Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2006
Departement Landbouw en Visserij afdeling Monitoring en Studie
Els Bernaerts Tom Coulier Els Demuynck Jonathan Platteau Boris Tacquenier
Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2006 Els Bernaerts, Tom Coulier, Els Demuynck, Jonathan Platteau en Boris Tacquenier juni 2008 Rapport, 82 blz
Departement Landbouw en Visserij afdeling Monitoring en Studie Ellipsgebouw (6de verdieping) Koning Albert II - laan 35, bus 40 1030 Brussel Tel. 02 552 78 20 - Fax 02 552 78 21 e-mail: ams@vlaanderen.be Vermenigvuldiging en/of overname van gegevens zijn toegestaan mits de bron expliciet vermeld wordt: Bernaerts E., Coulier T., Demuynck E., Platteau J.& Tacquenier B. (2008) Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2006, Beleidsdomein Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Wij doen ons best om alle informatie, webpagina's en downloadbare documenten voor iedereen maximaal toegankelijk te maken. Indien u echter toch problemen ondervindt om bepaalde gegevens te raadplegen, willen wij u graag hierbij helpen. U kunt steeds contact met ons opnemen.
1
Inhoudsopgave Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1. De akkerbouwsector........................................................................................................... 5 1.1. Structurele kenmerken................................................................................................ 5 1.2. Rentabiliteit ................................................................................................................ 6 Bedrijfstak akkerbouw ....................................................................................................... 6 Bedrijfsresultaten ............................................................................................................. 10 2. De melkveesector ............................................................................................................. 13 2.1. Structurele kenmerken.............................................................................................. 13 2.2. Rentabiliteit .............................................................................................................. 14 Bedrijfstak rundvee en voedergewassen .......................................................................... 14 Bedrijfsresultaten ............................................................................................................. 16 3. De rundvleessector ........................................................................................................... 19 3.1. Structurele kenmerken.............................................................................................. 19 3.2. Rentabiliteit .............................................................................................................. 20 Bedrijfstak rundvee en voedergewassen .......................................................................... 20 Bedrijfsresultaten ............................................................................................................. 21 4. De varkenssector .............................................................................................................. 25 4.1. Structurele kenmerken.............................................................................................. 25 4.2. Rentabiliteit .............................................................................................................. 26 Bedrijfstak vermeerdering................................................................................................ 27 Bedrijfstak vetmesting...................................................................................................... 28 Bedrijfsresultaten ............................................................................................................. 30 5. De groente- en aardbeiensector ........................................................................................ 33 5.1. Structurele kenmerken.............................................................................................. 33 5.2. Rentabiliteit .............................................................................................................. 35 Rentabiliteit glasgroentebedrijven.................................................................................... 35 Rentabiliteit bedrijven met overwegend groenten in open lucht...................................... 40 Rentabiliteit champignonbedrijven .................................................................................. 42 Rentabiliteit aardbeienbedrijven ...................................................................................... 43 Rentabiliteit groente- en aardbeienbedrijven: samenvattend overzicht ........................... 45 6. De fruitsector (exclusief de aardbeiensector)................................................................... 47 6.1. Structurele kenmerken.............................................................................................. 47 6.2. Rentabiliteit .............................................................................................................. 48 7. De sierteeltsector (exclusief boomkwekerij).................................................................... 51 7.1. Structurele kenmerken.............................................................................................. 51 7.2. Rentabiliteit .............................................................................................................. 53 Rentabiliteit potplantenbedrijven ..................................................................................... 53 Rentabiliteit azaleabedrijven ............................................................................................ 54 Rentabiliteit snijbloemenbedrijven .................................................................................. 55 Rentabiliteit sierteeltbedrijven (exclusief boomkwekerij): samenvattend overzicht ....... 57 8. Samenvattend overzicht ................................................................................................... 59 8.1. Landbouw................................................................................................................. 59 8.2. Tuinbouw ................................................................................................................. 62 Bijlagen .................................................................................................................................... 64 Bijlage 1: Methodologische toelichting ............................................................................... 64 Waarnemingsveld............................................................................................................. 64 Steekproef......................................................................................................................... 64 Wegingssysteem............................................................................................................... 65 2
Rentabiliteit ...................................................................................................................... 67 Bijlage 2: Definities indicatoren .......................................................................................... 72 Bijlage 3: Lijst met figuren .................................................................................................. 81 Bijlage 4: Lijst met tabellen ................................................................................................. 82
3
Inleiding Voorliggend jaarverslag beoogt een technisch-economische analyse van de land- en tuinbouwactiviteit. De resultaten 2006 berusten op de verwerking van de boekhoudgegevens van 652 Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven, die deel uitmaken van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN). Ter vergelijking worden ook de indicatoren van voorgaande jaren opgenomen. De gegevens van 2001, 2002 en 2003 zijn gebaseerd op het boekhoudnet van het voormalige Centrum voor Landbouweconomie. Dit boekhoudnet werd vanaf 2004 grondig hernieuwd o.a. door de introductie van een nieuw boekhoudpakket. Er werd geopteerd om de gegevens van 2004, het overgangsjaar, om betrouwbaarheidsredenen niet op te nemen in het rapport. Inhoudelijk worden eerst voor de belangrijkste bedrijfstypes de structurele en technisch– economische indicatoren weergegeven. Achtereenvolgens komen volgende sectoren aan bod: akkerbouw, melkvee, rundvlees, varkens, groenten-aardbeien, fruit en sierteelt. De rentabiliteitsindicatoren zijn geen gewone rekenkundige gemiddelden, maar worden berekend door een systeem van weging, waarbij de waargenomen waarden worden geëxtrapoleerd naar de verschillende sectoren. De weging beperkt zich niet tot de sectoren alleen; op basis van de gewogen gemiddelden van de bedrijfstypes worden gewogen gemiddelden voor respectievelijk de gehele land- en tuinbouwsector berekend. Deze resultaten worden ondergebracht in het hoofdstuk samenvattend overzicht. Voor een correcte interpretatie van de kengetallen worden achteraan in de publicatie de gebruikte definities en een methodologische toelichting opgenomen. Inzake de opgestelde statistieken, dienen volgende beschouwingen in acht te worden genomen: - de resultaten van voorgaande jaren zijn niet altijd 100% vergelijkbaar met die van 2005 en 2006. Door de grondige hernieuwing van het boekhoudpakket zijn immers een aantal definities en concepten gewijzigd, zodat niet voor alle indicatoren de volledige reeks kon worden opgesteld. - de kengetallen die in dit rapport worden opgenomen hebben alleen betrekking op de ondernemingen die behoren tot het waarnemingsveld dat gedekt wordt door het boekhoudnet, namelijk de bedrijven waarvan de economische bedrijfsomvang voldoende groot is om beschouwd te worden als beroepsmatig. - bij de beoordeling van de resultaten dient rekening gehouden te worden met de boekhoudkundige principes die door de afdeling Monitoring en Studie (AMS) voor de bedrijfseconomische boekhouding worden toegepast (toegerekende lonen voor eigen arbeid, toegerekende rente op geïnvesteerde kapitalen, afschrijvingen op vervangingswaarde, enz.). Deze principes worden opgelegd in het kader van de werking van het Europees Informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen (ILB). - hoewel getracht wordt om de bedrijven via een correcte steekproeftrekking te selecteren, vertegenwoordigen de bestudeerde bedrijven vanuit statistisch standpunt niet op een volmaakte wijze het bestudeerde universum. Voor sommige (sub)sectoren (o.a. rundvleessector) zijn de kengetallen gebaseerd op een beperkt aantal waarnemingen, waardoor de cijfers met de nodige omzichtigheid dienen te worden geïnterpreteerd.
4
1. De akkerbouwsector 1.1. Structurele kenmerken Vlaanderen telt in 2006 1.653 gespecialiseerde akkerbouwbedrijven met beroepsmatig karakter of een stijging van 4,8% ten opzichte van 2001, maar een daling met 4,6% ten opzichte van 2005 (tabel 1). Tabel 1: Structuur van de gespecialiseerde akkerbouwsector, 2001-2006 Structuur van de gespecialiseerde akkerbouwsector Aantal bedrijven
2001
2005
2006
1.578
1.732
1.653
30,2
32,4
33,3
46,2%
51,2%
52,8%
aardappelen (excl. pootgoed)
19,3%
18,5%
19,7%
suikerbieten
20,7%
17,5%
16,9%
42,1
43,5
45,0
Ha akkerbouw per bedrijf waarvan granen
Ha cultuurgrond per bedrijf
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Bijna drie vierde van hun bewerkte oppervlakte is bestemd voor akkerbouwteelten, wat erop wijst dat veel bedrijven naast akkerbouw ook nog andere landbouwactiviteiten hebben. Dit aandeel is toegenomen ten opzichte van 2001, wat duidt op een verdere specialisatie. Er treedt een voortdurende schaalvergroting op. Het areaal akkerbouwgewassen en de oppervlakte cultuurgrond per bedrijf zijn toegenomen, maar er is een grote spreiding tussen de bedrijven onderling (figuur 1). Terwijl de meeste bedrijven (42%) tussen 10 en 25 hectare akkerbouw bewerken, behoort een vierde van de oppervlakte tot bedrijven met 75 ha en meer. Figuur 1: Verdeling volgens grootteklasse, 2006 50% 40% 30% 20% 10% 0% ≤ 10
10-25
25-50
50-75
75-100
>100
ha akkerbouw aantal bedrijven
ha akkerbouw
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
5
De voornaamste akkerbouwgewassen zijn granen, aardappelen en suikerbieten. Zij vertegenwoordigen samen 89% van het akkerbouwareaal. Ten opzichte van 2005 werden meer aardappelen en graan geteeld ten nadele van de suikerbietenteelt. Wintertarwe is, met een aandeel van 66%, het belangrijkste graangewas. De oppervlakte aardappelen verdeelt zich als volgt: 88% bewaaraardappelen en 12% vroege.
1.2. Rentabiliteit De analyse van de financiĂŤle bedrijfsresultaten is gebaseerd op de boekhoudresultaten van 56 bedrijven, met gemiddeld 45,9 ha cultuurgrond. De gegevens van de bedrijfstak akkerbouw hebben betrekking op alle bedrijven met desbetreffende teelt.
Bedrijfstak akkerbouw Wintertarwe De graanoogst 2006 bracht per ha 2,5% minder op in vergelijking met 2005, wat te wijten was aan de slechte weersomstandigheden in juli en augustus (tabel 2). De hitte van juli en het regenweer in augustus gaven aanleiding tot lagere opbrengsten en kwaliteitsproblemen. Tabel 2: Evolutie van de opbrengstcijfers van wintertarwe, 2001-2006 Evolutie van de opbrengstcijfers van wintertarwe, 2001-2006
2001
2002
2003
2005
2006
Rendement (kg/ha)
7.976
8.083
8.768
8.391
8.178
Gemiddelde prijs (euro/100kg)
11,7
10,5
13,5
10,5
14,1
Opbrengst graan (euro/ha)
934
848
1.186
877
1.152
Variabele kosten (euro/ha)
-
-
-
611
610
Bruto saldo (*) (euro/ha) inclusief opbrengsten nevenproducten
-
-
-
456
757
(*)
Bron: AMS
Door de tegenvallende Europese oogst stegen de gemiddelde graanprijzen met 34%. Dit resulteert in een geldelijke opbrengst graan van 1.152 euro per ha. Als gevolg van regionale verschillen in de korrelopbrengst, varieert dit kengetal naargelang van de landbouwstreek. De Polders en de Leemstreek behalen betere resultaten dan het Vlaams gemiddelde (tabel 3). Tabel 3: Regionale opbrengstcijfers van wintertarwe, 2006 Regionale opbrengstcijfers van wintertarwe, 2006
Polders
Zandstreek
Zandleemstreek
Leemstreek
Rendement in kg/ha
8.825
7.709
7.868
8.302
Opbrengst graan in euro/ha
1.269
1.088
1.097
1.145
Prijs in euro/100kg
14,4
14,1
13,9
13,8
Bron: AMS
6
De totale variabele kost per ha voor wintertarwe bleef stabiel. Hiervan nemen bestrijdingsmiddelen het grootste aandeel voor hun rekening (figuur 2). De kosten voor meststoffen stegen, terwijl deze voor bestrijdingsmiddelen daalden ten opzichte van 2005. Figuur 2: Verdeling van de variabele kosten per ha wintertarwe, 2006 overige 1%
energie 11%
zaai- en pootgoed 12%
meststoffen 18%
werk door derden 26%
bestrijdingsmiddelen 32%
Bron: AMS
Bewaaraardappelen De oogst 2006 werd gekenmerkt door lage opbrengsten (tabel 4). Veel partijen kampten ook met bewaarproblemen door glazige aardappelen. Hierdoor werden meer aardappelen direct van het veld en na korte bewaring verkocht. Uit Europese cijfers blijkt dat de productievermindering zich niet alleen in Vlaanderen voordeed, maar in de gehele EU. Deze lagere producties hadden een positief effect op de prijsvorming ( +42%) en op de geldelijke opbrengst per ha (+20%). Zij bereikten het hoogste niveau van de beschouwde periode. Tabel 4: Evolutie van de opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, 2001-2006 Evolutie van de opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, 2001-2006
2001
2002
2003
2005
2006
37.469
46.664
42.054
40.865
34.522
9,1
5,9
11,3
10,9
15,5
3.426
2.733
4.754
4.459
5.351
Variabele kosten (euro/ha)
-
-
-
1.541
1.717
(*)
-
-
-
2.918
3.658
Rendement (kg/ha) Gemiddelde prijs (euro/100kg) Opbrengst (euro/ha)
Bruto saldo (euro/ha) inclusief opbrengsten nevenproducten
(*)
Bron: AMS
De opbrengstcijfers variĂŤren naargelang de streek (tabel 5). De Polders noteerden in 2006 de beste resultaten. Er is ook een regionaal prijsverschil bij de LMN-bedrijven.. De
7
aardappelprijs aan teler is o.a. afhankelijk van het aandeel aardappelen onder contract, het aandeel thuisverkoop, de aardappelvariĂŤteit en de kwaliteit. Tabel 5: Regionale opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, 2006 Regionale opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, 2006
Polders
Zandstreek
Kempen
Zandleemstreek
Leemstreek
Rendement in kg/ha
38.089
36.853
34.726
33.118
34.065
Opbrengst in euro/ha
6.841
5.594
3.961
5.195
5.034
Prijs in euro/100kg
18,0
15,2
11,4
15,7
14,8
Bron: AMS
Figuur 3 geeft een verdeling van de variabele kosten. Net zoals bij de graangewassen is het aandeel van de bestrijdingsmiddelen het grootst en wordt op de voet gevolgd door pootgoed. De kosten zijn met 11,4% gestegen. Met uitzondering van de kosten voor bestrijdingsmiddelen, is de stijging merkbaar bij alle kosten, maar het meest uitgesproken bij de kosten voor pootgoed. Figuur 3: Verdeling van de variabele kosten per ha bewaaraardappelen, 2006 energie 6%
overige 4% zaai- en pootgoed 29%
werk door derden 19%
meststoffen 12% bestrijdingsmiddelen 30%
Bron: AMS
Suikerbieten Ondanks de moeilijke weersomstandigheden van 2006 hebben de suikerbieten nog behoorlijke opbrengsten opgeleverd (tabel 6). Het uitzonderlijk gunstige najaar heeft daartoe bijgedragen.
8
Tabel 6: Evolutie van de opbrengstcijfers van suikerbieten, 2001-2006 Evolutie van de opbrengstcijfers van suikerbieten, 2001-2006
2001
2002
2003
2005
2006
57.890
65.365
69.608
64.797
66.810
4,7
4,3
4,3
4,0
3,3
2.728
2.825
2.992
2.599
2.237
Suikergehalte (%)
-
-
-
16,9
16,4
Variabele kosten (euro/ha)
-
-
-
1.096
1.073
Bruto saldo (*) (euro/ha) inclusief opbrengsten nevenproducten
-
-
-
1.504
1.169
Rendement (kg/ha) Gemiddelde prijs (euro/100kg) Opbrengst (euro/ha)
(*)
Bron: AMS
De campagne 2006/07 is het eerste jaar van de suikerhervormingen zodat de prijs en de geldelijke opbrengst per ha gevoelig gedaald zijn. De gegarandeerde prijs voor witte suiker wordt over 4 jaar met 36% verlaagd. De landbouwers worden gecompenseerd door middel van ontkoppelde steun, die wordt opgenomen in de bedrijfstoeslag. Voor 2006 bedraagt deze steun 6,49 euro per ton quotumbieten. Er dient wel opgemerkt te worden dat deze premie niet wordt opgenomen in de opbrengst per ha. Er zijn duidelijk regionale verschillen in de rendementen en hierdoor ook in de financiĂŤle opbrengsten (tabel 7). De Polders noteren de hoogste opbrengst per ha. Tabel 7: Regionale opbrengstcijfers van suikerbieten, 2006 Regionale opbrengstcijfers van suikerbieten, 2006
Polders
Zandstreek
Leemstreek
Rendement in kg/ha
68.007
67.150
66.487
Opbrengst in euro/ha
2.354
2.193
2.260
Prijs in euro/100kg
3,5
3,3
3,4
Suikergehalte (%)
16,6
16,3
16,6
Bron: AMS
De toegerekende kosten belopen in 2006 1.073 euro per ha (-2,1%), waarvan het werk door derden de belangrijkste kostenfactor is (figuur 4). De kosten voor zaaigoed, bestrijdingsmiddelen en werk door derden zijn afgenomen, terwijl die voor meststoffen en energie hoger waren.
9
Figuur 4: Verdeling van de variabele kosten per ha suikerbieten, 2006
energie 7%
overige 4%
werk door derden 34%
zaai- en pootgoed 20%
meststoffen 13%
bestrijdingsmiddelen 22%
Bron: AMS
Bedrijfsresultaten Opbrengsten In figuur 5 wordt de structuur van de opbrengsten weergegeven. Hieruit blijkt dat veel gespecialiseerde akkerbouwbedrijven naast de akkerbouwteelten ook nog andere activiteiten uitoefenen. De opbrengsten uit marktbare gewassen maken 62% uit van de totale opbrengsten. De premies in het kader van het GLB zijn echter in de post overige opbrengsten geklasseerd. Figuur 5: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2006 overige opbrengsten 15%
pluimvee 12%
varkens 5%
rundvee en voedergew assen 6%
marktbare gew assen 62%
Bron: AMS
Door de betere resultaten van aardappelen en granen liggen de totale opbrengsten uit marktbare gewassen hoger dan in 2006. De compenserende bedragen in de suikersector, die in 2006 bij de bedrijfstoeslag werden gevoegd, zorgden voor een verhoging van de overige opbrengsten. In de steekproef van het LMN zijn er in vergelijking met 2005 minder
10
akkerbouwbedrijven met pluimvee waardoor de opbrengsten uit pluimvee aanzienlijk verminderden en hierdoor ook de totale opbrengsten. Kosten Ook aan kostenzijde is het duidelijk dat veel akkerbouwbedrijven een gemengd karakter hebben (figuur 6). De kosten voor de berekende lonen, de veevoeders en de kosten voor grond- en gebouwenkapitaal zijn de drie voornaamste kostenrubrieken en nemen samen 57% van de kosten voor hun rekening. In navolging van de daling bij de opbrengsten zijn ook de kosten per ha gedaald, wat ook hier vooral toe te schrijven is aan de nevenactiviteiten. Enkele belangrijke evoluties in vergelijking met 2005 en met betrekking tot de marktbare gewassen zijn: een daling van bestrijdingsmiddelen en een stijging van meststoffen, werktuigkosten, werk door derden en lonen. Figuur 6: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2006
w erk door derden 6%
overige kosten 7%
betaalde lonen 2%
zaad en pootgoed 5% veevoeders 13% meststoffen 3%
berekende lonen 30%
grond- en gebouw enkapitaal 13%
bestrijdingsmiddelen 6% energie 3% w erktuigkosten 12%
Bron: AMS
Inkomen Op de akkerbouwbedrijven is er in 2006 een duidelijke inkomensverbetering ten opzichte van 2005. Indien men alle kosten in rekening brengt, inclusief vergoeding voor eigen kapitaal en arbeid, blijven de totale opbrengsten echter ontoereikend om de kosten volledig te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten kleiner zijn dan 1.000. Het familiaal arbeidsinkomen (netto bedrijfsresultaat vermeerderd met toegerekende lonen voor familiale arbeid) per FAK is verhoogd met 19,7% en bereikt 78,7% van het vergelijkbaar inkomen. De vergoeding die een bedrijf ontvangt voor eigen arbeid en kapitaal is het bedrijfsinkomen. Dit kengetal bedraagt in 2006 34.169 euro per FAK of een stijging met 18,6% ten opzichte van 2005.
11
Tabel 8: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, euro, 2001-2006 2001 Oppervlakte cultuurgrond (ha) 40,6 Aantal VAK 1,46 Aantal FAK Rentabiliteit (euro) Opbrengsten/ha cultuurgrond marktbare gewassen rundvee en voedergewassen varkens pluimvee overige opbrengsten Totale opbrengsten Kosten/ha cultuurgrond zaad en pootgoed veevoeders meststoffen bestrijdingsmiddelen energie werktuigkosten grond- en gebouwenkapitaal berekende lonen betaalde lonen werk door derden overige kosten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat/ha cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten Familiaal arbeidsinkomen/ha cultuurgrond Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen/ha cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK
2002 39,1 1,55
2003 41,4 1,5
2005 46,2 1,49 1,42
2006 45,9 1,52 1,39
2.073 128 130 506 313 3.150
2.039 149 116 367 329 3.001
2.237 197 104 611 366 3.515
1.912 170 121 945 372 3.520
2.047 194 162 406 489 3.299
186 475 154 196 408 998 78 222 3.267
219 423 134 204 427 1.193 74 208 3.495
211 560 141 202 435 1.100 82 200 3.567
188 742 110 213 117 358 516 985 42 185 302 3.758
186 451 116 202 117 403 451 1.012 52 203 239 3.433
-117 964
-494 859
-53 985
-238 937
-134 961
881 -
699 -
1.048 -
748 24.142
878 28.898
-
-
-
888 28.811
1.038 34.169
Bron: AMS
12
2. De melkveesector 2.1. Structurele kenmerken In Vlaanderen zijn er in 2006 3.986 gespecialiseerde melkveebedrijven, waarvan 74% sterk gespecialiseerd en 26% matig gespecialiseerd (tabel 9). Tabel 9: Structuur van de gespecialiseerde melkveesector, 2001-2006 Structuur van de gespecialiseerde melkveesector, 2001-2006
Jaar
Aantal bedrijven
Aantal melkkoeien per bedrijf
Ha cultuurgrond/bedrijf
Ha grasland en voedergewassen/bedrijf
2001
Sterk gespecialiseerd (PR 411) 3.021
Matig gespecialiseerd (PR412) 1.643
Gespecialiseerd (PR41) 4.664
2005
3.244
1.172
4.416
2006
2.947
1.039
3.986
2001
51
38
46
2005
49
35
46
2006
52
38
48
2001
31,0
31,3
31,1
2005
33,2
34,1
33,4
2006
34,4
36,1
34,8
2001
28,4
24,9
27,2
2005
29,1
26,1
28,3
2006
30,0
27,8
29,4
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Het aantal gespecialiseerde melkveehouders is gedaald, maar er is een verschuiving van matig naar sterk gespecialiseerd. Zowel op de sterk als de matig gespecialiseerde ondernemingen vergroot het aantal melkkoeien in vergelijking met 2005. De uitbreiding van het melkquotum vanaf 1 april 2006 (MTR-hervorming) heeft hier deels toe bijgedragen. Op bedrijfsniveau bestaan er grote verschillen: 24% van de melkkoeien wordt gehouden op bedrijven met meer dan 75 melkkoeien, terwijl 19% van de bedrijven minder dan 25 melkkoeien heeft (figuur 7). De bedrijven bewerken gemiddeld 34,8 ha per bedrijf en deze oppervlakte wordt groter. Het grootste aandeel van de cultuurgrond (84,5%) is bestemd voor grasland en voedergewassen.
13
Figuur 7: Verdeling van de gespecialiseerde melkveebedrijven volgens aantal melkkoeien, 2006 50% 40% 30% 20% 10% 0% ≤ 25
25-50
50-75
75-100
>100
aantal melkkoeien aantal bedrijven
aantal melkkoeien
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
2.2. Rentabiliteit Voor de analyse worden enkel de sterk gespecialiseerde bedrijven (productierichting 411) in beschouwing genomen om de invloed van andere bedrijfstakken zoveel mogelijk uit te schakelen. Het betreft de resultaten van 91 bedrijven, met een gemiddelde melkproductie van 343.016 liter melk, 78 GVER en 36,0 hectare cultuurgrond.
Bedrijfstak rundvee en voedergewassen De financiĂŤle opbrengst per ha van de bedrijfstak rundvee en voedergewassen is verbeterd ten opzichte van 2005 (+1,8%). De opbrengsten bestaan voor 83% uit de opbrengsten uit melkproducten (tabel 10). Dit laatste kengetal is gestegen door een volumevermeerdering. Gemiddeld werd er op de bedrijven meer melk geproduceerd in 2006, wat deels toe te schrijven is aan de quotumverhoging in het kader van de MTR. 96% van de geproduceerde melk was bestemd voor de zuivelfabriek. Technisch scoren de bedrijven ook beter: de gemiddelde melkgift per koe neemt voortdurend toe. De melkprijs is als gevolg van de verdere afbouw van de prijsondersteuning gezakt (-2,0%). In 2006 werden de interventieprijzen van de zuivelproducten immers verder neerwaarts bijgesteld in het kader van de MTR. De verlagingen van de ondersteuningsprijzen worden voor de melkproducenten gecompenseerd via directe inkomenssteun. Dit gebeurt in de vorm van een melkpremie en extra betalingen uit een budgettaire enveloppe die de EU jaarlijks ter beschikking stelt van de lidstaten. Vanaf 2006 is deze inkomenssteun ontkoppeld en opgenomen in de bedrijfstoeslag. Deze inkomenssteun is niet opgenomen in de opbrengsten rundvee en voedergewassen.
14
Tabel 10: Evolutie van de rentabiliteitstcijfers melk, 2001-2006 Evolutie van de rentabiliteitstcijfers melk, 2001-2006 Melkgift per koe (liter/koe) Vetgehalte (g/liter) Eiwitgehalte (g/liter) Melkproductie (liter/bedrijf) waarvan: - bestemd voor de melkerij (%) - gevoederd aan vee (%) Prijs per liter aan melkerij (euro/100 liter) Opbrengst rundvee en voedergewassen per ha (euro) Opbrengst rundvee en voedergewassen per GVER (euro) waarvan: - opbrengst melkproducten - overige opbrengst rundvee en voedergewassen Variabele kosten rundvee en voedergewassen per GVER (euro) Bruto saldo rundvee en voedergewassen per GVER (euro) Opbrengst per 1.000 euro bijkomende voederkosten (euro) Gemiddelde krachtvoederkost voor melkvee (euro/kg)
2001 6.091 43,7
2002 6.056 43,3
2003 6.496 43,8 293.715 94,5 2,8 30,74 3.138
2005 6.612 43,4 34,7 318.872 94,3 2,9 29,02 3.209
2006 6.744 43,5 34,7 343.016 96,0 2,5 28,45 3.266
308.895 94,2 3,1 33,91 3.496
297.327 93,8 3,6 30,83 3.327
-
-
-
1.491 1.223 268 568 923 6.539 0,188
1.508 1.264 244 593 914 6.211 0,187
Bron: AMS
Bij de overige opbrengsten rundvee en voedergewassen is er een daling merkbaar en dit ondanks de verdere prijsverbetering bij de runderen als gevolg van een beperkt Europees aanbod (figuur 8). Dit heeft te maken met de inventarisverandering van de voedergewassen die evolueerde van een duidelijk positieve waarde in 2005 naar een negatieve waarde in 2006. Figuur 8: Evolutie van de prijs van koeien (euro per 100kg) en nuchtere kalveren (euro per stuk), 2001-2006 240
160
80
0 2001
2002 goed gevormd
2003 55%
2004 verwerking
2005
2006
nuchtere kalveren
Bron: BIRB, BVK en marktberichten
Aan kostenzijde bereikten de variabele kosten 593 euro per GVER of 0,135 euro per geproduceerde liter. De bijkomende voederkosten maken hiervan reeds 40% uit (figuur 9). Ten opzichte van 2005 is de kostprijs gestegen met 4,5%, wat vooral te wijten is aan een stijging van de energiekosten en van de bijkomende voederkosten.
15
Figuur 9: Verdeling van de variabele kosten per GVER, 2006
overige 11%
zaad- en pootgoed 5%
meststoffen 7% bestrijdingsmiddelen 3%
werk door derden 15%
energie 10%
bijkomende voederkosten 40%
diergeneeskundige zorgen 9%
Bron: AMS
Bedrijfsresultaten Opbrengsten In figuur 10 wordt de structuur van de opbrengsten weergegeven. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen nemen 80% voor hun rekening. Figuur 10: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2006 overige opbrengsten 13% pluimvee 0% varkens 2%
marktbare gew assen 5%
rundvee en voedergew assen 80%
Bron: AMS
16
Door de hogere waarden van de rundveehouderij en de overige opbrengsten zijn de totale opbrengsten per ha toegenomen en bereiken de hoogste waarde van de beschouwde periode. In de overige opbrengsten zijn de melkpremie en de overige premies in het kader van het GLB opgenomen. De melkpremie per liter bedraagt in 2006 0,0366 euro per liter ten opzichte van 0,0244 in 2005. Deze stijging, in combinatie met een hogere melkproductie, verklaart de positieve evolutie bij de overige opbrengsten. Kosten De melkveesector had in 2006 te maken met stijgende kosten. Opmerkelijk ten opzichte van 2005 was de toename voor veevoeders, energie en grond- en gebouwenkapitaal. De kosten voor de berekende lonen, grond- en gebouwenkapitaal en de veevoeders zijn de drie voornaamste kostenrubrieken en nemen samen 67% van de kosten voor hun rekening (figuur 11). Figuur 11: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2006 overige kosten 8% w erk door derden 5%
zaad en pootgoed veevoeders 2% 12%
meststoffen 2% bestrijdingsmiddelen 1% diergeneeskundige zorgen 2% energie 3%
berekende lonen 34%
w erktuigkosten 10% gr ond- en gebouw enkapitaal 21%
Bron: AMS
Inkomen Het inkomen van de gespecialiseerde melkveebedrijven is in 2006 gunstig geĂŤvolueerd en bereikt het hoogste niveau van de beschouwde periode. De totale opbrengsten blijven echter ontoereikend om de totale kosten (inclusief de vergoeding voor eigen arbeid) te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten kleiner zijn dan 1.000. Het familiaal arbeidsinkomen, uitgedrukt per familiale arbeidseenheid, bereikt 26.366 euro of 72% van het vergelijkbaar inkomen. De vergoeding die een bedrijf ontvangt voor zijn eigen arbeidskrachten en zijn kapitaal (het bedrijfsinkomen per FAK) is in 2006 met 8,7% gestegen.
17
Tabel 11: Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde melkveebedrijven, 2001-2006 Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde melkveebedrijven, 2001-2006 Oppervlakte cultuurgrond (ha) Aantal ha grasland en voedergewassen Aantal melkkoeien Aantal VAK Aantal FAK Rentabiliteit (euro) Opbrengsten/ha cultuurgrond marktbare gewassen rundvee en voedergewassen varkens pluimvee overige opbrengsten Totale opbrengsten Kosten/ha cultuurgrond zaad en pootgoed veevoeders meststoffen bestrijdingsmiddelen diergeneeskundige zorgen energie werktuigkosten grond- en gebouwenkapitaal berekende lonen betaalde lonen werk door derden overige kosten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat/ha cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten Familiaal arbeidsinkomen/ha cultuurgrond Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen/ha cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK
2001 33,3 30,3 50,7 1,47 -
2002 32,0 28,8 49,1 1,40 -
2003 32,5 28,9 45,2 1,45 -
2005 35,3 30,5 48,2 1,51 1,50
2006 36,0 31,8 50,9 1,48 1,48
152 3.496 35 11 237 3.932
107 3.327 52 12 199 3.696
241 3.138 77 119 213 3.787
207 3.209 85 9 409 3.920
203 3.266 66 9 551 4.096
78 603 127 45 926 1.569 8 192
75 603 124 45 906 1.647 1 199
90 679 117 59 908 1.725 4 203
4.463
4.508
4.747
84 523 100 61 105 126 432 869 1.609 2 222 351 4.484
82 542 103 60 110 144 441 960 1.591 2 222 346 4.604
-532 881
-811 820
-959 798
-564 874
-508 890
1.037 -
836 -
766 -
1.047 24.551
1.083 26.366
-
-
-
1.267 29.776
1.329 32.356
Bron: AMS
18
3. De rundvleessector 3.1. Structurele kenmerken De gespecialiseerde vleesveesector (exclusief bedrijven met mestkalveren) telt in 2006 1.405 bedrijven, of een stijging met 5,4% ten opzichte van 2005, maar een lichte daling ten opzichte van 2001 (-2,4%) (tabel 12). Tabel 12: Structuur van de gespecialiseerde vleesveebedrijven, 2001-2006 Structuur van de gespecialiseerde vleesveebedrijven, 2001-2006
2001
2005
2006
Aantal bedrijven
1.439
1.333
1.405
Aantal runderen per bedrijf
125
123
123
Ha cultuurgrond/bedrijf
26,2
27,7
28,0
Ha grasland en voedergewassen per bedrijf
23,3
23,8
23,8
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De bedrijfsoppervlakte stijgt, terwijl het aantal runderen op deze bedrijven gemiddeld gelijk bleef. De grootte van het bedrijf varieert echter sterk van bedrijf tot bedrijf (figuur 12). Ongeveer een derde van de runderen wordt gehouden op bedrijven met meer dan 200 stuks. Het betreft 13% van de ondernemingen. De meeste bedrijven (46%) hebben 50 tot 100 runderen. Figuur 12: Verdeling volgens grootteklasse, 2006 50% 40% 30% 20% 10% 0% < 50
50-100
100-150
150-200
200-250
250-500
>500
aantal runderen
aantal bedrijven
aantal runderen
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
19
3.2. Rentabiliteit De analyse is gebaseerd op de resultaten van 25 gespecialiseerde vleesveebedrijven (PR 42), met gemiddeld 115 GVER, 55 zoogkoeien en 45,6 hectare cultuurgrond. Het betreft voornamelijk gesloten zoogkoeienbedrijven, waarbij de stieren van eigen bedrijf afgemest worden.
Bedrijfstak rundvee en voedergewassen De financiĂŤle opbrengsten per ha uit rundvee en voedergewassen overstijgen deze van 2005 (+13,4%) en bereiken het hoogste niveau van de beschouwde periode (tabel 13 en 14). Door een stijging van het aantal GVER per ha zijn de opbrengsten per GVER in mindere mate gestegen. Tabel 13: Evolutie van de opbrengstcijfers vlees, 2005-2006 Evolutie van de opbrengstcijfers vlees, 2005-2006 Opbrengst rundvee en voedergewassen (euro/ha) Opbrengst rundvee en voedergewassen (euro/GVER) Variabele kosten rundveehouderij en voedergewassen (euro/GVER) Bruto saldo rundveehouderij en voedergewassen (euro/GVER) Opbrengst per 1.000 euro bijkomende voederkosten Gemiddelde krachtvoederkost voor vleesvee (euro/kg)
2005 1.648 711 423 289 3.555 0,192
2006 1.869 738 449 289 3.214 0,218
Bron: AMS
De rundvleessector werd gekenmerkt door een gevoelige prijsverbetering o.a. als gevolg van de problemen in de pluimveesector (vogelgriep) (figuur 13). De prijzen van de vleesstieren evenaarden het niveau van 2003, terwijl die van de koeien nog hoger waren. Figuur 13: Evolutie van de verkoopprijzen van de levende dieren in euro per 100 kg, 2001-2006 320
240
160
80
0 2001
2002 stieren dikbil
2003 stieren goed gevormd
2004 koeien dikbil
2005
2006
koeien goedgevormd
Bron: BIRB
20
Aan kostenzijde bedroegen de variabele kosten 449 euro per GVER of een stijging van 6,1% ten opzichte van 2005. De bijkomende voederkosten maken hiervan reeds 50% uit (figuur 14). Ten opzichte van 2005 zijn de voornaamste evoluties: een daling van de kosten voor meststoffen en bestrijdingsmiddelen en een stijging voor zaad en pootgoed, veevoeders, diergeneeskundige zorgen en energie. Figuur 14: Structuur van de variabele kosten per GVER, 2006
overige 4% werk door derden 11% energie 8%
zaad en pootgoed 3%
meststoffen 5% bestrijdingsmiddelen 2%
diergeneesk. zorgen 17%
veevoeder 50%
Bron: AMS
De stijging van de opbrengsten voor rundvee en voedergewassen heeft de stijging van de variabele kosten gecompenseerd, zodat het bruto saldo gelijk gebleven is. De opbrengst per 1.000 euro bijkomende voederkosten is door de sterk gestegen krachtvoederkost echter gedaald met 9,6%.
Bedrijfsresultaten Opbrengsten Na de slechte resultaten van 2005 zijn de totale opbrengsten per ha duidelijk verbeterd. In figuur 15 wordt de structuur van de opbrengsten weergegeven. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen nemen 63% voor hun rekening. Er dient wel opgemerkt te worden dat de premies (zoogkoeienpremies, enz.) in de overige opbrengsten opgenomen zijn. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen zijn gestegen. De bedrijven hebben vaak een gemengd karakter. In de steekproef zijn dit vooral bedrijven met marktbare gewassen. De prijsstijging van een aantal akkerbouwproducten (zie hoofdstuk 1) zorgden voor een positieve evolutie van de opbrengsten uit marktbare gewassen.
21
Figuur 15: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde rundvleesveebedrijven, 2006 overige opbrengsten 22%
marktbare gew assen 14%
varkens 1%
rundvee en voedergew assen 63%
Bron: AMS
Kosten De totale kosten per ha zijn eveneens gestegen in 2006. De diergeneeskundige zorgen en de veevoeders zijn relatief het sterkst gestegen. De berekende lonen, de veevoeders en de kosten voor het grond- en gebouwenkapitaal zijn de drie voornaamste kostenrubrieken en nemen samen 62% van de kosten voor hun rekening (figuur 16). Figuur 16: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2006 overige kosten 9% w erk door derden 5%
berekende lonen 32%
zaad en pootgoed veevoeders 2% 16% meststoffen 2% bestrijdingsmiddelen 2% diergeneeskundige zorgen 6% energie 3% w erktuigkosten 9% grond- en gebouw enkapitaal 14%
Bron: AMS
Inkomen De totale kosten zijn minder snel gestegen dan de opbrengsten zodat het netto bedrijfsresultaat minder negatief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten hoger zijn.
22
Het arbeids- en bedrijfsinkomen per ha zijn gestegen met respectievelijk 13 en 16%. Door een toename van de oppervlakte bewerkt per FAK van de bedrijven in de steekproef, is de verbetering van het inkomen per FAK nog groter. Het inkomen blijft echter laag in vergelijking met andere landbouwsectoren en ten opzichte van de gemiddelde loontrekkende. Het arbeidsinkomen per FAK bereikt slechts 46% van het vergelijkbaar inkomen.
23
Tabel 14: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2001-2006 Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2001-2006 Beteelde oppervlakte Aantal ha grasland en voedergewassen Aantal dieren in GVER Aantal VAK Aantal FAK Rentabiliteit (euro) Opbrengsten/ha cultuurgrond marktbare gewassen rundvee en voedergewassen varkens pluimvee overige opbrengsten Totale opbrengsten Kosten/ha cultuurgrond zaad en pootgoed veevoeders meststoffen bestrijdingsmiddelen diergeneeskundige zorgen energie werktuigkosten grond- en gebouwenkapitaal berekende lonen betaalde lonen werk door derden overige kosten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat/ha cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten Familiaal arbeidsinkomen/ha cultuurgrond Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen/ha cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK
2001 37,5 31,6 1,45
2002 38,4 31,8 1,37
2003 34,1 29,0 1,35
2005 43,9 34,0 102 1,41 1,41
2006 45,6 34,6 115 1,34 1,34
397 1.586 51 244 757 3.034
381 1.669 4 210 724 2.987
376 1.813 15 0 671 2.874
312 1.648 14 0 620 2.596
407 1.869 28 0 632 2.936
69 688 105 57 540 1.279 15 137 3.769
79 644 104 65 552 1.276 4 145 3.783
74 404 106 54 512 1.436 0 172 3.589
73 467 84 63 153 86 295 456 1.159 0 180 297 3.313
87 587 77 61 196 100 337 505 1.126 0 164 322 3.561
-735 805
-797 789
-715 801
-717 783
-625 825
544 -
479 -
721 -
442 13.737
501 17.038
-
-
-
661 20.527
768 26.110
Bron: AMS
24
4. De varkenssector 4.1. Structurele kenmerken De gespecialiseerde varkenssector telt in 2006 2.519 bedrijven. In tabel 15 worden enkele structurele kenmerken weergegeven. Er werd een opdeling gemaakt naar specialisatie: fokkerij (zeugen aanwezig maar geen mestvarkens), mesterij (vleesvarkens aanwezig maar geen zeugen) en andere. De gecombineerde bedrijven vormen de grootste groep. Het totaal aantal bedrijven is gedaald met 14,9% ten opzichte van 2001 en deze daling is merkbaar bij alle specialisaties. De afname werd mede beleidsmatig gestimuleerd door het milieubeleid (opkoopregeling, enz.). Ten opzichte van 2005 is er een duidelijke toename en dit bij alle specialisaties. Tabel 15: Structuur van de gespecialiseerde varkenssector, 2001-2006 Structuur van de gespecialiseerde varkenssector, 2001-2006 Aantal bedrijven
Aantal varkens per bedrijf
Aantal zeugen per bedrijf
Ha cultuurgrond/bedrijf
Jaar
fokkerij
mesterij
andere
2001
145
829
1.985
2005
115
758
1.578
2006
123
804
1.592
2001
895
1.165
1.490
2005
1.211
1.220
1.628
2006
1.287
1.200
1.660
2001
249
0
172
2005
320
0
181
2006
325
0
187
2001
7,32
6,41
13,24
2005
8,05
6,90
14,90
2006
10,06
7,28
15,97
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Het gemiddeld aantal varkens op deze bedrijven stijgt bij de fokkerij en de gecombineerde, maar stagneert bij de mesterij. Er is echter een groot verschil naargelang van de specialisatie en tussen de bedrijven onderling (figuur 17). Worden alle varkensbedrijven in aanmerking genomen, dan worden de meeste varkens (25,5%) gehouden op bedrijven met meer dan 2.500 varkens. De meeste bedrijven (25,5%) hebben tussen de 500 en 1.000 varkens. Op de zeugenbedrijven ressorteren de meeste zeugen en bedrijven onder categorie 100-200 zeugen.
25
Figuur 17: Verdeling volgens grootteklasse, 2006 1. Alle bedrijven 30%
20%
10%
0% <500
500-1000
1000-1500
1500-2000
2000-2500
>2500
400-500
>500
aantal varkens aantal bedrijven
aantal varkens
2. Bedrijven met zeugen 60%
40%
20%
0% <100
100-200
200-300
300-400
aantal zeugen aantal bedrijven
aantal zeugen
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
4.2. Rentabiliteit De financiĂŤle bedrijfsresultaten hebben betrekking op 59 gespecialiseerde bedrijven (productierichting 501) met gemiddeld 1.240 omgerekende varkens en met 16,2 hectare cultuurgrond.
26
Voor de berekening van de gegevens per bedrijfstak, worden de bedrijven geselecteerd met meer dan 75 fokzeugen voor de vermeerdering en met meer dan 300 mestvarkens voor de vetmesting. De meeste bedrijven in de steekproef zijn gecombineerde bedrijven, zodat deze ondernemingen in beide bedrijfstakken in aanmerking worden genomen.
Bedrijfstak vermeerdering De gespecialiseerde zeugenhouderij scoort technisch steeds beter: het aantal worpen per zeug en het aantal grootgebrachte biggen stijgen (tabel 16). Tabel 16: Evolutie van de rentabiliteitscijfers zeugenhouderij, 2001-2006 Evolutie van de rentabiliteitscijfers zeugenhouderij, 20012006 Gemiddeld aantal aanwezige zeugen Aantal worpen per zeug per jaar Aantal grootgebrachte biggen per zeug per jaar Sterftepercentage biggen Opbrengsten zeugenhouderij (euro/gem. aanwezige zeug) Variabele kosten zeugenhouderij (euro/gem. aanwezige zeug) Bruto saldo zeugenhouderij (euro/ gem. aanwezige zeug) Opbrengsten per 1.000 euro voederkosten (euro) Gemiddelde verkoopprijs per big (euro) Gemiddelde prijs krachtvoeder voor biggen (euro/kg) Gemiddelde prijs krachtvoeder voor zeugen (euro/kg)
2001 149 2,11 18 15,5 842 2.282 -
2002 145 2,13 18,5 13,8 611 1.697 -
2003 142 2,16 19,1 13,8 545 1.527 -
2005 145 2,16 19,9 13,2 697 531 167 1.879 38,7 0,260 0,170
2006 141 2,18 20,1 13,8 716 543 173 1.869 39,3 0,277 0,176
Bron: AMS
De geldelijke opbrengst per zeug verhoogde in 2006 (+2,7%) en bereikte de op ĂŠĂŠn na hoogste waarde van de beschouwde periode. De prijsevolutie vertoonde een gelijkaardige ontwikkeling (figuur 18). Figuur 18: Evolutie van de prijs van biggen en zeugen (euro/100kg), 2001-2006 250 200 150 100 50 0 2001
2002
2003 biggen
2004
2005
2006
zeugen
Bron: BIRB
27
Aan kostenzijde bereikten de variabele kosten per zeug 543 euro of een stijging met 2,3%, wat toe te schrijven is aan de stijgende krachtvoederkost. De voederkosten nemen 70% van de totale variabele kosten voor hun rekening (figuur 19). Figuur 19: Verdeling van de variabele kosten per zeug, 2006
w erk door derden 2%
overige variabele 7%
energie 10% diergeneeskundige zorgen 11% veevoeder 70%
Bron: AMS
Bovenstaande evoluties resulteerden in 2006 in een hoger bruto saldo per zeug, maar een kleinere opbrengst per 1.000 euro voederkosten.
Bedrijfstak vetmesting De financiĂŤle opbrengst per gemiddeld aanwezig vleesvarken was 4,6% hoger dan in 2005 en bereikte de hoogste waarde van de beschouwde periode (tabel 17). Tabel 17: Evolutie van de opbrengstcijfers vleesvarkenshouderij, 2001-2006 Evolutie van de opbrengstcijfers vleesvarkenshouderij, 2001-2006 Gemiddeld aantal aanwezige vleesvarkens Gemiddeld gewicht van verkochte vleesvarkens (kg) Sterftepercentage (%) Opbrengsten vleesvarkenshouderij (euro/gem. aanwezig vleesvarken) Variabele kosten vleesvarkenshouderij (euro/gem. aanwezig vleesvarken) Bruto saldo vleesvarkenshouderij (euro/gem. aanwezig vleesvarken) Opbrengsten per 1.000 euro voederkosten (euro) Gemiddelde verkoopprijs per vleesvarken (euro) Gemiddelde prijs krachtvoeder voor vleesvarkens (euro)
2001 858 -
2002 850 -
2003 858 -
2005 862 109 2,97
2006 827 110 2,89
214
188
185
218
228
-
-
-
120
130
1.740 -
1.541 -
1.529 -
98,0 2.009 123 0,170
98,2 1.932 128 0,176
Bron: AMS
28
De financiële opbrengst wordt o.a. beïnvloed door de verkoopprijs van de varkens, die gestegen is ten opzichte van 2005 (figuur 20). In 2006 waren de prijzen gunstig. Door het vogelgriepvirus en de grote vraag tijdens de warme zomer is de gemiddelde prijs in 2006 gestegen met 4,1%. Figuur 20: Evolutie van de prijs van vleesvarkens, euro/100kg, 2001-2006 160
120
80
40
0 2001
2002
2003
2004
2005
2006
Bron: BIRB
Dat de financiële opbrengst in 2006 hoger is dan in 2001 ondanks de lagere prijs heeft te maken met de sterk negatieve inventarisverandering en de hogere biggenprijs in 2001. De waarde van de inkomende biggen worden als negatieve opbrengst geboekt bij de omzet en aanwas (zie definitie), zodat het uiteindelijke financiële resultaat hoger ligt dan in 2001. Aan kostenzijde stijgen de variabele kosten per gemiddeld aanwezig vleesvarken met 8,3% door de stijgende voederprijzen. De totale voederkosten nemen 89% in (figuur 21) en zijn gevoelig gestegen ten opzichte van 2005. Figuur 21: Verdeling van de variabele kosten per vleesvarken, 2006 w erk door derden 1% energie overige variabele 2% 4% diergeneesk. zorgen 4%
veevoeder 89%
Bron: AMS
29
Bovenstaande ontwikkelingen resulteerden in 2006 in een status quo van het bruto saldo en een daling van de opbrengst per 1.000 euro voederkosten.
Bedrijfsresultaten Opbrengsten Uit de structuur van de bedrijfsopbrengsten van de gespecialiseerde bedrijven blijkt dat 86% afkomstig is van de varkens, wat wijst op een zeer sterke specialisatie (figuur 22). De totale opbrengsten per omgerekend varken zijn toegenomen met 4,8%. Naast de goede opbrengstresultaten van varkens, zijn ook de positieve evoluties bij akkerbouw en in mindere mate bij rundvee opvallend. Figuur 22: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2006 overige opbrengsten 2%
marktbare gewassen 6%
pluimvee 4%
rundvee en voedergewass en 2%
varkens 86%
Bron: AMS
Kosten De totale kosten per omgerekend varken zijn verder gestegen (+6,5%) tot de hoogste waarde van de laatste jaren. Vooral de kosten van de veevoeders, werktuigen en de kosten voor grond- en gebouwenkapitaal dragen bij tot de stijging. De veevoeders, de berekende lonen en de kosten voor het grond- en gebouwenkapitaal zijn de drie voornaamste kostenrubrieken en nemen samen 78% van de kosten voor hun rekening (figuur 23).
30
Figuur 23: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2006 overige 9% berekende lonen 16% veevoeders 51%
w erk door derden 2% grond- en gebouw enkapitaal 11% w erktuigkosten 3%
energie 4%
diergeneesk. zorgen 4%
Bron: AMS
Inkomen Door de relatief sterkere stijging van de kosten ten opzichte van de opbrengsten is het inkomen op de gespecialiseerde varkensbedrijven gedaald. De totale opbrengsten overschrijden de totale kosten (inclusief de vergoeding voor eigen arbeid), zodat het netto bedrijfsresultaat positief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten groter zijn dan 1.000. Het familiaal arbeidsinkomen per FAK daalt met 4,1%, maar is 35% hoger dan het vergelijkbaar inkomen. Het bedrijfsinkomen per omgerekend varken evenaart het niveau van 2005, maar uitgedrukt per FAK daalt het inkomen met 1,6%.
31
Tabel 18: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2001-2006 Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2001-2006 Oppervlakte cultuurgrond (ha) Aantal omgerekende varkens (gemiddeld aantal aanwezige per jaar) Aantal VAK Aantal FAK Rentabiliteit per omgerekend varken (euro) Opbrengsten marktbare gewassen rundvee en voedergewassen varkens pluimvee overige opbrengsten Totale opbrengsten Kosten zaad en pootgoed veevoeders meststoffen bestrijdingsmiddelen diergeneeskundige zorgen energie werktuigkosten grond- en gebouwenkapitaal berekende lonen betaalde lonen werk door derden overige kosten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat per omgerekend varken Opbrengst per 1.000 euro kosten Familiaal arbeidsinkomen per omgerekend varken Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen per omgerekend varken Bedrijfsinkomen per FAK
2001 13,6 1.081 1,42
2002 14,7 1.088 1,42
2003 13,7 1.104 1,36
2005 15,9 1.234 1,51 1,50
2006 16,2 1.240 1,59 1,54
13,6 5,2 253,3 6,4 3,6 282,1
13,9 5,3 204,2 6,9 3,6 234,0
15,0 4,4 189,5 7,0 3,7 219,6
14,0 3,3 248,8 13,0 4,1 283,2
18,7 4,5 256,2 11,9 5,6 296,9
1,7 136,5 0,8 1,4 -
2,1 131,7 1,0 1,7 -
1,9 130,3 0,8 1,6 -
30,1 45,5 0,2 9,2 262,2
29,2 46,8 0,2 8,8 258,0
28,7 44,2 0,6 8,2 250,2
1,7 135,9 0,9 1,8 11,1 9,6 7,2 28,4 43,7 0,2 6,1 17,5 264,0
2,2 143,2 1,1 1,9 11,7 9,9 8,3 30,8 45,9 1,1 6,9 18,2 281,2
19,9 1.076
-24,1 907
-30,7 877
19,2 1.073
15,8 1.056
65,3 50.073
22,8 17.583
13,5 11.111
62,9 51.839
61,7 49.693
-
-
-
68,7 56.600
69,1 55.719
Bron: AMS
32
5. De groente- en aardbeiensector 5.1. Structurele kenmerken In Vlaanderen zijn er in 2006 2.143 gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven met beroepsmatig karakter of een daling van 3% ten opzichte van vorig jaar (tabel 19). De daling is merkbaar bij alle specialisaties, behalve voor de aardbeienbedrijven, die weer op het niveau van 2001 komen. Tabel 19: Structuur van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven
jaar
gespecialiseerde glasgroentebedrijven
bedrijven met overwegend groenten in open lucht
aantal bedrijven
2001
974
541
91
415
2.322
aantal bedrijven
2005
851
620
74
388
2.214
aantal bedrijven
2006
823
587
60
410
2.143
2001
0,99
5,53
0,18
1,99
2,37
2005
1,12
6,62
0,21
2,23
2,96
2006
1,16
6,72
0,23
2,02
2,98
Structuur van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven
ha groenten per bedrijf (1)
ha groenten per bedrijf (1)
ha groenten per bedrijf (1)
champignonbedrijven aardbeienbedrijven
gespecialiseerde groentebedrijven
ha cultuurgrond per 2001 2,08 13,38 0,92 6,03 5,69 bedrijf(2) ha cultuurgrond per 2005 2,26 15,21 0,44 6,71 7,01 bedrijf(2) ha cultuurgrond per 2006 2,29 15,77 0,51 7,24 7,32 bedrijf(2) (1) de oppervlakte die in aanmerking wordt genomen is afhankelijk van de specialisatie: oppervlakte aardbeien, groenten in open lucht, glasgroenten en champignons voor respectievelijk de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, bedrijven met overwegend groenten in open lucht, glasgroentebedrijven en champignonbedrijven
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De gespecialiseerde glasgroentebedrijven vormen de grootste groep. De gemiddelde oppervlakte glasgroenten bedraagt volgens de meitelling 1,16 ha, waarvan tomaten (51%) en kropsla (19%) de grootste oppervlakte voor hun rekening nemen. Paprika sluit de top 3 af met 8,5% van de oppervlakte. Bij de bedrijven met overwegend groenten in open lucht 1 wordt volgens de telling de grootste oppervlakte ingenomen door prei (33%), gevolgd door witloofwortelen voor forcerie op het bedrijf (26%) en bloemkolen (9%). Vollegrondsgroenten worden op deze bedrijven vaak gecombineerd met andere land- en tuinbouwteelten, zodat het aandeel van groenten in open lucht slechts 43% bedraagt van de totale oppervlakte cultuurgrond op de bedrijven. Op de aardbeienbedrijven vindt men zowel aardbeien onder glas, onder plastic kappen als in open grond. Van de totale oppervlakte in mei is 24% onder glas en hoge plastic kappen en 76% in open grond. Naast aardbeien worden op de aardbeienbedrijven nog andere land- en 1
De extensieve groenteteelt wordt niet als tuinbouwteelt maar als akkerbouwteelt beschouwd en maakt dus geen deel uit van de oppervlakte groenten in open lucht.
33
tuinbouwgewassen geteeld. De oppervlakte aardbeien bedraagt slechts 28% van de oppervlakte cultuurgrond. Met uitzondering van de aardbeienbedrijven is de gemiddelde bedrijfsoppervlakte gestegen bij alle specialisaties. Er blijft echter een grote spreiding tussen de bedrijven onderling (figuur 24). Figuur 24: Verdeling bedrijven volgens grootteklasse, 2006 1. gespecialiseerde glasgroentebedrijven 50% 40% 30% 20% 10% 0% <50
50-100
100-150
150-200
200-250
250-300
>=300
are glasgroenten aantal bedrijven
are glasgroenten
2. bedrijven met overwegend groenten in open lucht 40% 30% 20% 10% 0% <2,5
2,5-5
5-10
10-15
15-20
>=20
hectare groenten in open lucht aantal bedrijven
ha groenten in open lucht
34
3. champignonbedrijven 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% <10
10-20
20-30
>=30
are champignons aantal bedrijven
are champignons
4. aardbeienbedrijven 50% 40% 30% 20% 10% 0% <50
50-100
100-200
200-300
300-400
>=400
are aardbeien aantal bedrijven
are aardbeien
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Departement Landbouw en Visserij
5.2. Rentabiliteit De analyse van de financiĂŤle bedrijfsresultaten is gebaseerd op de boekhoudresultaten van 115 gespecialiseerde groentebedrijven.
Rentabiliteit glasgroentebedrijven Voor de analyse van de rentabiliteit worden enkel de sterk gespecialiseerde glasgroentebedrijven in rekening gebracht om de invloed van andere tuinbouwtakken zoveel mogelijk uit te sluiten. De glastuinbouwteelten leveren op deze bedrijven 98% van de totale
35
geldopbrengsten per are cultuurgrond (tabel 20) en deze bedrijven bewerken gemiddeld 1,47 ha. Tabel 20: Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde glasgroentebedrijven, euro per are, 2001-2006 Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde glasgroentebedrijven Totale opbrengsten waarvan glasgroenten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen per are Arbeidsinkomen per VAK
2001 2.587 2.555 2.650 -63 976 816 27.809
2002 2.435 2.406 2.547 -112 956 758 28.165
2003 3.115 3.063 2.869 246 1.086 1.202 41.952
2005 2.774 2.717 2.943 -170 942 785 27.446
2006 2.491 2.441 2.705 -214 921 633 25.635
Bron: AMS
Gemiddeld voor alle glastuinbouwbedrijven in het boekhoudnet was een daling van de totale opbrengsten merkbaar in 2006 (-10,2%). De totale kosten verminderden echter ook (-8,1%). In figuur 25 wordt de verdeling van de kosten weergegeven. Hieruit blijkt dat de lonen (berekende plus betaald personeel) en de kost voor de energie voor verwarming meer dan de helft van de totale kosten uitmaken. Figuur 25: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde glasgroentebedrijven, 2006 Directe kosten teelten 3%
Grond- en gebouw enkapitaal 15%
Overige kosten 3%
Verkoopkosten 4%
Berekende lonen 17%
Betaald personeel 14%
Overige materialen 2%
Werk door derden 1% Werktuigkosten 7%
Zaad- en plantgoed 8% Energie voor verw arming 21%
Meststoffen 3%
Bestrijdingsmiddelen 2%
Bron: AMS
De lagere opbrengsten die niet gecompenseerd werden door de kostenverlaging hadden in 2006 een negatieve invloed op de inkomensvorming. Het arbeidsinkomen per VAK werd met 6,6% neerwaarts bijgesteld en bereikte 70% van het vergelijkbaar inkomen. Hiermee zakte het arbeidsinkomen in 2006 verder weg sinds het goede jaar 2003. Gemiddeld werken er 3,64 arbeidskrachten op de gespecialiseerde glasgroentebedrijven, waarvan 1,76 familiale arbeidskrachten. Achter dit gemiddelde schuilt echter een grote variatie. Onder andere afhankelijk van het teeltplan kunnen de resultaten tussen de bedrijven sterk uiteenlopen. In tabel 21 worden de gegevens weergegeven van enkele belangrijke bedrijfstakken.
36
Tabel 21: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken tomaten, komkommer en kropsla, 2005-2006 Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken tomaten, komkommer en kropsla Tomaten - opbrengst verkoop (euro/are) - prijs (euro/kg) - variabele kosten (euro/are) - bruto saldo (euro/are)
2005
2006
3.247 0,77 1.562 1.685
3.466 0,78 1.783 1.683
Komkommer - opbrengst verkoop (euro/are) - prijs (euro/stuk) - variabele kosten (euro/are) - bruto saldo (euro/are)
1.634 0,33 770 864
1.557 0,26 791 766
Kropsla - opbrengst verkoop (euro/are) - prijs (euro/stuk) - variabele kosten (euro/are) - bruto saldo (euro/are)
446 0,37 235 211
557 0,42 287 270
Bron: AMS
De tomatenprijs steeg lichtjes ten opzichte van 2005. In het begin van het jaar lagen de prijzen lager dan in 2005 vanwege grote producties in BelgiĂŤ en Nederland en concurrentie vanuit Spanje en Marokko. Met uitzondering van augustus en oktober, was er vanaf juli een betere prijsvorming. De gemiddelde opbrengst per are verbeterde ten opzichte van 2005. De stijging van de variabele kosten compenseerde de stijging bij de opbrengsten echter volledig zodat het bruto saldo slechts licht daalde. Uit de indeling van de variabele kosten blijkt het grote aandeel van energie (figuur 26). Figuur 26: Structuur van de variabele kosten voor de productie van tomaten, 2006
directe kosten teelten 6%
w erk door derden 1%
overige variabele kosten 6%
zaad en pootgoed 17%
meststoffen 6% bestrijdingsmiddelen 3%
verkoopkosten 7%
energie 54%
Bron: AMS
37
De gemiddelde komkommerprijs is gezakt tegenover 2005. De prijzen stonden onder druk door het grote aanbod en de vraag die beperkt bleef wegens het slechtere weer. Ook de export viel tegen. Aan kostenzijde stegen de variabele kosten licht, zodat het bruto saldo duidelijk daalde. Energie is de belangrijkste variabele kost bij de komkommerteelt (figuur 27). Figuur 27: Structuur van de variabele kosten voor de productie van komkommers onder glas, 2006
directe kosten teelten 5% werk door derden 2%
overige variabele kosten 3%
zaad en pootgoed 17%
meststoffen 9%
bestrijdingsmiddelen 4%
energie 52%
verkoopkosten 8%
Bron: AMS
Gemiddeld is bij de bedrijven in het LMN de slaprijs in 2006 en hierdoor ook de financiĂŤle opbrengst per ha gestegen. De prijzen varieerden sterk gedurende het jaar. Het jaar startte met een overaanbod vanuit Spanje en ItaliĂŤ, wat de prijzen al onder druk zette. Het kwakkelende voorjaar zorgde voor weinig vraag. Door een warme julimaand stegen de prijzen aanzienlijk; deze stegen nog verder in augustus. Daarna evolueerden de prijzen sterk bergafwaarts met oktober als absoluut dieptepunt. November en december kenmerkten zich door betere slaprijzen. De variabele kosten stegen, maar in mindere mate zodat het bruto saldo toenam. Uit een indeling van de variabele kosten blijkt dat de energie de belangrijkste kost is (figuur 28). In vergelijking met de andere glasgroenten wegen de kosten voor bestrijdingsmiddelen relatief meer door. Figuur 28: Structuur van de variabele kosten voor de productie van kropsla onder glas, 2006 overige 5%
werk door derden 2%
zaad en pootgoed 17% meststoffen 4%
energie 51%
bestrijdingsmiddelen 12%
verkoopkosten 9%
38
Bron: AMS
39
Rentabiliteit bedrijven met overwegend groenten in open lucht De totale opbrengsten per ha cultuurgrond bij de bedrijven met overwegend groenten in open lucht stegen in 2006 met 27%. Verder blijkt uit tabel 22 dat de tuinbouwteelten ongeveer 88% van de totale inkomsten van deze bedrijven leveren. Tabel 22: Bedrijfsresultaten van de bedrijven met overwegend groenten in open lucht, euro per ha, 2001-2006 Bedrijfsresultaten van de bedrijven met overwegend groenten in open lucht. Totale opbrengsten waarvan tuinbouwteelten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen per ha Arbeidsinkomen per VAK
2001
2002
2003
2005
2006
13.518 12.754 13.683 -165 988 6.041 27.041
13.484 12.863 13.692 -208 985 5.578 27.809
11.356 10.672 12.995 -1.639 874 3.565 19.692
10.727 9.680 12.178 -1.451 880 3.893 22.803
13.664 11.988 15.098 -1.434 905 4.840 24.923
Bron: AMS
De kosten volgden de trend van de opbrengsten (+24%) en de stijging was niet specifiek toe te wijzen aan een bepaalde post maar vrij algemeen. In figuur 29 wordt de verdeling van de kosten weergegeven. Hieruit blijkt dat een derde van de kosten voor rekening van de berekende lonen zijn. Daarnaast vallen ook de grote aandelen van de werktuigkosten, kosten van grond- en gebouwenkapitaal en de kosten voor zaad- en plantgoed op. Figuur 29: Structuur van de kosten voor de bedrijven met overwegend groenten in open lucht, 2006 Directe kosten teelten 3%
Overige kosten 8%
Verkoopkosten 3% Berekende lonen 34%
Grond- en gebouw enkapitaal 12% Zaad- en plantgoed 10%
Betaald personeel 7%
Energie verw arming 1% Meststoffen 2% Bestrijdingsmiddelen 3%
Werktuigkosten 14%
Werk door derden 3%
Bron: AMS
De telers konden de hogere kosten doorrekenen, zodat het arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht in 2006 duidelijk verbeterd is, maar nog altijd onder het niveau van 2001 en 2002 blijft. Met 24.923 euro komt het arbeidsinkomen overeen met 68% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld hebben de bedrijven 13,5 ha cultuurgrond en werken er 2,63 arbeidskrachten op de bedrijven, waarvan 1,87 familiale.
40
De resultaten verschillen sterk per teelt, zodat afhankelijk van het teeltplan de resultaten sterk kunnen verschillen tussen de bedrijven onderling. In tabel 23 worden de gegevens per are van desbetreffende teelt weergegeven voor prei en bloemkool. Tabel 23: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken prei en bloemkool, 2005-2006 Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken prei en bloemkool prei - opbrengst verkoop (euro/are) - prijs (euro/kg) - variabele kosten (euro/are) - bruto saldo (euro/are) bloemkool - opbrengst verkoop (euro/are) - prijs (euro/stuk) - variabele kosten (euro/are) - bruto saldo (euro/are)
2005
2006
221 0,66 54 167
162 0,46 59 103
112 0,59 39 73
172 0,89 50 122
Bron: AMS
Voor prei werd het jaar 2006 bij de LMN bedrijven gekenmerkt door lagere financiĂŤle opbrengsten en een lager bruto saldo als gevolg van lagere prijzen. Het jaar werd ingezet met een grote aanvoer van prei door ideaal teeltweer. Eind januari traden er echter rooiproblemen op door de vorst. Dit werkte een goede prijsvorming in de hand. Door het koude weer werd veel schade opgelopen in Oost-Europa; wat onze export bevorderde. De hitte in juli zorgde ervoor dat een gedeelte van de teelt warmteschade opliep. De productiecijfers lagen dus een stuk lager, waardoor de middenprijs steeg. Van september tot het einde van het jaar lagen de prijzen een stuk lager. De kwaliteit van de prei was niet goed door warmte- en waterschade, en door het mooie weer na de zomer was er ook voldoende aanbod. Deze twee factoren kwamen de prijs niet ten goede. Wat de variabele kosten betreft, zijn zaad en plantgoed en bestrijdingsmiddelen de 2 grootste kosten (figuur 30). Figuur 30: Structuur van de variabele kosten bij de teelt van prei in volle grond, 2006 overige 9% zaad en pootgoed 31%
w erk door derden 11%
energie 10%
verkoopkosten 12%
meststoffen 10% bestrijdingsmiddelen 17%
Bron: AMS
41
De vollegrondsbloemkolen werden in 2006 tegen hogere prijzen verkocht. Het jaar begon met prijsstijgingen door vorstschade aan de Spaanse bloemkolen, en een beperkte invoer vanuit Spanje en Frankrijk. De regen in augustus zorgde voor mislukte oogsten. Het aanbod daalde overal; de concurrentie uit het buitenland was miniem. Door een onderaanbod in Duitsland werden daar Belgische bloemkolen ingevoerd. Door betere oogsten in september en oktober daalde de prijs fors. Deze herstelde zich in november en december dankzij een verlaagde aanvoer. Alhoewel de kosten toenamen, steeg het saldo. Zaad en plantgoed, verkoopkosten (verpakkingsmateriaal, commissies, enz.) en meststoffen zijn de 3 belangrijkste kosten (figuur 31). Figuur 31: Structuur van de variabele kosten bij de productie van bloemkolen in volle grond, 2006 overige 12%
werk door derden 7%
zaad en pootgoed 31%
energie 12%
verkoopkosten 14%
meststoffen 14% bestrijdingsmiddelen 10%
Bron: AMS
De gemiddelde witloofprijs steeg van 0,98 euro per kg in 2005 tot 1,15 euro in 2006. Het witloof zette het jaar 2006 in met goede prijzen dankzij een winterprik. Eind januari was er echter een overaanbod witloof, waardoor de prijzen daalden tot in april. In Frankrijk noteerde het witloof hoge prijzen, waardoor Franse exporteurs op onze laaggenoteerde markt koopjes kwamen doen. Dit dikte de prijzen aan. In augustus was er een lage productiviteit over heel Europa, waardoor hoge middenprijzen behaald werden. Het lage aanbod in Frankrijk stimuleerde onze export. Naar het einde van het jaar toe daalde de prijs licht.
Rentabiliteit champignonbedrijven In tabel 24 worden de bedrijfsresultaten weergegeven, waaruit blijkt dat op de gespecialiseerde champignonbedrijven 99% van de opbrengsten afkomstig is van de verkoop van champignons. De gemiddelde referentieoppervlakte bedraagt 1,43 ha. De totale opbrengsten per VAK zijn het hoogst in de beschouwde periode door een betere prijsvorming dan in 2005. In 2004 en 2005 kampte de sector met zeer lage prijzen door Poolse import. Aangezien de niet-geautomatiseerde pluk arbeidsintensief is, heeft Polen hier een voordeel door lagere loonkosten. De kwaliteit van de Poolse champignons is
42
vergelijkbaar, wat de prijs bij ons onder druk zet. Schimmelziektes zorgden in de zomer van 2006 echter voor een afname van het aanbod, wat de gestegen prijs verklaart. Tabel 24: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde champignonbedrijven, euro per VAK, 2001-2006 Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde champignonbedrijven Totale opbrengsten waarvan champignons Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen per VAK Verkoopprijs (euro/kg)
2001
2002
2003
2005
2006
85.027 82.519 85.224 -196 998 28.489 -
78.089 75.864 82.647 -4.558 945 24.598 -
77.474 74.661 84.040 -6.565 922 23.382 -
75.352 73.712 84.044 -8.692 897 24.859 1,40
80.859 79.802 84.614 -3.756 956 29.618 1,56
Bron: AMS
De champignonbedrijven kunnen de kosten onder controle houden, mede dankzij een uitzondering op de verhoging van de minimumlonen. De loonkost is de belangrijkste kost bij deze teelt (39%). De verkoopskosten, energiekosten en kosten voor loonwerk stegen in 2006 het meest (figuur 32). Figuur 32: Structuur van de kosten voor de champignonbedrijven, 2006 Verkoopkosten 5% Grond- en gebouwenkapitaal 6%
Overige 5%
Berekende lonen 16%
Dekaarde 4%
Compost 26%
Energie verwarming 4%
Betaald personeel 23% Werk door derden 4% Werktuigkosten 7%
Bron: AMS
Bovenstaande ontwikkelingen resulteerden in een arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht van 29.618 euro, wat overeenkomt met 81% van het vergelijkbaar inkomen. In vergelijking met 2005 kende het arbeidsinkomen een sterke stijging. Gemiddeld werken er 6,81 VAK op de champignonbedrijven, waarvan 2,08 familiale.
Rentabiliteit aardbeienbedrijven Op de gespecialiseerde aardbeienbedrijven is ruim 80% van de opbrengsten afkomstig van de verkoop van aardbeien. De totale opbrengsten per ha cultuurgrond stegen in 2006 met 12% ten opzichte van 2005 (tabel 25).
43
De prijs lag gemiddeld iets hoger, maar het jaar 2006 was door de extreme weersomstandigheden een grillig jaar voor de aardbeien. Het warme weer zorgde voor een grote aanvoer in juni, wat lage prijzen opleverde. In juli was de aanvoer ook aanzienlijk, de grote vraag zorgde ervoor dat er toch behoorlijke prijzen genoteerd werden. Het warme weer in juli zorgde voor een vermindering in bloemaanleg, waardoor er in augustus amper geoogst kont worden. Het mindere weer in augustus zorgde voor een kleinere vraag. Veel aardbeien werden niet langer geplukt, omdat telers verlies maakten. In september was het aanbod zeer laag door het slechte weer in augustus, wat de prijs ten goede kwam. De prijs in oktober zakte ondanks het lage aanbod. Tabel 25: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, euro per ha, 2001-2006 Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde aardbeienbedrijven Totale opbrengsten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 ₏ kosten Arbeidsinkomen per hectare Arbeidsinkomen per VAK Verkoopprijs
2001 56.955 63.500 -6.545 897 22.724 19.482 -
2002 61.240 65.244 -4.004 939 28.886 25.168 -
2003 65.000 64.082 918 1.014 32.299 29.419 -
2005 62.751 65.383 -2.630 960 25.640 27.110 2,79
2006 70.230 75.375 -5.145 932 25.830 25.480 2,88
Bron: AMS
De totale kosten per ha zijn met 15,3% toegenomen, vooral door een stijging van de lonen (eigen en betaalde) en de kosten voor grond- en gebouwenkapitaal. In figuur 33 wordt de verdeling van de kosten weergegeven. Hieruit blijkt dat de kosten voor lonen (berekende en betaalde) 40% innemen. Figuur 33: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, 2006 Directe kosten teelten 4% Overige onkosten 9% Verkoopkosten 4%
Grond- en gebouw enkapitaal 17% Overige materialen 2% Zaad- en plantgoed 9% Energie verw arming 5%
Berekende lonen 26%
Betaald personeel 14% Werk door derden 1% Werktuigkosten 6% Bestrijdingsmiddelen 2% Meststoffen 1%
Bron: AMS
Per ha uitgedrukt, bleef het inkomen redelijk stabiel. Door een kleiner areaal per VAK is het arbeidsinkomen per VAK gedaald met 6% en bereikte 69% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 3,38 arbeidskrachten op de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, waarvan 1,74 familiale. 44
Rentabiliteit groente- en aardbeienbedrijven: samenvattend overzicht Gemiddeld voor alle groente- en aardbeienbedrijven noteert men in 2006 een stijging van de opbrengsten per are cultuurgrond met 13,8% tegenover 2005. Figuur 34 geeft de structuur van de opbrengsten weer. Hieruit blijkt dat op een gemiddeld groentebedrijf ruim 70% van de opbrengsten afkomstig zijn van teelten onder glas. Figuur 34: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, 2006 Overige 4% Teelten in open lucht 26%
Teelten onder glas 70%
Bron: AMS
De kosten stegen eveneens sterk (+14,8%). Uit de verdeling van de kosten volgens oorsprong (figuur 35) blijkt dat de belangrijkste kosten die voor lonen (37%), verwarming (13%) en grond- en gebouwenkapitaal (14%) zijn. Deze maken samen twee derde van de kosten uit. Figuur 35: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, 2006 Directe kosten teelten 3% Verkoopkos ten 4% Grond- en gebouw enkapitaal 14%
Overige onkosten 4%
Berekende lonen 25% Betaald personeel 12%
Overige materialen 2%
Werk door derden 1%
Zaad- en plantgoed 8%
Werktuigkosten 8%
Energie verw arming 13%
Meststoffen 4%
Bestrijdingsmiddelen 2%
Bron: AMS
Per are uitgedrukt is het arbeidsinkomen toegenomen met 8,2%. Het arbeidsinkomen per VAK is echter gedaald door de kleinere oppervlakte per VAK. Het inkomen bereikte 70% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 3,25 arbeidskrachten op de gespecialiseerde groentebedrijven, waarvan 1,85 familiale.
45
Tabel 26: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven, 2001-2006 Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven Referentieopervlakte (ha) Aantal VAK Rentabiliteit Opbrengsten/are cultuurgrond Teelten onder glas en champignons Teelten in open lucht Overige Totale opbrengsten Kosten/are cultuurgrond Zaad- en plantgoed Bestrijdingsmiddelen Meststoffen Energie voor verwarming Werktuigkosten Overige materialen Kosten van grond- en gebouwenkapitaal Verkoopkosten Directe kosten teelten Berekende lonen Betaald personeel Werk door derden Algemene onkosten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat euro/are cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen (in euro per VAK.) Arbeidsinkomen (in euro per are cultuurgrond)
2001 -
2002 -
2003 -
2005 5,9 3,22
2006 5,3 3,25
379 136 3 518
367 139 5 511
405 119 6 543
322 111 15 448
358 132 20 510
49 12 26 67 30 13 76 22 12 133 73 8 20 541
48 12 27 54 31 14 80 22 12 135 73 9 21 538
48 12 26 60 31 12 77 23 15 131 72 9 21 537
42 9 18 59 38 9 67 19 14 121 64 7 19 486
45 11 20 73 46 10 78 21 16 137 69 8 24 558
-23 957
-27 950
6 1.011
-39 921
-48 913
25.675 183
26.749 181
32.094 209
26.116 143
25.699 158
Bron: AMS
46
6. De fruitsector (exclusief de aardbeiensector) 6.1. Structurele kenmerken In 2006 telt de Vlaamse fruitsector 874 gespecialiseerde fruitbedrijven met beroepsmatig karakter of een daling met 2,5% tegenover 2005 (tabel 27). Van hun oppervlakte cultuurgrond is 84% bestemd voor fruit. De appelen en peren nemen de grootste oppervlakte voor hun rekening en zijn samen goed voor ruim 90% van de oppervlakte fruit. Tabel 27: Structuur van de gespecialiseerde fruitbedrijven, 2001, 2005 en 2006 Structuur van de gespecialiseerde fruitbedrijven
2001
2005
2006
Aantal bedrijven
998
896
874
Ha fruit per bedrijf (1)
12,6
14,3
14,4
56,5%
49,7%
47,8%
peren
37,5%
43,3%
44,5%
Ha cultuurgrond per bedrijf
14,9
16,7
17,1
waarvan appelen
(1)
exclusief aardbeien
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De gemiddelde oppervlakte van de bedrijven is vergelijkbaar met 2005, maar groter dan in 2001. Er is echter een grote spreiding tussen de bedrijven onderling (figuur 36). Ongeveer de helft van de totale oppervlakte zit geconcentreerd bij 22% van de bedrijven. De helft van de bedrijven heeft slechts 22% van de totale oppervlakte ter beschikking. Figuur 36: Verdeling volgens grootteklasse, 2006 30%
20%
10%
0% <5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
>=30
hectare fruit aantal bedrijven
ha fruit
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Departement Landbouw en Visserij
47
6.2. Rentabiliteit De analyse van de financiĂŤle bedrijfsresultaten is gebaseerd op de boekhoudgegevens van 58 gespecialiseerde fruitbedrijven, die gemiddeld 16,9 ha cultuurgrond bezitten. De opbrengsten uit fruit maken bij de gespecialiseerde fruitbedrijven meer dan 95% van de totale opbrengsten uit (tabel 29). De totale opbrengsten zijn de hoogste in de beschouwde periode. De totale kosten per hectare zijn met 7% gestegen in vergelijking met 2005. De toename van de grondstofkosten (vooral bestrijdingsmiddelen en meststoffen) is procentueel het grootst (+13%), maar in absolute cijfers zijn de lonen verantwoordelijk voor de grootste stijging. In figuur 37 wordt de verdeling van de kosten over de voornaamste kostenrubrieken weergegeven. Hieruit blijkt dat de lonen (berekende + betaalde lonen) en de kosten voor grond- en gebouwenkapitaal de voornaamste kosten zijn. Zij zijn samen verantwoordelijk voor bijna twee derde van de totale kosten. Figuur 37: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde fruitbedrijven (zonder aardbeienbedrijven), 2006 Directe kosten teelten 4% Verkoopkosten 7%
Overige 3%
Berekende lonen 24%
Grond- en gebouw enkapitaal 20% Betaald personeel 20%
Meststoffen 2% Bestrijdingsmiddelen 7%
Werktuigkosten 11%
Werk door derden 2%
Bron: AMS
Bovenstaande ontwikkelingen resulteren in 2006 in een stijging van het arbeidsinkomen per VAK ten opzichte van 2005 (+ 2,6%), wat neerkomt op 83% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 3,93 arbeidskrachten op de gespecialiseerde fruitbedrijven, waarvan 1,58 familiale arbeidskrachten. De bedrijfsresultaten zijn echter afhankelijk van het aandeel van de diverse soorten fruit in het teeltplan. In Vlaanderen daalt het areaal appelen (-16% sinds 2001) ten voordele van de peren (+18% sinds 2001). Het is daarom interessant om de bedrijfstakken afzonderlijk te analyseren (tabel 28). De gemiddeld ontvangen appelprijs was iets hoger dan in 2005, maar die van peren was een stuk lager. Dit is vooral te verklaren door de oogst van veel kleine peren, die minder gegeerd zijn. De variabele kosten stegen zowel bij de appelen als bij de peren. Dit resulteerde in een toename van het bruto saldo voor de appelen, maar in een afname bij de peren.
48
Tabel 28: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken appelen en peren, 2005 – 2006 Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken appelen en peren
Appelen 2005
opbrengst (in euro/are) ontvangen prijs (in euro/kg) variabele kosten (euro/are) bruto saldo (in euro/are)
127,4 0,336 38,1 89,3
2006
Peren 2005
2006
166,4 0,381 41,3 125,1
184,5 0,626 34,1 150,4
161,6 0,475 40,2 121,4
Bron: AMS
Bij de variabele kosten voor appelen en peren (figuur 38) maken de bestrijdingsmiddelen en de verkoopkosten de hoofdbrok uit. Samen zijn ze goed voor meer dan de helft van de variabele kosten. Figuur 38: Structuur van de variabele kosten voor de productie van fruitgewassen, 2006 1. appelen overige 19%
meststoffen 6%
bestrijdingsmiddelen 29%
werk door derden 7%
energie 14% verkoopkosten 25%
2. peren overige 18%
meststoffen 8%
werk door derden 6%
bestrijdingsmiddelen 28%
energie 15%
verkoopkosten 25%
Bron: AMS
49
Tabel 29: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde fruitteeltbedrijven (excl. aardbeien), 2001-2006 Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde fruitteeltbedrijven (excl. aardbeien) Referentieoppervlakte (ha) Aantal VAK
2001
2002
2003
2005
2006
13,38 2,6
13,41 2,8
13,53 2,9
16,30 3,6
16,89 3,9
Opbrengsten/ha cultuurgrond Fruit Andere teelten Overige Totale opbrengsten
10.384 245 897 11.526
11.975 334 1.069 13.378
12.530 474 897 13.901
14.026 380 414 14.820
15.360 312 370 16.041
Kosten/ha cultuurgrond Zaad- en plantgoed Bestrijdingsmiddelen Meststoffen Werktuigkosten Overige materialen Kosten van grond- en gebouwenkapitaal Verkoopkosten Directe kosten teelten Algemene onkosten Arbeid bedrijfsleider + gezinsleden Betaald personeel Werk door derden Totale kosten
11 751 130 1.241 16 2.832 770 305 537 3.256 2.046 410 12.305
4 819 175 1.258 11 3.079 854 331 580 3.494 2.323 363 13.291
21 883 186 1.306 21 3.148 906 325 544 3.556 2.674 334 13.904
47 934 226 1.748 15 3.061 942 536 463 3.737 2.953 277 14.939
31 1.072 261 1.813 20 3.176 1.066 683 452 3.738 3.263 379 15.954
-779 937
87 1.007
-3 1.000
-120 992
87 1.005
23.304 4.523
28.799 5.904
29.131 6.227
29.674 6.571
30.448 7.088
Netto bedrijfsresultaat euro/ha cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen (in euro per V.A.K.) Arbeidsinkomen (in euro per ha cultuurgrond)
Bron: AMS
50
7. De sierteeltsector (exclusief boomkwekerij) 2 7.1. Structurele kenmerken In Vlaanderen zijn er in 2006 948 gespecialiseerde sierteeltbedrijven met beroepsmatig karakter of een daling met 6% ten opzichte van 2005 (tabel 30). De daling is merkbaar bij alle bedrijfstypes, maar procentueel het meest uitgesproken bij de gespecialiseerde azaleabedrijven (-15%). Tabel 30: Structuur van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven (exclusief boomkwekerij), 2001-2006 Structuur gespecialiseerde sierteeltbedrijven Aantal bedrijven
Oppervlakte sierteelt per bedrijf (in ha) (1)
Oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (in ha)
Jaar
Gespecialiseerde potplantenbedrijven
Gespecialiseerde azaleabedrijven
Gespecialiseerde snijbloemenbedrijven
Gespecialiseerde sierteeltbedrijven
2001
340
229
224
1.247
2005
287
192
168
1.011
2006
260
164
154
948
2001
0,83
1,60
0,63
1,23
2005
1,09
1,85
0,75
1,46
2006
1,08
2,10
0,82
1,48
2001
1,50
1,99
1,71
2,10
2005
1,84
2,46
2,11
2,92
2006
1,79
2,62
2,14
2,93
(1)
de oppervlakte die in aanmerking wordt genomen is afhankelijk van de specialisatie: oppervlakte potplanten, azalea's en snijbloemen voor respectievelijk de gespecialiseerde potplanten-, azalea- en snijbloemenbedrijven.
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Sierteelt komt zowel in open lucht als onder beschutting voor. Voor de gespecialiseerde potplantenbedrijven en de snijbloemenbedrijven is ongeveer 55% van de oppervlakte onder beschutting; voor de azaleabedrijven is dat precies de helft. De gemiddelde oppervlakte van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven is constant gebleven tegenover 2005, alsook het aandeel sierteelt dat ongeveer de helft van de bedrijfsoppervlakte inneemt. De bedrijfsgrootte varieert sterk van bedrijf tot bedrijf (figuur 39).
2
Bij gebrek aan voldoende bedrijven in het LMN van een aantal bedrijfstypes (o.a. boomkwekerij) worden deze types niet opgenomen in de referentiepopulatie. Voor meer details wordt verwezen naar de paragraaf ‘wegingssysteem’ in de methodologische toelichting.
51
Figuur 39: Verdeling van de sierteeltbedrijven per grootteklasse, 2006 1. potplantenbedrijven 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% <50
50-100
100-150
150-200
200-400
>=400
are potplanten aantal bedrijven
are potplanten
2. azaleabedrijven 50% 40% 30% 20% 10% 0% <100
100-200
200-300
300-400
>=400
ha azalea's aantal bedrijven
ha azalea's
3. snijbloemenbedrijven 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% <40
40-60
60-80
80-100
>=100
are snijbloemen aantal bedrijven
are snijbloemen
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
52
7.2. Rentabiliteit De analyse van de financiĂŤle resultaten is gebaseerd op de boekhoudresultaten van 61 gespecialiseerde sierteeltbedrijven.
Rentabiliteit potplantenbedrijven De gespecialiseerde potplantenbedrijven in het LMN bewerken gemiddeld 1,1 ha. Van de opbrengsten is 85% afkomstig van de verkoop van potplanten (tabel 31). Tabel 31: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde potplantenbedrijven, euro per are, 2001-2006 Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde potplantenbedrijven Totale opbrengsten waarvan potplanten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen per are Arbeidsinkomen per VAK
2001
2002
2003
2005
2006
3.289 2.600 3.331 -42 987 1.090 31.837
3.605 2.487 3.641 -36 990 1.167 34.078
3.444 2.281 3.540 -96 973 1.076 35.105
2.941 2.342 3.120 -179 943 813 30.377
2.662 2.270 2.904 -242 917 718 29.115
Bron: AMS
De prijs voor potplanten lag in 2006 op een gelijkaardig niveau als in 2005, een lichte stijging voor potchrysanten, een lichte daling voor andere potplanten. De opbrengsten uit potplanten lagen ook in de lijn van de vorige jaren. De totale opbrengsten per are waren echter duidelijk lager, wat te wijten was aan de daling van de opbrengsten uit overige tuinbouwteelten. De verlaging bij de totale kosten per are kon de opbrengstvermindering niet compenseren, zodat het inkomen neerwaarts werd bijgesteld. In figuur 40 wordt de verdeling van de kosten over de voornaamste kostenrubrieken weergegeven. Hieruit blijkt dat de grootste kostenposten de lonen (berekend en betaald), het zaad- en plantgoed, de energie voor verwarming en de kosten van grond- en gebouwenkapitaal zijn. Deze kosten zijn samen goed voor 70% van de totale kost.
53
Figuur 40: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde potplantenbedrijven, 2006
Verkoopkosten 4%
Directe kosten teelten 4%
Overige 5%
Berekende lonen 19%
Grond- en gebouw enkapitaal 12% Betaald personeel 14%
Overige materialen 7%
Zaad- en plantgoed 18%
Werk door derden 2%
Energie voor verw arming 8%
Werktuigkosten 7%
Bron: AMS
De totale opbrengsten zijn niet toereikend om de totale kosten te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten kleiner zijn dan 1.000. Ook het arbeidsinkomen per are is gedaald. Uitgedrukt per volwaardige arbeidseenheid, betekent dit 29.115 euro of 79% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 2,69 volwaardige arbeidskrachten op de gespecialiseerde potplantenbedrijven, waarvan 1,37 familiale arbeidskrachten.
Rentabiliteit azaleabedrijven De opbrengsten uit azalea’s maken bij de gespecialiseerde azaleabedrijven 90% uit van de totale opbrengsten (tabel 32). Gemiddeld bewerken zij 1,86 ha. De totale opbrengsten zijn ongeveer gelijk gebleven ten opzichte van 2005. Het prijzenpeil voor azalea’s veranderde in 2006 amper ten opzichte van 2005. De overige opbrengsten op de azaleabedrijven daalden licht. Gezien hun geringe aandeel in de totale opbrengsten is de impact hiervan beperkt. Tabel 32: Structuur van de opbrengsten voor gespecialiseerde azaleabedrijven, euro per are, 2001-2006 Structuur van de opbrengsten voor gespecialiseerde azaleabedrijven Totale opbrengsten waarvan azalea’s Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen per are Arbeidsinkomen per VAK
2001
2002
2003
2005
2006
1.143 1.098 1.180 -37 969 414 30.787
1.157 1.085 1.165 -8 993 419 32.334
1.089 991 1.216 -127 896 341 24.892
1.179 1.037 1.291 -110 914 364 27.332
1.158 1.043 1.243 -84 932 395 31.172
Bron: AMS
54
De totale kosten per are zijn licht gedaald tegenover 2005. De grootste besparingen gebeuren op het betaalde personeel, en op grond en gebouwen. In figuur 41 wordt de verdeling van de kosten over de voornaamste kostenrubrieken weergegeven. Hieruit blijkt dat de lonen (betaald en berekend), werktuigkosten en de kost van grond- en gebouwenkapitaal de voornaamste kosten zijn, goed voor twee derde van de totale kost. Figuur 41: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde azaleabedrijven, 2006 Directe kosten teelten 5% Verkoopkosten 3%
Overige 6%
Grond- en gebouw enkapitaal 17%
Berekende lonen 32% Betaald personeel 7%
Overige materialen 7% Zaad- en plantgoed 4%
Energie voor verw arming 8%
Werktuigkosten 9% Bestrijdingsmiddelen 2%
Bron: AMS
Ook voor de gespecialiseerde azaleabedrijven zijn de totale opbrengsten niet toereikend om de totale kosten te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten kleiner zijn dan 1.000. Het arbeidsinkomen per are is gestegen en komt in de buurt van het inkomen van 2001 en 2002. Uitgedrukt per volwaardige arbeidskracht, betekent dit 31.172 euro of 85% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 2,35 arbeidskrachten op de gespecialiseerde azaleabedrijven, waarvan gemiddeld 1,84 familiale arbeidskrachten.
Rentabiliteit snijbloemenbedrijven De snijbloemenbedrijven in het LMN beschikken gemiddeld over 0,95 ha cultuurgrond. De opbrengsten uit snijbloemen maken op deze bedrijven ruim 90% uit van de totale opbrengsten (tabel 33). De totale opbrengsten per are zijn met 5% afgenomen. De prijzen voor snijbloemen waren goed in 2006, maar de productie was lager dan 2005, wat de verlaagde opbrengsten verklaart.
55
Tabel 33: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, 2001-2006 Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven Totale opbrengsten waarvan snijbloemen Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen per are Arbeidsinkomen per VAK
2001
2002
2003
2005
2006
2.361 2.272 2.949 -588 801 509 16.002
2.659 2.484 3.200 -541 831 659 19.782
2.638 2.526 3.272 -634 806 545 17.350
2.464 2.277 3.091 -627 797 528 17.813
2.330 2.130 3.031 -701 769 467 15.884
Bron: AMS
De kosten bleven in 2006 stabiel tegenover 2005. De grootste stijgers waren de werktuigkosten en de meststoffen. De grootste daling was merkbaar bij kosten van grond- en gebouwenkapitaal en energie voor verwarming. In figuur 42 wordt de verdeling van de kosten over de voornaamste kostenrubrieken weergegeven. Opvallend zijn het grote aandeel van de kosten voor de berekende lonen, de energie voor verwarming en de kost voor grond- en gebouwenkapitaal. Figuur 42: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, 2006 Verkoopkosten 4%
Overige 9%
Grond- en gebouw enkapitaal 15%
Zaad- en plantgoed 6%
Berekende lonen 32%
Betaald personeel 7% Energie voor verw arming 14%
Werktuigkosten 13%
Bron: AMS
Het arbeidsinkomen per are is lager dan in 2005. Het arbeidsinkomen per VAK daalt ook, tot 43% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 2,78 arbeidskrachten op de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, waarvan 2,09 familiale arbeidskrachten.
56
Rentabiliteit sierteeltbedrijven (exclusief boomkwekerij): samenvattend overzicht In tabel 34 worden enkel de resultaten weergegeven van 2005 en 2006. Cijfers van voorgaande jaren waren niet beschikbaar omdat de statistieken van het voormalige CLE inclusief de boomkwekerij zijn, zodat ze niet vergelijkbaar zijn. Figuur 43 geeft de structuur van de opbrengsten en kosten weer. Hieruit blijkt dat op een gemiddeld sierteeltbedrijf 64% van de opbrengsten afkomstig zijn van teelten onder glas.
Figuur 43: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2006 Overige 4%
Teelten in open lucht 32%
Teelten onder glas 64%
Bron: AMS
De belangrijkste kosten zijn deze voor lonen (betaald en berekend), grond- en gebouwenkapitaal, zaad en plantgoed en energie voor verwarming. Zij maken samen 72% uit van de totale kosten (figuur 44). Figuur 44: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2006
Werk door derden 1%
Algemene onkosten Zaad- en plantgoed 3% 12%
Betaald personeel 9%
Bestrijdingsmiddelen 1%
Meststoffen 1%
Berekende lonen 27%
Energie voor verw arming 10%
Werktuigkosten 9%
Directe kosten teelten 3% Verkoopkosten 4%
Overige materialen Kosten van grond- en 5% gebouw enkapitaal 15%
Bron: AMS
57
De totale opbrengsten zijn niet toereikend om de totale kosten te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten kleiner zijn dan 1.000. Het gemiddeld arbeidsinkomen per VAK steeg bij de sierteeltbedrijven en bedraagt in 2006 23.112 euro of 63% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 2,47 arbeidskrachten op de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, waarvan 1,67 familiale. Tabel 34: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2006 Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven Referentieoppervlakte (in ha) Aantal VAK Rentabiliteit Opbrengsten/are cultuurgrond Teelten onder glas Teelten in open lucht Overige Totale opbrengsten Kosten/are cultuurgrond Zaad- en plantgoed Bestrijdingsmiddelen Meststoffen Energie voor verwarming Werktuigkosten Overige materialen Kosten van grond- en gebouwenkapitaal Verkoopkosten Directe kosten teelten Berekende lonen Betaald personeel Werk door derden Algemene onkosten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat euro/are cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen (in euro per VAK.) Arbeidsinkomen (in euro per are cultuurgrond)
2005 1,4 2,66
2006 1,4 2,47
1.136 529 78 1.743
1.017 516 57 1.589
233 25 20 190 144 135 271 79 70 498 205 24 133 2.027
227 20 20 189 163 100 258 65 62 484 175 19 64 1.848
-284 860
-259 860
21.906 420
23.112 400
Bron: AMS
58
8. Samenvattend overzicht 8.1. Landbouw Gemiddeld voor alle landbouwbedrijven met beroepsmatig karakter is de rentabiliteit in 2006 toegenomen ten opzichte van 2005. Het familiaal arbeidsinkomen per FAK stijgt met 10,7% (figuur 45) en bedraagt 81,6% van het vergelijkbaar inkomen. Figuur 45: Evolutie van familiaal arbeidsinkomen voor het landbouwbedrijf, euro per FAK, 2001-2006 40.000
30.000
20.000
10.000
0 2001
2002
2003
2005
2006
Bron: AMS
De opbrengsten zijn gestegen met 5,2% wat vooral toe te schrijven is aan de inkomsten uit de marktbare gewassen (+11,3%) en de overige opbrengsten (+24,4%). Bij de marktbare gewassen lagen de goede prijzen van aardappelen en graan aan de basis. Door de uitzonderlijke weersomstandigheden was het aanbod van veel akkerbouwproducten op de Europese markten kleiner dan normaal. De sterke toename van de overige opbrengsten heeft te maken met de hervormingen van het GLB. Enerzijds werd de melkpremie in 2006 verder verhoogd als compensatie voor de verdere daling van de interventieprijzen van de zuivelproducten. Anderzijds was 2006 het eerste jaar van de suikerhervorming, waardoor ook in deze sector een premie werd ingesteld ter compensatie van een interventieprijsverlaging. Aan kostenzijde noteerde men eveneens een verhoging (+3,2%), maar in mindere mate dan bij de opbrengsten. De variabele kosten (+4,4%) stegen sterker dan de vaste (+2,1%). Het opvallendst in 2006 waren de stijging van de kosten voor veevoeders (in navolging van de krapte op de graanmarkt), energie en grond- en gebouwenkapitaal. De inkomensverbetering is merkbaar in alle geanalyseerde sectoren, behalve in de varkenssector. Figuur 46 geeft een overzicht van het bedrijfsinkomen voor alle productierichtingen ten opzichte van het gemiddeld inkomen in de Vlaamse landbouw. Ondanks de lichte inkomensverslechtering in de varkenssector, scoort de varkenshouderij in 2006 een sterk resultaat. De vleesveesector komt als minst rendabele bedrijfstak naar voren.
59
Figuur 46: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK (% afwijking t.o.v. het Vlaams gemiddelde), 2006
Varkens
Vleesvee
Melkvee sterk gespecialiseerd
Akkerbouw
-40%
-30%
-20%
-10%
0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
Bron: AMS
60
Tabel 35: Overzicht bedrijfsresultaten van de landbouwsector, 2001-2006 1. Evolutie 2001-2006 Overzicht bedrijfsresultaten van de landbouwsector Aantal bedrijven in steekproef Oppervlakte cultuurgrond (ha) Aantal VAK Aantal FAK
2001 480 31,0 1,51 1,49
2002 472 31,6 1,50 1,48
2003 453 31,6 1,49 1,47
2005 416 36,2 1,61 1,58
2006 418 36,9 1,61 1,57
Netto bedrijfsresultaat/ha cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten
-320 945
-915 844
-827 862
-417 928
-325 946
1.327 27.564
783 16.702
899 19.319
1.180 27.087
1.272 29.973
-
-
-
1.427 32.774
1.555 36.651
Familiaal arbeidsinkomen/ha cultuurgrond Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen/ha cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK
2. Resultaten per productierichting Resultaten per productierichting
Akkerbouw
Melkvee
Vleesvee
Varkens
Totaal landbouw
Aantal bedrijven in steekproef Oppervlakte cultuurgrond (ha) Aantal FAK
56 45,9 1,39
91 36,0 1,48
25 45,6 1,34
59 16,2 1,54
418 36,9 1,57
Netto bedrijfsresultaat per ha cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten
-134 961
-508 890
-625 825
1.056
-325 946
Familiaal arbeidsinkomen per ha cultuurgrond Familiaal arbeidsinkomen per FAK
878 28.898
1.083 26.366
501 17.038
49.693
1.272 29.973
Bedrijfsinkomen per ha cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK
1.038 34.169
1.329 32.356
768 26.110
55.719
1.555 36.651
Bron: AMS
61
8.2. Tuinbouw Gemiddeld voor alle tuinbouwbedrijven met beroepsmatig karakter is de rentabiliteit in 2006 een weinig toegenomen ten opzichte van 2005 (figuur 47). Het arbeidsinkomen per VAK bedraagt in 2006 26.514 euro (72% van het vergelijkbaar inkomen), wat resulteerde uit een daling bij de groentebedrijven (-1,5%) en een stijging bij de fruitbedrijven (+2,6%) en de sierteeltbedrijven (+5,5%). Wat de deelsectoren betreft, werden de voornaamste dalingen in het inkomen opgetekend bij de glasgroente-, aardbeien- en de snijbloemenbedrijven. De champignonbedrijven en azaleabedrijven deden het dan weer goed. Figuur 47: Evolutie van het arbeidsinkomen voor het tuinbouwbedrijf (euro per VAK), 2001-2006 30.000
20.000
10.000
0 2001
2002
2003
2005
2006
Bron: AMS
Een vergelijking van de diverse sectoren ten opzichte van het gemiddelde Vlaamse bedrijfsinkomen in de tuinbouw wordt weergegeven in figuur 48. Hieruit blijkt het sterke resultaat van de fruitsector en de zwakke inkomenspositie van de snijbloemenbedrijven in 2006. Figuur 48: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK (% afwijking t.o.v. het Vlaams gemiddelde), 2006 champignons aardbeien glasgroenten groenten open lucht potplanten azalea's snijbloemen fruit -70% -60% -50% -40% -30% -20% -10% 0%
10% 20% 30% 40% 50% 60%
Bron: AMS
62
Tabel 36: Evolutie bedrijfsresultaten van de tuinbouwsector, 2001-2006 Evolutie bedrijfsresultaten van de tuinbouwsector Aantal bedrijven in steekproef Referentieoppervlakte (ha) Aantal VAK
2001(*)
2002(*)
2003(*)
2005
2006
288 5,5 2,73
274 5,4 2,62
262 5,5 2,82
235 7,0 3,17
234 6,9 3,21
Netto bedrijfsresultaat/ha Opbrengst per 1.000 euro kosten
-2.200 943
-1.900 952
-1.200 971
-3.144 919
-3.212 921
Arbeidsinkomen/ha Arbeidsinkomen per VAK (*): inclusief boomkwekerijbedrijven
12.700 25.285
13.500 27.537
14.800 29.572
11.860 26.138
12.271 26.514
Tabel 37: Overzicht bedrijfsresultaten tuinbouwsector per deelsector, 2006 Overzicht bedrijfsresultaten tuinbouwsector per deelsector
Groenten
Fruit
Niet-eetbare
Tuinbouw
115 5,3 3,25 1,85
58 16,9 3,93 1,58
61 1,4 2,47 1,66
234 6,9 3,21 1,75
Netto bedrijfsresultaat per ha referentieoppervlakte Opbrengst per 1000 euro kosten
-4.842 913
87 1.005
-25.878 860
-3.212 921
Arbeidsinkomen per ha referentieoppervlakte Arbeidsinkomen per VAK
15.769 25.699
7.088 30.448
40.046 23.112
12.271 26.514
Familiaal arbeidsinkomen per ha referentieoppervlakte Familiaal arbeidsinkomen per FAK
8.906 25.447
3.824 40.856
22.556 19.292
6.831 27.138
Bedrijfsinkomen per ha referentieoppervlakte Bedrijfsinkomen per FAK
10.785 30.814
4.839 51.692
29.206 24.978
8.476 33.676
Aantal bedrijven in steekproef Referentieoppervlakte (ha) Aantal VAK Aantal FAK
Bron: AMS
63
Bijlagen Bijlage 1: Methodologische toelichting Waarnemingsveld Het waarnemingsveld omvat alle Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven, die bij de meitelling door de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie geteld zijn en een beroepsmatig karakter hebben (d.w.z. een economische omvang van minstens 4 SGE 3 ). Zowel de bedrijven waarvan het bedrijfshoofd een natuurlijk persoon is als bedrijven met een rechtspersoon aan het hoofd komen in aanmerking. De bedrijven zonder landbouwproductie (aannemers voor landbouwwerken en de coöperatieven voor gemeenschappelijk gebruik van landbouwmachines) en de openbare instellingen (onderzoeksinstellingen, onderwijsinstellingen, enz.) met landbouwproductie behoren echter niet tot het waarnemingsveld. Voor de berekening van de rentabiliteit werd de populatie beperkt tot 120 SGE gezien de moeilijkheid om de bedrijven van een heel grote dimensie te vertegenwoordigen. De referentiepopulatie telt in 2006 15.718 landbouwbedrijven en 3.852 tuinbouwbedrijven 4 .
Steekproef De resultaten 2006, die in dit verslag worden opgenomen, zijn afkomstig van respectievelijk 418 en 234 Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven met een economische omvang van 4 tot 120 SGE, waarvan de resultaten als normaal kunnen worden beschouwd. De samenstelling van de steekproef is gebaseerd op het plan van steekproeftrekking. In dit plan van steekproeftrekking wordt berekend hoeveel bedrijven er van elk bedrijfstype en van elke klasse van economische bedrijfsomvang nodig zijn per landbouwstreek om voor ieder bedrijfstype het inkomen met dezelfde graad van nauwkeurigheid te kunnen schatten. Voor de tuinbouw wordt er geen opdeling gemaakt per landbouwstreek, enkel per bedrijfstype en dimensieklasse. De basisperiode voor het bijhouden van deze boekhoudingen valt samen met het kalenderjaar (1 januari – 31 december).
3
Een standaardgrootte-eenheid is een eenheid om de economische bedrijfsomvang van een onderneming te meten. Een SGE is gelijk aan 5.755 euro bruto standaardsaldo “2002” (gemiddelde 2000 tot en met 2004) en 5.380 euro bruto standaardsaldo “2000”. Voor meer details over de bruto standaardsaldi wordt verwezen naar de publicatie: R. Debecker, E. Demuynck, Vlaamse brutostandaardsaldi voor de gewassen en de veehouderij (2000-2004), AMS, Brussel, 64 p. 4
Bij gebrek aan voldoende bedrijven in het LMN van een aantal bedrijfstypes, worden deze types niet opgenomen in de referentiepopulatie (zie wegingssysteem). De bedrijfstypologie werd berekend op basis van BSS 2000 naar analogie met de steekproef van het LMN.
64
Wegingssysteem - weging resultaten landbouwbedrijven Een systeem van weging, op basis van typologie, landbouwstreek en grootteklasse, wordt toegepast op de resultaten van de boekhoudingen, waarbij de waargenomen waarden worden geĂŤxtrapoleerd naar de verschillende groepen van de betrokken landbouwers van het waarnemingsveld. Om het wegingssysteem te kunnen toepassen, worden de bedrijven van de steekproef en van de referentiepopulatie verdeeld in een aantal cellen. Daarbij worden de bedrijven ingedeeld in 5 streken, 8 bedrijfstypes en 3 klassen van economische bedrijfsomvang. Tenzij anders vermeld zijn de gegevens die in dit rapport voorkomen voor een agglomeraat van bedrijven bekomen door weging van de berekende gemiddelde steekproefwaarde in de verschillende cellen van dit agglomeraat (streek x bedrijfstype x grootteklasse) met het aantal bedrijven die in de referentiepopulatie in deze cellen voorkomen. Indien het gaat over de verhouding tussen twee gegevens (opbrengst per hectare cultuurgrond, enz.), dan betreft het de deling van de gewogen gemiddelde waarde van de teller door de gewogen gemiddelde waarde van de noemer. De 5 bestudeerde landbouwstreken zijn: Polders en Duinen, Zandstreek, Kempen (+ Luikse Weidestreek), Zandleemstreek en Leemstreek. De limieten van de drie klassen van economische bedrijfsomvang (uitgedrukt in SGE) zijn: van 4 tot minder dan 15, van 15 tot minder dan 26, van 26 tot minder dan 120. De bedrijfstypes of de productierichtingen (PR) zijn gebaseerd op de communautaire typologie 5 . De bedrijfstypes die voor de weging van de resultaten van de landbouwbedrijven in rekening worden gebracht zijn:
Codes 1 411 412 42 43 501 602 tot 605 71 72 811+812
5
Bedrijfstypes : Gespecialiseerde akkerbouwbedrijven (akkerbouw) : Gespecialiseerde melkveebedrijven (melkvee, sterk gespecialiseerd) : Gespecialiseerde melkveebedrijven met jongvee (melkvee, matig gespecialiseerd) : Gespecialiseerde rundveejong- en mestveebedrijven (mestvee) : Rundveebedrijven : melk, jong- en mestvee gecombineerd (gemengd rundvee) : Gespecialiseerde varkensbedrijven (varkens) : Bedrijven met combinaties van gewassen (combinaties van gewassen) : Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op graasdieren (combinaties van veeteelt - rundvee) : Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op veredeling (varkens - rundvee) : Bedrijven met combinaties van akkerbouw en melkvee (akkerbouw en melkvee)
De classificatie volgens de productierichting is gebaseerd op een beslissing van de E.G.-Commissie van 7 juni 1985 houdende de instelling van een communautaire typologie van de landbouwbedrijven (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, L220, 17 augustus 1985).
65
813+814 82
: Bedrijven met combinaties van akkerbouw met graasdieren andere dan melkvee (akkerbouw en ander rundvee) : Bedrijven met diverse gewassen- en veeteeltcombinaties (akkerbouw en varkens)
Bij gebrek aan voldoende pluimveebedrijven in het LMN (productierichting 502 en 503), worden deze types niet in de analyse opgenomen. Een aantal productierichtingen worden voor de weging bijeengevoegd, zodat er uiteindelijk 8 bedrijfstypes overblijven, namelijk: 1+602 tot en met 605 411 412 42 43+71 501 72+82 811 tot en met 814
Akkerbouw Melk, sterk gespecialiseerd Melk, matig gespecialiseerd Mestvee Gemengd rundvee Varkens Varkens en rundvee of akkerbouw Akkerbouw en rundvee
- weging resultaten tuinbouwbedrijven Het wegingssysteem voor de tuinbouw is een gelijkaardig systeem als dat voor de landbouw, maar er wordt geen opdeling naar landbouwstreek gemaakt. De bedrijven van de steekproef en van de referentiepopulatie worden verdeeld in een aantal cellen. Daarbij worden de bedrijven ingedeeld in 10 bedrijfstypes en 3 klassen van economische bedrijfsomvang.
Een tuinbouwbedrijf wordt gedefinieerd als een bedrijf waar meer dan twee derde van zijn totaal bruto standaardsaldo afkomstig is van tuinbouwteelten . De indeling van de bedrijven gebeurt niet volgens de EU-typologie, maar volgens een classificatiesysteem zoals dit door het CLE werd opgesteld 6 . Men onderscheidt voor de weging volgende types van bedrijven: Groentebedrijven 1. champignons 2. aardbeien 3. gespecialiseerde glasgroenten 4. overige glasgroenten 5. overwegend groenten in open lucht Sierteeltbedrijven 6. potplanten 7. azalea’s 8. snijbloemen 9. overige bloemen
6
Voor meer details wordt verwezen naar de volgende publicatie: D. Van Lierde, N. Taragola, Structuur van de Belgische tuinbouwbedrijven in 1999, CLE-studie A90, Brussel, 205p. Er werden wel twee wijzigingen doorgevoerd voor de weging: de begoniabedrijven werden onder de overige bloemen geklasseerd en de naam van kasplanten werd vervangen door potplanten.
66
Fruitbedrijven 10. fruit Daarnaast bestaan er nog drie andere types, nl. de boomkwekerijbedrijven, de bedrijven met overige blijvende teelten (andere dan gespecialiseerde boomkwekerij- en fruitbedrijven) en de overige tuinbouwbedrijven. Deze types zijn echter niet in de analyse opgenomen omdat ze onvoldoende vertegenwoordigd zijn in de steekproef of een te gemengd karakter hebben. De limieten van de drie klassen van economische bedrijfsomvang (uitgedrukt in SGE) zijn: van 4 tot minder dan 15, van 15 tot minder dan 26, van 26 tot minder dan 120.
Rentabiliteit Het beoordelen van bedrijfsresultaten gebeurt met behulp van een aantal rentabiliteitscriteria. Deze kengetallen zijn gebaseerd op de opbrengsten en de kosten van het bedrijf. De opbrengsten en kosten worden exclusief BTW geboekt. Alle kosten of slechts bepaalde kosten van de opbrengsten in mindering brengen, resulteert in andere inkomenscriteria. In wat volgt worden eerst enkele conceptuele en methodologische toelichtingen in verband met opbrengsten en kosten gegeven om daarna een aantal rentabiliteitscriteria te definiĂŤren. - Opbrengsten Landbouw Voor de bepaling van de opbrengsten wordt het bedrijf ingedeeld in 4 bedrijfstakken: marktbare gewassen, rundveehouderij (inclusief graasdieren) en voedergewassen, varkenshouderij, pluimveehouderij en overige. De opbrengsten van een landbouwbedrijf bestaan uit de waarde van de verkochte landbouwproducten, de inventarisverandering van de voorraden, de omzet en aanwas van het vee en de waarde van de marktbare producten van het bedrijf verbruikt in het huishouden of op het bedrijf (als zaaizaad of veevoeder). De ruwvoedergewassen die door het grondgebonden vee (runderen) worden verbruikt, worden niet gewaardeerd omdat zij deel uitmaken van de bedrijfstak rundvee. Wanneer een deel van deze voeders gevoederd wordt aan ander vee dan runderen, dan wordt dit gewaardeerd als een opbrengst van de tak rundveehouderij en als kost voor de andere diersoort. Tuinbouw Bij de tuinbouwboekhoudingen worden de opbrengsten ingedeeld in opbrengsten van tuinbouwteelten en de overige opbrengsten. De opbrengsten van een tuinbouwbedrijf bestaan uit de waarde van de verkopen, verbruiken en voorraadveranderingen van de tuinbouwteelten en de opbrengsten van de landbouw die
67
berekend worden zoals hierboven beschreven. De verdere onderverdeling van de opbrengsten tuinbouwteelten is verschillend naargelang van de sector. De opbrengsten van de landbouw worden steeds in de post overige in rekening gebracht.
- Kosten Het voortbrengen van landbouwproducten vereist de inzet van productiefactoren, nl. arbeid en kapitaal (inclusief grond). De hiermee gepaard gaande kosten worden de factorkosten genoemd. De factorkosten bestaan uit de vergoeding voor de arbeid van bedrijfsleider, gezinsleden en derden en uit de beloning voor het kapitaal (grond- en bedrijfskapitaal). De non-factorkosten omvatten onder meer de kosten voor zaad- en pootgoed, bestrijdingsmiddelen, meststoffen en veevoeder, afschrijvingen, loonwerk en onderhoudskosten. Zowel de factorkosten als non-factorkosten bestaan deels uit betaalde en deels uit aangerekende kosten. De aangerekende kosten bij de factorkosten omvatten de (berekende) vergoeding voor de familiale arbeid en de vergoeding voor kapitaal. Van de non-factorkosten zijn alle afschrijvingen en intern verbruik berekende kosten. Naast de indeling in factor- en non-factorkosten kunnen de kosten ook opgesplitst worden in structurele (vaste) en operationele (variabele) kosten. Kosten van grond, gebouwen, werktuigen en arbeidskrachten houden verband met de structuur van het bedrijf. Deze structurele kosten zijn vast op korte en middellange termijn. Kosten die op korte termijn sterk variĂŤren met de omvang (meststoffen, veevoeders, enz.) worden operationele kosten genoemd. In het schema op volgende bladzijde wordt een vergelijking gemaakt van de indeling in factor- en non-factorkosten met de opsplitsing naar structurele en operationele kosten.
- Rentabiliteitscriteria Voor de analyse van de bedrijfsresultaten bestaat er een waaier aan rentabiliteitscriteria. De definitie van een aantal worden in volgend schema weergegeven. Voor de opstelling van het rentabiliteitsverslag worden het netto bedrijfsresultaat, het (familiaal) arbeidsinkomen en het bedrijfsinkomen berekend. Netto bedrijfsresultaat Het netto bedrijfsresultaat is het verschil van de totale opbrengsten en de totale kosten van het bedrijf en kan positief (winst) of negatief (verlies) zijn. Dit kengetal geeft aan in welke mate de totale opbrengsten al of niet toereikend zijn om alle kosten te dekken. Alle productiefactoren krijgen hierbij een normale vergoeding, dus ook de familiale arbeid en het kapitaal. De vergoeding voor de familiale arbeid omvat enkel een vergoeding voor de handenarbeid van het bedrijfshoofd en de overige gezinsleden. Het ondernemersloon (de vergoeding voor de bedrijfsleiding en ondernemerschap) is echter niet in de kosten begrepen.
68
Netto bedrijfsresultaat
Zaai- en pootgoed Veevoeders
Meststoffen
Operationele of variabele kosten
Bestrijdingsmiddelen
Non-factorkosten
Overige operationele kosten
Kosten grond, gebouwen en werktuigen
Afschrijvingen
T o t a l e o p b r e n g s t e n
Overige structurele kosten
Betaalde lonen A r b e i d
F a c t o r k o s t e n
Vergoeding bedrijfsleider
Vergoeding gezinsleden B e d r i j f s k a p i t a a l
Aangerekende vergoeding bedrijfskapitaal
Betaalde intresten bedrijfskapitaal
S t r u c t u r e l e o f
T o t a l e k o s t e n
v a s t e k o s t e n
Aangerekende pacht G r o n d
Betaalde pacht
69
Het netto bedrijfsresultaat kan dan ook beschouwd worden als de beloning voor het management van de bedrijfsleider. Een ander kengetal waarbij alle productiefactoren een normale vergoeding wordt toegerekend, is de opbrengsten per 1.000 euro kosten. Bij een verhouding groter (kleiner) dan 1.000 is het netto bedrijfsresultaat positief (negatief). De opbrengsten-kostenverhouding geeft het relatieve verschil aan tussen opbrengsten en kosten. (Familiaal) arbeidsinkomen Het is duidelijk dat de toegerekende lonen op familiale bedrijven een aanzienlijk deel van de totale kosten vertegenwoordigen. Aangezien deze kosten niet werkelijk betaald worden, is het interessant om naast het bedrijfsresultaat ook het familiaal arbeidsinkomen te berekenen. Het familiaal arbeidsinkomen wordt bekomen door van de totale opbrengsten alle kosten, behalve het toegerekend loon van de familiale arbeidskrachten, in mindering te brengen. Het is de vergoeding van alle familiale arbeid (incl. arbeid bedrijfsleider) vermeerderd met het netto bedrijfsresultaat. Teneinde de eenheidsinkomsten in de landbouw te berekenen, wordt dit criterium uitgedrukt per aantal niet-betaalde (meestal familiale) volwaardige arbeidskrachten (FAK., zie toelichting tabellen). Het totaal arbeidsinkomen is het familiaal arbeidsinkomen vermeerderd met de betaalde lonen. Dit inkomen wordt uitgedrukt per volwaardige arbeidskracht (VAK, zie toelichting tabellen). Deze indicator maakt het mogelijk om bedrijven te vergelijken die in verschillende mate een beroep doen op betaald personeel. Het familiaal arbeidsinkomen per FAK of arbeidsinkomen per VAK kan vergeleken worden met de rest van de economie. Daartoe wordt dit kengetal vergeleken met het vergelijkbaar inkomen. Dit komt overeen met het gemiddelde bruto salaris van een voltijds tewerkgestelde loontrekkende. Bedrijfsinkomen Het bedrijfsinkomen omvat naast de vergoeding voor de familiale arbeid en het ondernemerschap ook de vergoeding voor de inbreng van eigen kapitaal van de ondernemer. Dit kengetal wordt berekend door het familiaal arbeidsinkomen te vermeerderen met de toegerekende interesten en pachten op het eigen grond- en bedrijfskapitaal. Om de bedrijven te vergelijken wordt dit criterium uitgedrukt per aantal niet-betaalde (meestal familiale) volwaardige arbeidskrachten (FAK, zie toelichting tabellen).
In het schema op volgende bladzijde worden de diverse rentabiliteitscriteria schematisch weergegeven.
70
Betaalde lonen
Vergoeding gezinsleden Totaal arbeidsinkomen Familiaal arbeidsinkomen
Vergoeding bedrijfsleider Arbeidsinkomen bedrijfsleider
Bedrijfsinkomen
Netto bedrijfsresultaat T o t a l e o p b r e n g s t e n
Aangerekende vergoeding bedrijfs- en grondkapitaal
Afschrijvingen
Betaalde intresten bedrijfskapitaal
Betaalde pacht
Non-factorkosten (excl. afschrijvingen)
71
Bijlage 2: Definities indicatoren Oppervlakte cultuurgrond De oppervlakte cultuurgrond is gelijk aan de beteelde oppervlakte in eigendom of in pacht. Dit is de totale kadastrale oppervlakte van het bedrijf verminderd met de oppervlakte van gebouwen, binnenplaats, wegen, grachten, tuin, bos, enz. Oppervlakte grasland en voedergewassen De oppervlakte grasland heeft betrekking op het tijdelijk en blijvend grasland (inclusief het begraasde gedeelte van boomgaarden en uitloopweide). Grasland als nateelt wordt niet opgenomen. Onder voederteelten verstaat men voederbieten, andere wortel- en knolgewassen, maïs (excl. korrelmaïs), klavers, luzerne en andere voederteelten. Referentieoppervlakte De referentieoppervlakte is voor de champignonbedrijven de totale teeltoppervlakte van de champignonteelt, zijnde het product van de teeltoppervlakte van alle stellingen in één cel, het aantal cellen en het aantal teelten tijdens het boekjaar. Voor de andere bedrijven is dit de beteelde oppervlakte tijdens het boekjaar. Aantal melkkoeien Het aantal melkkoeien geeft het gemiddeld aantal aanwezige melkkoeien in eigendom weer. De dieren worden geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Aantal grootvee-eenheden rundvee (GVER) Dit cijfer geeft het gemiddeld aantal aanwezige grootvee-eenheden rundvee in eigendom weer. Het aantal GVER wordt geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Het aantal GVER wordt bepaald door het aantal dieren (rundvee) in eigendom om te zetten met behulp van volgende coëfficiënten: - runderen jonger dan 3 maanden 0,0 GVER - runderen van 3 maanden tot en met 2 jaar 0,6 GVER - runderen ouder dan 2 jaar 1,0 GVER Aantal zeugen Het aantal zeugen is het gemiddeld aantal aanwezige zeugen in eigendom. De dieren worden geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Aantal vleesvarkens Het aantal vleesvarkens wordt gedefinieerd als het gemiddeld aantal aanwezige vleesvarkens in eigendom. De dieren worden geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Aantal omgerekende varkens Het aantal omgerekende varkens geeft het gemiddeld aantal omgerekende varkens in eigendom weer. De dieren worden geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Een omgerekend varken wordt bepaald door het aantal varkens in eigendom om te zetten met behulp van volgende coëfficiënten:
72
- vleesvarkens - opfokzeugen - zeug - opfokbeer - beer
1,0 omgerekend varken 1,0 omgerekend varken 2,0 omgerekende varkens 1,0 omgerekend varken 1,5 omgerekend varken
Aantal volwaardige arbeidskrachten (VAK) Het aantal VAK is het aantal betaalde en niet-betaalde regelmatig en niet-regelmatig tewerkgestelde personen die omgerekend worden tot volwaardige arbeidskrachten. Een VAK vertegenwoordigt dan een persoon van 21 tot 65 jaar die voltijds op het landbouwbedrijf werkzaam is. De omrekening gebeurt als volgt. Eerst wordt het aantal personen omgezet tot arbeidskrachten. Het aantal arbeidskrachten wordt bepaald door het aantal gewerkte uren te delen door het aantal gewerkte uren van een voltijds tewerkgestelde (2.400 uren vanaf 2004). Het bedrijfshoofd en/of de bedrijfsleider wordt als één eenheid gerekend, tenzij hij/zij nog een nevenactiviteit uitoefent. Een persoon die gedurende het boekjaar meer dan 2.400 uren gewerkt heeft, telt eveneens voor één eenheid. Voor de verdere omzetting van arbeidskrachten naar VAK worden er nog coëfficiënten toegepast om de arbeidsgeschiktheid in rekening te brengen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de niet betaalde en betaalde arbeidskrachten. Niet betaalde arbeidskrachten: Leeftijd
%
Geschoold 18 - 65 jaar
100
Ongeschoold 18 - 65 jaar
100
17 jaar
67
16 jaar
58
14 - 15 jaar
50
Betaalde arbeidskrachten: geschoolde meerderjarige: 100% ongeschoolde meerderjarige: 83% minderjarige: 14 - 15 jaar: 50% 16 jaar: 58% 17 jaar: 67% Voor alle arbeidskrachten (betaald en niet-betaald) ouder dan 65 jaar mag de omrekeningsnorm in geen geval hoger zijn dan 67%. Aantal niet-betaalde (meestal familiale) volwaardige arbeidskrachten (FAK) Het aantal FAK is het aantal niet-betaalde regelmatig en niet-regelmatig tewerkgestelde personen die omgerekend worden tot volwaardige arbeidskrachten volgens de normen toegelicht onder ‘aantal volwaardige arbeidskrachten’. Opbrengsten tuinbouwbedrijven De totale opbrengsten bij de tuinbouwsectoren worden ingedeeld in hun voornaamste bestanddelen. Deze indeling is niet dezelfde voor de verschillende bedrijfstypes.
73
- Champignons Dit kengetal omvat de waarde van de champignons van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Tomaten onder glas Tomaten onder glas is de waarde van de tomaten van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. De waarde van tomaten van zowel de verwarmde teelten, de koude teelten als de late teelten zijn opgenomen in deze post. - Komkommers onder glas Komkommers onder glas is de waarde van de komkommers van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. Het betreft hier zowel komkommers van de vroege als van de late teelt die geteeld werden onder glas. - Kropsla onder glas Kropsla onder glas is de waarde van de kropsla van het boekjaar die werd verkocht of verbruikt op het bedrijf. Het betreft hier de lentekropsla, de zomerkropsla, de herfstkropsla en de winterkropsla die geteeld werd onder glas. - Andere groenten onder glas Andere groenten onder glas is de waarde van de groenten, met uitzondering van tomaten, komkommers en kropsla, die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. Aardbeien worden bij de groenten gerekend. Het betreft teelten onder staand of plat glas, en teelten die zowel onder glas als in open grond werden geteeld en verkoopsklaar werden gemaakt onder glas. - Teelten onder glas en champignons Teelten onder glas en champignons is de waarde van alle teelten onder staand of plat glas, van alle teelten die zowel onder glas als in open grond werden geteeld en verkoopsklaar werden gemaakt onder glas, en van de champignons van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Teelten in open lucht Teelten in open lucht is de waarde van alle teelten in open lucht: teelten onder plastic serres, onder plastic kappen, in open grond, in trekbakken voor witloof en teelten die zowel onder glas als in open grond werden geteeld en verkoopsklaar werden gemaakt in open lucht. - Groenten in open lucht Groenten in open lucht is de waarde van de groenten die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. Aardbeien worden bij de groenten gerekend. Het betreft teelten in open grond, onder plastiek serres, onder plastiek kappen of teelten die zowel onder glas als in open grond werden geteeld en verkoopsklaar werden gemaakt in open lucht. De extensieve groenteteelt wordt niet als tuinbouwteelt maar als akkerbouwteelt beschouwd en maakt dus geen deel uit van de groenten in open lucht. - Fruit Fruit is de waarde van het fruit van het boekjaar dat werd verkocht of verbruikt op het bedrijf. Het betreft hier de opbrengst van appelen, peren, krieken, pruimen, braambessen, frambozen, bessen, druiven en kersen. Aardbeien worden bij de groenten en niet bij het fruit gerekend. - Andere teelten (gespecialiseerde fruitbedrijven) Andere teelten is de waarde van de teelten die naast de teelt van fruit en klein fruit worden beoefend en die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf tijdens het boekjaar. - Tuinbouwteelten Tuinbouwteelten is de waarde van de tuinbouwteelten van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Landbouwteelten Landbouwteelten is de waarde van de landbouwteelten van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf.
74
- Potplanten Potplanten is de waarde van de potplanten die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Azalea Azalea is de waarde van de azalea's die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Snijbloemen Snijbloemen is de waarde van de snijbloemen die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Perkplanten Perkplanten is de waarde van de perkplanten die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Overige tuinbouwteelten Overige tuinbouwteelten is de waarde van de tuinbouwteelten van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf en die in de betreffende tabel nog niet werden vernoemd. - Overige opbrengsten Overige opbrengsten is het verschil van totale opbrengsten en de in de tabel reeds geciteerde kostenposten. - Totale opbrengsten Totale opbrengsten zijn alle opbrengsten van het bedrijf. Kosten tuinbouwbedrijven De kosten worden uitgesplitst in hun voornaamste bestanddelen. Deze indeling is niet dezelfde voor de verschillende bedrijfstypes. - Berekende lonen (Arbeid bedrijfsleider en gezin) Dit is het toegerekende loon voor de arbeid van de bedrijfsleider en de gezinsleden. Voor deze arbeid wordt het uurloon berekend op basis van de minimumlonen vastgesteld door het Nationaal Paritair ComitĂŠ voor het tuinbouwbedrijf, verhoogd met de sociale lasten. - Betaald personeel Betaald personeel zijn de werkelijk betaalde lonen en sociale lasten, eventueel verhoogd met de waarde van de voordelen in natura. - Werk door derden Werk door derden zijn de kosten voor de werken door ondernemers met hun eigen machines (bv. ploegen, sproeien, vervoer). - Werktuigkosten Werktuigkosten zijn de kosten voor het normaal onderhoud van werktuigen (machines en voertuigen), de huur van werktuigen, de aanschaffing van klein gereedschap, de kosten van brand- en smeerstoffen, verzekeringen en belastingen alsmede de toegerekende kosten van interesten en afschrijvingen. De afschrijving wordt berekend op de vervangingswaarde. Zodra het bedrag van de gecumuleerde afschrijving gelijk is aan de vervangingswaarde wordt geen afschrijving meer toegerekend voor het betrokken werktuig. Er wordt 5% interest berekend op het gemiddelde van de inventariswaarde bij begin en einde van het boekjaar. - Bestrijdingsmiddelen Bestrijdingsmiddelen zijn de kosten voor de verbruikte bestrijdingsmiddelen (insecticiden, fungiciden, herbiciden, acariciden, bodemontsmetting, loofdoding, groeiregulator, toevoegmiddelen, bewaarmiddelen, rodenticiden, molluskiciden en dergelijke) met betrekking tot de oogst van het boekjaar.
75
- Meststoffen Meststoffen zijn de kosten voor alle verbruikte meststoffen (organische mest, kunstmest, kalkmest, bladvoeding, groenbemester, schuimaarde en dergelijke) voor de teelten van het boekjaar. Dit zijn zowel aangekochte meststoffen als meststoffen van het eigen bedrijf. In deze post zijn eveneens de kosten voor (doorgroeide) compost voor champignon en substraat voor oesterzwam begrepen. - Energie voor verwarming Deze post omvat de kosten voor brandstoffen verbruikt voor verwarming. - Zaad en plantgoed Zaad en plantgoed zijn de kosten voor champignonbroed en voor aangekocht en eigen zaad- en plantgoed voor de teelten van het boekjaar. Aangekochte planten, bestemd voor voortverkoop worden ondergebracht bij de "Directe kosten teelten"; dit kan vooral voorkomen op de potplantenbedrijven. De kosten van jonge bomen voor de aanleg van nieuwe fruitpercelen worden hier niet geboekt; ze worden als investering beschouwd. - Compost Compost zijn de kosten voor (doorgroeide) compost voor champignon en substraat voor oesterzwam verbruikt voor de paddenstoelen van het boekjaar. - Broed Broed zijn de kosten van het verbruikte broed voor de champignons van het boekjaar. - Dekaarde Dekaarde zijn de kosten van de verbruikte dekaarde voor de champignons van het boekjaar. - Overige materialen Overige materialen is het verschil van totaal grondstoffen en de reeds vermelde kostenposten voor grondstoffen. - Totaal grondstoffen Totaal grondstoffen zijn de kosten voor verbruikte bestrijdingsmiddelen, meststoffen, (doorgroeide) compost voor champignon en substraat voor oesterzwam, energieproducten, aangekocht en eigen zaad- en plantgoed, champignonbroed, dekaarde voor champignonteelt, alsook overige grond- en hulpstoffen (zoals steun- en bindmateriaal, substraat, bloempotten, plastic en andere plantbenodigdheden) voor de teelten van het boekjaar. - Kost grond- en gebouwenkapitaal Kost grond- en gebouwenkapitaal zijn de kosten voor grond- en gebouwenkapitaal. Onder grond- en gebouwenkapitaal dient hier te worden verstaan: - de grond - de grondverbeteringen (bv. drainage) - de bedrijfsgebouwen (bv. opslagplaats, garage, champignoncellen, ketelhuis) - de glasopstand met de bijhorende installaties, hierin zijn ook begrepen de installaties voor de witloofforcerie en de installaties op de champignonbedrijven - de afsluitingen en het steunmateriaal - de blijvende beplantingen (bv. bomen, struiken). De kosten van het grond- en gebouwenkapitaal omvatten de betaalde kosten (pacht, huur, verzekeringen, belastingen, normaal onderhoud) en de toegerekende kosten van interest en afschrijving op het geĂŻnvesteerd kapitaal. De afschrijving wordt berekend op de vervangingswaarde. Zodra het bedrag van de gecumuleerde afschrijving gelijk is aan deze vervangingswaarde wordt geen afschrijving meer toegerekend voor het betrokken goed. Er wordt geen afschrijving berekend op de blijvende beplantingen die nog niet in opbrengst zijn.
76
Voor de interestberekening worden volgende procenten toegepast: - grond: 1,5% Er wordt een waarde van de grond genomen die voor de streek van ligging normaal kan worden genoemd. Er wordt alleen interest berekend op de waarde van de grond in eigendom; - grondverbeteringen, bedrijfsgebouwen, glasopstanden, installaties, blijvende beplantingen in opbrengst : 5% op het gemiddelde van de inventariswaarde bij begin en einde van het boekjaar; - blijvende beplantingen die nog niet als in opbrengst beschouwd worden bij het begin van het boekjaar: 5% op de waarde bij het begin van het boekjaar. - Verkoopkosten Verkoopkosten zijn de veilingkosten, huur kisten, marktgeld, inpakmaterialen, commissielonen, productiefonds en dergelijke. Een deel van de verkoopkosten kan echter begrepen zijn in het "werk door derden" (bijvoorbeeld transportkosten). - Directe kosten teelten Dit zijn de keuringskosten, de aankoop van planten voor voortverkoop, grondontleding, de hagelverzekering, de kosten van de bijen, de aankopen op stam, de toegerekende intresten voor planten en het omlopend kapitaal. - Overige onkosten Overige onkosten zijn kosten voor water, telefoon, abonnementen, lidgelden, enz. Ook de kosten van veehouderij (aangekocht en eigen veevoeder, veeartskosten, veeverzekering, quota), van neventakken en de interest op het levend kapitaal zijn in deze post begrepen. Totale kosten Totale kosten zijn de som van totaal bewerkingskosten, totaal grondstoffen en totaal overige kosten. Opbrengsten landbouwbedrijven Bij de landbouwsectoren wordt een onderscheid gemaakt tussen opbrengsten marktbare gewassen, rundveehouderij en voedergewassen, varkenshouderij, pluimveehouderij en overige opbrengsten. - Opbrengsten marktbare gewassen Onder marktbare gewassen verstaat men de land- en tuinbouwgewassen die voornamelijk voor de verkoop worden of kunnen worden geteeld, zoals granen, peulvruchten, vlas, aardappelen en suikerbieten. De opbrengst marktbare gewassen omvat de waarde van de verkochte, in het huishouden verbruikte en de intern verbruikte (als zaaigoed, veevoeder) marktbare gewassen. Verder wordt ook de waarde van de bijproducten van de marktbare gewassen (bv. stro, kleine aardappelen, enz.) en hooi in rekening gebracht, nl. de verkopen en het intern verbruik. Ten slotte wordt ook het inventarisverschil van de hoofd- en bijproducten in rekening gebracht. - Opbrengsten rundveehouderij (graasdieren) en voedergewassen Hierin zijn begrepen: - de waarde van de melkproductie: Dit omvat de waarde van de melkproducten (volle melk en zuivelproducten (boter, room, kaas,‌)), verkocht, verbruikt in het huishouden of gevoederd aan het vee. - de omzet en aanwas van het rundvee: De omzet en aanwas wordt gedefinieerd als: [ V + O(u)] – [A + O(i)] + [(EIvol-BIvol)*(EIw/EIvol+BIw/BIvol)/2], met: V = verkopen O(u) = overgangen uit (waarde van de dieren overgebracht naar een andere veecategorie) A = aankopen O(i) = overgangen in (waarde van de dieren overgebracht naar een andere veecategorie)
77
EIvol(w) = volume (waarde) bij eindinventaris BIvol (w) = volume (waarde) bij begininventaris - overige opbrengsten rundveehouderij en voedergewassen: Deze post omvat onder meer verkochte voedergewassen, inventarisverschillen voedergewassen, opbrengsten schapen, opbrengsten paarden, enz.
- Opbrengsten varkenshouderij Hierin zijn begrepen: - de omzet en aanwas van de varkens: De omzet en aanwas van de varkens wordt op dezelfde wijze berekend als bij het rundvee (zie: opbrengsten rundveehouderij en voedergewassen). - overige opbrengsten varkenshouderij: Deze post omvat onder meer ontvangen dekgelden, enz. - Opbrengsten pluimveehouderij De opbrengsten van de pluimveehouderij omvat de opbrengst van consumptie- en broedeieren (verkopen en verbruik in het huishouden) en de omzet en aanwas van het pluimvee, berekend op dezelfde wijze als het rundvee (zie opbrengsten rundveehouderij en voedergewassen). - Overige opbrengsten Deze omvatten onder meer: - ontvangen subsidies - werk voor derden - opbrengsten van overige dieren - vergoedingen in het kader van BSE, vogelpest, enz. - diverse opbrengsten voor het gehele bedrijf (verhuur quota, enz.). Kosten landbouwbedrijven - Kosten zaad, poot- en plantgoed De kosten voor zaad, poot- en plantgoed, aangekocht en van eigen bedrijf, verbruikt voor de oogst opgenomen in het beschouwde boekjaar. De kosten voor jonge bomen voor de aanleg van nieuwe fruitpercelen worden hier niet geboekt; ze worden als investering beschouwd. - Kosten veevoeders Deze post omvat: - de aangekochte veevoeders - de veevoeders van het eigen bedrijf. Dit zijn de gevoederde marktbare producten van eigen bedrijf. Hierin zijn begrepen: de melkproducten, de hoofd- en bijproducten van de marktbare gewassen en hooi. De door de graasdieren verbruikte voedergewassen (gras, rapen, voederbieten, voedermaĂŻs, enz.) worden niet opgenomen. - Kosten meststoffen Het betreft de aangekochte meststoffen die uitgestrooid worden voor de oogst van het boekjaar. - Kosten bestrijdingsmiddelen Het gaat over de kosten voor bestrijdingsmiddelen die verbruikt werden voor de oogst. - Kosten diergeneeskundige zorgen Dit zijn de dierenartskosten, inclusief de kosten voor de geneesmiddelen. De kosten voor kunstmatige inseminatie worden geboekt onder overige kosten (zie kosten overige).
78
- Kosten energie Deze omvatten de energiekosten voor de in het boekjaar verbruikte energie (elektriciteit, aardgas, stookolie, enz.).
- Kosten werktuigen Het betreft: - afschrijvingen van werktuigen - toegerekende rente op dood kapitaal - werktuigen - onderhoudskosten werktuigen - verzekering werktuigen - belasting werktuigen (verkeersbelasting, belasting op drijfkracht,…) - de aankopen van klein gereedschap - de kosten voor huur van werktuigen - de kosten voor het gebruik van privé-vervoermiddelen voor het bedrijf - kosten voor smeermiddelen De afschrijving wordt berekend op de vervangingswaarde. Voor de toegerekende intresten wordt 5% rente berekend op de gemiddelde balanswaarde (vervangingswaarde – gecumuleerde afschrijvingen). - Kosten grond- en gebouwenkapitaal De kosten van het grond- en gebouwenkapitaal omvatten volgende elementen: - afschrijvingen voor grondverbeteringen, bedrijfsgebouwen, glasopstand, blijvende teelten, afsluitingen, steunmateriaal en quota - toegerekende rente op onroerende goederen (met uitsluiting van de gronden, maar inclusief de aangekochte of overgenomen quota) - kosten huur quota - betaalde pacht (inclusief de door de pachter voor rekening van de eigenaar betaalde lasten) - toegerekende pacht voor de gronden in eigendom - verzekering onroerende goederen - onderhoudskosten voor gebouwen en grondverbeteringen - overige kosten grond- en gebouwenkapitaal (onroerende voorheffing, brandverzekering,…)
De afschrijvingen worden, met uitzondering van de quota, berekend op de vervangingswaarde. Voor de toegerekende intresten wordt 5% rente berekend op de gemiddelde balanswaarde (vervangingswaarde – gecumuleerde afschrijvingen). - Kosten berekende lonen De toegerekende lonen voor de arbeid van de niet-betaalde arbeidskrachten wordt berekend op basis van de CAO-minimumlonen vastgesteld door het Nationaal Paritair Comité voor de land- en tuinbouw, verhoogd met de sociale lasten. - Kosten betaalde lonen Dit zijn de werkelijk betaalde lonen en sociale lasten. - Werk door derden Dit zijn de werken uitgevoerd door ondernemers met hun eigen machines (vb. maaidorsen, sproeien, enz.). - Kosten overige Deze rubriek omvat de niet elders in de desbetreffende tabel vermelde kosten (dekgelden, verzekering, enz.).
79
Netto bedrijfsresultaat Dit bedrag is het verschil tussen de totale opbrengsten en de totale kosten. Een positief (negatief) bedrag duidt een winst (verlies) aan. Opbrengst per 1.000 euro kosten Het gegeven opbrengsten per 1.000 euro kosten geeft weer hoe groot de totale opbrengst is bij 1.000 euro kosten. Indien dit getal groter (kleiner) is dan 1.000, dan is er winst (verlies). Familiaal arbeidsinkomen Het arbeidsinkomen van het gezin is gelijk aan het toegerekend loon voor de niet betaalde regelmatig tewerkgestelde personen, vermeerderd met de winst of verminderd met het verlies. Arbeidsinkomen Het totaal arbeidsinkomen is het familiaal arbeidsinkomen vermeerderd met het betaald loon. Bedrijfsinkomen Het bedrijfsinkomen is het familiaal arbeidinkomen vermeerderd met de toegerekende vergoeding op het eigen geĂŻnvesteerde bedrijfs- en grondkapitaal.
80
Bijlage 3: Lijst met figuren Figuur 1: Verdeling volgens grootteklasse, 2006.................................................................................................... 5 Figuur 2: Verdeling van de variabele kosten per ha wintertarwe, 2006.................................................................. 7 Figuur 3: Verdeling van de variabele kosten per ha bewaaraardappelen, 2006 ...................................................... 8 Figuur 4: Verdeling van de variabele kosten per ha suikerbieten, 2006 ............................................................... 10 Figuur 5: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2006............................. 10 Figuur 6: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2006...................................... 11 Figuur 7: Verdeling van de gespecialiseerde melkveebedrijven volgens aantal melkkoeien, 2006...................... 14 Figuur 8: Evolutie van de prijs van koeien (euro per 100kg) en nuchtere kalveren (euro per stuk), 2001-2006 .. 15 Figuur 9: Verdeling van de variabele kosten per GVER, 2006............................................................................. 16 Figuur 10: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2006............................... 16 Figuur 11: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2006........................................ 17 Figuur 12: Verdeling volgens grootteklasse, 2006................................................................................................ 19 Figuur 13: Evolutie van de verkoopprijzen van de levende dieren in euro per 100 kg, 2001-2006...................... 20 Figuur 14: Structuur van de variabele kosten per GVER, 2006............................................................................ 21 Figuur 15: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde rundvleesveebedrijven, 2006 ....................... 22 Figuur 16: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2006...................................... 22 Figuur 17: Verdeling volgens grootteklasse, 2006................................................................................................ 26 Figuur 18: Evolutie van de prijs van biggen en zeugen (euro/100kg), 2001-2006 ............................................... 27 Figuur 19: Verdeling van de variabele kosten per zeug, 2006 .............................................................................. 28 Figuur 20: Evolutie van de prijs van vleesvarkens, euro/100kg, 2001-2006 ........................................................ 29 Figuur 21: Verdeling van de variabele kosten per vleesvarken, 2006................................................................... 29 Figuur 22: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2006................................ 30 Figuur 23: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2006......................................... 31 Figuur 24: Verdeling bedrijven volgens grootteklasse, 2006................................................................................ 34 Figuur 25: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde glasgroentebedrijven, 2006 ................................... 36 Figuur 26: Structuur van de variabele kosten voor de productie van tomaten, 2006 ............................................ 37 Figuur 27: Structuur van de variabele kosten voor de productie van komkommers onder glas, 2006.................. 38 Figuur 28: Structuur van de variabele kosten voor de productie van kropsla onder glas, 2006............................ 38 Figuur 29: Structuur van de kosten voor de bedrijven met overwegend groenten in open lucht, 2006 ................ 40 Figuur 30: Structuur van de variabele kosten bij de teelt van prei in volle grond, 2006....................................... 41 Figuur 31: Structuur van de variabele kosten bij de productie van bloemkolen in volle grond, 2006 .................. 42 Figuur 32: Structuur van de kosten voor de champignonbedrijven, 2006............................................................. 43 Figuur 33: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, 2006...................................... 44 Figuur 34: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, 2006 ................................ 45 Figuur 35: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, 2006 ......................................... 45 Figuur 36: Verdeling volgens grootteklasse, 2006................................................................................................ 47 Figuur 37: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde fruitbedrijven (zonder aardbeienbedrijven), 2006. 48 Figuur 38: Structuur van de variabele kosten voor de productie van fruitgewassen, 2006 ................................... 49 Figuur 39: Verdeling van de sierteeltbedrijven per grootteklasse, 2006 ............................................................... 52 Figuur 40: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde potplantenbedrijven, 2006 .................................... 54 Figuur 41: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde azaleabedrijven, 2006 ........................................... 55 Figuur 42: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, 2006.................................. 56 Figuur 43: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2006................................ 57 Figuur 44: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2006......................................... 57 Figuur 45: Evolutie van familiaal arbeidsinkomen voor het landbouwbedrijf, euro per FAK, 2001-2006........... 59 Figuur 46: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK (% afwijking t.o.v. het Vlaams gemiddelde), 2006 ...... 60 Figuur 47: Evolutie van het arbeidsinkomen voor het tuinbouwbedrijf (euro per VAK), 2001-2006 .................. 62 Figuur 48: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK (% afwijking t.o.v. het Vlaams gemiddelde), 2006 ...... 62
81
Bijlage 4: Lijst met tabellen Tabel 1: Structuur van de gespecialiseerde akkerbouwsector, 2001-2006.............................................................. 5 Tabel 2: Evolutie van de opbrengstcijfers van wintertarwe, 2001-2006 ................................................................. 6 Tabel 3: Regionale opbrengstcijfers van wintertarwe, 2006 ................................................................................... 6 Tabel 4: Evolutie van de opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, 2001-2006 ..................................................... 7 Tabel 5: Regionale opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, 2006 ....................................................................... 8 Tabel 6: Evolutie van de opbrengstcijfers van suikerbieten, 2001-2006................................................................. 9 Tabel 7: Regionale opbrengstcijfers van suikerbieten, 2006................................................................................... 9 Tabel 8: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, euro, 2001-2006................................ 12 Tabel 9: Structuur van de gespecialiseerde melkveesector, 2001-2006 ................................................................ 13 Tabel 10: Evolutie van de rentabiliteitstcijfers melk, 2001-2006 ......................................................................... 15 Tabel 11: Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde melkveebedrijven, 2001-2006 .................................. 18 Tabel 12: Structuur van de gespecialiseerde vleesveebedrijven, 2001-2006 ........................................................ 19 Tabel 13: Evolutie van de opbrengstcijfers vlees, 2005-2006............................................................................... 20 Tabel 14: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2001-2006 ......................................... 24 Tabel 15: Structuur van de gespecialiseerde varkenssector, 2001-2006 ............................................................... 25 Tabel 16: Evolutie van de rentabiliteitscijfers zeugenhouderij, 2001-2006 .......................................................... 27 Tabel 17: Evolutie van de opbrengstcijfers vleesvarkenshouderij, 2001-2006 ..................................................... 28 Tabel 18: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2001-2006 ............................................ 32 Tabel 19: Structuur van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven....................................................... 33 Tabel 20: Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde glasgroentebedrijven, euro per are, 2001-2006......... 36 Tabel 21: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken tomaten, komkommer en kropsla, 2005-2006 ................... 37 Tabel 22: Bedrijfsresultaten van de bedrijven met overwegend groenten in open lucht, euro per ha, 2001-2006 40 Tabel 23: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken prei en bloemkool, 2005-2006 ........................................... 41 Tabel 24: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde champignonbedrijven, euro per VAK, 2001-2006 ............ 43 Tabel 25: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, euro per ha, 2001-2006 ..................... 44 Tabel 26: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven, 2001-2006 ...................... 46 Tabel 27: Structuur van de gespecialiseerde fruitbedrijven, 2001, 2005 en 2006................................................. 47 Tabel 28: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken appelen en peren, 2005 – 2006 .......................................... 49 Tabel 29: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde fruitteeltbedrijven (excl. aardbeien), 2001-2006 ............... 50 Tabel 30: Structuur van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven (exclusief boomkwekerij), 2001-2006 ............... 51 Tabel 31: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde potplantenbedrijven, euro per are, 2001-2006................... 53 Tabel 32: Structuur van de opbrengsten voor gespecialiseerde azaleabedrijven, euro per are, 2001-2006 .......... 54 Tabel 33: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, 2001-2006 ................. 56 Tabel 34: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2006 ..................................................... 58 Tabel 35: Overzicht bedrijfsresultaten van de landbouwsector, 2001-2006 ......................................................... 61 Tabel 36: Evolutie bedrijfsresultaten van de tuinbouwsector, 2001-2006 ............................................................ 63 Tabel 37: Overzicht bedrijfsresultaten tuinbouwsector per deelsector, 2006........................................................ 63
82