Skip to main content

Ik_zie_ik_zie_wat_jij_niet_ziet.pdf

Page 1

‘IK ZIE, IK ZIE, WAT JIJ NIET ZIET’ Gender- en seksuele identiteit in het jeugdwerk

vlaanderen.be/cjm


Colofon De Publicatie ‘Ik zie ik zie wat jij niet ziet: Gender en seksuele diversiteit in het jeugdwerk. Handvaten voor een LGBTQIA+ vriendelijker vrijetijdsaanbod’ is een uitgave van het departement Cultuur, Jeugd en Media. Opdrachtnemers KU Leuven: EES (Earth & Environmental Sciences) & Expeditions, Research in Applied Anthropology Auteurs Marjan Moris, Xin Pan, Maarten Loopmans, Lara Speijer & Mirjam Bussels Onderzoeksontwerp Maarten Loopmans, Sam Janssen & Marjan Moris Veldwerk Marjan Moris, Xin Pan, Lara Speijer & enkele anonieme, fantastische jongeren als medeonderzoekers Onderzoeksondersteuning Mirjam Bussels & Sam Janssen Analyse Marjan Moris, Xin Pan, Maarten Loopmans, Mirjam Bussels, Lara Speijer en Sam Janssen Stuurgroep Pascal Verschuere (CJM), Bart Pluym (CJM), Janne Vermeesch (CJM), Bieke Purnelle (RoSa), Kaj Poelman (Çavaria), Joz Motmans (UGent), Zeno Nols (ICES) en Margot Gysbrechts (WatWat en Out for the Win) Vormgeving Wilderzicht Foto’s Shutterstock Druk Mirto Print cvba Oplage 300 exemplaren Verantwoordelijke uitgever Luc Delrue (Departement CJM) Arenbergstraat 9, 1000 BRUSSEL Wettelijk depotnummer D/2020/3241/232


‘IK ZIE, IK ZIE, WAT JIJ NIET ZIET’ Gender- en seksuele identiteit in het jeugdwerk Handvaten voor een LGBTQIA+ vriendelijker vrijetijdsaanbod


Managementsamenvatting “Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet: Gender en Seksuele diversiteit in het jeugdwerk” brengt de bevindingen en conclusies van 14 maanden belevingsonderzoek rond de ervaringen van, en omgang met jongeren uit seksuele minderheden in het jeugdwerk. Officiële cijfers over de acceptatie van seksuele minderheden in onze samenleving tonen vooruitgang1, en ook op vlak van wetten en beleid ten gunste van deze groep haalt België één van de hoogste scores onder de Europese lidstaten2. Minder gekend is dat ons land op het vlak van welzijn niet diezelfde goede punten haalt3. Jongeren die homo, lesbisch, biseksueel of transgender zijn, voelen zich anno 2020 veel minder goed in hun vel dan hun heteroseksuele leeftijdsgenoten. In hun dagelijkse leven krijgen ze meer dan anderen te maken met discriminatie en pestgedrag, en ervaren ze minder steun van hun ouders en vrienden4. Jeugdwerk in al zijn vormen maakt een niet gering deel uit van de vrijetijdsbeleving van veel jongeren, ook van LGBTQIA+ jongeren. Het kan dan ook een belangrijke invloed hebben op het welbevinden van LGBTQIA+jongeren. Voorliggend onderzoek maakte een stand van zaken op: wat loopt er goed, wat kan er beter? We interviewden 13 sleutelfiguren en experts, 34 jongeren tussen 16 en 29 jaar die zich als LGBTQIA+ identificeren en 30 vrijwillige en professionele jeugdwerk(bege) leiders, en deden participerende observaties bij 12 jeugdwerkpraktijken. Dit leverde ons de 21 onderstaande aanbevelingen op. Ze kunnen jeugdwerkingen helpen om het welzijn van LGBTQIA+- jongeren te bevorderen.

1 Unia 2016; Valfort 2017; Statistiek Vlaanderen SCV-survey 2015; 2018 2 Ilga-Europe website, 2020: https://rainbow-europe.org/country-ranking 3 Versmissen 2011; Schoonacker, Dumon & Louckx 2009; Szulc & Dhoest 2013; Seynaeve et al. 2016; Motmans, Wyverkens & Defryene 2018 4 van Heeringen & Vincke 2000; Schoonacker, Dumon, & Louckx 2009; D’Haese et.al 2014; Motmans et al. 2015; çavaria 2018

4•


AANBEVELING 1 Maak als bege(leiding) gender- en seksuele identiteit bespreekbare thema’s binnen je groep. Houd rekening met de noden en mogelijkheden van de kinderen en jongeren waarmee je werkt, op vlak van onderling vertrouwen, leeftijd en kennis. Reik jongeren woorden aan om gender- en seksuele identiteit bespreekbaar te maken, maar dring hen geen hokjes op en push nooit iemand om zich te outen.

AANBEVELING 2 Dring mensen niet onnodig labels op via beleid en administratie: zorg voor genderinclusieve registratie door naast m/v ook de opties x of andere te voorzien, zorg ervoor dat mensen hun geslacht vlot kunnen aanpassen in hun administratie, en bekijk binnen de procedures of en wanneer de registratie van geslacht überhaupt wenselijk en nodig is.

AANBEVELING 3 Hanteer correct en genderbewust taalgebruik in beleidsteksten en in andere communicatie. Als je specifieke termen rond gender- en seksuele identiteit gebruikt, veronderstel dan geen voorkennis maar verklaar ze. Leg uit dat ze voortdurend evolueren qua betekenis en je ze dus best goed situeert in tijd en plaats.

AANBEVELING 4: Versterk de kennis van leiding omtrent heteronormativiteit als dominant en kwetsend kader voor minderheden. Creëer bewustzijn over de reproductiemechanismen die aanwezig (kunnen) zijn binnen de werking op zowel organisatieniveau als bij professionals en vrijwilligers die met jongeren werken.

•5


AANBEVELING 5: Zet in op de ontwikkeling van eigen(zinnige) normen binnen de groep waarvoor je verantwoordelijk bent. Maak afspraken rond wat wel en niet kan binnen de organisatie en sector, en hoe iedereen elkaar kan helpen om deze afspraken te respecteren. Werk blijvend aan een heldere visie, missie en handelingskaders waar (bege)leiding en leden trots op kunnen terugvallen.

AANBEVELING 6: Creëer bewustzijn onder (bege)leiding rond het effect van heteronormatief taalgebruik en stereotypen op LGBTQIA+-jongeren. Dit kan door kennis en inzichten aan te reiken, een vorming of spel rond het thema te organiseren, enzovoort. Koppel sensibilisering meteen ook aan praktische tips om bijvoorbeeld bij kwetsend taalgebruik in te grijpen.

AANBEVELING 7: Behoud, ondersteun en versterk het bestaande aanbod van doelgroep-specifieke organisaties die veilige ruimtes bieden binnen een gevarieerd jeugdwerkaanbod. Luister naar de noden van deze organisaties, die gaan vaak richting welzijn.

AANBEVELING 8: Zet in op de bekendheid en bereikbaarheid van het LGBTQIA+-jeugdwerkaanbod bij alle jongeren.

AANBEVELING 9: Werk de drempels binnen LGBTQIA+organisaties weg die ervoor zorgen dat LGBTQIA+-verenigingen (nog) geen veilige plekken bieden voor specifieke groepen jongeren (bv. racisme, discriminatie, xenofobie, …

6•


AANBEVELING 10: Denk op organisatieniveau na over de materiële kant van uitsluiting bij de vormgeving en inrichting van jeugdwerkplekken, zeker met betrekking tot toiletten, kleedkamers, douches of slaapzalen. Beluister hierbij altijd ook LGBTQIA+-jongeren zelf. Beleidsmaker, creëer een duidelijk wettelijk kader, toegankelijke informatie en voorbeelden die genderinclusieve ingrepen en infrastructuur kunnen faciliteren.

AANBEVELING 11: Maak op alle niveau’s binnen het jeugdwerk (subtiel) duidelijk aan LGBTQIA+personen dat ze welkom zijn op on- en offline plekken voor jongeren.

AANBEVELING 12: Communiceer proactief over genderinclusieve infrastructuur en voorzieningen in jouw organisatie. Wacht bijvoorbeeld niet tot een ouder belt om te vragen of er genderneutraal sanitair aanwezig is, maar zet dit op de website.

AANBEVELING 13: Zorg ervoor dat LGBTQIA+-jongeren van overal (zelfstandig) toegang kunnen hebben tot veilige jeugdwerkplekken en -activiteiten. Breid daartoe het aanbod uit in gebieden met een beperkt LGBTQIA+ -specifiek aanbod, (bv. provincie West-Vlaanderen en kleinere dorpen) en/of voorzie extra vorming om mainstream organisaties in deze gebieden inclusiever en veiliger te maken.

•7


AANBEVELING 14: Onderzoek welke reputatie jouw organisatie heeft bij LGBTQIA+-jongeren en andere minderheden die je niet (voldoende) bereikt. Deze informatie kan je gebruiken om bestaande drempelverhogende stereotypen over je organisatie te ontkrachten in de communicatie naar deze groepen.

AANBEVELING 15: Zorg voor training en reflectie rond uitsluitingsmechanismen voor jeugdwerkgroepen waarin bevraagd wordt welk gedrag als normaal gezien wordt op organisatie- en groepsniveau en wie daar mogelijk door wordt uitgesloten. Richt het aanbod zeker ook op deze groepen waarin men meent dat er enkel hetero cisgender personen voorkomen (zie ook 4.3).

AANBEVELING 16: Verlicht de druk op de schouders van LGBTQIA+-(begeleiding) in het jeugdwerk door te zorgen dat zij geen uitzonderingen zijn. Maak daarom duidelijk in visieteksten en beeldvorming dat LGBTQIA+-jongeren deel uitmaken van jeugdwerk(bege)leiding.

AANBEVELING 17: Ondersteun en promoot ally-ship binnen groepen, met name binnen het team van (bege)leiding. Onderzoek of het GSA-model dat binnen onderwijs vruchten afwerpt ook jouw werking ten goede zou kunnen komen.

8•


AANBEVELING 18: Zet in op een uitgebreid anti-pestbeleid met vorming, uitwisseling tussen meer en minder ervaren leiding, richtlijnen voor specifieke situaties, en voorbeelden uit de praktijk die tonen wat werkt. Moedig vanop alle beleidsniveau’s (bege)leiding aan om geen LGBTQIA+-onvriendelijk taalgebruik te tolereren, maar steeds in te grijpen. Stimuleer vanuit het jeugd(werk)beleid de ontwikkeling van vorming en materiaal om handelingsverlegenheid bij (bege)leiding weg te werken.

AANBEVELING 19: Zet vanuit het jeugd(werk)beleid blijvend in op een positief diversiteitsklimaat binnen jeugdwerk waarin discriminatie geen plek heeft.

AANBEVELING 20: Geef meer prioriteit aan een positieve omgang met diversiteit en anti-discriminatie in de basisvorming voor zowel professionele als vrijwillige jeugdwerk(bege)leiding.

AANBEVELING 21: Zet in op verdere ontwikkeling en verspreiding van vorming en uitwisseling rond gender en seksuele identiteit op maat van verschillende (bege)leiders, doelgroepen en initiatieven in het jeugdwerk. Bouw daartoe bruggen tussen organisaties om de bestaande kennis en expertise te benutten en ontsluiten, en verbeter de informatiedoorstroming van jeugdwerkkoepels naar vrijwilligers binnen jeugdwerkpraktijken.

•9


Voorwoord “Woehoew!” klonk de vreugdekreet op onze bureaus, toen we 14 maanden geleden het nieuws kregen dat we deze studie mochten uitvoeren. Zowel de onderzoeksvraag [Hoe zit het met LGBTQIA+-jongeren in/en het jeugdwerk?] als de methode [Kijken en luisteren hoe het er in de alledaagse praktijk aan toe gaat] deden ons hart overslaan van enthousiasme. Voor antropologen en sociaal-geografen is er namelijk geen groter cadeau dan met een open blik ‘veldwerk’ te mogen doen en daarmee bij te kunnen dragen aan een maatschappelijk relevant vraagstuk. Zeker als het om iets gaat dat zo dicht op je eigen vel zit als gender en seksuele identiteit. Het voorbije jaar trokken we dan ook gretig op verkenning in de wondere wereld van het jeugdwerk. Jeugdwerk? Dat brede veld van jeugdbewegingen, speelpleinen, jeugdhuizen en méér. Vol met stafmedewerkers, professionele jeugd(welzijns)werkers, animatoren, monitoren en leiders. Met rituelen als personeelsvergaderingen, studiedagen, groepsraden en vormingen. Waar je terecht kan voor de meest uiteenlopende activiteiten, zoals op kamp gaan, knutselen en zakdoek leggen, filmprojecten en zelfs het onvergetelijke ‘unstable unicorns’-spel… We praatten er met LGBTQIA+-jongeren over wat jeugdwerk voor hen betekent, en analyseerden samen met stafmedewerkers, leden en (bege)leiding hoe hun werking in de praktijk omgaat met gender en seksuele diversiteit. We hebben dan ook heel wat mensen te bedanken. In de eerste plaats de vele jongeren, vrijwilligers, medewerkers van jeugdwerkorganisaties en experts die ervaringen en reflecties deelden in een interview of focusgroep. Daarbinnen zitten ook zij die als volwaardige collega-onderzoekers tijd maakten om schrijvend, schetsend of fotograferend mee gegevens te verzamelen. Daarnaast zorgden Pascal Verschuere (CJM), Bart Pluym (CJM), Janne Vermeesch (CJM), Bieke Purnelle (RoSa), Kaj Poelman (Çavaria), Joz Motmans (UGent), Zeno Nols (ICES) en Margot Gysbrechts (WatWat en Out for the Win) als stuurgroep voor een degelijke wetenschappelijke onderbouwing van het onderzoek en boeiende discussies bij de analyse. De minister maakte de nodige middelen vrij voor dit onderzoek, en de betrokken departementsmedewerkers van Cultuur, Jeugd en Media zorgden voor een fijne samenwerking.

10 •


Terugblikkend op dit onderzoek blijft vooral bij hoezeer het thema ‘gender en seksuele identiteit’ helpt om discussies over inclusie en diversiteit begrijpelijk en concreet te maken. Niemand ontsnapt aan de sociale druk om zich als ‘man’ of ‘vrouw’ te gedragen, en daarbij aan heersende normen te voldoen. Het valt op hoe we met zijn allen op veel verschillende manieren verwachtingen en stereotypen daarrond in stand houden. We maken deze normen samen, in een dagelijks spel van onderhandelingen over wat normaal is en wat niet. Wanneer je dit beseft, is de stap klein om voortdurend bij te leren door jezelf en de normen in je omgeving te bekijken, te benoemen en in vraag te durven stellen. Is dat niet een eerste stap naar meer inclusieve omgevingen? Voor ons onderzoeksteam was dit alvast een bijzonder leerrijke oefening, die we zullen blijven maken. We hopen dat dit rapport deze ervaring en goesting kan overbrengen naar een breder publiek.

Het Expeditions-team, Marjan, Xin, Lara, Maarten, Mirjam en Sam

• 11


Inhoudstafel Voorwoord 10 Inhoudstafel 13 1. WAAROM DEZE STUDIE?

15

2. METHODOLOGIE

19

3. ELGIEBIETIEDINGES & HETERO-NORMA-WABLIEFT?

23

4. KWESTIE(S) VAN JEUGDWERK

31

4.1 #Identiteiten bewegen, Labels evolueren

33

4.2 #Ook jeugdwerk reproduceert de heteronorm

40

4.3 #Jeugdwerk dat zich richt op een positieve omgang met verschil

vormt veilige(re) plekken

4.4 #Ligging, infrastructuur en de inrichting van plekken doen ertoe

49 56

4.5 #De reputatie van jeugdwerkorganisaties functioneert

als drempel voor instap van LGBTQIA+ (en andere) jongeren

4.6 #LGBTQIA+-(bege)leiding staat als rolmodel altijd in de spotlights

64 73

4.7 #Jeugdwerk(bege)leiding voelt zich vaak onzeker over hoe

ze best ingrijpen wanneer ze trans- en homo-onvriendelijk

gedrag opmerken

83

4.8 #Vorming werkt, maar de continuïteit en bekendheid van

het aanbod zijn werkpunten

92

5. BESLUIT

101

6. BRONNEN

105

• 13


14 •


DEEL 1:

Waarom deze studie? • 15


1. Waarom deze studie? Met het masterplan Diversiteit in/en het jeugdwerk 2018-20201 gaat de jeugdwerksector de uitdaging aan om haar aanbod blijvend af te stemmen op de noden van alle kinderen en jongeren. In dat kader wordt elk jaar een kwalitatief belevings- en/ of procesonderzoek rond diversiteit uitgeschreven. Voor 2018-2019 werd gekozen om te focussen op de beleving van gender en seksuele identiteit bij jongeren en het welbevinden dat daaruit voortvloeit. Meer specifiek kozen we ervoor om de ervaring van LGBTQIA+ jongeren centraal te stellen in dit deze studie. Met dit engelse letterwoord verwijzen we naar alle personen die tot een seksuele minderheid behoren door hun gender, seksuele identiteit, of beiden. Die keuze zal sommigen misschien verbazen. Officiële cijfers over de acceptatie van seksuele minderheden in onze samenleving tonen vooruitgang2, en ook op vlak van wetten en beleid ten gunste van deze groep haalt België één van de hoogste scores onder de Europese lidstaten3. Minder gekend is dat ons land op het vlak van welzijn niet diezelfde goede punten haalt4. Jongeren die homo, lesbisch, biseksueel of transgender zijn, voelen zich anno 2020 veel minder goed in hun vel dan hun heteroseksuele leeftijdsgenoten. Ze krijgen meer dan anderen te maken met discriminatie en pestgedrag, en ervaren minder steun van hun ouders en vrienden5. Vanuit haar missie om alle kinderen en jongeren te versterken, wil en kan het jeugdwerk een plek zijn waar ook jongeren uit seksuele minderheden zich thuis kunnen voelen. Om gefundeerd beleid op maat van deze groep te kunnen voeren is inzicht nodig in de ervaringen van en met deze jongeren in het jeugdwerk. Het verhaal ‘achter de cijfers’ van LGBTQIA+ jongeren is in deze context echter nog te weinig gekend. Met deze studie willen we de stap ‘voorbij’ de cijfers zetten. Daarom onderzochten we:

1 Departement Cultuur, Jeugd en Media & De Ambrassade 2018 2 Unia 2016; Valfort 2017; Statistiek Vlaanderen SCV 2015 en SCV 2018 3 Ilga-Europe website, 2020: https://rainbow-europe.org/country-ranking 4 Versmissen 2011; Schoonacker, Dumon & Louckx 2009; Szulc & Dhoest 2013; Seynaeve et al. 2016; Motmans, Wyverkens & Defryene 2018 5 Dierckx, Motmans & Meier 2014; van Heeringen & Vincke 2000; Schoonacker, Dumon & Louckx 2009; D’Haese et al. 2014; Motmans, T’Sjoen & Meier 2015; çavaria 2018

16 •


• • •

de omgevingen waar LGBTQIA+ jongeren zich begeven, en hoe die hun welbevinden beïnvloeden, hun ervaringen binnen het diverse aanbod aan georganiseerde jeugdwerk, en de rol die jeugdwerk(bege)leiding opneemt ten opzichte van LGBTQIA+ jongeren.

Op basis van die inzichten maken we knelpunten duidelijk en belichten we oplossingen voor een jeugdwerk waar LGBTQIA+ jongeren zich thuis voelen. Zo willen we met deze publicatie een instrument in handen geven voor al wie met jongeren werkt, van (bege) leiding tot jeugdbeleidsmakers.

• 17


18 •


DEEL 2:

Methodologie

• 19


2. Methodologie Op zoek naar het verhaal achter de cijfers kozen we voor een antropologische benadering van de onderzoeksvraag en een kwalitatief onderzoeksontwerp. Via individuele interviews en focusgroepen luisterden we naar 13 sleutelfiguren en experts, 34 jongeren tussen 16 en 29 jaar die zich als LGBTQIA+ identificeren, en 30 vrijwillige en professionele jeugdwerk(bege)leiders. Daarnaast deden de onderzoekers en jongeren zelf participatief onderzoek vanuit hun deelname aan 12 jeugdwerkpraktijken en werd heel wat internationale en binnenlandse literatuur geanalyseerd. Doorheen dit rapport tonen we stukjes uit de verzamelde data ter illustratie. Hiervoor vertaalden we anderstalige citaten en corrigeerden we spreektaal om de leesbaarheid te vergroten. Ook verwijderden we uit alle quotes gegevens die de anonimiteit van personen en organisaties in het gedrang brengen. De gesprekken met sleutelfiguren en experts uit het jeugdwerk (bv. kaderleden en diversiteitsmedewerkers uit jeugdwerkkoepels en jeugdwelzijnsorganisaties) gaven ons een beeld over hoe het thema leeft in ‘de sector’. Dankzij hen kregen we zicht op welke kennis voorhanden is, hoe de verhouding eruit ziet tussen verschillende actoren rond dit thema, en op welke manier we jongeren en begeleiders best konden betrekken in dit onderzoek. Focusgroepen, individuele interviews en jeugdwerkactiviteiten met LGBTQIA+ jongeren gaven ons inzicht in hun leefwereld anno 2020, hun gender en seksuele identiteitsontwikkeling, en het belang van vrije tijd en jeugdwerk daarin. We gingen gericht op zoek naar bepaalde stemmen om een zo groot mogelijke diversiteit aan perspectieven te verzamelen. Dit bleek belangrijk op het vlak van gender en seksuele identiteit, maar ook op het vlak van andere kenmerken die de beleving van deze identiteit in de vrije tijd beïnvloeden zoals leeftijd, woonplek, etniciteit en opleiding6.

6 ’Hyperdiversiteit’ (Tasan-Kok et al. 2014) in onze samenleving houdt immers in dat discriminatie en kwetsbaarheid samen kunnen hangen en versterkt worden door combinaties van identiteitskenmerken (Crenshaw 1991; Garry 2012; Valentine 2008; Pan & Loopmans 2020). In plaats van te focussen op één kenmerk, is er steeds meer nood aan ‘intersectioneel’ of ‘kruispunt’ -denken om sociale rechtvaardigheid te bekomen.

20 •


De professionele en vrijwillige jeugdwerkbegeleiders die we spraken, reflecteerden met ons over hun begeleidersrol en de omgang met gender en seksuele identiteit binnen hun eigen jeugdwerkpraktijk. Een aantal personen versterkte deze ‘blik van binnenuit’ nog door observatieverslagen te maken van de kleine, alledaagse praktijken en interacties rond gender en seksualiteit op hun jeugdwerkplek. Om te garanderen dat mensen open konden spreken over zowel zaken die goed lopen als dingen die minder goed gaan, kozen we ervoor om alle personen en hun organisaties die aan bod kwamen in de gesprekken te anonimiseren. De gegevens die we zo verzamelden zijn niet bedoeld om uitspraken te doen over ‘alle LGBTQIA+ jongeren’, ‘alle jeugdwerkactoren’ of ‘alle jeugdwerkpraktijken’. Wel laat deze methodiek toe om vanuit een diepgaand begrijpen de belangrijkste dynamieken te beschrijven die ervoor zorgen dat LGBTQIA+ jongeren zich al dan niet thuis kunnen voelen in het jeugdwerk. Daarnaast heeft deze aanpak als voordeel dat ze ons als onderzoekers mee in het veld plaatst. Daardoor ontstaat een leerzaam onderzoeksproces dat niet enkel over mensen gaat, maar ook steeds mét en voor hen gebeurt.

• 21


22 •


DEEL 3:

Elgiebietiedinges & Hetero-norma-wablieft?

• 23


3. Elgiebietiedinges & Hetero-norma-wablieft? Voor we de resultaten van deze studie voorstellen, zetten we eerst wat zaken op een rijtje over gender, normen en seksuele identiteit. Weinig onderwerpen in onze samenleving zijn namelijk zo bepalend voor wat we denken en doen, en tegelijk zo weinig gekend. Dit komt omdat gender en seksuele identiteit uit verschillende elementen bestaat, die we in onze samenleving uit gewoonte samenbrengen in standaard pakketjes van ‘man-zijn’ of ‘vrouw-zijn’. Het zijn die pakketjes waar het over gaat als we over gender spreken: de algemene ideeën over wat mannelijk of vrouwelijk is, en wat je als ‘echte man’ of ‘echte vrouw’ wel of niet mag, kan en hoort te doen. Om die pakketjes te ontleden, werpen we eerst een blik op de ‘Genderkoek7’.

7 De genderkoek of Gingerbread Person is ontworpen door Sam Killerman. Meer info vind je hier: https://www.itspronouncedmetrosexual.com/2015/03/the-genderbread-person-v3/

24 •


Dit wereldberoemde deegpersoontje staat bekend vanwege zijn/haar/hun talent om in één enkele blik de verschillende (biologische, psychologische en sociologische elementen) van gender en seksuele identiteit zichtbaar te maken8. Zo kan je zien dat geslacht, genderidentiteit, genderexpressie, en romantische/seksuele aantrekking verschillende dingen zijn9. Gender (of ‘sociaal geslacht’) gaat om de verwachtingen, gedragingen en rollen die in een samenleving worden gekoppeld aan verschillen tussen geslachten. Deze opvattingen verschillen tussen samenlevingen en zijn dynamisch, maar worden wel vaak opgedeeld in een binaire tegenstelling van mannelijkheid en vrouwelijkheid10. Geslacht of sekse gaat om de inwendige en uitwendige biologische kenmerken (chromosomen, hormonen, geslachtskenmerken) die bepalen tot welk geslacht je behoort (man, vrouw, en andere variaties die samen gevat worden als ‘intersekse’). Genderidentiteit (of ‘psychologisch geslacht’) is de persoonlijke beleving van je gender. Je kunt jezelf identificeren als man, vrouw, beide of geen van beide. Genderidentiteit is niet voor iedereen duidelijk of vast, en kan veranderen doorheen de tijd. Genderexpressie is de uiting van je gender aan de hand van bijvoorbeeld kleding, spraak en gedrag. Voorbeelden zijn mannelijk, vrouwelijk, androgyn, … Seksuele oriëntatie of voorkeur gaat om de romantische en seksuele aantrekking die je voelt tot anderen. Je kan je seksueel en/of emotioneel aangetrokken voelen tot personen met dezelfde of een andere genderidentiteit dan jijzelf, vallen op mensen los van hun genderidentiteit of je tot bijna of helemaal niemand aangetrokken voelen. Romantische en seksuele aantrekking lopen niet noodzakelijk gelijk.

8 Daarom is de genderkoek ook een veelgebruikt instrument in informatiecampagnes en vormingen over dit onderwerp. Çavaria zorgde voor de up-to-date en vrij beschikbare Nederlandstalige versie die we hier gebruiken, en Wel Jong Niet Hetero maakte een youtube-filmpje met een toegankelijke uitleg. Zie https://çavaria.be/sites/default/files/bijlagen/genderkoek_2017rv. pdf en https://www.youtube.com/watch?v=2oLXO1ZBoFM. 9 Het engelse letterwoord ‘SOGIESC’ omvat deze vier begrippen, namelijk sexual orientation, gender identity & expression en ‘sex characteristics’. 10 Op de website van RoSa vzw kan je terecht voor meer uitleg over de verhouding tussen de verschillende componenten van gender. https://rosavzw.be/site/kwesties/gender/gender

• 25


Op basis van een persoonlijke combinatie van deze elementen bestaat er een grote variatie aan gender- en seksuele identiteiten. Hieronder vind je een greep uit de termen die gangbaar zijn in het Nederlands vandaag om deze te benoemen. Het gebruik en de inhoud van deze termen volgt voortdurend de maatschappelijke evoluties rond gender en seksualiteit. De betekenis en lading van woorden die hier en nu gebruikt worden, kunnen -zeker ook onder jongeren- snel veranderen. De volledige woordenlijst die steeds wordt bijgewerkt en waarop we ons hier baseerden, vind je op de website van çavaria11. Aseksueel/Aromantisch: als je weinig tot geen seksuele of romantische aantrekking tot andere personen ervaart, kan je jezelf aseksueel of aromantisch noemen. Aseksuele en aromantische personen kunnen wel een rijke erotische beleving hebben en intieme relaties opbouwen. Hetero(seksueel): als je als man romantisch of seksueel aangetrokken bent tot vrouwen, of als je als vrouw romantisch of seksueel aangetrokken bent tot mannen, dan kan je jezelf hetero noemen. Heteroseksualiteit wordt vaak als de norm gezien (zie: heteronorm), maar die norm wordt tegenwoordig meer en meer in vraag gesteld, en er komt naast heteroseksualiteit plaats voor andere seksuele oriëntaties. Homo(seksueel): als je je seksueel en/of emotioneel aangetrokken voelt tot personen met dezelfde genderidentiteit, dan kan je jezelf homoseksueel noemen. De term wordt vooral gebruikt door mannen die op mannen vallen. Een ander woord hiervoor is het Engelse ‘gay’. Lesbienne/lesbisch: word je als vrouw romantisch en/of seksueel aangetrokken tot andere vrouwen, dan kan je jezelf lesbienne noemen. Panseksueel: vind je je potentiële partner’s gender geen belangrijke factor voor aantrekking, kan je kiezen om je te identificeren als panseksueel.

11 https://çavaria.be/woordenlijst

26 •


Non-binair: wijst op mensen die zich niet herkennen in de binaire genderopdeling man/vrouw. Het is tegelijk ook een parapluterm die verschillende manieren van genderbeleving omvat zoals demigender, genderfluïde of polygender. Cisgender: betekent dat het geslacht dat je toegewezen krijgt bij de geboorte overeenkomt met je genderidentiteit. Als je bij de geboorte het vrouwelijk geslacht krijgt toegewezen en je voelt je ook vrouw, dan noemt men dit cisgender. Als dit niet overeenkomt dan noemt men dit transgender Transgender: beschrijft dat het geslacht dat je toegewezen krijgt bij de geboorte niet overeenkomt met je genderidentiteit. Transvrouw wijst op een persoon met een mannelijk geboortegeslacht en een vrouwelijke genderidentiteit. Transman wijst op het omgekeerde. Queer: is een term die vaak wordt gebruikt als koepelterm voor het hele LGBTQIA+ spectrum van gender- en seksuele minderheden. ‘Queer’ heeft ook een politieke connotatie van actief verzet tegen de heersende normen over gender- en seksualiteit; waardoor er ook wel discussie is over wie precies wil of kan worden aangeduid met de term ‘queer’. Als je ziet hoeveel verschillende combinaties er mogelijk zijn, is het gemakkelijk te begrijpen dat strikte opvattingen over gender en seksuele identiteit botsen met de vele mogelijke ‘koekjes’ die in werkelijkheid voorkomen. Om die veelheid aan mogelijke identiteiten net wel te benadrukken, kozen we er in deze studie voor om het te hebben over ‘LGBTQIA+personen’. Dit letterwoord staat voor de Engelstalige termen ‘lesbian’, ‘gay’, ‘bisexual’, ‘trans’, ‘queer’ & ’questioning’, ‘intersex’, en ‘asexual’. De + staat voor het inzicht dat deze term niet alomvattend is en open blijft voor identiteiten die we op dit moment nog niet kennen of begrijpen.

• 27


LGBTQIA+ jongeren zijn toch net als alle andere jongeren? Waarom zou je die apart onderzoeken? Het is een vraag die we tijdens dit onderzoek af en toe terecht hoorden. Door te focussen op LGBTQIA+ jongeren, lijkt het wel alsof wetenschappers, belangenorganisaties of diversiteitsmedewerkers willen benadrukken hoe ‘anders’ deze groep is. Net alsof we vergeten dat onder dit lijstje labels héél verschillende personen zitten, die soms bijna geen enkele overeenkomst hebben. Toch delen de personen onder één van deze labels wel iets met elkaar. Dat ‘iets’ is alleen beter te vatten als een eigenschap van de samenleving, dan van henzelf. Wie niet-cisgender (bv. transpersonen, intersekse personen, sommige queer personen…) of niet-hetero (bv. lesbische, homoseksuele, biseksuele, aseksuele, panseksuele personen) is, botst namelijk per definitie op de discriminerende werking van heteronormativiteit in onze samenleving. We zeggen dat onze samenleving heteronormatief is omdat ze is ingericht volgens het idee dat mannen en vrouwen fundamenteel verschillend zijn, dat ze tot elkaar zijn aangetrokken, en dat ze van nature best functioneren binnen eigen, afgebakende rollen. We hebben intussen meer dan genoeg bewijs dat deze ideeën niet met de realiteit overeenstemmen. Toch blijven ze binnen onze samenleving wel gelden als norm. Ze zitten namelijk diep ingebakken in onze maatschappij: in ons onderwijs, economisch systeem, media, de arbeidsmarkt, het rechtssysteem, onze taal, manier van wonen, worden deze normen afgedwongen van alle zijn mensen in een samenleving12: Voor sommigen bieden ze houvast, maar ze produceren ook uitsluiting en leiden tot discriminatie van wie niet aan deze normen kan of wil beantwoorden. Vandaag staan de meeste mensen in België open voor het feit dat niet iedereen hetero is, of vasthoudt aan traditionele rolverdelingen13. Normen rond gender en seksualiteit verschuiven stap voor stap. We maken ze samen, telkens opnieuw, in kleine, dagelijkse interacties, bij het bepalen van de kleuren van de babykamer of het speelgoed dat we kiezen, de kleren die we aan doen, en de activiteiten die we passend vinden voor onszelf en anderen, als jongen of meisje. Door ons eigen gedrag, en door onze reacties op het gedrag van anderen, bepalen we samen wat op een bepaalde plek of tijd als passend (of gepast) aanvoelt. Dat is niet altijd comfortabel voor iedereen: wat voor velen ‘natuurlijk’ aanvoelt, is voor sommigen een moeilijke keuze tussen aanpassen aan de normen van anderen of jezelf blijven. Heteronormativiteit wordt zo 12 Pearse & Connell 2016 13 Statistiek Vlaanderen SCV 2015

28 •


gereproduceerd, maar ook wel eens uitgedaagd, in de vele kleine sociale ‘opvoeringen’ van onszelf die we aan anderen geven in de verschillende contexten van ons dagelijks leven14. Erachter komen dat je niet binnen de normen past van je sociale omgeving, is voor mensen geen leuke ervaring. Je voelt je daar letterlijk ab-norm-aal bij, wat niet meer betekent dan ‘weg van (=ab) de norm’. Ieder mens leert bovendien al als kind dat gedrag buiten de norm door je sociale omgeving wordt afgestraft, waardoor je als ‘andere’ voortdurend op je hoede moet zijn voor discriminatie, geweld en pesterijen. In een heteronormatieve samenleving worden LGBTQIA+ personen bovendien zelfs in relatief veilige omgevingen voortdurend herinnerd aan hun ‘anders-zijn’15. Zelfs zij die gesteund en aanvaard worden door vrienden en familie, kunnen daardoor toch moeite hebben om hun gender en seksuele identiteit te aanvaarden en als positief te beschouwen16. Omdat normen verschillen in tijd en plaats zullen LGBTQIA+ personen op verschillende plekken en momenten meer uiting geven aan bepaalde delen van hun identiteit dan op andere. Ze zijn daarom zelden simpelweg ‘out’ of ‘niet out’17, maar ‘managen’ de zichtbaarheid van hun gender- en seksuele identiteit in verschillende situaties18. Het voortdurend bepalen van waar en wanneer je welke aspecten van jezelf kan tonen, is stresserend en kost veel energie19. Personen in een gezagspositie kunnen een belangrijke invloed hebben op de normen die gelden binnen de ruimten waar hun autoriteit geldt. Bedrijfsleiders, managers, schooldirecteurs, maar ook leerkrachten of jeugdwerkers spelen een cruciale rol in de creatie van een ‘diversiteitsklimaat’ op bepaalde plekken20 en hebben zo een belangrijke impact op het psychologisch welbevinden van minderheidsgroepen21. Vanuit deze inzichten wordt de laatste decennia hard gewerkt aan het in vraag stellen van binaire gendernormen (man vs.vrouw) en de heteronorm in onze samenleving. 14 De Craene & Loopmans 2013; Butler 1990, 1993; Gregson & Rose 2000; zie ook Spruyt & Siongers 2014 voor een Nederlandstalig overzicht van gendertheorie. 15 Kitzinger 2005; Wilkinson & Pearson 2009 16 Szymanski, Kashubeck-West & Meyer 2008; Mayfield 2001 17 ‘Out’ refereert naar personen die openlijk uitkomen voor hun gender of seksuele identiteit. De term verwijst naar de engelse uitdrukking ‘coming-out of the closet’ of ‘uit de kast komen’; het proces waarbij een persoon uit een seksuele minderheid dit deel van de eigen identiteit kenbaar maakt aan de buitenwereld. 18 Lasser & Tharinger 2003 19 De Waele, Van Houtte & Vincke 2014 20 Spijkers & Loopmans 2018 21 Chrobot-Mason & Aramovich 2013

• 29


In België werken overheid en belangenorganisaties daarvoor op vele fronten tegelijk: van wetgeving over informatieverstrekking tot rolvoorbeelden in de media. Dankzij het internet ontstonden bovendien nieuwe kanalen om informatie uit te wisselen en actie te voeren22, waardoor vandaag een sterk uitgebouwde, wereldwijd verbonden LGBTQIA+ beweging bestaat. De maatschappelijke omgeving van LGBTQIA+ jongeren (en de facto alle jongeren) is dan ook te begrijpen als die van een heteronormatieve samenleving in volle evolutie. Langs de ene kant lijkt opgroeien als LGBTQIA+ persoon in het huidige maatschappelijk klimaat makkelijker dan vroeger: er is héél veel informatie beschikbaar, de houding van mensen tegenover holebiseksualiteit en transgender personen is relatief positief tegenover andere landen en in vergelijking met vroeger23, en heteronormativiteit wordt steeds meer in vraag gesteld. Anderzijds weten we uit zowel binnenlands als internationaal onderzoek dat heteronormativiteit nog alomtegenwoordig is in de leefwereld van kinderen en jongeren24, en dat dit hun welbevinden negatief beïnvloedt25.

22 Sculc & Dhoest 2013 23 Statistiek Vlaanderen SCV 2015 en SCV 2018; Ilga-Europe website, 2020: https://rainbow-europe.org/country-ranking 24 Kitzinger 2005; Wilkinson & Pearson 2009; Jackson 2009 25 Pascoe 2007; Petrovic & Ballard 2005; McNeill 2013; García 2009; Toomey et al. 2012; Wilkinson & Pearson 2009; çavaria 2018;

30 •


DEEL 4:

Kwestie(s) van jeugdwerk

• 31


4. Kwestie(s) van jeugdwerk Vrijetijdsactiviteiten zijn in het algemeen belangrijk voor de identiteitsontwikkeling en het welbevinden van kinderen en jongeren26. Dat lijkt ook te gelden voor LGBTQIA+ jongeren. In het bestaande onderzoek blijkt bovendien dat vrijetijdsplekken op veel verschillende manieren van belang kunnen zijn voor de gender en seksuele identiteitsontwikkeling van LGBTQIA+ jongeren. Voorbeelden uit onderzoek zijn onder andere het maken van een eerste homoseksuele vriend op zomerkamp, zichzelf ontdekken op verjaardagsfeestjes en logeerpartijtjes van leeftijdsgenoten, het bespreken of maken van films, boeken en theater waarin homoseksualiteit aan bod komt, en het verkennen van grenzen in drankgelegenheden als cafés, clubs en feestjes27. Tegelijk toont onderzoek ook aan dat stereotypen, vooroordelen en negatieve houdingen tegenover LGBTQIA+ jongeren ervoor zorgen dat ze minder vaak deelnemen, afhaken of verkiezen om hun gender en seksuele identiteit te verbergen in vrijetijdsomgevingen die niet expliciet op deze doelgroep zijn gericht28. Wouter Leerman beschreef de centrale bevinding van zijn thesis-onderzoek over georganiseerde vrijetijdsorganisaties voor deze jongeren dan ook glashelder als: “Het IS een issue”29: heel wat drempels maken het bestaande jeugdwerkaanbod minder toegankelijk. De bestaande gegevens suggereren dat de omgang met LGBTQIA+ jongeren in Vlaanderen iets positiever is in jeugdverenigingen dan in sportclubs30. Toch bestaan er ook grote verschillen binnen dezelfde types verenigingen. Dit suggereert dat andere kenmerken dan het type activiteit een grotere rol spelen. Eerdere studies wijzen op het belang van ‘homoseksuele referentiefiguren’, een macho- of mannencultuur, het gebruik van homo-negatieve taal, de rol en houding van begeleiding, en de mate waarin deelnemers geacht worden grote delen van hun identiteit bloot te geven31. Verder bouwend op deze bevindingen, bespreken we in dit deel onze resultaten in de vorm van ‘issues’ of kwesties die we aantroffen binnen het jeugdwerk. We staan stil bij hoe deze kwesties in elkaar zitten, tonen hoe ermee wordt omgegaan in 26 Larson 1994, 2000; Caldwell & Faulk 2013; De Laet, Glorieuw & Van Tienoven 2011; Fredricks & Eccles 2006; Scheerder et al. 2011 27 Vaughan 2018; Hammack & Cohler 2011; Hunt et al. 2019; Van Wichelen & Dhoest 2020; Szulc & Dhoest 2013 28 Kivel & Kleiber 2000; Leerman, van de Walle & Bradt 2014; De Pauw et al. 2010; Dewaele et al. 2009 29 Leerman, van de Walle & Bradt 2014: 124 30 Dewaele et al. 2008, Bradt et al. 2014; Vettenburg et al. 2014 31 Leerman, van de Walle & Bradt 2014

32 •


het jeugdwerk en formuleren de lessen die we eruit kunnen leren voor een sterker jeugdwerk. Daarbij gebruiken we citaten van jongeren, (bege)leiding en experts uit interviews en focusgroepen, en excerpten uit observatieverslagen ter illustratie. Stukken in spreektaal en engels werden door de onderzoekers omgezet naar algemeen Nederlands, met respect voor de inhoud. Wanneer we citaten gebruiken over de ervaring van LGBTQIA+ jongeren, geven we hun gender of seksuele identiteit mee zoals ze die zelf benoemen tijdens het onderzoek. Verder maken we in het rapport een onderscheid tussen LGBTQIA+ specifiek jeugdwerk en ander jeugdwerk. Jeugdwerk dat zich niet op deze groep richt, noemen we in deze context ‘mainstream’: het gaat om werkingen waarbij gender en seksuele identiteit geen deel uitmaakt van hun bestaansreden.

4.1 #IDENTITEITEN BEWEGEN, LABELS EVOLUEREN Categorieën en labels over gender en seksuele identiteit bewijzen dagelijks hun nut in onze samenleving: door verschillende gender- en seksuele identiteiten te benoemen, worden deze zichtbaar en (h)erkenbaar. Ze helpen mensen om zichzelf uit te drukken, te ontdekken en te begrijpen wie zijzelf en anderen zijn. Het is vanuit die interacties dat mensen in staat zijn om identiteiten op te bouwen en ‘op te voeren’. Bovendien helpen ze ook om op te komen voor de rechten van groepen die bepaalde kenmerken delen die hun maatschappelijke positie negatief beïnvloeden. Dankzij internet en sociale media hebben jongeren vandaag veel meer voorbeelden en woordenschat binnen bereik rond labels en verschillende invullingen van identiteiten dan vroeger. Net als in ander onderzoek blijken websites en sociale media voor LGBTQIA+ jongeren een erg belangrijke bron van inspiratie voor het ontwikkelen van een positieve(re) identiteit32. Sociale media en online gemeenschappen creëren bovendien een belangrijke plek om nieuwe identiteiten te verkennen en virtueel uit te proberen33.

32 Szulc & Dhoest 2013; Philipsen 2016 33 Pascoe 2011; Alexander & Losh 2010

• 33


Ik denk dat ik 14 of of 15 was toen ik echt wel al doorhad van: “Oei, ik val mísschien op meisjes”. Dat ik daar echt zo iets mee gedaan heb, was in het eerste jaar hoger onderwijs. Toen dacht ik van: “Oké, nu moet ik toch eens op een forum gaan kijken” of “Nu moet ik toch eens Tinder aanmaken om te zien of dat is wat ik wil”. (cisgender vrouw, 24, samen met een vrouw, houdt niet van labels)

Maar toen ik [16 was en] mijn eerste iPad kocht, was het alsof de wereld open ging! Zo ontdekte ik Wel Jong Niet Hetero, Merhaba, online chat… (cisgender vrouw, 23, queer)

Het is eigenlijk pas vanaf het moment dat ik op social media zo echt van die dingen ben beginnen zien, dat ik ook naar LGBT studentenverenigingen ben beginnen gaan en zo, dat ik me echt op mijn gemak voelde en dat ik een hele vriendenkring aan het creëren was die hetzelfde was als ik. (cisgender vrouw, 24, lesbisch) LGBTQIA+ specifieke jeugd(werk)plekken zijn belangrijk voor zowel on- als offline contact tussen jongeren die zoekend zijn op vlak van hun gender en seksuele identiteit. De ontmoeting met peers die een bepaald label claimen of bespreekbaar maken, is voor meerdere jongeren van belang geweest voor de bevestiging van hun gender en seksuele identiteit en hun zelfaanvaarding. Een non-binaire jongere was bijvoorbeeld enkele jaren ‘out’ als lesbienne en vermoedde transgender te zijn, toen hen34 op veertienjarige leeftijd lid werd van een genderinclusieve sportclub:

34 Hier gebruikt als genderneutraal voornaamwoord.

34 •


Daar was een persoon die zei: “Ik voel me geen jongen, ik voel me geen meisje: ik ben non-binair”. En ik had iets van: “What the fuck? Dat bestaat? Dat is een optie?!”. Het was alsof die vier jaar van zelfhaat en twijfel ineens wegvlogen: ik ben non-binair. Op dat moment wist ik het gewoon, geen extra info nodig. Dat was van: ok, dat ben ik. (nonbinair persoon, 23, panseksueel) Het krijgen en onderling kunnen bespreken van informatie over gender en seksuele identiteit zou voor veel jongeren al op (veel) vroegere leeftijd mogelijk moeten zijn op plekken zoals school, waar álle kinderen en jongeren worden bereikt. Het belang daarvan wordt soms onderschat door volwassenen in hun omgeving, zoals ook onderstaande begeleider vertelt:

We hebben op kamp vorig jaar eens even gedacht: “Ooh we skippen de gendervorming en laten een spreker komen en daarmee is de kous af, want dan hebben ze ineens al hun informatie”. Maar nee, nee, nee! Daar was zoveel protest op, en ze wouden dat echt hebben. En als we eens een activiteit laten uitlopen waardoor de vorming korter is, wordt ons dat echt niet in dank afgenomen. Die kijken daar allemaal heel hard naar uit. (vrijwillig begeleider LGBTQIA+ jeugdwerk) Toch hebben labels ook een aantal nadelen. Vooral de manier waarop naar identiteit wordt gekeken in de samenleving levert problemen op voor zoekende kinderen en jongeren. Terwijl genderidentiteit eerder los en veranderlijk is, en iedere identiteit uit meerdere lagen bestaat, suggereren labels vaak net dat ze vast en blijvend zijn. Dit botst met de beleving van veel jongeren. Ze identificeren zich met meer dan hun seksuele identiteit, en het belang van verschillende identiteiten verschilt bovendien sterk doorheen de tijd en van omgeving tot omgeving.

• 35


Ik identificeer me eigenlijk als queer. Ik heb geen specifiek… ik ben ook niet zeker welke groep of welk label ik zou moeten gebruiken, dus voor nu gebruik ik gewoon queer, en ik gebruik ook Moslim, Marokkaans, Vlaams, vrouw en voornaamwoorden zij en haar, en dat is het zo wat. (cisgender vrouw, 23, queer) Heel wat jongeren houden er dan ook niet van om zichzelf een label op te moeten plakken. Voor de ene is het (nog) onduidelijk, voor de andere is een label net te definitief. Sommige jongeren vinden het ook moeilijk om zich met een bepaald label te identificeren, omdat ze zichzelf niet herkennen in de stereotypen die ze ermee associëren.

Tja, ik denk… Vroeger zag ik mezelf echt als lesbisch en nu weet ik het zo precies niet meer, en ik heb ook zo geen goesting om mezelf in een hokje te plaatsen. Dus zeg ik ‘ik val vooral op vrouwen’, en ik vind dat gemakkelijker voor mij, euhm, want ik ben er zelf zo niet echt uit. (cisgender vrouw, 24, valt vooral op vrouwen)

Er is zoveel en mijn gevoel verandert elke paar maanden. Dus ik neem mijn tijd, ik push mezelf niet, en ik hou het voorlopig bij queer. Dat voelt op dit moment goed aan, maar ik weet niet in welke richting het zal gaan. (cisgender vrouw, 23, queer)

36 •


Vanuit het verlangen naar duidelijk, stabiele, afgelijnde identiteiten staan jongeren onder veel druk om zich op vlak van gender en seksualiteit te identificeren. Het ‘nietweten’ of twijfelen over de eigen seksuele identiteit wordt dan ook vaak als iets negatiefs ervaren door jongeren zelf, terwijl hun omgeving dit kan interpreteren als een gebrek aan vertrouwen, verlegenheid of zelfs moedwilligheid. De toegenomen nadruk op het correct moeten kunnen benoemen van zowel je eigen gender en seksuele identiteit als die van anderen, wekt bovendien weerstand en ergernis op bij een aantal jongeren.

Ik vind het [labels] écht niet meer nuttig. LGBTQ is al lang genoeg hé, waarom moet die I er nog bij of die A er nog bij? En binnenkort staat er nog een Z bij ook dan waarschijnlijk. Of dat, of dat, allez, dan ben je langer… Ik vind het gewoon belachelijk dat er zo een lang label op geplakt wordt, en dat iedereen er zo hard, allez van ‘ons’ dan om het zo te zeggen, daar zo hard op kan doorgaan. Soms denk ik echt van allez, maakt dat echt nu zoveel uit? (cisgender man, 22, biseksueel) Daarnaast bestaat er een duidelijke verwachting over hoe seksuele identiteitsontwikkeling bij LGBTQIA+ jongeren verloopt: na een zoekende fase hoor je op een bepaald moment publiek bekend te maken ‘wat’ je bent en ‘je te outen’. Zoals eerder onderzoek al deed vermoeden, geven jongeren aan dat dit druk oplevert. Dit ervaren ze vooral op plekken waar de focus ligt op jezelf zijn, vriendschap en openheid35. Zoekende kinderen en jongeren worden daardoor soms slachtoffer van ‘goedbedoelde’ interventies, zoals overdreven aanmoediging of ongevraagde hulp om zich te outen, terwijl ze net behoefte hebben aan tijd en ruimte om te ontdekken wie ze zijn. Voor sommige jongeren valt de ontspanning die ze zoeken in vrije tijd weg in een omgeving waarin ze zichzelf teveel moeten ‘uitleggen’ aan anderen. Voor heel wat LGBTQIA+ jongeren vergroot dit de stap naar een mainstream vereniging, waar vaker bepaalde veronderstellingen heersen over hoe iemand is op basis van diens seksuele identiteit.

35 Leerman, van de Walle & Bradt 2014: 126

• 37


Het kost me veel energie en moeite om elke keer mijn gender en seksualiteit te moeten uitleggen, of het verschil tussen sekse, gender en seksualiteit. Ik ben niet altijd bereid om die moeite te doen. En ik voel me gewoon automatisch meer op mijn gemak als ik weet dat de persoon voor me wéét waar ik het over heb. Want vanaf het moment dat ik vrije tijd doorbreng in een omgeving waarin ik al die dingen moet uitleggen, is het gewoon geen ontspanning meer. (cisgender vrouw, 25, queer en questioning) Tijdens het onderzoek noemen enkele LGBTQIA+ jongeren van buitenlandse herkomst deze ‘outingsnorm’ een extra drempel om deel te nemen aan jeugdwerk. De thuisomgeving van deze jongeren levert soms extra druk op om bovenop heteronormatieve verwachtingen, ook aan religieuze of culturele gemeenschapsnormen te voldoen. Wanneer ze er uit respect voor deze normen voor kiezen om zich niet te outen tegenover familie, krijgen ze het gevoel dat ze ‘tekortschieten’ binnen de LGBTQIA+ gemeenschap.

38 •


AANBEVELING 1 Maak als bege(leiding) gender- en seksuele identiteit bespreekbare thema’s binnen je groep. Houd rekening met de noden en mogelijkheden van de kinderen en jongeren waarmee je werkt, op vlak van onderling vertrouwen, leeftijd en kennis. Reik jongeren woorden aan om gender- en seksuele identiteit bespreekbaar te maken, maar dring hen geen hokjes op en push nooit iemand om zich te outen.

AANBEVELING 2 Dring mensen niet onnodig labels op via beleid en administratie: zorg voor genderinclusieve registratie door naast m/v ook de opties x of andere te voorzien, zorg ervoor dat mensen hun geslacht vlot kunnen aanpassen in hun administratie, en bekijk binnen de procedures of en wanneer de registratie van geslacht überhaupt wenselijk en nodig is.

AANBEVELING 3 Hanteer correct en genderbewust taalgebruik in beleidsteksten en in andere communicatie. Als je specifieke termen rond gender- en seksuele identiteit gebruikt, veronderstel dan geen voorkennis maar verklaar ze. Leg uit dat ze voortdurend evolueren qua betekenis en je ze dus best goed situeert in tijd en plaats.

• 39


4.2 #OOK JEUGDWERK REPRODUCEERT DE HETERONORM Normen worden bewust, maar vaak ook onbewust verdedigd en gereproduceerd, niet alleen in woorden, maar ook door middel van organisatiestructuren en handelingen. Daarom is het nuttig om niet enkel te spreken over heteronormativiteit, maar ook te observeren welke praktijken stilzwijgend heteronormativiteit reproduceren in een werking. Voor veel deelnemers en begeleiding van jeugdwerkgroepen voelen de eigen omgangsvormen, afspraken en tradities namelijk aan als ‘evidenties’.

De eersten die aankwamen claimden hun bed, wat nadien bleek dat de meeste bedden verdeeld waren en de vrouwen in de grote kamer sliepen, en de enige man van onze groep dus in een andere kamer zou gaan liggen bij andere mannen. Ik hoor nog iemand zeggen ‘Ah, da’s dan goed verdeeld, mannen en vrouwen apart’. (excerpt uit het observatieverslag van een deelneemster, 25, aan een internationale jongerenreis) Heteronormativiteit is zichtbaar op verschillende niveau’s binnen het jeugdwerk. Op organisatieniveau gaat het bijvoorbeeld om de manier waarop gender wordt geregistreerd bij inschrijvingen, het vasthouden aan bepaalde tradities zoals genderspecifieke uniformen, de vormgeving en inrichting van gebouwen (zie ook 4.2), of gendergerelateerde criteria voor deelname. Over dat laatste bestaat veel onenigheid. Heel wat mensen kaarten aan dat het bestaan van meisjes- of jongenswerkingen op zich genderbinair is en dat er stereotypen worden versterkt. Een transjongere die vroeger voor een korte tijd onder dwang van een ouder lid was van de meisjesgroep in een mainstream jeugdbeweging, verwoordt zijn visie daarop als volgt:

40 •


Als je kijkt naar een jongens[groep] en een meisjes[groep]… De jongens die komen zo vuil als iets terug en dan de meisjes die komen me nagellakjes terug. En dan denk ik van: “Kan je nog meer gaan stereotyperen? Kan je nog harder de genderrol erdoor drammen?” (transgender man, 22) Jongensgroepen blijken bovendien vaak een kwalijke reputatie te hebben, omdat ze een machocultuur zouden promoten waarbinnen heteronormativiteit, homo- en transfobie niet enkel getolereerd, maar ook versterkt worden. Toch zien we ook bij gescheiden werkingen grote verschillen in de mate waarin ze hetero- en gendernormen bevestigen of uitdagen. Heel wat jongeren geven bijvoorbeeld aan dat hun meisjesgroep bij de jeugdbeweging net een plek was waar ze hun gender en seksualiteit konden bespreken en verkennen. Zoals onderstaande uitspraak tijdens een focusgroepsgesprek weergeeft, hebben sommige mainstream jeugdbewegingswerkingen zelfs specifiek deze reputatie:

Bij mij is dat eigenlijk gestart als ik er dan voor ben uitgekomen dat ik op meisjes viel in de [jeugdbewegingsgroep]. Omdat… praktisch de helft, ja meer dan de helft van mijn leiding was daar zelf lesbisch, aangezien dat het een meisjes[jeugdbewegingsgroep] was, dus ja…. (transgender man, 20, over zijn ervaring in de meisjesgroep van een mainstream jeugdbeweging waar hij vroeger enkele jaren lid was)

• 41


Werkingen gericht op jongeren in een maatschappelijk kwetsbare positie, gaan vanuit een anti-discriminatie en empowerment-agenda bovendien vaak juist erg actief aan de slag rond gendernormen. Enkele stakeholders wijzen dan ook op het belang van de ene dwingende norm (heteronormativiteit) niet te vervangen door een andere (‘alle werkingen moeten gemengd zijn’), en vooral naar jongeren zelf te blijven luisteren.

Dan merk je gewoon dat er heel veel vraag is naar een meisjeswerking. Los van de initiële redenen als gender, geloofsovertuiging, of “ik mag dat niet met jongens”. Dat leeft veel meer omdat die identiteitsontwikkeling bij sommigen gewoon beter gaat als ze in hun puberteit of in een bepaald moment in hun leven met meer gelijken zitten. En dat is niet van: “Ah we zijn meisjeswerking zodat we nu de specifieke meisjesdingen kunnen doen”. Absoluut niet. Die kunnen ook badass dingen doen, maar wel onder elkaar. (ondersteuningsmedewerker koepelorganisatie) Tijdens jeugdwerkactiviteiten zien we gender- en heteronormativiteit in interacties tussen en onder leden en (bege)leiding; in de keuze, inhoud en inkleding van spelen; in taalgebruik, en in interventies van leiding of net het gebrek daaraan. Zo vertelt een leidster hoe stereotypen vaak opduiken bij het invullen van fictieve personages in spelen in spelletjes:

En dan heb ik wel al een paar keer opgemerkt van ‘Ah, die is met een rode sacoche, en op hakken en zo, en dit en dat, dat zal wel een homo aan het spelen zijn.’ (begeleidster van speelweken bij mainstream jeugdwerking)

42 •


Een homoseksuele jongere vertelt dat hij zich al als kind minder comfortabel voelde in ‘macho’ omgevingen waarin hij dwang voelde om een mannelijke rol op te nemen, wat hem een moeilijke tijd opleverde in de jeugdbeweging:

Op een gegeven moment waren we als lid maar met drie meisjesleden, en de rest allemaal jongens en heel mannelijke leiding. Drie jongens en één meisje… zelfs géén. Dus heel veel voetballen, altijd heel veel typische jongensspelletjes… Zo echt dat het gebeurde dat de meisjes aan de kant zaten en dat er niets aan gedaan werd. Ik heb daar dan thuis heel veel voor geweend als kind. (cisgender man, homo, 24, over zijn ervaring in een mainstream jeugdbeweging) Binnen LGBTQIA+ specifiek jeugdwerk geven veel mensen aan dat ze bewust omgaan met de normativiteiten in hun werking. Toch reproduceren ook deze werkingen ‘afgeleiden’ van de heteronorm, zoals bijvoorbeeld de verwachting dat iedereen zich wil outen, of een vaste, monogame relatie nastreeft. Daarnaast wordt ook een zekere mate van transfobie vastgesteld, en is er ook sprake van ‘homonormativiteit’: een binaire genderopvatting die homomannen en lesbische vrouwen in mannelijke en vrouwelijke types onderverdeeld.

Wat niet wil zeggen dat het allemaal rozengeur en maneschijn is, want L, G, B en T en al de rest is heel anders en soms hebben wij daar ook wel problemen tussen. Dat er een misbegrip is. Bijvoorbeeld dat iemand die homo is een transfobe opmerking maakt, waarschijnlijk niet slecht bedoeld maar dat valt dan in slechte aarde bij hen. Dus dat gebeurt ook wel. We proberen dat dus zoveel mogelijk te vermijden. Dat is nooit omdat ze transfoob zijn, daar ben ik zeker van, maar die gevoeligheid… (begeleider LGBTQIA+ specifieke jeugdvereniging)

• 43


De omgang met heteronormativiteit binnen een jeugdwerkpraktijk is bepalend voor onze blik op wat er wel en niet kan. Mag een jongetje een jurk dragen tijdens het spel? Is homo een geaccepteerd scheldwoord? Kan je als meisje mee ravotten zonder uit de toon te vallen? De ‘onderhandelingsruimte’ tegenover deze normen hangt sterk af van hoe gevoelig iemand is voor de druk van normen, hoe en door wie deze normen bewaakt worden, en welke uitwijkmogelijkheden er bestaan. Met name gendernonconforme jonge kinderen voelen snel aan dat ze uit de toon vallen, en haken daardoor gemakkelijk af, wat ook bij onderstaande transgender jongere het geval was:

Toen ik vijf of zes was probeerden mijn ouders me in een mainstream jeugdbeweging te stoppen, maar ik wilde het echt niet. Ze zonderen je daar af. Niet de organisatie of de leiding, maar de kinderen zelf. Niet dat ze dat willen, maar heel subtiel doen ze het wel. Je voelt het in de kleine dingen. (transgender vrouw, 24, over haar ervaring in een mainstream jeugdbeweging als kind) Aan de hand van die onderhandelingsruimte beslissen jongeren hoe ze er best uitzien, welke delen van hun identiteit ze blootgeven, waarover ze praten en welke dingen ze doen36. Op die manier beperkt heteronormativiteit de mogelijkheden van kinderen, jongeren én leiding om te zijn wie ze willen zijn.

Ik ben een keer een maand naar de [mainstream lokale jeugdbeweging] geweest en ik voelde me daar echt niet op mijn plaats want ik was heel beschaamd over mezelf. Ik was jong, ik leek op een jongen. […] Ik weet nog dat ik zelfs m’n haar toen in een staartje heb proberen te doen, maar met heel veel speldjes en zo, om er toch vrouwelijk uit te zien. Maar ik voelde me zooo lelijk op dat moment. (cisgender vrouw, lesbisch, 24, over haar ervaring in een mainstream jeugdbeweging toen ze 11 jaar was)

36 Oakleaf 2013: 263

44 •


Wat ik wel mis in mijn [jeugdbewegingsgroep] is dat er niemand anders ook gay is -behalve ik dan- in de leidingsgroep. En ja, dat mis ik. Ze zijn allemaal heel open-minded en zo, maar we praten niet over dingen als... Als ik er wel over praat, bijvoorbeeld zoals ik met [vriendin in focusgroep] praat over gay stuff zo… dat kan ik niet op de [jeugdbeweging]. (leidster mainstream jeugdwerk, 18, biseksueel) Tegelijk maakt heteronormativiteit ook gedrag acceptabel dat anderen kan benadelen. Homofobe of seksistische opmerkingen worden bijvoorbeeld weggelachen als onschuldige grapjes (zie ook 4.6). Vechtpartijen of (vaak dronken) grensoverschrijdend gedrag worden als ‘jongensgedrag’ afgedaan, of genderstereotypen zorgen ervoor dat meisjes in de kookploeg belanden en jongens vuur maken en bier tappen. Uit de observaties van jeugdwerkpraktijken leren we dat stereotype genderrolverdelingen nog vaak voorkomen onder zowel leden als begeleiding van gemengde jeugdbewegingen, maar ook dat er op veel plekken vaak om wordt gelachen.

Er wordt op de [mainstream jeugdbeweging] wel veel gelachen om stereotypen. “Meisjes, kunnen jullie is aan de afwas beginnen, dan zullen wij ons een biertje pakken en in een campingstoeltje gaan zitten”, wordt er wel eens al lachend gezegd door de mannen. Of als wij als vrouwen 1 man roepen omdat wij met 4 iets niet kunnen optillen. (excerpt uit het observatieverslag van een leidster)

• 45


Jongeren zijn bijzonder gevoelig voor de stereotypen en vooroordelen die ze opmerken bij leeftijdsgenoten of volwassenen in hun omgeving (zie ook 4.5). Vanwege die stereotypen aarzelen heel wat LGBTQIA+ jongeren om zich te outen in hun jeugdbeweging uit angst om vrienden kwijt te spelen, negatieve reacties te krijgen van leden, medeleiding of ouders, of niet au sérieux genomen te worden.

Mijn ex-vriend had dat heel hard. Die heeft in de [mainstream jeugdbeweging] gezeten: enkel jongens, een gescheiden werking, allemaal echt klassieke voorbeelden van macho’s. Hij zei van: “Ik zag geen enkel moment een opening om daar eens over te babbelen, en de enige oplossing was voor mij om daar uit te gaan”. (cisgender man, 24, homo) Net als in eerder onderzoek geven sommigen bovendien aan dat ze na hun outing hun gedrag aanpasten om geen specifieke vooroordelen of stereotypen aan te wakkeren. De angst om als pervers aanzien te worden, kan er zo voor zorgen dat een homoseksuele leider vermijdt om met jonge kinderen te werken, of een lesbische leidster zich bij het zwemmen steeds op voorhand al omkleedt37.

37 zie ook Leerman, van de Walle & Bradt 2014; Oakleaf 2013

46 •


AANBEVELING 4: Versterk de kennis van leiding omtrent heteronormativiteit als dominant en kwetsend kader voor minderheden. Creëer bewustzijn over de reproductiemechanismen die aanwezig (kunnen) zijn binnen de werking op zowel organisatieniveau als bij professionals en vrijwilligers die met jongeren werken.

AANBEVELING 5: Zet in op de ontwikkeling van eigen(zinnige) normen binnen de groep waarvoor je verantwoordelijk bent. Maak afspraken rond wat wel en niet kan binnen de organisatie en sector, en hoe iedereen elkaar kan helpen om deze afspraken te respecteren. Werk blijvend aan een heldere visie, missie en handelingskaders waar (bege)leiding en leden trots op kunnen terugvallen.

AANBEVELING 6: Creëer bewustzijn onder (bege)leiding rond het effect van heteronormatief taalgebruik en stereotypen op LGBTQIA+ jongeren. Dit kan door kennis en inzichten aan te reiken, een vorming of spel rond het thema te organiseren, enzovoort. Koppel sensibilisering meteen ook aan praktische tips om bijvoorbeeld bij kwetsend taalgebruik in te grijpen.

• 47


48 •


4.3 #JEUGDWERK DAT ZICH RICHT OP EEN POSITIEVE OMGANG MET VERSCHIL VORMT VEILIGE(RE) PLEKKEN We noemen plaatsen een sociaal veilige omgeving (safe space) “wanneer mensen er begrijpen dat hun eigenheid en de expressie daarvan niet uitgedaagd zullen worden, dat ze er vrijuit kunnen spreken, en dat ze er hun ervaringen openlijk kunnen delen”38. We toonden eerder al aan dat LGBTQIA+ jongeren die opgroeien in een heteronormatieve context zich op veel plekken niet veilig genoeg voelen om hun gender en seksuele identiteit te zoeken, tonen en beleven. Het hebben van veilige(re)39 omgevingen is echter belangrijk voor een positieve identiteitsontwikkeling. Je kan er bevestiging vinden voor wie je bent, werken aan zelfaanvaarding en een houding tegenover de buitenwereld, en met minder risico’s om verschillende identiteiten uit te proberen en te beleven40. In onveilige omgevingen daalt het welbevinden van LGBTQIA+ kinderen en jongeren41. Heel wat LGBTQIA+ jeugdwerkinitiatieven werken dan ook expliciet aan veilige(r) plekken voor jongeren uit gender en seksuele minderheden. Net als in ander onderzoek werd vastgesteld, merken we dat deze organisaties soms de rol van ‘een thuis’ of ‘familie’ vervullen voor LGBTQIA+ jongeren, door hen te steunen en versterken wanneer de thuisomgeving dat niet doet42. Ze faciliteren het vinden van sociale steun en de ontwikkeling van een sociaal netwerk, en duiden individueel leed in een bredere socio-historische context van collectieve strijd43. Zo vertelt een begeleidster over het verloop van een kamp voor LGBTQIA+ jongeren:

38 Rom 1998; Mountney 2015 39 Vanuit het besef dat volledige veiligheid garanderen voor alle mogelijke gebruikers van een ruimte niet mogelijk is, wordt steeds vaker een ‘r’ toegevoegd. Deze geeft aan dat men erkent dat het voorzien van een veilige omgeving een proces is en dus een blijvende inspanning vraagt. 40 Toomey et al. 2010; Zeeman et al. 2017; Kosciw et al. 2010 41 Bradt et al. 2019; çavaria 2018 42 Gamarel et al. 2014: 306 43 DiFulvio 2011

• 49


[De vorming gebeurt] in kleine groepjes elke avond, en er wordt dan elke avond een ander onderwerp besproken. De onderwerpen zijn: coming in, coming out, verliefdheid en relaties, seksualiteit, gender en dan eentje om af sluiten, dat vergeet ik even. En ja dat is eigenlijk een moment waarbij we zo wat basisdingen kunnen meegeven maar waarop ze ook gewoon iets kwijt kunnen. Er zijn dan ook afspraken dat alles binnen dat groepje blijft, dat niemand iets doorvertelt wat daar gezegd is. Ook dat er niet wordt gelachen met elkaar. (vrijwillig begeleidster LGBTQIA+ jeugdwerk over zomerkamp) De focus op positieve identiteitsontwikkeling vanuit deze organisaties vergroot de mentale veerkracht en het welbevinden van jongeren, wat meerdere deelnemers aan dit jeugdwerkaanbod uitdrukken44.

Die peer support is ook iets heel belangrijks denk ik. Als ik deze safe space niet had gehad waar jonge mensen over hun ervaringen praatten en hun ervaringen deelden‌ Dat heeft me als persoon gevormd, me geholpen om mijn identiteiten te ontdekken en ontwikkelen. (nonbinair persoon, panseksueel, over deelname aan LGBTQIA+ specifieke jeugdwerkgroep)

44 DiFulvio 2011

50 •


Zoals eerder al aangehaald spelen online plekken vandaag een belangrijke rol in het voorzien van omgevingen om je gender- en seksuele identiteit te verkennen (zie 4.1.). Omdat ook online omgevingen niet steeds de nodige veiligheid bieden45, creëerde jeugdwerkorganisatie Wel Jong Niet Hetero (WJNH) bovendien een uniek veilig online forum voor LGBTQIA+ jongeren. Daarnaast blijkt voor veel jongeren de nood aan fysieke plekken en ontmoetingen met ‘echte mensen’ van groot belang te blijven voor hun welbevinden, wat ook onderstaande begeleidster aangeeft vanuit zowel haar eigen ervaring als die van de jongeren waarmee ze werkt:

Sociale media en internet zijn keigoed op dat vlak, maar ik denk de keerzijde van de medaille zelfisolatie is. Hoe meer je op het internet zit, hoe meer je achter uw computer zit thuis (begeleidster LGBTQIA+ jeugdwerk). Naast internet en LGBTQIA+ organisaties kunnen ook andere jeugdwerkinitiatieven LGBTQIA+ jongeren de veiligheid bieden die ze nodig hebben om zichzelf te kunnen zijn en ontplooien. Zo geven meerdere jongeren aan dat hun instap in een mainstream jeugdwerkorganisatie, vaak via een animatorcursus, een emancipatieproces op gang bracht:

Ik ben altijd wel zo geweest van: “Wat je van me denkt of doet dat kan me niet zoveel schelen”. Maar toen zei ik mijn mening ook niet, ik ging niet in discussie, als ik het oneens was met iets ging ik gewoon wat stil zitten aan de kant. Door [mainstream vakantieorganisatie] en animator zijn en door op reis te gaan, is dat wel veranderd, ben ik durven uitkomen voor mijn eigen mening. (cisgender man, 22, biseksueel)

45 zie Bromseth and Sundén 2011; Alexander & Losh 2010; Jernigan & Mistree 2009; Thelwall 2011; Philipsen 2016. Op basis van dit inzicht creëerde WJNH een uniek veilig online platform voor LGBTQIA+ jongeren.

• 51


Opvallend gaat het in deze ervaringen vaak om plekken die gericht zijn op inclusiviteit, de integratie van bepaalde groepen, en een positieve omgang met verschil.

De [vakantieorganisatie voor mensen met en zonder handicap] is altijd wel zo een plek geweest waarvan ik wist: het maakt hier niet uit op wie dat ik val, want ze zijn hier zo open en tolerant, want dat is ook wat ze willen zijn. En ik heb daar altijd steun aan gehad. Of, ja, steun…dat was gewoon van: ‘Gij zijt niet anders dan ons’, snap je? (cisgender vrouw, 25, lesbisch) Zoals ook eerder onderzoek suggereert, lijkt een positief diversiteitsklimaat op jeugdwerkplekken belangrijker voor de inclusie van LGBTQIA+ jongeren, dan andere kenmerken van vrijetijdsinitiatieven zoals hun locatie of werkvorm. Daarbinnen zijn met name de bestrijding van machismo en homonegatief taalgebruik van belang, en heeft ook de aanwezigheid van ‘homoseksuele referentiefiguren46’ een groot effect (zie ook 4.5). De nood om veiligere plekken te creëren voor LGBTQIA+ jongeren wordt niet in iedere jeugdwerkorganisatie of -groep even sterk aangevoeld. Soms ziet men het thema als non-issue omdat (men meent dat) er geen LGBTQIA+ jongeren voorkomen, of heeft men op basis van de noden van een doelgroep gewoon heel andere prioriteiten. In andere werkingen wordt het feit dat enkele geoute LGBTQIA+ jongeren goed geïntegreerd zijn dan weer gezien als bewijs dat deze omgeving al voldoende veilig en inclusief is. Meerdere LGBTQIA+ jongeren geven dan ook aan dat ze weinig ruimte zien om te praten over de omgang met gender en seksuele identiteit binnen de werking:

46 Leerman, van de Walle & Bradt 2014: 125

52 •


Goh, daar wordt weinig over gepraat eigenlijk, dat sowieso wel. Het is aanvaard, dat wel, dat denk ik zeker wel, maar het bespreekbaar maken is nog iets anders, dat is nog veel minder… (cisgender vrouw, 22, lesbisch, zelf begeleidster bij een mainstream jeugdbeweging) In het algemeen wordt in de redeneringen van (bege)leiding weinig rekening gehouden met het proces van (zelf)uitsluiting dat ervoor zorgt dat LGBTQIA+ (en andere) kinderen en jongeren die op vlak van hun identiteit (nog) niet sterk in hun schoenen staan, hun eigenheid verbergen, weggaan of wegblijven uit jeugdwerk omdat ze denken dat het niet bedoeld is voor mensen zoals zij47. Dit wordt dan weer des te sterker aangevoeld bij LGBTQIA+ specifieke werkingen, waar deze jongeren net wel terecht komen. Er is dan ook sprake van een zekere (zelf)selectie:

De LGBT kinderen die naar een gewone [jeugdbeweging] gaan, zijn waarschijnlijk ook de stoere zelfzekere figuren. (vrijwillig begeleider bij een LGBTQIA+ jeugdwerkorganisatie) De recente inzet op meer zorg voor welzijn en mentale veiligheid vanuit bepaalde jeugdwerkinitiatieven ligt dan ook in lijn met wat jongeren aangeven dat er zou moeten gebeuren om meer jeugdwerk veilig(er) te maken voor hen en andere minderheden.

47 De Ambrassade heeft het op dit vlak over de “kip-en-ei discussie die al langer meegaat in het jeugdwerk: sommigen zijn er van overtuigd dat organisaties pas veranderen als er ook ‘vraag’ naar is, anderen stellen dan weer dat er eerst organisatieverandering nodig is, voor er ‘vragen’ komen, zie: https://ambrassade.be/nl/toolbox-diversiteit/andere-stemmen/do-s-en-dont-s

• 53


Als je vraagt wat er beter zou kunnen, dan denk ik dat we een mentaliteitswijziging nodig hebben om meer aandacht te besteden aan mentale gezondheidsissues in het algemeen. Niet alleen voor verschillen rond gender maar alle soorten in onze samenleving. Ik denk als je je daarvoor openstelt en veilige ruimtes creëert om over gevoelens te praten en vragen over seksualiteit te stellen, dat dat al veel zou helpen. (cisgender vrouw, 24, biseksueel) Voor jongeren die meerdere identiteiten combineren op basis waarvan ze uitgesloten worden, is de nood aan veilige ruimtes extra groot. Zij ervaren goed dat veiligheid omtrent één deel van hun eigenheid niet noodzakelijk veiligheid rond een ander deel betekent. Verschillende lagen van hun identiteit ‘botsen’ of ‘vloeken’ wanneer ze zich op verschillende plekken begeven, en ze worden vaak gedwongen om te kiezen tussen het éne of het andere. Zo vertelt een jongere van kleur hoe ze zich met de jaren steeds minder goed voelde in de mainstream jeugdbeweging. Nog voor ze aan de ontdekking van haar seksuele identiteit was toegekomen, was deze omgeving al onveilig voor haar als niet-drinker en zwarte vrouw:

Ik heb 12 jaar mainstream jeugdwerk gedaan en ik ben gewoon gestopt omdat ik er niet meer tegen kon. De drank! Ik drink niet. De manier waarop er racistische dingen werden gezegd! Al die zaken kon ik niet meer aan. (cisgender vrouw, 22, queer) De zeldzame initiatieven waarin men aan de slag gaat met het creëren van veiligheid voor een bredere combinatie aan identiteiten, zijn voor deze jongeren dan ook bijzonder beloftevol. Zo vertelt een jongere van buitenlandse herkomst over een LGBTQIA+ jeugdwerkgroep die werd opgericht om jongeren met een migratieachtergrond en jongeren van kleur te bereiken:

54 •


Ik ben echt blij met dit project omdat ik het gevoel heb dat we een safe space voor iedereen kunnen hebben. Je hoeft geen specifieke groep te zijn, je moet geen Moslim zijn om hier te komen, geen queer én Moslim, je hoeft geen niet-religieus persoon te zijn én queer, je hoeft niet wit te zijn én queer, je kan letterlijk eender wie zijn (cisgender vrouw, 23, queer)

AANBEVELING 7: Behoud, ondersteun en versterk het bestaande aanbod van doelgroep-specifieke organisaties die veilige ruimtes bieden binnen een gevarieerd jeugdwerkaanbod. Luister naar de noden van deze organisaties, die gaan vaak richting welzijn.

AANBEVELING 8: Zet in op de bekendheid en bereikbaarheid van het LGBTQIA+ jeugdwerkaanbod bij alle jongeren.

AANBEVELING 9: Werk de drempels binnen LGBTQIA+ organisaties weg die ervoor zorgen dat LGBTQIA+ verenigingen (nog) geen veilige plekken bieden voor specifieke groepen jongeren (bv. racisme, discriminatie, xenofobie, …)

• 55


4.4 # LIGGING, INFRASTRUCTUUR EN DE INRICHTING VAN PLEKKEN DOEN ERTOE Plekken, hun inrichting en ligging dragen altijd een soort ‘boodschap’ uit. Deze wordt duidelijk gemaakt via grote en kleine aanwijzingen of ‘cues’. Mensen ‘lezen’ zo de ruimte: iedereen pikt bewust en onbewust signalen op over welk gedrag voor hen nuttig en gepast is op een bepaalde tijd en plek. Hekken, verbodsborden of de pictogrammen op vrouwen- en mannentoiletten zijn bijvoorbeeld aanwijzingen die heel duidelijk aangeven wat de algemene afspraken en verwachtingen zijn. Andere cues zijn weer subtieler of enkel voor bepaalde groepen opvallend, zoals reliëf op het voetpad voor blinde mensen. Niet iedereen leest de ruimte om zich heen dus op dezelfde manier. Zo letten mensen uit minderheidsgroepen meer dan anderen op aanwijzingen die hen vertellen of ze ergens welkom en veilig zijn48. Op basis van die informatie bepalen ze in welke mate ze op een bepaalde plek en tijd kunnen tonen wie ze zijn, zonder daardoor ongewenste aandacht te krijgen49. Ook jeugdwerkplekken bevatten boodschappen over wie er welkom is, en wat er van kinderen en jongeren wordt verwacht. Heel wat aanwijzingen op websites, gebouwen en speelterreinen van het jeugdwerk maken elke dag opnieuw duidelijk of LGBTQIA+ jongeren er zich thuis kunnen voelen en of men er rekening met hen zal houden. Zoals de jongere hieronder aangeeft, kunnen relatief kleine ingrepen zoals naamkaartjes waarop iemands gewenste aanspreekvorm staat (bv. hij/hem - Zij/haar - Hen/hun), het verschil maken tussen ergens jezelf durven zijn of niet: interviewer:

Ben je ooit op plekken of events geweest waar je het gevoel had dat je er niet thuishoorde en weg wilde? respondent:

Ah, ja… ieder event zonder voornaamwoorden-stickers eigenlijk, haha. Ik was onder de indruk van het event van [mainstream jeugdwerkorganisatie] dat er zo’n stickers waren. (…) Als ik erover nadenk kom ik niet zoveel op plekken die niet queer of LGBT-gerelateerd zijn. En die 48 Purdie-Vaughns et al. 2008; Rodó-de-Zárate 2014, 2017 49 Dewaele, Van Houtte & Vincke 2014

56 •


hebben allemaal die stickers, da’s een duidelijk teken. Toiletten ook: als ze daar geen pictogrammen op doen, dan weet je het ook. (non-binair persoon, 23, panseksueel) De duidelijkste voorbeelden van plekken waar gender en seksuele identiteit een rol spelen zijn toiletten, douches, kleedkamers en slaapzalen. Deze plekken bevatten vaak een heteronormatieve boodschap bij uitstek: je bent er ofwél jongen ofwél meisje, wat je ook bekend maakt door er binnen te gaan. Eens binnen die aparte groepen wordt soms weinig rekening gehouden met onderlinge verschillen die bijvoorbeeld de behoefte aan privacy beïnvloeden. Uit eerder onderzoek weten we dat gebruik moeten maken van deze infrastructuur heel wat LGBTQIA+ jongeren stress en angst bezorgt en deelname aan vrijetijdsactiviteiten belemmert50. LGBTQIA+ jongeren zijn bijvoorbeeld soms bang om samen te douchen omdat ze dan bekeken of uitgesloten kunnen worden, maar ook omdat ze niet verdacht willen worden van ongepast seksueel gedrag51. Die laatste bezorgdheid vinden we ook terug wanneer het gaat over een slaapplek delen met hetero leeftijdsgenoten. Onderstaande respondent vertelt bijvoorbeeld hoe logeren bij hetero vriendinnen haar vroeger zenuwachtig kon maken:

Ik ben wel iemand die alles over-analyseert, en dat is dan wel dat je denkt van: “ik hoop dat die persoon niet homofoob is want dan kan die denken dat ik er een move op wil doen”, en dat zou ik bij een lesbische vriendin nooit hebben. Ook omdat die ook weten dat het niet is omdat je lesbisch bent dat je op iedereen valt die vrouw is. (cisgender vrouw, 28, lesbisch, over logeren bij hetero vriendinnen)

50 Kulick et al. 2019; Kosciw et al. 2016; Weinhardt et al. 2017 51 Leerman, van de Walle & Bradt 2014

• 57


Bovendien wordt op dit soort plekken de binaire gendernorm meestal ook streng bewaakt. Zowel volwassenen als kinderen wijzen elkaar terecht wanneer ze denken een ‘overtreding’ van de scheidingsregel op te merken52. Zoals onderstaand citaat illustreert, hebben ook cisgender kinderen met een gender-nonconform uiterlijk hier last van: Ik vond het heel moeilijk om naar het toilet te gaan in een meisjes-wc omdat ik wist dat mensen gingen kijken en opmerkingen gingen geven. Ik vond dat heel moeilijk. Terwijl ik er wel zelf bewust voor koos om er zo [jongensachtig] uit te zien. (cisgender vrouw, 24, lesbisch, over een periode in haar kindertijd waarin ze op een jongen leek) Jeugdwerk(bege)leiding wordt zich vaak pas bewust van hoe bepalend ruimte en inrichting zijn, wanneer er iemand in de groep (uit)komt die niet in de hokjes van man of vrouw te plaatsen is. Vaak vinden groepen dan vlot ad-hoc oplossingen: de regels rond gebruik van sanitair en slaapzalen worden bijvoorbeeld aangepast, of de pictogrammen van de toiletten worden overschilderd. Onderstaande uitleg over hoe ze binnen een vakantieorganisatie omgaan met transgender kinderen, geeft aan dat (bege)leiding dit niet altijd als probleem ervaart. Tegelijk wordt uit het voorbeeld ook al duidelijk dat accommodatie bepalend is voor de mate waarin men al dan niet discrete oplossingen vindt. respondent:

Qua kinderen, transgenders […] die worden dan gewoon vaak apart op een kamer gelegd met hun vriendje of vriendinnetje, dat die dan gewoon met twee op een aparte kamer liggen, met twee of drie, en dat wordt dan zo opgelost. En douchen, dat is gewoon op de kamer. Dus dat is geen probleem. interviewer:

En de accommodatie is daarop voorzien?

52 Bender-Baird 2016

58 •


respondent:

Ja, of anders zeggen we gewoon tien minuten voor het einde van het spel: “Als je al wil gaan douchen ga dan maar douchen”. Als die andere kinderen dan vragen: “Oh, wat is die al gaan doen?” dan zeg je: “Ja die moet naar de wc”, en punt. (vrijwillig begeleider mainstream vakantieorganisatie) Spontane, geïmproviseerde oplossingen zijn altijd goed bedoeld, maar ze zijn niet altijd éénduidig positief. Het grootste nadeel van deze manier van werken is dat ze vaak veel initiatief en durf vraagt van LGBTQIA+ jongeren. Onderstaande reflectie van een transgender jongere geeft dit goed weer. Hij werd op 16-jarige leeftijd begeleider bij een organisatie terwijl hij in transitie was en al een nieuwe roepnaam gebruikte. Op dat moment had hij nog geen officiële naamswijziging ondergaan en de inschrijvingsprocedure voorzag geen optie om zijn gender of roepnaam aan te geven. Daardoor werd binnen de organisatie automatisch zijn oude naam gebruikt op kledij en voor officiële aansprekingen. Hij werd verkeerdelijk voorgesteld en aangesproken en sliep bij de meisjes, tot hij uiteindelijk zelf het initiatief nam om de organisatie te mailen met de vraag om dit te wijzigen. Dankbaar dat er meteen gehoor aan werd gegeven, betreurt hij wel dat de organisatie sindsdien nog geen structurele wijzigingen doorvoerde om te voorkomen dat andere jongeren dezelfde ervaring moeten doormaken:

Waarom zou dat niet makkelijker kunnen zijn voor andere mensen? Want ik heb een mail durven sturen maar veel mensen durven dat niet denk ik. Of heel veel mensen gaan die moed niet hebben om effectief een mail te sturen. (transgenderman, 22, hetero) Voor veel jongeren is de stap naar een omgeving die nog niet inclusief is eenvoudigweg te groot. Inclusiviteit betekent daarom dat drempels ook preventief weggewerkt worden. Dit is ook de ondervinding van belangenorganisaties die jeugdwerkgroepen adviseren en ondersteunen rond hun omgang met gender en seksuele identiteit:

• 59


Typisch krijgen we vooral vragen van “Help! We hebben een transgender! Wat nu?”. Vanaf dan is het eigenlijk al bijna geen probleem meer, want ze zoeken en vinden hulp, en merken dan snel waar ze dingen kunnen veranderen… die reflex zou er alleen vroeger al moeten komen, zonder dat er telkens een echte jongere een hele weg moet afleggen binnen zo’n werking. (medewerker van een LGBTQIA+ belangenvereniging ) Dankzij de maatschappelijke aandacht voor het thema de laatste jaren, zijn een aantal jeugdwerkorganisaties vandaag aan de slag met de materiële uitsluitingsmechanismen in hun werking. Op het zomerkamp van een jongerenvereniging waarin al langer enkele transgender personen actief zijn, worden slaapzalen bijvoorbeeld ingedeeld volgens ‘mannen, niet-mannen en vrouwen’, en is het thema regelmatig onderwerp van debat. Ook diversiteitsmedewerkers bij verschillende organisaties zoeken naar oplossingen. Uit de gesprekken blijkt dat er bij deze actoren nood is aan meer informatie op maat en ondersteuning. Zo geeft een begeleidster aan dat er er tegenstrijdige informatie circuleert over wat wel of niet mag qua materiële aanpassingen, en vertelt een diversiteitsmedewerkster dat men op financiële drempels botst bij het maken van aanpassingen:

Toen we dit gebouw huurden was het eerste ding dat ik deed de bordjes man/vrouw op het toilet veranderen naar genderinclusief toilet. Maar toen de inspectie kwam, zeiden ze dat de wet zegt dat er een verschillend vrouwen- en mannentoilet moet zijn. (professioneel begeleidster bij een mainstream jeugdwerkorganisatie)

60 •


We zijn daar nu bij [de organisatie] over aan het nadenken. We vinden bijvoorbeeld oplossingen door locaties te zoeken met méér verschillende slaapplekken, of door materiaal aan te voeren om gemeenschappelijke ruimtes meer flexibel op te kunnen splitsen. Maar we botsen er helaas ook wel op dat die materiële kant ook snel een stevig kostenplaatje heeft. (professioneel medewerkster bij een mainstream vakantieorganisatie) Het voorzien van ‘cues’ op zowel fysieke als online plekken is een eerder eenvoudige en effectieve ingreep. Zo maken regenboogvlaggen en stickers, gedragscodes, posters, uithangborden en digitale handtekeningen zichtbaar dat een plek open staat voor LGBTQIA+ personen en dat er bewust met gender wordt omgegaan. Veilige plekken worden zo herkenbaar voor LGBTQIA+ personen, en hun aanwezigheid in de samenleving wordt zichtbaar voor een breder publiek. Het herkennen van veilige plekken in de eigen omgeving werkt het welbevinden van LGBTQIA+ jongeren in de hand. Zo vertelt onderstaande jongere over hoe ze zich oriënteert in de nieuwe stad waar ze woont:

Elke keer dat ik ergens voorbij loop en een regenboog zie, dan ben ik zo van: “Ah, morgen ga ik daar heen!” Snap je? Dan ben ik zo van (maakt blij gezicht). (cisgender vrouw, 18, biseksueel) Omdat die herkenbaarheid ook net weer een drempel vormt voor jongeren die hun gender- of seksuele identiteit niet publiek bekend willen maken, gaan enkele LGBTQIA+ organisaties erg voorzichtig om met het kiezen van locaties voor bijeenkomsten en activiteiten.

• 61


Sommige mensen weten nog niet hoe ze hun seksualiteit kunnen verzoenen met hun religie, of gewoon met hun identiteit op heel veel vlakken, of hun trauma’s. Dus dan kan je niet met je vlag gaan wapperen, of zeggen: “we spreken af bij [bekende LGBTQIA+ vereniging]”. Nee, dan moet het neutraal zijn. (professioneel begeleidster LGBTQIA+ jeugdwerkgroep gericht op jongeren van buitenlandse herkomst en jongeren van kleur) De ligging en spreiding van jeugdwerkinitiatieven vormen ook drempels om deel te nemen voor een aantal jongeren. Zowel jongeren als jeugdwerkers geven aan dat het LGBTQIA+-gespecialiseerd aanbod in provincie West-Vlaanderen beperkt is, en ook voor jongeren uit kleinere dorpen is het bereiken en terugkeren van een activiteit soms moeilijk (met name ’s avonds en per openbaar vervoer). Online activiteiten maken bepaalde aspecten van dit jeugdwerkaanbod wel beschikbaar voor een grotere groep53, maar de behoefte aan fysiek bereikbare, inclusieve en veilige jeugdruimtes buiten de steden blijft groot. Het mainstream jeugdwerkaanbod dat op deze plekken vaak wél goed bereikbaar is, kan in deze context een erg belangrijke rol spelen in het tegemoet komen aan de noden van deze jongeren. Het belang van werken aan veiligheid in deze organisaties is dus extra groot wanneer er weinig lokale alternatieven zijn, wat ook onderstaande jongere weergeeft.

Ik werd gepest54. Ik kom van een heel klein dorp en ze zijn daar niet zo… Ik bedoel, als je niet past binnen je leeftijdsgroep, die erg beperkt is, dan is het niet zo dat je dan maar bij de [mainstream jeugdbeweging] kan gaan in plaats van bij de [mainstream jeugdbeweging] of zo. […] Ik denk dat er vooral in kleinere dorpen zoals het mijne werk aan de winkel is op vlak van inclusiviteit, en op vlak van meer aanbod in het algemeen. (cisgender vrouw, 24, biseksueel, over haar ervaring als kind bij een mainstream jeugdbeweging) 53 zie ook Leerman, van de Walle & Bradt 2014 54 Heel wat LGBTQIA+ jongeren die we spraken stopten met jeugdwerk na pesterijen door leeftijdsgenoten of omdat ze zich niet goed voelden in een groep. Tijdens de interviews geven deze jongeren regelmatig aan dat het niet duidelijk is of deze ervaring verband houdt met de (vaak pas) later ontdekte gender- of seksuele identiteit.

62 •


AANBEVELING 10: Denk op organisatieniveau na over de materiële kant van uitsluiting bij de vormgeving en inrichting van jeugdwerkplekken, zeker met betrekking tot toiletten, kleedkamers, douches of slaapzalen. Beluister hierbij altijd ook LGBTQIA+ jongeren zelf. Beleidsmaker, creëer een duidelijk wettelijk kader, toegankelijke informatie en voorbeelden die genderinclusieve ingrepen en infrastructuur kunnen faciliteren.

AANBEVELING 11: Maak op alle niveau’s binnen het jeugdwerk (subtiel) duidelijk aan LGBTQIA+ personen dat ze welkom zijn op on- en offline plekken voor jongeren.

AANBEVELING 12: Communiceer proactief over genderinclusieve infrastructuur en voorzieningen in jouw organisatie. Wacht bijvoorbeeld niet tot een ouder belt om te vragen of er genderneutraal sanitair aanwezig is, maar zet dit op de website.

AANBEVELING 13: Zorg ervoor dat LGBTQIA+ jongeren van overal (zelfstandig) toegang kunnen hebben tot veilige jeugdwerkplekken en -activiteiten. Breid daartoe het aanbod uit in gebieden met een beperkt LGBTQIA+-specifiek aanbod, (bv. provincie West-Vlaanderen en kleinere dorpen) en/of voorzie extra vorming om mainstream organisaties in deze gebieden inclusiever en veiliger te maken.

• 63


4.5 #DE REPUTATIE VAN JEUGDWERKORGANISATIES FUNCTIONEERT ALS DREMPEL VOOR INSTAP VAN LGBTQIA+ (EN ANDERE) JONGEREN Jeugdwerk is niet neutraal. Sterker: veel van de gevestigde werkvormen in ons land zijn net ontstaan met het doel om bepaalde groepen kinderen en jongeren in de samenleving specifieke normen en waarden bij te brengen uit politieke en religieuze bewegingen55. Het belang dat men vandaag hecht aan deze achtergrond verschilt sterk tussen bewegingen én binnen groepen. Toch heeft ze wel impact op de reputaties van bewegingen, hun werkvormen, cultuur en koepels. Die reputaties beïnvloeden de deelname van LGBTQIA+ jongeren aan specifieke jeugdwerkvormen en werkingen. Dit hoeft op zich geen probleem te zijn: om tegemoet te komen aan een steeds diverser publiek van kinderen en jongeren, wordt ook het jeugdwerkaanbod in ons land steeds gevarieerder. Kinderen en jongeren hebben recht op een aanbod op maat, en kiezen zelf hoe ze liefst hun vrije tijd doorbrengen. De voorkeur voor een bepaald aanbod kan bovendien deel zijn van het invullen van de eigen gender- of seksuele identiteit. Uiteraard bewaken en beïnvloeden ook ouders de genderexpressie en vrijetijdskeuzes van hun kinderen, wat ook het geval was bij onderstaande jongere die uiteindelijk zelf nooit deelnam aan jeugdwerk:

Maar ik bedoel, ik was altijd buiten, ik had alleen maar jongensvrienden. Ik voetbalde alleen maar, ik klom in bomen, ik haatte jurken (lacht). Nog steeds eigenlijk. Ik was echt zo van: “Ik wil in de [jeugdbewegingsgroep]! Ik wil in de modder vechten en racen wie de snelste is!” (cisgender vrouw, 18, biseksueel) Tegelijk vormt het belang van reputaties wél een ‘issue’, omdat werkingen soms maar weinig zicht en vat hebben op het proces van (zelf)-uitsluiting dat wordt veroorzaakt door het beeld dat over hen leeft (zie ook 4.7.). Onderstaande jongere is zich vanuit zijn positie als homoseksuele deelnemer en leider wél bewust van de moeilijkheid daarvan: 55 Coussée, Roets & De Bie 2009

64 •


Het is moeilijk om [de reputatie van je werking] zomaar te veranderen. Als je gescheiden werkt bijvoorbeeld, zoals je zegt: je ziet niet wie je uitsluit. Niemand gaat zeggen van: “Wij zijn een jongenswerking, jongens met een andere geaardheid passen niet in onze groep”. Niemand gaat dat zeggen, dat staat niet op een affiche. (cisgender man, 24, homo en begeleider bij een mainstream jeugdbeweging) Reputaties van jeugdwerkingen die drempelverhogend zijn voor LGBTQIA+ jongeren blijken sterk gekoppeld aan gender, maar ook bijvoorbeeld aan politieke voorkeur en sociale klasse. Heel wat niet (meer) deelnemende jongeren kunnen zich niet voorstellen dat ze zouden passen binnen een mainstream jeugdbeweging. Lokale groepen die ze kennen worden ervaren of aanzien als militaristisch, ruig en mannelijk, elitair of rechts-conservatief. Ook deelnemende jongeren geven aan dat ze zich in bepaalde periodes van hun jeugdwerkloopbaan minder thuis voelden tussen leeftijdsgenoten binnen de lokale groepscultuur. Zo geeft een jongere die zijn hele jeugd in dezelfde groep heeft doorgebracht aan dat hij op een gegeven moment twijfelde of hij niet te vrouwelijk was om te kunnen blijven deelnemen:

Rond mijn 15 was ik bezig met mijn seksuele identiteit, en dan heb ik vaak gedacht van: “Ik ga stoppen met de [mainstream jeugdbeweging]”, omdat dat vaak toch nog zo wat een mannending was, en ik merkte dat ik vaak meer aan de meisjeskant zat. (cisgender man, 22, homo, over zijn ervaring in een mainstream jeugdbeweging) Bepaalde gewoontes en spellen uit jeugdbewegingen worden bovendien als bedreigend of intimiderend ervaren. Een bepalende factor blijkt de mogelijkheid om de eigen grenzen te kunnen aangeven en bewaken in deze context. Dit is duidelijk

• 65


moeilijker in situaties met groepsdruk, waarin men bijvoorbeeld wordt geacht om persoonlijke geheimen te delen of ruw fysiek contact te hebben. Ook het (overdreven) alcoholgebruik in mainstream jeugdbewegingen wordt daarin vaak genoemd.

Als je kijkt naar mijn ervaring in de [mainstream jeugdbeweging]: Oké ik was echt maar 7 tot 10 jaar, maar dat is inderdaad zo heel veel van: “Ooh, wild!” en “We gaan vuil worden!” en “Je moet dat leuk vinden!”. En op latere leeftijd nog veel drinken daarbij. Er wordt veel meer voorgeschreven wat iedereen gaat meedoen en wat je leuk moet vinden precies. (cisgender vrouw, 18, lesbisch, over haar vroegere ervaring in een mainstream jeugdbeweging) Jongeren die wel deelnemen verbergen op deze plekken vaak hun seksuele identiteit, of vestigen er zo weinig mogelijk aandacht op.

Mja, de [mainstream jeugdbeweging], het is zo, er zijn heel veel verschillende soorten [groepen]. Maar ik ben van een traditionele [groep]. Die is katholiek, en we gaan naar de mis en zo, we bidden voor we eten. Het is extreem traditioneel, met een uniformpje en al, een priester die op bezoek komt tijdens het kamp (lacht). Het is extreem traditioneel, dus op die plek heb ik iets van: “Ok, ik ga gewoon mijn mond houden, ik ga niet over mijn ‘gayness’ praten”. ‘t Is gewoon de hele mindset: die mensen zijn heel traditioneel, heel katholiek, heel oldschool, en dus niet erg open-minded. (cisgender vrouw, 16, zoekend, over haar huidige mainstream jeugdbewegingsgroep)

66 •


Voor LGBTQIA+ jongeren die extra risico’s lopen op discriminatie omdat ze niet wit zijn, moslim, of een buitenlandse herkomst hebben, spelen ook andere drempelverhogende reputaties mee. Zo is er het idee dat jeugdbewegingen ‘typisch Vlaams’ zijn, en dus bestaan voor en door ‘typisch Vlaamse’ kinderen en jongeren.

Gewoon al die tradities, als ik daaraan terugdenk! Drinken, al die fuiven waar ge naartoe kunt gaan… En ook: een heel kamp: sommige mensen kunnen dat gewoon niet betalen hé. En ook: zondag bijvoorbeeld is soms ook islamschool of zo, dan is het niet mogelijk… verschillende zaken; kledij, uniformen, mag een hoofddoek… (cisgender vrouw, 22, queer, over de drempels die ze ziet vanuit haar ervaring in een mainstream jeugdbeweging) Niet enkel binnen het mainstream jeugdwerk vormen reputaties van werkingen overigens een drempel. Ook over LGBTQIA+-specifieke aanbod circuleren drempelverhogende stereotypen en vooroordelen. Zo voelt voor sommige jongeren het LGBTQIA+ activiteitenaanbod aan als een plek die voornamelijk vormgegeven wordt voor en door witte, geprivilegieerde, niet-religieuze (homo)mannen. Binnen die ‘witte holebi-scene’ verwachten heel wat jongeren zich aan exclusieve normen en gebruiken rond bijvoorbeeld labels, genderexpressie, drankgebruik, religie, activisme of outing. Vooral jongeren die meerdere gronden voor uitsluiting combineren (cf. huidskleur, gender, vermogen, geloof …) voelen dat hun ervaringen en ‘de strijd’ die zij voeren, niet overeenstemt met de belangen die vertegenwoordigd worden op deze plekken. Het ‘queer’ label brengt voor een aantal jongeren deze ervaringen samen.

• 67


Het zijn vaak queer mensen die het gevoel hebben dat ze er niet thuishoren omdat het te… hoe moet ik dat zeggen… te mainstream is. Er wordt aan pinkwashing56 gedaan en mensen geven er gewoon niet om (…) Queer personen neigen eerder naar… het woord zelf zegt het al, het is meer politiek activistisch. (non-binair persoon, 23, panseksueel) Een andere reputatie die de deelname van LGBTQIA+ jongeren beïnvloedt, is de mate waarin men een werking als ‘veilig’ of ‘zorgend’ ziet. Bepaalde types jeugdwerk worden niet of weinig geassocieerd met de gedeelde missie om jongeren te versterken, terwijl andere net als ‘te therapeutisch’ worden gezien57. In tegenstelling tot mainstream jeugdwerk, beschrijven opvallend veel jongeren het LGBTQIA+ specifieke aanbod als iets dat ze niet, of niet langer ‘nodig’ hebben.

Ik heb bijvoorbeeld zelf als jongere daar nooit nood aan gehad [aan een werking specifiek voor LGBTQIA+ jongeren]. En ik denk dat dat dankzij het internet en dankzij mijn open omgeving is. (cisgender man, 24, homo) Afhankelijk van de noden van jongeren leveren de reputaties van jeugdwerkorganisaties soms een mismatch op. Langs de ene kant vallen jongeren die kampen met mentale of fysieke problemen uit bij mainstream jeugdwerk (of blijven ze er weg van), omdat ze geen storende factor willen zijn in een omgeving die volgens hen gericht is op plezier en ontspanning:

56 Pinkwashing is een samentrekking van pink en whitewashing (‘witwassen’) en wijst op het gebruik van de mensenrechtenstrijd rond LGBTQIA+ of vrouwenrechten in het nastreven van een andere, verborgen agenda (zoals verkoopscijfers opdrijven, aandacht afleiden van ander onrecht, of politieke stemmen winnen). 57 zie ook Leerman, van de Walle & Bradt 2014

68 •


respondent:

[Mainstream jeugdbewegingsgroep] is niet bedoeld als plek voor… het is gewoon een plaats voor kinderen en zelfs tieners om te spelen, buiten te zijn en dingen in groep te doen. Het is niet iets dat… het is niet één van hun doelen of zo … interviewer:

Vind je dat ze daar een beetje meer op zouden moeten focussen, inclusie en zo’n thema’s? respondent:

Da’s echt moeilijk. Ik denk van niet, omdat er dan andere leden worden uitgesloten. Het is echt goed dat iemand kinderen nog kan laten spelen en buitenkomen, want dat is ook echt nodig in België. Dus misschien…misschien niet. (cisgender vrouw, bi, gevraagd naar hoe de jeugdbeweging waar ze wegging haar beter had kunnen helpen) Aan de andere kant haken dan weer jongeren af in LGBTQIA+ jeugdwerkgroepen omdat ze menen dat ze er enkel met een probleem terecht kunnen, of omdat er net te weinig gespeeld wordt. Zo vertelt een jongere over zijn eerste en enige bezoek aan een werking voor transjongeren:

Ik heb zoiets gewoon nodig als uitlaatklep, en ja ik dacht: “Oh, dat is tof, zo wat mensen die allemaal in hetzelfde schuitje zitten van de maatschappij”. Maar dat was echt zo een praatsessie. (transgender man, 22, hetero)

• 69


De nadruk in de jeugdwerksector op het bereiken en versterken van álle jongeren zorgt er vandaag voor dat heel wat (koepel)organisaties bezig zijn met het wegwerken van hun interne uitsluitingsprocessen. Een terugkerende good practice daarin is het bevragen van zowel jongeren (en hun ouders) die men al wel én nog niet bereikt over hun ervaringen, waarbij ook de reputatie van de werking in acht genomen wordt. Dat zulk zelf-onderzoek een flinke stap vooruit kan betekenen op vlak van bewustzijn over de eigen uitsluitingsmechanismen, blijkt bijvoorbeeld uit onderstaande uitspraak van een professioneel medewerker uit een organisatie die volop aan een veranderingsproces bezig is:

We zijn momenteel ook bezig met een eigen onderzoek, omdat we er ons als organisatie zelf ook wel heel bewust van zijn dat we een aantal doelgroepen uitsluiten. We zijn een heel witte organisatie, middenklasse-gezind, Westers gezind, coming-out gericht… wat heel lang heel goed is geweest omdat we daarmee onze organisatie ook wel op de kaart hebben kunnen zetten in Vlaanderen. Maar als we willen laten zien dat we er zijn voor alle jongeren moeten we zien dat we onze methoden aanpassen en ook zorgen dat we weten wat er leeft bij jongeren in het algemeen en zeker jongeren in het jeugdwerk (professioneel medewerker LGBTQIA+ jeugdwerkorganisatie)

70 •


AANBEVELING 14: Onderzoek welke reputatie jouw organisatie heeft bij LGBTQIA+ jongeren en andere minderheden die je niet (voldoende) bereikt. Deze informatie kan je gebruiken om bestaande drempelverhogende stereotypen over je organisatie te ontkrachten in de communicatie naar deze groepen.

AANBEVELING 15: Zorg voor training en reflectie rond uitsluitingsmechanismen voor jeugdwerkgroepen waarin bevraagd wordt welk gedrag als normaal gezien wordt op organisatie- en groepsniveau en wie daar mogelijk door wordt uitgesloten. Richt het aanbod zeker ook op deze groepen waarin men meent dat er enkel hetero cisgender personen voorkomen (zie ook 4.3).

• 71


72 •


4.6 #LGBTQIA+ (BEGE)LEIDING STAAT ALS ROLMODEL ALTIJD IN DE SPOTLIGHTS LGBTQIA+ (bege)leiding heeft een belangrijke functie in het jeugdwerk. Uit heel wat voorbeelden leren we dat gewoon al hun openlijke aanwezigheid in mainstream omgevingen en het opnemen van een begeleidersrol ‘normaliserend’ werkt en heteronormativiteit kan uitdagen.

Sinds er homoseksuelen zijn onder de leiding, wordt er erg gelet op het niet meer gebruiken van homo als scheldwoord, omdat dit hun zou kunnen kwetsen. Er zijn nooit regels over gemaakt of er is nooit over gesproken geweest, maar dit is gewoon algemeen toegepast. (excerpt uit het observatieverslag van een leidster over een mainstream jeugdbeweging)

Ik heb deze zomer ook zelf een kampje gegeven aan kleutertjes om te knutselen en dan vragen ze ook “Ooh heb jij een liefje?”. Dan heb ik ook eerlijk ja geantwoord en dan vragen ze “Hoe heet die?”. En dan zei ik de naam en dan was dat een meisjesnaam. En zij zo: “Huh dat is een meisjesnaam?” 10 minuten daarna zei ze zelf ook zo van: “Ik heb een liefje en dat is ook een meisje”. Dus als een monitor daar zelf ook al open over is, kijken andere mensen daar wel naar op of zo. (cisgender vrouw, 19, samen met een meisje, over haar begeleidersrol)

• 73


Ik heb in [dit traject met kansarme jongeren] jongeren vanuit een migratieachtergrond waarbij ik de eerste ben die tegen hen zegt: “Mijn vriendin komt mij oppikken”. En die dan na een week soms mij sms’en sturen van: “Hoe komt dat dan? Hoe wist jij dat [je niet hetero was]?”, gewoon omdat het voor hen nieuw is. (cisgender vrouw, 22, lesbisch, over haar begeleidersrol in een project met jongeren in een maatschappelijk kwetsbare situatie) In veel gevallen nemen ze deze rol op als een plicht die voortkomt uit eigen ervaringen, zoals ook onderstaande jongere uitlegt:

Ik ben heel beschermend over de kindjes eigenlijk van: “Beperk ze nu al niet”. Dus ik daag hen ook echt uit om rond te kijken en vragen te stellen als ze iets niet snappen, en wat discussies aan te reiken. Ik denk dat dat nodig is. Ik wou dat iemand dat had gedaan toen ik dat kindje was. (cisgender vrouw, 22, panseksueel, over haar rol als begeleidster bij een vakantieorganisatie) Een aantal LGBTQIA+ (bege)leiding blijkt bovendien een actieve rol op te nemen bij het bestrijden van gedrag dat de veiligheid van LGBTQIA+ kinderen en jongeren in hun werkingen in gedrang brengt (zie ook 4.6). Dit zorgt ervoor dat ze een bijzondere voorbeeldfunctie hebben op dit vlak voor zowel hun medeleiding als voor de kinderen en jongeren waarmee ze werken. Vaak ontbreekt het hen echter aan (spontane) steun van mede(bege)leiding:

74 •


respondent

1

Als er iemand “homo!” roept tijdens het spel dan is het groepsgesprek (gelach). Dan leg ik de activiteit echt stil en dan is het echt een groepsgesprek. Ik wil dat niet meer horen, ja, ik reageer daar héél, héél ambetant op. respondent

2

De klein mannen worden al gewaarschuwd! respondent

1

Wij grijpen ook in als er iemand commentaar heeft op een kindje met down, dus voor mij is dat logisch dat we op alles wat niet kan ingrijpen, en dat begint nu door te sijpelen bij de andere animatoren omdat ik er heel fel in ben. Ik denk wel dat dat gaat blijven. (excerpt focusgroep met LGBTQIA+ jongeren) In een heteronormatieve context zijn ze bovendien ook noodgedwongen een rolmodel voor LGBTQIA+ kinderen en jongeren in de werking. Soms zijn ze één van de weinige personen die identificatiemogelijkheden bieden aan deze groep en hun onderhandelingsruimte vergroot.

Mijn animatoren, dat zijn eigenlijk altijd wel mijn voorbeelden geweest, ook als ik andere kampen deed. En dan op dat paardenkamp, ja dat zijn… toevallig was gewoon een heel groot deel daarvan waren holebi’s op één of andere manier, en die waren allemaal heel out en proud. (cisgender vrouw, 22, bi, over haar ervaring in verschillende jeugdwerkinitiatieven)

• 75


Omgekeerd zie je bij kindjes ook wel soms van dat zijn niet de typische macho kinderen. Die zien ook wel van het kan wel dat niet alle jongens voetballen en alle meisjes alleen met alle meisjes gaan, maar dat ik ook als jongen met de meisjes meedoe en ook wel een andere rol opneem dan de typische hetero jongens van onze leiding. (cisgender man, 24, homo, begeleider mainstream jeugdbeweging over de eigen begeleidersrol) De houding van medeleiding, leden of ouders tegenover LGBTQIA+ jongeren en -leiding in het jeugdwerk laat een stevige indruk na op zoekende jongeren. Het hebben van (bege)leiding die out is, daar positieve reacties op krijgt en goed in de groep ligt, helpt LGBTQIA+ jongeren duidelijk om hun eigenheid op vlak van gender en seksualiteit te accepteren.

Als wij in de groep zaten als lid was het voor ons superduidelijk wie van de leiding homo of bi was of whatever, en dat is altijd goed onthaald geweest. En daar ben ik wel echt dankbaar voor, dat dit zo een vereniging is waar iedereen wel zijn plek in heeft. (cisgender vrouw, 22, lesbisch, over mainstream jeugdbeweging waar ze leiding geeft) Maar de impact van rolmodellen is niet enkel positief. Als een rolmodel slecht in de groep ligt en met negatieve opmerkingen, roddels of pesterijen te maken krijgt, heeft ook dit veel impact op kinderen en jongeren. Zo kan ĂŠĂŠn onpopulaire homoseksuele leider bijvoorbeeld volstaan om de zelfacceptatie en outing van meerdere jongeren te bemoeilijken. Zo vertelt onderstaande jongere over een leider waarvan in zijn peergroep werd gevonden dat hij te expliciet over zijn liefdesleven praatte:

76 •


Dat was voor mij van ‘als dat het homo zijn is dan wil ik niet zo zijn. Omdat je daar de leden, die 14-jarige pubers, mee laat zien van: ‘Die leider is zo, dus dan zal iedereen wel zo zo zijn’. Ik denk wel dat dat mij er wat in tegengehouden heeft. (cisgender man, 22, homo, over zijn ervaring in een mainstream jeugdbeweging) Het spreekt voor zich dat deze manier van in de spotlights staan veel druk legt op LGBTQIA+ (bege)leiding. Vaak zijn ze zich bewust van hun voorbeeldpositie en gedragen ze zich ‘extra voorbeeldig’ volgens de sociale verwachtingen in een bepaalde context. Een leider die homo is legt bijvoorbeeld uit dat het complex is om echt ‘zichzelf’ te zijn in groep, omdat zijn humoristische en luchtige houding naar anderen toe sterk is aangeleerd.

“Ik voldoe aan veel van de stereotypen van “de homo”. Toen ik jong was, heb ik heel snel geleerd dat mensen mij wel tof vinden als ik dat uitspeel. Dan ben je de ‘gay best friend’, maar eigenlijk is dat niet jezelf zijn, dat is een toneeltje heel de tijd. Je voelt je wel tof, je wordt bevestigd in: ‘Ooh jij bent leuk en grappig en...’. Maar mensen zien je dan meer als ‘het toffe homootje’ dan wie je echt bent. (cisgender man, homo, 24, over wat het betekent om ergens jezelf te zijn) LGBTQIA+ (bege)leiding voelt soms ook druk om ‘out & proud’ te zijn in hun voorbeeldfunctie, hoewel niet iedereen zich daar op ieder moment in het leven sterk genoeg voor voelt.

• 77


Ik denk dat ik bij de jongere groepen wel wat minder een rolvoorbeeld ben dan [homoseksuele medeleider]. Hij was wel echt meer een een voorbeeldfiguur om het zo te zeggen. Dat heb ik wel minder gehad omdat ik toen nog bezig was met of de leden me nog leuk zouden vinden en zo. (excerpt focusgroep met leiders uit mainstream jeugdbeweging, beiden cisgender en homoseksueel) Daar komt nog bij dat deze jongeren niet enkel in de schijnwerpers staan voor de leden, peers en ouders van hun jeugdwerkpraktijken, maar ook soms voor een nog breder publiek. Zeker in een context waarin het thema aan maatschappelijk belang wint, richten ook de organisaties waarbinnen ze actief zijn soms veel aandacht op hen. Hoewel extra inspraak en representatie absoluut positief zijn, ervaren sommige jongeren ook op dit vlak meer druk dan ze comfortabel vinden. Zo ziet onderstaande jongere de overbevraging van LGBTQIA+ vrijwilligers om input te leveren over diversiteitsbeleid, als een keerzijde van de tendens om aan inclusie te werken:

Omdat het nu een hype is, blijven steeds dezelfde mensen bevraagd worden. En altijd dezelfde mensen worden teruggeroepen. (transgender man, 22, hetero) Voor LGBTQIA+ jongeren die deze druk ook nog op basis van andere kenmerken voelen (zoals hun geloof, huidskleur, socio-economische achtergrond, ‌), weegt de verantwoordelijkheid die ze toegeschoven krijgen als rolmodel extra zwaar. Zoals hieronder duidelijk wordt, is niet iedereen daar even blij mee:

78 •


Maar ik wil niet in de spotlights komen, dat is niet mijn rol in dit project, ik moet niet het gezicht van [jeugdwerkorganisatie] worden. (…) Ik kan beter mijn werk doen achter de schermen, dat is een fijne rol waar ik me ook wel in zie. (professioneel begeleidster van een LGBTQIA+ jeugdwerkgroep gericht op mensen met een migratieachtergrond en/of mensen van kleur) De omgeving van LGBTQIA+ (bege)leiders in mainstream-organisaties kan veel doen om deze last te verlichten. Een succesvolle strategie is in te zetten op de ontwikkeling van ‘allyship’ of bondgenootschap58. Als ‘ally’ nemen cisgender hetero-personen het op zich om LGBTQIA+ belangen openlijk te steunen, en het verdedigen ervan niet enkel over te laten aan LGBTQIA+ personen zelf. Dit is voor de ene jongere belangrijker is dan voor andere, afhankelijk van hoe sterk en veilig zij zich voelen in hun omgeving, werd ook duidelijk tijdens de focusgroepgesprekken: gericht aan andere deelnemer van de focusgroep:

Iemand anders kan misschien wel zeggen van: “Ik durf daar voor uitkomen of daar tegenin gaan”, maar ik denk niet dat iedereen dat durft. En dat [het goed is] als je wel een paar mensen in je omgeving hebt die je toch zo dat duwtje in je rug zouden geven, of toch zo van: “Je moet daar niet tegen beginnen” of “Zal ik wel”. Dat je toch zo een beetje voor elkaar moet opkomen. (transgender man, 20, hetero) Allyship gaat echter verder dan het tonen van solidariteit. ‘Allies’ zijn zich bewust van hun bevoorrechte positie in de samenleving, en gebruiken hun kennis en vaardigheden om heteronormativiteit (in handelingen en structuren) in vraag te stellen en LGBTQIA+ fobie en negativiteit tegen te gaan59 (zie ook 4.6). Organisaties hebben een belangrijke rol in het omkaderen en ondersteunen van bondgenootschap. Vanuit een helder kader 58 Bishop 2002; Heffernan 2018 59 Bischop 2002; Washington & Evans 1991; Marx, Roberts & Nixon 2017

• 79


krijgen leden en leiding namelijk het mandaat om hun rol op te nemen. Dit zien we goed in onderzoek over Gay-Straight-Allianties (GSA) op scholen waar men ook inzet op het sensibiliseren van ouders en partnerorganisaties60, maar ook in het jeugdwerk wordt dit aangehaald.

Bij ons wordt er echt wel op aanvaarding door ouders ingezet. Ik heb ook altijd het gevoel gehad dat ik gewoon kan zijn wie ik ben. Met ons kader staan we echt sterk. En hetzelfde, als je iets tegen een vriend of vriendin van mij zou zeggen, dat ik daar op in zou pikken, dat zij dat ook bij mij zouden doen. Dus ik voel mij altijd wel heel veilig. (cisgender vrouw, 22, biseksueel, over een mainstream vakantieorganisatie)

Onze visie is inclusief, iedereen hoort erbij, iedereen krijgt een kans om zichzelf te zijn. Dus elke hoofdanimator zou in principe dat weerwoord moeten kunnen bieden van ‘dat is toch geen probleem’. (cisgender vrouw, 22, panseksueel, over een mainstream vakantieorganisatie) Samengevat leidt alliantievorming tot een grotere openheid en bespreekbaarheid van diversiteit en uitsluitingsmechanismen. Zo ontstaan meer veilige omgevingen, waarin meer LGBTQIA+ jongeren openlijk kunnen deelnemen, wat ook weer de druk verlicht op de schouders van LGBTQIA+(bege)leiders als (mogelijke) rolmodellen.

60 Toomey et al. 2011; Toomey et al. 2012; Mayberry 2013

80 •


AANBEVELING 16: Verlicht de druk op de schouders van LGBTQIA+ (begeleiding) in het jeugdwerk door te zorgen dat zij geen uitzonderingen zijn. Maak daarom duidelijk in visieteksten en beeldvorming dat LGBTQIA+ jongeren deel uitmaken van jeugdwerk(bege)leiding.

AANBEVELING 17: Ondersteun en promoot ally-ship binnen groepen, met name binnen het team van (bege)leiding. Onderzoek of het GSA-model dat binnen onderwijs vruchten afwerpt ook jouw werking ten goede zou kunnen komen.

• 81


82 •


4.7 #JEUGDWERK(BEGE)LEIDING VOELT ZICH VAAK ONZEKER OVER HOE ZE BEST INGRIJPEN WANNEER ZE TRANS- EN HOMO-ONVRIENDELIJK GEDRAG OPMERKEN Trans- en holebinegativiteit zijn alomtegenwoordig in de leefwereld van LGBTQIA+ jongeren. Hoewel jeugdwerk als omgeving relatief positief wordt ingeschat door holebi-jongeren, is ook op deze plekken sprake van heteronormativiteit (zie 4.2), genderstereotypering en verbaal en fysiek geweld61. Met name gender-nonconforme respondenten doen al op erg jonge leeftijd negatieve ervaringen op tussen leeftijdsgenootjes, maar ook volwassen leiding loopt altijd risico op trans- en holebifobe reacties op wie ze zijn. Wat bovenal opvalt is dat kwetsend taalgebruik erg genormaliseerd is onder zowel leden als (bege)leidin62g. Zeer vaak gaat het om ondoordachte uitlatingen die niet kwaad bedoeld zijn, maar toch een negatieve maatschappelijke houding tegenover LGBTQIA+ personen verraden. respondent

1

De jongens van de [mainstream jeugdbeweging] roepen ook wel ‘homo’. respondent

2

Maar op school ook! respondent

3

Ja, op school ook. Allez, meestal bij jongens, ik heb nog niet echt meisjes dat horen zeggen. respondent

1

Ik wel. Kei veel meisjes die zeggen dat. respondent

2

Misschien zo ‘Dat is gay’. (Focusgroep LGBTQIA+ jongeren)

61 Dewaele et al. 2008; De Pauw et al. 2010 62 Dit blijkt overigens een breder fenomeen: 51% van de Belgen vindt dat mopjes over LGBT in het dagelijks leven redelijk wijdverspreid zijn (European Union Agency for Fundamental Rights 2013, en geeft 60% aan dat dit soort mopjes in hun vriendenkring voorkomt (UNIA 2016).

• 83


Dat was echt de hype bij hun, die zeiden dat dat bij hun op school ook heel hard in is om te schelden met homo en janet en gewoon ook als vloekwoorden. Bijvoorbeeld: ‘Verdomme ik ben verloren’ wordt dan ‘Godverdomme homoooo’s! Ik ben verloren!’ (cisgender man, 24, homo, over begeleiding geven aan 13-14 jarigen in een mainstream jeugdbeweging) In mainstream jeugdwerkomgevingen wordt dit niet steeds (h)erkend als probleem. Toch is het bijzonder belangrijk dat (bege)leiding niet meedoet maar ingrijpt. Als autoriteitsfiguren (hoe bescheiden ook) hebben zij een grote invloed op plaatsgebonden normen en omgangsvormen63. Uit eerder onderzoek over jeugdbewegingen weten we bovendien dat leiding een bepalende impact heeft op de ontplooiingskansen van kinderen en jongeren64, maar dat ze dit zelf vaak onderschatten65. Pestgedrag en alledaags LGBTQIA+ negatief taalgebruik waarop niet wordt ingegrepen creëren onveilige plekken, waardoor LGBTQIA+ jongeren niet durven instappen, afhaken, of hun gender of seksuele identiteit verbergen.

Mijn leiding van [mainstream jeugdbeweging] greep wel algemeen in bij pesterijen: ‘Ge moogt niet pesten’, maar… Ik ben daar toen mee gestopt omdat ik echt voelde van ooh nee, maar toen was ik nog heel jong ook, toen was dat al heel snel van: ‘[naam] is een meisje!’. Zo stom (lacht), snap je? Maar die genderdingen speelden echt toen al. En daar was totaal geen… dingen voor. Dus dan ben ik daar gewoon uit gegaan. Ik heb daar nooit vragen over gesteld, dat was niet mijn plek. (Cisgender man, 24, homo, over ervaring als kind in mainstream jeugdbewegingsgroep)

63 Leerman, van de Walle & Bradt 2014; Spijkers & Loopmans 2018 64 Hermans, van Assche & Lauwers 2000; Coussée 2006 65 De Pauw et al. 2010

84 •


Zowel uit ervaringen van LGBTQIA+ jongeren als reflecties van (bege)leiders leren we echter dat (bege)leiding niet altijd goed weet of en hoe ze kunnen ingrijpen wanneer ze getuige zijn van alledaags gebruik van trans- en holebifobe uitdrukkingen en woorden. Vaak wordt het alledaags gebruik van woorden als ‘homo’, ‘janet’, ‘pot’ of ‘lesbo’ in aansprekingen of uitroepen afgedaan als eerder onschuldige gewoonte, een grap of (ten hoogste licht verfoeilijk) spelgedrag. Pas als er personen in de buurt zijn die openlijk ‘out’ zijn, blijkt men zich meer bewust te worden van de mogelijk kwetsende impact daarvan. Daarbij lijkt men weinig rekening te houden met de mogelijkheid dat er in de werking ook personen aanwezig kunnen zijn die niet out zijn of zoekende. Ook LGBTQIA+(bege)leiding zelf grijpt hier niet steeds op in. Net als andere leiding balanceren ze voortdurend mee op een moeilijk evenwicht tussen ‘het leuk houden’ en ‘de sfeer breken’ met een ‘pedagogische’ interventie. Bovendien blijkt dat ze dit gedrag in bepaalde contexten relativeren en zelfs acceptabel vinden (vb. als mopje, in een vriendschapsrelatie, …), zoals een leider hieronder beschrijft tijdens de participerende observatie van een jeugdbewegingskamp.

Op dat moment komt één van mijn beste vrienden van de [jeugdbeweging] naar mij toe en zegt al lachend: “Jij bent toch een klein janetje, hé” en geeft me terwijl een dikke knuffel en kus op de kaak. Op dit moment vind ik het woord janet geen belediging. Dit leg ik aan de groep ook uit. (Excerpt uit het observatieverslag van een leider in een mainstream jeugdbeweging, cisgender man, 24, homo) In bepaalde jeugdwelzijnswerkingen bereikt men kinderen en jongeren uit een sociale context waarin traditionele genderopvattingen overheersen en trans- en holebifobie genormaliseerd is. Dit maakt het soms moeilijk om consequent in te grijpen, zoals deze begeleidster aangeeft:

• 85


Homofoob gedrag, dat is om mee te lachen zogezegd hé… Met beweginkjes en zo, dat is ‘grappig’. Dat is zooo normaal. Je kan daar niet altijd iets op zeggen, dat is echt wel straf [hoe normaal ze dat vinden]. (professioneel begeleidster kinderwerking jeugdwelzijnswerking) Deze jeugdwerkers geven aan dat er heel wat randvoorwaarden zijn om succesvol te interveniëren. Zo moeten ze altijd afwegen hoe een interventie zowel de groep als hun eigen positie zal beïnvloeden. Het vertrouwen tussen henzelf en hun kinderen en jongeren kan bijvoorbeeld op bepaalde momenten belangrijker zijn dan ‘autoritair’ of ‘politiek correct’ interveniëren, en in bepaalde gevallen heeft men gewoon andere prioriteiten.

Bij de gasten waar ik nu mee werk is dat moeilijker. Mijn vorige groep die kende mijn standpunt al, die wisten dat ik daar anders over dacht en hen niet aanviel of zo. Deze groep die moeten mij nog leren kennen. (professioneel begeleider jongerenwerking jeugdwelzijnswerk) Ondanks deze drempels om te interveniëren, komen uit de gesprekken ook heel wat tips en aanbevelingen. Ten eerste helpt het opdoen van kennis rond gender en seksuele diversiteit, identiteitsontwikkeling en discriminatie om de eigen handelingsverlegendheid weg te nemen. Het wordt bijvoorbeeld makkelijker om aanpassingen te maken, de impact van kwetsend gedrag te duiden of medeleiding te overtuigen van hun aandeel in het creëren van veiligheid (zie 4.8).

86 •


Vroeger zou ik daar niet op ingaan, maar nu omdat ik me toch wel gewoon wat slimmer voel in dat thema, vind ik het wel belangrijk om te zeggen wat dat eerder wel kan of wat je best anders zou verwoorden, of waarom als je iets zegt dat het grof of kwetsend kan overkomen. En als ze dan nog dat woord willen gebruiken, oké, dan is dat ça va voor mij, maar dan heb ik tenminste toch wel gedaan wat ik kon doen (vrijwillig begeleidster op kampen voor personen met en zonder handicap)

We proberen dat wel open te trekken, en ze in contact te brengen met … Uit dat soort gesprekken merk je dat ze ook wel met een heleboel vragen zitten. Er is héél héél veel onwetendheid… (professioneel begeleider jongerenwerking jeugdwelzijnswerk) Ten tweede heeft begeleiding een belangrijke functie in het bestendigen of doorbreken van stereotypen en dwingende gendernormen. Dit gebeurt vaak vanuit een voorbeeldfunctie, door het kiezen van niet-stereotype invullingen van personages in fantasiespelen, en door actief de normen binnen afgebakende speelplekken te bewaken.

Wij creëren personage in ons hoofd, uit onze fantasie (…). Ik merk dat de animatoren, ikzelf waarschijnlijk ook, daar altijd een geslacht aan doen. Dat dat niet kon dat dat een roze…koala was, als dat een man was geweest of zo. Die kon geen diepe stem hebben dus die moest wel hoog spreken. Terwijl: waarom moet die hoog spreken? (vrijwillig begeleidster mainstream vakantieorganisatie)

• 87


Dan kwam er een nieuwe jongen binnen en die keek verbaasd rond. Ik zei dan: “Ja, hier kan je spelen met wat je wil, als je met de Barbies wil spelen mag dat, of met iets anders…” en zo is dat begonnen eigenlijk in de werking, door de kinderen zelf. En zo ben ik beginnen nadenken over hoe kan het dat dit nu kan en vroeger niet, en wat kan ik doen om dit in stand te houden?” (professioneel begeleidster kinderwerking jeugdwelzijnswerk) Ten derde leren we dat doeltreffende interventies consequent zijn, maar ook ‘op maat’.

Er zijn veel randvoorwaarden, maar het probleem is ook wel dat we het soms te groot maken. Je kan het ook in kleine dingen doen, door het materiaal dat je gaat aanbieden bijvoorbeeld, of op vorming hebben we nu de privilege walk gedaan bijvoorbeeld. Dat werkt ook. Dus het is er nog niet overal, maar net omdat we het te groot zien denk ik. (professioneel begeleidster kinderwerking jeugdwelzijnswerk) Het blijkt ook effectief om kort en speels in te grijpen op schelden, zolang het consequent gebeurt door álle volwassenen in de omgeving en zij niet zelf het slechte voorbeeld geven. Ook speelse overdrijvingen werken om kinderen en jongeren te wijzen op de betekenis van ongepaste houdingen of uitlatingen.

88 •


respondent

1

Ze kunnen wel zo opmerkingen geven van ‘Oh, zijt gij lesbisch, dat kan toch niet’, en dit en dat. Maar wat wij dan doen is er gewoon nog meer in opgaan, doen alsof je al drie jaar een relatie hebt met iemand daar. En dan beginnen ze helemaal zot te worden. respondent

2

Ik ben getrouwd met vijf kinderen! respondent

1

Jaaaaa, ik heb ook al kinderen ondertussen, ik weet zelfs al niet meer hoeveel! Maar allez, hoe meer dat ze daar dan in opgaan, hoe dat ze zelf beseffen van: “Ah ja, eigenlijk, dat is niet erg moest dat zo zijn”… (excerpt focusgroep LGBTQIA+ jongeren) Wanneer er sprake is van een wijdverspreid en hardnekkig onwenselijk gedrag in een groep kan een groepsgesprek nuttig zijn66.

En dan zaten we een cirkelspel te doen, en dan waren die ook constant ‘homo homo’ [aan het roepen]. En dan heb ik gezegd: Ok, mannen, nu stopt het spel. En dan heb ik echt gezegd van: ‘Waarom is dat uw scheldwoord? Roept dan toch verdomme of weet ik veel wat, waarom altijd dat zelfde?’ en dan stonden ze er zelf ook even bij stil. (begeleider mainstream jeugdbeweging) Zoals eerder gezegd neemt sommige LGBTQIA+(bege)leiding een belangrijke voorbeeldfunctie op wat interventies betreft. Toch zien we ook hetero en cisgender leiding bekwaam tussenkomen. Deze ‘allies’ lijken vaak goed geïnformeerd en zien meer noodzaak om in te grijpen. Dit suggereert weer dat vorming en het organiseren van allyship oplossingen kan bieden. Ook een duidelijke visie op diversiteit en inclusief werken helpen om het op te nemen voor anderen wanneer het nodig is (zie ook 4.5). 66 Lees ook de tips voor leerkrachten van çavaria op https://çavaria.be/tips-voor-leerkrachten

• 89


AANBEVELING 18: Zet in op een uitgebreid anti-pestbeleid met vorming, uitwisseling tussen meer en minder ervaren leiding, richtlijnen voor specifieke situaties, en voorbeelden uit de praktijk die tonen wat werkt. Moedig vanop alle beleidsniveau’s (bege)leiding aan om geen LGBTQIA+ onvriendelijk taalgebruik te tolereren, maar steeds in te grijpen. Stimuleer vanuit het jeugd(werk)beleid de ontwikkeling van vorming en materiaal om handelingsverlegenheid bij (bege)leiding weg te werken.

AANBEVELING 19: Zet vanuit het jeugd(werk)beleid blijvend in op een positief diversiteitsklimaat binnen jeugdwerk waarin discriminatie geen plek heeft.

90 •


• 91


4.8 #VORMING WERKT, MAAR DE CONTINUÏTEIT EN BEKENDHEID VAN HET AANBOD ZIJN WERKPUNTEN Zowel organisaties met een vormingsaanbod als jeugdwerkers die zelf vorming kregen, geven aan dat vorming rond gender en seksuele identiteit een positieve impact heeft op praktijken in het jeugdwerk. Het helpt om bewustzijn te creëren rond gender- en heteronormativiteit op verschillende niveau’s binnen een organisatie, en sluit aan bij de interesses van jongeren omdat er héél veel vragen rond leven onder zowel begeleiders als leden.

Ik denk dat vormingen ook wel heel belangrijk zijn. Allez, wij noemen dat vormingen over die verschillende thema’s, maar het specifieke van die vormingen is ook het delen van ervaringen en praten over moeilijke thema’s, en dat kan je met iedereen doen, daarvoor moet je niet LGBT zijn. (vrijwillig begeleidster LGBTQIA+ jeugdwerkorganisatie) Het is opvallend dat LGBTQIA+ jongeren en -begeleiding uit zowel mainstream als doelgroep-specifiek jeugdwerk het unaniem eens zijn over het belang van vorming om de omgang van het jeugdwerk met LGBTQIA+ jongeren te verbeteren. De onderliggende redenering is gewoonlijk dat dit alle kinderen en jongeren ten goede komt.

Ik vind wel, als je van plan bent om jeugdwerk te doen, dat je één vormingsdag zou moeten krijgen of zo over seksuele identiteit en hoe omgaan met seksuele verschillende identiteiten in een groep (vrijwillig begeleider LGBTQIA+ jeugdwerkorganisatie)

92 •


Voor sommigen hoort het thema daarom meer uitdrukkelijk thuis in de animatorcursus, gekoppeld aan de omgang met diversiteit, inclusie en ingrijpen bij pestgedrag.

Ik denk eigenlijk dat het belangrijkste zou kunnen zijn dat je alle animatoren bewust gaat maken van het feit dat er wel een probleem is, omdat het gewoon vaak niet duidelijk is dat er problemen zijn. […] gewoon ook dat ze zich er van bewust worden dat als er tijdens een spel bepaalde namen worden geroepen, dat er bepaalde jongeren zijn die naar hun identiteit aan het zoeken zijn, en dat je daar ook een impact op hebt ook al ben je maar een week op kamp. (vrijwillig begeleidster mainstream vakantieorganisatie) Begeleiders uit inclusieve werkingen geven inderdaad aan dat hun vorming tot animator hen helpt om beter om te gaan met diversiteit:

Wij worden daar ook wel echt op gedrild van: “Nog niet bij iedereen is ADHD of Autisme vastgesteld, dus hou er rekening mee dat iedereen dat eigenlijk kan hebben”. Dat is zoiets heel klein, maar gewoon dat je weet dat je erop moet letten kan wel een verschil maken naar hoe je naar andere kinderen doet. (vrijwillig begeleidster bij een inclusieve vakantieorganisatie) Daarnaast blijken ook heel wat momenten van informeel leren doeltreffend om bewustzijn te creëren rond heteronormatieve praktijken en de uitsluiting die ze veroorzaken. Een aantal begeleiders praat zo bijvoorbeeld over hoe uitwisselen over praktijken en het zien van gewoonten in andere organisaties leerprocessen op gang bracht:

• 93


De vrijwilligers op uitwisseling waren daar om te feesten, en ze leerden elkaar kennen met die voornaamwoorden, wat ik erg interessant vond. Als je je voorstelt zeg je niet gewoon wie er is, maar ’Ik ben X, ik kom van Gent’ en dan voeg je toe hoe je genoemd wil worden: ‘zij/haar’. Dit soort dingen is echt heel cool. (reflectie van een begeleidster bij een mainstream jeugdwerkorganisatie over wat ze leerde van hun uitwisselingsproject rond gender) Ook de focusgroepen die we tijdens dit onderzoek deden met begeleiders uit het jeugdwerk leidden tot reflectie en inzicht, zoals onderstaande jongere die tijdens het gesprek aangaf dat ze nooit eerder stil stond bij haar rol als begeleider op dit vlak:

Ik besef nu van eigenlijk zou ik daar beter meer op inzetten als ik op kamp ga, want inderdaad, ik heb zelf gewoon de luxepositie gehad dat [lesbisch zijn in mijn omgeving] normaal gevonden werd. (reflectie van een begeleidster uit een mainstream vakantieorganisatie tijdens een focusgroepgesprek) Toch is de kennis over gender en seksuele diversiteit (nog) niet goed verspreid in het jeugdwerk67. Er blijken dan ook zowel wat praktische en ideologische hindernissen te liggen op de weg naar meer vorming rond dit thema in het jeugdwerk. Zo is het bestaande vormingsaanbod weinig bekend, en leeft hier en daar weerstand tegen het werken rond gender en seksuele identiteit binnen de eigen organisatie of groep. Niet iedereen is bijvoorbeeld overtuigd dat het thema aandacht moet krijgen in de vrijetijdsbesteding en/of het jeugdwerk. Meerdere initiatiefnemers die binnen hun organisatie (willen) werken rond genderbewustzijn, geven aan dat ze daar kritisch over werden benaderd door collega’s of medevrijwilligers. Ook bij onderstaande begeleidster kostte het wat tijd voor iedereen de meerwaarde van het thema begon in te zien binnen de organisatie:

67 Voor een gelijkaardige vaststelling in de sportsector, zie Nols & ICES 2019.

94 •

• 94


Toen we besloten om te werken rond gender en identiteit hadden sommige collega’s zoiets van: ‘Is dit echt wel een onderwerp voor [jeugdwerkorganisatie]?’ (professioneel begeleidster mainstream jeugdwerkorganisatie) Verder heeft men in jeugdwerkpraktijken soms het gevoel dat het thema ‘gehyped’ wordt vanuit de overheid of een koepel, maar in de praktijk van weinig belang is voor de kinderen en jongeren waarmee men werkt. Anderen waarschuwen dan weer dat een overdreven nadruk op gender en seksuele diversiteit onbedoeld negatieve effecten kan hebben. Met name (bege)leiders die zelf tot een seksuele minderheid behoren, zien de extra aandacht die op hen gericht zou kunnen worden door (slecht gegeven) vormingen als een mogelijk nadeel. Wanneer we vragen of er meer aandacht zou moeten zijn voor gender en seksuele identiteit binnen jeugdwerkorganisaties, gaf een biseksuele begeleider als antwoord:

Goh, niet specifiek aandacht, het moet gewoon geaccepteerd worden. Ik denk dat het gewoon belangrijk is dat je werknemers daar zelf heel open en los in zijn, dat ze er gemakkelijk over kunnen praten en er geen vooroordelen over hebben, en dat het wordt uitgestraald ook naar animatoren toe dat het allemaal acceptabel is. Maar niet persé: “We gaan een sessie geven over: ‘Ik heb een homo-mede-animator mee’”, want dat vind ik dan ook weer zo belachelijk. Je bent dat misschien wel, maar dan kan je evengoed een sessie geven over hetero zijn. Je moet er weer niet extra aandacht aan geven als het niet nodig is. (cisgender man, 22, biseksueel, vrijwillig begeleider bij een mainstream vakantieorganisatie) Wanneer vormingen vrijwillig worden aangeboden, bestaat bovendien het gevaar van ‘preken voor de eigen kerk’. Enkel wie het belang van het thema al inziet voor de eigen werking en praktijken toont interesse, terwijl anderen die nog overtuigd

• 95


moeten worden niet worden bereikt. Gevraagd naar het nut van vorming, maakt een transgender begeleider die zich engageert rond het thema binnen een organisatie de volgende reflectie:

Ik denk ook dat er ook wel ondertussen heel veel mensen zijn in het jeugdwerk die daar geen behoefte meer aan hebben en die zullen denken: “Zucht! Weeral de zoveelste!” Omdat er tegenwoordig al zoveel gebeurt. Dat is goed, he. Je gaat me dat niet horen slecht praten. Maar ik denk dat degenen die dat er mee bezig zijn en die er voor open staan iets gaan hebben van: “Bah, weeral een vorming”. En degenen die ze eigenlijk zouden moeten krijgen, het gewoon negeren. (transgender man, 22, begeleider mainstream vakantieorganisatie, betrokken in de diversiteitswerking van een organisatie) Het belang van werken op maat van omgevingen en groepen kan bij het inzetten op vorming dan ook niet genoeg worden benadrukt. Hoewel daarbij snel de associatie wordt gemaakt met kenmerken van kinderen en jongeren zelf (zoals gender, leeftijd, sociaal-economische positie, religiositeit, …), spelen kenmerken van organisaties mogelijks nog een veel grotere rol. In vrijwilligersorganisaties die niet expliciet gericht zijn op activisme of leren, is er bijvoorbeeld een zeker spanningsveld tussen het ‘leuk en luchtig’ houden enerzijds en werken rond ‘zware’ thema’s als welbevinden, discriminatie en inclusie anderzijds.

Ik ga heel eerlijk zijn, die vormingen die we van [organisatie] altijd kregen: (gebaart dat dit niet leuk was). Op de [startdagen] was er altijd een dag van het jaar dat wij dan een voor- en namiddag vol vorming konden krijgen. Ik ga eerlijk zijn: dat heb ik nooit echt gevolgd. […] Dat is goed, maar goh, je blijft een vrijwilliger. (vrijwillig begeleider mainstream vakantieorganisatie)

96 •


Koepelorganisaties en educatieve diensten die vorming aanbieden hebben soms maar een beperkte invloed op wat lokale groepen en vrijwillige animatoren willen volgen of niet. Lokale groepen ontwikkelen bovendien soms sterke eigen tradities en groepsidentiteiten, en voelen zich niet steeds (meer) verbonden met koepelorganisaties. Het bestaande vormingsaanbod en -materiaal wordt van daaruit op sommige plekken omschreven als overbodig, wereldvreemd, of zelfs paternalistisch. Het aanreiken van een kader van bovenaf kan dan ook op weerstand botsen, zoals ook onderstaande uitspraak van een leider uit een jeugdbewegingsgroep weergeeft:

Elke [jeugdbewegingsgroep] over heel Vlaanderen verschilt ongelooflijk hard. Je kunt die niet samen gooien onder 1 koepel die aan iedereen dezelfde vorming geeft. Ik vind het goed dat ze bestaan voor uw administratie en zo, maar ik vind niet dat ze er moeten zijn om te zeggen van: “Je moet je binnen dit kader profileren”, want zo werkt het niet. (vrijwillig begeleider van een mainstream jeugdbeweging) Organisatoren van animatorcursussen geven dan weer aan dat deze al behoorlijk vol zitten met allerhande thema’s die ook belangrijk zijn. Deze uitdagingen zijn in het vormingsveld echter al goed gekend. Op onze verkenning voor dit onderzoek kruisten we het pad met stakeholders en experts die al heel wat spelmateriaal, brochures en webpagina’s hebben ontwikkeld die rekening houden met bovenstaande inzichten. Zo worden al doordachte sessies en vormingen op maat van het jeugdwerk gegeven voor én door zowel professionals en vrijwilligers, vanuit bijvoorbeeld Rosa vzw, Pimento en Wel Jong Niet Hetero68. Om verschillende niveaus binnen een organisatie te bereiken wordt er onder andere ingezet op sensibiliseren van beleidswerkers rond organisatorische drempels, correcte info verstrekken, de handelingsverlegenheid bij begeleiders wegnemen, en het stimuleren van reflectie en bespreekbaarheid van gender en seksuele identiteit in groepen69.

68 Deze organisaties onderschrijven de ‘kwaliteitscriteria voor relationele en seksuele vorming’ die door Sensoa werden opgelijst aan de hand van de richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie: https://www.sensoa.be/waarom-seksuele-vorming 69 http://www.weljongniethetero.be/content/vorming-het-jeugdwerk

• 97


Het aanbod vanuit Wel Jong Niet Hetero is extra bereikbaar voor jeugdwerkingen: via hun partnerschap met Jeugdwerk Voor Allen (JWVA) leren ze de vragen die leven in het jeugdwerk goed kennen, en kunnen ze hun vormingen gratis aanbieden. Ze sloegen enkele jaren geleden ook al de handen in elkaar met de Aanstokerij om het thema bespreekbaar te maken in jongerengroepen via het spel “SoWhat?! TheGayme’70, dat op verschillende locaties gratis ontleend kan worden door zowel jeugdwerkers als jongeren71. De brochure die erbij ontworpen werd, bevat duidelijke uitleg en heel wat concrete tips, en je kan er een speltrainer bij krijgen voor begeleiding en ‘train-de trainer’-vorming. Overheidsbesparingen op de ondersteuning van middenveldorganisaties vormen wel een bedreiging voor de continuïteit van dit aanbod. Hoewel het bestaande vormingsaanbod nu al sterk leunt op freelancers en vrijwilligers, blijven middelen nodig om te zorgen dat trainers goed ondersteund worden, het aanbod gepromoot kan worden, en de kwaliteit gewaarborgd.

70 http://www.weljongniethetero.be/sowhatthegayme 71 https://www.sensoa.be/waarom-seksuele-vorming

98 •


AANBEVELING 20: Geef meer prioriteit aan een positieve omgang met diversiteit en anti-discriminatie in de basisvorming voor zowel professionele als vrijwillige jeugdwerk(bege)leiding.

AANBEVELING 21: Zet in op verdere ontwikkeling en verspreiding van vorming en uitwisseling rond gender en seksuele identiteit op maat van verschillende (bege)leiders, doelgroepen en initiatieven in het jeugdwerk. Bouw daartoe bruggen tussen organisaties om de bestaande kennis en expertise te benutten en ontsluiten, en verbeter de informatiedoorstroming van jeugdwerkkoepels naar vrijwilligers binnen jeugdwerkpraktijken.

• 99


100 •


DEEL 5:

Besluit

• 101


5. Besluit Zo komen we aan het einde van onze boeiende trip door jeugdwerkland. Onderweg spraken we tientallen LGBTQIA+ jongeren, vrijwillige en professionele jeugdwerk(bege) leiders, sleutelfiguren en experts, en deden we samen met jongeren participatief onderzoek op kampen en andere mainstream jeugdwerkactiviteiten, maar ook doelgroepspecifiek jeugdwerk. We kregen zicht op het spectrum aan situaties die LGBTQIA+ jongeren meemaken in het jeugdwerk en hoe ze dit beleven. Dit bood ons een kijk op het verhaal achter de algemene cijfers over het welzijn van LGBTQIA+ jongeren. Onze bevindingen nuanceren niet alleen het optimistische beeld van een toenemende acceptatie van seksuele minderheden in onze samenleving, maar tonen ook de nog steeds gangbare discriminatie en pestgedrag ten opzichte van LGBTQIA+ jongeren. Deze jongeren worden inderdaad vaak geconfronteerd met (bedoelde en onbedoelde) vormen van discriminatie en worstelen met een nog alomtegenwoordige en dwingende heteronormativiteit. Dat maakt het moeilijk voor hen om hun eigen identiteit te (durven) ontdekken en ontwikkelen. Gelukkig kwamen we ook bemoedigende situaties en goede voorbeelden tegen van hoe het anders kan. Daaruit zijn belangrijke lessen te trekken die we in dit rapport hebben samengevat. De belangrijkste vaststelling uit ons onderzoek is dat normen en identiteit worden gevormd door en tijdens sociale interacties. We maken normen samen, met zijn allen, in ons dagelijks leven. Daardoor zijn ze niet in steen gebeiteld, maar in zekere mate veranderlijk en afhankelijk van plaats en tijd. Als deze normen geen ruimte bieden voor de identiteiten waar jij je comfortabel in voelt, legt dat een zware domper op je welbevinden. We ontdekten dat activiteiten in het jeugdwerk deze dominante normen bevestigen, en zo soms een onveilige omgeving vormen voor LGBTQIA+jongeren. Maar we leerden ook dat jeugdwerk, door bewuster met normvorming om te gaan, evengoed een warme thuis kan zijn. Soms betekent dit dat een doelgroepspecifieke werking nodig is. Maar ook ‘mainstream’ organisaties kunnen veiligere plekken worden, als ze erin slagen een positief diversiteitsklimaat te scheppen. In meer landelijke gebieden met een beperkt aanbod, kan dat laatste des te meer van belang zijn. Hoe kunnen jeugdwerkingen zichzelf tot veiligere plekken omvormen? Via de interne ruimtelijke inrichting van je plek, maar ook via de externe communicatie en presentatie van je werking. Door hier bewust mee om te gaan maak je het voor potentiële nieuwe leden meteen duidelijk of ze er welkom zijn of niet. Een nog belangrijkere rol speelt de

102 •


jeugdwerk(bege)leiding. De aanwezigheid van LGBTQIA+ (bege)leiding in een organisatie verlaagt de drempel en biedt jongeren en kinderen belangrijke rolmodellen. Maar ook niet-LGBTQIA+ (bege)leiders kunnen een rol spelen door als ‘ally’ een positieve houding tegenover diversiteit uit te dragen en zo een voorbeeld te vormen voor de kinderen en jongeren met wie ze werken. Jongeren die hier belang aan hechten, vinden in het bestaande vormingsaanbod goede ondersteuning om zichzelf te versterken. We denken echter dat dit soort initiatieven een meer centrale plaats moeten krijgen in het vormingsaanbod. Velen zijn zich immers niet bewust van deze processen en de rol die ze er zelf in spelen. Wanneer in het basisvormingspakket meer aandacht wordt besteed aan een positief diversiteitsklimaat, zullen meer jeugdwerk(bege)leiders in Vlaanderen de nodige knowhow verwerven om van hun werking een omgeving te maken waar LGBTQIA+ jongeren zich veilig en welkom voelen.

• 103


104 •


DEEL 6:

Bronnen

• 105


6. Bronnen Alexander, J., & Losh, E. (2010). “A YouTube of one’s own?”: “Coming out” videos as rhetorical action. In LGBT identity and online new media (pp. 51-64). Routledge. Bender-Baird, K. (2016). Peeing under surveillance: bathrooms, gender policing, and hate violence. Gender, Place & Culture, 23(7), 983-988. Bishop, A. (2002). Becoming an ally: Breaking the cycle of oppression in people. London: Zed Books. Bradt, L., Pleysier, S., Put, J., Siongers, J., & Spruyt, B. (Eds.) (2014). Jongeren in cijfers en letters. Bevindingen uit de Jop-monitor III en de Jop-schoolmonitor 2013. Leuven: Acco. Bradt, L., Pleysier, S., Put, J., Siongers, J., & Spruyt, B. (Eds.). (2019). Jongeren in cijfers en letters 4 : bevindingen uit de JOP-monitor 4, de JOP-kindmonitor en de JOP-schoolmonitor 2. Leuven: ACCO. Bromseth, J., & Sundén, J. (2011). Queering Internet studies: Intersections of gender and sexuality. The handbook of internet studies, 271-299. Butler, J. (1990). Gender trouble: Feminism and the subversion of identity. New York: Routledge. Butler, J. (1993). Bodies that Matter: on the Discursive Limits of “Sex”. New York: Routledge. Caldwell, L. L., & Faulk, M. (2013). Adolescent leisure from a developmental and prevention perspective. In Positive leisure science (pp. 41-60). Springer, Dordrecht. çavaria (2018). Vlaamse LGBT+ schoolklimaat enquête 2016 – 2017. https://www.cavaria.be/sites/ default/files/2019-04/scholierenenquete_2017_nl.pdf Chrobot-Mason, D., & Aramovich, N. P. (2013). The psychological benefits of creating an affirming climate for workplace diversity. Group & Organization Management, 38(6), 659-689. Coussée, F. (2006). De pedagogiek van het jeugdwerk. Gent: Academia Press. Coussée, F., Roets, G., & De Bie, M. (2009). Empowering the powerful: Challenging hidden processes of marginalization in youth work policy and practice in Belgium. Critical social policy, 29(3), 421442. Crenshaw, K. (1991). Mapping the margins: Identity politics, intersectionality, and violence against women. Stanford Law Review, 43(6), 1241-1299. D’Haese, L., Dewaele, A., & Van Houtte, M. (2014). Geweld tegenover holebi’s – II. Een online survey over ervaringen met holebigeweld in Vlaanderen en de nasleep ervan. Antwerpen: Steunpunt Gelijkekansenbeleid. De Craene, V., & Loopmans, M. (2013). Seksualiteit en uitgaansleven. AGORA Magazine, 29(1), 30-33. De Laet, P., Glorieuw, I., & Van Tienoven, T. P. (2011). Privéconcert of open boek? Ongelijke toegang tot culturele centra en bibliotheken. In J. Lievens & H. Waege (Eds.), Participatie in Vlaanderen. Eerste analyses van de Participatiesurvey 2009: 160-179. Leuven: Acco. De Pauw, P., Vermeersch, H., Coussée, F., Vettenburg, N., & Van Houtte, M. (2010). Jeugdbewegingen in Vlaanderen: een onderzoek bij groepen, leiding en leden: https://www.vlaanderen.be/ publicaties/jeugdbewegingen-in-vlaanderen-een-onderzoek-bij-groepen-leiding-en-leden. Departement Cultuur, Jeugd en Media en De Ambrassade (2018). Diversiteit in/en het Jeugdwerk. Masterplan 2018-2020. online op: http://www.sociaalcultureel.be/nieuws-jeugd2018/001.aspx.

106 •


Dewaele, A., Van Houtte, M., & Vincke, J. (2014). Visibility and coping with minority stress: A gender-specific analysis among lesbians, gay men, and bisexuals in Flanders. Archives of sexual behavior, 43(8), 1601-1614. Dewaele, A., Vincke, J., Van Houtte, M., & Cox, N. (2008). De schoolloopbaan van holebi-en heterojongeren. Steunpunt Gelijkekansenbeleid. Dewaele, A., Vincke, J., Cox, N., & Dhaenens, F. (2009). Het discours van jongeren over man-vrouw rolpatronen en holebiseksualiteit. Over Flexen, players en metroseksuelen. Antwerpen ; BELGIUM: Steunpunt Gelijkekansenbeleid - consortium UA en UHasselt. Dierckx, M., Motmans, J., Meier, P. (2014). Beyond the Box: Attitudemeting M.b.t. Seksisme, Holebifobie En Transfobie: Syntheserapport. Antwerpen: Universiteit Antwerpen. DiFulvio, G. T. (2011). Sexual minority youth, social connection and resilience: From personal struggle to collective identity. Social Science & Medicine, 72(10), 1611-1617. European Union Agency for Fundamental Rights (2013). EU LGBT survey – European Union lesbian, gay, bisexual and transgender survey: Results at a glance. Luxembourg: Publications Office of the European Union. Fredricks, J. A., & Eccles, J. S. (2006). Is extracurricular participation associated with beneficial outcomes? Concurrent and longitudinal relations. Developmental psychology, 42(4), 698. Gamarel, K. E., Walker, J. N. J., Rivera, L., & Golub, S. A. (2014). Identity safety and relational health in youth spaces: A needs assessment with LGBTQ youth of color. Journal of LGBT Youth, 11(3), 289-315. García, L. (2009). Heteronormativity, sexism, and racism in the sexual (mis) education of Latina youth. Gender & Society, 23(4), 520-541. Garry, A. (2012). Who is included? Intersectionality, metaphors, and the multiplicity of gender. Out from the shadows: Analytical feminist contributions to traditional philosophy, 493-530. Gregson, N., & Rose, G. (2000). Taking Butler elsewhere: performativities, spatialities and subjectivities. Environment and Planning D: Society and space, 18(4), 433-452. Hammack, P. L., & Cohler, B. J. (2011). Narrative, identity, and the politics of exclusion: Social change and the gay and lesbian life course. Sexuality Research and Social Policy, 8(3), 162. Heffernan, C. (2018). Gender allyship: Considering the role of men in addressing the genderleadership gap in sport organizations. Hermans, G., van Assche, V., & Lauwers, J. (2000). Het jeugdbewegingswerk: experimenteren binnen grenzen. (rapport 3), Wilrijk: UIA. Hunt, G., Antin, T., Sanders, E., & Sisneros, M. (2019). Queer youth, intoxication and queer drinking spaces. Journal of youth studies, 22(3), 380-400. Jernigan, C., & Mistree, B. F. (2009). Gaydar: Facebook friendships expose sexual orientation. First Monday, 14(10). Kitzinger, C. (2005). Heteronormativity in action: Reproducing the heterosexual nuclear family in after-hours medical calls. Social problems, 52(4), 477-498.

• 107


Kivel, B. D., & Kleiber, D. A. (2000). Leisure in the identity formation of lesbian/gay youth: Personal, but not social. Leisure Sciences, 22(4), 215-232. Kosciw, J. G., Greytak, E. A., Giga, N. M., Villenas, C., & Danischewski, J. (2016). The 2015 National School Climate Survey: The Experiences of Lesbian, Gay, Bisexual, Transgender, and Queer Youth in Our Nation’s Schools. New York: Gay, Lesbian and Straight Education Network (GLSEN). Kosciw, J. G., Greytak, E. A., Diaz, E. M., & Bartkiewicz, M. J. (2010). The 2009 national school climate survey: The experiences of lesbian, gay, bisexual, and transgender youth in our nation’s schools. New York, NY: GLSEN. Kulick, A., Wernick, L. J., Espinoza, M. A. V., Newman, T. J., & Dessel, A. B. (2019). Three strikes and you’re out: culture, facilities, and participation among LGBTQ youth in sports. Sport, Education and Society, 24(9), 939-953. Larson, R. (1994). Youth organizations, hobbies, and sports as development contexts. In R. K. Silbereisen & E. Todt (Eds.), Adolescence in context: The interplay of family, school, peers, and work in adjustment (pp. 46–64). New York: Springer-Verlag. Larson, R. (2000). Toward a psychology of positive youth development. American Psychologist, 55, 170-183. Lasser, J., & Tharinger, D. (2003). Visibility management in school and beyond: A qualitative study of gay, lesbian, bisexual youth. Journal of Adolescence, 26(2), 233-244. Leerman, W., van de Walle, T., & Bradt, L. (2014). De toegankelijkheid van het vrijetijdsaanbod voor jongeren uit seksuele minderheden: focus op geaardheid en gender. In Gender (en): over de constructie en deconstructie van gender bij Vlaamse jongeren (pp. 117-132). Acco. Marx, R. A., Roberts, L. M., & Nixon, C. T. (2017). When care and concern are not enough: School personnel’s development as allies for trans and gender non-conforming students. Social Sciences, 6(1), 11. Mayberry, M. (2013). Gay-straight alliances: Youth empowerment and working toward reducing stigma of LGBT youth. Humanity & Society, 37(1), 35-54. Mayfield, W. (2001). The development of an internalized homonegativity inventory for gay men. Journal of homosexuality, 41(2), 53-76. McNeill, T. (2013). Sex education and the promotion of heteronormativity. Sexualities, 16(7), 826846. Motmans, J., T’Sjoen, G., Meier, P. (2015). Geweldervaringen van transgender personen in België. Antwerpen: Steunpunt Gelijkekansenbeleid. Online op: https://www.steunpuntgelijkekansen.be/ wp-content/uploads/Geweldervaringen_van_trans_personen_in_Belgie_2015.pdf Motmans, J., Wyverkens, E., & Defryene, J. (2018). Leven als transgender persoon in Belgie. Tien jaar later. Brussel: Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Online op: https://igvm-iefh. belgium.be/sites/default/files/118_-_leven_als_transgender_persoon_in_belgie.pdf. Mountney, P. (2015). Gay subversion: Young men seeking safety in heterotopic spaces. In Papers: Explorations into Children’s Literature. 23 (1), 53-72. Nols, Z., & ICES (2019). Genderongelijkheid en heteronormativiteit in de sport: een verkennende analyse van de Vlaamse context. Gent: ICES (Centrum Ethiek in de Sport). Oakleaf, L. (2013). Having to think about it all the time: factors affecting the identity management strategies of residential summer camp staff who self-identify as lesbian, gay, bisexual or transgender, Leisure/Loisir, 37:3, 251-266.

108 •


Pan, X., & Loopmans, M. (2020). Intersectional Heterotopia: HIV and LGBTQ+ Movement in China. Tijdschrift voor economische en sociale geografie. (Forthcoming). Pascoe, C. J. (2011). Resource and risk: Youth sexuality and new media use. Sexuality Research and Social Policy, 8(1), 5-17. Pascoe, C. J. (2007). Dude, you’re a fag: Masculinity and sexuality in high school. Berkeley: University of California Press. Pearse, R., & Connell, R. (2016). Gender Norms and the Economy: Insights from Social Research. Feminist Economics, 22(1): 30-53. Petrovic, John E., & Ballard, R. (2005). Unstraightening the ideal girl: Lesbians, high school, and spaces to be. In Geographies of girlhood: Identities in between, edited by P. Bettis and Natalie G. Adams. Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum. Philipsen, R. (2016). LGBT-jongeren en de ontwikkeling van hun seksuele identiteit online. (masterthesis o.b.v. prof.dr. Willem Elias i.o.v. Wel Jong Niet Hetero). VUB. Online op: https://www. vub.be/sites/vub/files/masterproefwwroxannephilipsen.pdf Purdie-Vaughns, V., Steele, C. M., Davies, P. G., Ditlmann, R. K., & Crosby, J. R. (2008). Social identity contingencies: how diversity cues signal threat or safety for African Americans in mainstream institutions. Journal of personality and social psychology, 94(4), 615-30. Rodó-de-Zárate, M. (2014). Developing geographies of intersectionality with Relief Maps: reflections from youth research in Manresa, Catalonia. Gender, Place & Culture, 2014, Vol.21, (8), p.925-944. Rodó-de-Zárate, M. (2017). Affective inequality and heteronormative discomforts. Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie 108(3), 302-317. Rom, R. B. (1998). ‘Safe spaces’: reflections on an educational metaphor. Journal of Curriculum studies, 30(4), 397-408. Scheerder, J., Vos, S., Pabian, S., De Martelaer, K., Lefevre, J., & Philippaerts, R. (2011). Actieve vrijetijdssport in Vlaanderen: trends, profielen en settings. In J. Lievens & H. Waege (Eds.), Participatie in Vlaanderen. Eerste analyses van de Participatiesurvey 2009 (pp. 43-82). Leuven: Acco. Schoonacker, M., Dumon, E. & Louckx, F. (2009). WELEBI – Onderzoek naar het mentaal en sociaal welbevinden van lesbische en biseksuele meisjes. Seynaeve, H., Missiaen, J., Portzky, G., Dumon, E., & Motmans, J. (2016). Onderzoek naar het psychisch welzijn van Vlaamse holebi’s en/of transgenderpersonen. UGent. Spijkers, F. E., & Loopmans, M. (2018). Meaningful intercultural contact: How different places pave the way for learning to live together in diversity. Social and Cultural Geography,1–21. Spruyt, B., & Siongers, J. (2014): Gender(en). Over de culturele constructie en deconstructie van gender bij Vlaamse jongeren. Leuven: Acco. Statistiek Vlaanderen (2015). Sociaal-culturele verschuivingen (SCV) 2015, en SCV 2018. Deze cijfers zijn te raadplegen via: https://www.statistiekvlaanderen.be/nl/survey-scv-survey. Szulc, Ł., & Dhoest, A. (2013). The internet and sexual identity formation: Comparing Internet use before and after coming out. Communications: The European Journal of Communication Research, 38(4), 347-365. Szymanski, D. M., Kashubeck-West, S., & Meyer, J. (2008). Internalized heterosexism: A historical and theoretical overview. The Counseling Psychologist, 36(4), 510-524.

• 109


Tasan-Kok, T., van Kempen, R., Raco, M., & Bolt, G. (2014). Towards hyper-diversified European cities: A critical literature review. Utrecht: Utrecht University. Thelwall, M. (2011). ‘Privacy and gender in the social web’. In S. Trepte and L. Reinecke (eds.), Privacy Online. Berlin: Springer-Verlag, pp. 251–265. Toomey, R. B., McGuire, J. K., & Russell, S. T. (2012). Heteronormativity, school climates, and perceived safety for gender nonconforming peers. Journal of adolescence, 35(1), 187-196. Toomey, R. B., Ryan, C., Diaz, R. M., & Russell, S. T. (2011). High school gay–straight alliances (GSAs) and young adult well-being: An examination of GSA presence, participation, and perceived effectiveness. Applied developmental science, 15(4), 175-185. Toomey, R. B., Ryan, C., Diaz, R. M., Card, N. A., & Russell, S. T. (2010). Gender-nonconforming lesbian, gay, bisexual, and transgender youth: school victimization and young adult psychosocial adjustment. Developmental Psychology, 46(6), 1580-1589. Unia (2016). Onderzoeksrapport iVOX Homofobie in België anno 2016. Online op https://www. unia.be/files/Documenten/Publicaties_docs/Onderzoeksrapport_Unia_-_iVOX.pdf. Valentine, G. (2008). Living with difference: Reflections on geographies of encounter. Progress in Human Geography, 32, 323–337. Valfort, M. A. (2017). LGBTI in OECD Countries. Paris: OECD. Van Heeringen, C., & Vincke, J. (2000). Suicidal acts and ideation in homosexual and bisexual young people: a study of prevalence and risk factors. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 35(11), 494–499. Van Wichelen, T., & Dhoest, A. (2020). Wat als Bert en Ernie meer dan vrienden waren? Vlaamse ouders over homoseksualiteit in kinderprogramma’s. Tijdschrift voor communicatiewetenschap, 48(1), 25-39. Vaughan, S. C. (2018). Suicidality in LGBTQ+ Youth, The Psychoanalytic Study of the Child, 71:1, 40-54. Versmissen, D. (2011). Zzzip2 - Onderzoek naar de levenskwaliteit van Vlaamse holebi’s. SGKB-UA: https://www.steunpuntgelijkekansen.be/wp-content/uploads/II.35-Zzzipbis.pdf. Vettenburg, N., Elchardus, M., Put, J., & Pleysier, S. (Eds.). (2013). Jong in Antwerpen en Gent: bevindingen uit de JOP-monitor Antwerpen-Gent. Leuven: Acco. Washington, J., & Evans, N. J. (1991). Becoming an ally. In N. J. Evans & V. A. Wall (Eds.), Beyond tolerance: Gays, lesbians, and bisexuals on campus (pp. 195–2014). Washington, D.C.: American College Personnel Association. Weinhardt, L. S., Stevens, P., Xie, H., Wesp, L. M., John, S. A., Apchemengich, I., Kioko, D., Chavez-Korell, S., Cochran, K. M., Watjen, J. M., Lambrou, N. H. (2017). Transgender and gender nonconforming youths’ public facilities use and psychological well-being: a mixed-method study, Transgender Health 2(1), 140–150. Wilkinson, L., & Pearson, J. (2009). School Culture and the Well-Being of Same Sex-Attracted Youth. Gender & Society, 23(4), 542-568. Zeeman, L., Aranda, K., Sherriff, N., & Cocking, C. (2017). Promoting resilience and emotional wellbeing of transgender young people: research at the intersections of gender and sexuality. Journal of Youth Studies, 20(3), 382-397.

110 •


• 111


Departement Cultuur, Jeugd en Media Arenbergstraat 9 1000 BRUSSEL

112 •


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Ik_zie_ik_zie_wat_jij_niet_ziet.pdf by Vlaanderen-be - Issuu