MONUMÉN JANUARI " •aitUAitl dUfit
NATUURLIJKE KLEUREN MAKEN HET V E R S C H I L
hydraulische kalkmortels, kallei en tadelaktbepleistering UNILIT kalkverven CORICAL silicaatverven CORISILK en KEIM marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL en DECORLUX stucco venetiano PLASTELUX en VENESTUK
Arte Vil erkend VIBE-lid www.vibe.be - info@vibe. Tel. +32 (0)3 239.74.23
Arte Constructo bvba Molenberglei 18 - 8-2627 Schelle - Belgium Tel. +32 (0)3 880.73.73 - Fax +32 (0)3 880.73.70 www.arteconstructo.be - info@arteconstructo.be
Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 12 E-mail: luc.tack@rwo.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel Celis Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: Luc Tack Secretariaat: Diane Torbeyns Cover: foto BEUuc mu
AbonneTnentsvoorwaarden 2007
Internet
Druk
Website: www.onroerenderfgoed.be
Die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 I
Redactiecomité
België; 35 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 60 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Phoenix-gebouw, Koning Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 2007". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd
Ere-voorzitter: E. Goedleven Voorzitter: L Tack Kernredactie: M. Buyle, M. Celis, L Tack, Herman Van den Bossche Redactie: A. Bergmans, J. Braeken, M. De Borgher, J. De Schepper, J. Gijselinck, C. Metdepenninghen, M. Michiels, D. Nuytten, G. Plomteux, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, P. Van den Bremt, P. Van den Hove, M. Van Olmen, Ch. Vanthillo, L Wylleman
Verantwoordelijke uitgever Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Joris Scheers Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 05
Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: casier.jan@tiscali.be - www.jancasier.be
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden
I n h o IJ d De sporen van "den Groeten Oorlog" Hannelore Decoodt
3 7 Archeologie van de "Groote Oorlog". De Vlaamse situatie Mare Dewilde, Mathieu de Meyer en Nicholas J. Saunders
5 5 Mogelijkheden van historische luchtfotografie voor de slagveldarcheologie van Wereldoorlog Stichelbaut Birger
64
Summary
Loofde Heen.. De vloerverrijzenis bestaat. Een oude natuursteen- of terracottavloer
Restauratie en Monumentenzorg
B t -Jfc^r
en een versleten parket zijn niet verloren. Solar nv renoveert vloeren en parket zonder breken. Het resultaat is vaak beter dan nieuw en toch blijven de kosten beperkt tot een fractie hiervan. Solar nv beschikt over het gespecialiseerde vakmanschap en hoogstaande technologie om uw vloer opnieuw in haar oorspronkelijke staat te brengen of te reanimeren met behoud van het historisch aspect.
Natuursteen; terracotta- en parketvloeren.., mat geworden, beschadigd, loopsporen,... Wij brengen het verleden met glans terug V. BELnu 03-766.11.66
slijpen - schuren - lici polijsten - kristalliseren - restaureren van natuursteen-, terracotta- en parketvloeren - wanden - trappen
p. Niis www.pnijs.be E3-LAAN 49 - 9800 Deinze
TEL 09 386 07 63 - FAX 09 380 35 71
p.nijs.nv@pandora.be
26/
Generiek To you from failing hands we throw The torch; be yours to hold it high (*) In de West-Vlaamse Westhoek konden tijdens de oorlogsjaren 1914-"18 ruim vijfhonderdduizend overwegend jongelui niet ontkomen aan dit voorgeborchte van de hel. Met haast onuitwisbare littekens en beklemmende oorden van rouw staat het hallucinante krijgsgebeuren vrijwel een eeuw na de feiten alom in het vredig ogende landschap gebrand. Strevend naar een erkenning als Werelderfgoed bundelde een ploegje jonge vorsers deze relicten tot een eerste overkoepelende inventaris: een briefing door Hannelore Decoodt.
Vfo are the Dead. Short days ago We lived, (...), and now we lie In Flanders fields (*) Wetenschappelijk archeologisch onderzoek naar stoffelijke overblijfselen van de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen is een nog piepjonge discipline met zeer specifieke, in grote mate nog uit te schrijven spelregels. Onder overrompelende internationale belangstelling en in een nog vijandige bodem wordt door de moedige pioniers de harde confrontatie aangegaan met de grauwe alledaagsheid van het oorlogsgebeuren: het leven in de loopgraven, de menselijke slachtoffers. Met vereende krachten brengen Mare Dewilde, Mathieu de Meyer en Nicholas J. Saunders een stand van zaken.
And in the sky The larks, still bravely singing fly Scarce heard amid the guns below Ook voor de nieuwste oorlogvoering vanuit de lucht werd de eerste Wereldbrand een dankbaar testterrein. Luchtfotografie in het bijzonder speelde gestaag een niet meer weg te denken hoofdrol in het strategisch plannen van de strijdende partijen. Samen met de meest recente registratietechnieken vormt de analyse van de honderd duizenden historische documenten heden een onschatbare hulpwetenschap van de slagveldarcheologie. Een zoom op dit onderzoeksterrein door Birger Stichelbaut.
(*) Lt. Col. John McCrae (1872-1918), In Flanders Fields
Hannelore
Decoodt
DE SPOREN VAM "DEN GROOTEM OORLOG" • •ypres-L'HopiMl-
fevr/W'. Nieuwsgierige toeristen bij het puin van het voormalig hospitaal, aan de oostzijde van de Markt van leper, februari 1919 (foto Ph. H. Gorrissen, Provinciale Bibliotheek, Brugge
In november 2002 ging het project Inventarisatie van relicten uit de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek van start (1), dankzij een samenwerking
tussen de Provincie
West Vlaanderen en de Vlaamse Gemeenschap. Het was de bedoeling om de materiële van de Eerste Wereldoorlog die vandaag nog talrijk
te
relicten
inventariseren,
aanwezig zijn in de
Westhoek, zoals bunkers, boven- en ondergrondse schuilplaatsen
en depots,
tunnels, mijnkraters,
oorlogslandschappen,
oorlogsgedenktekens,
militaire
en ereperken, noodwoningen.
gaarkeukens, begraafplaatsen
Het
uitgangs-
punt van dit project was de erkenning van het oorlogserfgoed
in de Westhoek als Unesco
Werelderfgoed.
Deze bijdrage is gebaseerd op
het geleverde inventariswerk informatie,
en de verzamelde
en beoogt de veelzijdigheid
het oorlogserfgoed beschrijven (2).
in de Westhoek te
van
Met cijfermateriaal moet men steeds opgeletten, maar niettemin zijn de schattingen hallucinant. Het totaal aantal doden, dat in de periode 1914-' 18 in de Westhoek gevallen is, zou tussen de 500.000 en 600.000 variëren. Deze doden behoren tot meer dan 30 nationaliteiten (3). Een deel van de doden, al dan niet geïdentificeerd, rust onder keurig uniforme, officiële grafzerken op de militaire begraafplaatsen en ereperken, of onder burgerlijke graven verspreid over de Westhoek. Een deel werd na de oorlog naar 'huis' gerepatrieerd, indien dit toegestaan werd door het thuisland. Anderen bevinden zich vermoedelijk nog steeds onder de graszoden van het Vlaamse platteland of onder het beton van de moderne beschaving, zonder dat iemand er weet van heeft. Zij die in de Vlaamse modder streden, worden herdacht via een uitgebreid gamma aan oorlogsgedenktekens, majestueus of bescheiden, mooi of lelijk, religieus of niet religieus, heldhaftig of treurend, verzorgd of verwaarloosd. Het vlakke of glooiende landschap van de Westhoek wordt eveneens 'getooid' met talrijke zichtbare en onzichtbare bunkers en schuilplaatsen, evenals met mijnkraters van de zo verwoestende
ondergrondse oorlogsvoering, die nu grotendeels vredige vijvers geworden zijn. De ondergrond in de leper- en Wijtschaceboog is doorspekt met tunnels, galerijen, commandoposten of schuilplaatsen. Loopgravenstructuren zijn nog steeds af te lezen in het landschap of worden nieuw leven ingeblazen als toeristische bezienswaardigheid. Landbouwers stuiten nog vaak op massa's onontplofte oorlogsmunitie, met het risico er zelf slachtoffer van te worden. Hun weiden zijn vaak afgezet met zwijnestaarten, waaraan tijdens de oorlog het zo vervloekte prikkeldraad bevestigd was. Het landschap zelf, met zijn waterlopen en hoogtelijnen, speelde een niet onaanzienlijke rol in het verloop van de gevechten: "De aarde waarin de soldaten verzopen of vastzaten, het water dat hen beschermde of dat ze bevochten, de heuvelkam waarover ze niet konden komen, het dal waarin zich de moerassen van waanzin vulden, en die, helaas, tot op deze dag, hun laatste rustplaats werden, en waarin dus hun graven en monumenten staan? (4). Het landschap bepaalde het oorlogsverloop in belangrijke mate en is daarom een heel belangrijke getuige om de oorlogsgebeurtenissen te kunnen begrijpen. Adjudant Van Eecke,
mijmert over de zin
gesneuveld op
en onzin van oorlog, lepersteenweg in
opgesteld langs de
9 september 1918,
Het standbeeld,
Merkem
werd door G.
dat op initiatief van
(foto 0 . Pauwels)
Pickery afgebeeld
zijn familie werd
als een soldaat die
opgericht, staat
Het aantal publicaties over de wereldbrand is bijna niet meer bij te houden. Ze zijn de weerslag van zowel de 'Grote Geschiedschrijving' van de Eerste Wereldoorlog als van de kleine verhalen van de
•4 Een mijnkrater bij The Bluff in het huidige Provinciaal Domein De Palingbeek, Zillebeke (foto Daniel Leroy)
M&L
mensen die de oorlog op de één of andere manier meemaakten: ingrijpende, dramatische ervaringen oipetites histoiresdit getuigen van de veelzijdigheid van oorlogsvoering. In de Westhoek wordt men 'te velde' bijna lijfelijk met "den Grooten 0<?r/o^" geconfronteerd, door de talrijke sporen in het landschap. De Westhoek, strijdtoneel van één van de meest bepalende internationale gebeurtenissen uit de 20stL eeuw, wordt zowel bovengronds als ondergronds, zowel zichtbaar als onzichtbaar, grondig getekend door de oorlog. De oorlog is deel gaan uitmaken van de identiteit van de Westhoek. Voor de inwoner van de streek zit het oorlogsverleden stevig ingebakken in de dagelijkse realiteit. Voor de honderdduizenden bezoekers van over de hele wereld, die elk jaar de Westhoek bezoeken in het voetspoor van hun eigen nationale of familiale geschiedenis, is het een confrontatie met een moeilijk te bevatten wereldgebeurtenis. Misschien kunnen de overgebleven sporen van de Eerste Wereldoorlog aanzetten tot het begrijpen van het wezen van de oorlog. Vandaag leven we in een tijd, die meer dan ooit vraagt om inzicht in de mechanismen van oorlog en vrede, zodat deze en volgende generaties er baat bij zouden kunnen hebben. Het wezenlijke dat overblijft van "den Grooten Oorlog" \n de streek zou de vredesgedachte moeten zijn. Dit is althans het uitgangspunt van het project
• Op Hedge Row Trench Cemetery, Zillebeke worden de doden herdacht met ^ special memona/s, die symmetrisch opgesteld staan rondom het Cross ofSocnfice (foto D. Leroy)
Oorlog en Vrede in de Westhoek, waarbij de provincie West-Vlaanderen de vele zichtbare en onzichtbare sporen van de Eerste Wereldoorlog wil bewaren en duiden voor de toekomst (5).
DE ZORG VQQR DE DODEN Ten noordwesten van het provinciedomein De Palingbeek, nabij Ravine Wood zoals het huidige, doch veel kleinere Molenbos op Britse militaire stafkaarten aangeduid werd, liep een loopgraaf die men Hedge Row Trench noemde naar de nabijgelegen boerderij Hagereke {reks = rij, vandaar hagen-rij of hedge row). In de omgeving van deze loopgraaf legden Britse eenheden een begraafplaats aan voor de gesneuvelden van de zware gevechten die nagenoeg de ganse oorlog plaatsvonden langsheen het nooit afgewerkte kanaal leper-Komen. Britse Engineers en Duitse Pioniere hadden stellingen uitgebouwd op de hoger gelegen oevers, nauwelijks 40m van mekaar verwijderd. De noordzijde, in handen van Britten, was bijna 1 Om hoger dan de Duitse stellingen, wat strategisch natuurlijk bijzonder belangrijk was. De Britten noemden deze oever The BluffisteWe oever), de Duitsers spraken van Die grosse Bastion (tegenover Die kleine Bastion voor hun eigen stellingen). De omgeving van The Bluff zou tijdens de oorlog vooral de plaats worden waar
talrijke militairen omkwamen door de ondergrondse oorlogsvoering. Beide kampen probeerden elkaar uit te schakelen door ondergrondse mijnen te plaatsen onder de vijandelijke stellingen. In de ondergrond speelde zich jarenlang een dodelijk kat en muisspel af. Vandaag getuigt het kraterlandschap er nog steeds van de vreselijke oorlogstaferelen die zich daar hebben afgespeeld. De eerste dode werd op 24 maart 1915 nabij Hedge Row Trench begraven, de 98 stc en tevens laatste dode op 18 september 1917. Tijdens het Duitse LenteOffensief in het voorjaar van 1918 werd deze omgeving door Duitsers veroverd; op 28 september 1918 zou het gebied definitief door Britten heroverd worden. De graven raakten door dit oorlogsgeweld van 1918 echter zodanig verstoord dat de doden na de oorlog individueel niet meer geïdentificeerd konden worden. Zogenaamde special memorials -gedenkstenen met zinsneden als "Known to be buried in this cemetery"- herdenken nu de doden, die ergens op Hedge Row Trench Cemetery begraven liggen. Ze liggen gegroepeerd rond een Cross of Sacrifice, een witstenen kruis, waarop een met de punt naar beneden gericht zwaard bevestigd is, dat doorgaans terug te vinden is op elke Britse militaire begraafplaats. De groepjes zilverberken in de omgeving van de begraafplaats zijn in cirkelvorm aangeplant, symbolisch refererend aan de mijnkraters en de ondergrondse oorlogsvoering. Vlakbij bevinden er zich nog twee Britse begraafplaatsen, die hun ontstaan eveneens te 'danken' hebben aan de hevige gevechten in de omgeving van The Bluff. Hedge Row Trench Cemetery en de naburige begraafplaatsen behoren tot de meer dan 150 Britse militaire begraafplaatsen en ereperken in de Westhoek, waar doden uit de Eerste Wereldoorlog begraven liggen. Ze worden allen onderhouden door de Commonwealth War Graves Commission.
A Postkaart met
worden, zou aan de basis liggen van de latere verwezenlijkingen van de Commonwealth War Graves Commission. Hiermee wilde men voorkomen dat enkel vermogende families hun familieleden konden laten overbrengen naar het thuisfront. Dit verbod lokte tijdens en na de oorlog hevige protesten uit bij de Britse publieke opinie, protesten die de nieuwbakken instelling maar met moeite wist te trotseren. Er zijn verhalen bekend van familieleden die clandestien poogden hun geliefden zelf te ontgraven en over te brengen. Hier en daar zijn er unieke uitzonderingen op deze regel, zoals bijvoorbeeld op het kerkhof van Zillebeke. O p Zillebeke ChurchyardWggen namelijk twee doden, die om één of andere reden niet begraven liggen onder een klassieke headstone (de typische grafstele op Britse begraafplaatsen), maar onder een private grafzerk. Het betreft Second Lieutenant baron Alexis G. de Gunzburg van de 11th Hussars, Royal Horse Guards, en Lieutenant John Henry Gordon Lee Steere van de 2nd Grenadier Guards. Beiden stierven in oktober-november 1914, net zoals de meeste van de dertig doden van Britse of
de puinhopen van de kerk van Dranouter. Op de voorgrond staat te lezen "Drartoutre
Churchyard'. Andere plakkaatjes - " P t o t l " en "Plot 2" - duiden 2 Britse perken aan (Provinciale Bibliotheek, Brugge)
T Particuliere grafzerken voor Britse militairen op Zillebeke Churchyard. het kerkhof van Zillebeke. ook wel Aristocrats Cemetery genoemd (foto D. Leroy)
De Britse militaire begraafplaatsen Fabian Ware, een voormalige Britse krantenredacteur die een mobiele eenheid van het Rode Kruis leidde, was begonnen met het systematisch markeren en inventariseren van Britse graven aan het front. Uit dit initiatief zou vanaf mei 1917 de Imperial War Graves Commission (6) ontstaan, de voorloper van de huidige Commonwealth War Graves Commission. Reeds vroeg in de oorlog werd eveneens beslist dat de Britse doden niet mochten gerepatrieerd worden, onder meer om hygiënische redenen. Vooral het standpunt dat alle doden, ongeacht rang of stand, gelijk behandeld moesten
M&L
Canadese nationaliteit op dit kerkhof. Omdat er zoveel hogere officieren begraven liggen, vaak uit de adel, spreekt men wel eens van Aristocrats Cemetery.
De Commonwealth War Graves Commission
fyne Cot Cemeter/ in Passendale, de grootste Britse militaire begraafplaats: een meesterwerk van de Britse architect
Het gelijk behandelen van de doden zou bij de naoorlogse aanleg van de begraafplaatsen en de oprichting van gedenktekens voor vermisten opgevolgd worden. De vier belangrijkste pijlers van de Commonwealth War Graves Commission zijn: iedere dode moet individueel herdacht worden (op een grafsteen of op een gedenkteken); de grafstenen en gedenktekens moeten permanent zijn; de grafstenen zijn qua ontwerp uniform; er mag geen onderscheid gemaakt worden qua militaire of burgerlijke status, ras of geloof. De Britse graven werden na de oorlog in de mate van het mogelijke ongemoeid gelaten. Begraafplaatsen van minimum 40 graven werden in principe ter plekke behouden. Door de oorlogsomstandigheden is de aanleg van dergelijke 'oorspronkelijke begraafplaatsen' vaak niet gestructureerd verlopen, waardoor ze een onregelmatige aanleg hebben. Soms werden meerdere kleinere begraafplaatsen omgevormd tot één grote begraafplaats. Toch
moesten heel wat lijken na de oorlog ontgraven worden, omdat ze geïsoleerd of op te kleine begraafplaatsen lagen. Deze werden geconcentreerd op verzamelbegraafplaatsen. De Belgische staat kocht de gronden van de Britse begraafplaatsen aan en schonk ze "voor eeuwig" aan de Britse overheid. Hieraan herinneren de zogenaamde landplaten, die in principe op alle Britse begraafplaatsen terug te vinden zijn. Eerst drie, later vier principal architects werden aangezocht om de aanleg van Britse militaire begraafplaatsen op het vasteland vorm te geven: de befaamde Edwin Lutyens, Reginald Blomfield, Herbert Baker en als laatste Charles Holden. Deze architecten werden bijgestaan door diverse assistent architects, waarvan W. Cowlishaw, G.H. Goldsmith, N.A. Rew, A.J.S. Hutton, J.R. Truelove en W.C. Von Berg in de Westhoek actief waren. De nobelprijswinnaar voor literatuur Rudyard Kipling was verantwoordelijk voor de opschriften op diverse architecturale elementen van de begraafplaatsen. Als grafsteen koos men uiteindelijk voor rechtopstaande, rechthoekige stenen, die bovenaan lichtjes
Sir Herbert Baker (foto D. Leroy)
iïJ ^ > v :
i
gebogen zijn. Deze headstones zijn heel vaak vervaardigd uit Portland kalksteen uit Zuid-Engeland, hoewel de laatste jaren vooral Botticino marmer (uit Italië) gebruikt wordt bij nieuwe begravingen of vervangingen van beschadigde grafstenen. O p sommige begraafplaatsen worden ook Hopton Wood of andere steensoorten aangewend. Bovenaan op een headstone sim het nationaal symbool of het insigne van het regiment, bataljon of korps; daaronder rang, voornaam of initialen, naam, eenheid, sterfdatum, eventueel leeftijd en indiengewenst een religieus symbool (kruis, davidster). Onderaan mocht de familie een grafschrift van maximaal 66 tekens laten plaatsen. O p nietgeïdentificeerde graven (met de vermelding "Known unto God') staat steeds een kruis. Zij die omwille van roemrijke daden beloond zijn met bijvoorbeeld een Victoria Cross, krijgen een afkorting (V.C.) bij hun naam. De doden die begraven of herdacht worden, staan vermeld in een register, meestal met een korte biografische beschrijving. Deze registers zijn op nagenoeg elke Britse begraafplaats aanwezig.
Indien men weet dat op een bepaalde begraafplaats een bepaalde militair begraven lag, wiens graf door het latere oorlogsgeweld zodanig vernield raakte dat het niet meer teruggevonden kon worden, wordt een zogenaamde special memorial voor deze militair opgericht. Dit is een gedenksteen gelijkaardig aan een headstone, maar met bovenaan opschriften als "Known to be buried in this cemetery", "Believed to be buried in this cemetery", "Buried elsewhere in this cemetery"... Doden uit kleinere begraafplaatsen die naar verzamelbegraafplaatsen werden overgebracht, maar waarvan de graven door het oorlogsgeweld vernield raakten, worden herdacht op special memorials met de zinsnede " Their glory shall not be blotted out". Dit opschrift koos R. Kipling uit de bijbeltekst Ecclesiasticus. Soms wordt voor hen daarbij een zogenaamde Duhallow Block opgericht, een witstenen vierkante zuil, waarop eveneens de tekst van de Ecclesiasticus aangebracht werd.
Een D u M o w Block
schillen naargelang de grootte van de begraafplaats. Met het kruis wou Blomfield refereren aan het geloof van de meerderheid van de doden. De horizontale as van het kruis symboliseert het leven, de verticale as de dood. Het naar beneden gerichte zwaard, op zich een kruis, staat symbool voor de offerbereidheid. Tegelijk symboliseert dit zwaard de rouw na een veldslag. De Stone of Remembrance werd ontworpen door Edwin Lutyens en is alleen op grotere begraafplaatsen (normaal gezien vanaf 400 doden) terug te vinden. Het gaat om een monoliet van 150 x 350cm op een sokkel van drie trappen. In de steen staat de door Kipling gekozen tekst (eveneens uit de Ecclesiasticus): " Their name liveth for evermore". Hoewel de Stone of Remembrance vaak als altaar geïnterpreteerd wordt, wou Lutyens met zijn steen loskomen van elke religieuze associatie.
op DuWowAJXS. Cemetery (leper) ter herinnering aan 29 militairen die vermist raakten op fusilierWood Cemetery (foto D. Leroy)
T Een Stone of Remembrance (foto D. Leroy)
Behalve door uniforme grafstenen, worden de Britse militaire begraafplaatsen gekenmerkt door één of twee meer universele symbolen: het Cross of Sacrifice en bij grotere begraafplaatsen de Stone of Remembrance. Het Cross of Sacrifice werd ontworpen door Reginald Blomfield. Het gaat om een witstenen kruis, waarop een naar beneden wijzend bronzen zwaard is bevestigd. De grootte van dit offerkruis kan ver-
M&L
Essex form Cemetefy, in leper (foto D. Leroy)
wilde eerder een tuin creëren dan een sombere begraafplaats. Hiervoor gebruikte men vooral plantensoorten uit het Britse Rijk. De Commonwealth War Graves Commission is eveneens initiatiefnemer geweest voor 14 memorials to the missing, waarop de namen van de vermisten van een hele frontzone zouden worden gegraveerd. Voor de leper- en Wijtschateboog, betreft het vier memorials, namelijk de Menenpoort in leper, het Tyne Cot Memorialen de twee New Zealand Memorials to the Missing, op Buttes New British Cemetery zn Messines Ridge British Cemetery. Iets meer ten zuiden, net over de taalgrens, ligt het Memorial van Ploegsteert. Helemaal in het noorden van de Westhoek tenslotte worden een 550-tal Britten herdacht op een gedenkteken in Nieuwpoort.
Naast deze 'standaardelementen' konden de architecten voor de aanleg van begraafplaatsen toch nog heel wat creativiteit aan de dag leggen, zich bijvoorbeeld inspirerend op de ligging of de geschiedenis van de begraafplaats. Vooral in toegangs- en schuilgebouwen toonden ze hun eigen stijl. Ze maakten vooral gebruik van classicistische elementen, zoals Dorische en Ionische zuilen, triomfbogen, rondboogopeningen, colonnades, koepels, architraven, kroonlijsten en andere. Een heel opvallend element bij de aanleg van de begraafplaatsen, is de zorg om de horticultuur. Men
Vooral in het zuiden van de Westhoek, in en achter de zogenaamde leperboog en Wijtschateboog, ligt het land bezaaid met Britse militaire begraafplaatsen en ereperken. In de Westhoek zijn het er meer dan 150. ledere begraafplaats of perk weerspiegelt de historische realiteit van de oorlog. Allereerst getuigen ze natuurlijk over de ontelbare menselijke oorlogsdrama's. Door hun ligging, datum van aanleg, structuur en naamgeving getuigen ze evenzeer van andere historische facetten van oorlogsvoering, zoals de intensiteit van de oorlog, de nabijheid van het front, de nabijheid van medische posten, de graad van verwoesting (bijvoorbeeld aantal geïdentificeerde versus niet-geïdentificeerde doden, de aanwezigheid van special memorials...). De onregelmatige schikking van de graven van Essex Farm Cemetery is bijvoorbeeld het gevolg van de oorlogs-
BIJ de aanleg van
omstandigheden. De aanleg van deze begraafplaats, nabij een boerderij die vermoedelijk vernoemd werd naar het 2 c bataljon van het Essex Regiment, startte in april-mei 1915 (Tweede Slag bij leper) bij een verbandpost. De begravingen gedurende de volgende jaren gebeurden min of meer willekeurig, zonder vast plan. Vandaar dat de doden van de diverse divisies kriskras door elkaar liggen, een typisch kenmerk van begraafplaatsen die tijdens de oorlog ontstaan en gebruikt zijn. Deze begraafplaats maakt deel uit van de zogenaamde Site John McCrae, omdat de Canadese arts McCrae hier in de omgeving zijn wereldberoemde gedicht In Flanders Fields schreef. Sommige begraafplaatsen zijn genoemd naar een bepaalde eenheid die hier veel doden te betreuren had, veel begraafplaatsen zijn genoemd naar nabijgelegen boerderijen, militaire installaties of medische posten. Duhallow Advanced Dressing Station (ADS), ten westen van het kanaal leper-IJzer, verwijst naar de tweede schakel in een medische evacuatielijn: een ADS was een vooruitgeschoven ver-
bandpost, waar Field Ambulances •werkzaam waren. Bij de huidige Divisional Collecting Post Cemetery & Extension (Sint-Jan) werden tijdens de Derde Slag bij leper gewonden verzameld. Een deel van deze gewonden werd doorgestuurd naar Main Dressing Stations, zoals bijvoorbeeld Gwalia Farm (Elverdinge), waar de ergste gevallen op hun beurt doorgestuurd werden naar een Casualty Clearing Station (CCS), op ca. 15 km achter het front. Zo is Lijssenthoek Military Cemetery ontstaan nabij CCS Remy Siding. Van hieruit kon men, indien nodig, nog een stap verder geëvacueerd worden, namelijk naar een Base Hospital in Frankrijk. Ook de Duitsers, Fransen of Belgen hadden een dergelijk medisch evacuatiesysteem.
üjssent/roek Militor/ Cemele/y, In Popcringe, besteedden de architecten Blomfield en Hutton heel veel aandacht aan de landschappelijke aanleg (foto D. Leroy)
De Duitse militaire begraafplaatsen en ereperken Niet alleen de geallieerden hadden talrijke doden te begraven, maar er waren ook heel wat Duitse begraafplaatsen en geïsoleerde graven ontstaan, verspreid over de slagvelden. De Duitsers zouden hun doden na de oorlog, net zoals de Britten, niet repa-
1VI&L
P I A i l . roelCapeiie
Duilsch MKilair Ktfkliof (BrUQgeslfen*eBlClmeltere Mililalre ftlleflwndJChwissÉf de Bruaes). ^ ^ ^ CemeUfïsCèfcgea rojidl , v Dculschcr Mliliar Frledhol ^tSfflggtraifluasee) "
Gi:tlllan
A Eén van de vele opgeheven Duitse militaire begraafplaatsen, in Poelkapelle (prentbriefkaan. Provinciale Bibliotheek, Brugge)
• Duitse betonnen constructies op de Duitse militaire begraafplaats van Langemark (foto 0. Pauwels)
M&L
triëren. In hun geval was dit echter niet de keuze van de Duitse staat, vermits het land als verliezer niet veel keuze had en zich moest neerleggen bij de bepalingen die voorgeschreven werden (7). In de jaren na de wapenstilstand werden de talrijke verspreide graven en begraafplaatsen heringericht door Belgische diensten (waaronder Nos Tombes/Onze Graven). In 1925 werd een Belgisch-Duits verdrag afgesloten, waardoor de aanleg en het onderhoud van de Duitse begraafplaatsen voortaan uitgevoerd werd door de Amtliche Deutsche Graberdienst in Belgien. Informatie in verband met de begraafplaatsen en de doden werd verschaft door de Volksbund Deutsche Kriegsgrdberfürsorge e. V. (VDK), die later ook het onderhoud van de begraafplaatsen zou overnemen. De VDK was in 1919 ontstaan uit talrijke Duitse oud-strijdersverenigingen.
In de jaren '30 volgde een nieuwe hergroepering van Duitse begraafplaatsen, zodat er nog 184 in België overbleven, waarvan 68 in West-Vlaanderen. De Belgische staat had de gronden voor de Britse begraafplaatsen 'eeuwigdurend' geschonken. De Duitsers moesten de gronden voor hun begraafplaatsen van de Belgische staat huren. Na de Tweede Wereldoorlog werd de zorg voor de Duitse begraafplaatsen opnieuw waargenomen door Belgische diensten (waaronder het Rode Kruis). Ingevolge een nieuwe Belgisch-Duitse overeenkomst werden tijdens de jaren 1955-1958 de Duitse begraafplaatsen verder gehergroepeerd, zodat er nog vier grote Duitse begraafplaatsen in WestVlaanderen overbleven: Vladslo, Langemark, Menen en Hooglede. O p deze begraafplaatsen liggen samen ca. 126.000 Duitse doden uit de Eerste Wereldoorlog begraven. Er liggen eveneens nog een 900-tal Duitsers begraven op meer dan 60 Britse militaire en gemeentelijke begraafplaatsen, verspreid over de Westhoek. Hoofdarchitect Robert Tischler had met zijn team voor een sobere inrichting van de begraafplaatsen gekozen, rekening houdend met de natuurlijke omgeving. Uniformiteit tussen de begraafplaatsen was hierbij geen vereiste.
Hef Studentenfriedhof O p 11 november 1914 was door de Duitse legerleiding een communiqué verspreid, waarin vermeld stond dat 'jonge regimenten' ten westen van "Langemarck" de eerste linies van de vijand doorbroken hadden terwijl ze "Deutschland, Deutschland über allef zongen (8). Dit bericht werd in nagenoeg elke krant op de voorpagina afgedrukt. Een mythe was geboren. De 'jonge regimenten' werd algauw geïnterpreteerd als 'hoofdzakelijk Duitse studenten' (vandaar de naam Studentenfriedhof). In werkelijkheid zou minder dan 18% van de manschappen in de betrokken eenheid student of leerling geweest zijn. Dat ze tijdens hun stormloop het Deutschland/ W z o n g e n is een mystificatie, evenals de bewering dat ze de vijandelijke stellingen veroverden. De legerleiding wou vooralsnog verzwijgen dat de Flandernschlacht vastgelopen was in de modder en het water van de IJzervlakte en meende dat het thuisfront nood had aan een opkikker in de berichtgeving. De naam Langemarck zou tijdens het interbellum en de Tweede Wereldoorlog een eigen leven leiden binnen de nazistische propaganda. Over de aanleg van het zogenaamde Studentenfriedhof viziA reeds meermaals uitvoerig geschreven. In 1919 lagen er op deze begraafplaats 859 doden, waaronder 627 Duitsers. De andere doden waren Fransen, Belgen en Britten. Nu telt deze begraaf-
Het Komeradengrat in Langemark, een massagraf met bij benadering 2S.000 niet-geïdentificeerde Duitsers (foto 0. Pauwels)
T Het Treurend Ouderpaar van Kathe Kollwitz op de voormalige Duitse begraafplaats Roggeveld, Esen (foto KIK)
plaats meer dan 44.000 doden. Zij is daarmee na Menen de tweede grootste Duitse militaire begraafplaats van de Eerste Wereldoorlog. Langemark werd uitgekozen als locatie om de niet-geïdentificeerde doden te begraven. In het massagraf, het zogenaamde Kameradengrab, liggen niet minder dan 25.000 ongeïdentificeerde Duitsers. De namen van de doden, waarvan men op basis van historisch onderzoek zeker is dat ze in dit massagraf begraven liggen, staan vermeld op de 70 bronzen gedenkplaten. De beeldengroep van Emil Krieger, die oorspronkelijk achter dit massagraf opgesteld stond en vier rouwende militairen voorstelt, staat nu achteraan op de begraafplaats.
Vladslo O p de Duitse begraafplaats in Langemark hangt een serene sfeer, ondermeer door de zware, sobere architectuur, de aanplanting met eiken en de oneindige, symmetrisch aangelegde rijen liggende grafstenen, waarop de namen van de doden gebeiteld staan. Een gelijkaardige ingetogen sfeer heerst op de Duitse begraafplaats in Vladslo. Hier liggen meer dan 25.000 doden begraven, voor een groot deel na de oorlog (vooral in de jaren '50) verzameld uit meer dan 60 kleinere begraafplaatsen. Eén van de bekendste doden, die in 1956 vanuit de Duitse begraafplaats nabij het Roggeveld werd overgebracht naar het Praatbos, is Peter Kollwitz, zoon
M&L
van de befaamde Duitse kunstenares Kathe Kollwitz. De beklijvende beeldengroep Treurend Ouderpaar \s een universeel symbool geworden van diepe droefheid en een stille aanklacht tegen de wreedheid van de oorlog. De vader en moeder kijken niet alleen naar hun zoon, die vóór hen begraven ligt, maar naar alle slachtoffers van de oorlog.
"Mort pour la France" Een heel andere sfeer vertonen de Franse begraafplaatsen en ereperken. De bekendste zijn ongetwijfeld de Ossuaire op de Kemmelberg en Saint-Charles de Potyze (leper). Daarnaast zijn er nog diverse kleine en grotere carrés militaires, die vaak deel uitmaken van Belgische burgerlijke of Britse militaire begraafplaatsen, over de Westhoek verspreid. Ten slotte zijn er hier en daar individuele graven van Franse militairen op andere militaire of gemeentelijke begraafplaatsen.
Een Franse begraafplaats bl| fermeParatoraierre, Boezmge
(prentbnefkaart,
M&L
In Frankrijk werd een ware strijd gevoerd voor de rechten van de oorlogsdoden, zowel tijdens als na de oorlog (9). De Franse overheid schreef pas in december 1915 officieel voor dat de doden individueel begraven zouden worden. Voorheen dienden de doden, althans de lagere echelons, begraven te worden in massagraven, iets wat in de praktijk minder en minder gebeurde. De discussie over de repatriëring van de doden naar hun thuisfront was in Frankrijk bijzonder hevig. In september 1920 zou de Franse regering uiteindelijk toegeven aan de eis om de doden naar huis te kunnen overbrengen, dit onder druk van massaal publiek protest en van de talrijke illegale ontgravingen, die bleven doorgaan. De Franse staat zou zelfs bijdragen in de kosten van de repatriëring. Vermoedelijk werd 30 a 4 0 % van Jg geïdentificeerde doden in de volgende jaren naar ,burgeruike p-r L ri ' ^ l nationales ,.• ; beeraarplaatsen orc necropoLes b ) b Y f i n Frankrijk overgebracht. De overgebleven lijken
in Vlaanderen werden in verschillende fasen gegroepeerd op grote begraafplaatsen en ossuaires (massagraven). Familieleden, die hun doden niet lieten repatriëren, kregen het recht op een jaarlijkse kosteloze pelgrimstocht naar het graf van de dode.
Saint-Charles de Potyze De begraafplaats Saint-Charles de Potyze was aan het begin van de oorlog ontstaan bij een medische post in een nabijgelegen schooltje, maar zou door het latere oorlogsgeweld grotendeels verwoest raken. N u bestaat de begraafplaats uit symmetrisch aangelegde, ellenlange rijen monotone grafkruisjes, vervaardigd uit een composietmateriaal. Enige variatie ontstaat door de grafstenen voor moslims en voor joden. In totaal zouden er 4209 Franse doden begraven liggen, waarvan er 762 niet geïdentificeerd konden worden. Het massagraf, achteraan op de begraafplaats, zou ondertussen 616 onbekenden tellen, in plaats van de vermelde 609. De voorbije jaren werden in het massagraf en onder nieuwe grafkruisen stoffelijke overschotten bijgezet, die gevonden werden tijdens archeologische opgravingen. De graven van de meeste doden uit 1914 en 1915 raakten - vooral tijdens de Derde Slag bij leper zodanig door het oorlogsgeweld verstoord dat ze na de oorlog niet meer geïdentificeerd konden worden. Zij kwamen grotendeels terecht in het massagraf. Na de oorlog werden heel wat graven uit kleinere begraafplaatsen hoofdzakelijk naar hier en naar de Ossuaire op de Kemmelberg geconcentreerd. De Franse begraafplaatsen, ereperken en massagraven werden in 1927 definitief aangelegd.
• De Franse militaire begraafplaats SaintCharles de Potyze,
Provinciale
in leper
Bibliotheek. Brugge)
(foto D. Leroy)
•4 De Ossuoire op de Kemmelberg (foto D. Leroy)
De beeldengroep van J. Fréour, vooraan op de begraafplaats van Saint-Charles de Potyze, werd in 1968 geplaatst en is wellicht het meest opvallende artistieke element. Ook de Ossuaireop de Kemmelberg - vier massagraven waarop een obelisk met een haan geplaatst werd en waar een Franse en Belgische vlag wapperen - is architecturaal gezien vrij sober te noemen. In deze massagraven zouden 5294 doden begraven liggen, waarvan er slechts 57 geidentificeerd konden worden. Informatieborden vlakbij geven meer duiding over de begraafplaats en het oorlogsverloop in de omgeving. Als men de westflank van de Kemmelberg hogerop klimt via het bijzonder steile kasseiwegje, komt men bij Den Engel, verscholen in het groen: een imposante overwinningsgodin op een gedenkzuil, opgetrokken in witsteen en recent gerestaureerd, die de vele Franse slachtoffers wil herdenken die hier tijdens de Slag bij de Kemmelberg (april 1918) vielen. •4 Den Engel,
Belgische militaire begraafplaatsen Ten slotte liggen er in West-Vlaanderen ongeveer 12.000 Belgen begraven op 10 militaire begraafplaatsen (waarvan er zich 9 in de Westhoek bevinden) (10). Na lang aarzelen en naar het voorbeeld van de Franse overheid, liet de Belgische regering het overbrengen van doden toe. Ongeveer de helft van de Belgische doden werd in het begin van de
een gedenkzuil met overwinningsgodin boven op de Kemmelberg ter herinnering aan de vele Fransen die hier in het voorjaar van 1918 omkwamen (foto D. Leroy)
• De Belgische militaire begraafplaats van Houthulst (foto 0. Pauwels)
twintiger jaren overgebracht naar burgerlijke begraafplaatsen in de gemeente van herkomst. De andere graven en begraafplaatsen werden gehergroepeerd op militaire begraafplaatsen. Er werd een Dienst Militaire begraafplaatsen opgericht binnen het Ministerie van Landsverdediging. De aanleg en
het onderhoud werden vanaf 1920 uitgevoerd door Nos Tombes/Onze graven. Vanaf 1928 ging het beheer van de Belgische militaire begraafplaatsen over naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het Ministerie van Defensie nam vanaf januari 2004 het beheer opnieuw over.
"BK
KÏS
Een heldenhuldezerk|e voor Vlaamsgezmde doden (foto 0. Pauwcis)
• •4
Een officiële Belgische militaire
Het dubbelgraf
grafsteen
van Graaf Jacques
(foto 0 . Pauwels)
de Heefls en Baron Charles de Lettcnhove op het kerkhof van Vladslo
Het meest opvallend op de Belgische militaire begraafplaatsen zijn ongetwijfeld de grafstenen zelf. Naar het ontwerp van de Brusselse architect Symons werden ze in augustus 1924 officieel in gebruik genomen en vanaf 1925 veralgemeend. De blauwhardstenen steles meten 100 x 52 x 15 cm en wegen bijna 150 kg. Ze dragen sierelementen in reliëf en een guirlande. O p de steen is een bronzen grafplaat bevestigd met de gegevens van de dode, meestal in 8 regels: naam en voornamen, rang of soort militair, regiment of andere eenheid, geboorteplaats en -datum, de tekst " Stierf voor België" en de sterfdatum. De taalkeuze werd bepaald door de nabestaanden; niet-geïdentificeerde doden werden herdacht met een tweetalige tekst. Onderaan staan de eretekens. Boven de bronzen plaat prijkt een rond geëmailleerd plaatje met de nationale driekleur en meestal een symbool (kruis of leeuw). De invoering van de officiële Belgische grafsteen ging ten koste van de particuliere graftekens, de houten kruisjes en vooral de zogenaamde heldenhuldezerkjes. Indien de familie geen aanvraag tot behoud van de oorspronkelijke graftekens had ingediend, werden ze onherroepelijk vervangen door de officiële Belgische grafsteen. Zo werden de in
(foto 0. Pauwels)
1925 verzamelde en vernietigde heldenhuldezerkjes van Adinkerke gebruikt voor de verharding van de toegangsweg naar de begraafplaats, met luid protest van Vlaamsgezinden tot gevolg. Heldenhuldezerkjes waren betonnen zerken in de vorm van een Keltisch kruis, naar een ontwerp van
1VI&L
* Joe English. Ze werden vanaf augustus 1916 door De Menenpoort ^g,- Vlaamsgezinde Comité Heldenhulde geplaatst « n' i , op graven van Vlaamse studenten en vrienden. De (foto D. Leroy)
^ b
kostprijs werd betaald door de kameraden. Vooral de befaamde letters A W - W K en de blauwvoet verwijzen naar het Vlaamse gedachtengoed. Vermoedelijk waren er oorspronkelijk een 800-tal heldenhuldezerkjes opgericht, waarvan er nu nog 53 bewaard bleven op Belgische militaire begraafplaatsen. Ook op gemeentelijke begraafplaatsen vindt men hier en daar nog heldenhuldezerkjes of imitaties ervan. O p heel wat gemeentelijke begraafplaatsen liggen Belgische militaire doden uit de Eerste Wereldoorlog. Meestal gaat het om doden die na de oorlog naar hun dorp werden teruggebracht. Soms liggen ze er in aparte perken begraven. Tijdens de oorlog werden doden soms meteen op een kerkhof of gemeentelijke begraafplaats begraven. Zo staat er op het kerkhof van Vladslo een merkwaardig dubbelgraf, waar graaf Jacques de Meeüs en baron Charles de Lettenhove begraven liggen. Deze twee edellieden, vliegeniers, goede vrienden en beiden houder van verschillende eretekens, stierven in de omgeving van Vladslo op 1 5 juli 1917, nadat ze verwikkeld geraakt waren in een luchtgevecht en neergeschoten werden. De lichamen konden achteraf niet meer uit elkaar gehouden worden en werden samen in één graf op het kerkhof van Vladslo bijgezet.
DE HERINNERING AAN DE OORLOG In de kelders van het voormalige postgebouw in leper, aan de Rijselsestraat, is er een kleine, rechthoekige gedenkplaat met de eenvoudige tekst: "Albert Lemay, ter plaats geboren den 24-11-1914".
De Eerste Slag bij leper was net gestreden, de doden konden op de slagvelden opgehaald worden en de beide legers begonnen stellingen uit te bouwen in een boog rond leper, toen deze prille leperling er om 6 uur 's morgens zijn eerste kreten slaakte. Een bescheiden gedenkplaat ter herinnering aan een geboorte tijdens deze bange oorlogsdagen, het lijkt wel een uitzondering op de regel... O p amper 400 m in vogelvlucht, ten noordoosten van dit gebouw, staat een gedenkteken van een heel ander formaat: de Menenpoort, waarop maar liefst 55.000 doden uit het Britse imperium herdacht worden (11). Het optrekken van dit gedenkteken had heel wat voeten in de aarde. leper lag na de oorlog bijna volledig in puin en dit wilden de Britten het liefst zo behouden, als symbool van de volharding in de Britse verdediging van een wel verwoeste, maar nooit door de vijand ingenomen stad. leper was voor de Britten Holy Ground. De leperse bevolking leek echter niet van plan om het puin ongemoeid te laten en wilde zo snel mogelijk nieuw leven in hun stad blazen. De Britten moesten noodgedwongen afzien van hun plannen. Het idee om een triomfboog bij de oostelijke stadspoort op te trekken, won vervolgens bij de Britten steeds meer aan kracht. Dit idee werd uiteindelijk gecombineerd met de opvatting van de Imperial War Graves Commission om in de verschillende frontzones gedenktekens voor vermisten op te richten. Vandaar het dubbelzinnig karakter van de Menenpoort: de buitenzijde werd opgevat als een triomfboog, terwijl de binnenzijde, waar de namen van de 55.000 vermisten gebeiteld staan, een ingetogen sfeer dient op te roepen. Niet iedereen vond dit concept van de Britse architect Reginald Blomfield geslaagd. De dichter Siegfried Sassoon, die de onthulling van de Menenpoort op 24 juli 1927 meemaakte, sprak in zijn gedicht On Passing the New Menin Gate van
te richten, ter herinnering aan de omgekomen mi- 4 litairen en burgers. Vaak ontstonden de initiatieven Hel oortopgedenfc teken in Woumen, h i e r v o o r o p d e Vredesfeesten, d i e in 1 9 1 9 in vele door Antoon Van dorpen en steden georganiseerd werden. O p be- Parys perkte schaal verleende de overheid hiervoor subsi- (foto 0. Pauwels) dies. In de periode 1921-1924 werden in België tussen april en november drie a vier gedenktekens per week onthuld. Bijna ieder dorp in de Westhoek heeft vandaag zijn eigen oorlogsgedenkteken. Enkele families voelden het verlangen om in de omgeving van de plaats waar hun geliefde de dood vond of vermist raakte, een eigen gedenkteken op te richten. Ze schonken brandglasramen voor kerken of lieten kleine gedenkplaten of heuse monumenten oprichten. Heel vaak kwamen dergelijke initiatieven van de meer gegoede families.
Symboliek en controverse
" een stapel stenen, zelfvoldaan van vrede". De Menenpoort, waaronder dagelijks de sonnerie Last Post wordt gespeeld, lijkt ondertussen meer en meer uit te groeien tot hét algemene symbool van de Eerste Wereldoorlog. Het verschil tussen gedenktekens kan waarschijnlijk moeilijk groter zijn dan de hierboven geschetste voorbeelden. De verwerking van de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek leverde een uitgebreid gamma aan oorlogsgedenktekens op (12). Vandaag zijn er een 600-tal inzake "den Grooten Oorlog" in de Westhoek terug te vinden. Ze kunnen onderscheiden worden naar ondermeer grootte, vorm, figuratieve voorstellingen, architecturale kenmerken, ontwerper, oprichter of onderwerp. Een groot deel werd vrij snel na de oorlog opgericht, vanuit een maatschappelijke behoefte om die surreële oorlog te verwerken vanuit een poging om zin te geven aan dat grote aantal dode echtgenoten, zonen, kameraden en dorpsbewoners, die meestal vrijwillig deelgenomen hadden aan de oorlog en deze niet overleefd hadden. Een gedenkteken kon fungeren als 'substituut-graf' indien het graf van de omgekomen geliefde te ver verwijderd was of niet meer teruggevonden kon worden. Lokale verenigingen, heel vaak oud-strijders, plaatselijke politici of priesters, namen het voortouw om min of meer permanente oorlogsgedenktekens op
Symbolische elementen en teksten, heel vaak van religieuze of patriottische aard, werden aangewend om de gedenktekens meer betekenis te geven. H u n oprichting ging soms gepaard met getouwtrek tussen verenigingen, partijen en belangenorganisaties. De keuze voor bepaalde symbolen of woorden kon wel eens een heet hangijzer worden. Vooral de Vlaamse kwestie gaf in de naoorlogse jaren aanleiding tot heel wat incidenten. In Dikkebus had de beeldhouwer de door de gemeenteraad voorgeschreven tekst "Gestorven voor Goden Vaderland"eigenhandig gewijzigd in ''Gestorven voor Goden Vlaanderen". Uit protest weigerde de burgemeester de naam van zijn omgekomen zoon op dit gedenkteken te laten aanbrengen en liet op het
•4 De Gmorfjen, in Sint-Juliaan (foto D. Leroy)
Het Ijzergedenkteken in Nieuwpoort, door Pieter Braecke (foto 0. Pauwels)
Het oorlogsgedenkteken van leper in de J. Coomansstraat (foto D. Leroy)
kerkhof een aparte grafsteen oprichten met de oorspronkelijke tekst. De plechtigheden bij de onthulling van dit gedenkteken, op 18 juli 1926, raakten grondig verstoord door acties van Vlaamsgezinden, wat toen heel frequent voorkwam. Enkele weken vóór de onthulling van het gedenkteken in Dikkebus, op 27 juni 1926, had de / e / > c w / ^ w plaatsgevonden, toen de Vlaamse Oud-Strijders (VOS) de plechtigheden bij de onthulling van de gedenk-
muur aan de Coomansstraat wilden verstoren, maar hardhandig werden aangepakt door de Rijkswacht. Er waren toen enkele gewonden gevallen. De meest bewogen geschiedenis in het ideologisch steekspel tussen Vlaamsgezinden en 'belgicisten' inzake de oprichting of onthulling van gedenktekens, is ongetwijfeld terug te vinden bij de IJzertoren (Kaaskerke). Deze is immers uitgegroeid tot hét symbool van de Vlaamse Beweging. De achtergrond van dit gedenkteken behoort, zeker door de befaamde IJzerbedevaarten, min of meer tot de culturele bagage van de modale Vlaming. Minder bekend is dat de Brugse bisschop Waffelaert, vermoedelijk als reactie tegen de bouw van de IJzertoren, op nauwelijks 400m meer noordwaarts een 'belgicistische' calvarieberg liet oprichten. De bedevaarten naar dit gedenkteken werden reeds na enkele jaren stopgezet. In het devote West-Vlaanderen werd vanzelfsprekend geput uit het rijke aanbod aan religieuze taferelen, figuren, symbolen en teksten. Gedenktekens werden toegewijd aan Christus of het Heilig Hart, Maria (vaak als Koningin van de Vrede), God de Vader of heiligen, als dank omdat ze de mensen hadden beschermd. O p bijna alle gedenktekens staan religieuze opschriften, symbolen of iconografische voorstellingen. De onthulling van heel wat
M&L
• Het militair
oorlogsgedenktekens ging trouwens vaak gepaard met een eucharistieviering of met gebeden.
gedenkteken voor Belgische Legerdivisie, Wulpen (foto 0. Pauwels)
Niet alleen de doden, maar ook hun daden moesten herdacht, zo niet verheerlijkt worden. Vooral militaire eenheden wilden de oorlog wel eens laten herinneren in termen van overwinning, veldslagen en militaire retoriek. Zij richtten op betekenisvolle plaatsen aan het front gedenktekens op, waarop heel vaak de namen werden vermeld van de veldslagen waaraan ze hadden deelgenomen. Soms werden gedenktekens opgericht ter ere van bepaalde bevelhebbers, die in een zeldzaam geval afgebeeld werden. Vooral de voorstellingen van Koning Albert I, als hoofd van de Belgen, zijn legio. Het gedenkteken voor de 4 c Legerdivisie in Wulpen werd opgetrokken met stenen uit het puin van Nieuwpoort en marmeren brokstukken uit de hallen van leper. Het is groots opeevat, met een aparte * 1 1
i
n
i?
^
w
i
l
De witte calvarie-
herdenkingszuil voor bevelhebber Lt.-Gen. Michel, ber. ïan Kjajkerke de latere baron d u Faing d ' A i g r e m o n t . D i t gedenk- (foto 0. Pauwels)
troversiële achtergrond van deze figuur. Vooral het koloniale verleden van Jacques en in mindere mate zijn francofone houding tegenover de Vlaamse soldaat worden nog regelmatig gehekeld via protestacties.
A Een demarcatiepaaltje in Oud Stuivekens, met de door de Duitsers gewraakte tekst "Hier werd de over-
teken staat in schtil contrast met dat voor de 3 e Legerdivisie in Merkem, zijnde een bewerkte rotsblok. De andere vier Belgische legerdivisies hebben geen specifiek gedenkteken.
weldiger tot staan gebracht"
Dat gedenktekens tot op de dag van vandaag de gemoederen kunnen beroeren, illustreert/«^«w op de markt van Diksmuide. De uitgesproken beelden van Alfred Courtens vertellen al veel over de con-
(foto 0. Pauwels)
• Het voormalig gedenkteken voor de gasaanval I
bi| Steenstrate (prentbriefkaart, documentatiecentrum
Een bijzonder initiatief, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter niet in dank werd afgenomen, betreft de zogenaamde demarcatiepaaltjes: 22 rozegranieten zuiltjes die tussen Nieuwpoort en Heuvelland de zogenaamde verste Duitse opmars markeren. Initiatiefnemer was de Touring Club de Belgique (in navolging van het Franse initiatief), beeldhouwer was oud-strijder Paul Moreau-Vauthier. De paaltjes werden in drie varianten opgetrokken, al naargelang de sector waar zij geplaatst werden: tien van het Belgische type (van Nieuwpoort tot Lizerne), zes van het Britse model (tussen 't Wieltje en Voormezele) en zes van het Franse model in de omgeving van Boezinge en de Kemmelberg. De varianten betreffen vooral de militaire attributen — helm, granaat en andere - die de gedenkzuiltjes tooien. De uitgekozen locaties lopen niet steeds gelijk met de verste Duitse opmars: nagenoeg alle demarcatiepalen in de leperboog duiden het front van midden 1918 aan (na het Duitse Lente-Offensief). Rond Boezinge herinneren de palen aan de Duitse terreinwinst na de gasaanval van 22 april 1915. In het Ijzergebied ten slotte wordt vooral verwezen naar de Ijzerslag in het najaar van 1914. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren deze paaltjes met de tekst "Hier werd de overweldiger tot staan gebrachf een doorn in het oog van de Duitse bezetter. Drie demarcatiepalen zouden voorgoed verdwijnen (in
In Houders Fields, leper) Een Duits gedenkteken in het
'
ipfriW-pT'prRr^r'-E"
tv Kr Fd^r a ^ r ^ or^ni7fri
M&L
Praatbos.Viadslo (foto 0. Pauwels)
Diksmuide, 't Wieltje en Pervijze), terwijl de Trophdenbrigade de gewraakte tekst op de andere gedenktekens liet wegkappen. Twee demarcatiepalen, in Oud-Stuivekenskerke en Ramskapelle, konden aan hun aandacht ontsnappen. De Duitse bezetter liet tijdens de Tweede Wereldoorlog ook zijn oog vallen op enkele andere gedenktekens. Zo werd het Franse gedenkteken nabij Steenstrate (Zuidschote), ter herdenking van de slachtoffers van de Duitse gasaanval van 22 april 1915, te realistisch bevonden en op 8 mei 1941 opgeblazen. Het gedenkteken, door Maxime Real del Sarte, stelde een soldaat voor die, staande voor een kruis, bevangen wordt door het gas en met de beide handen naar de keel grijpt, terwijl twee andere soldaten reeds dodelijk getroffen zijn. Een houten kruis, dat enige tijd na het dynamiteren door omwonenden 's nachts op de plaats van het voormalige gedenkteken geplaatst werd, lieten de Duitsers ongemoeid. Een initiatief om na de oorlog een gedenkkruis op te richten in het teken van de Frans-Belgisch-Duitse verzoening, resulteerde in het huidige metalen kruis op een rotonde, dat enkel met Franse en Belgische gelden gefinancierd werd. Dit verzoeningskruis werd ingehuldigd op 25 juni 1961. De teksten op de omringende muur verwijzen naar de Belgische en Franse eenheden die tijdens en na de gasaanval het gehucht Steenstrate verdedigden. Het hoeft geen verwondering te wekken dat het aantal Duitse gedenktekens bijzonder beperkt gebleven is. Een zeldzaam geval, hoogstwaarschijnlijk tijdens de oorlog opgericht ter herdenking van één of meerdere omgekomen kameraden, werd teruggevonden in het Praatbos (Vladslo).
Recente gedenktekens Tot op de dag van vandaag worden gedenktekens opgericht, gewijd aan de Eerste Wereldoorlog. In de jaren '80 liet de Provincie West-Vlaanderen 25 zogenaamde naamstenen oprichten op plaatsen waar nauwelijks iets nog herinnerde aan belangrijke gebeurtenissen of installaties uit de Eerste Wereldoorlog. De stad leper richtte de voorbije jaren een reeks gelijkaardige gedenktekentjes op, opgetrokken uit de typische gele baksteen, die in Vlaams verband {Flemish Bond) gemetseld zijn (kop en strek). Het meest spraakmakende voorbeeld van recente makelij is ongetwijfeld het Ierse vredespark met toren in Mesen. The Island of Ireland Peace Park wil een nationaal gedenkteken zijn waarbij alle Ieren
The Island of Irelond Peace Pork met de
herdacht worden die omgekomen zijn tijdens de Eerste Wereldoorlog, en dit zonder rekening te houden met afkomst, religie of militaire eenheid. Een helse opdracht, als men rekening houdt met de moeilijke politieke situatie in Ierland tijdens de voorbije decennia. Uitgangspunt werd de Mijnenslag van 7-14 juni 1917, toen de twee belangrijkste Ierse divisies, de katholieke 16th (Irish) Division en de protestantse 36th (Ulster) Division, gezworen politieke tegenstanders in eigen land, zij aan zij vochten in de omgeving van Wijtschate. Er werd gezocht naar een typisch Iers symbool, dat geen van beide partijen voor het hoofd mocht stoten. De
Round Tower, Mesen (»« • "oy)
M&L
Een Duitse minailleurspost met trapjes, in Leke. Vanaf de borstwering kon de vijand beloerd en eventueel onder vuur genomen worden (foto 0. Pauwels)
Round Tower is gebaseerd op de torens die vermoedelijk in de 10de eeuw werden gebouwd door de Kelten als verdedigingswerk tegen de Vikingen. Heden zouden er nog een 65-tal in Ierland bewaard gebleven zijn. De parementstenen zijn afkomstig van het gesloopte St. Mary's Hospital in Mullingar. Dit hospitaal werd gebouwd tijdens de grote hongersnood die het eiland teisterde tussen 1846 en 1849, waarbij minstens één miljoen Ieren door honger en ontbering omgekomen zouden zijn en nog eens een miljoen Ieren zouden geëmigreerd hebben. De toren werd voor een groot deel opgetrokken met medewerking van jongeren met zowel katholieke als protestantse achtergrond. De werkzaamheden startten in mei 1998. O p 11 november 1998 werd het vredespark ingehuldigd door de Ierse president McAleese, in aanwezigheid van Queen Elizabeth II, Koning Albert II en tal van prominenten (13).
MILITAIRE VERDEDIGINGSWERKEN
Achteni|de van een dubbele Belgische mitrailleurspost tegen de huidige spoorweg, in Oostkerke (foto 0. Pauwels)
Bunkers en schuilplaatsen uit de Eerste Wereldoorlog zijn nog vaak onontgonnen terrein, zowel letterlijk als figuurlijk (14). Ze zitten diep verscholen in de bossen, zijn overwoekerd met allerhande klimplanten of bevinden zich in kelders van huizen of in stallen van boerderijen. Sommige steken volledig ondergronds. Geen sinecure dus om ze terug te vinden, en de kans is groot dat ze niet allemaal gelokaliseerd konden worden. Gelukkig staat een groot deel goed zichtbaar in het Vlaamse landschap of leveren omwonenden of'specialisten' de noodzakelijke informatie in de zoektocht naar deze bakstenen of betonnen overblijfselen.
De restanten van de
opgeblazen. Hierbij
den onaangeroerd
'Epernon'-bunker,
kwam Adjudant Jean
gelaten voor het
n Houthulst.
Taymans om het
nageslacht en een
Deze bunker werd
leven. De brokstuk-
gedenkplaat herin-
op 28 november
ken van de opge-
nert aan zijn dood
1917 door Duitsers
blazen bunker wer-
(foto 0. Pauwels)
Er werden een 580-tal constructies teruggevonden, of beter gezegd, sporen van 580 constructies. Veel constructies raakten (gedeeltelijk) vernield tijdens de oorlog door het artilleriegeweld. Een groot deel draagt evenwel sporen van naoorlogse pogingen om de constructies uit de weg te ruimen. Vaak waren deze pogingen tevergeefs, vooral wegens de wel erg degelijke kwaliteit van de betonwerken. De meest hinderlijke constructies werden na de oorlog opgeblazen of afgebroken. De teruggekeerde boeren wilden hun boerderijen heropbouwen en hun velden bewerken, waarvoor de betonnen constructies plaats moesten ruimen. De brokstukken dienden voor de verharding van wegen of het erf op de boerderij, of granaattrechters werden ermee opgevuld. Het ijzer werd hergebruikt of verkocht. Een eerste golf van ontmantelingen vond plaats aan het begin van de jaren '20. In 1929 bood de Belgische staat aan iedereen de gelegenheid om beton-
M&L
Vier Britse schuilplaatsen tegen de flank van de Lettenberg, Kemmel, ingebouwd. Na de verovering ervan door de Duitsers werd één schuilplaats gebruikt als medische post. Op de gevel van deze constructie is er nog steeds een geschilderd rood kruis te zien (foto D. Leroy)
nen constructies kosteloos te laten opruimen, wat tot 1932 massaal gebeurde. De opruiming gebeurde meestal door gespecialiseerde firma's. In de jaren '50, toen bleek dat er opnieuw geld te verdienen was met oude metalen ten tijde van de Koreaanse Oorlog, zouden nog een tiental constructies ontmanteld worden. Vandaag de dag verdwijnen ze nog steeds, onder de m o m van de vooruitgang. Dynamiet of voorhamer worden nu minder als procédé aangewend. Meestal wordt naast de constructie een put gegraven, waarin het bouwsel vervolgens gekanteld wordt.
Meer en meer werd ijzer en beton gebruikt, vooral vanwege de steeds zwaarder wordende artilleriebeschietingen. Vanaf 1915 raakte de betonbouw van langsom meer in zwang, vooral bij de Duitsers, die het procédé integreerden in hun defensiesysteem. Stellingen met bunkers werden in de diepte uitgebouwd op goed verdedigbare hoogtes, van waaruit kleine gevechtsgroepen elkaar konden dekken met mitrailleurs. De geallieerden zouden tijdens de Derde Slag bij leper (31 juli-10 november 1917) op
• Een zogenaamde WoirP/Mox op de vestingen rond leper (foto D. Leroy)
Gelukkig werden niet alle constructies afgebroken, vaak omdat ze te dicht bij bebouwing stonden en het dynamiteren ervan teveel risico's met zich mee zou brengen voor de omliggende huizen. Sommige bouwwerken werden na de oorlog opnieuw in gebruik genomen, als voorlopige woning, stal of opslagplaats, als water- of beerput. Constructies in bossen of op openbare domeinen werden vaak ongemoeid gelaten. In het najaar van 1914, toen het front wat gestabiliseerd raakte na de Slag aan de IJzer en de Eerste Slag bij leper, werden schuilplaatsen en bunkertjes opgetrokken met afbraakmaterialen van vernielde gebouwen, met boomstammen, dikke lagen aarde, e.a. Deze primitieve bouwsels werden in de loop van de stellingenoorlog verbeterd of vervangen.
M&L
Restanten van bakstenen schuilplaatsen langsheen de voormalige spoorNieuwpoortDiksmuide, die tijdens de oorlog de Belgische eerste lijn vormde (foto 0. Pauwels)
pijnlijke wijze moeten ervaren hoe efficiënt dit Duitse verdedigingssysteem was en begonnen naderhand eveneens aan de uitbouw van defensieve lijnen in de diepte. Het bouwen van betonnen constructies vergde grote logistieke voorzieningen: de grondstoffen moesten aangevoerd worden, het beton moest ter plaatse aangemaakt worden, de houten bekisting moest ineen getimmerd worden en dergelijke meer, en dit zonder dat de vijand lucht kreeg van deze bouwactiviteiten. Vandaar dat er soms geopteerd werd voor constructies die opgetrokken werden met geprefabriceerde betonstenen, die ter plekke met ijzeren staven verankerd konden worden. De Duitsers gebruikten vaak dergelijke betonstenen in hun r t e linie. In Wervik hadden ze een pionierspark opgericht, waar deze stenen vervaardigd werden. Dergelijke constructies met betonstenen bleken echter minder bestand tegen zware artilleriebeschietingen. Voorbeelden van dergelijke Duitse constructies, opgetrokken met betonblokken, zijn onder meer terug te vinden op de site Bayern«Wrf'(Wijtschate). De meeste constructies werden evenwel na de oorlog ontmanteld, omwille van de toen gegeerde ijzeren staven en betonstenen. Ook de Britten keken uit naar prefabconstructies voor de frontzones. Een bekend voorbeeld zijn de twee Moir-pillboxes op de vestingen in leper. Deze mitrailleursposten, ontworpen door Sir Ernest
Een typische Britse
ving, ign.'olifanten-
beton nog steeds
s/ie/ter nabi| Heil
platen'. De buiten-
te zien zi|n
fire Corner, leper.
muren werden ge-
(foto D. Lcroy)
Het dak werd gego-
goten tegen zak|es
ten op golfplaten met een brede gol-
aarde, waarvan de indrukken in het
Moir, konden snel ineengestoken worden. Ze bestonden uit een cirkelvormige betonnen muur, waarop een stalen koepel werd geplaatst waaraan een stalen ring en mitrailleur opgehangen werden die konden ronddraaien. De constructie kon betreden worden via een onderaardse gang en deuropening. Bij Belgische constructies werden vaak langwerpige betonstenen gebruikt, die omwille van hun vorm ook wel eens nougats genoemd worden (naar de befaamde langwerpige lekkernij). Ze zijn nog steeds vrij talrijk in het vlakke polderland terug te vinden. De overgrote meerderheid van de betonnen bunkers en schuilplaatsen die bewaard gebleven zijn, werden evenwel opgetrokken met beton dat ter plekke gegoten werd. Het beton werd gegoten in een houten bekisting, tegen golfplaten of zakjes aarde of rijshout (takkenwerk). IJzer of staal (ijzeren stangen, I-balken, spoorwegrails, staalvlechtwerk) werden na verloop van tijd aangewend om het beton te wapenen. Golfplaten werden vaak aangewend ter ondersteuning van de bedaking of als bekisting van de muren. Geribde muuroppervlakten (bij Britse constructies) zijn het gevolg van beton dat tegen golfplaten met een fijne, ondiepe golving gegoten werd. Voor de bedaking gebruik-
M&L
ten de Britten meestal golfplaten met brede golving, die doorgaans bovenaan aan elkaar bevestigd werden met geprofileerde ijzeren balken. Men spreekt van 'olifantenplaten' {elephantplates). Dergelijke betonnen constructies vertonen dan ook meestal een halfronde vorm. De Duitsers gebruikten golfplaten met een smalle, diepe golving. Na de oorlog werden de golfplaten vaak gerecupereerd, zodat enkel de indrukken ervan in het beton terug te vinden zijn. Ook baksteen werd frequent gebruikt voor de bouw van verdedigingswerken. Vooral in het noorden van de Westhoek zijn bakstenen constructies terug te vinden. Het meest indrukwekkende voorbeeld is ongetwijfeld de Frontzate, de voormalige Belgische eerste lijn in en achter de voormalige spoorwegbedding Nieuwpoort-Diksmuide. Hier werden sporen van minstens 163 constructies teruggevonden, de meeste in baksteen opgetrokken, op regelmatige afstand van mekaar (15). Voor de — nu verdwenen bedaking werden verschillende methodes toegepast. Bij sommige constructies zijn duidelijk uitsparingen in het metselwerk aanwezig voor steunbalken (houten balken of stalen profielen), waarop vervolgens platen gelegd konden worden. Of er werden zakjes aarde voor de bedaking gebruikt, die vervolgens bovenaan met mortel afgestreken werden. Alle constructies werden hoogstwaarschijnlijk nog eens extra beschermd door vaderlanderkes. Meestal gaat het om bakstenen schuilplaatsen, hoewel ook bakstenen schietpostjes geïdentificeerd werden. Een deels bakstenen, deels betonnen constructie (met geprefabriceerde betonnen balken) langsheen de Frontzatehevax een embleem met een kruis, verwijzend naar de functie als medische post. Verder zijn er ook nog (sporen van) enkele volledig betonnen constructies teruggevonden, aan weerszijden van de spoorwegbedding.
• Het versterkte station van Ramskapelle, langsheen de frontzate (foto 0. Pauwels)
Hussor form, een Britse observatiepost nabij Kruiskalsijde, leper, ingebouwd in bestaande hoevegebouwen. De oorspronkelijke
Het stationsgebouw van Ramskapelle, gelegen langs de spoorwegbedding, werd door genietroepen versterkt en uitgebouwd tot een mitrailleurs- en observatiepost. Vanaf de opening op de tweede verdieping hadden waarnemers een uitstekend vergezicht over de onder water gezette IJzervlakte. In de omgeving werden nog bestaande gebouwen omgetoverd tot versterkte observatie- en mitrailleursposten, zoals de schoorsteen van de voormalige steenbakkerij in Ramskapelle, de pastorie van Pervijze en de kerk van Oud-Stuivekenskerke. Het is niet altijd evident om de functie van een constructie te achterhalen. Onder bunkers verstaat men constructies, die een min of meer actieve rol
bakstenen van deze hoeve zi)n nog steeds te zien (foto 0. Leroy)
spelen tijdens het gevecht: als mitrailleurs- of geschutspost, als observatiepost, als commandopost of munitiedepot. Schuilplaatsen daarentegen zijn meestal halfondergrondse of ondergrondse constructies waarin manschappen konden schuilen of waar een medische post ondergebracht werd. De Duitsers spraken van een Mannschafts Eisenheton Unterstand of kortweg MEBU voor een onderkomen voor manschappen. De Britten noemden deze Duitse constructies vaak pillboxes (pillendozen).
1VI&L
Een bunkertje aan de Groigne, Oudekapelle. Let op de merkwaardige deuropening met spitse hoefijzerboog en Arabische inscripties (foto 0. Pauwels)
omwille van hun lage, rechthoekige vorm. Andere Engelse termen voor schuilplaatsen waren shelters of dug-outs. De Belgen en Fransen spraken van abris. Heel vaak is het gissen naar de oprichting of mogelijke functies van de constructies. Inscripties kunnen de interpretatie vaak een flink stuk vooruithelpen. Maar ook andere elementen verschaffen meer informatie. Allereerst is de ligging van de constructie van groot belang: een schuilplaats zal meestal diep verscholen liggen (bijvoorbeeld halfondergronds of volledig ondergronds), terwijl een mitrailleurspost of observatiepost hoger gelegen is omwille van een groter 'bereik'. Sowieso waren de meeste constructies aan het oog van de vijand onttrokken door allerhande camouflagetechnieken. Ze werden ingeplant in bestaande gebouwen of werden bedekt met camouflagenetten of een laag aarde; of ze werden opgesmukt tot vermeende huizen, door een valse dakconstructie en misleidende geschilderde vensters en deuren. De locatie van een constructie zou normaliter de 'nationaliteit' van het relict verraden, maar in grote delen van de leperboog en Wijtschateboog, waar bijna iedere vierkante meter tijdens de oorlog meermaals van bezetter veranderde, is dit niet steeds evident. Ook in het geallieerde kamp is de nationaliteit van de bouwers niet steeds vanzelfsprekend: in bepaalde sectoren kantonneerden gedurende de lange oorlogsjaren zowel Franse, Britse als Belgische troepen.
Het bunkertje aan de Groigne (Oudekapelle) is op zijn minst een vreemd geval te noemen. De betonnen constructie is zonder twijfel Belgisch, want inscripties verraden de eenheid die het bouwwerk neergezet heeft: "7/64 - 3e Bie Ob - 1918'. De 3de batterij Houwitzers (105mm) behoorde tot het 7de artillerieregiment, op zijn beurt onderdeel van de Belgische 1ste legerdivisie. Deze legerdivisie was in de sector van Nieuwkapelle aanwezig was tussen 21 december 1917 tot 23 maart 1918 en tussen 17 april 1918 tot 28 juni 1918. In die maanden moet het betonnen gedeelte ontstaan zijn (16). Het bakstenen gedeelte aan de zuidwestkant van de constructie verhult echter een heel merkwaardig detail: een spitse hoefijzerboog met Arabische inscripties. De vrije vertaling van de tekens zou luiden: "Er is geen grotere god dan Allah. Als je in Allah gelooft, zal je zegevieren zoals de zege over Tadmoor en Namaf. Dit wijst op een tijdelijke aanwezigheid van Arabische manschappen, die 'als onderdanen' deel uitmaakten van het Franse leger en dus ook in de omgeving van Oudekapelle gekantonneerd werden. In deze constructie werd onder meer een zekeringsdoos teruggevonden achter een ijzeren luik, wat wijst op de aanwezigheid van elektriciteit. De inrichting en (sporen van) bekleding van een constructie kunnen veelzeggend zijn, zoals (sporen van) de aanwezigheid van binnenbekleding, elektriciteit en telefoon. Een commandopost werd doorgaans 'luxueuzer' ingericht dan een schuilplaats
De Zieg/erbunter In Boezinge is vooral merkwaardig omwille van zijn vorm. Vandaar dat hi{ ook wel eens Wking Ship genoemd wordt (foto D. Leroy)
f •••• ^ i
^1%
r
S H U N H H H HHHHP voor manschappen. De achterliggende redenering was dat teveel luxe de manschappen teveel zou verwennen, waardoor ze minder alert en gevechtsklaar zouden zijn. De Duitse legerleiding gaf trouwens de opdracht om voor haar soldaten lage constructies te bouwen, waarin ze niet konden rechtstaan. Een logische inrichting van een bunker of schuilplaats vereist dat de deur- en raamopeningen aan de veilige kant zitten, dus niet aan de kant van het front. Een schiet- of kijkopening daarentegen moet wel aan de frontzijde ingewerkt zijn. Na de verovering van een betonconstructie werd die vaak 'gekeerd', dti wil zeggen omgebouwd totdat ze opnieuw bruikbaar en veilig was, gezien de richting van het front veranderd was. Zo konden de geallieerden heel wat Duitse schuilplaatsen en bunkers, die in 1915-1916 of 1917 gebouwd waren, tijdens de Derde Slag bij leper veroveren en mits enkele aanpassingswerken hergebruiken. Een imposant voorbeeld van een 'gekeerde' Duitse constructie is de zogenaamde Zieglerbunker, een mastodont enig in zijn soort, met afmetingen van maar liefst 20,7x 5,8m (17). Door zijn langwerpige vorm met spitsboogvormige uiteinden wordt die wel eens het Viking Ship genoemd. Deze constructie werd door het Duitse Marinekorps gebouwd onder leiding van de ingenieur Ziegler, in een bosje dat bij de Britten bekend stond als Wood 16, bij de Duitsers als Bataillonswald. Het gaat om een station van waaruit lichtsignalen gegeven werden naar de
eenheden die verder naar achteren gelegen waren. Dit gebeurde via de grote opening aan de noordoostzijde, in de vorm van een dakkapel. Voor de constructie werd ondermeer gebruik gemaakt van staal uit opgevorderde Belgische werkplaatsen. Wood ]6en de Zieglerbunker werden in juli 1917 door Fransen veroverd tijdens de Slag bij Pilckem Ridge. De 554 (Dundee) Royal Engineers Company liet aan de voormalige frontzijde van de bunker (zuidwesten), in de dikste muur (die nu de veilige kant geworden was) een opening in deze muur slaan via dynamietstaven. Zodoende konden de geallieerde eenheden deze bunker nu op een veilige manier betreden. Aan de voormalige achterzijde, nu frontzijde, werden alle openingen gedicht en verstevigd. Ook ondergronds zijn er nog betonnen constructies terug te vinden, zoals Cryer Farm nabij de Zandberg (Geluveld), een plek die destijds door de Britten Clapham Junction wetA genoemd (18). Het gaat om een in oorsprong Duitse constructie, gelegen op de Albrecht-Stellung, tussen de communicatieloopgraven Geyerweg (voor de Britten Jargon Drive) en de Meissengasse (Jap Avenue). Vlakbij lag een smalspoorbaan, die aansluiting had met de vooroorlogse tramlijn op de Meenseweg. Vermoedelijk diende de constructie als medische hulppost [Sanitdtsunterstand). Tijdens de Derde Slag bij leper transformeerden Duitse eenheden de hulppost tot een moeilijk in te nemen bolwerk. O p 15 septem-
1VI&L
die na verovering door de Bmten
pen van het 7th London Regiment deze vesting innemen. Een Duitse tegenaanval op 16 september
,,
mislukte, maar kostte het leven aan Lt. Cryer (van-
. ,
,
(foto D. Leroy)
'
daar de naam Cryer Farm). De geallieerden 'keerden' deze bunker door ondermeer de bestaande Duitse toegangen af te blokken en een nieuwe toegang aan de 'veilige' kant te maken.
ANDFRF SPQRFN VAN DE OORLOG Cryer Farm is één van de vele relicten uit de Eerste Wereldoorlog die nog in de ondergrond van de Westhoek steken. Zonder al te diep op het terrein van de archeologen te graven, kan toch kort aangehaald worden wat er zoal onder het aardoppervlak terug te vinden kan zijn (19). O p basis van luchtfoto's, militaire kaarten en ander bronnenmateriaal kunnen archeologen vrij goed voorspellen waar zich nog waardevol ondergronds erfgoed zal bevinden. Naast ondergrondse bunkers en schuilplaatsen werden op een veel grotere diepte heuse ondergrondse systemen uitgebouwd, met galerijen, kamers, gangen, schachten e.a. die vermoedelijk bijna allemaal nog vrij intact aanwezig zijn. Vooral de Britten legden zich vanaf 1916 toe op de uitbouw van zogenaamde deep dug-outs in de leperboog en Wijtschateboog. Dit zijn ondergrondse accommodaties voor commandoposten en verblijfplaatsen. Ze werden vooral aangelegd door gespecialiseerde Tunnelling Companies {Royal Engineers) en waren toegankelijk via trappen of verticale schachten. Bij het uitgraven moest vooral rekening gehouden worden
werden meer dan
met de geologische structuur van de bodem en moest een constante strijd geleverd worden tegen het grondwater. In de Ypres Salientwerden een 180tal Britse dug-outsites min of meer gelokaliseerd. Ook de Duitsers bouwden gelijkaardige ondergrondse infrastructuur uit, maar hadden vermoedelijk veel minder systemen dan hun vijand. In de ondergrond van de Westhoek ging het er bijlange niet vreedzaam aan toe: hier speelde zich jarenlang een dodelijk kat en muisspel af, waarbij talrijke manschappen van beide kampen het leven lieten. Tunnels en galerijen werden heimelijk onder de vijandelijke stellingen gegraven, waarin er vervolgens mijnladingen werden geplaatst die op welbepaalde tijdstippen tot ontploffing gebracht werden. Talrijke mijnkraters in het landschap - nu meestal vredige vijvers geworden - getuigen van de bikkelharde, dodelijke mijnenoorlog in de leper-
•4 De Caterpillar, een vredige vijver in een prachtige omgeving. Bi|na 700 man van de 204 d ' Duitse divisie zouden hier en op de nabije heuvel Hil/ 60 het leven verloren hebben op die noodlottige 7 juni 1917 (foto D. Leroy)
Het pokdalige landschap van Hill 60, Zillebeke, Dit oorlogslandschap, gevormd door grote en kleine
Wa^
^~& ^)
j
» isw
mijnkratcrs, granaattrechters en loopgravenstructuren, met her en der nog bunkertjes of schuilplaatsen, werd het graf van honderden Duitse. Franse en Britse mannen (foto D. Leroy)
boog en Wijtschateboog. De mijnwerkers, belast met het uitgraven van de tunnels en galerijen, moesten niet alleen een bijzonder hard labeurwerk verrichten in de smalle tunnels en schachten. Ze stonden eveneens bloot aan talrijke gevaren: instor-
tingen, ondergrondse gevechten, vijandelijke tegenmijnen (camouflets) of gas waren een constante bij de werkzaamheden. Ze waren bovendien genoodzaakt om in de grootste stilte te werken, want de vijand luisterde genadeloos mee.
LOUBARTZYDE. - Alm biUnnu iitnit pat Comrtt* ihellci ii,;liou-il b) artiiltry
Vmlilln
Barakken naast een vermelde betonnen constructie in Lombardsijde (prentbriefkaart, Provinciale Bibliotheek, Brugge)
De eerste 'volwaardige' ondergrondse mijnen werden in de leperboog wellicht door de Duitsers tot ontploffing gebracht eind januari 1915 tussen de weg Menen-leper en Sint-Elooi. Hiermee was de aanzet gegeven voor een jarenlange mijnenoorlog, die een 'climax' zou kennen met de Mijnenslag van 7 juni 1917. Toen zouden tussen Hill 60 en The Birdcage{tta zuiden van Warneton/Waasten) 19 dieptemijnen tot ontploffing gebracht worden onder de Duitse stellingen. In de daaropvolgende gevechten slaagden Britten, Australiërs en Nieuw-Zeelanders erin de heuvelrug Wijtschate-Mesen te veroveren. Maar de geallieerden maakten geen gebruik van de bres die ontstaan was, en wachtten zoals gepland af tot eind juli om aan hun groots offensief- de Derde Slag bij leper - te beginnen. Hier en daar zijn nog tunnelopeningen zichtbaar of vinden er verzakkingen plaats, het gevolg van dit duister oorlogsverleden. Jaar na jaar stuwt de ondergrond nog heel wat andere sporen van de oorlog naar boven, zoals allerhande oorlogstuig en munitie. De ploegende boer maakt in de Westhoek nog steeds kans om slachtoffer te worden van een niet ontplofte obus uit de oorlog. D O V O , de ontmijningsdienst van het leger heeft een afdeling in Poelkapelle die gespecialiseerd is in de ontmanteling van de grote hoeveelheid oorlogsmunitie die nog in de Westhoek naar boven komt. Enkele loopgraven werden gerestaureerd en opengesteld voor het publiek. Soms kunnen loopgraven door erosie plots bloot komen te liggen of kunnen hun structuren nog ontwaard worden in het landschap. Bepaalde weiden en bossen zijn als een maanlandschap gepokt door de talrijke obusputten, die getuigen van zware artilleriebeschietingen. Authentieke oorlogs-
M&L
landschappen hebben vooral in bossen nog veel kans om vrij onaangeroerd aangetroffen te wor-
Zowel in het frontgebied als achter het front zijn nog zeldzame restanten te vinden van andere militaire voorzieningen, zoals spoorweginfrastructuur, militaire wegen, waterputten, militaire keukens en barakken. In Vladslo is een Duitse officierenmess bewaard gebleven, met ondermeer een ontspanningsruimte en een Kino (cinema). Een befaamde Britse tegenhanger is het Talbot Housem Poperinge, een "Every Man's Club", waar iedere militair op zoek naar wat rust en ontspanning, ongeacht zijn rang, welkom was. Een opschrift als "Salie de Lecture"op een hoevegebouw in Reninge getuigt van de pogingen om voor wat ontspanning te zorgen voor de Belgische soldaat, die er op boerderijen of in barakken ingekwartierd werd. Ook andere opschriften, tekeningen of schilderingen in gebouwen die tijdens de oorlog een welbepaalde functie uitoefenden en de oorlog overleefden, getuigen van dit leven achter het front. De 'verwoeste gewesten' moesten na de oorlog opnieuw opgebouwd worden. Het slagveld moest opgeruimd worden, vooraleer het weer leefbaar kon zijn: lijken ophalen, loopgraven, mijnkraters en granaattrechters opvullen, bunkers en schuilplaatsen ontmantelen, munitie verwijderen, e.a. Dit alles gebeurde door lokale arbeiders, het Britse leger, Chinese werkploegen (" Tsjings') en Duitse krijgsgevangenen. De teruggekeerde burgers woonden aanvankelijk in bunkers en schuilplaatsen, of zetten een voorlopige woonst ineen met allerhande oorlogsmaterialen. O f ze plaatsten een geprefabriceerde noodwoning, bijvoorbeeld een barak van het Koning Albert Fonds, een zogenaamde Drie Duister of een Nissen-hut. Deze materiële getuigenissen van de wederopbouw zijn bijzonder schaars geworden. Gevonden oorlogsmateriaal wordt in de Westhoek nog steeds aangewend: zwijnestaarten, ooit gebruikt om de zo hatelijke prikkeldraadversperringen aan te leggen, worden nu gebruikt voor de afsluiting van weiden; olifantenplaten, ooit gebruikt bij de betonbouw, worden nu aangewend voor schuilplaatsen van dieren; brokstukken van abris worden gebruikt bij de bouw van Onze-Lieve-Vrouwkapelletjes en stenen met de namen van Belgische tranchees worden als sierstuk ingemetseld in de gevels van huizen.
Nr. 142 Bijlage bij M£tL 26/1 jan.-feb. 2007
B11\NE1\KRA1\T
Literatuur ]o
Braeken
DF KFU7F VAN MBL
Fritz August Breuhaus 1883-1960 Kultivierte Sachlichkeit Elisabeth Schmidle Tubingen, Wasmuth Verlag, 2006, 350 p., ISBN 13-978-3-8030-0665-3 Monografie over de Duitse architect Fritz August Breuhaus de Groot (1883-1960), met de nadruk op zijn werk als interieurontwerper en designer. In de jaren twintig en dertig behoorde Breuhaus tot de belangrijkste en meest succesvolle architecten in Duitsland, met een oeuvre dat tot aan zijn dood uitvoerig aan bod kwam in talrijke publicaties. Sindsdien genegeerd en vergeten door de geschiedschrijving, wordt zijn bijdrage tot de 'andere Moderne' pas sinds kort opnieuw bestudeerd. Breuhaus zelf bestempelde zijn werk, dat zich exclusief tot de toplaag van de Duitse samenleving richtte, als 'kultivierte Sachlichkeif, waarmee hij afstand nam van de Moderne Beweging. Met zijn gematigd modernisme, droeg hij niet alleen bij tot de aanvaarding van het ideeëngoed van de avantgarde in ruimere kring, hij behaalde ook aanzienlijk betere verkoopscijfers dan meer beginselvaste tijdgenoten. Van architect van opulente villa's als het 'Haus eines Kunstfreundes' voor de
Elisabeth Schmidle
p^ÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊKÊÊÊÊÊHÊÊÊÊÊÊtM
M&L
gerenommeerde uitgever Alexander Koch in Darmstadt, evolueerde hij tot interieurontwerper van de meest moderne en extravagante vervoersmiddelen van zijn tijd, zoals de Mitropa-slaapwagon, de oceaanstomer Bremen en de legendarische zeppelin Hindenburg, in een mengeling van luxueuze enscenering en zakelijk functionalisme. Daarnaast ontwierp hij behangpapier, edelsmeedwerk voor WMF en meubels voor Thonet, de Vereinigte Werkstatten in München en de Deutsche Werkstatten in Hellerau, activiteiten die onder het NS-bewind nagenoeg stilvielen. Het boek biedt een grondige en kritische analyse van leven en werk, aangevuld met een volledige oeuvrelijst (zonder de architectuurprojecten) die ook op CD-Rom wordt bijgeleverd.
Crafting a Modern World The Architecture and Design of Antonin and Noémi Raymond Kurt G.F. Helfrich en William Whitaker
(red.) New York, Princeton Architectural Press, 2006, 364 p., ISBN 978-1-56898-583-1 Fraai vormgegeven monografie over Antonin Raymond (1888-1976) en Noémi Pernessin (1889-1980). Raymond, een van oorsprong Tsjechische architect, emigreerde in 1910 naar de Verenigde Staten, waar hij achtereenvolgens werkte voor Cass Gilbert en Frank Lloyd Wright. Hij huwde in 1914 met de Franse kunstenares Noémi Pernessin. In 1919 trok het echtpaar naar Japan voor de bouw van het Imperia! Hotel in Tokio, waar het - in de ban van de natuur en de traditionele architectuur - zich ook definitief vestigde, met slechts een onderbreking in India en Pennsylvania wegens de Tweede Wereldoorlog. Zij leverden een belangrijke bijdrage tot de introductie van het modernisme in Japan tijdens het interbellum, met talrijke landhuizen, ambassades waaronder de Belgische, en gebouwen als de GolfClub van Tokyo in 'Internationale Stijl'. Gaandeweg en vooral na hun terugkeer in Japan vanaf 1949, wisten zij hun Europese wortels te
vermengen met lokale ambachtelijke tradities, wat voor grotere projecten resulteerde in een betonnen 'brutalisme' met sculpturale vorm zoals het Gunma concertgebouw in Takasaki, en voor de woningen in een organische toepassing van houtbouw, zoals hun eigen woning met atelier in Tokyo en vakantieverblijven in Hayama en Karuizama. Het boek omvat een viertal essays over leven en werk, een portfolio met 26 realisaties, een biografisch register, een oeuvrelijst, een interview van Raymond door Kenzo Tange, en een selectie uit de geschriften en de persoonlijke briefwisseling van het echtpaar.
Eero Saarinen Shaping the future Eeva-Liisa Pelkonen en Donald Albrecht (red.) New Haven, Yale University Press, 2006, 382 p., ISBN 978-0-300-11282-3 Monografie gewijd aan de AmerikaansFinse architect en designer Eero Saarinen (1910-1961), als catalogus bij een overzichtstentoonstelling die deze zomer ook in Brussel (CIVA) te zien zal zijn. Saarinen geldt als één van de meest spraakmakende naoorlogse modernisten, een meester in sculpturale ruimtelijke vormen en technologische innovatie, die in zijn gebouwen de grenzen tussen architectuur, kunst en landschap, telkens op een geheel eigen manier wist op te lossen. De eerste fase van zijn loopbaan verliep
BllNJlMENKRANT
Wonen in welvaart Woningbouw en wooncultuur in Vlaanderen 1948-1973 Kanna Van Herck en Tom Avermaete (red.) Rotterdam, Uitgeverij 010, 2006, 288 p., ISBN 978-90-6450-629-1
in nauwe samenwerking met zijn vader Eliel aan de Cranbrook campus in Detroit. Diens overlijden in 1950 betekende het begin van een vroegtijdig afgebroken loopbaan, die in nauwelijks tien jaar tijd een reeks iconen van het naoorlogse Amerika opleverde. Zijn werk werd destijds op handen gedragen door de publieke opinie, maar riep controverse op onder modernisten, en werd tot voor kort door de historiografie van de moderne architectuur miskend. Dit boek poogt het eenzijdige beeld van Saarinen als de 'lifestyle' modernist, de 'corporate' architect of de schepper van nationale symbolen te nuanceren op basis van een hernieuwde studie van zijn sinds kort toegankelijke archief. Het omvat zeven essays die het oeuvre situeren in zijn sociale, intellectuele en artistieke context, enerzijds het netwerk van opdrachtgevers, vrienden, familie, medewerkers en collega's, anderzijds innovaties in materiaalgebruik, vormgeving en theatrale expressie. Hierop volgt een becommentarieerde oeuvrelijst, en een tiental korte bijdragen over de belangrijkste realisaties zoals het hockeystadium van Yale, het auditorium en de kapel van het MIT, de gebouwen van General Motors en IBM, de Saint Louis Gateway Arch en de TWA Terminal, en tot slot een biografische chronologie en een selectie van geschriften.
Catalogus bij de tentoonstelling Wonen in Welvaart, gewijd de naoorlogse woningbouw en wooncultuur in Vlaanderen. Net als elders in Europa waren in België het bouwen van functionele en gezonde woningen voor een breed publiek, de krotopruiming en het verhogen van het wooncomfort van de gehele bevolking speerpunten van de sociaaleconomische politiek van de naoorlogse welvaartsstaat. Een eigen huis met alle comfort, liefst buiten de stad, werd dankzij een bewuste overheidspolitiek het belangrijkste woonmodel van de opkomende middenklasse. Wonen in welvaart belicht architecturale en stedenbouwkundige modellen en strategieën die door de belangrijkste maatschappelijke spelers, de overheid, het middenveld en de vrije markt, als antwoord op het woonvraagstuk werden gegeven. Niet alleen de individuele woning, maar ook satellietsteden, geprefabriceerde woningen, modernistische hoogbouw, experimenten met nieuwe materialen en het moderne 'sociaal meubel' komen in dit uitermate boeiend overzicht op een inzichtelijke en kritische wijze aan bod, geïllustreerd met een rijke selectie archiefmateriaal. Het boek begint met een chrono-
logie van de jaren 1944-1975 en omvat drie essays die respectievelijk het accent leggen op de stedenbouw, de wooncultuur en de architectuurpraktijk, aangevuld met een dubbelinterview dat de situatie in Vlaanderen vergelijkt met Nederland. Elf casussen behandelen de Wet De Taeye, de modelplannen van de nationale bouwmaatschappijen, het Office des Cités Africaines, de woonopvoeding van de Christelijke Arbeidersbeweging en de Boerinnenbond, de krotopruiming, de EGKS-woning, de Modelwijk voor Expo '58, satellietstad Sledderlo, de bevordering van het huishoudelijk comfort, de prefab-bungalow van Danilith-Delmulle en het Habipatexperiment.
La modernité critique Autour du CIAM 9 d'Ai- en-Provence Jean-Lucien Bonillo, Claude Massu en Daniel Pinson Marseille, Editions Imbernon, 2006, 304 p., ISBN 2-9516396-4-3 Bundel bijdragen van een congres (Aix-en-Provence, 2003) gewijd aan het vijftig jaar eerder gehouden 9de ClAM-congres. In de saga van de Congres internationaux d'architecture moderne geldt CIAM 9, dat plaats vond in Aix-en-Provence in 1953, als een mythisch moment van interne crisis, een breuk tussen generaties en een streven tot herbronning, dat onder impuls van Team 10 het einde van CIAM zou inluiden. Het congres bracht een internationaal gezelschap
B 1 N N E N K R A N T
van zowat 250 deelnemers samen, met de opdracht, als aanvulling op de 'Charte d'Athènes', een 'Charte de l'habitat' te formuleren, die uiteindelijk nooit het licht zou zien. Het universalisme van de pioniers van de Moderne Beweging werd daarbij in vraag gesteld, ten voordele van een regionalistisch perspectief dat rekening hield met culturele diversiteit. Renaat Braem stelde er zijn sociale woonwijk 'Kiel' voor, en herinnerde zich later zowel de verwarde discussies en de obstructie van de jongere garde als het memorabele nachtelijke slotfeest op het dak van de pas voltooide 'Unite d'habitation' in Marseille. Het boek omvat 22 bijdragen rond de betekenis van het congres, de diverse strekkingen in het naoorlogse modernisme, en de rol van Team 10 in het huisvestingsdebat, aangevuld met enkele getuigenissen.
Vooralle reacties: Jozef.Braeken@lin.vlaanderen.be De boeken liggen ter inzage in de bibliotheekvan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel (tijdens de kantooruren)
Patrick
Van
Waterschoot]
nFNFALQGICA ft HFRAI PICA In september 2004 organiseerde de Vlaamse Heraldische Raad in Brugge het 26stt' Internationaal Congres voor Genealogische en Heraldische Wetenschappen. Dit tweejaarlijkse congres is de ontmoetingsplaats bij uitstek voor de specialisten terzake uit de gehele wereld. Niet minder dan 166 deelnemers uit 25 verschillende landen waren ingeschreven. Een veelvoud van dit aantal bezocht de tentoonstellingen en workshops en nam deel aan de andere activiteiten.
M&L
Tentoonstellingen
Marjan
Buyle
MOLEND
Eind vorig jaar verschenen de handelingen van dit congres. Het is een zeer verzorgd en rijkelijk van kleurillustraties voorzien boek geworden. Niet alleen de deelnemers aan het congres, maar alle geïnteresseerden kunnen nu de teksten van 42 lezingen raadplegen in deze schitterende publicatie.
De bijna 500 pagina's dikke publicatie werd samengesteld door het organiserende comité en uitgegeven door het Agentschap RO-Vlaanderen Onroerend Erfgoed. Het is daar te bestellen door overschrijving van e 40 op rekeningnummer 091-2206040-95 met vermelding "HeroW/co" (info: diane.torbeyn5@rwo.vlaanderen.be)
Door wind- en waterenergie aangedreven molens zijn niet alleen een schilderachtig aspect van het bouwkundig en industrieel verleden, maar ook een - weliswaar omstreden belofte voor de toekomst. Nederland met zijn watermolens en windmolens geldt internationaal als het molenland bij uitstek. 2007 is in Nederland uitgeroepen tot het Jaar van de Molens. Een van de belangrijkste manifestaties tijdens dit themajaar is de grote tentoonstelling Molens, die voor het eerst een overzicht zal bieden van uitbeelding van de molen in de Nederlandse kunst van de voorbije vier eeuwen. Het kunsthistorische deel van de tentoonstelling zal achtereenvolgens te zien zijn in het Noordbrabants Museum in 's-Hertogenbosch, het Bredius Museum in Den Haag en het Drents Museum in Assen. In het Noordbrabants Museum zal naast het kunsthistorisch verhaal ook de geschiedenis van de molens in Nederland verteld worden. Aan de hand van objecten en molenmodellen en met behulp van filmbeelden wordt ingegaan op het werken en leven op de molen en wordt stilgestaan bij de toekomst van de windenergie. Leven van de wind Er hebben in Nederland vele duizenden molens gestaan. Daarvan zijn er nu nog zo'n 1200 over. Molens waren in het verleden van groot belang. In de Gouden Eeuw waren ze de motor voor de grote economische en culturele ontwikkeling. Met molens konden meren en drassige gebieden worden droog gemaald en werd vruchtbare landbouwgrond gewonnen. Een moderne onderneming als de Verenigde Oost-Indische Compagnie stimuleerde de scheepsbouw, waardoor de vraag naar hout sterk steeg.
B I N N E N K R A I M T
Marjan Buy Ie
ISTANBUL, OF STAD FN DE S U I T A N In de Nieuwe Kerk, de op één na oudste kerk (1414) van Amsterdam en overigens een prachtige locatie voor tentoonstellingen, staat een van de meest bijzondere steden ter wereld centraal in een grote tentoonstelling: Istanbul. Een kruispunt van wereldbeschavingen en bakermat van cultuur. De Ottomaanse dynastie drukte een grote stempel op deze bijzondere stad en liet de prachtigste paleizen, moskeeën en verzamelingen na. Bijna 300 schatten van de sultans uit vele musea in Istanbul, waaronder die van het wereldberoemde Topkapi paleis museum, komen deze winter naar de Dam in Amsterdam. De molens boden uitkomst: hier werden op grote schaal bomen tot planken gezaagd. Maar dat niet alleen, want molens verwerkten ook lompen tot papier, graan tot meel en zaden tot olie. In de 19de eeuw, met de opkomst van energiebronnen zoals kolen en olie, nam het belang van wind- en waterkracht af. Geleidelijk verdwenen ook de molens uit het landschap en uit dorpen en steden. In de 21ste eeuw speelt windkracht echter opnieuw een rol in de energievoorziening en verrijzen in Nederland steeds meer windmolens en windturbines. Het tentoonstellingsgedeelte 'Leven van de Wind' vertelt aan de hand van eeuwenoude modellen, ontwerpen, schilderijen en uiteenlopende gebruiksvoorwerpen en met behulp van moderne technieken de geschiedenis van de Nederlandse molen, vanaf 1407 tot op de dag van vandaag. Meesters en Molens van Rembrandt tot Mondriaan In de loop der eeuwen zijn tal van kunstenaars geïnspireerd geraakt door wind- en watermolens. Beroemde meesters uit de Gouden Eeuw, onder wie Rembrandt (zelf een zoon van een molenaar), hebben molens geschilderd en getekend. Zij brachten het moderne Nederland van hun tijd in beeld, met
de molen als een cultureel kenmerk. In de tijd van de Romantiek werden molens meer dan ooit gezien als een oer-Hollands fenomeen, als iets om trots op te zijn. In deze jaren van industrialisering en modernisering voorzagen de kunstenaars de teloorgang van oude tradities, van het ambacht van de molenaar en van de molen zelf. In hun schilderijen willen zij dat pittoreske verleden vasthouden. Molens in Brabant en 's-Hertogenbosch In Noord-Brabant staan 127 wind- en watermolens, verspreid over de hele provincie. In 's-Hertogenbosch hebben enkele tientallen molens gestaan. Die zijn allemaal verdwenen. Een door de Kring Vrienden van 's-Hertogenbosch samengestelde reconstructie laat in de tentoonstelling zien waar de molens in en rond de stad gestaan hebben.
De tentoonstelling gaat door van 27 januari tot en met 28 mei 2007 in het Noordbrabants Museum in 's-Hertogenbosch.
Het bezoek aan de tentoonstelling is een wandeling door het rijke verleden van de Ottomaanse sultans. Te zien zijn onder meer hoogtepunten van de Ottomaanse kunst zoals portretten en kaftans van de sultans, miniaturen en schilderingen van belangrijke momenten uit de geschiedenis, tapijten, geschenken aan de sultan, sieraden, religieuze relikwieën, marmeren tulbanden, mystieke objecten, hoogtepunten uit literatuur en wetenschap, fraaie kalligrafie, keramiek, waterpijpen en muziekinstrumenten. Al deze bijzondere voorwerpen zijn terug te vinden in de wandeling langs ruim tien gebouwen (o.a. de bazaar, koffiehuis, hamam, tekke, moskee en harem) die architectenbureau Kossman £t DeJong plaatst in de majestueuze middeleeuwse kerk, gecombineerd met oude en nieuwe filmbeelden en bijzondere Ottomaanse muziekfragmenten.
De stad waaraan de tentoonstelling in De Nieuwe Kerk is gewijd, is misschien niet de oudste stad van de wereld, maar zeker een van de meest spectaculaire, met haar rijke geschiedenis en de prachtige ligging aan de oevers van de Gouden Hoorn, de Zee van Marmara en Bosporus. Hoewel de stad tegenwoordig evenveel inwoners telt als
B 1 N N E N K R A N T
Gekalligrafeerd tablet voor een klooster, ottomaans, 1842 f® De Nieuwe kerk Amsterdam)
Nederland, begon het ooit als het kleine provinciestadje Byzantion, gesticht in 650 voor Christus. Byzantium werd van stad een metropool, nadat keizer Constantijn de Grote het tot hoofdstad van zijn rijk maakte (begin 4de eeuw). Ook gaf hij zijn naam eraan: Konstantinoupolis. Sommige van de monumentale gebouwen uit die periode zijn nog altijd te bewonderen, zoals de Hagia Sophia, de grootste kathedraal uit de middeleeuwen gewijd in 563, en later veranderd in de Aya Sofya Moskee. De stad Constantinopel en het Byzantijnse Rijk raakten vanaf de 13de eeuw in verval. Kruistochten, oorlogen, plunderingen; de stad kwam deze rampen niet meer te boven. De handel liep terug, mensen trokken weg en de stad brokkelde langzaam af. In diezelfde eeuw ontstond aan de oostelijke horizon een heel andere dreiging: die van de Turken'. Zij waren een van de steppevolkeren uit Centraal-Azië die langzamerhand hun machtsterrein uitbreidden. Met name de dynastie van Osman wist haar macht te vergroten ten koste van de Byzantijnen en de aangrenzende islamitische rijkjes. Aan het eind van de 15de eeuw hadden de Ottomanen het hele Byzantijnse Rijk bezet, met uitzondering van Constantinopel. Op 28 mei 1453 veroverde Mehmed de Veroveraar eindelijk de stad. Constantinopel was gevallen, en werd omgedoopt tot Istanbul (afgeleid
M&L
van de Griekse benaming e/s tén polin = naar de stad). Hiermee kwam ook een einde aan het Byzantijnse rijk. Istanbul met het beroemde Topkapi paleis als residentie van de sultans werd het nieuwe centrum van het enorme Ottomaanse rijk. Bijna 500 jaar lang zou een van de langdurigste heerschappijen van een dynastie, de Ottomanen, in Istanbul aan de macht blijven. De opstelling van de tentoonstelling is heel speels opgevat, met stoffen 'tenten' die de verschillende soorten gebouwen suggereren en er een stadswandeling van maken. Voor wie
Tegel, ottomaans, einde 76* eeuw (® De Nieuwe Kerk Amsterdam)
zelf al in Istanbul geweest is en er het Topkapimuseum bezocht, is er niet veel nieuws te beleven, maar voor degenen die dit voorrecht nog niet hadden is het zeker een mooie introductie van een stad en een cultuur. Er staan een aantal heel mooie stukken, al roept de toestand van sommige werken vragen op. Het eerste dat de bezoeker te zien krijgt is een prachtig tegeltableau, maar de bewaringstoestand ervan en de slordige 'restauratie' kan bij vakmensen wel eens ergernis opwekken. Anderzijds zijn sommige meubelstukken uit het Topkapimuseum overgerestaureerd, waarbij in ware 'antiquairstijl' (en dat is in dit geval geen compliment) verflagen en vernissen werden vernieuwd zonder enige bekommernis om authenticiteit. Het verschil met de stukken waar - misschien gelukkig - nog niet aan gewerkt is en die hun originele afwerkingslagen nog bezitten, is groot. Dit zijn maar enkele minpunten van een overigens zeer geslaagde tentoonstelling, waar men niet wordt overdonderd met een te groot aantal objecten en waar veel aandacht is besteed aan de omkadering. In het 'badhuis' bijvoorbeeld loopt een bandje met typische geluiden uit dergelijke instellingen, stromend water incluis.
De tentoonstelling loopt nog tot 15 april 2007 in de Nieuwe Kerk op de Dam in Amsterdam, op enkele minuten loopafstand van het Centraal Station (voor treinuren: www.nmbs.be). Info op 020-6386909 en op www.nieuwekerk^nl. Open elke dag van 10-18 u. en donderdag tot 22 u.
B1NNE1VJKRA1MT
Colloquium Marcel M. Cells
THE SPLENDOUR OF SCULPTURE IN EUROPEAN CEMETERIES - VERONA. 2 8 - 3 0 SEPTEMBER 200fi Zoals aangekondigd in München in november 2005, tijdens het internationaal colloquium DerBürgerliche Tod (zie MBL-Binnenkrant 24/6, 2005, pp.19-23), opteerden de Italiaanse organisatoren van de ASCE jaarvergadering (Association of Significant Cemeteries in Europe) met The Splendour of Sculpture in European Cemeteries voor één van de meest tot de verbeelding sprekende aspecten van het funerair erfgoed. Mede de locatie in Verona, speeltoneel van Shakespeare's bloedstollende Romeo and Juliet maar - voor insiders toch minder befaamd omwille van de hitsige Capulets en Montague's dan wel om de historische Scaligeri en hun machtige, met het laddersymbool gemerkte gotische mausolea bij de romaanse San Maria Antica-kerk, verklaart ongetwijfeld het overweldigend aanbod aan thematische lezingen, ruim 35 in totaal, waarvan de tijdsduur dan ook node drastisch beperkt diende te blijven tot een luttele 15 minuten; limiet die in het bijzonder de sprekers van het gastland overigens geregeld en zonder enige zweem van schroom zondermeer negeerden.
Een monumentale begraafplaats Geen toevallige locatie nochtans, gezien het bestaan, ten oosten van de hartvormige (!) oude stad, aan de overzijde van de Adige (een nauwelijks verhulde verwijzing naar de mythologische Styx) van het Cimitero Monumentale, een niet te misprijzen variante op het Genuese Staglieno (1844) en het ü>r)/fero/Wom;menfo/e(1863) in Milaan. De begraafplaats kwam tot stand omstreeks 1828, ruim 20 jaar na Napoleons Edict van Saint Cloud op
23pmirialanXW (12 juni 1804), naar het ontwerp van ingenieur Giuseppe Barbieri (Verona 1777-1838). De overwegend neoclassicistisch geïnspireerde, monumentale zuilengaanderijen op vierkante plattegrond omsluiten een uitgestrekt centraal terrein voor begravingen in volle grond, in viermaal vier perken opgedeeld door kruisende lanen. Ter hoogte van de gaanderijen leiden de hoofdlanen elk naar een architecturaal orgelpunt, de Pantheons: een indrukwekkende pronaos van acht Dorische zuilen waarachter halfcirkelvormige ruimten met - op de hoofd-as - het Pantheon Ingresso (de hoofdingang) en het Pantheon Piis Lacrimis (de kerk met grafmonument van Giuseppe Barbieri), en - op de dwarsas - het Pantheon Ingenio Claris (erebegraafplaats van illustere Veronezen) en Pantheon Beneficis in patriam (voor Veronese weldoeners).
Volgens een strikte hiërarchie vond een eerste reeks van 200 mausolea een onderkomen in de omlopende zuilengaanderijen, een 200 grafmonumenten tegen de stylobaat van de gaanderij en nog eens 200 als eerste rij van de graven in volle grond. Achter deze open zuilengaanderijen omlopende gesloten gaanderijen herbergen verder de colombaj, zes lagen hoge, eenvoudige grafnissen.
De mausolea ter verheerlijking van de dierbare afgestorvenen vormden vanaf 1836, met het vroegste neoklassieke monument Emilei door Innocenzo Fraccaroli, een gedroomde afzetmarkt voor de - in het wat bekrompen, provincialistische Verona - weinig verwende plaatselijke beeldhouwers. Grazioso Spazzi (1816-1892) en diens zonen Carlo (1854-1936) en Attilio (1859-1915) wisten hun artistiek oeuvre weliswaar nog op te bouwen in de Veneto, daar waar Alessandro Puttinati (1801-1872) diende uit te wijken naar Milaan en Salesio Pegrassi (1812-1879) vooral faam verwierf in Engeland. De laat 19de-eeuwse funeraire sculptuur wordt bepaald door de werken van de gebroeders Spazzi, Romeo Cristani (1855-1920), Pietro Bordini
B I N N E N K R A l S i T
door het stadsbestuur gelast met de reorganisatie en het beheer van de begraafplaats. Beweren dat bij een dergelijk hoog aantal sprekers de boodschap telkens bevattelijk en coherent was, laat staan tot het gros van de aanwezigen doordrong, zou onzinnig zijn. De confrontatie met de abstracts bevestigt nochtans de eerste spontane indruk dat de best genietbare sprekers ook inhoudelijk het wat in het ijle peroreren wisten te overstijgen met samenhangende overzichten, chronologische en typologische confrontaties zoniet subtiele maar verhelderende nieuwe inzichten. Een selectie.
(1856-1922) en vooral Ugo Zannoni (1836-1919) die, hoewel overwegend actief in Milaan zijn beste - funeraire werk afleverde voor de welgestelde Veronese middenklasse. Met de 20ste eeuw trad ook een jongere generatie beeldhouwers aan, met Francesco Modena (1882-1960), Egidio Girelli (1878-1972), Tullio Montini (1878-na 1949), Ruperto Banterle (1889-1968) en Eugenio Prati (18891979), maar tegelijk het nieuwe materiaal - brons - ter aanvulling of vervanging van het traditionele Ca rra ra-marmer. Behalve door een meer recente uitbreidingszone, een vage afspiegeling van het oorspronkelijk monumentaal concept, wordt de begraafplaats van Verona nog gekenmerkt door een halfcirkelvormige 'buitenbegraafplaats', het onlangs herbestemde cimitero acattolici (voor 'ongelovigen', te weten protestanten e.a.), en een achterliggende ommuurd park voor de funeraire 'bungalows' van de superrijken. 35 lezingen! Voor de openingszitting werden de deelnemers aan het colloquium verwelkomd in de aula van AGEC, sponsors van het evenement maar tevens
Franco Sborgi doceert Hedendaagse Kunstgeschiedenis aan de universiteit van Genua, en richtte er ondermeer het Archief voor hedendaagse Kunst op. Als erkende autoriteit inzake de Ligurische kunst en de Italiaanse funeraire sculptuur in het bijzonder, handelde zijn inleiding op het colloquium zoals verwacht over de onmiskenbare beïnvloeding - door de sculptuur op 19d<:-eeuwse Italiaanse begraafplaatsen - van het buitenland. Zijn monografie uit 1997 Staglienoe la scultura funeraria Ligure tra ottocento e novencento is voor liefhebbers en vorsers dan ook een must, evenzeer trouwens als Sandra Berresford's Italian Memorial Sculpture 1820-1940. A Legacy of Love, 2004, waarvoor naast James Stevens Curl, Fred S. Light en Francesca Bregoli ook Franco Sborgi een stevige bijdrage leverde met Companions on the final journey: reflections on the image of the angel In funerary sculpture during the nineteenth and twentieth centuries.
Wat bezielde de Spanjaard Carlos Reyero om zijn in het Engels aangekondigde lezing More alive than Dead. Death as a realistic Representation in Spanish Funerary Sculpture (18701940) toch maar in zijn moedertaal te brengen? Noch het publiek noch de tolken waren hierop voorzien, zodat dit blijkens zijn illustraties boeiend materiaal zielloos de mist in ging. De historicus Christian Charlet, verbonden aan de stedelijke begraaf-
plaatsdiensten van Parijs, zat met devolution de la sculpture dans les cimetiéres parisiens daarentegen meteen op de juiste golflengte met een stotementdie als een rode draad doorheen het hele colloquium verder zou worden ontrold:"(...) il faut néanmoins savoir que cette proliferation de sculptures de toutes sortes (statues en pled, personnages assis ou couchés, gisants, bustes, médaillons, etc.) ouvrées dans des matériaux varies (marbre, pierre, bronze, etc.) est Ie résultat d'une longue evolution progressive qui s'est déroulée tout au long du XlXème siècle et non Ie fruit d'une volonté d'introduire l'art de la sculpture dans les cimetiéres parisiens des la creation de ceux-ci, au tout début du XIX siècle." Het vroegst bekende beeldhouwwerk op een Parijse begraafplaats dateert van 1809. Het tooit een monument, op de begraafplaats Pére Lachaise, ter herdenking van een onderofficier van de troepen van Napoleon I, gesneuveld in 1807 tijdens de campagnes in Oost Pruisen en Polen: "IIs'agitdonc d'un cénotaphe glorifiant Ie valeureux soldat, par Ie moyen d'une tres longue épitaphe, l'intéressé étant représenté en médaillon dans ses habits militaires: uniforme, casque... completes par Ie sabre et Ie fusil individualises, entre lesquels une femme en pleurs exprime sa douleursur une urne." Samen met het grafmonument voor Alexandre Brongniart (+1813), ontwerper van ondermeer de Beurs van Parijs en de begraafplaats Père Lachaise, en het allereerste metalen borstbeeld op het graf van de bronsgieter Ravrio (+1814) blijven dit uitzonderingen tót het einde van het Keizerrijk (1814-1815) en de overbrenging naar Pére Lachaise in 1817 van de - vermeende - resten van Molière, La Fontaine en Héloise Et Abélard. Nog hetzelfde jaar realiseert de beeldhouwer Milhomme voor het graf van de welgestelde handelaar Garreau een marmeren pleurante, die model zal staan voor talloze andere. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw vervangt brons geleidelijk aan de marmeren beeldhouwwerken. Waar borstbeelden en medaillons een grote
B l l ^ N E N K R A N T
toename kennen, blijven grote vrijstaande beelden uitzonderlijk, al stimuleert de mode voor grafkapellen ook deze van pleuranten. Met werken van Rude, Etex, David d'Angers, Dalou e.a. worden de drie belangrijkste Parijse begraafplaatsen - Père Lachaise, Montmartre en Montparnasse - terecht beschouwd als openluchtmusea, met als orgelpunt en keerpunt de monumentale 'sfinx' van Jacob Epstein voor het graf van Oscar Wilde (1912). Roger Bowdler, departemententshoofd van English Heritage, adviesraad van de Britse regering inzake erfgoed, bracht in het fraaiste Cambridge Engels (hij doctoreerde er over English 17th century funerary monuments and memento mori) een helder en bescheiden overzicht van de Funeral sculpture in the United Kingdom from the Victorian Age to 'New Sculpture'and Modernism. Spijts zijn statements - "England is famous for its churchyards and melancholy'' en "They are the bridge between death and life" - kan hij niet anders dan vastellen datfuneraire beeldhouwkunst, op enkele pogingen tijdens de 17de eeuw na, overwegend tot stand kwam in kerken: "England's cold and wet climate has never been friendly towards outdoor statuary, so nearly all of the memorials were architectural in character." De overgewaaide nieuwe benadering van de dodenherdenking naar het voorbeeld van het Parijse Cimetière du Père Lachaise, maar vooral het groeiende besef vanaf de jaren 1820-1830 dat de uitbating van begraafplaatsen met hun veelheid aan grafmonumenten lucratieve perspectieven bood, leidde tot Victoriaanse experimenten terzake, doch met matig succes: "Carrara marble was imported in huge quantities, but was unsuitable for outdoor statuary; the sheltered cloisters as seen in Genoa's Staglieno Cemetery never became popular in England. Some sculptural monuments were executed in artificial Stone, but their numbers were small." Ook hier bracht einde 19de eeuw het toenemend gebruik van brons enig soelaas: "these memorials represent the apogee of outdoor memorials in England and have never been studied as a group."
Liisa Lindgren doceert kunstgeschiedenis aan de universiteit van Helsinki, met in het bijzonder aandacht voor de 19de- en 205tc-eeuwse Finse beeldhouwkunst.
grafmonument voor de familie Serlachius in Mantta (centraal Finland) en het beeldhouwwerk voor de Kordeli kapel in Rauma (aan de westkust).
Vanaf de jaren 1860 was het gebruikelijk dat de academisch geschoolde Finse kunstenaars, in casu beeldhouwers, hun opleiding vervolmaakten in Rome of Parijs. Zij kwamen er onveranderlijk in contact met de west- en zuid-Europese funeraire kunst en brachten deze in Finland zelf tot bloei in de jaren 1880-1930: meteen het thema van de lezing. Voor figuren als Walter Runeberg (1838-1920), VilleVallgren (18551940), Felix Nylund (1878-1940) en Emil Wikström (1864-1942) vormde grafsculptuur overigens een niet onaanzienlijk deel van hun oeuvre. Best bekend zijn, van deze laatste, het
Na haar jongste publicatie waren de verwachtingen hooggespannen voor Sandra Berresford's lezing Metamorphosis and the Molden in Liberty sculpture. Metamorfose in de funeraire beeldhouwkunst benadert zij, vanuit een conceptueel standpunt, als een symbolistisch alternatief voor de traditionele Christelijke iconografie en, vanuit een formeel standpunt, als volkomen in harmonie met de Sf//e floreale uit de jaren 1890-1920. Het symbolisme had de Vrouw twee tegengestelde rolpatronen toebedeeld: dit van Maagd of Moeder enerzijds en kloppend hart van het gezin; dit van
1VI&L
B 1 ^ N E ^ K R A 1 \ T
vraatzuchtige femme fatale anderzijds. Desondanks leverde grafsculptuur op het thema van de Maagd, vaak ontstaan na het - al dan niet in het kraambed - overlijden van een jonge vrouw, sommige van de meest sensuele en fijnzinnnigste staaltjes funerair beeldhouwwerk op. De lichtvoetige, decoratieve Liberty stijl (de Italiaanse art nouveau), "turning Life into Art and Art into Life", leek allesbehalve geschikt voor gebruik op begraafplaatsen. In combinatie met het symbolisme kwamen nochtans in noord- en centraal Italië tal van grafmonumenten tot stand die de idee uitspelen van de metamorfose, zoals dit van Leonardo Bistolfi voor Sebastiano Grandis (Cimitero Urbano, Borgo San Dalmazzo, 1895), een incarnatie van The Beauty of Death, of hoogtepunten als The Dream of death, het grafmonument voor Isabella Airoldi Casati door Enrico Butti (18891891) op het Cimitero Monumentale in Milaan. Parallel met deze ontwikkeling zou de Liberty süj\ ook ertoe bijdragen de rol van de beeldhouwer en deze van de ambachtsman te herdefiniëren. Realistische voorstellingen van bloemmotieven ruimden plaats voor fijn gesculpteerde maniëristische bloemenweeldes, een specialiteit van Meester steenhouwers die hiervoor gebruik maakten van de 'viool', een specifiek voor fijnsculptuur ontworpen werktuig. Beeldhouwers zouden zich gestaag meer toeleggen op het 'echte' werk, de grafkapel als een apotheose van het Gesamtkunstwerk. Sala Maffeiana Voor de volgende zitdagen verhuisde het hele colloquium naar de Sala Maffeiana, samen met de voorliggende colonnade het enig overblijvend gedeelte van de Accodemia Filarmonica. Naar een ontwerp van architect Domenico Curtoni werd het complex opgericht in 1605-1625. Het theater zelf, dat geïnspireered was op het Andrea Palladio's Teatro Olimplco\n Vicenza, werd uit geldgebrek weliswaar nooit gerealiseerd. In 1625-1630 werd de GranSala ingevolge de instorting van het plafond in 1614 ingrijpend aangepast. In 1749 ont-
1VI&L
snapte de zaal, weliswaar met rookschade, ternauwernood aan brand. De colonade omheen het voorplein van de Sala Maffeiana is heden omgevormd tot lapidarium, overwegend met Romeinse graf- en votiefmonumenten.
De 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tellen op hun grondgebied inderdaad 10 belangrijke begraafplaatsen, gaande van het oorspronkelijk 13de-eeuwse kerkhof van Laken tot de begraafplaats van Schaarbeek uit 1929.
De tweede zitdag nam een aanvang met het veelbelovende Funerary Art and Social identities between de XIXth andXXth centuries: Subjects, Biographies, the Virtue of Remembrance, lezing van Ornella Selvafolta, gewoon hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de universiteit van Milaan, die helaas ongenietbaar en onverstaanbaar uptempo werd gebracht. Het zal uitkijken worden naar de beloofde acten van het colloquium. Zo ook de Provencaalse historicus Regis Bertrand, ondermeer bekend om zijn medewerking aan Michel Vovelle's La ville des morts, essai sur l'imaginaire urbain contemporain d'apres les cimetières provengaux, Parijs, 1983, wiens zondermeer in het Frans geformuleerde overzicht van de sculptuur op het CimetièreSaint-Pierre, in Marseille helaas het anecdotische niet oversteeg.
Op enkele van deze begraafplaatsen valt de aanwezigheid op van een groot aantal volplastische beeldhouwwerken - doorgaans treurende vrouwenfiguren - naast een grote verscheidenheid aan bas-reliëfs. Onderzoek heeft uitgewezen dat deze beeldhouwwerken in grote mate zijn tot stand gekomen in het atelier van de beeldhouwers Ernest Salu, bij het kerkhof van Laken, en/of het werk zijn van beeldhouwers bij dewelke zij hun
Zelf mochten wij kort het woord nemen met The sculptors' workshop Ernest Salu I (1846-1923), II (18851980) and III (1909-1987) in Laken (Brussels): centre of memorial sculptures in the Region of Brussels Capital.
B11VJNENKRANT
opleiding genoten of die behoorden tot hun Brusselse artistieke vriendenkring. Met figuren als Guillaume Geefs, Jean-Jacques Jacquet, Isidore De Rudder, Juliaan Dillens, Ernest Carrier-Belleuse, Auguste Rodin, Pierre Theunis, Mathieu Desmarez, Sylvain Norga, Charles Bataille e.a., wordt tegelijk een sterk nationalistische gekleurde historische periode overspannen, die aanvangt bij de onafhankelijkheid van België in 1831 en afsluit met het interbellum. Stilistisch brengen de beeldhouwwerken een bloemlezing vanaf het vroeg 19de-eeuwse, in Carramarmer gehouwen neoclassicisme, over het in brons gegoten symbolisme bij het fin-desiècle, tot het naoorlogse, doorgaans in blauwe hardsteen vormgegeven realisme. Het beeldhouwers- en steenkappersatelier van drie opeenvolgende generaties Salu, waar de tijd bleef stilstaan rond 1960, brengt in vrijwel intact gebleven gebouwen met inboedel en gipsmodellen al deze elementen samen tot een quasi anachronisme. Oostenrijk was met Tilgner, Hanak, Breitner, Hrdlitschka. Sculptural highlights from Viennese cemefer/es vertegenwoordigd door de kunsthistoricus Werner Kitlitschka, voormalig Landeskonservator für die Kulturgüter Niederösterreichs en verbonden aan de universiteit van Wenen. Zijn overzicht van de funeraire beeldhouwkunst schonk in het bijzonder aandacht aan het veranderende materiaalgebruik: kalkzandsteen en 'wetsteen' in de vroege 19de eeuw, zoals op het Sf. MorxerFned/iof (begraafplaats van o.a. W.A. Mozart); marmer vanaf 1820 en aanvankelijk beperkt tot tekstplaten maar vanaf 1850 ook courant toegepast voor massieve grafmonumenten, alsof de aldus tentoongespreide luxe in de plaats trad van een tanende religiositeit. De late 19^ eeuw en vroege 20stc eeuw spreidden dan weer een voorkeur tentoon voor dure en kleurrijke granietsoorten en contrastrijke combinaties - zwarte of donkergrijze grafmonumenten met pleuranten in helder wit Carrara marmer - of suggestieve, uit zwarte steensoorten, donkere metalen beeld-
bouwwerken en graflantaarns uit zwartgeschilderd gietijzer opgebouwde mausolea. Van 1870 tot 1920 streven de grafmonumenten er in toenemende mate naar door hun omvang en kostprijs een duurzaam beeld op te hangen van de sociale status van de gearriveerde, welvarende bourgeoisie. Onder invloed van figuren als Josef Hoffmann en de Kunstgewerbeschule zouden de graftekens nog tijdens de Eerste Wereldoorlog een sterke vereenvoudiging ondergaan, tot een verregaande banalisering tijdens het interbellum. Het eenheidsconcept van de begraafplaatsen wordt dan ook niet bepaald door deze monotone, uniforme rijen nietszeggende graftekens, maar wel door de 19de- en vroeg 205te-eeuwse grafmonumenten met hun rijke verscheidenheid aan esthetische ervaringen. Na 1850 winnen voorstellingen van engelen in toenemende mate aan populariteit; onder invloed van de modieuze religieuze rewVo/tijdens het bewind van Franz Jozef I, verdringen ze geleidelijk aan de figuur van de doodsgenius uit de classicistische Biedermeiertijd. Kruisen en Christusbeelden worden op de Oostenrijkse begraafplaatsen gemeengoed, deze laatste meermaals geïnspireerd op het monumentale Christusbeeld van Bertel Thorvaldsen (ca 1820) voor de O.LVrouwkerk in Copenhagen. Bijzondere aandacht verdienen de beelden van pleuranten. "Precisely like the genii in that they did not express any specific religion or philosophy, allegories could be given the shape of lovely women and girls, thus influencing not only the effect of individual graves but of entire cemetery sections. Female allegories and mourning figures sometimes endowed cemeteries with a particularly attractive and perhaps even erotic appeal for male visitors. Mostly male artists produced female figures to adorn graves of other men, perpetuate male attainments and offer objects for male aesthetic consumption. The bodies of women and girls were subjected to an unbridled form of artistic appropriation that has only recently begun to come under critical reflection. In fact, hardly any
other artistic product mirrors the image of women in the patriarchal society of the 19th and 20th centuries as graphically as the thousands of female statues put up in cemeteries." Hoogtepunten in het genre vormen de bronzen personificatie van de kunstgeschiedenis {Zer)fro/fnec//7of 1885) door Stefan Schwarz voor Rudolf von Eitelberger, eerste directeur van het Kunstgewerbemuzeum; de rouwende allegorie van de architectuur (Zentralfr/ed/?oƒ 1894) door Johannes Benk voor Karl von Hasenauer, architect van de RingstraBe, of de uiterst realistische, slechts 27 jaar oude Edith Rodling von Amman, door de Zweedse beeldhouwster Ida Carolina Thoresen, "in the form o a nude figure of suggestive sensuality, done in dark, polished primary stone" (Döbling 1929). In 1933 brengt Fritz Wotruba nog een eigenzinnige, archaïserende interpretatie van het thema, met zijn beeld van opera-zangeres Selma von Halban-Kurz (Zentralfriedhofl: "Hls reclining female figure with closed eyes (...) seems fo form part of a new reality that can only be accessed trough dead."
1VI&L
B I N N E N K R A N T
gives us the impression of our looking back at death from the brighter side of the Grave." (Henry James, 1873).
LITERATUUR • BERRESFORD S. e.a., Italian Memorial Sculpture 1820-1940. A Legacy of Love, Frances Lincoln publishers, Londen, 2004, 256 pp., 450 ill. (ISBN: 0-7112-2384 X) •KITLITSCHKAW., Groöto/fft Grabskulptur in Wien und Niederösterreich. Vom Historismus zur Moderne, Verlag Niederösterreichisches Pressehaus, St. Pölten-Wien, 1987 (ISBN 3 85326 827 7) • SBORGI R, Staglieno e la scultura funeraria Ligure tra ottocento e novencenfo, Artema, Turijn, 1997, 472 pp., 587 ill. (ISBN 88 8052-009-1)
F
Nogal wat sprekers stelden het resultaat voor van hun onderzoek op meer of minder belangrijke Italiaanse begraafplaatsen. Nicoletta Cardano hield het bij de Verano begraafplaats in Rome; Camilla Bertoni behandelde de sculptuur op de begraafplaats van Verona; Emanuela Bagattoni onderzocht de verwevenheid van sculptuur en decoratieve schilderkunst op de Certosa begraafplaats in Bologna; Alfonso Panzetta had het over de begraafplaatsen van Emila-Romagna; Cirri Graziella stelde de Porte Santé begraafplaats in Firenze voor, Christina Huemer het Cimitero acattolici In Rome, Laura Dinelli de begraafplaatsen in Livorno, Susanna Zatti deze van Pavia en Leo Lecci, als afsluiter, deze van Genua met Staglieno as a model for international funerary sculpture. Enigszins afwijkend van het thema maar bijzonder boeiend en verhelderend was Guido Zucconi's Italian memorials to the first World War death. Een van grootheidswaanzin doordrenkt bouwprogramma en de determinerende rol van de kerk in de totstandkoming van deze monumentale, vaak op barre hoogten ingeplante massagraven, konden niet verhinderen dat vele ongebruikt zoniet onafgewerkt bleven. Het uitestrekte complex op de Monte Grappa vormt hiervan hoe dan
M&L
ook één van de meest indrukwekkende getuigen.
R
A
N
<
O
STAGLIENO 1- LA SCULTURA FUNERARIA LIGURE TRA OTTOCENTO E NOVEC I \ I o
Niet grensverleggend maar omwille van de aha Erlebniss een in dank afgenomen interludium, was Christina Huemer's Nineteenth- and early tewentleth-century sculpture in the non-catholic cemetery in Rome. Ondermeer bibliothecaris van de American Academy \n Rome, ging haar aandacht naar één der en mooiste begraafplaatsen in Europa, het mytische Cemetery of Poets, waar de fine fleur van op Italiaanse bodem overleden "expatriates" een laatste rustplaats vond. Diplomaten, musici, kunstenaars en dichters als William Wetmore Story, Constance Fenimore Woolson of George Perkins Marsh; John Keats (met zijn vriend kunstschilder Joseph Severn) en Percy Bysshe Shelley vanzelfsprekend; maar ook Antonio Gramsci, filosoof en stichter van de Italiaanse communistische partij. Sinds 1738 gelegen in de schaduw van de pyramide van Caius Cestius (1 5te eeuw AC), werd deze vrijwel oudste nog actieve begraafplaats van Europa in 2005 opgenomen op de Werelderfgoed wachtlijst van de 100 meest in hun voortbestaan bedreigde sites: "Here is a mixture of tears and smiles, of stones and flowers, of mourning cypresses and radiant sky, wich
B I N N E N K R A N T
RW O
Ministers
Strategische Adviesraden
X Beleidsraad
' T
i
i
Il
Op 1 juli 2006 werd het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed - afgekort tot RWO - boven de doopvont gehouden en werd de nieuwe organisatiestructuur van kracht. De voornaamste opdracht voor dit ministerie is de voorbereiding en de uitvoering van het beleid van ruimtelijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed. Het Agentschap Ruimtelijke ordening en Onroerend erfgoed Vlaanderen is één van de verzelfstandigde agentschappen binnen het Ministerie RWO. Het is verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid van de minister bevoegd voor ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed. De uitvoering van het beleid speelt zich hoofdzakelijk af op het gemeentelijke niveau. In elke provincie heeft het agentschap een R-0 afdeling. Zij is het eerstelijns aanspreekpunt voor informatie, ondersteuning en dienstverlening op het gebied van ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed. De coördinatie tussen de R-O-afdelingen wordt verzekerd door de directie Coördinatie-Werking. Daarnaast is de afdeling Agentschapsbeheer belast met de algemene organisatie, het financiële management en de com-
s
11
> c 01
Agentschap Won
Agentschap Ruimte Onroerend Erfgo
i
c 01
IPS
n
a •o c
C V
1
1
•o
J* 01
§
£
=£
Met het project Beter Bestuurlijk Beleid werd de organisatiestructuur van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap fundamenteel gewijzigd. Waar er vroeger slechts één ministerie bestond, zijn er vandaag dertien. De vroegere zeven departementen werden volledig heringedeeld. Elk Vlaams ministerie vertegenwoordigt vandaag een specifiek beleidsdomein en heeft een minister aan het hoofd.
i
c
a a
il
Departement Ruimtelijke Orde Woonbeleid en Onroerend Erl
i
c
Agentschap Inspe ctie Ruimte Ordening, Woonbei eid en Onro Erfgc ed
HFT AGFNTSCHAP RUIMTFLIJKF ORDFNING & ONROERFND FRFGOFD VIAANDFRFN
Agentschap Vlaam het Onroerei
1 Luc Ta
II 1-2 SS
Il
Managementondersteunende Diensten
municatie van het agentschap. Bepaalde taken die betrekking hebben op ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed, werden toegewezen aan andere agentschappen. Zo neemt het Agentschap Wonen Vlaanderen de opdrachten rond de woon- en leefomgevingskwaliteit op zich en is het Agentschap Inspectie belast met de handhaving en het naleven van de
vergunningen, premies en subsidies. Het Agentschap Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed is verantwoordelijk voor het onderzoek, het kennisbeheer en de kennisverspreiding inzake onroerend erfgoed evenals voor de ontsluiting ervan. Tot slot worden de opdrachten van provinciaal en gewestelijk niveau uitgevoerd door het Departement RWO.
Agentschap R-O Vlaanderen Administrateur-Generaal
Directiecomité
Afdeling Agentschapsbeheer
i
1
i
Directie Coördinatie Werking
1 f 1
| II
1 1
1
1
s
Afdeling R-O OostVlaanderen
- Mg &v if I I Il II E
*
ub
E
Afdeling R-O Antwerpen
Secretariaat
o.£
o£
il t
M
1 0
Afdeling R-O WestVlaanderen
Afdeling R-O Limburg
il. I il I
Afdeli ng R-O Vlaams Brabant
•H
?
«,
I
1VI&L
B 1 N N E N K R A 1 M T
Het agentschap R-0 Vlaanderen neemt het secretariaat waar van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest, een onafhankelijk adviesorgaan dat tot taak heeft de minister van advies te dienen inzake het onroerend erfgoed. De commissie bestaat uit een centrale commissie en provinciale commissies van corresponderende leden. De centrale commissie omvat vijf afdelingen, met name: de afdeling monumenten, stads- en dorpsgezichten, de afdeling landschappen, de afdeling archeologie (de Vlaamse Archeologische Raad), de afdeling varend erfgoed en de afdeling heraldiek (de Vlaamse Heraldische Raad). Het beleid rond het onroerend erfgoed wordt uitgevoerd door het Agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, vroeger gekend als de Afdeling Monumenten en Landschappen. Het onroerend erfgoed omvat de monumenten (met inbegrip van de cultuurgoederen) en stads- en dorpsgezichten, het landschappelijk erfgoed, het archeologisch en varend erfgoed en de heraldiek. Bij de beleidsuitvoering kunnen twee kerntaken onderscheiden worden; 'beschermen' en 'beheren'. Deze kerntaken staan niet los van elkaar, maar vormen samen een continu proces van de zorg voor het onroerend erfgoed in Vlaanderen. Beschermen Het behoud van het onroerend erfgoed in Vlaanderen wordt juridisch mogelijk gemaakt door de diverse decreten en besluiten betreffende de bescherming van monumenten, stadsen dorpsgezichten, landschappen, archeologisch en varend erfgoed, en betreffende het behoud van erfgoedlandschappen door de aanduiding van ankerplaatsen. De R-O-afdelingen in de provincie: -volgen beschermingsaanvragen op; -ontwikkelen eigen initiatieven tot beschermingsvoorstellen afgestemd op het beleid;
-zorgen voor de inhoudelijke en administratieve voorbereiding, het opmaken en het opvolgen van beschermingsdossiers van monumenten, stads- en dorpsgezichten, landschappen, archeologisch erfgoed en van dossiers voor de aanduiding van ankerplaatsen; -volgen de vermelde procedures op en voeren ze uit; -volgen de ruimtelijke uitvoeringsplannen op voor de opname van de ankerplaatsen. De directie coördinatie-Werking: -stelt de beschermingscriteria en -doelstellingen op en toetst ze; -zorgt voor de inhoudelijke en administratieve voorbereiding, het opmaken en het opvolgen van dossiers over de beschermingsprocedures voor vakspecialismen, namelijk het archeologisch, industrieel 6t varend erfgoed, orgels, beiaarden, funerair erfgoed...; -bewaakt de eenheid in de aanpak van de beschermingen; -voert het instrumentarium uit met betrekking tot heraldiek. Beheren Voor de Vlaamse Overheid omvat het beheer van het onroerend erfgoed diverse taken die vaak verbonden zijn met andere, aanverwante beleidsdomeinen. Een groot deel bestaat erin inhoudelijke input en ondersteuning te verlenen met betrekking tot de kennis, het behoud en het beheer van al dan niet beschermde onroerend erfgoed. Zij biedt deze dienstverlening aan diverse overheden, partneradministraties, particulieren, (wetenschappelijke) instellingen, verenigingen en commissies aan: - lokale en regionale overheden (incl. kerkfabrieken...) en particulieren onder meer met betrekking tot gerepertorieerde gegevens; - partners in de erfgoedzorg zoals Erfgoed Vlaanderen, Vlaamse Contactcommissie Monumentenzorg (VCM) e.a.; -aanverwante beleidsdomeinen zoals cultuur (Topstukkendecreet, beheer van cultuurgoederen, inventarisatie) e.a.; -openbare nutsbedrijven zoals NMBS, Fluxys, Aquafin...
De R-O-afdelingen in de provincie: - behandelen de dossiers voor onderhouds- en restauratiepremies van monumenten, de dossiers voor onderhoudspremies in stads- en dorpsgezichten, de dossiers voor archeologie- en landschapspremies en volgen ze inhoudelijk en technisch op. Ook de procedure fiscale aftrek volgen zij op; -voeren vergunningsprocedures uit voor werkzaamheden die betrekking hebben op monumenten, stads- en dorpsgezichten, landschappen en archeologie in samenwerking met de vakspecialisten van de directie Coördinatie-Werking; -volgen werkzaamheden op bij monumenten, stads- en dorpgezichten, landschappen, alsook archeologische opgravingen; -begeleiden het opstellen en het uitvoeren van landschapsbeheersplannen en van de oprichting en de werking van beheerscommissies; -adviseren bij stedenbouwkundige vergunningsprocedures; -adviseren bij ruimtelijke planningsprocessen en bij vergunningen inzake geïnventariseerd bouwkundig erfgoed, landschappelijk waardevol agrarisch gebied, zones met cultuurhistorische en esthetische waarde (CHE-zones) en nog niet aangeduide ankerplaatsen. De directie Coördinatie-Werking: - handelt de premiedossiers administratief en financieel af; - adviseert bij dossiers voor beroep ingediend bij de Bestendige Deputatie en/of de minister; -volgt de administratieve procedure op voor het opstarten van landschapsbeheersplannen en beheerscommissies; - is verantwoordelijk voor het oprichten, subsidiëren en begeleiden van Intergemeentelijke Archeologische Diensten (IAD's); - kent vergunningen toe voor archeologische opgravingen, voor prospecties met ingreep in de bodem en het gebruik van metaaldetectors; - coördineert de verklaring van een archeologische opgraving tot algemeen nut;
B 1 1 M N E N K R A N T
- adviseert onder meer gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, subsidiedossiers in de samenwerkingsovereenkomst Milieu en beheersovereenkomsten met landbouwers;
Agentschap R-0 Vlaanderen Phoenixgebouw - (f verd.Koning Albert H-laan 19, bus 3 te 1210 Brussel Tel: 02 553 1850- Fax: 02 553 18 45 E-mail: ro.vlaanderen@rwo.vlaanderen.be
- neemt het beheer rond heraldiek op zich; -verzekert de input van vakspecialisaties binnen de dossiers voor industrieel en varend erfgoed, beveiliging, orgels, torenuurwerken, funerair erfgoed...; -bewaakt de homogene aanpak van de beheersdossiers; - is bevoegd voor de erkenning van open monumentenverenigingen en monumenten zonder economisch nut (ZEN-monumenten); -draagt bij aan internationale verbintenissen; -stuurt erfgoedverenigingen aan, zoals Erfgoed Vlaanderen, Vlaamse Contactcommissie Monumentenzorg vzw (VCM), Monumentenwacht... Inventariseren Het in kaart brengen of inventariseren van onroerend erfgoed is dé basisvereiste voor de kennis, de bescherming, de zorg, de sensibilisering en de integratie ervan in andere beleidsvelden. Deze taak wordt nog maar gedeeltelijk door het agentschap uitgevoerd en verschuift naar het Agentschap Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE). De R-O-afdelingen in de provincie zijn verantwoordelijk voor: - het voltooien van de geografische inventaris van het bouwkundig erfgoed; - het permanent opbouwen van kennis en informatie ter ondersteuning van de actualisering van deze inventaris, de landschapsatlas, de landschapskenmerkenkaart en van de aanvulling van de Centrale Archeologische Inventaris (CAI); - het ondersteunen van lokale en regionale initiatieven met betrekking tot inventarisatie; - onderzoek ter ondersteuning van specifieke beschermingsdossiers.
Het Agentschap R-0 Vlaanderen wordt sinds 1 augustus 2006 geleid door Gilbert Kolacny Administrateur-generaal. Als industrieel bouwkundig ingenieur begint hij zijn loopbaan in 1972 bij het toenmalig Wegenfonds. In 1985 wordt hij gedetacheerd naar het kabinet van de minister van Openbare Werken, waar hij gedurende driejaar raadgever is met betrekking tot wegen en waterwegen in Vlaanderen. Na zijn periode als raadgever komt hij in 1988 terecht in het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, meer bepaald op het hoofdbestuur van de administratie Wegen en Werken. Als industrieel ingenieur-directeur neemt hij in 1990 de leiding in handen van de dienst Beheer Wegen in Vlaams-Brabant. Op 1 januari 1995 wordt Gilbert Kolacny afdelingshoofd van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen in Limburg. Begin 2006 wordt hij door de Vlaamse regering aangeduid als transitieverantwoordelijke van het toekomstige agentschap R-0 Vlaanderen.
Afdelingen - Afdeling R-0 Antwerpen • Onroerend erfgoed Antwerpen Vlaams Administratief Centrum Copernicuslaan 1, bus 6 te 2018 Antwerpen Tel: 03 224 62 17- Fax: 03 224 62 23 - Afdeling R-0 Limburg • Onroerend erfgoed Limburg V/ooms Administratief Centrum, Koningin Astridlaan 50, bus 1 te 3500 Hasselt Tel: 011 74 22 20 - Fax: 011 74 22 39 - Afdeling R-0 Oost-Vlaanderen • Onroerend erfgoed Oost-Vlaanderen Gebroeders Van Eyckstraat 4-6 te 9000 Gent Tel: 09 265 46 18- Fax: 09 265 46 00 - Afdeling R-0 Vlaams-Brabant • Onroerend erfgoed Vlaams-Brabant Waaistraat 1 te 3000 Leuven Tel:01621 1200-Fax:016205526 - Afdeling R-0 West-Vlaanderen • Onroerend erfgoed West-Vlaanderen Werkhuisstraat 9 te 8000 Brugge Tel: 050 44 29 55 - Fax: 050 44 28 13 Agentschap Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed Phoenix gebouw - f verd.Koning Albert H-laan 19, bus 5 te 1210 Brussel Tel: 02 553 16 50- Fax: 02 553 16 55 E-mail: instituutonroerenderfgoedtS) vlaanderen.be Website: www.vioe.be Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen Phoenixgebouw - 8* verd.Koning Albert H-laan 19, bus 3 te 1210 Brussel Tel: 02 553 18 50- Fax: 02 553 1845 E-mail: kcml(S)vlaanderen.be
1VI&L
".. Ich will Dich ehren mit dem Denkmal. Alle, die Dlch Heb hotten, behalten Dich in ihrem Herzen, weiter wirst Du wirken bei allen, die Dich kannten und Deinen Tod erfuhren. Aber ich will Dich noch anders ehren. Den Tod von Euchjungen Kriegsfreiwilligen will ich in Deiner Gestalt verkörpert ehren. In Eisen oder Bronze soil das gegossen werden undJahrhunderte stehen. Mein Junge!Auf deinem Denkmall will ich deine Gestalt oben überden Eltern halten. Du solist langausgestreckt liegen, die Hande antwortend auf den Rufzur Hingabe: "Hier bin ich." Die Augen - vielleicht weit offen -, daB du den blauen Himmel über dir siehst und die Wolken und die Vogel. Den Mund lachlend. Und an der Brust die Nelke, die ich dir gab." "Ik wil je eren met het gedenkteken. Allen, die je liefhadden, koesteren je in hun hart, je zal blijvend aanwezig zijn bij allen die je kenden en je dood hebben ondergaan. Maar ik wil je nog anders eren. Ook de dood van jonge oorlogsvrijwilligers wil ik eren, belichaamd in je gestalte. Het zal gegoten worden in ijzer of brons en eeuwen standhouden. Mijn jongen! Op je gedenkteken wil ik je gestalte boven de Ouders aanbrengen. Je zal languit gestrekt liggen, de handen gehoorgevend aan de roep tot overgave: "Hier ben ik". De ogen - wellicht wijd open -, zodat je de blauwe lucht boven je ziet en de wolken en de vogels. Je mond glimlachend. En aan je borst de anjers, die ik je schonk."
Uit het dagboek van de beeldhouwster Kathe Kollwitz, 3 december 1914, in Hans Kollwitz, Kathe Koliwitz.Tageblatter und Briefe. Berlijn. 1948.
Peter Kolhvitz was 18 jaar oud toen hij zich op 4 augustus 1914 aanbood als oorlogsvrijwilliger. Op 12 oktober daaropvolgend verliet hij Berlijn. Hij sneuvelde 10 dagen later, op een 20 km ten noorden van leper (nvdr).
BELEIDSMAATREGELEN De Westhoek ligt intensief bezaaid met grote en kleine sporen van de Eerste Wereldoorlog. Die sporen dienen als materiële en historische getuigen van een dermate wrede en ingrijpende gebeurtenis gekoesterd te worden. Ze moeten bewaard en geduid worden voor het nageslacht, opdat ook de volgende generaties zouden inzien welk vreselijk drama zich hier heeft afgespeeld. Vaak zijn ze echter, door allerhande factoren, in precaire toestanden terechtgekomen. Indien geen adequate maatregelen getroffen worden op korte termijn, zal een deel van dit waardevolle erfgoed geheid verdwijnen. De relicten zijn geografisch en inhoudelijk zodanig met elkaar verweven dat ze een contextuele aanpak vereisen. Heel vaak zijn ze te herleiden tot geografische en/of inhoudelijke clusters. Bovendien wordt de betekenis van de vele relicten, groot of klein, ontleend aan het feit dat ze in een bepaalde regio met een bepaalde densiteit voorkomen. Ze hebben een rechtstreekse relatie met het omliggende landschap, dat op zijn beurt een authentieke getuige is van de oorlogsgebeurtenissen en drager van heel wat ondergronds erfgoed (de archeologische relicten). Precies omwille van de materiële en immateriële samenhang van haar diverse componenten is het oorlogserfgoed in de Westhoek immers zo waardevol.
Consolidatie, onderhoud en restauratie Betonnen bunkers en schuilplaatsen kunnen in de meeste gevallen zondermeer ongemoeid gelaten worden. Ze kunnen doorgaans de tand des tijds verder doorstaan, zolang er geen sloophamers of kranen aan te pas komen. Andere relicten, zoals begraafplaatsen of gedenktekens, vergen dan weer een regelmatige onderhouds-
Een verwaarloosde
beurt. Voor de militaire begraafplaatsen wordt dit onderhoud waargenomen door specifieke instanties of wordt het uitbesteed aan private maatschappijen. Zorgwekkender lijkt de toestand van graven van militairen op burgerlijke begraafplaatsen. Vooral voor gedenktekens zijn de verantwoordelijken vaak niet zomaar aan te wijzen. Wie is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de demarcatiepaaltjes die destijds door de Touring Club de Belgique werden geplaatst? Of voor de enkele particuliere gedenktekens, die nu door de nabestaanden 'vergeten' geraken? Al nemen heel vaak gemeenten spontaan hun verantwoordelijkheid voor deze gedenktekens op hun grondgebied. Voor een aantal gedenktekens zijn de verantwoordelijken niet duidelijk, met pijnlijke toestanden als gevolg. Een bedroevend voorbeeld is ongetwijfeld de Vliegenierskapel in Kaaskerke, bij Diksmuide, een privaat gedenkteken, prachtig gelegen in de polders achter de IJzertoren, waar vandalisme en verkrotting de laatste jaren zwaar toegeslagen hebben. Al jaren bestaat er onduidelijkheid over het beheer van deze site. Sommige relicten vragen om een grondig herstel. O m de restauratie van grootschalige gedenktekens te bekostigen, zullen de verschillende betrokken instanties de handen ineen moeten slaan. Een recent geslaagde restauratie is deze van Den Engel op de Kemmelberg, waarbij fondsen werden bijeengebracht door de Provincie West-Vlaanderen en de Franse overheid. Bij de bescherming van een relict in uitvoering van het Decreet van 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten, kan restauratie als doelstelling meegenomen worden, zeker indien
Duitse bunker, net buiten het domein van de Dodengang, Kaaskerke (foto 0. Pauwels)
Een wegwijzer om wegwijs te geraken in de wirwar van Belgische loopgraven. In de omgeving van Noordschote werden een 15-tal van dergelijke stenen teruggevonden (foto 0. Pauwels)
M&L
dit gekoppeld wordt aan een eventuele ontsluiting in de toekomst. Maar ook de andere sporen van de oorlog vragen om de nodige aandacht. Sommige zeldzame restanten van militaire infrastructuur, zoals de gaarkeukens in Pollinkhove (bij Lo), bevinden zich in een bijzonder hachelijke toestand. De weinige sporen van de wederopbouw vragen om een continu waakzaam oog. Heel delicaat zijn bijvoorbeeld de grafische restanten, zoals tekeningen, teksten en opschriften, die langzaam aan dreigen te vervagen.
Erkenning als Unesco Werelderfgoed Het uitgangspunt voor het opzetten van het inventarisatieproject was de erkenning van het oorlogserfgoed in de Westhoek als Werelderfgoed. Sinds 2002 is de " Westhoek. Relicten van de Eerste Wereldoorlog opgenomen in de indicatieve lijst van het cultureel en natuurlijk Werelderfgoed (Unesco). Een opname van het oorlogserfgoed op de lijst van de Unesco zou een belangrijke internationale erkenning betekenen, een duidelijk signaal om te streven naar het behoud van deze relicten. De erkenning als Werelderfgoed past bovendien in een globale benadering waarbij belang wordt gehecht aan de (mogelijke) ontsluiting en de draagkracht van de site, de sensibilisatie rond dat erfgoed, de omkadering in een (thematisch) netwerk, enzovoort.
De beschermde
Een dossier voor de erkenning als Werelderfgoed indienen is echter pas mogelijk indien alle beschermingsmogelijkheden op landelijk niveau voldoende gerealiseerd zijn. Bovendien moeten relicten omgeven zijn door een bufferzone, een voorwaarde die niet steeds gemakkelijk te realiseren valt. Het wordt meer en meer duidelijk dat een eenduidige oplossing voor het behoud en de bescherming van het oorlogserfgoed niet voor de hand ligt. Ondermeer door het hoge aantal relicten en de bepalende contextuele en landschappelijke benadering moet ernaar gestreefd worden om een voor het oorlogserfgoed adequate oplossing te zoeken. Het antwoord zal liggen in een gedifferentieerde aanpak van verschillende mogelijkheden op meerdere beleidsniveaus.
begraafplaats
Hannelore Decoodt is historica en was projectmedewerkster Inventarisatie relicten Eerste Wereldoorlog in de Westhoek
EiNDJNLOTEN (1) Het inventarisatieproject werd uitgevoerd door Nele Bogaert (juni 2003-juli 2005) en Hannelore Decoodt (november 2002augustus 2005). Voor de uitvoering konden de projectmedewerkers rekenen op de hulp van talrijke vrijwilligers, verenigingen en instellingen. Het project werd begeleid door een stuurgroep, waarin vertegenwootdigers zetelden van de Afdeling Monumenten & Landschappen, het Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed, de Provincie West-Vlaanderen en het In Flanders Fields Museum. (2) In dit artikel wordt karig omgesprongen met cijfermateriaal, omdat dit cijfermateriaal verre van eenduidig is en op heel diverse manieren geïnterpreteerd kan worden. De gegevens van het inven-
Bedford House Cemetery. Zlllebeke (foto D. Leroy)
(3)
tarisatieproject werden ingevoerd in een databank. Zo werden
1917 worden herdacht op de gedenkmuur op Tyne Cot Cemetery.
meer dan 1300 'items' in de databank ingevoetd. 1 item kan ech-
Voor de Nieuw-Zeelanders en Newfoundlanders werden afzon-
tet bestaan uit meerdete teiicten. De 7 schuilplaatsen van Langhof
derlijke gedenktekens opgeticht op Buttes New British Cemetery,
Fatm (Zillebeke) bijvoorbeeld zijn in 1 databankfiche ingevoerd.
Messines Ridge British Cemetery en eveneens op Tyne Cot Ceme-
CHIELENS P., Het frontkndschap in de Westhoek ds authentieke
tery. Iets meer ten zuiden, net over de taalgrens, ligt het Memo-
getuige (onmig. werkdocument), 2004.
rial van Ploegsteert. In het noorden van de Westhoek tenslotte
(4)
Ibidem.
worden een 550-tal Britten herdacht op een kleiner gedenkteken
(5)
De werking van 'Ootiog en Vrede in de Westhoek' steunt op 5
in Nieuwpoort.
pijlers: 'wetenschappelijk onderzoek', 'zorg en ontsluiting van het
JACOBS M.. Zij, die vielen als helden... Inventaris van de oorlogs-
'bekendmaking van Oorlog en Vrede in de Westhoek'. De coör-
gedenktekens van de twee wereldoorlogen in West-Vlaanderen ,
dinatie gebeurt door Aleid Hemeryck, vanuit het streekhuis
Brugge, 1995(deel l ) e n 1996 (deel 2) en MEIRE J., Dfrt/feiW!
Esenkasteel. Contact: Aleid.Hemetyck^West-Vlaanderen.be of
de Salient. De herinnering aan de Eerste Wereldoorlog rond leper,
0 5 1 / 5 1 9 3 65. (6)
Over de Britse militaire begraafplaatsen en de principes van de Imperial/Commonwealth War Graves Commission werd infor-
Ierse Vredespark. The Island of Ireland Peace Park. MesenlMessines, Mesen, 1999. Zie ook: UREEL E., Over een Ierse toren en Ierse
nering aan de Eerste Wereldoorlog rond leper, Tielt, 2003; GIB-
kruisen. Een "Round Tower" en "High Crosses" in de leperhoog, in
MAELE S., Britse oorlogskerkhoven en monumenten voor de gesneuvelden van 1914-1918 in Noord-Frankrijk en West-Vlaanderen
bij OLDHAM P., Pill-boxes on the Western Front. A guide to the design, construction and use of concrete pill boxes 1914-1918. Lon-
nen. Hun opstelling en uitvoering op en in de nabijheid van Britse
don, 1995. Zie eveneens VERBEKE R., Betonnen schuilplaatsen
militaire begraafplaatsen, in Shrapnel, novembet 1992.
en bunkers op www.digilife.be/teleducatie/vbssj/omd99/Roger%
Informatie m.b.t. de Duitse militaite begraafplaatsen kan o.m.
20Vo/o20Verbeke/versterkingen.htm. BOSTYN E en DEN D O O -
teruggevonden worden in KAMMERER W., Deutsche Kriegsgra-
VEN D., De Westhoek en het Stenen Erfgoed van de Eerste Wereld-
berstdtten im Westen und Afrika, Asien, Nord- und Südamerika,
oorlog in Open Monumentendag. 14 september 2003. Steen in de
Australien. Volksbund Deutsche Knegsgraberflirsorge e. V. Arbeitfiir
zuidelijke Westhoek. Brochure uitgegeven door het Samenwer-
den Frieden, Kassei, 2001 of op de website www.volksbund.de.
kingsverband zuidelijke Westhoek, 2003. (15) Informatie inzake de spoorwegbedding Nieuwpoort-Diksmuide
begraafplaats in Langemark op www.digilife.be/teleducatie/vbssj/
is voor een bescheiden deel afkomstig van eigen bevindingen, en
omd98/omdl6.htm of CELIS M., Zonnebeke (Passendale), Tyne
grotendeels afkomstig van de bevindingen van W. Hulstaert
Cot New British Cemetery. Langemark, Duitse militaire begraaf-
(VIOE), die in opdtacht van de VLM onderzoek uitvoetde naar
plaats. Cries and Whispers, in BUYLE M. e.a.. De beeldentaal van
de restanten van de spoorwegbedding Nieuwpoort-Diksmuide.
symbolen (M&L Cahier, nr. 10), Brussel, 2002.
(9)
Gidsenkroniek Westland, 2002/5. (14) Meer informatie ovet bunkers of schuilplaatsen is terug te vinden
(onuitgeg.lic.verh.), RUGent, 1986; DEBRUYNE T , Grafite-
Zie eveneens MISSINE R. en VERBEKE R., De Duitse militaire
(8)
Tielt, 2003. (13) Er werd een brochure uitgegeven inzake het Ierse Vredespark: Het
matie gehaald uit: MEIRE J., De stilte van de Salient. De herin-
SON en WARD, Courage Remembered, London, 1989;VANDE-
(7)
(12) Veel informatie inzake ootlogsgedenktekens is terug te vinden bij
etfgoed', 'cultuurtoeristische valorisatie', 'leren uit de oorlog' en
(16) Deze bevindingen zijn gebaseerd op onderzoek van Roger Verbeke
Zie DE WEVER B., Lijken als zaden in 't zand. De Langemarck-
en van Willem Hulstaert, in opdracht van de VLM. Piet Chiclens
mythe van de Eerste tot de Tweede Wereldoorlog, in CHIELENS P.
wijdde er eveneens over uit in DE ROO N. e.a.. De verbeelding van
e.a., Dead.lines. Oorlog, media en propaganda in de 20" eeuw,
de Westhoek, Tielt, 2000. De ontcijfering van de Arabische tekens
Gent-Amsterdam, 2002.
gebeurde door een hoogleraar op de universircit van Dubai.
Over de Franse militaire begraafplaatsen is nog maar weinig geschreven. De hier neergeschreven informatie werd o.m. versttekt door Philip Geldhof en Roger Verbeke. Zie ook MEIRE J., De
(17) Zie SERCU A., De Ziegler-bunker: ons Boezingseparadepaard, in Boezingenaar, 2005, nr. 2. (18) Cryer Farm werd opgegraven door ABAF (Association for Battle-
stilte van de Salient. De herinnering aan de Eerste Wereldoorlog rond
field Archaeology in Flanders). Tit VANCOILLIE J., Halfweg
leper, Tielt, 2003.
Menin Road en Ypernstrasse. Gheluvelt 1914-1918 (Association for
(10) De meeste informatie m.b.t. Belgische militaire begraafplaatsen
Battlefield Archaeology in Flanders. Studies 3), Voormezele, 2002.
is afkomstig van notities van Roger Verbeke. Zie o.m. VERBEKE
(19) Wat recente uitgaven betreft inzake ondergrondse systemen en
R., De Belgische grafsteen, in VLFF-flash, nt. 10 (maart-april-mei
ondergrondse oorlogsvoering, zie o.m. BARTON P. , DOYLE P
2004). Zie eveneens BOSTYN F. en DENDOOVEN D., De
enVANDEWALLE J., Beneath Flanders Fields. Tunnels en mijnen
Westhoek en het Stenen Erfgoed van de Eerste Wereldoorlog in Open
1914-18, Zonnebeke, 2005. Er werd eveneens informatie ge-
Monumentendag. 14 september 2003- Steen in de zuidelijke West-
haald uit BOSTYN R, De vergeten oorlog onder de Salient. Bij-
hoek. Brochure uitgegeven door het Samenwerkingsverband zui-
drage tot de geschiedenis van de Tunnelling Companies in Vlaande-
delijke Westhoek, 2003. (11) De namen van de Britse vermisten van vóór 16 augustus 1917 werden op de Menenpoort gebeiteld, die van na 16 augustus
ren (1915-1918) (onuitg..lic.verh.), KULeuven, 1998. Ook de bijdragen over de Yorkshire Trench & Dugout, opgegraven door de Diggers werden geraadpleegd (terug te vinden via www.wol.be).
Marc Dewilde, Mathieu de Meyer en Nicholas J. Saunders
ARCHEOLOGIE VAM DE "GROOTE OORLOG". DE VLAAMSE SITUATIE
Zonnebeke, Augustijnenabdij. Bi] verder onderzoek bleek de houten constructie een trap te zijn. Rechts is de eerste trede al zichtbaar
Tot voor kort waren enkel en verzamelaars geïnteresseerd Vlaanderen.
van
amateur-archeologen
oorlogsmemorabilla
in de archeologie Dit als archeologie
doet evenwel heel wat van hun teveel eer aan. De onderzochte waren in veel gevallen
bestempelen
geldende
van de slagvelden
na 1918.
voort uit en
Daarbij
nivellering werd het
om te
van te
verkopen
maken.
mate afhankelijk
regio
van het
Zo kochten veel pelgrims
bezoekers meestal ook herinneringen
en
aan hun
bezoek. De oorsprong
Eigenlijk vloeiden deze activiteiten
verzameld
akker-
economie van de leperse
vindplaatsen
methodologie.
van opruiming
De naoorlogse
was in belangrijke
opgegra-
tot vruchtbaar
of om er oorlogssouvenirs
slagveldtoerisme.
volgens de
een lange traditie
land, werd metaal
activiteiten
immers noch
ven, noch geïnterpreteerd archeologische
van WO I in
terrein weer omgezet
van de archeologie
van de
" G r o o t e O o r l o g " is dus onlosmakelijk
verbon-
den met opruiming,
toerisme en herinnering
is dat tot op heden
gebleven.
en
DE VOORGESCHIEDENIS Professionele archeologische betrokkenheid bij W O I kwam vóór 2002 maar sporadisch voor. Onderzoek van prehistorische, Gallo-Romeinse en middeleeuwse vindplaatsen slorpte alle energie, middelen en personeel op. Er werden helemaal geen aanstalten gemaakt om de uiteengereten resten van een oorlog, die nog geen eeuw oud was, te gaan onderzoeken; enkele uitzonderingen niet te na gesproken. Bij de opgravingen van de Augustijnenabdij van Zonnebeke door het toenmalige Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP) werd in 1989 een ondergronds soldatenverblijf («/«g'-o«z) ontdekt en verkend (1). Zonnebeke bevindt zich in het hart van de Ypres Salient, de slagvelden in een wijde boog rond leper. De verblijfplaats was 6 m diep aangelegd, onder de kerk, die volledig in puin lag, zoals luchtfoto's uit 1917 aangeven. Bij de archeologische begeleiding van de infrastructuurwerken voor de uitbreiding van het leperse industrieterrein werden naast Ijzertijd- en Romeinse sporen ook de resten geborgen van een dertigtal gesneuvelden uit W O I. Ook de loopgraven, aansluitend op een al vroeger gekende ondergrondse schuilplaats, werden uitvoerig gedocumenteerd (2). Het IAP was hier actief van midden 1998 tot midden 1999. O p verzoek van de gemeente Zonnebeke werd een andere dug-out, bekend als de Bremen Redoubt, in 1999 gefotografeerd en ingetekend door het IAP
• Boezmge.
Het zag er immers naar uit dat de structuur geen lang leven meer beschoren was. In 2000 werd een gedeelte van de Belgische schuilplaatsen langs de spoorwegbedding DiksmuideNieuwpoort nauwgezet in kaart gebracht. Het graven van een gracht had ze aan het licht gebracht en gedeeltelijk verwoest (3). Veralgemenend kan gesteld worden dat alle andere opgravingen van W O I sites niet door professionele archeologen werd uitgevoerd (4). Wel werd F. Wyffels voor het IAP nog enkele keren ter hulp geroepen door de Diggers, een locale amateurvereniging, om ondergrondse schuilplaatsen op te meten. De situatie veranderde drastisch in 2002. Archeologie van de " Groote Oorlog werd toen opgenomen in het algemene takenpakket van het IAP en werd een normale archeologische activiteit in WestVlaanderen. Toenmalig minister P Van Grembergen droeg op 6 februari 2002 het IAP immers op om archeologisch onderzoek te doen op de geplande uitbreiding van de A 19 doorheen de Ypres Salient. Hij wilde een evaluatie van de mogelijke impact van wegenbouwactiviteiten op het W O I erfgoed (5). De consequenties voor de beoefening van de archeologie in Vlaanderen zijn niet te onderschatten. Een jaar later, in november 2003, kondigde de minister nog de oprichting aan van een cel W O I archeologie binnen het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), de opvolger van het IAP Het lopend onderzoek op het geplande A 19traject zat hier uiteraard voor veel tussen. Dit initiatief werd gesteund door de Vlaamse universitei-
• Zonnebeke,
Industrie III.
Bremen Redoubt.
Vanuit een loop-
Houten geraamte
graaf verschafte een
van de onder-
trap toegang tot
grondse slaapplaats
een ondergrondse
( 3 x 2 soldaten
schuilplaats
naast mekaar)
ten, de Dienst voor Opruiming en Vernietiging van Oorlogstuigen (DOVO) en een brede waaier van internationale specialisten en instellingen (6). Later werd ook nog de Association for World War Archaeology (AWA) opgericht, die dit soort onderzoek wil promoten en bekend maken (7). Na 85 jaar ad hoc onderzoek en ingrepen door amateurs was in de tijdspanne van iets meer dan een jaar een professionele W O I archeologie geboren, die werd uitgevoerd binnen het bestaande juridisch kader en volgens de regels van de archeologische kunst. Ondertussen was de discussie over de wenselijkheid en de betekenis van W O I archeologie volop aan de gang. Allerlei aspecten van deze vorm van archeologie kwamen in een breder perspectief uitgebreid aan bod. Is archeologisch onderzoek überhaupt nodig, aangezien er een overvloed aan documentatie - loopgravenkaarten, luchtfoto's, brieven, memoires, regimentsboeken - beschikbaar is? Maakt het W O I erfgoed echt deel uit van het Vlaams archeologisch erfgoed? Zijn " Groote Oorlog resten oud genoeg om archeologisch belangrijk en waardevol genoemd te worden? Moet het W O I bodemarchief gelijkwaardig beschouwd worden aan dat van andere periodes? Is het aangewezen een
Britse loopgravenkaart. Van Caesar's Nose tol Cross Roods
inventaris te maken van het volledige W O I erfgoed en geselecteerde sites te beschermen, zoals dat gebeurt voor oudere periodes? Kunnen veldkarteringen betrouwbare informatie aanleveren over 'ondergrondse' vindplaatsen? In welke mate kan de sociale impact van W O I archeologie bijdragen tot het aanvaardbaar maken van archeologie in het algemeen in Vlaanderen?
De Duitse linies (rood) 2i|n gedetailleerder weergegeven dan de eigen loopgraven
•4 Mozaïek van luchtfoto's In een Geografisch Informatiesysteem. We zien hetzelfde gebied Coesor's Nose-Crass Roods. De loopgraven tekenen zich veel gedetailleerder af (situatie juli 1917) (luchtfoto's: copyright in ftonders fields documentatiecentrum / onderlaag: copyright GIS Vlaanderen)
A/I&L
•
INVENTARIS VAN ARCHEOLOGISCHE SITES UIT DE EERSTE WERELDOORLOG
De belatigri|kste frontlijnen in WestVlaanderen (schematisch): de leperboog,
De start van het A l 9 project was ook de start van het eerste grote W O I archeologieproject in Vlaanderen. Het inventariseren van het erfgoed begon echter al wat vroeger. In het kader van de uitbouw van de Centrale Archeologische Inventaris, in het bijzonder voor de gemeente Houthulst, kreeg dit erfgoed al in 2001 aandacht. De ervaring leerde alvast dat loopgravenkaarten {trenchmaps) niet nauwkeurig genoeg, dan wel onvolledig waren (8). Luchtfoto's, in de mate dat ze beschikbaar waren, bleken zonder meer betrouwbaarder. Bij het Al 9 project werd dan ook meteen uitgegaan van de informatie die de luchtfoto's aanbrachten. Dit werd gecombineerd met een intensieve veldkartering, waarbij de locale bevolking uitgebreid werd bevraagd.
de Mesenboog, het IJzerfront, de kustverdediging en de Hotondstellung (Hollandlime)
leperboog
Mesenboog nest /
De verlenging van
uit het vooronder-
de AI9 betekende
zoek uitgezet op
een forse streep
het nieuwe tracé,
door het WO I-
Negen locaties leken
landschap. Een deel
de moeite waard
van de informatie
om te onderzoeken
Battle of i Bixschote
In mindere mate werden loopgravenkaarten, dagboeken, regimentsgeschiedenissen en andere documenten nagekeken. Naderhand is gebleken dat ook geofysisch onderzoek (bijvoorbeeld elektrische weerstandsmeting) zeer nuttig kan zijn. Bij het CAI-werk werd ook gestoten op restanten van de Hollandstellung, een Duitse linie langs de Nederlandse grens en allerlei versterkingswerken langs de Vlaamse kust.
HET A 19 PROJECT
Wood 15
Verzet
A19 Britse loopgraven Duitse loopgraven Frontlijnen tot en met mei 1915 nderzoekszones 'm Duitse smalsporen Oppervlakteconcentraties veldprospcctie
German Hinterland High Command K
Redoubt
Turco'
Cross Roads / Canadian dugouts
M&L
Forward Cottage
Het A 19 project bestond uit een inventaris en verschillende proefopgravingen, bedoeld om het geplande traject van de uitbreiding van de A 19 - Wieltje bij leper tot Steenstraete in LangemarkPoelkapelle — archeologisch te onderzoeken. De nieuwe autoweg zou 7 km doorkruisen van de noordelijke sectie van de Ypres Salient, een zone met een rijke en complexe militaire geschiedenis. Zowel de Tweede (april-mei 1915) (9) als de Derde slag om leper, die begon op 31 juli 1917 (10) en vastliep in Passendale, lieten hier voelbare sporen na. In dit gedeelte van de Ypres Salient werd voor de eerste maal gebruik gemaakt van gas door de Duitsers op 22 april 1915 (11). Ook van deze belangrijke 'technologische' evolutie werden tijdens de opgravingen trouwens materiële sporen aangetroffen. Er werd in eerste instantie vooral gefocust op de eigenlijke aanleiding: de ministeriële opdracht. Wat is er bewaard aan W O I resten en in welke staat? Steekt er nog veel onder de grond en is het goed bewaard gebleven? Kunnen er nog veel menselijke
Bi| veldkartermg kunnen concentraties van allerlei vondstenmateriaal In kaart gebracht worden. De Duitsers hadden ook beschermende borstkurassen {Sappenpanzer) hier geschouwd door Ierse Guords (copyright: Ospre/ PuMsliing,£li(e84 - Dr Stephen Buil
resten aangetroffen worden? Hoe zijn die resten bewaard? Welke verstoring van archeologische en menselijke resten kan aangericht worden door eventuele wegenbouw (12)? Naderhand kwamen de fundamentele vragen aan bod. Vooral de zin en het nut van dit soort onderzoek zorgden voor geanimeerde discussies.
2002;//)
Er werd besloten dit aan te pakken als een opgraving van een reguliere archeologische site. Dit impliceerde een doorgedreven vooronderzoek van het studiegebied.
De inventaris In een eerste fase werden de belangrijkste frontlijnen in kaart gebracht op basis van Britse en Duitse luchtfoto's en trenchmaps: loopgraven, prikkeldraadversperringen, smalspoorwegen, bunkers, enz. werden ingetekend in een Geografisch Informatiesysteem. Deze gegevens werden gebruikt als leidraad voor een veldkartering van het volledige
traject (lengte: 7km / breedte: 100m). Zo werden de meeste akkers onderzocht op de aanwezigheid van opgeploegd oppervlaktemateriaal. Bij deze veldprospecties kwamen duidelijke concentraties aan het licht. Er werden resten gevonden van munitie {schrapnels, obussen, loden balletjes, springstoflatjes, schroot en kogels), prikkeldraad-
Sint Jan. Forward 0
•
f
20m
Cottage Geofysisch onderzoek.
•** z? : -
;
Een gedeeltelijke .
.
- ^ • ^ .
m
»•>•.-
opgraving van het
»•
'S
terrein bevestigt
'Ti
aan dat ook de
de geofysische Indicaties en geeft
tagmarwaa^H
aMtó/s
X
ar. . - *
••
zwakkere signalen belangrijk zijn.
\
^ •Sy
R I , ) ° ^ ^^^C^'X
/
o»,
~4&
ij
\
10 m
M&L
versperringen (rollen prikkeldraad, 'zwijnestaarten' (13), fragmenten prikkeldraad), loopgraven {duckboards, versteende zandzakjes), smalspoorwegen, telefoonleidingen, bunkers (volledige exemplaren of puin), wapens en uitrustingselementen (scherven van flessen of rumkruiken, fragmenten van helmen, een harnas, spaden) en uiteraard ook heel wat munitie (obussen, handgranaten, kogels, enz.). Ook verzakkingen in de akkers en weilanden werden in kaart gebracht, omdat deze kunnen wijzen op de aanwezigheid van deep dug-outs. Tijdens de campagne werden ook alle landbouwers die land bezitten op het traject geïnterviewd over de aanwezigheid van W O I resten op hun velden. Meer dan zeventig personen hebben meegewerkt. Een aantal van deze getuigenissen waren een belangrijke bron van informatie. Opmerkelijk waren de resultaten die behaald werden bij het controleren van enkele grachten die tijdens de winter geruimd werden. Zo werden op verschillende plaatsen in het profiel van de gracht loopgraven en smalspoorwegen aangetroffen. Naast de verwerking en studie van luchtfoto's bleken ook bepaalde archiefstukken een grote waarde te hebben. Zo waren de dagboeken van de Duitse majoor Rudolf Lange een rijke bron aan informatie. Hij had voor een groot deel van het gebied aantekeningen gemaakt en schetsen van de loopgraven, zelfs enkele aquarelletjes. Ook binnen- en buitenlandse specialisten reikten heel wat nuttige bronnen en archiefstukken aan die voor het onderzoek heel belangrijk waren en verwerkt werden.
T Sint Jan, Turco. Onderzoek van de Britse linies.
O p basis van de uitgebreide inventaris werden negen zones geselecteerd waar meer terreinwerk zou plaatsvinden. Sommige sites werden gedeeltelijk opgegraven. O p één ervan werd ook een geofysisch onderzoek uitgevoerd, in casu magnetometrie (14). De luchtfoto's en het archiefmateriaal voor
• Sint Jan, High
Loopgraaf en de
Command
vloer van een
fiedoutt
Restanten van de
schuilplaats
Duitse stellingen.
T Sint Jan, Cross
en een geschuts-
Roods Britse loop-
stelling
graaf met A-frames
(op de voorgrond)
deze sites werden nog intensiever bestudeerd. Naderhand werd het opgravingsplan geprojecteerd op de resultaten van het luchtfoto-onderzoek. Zo konden de opgegraven loopgraven nauwkeuriger gedateerd worden en kwamen de verschillende fasen van de frontlijn beter in beeld.
Ingestort dak van een schuilplaats
De resultaten van het magnetometrisch onderzoek op Forward Cottage werden in 2005 getoetst aan een kleine opgraving, gefinancierd door de Canadese productiemaatschappij YAP Films. De combinatie van luchtfoto's, geofysisch en archeologisch onderzoek beklemtoont de mogelijkheden van de niet-destructieve methode.
De opgravingen De opgravingen van de zones, die op basis van het vooronderzoek waren uitgekozen, leverden uitstekende archeologische resultaten op. De proefsleuven op Turco (15) leverden onmiddellijk aanwijzingen op voor loopgrachten (greppels met loopplanken of duckboards), schuilplaatsen of
M&L
Sint Jan, Cross
juli 1917 werden
legd en hcraange-
Roods. Grondplan
op verschillende
legd
van de opgravingen,
momenten duchtig
Tussen mei 1915 en loopgraven aange-
shelters en geschutsposten, die met de situatie in 1915 konden gelinkt worden. Ook werden de skeletten van een Britse en een Franse soldaat geborgen. Uiteraard mobiele vondsten bij de vleet (munitie, uitrustingsstukken, bevoorradingsmateriaal, . . . ) . In twee proefsleuven ter hoogte van High Command Redoubt (16) werden zeer goed bewaarde resten gevonden van Duitse stellingen. Door het over-
vloedig gebruik van solide constructiehout zijn loopgraven, schuilplaatsen, enz. veel substantiëler bewaard. Grote betonconcentraties wijzen op de gecombineerde aanwezigheid van bunkers. Archeologisch gezien is dit duidelijk een vijfsterrenzone! O p Cross Roads (17), symbolisch gelegen aan het huidige eindpunt van de A 19 en onder zware druk van de mogelijke uitbreiding, konden grootschaliger opgravingen uitgevoerd worden. Een vlak van 125 op 45m kon daarbij onderzocht worden. O p nieuw kwamen tal van loopgraven aan het licht, samen met shelters,, munitiedepots en geschutsstellingen (18). Waar de frontlijn zich tussen 1915 en 1917 stabiliseerde, merken we een duidelijke evolutie in de bouw van de loopgraven. Allerlei oversnijdingen wijzen op wisselende oorlogskansen en veranderende gevechtslinies. Rechtlijnige, ondiepe loopgraven evolueren tot een zigzagsysteem met communicatieloopgraven, die shelters, depots en geschutsposten verbinden. Ook de opbouw wijzigt door de introductie van nieuwe onderdelen zoals de A-frames, metalen platen {corrugated iron), kippengaas {expanded metal) en zandzakjes. Kwestie van het 'comfort' en de veiligheid te verhogen (19). •4
De vondsten, die tijdens de operavineen opduiken, "" 'an' ross r u J •••! i j i (too*. Loopgraaf rerereren naar het dagelijkse leven in de loopgraven, met Mrams m de materiële cultuur van de oorlog. Onderdelen dudéoords
IDENTIFICATIE VAN GESNEUVELDEN De identificatie van de gesneuvelden zou het orgelpunt kunnen zijn van de archeologische aanpak van de aangetroffen menselijke resten. Helaas blijft dit meer uitzondering dan algemene regel. De vele honderden, geborgen skeletten - er zijn zo'n 100.000 vermisten in Vlaanderen - blijven meestal naamloos, onbekend. Slechts nu en dan is identificatie mogelijk. Het ontbreken van metalen identificatieplaatjes {dog tags) is hiervan de grote oorzaak. Blijkbaar duurde het tot eind 1917 vooraleer ze algemeen in voege kwamen. Ook het 'strippen' van de gevallenen, het weghalen van alle uitrustingsstukken en persoonlijke bezittingen - op het uniform en de schoenen na - bemoeilijkt het onderzoek. De bewaringsmogelijkheden spelen ook een belangrijke rol. De corrosie van het metaal is soms zo ver gevorderd dat er niets meer te redden valt. Maar toch, soms lukt het al eens! Toen het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium de infrastructuurwerken voor de uitbreiding van het leperse industrieterrein volgde, werden midden 1998 in de vulling van een bomkrater vier gesneuvelden aangetroffen, vier Franse Zoeaven.
• Boeiinge, 1998. Ti|dens de opgravingen werd geleideli|k duidelijk dat 4 soldaten op elkaar waren gevallen. Francois Metzinger was als eerste gesneuveld
IVI&L
Een van hen had z'n naam — Francois Metzinger — gekrast in een metalen plaatje. Hij was een legioensoldaat, afkomstig uit de Elzas en bij de gasaanval in 1915 omgekomen. Zijn resten werden gerepatrieerd. In 1998 werden in een tuin (Spilstraat-Zonnebeke) de stoffelijke resten van een gesneuvelde geborgen. Hij behoorde tot de Gordon Highlanders en had een mes op zak; op het heft was y/?7'gekerfd. De combinatie van deze initialen, de locatie, het regiment en DNA-onderzoek wees uit dat het John Robert Thomson betrof, die sneuvelde op 4 oktober 1917, de meest cruciale dag van de derde slag om leper, die vastliep in Passendale. Soms kan het ook misgaan. In augustus 2000 vonden de Diggers in International Trench de resten van een soldaat, behorend tot het 5th Btn York and Lancaster en een scheermes, waarop 716 is gegraveerd. Behoorde het mes, afgaande op het nummer, toe aan George Herbert Parker, gesneuveld op 11 juli 1915 - toen 23 jaar oud en afkomstig uit Barnsley? De DNA-test was echter negatief! Het No Mans Land Team, bestaande uit Britse en Vlaamse wetenschappers en enthousiastelingen,
stoot in oktober 2003 bij onderzoek van een loopgraaf in Serre (Noord Frankrijk - Heidenkopf) op een drietal Duitse gesneuvelden. Bij één ervan zou een opeenvolgende reeks van deducties tot een positieve identificatie leiden. De mouwen van de uniformvest waren van Zweedse makelij. Enkel het 121 Reserve Infanterie Regiment kreeg ze te dragen. De kogeltas bevatte enkel kogels vervaardigd tussen 1911 en 1913. Het deksel van een glazen potje
ledervet wees op een fabriek uit Stuttgart. Op de borst van de soldaat werd een gecorrodeerd, maar toch gedeeltelijk leesbaar identificatieplaatje aangetroffen, gangbaar vóór september 1915. Normaal werden hierop het regiments-, compagnie- en persoonlijk nummer vermeld. Enkel compagnie 7, soldaat 2 waren nog leesbaar. Op de achterkant had de drager evenwel nog andere informatie gekrast: Af..., Hines, Ja..ob. Toen men toegang kreeg tot de lijst van de gesneuvelden van het 121 Reserve Infanterie Regiment bleek er op 13 juni 1915 ene Jacob Hönes uit Munchingen (bij Stuttgart) gesneuveld te zijn in de sector Serre.
Archeologische opmeting van de stoffelijke resten van soldaat Hönes.
De positie van het teruggevonden identificatieplaatje is aangeduid met K
Context 01 (Gornian)
,N'
EntmnoNno toolHoo?
Identificatieplaatje van Jacob Hönes
• Jacob Hones. Onderste rij, helemaal links
IVI&L
touch, die in de traditionele archeologie bijna niet voorkomt. Wat te denken van een lepel, waarin het stamnummer van een soldaat gegraveerd is (21)? Regimentskentekens bewijzen de aanwezigheid van soldaten uit het Royal King's Rifle Corps, het Dorsetshire Regiment. Ook leder en textiel bleven soms bewaard, net als de breekbare mica oogglazen van de eerste gasmaskers uit 1915 (22): een zeer directe en persoonlijke verwijzing naar een individuele soldaat en de veranderende technologie en moraliteit van de oorlog! Meest prangend en dwingend wijzend op oorlog en waar die uiteindelijk om draait, zijn de menselijke resten, die vrijgelegd worden bij het archeologisch onderzoek. Tot op heden zijn in het kader van dit onderzoek de resten van 5 Britse, 3 Duitse en 5 Franse soldaten gevonden. Bij de Cross i?o«^-opgraving zijn in een obustrechter 3 op elkaar gevallen (of gelegde?) soldaten aangetroffen. Zijn ze bij een aanval gesneuveld? Liggen ze daar in afwachting begraven te worden? Eén van de mannen had een pistool (Webley) bij zich; aangezien het geen officier betrof, suggereert dit dat hij een machinegeweer bemande (23). Onvolledige en uit verband gerukte skeletten verwijzen onontkoombaar naar de verschrikkingen van de opeenvolgende bombardementen (24). Bij elke ontdekking komt een andere persoon en zijn persoonlijke geschiedenis binnen handbereik, wat benadrukt dat dit een speciale vorm van archeologie is met een sterke, antropologische dimensie: voortdurend appellerend aan de levens en de herinneringen van mensen, die zich betrokken voelen bij de soldaten van de u Groote Oorlog .
De A19 wordt niet doorgetrokken Ondertussen hebben de Vlaamse regering en de betrokken ministers beslist niet door te gaan met de geplande verlenging van de A 19. Minister-president Yves Leterme kondigde dit aan op een persconferentie in Lo-Reninge op 12 augustus 2005. Het nieuw voorgestelde traject vermijdt de slagvelden en de frontlijnen volledig. Alleen de aanpassing van het huidig eindpunt van de autoweg zal vernieling van W O I erfgoed met zich meebrengen; maar dat is archeologisch een haalbare kaart (25).
Bij de menselijke resten bleven soms belangrijke delen van de uitrusting bewaard. Aan deze gordel was een holster met WeWe/, een bajonethouder, een foedraal voor een veldfles, een kogeltas en een zakje voor een loopgravenschop bevestigd
van de militaire uitrusting (schoenen, knopen, insignes e.a.), gereedschap, wapens en munitie, rumkruiken, persoonlijke bezittingen (polshorloge, scheermes e.a.) komen voor (20). Het feit dat deze objecten bewaard zijn, zorgt voor een persoonlijke
1VI&L
De mate waarin dit onderzoek en het rapport, dat hieromtrent afgeleverd werd, meegespeeld heeft in deze beslissing, is niet met zoveel woorden benadrukt. Zaak is dat het onderzoek de mogelijkheid heeft gecreëerd om een voldragen discussie te voeren, waarbij alle benaderingen, ook de archeologische, aan bod konden komen.
Meteen heeft archeologisch onderzoek aangetoond dat het een belangrijke rol kan spelen wanneer nieuwe projecten moeten geëvalueerd worden. Voorafgaand aan de aanleg (of de uitbreiding) van een industrieterrein, de inplanting van een woonwijk e.a., wordt beter een verkennend archeologisch onderzoek ingepast, zelfs als er maar een klein vermoeden van archeologisch potentieel is!
RECENTE INVENTARISPRQJECTEN Uit het A19-project vloeide voort dat er in 2004 een nieuw inventarisproject werd opgestart in het kader van de Centrale Archeologische Inventaris (CAI). De meeste aandacht ging uit naar de verwerking van luchtfoto's. Er werd vooral geconcentreerd op de leperboog en enkele gebieden waar een bepaald project een bedreiging vormde voor het archeologisch Wereldoorlogerfgoed, zoals een ringweg in Zonnebeke en de uitbreiding van het leperse industriegebied.
"GRQQTE OORLOG" ARCHEOLOGIE IN EEN BREDER PERSPECTIEF Een aantal aspecten van de archeologie van de " Groote Oorlog in Vlaanderen maken haar uniek en onderscheiden haar van andere periodes. Niet in het minst omwille van de duidelijke risico's, die genomen worden. De Britten spreken over "the archaeology of lethal behaviour (26). O m de persoonlijke veiligheid van de opgravers te garanderen is er voortdurend contact met D O V O en worden de archeologen, indien nodig, gebrieft over potentieel gevaar. H u n expertise omtrent oorsprong, type en productiedatum van de explosieven kan ons daarnaast belangrijke informatie bezorgen voor bepaalde interpretaties en dateringen (27).
Een dump Britse gasgranaten wordt
nationale instituten en specialisten (28). Een uniek verschijnsel in dit studiegebied is dat het naast de militaire geschiedenis, een aantal zeer disparate specialismen aanspreekt. Een rijk assortiment van gespecialiseerde kennis over loopgraafconstructie, dug-outhovm, militaire kaarten, luchtfoto's, uniformen en uitrusting, bewapening en munitie. De overvloed aan externe expertise tilde het archeologisch onderzoek op een hoog interpretatieniveau. Meteen werd het V I O E ook het wetenschappelijk forum, waar al deze informatie bijeen kwam (29). Ongetwijfeld het grootste verschil met de traditio-
door 00V0 opgeruimd
Mant Vandenbruaene (VIOE) screent de resten van een soldaat uit het Royol Sussex
Regiment
Ook al anders zijn de structuren en artefacten, die worden aangetroffen. Hier zijn het obustrechters als archeologische sporen; bommen, kogels en granaten als archeologische vondsten. Dit nieuwe, ander archeologisch archief leren lezen en interpreteren is een echte uitdaging voor wie zich in deze periode wil specialiseren. Soms is een andere methodologie echt nodig. De opgravingen leveren ook een enorm grote hoeveelheid vondsten op, waarmee archeologen niet vertrouwd zijn. O m deze moeilijke situatie het hoofd te bieden werd intens hulp gezocht bij inter-
M&L
'*.
-KW ^ c
Begraving van drie Bnlse gesneuvelden op de kleine XTrack begraafplaats nabij Cross Roods
Sint Jan, Cross Roads Hulde aan een Nortdumbertond fusilier
M&L
nele archeologie vormt de omgang met menselijke resten. Nadat de resten gelokaliseerd, getekend, gefotografeerd en antropologisch gescreend (30) zijn, komt de lokale politie alles ophalen. Ook alle bijhorende vondsten - dit kunnen zowel knopen, als schoenen, insignes, uitrustingsstukken of persoonlijke bezittingen zijn - horen daarbij. Ze bevatten immers allerlei informatie over de nationaliteit, het regiment en mogelijk de identiteit van de overledene. Het geheel wordt dan overhandigd aan de instantie van het betreffende land, die zich ontfermt over het lot van de gesneuvelden. Elk volgt dan een eigen procedure, die uitmondt in de formele herbegraving van de resten. In plaats van de
menselijke resten in een depot te bewaren om ze eventueel later nog eens — wanneer nieuwe technieken ingang gevonden hebben — te onderzoeken, worden ze respectvol herbegraven. Nog een ander uniek aspect aan W O I archeologie is de massale media-aandacht, zowel lokaal als internationaal. Kranten en tv-stations uit GrootBrittannië, Canada, Australië, Verenigde Staten en zelfs uit Japan vonden dit nieuwswaardig. Daarnaast bezoeken grote aantallen mensen de opgravingen. Geen enkele opendeurdag op een andere opgraving lokte ooit meer volk. Schoolgroepen (uit Groot-Brittannië, Frankrijk en België), toeristen op
battlefield tour en andere nieuwsgierigen willen de plaats bezoeken waarover ze in de les hebben gehoord, waar een verwant ooit heeft gevochten. De antropologische dimensie van W O I archeologie kan bij deze bezoeken wel eens tot uiting komen. De herinnering en meteen de herdenking, die door de opgraving, door het visueel maken van de oorlogstoestand wordt losgemaakt; de bezoeker, die zich opnieuw verbonden voelt met dit verleden. Zo bracht een bus Britse toeristen, op de plaats waar net de stoffelijke resten van een Northumberland Fusilier waren aangetroffen, hulde door er poppies (klaprozen) en herdenkingskruisjes neer te leggen. Het symbool bij uitstek van remembrance day op 11 november. Archeologisch onderzoek neemt daarmee een plaats in naast de monumenten voor de vermisten, zoals de Menenpoort en de oorlogsgraven, zoals het Tyne Cot Cemetery. Archeologie past perfect in dat herdenkingslandschap en draagt actief bij tot een betere en meer genuanceerde beleving van de " Groote Oorlog . Paradoxaal genoeg ziet het ernaar uit dat hoe dichter de historische informatie bij het heden komt, hoe meer mensen meer geïnteresseerd raken. E-mails, brieven, waarin appreciatie wordt uitgedrukt of hulp aangeboden, bereikten ons in groten getale. Meer dan om het even welke vorm van archeologie stimuleert W O I archeologie directe, publieke participatie. In het verlengde hiervan is de tv-archeologie een nieuw fenomeen, dat evenwel gemengde gevoelens oproept. Waar in de traditionele archeologie televisie focust op spectaculaire, nieuwe ontdekkingen, wordt bij W O I archeologie ingezoomd op de opgravingen zelf. In die mate dat tv-maatschappijen meer opgravingen willen sponsoren, dan officiële instanties eigenlijk aankunnen. De eigen werkingsmiddelen zijn nu eenmaal beperkt. Zaak is zich niet te laten vastpinnen op uitzendschema's, timing en financiële inbreng van de tv-maatschappij, maar de wetenschappelijke gang van zaken ten alle prijze te laten primeren. Er moet over gewaakt worden dat de opgraving kan verlopen, als ware er geen tvploeg op het terrein. Recente opgravingen in Bikschote, Forward Cottage en Caesar's Nose zijn respectievelijk gefilmd door YAP Films en Cream Productions, allebei Canadese maatschappijen. Contractuele verplichtingen weerhouden ons er echter van om informatie vrij te geven vóór de uitzending van de documentaires. Pas dan zullen we commentaar kunnen leveren op de kwaliteit van hun werkstukken.
• Boezinge.
Helm Trench.
VOORLOPIGE CONCLUSIES
In de strijd tegen tiet grondwater had men de A-frames
Ondanks het feit dat de moderne, wetenschappelijke W O I archeologie nog in de kinderschoenen staat, is er al heel wat vooruitgang geboekt en kunnen enkele voorlopige conclusies getrokken worden. Dat het onderzoek naar de "Groote Oorlog meer dan de moeite waard is, is ondertussen meer dan eens gebleken. W O I archeologie is zelfs het betere voorbeeld voor de recente periode (31). Archeologische informatie is anders, accurater en meer gedetailleerd dan wat uit loopgravenkaarten en (lucht)foto's kan afgeleid worden. Zo maakt het veldwerk het mogelijk om plotse veranderingen in de oorlogssituatie te documenteren of worden herstellingen na zware bombardementen duidelijk.
moeten aanpassen / verhogen
M&L
Het bewijs van de aanwezigheid van bepaalde regimenten op bepaalde plaatsen kan cruciaal zijn voor de oorlogsgeschiedenis. Soms toont het terrein zelfs een heel andere realiteit en moet de geschiedschrijving bijgespijkerd worden. Archeologie brengt allerlei artefacten aan, gebruikt of gemaakt door individuele soldaten. Opgravingen kunnen ongekende, onverwachte structuren aan het licht brengen, zoals de ingang van een dug-out {52) of een ondergronds munitiedepot. Ook de evolutie, die de constructie van de loopgraven doormaakt, wordt op detailniveau duidelijk. Zo lijkt het erop dat de breedte van de duckboards (33) daterende informatie zal kunnen geven voor de loopgraven waarin ze aangetroffen worden. Al deze fijnmazige informatie, aangebracht en geïnterpreteerd door de archeologen en de vele betrokken, buitenlandse specialisten, maakt het mogelijk de studie opnieuw op te nemen en de verzamelde feiten te herinterpreteren. Ook kunnen onduidelijkheden of twijfelgevallen verhelderd worden, waar andere disciplines geen oplossingen bieden. De veronderstellingen en interpretaties van de militaire historici, die tot dusver eigenlijk meest hebben bijgedragen tot een beter begrip van het
• Sint Jan, Cross Roods. Dp een loopgraaf sluit de trap aan van een ondergronds depot. De pomp om de zaak droog te houden was nog intact.
oorlogsgebeuren, kunnen nu ook nagetrokken worden. Als er archeologisch potentieel is! Samengevat kan gesteld worden dat archeologisch onderzoek het gekende verfijnt en het ongekende aan het licht brengt. Het beeld zoals men het tot op heden voor ogen had, kan hierbij weerlegd, genuanceerd, aangevuld of bevestigd worden. W O I archeologie heeft een belangrijke sociaalantropologische dimensie en haalt de aandacht van de militaire strategie en de grote slagen weg om die opnieuw te richten op de alledaagse realiteit van het leven van de gewone soldaat in de loopgraven. Daarnaast is er ook de mogelijkheid om bepaalde gebeurtenissen of situaties te linken aan de topografie. Het aanvoelen van de terreingesteldheid — glooiingen, hoogtes en laagtes — kan immers bijdragen tot een beter begrip van al (onvolledig?) gekende slagen of schermutselingen. Archeologie voegt ook een belangrijke component toe aan de tastbare perceptie van het oorlogsgebeuren. Tot op heden was het landschap waarin het zich afspeelde, bepalend. Bunkers, (kleine) soldatenkerkhoven, weides met verspreide ondiepe kuilen of zigzaggende depressies (respectievelijk dichtgegooide obusputten en loopgraven) en de bewaarde of heraangelegde loopgraven refereren naar de
tijd en de mogelijkheid gehad om strategische loca- ^ ties uit te kiezen en te versterken, terwijl de Britten Sint J 3 "' (-ross ,
ii-
i
i
i• i
ii
en de geallieerden voortdurend in het nadeel waren 0
Koaés. Op elkaar
, ,, ,
gestapelde blieken p o o g d e n de D u i t s e stellingen in te n e m e n v a n u i t boards In een zwakkere posities. D u i t s e loopgraven waren g e b o u w d loopgraaf-
om te 'blijven', terwijl de Britse geconcipieerd waren als tijdelijk verblijf tot de volgende aanval. Hieraan kan nog toegevoegd worden dat in de Duitse loopgraven veel minder voorwerpen gevonden worden. Niet dat Duitsers netter zijn. Ze recycleerden vooral meer. Uit noodzaak?
gevechtszones, de (verschuivende) linies, verbandposten, bombardementen, aanvallen, gevechten. Archeologisch onderzoek brengt zoveel meer aan het licht, dat het inleven in en het aanvoelen van de situatie versterkt. De loopgraven waarin ze zich verscholen; de afstand waarop de vijand zich bevond; de voltreffers, die niet te vermijden waren; het zinloze om aan te vallen en het No Mans Landtt overbruggen. Niets is kunstmatig! Goed negentig jaar geleden stonden soldaten hier te koukleumen, waren ze bang, verveelden ze zich, maakten ze grappen, waren ze een seconde later dood. En allemaal mensen, die niet moesten sterven. De opgravingen reveleerden eigenlijk een duidelijk verschil tussen Britse en Duitse structuren. De Duitse zijn veel solider, gebouwd met zware planken, in tegenstelling tot de lichtere, Britse exemplaren. De Duitse techniek om de loopgraven met vlechtwerk te bekleden in plaats van kippengaas of metalen platen bleek voor meer stabiliteit te zorgen. Houten shelters omringen met betonnen muren (meestal bestaande uit betonnen blokken) was een andere Duitse vinding. Wat goed werd bevonden, werd overgenomen. Zo kopieerden de Duitsers het Britse A-frame ^nncipe. (34). ' Dit vormt concreet archeologisch bewijs voor het dikwijls aangehaalde mentaliteitsverschil tussen de beide nationaliteiten. De Duitsers hadden wel de
Eén van de belangrijkste bijdragen van de archeologie in het W O I gebeuren is het lokaliseren en vrijleggen van menselijke resten. De uiterst nauwgezette methode die hierbij gehanteerd wordt, is de absolute norm. Ook de bijhorende artefacten moeten (zoveel mogelijk) in verband met de resten gerecupereerd worden. Zelfs het kleinste bewijsstukje mag niet verloren gaan. Het kan een aanwijzing zijn voor de nationaliteit, het regiment of ... een persoon! Archeologie kan bijdragen om enkele van de vermisten te identificeren. O p die manier krijgen verwanten ook eindelijk iets te horen over hun familielid na bijna 100 jaar. Een verband met het heden, vanuit het verleden en zo persoonlijk mogelijk. Mettertijd zullen vermoedelijk ook uitspraken mogelijk zijn over de geïmproviseerde 'begravingen' in obuskraters of inderhaast gegraven kuilen. Bepaalde 'noodsituaties' hebben de soldaten er immers soms toe verplicht hun gevallen kameraden onorthodox en provisoir te begraven.
ENKELE REFLECTIES OMTRENT HET BEHEER VAN WO l-ERFGQED Nu W O I-erfgoed opgenomen is binnen het algemeen archeologische erfgoed, moet de wetgeving terzake ook onverkort toegepast worden. Archeologisch onderzoek biedt duidelijk een meerwaarde. Zeker de loopgraven, bunkers, dug-outs en shelters vormen in allerlei opzichten een zeer belangrijke bron van informatie (35). Het decreet, dat uitgevaardigd is door de Vlaamse Regering, gaat over het beheer, het onderzoek en de bescherming van het archeologisch erfgoed in Vlaanderen en regelt ook allerlei andere aangelegenheden. Zo is er meldingsplicht voor wie archeologische vondsten aantreft, is het verlenen van opgravingsvergunningen gereglementeerd en is het gebruik van metaaldetectors beperkt tot aan de
Boezinge, Industrie III. Duitse
f
f '
verbindingsloopgraaf
Wréf'*
met resten van schuilplaatsen. Een houten Duitse
,y '-j^n^"
'VvdÉi^
schuilplaats beveiligd met drie muren uit betonblokken
•^•r" A *
W^
^p"
Hl-^fiaakf'
gang zijnde opgravingen. Dit laatste punt wordt momenteel herbekeken. De toepassing van dit decreet (36) op het W O I erfgoed reguleert dus de omgang ermee en kan de schade, die eventueel toegebracht wordt bij allerlei bouwactiviteiten, beheersen. Ook het illegaal graven naar militaria om collecties aan te vullen of uit puur winstbejag kan op die manier aan banden gelegd worden.
M&L
Ook het monitoren van de degradatie van de archeologische sporen is broodnodig. Hoelang nog voor de dug-outs instorten? Wat is de houdbaarheidsdatum van de dunne metalen platen, het kippengaas, allerlei leder en textiel? De aftakeling van de structuren wordt trouwens al te veel door amateurarcheologen als argument gebruikt om de 'ultieme opgraving' te verantwoorden. Een situatie, die een duidelijk standpunt nodig heeft!
Het archeologisch potentieel verschilt duidelijk. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de ongelijke opruiming van de slagvelden. Het houdt uiteraard implicaties in voor de mogelijke veldkartering, de eventuele opgraving en de bewaring van het erfgoed. De redenen hiervoor zijn onbekend. Heeft het te maken met de eigenaars? Wilden sommigen misschien geen opruiming uit respect voor de menselijke resten? Er is immers een voortdurende en sluipende aftakeling van het zichtbare W O I-erfgoed aan de gang. Vooral het bunkerbestand kalft af. Inventarisatie en archeologisch onderzoek spelen een belangrijke rol bij beheer en bescherming van de archeologische sites. Dit blijkt onder andere uit het A l 9 project. Voor de aanleg van industrieterreinen, woongebieden en wegen wordt de laatste jaren steeds meer rekening gehouden met het W O I erfgoed. Een belangrijk actiepunt is al deze informatie een plaats geven in de ruimtelijke ordening en een oplossing zoeken voor de ruime problematiek van bewaring, bescherming, consolidatie etc. De nadruk zal vooral moeten liggen op behoud, eventuele bescherming, maar ook en vooral op onderhoud, duiding en sensibilisade van en voor het oorlogserfgoed. Met de beslissing om de A19 niet door te trekken, werd het (internationale) belang van het A l 9 gebied erkend. Hier speelden zowel inventarisatie en opgravingen een heel grote rol. De resultaten van de verschillende inventarisprojecten zouden in de toekomst ook gekoppeld moeten worden aan de databank waarin alle archeologische inventarissen in Vlaanderen verzameld worden: de Centrale Archeologische Inventaris (CAI) (37).
van geofysisch onderzoek? Moeten alle bomkraters onderzocht worden of is er een verklikkersysteem te bedenken dat aangeeft welke de moeite zijn?
BESLUI! Het ontwikkelen van een verfijnde methodologie is een belangrijke taak voor de toekomst (38). Het onderzoek, dat tot dusver is doorgegaan, zal daarin een bepalende rol spelen. Nooit zal W O 1 archeologie evenwel losgehaakt kunnen worden uit zijn sociaal-antropologische omgeving, die het W O I gebeuren nu eenmaal karakteriseert. Zo wordt het een proefterrein voor opgraving, herdenking, toerisme, erfgoed, bescherming, ... en de combinatie ervan (39).
Mare Dewilde is als archeoloog verbonden aan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), Mathieu de Meyer is als archeoloog verbonden aan de provincie West-Vlaanderen en Nicholas J. Saunders is als cultureel antropoloog verbonden aan het University College London.
EINDNOTEN (1) DEWILDE M., Opgravingen in de Augustijnenabdij van Zonnekke,'mBiekorf,9\,
1991, p. 380.
(2) Ongepubliceerd IAP rapport 1998. (3) Ongepubliceerd IAP rapport 2000. (4) SAUNDERS N.J., Excavating Memories: Archaeology and the Great War, 1914-2001, in Antiquity, 76, 1, 2002, p. 103-104. (5) DE MEYER M. en PYPE P., The A19 Project. Archaeological Research at Cross Roads, (AWA publicatie), Zarren, 2004, p.3.
METHODOLOGISCHE OVERDENKINGEN
(6) DEWILDE M., PYPE P., DE MEYER M., DEMEYERE E, LAMMENS W , DEGRYSE J., WYFFELS F. en SAUNDERS
Er zijn duidelijk een aantal aspecten aan deze archeologie, die een andere benadering, een andere methodologie vragen. Indien men de potentieel gevaarlijke omstandigheden bekijkt, waarin een W O I opgraving zich afspeelt, is het opmaken van een risico-analyse geen overbodige luxe. Is veldkartering en het lokaliseren van concentraties schroot en beton eigenlijk wel een goede prospectiemethode? Wat kan de rol zijn van de metaaldetector in een omgeving, die vol metaal steekt? Kan de metaaldetector een rol spelen in het afbakenen van slagvelden: meestal grote terreinen; zonder structuren, maar met veel los materiaal (kogels, granaten, uitrustingsstukken)? Wat zijn de mogelijkheden
N.J., Belgium's new department of First World War archaeology, in Project Gallery van het tijdschrift Antiquity, 78, 301, 2004. (http://antiquity.ac.uk/ProjGall/saunders/index.htnil). (7) DE MEYER M. en PYPE P., 2004, ibidem, p. 47-48. Op de website http://www.a-w-a.be kan het Wereldoorlog 1 onderzoek gevolgd worden. Hier is informatie terug te vinden over de meeste opgravingen en inventarisatieprojecten. Zie ook DE MEYER M., DEMEYERE F. en PYPE P., The Association for World War Archaeology (AWA); Afresh start for professional World War Archaeology in Western Flanders (Belgium), in Interpreting the past, Ename, 2005. (8) DE MEYER M., 2005, ibidem; DE MEYER M. en PYPE P., 2004, ibidem; DE MEYER M. en PYPE P., Scars of the Great War. New Applications of Battlefield Archaeology in the Ypres Salient.
(9)
The AI9 Project (Western Flanders. Belgium), (Fields of Conflict.
(University of Greenwich), Lautie Millncr (Imperial War Museum),
Ill), Nashville, 2004b; DE MEYER M. en PYPE P., (2006) Scars
Andrew Robertshaw (National Army Museum), Nicholas Saun-
of the Great War (Western Flanders, Belgium), in Fields of Conflict;
ders (University College London), Nigel Steel (Imperial War
Battlefield archaeology from the Roman Empire to the Korean War
Museum) hielpen ons door de eerste, moeilijke fase van het
(red. Scott D., Babits L. & Haecker C ) ; Westport, 2006, p. 359-
onderzoek. Ze blijven zich trouwens ter beschikking houden.
382; DE MEYER M., Het A19 project. Deel 2. Historisch onder-
Dank bij deze!
zoek en inventarisatie (ongepubliceerd VIOE-rapport), 2005b.
(29) DEWILDE M., 2004, ibidem.
Woumen.
(30) Marit Vandenbruaene, fysisch antropologe bij het VIOE.
DIXON J., Magnificent hut not war: The Second Battle ofYpres
(31) BUCHLI V. en LUCAS G., Archaeologies of the Contemporary
1915, Barnsley, 2003.
Past, London, 2001.
(10) STEEL N. en HART P., Passchendaele, London, 2000; LIDDLE
(32) Ondergrondse ruimtes, uitgewerkt met zwaar constructiehout,
P.H. (ed), Passchendaele in perspective: The Third Battle for Ypres,
bereikbaar via verschillende trappenconstructies; bedoeld als
London, 1997. (11) MC WILLIAMS J. en STEEL R.J., Gas! The Battle for Ypres 1915. St. Catharines, Ontario, 1985. (12) DEWILDE M., 2004, ibidem.
slaap- en schuilplaats, hospitaal, hoofdkwartier e.a. (33) Loopplanken, in een poging de modder in de loopgraven te bedwingen. (34) In de loopgraven werden op geregelde afstand houten getaamtes
(13) De piketten, waaraan het prikkeldraad werd bevestigd, waten
in de vorm van een omgekeerde letter A geplaatst. Op de mid-
voorzien van een spiraalvormig uiteinde om ze geruisloos in de
denstijl werden loopplanken gelegd. Zo kon het water circuleren
grond te kunnen dtaaien.
onder de voeten.
(14) Bij magnetomettie worden de variaties in het aardmagnetisch
(35) Archeologische monumenten: alle ovetblijfselen en voorwerpen
veld vastgelegd. Alles wat afwijkt van het normale aardmagne-
ol enig ander spoor van menselijk bestaan, die getuigenis afleggen
tisch veld (kuilen, muien, ...) springt er op de beelden meteen
van tijdperken en beschavingen waarvoor opgravingen of vonds-
uit. Onderzoek uitgevoerd door BACTEC International Ltd.;
ten een betekenisvolle bron van informatie zijn (artikel 3, T lid
Explosive Ordnance Disposal & Landmine Clearance.
van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het
(15) Met dank aan G. Verhaeghe, eigenaar van bet tetrein. (16) Met dank aan Ph. Debaillie, eigenaat van het terrein.
archeologisch patrimonium, gewijzigd bij decreten van 18 mei 1999 en 28 februari 2003).
(17) Met dank aan Ph. Descamps, eigenaar van bet tetrein.
(36) Zie noot 35.
(18) DE MEYER M. en PYPE, 2004, ibidem, p. 19-28.
(37) DE MEYER M., Inventarisatie van archeologische resten uit de
(19) Zie ook: Trench Fortifications 1914-1918. A reference Manual The Imperial Museum, London, 1998.
Eerste Wereldoorlog en de mogelijkheden voor onderzoek naar sporen van andere conflicten: Battlefield Archaeology in West- Vlaanderen,
(20) DE MEYER en PYPE 2004, ibidem, p. 28-42.
in De opbouw van een archeologisch beleidsinstrument, CAI 2
(21) Ibidem, p. 28.
(VIOE-Rapporten), Brussel, 2006a.
(22) Ibidem, p. 30.
(38) BUCHLI V. en LUCAS G., ibidem.
(23) Ibidem, p. 38.
(39) Vertaling, bewerking en aanvulling van DEWILDE M. en
(24) Ibidem, p. 42.
SAUNDERS N.J., Archaeology of the Great War: The Flemish
(25) Twee krantenkoppen: "Akkoord Vlaamse regering spaart Pilkem
experience, in Conflict, Memory, and Material Culture: the Great
Ridge" en "/! / ^ met over slagveld Pilkem Ridge".
War, 1914-2004 (The Second University College London/Imperial
(26) SAUNDERS N.J., Material culture and conflict: The Great War.
War Museum Conference on Materialities and Cultural Memory of
1914-2004, p. 18, in SAUNDERS N.J. (ed), Matters of Conflict:
20' Century Conflic t- Saturday II" September, 2004); met aan-
Material culture, memory and the First World War, Abingdon,
vullingen van Mathieu de Meyer. Met dank aan Janick De Gryse,
2004.
Mathieu de Meyet, Frederik Demeyere, Wouter Lammens, Pedro
(27) Sergeant-majoor Tony Wittouck is onze grote toeverlaat. Dank bij deze! (28) Peter Batton (Parapet Archives), Martin Brown (Ministry of Defence), Petei Chasseaud (University of Greenwich), Peter Doyle
Pype en Franky Wyffels, die allen een belangrijke bijdrage leverden tot het welslagen van dit ondetzoek. Ftanky Wyffels en Mathieu de Meyer stonden in voor het illustreren van deze bijdrage.
Birger
Stichelbaut
MOGELUKHEDEM VAM HISTORISCHE LUCHTFOTOGRAFIE VOOR DE SLAGVELDARCHEOLOG1E VAN WERELDOORLOOG 1
Op 4 augustus Wereldoorlog
1914 brak in België de Eerste uit. Wat aanvankelijk
was als een bewegingsoorlog, gauw uit in een patstelling tussen Nieuwpoort
en de
grens. Beide vechtende de mogelijkheden de luchtvaart,
bedoeld
mondde in de
al
loopgraven
Frans-Zwitserse
partijen
zagen al snel
in van een nieuw
wapen:
welke in het begin van de
20"* eeuw een enorme opgang Piloten en waarnemers
had
werden de
gekend. alziende
ogen van het leger, een rol die tot dan vervuld door de cavalerie. bleek de meest efficiënte
werd
Luchtfotografie manier te zijn om
informatie
te verkrijgen
vijandelijke
groeide
het
als eigen loopgravenstelsel
achterland. bezigheid
over zowel
Wat begon als een
en
amateuristische
van een paar enthousiaste
piloten,
al snel uit tot een volwaardige
nieuwe
discipline die op grote schaal werd toegepast Tijdens WO I werden door de strijdende tijen miljoenen
luchtfoto 's gemaakt,
over het volledige
front. Dergelijke
kunnen een zeer belangrijke
parverspreid
luchtfoto 's
bron van infor-
matie zijn voor de studie van de
materiële
relicten van de Grote Oorlog en het beheer dit bijzondere
erfgoed.
(1).
van
HISTORISCHE OMKADERING VAN DE LUCHTFOTOGRAFIE TIJDENS WO I T Verticale Franse luchtfoto van Duitse stellingen rond Fort Nieuwendamme (23 januari 1916) en een recente luchtfoto van het fort met de grachten zichtbaar als soilmarks (Koninklijk Legermuseum Brussel en Vakgroep Archeologie Universiteit Gent, Stichelbaut)
Al tijdens de eerste dagen van het conflict, werden vliegtuigen uitgestuurd om informatie te vergaren over vijandelijke troepenbewegingen. In 1914 gebeurden deze waarnemingen voornamelijk 'op het zicht' en maakten de waarnemers aantekeningen en schetsen van hun observaties. Gaandeweg begonnen enthousiaste piloten en waarnemers te experimenteren met fototoestellen aan boord van hun tweezittervliegtuigen, een evolutie die al vóór de oorlog van start ging (2). De eerste Belgische luchtfoto's tijdens W O 1 werden genomen op 23 september 1914(3).
Vanaf 1915 ontwikkelde de luchtfotografie zich ten volle en het gebruik ervan raakte wijdverspreid binnen de verschillende onderdelen van de strijdende partijen. Luchtfoto's waren ontegensprekelijke documenten die de bevindingen van de waarnemers konden ontkrachten of bevestigen. Het gebeurde maar al te vaak dat bevelvoerende officieren de getuigenissen van waarnemers in twijfel trokken. Daarenboven waren de luchtfoto's veel nauwkeuriger dan hun getekende of geschreven nota's. Tijdens de volgende oorlogsjaren werd luchtfotografie steeds meer op grotere schaal toegepast. Ook de technische middelen zoals de luchtcamera's en vliegtuigen evolueerden enorm. De luchtopnames werden tijdens de oorlog gebruikt voor een grote waaier aan toepassingen zoals panoramische overzichten, controle van artilleriebeschietingen, zoeken naar voorbereidingen van vijandelijke offensieven maar vooral de regelmatige aanmaak van loopgravenkaarten (4).
KENMERKEN VAN DE LUCHTFOTO'S De historische luchtfoto's zijn bijna allemaal zwartwit beelden en hebben een grote variëteit aan afmetingen, afhankelijk van het type camera dat werd gebruikt (gangbare formaten voor Belgische luchtfoto's zijn bijvoorbeeld 13x18 en 18x24 cm). De foto's kunnen panoramisch (met zichtbare horizon), 'obliek' (schuine foto's zonder horizon) of verticaal zijn (optische as van de foto staat ongeveer loodrecht tegenover het aardoppervlak). De kwaliteit van de foto's varieert zeer sterk en is afhankelijk van de fotografische apparatuur, de weersomstandigheden, de vlieghoogte (tussen 200 en 6000m) en de gebruikte producten bij de ontwikkeling.
ARCHIEFBRONNEN Letterlijk honderdduizenden foto's werden in de loop van W O 1 genomen aan de verschillende fronten, zowel in Europa (Belgisch-Nederlandse grens tot aan Zwitserland ) als aan het Oostfront (ondermeer Rusland en Roemenië) en in het Nabije Oosten (bijvoorbeeld Irak, Palestina en Egypte). Een aantal collecties zijn met name belangrijk voor het West-Vlaamse frontgebied. In eigen land is vooral de omvangrijke luchtfotografische collectie van het Koninklijk Legermuseum in Brussel belangrijk. Dit archief bevat meer dan 48.500 luchtfoto's, hoofdzakelijk uit West-Vlaanderen, hoewel andere provincies sporadisch ook aan bod komen (5). De
Verspreiding van de luchtfotografische collectie van het KLH
foto's zijn gerangschikt volgens 1.928 verschillende toponiemen. Deze kunnen globaal worden onderverdeeld in 7 groepen: cabarets, carrefours, fermes, localités, routes, tranchées en varia. Van deze toponiemen werden er 331 of 6 9 % teruggevonden en gelokaliseerd. Dit komt echter overeen met 42.815 luchtfoto's (88% van het totaal). We menen dus een duidelijk overzicht te hebben van de omvang en verspreiding van dit bijzondere archief (6). Wat de verspreiding van deze foto's binnen Vlaanderen betreft, blijkt dat vooral de frontlijn tussen Nieuwpoort en het noorden van leper dik bezaaid is met luchtfoto's. Dit komt overeen met het gedeelte van het front dat bezet werd door de Belgische frontdivisies. Het gebied ten noorden hiervan werd voornamelijk gefotografeerd door Britse en Franse escadrilles.
DE KLM COLLECTIE In het kader van een doctoraatsstudie gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen (FWO-Vlaanderen) aan de Vakgroep Archeologie van de UGent werden al talrijke luchtfoto's uit deze collectie bestudeerd (7). Eén van de doelstellingen is het op punt stellen van een sluitende methodologie voor luchtfoto-onderzoek, interpretatie en het opstellen van een uiterst gedetailleerde kaart met alle archeologische sporen (zowel traditionele archeologische monumenten als W O I
T van de gelokaliseerde foto's binnen Oost- en West-Vlaanderen
Voor luchtfoto's die deze gebieden dekken, is men voornamelijk aangewezen op buitenlandse archieven. Hierbij duiden we vooral op het belang van het Imperial War Museum in Londen en de Service Historique de la Defence in Parijs. Voor het gebied ten westen van de geallieerde linies zijn we vooral aangewezen op Duitse luchtfoto's, in het bijzonder deze van het Bayerisches Hauptstaatsarchiv in München.
1VI&L
worden behandeld) in de bestudeerde gebieden. Verwacht wordt tegen 2008 een volledige inventarisatie klaar te hebben van alle frontgemeentes tussen Middelkerke en Boezinge. Hierbij wordt door de aard van de primaire bron (voornamelijk maar niet uitsluitend de foto's van het KLM) vooral de nadruk gelegd op de voorste Belgische/Britse linies en het volledige Duitse loopgravenstelsel tot circa 15 km diep. Tot heden werden 4.161 foto's geselecteerd, gescand en verwerkt in een databank. Hiervan werden al 3.247 foto's nauwkeurig gelokaliseerd (8), waaronder 2.428 gegeorefereerd (9).
• gevechtsloopgraaf
Anaglief van een
weergave van de
Duits loopgraven-
Duitse eerste linie
met daarvoor een
stelsel in de regio
ter hoogte van
dunne prikkeldraad
van de Groote
Nieuwpoort (Grote
versperring
Bamburghoeve
Bamburghoeve)
(een donkere
(Nieuwpoort). Dit is
Opvallend zijn de
golvende lijn voor
een voorbeeld van
hoge borstweringen
de loopgraaf]
een stereobeeld met
van de voorste
ERFGQEDINVENTARISATIE Interpretatie De gegeorefereerde foto's vormen de basis van de erfgoedinventarisatie. Alvorens hiermee van start kan worden gegaan is het van belang om de sporen die hoofdzakelijk eigen zijn aan W O I en zeer specifieke morfologische kenmerken hebben, correct te gaan interpreteren. Hierbij gebruiken we oude iuchtfotografische handleidingen als leidraad en speelt ervaring een grote rol. Typologisch zijn de sporen zeer divers. De belangrijkste structuren die worden aangetroffen zijn: diverse types loopgraven, bunkers, prikkeldraadversperringen, loopgravenspoorwegen, geschutsopstellingen en dergelijke meer (10). Daarnaast vormen ook de meer traditio-
nele archeologische sites een belangrijk onderdeel van de interpretatie. Hierbij springen vooral de middeleeuwse en postmiddeleeuwse monumenten zoals sites met walgracht, stadsversterkingen, forten en mottes in het oog. De interpretatie van deze sporen gebeurt voornamelijk aan de hand van hun uiterlijke kenmerken. Bepaalde sporen zoals loopgraven vallen direct op door hun lineair tracé en typische, meestal lichte verkleuringen. Sommige sporen zoals prikkeldraadversperringen tonen zich slechts onder bepaalde omstandigheden (bij zeer heldere hemel met mooie schaduwwerkingen of in een besneeuwd landschap) en kunnen niet altijd worden waargenomen. Door het steeds stijgend aantal fotoverkenningsvluchten vanaf 1915 leerden de artillerie en infanterie hun structuren te camoufleren zodat ze minder zichtbaar zouden zijn op luchtfoto's. Ze bouwden valse geschutsopstellingen en bedekten hun artillerieposities, bunkers en barakken met gekleurde doeken, vegetatie en aarde. Al vrij snel ontwikkelden de waarnemers een nieuwe techniek om dit te omzeilen: stereoscopic (11). Tijdens de verkenningsvluchten werden twee opeenvolgende overlappende foto's genomen. Het gemeenschappelijke gedeelte werd uitgeknipt en op een welbepaalde manier georiënteerd. Door deze vervolgens te bekijken met een stereoscoop werd een 3D-beeld van het landschap verkregen. Nog steeds is het mogelijk om bijkomende informatie te verkrijgen uit stereoscopisch onderzoek. In tegenstelling tot vroeger, waar deze procedure vrij omslachtig was, is het mogelijk om met speciale software vrij snel digitale stereobeelden of anagliefen te krijgen. Hierbij wordt het linkse beeld weergegeven in een rood kleurenspectrum en het rechtse beeld in het groen. Vervolgens kunnen het landschap en de zichtbare sporen in drie dimensies waargenomen worden door de anagliefen te bekijken met een aangepast brilletje.
Esen Patte d'Oie Als voorbeeld van een gedetailleerde erfgoedinventarisatie nemen we een Duits loopgravenstelsel in Esen (Diksmuide). O p een detailopname zien we centraal een zwaar uitgebouwde gevechtsloopgraaf. Ten westen van de gevechtsloopgraaf zijn omwille van het besneeuwde landschap twee dunne stroken prikkeldraadversperringen te zien met onderbrekingen op enkele strategische plaatsen. Ten oosten ervan lopen enkele zigzagloopgraven naar achteren toe, waar een tiental geschutsopstellingen te vinden zijn.
\
i
Hoogtamodel (m)
CD W:Wr ../•'
• ' '
ML ^
|
g*'*'.fi:5Jctf-; r »'
Esen (Diksmuide).
Deze site werd gekozen als testcase voor gedetailleerd fotogrammetrisch onderzoek in samenwerking met de Vakgroep Geografie van de Universiteit Gent. Met behulp van exacte GPS-metingen op het huidige terrein en een digitale verwerking van deze gegevens werd allereerst een orthofoto verkregen. Dit is een perfect verticaal georiënteerde foto gekoppeld aan coördinaten. Aan de hand van de hoogtemetingen met GPS en fotogrammetrische software werd tevens een digitaal hoogtemodel berekend van het landschap en oorlogssporen (2 februari 1917). Hierop zijn hoogteverschillen af te lezen tussen 15 en 30 m. Zeer opmerkelijk is dat de loopgraaf en enkele geschutsopstellingen zich zeer duidelijk aftekenen als niveauverschillen. Dit
Voorbeeld van een detailmventarlsatie met (van boven naar onder): digitaal terrein model, gerectificeerde orthofoto en archeologische kaart
duidt op de aanwezigheid van een stevige bovengrondse borstwering. Een tweede opmerkelijke vaststelling is de relatie tussen het lokale microreliëf en de positionering van de loopgraaf. Het tracé van de loopgraaf is duidelijk te verklaren in functie van de topografie. Een dergelijke aanpak opent nieuwe mogelijkheden voor de interpretatie van bepaalde sporen.
Inventarisatie Na een eerste interpretatie van de foto's en de zichtbare sporen kunnen deze laatste worden verwerkt in een geografisch informatiesysteem (GIS). Dit gebeurt aan de hand van een vergelijkende studie van de luchtfoto's, waarbij we beginnen met de oudste luchtopnames. Alle zichtbare sporen worden opgetekend in een digitale laag, krijgen een interpretatie en worden besproken. Door dit proces verkrijgen we een accuraat beeld van de ontwikkeling van het front in de westhoek. Hierdoor is het
• Amerikaanse crew verwijdert een 52 cm camera uit hun observatietoestel iNotionoMrdmes. Washington)
mogelijk de densiteit, verspreiding en nauwkeurige lokalisering van het mogelijk bewaarde wereldoorlogerfgoed beter te begrijpen. Verwacht wordt dat de nauwkeurigheid van de inventaris circa 5m bedraagt ten opzichte van kadastrale en topografische gegevens. Elk spoor wordt gedigitaliseerd zoals het zichtbaar is op de historische luchtfoto's in plaats van met gegeneraliseerde lijnen zoals op de trenchmaps (12). O p deze secundaire bronnen wordt het front meestal op een meer schematische wijze weergegeven. Deze kaarten zijn zeer waardevolle momentopnames, bieden interessante historische gegevens maar zijn niet geschikt voor het maken van gedetailleerde archeologische kaarten. Aan het eind van de inventarisatie zal het volledige Duitse loopgravenstelsel tussen Oostende en het noordelijke gedeelte van de leperboog gedetailleerd onderzocht en opgetekend zijn met behulp van luchtfoto's, alsook testgebieden rond Wijtschate, Mesen en de Kemmelberg. Voorlopig werden circa 16.500 sporen gedigitaliseerd (13).
Belgisch loopgravenstelsel in het IMVW Cabourg domein te Admkerke (Vakgroep Archeologie Universiteit Gent, Birger Stichelbaut)
BELANG VOOR HET ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK NAAR WO I Het potentieel van deze studie voor archeologisch onderzoek naar W O I situeert zich op verschillende domeinen.
Archeologie en landschap De luchtfotografische opnames tonen het landschap in het begin van vorige eeuw. Analyse van deze foto's kan interessante inzichten geven in oudere landschapselementen. O p talrijke plaatsen is het landschap op het tijdstip van de luchtfoto's een afspiegeling van eeuwenoude perceelsstructuren. Door talrijke ruilverkavelingen en uitbreiding van woonkernen is er nu reeds een verdere versnippering van het oude cultuurlandschap opgetreden.
Beleidsvoorbereidend werkinstrument Een eerste zeer belangrijke toepassing van de inventarisatie is vanzelfsprekend het gebruik ervan als beleidsvoorbereidend instrument. De digitale inventaris biedt de mogelijkheid om in één oogopslag een duidelijk beeld te krijgen van de gebeurtenissen en structuren die mogelijk sporen hebben nagelaten in het bodemarchief. Dit laat toe om op eenvoudige wijze de gepaste adviezen uit te schrijven en/of beheersmaatregelen te nemen.
Methodologisch is het onderzoek naar W O I met behulp van luchtfoto's interessant omdat het een meer gedetailleerder benadering voorstelt dan degene die tot nu toe werd gehanteerd met voornamelijk loopgravenkaarten (14).
Onontbeerlijk bij opgravingen Bij archeologisch terreinwerk is het gebruik van W O I luchtfoto's niet uit te sluiten en dient het waar mogelijk ingepast te worden in de diverse onderzoeksstadia. Tijdens het vooronderzoek is deze integratie zeer belangrijk omdat de inventaris al op voorhand in detail kan aangeven in welke zones er veel of weinig structuren te verwachten zijn. Daarbij is tevens belangrijk op te merken dat de luchtfoto's in tegenstelling tot loopgravenkaarten eveneens de toenmalige toestand van het terrein weergeven. Hierdoor kan in beperkte mate ook een verwachtingpatroon worden opgesteld voor de bewaringsomstandigheden van mogelijke materiële structuren. Bij geplande wetenschappelijke opgravingen met een specifieke doelstelling kunnen de interessante zones afgebakend worden en de opgravingvlakken tot enkele meters nauwkeurig hierop worden geposirioneerd. Tijdens de opgraving zelf kunnen de inventarissen van belang zijn voor het verfijnen van de opgra-
luchtfoto's informatie over de aanwezigheid van eventuele borstweringen en andere structuren die bij opgravingen niet worden aangetroffen door de naoorlogse egalisatie van het landschap.
Wetenschappelijk onderzoek Bij een studie op regionaal niveau geeft luchtfotografisch onderzoek en interpretatie een ongeëvenaard beeld weer van het destructieve karakter van de Eerste Wereldoorlog en de inplanting van de diverse structuren binnen het toenmalige landschap. Vooral het onderzoek naar de relatie tussen de organisatie van de loopgravenstelsels en de lokale topografie opent interessante perspectieven. Daarnaast geven de luchtfoto's een typologisch zeer divers overzicht van de sporen en hun distributie. Tal van nieuwe types loopgraven en lokale variaties worden aangetroffen. Dit onderzoek geeft een totaal ander beeld dan een studie van W O I veldhandboeken {field manuals) waar vooral standaardtypes van loopgraven worden geïllustreerd (15). Verder onderzoek zal ook gebeuren naar de middeleeuwse en postmiddeleeuwse sites met walgracht. O p de historische luchtfoto's tekenen ze zich zeer scherp af als watermarks (16). De foto's zijn ook sterk van belang voor de studie en lokalisering van talrijke forten en stadversterkingen in de regio en ze helpen bij de interpretatie van huidige archeologische luchtfoto's. Ten slotte is er ook nog het belang voor de studie van luchtfoto-interpretatie op zich. Waarbij men door combinatie van verschillende technieken op een nieuwe wijze probeert te kijken naar 90 jaar oude beelden.
BESLUIT •1 Soilmarks in naakt land. Mogeli|ke sporen van loopgraven nabi| De Panne (Vakgroep Archeologie
vingstrategie, interpreteren van onduidelijke sporen en inzicht geven in de ruimtelijke organisatie van W O I sites.
Universiteit Gent, Stichelbaut Birger)
M&L
Bij de verwerking van de opgravinggegevens kan het grondplan worden geprojecteerd op de luchtfoto's en elk spoor afzonderlijk worden geïdentificeerd. Hierdoor wordt de interpretatie en vooral de datering van sporen vereenvoudigd. Tijdens het veldwerk is het immers moeilijk om de detailchronologie en onderlinge relaties van structuren te vatten door de talrijke aanpassingen, herstellingen of vernielingen die er plaatsvonden. Bovendien geven
De ontwikkelde methodologie laat toe om op grote schaal onderzoek te doen naar W O I archeologie in de ruimste zin van het woord. Er wordt op relatief korte termijn zeer gedetailleerde informatie vergaard. De luchtfoto's zijn beschikbaar in diverse grote archieven en laten, in tegenstelling tot de trench maps, ruimte voor eigen interpretatie van de slagvelden. Door moderne cartografische technieken is het mogelijk zeer gedetailleerd te werk gaan en een maximum aan informatie te verzamelen mits de juiste bronnen en methodologie worden gehanteerd. Het gebruik van historische luchtfoto's kan dus op diverse vlakken een verrijking zijn voor het archeologisch onderzoek naar de Eerste Wereldoorlog en omgekeerd.
(4)
STICHELBAUT B., Belgische militaire luchtfotografie tijdens WO I. Een bijdrage tot de Vlaamse 'battlefield archaeology' (onuit- Amerikaanse tweegegeven licentiaat verhandeling), Genr, 2004, p. 46-55.
(5)
Gebaseerd op interne werkdocumenten van het KLM/MRA,
(6)
We moeten hierbij wel opmerken dat sommige foto's meerdere
zitter tijdens WO I (Nct/onoMrchives, Washington)
malen in het archief voorkomen. Het totale aantal foto's is dus niet gelijk aan het totaal aantal verschillende foto's. Volgens een schatting (gebaseerd op archiefonderzoek in de dagorders van de luchteenheden en statische extrapolatie van deze gegevens) zijn er circa 18500 verschillende luchtfoto's in het Koninklijk Legermuseum aanwezig. (7)
STICHELBAUT B., The application of First World War aerial photography to archaeology: the Belgian images, in: Antiquity, 80, 307,2006, p. 165-168.
(8) Tot nu toe beslaan de luchtfoto's een zone van grofweg 20 bij 40 km (totale oppervlakte die wordt beslaan is 731 km 2 ). (9)
Georefereren is het herberekenen van de foro's zodat ze bijna perfect verticale beelden worden met daaraan gekoppeld exacte Lambertscoördinaren die hun positie weergeven in een Geografisch
D e m e t h o d e heeft echter ook haar beperkingen:
Informatie Systeem (GIS).
niet voor ieder gebied zijn immers evenveel foto's
(10) STICHELBAUT B., The application of First World War aerial
voorhanden en s o m m i g e archieven zijn niet altijd
photography to archaeology: the Belgian images, in: Antiquity, 80,
even g o e d toegankelijk.
307, 2006, p. 165-168. ( l l ) J A U M O T T E J., Conférence du Commandant ]. faumotte du Genie, in: La conquête de Tair, Bulletin officielde T'aéroclub de
Birger Stichelbaut
is als aspirant
van het Fonds
voor Wetenschappelijk
Onderzoek
Vlaanderen
aan de vakgroep
verbonden
logie van de Universiteit
-
FWO Archeo-
Gent.
Belgique, 14, 1919, p. 164. (12) Hierbij bedoelen we dat bijvoorbeeld bij een loopgraaf zowel de contouren van de voorzijde (parapet) als achterzijde (parados) worden gedigitaliseerd en er nier gekozen wordt voor een eenvoudige lijn die het tracé van de loopgraaf weergeeft. Dit houdt immers een aanzienlijke vermindering van de informatie met zich mee, op vlak van lokalisatie maar ook qua typologische categori-
EINDNOTEN
satie. Er wordt gewerkt met polygonen in plaats van punt- en lijnlocaties. (13) Waaronder bijvoorbeeld 1.240 geschutsopstellingen, 1.600 bun-
(1)
CARLIERA., La photogmphie aériennependant la Guerre, Paris,
(2)
De eerste Belgische luchtfoto vanuit een vliegtuig werd genomen
(14) DE MEYER M. en F. DEMEYERE, De inventarisatie van de
op 12 juli 1911 door Luitenant Lebon; VRANCKEN L , De
gemeente Houthulst, in: CAl-Rapport I (= LAP Rapporten 14),
geschiedenis van de Belgische militaire vliegerij, Brussel, 1999,
2004, p. 117-134.
1921.
(3)
kers, 3.400 loopgraven en 320 sites met walgracht.
p. 10.
(15) X., The Construction of Field Positions. (Stellungsbau), s.l., 1916.
LAMPAERT R., Van pionier tot luchtridder. De geschiedenis van
(16) Door de overstroming van de IJzervlakte en de vernieling van
het Belgische Militair Vliegwezen voor en tijdens de Eerste Wereldg, Erpe-Mere, 1997, p. 56.
perceelsstructuren werden de ideale omstandigheden gecreëerd voor de detectie van deze structuren op luchtfoto's.
M&L
• '.U-
SUIVIMARY TRACES OF THE GREAT WAR In November 2002, the project "Inventory of relies from the first World War in the Westhoek" was started up in a joint initiative of the Flemish government and the Province of West-Flanders. Starting point of this project is the recognition of the war heritage in the Westhoek as World Heritage. This article was based on the inventory work and aims to describe the great diversity of war heritage in the Westhoek (the most western part of West-Flanders). Estimates are that during W W I there have been between 500.000 and 600.000 casualties in the Westhoek of 30 different nationalities. A major part of these, be it identi-
[^ ^r
!
'
fied or not, have been buried in uniform, official grave-
derground is crossed by tunnels, galleries, battle stations
stones on the numerous military cemeteries and memorial
or shelters. Every year the underground still produces
parks. Part of these have been repatriated when the moth-
large quantities of unexploded ammunition.
erland allowed it. Another part of the casualties is still
In short, this region is still densely strewn with large and
missing.
small traces of T h e Great War, which need to be preserved
Especially in the neighbourhood of the Ypres Salient,
for future generations. As the geography and content of
there are many British military cemeteries and memorial
the relics are interconnected with the neighbouring land-
parks, all neatly taken care of by the Commonwealth War
scape, they need a contextual approach of the landscape.
Graves Commission. T h e numerous German cemeteries were, in different stages, joined together into four impressive cemeteries. As a large part of the French and Belgian were repatriated, the number of French and Belgian military cemeteries was fairly small. By their specific style and
ARCHAEOLOGY OF THE GREAT WAR. THE FLEMISH EXPERIENCE
design, British, German, French or Belgian military cemeteries all have their own ambience.
Until recently, the Flemish archaeology professionals have only treated the World War I heritage on an ad hoc basis.
T h e war in the Westhoek is commemorated by a large
Certain military structures, revealed during excavations of
variety of memorial signs. They can be distinguished by
Mediaeval or Roman traces, were superficially examined.
size, shape, figurative depictions, architectural features,
O n request of the former minister Paul Van Grembergen,
designer, manufacturer, subject, ... They derive their sig-
the W W 1 heritage received also direct and full attention
nificance from symbolic elements and texts, often of reli-
as of early 2002. T h e immediate cause was the extension
gious and patriotic nature. Now and then these semantics
of the A l 9 through the battlefields of Ypres.
have led to serious tension and incidents. .iK-*'^
M&L
The landscape of the Westhoek, with its contours and wa-
O n the basis of thorough preliminary research, with spe-
tercourses, determined the war events for a large part.
cial attention for maps of trenches and aerial photography
This landscape still bears the many traces of military war-
and thoroughgoing field mapping, nine zones were se-
fare, among others bunkers and shelters. A major part of
lected which were to be examined. Six of these are cur-
these military defence works have been demolished after
rently being studied. Contrary to what was expected by
the war, despite the fact that a lot of it had been built in
some, the revealed structures were well to even very well
very sound concrete. With the ones actually remaining, it
preserved, enabling a consistent archaeological interpreta-
is not always simple to discover their original function.
tion. The discovery of human remains created important
Inscriptions on the constructions could reveal some of the
preconditions for the possible road construction. In the
mystery.
meantime there have been studies of potential expansion
Other witnesses of the military infrastructure, like soup
areas of the Ypres industrial estate. T h e scenario as well as
kitchens and barracks, wells, roads, railroad infrastructure
the results are similar.
have become extremely rare. Also the remains of the earli-
In the meantime, these measures have proven that archae-
est reconstruction, like emergency houses, have become
ology can play an important role in a social debate and
very scarce.
provide important information to hold this essential
T h e landscape in the Westhoek is also scattered with cra-
debate. Finally, the role of W W I archaeology should be
ters, relics of the brutal, underground warfare. This un-
considered within the classical archaeological practice.
4
.
, -*
OPPORTUNITIES FOR HISTORICAL AERIAL PHOTOGRAPHY IN WORLD WAR I BATTLEFIELD ARCHAEOLOGY
early 1915 applied on a large scale. These photographs are a principal source for the study of WWI heritage and have been applied in a wide variety of ways. A methodology has been developed in order to make a complete study of these aerial photographs and an inventory of all visible traces in GIS (geographical information system in Flanders). This
During the First World War all combatant parties have
approach enables highly detailed mapping; revealing all
taken immense quantities of aerial photographs of trench-
traces and structures into the smallest details. These data
es and the enemy hinterland. Aerial photography was a
could play an important role as a preparatory tool for the
new discipline developed by some enthusiasts and as of
cultural management of this military heritage.
i¥
I 4
r"
.:
M&L