Wetenschappelijke onderbouwing en ondersteuning van het visserijbeleid en het visstandbeheer Onderzoeksprogramma visserij 2018 - eindverslag Jeroen Van Wichelen, Lore Vandamme, Ine Pauwels, Johan Auwerx, David Buysse, Raf Baeyens, Nico De Maerteleire, Emilie Gelaude, Sebastien Pieters, Karen Robberechts, Sophie Vermeersch & Johan Coeck
Auteurs: Jeroen Van Wichelen, Lore Vandamme, Ine Pauwels, Johan Auwerx, David Buysse, Raf Baeyens, Nico De Maerteleire, Emilie Gelaude, Sebastien Pieters, Karen Robberechts, Sophie Vermeersch & Johan Coeck Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteits-beleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: Herman Teirlinckgebouw INBO Brussel Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel www.inbo.be e-mail: jeroen.vanwichelen@inbo.be Wijze van citeren: Van Wichelen J., Vandamme L., Pauwels I., Auwerx J., Buysse D., Baeyens R., De Maerteleire N., Gelaude E., Pieters S., Robberechts K., Vermeersch S. & Coeck J. (2019). Wetenschappelijke onderbouwing en ondersteuning van het visserijbeleid en het visstandbeheer. Onder-zoeksprogramma visserij 2018 - eindverslag. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (44). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.17042525 D/2019/3241/291 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (44) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Een reeds licht gepigmenteerd glasaaltje dat met een binoculaire microscoop werd onderzocht op pigmentatiegraad en darminhoud. Het exemplaar werd na ontwaking uit de verdoving opnieuw in de natuur vrijgelaten. Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van: het Agentschap Natuur en Bos
© 2019, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Wetenschappelijke onderbouwing en ondersteuning van het visserijbeleid en het visstandbeheer Onderzoeksprogramma visserij 2018 Eindverslag
Jeroen Van Wichelen, Lore Vandamme, Ine Pauwels, Johan Auwerx, David Buysse, Raf Baeyens, Nico De Maerteleire, Emilie Gelaude, Sebastien Pieters, Karen Robberechts, Sophie Vermeersch & Johan Coeck
Onderzoek uitgevoerd in opdracht van ANB/Visserijfonds
Dankwoord De hulp van Pieter-Jan Verhelst, Charlotte Van Driessche, Charlotte Steendam, Michiel Perneel (allen UGent) en Robbe Van Wichelen, tijdens nachtelijke kruisnetbemonsteringen van glasaal en/of gemaalnetbemonsteringen van zilverpaling tijdens weekends of verlofdagen werd ten zeerste geapprecieerd. De vrijwilligers van de glasaalmonitoring aan het Iepersas op de IJzer, in het bijzonder Ronny de Jonghe worden bedankt voor het aantal keer ter beschikking stellen van hun vangst. Het palingonderzoek kon niet worden uitgevoerd zonder de logistieke en informatieve ondersteuning van Glenn Degros, Maarten Goegebeur, Ingrid De Zaeyer (allen VMM), Sam Coulier (Westkustpolder) en de sluiswachters van de Ganzepoot. Jo Packet (INBO) en Bart Vervaeke (VMM) worden bedankt voor het ter beschikking stellen van respectievelijk een binoculair en weegschaal en een macroinvertebraten schepnet. Sophie Vermeersch (INBO) wordt bedankt voor de determinaties van de macro-invertebraten in het kader van de habitatevaluaties voor beekprik.
4
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Samenvatting Dit rapport geeft en bespreekt de resultaten van het onderzoek uitgevoerd in 2018 door Team Aquatisch Beheer in het kader van het lopende onderzoeksprogramma binnen de overeenkomst rond de wetenschappelijke onderbouwing en ondersteuning van het visserijbeleid en het visstandbeheer met het Agentschap Natuur- en Bos en het Visserijfonds. Deze rapportage behandelt twee grote onderzoeksluiken, enerzijds studies inzake de implementatie van het palingbeheersplan (in het kader van de Europese Palingverordening) en anderzijds onderzoek rond de soortherstelprogramma’s van stroomminnende vissoorten. In het kader van het palingbeheerplan werd tijdens het voorbije jaar onderzoek verricht naar 1) de zilverpalinguittrek ter hoogte van het pompgemaal van Veurne-Ambacht te Nieuwpoort met een geoptimaliseerde vangstconstructie, 2) de glasaalintrek doorheen het Afvoerkanaal van Veurne-Ambacht na een verdere optimalisatie van de vangstconstructie en het aangepaste spuibeheer en 3. mogelijkheden om de glasaalintrek in de Noordede en Blankenbergse Vaart te bevorderen. Zilverpalingmonitoring ter hoogte van pompgemaal Veurne-Ambacht Uit voorgaand onderzoek (programma 2015, 2016) bleek dat het Afvoerkanaal VeurneAmbacht heel wat potentie biedt als permanent monitoringsstation voor het kwantificeren van de zilverpalinguittrek in het IJzerbekken. In 2017 werd de zilverpalinguittrek permanent opgevolgd met gemaalnetten die in 2 van de 4 gravitaire uitwateringskanalen werden geplaatst. In totaal werden met die opstelling 450 palingen gevangen waaronder 440 zilverpalingen. Bij het nagaan van de vangstefficiëntie bleven evenwel een aantal onzekerheden bestaan die een nauwkeurige inschatting van de totale zilverpalinguittrek hypothekeerden. In het huidige programma werd de vangstconstructie uitgebreid en werden alle gravitaire uitwateringskanalen van gemaalnetten voorzien. Tijdens de monitoringsperiode (september 2018 - januari 2019) werden in totaal 1163 palingen gevangen waarvan 1132 zilverpalingen. De geslachtsverhouding van de gevangen palingen bedroeg 1/10 mannetjes/vrouwtjes net zoals in 2017. In tegenstelling tot de monitoring van 2017, werden zelfs bij relatief beperkte waterlozing toch aanzienlijke aantallen palingen gevangen. Bij een eerste spuimoment eind oktober trokken meteen 180 palingen uit de polder weg. De grootste piek in de uittrek (373) vond plaats op 4 december na 2 dagen van zeer beperkt spuien. Een derde migratiepiek (258 stuks) werd waargenomen op 24 december na drie dagen van aanhoudend spuien. De vangsten wezen op een zilverpalingproductie van 655 kg in 2018 (12.6 kg mannetjes en 642 kg vrouwtjes) wat neer komt op 9.6% van de verwachte natuurlijke productie, zeer gelijkaardig aan de modelmatige inschatting (9.46%) op basis van elektrische bevissingen in het gebied tijdens 2015-2017, maar nog ver verwijderd van de doelstelling van 40%. Glasaalmonitoring Veurne-Ambachtkanaal Voorgaand onderzoek (programma 2016, 2017) toonde aan dat 1. met een aangepast spuibeheer ter hoogte van de Ganzepoot beduidend meer glasaal het Afvoerkanaal VeurneAmbacht kan koloniseren en 2. ter hoogte van het pompgemaal de verdertrekkende glasalen kunnen opgevangen worden zodat ze stroomopwaarts van dit knelpunt in de polder kunnen worden uitgezet. In 2018 werden de palinggoten verlengd ten behoeve van 1. een optimalisatie van het aangepaste spuibeheer met een verminderde afhankelijkheid van het gevoerde peilbeheer en 2. een verbeterde toegang tot de palinggoten in functie van een toekomstige monitoring met behulp van vrijwilligers. In het voorjaar van 2018 werd het effect van deze verdere optimalisatie op de intrek van glasaal in het Afvoerkanaal van Veurne-Ambacht nagegaan. Tussen 7 maart en 15 mei bleef één van de 8 spuisluizen tijdens elk opkomend getij permanent voor 20 cm geopend. De aanwezigheid van glasalen in dit kanaal werd net als in voorgaande jaren opgevolgd met www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
5
behulp van kruisnetten, kunstmatige substraten en de 2 palinggoten. Wegens het aangepaste beheer fungeerde het Afvoerkanaal als een estuarien systeem met dagelijkse peilfluctuaties (max. tot 1.6 m) te wijten aan binnenkomend zeewater. Zowel met de kruisnetten als de substraten werden beduidend meer glasalen gevangen in vergelijking met voorgaande jaren. Hoewel de palinggoten aan het pompgemaal opnieuw zeer veel glasalen bleken aan te trekken, bedroeg de totaalvangst in 2018 ongeveer 1/3 minder in vergelijking met 2017 maar wel nog altijd dubbel zoveel in vergelijking met 2016 (zonder aangepast spuibeheer). Mogelijks heeft de aanhoudende periode van lage temperaturen de optrek doorheen de (langere) palinggoten bemoeilijkt. Testen met gemerkte glasalen nadien toonden in ieder geval aan dat de palinggoten zeer efficiënt zijn in het lokken en vangen van verder stroomopwaarts trekkende glasaal (vangstefficiëntie van 55-57%). Mogelijkheden voor het verbeteren van de glasaalintrek op de Noordede en Blankenbergse Vaart Op de afwatering van de Noordede (via het Maertensas) en van de Blankenbergse vaart (via de haven van Blankenberge) werd nog geen aangepast spuibeheer toegepast. In 2018 heeft VMM het Maertensas volledig vernieuwd en geautomatiseerd waarbij in de toekomst op 1 van de 8 schuiven aangepast spuibeheer kan worden toegepast om trekvis voorbij dit vismigratieknelpunt te loodsen. De schuif zal dan voor 10 cm worden geopend bij peilverschillen van 20 cm tussen de polder (opwaarts) en de zee (afwaarts) zodat per tijcyclus uitwisseling van water mogelijk is (zeewater in en polderwater uit). Preliminaire analyses (mei 2018) tonen aan dat dit tijdsvenster zich in de buurt van laagwater voordoet en gemiddeld ongeveer 37 minuten duurt. Er werd ook een stijging van de saliniteit (met ongeveer een derde) stroomopwaarts van het Maertensas waargenomen maar dit viel samen met een aanhoudende periode van droogte met zeer weinig noodzaak tot afvoer. Met behulp van een gemaalnet kan de efficiëntie van dit beheer op de glasaalintrek worden geëvalueerd. Door gelijktijdig ook conductiviteitsloggers in de polder te plaatsen kan ook het effect op de zoutintrusie worden geschat. De uitwateringsconstructie van de Blankenbergse Vaart zal in de nabije toekomst nog worden gereviseerd en is op dit moment bijgevolg minder prioritair. In het kader van het soortherstelprogramma werd tijdens het voorbije jaar gekeken naar het voortplantingssucces van kwabaal in het stroomgebied van de Grote Nete, en werden 5 waterlopen geëvalueerd naar hun potentieel larvaal beekprikhabitat en paaihabitat. Onderzoek naar het voortplantingssucces van kwabaal In 2018 werd de natuurlijke reproductie van kwabaal in het stroomgebied van de Grote Nete onderzocht door middel van het zoeken van larven en het elektrisch vissen naar juvenielen. In tegenstelling tot vorige jaren, werden in 2018 geen larven gevonden. Vanwege het erg koude en grijze voorjaar kon er pas laat in de lente gezocht worden. De kans bestaat dat de larven niet langer pelagisch waren en reeds hun volgende levensstadium hadden bereikt. Ook het elektrisch vissen, dat dit jaar vroeger gebeurde dan de voorgaande jaren in de hoop de slaagkansen te vergroten, leverde geen juveniele kwabaal op. Het is niet mogelijk te zeggen of er wel of geen paai is geweest van kwabaal in de winter van 2017-2018. Het niet aantreffen van kwabaalnakomelingen kan te wijten zijn aan de afwezigheid er van, of aan de beperkingen van de detectiemethoden. Evaluatie potentiële beekprikhabitats Voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling (IHD) voor beekprik is een areaaluitbreiding noodzakelijk. Het doel van dit luik is om na te gaan of bepaalde waterlooptrajecten waar beekprik vroeger voorkwam of die op het eerste zicht enige potentie als beekprikhabitat lijken te hebben, (opnieuw) geschikt zijn voor het handhaven van duurzame beekprikpopulaties. Er werd gebruik gemaakt van de recent ontwikkelde 6
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
evaluatiemethode voor beekprikhabitats die bestaat uit 19 te evalueren omgevingsvariabelen. De evaluatiemethode werd toegepast op telkens 2 locaties in 5 waterlopen in Vlaanderen. Eén locatie per waterloop werd geëvalueerd als potentieel larvaal beekprikhabitat, het andere als potentieel paaihabitat. Van de 5 onderzochte waterlopen bleek enkel de Dormaalbeek momenteel nog de meeste potenties te hebben voor beekprik. In alle andere waterlopen (Jordaan, Schoorbroekbeek, Visbeek en Scherpenbergenloop) is de waterkwaliteit ondermaats wat zich vooral uit in te lage zuurstofconcentraties. Voor de Jordaan zijn de beschikbare waterkwaliteitsgegevens te gedateerd. Indien kan aangetoond worden dat de waterkwaliteit er sinds 1995 voldoende is verbeterd (voldoende hoge zuurstofconcentraties) heeft ook deze beek nog potentie als leefgebied voor beekprik. Wegens het afwezig zijn van bronpopulaties in de buurt kan beekprik enkel via introductie beide waterlopen (opnieuw) koloniseren. Wegens het kunstmatige karakter van de Scherpenbergenloop (leigracht resulterend in zeer lage stroomsnelheden), en de noodzaak om de waterloop nog verder op te stuwen om verdroging van het gebied tegen te gaan, lijkt het momenteel utopisch om deze waterloop in functie van beekprik te (kunnen) beheren.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
7
English abstract As part of the Belgian Eel Management Plan, specific research was conducted during the past year to 1) estimate silver eel escapement at the pumping station of Veurne-Ambacht (Nieuwpoort) using an optimized catch construction, 2) estimate glass eel migration through the Veurne-Ambacht canal after a further optimization of the eel ladders at the pumping station and the tidal barrier management and 3) investigate opportunities to increase glass eel entrance into the Noordede (Oostende) and Blankenbergse Vaart. Silver eel monitoring at the Veurne-Ambacht pumping station Previous research (Program 2015, 2016) showed that the Veurne-Ambacht canal offers a lot of opportunities to act as permanent monitoring station to quantify silver eel escapement from the IJzer river basin. In 2017, silver eel escapement was constantly monitored by nets placed in two out of four gravitary outflow canals. With that setup, 450 eels in total were caught including 440 silver eels. However, several uncertainties remained in terms of catch efficiency, which prevented an accurate estimate of the total number of silver eels escaping towards the estuary. In the current program, the catch structure was expanded to include all 4 gravitary outflow canals. During the monitoring period (September 2018 - January 2019), a total of 1163 eels were caught, of which the majority (1132) were silver eels. The sex ratio of the captured eels was 1/10 males/females (similar as in 2017). Even at relatively low water discharges, significant numbers of eels were caught in 2018 which contrasted strongly with the monitoring campaign of 2017. A first outflow event in late October immediately attracted 180 eels to escape the polder area. The biggest migration peak (373 ind.) took place on December 4th after two days of very low discharge. A third migration peak (258 ind.) was observed on December 24th after three days of persistent discharging polder water. The catches indicated a silver eel production of 655 kg in 2018 (12.6 kg males and 642 kg females) representing 9.6% of the expected natural production. This value was very similar to the model-based estimate (9.46%) on the base of electric fishery campaigns in the area during 2015-2017, however still far away from the 40 % escapement target set by the EU. Glass eel monitoring in the Veurne-Ambacht drainage canal Previous research (program 2016, 2017) has shown that 1) by applying a modified tidal barrier management significantly more glass eels can colonize the Veurne-Ambacht Canal and 2) upstream-migrating glass eels can be captured by eel ladders at the pumping station after which they can be manually released in the polder area. In 2018, the eel ladders were extended in size for the purpose of 1) an optimization of the barrier management with a reduction of certain water level constraints and 2. an improved access to the eel ladders in function of a future monitoring by volunteers. In the spring of 2018, the effect of this further optimization on the entrance and upstream migration of glass eels in the Veurne-Ambacht Canal was evaluated. Between March 7th and May 15th one out of eight outflow canals at the tidal barrier was permanently set ajar for 20 cm during tidal rise. The presence of glass eels in the canal was monitored as in previous years, with artificial substrates placed on 3 locations in the canal and with nightime dipnet fishery and 2 eel ladders in front of the pumping station. The adjusted barrier management resulted into daily water level fluctuations (max. up to 1.6 m) due to the increased inflow of seawater. Both the dipnets and substrates caught significantly more glass eels in comparison with previous years. Although the eel ladders again attracted many glass eels, the total catch in 2018 was about one third lower compared to 2017, but still double the amount of 2016 when no adjusted barrier management was executed. The prolonged period of low temperatures have possibly hampered the glass eel ascend on the extended ladders. Subsequent mark/recapture experiments however showed that the eel ladders are very effective in attracting and trapping upstream-migrating glass eels (capture efficiency of 55 57 %).
8
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Possibilities to improve glass eel migration in the Noordede (Oostende) and Blankenbergse Vaart No adjusted barrier management in function of glass eel migration has yet been applied at the Maertensas tidal barrier of the Noordede and the tidal barrier of the Blankenbergse Vaart in the port of Blankenberge. In 2018, the Maertensas was completely refurbished and automated and one of the 8 outflow channels was specifically established as a fish migration channel to guide migratory fish beyond this barrier. The sluice door is programmed to be set ajar for 10 cm when the water level difference between the polder (upstream) and the sea (downstream) is maximally 20 cm. Water exchange is thus possible each tide (sea water in/polder water out). Preliminary analyses (May 2018) showed that this time window occurs near low tide and usually takes about 37 minutes. There was also an increase in salinity (about a third) observed upstream of the Maertensas but this coincided with a prolonged period of drought with very little needs for polder water drainage. The efficiency of this barrier management for improving glass eel migration can be evaluated by placing a net in the fish migration channel during seawater intake, as such completely blocking the temporal upstream fish migration route. Permanent conductivity loggers strategically placed in the polder area should monitor any potential effect of saltwater intrusion. The modification of the tidal barrier management in the port of Blankenberge is currently less of a priority, since it will be refurbished in the near future.
In the context of the recovery program for sensitive fish species, two subjects were investigated in 2018: the reproductive success of burbot in the Grote Nete basin and the potential of 5 watercourses as larval and spawning habitat for brook lamprey. Research on the reproductive success of burbot The natural reproduction of burbot in the basin of the Grote Nete was investigated by visualy searching for larvae and by electric fishing for juveniles. Unlike previous years, no larvae were found in 2018. Because of the very cold and grey spring, the investigation could only take place late in the season with a higher chance of larvae that were no longer pelagic. Also the electric fishery, which happened earlier this year compared to previous years in the hope of increasing success, did not reveal any juvenile. Since limitations of the detection methods cannot be excluded, it is unfortunately impossible to conclude whether or no spawning of burbot had taken place in the winter of 2017-2018. Evaluation of potential brook lamprey habitats To achieve the conservation objectives for brook lamprey in Flanders, a range expansion is necessary. The purpose of this investigation was to determine whether certain watercourse stretches, sites where brook lamprey previously occurred or sites containing potential as brook lamprey habitat at first sight, are (again) suitable for maintaining sustainable brook lamprey populations. The recently developed evaluation method for brook lamprey habitats was used making use of 19 environmental variables. Two locations in each of 5 selected waterways in Flanders were evaluated, one as potential larval habitat, the other as potential spawning ground. Of the five surveyed watercourses, only the Dormaalbeek has currently the most potential to sustain brook lamprey. The water quality of all other watercourses (Jordaan, Schoorbroekbeek, Visbeek and Scherpenbergenloop) is insufficient, which is especially expressed in too low oxygen concentrations. The Jordaan has also potential to sustain brook lamprey but the most recent water quality data (1995) are outdated which prevents a proper evaluation. The artificial nature of the Scherpenbergenloop (drainage ditch resulting in very low flow rates) and the need to keep its water level artificially high by placing dams to prevent desiccation of the wider area, prevent the sustainable settlement of brook lamprey now and in the future. www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
9
Aanbevelingen voor beheer en/of beleid Dit werk rapporteert over de resultaten van een onderzoeksprogramma dat sterk beleidsgericht is en kadert in het Vlaams zoetwatervisserijbeleid. Het rapport is doorweven van relevante informatie over visserijbeleidsgerichte maatregelen. Graag verwijzen we naar de respectievelijke (deel)hoofdstukken voor de specifieke voorgestelde beleidsmaatregelen in het kader van het palingbeheerplan (p. 29, 62, 67) en het onderzoek inzake soortherstel stroomminnende visgemeenschappen (P. 80, 136).
10
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Inhoudsopgave Lijst van figuren .................................................................................................... 12 Lijst van tabellen .................................................................................................. 17 Inleiding
18
1
Palingbeheerplan................................................................................. 19
1.1
1.3.1 1.3.2
Onderzoek van de zilverpalinguittrek ter hoogte van het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht ..................................................................................... 19 Situering ................................................................................................ 19 Doelstelling............................................................................................. 19 Methoden ............................................................................................... 20 Resultaten .............................................................................................. 22 Bespreking ............................................................................................. 27 Onderzoek naar de intrek van glasaal in de Grote Beverdijkvaart .................. 30 Situering ................................................................................................ 30 Doelstelling............................................................................................. 30 Methoden ............................................................................................... 31 Resultaten .............................................................................................. 38 Bespreking ............................................................................................. 60 Aanbevelingen ........................................................................................ 62 Protocol glasaalmonitoring pompgemaal Veurne-Ambacht m.b.v. vrijwilligers . 62 Verkennend onderzoek naar de glasaalintrek in de Noordede en de Blankenbergse Vaart ................................................................................ 63 Noordede ............................................................................................... 64 Blankenbergse Vaart ................................................................................ 66
2
Soortherstel ........................................................................................ 68
2.1 2.1.1 2.1.2 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.2.5 2.2.6
Onderzoek naar het voortplantingssucces van kwabaal ................................ 68 Situering ................................................................................................ 68 Voortplantingssucces in het stroomgebied van de Grote Nete ........................ 69 Onderzoek van de potenties voor de uitbreiding van het areaal van beekprik .. 93 Situering ................................................................................................ 93 Doelstelling............................................................................................. 93 Selectie waterlopen ................................................................................. 93 Materiaal en methode .............................................................................. 94 Resulaten en bespreking ........................................................................ 105 Aanbevelingen ...................................................................................... 136
1.1.1 1.1.2 1.1.3 1.1.4 1.1.5 1.2 1.2.1 1.2.2 1.2.3 1.2.4 1.2.5 1.2.6 1.2.7 1.3
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
11
Lijst van figuren Figuur 1 Proefopstelling zilverpalingmonitoring ter hoogte van het pompgemaal van Veurne-Ambacht. (GR= gravitair, P= pomp) ............................................................................................ 20 Figuur 2 Zilverpalingvangsten in relatie tot het gevoerde spuibeheer (waterpeilfluctuaties) in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht tussen 1 oktober 2018 en 20 januari 2019. Sterke waterpeilschommelingen duiden op afvoermomenten en dus perioden met (veel) neerslag. (Bron: waterinfo.be).................................................................................................... 22 Figuur 3 Indeling van de gevangen palingen in zilverpalingstadia volgens Durif et al. (2009). .................. 24 Figuur 4 Lengte/gewichtsverdeling van alle in 2018/2019 gevangen palingen t.h.v. het pompgemaal van Veurne-Ambacht. ........................................................................................................ 24 Figuur 5 Abiotische variabelen die werden gemeten net stroomopwaarts het pompgemaal van VeurneAmbacht tijdens de prospectie van de netten (steeds bij waterstilstand tijdens hoogtij). a. watertemperatuur, b. geleidbaarheid, c. zuurstofverzadiging, d. zuurtegraad en e. doorzicht (Secchi-diepte). De rode pijltjes duiden de voornaamste perioden met verhoogde zilverpalinguittrek aan. ................................................................................................ 26 Figuur 6 Overzicht van het onderzoeksgebied (Ganzepoot spuicomplex te Nieuwpoort) met indicatie van de bemonsteringslocaties in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht (rode en blauwe symbolen) en de IJzer (groene symbolen). .................................................................................... 31 Figuur 7 De verlengde palinggoten ter hoogte van het pompgemaal van Veurne-Ambacht bij lage (a) en hoge (b) waterpeilen ten gevolge van het aangepaste spuibeheer. .................................... 32 Figuur 8 Indeling van de gevangen glasalen volgens hoeveelheid voedsel in het M/D-kanaal gaande van geen (F0) tot zeer veel (F+) opgenomen voedsel (verklaring zie tekst). ............................. 35 Figuur 9 Detailopnames (m.b.v. een stereomicroscoop) van het M/D-kanaal van een aantal gevangen glasalen ingedeeld volgens de hoeveelheid opgenomen voedsel variërend van geen (F0) tot zeer veel (F+). De glasaal onderaan rechts had zich volgegeten met ostracoden (herkenbaar ter hoogte van het pijltje). ......................................................................... 36 Figuur 10 Kleurexperiment uitgevoerd op 10 april 2018 ter bepaling van de vangstefficiëntie van de palinggoten met a) glasaaltje gekleurd met Rhodamine B net voor uitzet en b) vangstopbrengst van 1 palinggoot 8 uur na uitzet tijdens de 24-uurs cyclus (vangst van 24h00) waarin 5 gekleurde exemplaren zichtbaar zijn. .................................................... 37 Figuur 11 Temporele dynamiek van de waterpeilen in het Afvoerkanaal (rode lijn) en de Grote Beverdijkvaart (blauwe lijn) tijdens de studieperiode. ...................................................... 38 Figuur 12 Aantal dagen met polderwaterafvoer in de week voor elke staalnamedag ................................ 39 Figuur 13 Temporeel verloop van de watertemperatuur in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018 gemeten aan het wateroppervlak (O) en net boven de bodem (B) ter hoogte van de vangstlocaties aan de spuiconstructie (SC), het midden (MI), het pompgemaal (PS) en in de polder net stroomopwaarts het pompgemaal (PO). ...... 40 Figuur 14 Temporeel verloop van de zuurstofverzadiging in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018 gemeten aan het wateroppervlak (O) en net boven de bodem (B) ter hoogte van de vangstlocaties aan de spuiconstructie (SC), het midden (MI), het pompgemaal (PS) en in de polder net stroomopwaarts het pompgemaal (PO). ...... 41 Figuur 15 Temporeel verloop van de pH in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018 gemeten aan het wateroppervlak (O) en net boven de bodem (B) ter hoogte van de vangstlocaties aan de spuiconstructie (SC), het midden (MI), het pompgemaal (PS) en in de polder net stroomopwaarts het pompgemaal (PO). ................... 41 Figuur 16 Temporeel verloop van de saliniteit in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018 gemeten aan het wateroppervlak (O) en net boven de bodem (B) ter hoogte van de vangstlocaties aan de spuiconstructie (SC), het midden (MI), het pompgemaal (PS) en in de polder net stroomopwaarts het pompgemaal (PO). ...... 42 Figuur 17 Temporeel verloop van de waterhelderheid (Secchi-diepte) in het Afvoerkanaal VeurneAmbacht tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018 gemeten ter hoogte van de vangstlocaties aan de spuiconstructie (SC), het midden (MI) en het pompgemaal (PS). ....... 42
12
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 18 Temporele dynamiek van de geleidbaarheid in het Afvoerkanaal net stroomopwaarts de spuiconstructie aan de Ganzepoot (a), de Grote Beverdijkvaart ter hoogte van de Ramskapellestraat (b) en de Koolhofvaart ter hoogte van het Frontzate fietspad (c) tijdens 2016-2019. De rode lijnen in het voorjaar van 2017 en 2018 markeren de periode waarin aangepast spuibeheer ter hoogte van de Ganzepoot werd toegepast. In 2016 lag de detectielimiet voor maximale conductiviteit op 30 μs cm-1. ............................................... 44 Figuur 19 Temporele dynamiek van het totaal aantal glasalen (a) en elvers (b) die met behulp van kunstmatige substraten werden gevangen in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht. ................ 45 Figuur 20 Temporele dynamiek van de aantallen glasalen (a) en elvers (b) aanwezig in kunstmatige substraten op 1 locatie in de Ganzepoot en 3 locaties in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018. De getoonde waarden zijn telkens het gemiddelde van 3 (Ganzepoot) dan wel 6 (locaties Afvoerkanaal) substraten per locatie. ..... 46 Figuur 21 Spatio-temporele dynamiek van met behulp van kruisnetvisserij gevangen glasalen voor de spuisluizen van het pompgemaal Veurne-Ambacht met (a) het totale aantal glasalen dat per staalnamenacht werd gevangen tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018, (b) het totale aantal glasalen dat per spuisluis werd bovengehaald (LO: linkeroever, RO: rechteroever) en (c) het gemiddeld aantal glasalen dat per kruisnettrek voor de gravitaire en de pompkanalen werd bovengehaald in de studieperiode van 2018. .............................. 47 Figuur 22 Temporele dynamiek van met palinggoten gevangen glasalen (a) en elvers (b) tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018. ......................................................................... 48 Figuur 23 Spatio-temporele dynamiek van de palinggootvangsten met (a) glasalen en (b) elvers in de studieperiode van 2018 (LO: linkeroever, RO: rechteroever). ........................................... 49 Figuur 24 Seizoenaal verloop van het gemiddeld aantal glasalen die het Afvoerkanaal per getij binnenkomen, gebaseerd op de wekelijkse vangsttotalen van beide palinggoten aan het pompgemaal. ............................................................................................................. 49 Figuur 25 Temporele variatie in gemiddelde lengte (a), gewicht (b) en conditiefactor (c) van glasalen die met behulp van palinggoten (blauwe lijn), kunstmatige substraten (rode lijn) of kruisnetvisserij (groene lijn) werden gevangen in het Afvoerkanaal tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018. ......................................................................... 50 Figuur 26 Relatieve verhouding van de in 2018 met de palinggoten (a), artificiële substraten (b) en kruisnetten (c) gevangen glasalen, ingedeeld op basis van de hoeveelheid voedsel in hun maag/darmstelsel variërend van geen voedsel (F0) tot zeer veel voedsel (F+). .................. 51 Figuur 27 Relatieve verhouding van de verschillende pigmentatiestadia van glasalen gevangen met de palinggoten (a), de artificiële substraten (b) en de kruisnetten (c) tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018. Niet gepigmenteerde glasalen behoren tot stadium VA, volledig gepigmenteerde glasalen tot stadium VII. ...................................................................... 52 Figuur 28 Relatieve verhouding van de verschillende pigmentatiestadia van glasalen gevangen met sleepnetten (SL), kruisnetten (KR), artificiële substraten (SU) en palinggoten (GG) op 2 tijdstippen tijdens de monitoring van 2018. .................................................................... 53 Figuur 29 Freakshow van glasalen met duidelijke morfologische afwijkingen die tijdens de monitoring van 2018 in de palinggoten werden aangetroffen, variërend van witverkleuring (a), oogkwetsuren (b), rugfracturen en -misvormingen (b-f) en open wonden (g-k). ................. 53 Figuur 30 Opgemeten waterparameters langs beide oevers (LO: linkeroever, RO: rechteroever) stroomopwaarts (SO) en stroomafwaarts (SA) het pompgemaal tijdens de 24-uurs cyclus van 10/11 april 2018 met a. watertemperatuur, b. zuurstofverzadiging, c. conductiviteit en d. pH. ........................................................................................................................ 55 Figuur 31 Temporeel verloop van a. de glasaalvangsten van beide palinggoten aan het pompgemaal van Veurne-Ambacht tijdens de 24-uurs cyclus van 10/11 april 2018 en b. het aantal tijdens de reguliere monitoring opnieuw gevangen gekleurde glasalen in de 2 weken volgend op de uitzet. ................................................................................................................... 56 Figuur 32 In functie van de tijd afnemende kleurintensiteit van met Rhodamine B gekleurde en in het Afvoerkanaal terug uitgezette glasalen tijdens de kleurexperimenten van april 2018. (TO: gekleurde en niet gekleurde glasaal vlak voor het uitzetten, T6: hervangst na 6 dagen, T10: hervangst na 10 dagen). ...................................................................................... 57 Figuur 33 Opgemeten waterparameters langs beide oevers (LO: linkeroever, RO: rechteroever) stroomopwaarts (SO) en stroomafwaarts (SA) het pompgemaal tijdens de 24-uurs cyclus www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
13
van 23/24 april 2018 met a. watertemperatuur, b. zuurstofverzadiging, c. conductiviteit en d. pH. ........................................................................................................................ 58 Figuur 34 Temporeel verloop van a. de glasaalvangsten van beide palinggoten aan het pompgemaal van Veurne-Ambacht tijdens de 24-uurs cyclus van 23/24 april 2018 en b. het aantal tijdens de reguliere monitoring opnieuw gevangen gekleurde glasalen in de 2 weken volgend op de uitzet. ................................................................................................................... 59 Figuur 35 Optrek van glasaal tegen de verticale damwand onder de opvangbak van de palinggoten. ......... 60 Figuur 36 Het Maertensas op de Noordede te Oostende. ...................................................................... 64 Figuur 37. Dagelijkse waterpeilfluctuaties in de Noordede opwaarts (blauwe lijn) en afwaarts (rode lijn) het Maertensas tijdens het voorjaar (maart-mei) van 2018. ............................................. 65 Figuur 38. Fluctuatie in specifieke conductiviteit en relatieve waterdiepte (stippellijn) tijdens en vlak na de activatie van de vismigratieschuif in mei 2018. De drie in het oog springende fluctuaties betreffen waarschijnlijk een artefact in de metingen. ....................................................... 66 Figuur 39 Het schuivencomplex aan de monding van de Blankenbergse vaart in de Haven van Blankenberge (overgenomen uit Stevens et al. 2011). ..................................................... 67 Figuur 40 Visueel waarnemen van kwabaallarven in maart. (Foto INBO) ................................................ 69 Figuur 41 Situering van de locaties waar werd gezocht naar kwabaallarven in het voorjaar van 2018. ....... 70 Figuur 42 Poel nabij de Asbeek in 2018. (Foto INBO 2018) .................................................................. 71 Figuur 43 Zoöplankton in de poel nabij de Asbeek in 2018. (Foto INBO 2018) ........................................ 71 Figuur 44 Geïnundeerd weiland nabij de Asbeek in 2018. (Foto INBO 2018) ........................................... 72 Figuur 45 Waterloop aan de Straalmolen in 2018. (Foto INBO 2018) ..................................................... 72 Figuur 46 Vijvers Natuurpunt nabij de Grote Nete in 2018. (Foto INBO 2018) ........................................ 73 Figuur 47 Heynsbergen langs de Grote Nete in 2018. (Foto INBO 2018) ................................................ 73 Figuur 48 Ligging van de in 2018 afgeviste trajecten op de Asbeek. ...................................................... 75 Figuur 49 Ligging van de in 2018 afgeviste trajecten op de Heiloop....................................................... 75 Figuur 50 Traject Asbeek aan de monding (A1) in 2018. (Foto INBO 2018) ............................................ 76 Figuur 51 Vijvers Natuurpunt (VN1 en VN2) in 2018. (Foto INBO 2018) ................................................ 76 Figuur 52 Poel 1 nabij de Straalmolen (HV1) in 2018. (Foto INBO 2018) ............................................... 77 Figuur 53 Poel 2 nabij de Straalmolen (HV2) in 2018. (Foto INBO 2018) ............................................... 77 Figuur 54 Het aantal in 2018 gevangen en gemeten kwabalen weergegeven volgens hun lengte en per locatie. ...................................................................................................................... 80 Figuur 55 De historische (waterlopen aangeduid in oranje, o.b.v. Vrielynck et al. 2003, en Dillen et al. 2005) en huidige (groene stippen o.b.v. VIS-data) verspreiding van kwabaal (Lota lota) in Vlaanderen................................................................................................................. 81 Figuur 56 De waterhoudende grachten te Heynsbergen tonen veel potentieel, mits de toegang tot de waterloop toegankelijker zou worden gemaakt voor adulte kwabaal in de winter. (Foto INBO 2018) ................................................................................................................ 83 Figuur 57 De toegankelijkheid van de waterloop naar de waterhoudende grachten en omgekeerd zou moeten worden verbeterd door de grachten meer open te maken. (Foto INBO 2018) .......... 84 Figuur 58 Historische en huidige verspreiding van kwabaal (Lota lota) in Nederland (bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/V1183). .................................................................... 86 Figuur 59 Grindplas te Hochterband waar larven en een juveniel werden terug gevangen. (Foto INBO 2016) ........................................................................................................................ 92 Figuur 60 Overzicht van de geselecteerde waterlopen waar de habitatgeschiktheid voor beekprik werd geëvalueerd tijdens het najaar van 2018. ...................................................................... 94 Figuur 61 De Zevenbronnenbeek met de op het moment van de prospectie volledig droogstaande en dichtgegroeide bovenloop (a), het gedeeltelijk gekanaliseerde gedeelte gelegen in het waterwinningsgebied t.h.v. de Lazarij (b-f), een vismigratieknelpunt (duiker) te Wezeren (g), aanwezigheid van grofkorrelig bodemsubstraat te Janshoven (h) en positieve
14
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
(bufferstrook) en negatieve (uitlogende mestvaalt) inkleding van de oeverstroken t.h.v de Lazarij (i-j)................................................................................................................. 95 Figuur 62 Schematische weergave van de berekening van HGI 1 op basis van de GI’s van zuurstofverzadiging, biochemisch zuurstofverbruik en temperatuur, de berekening van HGI 2 op basis van de GI’s van de variabele migratiebarrières en de combinatie van HGI 1 en 2 tot een algemene HGI (HGI 3) voor het eerste stadium van de evaluatie. .......................... 99 Figuur 63 Schematische voorstelling van de berekening van HGI 4 op basis van informatie/gegevens over het beheer van de locatie, de aanwezige begeleidende vissoorten, de stroomsnelheid en het substraat. ...................................................................................................... 101 Figuur 64 Schematische voorstelling van de berekening van de algemene habitatgeschiktheidsindex (HGI) voor de geëvalueerde locatie (HGI 7) op basis van de HGI’s voor waterkwaliteit (HGI 5) en hydromorfologie (HGI 6), en de berekening van HGI 5 en 6 op basis van respectievelijk drie waterkwaliteitsvariabelen en 8 hydromorfologische variabelen. ........... 103 Figuur 65 Schematische voorstelling van de evaluatiemethode voor de geschiktheid van het rivierhabitat voor beekprik op basis van 19 omgevingsvariabelen (waterkwaliteits- en hydromorfologische variabelen) in drie evaluatiestadia. De toestand van iedere variabele leidt tot een geschiktheidsindex (GI per V), die aan de hand van eenvoudige formules gecombineerd worden tot een algemene habitatgeschiktheidsindex (HGI). De evaluatie stopt wanneer het habitat in stadium 1 en 2 ongeschikt bevonden wordt. ........................ 104 Figuur 66 Overzichtskaart van de Dormaalbeek te Walsbets met aanduiding (rode trajecten) van het geëvalueerde paai- (P) en larvaal (L) habitat en onofficiële actuele vismigratieknelpunten (rode kruisjes). ......................................................................................................... 106 Figuur 67 De Dormaalbeek te Walsbets met (a) een niet passeerbare watermolen en (g) een ‘illegale’ watercaptatie beiden ter hoogte van de potentiële paailocatie (b), (c-d) het potentiële larvale habitat waar de aanwezigheid van bufferstroken (f) en donderpad (e) werd vastgesteld. ............................................................................................................. 107 Figuur 68 Overzichtskaart van de Jordaan te Babelom met aanduiding (rode trajecten) van het geëvalueerde paai- (P) en larvaal (L) habitat en een actueel tijdelijk vismigratieknelpunt (oranje kruisje) in de vorm van een ondergrondse doorgang rond een boom. ................... 108 Figuur 69 De Jordaan te Babelom met (a) een sterk met waterplanten dichtgegroeid gedeelte net stroomopwaarts de samenvloeiing met de Rottebeek (i) ter hoogte van het potentiële paaihabitat (b), (c) een traject ongeveer halverwege de potentiële paailocatie en het larvale habitat (d), (e) het bodemsubstraat op een gedeelte van het potentiële larvale habitat, (f) een natuurlijke opeenhoping van detritus en (g) de aanwezigheid van lozingspunten met ongezuiverd huishoudelijk afvalwater, beiden in het potentiële paaihabitat en (h) een locatie ter hoogte van het potentiële larvale habitat waar de beek gedeeltelijk ondergronds verder stroomt bij het omzeilen van een boom in de bedding. ..... 109 Figuur 70 Overzichtskaart van de Schoorbroekbeek te Hoegaarden met aanduiding (rode trajecten) van het geëvalueerde paai- (P) en larvaal (L) habitat. ......................................................... 111 Figuur 71 De Schoorbroekbeek te Hoegaarden met (a-c) potentieel larvaal habitat, (d) paaibed ter hoogte van het potentiële paaihabitat, (e) paaibed stroomafwaarts van het potentiële larvale habitat en aanwezigheid van donderpad (f) en stenig substraat (g-i) ter hoogte van de potentiële paailocatie. ..................................................................................... 112 Figuur 72 Overzichtskaart van de Scherpenbergenloop te Meerhout met aanduiding (rode trajecten) van het geëvalueerde paai- (P) en larvaal (L) habitat, officiële (zwarte kruisjes) en onofficiële (oranje kruisjes) vismigratieknelpunten en locaties met beekprik in de Grote Nete (groene bolletjes). ................................................................................................................ 114 Figuur 73 De Scherpenbergenloop te Meerhout met (a) drooggevallen en volledig dichtgegroeide bovenloop, (b) potentiële paailocatie, (c) potentieel larvaal habitat, (d) een traject met waterplanten net stroomopwaarts het potentieel larvaal habitat, (e) een traject met zandige bodem en dienstdoend als veedrinkplaats stroomafwaarts de tijdelijke dam (h) en (f-g) de volledig dichtgegroeide monding. .................................................................... 115 Figuur 74 Overzichtskaart van de Visbeek te Zoersel met aanduiding (rode trajecten) van het geëvalueerde paai- (P) en larvaal (L) habitat en officiële vismigratieknelpunten (zwart kruisje).................................................................................................................... 117
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
15
Figuur 75 De Visbeek te Zoersel met (a) stroomopwaarts traject nabij de kruising met de N14 en nabij Gestelbos (b), (c-e) de locatie van het potentieel paaihabitat (met stenen helling vlak voor de bodemplaat), (f) een traject met maaibeheer stroomopwaarts de potentiële paailocatie, (g) een aangelegde stenen helling in de buurt van natuurreservaat De Kluis, (h) het potentieel larvale habitat nabij Reebergen en (i) detail van het substraat (zandig met zichtbare grindpartikels) ter hoogte van het potentiële paaihabitat. ................................. 118 Figuur 76 Zuurstofverzadiging (% O2) gebaseerd op beschikbare VMM meetreeksen (a-b: gemiddelde met standaarddeviatie, c-d: 25-percentiel) en op de veldmeting (e-f: najaar 2018) in het potentieel larvaal en paaihabitat van de 5 geëvalueerde waterlopen. Zuurstofverzadigingen (25-percentielen) tussen de stippellijnen zijn geschikt, buiten de volle lijnen ongeschikt, en tussen de stippellijnen en de volle lijnen matig geschikt. ................................................ 120 Figuur 77 Zuurstofconcentratie (mg O2/l, 25-percentiel) gebaseerd op beschikbare VMM meetreeksen in het potentieel larvaal (a) en paaihabitat (b) van de 10 geëvalueerde waterlopen. Waarden tussen de stippellijnen zijn geschikt, buiten de volle lijnen ongeschikt, en tussen de stippellijnen en de volle lijnen matig geschikt. .............................................................. 121 Figuur 78 Watertemperatuur (°C) gebaseerd op beschikbare VMM meetreeksen (a-b: gemiddelde met standaarddeviatie) en op de veldmeting (c-d: najaar 2018) in het potentieel larvaal en paaihabitat van de 5 geëvalueerde waterlopen. Jaargemiddelden (a,b) tussen de stippellijnen worden hierbij als optimaal beschouwd, buiten de volle lijnen als onleefbaar en tussen de stippellijnen en volle lijnen als matig geschikt. ........................................... 122 Figuur 79 De tijdens het najaar van 2018 gemeten stroomsnelheid (cm/s) op 5 cm boven de waterbodem in het larvaal en paaihabitat van de 5 geëvalueerde waterlopen. Voor het larvaal habitat worden stroomsnelheden buiten de volle lijnen als niet geschikt beschouwd, onder de stippellijn als geschikt en boven de stippellijn als matig geschikt. Voor het paaihabitat worden stroomsnelheden onder de volle lijn als ongeschikt en boven de stippellijn als geschikt aanschouwd. ............................................................................ 125 Figuur 80 Korrelgrootteverdeling voor de potentiële paai- (P) en larvale (L) habitats in de 5 geëvalueerde waterlopen. .............................................................................................................. 126 Figuur 81 Gemiddelde (a-b) en 75-percentiel (c-d) nitrietwaarden (mg NO2-N/l) van de 5 geëvalueerde waterlopen gebaseerd op meetreeksen van VMM t.h.v. het potentieel larvaal en paaihabitat. Waarden onder de groene lijn zijn geschikt voor beekprik, alle waarden boven de rode lijn zijn ongeschikt en alle waarden tussen de 2 volle lijnen zijn matig geschikt. .... 128 Figuur 82 Gemiddelde (a-b) en 75-percentiel (c-d) nitraatwaarden (mg NO3-N/l) van de 5 geëvalueerde waterlopen gebaseerd op meetreeksen van VMM t.h.v. het potentieel larvaal en paaihabitat. Waarden onder de groene lijn zijn geschikt voor beekprik, alle waarden boven de rode lijn zijn ongeschikt en alle waarden tussen de 2 volle lijnen zijn matig geschikt. .... 128 Figuur 83 pH waarden van de 5 geëvalueerde waterlopen t.h.v. het potentieel larvaal en paaihabitat. De gemiddelde waarden zijn gebaseerd op meetreeksen van VMM (a-b), de veldmetingen betreffen puntmetingen uitgevoerd tijdens het najaar van 2018 (c-d). Waarden boven de stippellijn zijn geschikt voor beekprik, alle waarden onder de volle lijn zijn ongeschikt. ...... 129 Figuur 84 De tijdens het najaar van 2018 opgemeten waterdiepte (gemiddelde met standaarddeviatie) van het larvaal en paaihabitat in de 5 geëvalueerde waterlopen. Dieptes tussen de twee stippellijnen worden als geschikt aanschouwd voor beekprik, buiten de volle lijnen als ongeschikt en tussen de stippellijnen en de volle lijnen als matig geschikt. ...................... 130 Figuur 85 De tijdens het najaar van 2018 gemeten sedimentdikte (gemiddelde met standaarddeviatie) van het larvale en paaihabitat in de 5 geëvalueerde waterlopen. Dieptes boven de stippellijn worden als geschikt aanschouwd voor beekprik, dieptes onder de volle lijn worden als matig geschikt aanschouwd........................................................................ 131 Figuur 86 Aanwezigheid van dood hout, waterplanten en beschaduwing in het larvale en paaihabitat van de 5 geëvalueerde waterlopen. De aanwezigheid wordt aangeduid met 1, de afwezigheid met 0. Waterlopen die alle drie de variabelen bezitten (voor alle drie een 1) worden als meer geschikt beschouwd voor beekprik, behalve als de waterplantenvegetatie té dens is. 132 Figuur 87 Aanwezigheid (1), afwezigheid (0) of beperkte aanwezigheid (0.5) van meandering, stromingsvariatie en stroomkuilenpatronen in het larvale en paaihabitat van de 5 geëvalueerde waterlopen. Aanwezigheid wordt aanzien als een een pluspunt voor de geschiktheid van een waterloop voor beekprik. ............................................................. 133
16
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Lijst van tabellen Tabel 1 Staalnamedata, vangstgegevens en voorafgaand spuibeheer tijdens de zilverpalingmonitoring van 2018-2019 ter hoogte van het pompgemaal van Veurne-Ambacht (Nieuwpoort). Zie Figuur 1 voor de locaties van de netten. (RO= rechteroever, LO=linkeroever) .................... 23 Tabel 2 Werkingsgegevens van de vismigratieschuif van het Maertensas op de Noordede voor de periode augustus-december 2018. In deze periode werden de tijdstippen van openen en sluiten van de schuif op basis van een peilverschil van 20 cm tussen opwaarts en afwaarts pand gelogd, maar bleef de schuif in de praktijk dicht. ............................................................ 66 Tabel 3 Locaties waar natuurlijke reproductie werd bemonsterd. .......................................................... 70 Tabel 4 Locaties die werden elektrisch afgevist naar juvenielen afkomstig van natuurlijke reproductie van kwabaal. .................................................................................................................... 74 Tabel 5 Locaties waar kwabaallarven afkomstig van natuurlijke reproductie in het stroomgebied van de Grote Nete werden gezocht door visuele inspectie. .......................................................... 78 Tabel 6 Het aantal aangetroffen kwabaal en bijvangst op de 9 locaties. Aanwezigheid wordt aangegeven met een ‘X’. Voor kwabaal worden de waargenomen aantallen weergegeven. In de kolom uiterst rechts wordt aangegeven op hoeveel van de afgeviste locaties een bepaald taxon werd aangetroffen. De rij onderaan toont het aantal taxa die aanwezig waren per locatie. ... 79 Tabel 7 Geografische specificaties van de onderzochte trajecten op de 10 geselecteerde waterlopen (BG: breedtegraad, LG: lengtegraad, SA: stroomafwaarts, SO: stroomopwaarts). ...................... 96 Tabel 8 Beschikbare meetreeksen waterkwaliteitsparameters (Geoloket VMM). N metingen tussen haakjes geldt enkel voor BZV, nitraat en nitriet. (P = paaihabitat, L = larvaal habitat, BZV = biologisch zuurstofverbruik). ................................................................................... 121 Tabel 9 Snelle BBI-bepaling uitgevoerd a.d.h.v. de tijdens de veldopmetingen verzamelde macroinvertebraten (INBO) en eerdere BBI-beoordelingen door VMM op locaties in de buurt van de onderzochte trajecten. .......................................................................................... 123 Tabel 10 De geschiktheidsindex (GI) voor zuurstofverzadiging/concentratie (V1), watertemperatuur (V2), biologische waterkwaliteit (V3) en habitatgeschiktheidsindex 1 (HGI 1) per geëvalueerde locatie (L = larvaal habitat, P = paaihabitat). ............................................ 123 Tabel 11 De geschiktheidsindices voor vismigratieknelpunten en beschikbare bronpopulaties (V4; L = larvaal en P = paaihabitat) waarbij 0 wijst op een lage geschiktheid en 1 op een goede geschiktheid. ............................................................................................................ 124 Tabel 12 Sedimentkarakteristieken (organisch stofgehalte en korrelgrootteverdeling) van de potentiële paai- (P) en larvale (L) habitats voor de 5 geëvalueerde waterlopen. ............................... 126 Tabel 13 De geschiktheidsindices voor het beheer (V5), stroomsnelheid (V6), bodemsubstraat (V7) en begeleidende vissoorten (V8) in de geëvalueerde locaties (L = larvaal en P = paaihabitat). 127 Tabel 14 Habitatgeschiktheidsindex van de hydromorfologie variabelen in stadium 3 van de evaluatiemethode (HGI 5 met V9: nitrietconcentratie, V10: nitraatconcentratie en V11: pH) waarbij 0 wijst op een slechte en 1 op een goede geschiktheid voor beekprik. ............ 129 Tabel 15 De geschiktheidsindices voor waterdiepte (V12), dood hout (V13), dikte van de sliblaag (V14), submerse vegetatie (V15), beschaduwing (V16), sedimentbanken (V17), meandering en stromingsvariatie (V18) en landgebruik (V19) in de geëvalueerde locaties (L = larvaal en P = paaihabitat) en de finale habitatgeschiktheidscore voor deze hydromorfologische variabelen van stadium 3 (HGI 6). .............................................................................. 133 Tabel 16 Eindbeoordeling/habitatgeschiktheid per geëvalueerde locatie voor beekprik met (HGI 7) of zonder (HGI 7’) rekening te houden met potenties voor natuurlijke rekolonisatie. De waarden voor deze eindbeoordeling mogen niet letterlijk geïnterpreteerd worden, maar tonen enkel aan of het habitat ongeschikt dan wel enigszins geschikt lijkt, in die zin dat er geen noemenswaardige knelpunten optreden. .............................................................. 134 Tabel 17 Overzicht van de geschiktheidsscores per stadium van de evaluatiemethode voor de 5 geselecteerde Vlaamse waterlopen (2 locaties per waterloop, waarvan 1 potentieel larvaal habitat (L) en 1 potentieel paai (P) habitat) (groen = goed, geel = matig, oranje = ontoereikend, rood = slecht, WK = waterkwaliteit, BP = bronpopulatie, VM = vismigratie, HM = hydromorfologie).............................................................................................. 136 www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
17
Inleiding Dit rapport geeft en bespreekt de resultaten van het onderzoek uitgevoerd in 2018 door de onderzoeksgroep Aquatisch Beheer in het kader van het lopende onderzoeksprogramma binnen de overeenkomst rond de wetenschappelijke onderbouwing en ondersteuning van het visserijbeleid en het visstandbeheer met het Agentschap Natuur- en Bos en het Visserijfonds. Deze rapportage behandelt twee grote onderzoeksluiken, enerzijds studies inzake de implementatie van het palingbeheerplan (in het kader van de Europese Palingverordening), en anderzijds onderzoek rond de soortherstelprogramma’s van stroomminnende vissoorten. Het onderzoek ter ondersteuning van het palingbeheerplan behelst enerzijds een monitoring van de zilverpalinguittrek ter hoogte van het pompgemaal Veurne-Ambacht (Nieuwpoort) en anderzijds een studie over de mogelijkheden om dit pompgemaal met palinggoten overbrugbaar te maken voor glasaal. Het onderzoek rond de soortherstelprogramma’s van stroomminnende vissoorten omvat verschillende aspecten waaronder het opvolgen van herintroducties via bestandopnames, de evaluatie van nieuw aangelegde grindbedden alsook het vinden van methodes om paaisucces op deze grindbedden te (her)kennen, onderzoek naar het voortplantingssucces van kwabaal en het toepassen van een beoordelingsmethode voor beekprikhabitats. Deze rapportage is een voortzetting en aanvulling van de eerdere rapportages (Van den Neucker et al. 2009, 2010a, 2010b, 2012, 2013a, 2013b, Vught et al. 2015, Pauwels et al. 2016, Vandamme et al. 2017, Van Wichelen et al. 2018), en dient als dusdanig in combinatie met deze rapporten gelezen te worden.
18
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
1 Palingbeheerplan Reeds tientallen jaren wordt een sterke daling van de palingpopulaties waargenomen in Europa (ICES 2018) en de Europese paling (Anguilla anguilla L.) wordt momenteel beschouwd als zijnde kritisch bedreigd (Jacoby & Gollock 2014). Oorzaken voor deze trend zijn de chemische waterkwaliteit, fysische habitatcondities, migratiebarrières, verhoogde predatie, visserij en klimaatsveranderingen (Miller et al. 2016). Om de Europese paling voor uitsterven te behoeden, heeft de Europese Unie in 2007 de Palingverordening (EC No. 1100/2007) uitgevaardigd, die het behoud en het herstel van de soort beoogt. Verder vraagt de verordening een beheeraanpak die de uittrek van 40% van de zilverpalingbiomassa ten opzichte van een door de mens onverstoorde toestand garandeert. Dankzij de talrijke laaglandrivieren, kanalen, vijvers en kreken wordt Vlaanderen beschouwd als een belangrijke regio voor opgroei van paling en de rekrutering van zilverpaling. De laatste jaren verbeterde de chemische en biologische waterkwaliteit van de Vlaamse rivieren significant door intensieve afvalwaterzuivering en de implementatie van bemestingsnormen. Bovendien is de paling een relatief tolerante soort, waardoor de meeste van de Vlaamse waterlichamen een geschikt habitat vormen en de paling wijdverspreid is in Vlaanderen. De rivierbeheerders focussen daarom op de mitigatie van uitval door visserij (o.a. vangstquota) en migratiebarrières om de palingpopulaties opnieuw te doen toenemen.
1.1 Onderzoek van de zilverpalinguittrek ter hoogte van het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht 1.1.1 Situering In het kader van de Europese Palingverordening (EG\1100\2007) dient periodiek de ontsnapping van zilverpaling naar zee gekwantificeerd en gerapporteerd te worden. Dit gebeurt in Vlaanderen, wegens gebrek aan zilverpalingmonitoring, op een indirecte manier met behulp van modellen en op basis van bestandsopnames van gele paling. Een gerichte zilverpalingmonitoring zal naast een betere inschatting van de hoeveelheid uittrekkende zilverpaling ook de evolutie van de palingstand doorheen de tijd mogelijk maken waardoor effecten van het beheer beter kunnen geëvalueerd worden. In het onderzoeksprogramma 2015 werd onderzoek verricht naar de haalbaarheid van een zilverpalingmonitoring ter hoogte van de IJzermonding te Nieuwpoort (Pauwels et al. 2016). Op basis van de resultaten bleek het pompgemaal van Veurne-Ambacht te Nieuwpoort veel potentie te bezitten als geschikte monitoringslocatie. Langs dit pompgemaal wordt de afwatering naar zee van het hele poldergebied van de Noordwatering Veurne geregeld, een groot en belangrijk opgroeigebied voor paling. Vervolgens werden in het onderzoeksprogramma van 2016 een aantal vangstmethoden op deze locatie uitgetest, waaruit bleek dat zilverpaling zonder onoverkomelijke technische moeilijkheden met behulp van gemaalnetten efficiënt kon worden gevangen (Vandamme et al. 2017). In het daarop volgende jaar werd een monitoring uitgevoerd tussen mei en december en werd een inschatting gemaakt van de efficiëntie van de vangstconstructie (Van Wichelen et al. 2018).
1.1.2 Doelstelling Dit onderzoeksluik heeft als doel om de uittrek van de zilverpaling ter hoogte van het pompgemaal van Veurne-Ambacht te kwantificeren. Het onderzoek omvat de volgende delen:
Effectief uitvoeren van een zilverpalingmonitoring aan het pompgemaal van de Grote Beverdijkvaart door middel van de vangstconstructie welke in de Onderzoeksprogramma’s 2016 en 2017 op punt werd gezet en getest. Verfijning van de methodiek gebaseerd op de ervaringen opgedaan in 2016 en 2017. Kwantificeren van de uittrek voor het hele poldergebied van de Noordwatering van Veurne, vergelijking van de schieraaluittrek met de gegevens van 2017 en vergelijking met de
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
19
cijfers die verkregen werden op basis van de gemodelleerde uittrek die berekend werd op basis van het bestand van gele paling in het poldergebied. Beoordelen en bespreken van de schade die het pompgemaal veroorzaakt tijdens de schieraaluittrek, in het bijzonder dient daarbij de nodige aandacht besteed te worden aan een beoordeling van de schade bij pompwerking. Aanbevelingen om de schade aangericht door dit pompgemaal tot een minimum te reduceren. Verfijnen van de aanbevelingen rond het oprichten van een permanent monitoringstation op deze locatie, gebaseerd op de monitoringsgegevens van 2016 en 2017.
1.1.3 Methoden 1.1.3.1
Vangstconstructie
Uittrekkende palingen werden in 2018/2019 gevangen met behulp van 5 gemaalnetten, 4 in een gravitaire uitstroomopening en 1 in een afvoerkanaal van een centraal gelegen pomp (Figuur 1). In tegenstelling tot de monitoring van 2017 werden aldus alle gravitaire uitstroomopeningen afgespannen met een gemaalnet, aangezien uit het voorgaande onderzoek bleek dat de vangstefficiëntie met het gebruik van slechts 2 gemaalnetten in de gravitaire afvoeropeningen vermoedelijk slechts 10 % bedroeg.
Figuur 1 Proefopstelling zilverpalingmonitoring ter hoogte van het pompgemaal van Veurne-Ambacht. (GR= gravitair, P= pomp)
1.1.3.2
Monitoringsperiode
Uit de monitoring van 2017 bleek er nauwelijks tot geen noodzaak om water af te voeren in de periode mei-augustus. De monitoringsperiode in 2018 werd aldus beperkt tot september-december 2018 maar liep in de praktijk gezien de gunstige weersomstandigheden nog een drietal weken verder in januari 2019. Omdat de netten pas na het (algen)groeiseizoen werden uitgehangen zijn ze derhalve minder onderhavig aan aanwas met pokken en algen waardoor ze beter doorstromen en gemakkelijker hanteerbaar zijn. De gehele opstelling was klaar voor gebruik begin september 20
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
2018 maar de netten werden pas half oktober geïnundeerd gezien er voordien wegens de aanhoudende droogte nog geen noodzaak was tot afvoer van polderwater.
1.1.3.3
Pompproef
Uit de werkingsgegevens van het pompgemaal blijkt dat er tijdens het najaar af en toe noodzaak is om extra water af te voeren met behulp van de pompen. Om de schade hiervan te kunnen beoordelen op uittrekkende zilverpaling en/of hun trajectkeuze uit te klaren tijdens pompwerking (keuze voor de gravitaire afvoerkanalen dan wel voor de pompen) werd ook een gemaalnet geplaatst ter hoogte van de uitstroomopening van pomp 3. Deze pomp werd bovendien zo ingesteld dat ze als eerste zou aanslaan bij pompwerking. Wegens de aanhoudende droogte was er evenwel geen noodzaak om tijdens de monitoringsperiode extra water af te voeren met behulp van de pompen. Er werd daarom besloten om toch een pompproef, zij het in zeer beperkte vorm, uit te voeren tijdens laagwater van donderdagavond 6 december 2018. Vanaf 19h50 werd gestart met de afvoer van polderwater door 1 van de 8 afvoerschuiven van het sluizencomplex aan de Ganzepoot te openen. Ter hoogte van het pompgemaal werd visueel vastgesteld dat daarbij polderwater door alle 4 de gravitaire afvoerkanalen richting zee begon te stromen. Vervolgens werd om 20h15 pomp 3 (5m³/s) geactiveerd. Hierna viel de gravitaire doorvoer aan het pompgemaal zo goed als stil, enkel in afvoerkanaal 8 was nog een beperkte stroming zichtbaar (gravitair net 3). De pomp werd uitgeschakeld om 21h20 waarna de doorvoer doorheen alle gravitaire afvoerkanalen onmiddellijk weer op gang kwam. Tot ongeveer 22h00 werd nog gravitair water afgevoerd. Nadien werden alle netten gecontroleerd en de eventuele opgelopen schade van alle gevangen vissen geanalyseerd. Hiervoor werd gebruik gemaakt van volgende schadeklassen (Buysse et al. 2010): •
Klasse 1: geen zichtbare schade
•
Klasse 2: duidelijke vinschade of duidelijk schubverlies
•
Klasse 3: duidelijke zwelling, kneuzing en/of bloeding
•
Klasse 4: ernstige snijwonden, decapitatie of volledige doorklieving
1.1.3.4
Biometrie
Na elk afvoermoment werden de leefnetten gecontroleerd op de aanwezigheid van paling en indien nodig ontdaan van drijfvuil. Alle gevangen palingen werden aan een biometrische analyse (lengte, gewicht, conditie) onderworpen, waarbij ook de noodzakelijke uitwendige kenmerken werden opgemeten om het geslacht en het zilverpalingstadium te bepalen (Durif et al. 2009; I: seksueel ongedifferentieerd, FII: sedentair/vrouw, FIII: pre-migratorisch/vrouw, FIV+FV: migratorisch/vrouw en MII: migratorisch/man). Hiervoor werden ze vooraf verdoofd met kruidnagelolie (100 mg/L: 1 ml ethanol 94°/kruidnagelolie oplossing (9/1) op 1L water, Walsh & Pease 2002). Na de opmetingen konden de verdoofde palingen recupereren in een met zuurstof doorborreld vat met polderwater waarna ze allemaal opnieuw werden vrijgelaten in het Afvoerkanaal stroomafwaarts van het pompgemaal.
1.1.3.5
Abiotiek
Op elk bemonsteringsmoment werd de temperatuur, pH, conductiviteit en zuurstofconcentratie van het water gemeten. Hiervoor werd vanop de loopbrug aan de stroomopwaartse zijde van het pompgemaal met behulp van een 10L emmer een waterstaal genomen ongeveer in het midden van het kanaal. Het doorzicht werd op dezelfde locatie bepaald met behulp van een Secchi-schijf.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
21
1.1.4 Resultaten 1.1.4.1
Spuibeheer
Zonder debiet is er geen zilverpalinguittrek mogelijk in de polders. Het debiet van de polderwaterlopen wordt voornamelijk gestuurd door het polderbestuur dat in functie van neerslag en het ingestelde peilbeheer overtollig water via het Veurne-Ambachtkanaal in de IJzer laat lozen met behulp van een variabel spuibeheer aan de Ganzepoot. Het spuibeheer is bijgevolg van primordiaal belang voor het induceren van de palinguittrek. Wegens het uitzonderlijk droge weer tijdens het voorjaar en de zomer werd pas op 30 oktober voor een eerste maal overtollig water van de polder Noordwatering Veurne geloosd via het Veurne-Ambachtkanaal waaronder eenmaal maximale gravitaire lozing (8 geopende schuiven) tijdens de nachttij van 30 op 31 oktober (Figuur 1, Tabel 1). Twee weken voordien werd evenwel ook zeer kortstondig (1 kwartier) maximaal water geloosd ter wille van cyanobacteriënproblematiek in de Koolhofput en –vaart. In de maand november werd slechts mondjesmaat en beperkt (slechts 2 geopende schuiven) water geloosd. Vanaf december kwam het spuibeheer pas goed op gang waarbij vooral in de periode rond 8 december en 20 december elk getij werd gespuid, evenwel steeds met een beperkt aantal schuiven (max. 4).
1.1.4.2
Vangsten
De netten werden sinds het uithangen half oktober 2018 na elk spuimoment gecontroleerd. De onderzoeksperiode liep tot 20 januari 2019 toen de gemaalnetten na een aantal zeer lage vangsten (met inbegrip van nulvangsten) definitief werden opgetakeld. In totaal werden met de opstelling 1163 palingen gevangen. Zoals verwacht werden de hoogste aantallen gevangen tijdens perioden van intens spuien (Figuur 2, Tabel 1).
Figuur 2 Zilverpalingvangsten in relatie tot het gevoerde spuibeheer (waterpeilfluctuaties) in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht tussen 1 oktober 2018 en 20 januari 2019. Sterke waterpeilschommelingen duiden op afvoermomenten en dus perioden met (veel) neerslag. (Bron: waterinfo.be)
22
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Een eerste controle van de netten op 31 oktober na een spuimoment met 2 schuiven overdag gevolgd door een met 8 schuiven (maximale gravitaire lozing) gedurende de nacht leverde meteen een gezamenlijke vangst van 180 palingen op. Het grootste aantal (373 stuks) werd evenwel op 4 december in de netten aangetroffen na 2 dagen van beperkt spuien (2 schuiven/getij). Een derde migratiepiek (258 stuks) werd waargenomen op 24 december na drie dagen aanhoudend spuien met 4 schuiven/getij. Opvallend dit jaar, en in tegenstelling met de monitoring van 2017, was dat zelfs bij relatief beperkte waterlozing (1 schuif) toch aanzienlijke aantallen konden worden gevangen. Wat dit betreft was de meest in het oog springende vangst deze van 4 december toen, na een nachtelijk spuimoment met slechts 1 schuif, 99 palingen in de netten werden aangetroffen.
Tabel 1 Staalnamedata, vangstgegevens en voorafgaand spuibeheer tijdens de zilverpalingmonitoring van 2018-2019 ter hoogte van het pompgemaal van Veurne-Ambacht (Nieuwpoort). Zie Figuur 1 voor de locaties van de netten. (RO= rechteroever, LO=linkeroever) GR1 (RO) GR2 P GR3 GR4 (LO) totaal voorafgaand spuibeheer* 31/10/2018 02/11/2018 11/11/2018 26/11/2018 29/11/2018 03/12/2018 04/12/2018 05/12/2018 07/12/2018 09/12/2018 10/12/2018 11/12/2018 14/12/2018 17/12/2018 21/12/2018 24/12/2018 27/12/2018 31/12/2018 04/01/2019 11/01/2019 14/01/2019 18/01/2019 totaal
38 6 8 4 1 0 34 5 1 61 26 7 2 0 1 65 17 1 0 1 0 1 279
45 7 7 1 0 1 20 5 5 100 14 2 4 0 2 79 15 0 0 0 0 0 307
2
6
8
28 3 1 2 0 1 21 7 2 101 14 0 0 1 1 49 13 0 0 1 1 1 247
69 5 5 2 0 2 24 7 1 111 10 3 2 2 2 65 11 0 0 0 1 0 322
180 21 21 11 1 4 99 24 15 373 64 12 8 3 6 258 56 1 0 2 2 2 1163
2D+8N 2N 2D 1D + pomp (5 min.) 2D 2D 1N 1N 1N (1.5 uur)+ pomp (1 uur) 2N+2D+2N+2D 4N+1D 1N (1 uur) 1N 1N+1D+1N 1N+1N+1N+1D+1N+4D 4N+4D+4N+4D+4N+4D(2 uur) 4N+2N+2D 2N+2N 1D+1D+1D 1D+1D+1D+1D 1D+1N+2N+2D+2N 2D+2D+4N+2D
*het voorafgaande spuibeheer is uitgedrukt in het aantal schuiven van het sluizencomplex aan de Ganzepoot die tijdens de dagti j (D) respectievelijk de nachttij (N) werden opengezet
Er werden behoorlijke hoeveelheden bijvangst (in totaal 520 kg) verzameld voornamelijk bestaande uit pos, baars en juvenielen van snoekbaars, brasem en blankvoorn. Sporadisch werden ook enkele grote giebels, kolblei, karper, rietvoorn en Chinese wolhandkrab in de netten aangetroffen. Vanaf 10 december werd ook af en toe een grotere bot (o.a. een exemplaar van 30 cm op 27 december) gevangen. Er kwamen accidenteel ook een aantal watervogels in de netten terecht, helaas steeds met fatale afloop. Op 5 en 21 december werd een dode dodaars verstrengeld aan de buitenkant van de gemaalnetten aangetroffen ongetwijfeld aangetrokken door de aanwezigheid van vis. Dodaars kan blijkbaar ook stroomopwaarts de terugslagkleppen geraken want op 10 december werd een levende dodaars in de pompput van pomp 2 waargenomen die kort daarna weer was verdwenen. Ook waterhoen (telkens 2 dode exemplaren in de netten op 9 en 21 december) en meerkoet (1 dood exemplaar in de netten op 9 december) behoorden tot de slachtoffers.
1.1.4.3
Stadia
Van de 1160 opgemeten palingen waren er 107 die met zekerheid als mannelijke en 1022 als vrouwelijke zilverpaling konden worden bestempeld. De seksratio bedroeg bijgevolg ongeveer 1/10 www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
23
(man/vrouw). Twaalf palingen die volgens het model ter bepaling van het zilverpalingstadium als mannetje zilverpaling werden bestempeld waren groter dan 45 cm, wat algemeen wordt beschouwd als bovengrens voor de lengte van de mannetjes (Dekker et al. 1998). Deze werden bijgevolg naargelang de andere kenmerken manueel als FII, FIII of FIV gecatalogeerd. Omgekeerd betroffen 3 palingen die als vrouwtje zilverpaling werden bestempeld eigenlijk mannetjes. De populatie bestond aldus uit 31 gele palingen (stadium I - 2,7 %), 13 FII (1,1 %), 66 FIII (5,7 %), 90 FIV (7,8 %), 853 FV (73,5 %) en 107 MII (9,2 %) (Figuur 3). Mannetjes hadden een gemiddelde lengte van 397 mm (range 187495) en een gemiddeld gewicht van 118 g (60-390). Voor vrouwtjes bedroeg dit respectievelijk 678 mm (403-1025) en 628 g (117-2086) (Figuur 4). 83 % van de palingen die tijdens de monitoringsperiode het pompgemaal hebben gepasseerd betreffen aldus palingen in het verst gevorderde zilverpalingstadium (MII en FV).
Figuur 3 Indeling van de gevangen palingen in zilverpalingstadia volgens Durif et al. (2009).
Figuur 4 Lengte/gewichtsverdeling van alle in 2018/2019 gevangen palingen t.h.v. het pompgemaal van Veurne-Ambacht.
24
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
1.1.4.4
Ruimtelijke variatie
Er werden geen noemenswaardige verschillen vastgesteld in vangstaantallen tussen de 4 gravitaire afvoerkanalen (Tabel 1). Globaal genomen zijn ongeveer evenveel palingen langs de linker- (586) dan wel de rechterzijde (569) van het pompgemaal richting zee getrokken.
1.1.4.5
Abiotiek
In Figuur 5 worden een aantal abiotische variabelen weergegeven die werden opgemeten tijdens de prospectie van de netten. De wellicht meest relevante variabele is de watertemperatuur. Ten tijde van de eerste migratiepiek eind oktober was de watertemperatuur ongeveer 9 °C. Tijdens de tweede migratiegolf tussen 5 en 10 december varieerde de temperatuur tussen 8 en 10 °C. Tijdens de laatste waargenomen migratiegolf tussen 24 en 27 december daalde de temperatuur van 8 naar 5,5 °C. Op het einde van de monitoringsperiode bedroeg de watertemperatuur slechts 4,5 °C. De zuurstof- en conductiviteitswaarden waren voor alle migratiepieken min of meer gelijkaardig, enkel de pH lag iets lager tijdens de laatste migratiegolf. Het water was opmerkelijk troebelder tijdens de perioden met zilverpalinguittrek wat vermoedelijk werd veroorzaakt door het verhoogde debiet (resuspensie van bodemmateriaal) en de aanvoer van slibdeeltjes via run-off, beiden ten gevolge van neerslag.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
25
Figuur 5 Abiotische variabelen die werden gemeten net stroomopwaarts het pompgemaal van Veurne-Ambacht tijdens de prospectie van de netten (steeds bij waterstilstand tijdens hoogtij). a. watertemperatuur, b. geleidbaarheid, c. zuurstofverzadiging, d. zuurtegraad en e. doorzicht (Secchi-diepte). De rode pijltjes duiden de voornaamste perioden met verhoogde zilverpalinguittrek aan.
26
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
1.1.4.6
Pompproef
Na de beperkte pompproef (1 uur pompen) werden in totaal 15 palingen in de opvangnetten aangetroffen, 9 palingen in de gravitaire netten en 6 palingen in het pompnet (zie Tabel 1). Van de zes verpompte palingen hadden er drie, 2 vrouwtjes en 1 mannetje, geen zichtbare uitwendige beschadigingen opgelopen terwijl 2 andere palingen duidelijk zichtbare vinschade hadden (bloeduitstortingen). Deze 5 waren voor de rest zeer levendig en gedroegen zich normaal. Eén paling, een groot vrouwtje van 715 mm en 784 g, had naast vinschade ook een kneuzing in de buurt van de borstvin opgelopen en was stervende. Voordien werd op 26 november bij wijze van test pomp 3 eventjes (5 minuten) geactiveerd waarna er 2 palingen in het opvangnet werden aangetroffen. Het betrof 2 grote vrouwtjes (waaronder 1 van 989 mm en 1839 g!) die ogenschijnlijk geen enkele schade hadden opgelopen en levend en wel stroomafwaarts konden worden vrijgelaten.
1.1.5 Bespreking 1.1.5.1
Technische aspecten
Net zoals tijdens het voorgaande onderzoek (Vandamme et al. 2017, Van Wichelen et al. 2018) blijkt de vangstconstructie succesvol in het vangen van zilverpalingen zonder onoverkomelijke technische moeilijkheden. De aanwezigheid van drijfvuil (takken, bladeren, rietstengels) was doorgaans zeer beperkt dankzij de vuilroosters. Tijdens de eerste spuimomenten kwamen evenwel grote hoeveelheden schelpen van driehoeksmosselen in de netten terecht waarvan een gedeelte ter hoogte van de keel van elk net bleef steken. In de toekomst kan dit worden vermeden door bij het begin van de monitoringsperiode eerst kort (bv. 15 min) maximaal (alle 8 schuiven aan de Ganzepoot open) water af te voeren vooraleer de gemaalnetten in de sponningen te schuiven, in de hoop dat al het tijdens de lange periode zonder afvoer opgehoopte vuil in de afvoerkanalen richting zee wordt afgevoerd. Op het einde van de studieperiode bleken ook rietstengels proppen ter hoogte van de kelen te veroorzaken. Dit is helaas niet te vermijden en vereist steeds een snelle controle van de netten om al te sterke verstopping van de netten te voorkomen. Om het gevaar voor watervogels te reduceren dienen alle loshangende netonderdelen te worden verwijderd wegens kans op verstrengeling en verdrinking van duikende soorten. Om vogels die (via de gravitaire afvoerkanalen) in de leefnetten terechtkomen de kans te geven om te ontsnappen kan eventueel een houten loopplankje in elk baknet worden aangebracht.
1.1.5.2
Kwantiteit uittrekkende zilverpaling
In totaal werden tijdens de monitoringsperiode (15/10/2018 – 18/01/2019) 1163 palingen gevangen waarvan 31 gele palingen. Het aantal zilverpalingen bedroeg aldus 1132 stuks. Gezien alle gravitaire afvoerkanalen werden afgespannen en er geen pompwerking heeft plaatsgevonden (met uitzondering van de pompproef) kunnen we ervan uitgaan dat dit aantal alle zilverpalingen omvat die tijdens de studieperiode de Veurne-Ambacht polder via het pompgemaal hebben verlaten. In 2017, toen slechts de helft van de gravitaire afvoerkanalen van een net was voorzien, werden tijdens de toenmalige monitoringsperiode (1 mei-12 december) 440 zilverpalingen gevangen. Wegens een aantal onzekerheden werd de hoeveelheid toen geraamd op een cijfer tussen de 880 en 4400. Het afwezig zijn van ruimtelijke variatie (verschil in uittrek via linker- en rechteroever) pleitte voor een gelijkmatige verdeling over de 4 gravitaire afvoerkanalen (zowel de afgespannen als niet-afgespannen afvoerkanalen) waardoor het totaal aantal uittrekkende dieren gelijk werd gesteld aan tweemaal het totaal aantal gevangen dieren. Ook door middel van een vangst/merk/hervangst proef werd toen het totaal aantal uittrekkende dieren geschat. De toen geobserveerde vangst-efficiëntie van 10 % pleitte voor een uittrek die vooral plaatsvond via de niet afgespannen afvoerkanalen (beiden het dichtst bij de oever gelegen), wat kon worden verklaard door het thigmotactisch gedrag van paling (Tesch 2003, Silva et al. 2016, Piper et al. 2015, 2017). In 2017 werd de hoeveelheid uittrekkende zilverpaling ook modelmatig geschat volgens Belpaire et al. (2018) op basis van elektrovisserijgegevens van gele paling in het gebied verzameld tijdens 2015-2017. Het model leverde een zilverpalingproductie van 643 kg op wat 9,46 % bedraagt van de verwachte natuurlijk productie in dit gebied (6799 kg). De modelmatige inschatting vertoonde aldus meer overeenkomsten met de minimuminschatting op basis van de zilverpalingvangsten aan het pompgemaal (539 kg of 7,9 %). Tijdens de monitoringscampagne van 2018 werd in totaal 655 www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
27
kg zilverpaling gevangen (12,6 kg mannetjes en 642 kg vrouwtjes) wat neer komt op 9,6% van de verwachte natuurlijke productie, zeer gelijkaardig aan de modelmatige inschatting voor de periode 2015-2017 en de minimuminschatting op basis van de zilverpalingvangsten in 2017. Ook in 2018 werden nauwelijks verschillen in aantallen uittrekkende palingen waargenomen tussen de verschillende gravitaire afvoerkanalen. Het lijkt er dus sterk op dat de uittrek doorheen het pompgemaal doorgaans op een homogene, niet selectieve manier geschiedt. Dit zou betekenen dat de minimuminschatting van 2017 (vangsten x2) zich dichter bij de werkelijke waarde bevindt dan de inschatting op basis van de V/M/H methode. Er werd bovendien in 2018 geen enkele gemerkte paling van 2017 terug gevangen. Het voorgaande impliceert dat de terug uitgezette gemerkte palingen in 2017 ofwel zijn overgegaan op een selectief, meer exploratief uittrekgedrag op basis van de negatieve ervaringen opgedaan tijdens de eerdere poging (leergedrag) en dus gekozen hebben voor de niet afgespannen uitstroomkanalen, ofwel later (tijdens periodes met verhoogd debiet tussen de 2 monitoringsperioden) alsnog zijn vertrokken.
1.1.5.3
Beïnvloedende factoren
Zilverpalinguittrek in een poldersysteem is nog meer dan in riviersystemen een zaak van debieten. Dit bleek nogmaals zeer sterk uit de monitoring van 2018. Na een zeer lange aanhoudende droogteperiode zonder waterafvoer tijdens de zomer, was het meteen prijs bij het eerste en meteen ook hevigste (alle 8 schuiven aan de Ganzepoot open) spuimoment eind oktober waarbij op een etmaal onmiddellijk 180 palingen wegtrokken. Vermoedelijk betrof het dieren die reeds in de buurt van het pompgemaal pleisterden, eventueel aangetrokken door lekverliezen met zoutwater. Ook in 2017 ging de eerste substantiële waterafvoer gepaard met een eerste migratiegolf. Anders dan vorig jaar diende de afvoer nadien zelfs niet substantieel te zijn want ook bij zeer beperkte debieten (1 schuif Ganzepoot open) trokken soms hoge hoeveelheden palingen weg. Het af en toe beperkt lozen van water kan de palingen die verder stroomopwaarts in de polder verblijven geleidelijk doen opschuiven naar het pompgemaal en aldus resulteren in een aantal elkaar opvolgende migratiegolven. In 2017 waren deze beperkte afvoermomenten waarschijnlijk te gescheiden in tijd van elkaar om deze migratiebeweging te continueren waardoor de uiteindelijke migratiegolf beperkt bleef tot 1 periode van aanhoudende maximale afvoer in december. Een andere variabele die in verband wordt gebracht met zilverpalinguittrek is de temperatuur van het water. Van zodra de temperatuur onder de 8 °C zakt, werden tijdens de monitoring nog weinig palingen gevangen. Dit was o.a. het geval in de periode tussen de migratiegolven van 9 en 24 december ondanks de sporadische waterafvoer die toen plaatsvond. De meeste palingen (87 %) bleken dan ook te zijn doorgetrokken bij temperaturen tussen 8 en 10 °C, wat ook in vergelijkbare systemen in Vlaanderen (Baeyens et al. 2013) en de buurlanden (o.a. Accou et al. 2008) wordt vastgesteld. Dit staat evenwel in schril contrast met de monitoring van 2017 toen de hoofdmoot bij temperaturen tussen 5 en 6 °C wegtrok wat toen evenwel gepaard ging met een langdurige periode van maximale afvoer (Van Wichelen et al. 2018). Het lijkt er dus sterk op dat de zilverpaling in het poldersysteem elke kans te baat grijpt om weg te trekken van zodra het water in beweging komt en dit onafhankelijk van de temperatuur.
1.1.5.4
Effecten van pompwerking
Wegens de droogteproblematiek was er net zoals in 2017 geen noodzaak om extra water te verpompen tijdens de monitoringsperiode. Er was slechts ruimte om een zeer beperkte proef uit te voeren, namelijk 1 uurtje pompen met 1 pomp gecombineerd met de gelijktijdige afvoer van water door middel van 1 geopende schuif aan de Ganzepoot. Onder deze omstandigheden viel de stroming doorheen de gravitaire uitwateringskanalen nagenoeg volledig stil en werd het volledige debiet doorheen de pomp geleid, dus palingen werden niet meteen met een keuzemogelijkheid geconfronteerd. Het tegelijkertijd verpompen en gravitair afvoeren van water gebeurt sowieso maar zeer sporadisch onder de huidige beheeromstandigheden. De waterafvoer in de winter wordt automatisch geregeld en is gerelateerd aan een peilmeter in Lampernisse, ongeveer in het midden van de polder. Door het polderbestuur wordt een winterstreefpeil van 1,80 mTAW aangehouden door overtollig water af te voeren via gravitaire weg doorheen het perskanaal. Indien evenwel een
28
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
peil van 1,90 mTAW wordt overschreden zal ook automatisch pompwerking plaatsgrijpen waardoor de tijd dat water kan geloosd worden naar zee grosso modo wordt verdubbeld (tot 2/3 van de duur van elk ebtij). In de praktijk blijken de pompen pas geactiveerd te worden als de gravitaire afwatering stilvalt bij gelijke waterstand met de zee. Enkel gedurende een korte periode daarna is zowel gravitaire afvoer als pompwerking mogelijk. Indien de overschrijding van 1,90 mTAW zich tijdens de vloedtij voordoet zal eerst pompwerking plaatsvinden vooraleer water gravitair bij de volgende ebtij kan afgevoerd worden. Doorgaans wordt pompwerking evenwel altijd voorafgegaan door een periode van maximale gravitaire lozing naar zee en uit de verzamelde gegevens blijkt dat de in de polder aanwezige zilverpaling deze momenten aangrijpt om te vertrekken. Slechts in zeer uitzonderlijk gevallen (genre T100 storm) dient de gravitaire afvoer meteen te worden gecombineerd met maximale pompwerking waarbij er dus een maximaal debiet van 35 m³ (25 m³ via de pompen, 10 m³ via de gravitaire afwateringskanalen) wordt geloosd richting zee. Indien dit gebeurt in het najaar na een lange periode zonder waterafvoer loopt de uittrekkende paling een zeer reëel risico om massaal door de pompen te worden beschadigd. De gegevens die in 2017 en 2018 konden worden verzameld inzake toegebrachte schade zijn te beperkt om een grondige evaluatie van de schadelijkheid van het pompgemaal op paling te kunnen uitvoeren. Het is in ieder geval duidelijk dat doorheen de pomp wegtrekkende paling beschadigingen oploopt. In vergelijking met 2017 (alle 4 verpompte palingen stervend of dood) bleek de schade in 2018 iets minder dramatisch, nl. 1 van de 6 verpompte palingen was zwaar beschadigd (kneuzingen) en 2 lichtbeschadigd (vinschade). De 2 grote onbeschadigde palingen die na de kortstondige activatie van de pomp op 26 november 2018 in het pompnet werden aangetroffen bevonden zich vermoedelijk reeds in het pompkanaal stroomafwaarts de pomp vooraleer deze werd geactiveerd want het is zeer onwaarschijnlijk dat dergelijke grote, zware palingen ongehinderd door dit type pomp geraken.
1.1.5.5
Permanente monitoring door vrijwilligers
De huidige opstelling is zonder noemenswaardige technische moeilijkheden in staat om de zilverpalinguittrek ter hoogte van het pompgemaal te kwantificeren. Dit kan in de toekomst door vrijwilligers worden uitgevoerd tijdens een vaste periode die begint vanaf het eerste spuimoment in september en loopt totdat de temperatuur van het water zakt onder 4 °C in december/januari wanneer de weerscondities geen veilige monitoring meer toelaten (o.a. ijsvorming). In zijn eenvoudigste vorm bestaat de monitoring louter uit het leeghalen van de baknetten na elk spuimoment met behulp van een bootje en het (per baknet) kwantificeren van de gevangen palingen. Dit kan worden uitgevoerd door een team van drie personen, 2 personen in het bootje om de netten te controleren en de vangsten te triëren en 1 persoon aan de oever om alle gegevens te noteren. Vooraf worden eerst de gemaalnetten opgetakeld met behulp van de katrollen. Daarna dient het ‘bootteam’ het eventuele opgestapelde vuil doorheen de keel van elk baknet te schudden. Vervolgens wordt het baknet leeggehaald met behulp van een schepnet en worden de palingen geteld. Op basis van de grootte kan een onderscheid worden gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke zilverpalingen. Op basis van de kleur en de diameter van de ogen kan men tevens mannelijke zilverpalingen onderscheiden van gele palingen. De palingen kunnen na prospectie direct ter plaatse opnieuw worden vrijgelaten in het perskanaal. Ook eventuele bijvangst kan worden genoteerd. Tenslotte worden de gemaalnetten opnieuw neergelaten. De monitoring vereist een zeer nauw contact tussen het polderbestuur en het vrijwilligersteam om op elk moment op de hoogte te zijn van het geplande spuibeheer en dus de veldbezoeken te kunnen inplannen. Daarnaast geven ook de waterpeilfluctuaties in het perskanaal zoals te vinden op www.waterinfo.be een goede ‘realtime’ indicatie van het gevoerde spuibeheer. Vooral na hogere afvoeren (> 4 geopende spuien aan de Ganzepoot) dienen de netten na elk spuimoment te worden gecontroleerd.
1.1.5.6
Aanbevelingen
Het strekt tot aanbeveling om de zilverpalingmonitoring te continueren om aldus langetermijneffecten van het gevoerde polderbeheer (verbeterde glasaalintrek, veranderingen in klimaat en waterkwaliteit, etc.) op de zilverpalinguittrek te kunnen
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
29
inschatten. Dit kan geschieden met behulp van vrijwilligers onder coördinatie van het INBO. Onder het huidige peilbeheer lijkt de kans op significante schade aan uittrekkende zilverpaling door de werking van de pompen eerder beperkt. Cruciaal hierbij is het voorafgaandelijk gravitair lozen van water gedurende een aantal dagen vooraleer de pompen worden geactiveerd. In uitzonderlijke gevallen (extreme wassen) kan vooraf proactief gravitair polderwater naar zee worden geloosd om extra waterberging te voorzien en uittrekkende zilverpaling de gelegenheid te geven naar zee te ontsnappen. Het vervangen van de schadelijke propellerpompen door visvriendelijkere alternatieven is voor het pompgemaal Veurne-Ambacht aldus minder prioritair in vergelijking met pompgemalen waar geen gravitaire afwatering (en dus ontsnappingsmogelijkheden voor zilverpaling) is voorzien.
1.2 Onderzoek Beverdijkvaart
naar
de
intrek
van
glasaal
in
de
Grote
1.2.1 Situering De IJzermonding in Nieuwpoort vormt een belangrijke intrekroute voor glasaal in Vlaanderen. De migratiepiek kan van jaar tot jaar variëren maar situeert zich doorgaans tussen 15 maart en 15 april. Sinds 1980 is de glasaalaanvoer er gedecimeerd tot minder dan 1 % van de waargenomen densiteiten in de periode ervoor (ICES 2018). Het sluizencomplex van de Ganzepoot vormt een grotendeels onoverkomelijke barrière voor glasalen en andere trekvissen waardoor de verdere migratie naar geschikt opgroeigebied in de polders wordt verhinderd. Eerder onderzoek aan de IJzermonding toonde aan dat een aangepast spuibeheer (spuien op een kier tijdens hoogwater) ter hoogte van de spuischuiven van de Grote Beverdijkvaart aan de Ganzepoot principieel mogelijk is omdat daar voldoende waterafvoer plaats vindt (Mouton et al. 2009). Vooraleer een dergelijk regime in te stellen diende er gekeken te worden naar de passeerbaarheid van het volgende knelpunt, namelijk het pompgemaal van Veurne-Ambacht. In de onderzoeksprogramma’s van 2015 en 2016 werd in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht stroomafwaarts van het pompgemaal aan de Grote Beverdijkvaart de optrek van glasaal aangetoond en vergeleken in een situatie zonder en met het toepassen van aangepast spuibeheer met behulp van tijdelijke palinggoten (Pauwels et al. 2016, Vandamme et al. 2017). In het onderzoeksprogramma van 2017 werd nagegaan hoe de palinggoten ter hoogte van dit pompgemaal verder geoptimaliseerd kunnen worden en ingericht als permanent monitoringsstation (Van Wichelen et al. 2018). In het huidige programma werd nagegaan of de glasaalintrek ook effectief wordt begunstigd door het geoptimaliseerde spuibeheer in functie van het passeerbaar maken van het pompgemaal.
1.2.2 Doelstelling
30
Optimaliseren van de permanente constructie (palinggoten) aan beide oevers van het pompgemaal om de intrek van glasaal naar het achterliggende pompgebied verder te faciliteren. Hierbij wordt minstens één van beide palinggoten langer gemaakt. Daarbij wordt, indien nuttig, mogelijk of haalbaar ook gewerkt met een tussenniveau (zonder verval) als rustzone voor de glasalen. Tevens wordt onderzocht of het mogelijk is om drijvende goten aan te leggen zodat de opvangbak achter de palinggoot, waar de glasalen in vallen, niet kan overstromen.
Uitvoeren van een glasaalmonitoring met de aangelegde palinggoten gedurende het glasaalseizoen en bepalen van de efficiëntie van de glasaalintrek via de vangstconstructie.
Opmaken van een concreet protocol waarin een gestandaardiseerde methode wordt beschreven voor een permanent monitoringstation op deze site. Dit nieuwe monitoringsstation dient mee ingeschakeld te worden in het Europese netwerk van monitoring van glasaal. Contacten en afspraken maken met vrijwilligers om de monitoring
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
(in de toekomst) uit te voeren (waarbij desgevallend gebruik kan gemaakt worden van een dienstenovereenkomst via het Visserijfonds om deze dienstverlening te vergoeden).
1.2.3 Methoden 1.2.3.1
Vangstconstructies
De in- en doortrek van glasaal doorheen het Afvoerkanaal werd in 2018 met dezelfde vangsttechnieken als in 2017 onderzocht: • met behulp van 18 drijvende substraten van kunststof (IJzeren frame van 50x50x20 cm gevuld met Enkamat nylon stabilisatiematten, die tussen 01/03 en 28/05/2018 permanent per 3 werden geïnundeerd op 6 vaste locaties nl. 1 locatie langs elke oever ter hoogte van de spuiconstructie, 1 locatie langs elke oever ongeveer halverwege het perskanaal en 1 locatie langs elke oever ter hoogte van het pompgemaal (Figuur 6). Als referentie werden er ook substraten uitgehangen op een locatie in de Ganzepoot (steiger Dive Star) en de IJzer (aan privésteiger recht tegenover steiger Yser Star). • met behulp van 4 kruisnetten (opp. 1 m²) waarmee van 19/03 tot 02/05/2018 eenmaal per week de glasaal ter hoogte van elke spui-uitgang van het pompgemaal 4 keer ‘s nachts werd bemonsterd. • met behulp van 2 palinggoten, 1 aan elke zijde van het Veurne-Ambacht pompgemaal, die van 01/03 tot 28/05/2018 continu werden bevloeid met polderwater.
Figuur 6 Overzicht van het onderzoeksgebied (Ganzepoot spuicomplex te Nieuwpoort) met indicatie van de bemonsteringslocaties in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht (rode en blauwe symbolen) en de IJzer (groene symbolen).
De U-vormige goten (9 m x 0,3 m) bekleed met 2 types borstelmatten (met 20 ofwel 30 mm ruimte tussen de borstels) waren met een helling van 30-35° tegen de betonnen zijwand van het pompgemaal geplaatst met de opening (op ongeveer 6 m afstand van de terugslagkleppen) naar het pompgemaal gericht. Ze werden bevloeid met polderwater dat uit de noodriolen werd
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
31
opgepompt. Ook werd de basis van de palinggoot beregend om voor extra aantrekkingskracht te zorgen (Piper 2013). Het debiet varieerde daarbij van ± 10 L min-1 in de bovenste helft van de goot tot ± 30 L min-1 volledig onderaan. Ten opzichte van de vorige monitoringsperioden in 2016 en 2017 werden de goten in 2018 met ong. 5 meter verlengd zodat de bovenkant van de opvangbakken op ongeveer 4 mTAW kwam te liggen (Figuur 7). Hierdoor kon er meer zeewater worden binnengelaten tijdens opkomend getij en de periode van aangepast spuibeheer sterk worden verlengd, verminderde de afhankelijkheid van het geplande peilbeheer van de polder en was er minder kans op calamiteiten (overstroming van de opvangbakken). Het gebruik van drijvende palinggoten wordt op deze site niet opportuun geacht vanwege het gebruiksgemak van de vrijwilligers die in de nabije toekomst de monitoring voor hun rekening zullen nemen, de interactie met het gevoerde spuibeheer waardoor de drijvende goten kunnen worden geconfronteerd met sterke debieten met mogelijke complicaties voor de bevestiging ervan vlak voor het pompgemaal en vanwege de minder efficiënte lokstroom (omgevingswater uit het Afvoerkanaal i.p.v. polderwater).
Figuur 7 De verlengde palinggoten ter hoogte van het pompgemaal van Veurne-Ambacht bij lage (a) en hoge (b) waterpeilen ten gevolge van het aangepaste spuibeheer.
1.2.3.2
Peilbeheer
Bij het peilbeheer diende rekening te worden gehouden met de streefpeilen opgelegd door het polderbestuur en de hoogte van de glasaalopvangbakken (op ong. 4 mTAW). Zeewater kon worden binnengelaten bij hoogtij tot op een hoogte van 3-3,20 mTAW opdat nog een ruime marge aanwezig is vooraleer de opvangbakken zouden onderlopen. Om bij het volgende hoogtij weer water te kunnen binnenlaten diende het binnengelaten water tijdens elk ebtij opnieuw te worden geloosd tot opnieuw het polderpeil werd bereikt of verder indien door het polderbestuur opdracht werd gegeven om polderwater te lozen. In eerste instantie werden 3 centraal gelegen schuiven 20 cm geopend maar dit leidde tot zeer snelle peiltoenames waarna de schuiven dikwijls manueel (vanwege blokkades wegens te sterke drukken) dienden te worden afgesloten. Bij het gebruik van slechts één 20 cm geopende centraal gelegen spuischuif bleek het mogelijk om het vooropgestelde spuibeheer uit te voeren zonder deze steeds te moeten sluiten. In de praktijk bleef deze schuif m.a.w. permanent voor 20 cm geopend.
32
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Onderstaand schema voor aangepast spuibeheer werd aldus gevolgd: 1. Peil Ganzepoot gelijk aan of hoger dan peil Afvoerkanaal Veurne-Ambacht? (water binnen van Ganzepoot naar Afvoerkanaal):
stroomt
• 1 uur voor hoogwater wordt 1 centraal gelegen schuif in het Afvoerkanaal op 20 cm geopend (schuif zeezijde op 20 cm / schuif Afvoerkanaalzijde helemaal open). • Indien het peil in het Afvoerkanaal 3 mTAW bereikt wordt de schuif onmiddellijk gesloten (bleek in de praktijk niet nodig). 2. Peil Ganzepoot gelijk aan of lager dan peil Afvoerkanaal? Afvoerkanaal naar Ganzepoot):
(water
stroomt
buiten
van
• Indien afvoer vanwege het polderbestuur is vereist, spuiopdracht van polderbestuur uitvoeren (geen minimumpeil vereiste). • Indien geen afvoer vanwege het polderbestuur is vereist, 1 centraal gelegen schuif volledig/gedeeltelijk open totdat het peil in het Afvoerkanaal het polderpeil (1,80 mTAW) bereikt waarna de schuif wordt gesloten.
Wegens bijzonder koude omstandigheden (ijsvorming) wat de waterafvoer in het gedrang bracht, kon pas vanaf 7 maart van start gegaan worden met de uitvoering van het aangepaste spuibeheer. Wegens de aanhoudende koude (en sterk verlaatte glasaalintrek) werd de periode van aangepast spuibeheer verlengd tot 15 mei.
1.2.3.3
Metingen
Deze derde fase van het onderzoek werd uitgevoerd tussen 2 maart en 28 mei 2018 en minstens eenmaal per week (maandag) werden de vangsten (aantallen glasalen en elvers + bijvangst) geregistreerd. De vangsten van de palinggoten werden tussen 26 maart en 7 mei minstens 2x/week verwerkt (maandag en vrijdag) om de stress voor de gevangen glasalen enigszins tot een minimum te beperken. Met elvers (ook wel potloden of in het Engels ‘fingerlings’ of ‘bootlace’ genoemd) worden volledig gepigmenteerde jonge palingen bedoeld (doorgaans tussen 8 en 25 cm groot) die tijdens voorgaande jaren als glasaal aan de kust zijn toegekomen. Per locatie werd bovendien voor elke vangstconstructie (substraten, palinggoten en kruisnetten) het individueel gewicht, de lengte en conditie (o.a. pigmentatiestadium en conditiefactor) van maximum vijftig glasaaltjes (en alle elvers) genoteerd. Hiervoor werden de gevangen glasalen en elvers verdoofd door ze in 1 L water te plaatsen waaraan 1,5 ml kruidnagelolie (opgelost in ethanol 96% in verhouding 1/10) was toegevoegd. Bij deze concentratie werden alle individuen binnen de 5 minuten verdoofd waarna ze zonder zichtbare schade binnen de 2 uur na analyse weer bijkwamen in een met zuurstof beluchte emmer met water. De lengte werd met een meetlat bepaald tot op 1 mm nauwkeurig, het gewicht met een microbalans tot op 1 mg nauwkeurig. Met behulp van de lengte (L) en het gewicht (W) werd voor elke bestudeerde glasaal de conditiefactor (Kn) berekend volgens Le Cren (1951): 𝐾𝑛 =
𝑊 aLb
waarbij a de positie en b de helling van de regressielijn vertegenwoordigen volgens 𝐿𝑜𝑔 𝑊 = 𝑙𝑜𝑔𝑎 + 𝑏 ∗ 𝑙𝑜𝑔𝐿 Deze parameters werden bepaald op de volledige dataset van opgemeten glasalen (7553 ex.) en leverden volgend verband op: 𝐾𝑛 =
www.inbo.be
𝑊 −7.06667L2.99942
Eindverslag visserijonderzoek 2018
33
Op basis van de pigmentatiegraad werden de glasalen onderverdeeld in groepen volgens de classificatie van Briand (2009). Met behulp van een stereomicroscoop werd eveneens nagegaan of de glasalen al dan niet voedsel hadden opgenomen (maag/darm inhoud). De voedselopname werd in 5 categorieën ingedeeld (Figuur 8, Figuur 9): F0: geen voedsel in het maag/darm (M/D) F--: zeer minieme hoeveelheid voedsel in M/D (meestal waargenomen als een zeer fijn lijntje ter hoogte van de anus) F-: M/D gedeeltelijk gevuld F: M/D volledig gevuld F+: M/D opgezwollen door grote hoeveelheid voedsel Alle gevangen individuen werden na een paar uur weer vrijgelaten op een locatie net stroomopwaarts het pompgemaal. Ter vergelijking werd op 26 maart en 9 april ook de biometrie geanalyseerd op een substaal (telkens 100 ex.) van de vangst van de vrijwilligers die aan het Iepersas jaarlijks de intrek van glasaal opvolgen. Op elke locatie werden zowel aan het wateroppervlak als net boven de bodem een aantal fysicochemische metingen verricht (temperatuur, pH, zuurstof, geleidbaarheid, Secchi-diepte) met een WTW multiparameter-probe en een Secchi-schijf, alsook water verzameld dat tot één mengmonster werd geïntegreerd ter bepaling van het chlorofyl a gehalte. Mogelijke zoutintrusie in de polders ten gevolge van het aangepaste spuibeheer werd permanent opgevolgd via 3 strategisch geplaatste geleidbaarheidsloggers (CTD-diver, Van Essen Instruments), 1 in het Afvoerkanaal ter hoogte van het spuicomplex van de Ganzepoot, 1 in de Koolhofvaart (t.h.v. brug wandelpad Frontzate) en 1 in de Grote Beverdijkvaart (t.h.v. brug Ramskapellestraat) (Figuur 6).
34
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 8 Indeling van de gevangen glasalen volgens hoeveelheid voedsel in het M/D-kanaal gaande van geen (F0) tot zeer veel (F+) opgenomen voedsel (verklaring zie tekst).
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
35
Figuur 9 Detailopnames (m.b.v. een stereomicroscoop) van het M/D-kanaal van een aantal gevangen glasalen ingedeeld volgens de hoeveelheid opgenomen voedsel variërend van geen (F0) tot zeer veel (F+). De glasaal onderaan rechts had zich volgegeten met ostracoden (herkenbaar ter hoogte van het pijltje).
1.2.3.4
Vangstefficiëntie palinggoten en 24-uurs cycli
Met een kleurexperiment werd de vangstefficiëntie van de palinggoten geschat door middel van de vangst/merk/hervangst methode. Hiervoor werden telkens 500 glasalen, gevangen met de palinggoten, gekleurd met Rhodamine B (150 mg/l) opgelost in 5 L water uit het Afvoerkanaal (Figuur 10). Na 4 uur kleuren met toevoeging van zuurstof m.b.v. een zuurstofpompje, werden de gekleurde glasalen terug uitgezet in het Afvoerkanaal op een centrale locatie vlak voor het pompgemaal. Er trad tijdens het kleuren geen sterfte op zodat alle glasalen in goede conditie konden worden uitgezet. Het kleurexperiment werd telkens gecombineerd met een 24-uurs cyclus die werd uitgevoerd om de diurnale patronen in optrek duidelijk te maken. Op deze wijze waren de kleinere uurvangsten gemakkelijker te screenen naar het voorkomen van gekleurde exemplaren. Na de 24-uurs cyclus werden de reguliere vangsten in de weken nadien nog gecontroleerd op het voorkomen van gekleurde glasalen. De eerste 24-uurscyclus startte op dinsdagmiddag 10 april 2018. Om 12h00 werden de reeds aanwezige glasalen uit de opvangbakken van de palinggoten verwijderd en geteld. Vervolgens werden 500 glasalen gedurende 4 uur gekleurd met rhodamine B in een met zuurstof beluchte emmer. Deze werden rond 16h00 uitgezet aan de stroomafwaartse zijde van het pompgemaal. De eerste vangst van de 24-uurscyclus was deze van 13h00 uur. Elk uur werden de glasalen uit de palinggoten verwijderd en geteld. Elk uur werden tevens abiotische metingen (zuurstof gehalte, conductiviteit, pH en watertemperatuur) uitgevoerd op een waterstaal zowel aan de linker- als aan de rechteroever (bemonstering met een emmer voor spuikanaal 1 en 9) als uit de palinggoten (opgepompt polderwater). De laatste vangst was deze van woensdagmiddag 11 april om 12h00. De tweede 24-uurs cyclus in combinatie met een kleurexperiment werd uitgevoerd tussen maandagmiddag 23 april 2018 (13h00) en dinsdagmiddag 24 april (12h00).
36
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 10 Kleurexperiment uitgevoerd op 10 april 2018 ter bepaling van de vangstefficiëntie van de palinggoten met a) glasaaltje gekleurd met Rhodamine B net voor uitzet en b) vangstopbrengst van 1 palinggoot 8 uur na uitzet tijdens de 24-uurs cyclus (vangst van 24h00) waarin 5 gekleurde exemplaren zichtbaar zijn.
Met de verzamelde gegevens is het ook mogelijk om een inschatting te maken van het glasaalaanbod ter hoogte van het pompgemaal via de ‘unbiased modified Lincoln-Petersen’ methode (Ricker 1975; Pollock et al. 1990). Deze methode gaat uit van een gesloten systeem en een evenredige verdeling van de gemerkte individuen over de gehele lokale populatie. Om hieraan tegemoet te komen, werden enkel de vangstaantallen van de 24-uurscyclus gebruikt. De gemerkte glasalen werden in de namiddag aan het begin van opkomend getij uitgezet en de vangsten behelzen een volledige nachtelijke tijcyclus waarbij de laatste vangsten plaatsvonden voor het volgende hoogtij rond de middag van de volgende dag wanneer in principe een volgende glasaalbatch aan het pompgemaal kan toekomen. De schatting is gebaseerd op de aanname dat de verhouding tussen het totale aantal gemerkte dieren (M) en de werkelijke populatiegrootte (N) gelijk is aan de verhouding tussen het aantal terug gevangen gemerkte dieren (R) en het totaal aantal gevangen dieren (C). De populatiegrootte (N) wordt als volgt geschat:
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
37
De standaarddeviatie (SD) van de geschatte populatiegrootte N werd berekend met behulp van volgende formule (Seber 1970):
1.2.4 Resultaten 1.2.4.1
Waterpeilen
Figuur 11 geeft een overzicht van de waterpeilfluctuaties in het Afvoerkanaal en de polder. In de grafiek valt de periode met aangepast spuibeheer (7 maart-15 mei) meteen op door de forse dagelijkse peilfluctuaties van ongeveer 1m in het afvoerkanaal (inlaten en vervolgens weer uitspuien van zeewater). Er zijn ook een zevental periodes af te bakenen met significante afvoer van polderwater. De dagelijkse peilfluctuaties tot 15 cm die voor en na de periode van omgekeerd spuien zichtbaar zijn in het Afvoerkanaal, zijn het gevolg van in- en uitsijpeling van water tijdens elke tijcyclus.
Figuur 11 Temporele dynamiek van de waterpeilen in het Afvoerkanaal (rode lijn) en de Grote Beverdijkvaart (blauwe lijn) tijdens de studieperiode.
In vergelijking met de 2 voorgaande jaren was er meer noodzaak om polderwater af te voeren tijdens de monitoringsperiode van 2018 (Figuur 12). Gemiddeld werd er tijdens de week voor elke staalnamedag op 4 dagen polderwater afgevoerd in 2018, terwijl dit 3 dagen bedroeg voor 2016 en 2 dagen voor 2017. De combinatie van een verhoogde inlaat van zeewater en de noodzaak om polderwater af te voeren zorgde voor een verhoogde dynamiek in vergelijking met de 2 voorgaande jaren zoals blijkt uit het verloop van de diverse opgemeten fysicochemische parameters.
38
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
8 7
N dagen
6 5 4 3 2 1 0
Figuur 12 Aantal dagen met polderwaterafvoer in de week voor elke staalnamedag
De verdere optimalisatie van het spuibeheer in 2018 uitte zich vooral in sterkere peilfluctuaties (tot 1,6 m, zie Figuur 11) en dus de hogere volumes zeewater die het Afvoerkanaal werden binnengelaten tijdens elke tijcyclus. In 2016 (zonder aangepast spuibeheer) werd dit op basis van een gemiddelde peilverhoging tijdens hoogwater (8 cm) geschat op 1770 m³ (volumetoename van 4 %), enkel te wijten aan de lekverliezen. In 2017 bedroeg de gemiddelde peilverhoging 17,4 cm wat overeenstemt met 9200 m³ en een volumetoename in het Afvoerkanaal van 19 % tijdens hoogwater. In 2018 bedroeg de peilverhoging gemiddeld 75 cm wat overeenkomt met 23500 m³ zeewater dat elk getij werd binnengelaten resulterend in een volumetoename van 35 %.
1.2.4.2
Fysico-chemie
De studieperiode van 2018 werd gekenmerkt door een zeer koud begin met temperaturen onder de 5 °C begin maart (Figuur 13). Daarna nam de temperatuur van het water gestaag toe tot 22 °C op het einde van mei. In tegenstelling tot 2017 gebeurde de temperatuurtoename veel langzamer. Einde maart bedroeg de watertemperatuur minder dan 10 °C, 4 °C kouder in vergelijking met dezelfde periode in 2017 maar vergelijkbaar met de situatie in 2016. Het verschil met het polderwater was vanaf half april, met uitzondering van de temperatuurval einde april, zeer uitgesproken, ongetwijfeld een effect van de hogere zeewatervolumes die het Afvoerkanaal binnenkwamen in vergelijking met 2016 en 2017.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
39
22 20 18
SC-O SC-B MI-O MI-B PS-O PS-B PO-O
T (°C)
16 14 12 10 8 6 4
Figuur 13 Temporeel verloop van de watertemperatuur in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018 gemeten aan het wateroppervlak (O) en net boven de bodem (B) ter hoogte van de vangstlocaties aan de spuiconstructie (SC), het midden (MI), het pompgemaal (PS) en in de polder net stroomopwaarts het pompgemaal (PO).
De zuurstofverzadiging kende een typische toename in de eerste 2 maanden van de studieperiode wat waarschijnlijk verband houdt met een toenemende productiviteit. Net zoals de temperatuur verliep de toename in zuurstofverzadiging evenwel minder snel in 2018 (Figuur 14). In mei fluctueerde de zuurstofverzadiging sterk en werden in de diepere waterlagen zeer lage waarden vastgesteld. De sterk wisselende zoutgehaltes (zie verder) hebben mogelijks een sterk negatieve invloed uitgeoefend op de autotrofe benthische gemeenschappen in het Afvoerkanaal waarbij microbiële afbraak van de afgestorven biomassa alle zuurstof in de diepere waterlagen kon hebben opgebruikt.
40
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
200 180 160
120 100 80
22/05…
26/03…
12/03…
19/05…
5/05/…
21/04…
7/04/…
24/03…
10/03…
13/05…
29/04…
15/04…
1/04/…
18/03…
0
4/03/…
20
7/05/…
40
23/04…
SC-O SC-B MI-O MI-B PS-O PS-B PO-O
60
9/04/…
O2 (%)
140
Figuur 14 Temporeel verloop van de zuurstofverzadiging in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018 gemeten aan het wateroppervlak (O) en net boven de bodem (B) ter hoogte van de vangstlocaties aan de spuiconstructie (SC), het midden (MI), het pompgemaal (PS) en in de polder net stroomopwaarts het pompgemaal (PO).
De pH-waarden kenden een zeer grillig verloop, zowel in het water van het Afvoerkanaal als van de polder (Figuur 15). De toename tot en met begin april kan verband houden met een toenemende productiviteit doorheen het groeiseizoen en de sterke afname in het midden van mei kan wijzen op het ineenstorten van de autotrofe gemeenschap door sterk wisselende omstandigheden of een toegenomen graasdruk. Dit uitte zich o.a. ook in een sterke verbetering van het onderwater lichtklimaat (Figuur 17). Over het algemeen lijkt de pH van het water in het Afvoerkanaal in 2018 iets lager dan in 2016 en duidelijk lager dan in 2017.
9,5 9,3 9,1 8,9
SC-O SC-B MI-O MI-B PS-O PS-B PO-O
pH
8,7 8,5 8,3 8,1 7,9 7,7 7,5
Figuur 15 Temporeel verloop van de pH in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018 gemeten aan het wateroppervlak (O) en net boven de bodem (B) ter hoogte van de vangstlocaties aan de spuiconstructie (SC), het midden (MI), het pompgemaal (PS) en in de polder net stroomopwaarts het pompgemaal (PO).
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
41
De saliniteit van het water in het Afvoerkanaal kende 3 uitgesproken maxima in 2018 (Figuur 16). Deze maxima vielen samen met een periode waarin geen polderwater werd geloosd. Het Afvoerkanaal was door het aangepaste spuibeheer op dat moment voornamelijk gevuld met zeewater. Dezelfde pieken werden trouwens vastgesteld bij het verloop van de waterhelderheid (Figuur 17).
30
saliniteit (PSU)
25 20
SC-O SC-B MI-O MI-B PS-O PS-B
15 10 5 0
Figuur 16 Temporeel verloop van de saliniteit in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018 gemeten aan het wateroppervlak (O) en net boven de bodem (B) ter hoogte van de vangstlocaties aan de spuiconstructie (SC), het midden (MI), het pompgemaal (PS) en in de polder net stroomopwaarts het pompgemaal (PO).
140 120
SC MI PS
secchi-diepte (cm)
100 80 60 40 20 0
Figuur 17 Temporeel verloop van de waterhelderheid (Secchi-diepte) in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018 gemeten ter hoogte van de vangstlocaties aan de spuiconstructie (SC), het midden (MI) en het pompgemaal (PS).
42
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
1.2.4.3
Zoutwaterintrusie polder
De potentiële zoutwaterintrusie van de polder Noordwatering Veurne werd permanent opgevolgd door middel van strategisch geplaatste geleidbaarheidsloggers in het Afvoerkanaal en in de Grote Beverdijk- en Koolhofvaart. In het Afvoerkanaal werden steeds sterke fluctuaties waargenomen (range: 0,6-37 mS cm-1) die in het winterhalfjaar beduidend kleiner zijn dan tijdens de zomerperiode (Figuur 18a). Dit onderstreept het sterk dynamische karakter van het Afvoerkanaal waar het dagelijkse spuibeheer (neerslag), maar ook lekkages van de schuiven ter hoogte van het pompgemaal en de Ganzepoot, een groot effect hebben op de conductiviteit. In de zomer wanneer er minder of niet gespuid wordt, neemt het zoutgehalte en dus de geleidbaarheid stelselmatig toe (tot > 30 mS cm-1). Tijdens momenten van waterafvoer wordt dit water geloosd en vervangen door zoet polderwater (1-2 mS cm-1) wat vooral tijdens het voorjaar frequent gebeurt. In de Grote Beverdijkvaart (Figuur 18b) en de Koolhofvaart (Figuur 18c) is de geleidbaarheid veel lager (doorgaans <3 resp. 4 mS cm-1). Ook hier wordt de conductiviteit vooral bepaald door de neerslag waarbij tijdens droge perioden een geleidelijke stijging merkbaar is. Vermoedelijk wordt dit veroorzaakt door infiltratie van verzilt grondwater in combinatie met een verhoogde verdamping en een afgenomen buffering met regenwater waardoor opgeloste stoffen worden geconcentreerd (zie ook Zwaenepoel et al. 2016,). De langdurige droogteperiodes in het voorjaar en de zomer van 2017 en 2018 resulteerden dan ook in merkbaar hogere conductiviteitswaarden tijdens de zomer ten opzichte van 2016, een fenomeen dat voor alle kustpolders kon worden vastgesteld (Bekkensecretariaten Brugse Polders en IJzer 2018). Ten tijde van het aangepaste spuibeheer in het voorjaar van 2017 en 2018 nam de conductiviteit in zowel het Afvoerkanaal als in de Grote Beverdijk- en Koolhofvaart toe. In het geval van het Afvoerkanaal is dit rechtstreeks het gevolg van het binnenlaten van zeewater. In de beide andere kanalen was dit te wijten aan de droogte gezien het begin van de langdurige periode zonder neerslag samenviel met de start van het aangepaste spuibeheer. Bovendien werd er net stroomopwaarts het pompgemaal geen toename in saliniteit te wijten aan binnensijpelend Afvoerkanaalwater vastgesteld (zie Figuur 16).
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
43
Figuur 18 Temporele dynamiek van de geleidbaarheid in het Afvoerkanaal net stroomopwaarts de spuiconstructie aan de Ganzepoot (a), de Grote Beverdijkvaart ter hoogte van de Ramskapellestraat (b) en de Koolhofvaart ter hoogte van het Frontzate fietspad (c) tijdens 2016-2019. De rode lijnen in het voorjaar van 2017 en 2018 markeren de periode waarin aangepast spuibeheer ter hoogte van de Ganzepoot werd toegepast. In 2016 lag de detectielimiet voor maximale conductiviteit op 30 μs cm-1.
1.2.4.4
Vangsten
Substraten Er werden met behulp van de artificiële substraten gedurende de gehele studieperiode opvallend meer glasalen gevangen in 2018 in vergelijking met 2017 en 2016 (resp. 1885, 683 en 476 stuks). De hoogste aantallen glasalen werden op het einde van de studieperiode in de substraten 44
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
aangetroffen waarbij 2 duidelijke pieken zichtbaar zijn, nl. op 23 april en op 22 mei (Figuur 19a). Mogelijks hebben de sterk wisselende omstandigheden in de periode tussenin een negatieve invloed uitgeoefend op het aantal zich verschuilende glasalen in de substraten. Het aantal elvers dat werd aangetroffen in de substraten was beduidend lager in vergelijking met 2017 en 2016 (resp. 68, 132 en 166 stuks, Figuur 19b). Ook voor de elvers werden de hoogste aantallen waargenomen in de tweede helft van de monitoringsperiode. Voorts gebruikten ook steurgarnalen, vlokreeften, krabben en éénmalig een driedoornige stekelbaars de substraten als potentieel schuiloord.
Figuur 19 Temporele dynamiek van het totaal aantal glasalen (a) en elvers (b) die met behulp van kunstmatige substraten werden gevangen in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht.
Wat betreft de spatio-temporele dynamiek wordt min of meer hetzelfde patroon als in voorgaande jaren waargenomen (Figuur 20a). De eerste glasalen verschijnen in de substraten ter hoogte van het pompstation en nadien worden ze in toenemende mate ook in de substraten ter hoogte van de andere locaties van het Afvoerkanaal aangetroffen. De substraten in de Ganzepoot herbergen de laagste aantallen glasalen. De dynamiek van de elvers is min of meer gelijkaardig aan die van de glasalen (Figuur 20b).
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
45
Figuur 20 Temporele dynamiek van de aantallen glasalen (a) en elvers (b) aanwezig in kunstmatige substraten op 1 locatie in de Ganzepoot en 3 locaties in het Afvoerkanaal Veurne-Ambacht tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018. De getoonde waarden zijn telkens het gemiddelde van 3 (Ganzepoot) dan wel 6 (locaties Afvoerkanaal) substraten per locatie.
Kruisnetten Tussen 19 maart en 15 mei 2018 werden tijdens de nachtelijke staalnames aan het pompgemaal met behulp van de kruisnetten in totaal 1025 glasalen gevangen, bijna 3,5x meer in vergelijking met 2017 en bijna 8x meer dan 2016 (Figuur 21a). Ook uit deze visserij blijkt dat het glasaalseizoen 2-3 weken achterop liep ten opzichte van beide voorgaande jaren. De vangst was maximaal op 27 maart (307 stuks), een tweede kleinere piek (176 stuks) werd ongeveer drie weken later aangetroffen. De palinggoten (aanvoer zoet polderwater als lokstroom) blijken de vangsten te beïnvloeden want net zoals in voorgaande jaren zijn de vangsten langs beide oevers iets hoger (Figuur 21b). Dit effect blijkt evenwel variabel in de tijd en was vooral op 3 april en 2 en 15 mei uitgesproken (Figuur 21c). Bijvangst van driedoornige stekelbaars (14 ex.) en dikkop/brakwatergrondel (4 ex.) was een flink stuk lager in 2018 in vergelijking met voorgaande jaren. Echter werd vanaf mei een massa juveniele bot opgevist (1025 ex.), een soort die in 2016 niet en in 2017 slechts eenmaal werd
46
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
aangetroffen in de netten. Er werd tevens nog tiendoornige stekelbaars (4 ex.), juveniele harder (2 ex.), paling (2 elvers) en juveniele brasem (1 ex.) bovengehaald, naast een grote hoeveelheid brakwatersteurgarnaal (ong. 4300 ex.), zeedruif (138 ex.), schijfkwal (15 ex.) en een zeepier.
Figuur 21 Spatio-temporele dynamiek van met behulp van kruisnetvisserij gevangen glasalen voor de spuisluizen van het pompgemaal Veurne-Ambacht met (a) het totale aantal glasalen dat per staalnamenacht werd gevangen tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018, (b) het totale aantal glasalen dat per spuisluis werd bovengehaald (LO: linkeroever, RO: rechteroever) en (c) het gemiddeld aantal glasalen dat per kruisnettrek voor de gravitaire en de pompkanalen werd bovengehaald in de studieperiode van 2018.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
47
Palinggoten Pas 3 weken na het in bedrijf stellen van de palinggoten werd de eerste glasaal gevangen op het moment dat in 2016 en 2017 de vangsten reeds maximaal waren. De piek volgde ruim een maand later toen op 1 week met beide goten ± 14000 glasalen werden gevangen (Figuur 22). In totaal werden met beide goten 42418 glasalen gevangen, ongeveer een derde minder in vergelijking met 2017. Het totaal aantal gevangen elvers bedroeg in 2018 slechts 73 stuks, een flink stuk lager in vergelijking met 2017 en vooral 2016.
Figuur 22 Temporele dynamiek van met palinggoten gevangen glasalen (a) en elvers (b) tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018.
Net zoals in voorgaande jaren was er een duidelijk ruimtelijk verschil waar te nemen in de vangsten (Figuur 23) waarbij met de rechtergoot beduidend meer glasalen werden gevangen ten opzichte van de linkergoot (respectievelijk 26000 en 16500). Het verschil manifesteerde zich vooral vanaf mei. Ook werden er globaal gezien meer elvers gevangen met de rechtergoot. In 2017 werd net het omgekeerde patroon waargenomen.
48
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 23 Spatio-temporele dynamiek van de palinggootvangsten met (a) glasalen en (b) elvers in de studieperiode van 2018 (LO: linkeroever, RO: rechteroever).
De migratiepiek situeerde zich in 2018 rond 24 april - een maand later in vergelijking met beide voorgaande onderzoeksjaren - toen in 1 week met beide palinggoten ongeveer 14000 glasalen werden gevangen. Per getij kwamen toen ruim 1200 (actief verder trekkende) glasalen het afvoerkanaal binnen (Figuur 24). 2500
2016 2017
2000
N getij-1
2018 1500 1000 500 0 8
9
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22
week n° Figuur 24 Seizoenaal verloop van het gemiddeld aantal glasalen die het Afvoerkanaal per getij binnenkomen, gebaseerd op de wekelijkse vangsttotalen van beide palinggoten aan het pompgemaal.
1.2.4.5
Biometrie
De biometrische analyse in 2018 is uitgevoerd op 1504 glasaaltjes die met de palinggoten werden gevangen en 1397 en 374 glasaaltjes die respectievelijk met de substraten dan wel met de kruisnetten in het Afvoerkanaal werden opgevist. De verschillende groepen vertoonden opnieuw
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
49
een duidelijk verschillende temporele dynamiek in 2018 (Figuur 25). Alle glasalen vertonen in eerste instantie een duidelijke afname in lengte en gewicht wat ook duidelijk tot uiting kwam in hun gemiddelde conditie. Op het einde van de studieperiode vertoonden de glasalen van de substraten evenwel een markante toename in lengte en gewicht, in tegenstelling tot de glasalen uit de palinggoten en de kruisnetten waarvan de algemene conditie verder achteruitging. Een gelijkaardig patroon werd ook in 2016 en 2017 vastgesteld.
Figuur 25 Temporele variatie in gemiddelde lengte (a), gewicht (b) en conditiefactor (c) van glasalen die met behulp van palinggoten (blauwe lijn), kunstmatige substraten (rode lijn) of kruisnetvisserij (groene lijn) werden gevangen in het Afvoerkanaal tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018.
50
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
De meeste glasalen hadden geen of nauwelijks voedsel in hun maag/darmstelsel tijdens de eerste helft van de monitoringsperiode (Figuur 26). In de tweede helft van april wordt meer voedsel aangetroffen waarbij relatief meer glasalen uit de substraten goed doorvoed waren in vergelijking met glasalen gevangen met de palinggoten en de kruisnetten. Op het einde van de monitoringsperiode hadden ook de glasalen uit de palinggoten een volle maag. Roeipootkreeftjes (copepoden) bleek net zoals in voorgaande jaren een geliefkoosd voedsel, sporadisch konden ook cladoceren in de darm worden waargenomen.
Figuur 26 Relatieve verhouding van de in 2018 met de palinggoten (a), artificiële substraten (b) en kruisnetten (c) gevangen glasalen, ingedeeld op basis van de hoeveelheid voedsel in hun maag/darmstelsel variërend van geen voedsel (F0) tot zeer veel voedsel (F+).
Net zoals in beide voorgaande jaren was er een duidelijke toename in pigmentatiegraad zichtbaar naargelang het seizoen vorderde (Figuur 27). In het begin van de migratieperiode vertoont de glasaalpopulatie een significant aandeel niet of weinig gepigmenteerde exemplaren (stadia VBVIA0). In het midden van de studieperiode nam het aandeel sterk gepigmenteerde glasaal (stadia www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
51
VIA3/VIA4) fors toe en werden nog nauwelijks weinig gepigmenteerde glasalen aangetroffen. Op het einde van de studieperiode waren quasi alle glasalen volledig gepigmenteerd (stadia VIB/VII). Tot 23 april blijkt de pigmentatie van de glasalen die werden gevangen met kruisnetten en substraten iets achterop te lopen in vergelijking met de glasalen gevangen met de palinggoten (Figuur 27, Figuur 28). Vanaf 2 mei loopt de pigmentatie van de glasalen in de substraten evenwel voor op deze van de palinggoten, een fenomeen dat ook in 2017 werd waargenomen.
Figuur 27 Relatieve verhouding van de verschillende pigmentatiestadia van glasalen gevangen met de palinggoten (a), de artificiële substraten (b) en de kruisnetten (c) tijdens de studieperiode van 2016, 2017 en 2018. Niet gepigmenteerde glasalen behoren tot stadium VA, volledig gepigmenteerde glasalen tot stadium VII.
52
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Er is ook een ruimtelijke variatie in pigmentatie merkbaar. Glasalen die werden gevangen in de Ganzepoot waren doorgaans minder gepigmenteerd dan de glasalen die werden aangetroffen in het Afvoerkanaal (Figuur 28).
Figuur 28 Relatieve verhouding van de verschillende pigmentatiestadia van glasalen gevangen met sleepnetten (SL), kruisnetten (KR), artificiële substraten (SU) en palinggoten (GG) op 2 tijdstippen tijdens de monitoring van 2018.
De overgrote meerderheid van de glasalen (99,35 %) zagen er gezond uit. Er werden in verhouding met voorgaande jaren evenwel iets meer glasalen aangetroffen met duidelijk zichtbare morfologische afwijkingen (Figuur 29). De oorzaak van de verwondingen is onbekend.
Figuur 29 Freakshow van glasalen met duidelijke morfologische afwijkingen die tijdens de monitoring van 2018 in de palinggoten werden aangetroffen, variërend van witverkleuring (a), oogkwetsuren (b), rugfracturen en -misvormingen (b-f) en open wonden (g-k).
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
53
1.2.4.6
Vangstefficiëntie palinggoten + 24-uurs cycli
24-uurs cyclus 10/11 april Tijdens de 24-uurscyclus was een diurnaal patroon zichtbaar in watertemperatuur, zuurstofconcentratie en pH die allen overdag sterk toenamen en ‘s nachts geleidelijk weer afnamen (Figuur 30). Deze schommelingen waren meer uitgesproken voor het water van het Afvoerkanaal. De meest opvallende wijzigingen deden zich echter voor bij de conductiviteitswaarden. Deze namen in het Afvoerkanaal zeer sterk af vanaf 14h00 wat te wijten was aan het (beperkt) spuien van polderwater tussen 14h00 en 19h00. Vanaf 22h00 was er opnieuw een toename zichtbaar wat werd veroorzaakt door binnengelaten zeewater tijdens opkomend getij in functie van het aangepaste spuibeheer. Tegen 01h00 was het waterpeil in het Afvoerkanaal omwille van het inkomende zeewater maximaal. Dit was ongeveer 2,5 uur na het hoogwaterpeil van het IJzerestuarium omdat zeewater blijft instromen zolang het peil in het estuarium hoger is dan het peil in het Afvoerkanaal. Nadien werd tijdens afgaand getij tot ongeveer 04h00 het binnengelaten zeewater opnieuw in het IJzerestuarium geloosd. De sterke fluctuaties in conductiviteit rond deze periode tonen het sterk dynamische en heterogene karakter aan van de waterlagen in het Afvoerkanaal.
54
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 30 Opgemeten waterparameters langs beide oevers (LO: linkeroever, RO: rechteroever) stroomopwaarts (SO) en stroomafwaarts (SA) het pompgemaal tijdens de 24-uurs cyclus van 10/11 april 2018 met a. watertemperatuur, b. zuurstofverzadiging, c. conductiviteit en d. pH.
Tijdens de 24-uurs cyclus werden er naast 2 elvers (beiden in de rechtergoot) in totaal 876 glasalen gevangen, 318 aan de linkeroever en 470 aan de rechteroever (Figuur 31a). Het beklimmen van de palinggoten is een overwegend, doch niet exclusief, nachtelijk fenomeen. Overdag waren de vangsten beperkt tot hooguit enkele individuen maar vanaf 22h00 uur, hoogtij in het IJzerestuarium en ongeveer 2 uur na zonsondergang, kwam de doortocht goed op dreef en www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
55
bereikte een maximum rond 02h00, 1 uur nadat het maximale peil in het Afvoerkanaal was bereikt. Na 08h00 waren de vangsten opnieuw beperkt tot enkele individuen. Gedurende de gehele migratiepiek (tussen 22h00 en 07h00) werden in totaal 79 gekleurde glasalen hervangen (16 % van de gemerkte en uitgezette dieren) en hun aandeel tot de totaalvangst varieerde van 8-11 % (gemiddeld 9 %). Na de 24-uurs cyclus konden nog tot 14 dagen later gekleurde exemplaren worden aangetroffen in de vangsten van beide palinggoten (Figuur 31b). Hierbij werd de kleurintensiteit geleidelijk minder (om vermoedelijk na 2-3 weken geheel te verdwijnen (Figuur 32). In totaal werden er van de 500 uitgezette glasalen 278 exemplaren terug gevangen wat overeenkomt met een terugvangstpercentage van 55,6 %. Ongeveer 30 uur na de uitzet hebben de vrijwilligers die de glasaalintrek aan de IJzermonding opvolgen een gekleurd exemplaar aangetroffen in hun sleepnetvangsten ter hoogte van het Iepersas, een bijzondere waarneming die aantoont dat glasalen die worden belemmerd in hun stroomopwaartse migratie zich (snel) opnieuw stroomafwaarts kunnen begeven op zoek naar een alternatieve migratieroute. Met behulp van de gegevens die tijdens de 24-uurscyclus werden verzameld (vangst/merk/hervangst) werd geschat dat er zich op dat moment 5436 ± 528 glasalen in de buurt van het pompgemaal ophielden.
Figuur 31 Temporeel verloop van a. de glasaalvangsten van beide palinggoten aan het pompgemaal van Veurne-Ambacht tijdens de 24-uurs cyclus van 10/11 april 2018 en b. het aantal tijdens de reguliere monitoring opnieuw gevangen gekleurde glasalen in de 2 weken volgend op de uitzet.
56
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 32 In functie van de tijd afnemende kleurintensiteit van met Rhodamine B gekleurde en in het Afvoerkanaal terug uitgezette glasalen tijdens de kleurexperimenten van april 2018. (TO: gekleurde en niet gekleurde glasaal vlak voor het uitzetten, T6: hervangst na 6 dagen, T10: hervangst na 10 dagen).
24-uurs cyclus 23/24 april Tijdens deze 24-uurs cyclus was het verschil in abiotiek tussen het polderwater en het Afvoerkanaal sterker uitgesproken (Figuur 33). Het polderwater was gemiddeld ruim 2°C warmer en bevatte ruim 25 % meer zuurstof. De conductiviteit van het water in het Afvoerkanaal was gemiddeld echter 15 keer hoger. Rond 14h00 werd er tijdens laagtij kortstondig een zeer beperkte hoeveelheid polderwater geloosd wat vooral ter hoogte van de rechteroever merkbaar was in de conductiviteitswaarden. Vanaf 19h00 uur werd er tijdens opgaand getij zeewater binnengelaten waardoor het waterpeil in het Afvoerkanaal steeg tot een maximaal peil rond 22h00, ongeveer 2 uur na hoogwater in het IJzerestuarium, waarbij de conductiviteit langzaam steeg. Nadien werd het binnengekomen zeewater tijdens afgaand getij opnieuw in het estuarium geloosd tot ongeveer 24h00 waarna opnieuw beperkt wat polderwater in het Afvoerkanaal stroomde wat tot een dip in de conductiviteit leidde.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
57
Figuur 33 Opgemeten waterparameters langs beide oevers (LO: linkeroever, RO: rechteroever) stroomopwaarts (SO) en stroomafwaarts (SA) het pompgemaal tijdens de 24-uurs cyclus van 23/24 april 2018 met a. watertemperatuur, b. zuurstofverzadiging, c. conductiviteit en d. pH.
Tijdens de 24-uurs cyclus werden er naast 2 elvers (beiden in de linkergoot) in totaal 2961 glasalen gevangen, 1082 aan de linkeroever en 1774 aan de rechteroever (Figuur 34a). Opnieuw bleek het beklimmen van de palinggoten zich vooral ’s nachts af te spelen. Bij de aanvang van de 24-uurs cyclus werden evenwel een paar tientallen glasalen in de opvangbakken aangetroffen maar
58
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
daarna bleven de vangsten overdag beperkt tot hooguit enkele individuen. Vanaf 22h00 uur, ongeveer 2 uur na hoogtij in het estuarium en 1 uur na zonsondergang, nam de doortocht plots toe om 1 uur later reeds een maximum te bereiken, een uur nadat het waterpeil in het Afvoerkanaal zijn maximum had bereikt. Na 06h00 waren de vangsten opnieuw beperkt tot enkele individuen per uur. Voorts werd er in de daaropvolgende nacht 1 gekleurd exemplaar terug gevangen tijdens de kruisnetvisserij voor het pompgemaal en werd er na 9 en 14 dagen aan elke oever telkens 1 gekleurd exemplaar aangetroffen in de substraten ter hoogte van het pompgemaal. Gedurende de gehele migratiepiek (tussen 22h00 en 07h00) werden in totaal 105 gekleurde glasalen hervangen (21 % van de gemerkte en uitgezette dieren) en hun aandeel in de totaalvangst varieerde van 0-11 % (gemiddeld 5 %). Na de 24-uurs cyclus konden nog tot 14 dagen later gekleurde exemplaren worden aangetroffen in de vangsten van beide palinggoten (Figuur 34b). In totaal werden er van de 500 uitgezette glasalen 286 exemplaren terug gevangen met de palinggoten wat overeenkomt met een terugvangstpercentage van 57,2 %. Op het moment van de 24-uurs cyclus werd geschat dat er zich 14002 ± 1180 glasalen ter hoogte van het pompgemaal bevonden.
Figuur 34 Temporeel verloop van a. de glasaalvangsten van beide palinggoten aan het pompgemaal van Veurne-Ambacht tijdens de 24-uurs cyclus van 23/24 april 2018 en b. het aantal tijdens de reguliere monitoring opnieuw gevangen gekleurde glasalen in de 2 weken volgend op de uitzet.
Tijdens een visuele inspectie van de palinggoten op 25 april rond 0h45 ‘s nachts - op het moment van hoogwater ter hoogte van het pompgemaal - werd een ophoping van glasaal vastgesteld helemaal bovenaan de palinggoot, net voordat deze naar omlaag buigt richting opvangbekken. Ook
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
59
werd optrek van glasaal op de betonnen oeverwand onder de palinggoten vastgesteld waarbij de glasalen eerst de betonnen talud opzwommen en nadien de verticale damwand beklommen (Figuur 35).
Figuur 35 Optrek van glasaal tegen de verticale damwand onder de opvangbak van de palinggoten.
1.2.5 Bespreking 1.2.5.1
Vangstaantallen
Het effect van de verdere optimalisatie van het aangepaste spuibeheer in 2018 is niet eenduidig af te leiden uit de glasaalvangsten. Met de kruisnetten en de substraten werden er in vergelijking met voorgaande jaren beduidend meer glasalen gevangen, in tegenstelling tot de palinggoten die in 2018 ongeveer een derde minder glasalen opleverden in vergelijking met 2017. Het is ook opvallend dat de piek in de aantallen voor de kruisnetten zich ongeveer een maand (eind maart) voor de piek van de palinggoten situeert. Ook de maximale vangsten van de vrijwilligers ter hoogte van het Iepersas op de IJzer situeren zich eerder op het einde van maart en rond 11-12 april. De verschillen in vangstaantallen tussen beide jaren zijn waarschijnlijk niet te wijten aan een verschil in glasaalaanbod. Op Europese schaal was de glasaalrekrutering in 2018 namelijk ongeveer hetzelfde als in beide voorgaande jaren (ICES 2018). Mogelijks hebben de koudere temperaturen in het begin van het glasaalseizoen de verdere doortocht via de palinggoten verhinderd met sterke vertragingen en eventueel verliezen tot gevolg. Het opklimmen van de palinggoten bij dergelijke temperaturen was voor de glasalen een extra uitdaging gezien de langere afstand die ze dienden af te leggen op deze goten in vergelijking met voorgaande jaren. Uit de kleurexperimenten bleek dat glasaal hierbij zelfs op zoek kan gaan naar alternatieve routes en daarbij het Afvoerkanaal via de Ganzepoot opnieuw kan verlaten. De dalende trend in vangstaantallen van de elvers zette zich door in 2018. Dit vormt mogelijks een aanwijzing dat er dankzij de werking van de palinggoten steeds minder glasaal achterblijft in het Afvoerkanaal die vervolgens tijdens het volgende migratieseizoen als elver verder stroomopwaarts trekt.
1.2.5.2
Biometrie glasalen
Zowel qua conditie als pigmentatie werden dezelfde patronen waargenomen zoals in voorgaande jaren (zie Vandamme et al. 2017). Grosso modo neemt de conditie van de glasalen af met de tijd.
60
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Op het einde van de migratieperiode onderscheiden verder trekkende glasalen (vangsten palinggoten) zich van sedentaire glasalen (vangsten substraten) doordat deze laatste door betere voedselopname opnieuw snel toenemen in gewicht. De pigmentatie neemt gradueel toe naargelang het seizoen vordert maar ook met de afstand tot de zee. Glasalen uit de Ganzepoot zijn minder ver gevorderd qua pigmentatie dan glasalen die zich op hetzelfde moment in het Afvoerkanaal bevinden. Vooral op het einde van maart was duidelijk dat de glasalen die met de kruisnetten werden gevangen pas aangekomen dieren betrof (min of meer gelijkaardige pigmentatiesamenstelling als de dieren die met het sleepnet door de vrijwilligers aan de Ganzepoot werden gevangen). De glasalen die in de substraten en palinggoten werden aangetroffen waren reeds meer gepigmenteerd en bleken dus reeds enige tijd in het Afvoerkanaal aanwezig te zijn. In april was het verschil tussen beide groepen veel groter en blijken alle in het Afvoerkanaal gevangen glasalen zich reeds enige tijd in het estuarium te bevinden.
1.2.5.3
Werking palinggoten
In vergelijking met andere studies blijkt de vangstefficiëntie (55-57 %) van de palinggoten aan het Veurne-Ambachtgemaal zeer hoog. Bij een gelijkaardige studie in de Villaine (Frankrijk) varieerden de terugvangstpercentages tussen slechts 0,4 en 8,6 % (Briand et al. 2005). Ook voor elvers werden terugvangstpercentage tussen 8,6 en 16,3 % waargenomen in de Shannon (Ierland) waarbij 90 % van de gemerkte dieren binnen de 5 dagen werden terug gevangen. Wanneer de gemerkte dieren verder weg van de palinggoot werden uitgezet verlaagde het terugvangstpercentage tot <2 % (Egan 2011). Bij een gelijkaardige studie met elvers in de Theems varieerden de terugvangstpercentages tussen 0-18 % waarbij de hoogste waarden in het begin van het migratieseizoen werden opgetekend (Naismith and Knights 1988). De verschillende dimensies van de onderzoekssystemen spelen hierbij ongetwijfeld een rol. De kans dat de glasalen en/of de elvers de lokstroom van een palinggoot traceren is een pak kleiner in het estuarium van een grote rivier. Glasaal zou deze lokstromen en de erin aanwezige lokstoffen namelijk maar kunnen traceren vanaf een afstand van 5 m en dichter (Briand et al. 2002). Een Franse studie met elvers in een smaller verbindingskanaal tussen het Lac de Lacanau en het Bassin d'Arcachon bracht hogere terugvangstpercentages aan het licht die varieerden tussen 19,8 en 49,1 % afhankelijk van de plaats waar de gemerkte dieren opnieuw werden uitgezet. 56,1 % van de terugvangsten vonden bovendien plaats binnen de drie dagen, 84 % binnen de zes dagen en 94.7 % binnen de 15 dagen (Drouineau et al. 2015). Het opklimmen van de palinggoten gebeurt grotendeels ’s nachts en rond hoogwater. Dit is in overeenstemming met een aantal gelijkaardige studies in Engeland (evenwel met elvers, Don 2009), Duitsland (Diekmann et al. 2018) en Zweden (Watz et al. 2019). Gezien enkel de actieve fractie van de glasalen (vangst palinggoten) voor deze proef werd gebruikt konden we de hoeveelheid van de binnenkomende glasaal die effectief de palinggoten gebruiken om verder stroomopwaarts te trekken niet achterhalen. Wel kon een inschatting worden gemaakt van het aantal actieve glasalen die zich voor het pompgemaal ophouden. Rond de migratiepiek bedroeg dit ongeveer 14000 glasalen, aantallen die bij gelijkaardig onderzoek in Nederland ook worden aangetroffen in de buurt van getijdenbarrières (Griffioen et al. 2018). Dit bedraagt een meervoud van wat er toen per getij het afvoerkanaal binnenkwam (ong. 1200 glasalen). Glasalen blijken zich dus effectief te concentreren stroomafwaarts deze migratiebarrière. Met beide palinggoten kon in ieder geval een groot gedeelte van de glasalen die effectief verder willen trekken opgevangen en overgezet worden. Tijdens de migratiepiek konden we ’s nachts in het veld vaststellen dat glasalen zich blijken op te hopen bovenaan de palinggoot waar ze geconfronteerd worden met een verandering van de stroming (van tegenstrooms naar met de stroom mee). Blijkbaar veroorzaakt dit enige terughoudendheid bij de opklimmende glasalen vooraleer ze de sprong (in de opvangbak) wagen. Ook werd onder de palinggoot toen vastgesteld dat glasalen de verticale oeverwand trachten op te klimmen op die plaats die door de overloop van de opvangbak permanent wordt bevochtigd waardoor er zich groenalgen tegen de wand vestigen. Ook in het buitenland wordt dit gedrag soms waargenomen (o.a. Salva et al 2013). Naast de aanvoer van zoet water kunnen de glasalen ook tot deze plek worden aangetrokken door de lokstoffen afkomstig van de gevangen glasalen in de opvangbakken. Het is dan ook beter om deze overloop naar het begin van de palinggoot te
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
61
geleiden (Briand et al. 2003) zodat de glasalen geen vruchteloze pogingen ondernemen om het pompgemaal via de betonnen oeverwand te omzeilen.
1.2.5.4
Effecten van het aangepaste spuibeheer op het habitat
Het aangepaste spuibeheer zoals het werd uitgevoerd in 2018 (1 permanent voor 20 cm geopende spui gedurende de volledige tijcyclus) had tot gevolg dat het Afvoerkanaal werd gekenmerkt door dagelijkse peilfluctuaties van zeewater van ongeveer 1 meter. Op deze manier werd het Afvoerkanaal voor een deel opnieuw geïntegreerd met het estuariene gedeelte van de IJzer. Hierdoor wordt niet alleen de overgang tussen de Ganzepoot en het Afvoerkanaal minder drastisch voor binnenkomende glasaal maar kan glasaal bovendien nog enigszins gebruik maken van passief getijdentransport om tot aan het pompgemaal te geraken. Ook kan het sterkere verschil tussen het zoute water van het Afvoerkanaal en het polderwater de attractiviteit van de palinggoten hebben verhoogd. De aanwezigheid van de terugslagkleppen ter hoogte van het pompgemaal verhindert dat dit zoute water de polders binnendringt.
1.2.6 Aanbevelingen
Om de efficiëntie van de palinggoten te verbeteren kan de overloop van de opvangbakken naar het begin van de palinggoot worden geleid. Dit verhindert dat glasalen naar een zone onder de opvangbakken worden gelokt waar ze aldus (zonder succes) de verticale oeverwand trachten op te trekken. De huidige opstelling leent zich perfect om de glasaalintrek vanaf heden met behulp van vrijwilligers op te volgen. Het steile talud dient hierbij best nog te worden aangepast (aanleg treden en leuning) opdat de vrijwilligers op een veilige manier de opvangbakken van de palinggoten kunnen legen.
1.2.7 Protocol glasaalmonitoring pompgemaal Veurne-Ambacht m.b.v. vrijwilligers Artikel 1. Materiaal dat ter beschikking wordt gesteld van de Vereniging: 1° sleutels sloten toegangspoort pompgemaal (hoofdpoort en zijpoorten), werkplaats pompgebouw en opvangbakken palinggoten (te verkrijgen bij VMM); 2° twee gelabelde (LO: linkeroever, RO: rechteroever) 15 L emmers, voorzien van afsluitdeksel; 3° emmer + touw (bemonstering polderwater); 4° twee emmers (elvers, reeds gewogen vangsten); 5° schepnetjes; 6° pincetten; 7° weegschaal + bakje; 8° thermometer; 9° notitieboekje en potlood. Art. 2. Vangstmethode: 1° Veiligheidsaspecten: deze monitoring wordt uitgevoerd door twee personen. De palinggoten zijn enkel bereikbaar via een steil talud. De monitoring wordt daarom enkel bij daglicht uitgevoerd en bij laag water; 2° De glasaalvangst gebeurt continu: start omstreeks half februari en einde omstreeks half mei (in functie van de weersomstandigheden en de aanwezigheid van glasaal). De glasaalvangst vindt plaats met behulp van twee palinggoten bevestigd aan de linker- en rechteroever van het Veurne-Ambacht kanaal net stroomafwaarts het pompstation. 3° Op geregelde tijdstippen dient de vangst van beide palinggoten te worden verwerkt. Indien de gezamenlijke vangst (van beide palinggoten) minder dan 1 kg bedraagt, dienen de opvangbakken van de goten slechts 1 keer per week te worden geleegd (een vaste dag: bv. elke maandag). Van zodra de totaalvangst van beide palinggoten tezamen >1 kg bedraagt, dient 3
62
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
dagen later ook een tweede keer te worden bemonsterd in dezelfde week (bv. elke maandag en donderdag). 4° De twee gelabelde emmers worden elk voor een vijfde gevuld met polderwater. Dit wordt verzameld met een emmer en koord vanop de brug aan de achterzijde van het pompgemaal. 5°
De lucht- en polderwatertemperatuur worden genoteerd in het notitieboekje.
6° De vangst van elke palinggoot wordt in de bijhorende emmer overgegoten (LO: linkeroever, RO: rechteroever; beiden bepaald door in stroomafwaartse richting te kijken). Eventuele achtergebleven glasalen uit de opvangbakken kunnen met behulp van een schepnetje of pincet worden overgebracht. De emmers worden afgesloten met een schroefdeksel en naar de werkplaats gebracht. 7° De vangsten van elk van beide palinggoten worden gewogen met behulp van de weegschaal in de werkplaats (vangsten < 100 individuen worden geteld). Er wordt eerst een doorschijnend emmertje op de weegschaal geplaatst met een beetje polderwater waarna de weegschaal wordt getarreerd. Nadien wordt m.b.v. een schepnetje glasaal uit de gelabelde emmer in het emmertje gebracht. Elvers (eenjarige jonge palingen, vanaf ± 10 cm) worden voorafgaand aan het wegen afgescheiden en in een apart emmertje met polderwater bijgehouden. Er wordt gelet dat niet meer dan 1 kg glasaal tegelijkertijd wordt afgewogen. De reeds gewogen glasalen worden in een emmer, voor de helft gevuld met vers polderwater, overgebracht. Na het wegen van de glasaalvangst worden de elvers geteld en samen gewogen waarna ze bij de reeds gewogen glasalen worden gebracht. 8°
De gegevens worden genoteerd in het notitieboekje.
9° De gewogen glasalen en elvers worden vrijgelaten aan de stroomopwaartse zijde van het pompgemaal ter hoogte van de samenvloeiing van de Grote Beverdijkvaart en de Koolhofvaart. 10° Het materiaal wordt na reiniging opgeborgen in de kelder van het pompgemaal. Alle poorten en de goten dienen met de sleutels te worden afgesloten. Art. 3. Rapportering na afloop van de vangst. De rapportering gebeurt via een Excel-werkblad. Per vangstdag worden de volgende gegevens gerapporteerd: 1° 2° 3° 4° 5° 6° 7° 8° 9° 10° 11° 12°
datum tijdstip leegmaken palinggoot luchttemperatuur temperatuur polderwater gewicht glasaal LO aantallen glasaal LO (enkel indien vangst < 100 stuks) gewicht elvers LO aantallen elvers LO gewicht glasaal RO aantallen glasaal RO (enkel indien vangst < 100 stuks) gewicht elvers RO aantallen elvers RO
1.3 Verkennend onderzoek naar de glasaalintrek in de Noordede en de Blankenbergse Vaart In de meeste Vlaamse zeehavens (Nieuwpoort, Oostende, Zeebrugge) wordt momenteel aangepast spuibeheer toegepast ter hoogte van de getijdenbarrières ter verbetering van de glasaalintrek. Op een aantal andere belangrijke afwateringspunten wordt nog geen specifiek beheer uitgevoerd. Dit betreft o.a. de afwatering van de Noordede via het Maertensas en van de Blankenbergse vaart via de haven van Blankenberge.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
63
1.3.1 Noordede 1.3.1.1
Situering
Het stroomgebied van de Noordede bedraagt 4947 hectare, te verhogen met het gebied van de Vicogne (ongeveer 250 ha) ten noorden van de spuikom te Bredene, dat destijds op de spuikom afwaterde, maar nu aangewezen is op de Noordede. Het stroomgebied omvat het grondgebied van Bredene, De Haan (Klemskerke en het grootste gedeelte van Vlissegem), Jabbeke (een klein gedeelte van Stalhille) en Zuienkerke (het noordelijk gedeelte van Houtave). Het stroomgebied van de Noordede staat in open verbinding met het stroomgebied van de Blankenbergse vaart. Volgens het Geoloket Vismigratie van VMM bevinden zich nog volgende knelpunten op de Noordede: • • •
Knelpunt 2122-010 (schuif) MOW Afdeling maritieme toegang: niet opgelost Knelpunt 2122-020 (schuif) VMM: aangepast schuifbeheer Knelpunt 2122-030 (schuif) VMM: aangepast schuifbeheer
En op de overgang naar de zijlopen: • •
Knelpunt 2675-010 (stuw) Nieuwe polder van Blankenberge: niet opgelost Knelpunt 559-010 (schuif) Nieuwe polder van Blankenberge: niet opgelost
1.3.1.2
Het Maertensas
De getijdenbarrière wordt gevormd door het Maertensas aan de monding van de Noordede en bestaat uit 7 schuiven van elk 2 m breed (Figuur 36). Deze regelen de afvoer van overtollig polderwater bij laagtij en zijn voorzien van terugslagkleppen om te verhinderen dat zeewater bij opkomend getij de polder binnendringt. Het kunstwerk is eigendom van VMM en het beheer ervan wordt in samenspraak met de Middenkustpolder uitgevoerd.
Figuur 36 Het Maertensas op de Noordede te Oostende.
Dit schuivencomplex werd recent door VMM volledig vernieuwd en geautomatiseerd zodat het voldoet aan de normen inzake kustveiligheid waarbij ook rekening werd gehouden met de vispasseerbaarheid. Het beheer van de 1e schuif langs de rechteroever (schuif 7/vismigratieschuif) werd namelijk specifiek ingericht om trekvis voorbij dit vismigratieknelpunt te loodsen. De werking van de vismigratieschuif is daarbij als volgt ingesteld:
64
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Bij afgaand tij:
zeewaarts peil zakt tot 20 cm boven polderpeil => schuif open (10 cm), zeewater stroomt binnen zeewaarts peil zakt onder polderpeil => polderwater stroomt naar buiten zeewaarts peil zakt tot 20 cm onder polderpeil => schuif dicht
Bij opgaand tij:
zeewaarts peil stijgt tot 20 cm onder polderpeil => schuif open (10 cm), polderwater stroomt naar buiten zeewaarts peil stijgt boven polderpeil => zeewater stroomt naar binnen zeewaarts peil stijgt tot 20 cm boven polderpeil => schuif dicht
Het polderpeil bedraagt doorgaans ong. 1,5 m. Er stroomt dus 2 keer water naar binnen en naar buiten per tijcyclus. Uit de dagelijkse waterpeilfluctuaties van de Noordede stroomop- en afwaarts het Maertensas (Figuur 37) blijkt duidelijk dat het tijdsvenster waarin de vismigratieschuif van het Maertensas kan worden geactiveerd zich eerder in de buurt (-3 tot + 3 uur) van laagwater bevindt. Uit het onderzoek ter hoogte van de getijdenbarrières aan de Ganzepoot (Nieuwpoort) blijkt glasaal evenwel vooral rond hoogwater gebruik te maken van aangepast spuibeheer om de polders te kunnen binnendringen (Mouton et al. 2009, 2013).
Figuur 37. Dagelijkse waterpeilfluctuaties in de Noordede opwaarts (blauwe lijn) en afwaarts (rode lijn) het Maertensas tijdens het voorjaar (maart-mei) van 2018.
1.3.1.3
Aangepast spuibeheer in 2018
Tussen 19 april en 15 mei 2018 werd de vismigratieschuif voor het eerst geactiveerd. Om het mogelijk verziltingseffect na te gaan werd de conductiviteit permanent opgevolgd tussen 9 en 25 mei 2018 ter hoogte van de Nukkerbrug (300 m stroomopwaarts het Maertensas). Gedurende de gehele monitoringsperiode heeft het niet geregend maar sporadisch werd toch water geloosd (zie de sterke peilverlagingen in Figuur 37). Uit Figuur 38 blijkt de conductiviteit van de Noordede net stroomopwaarts het Maertensas gelijdelijk te stijgen tijdens de periode met aangepast spuibeheer waarna ze min of meer stabiel blijven in de periode vlak erna. Het is niet duidelijk in hoeverre de aanhoudende droogte hierin ook een rol heeft gespeeld.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
65
Figuur 38. Fluctuatie in specifieke conductiviteit en relatieve waterdiepte (stippellijn) tijdens en vlak na de activatie van de vismigratieschuif in mei 2018. De drie in het oog springende fluctuaties betreffen waarschijnlijk een artefact in de metingen.
Uit theoretische werkingsgegevens van de vismigratieschuif (Tabel 2) voor de periode augustusdecember 2018, blijkt de schuif gemiddeld ongeveer even lang open te staan (ong. 37 minuten) bij dalend dan wel bij stijgend getij. Doorgaans staat ze overdag gemiddeld een paar minuten langer open dan ’s nachts. Af en toe staat de schuif evenwel beduidend langer open.
Tabel 2 Werkingsgegevens van de vismigratieschuif van het Maertensas op de Noordede voor de periode augustus-december 2018. In deze periode werden de tijdstippen van openen en sluiten van de schuif op basis van een peilverschil van 20 cm tussen opwaarts en afwaarts pand gelogd, maar bleef de schuif in de praktijk dicht.
stijgend tij
dalend tij
gem.
00:37:18
00:37:31
min.
00:05:00
00:20:59
max.
01:12:00
02:59:00
dag
gem.
00:38:27
00:38:57
nacht
gem.
00:35:24
00:33:37
totaal
1.3.1.4
Aanbevelingen
Veldtesten met behulp van gemaalfuiken dienen na te gaan of en hoeveel glasaal effectief binnenkomt via de vismigratieschuif onder het huidige ingestelde beheer. De effecten van het aangepast spuibeheer op de verzilting van de polders dienen geëvalueerd te worden met behulp van een jaarronde monitoring van de conductiviteit via een aantal strategisch geplaatste loggers in de Noordede stroomopwaarts het Maertensas.
1.3.2 Blankenbergse Vaart 1.3.2.1
Situering
Het stroomgebied van de Blankenbergse Vaart heeft een oppervlakte van 5498 hectare gelegen op het grondgebied van Blankenberge (het gedeelte van Blankenberge en Uitkerke ten westen van de 66
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
gewestweg Blankenberge-Brugge), Brugge (Sint-Pieters), Zuienkerke (Nieuwmunster, het grootste gedeelte van Zuienkerke en Meetkerke, en een klein deel van Houtave) en de Haan (Wenduine en een gedeelte van Vlissegem). Volgende knelpunten bevinden zich nog op de Blankenbergse Vaart volgens het Geoloket vismigratie van VMM: • • •
Knelpunt 2123-010 (schuif) VMM: niet opgelost Knelpunt 2123-020 (schuif) VMM: niet opgelost Knelpunt 2123-030 (schuif, verbinding met KGO) VMM: niet opgelost
1.3.2.2
Sluizencomplex Blankenbergse Haven
Het sluizencomplex (Figuur 39) bestaat uit drie naast elkaar liggende kokers van 2,6 m breed en 2,4 m hoog en een totale lengte van 25 m die gravitair water afvoeren gedurende afgaand getij. De Afdeling Maritieme Toegang is eigenaar van het spuicomplex en het beheer ervan wordt geregeld door het polderbestuur. Dit spuicomplex is evenwel in zeer slechte staat (o.a. corrosie) en zal in de nabije toekomst worden vervangen en geautomatiseerd. Onder huidige omstandigheden zou glasaal via de lekverliezen tijdens hoogwater de polder kunnen koloniseren.
Figuur 39 Het schuivencomplex aan de monding van de Blankenbergse vaart in de Haven van Blankenberge (overgenomen uit Stevens et al. 2011).
1.3.2.3
Aanbevelingen
Gezien de huidige staat van het schuivencomplex en het aangepast spuibeheer op de Noordede lijkt het aanpakken van dit knelpunt op dit moment minder prioritair. Net zoals voor het Maertensas wordt bij de toekomstige vervanging en automatisatie van dit schuivencomplex rekening gehouden met de vispasseerbaarheid.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
67
2 Soortherstel Heel wat stroomminnende vissoorten zijn al geruime tijd plaatselijk of volledig verdwenen uit de Vlaamse waterlopen. Aan de basis hiervan liggen meestal een verslechterde waterkwaliteit en achteruitgang van hun habitat (Dillen et al. 2005a,b, 2006). In het kader van natuurontwikkeling en integraal waterbeheer, maakten de verschillende overheden de voorbije jaren werk van het structureel herstel van een aantal prioritaire waterlopen. Ook de waterkwaliteit van tal van waterlopen verbeterde sterk door de uitbouw van de waterzuiveringsinfrastructuur. De laatste jaren werkte het INBO in opdracht van het ANB al verschillende herstelprojecten uit, o.a. voor kopvoorn, serpeling en kwabaal. Op basis van de bevindingen van de haalbaarheidsstudies voerde het ANB herintroducties van deze soorten uit in verschillende waterlopen van het Vlaamse Gewest. Opvolging van uitgezette populaties op lange termijn is een belangrijk onderdeel van een herintroductieprogramma. Op deze manier kan het succes van de herintroductie bepaald worden en eventuele knelpunten opgespoord en, indien nodig, de herintroductiestrategie bijgestuurd of andere herstelmaatregelen genomen, zoals bv. de aanleg of het opnieuw bereikbaar maken van typische paaigronden en opgroeihabitat. Naast de lopende herstelprojecten wil het ANB ook nieuwe herstelprojecten opstarten, niet alleen op nieuwe locaties maar ook voor andere belangrijke soorten.
2.1
Onderzoek naar het voortplantingssucces van kwabaal
2.1.1 Situering Kwabaal (Lota lota) verdween in 1970 uit de Vlaamse waterlopen. Dit kan hoogstwaarschijnlijk worden toegeschreven aan het verslechteren van de waterkwaliteit, het verlies of onbereikbaar worden van de typische paaibiotopen en het verdwijnen van geschikt habitat in de waterlopen zelf (Coeck et al. 2008). In 2005 werd een herintroductieprogramma opgestart waarbij jaarlijks éénzomerige kwabaaljuvenielen worden uitgezet in de Grote Nete. Opvolgingsstudies tonen aan dat deze goed overleven en paairijp worden (Vught et al. 2015, Pauwels et al. 2016, Vandamme et al. 2017). Het INBO vond kwabaaljuvenielen in 2010, 2014 en 2015 in de Grote Nete en zijlopen. Kwabaallarven werden in 2014, 2015, 2016 en 2017 aangetroffen in een poel aan de Asbeek. Dit toont aan dat kwabaal zich tevens voortplant in het gebied. De herintroductie van kwabaal kan echter nog geen succes worden genoemd in Vlaanderen. Tot op heden heeft er zich nog geen duurzame kwabaalpopulatie weten te vestigen (Vught et al. 2015). Net als voorgaande jaren, werd in 2018 in het stroomgebied van de Grote Nete gezocht naar kwabaallarven en –juvenielen. Het falen van herintroductieprogramma’s wereldwijd is te wijten aan gebrekkige kennis rond de soort (McPhail 1997). Vaak blijkt het habitat (habitatstructuur, voedsel, predatoren, parasieten…) waar de dieren worden uitgezet toch niet volledig te voldoen aan de eisen die de soort stelt aan de omgeving voor het doorlopen van diens levenscyclus (Pauwels et al. 2016). Bijgevolg is het noodzakelijk de biologie en ecologie van het dier en de relaties met diens omgeving gedurende elk levensstadium goed te begrijpen. Bovendien is dit niet enkel belangrijk naar de opzet van herintroductieprogramma’s toe, maar ook naar het opstellen van eender welke beheerstrategie. Volgens de knelpuntenanalyse voor kwabaal die beschreven staat in Pauwels et al. (2016) voldoen de Vlaamse waterlopen aan de eisen omtrent watertemperatuur, -afvoer en -kwaliteit. Geschikt habitat voor zowel reproductie als het opgroeien van larven blijkt de grootste spelbreker in het herstellen van de populaties. Kwabaallarven hebben nood aan in het voorjaar langdurig geïnundeerde overstromingsvlakten of locaties die aan dezelfde criteria voldoen. Het water dient bij voorkeur stilstaand of zéér zwakstromend te zijn en rijk aan plankton, met voldoende ontwikkelde litorale zone en weinig predatoren en concurrentie (Pauwels et al. 2016). Het voorzien van dergelijke overstromingsvlakten en het regelmatig en tijdelijk connecteren daarvan met de waterloop is van cruciaal belang naar het herstel van deze populaties toe, om de herintroductie te doen slagen.
68
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
2.1.2 Voortplantingssucces in het stroomgebied van de Grote Nete 2.1.2.1
Inleiding
Een herintroductie is pas volledig geslaagd als de uitgezette populatie zich succesvol reproduceert en een aanzienlijk deel van die nakomelingen doorgroeit tot geslachtsrijpe dieren. Wanneer dit zo is, kan er zich een gezonde en duurzame populatie vestigen. De herintroductie van kwabaal kan echter nog geen succes worden genoemd in Vlaanderen. De kwabaalreproductie en de overleving van de nakomelingen wordt reeds enkele jaren gemonitord in het stroomgebied van de Grote Nete door zowel het larvale als het juveniele stadium te bemonsteren. In 2010, 2014 en 2015 werden kwabaaljuvenielen aangetroffen door middel van elektrisch vissen. Kwabaallarven werden gevonden in 2014, 2015, 2016 en 1017 in een poel aan de Asbeek. Dit toont aan dat kwabaal zich weet voort te planten in het gebied. In dit luik wordt nagegaan of kwabaal zich net als voorgaande jaren ook in de winter van 2017 - 2018 heeft kunnen voorplanten in het gebied van de Grote Nete.
2.1.2.2
Materiaal en Methode
Zoektocht naar larven Kwabaallarven kunnen op verschillende manieren worden bemonsterd. Deze methoden werden besproken in Pauwels et al. (2016). De meest courante methode voor het vangen van kwabaallarven zou nog steeds met behulp van fijnmazige schepnetten, planktonnetten en drijfnetten zijn. Ook lichtvallen of een combinatie er van worden soms aangewend. In Vandamme et al. (2017) werden zowel lichtvallen als visuele inspectie gebruikt op verschillende locaties ter vergelijking van de methodiek. Daaruit bleek visuele inspectie een stuk efficiënter in het bemonsteren van kwabaallarven. Bijgevolg werd in 2017 en ook in 2018 enkel gebruik gemaakt van visuele inspectie. Het visueel waarnemen van kwabaallarven is mogelijk omdat zij gedurende enkele weken in het begin van hun levenscyclus pelagisch en sterk positief fototactisch zijn. Hierdoor bevinden deze zich op zonnige voorjaarsdagen bovenaan in de waterkolom, waardoor zij door een geoefend oog te vinden zijn net onder het wateroppervlak (Figuur 40). Larven worden gevangen en bekeken om zeker te zijn dat het om kwabaallarven gaat. Daarna worden deze op dezelfde locatie teruggezet. De visuele inspectie wordt uitgevoerd op selectieve basis. Plaatsen in de waterloop of poel die op basis van expertkennis er veelbelovend uitzien worden in detail bekeken. De duur van de zoektocht per potentiële locatie is afhankelijk van de grootte van het oppervlak. Deze is doorgaans tussen een half uur en één uur per locatie.
Figuur 40 Visueel waarnemen van kwabaallarven in maart. (Foto INBO)
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
69
Vanwege het erg grijze en koude voorjaar, konden de bemonsteringen pas plaatsvinden op 6 april 2018. Tabel 3 en Figuur 41 geven een overzicht van de locaties in het stroomgebied van de Grote Nete waar werd gezocht naar larven afkomstig van natuurlijke reproductie. Er werd gezocht in (1) de poel aan de Asbeek (Figuur 42), (2) het nabijgelegen overstroomd weiland (Figuur 44), (3) de betonbak waar de Heiloop vanonder het kanaal komt, (4) de Heiloop nabij de straalmolen (Figuur 45) en de naburige poelen, (5) de vijvers van natuurpunt nabij de Grote Nete (Figuur 46), en te (6) Heynsbergen (Figuur 47).
Tabel 3 Locaties waar natuurlijke reproductie werd bemonsterd.
Nummer
Waterloop
Locatie
Datum
1
Asbeek
Poel Asbeek
06/04/2018
2
Asbeek
Overstroomd weiland
06/04/2018
3
Heiloop
Betonbak aan kanaal
06/04/2018
4
Grote Nete
Vijvers Natuurpunt
06/04/2018
5
Grote Nete
Heynsbergen
06/04/2018
6
Heiloop
Poelen aan straalmolen
06/04/2018
5
6
Figuur 41 Situering van de locaties waar werd gezocht naar kwabaallarven in het voorjaar van 2018.
70
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 42 Poel nabij de Asbeek in 2018. (Foto INBO 2018)
Figuur 43 Zoöplankton in de poel nabij de Asbeek in 2018. (Foto INBO 2018)
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
71
Figuur 44 Geïnundeerd weiland nabij de Asbeek in 2018. (Foto INBO 2018)
Figuur 45 Waterloop aan de Straalmolen in 2018. (Foto INBO 2018)
72
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 46 Vijvers Natuurpunt nabij de Grote Nete in 2018. (Foto INBO 2018)
Figuur 47 Heynsbergen langs de Grote Nete in 2018. (Foto INBO 2018)
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
73
Zoektocht naar juvenielen Na het larvale en fototactische stadium treedt metamorfose op waarna de individuen een benthische levenswijze aannemen. De juvenielen leven net als de adulten op de bodem en maken gretig gebruik van schuilplaatsen zoals stenen en dood hout. Juvenielen dienen daardoor te worden bemonsterd door middel van elektrisch vissen. Door hun geringere grootte, levenswijze en soortspecifieke eigenschappen zijn zij echter moeilijker te vinden dan adulte kwabalen (Pauwels et al. 2016). De juvenielen gaan als maar dieper gaan leven in de zij- en hoofdlopen. Het elektrisch vissen naar kwabaaljuvenielen gebeurt daarom idealiter in mei en begin juni wanneer ze niet meer té klein zijn en ze zich nog niet té diep bevinden. Tabel 4, Figuur 48 en Figuur 49 geven een overzicht en situering van de trajecten die in 2018 werden bevist in functie van de zoektocht naar kwabaaljuvenielen. Enkele van de locaties zijn afgebeeld op Figuur 50 tot Figuur 53.
Tabel 4 Locaties die werden elektrisch afgevist naar juvenielen afkomstig van natuurlijke reproductie van kwabaal.
Nummer
Waterloop
Locatie
Lengte traject (m)
Datum
A1
Asbeek
Stroomopwaarts van de monding
150
04/05/2018
A2
A2
50
15/05/2018
A3
A3
100
15/05/2018
A4
Traject rond inlaat poeltje
60
15/05/2018
VN1 & VN2
Grote Nete
Vijvers natuurpunt
rietoever
15/05/2016
H1
Heiloop
Stroomopwaarts van de monding
70
04/05/2018
H3
SA van het kanaal KwaadmechelenDessel
50
04/05/2018
HV1
Eerste poel kort bij de baan van de vistrap
04/05/2018
HV2
Tweede poel kort bij de baan van de vistrap
04/05/2018
74
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
A1
A2 A3
A4
Figuur 48 Ligging van de in 2018 afgeviste trajecten op de Asbeek.
VN1 & VN2
H3 HV1 H1
HV2
Figuur 49 Ligging van de in 2018 afgeviste trajecten op de Heiloop.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
75
Figuur 50 Traject Asbeek aan de monding (A1) in 2018. (Foto INBO 2018)
Figuur 51 Vijvers Natuurpunt (VN1 en VN2) in 2018. (Foto INBO 2018)
76
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 52 Poel 1 nabij de Straalmolen (HV1) in 2018. (Foto INBO 2018)
Figuur 53 Poel 2 nabij de Straalmolen (HV2) in 2018. (Foto INBO 2018)
2.1.2.3
Resultaten en bespreking
Zoektocht naar larven Het voorjaar in 2018 was erg grijs en koud. Er werd van de eerste zonnige dag waarop het niet vroor gebruik gemaakt om larven te gaan zoeken. Dit was pas begin april. Kwabaallarven werden gezocht door middel van visuele inspectie. Er werden echter op geen van de bezochte locaties kwabaallarven gevonden. Het is moeilijk te zeggen of dit te wijten is aan de afwezigheid van larven, of aan het tijdstip waarop werd gezocht. Het is mogelijk dat de paai- of
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
77
overlevingsomstandigheden tijdens de winter van 2017-2018 en het voorjaar 2018 niet optimaal waren voor kwabaal. Anderzijds is het ook mogelijk dat de larven reeds gemetamorfoseerd waren tot juveniel en zij reeds hun benthische levenswijze hadden aangenomen begin april. Dit staat in schril contrast met de hoge densiteit aan kwabaallarven die in maart 2017 nog werd aangetroffen in de poel aan de Asbeek. Daar werden toen tijdens de visuele inspectie gemiddeld 11 individuen waargenomen per m². Bij het scheppen naar larven werden zo’n 30 individuen gevangen in een maatbeker met een volume van 1 L. Het was het vierde jaar op rij dat er kwabaallarven werden aangetroffen in deze poel naast de Asbeek. In 2014 werden er vijf larven gevonden, in 2015 13 kwabaallarven op 1 m², en in 2016 slechts 2 larven (troebele condities). Ook in het weiland wat verderop, naast een gracht die uitkomt in de Asbeek, werden in 2017 kwabaallarven gevangen. Er werd een betere connectie voorzien tussen de gracht en het weiland en dit bleek meteen de winter na de ingreep reeds te lonen. Op de overige locaties werden op heden nog geen kwabaallarven gevonden.
Tabel 5 Locaties waar kwabaallarven afkomstig van natuurlijke reproductie in het stroomgebied van de Grote Nete werden gezocht door visuele inspectie.
Nummer
Waterloop
Locatie
Aantal
1
Asbeek
Poel Asbeek
0
2
Asbeek
Langdurig onderwaterstaande weiland naast de Asbeek
0
3
Heiloop
Betonbak aan kanaal
0
4
Heiloop
Poelen aan straalmolen
0
5
Grote Nete
Vijvers Natuurpunt
0
6
Grote Nete
Heynsbergen
0
Zoektocht naar juvenielen Tabel 6 toont het aantal kwabaal dat werd gevangen per traject, alsook de overige taxa die werden aangetroffen als bijvangst. De bijvangst werd niet geteld of gemeten. De tabel geeft in de rechter kolom het aantal locaties waarop een bepaald taxon werd aangetroffen. De onderste rij toont het aantal taxa dat werd waargenomen op een locatie. In het stroomgebied van de Grote Nete werden 15 vissoorten gevangen, en kikkers. Vanwege de droge zomer werd geopteerd enkele trajecten in te wisselen voor andere locaties. Zo werd er dit jaar gevist in enkele poelen nabij de vistrap in de Heiloop aan de monding in de Grote Nete. Er werden in 2018, net als in 2016 en 2017 geen kwabaaljuvenielen gevangen. Wel werden er 4 adulte kwabalen gezien (Tabel 6), waarvan 3 konden worden gevangen (Figuur 54). Er werd kwabaal aangetroffen zowel in de Asbeek als in de Heiloop. Van het individu dat behoort tot de lengteklasse van 26 cm kan worden verwacht dat deze zich kan voortplanten. Adulte kwabaal wordt normaalgesproken geslachtsrijp vanaf een lengte van 25 cm (Sandlund et al. 1985). Kleinere vissen zijn moeilijker te vangen bij het elektrisch vissen dan adulten, doordat zij zich beter kunnen schuilhouden tussen stenen en hout en dus moeilijker bereikbaar zijn door de visser. Bovendien ondervinden zij een geringer potentiaalverschil door hun kortere lengte in vergelijking met een adult. Deze factoren zouden er kunnen hebben toe bijgedragen dat er geen kwabaaljuvenielen werden gevangen. Tijdens een demobevissing in 2018 werd juveniele kwabaal aangetroffen op de vistrap in de Heiloop aan de monding in de Grote Nete. Deze juvenielen waren groter dan juvenielen afkomstig van natuurlijke reproductie. Er wordt om die reden vanuit gegaan dat deze afkomstig zijn van uitzettingen. 78
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Tabel 6 Het aantal aangetroffen kwabaal en bijvangst op de 9 locaties. Aanwezigheid wordt aangegeven met een ‘X’. Voor kwabaal worden de waargenomen aantallen weergegeven. In de kolom uiterst rechts wordt aangegeven op hoeveel van de afgeviste locaties een bepaald taxon werd aangetroffen. De rij onderaan toont het aantal taxa die aanwezig waren per locatie.
Trajecten
Taxa
A1
A2
Aantal trajecten per taxon A3
Amerikaanse hondvis
A4
H1
X
beekprik
X
HV2
VN1 VN2
2 1
X
blankvoorn
X
blauwbandgrondel
X
X
X
driedoornige stekelbaars
1 X
X
X
X
X
4 X
X
kikker
X
X
X 1
paling riviergrondel
X
X
serpeling X
3
2
X
1
X
3 1
X
X
zeelt
3
X
zonnebaars taxa
X per
8
X 0
2
4
4
3 1
X
snoek
6 1
X
kopvoorn kwabaal
&
1 X
bermpje
www.inbo.be
HV1
X
Baars
Aantal traject
H3
7
Eindverslag visserijonderzoek 2018
1 X
X
6
2
4 2
79
Kwabaal 2018 Aantal
3 2 A1
1
H3
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 Lengte (cm)
Figuur 54 Het aantal in 2018 gevangen en gemeten kwabalen weergegeven volgens hun lengte en per locatie.
2.1.2.4
Conclusie
Het is niet mogelijk te zeggen of er wel of geen paai is geweest van kwabaal in de winter van 2017-2018. Het niet aantreffen van kwabaalnakomelingen kan te wijten zijn aan de afwezigheid er van, of aan de beperkingen van de detectiemethoden. Het is mogelijk dat de kwabaallarven zich reeds in een volgend stadium van de levenscyclus bevonden en daardoor niet werden aangetroffen. Daarnaast werden reeds verschillende jaren op rij geen kwabaaljuvenielen gevangen door middel van elektrisch vissen, ondanks de aanwezigheid van larven.
2.1.2.5
Aanbevelingen
Verspreiding kwabaal Kennis omtrent de historische verspreiding van een soort is belangrijk om mee te nemen in het herstel er van. Kwabaal werd vroeger in een aantal rivieren aangetroffen, in sommige waterlopen was kwabaal algemeen, in andere een sporadische vondst. Op Figuur 55 zijn in oranje de kanalen en rivieren aangeduid waar kwabaal aanwezig was volgens de literatuurstudies van Vrielynck et al. (2003) en Dillen et al. (2005a). In groen zijn de plaatsen aangeduid waar sinds 2001 kwabaal werd gevangen volgens de gegevens in de VIS-databank. Kwabaal werd één enkele keer aangetroffen in het kanaal Gent-Oostende ter hoogte van Oostende. De oude armen te Varsenare en Nieuwenwege, zouden dienst hebben gedaan als paaiplaatsen. Tevens werd kwabaal gevonden in het kanaal Gent-Terneuzen, het Netekanaal, het kanaal Oudenaarde-Eine en het kanaal van Melsen. De rivieren waar kwabaal zat of waarvan werd vermoed dat ze kwabaal bevatten vóór 1950, zijn de Leie, de Maas, de Schelde, de Demer, de Dender, de Grote Nete, de Nete, de Durme, de Jeker, de Herk, de Aa, de Aabeek, de Witbeek, de Lossing, de Bosbeek en de Zanderbeek.
80
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 55 De historische (waterlopen aangeduid in oranje, o.b.v. Vrielynck et al. 2003, en Dillen et al. 2005) en huidige (groene stippen o.b.v. VIS-data) verspreiding van kwabaal (Lota lota) in Vlaanderen.
Waterlopen waar kwabaal recent werd aangetroffen zijn de Asbeek, de Bosbeek, de Grote Nete, de Hamonterbeek, de Heiloop, de Herk, de IJse, de Kleine hoofdgracht, de Linkebeek, de Maas, de Molenbeek, de Slangbeek en de Vellerloop. Ook in de grindplas Herelaak werd in 2007 een individu gevangen. Er zijn bijgevolg verschillende waterlopen, waaronder de Leie, waar kwabaal nu niet meer wordt aangetroffen, terwijl deze volgens historische literatuur daar wel abundant voorkwam. De kwabaal die werd gevangen in de Linkebeek zijn vermoedelijk ontsnapte individuen afkomstig van de viskwekerij in Linkebeek (INBO). Deze kunnen zich daar niet voortplanten. Naast waterkwaliteit, is het verdwijnen van geschikt paaihabitat vermoedelijk de reden van het niet meer voorkomen van deze soort. Grote Nete Uitzettingen Kwabaal wordt uitgezet in de Grote Nete sinds 2005. Opvolgingsstudies tonen aan dat deze goed overleven en paairijp worden (Vught et al. 2015, Pauwels et al. 2016, Vandamme et al. 2017). Het INBO vond kwabaaljuvenielen in 2010, 2014 en 2015 in de Grote Nete en zijlopen. Kwabaallarven werden in 2014, 2015, 2016 en 2017 aangetroffen in een poel aan de Asbeek. Dit toont aan dat kwabaal zich tevens voortplant in het gebied. Het aantonen van voortplanting loopt echter niet altijd van een leien dakje. Vooral het zoeken naar kwabaaljuvenielen is moeilijk. De kwabaaljuvenielen zijn tijdens het eerste zomer namelijk nog zo klein dat het potentiaalverschil dat over de visjes ontstaat bij het elektrisch vissen, te klein is om ze goed aan te trekken. Bovendien hebben ze op deze leeftijd reeds een benthische levenswijze aangenomen, waarbij ze zich verschuilen tussen stenen, dood hout en planten op de bodem. Hierdoor is het bijzonder moeilijk om ze te bereiken met het elektrisch vistoestel. Het roestkleurige water in het stroomgebied van de Grote Nete zorgt er ook voor dat vissen die maar weinig naar de anode kunnen worden aangetrokken, vaak minder goed worden waargenomen. Om deze reden blijft het aanbevolen geen kwabaal meer uit te zetten in het stroomgebied van de Grote Nete. Er kan worden overwogen wel nog uitzettingen te doen stroomafwaarts van de Straalmolen, om op deze manier de aanwezigheid van een voldoende grote bronpopulatie na het uitvoeren van de maatregelen in de Sigma gebieden, te bevorderen. Stroomopwaarts bevinden zich de locaties waar de afgelopen jaren kwabaallarven werden aangetroffen (Asbeek, Heiloop etc). Bij het stopzetten van uitzettingen, kan de natuurlijke www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
81
reproductie beter in kaart worden gebracht. Juveniele kwabaal is moeilijk te vangen, maar meerjarige individuen worden wel geregeld opgevist. Indien geen kwabaal meer wordt uitgezet, kan na enkele jaren worden verondersteld dat de meerjarige kwabalen die worden gevangen, afkomstig zijn van natuurlijke reproductie. Een lengtefrequentie van deze gevangen dieren zal bijgevolg informatie verschaffen over de natuurlijke rekrutering en overleving van de dieren. Onderzoek voortplanting Zoektocht larven en juvenielen De zoektocht naar larven meer uitbreiden zowel in tijd als ruimte zou bijdragen aan een beter inzicht in de natuurlijke reproductie van kwabaal in het stroomgebied van de Grote Nete. Het is aangeraden om meermaals in het voorjaar op zoek te gaan naar larven, idealiter iedere week van midden februari tot eind maart. Ook het zoeken op meer locaties zou zinvol zijn. Momenteel worden larven gezocht op gemiddeld 5 locaties over verschillende weken, maar in principe is elk weiland of elke poel die tijdelijk of permanent in contact komt of is, een potentiele paai- en opgroeiplaats voor kwabaal. Eens de Sigma werken zijn uitgevoerd en de plassen in contact komen met de Grote Nete, zullen ook deze locaties interessant worden zowel om larven als om juvenielen te gaan zoeken. Parameters Het verzamelen van meer informatie omtrent watertemperatuur, waterpeil, conductiviteit, turbiditeit, zonlicht, voedselaanbod, etc. zou meer inzicht kunnen bieden in de aanwezigheid van kwabaallarven. Indien er geen larven worden gevonden, is het onmogelijk met zekerheid te zeggen dat er die winter geen natuurlijke reproductie is geweest. Indien er wel larven worden aangetroffen, kunnen de opgemeten parameters naast de aanwezigheid en zelfs geschatte aantallen worden gelegd. Een logger die de watertemperatuur en het waterpeil meet van begin december tot eind april zou alvast een duidelijker beeld geven van de omstandigheden. Dit zal reeds op enkele locaties gebeuren tijdens de winter van 2019-2020. Methode Kick-sampling zou kunnen worden aangewend bovenop de visuele inspectie of als aanvulling. Er kan worden gekozen om per locatie zowel visueel de larven te zoeken, als een kicksample uit te voeren. Een andere optie is om visueel te zoeken, en enkel indien geen larven worden aangetroffen, gebruik te maken van kick-sampling. Het uitvoeren van een ‘kicksample’ zou meer uitsluitsel kunnen geven indien er visueel geen larven werden gevonden. Als er namelijk in de ‘kick-samples’ eveneens geen larven te vinden zijn, kan er met meer waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de larven niet of enkel in zeer lage aantallen aanwezig zijn. Paaimigratie Ook het bestuderen van de paaimigratie van kwabaal op specifieke locaties zou kunnen helpen inzicht te krijgen in de bereikbaarheid van een potentiele paaiplaats. De kans bestaat namelijk dat de adulten niet in de mogelijkheid waren de paailocatie te bereiken. Het plaatsen van een PIT-telemetriestation rond de inlaat (zoals een buis bv.) van een poel is haalbaar, net als het merken van de (nog niet van PIT-tag voorziene) adulte kwabalen. Ook gegevens inzake de verbinding van een poel of weiland met de waterloop bij hoogwater zou hulpzaam zijn in dit verhaal, gaande van luchtfoto’s tot waterpeilgegevens). Heynsbergen Het weiland aan de Heynsbergen oogt veelbelovend voor kwabaal (Figuur 56). Het weiland overstroomt jaarlijks en is gedurende een voldoende lange tijd waterhoudend dankzij de grachten die door het weiland lopen, haaks op de stroomrichting van de Grote Nete. De grachten zijn echter verbonden met de Grote Nete door middel van buizen. Enkele maanden 82
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
na het schoonmaken van de buizen, zijn deze opnieuw dichtgeslibd (Figuur 57). Het plaatsen van de buizen onder een hoek zou dit dichtslibben kunnen verminderen. Idealiter wordt een deel van de verhoogde oever tussen het weiland en de Grote Nete verlaagd. Hierdoor ontstaat er een uitgesproken connectie bij hoog water waardoor adulte kwabaal het weiland vlot kan bereiken. Daarbij is het belangrijk dat de grachten lang waterhoudend blijven. Het verdiepen van de grachten en het voorzien van een meer uitgesproken helling richting de grachten en de Grote Nete, zouden de larven beter in staat stellen de hoofdloop te vinden wanneer het waterpeil zakt.
Figuur 56 De waterhoudende grachten te Heynsbergen tonen veel potentieel, mits de toegang tot de waterloop toegankelijker zou worden gemaakt voor adulte kwabaal in de winter. (Foto INBO 2018)
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
83
Figuur 57 De toegankelijkheid van de waterloop naar de waterhoudende grachten en omgekeerd zou moeten worden verbeterd door de grachten meer open te maken. (Foto INBO 2018)
Sigma gebieden De Schelde en haar zijrivieren staan tot ver landinwaarts onder invloed van de getijden van de Noordzee. Dit kan lijden tot gevaarlijk hoge waterstanden en zelfs overstroming van de rivier bij extreme weersomstandigheden. Het geactualiseerde Sigmaplan heeft als doel het creëren van meer ruimte aan de rivieren om te stromen rekening houdend met de klimaatverandering, alsook het verwezenlijken van Europese natuurdoelen voor Vlaanderen. Door de Scheldenatuur te herstellen, wordt geholpen Natura 2000 netwerk te realiseren. In de Vallei van de Grote Nete wordt onder andere gedoeld op het herstellen en creëren van habitat voor roerdomp, porseleinhoen, kwartelkoning en bever (Sigmaplan.be). Ook kwabaal zou in dit rijtje kunnen worden opgenomen. In het rapport van Van Wichelen et al. (2018) werd reeds een uitgebreide beschrijving gegeven van de eisen die kwabaal stelt naar diens habitat. Tevens werden de geplande werken toegelicht en voor kwabaal belangrijke aandachtspunten opgelijst. Dit wordt hier kort herhaald. In de Vallei van de Grote Nete staan binnen het Sigmaplan reeds verschillende ingrepen gepland om de regio tegen overstromingen te beschermen en tegelijk natte natuur te laten ontwikkelen. De winterbedding zal worden hersteld en het grondwaterpeil verhoogd met behulp van rivierdrempels. Rietkragen zullen zich ontwikkelen langs de oevers en overgaan in natte graslanden. In deze biotoop voelen veel zeldzame diersoorten zoals de roerdomp, porseleinhoen, kwartelkoning, rivierdonderpad en bever zich thuis. Ook voor kwabaal kunnen bepaalde herstelmaatregelen in dit gebied een verschil maken. De maatregelen die reeds op de planning staan zoals ontbossen en openhouden van het gebied, alsook het voorzien of verbeteren van grachten en (tijdelijk) met de waterloop geconnecteerde poelen zou de kwabaal zeker ten goede komen. Er dient wel opgelet te worden dat de poelen en overstroomde vlaktes waterhoudend zijn in de voor kwabaal meest cruciale periode (dit is van begin december tot eind april). Tevens moeten de juvenielen na hun ontwikkeling naar de waterloop kunnen terugkeren alvorens het waterlichaam waarin ze zich bevinden, droog komt te vallen. Ook migratieknelpunten voor vis dienen te worden opgelost, zodat adulte kwabaal de paailocaties kan optrekken in de winter. Vandaag bestaan de mondingen van zijlopen in de Grote Nete nog vaak uit buizen voorzien van kleppen, 84
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
waardoor vispassage wordt verhinderd. Door het herstel van de verbindingen tussen de zijwaterlopen en de Grote Nete kunnen vissen zich weer vrij bewegen en krijgt de rivier haar natuurlijke overstromingsdynamiek terug. Op verschillende plaatsen zal de dijk die zich bevindt tussen de Grote Nete en de vallei, worden verwijderd. Eens deze Sigma gebieden zijn ingericht, is het afwachten hoe de situatie er effectief zal zijn. Het opvolgen van de locaties, zowel wat betreft de natuurlijke reproductie als de veranderingen in de gebieden en het nodige beheer, zou veel inzicht kunnen bieden in de effectiviteit en duurzaamheid van bepaalde herstelmaatregelen en inrichtingen in functie van kwabaal. Grindplassen Oorsprong (gebaseerd op Natuurlijke oevers Grindplassen, AMINAL-dossier nr. 17) In de vallei van de Grensmaas wordt langs beide zijden grind gewonnen. Door het ontginnen van dit grind ontstonden diepe plassen (tot wel 20 meter diep) met steile oevers. Hierdoor is er slechts beperkte of geen ruimte voor spontane ontwikkeling van de oevers. Wegens gebrek aan vegetatie zijn de diepe plassen biologisch weinig waardevol. In juli 1994 werd een Intentieverklaring ondertekend tussen Nederland en Vlaanderen waarin de samenwerking inzake het project Levende Grensmaas is geregeld. Dit had als doel het ontwikkelen van een grensoverschrijdende visie op de structuur en inrichting van de Grensmaasvallei. In Vlaanderen waren de drie grote doelstellingen (1) het versterken van het contact van de rivier met haar winterbed, (2) de harmonisatie en afstemming van de verschillende ruimtelijke functies, en (3) integraal waterbeheer. In een natuurlijk ingerichte Grensmaasvallei zijn meer natuurlijke rivierdynamische processen mogelijk zoals erosie, sedimentatie en overstromingen. Bij hoge waterstanden krijgt de rivier meer ruimte om te overstromen. De connectie tussen de rivier en de vallei wordt hersteld. Grindbanken, glooiende oevers, ooibossen en graslanden, plassen zowel gevoed door grondwater als door rivierwater wisselen elkaar daar af. Binnen het project Levende Grensmaas werd in eerste instantie gekeken naar de vegetatie, omdat in een structuurrijke en soortenrijke vegetatie meerdere organismen een geschikt habitat vinden. Voor vissen kan dit foerageermogelijkheden bieden, maar ook paai- en opgroeihabitat. Er werd onderzocht wat de mogelijkheden waren naar oeverinrichting door AMINAL (Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer) afdeling Natuur, in samenwerking met Natuurlijke Rijkdommen en Energie, de afdeling Maas en Albertkanaal, het herstructureringscomité, het Instituut voor Natuurbehoud en de gemeenten. Bij het inrichten van de oevers werd extra aandacht besteed aan stabiele oevers met een natuurlijk uitzicht, mooie inpassing in het landschap aangezien dit de landschapsbeleving verhoogt, vispaaiplaatsen, en de mogelijkheid voor de streekeigen flora en fauna. Er werd benadrukt dat elke locatie afzonderlijk moet worden bekeken en de eventuele ingrepen moeten worden aangepast aan de lokale omstandigheden. Herinrichtingen werden uitgevoerd en opgevolgd te Kessenich en Stokkem. Op de eerste locatie werd gewerkt met een vooroever waarachter ondiepe, rustige zones werden gecreëerd. Ook werd dood hout langs de oever gelegd met als doel het ontwikkelen van takken en wortelstructuren. Dit zou de erosie en sedimentatie beïnvloeden en vervolgens vegetatieontwikkeling toelaten. De zuidelijke oever van de oostelijke plas te Stokkem werd vergraven tot een grillig patroon waar een luwe zone ontstond achter een kleine landtong. Er werd verwacht dat de extra variatie in abiotische kenmerken aanzet zou geven aan een gevarieerde vegetatie. Op een andere locatie te Stokkem werden wilgenbundels langs de oever geplaatst. Langs de winterdijk te Stokkem werd de westelijke oever van de westelijke plas aangepakt met wilgenmatten. Het creëren van meer oeverzone in de grindplassen zal voor zowel waterplanten, invertebraten als vissen en dus ook kwabaal, een meerwaarde bieden (Dillen et al. 2005a). Voor het opgroeien van larven zijn ondiepe luwe zones van groot belang. Deze zones www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
85
warmen namelijk sneller op, en plankton is er op zonnige plekjes meestal talrijk aanwezig. Aangezien de situatie in elke grindplas anders is, is het moeilijk een algemeen besluit te vormen inzake de geschiktheid van de grindplassen voor kwabaal. Historische en huidige verspreiding kwabaal Kwabaal was en is op heden aanwezig in de Maas. Dat blijkt uit de raadpleging van historische gegevens (Vrielynck et al. 2003, Dillen et al. 2005a) en de VIS-databank. Op Figuur 55 zijn de waterlopen in oranje aangeduid waar vroeger (1840 – 1950) kwabaal aanwezig zou zijn geweest. De groene stippen tonen de huidige verspreiding (2001 tot nu). Ook in Nederland is gekend waar vroeger en nu kwabaal aanwezig was en is. Op Figuur 58 is te zien dat ook daar kwabaal aanwezig is en was in de buurt van de grindplassen. Het bekijken van de geschiktheid van de Maas en haar uiterwaarden voor kwabaal is dus zeker historisch verantwoord en zinvol.
Figuur 58 Historische en huidige verspreiding van kwabaal (Lota lota) in Nederland https://www.verspreidingsatlas.nl/V1183).
(bron:
Kwabaal doet het er momenteel echter niet zo goed. Aan de basis ligt vermoedelijk de beperkte hoeveelheid of afwezigheid van geschikt paaigebied. Het is daarom belangrijk om te onderzoeken of de grindplassen geschikt voortplantingsgebied zouden kunnen zijn voor kwabaal.
86
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Habitateisen kwabaal (gebaseerd op Dillen et al. 2005a en Pauwels et al. 2016) Algemeen De kwabaal komt zowel voor in stromende wateren als in stilstaande wateren (Bonar et al. 2000). De soort is koudwaterminnend en schemeringsactief. De kwabaal leeft over het algemeen in redelijk zuiver water. Op voorwaarde dat de zuurstofverzadiging voldoende is, kan de soort volgens Bunzel-Drüke et al. (2004b) nog wel voorkomen in licht tot matig vervuild water. De kwabaal is een soort die nogal gevoelig is aan een daling van het zuurstofgehalte. Ook verzuring vormt een probleem voor kwabaal, vooral tijdens de eiontwikkeling. Algemeen kan worden gesteld dat een pH-waarde onder 6 voor problemen kan zorgen. Uiteraard is pollutie met allerhande toxische stoffen (Stapanian et al. 2009) zoals kwik, organotin, PCB’s en PBDE’s (polybromated diphenyl ethers), net zoals bij andere soorten, ook nefast voor de persistentie van de kwabaal. De effecten van deze stoffen op de kwabaalpopulatie kunnen zowel direct (mortaliteit) als indirect (reproductiestoringen) zijn. Thermische verontreiniging is nefast voor een koudwaterminnende soort die van koude watertemperaturen afhangt voor zijn voortplanting. Omwille van haar verregaande specialisatie is de kwabaal erg gevoelig aan natuurlijke en antropogene verstoringen in het habitat. Ze kunnen dan ook beschouwd worden als een soort indicatorsoort voor de graad van habitatverstoring (Stapanian et al. 2009). Allerhande normalisatie- en regulatiewerken en de verlaging van het grondwaterniveau hebben de achteruitgang van de kwabaal in de hand gewerkt maar de allerbelangrijkste oorzaak van achteruitgang is toch wel het verlies van de eenheid tussen de waterloop en haar uiterwaarde mét een natuurlijke overstromingsdynamiek. Hierdoor verdwenen de ideale ‘kinderkamers’ voor de kwabaal, namelijk de in het voorjaar langdurig geïnundeerde overstromingsvlakten (Bunzel-Drüke et al. 2004b, Bosveld 2015, Bosveld et al. 2014). Verlaging van het grondwaterniveau zorgde er naast een verdroging van de oorspronkelijke waterrijke uiterwaarden ook voor dat er minder grondwaterinstroom is in de waterloop waardoor de kwabalen in de zomer een bescherming tegen hoge watertemperaturen verliezen. Daarnaast veranderden de antropogene activiteiten ook de rivierdynamiek waardoor meanderende, heterogene waterlopen veranderden in zeer uniforme watergangen. Hierdoor verminderde het geschikte habitat voor (sub)adulte kwabalen aanzienlijk aangezien (sub)adulte kwabalen vooral veel schuilplaatsen nodig hebben in de vorm van structuurelementen zoals holle oevers, diepe stroomkommen, etc. Ook de aanwezigheid van kunstwerken zorgen naast de laterale versnippering ook de longitudinale versnippering binnen en tussen de waterlopen ervoor dat de kwabaal potentieel geschikte paaigronden niet meer kon bereiken waardoor de soort achteruitging. De kwabaal is over het algemeen sedentair maar in de herfst/winter trekt hij kleine zijriviertjes, beekjes, afwateringsgrachtjes en nevengeulen op zoek naar geschikte paaigronden. Niet alleen onpasseerbare hoogtes zoals stuwen, etc. kunnen een probleem zijn voor de kwabaal maar ook sterke stroomsnelheden die bv. door sifons veroorzaakt worden. Door zijn cilindrisch lichaam heeft de kwabaal een lage zwemcapaciteit en uithouding, zelfs de grote vissen kunnen zich maar 10 min handhaven in een stroming van 25 cm/s of meer (Jones et al. 1974). Siltatie door een veranderde rivierdynamiek kan de achteruitgang van de kwabaal mee in de hand gewerkt hebben. Alhoewel kwabalen turbide waters verkiezen (Chen 1969), zoeken ze tijdens de paai toch helder water op aangezien de eitjes en ook de pas uitgezwommen larven heel gevoelig zijn aan siltatie. Door afzet van fijn materiaal zoals modder kunnen ze verstikken en afsterven.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
87
Paaihabitat De kwabaal wordt over het algemeen na 3 à 4 jaren geslachtsrijp (Farkas 1993) maar onder optimale omstandigheden kunnen de mannetjes soms al na 1 jaar matuur worden (Stipek 1992) en de vrouwtjes na twee jaar (Müller 1961, pers. obs.). Kwabalen paaien in de winter, in onze contreien meestal tussen eind december en begin januari (Müller 1961). De paaiperiode is kort en duurt meestal maar een 2 à 3 weken (Harsányani en Aschenbrenner 1992, McPhail en Paragamian 2000). Sommige kwabaalpopulaties uit meren paaien jaarlijks in het meer zelf op ondiepe plaatsen nabij de oever op een bodem van stenen, kiezel of zand, terwijl andere telkens de zijrivieren optrekken om er te paaien (McPhail 1997). Riviergebonden kwabalen paaien op ondiepe plekken (20 tot 50 cm) met een zwakke stroming van maximaal 15 cm/s (Farkas 1993) in kleine zijlopen en afwateringsgrachten, in zijarmen, in nevengeulen binnen de uiterwaarde van de rivier en ook in de geïnundeerde overstromingsvlakten zelf. In beken migreren de kwabalen vaak naar de diepere zijbeken met vegetatie, terwijl plaatsen met een modderlaag worden vermeden. De paaimigratie start in de herfst en wordt getriggerd door de watertemperatuur en de afvoer (Paragamian et al. 2005, Paragamian & Wakkinen 2008, Dillen et al. 2005a). In de literatuur spreekt men meestal van paaitemperaturen tussen 0 en 4 °C (Müller 1961, Harsányani en Aschenbrenner 1992). Toch wordt er ook melding gedaan van paai bij temperaturen buiten deze range, namelijk bij temperaturen tot 6 °C en zelfs meer (Becker 1983, Dillen et al. 2005a, pers. obs.). Na het afleggen van de eitjes, zweven ze in de onderste lagen van het water waardoor ze zich verspreiden onder invloed van de wind en stroming naar luwe oeverzones, inhammen en zijarmen waar ze settelen tussen de stenen op de bodem en ontluiken (Meshkov 1967). Volgens Sorokin (1971), McPhail (1997) en Kainz en Gollmann (1996) daarentegen ontwikkelen de eitjes zich meestal op de paaigrond zelf. Een lichte stroming van 3 cm/s zorgt ervoor dat de eitjes regelmatig worden opgeschud waardoor ze vrijgemaakt worden van sediment en voldoende zuurstof krijgen (Sorokin 1971). Siltatie is namelijk een groot probleem voor kwabaaleitjes, door de afzet van modder op de eischaal, kunnen ze verstikken en afsterven (Fabricius 1954, McPhail 1997). Anderzijds zou volgens Farkas (1993) de staartbewegingen van het vrouwtje er juist voor dat de eitjes tot op een diepte van 4 cm in het sediment worden gegraven waardoor ze o.a. tegen vraat beschermd worden. Afgezette kwabaaleitjes zijn gevoelig voor vraat. Paaigronden hebben idealiter dus een lage roversdruk. Opgroeihabitat De watertemperatuur is een van de belangrijkste factoren die de incubatietijd en het succes van het uitzwemmen van de larven bepaalt (Bermudes en Ritar 1999). Kwabaaleitjes zijn, vooral tijdens de eerste dagen van hun ontwikkeling, stenotherm, d.w.z. dat ze zeer gevoelig zijn voor temperaturen buiten hun optimale temperatuurrange en voor temperatuurschommelingen (Lahnsteiner et al. 2012). Nadien zijn ze minder gevoelig en verdragen ze hogere temperaturen en schommelingen. Net zoals voor de paai, lopen ook voor de ontwikkeling van de kwabaaleitjes de in de literatuur vermelde thermale optima sterk uiteen. De meeste auteurs spreken van een optimum tussen 0 en 2 °C. Jäger et al. (1981) daarentegen spreken van een optimum tussen 4 en 7 °C. Uit een incubatieexperiment met Franse kwabaaleitjes uitgevoerd op de viskwekerij van het INBO in Linkebeek is gebleken dat een constante watertemperatuur tussen 4 en 6 °C optimaal is voor de incubatie van de eitjes. Bij 6 °C ontlook 74 % van de eitjes in normaal ontwikkelde, gezonde larven. Bij 8 °C was dat nog maar 18 %. Een temperatuur van 10 °C bleek lethaal voor de eitjes of alleszins toch tijdens de eerste dagen in de ontwikkeling want nadien verdragen de eitjes hogere watertemperaturen.
88
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Na ongeveer 32 dagen bij 4 °C zwemmen de kwabaallarven uit (Müller 1961, Kainz en Gollmann 1996). Jonge kwabaallarven zijn pelagisch, maar nogal immobiel en worden door (wind-gerelateerde) stroming passief meegevoerd (drift) van de paaigronden naar luwe zones tussen vegetatie langs de waterlijn, in inhammen, zijarmen en bij hoog water in overstromingsvlakten (Müller 1961, Koporikov en Bogdanov 2011). In rivieren komen de pelagische larven tijdens de hoge waterstanden in de overstromingsvlakten terecht. Het is van cruciaal belang dat de larven zich in ondiep (< 20 cm), (bijna) stilstaand water bevinden. In tegenstelling tot de volwassen dieren zijn de kwabaallarven sterk positief fototactisch (Taylor en McPhail 2000) en leven in de bovenste waterlagen. Ze zijn dan ook heel makkelijke prooien voor andere zoetwatervissen (Hochleithner 2002), wat een hoge mortaliteit veroorzaakt (Carl 1992). De larven zijn pelagisch en zwemmen in scholen niet te ver van de waterkant (Ryder & Pesendorfer 1992). De kwabaallarven zelf voeden zich vooral met copepoden en watervlooien. De larven hebben in het begin erg veel voedsel nodig en een groot aanbod aan (zoö)plankton is dus van cruciaal belang voor een goede overleving (Miller et al. 1988). Over het algemeen zijn overstromingsgebieden rijk aan zoöplankton, dat goed gedijt in het snel opwarmende water (Van Kessel et al. 2012). We kunnen dus besluiten dat voor een goede overleving en groei van de ‘hulpeloze’ pelagische kwabaallarven de beschikbaarheid van water dat: -
bij voorkeur stilstaand of zéér zwakstromend is voldoende litorale zone heeft rijk aan plankton is weinig rovers- en concurrentiedruk heeft
essentieel is. In het voorjaar langdurig geïnundeerde overstromingsvlakten voldoen aan al die criteria. Door de snelle opwarming van het ondiepe stilstaande water, is er op korte tijd een enorme explosie aan plankton en door de tijdelijkheid van de systemen is er weinig tot geen roversdruk en concurrentie. Ze zijn dan ook de ideale ‘kinderkamers’ voor de kwabaallarven op voorwaarde dat ze én bereikbaar zijn én op het juiste moment én lang genoeg overstroomd zijn, idealiter van half februari tot eind april zodat de eitjes of pas ontloken larven in de overstromingsvlakten kunnen ontwikkelen en de gemetamorfoseerde kwabaallarven met het langzaam wegtrekkende water mee naar de hoofd- en zijlopen kunnen trekken (Bunzel-Drüke et al. 2004a). Habitat voor (sub)adulten Vanaf een lengte van 1,5 cm (Ghan en Sprules 1993) tot 3 cm (Hochleithner 2002, Müller 1961) metamorfoseren de kwabaallarven. Ze worden lichtschuw, verdwijnen uit de bovenste waterlagen en gaan solitair op de bodem tussen stenen en planten leven. De distributie van de jonge kwabaaltjes wordt dan ook sterk bepaald door de aanwezigheid hiervan. Ze vertonen ook ‘burrowing behaviour’, dit is het graven van een soort tunnels in de bodem (Ryder en Pesendorfer 1992). Ze zijn vanaf dit stadium niet meer zo gevoelig voor stroming, concurrentie en roversdruk (Bunzel-Drüke 2004a) en mijden het licht. De volwassen kwabalen leven in de hoofdloop (1,5 m diep) zelf, liefst verscholen in holle oevers, uitgesleten stroomkommen, tussen waterplanten enz. Algemene herstelmaatregelen De allerbelangrijkste herstelmaatregel voor kwabaal, die nauw samenhangt met het herstel van de natuurlijke rivierdynamiek, is het herstel van de eenheid tussen waterloop en haar uiterwaarde (met typische structuur) mét haar natuurlijke overstromingsdynamiek (BunzelDrüke et al. 2004b, Laves 2011). Hierdoor wordt potentieel larvaal habitat, namelijk de ondergelopen overstromingsvlakten zelf, maar ook de andere typische waterhoudende systemen binnen de uiterwaarde (zoals grachtjes, oude meanderarmen, poeltjes, plas- en
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
89
draszones, wielen, etc.) terug beschikbaar. Door hun waterrijkdom zijn uiterwaarden in vele gevallen ecologisch belangrijk en uiterst waardevol. Wanneer herstel van overstromingsvlakten onmogelijk is, kan het herstel (Laves 2011) en aankoppeling van grachten of de aanleg van met de waterloop geconnecteerde, tijdelijke ondiepe poelen die vanaf eind februari waterhoudend zijn en vanaf half april geleidelijk terug leeglopen naar de waterloop een mogelijke herstelmaatregel voor kwabaal zijn. Op deze manier creëert men opgroeihabitat voor de uitgezwommen kwabaallarven. Wanneer deze poelen, door het ontbreken van geschikt paaihabitat in de hoofd- en zijlopen, naast opgroeihabitat ook als paaiplaats moeten dienen, moeten ze vanaf begin december waterhoudend zijn tot half april. Door het droogvallen van deze poelen tijdens de zomermaanden kan de roversdruk in de plassen laag worden gehouden en kan zich een grazige vegetatie ontwikkelen die ideaal is voor kwabaallarven (cfr. overstroomde weilanden als ideale kinderkamers voor kwabaal) en voor een goede planktonontwikkeling in het voorjaar. Naast de laterale ontsnippering is het ook belangrijk werk te maken van longitudinale ontsnippering (Laves 2011). De kwabaal is over het algemeen sedentair maar in de herfst/winter onderneemt hij een paaimigratie naar geschikte paaigronden. Het wegwerken van migratieknelpunten zorgt ervoor dat de kwabaal potentiële paaigebieden in kleine zijriviertjes, zijbeken, nevengeulen en grachten kan bereiken om er te paaien en dat is van cruciaal belang voor de overleving van een soort. Vistrappen werken echter maar zeer selectief voor de kwabaal (Fredrich en Arzbach 2002). Geschiktheid grindplassen In het stroomgebied van het Baikalmeer werden rivierdelta’s en met de rivieren geconnecteerde meren en plassen gebruikt als opgroeihabitat door de larven (Sorokin, 1971). Ook Degerman en Sers (1994) stelden vast dat meren verbonden aan rivieren een positieve invloed hadden op de populatiegrootte van kwabaal in die rivieren. Hierbij kunnen de meren dienst doen als opgroeihabitat voor kwabaallarven. Het is dus duidelijk dat kwabaallarven vooral gebruik maken van ‘off channel’ habitats, d.w.z. habitats buiten de hoofdloop zelf. Degerman en Sers (1994) geven 5 mogelijke verklaringen waarom dergelijke meren zo belangrijk zouden zijn voor kwabaal: 1) deze meren fungeren als warmteregelaar 2) ze fungeren als een moderator voor de waterkwaliteit en/of voor waterdebieten 3) ze vormen een bron van voedsel (fyto- en zooplankton) 4) ze vormen een sink voor fijne partikeltjes en detritus, en 5) ze kunnen worden gebruikt als een brongebied van waaruit kolonisatie van de rivier mogelijk is, of als refugium bij ongunstige omstandigheden in de rivier. Vermits kwabaallarven zich aanvankelijk voeden met fytoplankton, gevolgd door zoöplankton, is het inderdaad mogelijk dat één van de belangrijkste functies van meren (en ook ondiepe overstromingsgebieden) bestaat uit het verschaffen van voedsel aan de larven. Verder lijkt ook de hypothese dat meren en ondiepe overstromingsgebieden een geschikt thermisch habitat bieden voor de reproductie van de kwabaal niet onwaarschijnlijk, vermits de adulte kwabalen zich enkel bij lage temperaturen reproduceren (Dillen et al. 2005a). De kwabaal zou, in diepe meren, zomertemperaturen prefereren tussen 10-12 °C en temperaturen hoger dan 13 °C vermijden (Hackney 1973, geciteerd door Edsall et al. 1993). Dillen et al. (2005a) stelde dat adulte en juveniele kwabalen in meren een stenige bodem, liefst met schuilplaatsen gevormd door keien, stenen, rotsblokken en dergelijke prefereren als microhabitat, en dat de ei-afzetting bij voorkeur gebeurt op een zandige of kleiige bodem. Naast het herstel van de natuurlijke overstromingsdynamiek van de waterloop in haar vallei, kan dus ook de (her)aantakking van grindplassen aan de rivier een meerwaarde bieden voor onder andere kwabaal. In welke mate elke grindplas heden potentieel heeft als habitat voor 90
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
kwabaal is echter moeilijk te zeggen zonder specifieke gegevens. Verschillende parameters zijn nodig om een inschatting te kunnen maken naar het potentieel als paaihabitat, larvaal habitat en/of habitat voor (sub)adulten. Afhankelijk van de waterdiepte zal de plas sneller of trager afkoelen en opwarmen. Dit is bijgevolg een belangrijk gegeven. De watertemperatuur bepaalt of de plas geschikt is als larvaal habitat, en of juvenielen en adulten ook kunnen overleven indien deze niet voor de zomer de hoofdloop kunnen bereiken. Het bereiken van de waterloop hangt dan weer af van de connectiviteit met de rivier. Gaat het om een permanente verbinding, of ontstaat de verbinding slechts bij zeer hoge waterstanden? Hoeveel schuilplaatsen zijn er aanwezig voor juvenielen en adulten? Hoeveel litorale zone is er beschikbaar, is hier voldoende voedsel en vegetatie aanwezig? Een reeks aan parameters zou moeten worden opgemeten om een duidelijk beeld te krijgen van hoe geschikt de grindplassen zijn voor kwabaal en wat eventuele maatregelen zijn om deze (nog) geschikter te maken. In 2016 werden kwabaallarven uitgezet in enkele grindplassen naast Negenoord en te Hochterband (Vandamme et al. 2017). Op beide locaties bleek de overleving van de larven wisselend succes te hebben. De larven bleken goed te overleven in de ene plas (Figuur 59), terwijl ze in de plas er naast niet meer werden teruggevonden. De geschiktheid moet daarom op microschaal worden bekeken indien met een gedetailleerd inzicht wil krijgen in de geschiktheid van de plassen. Algemeen kunnen we vermoeden dat op basis van de literatuur en de (historische) verspreiding van kwabaal, de grindplassen potentieel hebben mits er (1) herstelmaatregelen zijn genomen om de oeverzone uit te breiden en te verbeteren, (2) deze ondiepe oeverzone snel kan opwarmen en voorzien in voedsel voor kwabaallarven, (3) deze plas tegelijk ook voldoende diep is om habitat te voorzien voor juvenielen en adulten, (4) alsook bereikbaar is voor de paairijpe adulten en dus goed (tijdelijk) geconnecteerd is met de waterloop.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
91
Figuur 59 Grindplas te Hochterband waar larven en een juveniel werden terug gevangen. (Foto INBO 2016)
92
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
2.2 Onderzoek van de potenties voor de uitbreiding van het areaal van beekprik 2.2.1 Situering Beekprik zou in principe het volledige boven- en middenlopengebied van onze rivieren moeten kunnen bevolken. Op Europees vlak en in eigen land is de soort echter sterk achteruitgegaan. Beekprik heeft maar een beperkte migratiecapaciteit. Voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling (IHD) is een areaaluitbreiding noodzakelijk. In sommige waterlopen waar de soort vroeger historisch voorkwam, is het weinig waarschijnlijk dat de soort in staat zal zijn deze op eigen kracht te herkoloniseren.
2.2.2 Doelstelling Het doel van dit luik is om na te gaan of bepaalde (historische) trajecten (terug) geschikt zijn voor beekprik. Hiervoor wordt onderzocht welke de voornaamste huidige knelpunten zijn in die trajecten, die het overleven en uitbreiden van beekprikpopulaties verhinderen, en wat de potenties zijn van een bepaald traject voor beekprik door een evaluatie van de habitatgeschiktheid. Dit onderzoeksluik bouwt verder op de bevindingen van de onderzoeksprogramma’s 2014, 2015, 2016 en 2017. In die onderzoeksluiken werd een evaluatiemethode opgesteld op basis van expertkennis en data over de aan- en afwezigheid van beekprik versus de habitatkwaliteit. De methode bestaat er in om 19 omgevingsvariabelen te onderzoeken op hun geschiktheid voor beekprik. Deze methode werd in de onderzoeksprogramma’s van 2016 en 2017 toegepast op telkens 10 historische beekprikwaterlopen of waterlopen waarvan vermoed wordt dat ze enigszins geschikt zijn, om de huidige potenties van deze waterlopen voor beekprik te evalueren aan de hand van twee 100 m trajecten per waterloop. Eén traject werd telkens geëvalueerd op zijn potenties als larvaal habitat en één traject werd geëvalueerd op zijn potenties als paaihabitat. In dit onderzoeksluik wordt de evaluatiemethode opnieuw toegepast op 5 andere, door de stuurgroep voorgestelde, Vlaamse waterlopen waar men redelijke potenties verwacht voor de overleving van beekprik. De analyse a.d.h.v. deze methode evalueert de potenties voor de overleving van de soort in de waterloop en verduidelijkt de belangrijkste knelpunten die het voorkomen van beekprik in deze 5 waterlopen verhinderen. Voor deze evaluatie worden waterkwaliteits-, hydromorfologische en biologische gegevens verzameld op tien 100m-trajecten verspreid over de 5 waterlopen. Behalve veldmetingen, worden ook bestaande gegevens geraadpleegd voor de evaluatie van de geschiktheid voor beekprik. Specifiek gaat het over beschikbare gegevens van VMM via de geoloketten voor waterkwaliteit en vismigratie, van INBO via het Vis Informatie Systeem en van de provincies m.b.t. de beheersactiviteiten.
2.2.3 Selectie waterlopen Op basis van rechtstreeks advies van de stuurgroep werden volgende 5 waterlopen voorgesteld om te worden geëvalueerd op hun geschiktheid als beekprikhabitat:
Scherpenbergenloop (Meerhout) Visbeek (Zoersel) Schoorbroekbeek (Hoegaarden) Zevenbronnenbeek (Wezeren) Jordaan (Babelom)
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
93
2.2.4 Materiaal en methode 2.2.4.1
Selectie waterlopen en trajecten
Voorafgaand aan het eigenlijke veldwerk werd een prospectie van elke geselecteerde waterloop uitgevoerd om een idee te verkrijgen van 1) de ruimtelijke variatie en 2) de toegankelijkheid in functie van de bemonsteringen (bereikbaarheid, waterdiepte, etc.). Daarna werd een traject van 100 meter afgebakend welke visueel de meeste potenties bood als paaihabitat (meestal op basis van aanwezigheid stenig substraat of op basis van bestaande INBO-gegevens over substraatkenmerken). Vervolgens werd op minder dan 3 km stroomafwaarts een tweede traject van 100 m afgebakend dat beoordeeld werd als potentieel larvaal habitat. Op die manier werden in de 5 verschillende waterlopen telkens 2 waterloopsegmenten bemonsterd, resulterend in 10 locaties die verder in dit onderzoek geëvalueerd werden naar hun geschiktheid voor beekprik. Aan de hand van de veldprospectie in het najaar van 2018 bleek de Zevenbronnenbeek (Figuur 61) grotendeels dichtgeslibd waarbij in de bovenloop nergens potentieel paaihabitat werd aangetroffen. Enkel in de benedenloop, waar de hydromorfologie evenwel vrij artificieel is, werd hier en daar stenig substraat aangetroffen. De Zevenbronnenbeek mondt te Walsbets uit in de Dormaalbeek die ter hoogte van de oude watermolen beschikt over een uitgebreid grindbed en meer stroomafwaarts ook nog over gedeelten met zandig en slibbig substraat. Op basis van deze waarnemingen werd beslist om de Dormaalbeek te evalueren i.p.v. de Zevenbronnenbeek. Een overzicht van de locaties (zie ook Figuur 60) en staalnamedata van de 10 geëvalueerde locaties is terug te vinden in Tabel 7.
Figuur 60 Overzicht van de geselecteerde waterlopen waar de habitatgeschiktheid voor beekprik werd geëvalueerd tijdens het najaar van 2018.
94
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 61 De Zevenbronnenbeek met de op het moment van de prospectie volledig droogstaande en dichtgegroeide bovenloop (a), het gedeeltelijk gekanaliseerde gedeelte gelegen in het waterwinningsgebied t.h.v. de Lazarij (b-f), een vismigratieknelpunt (duiker) te Wezeren (g), aanwezigheid van grofkorrelig bodemsubstraat te Janshoven (h) en positieve (bufferstrook) en negatieve (uitlogende mestvaalt) inkleding van de oeverstroken t.h.v de Lazarij (i-j).
2.2.4.2
Veldmetingen
Op een centraal punt in elk traject werd met een multimeter de zuurstofconcentratie, temperatuur, pH en geleidbaarheid opgemeten. Op 30 punten (10 transecten x 3 punten/transect) in elk traject werd de waterdiepte bepaald met een peilstok. Op elk punt werd ook 1. de slibdikte bepaald door de peilstok doorheen de sliblaag te duwen tot op het harde substraat en 2. de stroomsnelheid gemeten op 2 verschillende dieptes (5 cm onder het wateroppervlak en 5 cm boven de bodem). Op 9 punten (3 transecten x 3 punten/transect, 1 www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
95
aan het begin, 1 in het midden en 1 aan het einde) van elk traject werd met een steekbuis een sedimentstaal genomen waarvan de bovenste 5 cm werd afgescheiden. Alle sedimentstalen per traject werden samengebracht in een gelabelde 1L pot en tijdens transport koel bewaard. In het labo werden ze bij -20 °C bewaard tot verdere analyse. Langs elk traject werd een visuele inschatting gemaakt van de aan-/afwezigheid van dood hout, sedimentbanken, waterplanten, meandering, stromingsvariatie, beschaduwing, migratiebarrières en procentuele inschatting omringend landgebruik (met inbegrip van vertrappeling door vee). Om een snelle inschatting van de biologische waterkwaliteit te maken op het moment van staalname werd op elk traject een macro-invertebraten bemonstering uitgevoerd ter bepaling van de biotische index (BBI). Deze bemonstering gebeurde over het gehele traject met een handnet (via ‘kick-sampling’: al zigzaggend stroomopwaarts achteruit lopend). Daarna werden ook nog waterplanten en stenen manueel bemonsterd door ze te spoelen in het net. De BBI werd ter plaatse bepaald op basis van het aantal aanwezige systematische eenheden en een aantal indicatortaxa. Van alle taxa werden een aantal exemplaren ter verifiëring in een 50 ml flesje op ethanol bewaard. Deze gegevens schetsen een ruw beeld van de waterkwaliteit en moeten als aanvullend worden gezien voor die locaties waar geen afdoende gegevens beschikbaar zijn via de reguliere meetnetten.
Tabel 7 Geografische specificaties van de onderzochte trajecten op de 10 geselecteerde waterlopen (BG: breedtegraad, LG: lengtegraad, SA: stroomafwaarts, SO: stroomopwaarts). Datum staalname
15/10/2018 15/10/2018 16/10/2018 16/10/2018 18/10/2018 18/10/2018 18/10/2018 18/10/2018 19/10/2018 19/10/2018
2.2.4.3
Waterloop
habitat
Scherpenbergenloop Scherpenbergenloop Visbeek Visbeek Schoorbroekbeek Schoorbroekbeek Jordaan Jordaan Dormaalbeek Dormaalbeek
larvaal paai larvaal paai larvaal paai larvaal paai larvaal paai
BG SA
51.146242 51.143971 51.245864 51.255644 50.769344 50.773543 50.804005 50.801993 50.742773 50.736975
LG SA
5.035648 5.06752 4.741925 4.734701 4.85217 4.853816 4.846699 4.827768 5.085219 5.084456
BG SO
51.146354 51.144188 51.246424 51.256278 50.769797 50.774205 50.803926 50.801725 50.742538 50.736641
LG SO
5.036748 5.068764 4.741678 4.735504 4.851695 4.854253 4.845824 4.826534 5.084903 5.085311
Labowerk
Van het bodemstaal werd het gehalte aan organisch materiaal en de korrelgrootteverdeling bepaald. Het staal werd hiervoor eerst gedroogd bij 105 °C in een porseleinen kroesje waarna het drooggewicht werd bepaald. Nadien werd het gedroogde staal verbrijzeld en in een moffeloven bij 550 °C gedurende 4 uur verast waarna opnieuw het gewicht werd bepaald. Het veraste staal werd gezeefd over een zeeftoren van zeven met maaswijdtes van 4, 2, 1, 0.5, 0.25, 0.125 en 0.063 mm waarna van elke fractie het gewicht werd bepaald. Een aantal van de met het net in het veld verzamelde macro-invertebraten werden na staalname bewaard in ethanol en nadien verder geïdentificeerd. De identificatiegegevens werden gebruikt voor de bepaling van de Belgische Biotische Index (BBI).
2.2.4.4
Beschikbare bestaande gegevens
De aanwezigheid van vismigratieknelpunten, hun type en status (opgelost of niet opgelost) werd gecontroleerd via het Geoloket Vismigratie van VMM (http://vismigratie.vmm.be/vismigratie/). De aanwezigheid van potentiële bronpopulaties of de afstand tussen aanwezige populaties en de onderzochte locatie werd gecontroleerd in GIS op basis van de meest recente verspreidingskaart van beekprik (zie Vught et al. 2015 en
96
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Pauwels et al. 2016). Het uitgevoerde beheer t.h.v. de onderzochte waterloopsegmenten werd opgevraagd bij medewerkers van de provincies of VMM. Hoewel de waterkwaliteit m.b.v. een puntmeting tijdens het veldwerk opgemeten werd en via de macroinvertebratenstalen een beeld verkregen werd van de biologische waterkwaliteit, werden ook via het Geoloket Waterkwaliteit van de VMM (http://geoloket.vmm.be/Geoviews/) gegevens opgevraagd. Deze gegevens betroffen zuurstofverzadiging en biochemisch zuurstofverbruik, watertemperatuur, pH, geleidbaarheid, de BBI (macroinvertebratenindex) en opgeloste stikstofconcentraties (NO3-N, NO2-N). Deze gegevens waren helaas niet voor alle meetpunten beschikbaar en dateren soms van enkele tot vele jaren geleden (periode 1995 – 2018). De begeleidende vissoorten werden niet bevist tijdens de staalnamecampagnes maar hun aan- of afwezigheid ter hoogte van de trajecten werd geraadpleegd via de VIS databank van INBO.
2.2.4.5
Toegepaste evaluatiemethode
De locaties werden beoordeeld naar hun geschiktheid als beekprikhabitat m.b.v. de evaluatiemethode die hiervoor specifiek werd ontwikkeld en reeds eerder werd toegepast (zie Pauwels et al. 2016, Vandamme et al. 2017, Van Wichelen et al. 2018). De evaluatie gebeurt aan de hand van specifieke geschiktheidsregels voor een aantal relevante variabelen. Die regels definiëren per variabele een geschiktheidsindex (GI) waarbij waarden als geschikt (GI = 1), matig geschikt (GI = 0.5) of ongeschikt (GI = 0) worden beschouwd voor het voorkomen van beekprik. De GI’s worden later met elkaar verrekend om een globaal geschiktheidsbeeld te bekomen. De methode moet gezien worden als een hulpmiddel bij het evalueren van de geschiktheid van een locatie voor beekprik, waarbij met zoveel mogelijk essentiële variabelen rekening gehouden wordt. Voor enkele variabelen uit het derde stadium van de evaluatiemethode werd geopteerd om de mogelijkheid tot een GI gelijk aan 0 weg te laten, om de impact van deze variabelen op de eindscore te verkleinen. Het totaalbeeld van de geschiktheid wordt weergegeven in de verschillende GI’s en HGI’s per stadium en minder in de ene finale eindscore over alle stadia heen. De evaluatiemethode bestaat uit drie grote evaluatiestadia. In het eerste stadium wordt enerzijds de geschiktheid van de waterkwaliteit bepaald aan de hand van de zuurstofverzadiging (V1), de watertemperatuur (V2) en het biochemisch zuurstofverbruik (V3) en anderzijds ook de hydromorfologische geschiktheid geëvalueerd aan de hand van de aanwezigheid van migratiebarrières en (een) bronpopulatie(s) van beekprik (V4). Voor beide componenten wordt aan de hand van de variabelen een geschiktheid bepaald (HGI 1 en HGI 2) en het minimum van deze twee geschiktheden bepaalt een eerste habitatgeschiktheid voor de geëvalueerde locatie (HGI 3). De berekeningen voor het bepalen van HGI 3 op basis van de GI’s van de afzonderlijke variabelen, worden weergegeven in Figuur 62. In tegenstelling tot Pauwels et al. (2016), werden hier wel alle componenten geëvalueerd per locatie, ook als de HGI van één van beide op een ongeschiktheid wees. Geschiktheidsregel V1: GI =0 bij een 25%-percentiel zuurstofverzadiging <70 % en >140 % (<7 of >12 mg/l). GI = 0.5 bij een 25%-percentiel zuurstofverzadiging van 70-80 en 100-140 % (7-9 en 10-12 mg/l). GI = 1 bij een 25%-percentiel zuurstofverzadiging van 80-100 % (9-10 mg/l).
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
97
Geschiktheidsregel V2: Voor metingen die enkel tijdens het zomerhalfjaar gebeurden: GI = 0 bij een 25%-percentiel watertemperatuur van <11 °C en >17 °C of een maximum watertemperatuur van <9 °C en >23 °C of een gemiddelde watertemperatuur van <11 °C en >18 °C GI = 0.5 bij een gemiddelde watertemperatuur van 11-12 °C en 16-18 °C. GI = 1 bij een gemiddelde watertemperatuur van 12-16 °C. Voor metingen die gespreid zijn over het hele jaar: GI = 0 bij een 25%-percentiel watertemperatuur van <3 °C en >17 °C of een maximum watertemperatuur van <9 °C en >23 °C of een gemiddelde watertemperatuur van <5 °C en >18 °C. GI = 0.5 bij een gemiddelde watertemperatuur van 5-10 °C en 16-18 °C. GI = 1 bij een gemiddelde watertemperatuur van 10-16 °C. Geschiktheidsregel V3: GI = 0 voor een 75%-percentiel van het biochemisch zuurstofverbruik >4,5 mg L-1. GI = 0.5 voor een 75%-percentiel van het biochemisch zuurstofverbruik van 2,3–4,5 mg L-1. GI = 1 voor een 75%-percentiel van het biochemisch zuurstofverbruik van <2,3 mg L-1.
Naar analogie met voorgaande rapporten (Vandamme et al 2017, Van Wichelen et al. 2018), werd bij de evaluatie van de 10 locaties geopteerd om naast het biochemisch zuurstofverbruik ook de BBI te evalueren. De reden hiervoor is dat voor de Jordaan en de Dormaalbeek geen recente BZV-data beschikbaar zijn. Een idee van de waterkwaliteit kan eveneens worden verkregen op basis van de samenstelling van de macroinvertebratengemeenschap van en de berekening van de BBI (zie boven). De bepaling van de GI op basis van de BBI steunt op de vijf gehanteerde kwaliteitsklassen als volgt: GI = 1 voor zeer goede en goede kwaliteit (BBI 7-10) GI = 0.5 voor een matig kwaliteit (BBI 5-6) GI = 0 voor een slechte kwaliteit (BBI 0-4) Geschiktheidsregel V4: GI V4 = GI migratiebarrières x GI bronpopulaties. GI migratiebarrières = 0 wanneer er binnen een stretch van 3 km stroomafwaarts van de meetlocatie minstens één vismigratieknelpunt aanwezig is. GI migratiebarrières = 0.5 wanneer er binnen een stretch van 3 km stroomafwaarts van de meetlocatie een tijdelijk (vb. afhankelijk van het debiet) of gedeeltelijk (vb. slecht opgelost) vismigratieknelpunt aanwezig is, of wanneer er een migratieknelpunt aanwezig is tussen de meetlocatie en de hoofdloop (kolonisatie uit andere rivieren onmogelijk). Ook wanneer enkel opgeloste knelpunten (en geen niet-opgeloste) aanwezig zijn in de buurt van de geëvalueerde locatie, werd de GI op 0.5 ingesteld, omdat deze oplossingen niet altijd op beekprik gericht zijn en mogelijks niet helemaal optimaal werken. Deze zouden per knelpunt in het veld geëvalueerd moeten worden om een correct beeld te kunnen vormen van de GI. 98
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
GI migratiebarrières = 1 wanneer er minstens binnen een stretch van 3 km, maar preferentieel tot aan de hoofdloop, geen enkel migratieknelpunt aanwezig is en vrije vismigratie mogelijk is. GI bronpopulaties = 0 wanneer er geen populatie beekprik in de waterloop, hoofdloop of directe zijlopen aanwezig is. GI bronpopulaties = 1 wanneer er wel een populatie beekprik in de waterloop, hoofdloop of directe zijloop aanwezig is. Berekening HGI 1 (Figuur 62) Omdat van de drie waterkwaliteitsvariabelen (V1, V2 en V3) de zuurstofverzadiging als de belangrijkste aanschouwd wordt, wordt de HGI 1 als volgt bepaald: HGI 1 = V1 x min(V2, V3). Berekening HGI 2 (Figuur 62) HGI 2 = GI V4 (zie boven). Berekening HGI 3 (Figuur 62) HGI 3 = min(HGI 1, HGI 2).
Figuur 62 Schematische weergave van de berekening van HGI 1 op basis van de GI’s van zuurstofverzadiging, biochemisch zuurstofverbruik en temperatuur, de berekening van HGI 2 op basis van de GI’s van de variabele migratiebarrières en de combinatie van HGI 1 en 2 tot een algemene HGI (HGI 3) voor het eerste stadium van de evaluatie.
In het tweede stadium worden vier hydromorfologische variabelen geëvalueerd waarvan op basis van verschillende bronnen gekend is dat hun goede toestand essentieel is voor de aanwezigheid van beekprik. Deze variabelen zijn: het beheer van de waterloop (V5), de stroomsnelheid aan bodem (en oppervlakte) (V6), samenstelling van het bodemsubstraat (V7) en begeleidende vissoorten (V8). Van deze vier variabelen worden beheer (V5) en begeleidende vissoorten (V8) als de meest bepalende aanschouwd, in dat opzicht dat het niet voldoen van een locatie aan de goede toestand van deze variabelen voor beekprik, snel leidt tot een ongeschiktheid. In deze studie werd de stroomsnelheid aan de bodem gebruikt voor het bepalen van de GI. De stroomsnelheid aan het oppervlak werd eveneens
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
99
opgemeten en vergeleken met de stroomsnelheid boven de bodem om eventuele grote verschillen op te sporen. Geschiktheidsregel V5: GI = 0 bij volledige slibruimingen van de beek, graafwerken, wijzigingen in de loop van de beek of aantasting van het natuurlijk afvoerregime GI = 0.5 bij uitvoering van werken die gefaseerd worden in de tijd en in de ruimte of waarbij maatregelen getroffen worden om de populatie minimale schade toe te brengen (vb. translocatie) GI = 1 bij afwezigheid van beheer, afwezigheid van aantasting van de natuurlijke loop van de rivier en afwezigheid van aantasting van het natuurlijke afvoerregime Geschiktheidsregel V6: GI = 0 voor stilstaande waterlichamen voor larvaal en adult habitat, en gemiddelde stroomsnelheden van >50 cm/s voor larvaal habitat GI = 0.5 voor gemiddelde stroomsnelheden tussen 25 en 50 cm/s voor larvaal habitat GI = 1 voor gemiddelde stroomsnelheden van 2 tot 25 cm/s voor larvaal habitat en 20–300 cm/s voor adult habitat (onderscheid tussen larvaal en adult habitat kan bepaald worden a.d.h.v. het bodemsubstraat, zie volgende paragraaf). Geschiktheidsregel V7: GI = 0 wanneer noch sedimentbanken met fijn zanderige, slibbige en kleiige samenstelling voor larven, noch kiezel tot grindbanken voor de paai in de waterloop aanwezig zijn GI = 1 wanneer sedimentbanken met fijn zanderige, slibberige en kleiige samenstelling voor larven, en kiezel tot grindbanken voor de paai in de waterloop aanwezig zijn en wanneer deze: 1) voor de sedimentbanken: een optimale, heterogene korrelgrootteverdeling hebben (zie Seeuws 1996) met optima tussen 0,12 en 0,25 mm 2) voor het paaihabitat: een korrelgrootte hebben tussen 1 en 4 mm en bovenstrooms liggen van een traject van 3 km met geschikt larvaal habitat 3) voor de sedimentenbanken: een gehalte aan organisch materiaal aanwezig is van <10 %. GI = 0.5 wanneer zandbanken voor larven, en kiezel tot grindbanken voor de paai in de waterloop aanwezig zijn, maar wanneer de kwaliteit van de sedimentbanken niet optimaal is (d.i. niet voldoen aan de beschrijving van puntjes 1-3 onder GI = 1) of het paaihabitat niet binnen het bereik ligt van gunstige sedimentbanken voor larven. Geschiktheidsregel V8: GI = 1 bij het voorkomen van rivierdonderpad en beekforel of alleen rivierdonderpad GI = 0.5 bij het voorkomen van predatoren zoals paling en driedoornige stekelbaars GI = 0 wordt niet ingesteld Berekening HGI 4 (Figuur 63) Voor de berekening van HGI 4 op basis van V5 tot en met V8, werd besloten dat de stroomsnelheid en het substraat evenwaardig zijn. Te meer omdat de stroomsnelheid tot 100
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
zekere hoogte ook mee de geschiktheid van het substraat bepaalt. Daarom telt van deze variabelen de slechtste waarde. Deze waarde wordt dan vermenigvuldigd met de GI’s van beheer en begeleidende vissoorten. HGI 4 = V5 x V8 x min(V6, V7) x HGI 3.
Figuur 63 Schematische voorstelling van de berekening van HGI 4 op basis van informatie/gegevens over het beheer van de locatie, de aanwezige begeleidende vissoorten, de stroomsnelheid en het substraat.
In het derde stadium worden opnieuw zowel waterkwaliteits- als hydromorfologische variabelen geëvalueerd. Specifiek worden er drie waterkwaliteitsen acht hydromorfologische variabelen onder de loep genomen. De waterkwaliteitsvariabelen zijn: de concentraties aan nitriet (V9) en nitraat (V10) en de pH (V11). De hydromorfologische variabelen zijn: de diepte (V12), de aanwezigheid van dood hout/takken (V13), de dikte van de sliblaag (V14), de aanwezigheid van waterplanten (V15), beschaduwing (V16), sedimentbanken (V17), meandering (V18) en het landgebruik op de oevers (V19). De onderlinge relatie tussen deze variabelen in hun effect op beekprik is minder duidelijk dan bij de variabelen in stadia één en twee. Er wordt verondersteld dat enkel wanneer één van de variabelen de geschikte toestand zwaar onder- of overschrijdt, of alle variabelen slecht scoren, het habitat ongeschikt is. In tegenstelling wordt verondersteld dat hoe meer van deze variabelen goed scoren in hun geschiktheid voor beekprik, des te groter de geschiktheid van een locatie voor beekprik en des te meer kans op een eventueel aanwezige populatie. Geschiktheidsregel V9: GI = 0 voor een 75%-percentiel van de nitrietconcentratie van >0,4 mg NO2-N L-1 GI = 0.5 voor een 75%-percentiel van de nitrietconcentratie van 0,2-0,4 mg NO2-N L-1 GI = 1 voor een 75%-percentiel van de nitrietconcentratie van <0,2 mg NO2-N L-1 Geschiktheidsregel V10: GI = 0 voor een 75%-percentiel van de nitraatconcentratie van >8 mg NO3-N L-1 GI = 0.5 voor een 75%-percentiel van de nitraatconcentratie van 5-8 mg NO3-N L-1 GI = 1 voor een 75%-percentiel van de nitraatconcentratie ≤5 mg NO3-N L-1
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
101
Geschiktheidsregel V11: GI = 0 voor een gemiddelde pH <6,3 GI = 1 voor een gemiddelde pH ≥6,3 Berekening HGI 5 (Figuur 64): HGI 5 is gelijk aan het product van de GI’s van variabelen V9, V10 en V11. Bij het ontbreken van gegevens over de nitriet- en nitraatconcentraties wordt de HGI gelijk gesteld aan de GI van V11. Geschiktheidsregel V12: GI = 0 voor een gemiddelde waterdiepte van <3 cm en >50 cm voor larven en <3 cm en >60 cm voor adulten GI = 0.5 voor een gemiddelde waterdiepte van 3-5 cm en 22-60 cm GI = 1 voor een gemiddelde waterdiepte van 5-22 cm Geschiktheidsregel V13: GI = 0.5 wanneer dood hout onder de vorm van takken en twijgen volledig afwezig is GI = 1 wanneer dood hout onder de vorm van twijgen, takken of stammen aanwezig is Geschiktheidsregel V14 (enkel larvaal): GI = 0.5 wanneer de sedimentdikte of dikte van de sliblaag <11,6 cm GI = 1 wanneer de sedimentdikte of dikte van de sliblaag >11,6 cm Geschiktheidsregel V15: GI = 0.5 bij aanwezigheid dense onderwaterbegroeiing (>50 % bedekking) of bij volledige afwezig zijn van submerse vegetatie GI = 1 bij beperkte aanwezigheid submerse vegetatie (<50 % bedekking) Geschiktheidsregel V16: GI = 0.5 bij volledige afwezigheid van schaduw GI = 1 bij aanwezigheid van minimaal een beetje schaduw Geschiktheidsregel V17: GI = 0.5 bij volledige afwezigheid van sedimentbanken GI = 1 bij aanwezigheid van sedimentbanken, vanaf 1 sedimentbank op 100 m Geschiktheidsregel V18: GI = 0.5 bij complete afwezigheid van meandering en stromingsvariatie GI = 1 bij aanwezigheid van meandering en de aanwezigheid van stromingsvariatie onder de vorm van een stroomkuilenpatroon. Geschiktheidsregel V19: GI = 0.5 bij intensief landgebruik op de oevers (intensieve landbouw, bebouwing etc.) 102
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
GI = 1 bij extensief landgebruik op de oevers.
Berekening van HGI 6 (Figuur 64): HGI 6 is gelijk aan het product van de variabelen V12 tot en met V19. Berekening van HGI 7, de eindbeoordeling van de evaluatiemethode (Figuur 64): Voor de berekening van de uiteindelijke geschiktheid voor de geëvalueerde locatie, worden de waarden van HGI 5 en 6 vermenigvuldigd. Als de nutriëntenbelasting dus toch nog te hoog is op basis van de nitraat en nitrietwaarden, dan kan dit nog een behoorlijke invloed hebben op de totale HGI, maar deze kan niet meer tot 0 herleid worden, tenzij de waterdiepte compleet ongeschikt is. In principe is een onderscheid tussen HGI 5 en HGI 6 niet nodig, maar het maakt de beoordeling van de componenten waterkwaliteit en hydromorfologie in dit stadium van de evaluatie wel overzichtelijker.
Figuur 64 Schematische voorstelling van de berekening van de algemene habitatgeschiktheidsindex (HGI) voor de geëvalueerde locatie (HGI 7) op basis van de HGI’s voor waterkwaliteit (HGI 5) en hydromorfologie (HGI 6), en de berekening van HGI 5 en 6 op basis van respectievelijk drie waterkwaliteitsvariabelen en 8 hydromorfologische variabelen.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
103
Figuur 65 Schematische voorstelling van de evaluatiemethode voor de geschiktheid van het rivierhabitat voor beekprik op basis van 19 omgevingsvariabelen (waterkwaliteitsen hydromorfologische variabelen) in drie evaluatiestadia. De toestand van iedere variabele leidt tot een geschiktheidsindex (GI per V), die aan de hand van eenvoudige formules gecombineerd worden tot een algemene habitatgeschiktheidsindex (HGI). De evaluatie stopt wanneer het habitat in stadium 1 en 2 ongeschikt bevonden wordt.
104
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
2.2.5 Resulaten en bespreking 2.2.5.1
Beschrijving geselecteerde locaties
Demerbekken Binnen dit bekken werden 3 waterlopen met potenties voor beekprik geselecteerd, de Dormaalbeek, de Jordaan en de Schoorbroekbeek. De Dormaalbeek (L107_432, ook Molenbeek geheten, Figuur 66, Figuur 67) is tot aan de kruising met de N3 een onbevaarbare waterloop van 1 e categorie (beheer door VMM). Stroomopwaarts de N3 betreft het een categorie 2 waterloop die wordt beheerd door de provincie. Ze ontspringt in Walshoutem en mondt na 17,11 km uit in de Kleine Gete nabij Zoutleeuw. Net stroomafwaarts de oude buiten gebruik geraakte bovenslag watermolen (Molen van Bets) is er een uitgebreid grindbed aanwezig (potentieel paaihabitat beekprik). Bepaalde gedeelten van de beek zijn nog sterk meanderend en voorzien van een dichte begroeiing aan waterplanten. Ter hoogte van het potentieel larvaal habitat werd vooral sterrekroos en waterkers aangetroffen en in mindere mate ook aarvederkruid. Ter hoogte van de potentiële paailocatie werden ook nopjeswier (Vaucheria) en gewoon bronmos op de stenen aangetroffen. In het door VMM beheerde gedeelte komen geen officiële vismigratieknelpunten voor, in het provinciale gedeelte worden echter wel nog vele drempels aangetroffen. Er bevindt zich o.a. een drempel ter hoogte van de spooronderdoorgang stroomafwaarts van het potentiële larvale habitat, een drempel van 25 cm verval ter hoogte van de Walsbetsestraat net stroomafwaarts het potentiële paaihabitat en de watermolen net stroomopwaarts de potentiële paailocatie die een verval van 2 m veroorzaakt. Aangezien de vallei van de Dormaalbeek gevoelig is voor wateroverlast werden in de omgeving van Walsbets 4 gecontroleerde overstromingsgebieden (GOG’s) afgebakend waarvan er reeds 2 effectief gerealiseerd zijn, 1 in een zone langs de Zevenbronnenbeek en 1 stroomopwaarts de spoorweg in Landen. Het gedeelte tussen de Walsbetsestraat en Wezerenstraat is bovendien afgebakend als signaalgebied wat in de toekomst mogelijk beperkingen inzake verharding van de oppervlakte met zich kan meebrengen (CIW 2017). Het beheer bestaat enkel uit handmatige oppervlakkige ruimingen. Er zijn experimenten gaande in verband met het bestrijden van Japanse duizendknoop op de oever net stroomafwaarts de Walsbetsestraat (pers. meded. Mieke De Wilde, provincie VlaamsBrabant). Recente visstandsgegevens van INBO op een locatie in de buurt van Walsbets wijzen op een dominantie van driedoornige stekelbaars. Eenmaal werd ook een goudvis aangetroffen. Daarnaast wordt sinds 2013 ook in toenemende mate donderpad aangetroffen wat wijst op een stroomafwaartse uitbreiding van de populatie die in de Zevenbronnenbeek werd geïntroduceerd (Vught et al. 2011). Ook tijdens de macro-invertebratenbemonstering op beide geëvalueerde locaties werd donderpad en driedoornige stekelbaars aangetroffen. Van de Dormaalbeek zijn geen historische waarnemingen van beekprik gekend. De dichtstbij gelegen populaties in het Demerbekken bevinden zich in de Zwarte beek en de Laambeek (Pauwels et al. 2016).
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
105
Figuur 66 Overzichtskaart van de Dormaalbeek te Walsbets met aanduiding (rode trajecten) van het geëvalueerde paai- (P) en larvaal (L) habitat en onofficiële actuele vismigratieknelpunten (rode kruisjes).
106
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 67 De Dormaalbeek te Walsbets met (a) een niet passeerbare watermolen en (g) een ‘illegale’ watercaptatie beiden ter hoogte van de potentiële paailocatie (b), (c-d) het potentiële larvale habitat waar de aanwezigheid van bufferstroken (f) en donderpad (e) werd vastgesteld.
De Jordaan (L217_4172, Figuur 68, Figuur 69) is een lokaal waterlichaam van 3,268 km lang die via de Mene-Molenbeek in Tienen uitmondt in de Grote Gete. Het betreft een onbevaarbare waterloop van tweede categorie en valt onder beheer van de Watering De Mene. Ze heeft nog een redelijke structuurkwaliteit (aandacht waterloop) en vormt momenteel samen met de Mene-Molenbeek één van de 7 studiegebieden van het FWO/SBOproject ‘Future Floodplains’ (zie www.futurefloodplains.be). Waterplanten werden slechts sporadisch aangetroffen tijdens de prospectie. Ter hoogte van het potentieel larvaal habitat werd naast sterrekroos en waterkers ook nopjeswier (Vaucheria) aangetroffen.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
107
Er worden geen vismigratieknelpunten weergegeven voor deze beek maar in het veld werd hier en daar een natuurlijke drempel aangetroffen onder vorm van boomwortels, samengespoeld debris (takken, bladeren) of omvergevallen bomen. Er wordt door Watering De Mene slechts een minimaal beheer toegepast waarbij 1. enkel dood hout wordt verwijderd wanneer het de goede afvoer van het water belemmerd en 2. sporadisch een bodem- en/of taludmaaiïng wordt uitgevoerd (nooit de volledige waterloop, enkel delen van de waterloopvakken). Van de Jordaan zijn geen visstandsgegevens bekend bij INBO. Recente gegevens van de Mene-Molenbeek nabij Hoegaarden tonen een dominantie van bermpje en driedoornige stekelbaars aan, naast lage aantallen blankvoorn en karper. Tijdens de bemonsteringen van de macro-invertebraten ter hoogte van het potentiële larvale habitat werd driedoornige en tiendoornige stekelbaars aangetroffen. De dichtstbij gelegen populaties van beekprik in het Demerbekken bevinden zich in de Zwarte beek en de Laambeek (Pauwels et al. 2016). De waterkwaliteit staat nog onder druk vanwege de lozing van ongezuiverd huishoudelijk afvalwater in de beek zoals ter hoogte van de potentiële paailocatie in de bovenloop kon worden vastgesteld.
Figuur 68 Overzichtskaart van de Jordaan te Babelom met aanduiding (rode trajecten) van het geëvalueerde paai- (P) en larvaal (L) habitat en een actueel tijdelijk vismigratieknelpunt (oranje kruisje) in de vorm van een ondergrondse doorgang rond een boom.
108
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 69 De Jordaan te Babelom met (a) een sterk met waterplanten dichtgegroeid gedeelte net stroomopwaarts de samenvloeiing met de Rottebeek (i) ter hoogte van het potentiële paaihabitat (b), (c) een traject ongeveer halverwege de potentiële paailocatie en het larvale habitat (d), (e) het bodemsubstraat op een gedeelte van het potentiële larvale habitat, (f) een natuurlijke opeenhoping van detritus en (g) de aanwezigheid van lozingspunten met ongezuiverd huishoudelijk afvalwater, beiden in het potentiële paaihabitat en (h) een locatie ter hoogte van het potentiële larvale habitat waar de beek gedeeltelijk ondergronds verder stroomt bij het omzeilen van een boom in de bedding.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
109
De Schoorbroekbeek (L111_419, ook Nermbeek genoemd, Figuur 70, Figuur 71) is een lokaal waterlichaam van 1ste orde (onbevaarbaar, 2de categorie) met een totale lengte van 6,610 km die uitmondt in de Grote Gete in het centrum van Hoegaarden. Ze behoort tot het type ‘kleine beek leem’ en wordt nog als natuurlijk beschouwd. De beek is in het verleden evenwel grotendeels rechtgetrokken waarbij ook de oevers werden bekist om de waterafvoer te versnellen, een gedeelte van de benedenloop werd ook ingebuisd. Een recente impactanalyse door VMM leert dat de beek onderhevig is aan significante wijzigingen van alluviale processen, bedding, oever en profiel (VMM 2014). Wegens problemen met wateroverlast heeft de Provincie Vlaams-Brabant in 1993 een wachtbekken aangelegd ter hoogte van de taalgrens. Tijdens een natuurherstelproject in 2005 werd op de door Natuurpunt beheerde percelen tevens een moeraszone aangelegd, de beek ondieper gemaakt, de oeverbekistingen verwijderd en de oevers afgeschuind om het natuurlijke karakter van de beek te herstellen. Thans is ook de benedenloop in Hoegaarden weer opengemaakt. Er worden geen vismigratieknelpunten weergegeven voor deze beek. Alle drempels op Vlaams grondgebied zijn weggewerkt met behulp van het aanleggen van stenige visdoorgangen (pers. med. Mieke De Wilde, Provincie Vlaams-Brabant). Sinds 2010 is met succes donderpad geherintroduceerd in de Schoorbroekbeek waarbij de populatie nadien stelselmatig is uitgebreid (Vught et al. 2011). Jaarlijkse visstandsbemonsteringen die sinds 2011 door INBO zijn uitgevoerd op een 5-tal trajecten in de beek tonen een hoge densiteit aan bermpje, donderpad, driedoornige stekelbaars en riviergrondel. Daarnaast is in mindere mate ook tiendoornige stekelbaars, giebel en paling aanwezig. In 2014 werd op 1 locatie ook blauwbandgrondel aangetroffen. De macro-invertebratenbemonstering ter hoogte van de potentiële paailocatie bracht de aanwezigheid van bermpje en donderpad aan het licht. De dichtstbij gelegen populaties van beekprik in het Demerbekken bevinden zich in de Zwarte beek en de Laambeek (Pauwels et al. 2016). Het grootste deel van de beek wordt de laatste jaren op vraag van de Provincie slechts oppervlakkig geruimd waarbij jaarlijks obstructies en afval manueel worden verwijderd. Vanaf 2019 wordt evenwel nulbeheer toegepast. De benedenloop in Hoegaarden wordt op vraag van omwonenden tot 2 keer toe gemaaid in de zomer. Lozing van ongezuiverd huishoudelijk afvalwater op Vlaams (102 IE, VMM 2014) en Waals (eigen waarnemingen in najaar 2016) grondgebied zet de waterkwaliteit nog steeds onder druk.
110
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 70 Overzichtskaart van de Schoorbroekbeek te Hoegaarden met aanduiding (rode trajecten) van het geëvalueerde paai- (P) en larvaal (L) habitat.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
111
Figuur 71 De Schoorbroekbeek te Hoegaarden met (a-c) potentieel larvaal habitat, (d) paaibed ter hoogte van het potentiële paaihabitat, (e) paaibed stroomafwaarts van het potentiële larvale habitat en aanwezigheid van donderpad (f) en stenig substraat (g-i) ter hoogte van de potentiële paailocatie.
112
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Netebekken In het Netebekken werd de Scherpenbergenloop en de Visbeek geëvalueerd naar potentiële geschiktheid voor beekprik. De Scherpenbergenloop (L111_699, Figuur 72, Figuur 73) is een lokaal waterlichaam van 1ste orde (onbevaarbaar categorie 2) die ontspringt in de buurt van Hulsen en na 9,632 km uitmondt in de Grote Nete. In oorsprong betreft het een kunstmatige waterloop die ter ontwatering van de uitgestrekte broeken (o.a. Malesbroek en Belsbroek) langs de Grote en Molse Nete werd aangelegd (Agentschap Onroerend Erfgoed 2017). De Scherpenbergenloop functioneert daarbij in feite als een leigracht die, zwak stromend, de vallei dient te ontwateren (Lommaert & Thomaes 2018). Ondanks significante wijzigingen in profiel, bedding en alluviale processen wordt deze beek als natuurlijk beschouwd en tot het type Kleine beek Kempen gerekend (VMM 2014). Omwille van de aanwezigheid van Europees beschermd habitattype 3260 (submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion) maakt deze beek deel uit van de Speciale Beschermingszone BE2100040 (Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek, Langdonken en Goor) waarvoor o.a. beekprik en kleine modderkruiper als doelsoorten worden vermeld. Deze beek is door de VMM ook als speerpuntgebied aangeduid. Men betracht in dit gebied de instandhouding, herstel of ontwikkeling van een zo natuurlijk mogelijke waterhuishouding; het behoud en ontwikkeling van voldoende natuurlijke stromingsdiversiteit, dieptevariatie en sedimentatie- en erosieprocessen binnen de bedding (structuurherstel); een natuurlijke sedimentbalans en het opheffen van de vismigratieknelpunten. Voor de Scherpenbergenloop is de doelstelling tevens een toename van habitattype 3260 tot minimaal 50 % van de waterlooplengte. Voorlopig is enkel structuurherstel opgenomen als actiepunt (nr. 4B_E_019) in het SGBP van de Schelde 20162021. Gegevens over de visstand zijn slechts in beperkte mate aanwezig. Een bemonstering door INBO ter hoogte van de monding in juni 2013 bracht lage densiteiten van baars, blankvoorn, karper, kleine modderkruiper, paling, riviergrondel, serpeling, snoek en zeelt aan het licht naast de exoten blauwbandgrondel en bruine Amerikaanse dwergmeerval. In het Soortbeschermingsprogramma Beekprik wordt de aanwezigheid van deze soort in de Scherpenbergenloop vermeld maar vooralsnog betreft het vermoedelijk niet bevestigde historische waarnemingen (zie Pauwels et al. 2016). De dichtstbij gelegen beekprikpopulatie bevindt zich in de Grote Nete op 3150 m van het geëvalueerde potentiële larvale habitat en op ongeveer 6 km van de potentiële paailocatie in de Scherpenbergenloop. Tijdens de macro-invertebratenbemonstering t.h.v. het potentieel larvale habitat werd enkel driedoornige stekelbaars in het schepnet aangetroffen. Er bevinden zich 2 vismigratieknelpunten van prioriteit 2 op deze waterloop, een stuw ongeveer 400 m stroomafwaarts de kruising met de Meerhoutseweg en een sifon onder de Grote Nete. Tijdens de prospectie werd ter hoogte van Hoeve Steen (op ong. 1 km stroomafwaarts van de officiële stuw) een tweede stuw aangetroffen. Deze bleek in samenspraak met de VMM en de Provincie Antwerpen door de eigenaar in 2018 te zijn geplaatst om verdroging van aanpalende percelen tegen te gaan. Voor het merendeel van de waterloop wordt patroonbeheer toegepast waarbij enkel een stroomgeul wordt gemaaid. Hier en daar wordt ook oppervlakkig (verwijderen takken en afval), manueel of ad hoc (op aanvraag, vooral in de bovenloop) geruimd. Gewone ruiming (maaibalk) wordt slechts op een beperkt gedeelte van de bovenloop uitgevoerd. Sinds 2003 zijn geen slibruimingen uitgevoerd en er zijn er ook geen gepland.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
113
Figuur 72 Overzichtskaart van de Scherpenbergenloop te Meerhout met aanduiding (rode trajecten) van het geëvalueerde paai- (P) en larvaal (L) habitat, officiële (zwarte kruisjes) en onofficiële (oranje kruisjes) vismigratieknelpunten en locaties met beekprik in de Grote Nete (groene bolletjes).
114
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 73 De Scherpenbergenloop te Meerhout met (a) drooggevallen en volledig dichtgegroeide bovenloop, (b) potentiële paailocatie, (c) potentieel larvaal habitat, (d) een traject met waterplanten net stroomopwaarts het potentieel larvaal habitat, (e) een traject met zandige bodem en dienstdoend als veedrinkplaats stroomafwaarts de tijdelijke dam (h) en (f-g) de volledig dichtgegroeide monding.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
115
De Visbeek (L107_632, ook wel Delfte beek genaamd, Figuur 74, Figuur 75) is een onbevaarbare waterloop van 2de categorie die onder beheer van de Provincie Antwerpen valt. Ze heeft een totale lengte van 13,155 km en mondt uit in de Molenbeek-Bollaak net stroomafwaarts de kruising met de E34. De beek bezit nog een hoge structuurkwaliteit (niet in het minst ter hoogte van het natuurreservaat De Kluis in de buurt van het NAVO-vliegveld van Oostmalle). De Visbeekvallei maakt dan ook deel uit van de Speciale Beschermingszone ‘Bos- en heidegebieden ten oosten van Antwerpen’ (SBZ-H-BE2100017) met o.a. kopvoorn en donderpad als doelsoorten. Er werden slechts geringe bedekkingen met waterplanten vastgesteld, vooral ter hoogte van de potentiële paailocatie waar deze bestond uit waterkers en liesgras met op de stenen ook gewoon bronmos en de draadwieren Cladophora en Oedogonium. Een aantal visstandsbemonsteringen uitgevoerd door INBO ter hoogte van de Kluisbrug tussen 2005 en 2016 tonen de aanwezigheid aan van hoge densiteiten van riviergrondel, donderpad en bermpje (allen stroomminnende soorten) naast driedoornige stekelbaars, kopvoorn, paling, baars, rietvoorn, tiendoornige stekelbaars, snoek en vetje. De exoten werden vertegenwoordigd door relatief hoge densiteiten aan Chinese wolhandkrab (pas in 2016 waargenomen) en zonnebaars (1 ex. waargenomen in 2012). Tijdens de macroinvertebratenbemonstering t.h.v. de potentiële paailocatie werd bermpje aangetroffen. De dichtstbij gelegen beekprikpopulatie bevindt zich in de Kleine Nete op ongeveer 27 km afstand. Er bevinden zich 4 opgeloste knelpunten in de waterloop waarvan er 3 zich situeren in de benedenloop. Het betreft allen bodemplaten waarvoor een visdoorgang onder de vorm van een stenen helling werd aangelegd. In de bovenloop bevindt zich nog 1 niet opgelost knelpunt, namelijk een duiker onder de N12. Het beheer bestaat vooral uit ad hoc (o.a. in de benedenloop ter hoogte van het natuurreservaat De Kluis) en gewone winterkruidruimingen. Er wordt in het natuurreservaat in ieder geval niet mechanisch geruimd en omgevallen bomen worden niet uit de waterloop verwijderd (Stryckers 1998). In een klein gedeelte van de bovenloop en een groter stuk ter hoogte van het vliegveld werd in 2017 ook aanvullend een zomermaaibeurt uitgevoerd. Sinds 2003 zijn er geen slibruimingen uitgevoerd en er zijn er in de nabije toekomst ook geen gepland. De waterkwaliteit wordt nog in belangrijke mate beïnvloed door overstortwerking van het zuiveringsstation van Malle en door al dan niet accidentele lozingen vanuit de KMO zone.
116
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 74 Overzichtskaart van de Visbeek te Zoersel met aanduiding (rode trajecten) van het geëvalueerde paai- (P) en larvaal (L) habitat en officiële vismigratieknelpunten (zwart kruisje).
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
117
Figuur 75 De Visbeek te Zoersel met (a) stroomopwaarts traject nabij de kruising met de N14 en nabij Gestelbos (b), (c-e) de locatie van het potentieel paaihabitat (met stenen helling vlak voor de bodemplaat), (f) een traject met maaibeheer stroomopwaarts de potentiële paailocatie, (g) een aangelegde stenen helling in de buurt van natuurreservaat De Kluis, (h) het potentieel larvale habitat nabij Reebergen en (i) detail van het substraat (zandig met zichtbare grindpartikels) ter hoogte van het potentiële paaihabitat.
118
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
2.2.5.2
Geschiktheid habitatvariabelen en toepassing evaluatiemethode
In deze sectie wordt de geschiktheid voor beekprik besproken aan de hand van de habitatvariabelen (V’s in de evaluatiemethode) en de resulterende GI’s na toepassing van de geschiktheidsregels op de verzamelde (veld)gegevens. In de grafieken wijzen de horizontale lijnen op de grenzen van de geschiktheidsklassen (GI = 0, 0.5 of 1) die volgen uit de geschiktheidsregels. V1: zuurstofverzadiging (%) Er was een duidelijk verschil merkbaar in de zuurstofwaarden op het moment van de veldprospectie tussen de beken van het Demerbekken die allen hoge (gunstige) zuurstofwaarden lieten opteken in contrast met de 2 beken uit het Netebekken die wezen op een matig tot ongeschikte toestand voor beekprik, met uitzondering van het potentiële paaihabitat waar een hoge zuurstofverzadiging werd vastgesteld (Figuur 76). Dezelfde trend vinden we terug in de jaargemiddelden waar tevens ook de Jordaan wordt gekenmerkt door (sporadisch) lage zuurstofwaarden. Voor de evaluatie wordt gebruik gemaakt van de meest recente jaarreeksen van VMM. De 25-percentielen tonen aan dat enkel de Dormaalbeek een gunstige toestand bezit op het gebied van zuurstofconcentraties en verzadiging (Figuur 76cd, Figuur 77). De meest recente gegevens ter hoogte van de geëvalueerde locaties in de Dormaalbeek zijn evenwel 10 jaar oud (Tabel 8) maar ook de recentere gegevens (2017/2018) gemeten in de buurt van de monding wijzen op gunstige zuurstofwaarden. Vooral in de Jordaan en Scherpenbergenloop is het gebrek aan zuurstof soms nijpend (25perc.< 50 %). Wat betreft de Jordaan zijn de beschikbare gegevens (1995) wellicht gedateerd en kan de toestand sindsdien in gunstige zin zijn geëvolueerd.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
119
Figuur 76 Zuurstofverzadiging (% O2) gebaseerd op beschikbare VMM meetreeksen (a-b: gemiddelde met standaarddeviatie, c-d: 25-percentiel) en op de veldmeting (e-f: najaar 2018) in het potentieel larvaal en paaihabitat van de 5 geëvalueerde waterlopen. Zuurstofverzadigingen (25-percentielen) tussen de stippellijnen zijn geschikt, buiten de volle lijnen ongeschikt, en tussen de stippellijnen en de volle lijnen matig geschikt.
120
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 77 Zuurstofconcentratie (mg O2/l, 25-percentiel) gebaseerd op beschikbare VMM meetreeksen in het potentieel larvaal (a) en paaihabitat (b) van de 10 geëvalueerde waterlopen. Waarden tussen de stippellijnen zijn geschikt, buiten de volle lijnen ongeschikt, en tussen de stippellijnen en de volle lijnen matig geschikt.
Tabel 8 Beschikbare meetreeksen waterkwaliteitsparameters (Geoloket VMM). N metingen tussen haakjes geldt enkel voor BZV, nitraat en nitriet. (P = paaihabitat, L = larvaal habitat, BZV = biologisch zuurstofverbruik). zuurstof
zuurstof
water T
BZV
nitraat
nitriet
% O2
mg O2/L
°C
mg/l
mg N-NO3/L
mg N-NO2/L
pH
N metingen
periode
25-p
25-p
gem.
75-p
75-p
75-p
gem.
Dormaalbeek M
87
8.49
13.6
8.2
4.83
0.10
8.12
12 (3a)
2017/2018
Dormaalbeek L
92
9.50
9.9
1.9
5.70
0.07
8.17
24 (18b/19c)
2009/2010
Zevenbronnenbeek
80
8.83
9.7
1.5
6.37
0.08
8.03
24 (18b/21c)
2009/2010
Jordaan L
40
4.30
12.0
-
5.45
0.34
7.66
8
Schoorbroekbeek P
57
5.43
13.7
5.2
5.7
0.06
7.83
12 (3a)
2017/2018
Scherpenbergenloop M
42
4.15
12.6
3.2
0.41
0.02
6.93
60 (48d)
2014-2018
Visbeek L
65
6.64
11.8
2.6
3.3
0.11
7.30
60 (48d)
2014-2018
Visbeek P
55
5.55
12.5
3.9
5.5
0.18
7.14
12
1995
a
voor BZV voor BZV, NO3 en NO2 c voor O2 d BZV-waarden ontbreken voor 2014 e BZV-waarden van een locatie verder stroomopwaarts de potentiële paailocatie b
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
121
2018 (2017e)
V2: watertemperatuur (°C) Voor alle waterlopen lag de gemiddelde watertemperatuur tussen 10 en 16 °C (Figuur 78) wat ze geschikt maakt voor Beekprik. Enkel in de Dormaalbeek lag de gemiddelde watertemperatuur net onder de grenswaarde maar de gebruikte gegevens dateren evenwel van 2009/2010. Meer recente metingen aan de monding geven een gemiddelde temperatuur van 13,6 °C (Tabel 8), waardoor ook voor deze beek de toestand m.b.t. temperatuur als gunstig wordt aanzien.
Figuur 78 Watertemperatuur (°C) gebaseerd op beschikbare VMM meetreeksen (a-b: gemiddelde met standaarddeviatie) en op de veldmeting (c-d: najaar 2018) in het potentieel larvaal en paaihabitat van de 5 geëvalueerde waterlopen. Jaargemiddelden (a,b) tussen de stippellijnen worden hierbij als optimaal beschouwd, buiten de volle lijnen als onleefbaar en tussen de stippellijnen en volle lijnen als matig geschikt.
V3: biologische waterkwaliteit onder de vorm van BZV en/of de Belgische Biotische Index (BBI) Op basis van het biochemisch zuurstofverbruik vertonen de Visbeek en Scherpenbergenloop slechts een matige geschiktheid voor beekprik. De Schoorbroekbeek scoort zelfs ongunstig wat deze parameter betreft, maar dit resultaat dient te worden genuanceerd wegens het te beperkte aantal gegevens (3). In de Dormaalbeek blijkt uit oudere gegevens in de buurt van het potentieel larvaal habitat net zoals verder stroomopwaarts in de Zevenbronnenbeek de organische vuilvracht goed mee te vallen. Recente metingen nabij de monding tonen evenwel een ongunstige situatie aan. Van de Jordaan zijn geen gegevens beschikbaar. De aanwezige macro-invertebratengemeenschappen tonen voor de meeste trajecten slechts een matige waterkwaliteit aan. Enkel in het potentiële larvale habitat van de Jordaan en de Scherpenbergenloop en op de potentiële paailocatie van de Visbeek kan men van een goede kwaliteit spreken die als geschikt voor beekprik wordt beschouwd. Voor de Dormaalbeek lijkt er sinds de laatste BBI-bepaling door VMM (2009) weinig te zijn veranderd (Tabel 9). Voor de Jordaan is de situatie sinds 1995 wel wat verbeterd. Voor de Schoorbroekbeek, 122
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Scherpenbergenloop en het potentieel larvale habitat van de Visbeek werden beduidend lagere BBI-scores bekomen in vergelijking met de meest recente beoordelingen door VMM. Voor de biologische waterkwaliteit werd geopteerd om de slechtste score van de 2 variabelen (BZV, BBI) te selecteren om de geschiktheid voor beekprik te evalueren. Enkel het potentieel larvale habitat van de Jordaan en de Scherpenbergenloop werden als geschikt beschouwd, terwijl de andere trajecten slechts matig geschikt bleken.
Tabel 9 Snelle BBI-bepaling uitgevoerd a.d.h.v. de tijdens de veldopmetingen verzamelde macroinvertebraten (INBO) en eerdere BBI-beoordelingen door VMM op locaties in de buurt van de onderzochte trajecten.
Waterloop Dormaalbeek Jordaan Schoorbroekbeek Scherpenbergenloop Visbeek L
BBI INBO BBI VMM L: 6, P: 5 L: 7, P: 6 L: 5, P: 6 L: 7, P: 6 L:5, P: 7
5 5 7 9 7
VMM meetpunt
Datum
Opmerkingen
444000 442900 442960 328600 284000
08/07/2009 24/09/1996 30/08/2011 16/10/2017 25/09/2017
300 m SO L, 600 m SA P 100 m SO L, 1.3 km SA P 800 m SO L, 300 m SO P 2.5 km SA L, 5.5 km SA P 400 m SA L, 1.8 km SA P
HGI 1: habitatgeschiktheid essentiële waterkwaliteit stadium 1
De eindbeoordeling voor de essentiële waterkwaliteitsvariabelen in het eerste stadium van de evaluatiemethode toont aan dat enkel de Dormaalbeek enige potentie bezit voor beekprik. De ontoereikende zuurstofwaarden verhinderen de overleving van beekprik in alle andere onderzochte waterlopen (Tabel 10). Tabel 10 De geschiktheidsindex (GI) voor zuurstofverzadiging/concentratie (V1), watertemperatuur (V2), biologische waterkwaliteit (V3) en habitatgeschiktheidsindex 1 (HGI 1) per geëvalueerde locatie (L = larvaal habitat, P = paaihabitat).
Locatie Dormaalbeek L Dormaalbeek P Jordaan L Jordaan P Schoorbroekbeek L Schoorbroekbeek P Scherpenbergenloop L Scherpenbergenloop P Visbeek L Visbeek P
V1 1 0.5 0 0 0 0 0 0 0 0
V2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
V3 0.5 0.5 1 0.5 0.5 0.5 1 0.5 0.5 0.5
HGI 1 0.5 0.25 0 0 0 0 0 0 0 0
V4 en HGI 2: vismigratieknelpunten en bronpopulaties
Voor de beschrijving van de vismigratieknelpunten en de aanwezigheid van bronpopulaties in de buurt wordt verwezen naar 2.2.5.1. De beoordeling voor de ‘essentiële’ vrije vismigratie en beschikbaarheid van bronpopulaties wijst over alle geëvalueerde locaties heen op een lage geschiktheid en weinig potenties voor beekprik (Tabel 11). Er bevinden zich namelijk, met uitzondering van de Scherpenbergenloop, geen beekprikpopulaties in de onmiddellijke nabijheid van de geëvalueerde beken en in de Dormaalbeek en de Scherpenbergenloop worden tevens nog een aantal (al of niet tijdelijke) vismigratieknelpunten aangetroffen.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
123
Tabel 11 De geschiktheidsindices voor vismigratieknelpunten en beschikbare bronpopulaties (V4; L = larvaal en P = paaihabitat) waarbij 0 wijst op een lage geschiktheid en 1 op een goede geschiktheid.
Locatie Dormaalbeek L Dormaalbeek P Jordaan L Jordaan P Schoorbroekbeek L Schoorbroekbeek P Scherpenbergenloop L Scherpenbergenloop P Visbeek L Visbeek P
GI Vismigratieknelpunten 0.5 0 1 1 1 1 0 0 1 1
GI bronpopulaties 0 0 0 0 0 0 1 1 0 0
HGI 2 (V4) 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
HGI 3 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
HGI3: finale beoordeling habitatgeschiktheidsindex voor stadium 1 van de evaluatiemethode
De beoordeling van de geschiktheid van het habitat voor beekprik aan de hand van de evaluatiemethode en de belangrijkste variabelen voor waterkwaliteit, vismigratieknelpunten en bronpopulaties wijst meteen op lage potenties (in hun huidige toestand) van alle locaties en dit vooral omwille van sporadisch lage zuurstofwaarden en het afwezig zijn van bronpopulaties in de buurt (Tabel 10, Tabel 11). Onder de assumptie dat translocatie uitgevoerd zal worden (en de afwezigheid van een bronpopulatie dus geen knelpunt meer vormt), vertoont enkel het larvale habitat van de Dormaalbeek een enige geschiktheid. V5: beheer
Details over het beheer zijn terug te vinden onder 2.2.5.1. Met de huidige informatie werd o.b.v. het beheer geen enkele waterloop ongeschikt bevonden (Tabel 13). In de meeste gevallen blijft het beheer beperkt tot oppervlakkige ruimingen wat als gunstig wordt beschouwd voor beekprik. Het uitvoeren van extra maaibeurten in de zomer (paailocatie Visbeek) of de aanwezigheid van opstuwende elementen (molens, stuwen, drempels) resulteert in een eerder matige geschiktheid voor de Dormaalbeek, de Scherpenbergloop en het potentieel paaihabitat van de Visbeek. V6: stroomsnelheid
In alle geëvalueerde larvale habitats was de gemiddelde stroomsnelheid zowel aan het wateroppervlak als net boven de bodem gemeten geschikt voor beekprik (tussen 2-25 cm/s) op het moment van opname met uitzondering van de Scherpenbergenloop (Figuur 79). Op alle paailocaties werd een te lage stroomsnelheid gemeten, zowel tegen de bodem als aan het oppervlak. Gezien de paai van beekprik plaatsvindt in de periode februari-mei en de opnames van de stroomsnelheid tijdens deze studie gebeurden op 1 moment bij basisdebiet in de periode oktober/november, wordt geopteerd om voor de evaluatie van de stroomsnelheid enkel het larvale habitat in ogenschouw te nemen.
124
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 79 De tijdens het najaar van 2018 gemeten stroomsnelheid (cm/s) op 5 cm boven de waterbodem in het larvaal en paaihabitat van de 5 geëvalueerde waterlopen. Voor het larvaal habitat worden stroomsnelheden buiten de volle lijnen als niet geschikt beschouwd, onder de stippellijn als geschikt en boven de stippellijn als matig geschikt. Voor het paaihabitat worden stroomsnelheden onder de volle lijn als ongeschikt en boven de stippellijn als geschikt aanschouwd.
V7: bodemsubstraat Een optimale sedimentbodem voor beekpriklarven wordt gekarakteriseerd door de dominante aanwezigheid van sedimentpartikels met korrelgroottes tussen 125 en 250 µm. Dit was enkel het geval voor de Visbeek en de Scherpenbergenloop. In de overige beken was de dominante fractie iets kleiner maar over het algemeen werd het sediment van de potentieel larvale locaties gedomineerd door kleinere korrelgroottes met een fractie organisch materiaal < 10 % (Tabel 12, Figuur 80). Voor paailocaties dient de sedimentsamenstelling te worden gedomineerd door partikels tussen 1 en 4 mm. Dit was enkel voor de beken van het Demerbekken het geval. Uit de veldprospectie bleek evenwel dat dit ook in de Visbeek in beperkte mate aanwezig was ter hoogte van de drempels. In de Scherpenbergenloop werd deze fractie niet waargenomen.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
125
Tabel 12 Sedimentkarakteristieken (organisch stofgehalte en korrelgrootteverdeling) van de potentiële paai- (P) en larvale (L) habitats voor de 5 geëvalueerde waterlopen. org. fractie
< 63
63-125
125-250
250-500
0.5-1
1-2
2-3.15
> 3.15
% DW
µm
µm
µm
µm
mm
mm
mm
mm
Dormaalbeek L
3.1
22.5
29.2
14.8
8.5
9.4
10.9
1.4
3.3
Dormaalbeek P
3.3
7.4
20.6
9.3
8.1
7.7
12.6
4.9
29.5
Jordaan L
2.6
20.3
33.3
18.3
9.0
6.6
6.2
2.1
4.1
Jordaan P
1.7
12.0
15.7
15.9
12.7
7.7
10.5
7.7
17.9
Schoorbroekbeek L
3.5
18.6
38.6
21.6
8.7
5.8
4.6
0.9
1.1
Schoorbroekbeek P
3.2
15.0
20.2
17.6
8.2
6.8
7.4
4.3
20.4
Scherpenbergenloop L
3.9
5.7
23.6
47.3
11.9
3.7
2.8
2.0
2.8
Scherpenbergenloop P
4.5
3.4
11.2
30.5
25.8
11.4
8.3
3.9
5.4
Visbeek L
1.3
0.7
5.2
64.5
22.8
2.9
2.0
0.7
1.2
Visbeek P
1.3
0.5
4.3
27.9
51.0
8.8
4.7
1.4
1.3
Figuur 80 Korrelgrootteverdeling voor de potentiële paai- (P) en larvale (L) habitats in de 5 geëvalueerde waterlopen. 126
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
V8: Begeleidende vissoorten De visgemeenschap van de onderzochte beken in het Demerbekken is weinig divers en wordt gedomineerd door driedoornige stekelbaars. De Scherpenbergenloop en Visbeek in het Netebekken bevatten een diversere gemeenschap. In drie van de 5 onderzochte beken komt donderpad voor (Schoorbroekbeek, Dormaalbeek en Visbeek). De habitatgeschiktheid voor beekprik wordt als matig (G.I. 0.5) aanschouwd omwille van de aanwezigheid van driedoornige stekelbaars al dan niet in combinatie met paling.
HGI 4: eindbeoordeling van stadium 2 o.b.v. de stroomsnelheid, het bodemsubstraat, het toegepaste beheer en de begeleidende vissoorten.
Wanneer enkel de hydromorfologische habitatvariabelen uit stadium 2 worden beschouwd (het beheer, de stroomsnelheid, het substraat en de begeleidende vissoorten), blijkt dat geen enkele locatie volledig geschikt kan worden verklaard, meestal te wijten aan het nog uitgevoerde beheer en de begeleidende vissoorten. De combinatie met HGI 3 resulteert zelfs in ongunstige omstandigheden voor alle onderzochte beektrajecten (zie eerder, Tabel 13). Tabel 13 De geschiktheidsindices voor het beheer (V5), stroomsnelheid (V6), bodemsubstraat (V7) en begeleidende vissoorten (V8) in de geëvalueerde locaties (L = larvaal en P = paaihabitat). Locatie Dormaalbeek L Dormaalbeek P Jordaan L Jordaan P Schoorbroekbeek L Schoorbroekbeek P Scherpenbergenloop L Scherpenbergenloop P Visbeek L Visbeek P
V5 0.5 0.5 1 1 1 1 0.5 0.5 1 0.5
V6 1 nvt 1 nvt 1 nvt 0 nvt 1 nvt
V7 0.5 1 0.5 1 0.5 1 1 1 1 1
V8 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5
min (V6,V7)xV5xV8 0.125 0.25 0.25 0.5 0.25 0.5 0 0.25 0.5 0.25
HGI 4 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
V9, V10, V11 en HGI 5: beoordeling extra waterkwaliteitsvariabelen stadium 3 Op basis van de door VMM gemeten nitriet- en nitraatwaarden blijken alle waterlopen met uitzondering van de Scherpenbergenloop onderhevig aan stikstofverontreiniging (Tabel 8, Figuur 81, Figuur 82). Voor de Dormaalbeek en Jordaan betreft het evenwel oudere gegevens en kan de toestand sindsdien in gunstige zin zijn geëvolueerd. Recente data van de Dormaalbeek ter hoogte van de monding wijzen namelijk op iets lagere waarden die binnen het gunstige bereik voor beekprik vallen (Tabel 8). De aanvoer van (huishoudelijk) afvalwater, zoals kon worden vastgesteld tijdens de prospectie van de Visbeek, Jordaan en Schoorbroekbeek, heeft vermoedelijk ook een impact op de waterkwaliteit. De lage waarden in de Scherpenbergenloop hebben mogelijks een verband met de locatie van de meetplaats (monding) waar zich de laatste jaren een uitgebreide helofytenvegetatie heeft ontwikkeld die tijdens het groeiseizoen een groot gedeelte van de stikstofvracht kan hebben opgenomen. In alle onderzochte waterlopen werden circumneutrale zuurtegraden opgemeten (range 6,98,2) wat ze voor beekprik geschikt maakt (Tabel 8, Figuur 83). Enkel voor de Scherpenbergenloop en het potentieel larvaal habitat van de Visbeek wijzen deze parameters op een gunstige geschiktheid voor beekprik (Tabel 14).
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
127
Figuur 81 Gemiddelde (a-b) en 75-percentiel (c-d) nitrietwaarden (mg NO2-N/l) van de 5 geëvalueerde waterlopen gebaseerd op meetreeksen van VMM t.h.v. het potentieel larvaal en paaihabitat. Waarden onder de groene lijn zijn geschikt voor beekprik, alle waarden boven de rode lijn zijn ongeschikt en alle waarden tussen de 2 volle lijnen zijn matig geschikt.
Figuur 82 Gemiddelde (a-b) en 75-percentiel (c-d) nitraatwaarden (mg NO3-N/l) van de 5 geëvalueerde waterlopen gebaseerd op meetreeksen van VMM t.h.v. het potentieel larvaal en paaihabitat. Waarden onder de groene lijn zijn geschikt voor beekprik, alle waarden boven de rode lijn zijn ongeschikt en alle waarden tussen de 2 volle lijnen zijn matig geschikt. 128
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 83 pH waarden van de 5 geëvalueerde waterlopen t.h.v. het potentieel larvaal en paaihabitat. De gemiddelde waarden zijn gebaseerd op meetreeksen van VMM (a-b), de veldmetingen betreffen puntmetingen uitgevoerd tijdens het najaar van 2018 (c-d). Waarden boven de stippellijn zijn geschikt voor beekprik, alle waarden onder de volle lijn zijn ongeschikt.
Tabel 14 Habitatgeschiktheidsindex van de hydromorfologie variabelen in stadium 3 van de evaluatiemethode (HGI 5 met V9: nitrietconcentratie, V10: nitraatconcentratie en V11: pH) waarbij 0 wijst op een slechte en 1 op een goede geschiktheid voor beekprik. Locatie Dormaalbeek L Dormaalbeek P Jordaan L Jordaan P Schoorbroekbeek L Schoorbroekbeek P Scherpenbergenloop L Scherpenbergenloop P Visbeek L Visbeek P
www.inbo.be
V9 1 1 0.5 0.5 1 1 1 1 1 1
V10 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 0.5 1 1 1 0.5
V11 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
Eindverslag visserijonderzoek 2018
HGI 5 0.5 0.5 0.25 0.25 0.5 0.5 1 1 1 0.5
129
V12-V19 en HGI 6: beoordeling extra hydromorfologische variabelen stadium 3 De waterdieptes (V12) waren op het moment van opname geschikt voor beekprik met uitzondering van de potentiële paailocatie van de Scherpenbergenloop waar deze parameter te hoog was en dus slechts als matig geschikt werd bevonden (Figuur 84, Tabel 15).
Figuur 84 De tijdens het najaar van 2018 opgemeten waterdiepte (gemiddelde met standaarddeviatie) van het larvaal en paaihabitat in de 5 geëvalueerde waterlopen. Dieptes tussen de twee stippellijnen worden als geschikt aanschouwd voor beekprik, buiten de volle lijnen als ongeschikt en tussen de stippellijnen en de volle lijnen als matig geschikt.
Op elke onderzochte locatie was minstens 1 sedimentbank (V17) aanwezig behalve op het potentiële larvale habitat van de Scherpenbergenloop. Alle potentiële larvale habitats voldoen aan de vereisten inzake dikte van de sedimentlaag (V14, Figuur 85, Tabel 15). Voor de potentiële paailocaties is deze variabele niet relevant. De slibdikte in de paailocaties kan evenwel indicatief zijn voor de kwaliteit van het substraat, hoe dikker de sliblaag hoe minder geschikt de paailocatie vermoedelijk is. Op alle potentiële paailocaties was de slibdikte substantieel (Figuur 85). Deze parameter wordt bij de beoordeling van de paailocaties evenwel niet extra in rekening gebracht.
130
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 85 De tijdens het najaar van 2018 gemeten sedimentdikte (gemiddelde met standaarddeviatie) van het larvale en paaihabitat in de 5 geëvalueerde waterlopen. Dieptes boven de stippellijn worden als geschikt aanschouwd voor beekprik, dieptes onder de volle lijn worden als matig geschikt aanschouwd.
Dood hout (V13), waarvan de aanwezigheid als gunstig wordt beschouwd voor beekprik omwille van de positieve impact op de structuurkwaliteit, was op alle onderzochte locaties aanwezig behalve in het potentiële paaihabitat van de Visbeek. Een beperkte aanwezigheid van submerse vegetatie (V15, gunstig) bleek op een aantal plaatsen te ontbreken. De oevers op deze locaties waren sterk begroeid met bomen en struiken en de te sterke beschaduwing kan de ontwikkeling van waterplanten hebben verhinderd. In de Schoorbroekbeek waren waterplanten in ieder geval overvloedig aanwezig stroomafwaarts het potentiële larvale habitat, vanaf de plaats waar de beek het bos verlaat. Ook in de Jordaan werden net stroomopwaarts de potentiële paailocatie waterplanten aangetroffen. Op alle onderzochte plaatsen was er op zijn minst een beetje beschaduwing (V16) van de waterloop aanwezig met uitzondering van de potentiële paailocatie van de Visbeek (Figuur 86).
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
131
Figuur 86 Aanwezigheid van dood hout, waterplanten en beschaduwing in het larvale en paaihabitat van de 5 geëvalueerde waterlopen. De aanwezigheid wordt aangeduid met 1, de afwezigheid met 0. Waterlopen die alle drie de variabelen bezitten (voor alle drie een 1) worden als meer geschikt beschouwd voor beekprik, behalve als de waterplantenvegetatie té dens is.
Alle waterlopen waren ter hoogte van de onderzochte trajecten al dan niet sterk meanderend, wat resulteerde in de aanwezigheid van stromingsvariatie en stroomkuilenpatronen (V18), met uitzondering van de het potentiële larvale habitat van de Scherpenbergenloop. In de potentiële paailocaties van de Scherpenbergenloop en de Visbeek was de meandering te beperkt aanwezig om een stroomkuilenpatroon te genereren (Figuur 87). Het landgebruik (V19) langs één of beide oevers was ofwel extensief (weiland, bos, natuurgebied) wat als gunstig wordt beschouwd ofwel intensief (bebouwing, akkerbouw) wat tot slechts een matige score leidt (Tabel 15). Dit laatste was het geval voor de potentiële paailocaties van de Dormaalbeek, de Jordaan (beiden bebouwing), de Scherpenbergenloop (grindweg) en de Visbeek (akkerbouw). Ook langs 1 oever van het potentiële larvale habitat van de Dormaalbeek wordt aan akkerbouw gedaan.
132
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Figuur 87 Aanwezigheid (1), afwezigheid (0) of beperkte aanwezigheid (0.5) van meandering, stromingsvariatie en stroomkuilenpatronen in het larvale en paaihabitat van de 5 geëvalueerde waterlopen. Aanwezigheid wordt aanzien als een een pluspunt voor de geschiktheid van een waterloop voor beekprik.
Tabel 15 De geschiktheidsindices voor waterdiepte (V12), dood hout (V13), dikte van de sliblaag (V14), submerse vegetatie (V15), beschaduwing (V16), sedimentbanken (V17), meandering en stromingsvariatie (V18) en landgebruik (V19) in de geëvalueerde locaties (L = larvaal en P = paaihabitat) en de finale habitatgeschiktheidscore voor deze hydromorfologische variabelen van stadium 3 (HGI 6). Locatie
V12
V13
V14
V15
V16
V17
V18
V19
Dormaalbeek L
1
1
1
1
1
1
1
0.5
HGI 6 0.5
Dormaalbeek P
1
1
nvt
0.5
1
1
1
0.5
0.25
Jordaan L
1
1
1
1
1
1
1
1
1
Jordaan P
1
1
nvt
0.5
1
1
1
0.5
0.25
Schoorbroekbeek L
1
1
1
0.5
1
1
1
1
0.5
Schoorbroekbeek P
1
1
nvt
0.5
1
1
1
1
0.5
Scherpenbergenloop L
0
1
1
1
1
0.5
0.5
1
0
Scherpenbergenloop P
1
1
nvt
1
1
1
1
0.5
0.5
Visbeek L
0.5
1
1
0.5
1
1
1
1
0.25
Visbeek P
1
0.5
nvt
1
0.5
1
1
0.5
0.125
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
133
HGI 6: eindbeoordeling hydromorfologie stadium 3 Over het algemeen scoren de hydromorfologische variabelen uit stadium 3 redelijk goed en zijn deze specifieke kenmerken voor het habitat van beekprik in de meeste waterlopen aanwezig (Tabel 15). In het larvale habitat van de Scherpenbergenloop is de waterdiepte te hoog om nog als potentieel geschikt beekprikhabitat te worden aanzien. HGI 7: finale eindbeoordeling evaluatiemethode Indien rekening wordt gehouden met alle te evalueren parameters is geen enkele van de 5 onderzochte waterlopen momenteel geschikt als beekprikhabitat, wat grotendeels te wijten is aan de waterkwaliteit met sporadisch lage zuurstofwaarden en het ontbreken van een bronpopulatie in de buurt (Tabel 17). Indien er met deze laatste parameter geen rekening wordt gehouden om herkolonisatie toe te laten, blijkt enkel het larvale habitat van de Dormaalbeek nog over enige potentie te beschikken (eindbeoordeling >0, Tabel 16). Desondanks de grotendeels negatieve resultaten kan het potentieel van de overige waterlopen mits aanpassingen in het beheer wel nog worden verhoogd. In de volgende sectie wordt verder besproken welke (kleine) knelpunten er nog zijn die momenteel de overleving van beekprik hypothekeren.
Tabel 16 Eindbeoordeling/habitatgeschiktheid per geëvalueerde locatie voor beekprik met (HGI 7) of zonder (HGI 7’) rekening te houden met potenties voor natuurlijke rekolonisatie. De waarden voor deze eindbeoordeling mogen niet letterlijk geïnterpreteerd worden, maar tonen enkel aan of het habitat ongeschikt dan wel enigszins geschikt lijkt, in die zin dat er geen noemenswaardige knelpunten optreden.
Locatie Dormaalbeek L Dormaalbeek P Jordaan L Jordaan P Schoorbroekbeek L Schoorbroekbeek P Scherpenbergenloop L Scherpenbergenloop P Visbeek L Visbeek P
2.2.5.3
HGI 7 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
HGI 7' 0.016 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Bespreking geschiktheid in functie van belangrijkste knelpunten
In deze sectie wordt een samenvatting gegeven van de geschiktheid van de 10 geëvalueerde locaties voor beekprik (zie ook Tabel 17). Per waterloop worden de belangrijkste knelpunten en mogelijke oplossingen besproken die tijdens de analyse a.d.h.v. de evaluatiemethode naar voor zijn gekomen. De Dormaalbeek vertoonde op basis van de evaluatiemethode nog de beste potenties voor beekprik. Dit oordeel wordt tevens ondersteund door de aanwezigheid van donderpad op beide onderzochte locaties. Dit is voornamelijk te wijten aan de zuurstofconcentraties die gedurende het grootste gedeelte van het jaar voldoende hoog blijven. Desondanks is de waterkwaliteit nog ondermaats wat zich o.a. uitte in te hoge nitraatwaarden, een weinig ontwikkelde macro-invertebratengemeenschap van enkele vrij tolerante soorten en een relatief hoge fractie van zeer fijne slibpartikels in de bodem. De aanwezigheid van een aantal drempels tussen het potentiële paaihabitat ter hoogte van de Molen van Walsbets en het potentieel larvaal habitat verhindert momenteel de stroomopwaartse migratie van beekprik
134
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
naar het paaihabitat. Ook de watermolen verhindert momenteel de opwaartse migratie van vis richting Zevenbronnenbeek. De Jordaan is vooral omwille van zijn lage zuurstofconcentraties ongeschikt bevonden voor beekprik. Zoals reeds eerder vermeld zijn de beschikbare gegevens evenwel gedateerd en werd in het veld, zeker ter hoogte van de paailocatie, een gunstige zuurstofwaarde opgetekend. Ook de BBI-score toont een duidelijke verbetering van de waterkwaliteit sinds 1995. Indien we geen rekening houden met de verouderde data inzake zuurstof en nutriënten wordt ook voor de Jordaan nog enige potentie vastgesteld (HGI 7’ = 0.25 (L) en 0.063 (P)). De aanvoer van ongezuiverd huishoudelijk afvalwater en de substraatkarakteristieken (relatief hoge fractie zeer fijn slib ter hoogte van larvaal habitat, relatief weinig grove korrels ter hoogte van het paaihabitat) blijven een pijnpunt. Ook de Schoorbroekbeek kampt nog met een waterkwaliteitsprobleem. In de bovenloop wordt door particulieren nog steeds ongezuiverd afvalwater geloosd wat zich o.a. uit in hoge stikstofwaarden, sporadisch lage zuurstofwaarden en een te hoog aandeel zeer fijn slib. Dit komt ook tot uiting in de macro-invertebratengemeenschap die slechts een matige biologische waterkwaliteit vertegenwoordigt. Langs de oever werd net stroomafwaarts het potentieel larvaal habitat een hoop met maaisel aangetroffen waarvan de verteringssappen ook voor een aanrijking van het beekwater kunnen zorgen. De aanwezigheid van donderpad in de bovenloop toont alleszins de potentie van het gebied voor beekprik aan. Het afwezig zijn van voldoende stroming vormt het voornaamste probleem voor de Scherpenbergenloop. Enerzijds is dit een fysisch gegeven gezien het een kunstmatige waterloop met slechts een beperkt verval betreft die in het verleden als drainagegracht werd aangelegd. Anderzijds is de beek ook over een groot gedeelte van de benedenloop dichtgegroeid met helofyten wat een opstuwend effect veroorzaakt. Daarbovenop is de beek ook verstuwd wat het natuurlijke afstroomregime verder ondermijnt. Dit uit zich o.a. in een te lage stroomsnelheid, het afwezig zijn van stromingsvariatie met bijhorende stroomkuilenpatroon, de opbouw van een dikke sliblaag en een navenant te beperkte aanwezigheid van grofkorrelig substraat, een plaatselijk hoge waterstand en de aanwezigheid van een uitgebreid visbestand. Het stilstaande karakter van de beek heeft ook zijn weerslag op de watertemperatuur (hoog) en de zuurstofconcentratie (laag) wat gevolgen kan hebben voor het voedselweb (de BBI-score in 2018 was beduidend lager dan de laatste VMM-bepaling in 2017). Door VMM werd tussen 2008 en 2014 een sterke achteruitgang van de zuurstofwaarden vastgesteld waarbij ook de ecologische kwaliteitscoëfficiënten (EKC’s) van macrofyten en macro-invertebraten sterk achteruit gingen (VMM 2016). Desondanks werd wel een goede EKC-score voor hydromorfologie bekomen waarbij vooral de goede score voor stroming in het oog springt. Dit laatste strookt alleszins niet met onze bevindingen in het veld. De landbouw is verantwoordelijk voor het grootste gedeelte van de nutriëntenbelasting onder de vorm van stikstof- en fosforverbindingen (VMM 2016). Daarnaast wordt nog ongezuiverd afvalwater van een beperkt aantal IE (17 in 2012) in de waterloop geloosd (VMM 2014). Het biochemisch zuurstofverbruik is navenant hoog. De waterkwaliteit vormt ook het belangrijkste knelpunt in de Visbeek. Lozing van ongezuiverd afvalwater (o.a. via overstortwerking) zorgt voor een te hoge vuilvracht wat zich uit in een overmaat aan nutriënten (nitraat), een hoog biochemisch zuurstofverbruik, sporadisch lage zuurstofwaarden en de opbouw van een dikke sliblaag. Ook het ontbreken van dood hout en beschaduwing en de aanwezigheid van akkerbouw nabij de beek maken het potentiële paaigebied minder geschikt.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
135
Tabel 17 Overzicht van de geschiktheidsscores per stadium van de evaluatiemethode voor de 5 geselecteerde Vlaamse waterlopen (2 locaties per waterloop, waarvan 1 potentieel larvaal habitat (L) en 1 potentieel paai (P) habitat) (groen = goed, geel = matig, oranje = ontoereikend, rood = slecht, WK = waterkwaliteit, BP = bronpopulatie, VM = vismigratie, HM = hydromorfologie). Locatie Dormaalbeek L Dormaalbeek P Jordaan L Jordaan P Schoorbroekbeek L Schoorbroekbeek P Scherpenbergenloop L Scherpenbergenloop P Visbeek L Visbeek P
WK 1 0.5 0.25 0 0 0 0 0 0 0 0
BP 0 0 0 0 0 0 1 1 0 0
VM 0.5 0 1 1 1 1 0 0 1 1
HM 1 0.125 0.25 0.25 0.5 0.25 0.5 0 0.25 0.5 0.25
WK2 0.5 0.5 0.25 0.25 0.5 0.5 1 1 1 0.5
HM2 0.5 0.25 1 0.25 0.5 0.5 0 0.5 0.25 0.125
HGI 7' 0.016 0 0 0 0 0 0 0 0 0
2.2.6 Aanbevelingen Om de areaaluitbreiding van beekprik aanbevelingen worden gemaakt: -
-
-
-
-
-
-
136
verder
te
verwezenlijken,
kunnen
volgende
In alle onderzochte waterlopen dienen in eerste instantie alle nog bestaande knelpunten inzake waterkwaliteit te worden weggewerkt. Dit houdt in dat al het huishoudelijk afvalwater in het stroomgebied van deze beken ofwel op een RWZI wordt aangesloten ofwel met een eigen waterzuivering (IBA: individuele behandeling afvalwater) wordt behandeld vooraleer het in de beek wordt geloosd. Voor de Schoorbroekbeek vereist dit een goede afstemming met Wallonië. Bovendien mogen de beken niet meer onderhevig zijn aan overstortwerking. De nog bestaande vismigratieknelpunten tussen het potentiële opgroeigebied en het paaigebied van de Dormaalbeek dienen nog te worden aangepakt, eventueel door het aanleggen van stenen hellingen. Ook vormt de molen van Walsbets nog een belangrijk knelpunt dat vrije vismigratie richting Zevenbronnenbeek verhindert. De paaibedden in het potentiële paaihabitat van de Jordaan en de Dormaalbeek hebben de neiging om dicht te slibben o.a. omwille van de uitbundige begroeiing met bomen en struiken langs beide oevers waarvan de afgevallen takken en bladeren plaatselijk voor obstructies en opstuwing zorgen. Deze zouden plaatselijk wat geruimd of geharkt kunnen worden. Voor de Jordaan dienen waterkwaliteitsgegevens te worden verzameld gedurende minstens een volledig jaar om na te gaan of de kwaliteit er sinds 1995 op is vooruitgegaan. Hetzelfde geldt in mindere mate ook voor de Dormaalbeek. Waar de beken akkers doorkruisen dienen voldoende brede bufferstroken te worden voorzien op beide oevers die daarbij niet mogen gebruikt worden voor de (tijdelijke) opslag van maaisel of mest. Het kunstmatige karakter van de Scherpenbergenloop (leigracht), resulterend in zeer lage stroomsnelheden, lijkt de aanwezigheid of de vestiging van beekprik bij voorbaat te hypothekeren. Bovendien wordt door sommige gebruikers momenteel meer opstuwing gewenst om verdroging tegen te gaan. Het is niet duidelijk of de afstroomdynamiek van dergelijk systeem überhaupt geschikt kan worden gemaakt om een levensvatbare beekprikpopulatie te ondersteunen. Sinds 2016 zijn 25 potentiële beekprikhabitats geëvalueerd (Vandamme et al. 2017, Van Wichelen et al. 2018, dit rapport). Voor sommige waterlopen zijn reeds een aantal acties ondernomen om het habitat voor beekprik beter geschikt te maken of zijn er nieuwe data beschikbaar (o.a. waterkwaliteitsdata Trogbeek en Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
-
Dorenbosbeek). Op basis van alle beschikbare data kan voor deze 25 waterlopen een prioritering worden gemaakt naar geschiktheid voor beekprik. In het kader van eventuele (her)-introductie van beekprik voor die waterlopen waar beekprik van nature niet (meer) kan geraken is een screening met behulp van e-DNA barcoding aangewezen om de aan- of afwezigheid van beekprik op deze waterlopen vast te stellen.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
137
Referenties Acou A., Laffaille P. & Legault A. (2008). Migration pattern of silver eel (Anguilla anguilla L.) in an obstructed river system. Ecology of Freshwater Fish, 17 (3): 432-442. Agentschap Onroerend Erfgoed (2017). De Grote Nete en het paraboolduincomplex tussen Meerhout en Geel [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300181 Baeyens, R., Buysse, D., Mouton, A., Gelaude, E., De Maerteleire, N., Robberechts, K., Jacobs, Y., Van den Neucker, T., Stevens, M. & Coeck, J. (2013). Evaluatie van een ‘de Wit’aanpassing bij een conventioneel vijzelgemaal: Isabellagemaal (Boekhoute). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2013 (14). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Becker G.C. (1983). Fishes of Wisconsin. The Univeristy of Wisconsin Press., Madison, USA. Belpaire C., Verschelde P., Maes Y., Van Thuyne G., Van Wichelen J., Buysse D., Breine J. & Verreycken H. (2018). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Berekening van het ontsnappingspercentage van zilverpaling ten behoeve van de 2018 rapportage voor de Palingverordening. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 65. Bermudes A. & Ritar A.J. (1999). Effects of temperature on the embryonic development of the striped trumpeter (Latris lineata Bloch and Schneider, 1801). Aquaculture 176: 245-255. Bonar S.A., Brown L.G., Mongillo P.E. & Williams K. (2000). Biology, Distribution and Management of Burbot (Lota lota) in Washington State. Northwest Science 74 (2). Bosveld J., Kranenbarg J., Lenders H.J.R. & Hendriks A.W.C.J. (2015). Historic decline and recent increase of Burbot (Lota lota) in the Netherlands. Hydrobiologia 757: 49-60. Bosveld J. Kranenbarg J. & Lenders H.J.R. (2014). Recente toename van kwabaal in de Ijssel Vechtdelta: goed of slecht nieuws voor herstel van relictpopulaties? De Levende Natuur 115: 184-189. Briand C., Fatin D. & Legault A. (2002). Role of eel odour on the efficiency of an eel (Anguilla anguilla) ladder and trap. Environmental biology of fishes 65: 473-477. Briand C., Fatin D., Feunteun E. & Fontenelle G. (2005). Estimating the stock of glass eels in an estuary by mark-recapture experiments using vital dyes. Bull. Fr. Pêche Piscic. 378- 379: 23-46. Briand C. (2009). Dynamique de population et de migration des civelles en Estuaire de Vilaine. PhD-thesis, Agrocampus Ouest, Rennes, 208 pp. Bunzel-Drüke M., Scharf M. & Zimball O. (2004a). Zur Biologie der Quappe. Ein Literaturüberblick und Feldstudien aus der Lippeaue. Naturschutz und Landschaftsplanung 36(11): 334-340. Bunzel-Drüke M., Scharf M. & Zimball O. (2004b). Die Quappe in Nordrhein-Westfalen – Bestandssituation und Schutz eines vom Aussterben bedrohten Auenfisches. LÖBFMitteilungen 3/2004: 12-17. Buysse D., Stevens M., Mouton A., Gelaude E., Baeyens R., Martens S., Jacobs Y. & Coeck J.(2010). Onderzoek naar de verwondingen bij vissen veroorzaakt door een gemaal met schroefpompen. Spiedamgemaal (Rieme). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2010 (INBO.R.2010.44). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Carl L.M. (1992). The response of burbot (Lota lota) to change in lake trout (Salvelinus namaycush) abundance in Laje Opeongo, Ontario. Hydrobiologia 243/244: 229-235. 138
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Chen L. (1969). The biology and taxonomy of the Burbot, Lota lota leptura, in interior Alaska. Biological Papers of the University of Alaska 11. CIW 2017. Ontwerp startbeslissing signaalgebied Dormaalbeek Walsbets (SG_R3_DEM_17) Landen, 8 pp. Coeck J. (1996). Elektrisch vissen theorie en praktijk. Rapport IN 96.22. Coeck J., Dillen A., De Charleroy D., Vught I. & De Gelas K. (2008). Soortherstelproject Kwabaal - nieuwe kansen voor een verdwenen vissoort in Vlaanderen. Ravon 29 10(2): 3135. Degerman E. & Sers B. (1994). The effects of lakes on the stream fish fauna. Ecology of Freshwater Fish 3. Dekker W., Van Os B. & Van Willigen J. (1998). Minimal and maximal size of eel. Bulletin Francais de la Peche et de la Pisciculture 349: 195-197. Diekmann M., Simon J. & Salva J. (2018). On the actual recruitment of European eel (Anguilla anguilla) in the River Ems, Germany. Fisheries Management & Ecology 26: 20-30. Dillen A., Baeyens R., Martens S. & Coeck J. (2006). Onderzoek naar de haalbaarheid van het herstel van serpelingpopulaties in waterlopen van het Vlaamse Gewest. INBO.R.2006.14, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Dillen A., Martens S., Baeyens R. & Coeck J. (2005a). Onderzoek naar de biologie van de kwabaal (Lota lota L.), ter voorbereiding van het herstel van de soort in het Vlaamse Gewest. IN.R.2005.04, Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. Dillen A., Martens S., Baeyens R., Van Gils W. & Coeck J. (2005b). Habitatevaluatie en biotoopherstel ten behoeve van de visfauna in zones van de Habitatrichtlijn. IN.R.2005.03, Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. Don A.M. (2009). Eel Passes and Closed Circuit Television Monitoring in the Somerset Levels and Moors. In Eel Management, the state of the art. Proceedings of a conference, Bridgwater, Somerset, April 2009. (Eds. D. Bunt & A. Don). Institute of Fisheries Management, Somerset, UK. Drouineau H., Rigaud C., Laharanne A., Fabre R., Alric A. & Baran P. (2015). Assessing the efficiency of an elver ladder using a multi-state markrecapture model. River Research and Applications 31: 291-300. Durif C., Guibert A. & Elie P. (2009). Morphological discrimination of the silvering stages of the European eel. In: Casselman, J.M., Cairns, D.K. (eds) Eels at the edge: science, status, and conservation concerns. American Fisheries Society Symposium 58: 103-111. Bethesda, Maryland. Edsall T.A., Kennedy G.W. & Horns W.H. (1993). Distribution, abundance, and resting microhabitat of burbot on Julian's Reef, southwestern Lake Michigan. Transactions of the American fisheries society, 122:560-574 Egan F. (2011). Studies on the biology of juvenile European eels (Anguilla anguilla L.) in Irsih rivers. PhD-thesis, National University of Ireland, 258 pp. Fabricius E. (1954). Aquarium observations on the spawning behaviour of the burbot, Lota vulgaris L., Rep. Inst. Freshw. Res. 35: 51-57. Farkas J. (1993). Zur Biologie der Aalrutte in der oberen Drau und ihren Nebengewässern, Carinthia II 183/103: 593-612.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
139
Friederich F. & Arzbach H.-H. (2002). Wanderungen und Uferstrukturnutzung der Quappe, Lota lota, in der Elbe, Deutschland. Zeitschrift für Fischkunde, Suppl. 1, Ökologie der Elbefische, 159-178 Ghan D. & Sprules W.G. (1993). Distribution and abundance of larval and juvenile Burbot (Lota lota) in Oneida Lake, New York. Verhandlungen der internationalen Vereinigung der Limnologie 24: 2377-2381. Griffioen A.B., Schiphouwer M.E., Winter H.V. & Ploegaert S. (2018). Aalonderzoeken Hoogheemraadschap van Delfland: efficiëntie van glasaalintrek bij gemaal Schoute. Wageningen Marine Research, Wageningen UR (university & Research centre), Wageningen Marine Research rapport C007/18, 39 pp. Harsányi A. & Aschenbrenner P. (1992). Die Rutte Lota lota (Linnaeus, 1758) – Biologie und Aufzucht. Fischer und Teichwirt 10: 372-376. Hochleitner M. (2002). Die Quappe (Lota lota L.) - Biologie und Aquakultur. In: Die Quappe (Lota lota)-Fisch des Jahres 2002. Hrsg. Verband Deutscher Sportfischer e.V., Offenbach am Main, S.23-37. In Otto, S.A. & S. Zahn, 2008. Temperatur- und Sauerstoff-Toleranz ausgewählter Wanderfischarten der Elbe. Institut für Binnenfischerei e.V., Potsdam-Sacrow, 43 pp. ICES 2018. Report of the Joint EIFAAC/ICES/GFCM Working Group on Eels (WGEEL), 3–10 October 2017, Kavala, Greece. ICES CM 2017/ACOM 15, 99 pp. Jacoby D. & Gollock M. (2014). Anguilla anguilla. The IUCN Red List of Threatened Species 2014: e.T60344A45833138. Jäger T., Nellen W., Schofer W. & Shodjal F. (1981). Influence of salinity and termperature on early life stages of Coregonus albula, C. lavaretus, R. rutilis, L. lota. Pg. 345-348. In Lasker R. & Sherman K. (eds). The early life-history of fish: recent studies. Rapports et Procesvebauw des Reunions Conseil International Pour l’Exploration de la Mer 178, Woods Hole. Jones D.R., Kiceniuk J.W. & Bamford O.S. (1974). Evaluation of the swimming performance of several species of fish from the Mackenzie River. Journal of the Fisheries Research Board of Canada 31: 1641-1647. Kainz E. & Gollmann H.P. (1996). Egg production, breeding and first raising attempts with burbot (Lota lota). Österreichs Fischerei 49: 154-160. Koporikov A.R. & Bogdanov V.D. (2011). Spatial and Biotopic Distribution Patterns of Semianadromous Burbot, Lota lota L. (Lotidae), Early Larvae in the Lower Ob Floodplain. Pleiades Publishing 42(4): 339-343. Lahnsteiner F., Kletzl M. & Weismann T. (2012). The effects of temperature on embryonic and yolk-sac larval decelopment in the burbot Lota lota. Journal of Fish Biology 81: 977-986. Laves (2011). Vollzugshinweise zum Schutz von Fischarten in Niedersachsen – Fischarten des Anhangs II der FFH-Richtlinie und weitere Fischarten mit Priorität für Erhaltungs- und Entwicklungsmaßnahmen – Quappe, Aalrutte (Lota lota) – Niedersächsische Strategie zum Arten- und Biotopschutz, Hannover, 11 S., unveröff. 11p. Le Cren. E. (1951). The length-weight relationship and seasonal cycle in gonad weight and condition in the perch (Perca fluviatilis). The Journal of Animal Ecology. 20: 201-219. Lommaert L. & Thomaes A. (2018). PAS-gebiedsanalyses in het kader van herstelmaatregelen voor BE2100040 ‘Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek,
140
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Langdonken en Goor’. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2018 (52). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. McPhail J.D. (1997). A review of Burbot (Lota lota) life history and habitat use in relation to compensation and improvement opportunities. Canadian Manuscript Report of Fisheries and Aquatic Sciences 2397(viii). McPhail J.D. & Paramagian V.L. (2000). Burbot biology and life history. In Burbot: Biology, Ecology and Management (eds V.L. Paragamian and D.W. Willis). American Fisheries Society, Fisheries Management Section, Publication Number 1, Bethesda, Maryland, USA, pp. 11-23. Meshkov M.M. (1967). Development stages of the burbot (Lota lota (L.)). Voprosy Ikhtiologii I Gidrobiologii Vodmenov 62: 181-194 (in Russian, English translation in Zoology Reprint Library, University of Toronto). Miller T.J., Crowder B., Rice J.A. & Marschall E.A. (1988). Larval size and recruitment mechanisms in fishes: towards a conceptual framework. Canadian Journal of Fisheries and Aquatic Sciences 45: 1657-1670. Miller M.J., Feunteun E. & Tsukamoto K. (2016). Did a “perfect storm” of oceanic changes and continental anthropogenic impacts cause northern hemisphere anguillid recruitment reductions? – ICES Journal of Marine Science 73: 43–56. Mouton A., Gelaude E., Buysse D., Stevens M., Van den Neucker T., Martens S., Baeyens R., Jacobs Y. & Coeck J. (2009). Glasaalmigratie ter hoogte van het Ganzepoot spuicomplex te Nieuwpoort. Rapport van het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek, INBO.R.2009.62, 33 pp. Mouton A., Buysse D., Stevens M., Baeyens R., Gelaude E., De Maerteleire N., Robberechts K., Martens S., Jacobs Y., Van den Neucker T. & Coeck J. (2013). Wetenschappelijke onderbouwing en ondersteuning van het visserijbeleid en het visstandbeheer Wetenschappelijk onderzoek en ondersteuning van de implementatie en opvolging van het Palingbeheerplan. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2013 (INBO.R.2013.734090). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Müller W. (1961). New research concerning burbot (Lota lota). Deutsche Fischereizeitung 8: 43-47. Naismith I.A. & Knights B. (1988). Migrations of elvers and juvenile European eels, Anguilla anguilla L., in the river Thames. Journal of Fish Biology 33: 161-175. Natuurvriendelijke oevers Grindplassen (2005). Studie uitgevoerd door Haskoning België, in opdracht van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap – AMINAL afdeling Natuur. Paramagian V.L., Hardy R. & Gunderman B. (2005). Effects of regulated discharge on burbot migration. Journal of Fish Biology 66: 1199-1213. Paramagian V.L. & Wakkinen V.D. (2008). Seasonal movement and the interaction of temperature and discharge on burbot in the Kootenai River, Idaho, USA, and British Colombia, Canada. In Burbot: Ecology, Management and Culture (eds V.L. Paragamian en D.H. Bennett), American Fisheries Society Symposium 59, Bethesda, MD, pp. 55-77. Pauwels I., Van Wichelen J., Vandamme L., Vught I., Van Thuyne, G., Auwerx J., Baeyens R., De Marteleire N., Gelaude E., Picavet B., Pieters S., Robberechts K., Belpaire C. & Coeck J. (2016). Wetenschappelijke onderbouwing en ondersteuning van het visserijbeleid en het visstandbeheer - onderzoeksprogramma visserij 2015: eindrapport. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2016. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
141
Piper A.T. (2013). Quantifying the movement and behaviour of the European eel (Anguilla anguilla) in realtion to physical and hydrodynamic conditions associated with reverine structures. PhD-thesis University of Southampton, UK, 207 pp. Piper A.T., Manes C., Siniscalchi F., Marion A., Wright R.M. & Kemp P.S. (2015). Response of seaward-migrating European eel (Anguilla anguilla) to manipulated flow fields. Proc. R. Soc. B 282: 20151098. Piper A.T., Svendsen J.C., Wright R.M. & Kemp P.S. (2017). Movement patterns of seaward migrating European eel (Anguilla anguilla) at a complex of riverine barriers: implications for conservation. Ecology of Freshwater Fish 26(1): 87-98. Pollock K.H., Nichols J.D., Brownie C. & Hines J.E. (1990). Statistical Inference for CaptureRecapture Experiments. Wildlife Monographs 107: 3-97. Ricker W.E. (1975). Computation and interpretation of biological statistics of fish populations. Bulletin of the fisheries research board of Canada 191. Ryder R.A. & Pesendorfer J. (1992). Food, growth, habitat, and community interactions of young-of-the-year Burbot, Lota lota L., in a precambian shield lake. Hydrobiologia 243: 211227. Salva J., Poll K.-H. & Wilkens H.-J. (2013). Monitoring des Glas- und Steigaalaufkommens in der niedersächsischen Ems am Stauwehr Bollingerfähr. Oldenburg, 32 pp. Sandlund O.T., Klyve L. & Naesje T.F. (1985). Growth, habitat and food for Burbot Lota lota in lake Mjøsa. Fauna 38: 37-43. Seber G. A. F. (1970). Estimating time-specific survival and reporting rates for adult birds from band returns. Biometrika 57: 313-318. Silva A.T., Katapodis C., Tachie M.F., Santos J.M. & Ferreira T. (2016). Downstream swimming behaviour of catadromous and potamodromous fish over spillways. River Research And Applications 32: 935-945. Sorokin V.N. (1971). The spawning and spawning grounds of the Burbot, Lota lota (L.). Journal of Ichthyology 11: 907-916. Stapanian M.A., Paragamian V.L., Madenjian C.P., Jackson J.R., Lappalainen J., Evenson M.J. & Neufeld M.D. (2009). Worldwide status of burbot and conservation measures. Fish and Fisheries. Stevens M., Buysse D., Van den Neucker T., Gelaude E., Baeyens R., Jacobs Y., Mouton A., Coeck J. & van Vessem J. (2011). Wetenschappelijke ondersteuning van de uitvoering van het palingbeheerplan – Inventarisatie pompgemalen en inventarisatie van de technische karakteristieken en waterbeheersaspecten van prioritaire zout-zoetovegangen. Rapporten van het Instituut voor Natuur-en Bosonderzoek 38. INBO, Brussel. Stipek J. (1992). Experience in the raising of burbot (Lota lota L.) in the Czech Republic. Fisher and Teichwirt 10: 376-379. Stryckers P. (1998). De Visbeek in Natuurreservaat De Kluis (Vlaanderen). De Levende Natuur 99: 106-107. Taylor J.L. & McPhail J.D. (2000). Temperature, development and behavior in the early life history of Burbot from Columbia Lake, British Columbia. In: Paragamian V.L. & Willis D.W. (eds.) (2000). Burbot: biology, ecology and management. American Fisheries Society, Fisheries Management section, Publ. 1. Bethesda: 30-37.
142
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be
Tesch F.-W. (2003). The eel. Translated from German by R.J. White , edited by J. E. Thorpe, 3rd ed. Blackwell Science Ltd., Oxford, UK, 408 pp. Van den Neucker T., Gelaude E., Martens S., Baeyens R., Jacobs Y., Stevens M., Mouton A., Buysse D., Auwerx J., De Charleroy D., Coeck J. & van Vessem J. (2009). Wetenschappelijke ondersteuning van de herstelprogramma’s voor kopvoorn, serpeling, kwabaal en beekforel in 2008. INBO.R.2009.39, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Van den Neucker T., Gelaude E., Martens S., Baeyens R., Jacobs Y., Stevens M., Mouton A., Buysse D., Auwerx J., De Charleroy D., Coeck J. & van Vessem J. (2010a). Wetenschappelijke ondersteuning van de herstelprogramma’s voor kopvoorn, serpeling, kwabaal en beekforel in 2010. INBO.IR.2010.32, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Van den Neucker T., Gelaude E., Martens S., Baeyens R., Jacobs Y., Stevens M., Mouton A., Buysse D., Auwerx J., Vught I., De Charleroy D., Coeck J. & van Vessem J. (2010b), Wetenschappelijke ondersteuning herstelprogramma’s kopvoorn, serpeling, kwabaal en beekforel in 2010. INBO.R.2010.68. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Van den Neucker T., Gelaude E., Baeyens R., Jacobs Y., De Maerteleire N., Stevens M., Mouton A., Buysse D., Auwerx J., Vught I., De Charleroy D. & Coeck J. (2012). Wetenschappelijke ondersteuning herstelprogramma’s kopvoorn, serpeling, kwabaal en beekforel in 2011. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.201(Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.), p.164 p. Van den Neucker T., Gelaude E., Baeyens R., Jacobs Y., De Maerteleire N., Robberechts K., Stevens M., Mouton A., Buysse D., Auwerx J., Vught I., De Charleroy D.& Coeck J. (2013a). Wetenschappelijke ondersteuning herstelprogramma’s kopvoorn, serpeling, kwabaal en beekforel in 2012. INBO.R.2013.21. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Van den Neucker T., Gelaude E., Baeyens R., Robberechts K., De Maerteleire N., Jacobs Y., Stevens M., Mouton A., Buysse D., Auwerx J., Vught I., De Charleroy D. & Coeck, J. (2013b). Wetenschappelijke ondersteuning herstelprogramma’s kopvoorn, serpeling en kwabaal in 2013. INBO.R 2013.1007144. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 124 pp. Van Kessel N.B., Niemeijer B. & Hoogerwerf G. (2012). Jaarrapportage Actieve Vismonitoring Zoete Rijkswateren. Samenstelling van de visstand in de grote rivieren gedurende het winterhalfjaar 2011-2012. Natuubalans – Limes Divergens BV, Nijmegen. Van Wichelen J., Vandamme L., Pauwels I., Auwerx J., Buysse D., Baeyens R., De Maerteleire N., Gelaude E., Pieters S., Robberechts K. & Coeck J. (2018). Wetenschappelijke onderbouwing en ondersteuning van het visserijbeleid en hetvisstandbeheer. Onderzoeksprogramma visserij 2017 - eindverslag. Rapporten van het Instituut voor Natuuren Bosonderzoek 2018 (76). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.15335912 Vandamme L., Van Wichelen J., Pauwels I., Auwerx J., Vught I., Buysse D., Baeyens R., De Maerteleire N., Gelaude E., Picavet B., Pieters S., Robberechts K., Coeck J. (2017). Wetenschappelijke onderbouwing en ondersteuning van het visserijbeleid en het visstandbeheer. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Vrielynck S., Belpaire C., Stabel A., Breine J. & Quataert P. (2003). De visbestanden in Vlaanderen anno 1840-1950. IBW.Wb.V.R.2002.89, 474 pp. VMM (2014). Druk en impact analyse in afstroomzone VL11_123 Speerpuntgebied, 4 pp. VMM (2016). Screening Grote nete I, VL11_123, 47 pp.
www.inbo.be
Eindverslag visserijonderzoek 2018
143
Vught I., De Charleroy D., Van Liefferinge C., Auwerx J., Picavet B., Hennebel D., Ceusters Y. & Coeck J. (2011). Wetenschappelijke ondersteuning herstelprogramma rivierdonderpad (Cottus perifretum) in het Demerbekken. Resultaten 2008-2011. Eindrapport INBO.R.2011.60. Instituut voor Natuur-en Bosonderzoek, 34pp. Vught I., Buysse D., De Charleroy D., Jansen I., Mouton A., Papadopoulos I., Pauwels I., Auwerx J., Baeyens R., De Maerteleire N., Gelaude E., Picavet B., Pieters S., Robberechts K. & Coeck J. (2015). Wetenschappelijke onderbouwing en ondersteuning van het visserij-beleid en het visstandbeheer-Onderzoeksprogramma visserij 2014: Eindrapport. INBO.R.2015.11373725. Instituut voor Natuur-en Bosonderzoek. 208p. Walsh C.T. & Pease B.C. (2002). The use of clove oil as an anaesthetic for the longfinned eel, Anguilla reinhardtii (Steindachner). Aquaculture Research 33: 627-635. Watz J., Nilsson P. A., Degerman E., Tamario C. & Calles O. (2019). Climbing the ladder: an evaluation of three differentanguillid eel climbing substrata and placement of upstream passage solutions at migration barriers. Animal Conservation, doi.org/10.1111/acv.12485.
144
Eindverslag visserijonderzoek 2018
www.inbo.be