Uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/036
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2020/036
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande feiten Op 13 januari 2020 diende xxx, bij het kabinet van Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken (verder: kabinet van minister Peeters) een verzoek in tot het verkrijgen van een afschrift van de volgende documenten: - Alle bestuursdocumenten inzake de mogelijke invoering van de kilometerheffing in Vlaanderen die u
ontving als overdracht van aanwezige informatie op het kabinet van de Vlaams minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand naar aanleiding van uw aanstelling als Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Mochten de aanwezige stukken over dit onderwerp aanzienlijk zijn, neem ik desgevallend genoegen met de 5 stukken die volgens u het meest relevant zijn. - Het register openbaarheid van de Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare werken voor de periode 2019.01.01 tot en met 2020.01.13. Op 30 januari 2020 antwoordde het kabinet van minister Peeters aan verzoeker dat het zijn vraag slechts gedeeltelijk kon inwilligen voor het tweede onderdeel, en dat het voorts werd afgewezen omdat het documenten betrof die niet in het bezit waren van het kabinet. Op 3 februari 2020 diende verzoeker hiertegen beroep in bij de beroepsinstantie. Het beroepsschrift werd geregistreerd op 3 februari 2020.
www.vlaanderen.be
Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijke verzoek van xxx dateert van 13 januari 2020. Het antwoord d.d. 30 januari 2020 hierop van het kabinet van minister Peeters maakt melding van de beroepsmogelijkheid en -modaliteiten. Het beroepschrift d.d. 3 februari 2020 is bijgevolg tijdig ingediend en wordt als ontvankelijk beschouwd. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Bestreden beslissing
De bestreden beslissing d.d. 30 januari 2020 stelt dat, wat betreft het eerste onderdeel van het openbaarheidsverzoek, de gevraagde documenten niet kunnen bezorgd worden omdat het kabinet van minister Peeters niet in het bezit is van de gevraagde documenten. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het openbaarheidsverzoek, wordt de vraag gedeeltelijk ingewilligd: het register van het huidige kabinet van minister Peeters wordt bezorgd aan verzoeker, mits weglating van de gegevens die afbreuk doen aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen. Wat betreft het openbaarheidsregister voor de periode van 1 januari 2019 tot aan de aanstelling van het kabinet van minister Peeters, kan het register niet worden bezorgd aan verzoeker, daar men daar op het kabinet van minister Peeters niet over beschikt.
2. Inhoud van het beroepschrift Beroeper neemt hiermee geen genoegen en stelt in zijn beroepschrift het volgende : “ Betreffende de eerste vraag schrijft de Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken het volgende: ‘Voor wat betreft uw vraag tot openbaarmaking van de overgedragen bestuursdocumenten inzake de mogelijke invoering van de kilometerheffing, kan ik u meedelen dat mijn kabinet niet in het bezit is van dergelijke bestuursdocumenten, ontvangen als overdracht van aanwezige informatie op het kabinet.’ Volgens dit antwoord oordeelde de voormalige Minister Weyts dat er geen enkel uniek document op zijn kabinet van enige waarde zou zijn geweest om door te geven aan zijn opvolger ten behoeve van een voorgezet constructief beleid betreffende kilometerheffing. Het is minstens een opmerkelijke vaststelling. Alhoewel ik niet twijfel aan de oprechtheid
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/036
pagina 2 van 6
van de huidige minister vraag ik de beroepsinstantie om alsnog op de haar gekende doortastende wijze na te gaan of het inderdaad klopt dat de voormalige minister, dhr Weyts, geen enkel document inzake kilometerheffing die hij ontving tijdens zijn beleidsperiode, heeft overgemaakt aan zijn opvolger. Betreffende de tweede vraag schrijft de Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken het volgende: ‘Aangezien ik niet beschik over het register van openbaarheid van de voormalige Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken, kan ik u dit ook niet overmaken. In bijlage kan u wel het register van openbaarheid aantreffen vanaf mijn aanstelling als Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Hierin werden bepaalde gegevens weggelaten op grond van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals voorzien in artikel II.34, 2° van het bestuursdecreet.’ Het bestuursdecreet voorziet dat in het geval de gevraagde gegevens niet beschikbaar zijn, de vraag openbaarheid wordt doorgezonden aan het bestuur waarvan vermoed wordt dat ze beschikt over de gevraagde data. Bijgevolg diende de vraag ‘register van openbaarheid van de voormalige Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken’ doorgezonden te worden aan het bestuur die vermoedelijk over deze gegevens beschikt. Het is de beroepsinstantie professioneel bekend dat een voormalig minister soms data inzake zijn voorgaande beleidsperiode ook meeneemt naar zijn nieuw kabinet. Ik neem dus aan dat de beroepsinstantie deze mogelijkheid ten gronde onderzoekt. Aangezien voor de tweede vraag geen doorverwijzing gebeurde door de Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken vraag ik de beroepsinstantie om in de plaats te treden van de Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken en de vraag alsnog door te zenden aan het bestuur dat over deze gegevens beschikt. Ik hoop door uw medewerking alsnog de gevraagde stukken te ontvangen.”
3. Standpunt van de beroepsinstantie De beroepsinstantie heeft, om met kennis van zaken over het ingestelde beroep te kunnen oordelen, het kabinet van minister Peeters om nadere toelichting verzocht betreffende dit beroep. Op 13 februari 2020 werd de gevraagde informatie bezorgd aan de beroepsinstantie.
Eerste onderdeel: bestuursdocumenten inzake de mogelijke invoering van de kilometerheffing in Vlaanderen Verzoeker vroeg hierbij naar een afschrift van alle bestuursdocumenten inzake de mogelijke invoering van de kilometerheffing in Vlaanderen die het kabinet van minister Peeters ontving als overdracht van aanwezige informatie op het kabinet van de Vlaams minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand naar aanleiding van haar aanstelling als Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Uit de ingewonnen informatie bij het kabinet van minister Peeters is gebleken dat men bij hen niet in het bezit is van de gevraagde documenten. Dit werd nogmaals uitdrukkelijk bevestigd aan de beroepsinstantie. In artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet wordt een bestuursdocument gedefinieerd als de informatie, ongeacht de drager ervan, die in het bezit is van een overheidsinstantie. Het recht op openbaarheid kan aldus maar uitgeoefend worden voor zover het gaat om informatie die gematerialiseerd werd op een drager.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/036
pagina 3 van 6
In casu wordt evenwel door de beroepsinstantie vastgesteld dat het kabinet van minister Peeters niet in het bezit is van de gevraagde documenten. Er kan bijgevolg dan ook geen afschrift worden verleend van de hiervoor vermelde documenten. Het ingestelde beroep is, wat dit onderdeel betreft, dan ook als ongegrond te beschouwen. De beroepsinstantie merkt nog op dat er vanuit het kabinet van minister Peeters in hun beslissing d.d. 30 januari 2020 wel aan verzoeker werd meegedeeld dat er een studie bestaat ‘Uitrol van een systeem van wegenheffing‘, die door het departement Mobiliteit en Openbare Werken aan het kabinet van minister Peeters werd bezorgd. Voormelde studie werd op 13 december 2019 meegedeeld aan de Vlaamse Regering en op 16 december 2019 online gezet via volgende link: https://www.vlaanderen.be/kilometerheffing-voorpersonenwagens De beroepsinstantie stelt vast dat het kabinet van minister Peeters hiermee zeer zeker is tegemoet gekomen aan haar behulpzaamheidsverplichting, zoals deze staat ingeschreven in artikel II.6, tweede lid, van het Bestuursdecreet.
Tweede onderdeel: het register openbaarheid van de Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare werken voor de periode 2019.01.01 tot en met 2020.01.13 Verzoeker doet er in zijn beroepschrift zijn beklag over dat hij geen afschrift heeft ontvangen van het openbaarheidsregister van de voormalige Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare werken (Minister Weyts). Het kabinet van minister Peeters liet in zijn beslissing aan verzoeker weten dat ze niet beschikte over dat register. De beroepsinstantie wenst wél te wijzen op artikel II.40, §1, tweede lid Bestuursdecreet dat bepaalt dat als de aanvraag wordt ingediend bij een overheidsinstantie die het bestuursdocument niet bezit, deze overheidsinstantie de aanvraag zo snel mogelijk doorstuurt naar de overheidsinstantie die het document vermoedelijk bezit en dat de aanvrager daarvan onmiddellijk op de hoogte wordt gebracht. De beroepsinstantie stelt vast dat het kabinet van minister Peeters dit niet meteen heeft gedaan, naar aanleiding van het oorspronkelijke openbaarheidsverzoek van xxx. Het kabinet van minister Peeters is bijgevolg tekort gekomen aan deze verplichting. Evenwel koppelt het Bestuursdecreet hieraan geen enkel gevolg. Naar aanleiding van het beroepschrift van verzoeker, werd vanuit het kabinet van minister Peeters dan toch contact opgenomen met het kabinet van Vlaams Minister Weyts, de voormalige Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare werken. Op die manier ontving het kabinet van minister Peeters alsnog het openbaarheidsregister voor de periode van 1 januari 2019 tot aan de aanstelling van Vlaams Minister Peeters. De beroepsinstantie ontving een afschrift van voormeld openbaarheidsregister (voor de periode van januari 2019 tot juli 2019), zodat ze kennis kon nemen van de inhoud ervan. Daaruit blijkt nu dat bepaalde informatie in het register onleesbaar moet worden gemaakt, namelijk de vermelding van de namen en mailadressen van natuurlijke personen.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/036
pagina 4 van 6
Artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bepaalt dat een overheidsinstantie het verzoek afwijst als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de openbaarmaking instemt. Hoewel het hier om een absolute uitzonderingsgrond gaat waardoor er geen belangenafweging moet plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, vertoont de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet voorziene uitzonderingsgrond niettemin een relatief aspect. De decreetgever was weliswaar van oordeel dat er geen afweging vereist is met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend, maar wijst er desondanks op dat telkens en in concreto geoordeeld moet worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vlaams Parlement, Parl. St. 2017-2018, nr. 1656/1, blz. 58). Artikel 22 van de Grondwet waarborgt uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, net zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dit doet. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond bestaat er precies in om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privéleven te beschermen. De beroepsinstantie merkt op dat bij onderzoek naar de uitzonderingsgrond met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van informatie in een bestuursdocument die op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft. De hierboven opgesomde persoonsgegevens (namen en adressen van natuurlijke personen) behoren ontegensprekelijk tot het privéleven van de betrokken personen die een openbaarheidsverzoek indienden. Het vrijgeven van deze gegevens zou wel degelijk een inbreuk uitmaken op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die personen. Het privéleven vormt de kern van de persoonlijke levenssfeer (F. SCHRAM, Het decreet openbaarheid van bestuur. Een juridische analyse in historisch perspectief, Brugge, Vanden Broele, 247; Concl. Adv.Gen. bij HvJ 8 april 2014, nr. C-293/12, Digital Rights Ireland Ltd, nr. 61). Het openbaar maken van deze gegevens heeft aldus betrekking op de kern van een belang – het door artikel 22 van de Grondwet en het door artikel 8 EVRM aan eenieder toegekende recht op eerbiediging van zijn privéleven – dat de uitzonderingsgrond uit artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet wenst te beschermen tegen de openbaarheid van bestuur (RvS, nr. 234.609 dd. 2 mei 2016). De beroepsinstantie is, na inzage van het openbaarheidsregister, van oordeel dat dit register inderdaad elementen bevatten zoals de naam en de mailadressen van natuurlijke personen en dat deze tot de persoonlijke levenssfeer van die personen behoren. De beroepsinstantie is bijgevolg van oordeel dat de openbaarmaking van de hiervoor vermelde gegevens van de aanvragers van openbaarheidsverzoeken afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen en dat deze gegevens dan ook moeten worden afgeschermd in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/036
pagina 5 van 6
De beroepsinstantie stelt wel vast dat twee van de geregistreerde openbaarheidsverzoeken in het register voor de periode van 1 januari 2019 tot juli 2019 betrekking hebben op de huidige verzoeker zelf (registernummer 2019/03 en 2019/06), zodat de naam en het mailadres daarbij wel zichtbaar mogen blijven. Om deze redenen wordt het voorliggende beroep, wat dit onderdeel betreft, dan ook gedeeltelijk als gegrond beschouwd in toepassing van artikel II.45, ยง2 van het Bestuursdecreet. Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 3 februari 2020 tegen de gedeeltelijke weigeringsbeslissing van het kabinet van minister Peeters d.d. 30 januari 2020 wordt als ontvankelijk en deels ongegrond en deels gegrond beschouwd. Bijgevolg dient het kabinet van minister Peeters een afschrift te verlenen aan verzoeker van het volgende document: - Het openbaarheidsregister van de voormalige Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare werken voor de periode van 1 januari 2019 tot juli 2019, mits weglating van de namen en de mailadressen van natuurlijke personen die daarin vermeld worden, met uitzondering van de gegevens van verzoeker zelf die wel openbaar mogen worden gemaakt.
Geen toestemming tot hergebruik van bestuursdocumenten In zoverre dit beroep geheel of gedeeltelijk gegrond werd verklaard, geldt dat deze inwilliging van de aanvraag tot openbaarmaking GEEN toestemming inhoudt om de gevraagde bestuursdocumenten te hergebruiken, als vermeld in titel II, hoofdstuk 4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Brussel, 4 maart 2020 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/036
pagina 6 van 6