Skip to main content

M&L_19_2.pdf

Page 1

'muiMm . :^'. •%.

.•

p.

>v:

^

^s ag

m

m.

LsaSbft, • • , / a « t i i ^ :,^.

I c

.


Denys N.V. • Industrieweg 124 • 9032 WOIMDELGEM (Gent) Belgium Tel.: 09/254.01.11 • Fax : 09/226.77.71 • E-mail: info@denys.be • Website: www.denys.be


Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 BRUSSEL Tel. (02)553 82 34 - Fax (02)553 80 95 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be Coördinatie: LucTack Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns Corer: Hef kasteel van Meldert (foto 0. Pauwelsj

Abonnementsvoorwaarden 2000 België: 1300 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 250 fr.). CJP'ers betalen: l l O O f r . Buitenland: 2000 fr.

Internet

Druk

Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vl3anderen.be

Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050)47 12 72 - Fax: (050)34 37 68

Redactiecomité

Uw abonnement gaat automatisch In na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten Et Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw, Albert ll-laan - Bus 7, 1000 Brussel met vermelding "MEtL-jaarabonnement 2000". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch ver engd voor de volgende jaargang Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gyselinck, A. Malliet, V. Meul, G. Plomteux, L Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo, L Wylleman.

Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050)36 25 89 - Fax: (050)37 33 64

Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Afdeling Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 BRUSSEL Tel.: (02)553 82 36 - Fax: (02)553 80 95 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

a

J_n-K O-U

Het E g m o n t k a s t e e l te Z o t t e g e m R e s t a u r a t i e en h e r b e s t e m m i n g Hedwig Van den Bossche

32

M a d o n n a ' s op de s t r a a t h o e k e n i n A n t w e r p e n An T a n t

J

51

" G e t e m p e r d e s t r a k l i j n i g h e i d " : L o u i s Van der Swaelmen en de " k r a c h t i g e r a n g s c h i k k i n g " van het k a s t e e l d o m e i n van M e l d e r t (Hoegaarden) Roger Deneef, Chris De Maegd, Herlinde De Jaeck & Jo Wijnant

63

Summary


Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenmesl is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...

Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddclen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Will u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.

P.E.C. International n.v. Verbindingsstraat 2. B-9100 St.-Niklaas Tel.: (03)776 84 39 - Fax: (03)777 35 09

Kunstatelier

Uw patrimonium^..

Gerard Thienpont bvba

onze zorg

Konservatie en Restauratie van Kunstwerken Hout - Steen - Stucwerk • Schilderijen

Reeds meer dan 20 jaar restaureren, renoveren en beschermen wij gebouwen en waardevolle monumenten.

Beeldhouwwerken • hout en steen Decoratieve schilderwerken

Reiniging, restauratie en renovatie van gevels Restauratie en conservatie van steen Traditionele zuivere kalkpleisters en kaleilagen Mineraalverven en silicaatpleisters Cement- en kunststofgebonden gevelpleisters Warmte-lsolerende pleistersystemen Betonherstelling en -bescherming Duivenwerlng Houtworm- en zwambestrijding Polylneerchemische houtrestauratie en -versteviging Brandremming op hout, beton en metaal Injectiewerken Vochtwering en waterdichting Renovatie- en verbouwingswerken Referenties op aanvraag

Onze vaklui worden begeleid door gespecialiseerde ingenieurs en kunsthistorici

Solar

Polycromeerwerken • Bladgoud Kerkmeubilair Onderzoek en behandeling Rozenstraat 6 - 9810 NAZARETH (Eke) Tel. (09) 385 54 32 - Fax (09) 385 45 52

TT

>

r

r

Bouwchemie B.V.B.A.

Uw partner voor totale bouwbescherming Documentatie of gratis op aanvraag

advies

Tel.: 03-766.11.66 - Fax: 03-777.35.09 Kleine Breedstraat 33 - B-9100 SINT NIKLAAS Erkend aannemer cat D kl 1. o cat D l kl 3, D21 kl 3. 024 kl 4

E v e n w i c h t tussen w e t e n s c h a p en v a k m a n s c h a p

Industriepark 20 2220 HEIST-OP-DEN-BERG

tel. 015/24 19 68 fax 015/24 28 60

(met afhaaldepot te Lauwe (Kortrijk) - Vrijheidsboomplaats 7)


HDSYSTEM

GSUPPO ^ ' TASSULLO .p.

CORIDECOR kalkverven binnen- en buitendecoratie

natuurlijke hydraulische kalk mortels voor binnen en buiten

Uinitre /i San %omedio BEAL Pare Industrial de Noville-Les-Bois 8, rue de Tronquoy B-5380 Femelmont Tél.: 081/83.57.57 Fax: 081/83.57.67

/» ^ ^-L ^-».

Arte Arte Constructo bvba Molenberglei 18 B- 2627 Schelle (België) Tel.: 00.32.3/880.73.73 Fax: 00.32.3/880.73.70


RESTAURATIE EGMONTKASTEEL ZOTTEGEM

ALGEMENE ONDERNEMINGEN E.G. VERSTRAETE & VANHECKE N.V. FOTOGRAFIELAAN 24 2610 ANTWERPEN-WILRIJK TEL. 03/829.04.00 - FAX 03/829.08.06


Hedwig Van den Bossche

HET EGMONTKASTEEL TE ZOTTEGEM. RESTAURATIE EM HERBESTEMMING •*

Zottegem, Egmontkasteel. De I8d'-eeuwse n.iplial Toestand na restauratie en uitbreiding. (foto 0. Psuwels).

Toen de lokale overheid in 1971 aan het Egmontkasteel

restauratiewerken

in het vooruitzicht

stelde,

versen die een realisatie vertraagd.

nog enkele jaren

Met een meer realistisch

zou het nog zeven jaar duren vooraleer

de eerste

zou ten slotte aan de eisen van de

opmetingsplannen

Ook de

Monumenten

werden voorgelegd.

beslissing over een herbestemming op zich wachten.

liet tot

1982

Hoewel het idee om het kasteel

in te richten als plaatselijke

openbare

bibliotheek

gekomen. programma

en Landschappen

programma Afdeling

tegemoet

worden

Toch heeft ook deze evolutie in het tijdens de vier jaar durende

tie (1993-1997)

niet verhinderd

niet nieuw was, leidden soms hallucinante

neven-

van de nieuwe bestemming

functies die men eraan wou koppelen,

contro-

waarde van het monument

tot

hebben

dat de

met de

restaurainpassing

intrinsieke

in aanvaring

kwam (1).


Herbestemming als openbare bibliotheek stelt absolute voorwaarden aan het monument: verbetering van de stabiliteit, beveiliging tegen brand en inbraak, functionele circulatie voor personeel en publiek en een technische uitrusting, wat alles samen een optimale bibliotheekwerking moet verzekeren. Zodra de restauratieopties zijn bepaald worden de krijtlijnen getrokken waarbinnen het programma aan de restauratie-ethiek kan worden getoetst. De restauratieopties voor het Egmontkasteel waren zowel algemeen als specifiek: het algemeen principe van conserverend restaureren met strikte beperkingen bij het vervangen van bouwonderdelen en materialen; verder specifiek wat betreft het behoud en de visualisering van bouwhistorisch belangrijke relicten. Aan dit laatste wordt in het hoofdstuk over de continuïteit van de bouwgeschiedenis aandacht besteed. Het verslag van deze restauratie is opgebouwd rond de functionele eisen die het programma van de herbestemming stelde en de restauratieve ingrepen die de geschiedenis van het monument tot uitdrukking zouden brengen. Voor een beter begrip van de ingrepen door de herbestemming en van de restauratieve opties is een beknopt overzicht van enkele aspecten van de latere ontwikkeling van het kasteel noodzakelijk. Het kasteel, dat grotendeels in het laatste kwart van de 15de en het eerste kwart van de 16de eeuw tot stand kwam, gaf bij de aanvang van de restauratiewerken in juni 1993 het beeld van langdurig verval na de verbouwingen en de inwendige herschikkingen die door gewijzigde woonaccommodaties in de loop van de 18de en de 19de eeuw hadden plaatsgevonden. Van het kasteel dat op de prent in A. Sanderus' Flandria Illustrata staat afgebeeld blijft alleen de oostelijke vleugel (ca 7,80 x 47,00 m) over die in de tweede helft van de 18de eeuw zijn tweede verdieping en zijn dubbele, laatgotische galerij zou verlie-

zen. Uit het midden van de 1 8de eeuw dateert de aanbouw met dienstgang op de begane grond en op de verdieping, die bij benadering de plaats inneemt van de vroegere galerij. Na het midden van de 18de eeuw onderging het gebouw belangrijke inwendige transformaties en werd het door een centrale traphal als het ware opgesplitst in twee delen. Dit laatste lag aan de grondslag van een werkelijke opdeling van het kasteel en het omliggend terrein in de tweede helft van de 19de eeuw. Bij de werken die in 1959-60 in het kasteel hebben plaatsgevonden en als 'restauraties' werden voorgesteld, werd belangrijk bouwhistorisch materiaal vaak over het hoofd gezien. Indien toen al bouwhistorisch onderzoek werd verricht gebeurde dit allerminst systematisch en liet men na bevindingen en bouwsporen te registreren. Met betrekking tot enkele bijzondere aspecten zullen wij hier verder nog op terugkomen. Vermelden wij nog dat de 19de eeuw vooral op het zuidelijk gedeelte haar stempel heeft gedrukt met een nieuwe gevel in neorenaissancestijl, de binnenaankleding van de daarachter gelegen gang en, links van de gang een trappenhuis dat in 1987 voor een nieuwe bibliotheekvleugel moest verdwijnen (2). Vijf kamers, waarvan enkele later door binnenwanden waren onderverdeeld, bevinden zich ten zuiden of links van de centrale 18de-eeuwse eikenhouten trap. Van de vijf kamers ten noorden of rechts van deze trap behoren er twee tot wat nu dienst doet als conciërgewoning, het sinds eeuwen meest verminkte gedeelte van de kasteelvleugel. Een dergelijke opdeling herhaalt zich op de verdieping die respectievelijk links en rechts van het trappenhuis in vijf en in drie kamers is onderverdeeld. De grootste kamer van het noordelijk gedeelte is de zogenaamde 'Ridderzaal'.

T

Zottegcm, Egmontkasteel. Plattegrond van de begane grond.

Toestand vóór de (Atelier nor restauratie en Architectuur Leo De inrichting als open- to & Jacques Hint). bare bibliotheek.


• ïottegem, Egmontkasteel. Plattegrond van de begane grond. Toestand na restauratie en inrichting als openbare bibliotheek.

V f~ ' '

{Atelier voor Architeauur Leo De Vos & Jiapm

Kimj.

Functionele eisen van het programma: verticale ontsluiting

maar zou voor occasionele tentoonstellingen worden ingericht.

Door het bouwprogramma kon de indeling van de kamers aan weerszijden van het trappenhuis globaal worden bewaard. Daar de nieuwe bibliotheekvleugel erbij aansloot werd het zuidelijk deel voorbehouden voor de bezoekers. In het noordelijk deel werden kantoren en een conciërgewoning ondergebracht. De grote zaal op de verdieping of 'Ridderzaal' voldeed als multifunctionele ruimte. De 19de-eeuwse zuidgevel zou dienen als ingang voor de bibliotheekbezoekers, de 1 8de-eeuwse ingangen van de dienstgang aan de westzijde en van het trappenhuis aan de oostzijde, zouden respectievelijk dienen voor rolstoelgebruikers en voor het gebruik van de Ridderzaal (3). De restauratiewerken waren al een eind gevorderd toen het stadsbestuur besliste ook de zolder en de kelder in het programma op te nemen. De zolderruimten zouden worden ingericht als voor het publiek toegankelijk vergaderlokaal, kantoor en archief voor de bibliotheek (4). De kelder, waar men van oudsher af te rekenen had met vochtproblemen, kon geen bibliotheekfunctie vervullen

Het centrale trappenhuis bood onvoldoende ruimte voor een vlotte bereikbaarheid van de aanpalende kamers, waarvoor een omlopende open gang op de verdieping nodig was. O m de 18de-eeuwse trap van meer ruimte te voorzien werd een over de verdieping doorlopende vide gecreëerd. Een en ander maakte het noodzakelijk een binnenwand op de begane grond en op de verdieping respectievelijk te verplaatsen en te slopen. Hierdoor werd de kamer links van de traphal met een travee verkleind en kreeg de vergrote traphal een betere lichtinval langs het venster dat tot deze kamer had behoord (5). Van de verdwenen kamer op de verdieping werd de 18de-eeuwse schouwboezem in de rondgang opgenomen. Dit element blijft als getuige van de vroegere toestand bewaard. De borstwering bij de overloop tussen de Ridderzaal en de kamer aan de andere zijde van het trappenhuis werd als getuige van de vroegere toestand vóór de nieuwe gesloten borstwering van de rondgang teruggeplaatst. Een deur die van het trapbordes naar de dienstgang op het westen opende

• Zottegem, Egmontkasteel. Plattegrond van de verdieping.

i

•

Toestand vóór de restauratie en

.

inrichting als openbare bibliotheek. [Atelier voor Architectuur Leo De Vos 8 Jacques Hint).

c

ih

.-:.••

:'-

. .

•


Zottegem, Egmontkasteel Plattegrond van de verdieping. Toestand na restauratie en inrichting

1 ::'

i f::: t •

als openbare bibliofiS

^ . - i ^

B^S

E5Ü ' ï S p

theek. (Atelier voor Architeam

. "••

e

Leo De

Vos & Jacques Kmt)

! LX: l^h tr^

werd vervangen door een deur uit veiligheidsglas zodat het trappenhuis ook hier meer lichtinval kreeg. O m aan de veiligheidseisen tegemoet te komen moest een verbinding tussen de genoemde gang en de nu in de rondgang opgenomen kamer worden dichtgemetseld (6). De vloer van het uitgebreide gedeelte van het trappenhuis werd gelegd naar het model van de marmeren tegelvloer van de oude traphal. Een moerbalk van de vroegere kamer bleef als getuige bewaard onder de betonnen draagbalk van de nieuwe rondgang. Dat gebeurde ook met een 16de-eeuwse versierde kraagsteen en een in de 18de eeuw doorgezaagde moerbalk bij de oostelijke en de westelijke wand van het trappenhuis. De voorschriften van stabiliteit en brandveiligheid eisten dat een betonnen trapslede werd ingepast. Hiervoor moest de grote trap gedemonreerd worden, de borstwering kon ter plaatse behouden worden. Nog als gevolg van de veiligheidsvoorschriften kwam er vóór de 18de-eeuwse toegangsdeur in het trappenhuis een schuifdeur van veiligheidsglas. Ten slotte maakte een multifunctionele bestemming van de Ridderzaal het voor de veiligheid noodzakelijk de zaal naar de begane grond te ontsluiten door een betonnen steektrap die naar een nooduitgang in de noordgevel leidt. Overeenkomstig de voorschriften van brandveiligheid moest deze betonnen trap de plaats innemen van een houten steektrap, een smalle diensttrap van gering bouwhistorisch belang die in de 19de eeuw was geplaatst.

,73=;

e i

r

IEP-"

^

Functionele eisen van het programma: horizontale ontsluiting Naast een optimale verticale circulatie eiste het bouwprogramma ook een vlotte horizontale verbinding tussen de verscheidene lokalen. Daarom moest boven de grote trap een gang worden gecreëerd om de aan weerszijden gelegen zolderruimten met elkaar te verbinden (7). Hier ging het om een verbinding tussen het voor het publiek toegankelijk deel van de zolder en een archiefruimte die enkel voor het bibliotheekpersoneel was voorbehouden. Er was ook een verbetering van de circulatie tussen de kamers nodig, zowel voor het publiek als voor het personeel. Daarom werden enkele later opgetrokken scheidingswanden verwijderd. Anderzijds moesten ook enkele bestaande doorgangen in laat15de-vroeg-16de-eeuwse binnenmuren groter worden gemaakt (8). Enkel in het noordelijk gedeelte van het kasteel was er geen horizontale ontsluiting nodig. De doorgangen tussen de in de 18de-eeuw en enfilade geplaatste kamers rechts van de traphal bleven bewaard omdat ze als kantoren werden ingericht en daarom niet aan de strenge bepalingen voor publieke toegankelijkheid waren onderworpen. Een op het noorden gelegen kamer op de begane grond werd als refter voor het personeel ingericht. Aanvankelijk waren de restauratiearchitecten van oordeel dat de aanwezige renaissancehaard niet met een dergelijke bestemming te rijmen viel en beter verplaatst kon worden naar een kamer waar hij ook door het publiek kon worden gezien. Toch haalde de initiële restauratieoptie het en bleef de schouwboezem, gedragen door gepolierde kalkstenen renaissancezuiltjes, in situ bewaard. In de ten noorden aan deze


meldden reeds dat deze laatste, die een 19de-eeuwse toevoeging was en in slechte staat verkeerde, door een betonnen vluchttrap werd vervangen. De 18de-eeuwse eikenhouten traptreden werden weggenomen, en vervangen door nieuwe, die na het gieten van een betonnen trapslede geplaatst werden. Dat was niet alleen nodig omdat de treden in een verregaande toestand van verval verkeerden, maar ook omdat ze alleen in de muren steun vonden, met een ernstige verzakking van de hele trapconstructie als gevolg (9). Bij het ontmantelen van de grote trap kreeg men inzicht in een tot dan toe niet verklaard fenomeen, namelijk de opmerkelijk schuine stand waarin alle stootborden waren geplaatst. De verklaring hiervoor was een te geringe maatvoering bij de aantreden, wat toen was verholpen door alle stootborden gewoon in een hellende stand te plaatsen. O m het aantal treden te kunnen behouden en moeilijke aanpassingen bij de bordessen te vermijden, bleven de oorspronkelijke afmetingen bij de vernieuwde traptreden gerespecteerd.

A Zottegem, Egmontkasteel. Zuidelijk gedeelte van de gang op de

kamer grenzende ruimte werden een kleine personeelskeuken en een sanitaire groep ingericht.

begane grond met doorgangen naar de openbare bibliotheek. Toestand na restauratie en berinrichting. (foto 0. Pauwelsj.

Het gebruik als bibliotheek maakte zowel het dichtmetselen van bestaande openingen als het creëren van nieuwe doorbrekingen in wanden noodzakelijk. Dat gebeurde op de verdieping bij de dienstgang, respectievelijk voor het opstellen van boekenrekken en voor het maken van een 3 meter brede verbinding naar de plaats waar het 19deeeuwse trappenhuis had gestaan. O p de verdieping kregen ook twee op het noorden gelegen kamers een nieuwe indeling nadat hun gemeenschappelijke wand was gesloopt. De kamers werden als woning voor de huisbewaarder ingericht, waarbij de oude moerbalken behouden bleven.

Functionele eisen van het programma: stabiliteit en brandveiligheid Toegankelijkheid en veiligheid betekenden ook dat de draagkracht en de brandweerstand van trappen en vloerconstructies aangepast moesten worden. Door Monumentenzorg geopperde alternatieven maakten geen kans tegenover deze rigoureuze veiligheidsvoorschriften. De grote eikenhouten trap in het centrale trappenhuis, noch de houten steektrap achter de Ridderzaal voldeden hieraan. Wij ver-

M&L

De ontoereikende draagkracht en brandweerstand van de houten vloerconstructies werden verholpen door betonnen vloerplaten aan te brengen. Bij het wegnemen van de meestal 19de-eeuwse plankenvloeren bleken zij te sterk vermolmd om ze na het gieten van betonnen vloerplaten te kunnen herplaatsen. De houten plankenvloeren werden door nieuwe vervangen, met uitzondering van een oorspronkelijke eikenhouten plankenvloer in het 18de-eeuwse salon op de begane grond, waarvan een belangrijk deel na het plaatsen van de nieuwe draagstructuur kon worden gerecupereerd. Gezien ook de plankenvloeren van de zolderruimten door hun slechte staat niet tegen intensief gebruik bestand zouden zijn, werden ze na het plaatsen van betonnen draagvloeren vernieuwd. De oorspronkelijke rode tegelvloeren in de kamer met het kruisribgewelf beneden en in het noordelijk gedeelte van de Ridderzaal bleven bewaard. In de ruimte die paalt aan de kamer met het kruisribgewelf kon een 19de-eeuwse vloer van wisselend zwarte en witte cementtegels, omzoomd door een meanderpatroon, grotendeels worden gerecupereerd. Ook het grootste deel van de witte en zwarte marmeren vloertegels beneden in de 19de-eeuwse gang en het 18de-eeuwse trappenhuis werd bewaard. Bij de uitbreiding van de traphal werd het bestaande vloerpatroon doorgetrokken (10). In de kelder werden de wanden en de gewelven op-


Toestand na restau-

nieuw gekaleid, met uitzondering van het oudste gedeelte. De kelderbevloering, waar mettertijd baksteen naast blauwe hardsteen door elkaar was verwerkt, werd gereinigd en plaatselijk hersteld. De vloer bij het zuidelijk gedeelte, dat mogelijk een overblijfsel van de middeleeuwse donjon is, dateerde van de jaren zestig en werd vervangen door een bevloering van donker gepolierd beton. Hierdoor kreeg hij een neutraler uitzicht en sluit hij beter aan bij de blauwe hardstenen bevloering van de aangrenzende kelderruimten (11). Het gieten van betonnen draagvloeren bood de gelegenheid om de toestand van moerbalken en gewelven van nabij te onderzoeken. In verscheidene kamers en in de Ridderzaal werden stabiliteitsproblemen vastgesteld bij de moerbalkkoppen en in enkele kamers ook bij troggewelfjes die tussen moerbalken gemetseld waren. Ook de 19de-eeuwse, op houten latwerk gepleisterde hangkoepels in het zuidelijk deel van de gang beneden verkeerden in een bedenkelijke toestand.

Zottegem,

ratie. Nieuw luch-

Egmontkasteel.

terdesign in over-

I8d'-eeuwse traphal.

eenstemming met

Begane grond met

de I8d'-eeuwse

zicht naar de

trap

beveiligde ingang.

(foto 0. Pauwels).

De slechte toestand van de muurplaten op de zolder en van de zwaar aangetaste balkkoppen in de Ridderzaal werd verholpen door langs de muren van de Ridderzaal zichtbaar overkragende betonnen strijkbalken aan te brengen. Deze oplossing deed geen afbreuk aan het oorspronkelijk karakter van de zaal, omdat de balkenzoldering reeds in de 18de eeuw was verlaagd, waarschijnlijk toen de tweede verdieping werd gesloopt. Steekproeven hadden reeds aangetoond dat in enkele kamers de moerbalken onvoldoende oplegging hadden voor de bakstenen troggewelfjes die in de 1 8de eeuw de plaats van de kinderbalken hadden ingenomen. Waar nodig werden onder de moerbalken stalen steunplaten geplaatst, waarna het geheel opnieuw werd bepleisterd (12). Omdat de 19de eeuw een belangrijk aandeel heeft gehad in de bouwgeschiedenis van het kasteel, lag het behoud van de gang met zijn hangkoepels en wandpilasters voor de hand. Het zwaar aangetaste houten latwerk waarop de bepleistering van de hangkoepels was aangebracht, werd vervangen


• Zottegem. Egmontkasteel. Kelder. Zicht naar het noorden. Toestand na restauratie. (Foto 0. Pauwtls).

door een ijzeren wapeningsnet. Met hun pilasters kregen de wanden een eenvoudige, monochroom witte afwerking (13).

Restauratie: continuïteit van de bouwgeschiedenis Naast de ingrepen voor de stabiliteit en de beveiliging, maakten ook structurele werken deel uit van het restauratieprogramma. Tot de consolidatiewerken behoorden onder andere het verstevigen van moerbalken en het heropmetselen van bouwvallige troggewelfjes. Een vroegere ingreep, gevolg van een vermeend stabiliteitsprobleem, werd ongedaan gemaakt. In 1959-'60 was in de Ridderzaal een draagmuur opgetrokken, geopend door twee brede doorgangen die onder gedrukte puntbogen waren gevat. Het zal beslist geen toeval zijn dat deze muur het deel van de zaal met een houten plankenvloer van het deel met een rode tegelvloer scheidde. De verschillende vloerbedekkingen en de aanwezigheid van nog oorspronkelijke strijkbalken, waarin aan weerszijden van de muur kinderbalken van de balkenzoldering

rusten, laten het bestaan van een oudere muur vermoeden. De huidige 'Ridderzaal' zou dus oorspronkelijk uit twee ruimten hebben bestaan: een zaal naast een kleine kamer. We weten niet hoe de scheidingsmuur er heeft uitgezien en hoe beide ruimten met elkaar in verbinding hebben gestaan. Tijdens de restauratie in 1959-'60 heeft men zich bij het optrekken van de nieuwe muur echter niet laten leiden door voornoemde getuigen. Dat kunnen wij afleiden uit wat de toenmalige conservator ons heeft meegedeeld: de nieuwe muur zou nodig zijn geweest om de stabiliteit te verzekeren, terwijl de in witsteen gevatte doorgangen werden bedacht naar het model van de oorspronkelijke boog die de erker met de zaal verbindt. Voor Monumentenzorg was de constructie van 1959-'60 naar vorm en materiaalkeuze bouwhistorisch een falsificatie en kon ze dus worden verwijderd. Zonder aan de eenheid van de huidige Ridderzaal afbreuk te doen werd hier een eenvoudige betonnen 'portiek' opgericht, bestaande uit twee muurtongen en een latei, die aan de oudere muur zou refereren. Een tweede belangrijke reden om de muur te laten verdwijnen was dat de centra-


Zottegem, Egmontkasteel, Ridderzaal. Toestand vóór de restauratie. (Foto P. De Prins).

Ie steun tussen de beide bogen het multifunctioneel gebruik van de Ridderzaal sterk zou hebben gehinderd. Een haard bij de zuidelijke muur van de Ridderzaal, een bouwhistorisch niet verantwoorde en onesthetische ingreep van 1959-'60, werd verwijderd. Kinderbalkjes en eikenhouten platen, die toen waren geplaatst tegen beschadigde moerbalken, werden respectievelijk vernieuwd en plaatselijk hersteld. Daar de moerbalken zwaar aan authenticiteit hadden ingeboet, werden twee ook zeer verminkte oorspronkelijke balksleutels niet meer gerecupereerd. Het betrof de niet meer in situ bewaarde balksleutels die de wapens van Lamoraal van Egmont en van zijn echtgenote droegen, tot ze na Lamoraals terechtstelling werden verwijderd (14). Ook werden in de Ridderzaal twee authentieke, later dichtgemetselde doorgangen naar de laatgotische galerij geopend en met veiligheidsglas gevuld. De optie voor neutrale glaspartijen was de minst historiserende en bovendien kreeg aan deze zijde de Ridderzaal er lichtinval door en bood de zaal een fraai gezicht op het kasteeldomein en het park.

Het was nodig de ruimtelijke werking van de Ridderzaal te verbeteren. Door de donker gebeitste moer- en kinderbalken van de zoldering, die zoals gezegd in de tweede helft van de 18de eeuw was verlaagd, kwam de ruimte nogal drukkend over. Voor een betere ruimtewerking en door de representatieve functie van de zaal werden de wanden afgewerkt met Calce Mongibello, een decoratieve stuccotechniek. Bij de werken van de jaren 1959-'60 zijn de mogelijk toen nog aanwezige sporen van binnenafwerking voorgoed verloren gegaan, zodat voor deze nieuwe, modieuze en niet historische afwerking van de wanden kon worden gekozen. Met de structurele consolidatiewerken ging de herstelling van geprofileerd pleisterwerk gepaard, meer bepaald het lijstwerk op wanden, balken en troggewelfjes. Een grondiger aanpak kregen twee haarden, namelijk de boezems van de renaissancehaard in de noordelijke kamer en van een 18de-eeuwse haard in de kamer ten zuiden van de traphal. Bouwvalligheid maakte herbepleistering noodzakelijk van de schelpvormige kooflijst en het in een rechthoekige lijst gevatte cirkelmotief boven de

1VI&L


renaissancehaard. Door onvoldoende afscherming en beveiliging stortte in de voornoemde kamer tijdens het uitbreken van de vloer de boezem van een 1 8de-eeuwse haard in. Van herstel kon geen sprake meer zijn, wel van een reconstructie gebaseerd op fragmenten van de kooflijst, foto's en een opmeting. Enkele eenvoudige, laat-19de-vroeg-20ste-eeuwse haarden in het zuidelijk gedeelte van het kasteel konden bij de herbestemming niet worden bewaard. O m dezelfde reden moest ook een vroeg-19deeeuwse haard met eenvoudige lijstprofielen bij de boezem uit de noordelijke kamer van de verdieping verdwijnen. Er werd beslist de 18de-eeuwse marmeren schouwmantels die reeds in de jaren vijftig of zestig waren verdwenen niet te vernieuwen. Een uitzondering werd gemaakt voor de haard van het salon rechts van de traphal dat nog zijn oorspronkelijke aankleding uit het derde kwart van de 1 8de eeuw had bewaard. Een 18de-eeuwse marmeren schouwmantel die in 1959-60 was weggeno-

A

T

Zottegem,

Zottegem,

van het zuidelijk

Egmontkasteel.

gedeelte. Toestand

Haard van kamer

na restauratie,

op begane grond

(Foto 0. huwek).

Egmontkasteel. Ridderzaal. Toestand na restauratie.

(Foto 0. Pauweli).

men en, gedemonteerd in het kasteel was bewaard, kon voor dit salon worden gerecupereerd omdat de afmetingen vrijwel geheel overeenstemden met die van het verdwenen exemplaar. Deze beslissing berustte op stijlanalogie en op de overweging dat de oorspronkelijke plaats van de schouwmantel niet meer kon worden achterhaald. In dit salon werden de eikenhouten vloer, de lambrisering en een wandkast hersteld. De restauratie van het wandbehang en het binnenschilderwerk was met de reconstructie van de wandbeschildering van de kamer met het kruisribgewelf het voorwerp van twee aparte restauratieloten. Deze restauratie komt verder nog ter sprake. De uitvoering van de restauratiewerken bracht enkele bouwhistorisch belangrijke getuigen aan het licht. Wel was sinds 1959-'60 het bestaan gekend van zandstenen schildbogen op de verdieping. Deze bogen, waarop de kruisribgewelven van de

IVl&L


laatgotische galerij hadden gerust, werden toen achter een vlak plafond aangetroffen maar weer verstopt. Met deze restauratie zouden ze opnieuw zichtbaar worden gemaakt. Een tegenvaller was dat in het zuidelijk gedeelte van de gang geen getuigen van schildbogen bewaard waren (15). Minder verwonderlijk was dat dergelijke getuigen ontbraken bij een deel van de gang op de begane grond. Bij de 19de-eeuwse aankleding was men hier namelijk heel grondig te werk gegaan. In het noordelijk deel van de gang waren achter het pleisterwerk wel sporen van dergelijke bogen aanwezig, hoewel de zandstenen schildbogen verdwenen waren en de ontstane holten in de muur met baksteen waren opgevuld. Dergelijke bakstenen, getuigen van het bestaan van schildbogen, zijn er ook buiten aan de westgevel. Verrassend was de vondst van getuigen van een vroegere bouwfase tijdens het decaperen van het pleisterwerk op de begane grond in de gang. Er werden bovenlateien en ontlastingsboogjes aangetroffen, overblijfselen van kruiskozijnen (16). Ook kwamen een fragment en twee volledige exemplaren aan het licht van zandstenen doorgangen, afgewerkt met een korfboog, dezelfde als de bestaande oorspronkelijke doorgangen op de verdieping. Daarnaast kwam nog een bredere, met een spitsboog afgewerkte doorgang tevoorschijn. De bogen van de doorgangen hadden waterlijsten die later, mogelijk bij de bouw van de laatgotische galerij, werden weggeslagen. Ten slotte ontdekte men langs de muur, ongeveer 0,70 meter onder de huidige vloerpas, een oorspronkelijke zandstenen plint met geprofileerde velling. Deze belangrijke vondst is nu zichtbaar onder een doorlopende strook gewapend glas. Ontbrekende elementen van de plint werden niet bijgemaakt, de zandstenen doorgangen werden plaatselijk met steenherstelmortel bijgewerkt en bij de boog van de grote doorgang zijn enkele ontbrekende stenen met nieuwe witsteen aangevuld. Bij de doorgangen volstond het de weggeslagen waterlijsten zonder aanvullingen zichtbaar te laten. De aanwezigheid van een plint, getuigen van kruiskozijnen en van waterlijsten bij doorgangen, laten vermoeden dat vóór de bouw van de laatgotische galerij de muur een buitengevel is geweest. De bewaarde oostelijke vleugel van het kasteel moet dus in ten minste twee bouwfasen opgetrokken zijn. Ook in het zuidelijk deel van de gang trof men op de verdieping getuigen aan van oude doorgangen naar de laatgotische galerij. Eén toonde nog de

rechter dagkant met zijn boogaanzet, maar op de plaats waar de muur tegen de neorenaissancegevel van 1867 aansluit, kwam een complete met zandsteen omlijste doorgang tevoorschijn. Door deze ontdekking moest een vroegere hypothese rechtgezet worden. In tegenstelling tot wat vroeger werd gedacht toont het bestaan van een doorgang op deze plaats aan dat de uitbreidingen van de 19de eeuw beperkt bleven tot de bouw van een trappenhuis op het westen (17) en een schermgevel in neorenaissancesdjl op het zuiden. Deze gevel van 1867 beëindigde dus geen voorbouw die verondersteld toen ook tegen de oude zuidgevel te zijn opgetrokken (18). In kringen van Monumentenzorg wordt het opnieuw zichtbaar maken van oude bouwsporen doorgaans beschouwd als een gedateerde restauratieve visie. Er wordt dan gesteld dat het eenvoudiger, goedkoper en vooral eerlijker is om bouwhistorische sporen en getuigen alleen te registreren en door een informatief paneel aan het publiek te laten zien. Dit standpunt snijdt zeker hout wanneer de te visualiseren relicten met de aankleding en inrichting van een interieur in aanvaring komen. Dat was hier echter niet het geval: de vroegere buitenmuur sluit een dienstgang af waar elke vorm van aankleding of binnenafwerking ontbreekt. Een voor een dergelijke 'archeologische' opstelling geschikte plaats in het Egmontkasteel is beslist de door haar

•*

Zottegem, Egmontkasteel. I

Gang op de verdieping »an het noordelijk gedeelte. Toestand na restauratie. (Foto 0. Pauwtls).


•

•4 Zottegem,

Zottegem.

Egmontkasteel.

Egmontkasteel.

Gang op de begane

Gang op de verdie^Tffl* ping van het zuidelijk gedeelte.

jjg

verdwenen laat-

kruiskozijnen.

gotische galerij.

Toestand na restauratie.

Toestand na

(Foto 0. Pauweh).

restauratie. (foto 0. Pauwels).

1

kale, bepleisterde wanden neutraal werkende ruimte van dit gedeelte van de dienstgang. Overigens werd er strikt op toegezien dat in deze ruimte geen element werd ingebracht dat een onjuist beeld van de bouwgeschiedenis zou geven. Ook hierom werd afgezien van een aanvankelijke optie om de bouwfragmenten, die verspreid over het terrein werden opgegraven, in de 'archeologische put' bij de vrijgemaakte sokkel te deponeren. Bij de aanleg van een nieuwe riolering werden natuurstenen bouwfragmenten aangetroffen, waaronder een deel van een pijlertje dat rondom met blinde driepasjes is uitgewerkt en een element dat met blind maaswerk is afgewerkt. Waarschijnlijk zijn beide fragmenten van de borstweringen van de laatgotische galerij afkomstig (19). Er werden ook fragmenten gevonden van kruiskozijnen en van een volutevormig ornament dat afkomstig moet zijn van

Zottegem, Egmontkasteel. Gang op de begane grond van het noordelijk gedeelte. Doorgangen van de verdwenen laatgotische galerij. Toestand na restauratie. (foto 0. Pauweli).

noordelijk gedeelte, met getuigen van

Doorgang van de

•

grond van het

een bouwonderdeel met renaissancekenmerken. De belangrijkste exemplaren van de verspreid aangetroffen bouwfragmenten werden geselecteerd en in het publiek toegankelijk deel van de zolder tentoongesteld. Het noordelijk deel van deze zolder werd ingericht als leesruimte, receptieruimte en vergaderlokaal. Hier bleef ook een binnenmuur bewaard die oorspronkelijk was gekaleid. Behoudens plaatselijke herstellingen konden de dakstructuur en het oude schalieberd bewaard blijven. Een verdwenen spant werd opnieuw geplaatst. De 18de-eeuwse houten lucarnes die in zeer slechte staat verkeerden en waarvan de luiken niet meer functioneerden, werden hermaakt. Boven het oude schalieberd werd thermische isolatie geplaatst en langs de borstweringen, verstopt achter een houten omkasting, kwamen de leidingen voor de verwarming. Toen bij het wegnemen van de dakbedekking de constructief slechte staat van het meest noordelijk deel van het kasteel duidelijk werd, moesten de restauratieopties worden bijgestuurd. Het betrof de dakstructuur die in de 19de eeuw was gewijzigd en de reeds sterk verminkte noordelijke topgevel. De gevel had reeds aan stabiliteit ingeboet toen er, vermoedelijk in het eerste kwart van de 19de eeuw, aan de binnenzijde een rondbogige nis was gemaakt. Samen met het plaatsen van een betonnen vloerplaat op de zolder werd de noordelijke geveltop heropgebouwd. Het houten klokkenruitertje, vermoedelijk ook in het eerste kwart van de 19de eeuw


Zottegem, Egmontkasteel. Gang op de begane grond van het noordelijk gedeelte. Doorgang en plint van de oorspronkelijke buitenmuur.

geplaatst, was aan vernieuwing toe, net als de bouwvallige schouw die tegen de noordgevel van de Ridderzaal aanleunt (20). De dakbedekking van het kasteel werd met natuurleien vernieuwd en de bouwvallige, slecht functionerende 18de-eeuwse eikenhouten lucarnes werden identiek aan de oorspronkelijke modellen hermaakt.

Toestand na restauratie. (foto 0. Pauwels).

•*

Zottegem, Egmontkasteel. Fragment van pijlerqe, waarschijnlijk afkomstig van de borstwering op de begane grond van de verdwenen laatgotische galerij. (foto 0. Psuwels).

• Zottegem.

van de borstwering

Egmontkasteel.

op de verdieping

Fragment van blind

van de verdwenen

maaswerk, waar-

laatgotische galerij.

schi|nlijk afkomstig

(foto 0. Pauwels).

Uit wat voorafgaat is het duidelijk dat het in praktijk brengen van de leidraad voor elke restauratie, namelijk door 'zacht' restaureren maximaal conserveren, aanzienlijk werd beperkt door de voorwaarden en omstandigheden die het programma van de herbestemming heeft opgelegd. De beperkingen van het programma bestonden echter niet bij de restauratie van de gevels, waar slechts plaatselijk zandsteen door Massangis moest worden vervangen, namelijk waar het oorspronkelijk materiaal geheel was verweerd of waar ontbrekende partijen een invulling wenselijk maakten. Dit laatste gold meer bepaald voor de zandstenen plint en de raamomlijstingen, maar hier en daar ook voor delen van het baksteenparement. De vlakke plint van de 18de-eeuwse aanbouw aan de westzijde werd doorgetrokken bij het rechter gedeelte, waar in de 19de eeuw bij de bouw van een conciërgewoning de zandsteen was verwijderd. Anders was de situatie bij de oostgevel, waar tegen het deel dat nu als conciërgewoning dienst doet een uitbouw voor latrines heeft gestaan — een voor die tijd wel heel vooruitstrevende voorziening uit hygiënisch oogpunt —, die mogelijk in de 18de eeuw was verdwenen. De plaats van deze constructie is nog merkbaar aan de onderbroken plint en waterlijst. Bouwhistorisch zou een aanvulling van deze elementen een vervalsing zijndaar er behalve de fundering geen resten meer van bestaan. Waar de zandsteen in mindere mate door verwering was aangetast kon een retouche met steenherstelmortel volstaan. O m de kleurcontrasten tussen oud en nieuw werk iets te verzachten werd de Massangis met lijnolie behandeld. Dat levert een bevredigend maar slechts tijdelijk resultaat op en zo zal na verloop van tijd met het buitenschilderwerk ook deze afwerking moeten worden herhaald. De constructie van de Renaissance-erker bij de oostgevel vergde voor de zone onder de ramen geen restauratieve ingrepen: drie volutevormige consoles die eiken balkkoppen en twee gedrukte zandstenen puntbogen dragen, erkerhoekstenen en een zandstenen rolwerkcartouche waarvan de voorstelling door verwering geheel is vervaagd en dus niet kon worden gereconstrueerd. De sterk verweerde zandstenen penanten, kruis- en kloosterkozijnen van de


• Zottegem, Egmontkasteel. Erker (oostgevel). De geïmproviseerde dakaansluiting werd ter hoogte van de verdwenen tweede verdieping aangebracht. Toestand na restauratie van de erker. (foto 0. Pauweli).

Zottegem, Egmontkasteel. Oostgevel. Restant van kloosterkozijn bij de hoek met de zuidgevel. Toestand na restauratie. (foto 0. Piuwels).

erkerramen konden echter niet behouden blijven en werden vervangen door Massangis. Dat was ook het geval voor de als band- en beslagwerk uitgevoerde zandstenen beëindigingen van de erkerflanken, waarvan een ter plaatse aanwezig fragment, dat nu op de zolder wordt bewaard, een betrouwbare reconstructie mogelijk maakte.

Tegen de zuidelijke hoek van de oostgevel bevindt zich een overblijfsel van wat oorspronkelijk een kloosterkozijn met een houten bovenlatei moet zijn geweest. Nadien werd het bovenlicht aan de binnenzijde halfrond afgewerkt en werd de onderste opening verbreed en tot de vloerpas doorgetrokken; nog later werd deze opening dichtgemetseld (21). Dit merkwaardige onderdeel werd ongewijzigd bewaard. Andere bouwfragmenten die in de gevels bewaard bleven zijn een zandstenen rocaille op de verdieping van de westelijke aanbouw, sporen van verbouwingen in her rechter deel van de oostgevel, stukken van geprofileerde kraagstenen en een fragment van een driezijdig geprofileerde console (22). De arduinen treden van de door bakstenen wangen gedragen buitentrap, die in de 18de eeuw samen met een nieuwe ingang bij de oostgevel was geplaatst, werden later ingekort. O m de bereikbaarheid te verbeteren werd het beloop van de trap verlengd met enkele treden en een bordes. Overeenkomstig werd ook de smeedijzeren borstwering aangepast. De nieuwe betonnen vluchttrap vanaf de Ridderzaal naar de noordgevel maakte een doorbreking in deze gevel noodzakelijk. Een eenvoudige, in het gevelvlak geplaatste plankendeur geeft uit op een metalen vrijstaande bordestrap die het niveauverschil met het aangrenzende terrein overbrugt.


O p de 19de-eeuwse zuidgevel na droegen de gevels duidelijke sporen van verscheidene kalei- en verflagen. Uit een beperkt onderzoek dat vóór de restauratie plaatshad, bleken de nog aanwezige afwerkingslagen bij de baksteengevels te bestaan uit een licht okerkleurige naast een grijzige kalklaag. O p de natuursteen werden geen resten van kleurafwerking aangetroffen. Uit vroeg fotomateriaal, te dateren vanaf het begin van de 20ste eeuw, blijkt dat het baksteenparement, althans in de oostgevel, herhaaldelijk werd gewit. Waarschijnlijk was dat ook reeds in de 19de eeuw het geval. Minder zekerheid is er wat de 18de eeuw betreft. Hoewel een document van 1760 naast andere onderhoudswerken ook het witten van kamers vermeldt, is het niet onredelijk te veronderstellen dat deze behandeling ook voor de gevels op regelmatige tijdstippen kan hebben plaatsgevonden (23). De verwarrende hoeveelheid van sporen door de talrijke verbouwingen die vooral het noordelijk gedeelte had ondergaan, leidde tot de keuze voor een meer homogene, gekaleide gevelafwerking. Deze grondlaag, een mortel op basis van cement, additieven, vulstoffen en aggregaten, diende als hechtingslaag tussen het baksteenparement en een silicaatverf die werd aangebracht in een lichte okertint die enig contrast liet bestaan met de aanwezige zandsteen. In plaats van de aanvankelijk doot de restauratiearchitecten voorgestelde bepleisterde gevelafwerking kreeg de 18de-eeuwse westelijke aanbouw zoals de overige gevels een met de vroegere afwerking overeenstemmende kalei- en verflaag (24). De restauratie van de neorenaissancegevel van 1867, die uit baksteen en Euvillesteen was opgetrokken, kon beperkt blijven tot het plaatselijk bijwerken van de natuursteen met steenherstelmortel (25). Met uitzondering van de ramen van de kamers op de begane grond van het noordelijk gedeelte dateerde het vensterschrijnwerk, waarvan de toestand geen recuperatie meer toeliet, uit de 19de en het begin van de 20ste eeuw. De uiteenlopende secties en profielen stelden een probleem bij de vervanging van deze ramen. Met uitzondering van de ramen van de I6de-eeuwse erker, die nog zijn stenen kruiskozijnen had, van twee 18de-eeuwse ramen in de oostgevel en de ramen van de zuidgevel die één geheel met het gevelconcept van 1867 (26) vormden, werd een uniform raamtype gekozen, geïnspireerd door een overigens niet in situ aanwezig 1 8deeeuws model met kleinhouten onderverdelingen. Wel paste dit raamtype stilistisch bij de 1 8de-eeuwse binnenaankleding van de interieurs (27). Alleen de ramen van de overwelfde kamer en het 18de-eeuws salon dateerden nog uit de late 18de

eeuw en onderscheidden zich typologisch van de overige ramen. De toestand van het raam van de overwelfde kamer liet nog herstelling toe maar het raam van het salon moest naar het bestaande model worden vervangen. De beslissing om hier het raamtype te respecteren werd mede bepaald door de uitzonderlijk arristieke waarde van de binnenaankleding van beide kamers.


de 19de-eeuwse zuidgevel dan weer met een groene verflaag afgewerkt. De ramen van de westgevel van de zogenaamde 'conciërgewoning', die in de 19de- begin 20ste-eeuw waren gebanaliseerd, werden vervangen door eenvoudige stolpramen zonder kruisverdeling maar met kleinhouten onderverdelingen.

• Zottegem, Egmontkasteel. Oostgevel. Toestand

In de oostgevel kon een plaatselijke herstelling van de 18de-eeuwse eikenhouten toegangsdeur met haar bovenlicht volstaan. De erg sporadische verfresten lieten hier niet toe met zekerheid uit te maken of het om een oorspronkelijke verfafwerking ging. De donkergroene verflaag die aan de buitenzijde van deur en het bovenlicht werd aangebracht diende dan vooral ter bescherming en om littekens van vroegere herstellingen te verbergen. Omdat het oorspronkelijk deurbeslag niet meer aanwezig was werden kopieën van deurplaten en -klinken gekozen, in overeenstemming met de rocaillestijl van de deur en het bovenlicht. De deur van de 18de-eeuwse westelijke aanbouw was, met haar bovenlicht, verdwenen. In de plaats kwam een eenvoudige plankendeur met een door kleinhouten onderverdeeld bovenlicht. O m de axiale relatie van deze ingang met de op het westen gelegen stenen toegangsbrug visueel te benadrukken werd de deur in een donkergroene kleur geschilderd.

na restauratie. (foto 0. Pauwels).

T Zottegem,

Bij de renaissance-erker waren wel nog de stenen kruis- en kloosterkozijnen aanwezig, maar niet meer het oorspronkelijk vensterschrijnwerk. Daar de in de 19de eeuw geplaatste ramen aan vervanging toe waren, werd er voor een raamverdeling gekozen die wat beter bij de oorspronkelijk 16deeeuwse erker aansloot. Voor een betere dichting van de erkerramen plaatste men een houten bekleding aan de binnenzijde van de witstenen penanten. De opendraaiende delen kregen als sluiting bij het raamtype passende ijzeren werveltjes. Weer conform het raamtype werden in de bovenlichten glasin-loodvullingen met een 3x4 onderverdeling geplaatst. O m de uitgesproken stijlkenmerken van de erker tegenover de gevels te beklemtonen werden de erkerramen niet in het lichtgrijs van de overige ramen, maar in donkergrijs geschilderd. De keuze voor de nieuwe ramen van de 18de-eeuwse westelijke aanbouw is gebaseerd op het 18deeeuwse model dat voor de oostgevel was gekozen. Ook hier werd het vensterschrijnwerk in een lichtgrijze kleur geschilderd (28). Conform hun oorspronkelijke kleur werden de ramen en de deur van

1VI&L

Egmontkasteel. Westgevel. Toestand vóór de restauratie. (Foto 0. Pauwels).


i III

nu llli

HU il ii II i l il il i ii i II i II

•I I H II

mr II II

II

i i

•

A Zotlegem, Egmontkasteel. Weslgevel. Noordelijk gedeelte met zgn. conciërgewoning. Toestand

T Zottegem,

van de verdwenen

na restauratie.

Egmontkasteel.

laatgotische galerij

(foto 0. Pauwels).

Westgevel.

Toestand na

I8d'-eeiiwse aan-

restauratie.

bouw op de plaats

(foto 0. Pauwels).

M&L


In tegenstelling tot de gevelrestauratie kan men de vernieuwing van het vensterschrijnwerk bezwaarlijk als een 'zachte' restauratie beschouwen. Een belangrijke reden voor de keuze was het amalgaam van 19de-eeuwse vormen, naast de noodzaak een optimale beveiliging tegen inbraak te voorzien. Door dit laatste was bijvoorbeeld het inbrengen van neutrale niet-onderverdeelde glasvlakken niet wenselijk, hoewel dit een valabele restauratieoptie zou zijn geweest. Het maken van nieuwe stenen kruiskozijnen zou wel in overeenstemming zijn geweest met het oorspronkelijk uitzicht, maar behalve bij de gevelerker was geen van deze bouwonderdelen nog bewaard gebleven. Omdat de erker ruim een halve eeuw later aan de oostgevel was toegevoegd zou het kopiëren van zijn kruiskozijnen bij de gevelramen het risico inhouden van een falsificatie. Bij de beslissing om ramen van een 18de-eeuws type te kiezen werd uitgegaan van de wijzigingen die de meeste interieurs in die periode hebben ondergaan. Dat hiervoor niet werd teruggegrepen naar het type van de twee bewaarde, waarschijnlijk laat-18de-eeuwse ramen, heeft te maken met de heel bijzondere interieuraankleding van de kamers waartoe ze behoren. Het betreft het salon met geschilderd doekbehang en de kamer met geschilderde imitatiestoffering, unieke voorbeelden van binnenafwerking zoals die in geen andere kamers van het kasteel meer voorkomt.

Restauratie: het 18de-eeuws salon en de overwelfde kamer Met de overwelfde kamer en enkele 1 8de-eeuwse haarden rechtvaardigde ook de ISde-eeuwse aankleding van het salon een voorafgaand onderzoek van het doekbehang en de geschilderde binnenafwerking (29). Het restauratieontwerp van beide interieurs dat op de resultaten van het onderzoek gebaseerd was, werd in twee loten gesplitst omdat de restauratie aan twee afzonderlijke aannemingen moest worden toevertrouwd. Het op spieramen gespannen, met bloemmotieven in olieverf beschilderde doekbehang van het salon werd in september 1993 weggenomen en voorlopig opgeborgen (30). Na restauratie werd het doek op nieuwe spieramen overgebracht en tegen de wanden teruggeplaatst (31). Er was beslist een ontbrekend deel van het doekbehang niet aanvullend te reconstrueren maar gelijkmatig in de neutrale blauwachtig grijze grondkleur van het behang te schilderen.

Het reeds gedeeltelijk verwijderde binnenschrijnwerk werd na restauratie teruggeplaatst en volgens de oorspronkelijke kleurstelling opnieuw beschilderd. Beide deuren met hun omlijstingen, de vleugeldeuren met omlijstingen van een muurkast, de ramen en de lambrisering met twee afgeronde hoekkastjes en pilastertjes met rocaillesnijwerk werden op hun oorspronkelijke kleurstelling onderzocht. Dat leverde een vrij eenvoudige polychromie in olieverf op die bestond uit een plaatselijk met vergulde accenten opgehoogde lichte beige schildering (32). Een spoor van een met bloemmotieven geschilderde afwerking dat men op een deurvlak aantrof was te fragmentarisch om als grondslag voor verdere restauratie te kunnen dienen. In de plaats werd gekozen voor een afwerking van de deur in de kleur van de kastdeuren. In het salon werden, na fixatie van het pleisterwerk op de schouwboezem, bij het onderzoek daar ontdekte getuigen van beschildering verder blootgelegd, geconserveerd en hersteld (33). De florale en

T Zottegem, Egmontkasiecl. I8d'-eeuws salon met wandbehang. Toestand vóór de restauratie. (foto 0. Pauwek).


figuratieve polychrome beschildering toont een langs een verticale as opgehangen gestrikt lint, een met bloemen en bladwerk omkranst en omlijst figuratief (putti) medaillon en een boog met pijlenkoker. Van de kamer met het kruisribgewelf bestond er naast enkele bewaarde pleister- en verffragmenten nog een oude foto-opname. Het betreft weliswaar een zwartwitfoto van omstreeks 1960 maar hij geeft toch een duidelijk beeld van de 18de-eeuwse stofimiterende beschildering op de wanden, de schouwboezem en het gewelf. De foto toont de toestand van deze kamer kort vóór de verwijdering van de beschildering en het pleisterwerk en vóór de zandstraling van het bakstenen gewelf met het doel dit zichtbaar te laten. Anders dan in het 18de-eeuwse salon waren hier weinig materiële sporen van de 18de-eeuwse aankleding bewaard. Het onderzoek van de nog aanwezige verflagen situeerde deze schildering op T Zottegem. Egmontkasteel. IS^'-eeuws salon met wandbehang. Toestand na restauratie. (foto 0. Pauwels).

pleisterwerk in de late 18de eeuw, met een voornamelijk 19de-eeuwse laatste versie. Het kleuronderzoek toonde aan dat de schildering bestond uit een door zwart afgelijnd grijs en blauw banenpatroon als imitatie van stofferingen, het zogenaamd gourgoumnmotief. Als een fries liep een drapering van bruinrood franje en kwastenmotief over de wanden en de schouwboezem. Door onoplettendheid van de werklieden werden het pleisterwerk en de resterende fragmenten van beschildering verwijderd, zodat alleen nog de mogelijkheid overbleef van integrale reconstructie op basis van de genoemde zwartwitfoto en van een fotografische kleurenregistratie. Het ambachtelijk en esthetisch hoogstaand niveau was naast het kunsthistorisch belang van het verdwenen origineel doorslaggevend bij de keuze voor reconstructie (34). In januari 1997 kon de restauratie van de beide interieurs eindelijk van start gaan (35). In april 1997 werden de werken beëindigd. Niettegenstaande het vooronderzoek bleek het noodzakelijk de restauratieopties voor het 18deeeuwse salon enigszins bij te sturen. Zo kon door het verder blootleggen van de decoratie bij de schouwboezem voor een volledige conservering worden gekozen. Een lacune, veroorzaakt door de plaatsing van een kachelpijp, werd in de kleur van de omgevende pleisterlaag geschilderd. Hierop bracht men via een tekening op calqueerpapier met potlood een lineaire contourreconstructie aan, refererend aan de corresponderende motieven op de linkerhelft van de schouwboezem. Daarna vulde men de overgebrachte tekening lazerend in met een warme grijze tint. De beschildering van het plafond werd, hoewel ze deel uitmaakte van de restauratie van het salon, aan de hoofdaanneming toevertrouwd. Zoals de achtergrond van de schouwdecoratie werden de plafondvlakken in een gebroken-wittint geschilderd, de bovenste strook van de muur in het lichtgrijs. Steekproeven op de kastdeurtjes toonden verspreide resten van een oorspronkelijke decoratie die bij de resultaten van de steekproeven bij de deur aansloot. Ten slotte werd ook de kleurstelling van het raam, van de nis eronder en van de radiator met de kleur van het geschilderde binnenschrijnwerk in overeenstemming gebracht. Door de noodzaak tot reconstructie van de beschildering in de kamer met het kruisribgewelf over te gaan, hoefden de restauratieopties hier nauwelijks bijsturing. De schildering van het nagebootste


Kamer met kruisnb-

Kamer met kruis-

gewelf. IS^-eeuwse

nbgewelf.

geschilderde imitatie

Toestand na I960

stoffering. Foto van

en vóór de

omstreeks I960.

restauratie.

(foio Marcel De

(foto 0. Pauwels).

Groote).

stoffenpatroon werd uitgevoerd met een uit lijnolie en alkydehars bestaande olieverf. De natuurstenen ribben en de sluitsteen werden geplamuurd en dan met hetzelfde alternerend patroon beschilderd. De verdwenen schouwmantel wordt gesuggereerd door op die plaats een beige kleur en een donkergrijs vlak voor de opening te gebruiken. Een later tot muurnis dichtgemetselde doorgang werd met houten kastvleugels gesloten en zoals de overige wanden afgewerkt (36). Alleen de proefschildering op de deur moest worden bijgestuurd nadat kleurresten waren aangetroffen. De paneelspiegels werden in een roodbruine kleur geschilderd, de omlijsting en het raam in grijsblauw (37). Het schrijnwerk werd met een lakverf geschilderd. Van het aanvankelijk voorstel om de bruinrode deurpanelen wegens hun te mat uitzicht te vernissen, werd afgezien en in de plaats ervan werd een tweede verflaag in gebroken wit aangebracht.

Nazorg: kasteel en archeologisch park Het kan niet genoeg worden benadrukt dat restauratie niet het einde betekent van de zorg voor het monument. Door natuurlijk verval en schade door gebruik van het monument blijft instandhouding noodzakelijk. In nog grotere mate geldt dat wanneer het monument intensief wordt gebruikt. Reeds een jaar na de restauratiewerken bleek het Egmontkasteel hieraan een tol te hebben betaald. O p verscheidene plaatsen was er schade aan het pleisterwerk en in de Ridderzaal was de beschildering van de muur bevuild en beschadigd door het veelvuldig gebruik van het toegangsluik naar de bergruimte van de zolder (38). Voordien ongekende gebreken werden zichtbaar. In de Ridderzaal was er een barst bij de tegelvloer en de aangrenzende wanden. De evolutie van het scha-


Zottegcm,

(gereconstrueerd).

Egmontkasteel.

Toestand na

Kamer met kruis-

restauratie,

ribgewelf.

Eigentijds luchter-

Geschilderde imlta-

design,

tie stoffering

(foto 0. Pauwels).

debeeld zal worden opgevolgd. Mogelijk gaat het om een zetting veroorzaakt door het gedeeltelijk plaatsen van een betonnen vloer in de zaal. In de kelder werd een toenemende graad van vochtigheid vastgesteld. Blijkbaar hebben de ingebrachte verluchting en verwarming het vochtprobleem niet verholpen. Inmiddels werd ook een te hoog vochtgehalte gemeten in de kamer met het kruisribgewelf (39). Mogelijk kan een verband worden gelegd met de problematische vochthuishouding in de kelderruimten onder de kamers van de begane grond; daarom heeft Monumentenzorg het stadsbestuur gevraagd ook in de aangrenzende kamers vochtmetingen te verrichten. Vermelden wij ten slotte nog dat buiten, aan de westzijde tussen het conciërgeverblijf en de Ridderzaal, de regenwaterafvoer defect is en dat op enkele plaatsen aan de gevels het schilderwerk los is gekomen (40).

Sedert 1990 heeft Monumentenzorg herhaaldelijk de aandacht van het stadsbestuur gevestigd op de erbarmelijke toestand van de natuurstenen toegangsbrug en van de overblijfselen van de bakstenen walmuren (41). Het regenwater dringt in het nietverharde brugdek en via het hoger gelegen binnenhof in de walmuren. Verder doet de vorst de natuur- en baksteen stuk vriezen. In 1999 vroeg het stadsbestuur de medewerking van de Afdeling Monumenten en Landschappen voor het opmaken van een restauratieontwerp. Aan dit verzoek werd gevolg gegeven omdat de restauratie van de toegangsbrug en de walmuren aansluit bij een project voor de herwaardering van de archeologische site, die bovendien de voortzetting en het sluitstuk is van het archeologisch onderzoek dat door de Afdeling sinds 1986-'87 werd verricht. Aanvankelijk was een maximalistische optie voor de herwaardering van de archeologische site voorgesteld, namelijk een integrale reconstructie van de walmuren met hun torentjes en een heraanleg van de natte gracht. Deze keuze zou echter onvoldoende rekening houden met de 19de-eeuwse ontwikkeling van het domein dat met het verlandingsproces van de gracht toen tot park was omgevormd. Daarom werd het begrip 'archeologische site' verruimd tot 'archeologisch park'. Hoewel voor de herwaardering eerst een fasering op korte, middellange en langere termijn was voorgesteld, werd het ten slotte tot een naar timing en budgettering meer realistisch programma herleid (42). Tegen eind 1999 zal de Afdeling Monumenten en Landschappen een restauratieontwerp hebben opgemaakt. De kosten worden op ongeveer 7.500.000 frank geraamd, een bedrag dat het stadsbestuur in zijn begroting voor dat jaar zal inschrijven. Er wordt uitgegaan van het beginsel van 'zachte' restauratie, zodat de westelijke walmuur en de brug niet zullen worden gedemonteerd en heropgebouwd maar geconsolideerd en hersteld. Voor een duidelijker beeld van de toestand van de stenen brug zal echter eerst het brugdek moeten worden verwijderd. De restanten van de waterput en van een waltorentje op het noorden en van het noordwestelijk hoektorentje zullen worden gevisualiseerd door de slotgracht op die plaatsen iets meer uit te diepen. De bakstenen walmuren en funderingen zullen iets boven het maaiveld met klinkers worden afgedekt. De plaats van de castrale kapel zal worden gevisualiseerd met dolomiet en eventueel een boordsteen. Boven aan de brug zal de eerder weggenomen rechter hekpijler van zandsteen worden teruggeplaatst en de gedeeltelijk verdwenen bakste-


nen muur, die sinds 1825-'26 de tweedeling van het domein markeerde, zal worden herbouwd. Er wordt een kasseiverharding voorzien vanaf de brug tot de westgevel van het kasteel. In het park zullen de metalen speeltuigen worden verwijderd en zal een aangepaste vegetatie worden voorzien (43). In een volgende publicatie zal over al deze werken uitvoeriger worden bericht.

Herbestemming versus restauratie De vraag die ons hier bezighoudt is: kan vermeden worden dat de herbestemming van het monument als openbare bibliotheek restauratie-ethische principes in de verdrukking brengt? Optimalisering van de publieke toegankelijkheid, functionaliteit, accommodaties, aangepaste stabiliteit en beveiliging zijn niet bepaald waarborgen voor een zachte' restauratie. Zonder deze aanpassingen was het Egmontkasteel, in zijn gloriedagen een attractieve buitenplaats, niet geschikt voor zijn nieuwe bestemming. Weliswaar had het kasteel in de 19de eeuw aan representativiteit ingeboet, was het in de jaren vóór en na de Tweede Wereldoorlog als kliniek en school ingericht en had daarna volstrekt ongepast gebruik aan zijn ontluistering nog geen einde gesteld. Wat echter als bestemming werd voorgesteld noodzaakte tot onomkeerbare ingrepen.

KasteKl Hide 13.

A

De bestaande

Zottegem,

constructies, nog

•

Egmontkasteel.

zichtbare en opge-

Zottegem,

li|ke kasteelvleugel,

Reconstructie van

graven funderingen

Egmontkasteel.

castrale kapel.

de plattegrond ïan

iljn zwart Inge-

Reconstructie-

gracht, walmuren

het kasteel met

kleurd. (Tekening

tekening van de

met torentjes en

gracht, walmuren

Dirk hn [enhooge).

plattegrond van de

brug (Tekening Dirk

verdwenen noorde-

hn Eenhooge).

en pseudo-torentjes.

Het stadsbestuur zag de nieuwe bestemming als bibliotheek als conditio sine qua non om de hoge restauratiekosten te verantwoorden. Een alternatief had erin bestaan de toestand door louter consolidering en instandhouding te 'bevriezen', maar dit zou het stadsbestuur verplichten jaarlijks aanzienlijke sommen in zijn begroting op te nemen. Tot bestendige uitgaven zonder maatschappelijk nuttige bestemming van het monument was het stadsbestuur niet bereid. Restauratieopties betekenen vastomlijnde, duidelijke uitgangspunten die worden bepaald door de resultaten van een vooraf uitgevoerd onderzoek van de bouwgeschiedenis, van bouwsporen, afwerkingslagen en van de bouwpathologie. Wanneer, zoals bij het Egmontkasteel, niet al deze aspecten vooraf kunnen worden onderzocht, zal dit ongetwijfeld tijdens de restauratie voor problemen zorgen. Erger nog kunnen zekerheden aan het wankelen worden gebracht wanneer de herbestemming van het monument een openbare functie inhoudt, die onderworpen is aan absolute voorschriften voor publieke toegankelijkheid en veiligheid. Monumen-

M&L


tenzorg staat dan met het vastleggen van de restauratie-ethische uitgangspunten in het proces niet langer centraal. De voorlopig in het kasteel ingerichte bibliotheek bemoeilijkte het noodzakelijk bouwhistorisch vooronderzoek in situ. In de voorbereidende fase van het restauratieontwerp kon Monumentenzorg zich voor de initiële restauratieopties slechts laten leiden door het toen gekende schadebeeld en de in situ zichtbare bouwsporen. Het gevolg was dat toen nog niet gekende bouwhistorisch elementen pas tijdens de restauratie werden ontdekt. Ook de geldigheid van de door de herbestemming vastgelegde normen bleek achteraf maar relatief te zijn. Het tijdsverloop sedert het opmaken van het restauratieontwerp zorgde ervoor dat het bouwprogramma herhaaldelijk geactualiseerd moest worden. De steeds wijzigende behoeften en normen voor de inrichting van een openbare bibliotheek maakten systematische bijsturingen van het programma onvermijdelijk. Vooral de toenemende rol van de informatica, waaraan in de jaren tachtig nog nauwelijks aandacht werd besteed, maakte het aanvankelijk programma zo precair. Onveranderd bleven de eisen voor stabiliteit, circulatie en veiligheid, waaraan het monument een toch wel zware tol zou betalen door ingrepen als verstevigingswerken aan trappen en vloeren, betonnen draagconstructies en doorbrekingen van binnenmuren. Vooral de bijsturingen van het dossier als gevolg van de late beslissing van het opdrachtgevend bestuur om ook nog de zolder en de kelder in het bouwprogramma op te nemen, hebben aanzienlijke financiële gevolgen gehad. Deze beslissing maakte niet alleen enkele bijsturingen van de restauratieve opties nodig maar zorgde ook voor een indrukwekkende reeks verrekeningen die de bouwheer wat betreft het bouwprogramma voor zijn rekening moest nemen. Een unieke en onveranderlijk vastgelegde subsidiesom voor de bibliotheekinrichting sloot immers elke mogelijkheid van bijkomende overheidssteun uit (44). De nieuwe bestemming kon ook niet zonder een complex dossier voor de technische uitrusting. Onterecht was het opdrachtgevend bestuur van oordeel geweest dat, omdat de technische uitrusting niet voor restauratiesubsidies in aanmerking kwam, een voorafgaand overleg met, noch een toelating van Monumentenzorg noodzakelijk was. Zonder dat Monumentenzorg er bij werd betrokken had de toenmalige Algemene Technische

Dienst van de Vlaamse Gemeenschap deze voor het monument toch niet onbelangrijke werken vergund en gesubsidieerd. Bovendien was voor de restauratiearchitecten geen coördinerende taak voorzien voor het concept en de uitvoering van de technieken. Hierdoor bewandelden het restauratieontwerp en het steeds aan nieuwe eisen aan te passen technisch dossier eigen wegen. Men had de problemen nog kunnen vermijden door de restauratie en de technische uitrusting als één dossier te concipiëren en de totaliteit van de uitvoering aan een coördinerende aanneming toe te wijzen. In de praktijk echter is coördinatie tussen restauratiearchitect en ontwerper van een technisch dossier niet de regel, terwijl bij technische werken noch het studiebureau noch de uitvoerder zich laten leiden door de maatstaf van de intrinsieke waarde van het monument. De hoop is wel ijdel dat tijdens de uitvoering hier en daar nog iets 'op de valreep' zal kunnen worden bijgestuurd, want zonder bestendige toetsing aan het restauratieontwerp blijven technische werken voor het monument destructieve ingrepen (45). Zoals meestal vinden ook de hier geschetste problemen hun oorsprong in een jarenlange verwaarlozing van het monument. De ongetwijfeld hoge kostprijs voor een restauratie liet slechts keuze uit twee alternatieven. Ofwel kon de vervallen toestand worden gefixeerd door het monument als een ruïne in stand te houden, ofwel kon het verval door een restauratie worden gestopt, zelfs ongedaan worden gemaakt, maar dan mits aanvaarding van de implicaties van het bouwprogramma dat het opdrachtgevend bestuur had geponeerd. De eerste optie vindt ook in kringen van de monumentenzorg haar pleitbezorgers, maar het historisch belang van het monument en het feit dat enkele jaren voordien voorlopige instandhoudingswerken waren uitgevoerd maakten dat dit alternatief als achterhaald werd beschouwd. Er werd reeds op gewezen dat het stadsbestuur zelfs de overigens nog aanzienlijke kosten voor een louter conserverende aanpak niet wenste te dragen zonder dat het monument een herbesremming zou krijgen. De uitbreiding van de openbare bibliotheek, voor het stadsbestuur een prioritaire behoefte, was beslissend voor de uiteindelijke keuze van een algehele restauratie. Het verhaal van de restauratie heeft aangetoond dat, alleen waar het programma van de herbestemming niet in het geding kwam, aan het beginsel van de 'zachte' restauratie geen dwingende beperkingen werden gesteld. De beslissing om met de restauratie ook belangrijke bouwhistorische getuigen te


visualiseren, een uit de tijd en aanvechtbare optie, leek ons in het licht van de hier specifieke context echter wel verantwoord. "Onderhoud, conservering en consolidering gaan vóór restauratie, restauratie gaat vóór vernieuwing.". Hoewel het er in de praktijk wel eens anders aan toe gaat wordt dit adagium van de restauratie-ethiek niet meer in vraag gesteld. Men aanvaardt ook waar het Charter van Venetië er aan toevoegt dat "behoud van een monument niet zinvol, zelfs onmogelijk (is) zonder een maatschappelijk nuttige bestemming. ". De stelling dat "elke invulling de architectonische compositie van het monument (hoort) te respecteren terwijl ze toch een herkenbaar eigentijds karakter moet dragen" sluit het drieluik waarrond het charter is opgebouwd maar leidt wel eens tot theoretische disputen tussen de kunsthistoricus en de restauratiearchitect. Geen controversen en confrontaties raken echter rechtstreekser de zorg voor het behoud van de intrinsieke waarden van het monument dan de disputen die voortkomen uit de interactie van de eerste twee stellingen. Het conflict is niet ver weg wanneer (niet: indien!) eisen van herbestemming het beginsel van conservering bedreigen en de restauratie-ethiek zwaar op de proef stellen. Herbestemming als openbare bibliotheek mag zeker worden beschouwd als een maatschappelijk nuttige functie voor een monument. Het is ook zo dat een dergelijke bestemming een ruim publiek bij het monument betrekt en sensibiliseert. Uit de discussies bij de opmaak van het dossier en de problemen bij de uitvoering kan alvast worden geleerd dat tussen het principe van 'zacht' restaureren en het programma meer conflicten ontstaan naarmate de nadruk sterker op een maatschappelijk nuttige functie wordt gelegd. Naast 'hard' restaureren bestaat ook een 'harde' herbestemming die zwaar kan wegen op de zorg voor het behoud van de intrinsieke waarden van een monument. Als geen andere restauratie heeft die van het Egmontkasteel het conflict aangetoond tussen restauratie en maatschappelijk nuttige herbestemming. Wij vatten de voorwaarden die voor dit conflict van meet af aan aanwezig waren nog eenmaal samen: - wat de bestemming van het monument betreft was er geen alternatief bespreekbaar. Voor het opdrachtgevend bestuur was de verdere uitbouw van de daar reeds in weinig optimale omstandigheden functionerende plaatselijke bibliotheek een prioriteit;

- de geponeerde bestemming stelde strenge voorwaarden door de eisen van functionaliteit en veiligheid; - het programma maakte een complexe technische infrastructuur noodzakelijk; - het gebruik van het monument als bibliotheek belette dat vooraf bouwfysisch en bouwhistorisch onderzoek in optimale omstandigheden kon worden verricht; - de verschillende subsidieregelingen voor de restauratie en de bibliotheekinrichting betekenden een opsplitsing van de bevoegdheden bij de diensten van de Vlaamse Gemeenschap (46). Hierdoor ontbrak noodzakelijke coördinatie bij het opmaken van de verschillende dossiers en tijdens de uitvoering; - het grote tijdsverloop tussen het opmaken van de dossiers en de uitvoering leidde tot bijsturingen van het programma en die bleven niet zonder gevolgen voor het monument; - de late beslissing van het opdrachtgevend bestuur om ook de kelder en de zolder bij het programma te betrekken had als gevolg dat tijdens de uitvoering precaire opties moesten worden genomen. Het zal duidelijk zijn dat een dergelijk complex programma niet kon worden gerealiseerd zonder consequenties voor het monument. De herbestemming betekende veeleer een inpassing van het monument in het programma dan andersom. In het licht van de geschetste problemen is het nodig een voetnoot te plaatsen bij de maatschappelijk nuttige functie als voorwaarde tot het behoud van een monument, zoals het Charter van Venetië stelt. Is het behoud van een monument nog zinvol wanneer het potentieel niet geschikt is om er een nieuwe bestemming in onder te brengen? Wordt, door een herbestemming te aanvaarden die in de authenticiteit van een m o n u m e n t ingrijpt, een zeker verlies van intrinsieke waarde gecompenseerd door het behoud van het monument? Hier kan het verhaal van de restauratie van het Egmontkasteel alleen bevestigen dat door de aard van de herbestemming de restauratie op belangrijke punten ondergeschikt werd gemaakt aan de eisen van het programma. Vóór de restauratie was nog geen sprake van een conflict tussen de bestemming en het gebruik van het kasteel: de oorspronkelijke bestemming van het monument was in wezen ongewijzigd gebleven, ook toen het als (voorlopige) openbare bibliotheek in gebruik was genomen. Alles had toen nog een tijdelijk en volledig omkeerbaar karakter. Sinds de restauratie zijn echter de bestemming en het gebruik op elkaar afgestemd en is


het onderscheid tussen beide verdwenen. Dit zou niet mogelijk geweest zijn zonder het monument in het programma te integreren. Betekent de ultieme consequentie van de toepassing van het Charter van Venetië dan ook dat in het geval van een te ingrijpende nieuwe bestemming de zin van het behoud van een monument ernstig in vraag moet worden gesteld? Deze fundamentele vraag kan niet met deze bijdrage worden beantwoord maar een discussie erover wordt voortaan onvermijdelijk. In het licht van een vrijwel unanieme publieke instemming met de restauratie en met de herbestemming van het Egmontkasteel wordt voor de monumentenzorg deze discussie een prioriteit. Meer dan de oude disputen rond het 'zacht' en het 'hard' restaureren of de meningsverschillen tussen kunsthistorici en restauratiearchitecten raakt de problematiek rond de herbestemming immers de essentie van de monumentenzorg.

Deze deur werd bij de rondgang gerecupereerd en er als esthetische camouflage vóór een nis met elektriciteitsbord geplaatst. Dooi de deur iets vóór de wand te plaarsen werd gesuggereerd dat ze zich niet meer op haar oorspronkelijke plaats bevindt. (7) In de jaren zestig was het trappenhuis ter hoogte van de zolder afgesloren door een geïmproviseerde 'koepel' van wit gevetfde kunstvezelplaten. Deze consttuctie, die de helling van de kapspanten volgde en hierdoor een afgeknotte piramide leek, verhinderde een vlotte doorgang tussen de zcldctruimten aan weerszijden. Omdat vermeden moest worden dat een doorgang in het ttappenhuis zichtbaar zou zijn, werd op enige afstand van de kapspanten een rechte wand geplaatst. (8) Bij de begane grond moest een dubbele vleugeldeur die op de westelijke gang uitgaf weggenomen worden en de doorgang worden dichtgemetseld. Deze ingteep was nodig door de funcrionele compartimentering van de gang waar ook een wand met deur in veiligheidsglas werd geplaatst. (9) De betonnen trapslcde werd bepleisterd maar door de zware constructie was het niet mogelijk een kopie te maken van het oorspronkelijk model. (10) Het patroon van wir- en zwartmatmeren vloerregels van de trap-

EINDNOTEN

hal werd bij de 19de-eeuwse aankleding van het zuidelijk deel van het kasteel hethaald. De vloer van de gang volgt daar het vloer-

(1) Over de geschiedenis, de vroegere herstellingswerken en de voor-

parroon van het 18de-eeuwse trappenhuis. Dit was ook zo in het

bereiding van de laatste restauratie werd in een vroegere bijdrage

aan de gang grenzende, nu gesloopte trappenhuis. Vermoedelijk

uitvoerig bericht. (H. Van den Bossche, De Burcht en het

liep in het 18de-eeuwse trappenhuis het randpattoon van over-

Egmontkasteel te Zottegem, Monumenren en Landschappen, jg. 9,

hoeks geplaatste wit- en zwartmatmeren tegels oorspronkelijk ge-

nr. 3 , 1 9 9 0 ^ . 12-48).

heel rondom door maar werd bij de bouw van de grote trap in

Het Atelier voor Architectuur Leo De Vos & Jacques Kint werd

1762 gedeeltelijk verwijderd.

beiast met het opmaken van het restautatiedossier. De werken

(11) In dit oudste deel van de kelder werd ook een in de jaren zestig in

werden (met uitzondering van de technieken) toegewezen aan de

metselwerk opgettokken ondersteuning voor een schouw in de

firma Verstraete-Vanhecke uit Wilrijk voor de inschrijvingssom

erboven gelegen kamer verwijderd. In die kamer moest plaatselijk

van 32.757.128 BEF (exclusief BTW), waarvan 19.138.185 BEF

iets van de dikte van het onder de vloer gelegen zwaar middel-

(exclusief BTW) subsidieerbare restauratiewerken. Belangrijke

eeuwse tongewelf vetwijdetd wotden om er draagbalken van

onderaannemingen waren de schilder- en de schrijnwerken, uitgevoerd door respectievelijk de fitma's Antoine Rasschaert en Willem Troncquo uit Zottegem.

gewapend beton in te kunnen brengen. (12) De bredere secties van de stalen steunplaten zorgden echter voor opvallende verschillen met de ter plaatse bewaatde oorspronke-

(2) Een trap- met liftkoker verving dit trappenhuis voor een vertica-

lijke natuurstenen consoles. Merken wij hier ook op dat in het

le verbinding tussen de niveaus van de nieuwe bibliotheekvleugel

baksteenmetselwerk van de wanden sporen te zien waren van

en het kasteel. (Zie ook H. Van den Bossche, De Burcht en het

scheibogen waarop oorspronkelijke stenen kruisribgewelven had-

Egmontkasteel te Zottegem, o.c, p. 34).

den gerust. Hoewel een dergelijk krtiistibgcwelf in een enkele

(3) Momenteel wordt de Ridderzaal ook als schepenzaal gebruikt. (4) Aanvankelijk was het de bedoeling de rechts van het cenrrale trappenhuis gelegen zolderruimte als Centrum voor Streekgeschiedents in te richten. Toen de ruimte te klein bleek voor een zich uitbreidend archief werd van deze bestemming afgezien.

kamer bewaard was gebleven zou een reconstructie etvan hier te ingrijpend zijn geweest. (13) Van een reconstructie van de oorspronkelijk 19de-eeuwse polychromie werd om budgettaire redenen afgezien. Wel werd de polychromie vóór het overschilderen geregistreerd.

(5) Het optrekken van een nieuwe wand reduceerde de aangrenzende

(14) Er werd lange tijd gedacht dat de oorspronkelijke balksleutels

kamer tot een smalle gang. Die zou volgens de toen geldende not-

waren ontvreemd. Dit dachten ook de toenmalige consetvator en

men voot een bibliotheekinrichring dienst moeten doen als lees-

het stadsbestuur. De balksleutels zijn echter ondergebracht in her

en vertelhoek voor kinderen. Van deze bestemming werd afgezien

Museum voor Geschiedenis. Oudheidkunde en Folklore te Zottegem.

omdar men zich larer realiseerde dat de nauwe ruimte hiervoor

Misschien omdat de balksleutels uit het museum zouden kunnen

feitelijk onbruikbaar was.

worden verwijderd om weer hun oorspronkelijke plaats in het

(6) Voor de circulatie van de bibliotheek moest een 19de-eeuwse dubbele vleugeldeur in het zuidelijk deel van het kasteel wijken.

kasteel in te nemen heeft het museumbeheer een en ander stil gehouden.


(15) Op een paar bewaarde getuigen van oude doorgangen op de verdieping na, blijkt het interieur bij het zuidelijk gedeelte van de kasteelvleugel het meest door de 19de-eeuwse verbouwingswerken te zijn gewijzigd. (16) De kruiskozijnen waren met baksteen en met een S-vormige naad dichtgemetseld. Dat zal vrijwel zeker zijn gebeurd bij de bouw

negentig stenen voor herstellingen aan de brug. (Rijksarchief Ronse, Oud gemeentelijk archief Zottegem, nr. 1301). (24) Een dikkere afwerkinglaag zoals de aanvankelijk voorgestelde bepleistering zou ook niet hebben gepast bij de zandsteenplint die in hetzelfde gevelvlak was geplaatst. (25) Aan het bij de vrij sttakke baksteen passend fijn voegwerk werd

van de laatgotische galerij, eind 15de of eersre kwart 16de eeuw,

niet geraakt. De gebruikte Euvillesteen bleek van een betere kwa-

onder een van de opvolgers van Jan van Luxemburg.

lireit te zijn dan de steen die toen algemeen werd gebruikt.

(17) Dit trappenhuis, dat moest wijken voor de bouw van de nieuwe

(26) Ook op de verdieping van de meest zuidelijke travee van de oost-

bibliotheekvleugel, was in 1867 in de plaats gekomen van een

gevel werd een 19de-eeuws raam volgens het model van het

aanbouw van de laat-18de begin-19de-eeuw. (18) Er werd toen verondersreld dat in 1867 een traveediepe aanbouw

bestaande vervangen. (27) De nieuwe bestemming van het monument maakte een optimale

werd opgetrokken tegen de blinde zuidgevel die in A. Sanderus'

thermische isolatie door dubbele beglazing noodzakelijk. De

Flandria Illustrata staat afgebeeld. (H. Van den Bossche, De

spouw tussen 3 mm dikke glasvlakken kon echter tot 6 mm

Burcht en het Egmontkasteel te Zottegem, o.c. p. 24). (19) De prent in A. Sanderus' Flandria Illustrata roont de borstwering van de galerij bij de begane grond als een reeks smalle boogjes, op de verdieping als open of gesloten maaswerk. De gevonden fragmenten lijken hieraan re beanrwoorden: de borstwering van de verdieping kan uir blind maaswerk hebben bestaan, terwijl het fragment van het pijlerrje met aan drie zijden een op een driepas

beperkr blijven. Voor de ramen werd passend hang- en sluitwerk gekozen maar bij de meeste moest nog een veiligheidssluiting worden aangebracht. (28) Bij de westelijke aanbouw werd vóór het deurvensrer boven de ingang een eenvoudige gebogen ijzeren borstwering geplaarst. (29) Het ondetzoek en het opmaken van een restaurariebesrek werd toevertrouwd aan kunsthistoricus Lode De Clercq.

uitlopend veld waarschijnlijk een vrijstaand element was, moge-

(30) Het doek wetd op bestaande naainaden losgemaakt en ovet negen

lijk opgesteld aan weerszijden van de doorgang in de borstwe-

gehelen verdeeld. Bij de inschrijving moesten kandidaat-restaura-

ring.

teurs zich een beeld van de toestand vormen.

(20) Dit is de schouw van de vroeg-19de-eeuwse haard op de verdie-

(31) De restauratie van het doekbehang omvatte volgende stappen:

ping die door de herbestemming van het kasteel niet bewaard kon

droog reinigen, wegnemen van de stoplappen, lijmen van scheu-

blijven. Wel leek het zinvol deze schouw als getuige te bewaren.

ren met glasvezels en elastisch epoxyhars, wegsnijden van naad-

(21) Moet de aanwezigheid van een onderdorpel (of trede?) worden

overlappingen en lijmen met epoxyhars van de aaneen te sluiten

verklaard als een latere aanpassing tot doorgang? De drempel ligt

banen, voorbereiden van nieuwe linnen doeken, vervaardigen van

wel een flink stuk boven het omringende maaiveld en kon niet

dertien houten spieramen (re voorzien van een afschuining om af-

worden bereikt zonder traptreden, waarvan echter elk spoor ont-

tekening door het doek te voorkomen en te behandelen met een

breekr. Een opvallende onregelmatigheid is er ook bij de begane

fungicide), aanmaken van vetdoekingsramen, bedoeken met een

grond van de oostgevel, waar de hoogre van beneden- en boven-

mengsel van bijenwas en damarhars, reinigen, mastieken van

dorpels van de ramen sterk varieert.

lacunes met een pigment van was en krijt, retoucheren met para-

(22) Het fragment van een geprofileerde console bevindt zich onder aan een bakstenen rondboog, getuige van een vroegere doorgang in de punrgevel van de Ridderzaal naar de verdwenen verdieping van het noordelijk gedeelre. Beide fragmenten van geprofileerde

loïd en pigment, vernissen met c;én laag damarhars en rwee lagen paraloïd, monteten met messingbeugels en -haken. (32) De oorspronkelijke afwerking was later met een houtimitatie overschilderd.

kraagstenen, die zich op gelijke hoogte bevinden, kunnen een

(33) Her resrauratiebestck voorzag de uitvoering van de retouches in

strijkbalk op de verdieping hebben gesteund. Oorspronkelijk had

aquarel volgens de techniek van systeemretouche (trattegio). De

de kasteelvleugel immers een tweede verdieping en dit was ook zo

blootlegging en invulling van lacunes van de polychromie behels-

bij het later srerk verminkte noordelijk gedeelte. Uit een en ander

den in hoofdzaak de zijvlakken, her lijstwerk en de rocailleorna-

zou kunnen worden afgeleid dat de haard bij de noordwand van

menten. Aanvankelijk voorzag het bestek een beschildering vol-

de Ridderzaal pas werd geplaatst nadat de voornoemde doorgang

gens de aangetroffen kleurstelling met een matte caseïne-tempe-

dichrgemetseld was. De mogelijkheid is echter niet uit te sluiten

raverf. Dit werd echter niet uitgevoerd omdat bij de blootlegging

dat het hier slechts gaat om bouwfragmenten die bij de 'restaura-

bleek hoe gaaf de polychromie van de moulures bewaard was en

tie' van 1959-'60 werden gerecupereerd en buiten hun oorspron-

daarom werd beslist het volledige lijstwerk bloor te leggen.

kelijke context herplaatst. Van de restauratieve ingrepen die in die

(34) Het bestek dat was opgemaakt vóór het accidentele vetlies van de

periode hebben plaatsgehad werden geen verslagen gemaakt en

getuigen voorzag het blootleggen van het niveau van de 18de-

opgravingen noch vondsten werden geregistreerd.

eeuwse schildering die onder twee verflagen verborgen was en die

(23) In 1760 werd. in het vooruitzicht van een bezoek van graaf

besrond uit een dikke grijze laag met daarboven een witte laag met

Casimir van Egmont-Pignatelli aan het Egmontkasteel, ene Jean

rozige kern. Ka het opnieuw bepleisteren van het gewelf zouden

Baele betaald voor de levering van acht potten olie, zesennegentig

de kritische schilferingen worden gefixeerd en de in opbouw ge-

pond kalk voor het witten van de kamers, twaalf pond kaarsen en

plaatste oude elektriciteitsleidingen worden verwijderd. Pas daar-


na zouden de latere overschilderingen tot op de bloot te leggen

(43) Het bestek en de taming wotden opgemaakt door Waker Slock,

olieschildeting kunnen worden verwijderd, de loszittende deeltjes

architect van de Afdeling Monumenten en Landschappen. Het

pleisterwerk gefixeerd en de lacunes gedicht.

genoemde bedtag berust op een eerste, globale evaluatie. De op-

(35) Uit het technisch verslag van 27 okrober 1994 van de Provinciale Technische Dienst hleek een misverstand te bestaan over de ver-

ties inzake testautatie en revalorisatie van het domein zullen de basis vormen voor het definitief ontwerp.

eiste kwalificaties van de kunsthistoricus/restaurateur, belast met

(44) De restauratie viel toen nog onder een regeling waarbij meer- en

het opmaken van het restauratiedossier, en van de uitvoerder aan

bijwerken nog voor een vastlegging van bijkomende subsidies in

wie dergelijke restauratiewerken kon worden roevertrouwd. De

aanmerking konden komen. Sindsdien zijn bij Besluit van de

rapporteur veronderstelde ten onrechte dat Monumentenzorg en

Vlaamse regering van 5 april 1995 houdende vaststelling van het

het opdrachtgevend bestuut beide opdrachten aan dezelfde per-

premiestelsel voor restauratiewerken aan beschermde monumenten,

soon wilden toevertrouwen. Ook werd een kostprijs van meer dan

gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 15 oktober 1996

6.000.000 BEF re hoog geacht voor het 'schilderen en behangen'

meerwerken van bijkomende premie uitgesloten en zijn bijko-

(sic) van twee lokalen van circa 5 bij 6 meter.

mende werken aan strikre voorwaarden onderworpen.

De uitvoering van het eerste lot van de restauratie, het 18de-

(45) Zo is het niet zonder risico's wanneer om esthetische reden geko-

eeuwse salon, werd voor de som van 2.666.250 BEF (exclusief

zen wordt voor ingebouwde leidingen in plaars van opbouwlei-

BTW) toegewezen aan de firma Support-Surface uit Gent. Die

dingen. Zonder onderzoek vooraf kan her monument hierdoor

belastte Atelier Salvartes uit Leefdaal met de restautatie van het

belangrijke bouwhistotische substantie verliezen.

doekbehang. Het tweede lot. de kamer met het kruisribgewelf,

(46) Voor de restauratie en de bibliotheekinfrastructuur waren respec-

moest opnieuw worden aanbesteed omdat de inschtijving van de

tievelijk bevoegd A.R.O.H.M./Monumentenzotg (toenmalige

aanvankelijk laagste bieder, hvka Vandenhorre-Lauwers uit Loven-

Rijksdienst voot Monumenten en Landschappen) en het Depar-

degem, te sterk afweek van de raming. Na een nieuwe aanbeste-

tement Algemene Zaken en Financiën/Afdeling Gesubsidieerde

ding werd het lot toegewezen aan hvba Taeymam uit Antwerpen

Infrastrucruur (toenmalige Algemene Technische Diensten) van

voor de som van 998.444 BEF (exclusief BTW),

de Vlaamse Gemeenschap.

(36) Omdat in deze nis computerapparatuur moest worden geplaatst werden de kastvleugels van enkele ventilatieopeningen voorzien. (37) Uit het vooronderzoek was gebleken dat het nog oorspronkelijke raam aan de binnenzijde in een grijsblauwe kleur was geschilderd. Om deze kleurstelling te verifiëren werd een bijkomende steekproef verrichr bij de zuidelijke deur. (38) Nadat de schade plaatselijk was hersteld besliste het stadsbestuur een wandtapijt aan te kopen. Dit werd opgehangen vóór het zolderluik en kan door een geschikt mechanisme langs de wand worden bewogen. Het wandtapijt moet het zolderluik aan het oog onttrekken en tegelijk de wat kale sfeet van de zaal opfleuren. Een tweede wandtapijt werd einde 1999 aan de zuidelijke wand van de Ridderzaal opgehangen. (39) Een lichte vlekvorming boven aan de schouwboezem die reeds in juni 1998 was vastgesteld lijkt sindsdien echter niet te zijn toegenomen. (40) Aan de bakstenen ttapflanken bij de oostgevel is het schilderwerk door vochtaantasting vrijwel geheel verdwenen. In afwachting van herstellingen tracht men het probleem voorlopig achter een groenaanplanting te verbergen. (41) H. Van den Bossche, De Burcht en het Egmontkasteel te Zottegem, o.c, p. 43. (42) Op korte tetmijn zouden de walmuur en de toegangsbrug worden gerestaureerd; de opgegraven funderingen en de structuren die ervoor reeds boven het maaiveld zichtbaar waren, zouden worden geconsolideerd. Op middellange termijn zouden deze funderingen en structuren worden gevisualiseerd. Voorts zou, wat eventueel in de toekomst nog kan worden opgegraven, kunnen worden geconsolideerd en zichtbaat gelaten. Ten slotte zouden op langere termijn de parkaanleg en de gracht worden gevisualiseerd.

Hedwig inspecteur

Van den Bossche is kunsthistoricus bij de Monumenten

en

en

Landschappen.


An Tant

MADONNA'S OP DE STRAATHOEKEN IN ANTWERPEN • Madonna op de hoek Keizerstraat/Prinsesstraat (foto A. Tant)

Reeds eeuwenlang

wordt het straatbeeld

Antwerpen

met talrijke

verrijkt

van

heiligenbeelden

aan de huisgevels, meestal op de

bewogen Antwerpse symbolen politieke

geschiedenis

en religieuze

belang als historische

momenten

groeiden

van de machtsstrijd

in de

verschillende

Naast

hun aantal

door hun

en hun artistieke

Het behoud ervan hangt deze madonnabeelden

ze zelfs uit tot

tussen

strekkingen. getuige,

deel

van een rijk en

verleden. Op bepaalde

maatschappij

monumentaliteit,

kwaliteit,

en voor iedereen toegankelijk

hoeken(l).

Zoals in andere steden zijn ze een belangrijk van het erfgoed, dat getuigt

huidige

hun

vormen ze in onze

en/of kunstwerken, symboliek

hun

af van de erkenning

als kleine

straatbeelden.

van

monumenten

van het respect voor hun

en hun geschiedenis

nele gebondenheid

een uniek

kunstbezit.

en van de

van de stadsbewoners

emotioaan


ONTSTAAN EN EVOLUTIE Vanaf de Middeleeuwen was het in onze streken gebruikelijk om heiligenbeelden te plaatsen langs de wegen, aan bomen en in de nabijheid van waterlopen. Later kregen ze een ereplaats op kruispunten, op markten, tegen huisgevels, op pompen en fonteinen. Deze heiligenbeelden - en boomkapelletjes - vinden niet alleen hun oorsprong in de christianisatie van onze streken, maar ook in de symboliek van de boom, die universeel is en trouwens ook in andere culturen en godsdiensten teruggevonden wordt. De boom vertegenwoordigt de vitale levenskracht en verwijst naar de levensweg van elke mens. Hij staat ook symbool voor de vruchtbaarheid en de verrijzenis. Een vermenging van dit archetype met dat van Moeder Aarde heeft ertoe geleid dat heiligenbeelden en vooral madonnabeeldjes tegen bomen werden geplaatst. Heiligenbeelden werden ook regelmatig op openbare plaatsen opgesteld uit politieke en/of culturele overwegingen (2).

Prent van J. Linmg, aquarel uit 1353 met de Keistraat (Vleeshuis,

Volgens een legende, die teruggaat tot 882, was de Onze Lieve Vrouw op 't Staeksken de oudste madonna van Antwerpen. Het beeld werd aan de oever van de Schelde op een 'staak' geplaatst, vanwaar de voorbijvarende vissers haar om een behouden vaart konden vragen. Het is afgebeeld op één van de glasramen in het schip van de kathedraal van Antwerpen. Volgens de legende is dit het enige beeld dat de invasie van de Noormannen overleefd heeft (3). De eerste madonnabeelden stonden vaak op bruggen en kregen, nadat de ruien en de vesten in de 18de eeuw gedempt waren, nog steeds een plaatsje in de omgeving van water: bijvoorbeeld het kruisbeeld op de Meirbrug (nu in de kathedraal bewaard) en de Onze-Lieve-Vrouw van de Stilte op de pompzuil nabij de Hessebrug (nu op de Paardenmarkt). Tijdens de Spaanse overheersing nam de populariteit van de heiligenbeelden op openbare plaatsen toe. Uit sommige verslagen blijkt dat elke straathoek versierd was met een madonnabeeld en verlicht door een lantaarn, meteen de eerste straatverlichting. Maar onder datzelfde bewind mondde de reformatie uit in een verwoestende beeldenstorm op 20 augustus 1566. De nu nog bestaande madonna's dateren dan ook van na 1585, na de herovering van Antwerpen door Alexander Farnese voor de Spaanse kroon. Reeds in december van hetzelfde jaar verscheen het edict van de heroprichting

Antwerpen)

van de madonnabeeldjes in de Antwerpse straten (4). Toen in de 17de eeuw de publieke bronnen vervangen werden door handpompen, werden ook de zuilen van deze pompen met heiligen versierd. Van deze periode is weinig informatie voorhanden. In de 18de eeuw kenden de madonna's in de Antwerpse straten opnieuw een bloeiperiode. Een reisverslag van Lady Calderwood beschrijft de 18de-eeuwse binnenstad als volgt: "...en wat de beelden van de Maagd Maria betreft, ik geloof dat er zoveel zijn als er maagden van vlees en bloed in de stad lopen. Want op de hoek van elk huis, aan de draai van elke straat, aan elke bron, boven elke winkeldeur, stond een H. Maagd onder een troonhemel, soms schoon gekleed en soms heel vuil... " (5). Hieraan kwam echter een einde met de Franse bezetting. Opnieuw was er een 'beeldenstorm' in de Antwerpse straten. De wet van 29 september 1795 verbood alle religieuze tekens in openbare plaatsen. O m deze wet tot uitvoering te brengen werden er enkele overgangsmaatregelen genomen, eerst een verbod op het klokkenspel, nadien op het afficheren van aflaten en vervolgens op heiligenbeelden in straten en openbare plaatsen. Ondanks de twijfel van de plaatselijke bestuurders, werd deze wet dan

M&L


madonna's en heiligen in de straten een belangrijke plaats innamen (6).

Prent van J. Linnig met Christusbeeld aan de voormalige

Sinds deze periode hebben we ook meer informatie over de buurtgemeenschappen of wijkcomités die bestonden rond de madonnabeelden in de straten. De zogenaamde gebuurte nam de zorg van één of soms meerdere beelden op zich. De leden van deze gemeenschap bekostigden gezamenlijk, door middel van collectes, het onderhoud van hun madonna. Bij feestelijkheden zorgden zij voor de decoratie rond hun beeld. Hierbij wedijverden ze met elkaar en trachtten ze de gegeerde eerste prijs voor de mooiste decoratie of de mooiste madonna van de stad te behalen. In de beschrijvingen over deze evenementen wordt dit buurtwerk uitbundig opgehemeld.

Burchtpoort

toch uitgevoerd in september 1797, hetgeen in de volksmond bekend zou blijven als 'het jaar dat de beelden werden afgeworpen. Tot 1814, na de val van Napoleon, moesten de Antwerpenaren wachten om hun madonna's weer in de straten te kunnen plaatsen, 'het jaar dat de heelden werden hersteld'. Van dat ogenblik af werden regelmatig publieke vieringen en herdenkingen gehouden in de stad waarbij de

Prent van J. Linnig met madonna op de pompiuil aan de Veemarkt

-•~.Ï=,S&

Uit de enorme hoeveelheid activiteiten rond deze beelden, zijn er enkele beslist het vermelden waard: 1828: herdenking van de 350'' lc verjaardag van de Onze-Lieve-Vrouwegilde. Voor deze gelegenheid is de versiering in de straten prachtig, vooral rond en bij de madonna's; 1832: een cholera-epidemie teistert de stad. Massaal wordt de stadspatrones om hulp gevraagd; 1853: voor de 375 s t e verjaardag van de Onze-LieveVrouwegilde organiseren de gebuurten straatfeesten. De madonnabeelden worden rijkelijk versierd. De madonna op de hoek van de Wolstraat met de Coppenolstraat bijvoorbeeld, wordt versierd volgens de plannen van Coenen en Tempeleers. Verschillende schilderijen van de gebroeders Schaeffels hangen rond het beeld, tezamen met het volgende opschrift met chronogram: "VIrgInUM DeCUs Ut soL LUCetXVaUgUstf'. De gebuurte wint hiervoor de tweede prijs en een premie van 1 50 frank; 1854: het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis wordt in de stad uitbundig gevierd; 1864: de vijftigste verjaardag van de restauratie van de madonnabeelden wordt herdacht. Heel regelmatig vonden er feestelijkheden en processies plaats in Antwerpen, tot in 1914, met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, de herdenkingsviering van de restauratie van de Antwerpse madonna's voor onbeperkte duur wordt uitgesteld. Pas in 1928 was er weer een viering. En opnieuw kwam de traditie van processies en religieuze feestelijkheden in de straten op gang. In 1934 werd de stichting 'Voor Kruis en Beeld' opgericht, die de fakkel overnam van de vroegere buurtgemeenschappen.


<

Madonna op de hoek Keiierstraat/Ambtma nstraat. Baldakijn

• Madonna op de hoek Hoogstraat/ïlasmarkt (foto A. Tant)

en straatlantaarn maken integrerend deel uit van het geheel (foto A. Tant)

DE MADONNA'S, HUN GEBUURTEN EN HUN EIGENAARS Een madonnabeeld in een straat of een buurt was het symbool van de kleine gemeenschap. De burgers konden het gebruiken om hun godsvrucht te uiten, en de beelden beschermden de gebuurten tegen ziekte en alle ander mogelijk onheil. Tijdens de processies fungeerden de straathoeken met een madonna als rust- en bezinningsplaats. Via het gemeenschapsleven in de gebuurten bestond er een sociale controle. Soms ging die zo ver dat iemand die niet deelnam aan een of andere activiteit, een boete wegens nalatigheid riskeerde. Interessant is ook dat de pracht en praal van deze madonna's vaak als barometer genomen werd voor de godsvrucht van de leden van de gebuurte. Zo was het onderhoud van de beelden verzekerd, en regelmatig spendeerde de gebuurte belangrijke sommen om haar madonna te verfraaien.

De vzw 'Voor Kruis en Beeld' had tot doel de werking van de aloude gebuurten over te nemen om de openbare heiligenbeelden te verzorgen en te versieren (7). Deze vereniging heeft ononderbroken geijverd voor onderhoud, herstel, reiniging, permanente verlichting en bij feestelijke gelegenheden ook een bloemenversiering van de beelden. Zij kreeg onlangs de Henry Ford European Conservation Award 1999 voor haar inzet. In 2000 organiseert zij een sensibiliseringsproject rond de beelden met als naam De verBEELDing van Antwerpen. In Antwerpen is momenteel de eigenaar van het huis, ook eigenaar van het beeld dat tegen zijn gevel troont. In theorie is hij dus verantwoordelijk voor het onderhoud. Hij kan hiervoor aanspraak maken op een onderhouds- of een restauratiepremie van de overheid. Zelfs als het pand niet beschermd is, kan een premie aangevraagd worden, zoals voorzien in het decreet houdende bevordering van het niet-beschermd onroerend klein historisch


erfgoed (kruisen, calvaries, standbeelden, veldkapellen...) van 18 mei 1999.

Status quaestionis

T Beeld van sint Rochus op de hoek Hoornstraat/ Lansstraat. Niet alle straathoek-

Momenteel tellen de Antwerpse straten een 170-tal heiligenbeelden binnen de leien (8). De meeste stellen Maria met kind voor, onder wiens bescherming de stad Antwerpen staat sinds 1124, toen bisschop Buchardus van Kamerijk haar uitriep tot stadspatrones. Er zijn ook een tiental voorstellingen van andere heiligen bewaard, zoals Rochus in de Hoornstraat, Niklaas op de Sint-Niklaasplaats, Augustinus in de Zwarte Zustersstraat en Barbara op de Vrijdagmarkt. Calvaries komen nog voor aan de Wilde Zee, aan de Korte Nieuwstraat en aan het Steen.

beelden zi|n madonna's, sporadisch komen ook heiligenbeelden voor (foto 0. Pauwels)

Doorgaans kunnen straatbeelden op verschillende manieren opgesteld zijn: in een open nis uitge-

spaard in de gevel, in een gesloten nis of kastje, onbeschermd op een afscheidingsmuur van verschillende domeinen, op een zuil... In Antwerpen zijn er overwegend monumentale heiligenbeelden op een console en/of in de muur verankerd, die zich duidelijk vóór de gevel profileren zonder te verdwijnen in een nis of een insprong. Een baldakijn of een dak overkoepelt het geheel. Oorspronkelijk was het ensemble vaak afgewerkt met een muurschildering als achtergrond in de vorm van een eredoek, maar dat is meestal verdwenen, behalve bijvoorbeeld op de hoek van de Pelgrimsstraat en de Oude Koornmarkt. Een lantaarn in siersmeedwerk die voor verlichting zorgt, is bij deze monumentale madonnabeelden een onmisbaar onderdeel. De meeste beelden die buiten staan zijn vervaardigd in steen. Er zijn evenwel ook exemplaren in terracotta, hout of plaaster (9). Wij hebben het verder voornamelijk over de houten beelden. De baldakijnen of daken en sokkels zijn meestal in lood, in steen en soms ook in hout. De sokkels daarentegen zijn in steen, in terracotta of in hout of in een combinatie van diverse materialen. In het begin van de 20ste eeuw was er nog sprake van 500 heiligenbeelden in de stad. Dertig jaar later zijn het er nog maar de helft. Het afnemende belang van de godsdienst in de maatschappij, de afbraak van oude panden en het teloorgaan van de gebuurten zijn daar de voornaamste oorzaken van. Diefstal komt nagenoeg niet voor en de relatief hoog opgestelde beelden blijven ook buiten het bereik van vandalen. Naast al deze factoren speelt het onderhoud van deze kleine monumenten een belangrijke rol. Als dat tekortschiet, gebeurt het wel eens dat een beeld stuk slaat tegen de straatstenen of moet worden afgenomen om de openbare veiligheid te vrijwaren.

Behoud, restauratie en onderhoud van de beelden O m het behoud van de heiligenbeelden in de straten te verzekeren is een goed gepland en regelmatig onderhoud, samen met doelgerichte restauraties onontbeerlijk. Aan de basis van elke restauratie ligt respect voor het kunstwerk als historische getuige en als artistieke creatie. Dat geldt ook voor beelden met een uitgesproken populair of folkloristisch karakter zoals de madonnabeelden. Vaak hebben zij radicale onderhoudsbeurten ondergaan, volgens de

M&L


Nr. 102 Bijlage bij M&L 19/2 maart-

april 2000


B 1 N N E 1 \ K R A 1 \ T

Restauratie

WONING RENAAT BRAEM "Hef hele huis is een poëtisch muziekstuk waarin verschillende ritmes dooreenklinken. Dat betekent dat als het lawaai in de straat stilvalt een ijle muziek in dit huis weerklinkt die gelukkig maakt, ook door de fundamentele geometrische schema's waar de vormen aan onderworpen zijn, verhoudingen die ook in de natuur heersen, o.o. de gulden snede. Het algemeen plan plooit zich naar een rationele levenswijze. Er zijn geen donkere hoeken, alles is met licht overgoten, men kan de hele dag de vaart van de wolken en de zon of 's nachts vanuit het bed het lichtspel van de maan op de wolken volgen en zich één voelen met de gang der uren en der seizoenen. Die eenheid in de natuur is de ware richtlijn in mijn leven. Mijn huis is er de belichaming van en ik was niet verwonderd toen er een katholiek patronage op wandel voorbijkwam en eenparig uitriep: 'Wat een lelijk huis!' Ook de sjieke madammen die voorbijdribbelen met hun hondje keuren dit huis af en de schrijver Godfried Bomans verklaarde dat het een ongemanierd individu is tussen een deftig gezelschap. Dat alles stemt mij tot grote tevredenheid." (Renaat Braem, Het schoonste land ter wereld, p. 113) In 1993 ontving de Afdeling Monumenten en Landschappen een brief van architect Renaat Braem. Hij had opgemerkt dat zijn woning was opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed (Bouwen door de eeuwen heen 3n d) en vroeg zich af of dit nu betekende dat het gebouw beschermd was. Als gevolg hiervan werd de woning als 'jongste' monument opgenomen in een beschermingsbesluit van 39 voorbeelden van 'jonge bouwkunst' in de provincie Antwerpen (M.B. 03.04.1995). Inmiddels had Renaat Braem te ken-

IVI&L

nen gegeven dat hij overwoog zijn woning bij zijn overlijden te schenken aan de Vlaamse Gemeenschap, en dit ook bij testament bekrachtigd. Eind 1997 diende hij echter om gezondheidsredenen zijn intrek te nemen in een verzorgingstehuis. De zorg voor de woning werd noodgedwongen overgelaten aan derden, wat erop neerkwam dat de staat van huis en tuin stelselmatig degradeerde. Het onbewoond leegstaan van de woning, zonder enige vorm van verwarming of verluchting noch elementair toezicht of onderhoud, bleek voor deze delicate architectuur faliekant. Reeds in augustus 1997 had de Monumentenwacht belangrijke gebreken gesignaleerd aan de ramen en het

metselwerk, een toestand die vervolgens in ernst alleen maar toenam. Begin 1999 was bovendien gebleken dat vermoedelijk als gevolg van een verstopt klokputje, een lek in het dakterras aanzienlijke waterschade had aangericht in de woonkamer. Om de woning voor verdere aftakeling te behoeden werd uiteindelijk overeengekomen de testamentaire beschikking om te zetten in een 'schenking onder levenden'. Deze schenking waarbij Renaat Braem niet alleen zijn woning maar ook zijn roerend architecturaal patrimonium overdroeg aan de Vlaamse Gemeenschap, om het "als één geheel voor{\ie)behouden aan de architectuur in Vlaanderen" werd bekrachtigd op 29 april 1999.


B l l ^ N E N K R A N T

ger op het hoogtepunt van zijn kunnen. En zo kwam de woning Braem ook tot ons, intact en ongewijzigd, bemeubeld zoals in de eerste dagen zij het aangevuld met het geheugen van veertig jaar leven en werken.

De schenking werd door de Vlaamse Gemeenschap aanvaard als gebouw met culturele bestemming omwille van het exemplarisch karakter ervan voor het oeuvre van de architect, en toegewezen aan de Afdeling Monumenten en Landschappen. Het verhaal van de eigen woning van Renaat Braem begon in 1955 met een hele reeks schetsen. De bouw werd in maart 1957 aangevat, en in januari 1958 namen de architect en zijn echtgenote er hun intrek. Het deels ingegraven atelier bood ruimte aan een vijftal medewerkers, die op de hoogte van de tekentafels de merels zagen rondtrippelen in het gras. De woning Braem behoort zonder twijfel tot de meest interessante uitingen van naoorlogse architectuur in België. Nadat hij internationale bekendheid had verworven met de realisatie met de woonwijk /C/e/voor de S.M. Huisvesting te Antwerpen, werkte Renaat Braem in die jaren aan het ontwerp van even grootschalige projecten als het Administratief Centrum te Antwerpen, de Modeiwijk op de Heizel te Brussel en de woonwijk Sint-Maartensdal te Leuven. De eigen woning met atelier is een sober en strak uitgewerkt bouwvolu-

me in halfopen bebouwing, met een uitgepuurde gevelvlakverdeling. De ruimtelijke compositie vormt een combinatie van holle en bolle balkvormen. Er is een tamelijk smalle hoge ruimte aan de noordzijde, donker bevloerd met houten parket, in zichzelf gekeerd door de ruwe bezetting in Engels rood en de brede haard. Deze laatste vormt een doorzichtige afscheiding met de vier treden hoger gelegen brede platte ruimte aan de zuidzijde, licht bevloerd met linoleum en geopend naar de zon, de wolken en de bomen. De bovenste verdieping met slaap- en badkamer geeft uit op een semi-patio opgevat als daktuin. Het dubbelhoge L-vormige atelier, op 1,25 m onder het niveau van de tuin, is aan drie zijden beglaasd en wordt opgedeeld door een 'split-level' met kantoor en bibliotheek. Via de traphal dringt het licht tot in het hele huis door. De keuken is functioneel en kleurrijk, de badkamer in zwart granito als uit één stuk. In tegenstelling tot zovele architectenwoningen die met veel bravoure een prille loopbaan aankondigden om later tot een proeftuin van ideeën en een graadmeter van stijgende welstand te transformeren, ontwierp Renaat Braem zijn woning als veerti-

De schenking van Renaat Braem omvat immers niet alleen deze woning, maar ook de volledige inboedel: meubilair in Italiaans en Deens design, stalen kantoormeubels en tekentafels, talloze siervoorwerpen van exotische oorsprong getuigend van een gezonde reislust, een meterslange compositie van houten objecten samengebald tot een vocabularium van oervormen, aardewerk, 'nature mortes' van stenen, schelpen en takken, 'objets trouvés' van moeder aarde. Daarnaast is er het plastische oeuvre van Renaat Braem dat een loopbaan lang het architectuurontwerp op afstand volgde: beeldhouwwerk in hout en Ytong, van kleurrijke assemblages tot monumentale sculpturen, opgesteld in huis en tuin, figuratieve en abstracte composities op papier of paneel, en talloze reisschetsen. Tenslotte is er het resterend architectuurarchief dat, na eerdere schenkingen aan de Archives d'Architecture Moderne, in hoofdzaak bestaat uit een paar honderd schetsboekjes en enkele duizenden architectuurtekeningen, vooral voorstudies en ontwerpschetsen die de volledige loopbaan bestrijken, zowat alle manuscripten en publicaties, zakelijke en privé-briefwisseling, foto's en negatieven, onderscheidingen en medailles, een zevental maquettes en een rijk gevulde bibliotheek en tijdschriftencollectie.

Met het project rond de woning Braem wil de Afdeling Monumenten en Landschappen de vele troeven die de schenking in zich draagt maximaal uitspelen, om tot een kwaliteitsvolle herbestemming te komen die de toekomst van de woning verzekert en tegemoet komt aan de wens van Renaat Braem. Rond deze thematiek vond in oktober reeds een rondetafelgesprek plaats, waaraan werd deelgenomen door diverse betrokkenen en geïnteresseerden uit het veld van de architectuur en de monumentenzorg.


1/ " B 1 N N E N K R A 1 M T

De optie die wordt nagestreefd is een bestemming als 'open monument' of 'huismuseum', met een publieke toegankelijkheid evenredig met wat het gebouw aankan. De architectuur van de woning en het uitzonderlijke karakter van het interieur, dat meer dan alleen zijn tijd weerspiegelt, staan hierbij centraal. Zo wordt de bezoeker een geprivilegieerde blik gegund in de leefwereld van één van de belangrijkste Belgische architecten van de naoorlogse generatie, een blik achter de coulissen van de architectuur. Het is geenszins de bedoeling het interieur te bevriezen in de toevallige staat waarin het na veertig jaar bewoning werd aangetroffen. Wel zal de grootst mogelijke authenticiteit betracht worden in het opnieuw leesbaar maken van de krachtlijnen van deze architectuur en in het revaloriseren van de talloze kunstvoorwerpen en objecten die elk met hun eigen verhaal en anekdote de woning Braem maken tot wat ze is. Met museale technieken en didactische presentaties, die discreet in het interieur worden verwerkt, zal een beeld worden opgehangen van leven en werk van Renaat Braem. Zo zal de huidige garage worden omgevormd tot een bescheiden polyvalente ruimte met een permanente audiovisuele presentatie en wandvitrines voor wisselende tentoonstellingen van beperkte omvang. Hiervoor kan zowel uit het eigen architectuurarchief worden geput, als beroep worden gedaan op bruiklenen en uitwisselingen. Het biedt de mogelijkheid het oeuvre van Renaat Braem te situeren in zijn tijd, zijn nationale en internationale context. De artistieke productie en het architectuurarchief zullen op archivalisch verantwoorde wijze in het interieur worden geïntegreerd, beschikbaar voor onderzoek. Het bezoek zal georganiseerd worden in kleine groepjes onder begeleiding, naar het voorbeeld van de methodiek die de National Trust voor dit soort woningen hanteert. Verder kan eraan gedacht worden de woning Braem te integreren in het parcours van een architectuurwandeling in de Boekenbergwijk, die erg rijk is aan interbellumarchitectuur, of van een ruimer uitgezette architectuur-

M&L

route rond het werk van Renaat Braem in Antwerpen. Het ligt in de bedoeling van de Afdeling Monumenten en Landschappen in de onmiddellijke toekomst nauwer toe te zien op dit voor de naoorlogse periode zo interessante oeuvre, door zijn belangrijkste realisaties te beschermen en zijn werk onder de aandacht te brengen in binnen en buitenland. Inventarisatie en studie van zowel het gebouwde als het papieren oeuvre kunnen mettertijd worden afgerond met een oeuvrecatalogus. Voor het zover is moet het gebouw grondig worden gerestaureerd. De verregaande degradatie van het houten buitenschrijnwerk, de vochtproblematiek en de onvoldoende dichting van de dakterrassen werden als belangrijkste gebreken en aandachtspunten gedetecteerd. Voor de details is het wachten op het historisch en bouwfysisch onderzoek dat inmiddels van start ging. Gelukkig is het volledige bouwdossier inclusief voorschetsen, ontwerptekeningen en detailplannen bewaard. Ter aanvulling werd de woning opnieuw opgemeten en het interieur stelselmatig gefotografeerd. Een eerste ingreep betrof het opnieuw in werking stellen van de nutsvoorzieningen en de centrale verwarming, die reeds de gehele winterperiode continu draait. In een tweede fase staan een reeks dringende instandhoudingswerken op het programma. Het gaat hierbij om het voorlopig afschermen van de atelierramen en de dakrand van de badkameruitbouw, het onderzoek van de betonbalk en dakopbouw van het dakterras, het onderzoek en de reiniging van het rioleringsstelsel.

Aangezien het om veiligheidsredenen raadzaam leek de woning voor de duur van de definitieve restauratiecampagne te ontruimen, werd vanaf de zomermaanden een begin gemaakt met een zorgvuldige selectie en voorlopige ordening en inventarisatie van de volledige inboedel. Als eerste kwam het meest kwetsbare en ook meest unieke onderdeel aan de beurt, namelijk het architectuurarchief en het plastische werk op papier die over het gehele huis verspreid lagen.

De lamentabele bewaringstoestand waarin een groot aantal stukken werd aangetroffen, met name vanwege de hoge luchtvochtigheid, noopte bij herhaling tot snelinterventies en een doorlopende aanvoer van vochtabsorberend materiaal. Deze operatie is inmiddels afgerond, de collecties werden zuurvrij verpakt en veilig opgeborgen. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan het ordenen, selecteren en inpakken van de bibliotheek. De verschillende maquettes en sculpturen worden gereinigd, ontsmet, waar nodig opnieuw verlijmd en geretoucheerd en tenslotte verpakt. De talloze objecten die de kantoorwanden sieren en de nissen in de woonkamer, de inkom- en de traphal vullen worden in hun exacte locatie opgemeten en gedemonteerd, en vervolgens eveneens conserverend behandeld en verpakt in afwachting van de tijdelijke verhuis. Ook deze fase is vrijwel afgerond.

Over het verdere verloop van de restauratie van de woning Braem zal in deze kolommen regelmatig worden bericht.


B 1 N N E N K R A 1 M T

Wetgeving

BFVRFnifiFNDF OPIOSSINH VOOR 7nNFVRFEMDE MQN1IMFNTEN

Het decreet Ruimtelijke Ordening dat op 18 mei 1999 werd goedgekeurd en nu op een aantal punten wordt verfijnd, was zeer beperkend voor de beschermde monumenten die zonevreemd zijn. De regeling voorzag wel dat men een zonevreemd monument kon herbouwen of verbouwen met een volumeuitbreiding van maximaal 20 %, maar beperkte deze regeling tot een periode van 5 jaar. Bovendien konden deze gebouwen slechts worden herbestemd als eengezinswoning en dan nog slechts voor die monumenten gelegen in parkgebied op het gewestplan. Deze beperkingen deden afbreuk aan de duurzame leefbaarheid van de monumenten en waren daarenboven in een aantal gevallen onrealistisch. Zo was de verplichte herbestemming in functie van een eengezinswoning nefast voor vele beschermde monumenten. Bijvoorbeeld een beschermd militair fort in landbouwgebied een functie opleggen als eengezinswoning is niet haalbaar, en zou een zinvolle herbestemming die zo nauw mogelijk aansluit bij de aard van het monument en zijn omgeving onmogelijk maken.

De wijziging die vandaag in het decreet wordt aangebracht maakt het mogelijk dat de vergunning verlenende overheid voor een definitief beschermde monumenten kan afwijken van de voorschriften van een gewestplan voor het herbouwen of verbouwen en uitbreiden van het bestaande bouwvolume met maximaal 20%. Tevens wordt het mogelijk om het gebouw niet alleen als eengezinswoning te herbestemmen. Ook andere zinvolle

en eigentijdse nieuwe functies voor het gebouw worden mogelijk.

vereiste om tot een consensus te komen.

Om misbruiken te vermijden in landbouwgebieden en kwetsbare gebieden zoals onder meer reservaat-, natuur-, en bosgebieden zijn er toch enkele beveiligingen ingebouwd.

Met deze wijziging komt Vlaanderen tegemoet aan de door ons land geratificeerde Conventie van Granada van 1985. Hierin wordt gepleit voor het bevorderen van het gebruik van beschermde goederen, rekening houdend met eigentijdse behoeften, maar zo nauw mogelijk aansluitend bij de oorspronkelijke functie van het gebouw. De nieuwe regeling geeft daarenboven uitvoering aan het regeerakkoord van 13 juli 1999 waarin werd overeengekomen dat vooral de zonevreemde monumenten bijzondere aandacht zullen genieten.

Een functiewijziging is maarvergunbaar als de vroegere functie onmogelijk blijkt of een duurzame leefbaarheid van het gebouw niet garandeert en de nieuwe functie geen afbreuk doet aan de erfgoedwaarde van het gebouw. De functiewijziging dient aanvaardbaar te zijn uit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening. Tot slot moet de verbouwing en de functiewijziging ook aanvaardbaar zijn voor de zone waarin het gebouw is gelegen. Bijvoorbeeld een watermolen in landbouw- of natuurgebied zal een bestemming moeten krijgen die geen sterke negatieve invloeden heeft op het omgevende landbouw- of natuurgebied. In de praktijk zal dit vaak betekenen dat de nieuwe functie geen grootschalige ontwikkelingen in de hand mag werken en nauw aansluit bij de activiteiten in bijvoorbeeld het natuurgebied. Bijvoorbeeld een watermolen in of aan de rand van een natuurgebied en dus zonevreemd, zou volwaardig kunnen worden gerestaureerd en functioneren als een levende molen met een educatieve waarde en tegelijkertijd als bezoekerscentrum op maat van het omgevende natuurgebied.

Bij de beoordeling van deze aanvragen van een stedenbouwkundige vergunning (vroeger bouwaanvraag) zal de administratie die bevoegd is voor de zone waarin het monument is gelegen een bindend advies afleveren (opnieuw het voorbeeld van de molen; een herbestemming en een uitbreiding van een molen in functie van een discotheek zal geen realistische optie blijken). Voldoende overleg en een goede communicatie tussen de betrokken administraties is bij de beoordeling van deze aanvragen een belangrijke

Beschermingen MONUMENTEN. LANDSCHAPPEN. STADSEN DDRPSfiFZirHTFN. BESCHERMD IN JANUARI EN EFBRUARI ? 0 0 0

LILLE(Wechelderzande): Huidevetterstraat 11, Seringenhof Monument, 20januari 2000 Landhuis in neoclassicistische stijl uit 1898 met een pittoresk bijgebouw, gelegen in een klein parkdomein. De volledige interieuraankleding bleef bewaard. Waardevolle getuige van het landelijke, Kempische kunstenaarsdorp. LEUVEN: Lei 3-31 Stadsgezicht, 27januari 2000 De Lei werd van oudsher bewoond door rijke patriciërs, aristocraten, notabelen en brouwersfamilies. De nabijheid van de Dijle maakte de vestiging van brouwerijen mogelijk. Bij de sanering van Leuven in 1919 bleven beeldbepalende panden uit de 17de tot de 19de eeuw bewaard.


B1N1SJENKRANT

Lei 7 Monument, 27januari 2000 Woonhuis bij de voormalige brouwerij 'Den Ancker', gedateerd 1622. Incorporatie van het naburige huisje in 1699. Combinatie van breed- en diephuis op L-vormige plattegrond. Traditionele bak- en zandsteenstijl. Deuromlijsting tweede helft 18de eeuw. Interieur: gave stucplafonds (18de E.), marmeren schouwen (19de E.). Lei 13 Monument, 27januari

2000

Complexe woning met oudere kern (eind 16de-17de eeuw). Sobere, bepleisterde straatgevel met neoclassicistisch uitzicht. Interieur met 18de-, 19de- en 20ste-eeuwse aanpassingen. Grote en diepe tuin. Lei 19 Monument, 27januari

VEURNE: Zuidstraat 21/Duinkerkestraat 2 Monument, 27januari 2000

2000

Monumentaal enkelhuis (1864), lijstgevel in eclectische stijl met neoclassicistische inslag. Wit bepleisterde gevel met sokkel en lijstwerk in blauwe hardsteen. Lei 15 Monument, 27januari

Gravenkapel (1919), rouwkapel (1877) en sacristie (1961). De kerk is opgetrokken in donkerrode baksteen met elementen van arduin en witte zandsteen en bezit een homogeen, neogotisch interieur met een doopvont en biechtstoelen uit de oude kerk. Merkwaardig is het voorkomen van een paar glasramen uit de beginperiode van Jean Baptiste Bethune.

2000

Complex breedhuis met tuin en industrieel gebouw, de 'Hopbloem'. Sinds 1663 in bezit van opeenvolgende brouwersfamilies. Laat-barokke voorgevel (ca. 1700) met plattebanddecoratie, zandstenen sokkel en brede poorttravee. Interieur bewaart elementen in Lodewijk XV-stijl. Industriële vleugel met zichtbare ijzeren structuur in functionele baksteenarchitectuur (1915). Incorporatie van 12de-eeuwse stadsomwalling en 19de-eeuws brouwerijgebouw. DENTERGEM: O.-L.-V. en Sint-Stefanuskerk Monument, 27januari 2000 Neogotische kerk, opgetrokken in 1854-56 met integratie van de 17deeeuwse toren naar een bouwplan van P.N. Croquison. Toevoeging van

Hoekcomplex (1868) bestaande uit een statig neoclassicistisch herenhuis met binnenkoer, koetshuis, hondenkennel, formele tuin en omringende muur. Het bijhorend pand aan de Duinkerkestraat nr. 2 is een modernistisch getinte tandartsenpraktijk (1936). Het herenhuis bezit een interessant interieur met salons in verschillende stijlen (neogotiek, in neoVlaamse-renaissance, art-deco en neo-Lodewijk-XVI-stijl). IEPER: Schutsluis op de Vaart leper-Komen Monument, 27januari 2000 Schutsluis (begin 20ste eeuw) in baksteenmetselwerk met natuurstenen afboording, gelegen op het kanaal leper-Komen met één rechte kolk en met sluishoofden voorzien van punthoofden. De sluis doet tevens dienst als voedingspand voor de watervoorziening van het kanaal. De sluis is ook onderdeel van het kanaal dat tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol heeft gespeeld in de verdediging van de Ijzervlakte. OOSTENDE: Marie-Joséplein 4, Hotel du Pare Monument, 27januari2000 Hotel in art-decostijl uit het Oostendse interbellum, naar ontwerp van architect J. Van der Banck. Het huidig uitzicht resulteert uit opeenvolgende verbouwingen van het oorspronkelijk neoclassicistische pand (ca. 1880). Uitzonderlijk bewaarde gelagzaal, koffie- en theesalon, hotel-

inkom en sanitair, uitgevoerd door de Oostendse bedrijven Poupaert en Van Nitzen. OOSTENDE: Rogierlaan 42-46, Residentie Rogier Palace Monument, 27januari 2000 Handels- en appartementsgebouw (ca. 1927), type residentie, met inslag van de "Beaux-Arts"-stijl, naar ontwerp van architect J. Gobin. Naar verluidt zou het gaan om de eerste hoogbouw met appartementen in Oostende. In de late jaren '80 werd de gelijkvloerse verdieping verbouwd tot winkelruimte door de architecten A. Citterio (Milaan) en W. de Bondt (Antwerpen).

MERELBEKE: Hundelgemse Steenweg 317, Tramstation (Personeelswoning) Monument, 3 februari 2000 Voormalige woning van de stationchef bij de eindhalte en stelplaats van de buurtspoorweglijn Gent (Zuid) Merelbeke. De lijn werd geopend in 1898-99. Het huis van twee bouwlagen en drie traveeën met zadeldak en eclectische inslag dateert van 1897. Het eenvoudig karakter van het interieur bleef bewaard. HAACHT (Tilden k): O.-L.-V.-van-Troostkapel in Hambos Monument, 3 februari 2000 Laat-barokke, 18de-eeuwse wegkapel met achthoekige plattegrond en ondiep rechthoekig koor, opgetrokken in bak- en kalksteen, bekroond met leien tentdak en ijzeren kruis. De kapel is omkaderd met lindebomen. Weinig verheffende "industriële" omgeving. KAMPENHOUT (Nederokkerzeel): Onmiddellijke omgeving van de SintStefanuskerk Dorpsgezicht, 3 februari 2000 Driesvormig plein met bescheiden dorpswoningen van het langgeveltype, meestal met oudere kern, pastorie uit 1877 en flankerende rode beuk.


B 1 N N E N K R A N T

Kerkhofmuur rond Sint-Stefanuskerk Monument, 3 februari 2000 De ommuring van de SintStefanuskerk dateert uit 1679. De 1,3 meter hoge muur is opgetrokken in niet-behouwen kalksteen in onregelmatig verband met een ezelsrug in klampsteen. De toegangen tot het kerkhof worden geaccentueerd door hoekpijlers.

II I il ii._' l11 i L i

^BBf

mm]

^w

1

Hflf i

wm

wi*

^^^

I

fP

KORTENBERG: Leuvensesteenweg, Ensemble van villa's Dorpsgezicht, 3 februari 2000

IP

*m

mm

iti e T I E L j B iy ^ m mm

•

P4dfcc

•^^Ê^m

m *fi%

Homogeen ensemble van vrijstaande villa's, gebouwd tussen 1900 en 1925 in verschillende stijlen: neo-traditioneel, eclectisch, neo-Vlaamse Renaissance tot en met cottage-verwijzingen en art nouveau. Leuvensesteenweg 330, Villa Lurmann Monument, 3 februari 2000

mm.Jm lüHJXViU'IA

H O T K I . Dw

P A U K

• 1

Deze vrijstaande villa uit 1903, gebouwd in opdracht van de Duitse handelaar Lurmann vormt het sluitstuk van de art nouveauperiode van architect Emiel van Averbeke en is een van zijn zeldzame realisaties buiten Antwerpen. De villa bezit een expressief en sterk verticaliserend volume, met een levendige contrastwerking tussen lichte en donkere geveltinten en een verzorgde art-nouveau-decoratie. BIERBEEK: Onmiddellijke omgeving van het Rachierhof en de Hoeve Denonville Dorpsgezicht, 3 februari 2000

Boomgaard, weiland en akkers met sporen van oude veldwegen in het landelijke gehucht Mollendaal, dat deel uitmaakt van een grootschalig, open landbouwgebied met intensief bewerkte, zachtglooiende akkers. BIERBEEK: Oude Geldenaaksebaan 32, Rachierhof Monument, 3 februari 2000 Ontginningshoeve (1753) aan de rand van het Mollendaalbos bestaande uit

M&L


B 1 N N E N K R A N T

een geheel van bakstenen constructies met pannen zadeldaken, ingeplant volgens een semi-gesloten vierkantstructuur rond een gekasseide binnenkoer, die wordt afgesloten met smeedijzeren poorten.

rende wederopbouw onder leiding van architect J.Viérin.

BIERBEEK: Bevekomsestraat 82, Hoeve Denonville Monument, 3 februari 2000

Het kasteel de Lovie bevindt zich op een terp in het midden van het kasteelpark. Het imposante gebouw dateert uit 1865 en is opgetrokken in italianiserende neorenaissancestijl naar ontwerp van architect P.N.Croquison. In het interieur hebben meerdere salons hun parketvloeren, marmeren schouwen en stucwerk bewaard.

Gesloten vierkanthoeve (1850-1897) met laat-classicistische inslag, opgetrokken in baksteen met gebruik van kalksteen voor omlijstingen en boekblokken en afgedekt met pannen zadeldaken. VILVOORDE: Leuvensestraat 68-72, Abtsherberge Monument, 3 februari 2000 Ruim geproportioneerd, traditioneel breedhuis (17de eeuw) met twee bouwlagen onder een steil zadeldak; sporen van trapgevels en kruisvensters. Pittoresk-romantische gevelaanpassingen en sierankers (ca. 1860). De benaming "Abtsherberge" verwijst naar het voormalige 15de-eeuwse refugiehuis van de Parkabdij. Tuin van de Abtsherberge en het tracé van de Woluwebeek Stadsgezicht, 3 februari 2000

POPERINGE: Kasteel de Lovie Monument, 3 februari 2000

Prieeltje en 'Drogenbroodberg' Monument, 3 februari 2000 Neoclassicistisch prieeltje, gelegen in de zuidoostelijke hoek van het kasteelpark. Ingeplant als belvédère met perspectief op het kasteel, het park en de omgeving op de top van de zogenaamde "Drogenbroodberg", die werd gerealiseerd met de aarde gewonnen bij het uitgraven van de vijvers. Kapelletje Monument, 3 februari 2000

De grote stadstuin met randbeplanting van hoogstammen vervolledigt het beeld van de voorname, stedelijke stadwoning uit de 17de eeuw. De ruime proporties en de duidelijke afbakening door bak- en zandstenen muren en het tracé van de Woluwebeek refereren aan de historische begrenzing van het voormalige refugiehuis.

Kleine neogotische kapel opgericht ter nagedachtenis van Marie Josephine van Renynghe. Eenbeukig kapelletje van twee traveeën en een driezijdige sluiting onder zadeldak (leien). Natuurstenen parement. Tuitgeveltje opengewerkt d.m.v. geprofileerde spitsboogdeur onder vierpasvenster. Geprofileerde spitsboogvensters in zijgevels. Beschilderd en bepleisterd interieur. Gekleurde glasramen. Arduinen vloer met herdenkingssteen

DIKSMUIDE: Begijnhof Monument, 3 februari 2000

Schuilgebouwtje Monument, 3 februari2000

Pleinbegijnhof, bestaande uit twee huizenrijen en een poortgebouw langs de lange zijden van een driehoekig pleintje. Op de punt van de driehoek bevindt zich de kapel. Het begijnhof werd gesticht in de eerste helft van de 13de eeuw. In oktober 1914 werd het volledig vernield. Na een heftige polemiek werd gekozen voor een historise-

Schuilgebouwtje, met de allures van een tuinpaviljoentje, gelegen nabij de 0. toegang tot het kasteelpark. Deels beglaasd, gietijzeren gebouwtje met achtzijdige plattegrond, onder tentdakje; aflijnend sierlijstje. Gekrulde, gietijzeren motieven in de onderbouw.

De ijskelder Monument, 3 februari 2000 Ten zuiden van het kasteel nabij de vijver gelegen ijskelder van het Engelse type. Deels ondergronds, deels bovengronds gelegen constructie. Opgetrokken in baksteenmetselwerk in de vorm van een peer. De jagersgrot. Monument, 3 februari 2000 Grottencomplex (ca. 1912) in veldsteen, gelegen ten zuidwesten van het kasteel op eiland gevormd door omringende waterpartijen. Deels ondergronds en deels bovengronds gelegen grot bestaande uit een wandelgang, manhoog, die in een bocht langs de waterlijn loopt. Verscheidene muuropeningen met uitzicht op het water. Kasteelpark Dorpsgezicht, 3 februari 2000 Restant van het oorspronkelijke Engelse landschapspark (1856-90). Het concept van de aanleg is gebaseerd op een zogenaamde "vingerstructuur", met als centrale punt van de handpalm - het kasteel en de vijvers - van waaruit de vingers als open corridors vertrekken en vergezichten bieden. Het geheel bezit meerdere belangrijke en herkenbare elementen: de deels bewaarde dreef van rode beuken, de waterpartijen met bruggetje, de verscheidene vergezichten, de bosjes, de hagen, de merkwaardige bomen en de als monument voorgestelde tuinelementen m.n. het prieeltje, de jagergrot, de ijskelder.... tevens is het park als initiële omkadering van de buitenplaats, ontegensprekelijk met het kasteel verbonden.


B 1 N N E N K R A W T

Literatuur

Die Projekte Filippo Juvarras für den Duomo Nuovo in Turin Dombau im Zeitalter des Absolutismus Georg Pater Karn Hildesheim, Georg Olms Verlag, 1999, 626 p., ISBN 3-487-10957-3

DE KEUZE VAN M£tL

Die Kirchenfassaden in Italien von 1450 bis 1527 Die Grundlagen durch Leon Battista Albert! und die Weiterentwicklung des basilikalen Fassadenspiegels bis zum Sacco di Roma Ingomar Lorch Hildesheim, Georg Olms Verlag, 1999, 241 p., ISBN 3-487-10872-0 Systematische studie over de kerkgevel als autonome bouwopdracht t i j dens de Italiaanse renaissance. Historische evolutie, typologische en stilistische analyse van De kerkgevels van Alberti in Rimini, Firenze en Mantua vormen het uitgangspunt voor een analyse van de verdere evolutie van de sacrale gevelarchitectuur in Rome en Venetië tijdens het Quattrocento, afgesloten met Bramante's Roccaverano, de gevelwedstrijd voor San Lorenzo en de ontwerpgeschiedenis van de Sint-Pieter uit het Cinquecento.

De ornamento parietum sacrorum Zur Innendekoration lombardischer Sakralbauten (1460-1530) Dorothee Haffner Hildesheim, Georg Olms Verlag, 1999, 326 p., ISBN 3-487-10308-7 Studie over de binnendecoratie van de Lombardische kerkelijke renaissancebouwkunst, die veel langer dan in de Toscane blijft aanleunen bij de laatgotische traditie. Bramante's S. Maria presso S. Satiro introduceert een klassieke vormentaal die door de Lombardische tijdgenoten wordt geassimileerd tot een overladen en bontgekleurd decoratief schema dat vooruitblikt op de contrareformatie.

Lijvige studie over de ontwerpgeschiedenis van de Dom van Turijn door Filippo Juvarra hofarchitect van Savoia, één van de meest ambitieuze maar nooit uitgevoerde sacrale bouwprojecten in het 18de-eeuwse Italië en strategisch onderdeel in de uitbouw van een absolutistische hoofdstedelijke residentie. Juvarra's schetsen weerspiegelen zijn leertijd in Rome en kondigen de inventieve ruimteschepping van zijn Turijnse werken aan.

The Making of the Modern Architect and Engineer The Origins and Development of a Scientific and Industrially Oriented Education Ulrich Pfammatter Basel, Birkhauser, 2000, 312 p., ISBN 3-7643-6217-0

JOSEPH URBAN Die Wiener Jahre desJugendstilarchitekten undlliustrators 1872-1911

Studie over de oorsprong en de ontwikkeling van de wetenschappelijkindustriële opleiding van architecten en ingenieurs, vertrekkend van een gedetailleerde analyse van de geschiedenis en de onderwijsmethodes aan de Ecole Polytechnique en de Ecole Centrale in Parijs en aan verwante instituten in onder meer Karlsruhe, Zurich en Noord-Amerika, met aandacht voor protagonisten als Durand, Reynaud, Mary, Semper en Jenney.

The Workhouse A Study of Poor-Law Buildings in England Kathryn Morrison Londen, English Heritage, 1999, 255 p., ISBN 1-873592-36-1 Typologische studie met inventaris van de correctiehuizen en hospitia die in de periode 1750-1914 in Engeland, zoals ook op het vasteland, werden opgericht voor behoeftige armen, een

ondergewaardeerde categorie gebouwen die dreigt te verdwijnen. Het sociale experiment berustte op de inductie van angst en schaamte via een Spartaanse architectuur en een gestreng regime, met de bedoeling onledigheid en armoede te ontraden.

IVI&L


B I N N E N K R A N T

Joseph Urban Die Wiener Jahre des Jugendstilarchitekten und Illustrators 1872-1911

Architektur als Ausdruck Rudolf Schwarz

Markus Kristan Wenen, Böhlau Verlag, 2000, 480 p., ISBN 3-205-98650-4 Monografie over architect en boekillustrator Joseph Urban (1872-1933), met een oeuvrecatalogus van zijn Weense periode waarin hij vooral privé-woningen, interieurs, meubilair, tentoonstellingsconcepten onder meer voor de Künstlerbund Hagen en pronkuitgaven ontwierp in de stijl van de Secession. Emigreerde in 1911 naarde Verenigde Staten, waar hij onder meer met opera- en filmdecors bijdroeg tot het ontstaan van de Amerikaanse art deco.

" Vcrlail,/uridl • C.tl.r Vl.inn Wrlai; liciltii

iLexikon der Betonlnstandsetzung

Günther Ruffert

Hermann Finsterlin und die Architektur des Expressionismus Ulrich Schneider Tubingen, Ernst Wasmuth Verlag, 1999, 216 p., ISBN 3-8030-0189-7 Studie over de organisch geïnspireerde, dynamisch geladen architectuurutopieën van de Duitse kunstenaar Hermann Finsterlin (1887-1973) uit de jaren 1919-1922, die met name via het door Bruno Taut opgezette corresponderend genootschap 'Glaserne Kette', een belangrijke inspiratiebron vormden voor de expressionistisch georiënteerde architectuur van met name Hans Scharoun en Wenzel August Hablik.

HansHopp 1890-1971 Königsberg, Dresden, Halle, OstBerlin, Eine biographische Studie zu moderner Architektur

Fraunhofer 1RB Verlag

Aldo van Eyck

M&L

Thomas Hasler Zurich, gta Verlag, Berlijn, Gebr. Mann Verlag, 2000, 318 p., ISBN 3-7861-1759-4 Analyse van het scheppingsproces, de onderliggende gedachtenstromen en de oorspronkelijke beeldingskracht van de architectuur en de theoretische geschriften van Rudolf Schwarz (1897-1961), die in het naoorlogse Duitsland een beslissende bijdrage leverde tot de eigentijdse kerkenbouw. Voorop staat het streven naar de sublieme uitdrukkingskracht van de bouwvorm, die een dialoog tot stand brengt tussen de ruimte en de beschouwer.

Van den Broek en Bakema 19481988 Architectuur en stedenbouw, De functie van de vorm Hans Ibelings (red.) Rotterdam, NAi uitgevers, 2000, 208 p., ISBN 90-5662-132-7 Catalogus bij een tentoonstelling die een beeld geeft van de betekenis en het indrukwekkende oeuvre van het bureau Van den Broek en Bakema in de architectuur en stedenbouw van het naoorlogse Nederland, waaruit een grote belangstelling spreekt voor mens en maatschappij. Een tiental essays belichten de ideeënwereld en de werking van het bureau, gevolgd door een selectie van een veertigtal projecten zoals het toonaangevende 'De Lijnbaan' in Rotterdam.

Werken Aldo van Eyck Werken Vincent ügtelijn Bussum, Uitgeverij TOHT, 1999, 312 p., ISBN 90-6868-219-9

Gabriele Wiesemann Schwerin, Thomas Helms Verlag, 2000, 312 p., ISBN 3-931185-61-3 Monografie met oeuvrecatalogus over de Duitse architect Hans Hopp (18901971), in de jaren '20 onder meer als bevoorrecht architect van Königsberg auteur van krachtige expressionisti-

Architektur als Ausdruck Rudolf Schwarz

sche en elegante Nieuw-Zakelijke architectuur. Tweede invloedrijke carrière in de DDR met grootschalige socialistisch-realistische projecten als de Berlijnse Stalinallee.

Oeuvre-overzicht van Aldo van Eyck (1918-1999), icoon van de naoorlogse architectuur in Nederland, schepper van hoogstpersoonlijke werken als het dorp Nagele, het Burgerweeshuis en het Sint-Hubertushuis in Amsterdam,


B l N N E N K R A l ^ T

uitgebreid gedocumenteerd met tekeningen en foto's en toegelicht door projectteksten waarin van Eyck zijn ontwerpkeuzes uit emotioneel, sociaal en praktisch oogpunt motiveert. Vergezeld van een reeks essays, een bibliografie en oeuvrelijst.

L'invention du béton armé Hennebique 1890-1914 Gwenaël Delhumeau Parijs, Norma Edition, 1999, 345 p., ISBN 2-909283-46-1 Monografie over Frangois Hennebique, protagonist in het ontstaan en de ontwikkeling van het gewapend beton als experimentele materie van de moderne architectuur, het 'marmer van de 205te eeuw'. Analyse van het 'système Hennebique', de bedrijfsorganisatie, de valorisering en verspreiding, de relatie met architecten en concurrenten, en de uiteindelijke normering als bouwmateriaal.

Lexicon der Betoninstandsetzung Qünther Ruffert Stuttgart, Fraunhofer IRB Verlag, 1999, 380 p., ISBN 3-8167-4710-8 Handig lexicon met een uitvoerige verklaring van de belangrijkste vakbegrippen die bij de instandhouding van constructies uit gewapend beton aan de orde zijn. Materiaaltechnische eigenschappen en toepassingstechnieken worden van A tot Z toegelicht.

Architecture, jardin, paysage L'environnement du chateau et de la villa aux XVe et XVI siécles

gebouwen waarvan zij het kader vormen en met aandacht voor hun rol in het aristocratische leven.

Greater Perfections The Practice of Garden Theory John Dixon Hunt Londen, Thames Ü Hudson, 2000, 273 p., ISBN 0-500-01979-7 Essay door één van de grondleggers van het wetenschappelijk historisch tuinonderzoek, dat de theoretische basis van eeuwenlang tuinieren poogt te duiden en een filosofie tracht te formuleren om de diepere beweegreden en de spirituele oorsprong ervan te doorgronden. Het conflict tussen natuur en cultuur wordt onderzocht vanuit de verweving van de reële tuin en de literatuur eromheen, met aandacht voor Bonfadio's concept van de 'drie naturen'.

Alle boeken, een greep uit de recente aanwinsten, liggen ter inzage in de Bibliotheek Monumenten en Landschappen Graaf de Ferrarisgebouw Koning Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 Brussel (tijdens de kantooruren) Tel. 02/553.82.27 - fax. 02/553.82.05 E mail: Jozef.Braeken@lin.vlaanderen.be

Mare De Borgher

Jean Guillaume (red) Parijs, Picard, 1999,312 p., ISBN 2-7084-0569-1 Bundel bijdragen van een colloquium (Tours, 1992), gewijd aan de 'natuurlijke' omgeving van kasteel en villa t i j dens de renaissanceperiode in Europa. Afhankelijkheden, park, tuin en boomgaard worden in hun historische en regionale evolutie behandeld als onderdelen van een zich langzaam organiserend geheel, in relatie tot de

DF SCHELDE V F R H A A I V A N F F N RIVIER Het boek geeft de geschiedenis van de Schelde weer, over een periode van de laatste 15.000 jaar. Dit is de tijd waarin de invloed van de mens op de stroom zich steeds sterker laat voelen. Onder leiding van Mark van Strtydonk en Guy de Mulder hebben een heel

team van wetenschappers die boeiende geschiedenis in woord en beeld gebracht. De monografie illustreert en beschrijft uitgebreid hoe de rivieroevers in alle tijden mensen hebben aangetrokken. Er is steeds langs de Schelde gewoond, gewerkt en gejaagd. Archeologische opgravingen hebben de overblijfselen van menselijke activiteiten blootgelegd. Talrijke foto's in het boek tonen de soms indrukwekkende vondsten. De auteurs vertellen hoe na de laatste ijstijd, 12.000 jaar geleden, de rivier meandert in onze contreien tussen dwergberken en gesloten taigawouden vol dennen. Eén van die fossiele meanders is nog steeds zichtbaar in Overmere-donk. Daar valt ook af te lezen dat die laat-glaciale Schelde een gigantisch debiet met gehad hebben, zeker als de sneeuw smolt. Terwijl de jagers en vissers ten noorden van de Schelde edelherten, reeën en elanden bejaagden, werd het klimaat langzamer warmer. En zo werd de Schelde, 11.500 jaar terug in de tijd, een rustige oerwoud-rivier. Dit gegeven loopt als een rode draad door het boek. Klimaatsveranderingen, vegetatiewijzigingen, erosie en getijdenwerking hebben de loop en het voorkomen van de rivier voortdurend gewijzigd. De vele kaartjes in het boek tonen het verschil tussen vroeger en nu.

M&L


B 1 N N E N K R A N T

De mens ging vanaf 5.800 jaar geleden actief en zichtbaar de rivier en de natuur errond beïnvloeden. In het stroomgebied van de Schelde rooiden de bewoners het bos en landbouw en veeteelt kwamen tot ontwikkeling. Die ingrepen van de mens werden steeds ingrijpender. Zo werden in de middeleeuwen dijken gebouwd en inpolderingen opgezet. In de 19de eeuw werden bochten rechtgetrokken en baggerwerken uitgevoerd voor de scheepvaart. Er werden havencomplexen uitgebouwd. Antwerpen wordt als voorbeeld beschreven. Ook het Delta- en Sigmaplan hebben het uitzicht van de Schelde en zijn vallei drastig gewijzigd. De auteurs hebben een lovenswaardig poging ondernomen om de Schelde in al zijn aspecten te belichten. In het verhaal van de Schelde is dit geen sinecure. Zo komen ook de historische handel, religie, industrie ruim aan bod, evenals oorlogen en het natuurgeweld van de overstromingen. Aan de rijke biologische diversiteit in en rond het water wordt een heel hoofdstuk gewijd. Het ecosysteem van de rivier en zijn vallei in al zijn aspecten wordt echter niet echt beschreven. Eerder wordt de soms nefaste invloed van de mens met zijn waterconstructies en andere vormen van inrichtingen en met zijn vervuiling voor fauna en flora toegelicht. Hoewel de schrijvers een totaalbeeld van de stroom nagestreefd en in belangrijke mate bereikt hebben, blijft de complexiteit van het 360 km lange landschapselement voor een gevoel zorgen dat niet alles is gezegd geworden. Dit kan misschien het meest gelden voor de toekomst van de Schelde en zijn vallei. De recente evoluties en ontwikkelingen in het beleid om de Schelde opnieuw een deel van zijn karakter en zijn natuur terug te geven, worden slechts zeer summier belicht. Toch is het boek een lezenswaardig levensverhaal van de Schelde dat zonder twijfel zowel vakmensen als het ruime publiek zal boeien. Het boek kan voor talrijke aspecten over de Schelde een goed naslagwerk zijn of

een rijk geïllustreerde documentatie bieden. Aan het boek is ook een tentoonstelling gekoppeld. Zij heeft reeds in de Brakke grond te Amsterdam gelopen, en verhuist in oktober naar Velzeke. In 2001 worden ook Antwerpen en Middelburg aangedaan.

Praktische gegevens

De Schelde, Verhaal van een rivier Auteurs : Mark van Strydonk en Guy de Mulder Gebonden met stofwikkel - 176 p. Met vele foto's in vierkleuren, gravures en verduidelijkende kaartjes Omslag : Geert Verstaen ISBN : 90 5826 059 3 NUGI :641 SISO : 995.2 Prijs : 1 495 BEF UITGEVER : Davidsfonds/Leuven Katrien de Vreese (uitgever) Jeroen Moens (pers en promotie) Blijde-Inkomststraat 79-81 3000 Leuven. Tel. 016/310 600 Fax. 016/310 608

Buitenkrant

IN M F M O R I A M HERMAN STYNFN 13 april 1951 - 30 april 1999 Nu het gemis een plaats heeft gekregen, de pijn niet nieuw meer is en, zoals Annemie op zijn doodsbericht voorspelde, het heimwee naar zijn glimlach gekomen is, ook voor ons, kunnen we even stilstaan om Herman als vriend en oud-collega te gedenken. Herman Stynen was in 1982, de eerste eindredacteur van dit tijdschrift. De eerste stenen die hij legde bleken degelijke fundamenten te zijn, men bouwt er immers 18 jaargangen later nog steeds op verder. Hij was het die van bij de aanvang de krijtlijnen trok die de redactie is blijven aanhouden: een ruim publiek bereiken met vlot leesbare maar wetenschappelijk verantwoorde en ruim geïllustreerde artikels over het gedachtengoed rond de zorg voor de monumenten en landschappen. Zelf publiceerde hij meerdere artikels in M6tL: over het huis Guiette van architect Le Corbusier in Antwerpen, over architect Jozef Viérin, over architect Richard Acke en de woningbouw in de frontstreek, over de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. In samenwerking met anderen schreef hij over de Unitaswijk in Deurne en over architect JeanJacques Winders. Zijn belangstelling ging duidelijk uit naar de architectuur van de 19de en 20ste eeuw. Reeds zijn licentiaatsthesis (1977) was daaraan gewijd, in de figuur van architect en stedenbouwkundige Louis van der Swaelmen, eindwerk dat trouwens in boekvorm werd gepubliceerd. Eén van zijn artikels, 'Dit huis is "De Passer" genaamd. De bouwmeesterswoning van Jean-JAcques Winders in Antwerpen', behaalde een eerste prijs en kreeg plaats in het maartnummer 1987 van De Woonstede door de Eeuwen heen. Samen waren we ver-


B 1 N M E N K R A N T

antwoordelijk voor de eerste brochures Vragen rond Monumentenzorg (1982) en Restauraties (1984) die het bestuur als wegwijzer in 1984 publiceerde. Zijn essai 'Hef ve/woesfe gewest 15/18', een zeldzaam indringende tekst over de zin en onzin van monumentenzorg, was aanleiding tot het maken van het boek over de Mission Dhuicque, met fotograaf Georges Charlier en graficus An Beullens, dat in Brugge in 1985 verscheen. Zijn reflectie over de complexe omgang van Brugge met haar verleden resulteerde in het mooie boek Brugge her-zien (Brugge, 1986), waar de schitterende fotografie van Georges Charlier zeker toe bijdroeg. Meer dan tien jaar later keek hij op die reflectie terug in de tekst Een stad is vele steden, gepubliceerd in Omtrent Brugge. Indrukken en gedachten, (Brugge, 1998).

Herman was in de monumentenzorg beland via het kabinet van cultuur dat toen (1979) ook bevoegd was voor de monumenten en landschappen. Hij had het daar soms knap lastig met ons, het handvol jonge, enthousiaste monumentenzorgers die we waren, ambtenaren met slechte statuten van tijdelijke, occasionele of contractuele medewerker of tewerkgestelde werkloze in een dienst zonder wettelijk kader. Wij wilden het toen nieuwe decreet op de stads- en dorpsgezichten (1976), conform de bedoelingen van de wetgever, toepassen op ruime historische gebieden met een uitgesproken identiteit als bijvoorbeeld Aarschot, Diest of Leuven intra muros, of een dorp als Bierbeek met al zijn historische boerderijen. Dat was buiten de waard gerekend, want niet iedereen was van de opportuniteit van beschermingen overtuigd. De tussenkomsten op het kabinet waren talrijk en het was daar Hermans taak ons te overhalen onze beschermingsvoorstellen in te krimpen, te hertekenen o f t e herschikken. Gelukkig bezat hij de gave van minzaamheid, diplomatie, geduld en overtuigingskracht in hoge mate.

Herman was in Leuven als student in de kunstgeschiedenis een rechtgeaard

soixante-huitard geweest die nadien als gewetensbezwaarde in de universiteitsbibliotheek van Kortrijk zijn dienstplicht (1977-1979) had vervuld. Als gevolg van de rakettenkwestie leverde hij consequent zijn 'oranje' kabinetskaart in voor een onzeker 'blanco' statuut. Pas later werd zijn kleur overtuigd 'rood'. Zijn boekenliefde en zijn bibliotheekervaring kwamen hem van pas toen het boekenbezit van de voorheen unitaire Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen wegens verhuizing moest worden verdeeld tussen de Commission royale en de Koninklijke Commissie. Herman regelde toen de verdeling. Het Vlaamse erfdeel werd opgenomen in de bibliotheek van de administratie voor monumenten en landschappen. Het onderzoek over de geschiedenis van de monumentenzorg in het kader van de televisiereeks 'Monumenten en Landschappen, één zorg', uitgezonden in 1985, zou achteraf gezien voor Hermans loopbaan belangrijke consequenties hebben. In eerste instantie leidde het tot 'Terugblik of 150jaar Monumentenzorg'als artikel gepubliceerd in de M£tL Extra die naar aanleiding van de uitzendingen verscheen. Ondertussen was hij ook zeer vertrouwd geraakt met het rijke en toen nog gecentraliseerde archief van de KCML en om de 150ste verjaardag van deze instelling luister bij te zetten, stelde hij een tentoonstelling voor over haar ontstaan en boeiende geschiedenis. In Resurgam, de expositie over de Belgische wederopbouw na 1914, waaraan hij in 1984-1985 had meegewerkt, vond hij een model en een inspiratiebron. Hij ontwierp een scenario, zocht medewerkers onder de collegae, belegde de eerste werkvergaderingen, verzette heel wat verkennend werk en speelde overtuigd locomotief voor het project dat alles had om veelbelovend te zijn. Helaas, al snel moest hij constateren dat inspecteurs monumenten en landschappen voortdurend in tijdnood raakten en dat ook de praktische uitwerking en organisatie een kostelijke zaak zouden worden, waarvoor binnen de adminis-

tratie de middelen ontbraken. Het project werd afgeblazen. Toch ging het gepresteerde denkwerk, de verzamelde documentatie noch de energie die hij er in had gestoken verloren. Het tentoonstellingsproject werd vervangen door het voornemen aan 'Een eeuw zorg voor monumenten en landschappen in België'een doctoraal proefschrift te wijden. Zijn promotie tot doctor in de oudheidkunde en de kunstgeschiedenis, met de grootste onderscheiding, had op 22 januari 1990 in Leuven plaats. Ondertussen had Herman de administratie verlaten voor de Koning Bouwdewijnstichting, waar hij zich als adviseur, uit een andere invalshoek, eveneens bezighield met de zorg voor monumenten. Het Monumentenhuis (in oprichting) was zijn initiatief en Herman bezat de kennis en bekwaamheid om aan dit huis te bouwen. De verschillendeorganisaties - het Secretariaat van de Open Monumentendag (OMD), de Stichting Vlaams Erfgoed (SVE), het Vlaams Centrum voor Ambacht en Restauratie (VCAR) en de Vlaamse Contactcommissie Monumentenzorg (VCM) samen brengen in één huis onder één p/mater familias zou het monumentenlandschap doorzichten overzichtelijker en toegankelijker maken. Wie als individu, hij weze liefhebber, student, eigenaar, bewoner, bezoeker of verantwoordelijke met een monument wordt geconfronteerd, vaart er wel bij als er maar één enkele, lage drempel bestaat naar wie er professioneel mee bezig zijn. Het monument en de monumentenzorg zijn er ongetwijfeld eveneens mee gediend.

Een soort van terugkeer beleefde Herman Stynen toen hij in 1993 benoemd werd tot voorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, het adviesorgaan voor de minister die deze materie onder haar/zijn bevoegdheid heeft. Hij was als geen ander op de hoogte van wat er zowel binnen de centrale en provenciale commissies, de administratie, de verenigingen als te velde leefde en met zijn kennis van de geschiedenis en van

M&L


B 1 N N E N K R A N T

de noden in de monumentenzorg werkte hij als voorzitter van de KCML hervormingsvoorstellen voor dit adviesorgaan uit. Het woog hem zwaar dat ze, ondanks talrijke besprekingen en toezeggingen nog steeds niet waren doorgevoerd. De publicatie in boekvorm van zijn doctoraat onder de titel 'De onvoltooid verleden tijd. Een geschiedenis van de monumenten- en landschapszorg in België 1835- 7940'gebeurde pas in 1998. Op tweede kerstdag bracht Herman me mijn exemplaar. Trots, tevreden, gelukkig. Moe ook wel, maar dat zou gauw voorbij zijn: een nieuw begin stond voor de deur, in januari zouden zijn eerste colleges in Gent van start gaan. Zijn professorenbureau, nog wel in het door Henry Van de Velde ontworpen gebouw, had hij ingericht met ingelijste architectuurontwerpen van zijn vader, Jozef-Louis Stynen, boeken uit zijn collectie, een tapijtje van thuis, een mini-installatie voor zijn geliefde muziek. Alles was klaar voor de nieuwe, academische loopbaan van doceren, studeren, onderzoek en begeleiding van studenten. Hij zou er zijn mandaten in de monumentenzorg voor los laten, ook het voorzitterschap van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Begin januari viel het verdict: de moeheid van de laatste maanden had andere oorzaken dan de slopende beslommeringen en besprekingen over de benoeming, het statuut en de salariëring. De toekomst zou onvoltooid zijn. Geen geneeskunst, enkel de geneeskunde versmald tot pijnbestrijder stond ter beschikking. Hij zag het vol moed en luciditeit onder ogen en vouwde zijn dromen op, zoals Annemie het formuleerde. De presentatie van het boek op 5 februari 1999 in het Gravensteen te Gent, in aanwezigheid van zijn vrienden en collegae, moet voor Herman, die wist hoe kortbij de afspraak met de dood was, dan ook hartverwarmend zijn geweest. Hij had nog enkel de tijd zich voor te bereiden, één en ander te organiseren en thuis in alle rust en sereniteit afscheid te nemen

van ieder die hem dierbaar was. Hij genoot van elk bezoek, van alle kaartjes, van alle bloemen, die de vleugelpiano tot een warm feest maakten en troostte zich met muziek, de levendige nabijheid van zijn kinderen, en de lieve zorg van Annemie. Vanuit zijn raam zag hij nog hoe in de tuin de lente kleurrijk triomfeerde. Op 30 april 1999 stierf Herman. Hij was er klaar voor had hij gezegd. Die vrijdagmiddag waarop we hem ten grave droegen, kwamen Hermans werelden tesamen: de intieme kring van gezin en familie, de broederlijke ploeg van de bergsporters, de collegiale schare van monumentenzorgers, de geleerde groep van het architectuurhistorisch onderzoek. Samen met de priester die bij het afscheid in de Begijnhofkerk in Leuven voorging, overdachten we met zijn allen de vraag "Hoe lang heeft een mens nodig om mens te worden?". Een mooie mijmering die ons verdriet moest verzachten. Maar ook elders vonden we troost. In de zon die onze verlatenheid die dag opwarmde. In de wind die tranen droogt. In het fluisterend geruis van de bomen, het fluiten van de vogels. In de lange stoet van groetende vrienden. In de Vergeet-mij-nietjes die we hem één na één meegaven. De Parkabdij is voortaan Hermans thuis. Die landelijke plek vol stilte en schoonheid, als door de moderne tijd vergeten, waar de rijkdom van cultuur, de sporen van geschiedenis en de eenvoud van de natuur zo breekbaar in evenwicht zijn. De abdij, zo dierbaar voor wie van monumenten houdt, is ons daardoor nog kostbaarder geworden, nog kwetsbaarder ook. Lucas van Herck, die andere vriend die we moeten missen in de wereld van de monumentenzorg, hebben we daar ook aan de aarde toevertrouwd. Als de wolken willen, lijkt het soms of Herman daar in Park rust aan de voet van altijd bewegende bergen. De bergen waar hij zich thuis voelde. Met een monument niet veraf.

GEZOCHT: ARCHITECTUURTIJDSCHRIFTEN De bibliotheek Monumenten en Landschappen bezit een uitgebreide collectie Belgische architectuurtijdschriften. Deze belangrijke collectie vormt het geheugen van anderhalve eeuw architectuur en monumentenzorg in België, zowel wat de geschiedenis, de theorie als de praktijk betreft. Nog dit jaar wordt gestart met de ontsluiting ervan in een bibliografische databank, een project van lange adem waarvoor samenwerking wordt gezocht met andere instellingen. Deze databank kan in de toekomst uitgroeien tot een basis en een hulpmiddel voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Onze collectie, die zowat honderd titels omvat en gedurende jaren werd bij elkaar gesprokkeld, is echter nog verre van volledig. Van een aantal tijdschriften ontbreken nog enkele of meerdere nummers of jaargangen. Sommige reeksen ontbreken volledig, andere zijn ons wellicht niet eens bekend. Vandaar deze oproep tot al wie ons kan helpen deze collectie te vervolledigen. Wij doen een beroep op personen of instellingen die in het bezit zijn van losse nummers of volledige jaargangen van Belgische architectuurtijdschriften, en deze als schenking, in ruil of tegen betaling wensen af te staan aan de Bibliotheek Monumenten en Landschappen. Wij staan open voor elk voorstel en zijn altijd bereid al Uw vragen hierover te beantwoorden. Bibliotheek Monumenten en Landschappen Graaf de Ferrarisgebouw Koning Albert ll-laan 20 1000 Brussel Jo Braeken tel.: 02/553.82.27 fax.: 02/553.82.05 Email: Jozef.Braeken (8)1 in.vlaanderen.be


1\ '

, ,.

B1NNENKRA1MT

Tom Lenaerts

tel.: 02/553.80.91 fax.:02/553.82.05 Email: Tom.Lenaerts@lin.vlaanderen.be

A+ AAC Acier Album de la Maison Moderne ArchEtLife Architecton Architectura De Architect Architect Action Architecture Architecture Belgium Architecture, Urbanisme, Habitation Architext Archives d'Architecture Moderne L'Art de Batir (L')Art d'Eglise Art et Technique L'Artisan (et les Arts) Liturgique L'Art Public Batir Beton Bouw £t Renovatie Bouwen en Wonen Bouwen met Baksteen De Bouwgids Bouwkunde Bouwkunst en Wederopbouw Bulletijn van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen Bulletin de la Commission Royale d'Art et d'Archéologie Bulletin de la Gilde de Saint Thomas et Saint Luc Bulletin des Métiers d'Art Cahier d'Architecture Les Cahiers de la Cambre Architecture Cahiers du Centre d'Etudes Architecturales Cahiers Henry van de Velde Les Cahiers d'Urbanisme Les Cahiers de l'Urbanisme CAO-Tijdingen Les Carnets d'Architecture Contemporaine LaCIté Chantiers (dans le Monde) Clarté Le Cottage Le Document Domino

L'Emulation Environnement L'Epoque L'Equerre FAB Facetten Habitat et Habitation L'Habitation a Bon Marché Le Home Houtnieuws Infordesign De Ingenieur Architect Jaarboek van het Gilde van Sint-Lucas en Sint-Jozef Journal (Beige) de l'Architecture Kijk KMBA Konstruktief Kontakt La Ligue des Architectes La Maison MftL Monumentum Natuur- en Stedenschoon Neuf Les Nouvelles du Patrimoine Opbouwen L'Ossature Métallique Plan Pro Renovatione Questions Reconstruction

References Renoscripto Revue de l'Architecture en Belgique Revue de I'Art Chretien La Revue Documentaire Ruimte Ruimte in Zicht Rythme Savoir et Beauté Schets Sint-Lucas S/AM TABK La Technique des Travaux Tekhne Urbs Nova Vers l'Art Vlees en Beton Vorm Wonen De Woonstede door de Eeuwen Heen


Oude opname van

rijkversierd balda-

de madonna hoek

kijn en sokkel,

Wolstraat/Coppenol-

lantaarn voor de

straat met de

straatverlichting

gebruikelijke

(copyright KIK

componenten: beeld,

Brussel)

IVI&L


smaak van de eigenaar of de uitvoerder, zonder al te veel rekening te houden met hun intrinsieke esthetische kwaliteiten, hun omgeving, hun symboliek, hun historische waarde en zonder de nodige kennis van de problematiek die deze kunstwerken met hun diverse materialen stellen. Toch is het dankzij dat regelmatig, hoewel soms onhandig herstel van vroeger dat er nog beelden bewaard zijn. De talloze verflagen hebben de houten beelden voor een zeker verval behoed. Tijdens een onderhouds- en/of restauratiecampagne duiken regelmatig deontologische en technische problemen op. Een groot aantal uiteenlopende factoren bepaalt de keuze van de behandeling. Niet alleen de historische waarde van deze beelden zal een rol spelen, maar ook hun esthetische, sociale, culturele en religieuze functie. Zij hebben immers nog hun sociaal-culturele rol evenals hun originele plaats in het straatbeeld behouden. Omdat ze aan weer en wind blootgesteld zijn, zal hun plaatsing de technische zijde van een behandeling sterk bepalen. De buitenopstelling beperkt eveneens de keuze van de producten.

M&L

De omgeving Beelden evengoed als andere kunstobjecten vormen een eenheid met hun omgeving en beïnvloeden eikaars uitzicht, levensduur... De bewaringstoestand van een beeld wordt sterk geconditioneerd door die omgeving, vooral in de open lucht. Bij een conservering- en/of restauratiecampagne moet er dan ook rekening worden gehouden met de verschillende componenten van het ensemble (sokkel, beeld, luifel, achtergrond), met de omgeving (de


-4

baldakijn zijn

Madonna aan de

Madonna op de

kwetsbaar. Ze zijn

Grote Markt.

hoek Lange

alleen door hun

De hele omgeving

Nieuwstraat/Lange

beschildering

speelt een rol in

Klarenstraat.

beschermd

het uitzicht en de

Beelden zonder

(foto A. Tant)

bewaring van de beelden (foto P. Somers)

temperatuurschommelingen, UV-stralen, luchtverontreiniging, biologische degradatie, de aanwezigheid van een groot aantal verschillende materialen en bepaalde vormen van vandalisme. Een goede bewaring van de beelden buiten veronderstelt dat ze regelmatig gecontroleerd en onderhouden worden. Hier knelt het schoentje al eens. Sommige baldakijnen en dakjes boven de beelden zijn zo erg beschadigd dat het beeld volledig aan weer en wind is blootgesteld, of ze zijn te klein om het beeld afdoende te beschermen. De polychromie is vervuild, vertoont barsten en afschilferingen, en vogels nestelen zich in de holtes van de beelden. Regelmatig en tijdig ingrijpen kan veel onheil voorkomen.

Het houten beeld

gevel waar het beeld tegen staat, de straat, en door veralgemening ook het uitzicht van de stad) en de klimatologische omstandigheden. Een studie van de omgevingsvoorwaarden is onontbeerlijk om esthetische of structurele ingrepen aan een beeld te kunnen evalueren. De belangrijkste oorzaak van degradatie van de houten madonnabeelden is hun 'agressieve' omgeving: buien en slagregen, stilstaand water, stijgend water vanuit de sokkel, condensatie, wind, sterke

Hout is een hygroscopisch materiaal dat onderhevig is aan volumeverandering door schommelingen van de luchtvochtigheid en aan biologische aantasting. De houten drager wordt gelukkig meestal beschermd door één of meerdere polychromielagen. Deze verflagen kunnen de vochtuitwisseling tussen het hout en de lucht niet volledig verhinderen. De constante beweging van het hout veroorzaakt barsten, het opensplijten van voegen, beschadigingen van de verflaag en opstuwingen van de polychromie. Door de verzwakking van de verflaag zal het water steeds gemakkelijker zijn weg vinden en de degradatie van het hout versnellen. De zones van het hout die door het verlies van hun poly-


chromie, uiteindelijk in contact komen met licht, lucht en watet, zullen verkleuren en een oppervlakkige verzwakking en een netwerk van kleine barstjes vertonen. Een ander gevaar voor de houten drager is de biologische degradatie. Buiten kan een beeld niet afgezonderd worden van insecten en andere micro-organismen, en zo ontstaat er vaak een verzwakking van de houtstructuur door biologische aantasting. Soms is deze aantasting zo ver gevorderd dat het beeld een deel van zijn vormkwaliteit verliest of zelfs letterlijk verpulvert.

andere factoren, waarbij naast brand, oorlog en diefstal ook vormveranderingen tijdens vroegere onderhoudsbeurten en restauraties in rekening gebracht moeten worden. Wanneer ontbrekende elementen in het beeld werden vervangen, was het niet ongewoon dat bepaalde uitdrukkingen, bewegingen of zelfs attributen mee veranderden. Deze beelden vertonen oude opvullingen in de meest diverse materialen: plaaster, cement, allerlei commerciële houtpasta's en opzwellende isolatiemousses. Die opvullingen zorgen vaak voor proble-

m-

•4

Madonna

Onze Lieve Vrouw

op de hoek

van de Reyenhoek aan de Reynders-

Borzestraat/Lange

straat/Leeuwenstraat.

Nieuwstraat.

De huidige beschil-

Het hout is zwaar

dering is vaak

aangetast door

vereenvoudigd in

vocht en insecten

vergelijking met de

(foto A. Tant)

oorspronkelijke polychromie (foto A. Tant)

Het contact tussen de houten drager en een ander materiaal kan eveneens een 'koude brug' creëren. Deze houten beelden staan bijvoorbeeld vaak op een stenen sokkel. De condensatie die optreedt tussen het hout en de steen tast de basis van het beeld aan en bevordert nog andere alteraties, zoals schimmels. Ook met de muur waartegen het beeld leunt kan er een ongewenst microklimaat ontstaan.

men voor de drager en veroorzaken nieuwe beschadigingen zoals barsten bij onvoldoende elasticiteit. Ze zijn evenmin altijd met de nodige zorg aangebracht en doen soms afbreuk aan de esthetische kwaliteiten van het beeld.

Een ander algemeen probleem zijn de metalen doken die het beeld in de muur verankeren. Bij een hoog vochtgehalte zullen deze roesten en zo het hout aantasten.Veranderingen en beschadiging van de houten drager door menselijk toedoen zijn

De originele polychromie van deze madonna's was vaak kleurrijk en technisch hoogstaand. Zij moest de kostbaarheid, de pracht en praal van het beeld benadrukken. De huidige beschildering is vaak vereenvoudigd in vergelijking met de oorspronkelijke

De polychromie


stoffering die we bij stratigrafisch onderzoek terugvinden. De toestand van de beschildering is zelden optimaal en heeft in vele gevallen ofwel de esthetische ofwel de technische kwaliteiten aangetast, soms ook beide. De toestand waarin de polychromie bewaard is, hangt sterk af van het onderhoud en de situatie buiten. Is er geen regelmatig onderhoud geweest, dan doen zich doorgaans de volgende problemen voor: - een grijze laag, afkomstig van de luchtvervuiling, stof, auto-uitwasemingen...; - de verflaag is dikwijls poreus geworden, door het afwassen van het regenwater. Hierdoor verliest de fdm zijn rol als beschermlaag en kan het water verder doordringen; - door de beweging van het hout zijn er barsten, opstuwingen en in het ergste geval polychromieverlies. Deze heiligenbeelden werden en worden nog steeds tijdens onderhoudsbeurten en/of restauratiecampagnes herschilderd, bijvoorbeeld ter gelegenheid van een christelijke viering. In de meeste gevallen is

dat in een volledig nieuwe kleurinterpretatie, die niet refereert aan de originele polychromie. De oudste overschilderingen daarentegen zijn meestal wel herhalingen of interpretaties van de oorspronkelijke kleuren. In veel gevallen dragen de beelden een enorme hoeveelheid polychromielagen, waardoor hun vormelijke details vervagen of zelfs verdwijnen. Soms zijn de recente verflagen met weinig zorg aangebracht en vertoont het oppervlak van het beeld een hobbelige en onregelmatige structuur.

Conservering en restauratie Bij een restauratiebehandeling stelt zich, naast enkele technische vraagstukken, ook het probleem van het eigendomsrecht. Zonder de toestemming en een minimum aan medewerking van de eigenaar kan een behandeling niet starten. Hierdoor worden interventies soms vertraagd of uitgesteld. De laatste jaren is er toch een aanzienlijke inspanning geleverd om de beelden één voor één te behandelen. Onder impuls van de vereniging 'Voor Kruis en Beeld' en van de stad Antwerpen, zijn er onder begeleiding en met toelagen van de Afdeling Monumenten en Landschappen heel wat beelden gerestaureerd. Enkele exemplaren werden en worden behandeld in het kader van de restauratieopleiding aan de Hogeschool Antwerpen, Departement Conservatie en Restauratie (zie ook casestudie).

Herstel van het beeld en zijn omgeving De madonnabeelden in de straten van Antwerpen worden, indien maar enigszins mogelijk, hersteld om opnieuw in hun originele buitenopstelling geplaatst te worden. Zowel het beeld als de omgeving verdienen de nodige aandacht. Een restauratiecampagne is het ideale moment om beeld en omgeving te bestuderen en beide te herstellen. De conservering heeft de meeste kans op slagen als de objecten hun volle betekenis en functie bewaren.

Madonna aan de Grote Harkt. Na behandeling van een beeld, baldakijn, sokkel, verlichting en omgeving vormt dit een prachtig geheel (foto P. Somers)

M&L


Materialen voor onderhoud en restauratie

De madonna van

De beelden moeten met aangepaste matetialen wotden gerestaureerd, zodat hun aanwezigheid in, op of rond het beeld geen extra spanningen of een versnelde degradatie meebrengt. Voor de houten beelden is deze materiaalkeuze niet altijd evident en de discussies kunnen wel eens hoog oplopen. De hoofdreden hiervoor is dat er geen ideale producten bestaan. Ofwel beantwoorden ze aan de technische eisen voor een opstelling van het beeld buiten en niet aan de huidige eisen gesteld door restaurateurs (zoals omkeerbaarheid, stabiliteit...). Ofwel beantwoorden ze niet volledig aan een buitensituatie, maar wel aan een of meer andere kwalificaties.

het Vleeshuis, oude opname (copyright KIK Brussel)

T Prent van J. Lmnig met de madonna aan het Vleeshuis in haar oorspronkeli|ke omgeving

M&L

Vooreerst mag niet van een materiaal verwacht worden dat het bij een buitenopstelling zonder onderhoud een goede werking op lange termijn behoudt. Regelmatig nazicht blijft in elk geval een noodzaak. Verder komt het erop aan prioriteiten te stellen en de minst slechte keuzes te maken. Alle gebruikte producten moeten een goede stabiliteit en

verouderingscurve vertonen. Ze moeten bestand zijn tegen water, grote temperatuurschommelingen... Een verharder moet niet noodzakelijk reversibel zijn, maar wel stabiel. Hij mag bij het verouderen geen extra spanningen of nieuwe alteraties veroorzaken en moet een goede versteviging verzekeren op lange termijn. Een opvulling moet voldoende soepel zijn en het ook blijven zodat het hout steeds kan blijven bewegen. Wanneer er geen beschermingslaag op komt, moet ook de kleur stabiel blijven. Een verflaag of een beschermingslaag mag geen water doorlaten, maar moet er wel voor zorgen dat het vocht opgeslagen door de ondergrond kan verdampen. Qua kleur moeten deze lagen stabiel zijn. Ze moeten soepel zijn, zodat ze de beweging van het hout volgen. Bovendien mogen ze geen afbreuk doen aan de esthetische kwaliteiten van het kunstwerk. Dit laatste geldt natuurlijk voor alle producten, maar in hoofdzaak voor deze die zichtbaar zijn aan de oppervlakte. Verder onderzoek naar aangepaste producten is onontbeerlijk, evenals het aanvaarden van technische beperkingen. Deze kunnen trouwens perfect


opgevangen worden door een goede en regelmatige opvolging van de beelden en hun omgeving.

Preventieve conservering "La conservation la plus souhaitable est celle qui assure Ie maintien de lafonction des objets,... "(10) Het leven van kunstwerken en monumenten buiten is erg afhankelijk van regelmatig onderhoud en preventieve conservering, om verdere aantasting te vermijden of te beperken. Voor deze beelden bestaat er geen ideale situatie zoals voor voorwerpen in musea, waar men de klimatologische omstandigheden kan controleren en beïnvloeden. Preventieve conservering omvat een regelmatige controle van de algemene situatie en een goede bescherming tegen water en andere factoren. Een goede algemene toestand kan de levensduur van de beelden gevoelig verlengen en vergt maar enkele eenvoudige ingrepen. Mogelijke gevaren uit de omgeving zoals stoten, het naar beneden vallen van

stenen, verstopte dakgoten en andere zijn te voorzien en dus meestal ook te vermijden. Regelmatige en eenvoudige onderhoudsbeurten behelzen een reiniging van het geheel, een nazicht van het baldakijn of het dakje, een controle van de stevigheid van de sokkel, het voorkomen of verwijderen van water dat in holtes van het beeld achterblijft, een nazicht en eventuele behandeling van biologische aantasting (schimmels, zwammen, insecten). Andere punten die regelmatig moeten worden nagezien zijn de metalen verankering van beeld, baldakijn en sokkel. Roestvorming en verzwakking van deze onderdelen moeten prioritair behandeld worden. Verder moet er voldoende verluchting zijn zodat er geen microklimaat kan ontstaan op de kritieke plaatsen zoals de sokkel of de rug van het beeld. De buurtbewoners kunnen hierin een rol spelen door zichtbare schade of problemen te signaleren. Vroegtijdig ingrijpen kan veel zwaardere schade voorkomen. Samengevat zijn de ideale voorzorgen: een goede bescherming tegen neerslag, een efficiënte afvloeiing van het water, een regelmatige controle van de beschermlagen, een goede luchtcirculatie op en rond het beeld en bepaalde ingrepen om een negatieve wisselwerking tussen de diverse materialen te 4 vermijden, bijvoorbeeld door isolerende lagen.

[)e!elfde

madonna:

het beeld verloor zijn oorspronkelijke plaats, zijn gepleis-

Sensibilisering

t e * achtergrond met stralenkrans

„

,

. . . . . .

ii-

en

^ " g ln

nA

hen goede sensibihsering van zowel de eigenaars Kn mm van de beelden als de buurtbewoners is een belang- 'baldakijn'.. rijke schakel voor de conservering in situ. De ver- ('0,0 *•Tant) eniging 'Voor Kruis en Beeld' ijvert al jaren voor de hernieuwde belangstelling voor dit kleine erfgoed en de diverse restauraties die de laatste jaren zijn uitgevoerd, zullen ongetwijfeld ook een positieve rol spelen. (1) Dit artikel is een bewerking van mijn eindverhandeling aan de Ecole Nationale Supérieure des Arts Visueis de La CamhreRestauratwn et Conservation d'Oetwres d'Art, gemaakt onder leiding van Marjan Buvle en mer als ritel Les sculptures religteuses en facade des maisons (onuitg.verh.), Brussel, 1999. (2) HOLBEKE M , Het object als bemiddelaar, Antwerpen, 1996; MANDROU R., La culture populaire au 17 et ISf siècle, Parijs, 1986; VALGAERTS en MACHIELS, Riten en symbolen in het volksgeloof, Gtm, 1992. (3) PH1LIPPEN L , Le culte de Notre-Dame op 't Stoxken h Anvers (1474-1580), in Annales de la société d'archéologie de Bruxelles, reeks 7, dl. 2, 1924. (4) Op 7 december 1585 krijgen de jezuïeren de toestemming om de madonna's terug te plaarsen. F. Cosrerus is hierbij zeer actief.


Madonna hoek Lange Kocpoortslraat/Jeruzalem-

m

CASESTUDIE: DE BEHANDELING VAN HET MADQNNABEELD OP DE HOEK VAN DE BQRZESTRAAT EN DE LANGE NIEUWSTRAAT De restauratie van dit houten madonnabeeld met kind uit het einde van de 17de-begin 18de eeuw is nog in uitvoering en gebeurt in opdracht van de vzw 'Voor Kruis en Beeld'. De behandeling werd aangevat in het kader van de restauratieopleiding aan het Ecole Nationale Supérieure de La Cambre in Brussel.

r ^

Het beeld is 130 cm hoog, 38 cm breed en 32 cm diep. Sinds 1901 bevindt het zich aan de gevel van het café aan de Borzestraat nr. 13, dat een hoek vormt met de Lange Nieuwstraat. Oorspronkelijk stond het aan de overzijde van de straat tegen de gevel van het huis De Grote Robijn. De naam van de beeldsnijder is onbekend.

Het beeld is vervaardigd uit lindenhout. De luifel en de sokkel zijn uitgevoerd in blauwe steen. Het doel van de restauratie van dit zwaar gehavende beeld was de esthetische en vormelijke kwaliteiten Onder zijn invloed wordt het Brabobeeld in de gevelnis van het stadhuis vervangen door een madonnabeeld van Philippe de Vos. van de sculptuur te herstellen, en het na de behan(5) iMARINUS M., 1200 jaar Antwerpen, de Antwerpenaren en hun deling terug te plaatsen.

T

/

gelovigen, in Waar is de tijd, 12, 1997. (6) De LATTIN A., Doorheen Oud-Antwerpen. Beschrijving van alle Het beeld was aan de muur verankerd door middel straten en pleinen met hun bezienswaardigheden, Antwerpen, 1955;van twee ijzeren doken. De ruimte tussen het beeld OP DE BEECK R., De Gilde van 01. Vrouw Lofin de kathedraal

en de muur, die oorspronkelijk wellicht open was,

van Antwerpen. 500 jaar Mariaverering te Antwerpen, Antwerpen, werd later dicht gepleisterd. Het beeld staat recht1978; TIJS R., Tot cieraat deser stede, Antwerpen, 1993. (7) Onder impuls van de vereniging 'Voor Kruis en Beeld' en dankzij het initiatief en de subsidies van de Aldeling Monumenten en

streeks op de stenen sokkel. De luifel beschermde enkel het bovenste gedeelte van het beeld tegen regen.

Landschappen werd de laatste jaren een groot aantal beelden getestaureerd: madonna van de Rijke Beuckelaerstraat, calvarie van de Wiegstraat, calvarie van de Korte Nieuwstraat, Sint-

De bewaringstoestand

Niklaas op het gelijknamige plein, madonna van de Kleine Markt hoek Schovtestraat-Bredestraat, madonna van de Bogaerdestraat,

Dit beeld verkeerde in een zeer slechte toestand. De houten drager was sterk verzwakt door biologische straat, calvarie met slaven op de hoek Sint-Jacobsmarkt/Lange aantasting van zowel schimmels als insecten. De Nieuwstraat,.., basis van het beeld, van de voeten tot iets boven de knieën, was tijdens een vroegere restauratie reeds (8) Zie plan. Buiten de grenzen van de leien komt men ook nog revervangen door een nieuw stuk in eikenhout. De gelmatig madonnabeelden tegen. Ze zijn vaak recenter dan die in aansluiting hiervan was uitgevoerd met enorme opde oude stadskern, maar getuigen toch van een continuïteit in de vullingen in plaaster. De basis of het steunvlak van traditie. het beeld vertoonde brede gangen van een wespen(9) Over de restauratie van een terracottabeeld op de hoek van de Reyndersstraat: PETERS S., De restauratie van een IT'-eeuwse nest en was onder andere door het contact met de koude steen sterker aangetast door schimmel. madonna, in M&L, jg. 7, dl. 6, 1988, (10) Vademecum ter bescherming en onderhoud van het kunstbezitDe voorzijde van het gezicht van het kind was even(red. J. Folie), in Bulletin van het Koninklijk Instituut voor het eens een opvulling (plaaster), helaas van zeer slechte kwaliteit. De achterzijde van de hals was volledig Kunstpatrimonium, dl. XXI, 1986-1987, p. 46. de Vekestraat en de Reyndersstraat, Sint-Rochus van de Hoorn-


A

A

Madonna

Het beeld na

op de hoek

demontering.

Borzestraat/Lange

De polychromie

Nieuwstraat

werd beschermd

(foto A. Tant)

door Japans papier (foto A. Tant)

A De hoofden waren vroeger hersteld met storende plaasteropvullmgen De basis van het

(foto A. Tant)

• Om het beeld

beeld is een oude

opnieuw te kunnen

herstelling in eiken

opstellen, wordt een

Na verwijdering van

hout, die werd

nieuwe sokkel

de opvullingen

verwijderd

(foto A. Tant)

(foto A. Tant)


opgevuld met plaaster. De arm van het kind was ook een oudere restauratie in plaaster, bevestigd door middel van een spijker. Over de hele oppervlakte vertoonde het beeld nog vele kleine opvullingen in plaaster en een (door ons niet geïdentificeerde) schuimrubber. Omdat het baldakijn maar een gedeelte van het beeld effectief beschermde, zijn vooral de uitstekende delen en de rechterzijde van de madonna in slechte staat. De basis van het beeld - een oude restauratie - is opgebouwd uit verschillende blokken eik. De voegen tussen deze delen stonden volledig open. Sommige delen waren volledig losgekomen. De polychromie verkeerde eveneens in een zeer slechte bewaringstoestand en was sterk vervuild. De afwerkingslagen vertoonden talrijke opstuwingen, barsten en verlies van polychromie over het hele beeldoppervlak. De bovenste polychromielaag was zeer slordig en onregelmatig aangebracht, net als de vele onderliggende verflagen. O p sommige plaatsen was er geen polychromie meer en was het hout blootgesteld aan weer en wind, op andere plaatsen hebben we tussen 18 en 26 verflagen teruggevonden.

lingen en overschilderingen zouden verwijderd moeten worden omdat hun bewaringstoestand en kwaliteit te slecht was en omdat ze het uitzicht van het beeld stoorden. Er werd wel beslist om de twee oudste polychromielagen te bewaren.

Een werkgroep adviseert Na het vooronderzoek bleek het nodig een groep ervaren mensen uit verschillende disciplines bijeen te roepen om van gedachten te wisselen over een behandeling en om te vermijden dat deze restauratie enkel de visie vertegenwoordigt van de restaurateur die de behandeling uitvoert (1). Deze mensen zijn verschillende malen samengekomen om de werken te volgen zowel voor de technische als de esthetische vraagstukken. De vraagstelling concentreerde zich vanaf het begin op volgende punten: - restaureren of dit beeld beschouwen als een ruïne en niet meer ingrijpen; - het originele beeld vervangen door een kopie; - toch restaureren, al gaat het om een vrij ingrijpende restauratie.

Het vooronderzoek Het vooronderzoek maakte duidelijk dat dit beeld oorspronkelijk niet bedoeld was om buiten te staan. Door de slechte bewaringstoestand van de polychromie hebben we geen volledig zicht kunnen krijgen op de oudste polychromielagen of andere tussenliggende lagen, met uitzondering van de meest recente lagen. In elk geval droeg de madonna een kleed in polimentvergulding. De mantel was smaltblauw op een zwarte ondergrond met een rode binnenvoering. Zowel de madonna als het kind hadden vergulde haren in matvergulding op mixtion. De polychromie bevindt zich op een witte preparatielaag. Over de inkarnaten, ogen en andere details hebben we geen informatie, evenmin over mogelijke motieven op de mantel of het kleed van de madonna. Opzoekingen in archieven naar de oorsprong van dit beeld hebben onze resultaten niet kunnen bevestigen. De oudste twee overschilderingen waren hernemingen van de oorspronkelijke polychromie. Onder andere daardoor kunnen we veronderstellen dat zowel de madonna als het kind in een bleke roze inkarnaatkleur waren geschilderd. De oude opvul-

Uiteindelijk hebben we beslist voor de restauratie, met een buitenopstelling als einddoel. De verantwoordelijken voor dit beeld hadden immers met dit project ingestemd op voorwaarde dat het beeld zou worden teruggeplaatst. Een kopie leek ons niet opportuun. De voorstudie had immers de haalbaarheid van onze optie aangetoond. Door het beeld te bewaten in de huidige opstelling, behoudt het ook zijn volledige inhoudelijke en artistieke betekenis. Het beeld wordt opnieuw gepolychromeerd met de restanten van de oudste verflagen als voorbeeld. Een buitenopstelling is namelijk niet mogelijk zonder een beschermende afwerkingslaag. Voor de drager was reeds beslist al de oude opvullingen weg te nemen. Nadien werden ook de basis of de voeten van het beeld weggenomen, een oude restauratie die waarschijnlijk dateert van het begin van de 20ste eeuw. Deze beslissing werd door het beeld zelf opgedrongen, omdat de basis en het beeld zelf, qua dimensies en stijl, niet meer op elkaar aansloten nadat de opvullingen en de recente verflagen verwijderd waren. Het resultaat van deze drastische ingrepen was een overblijfsel van wat ooit een mooi beeld moet zijn geweest.


Het beeld tijdens de restauratie: restanten van oude polychromielagen zijn vnjgelegd en de grote lacunes ingevuld

niet verwijderd worden. Het hout is vervolgens geconsolideerd met een acrylaathars Paraloid B72 in tolueen (10%, 15%, 20%). O m een zo homogeen mogelijke verharding te krijgen hebben we toegangswegen voor het hars in het beeld geboord. De keuze viel op Paraloid B72, een stabiel hars. Een zwak punt van dit product is dat het weinig bestand is tegen weer en wind, maar dat vormde geen echt bezwaar omdat het afgeschermd wordt door een nieuwe polychromielaag. Vervolgens zijn alle grote openingen in de drager opgevuld met een epoxyhars (Araldite C2-1) met toevoeging van Phenolic Microballoons, wat een soepele maar bewerkbare materie geeft (2). De basis en het hoofd van het kind zijn in dezelfde materie afgegoten. O m de omkeerbaarheid van deze opvullingen te verhogen hebben we een eerste laag bestaande uit houtpoeder en PVA (25%, Profix 400 die watervast is) aangebracht tegen de wanden van de op te vullen delen. Deze materie is erg soepel, zodat het hout de mogelijkheid krijgt uit te zetten en in te krimpen.

Na enkele vergelijkingen met andere beelden en het bestuderen van de vormgeving van het beeld, hebben we verscheidene modellen gemaakt voor een nieuwe basis van het beeld, en voor een nieuw gezicht en een nieuwe arm voor het kind. Deze 'prototypes' zijn aan de begeleidende werkgroep voorgesteld en na hun evaluatie bijgestuurd tot er een voor iedereen aanvaardbaar eindresultaat uit de bus kwam. Tijdens een werkvergadering is beslist om de arm van het kind niet te hermaken. Er werden ook voorstellen gedaan om het beeld optimaal te beschermen tegen klimatologische omstandigheden door het bijvoorbeeld iets naar achteren te verschuiven zodat het minder aan de regen wordt blootgesteld, vermits de luifel niet kon worden vergroot. Tenslotte wordt achter het beeld een monochrome muurschildering aangebracht waardoor het weer ten volle tot zijn recht komt.

Voor de nieuwe polychromielaag is er gekozen voor een acrylverf (Lucite van Dupont de Nemours). Enkele kleurtesten en vergelijkingen met andere producten en reeds uitgevoerde projecten hebben ons overtuigd dat deze verf een technisch kwalitatief en een esthetisch bevredigend resultaat kan geven.

(1) Een werkgroep ad hoc bestond uit Madeleine Manderyck en Marjan

Buyie.

inspecteurs

kunstbezit

van

de

Afdeling

Monumenten en Landschappen, Marianne Decroly, Myriam Serck en Guillemette Terfve van de opleiding in La Cambre en tenslotte de vertegenwoordigers van de opdrachtgever 'Voor Kruis en Beeld' vzw, de heer van Caster, mevrouw Sörensen en de heer Gocminne. (2) BARCLAY R. en GRATTAN D., A silicone rubberlmiaoballoon mixture for gap filling in wooden objects, in ICOM

Committee

for Conservation, vol. 1, 1987, p. 183-187; BARCLAY R. en MATH1AS C , An epoxy/microhalloon mixture for gap filling in wooden objects, m Journal of the American Institute for Conservation,

De restauratie De verschillende polychromielagen werden met een scalpel en oplosmiddelen verwijderd. O p de zones met nog veel resten van de twee oudste polychromielagen is met de microscoop gewerkr. De oude opvullingen zijn mechanisch weggehaald. Alleen de opvullingen in schuimrubber konden

28, 1989, p. 31-42.

An Tant, zelfstandig restaurateur van polychrome beelden


CASESTUDIE: 'MONSTRA TE ESSE MATREM' Dit gepolychromeerde lindenhouten beeld uit het einde van de 17de-begin 18de eeuw is afkomstig van de gevel van Het Wapen van Tienen, het huis op de hoek van de Sudermanstraat en de Biermarkt in Antwerpen. Het maakt deel uit van een geheel bestaande uit een luifel, het madonnabeeld en een sokkel, die de vorm heeft van een wereldbol omgeven door gestileerde wolken. Daarop bevindt zich een banderol met het opschrift 'Monstra te esse matrem' (Toon dat gij onze moeder zijt). Toen dit beeld in oktober 1997 van zijn oorspronkelijke plaats werd weggehaald, kon ondanks de nodige voorzichtigheid niet voorkomen worden dat er verschillende stukken afbraken. Nadat de beschermende facing (papier en gipsband) verwijderd werd, bleek pas hoe slecht de bewaringstoestand van dit beeld was. De oorzaak van de degradatie was niet ver te zoeken: een extreme vorm van aantasting door schimmels en insecten. A

Stratigrafisch onderzoek O p bepaalde plaatsen op de madonna werden doorsneden van de polychromie genomen (zie schema 'polychromie', fig. 1, 2 en 3) die vervolgens ingebed werden in een transparante epoxy, om ze te kunnen bestuderen onder de microscoop.

Oude opname

Bemerk de mooie

(circa 1934) van

achlergrond-

dc madonna op

schildering en

de hoek

de geraffineerde

Sudermanstraat/

versiering van

Eiermarkt.

het baldakijn

Verwijderen van de recente verflagen De recente verflagen hadden zich op bepaalde plaatsen opgehoogd en vervulden niet meer hun taak als beschermingslaag voor het beeld. Vooraleer het weer buiten komt te staan, moet het een nieuwe verflaag krijgen. Daarom werd beslist om de nog aanwezige verflagen te verwijderen. Bij een test werd snel duidelijk dat een décapant hiervoor niet bruikbaar was. Het hout werd nog brozer door de inwerking van het vochtige middel. Solventen geven soortgelijke problemen. De verf werd daarom verwijderd met behulp van warme lucht. Nadien werd duidelijk dat bepaalde onderdelen tijdens vroegere behandelingen vervangen waren door stukken in grenen- en eikenhout (zie fig. 4 en 5, onderaanzicht en rugzijde van het beeld).

• Toestand van het beeld vóór de restauratie (foto S. Roels)


Mastiek Na het decaperen werd een mastiek weggenomen die vermoedelijk tijdens een vroegere behandeling in 1979-1980 aangebracht was. Dit kon evenmin met een décapant mi^fvoerA worden, maar wel met warme lucht. De laatste restanten konden mechanisch met de scalpel verwijderd worden.

Verlijming De loszittende delen werden waar mogelijk op de juiste plaats teruggezet en verlijmd met witte houtlijm (PVA). A

Consolidatie Er werd gekozen voor Paraloïd B72, een (polymethylmethacrylaathars) acrylhars, opgelost in tolueen, in een verhouding van 0,10 g/ml en van 0,15 g/ml (Paraloid B72 / solvent). Deze verhardingsoplossing werd ingebracht langs de lacunaire zijden van het beeld. De diepte van de aangetaste zones werd door diverse peilingen bepaald. Daaruit bleek dat de schade op de meeste plaatsen tot aan de plank aan de rugzij de van het beeld reikte.

Oppervlakteconsolidatie Via de voorzijde van het beeld werd 19 x 900 ml verhardingsoplossing (0,10 g/ml) ingebracht, door injectie, besproeien en ingieten. Het beeld werd systematisch circa 10 0 om de lengteas heen en weer gekanteld, zodat de oplossing door het hele beeld vloeide. Nadien werd het op zijn rechterzijde gelegd. Via de linkerzijde werd 11 x 900 ml (0,15 g/ml) ingebracht. Hoewel de concentratie werd verhoogd om te vermijden dat het doorvloeien zich zou herhalen, bleek dit nog steeds het geval te zijn.

Opeenvolgende

De toestand ïan het consolidaties waren hout was desastreus

noodzakelijk

(insecten en

(foto Voor Kruis en

schimmels).

Beeld)

Diepteconsolidatie Deze fase in het consolidatieproces kon pas gebeuren nadat er verschillende gaten door het reeds geconsolideerde deel geboord waren. De gaten werden aangebracht in een rasterpatroon met een maaswijdte van 8 cm. Vanuit deze gaten werden bijkomende boringen uitgevoerd in verschillende richtingen onder een hoek van ongeveer 45° ten opzichte van de eerste (verticale) boring. Deze werkwijze werd toegepast met de bedoeling een zo • Vóór en na het verwijderen van de storende overschilderingen (foto's S. Roels)

Controle Nadat de consolidantoplossing aan het oppervlak uitgehard was werden op verschillende plaatsen dieptepeilingen gedaan als controle van de oppervlakteconsolidatie, hetgeen op een schema werd aangeduid.

M&L


Schema met aandui-

Schema met diepte-

ding van de lacunes

peilingen als contro-

(tekening S. Roels)

le van de oppervlakteconsolidatie (tekening S. Roels)

homogeen mogelijke verdeling van de verharder te bereiken. Via elk gat werd consolidantoplossing ingegoten, Paraloid B67 (Isobutylmethacrylaathars) opgelost in white spirit, in een verhouding van 0,10 g/ml en van 0,15 g/ml (Paraloid B67 / solvent), waarbij het kantelen om de lengteas werd herhaald om een verdeling over de diverse boringen te krijgen. Nadien werd opnieuw een controle uitgevoerd om de mate van verharding na te gaan na de diepteconsolidatie. Wanneer het resultaat niet bevredigend was werd de behandeling voortgezet.

delen aan de linkerzijde van het beeld opgevuld. Hiervoor werd een epoxy gebruikt die na uitharding gesculpteerd kan worden (Master Model Paste: araldite SV427 + HV427 + charge van Phenolic Microballoons). De volledige behandeling van het beeld is nog niet voltooid. Ze wordt uitgevoerd in het kader van de restauratie-opleiding aan de Hogeschool Antwerpen.

Seppe Roels, zelfstandig restaurateur van polychrome beelden

Reconstructie Tijdens het indringen en het verdampen van de solventen werden de uitvlieggaten en de weggevreten


Roger Deneef, Herlinde

Chris De

De Jaeck

& Jo

Maegd, Wijnant

"GETEMPERDE STRAKL1JN1GWE1Ü": LOUIS VAN DER SWAELME1M E1M DE "KRACHTIGE RANGSCHIKKING" VAN HET KASTEELDOMEIN VAN MELDERT (HOEGAARDEN) • De I4de-ecuwsc don|on la de Kerkstraat vóór de restauratie in 1984; tot 1568 was het de zete van de heerlijkheid Meldcrt na de brand van IS68 werd 700 m zuidelijker op een hoger gelegen plaats een nieuw kasteel gebouwd (foto INBELl

"Getemperde

straklijnigheid".

der Swaelmen het resultaat poging

Zo vatte Louis Van samen van zijn

om in 1911 (voor België) nieuwe

in de tuinarchitectuur schappelijk

inzichten

toe te passen op een land-

park uit het midden van de 19de

eeuw, het kasteeldomein

van Meldert,

tief voor wat hij de "faillieten Romantischen

tuin"

als

alterna-

boedel van den

noemde. Bijna zeventig

jaar

later meende Herman Stynen dat van Van der Swaelmens ontwerp

in Meldert geen

sporen zijn overgebleven. onderzoek

Een grondig

heeft echter het tegendeel

HET OUDE EN HET NIEUWE KASTEEL VAN MELDERT

duidelijke terreinuitgewezen.

Tijdens het ancien régime was Meldert een leen, in het bezit van de ridders van Meldert, die voor het eerst in 1279 worden vermeld. Zij werden opgevolgd door de families van Montenaken, d'Oyenbrugghe en - op het einde van het ancien régime - Vander Noot. De l4de-eeuwse donjon in de Kerkstraat, niet ver van het dorpscentrum, vormde de zetel van de heerlijkheid. Na de brand van 1568 werd 700 meter meer ten zuiden, op een hoger gelegen plaats, een nieuw kasteel gebouwd (1). Twee norbertijner kaartboeken - van de abdij-


en van 't Park (1665) en van Averbode (1650-1680) geven een beeld van het kasteelcomplex uit het midden van de 17de eeuw. Dit beeld wordt min of meer bevestigd door een beschrijving in het familiearchief Van der Noot. Opmerkelijk - voor het einde van de 16de eeuw - is dat de nieuwe structuur een afspiegeling is van de traditionele, gesloten structuur van een opperhof en een neerhof (met twee binnenplaatsen) en dat ook de idee van de donjon nog aanwezig is. De gebouwen waren opgetrokken in gekapte steen, hoogstwaarschijnlijk Gobertangesteen. De dubbelstructuur uit de 17deeeuwse afbeeldingen is niet (of niet meer) zichtbaar op de Ferrariskaart (1770-1776) en op de zonder twijfel betrouwbare Primitieve kadasterkaart (1820-1830). O p deze kadasterkaart worden drie volumes getoond die bijna, maar niet helemaal, een binnenplaats omsluiten; het kasteelgebouw wordt aangeduid door het onregelmatige vlak onder het woord 'chateau'.

De I4de-eeuwse donjon langs de Kerkstraat te Melden op een litho van A.-J.-A. Vasse (. in: Le domame et la chapelle Ste Ermelmde, a Maillart, 1855) •

Zowel de Ferrariskaart als de Primitieve kadasterkaart geven, met een tussentijd van een halve eeuw, een soortgelijk beeld van de omgeving van het kasteel. O p beide kaarten vinden we ten noordwesten van het kasteel een omgracht perceel terug dat in de kadastrale legger als tuin (nr. 468) en vijver (met name de gracht, nr. 469) staat omschreven. O p de Ferrariskaart wordt deze 'eilandtuin', 28 are groot, kruisvormig ingedeeld; de functie was vermoedelijk een combinatie van 'nut en sier'. O p de Ferraris-

• Het door boom-

uit de I7de-eeuwse

noorden van

gaarden omringde

afbeeldingen is

het kasteel ;

kasteel van Heldert

met (meer)

het gehucht Keulen

op de Ferrariskaart

zichtbaar; opmer-

('Cuelstraet') zal

(1770-1776);

kelijk is de kruis-

in 1845-1850

de dubbelstructuur

vormig ingedeelde

grotendeels worden

van het complex

eilandtuin ten

afgebroken

kaart wordt een groot gedeelte van de ruimte rond het kasteel in beslag genomen door een circa vier hectare grote boomgaard. Volgens de opgave van het kadaster is daar vijftig jaar later nog slechts één hectare (perceel 464) van overgebleven. De rest van het huidige park bestond zowel in 1770 als in 1820 uit weiden, hooilanden, akkers en bos, erg primitief vergeleken met andere domeinen van de familie Vander Noot of uit de regio — bijvoorbeeld dat van Kwabeek te Boutersem (Vertrijk). Erfenisdisputen zijn hier waarschijnlijk de oorzaak van, bijvoorbeeld een proces dat heeft aangesleept van 1767 tot 1820 (2). De weg die naast het kasteelcomplex aftakte van de weg Tienen-Waver en in noordwestelijke richting het dal van een van de bronbeken van de Mene doorsneed, behoorde tot het openbaar domein.

M&L


O p het ogenblik dat het Primitief kadaster wordt opgemaakt (1820-1830) is het domein eigendom van Charles-Ferdinand-Joseph, graaf d'Oultremont (1789-1852) (3), voormalig ceremoniemeester aan het hof van koning Willem. Hij was dit uit hoofde van zijn huwelijk met Louise-Joséphine, gravin Vander Noot de Duras, weduwe van prins LouisLamoral de Ligne, telg van de laatste feodale herenfamilie van Meldert (4). Zij bezat alleen al in Melden 80 hectare (circa één tiende van het gemeentelijke grondgebied) (5), maar geen aaneengesloten blok rond het kasteel. Het gehucht Keulen vormde de grootste maar niet de enige enclave.

Op de Primitieve bdasterkaart (1820-1830) bestaat het kasteelcomplex uit drie volumes rond een binnenkoer; het kasteelgebouw is het onregelmatige vlak onder

HET NEOGOTISCHE KASTEEL

het woord 'chateau';

In 1845 (6) wordt het 16de-eeuwse kasteelcomplex vervangen door een flamboyant-neogotisch kasteel naar ontwerp van architect Henri Auguste Marie Vivroux (1795-1867) uit Hoei (7). Hij was de ontwerper van het kasteel Les Mazures te Pepinster, het Waalse 'Strawberry Hill', "een der eerste Belgische bouwsels, waar er van een zeker doelbewust streven naar het schilderachtig effect kan sprake zijn" (8).

de eilandtuin is het omwalde perceel 469

M&L


A De nkomzijde van

A.-J.-A. Vasse. in:

De tuinzi|de van

het wagenhuis (litho

het neogotische

Le domame et

het neogotische

van A.-J.-A. Vasse,

kasteel van Meldert

la chapelle

kasteel van Meldert

in: Le domame

enkele jaren na

Ste Ermelmde,

enkele |aren na

et la chapelle

de bouw (litho van

a Maiilart, 1855)

de bouw; links op

Ste Ermelinde,

de achtergrond

a Maillart, 1855)

Vivroux gaf er te Meldert echter voortijdig de brui aan en de bouwheer zelf nam zijn taak over (9). Uit de kadastrale opmetingsschets (10) die de nieuwe toestand enkele jaren later registreerde, kan worden opgemaakt dat een groot gedeelte van de funderingen van de oude kasteelvleugel werd hergebruikt, ook de oude donjon, die in een neogotisch kleedje werd gestoken. De binneninrichting werd toevertrouwd aan de bekende architect en restaurateur Pierre-Victor Jamaer (1825-1902), lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten, die ook de begraafplaats van Evere aanlegde (11). Het resultaat werd in de toenmalige vakpers met een zeker enthousiasme begroet. Het nieuwe kasteel bestaat uit een rechthoekig volume, doorsneden door drie dwarse bouwlichamen, met zadeldaken en puntgevels. Enkele lithografieën, die vermoedelijk in opdracht van d'Oultremont werden vervaardigd door A.-J.-A. Vasse en met een korte toelichting betreffende het domein in 1855 werden gepubliceerd (12), tonen het neogotische kasteel in zijn oorspronkelijke vorm, met een door kantelen bekroonde toren, die ongetwijfeld als belvédèretoren dienstdeed, maar minstens één derde lager was dan de huidige. De toren (13) sluit nu langs de tuinzijde aan bij het middelste dwarse volume, maar toen was dat waarschijnlijk niet het geval. Het middelste dwarse volume was ook veel lager. Aan de erfzijde bevindt zich centraal de ingangspartij. Alle gevels in witte Gobertangesteen zijn architecturaal gelijk behan-

M&L

deld, behalve de parkgevel, die met zijn opengewerkte bogengaanderij onder balkons de uitstraling heeft van een voorgevel. Het gevarieerde, laatgotische, ornamentele vocabularium komt vooral in de bovenverdieping en de dakvensters tot uiting in het veelvuldig gebruik van spits- en accoladebogen, blindarcades en balustrades, hogels, pinakels met kruisbloemen, nokversiering, vierpassen, ramen met kruiskozijnen... Een litho (14), vervaardigd naar een foto uit het begin van de jaren 1870, toont het kasteel in een vorm die al afwijkt van de oorspronkelijke: de toren is opmerkelijk hoger en wordt bekroond door een hoog schilddak. In augustus 1877 werd het kasteel zo ernstig door brand beschadigd, dat de inspectie van het kadaster het als ruïne beschouwde. Pas in 1882 werd het opnieuw als kasteel belastbaar gesteld. De heropbouw versterkte aanzienlijk het verticale karakter, dat voorheen hoofdzakelijk tot de toren met zijn hoog schilddak beperkt was beschadigd. Het middelste dwarse volume kreeg een hoger zadeldak en werd geflankeerd door twee vooruitspringende ronde torentjes. De toren werd opnieuw vlak afgedekt, voorzien van spietorentjes en schietgaten - elementen uit de middeleeuwse vestingarchitectuur - en diende opnieuw als belvédèretoren. De kasteelaanhorigheden (wagenhuis, stallingen, personeelswoning) werden in U-vormig grondplan opgetrokken ten zuiden van het kasteel, buiten de vroeger bebouwde oppervlakte, en vallen dus niet


• De inkomzi|de van

(litho van

het neogotische

M. Vasseur in E.

kasteel van Heldert

de Damseaux,

De inkomzijde van het neogotische kasteel van Heldert,

niet lang vóór

La Belgique

gerestaureerd

de brand van 1877;

pittoresque.

na de brand

de toren Is na

1872-1978,

1855 aanzienlijk

copyright: FUNDP,

verhoogd en

Bibliothèque umver

bekroond met

sitaire Horetus

een hoog schilddak

Plantin)

van 1877 (foto 0. Pauwels, 2000)

samen met de zuidvleugel van het oude kasteelcomplex. Het gaat om een bakstenen gebouw met als steunbeer uitgewerkte lisenen in natuursteen. Van bijzondere kunsthistorische betekenis was de oranjerie, gebouwd in 1867-1868 naar ontwerp van Hendrik Beyaert (1823-1894) (15). Deze bakstenen constructie van één bouwlaag is in 'zebrastijl' uitgewerkt, een regelmatige afwisseling van lagen bak- en zandsteen. Wauters beschreef deze oranjerie niet lang na de bouw als een "charmante construction, execute avec Ie plus grand soin". Niettemin was ze atypisch en totaal ongeschikt als winterbewaarplaats voor vorstgevoelige planten, met haar scherpe zadeldak met neogotische dakkapellen, de hoge ronde toren met schietgaten, de steunberen met pinakels, de trapgevel aan de noordzijde, het maaswerk, de tweebeukige binnenruimte met graatgewelven, en de oriëntatie. Het gebouw bevond zich toen aan de westzijde van de ommuurde moestuin (perceel 467b). Aan de kant van de moestuin had het - en heeft het nog — vijf hoge steekboogdeuren met smeedijzeren hekwerk. Het was dus waarschijnlijk geen echte oranjerie, maar misschien een tentoonstellingsruimte voor planten en bloemen. Men beleefde in die jaren immers de hoogdagen van de horticultuur. Een kleine eeuw later werd ze omgebouwd tot kapel. O p de stafkaart van 1893 en ook op de kadastrale opmetingsschetsen (16) zijn binnen de moestuin nog andere constructies zichtbaar, vermoedelijk kweekkassen, serres en, in het midden, een waterbekken.

De opengewerkte

een bogengaanderi|

parkgevel van

onder balkons

het kasteel van

(foto 0. Pauwels,

Heldert met

2000)


Henderskelfe compleet mét kerk afgebroken (18) is de 'enclosure'-operatie die door Charles Ferdinand d'Oultremont en, na zijn dood in 1852, door zijn zoon Adrien werd gerealiseerd, toch wel spectaculair voor de regio. Niet alleen lijfde hij nagenoeg 1800 meter openbare weg in bij zijn domein, ook liet hij het grootste gedeelte van het gehucht Keulen afbreken, met name een tiental woningen met tuintjes van dagloners (19). O p de stafkaart van 1864 beslaat het landgoed 'Maillard', de tuinen en het park rond het pas gebouwde kasteel van Meldert, ongeveer de hele ruimte tussen de Waverse steenweg, de Bosbergstraat, de Meerstraat en de Keulenstraat (huidige straatnamen). De uitbouw van een esthetisch-landschappelijk 'cordon sanitaire', het zich opsluiten in arcadische coulissenlandschappen, de ruimtelijke scheiding die ook de uitdrukking is van de groeiende afstand tussen de sociale klassen in de loop van de 19de eeuw, worden vooral vanaf 1850 bepalend voor de aanleg of de heraanleg van landgoederen. Dit werd herhaaldelijk vastgesteld tijdens de inventarisatie van historische tuinen en parken in Vlaams-Brabant en in Limburg. De overdrachten werden door het kadaster droogweg als verkoop geregistreerd, maar welke pressie- of lokmiddelen graaf d'Oultremont heeft gebruikt om tien huisgezinnen ertoe te brengen in volle landbouwcrisis bijna gelijktijdig hun eigendom af te staan, daar hebben we het raden naar.

De kasteelaanhongheden (wagenhim, stallingen. personeelswoning) (foto 0. Pauwels,

De oranjerie

ongeschikt als

(1867-1868) van

winterbewaarplaats

Hendrik Beyaert,

voor vorst-

prachtig gebouw

gevoelige planten

maar atypisch

(foto 0. Pauwels,

en totaal

2000)

EEN LANDSCHAPPELIJK PARK TEN KOSTE VAN KEULEN Tussen 1845 en 1850 werden enclaves verworven, die het mogelijk maakten om het aaneengesloten vijfhoekige blok van circa 50 hectare te vormen, waarop het huidige park werd aangelegd. Het totale grondbezit van de familie d'Oultremont zal in de loop van de 19de eeuw in Meldert trouwens meer dan verdubbelen (17). Hoewel het weinig voorstelt vergeleken met wat zich bijvoorbeeld in Engeland afspeelde — voor de aanleg van het park rond Castle Howard, North Yorkshire, werd in 1730 het dorp

Door de uitgraving van de komgronden en de opstuwing van de zuidelijke tak van de Mene- of Molenbeek ontstonden twee langwerpige vijvers, gescheiden door een rotscascade (van kwartsietblokken); in de stroomafwaartse vijver werd een vrij groot eiland uitgespaard. Het domeingedeelte ten noorden van de beek, vroeger akkerland, werd gedeeltelijk met bomen beplant. Twee litho's van Vasse (1855) geven een ruimer beeld van het landschappelijk park onmiddellijk na de aanleg. Het is uiteraard niet altijd mogelijk om uit te maken in hoever dergelijke afbeeldingen een getrouwe weergave zijn van de bestaande toestand of anticiperen op de wensen van de opdrachtgever. Eén litho toont het kasteel vanuit het noorden, omringd door een nog jonge beplanting, maar vermoedelijk zijn de grootste elementen overgespaard uit de vroegere beplantingen, bijvoorbeeld de bomen (abelen?) op het eiland in de noordelijke vijver, dat rechts in beeld zichtbaar is. Daarachter ligt de rotscascade die de overloop tussen de twee vijvers vormt. De oevervegetaties zijn weelderig, maar links in beeld zien we een eigenaardige oeverbe-


Adrlen d'Oultremont (1828-1898) ais commissarisgeneraal van de wereldtentoonsteliing in Antwerpen, in : R. Cornelli S P. Muselll, Anvers et l'exposition umverseile de 1885)

planting met een of andere naaldboomsoort; op de hellende gazons naar het kasteel toe liggen een paar bloemenperken of lage struikmassieven. De tweede litho van Vasse toont opnieuw het eiland - ditmaal vanuit de omgeving van het kasteel en met een of andere treurboom die normaal ook op de eerste afbeelding zichtbaar zou moeten zijn - en ook de hellingen aan de overzijde van de vijvers. De litho van Vasseur (1872-1878) toont ook enkele details van het landschappelijk park. Een groep of rij Italiaanse populieren (Populus nigra 'ItalicaV, een soort die niet op de afbeeldingen van Vasse te zien is, maar die het arcadische karakter van het parklandschap accentueert. Rechts van het kasteel wordt een glimp getoond van het rivierlandschap tegen de achtergrond van een bosmassief - waar een tiental jaar eerder het gehucht Keulen lag; op de voorgrond zien we enkele lage, niet te definiëren struikmassieven, en bij de ingang van het kasteel, de obligate kuipplanten, vermoedelijk laurier.

Het neogotische

vertekend

daarachter

Vasse, in:

kasteel ïan Meidcrt

perspectief van

de rotscascade

Le domaine et

enkele jaren na

over de noordelijke

tussen de eerste

la chapelle

de bouw, in

vijver gezien:

en de tweede vijver

Ste Ermelinde,

een mm of meer

rechts het eilandje.

(litho van A.-J.-A.

a Maillart. 1855)

Vasse, in: Le domai-

Het iandschappeiijk

gezien en

park van Heldert

het eiland in

ne et la chapelle

vanuit de omgeving

de noordelijke vijver

Ste Ermelinde,

van het kasteel

(litho van A.-j.-A.

a Maillart, 1855)

Het kasteeldomein van Heldert in 1364. enkele jaren na de landschappelijke aanleg en de opruiming van een groot gedeelte van het gehucht Keulen (Depot de la Guerre, 1868)

M&L


Opmerkelijk is de bult met hoogstammige bomen die Vasse (1855) afbeeldt op de helling aan de noordzijde van de vijvers. O p de nieuwe kadastrale mutatieschets van 1850, die ook het tracé van de oevers weergeeft, valt deze zone min of meer samen met een groot ovaal perceel (nr. 440a), die op de stafkaart van 1864 ook door een pad wordt begrensd. O p deze plaats staat nu een groep van taxussen (Taxus baccata) en bruine beuken {Fagus sylvatica 'Atropunicea'j. Deze beuken zijn misschien wel ouder dan hun huidige stamomtrekken (190 tot 320 cm) laten vermoeden; hun dikteaanwas kan geremd zijn door hun dichte, ovaal plantverband, dat een streektypische stijlfiguur suggereert. De eigenaars noemen dergelijke groepen, die we in diverse parken in de omgeving (20) hebben aangetroffen, steevast 'de Twaalf Apostelen'. Een 'Twaalf Apostelen'-groep, eveneens gevormd door dicht bij elkaar geplante bruine beuken, vinden we

Het kasteeldomein

staat de onranjene

van Meldert in

van Beyaert en,

1893: In de moes-

centraal.

tuin ten zuidwesten

een waterbekken

van het kasteel

(I.CM, 1900)

ook aan de overzijde van de beek, ten noordoosten van het kasteel. Bomen die mogelijk uit de 19de eeuw dateren bevinden zich in de onmiddellijke omgeving van het kasteel, bijvoorbeeld een paar mammoetbomen (Sequoiadendron giganteum) en diverse bruine beuken met stamomtrekken tot meer dan vijf meter. Het landschappelijk park werd ontsloten door kronkelpaden, die de meest pittoreske hoeken van het domein aandeden en boeiende gezichten boden op en over de vijvers of op het kasteel. De enige min of meer rechte weg verbond het kasteel met het meest noordelijke punt van het domein, niet ver van het dorpscentrum, waar een nieuwe toegang met een hek werd gemaakt. In 1859 werd het hele, niet bebouwde gedeelte van het domein tot één reusachtig perceel iustgrond' versmolten, 37,5 hectare groot (21).


Het kasteeldomein van Melden In 1908. vlak voor de heraanleg van het park door Louis Van der Swaelmen (I.C.H, 1923)

De bruine beuk op de voorgrond heeft een stamomtrek van bijna S m en Is waarschijnlijk even oud als het kasteel (foto 0. Pauwels, 2000)

M&L


Een brume beuk

van hei kasteel-

Tot de 19de eeuwse

mammoetboom

met 5,5 m

park van Heldert

generatie van

(Sequoiadendron

stam-omtrek.

(foto 0. Pauwels,

bomen behoort

giganteum) (foto

de dikste boom

2000)

onder meer

0. Pauwels, 2000)

VAN DER SWAELMEN EN DE 'MODERNE, REGELMATIGE TUIN' Bij het overlijden van Adrien d'Oultremont in 1898 werd het kasteel te huur gesteld. De eerste huurder was ridder de Schouteete de Tervarent (22). In 1905 werd hij opgevolgd door burggraaf August de Lantsheere, die 25 jaar lang burgemeester van Meldert zou zijn en het domein behandelde alsof het zijn bezit was. Hij moderniseerde het kasteel, hij liet er waterleiding, centrale verwarming en acetyleenverlichting aanleggen, en had ook plannen met het park (23). In 1911 werd het 19deeeuwse landschapspark gedeeltelijk heraangelegd naar ontwerp van de bekende stedenbouwkundige en tuinarchitect Louis Van der Swaelmen (18831929). De betekenis van Louis Van der Swaelmen — die overigens niet verward mag worden met zijn vader, die niet alleen dezelfde naam had maar ook 'architecte-paysagiste' was — voor het stedenbouwkundig denken en de tuinwijkbeweging in België tijdens het eerste kwart van de 20ste eeuw, is niet gering (24). Zijn boek Préliminaires d'art civique (25), ge-

publiceerd in 1916 naar aanleiding van de discussies rond de wederopbouw, geeft niet alleen zijn opvattingen weer over de diverse aspecten van de ruimtelijke ordening, inclusief de natuurbescherming, maar over de hele samenleving. Zijn ideeën over tuinarchitectuur, die rechtstreeks verband houden met zijn opvatting over de verhouding mens-natuut, worden verwoord in een aantal artikels (26) en voordrachtteksten (27). Hij fulmineert tegen de 19de-eeuwse, nog steeds gangbare, "faillieten boedel van den Romantischen tuin", de natuurnabootsingen in 'vermicellistijl'. Met een foto van de intussen al dertig jaar oude Vossemvijver in het park van Tervuren, stelt hij een "teekenend voorbeeld van zulk 'n leugenachtige schepping, nog kort geleden door een vermaard tuinarchitect ontworpen" aan de kaak en ook de heraanleg van het Terkamerenbos van dezelfde architect - Edouard Keilig (18271895) - vindt geen genade. Van der Swaelmens inspiratie is uitgesproken Engels: invloeden van Gertrude Jekyll (1843-1932) en Thomas H. Mawson (1861-1933) zijn zowel in zijn geschriften als in zijn realisaties aanwijsbaar. De regelmatige, geordende, 'moderne, Engelsche'


tuin, waarin (huishoudelijke) doelmatigheid wordt gekoppeld aan het 'schilderachtige', staat voor hem model. De schilderachtigheid wordt vooral geput uit de natuur, die ons moeiteloos 'biologische associaties' en 'met bloemen bestarde grasperken' levert. De verwijzingen naar het werk van botanicus-plantensocioloog Jean Massart (28) zijn legio. Massart publiceerde in 1913 een artikel Po«r/tf^)roto:tow (^ la nature en Belgique, een van de eerste, wetenschappelijk gedocumenteerde manifesten van de natuur- en landschapsbescherming in België (29), en verdedigt standpunten die nauw aansluiten bij het credo van de beweging, die zich eveneens in 1913 als 'Nouveau Jardin Pittoresque' heeft geprofileerd en waarin Jules Buyssens een stuwende rol heeft gespeeld. In het 'manifest' van de beweging wordt trouwens een foto van Van der Swaelmens tuinen te Meldert afgedrukt (30).

mee hij deze realisatie als illustratie heeft aangewend in latere publicaties - wijst erop dat het in opdracht van Auguste de Lantsheere ontworpen 'domaine de Maillard' als exemplarisch mag worden beschouwd. De invloed van Mawson, een bijzonder productief tuinarchitect, auteur van een succesrijke reeks over tuinontwerpen, The art and craft of garden making (1906-1926), bewonderaar van de Arts and Cra/ö-beweging, is in Meldert tastbaar aanwezig. Mawson ontwierp tuinen met, aansluitend op het huis, een bak- of natuurstenen terras, via trappen verbonden met gazons, struik en bosmassieven en, als het enigszins kon, met een mooi uitzicht (31).


Het kasteel op een sokkel van terrassen met trappen en algesdiumde taluds in een "rechtlijnige rangschikking", die werd versterkt door de zuiverlijnige hagen van hulst, rechte reek[s]en van welgesnoeide taxusboomen" (loto genomen vlak na de heraanleg door Van der

Het ontwerp spitst zich toe op het zuidelijke gedeelte van het domein, de onmiddellijke omgeving van het kasteel. Het gedeelte ten noorden van de vijvers wordt grotendeels onaangeroerd gelaten. Het is niet met zekerheid uit te maken of dit een gevolg was van een formele beperking van de opdracht of eerder verband houdt met Van der Swaelmens basisconcept — het 'thema der verrijkte natuur', de 'Wild Garden', een concept dat op om het even welke schaal kan worden toegepast. In de floristische opnamen uit de jaren 1980 van de meer bosachtige gedeelten van het domein is echter geen spoor van verrijking met meer spectaculaire soorten, knol- of bolgeofyten als narcis, wilde hyacint of herfsttijloos merkbaar (32).

Swaelmen) •

opglooide in de vorm van een amphitheater, zag het kasteel er vanuit de oprijlaan, die op het voorplein uitkwam, al zeer onvoordeelig uit. Het uitgangspunt voor de compositie kon geen ander zijn dan het kasteel beter te doen uitkomen en de groepering van een behoorlijke lijst rondom het gebouw. Ik ontwierp een aantal terrassen beneden de oppervlakte van het platform der kasteelomwalling. Deze terrassen met hun spel van trappen en afgeschuinde taluds lagen evenwijdig en vormden tezamen een scherp hellend en naar verhouding evenredig voetstuk voor het kasteel, hetwelk zich aldus hooger en rijziger zou voordoen, en met een doorvoering der lange evenwijdige terraslijnen op verschillende plans en hoogten, - hagen, randen, perken en lanen, zou een overeenkomst in karakter tusschen huis en hof verkregen worden. [...] De gehele rechtlijnige rangschikking werd versterkt door de

__-____l^^_

Toen Van der Swaelmen werd belast met de aanleg van het park "leek het kasteel als ingebouwd in een inloopend terrein, wat drukkend werkte op den aanblik van het geheel; het lag dicht op de flank van een berg, de hoofdgevel was naar het dal gekeerd, het binnenhof lag bijna geheel aangedrukt tegen zware boschpartijen, terwijl de vrij plotselinge stijging van het terrein dicht voor den oostetijken zijgevel de algemeene gedruktheid nog verergerde" (33). Hoe kon hieraan verholpen worden? In een toelichting bij het project, dat in 1916 als artikel werd gepubliceerd (34), verduidelijkt Van der Swaelmen zijn uitgangspunt: "Geen enkele bepaalde stijl bleek hier gewenscht, en zulks des te minder, daar de stijl van het kasteel zelf al een nabootsing was; slechts krachtige rangschikking was er noodig. Daar het gebouw niet op een grondmuur stond, en vooral wijl de bodem naar het oosten

M&L


zuiverlijnige hagen van hulst, rechte reek[s]en van welgesnoeide taxusboomen".

DFTIJIN ALS WEERSPIFGELING VAN DE 'GANG DES LFVENS'

Het pittoreske zal echter de 'straklijnigheid' temperen bij middel van brede perken met vaste planten "welker taak het is de strakke lijnen en meetkunstige figuren een weinig meer golvend en aangenamer voor het oog te maken en de hoekigheid van den onderbouw met een bloeiender leven te bezielen". In naam van het pittoreske worden ook enkele oude magnolia's gespaard. O p de foto's die niet lang na de aanleg (alleszins vóór 1913) werden genomen zien we verschillende close-ups van de bloemenparterres, met stokrozen, pioenen, irissen, rudbeckia's... en vooral asters.

Het ontwerp weerspiegelt min of meer het leefpatroon — "gangdes levens"mex de woorden van Van der Swaelmen - en ook de hobby's en de sportieve belangstelling van de opdrachtgever: een met palissades van leilinden afgebakend, licht verzonken tennisveld in spiegelvorm met lunetachtige uitstulpingen; een 'pelouse de jeux' met een golf van negen holes; een door haagbeukhagen afgeschermd 'gymnase' - vermoedelijk bedoeld als openluchtsolarium - dat onmiddellijk aansluit bij het zwembad. Het zwembad (met een rustiek-cementen kleedcabine) bevindt zich aan het stroomopwaartse uiteinde van de zuidelijke vijver en is ervan ge-

•4 De hoofdas die loodrecht op het kasteelgebouw naar de 'rivier' en "als de voorsteven

V"-»*^'

van een schip uitsteekt in het groene, wijde dal" en eindigt in een "reposoir formant chambre de fraicheur" (foto genomen vlak na de heraanleg door Van der Swaelmen)

.ifc-J^

• Het rustiekcementen kleedhokje bij het zwembad aan het stroomopwaartse uiteinde

,

&

van de zuidelijke vijver (foto R. Dencef, 1997)


scheiden door een betonnen dam ('barrage avec Iris et plantes aquatiques'). De pittoreske ingesteldheid blijkt uit de tot 'rivière' versmalde zuidelijke vijver met een aanlegsteiger. Het bucolische gezicht vanuit het kasteel of vanaf de terrassen over de beekvallei, waar ooit de daglonershuisjes stonden, wordt door Van der Swaelmen als volgt beschreven: "Op groote weiden naar Engelschen trant, omringd door witgeverfde houten hekken, grazen de koeien, die zoozeer leven en kleur aan het landschap verleenen".

De bloemenparterres, met stokrozen, pioenen ... en vooral asters in de parterres op de terrassen langs de hoofdas (foto genomen vlak na de heraanleg door Van der Swaelmen) •

Het meest in het oog springend is de strakke symmetrie die, vanuit de lucht gezien, in een andere context en op een grotere schaal Von Daniken op bepaalde ideeën had kunnen brengen. Het patroon van 'landingsbanen' dat zich tussen de vijvers en het kasteel aftekent, is opgebouwd uit een hoofdas die loodrecht op het kasteelgebouw naar de 'rivier' afdaalt — met de woorden van Van der Swaelmen "als de voorsteven van een schip uitsteekt in het groene, wijde dal", tweemaal (bij elk terras) door trappen onderbroken, en op 60 meter van de aanlegplaats eindigt in een soort van exedra ('reposoir formant chambre de fraicheur'). In een hoek van 45 graden, in perfecte symmetrie, zijn op deze hoofdas twee zijassen geconstrueerd, die op hun beurt via loodrechte zijassen met de hoofdas verbonden zijn. De hoofdas wordt geaccentueerd door een rij in kegel geschoren taxussen, de omtrek van de exedra door hinoki cipressen (Chamaecyparis obtusa), die ook meer informeel, in kleine groepjes, over de rest van het domein staan verspreid. Het woord 'reposoir' wordt hier niet gebruikt in de door de Petit Robert toegestane betekenissen, maar in de betekenis van rustplaats; op foto's van vlak na de aanleg zijn zitbanken zichtbaar, weliswaar geen marmeren (be-

halve misschien deze voor de taxusrij), zoals Van der Swaelmen in zijn toelichting laat uitschijnen. De stenen bank op de foto is mogelijk niet van marmer maar van kunstzandsteen op basis van cement of beton, zoals alle boordstenen, trap- en keermuurfragmenten die nog op het terrein zichtbaar zijn. Van een "springbron, die hare wateren hoog van een marmeren zuil in een Venetiaansch bekken neer laat klauteren"^2X1 er op de foto's die vlak na de aanleg werden genomen, niets te bespeuren.

A De bloemenpar-

kegels en hmoki

terres, met irissen,

cipressen,

Rudbeckia's en

de "chambre

asters in

de fraicheur"

de parterres op

(foto genomen ïlak

de terrassen langs

na de heraanleg

de hoofdas en,

door Van der

achter de taxus-

Swaelmen)

BLQEMFNHQF 'NAAR FRANSCHEN TRANT1 EN 'WILD GARDEN'

M&L

De toegangsweg, die zoals vanouds ten oosten van het kasteel van de Waverse steenweg aftakt, doorkruist de ruimte tussen het kasteel en het wagenhuis en vormt de basis van een aantal loodrechte aftakkingen. Een eerste loopt door de 'Mont des Roses' en eindigt in een kleine 'reposoir', in een Nederlandstalige toelichting omschreven als 'geurige kamer'; een tweede aftakking voorbij het kasteel ontsluit het tennisveld. De loodrechte aftakkingen aan de andere (zuid)zijde omkaderen en ontsluiten een kruisvormig ingedeelde bloementuin, waarvan


elk parterre op zijn beurt andrieskruisvormig en tenslotte in langwerpige bedden is ingedeeld. Deze tuin valt precies samen met de oude moestuin en moest worden herschapen in "een bloemenhof naar Franschen trant met een wintertuin". Dit was het enige waarop de eigenaar aandrong; voor de rest had Van der Swaelmen carte blanche. Van deze bloementuin zijn ons geen afbeeldingen bekend, maar aan de hand van de toelichting kunnen we ons een beeld vormen van zoniet de werkelijkheid dan toch de intentie van de ontwerper: het gaat wel degelijk om een snijbloementuin ('jardin fleuriste'), waarin "alle lanen en vakken [...] met buksbomen [zijn] omzet"en de vier hoofdcompartimenten met "hagen van taxusboomen, waarin figuren zijn gesneden". Aan de zuidkant van de bloementuin staan serres, kassen en wachtbedden opgesteld. De zogenaamde otanjerie vormt als een open paviljoen de overgang, via een strook met kleinfruit (frambozen, kruisbessen en een onleesbare soort) naar een 'jardin sauvage', op de plaats van de vroegere boomgaard. De 'wild garden', contradictie in terminis, was sinds Francis Bacon (Of gardens, 1625) een niet weg te branden thema in de tuinliteratuur, maar kreeg vooral in de Arts and Craftstuinen, na de publicatie van William Robinsons Wild garden (1870) en Gertrude Jekylls Wood and Garden (1899), een eigen, formele plaats (35). De 'wild garden'-idee heeft volgens Robinson (36) geen uitstaans met de traditionele idee van 'wilder-

nis' en kan evenmin gelijkgesteld worden met de 'pittoreske tuin'; het komt in essentie neer op het inbrengen van winterharde exotische planten in een milieu waarin zij zonder verdere zorg kunnen gedijen. Dit sluit enigszins aan bij wat in de doctrinaire ecologie als 'biotoopvervalsing' wordt gebrandmerkt. Bovendien wordt de 'wild garden' niet als tegengesteld gezien ten opzichte van de tuin met bloembedden en -perken, maar als complementair (37). O p Van der Swaelmens plan gaat het om een besloten ruimte, omgeven door bosschage en 'pittoresk' uitgewerkt, "waar vaste planten en bolgewassen welig opschieten". De 'Mont des Roses' aan de andere zijde van het kasteel, vlak bij de hoofdingang, vormt een tweede pittoresk uitgewerkt compartiment. Deze rozenberg ligt in een 'amphitheaters-gewijze' uitgegraven helling, een uitgraving die noodzakelijk was om de terrasvormige sokkel van het kasteel aan de oostzijde mogelijk te maken. Grote aantallen rozelaars werden aangeplant "in zoo schilderachtige groepeering, dat het leek of zij daar in het wilde tierden", soms gegroepeerd in contrasten, soms als nuanceringen van een zelfde hoofdkleur; een toepassing van het principe van de 'colour schemes' van Jekyll (38). De rozenberg werd ontsloten door een lijnrechte weg, die eindigde op een kleine 'reposoir' of 'geurige kamer'. Het curieuze patroon van wegen en grasparterres

Het nu verdwenen curieuze patroon van wegen en grasparterres in het voorhof "zal wellicht den vurlgen aanhangers der traditie op het gebied van voorhoven wel een weinig afwekend toeschi|nen", voorspelde Van der Swaelmen (foto genomen vlak na de heraanleg door Van der Swaelmen)


.ViPfi^

^M^

A Het hertenkamp

het plan van

('pare aux daims')

Vander Swaelmen

dat de Lantsheere

(met dank aan

liet inrichten,

A. Grenié.

komt met voor op

Boiiterseml

tussen het kasteel en het wagenhuis, het voothof ('cour d'honneur'), doet denken aan een sierspeld, een Keltische fibula of zo. Het "zal wellicht den vtirigen aanhangers der traditie op het gebied van voorhoven wel een weinig afwijkend toeschijnen", voorspelde Van der Swaelmen, maar het is volgens hem volkomen in overeenstemming met het karakter van het geheel en sluit aan bij de terrasvormige aanleg van de kasteelsokkel. Hoe dan ook, erg functioneel als aankomst- of manoeuvreerruimte of verkeersknooppunt kan het niet geweest zijn; mooi is het vooral vanuit vogelperspectief. De inspiratie was vermoedelijk afkomstig uit de 'Arts and Crafts garden', bijvoorbeeld de 'paved parterres' naar ontwerpen van Inigo Triggs en anderen, die door Gertrude Jekyll worden getoond in haar boek Gardens for small country houses (39). Het hertenkamp ('pare aux daims') dat de Lantsheere liet inrichten, komt niet voor op het plan van Van der Swaelmen. Van het rustieke gebouwtje met twee torentjes in pseudo-vakwerk is ook geen spoor meer te vinden en de plaats waar het stond konden we niet achterhalen.

M&L

HET MELDERTBQS. EEN INGESLAPEN TUIN De renovatie van het kasteel en de heraanleg van het park waren nauwelijks voltooid toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Het kasteel werd geplunderd en bewoond door Duitse troepen; sommige vertrekken op de benedenverdieping werden zelfs als paardenstal gebruikt. Na de oorlog werd het landgoed opnieuw opgeknapt, maar in 1932 overleed Auguste de Lantsheere. In 1940 werd het huurcontract door de familie de Lantsheere opgezegd. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog had het kasteel zwaar te lijden onder de Duitse bezetting (40). In 1957 werd het met de aanhorigheden verworven door de Aalmoezeniers van den Arbeid, die er het Sint-Janscollege installeerden. Hoewel de oranjerie werd omgebouwd (in feite eenzijdig vergroot) tot kapel en het wagenhuis eveneens een aanzienlijke uitbreiding onderging, betekende deze overname de redding van het kasteel. In diezelfde periode werd het grootste gedeelte van het park met canadapopulieren beplant. Het voorhof verdween onder het asfalt, op een grazige rotonde na; de bloementuin werd een atletiekpiste en er werd een nieuwe vleugel voor de klaslokalen gebouwd (41). De bescherming als 'dorpsgezicht' van het hele


•

domein en als 'monument' van de gebouwen plus het zwembad en het kleedhokje, op 14 januari 1993, na een aanslepende procedure, bracht weinig soelaas. Het is tekenend dat op het einde van de jaren 1980 het noordelijke gedeelte van het domein globaal als 'Meldertbos' werd aangeduid, zowel door de eigenaars van het niet bebouwde gedeelte als door de kandidaat-koper v.z.w. Natuurreservaten, die in 1986 de aanzet tot de beschermingsprocedure had gegeven. De krantenkop Eikenbos in ere hersteld geeft verslag van een gesponsorde boomplantingsactie in maart 1993 (42) — "44 nieuwe, inheemse en streekeigen zomereiken"en spreekt voor zichzelf. Anderzijds werden de canadapopulieren op de door Natuurreservaten verworven gedeelten systematisch verwijderd, waardoor niet alleen het parkachtige uitzicht maar ook het hooilandbeheer als traditionele beheersvorm - ook binnen landschapsparken - in ere werd hersteld. Voor zover we konden nagaan werden op de als reservaat beheerde stukken — voornamelijk het noorden en het westen van het domein — ook alle 'niet-inheemse soorten' gespaard, met name een groot aantal westerse levensbomen (Thuja occidentalis), hinoki cipressen (Chamaecyparis obtusa), moerascypressen (Taxodium distichum) — voornamelijk bomen die Van der Swaelmen had laten aanplanten.

Het kasteel van

genhuis tot inter-

Heldert, sinds Smt-

naat; in diezelfde

Janscollege, in

periode werd het

de jaren 1980;

grootste gedeelte

Sportvelden en

de oranjerie werd

van het park met

internaatsgebouw

omgebouwd tot

Canadapopulieren

in de voormalige

kapel en het wa-

beplant

"bloemenhof naar Franschen trant"; op de achtergrond het kasteel (foto 0. Pauwels, 2000) T

M&L


*k.mL'.

n\

w

*

t

i,-..J\^ ¥

V^V*."

kv^SS

:.:v-.^

^'M

-/- ^


•4 "Meldertbos": voorjaarsbloeiers tussen de canadapopulieren (foto 0 . Pauwels.

2000)

BESLUIT In 1979 stelde Herman Stynen ietwat voortvarend vast dat van Van der Swaelmens ontwerp in Meldert geen duidelijke sporen zijn overgebleven (43). Een grondig terreinonderzoek in juni 1997 heeft uitgewezen dat onder de canadapopulieren het grootste gedeelte van Van der Swaelmens aanplantingen nog aanwezig is, soms gekanteld maar in de meeste gevallen nog recupereerbaar. Dit geldt onder meer voor de taxussen die de ruggengraat vormen van de 'scheepsboeg', hoog uitgegroeid in een concurrentiestrijd met de omringende populieren; onder de huidige levende kroon is de kegelvormige kroon, zoals ze verschijnt op de foto's die vlak na de aanleg genomen werden, nog aanwezig, weliswaar verdroogd; de bomen zijn nog vitaal en kunnen opnieuw in de oorspronkelijke kegelvorm gesnoeid worden. Dit geldt ook voor de lindenpalissades rond het tennisveld, de haagbeukenhagen rond het 'gymnase', de solitairen of groepjes van hinoki cipressen en westerse levensbomen. Het zwembad is nog in recupereerbare staat en onder de strooisellaag tussen de canada's en het struweel duiken hier en daar muurtjes en trappen op.

15.

mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) 460; 17. westerse levensboom (Thuja occidentalis) 268; 32. gewone taxus (Taxus baccata) 268; 53. gewone beuk (Fagus sylvatica) 409; 72. moerascypres (Taxodium distichum) 356; 75. zuilvormige zomereik (Quercus robur 'Fastigiataj 212; 101. Amerikaanse cipres met blauwachtige schubben (Cupressus arizonica 'GlaucaV 80; 105. bruine beuk [Fagus sylvatica AtropuniceaV 363; 115. btmnzbcük [Fagus sylvatica AtropuniceaV 390.

EINDNOTEN (1)

Met dank aan de heer Frans Doperé (Tienen) Gegevens hoofdzakelijk

afkomstig uit: DOPERE

F. c.a.,

Meldert, voormalige heerlijkheid van het hertogdom Brabant (tentoonstellingscatalogus), Hoegaarden-Meldert, Hoegaardse Heemkundige Kring, 1984, 381 p. (2)

LEJOUR E., La familie van der Noot et particuli'erement la branche des seigneurs de Carloo, (Overdruk uit: Intermediaire des généalogistes, nr. 51, p. 1-11).

(3)

POPLIMONT

Ch., La Belgique héraldtque, VIII, Paris,

Imprimerie de Henri Carion, 1866, p. 244.

Het domein van Meldert herbergt dus een interessante tuinaanleg, vrij uitzonderlijk voor België, die zonder exorbitante kosten en zonder al te veel blindelings plamuurwerk gerestaureerd kan worden. De tuin was immers niet vernietigd maar ingeslapen. Het samengaan van natuur en cultuur, de uitzondetlijke vormgeving en zijn belang voor de tuinkunstgeschiedenis rechtvaardigen dit.

(4)

WAUTERS A., Geographic et histoire des communes belges. Arrondissement de Louvain - canton de Tirlemont (II). Bruxelles, Culture et Civilisation (facsimile van editie 1876), 1963, p. 7273.

(5)

Primitieve kadastrale legger Meldert, art. 124.

(6)

Volgens WAUTERS, op. cit.. p. 73.

(7)

Voluit: Henri, Auguste, Marie Vivroux (1795-1867), zie: GOFFAUXA.-F. & W O D O N B., Répertoire des architectes wallons du XUIe au XXe siècle (Etudes et Documents, Aménagement et Urbanisme 4), Namur, Ministère de la Region Wallonne,

Merkwaardige bomen (opname 6 juni 1997) (44) 1. mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) 520; 2. Italiaanse cipres (Cupressus sempervirens) 70(30); 5. bruine beuk {Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 551(80); 6. bruine beuk {Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 467; 12. mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) 381;

Division de l'Aménagement et de l'Urbanisme, 1999, p. 149150. (8)

Geciteerd uit: VAN CLEVEN J., Neogotiek en neogotismen. De neogotiek als component van de ly-eeuwse

stijl in België, in: T De

Maeyer(red.), De Sint-Iucasscholen en de neogotiek, 1862-1914 (Kadoc-studies 5), Universitaire Pers Leuven, 1988, p. 28. De voornaam van Vivroux wordt hier overigens ingekort tot Auguste-Marie. (9)

ANON., Chateau de Meldert prés de Tirlemont,/oarWW^c^/f l'Architecture et de la Science des Constructions 6(3), 1854, p. 45.

(10) Kadastrale opmetingsschets Meldert 1850, nr. 31.


(11) Restaureerde onder meer verschillende huizen op de Brusselse

(30) VAN' B1LLOEN A., Le Nouveau Jardin Pittoresque. Son pro-

Grote Markt en het stadhuis; biografische nota in: GOSSE A.

gramme, Brussel, Association nationale pour la Renovation dans

e.a., Poelaert en zijn tijd (tentoonstellingscatalogus), Brussel,

L Art des Jardin, 1913, tegenover p. 14.

Gemeentekrediet, 1980, p. 220-221; zie ook STYNEN H., De onvoltooid verleden tijd. Een geschiedenis van de monumenten- en landschapszorg in België, Brussel, Stichting Vlaams Erfgoed, 1998, p. 365.

(31) The Oxford companion to gardens, Oxford/New York, Oxford University Press, p. 360. (32) Cf.

MEERT

E.,

Het

parkbos

van

Meldert,

Betekom,

Studiecentrum Natuuren Landschap, 1986, 11 p.

(12) VASSE A.-J.-A., Le domaine et la chapelle Ste Ermelmde. it Maiüart, Bruxelles, 1855.

(33) VAN DER SWAELMEN L , Ontwerp eener moderne schoonheidsleer voor den tuinaanleg. Buiten, 1 april 1916, p. 165-168,

(13) Binnenin gedateerd 1640-18"79. Wat de eerste datum betekent,

handelt in detail over Meldert.

is niet duidelijk. De tweede datum verwijst ongetwijfeld naar de

(34) VAN DER SWAELMEN L , op. at.

restauratie na de brand van 1877. Op de eerste verdieping van

(35) The Oxford companion to gardens, p. 604-606.

het kasteel zijn trouwens een reeks datumstenen ingemetseld, waarvan een inventaris in DOPERE F. e.a., op. cit. (14) DE DAMSEAUX E. & VASSEUR M., La

Belgiqueptttomque.

Album illustré des chateaux, Mons, Daquin, 1870-1878. (15) VICTOIR J. & VANDERPERREN J., Hendrik Beyaert. Van

(36) ROBINSON W., The wild garden or the naturalization and natural grouping of hardy exotic plants with a chapter on the garden of British wild flowers, London [...], Century Hutchinson Ltd., The National Trust, 1983 (orig. edit. 1870), p. xxiv-xxv.

classicisme tot Art Nouveau, Sint-Martens-Latem, De Dijle,

(37) ROBINSON W., op.cit., p. 10-11.

1992, p. 144-145.

(38) JEKYLL G. & WEAVER V., Arts and craft gardens. Gardens for

(16) Kadastrale opmetingsschetsen iMeldert 1877, nr. 4 en 1912, nr. 26.

small country houses. Garden Art Press, 1997. (39) JEKYLL G. & WEAVER L , op. cit., p. 87-88.

(17) Zie de kadastrale artikels Melden 124, 343, 1151.

(40) DE CHANGY H., op. cit.

(18) W A f K I N D . , The English vision, l'he picturesque in architecture,

(41) Kadastrale opmetingsschets Meldert 1961, nr. 6.

landscape and garden design. London, Murray Ltd., 1982. (19) Zie onder meer de kadastrale mutatieschetsen Meldert 1856, nr. 6: 1858, nrs. 4 & 5.

Kortenaken (Kersbeek-Miskom), het domein Gellenberg te Lubbeek, het domein van Rivieren te Aarschot (Gelrode) etc. (21) Kadastrale legger Meldert, art. 124, nr. 163; kadastrale opmetingsschets Meldert 1859, nr. 8. (22) die in 1906 in het Vijverhof te Bierbeek (Korbeek-Lo) een nieuw kasteel zal bouwen, zie Inventaris Historische tuinen en parken Vlaams-Brabant, deel I, nr. 7 (in voorbereiding). (23) DE CHANGY H.. Propriétaires du Chteau de Meldert (manuscript), Temiren, 1978, 3 p. H., Stedebouw en gemeenschap. Louis Van der

Swaelmen (1883-1029),

(43) STYNEN H., op. at, p. 63. (44) Vergelijk: bestand 'fie/frm' (Vereniging Belgische Dendrologie)

(20) Bij het Nieuw Kasteelvan Boutersem, het kasteel van Kersbeek te

(24) STYNEN

(42) Eikenbos in ere hersteld. Het Laatste Nieuws, 12 maart 1993.

bezieler van de moderne beweging in

België, Brussel/Luik, P. Mardaga, p. 58-64. (25) VAN DER SWAELMEN L , Préliminaires d'art civique. mis en relation avec le 'cas clinique'de la Belgique, Leyde, A.W. Sijthof, 1916, XVI + 300 p. (heruitgave C1AUD/ICASD, Brussel, 1980). (26) VAN DER SWAELMEN L., Ontwerp eener moderne schoonheidsleer voor den tuinaanleg. Buiten 109, 1916, p. 106-107, p. 118-119; p. 130-131, p. 141-144, p. 154-156, p. 166-168, p. 178-179, p. 185-187. (27) VAN DER SWAELMEN L , Twee voordrachten over moderne tuinkunst. Nieuwe vooruitzichten en toekomstige richting (overdruk \i\i: Architectura]^. 24, 1916, nr. 14. (28) Zie ook STYNEN H., De onvoltooid verleden tijd, p. 370. (29) MASSART J.. (1913) Pour la protection de la nature en Belgique. Buil Soc. Roy. Bot. Belg. 52, p. 1-308.

nrs. 4223, 4224, 4225, 4226 en 4227.


SUIVIIVIARY The Egmont castle in Zottegem This contribution is the continuation of an earlier article in this journal (H. Van den Bossche, The fortress and Egmont castle in Zottegem, Monumenten & Landschappen, 9th year of publication, nr. 3, pp. 12-48) which treated the history and research prior to the restoration of the Egmont castle. This article is not merely a chronological report of the restoration which lasted from 1993 until 1997, but also treats the problems due to the thorough transformation of the site. The conversion into a public library often clashed with the ethics of restoration. This is illustrated starting from the functional requirements of the building programme; the vertical and horizontal opening up of the building, as well as stability and fire safety. Following on from rhat, two chapters bear upon the visualization of the continuity in the building history and the restoration of two remarkable 18th century interiors. The article concludes with critical considerations concerning the after-care of the restored monument and a draft of a possible synthesis of the archaeological site with the park planning. The main concern however, are the restoration-ethical implications of the conditions for a useful restoration as set out in the Venice Charter, namely the socially valuable conversion of the monument. The restoration of the Egmont castle prompts us to reflect on all this.

Streetcorner Madonnas in Antwerp : For centuries the streets of Antwerp have been embellished by numerous sainr's statues in facades, mostly on street corners. Apart from their importance as historical witnesses, they are part of a unique art heritage accessible to all. These statues of the Virgin Man' used ro belong to local communities. This role has now been taken over by the association "Voor Kruis en Beeld" (for cross and statue) which promotes the conservation and maintenance of the statues. There are actually still some 170 holyfiguresin the old town centre of Antwerp. Most of these are Holy Virgins, Antwerp's patron saint since 1124. They mostly from a whole with a decorated socle, a nicely embellished baldachin and a wrought-iron street lamp. Most of the exterior statues are of stone and wood, although a few are in terracotta or plaster. In order to ensure the conservation of these statues in the streets, there is need for a well planned and regular maintenance, together with efficient restoration treatments. Their state of conservation is strongly conditioned by their "agressive" environment: showers and torrential rain, wind, fluctuations in temperature, insects, mould and fungi. A good conservation requires in the first place a perfect condition of the protective baldachin and the socle as well as a perfect finishing layer (paint) of the statue itself.

This contribution concerns case studies of two statues, treated by An Tanr and Scppe Roels as part of two restoration colleges: La Cambrc and the Antwerp academy. The first statue, a limewooden Madonna from the Borzestraat, with a brim and socle in blue stone, was in very poor condition. Earlier and inadequate plaster additions and fillings, an ill-fitting new oakwood socle, weathered layers of paint and wood heavily affected by insects all called for a drasric restoration with the following main options: removing previous additions and replacing them with better integrated addings, the making of a new socle (synthetic resin), new polychromy of the statue according to the results of the colour research. The repainting of these statues is almost a conditio sine qua non if they are to be set up outside again. The second statue at the Sudermansrraat is also made of limewood and dates from the late 17th-early 18rh century, like most of the statues still preserved. The condition of this statue suffered from an extreme case of damage by moulds and insects, causing the loss of a lot of material. Repeated consolidations with synthetic resin proved necessary. The parts which had gone lost were filled in with synthetic resin and afiller,which can be sculpted after hardening. In this case a prorective layer of paint will also be necessary.

'IVIitigated linearity': the landscape garden at IVIeldert Hoegaarden redesigned by Louis Van der Swaelmen The 16th century castle of Meldert near Tienen appears on 18th century maps in unsophisticated surroundings (orchards and a small moated garden). In 1845 the buildings were demolished and a NeoGothic mansion was built; and in 1867 a splendid orangery designed by Hendrik Beyaert was added. Purchases and enclosures (implying the demolition of a hamlet) enabled the creation of a 50 hectares landscape garden - a vast 'fluvial' prospect (dammed up brook with cascade and island) dotted with clumps and isolated trees, esp. Italian poplats and purple beeches. A walled kitchen garden filled the space between the castle and the orangery. In 1911, the landscape architect and planning theoretician Louis Van der Swaelmen Jr. was commissioned to redesign rhe surroundings of the castle. A staunch opponent of the "bankrupt's assets of the romantic garden" and its vermiceli-like narure imitations. Van der Swaelmen introduced a garden concept quite new to Belgium, but already well established in Britain, owing to publications and creations by W. Robinson ('wild garden'), G. Jekyll and Thomas Mawson (Arts and Crafts gardens). Moreover, personal acquaintance with one of the leading Belgian botanists and plant ecologists, Jean Massart, fuelled his interest in plant associations, wild flowers etc., as a main element of the 'picturesque. The "modern regular garden" surrounding the Neo-Gothic mansion of Meldert may be viewed as a mosaic of functional elements (garden as a "mirror of lifestyle") and picturesque compartments, framed wirhin a formal, geometrical structure (resembling airstrip patterns). Meldert became a paramount source of inspiration of the 'Nouveau Jardin Pittoresque', rhe movement that prevailed during the interwar years in Belgium.

11 ^Ü^' "^i *

From 1940 until 1957 the estate was untenanted. The establishment of a boarding school saved at least the buildings, not the gardens. During the 1980s the gardens and park were generally viewed as ordinary woodland, by some even as a nature reserve. Notwithstanding neglect, delapidation, massif planting of Canadian poplars... the 19th century landscape park and Van der Swaelmen's design are still discernable and restorable.

>

A ^

A

è

M&L


ii i"i i f iïi

mi

D

1VI&L

RÖFIEL

RESTAURATIE & MONUMENTENZORG Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem

Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek) ONDERZOEK & BEHANDELING 09/372 03/771 09/372 09/372

Lauwers M. Van Der Biest L. Vandenborre H. FAX

.

^

63 03 44 66 63 03 63 03

. ^V,;,

Restauratie - Renovatie Verkoop herbruikmaterialen

;ksi iNa!

9Pfr-

êk

1

|

ffi-fc

^^^»

•1

É^

.... . 8, ^ ^ ^ M

De producent van kaarten, d a t a b a n k e n en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening, stadsrenovatie en leefmilieu.

r

~^mm

ALGEMENE BOUWONDERNEMING N.V. Vandendorpe Arthur Groene Poortdreef 40 8200 Sint-Michiels (Brugge) Tel. (050)38 32 96 - Fax (050)38 42 16 Openingsuren : Ma - Vr : 8u00 - 17u00 Za :8u00- 12u00

(fl-)/ Abdij ter Kameren 13 B 1000 Brussel

Nationaal Geografisch Instituut • •

fax (02)629 82 83 tel. (02)629 82 82

• .

website: http://www.ngi.be e mail: salesiangi.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_19_2.pdf by Vlaanderen-be - Issuu