Skip to main content

Vlaanderen_gepeild_1998_individualisme.pdf

Page 1

1.Individualisme

3

1.1. Componenten van een conceptafbakening

3

1.2. Omschrijving van de meting in de survey "Culturele verschuivingen in Vlaanderen 1996". 8 1.3. Het gemeten concept “utilitaire oriëntatie” 2.Verklaringen van een utilitaire oriëntatie

8 11

2.1. Verband tussen verenigingsleven, kerkelijkheid en een utilitaire oriëntatie

11

2.2. Achtergrondkenmerken

12

2.3. Een utilitaire oriëntatie en ervaringen van sociale desintegratie

15

3.Een empirisch verklaringsmodel

16

3.1. Overzicht van de kenmerken voor het model

16

3.2. Basismodel

18

3.3. Verdere uitwerking van het model

20

4.Besluit en slotbeschouwingen

22

5. Epiloog: Over survey-onderzoek en beleid

23

1


Individualisme: een kwestie bij de eeuwwende? Hans Waege & Jaak Billiet K.U.Leuven

Sinds de tweede helft van de jaren tachtig is individualisme van de vliering van het maatschappelijke en wetenschappelijke geheugen naar beneden gehaald. Het is opnieuw een modieus begrip geworden aan de hand waarvan de westerse wereld zichzelf probeert te begrijpen en bij te sturen. Individualisme wordt te pas en te onpas aangevoerd om maatschappelijke of “individuele” problemen van een verklaring te voorzien. Bij veel mensen leeft het gevoel dat het individu teveel voorrang heeft. Men vindt dat men aan de “andere” voorbij raast zonder de dingen die niet tot het individueel belang kunnen worden gereduceerd, nog te willen beveiligen. Mensen die het over individualisme hebben,, hebben een zeker besef heeft van wat zijzelf daarmee bedoelen. Toch worden we zelden of nooit met duidelijke conceptomschrijvingen geconfronteerd. Om dit duivel-doet-albegrip binnen het wetenschappelijk onderzoek hanteerbaar te maken, moet het dan ook in de eerste plaats zindelijke worden omschreven. Dat vormt de aanzet van het eerste onderdeel van deze bijdrage. De opnieuw opgebloeide maatschappelijke en wetenschappelijke belangstelling voor het individualisme-begrip leidde ertoe dat een meetinstrument voor individualisme in de survey “Culturele verschuivingen in Vlaanderen” (APS-survey) in 1996 werd opgenomen. Het eerste onderdeel wordt voortgezet met een omschrijving van de manier waarop individualisme in de APS-survey van 1996 geoperationaliseerd werd. We sluiten het eerste onderdeel af met de reacties van de respondenten op de uitspraken aan de hand waarvan individualisme gemeten wordt. Individualisme is een mythisch begrip dat dikwijls ook als moreel argument wordt gebruikt. Het moet dan ook omgeven worden met andere weldoende concepten die verwijzen naar een ideaal van gemeenschappelijkheid. Er wordt verwacht dat individualisme als ingesteldheid of oriëntatie door menig aspect van maatschappelijke betrokkenheid gemilderd of verhinderd wordt. Dit is voer voor het tweede onderdeel van deze bijdrage. We stellen enkele cruciale kenmerken van maatschappelijke betrokkenheid voor en gaan na hoe ze met individualisme samenhangen. Individualisme wordt niet alleen met sociologische variabelen maar ook met sociaalpsychologische kenmerken in verband gebracht. Voor deze bijdrage gaat de aandacht naar het algemene begrip “ervaringen van sociale desintegratie”. Het tweede onderdeel wordt afgesloten met een inspectie van de hypothesen over de band tussen deze sociaal-psychologische ervaringen en individualisme zoals het in de sociaal-culturele studie geoperationaliseerd werd. In het derde onderdeel gaan we aan de hand van de gegevens van de APS-survey uit 1996 stapsgewijs na of de verbanden die verwacht worden ook feitelijk voorkomen op het niveau van de Vlaamse bevolking. Indien mogelijk, vergelijken we de bevindingen van het APS-survey uit 1996

2


met de resultaten van het ISPO-survey1 uit 1991, 1995 en 1996. 1. INDIVIDUALISME2 Zowat elke discipline binnen de humane wetenschappen wordt vroeg of laat, rechtstreeks of onrechtstreeks geconfronteerd met vraag naar de wijze waarop, de mate waarin en de condities waaronder individueel handelen afgestemd moet worden op dat van de anderen waarmee het individu op verschillende niveaus in contact komt. In deze bijdrage beperken we ons tot een sociologische probleemstelling. Dat wil zeggen dat de aandacht in de eerste plaats gaat naar de sociale condities en de sociale verschijningsvormen van de verhouding tussen individu en gemeenschap. Hoe die verhouding zich bijvoorbeeld in problemen van de rechtswetenschap, de moraalfilosofie of de economie vertaalt, maakt geen deel uit van onze probleemstelling. 1.1. Componenten van een conceptafbakening In het licht van het belang dat van oudsher aan de verhouding tussen individu en gemeenschap gegeven wordt, is het verbazingwekkend te moeten vaststellen dat onze (wetenschappelijke) taal om over deze verhouding te spreken, aan een chronische conceptuele armoede lijdt. Doorgaans wordt in de stortvloed aan concepten nauwelijks een grondig beredeneerd onderscheid gemaakt tussen begrippen zoals egoïsme, individualisering, hedonisme, materialisme, privatisering, individueel winstbejag, utilitarisme, gebrek aan normbesef, individuele autonomie, zelfbeslissing, zelfexpressie... Ze lijken allemaal op elkaar en hebben met elkaar gemeen dat ze niet zelden moeten dienen om een al dan niet reële gesel van de eeuwwende aan te duiden: het veralgemeende gebrek aan betrokkenheid op “de” ander. De waslijst zou naar believen kunnen worden aangevuld met indrukwekkende verzameltermen. ‘Individualisme’ is er eentje van. In wat volgt proberen we aan de hand van enkele sleutelelementen een aanzet te geven tot het stichten van enige orde in de wanorde. 1.1.2. Functionele differentiatie 3 Hedendaagse postindustriële en mondiale samenlevingen hebben een aantal systeemeigenschappen die ervoor zorgen dat individuen en groepen steeds sterker afhankelijk worden van steeds meer en steeds verderaf gelegen anonieme “anderen”. Die “anderen” hebben dikwijls het karakter van een “systeem” of een “instituut”. Het zijn geen aanspreekbare personen meer; het zijn “administraties”, “kapitaalstromen”, “bedrijfsleidingen-in-een-ver-land” of “ambten” waarmee gecommuniceerd moet worden. Die “anderen” hebben dikwijls een macht opgebouwd die recht evenredig is met de toename aan anonimiteit. Individuen maken daarvan deel uit en handelen binnen de vereisten en limieten van deze systemen. Hun logica’s zijn de basiscodes aan de hand

1

ISPO: Interuniversitair Steunpunt Politieke Opinieonderzoek, gevestigd aan de K.U.Leuven. Dit centrum organiseert geregeld grootschalige surveys m.b.t. ondermeer politieke waarden, opvattingen en opinies. 2

De omschrijving die onder deze paragraaf weergegeven wordt, staat uitvoeriger geargumenteerd in WAEGE, H. (1997) Vertogen over de relatie tussen individu en gemeenschap. Leuven: ACCO. Dit doctoraatsonderzoek werd mogelijk gemaakt dankzij de steun van het FWO-Vlaanderen (NFWO G.0209.95) en het Onderzoeksfonds van de K.U.Leuven (OT/94/3). 3

Voor een goede inleiding in deze materie verwijzen we naar Laermans, R., (1997) Sociale systemen bestaan. Leuven: ACCO.

3


waarvan deze systemen werken. Zo moet wetenschap waar van vals onderscheiden, moet een onderneming winst van verlies onderscheiden enz. Dit gebeuren wordt in de sociologie aangeduid met de term functionele differentiatie. Functies worden steeds specifieker, ze raken steeds verder uitgedifferentieerd. We raken verweven in een net van onderlinge afhankelijkheden. Dit creëert een functionele vorm van integratie. Het op elkaar ingrijpen en wederzijds doelgericht aanvullen van deze functies is een vereiste van moderne samenlevingen geworden. Ze verkeren dan ook gedeeltelijk in crisis wanneer bijvoorbeeld het juridische systeem, het economische systeem of het politieke systeem het laten afweten. Elk van die systemen hebben weer subsystemen die op hun beurt noodzakelijk zijn om het systeem te laten werken. Zo heeft het politieke systeem partijen, het parlement en kiezers. Nu worden we geconfronteerd met een samenleving waarin het politieke systeem grondig verstoord is. Als deze crisis ook de vitale toelevering aan andere systemen stopzet, dan dreigt maatschappelijke desintegratie. Maatschappelijke desintegratie is een begrip dat gereserveerd om het uit(een)vallen van verschillende gedifferentieerde functies van een moderne samenleving aan te duiden. Functionele differentiatie en functionele integratie gaat samen met het terugdringen van het aantal domeinen die tot de “Gemeinschaft”4 en haar alledaagse culturele integratie behoren. Het begrip “individualisme” wordt doorgaans gereserveerd voor het domein van de sociaal-culturele integratie die eigen is aan de alledaagse leefwereld. Tussen theoretici heerst onenigheid over hoe strikt de alledaagse leefwereld van andere meer specifieke functionele domeinen moet onderscheiden worden. We gaan deze discussie hier niet voeren. Voor de conceptuele duidelijkheid zullen we ons verder beperken tot het domein van het sociaal-culturele, waarvan we aannemen dat het relatief meer relevanter is binnen het domein van het alledaagse leven. 1.1.3. Regulering of sociabiliteit. Wanneer het over individualisme binnen de alledaagse leefwereld en haar culturele integratie gaat, moet een onderscheid gemaakt worden tussen regulering of sociabiliteit. Beide begrippen zijn aspecten van sociale integratie in de alledaagse leefwereld. Als individualisme in verband wordt gebracht met “eigenbelang”, “egoïsme” of extreme individuele expressiviteit, dan gaat het om regels, waarden of normen. Als individualisme in verband wordt gebracht met sociale contacten, vriendschapsbanden deelname aan groepsbijeenkomsten of verenigingsleven, dan gaat het om sociabiliteit of privatisering. Het is belangrijk om deze twee theoretische dimensies van sociale integratie uit elkaar te houden, vooral omdat de band tussen op het individu gerichte normatieve kaders en sociabiliteit één van de centrale vragen is binnen deze problematiek (zie verder). Binnen de reguleringsdimensie en binnen sociabiliteit moeten er nog diverse onderscheidingen en afbakeningen aangebracht worden. Om het geheel niet te complex te maken, beperken we ons voor de rest van dit onderdeel tot waarden en normen. Dit het domein van het meetinstrument dat in het empirisch deel als indicator van individualsme zal worden aangewend. 1.1.4. Strategische belangen, alledaagse leefregels en instrumentalisme. Voor de term “individualisme” onderscheiden we drie verschillende handelingssferen. Het expressief individualisme heeft vooral alledaagse leefregels tot voorwerp, bijvoorbeeld kleding,

4

“Gemeinschaft” dient om te duiden op maatschappelijke ordening die verwijst naar traditionele

waarden en normen die voor iedereen in een samenleving gelijkaardig zijn.

4


beleefdheidsregels of seksualiteit. Het utilitair individualisme en heeft vooral de positie van het individu als voorwerp. Daarbij kan het zowel gaan om materiële aspecten als om immateriële aspecten van hiërarchische distinctie met betrekkig tot prestige, gezag en aanzien. Bij utilitair individualisme staan verdelingsvragen centraal. Cruciaal is dat deze positie een onderscheid inhoudt dat als hiërarchisch wordt aangevoeld en dat de hiërarchische positie eerder wordt nagestreefd omwille van haar vormelijk onderscheid dan omwille van haar instrinsieke inhoudelijke kwaliteiten. Expressief en utilitair individualisme worden dikwijls in één adem genoemd alsof het twee elkaar versterkende oriëntaties zouden zijn die al dan niet in een vernieuwde vorm dikwijls samen optreden (vgl. Bellah, 1986; Elchardus, 1990). Dit is echter niet het geval (vgl. Billiet, 1993: 153 e.v.; Waege, 1997: 289 e.v.). Een derde variant is het instrumenteel individualisme of instrumentalisme (vgl. Waege, 1997). Deze vorm van individualisme verwijst naar de instrumentaliteit van waarden, normen, sociale relaties of instituties. Deze staan dan enkel nog ten dienste van het individu om het eigen leven zo efficiënt en praktisch als mogelijk zijn gang te laten gaan. Personen die een instrumentele vorm van individualisme voorstaan, gaan dikwijls akkoord met de normen en waarden die door de gemeenschap opgelegd worden. Dit gebeurt echter niet vanuit een intrinsieke motivatie die betrekking heeft op een positieve waardering van de norm of de waarde. De motivatie is extrinsiek en heeft betrekking op het feit dat het zich houden aan deze gewoonten van de samenleving het voordeel heeft dat het leven gemakkelijker en vlotter verloopt. Alles samen komt het daarop neer dat de drie vormen van individualisme altijd gaan over waarden, normen, overtuigingen of gewoonten, maar dat de finaliteit of motivatie van deze waarden, normen of overtuigingen verschilt tussen de drie vormen. In het geval van een expressieve oriënatatie staat de individuele expressie en zelfdeterminatie m.b.t. leefregels voorop; in het geval van utilitair individualisme gaat het om de vooraanstaande positie op zich; in het geval van instrumentalisme betekent individualisme in de eerste plaats een vlot en rustig leven. Deze drie vormen van individualisme hebben niet noodzakelijk dezelfde relevantie voor elke persoon of groep; ze kunnen wel samen voorkomen bij één persoon of een groep. 1.1.5. Tegenpolen en ambiguïteit Elk van deze individualisme-begrippen heeft ook een theoretische tegenpool die verwijst naar betrokkenheid op de gemeenschap. De tegenpool van expressief individualisme is traditionalisme of communitarisme. Tegenover de individuele invulling van alledaagse leefregels staat het zich houden aan de overgeleverde conventies die eigen zijn aan een samenleving en die vastgelegd zijn in waarden, normen, gewoonten, gebruiken of soms ook in wetten. Tegenover utilitair individualisme staan verschillende vormen van solidariteit. Tegenover een oriëntatie die opkomt voor individuele verrijking staat een oriëntatie die een gelijke verdeling van deze middelen voorstelt. Tegenover een instrumenteel individualisme staat een instrumentele gemeenschapzin. De normen en waarden worden dan niet verdedigd vanuit een extrinsieke motivatie die het individu ten goede komt maar vanuit een extrinsiek motivatie die enkel de gemeenschap op zichzelf als na streven goed vooropstelt. Deze tegengestelde begrippenparen vormen elk op zich een theoretische as. Deze tegenpolen worden dikwijls als elkaar uitsluitende tegenstellingen gebruikt. Men is ofwel individu- ofwel gemeenschapgeoriënteerd. Men is individueel-utilitair ingesteld of solidair ingesteld, men is expressief ingesteld of men is normatief-traditioneel ingesteld. Het is in vele gevallen een geconstrueerde tegenstelling. In plaats van een tegenstelling tussen individu-

5


gemeenschap als analytisch kader voorop te stellen kan ook gekozen worden voor ambiguïteit als analytisch referentiekader5. We gaan er dan van uit dat er combinaties mogelijk zijn tussen vormen van een relatief grotere oriëntatie op het individu of relatief grotere oriëntatie op de gemeenschap. Een voorbeeld op het actorniveau kan dit verduidelijken. Bij de keuze van een levenspartner spelen vele overwegingen een rol. Hoewel ons romantisch ideaal van de natuurlijke liefde uitsluit dat het hier gaat om een ruil tussen twee individuen, leert de feitelijke ervaring meer. Naast verliefdheid spelen ook financiën, prestige en status of culturele levenssfeer een rol. Bij het uitschakelen van mogelijke rivalen kunnen eveneens bijzonder strategische overwegingen spelen (individueel eigenbelang). De keuze voor een partner kan ook uiterst instrumenteel zijn. Het maakt het leven in een aantal opzichten eenvoudiger. We verwachten dat gematigde vormen van individu- en gemeenschapsgerichtheid kunnen samengaan; dat verwachten we niet voor extreme vormen op eenzelfde theoretische as. Men kan niet tegelijkertijd een hiërarchisch belangrijker positie nastreven en tegelijkertijd verdedigen dat alle hiërarchische verschillen moeten worden afgeschaft. Op een algemene niveau van een bepaalde historisch-geografisch afgebakende samenleving kunnen deze extremen wel samengaan (zie verder). 1.1.6. Toestand of historisch proces Individualisme wordt dikwijls verward met individualisering. Individualisering (vgl. Beck, 1986) is een concept dat uit een totaal andere wetenschappelijke traditie stamt dan het individualismebegrip. Aan de hand van individualisme wordt vooral de normatieve toestand van een samenleving beschreven. Individualisering is een procesbegrip dat een historisch proces probeert te beschrijven van individuele vrijzetting en de reintegratie in op individu gerichte kaders. De individualiseringsbenadering hecht dan ook veel meer belang aan de sociaal-structurele veranderingen, terwijl de klemtoon bij de individualismebenadering meer op sociaal-culturele veranderingen ligt. Deze bijdrage is geen geschikte plaats om de verschillen en gelijkenissen tussen beide benaderingen volledig uit te werken. We willen alleen wijzen op het feit dat individualisme duidelijk van individualisering moet worden onderscheiden. Ook willen we hiermee aanduiden dat bij de definitie van een concept moeten worden gespecificeerd of het om een procesbegrip gaat dan wel om een begrip dat dient om een toestand te beschrijven. 1.1.7. -isme en “normale” vormen: onder meer een morele kwestie De vormen van individualisme die we hebben gespecificeerd, zijn nog steeds vrij algemeen. Zo omvat het begrip expressief individualisme niet alleen algemene waarden zoals zelfontplooiing, persoonlijke autonomie of creativiteit maar ook meer extreme begrippen zoals het uitdagen van alledaagse leefregels of bewust anders leven, tegen de regels in. Utilitair individualisme kan zowel om materiële als immateriële belangen gaan. Sommigen rekenen ook hedonisme tot deze variant van individualisme. Een “–isme” betekent een overdrijving, een “teveel”. Een helder gebruik van een “isme”-begrip veronderstelt dus dat we een idee hebben van wat een normale of overdreven verschijningsvorm is. Toegepast op individualisme veronderstelt dit een onderscheid tussen enerzijds een gematigde en

5

We maken hier zeer bewust gebruik van het begrip “analytisch referentiekader”. Hiermee willen we aanduiden dat wat vanuit wetenschappelijke concepten gezien als ambiguïteit omschreven wordt, niet als dusdanig door de individuele actoren moet ervaren worden. In deze zin is ambiguïteit binnen onze benadering een wetenschappelijk construct.

6


normale vorm van individugerichtheid en anderzijds een overdreven gerichtheid op het individu. Hetzelfde geldt voor gerichtheid op de gemeenschap. Het is noodzakelijk om een onderscheid te maken tussen de vaststelling dat een groep een extreme oriëntatie heeft en de bijna automatische reflex om dat als “pathologisch” te omschrijven. Het is meestal zo dat een samenleving (extreem) vooruitstrevende groepen nodig heeft om te blijven vooruitgaan; er zijn ook (extreem) behoudsgezinde groepen nodig die verdedigen dat men het kind met het badwater niet moet weggooien. Extreem utilitair ingestelde personen en groepen vergaren de noodzakelijke mogelijkheden om ook de solidariteit een kans te geven en extreem solidaire groepen eisen dat de zwakkeren niet uit de boot vallen bij een niets ontziende competitie. Het komt zowel in de culturele, sociale als in de economische sfeer voor: een avant-garde die zekerheden onderuit haalt en nieuwe producten, sociale verdelingen of kunstwerken ontwikkelt en voorstelt, is niet zelden bezig met wat morgen velen zullen gebruiken, genieten of smaken. Op deze wijze heeft men dan comfortgrenzen of intellectuele grenzen verlegd die toegang verschaffen tot meer of andere welvaart of tot meer of een ander welzijn. Dit fundamenteel onderscheid, tussen de vaststelling dat een groep van een gemiddelde afwijkt en de interpretatie in termen van nefaste gevolgen voor de samenleving als geheel, wordt dikwijls vergeten bij het interpreteren van populatieparameters. De volgende vraag is hoe groot deze groep vernieuwers of behoudsgezinden mag of moet zijn opdat een samenleving zichzelf niet zou voorbij hollen of omgekeerd opdat een samenleving niet zou verzanden in traditionalisme. Het antwoord op deze vraag naar de haalbare of noodzakelijke proportie extreme vernieuwing of extreme behoudsgezindheid en de condities waaronder deze extremen aanvaardbaar zijn, is steeds gedeeltelijk met een moreel oordeel verbonden. Toch is er ook een functioneel antwoord nodig dat uitgaat van de noden van een moderne samenleving. De wetenschap hierover is onvoldoende gevorderd om een duidelijk en empirisch gestaafd antwoord mogelijk te maken. Los van de vraag naar de grootte van een extreme groep moeten we ook stilstaan bij de aard van de vernieuwing of de behoudsgezindheid. We sluiten ons aan bij de visie van onder meer Realino Marra (1989). Hij verdedigt de stelling dat het uitoefenen van fysiek of emotioneel geweld niet aanvaardbaar is bij het verdedigen van een oriëntatie. Volgens Marra zijn de mensenrechten een maatstaf om de grens van de aard van de extremiteit vast te leggen. Dit wil zeggen dat zowel het dwangmatig opleggen van tradities als het dwangmatig opleggen van vernieuwingen onaanvaardbaar zijn. Deze visie sluit aan bij de ethiek van het communicatief handelen, dat overleg en debat boven dwang en geweld stelt : respect voor de visie van de andere staat dan als norm voorop. (Tenzij de visie die zou moeten gerespecteerd worden de negatie van dat respect veronderstelt.) 1.1.8. Attitude, waarden en gedrag: een precaire band Een individu- of gemeenschaporiëntatie kan met verschillende soorten indicatoren worden onderzocht. Dikwijls wordt gebruikgemaakt van reeken uitspraken waarop de respondent moet reageren met een antwoordschaal (bv. eens – oneens). De antwoorden op dergelijke schalen hebben niet noodzakelijk een determinerende waarde wanneer het om concrete zaken gaat zoals belastingontduiking of zwartwerk als utilitaire opstelling in de verhouding tot de staat (vgl. Waege, 1997: 259 e.v.). De stap van disposities ten opzichte van gedrag naar gedrag zelf ligt nog verder af. Bij de keuze uit een reeks gedragsalternatieven speelt niet alleen de achterliggende attitude die wordt gemetenn, een rol. Meestal zijn er verschillende oriëntaties, opinies of attitudes die

7


gelijktijdig worden aangesproken. Meestal zijn er ook specifieke contextelementen (bijvoorbeeld gaat het om vreemden, een anonieme instantie zoals de staat of een grote onderneming ? Of gaat het om familie of vrienden ? Ook persoonlijke ervaringen uit het verleden of een specifiek kennispatroon kunnen een rol spelen. Voorts laten abstracte attitudes omwille van hun vaagheid meestal ook verschillende gedragsalternatieven toe. De “attitude”-meting kan dus niet zonder meer naar handelingen of verwachte handelingen worden geëxtrapoleerd, net zoals ook handelingen zelden eenduidig in termen van individu- of gemeenschaporiëntatie kunnen worden begrepen. 1.2. Omschrijving van de meting in de survey "Culturele verschuivingen in Vlaanderen 1996". We moeten ervan uitgaan dat houdingschalen geen indicatoren zijn voor vage algemene concepten maar dat ze een specifieke betekenis hebben waartoe de gevolgtrekkingen moeten worden beperkt. Het meetinstrument dat in de sociaal-culturele studie gebruikt wordt, is een schaal die bestaat uit attitude-items waarop aan de hand van een vijfpunten antwoordschaal kan worden gereageerd. De inhoud van de items is vrij abstract en algemeen van aard. Dat betekent dat ze ook niet als vanzelve van toepassing zijn op specifieke onderwerpen die onder deze algemene noemer zouden kunnen vallen. Dergelijke beweringen moeten steeds empirisch worden onderzocht. De meting in de sociaal-culturele studie is niet toegespitst op een functioneel veld. Het gaat veeleer om een algemene ervaring. Dat heeft tot gevolg dat de bevindingen aan de hand van dit gementen concept niet zonder meer naar specifieke domeinen kunnen worden doorgetrokken . Ook het analyseniveau is een algemeen maatschappelijk niveau, namelijk de Vlaamse gemeenschap. Dit betekent dat we zonder bijkomende veronderstellingen of tests niets kunnen zeggen over andere (lagere) niveaus. De schaal uit de APS-survey is gebaseerd op het werk van Elchardus en Heyvaert (1990). De schaal meet een algemene gerichtheid op eigenbelang en individueel succes. De schaal moet vooral begrepen worden als een beoordeling van de legitimiteit van een dergelijke utilitaire oriëntatie. Het is een schaal binnen de reguleringdimensie die zich beperkt tot de utilitaire variant van individugerichtheid. Het gaat om een toestand. Uit recent onderzoek blijkt dat het bovengenoemde meetinstrument maar één van de mogelijke varianten van utilitair individualisme is dat via houdingschalen kan worden waargenomen. Als andere indicatoren gebruikt worden (bv. een schaal over de toelaatbaarheid van op individueel eigenbelang gerichte normovertredingen zoals belastingontduiking, zwartwerk, illegaal kopiëren), komen dikwijls ook andere respondenten (of groepen) als meer utilitair naar voren (vgl. Waege, 1997: 287-288, 339). Vanwege deze specifieke betekenis kiezen we ervoor om in wat volgt het begrip “utilitaire oriëntatie” te gebruiken om naar de schaal te verwijzen. Het is een variant die vooral relevantie heeft voor lager opgeleiden. Voor andere vormen van utilitarisme werden in de APS-survey geen meetinstrumenten opgenomen. 1.3. Het gemeten concept “utilitaire oriëntatie” Om de mate waarin er een utilitaire oriëntatie leeft bij de Vlaamse bevolking te meten, wordt gebruik gemaakt van een samengestelde variabele. Aan de hand van het gemiddelde van de antwoorden die op verschillende uitspraken gegeven worden, komen we tot een schaal voor het concept “utilitaire oriëntatie”. Deze schaal gebruiken we later in het multivariate modellen.

8


Voor de deze schaalwaarde bekijken, gaan we na hoe de respondenten antwoorden op de individuele items die deel uitmaken van de schaal. In Tabel 1 geven we een overzicht van de drie items die zowel voorkomen in de ISPO-surveys van 1991, 1995 en 1996 en in het APS-survey van 19966. Tabel 1 Percentverdelingen van items uit de schaal “utilitaire oriëntatie” achtereenvolgens uit het ISPO-1991 survey, N=2691 (I), het ISPO-1995 survey, N=2099 (II), het ISPO-1996 survey N=937 (III) en het APS-1996 survey (IV)7 Helemaal eens

Eens

Niet eens, niet oneens

Oneens

Helemaal oneens

De mensheid, onze naasten, solidariteit, … wat een onzin allemaal, iedereen moet eerst voor zichzelf zorgen en zijn belangen verdedigen

I

8,4

22,8

15,1

35,8

16,6

II

6,9

19,0

13,2

40,6

19,7

III

2.0

15.0

17.1

44.0

21.0

IV

3,8

19,7

16

44,9

14,4

Wat telt zijn geld en macht, de rest zijn praatjes

I

7,0

18,8

12,3

38,4

22,2

II

6,1

16,3

12,3

40,0

24,7

III

6,0

18.0

12.2

44.0

20.0

IV

3,2

16,4

15,2

47,6

16,4

I

3,4

9,4

14,1

52,9

18,8

II

2,6

8,9

13,4

53,4

20,6

III

2.2

9.0

11.2

58.0

18.0

IV

0,8

10

18,3

57,4

12

Het nastreven van persoonlijk succes is belangrijker dan het nastreven van een goede verstandhouding met anderen.

Algemeen genomen zijn de respondenten van het APS-survey in vergelijking met de ISPOsteekproeven meer gematigd8. Er zijn minder respondenten in de twee extreme categorieën (helemaal eens en helemaal oneens). Algemeen stellen we vast dat er steeds slechts een minderheid van de respondenten akkoord kan gaan met de uitspraken die naar een utilitaire oriëntatie verwijzen. Ongeveer de helft van de respondenten is het oneens met deze uitspraken, nog een ongeveer 15% is het helemaal oneens. Daarentegen gaat in de APS-studie maar tussen de 1 en 4% van de respondenten helemaal akkoord met de uitspraken. Op basis van de drie uitspraken uit Tabel 1 en een vierde uitspraak wordt een variabele samengesteld. Deze schaal heeft een interne consistentie van 0.75 dat een aanvaardbare waarde

6

Het vierde item van de APS-schaal luidt “Men moet steeds zijn eigen belang nastreven en zich niet teveel

van de anderen aantrekken” 7 “Geen mening” als afzonderlijke categorie meegerekend maar niet getoond. Percentages van de ISPOonderzoeken zijn gewogen. 8

Dit wijst erop dat de ISPO-steekproeven heterogener zijn m.b.t. deze kenmerken.

9


voor een vier-itemschaal is. Wanneer we de samengestelde variabele ‘utilitaire oriëntatie’ op basis van het APS-survey bekijken, worden de bevindingen op basis van de analyse van de frequentieverdelingen bevestigd. Een utilitaire oriëntatie staat zeker niet bovenaan op de hitlijst van maatschappelijke oriëntaties. 75% van de steekproef neemt hoogstens een gemiddelde positie aan ten opzichte van de voorgestelde uitspraken. Het gemiddelde bedraagt 2.4 en kan variëren tussen 1 (helemaal niet utilitair) en 5 (sterk utilitair). Dit wil zeggen dat het grootste deel van de populatie (het 10% kwantiel ligt op 3.5) een genuanceerde tot negatieve evaluatie van de utilitarisme-items geeft.

Tabel 2 Gemiddelde, standaardafwijking en 1° en 3° kwartiel van de samengestelde variabele ‘utilitaire oriëntatie’ Gemiddelde

Std

Utilitaire oriëntatie 1 2.43 0.75 1 :antwoordcat. van 1 tot 5, 1= helemaal niet utilitair;

25%

75%

2

3

Voor we onze aandacht toespitsen op de verklaring van utilitair individualisme gaan we kort in op één van de mogelijke betekenissen die soms aan utilitair individualisme of een utilitaire oriëntatie wordt toegekend. De notie utilitair individualisme wordt dikwijls in verband gebracht met een neoliberalisme dat van solidariteit en sociale correcties in het economisch bestel geen prioriteit maakt (vgl. Elchardus, Heyvaert, 1990: 152 e.v.). Dit komt waarschijnlijk omdat de hernieuwde aandacht voor individualisme en individualisering (vgl. Beck, 1986) ongeveer gelijktijdig verloopt met neoliberale politieke successen in de V.S. met Ronald Reagan en in het Verenigd Koninkrijk met Margret Tatcher. Het is echter de vraag of deze gelijkenis op het individuele niveau kan doorgetrokken worden. Meer bepaald: is het zo dat utilitair ingestelde individuen ook minder dan anderen solidariteit en sociale correcties in de verdeling van de middelen in een samenleving verdedigen of aanvaarden? De data van de APS-survey 1996 laten toe om deze these alvast gedeeltelijk te onderzoeken. Op basis van attitude-items kan een factorschaal worden samengesteld die de economische linkse houding van de respondenten meet (vgl. Middendorp, 1979). Ze is samengesteld uit items zoals “De overheid zou de inkomens moeten herverdelen ten voordele van de zwakkeren in de maatschappij” en “In Vlaanderen worden de rijke mensen steeds rijker en de arme mensen steeds armer”. De correlatie tussen deze schaal en de schaal die een utilitaire oriëntatie meet bedraagt 0.06 (p=0.02). Dat wil zeggen dat de schaal die een utilitaire oriëntatie meet zo goed als niets te maken heeft met een economische linkse (of rechtse) oriëntatie. Ook in andere onderzoeken over de betekenis van de schaal die een ‘utilitaire oriëntatie’ meet, komen we tot gelijksoortige vaststellingen (vgl. Waege, 1997). Hoog scoren op de schaal “utilitaire oriëntatie” betekent dus niet dat de respondent een liberale economische opvatting heeft of dat de respondent zich niet wil of daadwerkelijk zou inzetten voor de zwakkeren in zijn/haar omgeving. Deze bevindingen illustreren het belang van een zo exact mogelijke begripsafbakening. Uit het ISPO-verkiezingsonderzoek van 1995 kan besloten worden dat de schaal voor de meting van een utilitaire oriëntatie nauw samenhangt met de ervaring van complexiteit (r = .58) die ervaringen van onzekerheid over de toekomst en onzekerheid over de relaties tot anderen uitdrukt.

10


De schaal hangt ook nauw samen met politieke aliënatie (r = .51), de behoefte aan autoritaire verhoudingen (r = .58) en de weerstand tegenover etnische minderheden (r = .56) (Billiet, Loosveldt, 1998). Dit wijst erop dat de meting van utilitair individualisme gebaseerd op het meetinstrument van Elchardus en Heyvaert (1990) eerder verwijst naar een geheel van sociaal culturele inflexibiliteit en deprivatie bij de respondent. De subjectieve ervaring dat de anderen vooral uit eigenbelang handelen vormt één van de componenten van een dergelijke inflexibiliteit en deprivatie-ervaring. 2. VERKLARINGEN VAN EEN UTILITAIRE ORIËNTATIE Nu het begrip individualisme beter gespecificeerd is en na het voorstellen van het meetinstrument in dit theoretisch raamwerk, gaan we in de nu volgende onderdelen na welke de theoretische en empirische argumenten zijn voor de verklaring van een utilitaire oriëntatie. Maatschappelijke betrokkenheid is kernconcept in deze verklaring. Het is net zoals individualisme een containerbegrip dat naar een grote diversiteit aan concepten verwijst. In deze bijdrage beperken we ons tot het bekijken van (a) georganiseerde verbanden, tot (b) andere klassieke achtergrondvariabelen en aspecten van klassieke achtergrondvariabelen die in termen van sociale betrokkenheid kunnen omschreven worden en tot (c) “ervaringen van sociale (des)integratie”.

2.1. Verband tussen verenigingsleven, kerkelijkheid en een utilitaire oriëntatie Vooral de groep die rond de notie ‘sociaal kapitaal’ werkt (Putnam, 1995), benadrukt het belang van feitelijke sociale contacten wanneer het gaat om het verhinderen van een te sterkte gerichtheid op eigenbelang. De vaardigheden die tijdens deze sociale contacten aangeleerd worden, zouden de oorzaak zijn van een meer op de ander gerichte oriëntatie. Niet alle vormen van sociabiliteit krijgen dezelfde relevantie toebedeeld. Tussen theoretici is er een aanzienlijke discussie over het belang van de verschillende soorten sociale betrokkenheid. Voor het onderzoek van het verband tussen feitelijke sociale contacten en een utilitaire oriëntatie concentreren we onze aandacht op twee klassieke kenmerken namelijk lidmaatschap van verenigingen en kerkelijke betrokkenheid. Van feitelijke sociale contacten wordt verwacht dat ze een negatief verband hebben met individualisme, c.q. een utilitaire oriëntatie. De oorzaak voor dit negatief verband wordt gezocht in de vaardigheden die vooral leden van een organisaties zouden aanleren. Overleg, rekening houden met de ander en belangenloze inzet behoren daartoe (vgl. Putnam, 1995). Anderen hebben een meer genuanceerde houding en stellen dat men ook een actieve betrokkenheid op organisaties kan hebben vanuit sterk strategisch belangen (vgl. Bellah, 1986, Crouch, 1982; Etzioni, 1995). Volgens dezelfde logica als bij het vorige verband zou de strategische logica die in organisaties ook gehanteerd en geleerd wordt om bv. bestuursfuncties te bereiken, kunnen leiden tot een meer utilitaire oriëntatie. De Franse socioloog Dubet (1994) benadrukt dat er in sociale verbanden meestal meerdere oriëntaties tegelijkertijd aanwezig zijn. Bijgevolg is het niet zo evident om aan verenigingen een sterke functionaliteit in het vermijden van een utilitaire oriëntatie toe te schrijven. Er moet een onderscheid tussen soorten verenigingen gemaakt worden. Bij leden van organisaties die zich vooral op belangenloze inzet voor de andere richten, zou het negatieve verband sterker zijn (vgl. Etzioni, 1995, Putnam, 1995). 11


Uit recent onderzoek in Vlaanderen blijkt dat de relatie tussen een utilitaire oriëntatie en lidmaatschap van verenigingen zwak is (vgl. Billiet, 1995, 1997; Elchardus, Derks, 1996, Waege, 1997b). Het blijkt wel relevant om bij de analyse van dat verband een onderscheid tussen soorten verenigingen te maken (vgl. Waege, 1997: 321 e.v. en Waege, 1997b). Zo wordt er bijvoorbeeld vastgesteld dat er meer kans is op lidmaatschap van lokale verenigingen bij een groep respondenten die een utilitaire oriëntatie combineren met traditionele (traditionalistische) opvattingen over normen en waarden. Naast verenigingsleven is kerkelijke betrokkenheid een belangrijke variabele bij de verklaring van een utilitaire oriëntatie. De band tussen kerkelijkheid en een utilitaire oriëntatie is niet eenvoudig en is theoretisch niet alleen gestoeld op de algemene logica over de band tussen een utilitaire oriëntatie en verenigingsleven maar doet daarnaast eveneens beroep op typische kenmerken van de katholiciteit (vgl. Billiet, 1995: 231). De notie “sociaal-culturele christenheid” speelt een belangrijke rol. Waarden zoals broederlijkheid, naastenliefde en rechtvaardigheid zijn centrale begrippen in het sociaal-cultureel kader en vormen een mogelijke bodem voor het tegengaan van een utilitaire oriëntatie. In een studie bij Vlaamse katholieken stelt Billiet (1995) vast dat er een significant effect van kerksheid op een utilitaire oriëntatie bestaat. Katholieken die regelmatig naar de kerk gaan zijn minder utilitair georiënteerd dan katholieken die zelden of nooit naar de kerk gaan. In een algemene studie over levensbeschouwingen heen stelt Billiet vast dat kerkelijke en levensbeschouwelijke betrokkenheid utilitair individualisme remmend werken. ‘Kerks katholiek zijn en utilitair individualisme gaan minst van al samen’ (Billiet, 1997: 6-8). De verklaring dat het vooral de sociaal-culturele christenheid is die utilitarisme verhindert, volstaat niet. Op deze wijze kunnen we de relatief geringe graad van utilitair individualisme bij vrijzinnigen niet duiden. De literatuur biedt hier weinig houvast. De hypothese dat een levensbeschouwelijke betrokkenheid uit zichzelf reeds een vooropstellen van andere waarden dan de utilitaire inhoudt (een humanistische oriëntatie is zeker niet materialistisch), kan een hypothese zijn bij de verklaring van dit verband. Dit wordt bevestigd door het ISPO-1995 onderzoek. Daar wordt vastgesteld dat de kans op een utilitaire oriëntatie afneemt naarmate men sterker betrokken is bij een levensbeschouwelijke groepering (katholiek of vrijzinnig) (vgl. Billiet, Loosveldt, 1998).

2.2. Achtergrondkenmerken In dit onderdeel vervolledigen we het beeld van de mogelijke verklarende variabelen met andere klassieke achtergrondkenmerken en kenmerken die daarmee verband houden maar die naar varianten van sociale betrokkenheid verwijzen. 2.2.1. Effecten van scholing en sociale klasse Uit verschillende onderzoeken komt scholingsniveau als een bijzonder belangrijke variabele naar voren ter verklaring van waarden of opvattingen (vgl. Schulze, 1990). De mentale mobiliteit en het economisch en het cultureel kapitaal van de hoger opgeleiden zijn doorgaans groter dan die van de langer opgeleiden (vgl. Burkart, 1994; Laermans, 1992). Dit heeft gevolgen die eventueel relevant kunnen zijn voor de wijze waarop men ten opzichte van een utilitaire oriëntatie staat. Een eerste hypothese verwijst naar Maslows behoeftepiramide en bijgevolg ook naar Ingleharts postmaterialisme these. Mensen die het reeds relatief goed hebben of die verwachten dat ze relatief weinig problemen zullen hebben om te voorzien in een aantal basisbehoeften zullen ook minder gericht zijn op oriëntaties die verband houden met het legitimeren van strategieën om deze posities te bereiken of te behouden. Op basis van dezelfde redenering kan er ook verwacht worden

12


dat dit ook zal opgaan voor de hogere sociale klassen in het bijzonder de klassen die een vast, hoog inkomen hebben. Naast deze tamelijk “materialistische” verklaring spelen ook culturele argumenten een rol. Een hogere opleiding (of jongeren die voor het volgen van een dergelijke opleiding reeds georiënteerd zijn naar meer kennis opdoen), geeft ook een reeks andere aspecten mee zoals een meer gediversifieerde kijk op welzijn die verder van het materialisme verwijderd is en die bijgevolg ook meer naar niet-materiële aspecten van welzijn verwijst. Dit geeft dan aanleiding tot een verschillend bestedingspatroon zoals kan vastgesteld worden op basis van studies van o.m. Pierre Bourdieu over de band tussen sociale klasse en cultureel kapitaal. Mentale mobiliteit houdt in sommige gevallen ook een relativering in van een materiële en niet-materiële cultuur die belangenposities als “marque de distinction” vooropstelt. Deze laatste these zou beter tot haar recht komen indien de analyse ook zou gebeuren naar de aard van de opleiding en niet enkel naar het “niveau” in termen van studieduur en relatieve theoretische abstractie van het diploma. Een ander hypothese op basis waarvan verwacht word dat de lager opgeleiden en de lagere klassen relatief meer utilitair georiënteerd zijn, houdt verband met de disciplineringthese van Adorno en Horkheimer (of Foucault). Deze these geeft aan dat vooral lagere klassen waardenpatronen aangereikt krijgen die moeten dienen om het gedrag van de hogere klassen te legitimeren. Op basis daarvan wordt eveneens verwacht dat lager opgeleiden en lagere sociale klassen in het algemeen sterker utilitair georiënteerd zijn. Deze positieve evaluatie en legitimatie van op eigen belang gericht handelen komt de hogere klassen ten goede die feitelijke de belangenposities bezetten. Dat lagere klassen toch utilitair proberen te handelen kan dan gepaard gaan met een meer competitieve ethiek en werkethiek die op hun beurt de productiviteit verhogen. Een utilitaire oriëntatie komt dan het markteconomisch systeem en de winst van de kapitaalbezitters ten goede. Het vastgestelde empirisch verband tussen autoritaire denkbeelden en het concept “utilitaire oriëntatie” (vgl. Billiet, Loosveldt, 1998) verwijst eveneens naar de zinvolheid van deze hypothese. Vooral middenklassen zijn de dragers van een typische, ambigue “petit-bourgeois” mentaliteit. Dit wil zeggen dat ze op het gebied van waarden, attitudes of oriëntaties niet utilitair georiënteerd zijn omdat dit niet past in de sociaal-culturele rol die zij zichzelf toebedelen. Zij zijn sociaal voelend zonder de fundamenten die de ongelijkheid produceren in vraag te stellen want dat is iets voor linkse revolutionairen, ze zijn naar gedrag utilitair ingesteld en stellen posities en materieel welzijn als indicatoren voor maatschappelijk succes voorop. Tegelijkertijd echter is men tegen de materiële en op “eigen belang” gerichte waarden want dat “hoort niet”. Deze ambiguïteit is een cruciale notie in het begrijpen van de “petit-bourgeois” cultuur (vgl. Voyé, 1995, Waege, 1997). In het algemeen verwachten we een negatief verband tussen opleidingsniveau en utilitarisme. Vooral de lagere klassen zijn sterker utilitair georiënteerd. 2.2.2. Werkgelegenheid als combinatie van sociale klasse en sociale participatie Werkgelegenheid heeft niet alleen als gevolg dat men van een inkomen en een positie voorzien wordt, werkgelegenheid levert ook sociale contacten9 en geeft vooral voor vele mensen subjectief zin aan het leven. Men ervaart een bijdrage aan de samenleving en omgekeerd ervaren werklozen

9

Idealiter zouden we een onderscheid moeten maken tussen het effect van sociale participatie op het werk en de gevolgen van minder sociale participatie door een gebrek aan financiële middelen. Er is echter een te grote non-respons op de inkomensvraag zodat het niet mogelijk is om deze effecten af te zonderen.

13


sociale degradatie en machteloosheid, ook na de periode van langdurige werkloosheid (vgl. Elchardus et al, 1995). We verwachten op basis van het algemeen positieve verband tussen een gebrekkige maatschappelijke integratie en een utilitaire oriëntatie dat het niet tewerkgesteld zijn, positief samenhangt met een utilitaire oriëntatie. 2.2.3. Leeftijd Over de band tussen een utilitaire oriëntatie en leeftijd bestaan meerdere hypothesen die aanleiding kunnen geven tot verwachte relaties die tegengesteld zijn aan elkaar. Het empirisch onderzoek naar het verband tussen leeftijd en een utilitaire oriëntatie in een algemene populatie en aan de hand van algemene parameters voor de hele populatie is dan ook niet evident. Dit wordt nog versterkt door het veralgemeende en abstracte karakter van het meetinstrument. De mate waarin er een generatie-effect bestaat, zal ervoor zorgen dat de oudere leeftijdscategorie (ouder dan 50-55 jaar) meer utilitair ingesteld is omdat deze generatie meer ervaring heeft met een toestand waarin het niet voor de hand liggend was om te voorzien in de basisbehoeften. Hetzelfde geldt voor een jongere leeftijdsgroep. De jongeren van vandaag groeien minder op met de gedachte dat een zekere werkgelegenheid en voldoende inkomen een evidentie zijn. Jongeren worden in hun adolescentie meer dan ouderen geconfronteerd worden met de culturele gevolgen van een weer populair geworden neoliberalisme (vgl. Bellah, 1986; Billiet, Beerten, 1993). Dit neoliberalisme stelt de condities van de vrije markt in vele gevallen voor de sociale omstandigheden en individuele waardigheid van elk persoon. Neoliberalisme varieert tussen een soort neodarwinisme dat “the struggele for life” als ethisch aanvaardbaar voorop stelt, met in het midden een groep die overtuigd is dat de markt automatisch aan elk individu voldoende zal toebedelen en aan de andere kant van het neoliberalisme een groep die de noodzaak van beperkte sociale correcties verdedigt. De wijze waarop de mondialisering en liberalisering van de markt ingrijpen op de persoonlijke toekomst van de jongere generaties, heeft tot gevolg dat wie zich bedreigd voelt relatief sterker de middelen om te overleven zou verdedigen. Wie in een dergelijke omgeving gesocialiseerd wordt, heeft meer kans dan anderen om deze situatie als aanvaardbaar of “normaal” te zien. Een reden waarom oudere bevolkingsgroepen en groepen op middelbare leeftijd minder dan jongere bevolkingsgroepen positief staan ten opzichte van een utilitaire oriëntatie vindt haar verklaring in de “petit-bourgeois” mentaliteit. Deze mentaliteit is meer eigen aan oudere bevolkingsgroepen. Bij de jongere bevolkingsgroepen wordt verwacht dat er relatief meer structurele problemen gesteld worden (vgl. Voyé, 1995). Verder is er bij jongere en hogergeschoolde groepen een grote aandacht voor fundamentele waarden veeleer dan voor naast elkaar staande instrumentele waarden (vgl. Kerkhofs er al. 1992; Waege, 1992). 2.2.4. Een effect van cultuurparticipatie? In de literatuur over het belang van sociaal kapitaal wordt aan het belang van een cultureel engagement weinig of geen aandacht besteed. Een betrokkenheid op cultuur duidt op het belangrijker achten van niet-strategische aspecten zoals esthetiek, verbreding en verdieping van inzichten en in sommige gevallen ook een betrokken kritiek op traditie of een betrokken verdediging van traditie. Zowel kritiek als verdediging van tradities wijst op een engagement voor de gemeenschap, niet in het minst omdat cultuurparticipatie dikwijls gepaard gaat met communicatie met anderen of met abstracte betekenisinhouden. Naast het feit dat deze cultuurparticipatie deels in opleiding en deels in sociale afkomst of sociale klasse gefundeerd is,

14


creëert het deelnemen aan culturele manifestaties een eigen dynamiek en ingesteldheid die relevant is voor het verminderen van een gerichtheid op en acceptatie van eigenbelang. Daarnaast zou cultuurparticipatie ook leiden tot een meer tolerante en meer open oriëntatie (vgl. Adorno, et al., 1950). Cultuurparticipatie wordt doorgaans in twee varianten opgedeeld. Enerzijds zijn er de schone kunsten met onder meer klassieke muziek en museumbezoek en anderzijds de populaire cultuur die onder andere film kijken en hedendaagse populaire muziek omvat. We maken een onderscheid tussen beide kenmerken en gaan na of ze op dezelfde wijze bijdragen tot de verklaring van een utilitaire oriëntatie. Participatie aan populaire cultuur kan naast een substantiële motivatie die verband houdt met interesse of ontspanning ook een motivatie hebben die veeleer verwijst naar een sociale conditie van deprivatie. Cultuur wordt dan gebezigd als instrument om daaraan te verhelpen. Het gaat dan om verveling en vluchten “uit de realiteit”. Participatie aan populaire cultuur wijst dan op een verinnerlijkte ervaring van een gebrekkige band met de samenleving en van zinloosheid. Bijgevolg zullen in deze bijdrage drie modaliteiten van cultuurparticipatie op hun verband met een utilitaire oriëntatie getoetst worden, namelijk: deelname aan schone kunsten, deelname aan populaire kunsten en de instrumentele deelname aan populaire cultuur. 2.2.5. Geslachtsspecifieke socialisatie. Geslacht is het laatste kenmerk uit de reeks achtergrondvariabelen. Vanuit de traditie wordt de man vereenzelvigd met kostwinner zijn, “het recht van de sterkste” en carrière. De vrouw is een “back-bencher”, zij die zorgt dat de man carrière kan maken. De vrouw ondersteunt en etaleert deze carrière met gepaste vrouwelijke elegantie. Loyaliteit, luisterbereidheid en de zogenaamde zachte waarden horen meer thuis bij het stereotiepe vrouwbeeld. De vrouw zegt haar carrière op voor het gezin terwijl de man carrière en eigenbelang (ook in termen van gezinsindividualisme te begrijpen) verder ontwikkelt en op deze wijze de instrumentele functies voor het gezin waarneemt (vgl. Daenen, 1993). Op basis van deze argumentatie verwachten we dat mannen relatief meer dan vrouwen positief staan ten opzichte van een utilitaire oriëntatie.

2.3. Een utilitaire oriëntatie en ervaringen van sociale desintegratie “Ervaringen van sociale desintegratie” wordt in deze context opgevat als een sociaalpsychologische variabele waarbij de respondent ontevreden is met zijn huidige levensomstandigheden, dat hij / zij ervaart dat het in de toekomst slechter zal gaan en dat “gezagsdragers” die belangrijke taken vervullen die met de persoonlijke levenssituatie verbonden zijn, niet te vertrouwen zijn. Het begrip is dan ook verwant met de verschillende sociaalpsychologische sub-dimensies van sociale desintegratie die we bij Srole aantreffen (1956). In de meest algemene zin gaat het om een ervaring van een gebrek aan “behoren tot”, over een ervaring van een gebrek aan zich positief aangesproken weten door de gemeenschap waarvan men deel uitmaakt. We beschouwen de verschillende sub-dimensies van het algemene begrip “ervaringen van sociale desintegratie” als onderscheiden concepten. Dit wil zeggen dat deze verschillende aspecten niet noodzakelijk bij hetzelfde individu of groep samengaan. Elchardus en Heyvaert stellen vast dat personen met een positieve toekomstverwachting ook minder utilitair ingesteld zijn (vgl. Elchardus, Heyvaert, 1990: 164). We verwachten hetzelfde voor personen die meer tevreden zijn. Mensen die meer vertrouwen hebben in verantwoordelijken

15


geven blijk van een persoonlijke ervaring van sociale integratie. Een dergelijke ervaring gaat relatief minder samen met een utilitaire oriëntatie. Over de oorzakelijkheid van deze verbanden kan vanuit theorie of ander onderzoek weinig met zekerheid gezegd worden. Het gaat minstens om het samengaan van een reeks kenmerken die allen onder de noemer “sociaal-culturele deprivatie” geplaatst kunnen worden.

3. EEN EMPIRISCH VERKLARINGSMODEL Voor de analyse aangevat wordt, zetten de verschillende verklarende variabelen nog eens op een rij, geven we aan op welke wijze ze gemeten worden en hoe ze in de analyse gebruikt worden.

3.1. Overzicht van de kenmerken voor het model Lidmaatschap van verenigingen wordt geïndiceerd door een reeks vragen naar het lidmaatschap van 11 types verenigingen. Daarnaast wordt er nog één vraag gesteld over betrokkenheid in raden (gemeentelijk en op schoolniveau) en is er een algemene categorie “andere”. Vanuit sociologisch oogpunt ontbreekt (met uitzondering van de milieubeweging) de belangrijke categorie van de nieuwe sociale bewegingen (vb. derde wereld, vredesbeweging, antiracisme beweging?). De relevantie voor het vragen naar dit type verenigingen wordt ontleend aan het feit dat het vooral deze bewegingen zijn die gedurende de laatste twintig jaar nieuwe stimulansen naar de samenleving formuleren. Deze impulsen hangen nauw samen met een aantal relatief recente politieke en sociale problemen. Bovendien blijkt dit type vereniging of beweging belangrijk om een onderscheid te maken tussen oude en nieuwe vormen van solidariteit en sociale betrokkenheid (vgl. Lalive D’Epinay, 1991, Voyé, 1995, Waege, 1997). Een relevant deel van de onderzoeksproblematiek kan dus niet in de analyse betrokken worden. Verder zijn er twee elkaar overlappende algemene categorieën die moeilijk concreet ingevuld kunnen worden en die ook nog eens met sommige andere categorieën overlappen nl. met “een vereniging die mensen groepeert die anderen (gehandicapten, zieken, bejaarden) helpen” en “een vereniging die ijvert voor de verbetering van het lot van anderen”10. De uiteindelijke centrale variabele voor de analyse heeft twee categorieën. We maken een onderscheid tussen personen die van geen lid zijn van één van de opgesomde verenigingen en personen die lid zijn van minstens één vereniging. Levensbeschouwelijke betrokkenheid wordt aan de hand van de klassieke vragen geoperationaliseerd nl. levensbeschouwelijke oriëntatie en kerkpraktijk. In tegenstelling tot wat in de meeste andere enquêtes gebeurt, wordt er in dit onderzoek wel naar de frequentie van de deelname aan niet-godsdienstige, levensbeschouwelijke activiteiten11 gevraagd. Theoretisch gezien vergroot dit het potentieel van de analyse. Aangezien de frequentie van deelname aan nietgodsdienstige levensbeschouwelijke activiteiten zeer laag is, is het onmogelijk om dit element in de analyse te betrekken. Uiteindelijk wordt de variabele levensbeschouwing omgedeeld in 6 categorieën: geen levensbeschouwing, vrijzinnig, anders kerkelijk (Moslims, Joden, Sekten… ),

10

Het is spijtig dat de gepensioneerdenverenigingen niet voorkomen alhoewel deze groep gezien de leeftijdsamenstelling van de bevolking niet onbelangrijk is. 11

Alhoewel dit een moeilijke vraag is voor het lager geschoold deel van de steekproef.

16


randkerkelijk (alleen enkel in geval van verplichtingen zoals huwelijk, begrafenis,… ), kerkelijk (geregeld maar niet wekelijks naar de kerk), kerks (meermaals per maand, wekelijks of meer naar de kerk). Opleidingsniveau: Opleidingsniveau wordt gemeten aan de hand van het hoogste diploma dat men op het moment van het onderzoek reeds behaald heeft. Voor de analyse hebben we dit kenmerk opgedeeld in drie groepen. De laag opgeleiden met een scholingsniveau tot maximum lager technisch onderwijs (A3). Een middenniveau dat alle types van hoger secundair omvat en het lager secundair algemeen vormend onderwijs. Het hogere niveau bevat alle respondenten die na de humaniora verder stude(e)r(d)en. Sociale klasse: sociale klasse wordt hier opgevat als beroepsklasse. Het kenmerk wordt op een vrij ruwe wijze bevraagd waardoor het moeilijk is om tot een theoretisch gestaafde categorisering te komen. We maken een onderscheid tussen twee groepen en onderscheiden grosso modo de handenarbeiders van de hoofdarbeiders. Bij de hoofdarbeiders rekenen we ook de groothandelaars. Wanneer de sociale klasse van de respondent niet aan de hand van het eigen actuele beroep kan vastgesteld worden, maken we gebruik van het laatst uitgeoefende beroep. Indien dit ook niet mogelijk is, maken we gebruik van het beroep van vader of moeder. Wanneer beiden beroepsactief zijn kiezen we hoofdarbeid boven handenarbeid. Klassieke cultuurparticipatie is samengesteld uit de vragen over het bezoek aan klassieke muziek voorstellingen, opera, dans, museum- en kunsttentoonstellingen. De variabele heeft een interne consistentie van 0.80. Populaire cultuurparticipatie bestaat uit items die de frequentie van deelname aan een popconcert, de bioscoop en de daarmee verbonden sociale activiteiten (cafébezoek en dancingbezoek) bevragen. De variabele heeft een interne consistentie van 0.70. Instrumentele cultuurconsumptie is gebaseerd op vragen naar de redenen waarom de respondent naar televisie kijkt. De respondenten die hoog scoren op deze variabele kijken tv om zich niet alleen te voelen, om zich niet te vervelen en om de problemen van alle dag even te kunnen vergeten. De samengestelde variabele heeft een interne consistentie van 0.71 wat aanvaardbaar is voor een drie-itemschaal. Zowel de (persoonlijke) tevredenheid als de toekomstverwachtingen werden uitvoerig bevraagd. Op basis van het onderzoek kan een algemene tevredenheidsvariabele geconstrueerd worden die uit 8 items bestaat. De factor vat de items die gaan over het inkomen, het werk, de levensstandaard, vrije tijd, gezondheid, sociale contacten en het hebben van voldoende beschikbare tijd. De items hangen voldoende samen om aan te nemen dat ze door een algemene, achterliggende tevredenheidfactor bepaald worden. Deze samengestelde variabele heeft een interne consistentie van 0.82. Toekomstverwachtingen werd aan de hand van meerdere schalen bevraagd die elk een ander aspect indiceren. Er zijn items die gaan over de algemene, eigen toekomst, de eigen financiële toekomst en items over de toekomst van de sociale voorzieningen en de werkgelegenheid. De items over de eigen financiële toekomst vormen met 3 items een betrouwbare schaal met een interne consistentie van 0.87. Dit is hoog voor een korte schaal. Voor de items die gaan over een algemeen toekomstbeeld is het onmogelijk om een betrouwbare achterliggende factor te identificeren, ook de sociale toekomstverwachtingen kunnen niet met één schaal in de analyse betrokken worden. De vijf best samenhangende items hebben een interne consistentie van 0.69

17


wat onvoldoende is. Naast de variabelen toekomstverwachtingen en algemene tevredenheid zijn er nog het vertrouwen in de instellingen als deel van het algemene concept “ervaringen van sociale desintegratie”. Er werden in drie aspecten voor de analyse weerhouden: (1) vertrouwen in de school, (2) vertrouwen in Vlaamse politici en Vlaamse politieke instellingen en (3) vertrouwen in de vakbond. Omdat de te verklaren variabele quasi-metrisch is, maken we voor de analyse gebruik van regressie-analyse. In deze analyse worden verklarende (quasi-)metrische variabelen gecombineerd met dummy-gecodeerde variabelen. Bij dummy-codering worden de n-klassen van de verklarende categorische variabele als n klassen gecodeerd. Voor de analyse wordt dit kenmerk omgecodeerd tot n variabelen die iedere keer de waarde 1 aannemen als de specifieke conditie optreedt en 0 als de andere condities (n-1) optreden. Bij de uiteindelijke analyse fungeert één categorie (die nu als aparte variabele gecodeerd is) als referentiecategorie (vgl. McClendon, 1994: 211). De sterkte van de relaties wordt weergegeven aan de hand van gestandaardiseerd regressiecoëfficiënten (b). Voor de dummy-gecodeerde variabelen wordt dan aangegeven met welke proportie (uitgedrukt in eenheden standaardafwijking) de score van de te verklaren variabele toe- of afneemt indien de respondent tot een categorie van de verklarende variabele behoort en niet tot de referentiecategorie.

3.2. Basismodel De analyse gebeurt in verschillende stappen. Eerst testen we een klassiek model. Daardoor kunnen we de bevindingen uit de sociaal-culturele studie van Vlaanderen vergelijken met bevindingen van ander grootschalig onderzoek in Vlaanderen namelijk de ISPO-surveys (Billiet, 1995, 1997). Vervolgens wordt de analyse verder ontwikkeld met minder courante aspecten van sociale betrokkenheid en met ervaringen van sociale desintegratie. In tabel 3 vergelijken we de resultaten van de drie analyses. In de tweede kolom staan de resultaten van het ISPO-survey 1991, in kolom drie deze van het ISPO-onderzoek 1995 en in de vierde kolom de resultaten van het APS-survey uit 1996. De resultaten van het ISPO-onderzoek in 1991 en het ISPO-onderzoek in 1995 zijn sterk gelijklopend. Het belangrijkste effect is dat van opleidingsniveau. Een laag opleidingsniveau gaat meer samen met een utilitaire oriëntatie. Ook de lagere sociale klasse is, onafhankelijk van opleidingsniveau meer utilitair georiënteerd dan de hogere klasse. Een hogere leeftijd betekent een hogere mate van utilitaire oriëntatie. Lidmaatschap van verenigingen heeft een negatieve invloed op een utilitaire oriëntatie, net zoals levensbeschouwelijke betrokkenheid, vooral dan kerks katholicisme. De effecten van opleidingsniveau, lidmaatschap van verenigingen en levensbeschouwing zijn soortgelijk in de sociaal culturele studie van Vlaanderen. Voor sociale klasse, leeftijd en geslacht worden er in de sociaal culturele studie geen significante verbanden vastgesteld. Ook het effect van opleidingsniveau lijkt wat zwakker. Algemeen genomen leidt dit tot een model dat in vergelijking met de ISPO-studies slechts de helft van de variantie verklaart. Dit kan gedeeltelijk verklaard worden door de kleinere spreiding van de antwoorden op de utilitarisme-items in het APS-survey.

18


Tabel 3 Het basismodel: vergelijking van de analyseresultaten tussen ISPO91, ISPO95 en het APSsurvey 1996. Gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (β’s). Utilitaire oriëntatie als afhankelijke variabele. ISPO 91

ISPO 95

APS-survey 1996

Opleiding laag

0.20***

0.23***

0.14***

Opleiding hoog

-0.14***

-0.13***

-0.12***

Soc. Klasse12 Ref. hoog

-0.09***

-0.07***

-0.01

Leeftijd (laag-hoog)

0.12***

0.13***

0.03

Geslacht (ref. vrouw)

0.07***

0.09***

0.02

Vereniging lidmaatschap (ref. geen)

-0.11***

-0.10***

-0.11***

-0.01

-0.001

0.03

Vrijzinnig

-0.06***

-0.04

-0.08***

Anders kerkelijk

-0.06***

-0.07***

-0.04

Kerkelijk

-0.06***

0.009

-0.04

Kerks Ref. Randkerkelijk

-0.14***

-0.12***

-0.10***

Ref. Opleiding midden

Geen levensbeschouwing

R² 0.20 0.19 ** Significant op het niveau 0.01; ***Significant op het niveau 0.001

0.09

Bij de theoretische uiteenzetting kwam naar voren dat er volgens sommige theoretici een bijkomend effect zou zijn van de aard van de vereniging. Dit blijkt niet uit de studie van Billiet (1997). De effectparameters zijn ongeveer gelijk tussen de verschillende types verenigingen. Ook wij hebben vastgesteld dat de grootte van de effectparameter niet betekenisvol toeneemt wanneer lidmaatschap enger gedefinieerd wordt in termen van uitsluitend lidmaatschap van sociaalculturele verenigingen of uitsluitend lidmaatschap van zorgverenigingen. Bijgevolg kan aangenomen worden dat de aard van de vereniging als kenmerk op zich weinig bijbrengt. Dit is niet tegengesteld aan de verwachtingen van het onderzoek naar sociale desintegratie uit 1997 (Waege, 1997). Binnen dat onderzoek wordt vastgesteld dat vooral de betrokkenheid op nieuwe sociale bewegingen het verschil maakt. Dit kenmerk kan met de bevraging in het APS-survey niet

12

De wijze waarop de variabele geconstrueerd werd, verschilt tussen de drie modellen. Voor ISPO 91 gaat het om beroepsprestige, voor ISPO95 gaat het om inkomen, voor APS-SURVEY 1996 gaat het om een verschil tussen handenarbeid en hoofdarbeid.

19


getoetst worden.

3.3. Verdere uitwerking van het model Cultuurparticipatie is één van de aspecten die met opleidingsniveau en sociale klasse verbonden is en heeft een invloed op de aard van de bijdrage die deze variabelen met zich meebrengen. Interesse in en deelname aan de “schone kunsten” gaat relatief meer samen met het waarderen van andere kanten van het leven dan de materiële of strategische dimensies. Op basis daarvan kan aangenomen worden dat er onafhankelijk van opleidingsniveau (en sociale klasse) een effect van participatie aan de “schone kunsten” bestaat. Als dat voor een gedeelte in de verklaringskracht van de variabele scholingsniveau vervat zit, dan kan aangenomen worden dat de relatieve bijdrage van opleidingsniveau aan de verklaring van utilitair individualisme zal afnemen. Omdat de discussie over het verschil, de evenwaardigheid en de relevantie van populaire cultuur actueel een belangrijk aandachtspunt is, gaan we na of deelname aan populaire cultuur een soortgelijk effect heeft. De derde variabele die toegevoegd wordt is “instrumentele cultuurconsumptie”. Tabel 4 Effect van deelname aan culturele activiteiten in het APS-survey 1996. Gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (β’s). Utilitaire oriëntatie als afhankelijke variabele. Model zonder cultuurparticipatie

Model met cultuurparticipatie

Opleiding laag

0.16***

0.13***

Opleiding hoog

-0.12***

-0.11***

-0.11***

-0.08***

0.02

0.02

-0.09**

-0.07**

Anders kerkelijk

-0.04

-0.05*

Kerkelijk

-0.04

-0.04

-0.09**

-0.08**

Klassiek (geen bezoek - wel bezoek)

----

-0.05*

Mediagebruik (niet instrumenteel – instrumenteel)

----

0.18***

Populair-modern (geen bezoek – wel bezoek)

----

0.02

Ref. Opleiding midden Vereniging lidmaatschap (ref. geen) Geen levensbeschouwing Vrijzinnig

Kerks Ref. randkerkelijk

R² 0.09 0.13 ***Significant op het niveau 0.001, ** significant op het niveau 0.01, * Significant op het niveau 0.05 Participatie aan de “schone kunsten” hangt negatief samen met een utilitaire oriëntatie, het gaat echter om een klein effect. Deelname aan populaire cultuur hangt niet significant samen met een utilitaire oriëntatie. Veruit het belangrijkste effect wordt gerealiseerd door de variabele

20


instrumentele cultuurparticipatie. De toevoeging van cultuurparticipatie aan het model heeft tot gevolg dat de effectparameters van opleidingsniveau zoals verwacht iets lager worden. Dat betekent dat cultuurparticipatie verantwoordelijk is voor een klein deel van het rechtstreekse effect van opleidingsniveau op utilitaire oriëntatie. Een volgende stap in het model is de toevoeging van de samengestelde variabelen die onder de noemer “ervaringen van sociale desintegratie” samengenomen worden en van de variabele deelname aan het beroepsleven. Tabel 5 Uiteindelijk model op basis van het APS-survey 1996. Gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (β’s). Utilitaire oriëntatie als afhankelijke variabele.

Opleiding laag

0.12***

Opleiding hoog

-0.10***

Ref. Opleiding midden Vereniging lidmaatschap (ref. geen)

-0.07**

Geen levensbeschouwing

0.02

Vrijzinnig

-0.07**

Anders kerkelijk

-0.04

Kerkelijk

-0.03

Kerks (Ref. randkerkelijk)

-0.06*

Klassiek (geen bezoek - wel bezoek)

-0.08**

Mediagebruik (niet instrumenteel - instrumenteel)

0.16***

Leeftijd (laag-hoog)

0.08*

Beroepsactief (ref: neen)

-0.10**

Financiële toekomstverwachting (weinig zogen - veel zorgen )

0.08***

Tevreden (tevreden – ontevreden)

0.04

Vertrouwen in scholen (weinig – veel)

-0.08***

Vertrouwen in vakbonden (weinig - veel)

-0.07**

R² 0.17 *** Significant op het niveau 0.001, ** significant op het niveau 0.01, * Significant op het niveau 0.05 Met uitzondering van algemene tevredenheid leveren alle variabelen die aan het model toegevoegd worden een significante bijdrage aan de verklaring van een utilitaire oriëntatie. Opvallend is ook dat leeftijd bij de controle van de andere toegevoegde variabelen significant wordt. Het blijft echter om een klein effect gaan dat net significant genoeg is. Dat ondersteunt de relevantie van de hypothese dat leeftijd eventueel verantwoordelijk is voor effecten die aan elkaar tegengesteld zijn.

21


Deze kunnen enkel onderzocht worden met ander onderzoek dat over diverse meetinstrumenten voor een utilitaire oriëntatie beschikt. Niet beroepsactief zijn hangt zoals verwacht positief samen met een utilitaire oriëntatie. Ook wantrouwen in de financiële toekomst en wantrouwen ten opzichte van de school en van de vakbonden gaat samen met een utilitaire oriëntatie. Er wordt geen significant verband vastgesteld met wantrouwen ten opzichte van politici of politieke instellingen (partijen, parlement). Dit heeft waarschijnlijk veel te maken met de graad en het karakter van het vertrouwen in politici de laatste jaren.

4. BESLUIT EN SLOTBESCHOUWINGEN Het gemeten concept “utilitaire oriëntatie” is een beperkt begrip dat niet elke vorm van eigenbelang vat die eventueel in samenleving aanwezig is. Het concept zoals het met de gebruikte schaal gemeten wordt, leeft vooral bij respondenten met een minder grote culturele flexibiliteit. Onze hedendaagse samenleving kan niet beschouwd worden als een culturele monoliet waarbij iedereen aan dezelfde standaarden moet beantwoorden. Naast de differentiatie van functies is er ook een differentiatie van alledaagse cultuur. Diverse culturele milieus bestaan naast elkaar of lopen in elkaar over. Op het moment dat het gewicht van een flexibele culturele groep aan belang wint, ervaart een minder flexibele groep hinder. Op het moment dat een niet-flexibele groep een overwicht heeft, ervaart een flexibele groep meer hinder. Met het onderzoek kunnen we niet nagaan in welke mate er sprake is van een toegenomen culturele flexibiliteit als norm. Uit ander onderzoek blijkt dat zelfbeslissing en autonomie een algemene regel zijn. Deze zelfbeslissing wordt gecombineerd met het vasthouden aan (traditionele) normen en waarden. Slechts een kleine groep daagt de bestaande moraal echt uit, het is wel een uiterst zichtbare groep. Het probleem lijkt dus niet zozeer bij een overdreven creatieve expressie te liggen. Het onderzoek zegt niets over vormen van asociaal gedrag (individualisme?) zoals verkeersagressie of “kleine” diefstal, vandalisme, belastingontduiking noch over kleine vormen van oplichting zoals illegaal kopiëren13. De schaal heeft weinig of niets te maken met het al dan niet goedkeuren of het al dan niet zelf stellen van deze gedragingen. Dit zijn normovertredingen die op hun beurt van een geheel andere aard zijn dan het tolereren van “nieuwe” samenlevingsvormen, of extravagante kleding. Ook over deze laatste zegt het onderzoek niets. Bij het gebruik van begrippen zoals “normvervaging bij de mensen” moet men zich hoeden om deze twee aparte dimensies van normering niet door elkaar te halen en ook om niet te verwarren met het accepteren van het nastreven van eigenbelang. Het lijkt ons van wezenlijk belang dat beleid een degelijk onderscheid maakt tussen alle verschillende vormen van individu-oriëntatie. Een zindelijk taalgebruik is meer dan gewenst, alleen al omdat verschillende vormen van overdreven individuoriëntatie niet altijd gecombineerd worden (hetzelfde kan gezegd worden van overdreven gemeenschaporiëntatie). Een indicator zoals “de groeiende normvervaging” is véél te vaag om te weten wat de respondent bedoelde toen hij/zij “problematisch” aankruiste. Ging het om het domein van de politiek, de alledaagse politiek, economie (harde ontslagen, kapitaal bewegingen die blind zijn voor menselijk leed… ) Met binnen elk systeem weer vele relevante sub-dimensies. De titel van deze bijdrage “Is individualisme een kwestie bij de eeuwwende?” is dan ook veeleer bedoeld als uitdaging om na te denken over de zeer diverse dimensies die deze vraag omhelst. Het

13

We laten zwaardere vormen van wanbedrijven en misdaden buiten beschouwing.

22


is zeker geen uitnodiging om aan de hand van enkele items -laat staan met één vaag en algemeen begrip- een uitspraak te doen over deze delicate materie. Naast de opmerkingen over het concept individualisme kunnen we enkele relevante besluiten over het gemeten concept formuleren. Een eerste belangrijk besluit is dat betrokkenheid op interactienetwerken die potentieel andere waarden dan de utilitaire aanspreken, negatief samenhangt met een utilitaire oriëntatie. Deze effecten zijn onafhankelijk van de verschillende aspecten van betrokkenheid onderling en onafhankelijk van een voorgegeven klasse of opleidingsniveau. Zowel lidmaatschap van een vereniging, deelname aan “klassieke” cultuurevenementen en levenbeschouwelijke betrokkenheid hangen negatief samen met het aanvaarden van een utilitaire oriëntatie. Deze “andere waarden” van deze interactienetwerken zijn niet noodzakelijk traditioneel. Zoals uit ander onderzoek blijkt, gaat het verwerpen van een utilitaire oriëntatie niet noodzakelijk samen met het accepteren van traditionele normen; wel integendeel. Het type dat een (zekere mate van) utilitaire oriëntatie combineert met een traditionele of traditionalistische opvatting over alledaagse normering vormt een relatief grote groep (tussen 20 en 30%). Deze groep is alleszins beduidend groter dan de groep die een utilitaire oriëntatie combineert met een libertijnse opvatting over alledaagse normering (ongeveer 5%) (vgl. Waege, 1997: 292-305). Een instrumenteel mediagebruik dat verwijst naar een ervaring van sociale deprivatie (verveling, vluchten uit problemen) is de sterkste voorspeller van een utilitaire oriëntatie. Ook het feit dat men geen betaald werk heeft hangt onafhankelijk van onder meer leeftijd, positief samen met een utilitaire oriëntatie. Alles samengenomen blijkt dat het hebben van een zingevende dagtaak een belangrijk element in het verklaren van het niet hebben van een utilitaire oriëntatie. Een utilitaire oriëntatie blijkt deel uit te maken van een complex aan begrippen die allen met de notie sociale desintegratie verbonden zijn. Deze begrippen hebben zowel betrekking op de evaluatie van de eigen positie als op ervaringen die naar de evaluatie van de maatschappij verwijzen. Zowel de indicator “instrumenteel mediagebruik”, wantrouwen in instellingen en de eigen financiële toekomst, als indicatoren uit ander onderzoek m.b.t. een autoritaire opvatting, complexiteitservaring en houdingen tegenover migranten of zwakkeren in de samenleving wijzen daarop.

5. EPILOOG: OVER SURVEY-ONDERZOEK EN BELEID Het is niet onbelangrijk dat beleidsmakers weten hoe het staat met het “collectief bewustzijn” of de “geestesgesteldheid” van een bevolking. Hoewel vanuit een functionele differentiatie-benadering kan geargumenteerd worden dat de culturele integratie en alledaagse sociabiliteit minder centraal geworden zijn, moeten we tegelijkertijd vaststellen dat politiek en beleid zich voortdurend met deze twee aspecten inlaten. Het kan gaan om subsidiëring van verenigingen of over de behandeling van al dan niet marginale of nieuwe samenlevingsvormen, over burgerlijke ongehoorzaamheid en wetsovetredingen, gebrekkige informatie, wantrouwen in de instellingen of een lakse houding ten aanzien van wetten of belastingen. Kennis over de geestesgesteldheid of de denkwijze van een bevolking kan de aard en de omkadering van de beleidsiniatieven beter sturen. Minstens even belangrijk is het kunnen vaststellen van eventuele wijzigingen of trends. Men kan dan ook inschatten of er zich -al dan niet na beleidsingrepen- enige wijzingen aandienen. Vlaanderen heeft op dat gebied een grote achterstand in te halen in vergelijking met landen zoals

23


Nederland of Duitsland. Longitudinale data zijn een vereiste omdat vele (beleids)vragen over maatschappelijke veranderingen en trends gaan. Door eenzelfde meetinstrument veelvoudig gedurende een lange periode te gebruiken, kunnen we uiteindelijk nagaan of het inderdaad zo is dat de samenleving meer of minder tolerant wordt, of mensen meer individualistsich geworden zijn, meer of minder traditionalistisch, of bevraagde gedragingen substantieel wijzigen enz. (vgl. Eisinga, 1998) Herhaalde cross-sectionele bevragingen (dit wil zeggen dat de vragen op de verschillende tijdstippen niet aan dezelfde persoon gesteld worden) zijn nodig wanneer we onderzoek doen over een middellange termijn (bijvoorbeeld 20 of 30 jaar). Paneldesigns (we stellen de vragen keer op keer aan dezelfde persoon) zijn in een dergelijk geval niet haalbaar. Indealiter bestaat een vragenlijst voor longitudinaal onderzoek uit een stevige kern vragen die iedere keer bevraagd worden (of indien men meerdere surveys per jaar doet, bijvoorbeeld minstens jaarlijks) en een kleinere groep vragen die geregeld kan wijzigen. Ook dat laatste is nodig om voldoende vlot op maatschappelijke veranderingen of nieuwe aandachtspunten –zowel in de wetenschappelijke als de beleidswereld- te kunnen inspelen. Waarschijnlijk zou het beste zijn om eenzelfde vragenlijst ook meermaals per jaar af te nemen. Eisinga (1998) toont aan dat steekproeven gevoelig zijn voor soms tamelijk grote schommelingen die geen lange termijntrend aangeven maar wel korte-golf wijzigingen zijn. Door een survey slechts jaarlijks (of nog minder) te herhalen, kan men al gauw tot verkeerde besluiten komen. Om relevant te zijn moeten de vragen, de waarnemingen zelf en de rapporten aan een aantal strikte criteria voldoen. Eerst en vooral moeten we beschikken over goede en geldige vragen. Bij velen leeft nog steeds de gedachte dat zowat iedereen goede vragen kan formuleren op basis waarvan vervolgens een doelgericht antwoord op de gestelde onderzoeksvragen geven kan worden. Dit blijkt niet het geval. Keer op keer wordt in studies vastgesteld dat vragen onbedoelde antwoorden genereren. Ook de verwerking van de gegevens verloopt niet altijd ideaal. Allebei moeten ze het resultaat zijn van een proces dat haar grondslag vindt in een degelijke (methodologische) opleiding en fundamenteel wetenschappelijk onderzoek naar de geldigheid van meetinstrumenten. Zeker dit laatste gebeurt onvoldoende, zeker in vergelijking met de ons omringende landen. Het moet echter duidelijk zijn dat zowel een degelijk methodologische fundering als uitgebreid methodologisch onderzoek naar de geldigheid van de gebruikte indicatoren een conditio sine qua non zijn voor surveys en noodzakelijke investering die rendeert op lange termijn. Investeren in fundamenteel sociaal-wetenschappelijk onderzoek en onderwijs heeft op deze wijze een bijna onmiddellijke beleidsrelevantie. Het nastreven van direct implementeerbare resultaten op korte termijn heeft geregeld als gevolg dat men eigenlijk met doelloze meetinstrumenten werkt. Geldige wetenschappelijke vaststellingen vertalen zich niet onmiddellijk in relevantie beleidsopties, laat staan in beleidsdaden. Beleid houdt doorgaans ook het aangeven van preferenties in om de schaarse middelen te verdelen alsook het maken van ethische of morele keuzen. Bij beleidsmensen en politici staan onder meer de praktische overwegingen, de preferenties voor de verdeling van de middelen en de ethisch of moreel fundering (in de brede zin van het woord) van de beslissingen sterker op de voorgrond. Een wetenschappelijk advies of inzicht kan deze keuze niet a-priori maken, wel kan men indien gewenst de diverse opties aangeven. Wetenschappelijke bijdragen onderscheiden zich van politieke bijdragen door de ruimte die zij laten aan het beleid en de politiek om hun rol te spelen, liefst in onderling overleg. In een onderlinge dialoog meten inzichten en vragen gecommuniceerd worden zodanig dat zowel beleid als onderzoek nauwer op elkaar afgestemd raken. Dit gebeurt niet in één rapport. Tot slot

24


benadrukken we nogmaals dat het zo goed mogelijk aanhouden van de taakverdeling (opties aangeven versus keuzen maken) een vruchtbare dialoog tussen beleid en permanent surveyonderzoek zeker kan dienen. Wat er beleidsmatig moet gebeuren komt zelden of nooit uit het onderzoek zelf naar voren.

Bibliografie Adorno, Th. W. et al. (1950) The Authoritarian Personality. New York: Harper and Row. Beck, U. (1986) Risikogesellschaft. Auf dem Weg in eine andere Moderne. Frankfurt am Main: Suhrkamp. Bellah, R.N. et al. (1986) Habits of the Heart. Individualism and commitement in American life. New York: Harper and Row. Billiet, J. (1997) Sociaal kapitaal, kerkelijke betrokkenheid en maatschappelijke integratie in België. K.U.Leuven: dep. Sociologie. Billiet, J. (1995) Church Involvement, Individualism and Ethnic Prejudice among Flemsih Roman Catholics. New evidence of a Moderating Effect. Journal of the Scientific Study of Religion. 34(2), 224-233. Billiet, J. (1993) Ondanks beperkt zich. Brussel/Leuven: VUB-press/SOI. Billiet, J. , Loosveldt, G. (1998) “De houding tegenover migranten en het stemgedrag in Vlaanderen: evolutie tussen 1989 en 1995 en een verklaringsmodel. In M. Swyngedouw, J. Billiet, R. Beerten en A. Carton (Eds.) De (on)redelijke kiezer. Leuven: ACCO. (ter perse) Billiet, J. , Beerten R. (1993) Een grijze stem? Politieke houdingen en gedragingen van bejaarden in Vlaanderen. Pp. 549-561 in Ouderen en Solidariteit. Zaventem: Kluwer. Burkart, G. (1994) Individuelle Mobilität uns soziale Integration. Soziale Welt, 45(2) 216-241. Crouch, C. (1982) Trade Unions: The logic of Collective Action. Glasgow: Fontana/Collins. Daenen, I. (1993) Psychologie Man-Vrouw: over gelijkheid en verschil. Pp. 119-137 in Cammaer, R., Boeykens, L. Man, vrouw, mens. Fysiek, psychisch en cultureel mens zijn als man en vrouw. Leuven: ACCO. Dubet, F. (1994) Sociologie de l’expérience. Paris: Seuil. Eisinga, R. (1998) Data per Datum. Profijt van regelmatig herhaalde surveys aan de hand van electorale compositie, convergentie en cycli. Tandem Felix uitgevers. Elchardus, M., Heyvaert, P (1990) Soepel, Flexibel, Ongebonden. Brussel: VUB-Press. Elchardus, M. et al. (1995) Werkloosheid… Wordt vervolgd. De reïntegratie van langdurig werklozen. Een longitudinale analyse. Brussel: DWTC. Elchardus, M., Derks, A. (1996) Cultural conflict and its consequences for the legitimation crisis. Res Publica 38(2): 237-254. Etzioni, A. (1995) The spirit of community. London: Fontana Press. Kerkhofs, J. et al. (1992) De versnelde ommekeer. De waarden van Vlamingen, Walen en Brusselaars in de jaren negentig. Tielt: Lannoo. Laermans, R. (1992) In de greep van de moderne tijd. Modernisering en verzuiling, individualisering en de ACW-vormingsorganisaties. Leuven: Garant. Lalive-D’Epinay, C. (1991) Individualism and Solidarity: Twelve theses. Culture and Society, 57-

25


74. Marra, R. (1989) Geschichte und Aktuelle Problematik des Anomiebegiffs. Rechtssoziologie, 10(1), 67-80.

Zeitschrift für

McClendon, McKee J. (1994) Multiple Regression and Causal Analysis. Itasca (Ill.): Peacock Publishers Inc. Middendorp, C.P. (1979) Ontzuiling, politisering en restauratie in Nederland. De jaren ’60 en ’70. Meppel: Boom. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. (1997). Vlaamse Regionale Indicatoren. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Planning en Statistiek. Departement Algemene Zaken en Financiën. Putnam, R. (1995) Bowling Alone: America’s declining social capital. Journal of Democracy, 6: 65-68. Schulze, G. (1990) Die Transformation sozialer Milieus in der Bundesrepublik Deutschland. Soziale Welt, Sonderband 7: 409-432. Srole, L. (1956) Social integration and certain corrolaries. Sociological Review, 21(6): 709-716.

An exploratory study. American

Voyé, L. (1995) Pour revisiter le bénévolat. Review Suisse Sociological, 22(2): 317-340. Waege, H. (1997) Vertogen over de relatie tussen individu en gemeenschap. Leuven: ACCO. Waege, H. (1997b) Hoe staan jonge mensen tegenover de samenleving. In Elchardus, M. et al. Jongeren en cultuur in beweging. Leuven: Davidsfonds. Waege, H. (1992) Vlaamse jonge volwassenen en beleid in 1992: Bladgroen, Sociaal en Tolerant. Leuven: Departement Sociologie.

26


Bijlagen Bijlage 1.

Constructie van de schaal “utilitaire oriëntatie”.

De oorspronkelijke schaal is opgevat als een bipolaire schaal utilitair individualisme versus gemeenschapszin. Het is echter onmogelijk om de 7 indicatoren in 1 schaal op te nemen. Dit meetmodel heeft een χ² van 1508.79 met 14 vrijheidsgraden. De RMSEA bedraagt 0.265. Dit model is dan ook absoluut onaanvaardbaar. Om een model als aanvaardbaar te beschouwen moet de RMSEA kleiner of gelijk aan 0.05 zijn. Een model met twee latente variabelen nl. ‘utilitair individualisme’ en ‘gemeenschapszin’ levert enkel een aanvaardbare fit indien er een kruislading toegelaten wordt en indien de correlatie tussen beide latente variabele vrij kan ingeschat worden. De χ² bedraagt 30.28 met 11 vrijheidsgraden. De RMSEA (Root-Mean-Square-Error of Approximation) bedraagt 0.034. De correlatie tussen een utilitaire oriëntatie en gemeenschapzin is –0.44. Dit wil zeggen dat we met twee verschillende latente variabelen te maken hebben. De correlatie die we hier vaststellen is eerder uitzonderlijk. In voorgaand onderzoek ligt die correlatie flink lager of zelfs rond 0 (vgl. Waege, 1997). Uiteindelijk hebben we geopteerd om enkel met de utilitair individualisme variant verder te werken. Deze 4-item schaal heeft factorladingen tussen 0.78 en 0.65. De χ² bedraagt 3.88 met 1 vrijheidsgraad. De RMSEA komt op 0.044. Er is een negatieve correlatie tussen de unieke varianties van het eerste en de vierde item. Deze vierde indicator was tevens de geobserveerde variabele die een kruislading heeft met gemeenschaporiëntatie. Het is dus beter om dit item in de toekomst bij te stellen of te vervangen. Paddiagram voor de latente variabele ‘utilitaire oriëntatie’

Item 1

0.78

Item 2

0.78

Item 3

Utilitaire oriëntatie

0.65 0.70

Item 4

Bijlage 2.

Constructie van de indicatoren m.b.t. ‘vertrouwen’.

Een eerste mogelijkheid bestaat erin dat de twaalf indicatoren van vertrouwen 1 algemene schaal “vertrouwen” vormen. Dit meetmodel heeft een χ² van 2475.95 met 54 vrijheidsgraden. De RMSEA bedraagt 0.171. Dit model is dan ook onaanvaardbaar. Bij een dergelijke afstand tussen een aanvaardbaar en een onaanvaardbaar model kan het tolereren van enkele correlaties tussen de unieke variantie van de individuele indicatoren weinig bijbrengen. Dit wordt versterkt door het feit dat sommige factorladingen een minimale waarden van .50 niet halen. Ook het isoleren van vertrouwen in politici en politieke instellingen is onvoldoende. Het model is wel een merkelijk betere voorstelling van de gemeten “realiteit” maar het is nog steeds

27


onvoldoende (χ² 1039.18, df=52, RMSEA=0.111). Uiteindelijk hebben we geopteerd voor het weerhouden van politiek vertrouwen (of wantrouwen) als de enige latente variabele. We veronderstellen dat de drie items allen van een gelijke kwaliteit zijn. Ze hebben alle drie een lading van 0.88. Het is een goed model met een χ² van 5.56 met 2 vrijheidsgraden. De RMSEA bedraagt 0.034. Er zijn geen correlaties tussen de unieke varianties van de geobserveerde variabelen. Paddiagram voor de latente variabele ‘politiek wantrouwen’

Item 1

0.88

Item 2

0.88 Politiek wantrouwen

0.88 Item 3 Bijlage 3.

Constructie van de indicatoren m.b.t. ‘algemene tevredenheid’.

Om een passend model te schatten van de algemene tevredenheid moest de eerste variabele verwijderd worden en moeten er correlaties tussen de error-termen gespecificeerd worden. Dit wil zeggen dat ondanks de hoge factorladingen (allen boven .50) er nog onderlinge gemeenschappelijke variantie is tussen de kenmerken. Dit kan logisch beargumenteerd worden. Wanneer we de individuele items bekijken zien we dat er sterke gelijkenis is tussen een groep items die gaat over de financiële en materiële welvaart (inkomen, levensstandaard, werk), de tijdbesteding (de manier waarop u uw vrije tijd besteedt, de tijd die u hebt om te doen wat moet gedaan worden) en sociale contacten (sociale contacten met huisgenoten; sociale contacten met familieleden, vrienden en kennissen). Gezien de grootte van de factorladingen is er zeker sprake van een algemene tevredenheidsvariabele. Dit neemt echter niet weg dat voor elk thema eveneens specifieke factoren spelen. Ze vallen echter niet volledig samen. Paddiagram voor de latente variabele ‘tevredenheid’ (error-correlaties niet weergegeven) Item 1 Item 2

0.59 0.71

Item 3 Item 4

0.76 0.81 Tevredenheid

0.68 Item 5 0.63 Item 6 Item 7

0.69 0.67

Item 8

28


We moeten eveneens opmerken dat de variabelen zeer schreef verdeeld zijn en slechts beperkt variëren. Het uiteindelijke model heeft een χ² van 45.29 met 15 vrijheidsgraden, de RMSEA bedraagt 0.039.

Bijlage 4.

Constructie van de indicatoren m.b.t. ‘toekomstverwachtingen’.

Na herhaalde exploratieve factoranalyses beleven enkel de indicatoren voor de financiële toekomstverwachtingen over. Waarschijnlijk omwille van een volgorde-effect moet ook het vierde item verwijderd worden. Uiteindelijk krijgen we een betrouwbare drie-item schaal. (χ²=0.85, df=1, RMSEA > 0.001)

Item 1

0.93

Item 2

0.93

Item 3

Financiële toekomst

0.93

Gemiddelde, standaardafwijking en 1° en 3° kwartiel van de samengestelde variabelen ‘algemene tevredenheid’en ‘toekomstverwachtingen’ Gemiddelde

Standaard afw

1° kwartiel

3° kwartiel

Algemene tevredenheid

3.08

0.40

2.875

3.25

Financiële toekomstverwachtingen

2.91

0.88

2.33

4

De antwoordcategorieën gaan van 1 tot 4. 1 duid op ontevreden of op een problematische toekomstverwachting. Om daartoe te komen moesten de items van de variabele “algemene tevredenheid” omgecodeerd worden. De grens van de 25% meest ontevreden respondenten ligt op 2.875. Dit wil zeggen dat bij de 25% meest ontevreden respondenten reeds heel wat tevredenen terug te vinden zijn. Hetzelfde geldt, zij het in mindere mate voor de variabele “financiële toekomstverwachtingen”.

29


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vlaanderen_gepeild_1998_individualisme.pdf by Vlaanderen-be - Issuu