KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN
Trajectbenadering voor laaggeletterden in Vlaanderen Samenvatting en beleidsaanbevelingen Onderzoekers: Ingrid Vanhoren - HIVA - K.U.Leuven Judith Kerkhof - Vakgroep Onderwijskunde - Universiteit Gent Kurt Demeester - Vakgroep Onderwijskunde - Universiteit Gent Nick Matheus - HIVA - K.U.Leuven Promotor: Ludo Struyven - HIVA - K.U.Leuven Co-promotor Dirk Van Damme - Vakgroep Onderwijskunde - Universiteit Gent Onderzoek in opdracht van de Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme, in het kader van het VIONA-onderzoeksprogramma Met ondersteuning van de administratie Werkgelegenheid en het ESF ESF: de Europese bijdrage tot de ontwikkeling van de werkgelegenheid door inzetbaarheid, ondernemerschap, aanpasbaarheid en gelijke kansen te bevorderen en door te investeren in menselijke hulpbronnen Juni 2003
Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek
Hoger instituut voor de arbeid
iii
INHOUD
Hoofdstuk 1 /
Onderzoeksopzet en -resultaten
1. BeleidsstrategieĂŤn en doelgroepen
5
2. Onderzoeksvragen en onderzoeksluiken
7
3. Terugkoppeling van de onderzoeksresultaten naar de onderzoeksvragen Hoofdstuk 2 /
5
10
Beleidsaanbevelingen
1. Beleidsaanbevelingen m.b.t. de vraagzijde
14
2. Beleidsaanbevelingen m.b.t. de aanbodzijde
17
13
1
HOOFDSTUK 1 ONDERZOEKSOPZET EN -RESULTATEN
1. Beleidsstrategieën en doelgroepen Laaggeletterdheid is als thema relatief nieuw op de beleidsagenda en de onderzoeksagenda. Laaggeletterdheid bij allochtonen is reeds langer een beleidsprioriteit en NT2 kent al een ruime toepassing in de praktijk. Het is slechts n.a.v. de resultaten van de IALS-studie 1 naar geletterdheid en de formulering van een beleidsstrategie inzake levenslang leren, dat geletterdheid ook vanuit de invalshoek van werkgelegenheid als beleidsitem geformuleerd wordt. De beleidsstrategieën die inzake geletterdheid worden aangegeven zijn de volgende (Van Damme, 1998): − een beleid van levenslang leren naar groepen met een geletterheidsrisico: een remediërend en compenserend educatief aanbod voor laaggeschoolden via basiseducatie en volwassenenonderwijs, vormings- en opleidingsinspanningen voor werklozen, educatieve stimulansen voor laaggeletterde werkenden; − verhogen van het algemeen geletterdheidsniveau van de bevolking: het terugdringen van de ongekwalificeerde uitstroom, participatie aan alle vormen van levenslang leren; − geletterdheid meer waarderen op de arbeidsmarkt: valoriseren van inspanningen (van laaggeschoolden) tot verhoging van hun (basis)competenties door formeel of non-formeel leren; − naar meer geletterheidsrijke contexten, ondermeer in de werksfeer en in de informele sfeer. Deze strategische beleidsdoelstellingen vormen inhoudelijke kapstokken voor onderzoek naar laaggeletterdheid. In het onderzoek ligt de focus op groepen met
1 IALS of de International Adult Literacy Survey is een internationaal onderzoeksproject van de OESO over taal- en rekenvaardigheden bij volwassenen (16-65-jarigen). Met een steekproefpopulatie van 2 261 voor Vlaanderen is de IALS-databank representatief voor de totale populatie van 3 692 116 inwoners van het Vlaamse Gewest tussen 16-65 jaar (1996).
2
Hoofdstuk 1
een ‘geletterdheidsrisico’ en op arbeidsmarktgerichte inspanningen inzake geletterdheid. Belangrijk is uiteraard te weten welke categorieën van mensen geconfronteerd worden met een ‘geletterdheidsrisico’. Uit de resultaten van het IALS-onderzoek zijn volgende factoren af te leiden (Van Damme, 1998; Van Damme et al., 1997): − persoonskenmerken naar geslacht, leeftijd (vrouwen en senioren); − opleidingsniveau: opleiding lager dan hoger secundair onderwijs (niet alleen formele opleiding speelt een rol, ook leren via werkervaring en informele kanalen); − positie op de arbeidsmarkt: inactiviteit (langdurig werklozen, huisvrouwen); − type werk: lagere beroepen (minder geletterdheidsrijke contexten); − deelname volwasseneneducatie of scholing (senioren, lager opgeleiden). De persoonskenmerken naar leeftijd en geslacht zijn voornamelijk te verklaren vanuit de hoge georganiseerde uitstoot uit de arbeidsmarkt van oudere werknemers en vanuit de scholingsachterstand bij vrouwen. Het opleidingsniveau of de scholingsgraad is de meest relevante factor, waarbij het diploma van voltooid secundair onderwijs als drempel fungeert. Uit de IALS-studie blijkt dat 60% van de personen met een diploma lager dan hoger secundair onderwijs er niet in slagen een geletterdheid op level 3 te behalen. Toch moet het belang van de factor genuanceerd worden: niet alleen het formele onderwijsniveau speelt een belangrijke rol voor het niveau van geletterdheid, ook de mogelijkheid tot leren via werkervaring en informele kanalen beïnvloeden sterk het niveau van geletterdheid. Immers, 40% - een internationaal gezien vrij hoog cijfer slaagt er ondanks een lage scholingsgraad toch in minimaal geletterdheidsniveau level 3 te bereiken door volwasseneneducatie en informeel leren. De problematiek van laaggeletterdheid is gedifferentieerd, naargelang de generatie. Bij de jongere generatie van onderwijsverlaters wordt het niet-behalen van level 3 als problematisch beschouwd, het level dat gelijkgesteld wordt met het diploma hoger secundair onderwijs. Bij de oudere generatie, die een lager onderwijsniveau vaak heeft weten te compenseren door werkervaring en informeel leren, is er in eerste instantie een probleem bij de groep die zich op level 1 situeert. Rekening houdend met de aangehaalde factoren die het niveau van geletterdheid beïnvloeden, kunnen verschillende doelgroepen worden onderscheiden. In dit onderzoek maken we volgend onderscheid: − Ongekwalificeerde onderwijsverlaters, vanuit de vaststelling dat de scholingsgraad en meer bepaald het voltooid secundair onderwijs, als drempel fungeert voor het verwerven van geletterdheid bij jongeren (level 3). − Langdurig werklozen, vanuit de vaststelling dat Vlaanderen een slecht internationaal resultaat haalt inzake het aantal werklozen dat zich in de levels 1 en 2 bevindt, namelijk 61,5%, te vergelijken met 43,4% voor Duitsland en 44,5% voor Nederland. Deze resultaten duiden op de problematiek van structurele
Onderzoeksopzet en resultaten
−
3
werkloosheid veroorzaakt door laaggeschooldheid en het gebrek aan perspectieven om deze werklozen duurzaam aan het werk te zetten. Werkenden in de ‘lagere’ segmenten op de arbeidsmarkt (in de zogenaamde ‘lagere’ beroepen), vanuit de vaststelling dat zij meestal tewerkgesteld zijn in minder geletterheidsrijke contexten. Deze ‘lagere’ beroepen zijn vaak terug te vinden in bepaalde sectoren (bv. bouw, textiel) en in bepaalde functies.
2. Onderzoeksvragen en onderzoeksluiken Twee algemene onderzoeksvragen zijn geformuleerd in dit onderzoek: − Zijn laaggeletterden als doelgroep een zinvol alternatief of een noodzakelijke aanvulling voor de doelgroep van laaggeschoolden: zijn de laaggeletterden als doelgroep scherper afgelijnd dan laaggeschoolden als diegenen die de aansluiting met de arbeidsmarkt en de maatschappij missen, wat is de meerwaarde van het kenmerk laaggeletterdheid? Deze vraag kan verruimd worden naar de kansengroepen die beleidsmatig geformuleerd worden: in hoeverre stemt de doelgroep van laaggeletterden overeen met de kansengroepen ongekwalificeerde onderwijsverlaters, langdurig werklozen en werkenden in ‘lagere’ segmenten op de arbeidsmarkt en wat is de meerwaarde van laaggeletterdheid? − Welke aanpak moet worden gehanteerd t.a.v. de doelgroep van laaggeletterden: is de trajectmethodiek overdraagbaar naar de doelgroep van laaggeletterden? Kan de doelgroep vanuit een strategie van levenslang leren bereikt worden of leidt de LLL-strategie net tot een polarisering in geletterdheid (cf. problemen van niet-bereik van de doelgroep en niet-participatie aan educatie door de groep van laaggeletterden)? Het onderzoek is onderverdeeld in twee grote onderzoeksluiken. Onderzoeksluik 1 heeft betrekking op een analyse van doelgroepen en educatieve participatie op micro-niveau. Volgende aspecten zijn onderzocht in dit onderzoeksluik: 1. Laaggeletterdheid hangt nauw samen met laaggeschooldheid (als klassieke indicator) maar beide indicatoren vallen allerminst samen. Uiteraard houdt laaggeschooldheid een hoog risico in op laaggeletterdheid, maar het IALS-onderzoek laat ook zien dat veel laaggeschoolden toch vrij hoge geletterdheidsniveaus kunnen behalen. Vanuit beleidsperspectief is de vaststelling belangrijk dat de mate waarin laaggeschoolden vrij hoge geletterdheidsniveaus bereiken, bepalend is voor het algemene geletterdheidsniveau van de bevolking. Anderzijds zijn er ook midden- en zelfs hooggeschoolden die laaggeletterd zijn. Het is van belang de kenmerken van deze groepen te beschrijven.
4
Hoofdstuk 1
2. De problematiek van geletterdheid is gedifferentieerd naargelang de generatie. Binnen IALS wordt voor jonge mensen level 3 beschouwd als het wenselijke vaardigheidsniveau dat men minimaal zou moeten beheersen om adequaat en met enig succes de kenniseconomie te betreden. Voor Vlaanderen wordt dit niveau gesitueerd op het niveau van het hoger secundair onderwijs. A.d.h.v. SONAR-gegevens 2 wordt de doelgroep van ongekwalificeerde onderwijsverlaters (geen diploma/getuigschrift van het hoger secundair onderwijs) gedetailleerd beschreven. Er wordt nagegaan in welke mate deze doelgroep zijn laag scholingsniveau al dan niet weet te compenseren door te participeren aan ‘leerkrachtige/geletterdheidsrijke’ werkomgevingen en door deelname aan volwasseneneducatie of andere vormen van scholing. 3. Vlaanderen heeft een vrij belangrijke problematiek van laaggeletterde werklozen/ werkzoekenden. Het geletterdheidsrisico bij werkzoekenden is vergeleken met andere landen vrij groot. Vooral langdurig werklozen blijken in grote mate ook laaggeletterdheid te zijn. Geletterdheid lijkt enerzijds een belangrijke rol te spelen in de kansen op duurzame tewerkstelling, maar anderzijds is duurzame tewerkstelling blijkbaar ook een factor die geletterdheid mede stimuleert. De werkomgeving fungeert immers als een belangrijke bron van informeel leren. Binnen de beschikbare IALS-gegevens kan een verdere analyse van socio- demografische en professionele factoren dit verder verhelderen. 4. Tewerkstelling is op zich evenwel geen garantie tot geletterdheid. Laaggeletterde werknemers, vaak werknemers uit de ‘lagere beroepen’, vormen eveneens een belangrijk aandachtspunt in een geletterdheidsbeleid. Aan de hand van de IALS gegevens wordt deze doelgroep verder beschreven. In welke arbeidssituatie bevinden zij zich? Welke beroepen/beroepssectoren kunnen hier onderscheiden worden? Het is immers van belang te weten welke factoren de kans vergroten dat de werkomgeving ook als een geletterdheidsrijke omgeving fungeert die uitnodigt tot het verwerven en onderhouden van geletterdheid. 5. Welke specifieke motieven voor (niet-)deelname aan educatieve voorzieningen vinden we bij laaggeletterden (in vergelijking met hoger geletterden). Om participatie te bevorderen moet men een duidelijk zicht hebben op de winst - zij het job-gerelateerd, persoonlijk, sociaal - die men met formeel leren kan realiseren.
2
SONAR is een interuniversitaire studiegroep en heeft als doel de ontwikkeling van een instrument om de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt in kaart te brengen en de uitbouw van een aantal databanken die deze overgangen op langere termijn registreren.
Onderzoeksopzet en resultaten
5
Voor dit onderdeel van het onderzoek wordt gebruik gemaakt van de resultaten van het onderzoek naar ‘Educatieve strategieën van primaire actoren in de volwassenen educatie’ en van het onderzoek ‘10 jaar Basiseducatie in Vlaanderen’, beide uitgevoerd door de Vakgroep Onderwijskunde van de Universiteit Gent. In de onderzoeken is gepeild naar een verschil in motieven tussen werkzoekenden/werklozen (jobgerelateerd/sociaal), inactieven (sociaal) en laaggeletterde werknemers (jobgerelateerd). 6. Welke specifieke barrières voor (niet-)deelname aan educatieve voorzieningen vinden we bij laaggeletterden? Voor het beantwoorden van deze onderzoeksvraag hebben we ons gebaseerd op dezelfde databronnen als bij de vorige onderzoeksvraag. Uit deze onderzoeken is ondermeer gebleken dat niet-participatie sterk samenhangt met een deficit-benadering, waarin leren synoniem is aan het in de openbaarheid komen met een tekort. We gaan ervan uit dat er bij deze groepen meer sprake is van dispositionele belemmeringen vanwege een deficit-benadering van leren Niet-participanten vragen tevens om een maximale flexibiliteit in leerwegen (tijd, ruimte en aanwezigheidsplicht), want ‘we zijn geen kinderen meer’. Gezien de vraag naar flexibele leerwegen zullen institutionele belemmeringen ook meer een rol spelen bij de doelgroepen. De vraag is of er verschillen zijn tussen werklozen/werkzoekenden en laaggeletterde werkenden (Baert, et al. 2000). Onderzoeksluik 2 bevat een analyse van institutionele trajecten op meso-niveau en een institutionele analyse van de twee belangrijkste actoren, basiseducatie en VDAB, op macro-niveau. De focus van het tweede onderzoeksluik ligt op de arbeidsmarktgerichte inspanningen inzake geletterdheid en de trajectbenadering die hiervoor gehanteerd kan worden. Vanuit de vaststelling dat bepaalde groepen van mensen er niet in slagen om de intrinsieke barrières zelfstandig te overwinnen en dat de extrinsieke barrières de kansen tot deelname verminderen voor bepaalde groepen van mensen, wordt de trajectbenadering aangedragen voor de diverse groepen gekenmerkt door laaggeletterdheid. In dit onderzoeksluik worden verschillende institutionele types van trajecten onderscheiden voor verschillende doelgroepen, met verschillende dimensies en variabelen die voor de analyse van de verschillende trajecten van belang kunnen zijn. De onderscheiden trajectypes zijn: − educatieve trajecten; − bemiddelingstrajecten; − trajecten vanuit de werkplek. Trajecten voor laaggeletterden worden in de praktijk meestal opgevat als educatieve trajecten. Trajecten vanuit laaggeletterdheid kunnen echter ook starten als bemiddelingstrajecten of trajecten op de werkplek, waarbij veel meer de nadruk
6
Hoofdstuk 1
gelegd wordt op de werkplek als leeromgeving en in veel mindere mate op formele leersettings en waarbij de nadruk ligt op het valoriseren van inspanningen inzake geletterdheid en basiscompetenties. In de tweede plaats wordt de praktijk van trajectbegeleiding voor laaggeletterden onderzocht op basis van casestudy-onderzoek. Daartoe is een bevraging uitgevoerd bij projectverantwoordelijken en/of consulenten in projecten voor laaggeletterden. Speciale aandachtspunten in de trajectbenadering van laaggeletterden zijn: − de rol van de trajectbegeleider; − het bereik en de toeleiding van laaggeletterden; − de afstemming van het educatieve, c.q. opleidingsaanbod op de aspiraties, noden en behoeften van laaggeletterden; − de doorstroming van laaggeletterden naar arbeidsmarktgerichte opleidingen en naar de arbeidsmarkt; − de afstemming van voorzieningen op de arbeidsmarkt voor laaggeletterde werknemers. In dit onderzoek zijn ‘projecten’ als case gehanteerd. In de loop van het onderzoek is gebleken dat de trajectbenadering bij de laaggeletterde doelgroepen vooralsnog beperkt voorkomt en zeker geen algemeen verspreide praktijk is. Weliswaar zijn er tal van aanzetten in de praktijk. Voor dit onderzoek zijn die praktijken van belang, waar de trajectbenadering een meer systematische en gestructureerde vorm aanneemt, doorgaans georganiseerd als project. Om tot een staal van cases te komen zijn een aantal organisaties en subsidieprogramma’s gescreend op de aanwezigheid van relevante projecten. Van daaruit is dan een keuze gemaakt van drie tot acht cases per institutioneel trajecttype, in totaal 15 cases. Het overwicht van de cases ligt bij de bemiddelingstrajecten, gezien de arbeidsmarktgerichte focus van het onderzoek en de trajectbenadering als werkmodel.
3. Terugkoppeling van de onderzoeksresultaten naar de onderzoeksvragen De twee onderzoeksvragen die als rode draad doorheen het onderzoek lopen zijn: − Zijn laaggeletterden als doelgroep een zinvol alternatief of een noodzakelijke aanvulling voor de doelgroep van laaggeschoolden? − Welke aanpak moet worden gehanteerd t.a.v. de doelgroep van laaggeletterden: is de trajectmethodiek overdraagbaar naar de doelgroep van laaggeletterden? De eerste onderzoeksvraag heeft betrekking op geletterdheid als mogelijke parameter voor de afbakening van kansengroepen op de arbeidsmarkt. Het
Onderzoeksopzet en resultaten
7
werkgelegenheidsbeleid baseert zich in het beleid t.a.v. kansengroepen op een aantal parameters zoals scholingsgraad en werkloosheidsduur. De analyse op doelgroepniveau in het eerste onderzoeksluik, zowel op basis van IALS, als op basis van SONAR, tonen aan dat de scholingsgraad een goede proxi is voor geletterdheid. Toch zijn er een aantal belangrijke beperkingen aan de parameter scholingsgraad: − de resultaten van het IALS-onderzoek tonen aan dat een belangrijke groep laaggeletterden wordt genegeerd wanneer men zich enkel concentreert op laaggeschoolden: deze groep blijft in de kou staan indien het beleid t.a.v. kansengroepen zich beperkt tot de klassieke parameter scholingsgraad ; − de resultaten van de SONAR-analyse tonen aan dat ongekwalificeerde uitstromers een probleem hebben inzake geletterdheid en dus een risico vormen voor uitsluiting op de arbeidsmarkt en in de samenleving. Een aanpak inzake geletterdheid is ook een preventieve aanpak van laaggeletterdheid in het initieel onderwijs, gezien de vaststelling dat veel 18-jarigen er niet in slagen level 3 te behalen, het level dat als noodzakelijk geacht wordt voor jongeren; − door zich in een aanpak m.b.t. geletterdheid te beperken tot laaggeschoolden, wordt deze groep als het ware een veroordeelde, gestigmatiseerde groep, terwijl de onderzoeksresultaten toch aantonen dat een grote groep laaggeschoolden geen geletterdheidsprobleem (58%) heeft. Voor de toeleiding en het bereik van de doelgroep laaggeletterden is de ontkoppeling van de parameters geletterdheid en scholingsgraad erg belangrijk; − een aanpak m.b.t. geletterdheid dat zich beperkt tot scholingsgraad als parameter en bijgevolg competenties als geletterdheid niet in aanmerking neemt, is in strijd met het LLL-discours dat gevoerd wordt. Dit betekent bovendien dat niet enkel vanuit een deficitbenadering geletterdheid moet worden aangepakt, maar dat geletterdheid ook vanuit een positieve benadering gevaloriseerd dient te worden, bv. via EVC in functie van aansluiting en doorstroming in educatieve en andere trajecten. We kunnen stellen dat geletterdheid een zinvolle aanvulling is op klassieke parameters als scholingsgraad en werkloosheidsduur, zoals blijkt uit de profielen van doelgroepen uit IALS. De tweede onderzoeksvraag heeft betrekking op de trajectbenadering van geletterdheid, meer bepaald de overdraagbaarheid van de trajectmethodiek op de doelgroep van laaggeletterden. Deze onderzoeksvraag is behandeld in het tweede onderzoeksluik a.d.h.v. cases in drie types institutionele trajecten: educatieve trajecten, bemiddelingstrajecten en trajecten op de werkplek. De resultaten van de case-studies tonen aan dat de trajectbenadering van geletterdheid een zinvolle benadering is in educatieve trajecten in termen van functionele educatie en in bemiddelingstrajecten. Geletterdheidsinspanningen in functie
8
Hoofdstuk 1
van sociale cohesie (vermijden van sociale uitsluiting) en geletterdheid op de werkplek vragen een andere benadering. Inspanningen in functie van sociale cohesie en sociale redzaamheid vragen een methodiek die nauwer aansluit bij de welzijnssector. Geletterdheid op de werkplek vraagt veeleer een benadering van stimuleren en integreren van geletterheidstraining in het opleidingsbeleid van bedrijven en van geletterdheidsrijke werkomgevingen in bedrijven. In de beleidsaanbevelingen m.b.t. de aanbodzijde wordt hier verder op ingegaan. Een belangrijke vaststelling die hiermee verband houdt heeft betrekking op het geletterdheidsbegrip dat gehanteerd wordt. De resultaten van de case-studies tonen aan dat, afhankelijk van de doelgroep en de doelstellingen van het type trajecten, een gedifferentieerde invulling van een breed geletterdheidsbegrip de meest aangewezen weg is. In de internationale ALL-bevraging die gepland wordt in 2004, wordt eveneens uitgegaan van een breed geletterdheidsbegrip, waarin ook sleutelvaardigheden of life skills vervat zitten.
9
HOOFDSTUK 2 BELEIDSAANBEVELINGEN
Het onderzoek naar de trajectbenadering van geletterdheid, zowel op het microniveau van doelgroepen als op het meso- en macro-niveau van institutionele trajecten en actoren, resulteert in een aantal beleidsaanbevelingen inzake geletterdheid. De beleidsaanbevelingen zijn als volgt gestructureerd: − beleidsaanbevelingen m.b.t. de vraagzijde; − beleidsaanbevelingen m.b.t. de aanbodzijde. Op basis van de onderzoeksresultaten kunnen we stellen dat geletterdheid een zinvolle aanvulling is op klassieke parameters als scholingsgraad en werkloosheidsduur, zoals blijkt uit de profielen van doelgroepen uit IALS. De keuze van geletterdheid als parameter heeft een aantal consequenties in de benadering van kansengroepen. In de eerste plaats is er nood aan screening van geletterdheid voor de detectie van geletterdheidsproblemen. Concreet betekent dit het volgende: − een deelname van Vlaanderen aan de ALL-bevraging in 2004 (Adult Literacy and Life Skills Survey)is noodzakelijk voor een actueel inzicht in doelgroepen en het geletterdheidsniveau en voor het voeren van een beleid t.a.v. geletterdheid; − geletterdheid hanteren als parameter houdt in dat geletterdheid op een of andere manier moet gescreend worden: we pleiten voor experimenten rond methodiek- en instrumentontwikkeling voor screening van geletterdheid; In de tweede plaats moet een competentiegericht aanbod m.b.t. geletterdheid worden voorzien in verschillende beleidsdomeinen. In de beleidsaanbevelingen m.b.t. de aanbodzijde wordt hier verder op ingegaan.
1. Beleidsaanbevelingen m.b.t. de vraagzijde Om goede maatregelen te kunnen nemen t.a.v. personen met een geletterdheidsrisico is het belangrijk te weten wie nu precies geconfronteerd wordt met dat geletterdheidsrisico. Uit de resultaten van het IALS-onderzoek zijn volgende factoren afgeleid (Van Damme, 1998; Van Damme et al., 1997): − persoonskenmerken naar geslacht, leeftijd (vrouwen en senioren);
10
−
− − −
Hoofdstuk 2
opleidingsniveau: opleiding lager dan hoger secundair onderwijs (niet alleen formele opleiding speelt een rol, ook leren via werkervaring en informele kanalen); positie op de arbeidsmarkt: inactiviteit (langdurig werklozen, huisvrouwen); type werk: lagere beroepen (minder geletterdheidsrijke contexten); deelname volwasseneneducatie of scholing (senioren, lager opgeleiden).
In het onderzoek naar de ‘Educatieve strategieën van primaire actoren in de volwasseneneducatie’ zijn bovendien motieven en barrières voor edcuatieve participatie in kaart gebracht en gerelateerd aan een aantal kenmerken (scholingsgraad, werkzaamheidsgraad, leeftijd): − leeftijd: − jongeren: jobgerelateerde en functionele motieven; − middencategorie leeftijd: barrière ‘zorg voor het gezin’; − ouderen: dispositionele barrières; − werkzaamheidsgraad en scholingsgraad: − werkzaamheidsgraad: geen significante verschillen in barrières ‘tijd’ en ‘kost’, wel verschillen in motieven, met name het ‘doorbreken van eenzaamheid’ bij niet-werkenden; − scholingsgraad: geen significante verschillen in barrières ‘tijd’ en ‘informatie’, wel verschillen in motieven, met name het ‘ophalen van een scholingstekort’ bij laaggeschoolden; De koppeling tussen de profielen van laaggeletterden enerzijds en de motieven en barrières anderzijds, is essentieel voor het uitwerken van een geïntegreerd geletterdheidsplan, met duidelijke actiestrategieën voor de afgebakende doelgroepen. Misschien is de uitwerking van zo’n geletterdheidsplan een opdracht voor de Dienst Informatie Vorming en Afstemming (DIVA), waarin de beleidsdomeinen Onderwijs en Vorming, Werkgelegenheid, Economie en Cultuur reeds in vertegenwoordigd zijn. Bestaande beleidsmaatregelen voor educatieve participatie zijn in eerste instantie gericht op het wegwerken van een aantal barrières zoals ‘tijd’, ‘kost’ en ‘informatie’. Deze maatregelen zullen ongetwijfeld zinvol zijn om educatieve participatie te bevorderen, maar hebben geen impact op de dualisering in educatieve participatie, die bij de doelgroep van laaggeletterden wordt vastgesteld (op basis van de factoren die een geletterdheidsrisico bepalen). Niet-participanten zijn vooral gekenmerkt door dispositionele motieven en barrières. Dit betekent dat enkelvoudige maatregelen vanuit onderwijs of werkgelegenheid niet volstaan om de doelgroep van laaggeletterden te bereiken en te motiveren. Een meer geïntegreerde aanpak dringt zich op. Er is duidelijk meer onderzoek nodig om preciezer te achterhalen welke barrières laaggeletterden weerhouden van participatie aan formele educatie en welke
Beleidsaanbevelingen
11
motieven zouden kunnen aangewakkerd worden bij deze doelgroepen. Ook uit ander onderzoek blijkt dat het algemene leerklimaat in Vlaanderen niet gunstig is en dat vooral laaggeschoolden leren en educatie niet zien als de aangewezen weg om hun professionele situatie en hun algemene levenskwaliteit te verbeteren. Kwetsbare doelgroepen leren blijkbaar enkel als zij daarbij sterk vanuit een deficit-perspectief toe worden gedwongen. Educatieve behoeften worden vooral vanuit een besef van tekort in kennis en vaardigheden gegenereerd, en vooral bij professioneel geïnspireerde behoeften lijkt dit het geval te zijn. Beleidsmatig is het van groot belang de culturele voedingsbodem in de Vlaamse samenleving voor levenslang leren te versterken door een positief leerklimaat te creëren. Uiteraard moet dit in preventieve zin gebeuren door in het initiële onderwijs een ‘pedagogiek van het slagen’ in plaats van een ‘pedagogiek van het mislukken’ te realiseren. Gemarginaliseerd en weggeselecteerd worden in de loop van de initiële onderwijsloopbaan hypothekeert in sterke mate de latere geneigdheid tot levenslang leren. Naar de huidige Vlaamse volwassenen toe is het van belang een beeld te creëren waarin leren en educatie als iets aangenaams, iets intrinsiek plezierig naar voor komen en waarbij succeservaringen op de voorgrond worden geplaatst. Leren en educatie moeten in de beeldvorming kunnen geassocieerd worden met het verruimen van mogelijkheden, het krijgen van nieuwe kansen, het verleggen van grenzen. De ingesteldheid bij Vlaamse volwassenen en vooral dan bij de laaggeschoolden en laaggeletterden ten aanzien van leren en educatie bevat ook op een positieve wijze een aantal aangrijpingspunten voor het educatieve beleid. Er is een sterke ontvankelijkheid voor informeel leren, waarbij kennis- en informatiebronnen worden ingeschakeld. Blijkbaar leert de Vlaming frequent op een zelfstandige manier, gebruik makend van informatie die hij verzamelt in zijn omgeving, via informele sociale netwerken met mensen die bepaalde kennis en vaardigheden wel bezitten, door bibliotheken en het Internet te raadplegen, enz. Dit spoort overigens ook met de vaststelling gedaan in het IALS-onderzoek dat de Vlaamse volwassenen hogere vaardigheden bezitten, ook de laaggeschoolden, dan uit de scholingsgraad op zich verondersteld zou kunnen worden. Er is dus een belangrijke praktijk inzake informeel leren. Niet alleen roept dit de vraag op naar een erkenning van ervaringscompetenties, maar ook creëert dit kansen en perspectieven voor educatieve voorzieningen, mits zij in staat zijn aan te sluiten bij deze informele leerpraktijken. Bibliotheken, informatievoorzieningen en andere informele leeromgevingen hebben een belangrijke rol te spelen in een beleid inzake levenslang leren. Educatieve voorzieningen moeten in een perspectief van flexibilisering en innovatie mogelijkheden voorzien voor zelfstandig leren. Gemengde en ten dele ook gedeïnstitutionaliseerde vormen van formeel/informeel leren zouden kunnen ontwikkeld worden, zoals het succes van begeleid individueel studeren trouwens aantoont.
12
Hoofdstuk 2
Naast het belang van een algemeen positief leerklimaat en het stimuleren van mogelijkheden om aan te sluiten op informele leerpraktijken, lijken ook specifieke vaardigheden in het formuleren van een educatieve vraag van belang te zijn. Wanneer men niet in staat is voor zichzelf een expliciete educatieve vraag te formuleren, wordt de keten van besluitvormingsprocessen leidend naar participatie verbroken. De samenhang tussen scholingsgraad en de mate waarin men in staat is een duidelijke educatieve vraag te formuleren, suggereert dat het hier gaat om vaardigheden die impliciet verworven worden gedurende de initiële onderwijsloopbaan. Elke nieuwe succesvolle educatieve ervaring versterkt deze vaardigheden, hetgeen een deel van de verklaring vormt van het feit dat educatieve participatie een cumulatief karakter vertoont: het zijn degenen die reeds vaak geparticipeerd hebben, die dat ook in de toekomst met grotere waarschijnlijkheid zullen doen. In een perspectief van levenslang leren is dit erg belangrijk: een succesvolle educatieve ervaring versterkt niet alleen een leerattitude maar levert ook vaardigheden op in het uitdrukken van nieuwe educatieve vragen. Deze vaardigheden hebben vooral te maken met meta-cognitie en het vermogen tot zelfsturing in leerprocessen. Het is daarom erg belangrijk dat in leerprocessen, zowel in het initiële onderwijs als in vormen van volwasseneneducatie, aandacht wordt besteed aan deze meta-vaardigheden, zoals het leren zien van eigen tekorten, het onderkennen van eigen leerpotentie en leerstijl, het leren plannen en structureren van leerprocessen, enz. De sociale omgeving speelt een vrij belangrijke rol in het proces van constructie van de educatieve vraag. Zowel de professionele context, de private omgeving van het gezin als de informele vriendennetwerken kunnen een erg stimulerende impact hebben op dit proces. Vriendennetwerken spelen een grote rol bij laaggeschoolden en mensen die eerder moeilijk tot een educatieve vraag komen. Laaggeschoolden laten zich ook beïnvloeden door de beschikbaarheid van het aanbod in hun formulering van een educatieve vraag. Dit alles wijst er op dat bij mensen die eerder moeilijk tot een gerichte educatieve vraag komen, stimulansen in de omgeving een doorslaggevende rol kunnen spelen, precies omdat zij zelf de vaardigheden tot zelfsturing missen. Beleidsmatig moet men onderzoeken hoe deze faciliterende elementen in de sociale omgeving bij laaggeschoolden zouden kunnen versterkt worden als aanvulling op een te laag vermogen tot zelfsturing. Om vanuit een educatieve vraag effectief de stap tot participatie te zetten, moet nog een aantal beslissingen worden genomen. Er grijpt dan een proces van afweging van kosten en baten plaats waarbij de balans duidelijk naar de positieve kant moet overhellen wil er echt een participatie uit voortvloeien. Het leereffect moet duidelijk kunnen verwacht worden (bij hooggeschoolden), de professionele baten moeten waarschijnlijk zijn of het perspectief op sociaal contact waarschijnlijk (bij laaggeschoolden), om de kosten en barrières tot participatie te compenseren. Dit toont
Beleidsaanbevelingen
13
nog eens aan dat Vlaamse volwassenen doorgaans een vrij kritisch houdinge aannemen tegenover formele educatieve participatie. Dit alles verwijst opnieuw naar het belang van zowel het maatschappelijk leerklimaat, de waardering voor educatie als de meta-cognitieve vaardigheden om het eigen leren te sturen. Wil men de educatieve participatie in de toekomst in Vlaanderen verbeteren, dan is het van groot belang om in te werken op deze factoren, en dan meer in het bijzonder bij die groepen die op dit vlak risico’s vertonen, namelijk laaggeschoolden en laaggeletterden. Coaching en begeleiding, het meer gericht inschakelen van faciliterende aspecten in de sociale omgeving, aandacht besteden aan meta-cognitieve vormingsaspecten in curricula van zowel het initiÍle onderwijs als de volwasseneneducatie, voorzieningen die mensen ondersteunen in het gerichter maken en expliciteren van een educatieve vraag, het zijn noodzakelijke maatregelen om de vicieuze cirkel in de participatie aan volwasseneneducatie te doorbreken. Meer concreet is het zinvol bestaande pistes van coaching en begeleiding te hanteren en te optimaliseren voor het formuleren van de educatieve vraag en het vertalen naar educatieve participatie. Denken we hier aan pistes van leertrajectbegeleiding, trajectbegeleiding en loopbaanbegeleiding.
2. Beleidsaanbevelingen m.b.t. de aanbodzijde In het tweede onderzoeksluik hebben we een analyse op meso-niveau van de institutionele trajecten inzake geletterdheid uigevoerd a.d.h.v. case-studies en een institutionele analyse op macro-niveau van de belangrijkste actoren, met name basiseducatie en VDAB. In zeer algemene termen blijft er een probleem van aanbodsturing inzake geletterdheid i.p.v. vraagsturing en is er een probleem van (h)erkenning van een geletterdheidsprobleem bij de (arbeidsmarktgerichte) opleidingsaanbieders. De resultaten van de analyse leiden tot beleidsaanbevelingen per type institutionele actor/traject. De institutionele actor basiseducatie, of liever de verschillende centra voor basiseducatie, legt vanuit een eigen historiek en traditie van werken verschillende accenten in de werking en de doelstellingen van basiseducatie, in termen van sociale, educatieve en professionele redzaamheid. Deze strategische discussie wordt nog steeds gevoerd binnen de centra voor basiseducatie en hangt voor een stuk samen met de decretale instapvoorwaarden in de centra voor basiseducatie op basis van scholingsgraad. Het zijn niet zozeer de doelstellingen van basiseducatie die problematisch zijn, maar wel de parameters die gehanteerd worden voor de doelgroepafbakening en het aanbod binnen basiseducatie. Indien basiseducatie open staat voor volwassenen
14
Hoofdstuk 2
met een geletterdheidsprobleem en niet alleen voor laaggeschoolden, is de strategische discussie binnen basiseducatie voor een stuk achterhaald. De vraag blijft wel hoe de twee doelstellingen van basiseducatie, met name sociale cohesie (vermijden van sociale uitsluiting) en functionele educatie (educatie in termen van aansluiting en doorstroming naar opleiding en arbeidsmarkt), ingevuld worden vanuit een breed geletterdheidsbegrip, waarin ook sleutelvaardigheden of life skills vervat zitten. Het hanteren van een breed geletterdheidsbegrip heeft ongetwijfeld impact op de rol van basiseducatie in het opleidingslandschap en het aanbod van de centra voor basiseducatie. In functie van de dubbele doelstelling en een competentiegerichte benadering inzake geletterdheid kunnen volgende aanbevelingen geformuleerd worden: − de institutionele relatie van basiseducatie t.a.v. andere opleidingsactoren dient herbekeken. Uit het onderzoek blijkt dat basiseducatie te veel gebruikt wordt als alibi om niets te ondernemen t.a.v. geletterdheid zowel door OSP als door arbeidsmarktactoren. Een mogelijkheid is basiseducatie structureel in te bedden in het volwassenenonderwijs, maar dan wel onder bepaalde voorwaarden: basiseducatie moet dan binnen het volwassenenonderwijs gehanteerd worden als specifieke methodiek of werksoort, met bewaking van eigenheid en aparte normen naar effectiviteit en kwaliteitsbewaking. Kritisch punt hierbij is echter dat het huidige volwassenenonderwijs een te hoge drempel creëert voor de doelgroep van basiseducatie. Een inbedding van basiseducatie in het volwassenenonderwijs is slechts mogelijk indien ook het volwassenenonderwijs grondig herdacht wordt; − basiseducatie heeft een kernopdracht te vervullen t.a.v. de laagstgeletterden, toch is er een probleem van bereik en toeleiding van deze groep (level1). Netwerking met het maatschappelijk middenveld, in het bijzonder met welzijnsorganisaties lijkt ons essentieel; − trajecten voor laaggeletterden in functie van aansluiting en doorstroming naar opleiding en arbeidsmarkt vereisen maatwerk in het aanbod van basiseducatie: flexibilisering en modularisering zijn in deze benadering noodzakelijke ingrediënten. De arbeidsmarktactoren en VDAB in het bijzonder, hebben geen systematische aanpak uitgebouwd inzake geletterdheid, zo blijkt uit de analyse in het tweede onderzoeksluik. Zowel op het vlak van screening, aanbod als netwerking is geletterdheid niet meteen een topic. De doelstelling van de arbeidsmarktactoren is de doorstroming en integratie van werkzoekenden op de arbeidsmarkt. De methodiek die hiervoor gehanteerd wordt is de trajectbenadering, de doelgroep waarvoor deze methodiek ontwikkeld is, is deze van laaggeschoolde werkzoekenden. De trajectbenadering is ook voor
Beleidsaanbevelingen
15
laaggeletterden zinvol, zoals blijkt uit de case-studies. De lessen die kunnen getrokken worden uit de analyses zijn de volgende: − screening naar geletterdheid is zinvol op voorwaarde dat men effectief afstapt van een deficitbenadering en van verdringingsmechanismen van screening. Dit betekent dat geletterdheid, in het bijzonder bij laaggeschoolden, gevaloriseerd moet worden via EVC in functie van het te volgen bemiddelingstraject. Dit betekent ook dat screening naar geletterdheid geen uitsluiting mag inhouden van beroepsopleiding of doorverwijzing zonder meer naar basiseducatie, maar dat screening leidt tot aangepast aanbod; − geletterdheid moet als specifiek aandachtspunt opgenomen worden in de trajectbenadering van arbeidsmarktactoren. Een mogelijkheid is de systematische inbedding van een educatieve component in trajecten, waarbij de educatieve component vastgelegd wordt in de beheersovereenkomst van de VDAB, de werking van de lokale werkwinkels en in de subsidieregeling van ESF. Aandachtspunten zijn: − maatwerk t.a.v. doelgroep en in de beroepsopleiding mag niet verloren gaan onder de objectievendruk; − een geïntegreerde aanpak van geletterdheid in termen van life skills, technische vaardigheden en functionele geletterdheid moeten sterker uitgewerkt en gestimuleerd worden en dit niet alleen in voortrajecten, ook in de eigenlijke beroepsopleiding; − de samenwerking tussen de beleidsdomeinen welzijn, onderwijs en werkgelegenheid is essentieel voor de toeleiding en het bereik van laaggeletterden. Het protocol dat in 1999 tussen VDAB en basiseducatie is afgesloten moet in een aangepaste en verruimde vorm terug worden opgenomen; − functionele educatie voor aansluiting en doorstroming naar beroepsopleiding en de arbeidsmarkt moet de focus zijn bij arbeidsmarktactoren. Uit het onderzoek blijkt dat versterkte samenwerking met de sectoren (federaties en sectorfondsen) bijzonder zinvol is voor de detectie van laaggeletterdheid en voor functionele invulling van geletterdheid in de vooropleidingen en beroepsopleidingen. De bedrijven en de sectoren zijn een derde categorie actoren, naast de educatieve actoren (meer specifiek basiseducatie) en de arbeidsmarktactoren (en VDAB in het bijzonder), naar analogie met de drie types institutionele trajecten die zijn afgebakend in het onderzoek. Belangrijke bemerking hierbij is dat bedrijven en sectoren niet alleen tot de aanbodzijde behoren, in termen van het voeren van een opleidingsbeleid en het creëren van geletterdheidsrijke bedrijfsomgevingen, maar ook tot de vraagzijde, in termen van het zoeken naar aanbod inzake geletterheidstraining op maat. Uit de case-studies blijkt dat geletterdheid op projectmatige basis heel sporadisch aandacht krijgt binnen bedrijven en dat de transfer van het geleerde naar de werkplek vaak moeizaam verloopt. Bovendien blijkt het creëren van een draagvlak
16
Hoofdstuk 2
voor gelettedheidsinitiatieven erg belangrijk voor het welslagen ervan. Deze vaststellingen leiden tot volgende aanbevelingen: − overheid en sociale partners hebben een belangrijke rol in het stimuleren en integreren van geletterdheidstraining in het opleidingsbeleid van bedrijven. Dit kan via extra overheidssteun, maar ook via interprofessionele akkoorden tussen sociale partners. Aandachtspunten bij geletterdheidsinitiatieven op de werkplek zijn: − een goede selectie van de doelgroep voor de geletterdheidstraining en een goede communicatie hieromtrent zijn essentieel. Een selectie van de doelgroep is best niet gebaseerd op scholingsgraad, maar wel op basis van de functie, zoniet leidt dit tot stigmatisering (cf. link met pesten op het werk). Bovendien is het wenselijk deze initiatieven te kaderen in een strategie van functionele waardering (cf. EVC); − een tweesporenbeleid in geletterdheidstraining is aangewezen t.a.v. uitvoerders en management (ploegbazen en productiemanagement). Dit tweesporenbeleid is belangrijk voor de creatie van een draagvlak binnen alle geledingen van het bedrijf, maar ook voor de transfer van het geleerde naar de werkplek; − een geletterdheidstraining is best ingebed in het opleidingsbeleid van een bedrijf, maar geletterdheid dient ook te worden ingebed in de bedrijfsomgeving. Het creëren van geletterdheidsrijke omgevingen hangt samen met elementen als de kwaliteit van arbeid, jobrotatie, KMO-beleid, e.d.