Technische en economische resultaten van de varkenshouderij op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk boekjaren 2007 – 2009
Departement Landbouw en Visserij afdeling Monitoring en Studie
Joeri Deuninck Joost D’Hooghe Andy Oeyen
Technische en economische resultaten van de varkenshouderij op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk: boekjaren 2007-2009 Joeri Deuninck, Joost D’Hooghe en Andy Oeyen Oktober 2010 Paper, 45 blz Depotnummer: D/2010/3241/372
Departement Landbouw en Visserij afdeling Monitoring en Studie Ellipsgebouw (6de verdieping) Koning Albert II - laan 35, bus 40 1030 Brussel Tel. 02 552 78 20 - Fax 02 552 78 21 e-mail: ams@vlaanderen.be Vermenigvuldiging en/of overname van gegevens zijn toegestaan mits de bron expliciet vermeld wordt: Deuninck J., D’Hooghe J. & Oeyen A. (2010) Technische en economische resultaten van de varkenshouderij op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk: boekjaren 2007 - 2009, Beleidsdomein Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Graag vernemen we het als u naar dit rapport verwijst in een publicatie. Als u een exemplaar ervan opstuurt, nemen we het op in onze bibliotheek. Wij doen ons best om alle informatie, webpagina's en downloadbare documenten voor iedereen maximaal toegankelijk te maken. Indien u echter toch problemen ondervindt om bepaalde gegevens te raadplegen, willen wij u hierbij graag helpen. U kunt steeds contact met ons opnemen. Wilt u op de hoogte gehouden worden van onze nieuwste publicaties, schrijf u dan in op de AMS-nieuwsflash via de onderstaande link: http://www.vlaanderen.be/landbouw/studies/nieuwsflash
Technische en economische resultaten van de varkenshouderij op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk boekjaren 2007 - 2009
Met dank aan De deskundigen van de afdeling Monitoring en Studie.
Inhoudsopgave 1. 2.
Inleiding ............................................................................................................................. 5 Methodologie en selectie van bedrijven............................................................................. 6 2.1. Selectie bedrijven en afbakening (deel)bedrijfstakken .............................................. 6 2.2. Methodologie en opbouw van het rapport.................................................................. 7 3. Bedrijfstak vermeerdering................................................................................................ 10 3.1. Technische en economische kengetallen.................................................................. 10 3.2. Economische resultaten............................................................................................ 11 3.2.1. Arbeidsinkomen en netto bedrijfsresultaat....................................................... 11 3.2.2. Kostprijsanalyse ............................................................................................... 13 4. Bedrijfstak vetmesting...................................................................................................... 17 4.1. Technische en economische kengetallen.................................................................. 17 4.2. Economische resultaten............................................................................................ 18 4.2.1. Arbeidsinkomen en netto bedrijfsresultaat....................................................... 18 4.2.2. Kostprijsanalyse ............................................................................................... 20 5. Bedrijfstak varkens: gesloten en bijna gesloten bedrijven ............................................... 23 5.1. Technische en economische kengetallen.................................................................. 23 5.2. Economische resultaten en kengetallen.................................................................... 24 5.2.1. Arbeidsinkomen en netto bedrijfsresultaat....................................................... 24 5.2.2. Kostprijsanalyse ............................................................................................... 26 6. Prognose van het arbeidsinkomen tot en met september 2010 ........................................ 30 6.1. Evolutie van de krachtvoeder-, de biggen- en de vleesvarkensprijs ........................ 30 6.2. Evolutie van opbrengst, kost en familiaal arbeidsinkomen...................................... 32 7. Samenvatting en conclusies ............................................................................................. 35 Bijlage 1: Marktconforme prijs overgebrachte biggen ........................................................ 39 Bijlage 2: Prognose van het arbeidsinkomen tot en met augustus 2010 .............................. 40 1. Totaal varkens voor (bijna) gesloten bedrijven............................................................ 40 2. Vetmesting ................................................................................................................... 41 3. Vermeerdering.............................................................................................................. 42 Bijlage 3: Definities technische en economische kengetallen ............................................. 44 1. Vermeerdering.............................................................................................................. 44 2. Vetmesting ................................................................................................................... 45
4
1. Inleiding De varkenshouderij is vanuit economisch oogpunt een belangrijke bedrijfstak binnen de Vlaamse land- en tuinbouw. De sector kan opgedeeld worden in twee deelbedrijfstakken: vermeerdering en vetmesting. Een groot aantal bedrijven zijn gemengde of gesloten bedrijven die beide combineren. Vanuit de sector en de overheid is er vraag naar onafhankelijke informatie over een aantal technische kengetallen en economische resultaten van de varkenshouderij. Dit leidde in 2009 tot de publicatie van een eerste rapport rond dat onderwerp. Dit rapport gaat dieper in op de belangrijkste technische kengetallen en economische resultaten van de varkenshouderij op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN). Het LMN is het boekhoudnet beheerd door de afdeling Monitoring en Studie (AMS) van het Departement Landbouw en Visserij. Onderhavig rapport heeft een andere opzet dan het “Rentabiliteitsrapport Land- en Tuinbouw” en het “Overzicht van de boekhoudkundige resultaten van land- en tuinbouwbedrijven”, twee jaarlijkse publicaties van AMS. Het rapport bouwt verder op dat van vorig jaar maar voert een aantal aanpassingen door wat betreft kengetallen, methodologie, en structuur van het rapport. Dit jaar wordt de kostprijs meer expliciet benadrukt en gaat meer aandacht naar de spreiding van het arbeidsinkomen en de spreiding van de kost. Een beperkt aantal technische kengetallen –vooral wat voeder betreft – is ietwat anders berekend en er is meer aandacht besteed aan de detectie van outliers waardoor de resultaten hier en daar licht kunnen verschillen. Naast de resultaten van de boekjaren 2007 en 2008 komen ook de resultaten van het boekjaar 2009 aan bod. De resultaten van 2009 zijn “voorlopig” en enkel mogelijk door het vervoegd afsluiten van een aantal gespecialiseerde varkensbedrijven door AMS-medewerkers tijdens de maanden januari – april. Op die manier kan de afdeling, zeer kort na het afsluiten van het boekjaar, de resultaten weergeven. De resultaten per jaar maskeren grote schommelingen binnen één jaar. Dit is vooral het gevolg van sterke fluctuaties in de biggen- en varkensprijs en sinds een aantal jaar eveneens in de krachtvoederprijzen. Vooral in 2007 (een sterke toename) en in 2008 (eerst een toename en dan een afname) is er een sterke variatie van de krachtvoederprijzen. In augustus – september 2010 is er terug een sterke toename. Om die reden wordt in de nota eveneens een inschatting gemaakt van de maandelijkse fluctuatie van de opbrengst, de kost en het arbeidsinkomen voor de periode 2007 – 2009. Tevens wordt een prognose gemaakt tot en met september 2010. Na de introductie volgt in deel twee meer uitleg over de gehanteerde methodologie en de selectie van de bedrijven. De resultaten worden in de daaropvolgende delen volgens bedrijfstak besproken. In deel drie komt de vermeerdering aan bod. In deel vier is dat de vetmesting. Deel vijf geeft de resultaten van de volledige bedrijfstak varkens voor gesloten en bijna gesloten bedrijven. Telkens worden eerst een aantal technische en economische kengetallen berekend. Nadien worden de economische resultaten besproken. De analyse van de economische resultaten bestaat uit twee delen. Enerzijds wordt ingegaan op de rendabiliteit als resultante van opbrengsten en kosten en met klemtoon op het arbeidsinkomen. Anderzijds wordt gekeken naar de totale kost en de belangrijkste kostenposten. En dit zowel voor het totaal van de bedrijven als voor de 50% bedrijven met het hoogste arbeidsinkomen / laagste kost en de 50% bedrijven met het laagste arbeidsinkomen / hoogste kost. Dit geeft een indicatie van de spreiding. De evolutie per maand van de opbrengst, de kost en het arbeidsinkomen van de periode 2007 – 2009 en de prognose ervan tot en met september 2010 komt vervolgens aan bod in deel zes van het rapport. Deel zeven vat de belangrijkste bevindingen kort samen. Achteraan het rapport bevinden zich een aantal bijlagen die in meer detail ingaan op een aantal methodologische aspecten en definities van kengetallen. 5
2. Methodologie en selectie van bedrijven De resultaten in dit rapport hebben een andere opzet dan die in het hoofdstuk varkenshouderij in het “Rentabiliteitsrapport Land- en Tuinbouw” van AMS. Zowel wat de selectie van de bedrijven betreft als de gehanteerde methodologie, zijn er belangrijke verschilpunten. De voornaamste verschilpunten zijn: 1) andere selectiecriteria wat betreft type bedrijven en ondergrens van het aantal dieren, 2) een volledige analyse op bedrijfstakniveau inclusief een uitsplitsing van de vaste kosten, en 3) geen extrapolatie van de resultaten naar alle varkensbedrijven. De resultaten hebben eveneens een andere opzet dan die in de publicatie “Overzicht van de boekhoudkundige resultaten van land- en tuinbouwbedrijven” van AMS. De belangrijkste verschilpunten hier zijn: 1) andere selectiecriteria wat betreft type bedrijven en ondergrens van het aantal dieren, en 2) het meenemen van de bedrijfsgrootte (aantal dieren) door het berekenen van gewogen gemiddeldes (i.e. macro-economisch uitgangspunt).
2.1. Selectie bedrijven en afbakening (deel)bedrijfstakken De resultaten hebben betrekking op gespecialiseerde varkensbedrijven (i.e. > 2/3 van de totale opbrengst is afkomstig van de varkenshouderij) die bij het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) aangesloten zijn. De resultaten worden niet geëxtrapoleerd naar alle varkensbedrijven. Van die bedrijven wordt enkel de bedrijfstak varkens beschouwd. Dit houdt in dat de andere (zij het beperkte) activiteiten op het bedrijf niet meegenomen worden. Binnen de bedrijfstak varkens van de gespecialiseerde varkensbedrijven worden drie (deel)bedrijfstakken afgebakend: de bedrijfstak vermeerdering, de bedrijfstak vetmesting en het totaal van de bedrijfstak varkens (i.e. vermeerdering + vetmesting). In dat laatste geval gaat het om de bedrijfstak varkens voor gesloten en bijna gesloten bedrijven. Een bedrijf wordt hier als bijna gesloten beschouwd indien minder dan 25% van de biggen aangekocht of verkocht wordt. Bedrijven met ingeschaard vee (varkens van derden op het bedrijf) of uitgeschaard vee (eigen varkens bij derden) zijn uit de steekproef verwijderd. Daarnaast is een ondergrens gesteld wat betreft het aantal dieren. Voor de bedrijfstak vermeerdering zijn enkel bedrijven met meer dan 50 zeugen geselecteerd. Voor de bedrijfstak vetmesting ligt de ondergrens op 300 vleesvarkens. De meeste bedrijven in de steekproef zijn gecombineerde bedrijven met zeugen én vleesvarkens, zodat deze voor beide bedrijfstakken in aanmerking genomen worden. Voor het totaal van de bedrijfstak varkens voor gesloten en bijna gesloten bedrijven zijn enkel bedrijven met meer dan 50 zeugen en meer dan 300 vleesvarkens geselecteerd. Bedrijven met een buitengewone waarde of outlier (i.e. rekenkundig gemiddelde ± 4 maal de standaardafwijking) wat betreft de totale opbrengst of het totaal van de variabele / vaste kost worden in hun totaliteit niet meegenomen. Daarnaast worden bedrijven met een ontbrekende waarde of een outlier (= rekenkundig gemiddelde ± 4 maal de standaardafwijking) voor een bepaalde kostenpost of een bepaald kengetal voor die (of een aantal) kostenpost(en) of kengetal(len) op ‘missing’ gezet. Dit is gebeurd indien er geen waarde is voor kost energie niet verwarming en vergoeding eigen arbeid bedrijfsleider en gezinsleden. Dit is eveneens gebeurd indien er een outlier is voor 6
volgende technische kengetallen: speenleeftijd biggen, sterfte biggen, aantal grootgebrachte biggen per zeug per jaar, dagelijkse groei biggen, hoeveelheid krachtvoeder per (afgeleverde) big / per zeug, dagelijks krachtvoeder per big / per zeug, sterfte vleesvarkens, mestduur vleesvarkens, rotatie vleesvarkens, dagelijkse groei vleesvarkens, hoeveelheid krachtvoeder per (afgeleverd) vleesvarken en dagelijks krachtvoederverbruik per vleesvarken.
2.2. Methodologie en opbouw van het rapport De resultaten worden volgens een uniforme structuur weergegeven voor de drie (deel)bedrijfstakken: de vermeerdering, de vetmesting en het totaal van de varkens voor gesloten en bijna gesloten bedrijven. Er wordt telkens een overzicht van de belangrijkste technische en economische kengetallen gegeven, gevolgd door een analyse van de economische resultaten. En dit voor de periode 2007 – 2009. De technische kengetallen beschrijven vooral de productiviteit (biggen en –vleesproductie) en het (kracht)voederverbruik. De economische kengetallen gaan in op de krachtvoeder-, de biggen- en de vleesvarkensprijs van de bedrijven. Bijlage 3 geeft een overzicht van de kengetallen en hun definities. De analyse van de economische resultaten vormt de hoofdmoot van het rapport en bestaat uit twee onderdelen. Figuur 1 gaat dieper in op de methodiek. Ten eerste wordt het bruto saldo (BS), het familiaal arbeidsinkomen (FAI) en het netto bedrijfsresultaat (NBR) berekend op basis van de opbrengsten en de kosten. De totale opbrengst is gelijk aan de totale omzet en aanwas. Die laatste omvat naast de opbrengst uit verkoop (of overdracht) – de belangrijkste post – eveneens de aankoop van dieren, de waardeverandering van de veestapel en een aantal overige opbrengsten. De subsidies– die in het geval van de varkenshouderij gering zijn – worden niet meegenomen in de totale opbrengst. De totale opbrengst (excl. subsidies) min de variabele kost geeft het bruto saldo (BS). Het BS min de vaste kost (excl. eigen arbeid van de bedrijfsleider en de gezinsleden) geeft het familiaal arbeidsinkomen (FAI). Het FAI min de vergoeding voor de eigen arbeid van de bedrijfsleider en de gezinsleden levert uiteindelijk het netto bedrijfsresultaat (NBR) op. De vergoeding van de eigen arbeid van de bedrijfsleider en de gezinsleden wordt berekend door de arbeidsuren opgegeven door de landbouwer te vermenigvuldigen met een vaste arbeidsvergoeding per uur. Die laatste wordt bepaald op basis van de minimumlonen inclusief sociale lasten vastgesteld door het Nationaal Paritair Comité voor de land- en tuinbouw.
Het tweede deel van de economische resultaten bestaat uit een kostprijsanalyse. Hierbij wordt dieper ingegaan op de belangrijkste kostenposten en het aandeel ervan in de totale kost. De variabele kost plus de vaste kost excl. eigen arbeid geeft de totale kost excl. eigen arbeid. De totale kost excl. eigen arbeid plus de vergoeding voor de eigen arbeid van de bedrijfsleider en de gezinsleden is gelijk aan de totale kost incl. eigen arbeid.
Zoals hiervoor aangegeven worden de resultaten voor de drie bedrijfstakken afzonderlijk weergegeven. Het arbeidsinkomen wordt weergegeven in euro per zeug voor de bedrijfstak vermeerdering en in euro per afgeleverd vleesvarken voor de bedrijfstak vetmesting en de bedrijfstak varkens voor gesloten en bijna gesloten bedrijven. De kostprijsanalyse gebeurt in euro per zeug en in euro per big voor de bedrijfstak vermeerdering en in euro per afgeleverd 7
vleesvarken en in euro per kg vlees (levend gewicht) voor de bedrijfstak vetmesting en de bedrijfstak varkens voor gesloten en bijna gesloten bedrijven. De analyse gebeurt zowel voor het totaal van de bedrijven als voor de 50% bedrijven met het hoogste arbeidsinkomen / laagste kost en de 50% bedrijven met het laagste arbeidsinkomen / hoogste kost. De resultaten van het totaal van de bedrijven worden weergegeven voor de periode 2007 – 2009. De klemtoon hierbij ligt op de actuele stand van zaken in 2009 en de evolutie ten opzichte van 2008. Veranderingen van het ene jaar op het andere of verschillen tussen bedrijven kunnen zowel te wijten zijn aan prijs- als aan volume-effecten. De indeling van de bedrijven volgens twee groepen geeft een indicatie van de spreiding van het arbeidsinkomen en de totale kost. De indeling gebeurt op basis van de mediaan. Wat het arbeidsinkomen betreft is dit de mediaan van het familiaal arbeidsinkomen (in euro per zeug voor de vermeerdering en in euro per afgeleverd vleesvarken voor de vetmesting en het totaal van de varkens voor gesloten en bijna gesloten bedrijven. De indeling volgens hoogste / laagste kost gebeurt op basis van de mediaan van de totale kost excl. eigen arbeid (in euro per big voor de vermeerdering en in euro per kg vlees voor de vetmesting en het totaal van de varkens voor gesloten en bijna gesloten bedrijven). De klemtoon ligt op de situatie in 2009. Naast de economische resultaten worden tevens de technische en economische kengetallen per groep bepaald om de verschillen in familiaal arbeidsinkomen en de totale kost tussen de groepen te verklaren. De berekeningen voor het totaal van de bedrijven en de twee groepen bedrijven gebeuren op basis van het gewogen gemiddelde. Het gewogen gemiddelde houdt rekening met de grootte van de bedrijfstak op het bedrijf. De wegingsfactor is het aantal dieren (aantal zeugen / aantal afgeleverde biggen bij de vermeerdering en het aantal afgeleverde vleesvarkens / aantal kg vlees bij de vetmesting en het totaal van de varkens).
8
Figuur 1. Economische resultaten: methodiek
1. Arbeidsinkomen / Netto Bedrijfsresultaat Totale opbrengst (excl. subsidies)
-
Variabele kost
=
Bruto Saldo (BS)
Bruto Saldo (BS)
-
Vaste kost (excl eigen arbeid)
=
Familiaal Arbeidsinkomen (FAI)
Familiaal arbeidsinkomen (FAI)
-
Eigen arbeid
=
Netto Bedrijfsresultaat (NBR)
Variabele kost
+
Vaste kost (excl eigen arbeid)
=
Totale kost excl eigen arbeid
Totale kost excl eigen arbeid
+
Eigen arbeid
=
Totale kost incl eigen arbeid
2. Kostprijsanalyse
En dit voor … Totaal bedrijven - evolutie 2007 – 2009 - gewogen gemiddelde
Spreiding: 2 groepen bedrijven - indeling op basis van mediaan o 50% bedrijven laagste / hoogste FAI o 50% bedrijven hoogste / laagste Totale kost excl eigen arbeid - gewogen gemiddelde per groep - techn. en econ. kengetallen per groep
En voor … Drie bedrijfstakken: Vermeerdering / Vetmesting / Totaal varkens voor gesloten en bijna gesloten bedrijven - Arbeidsinkomen / Netto Bedrijfsresultaat: o euro / zeug (vermeerdering) o euro per afgeleverd vleesvarken (vetmesting en totaal varkens) - Kostprijsanalyse: o euro / zeug en euro / big (vermeerdering) o euro / afgeleverd vleesvarken en euro / kg levend gewicht (vetmesting en totaal varkens)
9
3. Bedrijfstak vermeerdering Tabel 1 toont het aantal bedrijven en het gemiddeld aantal zeugen per bedrijf voor de periode 2007 - 2009. Het aantal zeugen per bedrijf neemt geleidelijk toe. De resultaten van de bedrijfstak vermeerdering zijn in 2009 gebaseerd op 65 bedrijven met 203 zeugen per bedrijf. Tabel 1. Aantal bedrijven en gemiddeld aantal aanwezige zeugen, boekjaren 2007 - 2009
Aantal bedrijven (#) Aantal zeugen (#) * voorlopige cijfers Bron: AMS
2007 66 189
2008 61 192
2009* 65 203
3.1. Technische en economische kengetallen Tabel 2 geeft een overzicht van de evolutie van een aantal technische en economische kengetallen voor de boekjaren 2007 – 2009. In 2009 bedraagt de worpindex of het aantal worpen per zeug per jaar 2,25. Per worp zijn er 11,7 levende biggen. Dat levert 26,4 levende biggen per zeug per jaar op. Het sterftecijfer is gelijk aan 14,2%. Het aantal grootgebrachte biggen per zeug per jaar (i.e. productiegetal) komt daardoor uit op 22,7. Ten opzichte van 2007 is dit een productiviteitsverhoging van ruim één big extra per zeug. Dit is het gevolg van de combinatie van een hogere worpindex en een groter aantal levende biggen per worp. De speenleeftijd bedraagt ongeveer 26 dagen en daalt geleidelijk. Tabel 2. Technische en economische kengetallen in de vermeerdering, boekjaren 2007 -2009
Worpindex Aantal levende biggen per worp (#) Aantal levende biggen per zeug per jaar (#) Sterftepercentage biggen (%) Grootgebrachte biggen per zeug per jaar (#) Speenleeftijd (dagen) Dagelijkse groei biggen (gram) Hoeveelheid krachtvoer per afgeleverde big (kg) Hoeveelheid krachtvoer per zeug (kg) Dagelijks krachtvoerverbruik per big (gram) Dagelijks krachtvoerverbruik per zeug (gram) Gemiddelde prijs krachtvoer biggen (euro per ton) Gemiddelde prijs krachtvoer zeugen (euro per ton) Percentage verkochte biggen (%) Gemiddeld gewicht verkochte biggen (kg) Gemiddelde prijs verkochte big (euro per big) Gemiddeld gewicht afgeleverde biggen (kg) Gemiddelde waarde afgeleverde big (euro per big) * voorlopige cijfers Bron: AMS
2007 2,23 11,2 25,0 14,2 21,4 26,7 263 31,5 1.136 394 3.113 320 220 18,3 19,6 32,8 21,6 34,1
2008 2,24 11,6 26,0 14,3 22,3 26,4 266 28,7 1.160 377 3.178 360 258 21,4 19,5 38,8 21,3 39,8
2009* 2,25 11,7 26,4 14,2 22,7 25,7 267 29,0 1.116 375 3.059 319 210 27,3 20,7 38,7 21,7 39,4
10
De dagelijkse groei van de biggen is in 2009 gelijk aan 267 gram per dag. De groei neemt licht toe over de periode 2007 – 2009. De hoeveelheid krachtvoeder per afgeleverde big bedraagt 29 kg en de hoeveelheid krachtvoeder per zeug (krachtvoeder zeugen excl. biggen, beren, opfokzeugen en opfokberen) is gelijk aan 1.116 kg. De prijs voor krachtvoeders zat op een hoogtepunt in 2008. In 2009 is er een daling met 11% voor krachtvoeder biggen tot 319 euro per ton en met 18,5% voor krachtvoeder zeugen tot 210 euro per ton. Naast een aantal pure vermeerderingsbedrijven bestaat een groot aantal bedrijven in de steekproef uit bedrijven met zowel zeugen als vleesvarkens die - geheel of gedeeltelijk – hun biggen zelf afmesten. In 2009 wordt gemiddeld 27% van de biggen verkocht. Dit is een stijging met 6% ten opzichte van 2008. De overige biggen worden binnen het bedrijf overgebracht naar de bedrijfstak vetmesting. Daarvoor is een marktconforme prijs bepaald (zie bijlage 1). De verkochte biggen hebben gemiddeld een gewicht van 20,7 kg en een waarde van 38,7 euro per big. De afgeleverde biggen ( = verkochte biggen + overgebrachte biggen) hebben gemiddeld een gewicht van ongeveer 21,6 kg en een waarde van 39,4 euro per big. De waarde van de biggen ligt in 2009 iets lager dan in 2008 maar is nog altijd een stuk hoger dan in 2007.
3.2. Economische resultaten 3.2.1. Arbeidsinkomen en netto bedrijfsresultaat Tabel 3 geeft een overzicht van de economische resultaten in euro per zeug voor de boekjaren 2007 – 2009. Het bruto saldo, arbeidsinkomen en netto bedrijfsresultaat is in 2009 verder verbeterd dankzij lagere variabele kosten. De totale opbrengsten omvatten de totale omzet en aanwas van de bedrijfstak vermeerdering. De totale opbrengsten per zeug zijn gedaald tot 865 euro per zeug in 2009, vooral door de daling van de waarde van de veestapel. Dit is het gevolg van een lagere waardering van biggen op de eindinventaris in vergelijking met vorig jaar. Die waardevermindering is nog niet gerealiseerd maar wel onderdeel van de omzet en aanwas in 2009. De totale opbrengst bestaat vooral uit de opbrengst van verkochte en overgebrachte biggen. Voor die laatste is een marktconforme prijs bepaald (zie bijlage 1). De opbrengst van biggen is met 887 euro per zeug vrij stabiel ten opzichte van 2008: er is een daling met 0,8% door een iets lagere waarde per big die niet in voldoende mate gecompenseerd wordt door de iets hogere productiviteit (zie ook Tabel 2). De opbrengst van overige dieren bestaat vooral uit de verkoop van reforme zeugen. De aankoop van dieren betreft hoofdzakelijk de aankoop van jonge zeugen en zeugen. De variabele kosten dalen met 15% waardoor het bruto saldo stijgt tot 221 euro per zeug in 2009. De vaste kosten nemen in 2009 toe met 8%. Die toename is kleiner dan de afname van de variabele kosten waardoor het familiaal arbeidsinkomen – voor het eerst in drie jaar – met 3 euro per zeug licht positief wordt. Dit volstaat echter niet om een voldoend hoog arbeidsinkomen te genereren. In 2008 en vooral in 2007 was het familiaal arbeidsinkomen negatief: toen is niet alleen geen inkomen behaald maar is zelfs met verlies gewerkt. Het nettobedrijfsresultaat neemt in 2009 eveneens toe maar blijft met -190 euro per zeug in belangrijke mate negatief.
11
Tabel 3. Arbeidsinkomen en netto bedrijfsresultaat in euro per zeug voor de periode 2007 – 2009: totaal + onderscheid 50% bedrijven met hoogste en 50% bedrijven met laagste arbeidsinkomen per zeug
-
2007
2008 totaal
Aantal bedrijven Aantal zeugen Totale opbrengsten (1) opbrengst biggen opbrengst overige dieren aankoop dieren waardeverandering veestapel overige opbrengsten Totale variabele kosten (2) Bruto saldo (3) = (1) – (2) Totale vaste kosten (4) Familiaal Arbeidsinkomen (5) = (3) – (4) Eigen arbeid (6) Netto bedrijfsresultaat (7) = (5) – (6)
66 189 698 719 18 -50 7 4 656 42 187 -145 188 -333
61 192 911 894 32 -42 23 4 759 152 202 -50 189 -239
65 203 865 887 25 -46 -2 2 644 221 218 3 193 -190
≠ 2009 t.o.v. 2008 11 -46 -7 -8 -4 -25 -2 -115 69 16 53 4 49
2009* groep 1: laag AI 32 172 818 850 18 -44 -9 3 707 110 249 -139 207 -346
groep 2: hoog AI 33 233 899 913 29 -47 2 2 599 300 196 104 182 -78
≠ groep 2 t.o.v. 1 61 81 64 10 -3 12 -1 -109 190 -53 243 -25 268
* voorlopige cijfers Bron: AMS
12
Tabel 3 toont als indicatie van de spreiding in het familiaal arbeidsinkomen tevens de economische resultaten per zeug voor de 50% bedrijven met het laagste en de 50% bedrijven met het hoogste familiaal arbeidsinkomen. De spreiding is zeer groot: -139 euro per zeug tegenover +104 euro per zeug of een verschil van 243 euro per zeug. Het hoger familaal arbeidsinkomen is een gevolg van én hogere opbrengsten én lagere variabele en vaste kosten. In absolute waarde wegen de variabele kosten het zwaarst door (-109 euro per zeug of -15%). Verhoudingsgewijs zijn dat de vaste kosten (-53 euro per zeug of -20%). De opbrengst van de biggen ligt 64 euro per zeug (+7%) hoger. De 50% bedrijven met het hoogste arbeidsinkomen hebben betere technische kengetallen (Tabel 4). Het productiegetal ligt 2,5 biggen per zeug hoger door een lager sterftepercentage en een groter aantal levende biggen per zeug per jaar. Die bedrijven ontvangen bovendien meer per verkochte big (vooral in relatie tot het gewicht ervan). Het aandeel verkochte biggen ligt een stuk hoger (37% ten opzichte van 13%) wat aangeeft dat deze bedrijven meer gericht zijn op de vermeerdering of een groter aantal zuivere vermeerderingsbedrijven bevatten. De dagelijkse groei van de biggen is hoger en het krachtvoederverbruik per afgeleverde big en per zeug lager. De prijs van de krachtvoeders voor zeugen ligt eveneens lager. Tabel 4. Technische en economische kengetallen voor groep met laagste arbeidsinkomen / hoogste kost (groep 1) en groep met hoogste arbeidsinkomen / laagste kost (groep 2), boekjaar 2009*
Levende biggen per zeug per jaar (#) Sterftepercentage biggen (%) Productiegetal (#) Dagelijkse groei biggen (gram) Hoev. krachtvoer per afgeleverde big (kg) Hoev. krachtvoer per zeug (kg) Gem prijs krachtvoer zeugen (euro per ton) Aandeel verkochte biggen (%) Gem. gewicht verkochte biggen (kg) Gem waarde verkochte biggen (euro per big) * voorlopige cijfers Bron: AMS
Arbeidsinkomen groep 1 groep 2 24,9 27,5 15,3 13,6 21,1 23,8 258 274 32,7 26,8 1.152 1.092 215 207 12,9 36,7 22,1 20,4 38,3 38,8
Kost groep 1 groep 2 25,4 27,4 14,6 13,9 21,7 23,6 269 265 33,2 25,6 1.120 1.113 214 207 21,7 32,2 26,3 17,4 43,9 35,6
3.2.2. Kostprijsanalyse Tabel 3 geeft enkel de totale variabele en de totale vaste kosten. Tabel 5 gaat dieper in op de afzonderlijke kostenposten voor de periode 2007 – 2009 en berekent een totale kostprijs per zeug en per afgeleverde big inclusief en exclusief eigen arbeid. Veranderingen van het ene jaar op het andere kunnen het gevolg zijn van zowel prijs- als volume-effecten. Bij de kostprijs per big speelt het effect van een toename van de productiviteit voluit. Figuur 2 geeft aansluitend het aandeel van de belangrijkste kostenposten voor de periode 2007 – 2009. De belangrijkste kostenpost is de voederkost met een aandeel van 47%. De vergoeding voor eigen arbeid komt op de tweede plaats met 18% en wordt op korte afstand gevolgd door de afschrijvingen en fictieve intresten die 14,5% van de totale kost uitmaken. Andere belangrijke posten zijn de kost voor diergeneeskundige zorgen (6%) en de energiekost (5,5%).
13
Tabel 5. Overzicht van de kosten in euro per big en de totale kost in euro per big en in euro per zeug voor 2007 – 2009: totaal + onderscheid 50% bedrijven met hoogste en 50% bedrijven met laagste totale kost in euro per big excl. eigen arbeid
2007
-
2008 totaal
aantal zeugen a aantal afgeleverde biggen per zeug per jaar gemiddeld gewicht per big (kg) Totale variabele kosten (1) voeder energie niet verwarming energie verwarming diergeneeskundige zorgen mestafzet en – heffing werk door derden overige variabele kosten Totale vaste kosten (excl. eigen arbeid) (2) betaalde arbeid afschrijvingen en fictieve intresten / pachten gebouwen en grond werktuigkosten overige vaste kosten Eigen arbeid (3)
≠ 2009 t.o.v. 2008 11
2009* groep 1: hoge kost 202
groep 2: lage kost 204
≠ groep 2 t.o.v. 1 61 2,3 -3,3 -7,1 -5,3 -0,3 -0,4 -0,7 -0,3 0,0 -0,2 -5,0 -0,2 -4,4 -0,2 0,0 -0,2 -0,4
189
192
203
21,1 21,6 31,2 22,8 1,0 1,6 3,0 0,8 0,5 1,5 8,9 0,1 6,4 1,0 0,7 0,6 8,9
22,5 21,3 33,8 25,1 1,0 2,0 2,8 0,9 0,4 1,6 9,0 0,1 6,8 0,9 0,6 0,6 8,4
22,5 21,7 28,6 21,0 0,9 1,4 2,8 0,9 0,2 1,4 9,7 0,1 7,6 0,8 0,5 0,6 8,6
0,1 0,4 -5,2 -4,1 -0,1 -0,6 0,0 0,0 -0,2 -0,2 0,7 0,0 0,8 -0,1 0,0 0,0 0,1
21,3 23,4 32,4 23,8 1,1 1,6 3,1 1,1 0,2 1,5 12,3 0,3 9,9 0,9 0,5 0,7 8,8
23,7 20,1 25,3 18,5 0,8 1,2 2,5 0,8 0,2 1,3 7,3 0,0 5,5 0,8 0,6 0,5 8,4
40,0 49,0
42,8 51,2
38,3 46,9
-4,5 -4,4
44,7 53,5
32,6 41,0
-12,1 -12,5
843 1.031 34,1
962 1.151 39,8
862 1.055 39,4
-99 -96 -0,4
954 1.142 41,5
772 970 37,5
-182 -172 -4,0
b
Totale kost in euro per big excl. eigen arbeid = (1) + (2) incl. eigen arbeid = (1) + (2) + (3) =axb Totale kost in euro per zeug excl. eigen arbeid incl. eigen arbeid Opbrengst biggen in euro per big
* voorlopige cijfers Bron: AMS
14
De totale kost is in 2009 gedaald door een daling van de variabele kosten en dan vooral de voeder- en energiekost. Figuur 2. Aandeel van de verschillende kostenposten inclusief eigen arbeid, bedrijfstak vermeerdering, gemiddelde 2007 - 2009
overige vaste kosten 4,6%
toegerekend loon 17,8%
afschrijvingen + fictieve intrest 14,3%
voeder 47,1%
overige variabele kosten 3,0% mestafzet en heffing 1,8% diergeneeskundige zorgen 5,9%
energie 5,4%
Bron: AMS
De variabele kosten zijn in 2009 met met 15,5% gedaald tot 28,6 euro per big. Dit is vooral door de daling van de voederkosten met 4,1 euro per big (-16,5%) als gevolg van lagere krachtvoederprijzen. De krachtvoederprijs voor zeugen is gedaald van 258 euro per ton in 2008 naar 210 euro per ton in 2009 (-18,5%) en voor biggen van 360 naar 319 euro per ton (11,5%) (zie ook Tabel 2). Daarnaast is er een belangrijke daling van de energiekosten tot 2,3 euro per big. Vooral de energiekosten voor verwarming liggen lager (-0,6 euro per big of 30,5%). Dit is een gevolg van de lagere energieprijzen. De kosten voor diergeneeskundige zorgen zijn gelijk aan 2,8 euro per big in 2009. Dit is een lichte daling (-1,5%) ten opzichte van 2008. De kosten voor mestafzet en –heffing nemen licht toe (+1%) tot 0,9 euro per big in 2009. In 2008 was er een sterke toename. Werk door derden en overige variabele kosten dalen. De vaste kosten nemen in 2009 toe tot 9,7 euro per big. Dit is vooral te wijten aan de stijging van de afschrijvingen en fictieve intresten met 11,5% tot 7,6 euro per big. Die maken het belangrijkste deel van de vaste kosten uit. De kosten voor afschrijvingen nemen jaar na jaar in belangrijke mate toe. In 2008 was er eveneens een stijging met 5,5%. De stijging van de afschrijvingen is voor een deel te wijten aan een jaarlijkse (boekhoudkundige) indexering van gebouwen (7% in 2008 en 5% in 2009) en van machines en installaties (6% in 2008 en 4% in 2009). Productiviteitseffecten – en dan vooral naar biggenproductie toe - spelen een belangrijke rol. Per zeug is er een grotere toename van de afschrijvingen: +12% in 2009 en +12,5% in 2008. De toename van de afschrijving per zeug is zodanig dat naast de indexering dit een gevolg is van nieuwe investeringen in o.a. groepshuisvesting zeugen, ammoniakemissiearme stallen, enz. De vergoeding voor eigen arbeid stijgt met 1,5% in 2009 tot 8,6 euro per big. In 2008 was er een daling met 5,5%. Per zeug is er een toename met 2% in 2009 en met 0,5% in 2008. De 15
toename is louter een gevolg van de indexatie van de lonen (+2% in 2008 en +5% in 2009). Het aantal uren arbeid per zeug daalt en het aantal uren arbeid per big daalt in nog grotere mate. Dit is een gevolg van schaal- en productiviteitseffecten. De totale kost exclusief eigen arbeid is in 2009 gedaald met 10,5% tot 38,3 euro per big. De totale kost inclusief eigen arbeid met 8,5% tot 46,9 euro per big. In 2008 lag de kostprijs ongeveer 4,5 euro per big hoger vooral door de hoge krachtvoederprijzen. De kostprijs in euro per zeug ligt in 2009 hoger dan in 2007 terwijl de kost per big in 2009 onder die van 2007 ligt. Dit is een gevolg van productiviteitstoename: over die periode is ruim één big per zeug meer gerealiseerd. De opbrengst per big bedraagt 39,4 euro in 2009 en is hoger dan de totale kost per big exclusief eigen arbeid maar lager dan de totale kost per big inclusief eigen arbeid. Dit houdt in dat de eigen arbeid onvoldoende vergoed wordt.
Tabel 5 toont daarnaast de spreiding in de kostprijs door de 50% bedrijven met de hoogste totale kost per big exclusief eigen arbeid te vergelijken met de 50% bedrijven met de laagste totale kost per big exclusief eigen arbeid. De spreiding is zeer groot. De groep met de laagste kost heeft in 2009 een kost exclusief eigen arbeid van 32,6 euro voor een big van 23,4 kg tegenover 44,7 euro voor een big van 20,1 kg voor de groep met de hoogste kost (-12 euro per big of -27%). De kost inclusief eigen arbeid is gelijk aan 41 euro per big versus 53,5 euro per big (-12,5 euro per big of -23%). De lagere kost is in 2009 een gevolg van lagere variabele (-7,1 euro per big of -22%) en lagere vaste kosten (-5,0 euro per big of -40%). Het zijn vooral de voederkosten – in vooral absolute waarde - en de afschrijvingen – in absolute en relatieve waarde – die het verschil bepalen. In 2008 was de situatie anders. Het verschil in afschrijvingen was veel lager (-1,2 euro per big of -16%) en het verschil in voederkost hoger (-7,9 euro per big of -27%). De krachtvoederprijzen waren in 2008 zeer hoog zodat de voederkost een hoger aandeel had in de totale kost. Dit houdt in dat voederefficiëntie voor bedrijven – in combinatie met de krachtvoederprijs van het bedrijf – in jaren van hoge krachtvoederprijzen nog belangrijker wordt. In jaren van lagere krachtvoederprijzen komt de kost voor afschrijvingen meer op de voorgrond. De 50% bedrijven met de hoogste totale kost per big hebben een hogere opbrengst per big (+4,0 euro). Die kan echter helemaal niet het verschil in totale kost compenseren. De hogere opbrengst is vooral een gevolg van een hoger gewicht van de biggen (23,4 kg tegenover 20,1 kg of een verschil van 3,3 kg per big). De 50% bedrijven met de laagste totale kosten hebben betere technische kengetallen (zie Tabel 4 hiervoor). Het productiegetal is hoger (2 biggen per zeug meer) door een hoger aantal levende biggen per zeug per jaar en een lager sterftepercentage van de biggen. Het aantal kg krachtvoeder per big en per zeug ligt lager net zoals de prijs van de krachtvoeders.
16
4. Bedrijfstak vetmesting Tabel 6 toont het aantal bedrijven en het gemiddeld aantal vleesvarkens per bedrijf. Het aantal vleesvarkens per bedrijf neemt jaarlijks toe. De resultaten voor de bedrijfstak vetmesting zijn in 2009 gebaseerd op 60 bedrijven met gemiddeld 1.213 vleesvarkens op het bedrijf. Tabel 6. Aantal bedrijven en gemiddeld aantal aanwezige vleesvarkens, boekjaren 2007 - 2009
Aantal bedrijven (#) Aantal vleesvarkens (#) * voorlopige cijfers Bron: AMS
2007
2008
63 1.115
60 1.196
2009* 60 1.213
4.1. Technische en economische kengetallen Tabel 7 toont een aantal technische en economische kengetallen voor de bedrijfstak vetmesting. In 2009 worden biggen opgezet aan een gewicht van 22,0 kg en een waarde van 39,6 euro per big (iets lager dan in 2008). Vleesvarkens zijn verkocht aan 111,6 kg. Het eindgewicht neemt iets toe over de jaren. De gewichtsaanwas van een verkocht vleesvarken bedraagt 89,6 kg in 2009. De gemiddelde prijs van vleesvarkens is gelijk aan 1,11 euro per kg. Dit is een daling met 7,5% ten opzichte van 2008 maar een stijging ten opzichte van 2007. Tabel 7. Technische kengetallen in de vetmesting, boekjaren 2007 -2009
Gemiddeld gewicht opgezette biggen (kg) Waarde opgezette big (euro per big) Gemiddeld gewicht verkochte vleesvarkens (kg) Gewichtsaanwas verkochte vleesvarkens (kg) Waarde verkochte vleesvarkens (euro per kg) Sterftepercentage vleesvarkens (%) Dagelijkse groei vleesvarkens (gram) Mestduur (dagen) Rotatiecoëfficiënt Hoeveelheid krachtvoer per afgeleverd vleesvarken (kg) Dagelijks krachtvoerverbruik per vleesvarken (gram) Voederconversie vleesvarkens Gemiddelde prijs krachtvoer vleesvarkens (euro per ton) * voorlopige cijfers Bron: AMS
2007 21,8 -34,2 110,3 88,5 1,07 3,5 635 139 2,6 266 1.866 2,93 219
2008 21,7 -40,3 111,3 89,6 1,20 3,5 632 142 2,6 268 1.872 2,95 254
2009* 22,0 -39,6 111,6 89,6 1,11 3,2 622 144 2,5 267 1.839 2,94 202
Het sterftepercentage is gelijk aan 3,2%. De dagelijkse groei van de vleesvarkens bedraagt 622 gram per dag. De mestduur 144 dagen wat leidt tot een rotatiecoëfficiënt van 2,5 (i.e. 2,5 rondes per jaar). Het dagelijks krachtvoederverbruik per vleesvarken is gelijk aan 1,84 kg en de hoeveelheid krachtvoeder per afgeleverd (= verkocht + overgebracht) vleesvarken 267 kg. De voederconversie (= hoeveelheid krachtvoeder per kg vleesproductie) is gelijk aan 2,94 in 17
2009 en is vrij stabiel over de jaren heen. De prijs van krachtvoeders bedraagt 202 euro per ton in 2009 en is sterk gedaald ten opzichte van 2008 (-20%) en ligt eveneens beneden het niveau van 2007 (-7,5%).
4.2. Economische resultaten 4.2.1. Arbeidsinkomen en netto bedrijfsresultaat Tabel 8 toont de economische resultaten in euro per afgeleverd vleesvarken voor de boekjaren 2007 - 2009. De daling van de totale opbrengsten in 2009 wordt tenietgedaan door een daling van de variabele kosten. Bruto saldo, arbeidsinkomen en netto bedrijfsresultaat bevinden zich – in absolute bedragen - daardoor op nagenoeg hetzelfde niveau als in 2008. De totale opbrengst omvat de totale omzet en aanwas. De kost voor aankoop of overdracht van biggen is hier al in mindering gebracht. Voor die laatste is een marktconforme kost bepaald (zie bijlage 1). De daling van de totale opbrengst (-15% of -14,5 euro per vleesvarken) is te wijten aan een daling van de opbrengst van de verkoop (of overgang) van vleesvarkens (-7%) tot 124 euro per vleesvarken en een daling van de waarde van de veestapel (-5%). De daling van de opbrengst van de verkoop van vleesvarkens is een gevolg van de lagere prijzen voor vleesvarkens in 2009 (zie ook Tabel 7). De daling van de waarde van de veestapel is een gevolg van een lagere waardering van vleesvarkens op de eindinventaris door de lage vleesvarkensprijzen op dat moment. Die waardevermindering is nog niet gerealiseerd maar is wel onderdeel van de omzet en aanwas in 2009. De aankoop van biggen blijft op hetzelfde niveau en is gelijk aan 41,4 euro per vleesvarken. De variabele kosten dalen met 19%. De vaste kosten zijn nagenoeg constant. Het familiaal arbeidsinkomen (13,1 euro per vleesvarken) en het nettobedrijfsresultaat (7,5 euro per vleesvarken) ligt ongeveer 0,9 euro per vleesvarken lager dan in 2008 maar blijft wel positief. De spreiding van het familaal arbeidsinkomen is groot. Tabel 8 geeft de economische resultaten per vleesvarken voor de 50% bedrijven met het laagste arbeidsinkomen exclusief eigen arbeid en de 50% bedrijven met het hoogste arbeidsinkomen exclusief eigen arbeid. Er is een verschil in familiaal arbeidsinkomen van bijna 18 euro per vleesvarken: 3,6 euro per vleesvarken tegenover 21,3 euro per vleesvarken. Dit is een gevolg van een hogere opbrengst van vleesvarkens (+ 3 euro per vleesvarken of +2%), een lagere kost voor de aankoop van biggen (-4,8 euro per vleesvarken of -11%), lagere variabele kosten (-6,4 euro per vleesvarken of -10%) en lagere vaste kosten (-3,4 euro per vleesvarken of -31%). De bedrijven met het hoogste arbeidsinkomen hebben betere technische en economische kengetallen (Tabel 9). De dagelijkse groei is 7,5% hoger (643 tegenover 599 gram per dag) en de voederconversie 8,5% lager (2,83 tegenover 3,09). De prijs per ton krachtvoeder ligt bijna 3,5% lager (199 tegenover 206 euro per ton).
18
Tabel 8. Economisch resultaat in euro per afgeleverd vleesvarken voor de periode 2007 – 2009: totaal + onderscheid 50% bedrijven met hoogste en 50% bedrijven met laagste arbeidsinkomen per afgeleverd vleesvarken
-
2007
2008 totaal
Aantal bedrijven Aantal vleesvarkens Totale opbrengsten (1) opbrengst vleesvarkens aankoop biggen aankoop/overgang overige dieren waardeverandering veestapel overige opbrengsten Totale variabele kosten (2) Bruto saldo (3) = (1) – (2) Totale vaste kosten (4) Familiaal Arbeidsinkomen (5) = (3) – (4) Eigen arbeid (6) Netto bedrijfsresultaat (7) = (5) – (6) * voorlopige cijfers Bron: AMS
63 1.115
60 1.196
60 1.213
80,7 117,9 -35,9 -1,2 -0,1 0,1 62,8 17,9 8,2 9,8 5,0 4,8
95,4 133,7 -41,3 -0,1 3,0 0,2 72,2 23,1 9,3 13,8 5,4 8,4
80,8 124,1 -41,4 0,1 -1,9 0,1 58,6 22,3 9,2 13,1 5,6 7,5
≠ 2009 t.o.v. 2008 17 -14,5 -9,6 -0,2 0,2 -4,9 -0,1 -13,7 -0,9 -0,1 -0,8 0,1 -0,9
2009* groep 1: laag AI 30 1.155 76,6 122,5 -44,0 -0,1 -1,9 0,1 62,0 14,6 11,0 3,6 6,0 -2,4
groep 2: hoog AI 30 1.270 84,5 125,5 -39,2 0,1 -2,0 0,0 55,6 28,9 7,6 21,3 5,2 16,1
≠ groep 2 t.o.v. 1 115 7,8 3,0 4,8 0,2 -0,1 0,0 -6,4 14,2 -3,4 17,7 -0,8 18,5
19
Tabel 9. Technische en economische kengetallen voor groep met laagste arbeidsinkomen / hoogste kost (groep 1) en groep met hoogste arbeidsinkomen / laagste kost (groep 2), boekjaar 2009*
Arbeidsinkomen Kost groep 1 groep 2 groep 1 groep 2 Gem. gewicht opgezette biggen (kg) 22,6 21,4 22,6 21,2 Gem. waarde opgezette biggen (euro per big) -41,2 -38,1 -41,1 -38,1 Gem. gewicht verkochte vleesvarkens (kg) 111,4 111,8 111,5 111,7 Gem. waarde verkochte vleesvarkens (euro per kg) 1,10 1,12 1,11 1,11 Sterftepercentage vleesvarkens (%) 3,72 2,70 3,53 2,82 Dagelijkse groei vleesvarkens (gram) 599 643 602 642 Mestduur (dagen) 148 141 148 141 Rotatiecoëfficiënt 2,46 2,59 2,47 2,59 Hoev. krachtvoer per afgeleverd vleesvarken (kg) 274 260 275 257 Voederconversie vleesvarkens 3,09 2,83 3,07 2,82 Gem. prijs krachtvoer vleesvarkens (euro per ton) 206 199 205 199 * voorlopige cijfers Bron: AMS -
4.2.2. Kostprijsanalyse Tabel 10 gaat dieper in op de afzonderlijke kostenposten en de totale kost per afgeleverd vleesvarken en per kg vlees (levend gewicht) voor de periode 2007 – 2009. De aankoop van biggen is uit de omzet en aanwas van Tabel 8 gelicht en hier als variabele kost opgenomen. Figuur 3 geeft bijkomend het aandeel van de verschillende kostenposten in de totale kost. De voederkost en de kost voor aankoop van biggen zijn met een aandeel van 50,5% en 33,5% de belangrijkste kostenposten. Andere belangrijke kosten zijn de afschrijvingen en fictieve intresten (6% van de totale kost) en de vergoeding voor eigen arbeid (4,5% van de totale kost). Het belang van de afschrijvingen en fictieve intresten en de eigen arbeid in de totale kost is hier een stuk lager dan bij de vermeerdering. De totale kost per vleesvarken en per kg vlees is lager in 2009 door een daling van de variabele kosten en dan vooral de voederkost. De variabele kosten (inclusief kost aankoop biggen) dalen in 2009 met 13,5 euro tot 100 euro per vleesvarken. De voederkost daalt tot 54 euro per vleesvarken (-12,8 euro per vleesvarken of -19%). Dit is een gevolg van lagere krachtvoederprijzen voor vleesvarkens: van 254 euro per ton in 2008 tot 202 euro per ton in 2009 (zie Tabel 7). De kost voor de aankoop van een big blijft nagenoeg constant op 41,4 euro per vleesvarken. De kosten voor diergeneeskundige zorgen en de kosten voor mestafzet en –heffing dalen maar het belang daarvan is – in absolute bedragen – niet zo groot. De vaste kosten komen uit op 9,2 euro per vleesvarken in 2009. De afschrijvingen en fictieve intresten dalen in 2009 met 6% in vergelijking met 2008 tot 7 euro per vleesvarken. In 2008 was er nog een sterke toename zodat er in 2009 ten opzichte van 2007 een toename is met 9,5%. Er is een jaarlijkse (boekhoudkundige) indexering van gebouwen (7% in 2008 en 5% in 2009) en van machines en installaties (6% in 2008 en 4% in 2009) doorgevoerd.
20
Tabel 10. Overzicht van de kosten in euro per afgeleverd vleesvarken en de totale kost in euro per afgeleverd vleesvarken en in euro per kg vlees (levend gewicht) voor 2007 – 2009: totaal + onderscheid 50% bedrijven met hoogste en 50% bedrijven met laagste totale kost per kg
2007
-
2008 totaal
aantal vleesvarkens aantal afgeleverde vleesvarkens per jaar a gemiddeld gewicht per vleesvarken (kg) Totale variabele kosten (1) aankoop biggen voeder energie diergeneeskundige zorgen mestafzet en – heffing werk door derden overige variabele kosten Totale vaste kosten (excl. eigen arbeid) (2) betaalde arbeid afschrijvingen en fictieve intresten / pachten gebouwen en grond werktuigkosten overige vaste kosten Eigen arbeid (3) b
Totale kost in euro per vleesvarken excl. eigen arbeid = (1) + (2) incl. eigen arbeid = (1) + (2) + (3) =b/a Totale kost in euro per kg excl. eigen arbeid incl. eigen arbeid Opbrengst vleesvarkens in euro per kg
≠ 2009 t.o.v. 2008 17 -3
2009* groep 1: hoge kost 1.239 3.003
groep 2: lage kost 1.187 3.055
≠ groep 2 t.o.v. 1 -52 52
1.115 2.842
1.196 3.032
1.213 3.029
110,2 98,7 35,9 57,6 0,8 1,6 1,4 0,8 0,5 8,2 0,1 6,4 0,6 0,4 0,7 5,0
111,2 113,5 41,3 66,7 0,9 1,6 1,9 0,5 0,6 9,3 0,1 7,4 0,7 0,3 0,7 5,4
111,6 100,0 41,4 54,0 0,9 1,2 1,6 0,5 0,5 9,2 0,1 7,0 0,8 0,4 1,0 5,6
0,4 -13,5 0,2 -12,8 0,0 -0,4 -0,3 0,0 -0,2 -0,1 0,0 -0,5 0,0 0,1 0,3 0,1
111,3 106,5 44,4 56,8 0,9 1,2 2,2 0,5 0,5 11,3 0,1 9,0 0,8 0,3 1,1 5,8
111,8 93,6 38,5 51,2 0,8 1,2 1,0 0,4 0,5 7,1 0,0 5,0 0,7 0,4 1,0 5,3
0,4 -12,9 -5,9 -5,6 -0,1 -0,1 -1,1 -0,1 0,0 -4,2 0,0 -4,0 -0,2 0,1 -0,1 -0,5
106,9 111,8
122,8 128,2
109,2 114,8
-13,6 -13,5
117,8 123,6
100,7 106,1
-17,1 -17,5
0,97 1,01 1,07
1,10 1,15 1,20
0,98 1,03 1,11
-0,13 -0,13 -0,09
1,06 1,11 1,11
0,90 0,95 1,12
-0,15 -0,16 0,01
* voorlopige cijfers Bron: AMS
21
De vergoeding voor eigen arbeid bedraagt 5,6 euro per vleesvarken in 2009. Dit is een lichte stijging (+2,5%) ten opzichte van 2008. In 2008 was er een sterke toename met 9%. Er is een indexatie van de lonen doorgevoerd van +2% in 2008 en +5% in 2009. De totale kost per kg vlees exclusief eigen arbeid daalt in 2009 met 11,5% (van 1,10 in 2008 tot 0,98 euro per kg in 2009). De totale kost per kg inclusief eigen arbeid daalt van 1,15 euro per kg in 2008 tot 1,03 euro per kg in 2009 (-11%). De opbrengst per vleesvarken is in 2009 gelijk aan 1,11 euro per kg – een daling met 7,5% ten opzichte van 2008. De opbrengst ligt in 2009 hoger dan de kost. Figuur 3. Verdeling van de totale kosten (incl. eigen arbeid), bedrijfstak vetmesting, gemiddelde 2007 2009
overige variabele kosten 0,5%
afschrijvingen + fictieve intrest 5,9%
mestafzet en heffing 1,4%
diergeneeskundige zorgen 1,3%
overige vaste kosten 1,7%
toegerekend loon 4,5% aankoop biggen 33,6%
energie 0,7%
voeder 50,5%
Bron: AMS
Tabel 10 toont eveneens de spreiding van de totale kost. Het verschil in totale kost tussen de 50% bedrijven met de hoogste kost en de 50% bedrijven met de laagste kost is aanzienlijk: 1,06 tegenover 0,90 euro per kg excl eigen arbeid (-15%) en 1,11 tegenover 0,95 euro per kg incl eigen arbeid (-14%). De groep bedrijven met een lagere totale kost hebben zowel lagere variabele als lagere vaste kosten. De vergoeding voor eigen arbeid ligt eveneens lager. De variabele kosten hebben absoluut de grootste impact (-12,9 euro per vleesvarken of -12%) en dit door een lagere kost voor de aankoop van een big (-5,9 euro per vleesvarken) en een lagere voederkost (-5,6 euro per vleesvarken). De vaste kosten en meer bepaald de afschrijvingen en fictieve intresten hebben – vooral verhoudingsgewijs – een grote impact (-4,0 euro per vleesvarken of -45%). De 50% bedrijven met de laagste kost per kg hebben betere technische en economische kengetallen net zoals dat het geval was bij de 50% bedrijven met het hoogste arbeidsinkomen (Tabel 9). De resultaten tussen de twee groepen wat betreft arbeidsinkomen en totale kost per kg zijn in hoge mate gelijklopend.
22
5. Bedrijfstak varkens: gesloten en bijna gesloten bedrijven Tabel 11 toont het aantal bedrijven en het gemiddeld aantal zeugen en vleesvarkens per bedrijf voor de periode 2007 - 2009. De evolutie naar aantal dieren toe is niet gelijklopend: het aantal zeugen neemt af en het aantal vleesvarkens neemt toe. Dit is een gevolg van de toenemende productiviteit van de zeugen (i.e. een groter aantal biggen per zeug per jaar). De resultaten voor de bedrijfstak varkens zijn in 2009 gebaseerd op 40 gesloten of bijna gesloten bedrijven met gemiddeld 153 zeugen en 1.153 vleesvarkens per bedrijf. Het aantal zeugen per bedrijf ligt lager dan het geval is bij de bedrijfstak vermeerdering (153 zeugen per bedrijf ten opzichte van 203 zeugen per bedrijf in Tabel 1). Bedrijven die meer of enkel op vermeerdering gericht zijn, hebben gemiddeld meer zeugen per bedrijf. Tabel 11. Aantal bedrijven en gemiddeld aantal dieren per bedrijf, boekjaren 2007 - 2009
Aantal bedrijven (#) Aantal zeugen (#) Aantal vleesvarkens (#) * voorlopige cijfers Bron: AMS
2007
2008
49 160 1.116
42 155 1.136
2009* 40 153 1.153
5.1. Technische en economische kengetallen De technische en economische kengetallen voor de volledige bedrijfstak varkens zijn een combinatie van de kengetallen uit de bedrijfstak vermeerdering en de bedrijfstak vetmesting. Tabel 12 geeft een (beperkt) aantal van die kengetallen weer. Tabel 12. Technische kengetallen bedrijfstak varkens, boekjaren 2007 - 2009
Grootgebrachte biggen per zeug per jaar (#) Percentage verkochte biggen (%) Hoeveelheid krachtvoer per afgeleverde big (kg) Hoeveelheid krachtvoer per zeug (kg) Hoeveelheid krachtvoer per afgeleverd vleesvarken (kg) Prijs krachtvoeders biggen (euro per ton) Prijs krachtvoeders zeugen (euro per ton) Prijs krachtvoeders vleesvarkens (euro per ton) Gemiddeld gewicht verkochte vleesvarkens (kg) Waarde verkochte vleesvarkens (euro per kg) Sterftepercentage vleesvarkens (%) Dagelijkse groei vleesvarkens (gram) Voederconversie vleesvarkens * voorlopige cijfers Bron: AMS
2007 20,5 6,7 34,1 1.157 264 323 216 219 109,8 1,07 3,2 640 2,93
2008 20,6 5,2 33,2 1.182 263 356 251 255 110,8 1,21 3,2 651 2,88
2009* 21,6 6,0 35,0 1.185 263 305 201 198 110,5 1,11 2,7 642 2,94
23
Het aantal grootgebrachte biggen per zeug per jaar (i.e. productiegetal) komt uit op 21,6 in 2009. Dit is iets lager dan voor de bedrijfstak vermeerdering (Tabel 2). Het aantal biggen per zeug per jaar neemt toe. In 2009 wordt gemiddeld 6% van de biggen verkocht. De dagelijkse groei van de vleesvarkens (642 gram per dag) en het sterftepercentage (2,7%) ligt hoger dan bij de bedrijfstak vetmesting (Tabel 7). De vleesvarkensprijs daalt met bijna 8% tot 1,11 euro per kg in 2009. De krachtvoederprijzen dalen in belangrijke mate ten opzichte van 2008: -14% voor krachtvoeder biggen, -20% voor krachtvoeder zeugen en -22% voor krachtvoeder vleesvarkens.
5.2. Economische resultaten en kengetallen 5.2.1. Arbeidsinkomen en netto bedrijfsresultaat Tabel 13 toont de economische resultaten in euro per afgeleverd vleesvarken voor de periode 2007 - 2009. Er is een daling van de totale opbrengst en de variabele kost in 2009. Het familiaal arbeidsinkomen verhoogt licht. De totale opbrengst omvat de totale omzet en aanwas van de bedrijfstak varkens voor gesloten en bijna gesloten bedrijven. De totale opbrengst is in 2009 gelijk aan 122 euro per vleesvarken: een daling met 13,5% ten opzichte van 2008. De totale opbrengst bestaat vooral uit de opbrengst van de verkoop van vleesvarkens. Die is in 2009 met 8% gedaald tot 121 euro per vleesvarken als een gevolg van de lagere prijs voor vleesvarkens (zie ook Tabel 12). In 2008 was er nog een sterke toename door een hogere vleesvarkensprijs. De daling van de waarde van de veestapel is een gevolg van een lagere waardering van de biggen en de vleesvarkens op de eindinventaris in vergelijking met vorig jaar. Die waardevermindering is nog niet gerealiseerd maar wel onderdeel van de omzet en aanwas in 2009. De opbrengst uit verkoop van reforme zeugen en biggen komt uit op 6 euro per vleesvarken en is vrij stabiel. De aankoop van dieren heeft vooral betrekking op aankoop van jonge zeugen en zeugen en is zo goed als onveranderd ten opzichte van 2008. De daling van de variabele kosten tot 90 euro per vleesvarken (-19%) is groter dan de daling van de totale opbrengst. Het bruto saldo neemt daardoor toe tot bijna 33 euro per vleesvarken. De vaste kosten stijgen met 6,5% tot 19 euro per vleesvarken. Het familaal arbeidsinkomen neemt met 0,8 euro toe tot 13,6 euro per vleesvarken. In 2007 was het familiaal arbeidsinkomen zeer laag en maar net positief. Dit houdt in dat toen ongeveer break even gedraaid is maar weinig of niets verdiend is (i.e. geen vergoeding voor eigen arbeid). Het netto bedrijfsresultaat daalt iets en blijft (licht) negatief in 2009. Tabel 13 toont als indicatie van de spreiding in het familiaal arbeidsinkomen de resultaten voor de 50% bedrijven met het laagste en de 50% bedrijven met het hoogste arbeidsinkomen exclusief eigen arbeid. Het verschil bedraagt 17,3 euro per vleesvarken (4,1 euro tegenover 21,4 euro per vleesvarken). Dit is vooral een gevolg van lagere variabele kosten (-9,8 euro per vleesvarken of -10%). Daarnaast ligt ook de totale opbrengst hoger (+6,4 euro per vleesvarken of +5%) en de vaste kosten lager (-1,1 euro per vleesvarken of -5%). De hogere opbrengst voor verkoop van vleesvarkens (+2 euro per vleesvarken) is een gevolg van een hoger eindgewicht van de vleesvarkens (+2,3 kg per vleesvarken) (zie ook Tabel 14). De 50% bedrijven met het hoogste arbeidsinkomen hebben algemeen betere technische en economische kengetallen (Tabel 14): 2,5 biggen per zeug meer, een hogere dagelijkse groei en een lagere voederconversie van de vleesvarkens, lagere krachtvoederprijzen en een lager krachtvoederverbruik per vleesvarken. Het percentage verkochte biggen ligt 3% hoger. 24
Tabel 13. Economisch resultaat in euro per afgeleverd vleesvarken voor de periode 2007 – 2009: totaal + onderscheid 50% bedrijven met hoogste en 50% bedrijven met laagste arbeidsinkomen per afgeleverd vleesvarken
-
2007
2008 totaal
Aantal bedrijven Aantal zeugen Aantal vleesvarkens Totale opbrengsten (1) opbrengst verkoop vleesvarkens overige (zeugen, biggen) aankoop dieren waardeverandering veestapel overige opbrengsten Totale variabele kosten (2) Bruto saldo (3) = (1) – (2) Totale vaste kosten (4) Familiaal Arbeidsinkomen (5) = (3) – (4) Eigen arbeid (6) Netto bedrijfsresultaat (7) = (5) – (6) * voorlopige cijfers
49 160 1116 117,2 121,5 115,3 6,2 -5,2 0,5 0,3 98,3 18,9 17,3 1,5 16,2 -14,6
42 155 1136 141,1 138,3 132,0 6,3 -2,6 5,0 0,4 110,3 30,8 18,0 12,8 15,6 -2,8
40 153 1153 122,3 127,3 121,2 6,1 -2,5 -2,6 0,2 89,7 32,7 19,1 13,6 16,6 -3,0
≠ 2009 t.o.v. 2008 -2 17 -18,8 -11,0 -10,8 -0,2 0,0 -7,6 -0,2 -20,7 1,9 1,2 0,8 1,0 -0,3
2009* groep 1: laag AI 20 144 1057 118,9 125,9 120,1 5,9 -4,2 -3,1 0,2 95,0 23,8 19,7 4,1 17,8 -13,7
groep 2: hoog AI 20 161 1249 125,2 128,4 122,1 6,3 -1,2 -2,2 0,2 85,2 40,0 18,6 21,4 15,6 5,8
≠ groep 2 t.o.v. 1 17 192 6,4 2,5 2,0 0,5 3,0 0,9 0,0 -9,8 16,2 -1,1 17,3 -2,2 19,4
Bron: AMS
25
Tabel 14. Technische en economische kengetallen voor groep met laagste arbeidsinkomen / hoogste kost (groep 1) en groep met hoogste arbeidsinkomen / laagste kost (groep 2), boekjaar 2009*
Grootgebrachte biggen per zeug per jaar Aantal afgeleverde biggen Gem. gewicht verkochte vleesvarkens (kg) Gem. waarde verkochte vleesvarkens (euro per kg) Sterftepercentage vleesvarkens (%) Dagelijkse groei vleesvarkens (gram) Voederconversie vleesvarkens Hoev. krachtvoer per afgeleverde big (kg) Hoev. krachtvoer per zeug (kg) Hoev. krachtvoer per afgeleverd vleesvarken (kg) Gem. prijs krachtvoeders biggen (euro per ton Gem. prijs krachtvoer zeugen (euro per ton Gem. prijs krachtvoer vleesvarkens (euro per ton) Percentage verkochte biggen * voorlopige cijfers Bron: AMS
Arbeidsinkomen Kost groep 1 groep 2 groep 1 groep 2 20,3 22,7 21,4 21,8 20,3
23,1
21,2
22,4
109,2 1,12 2,8 621 3,03 32,1 1.162 265 319 212 206 4,0
111,5 1,11 2,6 660 2,86 33,7 1.205 261 295 192 191 7,5
110,3 1,11 2,7 637 3,02 30,5 1.184 274 331 208 202 7,4
110,6 1,12 2,7 646 2,84 35,6 1.185 252 283 194 193 4,4
5.2.2. Kostprijsanalyse Tabel 15 gaat dieper in op de afzonderlijke kostenposten en berekent een totale kost per afgeleverd vleesvarken en per kg vlees (levend gewicht) exclusief en inclusief eigen arbeid voor de periode 2007 – 2009. Veranderingen van het ene jaar op het andere kunnen het gevolg zijn van zowel prijs- als volume-effecten. Figuur 4 toont aansluitend het aandeel van de verschillende kostenposten. De voederkost is met een aandeel van 63,5% van de totale kost de belangrijkste kostenpost. Andere belangrijke kosten zijn de kost voor eigen arbeid (aandeel van 12,1%) en de kost voor afschrijvingen en fictieve intresten (aandeel van 10,3%). Het aandeel van de voederkost is hier groter dan bij de bedrijfstak vermeerdering en de bedrijfstak vetmesting (totale voederkost = voederkost biggen + voederkost zeugen + voederkost vleesvarkens). De totale kost daalt in 2009 door een daling van de variabele kosten en dan vooral de voederkost. De variabele kosten dalen in 2009 met 20,7 euro tot 89,7 euro per vleesvarken. Daarvan is 18,6 euro te wijten aan een daling van de voederkost met -19,5% tot 76 euro per vleesvarken. Dit is een gevolg van lagere krachtvoederprijzen. De krachtvoederprijs voor vleesvarkens is gedaald van 255 euro per ton in 2008 tot 198 euro per ton in 2009 (-22%) (zie Tabel 12). Daarnaast is er een daling van de energiekost tot 3,9 euro per vleesvarken. Vooral de kosten voor energie verwarming dalen (-25%). Dit is een gevolg van lagere energieprijzen. De kosten voor mestafzet en –heffingen dalen met 0,4 euro tot 2,5 euro per vleesvarken in 2009. In 2008 was er nog een sterke toename. De vaste kosten nemen jaar na jaar toe en bedragen 19,1 euro per vleesvarken in 2009. Dit is vooral een gevolg van een toename van de kosten voor afschrijvingen en fictieve intresten tot 14,9 euro per vleesvarken. Dit is 1,5 euro per vleesvarken of 11% hoger dan in 2008. In 2008 was er ten opzichte van 2007 een toename met bijna 6%. De stijging van de afschrijvingen is 26
voor een deel te wijten aan een jaarlijkse (boekhoudkundige) indexering van gebouwen (7% in 2008 en 5% in 2009) en van machines en installaties (6% in 2008 en 4% in 2009). De toename over de periode 2007 – 2009 is echter groter dan die indexering zodat dit voor een deel eveneens een gevolg is van nieuwe investeringen. De kost voor eigen arbeid bedraagt 16,6 euro per vleesvarken in 2009: 1 euro per vleesvarken of 6,5% meer dan in 2008. In 2008 was er een daling met 3,5%. Voor het totaal van de periode 2007 – 2009 is er een toename met 2,5%. Dit is louter een gevolg van de indexatie van de lonen met +2% in 2008 en met +5% in 2009. Het aantal uren per vleesvarken daalt als gevolg van schaal en productiviteitseffecten. De totale kost is in 2009 lager dan in 2008 en zelfs lager dan in 2007. De kost was het hoogst in 2008 toen de krachtvoederprijs piekte. De totale kost per kg exclusief eigen arbeid daalt van 1,16 euro per kg in 2008 naar 0,99 euro per kg in 2009 (-0,17 euro per kg of -15%). De totale kost inclusief eigen arbeid van 1,30 naar 1,14 euro per kg (-0,16 euro per kg of -12,7%). Figuur 4. Verdeling van de totale kosten (incl. eigen arbeid), bedrijfstak varkens voor gesloten en bijna gesloten bedrijven, gemiddelde 2007 - 2009
overige vaste kosten 3,3%
toegerekend loon 12,1%
afschrijvingen + fictieve intrest 10,3% overige variabele kosten 2,4%
voeder 63,5%
mestafzet en heffing 1,9% diergeneeskundige zorgen 3,5%
energie 3,1%
Bron: AMS
Tabel 15 geeft eveneens de totale kost voor de 50% bedrijven met de hoogste en de 50% bedrijven met de laagste totale kost per kg exclusief eigen arbeid. Dit geeft een indicatie van de spreiding van de kost. Het verschil tussen de groep met de laagste (0,89 euro per kg) en de groep met de hoogste kost (1,08 euro per kg) is groot: -18 cent per kg of -17%. Het verschil in kostprijs is - in absolute waarde - vooral het gevolg van lagere voederkosten (11 euro per vleesvarken of – 14%). Daarnaast hebben de afschrijvingen en fictieve intresten een – vooral verhoudingsgewijs - belangrijke impact (-4 euro per vleesvarken of -25%). De kosten voor mestafzet en diergeneeskundige zorgen verschillen procentueel veel maar absoluut is de impact eerder beperkt. In 2008 was de situatie anders. Toen was het verschil in hoofdzaak een gevolg van hogere variabele kosten en binnen de variabele kosten hogere 27
voederkosten. De vaste kosten en meer bepaald de afschrijvingen en fictieve intresten lagen toen zelfs hoger voor de 50% bedrijven met de laagste kost. Dit houdt in dat in jaren van zeer hoge krachtvoederprijzen de voederefficiĂŤntie (voederconversie) en de krachtvoederprijs die het bedrijf realiseert ten opzichte van andere bedrijven nog belangrijker wordt. Zeker bij (bijna) gesloten bedrijven waar de voederkost een zeer groot aandeel (63,5%) heeft in de totale kost. Tabel 14 (zie hiervoor) toont een aantal technische en economische kengetallen voor de twee groepen. De 50% bedrijven met de laagste kost betere technische resultaten in de vermeerdering - vooral in 2008 maar ook in 2009 - en de vetmesting. De dagelijkse groei van de vleesvarkens en vooral de voederconversie (2,84 tegenover 3,02) is beter. De prijs van de krachtvoeders ligt eveneens lager voor de 50% bedrijven met de laagste kost (193 euro per ton voor krachtvoeder vleesvarkens tegenover 202 euro per ton).
28
Tabel 15. Overzicht van de kosten in euro per afgeleverd vleesvarken en de totale kost in euro per afgeleverd vleesvarken en in euro per kg vlees (levend gewicht) voor 2007 – 2009: totaal + onderscheid 50% bedrijven met hoogste en 50% bedrijven met laagste totale kost per kg
2007
-
2008 totaal
aantal zeugen Aantal vleesvarkens aantal afgeleverde vleesvarkens per jaar a gemiddeld gewicht per vleesvarken (kg) Totale variabele kosten (1) voeder energie niet verwarming energie verwarming diergeneeskundige zorgen mestafzet en – heffing werk door derden overige variabele kosten Totale vaste kosten (excl. eigen arbeid) (2) betaalde arbeid afschrijvingen en fictieve intresten / pachten gebouwen en grond werktuigkosten overige vaste kosten Eigen arbeid (3) b
Totale kost in euro per vleesvarken excl. eigen arbeid = (1) + (2) incl. eigen arbeid = (1) + (2) + (3) =b/a Totale kost in euro per kg excl. eigen arbeid incl. eigen arbeid Opbrengst vleesvarkens in euro per kg * voorlopige cijfers Bron: AMS
≠ 2009 t.o.v. 2008 -2 17 55
2009* groep 1: hoge kost 165 1.181 3.032
groep 2: lage kost 141 1.125 2.994
≠ groep 2 t.o.v. 1 -24 -56 -38
160 1.116 2.891
155 1.136 2.958
153 1.153 3.013
109,8 98,3 83,9 1,8 2,0 4,7 2,2 1,6 2,0 17,3 0,2 12,7 1,7 1,1 1,6 16,2
110,7 110,3 94,8 2,0 2,6 4,7 2,8 1,2 2,3 18,0 0,3 13,4 1,8 1,0 1,4 15,6
110,4 89,7 76,2 2,0 1,9 4,5 2,5 0,6 1,9 19,1 0,2 14,9 1,6 1,1 1,3 16,6
-0,2 -20,7 -18,6 0,0 -0,7 -0,2 -0,4 -0,5 -0,4 1,2 -0,1 1,5 -0,2 0,1 -0,1 1,0
110,3 97,2 81,7 2,3 2,0 5,1 3,2 0,7 2,1 21,6 0,2 17,0 1,7 1,1 1,7 16,4
110,6 82,0 70,7 1,6 1,8 3,9 1,7 0,6 1,7 16,6 0,2 12,8 1,5 1,1 1,0 16,8
0,3 -15,1 -11,1 -0,6 -0,2 -1,2 -1,6 0,0 -0,4 -5,0 0,1 -4,2 -0,2 0,1 -0,7 0,4
115,6 131,8
128,3 143,9
108,8 125,4
-19,5 -18,5
118,8 135,2
98,7 115,4
-20,1 -19,7
1,05 1,20 1,07
1,16 1,30 1,21
0,99 1,14 1,11
-0,17 -0,16 -0,09
1,08 1,23 1,11
0,89 1,04 1,12
-0,18 -0,18 0,00
29
6. Prognose van het arbeidsinkomen tot en met september 2010 6.1. Evolutie van de vleesvarkensprijs
krachtvoeder-,
de
biggen-
en
de
Figuur 5 toont de evolutie van de krachtvoederprijzen voor biggen, zeugen en vleesvarkens. De data zijn afkomstig van de Belgische Beroepsvereniging van Mengvoeder Fabrikanten (BEMEFA). De krachtvoederprijzen namen vooral in de tweede helft van 2007 zeer sterk toe en bereikten een piek in april 2008. Daarna - vooral vanaf augustus 2008– vindt er een sterke daling plaats. Over het totaal van 2008 ligt het niveau van de krachtvoederprijzen boven dat van 2007. De eerste helft van 2009 is er een stabilisatie tot een lichte daling. In augustus en september is er een daling en eind 2009 – begin 2010 is er min of meer een stabilisatie. Over het totaal van 2009 liggen de krachtvoederprijzen een stuk lager dan in 2008. In 2010 is er sinds mei terug een toename. De toename is eerst geleidelijk. In augustus en september 2010 is er een sterke toename. De huidige krachtvoederprijzen zijn terug zeer hoog en blijven op een structureel hoger niveau dan dat begin 2007 en dan dat in 2006 toen – op het eind van dat jaar – de stijging van de krachtvoederprijzen op gang kwam. Figuur 5. Evolutie van de krachtvoederprijzen in euro per ton voor biggen, zeugen en vleesvarkens, januari 2007 – september 2010 325 Biggen
Zeugen
Vleesvarkens
275
225
175 j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s 2007
2008
2009
2010
Bron: BEMEFA
Figuur 6 geeft de evolutie van de biggen- en vleesvarkensprijs. De biggenprijs is een combinatie van de biggenprijs van Sint-Truiden en de Vlaamse Biggen Prijs (in euro per big van 23 kg) inclusief een ‘gemiddelde’ kwantiteits- en kwaliteitstoeslag. Die toeslag is indicatief en varieert van 8 euro in 2007, over 10 euro in 2008 en tot 12 euro vanaf eind 2008 tot nu. In oktober 2010 is de basisprijs van Sint-Truiden met 6 euro verhoogd waardoor de toeslag van Sint-Truiden vanaf dan 6 euro bedraagt. De vleesvarkensprijs (in euro per kg levend) is die van de Vereniging voor Varkenshouders (VEVA).
30
In 2007 is de biggenprijs algemeen laag. Over het totaal van 2008 en 2009 is die hoog. In 2007 is er een sterke en voortdurende terugval van de biggenprijs tot een zeer laag niveau op het eind van het jaar. De eerste helft van 2008 is er een sterke toename gevolgd door een stabilisatie op een hoog niveau. De eerste maanden van 2009 gaat de biggenprijs nog iets hoger - met een piek in april - om daarna zeer sterk terug te vallen. Het dieptepunt wordt bereikt eind 2009. Er is terug een toename van de biggenprijs begin 2010 gevolgd door een stabilisatie. In juli – september 2010 is er een sterke daling. Het huidige niveau van de biggenrpijs is zeer laag en ligt beduidend onder dat van de periode 2e helft 2008 – 1e helft 2009 toen de biggenprijs goed was. Figuur 6. Evolutie van de prijs voor biggen (in euro per big van 23 kg) en vleesvarkens (in euro per kg levend), januari 2007 – september 2010 Varkensprijs (VEVA) per kg
Biggenprijs big 23 kg (excl btw incl toeslag)
55
1,35
50
1,25
45
1,15
40
1,05
35
0,95
30
biggenprijs (euro / big)
varkensprijs (euro / kg)
1,45
j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s 2007
2008
2009
2010
Bron: vleesvarkensprijs = VEVA en biggenprijs = Sint-Truiden / Vlaamse Biggenprijs (incl. ‘gemiddelde’ toeslag) De vleesvarkensprijs vertoont een seizoenscyclisch patroon: er is algemeen een toename de 1e helft van het jaar en een afname de 2e helft van het jaar. De vleesvarkensprijs is in 2007 matig: vooral begin 2007 maar eveneens eind 2007 is de prijs laag. In 2008 is er een grote toename en een hoge piek tot boven 1,35 euro per kg. Eind 2008 is er een plotse en sterke terugval. Over het totaal van 2008 is de vleesvarkensprijs hoog. Algemeen voor 2009 ligt de vleesvarkensprijs een stuk lager dan in 2008. In 2009 is de (seizoenscyclische) toename minder sterk en ligt de piek onder het niveau van 2008. Eind 2009 is er een terugval waardoor eind 2009 – begin 2010 de prijs zich op een zeer laag niveau bevindt. Vanaf april 2010 is er een toename. In juli 2010 is er echter (onverwacht) een terugval van de vleesvarkensprijs. In augustus stabiliseert die op dat niveau maar in september daalt de prijs verder. De piek in 2010 is al bereikt in juni – een tweetal maanden vroeger dan de jaren voordien.
31
6.2. Evolutie van opbrengst, kost en familiaal arbeidsinkomen Voor de bedrijfstak vermeerdering, de bedrijfstak vetmesting en de volledige bedrijfstak varkens op gesloten en bijna gesloten bedrijven wordt hierna een inschatting gemaakt van de maandelijkse fluctuatie van de opbrengst, de kost en het arbeidsinkomen voor de periode 2007 – 2009. Tevens wordt een prognose gemaakt tot en met september 2010. Voor het grootste deel wordt uitgegaan van de technische kengetallen en de economische resultaten en kengetallen uit het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) voor de boekjaren 2007 – 2009. Wat de prognose januari – september 2010 betreft zijn de waarden van 2009 doorgetrokken. Daarnaast is gebruik gemaakt van de maandelijkse krachtvoederprijzen (BEMEFA), de maandelijkse biggenprijs (Sint-Truiden / Vlaamse Biggenprijs), en de vleesvarkensprijs (VEVA) (zie Figuur 5 en Figuur 6 hiervoor). Die zijn nadien terug tot op het niveau van het LMN gebracht. De evolutie van de krachtvoeder-, de biggen- en de vleesvarkensprijs verklaart op korte termijn voor een zeer groot deel de variatie in kost en opbrengst. Bijlage 2 geeft meer details over de werkwijze. Figuur 7, Figuur 8 en Figuur 9 tonen de maandelijkse evolutie van de totale opbrengst, de totale kost en het familiaal arbeidsinkomen (FAI) voor de periode 2007 – 2009 en de prognose ervan tot en met augustus 2010 voor de drie bedrijfstakken. De evolutie van de kost en de opbrengst volgt min of meer het verloop van de krachtvoeder-, de biggen- en de vleesvarkensprijs. Het verschil tussen opbrengst en kost (excl. eigen arbeid van de bedrijfsleider en zijn gezinsleden) levert het familiaal arbeidsinkomen (FAI) op. De resultaten per jaar (zie hiervoor) maskeren vaak grote verschillen binnen één jaar: van oudsher vooral wegens sterke fluctuaties in de biggen- en varkensprijs en, sinds kort, eveneens wegens de evolutie van de krachtvoederprijs. De evolutie van de krachtvoederprijs is vooral zeer groot in 2007 (toename) en in 2008 (afname). In augustus – september 2010 is er terug een sterke toename. Figuur 9 toont de situatie voor gesloten en bijna gesloten bedrijven in euro per verkocht vleesvarken. Het FAI in 2007 is algemeen laag. In de 2e helft van 2007 is er een daling van de vleesvarkensprijs (en dus de opbrengst) en een stijging van de krachtvoederprijzen (en dus de kost) waardoor het FAI eind 2007 – begin 2008 negatief wordt (met -18,4 euro per verkocht vleesvarken als dieptepunt). Dit betekent dat er toen niet enkel geen arbeidsinkomen behaald werd maar dat zelfs met verlies gewerkt is. Vanaf mei 2008 wordt het FAI terug positief: de opbrengst neemt toe door een stijging van de vleesvarkensprijs en de kost neemt af door een daling van de krachtvoederprijs. Eind 2008 is er een daling van het FAI – en dit niettemin de afname van de krachtvoederprijs – doordat de vleesvarkensprijs sterk en (verhoudingsgewijs) meer afneemt. De onverwachte en sterke daling van de varkensprijs is een gevolg van de financiële en economische crisis. In 2009 is het FAI vanaf april terug hoger door een (seizoenscyclisch) hogere vleesvarkensprijs. Eind 2009 is er een afname van de opbrengst door een lagere vleesvarkensprijs en die is belangrijker dan de daling van de kost door een verdere afname van de krachtvoederprijs. Eind 2009 – begin 2010 bevindt het FAI zich daardoor op een lager maar positief niveau. Vanaf mei trekt het FAI terug aan door een hogere vleesvarkensprijs. In juli - september 2010 is er een (sterke) afname van het FAI als gevolg van de combinatie van een daling van de vleesvarkensprijs en een toename van de krachtvoederprijs. De seizoenscyclische daling zet zich daardoor één à twee maanden vroeger in dan normaal. Het FAI in september 2010 is met slechts 0,5 euro per verkocht vleesvarken nagenoeg gelijk aan nul. Dit houdt in dat er geen arbeidsinkomen behaald wordt.
32
Figuur 7. Evolutie opbrengst, kost en familiaal arbeidsinkomen bedrijfstak vermeerdering, in euro per big, 2007 – 2009 en prognose tot september 2010 50 40 30 20
Familiaal Arbeidsinkomen
Totale Kost (excl. eigen arbeid)
Totale Opbrengst
10 0 -10 -20 j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s 2007
2008
2009
2010
Figuur 8. Evolutie opbrengst, kost en familiaal arbeidsinkomen bedrijfstak afmesting, in euro per afgeleverd vleesvarken, 2007 – 2009 en prognose tot september 2010 175 150 125 100
Familiaal Arbeidsinkomen
75
Totale Kost (excl. eigen arbeid)
Totale Opbrengst
50 25 0 -25 j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s 2007
2008
2009
2010
Figuur 9. Evolutie opbrengst, kost en familiaal arbeidsinkomen bedrijfstak varkens voor (bijna) gesloten bedrijven, in euro per verkocht vleesvarken, 2007 – 2009 en prognose tot september 2010 175 150 125 100
Familiaal Arbeidsinkomen
75
Totale Kost (excl. eigen arbeid)
Totale Opbrengst
50 25 0 -25 j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s o n d j f ma m j j a s 2007
2008
2009
2010
Bron: AMS 33
Figuur 8 geeft de resultaten voor de bedrijfstak vetmesting in euro per afgeleverd vleesvarken. De evolutie is min of meer hetzelfde als in Figuur 9 maar de resultaten zijn algemeen (iets) beter: vooral begin 2007 - midden 2008 en eind 2009 is dat het geval. Het belangrijkste verschil is dat naast de krachtvoederprijs hier tevens de biggenprijs belangrijk is in de evolutie van de totale kost. Vóór midden 2008 is het FAI beter in de vetmesting. Het FAI is ‘slechts’ licht negatief eind 2007 – begin 2008. De biggenprijs was toen zeer laag. Daarnaast was de krachtvoederkost zeer hoog en die weegt zwaarder door bij (bijna) gesloten bedrijven (door het grotere aandeel van de krachtvoederkost in de totale kost). De daling van de krachtvoederprijzen en de hoge biggenprijs in de 2e helft van 2008 – 1e helft van 2009 zorgt ervoor dat het verschil tussen de vetmesting en de (bijna) gesloten bedrijven afneemt. Eind 2009 zijn de resultaten in de vetmesting terug beter door een daling van de biggenprijs. De daling van het FAI in juli - september 2010 is hier minder uitgesproken omdat de daling van de vleesvarkensprijs en de stijging van de krachtvoederprijs enigszins opgevangen wordt door de daling van de biggenprijs. Figuur 7 tenslotte toont de evolutie voor de bedrijfstak vermeerdering uitgedrukt in euro per big. Hier speelt de krachtvoederprijs aan kostenzijde en de biggenprijs aan de kant van de opbrengsten. Het FAI is het grootste deel van de periode 2007 – 2009 negatief. De evolutie van het FAI volgt in grote mate de evolutie van de biggenprijs en wordt versterkt / afgezwakt door de krachtvoederprijs. Vooral de 2e helft van 2007 en de eerste maanden van 2008 is het FAI zeer negatief (met een dieptepunt van -15,2 euro per big) als gevolg van een zeer lage biggenprijs en versterkt door een zeer hoge krachtvoederprijs. De 2e helft van 2008 is het FAI hoger maar nog steeds (licht) negatief. De eerste helft van 2009 is het FAI positief: de biggenprijs stond op een zeer hoog niveau terwijl de krachtvoederprijs lager lag. Eind 2009 wordt het FAI terug negatief doordat de biggenprijs daalt. De 1e helft van 2010 is het FAI opnieuw wat hoger door een hogere biggenprijs maar het blijft licht negatief. In juli september 2010 is er een sterke daling door een lagere biggenprijs en een hogere krachtvoederprijs. Het FAI is daardoor in sterke mate negatief.
34
7. Samenvatting en conclusies Het rapport gaf een aantal technische en economische kengetallen en de economische resultaten van de varkenshouderij weer voor de periode 2007 - 2009. De economische analyse keek naar het familiaal arbeidsinkomen als resultante van opbrengsten en kosten. Daarnaast is in meer detail ingegaan op de totale kostprijs en de belangrijkste kostenposten. En dit zowel voor het totaal van de bedrijven als voor de 50% bedrijven met het hoogste arbeidsinkomen / laagste kost en de 50% bedrijven met het laagste arbeidsinkomen / hoogste kost.
Figuur 10 geeft het aandeel van de belangrijkste kostenposten in de totale kost inclusief eigen arbeid. De voederkost steekt er met kop en schouders bovenuit. Dit is met 63% van de totale kost vooral het geval voor (bijna) gesloten bedrijven. Maar ook in de vermeerdering (47%) en de vetmesting (50%) is het aandeel zeer groot. Dit verklaart de grote impact – en dan vooral voor (bijna) gesloten bedrijven - van de krachtvoederprijs op de totale kost. In de vetmesting is de aankoop van biggen met 34% een belangrijke kost zodat daar eveneens de biggenprijs een grote rol speelt in de totale kost. De vergoeding voor eigen arbeid en de kost voor afschrijvingen en fictieve intresten is vooral van belang in de vermeerdering (18% en 14%) en het totaal van de varkens voor (bijna) gesloten bedrijven (12% en 10%). Dit is minder het geval in de vetmesting (5% en 6%). De impact van nieuwe investeringen is daardoor het grootst in de vermeerdering en de (bijna) gesloten bedrijven. In de vermeerdering is de kost voor diergeneeskundige zorgen en de energiekost eveneens behoorlijk (6% en 5,5%). Figuur 10. Aandeel van de belangrijkste kostenposten in de totale kost inclusief eigen arbeid voor de drie bedrijfstakken, gemiddelde 2007 - 2009 70
63
vermeerdering
60 50 Aandeel (%)
50
vetmesting
47
(bijna) gesloten bedrijven
40
33
30 18
20
14
12
10
6
10
5
5
1
3
6
1
3
0 voeder
aankoop big
afschrijvingen + fictieve intrest
eigen arbeid
energie
diergeneeskundige zorgen
Bron: AMS
In 2009 is er een daling van de totale kost per big en van de totale kost per kg vlees (levend gewicht). Tabel 16 geeft de resultaten voor 2009 en het verschil met 2008. Veranderingen van het ene jaar op het andere kunnen het gevolg zijn van zowel prijs- als volume-effecten. Bij de kostprijs per big speelt het effect van een toename van de productiviteit voluit. De kost voor een big van 21,7 kg bedraagt 38,3 euro per big exclusief eigen arbeid en 46,9 euro per big inclusief eigen arbeid. Dit betekent een daling van 4,5 euro per big ten opzichte van 2008. In de vetmesting is de kost per kg vlees gelijk aan 0,98 euro per kg exclusief eigen arbeid en 35
1,03 euro per kg inclusief eigen arbeid (-13 cent per kg tegenover 2008). De kost per kg vlees komt uit op 0,99 euro per kg exclusief eigen arbeid en 1,14 euro per kg inclusief eigen arbeid voor het totaal van de varkens op (bijna) gesloten bedrijven (-16 cent per kg ten opzichte van 2008). In de vetmesting en het totaal van de varkens voor (bijna) gesloten bedrijven wordt de daling van de totale kost tenietgedaan door een daling van de totale opbrengst en een – in absolute termen minder belangrijke - toename van de vaste kosten. Het arbeidsinkomen bevindt zich daardoor op nagenoeg hetzelfde niveau als in 2008: 13,1 euro per vleesvarken in de vetmesting en 13,6 euro per vleesvarken voor (bijna) gesloten bedrijven (Tabel 17). De daling van de totale opbrengst is een gevolg van de lagere vleesvarkensprijs: 1,11 euro in 2009 ten opzichte van 1,20 euro per kg in 2008. In de vermeerdering is er een eerder beperkte afname van de totale opbrengst. Er is een lichte daling van de opbrengst per big tot 39,4 euro voor een big van 21,7 kg. Het familiaal arbeidsinkomen is daardoor voor het eerst in drie jaar – zij het met slechts 3 euro per zeug - licht positief. Dit volstaat echter niet als vergoeding voor eigen arbeid. Tabel 16. Totale kost (TK) excl en incl eigen arbeid in euro voor de vermeerdering, de vetmesting en het totaal van de varkens voor (bijna) gesloten bedrijven, 2009 Vermeerdering Vetmesting Totaal varkens TK (per big) TK (per kg vlees levend) TK (per kg vlees levend) excl arbeid incl arbeid excl arbeid incl arbeid excl arbeid incl arbeid -
Totaal 2009 verschil 2008 50% bedrijven hoogste TK 50% bedrijven laagste TK
38,3 -4,5 44,7 32,6
46,9 -4,4 53,5 41,0
0,98 -0,13 1,06 0,90
1,03 -0,13 1,11 0,95
0,99 -0,17 1,08 0,89
1,14 -0,16 1,23 1,04
FAI = familiaal arbeidsinkomen, TK = totale kost incl. eigen arbeid Bron: AMS
De daling van de variabele kosten is een gevolg van lagere krachtvoederprijzen waardoor de voederkost afneemt. Daarnaast is er in 2009 een daling van de energiekost – en dan vooral de energiekost verwarming - als gevolg van lagere energieprijzen. De daling van de energiekost is in absolute termen minder belangrijk en speelt vooral in de vermeerdering en – in iets mindere mate – voor (bijna) gesloten bedrijven doordat het aandeel van de energiekost in de totale kost daar hoger is. In de vermeerdering en voor (bijna) gesloten bedrijven is er jaar na jaar een toename van de vaste kosten als gevolg van hogere afschrijvingen en fictieve intresten. Dit is voor een deel te wijten aan een jaarlijkse (boekhoudkundige) indexering van gebouwen, machines en installaties en is voor een deel het gevolg van nieuwe investeringen (o.a. groepshuisvesting zeugen). Tabel 17. Familiaal arbeidsinkomen (FAI) in euro voor de vermeerdering, de vetmesting en het totaal van de varkens voor (bijna) gesloten bedrijven, 2009
-
Totaal 2009 verschil 2008 50% bedrijven laagste FAI 50% bedrijven hoogste FAI
Vermeerdering FAI
Vetmesting FAI
Totaal varkens FAI
(per zeug)
(per vleesvarken)
(per vleesvarken)
3 +53 -139 104
13,1 -0,8 3,6 21,3
13,6 +0,8 4,1 21,4
FAI = familiaal arbeidsinkomen, TK = totale kost excl. eigen arbeid Bron: AMS 36
Niet alleen van jaar tot jaar maar ook tussen de bedrijven onderling binnen één jaar zijn de verschillen in economische resultaten zeer groot. Tabel 16 en Tabel 17 geven de cijfers van de 50% bedrijven met het hoogste arbeidsinkomen / de laagste totale kost en de 50% bedrijven met het laagste arbeidsinkomen / de hoogste totale kost. De spreiding is – zeker in de vermeerdering – zeer groot: een arbeidsinkomen van -139 euro per zeug tegenover 104 euro per zeug (verschil van 243 euro per zeug) en een totale kost excl eigen arbeid van 44,7 euro per big tegenover 32,6 euro per big (verschil van 12,1 euro per big). Een aantal bedrijven slaagt er met andere woorden in om een vergoeding voor eigen arbeid te halen. In de vetmesting is er een verschil in arbeidsinkomen van 17,7 euro per vleesvarken en een verschil in totale kost excl eigen arbeid van 16 cent per kg vlees (1,06 tegenover 0,90 euro per kg). Er is een verschil in arbeidsinkomen en totale kost excl eigen arbeid van 17,3 euro per vleesvarken en 19 cent per kg vlees (1,08 tegenover 0,89 euro per kg) voor het totaal van de varkens voor (bijna) gesloten bedrijven. Het verschil in arbeidsinkomen is in 2009 een gevolg van hogere opbrengsten én lagere variabele en vaste kosten. Het verschil in kost is een gevolg van lagere variabele en lagere vaste kosten. Het zijn vooral de voederkosten – in vooral absolute waarde – en de afschrijvingen – in vooral relatieve en in iets mindere mate absolute waarde – die het verschil bepalen. In 2008 was het verschil in de vermeerdering en voor het totaal van de varkens voor (bijna) gesloten bedrijven vooral een gevolg van hogere voederkosten en niet of in veel mindere mate van de afschrijvingen en fictieve intresten. In jaren van zeer hoge krachtvoederprijzen – zoals in 2008 – komt het belang van de voederefficiëntie (voederconversie) en de krachtvoederprijs van het bedrijf meer op de voorgrond. In jaren van lagere krachtvoederprijzen komt de kost voor afschrijvingen eveneens op de voorgrond. Algemeen zijn de technische en economische kengetallen beter voor de bedrijven met het hoogste arbeidsinkomen of de laagste totale kost excl eigen arbeid. Het aantal biggen per zeug per jaar is hoger en de voederconversie is lager.
Niet enkel van jaar tot jaar maar zelfs in de loop van één jaar zijn er grote verschillen in kostprijs en opbrengst. Van oudsher vooral wegens de sterke variatie in de biggen- en varkensprijs. Sinds een aantal jaar eveneens als gevolg van de variatie van de krachtvoederprijs: vooral in 2007 (een sterke toename) en in 2008 (een sterke afname) was dat het geval. In het rapport is daarom een maandelijkse evolutie gegeven van de opbrengst, de kost en het familiaal arbeidsinkomen (FAI) voor de periode 2007 – 2009. Tevens is een prognose gemaakt tot en met augustus 2010 om de actuele situatie te kunnen inschatten. De periode eind 2007 – begin 2008 was het familiaal arbeidsinkomen voor de vermeerdering en voor de (bijna) gesloten bedrijven in sterke mate negatief. Dit betekent dat er toen niet enkel geen arbeidsinkomen behaald is maar dat zelfs met verlies gewerkt is. Dit was een gevolg van een lage varkens- en biggenprijs en een zeer hoge krachtvoederprijs. Voor de vetmesting was het FAI ‘slechts’ licht negatief. De resultaten van de vetmesting zijn algemeen iets beter dan voor de (bijna) gesloten bedrijven. Vooral eind 2007 – begin 2008 is dat het geval. De biggenprijs was toen laag wat de kost voor de vetmesting enigszins drukte en de zeer hoge krachtvoederprijs woog zwaarder door voor (bijna) gesloten bedrijven door het hogere aandeel van de voederkost in de totale kost. Het FAI in de vermeerdering is het grootste deel van de periode 2007 – 2009 negatief. Enkel de eerste helft van 2009 is het FAI positief doordat de biggenprijs zeer hoog was en de krachtvoederprijs lager. Eind 2009 wordt het FAI terug negatief doordat de biggenprijs daalt. De 1e helft van 2010 is het FAI hoger door een hogere biggenprijs maar het blijft licht 37
negatief. De daling van de biggenprijs in combinatie met een hogere krachtvoederprijs zorgt in juli en augustus 2010 opnieuw voor een daling van het arbeidsinkomen. Voor de vetmesting en voor (bijna) gesloten bedrijven valt de seizoenscyclische evolutie van de vleesvarkensprijzen op: er is een toename in het begin en een afname op het eind van het jaar. Na een herstel in de loop van 2009 is het FAI eind 2009 – begin 2010 opnieuw laag. Dit is een gevolg van een zeer lage vleesvarkensprijs. De situatie is minder ernstig dan tijdens de jaarwisselingen van voorgaande jaren omdat de krachtvoederprijs sinds de 2e helft van 2008 in belangrijke mate afgenomen is. In 2010 is er de eerste maanden een verbetering van het FAI door een hogere vleesvarkensprijs. Die vleesvarkensprijs is echter in juli (onverwacht) teruggevallen. Op het einde van augustus en in september is er een verdere daling. De seizoenscyclische daling zet zich daardoor één à twee maanden vroeger in dan normaal. Tezelfdertijd is er de laatste maanden een toename van de krachtvoederprijs: vooral in augustus 2010 is dat het geval. Het gevolg is een afname van het FAI. Dit is minder het geval in de vetmesting dan voor (bijna) gesloten bedrijven omdat de biggenprijs in juli en augustus eveneens gedaald is.
De varkenshouderij – vooral dan de vermeerdering en de (bijna) gesloten bedrijven - heeft een aantal moeilijke jaren achter de rug. De laatste maanden is de toestand terug aanzienlijk verergerd. De terugval van de vleesvarkens- en biggenprijs in juli – september 2010 en de toename van de krachtvoederprijs in augustus – september 2010 leidt – vooral voor de vermeerdering en de (bijna) gesloten bedrijven - tot een afname van het familiaal arbeidsinkomen. Het familiaal arbeidsinkomen voor (bijna) gesloten bedrijven is in september 2010 nagenoeg gelijk aan nul. Dit houdt in dat de eigen arbeid niet vergoed wordt. De hamvraag is wat de directe toekomst brengt. Ingeval de vleesvarkensprijs (seizoenscyclisch) verder daalt en de krachtvoederprijs hoog blijft of verder toeneemt, zal dit voor (bijna) gesloten bedrijven leiden tot een negatief arbeidsinkomen (waarbij er niets verdiend wordt en zelfs met verlies gewerkt wordt).
38
Bijlage 1: Marktconforme prijs overgebrachte biggen De bedrijven in de steekproef bestaan voor een groot deel uit gemengde bedrijven waarvan een (groot) deel van de biggen intern overgebracht worden van de bedrijfstak vermeerdering naar de bedrijfstak vetmesting. De totale opbrengsten in de bedrijfstak vermeerdering bestaan dus voor een deel uit verkoop van biggen en voor een deel uit waardering van overgebrachte biggen. Intern worden biggen gewaardeerd aan de hand van de prijs van Sint-Truiden en met in 2007 en in 2008 een toeslag van 5 euro per big en in 2009 een toeslag van 9 euro per big. Vooral in 2007 en in 2008 maar ook in 2009 is er in het LMN een verschil tussen de prijs van verkochte biggen en de waarde van overgebrachte biggen waarbij die laatste een stuk lager ligt. Om die reden is per jaar de omvang van het verschil bepaald, daarbij rekening houdend met het gewicht van de biggen ( + / - 1 euro per kg meer of minder). Aan de hand van dat verschil is een correctie doorgevoerd en is het deel van de opbrengsten afkomstig van overgebrachte biggen verhoogd met 4 euro per big in 2007, met 4,4 euro per big in 2008 en met 2,2 euro per big in 2009. De totale opbrengsten in zowel de bedrijfstak vermeerdering als de bedrijfstak vetmesting betreffen de totale omzet en aanwas. Dit betekent dat in de bedrijfstak vetmesting de kost voor de aankoop of overdracht van biggen al in rekening gebracht is. Net zoals in de bedrijfstak vermeerdering is ook in de bedrijfstak vetmesting een, zij het tegengestelde, correctie uitgevoerd. Het deel van de kosten voor overdracht van biggen is verlaagd met 4 euro per big in 2007, met 4,4 euro per big in 2008 en met 2,2 euro per big in 2009.
39
Bijlage 2: Prognose van het arbeidsinkomen tot en met augustus 2010 Per maand wordt voor de drie bedrijfstakken en voor de periode 2007 – 2009 de opbrengst, de kost en het familiaal arbeidsinkomen (FAI) bepaald. Daarnaast is een prognose gemaakt tot en met september 2010. Er wordt, voor het grootste deel, uitgegaan van de technische kengetallen en de economische resultaten en kengetallen uit het Landbouwmonitoringsnetwerk. Voor de periode 2007 – 2009 is gebruik gemaakt van de resultaten van de boekjaren 2007 – 2009. Voor de prognose van januari 2010 tot en met september 2010 zijn de waarden uit het LMN van boekjaar 2009 overgenomen. Daarnaast is gebruik gemaakt van de maandelijkse krachtvoederprijzen (BEMEFA), de maandelijkse biggenprijs (Sint-Truiden - Vlaamse Biggenprijs) en de maandelijkse vleesvarkensprijs (VEVA). De BEMEFA krachtvoederprijzen, de biggenprijs van Sint-Truiden – Vlaamse Biggenprijs en de VEVA-varkensprijs dienen om de evolutie per maand voor de periode 2007 – 2009 en de prognose tot en met september 2010 weer te geven. De maandelijkse gegevens daarover zijn niet rechtstreeks uit het LMN te halen terwijl er voor 2010 geen informatie uit het LMN te halen valt. Wel wordt een correctie uitgevoerd om de BEMEFA-krachtvoederprijzen, de biggenprijs Sint-Truiden – Vlaamse Biggenprijs en de VEVA varkensprijs tot op het gemiddelde niveau van het LMN te brengen. Hierna volgt een meer gedetailleerde weergave van de werkwijze.
1. Totaal varkens voor (bijna) gesloten bedrijven Totale kosten (TK) Enkel de voederkost varieert per maand afhankelijk van de marktprijzen voor voeder. Dit gebeurt door de hoeveelheid krachtvoeder uit het LMN (HoevVoed) te vermenigvuldigen met de maandelijkse voederprijs van BEMEFA (PrijsVoedBEM) en dit te vermenigvuldigen met de verhouding prijs krachtvoeder LMN / prijs krachtvoeder BEMEFA (PrijsVoedLMN / PrijsVoedBEM). Dit laatste is nodig omdat de prijs per kg krachtvoeder van BEMEFA verschilt met de prijs per kg krachtvoeder in het LMN. De verhouding tussen de prijs krachtvoeder LMN / prijs krachtvoeder BEMEFA wordt per jaar bepaald. De vaste kosten (VastK) en de overige variabele kosten (VarKOverig) zijn gelijk aan de waarde uit het LMN voor de boekjaren 2007, 2008 en 2009 (waarde 2010 = 2009). Voor een bepaald jaar zijn die constant (i.e. variëren niet van maand tot maand). De formule is als volgt: Pr ijsVoedLMN ik + VarKOverigi + VastK i Pr ijsVoedBEM ik en met i = boekjaar (2007 tot en met 2010), j = maand (januari tot en met december) en k = diersoort (biggen, zeugen en vleesvarkens) TK ij = HoevVoedik * Pr ijsVoedBEM ijk *
Totale opbrengsten (TO) De totale opbrengst omvat de totale omzet en aanwas van de bedrijfstak varkens. Naast de opbrengst uit verkoop omvat dit de waardeverandering van de veestapel, de aankoop / overdracht van dieren, en de overige opbrengsten. Met de waardeverandering van de veestapel wordt geen rekening gehouden. De opbrengst uit aankoop / overdracht van dieren (OAanOver) en de overige opbrengsten (OOverige) worden constant verondersteld. Een beperkt deel van de opbrengsten uit verkoop - de opbrengsten uit verkoop van biggen en reforme zeugen (OVerkBigZeug) - wordt eveneens als constant beschouwd. De constante opbrengsten zijn gelijk aan de waarde uit het LMN voor de boekjaren 2007, 2008 en 2009 (waarde 2010 = 2009). Enkel de opbrengst van de verkoop van vleesvarkens varieert per maand. Dit gebeurt door de hoeveelheid (kg) vlees verkocht (HoevVlees) te vermenigvuldigen 40
met de maandelijkse vleesvarkensprijs van VEVA (PrijsVleesVEVA) en dit te vermenigvuldigen met de verhouding prijs vleesvarkens LMN / prijs vleesvarkens VEVA (PrijsVleesLMN / PrijsVleesVEVA). Dit laatste gebeurt omdat de VEVA varkensprijs op jaarbasis niet volledig met de prijs uit het LMN overeenkomt, al is het verschil uiterst gering. De berekening is als volgt: TO ij = OAanOver i + OOverige i + OVerkBigZe ug i + HoevVlees i * PrijsVlees VEVA ij *
PrijsVlees LMN i PrijsVlees VEVA i
en met i = boekjaar (2007 tot en met 2010), j = maand (januari tot en met december) Familiaal arbeidsinkomen (FAI) De totale opbrengsten (TO) per maand min de totale kosten (TK) per maand geeft het familiaal arbeidsinkomen (FAI) per maand. Delen door het aantal verkochte vleesvarkens levert de TO, de TK en het FAI per verkocht vleesvarken per maand op. Het aantal verkochte vleesvarkens is gelijk aan de waarde in het LMN voor de boekjaren 2007, 2008 en 2009 (waarde 2010 = 2009).
2. Vetmesting Totale kosten (TK) Bij de vetmesting wordt de aankoop van een big uit de omzet en aanwas gelicht en als variabele kost meegenomen. Die kost varieert per maand. Dit gebeurt door de hoeveelheid (kg) verkochte en overgebrachte biggen (HoevBig) te vermenigvuldigen met de maandelijkse biggenprijs van Sint-Truiden - Vlaamse Biggenprijs per kg (PrijsBigST-VB) en dit te vermenigvuldigen met de verhouding biggenprijs per kg LMN / biggenprijs per kg SintTruiden - Vlaamse Biggenprijs (PrijsBigLMN / PrijsBigST-VB). Net als bij de (bijna) gesloten bedrijven wordt ook hier de kost van het voeder variabel verondersteld. Het enige verschil is dat het hier enkel om de voederkost van vleesvarkens gaat. Dit gebeurt door de hoeveelheid krachtvoeder uit het LMN (HoevVoed) te vermenigvuldigen met de maandelijkse voederprijs van BEMEFA (PrijsVoedBEM) en dit te vermenigvuldigen met de verhouding prijs krachtvoeder LMN / prijs krachtvoeder BEMEFA (PrijsVoedLMN / PrijsVoedBEM). De vaste kosten (VastK) en de overige variabele kosten (VarKOverig) zijn gelijk aan de waarde uit het LMN voor de boekjaren 2007, 2008 en 2009 (waarde 2010 = 2009). De formule is als volgt: TK ij = HoevBigi * PrijsBigST - VBij *
Pr ijsVoedLMN i PrijsBigLMN i + HoevVoedi * Pr ijsVoedBEM ij * PrijsBigST - VBi Pr ijsVoedBEM i
+ VarKOverigi + VastK i
en met i = boekjaar (2007 tot en met 2010), j = maand (januari tot en met december)
Totale opbrengsten (TO) De totale opbrengst is gelijk aan de omzet en aanwas. Dit betreft de opbrengst vleesvarkens (verkochte + overgebrachte), de aankoop van biggen, de aankoop / overgang overige dieren, de waardeverandering van de veestapel en de overige opbrengsten. De aankoop van biggen is uit de omzet en aanwas gelicht en opgenomen in de totale kost (zie hiervoor). Met de waardeverandering van de veestapel wordt geen rekening gehouden. De aankoop / overgang van overige dieren (OAanOverOverige) en overige opbrengsten (OOverige) wordt constant verondersteld. De constante opbrengsten zijn gelijk aan de waarde uit het LMN voor de boekjaren 2007, 2008 en 2009 (waarde 2010 = 2009). Enkel de opbrengst van de vleesvarkens varieert per maand. Dit gebeurt door de hoeveelheid (kg) vlees van verkochte en overgebracht vleesvarkens (HoevVlees) te vermenigvuldigen met de maandelijkse vleesvarkensprijs van VEVA (PrijsVleesVEVA) en dit te vermenigvuldigen met de verhouding prijs vleesvarkens 41
LMN / prijs vleesvarkens VEVA (PrijsVleesvLMN / PrijsVleesVEVA). De berekening is als volgt: PrijsVlees LMN i PrijsVlees VEVA i en met i = boekjaar (2007 tot en met 2010), j = maand (januari tot en met december) TO ij = OAanOverOv erige i + OOverige i + HoevVlees i * PrijsVlees VEVA ij *
Familiaal arbeidsinkomen (FAI) De totale opbrengsten (TO) per maand min de totale kosten (TK) per maand geeft het familiaal arbeidsinkomen (FAI) per maand. Delen door het aantal afgeleverde vleesvarkens (aantal verkochte + aantal overgebrachte) levert de TO, de TK en het FAI per afgeleverd vleesvarken per maand op. Het aantal afgeleverde vleesvarkens is gelijk aan de waarde in het LMN voor de boekjaren 2007, 2008 en 2009 (waarde 2010 = 2009).
3. Vermeerdering Totale kosten (TK) Net als bij de (bijna) gesloten bedrijven varieert enkel de kost van het voeder. Het enige verschil is dat het hier enkel om de voederkost van biggen en zeugen (incl. opfokzeugen) gaat. Dit gebeurt door de hoeveelheid krachtvoeder uit het LMN (HoevVoed) te vermenigvuldigen met de maandelijkse voederprijs van BEMEFA (PrijsVoedBEM) en dit te vermenigvuldigen met de verhouding prijs krachtvoeder LMN / prijs krachtvoeder BEMEFA (PrijsVoedLMN / PrijsVoedBEM). De vaste kosten (VastK) en de overige variabele kosten (VarKOverig) zijn ook hier gelijk aan de waarde uit het LMN voor de boekjaren 2007, 2008 en 2009 (waarde 2010 = 2009). De berekening is als volgt: Pr ijsVoedLMN ik + VarKOverigi + VastKi Pr ijsVoedBEM ik en met i = boekjaar (2007 tot en met 2010), j = maand (januari tot en met december) en k = diersoort (biggen en zeugen) TK ij = HoevVoedik * Pr ijsVoedBEM ijk *
Totale opbrengsten (TO) De totale opbrengst is gelijk aan de omzet en aanwas. Dit omvat de opbrengst biggen (verkocht + overgebracht), de verkoop / overgang van overige dieren, de aankoop van dieren, de waardeverandering van de veestapel en de overige opbrengsten. Met de waardeverandering van de veestapel wordt geen rekening gehouden. De aankoop van dieren (OAan), de verkoop / overgang overige dieren (OVerkOverOverige) en de overige opbrengsten (OOverige) worden constant verondersteld. De constante opbrengsten zijn gelijk aan de waarde uit het LMN voor de boekjaren 2007, 2008 en 2009 (waarde 2010 = 2009). Enkel de opbrengst van de biggen varieert per maand. Dit gebeurt door de hoeveelheid (kg) verkochte en overgebrachte biggen (HoevBig) te vermenigvuldigen met de maandelijkse biggenprijs van Sint-Truiden - Vlaamse Biggenprijs per kg (PrijsBigST-VB) en dit te vermenigvuldigen met de verhouding biggenprijs per kg LMN / biggenprijs per kg Sint-Truiden - Vlaamse Biggenprijs (PrijsBigLMN / PrijsBigST-VB). De formule is als volgt: TO ij = OVerkOverO verige i + OOverige i + OAan i + HoevBig i * PrijsBigST - VB ij *
PrijsBigLM N i PrijsBigST - VB i
en met i = boekjaar (2007 tot en met 2010), j = maand (januari tot en met december)
Familiaal arbeidsinkomen (FAI) De totale opbrengsten (TO) per maand min de totale kosten (TK) per maand geeft het familiaal arbeidsinkomen (FAI) per maand. Delen door het aantal afgeleverde biggen (aantal verkochte + aantal overgebrachte biggen) levert de TO, de TK en het FAI per afgeleverde big
42
per maand op. Het aantal afgeleverde biggen is gelijk aan de waarde in het LMN voor de boekjaren 2007, 2008 en 2009 (waarde 2010 = 2009).
43
Bijlage 3: Definities technische en economische kengetallen 1. Vermeerdering Naam kengetal
Definitie
aantal zeugen aantal biggen
gemiddeld aantal aanwezige zeugen in eigendom gemiddeld aantal aanwezige biggen in eigendom aantal verkochte biggen + aantal biggen intern overgebracht van de vermeerdering naar de vetmesting eindinventaris + verkopen + sterfte + overgangen uit - begininventaris - aankopen overgangen in - aantal levend geboren biggen * 1 aantal worpen / aantal zeugen aantal levend geboren biggen / aantal worpen aantal levend geboren biggen / aantal zeugen (aantal gestorven biggen tot de verkoop of de overdracht van biggen / aantal levend geboren biggen) * 100 ( aantal levend geboren biggen - aantal gestorven biggen) / aantal zeugen aantal afgeleverde biggen / aantal zeugen (totale vleesproductie biggen *1000) / (aantal biggen *365) hoeveelheid verbruikt krachtvoeder biggen / aantal afgeleverde biggen hoeveelheid verbruikt krachtvoeder zeugen / aantal zeugen (hoeveelheid verbruikt krachtvoeder biggen *1000 )/ (aantal biggen * 365) hoeveelheid verbruikt krachtvoeder zeugen *1000) / (aantal zeugen * 365) waarde verbruikte krachtvoeders biggen / hoeveelheid verbruikte krachtvoeders biggen waarde verbruikt krachtvoeders zeugen / hoeveelheid verbruikte krachtvoeders zeugen aantal verkochte biggen / aantal afgeleverde biggen gewicht verkochte biggen / aantal verkochte biggen waarde verkochte biggen / aantal verkochte biggen gewicht afgeleverde biggen / aantal afgeleverde biggen waarde afgeleverde biggen / aantal afgeleverde biggen
aantal afgeleverde biggen
totale vleesproductie biggen (kg) worpindex aantal levende biggen per worp aantal levende biggen per zeug per jaar sterftepercentage biggen (%) aantal grootgebrachte biggen per zeug per jaar aantal afgeleverde biggen per zeug per jaar dagelijkse groei biggen (gram) hoeveelheid krachtvoer per afgeleverde big (kg) hoeveelheid krachtvoer per zeug (kg) dagelijks krachtvoerverbruik per big (gram) dagelijks krachtvoerverbruik per zeug (gram) gemiddelde prijs krachtvoer biggen (euro per ton) gemiddelde prijs krachtvoer zeugen (euro per ton) percentage verkochte biggen (%) gemiddeld gewicht verkochte biggen (kg) gemiddelde prijs verkochte big (euro per big) gemiddeld gewicht afgeleverde biggen (kg) gemiddelde waarde afgeleverde big (euro per big)
44
2. Vetmesting Naam kengetal aantal vleesvarkens aantal afgeleverde vleesvarkens
aantal opgezette biggen
totale vleesproductie vleesvarkens (kg) gemiddeld gewicht opgezette biggen (kg) waarde opgezette big (euro per big) gemiddeld gewicht verkochte vleesvarkens (kg) gewichtsaanwas verkochte vleesvarkens (kg) waarde verkochte vleesvarkens (euro per kg) sterftepercentage vleesvarkens (%) dagelijkse groei vleesvarkens (gram) mestduur (dagen) rotatiecoĂŤfficiĂŤnt hoeveelheid krachtvoer per afgeleverd vleesvarken (kg) dagelijks krachtvoerverbruik per vleesvarken (gram) voederconversie vleesvarkens gemiddelde prijs krachtvoer vleesvarkens (euro per ton)
Definitie gemiddeld aantal aanwezige vleesvarkens in eigendom aantal verkochte vleesvarkens + aantal intern overgebrachte vleesvarkens van de vetmesting naar de vermeerdering aantal aangekochte biggen + aantal intern overgebrachte biggen van de vermeerdering naar de vetmesting eindinventaris + verkopen (alle bestemmingen) + sterfte + overgangen uit - begininventaris aankopen - overgangen in gewicht opgezette biggen / aantal opgezette biggen waarde opgezette biggen / aantal opgezette biggen gewicht verkochte vleesvarkens / aantal verkochte vleesvarkens gemiddeld gewicht verkochte vleesvarkens gemiddeld gewicht opgezette biggen waarde verkochte vleesvarkens / aantal verkochte vleesvarkens (aantal gestorven vleesvarkens / aantal opgezette biggen) * 100 (totale vleesproductie vleesvarkens *1000) / (aantal vleesvarkens * 365) (gewichtsaanwas afgeleverde vleesvarkens *1000) / dagelijkse groei vleesvarkens 365 / mestduur hoeveelheid verbruikt krachtvoeder vleesvarkens / aantal afgeleverde vleesvarkens (hoeveelheid verbruikt krachtvoeder vleesvarkens * 1000) / (aantal vleesvarkens *365) hoeveelheid krachtvoeder vleesvarkens / totale vleesproductie vleesvarkens (waarde krachtvoeder vleesvarkens / hoeveelheid krachtvoeder vleesvarkens) * 1000
45