1
tete
Ji IIIJ R
•^ v^ .'"' wm*»'
4
A-~*-
II"
^'TT^^BIMBBM
II
^•^SSSSSm
+
•'
&
ixifei' i
• . . • •
&
# !
**
m fm m&m&j 'S r
m
hhh
••^-•«1
mwpi
MONUMENTEN & LANDSCHAPEEN 17/4//
AUGUSTUS 1998//
TWEEMAANDELIJKS //
" ffW ^ »-fi
OVENGRONDS EN ONDERGRONDS MILIEUBEWUST ACTIEF
DENYS
Restauratie buitengevels gerechtshof •Kasteel" van Turnhout Renovatie Justitiepaleis Gent ornamenten voorgevel
m '"•EQCI-'
^ B F VEILIGHEIDS B P B ^ B ÉF~% C HECKLIJST ^ ^ ^ ^ B ^ÏÊÈlKjk. A ANNEMERS fl^rWP VCA*" gecertificeerd bedrijf
DENYS
• • • • • • • • •
Pijpleidingen, waterleidingen en collectoren Industriële leidingen en electromechanische uitrustingen Pompstations en waterzuiveringsinstallaties Renovatiewerken en speciale technieken Grondwerken en burgerlijke bouwkunde Tunnels, buisdoorpersingen en boringen Restauratiewerken Spoorwerken Milieutechnieken
Industrieweg 124 - 9032 WONDELGEM (Gent) België Tel. +32 (0)9/254 01 11 - Fax +32 (0)9/226 77 71
Tweemaandelijks lijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Afdeling Monumenten en Landschappen
MONUMENTEN
Afgiftekantoor; Brussel X
EN
LANDSCHAPPEN Redactie Monumenten en Landschappen. Graaf de Ferraris-gebouw Emile Jacqmainlaan 156 bus 7, 1000 Brussel. Tel.: (02) 553 82 34 - Fax; (02) 553 82 05. Eindredactie: M.M. Celis. Vormgeving en productie: L. Tack. Zetwerk en secretariaat: D. Torbeyns,
ISSN 0770-4948 •
17 jaargang Nr. 4 •
juli - augustus 1998
Inhoud Het feestlokaal van Vooruit Romain Berteloot en Rik Vandecaveye
14
Kleuren in de Unitaswijk (1923/1932-1998) Mimi Debruyn
37
Redactiecomité Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans. J. Bracken. M. Buyle. M.M. Celis. M. De Borgher. J. De Schepper. M. Fierlafijn, J. Gyselinck. A. Malliet. G. Plomteux. L. Tack. J. Termote, S. Van Aerschot. Hedwig Van den Bossche. Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo. L. Wvlleman.
Summary Binnenkrant
Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73.8310 Sint-Kruis Tel.: (050) 36 25 89 - Fax: (050) 37 33 64.
Druk Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050) 33 12 35 - Fax: (050) 34 37 68.
Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Zandstraat 3. 1000 Brussel De verantwoordelijkheid voorde gepubliecerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle reehten voor het reprodueeren. vertalen ot herwerken zijn voorbehouden.
Abonnementsvoorwaarden 1998 België: 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.). CJP'ers betalen: 950 fr. Buitenland: 1300 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen. Graaf de Ferraris-gebouw, Emile Jacqmainlaan 156 bus 7, 1000 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 1998". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
Cover
Unitaswijk (foto: 0 . Pauwels)
Steenbakkerij H O V E BVBA
mmmmmi BREUGHEL, echte handvormsteen gemaakt naar aloude werkwijze.
De handvorm wordt op ambachtelijke wijze gemaakt uit een deeg, één voor één geslagen met de hand in een houten vorm, gedroogd in open lucht en gebakken op 1080 0 C in een ringoven met steenkool als enige brandstof.
Lindendreef 101 9400 Ninove
Tel. 054/33.26.67 Fax 054/32.82.38
N.T.G.-GENTDefinitief ontlast van de vieze ontlasting door duiven dankzij:
ECOPIG^ Een architectuur zonder duiven
Inlichtingen: Herreman en Lippens, Brusselsesteenweg 188A 9090 Melle Tel. (09)252 13 40 Fax (09) 252 31 59
bvba HERREMAN & LIPPENS
Kalk... ..en niet gelijk welke !
Arte Natuurlijke hydraulische kalk Mortels voor binnen en buiten
CORIDECOR Kalkverven Binnen- en buitendecoratie
ï/liniere dt San %$medto
Arte Constructo bvba Molenberglei 18 - B 2627 Schelle (Belgium) Tel. : 32.3 / 880.73.73 Fax : 32.3 / 880.73.70 BEAL - 4 Rue des Bailleries 5081 Mcux-la-Bruyère Tel. : 32.81 / 56.63.96 Fax 32.81 / 56.89.54
AGREFK.
V.
WANNEER DE VORM HET HOOFDDOEL IS B.v.b.a.
VENNOOTSCHAP VOOR DE CONSERVATIE EN DE RESTAURATIE VAN KUNSTWERKEN Restauratie van schilderijen (namelijk: grote formaten) Doublering op vacuümtafel Behandeling van: gepolychromeerde beelden en meubels muurschilderingen Oosters lakwerk Conservatie van kunstwerken op papier en zijde Terracotta's
Reiniging vjn een schilderij
20 JAAR AKTIEF IN SAMENWERKING MET DE OFFICIËLE INSTANTIES. DIEPESTRAAT 18 3061 BERTEM (Leefdaal)
(02) 767 97 80 ERKENNING NR. 04 28 01
BETONNEN STERVORMEN EN SIERELEMENTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN NIEUWBOUW AGREF NA. Tragelweg 4 B 9230 Wettenen Tel. (09)369 19 11 Fax (09)369 07 04
BODÏMA NIJVERHEIDSWEG 1 - 2240 ZANDHOVEN TEL. (03)475 13 00 - FAX (03)485 74 47 Venecolaan 30 - 9880 AALTER TEL. (09)375 12 66 - FAX (09)375 22 88
Restauratie Schepenhuis Mechelen
^
G e v e l r e i n i g i n g . Befonherstelling '
G^
e
WscM\e
e^
^eV^
S*
\^
.0?
^
. Wouuestaurafie • Ontmossen VOn ^ ^
BUILDING Nv ALGEMENE BOUWONDERNEMING
RESTAURATIE Sint-Pieterskerk te Leuven
Eigen Steenkapperij Oudebaan 117, 2640 Mortsel - Tel. 03/455.38.75
- Fax 03/455.38.80
Etemit Clay TUes: ACME Onevenaarbare Kwaliteit
Ruimste Gamma Hulpstukken handgemaakt en machinaal gemaakt
Kleurengamma: 17 kleuren,
Voor de renovatie van het Begijnhof in LEUVEN, werd gekozen voor de handgemaakte ACME tegelpannen van Etemit. De reden was simpel: Eternit kon het materiaal leveren dat het best de oorspronkelijke dakbedekking benaderde in VORM en in KLEUR.
•
.
1. i»v1^ hm Bibjiit ^^
If-pf'"ij;
t nlïln
j^ ^ ^ ^ ^ 1 1 1 ^ ^ ^
-^^B
m
Deze particulieren kozen voor de ACME tegelpan van Eternit omwille van de kleur en de MOSbestendigheid.
eternit
DE
DAKSPECIALIST
TEL INFO: ETERNIT DAKPANNEN GRATIS GROEN NUMMER: 0800/14.144
RESTAURATIE & MONUMENTENZORG Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem
Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek)
ONDERZOEK & BEHANDELING 09/372 03/771 09/372 09/372
Lauwers M. Van Der Biest L. Vandenborre H. FAX
Kunstatelier
Gerard Thienpont )vba Decoratieve schilderwerken Polycromeerwerken • Bladgoud Kerkmeubilair Onderzoek en behandeling Rozenstraat 6 - 9810 NAZARETH (Eke) Tel. (09) 385 54 32 - Fax (09) 385 45 52
m
Dakwerken G. BOSCH
Dak-, Zink- & Roofingwerken Specialiteit: Restauratie van oude daken Aartrijkestraat 109 Tel. 050/21.10.85 Reg. nr. 051511
8820 Torhout Fax 050/22.06.17
03 66 03 03
C/w patrimonium... > ome zorg
Konservatie en Restauratie van Kunstwerken Hout - Steen - Stucwerk • Schilderijen Beeldhouwwerken • hout en steen
63 44 63 63
Reeds meer dan 20 jaar restaureren, renoveren en beschermen wij gebouwen en waardevolle monumenten. Reiniging, restauratie en renovatie van gevels Restauratie en conservatie van steen Traditionele zuivere kalkpleisters en kaleilagen Mineraalverven en silicaatpleisters Cement- en kunststofgebonden gevelpleisters Warmte-isolerende pleistersystemen Betonherstelling en -bescherming Duivenwering Houtworm- en zwambestrijding Polyhieerchemische houtrestauratie en -versteviging Brandremming op hout, beton en metaal Injectiewerken Vochtwering en waterdichting Renovatie- en verbouwingswerken Referenties op aanvraag
Onze vaklui worden begeleid door gespecialiseerde ingenieurs en kunsthistorici
Solar Tel.: 03-766.11.66 - Fax: 03-777.35.09 Kleine Breedstraat 33 - B-9100 SINT NIKLAAS Erkend aannemer cat D kl 1. o cat D l kl 3. D21 kl 3, D24 kl 4
Even-wicht tussen -wetenschap en v a k m a n s c h a p
AMINCK
NATUURSTEEN
N.V.
T MOiMEI HOUDEN WIJ OOK EEN TRADITIE IN STAi
VAKMANSCHAP JOHN KENNEDYLAAN 20 9000 GENT
TEL. (09) 259 11 77
FAX (09) 259 21 91
N.V.
STABILITEIT
•• 1• V
- endoscopisch onderzoek - stut- en schoringswerken - scheurinjektie, muurconsolidotie - chemische ankers, trekkers - opvijzelen van konstrukties - polymeerchemische restauratie van
TEL. (09)
"lOUt
386 97 67
%
RENOVATIE - RESTAURATIE -
alle reinigingstechnieken, LASERREINIGING asbestverwijdering nabehandeling van gevels plastische natuursteen restauratie betonherstelling hout- en zwambehandeling
FAX (09) 386 98 26
DE BOUWONDERNEMINGEN
COUDRON
N V
Algemene Bouwwerken Restauratie- en Renovatiewerken Timmer- en Schrijnwerken Specialisatie Volkemtoepassing Keukeninrichting "Sedeco"
DIKSMUIDSEWEG 6 1 , 8900 IEPER TEL. 057/20 09 85 - 21 96 10 — FAX 057/20 99 17
Algemene Onderneming BVBA Dak- & Torenwerken Restauratiewerken Lossing 3 2260 Industriepark Heultje Westerlo Tel: 014/26.00.87 Fax: 014/26.00.88
ALGEMENE BOUWONDERNEMING N.V. VANDENDORPE ARTHUR Groene Poortdreef 40 8200 Sint-Michiels (Brugge) Tel. 050/38 32 96 Fax 050/38 42 16
N.V. VAN LOY & CIE ALGEMENE RESTAURATIEWERKEN
Restauratie Binnenkoer Groot-Seminarie Mechelen Aarschotsesteenweg 4 2230 Herselt Tel. (014) 54.43.97 Fax (014) 54.72.72
/ S T Remmers
Uw partner voor totale bouwbescherming • Gevelrenovatie • Natuursteen- en restauratiemortels • Injectie tegen opstijgend vocht • Epoxy- en PUR-injecties • Houtbescherming en polymeerchemische balkkoprestauratie Industriepark 20 2220 HEIST-OP-DEN-BERG
Bouwchemie B.V.B.A.
Kunststofvloeren epoxy/polyurethaan • Betonreparatie mineraal/epoxy/PCC/ECC • Kelderafdichting binnen-Zbuitenzijde • Hulpstoffen voor beton en mortel • Restauratie- en Sierpleisters PAREX
Documentatie of gratis advies op aanvraag !
tel. 015/24 19 68 fax 015/24 28 60
TAEYMANS MEESTERSCHILDERS
B.V.B.A.
•i/ht/j AS'SY'
restaureren - schilderen - vergulden
NATIONAAL GEOGRAFISCH INSTITUUT Sinds enkele jaren produceert het Nationaal Geografisch Instituut allerlei digitale bestanden voor klein- en grootschalige toepassingen. Kleinschalige bestanden zoals de DB van de administratieve grenzen, de Grote Structuren en een Digitaal Terrein Model zijn voor gans het land beschikbaar. Bestanden voor toepassingen rond de spilschaal 1 :10.000 zijn beschikbaar voor alle grote steden en omliggende gemeenten en zijn een uitstekend werkinstrument voor toepassingen in diverse domeinen zoals leefmilieu, ruimtelijke ordening en stadsrenovatie,...
Nationaal Geografisch Instituut Abdij ter Kameren, 13 B-1000 Brussel Tel.: 02/629.82.82 Fax.: 02/629.82.83
Nieuw voor België is de productie van digitale orthofoto's voor het volledig grondgebied op basis van luchtfoto's gerealiseerd in 1995.
Klassieke kaarten en luchtfoto's nog steeds beschikbaar.
NV Peetermans Afdeling Bouw Jef ibens voorzitter gedelegeerd bestuurder Dirk ibens bestuurder commerciële directie
Restauratie "De Biekens" Cogels Osylei 72-70, 2600 Berchem
Vóór restauratie Na restauratie Leysstraat 22-24-26, Antwerpen
Renovatiewerken - Restauratiewerken Verbouwingen - Monumenten & Gebouwen Marialei 11 bus 4, 2018 Antwerpen Tel. 03/230.20.15 - Fax 03/230.16.28
14
M&L
HET FEESTLOKAAL VAN VOORUIT ROMAIN BERTELOOT RIK VANDECAVEYE
Detail van de voorgevel. Sint Pietersmeuwstraat, vanuit Bagattenstraat • 1998 (foto 0. Pauwels)
"Wij hebben 'Schoonheid' als een mid-
gevestigde bourgeoisie goed en wel
del gekozen om de maatschappij
gelanceerd en georganiseerd was,
te
verbeteren. Schoonheid is een wapen
begon het topkader van de socialisti-
en een revolutionair middel! Ik ken
sche beweging - de beter gevormde
geen betrouwbaarder
en geschoolde arbeiderszonen - meer
betrouwbaarder
wapen, geen
middel".
en meer belangstelling te ontwikkelen voor de 'culturele emancipatie' van
Henry van de Velde (1863-1957),
het proletariaat. Een ontvoogding der
befaamd én geëngageerd architect,
geesten, die hoe dan ook doordrenkt
verwoordde aan het begin van de
was met (partij-)politieke propaganda.
20ste eeuw op deze wijze perfect
Naast het strijdlied, de meetings, de
het idealistische principe van waaruit
krant en de algemene stakingen, greep
menig socialistisch gebouw in die tijd
men al gauw naar het architecturale
geconcipieerd werd.
wapen, als het middel met de meest ultieme uitstralingskracht.
Nadat naar het einde van de 19de eeuw toe de tegenaanval tegen de
M&L
Voorgevel. Sint Pietersnieuwstraat, jaren '20 (foto AMSAB)
15 Binnen de Gentse context resulteerde dit tussen 1895 en 1915 in een aantal gebouwen die stuk voor stuk merkwaardige getuigenissen zijn van een ongemeen boeiende episode uit de sociale geschiedenis. De kroon op het werk vormt ontegensprekelijk het majestueuze Feestlokaal van Vooruit, in de volksmond al gauw het"Feestpalels" genoemd.
PATR1A
f' %
In dit artikel zullen we pogen om zowel de specifieke sociaal-politieke ontstaanscontext, als de merkwaardige architecturale eigenschappen van het Feestlokaal \e situeren. We zullen eveneens ingaan op de complexe restauratieproblematiek, die, in het geval van Vooruit, heel veel te maken heeft met de huidige functie van het gebouw als kunstencentrum. Dagblad Vooruit was één van de belangrijkste pijlers van de Gentse coöperatieve Vooruit (foto AMSAB)
DE GENTSE SOCIALISTISCHE ARBEIDERSBEWEGING Het Feestlokaal van Vooruit kan in geen enkel opzicht gesitueerd worden zonder in te gaan op de ontstaansgeschiedenis van de plaatselijke socialistische beweging. Het was immers de Samenwerkende Maatschappij Vooruit, een coöperatieve organisatie die was ontstaan in de schoot van die beweging, die in 1910 de gronden aankocht en opdracht gaf tot de bouw van het Feestlokaal. Omstreeks het midden van de 19de eeuw, was Gent economisch de meest belangrijke stad van Vlaanderen geworden. Die sterkte was gebaseerd op een omvangrijke textielindustrie en de ontwikkeling van de zeehaven. Het hoeft niet te verwonderen dat uitgerekend in Gent de nieuwe industriële klasse - de fabrieksarbeiders - zich als eerste ging organiseren; aan het eind van de jaren 1850 ontstonden de eerste vakbonden van katoenspinners en wevers. Een kleine kern daarvan sloot in 1864 aan bij de in London opgerichte Eerste Internationale. In dit sluimerende milieu van verzet tegen de onmenselijke arbeidsomstandigheden, kregen de
^HBHH^H
Gent. Vooruit Gand
16
M&L
verliep in Gent vanaf de jaren 1880 erg snel. Het ledenaantal van de diverse socialistische syndicaten en van de SM Vooruit verdubbelde bijnajaar najaar. Een belangrijke doorbraak kwam er toen Anseele, nadat het algemeen meervoudig stemrecht was bedongen, in 1894 tot nationaal volksvertegenwoordiger werd verkozen, wat ze in Brussel al vanaf zijn eerste toespraak geweten hebben. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1895 werden de socialisten met 14 op 39 mandaten de sterkste fractie in de Gentse raad. Datzelfde jaar verviervoudigde het ledenaantal van de socialistische syndicaten, eveneens een tekenend voorbeeld van de onweerstaanbare opgang.
Voorgevel, Slnt-Piatersnieuwstraat, vanuit Bagattenstraat 1998 (foto 0. Pauwels)
socialistische ideeën meer en meer de bovenhand. In 1873 reeds werd de eerste coöperatieve organisatie De Vrije Bakkers opgericht, met als voornaamste doei een goedkopere en beter georganiseerde broodbedeling voor de aangesloten leden, maar vooralsnog zonder duidelijke ideologische stellingnames. In Gent kwam er echter al gauw een toenadering tussen de coöperatieve beweging en een voorhoede van socialistisch geïnspireerde vrijzinnigen. Het is in dit gezelschap dat de 18-jarige notarisklerk Edward Anseele in 1873 reeds naar voor wordt geschoven als eerste bestendige propagandist van de beweging. Samen met andere jongeren - onder andere Edmond Van Beveren - lokt hij in 1881 een scheuring uit in de coöperatie, waarna de Samenwerkende Maatschappij Vooruit werd opgericht - eveneens een coöperatie, maar met uitgesproken socialistische ideeën en motieven. Toen in 1879 de Vlaamse Socialistische Arbeiderspartij werd gesticht, in 1885 gevolgd door de oprichting van de Belgische Werkliedenpartij, betekende dit de partijpolitieke concretisering van een brede socialistische beweging die bestond uit verschillende geledingen. De groei van die brede beweging
Naast de interventie in de openbare besturen, bouwden de Gentse socialisten een heel net van eigen sociale voorzieningen op. Er was niet alleen de coöperatie SM Vooruit - naast goedkoper brood, bood zij allerlei andere materiële voordelen aan, tot een eigen pensioenstelsel toe - maar ook de volksapotheken, en de machtige Bond Moyson, met zijn wijkgeneesheren en eigen polikliniek. Daarnaast waren er ook de vakbonden met hun stakings- en werklozenkassen. In een tijd dat de sociale zekerheid niet volgens een verplicht stelsel was georganiseerd, waren deze betaalbare vrijwillige verzekeringen tegen sociale risico's werkelijk broodnodig. Vandaar het grote succes: omstreeks 1913 waren grosso modo 10.000 Gentse gezinnen bij de SM Vooruit aangesloten, en twee derden van de arbeiderskiezers bracht zijn stem uit op de socialistische partij. Deze snelle en vrij kolossale expansie van de beweging resulteerde vanaf 1895 in een toenemend beleid van aankoop en nieuwbouw van onroerend goed: opslag- en winkelruimte voor de de coöperatie, een nieuwe bakkerij, een drukkerij, kolenmagazijn, meubelwerkhuis en kierenmagazijn, enkele kleinere volkshuizen, de polikliniek, in 1910 een brouwerij, alsook een eigen nieuwe weverij en spinnerij. Tot aan de bouw van het Feestlokaal was het in 1902 feestelijk ingehuldigde Ons Huis aan de Vrijdagmarkt het pronkstuk van dit socialistische erfgoed. Een overzicht van de bezittingen van de SM Vooruit in 1913 maakt gewag van meer dan 30 grote gebouwen. Dit omvangrijke patrimonium was noodzakelijk om de brede waaier aan activiteiten van de beweging te huisvesten. Als koepel op die 'sociale economie', die ondertussen ook meer dan 1000 mensen rechtstreeks tewerk stelde, werd in 1913 de eigen Bank van de Arbeid opgericht, die het in deze periode van vooroorlogse hoogconjunctuur gegroeide
M&L
17
Betoging voor algemeen stemrecht, op de achtergrond een onafgewerkt Feestlokaal van Vooruit-WW (foto AMSAB)
spaarvermogen van de - vooral geschoolde - arbeiders en kleine bedienden zou gaan mobiliseren met het oog op winstgevende participaties in de klassieke kapitalistische ondernemingen.
DE BOUW VAN HET FEESTLOKAAL De tijd was rijp en de wil was aanwezig voor de bouw van een in het oog springend Feestlokaal. zoveel is duidelijk. Reeds vanaf 1905 liep Edward Anseele, de Gentse socialistische voorman die nooit om een idee verlegen zat. met het plan rond om een "grootsche Volksschouwburg" te bouwen. Daar was inderdaad nood aan; gelijklopend met het politieke en economische succes van de socialistische beweging, waren de culturele verenigingen als paddestoelen uit de grond geschoten. Het ontbrak hen aan ruimte om hun activiteiten te ontplooien, maar bovendien beschikte de beweging niet meer over een aangepaste ontmoetings- en feestruimte voor de leden en verenigingen.
Op 14 oktober 1910 kocht de Samenwerkende Maatschappij Vooruit een terrein in de Sint-Pietersnieuwstraat, waarna in 1911 nog eens twee aanpalende woningen werden aangekocht. Architect Ferdinand Dierkens, de toenmalige huisarchitect van de Gentse socialisten, zag zich geconfronteerd met een belangrijk technisch probleem tengevolge van het zwaar hellende terrein. Hij vatte het plan op om de twee grote toneelzalen boven elkaar te bouwen in de helling, waarbij een groot deel van de grond zou worden afgegraven. Een niet voor de hand liggend karwei, en niet zonder risico, waarbij Dierkens kon rekenenen op de hulp van de socialistische senator Emile Coppieters, die van beroep aannemer was, gespecialiseerd in baggerwerken. Het plan voorzag verder nog een indrukwekkende voorbouw op het niveau van de Sint-Pietersnieuwstraat, bestaande uit een café, een restaurant, winkelruimte, een bibliotheek met leeskabinet, en diverse lokalen voor de repetities en vergaderingen van de culturele verenigingen en wijkclubs. Dat alles met een rijkelijk en overvloedig versierde binnenafwerking.
M&L
Vakbondscongres in de Concertzaal-1923 (foto AMSAB)
Dat de bouw van het Feestlokaal een zware financiële inspanning zou vergen, stond van meetaf aan vast. De totale kostprijs werd geraamd op 2 miljoen frank. Zelfs voor een bloeiende organisatie als Vooruit, die op dat moment zo'n 10.000 leden telde, betekende dit een zware aderlating - per lid zou er zo'n 200 frank in het Feestlokaal worden geïnvesteerd. Ter vergelijking: een weekloon van een modale vlaswerker bedroeg in 1913 zo'n 20 frank, dat van een geschoolde textielarbeider 40 frank. De wil en het verlangen om te beschikken over een "grootsche Schouwburg" moet dus wel erg groot geweest zijn, en werd waarschijnlijk gesteund door de overgrote meerderheid van de leden. De ruwbouw werd in handen gegeven van de Socialistische Samenwerkende Maatschappij De Bouwwerklieden, een aparte coöperatie die in 1900 werd opgericht door enkele metsers die bij een staking slachtoffer waren geworden van de patronale repressie. Ze werd geleid door Karel Bontinck - vader van de latere architect Geo Bontinck, die in de jaren '50 een belangrijke verbouwing aan het Feestlokaal zou ontwerpen en tekende voor enkele belangwekkende creaties in het Gentse stadsbeeld - en was niet aan haar proefstuk toe: onder andere Ons Huis op de Vrijdagmarkt werd door de SM De Bouwwerklieden
gebouwd, en er waren doorlopend zo'n 120 tot 150 bouwvakkers in dienst. De resterende afwerking werd in handen gegeven van kleine privé-maatschappijen uit het Gentse. Het was de bedoeling om het Feestlokaal te voltooien voor eind april 1913, het tijdstip dat de fameuze en zeer succesvolle Gentse Wereldtentoonstelling haar deuren zou openen. De coöperatie Vooruit beschikte daar immers over een belangrijk paviljoen teneinde hun werking te propageren; een afgewerkt Feestlokaal zou binnen dat opzet een prominente rol vervullen. Allerlei omstandigheden, onder andere een aanslepende algemene werkstaking ter ondersteuning van de eis voor algemeen stemrecht, dwarsboomden deze planning zodat men zich moest beperken tot het tonen van een maquette. De maquette was overigens op zich al vrij indrukwekkend: op een heuvel waar alle gebouwen van Vooruit waren samengebracht, domineerde het toekomstige Feestlokaal het socialistische Gent. Vanaf juli 1913 werden de afgewerkte delen van het Feestlokaal één na één voor het publiek opengesteld. Wachten op een integrale voltooiing zat er niet in; er was nood aan de inkomsten van de exploitatie, hoe klein ook. Het zou echter nog duren tot augustus 1914 vooraleer het hele complex klaar geraakte.
19
Er werden grote feestelijkheden gepland voor de officiële opening op zaterdag 15 augustus. Een grote volksoptocht zou door de straten van Gent trekken, waarna een zang- en muziekfeest in de drie grootste zalen zou plaats vinden, gevolgd door een massaspektakel op de terreinen van de Wereldtentoonstelling, waarvoor men 25.000 zitplaatsen had voorzien. 's Avonds zouden her en der in de stad optredens worden verzorgd door de culturele kringen, met tot besluit een volksbal op de Vrijdagmarkt. Dezelfde dag echter dat het feestcomité zijn grootse plannen bekend maakte, werd de Oostenrijks-Hongaarse kroonprins vermoord, wat de directe aanleiding was voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Vanaf toen ging het razendsnel; begin augustus overschreden Duitse troepen de Belgische grens en op 12 oktober werd Gent door het Duitse leger bezet. Eerst op 3 januari 1915 ging de eerste aktiviteit in de grote Theaterzaal van het nieuwe Feestlokaal door, echter zonder feestelijkheden. Na een moeizame bouwwerf, liet de gefaseerde opening van het gebouw in 1913 en 1914 een succesvolle exploitatie verhopen. De eerste functie van het Feestlokaal bestond er echter in om met haar schaarse activiteiten enige verlichting te brengen in de drukkende oorlogsatmosfeer.
Maar waar het proletenvolk voorheen inderdaad geen materiële welstand kende, had het wel een eigen, spontane, ongepolijste cultuur met een specifieke identiteit. Spreken we vanaf het begin van deze eeuw van een socialistische arbeiderscultuur, dan mag geenszins uit het oog worden verloren dat aan de basis daarvan die proletarische volkscultuur lag met haar wortels in eeuwenoude tradities. Eigenlijk was het de gevestigde socialistische beweging erom te doen - min of meer bewust - de talrijke spontane uitingen van die volkscultuur om te buigen naar meer 'verheven' vormen. Er zijn daar talrijke voorbeelden van terug te vinden. Arbeidersliederen hebben bij de opkomst van het socialisme bijvoorbeeld een belangrijke rol gespeeld. Het is duidelijk merkbaar dat het proletariërslied in de loop der jaren evolueert van een spontane, vranke en soms rauwe vorm, naar een meer gedisciplineerd en gekunsteld product, dat daardoor een ideaal propagandamiddel werd. Het repertorium van authentieke volkszangers als Karel Waeri en Edward Smol werd met de jaren vervangen door liederen van geschoolde beroepscomponisten die zich in het partij-apparaat engageerden. Vanaf dan zien we bijvoorbeeld ook de steile opgang van arbeiderskoren en harmonieën. Gelijkaardige ontwikkelingen zijn duidelijk merkbaar bij andere culturele en subculturele uitingen van de arbeidersklasse.
ARBEIDERSCULTUUR EN ARCHITECTUUR De vraag dringt zich op waarom er opdracht werd gegeven voor de bouw van een complex met een dergelijke omvang en met een zo rijkelijke versiering. Het zou al te simpel zijn dit af te doen als een pure neiging om te pronken of om uitstraling te geven aan het eigen succes. Het antwoord moet grotendeels gezocht worden in de toen gangbare visie op arbeiderscultuur en de manier waarop de socialistische beweging omging met de diverse culturele uitingen. In het partijprogramma van 1894, de zogenaamde "statuten van Quaregnon", stelt de Belgische Werkliedenpartij dat de socialistische beweging niet alleen de economische en politieke, maar ook de morele en culturele emancipatie van het proletariaat moet nastreven. Het doorgeven van kennis en cultuur, was één van de uitgangspunten van dit programma. Slogans als "Kennis is Macht" of "Kunst Veredelt" droegen destijds deze visie naar buiten. Waar het socialisme de arbeider materiële welstand bezorgde, wat hij vroeger niet had, moest het socialisme de arbeider ook cultuur bijbrengen, wat hij vroeger evenmin had. Zo werd het althans voorgesteld.
Socialistische architectuur - of beter gezegd architectuur zoals die door de socialistische beweging werd aangewend - dient eveneens gezien te worden in het kader van dit door de socialistische leiders gehanteerde reformistische principe. Dat er vaak en veel gebouwd werd moge blijken uit het uitgebreide onroerend patrimonium waarover de beweging beschikte. Ook het uitgebreide netwerk van rode volkshuizen in Vlaanderen is daarvan een bewijs. Maar op geen enkele manier heeft deze architecturale activiteit geleid tot de creatie van een specifieke 'rode' stijl die getuigenis aflegde van zijn tijd of van de sociale strijd waaruit het gegroeid was. Socialistische architectuur was er blijkbaar hoofdzakelijk om te overtuigen dat socialisten geen barbaren waren, en als uiting van de wil om te integreren, een eigen plaats te veroveren in de burgerlijke maatschappij. De middelen daartoe werden mettertijd meer en meer copieën van de gekende burgerlijke middelen: het gebruik van pracht en praal, en het verheerlijken van het eigen verleden. De socialistische beweging maakte gebruik van een aantal architecten die niet van de minste waren, en waarvan Victor Horta zowat het boegbeeld is. De
20
M&L
voornaamste verdienste van deze architecten is dat ze technisch en ontwerpmatig wel degelijk tot de avant-garde behoorden, en dat ze ontegensprekelijk prachtige architectuur hebben afgeleverd. Maar hun creaties in opdracht van de socialistische broodheren refereren niet naar een eigen stijl, maar symboliseren integendeel de dualiteit van de arbeiderscultuur als geen ander: de drang naar het verhevene, naar de uitstraling versus de spontane uiting van een sterk evoluerende en daardoor boeiende proletarische cultuur. Vrijwel zeker heeft de strakke wil van de 'rode' bouwheren het gehaald op de creativiteit, het engagement en de eigenzinnigheid van de door hen aangestelde architecten. Al vlug na de Eerste Wereldoorlog leidde dit binnen de socialistische beweging tot kritiek. Onder andere Hendrik De Man beweerde in 1926 in zijn essay "De psychologie van het Socialisme" het volgende: "Overal staan gebouwen van de arbeidersorganisaties, waarvan men zeggen moet dat de stijl, waarin hun lastgevers ze hebben laten optrekken, de smakeloze versieringswoede van de patyenu kenmerkt. Bezie slechts de Vooruit op de Vrijdagsmarkt in Gent". De Man zinspeelde natuurlijk op Ons Huis, en niet op het Feestlokaal, beide ontwerpen leunen echter wel degelijk bij elkaar aan. Het is echter te vroeg om over deze materie nu al affirmatieve en ongenuanceerde uitspraken te doen.
Perdinand Dierkens (1856-1938), de eclectische architect van
Vooruit-me (foto AMSAB)
Naar arbeiderscultuur in het algemeen, en socialistische architectuur in het bijzonder, is tot op heden weinig onderzoek gedaan, enkele waardevolle initiatieven niet te na gesproken. Een diepgravende aanpak van deze problematiek zou zeker meehelpen om een duidelijker zicht te krijgen op bepaalde belangrijke aspecten van de geschiedenis van de socialistische arbeidersbeweging.
FERDINAND DIERKENS (1856-1936) De ontwerper van het Feestlokaal van Vooruit, Ferdinand Dierkens was één van die architecten die omstreeks de eeuwwisseling actief was voor de socialistische beweging. Dierkens werd in Gent geboren in 1856, hetzelfde jaar als Edward Anseele. Tussen 1872 en 1882 volgde hij les aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent, in de bouwkundeklas van Adolphe Pauli. Architect Pauli stond symbool voor het eclectisme, net zoals de befaamde architect Louis Roelandt, de vroegere leermeester van Pauli. Dierkens werd door beiden erg beïnvloed en werd later dan ook gecatalogeerd als een 'eclectisch academicus'. Pas afgestudeerd kreeg hij zijn eerste opdracht van de SM Vooruit: de ombouw van een oude fabriek aan de Garenplaats tot een polyvalent centrum voor de socialistische activiteiten. Vanaf dan tot aan de bouw van het Feestlokaal kan men Dierkens beschouwen als de huisarchitect van de coöperatie. Hoe dat kwam is niet zo duidelijk; vermoedelijk was hij een vast en overtuigd lid van de partij. Vast staat dat hij te situeren valt als sympathisant van de dissidente groep radicale liberalen die in Gent bekend stond als de 'Progressisten'. Het progressisme was een schemerzone tussen liberalisme en sociaal-democratie, handelend vanuit een overtuigde vrijzinnigheid. De keuze van Dierkens als architect was zo te zien meer ingegeven vanuit het vrijzinnige karakter van de SM Vooruit, eerder dan vanuit een progressief uitgangspunt. Zijn eerste grote opdracht was de bouw van Ons Huis aan de Vrijdagmarkt (1899-1902). Dit ontwerp maakte meteen duidelijk waar Dierkens voor stond: als vormentaal hanteerde hij de stevig ingeburgerde eclectische taal van zijn tijd: vermenging van stijlen in gevels en interieur, een breed vormenarsenaal, toepassing van nieuwe technieken en oog voor recente stijlontwikkelingen. Hij raakte al gauw bekend als de "grote versierder'.
M&L
21
Ondanks het feit dat hij vaak en veel vernieuwende technieken hanteerde die mochten gezien worden, omzwachtelde Dierkens bijna elk bouwelement dat naar de constructie kon verwijzen - dit in tegenstelling tot Horta, die vrijwel alle elementen bloot liet. Dierkens hield ervan te pronken met zijn ontwerpen, zelfs op plaatsen waar er op het eerste gezicht niet te pronken viel. Daarbij mag echter niet uit het oog worden verloren dat zeker Dierkens - waarschijnlijk meer dan andere architecten die in opdracht van socialistische bouwheren actief waren - had af te rekenen met een opdrachtgevend bestuur dat duidelijk wist wat het wilde en ook niet naliet zich uitvoerig te moeien tijdens de ontwerpfase. Talrijke verslagen van bestuursvergaderingen maken daar gewag van; zeker niet in het minst Edward Anseele was actief op dat vlak. Hierin ligt waarschijnlijk ook de reden waarom Dierkens uiteindelijk tekent voor een prachtige maar zeer conventionele architectuur, in tegenstelling tot Horta in Brussel, wiens Volkshuis toch meer symbool stond voor een progressieve aanpak als teken van het samengaan van de naar vernieuwing hunkerende liberale bourgeoisie en de explosief groeiende arbeidersbeweging. In dat kader is het dan toch enigszins merkwaardig dat Horta naar het Gentse voorbeeld van Cfe Huis verwees toen hij in 1899 zijn Brusselse Volkshuis
Ons Huis op de Gentse Vrijdagmarkt was Ferdinand Dierkens' eerste grote opdracht voor de socialistische beweging - begin deze eeuw (foto AMSAB)
concipieerde: "Il faut comtmire a toutprix et suivre l 'exemple de Gand, ou Anseele, par sa triomphante activité a fait merveille. Il ne s 'agit done pas seulement de constmire, mais de faire aussi grand et aussi bien que possible ". Aldus Victor Horta in een brief aan zijn broodheren. Dierkens overleed te Gent in 1936. Sedert het midden van de jaren '20 was zijn taak als huisarchitect van Vooruit overgenomen door anderen. Vooral de Brusselse architect Fernand Brunfaut (1886-1972), tevens socialistisch parlementair, was daarbij in het oog springend met de realisaties van de Volkskliniek en de drukkerij Het Licht.
HET GEBOUW: CONSTRUCTIE, GEVELS EN DAKEN Om een beschrijving te kunnen geven van enkele in het oog springende architecturale elementen van het Feestlokaal van Vooruit, moeten we ons voornamelijk baseren op wat er in situ werd waargenomen tijdens de opeenvolgende restauratiewerken gedurende de afgelopen jaren. In het Stadsarchief van Gent bevindt zich wel het voorontwerp van Dierkens, maar dat is zowat het enige authentieke stuk dat bewaard is gebleven, één enkel uitvoeringsplan daargelaten. Bij de beschrijving van de oorspronkelijke toestand, gaan we, waar het opportuun is, meteen ook in op de wijze van restauratie en de eventuele betreffende problemen. Gevels en dragende muren Constructief werkte Dierkens vaak met een merkwaardige vermenging van oude en nieuwe technieken. Omwille van architecturale en bouwtechnische redenen, zijn de verticale constructies, meestal bestaande uit eerder kleine handgebakken baksteen, aangevuld met dragende elementen uit gietijzer. De geklinknagelde art nouveau-kolommen aan de inkom van de achtergevel zijn daar een sprekend voorbeeld van; het grote raam van het achterliggende foyer werd uit smeedijzeren profielen gemaakt en sluit op die wijze perfect aan bij de betreffende gevelarchitectuur. Andere gevelkolommen zijn gemaakt van gewapend beton dat nadien bepleisterd werd met mortel die het uitzicht moest suggereren van massieve Euville steen; ook bakstenen gevelconstructies werden overigens op dezelfde wijze bepleisterd. Dierkens wou daarmee de indruk wekken dat voor- en achtergevel volledig waren opgetrokken uit deze natuursteen.
M&L
rustend op een plint van blauwe hardsteen. Grote delen van de gevels bestaan inderdaad uit grote massieve blokken Euvillesteen, meestal ingewerkt in het baksteenmetselwerk. Klein detail: uit het verslag van de beheerraad van 3 augustus 1912 blijkt dat Dierkens oorspronkelijk de bedoeling had om de gevels op te trekken in blauwe steen van Hubin. Omdat er te lang op de levering moest gewacht
1 2 3 4 5
Ingang theaterzaal Kafee Bespreekbureau Majolicazaal Balzaal
6 Dansstudio 7 Blauwe Maandag Cie 8 Domzaal 9 Brug/brugzalen 10 Ingang concertzaal
worden werd dan maar beslist om met Euvillesteen te werken. Bij vooronderzoek naar aanleiding van de restauratie van de voorgevel werd ontdekt dat de consoles onder de balkons en de kapitelen van de kolommen niet uit natuursteen waren. De sierelementen bleken hol te zijn. Ze waren gemaakt van een flinterdunne betonlaag. De consoles en kapitelen zelf hadden een
11 12 13 14 15
Concertzaal Scène concertzaal Scène theaterzaal Theaterzaal Foyer 1
16 17 18 19 20
Foyer 2: Mokabon Projectiecabine Antiekzolder Scheldeterras Keuken
M&L
23
Grote delen van de gevels bestaan uit massieve blokken Euville-steen, meestal ingewerkt in het baksteenmetselwerk (foto 0. Pauwels)
buitenlaag van namaak Euvillesteen op een grondlaag van cementmortel, licht gewapend en gevormd in monies. Elke console was opgebouwd uit drie delen, die met gips bevestigd waren tegen de onderzijde van het balkon. Door corrosie van het wapeningsijzer waren gaatjes ontstaan in de sierschelpen. Slechts één console was in die mate bewaard, dat ze kon gerestaureerd worden, waarna er gietvormen konden gemaakt worden om de andere consoles te reconstrueren. Bij het ontwerpen van de voor- en achtergevel werden de toegangen tot het gebouw nauwelijks of niet geaccentueerd. De voorgevel van het Feestlokaal werd in de jaren '50 echter verbouwd door architect Geo Bontinck. Daarbij werd de toegang wél geaccentueerd: er werd een betonconstructie ingebracht, met een uitkragende luifel, eveneens in beton, dat alles in een typische jaren '50-vormgeving. Tijdens de recente restauratiewerken werd deze constructie, die in het gevelgeheel als een storend element werd gezien, afgebroken en vervangen door een bij het oorspronkelijk ontwerp aansluitende inkom, ondermeer door de oorspronkelijke kolommen te reconstrueren. De secundaire gevels zijn hoofdzakelijk opgetrokken uit gele en rode gladde baksteen. In de diverse gele
zijgevels is driemaal reuzengroot het woord "VOORUIT" gemetseld. Het meest opvallend is echter het opschrift "FEESTLOKAAL VAN VOORUIT', dat de grote voorgevel domineert. Draagstructuren De horizontale dragende constructies zijn uit diverse materialen gemaakt: troggewelven uit staal en baksteen, geklinknagelde liggers en spanten, in situ gegoten betonbalken, en - merkwaardig - heel veel betonnen 'geprefabriceerde' gewelven. Opmerkelijk is dat bij aanvang van de werken uitsluitend traditionele troggewelven werden gebruikt. Later, wellicht om de bouwperiode in te korten, worden meer en meer prefab-gewelven gebruikt. Een andere reden voor het aanwenden van die verschillende technieken kan zijn dat er rekening werd gehouden met de functie van de lokalen. De troggewelven komen alleen voor in dienstlokalen die niet voor het publiek toegankelijk waren; vermoedelijk was die bouwwijze goedkoper dan de prefab-gewelven. Dat de troggewelven aanwezig en zichtbaar zijn in de schitterende Majolicazaal, heeft dan ook te maken met het feit dat dit zaaltje oorspronkelijk een dienstlokaal was voor het onderliggende café. Houten draagstructuren treft men enkel aan op de
24
Stalen dakconstructie van de zolder in de voorbouw aan de Sint- Pietersnleuwstraat (foto O, Pauwels)
Geklinknagelde spanten boven de Theaterzaal (foto 0. Pauwels)
M&L
M&L
25
zolder van de voorbouw, waar ze langs onder bepleisterd zijn en bovenaan afgedekt met een plankenvloer.
Dakbedekking van de voorbouw, met op de achtergrond het gebouw van dagblad Vooruiten de Boekentoren (foto 0. Pauwels)
Dakconstructie Alle dakconstructies zijn gebouwd met geklinknagelde balken en spanten. De dakconstructie van de voorbouw is een combinatie van driescharnierspanten, met daarbovenop nog eens de stalen constructie die het eigenlijke dak draagt. Omdat de torentjes, die de voorbouw domineren, regelmatig bezocht werden om de stad vanaf daar te bewonderen, zijn deze spanten gevormd uit opmerkelijke, sierlijk gebogen geklinknagelde elementen. Even opmerkelijk is dat de zuidelijke toren een staalconstructie heeft, en de noordelijke toren een houten dakgebinte. De Wintertuin die de overgang vormt tussen voor- en achterbouw, heeft een eenvoudige stalen dakconstructie. Het hoogste verdiep van de scènetoren van de Theaterzaal is dan weer uitgerust met geklinknagelde liggers waarboven driescharnierspanten zijn geconstrueerd. In tegenstelling tot de voorbouw is er hier geen secundaire stalen constructie; de houten balken en de bebording waarop de dakbedekking rust, zijn rechtstreeks op de driescharnierspanten bevestigd. Boven de Theaterzaal bevinden zich eveneens geklinknagelde spanten, die oorspronkelijk vanuit de zaal zichtbaar waren. Ze dienden niet enkel als dragende elementen, maar speelden mee in de decoratie van het plafond. Tussen de perfect uitgevoerde liggers, was immers een unieke lanterneau uitgewerkt, die deels uit figuratief glas in lood bestond. Boven de betreffende liggers werd nog een gelijkaardige reeks spanten aangebracht waarboven dan een stalen dakconstructie met sierlijke gebogen elementen werd gebouwd. Oorspronkelijk lag daarop een gigantische glazen koepel; bestaande uit drie afzonderlijke delen met een dakvlak van elk 110 nr en een hoogte van 5.5 m. Later werden zowel de glazen koepel als de lanterneau vervangen door enerzijds een nooddak en anderzijds een verlaagd plafond uit geperforeerde gipstegels, omdat de constructies in slechte staat waren en er op dat moment geen geld was voor een definitieve herstelling. Pas met de definitieve restauratie van de daken en de gevels in 1996 werd het dak bekleed met zink. Het glas werd opgegeven ten voordele van de akoestiek in de theaterzaal Het dak boven het achterste gedeelte van het gebouw rust op een eenvoudige staalconstructie, waarin een grote lichtstraat was uitgewerkt, die recentelijk werd gereconstrueerd; dit gebeurde met aluminiumprofielen en polycarbonaatplaten in plaats van de oorspronkelijke ijzeren profielen met glas in stopverf.
Dakbedekking De oorspronkelijke dakbedekking van het hele complex bestond integraal uit zink en glas. Enkel de twee voorgeveltorens hadden een andere bekleding van Belgische natuurleien. De zinken dakbedekking, vooral op de voorbouw, had ook een versierende functie. Bepaalde delen waren bedekt met kleine halfronde zinken leien, andere delen werden dan weer voorzien van panvormige zinken plaatjes en grote, rechthoekige platen. De meer vlakke delen werden uitgerust met de traditionele zinken dakbedekking met roeflatten. De centrale dakbekroning van de voorbouw springt het meest in het oog: ze is afgewerkt met rijkelijk geprofileerde randen, versierd met houten papegaaibekken bekleed met zink. Tot aan de recente restauraties, verkeerde de originele zinken dakbedekking nog in een relatief goede staat. Enkel de bevestigingsmiddelen - nagels, krammen - waren doorgeroest, waardoor hele dakdelen waren losgekomen. Bijgevolg moest bij de restauratie de hele dakbedekking toch vernieuwd
26
Eerste fase restauratie-schilderwerken In de Theaterzaal: blootleggen van de oorspronkelijke schildering-1998 (foto 0. Pauwels)
M&L
worden. Om akoestische redenen werd de dakbedekking boven de voorbouw en boven de Theaterzaalscène vervangen door een loden bedekking. Het meer dan 3mm dikke lood verzekert bij theatervoorstellingen de nodige akoestische isolatie tegen stadslawaai, harde regen of hagel. De andere delen werden vervangen door gepatineerd zink, echter niet meer met de originele roeflatten, maar met een staande naad. Eveneens omwille van akoestische redenen werden de glazen koepels boven de Theaterzaal en de voorbouw niet behouden. Daar deze dakdelen nauwelijks of niet zichtbaar zijn, veranderde deze ingreep niets fundamenteels aan het uitzicht van het monument. Boven de scène van de Theaterzaal bevond zich een merkwaardige grote rookkoepel. Door verregaande corrosie kon die niet meer gerestaureerd worden. De koepel was gemonteerd op ijzeren rails die schuin boven het dak geplaatst waren. Om hem dicht te houden was hij vastgemaakt met een stalen kabel. Bij brand diende de kabel losgemaakt te worden, waardoor de koepel wegrolde, zodat de rook kon ontsnappen. Na gebruik kon hij met een lier opnieuw op zijn plaats getrokken worden. Deze koepel werd vervangen door nieuwe rookluiken die beantwoorden aan de hedendaagse normen inzake brandpreventie; openen en sluiten van de zware luiken gebeurt bij middel van luchtdruk. In alle andere in het gebouw aanwezige koepels, werden tijdens de restauratie uiteraard eveneens de nodige rookluiken aangebracht. Riolering Slechts zelden wordt er aandacht besteed aan het rioleringssysteem in historische gebouwen. De reden waarom we dat hier wel kort doen is dat de vorm en de uitvoering hier vrij uniek zijn. Vooral de rioolputten zijn op een meesterlijke wijze geconstrueerd. Bij het uitmonden van vijf of meer buizen in een verzamelput, zijn alle bochten in de vloeirichting uitgewerkt, als het ware om het afvloeien in perfecte banen te leiden en elke turbulentie, die verstoppingen kan teweeg brengen, te voorkomen. Alle bochten werden met hetzelfde doel voor ogen met een emaillaag bekleed. Toch zijn vele buizen tijdens de restauratie vernieuwd moeten worden; ze lagen in volle grond en waren verzakt. Waar mogelijk echter werden de putten geconserveerd. Een ander merkwaardig gegeven zijn de twee diepe ronde gemetselde putten die zich bevinden op het terras aan de achtergevel, vlak naast de Schelde. In deze putten staat het water steeds op hetzelfde niveau als het Scheldewater. Vermoedelijk werd vanuit deze putten water opgepompt om het gigantische waterbassin te vullen dat zich helemaal boven
de scènetoren bevindt, en diende als brandblussysteem. In elk geval staat de pomp momenteel nog steeds opgesteld in de buurt van de betreffende putten.
DE BINNENAFWERKING Het Feestlokaal van Vooruit werd in de volksmond al gauw het "Feestpaleis" genoemd. De reden daarvoor schuilt niet alleen in de majestueuze aanwezigheid in het stadsbeeld, maar vooral in het rijkelijk versierde interieur. Hoewel, in vergelijking met bijvoorbeeld sommige I9de-eeuwse ontwerpen is de afwerking nog vrij sober gehouden, maar als feestlokaal van de toen nog jonge socialistische beweging getuigt de inrichting van een verrassende pracht en praal. Architect Dierkens, de 'versierder', zat wat dat betreft vermoedelijk op dezelfde golflengte van zijn opdrachtgevers. De verslagen van de toenmalige bestuursvergaderingen wijzen er zelfs op dat Dierkens gestimuleerd werd om in zijn decoratiedrift nog verder te gaan; achteraf blijkt echter dat talrijke versieringsplannen - onder andere een reeks beeld-
M&L
27
bouwwerken op daken en gevels - nooit zijn uitgevoerd, vermoedelijk door de oorlogssituatie in 1914, en gebrek aan geld en/of interesse na de oorlog. De Theaterzaal Hier komt de mengstijl, het eclectisme, van Dierkens bet best tot uiting. De interieur-afwerking is hier grotendeels een spel tussen bet aankleden van bakstenen muren en betonnen constructies, en de zichtbare stalen liggers van bet plafond, geaccentueerd door een enig mooie glas-in-lood-versiering. Opmerkelijk is inderdaad dat Dierkens, bekend staand als wegmoffelaar van constructieve elementen, in bet Feestlokaal alle metalen constructies zichtbaar gelaten beeft. Het glas-in-lood-plafond is momenteel niet meer zichtbaar. In de loop der jaren werd het, vermoedelijk op last van de brandweer, integraal verwijderd. Bij de eerste restauratiewerken in 1984 werden de zwaar beschadigde bladen glas in lood her en der in bet gebouw teruggevonden. Ze werden geïnventariseerd, gefotografeerd en veilig weggeborgen. Na veel opzoekingswerk was het mogelijk om de volledige tekening te reconstrueren. Het bleek te gaan
over drie rechthoekige stroken van circa 1,20 m breed, mooi ingepast tussen de geklinknagelde liggers. De randen van het glas in lood zijn zeer kleurrijk. De guirlandes zijn samengesteld uit diverse groene bladen en vruchten in geel en oranje. De rechthoeken zijn symmetrisch opgebouwd rond een centraal vlak van klaar glas. Voorts zijn er drukke versierselen met saterkoppen, instrumenten en notenbalken, waarop onder andere de eerste noten van de Internationale te lezen zijn. Tijdens de laatste fase van de restauratie zal dit glas-in-loodplafond grotendeels gerestaureerd en teruggeplaatst worden. Uit veiligheidsoverwegingen wordt ervoor geopteerd onder het gerestaureerde glas in lood veiligheidsglas te voorzien, dat het glas in lood draagt en mogelijke doorzakking ervan tegengaat. Boven het plafond zal een sprinkler-installatie voorzien worden, die het smelten van het glas moet tegengaan in geval van brand. Daar niet alle panelen glas in lood kunnen gerecupereerd worden, zal een deel ervan vervangen worden door akoestische geperforeerde - panelen, die de slechte akoestische kwaliteiten van een glazen plafond in een theaterzaal moeten compenseren. Uit zeer recent kleuronderzoek bleek dat Dierkens de wanden van de Theaterzaal heeft beschilderd met marmerimitaties. De marmerschilderingen met olieverf zijn 'geïdealiseerd' en dus mooier en flamboyanter dan echte marmer. Ze imiteren niet een bepaalde marmersoort. In harmonie daarmee werden de vlakke delen van de wanden geschilderd in effen groene tot groen-blauwe kleuren. De consoles onder de balkons zijn dan weer overdadig versierd met instrumenten en bladmotieven, grotendeels verguld met bladgoud. Ook de deuren die zichtbaar zijn vanuit de zaal, waren geschilderd in een goudimitatie; kleine profileringen in het schrijnwerk zijn geaccentueerd met flinterdunne groene streepjes. Gelijkaardige rijke versieringen, met bladgoud en bladzilver, treft men ook aan in het grote gangencomplex rondom de Theaterzaal. Het kleuronderzoek heeft ook uitgewezen dat de schilderwerken van de zaal nooit volledig zijn afgewerkt. Nog merkwaardiger is dat werd vastgesteld dat deze opmerkelijke interieur-versiering in het begin van de jaren '20 - dus nog geen 10 jaar na de bouw - werd overschilderd. Dit is meteen ook de reden waarom tot zeer recent niet geweten was wat de originele versiering van de zaal precies inhield. Bij de komende restauratie zal in elk geval gepoogd worden bet originele concept te reconstrueren. De marmerschilderingen zullen geretoucheerd worden. Er is nu reeds gestart met het vrijleggen ervan. Vlakken in groene-blauwe tinten worden herschilderd.
28
M&L
De Concertzaal Deze zaal is gelegen onder de Theaterzaal en deed oorspronkelijk dienst als "cinema". Getuige daarvan de nog steeds aanwezige ultrakleine projectiecabine. Tijdens de filmvoorstellingen zat het publiek op eenvoudige eiken banken met een plooibaar ijzeren onderstel. Dat systeem liet toe om de banken snel te verwijderen en op een beperkte ruimte te stapelen, zodat de platte zaal ook voor anderssoortige activiteiten kon gebruikt worden. De Concertzaal is qua versiering meer traditioneel afgewerkt dan de Theaterzml: de vormentaal verwijst nadrukkelijker naar I9de-eeuwse invloeden. De aanwezige marmerschilderingen zijn imitaties van bestaand marmer, de rouge royal. Het marmer heeft hier een puur esthetische functie, daar waar het in de Theaterzaal ook dienst doet als bescherming van de wanden; vandaar het gebruik van de harde olieverf-techniek. Wandbescherming in de Concertzaal is er bij middel van een houten lambrisering. Daarin zijn zes houten tochtsassen met een koepelvormige afwerking geïntegreerd. De koepels waren versierd met bladgoud, en boven de lambrisering werd een band uit verguld stucwerk aangebracht. Samen met het originele eiken parket, verkreeg de zaal daardoor een meer sobere, maar toch nog inten-
Detail uit het glas-in-loodplafond in de rhea(erzaa/-1998 (foto 0. Pauwels)
Detail uit het kleuronderzoek in de r/iea(erzaa/-1998 (foto 0. Pauwels)
Consoles en banden met florale motieven worden opnieuw verguld, andere worden vrijgelegd en gerestaureerd. Het vrijleggen is in uitvoering. Het bladgoud wordt binnenkort wetenschappelijk onderzocht om de juiste samenstelling ervan te kennen. Opvallend dominant aanwezig in de zaal is het opschrift boven de scène-opening "Kunst Veredelt", in vergulde letters geschilderd op een groene achtergrond. Boven deze tekst is er een groot rechthoekig kader voorzien, met een sterk geprofileerd lijstwerk. Wellicht was het de bedoeling om in dit kader een schilderij te hangen. Ook dat is er nooit gekomen.
Opmerkelijk is verder nog dat één travee van het plafond, aansluitend bij de scène-opening, voorzien is van glas in lood. Het decoratieve effect van glas in lood is momenteel verloren gegaan doordat er na verbouwingen in de hoger gelegen Theaterzaal, geen daglicht meer tot in de Concertzaal doordringt. Dierkens had oorspronkelijk immers het unieke idee uitgewerkt om via de beglaasde dakconstructie van de Theaterzaal, het daaronder gelegen glas-in-loodplafond, en de vloer van de orkestbak opgebouwd uit glasbouwstenen in gewapend beton, het daglicht te laten doordringen tot het glas-in-lood-plafond van de veel lager gelegen Concertzaal. Evenals de scène-opening van de Theaterzml, is die van de Concertzaal mooi versierd. Pas recentelijk werd vastgesteld dat het hier gaat over schilderingen op fijngeweven doek in plaats van op bepleistering. Het kleurrijke doek in 'trompe Toeil' is vrij goed bewaard gebleven. De op stapel staande restauratie van de Concertzaal zal pogen het origineel zo dicht mogelijk te benaderen. Er zijn wel enkele ingrijpende bouwtechnische werken voorzien, teneinde de zaal en haar exploitatie als rock-concerthal in overeenstemming te brengen met de nieuwe normen inzake brand- en algemene veiligheid. Dit omvat het creëren van bijkomende uitgangen zodat er 1.200 personen 'veilig' een concert kunnen bijwonen. Tevens zal er een nieuwe
M&L
29
1. Manteau van de Concertzaal 2. Foyer 2 van de achterbouw 3. Foyer 3 van de achterbouw. de zogenaamde 'antiekzolder" (foto's 0. Pauwels)
ingang gerealiseerd worden voor de concertzaal, die meer bezoekers op korte tijd kan verwerken. Dit in een naastliggend, niet beschermd, gebouw. Foyers van de achterbouw Aan de achterzijde van het gebouw, bevinden zich vier grote boven elkaar gelegen foyers die oorspron-
kelijk dienden om het publiek op te vangen voor en na voorstellingen en bij pauzes in de Theater- en Concertzaal. Deze ruimtes werden in de loop der jaren allemaal zwaar beschadigd. Met de steun van de Koning Boudewijnstichting werd in 1989 het mooiste foyer, met een groot balkon met uitzicht op de Schelde, gerestaureerd.
De gerestaureerde Foyer 1 van de achterbouw (foto O, Pauwels)
Het onderste foyer, dat momenteel dienst doet als entree van de Concertzaal, werd in 1984 voorlopig opgeknapt. Daar werden twee merkwaardige, monumentale schilderijen op doek van de hand van Nicholas Sibiriak, aangetroffen. Deze waren zwaar beschadigd, en werden, om verder verval te voorkomen, gereinigd en voorlopig behandeld in afwachting van een definitieve restauratie. Sibiriak is overigens een onbekende schilder, vermoedelijk behorende tot een groep Slavische studenten die voor de Eerste Wereldoorlog als politieke vluchtelingen in Gent verbleven en er zelfs een eigen vereniging hadden in de schoot van de plaatselijke afdeling van de Belgische Werkliedenpartij. Het foyer op de derde verdieping werd ingrijpend verbouwd, vermoedelijk in de jaren '30, om er een grote projectiecabine in onder te brengen van waaruit in de Theaterzaal kon geprojecteerd worden. Door deze ingreep werden alle oorspronkelijke verhoudingen van het betreffende foyer verstoord. Bij de komende restauratie zal deze cabine dan ook worden afgebroken. De oorspronkelijke kleinere projectiecabine zal echter wel gerestaureerd worden. De vier foyers krijgen na de restauratie overigens
elk een nieuwe, aparte functie als repetitiestudio, museumruimte en receptiezaal. De voorbouw Grote delen van de voorbouw werden reeds in 1923 bij een eerste verbouwingscampagne dermate aangepast, dat nu nog maar weinig overeenstemt met de oorspronkelijke plannen van architect Dierkens. Enkel de twee beelden in het café, de grote centrale trapzaal en de hoogste verdiepingen zijn nog origineel. Het café en het volksrestaurant, de huidige Balzaal, en alle ruimtes daartussen, werden nog geen 10 jaar na de bouw reeds grondig aangepast. Het café werd gevoelig vergroot door dienstlokalen af te breken en de daarachtergelegen Wintertuin om te vormen tot één geheel, het huidige café. Achteraan het vernieuwde café werd een trap gebouwd die toegang gaf tot een mezzanine, de huidige Wintertuin, en verder gelegen ruimtes. Dit geheel vormt momenteel één van de meest indrukwekkende sites van het gebouw. Teneinde deze ingreep te kunnen doen, werd het oorspronkelijke dak van de originele Wintertuin, met één verdieping verhoogd. Door de afbraak van de dienstruimtes kwam er ruim-
0i 'T.wmm ....
Zicht vanuit de Brug op de Wintertuin boven het Kalee (foto 0. Pauwels)
te vrij voor de constructie van de Mqjolicazaal. Dit zaaltje kijkt uit op het café via zes ramen, waarvan er drie werden afgewerkt met glas in lood. De muren werden bekleed met zogenaamde majolicategels, schitterende faïencetegels waarvan de bloemmotieven kleurrijke guirlandes vormen rondom rond het zaaltje. Deze tegels zijn in reliëf en zijn van Belgische makelij, vervaardigd door de NV Manufactures Ceramiques d'Hemixem, Gilliot & Cie. Bij de voorbereiding van de restauratie van de voorbouw (1991-1993), werd geconstateerd dat talrijke tegels loskwamen. Dit was het gevolg van ingewerkte electriciteitsleidingen die door corrosie de tegels van de muur duwden. Alle tegels werden verwijderd en zoveel mogelijk gerecupereerd voor hergebruik. Daarbij werden echter dermate veel tegels beschadigd dat beslist werd om slechts drie van de vier wanden te herbetegelen. De vierde wand werd uitgewerkt als één groot meubel waarin alle infrastructuur van het zaaltje, dat een horeca-functie heeft, geïntegreerd werd. Verder staat in het zaaltje nog een merkwaardig klein beeldje van de hand van Olivier Plette, dat herinnert aan de stijl van de Wiener Werkstötte, en dienst doet als trapversiering.
De verbouwing van de Balzaal in 1923 was eveneens vrij grondig. Het plafond, waarvan de bepleisterde balken vroeger zichtbaar waren, werd verlaagd. Het nieuwe plafond uit bepleisterd beton, werd opgehangen aan de onderzijde van de oorspronkelijke balken. Voorts werd er een houten lambrisering, beschilderd in imitatie mahoniehout in combinatie met versieringen bekleed met bladzilver en spiegels, aangebracht. Grote wandkaders, behangen met kleurrijk textiel, en een eiken parket, maakten de interieurafwerking van de zaal rond. Bij de recente restauratie werd ernaar gestreefd de zaal zoveel mogelijk naar het origineel te restaureren. Er werd beroep gedaan op heel wat foto-materiaal van het begin van de jaren '30, om te achterhalen hoe de afwerking precies geconcipieerd was. In de loop van de latere jaren was de originele versiering namelijk veelvuldig overschilderd. Er gebeurde tevens een grondig kleuronderzoek. Aan de hand van dit onderzoek werd de houtimitatie gereconstrueerd. Opvallend waren en zijn nog steeds de drie grote koperen lusters, omringd door talrijke kleinere koperen plafondarmaturen; vermoedelijk dateren die nog uit de jaren '20, toen het nieuwe
32
M&L
De gerestaureerde 6a/zaa/wordt gebruikt voor podiumkunsten en feesten (foto 0. Pauwels)
plafond in de zaal werd aangebracht. De andere, hoogste delen van de voorbouw, Domzaal, Bibliotheek en Muziekzaal, waren voor de restauratie zwaar beschadigd en nauwelijks of niet meer in gebruik. De restauratie gebeurde daar zeer grondig en met oog voor de nieuwe functies van de respectievelijke zalen. Zo werd er in de Domzaal een dikke zwevende scènevloer geïnstalleerd over de hele oppervlakte, teneinde de zaal zo polyvalent mogelijk als "kleine' theater- en danszaal te kunnen gebruiken. De naastliggende lokalen werden ingericht als respectievelijk kleed- en productieruimte, foyer, vestiaire en stookplaats. Trappenhallen en liften De voor- en achterbouw van het Feestlokaal worden allebei doorsneden door een monumentale trappenhal. Die van de voorbouw is versierd met wandtegels, die bovendien dienst doen als beschermende lambrisering. De onderzijde is uitgewerkt in blauwe kaders opgevuld met lichtbeige tegels. De bovenzijde is uitgewerkt met twee randen uit geprofileerde faïencetegels met daartussen versieringen met bloemmotieven. De tegels zijn niet met de hand
geschilderd; het specifieke email-kleureffect werd bekomen door 'transferprint' of drukdecortechniek, welke nog steeds gebruikt wordt bij het vervaardigen van siertegels. De trapzaal van de achterbouw heeft dan weer een opvallende versiering met gepleisterd lijstwerk. De bogen steunen er op sober gesculpteerde natuurstenen consoles. Merkwaardig bij deze trapzaal is dat er door architect Dierkens oorspronkelijk een liftschacht werd voorzien, middenin de trap; de lift is er echter nooit gekomen. Binnenkort wordt de schacht helemaal gerestaureerd om toe te laten de lift toch te plaatsen. Dit moet het mogelijk maken om rolstoelgebruikers makkelijk de verschillende niveaus van de Theater- en Concertzaal te laten bereiken. In de voorbouw was een dergelijke liftschacht niet voorzien. Aangezien een hedendaagse exploitatie niet mogelijk is zonder lift, werd bij de recente restauratie gezocht naar een afdoende oplossing. Naast de bestaande trappenhal werd de mogelijkheid gevonden om een voldoende grote verticale schacht in te bouwen, weliswaar na grondige verbouwingen.
M&L
33
Traphal naar de Theaterzaal (foto 0. Pauwels)
waarbij nauwelijks of geen schade werd aangebracht aan het monumentale of historische karakter van het gebouw; enkel een paar sanitaire ruimtes en - gedeeltelijk - de opvallende keuken van het vroegere volksrestaurant, moesten opgeofferd worden.
HUIDIGE FUNCTIE VAN HET FEESTLOKAAL
intensief; de jaren '30 kende immers de onweerstaanbare opgang van de 'cinema', wat al gauw resulteerde in een ietwat andere exploitatie van het gebouw, waar film zwaar de bovenhand kreeg, ten nadele van de traditionelere socio-culturele uitingsvormen. Legendarisch bleven in elk geval de stakings- en politieke meetings in de overvolle Theaterzaal; in de turbulente jaren '30 was immers veel reden tot sociaal en politiek verzet.
Gedurende de eerste twintig jaar van haar bestaan, diende het Feestlokaal als sociale ontmoetingsplaats en facilitaire ruimte voor de talrijke activiteiten van de socio-culturele organisaties van de socialistische koepel. Midden de jaren "30 kwam er een eerste kink in de kabel; meegesleurd door de algemene economische crisis, konden ook de socialistische coöperaties nauwelijks het hoofd boven water houden. Dat resulteerde ondermeer in het over kop gaan van de Bank van de Arbeid, in 1934. Het onmiddellijke gevolg voor het Feestlokaal was dat het vanaf nu stelselmatig zou ontbreken aan fondsen om de nodige onderhouds- en investeringswerken te doen aan het gebouw. Ook de werking werd iets minder
De bezetting van het Feestlokaal door respectievelijk Duitse, Amerikaanse en Canadese legertroepen gedurende de Tweede Wereldoorlog, zorgde ervoor dat het gebouw zo goed als in puin werd achtergelaten in 1945. De Gentse socialistische beweging beschikte in deze moeilijke na-oorlogse jaren niet over het nodige kapitaal om het gebouw een grondige opknapbeurt te geven. De Concertzaal zou nooit meer heropend worden, en in de resterende zalen bereikte de activiteit nooit meer het niveau van vroeger. Gedurende de volgende decennia slonk de publieke belangstelling meer en meer. Vrije tijd werd anders beleefd en jongeren hadden stilaan lak aan het sectaire gemeenschapsleven. Televisie deed haar
HH I H i
M&L
Majolicazaal met haar kenmerkende faiencetegels en het beeldje van Olivier Piette (foto 0 . Pauwels)
35
intrede, commerciële evenementen staken de kop op, en de socialistiche volkshuizen zagen hun cliënteel zienderogen slinken. Halfweg de jaren '50 werd een laatste poging gedaan om het tij voor het Feestlokaal van Vooruit te doen keren. Een groot deel van de voorbouw werd verbouwd en kreeg een "moderne' look mee; nog geen 10 jaar later werd reeds ingezien dat daarmee ontzettend veel schade was aangericht aan het oorspronkelijke waardevolle ontwerp van architect Dierkens. Hoe dan ook, deze laatste investeringskramp mocht niet baten. Het Feestlokaal diende geregeld zalen en ruimtes voor het publiek te sluiten, definitief. Op nog geen 15 jaar tijd vervielen bepaalde gedeeltes van het gebouw, zoals de hoogste verdiepingen van de voorbouw, tot ware ruïnes. Het ooit zo fiere en van activiteit bruisende gebouw was verworden tot een zware last voor de socialistische beweging. De toestand was dermate dramatisch dat naar het einde van de jaren "70 woorden als 'verkoop' of 'afbraak' geregeld vielen. Maar er hangen goeie geesten in het gebouw, zoals ooit iemand zei. Vele jongeren uit de alternatieve, artistieke sferen van de jonge jaren '80, waren zich bewust van de problematiek, en beseften dat het gebouw over de intrinsieke kwaliteiten beschikte om er een brede artistieke en culturele werking in uit te
Het Kafee na de 'modernisering' van de jaren '50 (toto AMSAB)
bouwen. Her en der gingen stemmen op tot heroriëntering van de op sterven na dood zijnde exploitatie. Tot meer dan een vaag discussiepunt bij een ongeorganiseede groep geïnteresserden kwam het voorlopig echter niet. Daar kwam verandering in toen de eigenaar van het gebouw, nog steeds de Coöperatieve Vereniging Vooruit, in 1982 geconfronteerd werd met een concreet voorstel van een kleine groep jongelingen uit diverse hoeken, die een plan voorlegden om als een nieuwe vzw Vooruit, de integrale exploitatie van het gebouw op zich te nemen, evenals het onderhoud. Al gauw werd een erfpachtovereenkomst ondertekend, samen met een protocol dat inhield dat de vzw Vooruit volledig autonoom en naar eigen inzichten, de werking kon uitbouwen. Het amechtige arbeiderspaleis van weleer kon eindelijk op zoek gaan naar een tweede adem. Op 19 september 1982 werd het Feestlokaal, vanaf nu in de volksmond "de Vooruit" genoemd, feestelijk en onder massale belangstelling heropend. Dat publieke succes is tot op vandaag gebleven, wat aan de vzw Vooruit toeliet haar werking steeds maar uit te breiden. Het werd een ontwikkeling met intens zoeken en tasten, vallen, heropstaan en financieel koorddansen. Maar ook de tijdsgeest zat mee. Het artistieke en experimentele werk, gedragen door een nieuwe hedendaagse jongerencultuur, kreeg meer en
M&L
meer belangstelling van de diverse overheden; dat resulteerde in de loop der jaren tot een subsidiepolitiek die aan de vzw Vooruit toeliet haar werking professioneel uit te bouwen tot een volwaardig kunstencentrum, gepaard gaande met een actieve horeca-uitbating. Maar de missie van de vzw Vooruit houdt evenzeer de restauratie in van het op 28 juli 1983, na een snelle procedure, 'beschermd monument'. Van meetaf aan is er zeer veel aandacht en geld gegaan naar het aanvankelijk in standhouden, later tijdelijk renoveren, en recent definitief restaureren van het integrale gebouw. De wisselwerking met haar functie als hedendaags kunstencentrum, is voor de vzw Vooruit daarbij steeds cruciaal geweest. De definitieve restauratie is weliswaar een doel op zich, maar kan en mag slechts gebeuren als er aan de gerestaureerde zalen en ruimtes een functie kan gegeven worden die past in het kader van de artistieke werking. Anderzijds is binnen monumentenzorg recentelijk ook het bewustzijn gegroeid dat restaureren maar nut heeft als er nadien met het monument ook iets gebeurt. In deze context van ontsluitingspolitiek, is Vooruit, als bruisende bijenkorf van activiteit, een modelvoorbeeld.
Met het oog op de verdere toekomst zouden we hier eveneens moeten pleiten voor een gelijkaardig masterplan voor het 'post-restauratie' onderhoud van het gebouw, evenals voor een 'geïntegreerde monumentenzorg' die blijvend aandacht besteedt aan de exploitatie of de werking van het monument. Want als we één belangrijke les kunnen leren uit het hierboven beschreven verhaal van het Feestlokaal van Vooruit, dan is het dat het verval van een schitterend monument ontzettend snel kan gaan, en onlosmakelijk verbonden is met het élan van de exploitant, die bij een achteruitboerende werking niet meer in staat is de nodige aandacht aan het gebouw te schenken.
LITERATUUR AVANTI. Een terugblik. Bijdrage tot de geschiedenis der Gentse Arbeidersbeweging. Gent, 1930. JANSSENS S.. Monografie Ferdinand Frangois Dierkens. licentiaatsverhandeling. Universiteit Gent, 1993-1994. LAPORTE D.. Architectuurgids Gent. Turnhout. 1994. STALLAERTS R.. SCHOKKAERT L, Onder Dak. Een een» volks- en gildelmizen. Gent. 1987. VANDENSANDE T. e.a.. Huizen van en voor het volk. Rond het Feestlokaal Vooruit in Gent.
De definitieve restauratie van het gebouw werd opgestart in 1991, en zal vermoedelijk nog duren tot 2001. Het betreft een gefaseerde restauratie, onderverdeeld in zo'n zes grote dossiers. Deze fasering is zowel voor de subsidiërende overheden, als voor de private opdrachtgever - de vzw Vooruit - de enige mogelijkheid om door middel van spreiding, de gigantische financiële inspanning te dragen. Tot nu toe heeft Vooruit zich mogen verheugen in een zeer vlotte samenwerking met zowel de politieke als ambtelijke verantwoordelijken van Monumentenzorg in Vlaanderen. Maar het blijft een feit dat fasering aanleiding geeft tot onzekerheid: elk dossier staat in principe los van een ander, en moet steeds opnieuw dezelfde administratieve weg afleggen. Voldoende zekerheid om over te gaan tot de aanvang van een werf, krijgt men pas in een zeer laat stadium, en dat is voor exploitanten van een monument, die doorheen de restauratie hun werking moeten blijven verzekeren, quasi ondoenlijk. Daarom pleiten wij ervoor dat bij langdurige restauraties, in overleg met de verschillende betrokkenen, een masterplan zou uitgewerkt worden dat een zekere garantie inhoudt voor het verdere verloop van de werken. Dit zou rust creëren bij grote restauratieprojecten, wat uiteindelijk slechts kan leiden tot betere en meer efficiënte resultaten.
Brussel. 1988.
VAN SCHOENBEEK G. e.a.. Feestpaleis Vooruit. Gent. 1981. VAN SCHOENBEEK G.. Novecento in Gent. De wortels van de sociaal-democratie in Vlaanderen. Gent. 1995. VAN SCHOENBEEK G.. Onroerend Rood. Het Gentse Oeuvre au Rouge. Genl 1991.
Romain Berteloot is docent aan de 'Hogere Opleiding Monumenten- en Landschapszorg' te Antwerpen en, werd in 1984 aangesteld tot restauratie-architect van het 'Feestlokaal van Vooruit'. Rik Vandecaveye is mede-oprichter en huidig coördinator van het Kunstencentrum Vooruit. Als historicus publiceerde hij onder andere over arbeiderscultuur.
ML Nr. 93 Bijlage bij M&L17/4 jullaugustus 1998
De architect Joze Plecnik voor zijn huis in Ljubljana
BINNENKRANT
M&L 2 BRUGGE - Spiegel rei 5 Detail Westgevel
Bouwhistorisch onderzoek
0 I
1
L
2ni
13DE-EEUWSE HUIZEN IN BRUGGE Bouwhistorisch onderzoek is in Vlaanderen helaas nog altijd een zeldzaam fenomeen. Zo is Gent momenteel de enige stad in Vlaanderen waar al enige tijd onderzoek aan stadshuizen wordt uitgevoerd. De nadruk lag hierbij wel vooral op de oudste natuurstenen woningen en was vooral geïnspireerd door een archeologische visie op de ontstaansgeschiedenis van de stad. Aan de volledige bouwgeschiedenis van al deze panden werd veel minder aandacht besteed. De Afdeling Monumenten en Landschappen van de Vlaamse Gemeenschap zet zich sedert geruime tijd in voor de promotie van bouwhistorisch onderzoek, vooral door het zelf uitvoeren van dergelijk onderzoek, en door het publiceren van de resultaten. Sedert 1993 werden zo in de Brugse binnenstad een aantal panden bouwhistorisch onderzocht, waarbij telkens belangrijke resten van huizen uit de 13de eeuw werden geregistreerd. Deze ontdekkingen waren aanleiding tot een breder onderzoek, waarin aandacht werd besteed aan de ruimtelijke context waarin deze huizen werden aangetroffen. Bedoeling was vooral na te gaan of er op basis van de eerste resultaten reeds modellen konden worden ontwikkeld, en of aan deze modellen een voorspellend karakter kon worden toegekend. Het einddoel is te komen tot een soort alarmlijst die bijzondere aandacht vraagt voor bepaalde panden als hiervoor een dossier voor verbouwing of restauratie wordt ingediend. De huizen die totnogtoe werden onderzocht zijn alle grote tot zeer grote stadshuizen die toebehoorden aan rijke patriciërs of handelaars, zodat in eerste instantie de nadruk zal liggen op de betekenis die deze elite had in de ontwikkeling van de stad. Dit betekent concreet dat we vooreerst een beeld moeten ontwikkelen van het
V/////////////////////////7}^ ontstaan en de evolutie van de grote domeinen of erven die deze groep vooraanstaande burgers in de stad kon verwerven, en waarop zij prestigieuse huizen voor zichzelf optrokken. De patricische domeinen. Bloeiende nederzettingen zoals Brugge, die in de loop van de 10de
eeuw ontstonden aan de voet van een grafelijke burcht, en dus eigendom waren van in dit geval de Graaf van Vlaanderen, stelden zich allengs steeds onafhankelijker op en werden in de 12de eeuw grote concurrenten van de grafelijke macht, van wie zij stadsrechten afdwongen. De belangrijkste actoren in deze ontwikkeling
B I N N E N K R A N T
M8cL waren de handelaars die de rechtspraak en het bestuur van de stad in handen kregen, en door hun groeiende rijkdom in staat waren zich van de oorspronkelijke grondbelasting vrij te kopen. Hierdoor konden zij in de zich ontwikkelende stad uitgestrekte domeinen verwerven, waarvan het bezit erfelijk werd en de basis werd voor enorme kapitalen. Op deze met een gracht, wal of muur afgebakende domeinen bouwde de aldus ontstane stedelijke aristocratie of patriciaat, grote stenen - meestal versterkte woningen, die vergezeld gingen van kleinere bijgebouwen zoals keukens, stallingen en personeelsverblijven. Dergelijke grote domeinen waarop aanvankelijk dus slechts één groot stenen huis stond, konden natuurlijk niet onbeperkt in stand worden gehouden, en werden langzaam opgedeeld door bijvoorbeeld verervingen en huwelijken; bij elke opsplitsing werd er een nieuw huis opgericht zodat in de loop van de 14de eeuw, na de ondergang van het stadspatriciaat omstreeks 1300, op vele plaatsen in de stad het typische patroon was ontstaan van langs een hoofdstraat gelegen huizen die telkens van elkaar gescheiden zijn door een smal perceel of, kleiner nog, een steegje dat over de volle lengte van het domein doorloopt; enkele van deze percelen zijn nog altijd onbebouwd en worden dikwijls als brandgang geïnterpreteerd. Op andere werd, vooral in de 18de19de eeuw, een koetspoort opgericht toen grote middeleeuwse huizen tot herenhuizen werden verbouwd. Waarschijnlijk het grootste deel van deze open percelen verdween echter aanzienlijk vroeger toen vanaf de 15de eeuw kleine woningen op de open gebleven plekken werden gebouwd. Het onderzoek naar de oudste en dus grootste kerndomeinen staat nog overal in zijn kinderschoenen. Bij het stadsonderzoek in Gent werd wel reeds in 1986 het ongeveer 2250 m2 grote domein van de familie Bette geïdentificeerd. Voor de situatie in Brugge maken we onderscheid tussen de oudste kern van de stad, de vroege uitbreidingen in de 11de en 12de eeuw en die gebieden die pas na 1200 voor bebouwing werden rijpgemaakt. Uit de oudste stadskern zijn voorlopig geen kerndomeinen gekend. Het eerste kerndomein dat in Brugge kon worden aangetoond bevindt zich in de vroege uitbreiding langs de Vlamingstraat, waar een zeer omstre-
den bouwproject in 1993 aanleiding was tot het eerste bouwhistorisch en archeologisch onderzoek door de Afdeling Monumenten en Landschappen in de Brugse binnenstad. Centraal in de discussie stond een groot bakstenen huis dat in de 16de eeuw gekend was als De Galeye, en na onderzoek op het eind van de 13de eeuw kon worden gedateerd. Uit het onderzoek bleek bovendien dat het huis een betrekkelijk late toevoeging was aan een aantal vroegere gebouwen die op een omvangrijk erf stonden opgesteld, en dat dit erf oorspronkelijk deel uitmaakte van een groter kerndomein van ongeveer 1200 m2 dat eind 12de eeuw werd opgericht; van het oorspronkelijke romaanse huis werden enkel tufstenen zuilfunderingen teruggevonden. Onderzoek in het meer noordelijk gelegen deel van de stad dat pas na 1200 werd bebouwd, heeft in de voorbije jaren toegelaten een aantal 13deeeuwse bakstenen huizen te identificeren, waardoor er een aantal patronen zichtbaar werden die het mogelijk maken een aantal voorspellingen te doen, en in de toekomst meer gericht onderzoek mogelijk maken. De verbouwing van het Tolhuis (J.Van Eyckplaats 1) was vanaf 1996 aanleiding tot een uitgebreid bouwhistorisch en archeologisch onderzoek. De oudste kern van dit gebouwencomplex bestaat uit twee 13de-eeuwse huizen waarvan het grootste op basis van archeologisch materiaal omstreeks 1200 kon gedateerd worden. Het tweede huis werd gebouwd in de tweede helft van de 13de eeuw en staat duidelijk op een afsplitsing van het vroegere grotere erf, zoals duidelijk wordt gemaakt door de enkel in fundering bewaard gebleven scheidingsmuur. Over de omvang van het oorspronkelijke erf bestaat voorlopig geen duidelijkheid. Zoals in de Vlamingstraat werd ook bij dit onderzoek het volledige bouwblok eens nader bekeken. Rechts van het Tolhuis bevindt zich een groot en zeer diep erf waarop een 13de-eeuws huis is bewaard gebleven. Zoals de huizen in het Tolhuis heeft ook dit een parement en waterlijsten in Doornikse kalksteen. In het bouwblok vallen echter nog meer vroege domeinen te vermoeden. Hiervoor doen we grotendeels een beroep op de stadskaart van Marcus Gerards uit 1562 waar in dit blok een aantal grote huizen met schermgevels staan afgebeeld. Na projectie van al deze gegevens op de
Popp-kadasterkaart van 1854 kunnen we stellen dat hier minstens vijf vroege erven zijn vertegenwoordigd. Voorlopig valt onmogelijk uit te maken welke of hoeveel van deze erven als kerndomein moeten worden beschouwd; hiervoor ontbreken nog teveel gegevens en vooral dateringen. Uit onder andere archeologisch onderzoek weten we reeds dat dit stadsdeel pas rond 1200 werd aangelegd, als een rechtstreeks gevolg van de toenemende belangrijkheid van de haven die hier vlakbij was gelegen. Dit betekent dat hier opnieuw voornamelijk rijke handelaren de kans hadden belangrijke stukken grond op te kopen en er hun koopmanshuizen op te vestigen. Enkel toekomstig onderzoek zal kunnen uitwijzen of deze verschillende omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de nabijheid van de haven, hebben geleid tot andere ontstaanspatronen dan in de uitbreidingsgebieden uit de 11 de en 12de eeuw, toen het inwonersaantal ook beduidend kleiner was. Eenzelfde oefening kon ook reeds worden gemaakt voor de bouwblokken langs de Spiegelrei, waar de Afdeling Monumenten en Landschappen in 1997 en 1998 onderzoek deed aan twee verschillende panden. In het kleinste bouwblok, aan de hoek met de Lange Rei, bevinden zich waarschijnlijk twee vroege erven. Op één ervan bevindt zich een huis uit het eind van de 13de eeuw (Spiegelrei 24), dat werd opgericht vlak naast een groter huis dat waarschijnlijk dateert uit het begin van de 13de eeuw. In het grote langgerekte bouwblok langs de Spiegelrei kunnen we nu reeds minstens drie naast elkaar gelegen 13de-eeuwse erven aanduiden. Tot de eerste twee behoren huizen die hun 13de-eeuwse oorsprong nog gedeeltelijk verraden, maar nog niet werden onderzocht. Het derde erf behoort toe aan een slechts onvolledig bewaard gebleven huis dat in 1998 werd onderzocht, en minstens een woontoren omvatte (Spiegelrei 5). Het bouwblok bevat waarschijnlijk nog twee vroege erven, die echter nog duidelijk moeten worden omlijnd. De 13de-eeuwse huizen De door de Afdeling Monumenten en Landschappen onderzochte huizen • zijn, op één na, de enige 13de-eeuwse huizen die in Brugge aan een grondig bouwhistorisch onderzoek werden onderworpen. In afwachting van de
B I N N E N K R A N T
M8cL 4
Ihvai'sdoorsiittiln (naar W. >
IjaiiijsdoorsiKiflo I naar Z. t
publicatie van de definitieve resultaten brengen we hier een kort overzicht. Jan Van Eyckplaats 1, Huis I Wat later het Tolhuis werd is in oorsprong een monumentale koopmanswoning, 20 meter diep en 7 tot 8,4 meter breed. De straatgevel van de kelder was bekleed met Doornikse kalksteen en telde twee deuropeningen die naar de kelder leidden. De (verdwenen) balklaag boven de 4 meter hoge kelder steunde op vier bakstenen pijlers. De achtergevel van de kelder was verlicht door twee rondboogvensters, en telde verder twee kaarsnissen. Boven keldemiveau was het huis verdeeld in een voor- en achterhuis waarin de vloerniveau's niet met elkaar overeenstemden. Opvallend is vooral de aanwezigheid in het achterste gedeelte van een 7 meter hoge zaal, toegankelijk via een rondboogdeur in een zijgevel, en verlicht door grote kruisvensters. De op archeologisch materiaal gebaseerde datering van dit huis omstreeks 1200 maakt hiervan het oudste goed gedateerde bakstenen huis in Brugge. SpiegelrelS Eveneens vroeg in de 13de eeuw te
situeren is dit merkwaardig huis dat oorspronkelijk 16 op 8,5 meter mat en 8 meter achter de huidige rooilijn stond opgesteld. Een nu verdwenen tussenmuur verdeelde het huis in een bijna vierkante voorbouw en een rechthoekige achterbouw die nagenoeg volledig verdween. Van de voorbouw zijn enkel twee zijgevels bewaard gebleven; over de kelder en de begane grond weten we nagenoeg niets, de eerste verdieping bezat in de ene zijgevel een verdwenen haard en een spitsboogvenster, in de andere zijgevel drie vlak naast elkaar gelegen spitsboogvensters, omlijst met rondstaven. De zijgevels eindigden aan straatzijde in massieve steunberen die tegen de voorgevel waren aangebouwd; uit het verloop van de steunberen kan worden afgeleid dat minstens één verdieping is verdwenen en dat de voorbouw waarschijnlijk als een woontoren moet worden geïnterpreteerd. Jan Van Eyckplaats 1, Huis II Het huidige hoekhuis in het Tolhuiscomplex meet 12 op 7,5 meter en is waarschijnlijk te dateren rond het midden van de 13de eeuw. Ondanks zware verbouwingen die in het verle-
den plaatsvonden, kon worden vastgesteld dat op de drie bovengrondse verdiepingen de zijgevels waren voorzien van rechthoekige en rondboogvensters die telkens dicht tegen de (verdwenen) voor- en achtergevel waren gelegen. De gevels waren horizontaal geleed door zes waterlijsten in Doornikse kalksteen die het huis ongetwijfeld een zeer statig karakter verleenden.
Vlamingstraat 25 Het huis De Galeye was het eerste 13de-eeuwse huis dat in Brugge grondig werd onderzocht. Het is dan ook bijzonder jammer dat door allerlei omstandigheden dit huis nagenoeg volledig is verdwenen. De resten waren nochtans indrukwekkend: het huis mat 22 meter op 11, en omvatte vijf bouwlagen terwijl de zijgevels een hoogte van 16 meter hadden. Kelder, begane grond en eerste verdieping waren door een tussenmuur verdeeld in een diep rechthoekig voorhuis en een ondiep achterhuis. De muren van kelder en begane grond waren binnenin voorzien van een reeks spaarnissen met spitsboog, die hetzij volledig blind waren, hetzij voorzien van een kaarsnis, of doorbroken door een
B I N N E N K R A N T
M&L
5 smalle lichtspleet. De eerste en tweede verdieping waren verlicht door rondboogvensters. In de achtergevel bevonden zich waarschijnlijk gedeelde rechthoekige vensters. De dakkap waarvan enkel twee schaargebinten op krompoten bewaard bleven, stond opgesteld tussen een waarschijnlijk rondom doorlopende schermgevel die werd verlevendigd door kantelen en ezelsrugjes. De nokhoogte kan gereconstrueerd worden op 24 meter. Spiegel re 124 Zijgevels en achtergevel van huis Den >Ancfeer bleven relatief goed bewaard, de voorgevel echter werd in de 18de eeuw volledig herbouwd. Het huis meet 16,4 op 6,5 meter en was door een tussenmuur verdeeld in een diep voorhuis en een bijna vierkant achterhuis. Eén zijmuur van de kelder is geleed door vijf spaarnissen met rondboog waartussen consoles in Doornikse kalksteen de muurstijlen droegen die deel uitmaakten van de oorspronkelijke balklaag. Op de eerste verdieping werden een kleine nis met segmentboog aangetroffen, alsook een vroeg-14de-eeuwse lavabonis met randstaat. De spitsboog rust op zandstenen kapiteeltjes, de verdwenen driepas tegen de achterwand van de nis rustte op zandstenen hoofdjes. De oorspronkelijke beschildering, een baksteenimitatie, werd gedeeltelijk blootgelegd. Van de originele dakconstructie bleven resten bewaard in de huidige dakkap waarvan een aantal eiken kepers in feite gerecupereerde sporen zijn van een hanebalkdak, waarin elk sporenpaar door twee hanebalken was verbonden. Op 13 sporen werden getrokken telmerken opgemerkt. Twijnstraat 13 In dit bescheiden straatje staat, verscholen achter een banale lijstgevel, een mooi laat-13de-eeuws huis waarvan het onderzoek nog niet volledig werd afgerond. Het huis meet 15,5 op 7,3 meter en is door een tussenmuur verdeeld in een rechthoekig voorhuis en een bijna vierkant achterhuis. Een zeer grondige verbouwing uit de 14de eeuw liet echter weinig heel van de oorspronkelijke inrichting. Wel is duidelijk dat de balklaag van de kelder steunde op zware zuilen met knopkapiteel in Doornikse kalksteen. In een kleine vóórkelder die waarschijnlijk nog oorspronkelijk is, bevindt zich een kruisgewelf dat steunt op vier kopjes in Doornikse kalksteen.
Het onderzoeksproject Dat bouwhistorisch onderzoek een belangrijke rol speelt in een goed gefundeerde monumentenzorg hoeft ondertussen geen betoog meer. Uit voorgaande voorbeelden is echter ook gebleken dat zulk onderzoek bovendien niet alleen informatie aan het licht kan brengen over de vroege huizen in Brugge, maar dat deze informatie bovendien kan ingebed worden in een groeiend inzicht in het mechanisme van de stadsontwikkeling. Teneinde dit groeiproces duidelijker in beeld te brengen werd in 1998 een onderzoeksproject op stapel gezet dat zoals gezegd uiteindelijk moet leiden tot een alarmlijst die bijzondere aandacht vraagt voor bepaalde panden wanneer hiervoor een verbouwings- of restauratiedossier wordt ingediend. Aangezien in het verleden herhaaldelijk is gebleken dat huizen die op de stadskaart van Marcus Gerards uit 1562 met een schermgevel staan afgebeeld, zeer dikwijls een vroege oorsprong hebben, werd vooreerst een lijst van deze huizen opgesteld. Voor zover mogelijk werden dan de 76 huizen die deze lijst telt, gesitueerd op een kopie van de Popp kadasterkaart uit 1854. Deze lijst moet nog verfijnd worden door een onderzoek ter plekke waarbij het waarschijnlijk mogelijk zal zijn de "verdachte" huizen nader te omschrijven of te identificeren. Het spreekt vanzelf dat niet alle huizen met schermgevel een even vroege oorsprong zullen blijken te hebben, terwijl anderzijds moet worden opgemerkt dat een groot aantal van de reeds gekende bakstenen huizen uit de periode 1200-1350, waarop het project zich vooral concentreert, helemaal niet op deze lijst voorkomen. Andere zullen wellicht blijken ouder te zijn, zodat gaandeweg ook vroegere huizen in natuursteen de lijst zullen vervoegen. Het is duidelijk dat het project zich nog in een embryonaal stadium bevindt en dat nog veel meer gegevens zullen moeten worden ingevoerd. Uiteindelijk zullen detailplannen van alle bouwblokken toelaten om inderdaad modellen met een voorspellende waarde te ontwikkelen die een meer gericht onderzoek zullen mogelijk maken.
Wet- en regel' geving BEHEERSCOMMISSIES VOOR BESCHERMDE LANDSCHAPPEN Het beheer van beschermde landschappen is een wezenlijk onderdeel in het decreet van 16 april 1996 houdende bescherming van landschappen. Het besluit van 5 mei 1998 beoogt de samenstelling en werking van de beheerscommissies. Inzake het beheer van beschermde landschappen is bij de totstandkoming van het decreet zeer duidelijk uitgegaan van het concensusmodel. Dit houdt in dat de beheersvisie in overleg wordt opgebouwd. Zo bepaalt het decreet dat de beheerscommissie het beheersplan opstelt en dat de uitvoering van de beheersplannen enkel gebeuren kan op vrijwillige basis door middel van een beheersovereenkomst. Dit impliceert dat het beheersplan niet alleen ten gunste van de intrinsieke waarden van het landschap moet zijn, maar tevens de goedkeuring van de betrokken eigenaars en gebruikers moet hebben. Enkel indien laatstgenoemden zich betrokken voelen bij de voorstellen en de uitwerking van het beheer en er achter kunnen staan, zal het tot een daadwerkelijke uitvoering komen. Dit uitgangspunt moet dan ook zijn weerspiegeling vinden In de samenstelling en de werking van de beheerscommissie.
Besluit van de Vlaamse regering betreffende de samenstelling en de werking van de beheerscommissies voor beschermde landschappen De Vlaamse Regering,
Dirk Van Eenhooge
Gelet op het decreet van 16 april 1996 houdende bescherming van landschappen, inzonderheid op artikel 16, §2;
B I N N E N K R A N T
M&L
6 Gelet op het advies van de inspectie van financiën, gegeven op 4 december 1997; Gelet op de beslissing van de Vlaamse regering van 27 januari 1998 over de adviesaanvraag binnen een termijn van een maand; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 24 februari 1998, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling; Na beraadslaging, BESLUIT: Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1 ° decreet: decreet van 16 maart 1996 houdende bescherming van landschappen; 2° beheerscommissie: beheerscommissie voor een beschermd landschap, bedoeld in artikel 16, § 1, van het decreet; 3° minister: Vlaamse minister bevoegd voor de landschappen; 4° cel monumenten en landschappen: de cel monumenten en landschappen van de betrokken provin-ciale afdeling van de administratie ruimtelijke ordening, huisvesting en monumenten en landschappen. Art. 2. de beheerscommissie is samengesteld als volgt: 1 0 een voorzitter, die niet stemgerechtigd is, behalve in het geval bedoeld in artikel 10, eerste lid; 2° maximum drie vertegenwoordigers van de eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers, alsmede van de huurders, bewoners, pachters en gebruikers; 3° een aantal vertegenwoordigers van verenigingen die het herstel en het beheer van het natuurlijk milieu of het betrokken landschap tot doel hebben; hun aantal is gelijk aan dat van de leden bedoeld in 2°; 4° vertegenwoordigers van de hierna genoemde diensten, voorzover die aan de cel monumenten en landschappen hebben laten weten bij de beheerscommissie betrokken te willen worden: - twee vertegenwoordigers van de administratie Milieu-, Natuur-,
Land- en Waterbeheer; - een vertegenwoordiger van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en landschappen; - een vertegenwoordiger van de administratie Land- en Tuinbouw; - een vertegenwoordiger van de administratie Waterwegen en Zeewezen; - een vertegenwoordiger van de administratie Economie, afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie; - een vertegenwoordiger van de openbare instelling Toerisme Vlaanderen; 5° een ambtenaar van de cel monumenten en landschappen; 6° een vertegenwoordiging van elke gemeente die bij het landschap betrokken is. Art. 3. De voorzitter wordt benoemd door de minister. Art. 4. § 1. De leden bedoeld in artikel 2,2°, worden benoemd door de Minister, op voordracht van de cel monumenten en landschappen, voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar. Indien een lid overlijdt of ontslag neemt, wordt een opvolger benoemd, die het mandaat van zijn voorganger beëindigt. § 2. De leden worden benoemd uit de personen die hun kandidatuur hebben ingediend bij de cel monumenten en landschappen. Het bericht houdende oproep daartoe wordt op verzoek van de cel monumenten en landschappen aangeplakt op de wijze bepaald in artikel 7, § 1,2° van het decreet. Naar aanleiding van de beteking voorzien in artikel 11 § 1 worden de eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers in kennis gesteld van de oproep en verzocht om de huurders of bewoners, pachters of gebruikers in te lichten. In afwijking van het vorige lid kan, voor de beschermde landschappen die reeds betekend werden, de kennisgeving aan de eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers vervangen worden door een modeling in drie kranten of tijdschriften. De kandidaturen moeten ingediend worden binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de eerste dag
van de aanplakking, de kennisgeving of vanaf de dag van de mededeling in de kranten of tijdschriften. § 3. De leden dienen, rekening houdend met de oppervlaktes van het beschermd landschap waarop zij rechten hebben, representatief te zijn voor het geheel van de rechthebbenden. Art. 5. De leden bedoeld in artikel 2, 3°, worden benoemd door de Minister, op voordracht van de cel monumenten en landschappen, voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar. Indien een lid overlijdt of ontslag neemt, wordt een opvolger benoemd, die het mandaat van zijn voorganger beëindigt. Art. 6. Voor de leden bedoeld in artikel 2,2° of 3°, kunnen plaatsvervangers benoemd worden, onder dezelfde voorwaarden en op dezelfde wijze als de effectieve leden. Art. 7. Indien een lid bedoeld in artikel 2,2° of 3°, niet meer de hoedanigheid bezit op grond waarvan hij benoemd is, wordt het vanrechtswege geacht ontslagnemend te zijn. Art. 8. De vertegenwoordigers bedoeld in artikel 2,4° en 5° en 6°, worden aangewezen door het betrokken bestuur. Art. 9. De vergaderingen van de beheerscommissie worden bijeengeroepen door de voorzitter. Deze is daartoe verplicht indien minstens één derde van de leden erom verzoekt. De beheerscommissie vergadert ten minste één keer per jaar. Art. 10. De beslissingen van de beheerscommissie worden genomen bij volstrekte meerderheid van de stemmen van de aanwezige leden. In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. In verband met de uitvoering van een goedgekeurd beheersplan, beldoeld in artikel 16, § 6, van het decreet, kan de beheerscommissie slecht aanbevelingen doen. Art. 11. Het lid bedoeld in artikel 2,5° is secretaris van de beheerscommissie. De verslagen worden opgesteld door de secretaris of door een andere amb-
B I N N E N K R A N T
M8cL 7 >
tenaar van de cel monumenten en landschappen. Art. 12. Verscheidene beheerscommissies, die bevoegd zijn ten aanzien van landschappen die ruimtelijk bij mekaar aansluiten, kunnen samen vergaderen. In dat geval kunnen beslissingen gezamenlijk genomen worden, op voorwaarde dat in elke beheerscommissie de meerderheid bereikt wordt, bedoeld in artikel 10, eerste lid. Art. 13. De Vlaamse minister bevoegd voor de landschappen is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 5 mei 1998 De Minister-President van de Vlaamse Regering.
• ken in de periode 1928-1953, uitgaan- j de van niet eerder gepubliceerde bronnen en gesprekken met de betrokkenen. Een kwarteeuw visionair 1 dromen over de toekomst van stad en maatschappij.
John R. Gold
i j
Kroniek van de monumentenzorg in relatie tot de politiek en het beleidsveld in Groot-Brittannië, van de schuchtere eerste monumentenwet uit 1882 tot het huidige spectrum van brede volksbeweging. De beginjaren tot aan W.O.II, de naoorlogse tot 1975, de invloed van de kerk en de recente ontwikkeling sinds het ontstaan van English Heritage.
j I I I j
tfirntiiur
DE KEUZE VAN M&L Sverre Fehn
Works projects, writings 1949-1996 Christian Norberg-Schulz, Gennaro Postiglione en Francesco Dal Co New York, The Monacelli Press, 1997, 275 p., ISBN 1-885254-64-4 Monografie over de Noorse architect Sverre Fehn, winnaar van de Prizker Prize for Architecture in 1997 en één van de meest gerenommeerde architecten van Scandinavië. Drie essays en een presentatie van 50 projecten uit vier decennia, te beginnen met het spraakmakende Noors paviljoen op de Expo '58 in Brussel.
The experience of modernism
Modern architects and the future city 1928-1953 John R. Gold Londen, E & FN Spon, 1997,278 p., ISBN 0-419-20740-6 Studie over het impact van het modernisme op het stedenbouwkundig den-
Leven en werk van Robert Maillart, Zwitser van Belgische origine, één van de belangrijkste ingenieurs van deze eeuw en uitvinder van een drietal innoverende betontechnieken. Zijn ontwerpen voor bruggen en andere constructies overstijgen het utilitaire karakter van toegepaste techniek tot design met een hoge graad van esthetiek.
: „VIT ^ v Qtfi i M3I
^
ri
•
Neite 8au(wus£jocher
I
9
l|i'»|IIIIS llSlllllSHIS
j \
liaiitcii (iessaii
>
Builder, designer, and artist David P. Billington New York, Cambridge University Press, 1997,331 p., ISBN 0-52157132-4
LM v l U UUI
Modem architects and the future city 1928-1953
Politics and preservation
A policy history of the built heritage 1882-1996 John Delafons Londen, E & FN Spon, 1997,215 p., ISBN 0-419-22390-8
Robert Mailiard
^H ^P^H^ ^ ^P ^^^ ^
The experience Of modernism
*y. ^A . W <
1-
\
JK
fc^'ü^ jrm QfeuN» ^lE^B M
-y^JiJi
j j j j
j Eindhoven, DOCOMOMO Intemationj al, 1997,92 p., ISBN 90-6814-069-8
Bauhausbauten Dessau
Referaten van een internationale stui diedag ingericht door DOCOMOMO, rond het gebruik van de gordijngevel n de modernistische architectuur, de problemen die het behoud van dit fra3iele erfgoed uit staal en glas stelt met Ongewijzigde heruitgave van de restrekking tot de huidige normen van hermische en akoestische isolatie, en print (1974) van 'bauhausbüchei" Band 12 (1930), gewijd aan de gebou- i de mogelijke oplossingen. wen die Walter Gropius van 1925 tot j The fair face of concrete 1928 in Dessau tot stand bracht, met name het Bauhaus, de Meisterhauser, \ Conservation and repair of exposed de Siedlung Törten en het Arbeitsamt. \ concrete Ook nu nog een onmisbaar document Wessel de Jonge en Arjan Doolaar bij een bezoek aan dit werelderfgoed, j (red.) Eindhoven, DOCOMOMO International, 1998,151 p., ISBN 90-6814-076-0 Curtain wail refurbishWalter Gropius met voorwoord door Hans M. Wingler Berlin, Gebr. Mann Verlag, 1997, 221 p., ISBN 3-7861-1471-4
ment
A challenge to manage Wessel de Jonge en Arjan Doolaar (red.)
Referaten van een internationale stuI diedag ingericht door DOCOMOMO, I rond de vaak experi mentele toepas-
B 1 N N E N K R A N
T
j
j j j 1 j j
\ 1 i j j j j
I
M&L s De Verbreytslte in SintNiklaas
sing van 'zichtbaar' gewapend beton in de architectuur van het modernisme, de bouwfysische problemen die dit vandaag oplevert, en de mogelijke remedies in het licht van een verantwoorde monumentenzorg.
The
Opmerkelijke interbellumarchitectuur van Jan-Albert De Bondt (1888-1969) Anthony Demey Sint-Niklaas, Stedelijke Academie voor Schone Kunsten, 1997, 64 p., ISBN 90-804011-1-0 Bescheiden monografie over de interbellumarchitect Jan Albert De Bondt en één van zijn opmerkelijkste realisaties: de twee villa's en het fabrieksgebouw bijgenaamd "de glazen kast" voor de gebroeders Verbreyt in SintNiklaas.
Werkbund
Design theory and mass culture before the First World War Frederic J. Schwartz New Haven, Yale University Press, 1996,262 p., ISBN 0-300-06898-0 Studie naar het ideologisch en de esthetische positionering van de Duitse Werkbund in de periode voorafgaand aan W.O.I., waarbij vanuit de toenmalige technologische, economische en sociologische ontwikkelingen, een nieuwe visie werd gedistilleerd op architectuur en design voor een moderne, industriële maatschappij.
JozePlecnik
Sur les terres d'un nier
Journal de voyages 1775-1792 Thomas Blaikie, Janine Barrier en Monique Mosser (red.) Parijs, Les Editions de l'lmprimeur, 1997, 302 p., ISBN 2-910735-15-X
1872-1957
Architectura Perennis Damjan Prelovsek New Haven, Yale University Press, 1997, 322 p., ISBN 0-300-06953-7
Dagboek van de Schotse hovenier en botanicus Thomas Blaikie tijdens zijn verblijf in Frankrijk op het einde van het Ancien Régime, waar hij samenwerkt met de hofarchitect Frangois-Joseph Bélanger. Levendig verslag over tuinaanleg en hoofs divertiment, eindigend met het begin van Franse Revolutie.
Engelse vertaling van de fraai geïllustreerde, oorspronkelijk Duitstalige monografie (Wenen, Residenz Verlag,1992) over de architect Joze Plecnik, vóór en tijdens het interbellum bedrijvig in Wenen, Praag, Ljubljana. Invloeden van de klassieke oudheid, Gottfried Semper en Otto Wagner worden in zijn werk versmolten tot een eigenzinnige schriftuur.
Architektenlexicon Schweiz
Henry Hobson Richardson A genius for architecture Margaret Henderson Floyd New York, The Monacelli Press, 1997, 304 p., ISBN 1-885254-70-9
der
Monografie over Henry Hobson Richardson, ondanks een kortstondige loopbaan leidinggevend architect in het Amerika van de latere 19de eeuw. In zijn werk versmelten middeleeuwse, vemaculaire en primitieve bronnen tot een robuust, eigentijds jargon, met kenmerkende tactiele kwaliteiten.
ƒft/20.Jahrhundert Isabelle Rucki en Dorothee Huber (red.) Basel, Birkhauser-Verlag für Architektur, 1998, 614 p., ISBN 3-7643-5261-2 Biografisch woordenboek van de Zwitserse architectuurgeschiedenis vanaf het begin van de 19de eeuw tot heden, samengesteld door 200 deskundigen. 731 bijdragen over het werk van meer dan 800 Zwitserse of in Zwitserland bedrijvige architecten, stedenbouwkundigen, ingenieurs, binnenhuis- en landschapsontwerpers, met oeuvre- en literatuuroverzicht.
Art Deco in Sint-Niklaas
Anthony Demey Gent, Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, 1998, 67 p., ISBN 90-74311-24-5 Kleine cultuurgids rond de interbellum-
jardi-
Ruïnes in Nederland A.G Schulte (red.) Zwolle, Waanders Uitgevers, 1997, 333p.,ISBN90-400-9974-X
architectuur van Sint-Niklaas. Ingedeeld naar stijlrichting wordt achtereenvolgens het werk toegelicht van architecten uit de traditionalistische richting, de art deco en het modernisme.
Breed gedocumenteerd overzicht van alle belangrijke historische ruïnes in Nederland. De ruïne en haar omgeving wordt als verschijnsel en als object vanuit diverse invalshoeken belicht, met aandacht voor de typische vegetatie en de problematiek bij restauratie en conservering.
B I N N E N K R A N T
M8cL 9 sociaal, cultureel, artistiek en politiek standpunt. Een relaas van de wisselende appreciatie vanwege de natie voor deze symbolen van de aristocratie, die rechtevenredig blijkt te zijn met haar houding tot de traditioneel regerende elite zelf.
noorden van elkaar gescheiden door het reeds eerder verschenen kanton Lier, en beslaat de gemeenten Bonheiden, Duffel, Sint-Katelijne-Waver, Heist-op-den-Berg, Nijlen en Putte, met hun respectievelijke deelgemeenten en gehuchten.
Mart Stam 1899-1986
In dit vlakke gebied dat bevloeid wordt door de Grote en de Kleine Nete en afgezoomd door de Dijle, resten nog tal van natuurgebieden met broeken, weiden en overgangszones met grote landschappelijke en ornitologische waarde. De bodemgesteldheid wisselt er af van vruchtbare landerijen naar duinachtige en met den begroeide gebieden, resten van vroegere bebossing; de "berger!' van Heist-op-denBerg en Beerzel vertegenwoordigen met hun 48 en 50 m de hoogste toppen van de provincie Antwerpen.
Architekt, Visionar, Gestalter, Sein Weg zumErfolg 1919-1930 Werner Möller Tubingen, Ernst Wasmuth Verlag, 1997,184 p., ISBN 3-8030-1201-5 Monografie over de modernistische architect Mart Stam, wiens bij uitstek internationaal oeuvre - Nederland, Zwitserland, Duitsland, Sovjetunie gekenmerkt wordt door een kollektief maatschappijbeeld, een zuiver functionalisme en een streven naar een aanvaardbare woonkwaliteit voor alle bevolkingslagen. Jo Braeken
Alle boeken, een greep uit de recente aanwinsten, liggen ter inzage in de Bibliotheek Monumenten en Landschappen Graaf de Ferrarisgebouw Em. Jacqmainlaan 156 - bus 7, 1000 Brussel (tijdens de kantooruren) o 02/553.82.27 - fax. 02/553.82.05 E-mail Jozef.Braeken@lin.vlaanderen.be
BOUWEN DOOR DE EEUWEN HEEN IN VLAANDEREN PROVINCIE ANTWERPEN ARRONDISSEMENT MECHELEN-DEEL13N4KANTONS DUFFEL EN HEIST-OP-DEN-BERG
The fall and rise of the Stalely Home Peter Mandler New Haven, Yale University Press, 1997, 523 p., ISBN 0-300-06703-8 Studie naar het wel en wee van het Engelse 'country house' gedurende de laatste twee eeuwen, bekeken vanuit
In het najaar van 1997 verscheen een nieuw deel in de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, uitgegeven door de Afdeling Monumenten en Landschappen en de uitgeverij Brepols-Turnhout. Op 6 november werd het nieuwe inventarisboek te Heist-op-den-Berg in het pas gerestaureerde Hof van Riemen aan de pers en het publiek voorgesteld. Dit boek, laatste deel van het arrondissement Mechelen, behandelt de kantons Duffel en Heist-op-den-Berg, in het
Het eerder bescheiden streekeigen bouwkundig erfgoed wordt gemarkeerd door talrijke langgestrekte hoevetjes en woonstalhuizen en uitzonderlijk grotere hoeven en kleinere landhuizen. De kerkelijke en militaire architectuur overstijgt het lokale niveau en knoopt aan bij de gebruikelijke bouwwijzen en -stijlen. Historisch gegroeide kernen als dorpscentra en hoevenederzettingen hebben in min of meerdere mate hun structuur en bebouwing behouden. In deze vrij landelijke streek met verspreide woonkernen vertonen vooral Duffel, Heist-op-den-Berg en een deel van Sint-Katelijne-Waver een verstedelijkt karakter. Het westelijk deel van het gebied is bekend als groentestreek met de karakteristieke tuinbouw die na de landbouwcrisis van de 19de eeuw de plaats innam van de traditionele landbouw. Centrum van deze bedrijvigheid is één van de grootste tuinbouwveilingen van Europa te Sint-Katelijne-Waver, het hart van de groentestreek met beeldbepalende inplanting van talrijke serres. Het oostelijk deel met herbeboste heide sluit aan bij de Zuiderkempen en kwam in de 20ste eeuw in trek als residentieel woongebied; vooral Bonheiden en Rijmenam zijn bekend voor hun riante villawijken. Alhoewel aan de vooravond van het derde millennium de gemoderniseerde land- en tuinbouwsector een steeds kleiner aantal mensen tewerkstelt en ondanks de alsmaar groeiende bebouwde oppervlakte, behielden de kantons Duffel en Heist-op-den-Berg
B I N N E N K R A N T
M&L Booischot, Pijpelbossen 3 (Foto M&L)
10 een groot deel van hun ruraal karakter. De vrij schaarse en over het algemeen bescheiden en sobere architectuur uit het verleden heett als getuige van onze geschiedenis een voorbeeldfunctie en dient als dusdanig gewaardeerd en bewaard te worden. Hilde Kennes en Rita Steyaert
Bouwen door de Eeuwen Heen in Vlaanderen - Provincie Antwerpen Arrondissement Mechelen - Kanton Duffel/Heist-op-den-Berg 558 pag. • 1430 ill. Prijs: 2.650 fr. Besteladres: M&L, E. Jacqmainlaan 156 bus 7, 1000 Brussel
BOUWEN DOOR DE EEUWEN HEEN IN VLAANDEREN PROVINCIE ANTWERPEN ARRONDISSEMENT TURNHOUT - DEEL 16N1 KANTON TURNHOUT Met de publicatie van het veertigste boekdeel in de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen werd de inventarisatie ingezet van het arrondissement Turnhout, het laatst te behandelen gebied van de provincie Antwerpen. De persvoorstelling, die op 30 maart 1998 plaatsvond in het stadhuis van Turnhout, werd voorgezeten door de minister-president van de Vlaamse regering Luc Van den Brande. Het kieskanton Turnhout beslaat het noordoostelijk deel van de provincie Antwerpen. Het omvat de gemeenten Turnhout, Beerse met deelgemeente Vlimmeren, Vosselaar en Oud-Turnhout, alle gelegen in de substreek Noorderkempen. Turnhout met centrumfunctie voor de omringende regio is een typische provinciestad; de overige gemeenten zijn geëvolueerd tot woondorpen. De aanleg van het kanaal SchotenDessel was doorslaggevend voor de
industrialisering van Beerse en Turnhout. De belangrijkste industriële activiteiten waren de baksteen-, cementen scheikundige bedrijven en voor Turnhout zelf de papierverwerkende en grafische industrie met enkele interessante relicten. Uit het pre-industriële tijdperk trekken enkele molens en blekerijgebouwen de aandacht. Het landelijk karakter bleef voornamelijk bewaard aan de randen van het kanton. De heterogene bebouwing is er zelden ouder dan 19de-eeuws. Opvallend, vooral voor het openbaar patrimonium, is de impact van het Turnhoutse bouwmeestersgeslacht Taeymans. De kerken in het kanton Turnhout zijn grosso modo terug te voeren tot drie hoofdcategorieën. Vooreerst de oorspronkelijke dorpskerken in Brabantsgotische stijl, meestal opgetrokken tweede helft 15de-eerste helft 16de eeuw. De koorpartij van de Sint-Pieterskerk in Turnhout vormt een interessante laatgotische realisatie uit de 15de eeuw; de verhoging van het schip alsook de verbouwing van zijbeuken en transept werden uitgevoerd in de 18de eeuw door Jan Pieter Van Baurscheit de Jonge; zowel op de opbouw, afwerking als inrichting van het interieur liet hij zijn stempel na. De kerken in neostijl uit eind 19de-begin 20ste eeuw, zijn vrijwel alle gebouwd door de provinciale architecten P.J. en J. Taeymans. Het leeuwendeel van de hedendaagse bedehuizen zijn ontworpen door R. Van Steenbergen sr. Kenmerkend voor de Kempense kerken is het doorgedreven gebruik van baksteen.
De grote bedevaartkapellen, toegewijd aan Sint-Theobaldus in Turnhout en Sint-Cornelius te Beerse hebben talrijke gemeenschappelijke kenmerken. Beide werden ingeplant aan een belangrijke verkeersader; het zijn ruime, vrijstaande kapellen in gotische stijl opklimmend tot de 14de eeuw, in de 17de eeuw aanzienlijk uitgebreid, en zowel in het begin van deze eeuw (ingrijpend) als in de jaren 1990 (conserverend) gerestaureerd. De oudste religieuze stichting in het behandelde gebied is het begijnhof van Turnhout, mogelijk opklimmend tot de 13de eeuw. De eerst gekende vermelding dateert van 1340. Het is een pleinbegijnhof met een overwegend 17de-eeuwse bebouwing. Het oudst bewaarde gedeelte van de voormalige priorij van Corsendonk te OudTumhout is laatgotisch en dateert uit de eerste helft van de 16de eeuw. De vroegere kloosters van de minderbroeders en clarissen en het merendeel van de Heilig Grafpriorij met school, alle op korte afstand van mekaar gelegen in het centrum van Turnhout, zijn eind 19de-begin 20ste eeuwse realisaties in een neogotisch kleedje van P.J. en J. Taeymans. Het clarissenklooster op de Heizijde te Turnhout, gebouwd in 1967-1968 naar ontwerp van het atelier VanhoutSchellekens, vormt het enige voorbeeld van kloosterarchitectuur met een hedendaagse vernieuwende vormgeving. De centrale ligging van Turnhout in het hertogdom Brabant en de nabijheid van een uitgestrekt jachtgebied,
B I N N E N K R A N T
M8d Turnhout, Warandestraat (Foto M&L)
ii waren voor de hertog voldoende redenen om er zijn macht te vestigen. Het recent gerestaureerde kasteel, een stoere waterburcht middenin het stadscentrum en sedert 1921 in gebruik als rechtbank van eerste aanleg, is hiervan het levend bewijs. In kern minstens opklimmend tot de 14de eeuw, wordt het slot thans in hoofdzaak bepaald door de restauratie in eclectisch-historiserende zin van 1908-1921 door J. Taeymans; ook de midden 17de eeuw door Pieter Post uitgevoerde herstellings- en verfraaiingswerken hebben duidelijke sporen nagelaten. De huidige restauratie-optie respecteert de verschillende bouwfasen. De opmerkelijkste openbare gebouwen zijn verder het Heilig Grafinstituut dat in 1911-1923 door J. Taeymans werd omgevormd tot een imposant neogotisch geheel, de oude Apostolische School opgericht in 1886-1887 in neo-Vlaamse renaissance door P.J. Taeymans, en het St.-Jozefcollege in nieuwe zakelijkheid van 1934-1936, naar ontwerp van L. Taeymans. Als arrondissementshoofdplaats beschikte Turnhout ook over een gevangenis. Typologisch sluit het ontwerp van 1904 door L. Bouckaert aan bij de Ducpétiaux-gevangenlssen. De stationsarchitectuur beperkt zich tot het in het stadscentrum gelegen station in neo-Vlaamse renaissance en neoclassicistische stijl, in 1896 opgetrokken door ingenieur E. De Rudder(e). De pastorieën, door hun functie als semi-openbaar gebouw te beschouwen, zien eruit als voorname herenhuizen. In Beerse en Vosselaar gaan ze terug tot de 18de eeuw. De rond de eeuwwisseling opgerichte pastorieën in neotraditionele of neo-Vlaamse renaissancestijl dragen de stempel van de toenmalige provinciale bouwmeester. Een traag opkomende verstedelijking, oorlogsgeweld, branden, de tot op vandaag aanhoudende kaalslag en ongebreidelde vernieuwingsdrang verklaren het mager en arm aanbod van 16de- en 17de-eeuwse burgerlijke woningbouw. De oudst bewaarde en veruit de interessantste burgerlijke woning van Turnhout is het Huis metten thoren, thans het Taxandhamuseum, een patriciërswoning opklimmend tot de 16de eeuw, doch veelvuldig gewijzigd. Ook de 18de eeuw heeft inzake privé-ar-
chitectuur een bijzonder geringe erfenis nagelaten. De basistypen bestaan, alleen biedt Turnhout heden slechts weinig gaaf behouden voorbeelden. Met het Maelsloth, teruggaand op een dubbelhuis te situeren ca. 1750 en het monumentale herenhuis Dokter Vogels uit het begin van de 19de eeuw zijn de belangrijkste en gaafst bewaarde (laat) classicistische gevels van het stadscentrum aangehaald. Typerender voor het kanton Turnhout is de eenvoudige regionale baksteenarchitectuur die vooral teruggaat op de late 18de en 19de eeuw. Gaaf bewaarde versies uit de 17de eeuw zijn terug te vinden in de begijnhofhuizen. Parallel met de opkomst van bloeiende nijverheden en een op gang komende ontsluiting ontstond in de 19de eeuw een welgestelde klasse die statige huizen liet optrekken aan de oude hoofdassen en aan nieuw aangelegde straten in en rond het centrum. Niet zelden werden ook bestaande woningen naar de mode van de tijd aangepast. Vooral in de huizen rondom de Grote Markt zijn oude verdoken structuren nog in groten getale aanwezig. Zowel in de gevelordonnantie als in het grondplan van de heren- en burgerwoning is tegen het einde van de 19de eeuw enige evolutie merkbaar. Stilistisch kenmerkt de vormgeving zich enerzijds door een provinciale, eerder oppervlakkige interpretatie van de heersende neostijlen en anderzijds door een eclectisme dat teruggrijpt naar alle mogelijke bouwstijlen uit het verleden. De architecten P.J. Taeymans en H. Vandeplas waren de bedrijvigste ontwerpers van de neoclassicistische straatwanden. Ook de neo-
Vlaamse-renaissance bleek voor de Turnhoutse burgerij een geschikte bouwstijl om het burgerhuis enige rijkdom, kunstzin en ook behaaglijkheid en gezelligheid te geven. De mooiste voorbeelden hiervan zijn ontwerpen van P.J. en de gebroeders F.X. en J. Taeymans. Karakteristiek voor het kanton Turnhout is een uitzonderlijk jong erfgoed uit het interbellum dat quasi zonder onderbreking doorloopt in de naoorlogse periode. Het oeuvre van architect Ern. Wauters, te situeren tussen de expressieve art deco en het functionalistisch modernisme, is representatief voor het nieuwe architecturale landschap van de jaren 1920-1930. Een topvoorbeeld van het meer zuiver, planmatig doordacht modernisme is een kubistische dubbelwoning van 1934 door J. Schellekens. Wegens de sterke traditie van zichtbaar metselwerk bleef het "witte modernisme' (gewapende betonconstructie met wit bepleisterde gevels) uit. In de jaren 1960 zorgden architecten zoals Eug. Wauters, O. Vanhout en P. Schellekens, L. Jansen en P. Neefs voor een zekere continuïteit in de ontwikkeling van de modernistische tendensen uit het interbellum en leverden een interessante bijdrage tot het moderne bouwen in Vlaanderen. De volkshuisvesting, gaande van kleine werkmanswoningen opklimmend tot de 17de of 18de eeuw tot de moderne sociale woonwijken van vandaag, is in het bestudeerde gebied, in het bijzonder in het stadsgedeelte binnen de ring en de nabije omgeving
B I N N E N K R A N T
M8d
12
rondom, kwantitatief zo sterk vertegenwoordigd dat ze een belangrijke en vermeldenswaardige component vormt binnen het bebouwde patrimonium van Turnhout. Algemeen kenmerkend is dat de volkswoningbouw gedurende de hele periode beïnvloed blijft door de sobere regionale baksteenarchitectuur en niet of weinig onderhevig was aan de evolutie van stijl en smaak. Talrijke foto's en het planmateriaal, met vaak voor het eerst gepubliceerde bouwaanvragen uit het Turnhoutse Stadsarchief, illustreren de bijzondere karakteristieken van de woningbouw en brengen een bijkomend inzicht in de evolutie van het woonhuis qua indeling en volume. De bewaarde hoeven zijn bijna alle opgetrokken in de 19de en 20ste eeuw. Het zijn meerledige boerderijen met losstaande, verankerde bakstenen bestanddelen onder pannen zadeldak, met een ruimtegeleding die teruggaat op zeer oude tradities. In enkele gevallen zijn de oude structuren nog duidelijk herkenbaar. Interessant in dit opzicht is de driebeukige hoeve aan de Steenweg op Zevendonk in Oud-Turnhout. Ook in vele schuren is de oude gebintenstructuur nog aanwezig. De gaafst bewaarde hoeve in het bestudeerde kanton is de 18de-eeuwse Gasthuishoeve op de Heizijde in Turnhout. De uitspraak van Jozef Schellekens anno 1949: "De kleine stad Turnhout heeft geen monumenten die vernoemd worden in de architectuurgeschiedenis gaat zeker op als we het geïnventariseerde patrimonium toetsen aan de grote voorbeelden in de kunstgeschiedenis. Toch kon, op een meer bescheiden niveau, een waaier aan interessante gegevens worden verzameld die naar we verhopen, een betere kennis en diepere waardering voor het lokale erfgoed zullen bijbrengen. Sybille De Sadeleer en Greet Plomteux
Bouwen door de Eeuwen Heen in Vlaanderen - Provincie Antwerpen • Arrondissement Turnhout - Kanton Turnhout 530 pag. -1400 ill. prijs: 2.650 fr. Besteladres: M&L, E. Jacqmainlaan 156 bus 7, 1000 Brussel
gang gebracht door de veelvuldige reizen van kunstenaars in deze periode, de langdurige aanwezigheid van talrijke Italianen in de stad en uiteraard ook de kunstwerken uit dat land en de talrijke gravures en tekeningen die in deze middens circuleerden. Veel vooraanstaande humanisten komen zich bovendien in Brugge vestigen, waar het huis van Marcus Laurinus, heer van Watervliet, hun verzamelplaats wordt. Brugge was in deze periode een centrum van de productie van boeken, prenten en kaarten. Welbekend is de uiterst gedetailleerde stadskaart van Marcus Gheeraerts, waarmee men bij wijze van spreken zelfs nu nog in Brugge zijn weg kan vinden.
ïentoonstellingen VAN MEMLING TOT POURBUS Zoals Hilde Lobelle in haar inleiding terecht opmerkt, is de mythe van Brugesla-Morte een vrij recente romantische uitvinding en was Brugge in de 16de eeuw allesbehalve een dode stad. Eigentijdse beschrijvingen, bronnen, historisch onderzoek en niet in het minst de 16de-eeuwse kunstwerken zélf getuigen van een levendige activiteit en een hoogstaande cultuur. De Italiaanse reiziger Lodovico Guicciardini beschrijft in zijn omstandig reisverslag doorheen de Nederlanden de stad Brugge als de 'ideale stad'. De kunstproductie in deze periode is tegelijkertijd traditioneel en vernieuwend. Eeuwenlang gedegen vakmanschap leidde tot een perfecte beheersing van de diverse kunsttechnieken en anderzijds komt er toch vanuit het zuiden een duidelijke vernieuwing met een frisse italianiserende stijl. Vertrekpunt van de tentoonstelling zijn Hans Memling (t 1494) en Gerard David (t 1523), die nog in een welverankerde traditionele stijl voortwerken en waarvoor nog zonder problemen een geïnteresseerd kliënteel bestond. Pieter Pourbus (t 1584) kan men geredelijk als het eindpunt van deze lange schilderstraditie beschouwen.
De tentoonstelling brengt een aantal markante werken uit deze periode samen van schilders als de Meester van het H. Bloed, Lanceloot Blondeel, Ambrosius Benson en de reeds genoemde Memling, Gerard David en Pieter Pourbus en het voor monumentenzorgers prachtige schilderij van de Septem Adminrationes civitatis Brugensis van P. Claeissend de Oude (?), waarop de nu verdwenen Waterhallen te zien zijn, het Belfort, het huis De Zeven Torens, het Oosterlingenhuis e.a. Ook merkwaardig is het Annaretabel (1533) uit de Sint-Salvatorkathedraal in Brugge, dat na conservering en onderzoek waarschijnlijk een typisch Brugs werk is, des te merkwaardig omdat er van de Brugse beeldsnijkunst zo weinig is overgebleven. De neogotische herschildering en talrijke vuile vernislagen hadden dit werk ten onrechte in de vergeetboek geduwd. Bij nazicht bleek het een volledig authentiek en intact bewaard voorbeeld van hoogstaande beeldsnijkunst uit de 16de eeuw, in de neogotische periode voorzien van een nieuwe bakomlijsting en predella om beter te passen in de dito aankleding van de koorkapel. Marjan Buyle
Rennaissance in puur Italiaanse betekenis heeft in Brugge nooit bestaan. Beter is het om te spreken van een duidelijke italianiserende invloed, op
B I N N E N K R A N T
De tentoonstelling loopt van 15 augustus tot 6 december in het Memlingmuseum, Sint-Janshospitaal, Mariastraat in Brugge, van 10 tot 21 u. Reserveringen en inlichtingen op a 050/44 66 44. De Stedelijke Dienst Monumentenzorg stippelde vier interessante stadswandelingen uit langs monumenten en kerken van de 16de eeuw (inlichtingen hierover* 050/44 86 42)
M&L
PieterCLAEISSENS de oude, 1499/1500-1576 De zeven wonderen van Brugge, ca. 1550
Edgard Tytgat De droom, 1926 Olieverf op doek Courtesy Gallery Van Langenhove
13
EDGARD TYTGAT Het Museum van Moderne Kunst van Oostende wijdt een overzichtstentoonstelling aan de originele schilder Edgard Tytgat (1879-1957), waarop zijn schilderijen, aquarellen, lavis, tapijtontwerpen, tekeningen en tenslotte hout- en linodrukken te zien zijn. Edgard Tytgat was gefascineerd door zowel het dagelijks leven als door figuren uit de zelfkant van de maatschappij: kermisgasten, zigeuners, cirkus. Hij penseelt zijn vrouw in haar salon, met een bezoekster, mensen in de wachtkamer van de dokter, het zicht uit zijn venster, enkele landschappen, zijn atelier. Zijn verbeelding komt tot uiting in zijn sprookjesachtige, soms bijna nachtmerrie-achtige verhaalcyclussen over moord, verminking en afstraffing, vaak gecamoufleerd onder poëtische titels en in frisse onschuldige pastelkleuren. Zijn eerste werken zijn nog zoeken en tasten naar een eigen stijl en schatplichtig aan de heersende strekkingen van het expressio-
nisme en het impressionisme. Al vlug komen zijn eigen thema's naar voren en wordt zijn stijl lichter en persoonlijker. Mooie interieurschilderingen van het toenmalig burgerhuishouden en veel portretten wisselen af met zijn wereld van de droom, fantasmen, sprookjes en sterke verhalen. Zijn stijl en zijn mogelijkheden komen het best tot uiting in zijn grafisch werk, zoals in het ontroerende boek dat hij schreef en illustreerde voor zijn jong gestorven vriend Rik Wouters of het bekende verhaal van Roodkapje en de wolf. Hij tekende ook 'mannekensbladen' voor de socialistische partij, ontwierp wandtapijten en affiches, beschilderde zijn eigen salonkasten en ontwierp behangpapier. Ook tal van getekende voorontwerpen zijn hier samengebracht, waarbij het zoeken van de kunstenaar naar de juiste houdingen, de beste opstelling en de meest geslaagde compositie treffend geïllustreerd worden. Deze tentoonstelling is gecombineerd met een overzichtstentoonstelling van Armand Vanderlick (1897-1985).
landse humanisten, onder wie Justus Llpsius, zorgden voor een intellectueel hoogtepunt. De tentoonstelling brengt deze luisterrijke periode op een gepaste wijze in beeld. Schilderijen van Rubens en Jan Brueghel zullen te zien zijn naast tal van wandtapijten, edelsmeedwerk, textiel, beeldhouwwerken en historische documenten, die het ontstaan en de bloei van de Vlaamse barok op een gepaste wijze illustreren. Terzelfdertijd wordt ook het eertijds naar Isabella genoemde straatje opengesteld, dat na jarenlange opgravingen vrijgelegd en toegankelijk gemaakt werd. Het vormt de oorspronkelijke verbinding tussen het paleis van Albrecht en Isabella op de Coudenberg en de gotische Sint-Michiel. Van dit prachtvolle hof zijn enkel ondergrondse restanten bewaard onder het Koningsplein. Marjan Buyle De tentoonstelling gaat door in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Jubelpark 10, Bmssel. Combinatieticket voor bezoek aan opgravingen onder Koningsplein. Rijk geïllustreerde catalogus in twee delen.
Marjan Buyle Edgard Tytgat, Museum voor Moderne Kunst, Romestraat 11, Oostende, dagelijks open van 10 tot 18u, gesloten op maandag
ALBRECHT EN ISABELLA EN DE NEDERLANDEN Precies vierhonderd jaar is het geleden dat de aartshertogen Albrecht en Isabella over de Nederlanden regeerden. Dit vormt dan tevens de aanleiding voor deze tentoonstelling. Hun hof in Brussel ging door zijn cosmopolitisme en mecenaat door als toonbeeld voor de toenmalige hofcultuur. Deze kalme periode van het Twaalfjarige Bestand (1609-1621) na de godsdienstroebelen en de burgeroorlog, die de protestante Noordelijke Nederlanden afscheurden van het katholieke zuidelijke 'Spanje', schepte een gunstig klimaat voor een nieuwe bloei van de schone kunsten en de uitstraling van de Vlaamse barok. Aan en rond het hof werkten een schare verdienstelijke kunstenaars als Pieter Paul Rubens, Otto Venius, Pieter Brueghel, de componist Peter Philips en de architecten Wenzel Gobergher en Jacques Franqaert. De Zuid-Neder-
FONDATION POUR L'ARCHITECTURE JOSÉ PLEÓNIK, EEN SLOVEENSE ARCHITECT IN PRAAG Te lang miskend gebleven, wordt Joze Plecnik (1872-1957) sinds enige jaren terecht erkend als grondlegger van de moderne Sloveense architectuur. Geboren op 23 januari 1872 in Ljubljana, krijgt hij een opleiding als timmergast in de werkplaats van zijn vader en aan de Kunst- en Ambachtsschool van Graz; later ontwerpt hij meubilair voor de Weense industrieel Theodor Muller. Aan de Academie voor Schone Kunsten van Wenen maakt hij kennis met markante figuren als Josef Maria 01brich, Josef Hoffmann, Max Fabiani en Jan Kotëra. Als laureaat van de Grote Prijs van Rome in 1898 reist hij af naar Italië, waar in het bijzonder de confrontatie met de Etruskische en
B I N N E N K R A N T
M&L
14
oude christelijke kunst, de architectuur van Michelangelo en de maniëristen een stempel drukt op zijn later oeuvre. Hij werkt enige tijd bij Otto Wagner waar hij, na het vertrek van Olbrich, de belangrijkste medewerker van het atelier wordt. In 1901 vestigt hij zich als onafhankelijk architect. De manier waarop hij de gevel vormgeeft van het Zacherlhaus (1903-1905), een kantoorgebouw aan de Graben in het centrum van Wenen, breekt met zijn eerste realisaties in Sezessionstijl. In de Kerk van het Heilig Hart (Wenen, 1910) komen zijn bewondering voor de eerste christenen en het verlangen om het concept van de liturgische ruimte een nieuw elan te geven tot uiting. De crypte en de gevel in gewapend beton verraden de eerste tekenen van een sobere geometrische taal, die later door de Tsjechische kubisten overgenomen zal worden. In 1911 nodigt zijn vriend Jan Kotèra hem uit naar Praag om er les te geven aan de School voor Sierkunsten. Het Zacherlhaus in Wenen, jaar daarop wordt hij door zijn collega's unaniem voorgedragen als opvol1903-5 ger van Otto Wagner aan het hoofd Architectuurmuseum, van de Academie voor Schone KunLjubljana sten van Wenen. Zijn kandidatuur wordt evenwel tot driemaal toe door de autoriteiten geweigerd, wat hem noodzaakt in Praag te blijven, waar hij een groep leerlingen vormt die op zoek gaan naar een nieuwe manier om de architectuur in een historische context te plaatsen.
Matko Prelovsek, directeur van het Stedelijk Bureau voor Bouwwerken, laat hem hier vrijwel ongehinderd een moderne stad uitbouwen. In minder dan 20 jaar ontwerpt en realiseert Plecnik een resem openbare gebouwen, richt de belangrijkste stadsassen in, tekent een stadion, maakt ontwerpen voor kerken en herstructureert de bestaande, onverminderd nog zijn veelvuldige ontwerpen voor religieuze en profane objecten. Zijn werk in Ljubljana (1930-1939), waar hij ook de oevers herinricht van de Ljubljanica met haar kaaien, bruggen, dammen, hallen, promenades, monumenten, trappen, straatlantaarns en statige bomenrijen, vormt een waar poëem. Kroon op het werk wordt de Nationale universiteitsbibliotheek (1936-1942), die door de aanwending van kostbare materialen en de verfijning van de details uitgroeit tot een uniek reliekschrijn van de Sloveense cultuur.
In al zijn creaties maakt Plecnik gebruik van een gemoderniseerd repertoire van klassieke vormen, wat hem toelaat een tweevoudig doel te bereiken: de banden met het verleden aanhalen -en zijn voorliefde voor de plastische kunsten uit Renaissance en barok uit te drukken- zonder daarbij de concepten van de moderne architectuur aan te tasten. Het communistisch regime verdringt hem naar een zijspoor, wat hem evenwel niet belet zijn werk verder te zetten. In 1956, één jaar voor zijn overlijden, bouwt hij voor Maarschalk Tito het Paviljoen van Brioni. Zijn privéwoning en verzamelingen in Ljubljana werden sindsdien opengesteld voor publiek. Sinds 1992 loopt over diens oeuvre een permanente tentoonstelling in het Architectuurmuseum van Ljubljana, in het kasteel van Fuzine.
Na de val van het Oostenrijks-Hongaars keizerrijk, beslist hij terug te keren naar zijn geboortestad Ljubljana, net nu president T.G. Masaryk de wederopbouw laat aanvangen van de Praagse Burcht. Nu krijgt hij de kans zijn ideeën in de praktijk om te zetten! Tegelijk, en steeds op initiatief van Masaryk, begint hij aan de herinrichting van het presidentieel Zomerverblijf in Lany en aan de Kerk van het Heilig Hartte Vinohrady (1928-1933), een uitmuntend voorbeeld van Plecnik's overvloedige religieuze architectuur. Dezelfde informele karakteristieken treft men aan in de rouwkapellen van het Kerkhof van Zale in Ljubljana (1938-1940), met duidelijke verwijzingen naar de onregelmatige indeling van Griekse sanctuaria. Vanaf 1922 spreidt hij zijn activiteiten tussen Praag en Ljubljana, waar hij doceert aan de universiteit. Ingenieur
B I N N E N K R A N T
M8d
15
Joze Plecnik en de Praagse Burcht In 1920 wordt Plecnik aangesteld tot architect van de burcht van Hradcany met opdracht hier de officiële residentie van het Staatshoofd onder te brengen. Tegelijk wordt hij gelast met de herinrichting van de zuidtuinen van de Praagse Burchten van het presidentieel zomerverblijf in Lany. Het streven van de toenmalige Tsjechoslovaakse president naar duurzamer contacten met het zuiden en de Slavische balkan speelt mee in die beslissing. De economische en culturele banden zijn overigens duidelijk: nogal wat Sloveense kunstenaars, wetenschapslui, ingenieurs en architecten hebben in Praag gestudeerd en gewerkt, daar waar Tsjechen en Moraviërs de omgekeerde weg hebben afgelegd, ondermeer naar Ljubljana.
Villa Grassberger, schets voor de gevel, 1908 Architectuurmuseum, Ljubljana
Plecnik staat voor een zware opdracht: Sedert de 17de eeuw lag het centrum van het Keizerrijk in Wenen: de SurcW verkeert in erbarmelijke staat. Masaryk van zijn kant wil tegelijk de band aanhalen met het roemrijk verleden van de Burchten deze omvormen tot een indrukwekkend signaal van de nieuwe republiek. Vrijwel alle architectuurstijlen zijn er vertegenwoordigd, wat Plecnik geenszins belet een nieuwe iconografie te introduceren, die herinnert aan de democratische tradities van de Oudheid. Gezien het gevoelige thema wordt elke ingreep nauwlettend opgevolgd. Zoals voorheen onder Karel IV en Rudolf II gebeurt elke wijziging in overleg met de familie Masaryk.
Verbeten en bescheiden tegelijk werkt Plecnik 15 jaar lang aan de herinrichting. Twee binnenplaatsen, een deel van het interieur van het Nieuwe Paleis en enkele historische tuinen -unieke voorbeelden van tuinarchitectuur uit deze eeuw- worden gerestaureerd. Elke wijziging die de historische context raakt wordt grondig voorbereid, beslissingen worden genomen in functie van de aard van het geheel, ter plaatse aangetroffen architectuurelementen worden herbruikt, vaak in een nieuwe context of met een andere functie. Plecnik drukt evenwel zijn persoonlijke stempel op de herinrichtingen, net als in Lany. Een geheel van antieke elementen onderstreept de belangrijke assen en punten en brengt de historische plaatsen voor het licht. Het zijn deze vormen, de kwalitatief hoogstaande materialen en Plecnik's typerende zorg voor het detail die tot op heden bewondering afdwingen. Na het eerste enthousiasme wordt Plecnik's werk met de jaren het voorwerp van steeds scherpere kritiek. Zijn door Masaryk bestelde stedenbouwkundige studie voor de onmiddellijke omgeving van het areaal van de Burcht stuit op het onbegrip van deskundigen en publiek. Met de architecten van de Controlecommissie van de Staat, die hem aanvankelijk hadden gesteund, komt het tot een open conflict. In 1935 neemt hij ontslag. Vrijwel tegelijk verdwijnen aldus de twee figuren zonder wie dit buitengewoon werk niet tot stand had kunnen komen: de verlichte architect én de verlichte politicus.
mingen. Men negeerde hierbij zijn onbetwistbare invloed op de ontwikkeling van de Tsjechische architectuur en vermijdde zijn naam te vermelden in het areaal van de Burchten in Lany, waar in de jaren '60 een reeks grove en ongelukkige ingrepen plaatsvonden, een aantal gebouwen zelfs werden gesloopt en het grootste deel van het meubilair spoorloos verdween. Met president Vaclav Havel komt in 1989 de ommekeer. Een wederopbouwprogramma wordt uitgestippeld, het areaal van de SurcW wordt opengesteld voor publiek, en op initiatief van de beheerders van de Praagse Burcht maakt het oeuvre van Plecnik er in 1996 eindelijk het voorwerp uit van een tentoonstelling. De tentoonstelling in de Fondation pour ^Architecture brengt hiervan een ruime selectie, aangevuld met documenten uit de Weense periode van de architect, schetsen voor meubilair en objecten uit de privé-woning van ingenieur Matko Prelovsek en de Kamer voor koophandel. Een aanvullende tentoonstelling wordt gebracht in de lokalen van het Tsjechisch centrum in Brussel. Marcel M. Celis
De tentoonstelling
Joze Plecnik, een Sloveense architect in Praag. Fondation pour ïArchitecture, Kluisstraat 55, 1050 Brussel. » 32/2/649.02.59 Fax: 32/2/640.46.23 Dagelijks uitgezonderd op maandag. Van dinsdag tot vrijdag van 12u30 tot 19.00 uur, op zaterdag en zondag van 11.00 tot 19.00 uur.
De belangrijke Plecnik-tentoonstelling, tien jaar geleden in het Parijse Centre Pompidou, deed nadien nog verscheidene Europese hoofdsteden aan. De reële belangstelling van de Tsjechische architectuur- en kunstwereld voor zijn werk en alsmaar luider klinkende stemmen om diens werk in eer te herstellen stuitten evenwel op de stugheid van het communistisch regime, waar elke verwijzing naar de democratische staat en haar leider Masaryk uit den boze was.
Voordracht over het werk van Joze Plecnik door Damjan Prelovcek, kunsthistoricus en Ambassadeur van de Sloveense republiek in Tsjechië, op woensdag 14 oktober 1998, om 19.00 uur. Plaats nader te bepalen.
Door de toenmalige officiële geschiedenis van de Tsjechische 20ste-eeuwse architectuur werd Plecnik genegeerd en ondergebracht in de nauwelijks bestudeerde neoklassieke stro-
Bij de tentoonstelling hoort de belangrijke monografie Joze Plecnik An Architect of Prague Castle, Prague Castle Administration, 1997, 663 pp., Engelse tekst, 3.600,-bf.
B I N N E N K R A N T
In het Tsjechisch Centrum, Adolf Buyllaan 150,1050 Brussel. « 32/2/644.95.27 Fax: 32/2/639.14.99
M&L CITAAT
"Pour les uns la Commission royale des Monuments est un college compose de gens -ceux qui sont, se croient ou se disent plus jeunes, les appellent de vieux bonzes- qui pretendent avoir Ie monopole de la vérité artistique, qui veulent imposer leur maniere de voir aux malheureux artistes dont les oeuvres doivent être soumises a leur appreciation, qui essaient de Ie faire etparfois, hélas! y réussissent, de telle sorte que si on les la is sa it litres, aucun progrès ne serait possible dans Ie domaine ou elle exerce sa deplorable autorité. Pour d'autres, au contraire, la Commission pratique une deplorable politique d'indifference. Elle laisse tout faire, elle laisse tout passer. Voyez les horreurs que son visa facile, indulgent a l'exces, a consacrées. C'est elle qui est responsable du désordre ou de Vanarchie qui règne dans Ie monde de l'architecture beige. Elle est sans doctrine, sans competence, sans mérite, c 'est certain, mais surtout sans aucune utilité. Ces accusations, sous leur forme brutale, se contredisent et se détruisent mais, par la-même, elles montrent quels sont les écueils que la Commission doit éviter, ce a quoi elle réussit d'ailleurs." Voor de enen is de Koninklijke Commissie voor Monumenten een college van lieden -de jongeren en zij die dit menen of voorhouden te zijn noemen hen oude bonzen- die beweren het monopolie in pacht te hebben van de artistieke waarheid, die hun zienswijze willen opleggen aan de ongelukkige kunstenaars wier werken aan hun waardering moeten worden voorgelegd, die dit proberen te bereiken en er, helaas! ook soms in slagen, dermate dat indien men hen vrij zou laten handelen, niet de minste vooruitgang mogelijk zou zijn op het domein waar zij haar erbarmelijke bevoegdheid uitoefent. Voor anderen, daarentegen, legt de Commissie een jammerlijke onverschilligheid aan de dag. Zij laat alles begaan, keurt alles goed. Kijk maar naar de afschuwelijke dingen die haar soepel, overmatig inschikkelijk visum, heeft gewettigd. Zij is het die verantwoordelijk is voor de wanorde of de anarchie in de Belgische architectuurwereld. Zij heeft noch doctrine, noch bekwaamheid of verdienste, dit staat vast, maar bovenal niet het minste nut. Die beschuldigingen, in hun brutale vorm, spreken zichzelf tegen en neutraliseren elkaar, maar tegelijk tonen ze aan welke klippen de Commissie dient te omzeilen, taak waar ze overigens in slaagt.
Toespraak van Joris Helleputte naar aanleiding van het 25-jarige voorzitterschap van Charles Lagasse de l.mht op 17 augustus 1922. Uit: Bulletin des Commissions royales d'Art et d'Archéologie, LXI (1922), pp. 123-134.
•
M&L
37
KLEUREN IN DE UNITASWIJK (1923/1932-1998) MIMI
DEBRUYN
Een zeldzaam tuinpoortje. Unitaslaan 39 (foto 0. Pauwels)
klonten cement houden de dakpannen vast en ook wat huislook een haiku van Marianne Kiauta-Brink (uit: Tule voor de Berberis. Bilthoven 1993)
In het M&L nummer van september 1982 werd door Channah Bentein en Herman Stynen uitvoerig aandacht besteed aan de bouw van de Unitaswijk te Deurne door architect Eduard Van Steenbergen. De wijk werd op 27 oktober 1982 als stadsgezicht beschermd.
Noch de studie die voorafging aan de bescherming, noch de bescherming zelf hebben de bewoners ervan kunnen overtuigen dat de goed bedoelde verwijdering van een origineel detail of van de originele afwerking, geen verbetering inhoudt, maar een verslechtering. Elke 'verbetering' die niet overeenkomstig het origineel uitgevoerd wordt, leidt immers tot een verlies van authenticiteit. Hierdoor vermindert niet alleen de bouwhistorische waarde van de betrokken woning, op termijn is de architecturale eenheid van de wijk in haar geheel zoek.
38
M&L
De stelselmatige afbouw van het oorspronkelijke aanzicht van deze wijk is dan ook niet zozeer het resultaat van enkele grote ingrepen, dan wel van een hele serie ogenschijnlijk kleine ingrepen: hoe meer bewoners de originele raamindeling verwijderden en meenden te moeten vervangen door een nieuwe raamindeling zonder glasroeden, des te sneller de architecturale eenheid, waaraan deze wijk precies haar belang ontleende, teloor ging. Toch was iedere wijkbewoner goed geïnformeerd over het preciese aanzicht van deze woningen: de studie Bentein bood immers een nagenoeg volledig overzicht van de verschillende typewoningen en het daarbij horende schrijnwerk van ramen, deuren, luikjes en van het poortje (1). Bovendien hebben alle bewoners in 1990 een verklaring ondertekend, waarin het toenmalige aanzicht van de voor- en de achterzijde van hun woning precies genoteerd en gedocumenteerd werd. Niemand was dus onwetend. Alleen over de oorspronkelijke kleuren van de gevels en het schrijnwerk bestond onzekerheid. Omdat deze wijk precies bekend stond om haar kleurrijk aanzicht, was het belangrijk dit aspect te onderzoeken. Vandaar deze studie, die in de zomer en het najaar van 1997 werd uitgevoerd in opdracht van de Afdeling Monumenten en Landschappen. Het is de bedoeling om aan de hand van deze bijkomende informatie een realistisch programma uit te werken waardoor deze wijk haar aantrekkelijk kleurrijk karakter van weleer terugkrijgt. Hiervoor is zowel de medewerking van de bewoners als van de Gemeente hard nodig.
ONDERZOEKSTERREIN Dit richtte zich vooral op de oorspronkelijke kleurstelling van de bepleistering en het schrijnwerk van de gevels van deze 199 woningen. De inkleuring van de paramentsteen en het voegwerk werden eveneens onderzocht. Tot de Tweede Wereldoorlog veranderden de oorspronkelijke kleurencombinaties eerder in geringe mate. Eduard Leonard, bezieler van de Unitaskoperscoöperatief, kon tot 1950 vermijden dat de bewoners hun individuele smaak volgden. Van dan af liep het met de oorspronkelijke kleurstelling en bepleistering geleidelijk aan hoe langer hoe meer uit de hand. De grote aanval op dit stedelijk gezicht vond echter plaats nadat deze wijk beschermd was! Niet zozeer de kleuren, dan wel de typische indeling van het schrijnwerk van de ramen vielen 'en masse' op het slagveld van de dubbele beglazing.
De overdracht van de huurwoningen van de Unitasmaatschappi] naar de "Deurnese Moderne Woning" betekende meteen het einde van het oorspronkelijke aanzicht van een flink aantal woningen. Niettegenstaande deze wijk
in 1972 als stedelijk gezicht beschermd werden, bestond deze maatschappij het om in 1988 de originele kozijnen van zo'n 40-tal woningen van de ene op de andere dag door dubbele beglazing in PVC schrijnwerk te vervangen
zonder daarbij rekening te houden met de originele roedeindeimg van het oorspronkelijke schrijnwerk. Oude Donklaan 99-105 (1970: foto Monumenten en Landschappen, 1998: foto 0. Pauwels)
M&L
De oorspronkelijke bepleistering in de dwarsstraten heeft een iets fijnere en meer regelmatige structuur, met een vaak uitgesproken druipeffect. Ch. Philipslaan 4-2 (foto 0. Pauwels)
1
2
3
4
1 - 2 De oudste bepleistering in de Umtaslaan is ook de meest onregelmatig uitgevoerde, waardoor het contrast met de naburige hedendaagse bepleistering des te meer opvalt. Umtaslaan 37-39 en 35-37 (foto's 0 . Pauwels) 3 - 4 De originele bepleistering in de Oude Donklaan is het fijnst en vertoont een eerder korrelig effect, dat na een tiental overschilderingen grotendeels is dichtgeslibd. Oude Donklaan 29 en 27 (foto's 0. Pauwels)
39
ONDERZOEKSMETHODEN In de mate dat de oorspronkelijke bepleistering behouden bleef, kon het aflezen van een eenvoudige staalname het antwoord op de achtereenvolgende kleurlagen geven (2). In de mate dat de originele bepleistering vervangen was door een nieuwe bezetting, dienden andere bronnen te worden geraadpleegd. Dat gold ook voor het schrijnwerk - waarvan op een enkele uitzondering na - alle oorspronkelijke verflagen in de loop van de tijd verdwenen waren (3). Omdat archivalische bronnen geen details over het kleurgebruik gaven - wel over het materiaal en de werkwijze - vormden de mondelinge aanwijzingen van de oudste bewoners de beste informatiebron (4). De toetsing van deze gegevens aan elkaar, aan een aantal zwart-wit foto's (5) - die geen inzicht in de kleur maar wel in de contrastwerking geven - en aan de vergelijkende resultaten van het materieel onderzoek, vormden de hoofdbestanddelen waarmee deze puzzel in elkaar werd gezet.
OVERZICHT VAN DE HUIDIGE BEPLEISTERING Deze tuinwijk werd in drie fasen gebouwd, door twee verschillende aannemers: de eerste bouwfase werd door Wastiau uitgevoerd, de twee laatste door Moons. De eerste fase omvatte 107 woningen in de Unitaslaan, het Adelbert Kenisplein, het Eksterlaar en de Drakenhoflaan. De bepleistering van deze woningen is het minst goed bewaard (slechts 31% op 107 woningen). De tweede fase omvatte 36 woningen in
WKÊÊtM
de dwarsstraten, de Charles Philipslaan (voormalige Elfenstraat), de Heirmanstraat en het zuidelijk gedeelte van de Oude Donklaan. De oorspronkelijke bepleistering is hier in 36% van de woningen behouden, tegenover in 86% van de woningen in de Oude Donklaan - de laatste bouwfase met 56 woningen (6). Of de kwaliteit van de eerste - de meest kalkrijke mortel - heeft moeten onderdoen voor de kwaliteit van de meer cementrijke mortels van de tweede en vooral de derde bouwfase, is niet zonder meer vast te stellen (7). De omstandigheden waarin deze woningen gebouwd werden, waren verre van optimaal. Het ging erom de meest dringende woningnood op te lossen in een periode waarin er een schrijnend tekort was aan goede traditionele bouwmaterialen, en waarin anderzijds geëxperimenteerd werd met nieuwe bouwmaterialen, niet in het minst nieuwe cementen. Omdat het in deze drie bouwfasen om bastaardmortels gaat, waarbij noch zuivere kalkmortels, noch zuivere cementmortels werden gebruikt, is het moeilijk uit te maken waarom de cohesie van de cementmortel van de derde bouwfase zoveel beter is dan
40
"Tirools rotswerk" zoals Van Steenbergen het zich voorstelde in 1951/52 en zoals men het toen met meer kon aanbrengen - is ook nu nog zeer gebruikelijk als gevelbepleistering in Beieren en Oostenrijk, De huidige werkwijze verschilt met van de vroegere: daarbij wordt de mortel met de troffel op de muur geworpen, omdat de specie te dik is om machinaal verwerkt te worden. München-Forstenned: Forstenrieder Allee 194 (foto M. Debruyn)
Uitvergrote dwarsdoorsnede van een bepleisteringsknobbel, waarvan de textuur door 4 opeenvolgende kalklagen en 2 andere verflagen nagenoeg volledig is dichtgeslibd. Unitaslaan 15 (foto Bayensches Landesamt für Denkmalpflege, München)
M&L
die van de twee eerste mortels. Omdat een zogezegde kalkmortel relatief weinig zuivere kalk bevatte en een zogezegde cementmortel weinig 'harde' cement, zou men de verklaring kunnen zoeken in de onzuivere samenstelling van hun hydraulische bindmiddelen. De laboratoriumanalyses die hierop het antwoord hadden kunnen geven, zijn echter niet uitgevoerd geworden omwille van de complexiteit van deze onderzoeken.
LASTENBOEK EN UITVOERING Hoewel slechts de twee laatste lastenboeken terug te vinden zijn, is de kans groot dat het onvindbare eerste lastenboek identiek is aan de twee laatste. Hierin blijken de voorschriften voor het materiaalgebruik en de uitvoeringswijze van de bepleistering meer dan vatbaar voor interpretatie door de aannemer: "De buitengevels (voor- en achtergevels) van op het parementwerk tot onder de dakgoot, te bezetten met zandmortel <sic> of cementmortel als 'rotswerk' te behandelen en met den borstel uit te voeren" (8). De bepleistering van de twee eerste bouwfasen vertoont een ruwe structuur (rotswerk), die van de laatste bouwfase is daarentegen veel minder 'rotsachtig', eerder 'korrelachtig'. Waarde eerste bepleistering zeer dik en tweelagig is, nog haar en stro als versteviging bevat, en veel meer kalk dan cement, is de tweede bepleistering eenlagig, zonder haar of stro, maar met iets minder kalk en iets meer cement. De derde bepleistering is de dunste, met twee lagen van nagenoeg uitsluitend cement.
De samenstelling van de zandmortel werd niet gespecifieerd in het lastenboek. Die van de cementmortel wel - tenminste in zoverre deze samenviel met de voegspecie, maar dat is vrij onwaarschijnlijk. Door deze vaagheid van het lastenboek konden de aannemers de samenstelling van de bepleistering zelf bepalen. Ook het aantal lagen was niet nader gespecifieerd.
BEPLEISTERINGSTECHNIEK Eén van de bewoners die als tienjarig kind de bepleistering van de tweede bouwfase bijwoonde, beschreef de onorthodoxe werkwijze bij de uitvoering (9). Zo namen de bezetters eerst een flinke teug water in de mond, spuugden het dan op de muur, om er vervolgens een schep mortelspecie tegen aan te kwakken! Tenslotte smeerden ze het goedje uit met een korte ijzeren borstel, die ze eerst goed nat maakten. Door dit uitstrijken zwakten de contouren van de 'worpen' af, waardoor een meer aaneengesloten geheel ontstond - een techniek die in het Duits bekend staat onder de benaming "verwaschener Kellenstrichputz" (10). Uit het materiële onderzoek blijkt dat de bepleistering van de tweede bouwfase in één laag werd uitgevoerd, maar die van de eerste en de derde bouwfase in twee lagen. Waarschijnlijk waren het telkens andere ploegen stucadoors, die hun eigen techniek en werkwijze toepasten. De eerste bouwfase was immers geëindigd in een proces tussen de aannemer en de bouwheer, zodat het weinig waarschijnlijk is dat de tweede aannemer met dezelfde ploeg bezetters aan de slag is gegaan (11). Vandaar het onderscheid zowel in samenstelling als in uitvoeringswijze van de bepleistering.
M&L
41
1. eerste bouwfase: Unitaslaan 15
3. derde bouwfase: Oude Donklaan 69
2. tweede bouwfase: Ch. Philipslaan 6 en 7
4. Villa Marstboom, Hove
zowel in de onder- als in de bovenlaag, om een hechte chemische verbinding tot stand te brengen tussen beide lagen (waarbij de toplaag minder dik is dan bij de eerste techniek met de borsteluitstrijk. die geen korrelige maar een eerder gladde golvende structuur vertoont).
EVOLUTIE VAN DE BEPLEISTERING Dat onderscheid laat zich ook aflezen aan de structuur van de drie verschillende bepleisteringen. Bij de eerste bezetting vertoont het 'rotswerk' een sterk 'verhoogd reliëf', waardoor er zeer grote intervallen zijn tussen de holle of uitspringende en de bolle of diepergelegen zones van de toplaag: het 'hoogte- of diepteverschil' kan tot 10 a 12 mm, in sommige gevallen tot 15 mm oplopen. In de tweede bouwfase is deze structuur over het algemeen minder geprononceerd met verschillen van hooguit 5 a 6 mm. Daardoor zijn de 'golven' tussen de hoge en de lage zones korter en geven ze een iets 'nerveuzer' effect dan de eerste bezetting. In het derde geval daarentegen werd de toplaag waarschijnlijk met een borstel 'gespat'. Hier gaat het om de zogenaamde "Besenspritzputz" (12). De intervallen in de pleisterstructuur lopen hooguit enkele mm op, van golven is er nog nauwelijks sprake, eerder van een grofkorrelige structuur. Deze techniek werd na de oorlog ook uitgevoerd door de mortel met een spatmolentje op de muur te 'spritsen'. Omdat het lastenboek echter "met de borstel uit te voeren' voorschrijft, is het waarschijnlijker dat een andere werkwijze werd gevolgd, waarbij gebruik werd gemaakt van een meer vloeibare mortel dan bij de "Kellenstrichputz". Daarbij werd de borstel eerst in de mortel gedoopt, de overtollige mortel van de borstel geschud en vervolgens zo voor de muur 'afgeklopt' dat, de muur vol werd 'gespritst' door het afkloppen van de borstel op een hoekig of afgerond stuk hout. Om een egale homogene spritslaag te bekomen werd deze handeling enkele malen herhaald. Zo kon de mortel niet uitlopen, terwijl toch een zeer dunne mortellaag gelijkmatig over de muur werd verspreid. Bij deze techniek werd verhoudingsgewijze meer cement aan de mortel toegevoegd.
De bepleisteringen die in de loop van de voorbije 60 jaar ter vervanging werden aangebracht, waren niet noodzakelijkerwijze van hogere kwaliteit. Bij de verbouwing van één van de twee winkels in 1952, bekloeg Van Steenbergen - die de veranderingswerken leidde en die kort daarna overleed - zich in een brief aan Leonard, "dat de buitenbepleistering van het veranderd gedeelte zeer slordig is uitgevoerd en niet kan aangenomen worden. Gelieve hierbij een kopie te vinden van de kennisgeving aan de aannemer Moons" (13). Het gebruik van steeds 'harder' cement, van andere bepleisteringsmaterialen en van andere uitvoeringswijzen, hebben er uiteindelijk toe geleid, dat het geheel een amalgaam van 60 jaar bepleisteringgeschiedenis en -technieken is geworden.
OORSPRONKELIJKE KLEUR VAN DE BEPLEISTERING Het lastenboek schreef voor dat op de oorspronkelijke bezetting een kalklaag diende aangebracht - nat in nat - zodat een hechte chemische binding ontstond tussen de bovenste pleisterlaag en de eerste kalklaag: "al de gevels te kalken met gekleurde Naamse kalk in 2 lagen. De eerste laag vooraleer de bezetting geheel verhard is. Het kleuren van de kalk zal voor elke groep aangeduid worden door den bouwmeester. Van rotswerk en kalklaag zullen stalen gezet en getoond worden. Naamsche af gegoten kalk te gebruiken" (14). Stalen van de oorspronkelijke afwerkingslagen op verschillende plaatsen genomen in de wijk, tonen aan dat het niet steeds om twee eerste lagen gaat.
42
M&L
B4
.
JÊJÉM 'm jÉ^ÊÊn Ü W ^
I
r: WTSÜ
••fw ^ x «,/.' i ü P » ^ sljiipl k ^ ' rtj^ffnuT • | S l j ^ •<^Hi I r^l'JSri
1
•EI lÉÉl 1' g* • # ^JHpj- ^^ter • "
l
-
V.. , . . / ^ 0 r
.
••••H^^^^l
. . • . • : •
' •
-
Drie aanzichten van dezelfde woongroep vanuit verschillende hoeken gezien, te dateren rond 1925.1928 en 1998. Ook hier valt op dat de kleurencombinaties van het houtwerk tussen 1925 en 1928 behoorlijk veranderden. Wanneer in 1925 alle woningen nog éénzelfde kleurencombinatie volgden, was dit niet meer het geval in 1928. De linkse hoekwoning en de daarbij aansluitende woning (onder hetzelfde dak) heeft nagenoeg zeker
donkergroen-crème schrijnwerk. De luikjes van de volgende woning vertonen daarentegen een zeer ongewoon diagonaalpatroon, terwijl het schrijnwerk van de overige woningen vermoedelijk in een rood-zwart en/of groen-zwart combinatie gezet zijn. Unitaslaan 31-43 (1925: Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven. Antwerpen. 1928: Architectuurarchief van de provincie Antwerpen, 1998: foto 0 . Pauwels)
M&L
'Une realisation pittoresque rf une cooperative de locataires. Le groupe date de l'origine de la Société Nationale, mals il a conserve sa Iraicheur romantique. De nombreuses maisons ont été vendues, mals les acheteurs n' ont pas toujours respecté l'unité del'ensemble'. (1950: Nationale Maatschappij voor Goedkope woningen)
43
Labo-analyse wijst in één bepaald geval bovendien op de aanwezigheid van een minuscuul laagje vervuiling op de eerste afwerkingslaag, wat betekent dat er een bepaalde tijd verstreken is tussen de eerste en de tweede afwerkingslaag (15). In dit geval gaat het om een vrij dikke okerkleurige 'kaleilaag' van meer dan Imm dik, die bovendien van kleur verschilt van de tweede laag. Zo'n dikke eerste afwerkingslaag komt alleen voor in de eerste en de tweede bouwfase, niet meer tijdens de laatste bouwfase. In deze laatste fase is de eerste afwerkingslaag zo dun, dat het niet anders kan, dan dat minstens twee afwerkingslagen kort na elkaar werden aangebracht. Ook de resultaten van het labo-onderzoek wijzen hierop, omdat in dit geval de twee eerste afwerkingslagen eenzelfde crèmekleurige tint vertonen. Het ligt voor de hand dat de woningen per groep gekalkt werden. Toch is de variatie in kleur beperkt. Wit was de dominerende kleur in de zuidelijke groep: de Unitaslaan tot aan de Charles Philipslaan en het zuidelijke deel van de Oude Donklaan tot aan de Heirmanstraat (16). Een crèmekleur overheerste in de dwarsstraten (de Heirmanstraat, de Charles Philipslaan, het Adelbert Kenisplein, het Eksterlaar), het noordelijke deel van de Oude Donklaan en de Unitaslaan. Het lijkt erop dat oorspronkelijk slechts één kleinere woongroep in de Unitaslaan een echte okerkleur had. Heel wat eigenaars lieten hun woning jaarlijks kalken door een klusjesman, die een hele groep woningen naast elkaar uitvoerde - wat de kans op een egale kleurtint per woongroep verhoogde. Het gebeurde dat FOTO-ONDERZOEK VAN DE de eigenaar naast okerpigment en zout om de kleur te BEPLEISTERING fixeren, ook thee aan de klusjesman bezorgde - om de kleur te versterken (17). Een twintigtal foto's werd genomen van de bouw en de afwerking van deze woningen. Minstens zo inforBovendien mochten de bewoners in principe geen matief is een 10-delige fotoserie uit 1928 die nog wijzigingen aanbrengen aan het esthetisch aanzicht vóór het begin van de laatste bouwfase uitgegeven van hun woning: bij de koopakte was immmers een werd. Hierop kan men in beperkte mate een verschil clausule gevoegd die stelde dat de "Maatschappij verkoopster" te allen tijde het recht had toezicht uit te in contrastwerking vaststellen enerzijds van woongroepen - onder meer van 'crème' en 'oker' in de oefenen op het correcte gebruik van de eigendom. Unitaslaan -, anderzijds van enkele individuele Hieronder was ook het behoud van de kleuren van de woningen, waarvan de kleurtint afwijkt van de groep gevel en het schrijnwerk verstaan. Zolang men echter woningen waartoe zij behoren. In ditzelfde jaar uitte in groep besliste om 'wit' door 'crème' of 'oker' te de voorzitter van de maatschappij dan ook zijn ongevervangen, was er geen probleem voor de maatschappij: "Tot heden werden bij herschildering meestal de oor-rustheid over deze gang van zaken, naast zijn onzekerheid hoe hij deze evolutie in de hand kon houden spronkelijke kleuren behouden of werd er bij groepen overeen gekomen anders te schilderen. Dit is de goede weg. (19). Maar zal hij steeds bewandeld worden, als er geen mid- Eerst twintig jaar later - in 1949 - werd tijdens een del bestaat een zachte dwang uit te oefenen? Het is een proces voor de Kamer van het Hof van Beroep te feit, dat een moedwillige de macht in handen heeft, de Brussel op basis van art. 9 en II van de clausule van eenheid van uitzicht van een bouwblok te breken. En de verkoopakte beslist: nochtans ligt in het behoud van die eenheid, het behoud "... art. II:... Het is de koper voor altijd verboden van het geheel. Er wordt echter met alle middelen geij- het schrijnwerk, dit wil zeggen deuren, vensters, verd om die gezonde opvattingen te doen zegevieren " (18). kroonlijsten, vensterblinden en alle geschilderde
44
M&L
D E U R N E • Unllas Tuinwijk jmuslKn hot» Dnkemolslrs»!. Bouwmeester : Edward tfan steenbergen.
Hoewel de gevels per woonblok in 1925 In één en dezelfde tint gekalkt werden, waren er in 1928 reeds opmerkelijke kleurafwijkingen. Zo is de kleur van het rechtse hoekhuis aanzienlijk donkerder getint dan de rest van het woonblok, dat vermoedelijk wit herkalktwerd. Umtaslaan 117-129 (1928: Architectuurarchief van de provincie Antwerpen)
vlakken aan de voor-, achter- of zijgevels van het huis anders dan in de door den bouwmeester van "Unitas Tuinwijk" aangegeven kleuren te schilderen, zo ook van de muren derzelfde gevels anders te schilderen dan in de kleuren door dezelfde bouwmeester aangeduid. Het is insgelijks verboden in de voortuintjes afsluitingen op de scheilijn tussen de eigendommen aan te brengen, de afsluitingen van de voortuintjes te wijzigen in zijn tekening, bouw of samenstelling, het poortje dat er in staat te verplaatsen, te vervangen ofte schilderen anders dan in de voornoemden bouwmeester aangegeven kleuren. Er wordt uitdrukkelijk vastgesteld, dat de voortuintjes slecht voor aanplantingen van bloemen of planten mogen worden gebruikt en geen bogen of andere decoratieve motieven mogen worden geplaatst. Aanleg en architectuur van "Unitas Tuinwijk" alsook de kleuren der schildering en de materialen door de bouwmeester gebruikt, vormen uit de aard der zaak een dubbele esthetische dienstbaarheid, die onaangeroerd moet blijven ingevolge van het principe der bescherming van landschappen en kunstwerken en in naam van het algemeen belang" (20).
KLEUREVOLUTIE VAN DE BEPLEISTERING Toch is het niet zo dat van dan af iedereen teruggreep naar de oorspronkelijke drie-eenheid witcrème-oker. Het lijkt erop dat een soort 'modus vivendi' werd aanvaard, waardoor dit gamma kon uitgebreid worden met oud-roze en pastelgroen in combinatie met bepaalde kleuren voor het schrijnwerk (21). Verscheidene bewoners verwezen naar dit gebruik waarbij twee tot vier woningen - naargelang zij onder één deel van hetzelfde dak gehuisvest waren, gebon-
den waren aan een gezamenlijk kleurenpalet. Om beurt mocht één van de eigenaars zijn keuze maken uit het voorgestelde kleurengamma. Toen de bewoners tenslotte in de loop van de jaren zestig Duitsland en Italië links lieten liggen en naar Griekenland op reis gingen, brachten zij als vakantiesouvenir pastelblauwe gevelkleuren mee (22). Het werd de laatste tint van het naoorlogse kleurengamma. In de loop van de jaren '70 werden hoe langer hoe vaker synthetische verven gebruikt, met als resultaat: het afbladderen van de verf en het loskomen van de pleisterlaag. Toen in 1971 de Unitas Tuinwijk s.m. werd overgedragen aan de Deurnese Moderne Woning werden de meer dan 40 resterende huurwoningen in een vaal grijs gezet - een kleur die nu nog steeds het aanzicht van de Oude Donklaan domineert.
OORSPRONKELIJKE KLEUREN VAN HET SCHRIJNWERK Omdat het materieel onderzoek van het houtwerk geen informatie over de beginsituatie opleverde, waren de mondelinge getuigenissen van de oudste bewoners des te belangrijker (23). Zo bleek dat de meest voorkomende kleurencombinaties donkergroen-crème en zwart-rood waren, maar dat zwartgroen en donkerblauw-lichtblauw of donkerblauwwit eveneens veel gebruikt werden. Blauw kwam het meest voor in het zuidelijke deel van de Unitaslaan en de Oude Donklaan: omdat de eerste kleurlaag op de bepleistering in dit gedeelte van de wijk wit was, ligt dit ook voor de hand. De meningen zijn verdeeld in hoeverre de bewonerseigenaars hun kleurencombinatie zelf konden kiezen, dan wel gebonden waren aan een opgelegde kleurencombinatie. Ook in dit geval is het lastenboek biezonder karig met gegevens: "Al het schrijnwerk in Noords rood greinenhout van beste hoedanigheid... Al het schrijnwerk binnen en buiten, dakhoordsel met fond, ...in twee lagen na vooreerst te zijn gegrondverfd. De laatste laag in drie volle kleuren naar keus van den bouwmeester. De verf van beste seruis en lijnolie, zonder vreemde bestanddelen" (24). Hieruit zou men kunnen besluiten dat de bewoners slechts uit drie basiskleuren konden kiezen: groen, rood en blauw, waarbij zwart en crème als nevenkleuren werden aangezien. Deze kleuren benaderen immers het dichtst de tinten die de bewoners aangeven: donkergroen + crème, felgroen + zwart, felrood + zwart, donkerblauw + wit of lichtblauw.
M&L
45
FOTO-ONDERZOEK VAN HET SCHRIJNWERK Een vergelijking van de foto's uit 1925 - toen aan de noordzijde van het Adelbert Kenisplein nog geen riolering of bestrating was aangelegd - en de foto's uit 1928 - toen het gedenkteken voor Adelbert Kenis in 1928 werd ingehuldigd - toont aan dat de bewoners vrij snel van kleur wisselden (25). De aanvankelijke donkergroen-crème combinatie werd onmiddellijk veranderd in zwart-rood of zwart-groen. En hoewel donkergroen niet beantwoordt aan één der drie "volle kleuren" van het lastenboek, stond het schrijnwerk van een flink aantal woningen in donkergroen-crème. Vaststaat dat het steeds om twee kleuren ging, waarbij de donkere tint de opliggende delen van de luiken en de deuren kleurde, en de lichte tint de onderliggende delen, zoals de invulling van de luiken en de glasroeden van de ramen. Deze regeling gold voor de deuren van de eerste en de tweede bouwfase, maar niet voor die van de derde fase, omdat er bij deze deuren in plaats van houten stijltjes een ijzeren rooster voor het raam zat: hier werd de deur volledig donker en het rooster licht gekleurd. Een enkele deur in de Oude Donklaan vertoont vandaag nog deze kleurindeling. Van het eerste type zijn er nog meerdere voorbeelden terug te vinden. De kroonlijst van het dak was steeds in de donkere tint, die van de erkers aanvankelijk licht, later in vele gevallen donker. Donker waren ook de raamkaders, licht de al of niet opendraaiende vleugels en de glasroeden. Het lijkt er echter op dat soms alleen de mastiek in de lichte tint werd gezet en alle andere schrijnwerk - ook de glas-
roeden in de donkere tint. Sommige bewoners accentueerden dan weer de vier kleine pivoterende raampjes van het centrale traplicht door alleen deze licht te schilderen en de rest van de raamindeling donker uit te voeren. Alleen in de eerste bouwfase zijn deze raampjes van hout en pivoterend; in de tweede en de derde bouwfase zijn deze vervangen door opendraaiende raampjes in ijzer. De poortjes waren aanvankelijk allemaal licht geschilderd. Gaandeweg volgden ze de kleurcombinaties van de rest van het schrijnwerk. De oorspronkelijke sponning die vermoedelijk van hout was, werd aanvankelijk meegeschilderd. Nadat deze vervangen was door een sponning in beton, bleven een aantal bewoners de sponning schilderen - wat minder vanzelfsprekend was, omdat de rest van de betonnen omheining niet geschilderd werd. Tenslotte werd de houten voorzijde van de dakkapellen in de Oude Donklaan in de kleur van de gevel geschilderd, terwijl het kleine raampje in de dakkapel de kleuren van het schrijnwerk volgde.
KLEUREVOLUTIE VAN HET SCHRIJNWERK Van de 56 huizen in de Oude Donklaan werden er 41 verhuurd, omdat deze woningen in volle economische crisis te duur verkocht moesten worden. Telt men daarbij de twee winkels in de Unitaslaan, dan stond de Unitasmaatschappij in voor het onderhoud van zo'n 43 van de 199 gevels. Waarschijnlijk werd het schrijnwerk van de gehuurde woningen in de Oude Donklaan nog vóór de oorlog in bruinrood-bordeaux met crème geschilderd (26).
De woonblokken waren meestal van elkaar gescheiden door het in- of uitspringen van de gevel: door een lichte knik in de gevellijn werd een eentonige rooilijn vermeden. Uit deze opname van 1925 of iets later, blijkt dat er van bij de aanvang verschil-
lende kleurencombinaties voor het schrijnwerk in gebruik waren, wat overeenstemt met de mondelinge overlevering van de vroegste bewoners. Terwijl in het noordelijke deel van de wijk oorspronkelijk vooral donkergroen-crème gebruikt werd in de
meestal crèmekleurige gevels, werd in het zuidelijke deel van de wijk vaak een combinatie van rood of groen met zwart gebruikt in de oorspronkelijk witgekalkte gevels. Unitaslaan 75-87 (1925: Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven, Antwerpen)
46
Woningtype 1: een 7 m breed rijhuis met twee erkers onder een hall pyramlde- en een half mansardedak. Unitaslaan 69 (foto 0. Pauwels)
M&L
M&L
47
SAMENLEVINGSMODEL
Zij-aanzicht van een woonblok waartegen een garage werd aangebouwd. Niet overal werd een boomaanplanting even geslaagd uitgevoerd. Hoewel er In principe geen bomen in deze voortuintjes thuis horen - evenmin als geplavuisde pleintjes - is deze begroeiing aanvaardbaar, omdat ze het gevelaanzicht vrij laat terwijl ze een eerder ongelukkige aanbouw verbergt. Oude Donklaan 43 (na 1930: Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven, Antwerpen, 1998: foto 0. Pauwels)
In dit geval is het de voorzitter zelf geweest die de kleuren van het oorspronkelijke houtwerk heeft gewijzigd. Toch is het zo goed als zeker dat hij dit in overleg met de architect heeft gedaan, die tot aan zijn dood in 1952 nauw betrokken is gebleven bij deze tuinwijk - onder meer bij de verbouwing van één van de twee winkels kort voor zijn overlijden. Ook hier zijn de meningen verdeeld: sommige bewoners beklemtonen de vrijheid die ze hadden om een bepaalde kleurencombinatie toe te passen, anderen beklemtonen precies de hen opgelegde verplichting om een bepaalde kleurencombinatie aan te houden. Tenslotte werd door de voorzitter zeker vanaf de jaren '50 een bepaalde regeling ingevoerd waarbij het aantal keuzemogelijkheden beperkt bleef in combinatie met de kleur van de bepleistering. Het ging om een bepleistering in oker of crème in combinatie met schrijnwerk in rood + zwart, donkergroen + crème of bordeaux + crème. De uitbreiding van de bepleistering met pastelroze of pastelgroen diende respectievelijk gecombineerd met bordeaux + crème en donkergroen + crème. Blauw + wit schrijnwerk werd tenslotte aan de pastelblauwe bepleistering gekoppeld (27).
Vaststaat dat het de bedoeling was deze kleurencombinaties aan groepen van woningen te koppelen (28). Het idee 'woongroep' was essentieel om de leefbaarheid van een dergelijke wijk te garanderen. Alleen beheerste verscheidenheid kon leiden tot het doorbreken van de monotonie van 199 nagenoeg gelijksoortige eengezinswoningen. Nadat gebleken was dat de 19de-eeuwse woonkazernes in een aantal gevallen leidden tot broeihaarden van verzet en revolutie, beschouwde men de landelijke eengezinswoning als het meest effectieve middel om sluimerende vormen van 'ongewenst gedrag' te neutraliseren. Vandaar de belangstelling van de overheid voor 'tuinwijken'. De Britse architect Unwin had in 1909 de 'tuinwijk idee' kant-en-klaar uitgewerkt in Townplanning in Practice. Dit handboek voor de praktijk werd sindsdien door de hele wereld als 'bijbel' gebruikt bij de aanleg en de inrichting van tuinwijken. Ook Van Steenbergen bezat de Duitse versie uit 1922 (29), die op enkele details na de Engelse tekst volgt: zo legt de Duitse versie iets meer nadruk op de bepleistering, wat in de Engelse versie nauwelijks aan bod komt. Behalve concrete richtlijnen over de aard van de inplanting van de woningen in kleine groeperingen "of buildings and how the variety of each must be dominated by the harmony of the whole" (30). ging Unwin ook in op de manier waarop deze woonwijken dienden te functioneren. Zo bestond er volgens hem geen twijfel over dat het beheer van deze woonwijken noch aan de overheid, noch aan het individu kon worden overgelaten. Meest aangewezen leek hem een nog onbestaande vorm van geëmancipeerd overleg op wijkniveau - vergelijkbaar met het soort van burgerinitiatief dat merkwaardig genoeg thans opnieuw bijval kent. "Hitherto the growth of democracy, which has destroyed the old feudal structure of society, has but left the individual in the helpless isolation of his freedom. But there is growing up a new sense of the rights and duties of the community as distinct from those of the individual. It is coming to be more and more widely realised that a new order and relationship in society are required to take the place of the old, that the mere setting free of the individual is only the commencement of the work of reconstruction, and not the end" (31). Precies omdat Unwin zo'n specifieke visie op het democratisch functioneren van onze maatschappij had, kon hij dergelijke woonomgeving gestalte geven - niet alleen op wijkniveau, ook op buurtniveau. Op dit laatste en laagste niveau functioneerde de 'woongroep'. Vandaar dat Unwin er biezondere aandacht aan besteedde - zij het op beperkte schaal, op het niveau van de detaillering.
m ,JlkA
*Ê*~
1
wm l x * m*
mm
l::::::
rri
iiiiiiii::
I i fJH
1 Jul i r n H
M&L
49
M JUMULI
^
.mm LJ n
IKTCHHl
mm$ Cover uit 1924 van het tijdschrift van de Nationale Maatschappi| voor Goedkope Woningen: de overeenkomst tussen dit type modelwoning en de woningen in de Unitaswijk is aanzienlijk (Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, Antwerpen)
Woningtype 2: een 5 m breed rijhuis zonder erkers onder een doorlopend zadeldak met halve dakkapel. Oude Donklaan 121 (foto O. Pauwels)
nn^iL n m
»^^
i^^B
E n J i , il £ | J
Mmünaai a p ~ * - ^ a « —'ï ^' WOONGROEPEN Oorspronkelijk had Van Steenbergen in de Unitaswijk een duidelijke indeling in 31 groepen gemaakt, die gebaseerd waren op 11 mogelijke varianten (15 met de a- en b-subvarianten) (32). Daarbij werd een onderscheid gemaakt naar de aard van de dakinplanting, die samenging met de gevelbreedte en de inplanting van de erkers (hoektype). Bij de uiteindelijke realisatie werd er gedeeltelijk afgeweken van dit programma, wat niet belet dat slechts één groep werd toegevoegd zodat er in totaal 32 groepen zijn. Hoewel het grootste deel van de inplanting ongewijzigd bleef, werd hiervan vooral in de tweede en de derde bouwfase afgeweken (33). Het aantal woningen binnen deze groepen varieert tussen 2 en 14 woningen - uitgezonderd 13 woningen. Merkwaardig is dat, hoewel het aantal 'woongroepen' in de Unitaswijk behouden werd, ook de nieuwe indeling in woongroepen niet gebruikt werd als indeling voor de verschillende variaties in het siermetselwerk rond de voordeur. Daardoor zijn kleine verschuivingen ontstaan, die de verscheidenheid van het geheel op verschillende niveaus bewerkstelligen (34). Dit variatieprincipe geldt voor de twee eerste bouwfasen. De economische crisis van de jaren '30 is vooral voelbaar in de woningen van de laatste bouwfase. Zo is er in de Oude Donklaan nog nauwelijks variatie in huistype of siermetselwerk. Daardoor zijn de woongroepen hier het grootst, met het minste variatie en met het minste kleurverschil, omdat de gevelkleuren in principe aan de woongroepen gekoppeld waren. Door het feit dat 41 van de 56 huizen verhuurd werden en de Unitasmaatschappij zelf instond voor het onderhoud ervan, was deze straat lange tijd ook het meest conform de regels geschilderd. Alle andere bewoners-eigenaars - uitgezonderd de twee voormalige winkelhuizen in de Unitaslaan, die verhuurd werden - dienden per woonblok met elkaar afspraken te maken over de kleur van het schrijnwerk, dat nog in de grondverf stond toen de bewoners hun woning betrokken. Dat veronderstelde een
minimum aan teamgeest, die er aanvankelijk ook was, zodat de wijk niet alleen een gevarieerd aanzicht had, maar ook een aantal activiteiten op buurtniveau ontwikkelde. Door het geleidelijk wegvallen van deze mentaliteit, heeft Leonard het ongetwijfeld nodig geacht een aantal stelregels in te voeren, om, zoniet de wijkgeest, dan toch het aanzicht van de wijk te redden. Omdat dit een kunstmatige ingreep was, kon het niet anders dan dat tegelijk met het verdwijnen van zijn persoonlijke aanwezigheid in de wijk in 1971, ook de regels verdwenen. Zo is, van het oorspronkelijke overleg per woongroep, naar het overleg per twee, drie of vier woningen onder hetzelfde dak, uiteindelijk de individuele voorkeur van iedere bewoner het aanzicht van de wijk gaan bepalen. Dat deze tendens zich eerst na de oorlog daadwerkelijk heeft doorgezet, blijkt ook uit de oudst bewaarde kleurenfoto van de wijk uit 1950 (35).
HERINVOERING VAN DE OORSPRONKELIJKE WOONGROEPEN? In het oorspronkelijk concept van de woongroepen bepaalde de aard van de inplanting de indeling van de woongroepen. Maar omdat de uiteindelijke inplanting van de woningen gewijzigd werd, dient men bij een eventuele herinvoering van dit concept rekening te houden met deze wijzigingen. Het begrip 'woongroep' blijkt bovendien in de loop van de tijd geëvolueerd te zijn tot het 'symmetrisch aanzicht' van twee, drie of vier woningen onder hetzelfde dakvolume (36). Ook het veranderde straatgezicht - onder meer de aanleg van het pleintje in de Oude Donklaan - versterkt de noodzaak van een andere dan de oorspronkelijke indeling. Alleen een aanpassing, die rekening houdt én met de architecturale betekenis van de oorspronkelijke indeling, én met de uiteindelijke realisatie én met het gewijzigde straatbeeld, beschermt de 'idee' van de indeling in woongroepen, het basisstramien waarop de wijk steunt.
DE CHARME VAN PATINA In hun poetswoede gingen sommige bewoners in het verleden zo ver, dat zij de natuurlijke vervuiling van de paramentsteen wegschuurden met verdund salpeterzuur, waardoor niet alleen het vuil, maar ook de gedeeltelijke inkleuring van het voegwerk en de baksteen verwijderd werd (37). Heel wat woningen uit de eerste en de tweede bouwfase vertonen nog
50
\J
-n- ':-=^r=s
r
M&L
T A G
T
TT
U
N
q wowiNotN VAN q . - MTatvELBRteBTE|3b •• » sr.•
52 2
«
••
wlNKCI-HUfrtM
5.5o
«
W
ïï\
M&L
K
TE
51
D-EU R N £
BtrANTWERP
Grondplan van de Unitaswijk naar ontwerp en realisatie van Van Steenbergen, met 13 woningen aan de noordzijde op het Eksterlaar, 66 woningen aan de westkant in de Unitaslaan; 7 woningen aan de zuid-
kant in de Drakenhoflaan, 79 woningen aan de zuidoost- en oostkant In de Oude Donklaan, met daartussenin de Heirmanstraat (7 woningen), de vroegere Elfenstraat, thans Charles Phillpslaan (8 woningen) en het
Adalbert Kenisplem (19 woningen). Goed voor In totaal 199 woningen, waarvan 9 woningen met 9 m gevelbreedte, 136 woningen met 7 m gevelbreedte, 52 woningen met 5,3 m gevelbreedte en 2 wlnkelhuizen.
die intussen tot gewone woningen verbouwd werden. De straatnummers ontbreken op het oorspronkelijke plan, maar werden ter verduidelijking toegevoegd. (Architectuurarchief van de provincie Antwerpen).
52
M&L
!
OVERZICHT VAN DE WOONGROEPEN: Vergelijking tussen het plan van Van Steenbergen (1923) en de uiteindelijke realisatie gebruikte afkortingen: AK Adelbcrt Kenisplein CP Charles Philipslaan (oorspronkelijk Elfenstraat) D Drakenhoflaan E Eksterlaar
GROEP
PLAN
UITVOERING
H OD U
VERSCHIL
Heirmanstraat Oude Donklaan Unitaslaan
LOCATIE
1
2x 12 woningen
sic
E4-26 U45-67
la
1 x 14 woningen
(4+10) woningen
OD 107-133
1b
1 x 8 woningen
1 x 7 woningen
11
5 x 2 woningen
3 x 2 woningen
2 x 3 woningen
(-1)
(+2)
D 199-211 E2/U3 OD 19-21 ODl-3 U 19-23 U 25-29
lil
2 x 7 woningen
sic
U5-I7 U 31-43
IV
2 X 5 woningen
sic
1 x 9 woningen
sic
AK1-5 AK 15-19 AK6-14
3 x 6 woningen
1 x 6 woningen 2 x 4 woningen
V
1 x 10 woningen 1 x 2 woningen
sic sic
OD2-12 CP1-7 CP2-8 OD 79-97 OD 22-24
VI
1 x 2 woningen
sic
U 120-122
VII
2 x 7 woningen
sic
OD5-17 U I 17-129
Vila
1 x 5 woningen
1 x 4 woningen
(-1)
OD 14-20
VIII
4 x 3 woningen
2 x 3 woningen
(-3)
2 x 4 woningen
(+5)
U 69-73 U 75-79 OD 63-69 OD 71-77
(-4)
IX*
lx(7+ll) woningen
sic
X*
lx(8+8) woningen
lx (10+10) woningen
(+4)
OD 23-61*
XI
1 x 4 woningen
1 x 3 woningen
(-1)
HI-5
Xla
1 x 6 woningen
1 x 4 woningen
(-2)
H2-8
196 woningen
195 woningen
M)
1 x 4 woningen
(+4)
199 woningen
(+3)
XII** 196 woningen
U 81-115*
OD 99-105**
(*) Omd;ll aan weerszijden van de Heirmanslrnat een poortgebouw voorzien was - in het midden van groep IX en X • waarmee hier geen rekening is gehouden, is er eigenlijk geen afwijking in het aantal gerealiseerde woningen. (**)Düor de extra toevoeging van de/e laatste vier woningen kan men in totaal 12 mogelijke varianten 116 met de aen b-subvananlen) voor 32 groepen onderscheiden.
M&L
53
VOORSTEL NIEUWE INDELING WOONGROEPEN:
Een compromis tussen de oorspronkelijke woongroepen, de evolutie van het begrip woongroep, het belang van symmetrie en de gewijzigde straataanleg
Noteer dat bij deze indeling op geen enkel ogenblik is uitgegaan van één of andere volgorde; de romeinse cijfers slaan enkel en alleen op het fysiek en raimtelijk onderscheid naar de aard en de groepering van de woningen. Zes nieuwe woongroepen zijn aangeduid met *** door enkele grote woongroepen, die op één na alle in de Oude Donklaan te situeren zijn, te verkleinen. Groep
Aantal Woningen
Locatie
1
1 x 9 woningen
AK6-14
II
2x5 woningen
AK1-5 AK 15-19
III
2x7 woningen
U5-17 U 31-43
IV
2x3 woningen
U 69-73 U 75-79
V
3x4 woningen
OD71-77 OD 99-105 OD 127-133***
VI
2x4 woningen
CPI-7 CP2-8
VII
1 x 3 woningen 1 x 4 woningen
HI-5 H2-8
vin
1 x 4 woningen 2x2 woningen
ODI4-20 OD 22-24 OD 19-21
IX
3x2 woningen
E2/U3 ODI-3 U 120-122
X
2x10 woningen
OD 79-97 OD 107-125***
XI
1 x 6 woningen 1 x 7 woningen
OD2-12 OD5-17
XII
1 x 10 woningen 1 x 14 woningen
OD 23-41*** OD 43-69***
XIII
1 x 7 woningen 1 x 11 woningen
OD 81-93*** U95-115***
XIV
1 x 12 woningen
E 4-26
XV
1 x 7 woningen
D 199-211
XVI
2x3 woningen
U 19-23 U 25-29
XVII
1x12 woningen
U 45-67
XVIII
1 x 7 woningen
U 117-129 1
Woningtype 3b: een 9 m breed rijhuis met puntgevel, zonder erkers. Adelbert Kenisplein 17 (foto 0. Pauwels)
54
Fragment rood bijgeschilderde en zwart overschilderde paramentsteen. Te oordelen naar sommige details van de uitvoering werd de rode overschildering na de zwarte uitgevoerd. Charles Philipslaan 7 (foto M. Debruyn)
Fragment rood bijgeschilderde paramentsteen en zwart overschilderd voegwerk. De bruinrode kadrering is ontstaan door de overschildering van het voegwerk dat eerder slordig is uitgevoerd. De witte stipjes zouden wijzen op een aantasting door een parasiet. Umtaslaan 9 (foto M. Debruyn)
M&L
sporen van deze beschildering (38). Omdat de voegspecie vrij dik en niet al te netjes uitgevoerd was, zorgde deze rode overschildering voor een gelijkmatiger aanzicht van het metselwerk. Deze inkleuring was niet voorzien in het lastenboek, wel het voegwerk "met binnenwaarts snijwerk". "Het metselwerk in Kempische machinesteen, goede soort, goed droog, goed gebakken, helder klinkend, in gemalen asmortel. De op de tekening als paramentwerk aangeduide delen uit te voeren in klampsteen eerste soort van Boom ofNiel, met holle voegen om later gevoegd te worden met binnenwaarts snijwerk" (39). Het bijkleuren van de baksteen was niet zo ongewoon: deze afwerkingstechniek werd ook aangebracht op een aantal rij woningen, die in 1926 door Van Steenbergen gebouwd werden in de Uitspanningsstraat in de Tuinwijk Eenheid in Wilrijk (40).
DONKERE BAKSTEEN Hoewel het lastenboek aan weerszijden van de voordeur brede stroken donkere baksteen voorzag, werden deze alleen in de laatste bouwfase uitgevoerd. "Aan de inkomdeuren zullen banden gemetseld worden in blauwe Boomse handsteen " (41). Anderzijds zijn er duidelijke sporen te herkennen van donkerbeschilderde baksteenstroken in de woningen van de eerste en de tweede bouwfase (42). Deze overschildering was niet in het lastenboek voorzien, maar werd later aangebracht om het oorspronkelijke ontwerp van de architect zo dicht mogelijk te benaderen (43). Het gaat hier inderdaad om een aanvechtbare stelling, in de zin dat foto-onderzoek uitwijst dat in 1924 de baksteenstroken naast en het siermetselwerk boven de deur van de allereerste woning in de Oude Donklaan 1-3 in donkere baksteen uitgevoerd waren.
Dit stemt volledig overeen met het getekende ontwerp van de architect. Merkwaardig genoeg ziet het siermetselwerk van dezelfde woning er in 1925 behoorlijk anders uit. Zo is de strook boven de deur gedeeltelijk vervangen door een boog fijne sierbaksteen, terwijl de donkere baksteenstroken onmiddellijk naast en rond de deur behouden bleven. Deze uitvoering stemt in zoverre overeen met het huidige aanzicht, dat de donkere baksteenstroken vervangen zijn door gewone paramentsteen, maar dat deze naar alle waarschijnlijkheid in 1925 donker gekleurd waren. Het heeft er dus alle schijn van dat de architect zijn oorspronkelijk ontwerp heeft herzien en de blauwe Boomse handsteen heeft vervangen door paramentsteen, die hij donker heeft laten opkleuren. Het blijft echter gissen naar de reden van deze wijziging. Opvallend is dat deze twee woningen - de eerste maar ook de enige blijven met dergelijk siermetselwerk boven de deur, terwijl dit bij alle andere latere woningen volgens negen verschillende patronen verloopt (44). In de meeste gevallen werd het voegwerk van de sierpatronen rond de deur en van de baksteenstroken naast de deur in de massa donker gekleurd. In een aantal gevallen is ook de paramentsteen, die in blauwe Boomse handsteen voorzien was, naar alle waarschijnlijkheid ook donker ingekleurd geworden.
VERGELIJKING MET DE KLEUREVOLUTIE IN ANDERE TUINWIJKEN Op lokaal vlak straalde deze tuinwijk een zeer groot prestige uit. Dat had zowel met de aanleg en de architectuur van deze wijk te maken, als met haar kleurrijk aanzicht. Le Logis-Floréal in WatermaalBosvoorde mocht dan wel veel groter, groener en gevarieerder zijn door de aard van de inplanting, de grijze rotsbepleistering van deze gevels in combina-
M & L
55
tie met geel-zwart of groen-zwart schrijnwerk maakte een soberder en strengere indruk dan de gevarieerde okertinten en het kleurige schrijnwerk van de Unitaswijk. Klein Rusland in Zelzate-Anderlecht dat uit dezelfde periode dateert, en dat thans volledig wit geschilderd is, was vermoedelijk oorspronkelijk eveneens okerkleurig geschilderd. Het is onduidelijk of het huidige donkergroen van het schrijnwerk de oorspronkelijke kleur is. Verder onderzoek naar de originele kleurstelling in deze en in andere tuinwijken is dan ook dringend gewenst.
Strook dondergrijze Boomse paramentsteen met in de massa gekleurd voegwerk, dal duidelijk verschilt van de eigenlijke voegspecie. Dergelijke paramentsteen komt uitsluitend voor in de woningen van de laatste bouwfase. Oude Donklaan 123 (foto M. Debruyn)
Dat de voorkeur van de Unitasbewoners uitging naar oker en crème en niet naar wit, moet gezien worden tegen de achtergrond dat een witgekalkte woning geassocieerd werd met een boerenwoning (45), terwijl de Antwerpse stadswoningen een traditie van fijne pasteltinten in lijnolieverf hadden - meestal variërend tussen oker en parelgrijs (46). Omdat de Unitaswijk voor bedienden uit de Antwerpse agglomeratie gebouwd was, overkalkten de bewoners onmiddellijk hun witte gevels met een oker- of crèmekleurige kalk, later ook met pasteltinten (47). Het is niet duidelijk in hoeverre ook in andere tuinwijken in de loop van de tijd een soortgelijke evolutie naar andere pasteltinten heeft plaats gevonden. Het heeft er de schijn van dat dit niet gebeurd is in Klein Rusland, waar de maatschappij de woningen verhuurde en zelf onderhield. Andere huurmaatschappijen die hun woningen niet zelf onderhielden zoals Het Rad in Anderlecht - hadden daarentegen af te rekenen met het probleem dat de huurders dit evenmin deden, terwijl bij verkoop door de maatschappij de meeste nieuwe eigenaars het originele aanzicht van de woning veranderden.
HERWAARDERING VAN DE KLEURIGE GEVEL IN BINNEN- EN BUITENLAND Van Steenbergens oker- en crèmekleurige gevels sluiten althans wat de kleur betreft aan bij de 19de-eeuwse Antwerpse geveltraditie maar niet qua bepleisteringstechniek en ook niet qua verfsoort. Zowel de okerkleur als het type rotsbepleistering en het kalken van de gevel sluiten echter naadloos aan bij de Zuid-Duitse geveltraditie. Tenslotte en niet in het minst moeten deze gevels gezien worden in het licht van de belangstelling voor kleurige gevels van een nieuwe jonge lichting architecten - een belangstelling die vooral in Nederland en Duitsland terug te vinden is bij onder meer Dudok en Taut, maar die niet door alle avant-gardisten gedeeld werd - onder meer niet door Oud (48). Ook de Unitasbewoners toonden hun belangstelling voor deze traditie wanneer ze tien jaar later met een pastelroze of pastelgroene gevelkleur uitpakten - het visuele resultaat van een eerste vakantiereisje naar Zuid-Duitsland, Oostenrijk, Italië of Zwitserland. In die zin hoeft aan Van Steenbergens okerkleurige gevels geen andere esthetische waarde toegeschreven te worden dan aan de pastelroze gevels van de Unitasbewoners. De meeste pasteltinten konden immers bij een dergelijk traditioneel woningtype te horen. Het duo Leonard-Van Steenbergen heeft deze kleurveranderingen nooit aangemoedigd, maar getolereerd in de mate dat ze in groep werden uitgevoerd en ook aangepast aan de gangbare kleurencombinaties voor het schrijnwerk. Zo heeft Van Steenbergen zich blijkbaar ook nooit verzet tegen de kleurwijzigingen die het echtpaar Grauls aan hun woning (1921) in de Strijdhoflaan in Berchem aanbracht (49). Ook hier ging het om een opeenvolging van verschillende tinten voor de bepleistering en het schrijnwerk. Anders dan het lastenboek voorschreef - ueen lichtgetinte cementlaag waarin gemalen witte hardsteen en fijne kiezel geslagen " - werd een ruwe rotsbepleistering aangebracht, die sterk gelijkt op die van de eerste bouwfase in de Unitaswijk (50). Of deze originele bepleistering ook daadwerkelijk lichtgetint was, kon niet worden nagetrokken. Vaststaat dat ze in het begin van de jaren '30 okerkleurig was om nadien weer lichter geverfd te worden (51).
HERWAARDERING VAN FELLE KLEUREN VOOR HET SCHRIJNWERK Traditioneel hoorde bij de meeste lichtgetinte gevels in onze gewesten donkergroen schrijnwerk (52).
56 .
M&L
en 2: Oorspronkelijk schrijnwerk van een erker in een zwart-wit combinatie, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de
De drie "volle" kleuren van het lastenboek wijken duidelijk af van deze regel. Het gebruik van felle eenvoudige kleuren voor het schrijnwerk is echter typisch voor de nieuwe coöperatieve woningen uit deze tijd (53). Ook heel wat kunstschilders lieten zich niet onbetuigd en stimuleerden de architecten tot een dynamisch kleurgebruik in de woningbouw. Voor de woning Grauls adviseerde Jan Cockx rood en blauw schrijnwerk aan de buitenzijde van de woning (54). Later veranderden de bewoners dit in bruinrood en crème schrijnwerk in combinatie met een okerkleurige bepleistering, en tenslotte in donkergroen-crème
Kleur van het hout van de roede en de mastiek eromheen. Charles Philipslaan 4 (foto 0 . Pauwels, fotodetail M. Debruyn)
3: Oorspronkelijk schrijnwerk van de hierbijhorende verticale lichtkolom in zwart-wit. Charles Philipslaan 4 (foto 0 . Pauwels).
en later groen schrijnwerk in combinatie met een zeer licht getinte gevel (55). Het is nagenoeg zeker dat de architect akkoord ging met deze wijzigingen, aangezien beide echtparen bevriend waren. Opvallend is dat het hier om nagenoeg dezelfde kleurencombinaties als in de Unitaswijk gaat: eerst een verschuiving van een lichte bepleistering met roodblauw schrijnwerk, naar een okerkleurige met bruinrood en crème schrijnwerk en dan naar een lichtcrème kleurige bepleistering met donkergroen en crème schrijnwerk. Alleen de combinatie rood en blauw was in de Unitaswijk vervangen door rood en zwart.
M&L
57
000 1: Detail van eên kolom in een der kleine opendonkergroen-rood draaiende ijzeren combinatie. Het venstertjes in een contrast tussen het verticale lichtkolom. vaste gedeelte van Oude Donklaan 29 het grote venster en (foto M. Debruyn) de kleine opendraaiende venstertjes wordt door de 2 en 3: Oorspronkekleuraccentuering lijk schri|nwerk van onderstreept. een verticale licht-
Detail van één der kleine pivoterende houten venstertjes in dezelfde verticale lichtkolom. Unitaslaan 69 (foto 0. Pauwels, fotodetail M. Debruyn)
HE 1: Oorspronkelijke roede-indeling van de dakkapel. De rechterhelft van het houten fronton van de dakkapel en van het pannendak zijn origineel. De linkerhelft van de dak-
kapel en van het pannendak vormen hierop een lichte variatie. Oude Donklaan 27-29 (foto 0. Pauwels) 2: Originele regenafvoer in zink.
Jammer genoeg gaat de originele houten daklijst verborgen achter een banale kroonlijst in PVC. Oude Donklaan 105 (foto 0. Pauwels)
DE AANTREKKINGSKRACHT VAN OKER Ook in de Villa Marstboom (1925) in Hove heeft Van Steenbergen op de rotsbepleistering een relatief donkere okerkleur laten aanbrengen - vandaar dat deze villa het boterklompje werd genoemd door de plaatselijke bewoners (56). Hierop werd later een lichtrozige tint gezet. Bij gebrek aan onderzoeksmateriaal uit eigen land. nodigen de voorhanden liggende buitenlandse onderzoeksprojecten uit tot een vergelijking. Dudok, die Van Steenbergen duidelijk heeft beïnvloed, gebruikte in Hilversum oker in combinatie met donkergroen (57). De hele wijk Carl Legien in Berlin-Prenzlau (1925 gepland, maar later uitgevoerd) van Taut en Hillinger was eveneens in één en dezelfde okertoon geschilderd, uitgezonderd de binnenzijdes die op de woonhoven gericht waren (58). De 'Hufeisensiedlung' (1925-27) van Taut in Berlin-Britz, die zoals de Unitaswijk uit 32 woongroepen was samenge-
58
M&L
Drie verschillende originele voordeurtypes, waarbij het onderscheid van de twee eerste deurtypes samenvalt met het verschil in houtsnijwerk tussen de twee stijltjes voor het deurraampje. Unitaslaan 69 (met originele deurknop en brievenbus in messing) en Charles Philipslaan 1. Het schrijnwerk van het derde deurtype is eenvoudiger.
steld, was daarentegen in drie verschillende kleuren geschilderd - rood, geel en blauw - die de indeling van de woongroepen volgden (59). De 'Weissenhofsiedlung' (1927) in Stuttgart was anderzijds volledig wit gepland - omdat het hier om een pilootproject van 33 verschillende gebouwen van 16 verschillende architecten ging. Toch dook hier naast andere tinten ook oker op - maar dat was eerder aan een misverstand toe te schrijven veroorzaakt door de tijdsdruk en de plaatselijke gewoonte om alle woningen okerkleurig te verven (60). Kortom, het lijkt erop dat een okerkleurige gevel in die tijd even eigentijds was als wit nu. Met een beetje zin voor overdrijving kan men stellen dat het toenmalige oker door het huidige wit vervangen is, en dat het toenmalige wit - toen een stokpaardje van modernistische architecten - thans op zijn beurt het veld moet ruimen voor nieuwe okertinten. Ook architecten blijken niet te ontsnappen aan de slingerbeweging tussen wit en kleur.
RECONSTRUCTIE VAN HET OORSPRONKELIJKE KLEURENPALET? Dat het voormalige kleurige uitzicht van de Unitasgevels aan een herwaardering toe is. lijkt geen twistpunt. Hierover is iedereen het roerend eens. Bij de vraag hoe dit verder moet, start de discussie. Een eerste vraag is in hoeverre de Afdeling Monumenten en Landschappen opteert voor stedelijke gezichten die een dergelijke historische slinger-
Bovendien wordt het deurraampje door een raster in gegolfde ijzerdraad beschermd in plaats van door twee houten stijltjes. De rechtse deur volgt de oorspronkelijke kleurencombinatie. Oude Donklaan 27 en 29 (met originele deurknop in messing) (foto M. Debruyn, foto's 0 . Pauwels)
beweging volgen, ofwel, integendeel, opteert voor een bepaald kristallisatiepunt in de tijd. Een tweede vraag is in hoeverre deze keuze overeenstemt met die van de architect, die de kleuren noch in het lastenboek, noch op een kleurenkaart heeft laten vastleggen. Omdat de kleuren onder zijn persoonlijke controle werden samengesteld, hoefde dat ook niet. Bovendien moesten de kleuren per woonblok aangebracht worden, om te vermijden dat er onderling teveel variatie zou ontstaan. Om dezelfde reden moesten ook de kleuren van het schrijnwerk tot drie "volle" kleuren beperkt blijven. Bij combinatie van de drie basiskleuren van de oorspronkelijke bepleistering - wit, crème en oker - met de drie "volle" kleuren van het schrijnwerk - rood, groen en blauw - ontstaan in totaal negen verschillende varianten (daarbij is voor het schrijnwerk geen onderscheid gemaakt tussen de combinatie met een lichte of een donkere tint). De verscheidenheid, die de architect beoogde om eventuele monotonie te doorbreken, is de laatste tientallen jaren echter zodanig toegenomen - niet alleen door de wijziging van de kleuren, maar ook door de wijziging van andere architecturale elementen - dat de eenheid van de wijk als geheel bedreigd wordt. Daarom is het noodzakelijk om nu meer dan vroeger de eenheid van de wijk te versterken. Concreet betekent dit dat men niet alleen geen rekening houdt met de latere kleurvarianten, maar dat men bovendien opteert voor één enkele basiskleur voor de hele wijk - hetzij wit, crème of oker. Het ziet er immers naar uit dat een schildering per woongroep
regeling wordt tenslotte tegemoet gekomen aan de oorspronkelijke optie om een zekere 'rust en eenheid' te bereiken, terwijl toch het effect van een sterk maar gevarieerd kleurenritme behouden blijft - niet naar de letter maar naar de geest: "Verder draagt de nagestreefde eenheid in de schildering van de verschillende bouwblokken er veel toe bij om rust en eenheid te bereiken "(61).
KOSTENBESPARING DOOR NIEUWE RAMEN?
geen haalbare kaart meer is in deze tijd van doorgedreven individualisme. In dit geval kan aan oker de voorkeur gegeven worden, omdat het de meest typische kleur is voor deze woningen, terwijl wit eerder bij de 'moderne woning' hoort en crème vooral de 19de-eeuwse burgerwoning typeert. Toch kan in deze zienswijze een toegift gezien worden aan een modieus addertje in het gras, dat al gauw de slingerbeweging tussen wit en oker terug op gang brengt. Misschien getuigt de optie voor een éénvormige crèmekleurige wijk van minder moed, maar van meer "Realpolitik" op lange termijn. De drie originele kleuren van het schrijnwerk - rood, groen en blauw in combinatie met crème, wit of zwart zouden dan voor de variatie in het geheel kunnen zorgen. Toch dient ook hier overwogen of een inperking van dit kleurengamma het kleurevenwicht in de wijk niet ten goede zou komen. Daarbij staat het behoud van het primaire rood of groen in combinatie met zwart buiten discussie. Indien geopteerd wordt voor een crèmekleurige gevelkleur dan is het logisch om combinaties met crème te verkiezen: donkergroen en bordeaux. Donkergroen werd van in den beginne op grote schaal door de bewoners toegepast, omdat het in de stedelijke traditie lag. Bordeaux werd later door voorzitter Leonard zelf geïntroduceerd. Opteert men integendeel voor een witte gevelkleur dan is het logisch om voorrang te verlenen aan de combinatie met primair blauw. Ook al wordt hiermee in lichte mate afgeweken van het oorspronkelijke kleurengamma, met dergelijke
Het spel met nuances in het kleurgebruik van de bepleistering en het schrijnwerk, vormt echter niet het hoofdprobleem van deze wijk. Een likje verf kan dan wel de gevels verfraaien, maar als de originele roede-indeling uit het raamkader is verdwenen en vervangen door banaal PVC of aluminium, betekent de invoering van een bepaalde verftint niet meer dan een doekje voor het bloeden. De oorspronkelijke raamindeling is immers 'het bindmiddel bij uitstek' waardoor de verschillende huistypes en groepen woningen visueel bij elkaar horen. Bovendien blijkt de vervanging van de oorspronkelijke raamindeling door dubbele beglazing met behoud van de oorspronkelijke indeling van de glasroeden minder efficiënt dan verwacht. Behalve dat het onmogelijk is om de oorspronkelijke dikte van de glasroeden te behouden - wat van essentieel belang is om het aanzicht van het geheel te behouden ligt de kostprijs van deze ramen zo hoog, dat de kosten voor de minderverwarming van de woning zelfs op lange termijn hier niet tegen op wegen (62). Laat men bovendien na om een ventilatiesysteem in deze ramen in te bouwen, dan is de kans op condensatie in de woning bijzonder groot. Enkele beglazing blijkt dus efficiënter en goedkoper dan dubbele beglazing, ook op lange termijn: daarom heeft het geen zin om oude ramen met hun oorspronkelijke roede-indeling te vervangen! Mocht men toch energie willen besparen, dan lijkt het logischer om niet de ramen maar het dak te isoleren. Extra isolatie van de gewone bepleisterde muren loont nauwelijks omdat het muuroppervlak te klein is. Dat geldt niet voor de kopgevels: hierop kan een licht isolerende pleisterlaag aangebracht worden. Daarbij dient de toplaag in dezelfde structuur als de originele bepleistering uitgevoerd te worden (63).
60
M&L
Van kleuronderzoek naar staalbord en richtlijnen voor
bij het schilderwerk de monotonie van deze seriebouw te door-
onderhoud.
breken. Vandaag is het probleem echter het tegenovergestelde: door de veelvuldige veranderingen is de eenheid van het geheel
Vakkundig herstel vereist kennis van de oorspronkelijke
zoek geraakt en dient met behulp van de kleur de eenheid van de
toestand. Voor de meeste onderhoudsproblemen is deze kennis
wijk hersteld. Door het beperken van de basiskleur voor de be-
voorhanden. Van het oorspronkelijk raamschrijnwerk bleven de
pleistering tot één kleur m.n. de crèmetint wordt opnieuw een
ontwerptekeningen van architect Eduard Van Steenbergen be-
grotere eenheid bekomen. De beide andere tinten wit en oker
waard. Wat de gevelpleister daarentegen betreft bleek het alles
blijven nog wel mogelijk, op voorwaarde dat de eigenaars van
behalve vanzelfsprekend om deze oude, vrij grove rotsbepleiste-
een bepaalde woningengroep in onderling akkoord een aanvraag
ring nog te laten aanbrengen tegen redelijke prijs. Een afwerking
indienen om gezamenlijk schilderwerken uit te voeren met de-
met een moderne, in de massa gekleurde krabpleister met hoek-
zelfde kleur. De kleuren lichtgroen, lichtroze en lichtblauw die
lijstjes in kunststof is hier echter niet op zijn plaats en doet af-
niet in de beginperiode maar pas later hun intrede deden worden
breuk aan het aspect van deze cottage-stijl. Wat de schilderwer-
omwille van een grotere eenvormigheid nu uitgesloten. Wat de
ken tenslotte aangaat konden tot vandaag, noch voor de bepleiste-
kleuren van het schrijnwerk betreft, wordt geopteerd voor vier
ring, noch voor het houten schrijnwerk, goede richtlijnen gege-
kleurencombinaties: vermiljoenrood met zwartblauw, grasgroen
ven worden bij gebrek aan kennis van de oorspronkelijke toe-
met zwartblauw, donkergroen met crème en bordeaux met crème.
stand. Daarom was dit onderzoek noodzakelijk.
De oorspronkelijke combinatie blauw met wit wordt verlaten en
Via deze publicatie en via een tentoonstelling willen we de resul-
op grote schaal werd toegepast. De "drie volle kleuren " die Van
vervangen door het bordeaux met crème, dat in een later stadium
taten bekend maken en een aanzet geven tot enkele voorbeeldige
Steenbergen in zijn bestek voorzag, beperken we tot twee: groen
renovaties. Daarbij wordt het pleistersysteem verder uitgetest,
en rood en de afgeleiden van deze twee kleuren: donkergroen en
worden de mogelijke kleurencombinaties in de praktijk gebracht
bordeaux. Deze beperkingen zijn vandaag nodig om een grotere
en de kleurnuances ter plaatse op punt gesteld. Het resultaat
eenvormigheid en meer harmonische samenhang te verkrijgen in
wordt een staalkaart van toe te passen kleuren, die ter beschik-
de huidige toestand, die een bonte, chaotische mengeling gewor-
king staat van het bestuur, de eigenaars en de uitvoerders van de
den is. Om een echte eenheid te bekomen zouden de eigenaars
schilder- en bepleisteringswerken.
van aanpalende woningen onder eenzelfde dakvolume in principe ook in onderling overleg de kleur voor het schrijnwerk moeten
Wat de kleurencombinaties betreft moeten we verduidelijken dat doelbewust enige beperkingen werden opgelegd. Niet alle oorspronkelijke kleurencombinaties zullen nog mogelijk zijn omdat de problemen vandaag enigzins anders zijn dan bij de bouw. Bij de bouw van deze woonwijk trachtte de architect door de combinatie van verschillende woningtypes, door de afwisseling in samenstelling van de groepen, door kleine variaties in het siermetselwerk en door de toepassing van "drie volle kleuren"
vastleggen. We beseffen maar al te goed dat zulke draconische maatregel wellicht niet meer aanvaard wordt. De vier mogelijke kleurencombinaties zullen naar onze mening zelfs in willekeurige afwisseling in eenzelfde woningenrij nog tot een behoorlijk resultaat leiden. We durven hopen dat eigenaars hierin hun gading vinden en maximaal zullen rekening houden met de symmetrie van de woningengroepen bij de keuze van de kleur van het schrijnwerk.
INDIVIDUALISME VERSUS WIJKGEEST Woningtype 1 met vernieuwde dubbele beglazing uitgevoerd naar het oorspronkelijke model. Alleen in de verticale lichtkolom en het driehoekig dakvenster op de eerste verdieping bleef de originele roede-indeling met oorspronkelijk glas-in-iood behouden. Charles Phllipslaan 7 (foto 0. Pauwels)
Last but not least ging het aanzicht van deze wijk hand in hand met de 'pioniersgeest' van deze wijk: de eerste bewoners waren immers blij dat ze hun "kwartier" in de stad hadden kunnen verlaten en hun gloednieuwe huizen - voorzien van alle comfort, elektriciteit en niet het minst van een mooie tuin hadden kunnen betrekken. Deze mentaliteit om de zaken gezamenlijk aan te pakken, is verdwenen door het toenemende individualisme. Toch blijken een aantal oude en nieuwe bewoners opnieuw interesse te hebben voor een gezellige buurt, waar de problemen van de wijk gezamenlijk kunnen besproken
worden in nauw overleg met elkaar - en in een ontspannen sfeer. Op dat programma kan ook plaats geruimd worden voor problemen waar iedere buurtbewoner mee te maken heeft als de herschildering van de bepleistering, een eventuele herbepleistering of de schildering van het schrijnwerk zelf. Om oeverloze discussies te vermijden kan een gezamenlijke terugkeer naar de geest van het oorspronkelijke opzet bijdragen. Deze studie kan hierbij een leidraad zijn. Tenslotte garandeert een gezamenlijke aanpak per woonblok niet alleen een eenvormig eindresultaat, maar ook een interessant prijskaartje voor de individuele eigenaar.
to)mhÊÏmki)im\M\mbÊ\*)m\*
m
I —ir
i 1 i
'isr^^i-
MÊÊIM
s
^^^fll
m
1*1 \ <\
[«•"
f/n , g» I. ..——,
i^
m
62
M&L
Computersimulatie van kleurencombinaties op woningtype 1, zoals vastgesteld door de afdeling Monumenten en Landschappen. Voor de gevel is er keuze tussen wit, crème en oker, voor het schrijnwerk is er keuze tussen donkergroen of bordeaux met crème enerzijds en rood of groen met zwartblauw anderzijds. De gevel moet per woonblok in één en dezelfde kleur geschilderd zijn, het schrijnwerk bij voorkeur per dak in één en dezelfde kleurencombinatie (Sikkens).
1
im UT"
UMom
Een witte gevel met schrijnwerk in een combinatie van donkergroen ot bordeaux met crème
m e inuw a in
mm mm
Een lichte okerkleurige gevel met schrijnwerk in een combinatie van donkergroen of bordeaux met crème
mumiBi
una mm
Een crèmekleurige gevel met schrijnwerk in een combinatie van donkergroen of bordeaux met crème
M&L
63
Een witte gevel met schrijnwerk in een combinatie van vermiljoenrood of grasgroen met zwartblauw
Een lichte okerkleunge gevel met schrijnwerk in een combinatie van vermiljoenrood of grasgroen met zwartblauw
Een crèmekleurige gevel met schrijnwerk in een combinatie van vermiljoenrood of grasgroen met zwartblauw
64
Sommige bewoners hebben het originele aanzicht van het schrijnwerk opnieuw ontdekt: hoewel de oorspronkelijke roede-indeling van dit hoekhuis verwijderd was, heeft de laatste bewoner nieuw schrijnwerk geplaatst naar het voorbeeld van de oorspronkeli)ke uitvoering. Hoek Eksterlaar-Unitaslaan (1928: Architectuurarchief van de provincie Antwerpen, 1970: foto Monumenten en Landschappen, 1998: foto 0 . Pauwels)
M&L
Nawoord
OEURNe • önllu Tulnuijk Hauvmin't'
«„i
E k .,„i.
t i i J ' J Vii Vis
Anne Malliet
Na meer dan 15 jaar wettelijke bescherming van de f/«/to.9-tuinwijk als stadsgezicht kunnen we alleen maar vaststellen dat de bescherming geen kentering teweeg heeft gebracht naar een zorgvuldigere omgang en een beter behoud van dit ensemble uit het interbellum. Er resten nog nauwelijks enkele woningen in redelijk originele staat met de oude rotsbepleistering op de bovengevel, de oude raamkozijnen met de typische kleinhouten en de houten kroonlijsten. Dat de bescherming geen noemenswaardig verschil heeft kunnen bewerken met de evolutie heeft uiteraard verschillende oorzaken. Op de eerste plaats is er onvoldoende plaatselijk toezicht. Hieruit blijkt dat de doeltreffendheid van een bescherming afhangt van de mate waarin het lokaal beleid betrokken wordt en zich verantwoordelijk voelt voor wat op het niveau van het Vlaams gewest werd beschermd. Ook uit de geschiedenis blijkt dat de directe betrokkenheid van iemand ter plaatse die zich het lot van de wijk aantrekt meer waard is dan een reglement dat dode letter blijft. Het was Eduard Leonard, die als iniatiefnemer mee aan de wieg stond van het project en daarom gevoelig was voor de samenhang van het geheel. Hij trachtte daarom als bewoner de veranderingen aan de woningen in welbepaalde banen te leiden. Daarbij komt nog dat de beschermde stads- en dorpsgezichten door de gewestelijke overheid ietwat stiefmoederlijk worden behandeld, vergeleken bij de beschermde monumenten. Een onroerend goed in een beschermd dorpsgezicht komt niet in aanmerking voor een premie, noch voor de onderhoudspremie, noch voor de restauratiepremie. Alleen de fiscale tegemoetkoming, een federale aangelegenheid, is behalve op monumenten ook van toepassing op stads- en dorpsgezichten. Maar de fiscale aftrek van uitgaven voor instandhouding is alleen maar mogelijk voor eigenaars-bewoners die hun pand niet verhuren. Door zulke ongelijke behandeling lijkt het wel alsof het algemeen belang of de cultuurhistorische waarde van een stadsgezicht minder is dan van een monument. Dit ontbreken van financiële tegemoetkoming wordt dan gemakkelijk een vrijgeleide om de wettelijke bepalingen minder strikt te nemen. Maar naast het feit dat de overheid te weinig toezicht houdt en er misschien onvoldoende financiële com-
pensaties zijn voor de door de bescherming opgelegde verplichting tot instandhouding, is er wellicht ook onvoldoende voorlichting omtrent het doel van de bescherming en vooral omtrent de consequenties voor het beheer van deze woningen. Het beschermingsbesluit legt geen specifieke erfdienstbaarheden op waaruit een eigenaar kan opmaken hoe hij best te werk gaat bij onderhoudswerken en welke richtlijnen hij moet volgen bij belangrijke herstellings- of restauratiewerken. Er gelden wel de voorschriften van het besluit van 17 november 1993 tot bepaling van de voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten, waaronder vermeld is dat het behoudens schriftelijke toelating verboden is "de dakbedekking te vervangen, geheel of gedeeltelijk, door andere materialen of met een ander uitzicht dan de aanwezige", "ongeschilderde elementen te schilderen ofte schilderen in andere kleuren of kleurschakeringen of met een andere verfsoort dan de aanwezige", "niet bepleisterde elementen te bepleisteren, ofte bepleisteren met een andere samenstelling of textuur, maar ook bepleisterde elementen te ontpleisteren", "voegen te verwijderen en te voegen op een andere wijze of met een voegspecie van een andere samenstelling of kleur dan de aanwezige" en "buitenschrijnwerk zoals deuren, ramen, luiken, poorten gootconstructies en dergelijke inclusief beslag en hang- en sluitwerk te vervangen ofte wijzigen". Het is dus niet
M&L
65
toegelaten de oorspronkelijke, geverfde ramen met kleinhouten zomaar te vervangen door ramen zonder kleinhouten of door ongeschilderde ramen in tropisch hardhout of zelfs door kunststoframen. Door deze studie willen wij trachten op een positieve wijze de eigenaars te overtuigen om mee te werken aan een vakkundige instandhouding. In eerste instantie wil deze bijdrage voorkomen dat er nog onvakkundige ingrepen gebeuren uit onwetendheid. Ze wil ook begrip doen opbrengen voor behoud van de huisjes in hun authentieke uitvoering en detaillering. Door het naast elkaar zetten van foto's van de oorspronkelijke toestand en de huidige staat hopen we te bereiken dat men gaat beseffen dat na verloop van tijd het gehele aspect teloor is gegaan door de optelling van de vele kleine veranderingen die men eraan heeft aangebracht, veranderingen die op zichzelf bezien schijnbaar geen noemenswaardig verschil maken. Een waardevol stadsgezicht moet het immers juist hebben van die hele reeks ogenschijnlijk pietluttige traditionele details die bewaard bleven of vakkundig hersteld werden. Tot slot willen we hieraan toevoegen dat het uiteraard niet de bedoeling is elke persoonlijke toets aan de huizen te weren. Het lijkt ons van belang de oorspronkelijke eenvormigheid te herstellen en tegelijk
de zorg voor het architecturale detail te stimuleren. Daardoor zal het geheel ongetwijfeld aan uitstraling en waarde herwinnen. De bestaande toestand is immers als een koor zonder dirigent. Zonder leiding, zonder onderlinge band is er geen harmonie. Uit elke voortuin mag het karakter van zijn bewoner spreken, maar de eenvormige afsluitingen met hun betonnen sokkels en geschilderde houten poortjes moeten terug worden aangebracht om het individualisme binnen de perken te houden. EINDNOTEN (1)
BENTEIN. Ch..De Unitas tuinwijk te Deume van architect Eduard Van Steenbergen beschouwd in het geheel van de geschiedenis van de tuinwijken in België. RUG, 1980. (2) De oorspronkelijke bepleistering van 24 woningen werd ter plekke onderzocht. Van 15 van deze 24 bepleisteringen werd een staal genomen. Op 5 van deze 15 monsters werd een mortelanalyse uitgevoerd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (Dl 97/6195). Deze analyse beperkte zich tot een kwalitatieve vergelijking van de onderste lagen van deze monsters. (3) Het oude schrijnwerk van 13 woningen werd op 23 locatiepunten onderzocht, verspreid over luifels, luiken, raamkaders en vensterroedes. De onderzoeksmethode verschilde. Soms werd overgegaan tot sondering, in andere gevallen volstond het visuele onderzoek, dat werd uitgevoerd door A.M. Consult, Sint-Niklaas. (4) Van 6 oorspronkelijke bewoners bleek de heer Tielemans veruit de meeste informatie te kunnen verstrekken over de periode 1925/30. Over de naoorlogse situatie bleek Mevr. Van Weyenberg het best geïnformeerd (na 1952).
•
-v^ •
IN • , - • • . . ' .J
s
# «
¥
' :
WKrtj:.'
1
£ i ' . ÏP WC<
*' •
7™!
r
;
• -^'-
én
• ' .i
/ '
1 1 1
1
[
I
^rr
i
. . . - • ' • . - . ,
1
' *
SB^^p»^-r-'•ï^ ; wf• M '• hw •'•
^L
•f.
g
\
-- H
M&L
De oorspronkelijke kleuren van het schrijnwerk zijn vaak moeilijk te achterhalen. De donkere eerder donkergroene boord van dit luik zag er aanvankelijk naar alle waarschijnlijkheid zwart uit. Zo was dit luik vermoedelijk in dezelfde rood-zwart combinatie geschilderd als het schrijnwerk van de buren. In dat geval is het zwart door de chemische reactie van de oude olieverf verkleurd tot donkergroen door de inwerking van de UV-stralen in het daglicht. Ch. Philipslaan 7 (foto M. Debruyn)
67
(5) Behalve het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven (AMVC) beschikt het Architectuurarchief van de Provincie Antwerpen (A.P.A.) over een aantal foto's van de bouw van deze wijk. (6) Cijfers gebaseerd op het huidige onderzoek: DEBRUYN, M., Unitaswijk Deurne. Kleurondenoek van gevel en schrijnwerk, 1997/98, bijlage 10-c,p. 88-92. (71 Mondelinge mededeling door de heer Dupas, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, Brussel op 1 augustus 1997. (8) A.P.A., 2302: Ednard Van Steenbergen : Lastenboek 8/7/1925 en 20/7/1928 (9) Mondelinge mededeling door de heer Tielemans, (10) SCHÖNBURG, K., Gestalten mitPutzmörteln, Berlin 1991. p. 115-130. (11) Archief van de Provincie Antwerpen, 14: Unilas Tuinwijk DeMraf, jaarverslag 1931. (12) zie eindnoot 10 (13) A.P.A., 2^02; Eduard Van Steenbergen, Brief van 2 mei 1952. (14) zie eindnoot 8 (15) zie eindnoot 2
(16) DEBRUYN. M., op. cit., 1997/98, deel 1: tekst, bijlage 11: Lijst van onderzochte bepleisteringen: bijlage 12: Vergelijkend schema: eerste gekleurde afwerkingslaag van de bepleistering; deel 2: iconografie, plan P 16: Overzicht kleurverdeling bepleistering. Resultaat onderzoek eerste afwerkingslaag. (17) zie eindnoot 9 (18) LEONARD, E., De Bedienden-Tuinwijk Unitas te Deurne, in DeBouwgids, 1928, p. 238. (19) zie eindnoot 18 (20) Archief van de Provincie Antwerpen, 14: Unitas Tuinwijk Deurne,Brief vm 10 mei 1949. (21) Mondelinge mededeling Mevr. van Weyenberg. (22) zie eindnoot 21 (23) zie eindoot 4 (24) zie eindnoot 8 (25) zie eindnoot 5 (26) Mondelinge medeling van een oude bewoner in de Oude Donklaan (271 zie eindnoot 21 (281 zie eindnoot 18 (291 BENTE1N, Ch., op. cit., 1980, bijlage XV. (30) UNW1N, R., Town Planning in Practice. An Introduction to the Art of designing Cities and Suburbs, London, (3rd. edition) 1913, p. 329. (31) id., op. cir., p. 402. (32) A.P.A., 2302; Eduard Van Steenbergen. 1923: Plan "Groepen" I, II. Ila, lib, III, IV, V, VI, VII, Vila. Plan "Groepen" VIII. IX. X, XI, XIa. (33) DEBRUYN, M., op. cit, 1997/98, deel 2: iconografie, plan P 14. (34) id., op. cit., plan P 15. (35) Illustratie in La Société Nationale des Habitations et Logements a Bon Marché a 30 ans. Brussel, 5 mei 1950. (36) zie eindnoot 21
(37 zie eindnoot 9 (38 Het materieel-technisch onderzoek van de paramentsteen en het voegwerk van 7 woningen werd uitgevoerd door A. M. Consult, Sint-Niklaas. (39 zie eindnoot 8 (4(1 Binnen de 'Eenheid' werden door Van Steenbergen 15 woningen gebouwd, waarvan de meeste gevels intussen 'gereinigd' of verbouwd werden, met alle gevolgen vandien. (41 zie eindnoot 8 (42 zie eindnoot 38 (43 In hoeverre deze schildering aan de bewoners moet toegeschreven worden, zoals de heer Tielemans beweert, blijft voorwerp van controverse, (44 zie eindnoot 34 (45 Mondelinge medeling van verschillende oude wijkbewoners. (46 LOMBAERDE, P., 1200 jaar Antwerpen, de Antwerpenaren en hm stadsbeeld. Zwolle 1997, p. 235. (47 zie eindnoot 4 (48 OUD, J.J.P., Hollandse architectuur, (heruitg. 1926/29), Nijmegen 1983. p. 108-109. (49 Mondelinge mededeling Mevrouw Grauls. Jr. (50 Persoonlijk Archief Mevrouw Grauls. Jr.: lastenboek, (51 zie eindnoot 49 (52 DENSLAGEN, W.F. & DE VRIES, A., Kleur op historische gebouwen. De uitwendige afwerking met pleister en verf tussen 1200 en 1940, Den Haag 1984, p. 97. (53 R1EGER, H.J., in Kleur en architectuur (cat. tent. Boymans Van Beuningen), Rotterdam 1986, p. 54. (54 Persoonlijk Archief Mevrouw Grauls, Jr.: bestek schrijnwerk, ondertekend door J. Cockx. (55 zie eindnoot 49 (56 Mondelinge mededeling Mevrouw Marstboom, Jr. (57 Mondelinge mededeling Mevr. Polman. Rijksdienst voor Monumentenzorg Nederland, Zeist. (58 R1EGER, H.J.. op. cit., p. 56. (59 id., op. cit., p. 55. (60 NAGELE, H., Die Restaurierung der Weissenhofsiedlung 1981-87, Stuttgart 1992, p. 105 & 125.. (61 LEONARD, Ed., op. cit., 1928. p. 237. (62 Mondelinge mededeling Glaverbel, Studiedienst, Brussel. (63 Op dit ogenblik worden stalen isolerende bepleistering gezet naar het voorbeeld van het originele "rotswerk".
Mimi Debruyn is kunsthistorica, Anne Halliet is architect en inspecteur Monumenten en Landschappen
68
M&L
SUMMARY
COLOURS IN THE UNITAS QUARTER This report contains the results of an investigation into the original colours of the 199 one-family houses of the Unitas quarter, Deurne (near Antwerp). This complex of 32 groupings of houses was designed by Ed. Van Steenbergen in 1923. It was realised in three campaigns during the following seven years. In 1980, Ch. BENTEIN wrote the general history of the site, the results of which were published in an article in M&L (1982, 6). One month later, the site was legally declared a "protected urban view". Unfortunately, this measure could not guarantee the preservation of the original outlook of the houses, since every owner intended to improve it by changing or replacing just one "minor" aspect, be it the framework of the windows or the cornice. Besides, the facades of the whole site were painted in different colours, except in ochre, to which elderly people referred to as being the main colour. However, since there was little known about the original colour set of the facades and the timberwork, the present study was undertaken. Four methods were used: local material research, laboratory analysis, comparative study of contemporary photographic documentation, and especially oral interviews with the first residents. Results obtained through these four methods showed that the "rock" plaster of the houses was originally painted with chalk either in white, cream or ochre, but that these colours were immediately replaced by all kinds of ochre. Most of the houses were painted in groups by one handyman, who got the pigment and salt (to fix the colour) from the owner. The addition of some tea in some cases intensified the ochre pigment. Not all houses were painted in this way: many owners painted their houses themselves, which did not add to a unifying result, since people themselves had to colour the chalk to paint. In the early fifties. Mr. Leonard, the moving spirit behind this project, felt obliged to limit the still expanding variety to six colours, which included, apart from the three basic colours, pastel pink, pastel green and later on pastel blue. As for the timberwork. originally only three "full" colours were applied - most likely they were red, green and blue - in combination either with white or cream, or with black. Again, right from the beginning onwards, the owners expanded this colour set with dark green and cream, later on with dark brown-red or burgundy and cream. Since most of them painted their own timberwork. however, over the years the result had become even more diversified than the colours of the plasterwork. The present study reveals that originally there seemed to be a system of colour order, applied according to the grouping of houses. But without any precise indications, it was not always carried out as wished. In this respect, the 41 rented houses in the Oude Donklaan were an exception, since all of them were painted by the Unitas Cooperative itself in one colour combination. Since the war, this "coloursystem" has gradually fallen into disuse. Today, nothing of the former dynamiccolour pattern of the site has remained.
Following the guidelines of this study. Monuments and Landscapes, recently decided first to return to one of the three basic colours of the facades for each grouping of houses, so as to restore the unity of the site, and, secondly, to reduce the "full" colours of the timberwork to red or green in combination with black and to dark green or burgundy in combination with cream, so as to guarantee some variation in the outlook of each grouping of houses.
25.000 m2 showroom Zoekt u historische of antieke bouwmaterialen ? één adres
Medussa N.V.
biedt u aan: vloeren, fonteinen, beelden, parket. hekken, smeedwerk, lood & sierglas trappen, deuren, enz. Liersesteenweg 199 - Heist op Den Berg België 0032 15 240606
Open: van 9.00 tot 18.00 uur - ma. & di. gesloten
Het Martelaarsplein te Brussel
H E T MARTELAARSPLEIN TE BRUSSEL
• 200 jaar Belgische en Vlaamse geschiedenis verteld op een bevattelijke manier • Meer dan 300 nooit eerder getoonde foto's en documenten
EDGARD GOEDLEVEN
EEN PRACHTIG GESCHENK HET MARTELAARSPLEIN TE BRUSSEL Edgard Goedleven Vormgeving Luc Tack 256 BLZ. Met ca. 500 afbeeldingen in kleur 3?o x 250 MM Gebonden met stofomslag 2650 FR. ISBN 90 209 2845 7 NUGI 223 - SBO 49
I
s h e t enkel e e n speling van h e t lot o f d e ironie van d e g e s c h i e d e n i s d a t t h a n s d e V l a a m s e r e g e r i n g is g e v e s t i g d o p h e t Brusselse M a r t e l a a r s p l e i n w a a r d e o p s t a n d e l i n g e n liggen b e g r a v e n die in 1830 s n e u v e l d e n tijdens d e Belgische o m w e n t e l i n g ? I n dit p r a c h t i g geïllustreerde k u n s t b o e k h a n g t E d g a r d G o e d l e v e n h e t verhaal o p van d i t a u t h e n t i e k e classicistische m o n u m e n t . Zijn w e d e r v a r e n g e d u r e n d e tvvee e e u w e n g e s c h i e d e n i s w o r d t hier o p u i t s t e k e n d e wijze geschetst. D e b a n d m e t h e t politieke en sociale leven w o r d t n o o i t u i t h e t o o g v e r l o r e n . O f h o c politiek e n a r c h i t e c t u u r elkaar steeds w e e r b e ï n v l o e d e n .
Besteladres: Afdeling M o n u m e n t e n en Landschappen Graaf de Ferraris-gebouw - Emile Jacqmainlaan 156 - bus 7 - 1 0 0 0 Brussel tel. (02)553 82 34 fax (02)553 82 05 Prijs: 2650,-fr. (verzending inbegrepen). H e t boek kan verkregen worden door overschrijving van 2650,-fr. o p rekeningnummer 091-2206040-95
ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N.V. Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij
Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (09) 222 22 39 - 222 20 48 / Fax (09) 220 27 75
/termofp c%mif Trekken, gieten en plaateen van lijeten Restauratie van oude lijeten (etaff- en etucwerk) Mouleer- en boeteeerwerk. Sculpturen. Reg. 061910-Klasse 1 Dl 1 D23
Zwartezustersstraat 3 - 9000 Gent tel 09/224 34 05 - fax
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals ornithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...
Nu is er echter BIRDKX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.
P.E.C. International n.v. Maatsch. Zetel: Heekstraat 75 - B-9120 Vrasene (Beveren) Verbindingsstraat 2. B-9100 St.-Niklaas Tel.: (03)776 84 39 - Fax: (03)777 35 09
liKOEX
li
Steunend op een ruime ervaring en multidisiplinaire know-how van chemie en bouw, zijn wij in staat voor onverwachte problemen , een passende lossing te bieden.
DE LISTER DEALERS België:
ALGENO
ZouÜeeuw (011)78 4774 AREA
FLORIBUS
Lokeren (09) M9 15 35 ARS-HORTI
Dilbeek (02)569 54 25 AVANT GARDEN
Wijnegem (03) 353 68 64 CAMISA
Schildu (03) 383 50 74 CARMITUM
Kermt (011)23 46 55 CELDEKOR
Molenstede013 78 0408 COMPAGNIE DES JARDINS
Brussel (02)375 72 39 COUNTRY STÏLE HOME & GARDEN
Haaltert (053) 83 73 70 D E BOOMGAARD
Poederlee (014)55 4517 D E BORGHT
Mechelen (015)4315 50 D E EGEEANTIER
Otegtm (056)77 63 96 D E TUINKAMER LUT VERHAERT
Antwerpen (03) 248 63 96 DETUINWINKEL
Oostduinkerke (058) 51 05 77 ETAE DECOR
Ardooie (051)46 76 96 EXTRA MUROS
's Gravenwezel (03) 658 63 68 HEDERAE
Boutersem (016)73 38 06 HORTUS
Tervuren (02)678 18 68 IRIS
Ninove (054) 32 01 02 JOHN GILEE C O
7utencla.il (089)61 27 65 LABYRINT Merelbeke (09)230 70 11 LA CAMPAGNE
Massemen (09) 366 21 71 MODERN DESIGN Neerpelt (011)64 52 33 RAVAGO
Arendonk (014)67 20 01 SAGY
Nazareth (Eke) (09) 385 53 03 TUINARCH. W A T L E L E
Sijsele (050)37 12 30 TLINDECORATIE EPOS
Zedelgem (050) 20 01 88 TUINEN VAN ACKERE
Wielsbeke (056) 66 58 90 TUINPLANNINC
Zolder (011)53 69 52 VAN D E VELDE
Keerbergen (015) 51 36 12
VERDE E BEU
Halle (02)360 22 20 VERDLRME
Wilrijk (03)827 00 91 WILI IAM'S INTERIORS &
Tongeren (012)23 14 85
GARDEN
Nederland: BERG EXCEUSIEF
Helenaveen (Deurne) (0493) 53 97 70 BLOEMBINDERIJ BART BRESSER
Gendringen (0315) 68 14 62 Wassenaar (070) 51 76 991 D E LAGE SEUIS
Beesd (0345) 68 35 36 Hll I SIDI
Wageningen (0317)4219 50 KABINET DE VRII
Nijmegen (024) 32 20 803 KERKHOI LAREN
Laren N.H. (035)53 83 818 KOENEN
Nieuw Bergen (0485) 34 24 49
Als U Lister tuinmeubilair koopt, koopt U kwali-
LABYRINTH
teit. Anders dan bij menig ander merk, zijn de
LIES HANSEN LIGHT & Dl s i c s
teak-houten tuinveteranen van Lister écht bestand tegen weer en wind, tegen zon en vrieskou. Zo vindt U in Engeland Lister banken, die al meer dan 100 winters hebben getrotseerd. Lister meubelen, ambachtelijk vervaardigd sedert 1883, zijn tuinmeubelen van waarde. Daarom staat de naam Lister voor kwaliteit en lange levensduur.
Barendrecht (R'dam) (078) 67 72 425 Utrecht (030) 25 22 636
MtTHA PARSON DECORATION
Amstelveen (020) 4418855 PAND 56
Akkrum (0566)65 20 14 ROZENKWEKERIJ DE WIEDE
Bussum (035)6916 511 RUYS INTERIEURS
Zeist (030)69 22 860 SERAMBI
Kaatsheuvel (0416)54 00 70 TUINCENTRUM PRINSENBOS
Gilze (0161)43 19 23 TllDLOOS
Veldhoven (040) 25 49 944 Luxemburg G A M M LUX
Luxembourg 40 78 39
Importeur voor Benelux:
THE TEAK
FIRST
IN
QUALITY
F U R N I T U R E
HELITEAK ESTATE FURNITURE nv
K. Leopoldlaan 119 83920 Lommei België tel. + 3 2 1 1 5 4 40 01 fax.+ 3211 5441 73
Monument Vandekerckhove ^•H
'
'
: • : -
, ;
Restauratie en algemene bouwwerken
S chrij n werkerij • '
Glas-in-lood
Steenhouwerij en marmerbewerking
NV Monument Vandekerckhove Oostrozebekestraat 54 8770 Ingelmunster Tel. (051)30.22.41 Fax (051) 30.22.37
GROUP
MONUMENT