139 193 368 -117

40-49 55 525 414 243 284 308

50+ 134 557 423 571 320 631

Tot 521 596 302 446 292 377

% (M-V)/M 18-39 40-49 7,0 0,8 2,0 9,8 4,5 10,9 6,8 7,5 14,2 9,7 -3,3 6,7

50+ 1,6 9,0 10,1 14,8 10,8 12,8

Tot 6,7 11,2 8,2 12,8 10,2 8,4

Het maandsalaris van mannen ligt op 4.477 euro, dat van vrouwen op 4.100 euro, een vrij klein verschil van 377 euro. De grootste genderverschillen zijn er bij 50-plussers in niveau C (571 euro) en niveau A (557 euro). In geen enkele subgroep verdienen vrouwen meer dan mannen. Wel ligt het gemiddeld salaris van jonge vrouwen iets hoger dan dat van mannen.

Genderverschil M - V

1.000

18-39

N


Mobiliteit en Openbare Werken Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.392 7.611 5.073 7.852 3.298 3.844 3.319 3.577 3.177 3.702 3.907 5.101

905

1.025

50+ 8.147 12.097 4.168 4.318 3.920 6.045

1.246

Tot 7.623 8.325 3.686 3.756 3.714 5.131

3.176

12.000 9.000 6.000 3.000 0

18-39

40-49 Mannen A+

50+ A

B

18-39

40-49

C

Vrouwen D

50+

Vrouwen 18-39 40-49 5.743 7.335 4.443 5.322 3.038 3.534 2.756 3.232 2.855 2.967 3.603 4.170

N

128 864 401 682 1.101 3.176

384

6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0

360

Genderverschil

50+ 6.944 6.164 3.746 3.632 2.948 3.928

Tot 7.044 4.898 3.385 3.196 2.940 3.890

255

999

40-49 A B C

50+ D

141

49 293 183 364 110 999

M-V 18-39 649 631 260 563 322 304

40-49 276 2.530 310 345 736 931

50+ 1.203 5.933 421 686 972 2.117

Tot 579 3.426 301 561 774 1.241

% (M-V)/M 18-39 40-49 10,1 3,6 12,4 32,2 7,9 8,1 17,0 9,7 10,1 19,9 7,8 18,2

50+ Tot 14,8 7,6 49,0 41,2 10,1 8,2 15,9 14,9 24,8 20,8 35,0 24,2

Het maandsalaris van mannen bedraagt 5.131 euro, dat van vrouwen 3.890 euro, een groot verschil van 1.241 euro. De grootste genderverschillen zijn er in niveau A: bij 50plussers 5.933 euro en bij 40-49-jarigen 2.530 euro. In volgend hoofdstuk laten we zien dat het gaat over zeer hoge inkomens van mannen in 1 entiteit. In geen enkele subgroep verdienen vrouwen meer dan mannen.

Genderverschil M - V

18-39 A+

N


2. Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Alle beleidsdomeinen samen Functieniveau

Gemiddelde

Mannen A+ 59,4 59,5 61,9 60,8 61,3 58,8 57,9 61,5 63,8 60,6 59,6 60,2

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N

841

Genderverschil

A 42,3 38,6 42,4 41,9 40,7 41,9 37,0 39,9 45,0 43,8 64,6 49,3

2.789

B 29,9 32,3 29,1 29,9 28,1 32,1 27,7 55,0 30,2 29,7 29,5 30,5

1.734

C 29,5 28,6 30,9 27,6 29,2 29,4 25,6 29,0 30,0 28,6 30,4 29,3

1.837

D 22,8 23,9 25,4 21,8 23,7 27,1 25,9 23,6 19,3 24,7 29,8 27,6

1.874

Mannen

Tot 39,0 36,3 42,6 41,9 35,8 35,0 31,6 43,4 38,9 36,7 40,5 38,2

9.075

N

731 365 211 268 413 850 527 134 384 2.016 3.176 9.075

Vrouwen A+ 55,4 57,3 57,4 60,6 58,0 56,5 55,5 54,5 58,6 58,2 57,8 57,3

553

A 40,8 41,4 39,9 43,5 38,4 40,3 39,3 38,6 45,7 42,2 42,5 41,4

2.470

B 28,9 34,8 29,9 31,3 27,9 30,1 29,2 28,8 29,0 30,7 28,9 30,1

2.270

C 28,7 28,6 30,5 31,4 30,3 27,4 28,3 29,8 30,6 27,6 28,2 28,6

2.042

D 21,9 25,3 25,1 23,7 24,5 25,7 24,4 26,7 22,2 23,8 26,3 23,8

Tot 32,8 34,0 36,5 39,7 34,4 32,2 32,4 35,2 37,2 36,5 33,8 34,3

849

N

1.029 545 215 259 614 1.728 488 227 376 1.704 999 8.184

8.184

M-V A+ 4,0 2,2 4,6 0,2 3,3 2,3 2,4 7,0 5,2 2,4 1,8 2,8

A 1,5 -2,9 2,6 -1,7 2,3 1,6 -2,3 1,3 -0,7 1,6 22,1 7,9

B 1,0 -2,4 -0,8 -1,4 0,2 2,0 -1,5 26,2 1,1 -1,0 0,5 0,5

C 0,8 0,1 0,4 -3,8 -1,1 2,0 -2,8 -0,7 -0,6 0,9 2,2 0,7

D 0,8 -1,4 0,2 -1,9 -0,9 1,4 1,5 -3,1 -2,9 0,9 3,5 3,8

Genderverschil

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal

A+ A

B C D

0

10

20

30

40

50

60

70

A+ A

B C D

0

10

20

30

40

50

60

70

A+ A B C D

-10

Vrouwen Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal

-5

0

5

10

15

20

25

30

In bijna alle beleidsdomeinen bestaat bij mannen en vrouwen een sterk positief verband tussen het gemiddeld uursalaris en het functieniveau, behalve bij mannen va 2 beleidsdomeinen. In het domein Werk en Sociale Economie ligt het salaris per gepresteerd werkuur van mannen in niveau B veel hoger dan in de andere domeinen. Voor deze subgroep is het genderverschil veel groter. Deze klein groep weegt evenwel niet door in het algemene gemiddelde. In het domein Mobiliteit en Openbare Werken ligt het uursalaris van mannen in niveau A veel hoger dan dat van medewerkers van niveaus A en A+ in de andere domeinen. Het betreft hier de medewerkers met zeer hoge inkomens in 1 entiteit. Ook voor deze groep is het genderverschil veel groter. Deze relatief grote groep weegt wel sterk door in het algemene gemiddelde. 142

Tot 6,3 2,3 6,1 2,2 1,4 2,9 -0,8 8,2 1,7 0,2 6,8 3,9


Leeftijd

Gemiddelde

Mannen 18-39 30,8 27,5 31,6 31,0 28,0 28,0 23,6 31,1 32,2 29,2 31,1 29,5

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N

2.725

Genderverschil

40-49 38,8 35,2 42,6 41,1 37,2 37,1 33,6 41,2 39,4 37,1 40,2 38,6

2.805

50+ 45,5 44,5 48,3 48,6 42,3 42,7 37,4 54,0 43,6 40,9 47,7 44,6

3.545

Tot 39,0 36,3 42,6 41,9 35,8 35,0 31,6 43,4 38,9 36,7 40,5 38,2

9.075

Mannen

N

731 365 211 268 413 850 527 134 384 2.016 3.176 9.075

Vrouwen 18-39 40-49 30,1 33,8 28,6 34,8 31,7 39,2 35,0 39,5 29,1 36,1 27,8 35,2 27,6 33,3 32,9 35,5 33,9 38,2 32,7 37,9 31,4 35,4 30,2 36,1

3.066

2.654

50+ 34,7 37,5 38,7 42,3 38,4 39,2 35,1 37,5 39,6 38,7 35,0 37,5

2.464

Tot 32,8 34,0 36,5 39,7 34,4 32,2 32,4 35,2 37,2 36,5 33,8 34,3

8.184

M-V 18-39 0,7 -1,1 -0,1 -4,0 -1,0 0,2 -4,0 -1,8 -1,6 -3,5 -0,4 -0,6

N

1.029 545 215 259 614 1.728 488 227 376 1.704 999 8.184

40-49 5,0 0,4 3,4 1,6 1,1 1,9 0,3 5,6 1,2 -0,8 4,8 2,5

50+ 10,8 7,0 9,7 6,3 3,9 3,5 2,3 16,5 4,0 2,2 12,8 7,1

Tot 6,3 2,3 6,1 2,2 1,4 2,9 -0,8 8,2 1,7 0,2 6,8 3,9

Genderverschil

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en… Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal 0

Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal

18-39 40-49 50+

10

20

30

40

50

60

0

18-39 40-49 50+

10

20

30

40

50

60

70

40-49 50+

-10

Vrouwen Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en… Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal

18-39

-5

0

5

10

15

20

Bij mannen bestaat er in alle beleidsdomeinen een sterk positief verband tussen het salaris per gepresteerd werkuur en de leeftijd. Bij vrouwen is dat verband minder algemeen en veel minder uitgesproken. In een aantal beleidsdomeinen ligt het gemiddeld uursalaris van mannelijke 50plussers boven 45 euro. In vrij veel beleidsdomeinen is het genderverschil bij 50-plussers zeer groot. Vooral het domein Werk en Sociale Economie en Mobiliteit en Openbare Werken weegt zwaar door wegens het relatief grote aantal medewerkers. Het betreft hier weer de groep medewerkers met zeer hoge inkomens in 1 entiteit. In bijna alle beleidsdomeinen verdienen jongere vrouwen per uur iets meer dan hun mannelijke collega's. Bij de 40- tot 49-jarigen en de 50-plussers is dat in bijna geen enkel beleidsdomein het geval.

143


Per beleidsdomein Kanselarij en Bestuur Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 48,3 55,8 35,0 42,9 25,8 30,7 24,4 26,9 20,2 21,8 30,8 38,8

219

224

50+ 64,3 50,7 35,8 34,1 24,9 45,5

288

Tot 59,4 42,3 29,9 29,5 22,8 39,0

731

N

146 253 91 141 100 731

80

374

297

Genderverschil

50+ 61,9 48,9 36,9 32,1 23,1 34,7

358

Tot 55,4 40,8 28,9 28,7 21,9 32,8

1.029

N

100 289 139 203 298 1.029

5

40

0

20

-5 18-39

40-49 Mannen

50+ A+

18-39

40-49

B

Vrouwen C D

A

50+

-10

18-39 A+

40-49 A B

C

M-V 18-39 2,5 -1,4 0,2 -0,6 0,6 0,7

40-49 3,4 -1,8 0,8 -0,1 0,0 5,0

50+ 2,5 1,8 -1,1 2,0 1,9 10,8

Tot 4,0 1,5 1,0 0,8 0,8 6,3

% (M-V)/M 18-39 40-49 5,1 6,1 -4,0 -4,2 0,6 2,6 -2,4 -0,2 2,8 -0,2 2,2 12,8

50+ 3,8 3,5 -2,9 5,8 7,6 23,8

Tot 6,8 3,5 3,5 2,7 3,6 16,1

Het gemiddeld salaris per gepresteerd werkuur ligt bij mannen op 39,0 euro en bij vrouwen op 32,8 euro, een verschil van bijna 6,3 euro. Het salaris stijgt sterk met leeftijd en functieniveau. Het genderverschil is met 10,8 euro groot bij de 50-plussers. Bij 40-49-jarigen in niveau A+ ligt het op 3,4 euro. Bij de 18- tot 49--jarigen in niveau A en C en bij de 50-plussers in niveau B verdienen vrouwen per uur iets meer dan mannen.

Genderverschil M - V

10

60

0

Vrouwen 18-39 40-49 45,8 52,4 36,5 44,6 25,6 29,9 25,0 27,0 19,7 21,8 30,1 33,8

50+ D

Financiën en Begroting Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 48,7 49,9 32,8 43,5 26,3 31,7 23,2 28,3 22,2 23,2 27,5 35,2

135

77

50+ 64,1 47,7 38,6 34,8 25,4 44,5

153

Tot 59,5 38,6 32,3 28,6 23,9 36,3

365

80

N

64 56 97 124 24 365

158

192

Genderverschil

50+ 66,0 53,7 39,9 31,8 27,1 37,5

195

Tot 57,3 41,4 34,8 28,6 25,3 34,0

545

Genderverschil M - V

10

60

5

40

0

20 0

Vrouwen 18-39 40-49 45,2 57,3 34,6 44,2 28,4 33,7 24,1 29,2 20,6 24,3 28,6 34,8

-5 18-39

40-49 Mannen

50+ A+

A

18-39

40-49

B

Vrouwen C D

50+

-10

18-39 A+

40-49 A B

50+ C D 144

N

48 73 130 239 55 545

M-V 18-39 3,5 -1,8 -2,1 -0,9 1,6 -1,1

40-49 -7,4 -0,7 -2,0 -0,9 -1,1 0,4

50+ -1,9 -6,0 -1,3 2,9 -1,8 7,0

Tot 2,2 -2,9 -2,4 0,1 -1,4 2,3

% (M-V)/M 18-39 40-49 50+ 7,1 -14,8 -3,0 -5,5 -1,7 -12,5 -8,0 -6,2 -3,3 -3,7 -3,0 8,5 7,3 -4,6 -7,1 -4,0 1,1 15,7

Tot 3,8 -7,5 -7,5 0,2 -5,8 6,3

Het salaris per gepresteerd werkuur bedraagt hier bij mannen 36,3 euro en bij vrouwen 34,0 euro, een vrij klein verschil van 2,3 euro. Het genderverschil ligt op 7,0 euro bij 50-plussers. In de meeste subgroepen verdienen vrouwen meer dan mannen. Bij 40-49-jarigen in niveau A+ ligt het salaris van vrouwen 7,4 euro hoger, bij 50-plussers in niveau A 6,0 euro.


Internationaal Vlaanderen Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x x 35,0 42,6 25,4 27,7 x x x x 31,6 42,6

50

64

50+ x 48,5 33,2 x x 48,3

97

Tot x 42,4 29,1 x x 42,6

211

N

45 103 37 18 8 211

60

73

67

Genderverschil

50+ x 50,6 33,8 x x 38,7

Tot x 39,9 29,9 x x 36,5

75

215

N

22 83 54 47 9 215

5

20

0 -5 18-39

40-49 Mannen

50+ A+

18-39

40-49

B

Vrouwen C D

A

50+

-10

18-39 A+

40-49 A B

C

M-V 18-39 x 1,1 0,0 x x -0,1

40-49 x 0,0 -3,6 x x 3,4

50+ x -2,1 -0,6 x x 9,7

Tot x 2,6 -0,8 x x 6,1

% (M-V)/M 18-39 40-49 50+ x x x 3,1 0,0 -4,4 0,2 -13,0 -1,8 x x x x x x -0,4 7,9 20,0

Tot x 6,1 -2,7 x x 14,4

Hier ligt het uursalaris van mannen op 42,6 euro en dat van vrouwen 36,5 euro, een verschil van 6,1 euro. Wegens te kleine aantallen zijn geen uitspraken mogelijk voor niveaus A+, C en D. Het genderverschil bedraagt 9,7 euro bij 50-plussers. Bij 40-plussers in niveau B ligt het salaris van vrouwen hoger dan dat van mannen.

Genderverschil M - V

10

40

0

Vrouwen 18-39 40-49 x x 33,9 42,5 25,4 31,3 x x x x 31,7 39,2

50+ D

Economie Wetenschap en Innovatie Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 47,5 59,2 34,3 42,3 24,6 30,4 23,7 26,6 18,3 19,4 31,0 41,1

68

80

50+ 64,6 48,2 35,2 31,4 24,4 48,6

120

Tot 60,8 41,9 29,9 27,6 21,8 41,9

268

80

N

85 74 39 46 24 268

60

88

Genderverschil

50+ 68,5 48,8 33,4 33,9 24,2 42,3

Tot 60,6 43,5 31,3 31,4 23,7 39,7

111

259

Genderverschil M - V

10

60

5

40

0

20 0

Vrouwen 18-39 40-49 48,8 55,8 39,9 42,6 26,2 31,5 25,4 30,8 21,9 23,8 35,0 39,5

-5 18-39

40-49 Mannen

50+ A+

18-39 A

B

40-49

Vrouwen C D

50+

-10

18-39 A+

40-49 A B

C

50+ D

145

N

43 88 41 64 23 259

M-V 18-39 -1,3 -5,6 -1,7 -1,7 -3,6 -4,0

40-49 3,3 -0,3 -1,1 -4,1 -4,4 1,6

50+ -4,0 -0,5 1,8 -2,5 0,1 6,3

Tot 0,2 -1,7 -1,4 -3,8 -1,9 2,2

% (M-V)/M 18-39 40-49 -2,8 5,6 -16,5 -0,6 -6,8 -3,6 -7,1 -15,4 -19,8 -22,7 -13,1 4,0

50+ Tot -6,1 0,4 -1,1 -4,0 5,1 -4,6 -8,0 -13,6 0,5 -8,8 13,0 5,3

Het uursalaris van mannen bedraagt 41,9 euro en dat van vrouwen 39,7 euro, een verschil van 2,2 euro. Het genderverschil is 6,3 euro bij 50-plussers. Bij de meeste subgroepen verdienen vrouwen evenwel per uur meer dan mannen. Het grootste verschil is er bij 18-39-jarigen in niveau A (-5,6 euro).


Onderwijs en Vorming Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 47,2 56,3 35,0 41,0 24,3 30,1 22,4 27,8 x x 28,0 37,2

150

106

50+ 67,4 47,0 33,2 34,1 x 42,3

157

Tot 61,3 40,7 28,1 29,2 x 35,8

413

N

46 128 126 98 15 413

80

216

180

Genderverschil

50+ 65,0 46,3 33,2 33,4 x 38,4

Tot 58,0 38,4 27,9 30,3 x 34,4

218

614

N

58 178 155 196 27 614

5

40

0

20

-5 18-39

40-49 Mannen

50+ A+

18-39

40-49

B

Vrouwen C D

A

50+

-10

18-39 A+

40-49 A B

C

M-V 18-39 -1,1 1,1 -0,4 -0,7 x -1,0

40-49 2,1 0,5 -1,6 0,3 x 1,1

50+ 2,5 0,7 0,0 0,7 x 3,9

Tot 3,3 2,3 0,2 -1,1 x 1,4

% (M-V)/M 18-39 40-49 -2,4 3,8 3,1 1,3 -1,7 -5,2 -3,0 1,0 x x -3,6 3,1

50+ 3,7 1,5 0,1 2,1 x 9,2

Tot 5,4 5,6 0,6 -3,8 x 3,9

Het salaris per gepresteerd werkuur van mannen ligt op 35,8 euro en dat van vrouwen op 34,4 euro, een klein verschil van 1,4 euro. Het genderverschil is 3,9 euro bij 50-plussers. De verschillen in de subgroepen zijn klein. Het grootste verschil is er bij 50-plussers in niveau A+ (2,5 euro). Jongere vrouwen en 40- tot 49-jarige vrouwen in niveau B verdienen iets meer dan hun mannelijke collega's.

Genderverschil M - V

10

60

0

Vrouwen 18-39 40-49 48,3 54,1 33,9 40,5 24,7 31,6 23,1 27,5 x x 29,1 36,1

50+ D

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 45,4 56,1 34,7 41,4 27,4 34,6 24,6 28,0 25,7 26,1 28,0 37,1

350

246

50+ 64,4 47,4 40,1 34,5 29,8 42,7

254

Tot 58,8 41,9 32,1 29,4 27,1 35,0

850

80

N

73 131 433 144 69 850

896

487

Genderverschil

50+ 62,4 49,5 36,9 32,1 28,4 39,2

Tot 56,5 40,3 30,1 27,4 25,7 32,2

345

1.728

Genderverschil M - V

10

60

5

40

0

20 0

Vrouwen 18-39 40-49 43,7 53,3 35,0 42,3 26,9 33,9 23,0 26,8 23,2 23,6 27,8 35,2

-5 18-39

40-49 Mannen

50+ A+

18-39 A

B

40-49

Vrouwen C D

50+

-10

18-39 A+

40-49 A B

C

50+ D

146

N

59 284 1.084 238 63 1.728

M-V 18-39 1,7 -0,3 0,6 1,6 2,6 0,2

40-49 2,8 -1,0 0,8 1,3 2,5 1,9

50+ 1,9 -2,1 3,2 2,4 1,4 3,5

Tot 2,3 1,6 2,0 2,0 1,4 2,9

% (M-V)/M 18-39 40-49 3,8 5,1 -0,8 -2,4 2,1 2,2 6,6 4,6 9,9 9,5 0,8 5,2

50+ 3,0 -4,3 7,9 6,9 4,6 8,1

Tot 3,9 3,8 6,2 6,8 5,2 8,2

Het uursalaris van mannen bedraagt 35,0 euro en dat van vrouwen 32,2 euro, een verschil van 2,9 euro. Het genderverschil bij 50-plussers ligt op 3,5 euro. De verschillen in de subgroepen zijn vrij klein. Vrouwen in niveau A verdienen per uur iets meer dan mannen. Het grootste verschil is er bij 50-plussers in niveau A (-2,1 euro of -4,3%).


Cultuur, Jeugd, Sport en Media Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 45,1 51,9 27,5 40,4 23,9 30,2 16,5 28,6 23,9 26,1 23,6 33,6

184

143

50+ 64,9 47,7 35,5 33,7 26,7 37,4

200

Tot 57,9 37,0 27,7 25,6 25,9 31,6

527

N

47 128 62 131 159 527

80

146

135

Genderverschil

50+ 62,0 46,8 35,1 32,6 25,4 35,1

Tot 55,5 39,3 29,2 28,3 24,4 32,4

207

488

N

23 157 72 121 115 488

5

40

0

20

-5 18-39

40-49

Mannen

50+

A+

18-39

A

B

40-49

50+

-10

Vrouwen C D

18-39 A+

40-49 A B

C

M-V 18-39 -1,2 -4,9 -0,3 -5,2 2,3 -4,0

40-49 0,1 -1,3 -0,6 2,4 2,2 0,3

50+ 2,9 0,8 0,4 1,1 1,3 2,3

Tot 2,4 -2,3 -1,5 -2,8 1,5 -0,8

% (M-V)/M 18-39 40-49 -2,6 0,1 -17,9 -3,3 -1,3 -2,0 -31,3 8,2 9,4 8,5 -16,9 0,9

50+ Tot 4,5 4,2 1,8 -6,3 1,1 -5,4 3,2 -10,8 4,9 5,6 6,2 -2,5

Het salaris per gepresteerd werkuur van mannen ligt op 31,6 euro en dat van vrouwen op 32,4 euro, een klein verschil van 0,8 euro in het voordeel van vrouwen. De verschillen in de subgroepen zijn vrij klein. Jongere vrouwen in niveaus A en C verdienen ongeveer 5 euro per uur meer dan hun mannelijke collega's.

Genderverschil M - V

10

60

0

Vrouwen 18-39 40-49 46,2 51,8 32,4 41,7 24,2 30,8 21,7 26,2 21,7 23,9 27,6 33,3

50+ D

Werk en Sociale Economie Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x x 33,6 40,7 x x 22,3 28,6 x x 31,1 41,2

43

34

50+ x 47,9 x 33,5 x 54,0

57

Tot x 39,9 x 29,0 x 43,4

134

60

N

20 70 20 22 2 134

84

67

Genderverschil

50+ x 46,2 x 32,5 x 37,5

Tot x 38,6 x 29,8 x 35,2

76

227

Genderverschil M - V

10

40

5 0

20 0

Vrouwen 18-39 40-49 x x 34,5 42,6 x x 24,6 28,0 x x 32,9 35,5

-5 18-39

40-49 Mannen

50+ A+

18-39 A

B

40-49

Vrouwen C D

50+

-10

18-39 A+

40-49 A B

C

50+ D

147

N

17 100 28 67 15 227

M-V 18-39 x -0,9 x -2,3 x -1,8

40-49 x -1,9 x 0,7 x 5,6

50+ x 1,7 x 1,0 x 16,5

Tot x 1,3 x -0,7 x 8,2

% (M-V)/M 18-39 40-49 x x -2,6 -4,5 x x -10,4 2,3 x x -5,8 13,6

50+ x 3,6 x 2,9 x 30,6

Tot x 3,3 x -2,5 x 18,9

Het uursalaris van mannen bedraagt 43,4 euro, dat van vrouwen 35,2 euro, een verschil van 8,2 euro. Wegens te kleine aantallen zijn geen uitspraken mogelijk voor niveaus A+, B en D. De genderverschillen zijn zeer groot bij de 50-plussers (16,5 euro).


Landbouw en Visserij Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 52,0 58,4 38,4 46,3 26,6 29,8 25,9 29,2 x x 32,2 39,4

108

140

50+ 69,4 51,2 34,4 32,8 x 43,6

136

Tot 63,8 45,0 30,2 30,0 x 38,9

384

Vrouwen 18-39 40-49 49,5 58,3 41,1 47,2 26,3 29,0 26,0 28,6 x x 33,9 38,2

N

39 155 107 59 24 384

80

127

40

5

20

0

0

18-39

40-49

Mannen

50+

A+

18-39

A

B

40-49

50+

-5

Vrouwen C D

50+ 60,7 54,2 37,9 33,9 x 39,6

Tot 58,6 45,7 29,0 30,6 x 37,2

122

376

N

35 134 94 69 44 376

18-39 A+

40-49 A B

C

M-V 18-39 2,5 -2,7 0,3 -0,1 x -1,6

40-49 0,0 -0,9 0,8 0,6 x 1,2

50+ 8,7 -3,0 -3,5 -1,1 x 4,0

Tot 5,2 -0,7 1,1 -0,6 x 1,7

% (M-V)/M 18-39 40-49 50+ 4,8 0,0 12,6 -7,1 -2,0 -5,8 1,3 2,7 -10,2 -0,2 2,1 -3,3 x x x -5,1 3,0 9,2

Tot 8,2 -1,5 3,8 -2,0 x 4,3

Het salaris per gepresteerd werkuur van mannen ligt op 38,9 euro, dat van vrouwen op 37,2 euro, een klein verschil van 1,7 euro. Wegens te kleine aantallen zijn geen uitspraken mogelijk voor niveau D. De grootste genderverschillen zijn er bij 50-plussers in niveau A+ (8,7 euro). Bij jongeren in niveau A en bij 50-plussers in niveau A en B verdienen vrouwen duidelijk meer dan mannen.

Genderverschil M - V

10

60

127

Genderverschil

50+ D

Omgeving Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 48,8 54,7 35,3 43,8 25,2 30,5 23,2 26,5 21,8 24,2 29,2 37,1

513

666

50+ 64,3 51,0 34,2 31,9 26,1 40,9

837

Tot 60,6 43,8 29,7 28,6 24,7 36,7

2.016

Vrouwen 18-39 40-49 49,5 55,5 37,9 43,5 25,7 30,7 23,3 26,6 19,4 22,8 32,7 37,9

N

148 827 321 372 348 2.016

548

80

Tot 58,2 42,2 30,7 27,6 23,8 36,5

502

1.704

5

40

0

20 0

50+ 64,5 48,3 36,1 31,1 25,2 38,7

Genderverschil M - V

10

60

654

Genderverschil

-5 18-39

40-49

50+

18-39

Mannen A+

A

B

40-49

Vrouwen C D

50+

-10

18-39 A+

40-49 A B

C

50+ D

148

N

99 791 290 434 90 1.704

M-V 18-39 -0,7 -2,7 -0,5 -0,1 2,4 -3,5

40-49 -0,9 0,2 -0,1 -0,1 1,4 -0,8

50+ -0,2 2,7 -1,9 0,8 0,9 2,2

Tot 2,4 1,6 -1,0 0,9 0,9 0,2

% (M-V)/M 18-39 40-49 -1,4 -1,6 -7,5 0,5 -2,1 -0,5 -0,4 -0,4 11,2 5,9 -11,9 -2,1

50+ -0,3 5,3 -5,5 2,5 3,5 5,3

Tot 4,0 3,7 -3,3 3,3 3,7 0,5

Het uursalaris van mannen ligt op 36,7 euro, dat van vrouwen op 36,5 euro, een zeer klein verschil van 0,2 euro. De genderverschillen zijn klein. Het grootste verschil is er bij 50plussers in niveau A (2,7 euro). Procentueel is er het grootste genderverschil bij 18 tot 39 jarigen in niveau D (11,2%). In de meeste subgroepen verdienen vrouwen meer dan mannen. Het gemiddeld uursalaris van jonge vrouwen ligt 3,5 euro hoger dan dat van mannen.


Mobiliteit en Openbare Werken Gemiddelde

Functieniveau

A+ A B C D Totaal N

Mannen Leeftijd 18-39 40-49 50,6 59,1 40,0 61,1 26,7 30,4 26,4 29,1 25,4 29,3 31,1 40,2

905

1.025

50+ 63,9 93,1 33,3 35,3 31,6 47,7

1.246

Tot 59,6 64,6 29,5 30,4 29,8 40,5

3.176

100 50 0

18-39

40-49

Mannen

50+

A+

A

18-39

B

40-49

Vrouwen C D

50+

Vrouwen 18-39 40-49 48,1 59,0 39,3 45,2 25,5 30,1 23,8 28,0 26,2 25,9 31,4 35,4

N

128 864 401 682 1.101 3.176

384

50 40 30 20 10 0 -10

360

Genderverschil

50+ 59,7 52,4 33,1 33,1 26,5 35,0

255

Tot 57,8 42,5 28,9 28,2 26,3 33,8

999

Genderverschil M - V

18-39 A+

40-49 A B

C

149

50+ D

N

49 293 183 364 110 999

M-V 18-39 2,5 0,7 1,2 2,6 -0,8 -0,4

40-49 0,2 16,0 0,3 1,0 3,4 4,8

50+ 4,2 40,7 0,2 2,2 5,1 12,8

Tot 1,8 22,1 0,5 2,2 3,5 6,8

% (M-V)/M 18-39 40-49 5,0 0,3 1,7 26,1 4,5 1,0 9,7 3,5 -3,0 11,5 -1,2 11,8

50+ 6,6 43,7 0,6 6,1 16,1 26,8

Tot 3,0 34,2 1,8 7,3 11,6 16,7

Het salaris per gepresteerd werkuur van mannen ligt bedraagt 40,5 euro, dat van vrouwen 33,8 euro, een verschil van 6,8 euro. Het genderverschil bij 50-plussers ligt op 12,8 euro. De verschillen in de subgroepen zijn zeer klein, behalve in niveau A: bij 50-plussers 40,7 euro en bij 40-49-jarigen 16,0 euro. Het betreft hier zeer hoge inkomens van mannen in 1 entiteit. In slechts 1 subgroep verdienen vrouwen per uur iets meer dan mannen.


8 Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd, beleidsdomein en entiteit Inleiding en samenvatting In dit hoofdstuk gaan we op zoek naar verklaringen voor de grote verschillen in het totaal bruto maandsalaris naar gender, functieniveau en leeftijd, die in de vorige hoofdstukken werden gevonden. Hiervoor onderzoeken we de relatie van deze factoren met het beleidsdomein en de entiteiten binnen elk beleidsdomein. Eerst werden in twee vier-dimensionale tabellen per beleidsdomein en entiteit de gemiddelde waarden van het totaal bruto salaris samengebracht, met bijkomend onderscheid naar gender en functieniveau en naar gender en leeftijd. Het doel daarvan was de subgoepen te vinden met een relatief veel hoger maandsalaris en groter genderverschil. Die gedetailleerde tabellen worden hier niet opgenomen. Men kan ze raadplegen in het Basisrapport GOVO 2018. Uitgaande van die tabellen brachten we de beleidsdomeinen en entiteiten van de werknemers met een maandsalaris hoger dan 10.000 euro in kaart. Belangrijk daarbij is het gemiddeld inkomen en het aantal werknemers in de diverse subgroepen. Op basis daarvan vonden we het beleidsdomein en de entiteit met veruit de meeste werknemers met een totaal bruto maandsalaris hoger dan 10.000 euro. Zo werd voor die entiteit het verband tussen maandsalaris, gender, functieniveau en leeftijd afzonderlijk bepaald. Omwille van privacy-regels geven we hier geen gedetailleerde tabellen over de werknemers met een zeer hoog salaris met het onderscheid naar beleidsdomeienen en entiteiten. Wel tonen we ter afsluiting enkele overzichtstabellen met de gemiddelde waarden van het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) en de genderverschillen, naar functieniveau en leeftijd, met verschillende selectie van de werknemers. 1. alle werknemers 2. alle werknemers behalve de werknemers van de ene entiteit met zeer hoge salarissen, Aangezien de hoge bruto toelagen grotendeels de oorzaak zijn van de zeer hoge salarissen en genderverschillen, tonen we soortgelijke tabellen voor het bruto salaris (zonder vakantiegeld, eindejaarspremie en bruto toelagen) en de daaraan verbonden genderverschillen.

150


De grote genderverschillen in het totaal bruto salaris worden vooral veroorzaakt door de verschillen in de bruto toelagen. De bron van die grote verschillen is zichtbaar via het verband van de factoren gender, functieniveau en leeftijd met de entiteiten binnen de beleidsdomeinen. Vier-dimensionale tabellen met per beleidsdomein en entiteit het gemiddeld totaal bruto salaris naar gender en functieniveau resp. leeftijd tonen de subgoepen met een veel hoger gemiddeld salaris en genderverschil. In het beleidsdomein Kanselarij en Bestuur is het algemene genderverschil groot, vooral wegens een groot verschil bij 50-plussers in 2 entiteiten. In het grootste domein Mobiliteit en Openbare Werken zijn er zeer hoge salarissen en zeer grote genderverschillen in het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust, meer specifiek in niveau A, vooral bij 50-plussers. De beleidsdomeinen Kanselarij en Bestuur, Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Omgeving en Mobiliteit en Openbare Werken tellen elk meer dan 1.500 werknemers en zijn samen goed voor 71% van all werknemers. De gemiddelde waarden van deze domeinen wegen dus zwaarder door in de algemene gemiddelden. Voorts blijkt dat de meeste werknemers met een maandsalaris hoger dan 10.000 euro werkzaam zijn in het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken). Het betreft oudere mannen in niveau A met een zeer hoge technische kwalificatie, die in een vol continu ploegensysteem werken. Daardoor hebben zij zeer gunstige voorwaarden voor het bruto salaris en de bruto toelagen. Wegens de relatief grote omvang weegt deze groep sterk door in de algemene gemiddelden. Het algemene genderverschil voor het bruto maandsalaris (zonder vakantiegeld, eindejaarspremie en bruto toelagen) bedraagt 435 euro (zonder het agentschap MDK 390 euro), tegenover 861 euro voor het totaal bruto maandsalaris (zonder MDK 530 euro). Voor het bruto uursalaris ligt het genderverschil op 1,0 euro (zonder agentschap MDK 0,9 euro), tegenover 3,9 euro voor het totaal bruto uursalaris. De reden is dat in het bruto salaris de hoge bruto toelagen worden uitgeschakeld in alle beleidsdomeinen en entiteiten. Het weglaten van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust voor het bruto salaris impliceert een kleinere bijkomende daling van de genderverschillen, aangezien dan ook het effect van de hogere salarisschalen in dat agentschap wegvalt.

151


Totaal bruto salaris per maand Alle agentschappen

Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 6.166 4.553 % som 0,7 5,7 %N 0,5 5,4

Leeftijd 18-39

B 3.220 3,1 4,2

C 2.957 2,2 3,2

D 2.881 1,7 2,5

Tot 3.660 13,4 15,8

Vrouwen A+ A 5.747 4.178 0,7 6,4 0,6 6,6

B 2.939 4,4 6,5

C 2.675 2,0 3,2

D 2.285 0,5 0,9

Tot 3.409 14,0 17,8

Genderverschil M-V A+ A 419 374 0,0 -0,7 -0,1 -1,2

B 281 -1,3 -2,3

C 281 0,2 0,0

D 596 1,2 1,6

Tot 251 -0,6 -2,0

N

86

929

722

557

431

2.725

97

1.142

1.118

553

156

3.066

-11

-213

-396

4

275

-341

40-49

Gemiddelde % som %N

7.200 2,9 1,7

6.116 7,7 5,5

3.841 3,0 3,4

3.439 2,4 3,0

3.376 2,1 2,7

4.812 18,1 16,3

6.858 2,0 1,3

4.931 5,8 5,1

3.600 3,4 4,1

3.177 2,7 3,6

2.576 0,7 1,2

4.135 14,7 15,4

342 0,9 0,4

1.185 1,9 0,4

241 -0,4 -0,7

262 -0,3 -0,6

800 1,4 1,5

677 3,4 0,9

N

297

944

586

519

459

2.805

222

884

713

624

211

2.654

75

60

-127

-105

248

151

50+

Gemiddelde % som %N

8.219 5,0 2,7

7.961 9,8 5,3

4.437 2,5 2,5

4.066 4,1 4,4

3.528 4,6 5,7

5.504 26,1 20,5

7.794 2,4 1,4

5.557 3,3 2,6

3.933 2,3 2,5

3.504 4,1 5,0

2.579 1,7 2,8

4.177 13,8 14,3

425 2,6 1,3

2.404 6,5 2,7

505 0,2 0,0

562 0,0 -0,6

949 2,9 2,9

1.327 12,3 6,2

N

458

916

426

761

984

3.545

234

444

439

865

482

2.464

224

472

-13

-104

502

1.081

Totaal

Gemiddelde % som %N

7.649 8,6 4,9

6.201 23,2 16,2

3.729 8,7 10,0

3.552 8,7 10,6

3.342 8,4 10,9

4.736 57,5 52,6

7.059 5,2 3,2

4.695 15,5 14,3

3.339 10,1 13,2

3.180 8,7 11,8

2.524 2,9 4,9

3.875 42,5 47,4

590 3,4 1,7

1.506 7,7 1,9

390 -1,4 -3,2

373 0,0 -1,2

818 5,5 6,0

861 15,0 5,2

N

841

2.789

1.734

1.837

1.874

9.075

553

2.470

2.270

2.042

849

8.184

288

319

-536

-205

1.025

891

Mannen

Vrouwen

8.000

8.000

6.000

6.000

4.000

4.000

2.000

2.000

0

18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

D

0

Genderverschil M - V

2500 2000 1500 1000 500 18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

0

D

Aansluitend geven we 2 overzichtstabellen met de gemiddelde waarden van het totaal bruto maandsalaris, het aandeel van de salarissom en de genderverschillen, naar functieniveau en leeftijd. Bovenstaande tabel geldt voor alle werknemers in Vlimpers, onderstaande tabel voor alle werknemers behalve die van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust.

152

A+

A 18-39

B

C

40-49

50+

D


Zonder Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK) Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 6.166 4.364 % som 0,8 5,7 %N 0,5 5,4

Leeftijd 18-39

B 3.209 3,4 4,3

C 2.849 2,2 3,2

D 2.708 1,4 2,1

Tot 3.572 13,5 15,6

Vrouwen A+ A 5.750 4.169 0,8 7,1 0,6 7,0

B 2.939 4,9 6,9

C 2.653 2,1 3,3

D 2.274 0,5 1,0

Tot 3.404 15,4 18,7

Genderverschil M-V A+ A 416 195 0,0 -1,4 -0,1 -1,6

B 270 -1,5 -2,6

C 196 0,1 -0,1

D 435 0,9 1,1

Tot 168 -1,9 -3,1

N

86

873

698

507

342

2.506

95

1.129

1.110

527

154

3.015

-9

-256

-412

-20

188

-509

40-49

Gemiddelde % som %N

7.208 3,2 1,8

5.354 6,6 5,1

3.834 3,3 3,6

3.352 2,4 2,9

3.113 1,7 2,2

4.530 17,2 15,6

6.850 2,2 1,3

4.908 6,5 5,4

3.600 3,8 4,4

3.161 2,9 3,7

2.571 0,8 1,3

4.124 16,2 16,2

358 1,0 0,5

446 0,1 -0,3

235 -0,5 -0,8

191 -0,5 -0,8

542 0,9 0,9

406 1,0 -0,6

N

291

825

577

469

356

2.518

215

876

706

601

208

2.606

76

-51

-129

-132

148

-88

50+

Gemiddelde % som %N

8.210 5,6 2,8

6.048 6,4 4,4

4.428 2,8 2,6

3.935 4,1 4,3

3.278 3,8 4,8

4.964 22,6 18,8

7.787 2,7 1,4

5.504 3,6 2,7

3.930 2,6 2,7

3.471 4,4 5,2

2.580 1,9 3,0

4.159 15,1 15,0

423 2,9 1,4

544 2,8 1,7

499 0,2 -0,1

464 -0,3 -0,9

698 1,9 1,8

805 7,5 3,8

N

452

701

417

693

766

3.029

233

436

433

842

477

2.421

219

265

-16

-149

289

608

Totaal

Gemiddelde % som %N

7.646 9,5 5,2

5.197 18,8 14,9

3.723 9,5 10,5

3.441 8,6 10,4

3.105 6,8 9,1

4.395 53,2 50,0

7.060 5,8 3,4

4.673 17,2 15,2

3.337 11,3 14,0

3.157 9,4 12,2

2.521 3,2 5,2

3.865 46,8 50,0

587 3,7 1,8

524 1,6 -0,3

386 -1,8 -3,5

284 -0,8 -1,8

583 3,6 3,9

530 6,4 0,0

N

829

2.399

1.692

1.669

1.464

8.053

543

2.441

2.249

1.970

839

8.042

286

-42

-557

-301

625

11

Mannen

Vrouwen

8.000

8.000

6.000

6.000

4.000

4.000

2.000

2.000

0

18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

D

0

Genderverschil M - V

2500 2000 1500 1000 500 18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

D

0

A+

A 18-39

B

C

40-49

50+

Het weglaten van de werknemers van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust leidt bij mannen tot een daling van het gemiddeld totaal bruto maandsalaris van 4.736 euro bij alle werknemers tot 4.395 euro (2de tabel). Bij mannen in niveau A daalt het maandsalaris van 6.201 euro tot 5.197 euro. De sterkste daling is er bij de mannelijke 50-plussers in niveau A, van 7.961 euro tot 6.084 euro. Aangezien bij vrouwen met het weglaten van dat agentschap nagenoeg geen wijzigingen optreden, daalt het algemene genderverschil sterk, van 861 euro tot 530 euro. Bij werknemers in niveau A daalt het genderverschil van 1.506 euro tot 524 euro. Opnieuw doet de sterkste daling zich voor bij de 50-plussers in niveau A, van 2.404 tot 544 euro. Eenzelfde verandering is zichtbaar voor het aandeel van de som van salarissen in de subgroepen in de totale som. De tabel zonder de medewerkers van entiteit MDK laat met andere woorden de totaal bruto maandsalarissen en genderverschillen zien die gelden voor de grote meerderheid van de medewerkers van de VO en die verbonden zijn met de factoren die eerder aan bod kwamen: functieniveau, leeftijd, aantal werkdagen per jaar, beroepsstatuut en dienstanciënniteit. 153

D


Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Alle agentschappen

18-39

Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 48,2 36,2 N

86

40-49

Gemiddelde

56,3

N

Leeftijd

50+ Totaal

D 23,9

Tot 29,5

557

431

2.725

28,1

27,3

38,6

586

519

459

2.805

63,3

36,8

33,8

29,4

916

426

761

984

Vrouwen A+ 47,7

A 36,8

B 26,3

C 23,7

97

1.142

1.118

55,0

43,5

32,1

222

884

44,6

63,5

3.545

234

Genderverschil M-V A+ A 0,5 -0,6

B 26,2

C 24,1

D 21,0

Tot 30,2

B -0,1

C 0,4

D 2,9

Tot -0,6

929

722

48,7

31,3

553

156

3.066

-11

-213

27,7

23,2

36,1

1,2

5,2

-396

4

275

-341

-0,9

0,5

4,1

297

944

713

624

211

2.654

75

60

2,5

-127

-105

248

151

Gemiddelde

64,9

N

458

49,0

36,2

32,4

25,0

37,5

1,4

14,3

0,6

1,5

4,4

7,1

444

439

865

482

2.464

224

472

-13

-104

502

1.081

Gemiddelde

60,2

49,3

30,5

29,3

27,6

38,2

57,3

41,4

30,1

28,6

23,8

34,3

2,8

7,9

0,5

0,7

3,8

3,9

N

841

2.789

1.734

1.837

1.874

9.075

553

2.470

2.270

2.042

849

8.184

288

319

-536

-205

1.025

891

B -0,2

C -0,1

D 2,1

Tot -1,1

-509

Zonder Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK)

18-39

Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 48,2 34,9 N

86

40-49

Gemiddelde

56,4

N

291

Gemiddelde N

Leeftijd

50+ Totaal

B 26,1

C 23,4

D 23,1

Tot 29,0

873

698

43,4

31,3

507

342

2.506

27,7

25,9

36,7

825

577

469

356

2.518

64,9

452

49,4

36,8

33,0

28,2

701

417

693

766

Vrouwen A+ 47,8

A 36,7

B 26,3

95

1.129

1.110

54,9

43,4

32,2

215

876

706

40,9

63,4

48,6

3.029

233

436

C 23,6

Genderverschil M-V A+ A 0,4 -1,8

D 20,9

Tot 30,1

527

154

3.015

-9

-256

-412

-20

188

27,6

23,1

36,0

1,5

0,0

-0,9

0,1

2,8

0,7

601

208

2.606

76

-51

-129

-132

148

-88

36,2

32,2

25,0

37,4

1,4

0,8

0,6

0,9

3,2

3,4

433

842

477

2.421

219

265

-16

-149

289

608

Gemiddelde

60,1

42,1

30,5

28,6

26,5

35,9

57,3

41,2

30,1

28,5

23,8

34,2

2,8

0,8

0,5

0,2

2,7

1,6

N

829

2.399

1.692

1.669

1.464

8.053

543

2.441

2.249

1.970

839

8.042

286

-42

-557

-301

625

11

Genderverschil M - V

Twee soortgelijke overzichtstabellen tonen het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur en de genderverschillen, naar functieniveau en leeftijd. Bij mannen zien we een daling van het gemiddeld totaal bruto uursalaris van 38,2 euro bij alle werknemers in de 1ste tabel tot 35,9 euro zonder werknemers van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (2de tabel). Bij mannen in niveau A daalt het uursalaris van 49,3 euro tot 42,1 euro. De sterkste daling is er bij de mannelijke 50-plussers in niveau A, van 63,3 euro tot 49,4 euro. Bij vrouwen zijn er met het weglaten van dat agentschap nagenoeg geen wijzigingen. Bijgevolg daalt het algemene genderverschil van 3,9 euro tot 1,6 euro. Bij werknemers in niveau A daalt het genderverschil van 7,9 euro tot 0,8 euro. De sterkste daling is weer zichtbaar bij de 50-plussers in niveau A, van 14,3 euro tot 0,8 euro. Hoewel ook in niveau D het genderverschil daalt van 3,8 euro tot 2,7, blijft het bijna even hoog als in niveau A+. De 2de tabel toont dus de uursalarissen en genderverschillen die gelden voor de grote meerderheid van de medewerkers van de VO, in relatie tot de centrale factoren: functieniveau, leeftijd, beroepsstatuut enz.

10 5 0

A+

A 18-39

B 40-49

C 50+

D

Zonder Agentschap MDK

15 10 5 0

154

Alle agentschappen

15

A+

A 18-39

B 40-49

C 50+

D


Bruto salaris per maand Alle agentschappen Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 5.396 3.863 % som 0,8 5,8 %N 0,5 5,4

Leeftijd 18-39

B 2.676 3,1 4,2

C 2.339 2,1 3,2

D 2.038 1,4 2,5

Tot 2.997 13,3 15,8

Vrouwen A+ A 5.038 3.667 0,8 6,8 0,6 6,6

B 2.464 4,5 6,5

C 2.245 2,0 3,2

D 1.805 0,5 0,9

Tot 2.920 14,6 17,8

Genderverschil M-V A+ A 359 196 0,0 -1,0 -0,1 -1,2

B 212 -1,4 -2,3

C 94 0,1 0,0

D 232 0,9 1,6

Tot 76 -1,3 -2,0

N

86

929

722

557

431

2.725

97

1.142

1.118

553

156

3.066

-11

-213

-396

4

275

-341

40-49

Gemiddelde % som %N

6.342 3,1 1,7

4.820 7,4 5,5

3.237 3,1 3,4

2.760 2,3 3,0

2.399 1,8 2,7

3.873 17,7 16,3

6.056 2,2 1,3

4.297 6,2 5,1

3.059 3,5 4,1

2.723 2,8 3,6

2.071 0,7 1,2

3.565 15,4 15,4

287 0,9 0,4

523 1,2 0,4

178 -0,4 -0,7

37 -0,5 -0,6

329 1,1 1,5

309 2,3 0,9

N

297

944

586

519

459

2.805

222

884

713

624

211

2.654

75

60

-127

-105

248

151

50+

Gemiddelde % som %N

7.173 5,3 2,7

5.705 8,5 5,3

3.676 2,5 2,5

3.351 4,1 4,4

2.580 4,1 5,7

4.278 24,7 20,5

6.830 2,6 1,4

4.832 3,5 2,6

3.378 2,4 2,5

3.019 4,2 5,0

2.125 1,7 2,8

3.597 14,4 14,3

343 2,7 1,3

872 5,0 2,7

298 0,1 0,0

332 -0,1 -0,6

455 2,4 2,9

681 10,3 6,2

N

458

916

426

761

984

3.545

234

444

439

865

482

2.464

224

472

-13

-104

502

1.081

Totaal

Gemiddelde % som %N

6.698 9,2 4,9

4.792 21,7 16,2

3.111 8,8 10,0

2.877 8,6 10,6

2.411 7,4 10,9

3.768 55,6 52,6

6.205 5,6 3,2

4.102 16,5 14,3

2.828 10,4 13,2

2.719 9,0 11,8

2.053 2,8 4,9

3.333 44,4 47,4

493 3,6 1,7

690 5,2 1,9

284 -1,6 -3,2

158 -0,4 -1,2

358 4,6 6,0

435 11,2 5,2

N

841

2.789

1.734

1.837

1.874

9.075

553

2.470

2.270

2.042

849

8.184

288

319

-536

-205

1.025

891

Mannen

Vrouwen

8.000

Genderverschil M - V

2500

8.000

6.000

6.000

4.000

4.000

2.000

2.000

0

0

18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

D

2000 1500 1000 500 18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

0

D

Ter vergelijking geven we dezelfde tabellen met het bruto maandsalaris (zonder bruto toelagen), hierboven de tabel voor alle werknemers in Vlimpers, hieronder de tabel voor alle werknemers behalve die van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust.

155

A+

A 18-39

B

C

40-49

50+

D


Zonder Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK) Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 5.396 3.828 % som 0,8 5,9 %N 0,5 5,4

Leeftijd 18-39

B 2.670 3,3 4,3

C 2.322 2,1 3,2

D 2.034 1,2 2,1

Tot 3.010 13,3 15,6

Vrouwen A+ A 5.040 3.665 0,8 7,3 0,6 7,0

B 2.464 4,8 6,9

C 2.242 2,1 3,3

D 1.809 0,5 1,0

Tot 2.922 15,5 18,7

Genderverschil M-V A+ A 356 163 0,0 -1,4 -0,1 -1,6

B 206 -1,5 -2,6

C 80 0,0 -0,1

D 224 0,7 1,1

Tot 87 -2,2 -3,1

N

86

873

698

507

342

2.506

95

1.129

1.110

527

154

3.015

-9

-256

-412

-20

188

-509

40-49

Gemiddelde % som %N

6.349 3,3 1,8

4.692 6,8 5,1

3.232 3,3 3,6

2.756 2,3 2,9

2.361 1,5 2,2

3.859 17,1 15,6

6.055 2,3 1,3

4.289 6,6 5,4

3.059 3,8 4,4

2.721 2,9 3,7

2.067 0,8 1,3

3.562 16,4 16,2

294 1,0 0,5

403 0,2 -0,3

174 -0,5 -0,8

35 -0,6 -0,8

295 0,7 0,9

296 0,7 -0,6

N

291

825

577

469

356

2.518

215

876

706

601

208

2.606

76

-51

-129

-132

148

-88

50+

Gemiddelde % som %N

7.164 5,7 2,8

5.299 6,5 4,4

3.671 2,7 2,6

3.321 4,1 4,3

2.512 3,4 4,8

4.196 22,4 18,8

6.823 2,8 1,4

4.809 3,7 2,7

3.374 2,6 2,7

3.007 4,5 5,2

2.125 1,8 3,0

3.591 15,3 15,0

340 2,9 1,4

490 2,8 1,7

297 0,1 -0,1

314 -0,4 -0,9

387 1,6 1,8

605 7,1 3,8

N

452

701

417

693

766

3.029

233

436

433

842

477

2.421

219

265

-16

-149

289

608

Totaal

Gemiddelde % som %N

6.694 9,8 5,2

4.555 19,3 14,9

3.108 9,3 10,5

2.859 8,4 10,4

2.364 6,1 9,1

3.721 52,8 50,0

6.207 5,9 3,4

4.093 17,6 15,2

2.826 11,2 14,0

2.716 9,4 12,2

2.053 3,0 5,2

3.331 47,2 50,0

487 3,9 1,8

462 1,7 -0,3

283 -1,9 -3,5

143 -1,0 -1,8

311 3,1 3,9

390 5,6 0,0

N

829

2.399

1.692

1.669

1.464

8.053

543

2.441

2.249

1.970

839

8.042

286

-42

-557

-301

625

11

Mannen

Vrouwen

8.000

8.000

6.000

6.000

4.000

4.000

2.000

2.000

0

18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

D

0

Genderverschil M - V

2500 2000 1500 1000 500 18-39

40-49 A+

A

B

50+ C

D

0

A+

A 18-39

B

C

40-49

50+

Bij mannen ligt het gemiddeld bruto maandsalaris op 3.768 euro bij alle werknemers 968 euro lager dan het gemiddeld totaal bruto maandsalaris. Bij alle werknemers zonder het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust bedraagt het 3.721 euro (2de tabel), een verdere daling met bijna 50 euro. Bij vrouwen zijn de verschillen veel kleiner. Bij mannen in niveau A ligt het bruto maandsalaris op 4.792 euro en zonder het agentschap MDK op 4.555 euro. De sterkste daling is er bij de mannelijke 50-plussers in niveau A, tot 5.705 euro en 5.299 zonder MDK. Het algemene genderverschil voor het bruto maandsalaris bedraagt 435 euro, zonder MDK 390 euro. De verschuiving van totaal bruto maandsalaris naar bruto maandsalaris (zonder bruto toelagen) leidt tot de grootste daling van de gemiddelde salarissen en het genderverschil, omdat de hoge bruto toelagen in alle beleidsdomeinen en entiteiten worden uitgeschakeld. Het weglaten van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust impliceert een meer beperkte bijkomende daling doordat ook de impact van de hogere salarisschalen in dat agentschap wegvalt. 156

D


Bruto salaris per gepresteerd werkuur Alle agentschappen

18-39

Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 42,2 30,8 N

86

929

722

40-49

Gemiddelde

49,6

38,6

26,3

N

297

944

586

519

Gemiddelde

56,7

45,8

30,5

28,0

N

458

916

426

761

Gemiddelde

52,7

38,4

25,5

23,8

N

841

2.789

1.734

1.837

Leeftijd

50+ Totaal

B 21,8

C 19,1

Vrouwen A+ 41,8

Genderverschil M-V A+ A 0,4 -1,4

D 17,1

Tot 24,2

A 32,3

B 22,1

C 19,9

D 16,7

Tot 25,8

97

1.142

1.118

553

156

3.066

-11

-213

48,6

37,9

27,2

23,7

18,7

31,0

1,0

0,7

222

884

713

624

211

2.654

75

34,8

55,6

42,5

31,0

27,9

20,6

32,3

3.545

234

444

439

865

482

2.464

B -0,3

C -0,8

D 0,4

Tot -1,6

557

431

2.725

22,7

19,6

31,1

-396

4

275

-341

-0,9

-1,0

0,9

459

2.805

0,1

60

-127

-105

248

151

21,7

984

1,1

3,3

-0,6

0,1

1,1

2,6

224

472

-13

-104

502

1.081

20,1

30,5

50,4

36,1

25,4

24,4

19,4

29,5

2,3

2,3

0,0

-0,7

0,7

1,0

1.874

9.075

553

2.470

2.270

2.042

849

8.184

288

319

-536

-205

1.025

891

B -0,3

C -0,8

D 0,7

Tot -1,4

-509

Zonder Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK)

18-39

Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 42,2 30,6 N

86

873

40-49

Gemiddelde

49,6

38,0

N

291

825

577

Gemiddelde

56,6

43,3

30,5

27,9

N

452

701

417

693

Leeftijd

50+ Totaal

B 21,7

C 19,1

D 17,4

Tot 24,4

698

507

342

2.506

26,3

22,8

19,7

31,2

469

356

2.518

21,7

766

Vrouwen A+ 41,8

A 32,2

B 22,1

95

1.129

1.110

48,5

37,8

27,2

215

876

706

34,5

55,6

42,3

3.029

233

436

C 19,9

Genderverschil M-V A+ A 0,3 -1,6

D 16,7

Tot 25,8

527

154

3.015

-9

-256

-412

-20

188

23,7

18,6

31,1

1,2

0,2

-0,9

-0,9

1,1

0,2

601

208

2.606

76

-51

-129

-132

148

-88

31,0

27,8

20,6

32,3

1,1

0,9

-0,6

0,1

1,1

2,3

433

842

477

2.421

219

265

-16

-149

289

608

Gemiddelde

52,7

36,9

25,5

23,8

20,2

30,4

50,4

36,0

25,4

24,5

19,4

29,5

2,3

0,8

0,0

-0,7

0,8

0,9

N

829

2.399

1.692

1.669

1.464

8.053

543

2.441

2.249

1.970

839

8.042

286

-42

-557

-301

625

11

Genderverschil M - V

Tot slot tonen we ook het bruto salaris per gepresteerd werkuur (zonder bruto toelagen) en de genderverschillen, naar functieniveau en leeftijd. Bij mannen ligt het gemiddeld bruto uursalaris op 30,5 euro bij alle werknemers (1ste tabel), ruim 8 euro lager dan het gemiddeld totaal bruto uursalaris. Zonder het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust bedraagt het 30,4 euro (2de tabel). Bij mannen in niveau A ligt het bruto uursalaris op 38,4 euro en zonder het agentschap MDK op 36,9 euro. De sterkste daling is er weer bij de mannelijke 50-plussers in niveau A, van 63,3 euro tot 45,8 euro en 43,3 euro zonder MDK. Het algemene genderverschil voor het bruto maandsalaris bedraagt nog 1 euro, zonder MDK 0,9 euro.

Alle agentschappen

15 10 5 0

A+

157

B 40-49

C 50+

D

C 50+

D

Alle agentschappen

15

Aangezien de hoge bruto toelagen in alle beleidsdomeinen en entiteiten worden uitgeschakeld, leidt de verschuiving van totaal bruto uursalaris naar bruto uursalaris (zonder bruto toelagen) opnieuw tot de grootste daling van de gemiddelde uursalarissen en genderverschillen. Het weglaten van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust impliceert een kleine extra daling doordat de invloed van de hogere salarisschalen in dat agentschap wegvalt.

A 18-39

10 5 0

A+

A 18-39

B 40-49


9 Multivariate analyse van totaal bruto en bruto maandsalaris Inleiding en samenvatting Aansluitend bij de vorige hoofdstukken wordt hier het onderzoek 'afgerond' met een geïntegreerde of multivariate analyse van de relatie tussen het salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) en de relevante verklarende factoren: gender, functieniveau, leeftijd, dienstanciënniteit, aantal werkdagen per jaar, type arbeidscontract, beleidsdomein en entiteit. Een goede multivariate analyse is pas mogelijk na stapsgewijze eenvoudige analyses, waarin de subgroepen zelf nog zichtbaar blijven. De stappen in hfst 1 tot 8 waren essentieel voor een doelmatige selectie van de variabelen voor de multivariate analyse. De multivariate analyse is uitgevoerd via meervoudige lineaire regressies, in het analyseprogramma spss. We geven eerst de regressieresultaten weer voor het aantal werkdagen per jaar en vervolgens voor de componenten van het salaris, per maand en per gepresteerd werkuur. Het doel is een eenvoudige, begrijpelijke voorstelling te geven van de invloed van de relevante onafhankelijke variabelen. Eerst wordt de gebruikte werkwijze toegelicht. Meervoudige lineaire regressie Een meervoudige lineaire regressie gaat uit van een vergelijking met minstens 1 onafhankelijke variabele. Ze heeft de volgende vorm: Y = bc + b1X1 + b2X2 + b3X3 + .... + bkXk (1) Hierin is Y de voorspelde waarde van de afhankelijke variabele, X1 tot Xk zijn de onafhankelijke verklarende variabelen, bc het intercept of de constante term, en b1 tot bk zijn de regressiecoëfficiënten of richtingscoëfficiënten. De betekenis van de coëfficiënten volgt uit de vergelijking. Zo is de constante term bc de voorspelde waarde voor de afhankelijke variabele wanneer alle onafhankelijke variabelen gelijk zijn aan 0. De regressiecoëfficiënten b1 tot bk geven het ‘effect’ weer van de onafhankelijke variabelen X1 tot Xk op de afhankelijke variabele Y. Bij een meervoudige regressievergelijking wordt het effect van elke X op Y gecontroleerd voor de effecten van alle andere onafhankelijke variabelen in het model. Concreet is b1 de voorspelde wijziging in Y bij één eenheid wijziging in X1, onder controle van de effecten van X2 tot Xk op Y. Stel dat Y het bruto maandsalaris is en X1 de leeftijd (uitgedrukt in jaren), dan is b1 de voorspelde stijging of daling van het bruto maandsalaris (Y) bij één jaar stijging of daling van de leeftijd, onder controle van de effecten van andere onafhankelijke variabelen, bijv. het functieniveau, het aantal werkdagen per jaar. De meervoudige lineaire regressie veronderstelt metrische afhankelijke en onafhankelijke variabelen: “de voorspelde wijziging in van het maandsalaris (Y) bij één jaar wijziging van de leeftijd (X1)”. Categorische variabelen (bijv. geslacht, functieniveau en type contract) kunnen worden opgenomen als onafhankelijke variabelen in een meervoudige regressie, op voorwaarde dat ze worden gehercodeerd tot ‘metrische’ variabelen. In dit onderzoek worden alle onafhankelijke variabelen omgezet tot diverse binaire variabelen (met waarde 1 of 0), ook dummy-variabelen genoemd, zodat ze een duidelijke betekenis krijgen in de vergelijking. Voor elke categorische variabele is er één binaire variabele minder dan het aantal categorieën. Een dichotome variabele wordt dus omgevormd tot één dummy. Een variabele met drie categorieën tot twee dummies enzovoort.

158


Uitgaande van de beschikbare onafhankelijke variabelen in het GOVO-bestand kan vergelijking (1) concreet worden ingevuld, voor bijv. het bruto salaris per maand (bsm): bsm = bsmc + bgeD1ge + ( bniv5D1niv5 + bniv5D2niv5 + bniv5D3niv5 + bniv5D4niv5 ) + ( blfD1lf + blfD2lf + blfD3lf ) + ( bwdjD1wdj +bwdjD2wdj + bwdjD3wdj ) + ...

(2)

waarbij ge staat voor gender (man/vrouw), niv5 voor functieniveau (D, C, B, A, A+), lf voor leeftijd (18-34, 35-44, 45-54, 55+) en wdj voor aantal VTE werkdagen per jaar (100-150, 150-175, 175-200, 200-220). De binaire onafhankelijke variabelen of dummies worden voorgesteld door de hoofdletter D. Dan is : - D1ge : dummy voor gender, met 1 = vrouw en 0 =man, - D1niv5 : de eerste dummy voor functieniveau, met 1 = niveau D en 0 = C, B, A of A+, D2niv5 is de tweede dummy voor functieniveau, met 1 = niveau C en 0 = D, B, A, A+ enzovoort. Voor elke binaire variabele wordt een referentiegroep bepaald, waarvoor de waarde gelijk is aan 0. De combinatie van alle onafhankelijke binaire variabelen leidt tot een referentiegroep voor de hele regressievergelijking: bijv. man, functieniveau A, 55+ jaar en 200-220 werkdagen. Bijgevolg worden alleen de binaire variabelen voor de andere categorieën in de vergelijking opgenomen. De meervoudige lineaire regressie laat zien in welke mate de diverse binaire variabelen een ‘effect’ hebben op de afhankelijke variabelen, met andere woorden in welke mate ze bijdragen tot de totale verklaarde variantie, genoteerd als R2 (R-kwadraat). Interactie-effecten Bij een meervoudige lineaire regressie moet men ook rekening houden met de interactie tussen de onafhankelijke variabelen en de gecombineerde invloed daarvan op de afhankelijke variabele, het zogenaamde interactie-effect. Een eenvoudige versie van vergelijking (1) met 2 onafhankelijke variabelen kan dan worden uitgebreid: Y = bc + b1X1 + b2X2 + b1-2 X1X2 (3) met de interactie-term b1-2 X1X2 als nieuw element. Daarin is b1-2 de regressiecoëfficiënt van het product van de twee onafhankelijke variabelen X1 en X2. Het aantal mogelijke interactietermen neemt toe met het aantal onafhankelijke variabelen. Op basis van de bivariate correlatiematrix werden interactieeffecten voor de variabelen met een hoge correlatie onderzocht. De interpretatie en formulering van de betekenis van de interactietermen tot de verklaarde variantie R2 is niet eenvoudig. Daarom werden voor de variabelen met een betekenisvol interactie-effect gecombineerde binaire variabelen of dummies geconstrueerd. Ze vervangen dan de afzonderlijke dummies en de daarmee verbonden interactie-termen. Voor elke gecombineerde dummy wordt een specifieke regressiecoëfficiënt gegeven, zodat de afzonderlijke bijdrage duidelijk is. De voorgestelde regressies zijn het resultaat van het testen van zeer veel combinaties. Het doel is een voldoende eenvoudige en begrijpelijke voorstelling te geven van de bijdrage van de relevante onafhankelijke variabelen. In deze voorstelling worden geen gecombineerde dummies opgenomen, omdat de extra bijdrage ervan tot de totale verklaarde variantie R2 zeer beperkt is. De modellen met zinvolle gecombineerde dummies worden in het bijkomend hoofdstuk 9d van Basisrapport GOVO 2018 weergegeven toegelicht. In het extra hoofdstuk 9e van het basisrapport worden de modellen van dit hoofdstuk getoond, maar dan zonder de entiteit MDK.

159


Samenvatting Voor het aantal werkdagen per jaar ligt de totaal verklaarde variantie (R2) op 0,150, wat laag is. Wellicht is het personeelsstatuut, dat weinig variatie biedt, de belangrijkste reden. Gender heeft het grootste, negatieve effect: vrouwen werken gemiddeld 15,3 VTE dagen minder per jaar dan mannen. Ook de dummies voor functieniveau D, voor 3 leeftijdsgroepen en voor personen werkzaam in entiteit MDK dragen bij tot de verklaring. Vervolgens worden de regressieresultaten toegelicht voor de diverse componenten van het salaris, per maand en per gepresteerd werkuur. De referentiegroep (alle dummies zijn nul) is: mannen, functieniveau A, 55 jaar of ouder, meer dan 200 werkdagen/jaar, meer dan 25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK. De beste resultaten zijn er voor het bruto maandsalaris, met een totale verklaarde variantie (R2) van 0,848. Dat is zeer hoog en beduidend hoger dan voor het totaal bruto en netto maandsalaris, met een R2 van respectievelijk 0,712 en 0,680. Bijna 85% van de variantie wordt verklaard door de onafhankelijke variabelen in het model. Vooral het ontbreken van de bruto toelagen in de onafhankelijke variabele leidt tot de hogere R2. Gender heeft een zeer beperkt negatief effect, met gemiddeld 72 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is negatief en zeer groot: tegenover de referentiegroep ligt het gemiddelde bruto maandsalaris voor die subgroepen veel lager. Het verschil neemt ook toe wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect positief en kleiner. De dummies voor 2 leeftijdsgroepen, voor 100-150 en 150-175 werkdagen per jaar, voor 0-5 en 5-15 dienstjaren en voor werknemers van entiteit MDK leveren een significante maar kleinere bijdrage aan de verklaring. Bij regressies is er een probleem van multicollineariteit wanneer onafhankelijke variabelen sterk gecorreleerd zijn. Multicollineariteit reduceert de betrouwbaarheid van de regressiecoëfficiënten. Multicollineariteit wordt opgespoord via de variance inflation factor (VIF). In dit onderzoek is de VIF van alle onafhankelijke variabelen kleiner dan 4, wat er op wijst dat er geen noemenswaardig probleem van multicollineariteit bestaat. De modellen met gecombineerde dummies (functieniveau en gender, functieniveau en leeftijd, dienstjaren en gender, werkdagen per jaar en gender) leveren bijna geen extra R2 op. Wel geven de coëfficiënten meer genuanceerde informatie. Zo is bijv. het gecontroleerde genderverschil groter voor functieniveaus A en A+ dan voor de lagere functieniveaus. De modellen zonder de medewerkers van entiteit MDK levert evenmin een hogere R2 op. Hoewel de R2-waarden voor de analyses met het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris als afhankelijke variabelen duidelijk kleiner zijn, zijn de effecten van de diverse dummies bijna dezelfde, met uitzondering van de veel grotere invloed van de dummy ‘werkzaam in entiteit MDK’. Een bijkomende verklaring (en hogere R2) is wellicht mogelijk door het beroep of de functie als onafhankelijke variabele, met name in combinatie met de factoren gender, functieniveau, beleidsdomein en entiteit. In Vlimpers is deze variabele helaas niet beschikbaar. Het bijkomende hoofdstuk 9b geeft enkele eenvoudige tabellen voor de berekening van de diverse salariscomponenten voor specifieke groepen van medewerkers, op basis van de regressies en uitgaande van de referentiegroep. Het mechanisme van de regressie met de binaire onafhankelijke variabelen wordt zo op een andere wijze duidelijk gemaakt.

160


1

Werkdagen per jaar Samenvatting model

Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11

Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK

Beta grenzen Verklaarde variantie R2 SE 0,138 26,0 B 189,0 -15,2 -7,8 -3,5 -3,3 9,9 10,1 6,6 9,3 -2,2 14,7

SE 0,6 0,4 0,6 0,6 0,5 0,8 0,7 0,6 0,6 0,5 0,8

ANOVA df Sign. 10 0,000 Beta -0,271 -0,102 -0,052 -0,049 0,096 0,140 0,110 0,152 -0,033 0,132

Sign. 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000

VIF 1,07 1,38 1,38 1,37 1,20 1,86 1,85 1,74 1,20 1,08

B : ongestandaardiseerd (werkdagen) Beta : gestandaardiseerd Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0

We geven eerst de regressieresultaten voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar, als basis voor het salaris. We vermelden nogmaals dat in de analyses alleen de werknemers met per jaar minstens 100 werkdagen en maximaal 50 ziekte- of vrijstellingsdagen zijn opgenomen. De figuur toont per 20 dagen de frequentieverdeling van de door de regressie voorspelde waarden, tegenover de normaalverdeling (zwarte lijn). De totaal verklaarde variantie (R2) ligt met 0,138 niet echt hoog. Achterliggend zijn andere factoren meer bepalend, vooral de beperkte variatie die in het personeelsstatuut mogelijk is en de selectie van de medewerkers in de analyse. De betawaarde of gestandaardiseerde regressiecoëfficiënt geeft het relatieve belang van de coëfficiënten weer, met een positief of negatief effect. De B-waarde is dan het effect van de diverse dummies, zijnde het verwachte aantal werkdagen per jaar dat de betreffende subgroepen meer of minder werken ten aanzien van de referentiegroep (onder de tabel weergegeven). Elke medewerker vertegenwoordigt een specifieke combinatie van de dummies (1 of 0). Op basis van de dummies zijn er veel combinaties of subgroepen mogelijk. Gender heeft hier het grootste effect, negatief. Vrouwen hebben, in combinatie met de andere onafhankelijke variabelen in het model, gemiddeld 15 werkdagen minder per jaar dan mannen. Voorts dragen ook de dummies voor functieniveau D, voor 3 leeftijdsgroepen en voor personen werkzaam in entiteit MDK bij tot de verklaring. De variance inflation factor (VIF) is voor alle onafhankelijke variabelen veel kleiner dan 4, wat wijst op de afwezigheid van multicollineariteit. Dezelfde regressie voor het aantal erkende werkdagen per jaar geeft een zeer lage R2 van 0,061. Het verschil tussen mannen en vrouwen valt daarbij immers bijna volledig weg. Ook het effect van de dummies voor functieniveau D en voor personen werkzaam in entiteit MDK is veel kleiner. 161

< -0,100

> 0,100


2

Totaal bruto salaris per maand Samenvatting model

Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-150 Werkdagen/jaar 150-175 Werkdagen/jaar 175-200 Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dienstanciënniteit 15-25 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK

Verklaarde variantie R2 SE 0,710 1.121,4

ANOVA df Sign. 16 0,000

B

SE

Beta

Sign.

VIF

6.890,7 -232,4 -2.865,7 -2.260,0 -1.642,2 1.506,8 -1.318,7 -864,1 -338,1 -1.268,3 -749,0 -292,1 -593,9 -547,0 -217,8 -258,2 2.706,8

30,1 18,4 27,7 24,3 23,8 34,6 34,4 29,2 26,5 29,1 24,5 22,0 33,6 30,5 29,2 24,7 35,9

-0,056 -0,502 -0,453 -0,333 0,197 -0,245 -0,193 -0,074 -0,195 -0,139 -0,059 -0,127 -0,121 -0,046 -0,052 0,327

0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000

1,16 1,40 1,40 1,39 1,22 2,42 2,54 2,00 1,19 1,23 1,18 3,05 2,70 2,23 1,48 1,11

B : ongestandaardiseerd (euro)

Beta : gestandaardiseerd

Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0

De totale verklaarde variantie (R2) voor het totaal bruto salaris per maand bedraagt 0,701, wat hoog is. Gender heeft een beperkt negatief effect (beta= -0,056), met - gecontroleerd voor de andere onafhankelijke variabelen in het model gemiddeld 232 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is negatief en groot: tegenover de referentiegroep ligt het gemiddeld totaal bruto salaris voor die subgroepen veel lager. Het verschil stijgt wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect weer positief en kleiner. Ook de dummies voor 2 leeftijdsgroepen, voor 100-150 en 150-175 werkdagen per jaar, voor 0-5 en 5-15 dienstjaren en voor werknemers van entiteit MDK leveren een bijdrage aan de verklaring. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK leidt tot een R2 van 0,800 (Basisrapport, hoofdstuk 9e). Opnieuw is de variance inflation factor (VIF) voor alle onafhankelijke variabelen kleiner dan 4, wat de afwezigheid van multicollineariteit weergeeft. Dat geldt ook voor de volgende regressiemodellen. 162


3

Bruto salaris per maand Samenvatting model

Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-150 Werkdagen/jaar 150-175 Werkdagen/jaar 175-200 Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dienstanciënniteit 15-25 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK

Verklaarde variantie R2 SE 0,847 578,6

ANOVA df Sign. 16 0,000

B

SE

Beta

Sign.

VIF

5.672,9 -94,5 -2.370,2 -1.809,8 -1.369,8 1.605,4 -952,2 -595,1 -200,6 -1.064,5 -589,7 -173,3 -510,7 -524,4 -265,0 -263,9 418,9

15,5 9,5 14,3 12,5 12,3 17,8 17,8 15,1 13,7 15,0 12,7 11,3 17,3 15,7 15,1 12,7 18,5

-0,032 -0,585 -0,511 -0,392 0,296 -0,249 -0,188 -0,062 -0,231 -0,154 -0,049 -0,154 -0,164 -0,078 -0,075 0,071

0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000

1,16 1,40 1,40 1,39 1,22 2,42 2,54 2,00 1,19 1,23 1,18 3,05 2,70 2,23 1,48 1,11

B : ongestandaardiseerd (euro)

Beta : gestandaardiseerd

Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0

De totale verklaarde variantie (R2) voor het bruto maandsalaris bedraagt 0,847. Bijna 85% van de variantie wordt verklaard door onafhankelijke variabelen in het model. Dat is zeer hoog en beduidend hoger dan voor de loonkosten en het totaal bruto maandsalaris. Vooral het wegvallen van de bruto toelagen leidt tot de hogere R2. Gender heeft een zeer beperkt negatief effect (beta= -0,032), met gemiddeld 94 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is opnieuw negatief en groot: tegenover de referentiegroep ligt het gemiddelde bruto maandsalaris voor die subgroepen veel lager. Het verschil neemt toe wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect positief en kleiner. De dummies voor 2 leeftijdsgroepen, voor 100-150 en 150-175 gepresteerde werkdagen per jaar en voor 0-5 en 5-15 dienstjaren leveren een betekenisvolle bijdrage aan de verklaring. De dummy voor werknemers van entiteit MDK levert geen bijdrage aan de verklaring aangezien het effect van de hoge bruto toelagen hier wegvalt. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK levert een R2 op van 0,855. 163


4

Totaal netto salaris per maand Samenvatting model

Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-150 Werkdagen/jaar 150-175 Werkdagen/jaar 175-200 Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dienstanciënniteit 15-25 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK

Verklaarde variantie R2 SE 0,672 561,8

ANOVA df Sign. 16 0,000

B

SE

Beta

Sign.

VIF

3.932,4 -174,4 -1.231,0 -992,2 -711,3 630,4 -623,3 -370,1 -130,6 -659,7 -368,4 -154,3 -281,4 -222,9 -84,6 -108,9 1.272,6

15,1 9,2 13,9 12,1 11,9 17,3 17,2 14,6 13,3 14,6 12,3 11,0 16,8 15,3 14,6 12,4 18,0

-0,089 -0,458 -0,423 -0,307 0,175 -0,245 -0,176 -0,061 -0,216 -0,145 -0,066 -0,128 -0,105 -0,038 -0,047 0,326

0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000

1,16 1,40 1,40 1,39 1,22 2,42 2,54 2,00 1,19 1,23 1,18 3,05 2,70 2,23 1,48 1,11

B : ongestandaardiseerd (euro)

Beta : gestandaardiseerd

Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0

De totale verklaarde variantie (R2) voor het totaal netto maandsalaris (met de toelagen) bedraagt 0,672. Dat is iets lager dan voor het totaal bruto maandsalaris. Gender heeft weer een beperkt negatief effect (beta= -0,089), met gemiddeld 174 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is opnieuw negatief en groot, tegenover de referentiegroep ligt het gemiddeld totaal netto salaris voor die subgroepen veel lager. Ook hier stijgt het verschil wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect weer positief en kleiner. Ook de dummies voor 2 leeftijdsgroepen, voor 100-150 en 150-175 gepresteerde werkdagen per jaar, voor 0-5 en 5-15 dienstjaren en voor werknemers van entiteit MDK leveren een bijdrage aan de verklaring. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK leidt tot een hogere R2 van 0,710. Voor de 4 soorten maandsalaris geeft dezelfde regressie met het aantal erkende werkdagen per jaar een iets lagere R2. Het grote verschil in werkdagen tussen mannen en vrouwen valt dan immers grotendeels weg. Het effect van de andere onafhankelijke variabelen is grotendeels gelijk. 164


5

Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Samenvatting model

Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-150 Werkdagen/jaar 150-175 Werkdagen/jaar 175-200 Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dienstanciënniteit 15-25 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK

Verklaarde variantie R2 SE 0,686 8,7

ANOVA df Sign. 16 0,000

B

SE

Beta

Sign.

VIF

53,9 -1,6 -23,7 -18,7 -13,5 11,5 -10,9 -7,2 -3,1 4,0 1,6 1,0 -4,9 -4,5 -1,9 -2,5 20,3

0,2 0,1 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,2 0,2 0,2 0,3

-0,053 -0,558 -0,504 -0,369 0,203 -0,271 -0,216 -0,092 0,083 0,039 0,027 -0,141 -0,134 -0,054 -0,068 0,329

0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000

1,16 1,40 1,40 1,39 1,22 2,42 2,54 2,00 1,19 1,23 1,18 3,05 2,70 2,23 1,48 1,11

B : ongestandaardiseerd (euro)

Beta : gestandaardiseerd

Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0

De totale verklaarde variantie (R2) voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur bedraagt 0,686. Dat is iets hoger dan voor het totaal bruto maandsalaris. Ondanks het neutraliseren van het aantal werkdagen, heeft gender hier een beperkt negatief effect (beta= -0,053), met gemiddeld 1,6 euro minder per gepresteerd werkuur voor vrouwen. De invloed van de andere dummies is grotendeels dezelfde als voor het totaal bruto maandsalaris, met uitzondering van de dummies voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar. De beta-waarden zijn klein maar wel positief. Tegenover de referentiegroep stijgt het uursalaris voor personen met 100-150, 150-175 en 175-200 gepresteerde werkdagen per jaar met respectievelijk 4,0 euro, 1,6 euro en 1,0 euro. Minder effectief gepresteerde werkdagen per jaar gaan dus samen met een (iets) hoger uursalaris, omdat in het totaal bruto salaris ook het salaris voor de dagen ziekteverlof, dienstvrijstelling en jaarlijks verlof vervat is. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK leidt tot een iets hogere R2.

165


6

Bruto salaris per gepresteerd werkuur Samenvatting model

Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-150 Werkdagen/jaar 150-175 Werkdagen/jaar 175-200 Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dienstanciënniteit 15-25 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK

Verklaarde variantie R2 SE 0,828 4,7

ANOVA df Sign. 16 0,000

B

SE

Beta

Sign.

VIF

44,5 -0,6 -19,8 -15,1 -11,4 12,3 -8,0 -5,0 -2,0 3,3 1,7 1,4 -4,2 -4,3 -2,3 -2,5 3,0

0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1

-0,025 -0,646 -0,563 -0,431 0,298 -0,274 -0,210 -0,081 0,096 0,058 0,052 -0,167 -0,176 -0,088 -0,092 0,068

0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000

1,16 1,40 1,40 1,39 1,22 2,42 2,54 2,00 1,19 1,23 1,18 3,05 2,70 2,23 1,48 1,11

B : ongestandaardiseerd (euro)

Beta : gestandaardiseerd

Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0

De totale verklaarde variantie (R2) voor het bruto uursalaris bedraagt 0,828. Dat is duidelijk hoger dan voor het totaal bruto uursalaris maar iets lager dan voor het bruto maandsalaris. Gender heeft een zeer beperkt negatief effect (beta= -0,025), met gemiddeld 0,6 euro minder per werkuur voor vrouwen. De invloed van de andere dummies is grotendeels dezelfde als voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur. De dummies voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar hebben weer een klein positief effect. Tegenover de referentiegroep stijgt het bruto uursalaris voor personen met 100-150, 150-175 en 175-200 gepresteerde werkdagen per jaar met respectievelijk 3,3 euro, 1,7 euro en 1,4 euro. Minder gepresteerde werkdagen per jaar gaan samen met een (iets) hoger uursalaris, aangezien het totaal bruto salaris ook het salaris voor de dagen ziekteverlof en dienstvrijstelling omvat. De dummy voor werknemers van entiteit MDK levert hier geen bijdrage aan de verklaring aangezien het effect van de hoge bruto toelagen wegvalt.

166


7

Totaal netto salaris per gepresteerd werkuur Samenvatting model

Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-150 Werkdagen/jaar 150-175 Werkdagen/jaar 175-200 Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dienstanciënniteit 15-25 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK

Verklaarde variantie R2 SE 0,626 4,4

ANOVA df Sign. 0 0,000

B

SE

Beta

Sign.

VIF

30,6 -1,3 -10,1 -8,2 -5,8 4,8 -5,2 -3,1 -1,3 4,6 2,0 0,8 -2,3 -1,8 -0,7 -1,1 9,4

0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1

-0,087 -0,511 -0,472 -0,340 0,180 -0,279 -0,200 -0,082 0,204 0,108 0,049 -0,141 -0,114 -0,044 -0,066 0,328

0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000

1,16 1,40 1,40 1,39 1,22 2,42 2,54 2,00 1,19 1,23 1,18 3,05 2,70 2,23 1,48 1,11

B : ongestandaardiseerd (euro)

Beta : gestandaardiseerd

Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0

De totale verklaarde variantie (R2) voor het totaal netto uursalaris bedraagt 0,626. Dat is iets lager dan voor het totaal bruto uursalaris. Gender heeft weer een beperkt negatief effect (beta= -0,087), met gemiddeld 1,3 euro minder per gepresteerd werkuur voor vrouwen. De invloed van de andere dummies is grotendeels dezelfde als voor het totaal bruto uursalaris. De dummies voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar hebben ook hier een klein positief effect. Tegenover de referentiegroep stijgt het totaal netto uursalaris voor personen met 100-150, 150-175 en 175-200 gepresteerde werkdagen per jaar met respectievelijk 4,6 euro, 2,0 euro en 0,8 euro. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK leidt tot een iets hogere R2. Voor de 4 soorten salaris per erkend werkuur geeft dezelfde regressie met het aantal erkende werkdagen per jaar een iets lagere R2. Het grote verschil in werkdagen tussen mannen en vrouwen valt dan immers grotendeels weg. Het effect van de andere onafhankelijke variabelen is grotendeels gelijk.

167


9b Berekening van salariscomponenten op basis van de regressies Inleiding en samenvatting Dit bijkomend hoofdstuk 9b geeft op basis van de regressies in hoofdstuk 9 enkele eenvoudige tabellen voor de berekening van de diverse salariscomponenten voor specifieke groepen van medewerkers, opnieuw uitgaande van de referentiegroep. Zo wordt op een andere manier het mechanisme van de regressie met de binaire onafhankelijke variabelen concreet gemaakt. Hieronder staan de coëfficiënten (positief of negatief) van de regressie voor de diverse salariscomponenten in hoofdstuk 9. Daarna volgen 4 calculatietabellen met in de kolommen de dummies voor de onafhankelijke variabelen gender, functieniveau, leeftijd, werkdagen per jaar, dienstanciënniteit, statuut en entiteit. De eerste tabel betreft de referentiegroep: mannen, functieniveau A, 55 jaar of ouder, meer dan 200 werkdagen per jaar, meer dan 25 dienstjaren, statutair en niet werkzaam in entiteit MDK. De constante (Cte) is dan het salaris van de referentiegroep. De 3 volgende tabellen kunnen worden gebruikt voor de berekening van de salariscomponenten van andere groepen. Per onafhankelijke variabele kan de waarde van 1 dummy op 1 worden gezet. Wanneer een dummy de waarde 1 heeft, wordt de waarde van de coëfficiënt voor alle salariscomponenten meegeteld. De rechterkolom geeft de berekende salariscomponenten van de betreffende groep medewerkers.

Regressiecoëfficiënten Cte

Functieniveau

Gender

Referentiegroep

Man

Andere groepen

Vrouw

55+ jaar

A D

C

B

Werkdagen/jaar

Leeftijd

Dienstanciënniteit

>200 dagen

A

A+

18-34

35-44

45-54

55+

>25 jaar

100-150 150-175 175-200 200-220

Statuut

Entiteit

Statutair

Nt Ent 8

0-5

5-15

15-25

>25

Contract.

Ent 8

Loonkosten / maand

8.215

-294

-3.283 -2.629 -1.929

0

1.701

-1.503

-932

-297

0

-1.525

-861

-306

0

-775

-820

-392

0

69

2.527

Totaal bruto salaris / maand

6.891

-232

-2.866 -2.260 -1.642

0

1.507

-1.319

-864

-338

0

-1.268

-749

-292

0

-594

-547

-218

0

-258

2.707

Bruto salaris+ / maand

6.369

-106

-2.632 -2.014 -1.524

0

1.769

-1.084

-673

-227

0

-1.189

-658

-195

0

-590

-582

-295

0

-297

471

Bruto salaris / maand

5.673

-95

-2.370 -1.810 -1.370

0

1.605

-952

-595

-201

0

-1.064

-590

-173

0

-511

-524

-265

0

-264

419

Totaal netto salaris / maand

3.932

-174

-1.231

-992

-711

0

630

-623

-370

-131

0

-660

-368

-154

0

-281

-223

-85

0

-109

1.273

Totaal bruto salaris / werkuur

53,9

-1,6

-23,7

-18,7

-13,5

0

11,5

-10,9

-7,2

-3,1

0

4,0

1,6

1,0

0

-4,9

-4,5

-1,9

0

-2,5

20,3

Bruto salaris+ / werkuur

50,0

-0,6

-22,0

-16,8

-12,7

0

13,5

-9,1

-5,7

-2,2

0

3,8

1,9

1,6

0

-4,9

-4,7

-2,5

0

-2,8

3,4

Bruto salaris / werkuur

44,5

-0,6

-19,8

-15,1

-11,4

0

12,3

-8,0

-5,0

-2,0

0

3,3

1,7

1,4

0

-4,2

-4,3

-2,3

0

-2,5

3,0

Totaal netto salaris / werkuur

30,6

-1,3

-10,1

-8,2

-5,8

0

4,8

-5,2

-3,1

-1,3

0

4,6

2,0

0,8

0

-2,3

-1,8

-0,7

0

-1,1

9,4

Referentiegroep : alle binaire variabelen = 0

Andere groepen : binaire variabelen = 1 of 0

168


Berekening van salariscomponenten Gender

Functieniveau

Leeftijd

Werkdagen/jaar

Dienstanciënniteit

Statuut

Entiteit

Referentiegroep

Man

A

55+ jaar

>200 dagen

>25 jaar

Statutair

Nt Ent 8

Andere groepen

Vrouw

D

C

B

A

A+

18-34

35-44

45-54

55+

1

0

0

0

1

0

0

0

0

1

0

0

Referentiegroep

Gegevens invullen (1 of 0) Kenmerken persoon

Cte

1

100-150 150-175 175-200 200-220

0-5

5-15

15-25

>25

Contract.

Ent 8

0

1

0

0

0

1

0

0

Statutair

Nt Ent 8

Salaris

Loonkosten / maand

8.215

-294

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

7.921

Totaal bruto salaris / maand

6.891

-232

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

6.658

Bruto salaris+ / maand

6.369

-106

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

6.263

Bruto salaris / maand

5.673

-95

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

5.578

Totaal netto salaris / maand

3.932

-174

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

3.758

Totaal bruto salaris / werkuur

53,9

-1,6

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

52,3

Bruto salaris+ / werkuur

50,0

-0,6

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

49,4

Bruto salaris / werkuur

44,5

-0,6

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

43,9

Totaal netto salaris / werkuur

30,6

-1,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

29,3

Groep 1

Cte

A

Vrouw

55+

200-220

>25

Gender

Functieniveau

Leeftijd

Werkdagen/jaar

Dienstanciënniteit

Statuut

Entiteit

Referentiegroep

Man

A

55+ jaar

>200 dagen

>25 jaar

Statutair

Nt Ent 8

Andere groepen

Vrouw

D

C

Contract.

Ent 8

1

0

0

1

0

Gegevens invullen (1 of 0) Kenmerken persoon

1

B

A

A+

18-34

35-44

45-54

55+

1

0

0

0

0

1

0

B

Vrouw

100-150 150-175 175-200 200-220

0

45-54

0

1

0

0-5

5-15

15-25

>25

0

0

1

0

175-200

15-25

Contract. Nt Ent 8

Salaris

Loonkosten / maand

8.215

-294

0

0

-1.929

0

0

0

0

-297

0

0

0

-306

0

0

0

-392

0

69

0

5.067

Totaal bruto salaris / maand

6.891

-232

0

0

-1.642

0

0

0

0

-338

0

0

0

-292

0

0

0

-218

0

-258

0

3.910

Bruto salaris+ / maand

6.369

-106

0

0

-1.524

0

0

0

0

-227

0

0

0

-195

0

0

0

-295

0

-297

0

3.725

Bruto salaris / maand

5.673

-95

0

0

-1.370

0

0

0

0

-201

0

0

0

-173

0

0

0

-265

0

-264

0

3.306

Totaal netto salaris / maand

3.932

-174

0

0

-711

0

0

0

0

-131

0

0

0

-154

0

0

0

-85

0

-109

0

2.568

Totaal bruto salaris / werkuur

53,9

-1,6

0,0

0,0

-13,5

0,0

0,0

0,0

0,0

-3,1

0,0

0,0

0,0

1,0

0,0

0,0

0,0

-1,9

0,0

-2,5

0,0

32,2

Bruto salaris+ / werkuur

50,0

-0,6

0,0

0,0

-12,7

0,0

0,0

0,0

0,0

-2,2

0,0

0,0

0,0

1,6

0,0

0,0

0,0

-2,5

0,0

-2,8

0,0

30,7

Bruto salaris / werkuur

44,5

-0,6

0,0

0,0

-11,4

0,0

0,0

0,0

0,0

-2,0

0,0

0,0

0,0

1,4

0,0

0,0

0,0

-2,3

0,0

-2,5

0,0

27,2

Totaal netto salaris / werkuur

30,6

-1,3

0,0

0,0

-5,8

0,0

0,0

0,0

0,0

-1,3

0,0

0,0

0,0

0,8

0,0

0,0

0,0

-0,7

0,0

-1,1

0,0

21,2

169


Berekening van salariscomponenten Gender

Functieniveau

Leeftijd

Werkdagen/jaar

Dienstanciënniteit

Statuut

Entiteit

Referentiegroep

Man

A

55+ jaar

>200 dagen

>25 jaar

Statutair

Nt Ent 8

Andere groepen

Vrouw

D

C

B

A

A+

18-34

35-44

45-54

55+

Ent 8

1

0

1

0

0

0

0

1

0

0

Groep 2

Cte

Gegevens invullen (1 of 0) Kenmerken persoon

1

C

Vrouw

100-150 150-175 175-200 200-220 0

1

35-44

0

0

0-5

5-15

15-25

>25

Contract.

0

1

0

0

0

0

Statutair

Nt Ent 8

Salaris

150-175

5-15

Loonkosten / maand

8.215

-294

0

-2.629

0

0

0

0

-932

0

0

0

-861

0

0

0

-820

0

0

0

0

2.678

Totaal bruto salaris / maand

6.891

-232

0

-2.260

0

0

0

0

-864

0

0

0

-749

0

0

0

-547

0

0

0

0

2.238

Bruto salaris+ / maand

6.369

-106

0

-2.014

0

0

0

0

-673

0

0

0

-658

0

0

0

-582

0

0

0

0

2.337

Bruto salaris / maand

5.673

-95

0

-1.810

0

0

0

0

-595

0

0

0

-590

0

0

0

-524

0

0

0

0

2.059

Totaal netto salaris / maand

3.932

-174

0

-992

0

0

0

0

-370

0

0

0

-368

0

0

0

-223

0

0

0

0

1.804

Totaal bruto salaris / werkuur

53,9

-1,6

0,0

-18,7

0,0

0,0

0,0

0,0

-7,2

0,0

0,0

0,0

1,6

0,0

0,0

0,0

-4,5

0,0

0,0

0,0

0,0

23,5

Bruto salaris+ / werkuur

50,0

-0,6

0,0

-16,8

0,0

0,0

0,0

0,0

-5,7

0,0

0,0

0,0

1,9

0,0

0,0

0,0

-4,7

0,0

0,0

0,0

0,0

24,0

Bruto salaris / werkuur

44,5

-0,6

0,0

-15,1

0,0

0,0

0,0

0,0

-5,0

0,0

0,0

0,0

1,7

0,0

0,0

0,0

-4,3

0,0

0,0

0,0

0,0

21,2

Totaal netto salaris / werkuur

30,6

-1,3

0,0

-8,2

0,0

0,0

0,0

0,0

-3,1

0,0

0,0

0,0

2,0

0,0

0,0

0,0

-1,8

0,0

0,0

0,0

0,0

18,3

Groep 3

Cte

Gender

Functieniveau

Leeftijd

Werkdagen/jaar

Dienstanciënniteit

Statuut

Entiteit

Referentiegroep

Man

A

55+ jaar

>200 dagen

>25 jaar

Statutair

Nt Ent 8

Andere groepen

Vrouw

D

C

B

A

A+

18-34

35-44

45-54

55+

Ent 8

0

1

0

0

0

0

1

0

0

0

Gegevens invullen (1 of 0) Kenmerken persoon

1

D

Man

100-150 150-175 175-200 200-220 0

0

18-34

1

0

0-5

5-15

15-25

>25

Contract.

1

0

0

0

1

1

Contract.

Ent 8

Salaris

175-200

0-5

Loonkosten / maand

8.215

0

-3.283

0

0

0

0

-1.503

0

0

0

0

0

-306

0

-775

0

0

0

69

2.527

4.945

Totaal bruto salaris / maand

6.891

0

-2.866

0

0

0

0

-1.319

0

0

0

0

0

-292

0

-594

0

0

0

-258

2.707

4.269

Bruto salaris+ / maand

6.369

0

-2.632

0

0

0

0

-1.084

0

0

0

0

0

-195

0

-590

0

0

0

-297

471

2.043

Bruto salaris / maand

5.673

0

-2.370

0

0

0

0

-952

0

0

0

0

0

-173

0

-511

0

0

0

-264

419

1.822

Totaal netto salaris / maand

3.932

0

-1.231

0

0

0

0

-623

0

0

0

0

0

-154

0

-281

0

0

0

-109

1.273

2.806

Totaal bruto salaris / werkuur

53,9

0,0

-23,7

0,0

0,0

0,0

0,0

-10,9

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

1,0

0,0

-4,9

0,0

0,0

0,0

-2,5

20,3

33,2

Bruto salaris+ / werkuur

50,0

0,0

-22,0

0,0

0,0

0,0

0,0

-9,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

1,6

0,0

-4,9

0,0

0,0

0,0

-2,8

3,4

16,2

Bruto salaris / werkuur

44,5

0,0

-19,8

0,0

0,0

0,0

0,0

-8,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

1,4

0,0

-4,2

0,0

0,0

0,0

-2,5

3,0

14,5

Totaal netto salaris / werkuur

30,6

0,0

-10,1

0,0

0,0

0,0

0,0

-5,2

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,8

0,0

-2,3

0,0

0,0

0,0

-1,1

9,4

22,1

170


Literatuurlijst Dienst Diversiteitsbeleid (2016). Strategisch Gelijkekansen- en Diversiteitsplan Vlaamse overheid 2016-2020: https://overheid.vlaanderen.be/sites/default/files/media/documenten/personeel/diversiteit/Strategisch_meer jarenplan.pdf?timestamp=1517955906. European Institute for Gender Equality (EIGE) (2021). Gender inequalities in care and consequences for the labour market: https://eige.europa.eu/publications/gender-inequalities-care-and-consequences-labourmarket. Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) van Statbel: https://statbel.fgov.be/nl/themas/werkopleiding/arbeidsmarkt/faq EU-SILC-survey van Statbel: https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/armoedeenlevensomstandigheden/faq Eurostat Gender pay gap statistics: https://ec.europa.eu/eurostat/statisticsexplained/index.php?title=Gender_pay_gap_statistics Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (2021). De loonkloof tussen mannen en vrouwen in België – rapport 2021. Brussel: IGVM, 88 p. https://igvmiefh.belgium.be/nl/publicaties/de_loonkloof_tussen_vrouwen_en_mannen_in_belgie_rapport_2021 Noppe, J., Vanweddingen, M. & Weekers, K. (2021). Maatschappelijke positie en participatie van mannen en vrouwen. SV-Rapport 2021/1, Brussel: Statistiek Vlaanderen. Van Dongen, W. (2008). Naar een democratische arbeidsverdeling in Vlaanderen en Europa? Het Combinatiemodel als basis voor een geïntegreerd beleid, SVR-Studie, 2008/1, Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Vlaanderen Intern. Salaris personeel Vlaamse overheid: https://www.vlaanderen.be/intern/salaris-personeelvlaamse-overheid

171


Bijlage 1

Personeelsaantal in Vlimpers naar beleidsdomein en entiteit Beleidsdomein

Entiteit

Financiën en Begroting

Departement Financiën en Begroting Vlaamse Belastingdienst Departement Buitenlandse Zaken Flanders Investment and Trade Toerisme Vlaanderen Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Agentschap Innoveren en Ondernemen Agentschap Plantentuin Meise Vlaamse Onderwijsraad Departement Onderwijs en Vorming Agentschap voor Onderwijsdiensten Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs Onderwijsinspectie Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Opgroeien Zorg en Gezondheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap Departement Cultuur, Jeugd en Media Vlaamse Regulator voor de Media Departement Werk en Sociale Economie SYNTRA Vlaanderen Departement LVLandbouw en Visserij Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek Departement Mobiliteit en Openbare Werken Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust Agentschap Wegen en Verkeer De Vlaamse Waterweg nv Departement Kanselarij en Bestuur Agentschap Informatie Vlaanderen Dienst van de Bestuursrechtscolleges Audit Vlaanderen Agentschap Overheidspersoneel Agentschap Facilitair Bedrijf Agentschap Binnenlands Bestuur Departement Omgeving Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Agentschap voor Natuur en Bos Vlaams Energieagentschap Wonen Vlaanderen Onroerend Erfgoed Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Vlaamse Landmaatschappij Eigen Vermogen Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Vlaamse Milieumaatschappij Strategische adviesraad ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed Milieu- en Natuurraad Vlaanderen Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt Sport Vlaanderen GO! Onderwijs Vlaamse Gemeenschap

Internationaal Vlaanderen

Economie Wetenschap en Innovatie

Onderwijs en Vorming

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Mobiliteit en Openbare Werken

Kanselarij en Bestuur

Omgeving

VREG IVArp Sport Vlaanderen Gemeenschapsonderwijs Totaal - Vlimpers Totaal VO - personen Vlimpers / VO (%)

172

31/dec

2017

2018

190 939 160 345 202 112 346 158 22 270 414 70 15

190 913 166 334 192 110 335 166 21 257 412 70 14

256

252

984 1.536 270 274 424 18 310 141 619 256 805 1.270 1.412

1.011 1.618 283 295 555 19 309 133 616 245 782 1.246 1.392 1.315 268 204 53 41 381 859 376 929 201 708 83 281 290 345 591 50 888 4 9 38 715 190 20.755 28.645 72,5

287 215 51 46 314 831 389 961 208 745 78 288 285 360 53 897 4 10 34 669 194 18.737 28.542 65,6


Bijlage 2

Definitie van begrippen Land woonplaats

het land waar de hoofdverblijfplaats van de werknemer is gevestigd.

Provincie woonplaats

de provincie waar de hoofdverblijfplaats van de werknemer is gevestigd.

Land van geboorte

het land waar de werknemer is geboren.

Land van herkomst

Belgisch of niet-Belgisch (buitenlands): een niet-Belgische nationaliteit hebben, bij de geboorte een niet-Belgische nationaliteit hebben of minstens één ouder hebben met een niet-Belgische geboortenationaliteit. De definitie voor buitenlandse herkomst is sinds 2016 voor alle beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid van toepassing.

Onderwijsniveau

het hoogste diploma dat de werknemer heeft behaald in de studieloopbaan

Samenwonen met partner

de werknemer woont met een vaste partner samen, al dan niet gehuwd, al dan niet met een samenwooncontract.

Personen in huishouden

totaal aantal personen in het huishouden van de werknemer.

Langdurige ziekte of handicap

een langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuigelijke ziekte of beperking die de werknemer in wisselwerking met diverse drempels kan beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de arbeidsmarkt.

Beroepsgroep partner

de beroepsgroep waartoe de partner behoort: werknemer privé, ambtenaar, zelfstandige, werkloos of gepensioneerd.

Provincie van werklocatie

de provincie van de standplaats van de werknemer van de Vlaamse overheid.

Beroepsstatuut

het beroepsstatuut van de werknemer: statutair (vaste benoeming), statutair op proef (tijdens een bepaalde periode) of contractueel.

Functieniveau

in deze studie worden 5 functieniveaus onderscheiden: A+, A, B, C en D. Ten behoeve van een zinvolle analyse van de salarissen werd niveau A+ geconstureerd, bestaande uit mederwerkers van niveau A die een kaderfunctie uitoefenen.

Leidinggevend kader

de werknemers worden ingedeeld in drie groepen: leidinggevend kader, niet-leidinggevend kader en niet-leidinggevende medewerkers. Leidinggevend zijn is een formele titel met diverse niveaus.

Kaderfunctie

is gekenmerkt door de hogere mate van verantwoordelijkheden en autonomie en/of professionele deskundigheid (expertise). Er wordt een onderscheid gemaakt tussen topkader, middenkader en lager kader. Dat onderscheid wordt gecombineerd met het onderscheid tussen leidinggevend en niet-leidinggevend.

Geldelijke anciënniteit

is het aantal jaren dat een medewerker heeft gewerkt in zijn loopbaan, vanaf de eerste werkdag, en dat wordt meegerekend voor het berekenen van het salaris.

Dienstanciënniteit

het aantal jaren dienst dat je als statutair of contractueel opbouwt binnen de diensten van de Vlaamse overheid).

Niveau-anciënniteit

het aantal jaren dat je vanaf je statutaire proeftijd opbouwt in een bepaald niveau (bijvoorbeeld: 10 jaar in niveau C).

Graadanciënniteit

het aantal jaren dat je vanaf je statutaire proeftijd opbouwt in een bepaalde graad (bijvoorbeeld: 10 jaar in de graad van medewerker).

Personeelsaantal - personen

Het personeelsaantal wordt gedefinieerd als het aantal personen dat bij een entiteit in dienst is. Een persoon is in dienst bij de Vlaamse overheid als hij/zij een juridische band (tewerkstellingsrelatie) heeft met minstens één entiteit, in de vorm van een aanstellingsbesluit (statutair) of een tewerkstellingscontract, ongeacht of deze al dan niet bezoldigd wordt. Het personeelsaantal wordt uitgedrukt in ‘personeelsleden’ en wordt steeds berekend op een bepaald moment (bijvoorbeeld 31 december). Personeelsleden die onbeschikbaar zijn voor een entiteit omdat ze gebruik maken van enkele specifieke verloftypes worden toch meegeteld in het personeelsaantal van de entiteit omdat er aan het verlof van het betrokken personeelslid telkens een terugkeerrecht gekoppeld is. Dat betekent dat de tewerkstelling in de betrokken entiteit enkel wordt geschorst en dat de juridische tewerkstellingsrelatie tussen het personeelslid en de entiteit dus op geen enkel moment wordt verbroken.

173


Personeelsbeschikbaarheid - %

de verhouding van het aantal dagen dat een personeelslid in een bepaalde periode geacht wordt om te werken op basis van zijn/haar arbeidsregime ten opzichte van het aantal dagen dat een voltijds personeelslid in diezelfde periode dient te werken. De personeelsbeschikbaarheid geeft weer hoeveel personeelsleden van een entiteit in een bepaalde periode beschikbaar waren. De personeelsbeschikbaarheid wordt uitgedrukt in bruto VTE in een bepaalde periode. Er zijn vijf soorten onbeschikbaarheden: deeltijdse onbeschikbaarheid, verlof voor politiek ambt, verlof tewerkstelling elders, loopbaanonderbrekingen en ten slotte opschorting tewerkstelling. Het betreft hoofdzakelijk verloven die bedoeld zijn om gedurende langere tijd het arbeidsregime in de tewerkstellingsrelatie te wijzigen.

Personeelsaanwezigheid - %

het aantal personeelsleden van een entiteit die gedurende een periode werkelijk prestaties leveren. Dat kengetal wordt voor een bepaalde periode berekend in werkdagen en nadien omgezet naar ‘voltijdse equivalenten’ (nl. netto VTE). Voor de berekening ervan vertrekt men van de personeelsbeschikbaarheid en worden daarvan alle afwezigheden in mindering gebracht. Dat zijn: het jaarlijks vakantieverlof, andere betaalde verlofafwezigheden, afwezigheden ten gevolge van ziekte, arbeidsongeval en zwangerschap. Plaats- en tijdsonafhankelijk werken (telewerken), overuren, dienstreizen en opleidingen worden wel meegeteld, omdat personeelsleden tijdens deze uren reële prestaties leveren. het aantal werkuren dat de werknemer volgens het afgesproken 'regime' in een normale volledige werkweek verricht. Daarbij kan men een binair onderscheid maken tussen een voltijds en deeltijds regime of een meer gradueel onderscheid in meer categorieën, bijv. 100%, 80%, 60%, 50% ... het aantal voltijds equivalente werkdagen (VTE) dat de werknemer effectief per jaar heeft gepresteerd. Een VTE werkdag omvat 7,60 werkuren of 7 uur en 36 minuten. het aantal erkende voltijds equivalente werkdagen (VTE) per jaar, waarvoor men een normaal salaris ontvangt. het aantal voltijds equivalente werkdagen (VTE) dat de werknemer gemiddeld per maand heeft gepresteerd. Een VTE werkdag omvat 7,60 werkuren of 7 uur en 36 minuten. de som van het aantal opgenomen afwezigheidsdagen: betaalde vakantie, onbetaald verlof, ziekteverlof, loopbaanonderbreking, zorgkrediet en dienstvrijstelling, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. de som van het aantal effectieve werkdagen per jaar, opgenomen dagen ziekteverlof en opgenomen dagen dienstvrijstelling, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. Deze dagen worden erkend voor het loon. het aantal opgenomen betaalde verlof- of vakantiedagen, uitgedrukt in VTE dagen per jaar.

Werkuren regime

Werkdagen VTE per jaar Erkende werkdagen VTE per jaar Werkdagen VTE per maand Afwezigheid - VTE dagen per jaar Werk, ziekteverlof en dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar Jaarlijks betaald verlof - VTE dagen per jaar Onbetaald verlof - VTE dagen per jaar Ziekteverlof - VTE dagen per jaar Loopbaanonderbreking - VTE dagen per jaar Zorgkrediet - VTE dagen per jaar Dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar

Telewerken - VTE dagen per jaar

het aantal opgenomen dagen onbetaald verlof, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. het aantal opgenomen dagen erkend ziekteverlof, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. het aantal opgenomen dagen erkende loopbaanonderbreking, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. het aantal opgenomen dagen erkend zorgkrediet, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. het aantal opgenomen dagen erkende dienstvrijstelling, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. Erkende dienstvrijstelling is onder meer mogelijk voor vakbondsactiviteiten overeenkomstig de federale bepalingen, voor vrijwillige brandweerlui, actieve vrijwilligers van het Rode Kruis, voor (verplichte) functies ter gelegenheid van verkiezingen, voor specifieke activiteiten van topsporters, voor specifieke gratis medische en zorgdiensten... (https://overheid.vlaanderen.be/deel-x-de-verloven-en-dienstvrijstellingen-titel-13). het aantal effectieve werkdagen met telewerk of plaats- en tijdsonafhankelijk werken (ptow), uitgedrukt in VTE werkdagen per jaar.

174


Loonkosten per maand Totaal bruto salaris per maand

Bruto toelagen per maand

Bruto salaris per maand Netto salaris per maand

Totaal netto salaris per maand Salaris per gepresteerd werkuur Salaris per erkend werkuur

alle kosten verbonden aan het tewerkstellen van de werknemer, ook de totale budgetlast genoemd (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3. de loonkosten minus de bijdragen van de werkgever voor de Sociale Zekerheid, de extra vergoedingen, voor de maaltijdcheques en de hospitalisatieverzekering (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3. alle algemene en specifieke toelagen bovenop het normale salaris, met uitzondering van het vakantiegeld en de eindejaarspremie, en is onderdeel van het totaal bruto salaris (gemiddelde per maand). Zie: https://overheid.vlaanderen.be/BVR_Deel07-T2. het totaal bruto salaris minus het bruto vakantiegeld, de bruto eindejaarspremie en de bruto toelagen (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3. het totaal bruto salaris minus de bijdragen van de werknemer voor de Sociale Zekerheid, de bedrijfsvoorheffing (personenbelastingen), maaltijdcheques en de bijzonder RSZ, plus de extra vergoedingen (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3. het netto salaris plus de vergoeding voor woon-werkverkeer (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3. is gelijk aan het salaris per jaar gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar. is gelijk aan het salaris per jaar gedeeld door het aantal erkende VTE werkuren per jaar.

175


Bijlage 3

Componenten van het salaris Brutosalaris + Bruto Vakantiegeld (VAK) + Bruto Eindejaarstoelage (EJT) + Bruto Toelagen = Totaal bruto salaris + RSZ en FOP werkgever op brutosalaris, bruto VAK, bruto EJT en bruto toelagen + Vergoedingen + Maaltijdcheques (bijdrage werkgever + administratiekost) + Hospitalisatieverzekering (bijdrage werkgever) = Budgetlast + Vergoeding woon-werkverkeer = Totale budgetlast of loonkosten Bruto salaris + Bruto Vakantiegeld (VAK) + Bruto Eindejaarstoelage (EJT) + Bruto Toelagen = Totaal bruto salaris - RSZ werknemer - FOP werknemer - Bedrijfsvoorheffing - Maaltijdcheques (bijdrage werknemer) - Bijzondere RSZ + Vergoedingen = Netto salaris + Vergoeding woon-werkverkeer = Totaal netto salaris Geen RSZ + FOP werkgever op vergoedingen, maaltijdcheques, hospitalisatieverzekering en woon-werkverkeer. FOP = Financiering van de Overlevingspensioenen

176


Bijlage 4

GOVO - spss-bestand - variabelen Nr. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53

Naam nt nrp aar jr nat nat2 la la3 la2 lag lag2 gw prov gs gj lf lf4c lf5 ond6 ond5 ond4 ond3 par2 gsp bcp ph ph4 ph3 lzh ba sta1 st1 stat3 niv1 ra1 rang1 bd1 ent1 wlprov wlprov7 wlgw3 wlgw2 sas1 agej agej7 agej4 agej3 adij adij7 adij4 adij3 adij2 anij

Beschrijving N teller Nummer persoon in bestand Aantal arbeidsrelaties Jaar Nationaliteit Nationaliteit - 2cat Land - woonplaats Land - woonplaats - 3cat Land - woonplaats - 2cat Land van geboorte Land van geboorte - 2cat Gewest - woonplaats Provincie - woonplaats Geslacht Geboortejaar Leeftijd Leeftijd - 4 cat Leeftijd - per 5 jaar Onderwijsniveau 6 cat Onderwijsniveau 5 cat Onderwijsniveau 4 cat Onderwijsniveau 3 cat Woont met partner Geslacht partner Beroepscategorie partner Aantal personen in huishouden Aantal personen in huishouden - 4cat Aantal personen in huishouden - 3cat Langdurige ziekte of handicap Beroepsactief heden Beroepsstatuut 1 - 3cat Beroepsstatuut 1 - 2cat Beroepsstatuut - 3cat Functieniveau 1 Rang 1 - 18 cat Rang 1 - 14 cat Beleidsdomein 1 Entiteit 1 Werklocatie - provincie Werklocatie - provincie - 7cat Werklocatie gewest - 3cat Werklocatie gewest - 2cat Salarisschaal 1 - 70cat Geldelijke anciënniteit VO - jaren Geldelijke anciënniteit VO - jaren - 7cat Geldelijke anciënniteit VO - jaren - 4cat Geldelijke anciënniteit VO - jaren - 3cat Dienstanciënniteit VO - jaren Dienstanciënniteit VO - jaren - 7cat Dienstanciënniteit VO - jaren - 4cat Dienstanciënniteit VO - jaren - 3cat Dienstanciënniteit VO - jaren - 2cat Niveau-anciënniteit VO - jaren

177


54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111

anij7 anij4 agrj agrj7 agrj4 aschj aschj7 aschj4 lg6 lg3 lg2 kf4 niv5 niv5a wur1 wur1c6 wurvd1 pbhj pbhj10 pbhj20 pahj pahj10 pahj20 wdj wdj2 wdj3 wdj6 wdj20 wdm wdmc6 wdgj wdgj6 wdgm wdgmc6 wdm1 wdm2 wdm3 wdm4 wdm5 wdm6 wdm7 wdm8 wdm9 wdm10 wdm11 wdm12 wuj wuj6 wum wumc6 nvwm nvwm4 afdj afdj6 afdj20 wadj wadj6 aafd

Niveau-anciënniteit VO - jaren - 7cat Niveau-anciënniteit VO - jaren - 4cat Graadanciënniteit VO - jaren Graadanciënniteit VO - jaren - 7cat Graadanciënniteit VO - jaren - 4cat Schaalanciënniteit VO - jaren Schaalanciënniteit VO - jaren - 7cat Schaalanciënniteit VO - jaren - 4cat Leidinggeven - kader - 6cat Leidinggeven - kader - 3cat Leidinggeven - 2cat Kaderfuncties - 4cat Functieniveau - 5cat Functieniveau - 5cat - omgekeerd Werkuren per week - regime 1 Werkuren per week - regime 1 - 6cat Werkuren regime - voltijds/deeltijds 1 Personeelsbeschikbaarheid - % Personeelsbeschikbaarheid - per 10% Personeelsbeschikbaarheid - per 20% Personeelsaanwezigheid - % Personeelsaanwezigheid - per 10% Personeelsaanwezigheid - per 20% Werkdagen VTE per jaar Werkdagen per jaar - 2cat Werkdagen per jaar - 3cat Werkdagen per jaar - 6cat Werkdagen per jaar - per 20 dagen Werkdagen VTE per maand Werkdagen VTE per maand - 6cat Werkdagen VTE - RSZ-gelijkgesteld per jaar - via wugj Werkdagen - RSZ-gelijkgesteld per jaar - 6cat Werkdagen VTE - RSZ-gelijkgesteld - per maand Werkdagen VTE - RSZ-gelijkgesteld - per maand - 6cat Werkdagen VTE - januari Werkdagen VTE - februari Werkdagen VTE - maart Werkdagen VTE - april Werkdagen VTE - mei Werkdagen VTE - juni Werkdagen VTE - juli Werkdagen VTE - augustus Werkdagen VTE - september Werkdagen VTE - oktober Werkdagen VTE - november Werkdagen VTE - december Werkuren per jaar Werkuren per jaar - 6cat Werkuren per maand Werkuren per maand - 6cat Aantal VTE werkmaanden Aantal VTE werkmaanden - 4cat Afwezigheidsdagen VTE per jaar Afwezigheidsdagen per jaar - 6cat Afwezigheidsdagen per jaar - per 20 dagen Werk- + afwez. dagen VTE per jaar Werk- + afwez.dagen VTE per jaar - 6cat Aandeel afwezigheidsdagen in werk- + afwez. dagen - %

178


112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 154 155 156 157 158 159 160 161 162 163 164 165 166 167 168 169

aafd10 aafd20 jvdj jvdj6 ovdj ovdj6 zvdj1 zvdj2 zvdj zvdj6 lodj lodj6 zkdj zkdj6 dvdj dvdj6 dvuj twdj twdj6 atwd atwd10 atwd20 wasdj wasdj6 wzddj wzddj6 zddj zddj6 zddj8 ws2a ws2b blj wwtj wwtj6 lkj lkj20 lkj10 lkm lkm500 lkm1000 lkwu lkwu5 lkwu10 lkwu20 lkbu lkbu5 lkbu10 lkbu20 tbsj tbsj20 tbsj10 tbsm tbsm500 tbsm1000 tbswu tbswu5 tbswu10 tbswu20

Aandeel afwezigheidsdagen in werk- + afwez. dagen - per 10% Aandeel afwezigheidsdagen in werk- + afwez. dagen - per 20% Jaarlijks verlof - opgenomen dagen per jaar Jaarlijks verlof - opgenomen dagen per jaar - 6cat Onbetaald verlof - VTE dagen per jaar Onbetaald verlof - VTE dagen per jaar - 6cat Ziekteverlof - VTE dagen per jaar - voltijds Ziekteverlof - VTE dagen per jaar - deeltijds Ziekteverlof - VTE dagen per jaar Ziekteverlof - VTE dagen per jaar - 6cat Loopbaanonderbreking - VTE dagen per jaar Loopbaanonderbreking - VTE dagen per jaar - 6cat Zorgkrediet - VTE dagen per jaar Zorgkrediet - VTE dagen per jaar - 6cat Dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar Dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar - 6cat Dienstvrijstelling - uren per jaar Telewerken - VTE dagen per jaar Telewerken - VTE dagen per jaar - 6cat Aandeel thuiswerkdagen in werkdagen - % Aandeel thuiswerkdagen in werkdagen - per 10% Aandeel thuiswerkdagen in werkdagen - per 20% Werk- + afwez. dagen VTE per jaar Werk- + afwez.dagen VTE per jaar - 6cat Werk + ziekte + dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar Werk + ziekte + dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar - 6cat Ziekte + dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar Ziekte + dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar - 6cat Ziekte + dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar - 8cat Typologie werksituatie - selectie inkomens per werkuur - 2cat Typologie werksituatie - selectie inkomens per werkuur - 2cat Budgetlast per jaar Woon-werkverkeer toelage per jaar Woon-werkverkeer toelage per jaar - 6cat Loonkosten per jaar Loonkosten per jaar - per 20000 euro Loonkosten per jaar - per 10000 euro Loonkosten per maand Loonkosten per maand - per 500 euro Loonkosten per maand - per 1000 euro Loonkosten per werkuur Loonkosten per werkuur - per 5 euro Loonkosten per werkuur - per 10 euro Loonkosten per werkuur - per 20 euro Loonkosten per betaald uur Loonkosten per betaald uur - per 5 euro Loonkosten per betaald uur - per 10 euro Loonkosten per betaald uur - per 20 euro Totaal bruto salaris per jaar Totaal bruto salaris per jaar - per 20000 euro Totaal bruto salaris per jaar - per 10000 euro Totaal bruto salaris per maand Totaal bruto salaris per maand - per 500 euro Totaal bruto salaris per maand - per 1000 euro Totaal bruto salaris per werkuur Totaal bruto salaris per werkuur - per 5 euro Totaal bruto salaris per werkuur - per 10 euro Totaal bruto salaris per werkuur - per 20 euro

179


170 171 172 173 174 175 176 177 178 179 180 181 182 183 184 185 186 187 188 189 190 191 192 193 194 195 196 197 198 199 200 201 202 203 204 205 206 207 208 209 210 211 212 213 214 215 216 217 218 219 220 221 222 223 224 225 226 227

tbsbu atbslk atbslk10 atbslk20 abwglk abwglk10 abwglk20 btoem btoeu besm besu bspj bspj20 bspj10 bspm bspm500 bspm1000 bspwu bspwu5 bspwu10 bsj bsj20 bsj10 bsm bsm500 bsm1000 bswu bswu10 bswu20 bsbu tnsj tnsj20 tnsj10 tnsm tnsm500 tnsm1000 tnswu tnswu10 tnswu20 atnslk atnslk10 atnslk20 atnstbs atnstbs10 atnstbs20 nsj nsj20 nsj10 nsm nsm500 nsm1000 nswu nswu10 nswu20 gsd1 lfd1 lfd2 lfd3

Totaal bruto salaris per betaald uur Aandeel totaal bruto salaris in loonkosten - % Aandeel totaal bruto salaris in loonkosten - per 10% Aandeel totaal bruto salaris in loonkosten - per 20% Aandeel bijdragen werkgever in loonkosten - % Aandeel bijdragen werkgever in loonkosten - per 10% Aandeel bijdragen werkgever in loonkosten - per 20% Bruto toelagen per maand Bruto toelagen per werkuur Bruto extra salaris per maand Bruto extra salaris per werkuur Bruto salaris+ per jaar Bruto salaris+ per jaar - per 20000 euro Bruto salaris+ per jaar - per 10000 euro Bruto salaris+ per maand Bruto salaris+ per maand - per 500 euro Bruto salaris+ per maand - per 1000 euro Bruto salaris+ per werkuur Bruto salaris+ per werkuur - per 5 euro Bruto salaris+ per werkuur - per 10 euro Bruto salaris per jaar Bruto salaris per jaar - per 20000 euro Bruto salaris per jaar - per 10000 euro Bruto salaris per maand Bruto salaris per maand - per 500 euro Bruto salaris per maand - per 1000 euro Bruto salaris per werkuur Bruto salaris per werkuur - per 10 euro Bruto salaris per werkuur - per 20 euro Bruto salaris per betaald uur Totaal netto salaris per jaar Totaal netto salaris per jaar - per 20000 euro Totaal netto salaris per jaar - per 10000 euro Totaal netto salaris per maand Totaal netto salaris per maand - per 500 euro Totaal netto salaris per maand - per 1000 euro Totaal netto salaris per werkuur Totaal netto salaris per werkuur - per 10 euro Totaal netto salaris per werkuur - per 20 euro Aandeel totaal netto salaris in loonkosten - % Aandeel totaal netto salaris in loonkosten - per 10% Aandeel totaal netto salaris in loonkosten - per 20% Aandeel totaal netto salaris in totaal bruto salaris - % Aandeel totaal netto salaris in totaal bruto salaris - per 10% Aandeel totaal netto salaris in totaal bruto salaris - per 20% Netto salaris per jaar Netto salaris per jaar - per 20000 euro Netto salaris per jaar - per 10000 euro Netto salaris per maand Netto salaris per maand - per 500 euro Netto salaris per maand - per 1000 euro Netto salaris per werkuur Netto salaris per werkuur - per 10 euro Netto salaris per werkuur - per 20 euro Dummy Vrouwen Dummy Leeftijd 18-34 jaar Dummy Leeftijd 35-44 jaar Dummy Leeftijd 45-54 jaar

180


228 229 230 231 232 233 234 235 236 237 238 239 240 241 242 243 244 245 246 247 248 249 250 251 252 253 254 255 256 257 258 259 260 261 262 263 264 265 266 267 268 269 270 271 272 273 274 275 276 277 278 279 280 281 282 283

lfd4 lfdu1 lfdu2 lfdu3 adijd1 adijd2 adijd3 adijd4 niv5d1 niv5d2 niv5d3 niv5d4 niv5d5 wdjd1 wdjd2 wdjd3 wdjd4 std1 bdd1 entd1 entd2 hht1d1 hht1d2 hht1d3 hht1d4 hht1d5 hht2d1 hht2d2 hht2d3 ktl3d1 ktl3d2 niv1_gs1 niv1_gs2 niv2_gs1 niv2_gs2 niv3_gs1 niv3_gs2 niv4_gs1 niv4_gs2 niv5_gs1 niv5_gs2 niv1_lf1 niv1_lf2 niv1_lf3 niv2_lf1 niv2_lf2 niv2_lf3 niv3_lf1 niv3_lf2 niv3_lf3 niv4_lf1 niv4_lf2 niv4_lf3 niv5_lf1 niv5_lf2 niv5_lf3

Dummy Leeftijd 55+ jaar Dummy Leeftijd 18-39 jaar Dummy Leeftijd 40-49 jaar Dummy Leeftijd 50-64 jaar Dummy Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dummy Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dummy Dienstanciënniteit 15-25 jaar Dummy Dienstanciënniteit >25 jaar Dummy Functieniveau D Dummy Functieniveau C Dummy Functieniveau B Dummy Functieniveau A Dummy Functieniveau A+ Dummy Werkdagen/jaar 100-150 Dummy Werkdagen/jaar 175-200 Dummy Werkdagen/jaar 175-200 Dummy Werkdagen/jaar 200-220 Dummy Contractueel Dummy Bd Mobiliteit en Openbare Werken Dummy Entiteit 8 Dummy Entiteit 8 - niveau A Dummy Alleen - 1 ktl Dummy Alleen - 2+ ktl Dummy - Koppel - 0 ktl Dummy - Koppel - 1 ktl Dummy - Koppel - 2+ ktl Dummy Alleen - ktl Dummy Koppel - 0 ktl Dummy - Koppel - ktl Dummy 1 ktl Dummy 2+ ktl Dummy Niv. D - Vrouw Dummy Niv. D - Man Dummy Niv. C - Vrouw Dummy Niv. C - Man Dummy Niv. B - Vrouw Dummy Niv. B - Man Dummy Niv. A - Vrouw Dummy Niv. A - Man Dummy Niv. A+ - Vrouw Dummy Niv. A+ - Man Dummy Niv. D - 18-34 jr Dummy Niv. D - 35-49 jr Dummy Niv. D - 50+ jr Dummy Niv. C - 18-34 jr Dummy Niv. C - 35-49 jr Dummy Niv. C - 50+ jr Dummy Niv. B - 18-34 jr Dummy Niv. B - 35-49 jr Dummy Niv. B - 50+ jr Dummy Niv. A - 18-34 jr Dummy Niv. A - 35-49 jr Dummy Niv. A - 50+ jr Dummy Niv. A+ - 18-34 jr Dummy Niv. A+ - 35-49 jr Dummy Niv. A+ - 50+ jr

181


Publicatie van

Vlaamse overheid Dienst Diversiteitsbeleid - Agentschap Overheidspersoneel VSA - Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100 1000 Brussel


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook