---••.... .~u•: 111111 •
i8i• • ...::
Vlaamse Woon raad Strategische Adviesraad Vlaamse Woonraad Koning Albert II-laan 19 bus 23 1210 Brussel vlaamse.woonraad@rwo.vlaanderen.be www.vlaamsewoonraad.be
Advies 2015/06 datum
20 augustus 2015
bestemmeling
Mevrouw Liesbeth Homans, Viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en armoedebestrijding
onderwerp
Advies over het evaluatierapport van het programmatieproces van het procedurebesluit wonen van 25 oktober 2013
1. Situering Het procedurebesluit van 25 oktober 2013 regelt het programmatieproces voor de realisatie van de sociale huisvesting in Vlaanderen. In artikel 4 van vernoemd besluit wordt bepaald dat de minister bevoegd voor wonen het beleidskader en het financieel kader kan wijzigen op basis van een evaluatierapport van Wonen-Vlaanderen, na advies van de Vlaamse Woonraad. Het evaluatierapport is door Wonen-Vlaanderen opgemaakt, en aan de Vlaamse Woonraad voorgelegd op 22 juli 2015. Voorliggend advies werd op 20 augustus 2015 goedgekeurd door de Vlaamse Woonraad.
2. Bespreking van het evaluatierapport 2.1.
Evaluatie programmatieproces
Het vernoemd besluit van 25 oktober 2013 legt op om jaarlijks de werking van het programmatieproces te evalueren. Wonen-Vlaanderen heeft deze opdracht uitgevoerd in samenspraak met de betrokken actoren en de diverse fasen van het programmatieproces werden beoordeeld. De Vlaamse Woonraad ondersteunt de keuze om op geregelde
~r\ Vlaams~ ,~ \ overheid
tijdstippen het programmatieproces inzake één van de belangrijkste instrumenten binnen het Vlaamse woonbeleid te evalueren. Met het oog op een grotere efficiëntie van het programmatieproces is een breed opgezet initiatief met de diverse betrokkenen van belang. In de toekomst kan worden nagegaan of het jaarlijkse opzetten van een evaluatie even noodzakelijk blijkt (momenteel in opstartfase is dit wel het geval). De Vlaamse Woonraad heeft overeenkomstig artikel 21 § 2, 1° van de Vlaamse Wooncode de opdracht adviezen uit te brengen over de hoofdlijnen van het woonbeleid in het algemeen én de sociale huisvesting in het bijzonder. De Vlaamse Woonraad waardeert dan ook de betrokkenheid bij de evaluatie, maar meent dat de inbreng aan waarde kan toenemen naarmate het onderwerp meer strategisch van aard is (en minder technisch organisatorisch, wat met voorliggende evaluatie eerder het geval is). 2.2.
Optimalisering werkwijze
Het evaluatierapport heeft niet tot doel de algemeen strategische evaluatie van het instrument van de sociale huisvesting te maken, wel om de werkwijze met betrekking tot de programmatie te evalueren. De evaluatie slaat zowel op het Ministerieel Besluit van 13 februari 2014 als op het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 oktober 2013. De Raad kan instemmen met het opzet, en beperkt zijn advies tot dit opzet. De evaluatie beoogt de optimalisatie van het programmatieproces. Hierbij wordt gezocht naar de verbetering, de transparantie en de vereenvoudiging van de procedure, onder meer worden de procedurestappen op nut en noodzakelijkheid onderzocht. Op basis van de evaluatie wordt in eerste instantie beoogd het desbetreffend Ministerieel Besluit en het Besluit van de Vlaamse Regering te wijzigen, en in latere fase het decreet. Deze werkwijze verloopt bijgevolg van technisch gedetailleerd naar de ruimere beleidscontext. Een dergelijke aanpak is mogelijk minder optimaal en beperkt. Mede daarom is het wenselijk eveneens het ruimer geheel in ogenschouw te kunnen nemen en rekening te houden met breder opgestarte initiatieven. Zo kan het lopend kerntakendebat een invloed hebben op de (technische) uitwerking van het programmatieproces. Tevens dient in een ruimere mate rekening te worden gehouden met de vooropgestelde wijzigingen in de sociale koop (zie verder). Daarnaast meent de Raad dat in het kader van voorliggende evaluatie het aangewezen is na te gaan in welke mate de (vernieuwde) procedure aanleiding geeft tot versnelde realisaties (nieuwbouw en renovatie). Met andere woorden moet de evaluatie oog hebben voor het globale resultaat van de programmatie (via de evaluatie van de concrete vastlegging van de financiering en de globale evaluatie van het aangewend budget). Verder meent de Raad dat de programmatie er vooral op gericht is het huidig beperkte budget zo goed mogelijk in te zetten. Dit dwingt tot keuzes (zie verder) en hypothekeert evenzeer een optimale programmatie gebaseerd op de noden. Dit komt in de evaluatie te weinig aan bod (en bijgevolg blijft de evaluatie ten dele steken op het niveau van de concrete operationele procedurestappen en is minder opgezet vanuit het doel hoe de noden het best worden gelenigd).
2
2.3.
Autonomie
Het evaluatierapport beklemtoont het belang van de autonome invulling van de programmatie op lokaal vlak. De Raad kan hier in principe mee instemmen voor zover daarnaast het gewestelijke kader, in het bijzonder de sociale objectieven, algemeen als richtinggevend blijft gelden (wat ook het geval is). De autonome invulling van het programmatieproces zorgt op het terrein voor voldoende dynamiek. In dit licht is het van belang de procedure te kunnen ontdoen van belemmerende of overbodige stappen. De evaluatie stelt voor om de attestering van wat besproken werd op het lokaal woonoverleg te schrappen als aparte procedurestap voor het agentschap Wonen-Vlaanderen. De attestering op zich voegt in de praktijk immers weinig toe aan de (reglementair vooropgestelde) leidraad die lokaal wordt gehanteerd (en het doet verder geen afbreuk aan de gewestelijke plicht om sociaal objectief op te volgen). Hiermee zet het evaluatierapport zich op de lijn van de paritaire commissie decentralisatie. De Raad kan hiermee instemmen. Verder wenst de Raad te wijzen op een spanningsveld in het evaluatierapport tussen enerzijds de bekommernis voor de autonome lokale invulling en anderzijds de wens om bijkomende regels te willen uitwerken. Zo moet het opleggen van bijkomende voorwaarden (cf. het hebben van bouwvergunning of zakelijk recht) worden afgewogen aan het beoogde effect (en de opgelegde last moet steeds proportioneel zijn), of aan de impact op het toepassingsgebied. 2.4.
Prioriteiten
De (vernieuwde) programmatieprocedure is ingevoerd met als doel kortere doorlooptijden (met vlotte doorstroming van de projecten naar de korte termijnplanning) en een soepele procedure te realiseren. Het aanduiden van prioriteiten kan hiertoe mede bepalend werken. Algemeen kan de Raad een dergelijke aanpak in beginsel ondersteunen, maar wenst hierbij een aantal aandachtspunten te formuleren. Het hanteren van prioriteiten voor de renovatieprojecten houdt een selectiemechanisme in. Hierbij is het de vraag of het selectiemechanisme niet al te veel wordt aangestuurd vanuit het globaal budgettair tekort (en bijgevolg minder vanuit de visie en de vraag naar de optimale inzet van middelen). Dit belemmert de inhoudelijke discussie en leidt tot een nodeloos complexe aanpak en resultaten (met onder meer het aan de kant schuiven van even noodzakelijke projecten). Zo staat een mogelijke voorrang voor renovatieprojecten in een gemeente die het sociaal objectief heeft behaald (in vergelijking met de gemeente die dit nog niet behaald heeft) los van de nood aan renovatie zelf, wat in wezen doorslaggevend zou moeten zijn. Ook bij de prioriteiten voor de nieuwbouwprojecten kunnen kanttekeningen worden geplaatst. Zo worden er vragen gesteld bij de eerder lage prioriteit van de projecten van de sociale huisvestingsmaatschappijen die bijdragen tot het sociaal huurobjectief (waarbij onder meer de gemeenten met convenant een hogere prioriteit toebedeeld krijgen). De
3
keuze van prioriteiten moet volgens de Raad inhoudelijk goed worden overwogen en onderbouwd. De vooropgestelde prioriteiten kunnen bovendien worden doorkruist door projecten die na twee beoordelingscommissies in aanmerking kunnen komen voor een absolute voorrang (voor zover het project passend is binnen het sociaal objectief). De Raad vraagt deze laatst vernoemde voorrang af te wegen tegenover de reguliere prioriteitenregeling (en dit uit te klaren rekening houdend met de administratieve lasten die de reguliere prioriteitenregeling met zich meebrengt). 2.5.
Sociale koop
De vooropgestelde beleidswijzigingen inzake de sociale koop en sociale kavels hebben gevolgen voor de realisaties op het terrein en de sociale objectieven. De Raad meent dat ter zake maximale duidelijkheid is aangewezen. Hierbij is het vernieuwend kader voor de sociale koop alvast richtinggevend (zoals voorzien in de conceptnota die onlangs aan de Vlaamse Regering werd voorgelegd). In vernoemde conceptnota wordt het principe van de realisatie van het sociaal objectief koop op gemeentelijk niveau verlaten. Dit vormt een element dat een impact zal hebben op de lokale invulling van de programmatie. In dit verband is het van belang tevens te wijzen op de gemengde projecten en de voorrang van dergelijke projecten. Verder wordt aandacht gevraagd voor de impact van de vooropgestelde data in de conceptnota sociale koop (onder meer bouwvergunning 2017, gunning 2018). Wat zijn de gevolgen hiervan voor het huidig programmatieproces (één en ander lijkt moeilijk toepasbaar)? Zowel op vlak van financiering als op vlak van programmatie en voorrang moeten de gevolgen van de regeling duidelijk in kaart worden gebracht. 2.6.
Organisatorisch technische verbeteringen
De evaluatie stelt op meerdere vlakken technische verbeteringen voor. De Raad erkent hierbij het belang van de betrokken partners om punctuele verbeteringen voor te stellen. Globaal genomen kan de Vlaamse Woonraad zich dan ook vinden in de technische voorstellen tot verbetering. Zo kan in de huidige procedure een project met de laagste prioriteit door gunning bovenaan worden geplaatst in de korte termijnplanning. De partners hebben in dit verband vanuit de praktijkervaring wijzigingen voorgesteld, wat de Raad kan ondersteunen. In de marge kan worden opgemerkt dat de evaluatie relatief veel aandacht schenkt aan projecten die niet klaar raken. Hoewel de tijdsfactor een belangrijk gegeven is, lijkt dit fenomeen in de totaliteit eerder marginaal te zijn (en bijkomende regels om dit te remediëren lijken bijgevolg niet in verhouding te staan).
4