RAPPORT STATISTIEK VLAANDEREN, 2022/2
MAATSCHAPPELIJKE POSITIE EN PARTICIPATIE VAN PERSONEN VAN BUITENLANDSE HERKOMST ANNELIES JACQUES, DIRK MOONS, JO NOPPE, JAN PICKERY, INGRID SCHOCKAERT, LISA VAN LANDSCHOOT, CHRISTINE VAN PEER & MYRIAM VANWEDDINGEN
MAATSCHAPPELIJKE POSITIE EN PARTICIPATIE VAN PERSONEN VAN BUITENLANDSE HERKOMST ANNELIES JACQUES, DIRK MOONS, JO NOPPE, JAN PICKERY, INGRID SCHOCKAERT, LISA VAN LANDSCHOOT, CHRISTINE VAN PEER & MYRIAM VANWEDDINGEN
INHOUD
SAMENVATTING
SAMENVATTING
3
INLEIDING
4
1
BEVOLKING MET BUITENLANDSE NATIONALITEIT EN BEVOLKING VAN BUITENLANDSE HERKOMST 1.1 Bevolking met buitenlandse nationaliteit 1.2 Nationaliteitsverwervingen 1.3 Bevolking van buitenlandse herkomst 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
MAATSCHAPPELIJKE P OSITIE EN PARTICIPATIE VAN PERSONEN VAN B UITENLANDSE HERKOMST Tewerkstelling en arbeid Onderwijs en vorming Inkomen en armoede Wonen en huisvesting Gezondheid en welzijn Sociale participatie
BESLUIT
7 7 22 26
41 41 81 95 105 112 120 129
In dit SV-rapport wordt aan de hand van een brede waaier van statistieken, gebaseerd op zowel administratieve gegevens als resultaten van bevolkingsenquêtes, een beeld geschetst van de maatschappelijke positie en participatie van personen van buitenlandse herkomst in Vlaanderen. Bij de afbakening van de groep personen van buitenlandse herkomst wordt waar mogelijk niet enkel gekeken naar de huidige nationaliteit van de persoon, maar ook naar de geboortenationaliteit van die persoon en van diens ouders. Is 1 van die criteria een buitenlandse nationaliteit, dan wordt de persoon beschouwd als een persoon van buitenlandse herkomst. Begin 2021 ging het in totaal om 24% van de bevolking in het Vlaamse Gewest. Het
totaal aantal personen van buitenlandse herkomst ligt 2,5 keer hoger dan het aantal personen met een huidige buitenlandse nationaliteit. De groep personen van buitenlandse herkomst nam tussen 2010 en 2021 behoorlijk sterk toe, meer nog bij de personen met een niet‑EU‑herkomst dan bij de personen met een EU‑herkomst. De groep met een buitenlandse herkomst is beduidend jonger dan de bevolking van Belgische herkomst. Iets minder dan de helft van de personen van buitenlandse herkomst is in België geboren. Doorheen het rapport wordt duidelijk dat de maatschappelijke positie en participatie van personen van buitenlandse herkomst op tal van domeinen minder goed is dan die van
personen van Belgische herkomst. Dat is vooral het geval voor personen van niet‑EU‑herkomst. Er is onder meer sprake van een lagere werkzaamheidsgraad bij personen van niet-EU-herkomst en een hogere tewerkstelling van deze groep in speciale arbeidsregimes, in specifieke sectoren en tegen lagere verloning. Daarnaast is deze groep over het algemeen ook minder hoog geschoold, beschikken ze vaker over een lager huishoudinkomen en lopen ze een hoger risico op armoede. Ze worden ook vaker dan de andere herkomstgroepen geconfronteerd met een minder stabiele en kwalitatieve huisvestingssituatie, ervaren vaker mentale gezondheidsproblemen en participeren minder aan het verenigingsleven, aan cultuur en aan politiek.
INLEIDING Statistiek Vlaanderen (SV) publiceert op haar website (www.vlaanderen. be/statistiek-vlaanderen) de meest actuele Vlaamse openbare statistieken over tal van thema’s. Deze openbare statistieken worden op een laagdrempelige manier voorgesteld, gericht op een breed publiek. Ter aanvulling en ondersteuning van deze openbare statistieken publiceert Statistiek Vlaanderen ook meer uitgebreide SV-rapporten. Het gaat daarbij niet alleen om rapporten waarbij bestaande statistieken meer in de diepte geanalyseerd worden of nieuwe methoden of databronnen worden verkend, maar ook om overzichtsrapporten waarin statistieken over een bepaald thema of een doelgroep worden samengebracht. Dit SV-rapport is zo’n overzichts rapport waarin tal van statistieken worden samengebracht over de omvang en het profiel van de groep personen van buitenlandse herkomst in Vlaanderen en hun maatschappelijke positie en participatie. Daarbij werd vertrokken van de indicatorenset van de Vlaamse Migratie- en Integratiemonitor, waarvan de laatste editie gepubliceerd werd in 2018 door het Agentschap Binnenlands Bestuur en Statistiek Vlaanderen.
Vlaanderen wordt gekenmerkt door een groeiende diversiteit. Niet alleen stijgt het aantal personen met een buitenlandse nationaliteit of herkomst, ook de interne verscheidenheid bij deze groepen neemt toe. De omvang en het profiel van deze groepen wordt geschetst in het eerste hoofdstuk van dit rapport. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de officiële bevolkingsgegevens van het Belgische statistiekbureau Statbel en voor de Europese gegevens van het cijfermateriaal verzameld door het Europese statistiekbureau Eurostat. In de volgende hoofdstukken komt achtereenvolgens de arbeids- en tewerkstellingspositie van deze groepen aan bod, hun onderwijsdeelname en opleiding, hun inkomens- en armoedesituatie, hun woonsituatie, hun gezondheid en hun sociale participatie. De opgenomen statistieken in deze hoofdstukken zijn deels gebaseerd op gegevens uit administratieve databanken. Het gaat onder meer om gegevens van het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming (DWH AM&SB) van de Kruispuntbank Sociale Zekerheid (KSZ) over tewerkstelling en inkomen, van het Departement Onderwijs en Vorming over onderwijsdeelname
en ongekwalificeerde uitstroom, van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) over werkzoekenden zonder werk, van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) over sociale huurders, van Kind en Gezin over geboorten in kansarme gezinnen en van de Algemene Directie Instellingen en Bevolking (ADIB) over deelname aan de gemeenteraadsverkiezingen. Andere statistieken zijn gebaseerd op de resultaten van Europees of internationaal gecoördineerde grootschalige bevolkingsenquêtes zoals de ‘Enquête naar de Arbeidskrachten – Labour Force Survey’ (EAK-LFS) en de ‘European Union Statistics on Income and Living Conditions’ (EU‑SILC). Het maakt het mogelijk om de situatie in Vlaanderen te vergelijken met de situatie in de lidstaten van de Europese Unie. In dit rapport wordt bij de Europese vergelijking gefocust op de EU‑landen in Noord-, West- en Zuid‑EUropa (EU14‑landen). Ten slotte wordt ook gebruik gemaakt van een aantal bevolkingsenquêtes die specifiek gericht zijn op België of Vlaanderen zoals de Gezondheidsenquête van Sciensano en de Survey ‘Sociaal-Culturele Verschuivingen in Vlaanderen’ (SCV-survey) van
Statistiek Vlaanderen. In het begin van elk hoofdstuk is telkens een korte bespreking opgenomen van de gebruikte bronnen. In de gepresenteerde statistieken wordt gebruik gemaakt van verschillende definities of afbakeningen met betrekking tot de doelgroep van dit rapport. Wanneer in dit rapport gesproken wordt over een ‘persoon met een buitenlandse nationaliteit’ gaat het om een persoon die niet de nationaliteit heeft van het land waarin hij of zij verblijft. In het geval van Vlaanderen en België gaat het dus om een persoon die niet beschikt over een huidige Belgische nationaliteit. Maar het gebruik van nationaliteit als centraal concept bij migratie- en integratiedata brengt de nodige uitdagingen met zich mee. Zeker voor België, een land dat in de voorbije decennia een relatief liberaal beleid heeft gevoerd wat betreft nationaliteitsverwerving, schiet dit criterium tekort. Personen afkomstig uit het buitenland die de Belgische nationaliteit hebben verworven, verdwijnen namelijk uit de klassieke
migratie- en integratiestatistieken gebaseerd op de huidige nationaliteit van de persoon. Dit rapport maakt daarom zoveel als mogelijk gebruik van statistieken gebaseerd op de herkomst van de persoon. Met personen van buitenlandse herkomst wordt een bredere groep bedoeld dan enkel de personen met een huidige buitenlandse nationaliteit. De groep omvat ook de personen die met een buitenlandse nationaliteit zijn geboren maar in de loop der jaren de Belgische nationaliteit hebben verworven en de kinderen van deze groepen. Dat komt overeen met de doelgroep zoals omschreven in artikel 3 van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratieen inburgeringsbeleid: “personen die legaal en langdurig in België verblijven en die bij hun geboorte niet de Belgische nationaliteit bezaten of van wie minstens één van de ouders bij hun geboorte niet de Belgische nationaliteit bezat”. Concreet worden 4 criteria in rekening gebracht om te bepalen of een persoon al dan niet van buitenlandse herkomst is: de huidige nationaliteit van de persoon, de
geboortenationaliteit van de persoon, de geboortenationaliteit van de vader en de geboortenationaliteit van de moeder. Is één van deze 4 criteria een niet-Belgische nationaliteit, dan wordt de persoon beschouwd als een persoon van buitenlandse herkomst. In de praktijk is het niet bij alle statistieken mogelijk om de doelgroep op bovenstaande manier af te bakenen. Er wordt daarom in een aantal gevallen gewerkt met een ‘second best’-operationalisering op basis van huidige nationaliteit of geboorteland. Het is bij de interpretatie van de cijfers dan ook belangrijk om steeds goed de gebruikte operationalisering voor ogen te houden. De opmaak van dit rapport werd ondersteund door een begeleidingsgroep met daarin een aantal medewerkers van het Agentschap Binnenlands Bestuur. De auteurs houden er aan de leden van deze begeleidingsgroep te bedanken voor hun opmerkingen en feedback op de ontwerpteksten van het rapport.
5
1.
BEVOLKING MET BUITENLANDSE NATIONALITEIT EN BEVOLKING VAN BUITENLANDSE HERKOMST 1
1.1 BEVOLKING MET BUITENLANDSE NATIONALITEIT De cijfers over de bevolking met een buitenlandse nationaliteit zijn gebaseerd op de officiële bevolkingscijfers van het Belgische statistiekbureau Statbel. Bij Europese vergelijkingen worden de cijfers van het Europese statistiekbureau Eurostat gebruikt. Naargelang de gebruikte bron verschilt de groep die in rekening wordt gebracht. Een persoon met een buitenlandse nationaliteit is een persoon die niet de nationaliteit heeft van het land waarin hij of zij verblijft. In het geval van Vlaanderen en België gaat het dus om een persoon die niet beschikt over de Belgische nationaliteit. Op basis van deze definitie worden personen met zowel de Belgische als een andere nationaliteit (dubbele nationaliteit) niet beschouwd als personen met een buitenlandse nationaliteit. De Statbel-data over de bevolking met een buitenlandse nationaliteit in Vlaanderen en België zijn gebaseerd op het Rijksregister. Het Rijkregister omvat het bevolkingsregister (Belgen en personen met een buitenlandse nationaliteit die gemachtigd zijn tot vestiging in België) en het vreemdelingenregister (personen met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan 3 maanden in België voor bepaalde of onbepaalde duur). Bepaalde personen met een buitenlandse nationaliteit (vb. diplomatiek en consulair personeel) zijn vrijgesteld van inschrijving in de bevolkingsregisters. In sommige gevallen kunnen zij op eigen vraag wel ingeschreven worden. Enkel in dat geval worden zij meegerekend in de migratie- en bevolkingscijfers. Het Rijksregister omvat verder ook het wachtregister waarin personen die een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend (vroeger asielzoekers genoemd), ingeschreven worden door de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ), evenals EU‑burgers in afwachting van woonstcontrole (waarna deze worden ingeschreven in het vreemdelingenregister en worden meegeteld in de migratie- en bevolkingscijfers). Sinds 1995 worden personen ingeschreven in het wachtregister echter niet meer meegeteld in de bevolkingscijfers van Statbel. Pas nadat die personen worden overgeschreven van het
7
wachtregister naar een regulier bevolkingsregister (na een erkenning als vluchteling, na toekenning van een statuut subsidiaire bescherming of na verwerving van een verblijfsvergunning om een andere reden), worden zij opgenomen in de bevolkingsstatistieken van Statbel. Door Eurostat wordt een persoon met buitenlandse nationaliteit pas opgenomen in de bevolkingscijfers als hij of zij minstens 12 maanden in het land verblijft (registratie op basis van intentionele verblijfsduur, wat in gevarieerde mate gecontroleerd wordt door de lidstaten). Door Eurostat worden in tegenstelling tot de Statbel-cijfers ook personen die een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, meegeteld in de bevolkingscijfers. Concreet gaat het voor de Belgische cijfers om de personen ingeschreven in het wachtregister. Hierbij dient opgemerkt te worden dat er voor het Belgische wachtregister geen procedure tot ambtshalve schrapping bestaat zoals dat wel het geval is bij het bevolkings- en vreemdelingenregister. Personen die onwettig in het land verblijven zijn niet opgenomen in de officiële bevolkingscijfers. De officiële bevolkingscijfers hebben telkens betrekking op de situatie op 1 januari van het jaar. Bij de opdeling van de Statbel-gegevens over de bevolking met buitenlandse nationaliteit worden volgende nationaliteitsgroepen gehanteerd: • Europese Unie (EU): – Buurlanden: Nederland, Frankrijk, Duitsland en Luxemburg – West- en Noord‑EU14‑landen: Ierland, Oostenrijk, Denemarken, Zweden en Finland – Zuid‑EU14‑landen: Italië, Spanje, Portugal en Griekenland – EU13-landen: Estland, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechië, Slovakije, Hongarije, Slovenië, Bulgarije, Roemenië, Malta, Cyprus en Kroatië. • Niet‑Europese Unie (Niet‑EU): – Europa niet‑EU: Zwitserland, Noorwegen, Verenigd Koninkrijk, Albanië, Wit-Rusland, Kosovo, Moldavië, Rusland, Bosnië, Oekraïne, Liechtenstein, Andorra, Monaco, San Marino, Macedonië, IJsland, Servië en Montenegro – Turkije – Maghreb-landen: Marokko, Algerije, Tunesië, Libië en Mauritanië – DR Congo, Burundi en Rwanda – Overig Azië: Aziatische landen zonder Turkije – Overig Afrika: Afrikaanse landen zonder Maghreb-landen – Noord-Amerika en Oceanië: Canada, Verenigde Staten van Amerika, Mexico en alle landen van Oceanië – Zuid- en Midden-Amerika: alle Amerikaanse landen zonder Canada, Verenigde Staten van Amerika en Mexico – Ander en onbekend: personen met een Rijksregistercode die niet eenduidig aan een bepaald land kan worden toegewezen zoals ‘staatloos’, personen waarvan de nationaliteit ‘nog niet definitief is bewezen’ en personen met een onbekende buitenlandse nationaliteit.
Om consistente vergelijkingen over de tijd te kunnen maken, werden in dit hoofdstuk alle huidige EU27-landen voor de gehele periode 2010 tot 2021 bij de EU27 gerekend, ook voor de jaren waarin bepaalde van deze landen nog geen lid waren van de Europese Unie. Kroatië werd pas lid in 2013. Het Verenigd Koninkrijk werd in de hele periode 2010 tot 2021 niet meer bij de EU27 gerekend, maar bij de niet‑EU‑landen.
1.1.1 EVOLUTIE VAN HET AANTAL EN AANDEEL PERSONEN MET EEN BUITENLANDSE NATIONALITEIT Begin 2021 woonden er in het Vlaamse Gewest 633.983 personen met een buitenlandse nationaliteit. In 2010 waren dat er 399.433. Het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit nam daarmee tussen 2010 en 2021 toe van 6,4% tot 9,5% van de totale bevolking. In absolute aantallen zijn er in het Vlaamse Gewest in 2021 meer personen met een buitenlandse nationaliteit dan in het Waalse Gewest (381.173) of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (432.697). Ook de stijging is sterker in het Vlaamse Gewest. Terwijl tussen 2010 en 2021 het aantal in het Vlaamse Gewest 1,6 keer groter werd, bleef de groei in het Waalse Gewest beperkt tot 1,2 en die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest tot 1,3. Het relatieve aandeel daarentegen is het laagste in het Vlaamse Gewest (9,5%). In het Waalse Gewest ging het in 2021 om 10,4% van de bevolking, in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om 35,5%. Samen woonden er begin 2021 in België 1.447.853 personen met een buitenlandse nationaliteit. Dat komt overeen met 12,6% van de totale bevolking. Tabel 1. Evolutie van de bevolking met buitenlandse nationaliteit Belgische gewesten, 2010-2021, aantal en in % VLAAMS GEWEST AANTAL
%
WAALS GEWEST AANTAL
BRUSSELS GEWEST
BELGIË
%
AANTAL
%
AANTAL
%
2010
399.433
6,4
331.163
9,5
327.070
30,0
1.057.666
9,8
2011
427.986
6,8
338.926
.9,6
352.344
31,5
1.119.256
10,2
2012
453.399
7,1
344.624
9,7
371.041
32,6
1.169.064
10,6
2013
467.882
7,3
345.469
9,7
381.771
33,1
1.195.122
10,8
2014
481.882
7,5
347.342
9,7
385.381
33,1
1.214.605
10,9
2015
504.130
7,8
352.430
9,8
398.726
33,9
1.255.286
11,2
2016
526.394
8,1
358.191
9,9
411.075
34,6
1.295.660
11,5
2017
548.910
8,4
364.727
10,1
414.139
34,8
1.327.776
11,7
2018
571.299
8,7
369.150
10,2
417.107
34,8
1.357.556
11,9
2019
595.921
9,0
373.407
10,3
422.097
34,9
1.391.425
12,2
2020
618.743
9,3
378.351
10,4
429.557
35,3
1.426.651
12,4
2021
633.983
9,5
381.173
10,4
432.697
35,5
1.447.853
12,6
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
9
Het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit in de totale bevolking in België (12,6%) lag in 2020 hoger dan het EU14‑gemiddelde (9,9%). Het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit lag het hoogst in Luxemburg (47,4%). Na Luxemburg volgden Oostenrijk (16,7%), Ierland (13,0%), België (12,6%), Duitsland (12,5%) en Spanje (11,0%). In absolute aantallen woonden er in 2020 in totaal ruim 34 miljoen personen met een buitenlandse nationaliteit in de EU14‑landen. Duitsland scoort het hoogst met bijna 10,4 miljoen personen met een buitenlandse nationaliteit. Daarna volgen Spanje (5,2 miljoen), Frankrijk (5,1 miljoen) en Italië (5 miljoen). Tabel 2. Bevolking met buitenlandse nationaliteit Europees vergeleken Belgische gewesten en EU14‑landen, 2010-2020, aantal en in % 2010
2015
2020
AANTAL
%
AANTAL
%
AANTAL
%
Vlaams Gewest
399.433
6,4
504.130
7,8
618.743
9,3
Brussels Gewest
327.070
30,0
398.726
33,9
429.557
35,3
Waals Gewest
331.163
9,5
352.430
9,8
378.351
10,4
Luxemburg
216.345
43,1
258.679
45,9
296.465
47,4
Oostenrijk
883.579
10,6
1.146.078
13,3
1.486.223
16,7
Ierland
570.190
12,5
532.196
11,4
643.406
13,0
België
1.057.666
9,8
1.276.903
11,4
1.453.319
12,6
Duitsland
7.130.919
8,7
7.539.774
9,3
10.398.022
12,5
Spanje
5.402.575
11,6
4.454.354
9,6
5.226.906
11,0
Denemarken
329.940
6,0
422.559
7,5
537.122
9,2
Zweden
602.893
6,5
739.435
7,6
940.580
9,1
Griekenland
931.424
8,4
821.969
7,6
906.345
8,5
Italië
3.648.128
6,2
5.014.437
8,2
5.039.637
8,4
Frankrijk
3.824.590
5,9
4.431.376
6,7
5.137.398
7,6
Nederland
735.197
4,4
847.269
5,0
1.192.309
6,8
Portugal
454.191
4,3
395.195
3,8
590.348
5,7
Finland
155.705
2,9
219.675
4,0
267.629
4,8
25.943.342
7,7
28.099.899
8,3
34.115.709
9,9
Totaal EU14
Noot: door gebruik van verschillende bronnen is het aantal personen met buitenlandse nationaliteit in België in deze tabel niet gelijk aan het aantal personen met buitenlandse nationaliteit in België in tabel 1. Bron: Statbel, Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen
1.1.2 GEOGRAFISCHE SPREIDING VAN DE BEVOLKING MET BUITENLANDSE NATIONALITEIT In het Vlaamse Gewest ligt het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit het hoogst in de grensstreek met Nederland, in de provincies Antwerpen en Limburg en in de rand rond Brussel. Ook de centrumsteden scoren relatief hoog. Antwerpen is de gemeente met het hoogste absolute aantal personen met een buitenlandse nationaliteit in het Vlaamse Gewest. Begin 2021 ging het om bijna 115.000 personen. Daarna volgen Gent (40.856), Leuven (19.359), Mechelen (9.500) en Turnhout (9.430). Als gekeken wordt naar de relatieve cijfers (het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit ten opzichte van de totale bevolking) komt een heel ander beeld naar voren: dan scoort Baarle-Hertog het hoogst. In deze grensgemeente heeft meer dan de helft van de bevolking een buitenlandse nationaliteit (53%). Ook in Hamont-Achel, Ravels, Kraainem en Lanaken ligt het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit boven de 30%. Antwerpen – de gemeente met het hoogste absolute aantal personen met een buitenlandse nationaliteit – haalt met 22% een 12de plaats in de rangschikking van Vlaamse gemeenten naar aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit in de totale bevolking. Figuur 1. Geografische spreiding van bevolking met buitenlandse nationaliteit Gemeenten van Vlaams Gewest, 2021, in % <=2
2-<4
4-<6
6-<10
10-<15
>=15
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
11
Figuur 2. Bevolking met buitenlandse nationaliteit naar nationaliteitsgroep Vlaams Gewest, 2010 en 2021, aantal
Tabel 3. Top 10 gemeenten met bevolking met buitenlandse nationaliteit Gemeenten van Vlaams Gewest, 2021, aantal en in % TOP 10 GEMEENTEN MET HOOGSTE AANTAL GEMEENTE
TOP 10 GEMEENTEN MET HOOGSTE AANDEEL
AANTAL
GEMEENTE
2010
%
Buurlanden
1
Antwerpen
114.753
1
Baarle-Hertog
53,3
West- en Noord-EU14
2
Gent
40.856
2
Hamont-Achel
34,5
Zuid-EU14
3
Leuven
19.359
3
Ravels
32,6
EU13
4
Mechelen
9.500
4
Kraainem
32,4
5
Turnhout
9.430
5
Lanaken
30,9
Europa niet-EU
6
Sint-Niklaas
8.995
6
Hoogstraten
28,8
Turkije
7
Genk
8.408
7
Voeren
27,9
Maghreb
8
Aalst
8.287
8
Tervuren
24,5
DR Congo, Burundi en Rwanda Overig Azië
9
Zaventem
8.060
9
Wezembeek-Oppem
23,9
10
Brugge
8.032
10
Drogenbos
23,8
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Overig Afrika
De meeste personen met een buitenlandse nationaliteit in het Vlaamse Gewest hebben een nationaliteit uit één van de buurlanden (179.669 in 2021). Daarna volgt de bevolking met een EU13-nationaliteit (136.753). In totaal hebben 394.918 personen een nationaliteit van één van de EU‑landen. Dat komt overeen met 6% van de totale bevolking in het Vlaamse Gewest of 62% van het totaal aantal personen met een buitenlandse nationaliteit.
150.462
179.669
5.486
5.558
46.743
72.938 38.809
136.753
35.093 19.299 30.721 5.833
15.231 5.533
Zuid- en Midden-Amerika
6.121
34.685 20.135 33.703 8.439
37.659
Noord-Amerika en Oceanië
Ander en onbekend
1.1.3 BEVOLKING MET BUITENLANDSE NATIONALITEIT NAAR NATIONALITEITSGROEP
2021
2.443
84.710 30.261 5.157 12.054 9.921
Noot: alle huidige EU27-landen werden voor de gehele periode gerekend bij de EU27, ook voor die jaren waarin bepaalde van deze landen nog geen lid waren van de Europese Unie. EU27: Europese Unie zonder Verenigd Koninkrijk. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Terwijl in het Vlaamse Gewest de buurlanden en de EU13-landen de grootste nationaliteitsgroepen vormen, zijn dat in het Waalse Gewest de Zuid‑EU14‑landen, gevolgd door de buurlanden. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn deze 3 groepen ongeveer even groot.
Het totaal aantal personen met een buitenlandse nationaliteit in het Vlaamse Gewest is tussen 2010 en 2021 toegenomen met 234.550 personen. Binnen de groep met een EU‑nationaliteit is de bevolking met een EU13-nationaliteit de grootste stijger: van bijna 39.000 in 2010 naar bijna 140.000 in 2021. Binnen de groep met een niet‑EU‑nationaliteit zijn voornamelijk de groepen ‘ander en onbekend’, ‘overig Azië’, ‘overig Afrika’ en ‘Zuid- en Midden-Amerika’ sterke stijgers. Het aantal personen met een nationaliteit van de West- en Noord‑EU14‑landen, de Europese niet‑EU‑landen (‘Europa niet‑EU’) en Turkije daarentegen, bleef relatief stabiel.
13
Figuur 3. Bevolking met buitenlandse nationaliteit naar nationaliteitsgroep Belgische gewesten, 2021, aantal Vlaams Gewest Buurlanden West- en Noord-EU14
179.669 5.558
Zuid-EU14
72.938
EU13
136.753
Waals Gewest 111.804 1.872 126.804 27.342
Figuur 4. Top 10 buitenlandse nationaliteiten Vlaams Gewest, 2010 en 2021, aantal
Brussels Gewest
2010
87.268
Nederland
117.969
145.457
9.374
Roemenië
6.152
49.512
93.226
Polen
89.243
Marokko Bulgarije
Europa niet-EU Turkije
34.685 20.135
Maghreb
33.703
DR Congo, Burundi en Rwanda Overig Azië Overig Afrika Noord-Amerika en Oceanië
8.439 84.710 30.261 5.157
15.203 9.107 25.370 9.547 20.657 19.165 4.425
2021
18.747 8.475 39.847 9.426 35.783
17.826 27.836 7.383
Italië Spanje Frankrijk Turkije Portugal
43.582 29.755 27.824
22.758
25.620
11.631
23.761
19.528
21.779
19.299
20.135
8.898
18.248
17.793 4.273
Zuid- en Midden-Amerika
12.054
4.022
9.692
Ander en onbekend
9.921
5.855
9.550
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Personen met een Nederlandse nationaliteit vormen veruit de grootste buitenlandse nationaliteitsgroep in het Vlaamse Gewest. Begin 2021 ging het om 145.457 personen, wat overeenkomt met 23% van het totaal aantal personen met een buitenlandse nationaliteit. Daarna volgen de Roemenen (49.512), de Polen (43.582), de Marokkanen (29.755), de Bulgaren (27.824), de Italianen (25.620) en de Spanjaarden (23.761). Het aantal Nederlanders is tussen 2010 en 2021 toegenomen van bijna 120.000 naar iets meer dan 145.000 personen. Het aantal Polen, Spanjaarden en Portugezen is tussen 2010 en 2021 meer dan verdubbeld. De toename van het aantal Roemenen en Bulgaren is in dezelfde periode nog vele malen groter. Hun aantallen liggen in 2021 respectievelijk 8 en bijna 4 keer hoger dan in 2010. Het aantal Marokkanen, Italianen, Fransen en Turken is in vergelijking met 2010 slechts licht toegenomen.
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In de top 10 van niet‑EU‑nationaliteiten vormde de bevolking met een Marokkaanse nationaliteit begin 2021 de grootste groep (29.755), gevolgd door de personen met een Turkse (20.135), Syrische (15.719), Afghaanse (14.730) en Irakese (9.460) nationaliteit. In het bijzonder het aantal Syriërs, Afghanen en Irakezen is tussen 2010 en 2021 sterk toegenomen. Figuur 5. Top 10 niet-EU-nationaliteiten Vlaams Gewest, 2010 en 2021, aantal 2010 Marokko
2021
27.836
Turkije
19.299
Syrië
799
Afghanistan
1.564
Irak
2.333
Verenigd Koninkrijk
11.798
29.755 20.135 15.719 14.730 9.460 8.956
India
4.142
7.763
China
4.701
7.223
Russische Federatie DR Congo
7.671 4.396
6.508 6.472
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Het overwegend Europese karakter van de bevolking met een buitenlandse nationaliteit in België wordt in de EU14‑landen enkel overtroffen in Luxemburg en Ierland. Ook in Oostenrijk en Nederland ligt het aandeel
15
EU‑nationaliteit (iets) hoger dan het aandeel niet‑EU‑nationaliteit. In de andere EU14‑landen ligt het aandeel EU‑nationaliteit lager dan het aandeel niet‑EU‑nationaliteit.
Tabel 5. Top 5 van buitenlandse nationaliteiten Europees vergeleken EU14‑landen, 2020, aantal en in % AANTAL
Tabel 4. Bevolking met buitenlandse nationaliteit per nationaliteitsgroep Europees vergeleken Belgische gewesten en EU14‑landen, 2020, in % % BUITENLANDSE NATIONALITEIT IN TOTALE BEVOLKING
% EU IN BEVOLKING BUITENLANDSE NATIONALITEIT
% NIET‑EU IN BEVOLKING BUITENLANDSE NATIONALITEIT
Vlaams Gewest
9,3
61,9
38,1
Brussels Gewest
35,3
64,5
35,5
Waals Gewest
10,4
70,6
29,4
Luxemburg
47,4
83,6
16,4
Oostenrijk
16,7
51,7
48,3
Ierland
13,0
72,0
28,0
België
12,6
64,7
35,3
Duitsland
12,5
42,8
57,2
Spanje
11,0
38,6
61,4
Denemarken
9,2
42,9
57,1
Zweden
9,1
34,3
65,7
Griekenland
8,5
21,1
78,9
Italië
8,4
29,9
70,1
Frankrijk
7,6
31,0
69,0
Nederland
6,8
51,7
48,3
Portugal
5,7
31,3
68,7
Finland
4,8
37,8
62,2
Totaal EU14
9,9
40,0
60,0
Noot: door het gebruik van verschillende bronnen is het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit in België in deze tabel niet gelijk aan het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit in België in tabel 1. Bron: Statbel, Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen
% IN BEVOLKING BUITEN LANDSE NATIONALI‑ TEIT
AANTAL
BELGIË
AANTAL
DUITSLAND
% IN BEVOLKING BUITEN LANDSE NATIONALI‑ TEIT
NEDERLAND
Frankrijk
169.579
11,7
Turkije
1.325.114
12,7
Polen
155.902
13,1
Nederland
158.851
10,9
Polen
771.250
7,4
Duitsland
79.470
6,7
Italië
155.184
10,7
Syrië
754.998
7,3
Syrië
79.451
6,7
Roemenië
103.726
7,1
Roemenië
708.339
6,8
Turkije
76.964
6,5
Marokko
80.500
5,5
Italië
588.744
5,7
VK
47.930
4,0
Marokko
760.716
14,6
Roemenië
1.145.718
22,7
Brazilië
151.312
25,6
Roemenië
665.906
12,7
Albanië
421.591
8,4
Kaapverdië
37.435
6,3
VK
300.641
5,8
Marokko
414.249
8,2
VK
34.357
5,8
Italië
267.667
5,1
China
288.923
5,7
Roemenië
31.064
5,3
261.209
5,0
Oekraïne
228.560
4,5
Oekraïne
29.718
5,0
SPANJE
Colombia
ITALIË
IERLAND Polen
132.638
20,6
Polen
40.805
VK
117.426
18,3
Syrië
Litouwen
41.247
6,4
Roemenië
Roemenië
27.294
4,2
Turkije
21.787
3,4
Duitsland
Letland
PORTUGAL
DENEMARKEN
ZWEDEN
GRIEKENLAND 7,6
Bulgarije
72.777
8,0
34.896
6,5
Roemenië
44.600
4,9
32.381
6,0
VK
14.752
1,6
28.412
5,3
Cyprus
13.850
1,5
26.135
4,9
Polen
13.560
1,5
OOSTENRIJK
FINLAND
Syrië
116.372
12,4
Duitsland
199.993
13,5
Estland
50.860
19,0
Polen
55.544
5,9
Roemenië
123.459
8,3
Rusland
28.528
10,7
Afghanistan
49.592
5,3
Servië
122.115
8,2
Irak
13.943
5,2
Finland
48.715
5,2
Turkije
117.607
7,9
China
9.825
3,7
Eritrea
42.996
4,6
Bosnië
96.583
6,5
Zweden
7.983
3,0
LUXEMBURG
In België werd de top 5 van buitenlandse nationaliteiten in 2021 gevormd door de Fransen, Nederlanders, Italianen, Roemenen en Marokkanen. De Nederlanders komen in geen enkel EU14‑land buiten België voor in de top 5 van buitenlandse nationaliteiten. Bij de Roemenen, Italianen, Marokkanen en Fransen is dat wel het geval. Zij staan in de top 5 van respectievelijk 9, 5, 4 en 2 EU14‑landen.
% IN BEVOLKING BUITEN LANDSE NATIONALI‑ TEIT
FRANKRIJK
Portugal
95.057
32,1
Algerije
559.756
10,9
Frankrijk
47.805
16,1
Portugal
537.163
10,5
Italië
22.996
7,8
Marokko
504.282
9,8
België
19.823
6,7
Italië
227.981
4,4
Duitsland
12.849
4,3
Tunesië
216.157
4,2
Noot: door het gebruik van verschillende bronnen is het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit in België in deze tabel niet gelijk aan het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit in België in tabel 1. Bron: Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen
17
1.1.4 DEMOGRAFISCH PROFIEL VAN DE BEVOLKING MET BUITENLANDSE NATIONALITEIT In 2021 waren er meer mannen dan vrouwen met een buitenlandse nationaliteit in het Vlaamse Gewest. Voor elke 100 vrouwen waren er 106 mannen. In het Waalse Gewest zijn er nagenoeg evenveel mannen als vrouwen met een buitenlandse nationaliteit, maar met toch een licht overgewicht voor mannen: per 100 vrouwen zijn er 101 mannen. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is het omgekeerd: hier zijn er per 100 vrouwen 99 mannen met een buitenlandse nationaliteit. Tabel 6. Bevolking met buitenlandse nationaliteit naar geslacht Belgische gewesten en België, 2021, aantal en in % MANNEN
VROUWEN
AANTAL MANNEN/ AANTAL VROUWEN
Tabel 7. Bevolking met buitenlandse nationaliteit naar geslacht en nationaliteitsgroep Vlaams Gewest, 2021, aantal MANNEN
VROUWEN
AANTAL MANNEN/ AANTAL VROUWEN
Buurlanden
92.585
87.084
1,06
West- en Noord‑EU14
2.628
2.930
0,90
Zuid‑EU14
39.902
33.036
1,21
EU13
72.368
64.385
1,12
Europa niet‑EU
16.915
17.770
0,95
Turkije
10.483
9.652
1,09
Maghreb
16.177
17.526
0,92
DR Congo, Burundi en Rwanda
3.989
4.450
0,90
Overig Azië
43.035
41.675
1,03
AANTAL
%
AANTAL
%
Overig Afrika
15.279
14.982
1,02
Vlaams Gewest
326.178
51,4
307.805
48,6
1,06
Noord-Amerika en Oceanië
2.567
2.590
0,99
Waals Gewest
191.770
50,3
189.403
49,7
1,01
Zuid- en Midden-Amerika
4.922
7.132
0,69
Brussels Gewest
215.139
49,7
217.558
50,3
0,99
Ander en onbekend
5.328
4.593
1,16
België
733.087
50,6
714.766
49,4
1,03
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In het Vlaamse Gewest zijn er bij de EU‑groepen globaal genomen meer mannen dan vrouwen. Enkel bij de bevolking met een West- en Noord‑EU14‑nationaliteit zijn er meer vrouwen dan mannen. Bij de bevolking met een niet‑EU‑nationaliteit is het beeld gevarieerder. Algemeen genomen zijn er meer vrouwen dan mannen met een niet‑EU‑nationaliteit in het Vlaamse Gewest. Dat is het geval bij de nationaliteitsgroepen Europa niet‑EU, Maghreb, DR Congo, Burundi en Rwanda, Noord-Amerika en Oceanië, alsook Zuid- en Midden-Amerika. Bij de laatstgenoemde nationaliteitsgroep is het overwicht van vrouwen het grootst. Bij de personen met een Turkse, ‘overig Azië’, ‘overig Afrika’ en een andere of onbekende nationaliteit zijn de mannen in de meerderheid.
Het leeftijdsprofiel van de bevolking met een buitenlandse nationaliteit in het Vlaamse Gewest verschilt duidelijk van dat van de bevolking met een Belgische nationaliteit. De leeftijdsgroepen van 18 tot en met 49 jaar zijn opvallend meer vertegenwoordigd bij de bevolking met een buitenlandse nationaliteit. Dat is ook het geval bij de jongste leeftijdsgroep (0-5 jaar) en in mindere mate bij de 6- tot 11-jarigen. Bij de leeftijdsgroepen vanaf 50 jaar is het omgekeerd. Het aandeel 65-plussers ligt bij de bevolking met een Belgische nationaliteit (22%) bijna 3 keer hoger dan bij de bevolking met een buitenlandse nationaliteit (8%). Figuur 6. Leeftijdsverdeling per nationaliteitsgroep Vlaams Gewest, 2021, in % Belgische nationaliteit
Buitenlandse nationaliteit
30
26,6 20,4
20
21,4 18,3 15,1
15,4
11,5 10
5,9
7,6
6,7 7,3
6,6 6,3
7,5
8,8 6,1
6,7 1,7
0-5 jaar
6-11 jaar
12-17 jaar
18-24 jaar
25-34 jaar
35-49 jaar
50-64 jaar
65-79 jaar
80 jaar en ouder
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
19
Ook tussen de verschillende nationaliteitsgroepen zijn er duidelijke verschillen naar leeftijd. Het aandeel minderjarigen varieert van 13% bij personen met een Zuid- en Midden-Amerikaanse, Maghrebijnse en Turkse nationaliteit, tot 25% bij personen met een overig Afrikaanse nationaliteit. Bij de andere en ongekende nationaliteitsgroep loopt dit aandeel op tot 66%. De leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder is bij de bevolking met een nationaliteit uit één van de buurlanden dan weer goed voor ongeveer 15%. Ook bij de personen met een Zuid‑EU14‑nationaliteit ligt dat aandeel hoger dan 10%. Bij alle andere nationaliteitsgroepen ligt het aandeel van de 65-plussers (veel) lager. Figuur 7. Bevolking met buitenlandse nationaliteit naar leeftijd en nationaliteitsgroep Vlaams Gewest, 2021, in %
Tabel 8. Bevolking met buitenlandse nationaliteit naar leeftijdsgroep Vlaams Gewest, 2021, aantal en in % van totale bevolking AANTAL
% VAN TOTALE BEVOLKING
0-5 jaar
48.480
12,1
6-11 jaar
46.407
10,3
12-17 jaar
40.105
9,1
18-24 jaar
55.873
11,0
25-34 jaar
129.396
15,8
35-49 jaar
168.584
13,3
50-64 jaar
95.799
6,9
65-79 jaar
38.393
4,0
80 jaar en ouder
10.946
2,7
633.983
9,5
Totaal 0-17 jaar Buurlanden West- en Noord-EU14 Zuid-EU14
20,3
20,4
15,2 18,9
EU13
Europa niet-EU
18-34 jaar
35-49 jaar
50-64 jaar
21,9
22,2
24,1
25,4
26,1 22,1
22,8
33,8
20,0
33,7
25,2 31,2
21,5 10,8
9,2 12,3 1,5
14,4
6,9
13,3
27,9
34,7
14,3
9,7
Maghreb
12,9
28,9
36,9
13,0
8,3
24,1
Overig Azië
24,0
40,3
24,9
42,1
Overig Afrika Noord-Amerika en Oceanië
15,9
Zuid- en Midden-Amerika
12,8
Ander en onbekend
65,5
29,7
31,1
29,9 42,2 18,4
11,4
3,7
25,4
8,1
2,2
26,3
5,7
0,9
27,4 35,1 11,3
18,3 8,0 3,6
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
15,3
Turkije
DR Congo, Burundi en Rwanda
25,0
65 jaar en ouder
8,5
Ook naar huishoudsamenstelling verschilt het profiel van de bevolking met buitenlandse nationaliteit van dat van de bevolking met Belgische nationaliteit. Bijna 60% van de personen met een niet‑EU‑nationaliteit woont in een huishouden samengesteld uit een paar met kinderen en 11% in een huishouden bestaande uit een paar zonder kinderen. Bij de personen met een Belgische nationaliteit ligt dat aandeel respectievelijk op 48% en 26%. Het aandeel personen in een eenoudergezin bij personen met een niet‑EU‑nationaliteit (12%) ligt iets hoger dan bij de bevolking met een Belgische nationaliteit (9%). Het aandeel alleenstaanden is bij beide groepen gelijk aan 14%. De personen met een EU‑nationaliteit nemen qua huishoudsamenstelling telkens min of meer een middenpositie in tussen de personen met Belgische nationaliteit en de personen met een niet‑EU‑nationaliteit.
1,8 1,1
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Algemeen genomen had in 2021 9,5% van de totale bevolking een buitenlandse nationaliteit. Dat aandeel lag het hoogst bij de groep van 25 tot 34 jaar (16%) en het laagst bij de groep van 80 jaar en ouder (3%).
21
Figuur 8. Huishoudsamenstelling naar nationaliteit Vlaams Gewest, 2021, in % Belgen
EU-nationaliteit
nationaliteit ook automatisch doorgegeven aan hun minderjarige kinderen). Minderjarigen die via 1 van deze 2 vormen van toekenning Belg zijn geworden, zijn geboren met een buitenlandse nationaliteit en worden daarom wel meegeteld bij het aantal nationaliteitsverwervingen van personen met een buitenlandse nationaliteit.
Niet-EU-nationaliteit
57,7 54,3 47,7
40
26,2 18,7
20
11,4
9,4 8,7
11,9
14,1
12,2
14,1
2,6 Paar met kinderen
Paar zonder kinderen
Eenoudergezin
Alleenstaande
6,1 4,9
Collectief huishouden en overige
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
1.2 NATIONALITEITSVERWERVINGEN De hier gepresenteerde gegevens over het aantal nationaliteitsverwervingen en over het totaal aantal personen dat geboren is met een buitenlandse nationaliteit en in de loop der jaren de Belgische nationaliteit heeft verworven, zijn gebaseerd op de officiële bevolkingscijfers van het Belgische statistiekbureau Statbel. Bij Europese vergelijkingen worden de cijfers van Eurostat gebruikt. Personen met een buitenlandse nationaliteit kunnen op een aantal manieren de Belgische nationaliteit verwerven: enerzijds via de procedures van ‘verkrijging’, anderzijds via de procedures van ‘toekenning’ Sinds begin 2013 bestaan er slechts 2 procedures meer van ‘verkrijging’ van de Belgische nationaliteit: door een nationaliteitsverklaring of door naturalisatie. Deze procedures vereisen telkens een actieve daad van een meerderjarige persoon. Daarnaast kan de Belgische nationaliteit ook verworven worden door ‘toekenning’. Het gaat in dat geval om een haast automatische procedure die vooral van toepassing is op minderjarigen, voornamelijk bij de geboorte. De ‘toekenningen’ van nationaliteit worden niet meegeteld in de Statbelen Eurostat-cijfers over nationaliteitsverwervingen omdat de betrokken personen eigenlijk meteen als Belg geboren worden. Uitzonderingen hierop zijn de toekenning van de Belgische nationaliteit bij adoptie en de toekenning van de Belgische nationaliteit als ‘gezamenlijk gevolg’ van een akte van verkrijging (als de vader of moeder Belg wordt, wordt deze
In de afgelopen decennia zijn de procedures voor nationaliteitsverwervingen een aantal keer ingrijpend gewijzigd. Dat heeft telkens een grote invloed gehad op het aantal nationaliteitsverwervingen. In 1984 werd het Wetboek van de Belgische Nationaliteit (WBN) goedgekeurd. Dat zorgde voor een eerste wijziging in de toekenning van de nationaliteit bij de geboorte. Vanaf die datum krijgen kinderen met een Belgische moeder en een vader met een buitenlandse nationaliteit de Belgische nationaliteit toegekend. Voordien werden ze nog als personen met een buitenlandse nationaliteit beschouwd. Kinderen van een Belgische vader en een moeder met een buitenlandse nationaliteit kregen voordien wel de Belgische nationaliteit toegekend. In de jaren 1991 en 2000 werd het WBN ingrijpend gewijzigd. Door de hervorming van 1991 kregen ook de in België geboren kinderen met minstens 1 ouder met buitenlandse nationaliteit die zelf geboren werd op het Belgische grondgebied, de Belgische nationaliteit toegekend. De hervorming uit 2000 (de zogenaamde ‘snel Belg wet’) voerde een belangrijke wijziging in voor het verkrijgen van de nationaliteit door nationaliteitsverklaring. Vóór die hervorming moest de persoon tussen de 18 en 30 jaar oud zijn, in België geboren zijn en er zijn hoofdverblijfplaats hebben gehad vooraleer hij of zij Belg door nationaliteitsverklaring kon worden. De leeftijdsbeperking van 30 jaar werd geschrapt en de wet van 2000 stelde nieuwe voorwaarden: wie meerderjarig is, sinds 7 jaar in België verblijft en over een verblijfstitel van onbeperkte duur beschikt, en wie meerderjarig is en een ouder heeft die Belg is, kan Belg worden. Begin 2013 werd het WBN nogmaals gewijzigd. De voorwaarden voor de toekenning van de Belgische nationaliteit werden verstrengd en er wordt sindsdien meer aandacht besteed aan kennis van één van de landstalen en de mate van maatschappelijke integratie. Sinds begin 2013 is de naturalisatieprocedure ten slotte voorbehouden voor personen met “buitengewone verdiensten op wetenschappelijk, sportief of sociocultureel vlak”. In de tabellen worden bij de opdeling van de personen die met een buitenlandse nationaliteit geboren zijn en in de loop der jaren Belg zijn geworden, dezelfde groepen gehanteerd als in het vorige deel van dit hoofdstuk, zij het deze keer op basis van de geboortenationaliteit van de persoon (strikt genomen gaat het niet om de geboortenationaliteit maar om de eerste in het Rijksregister gekende nationaliteit).
1.2.1 NATIONALITEITSVERWERVINGEN In 2020 verwierven in het Vlaamse Gewest 18.142 personen met buitenlandse nationaliteit, de Belgische nationaliteit. Dat komt overeen met 2,7 verwervingen per 1.000 inwoners.
23
Het aantal nationaliteitsverwervingen ligt hoger in het Vlaamse Gewest dan in de andere gewesten. Het aantal verwervingen per 1.000 inwoners is daarentegen het hoogst in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (7,0 per 1.000 inwoners in 2020). Het aantal nationaliteitsverwervingen toont een daling tussen 2010 en 2014, en daarna opnieuw een stijging tot 2019. Zowel het absolute aantal als het aantal per 1.000 inwoners lag opnieuw iets lager in 2020 dan in 2019. Deze tendens tekent zich af in zowel het Vlaamse, het Waalse als het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Tabel 9. Evolutie van het aantal nationaliteitsverwervingen Belgische gewesten en België, 2010-2020, aantal en per 1.000 inwoners VLAAMS GEWEST
WAALS GEWEST
BRUSSELS GEWEST
BELGIË
Tabel 10. Nationaliteitsverwervingen Europees vergeleken Belgische gewesten en EU14‑landen, 2019, aantal en per 1.000 inwoners AANTAL
PER 1.000 INWONERS
Vlaams Gewest
21.975
3,3
Brussels Gewest
9.966
8,2
Waals Gewest
8.653
2,4
Luxemburg
5.657
9,1
64.206
6,2
België
40.594
3,5
Italië
127.001
2,1
Spanje
98.954
2,1
Portugal
21.099
2,1
Nederland
34.191
2,0
Zweden
AANTAL
PER 1.000 INW
AANTAL
PER 1.000 INW
AANTAL
PER 1.000 INW
AANTAL
PER 1.000 INW
9.649
1,7
2010
13.309
2,1
8.071
2,3
6.893
6,2
28.273
2,6
Frankrijk
109.821
1,6
2011
12.941
2,0
9.763
2,8
7.082
6,3
29.786
2,7
Duitsland
131.980
1,6
2012
16.028
2,5
11.314
3,2
11.270
9,8
38.612
3,5
Griekenland
16.328
1,5
2013
14.971
2,3
8.686
2,4
11.144
9,6
34.801
3,1
Oostenrijk
10.500
1,2
2014
9.492
1,5
4.483
1,3
4.751
4,1
18.726
1,7
Ierland
5.791
1,2
2015
14.198
2,2
5.995
1,7
6.878
5,8
27.071
2,4
Denemarken
1.781
0,3
2016
17.460
2,7
6.019
1,7
8.456
7,1
31.935
2,8
Totaal EU14
677.552
2,0
2017
19.094
2,9
6.706
1,9
11.599
9,7
37.399
3,3
2018
16.908
2,6
7.536
2,1
11.756
9,8
36.200
3,2
2019
21.975
3,3
8.653
2,4
9.966
8,2
40.594
3,5
2020
18.142
2,7
7.247
2,0
8.526
7,0
33.915
2,9
Finland
Bron: Statbel, Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen
1.2.2 BELGEN GEBOREN MET EEN BUITENLANDSE NATIONALITEIT
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen.
Binnen de EU14‑landen was het aantal verwervingen per 1.000 inwoners in 2019 het hoogst in Luxemburg (9,1 per 1.000 inwoners). Ook in België lag het aantal (3,5 per 1.000 inwoners) hoger dan het gemiddelde voor de EU14 (2,0 per 1.000 inwoners). Denemarken kende het kleinst aantal nationaliteitsverwervingen per 1.000 inwoners (0,3). De absolute aantallen nationaliteitsverwervingen waren het hoogst Duitsland (meer dan 131.000) en Italië (meer dan 127.000).
Begin 2021 woonden er in het Vlaamse Gewest bijna 498.000 personen die geboren werden met een niet-Belgische nationaliteit en ondertussen Belg zijn geworden. Dat komt overeen met ruim 7,5% van de totale bevolking in het Vlaamse Gewest. In het Waalse Gewest gaat het om 373.600 personen of 10% van de bevolking, in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om bijna 281.000 personen of 23% van de bevolking. Alles samen verwierven in België iets meer dan 1,1 miljoen personen geboren met een niet-Belgische nationaliteit de Belgische nationaliteit. Dat komt overeen met 10% van de totale Belgische bevolking. Naar nationaliteitsgroep zijn er tussen de gewesten opvallende verschillen. In het Vlaamse Gewest gaat het vooral om personen geboren met een Maghrebijnse (108.121) en Turkse (72.109) geboortenationaliteit, maar ook om personen met een geboortenationaliteit uit ‘overig Azië’ (68.546). In het Waalse Gewest gaat het om personen geboren met een nationaliteit van de Zuid‑EU14‑landen (117.532). In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest vormen – net als in het Vlaamse Gewest - personen geboren met een nationaliteit uit de Maghreb-landen de grootste groep (121.404).
25
Figuur 9. Belgen geboren met een buitenlandse nationaliteit naar geboortenationaliteit Belgische gewesten, 2021, aantal Vlaams Gewest Buurlanden West- en Noord-EU14
50.013 1.032 32.359
EU13
31.104
Europa niet-EU
57.528
Turkije
72.109
Maghreb
108.121
Overig Azië Overig Afrika Noord-Amerika en Oceanië
Brussels Gewest
45.661
10.191
456
Zuid-EU14
DR Congo, Burundi en Rwanda
Waals Gewest
19.715 68.546 33.480 1.952
450
117.532
14.159
17.780
13.066
24.703
17.596
27.189 61.708
24.045
Belgische bevolking. Dat werd mogelijk door een afstammingsidentificatie, die toelaat niet alleen de nationaliteitshistoriek van een persoon zelf, maar ook die van diens ouders in overweging te nemen. Om de herkomst van een persoon te bepalen worden 4 criteria in rekening gebracht: de huidige nationaliteit van de persoon, de geboortenationaliteit van de persoon, de geboortenationaliteit van de vader en de geboortenationaliteit van de moeder. Strikt genomen gaat het niet om de geboortenationaliteit, maar om de eerste in het Rijksregister gekende nationaliteit. Is 1 van deze 4 criteria een niet-Belgische nationaliteit, dan wordt de persoon beschouwd als een persoon van buitenlandse herkomst. Deze operationalisering sluit aan bij de doelgroep zoals omschreven in artikel 3 van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse Integratie- en Inburgeringsbeleid
121.404
21.358
20.132
19.935
23.261
21.907 1.138
18.939 1.110
Zuid- en Midden-Amerika
12.832
6.053
9.019
Ander en onbekend
9.142
8.180
7.354
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
1.3 BEVOLKING VAN BUITENLANDSE HERKOMST De groep personen van buitenlandse herkomst omvat niet alleen de personen met een huidige buitenlandse nationaliteit, maar ook de personen met een buitenlandse geboortenationaliteit die ondertussen Belg zijn geworden en de personen met een Belgische geboortenationaliteit met minstens 1 ouder met een buitenlandse geboortenationaliteit. De cijfers over de bevolking van buitenlandse herkomst zijn gebaseerd op de officiële bevolkingscijfers van het Belgische statistiekbureau Statbel. De cijfers over de bevolking met buitenlandse nationaliteit (zie hoofdstuk 1.1.) betreffen enkel de personen die niet beschikken over de Belgische nationaliteit. Cijfers over personen met een buitenlandse nationaliteit geven echter geen volledig beeld over de bevolking van buitenlandse herkomst. Zo hebben heel wat personen met een buitenlandse geboortenationaliteit in de loop der jaren de Belgische nationaliteit verworven. Daarnaast krijgen de kinderen van nieuwe Belgen bij hun geboorte automatisch de Belgische nationaliteit. Ook een kind van ouders met een buitenlandse nationaliteit dat in België geboren wordt, kan onder bepaalde voorwaarden via een nationaliteitstoekenning of -verkrijging de Belgische nationaliteit verwerven. Die groepen zijn niet opgenomen in de cijfers over het aantal personen met een buitenlandse nationaliteit. Sinds een aantal jaren zijn er echter ook Statbel-gegevens beschikbaar over de herkomst van de volledige
Aangezien niet voor alle personen over alle gebruikte criteria (huidige of geboortenationaliteit van de persoon zelf en geboortenationaliteit van de ouders) informatie is opgenomen in het Rijksregister, is het zo dat bij een deel van de bevolking geen buitenlandse herkomst wordt gevonden, maar dat daarbij het voorbehoud gemaakt moet worden dat er sprake is van een onvolledige nationaliteitshistoriek. In de praktijk gaat het vooral om oudere personen met een huidige Belgische nationaliteit en Belgische geboortenationaliteit waarvoor geen informatie bekend is over de geboortenationaliteit van de ouders. Aangezien de grote meerderheid van deze groep geboren is vóór 1970 en de mogelijkheden voor personen met een buitenlandse nationaliteit en hun nakomelingen om de Belgische nationaliteit te verwerven tot de jaren 1990 beperkt waren, kan er vanuit gegaan worden dat de grote meerderheid van deze groep personen van Belgische herkomst zijn. Daarom worden de personen behorend tot deze groep hier beschouwd als personen van Belgische herkomst. Begin 2021 ging het om 11,9% van de totale bevolking in het Vlaamse Gewest. Het aandeel van deze groep in de totale bevolking neemt elk jaar af. Begin 2010 ging het nog om 19,1% van de totale bevolking. Om de personen van buitenlandse herkomst op te delen naar herkomstgroep wordt gewerkt met een cascadesysteem. Er wordt eerst gekeken naar de geboortenationaliteit van de vader. Is dat een buitenlandse nationaliteit, dan wordt de persoon ingedeeld in de herkomstgroep die met die buitenlandse nationaliteit overeenkomt. Is de geboortenationaliteit van de vader onbekend of Belgisch dan wordt gekeken naar de geboortenationaliteit van de moeder. Is die onbekend of Belgisch dan wordt gekeken naar de geboortenationaliteit van de persoon zelf. Is die onbekend of Belgisch wordt gekeken naar de huidige nationaliteit van de persoon. Net als bij de gegevens over personen met een buitenlandse nationaliteit (hoofdstuk 1.1.) wordt hier geen rekening gehouden met de personen ingeschreven in het wachtregister. Ook personen die onwettig in het land verblijven, worden niet meegeteld.
27
Bij de opdeling van de bevolking van buitenlandse herkomst worden dezelfde groepen gehanteerd als in de vorige delen van dit hoofdstuk, zij het deze keer op basis van de herkomst van de persoon en niet enkel op basis van de huidige nationaliteit of de geboortenationaliteit. Vergelijkbare cijfers over het aantal personen van buitenlandse herkomst in andere EU‑landen zijn niet beschikbaar.
1.3.1 EVOLUTIE VAN HET AANTAL EN AANDEEL PERSONEN VAN BUITENLANDSE HERKOMST Begin 2021 woonden er in het Vlaamse Gewest 1.609.034 personen van buitenlandse herkomst. In 2010 waren dat er 1.001.529. Daarmee steeg het aandeel personen van buitenlandse herkomst in de totale bevolking van 16,0% in 2010 tot 24,2% in 2021. Deze groei is een gevolg van zowel internationale immigratie van personen van buitenlandse herkomst naar België, als de natuurlijke groei (geboorten) bij de in België wonende personen van buitenlandse herkomst. In absolute aantallen waren er in het Vlaamse Gewest in 2021 meer personen van buitenlandse herkomst dan in het Waalse Gewest (1.244.228 personen) of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (914.976 personen). Ook de stijging is sterker in het Vlaamse Gewest. Terwijl tussen 2010 en 2021 het aantal personen van buitenlandse herkomst in het Vlaamse Gewest 1,6 keer groter werd, bleef de groei in het Waalse en Brusselse Gewest telkens beperkt tot 1,3. Het relatieve aandeel daarentegen is het laagste in het Vlaamse Gewest (24,2%). In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ging het in 2021 om 75,0% van de inwoners, in het Waalse Gewest om 34,1%. Samen woonden er begin 2021 in België bijna 3,8 miljoen personen van buitenlandse herkomst. Dat komt overeen met iets minder dan 33% van de totale bevolking.
Tabel 11. Evolutie van de bevolking van buitenlandse herkomst Belgische gewesten, 2010-2021, aantal en in % VLAAMS GEWEST AANTAL
%
2010
1.001.529
16,0
2011
1.064.571
16,9
WAALS GEWEST AANTAL
BRUSSELS GEWEST
BELGIË
%
AANTAL
%
AANTAL
%
988.512
28,3
695.360
63,8
2.685.401
24,8
1.020.261
28,9
733.652
65,6
2.818.484
25,7
2012
1.119.984
17,6
1.048.364
29,6
762.521
67,0
2.930.869
26,6
2013
1.167.322
18,3
1.073.164
30,1
787.506
68,2
3.027.992
27,3
2014
1.213.464
18,9
1.095.461
30,6
805.203
69,2
3.114.128
27,9
2015
1.262.574
19,6
1.116.863
31,1
825.067
70,2
3.204.504
28,6
2016
1.316.294
20,3
1.139.367
31,6
845.864
71,2
3.301.525
29,3
2017
1.373.705
21,1
1.162.480
32,2
857.537
72,0
3.393.722
30,0
2018
1.433.123
21,9
1.183.204
32,6
872.200
72,8
3.488.527
30,7
2019
1.492.339
22,6
1.203.512
33,1
889.100
73,6
3.584.951
31,4
2020
1.555.662
23,5
1.225.367
33,6
905.534
74,3
3.686.563
32,1
2021
1.609.034
24,2
1.244.228
34,1
914.976
75,0
3.768.238
32,7
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
1.3.2 GEOGRAFISCHE SPREIDING VAN PERSONEN VAN BUITENLANDSE HERKOMST In het Vlaamse Gewest ligt het aandeel personen van buitenlandse herkomst het hoogst in de rand rond Brussel, in de grensstreek met Nederland, in de provincies Limburg en Antwerpen, en in de regio tussen Antwerpen, Brussel en Gent. In Antwerpen woonden begin 2021 iets meer dan 283.000 personen van buitenlandse herkomst. Daarna volgen Gent en Genk met respectievelijk ruim 95.000 en 39.000 inwoners van buitenlandse herkomst. Leuven en Mechelen vervolledigen de top 5 van gemeenten met het hoogste aantal personen van buitenlandse herkomst. De top 5 van gemeenten in het Vlaamse Gewest met het hoogste aandeel personen van buitenlandse herkomst in de totale bevolking wordt gevormd door Baarle-Hertog (72%), Machelen (61%), Maasmechelen (60%), Drogenbos (59%) en Genk (58%). Ook in Vilvoorde (58%), Zaventem (55%), Kraainem (54%), Antwerpen (54%), Hamont-Achel (52%) en Wemmel (50%) ligt het aandeel personen van buitenlandse herkomst hoger dan 50%.
29
Figuur 10. Geografische spreiding van bevolking van buitenlandse herkomst Gemeenten van Vlaams Gewest, 2021, in % <=5
2-<10
10-<15
15-<20
20-<25
>=25
Het aantal personen van buitenlandse herkomst is tussen 2010 en 2021 sterk toegenomen. De evolutie verschilt per herkomstgroep. Het aantal personen met een niet-EU-herkomst (+73%) is sterker gestegen dan het aantal personen met een EU-herkomst (+47%). Opgedeeld per herkomstgroep is de grootste stijger de groep personen met een EU13-herkomst (+191%). Ook de groep personen met een herkomst van de Europese niet-EU-landen, van Maghreb, van DR Congo, Burundi en Rwanda, van ‘overig Afrika’, van ‘overig Azië’, van Zuid- en Midden-Amerika en van ‘andere en onbekende herkomst’, zijn in deze periode behoorlijk sterk gestegen. Het aantal personen met een herkomst van één van de West- en Noord-EU14-landen of van Noord-Amerika en Oceanië is nagenoeg stabiel gebleven. Figuur 11. Bevolking van buitenlandse herkomst naar regio van herkomst Vlaams Gewest, 2010 en 2021, aantal 2010
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Buurlanden West- en Noord-EU14
Tabel 12. Top 10 gemeenten met bevolking van buitenlandse herkomst Gemeenten van Vlaams Gewest, 2021, aantal en in % TOP 10 GEMEENTEN MET HOOGSTE AANTAL GEMEENTE
AANTAL
1
Antwerpen
283.723
2
Gent
3
TOP 10 GEMEENTEN MET HOOGSTE AANDEEL
Zuid-EU14
2021
279.145
327.591
8.503
9.198
108.132
151.664
EU13
63.154
183.914
Europa niet-EU
92.096
144.257
Turkije
112.826
152.368
Maghreb
155.693
250.511
GEMEENTE
%
1
Baarle-Hertog
71,7
95.619
2
Machelen
61,1
Genk
39.004
3
Maasmechelen
59,8
4
Leuven
35.098
4
Drogenbos
59,2
5
Mechelen
30.591
5
Genk
58,5
6
Vilvoorde
26.599
6
Vilvoorde
58,2
7
Sint-Niklaas
24.879
7
Zaventem
54,9
8
Maasmechelen
23.418
8
Kraainem
54,4
9
Aalst
22.298
9
Antwerpen
53,6
Noot: alle huidige EU27-landen werden voor de gehele periode gerekend bij de EU27, ook voor die jaren waarin bepaalde van deze landen nog geen lid waren van de Europese Unie. EU27: Europese Unie zonder Verenigd Koninkrijk.
10
Zaventem
19.307
10
Hamont-Achel
52,0
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
DR Congo, Burundi en Rwanda
23.780
Overig Azië Overig Afrika Noord-Amerika en Oceanië Zuid- en Midden-Amerika Ander en onbekend
81.989 37.967 10.154 19.956 8.134
44.131 185.082 91.325 11.411 38.946 18.636
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
1.3.3 HERKOMST VAN PERSONEN VAN BUITENLANDSE HERKOMST Heel wat personen van buitenlandse afkomst in het Vlaamse Gewest zijn afkomstig uit onze buurlanden (327.591 personen). In totaal hebben 672.367 personen een EU-herkomst. Dat komt overeen met 42% van het totaal aantal personen van buitenlandse herkomst in het Vlaamse Gewest. De meeste personen van buitenlandse herkomst hebben dus een herkomst van buiten de EU (58%).
In het Vlaamse Gewest vormden in 2021 de personen met een herkomst uit de buurlanden de grootste groep (327.591), gevolgd door personen met herkomst uit de Maghreb (250.511), ‘overig Azië’ (185.082) en de EU13-landen (183.914). In het Waalse Gewest domineren personen met herkomst uit de Zuid-EU14 (422.791) en de buurlanden (275.303). In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest vormen de personen met een herkomst uit de Maghreb-landen de grootste groep (257.532). De herkomstgroepen uit Zuid-EU14, de buurlanden en EU13 zijn hier elk ook goed voor meer dan 100.000 personen.
31
Figuur 12. Bevolking van buitenlandse herkomst naar regio van herkomst Belgische gewesten, 2021, aantal
Tabel 13. Vergelijking bevolking met buitenlandse nationaliteit en van buitenlandse herkomst Vlaams Gewest, 2021, aantal
Vlaams Gewest
Waals Gewest
Buurlanden
327.591
275.303
West- en Noord-EU14
9.198
3.364
Zuid-EU14
151.664
EU13
183.914
Brussels Gewest 114.538 10.441
422.791 64.163
121.291 104.727
Europa niet-EU
144.257
63.267
54.038
Turkije
152.368
59.114
49.008
Maghreb
250.511
DR Congo, Burundi en Rwanda
44.131
Overig Azië Overig Afrika Noord-Amerika en Oceanië Zuid- en Midden-Amerika Ander en onbekend
155.465 47.276 185.082
91.325 11.411 38.946 18.636
53.404 59.705 7.273 16.415 16.688
257.532 41.791 71.434 49.397 6.488 25.562 8.729
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Personen van buitenlandse herkomst kunnen al dan niet de Belgische nationaliteit hebben. Het aantal personen van buitenlandse herkomst ligt in het Vlaamse Gewest 2,5 keer hoger dan het aantal personen met een huidige buitenlandse nationaliteit. Vooral het grote verschil bij personen met Turkse en Maghrebijnse herkomst valt hier op. Het aantal personen van Turkse en Maghrebijnse herkomst ligt telkens meer dan 7 keer hoger dan het aantal personen met een huidige Turkse en Maghrebijnse nationaliteit. Het aantal personen met een herkomst uit DR Congo, Burundi en Rwanda ligt meer dan 5 keer hoger dan het aantal personen met een huidige nationaliteit uit één van desbetreffende landen. Bij Europeanen van buiten de EU is het aantal van buitenlandse herkomst meer dan 4 keer hoger dan het aantal personen met een huidige buitenlandse nationaliteit.
HUIDIGE BUITENLANDSE NATIONALITEIT (1)
BUITENLANDSE HERKOMST (2)
(2)/(1)
Buurlanden
179.669
327.591
1,82
West- en Noord‑EU14
5.558
9.198
1,65
Zuid‑EU14
72.938
151.664
2,08
EU13
136.753
183.914
1,34
Europa niet‑EU
34.685
144.257
4,16
Turkije
20.135
152.368
7,57
Maghreb
33.703
250.511
7,43
DR Congo, Burundi en Rwanda
8.439
44.131
5,23
Overig Azië
84.710
185.082
2,18
Overig Afrika
30.261
91.325
3,02
Noord-Amerika en Oceanië
5.157
11.411
2,21
Zuid- en Midden-Amerika
12.054
38.946
3,23
Ander en onbekend
9.921
18.636
1,88
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen.
Opgesplitst naar herkomstland blijkt dat de personen van Nederlandse herkomst de grootste groep vormen onder de personen van buitenlandse herkomst in het Vlaamse Gewest. Begin 2021 ging het om 237.040 personen, wat overeenkomt met bijna 15% van het totaal aantal personen van buitenlandse herkomst. De top 5 wordt vervolledigd door personen van Marokkaanse herkomst (224.627), van Turkse herkomst (152.368), van Italiaanse herkomst (75.945) en van Poolse herkomst (66.071). De groei tussen 2010 en 2021 situeert zich vooral bij personen van Poolse en van Roemeense herkomst. Figuur 13. Top 10 buitenlandse herkomstlanden Vlaams Gewest, 2010 en 2021, aantal 2010
2021
Nederland
197.134
237.040
Marokko
139.391
224.627
Turkije
112.826
152.368
Italië
61.793
75.945
Polen Roemenië Frankrijk USSR Joegoslavië Spanje
32.232
66.071
9.447
61.452
50.821
58.278
30.773 29.002 23.520
53.546 46.525 37.660
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
33
1.3.4 DEMOGRAFISCH PROFIEL VAN PERSONEN VAN BUITENLANDSE HERKOMST Begin 2021 woonden er iets meer mannen dan vrouwen van buitenlandse herkomst in het Vlaamse Gewest, maar het verschil is klein. Voor elke 100 vrouwen zijn er 102 mannen. In de andere gewesten zijn er voor elke 100 vrouwen 99 mannen. Tabel 14. Bevolking van buitenlandse herkomst naar geslacht Belgische gewesten en België, 2021, aantal en in % MANNEN
VROUWEN
AANTAL MANNEN / AANTAL VROUWEN
AANTAL
%
AANTAL
%
%
Vlaams Gewest
810.764
50,4
798.270
49,6
1,02
Waals Gewest
619.537
49,8
624.691
50,2
0,99
Brussels Gewest
455.034
49,7
459.942
50,3
0,99
België
1.885.335
50,0
1.882.903
50,0
1,00
De bevolking van buitenlandse herkomst is gemiddeld genomen duidelijk jonger dan de bevolking van Belgische herkomst. De leeftijdsgroepen tot en met 49 jaar zijn opvallend meer vertegenwoordigd bij de personen van buitenlandse herkomst. Het aandeel minderjarigen ligt bij de personen met buitenlandse herkomst op 31%, tegenover 16% bij de bevolking van Belgische herkomst. De bevolking ouder dan 50 jaar is ondervertegenwoordigd bij personen van buitenlandse herkomst (20% tegenover 49% bij de bevolking van Belgische herkomst). Het aandeel 65-plussers ligt bij de bevolking van buitenlandse herkomst (6%) 4 keer lager dan bij de bevolking van Belgische herkomst (25%). Figuur 14. Leeftijdsverdeling per herkomstgroep Vlaams Gewest, 2021, in % Belgische herkomst
Buitenlandse herkomst
30 23
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen.
20
Per herkomstgroep blijven de geslachtsverschillen klein, op enkele uitzonderingen na. Bij de personen met een Zuid‑EU14 en andere of onbekende herkomst is de geslachtsratio hoger dan 110 mannen per 100 vrouwen. Bij personen met een herkomst van DR Congo, Burundi en Rwanda zijn er voor elke 100 vrouwen iets minder dan 90 mannen. Bij personen met een Zuid- en Midden-Amerikaanse herkomst zijn er voor elke 100 vrouwen minder dan 80 mannen. Tabel 15. Bevolking van buitenlandse herkomst naar geslacht en herkomstgroep Vlaams Gewest, 2021, aantal MANNEN
VROUWEN
AANTAL MANNEN/ AANTAL VROUWEN
165.159
162.432
1,02
4.435
4.763
0,93
Buurlanden West- en Noord‑EU14 Zuid‑EU14
79.853
71.811
1,11
EU13
93.455
90.459
1,03
Europa niet‑EU
69.764
74.493
0,94
Turkije
78.142
74.226
1,05
Maghreb
127.117
123.394
1,03
DR Congo, Burundi en Rwanda
20.599
23.532
0,88
Overig Azië
93.433
91.649
1,02
Overig Afrika
46.503
44.822
1,04
Noord-Amerika en Oceanië
5.700
5.711
1,00
Zuid- en Midden-Amerika
16.857
22.089
0,76
Ander en onbekend
9.747
8.889
1,10
16,3
23,2
17,9
17,5 13,3
11
10,2 10 4,7
5,4
10,3
9,9 5,6
11 7,8
6,8
5 1,1
0-5 jaar
6-11 jaar
12-17 jaar
18-24 jaar
25-34 jaar
35-49 jaar
50-64 jaar
65-79 jaar
80 jaar en ouder
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Tussen de verschillende herkomstgroepen zijn er duidelijke verschillen naar leeftijd. Het aandeel minderjarigen varieert van 42% bij de personen met een herkomst uit ‘overig Afrika’ tot 24% bij de personen met herkomst uit onze buurlanden. De leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder is bij personen met een herkomst uit één van de buurlanden dan weer goed voor bijna 13%. Bij personen met herkomst uit West- en Noord‑EU14 en Zuid‑EU14 landen ligt het percentage 65-plussers op 9% en bij de herkomstgroep uit Noord-Amerika en Oceanië op 7%. Bij de meeste andere herkomstgroepen ligt dat aandeel duidelijk lager.
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vl aanderen.
35
Figuur 15. Bevolking van buitenlandse herkomst naar leeftijd en herkomstgroep Vlaams Gewest, 2021, in %
0-17 jaar
18-34 jaar
35-49 jaar
50-64 jaar
65 jaar en ouder
Buurlanden
24,0
24,5
West- en Noord-EU14
25,5
26,8
Zuid-EU14
25,5
25,9
22,6
EU13
25,7
29,7
29,3
12,0
Europa niet-EU
32,2
26,3
21,4
14,2
Turkije
32,5
26,7
24,9
11,6
4,3
Maghreb
38,9
23,4
23,0
10,4
4,4
DR Congo, Burundi en Rwanda
39,4
25,5
12,3
2,7
Overig Azië
32,6
31,3
23,2
10,2
2,8
Overig Afrika
42,0
26,9
21,8
8,1
1,2
Noord-Amerika en Oceanië
30,7
28,7
Zuid- en Midden-Amerika
32,5
28,8
26,2
9,9
Ander en onbekend
33,9
28,1
22,9
9,7
19,8
18,8
19,7
19,6 17,1
20,0
19,6
14,0
12,9 8,5 8,9 3,3
6,0
Ook naar huishoudsamenstelling verschilt het profiel van de bevolking van buitenlandse herkomst van dat van de bevolking van Belgische herkomst. Bij personen van buitenlandse herkomst is het aandeel gezinnen met kinderen groter dan bij personen van Belgisch herkomst. Dat geldt zowel voor paren met kinderen als voor alleenstaande ouders. Het aandeel paren zonder kinderen en alleenstaanden is kleiner. Dat is vooral het geval bij de personen met een niet‑EU‑herkomst. Bij deze herkomstgroep leeft 67% in een huishouden samengesteld uit een paar met kinderen en 14% in een huishouden met een alleenstaande ouder, terwijl dat bij personen van Belgische herkomst respectievelijk 44% en 8% is. Het aandeel personen in een huishouden bestaande uit een paar zonder kinderen of alleenstaand ligt lager bij de personen met een niet‑EU‑herkomst dan bij personen met een Belgische herkomst: in beide gevallen 8% ten opzichte van 29% en 15% bij de personen van Belgische herkomst. Figuur 16. Huishoudsamenstelling naar herkomstgroep Vlaams Gewest, 2021, in %
7,1 2,6
Belgische herkomst
EU-herkomst
Niet-EU-herkomst
5,3 67,2
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
60
Het jongere leeftijdsprofiel van de buitenlandse bevolking heeft als gevolg dat het aandeel personen van buitenlandse herkomst in de totale bevolking bij de jongste leeftijdsgroepen nog duidelijk hoger ligt dan het algemene percentage van 24%. Begin 2021 was 41% van de 0- tot 5-jarigen in het Vlaamse Gewest van buitenlandse herkomst. Bij de 6- tot 11-jarigen ging het om 39% en bij de 12- tot 17-jarigen om 36%.
56 44
40 29,4 17,8
20
8
Tabel 16. Bevolking van buitenlandse herkomst naar leeftijdsgroep Vlaams Gewest, 2021, aantal en in % van totale bevolking AANTAL
% VAN TOTALE BEVOLKING
0-5 jaar
163.837
40,8
6-11 jaar
176.409
39,3
12-17 jaar
158.611
36,1
18-24 jaar
165.512
32,5
25-34 jaar
261.874
32,0
35-49 jaar
369.388
29,0
50-64 jaar
214.451
15,5
65-79 jaar
80.561
8,4
80 jaar en ouder
18.391
4,5
1.609.034
24,2
Totaal
Paar met kinderen
Paar zonder kinderen
8,4
10,5
14,1
Eenoudergezin
15,4 11,3
8,2
Alleenstaande
2,8 4,4 2,4 Collectief huishouden en overige
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
37
1.3.5 NATIONALITEITSHISTORIEK VAN PERSONEN VAN BUITENLANDSE HERKOMST
1.3.6 GEBOORTELAND VAN PERSONEN VAN BUITENLANDSE HERKOMST
De bevolking van buitenlandse herkomst kan op basis van de nationaliteitshistoriek worden opgedeeld in 3 grote groepen:
Bijna 47% van de personen van buitenlandse herkomst die begin 2021 in het Vlaamse Gewest woonden, is in België geboren. Dat aandeel ligt bij de personen afkomstig uit de Zuid‑EU14‑landen, Turkije en de Maghreb-landen beduidend hoger (rond 60%), bij de personen met herkomst uit de EU13 landen, ‘overig Azië’, en in mindere mate ook ‘overig Afrika’ en Zuid- en Midden-Amerika duidelijk lager. Dat verschil hangt samen met een verschil in tijdstip van de belangrijkste migratiestromen uit deze landen.
1. Niet-Belgen: personen met een huidige niet-Belgische nationaliteit 2. Belgen geboren als niet-Belg: personen met een huidige Belgische nationaliteit en een niet-Belgische geboortenationaliteit 3. Belgen geboren als Belg: personen met een Belgische huidige en geboortenationaliteit, maar van wie 1 of beide ouders een niet-Belgische geboortenationaliteit heeft. Begin 2021 had 39% van de personen van buitenlandse herkomst een huidige buitenlandse nationaliteit (‘niet-Belgen’). Dat aandeel varieert sterk naar herkomstgroep. Vooral bij de personen van Turkse en Maghrebijnse herkomst en ook bij de personen van de herkomstgroep DR Congo, Burundi en Rwanda is dat aandeel opvallend laag (respectievelijk 15%, 16% en 22%). Dat betekent dat een groot aandeel personen in deze herkomstgroepen zelf de Belgische nationaliteit heeft verworven of als Belg geboren is. Bij de personen met een EU13-herkomst ligt het aandeel niet-Belgen het hoogst (73%). Bij de herkomstgroepen die deel uitmaken van de EU27 en de herkomstgroep Noord-Amerika en Oceanië is het aandeel Belgen geboren als niet-Belg opvallend kleiner dan voor andere herkomstgroepen. Het aandeel varieert bij die groepen tussen de 11% en 21%. Tabel 17. Nationaliteitshistoriek van personen van buitenlandse herkomst Vlaams Gewest, 2021, aantal NIET-BELGEN AANTAL
BELGEN GEBOREN ALS NIET-BELG
%
AANTAL
166.047
50,7
5.188
56,4
Zuid‑EU14
68.624
EU13
BELGEN GEBOREN ALS BELG
%
AANTAL
%
46.978
14,3
114.566
35,0
994
10,8
3.016
32,8
45,2
32.233
21,3
50.807
33,5
134.626
73,2
31.299
17,0
17.989
9,8
Europa niet‑EU
45.096
31,3
62.710
43,5
36.451
25,3
Turkije
22.147
14,5
73.362
48,1
56.859
37,3
Maghreb
41.021
16,4
110.184
44,0
99.306
39,6
Buurlanden West- en Noord‑EU14
DR Congo, Burundi en Rwanda
9.779
22,2
20.179
45,7
14.173
32,1
Overig Azië
81.504
44,0
65.845
35,6
37.733
20,4
Overig Afrika
33.435
36,6
34.479
37,8
23.411
25,6
Noord-Amerika en Oceanië
5.098
44,7
1.761
15,4
4.552
39,9
Zuid- en Midden-Amerika
14.055
36,1
13.093
33,6
11.798
30,3
Ander en onbekend
7.363
39,5
4.816
25,8
6.457
34,6
Tabel 18. Nationaliteitshistoriek van personen van buitenlandse herkomst Vlaams Gewest, 2021, % GEBOREN IN BELGIË
GEBOREN IN EU
GEBOREN BUITEN EU
ONBEKEND
49,6
42,8
7,6
0,0
Buurlanden West- en Noord‑EU14
43,1
47,2
9,6
0,1
Zuid‑EU14
58,7
33,9
7,4
0,1
EU13
23,8
73,7
2,5
0,1
Europa niet‑EU
41,3
2,6
56,1
0,0
Turkije
62,1
1,3
36,6
0,0
Maghreb
63,8
1,8
34,4
0,0
DR Congo, Burundi en Rwanda
47,9
1,8
50,3
0,0
Overig Azië
28,9
0,8
69,8
0,5
Overig Afrika
39,1
1,8
59,1
0,0
Noord-Amerika en Oceanië
45,0
3,0
51,8
0,2
Zuid- en Midden-Amerika
34,5
1,9
63,6
0,0
Ander en onbekend
48,6
9,2
36,5
5,7
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
39
2.
MAATSCHAPPELIJKE POSITIE EN PARTICIPATIE VAN P ERSONEN VAN BUITENLANDSE HERKOMST 2
2.1 TEWERKSTELLING EN ARBEID De tewerkstellingspositie wordt in kaart gebracht op basis van de gegevens van de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) van het Belgische statistiekbureau Statbel en op basis van de administratieve gegevens van het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming (DWH AM&SB) van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ). De EAK-gegevens maken het mogelijk internationaal te vergelijken. De administratieve KSZ-gegevens zijn gebaseerd op informatie over nagenoeg de gehele bevolking waardoor gedetailleerde informatie over subgroepen beschikbaar is. Bij de werkloosheidscijfers wordt daarnaast ook gebruik gemaakt van de gegevens over de werkzoekenden zonder werk van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB). Bij de werkintensiteit van het huishouden worden niet alleen gegevens gebruikt van het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming van de KSZ, maar voor de Europese vergelijking ook gegevens van de European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU‑SILC-survey) van het Belgische statistiekbureau Statbel. Ten slotte worden ook gegevens gepresenteerd van de dienst Diversiteitsbeleid van de Vlaamse overheid en van over de herkomst van het personeel van de Vlaamse overheidsdiensten. De EAK- en EU‑SILC-gegevens kunnen opgedeeld worden naar huidige nationaliteit (Belg, EU zonder België, niet‑EU) en geboorteland (België, EU zonder België, buiten de EU). Bij de EAK is EU gelijk aan de EU27-landen zonder Verenigd Koninkrijk voor de jaren 2010 tot 2021. Bij de EU‑SILC-survey slaat in de gepresenteerde cijfers van 2021 EU ook op de EU27-landen zonder Verenigd Koninkrijk. Voor zowel de EAK-enquête als de EU‑SILC-survey geldt dat er geen specifieke inspanningen werden gedaan om de relatief hogere non-respons-graad bij de groep personen van buitenlandse herkomst tegen te gaan. Ook kan het interview bij beide surveys enkel afgelegd worden in het Nederlands, Frans, Duits of Engels waardoor personen van buitenlandse herkomst die geen enkele van deze talen beheersen, automatisch afvallen als mogelijke respondenten. Met deze elementen dient men bij de interpretatie van de resultaten rekening te houden. De hier gepresenteerde EAK- en EU‑SILC-resultaten zijn daarnaast onderhevig aan de gebruikelijke statistische foutenmarge. De vermelde percentages moeten gezien worden als schattingen van de overeenkomstige populatieparameters binnen een bepaald betrouwbaarheidsinterval.
41
Dit betrouwbaarheidsinterval is groter naarmate de steekproef waarop de percentages berekend worden, kleiner is. Om een vlotte leesbaarheid van de tekst en figuren te garanderen, worden deze intervallen hier niet vermeld.
het in het Vlaamse Gewest om 4,9% van de bevolking van 18 tot en met 64 jaar. Het aandeel van deze groep in de totale bevolking neemt elk jaar af. Begin 2010 ging het nog om 13,8% van de bevolking van 18 tot 64 jaar.
In de EAK van 2021 werden in het Vlaamse Gewest in totaal ongeveer 37.000 personen tussen 20 en 64 jaar bevraagd. Daarvan hadden 1.940 personen een EU27-nationaliteit (zonder België) en 986 personen een niet‑EU27nationaliteit. Naar geboorteland ging het om 2.000 personen geboren in de EU27 buiten België en 2.766 personen geboren buiten de EU27.
Om de personen van buitenlandse herkomst op te delen naar herkomstgroep wordt gewerkt met een cascadesysteem. Er wordt eerst gekeken naar de geboortenationaliteit van de vader. Is dat een buitenlands nationaliteit, dan wordt de persoon ingedeeld in de herkomstgroep die met die buitenlandse nationaliteit overeenkomt. Is de geboortenationaliteit van de vader onbekend of Belgisch dan wordt gekeken naar de geboortenationaliteit van de moeder. Is die onbekend of Belgisch dan wordt gekeken naar de geboortenationaliteit van de persoon zelf. Is die onbekend of Belgisch wordt gekeken naar de huidige nationaliteit van de persoon.
In de EU‑SILC-steekproef van 2021 waren er bij de bijna 8.000 bevraagde personen in het Vlaamse Gewest 230 personen met een EU27-nationaliteit (zonder België) en circa 170 personen met een niet‑EU27-nationaliteit. Naar geboorteland ging het om 260 personen geboren in de EU27 buiten België en circa 360 personen geboren buiten de EU27. Bij een aantal van deze groepen is het aantal respondenten relatief klein zodat enige voorzichtigheid geboden is bij de interpretatie van de gegevens.
De gegevens van de KSZ hebben betrekking op de situatie op 1 januari van het jaar (strikt genomen 31 december mindernacht van het voorgaande jaar). Volgende herkomstgroepen worden gehanteerd:
De administratieve gegevens van het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming (DWH AM&SB) van de KSZ kunnen opgedeeld worden naar herkomst. Dat is mogelijk door een koppeling van de gegevens van het Rijksregister over de nationaliteitshistoriek van een persoon en diens ouders aan de gegevens van het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming van de Kruispuntbank Sociale Zekerheid. Om de herkomst van een persoon te bepalen worden 4 criteria in rekening gebracht: de huidige nationaliteit van de persoon, de geboortenationaliteit van de persoon, de geboortenationaliteit van de vader en de geboortenationaliteit van de moeder. Strikt genomen gaat het niet om de geboortenationaliteit, maar om de eerste in het Rijksregister gekende nationaliteit. Is één van deze vier criteria een niet-Belgische nationaliteit, dan wordt de persoon beschouwd als een persoon van buitenlandse herkomst. Deze operationalisering sluit aan bij de doelgroep zoals omschreven in artikel 3 van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse Integratie- en Inburgeringsbeleid. Aangezien niet voor alle personen over alle gebruikte criteria (huidige of geboortenationaliteit van de persoon zelf en geboortenationaliteit van de ouders) gegevens zijn opgenomen in het Rijksregister, is het zo dat voor een deel van de bevolking geen buitenlandse herkomst wordt gevonden maar dat de nationaliteitshistoriek van deze groep onvolledig is. In de praktijk gaat het vooral om oudere personen met een Belgische huidige nationaliteit en Belgische geboortenationaliteit waarvoor geen informatie bekend is over de geboortenationaliteit van de ouders. Aangezien de grote meerderheid van deze groep geboren is vóór 1970 en de mogelijkheden voor personen met een buitenlandse nationaliteit en hun nakomelingen om de Belgische nationaliteit te verwerven tot de jaren 1990 beperkt waren, kan er vanuit gegaan worden dat de grote meerderheid van deze groep personen van Belgische herkomst zijn. Daarom worden de personen behorend tot deze groep hier beschouwd als personen van Belgische herkomst. Begin 2020 ging
• België (inclusief de groep personen zonder buitenlandse herkomst maar met onvolledige nationaliteitshistoriek) • EU: – Buurlanden: Nederland, Frankrijk, Duitsland en Luxemburg – West- en Noord‑EU15-landen: Ierland, Verenigd Koninkrijk, Oostenrijk, Denemarken, Zweden en Finland – Zuid‑EU15-landen: Italië, Spanje, Portugal en Griekenland – EU12/EU13-landen: Estland, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechië, Slovakije, Hongarije, Slovenië, Bulgarije, Roemenië, Malta, Cyprus en Kroatië (vanaf 2014) (Vanaf 2014 gaat het om de EU13-landen, zijnde de EU12-landen plus Kroatië). • Niet‑EU: – Europa niet‑EU: Zwitserland, Noorwegen, Albanië, Wit-Rusland, Kosovo, Moldavië, Rusland, Bosnië, Oekraïne, Liechtenstein, Andorra, Monaco, San Marino, Macedonië, Kroatië (tot en met 2013), IJsland, Servië en Montenegro – Turkije – Maghreb-landen: Marokko, Algerije, Tunesië, Libië en Mauritanië – DR Congo, Burundi en Rwanda – Overig Azië: Aziatische landen zonder Turkije – Overig Afrika: Afrikaanse landen zonder Maghreb-landen – Noord-Amerika en Oceanië: Canada, Verenigde Staten van Amerika, Mexico en alle landen van Oceanië – Zuid- en Midden-Amerika: alle Amerikaanse landen zonder Canada, Verenigde Staten van Amerika en Mexico – Ander en onbekend: personen met een Rijksregistercode die niet eenduidig aan een bepaald land kan worden toegewezen zoals ‘staatloos’, personen waarvan de nationaliteit ‘nog niet definitief is bewezen’ en personen met een onbekende buitenlandse nationaliteit.
43
De verkregen gegevens van de KSZ laten het niet toe om zoals in deel 1 van dit rapport alle huidige EU27-landen voor de gehele periode 2010 tot 2020 bij de EU27 te rekenen. Dat betekent dat Kroatië hier pas bij de EU wordt meegeteld vanaf 2014 (start lidmaatschap in juli 2013). Het Verenigd Koninkrijk werd in de hele periode 2010 tot 2020 wel nog bij de EU gerekend. Het VK verliet de EU pas in februari 2020, terwijl die hier gebruikte cijfers voor 2020 betrekking hebben op de situatie op 1 januari 2020. De administratieve KSZ-gegevens betreffen niet enkel de personen ingeschreven in het bevolkingsregister en het vreemdelingenregister, maar ook de personen ingeschreven in het wachtregister. Met personen die onwettig in het land verblijven, wordt hier geen rekening gehouden. Ook de werkzoekenden zonder werk van de VDAB kunnen worden ingedeeld naar herkomstregio. De VDAB gebruikt zelf de term ‘origine’. Bij de bepaling van de origine van de werkzoekenden zonder werk wordt door de VDAB wel enkel gekeken naar de huidige nationaliteit en de vorige nationaliteit van de persoon zelf. Met de geboortenationaliteit van de ouders wordt in tegenstelling tot bij de KSZ-gegevens dus geen rekening gehouden. De VDAB deelt de werkzoekenden zonder werk naar origine op in 2 grote groepen. De eerste groep bestaat uit EU14‑landen (waaronder België en zonder Verenigd Koninkrijk), EU13-landen en EVA-landen en het Verenigd Koninkrijk. EVA staat voor Europese Vrijhandelsassociatie, een samenwerkingsverband tussen Liechtenstein, Noorwegen, IJsland en Zwitserland. De tweede groep bestaat uit: rest van Europa, Amerika, Azië, Afrika en ‘overige’ (inclusief Oceanië). Aangezien de methode van dataverzameling, de gebruikte definities, de afbakening van de bevolking op arbeidsleeftijd en de operationalisering van herkomst verschillen, kunnen de cijfers op basis van de EAK-, KSZ-, VDAB- en EU‑SILC-gegevens niet onderling met elkaar vergeleken worden. De gegevens over de herkomst van het Vlaamse overheidspersoneel zijn gebaseerd op een geanonimiseerde en geautomatiseerde telling van de dienst Diversiteitsbeleid. De dienst Diversiteitsbeleid bezorgt daartoe de rijksregisternummers van de personeelsleden aan het Rijksregister. Het Rijksregister bepaalt op basis van de huidige en geboortenationaliteit van het personeelslid en de geboortenationaliteit van de ouders de herkomst van het personeelslid en bezorgt die gegevens op een geaggregeerde en geanonimiseerde manier terug aan de dienst Diversiteitsbeleid. Is de huidige nationaliteit van de persoon, de geboortenationaliteit van de persoon en/ of de geboortenationaliteit van minstens 1 van de ouders een niet-Belgische nationaliteit, dan wordt de persoon beschouwd als een persoon van buitenlandse herkomst. De gebruikte definitie sluit zo aan bij de doelgroep zoals omschreven in artikel 3 van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse Integratie- en Inburgeringsbeleid.
Ook over de herkomst van de personeelsleden van de lokale overheden zijn gegevens beschikbaar, gebaseerd op herkomstgegevens van de KSZ. De gebruikte herkomstdefinitie is dezelfde als diegene gebruikt door de dienst Diversiteitsbeleid maar de methode van dataverzameling verschilt. Er worden geen rijksregisternummers doorgegeven aan het Rijksregister. In plaats daarvan worden voor elke gemeente 3 ondernemingsnummers aan de KSZ bezorgd: 1 nummer voor de gemeentediensten in strikte zin, 1 nummer voor het OCMW en 1 nummer voor de politiezone waartoe de gemeente behoort. Aan de hand van deze nummers heeft de KSZ zicht op de personeelsleden van de 300 gemeenten en kan de herkomst van de personeelseden bepaald worden. Die gegevens worden door de KSZ op een geaggregeerde en geanonimiseerde manier aan Statistiek Vlaanderen overgemaakt.
2.1.1 BEVOLKING OP ARBEIDSLEEFTIJD Volgens de EAK-enquête waren er in 2021 circa 3,83 miljoen inwoners op arbeidsleeftijd (tussen 20 en 64 jaar) in het Vlaamse Gewest. Dat zijn er bijna 78.800 meer dan in 2010 (+2%). Die stijging is niet bij alle bevolkingsgroepen even groot. Bij personen met Belgische nationaliteit is er sprake van een lichte afname (-1%), bij personen met een buitenlandse nationaliteit om een duidelijke toename (+51%). Bij de EU‑burgers (+56%) is de stijging nog groter dan bij de niet‑EU‑burgers (+42%). Alles samen zijn er in 2021 binnen de bevolking op arbeidsleeftijd bijna 214.500 personen met een EU‑nationaliteit en ruim 127.500 personen met een nationaliteit van buiten de EU. Tabel 19. Bevolking op arbeidsleeftijd (20-64 jaar) naar nationaliteit op basis van EAK-enquête Vlaams Gewest, 2010-2021, aantal x 1.000
Totaal
Mannen
Vrouwen
2010
2015
2021
2010-2021 IN %
3.527,1
3.508,8
3.490,9
-1,0
EU
137,4
169,6
214,5
+56,1
Niet‑EU
89,5
128,1
127,5
+42,5
1.779,0
1.773,2
1.766,5
-0,7
EU
72,2
85,3
105,6
+46,3
Niet‑EU
65,2
84,3
108,8
+66,9
1.748,1
1.735,6
1.724,3
-1,4
EU
65,2
84,3
108,8
+66,9
Niet‑EU
45,2
67,7
71,1
+57,3
België
België
België
Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Om de vergelijkbaarheid op Europees niveau te verhogen, werd in 2021 een nieuwe vragenlijst geïmplementeerd. De wijzigingen in vergelijking met de oude vragenlijst zijn divers. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EAK Statbel, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
Het aantal personen geboren in het buitenland binnen de bevolking op arbeidsleeftijd ligt duidelijk hoger dan het aantal personen met een huidige buitenlandse nationaliteit. In 2021 ging het om circa 222.700 personen
45
geboren binnen de EU (buiten België) en 349.200 personen geboren buiten de EU. Ook deze groepen zijn tegenover 2010 sterk in omvang toegenomen. Terwijl het aantal personen op arbeidsleeftijd geboren in België afnam, is het aantal personen geboren buiten de EU met 52% toegenomen. Bij de personen geboren binnen de EU gaat het over een toename van 44%. Hier is die toename bij de vrouwen telkens groter dan bij de mannen. Tabel 20. Bevolking op arbeidsleeftijd (20-64 jaar) naar geboorteland op basis van EAK-enquête Vlaams Gewest, 2010-2021, aantal x 1.000 2010 Totaal
Mannen
Vrouwen
2015
2021
2010-2021 IN %
Tabel 21. Bevolking op arbeidsleeftijd (20-64 jaar) naar herkomst op basis van administratieve KSZ-data Vlaams Gewest, 2010-2020, aantal x 1.000
België
2010
2015
2020
2010-2020 IN %
3.152,2
3.056,0
2.915,8
-7,5
Buurlanden
166,1
178,2
192,8
+16,1
West- en Noord‑EU15
19,2
19,6
20,3
+5,4
Zuid‑EU15
66,7
80,1
92,6
+38,8
EU12/EU13
44,9
81,4
119,4
+165,7
39,7
56,4
67,1
+68,7 +38,8
3.370,1
3.316,6
3.251,2
-3,5
Europa niet‑EU
EU
154,9
185,8
222,7
+43,8
Turkije
63,9
76,0
88,8
Niet‑EU
229,1
304,0
349,2
+52,5
Maghreb
83,3
104,8
128,9
+54,9
DR Congo, Burundi en Rwanda
12,3
17,8
22,8
+86,0
Overig Azië
49,9
75,7
112,9
+126,4
Overig Afrika
21,5
34,1
47,7
+122,4
België
België
1.709,9
1.687,4
1.652,3
-3,4
EU
75,7
85,7
107,2
+41,6
Niet‑EU
109,9
145,7
163,8
+49,1
België
1.660,1
1.629,2
1.598,9
-3,7
EU
79,2
100,1
115,5
+45,9
Niet‑EU
119,2
158,3
185,4
+55,5
Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Om de vergelijkbaarheid op Europees niveau te verhogen, werd in 2021 een nieuwe vragenlijst geïmplementeerd. De wijzigingen in vergelijking met de oude vragenlijst zijn divers. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EAK Statbel, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
Noord-Amerika en Oceanië
5,7
6,3
6,9
+21,1
Zuid- en Midden-Amerika
11,7
16,6
23,8
+103,7
Ander en onbekend
4,4
5,8
9,4
+115,6
Totaal EU (excl. België)
297,0
359,3
425,1
+43,2
Totaal niet‑EU
292,2
393,5
508,2
+73,9
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
De administratieve KSZ-gegevens wijzen op een bevolking op arbeidsleeftijd van 3,85 miljoen begin 2020. Dat cijfer ligt iets hoger dan de EAK-gegevens. Tussen 2010 en 2020 is de totale bevolking op arbeidsleeftijd volgens de KSZ-gegevens toegenomen met ongeveer 107.700 personen (+3%). Die groei is echter het resultaat van een negatieve groei bij de bevolking van Belgische herkomst (-8%) en een positieve groei bij de buitenlandse herkomstgroepen. Bij de personen met EU‑herkomst gaat het om een stijging van 43%, bij de personen met een niet‑EU‑herkomst om een stijging van 74%. Uitschieter is de groep personen met een herkomst van één van de EU12/EU13-landen. Hun aantal binnen de bevolking op arbeidsleeftijd is tussen 2010 en 2020 met 166% gestegen.
2.1.2 WERKZAAMHEIDSGRAAD Volgens de EAK-enquête lag de werkzaamheidsgraad van personen tussen 20 en 64 jaar met een niet‑EU‑nationaliteit in 2021 in het Vlaamse Gewest op ruim 48%. De werkzaamheidsgraad is het aandeel werkenden in de totale bevolking op arbeidsleeftijd. Werkenden zijn hier personen die in de referentieweek van de bevraging minstens 1 uur arbeid hebben verricht. De werkzaamheidsgraad ligt bij niet‑EU‑burgers 28 procentpunten lager dan bij Belgen en ook 28 procentpunten lager dan bij personen met een nationaliteit van binnen de Europese Unie (exclusief Belgen). De kloof tussen niet‑EU‑burgers en Belgen schommelt sinds 2010 tussen 23 en 29 procentpunten. Door te kijken naar geboorteland in plaats van huidige nationaliteit kan een deel van de groep personen die in de loop der jaren Belg is geworden, mee in rekening worden gebracht. De werkzaamheidsgraad van personen geboren buiten de Europese Unie (60%) lag in 2021 11 procentpunten hoger dan de werkzaamheidsgraad van personen met een nationaliteit van buiten de EU. Maar ook bij deze groep blijft er nog steeds een kloof van 17 procentpunten bestaan met de werkzaamheidsgraad van personen geboren in België en personen geboren in de Europese Unie (buiten België). De kloof tussen personen geboren buiten de EU en personen geboren in België schommelt in de meest recente jaren tussen 15 en 21 procentpunten.
47
Tussen 2010 en 2021 is de werkzaamheidsgraad van personen met een niet‑EU‑nationaliteit toegenomen met 3 procentpunten. Bij personen met een EU‑nationaliteit is die toename groter (+6 procentpunten). Een gelijkaardig verschil is te zien als gekeken wordt naar de evolutie van de werkzaamheidsgraad van personen geboren in de EU (+9 procentpunten) en buiten de EU (+6 procentpunten). Figuur 17. Werkzaamheidsgraad van personen van 20 tot 64 jaar naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2010-2021, in % Naar nationaliteit België
EU
Niet-EU
2010
72,9
70,5
45,3
2011
72,7
68,9
46,9
2012
72,4
70,0
44,4
2013
72,7
69,8
47,3
2014
72,9
70,6
45,4
2015
72,7
71,5
50,2
2016
73,1
70,4
46,7
2017
74,1
70,4
45,0
2018
75,5
73,4
50,8
2019
76,3
75,9
51,3
2020
75,7
74,4
48,8
2021
76,2
76,3
48,3
Naar geboorteland België
EU
73,5
68,9
53,5
2011
73,3
68,7
53,3
2012
73,3
68,9
52,2
2013
73,4
70,1
55,2
2014
73,6
69,9
53,6
2015
73,6
70,6
54,1
2016
74,0
71,3
53,3
2017
74,9
71,1
56,0
2018
76,2
72,6
61,3
2019
76,9
76,2
62,0
2020
76,3
76,4
59,2
76,8
77,8
Figuur 18. Werkzaamheidsgraad van personen van 20 tot 64 jaar naar geslacht en geboorteland Vlaams Gewest, 2010-2021, in % Mannen België
EU
Niet-EU
2010
78,4
74,9
63,8
2011
78,0
75,4
65,8
2012
77,8
74,3
64,8
2013
77,8
76,5
65,0
2014
77,2
76,2
65,0
2015
76,5
78,3
63,0
2016
77,4
77,8
64,7
2017
78,5
81,1
68,0
2018
79,5
78,7
68,7
2019
80,0
81,4
71,1
2020
78,9
82,4
71,4
2021
78,7
85,5
73,4
Niet-EU
2010
2021
Vooral bij de niet‑Europese vrouwen ligt de werkzaamheidsgraad relatief laag. Van de vrouwen geboren buiten de EU is 48% aan het werk. Bij de mannen gaat het om 73%. Dat ligt respectievelijk 27 en 5 procentpunten lager dan de vrouwen en mannen geboren in België. De werkzaamheidsgraad van de vrouwen geboren buiten de EU is tussen 2010 en 2019 wel beperkt gestegen. Bij de mannen geboren buiten de EU is er vanaf 2016 sprake van een aanhoudende stijging van de werkzaamheidsgraad. De kloof in werkzaamheid tussen mannen geboren in de EU en mannen geboren in België is doorgaans kleiner dan bij vrouwen geboren in de EU en vrouwen geboren in België.
59,8
Vrouwen België
EU
Niet-EU
2010
68,5
63,2
44,1
2011
68,6
63,0
41,3
2012
68,6
64,2
40,2
2013
68,9
64,0
46,1
2014
70,0
64,2
43,0
2015
70,6
64,0
45,8
2016
70,4
65,2
42,9
2017
71,2
61,9
44,2
2018
72,9
67,0
54,0
2019
73,6
71,6
53,0
Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Om de vergelijkbaarheid op Europees niveau te verhogen, werd in 2021 een nieuwe vragenlijst geïmplementeerd. De wijzigingen in vergelijking met de oude vragenlijst zijn divers. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren.
2020
73,5
70,7
47,9
2021
74,9
70,6
47,9
Bron: EAK Statbel, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Om de vergelijkbaarheid op Europees niveau te verhogen, werd in 2021 een nieuwe vragenlijst geïmplementeerd. De wijzigingen in vergelijking met de oude vragenlijst zijn divers. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EAK Statbel, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
49
Internationale vergelijking maakt duidelijk dat in de meeste EU14‑landen de werkzaamheidsgraad van personen geboren buiten de EU hoger ligt dan in het Vlaamse Gewest. Enkel in België en de andere Belgische gewesten, Spanje, Griekenland en Frankrijk ligt de werkzaamheidsgraad van personen geboren buiten de EU lager. Ook als gekeken wordt naar het verschil tussen de werkzaamheidsgraad van personen geboren in het land en de werkzaamheidsgraad van personen geboren buiten de EU, scoort het Vlaamse Gewest niet goed. Enkel in België en de andere Belgische gewesten, Duitsland, Nederland en Zweden is dat verschil (uitgedrukt in procentpunten) nog groter dan in het Vlaamse Gewest. Tabel 22. Werkzaamheidsgraad van personen van 20 tot 64 jaar naar geboorteland Europees vergeleken Belgische gewesten en EU14‑landen, 2020, in % PERSONEN GEBOREN PERSONEN GEBOREN IN HET LAND (1) BUITEN DE EU (2)
VERSCHIL IN PPT. TUSSEN (2) EN (1)
229% bij de personen van EU12/EU13-herkomst. Algemeen genomen gaat het bij de personen van EU‑herkomst om een toename van 70%, bij de personen van niet‑EU‑herkomst om een stijging van 105%. Tabel 23. Werkende bevolking van 20 tot 64 jaar naar herkomst op basis van administratieve KSZ-data Vlaams Gewest, 2010-2020, aantal x 1.000
België
2010
2015
2020
2010-2020 IN %
2.309,8
2.270,5
2.275,2
-1,5
Buurlanden
87,4
100,0
118,7
+35,7
West- en Noord‑EU15
10,1
10,7
12,4
+22,5
Zuid‑EU15
40,9
50,9
63,7
+55,8
EU12/EU13
25,6
51,3
84,4
+229,1
Vlaams Gewest
76,3
59,2
-17,0
Europa niet‑EU
18,9
28,0
40,1
+112,5
Brussels Gewest
65,1
47,7
-17,4
Turkije
30,4
38,4
51,6
+69,6
Waals Gewest
67,1
46,7
-20,3
Maghreb
39,7
52,9
73,6
+85,4
DR Congo, Burundi en Rwanda
6,5
9,3
13,9
+112,6
Overig Azië
25,0
37,6
60,5
+141,7
Portugal
74,4
75,7
+1,3
Italië
62,9
60,3
-2,6
Overig Afrika
10,7
16,8
28,1
+163,0
Noord-Amerika en Oceanië
2,1
2,5
3,2
+52,2
Luxemburg
69,8
64,6
-5,2
Ierland
73,9
68,5
-5,4
Zuid- en Midden-Amerika
6,0
9,0
14,6
+144,4
Ander en onbekend
2,5
3,2
5,1
+99,6
Spanje
67,1
58,6
-8,5
Griekenland
61,8
53,3
-8,5
Finland
77,3
62,7
-14,6
Totaal EU (excl. België)
164,1
212,9
279,2
+70,1
Totaal niet‑EU
141,9
197,7
290,7
+104,9
Frankrijk
73,1
58,2
-14,9
Denemarken
79,2
63,8
-15,4
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
Wat de werkzaamheidsgraad betreft bevestigen de administratieve gegevens van de KSZ in grote lijnen de bevindingen van de EAK-enquête. Er bestaat een duidelijk verschil tussen de werkzaamheidsgraad van personen van Belgische herkomst en de werkzaamheidsgraad van personen van buitenlandse herkomst, vooral dan personen afkomstig van buiten de EU. In 2020 lag de werkzaamheidsgraad bij de personen van Belgische herkomst op 78%. Dat is ruim 12 procentpunten hoger dan bij personen met een EU‑herkomst en 21 procentpunten hoger dan bij personen met een niet‑EU‑herkomst. Bij de relatief lage werkzaamheidsgraad van de personen met een EU‑herkomst dient opgemerkt te worden dat een deel van deze groep tewerkgesteld is als uitgaande grensarbeider, als werknemer van een organisatie of onderneming die geen bijdragen verschuldigd is aan de Belgische sociale zekerheid of als Europees ambtenaar en daardoor in de hier gebruikte KSZ-data niet beschouwd wordt als werkend. Mogelijk is dit ook een verklaring voor het feit dat de werkzaamheid duidelijk lager ligt bij personen afkomstig van de buurlanden en de West- en Noord‑EU‑landen dan bij de personen afkomstig van de Zuid‑EU15landen en de EU12/EU13-landen en voor de relatief lage werkzaamheidsgraad van personen met een herkomst van Noord-Amerika en Oceanië. Bij alle niet‑EU‑groepen lag de werkzaamheidsgraad in 2020 tussen 47% en 61%.
Oostenrijk
77,9
62,5
-15,4
Duitsland
82,8
64,8
-18,0
Nederland
82,3
64,2
-18,1
België
72,6
52,3
-20,3
Zweden
85,3
63,4
-21,9
Bron: EAK Statbel, LFS Eurostat, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
De werkzaamheidsgraad kan ook berekend worden op basis van administratieve data van de KSZ. Bij de KSZ zijn werkenden personen die werken in loondienst (zowel in de privésector als in de overheidssector), personen die tewerkgesteld zijn als zelfstandige, personen die tewerkgesteld zijn als helper bij een zelfstandige en personen die tegelijk werken in loondienst én als zelfstandige of helper bij een zelfstandige. Uit de absolute cijfers over het aantal werkenden blijkt dat het aantal werkenden van Belgische herkomst op arbeidsleeftijd (20 en 64 jaar) tussen 2010 en 2020 is gedaald met 1,5%. Bij alle buitenlandse herkomstgroepen is in dezelfde periode het aantal werkenden duidelijk gestegen. Relatief gezien loopt die stijging uiteen van bijna 23% bij de personen van West- en Noord‑EU‑herkomst tot
51
Algemeen genomen is de werkzaamheidsgraad bij de personen van Belgische herkomst tussen 2010 en 2020 met 5 procentpunten gestegen, bij de EU‑groepen met 10 procentpunten en de niet‑EU‑groepen met 9 procentpunten. Meer specifiek valt op dat bij een aantal herkomstgroepen de werkzaamheidsgraad duidelijk meer gestegen is dan bij andere groepen. De stijging is veruit het grootst bij de personen met een EU12/EU13-herkomst (+14 procentpunten). Daarna volgen de personen met een herkomst uit Europa niet‑EU (12 procentpunten), Turkije (+11 procentpunten) en Zuid- en MiddenAmerika (+10 procentpunten). Bij de personen met herkomst uit overig Azië (+3 procentpunten) is de werkzaamheidsgraad het minst gestegen.
De werkzaamheidsgraad van vrouwen is in de periode 2010-2020 bij het merendeel van de herkomstgroepen sterker gestegen dan bij de mannen, waardoor de genderkloof in die groepen is afgenomen. Bij de vrouwen van EU‑herkomst gaat het om een globale stijging van ruim 11 procentpunten, bij de vrouwen van Belgische herkomst om 7 procentpunten, bij de vrouwen van niet‑EU‑herkomst om 9 procentpunten. Top 3 van de grootste stijgers zijn de vrouwen met een herkomst van Noord-Amerika en Oceanië, met Turkse herkomst en EU12/EU13-herkomst (telkens +13 procentpunten). Bij de mannen zijn er heel wat herkomstgroepen waar de werkzaamheids graad tussen 2010 en 2020 minder toegenomen is dan bij de vrouwen.
Tabel 24. Werkzaamheidsgraad van personen van 20 tot 64 jaar naar herkomst op basis van administratieve KSZ-data
Tabel 25. Werkzaamheidsgraad van personen van 20 tot 64 jaar naar herkomst en geslacht op basis van administratieve KSZ-data
Vlaams Gewest, 2010-2020, in %
Vlaams Gewest, 2010-2020, in % 2010
2015
2020
2010-2020 IN PPT.
België
73,3
74,3
78,0
+4,8
Buurlanden
52,6
56,2
61,5
+8,9
West- en Noord‑EU15
52,7
54,4
61,2
+8,6
Zuid‑EU15
61,3
63,5
68,8
+7,5
EU12/EU13
57,0
63,0
70,7
+13,6
Europa niet‑EU
47,5
Turkije Maghreb
49,5
59,9
+12,3
47,6
50,4
58,1
+10,5
47,7
50,5
57,1
+9,4
DR Congo, Burundi en Rwanda
53,2
52,4
60,8
+7,6
Overig Azië
50,2
49,6
53,6
+3,4
Overig Afrika
49,9
49,4
59,0
+9,1
Noord-Amerika en Oceanië
37,4
39,9
47,0
+9,6
Zuid- en Midden-Amerika
51,1
54,2
61,3
+10,2
Ander en onbekend
58,0
55,1
53,7
-4,3
Totaal EU (excl. België)
55,3
59,3
65,7
+10,4
Totaal niet‑EU
48,5
50,2
57,2
+8,6
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
De werkzaamheidsgraad ligt bij alle herkomstgroepen lager bij vrouwen dan bij mannen. Het grootste verschil is te vinden bij de herkomstgroepen van buiten de EU. Daar ligt de werkzaamheidsgraad van vrouwen op 49% in 2020. Dat is 16 procentpunten lager dan bij mannen. De vrouwen met een herkomst van Noord-Amerika en Oceanië, van Turkse herkomst en van Maghrebijnse herkomst scoren het laagst. Bij de personen van Turkse en Maghrebijnse herkomst is de kloof tussen de werkzaamheidsgraad van mannen en vrouwen het grootst (respectievelijk 24 procentpunten en 23 procentpunten). Bij alle andere herkomstgroepen is die kloof gelijk aan of kleiner dan 15 procentpunten.
MANNEN
VROUWEN
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
België
78,1
80,3
+2,3
68,4
75,7
+7,3
Buurlanden
56,4
63,9
+7,5
48,7
59,2
+10,5
West- en Noord‑EU15
57,8
64,1
+6,3
47,1
58,1
+11,0
Zuid‑EU15
64,4
71,1
+6,8
57,7
66,2
+8,5
EU12/EU13
61,9
75,4
+13,6
52,8
65,8
+13,0
Europa niet‑EU
54,0
66,3
+12,3
42,0
54,5
+12,5
Turkije
61,4
69,6
+8,2
32,7
45,7
+13,0
Maghreb
58,4
68,3
+9,9
36,1
45,6
+9,5
DR Congo, Burundi en Rwanda
55,4
62,0
+6,5
51,5
59,9
+8,5
Overig Azië
56,8
61,1
+4,2
44,5
46,0
+1,5
Overig Afrika
54,2
63,8
+9,6
44,9
53,8
+8,9
Noord-Amerika en Oceanië
43,2
49,4
+6,2
31,4
44,7
+13,3
Zuid- en Midden-Amerika
55,5
65,1
+9,6
48,6
58,9
+10,4
Ander en onbekend
59,9
55,5
-4,4
56,0
51,2
-4,8
Totaal EU (excl. België)
59,1
68,8
+9,6
51,2
62,5
+11,3
Totaal niet‑EU
57,5
65,3
+7,9
39,9
49,2
+9,4
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
De werkzaamheidsgraad van jongeren (20-24 jaar) ligt over het algemeen duidelijk lager dan bij de andere leeftijdsgroepen omdat een groot aandeel van de 20-24-jarigen nog studeert en dus beschouwd wordt als zijnde nietberoepsactief. Maar een lage werkzaamheidsgraad in deze leeftijdsgroep kan ook een gevolg zijn van een relatief hoog aantal werkloze jongeren of jongeren die om een niet-studiegerelateerde reden niet-actief zijn op de arbeidsmarkt. De kloof tussen de werkzaamheidsgraad van jongeren van Belgische herkomst en jongeren van EU‑herkomst bedraagt 6 procentpunten. De kloof tussen de jongeren van Belgische herkomst en jongeren van niet‑EU‑herkomst
53
loopt op tot 12 procentpunten. De werkzaamheidsgraad ligt het laagst bij de jongeren met een herkomst van Noord-Amerika en Oceanië, van DR Congo, Burundi en Rwanda, van West- en Noord‑EU15. Opvallend is wel dat de werkzaamheidsgraad van jongeren tussen 2010 en 2020 bij nagenoeg alle herkomstgroepen daalde of weinig aangroeide. Enige uitzondering hierop zijn de jongeren met een EU12/EU13-herkomst.
Tabel 27. Werkzaamheidsgraad van personen van 20 tot 64 jaar naar herkomst en geboorteland op basis van administratieve KSZ-data Vlaams Gewest, 2010-2020, in % GEBOREN IN BELGIË 2010
2020
2010-2020 IN PPT.
GEBOREN IN HET BUITENLAND 2010
2020
2010-2020 IN PPT.
Bij de personen van Belgische herkomst van 50 tot en met 64 jaar lag de werkzaamheidsgraad in 2020 op 69%. Dat is duidelijk veel hoger dan bij de personen met een Turkse herkomst en de personen met een Maghrebijnse herkomst. De werkzaamheidsgraad van deze leeftijdsgroep is bij alle herkomstgroepen tussen 2010 en 2020 sterk gestegen. Enkel bij de personen met een herkomst van overig Azië blijft die stijging relatief beperkt.
Buurlanden
70,5
73,2
+2,7
41,4
52,8
+11,4
West- en Noord‑EU15
64,5
69,3
+4,8
46,8
55,8
+9,0
Zuid‑EU15
70,3
73,2
+3,0
49,8
63,3
+13,5
EU12/EU13
64,6
66,5
+2,0
55,4
71,0
+15,6
Europa niet‑EU
65,6
62,1
-3,4
45,7
59,6
+14,0
Tabel 26. Werkzaamheidsgraad van personen van 20 tot 64 jaar naar herkomst en leeftijd op basis van administratieve KSZ-data
Turkije
57,8
65,0
+7,2
42,5
52,3
+9,8
Maghreb
56,5
62,8
+6,3
43,0
52,7
+9,6
Vlaams Gewest, 2010-2020, in %
DR Congo, Burundi en Rwanda
55,2
48,5
-6,7
53,0
63,3
+10,3
Overig Azië
52,9
58,8
+5,8
50,0
53,1
+3,1
Overig Afrika
53,2
52,7
-0,5
49,7
59,5
+9,8
20-24 JAAR
25-49 JAAR
50-64 JAAR
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
Noord-Amerika en Oceanië
52,0
55,8
+3,9
33,6
43,5
+10,0
België
54,3
49,0
-5,3
87,6
90,1
+2,4
55,7
69,2
+13,6
Zuid- en Midden-Amerika
56,2
59,3
+3,1
50,7
61,6
+10,9
Buurlanden
42,5
40,7
-1,8
60,4
70,0
+9,6
39,8
54,0
+14,2
Ander en onbekend
61,5
67,3
+5,9
49,2
44,1
-5,1
West- en Noord‑EU15
30,5
30,1
-0,5
61,2
71,5
+10,3
45,4
55,8
+10,4
Zuid‑EU15
45,0
42,9
-2,1
71,5
78,2
+6,7
43,8
59,1
+15,2
Totaal EU (excl. België)
69,7
72,6
+2,9
46,0
61,8
+15,8
EU12/EU13
39,5
51,7
+12,2
62,6
74,6
+11,9
46,1
64,8
+18,7
Totaal niet‑EU
57,4
62,4
+5,1
46,1
55,4
+9,4
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
Europa niet‑EU
33,0
36,9
+3,8
52,7
66,0
+13,2
37,9
54,9
+16,9
Turkije
42,8
45,6
+2,8
54,6
66,6
+12,0
16,0
36,3
+20,3
Maghreb
37,5
39,3
+1,9
54,0
62,8
+8,8
25,7
47,3
+21,7
DR Congo, Burundi en Rwanda
27,6
25,3
-2,4
60,5
67,8
+7,4
45,8
65,5
+19,7
Overig Azië
32,9
34,2
+1,2
53,9
58,0
+4,2
46,0
51,7
+5,8
Overig Afrika
36,1
33,8
-2,3
53,0
63,4
+10,5
45,0
61,1
+16,1
Noord-Amerika en Oceanië
17,2
21,0
+3,8
42,3
52,8
+10,5
37,7
49,5
+11,7
Zuid- en Midden-Amerika
36,3
34,1
-2,2
55,3
66,4
+11,1
43,8
60,8
+17,0
Ander en onbekend
40,8
31,5
-9,3
65,6
58,6
-7,0
49,5
52,6
+3,1
Totaal EU (excl. België)
41,9
43,3
+1,4
63,3
73,3
+10,0
41,7
57,2
+15,5
Totaal niet‑EU
36,5
36,9
+0,4
54,1
63,0
+8,9
32,1
50,0
+18,0
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
Opgesplitst naar geboorteland blijkt de werkzaamheidsgraad bij het merendeel van alle herkomstgroepen duidelijk hoger te liggen bij personen die geboren zijn in België dan bij personen geboren in het buitenland. Enkel bij de personen met een herkomst van Zuid- en Midden-Amerika, van overig Afrika, DR Congo, Rwanda en Burundi en bij de personen met een EU12/EU13-herkomst is dat niet het geval. Algemeen genomen lag in 2020 de werkzaamheidsgraad van personen met een EU‑herkomst geboren in België 11 procentpunten hoger dan personen met een EU‑herkomst geboren buiten België. Bij de personen met een niet‑EU‑herkomst lag de werkzaamheidsgraad van wie geboren is in België 7 procentpunten hoger dan de werkzaamheidsgraad van wie geboren is in het buitenland.
2.1.3 STATUUT EN TEWERKSTELLINGSPOSITIE Op basis van de administratieve KSZ-gegevens kan ook gekeken worden naar de verschillen tussen de herkomstgroepen inzake aandeel loontrekkenden en zelfstandigen, aandeel loontrekkenden per sector, aandeel loontrekkenden per arbeidsregime en aandeel loontrekkenden per dagloonklasse.
55
Zelfstandigen zijn volgens de KSZ personen die tewerkgesteld zijn als zelfstandige, personen die tewerkgesteld zijn als helper bij een werkgever die het statuut van zelfstandige heeft en personen die tegelijk werken in loondienst en als zelfstandige/helper van een zelfstandige waarbij de voornaamste job wordt uitgeoefend als zelfstandige/helper. Loontrekkenden zijn personen die werken in loondienst (zowel in de privésector als in de overheidssector) en personen die tegelijk werken in loondienst en als zelfstandige/helper bij een zelfstandige waarbij de voornaamste job wordt uitgeoefend in loondienst. Het aandeel zelfstandigen in de werkende bevolking ligt bij een aantal buitenlandse herkomstgroepen hoger dan bij de personen van Belgische herkomst: bij de personen afkomstig uit de West- en Noord‑EU15-landen, de buurlanden, de EU12/EU13-landen, Turkije, overig Azië en Noord-Amerika en Oceanië. Bij de andere herkomstgroepen ligt het aandeel zelfstandigen lager dan bij de personen van Belgische herkomst. De personen uit overig Afrika, uit DR Congo, Rwanda en Burundi en de Maghreb-landen scoren het laagst. Het aandeel zelfstandigen is bij de personen afkomstig uit de EU‑landen tussen 2010 en 2020 afgenomen, bij de personen afkomstig uit de niet‑EU‑landen beperkt toegenomen. Tabel 28. Loontrekkenden en zelfstandigen (20-64 jaar) naar herkomst Vlaams Gewest, 2010-2020, in % LOONTREKKENDEN
ZELFSTANDIGEN
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
België
83,9
83,1
-0,8
16,1
16,9
+0,8
Buurlanden
77,8
80,7
+2,9
22,2
19,3
-2,9
West- en Noord‑EU15
77,5
78,9
+1,4
22,5
21,1
-1,4
Zuid‑EU15
85,6
85,4
-0,2
14,4
14,6
+0,2
EU12/EU13
77,5
80,6
+3,1
22,5
19,4
-3,1
Europa niet‑EU
90,3
86,0
-4,3
9,7
14,0
+4,3
Turkije
82,9
81,2
-1,7
17,1
18,8
+1,7
Maghreb
92,3
90,1
-2,2
7,7
9,9
+2,2
DR Congo, Burundi en Rwanda
92,9
92,7
-0,1
7,1
7,3
+0,1
Overig Azië
76,2
80,0
+3,8
23,8
20,0
-3,8
Overig Afrika
92,8
93,9
+1,1
7,2
6,1
-1,1
Noord-Amerika en Oceanië
77,5
78,8
+1,3
22,5
21,2
-1,3
Zuid- en Midden-Amerika
90,2
88,6
-1,6
9,8
11,4
+1,6
Ander en onbekend
84,1
85,7
+1,7
15,9
14,3
-1,7
Totaal EU (excl. België)
79,7
81,6
+2,0
20,3
18,4
-2,0
Totaal niet‑EU
86,8
86,1
-0,7
13,2
13,9
+0,7
De loontrekkende tewerkstelling kan worden opgedeeld in 4 grote economische sectoren. Deze opdeling is gebaseerd op de door het Steunpunt Werk gebruikte indeling van de NACE-sectoren. De primaire sector omvat de landbouw, bosbouw, visserij en de ontginning van delfstoffen. De secundaire sector bestaat uit de industrie, energie, afvalverwerking en bouw. De tertiaire sector omvat de handel en diensten inclusief transport en logistiek, horeca en toerisme en de uitzendsector. De quartaire sector ten slotte bestaat uit de non-profitsector met de overheidsdiensten, gezondheidszorg, onderwijs en maatschappelijke dienstverlening. De verdeling van de verschillende herkomstgroepen over de 4 economische sectoren verschilt. Bij nagenoeg alle groepen ligt het aandeel loontrekkenden in de primaire sector lager dan of beperkt hoger dan 1%. Enkel bij de personen afkomstig uit de EU12/EU13-landen lag dat aandeel in 2020 hoger (3%). Het aandeel in de secundaire sector ligt vooral bij de personen van Turkse herkomst opvallend hoger dan bij de andere herkomstgroepen. Bij de personen met herkomst van DR Congo, Burundi en Rwanda ligt dit aandeel veruit het laagst. Het aandeel loontrekkenden in deze sector is bij alle herkomstgroepen, met uitzondering van overig Azië, tussen 2010 en 2020 duidelijk gedaald. Terwijl het aandeel loontrekkenden in de tertiaire sector bij de personen van Belgische herkomst lager ligt dan bij de andere herkomstgroepen, is dat in de quartaire sector net omgekeerd (uitzondering DR Congo, Burundi en Rwanda). Bij nagenoeg alle buitenlandse herkomstgroepen ligt het aandeel loontrekkenden in de tertiaire sector tussen 50% en 60%. In de quartaire sector scoren de personen van EU12/EU13-herkomst en van Turkse herkomst het laagst. Het aandeel loontrekkenden in de tertiaire sector is bij nagenoeg alle herkomstgroepen gestegen tussen 2010 en 2020. Ook in de quartaire sector is dat bij de meeste groepen het geval, behalve bij de personen met herkomst uit de EU12/EU13-landen, uit Europa niet‑EU, uit DR Congo, Burundi en Rwanda, uit overig Azië, uit overig Afrika en uit Zuid- en Midden-Amerika.
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
57
Tabel 29. Loontrekkenden (20-64 jaar) naar herkomst en sector Vlaams Gewest, 2010-2020, in % PRIMAIRE SECTOR
SECUNDAIRE SECTOR
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
0,3
0,3
=
22,7
20,4
-2,3
Buurlanden
0,4
0,3
=
22,4
18,8
-3,6
West- en Noord‑EU15
0,3
0,3
+0,1
16,7
15,6
-1,1
Zuid‑EU15
1,0
0,5
-0,4
25,8
19,5
-6,3
EU12/EU13
3,7
3,1
-0,6
25,0
24,9
-0,1
Europa niet‑EU
0,6
0,4
-0,2
20,5
17,9
-2,6
Turkije
1,8
0,4
-1,4
37,6
29,1
-8,6
Maghreb
1,3
0,4
-0,8
24,0
18,5
-5,5
DR Congo, Burundi en Rwanda
0,3
0,1
-0,2
7,4
6,8
-0,6
Overig Azië
2,4
1,0
-1,4
13,2
13,6
+0,4
Overig Afrika
2,1
0,9
-1,2
17,8
14,6
-3,3
België
Meer gedetailleerde cijfers maken duidelijk dat in bepaalde subsectoren het aandeel personen van buitenlandse herkomst beduidend hoger of lager ligt dan in andere sectoren. Algemeen genomen is iets meer dan 20% van de loontrekkenden van 20 tot 64 jaar van buitenlandse herkomst. In volgende sectoren ligt dat aandeel op 25% of meer: onderhoud van gebouwen, tuinen en landschapsverzorging (53%), de primaire sector (44%), horeca en toerisme (43%), uitzendbureaus en arbeidsbemiddeling (39%), overige diensten aan personen (32%), logistiek (28%) en transport (25%). In andere sectoren ligt het aandeel personen van buitenlandse herkomst beduidend lager dan 15%: energie en water (8%), algemene overheidsdiensten (9%), verplichte sociale verzekering (9%), onderwijs (10%), financiële diensten (11%), gezondheidszorg (13%), chemische nijverheid (13%), metallurgie (13%), informatica en media (13%), openbaar bestuur (14%) en grafische nijverheid (14%). Tabel 30. Loontrekkenden (20-64 jaar) naar herkomst en gedetailleerde subsector Vlaams Gewest, 2020, in % SUBSECTOR
BELGISCHE HERKOMST
TOTAAL BUITEN LANDSE HERKOMST
EU‑ HERKOMST
NIET‑EU‑ HERKOMST
Noord-Amerika en Oceanië
0,4
0,2
-0,1
15,1
12,3
-2,8
Zuid- en Midden-Amerika
0,5
0,3
-0,2
13,1
12,7
-0,5
p01
Primaire sector
56,1
43,9
29,2
14,8
-3,9
s01
Vervaardiging van dranken, voeding en tabak
75,4
24,6
11,7
12,9
s02
Textiel en kleding
81,5
18,5
7,4
11,0
-2,7
s03
Grafische nijverheid
85,6
14,4
7,8
6,7
-4,9
s04
Chemische industrie
86,7
13,3
7,3
6,1
QUARTAIRE SECTOR
s05
Rubber- en kunststofnijverheid
83,9
16,1
8,7
7,5
Vervaardiging van bouwmaterialen
80,9
19,1
10,5
8,7
87,0
13,0
5,8
7,2
Ander en onbekend Totaal EU (excl. België) Totaal niet‑EU
0,2 1,0 1,4
0,7 1,2 0,6
+0,5 +0,2 -0,9
TERTIAIRE SECTOR
20,4 23,4 22,7
16,5 20,7 17,8
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
s06 s07
Metallurgie
België
38,5
40,3
+1,8
38,4
39,0
+0,6
s08
Vervaardiging van metaalproducten
77,2
22,8
12,6
10,1
Buurlanden
47,9
51,2
+3,3
29,3
29,7
+0,4
s09
Vervaardiging van informatica en elektronische producten
85,5
14,5
7,5
7,0
West- en Noord‑EU15
55,0
54,0
-1,0
28,0
30,1
+2,0
s10
Vervaardiging van (elektrische) apparaten en werktuigen
84,8
15,2
6,9
8,3
Zuid‑EU15
49,8
56,0
+6,3
23,4
23,9
+0,5
s11
Vervaardiging van transportmiddelen
79,7
20,3
7,3
13,0
EU12/EU13
43,5
60,2
+16,7
27,8
11,9
-15,9
s12
Houtindustrie en vervaardiging van meubels
84,6
15,4
9,0
6,4
s13
Overige industrie
82,3
17,7
9,3
8,4
Europa niet‑EU
48,8
58,1
+9,3
30,1
23,7
-6,4
s14
Energie en water
92,5
7,5
4,2
3,2
Turkije
42,8
51,3
+8,5
17,8
19,2
+1,5
s15
Afval en recyclage
80,4
19,6
8,5
11,1
Maghreb
50,0
55,7
+5,7
24,7
25,4
+0,6
s16
Bouw
77,7
22,3
12,6
9,6
DR Congo, Burundi en Rwanda
44,2
52,6
+8,4
48,1
40,5
-7,6
t01
Reparatie en installatie van machines en consumentenartikelen
75,5
24,5
11,7
12,8
Overig Azië
56,1
59,5
+3,5
28,3
25,9
-2,4
t02
Garagewezen
79,1
20,9
10,6
10,4
Overig Afrika
49,3
56,1
+6,8
30,8
28,4
-2,4
t03
Groothandel en handelsbemiddeling
83,0
17,0
9,4
7,7
Noord-Amerika en Oceanië
50,4
51,8
+1,4
34,1
35,6
+1,5
t04
Kleinhandel
78,8
21,2
10,1
11,1
Zuid- en Midden-Amerika
51,7
60,2
+8,5
34,7
26,8
-7,9
t05
Transport
74,9
25,1
12,3
12,9
Ander en onbekend
46,3
54,0
+7,7
33,1
28,8
-4,2
t06
Logistiek
72,3
27,7
11,8
15,9
t07
Post
76,7
23,3
8,5
14,7
Totaal EU (excl. België)
48,1
55,1
+7,0
27,4
23,0
-4,4
t08
Horeca en toerisme
56,9
43,1
16,2
26,9
Totaal niet‑EU
49,0
56,1
+7,1
26,9
25,6
-1,4
t09
Informatie en media
87,0
13,0
7,3
5,7
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
59
SUBSECTOR
BELGISCHE HERKOMST
TOTAAL BUITEN LANDSE HERKOMST
EU‑ HERKOMST
NIET‑EU‑ HERKOMST
Tabel 31. Loontrekkenden (20-64 jaar) naar herkomst en arbeidsregime Vlaams Gewest, 2010-2020, in % DEELTIJDS ARBEIDSREGIME
t10
Telecommunicatie
85,1
14,9
7,2
7,7
t11
Informaticatechnologie
83,2
16,8
9,1
7,7
t12
Financiële diensten
88,6
11,4
6,0
5,4
België
t13
Consultancy en wetenschappelijke activiteiten
83,0
17,0
9,4
7,5
SPECIAAL ARBEIDSREGIME
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
31,5
34,1
+2,6
1,7
2,0
+0,4
Buurlanden
31,3
32,5
+1,3
3,9
4,8
+0,9
27,6
27,7
+0,1
3,3
4,4
+1,2
t14
Uitzendbureaus en arbeidsbemiddeling
61,3
38,7
15,9
22,8
West- en Noord‑EU15
t15
Onderhoud van gebouwen, tuinen en landschapsverzorging
47,4
52,6
26,0
26,6
Zuid‑EU15
29,5
30,3
+0,8
4,0
5,1
+1,1
t16
Overige zakelijke dienstverlening
77,9
22,1
10,6
11,6
EU12/EU13
33,7
34,6
+0,9
5,3
8,3
+3,0
t17
Overige diensten aan personen
68,5
31,5
14,3
17,2
q01
Recreatie, cultuur en sport
78,1
21,9
11,1
10,8
Europa niet‑EU
32,2
34,6
+2,4
5,7
6,7
+1,0
25,9
30,4
+4,5
8,3
8,0
-0,4
30,3
+3,7
8,0
7,9
-0,1
q02
Openbaar bestuur
86,2
13,8
4,7
9,1
Turkije
q03
Algemene overheidsdiensten
90,8
9,2
5,5
3,7
Maghreb
26,6
q04
Verplichte sociale verzekering
90,9
9,1
4,5
4,6
DR Congo, Burundi en Rwanda
33,0
35,4
+2,5
8,0
8,9
+0,9
34,1
29,6
-4,6
6,1
8,2
+2,0
29,1
32,4
+3,3
12,8
13,2
+0,4
q05
Onderwijs
89,6
10,4
5,7
4,8
Overig Azië
q06
Gezondheidszorg
87,0
13,0
6,2
6,8
Overig Afrika
q07
Maatschappelijke dienstverlening
81,7
18,3
7,5
10,8
Noord-Amerika en Oceanië
24,4
26,9
+2,5
2,9
4,4
+1,5
39,4
39,0
-0,4
6,6
7,4
+0,8
q08 Totaal
Belangenvertegenwoordiging
81,6
18,4
8,7
9,7
Zuid- en Midden-Amerika
79,8
20,2
9,6
10,6
Ander en onbekend
31,9
29,6
-2,3
4,5
11,1
+6,6
Totaal EU (excl. België)
31,0
32,4
+1,5
4,1
5,9
+1,8
Totaal niet‑EU
29,5
31,7
+2,1
7,7
8,4
+0,7
Noot: indeling van 42 subsectoren gebaseerd op sectorindeling van Steunpunt Werk (WSE 42). Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
Inzake arbeidsregime kan het totaal van de loontrekkenden op basis van de KSZ-gegevens opgedeeld worden in werkenden met een voltijdse arbeidsregeling, werkenden met een deeltijdse regeling en werkenden met een speciaal regime. Het speciale regime heeft betrekking op het werk in korte/onregelmatige contracten (uitzendarbeid, seizoenarbeid, gelegenheidsarbeid in land- en tuinbouw of in de horeca). Vooral bij de loontrekkenden in een speciaal regime zijn de verschillen opvallend. Het aandeel personen met een niet‑EU‑herkomst in dat regime ligt 4 keer hoger dan het aandeel personen van Belgische herkomst. Bij de EU‑groepen ligt dat aandeel 3 keer hoger dan bij de personen van Belgische herkomst. Bij de EU‑groepen ligt het aandeel bij de personen van EU12/EU13-herkomst nog duidelijk hoger dan bij de andere groepen.
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
Ten slotte kunnen de loontrekkenden op basis van de KSZ-gegevens ook opgedeeld worden naar dagloonklasse. Hierbij wordt niet gewerkt met het werkelijke loon, maar met het brutoloon dat de werknemer zou ontvangen wanneer hij of zij de job in kwestie 1 dag voltijds zou uitvoeren. Er blijkt inzake dagloonklasse een tweedeling tussen de groepen met een Belgische herkomst of een herkomst van de buurlanden of van de andere Westen Noord‑EU15-landen enerzijds en de groepen met een EU12/EU13-herkomst of een niet‑EU‑herkomst anderzijds. Het aandeel van de laagste dagloonklasse ligt bij de EU12/EU13- en niet‑EU‑groepen beduidend hoger. Bij de personen met Belgische herkomst en de personen afkomstig uit de buurlanden of de andere West- en Noord‑EU15-landen ligt het aandeel van de hoogste dagloonklasse duidelijk hoger. Uitzondering hierop vormen de personen met een herkomst van Noord-Amerika en Oceanië die als niet‑EU‑groep een gelijkaardig profiel kennen inzake loon als de personen van Belgisch herkomst, van de buurlanden of van de andere West- en Noord‑EU15-landen. Dat het aandeel in de laagste dagloonklasse tussen 2010 en 2020 is afgenomen en het aandeel in de hoogste dagloonklasse is toegenomen, hangt samen met de algemene stijging van de lonen in deze periode. De loongegevens waarop de verdeling per dagloonklasse in de figuur gebaseerd is, werden niet
61
gecorrigeerd voor inflatie. Toch valt op dat het aandeel personen in de hoogste dagloonklasse bij de personen van Belgische herkomst veel sterker is gestegen dan bij de andere herkomstgroepen. Tabel 32. Loontrekkenden (20-64 jaar) naar herkomst en dagloonklasse Vlaams Gewest, 2010-2020, in % 0-100 EURO 2010
2020
100-150 EURO 20102020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
150 EURO EN MEER 2010
2020
2010-2020 IN PPT.
België
32,8
16,3
-16,5
43,0
40,6
-2,4
24,2
43,1
+18,9
Buurlanden
44,0
24,2
-19,8
36,8
44,8
+8,0
19,1
30,9
+11,8
West- en Noord‑EU15
37,3
19,8
-17,5
32,6
40,0
+7,5
30,1
40,2
+10,0
Zuid‑EU15
49,8
28,3
-21,5
38,9
47,1
+8,2
11,2
24,6
+13,3
EU12/EU13
63,8
46,4
-17,4
28,6
42,7
+14,1
7,6
10,9
+3,3
Europa niet‑EU
68,2
41,0
-27,1
25,5
44,7
+19,2
6,4
14,3
+8,0
Turkije
58,6
36,0
-22,5
37,6
49,3
+11,7
3,8
14,7
+10,9
Maghreb
60,6
33,6
-27,0
34,0
48,6
+14,6
5,4
17,8
+12,4
DR Congo, Burundi en Rwanda
67,5
36,7
-30,7
26,6
48,2
+21,5
5,9
15,1
+9,2
Overig Azië
71,1
43,4
-27,7
21,9
42,7
+20,8
7,1
14,0
+6,9
Overig Afrika
75,4
44,8
-30,6
20,9
46,6
+25,8
3,8
8,6
+4,8
Noord-Amerika en Oceanië
33,9
18,8
-15,2
31,3
38,9
+7,6
34,7
42,3
+7,6
Zuid- en Midden-Amerika
68,1
42,0
-26,1
24,2
42,9
+18,6
7,6
15,1
+7,5
Ander en onbekend
50,5
36,5
-14,0
36,5
44,6
+8,1
12,9
18,9
+6,0
Totaal EU (excl. België)
48,2
31,6
-16,6
35,9
44,5
+8,7
15,9
23,8
+7,9
Totaal niet‑EU
64,2
38,6
-25,6
29,8
46,3
+16,5
6,0
15,1
+9,1
Noot: dagloon niet gecorrigeerd voor inflatie. Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.1.4 TEWERKSTELLING BIJ DE OVERHEID De dienst Diversiteitsbeleid van de Vlaamse overheid verzamelt sinds een aantal jaar op een geanonimiseerde en geautomatiseerde manier (via het Rijksregister) gegevens over de herkomst van het personeel van de Vlaamse overheidsdiensten. Het gaat om het personeel van de departementen, de intern verzelfstandigde agentschappen met en zonder rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen en de strategische adviesraden. Eind 2020 waren bijna 12% van de personeelsleden van de Vlaamse overheid van buitenlandse herkomst. Sinds de start van de meting met de huidige methode in 2016 is het aandeel personen van buitenlandse herkomst jaar na jaar toegenomen.
Er bestaan opvallende verschillen tussen de beleidsdomeinen. Het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare werken scoorde eind 2020 het hoogst met bijna 17% personen van buitenlandse herkomst. Bij het beleidsdomein Landbouw en Visserij gaat het slechts om circa 4% van het personeel. Tabel 33. Personen van buitenlandse herkomst in personeel van de Vlaamse overheid Vlaamse overheid, 2020, in % % Mobiliteit en Openbare Werken
16,5
Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie (KBBJ)
16,0
Werk en Sociale Economie
12,2
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
9,3
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
7,4
Onderwijs en Vorming
7,3
Andere
6,5
Economie, Wetenschap en Innovatie
5,5
Omgeving
5,2
Financiën en Begroting
3,8
Landbouw en Visserij
3,7
Totaal
11,5
Bron: dienst Diversiteitsbeleid
Ook over de herkomst van de personeelsleden van de lokale overheden zijn gegevens beschikbaar op basis van de herkomstgegevens van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. Uit de cijfers blijkt dat begin 2019 (cijfers van 2020 nog niet beschikbaar) 13% van het personeel van alle Vlaamse gemeenten personen zijn van buitenlandse herkomst. Het gaat om de som van het personeel van de gemeentediensten in strikte zin, van de OCMW’s (inclusief personen tewerkgesteld onder art. 60 van de OCMW-wet) en van de politiezones (administratief en operationeel personeel). Het aandeel personen van buitenlandse herkomst ligt het hoogst bij de OCMW’s (21%). Dat is dubbel zo hoog als bij de gemeentediensten in strikte zin (10%) en ruim 4 keer hoger dan bij het personeel van de politiezones (5%). Het aandeel personen van buitenlandse herkomst in het gemeentepersoneel ligt duidelijk lager dan in de totale bevolking van 18 tot 64 jaar (24%). Tussen 2010 en 2019 is het aandeel personeelsleden van buitenlandse herkomst in het gemeentepersoneel duidelijk toegenomen en dit in elk van de 3 onderdelen. Maar deze toename is telkens wel kleiner dan de toename van het aandeel personen van buitenlandse herkomst in de totale bevolking van 18 tot 64 jaar.
63
Tabel 34. Personen van buitenlandse herkomst in personeel Vlaamse gemeenten Gemeenten van Vlaams Gewest, 2010-2019, in % 2010
Totaal personeel gemeenten, OCMW’s en politiezones
2019
2010-2019 IN PPT.
Figuur 19. ILO-werkloosheidsgraad van personen van 15 tot 64 jaar naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2010-2021, in % Naar nationaliteit België
EU
Niet-EU
8,0
13,1
+5,1
2010
4,7
9,0
23,4
- Gemeentepersoneel in strikte zin
6,3
10,1
+3,8
2011
3,8
8,1
19,4
- OCMW-personeel
11,6
21,1
+9,5
2012
3,9
9,3
22,9
- Personeel politiezones
3,6
5,4
+1,8
2013
4,5
9,3
21,7
15,9
23,5
+7,6
2014
4,5
8,1
21,1
2015
4,7
9,0
17,1
2016
4,2
8,0
21,4
2017
3,7
Bevolking 18-64 jaar Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.1.5 WERKLOOSHEID Ook de werkloosheid kan op basis van verschillende bronnen in kaart gebracht worden. Eerst wordt stil gestaan bij de gegevens van de EAKenquête die internationale vergelijkingen mogelijk maakt. Daarna worden de administratieve KSZ-data besproken die het mogelijk maken om in te zoomen op de situatie van specifieke herkomstgroepen.
8,5
20,0
2018
3,0
6,1
15,4
2019
2,9
5,6
12,9
2020
3,1
5,9
13,6
2021
3,4
6,4
17,0
Naar geboorteland
Er moet hierbij wel rekening gehouden worden met een belangrijk verschil in definitie van werkloosheid tussen de EAK-enquête en de administratieve gegevens van de KSZ. Werklozen zijn in de EAK-enquête personen zonder betrekking die werk zoeken, daarvoor concrete stappen hebben gezet gedurende de laatste 4 weken en bovendien binnen de 2 weken kunnen beginnen met werken, evenals de personen zonder betrekking die een job hebben die binnen de 3 maanden begint (ILO-definitie). Bij de KSZ-data gaat het om werkzoekenden na voltijdse tewerkstelling met werkloosheidsuitkering, werkzoekenden na een vrijwillig deeltijdse job met werkloosheidsuitkering en werkzoekenden na studies, met wachtuitkering (tot 2012)/inschakelingsuitkering (vanaf 2012) of overbruggingsuitkering (exclusief jongeren in wachttijd/beroepsinschakelingstijd). Het gaat dus in tegenstelling tot bij de EAK-enquête enkel om uitkeringsgerechtigde werklozen. Op basis van de EAK- en KSZ-gegevens kan een werkloosheidsgraad berekend worden: het aandeel werklozen in de beroepsbevolking. De beroepsbevolking zijn de personen op arbeidsleeftijd (hier 15 tot 64 jaar) die actief zijn op de arbeidsmarkt, hetzij als werkende, hetzij als werkloze.
België 2010
4,3
EU
Niet-EU
8,5
17,4
2011
3,5
6,8
14,8
2012
3,5
8,1
17,0
2013
4,2
7,0
15,8
2014
4,2
8,1
15,3
2015
4,2
9,1
15,7
2016
3,9
6,3
16,1
7,3
12,4
2017
3,5
2018
2,7
6,4
9,7
2019
2,7
4,4
8,9
2020
2,9
5,3
9,4
2021
3,3
5,3
9,8
Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Om de vergelijkbaarheid op Europees niveau te verhogen, werd in 2021 een nieuwe vragenlijst geïmplementeerd. De wijzigingen in vergelijking met de oude vragenlijst zijn divers. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Bron: EAK Statbel, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
De werkloosheidsgraad zoals gedefinieerd door de International Labour Organization (ILO) lag volgens de EAK-enquête van 2021 bij personen met een niet‑EU‑nationaliteit ruim 4 keer hoger dan bij Belgen en goed 2 keer hoger dan bij personen met een EU‑nationaliteit (exclusief Belgen). Ook naar geboorteland is er een opmerkelijk maar iets kleiner verschil. De ILOwerkloosheidsgraad van personen geboren buiten de EU lag 3 keer hoger dan bij de personen geboren in België en bijna 2 keer zo hoog als bij personen geboren binnen de EU (buiten België).
Naar geslacht blijkt dat in 2021 de werkloosheidsgraad bij vrouwen geboren buiten de EU iets hoger lag dan de werkloosheidsgraad bij mannen geboren buiten de EU. Over de werkloosheidssituatie en -evolutie van mannen en vrouwen geboren binnen de EU kan weinig gezegd worden wegens het te kleine aantal werklozen in deze groepen in de steekproef van de EAKenquête.
65
Figuur 20. ILO-werkloosheidsgraad van personen van 15 tot 64 jaar naar geslacht en geboorteland Vlaams Gewest, 2010-2021, in % Mannen België
EU
Niet-EU
2010
4,4
2011
3,4
2012
3,5
8,8
16,6
2013
4,0
7,8
17,3
2014
4,2
9,0
15,0
2015
4,7
8,7
16,5
2016
4,0
15,6
2017
3,3
11,2
2018
2,8
2019
8,3
17,7 15,0
6,4 2,7
9,6 9,5
2020
2,8
9,5
2021
3,8
9,0
Vrouwen België
EU
Internationale vergelijking maakt duidelijk dat het Vlaamse Gewest op vlak van de werkloosheidsgraad van personen geboren buiten de EU in 2020 een plaats haalt in de middenmoot van de EU14‑landen en Belgische gewesten. Dat geldt ook voor wat betreft de kloof tussen de werkloosheidsgraad van personen geboren in het land en de werkloosheidsgraad van personen geboren buiten de EU.
Niet-EU
Tabel 35. Werkloosheidsgraad van personen van 15 tot 64 jaar naar geboorteland Europees vergeleken Belgische gewesten en EU14‑landen, 2020, in % PERSONEN GEBOREN IN HET LAND (1)
PERSONEN GEBOREN BUITEN DE EU (2)
VERSCHIL IN PPT. TUSSEN (2) EN (1)
Vlaams Gewest
2,9
9,4
+6,5
Brussels Gewest
10,7
19,8
+9,1
Waals Gewest
6,5
16,0
+9,4
Ierland
5,3
7,7
+2,4
Portugal
6,8
9,6
+2,8
Italië
8,8
12,4
+3,6
Denemarken
5,4
9,2
+3,8
Nederland
3,4
7,6
+4,2
Duitsland
3,1
9,1
+6,0
2010
4,3
17,0
Frankrijk
7,4
14,4
+7,0
2011
3,7
14,4
Finland
7,5
15,5
+8,0
2012
3,6
17,7
Oostenrijk
3,9
12,9
+9,0
2013
4,4
13,8
Luxemburg
4,9
14,6
+9,7
2014
4,2
15,7
België
4,5
14,2
+9,7
2015
3,6
14,7
Spanje
13,8
24,6
+10,8
2016
3,6
16,8
Griekenland
15,5
28,6
+13,1
2017
3,8
10,3
14,3
Zweden
5,3
22,8
+17,5
6,3
9,8
9,5
2018
2,6
2019
2,6
2020 2021
2,9 2,7
Bron: EAK Statbel, LFS Eurostat, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
8,2 6,3
9,2
6,2
10,9
Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Om de vergelijkbaarheid op Europees niveau te verhogen, werd in 2021 een nieuwe vragenlijst geïmplementeerd. De wijzigingen in vergelijking met de oude vragenlijst zijn divers. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Geen cijfers naar geboorteland beschikbaar in sommige jaren wegens te kleine aantallen in de EAK-steekproef. Bron: EAK Statbel, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
De administratieve KSZ-data maken het mogelijk om te focussen op de werkloosheidssituatie van specifieke herkomstgroepen. Het gaat om personen die als werkzoekend worden beschouwd door de nomenclatuur van het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming van de KSZ. Het gaat in tegenstelling tot bij de EAK-enquête enkel om uitkeringsgerechtigde werklozen. De werkloosheidsgraad van personen van buitenlandse herkomst ligt duidelijk hoger dan bij de personen van Belgische herkomst, zeker bij de personen afkomstig van buiten de EU. Bij de personen van Belgische herkomst lag de werkloosheidsgraad in 2020 het laagst (2%). Bij de personen van niet‑EU‑herkomst lag de werkloosheidsgraad een stuk hoger (9%). Opgesplitst naar herkomstgroep ligt de werkloosheidsgraad het hoogst bij de personen met een herkomst van DR Congo, Burundi en Rwanda (10%), overig Afrika (10%), Maghreb-landen (10%) en Europa niet‑EU (9%).
67
De werkloosheidsgraad is bij al de buitenlandse herkomstgroepen tegenover 2010 gedaald. Die daling is het grootst bij de personen van Turkse en Maghrebijnse herkomst.
Tabel 37. Werkloosheidsgraad van personen van 15 tot 64 jaar naar herkomst en geslacht op basis van administratieve KSZ-data Vlaams Gewest, 2010-2020, in % MANNEN
Tabel 36. Werkloosheidsgraad van personen van 15 tot 64 jaar naar herkomst op basis van administratieve KSZ-data Vlaams Gewest, 2010-2020, in % 2010
2015
2020
2010-2020 IN PPT.
België
4,4
4,0
2,4
-2,0
Buurlanden
7,6
7,8
4,7
-2,8
West- en Noord‑EU15
6,1
6,3
3,7
-2,4
Zuid‑EU15
9,7
8,2
4,6
-5,1
EU12/EU13
6,0
6,3
4,2
-1,9
Europa niet‑EU
14,7
15,6
9,1
-5,5
Turkije
19,3
16,0
8,1
-11,2
Maghreb
20,5
16,7
9,7
-10,7
DR Congo, Burundi en Rwanda
16,3
16,0
10,1
-6,2
Overig Azië
9,5
10,8
7,0
-2,5
Overig Afrika
16,6
16,8
9,8
-6,8
Noord-Amerika en Oceanië
6,6
6,2
3,6
-3,0
Zuid- en Midden-Amerika
10,9
10,5
5,6
-5,3
Ander en onbekend
9,8
10,1
6,5
-3,3
Totaal EU (excl. België)
7,8
7,5
4,5
-3,3
Totaal niet‑EU
16,5
14,8
8,5
-8,0
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
Als enkel gekeken wordt naar de grote herkomstgroepen (Belgische herkomst, EU‑herkomst en niet‑EU‑herkomst) blijkt er op basis van de KSZ-gegevens inzake werkloosheid weinig verschil naar geslacht. Dat is er bij een aantal meer gedetailleerde herkomstgroepen wel. Zo ligt de werkloosheidsgraad bij vrouwen van Turkse herkomst duidelijk hoger dan bij mannen van Turkse herkomst. Bij personen met een herkomst van overig Azië is het omgekeerd: daar is de werkloosheidsgraad bij mannen duidelijk hoger dan bij vrouwen.
VROUWEN
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
België
3,8
2,4
-1,4
5,1
2,4
-2,7
Buurlanden
6,6
4,4
-2,2
8,7
5,0
-3,6
West- en Noord‑EU15
5,7
4,1
-1,6
6,7
3,2
-3,5
Zuid‑EU15
9,3
4,7
-4,5
10,3
4,5
-5,8
EU12/EU13
5,1
3,6
-1,5
6,9
4,8
-2,1
Europa niet‑EU
15,9
9,2
-6,7
13,3
9,1
-4,2
Turkije
16,6
6,9
-9,6
24,3
10,0
-14,3
Maghreb
20,5
9,6
-10,9
20,4
10,0
-10,5
DR Congo, Burundi en Rwanda
16,3
9,6
-6,6
16,3
10,4
-5,9
Overig Azië
11,0
7,9
-3,1
7,7
5,8
-1,9
Overig Afrika
17,6
9,8
-7,8
15,1
9,7
-5,4
Noord-Amerika en Oceanië
5,2
3,3
-1,9
8,5
3,9
-4,5
Zuid- en Midden-Amerika
11,9
5,8
-6,1
10,3
5,6
-4,7
Ander en onbekend
8,8
7,0
-1,9
10,9
5,8
-5,1
Totaal EU (excl. België)
7,0
4,2
-2,8
8,7
4,8
-3,9
Totaal niet‑EU
16,6
8,4
-8,2
16,3
8,6
-7,7
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
Bij de werkloosheidsgraad van jongeren (15-24 jaar) (exclusief jongeren in beroepsinschakelingstijd) zijn gelijkaardige verschillen te zien als bij de totale bevolking. De werkloosheidsgraad lag bij jongeren van Maghrebijnse herkomst en van Europese niet‑EU‑herkomst in 2020 haast 3 keer hoger dan bij jongeren van Belgische herkomst (8% tegenover 3%). Bij nagenoeg alle niet‑EU‑groepen ligt de jongerenwerkloosheid minstens dubbel zo hoog als bij de jongeren van Belgische herkomst. Enkel bij de jongeren van NoordAmerika en Oceanië is dat niet het geval. Bij de oudste leeftijdsgroep zijn de verschillen tussen de groep personen van Belgische herkomst en de buitenlandse herkomstgroepen nog groter. Bij de personen van Belgische herkomst van 50 tot en met 64 jaar lag de werkloosheidsgraad in 2020 op ruim 3%. Bij de groep ouderen van Turkse herkomst en Maghrebijnse herkomst ligt de werkloosheidsgraad bijna 5 keer hoger. Ook de andere herkomstgroepen die bij de jongeren minder goed scoren, doen dat ook bij de ouderen.
69
Tabel 38. Werkloosheidsgraad van personen van 15 tot 64 jaar naar herkomst en leeftijd op basis van administratieve KSZ-data
Tabel 39. Werkloosheidsgraad van personen van 15 tot 64 jaar naar herkomst en geboorteland op basis van administratieve KSZ-data
Vlaams Gewest, 2010-2020, in %
Vlaams Gewest, 2010-2020, in %
15-24 JAAR
25-49 JAAR
50-64 JAAR
GEBOREN IN BELGIË
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
België
6,5
2,8
-3,7
3,4
1,7
-1,7
6,2
3,3
-2,9
Buurlanden
9,6
3,9
-5,7
6,9
4,1
-2,8
8,6
6,5
West- en Noord‑EU15
7,3
3,3
-3,9
5,7
2,8
-2,9
7,0
Zuid‑EU15
12,4
5,2
-7,2
8,4
3,9
-4,5
13,3
EU12/EU13
6,6
4,4
-2,2
5,1
3,8
-1,3
10,4
5,8
-4,7
Europa niet‑EU
16,7
8,0
-8,7
14,1
7,7
-6,4
GEBOREN IN BUITENLAND
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
Buurlanden
6,4
3,3
-3,0
8,8
6,1
-2,7
-2,1
West- en Noord‑EU15
6,5
3,3
-3,2
5,9
4,1
-1,8
6,1
-0,9
Zuid‑EU15
9,1
3,9
-5,2
10,8
5,6
-5,2
6,6
-6,7
EU12/EU13
7,8
4,5
-3,3
5,5
4,1
-1,4
Europa niet‑EU
8,0
4,9
-3,1
15,6
9,6
-5,9
Turkije
19,3
7,0
-12,3
19,4
9,3
-10,1
16,3
14,4
-1,9
Turkije
21,6
7,8
-13,8
17,7
7,0
-10,7
35,2
14,8
-20,3
Maghreb
20,0
8,3
-11,7
20,8
11,0
-9,8
Maghreb
23,6
8,5
-15,1
19,0
8,7
-10,3
29,4
15,2
-14,3
DR Congo, Burundi en Rwanda
12,1
7,0
-5,1
16,7
10,5
-6,2
DR Congo, Burundi en Rwanda
14,2
6,4
-7,8
15,9
9,7
-6,2
20,6
12,1
-8,5
Overig Azië
9,6
4,2
-5,5
9,5
7,3
-2,1
Overig Azië
9,8
5,1
-4,6
8,9
6,1
-2,8
13,0
12,4
-0,6
Overig Afrika
13,0
6,0
-7,0
16,8
10,0
-6,7
Overig Afrika
15,9
6,1
-9,7
16,2
9,2
-7,0
21,6
14,7
-6,9
Noord-Amerika en Oceanië
8,8
3,4
-5,5
5,7
3,7
-1,9
Noord-Amerika en Oceanië
10,3
3,8
-6,5
5,3
2,7
-2,6
9,2
6,1
-3,1
Zuid- en Midden-Amerika
10,4
4,7
-5,7
11,0
5,8
-5,2
Zuid- en Midden-Amerika
10,3
5,6
-4,7
10,3
5,0
-5,4
16,3
9,2
-7,1
Ander en onbekend
9,5
4,4
-5,1
10,8
8,7
-2,1
Ander en onbekend
10,9
4,0
-6,9
10,2
6,5
-3,7
7,7
8,2
0,5 Totaal EU (excl. België)
7,4
3,6
-3,8
8,2
5,0
-3,1
Totaal EU (excl. België)
9,9
4,3
-5,6
6,9
3,9
-3,0
9,8
6,3
-3,4
Totaal niet‑EU
17,6
7,1
-10,5
16,0
9,1
-7,0
Totaal niet‑EU
18,9
7,0
-11,9
15,4
7,6
-7,9
21,5
13,7
-7,8
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
Op één uitzondering na ligt bij alle buitenlandse herkomstgroepen de werkloosheidsgraad lager bij personen geboren in België dan personen geboren in het buitenland. Dat verschil is het grootst bij de niet‑EU‑groepen. Bij de personen met een herkomst van Europa niet‑EU ligt de werkloosheidsgraad bij personen geboren in het buitenland ongeveer dubbel zo hoog als bij personen geboren in België.
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
Ruim 6 op de 10 werklozen van Belgische herkomst waren in 2020 langdurig werkloos (langer dan 1 jaar) en bijna 5 op de 10 zijn zeer langdurig werkloos (langer dan 2 jaar). Bij de EU‑herkomstgroepen liggen die percentages telkens duidelijk lager. Bij de niet‑EU‑groepen is het beeld meer gevarieerd: bij een aantal groepen ligt het aandeel langdurig werklozen iets lager, bij een aantal groepen iets hoger. Het aandeel zeer langdurig werklozen ligt overal onder het aandeel zeer langdurig werklozen van Belgische herkomst. Het aandeel langdurige en zeer langdurige werklozen is bij de personen van Belgische herkomst tussen 2010 en 2020 gestegen. Dat is ook het geval bij nagenoeg alle andere herkomstgroepen. Uitzondering hierop zijn de personen van EU12/EU13-herkomst. Daar is het aandeel langdurige en zeer langdurige werklozen tussen 2010 en 2020 gedaald. Ook bij de personen met Turkse herkomst is het aandeel langdurig werklozen in dezelfde periode iets gedaald.
71
Tabel 40. Langdurig (langer dan 1 jaar) en zeer langdurig (langer dan 2 jaar) werklozen in totaal werklozen naar herkomst Vlaams Gewest, 2010-2020, in % % LANGDURIG WERKLOZEN 2010-2020 IN PPT.
% ZEER LANGDURIG WERKLOZEN 2020
2010-2020 IN PPT.
41,6
47,8
+6,2
30,7
39,8
+9,1
43,1
+12,4
2010
2020
2010
België
58,6
62,0
+3,3
Buurlanden
51,0
56,6
+5,6
West- en Noord‑EU15
49,1
59,2
+10,1
30,7
werklozen volgens de KSZ. De gegevens over het aantal werkzoekenden zonder werk ingeschreven bij de VDAB kunnen opgesplitst worden naar origine. Dat gebeurt op basis van de huidige nationaliteit en de vorige nationaliteit van de persoon zelf. Met de geboortenationaliteit van de ouders wordt door de VDAB in tegenstelling tot bij de KSZ-herkomstgegevens geen rekening gehouden. Uit de opdeling naar origine blijkt dat de evolutie van het aantal werkzoekenden zonder werk tussen 2010 en 2021 niet voor alle herkomstgroepen gelijklopend is. Algemeen genomen is het aantal werkzoekenden zonder werk tussen 2010 en 2021 afgenomen met 22%. Bij de werkzoekenden zonder werk van Belgische origine gaat het om een afname met 35%. Bij de werkzoekenden zonder werk van EU14‑origine (zonder België) en van EU13-origine gaat het om een toename van respectievelijk 205% en 85%. Bij de andere groepen wordt bijna overal een daling genoteerd. De grootte van die daling verschilt echter van groep tot groep.
Zuid‑EU15
51,3
52,2
+0,9
29,7
34,1
+4,4
EU12/EU13
50,7
46,9
-3,8
29,7
26,1
-3,6
Europa niet‑EU
51,5
63,8
+12,3
24,2
46,5
+22,3
Turkije
55,1
53,7
-1,4
29,8
35,3
+5,4
Maghreb
58,9
58,9
=
32,8
39,7
+6,9
Tabel 41. Werkzoekenden zonder werk naar origine op basis van administratieve VDAB-data
DR Congo, Burundi en Rwanda
56,1
62,4
+6,2
32,0
43,8
+11,8
Vlaams Gewest, 2010-2021, aantal x 1.000
Overig Azië
53,8
57,2
+3,5
28,8
36,7
+7,8
Overig Afrika
55,0
59,2
+4,2
26,0
39,2
+13,1
Noord-Amerika en Oceanië
53,6
57,4
+3,7
32,5
40,2
+7,7
Zuid- en Midden-Amerika
50,9
51,6
+0,7
29,0
33,2
Ander en onbekend
53,7
57,5
+3,8
32,9
34,6
2010
2015
2021
2010-2021, IN %
België
170,1
159,5
110,7
-35
+4,2
EU14 (zonder België)
15,7
17,7
47,7
+205
+1,8
EU13
3,8
8,2
7,0
+85
EVA en VK
0,8
0,7
0,4
-50
Rest van Europa
8,4
7,6
2,7
-68
Noot: bij de cijfers over langdurig werklozen werden ook de zeer langdurig werklozen meegeteld.
Amerika
2,1
2,7
1,5
-30
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
Azië
18,5
22,7
10,5
-43
Afrika
26,6
28,8
9,0
-66
Overige (inclusief Oceanië)
0,7
1,0
3,8
+410
246,7
248,9
193,2
-22
Totaal EU (excl. België)
51,0
53,0
+2,0
30,3
34,8
+4,5
Totaal niet‑EU
55,8
58,4
+2,6
30,0
39,3
+9,4
Zoals gesteld, hebben de KSZ-gegevens over werkloosheid enkel betrekking op de uitkeringsgerechtigde werklozen. Verschillende groepen die traditioneel als werkzoekend worden beschouwd, zijn daardoor niet opgenomen in de KSZ-cijfers. Dat is wel het geval in de cijfers van de VDAB over de werkzoekenden zonder werk. Het gaat daarbij niet alleen om uitkeringsgerechtigde werkzoekenden, maar ook om bijkomende categorieën zoals de jongeren in beroepsinschakelingstijd, de vrij ingeschreven niet-werkende werkzoekenden (werkzoekenden die geen recht op uitkeringen hebben maar die zich als werkzoekende laten inschrijven) en andere verplicht ingeschreven niet-werkende werkzoekenden (werkzoekenden ten laste van het OCMW, jongeren met een arbeidshandicap, werkzoekenden ten laste van het RIZIV, werkzoekenden uitgesloten van het recht op uitkering en arbeidszorgmedewerkers (uitdovend)). Het verschil tussen de KSZ- en VDAB-benadering van werkloosheid wordt duidelijk als het aantal werklozen volgens beide bronnen wordt vergeleken. Begin 2020 waren er volgens de KSZ 96.174 uitkeringsgerechtigde werklozen in het Vlaamse Gewest. De VDAB telde in dat jaar gemiddeld per maand 213.974 werkzoekenden zonder werk (WZW). Het aantal werkzoekenden zonder werk volgens de VDAB komt daarmee op ruim het dubbele van het aantal uitkeringsgerechtigde
Totaal Bron: VDAB, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.1.6 NIET-BEROEPSACTIEVEN Naast werkend of werkloos kunnen mensen op arbeidsleeftijd ook om uiteenlopende redenen niet actief zijn op de arbeidsmarkt. Het gaat onder meer om studenten, huismannen en -vrouwen, arbeidsongeschikten en (vervroegd) gepensioneerden. Het aandeel niet-beroepsactieven ligt bij bepaalde nationaliteits- en herkomstgroepen systematisch hoger dan bij andere groepen. Volgens de EAK-enquête lag het aandeel niet-beroepsactieven in het totaal aantal personen op arbeidsleeftijd bij personen met een niet‑EU‑nationaliteit in 2021 in het Vlaamse Gewest op 42%. Dat is respectievelijk 21 en 23 procentpunten hoger dan bij Belgen en bij personen met een nationaliteit van binnen de Europese Unie (exclusief Belgen). De kloof tussen niet‑EU‑burgers en Belgen schommelt sinds 2010 tussen 16 en 22 procentpunten.
73
Het aandeel niet-beroepsactieven bij personen geboren buiten de Europese Unie (34%) ligt duidelijk lager dan het aandeel niet-beroepsactieven bij personen met een nationaliteit van buiten de EU. Maar ook bij deze groep blijft er nog steeds een kloof van respectievelijk 13 en 16 procentpunten bestaan met het aandeel niet-beroepsactieven bij personen geboren in België en personen geboren in de Europese Unie (buiten België).
Vooral bij de niet‑Europese vrouwen ligt het aandeel niet-beroepsactieven hoog. Van de vrouwen geboren buiten de EU ging het in 2021 om bijna de helft (46%), bij de mannen om een vijfde (20%). Dat ligt respectievelijk 23 en 1 procentpunten hoger dan bij de vrouwen en mannen geboren in België. Het aandeel niet-beroepsactieven bij de vrouwen geboren buiten de EU schommelt sinds 2010 tussen 40% en 52%.
Figuur 21. Aandeel niet-beroepsactieve personen in de bevolking van 20 tot 64 jaar naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2010-2021, in %
Figuur 22. Aandeel niet-beroepsactieve personen in de bevolking van 20 tot 64 jaar naar geslacht en geboorteland Vlaams Gewest, 2010-2021, in %
Naar nationaliteit
Mannen
België
EU
Niet-EU
België
EU
Niet-EU
2010
23,8
22,5
40,8
2010
18,3
18,4
22,8
2011
24,7
25,3
41,8
2011
19,6
19,9
22,8
2012
24,8
23,1
42,7
2012
19,7
19,2
22,5
2013
24,0
23,3
39,6
2013
19,2
17,4
21,5
2014
23,8
23,4
42,7
2014
19,6
16,3
23,7
2015
23,8
21,5
39,4
2015
19,9
14,2
24,6
2016
23,9
23,4
40,8
2016
19,6
17,5
23,8
2017
23,1
23,3
43,8
2017
19,0
15,4
23,7
2018
22,3
21,9
40,0
2018
18,4
16,0
24,1
2019
21,6
20,1
41,1
2019
17,9
16,1
21,5
2020
22,1
21,0
43,7
2020
18,9
13,9
21,5
2021
21,4
18,8
41,9
2021
18,6
10,6
19,6
Naar geboorteland België
Vrouwen EU
Niet-EU
België
EU
Niet-EU
2010
23,4
24,8
35,3
2010
28,6
30,9
46,9
2011
24,2
26,4
37,5
2011
29,0
32,0
51,8
2012
24,2
25,4
37,1
2012
28,9
30,9
51,2
2013
23,5
24,8
34,5
2013
28,0
32,0
46,6
2014
23,3
24,1
36,9
2014
27,1
31,2
49,1
2015
23,3
22,4
35,9
2015
26,9
29,4
46,3
2016
23,2
23,9
36,8
2016
27,0
29,9
48,6
2017
22,5
23,6
36,2
2017
26,2
31,0
48,5
2018
21,9
22,6
32,2
2018
25,4
28,5
40,3
2019
21,2
20,6
32,1
2019
24,7
24,5
42,5
2020
21,6
19,5
34,8
2020
24,4
24,7
47,3
2021
20,9
18,0
33,7
2021
23,2
24,8
46,2
Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Om de vergelijkbaarheid op Europees niveau te verhogen, werd in 2021 een nieuwe vragenlijst geïmplementeerd. De wijzigingen in vergelijking met de oude vragenlijst zijn divers. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren.
Noot: de EAK-enquête werd in 2017 ingrijpend vernieuwd. Om de vergelijkbaarheid op Europees niveau te verhogen, werd in 2021 een nieuwe vragenlijst geïmplementeerd. De wijzigingen in vergelijking met de oude vragenlijst zijn divers. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren.
Bron: EAK Statbel, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
Bron: EAK Statbel, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
75
Internationale vergelijking maakt duidelijk dat in de meeste EU14‑landen het aandeel niet-beroepsactieven bij personen geboren buiten de EU lager ligt dan in het Vlaamse Gewest. Enkel in België in zijn geheel en de andere Belgische gewesten ligt het aandeel niet-beroepsactieven bij personen geboren buiten de EU nog hoger. Als gekeken wordt naar het verschil met het aandeel niet-beroepsactieven bij de personen geboren in het land zelf, blijkt dit enkel in Nederland, België en het Waalse Gewest nog iets hoger te liggen dan in het Vlaamse Gewest. Tabel 42. Niet-beroepsactieven in bevolking van 20 tot 64 jaar naar geboorteland Europees vergeleken Belgische gewesten en EU14‑landen, 2020, in % PERSONEN GEBOREN IN HET LAND (1)
PERSONEN GEBOREN BUITEN DE EU (2)
VERSCHIL IN PPT. TUSSEN (2) EN (1)
Vlaams Gewest
21,6
34,8
+13,2
Brussels Gewest
27,4
40,6
+13,2
Waals Gewest
28,4
44,5
+16,1
Nederland
15,3
30,9
+15,6
België
24,2
39,2
+15,0
Denemarken
16,8
30,0
+13,2
Duitsland
15,0
28,0
+13,0
Frankrijk
21,3
32,5
+11,2
Oostenrijk
19,1
28,4
+9,3
Finland
17,3
26,4
+9,1
Zweden
11,0
19,2
+8,2
Ierland
22,5
25,8
+3,3
Spanje
22,6
22,7
17 procentpunten lager dan bij personen met een niet‑EU‑herkomst. Bij het relatief hoge aandeel niet-beroepsactieven bij de personen met een EU‑herkomst dient ook hier, net als bij de bespreking van de werkzaamheidsgraad, opgemerkt te worden dat een deel van deze groep tewerkgesteld is als uitgaande grensarbeider, als werknemer van een organisatie of onderneming die geen bijdragen verschuldigd is aan de Belgische sociale zekerheid of als Europees ambtenaar en daardoor in de hier gebruikte KSZ-data niet beschouwd wordt als beroepsactief. Mogelijk is dit ook een verklaring voor het feit dat het aandeel niet-beroepsactieven hoger ligt bij personen afkomstig van de buurlanden en de West- en Noord‑EU‑landen dan bij de personen afkomstig van de Zuid‑EU‑landen en de EU13-landen. Bij alle niet‑EU‑groepen lag het aandeel niet-beroepsactieven in 2020 tussen 32% en 51%. Bij nagenoeg alle herkomstgroepen is het aandeel niet-beroepsactieven tussen 2010 en 2020 gedaald. De grootte van de daling varieert wel sterk. Grootste daler zijn de personen met een EU12/EU13herkomst (-13 procentpunten tussen 2010 en 2020). De kloof tussen de EU‑herkomstgroepen en de personen van Belgische herkomst is tussen 2010 en 2020 gedaald van 17 naar 11 procentpunten. Bij de niet‑EU‑groepen is de kloof met de personen van Belgische herkomst echter slechts beperkt afgenomen. Tabel 43. Niet-beroepsactieven in bevolking van 20 tot 64 jaar naar herkomst op basis van administratieve KSZ-data Vlaams Gewest, 2010-2020, in % 2010
2015
2020
2010-2020 IN PPT.
België
23,4
22,6
20,1
-3,3
+0,1
Buurlanden
43,0
39,1
35,4
-7,6
43,9
41,9
36,4
-7,5
Italië
31,2
31,3
+0,1
West- en Noord‑EU15
Griekenland
27,0
25,4
-1,6
Zuid‑EU15
32,1
30,8
27,8
-4,2
EU12/EU13
39,3
32,7
26,3
-13,1
Luxemburg
27,0
24,6
-2,4
Portugal
20,3
16,4
-3,9
Bron: EAK Statbel, LFS Eurostat, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
Volgende groepen op arbeidsleeftijd worden in de administratieve data van de KSZ beschouwd als niet-beroepsactieven: vrijgestelde werklozen, personen rechtgevend op kinderbijslag (studenten), personen met een (equivalent) leefloon, personen op (vervroegd) pensioen, personen met een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid en personen met een tegemoetkoming wegens handicap. De administratieve gegevens van de KSZ bevestigen in grote lijnen de bevindingen van de EAK-enquête. Er bestaat een duidelijk verschil tussen het aandeel niet-beroepsactieven bij personen van Belgische herkomst en personen van buitenlandse herkomst. In 2020 lag het aandeel nietberoepsactieven bij de personen van Belgische herkomst op 20%. Dat is 11 procentpunten lager dan bij personen met een EU‑herkomst en
Europa niet‑EU
44,2
41,2
34,0
-10,1
Turkije
40,9
39,8
36,7
-4,2
Maghreb
39,9
39,2
36,7
-3,2
DR Congo, Burundi en Rwanda
36,4
37,5
32,3
-4,0
Overig Azië
44,5
44,3
42,3
-2,2
Overig Afrika
40,1
40,5
34,6
-5,5
Noord-Amerika en Oceanië
60,0
57,5
51,3
-8,7
Zuid- en Midden-Amerika
42,5
39,4
35,0
-7,6
Ander en onbekend
35,5
38,7
42,5
+7,0
Totaal EU (excl. België)
40,1
35,9
31,2
-8,8
Totaal niet‑EU
41,8
40,9
37,4
-4,4
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
77
Het aandeel niet-beroepsactieven ligt bij nagenoeg alle herkomstgroepen beduidend hoger bij vrouwen dan bij mannen. Het grootste verschil is te vinden bij de herkomstgroepen van buiten de EU. Daar lag het aandeel nietberoepsactieve vrouwen algemeen genomen in 2020 op 46%. Bij de Turkse en Maghrebijnse herkomstgroepen is de kloof tussen het aandeel nietberoepsactieven bij mannen en vrouwen het grootst (respectievelijk 24 en 25 procentpunten). Het aandeel niet-beroepsactieven bij de vrouwen is in de periode 2010-2020 bij nagenoeg alle herkomstgroepen sterker gedaald dan bij de mannen, waardoor de genderkloof is afgenomen. Grootste dalers zijn de vrouwen met een EU12/EU13-herkomst (-12 procentpunten).
Tabel 45. Niet-beroepsactieven in bevolking van 20 tot 64 jaar naar herkomst en geboorteland op basis van administratieve KSZ-data Vlaams Gewest, 2010-2020, in % GEBOREN IN BELGIË
GEBOREN IN BUITENLAND
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
Buurlanden
24,7
24,3
-0,4
54,6
43,7
-10,9
West- en Noord‑EU15
31,0
28,4
-2,6
50,2
41,8
-8,4
Zuid‑EU15
22,6
23,7
+1,1
44,2
32,9
-11,2
EU12/EU13
29,9
30,3
+0,4
41,3
25,9
-15,4
Europa niet‑EU
28,6
34,5
+5,9
45,8
34,0
-11,8
Tabel 44. Niet-beroepsactieven in bevolking van 20 tot 64 jaar naar herkomst en geslacht op basis van administratieve KSZ-data
Turkije
28,2
30,0
+1,8
47,2
42,3
-4,9
Maghreb
29,1
31,4
+2,3
45,6
40,8
-4,8
Vlaams Gewest, 2010-2020, in %
DR Congo, Burundi en Rwanda
37,1
47,8
+10,6
36,3
29,2
-7,1
Overig Azië
41,4
38,6
-2,8
44,8
42,7
-2,1
Overig Afrika
38,8
43,8
+5,0
40,2
33,8
-6,4
Noord-Amerika en Oceanië
43,2
42,2
-1,0
64,4
54,8
-9,6
Zuid- en Midden-Amerika
37,0
37,7
+0,7
43,0
34,6
-8,3
Ander en onbekend
31,9
29,5
-2,4
44,8
51,7
+6,9
Totaal EU (excl. België)
24,7
24,7
-0,1
49,9
34,9
-15,1
Totaal niet‑EU
30,2
32,7
+2,5
45,1
39,0
-6,0
MANNEN 2010
2020
VROUWEN 2010-2020 IN PPT.
2010
2020
2010-2020 IN PPT.
België
18,9
17,7
-1,2
27,9
22,5
-5,5
Buurlanden
39,6
33,1
-6,5
46,6
37,7
-9,0
West- en Noord‑EU15
38,7
33,1
-5,6
49,5
39,9
-9,6
Zuid‑EU15
29,0
25,3
-3,8
35,6
30,7
-4,9
EU12/EU13
34,8
21,7
-13,1
43,3
30,9
-12,4
Europa niet‑EU
35,6
26,9
-8,8
51,5
40,0
-11,5
Turkije
26,3
25,1
-1,2
56,6
49,1
-7,5
Maghreb
26,4
24,3
-2,1
54,5
49,3
-5,2
DR Congo, Burundi en Rwanda
33,7
31,4
-2,3
38,5
33,1
-5,4
Overig Azië
36,0
33,6
-2,4
51,7
51,2
-0,6
Overig Afrika
34,1
29,2
-4,9
47,0
40,4
-6,7
Noord-Amerika en Oceanië
54,4
48,9
-5,5
65,8
53,5
-12,2
Zuid- en Midden-Amerika
36,9
30,9
-6,0
45,8
37,6
-8,2
Ander en onbekend
34,1
40,2
+6,1
37,0
45,6
+8,6
Totaal EU (excl. België)
36,4
28,2
-8,2
43,9
34,4
-9,5
Totaal niet‑EU
31,0
28,6
-2,4
52,3
46,1
-6,2
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
Bij de meeste buitenlandse herkomstgroepen ligt het aandeel nietberoepsactieven lager bij personen geboren in België dan bij personen geboren in het buitenland. Enkel bij de personen met een herkomst van EU12/EU13-landen, DR Congo, Burundi en Rwanda, van overig Afrika en van Zuid- en Middden-Amerika is dat niet het geval. Daar ligt het aandeel niet-beroepsactieven hoger bij de personen geboren in België dan bij de personen geboren in het buitenland.
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.1.7 WERKINTENSITEIT VAN HET HUISHOUDEN In de hierboven besproken statistieken werd telkens gekeken naar de arbeidssituatie van het individu. In wat volgt wordt de arbeidssituatie bekeken op huishoudniveau. Dat kan door te kijken naar het aantal volwassenen in het huishouden dat aan het werk is (exclusief studenten tot 24 jaar) en in welk arbeidsregime zij tewerkgesteld zijn. Op basis daarvan wordt de werkintensiteit van het huishouden berekend. Deze werkintensiteit varieert tussen 0 (geen enkel volwassen lid van het gezin werkt) en 1 (alle volwassen leden van het gezin werken voltijds). De gezinnen met een werkintensiteit lager dan 0,2 worden beschouwd als gezinnen met een zeer lage werkintensiteit. De werkintensiteit van de huishoudens kan in beeld gebracht worden op basis van de EU‑SILC-survey en op basis van de administratieve gegevens van het Datawarehouse Arbeidsmarkt & Sociale Bescherming van de KSZ. De EU‑SILC-survey maakt het mogelijk om internationaal te vergelijken. De KSZ-gegevens geven meer inzicht in de specifieke situatie van de verschillende gedetailleerde herkomstgroepen. Op basis van de gegevens van de EU‑SILC-survey van 2021 blijkt dat het aandeel personen tot 64 jaar dat leeft in een huishouden waar niet of nauwelijks wordt gewerkt, sterk verschilt naar nationaliteit en geboorteland.
79
Bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit lag dat aandeel in 2021 bijna 3 keer hoger dan bij personen met een Belgische nationaliteit. Naar geboorteland is het verschil iets minder groot. Figuur 23. Aandeel personen van 0 tot 64 jaar in een gezin met zeer lage werkintensiteit (WI<0,2) naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2021, in % Nationaliteit
Geboorteland
België
6
6
EU
10
10
Niet-EU
16
11
De resultaten van de EU‑SILC-survey worden bevestigd door de administratieve KSZ-data. Er bestaat tussen de verschillende herkomstgroepen een duidelijk verschil inzake het aandeel personen in een gezin met zeer lage werkintensiteit (op basis van de zogenaamde definitie ’DWH LWI II’). Bij de personen van Belgische herkomst ging het in 2020 om 6%. Bij de personen met een EU‑herkomst ging het om 16%, bij de personen met een niet‑EU‑herkomst om 21%. Algemeen genomen is het aandeel personen in een gezin met zeer lage werkintensiteit bij zowel de personen afkomstig uit de EU‑landen als de niet‑EU‑landen tussen 2010 en 2020 afgenomen. Bij de personen van Belgische herkomst daalde dat aandeel in mindere mate. Tabel 47. Aandeel personen van 0 tot 59 jaar in gezin met zeer lage werkintensiteit (WI<0,2) naar herkomst op basis van administratieve KSZ-data Vlaams Gewest, 2010-2020, in %
Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Internationale vergelijking op basis van de EU‑SILC-survey 2020 maakt duidelijk dat het Vlaamse Gewest op vlak van zeer lage werkintensiteit van het huishouden bij de personen geboren buiten de EU niet zo goed scoort. In het Waalse Gewest en in België in zijn geheel ligt de lage werkintensiteit bij personen geboren buiten de EU wel nog hoger dan in het Vlaamse Gewest. Dat is ook het geval in Nederland, Zweden, Duitsland, Finland en Frankrijk. Het is ook in die landen dat de kloof op dit vlak tussen personen geboren buiten de EU en personen geboren in het land zelf even hoog of hoger ligt dan in het Vlaamse Gewest. Tabel 46. Aandeel personen van 18 tot 64 jaar in gezin met zeer lage werkintensiteit (WI<0,2) naar geboorteland Europees vergeleken Belgische gewesten en EU14‑landen, 2020, in % PERSONEN GEBOREN PERSONEN GEBOREN IN HET LAND (1) BUITEN DE EU (2)
VERSCHIL IN PPT. TUSSEN (2) EN (1)
Vlaams Gewest
7
18
+11
Waals Gewest
18
21
+3
Italië
12
8
-4
Ierland
12
11
-1
Griekenland
13
13
=
Luxemburg
9
10
+1
Portugal
5
6
+1
Spanje
11
13
+2
Denemarken
10
14
+4
Oostenrijk
4
13
+9
Frankrijk
8
19
+11
Finland
11
23
+12
Duitsland
7
20
+13
België
11
25
+14
Zweden
5
19
+14
Nederland
7
24
+17
2010
2015
2020
2010-2020 IN PPT.
7,7
7,5
6,2
-1,5
Buurlanden
26,9
24,1
19,5
-7,3
West- en Noord‑EU15
25,7
23,9
18,9
-6,8
Zuid‑EU15
18,1
17,3
13,6
-4,5
EU12/EU13
23,1
17,2
12,0
-11,1
Europa niet‑EU
32,7
30,1
20,3
-12,5
België
Turkije
27,1
24,3
18,1
-9,0
Maghreb
29,2
26,0
20,2
-9,0
DR Congo, Burundi en Rwanda
24,3
25,4
18,1
-6,2
Overig Azië
25,4
26,7
25,5
+0,1
Overig Afrika
27,4
26,7
20,5
-6,9
Noord-Amerika en Oceanië
40,6
37,3
31,2
-9,4
Zuid- en Midden-Amerika
20,7
19,4
15,2
-5,5
Ander en onbekend
23,3
27,0
29,0
+5,7
Totaal EU (excl. België)
24,2
21,1
16,1
-8,1
Totaal niet‑EU
28,0
26,3
21,0
-7,1
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.2 ONDERWIJS EN VORMING De gegevens over onderwijsdeelname, schoolse achterstand, schoolverlaters en doorstroom naar het hoger onderwijs zijn gebaseerd op de administratieve gegevens van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming (O&V). De gegevens over huidige nationaliteit van de leerlingen/ cursisten en de thuistaal van het gezin van de leerling hebben telkens betrekking op de situatie begin februari van het schooljaar. De gegevens over de nationaliteit van de leerlingen/cursisten zijn sinds het schooljaar 2011-2012 gebaseerd op het Rijksregister. Voordien werd gewerkt met de door
Noot: geen cijfers beschikbaar voor het Brusselse Gewest (te kleine aantallen in steekproef). Bron: EU‑SILC Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen
81
de school geregistreerde nationaliteit. De registratie van de thuistaal gebeurt via een vragenlijst die meegegeven wordt aan de ouders. De thuistaal is niet het Nederlands als de ouders aangeven dat de leerling in het gezin met niemand, of in een gezin met 3 leden (de leerling niet meegerekend) met maximum 1 gezinslid Nederlands spreekt. Broers en zussen worden hierbij samen als 1 gezinslid beschouwd. Van een beperkte groep leerlingen is de thuistaal onbekend. In het buitengewoon onderwijs, het hoger onderwijs en het volwassenenonderwijs wordt de thuistaal niet geregistreerd. De schoolprestaties van de Vlaamse jongeren worden in kaart gebracht aan de hand van de resultaten van het ‘Programme for International Student Assessment’ (PISA) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). PISA is een internationaal gestandaardiseerde beoordeling van de cognitieve vaardigheden van 15-jarigen. Het onderzoek werd voor het eerst uitgevoerd in 2000 en wordt elke 3 jaar herhaald. In PISA wordt gevraagd naar de migratie-achtergrond van de leerlingen. Dat gebeurt op basis van het geboorteland van de persoon en diens ouders. Autochtone leerlingen zijn hier leerlingen die zelf in het land van testafname geboren zijn of waarvan minstens één van beide ouders geboren is in het land van testafname. 1ste generatieleerlingen zijn zelf niet in het land van testafname geboren, evenals hun ouders. 2de generatieleerlingen zijn zelf in het land van testafname geboren en hebben ouders die niet in het land van testafname geboren zijn. De eerste en tweede generatieleerlingen vormen samen de groep leerlingen met migratie-achtergrond. In de steekproef van PISA 2018 zijn er in Vlaanderen bij de 4.882 geteste leerlingen 6,2% eerste generatieleerlingen en 8,1% tweede generatieleerlingen.
leeftijdsgroep. Opvallend is dat dit verschil minder aanwezig is in de cijfers van het schooljaar 2009-2010. Mogelijk hangt dit samen met de al vernoemde wijziging in de registratie van de nationaliteit van de leerlingen. Het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming beschikt niet alleen over gegevens over de nationaliteit van de leerlingen, maar ook over de taal van het gezin waarin de leerlingen opgroeien. Het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse thuistaal in het kleuter- en lager onderwijs ligt duidelijk hoger dan het aandeel leerlingen met een buitenlandse nationaliteit. In het gewoon kleuter- en lager onderwijs ging het in 2019-2020 respectievelijk om 25% en 22% van de leerlingen. Die aandelen zijn tegenover het schooljaar 2009-2010 met respectievelijk 8 en 9 procentpunten toegenomen. Cijfers over thuistaal in het buitengewoon onderwijs zijn niet beschikbaar. Tabel 48. Personen met buitenlandse nationaliteit en met niet-Nederlandse thuistaal in het basisonderwijs Vlaamse Gemeenschap, schooljaren 2009-2010 tot 2020-2021, aantal en in % 2009-2010
2020-2021
AANTAL
% VAN TOTAAL AANTAL LEERLINGEN
AANTAL
% VAN TOTAAL AANTAL LEERLINGEN
14.378
5,7
30.848
12,0
88
4,5
455
18,9
24.683
6,5
44.966
10,2
1.829
6,6
3.698
14,2
BUITENLANDSE NATIONALITEIT - Gewoon kleuteronderwijs - Buitengewoon kleuteronderwijs - Gewoon lager onderwijs - Buitengewoon lager onderwijs
2009-2010
De gegevens over deelname aan levenslang leren en de scholingsgraad van de bevolking zijn gebaseerd op de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK-enquête) van het Belgische statistiekbureau Statbel. De EAK-gegevens kunnen opgedeeld worden naar huidige nationaliteit (Belg, EU zonder België, niet‑EU) en geboorteland (België, EU zonder België, buiten de EU). Voor meer info over de EAK-enquête: zie hoofdstuk 2.1.
2019-2020
AANTAL
% T.O.V. TOTAAL AANTAL LEERLINGEN
AANTAL
% T.O.V. TOTAAL AANTAL LEERLINGEN
- Gewoon kleuteronderwijs
43.028
17,2
66.318
25,4
- Gewoon lager onderwijs
51.613
13,6
97.882
22,1
THUISTAAL NIET-NEDERLANDS
Noot: vanaf het schooljaar 2011-2012 wordt gebruik gemaakt van de nationaliteit zoals geregistreerd in het Rijksregister. Voordien werd gewerkt met de door de school geregistreerde nationaliteit. Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.2.1 ONDERWIJSDEELNAME
Tabel 49. Personen met buitenlandse nationaliteit bij groepen op schoolgaande leeftijd
Het aandeel leerlingen met een buitenlandse nationaliteit in het gewoon kleuter- en lager onderwijs lag in het schooljaar 2020-2021 respectievelijk op 12% en 10%. Dat komt overeen met hun aandeel bij de 3- tot 5-jarigen en bij de 6- tot 11-jarigen in de totale bevolking begin 2021 (respectievelijk 12% en 10%). Tegenover het schooljaar 2009-2010 is het aandeel leerlingen met een buitenlandse nationaliteit in het gewoon kleuter- en lager onderwijs gestegen met respectievelijk 6 en 4 procentpunten.
Vlaams Gewest, 2010 tot 2021, aantal en in % 2010 AANTAL
2021
% VAN TOTALE BEVOLKING
AANTAL
% VAN TOTALE BEVOLKING
3 tot 5 jaar
13.484
6,7
24.014
11,6
6 tot 11 jaar
24.335
6,2
46.407
10,3
12 tot 17 jaar
21.953
5,2
40.105
9,1
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In het buitengewoon kleuter- en lager onderwijs ligt het aandeel leerlingen met een buitenlandse nationaliteit 7 tot 4 procentpunten hoger dan het aandeel personen met buitenlandse nationaliteit in de overeenkomende
Algemeen genomen zijn er in het voltijds gewoon secundair onderwijs in het schooljaar 2020-2021 9% leerlingen met een buitenlandse nationaliteit. Dat komt overeen met het aandeel personen van buitenlandse nationaliteit in
83
de groep van 12 tot 17 jaar. Er blijken in de 2de en 3de graad wel duidelijke verschillen in het aandeel personen met buitenlandse nationaliteit naar studierichting. In het aso, tso en kso ligt het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit lager. In het bso, maar ook in het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs ligt dat aandeel (veel) hoger. Er is een gelijkaardig verschil wanneer naar de thuistaal van de leerling wordt gekeken. In het voltijds gewoon secundair onderwijs heeft 18% van de leerlingen een niet-Nederlandse thuistaal. Dat aandeel ligt lager in het aso, tso en kso, maar duidelijk hoger in het bso en in het deeltijds beroepssecundair onderwijs. Tabel 50. Personen met buitenlandse nationaliteit en met niet-Nederlandse thuistaal in het secundair onderwijs 2009-2010
3.153
2012-2013
2.704
2013-2014
2.333
2014-2015
2.508
2017-2018
3.759
2018-2019
4.293
2019-2020
5.056
2020-2021
4.843
40.958
9,2
2.270
93,4
4.627
95,5
1ste graad
7.251
5,3
12.900
8,6
2 en 3 graad aso
3.505
3,0
6.186
5,0
2de en 3de graad tso
3.341
3,6
6.284
7,1
2de en 3de graad kso
250
4,1
504
7,3
2de en 3de graad bso
6.131
8,1
10.457
14,8
- Deeltijds beroepssecundair
1.138
15,5
2.412
26,9
- Buitengewoon secundair
1.659
8,7
2.762
12,5
% VAN TOTAAL AANTAL LEERLINGEN
AANTAL
41.485
9,7
80.041
18,4
1.971
81,1
4.649
14.508
10,6
28.169
2009-2010
2.740
2011-2012
% VAN TOTAAL AANTAL LEERLINGEN
5,3
AANTAL
2010-2011
2020-2021
22.748
de
2.431
4.113
BUITENLANDSE NATIONALITEIT
de
2009-2010
4.096
AANTAL
okan
AANTAL
2016-2017
% VAN TOTAAL AANTAL LEERLINGEN
- Voltijds gewoon secundair
Tabel 51. Onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers (okan) Vlaamse Gemeenschap, schooljaren 2009-2010 tot 2020-2021, aantal
2015-2016
Vlaamse Gemeenschap, schooljaren 2009-2010 tot 2020-2021, aantal en in % AANTAL
klas en deels afzonderlijk onderwezen. In het schooljaar 2020-2021 volgden 4.843 leerlingen les in okan. Opvallend is dat 4,5% van de okan-leerlingen de Belgische nationaliteit heeft.
2019-2020
Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming
Het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit in het Vlaamse hoger onderwijs lag in het schooljaar 2020-2021 op 9%. Dat aandeel varieert van 6% in de professioneel gerichte bachelor tot 16% in de masteropleidingen. Tegenover 2011-2012 is het aandeel personen met buitenlandse nationaliteit in totaal met 3 procentpunten toegenomen. Tabel 52. Personen met buitenlandse nationaliteit in het hoger onderwijs Vlaamse Gemeenschap, academiejaren 2011-2012 tot 2020-2021, aantal en in % 2011-2012
% VAN TOTAAL AANTAL LEERLINGEN
% VAN TOTAAL AANTAL STUDENTEN
AANTAL
% VAN TOTAAL AANTAL STUDENTEN
Professioneel gerichte bachelor
2.892
2,9
7.014
6,0
92,0
Academisch gerichte bachelor
4.344
6,2
6.191
8,2
19,2
Master
4.929
12,1
8.501
16,4
Andere opleidingen
2.120
11,2
2.769
12,1
Totaal
14.285
6,2
24.475
9,2
THUISTAAL NIET-NEDERLANDS - Voltijds gewoon secundair okan 1ste graad 2 en 3 graad aso
8.368
7,2
16.988
14,2
2de en 3de graad tso
6.221
6,7
12.816
14,7
de
de
2de en 3de graad kso
328
2 en 3 graad bso de
de
- Deeltijds beroepssecundair
2020-2021
AANTAL
5,3
694
10,6
10.089
13,3
16.725
24,0
1.672
22,8
2.809
31,3
Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, bewerking Statistiek Vlaanderen
In het onthaalonderwijs voor anderstalige kinderen (okan) krijgen anderstalige minderjarige nieuwkomers een jaar lang een Nederlands taalbad om daarna over te stappen naar het regulier secundair onderwijs. In het basisonderwijs worden de anderstalige nieuwkomers deels in de reguliere
Noot: andere opleidingen zijn bachelor na bachelor, master na master, specifieke lerarenopleiding na professioneel gerichte bachelor, specifieke lerarenopleiding na master, voorbereidingsprogramma, schakelprogramma. Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, bewerking Statistiek Vlaanderen
Een aanzienlijk deel van de personen met buitenlandse nationaliteit ingeschreven in het Vlaamse hoger onderwijs komt hier enkel om te studeren en vertrekt daarna weer. Als enkel gekeken wordt naar de deelname aan het hoger onderwijs van de personen die in Vlaanderen voorafgaand secundair onderwijs hebben gevolgd, blijkt een duidelijk verschil tussen
85
Belgen en personen met buitenlandse nationaliteit. Zo volgden ruim 7 op de 10 leerlingen met een Belgische nationaliteit die in Vlaanderen in 2017 een diploma secundair onderwijs hebben gehaald in het daaropvolgende academiejaar een professionele of academische bacheloropleiding. Bij de niet-Belgen gaat het om nagenoeg de helft van de leerlingen. Recentere cijfers zijn niet beschikbaar. Tabel 53. Doorstroom naar het hoger onderwijs naar huidige nationaliteit Vlaamse Gemeenschap, schooljaren 2010-2011 tot 2017-2018, aantal en in % 2010-2011 AANTAL
% VAN AANTAL LEERLINGEN DAT DIPLOMA SECUNDAIR BEHAALDE IN 2009-2010
2017-2018 AANTAL
% VAN AANTAL LEERLINGEN DAT DIPLOMA SECUNDAIR BEHAALDE IN 2016-2017
BELGISCHE NATIONALITEIT - Professioneel gerichte bachelor
20.815
37,2
20.905
38,7
- Academisch gerichte bachelor
18.439
32,9
18.037
33,4
Totaal
39.254
61,1
38.942
72,1
- Professioneel gerichte bachelor
418
23,6
864
29,9
- Academisch gerichte bachelor
425
24,0
571
19,8
843
47,6
1.435
49,7
BUITENLANDSE NATIONALITEIT
Totaal
Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.2.2 ONDERWIJSPRESTATIES Hierna wordt ingegaan op bestaande verschillen in onderwijsprestaties tussen leerlingen naar nationaliteit, thuistaal en migratie-achtergrond. Daarbij wordt geen rekening gehouden met eventueel bestaande andere verschillen in achtergrondkenmerken van deze groepen zoals onder meer de sociaal-economische thuissituatie van de leerlingen.
Tabel 54. Schoolse achterstand in het lager onderwijs naar huidige nationaliteit en thuistaal Vlaamse Gemeenschap, schooljaren 2009-2010 tot 2020-2021, aantal en in % 2009-2010
2020-2021
AANTAL
% VAN AANTAL LEERLINGEN PER NATIONALITEIT
AANTAL
% VAN AANTAL LEERLINGEN PER NATIONALITEIT
1 jaar achterstand
6.762
12,3
5.191
8,4
2 jaar achterstand of meer
384
0,7
174
0,3
1 jaar achterstand
1.079
33,2
1.733
31,6
2 jaar achterstand of meer
255
7,8
197
3,6
AANTAL
% VAN AANTAL LEERLINGEN PER THUISTAAL
AANTAL
% VAN AANTAL LEERLINGEN PER THUISTAAL
5.934
11,4
3.978
7,3
295
0,6
118
0,2
1 jaar achterstand
1.851
30,4
3.086
23,9
2 jaar achterstand of meer
342
5,6
257
2,0
HUIDIGE NATIONALITEIT - Belgische nationaliteit
- Buitenlandse nationaliteit
2009-2010
2019-2020
THUISTAAL - Nederlands 1 jaar achterstand 2 jaar achterstand of meer - Niet-Nederlands
Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, bewerking Statistiek Vlaanderen
In 2021 had 28% van de leerlingen met een buitenlandse nationaliteit 2 of meer jaren vertraging opgelopen in het laatste jaar van het gewoon secundair onderwijs. Bij de leerlingen met Belgische nationaliteit is dat 6%. De achterstand bij leerlingen met een buitenlandse thuistaal (22% in 2020) ligt lager dan de achterstand van leerlingen met een buitenlandse nationaliteit.
In 2021 had bijna 4% van de leerlingen met een buitenlandse nationaliteit 2 of meer jaren vertraging opgelopen in het laatste jaar van het gewoon lager onderwijs. Bij de leerlingen met Belgische nationaliteit is dat nog niet 1%. De achterstand bij leerlingen met een buitenlandse thuistaal (2%) ligt lager dan de achterstand van leerlingen met een buitenlandse nationaliteit. Het aandeel leerlingen met buitenlandse nationaliteit met achterstand in het laatste jaar van het lager onderwijs is tussen 2010 en 2021 gedaald. Bij de leerlingen met een buitenlandse thuistaal is dat aandeel ook afgenomen tussen 2010 en 2020.
87
Tabel 55. Schoolse achterstand in het secundair onderwijs naar huidige nationaliteit en thuistaal
Tabel 56. Vroegtijdige schoolverlaters naar huidige nationaliteit en thuistaal Vlaamse Gemeenschap, schooljaren 2009-2010 tot 2019-2020, aantal en in %
Vlaamse Gemeenschap, schooljaren 2009-2010 tot 2020-2021, aantal en in % 2009-2010 AANTAL
% VAN AANTAL LEERLINGEN PER NATIONALITEIT
2009-2010
2020-2021 AANTAL
% VAN AANTAL LEERLINGEN PER NATIONALITEIT
AANTAL
2019-2020
% VAN AANTAL SCHOOLVERLATERS PER NATIONALITEIT OF THUISTAAL
AANTAL
% VAN AANTAL SCHOOLVERLATERS PER NATIONALITEIT OF THUISTAAL
HUIDIGE NATIONALITEIT
HUIDIGE NATIONALITEIT
- Belgische nationaliteit
7.591
10,9
4.795
8,0
- Belgische nationaliteit
- EU‑nationaliteit
511
26,4
622
20,5
- Niet‑EU‑nationaliteit
679
48,5
683
35,4
- Uitsluitend Nederlands met allen
4.580
7,7
2.754
5,7
1 jaar achterstand
15.711
25,2
12.951
22,4
2 jaar achterstand of meer
5.195
8,3
3.155
5,5
- Buitenlandse nationaliteit
THUISTAAL
1 jaar achterstand
913
37,6
1.629
38,4
- Nederlands met minstens 1
1.623
26,0
1.322
15,2
2 jaar achterstand of meer
875
36,1
1.197
28,2
- Nederlands met niemand
985
28,9
1.221
19,7
- Onbekend
285
41,3
131
50,4
AANTAL
% VAN AANTAL LEERLINGEN PER THUISTAAL
AANTAL
% VAN AANTAL LEERLINGEN PER THUISTAAL
- Niet beschikbaar
1.308
35,3
672
33,9
2009-2010
2019-2020
THUISTAAL - Nederlands 1 jaar achterstand
14.833
24,9
11.126
21,8
2 jaar achterstand of meer
4.500
7,6
2.589
5,1
1 jaar achterstand
1.600
34,7
2.955
36,4
2 jaar achterstand of meer
1.474
31,9
1.813
22,3
- Niet Nederlands
Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, bewerking Statistiek Vlaanderen
Uiteindelijk verlaten jongeren met een buitenlandse nationaliteit en een nietNederlandse thuistaal veel vaker het secundair onderwijs zonder diploma. In 2020 ging het bij de leerlingen met een EU‑nationaliteit om 20%, bij de leerlingen met een niet‑EU‑nationaliteit om 35%. Bij de leerlingen met een Belgische nationaliteit ligt dat op 8%. Opgesplitst naar thuistaal gaat het om 20% bij de personen met een niet-Nederlandse thuistaal tegenover 6% bij de personen met het Nederlands als thuistaal. Bij alle nationaliteits- en taalgroepen is het aandeel vroegtijdige schoolverlaters tussen 2010 en 2020 gedaald.
Noot: bij leerlingen met thuistaal onbekend ontbreekt de informatie over de gezinstaal, hoewel de informatie werd opgevraagd. Bij leerlingen met thuistaal niet beschikbaar werd de informatie over de gezinstaal niet opgevraagd. Het gaat om de meeste leerlingen uit het buitengewoon secundair onderwijs en alle leerlingen in de leertijd (Syntra). Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, bewerking Statistiek Vlaanderen
De Vlaamse resultaten van het PISA-onderzoek over de onderwijsprestaties van 15-jarigen geven aan dat autochtone leerlingen veel beter scoren dan leerlingen die in het buitenland geboren zijn (1ste generatie) of leerlingen die zelf in het land geboren zijn maar wiens beide ouders in het buitenland geboren zijn (2de generatie). Dat blijkt uit de resultaten voor zowel leesvaardigheid, alsook wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid. De resultaten van 2018 op de leesvaardigheidsschaal wijzen op een verschil van respectievelijk 82 en 67 punten tussen autochtone leerlingen en leerlingen van de 1ste en 2de generatie. Dat is een aanzienlijk verschil, wetende dat één jaar scholing gelijkgesteld wordt met ongeveer 25 à 30 punten. Ook op vlak van wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid zijn er min of meer gelijkaardige verschillen. In 2018 lag het accent van de PISA-bevraging op leesvaardigheid. Net zoals in Vlaanderen presteren autochtone leerlingen in alle EU14‑landen beter dan leerlingen met een migratie-achtergrond. Daarnaast zijn de prestatieverschillen over de EU14‑landen erg uiteenlopend. Opvallend is verder dat de scores bij de 1ste generatie leerlingen in Vlaanderen niet zo heel veel verschillen van de 2de generatie leerlingen. In de meeste andere landen scoort de 1ste generatie veelal (duidelijk) minder goed dan de 2de generatie. Mogelijk heeft dit te maken met het relatief hoge aandeel leerlingen met de Nederlandse nationaliteit bij de 1ste generatie leerlingen in het Vlaamse onderwijs.
89
Figuur 24. Aandeel van de bevolking van 25 tot 64 jaar dat in de 4 weken voor de bevraging deelgenomen heeft aan een opleiding naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2021, in %
Tabel 57. Onderwijsprestaties 15-jarigen naar migratie-achtergrond Vlaamse Gemeenschap, 2009 tot 2018, gemiddelde score op PISA-schalen 2009
2018
WISKUNDE
WETENSCHAP
LEZEN
WISKUNDE
WETENSCHAP
LEZEN
Autochtone leerlingen
545
535
526
529
522
515
België
10,6
10,9
Leerlingen van de 1ste generatie
483
469
463
461
440
433
EU
10,5
10,5
Leerlingen van de 2de generatie
461
440
450
466
454
448
Niet-EU
16,7
10,4
Nationaliteit
Geboorteland
Bron: PISA-survey OESO, bewerking Statistiek Vlaanderen
Bron: EAK Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Tabel 58. Leesvaardigheid 15-jarigen naar migratie-achtergrond Europees vergeleken Vlaamse Gemeenschap en EU14‑landen, 2018, gemiddelde score op PISA-schaal AUTOCHTONE LEERLINGEN (1)
LEERLINGEN VAN DE 1STE GENERATIE (2)
LEERLINGEN VAN DE 2DE GE‑ NERATIE (3)
VERSCHIL TUSSEN (2) EN (1)
VERSCHIL TUSSEN (3) EN (1)
Vlaamse Gemeenschap
515
433
448
-82
-67
Finland
527
420
456
-107
-72
Nederland
498
399
433
-99
-65
Denemarken
509
435
447
-75
-63
Zweden
525
410
471
-115
-54
Oostenrijk
500
421
446
-79
-54
België
506
427
459
-80
-48
Griekenland
465
397
420
-68
-45
Duitsland
519
405
477
-114
-42
Luxemburg
491
461
450
-29
-40
Frankrijk
502
425
461
-76
-40
Italië
482
433
445
-49
-37
Ierland
522
508
509
-14
-13
Portugal
495
436
483
-60
-12
In Europees perspectief ligt het levenslang leren bij personen geboren buiten de EU27 boven het EU‑gemiddelde. In de Scandinavische landen ligt het aandeel bij personen geboren buiten de EU27 dat deelneemt aan een opleiding 2 à 3 keer hoger dan in het Vlaamse Gewest. In landen zoals Kroatië en Griekenland ligt dat aandeel veel lager. Tabel 59. Deelname aan levenslang leren (25-64 jaar) naar geboorteland Europees vergeleken Vlaams Gewest en EU14‑landen, 2020, in % PERSONEN GEBOREN IN HET LAND (1)
PERSONEN GEBOREN BUITEN DE EU27 (2)
VERSCHIL IN PPT. TUSSEN (2) EN (1)
Vlaams Gewest
7,6
13,1
+5,5
Finland
27,0
31,8
+4,8
Ierland
10,5
14,0
+3,5
Portugal
9,7
12,6
+2,9
Denemarken
19,7
22,4
+2,7
Luxemburg
16,8
18,9
+2,1
Zweden
28,4
29,8
+1,4
Duitsland
7,7
8,8
+1,1
Nederland
18,7
19,6
+0,9
België
7,2
7,9
+0,7
2.2.3 LEVENSLANG LEREN
Oostenrijk
11,8
10,4
-1,4
Spanje
11,6
9,1
-2,5
De deelname aan levenslang leren (deelname aan een opleiding in de 4 weken voor de bevraging) ligt volgens de EAK-gegevens in 2021 het hoogst bij de groep met een niet‑EU27-nationaliteit. Bekeken naar geboorteland ligt dat verschil tussen de groepen duidelijk lager. De relatief hoge score van de niet‑EU27-burgers hangt mogelijk samen met het feit dat ook rekening gehouden wordt met taalcursussen.
Griekenland
4,3
1,7
-2,6
Frankrijk
13,5
9,7
-3,8
Italië
7,8
3,5
-4,3
Noot: geen cijfers beschikbaar voor Spanje. Bron: PISA-survey OESO, bewerking Statistiek Vlaanderen
Bron: EAK Statbel, LFS Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen
De administratieve gegevens van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming maken duidelijk dat bijna 4 op de 10 cursisten in het volwassenenonderwijs personen zijn met een buitenlandse nationaliteit. Het gaat om unieke inschrijvingen in het volwassenenonderwijs (basiseducatie en het secundair volwassenenonderwijs), inclusief de personen die een cursus Nederlands 2de taal (NT2) volgen. De grootste groep zijn de personen
91
met een niet‑EU‑nationaliteit. Het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit in het totale aantal cursisten is in 2020 in vergelijking met 2014 met 9 procentpunten toegenomen. In absolute termen is het aantal personen met een buitenlandse nationaliteit in het volwassenonderwijs gestegen van bijna 109.000 personen in 2014 tot iets meer dan 133.000 personen in 2020. Dat komt neer op een toename van ongeveer 22%. Bij de Belgen is het aantal cursisten in dezelfde periode gedaald met circa 19%. Tabel 60. Deelname volwassenenonderwijs naar huidige nationaliteit Vlaamse Gemeenschap, 2013-2014 tot 2019-2020, aantal en in % 2013-2014
CBE
79.224
21.510
2014-2015
84.404
22.683
2015-2016
90.326
28.603
2016-2017
92.238
29.545
2017-2018
92.506
29.111
2018-2019
93.199
29.117
2019-2020
91.870
26.266
% IN TOTAAL AANTAL CURSISTEN
AANTAL
% IN TOTAAL AANTAL CURSISTEN
Belg
253.101
69,8
205.414
60,4
Niet-Belg
108.937
30,0
133.083
39,1
- Europese Unie
46.247
12,7
39.010
11,5
- Niet‑EUropese Unie
62.690
17,3
94.073
27,7
727
0,2
1.509
0,4
362.765
100,0
340.006
100,0
Totaal
CVO 2013-2014
2019-2020
AANTAL
Onbekend
Figuur 25. Unieke inschrijvingen in een opleiding Nederlands tweede taal (NT2) bij een Centrum voor Volwassenenonderwijs (CVO) en een Centrum voor Basiseducatie (CBE) Vlaamse Gemeenschap, schooljaar 2013-2014 tot 2019-2020, aantal
Noot: in schooljaar 2013-2014 was het mogelijk een cursus NT2 op niveau van basiseducatie te volgen in een CVO. De schooljaren nadien was dit niet meer mogelijk. Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming
Van alle unieke inschrijvingen bij de CVO’s in de periode 2019-2020 gaat het in 94% van de gevallen om een opleiding van richtgraad 1 en 2. Slechts bij 6% van de unieke inschrijvingen gaat het om een opleiding van richtgraad 3 of 4.
Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, bewerking Statistiek Vlaanderen
Anderstaligen kunnen een opleiding Nederlands 2de taal (NT2) volgen bij een Centrum voor Volwassenenonderwijs (CVO) of een Centrum voor Basiseducatie (CBE). Het aanbod NT2 van de CVO richt zich op de middenen hoger geschoolde anderstaligen en omvat meerdere opleidingen, die in 4 richtgraden ingedeeld worden. Het aanbod NT2 van de CBE richt zich op de analfabete, traag lerende of laaggeschoolde anderstaligen. Dat aanbod is geordend in 2 leergebieden. De opleidingen NT2 van de CBE en de CVO hebben in grote mate dezelfde leerdoelen en finaliteit, maar verschillen vooral in studieomvang. Een aantal opleidingen kan ook in een verkorte of verlengde variant gevolgd worden. In de periode 2019-2020 is er sprake van bijna 92.000 unieke inschrijvingen NT2 bij de CVO’s en iets meer dan 26.000 inschrijvingen bij de CBE’s. Dat aantal ligt zowel bij de CVO’s als bij de CBE’s hoger dan in de periode 2013-2014.
In dezelfde periode zijn 57% van de unieke inschrijvingen bij de CBE’s inschrijvingen in de opleiding alfabetisering Nederlandse taal en 43% zijn inschrijvingen in de opleiding Nederlands 2de taal. Tabel 61. Opleidingen Nederlands 2de taal naar studiegebied Vlaamse Gemeenschap, schooljaar 2019-2020, aantal en in % AANTAL
%
- Nederlands 2de taal richtgraad 1 en 2
86.577
94,2
- Nederlands 2de taal richtgraad 3 en 4
5.293
5,8
Totaal
91.870
100,0
- Alfabetisering Nederlands 2de taal
15.044
57,3
- Nederlands 2de taal
11.222
42,7
Totaal
26.266
100,0
CENTRUM VOOR VOLWASSENENONDERWIJS (CVO)
CENTRUM VOOR BASISEDUCATIE (CBE)
Bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming
2.2.4 ALGEMENE SCHOLINGSGRAAD Als naar de algemene scholingsgraad of het onderwijsniveau van de bevolking wordt gekeken, blijken personen met een niet‑EU27-nationaliteit of personen geboren buiten de EU27 lager geschoold. In 2021 was 42% van de niet‑EU27-burgers tussen 25 en 64 jaar laagopgeleid (hoogstens een diploma van 2de graad van het secundair onderwijs). Bij de Belgen en de EU27-burgers gaat het respectievelijk om 15% en 20%. Een vergelijkbare kloof is er ook naar
93
geboorteland: bij de personen geboren buiten de EU27 bedraagt het aandeel laagopgeleiden 37%, bij de personen geboren in België 13% en bij de personen geboren in een ander EU27-land 20%.
Tabel 62. Scholingsgraad van personen van 25 tot 64 jaar naar geboorteland Europees vergeleken Vlaams Gewest en EU14‑landen, 2020, in % LAAGGESCHOOLDEN
Figuur 26. Aandeel laag-, midden- en hooggeschoolden van 25 tot 64 jaar naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2021, in % Naar nationaliteit Laaggeschoolden
Middengeschoolden
Hooggeschoolden
PERSONEN GEBOREN IN HET LAND (1)
HOOGGESCHOOLDEN
PERSONEN VERSCHIL IN PPT. GEBOREN BUITEN TUSSEN (2) EN (1) DE EU27 (2)
PERSONEN GEBOREN IN HET LAND (1)
PERSONEN VERSCHIL IN PPT. GEBOREN BUITEN TUSSEN (2) EN (1) DE EU27 (2)
Vlaams Gewest
15,1
37,6
+22,5
44,7
28,0
-16,7
Brussels Gewest
18,6
42,0
+23,4
56,1
32,9
-23,2
Waals Gewest
20,3
33,5
+13,2
41,0
33,0
-8,0
46,8
27,3
-19,5
27,1
35,8
+8,7
België
14,5
39,5
46,0
EU
20,3
36,2
43,5
Portugal
Niet-EU
42,1
23,5
34,4
Ierland
17,0
9,1
-7,9
47,0
62,1
+15,1
Spanje
37,2
39,7
+2,5
41,8
29,6
-12,2
Luxemburg
19,0
22,6
+3,6
35,7
56,1
+20,4
Nederland
17,5
30,4
+12,9
43,0
37,1
-5,9
Denemarken
17,2
32,6
+15,4
40,5
35,9
-4,6
Finland
7,7
23,6
+15,9
48,6
35,1
-13,5
Frankrijk
15,9
34,5
+18,6
40,5
35,4
-5,1
Italië
35,1
54,6
+19,5
21,3
13,5
-7,8
België
17,0
37,9
+20,9
44,1
30,9
-13,2
Griekenland
19,7
41,3
+21,6
34,3
13,0
-21,3
Oostenrijk
10,8
36,4
+25,6
34,6
25,1
-9,5
Zweden
8,3
34,2
+25,9
44,9
40,1
-4,8
Duitsland
8,8
39,7
+30,9
32,4
25,9
-6,5
Naar geboorteland Laaggeschoolden
Middengeschoolden
Hooggeschoolden
België
13,0
39,7
47,3
EU
20,4
35,7
43,9
Niet-EU
37,4
31,2
31,4
EAK Statbel, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
Vergeleken met de EU14‑landen ligt het aandeel laagopgeleiden bij de personen geboren buiten de EU27 in het Vlaamse Gewest vrij hoog. Het verschil met het aandeel laagopgeleiden bij de personen geboren in het land zelf ligt enkel in Oostenrijk, Zweden en Duitsland nog hoger dan in het Vlaamse Gewest. Omgekeerd ligt het aandeel hoogopgeleiden bij personen geboren buiten de EU27 in het Vlaamse Gewest in vergelijking met de EU14‑landen vrij laag. Het verschil met het aandeel hoogopgeleiden bij de personen geboren in het land zelf ligt enkel in Griekenland nog hoger dan in het Vlaamse Gewest.
Bron: EAK Statbel, LFS Eurostat, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
2.3 INKOMEN EN ARMOEDE De gepresenteerde gegevens over inkomen en armoede zijn gebaseerd op verschillende bronnen: op de gegevens van de European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU‑SILC-survey) van het Belgische statistiekbureau Statbel, op de administratieve gegevens van het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming (DWH AM&SB) van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ) over sociale bijstandsuitkeringen en op de administratieve gegevens van Kind en Gezin over de sociaaleconomische positie van gezinnen waarin kinderen worden geboren. De EU‑SILC-gegevens maken het mogelijk ook internationaal te vergelijken. De administratieve KSZ-gegevens zijn gebaseerd op informatie over nagenoeg de gehele bevolking, waardoor gedetailleerde informatie over subgroepen beschikbaar is. De EU‑SILC-gegevens kunnen opgedeeld worden naar huidige nationaliteit (Belg, EU zonder België, niet‑EU) en naar geboorteland (België, EU zonder België, buiten de EU). Voor een aantal inkomens- en armoede-indicatoren zijn al gegevens beschikbaar op basis van de EU‑SILC-survey van 2021, voor een aantal andere indicatoren wordt gebruik gemaakt van de resultaten van de
95
EU‑SILC-survey van 2020. Bij de EU‑SILC-survey van 2021 zijn gegevens over nationaliteit en geboorteland beschikbaar voor de gehele bevolking, bij de EU‑SILC-survey van 2020 enkel voor de bevolking van 18 jaar en ouder. Voor meer info over de EU‑SILC-survey: zie hoofdstuk 2.1. De administratieve KSZ-gegevens kunnen opgedeeld worden naar herkomst. Dat is mogelijk door een koppeling van de gegevens van het Rijksregister over de nationaliteitshistoriek van een persoon en diens ouders aan de gegevens van het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming van de KSZ. Om de herkomst van een persoon te bepalen worden 4 criteria in rekening gebracht: de huidige nationaliteit van de persoon, de geboortenationaliteit van de persoon, de geboortenationaliteit van de vader en de geboortenationaliteit van de moeder. Strikt genomen gaat het niet om de geboortenationaliteit, maar om de eerste in het Rijksregister gekende nationaliteit. Is één van deze 4 criteria een niet-Belgische nationaliteit, dan wordt de persoon beschouwd als een persoon van buitenlandse herkomst. Deze operationalisering sluit aan bij de doelgroep zoals omschreven in artikel 3 van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse Integratie- en Inburgeringsbeleid. Meer informatie over de bij deze KSZ-gegevens gehanteerde herkomstdefinitie en de samenstelling van de herkomstgroepen is te vinden in hoofdstuk 2.1. De gegevens van Kind en Gezin over geboorten in kansarme gezinnen ten slotte kunnen worden opgedeeld op basis van de geboortenationaliteit van de moeder (België, EU en niet‑EU).
ouder en 0,3 voor elk kind jonger dan 14 jaar. Vervolgens wordt aan elk lid van het gezin een gelijk deel van het huishoudinkomen toegewezen, met name het totale huishoudinkomen gedeeld door de equivalentiefactor. Het mediaan inkomen en de inkomensverdeling werden berekend op basis van het totale beschikbare jaarinkomen van het huishouden in het jaar voorafgaand aan de enquête. De cijfers van de EU‑SILC-survey van 2020 hebben dus betrekking op het inkomen verworven in 2019. Ook de verdeling van de inkomens over de 5 inkomenskwintielen geeft duidelijk aan dat de inkomenspositie van personen met een niet‑EU‑nationaliteit en personen geboren buiten de EU minder sterk is dan de inkomenspositie van de andere groepen. Het 1ste kwintiel omvat dan de 20% laagste inkomens, het 5de kwintiel de 20% hoogste inkomens. Ongeveer de helft van de personen met een niet‑EU‑nationaliteit en van de personen geboren buiten de EU bevindt zich in de laagste inkomensgroep. In het 3de, 4de en 5de kwintiel zijn deze groepen (sterk) ondervertegenwoordigd. De andere nationaliteits- en geboortelandgroepen zijn evenwichtiger gespreid over de 5 inkomenskwintielen. Tabel 63. Mediaan gestandaardiseerd netto inkomen en inkomensverdeling van personen van 18 jaar en ouder naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2020 (inkomen 2019), in euro en in % MEDIAAN INKOMEN IN EURO
LAAGSTE KWINTIEL
2DE KWINTIEL
3DE KWINTIEL
4DE KWINTIEL
HOOGSTE KWINTIEL
NATIONALITEIT
2.3.1 INKOMEN
- België
27.702
19
21
19
20
22
- EU zonder België
24.579
36
16
18
12
18
De gegevens van de EU‑SILC-survey van 2020 maken duidelijk dat het mediaan inkomen van personen met een huidige niet‑EU‑nationaliteit en personen geboren buiten de EU duidelijk lager ligt dan het mediaan inkomen van de andere groepen. Naar nationaliteit is er sprake van een verschil tussen Belgen en niet‑EU‑burgers van bijna 9.300 euro per jaar. Als gekeken wordt naar geboorteland wordt dat verschil iets kleiner. Het mediaan inkomen van de EU‑burgers en personen geboren in de EU sluit duidelijk meer aan bij het mediaan inkomen van de Belgen.
- Niet‑EU
18.430
51
19
15
11
4
- België
28.011
17
21
19
21
22
- EU zonder België
25.078
32
17
22
12
18
- Niet‑EU
20.233
48
19
15
12
7
Het mediaan inkomen is het middelste inkomen als de gestandaardiseerde huishoudinkomens per persoon van laag naar hoog worden gerangschikt. Er wordt hier gewerkt met het mediaan inkomen in plaats van het gemiddelde inkomen om de impact van inkomens aan de uiteinden van de inkomensverdeling te beperken. Bij de berekening van het mediaan inkomen per persoon wordt vertrokken van het totale netto inkomen van het huishouden waarin de persoon woont. Dat huishoudinkomen wordt gestandaardiseerd: het wordt aangepast aan de grootte en samenstelling van het huishouden. Dat gebeurt door het huishoudinkomen te delen door een equivalentiefactor. Deze equivalentiefactor is gelijk aan 1 bij een alleenstaande en wordt verhoogd met 0,5 voor elke bijkomende persoon in het huishouden van 14 jaar en
GEBOORTELAND
Noot: de cijfers opgenomen in de figuur werden berekend op basis van de huishoudinkomens in het voorgaande jaar. Bron: EU‑SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Het mediaan inkomen van personen geboren buiten de EU ligt in het Vlaamse Gewest hoger dan in de meeste EU14‑landen. Enkel in Luxemburg, Denemarken en Ierland ligt dat inkomen nog hoger. Tegelijk ligt ook het verschil tussen het mediaan inkomen van personen geboren buiten de EU en van personen geboren in het land zelf relatief hoog in het Vlaamse Gewest in vergelijking met de EU14‑landen. Dergelijke internationale vergelijking van het inkomen wordt mogelijk door het inkomen uit te drukken in koopkrachtpariteiten waardoor gecorrigeerd wordt voor het verschil in prijsniveau tussen de landen. De omzetting in koopkrachtpariteiten gebeurt op basis van de kostprijs van een korf van gelijkaardige producten en diensten in de verschillende landen.
97
Tabel 64. Mediaan gestandaardiseerd netto inkomen van personen van 18 jaar en ouder naar geboorteland Europees vergeleken Belgische gewesten en EU14‑landen, 2020 (inkomen 2019), in euro koopkrachtpariteiten PERSONEN GEBOREN PERSONEN GEBOREN IN HET LAND (1) BUITEN DE EU (2)
VERSCHIL IN EURO TUSSEN (2) EN (1)
Vlaams Gewest
24.325
17.570
-6.755
Waals Gewest
21.013
16.830
-4.183
Portugal
12.356
12.996
+640
Ierland
20.508
17.736
-2.772
Griekenland
10.596
7.647
-2.949
Denemarken
21.846
18.031
-3.815
Finland
20.614
16.111
-4.503
Nederland
22.746
17.455
-5.291
Italië
18.688
13.391
-5.297
Frankrijk
20.190
14.269
-5.921
Zweden
21.614
15.217
-6.397
Spanje
18.007
11.497
-6.510
Duitsland
23.183
16.433
-6.750
België
23.196
15.617
-7.579
Oostenrijk
25.454
17.133
-8.321
Luxemburg
32.108
22.211
-9.897
Noot: geen cijfers beschikbaar voor het Brusselse Gewest (te kleine aantallen in steekproef).
armoededrempel. Dat aandeel ligt bijna 4 keer hoger dan bij de personen met een Belgische nationaliteit. Bij de personen geboren buiten de EU ligt het armoederisicopercentage 3 keer hoger dan bij personen geboren in België. De score van de personen met een EU‑nationaliteit (buiten België) en personen geboren binnen de EU (buiten België) ligt tussen beide andere groepen in. Figuur 27. Aandeel onder de armoededrempel naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2021 (inkomen 2020), in % Nationaliteit
Geboorteland
België
8
7
EU
18
15
Niet-EU
30
21
Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Het Vlaamse Gewest situeert zich op het vlak van armoederisico bij personen geboren buiten de Europese Unie in de middenmoot van de EU14‑landen. Maar het verschil tussen het armoederisico van personen geboren buiten de EU en personen geboren in het land zelf, ligt enkel in Spanje en België in zijn geheel nog hoger dan in het Vlaamse Gewest. Tabel 65. Aandeel onder de armoededrempel van 18 jaar en ouder naar geboorteland Europees vergeleken Belgische gewesten en EU14‑landen, 2020 (inkomen 2019), in %
Bron: EU‑SILC Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen
PERSONEN GEBOREN PERSONEN GEBOREN IN HET LAND (1) BUITEN DE EU (2)
VERSCHIL IN PPT. USSEN (2) EN (1) T
Vlaams Gewest
7
33
+26
Waals Gewest
16
30
+14
Portugal
16
15
-1
Ierland
12
21
+9
Finland
12
22
+10
Italië
18
33
+15
Griekenland
16
33
+17
Denemarken
11
29
+18
De Belgische armoededrempel lag volgens de EU‑SILC-survey van 2021 voor een alleenstaande op 1.287 euro per maand. Omgerekend is dat voor een gezin met 2 volwassenen en 2 kinderen 2.703 euro per maand. Het aandeel personen onder de armoededrempel wordt berekend op basis van het beschikbare huishoudinkomen in het jaar vóór de survey. De cijfers van de survey van 2021 hebben dus betrekking op het huishoudinkomen van 2020.
Duitsland
16
34
+18
Frankrijk
10
29
+19
Nederland
11
30
+19
Luxemburg
10
32
+22
Oostenrijk
9
33
+24
Zweden
11
35
+24
Het aandeel personen onder de armoededrempel verschilt sterk naar nationaliteit en geboorteland. Bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit leeft ongeveer de helft in een huishouden met een inkomen onder de
België
10
37
+27
Spanje
16
43
+27
2.3.2 ARMOEDE EN SOCIALE UITSLUITING Om zicht te krijgen op de armoedesituatie van een land of regio wordt traditioneel aangegeven hoeveel mensen moeten rondkomen met een inkomen onder de armoededrempel. Deze drempel is bepaald op 60 procent van het mediaan netto beschikbare gestandaardiseerde huishoudinkomen in het land. Er wordt vanuit gegaan dat personen die leven in een huishouden dat moet rondkomen met een inkomen onder de armoededrempel een verhoogd risico op armoede lopen.
Noot: geen cijfers beschikbaar voor het Brusselse Gewest (te kleine aantallen in steekproef). Bron: EU‑SILC Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen
99
In bovenstaande cijfers wordt op een objectieve manier nagegaan of het inkomen waarover mensen beschikken al dan niet boven een bepaalde drempel ligt. De inkomensgerelateerde verwachtingen en behoeften verschillen echter van gezin tot gezin. De objectieve vergelijking van het beschikbare inkomen met de armoededrempel wordt daarom best aangevuld met een subjectieve inschatting van het inkomen door de betrokkenen zelf. Daartoe wordt aan de referentiepersoon van het huishouden gevraagd in hoeverre het huishouden kan rondkomen met het beschikbare inkomen. In tegenstelling tot het percentage personen onder de armoededrempel dat berekend wordt op basis van het totale huishoudinkomen in het jaar voorafgaand aan de survey, heeft deze subjectieve armoedemaat betrekking op de situatie op het moment zelf waarop de survey wordt afgenomen (de EU‑SILC-survey van 2021 werd afgenomen medio 2021). Het aandeel personen dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt, verschilt duidelijk naar nationaliteit en geboorteland. Bij personen met een niet‑EU‑nationaliteit lag dat aandeel in 2021 bijna 4 keer hoger dan bij personen met een Belgische nationaliteit. Een iets kleiner verschil is te zien tussen personen geboren buiten de EU en personen geboren in België. Personen met een EU‑nationaliteit (buiten België) en personen geboren binnen de EU (buiten België) halen telkens een score tussen beide andere groepen in. Figuur 28. Subjectieve armoede naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2021, in % Nationaliteit
Geboorteland
België
8
8
EU
24
19
Niet-EU
31
26
Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Op Europees niveau wordt in het kader van de opvolging van de Europa 2030-strategie een armoede-indicator gebruikt die niet zozeer focust op het inkomen zelf, maar op het feit of men mee dankzij dit inkomen kan genieten van een minimale levensstandaard. Dat gebeurt door na te gaan of personen een aantal basisitems en sociale activiteiten moeten missen of niet kunnen doen omwille van financiële redenen. Het gaat om 7 items op gezinsniveau en 6 items op individueel niveau. Personen die minstens 7 van deze 13 items moeten missen of niet kunnen omwille van financiële redenen worden beschouwd als personen die leven in ‘ernstige materiële en sociale deprivatie’.
De ernstige materiële en sociale deprivatie verschilt sterk naar nationaliteit en geboorteland. Bij de Belgen ging het in 2021 om 4%, bij de personen met een EU‑nationaliteit om 13% en bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit om 22%. Naar geboorteland zijn de verschillen iets kleiner. Figuur 29. Ernstige materiële en sociale deprivatie naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2021, in % Nationaliteit
Geboorteland
België
4
3
EU
13
12
Niet-EU
22
16
Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In de opvolging van de Europa 2030-strategie (EU2030) wordt naast bovenstaande materiële en sociale deprivatie-indicator nog een andere samengestelde armoede-indicator gebruikt: het aandeel personen in armoede of sociale uitsluiting. Het gaat om personen die leven in een huishouden met een inkomen onder de armoededrempel, die leven in een huishouden met ernstige materiële en sociale deprivatie en/of die jonger zijn dan 64 jaar en leven in een huishouden met zeer lage werkintensiteit. De indicator over lage werkintensiteit werd al besproken in het hoofdstuk over tewerkstelling en arbeid. De 2 andere indicatoren kwamen in dit hoofdstuk al aan bod. Ook op deze samengestelde indicator is een duidelijk verschil te zien naar nationaliteit en geboorteland. Het aandeel armen of sociaal uitgeslotenen lag in 2021 bij de personen met een Belgische nationaliteit 3 keer lager dan bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit. Ook tussen personen geboren in België en personen geboren buiten de EU is er sprake van een duidelijk verschil. 35% van de personen met een niet‑EU‑nationaliteit kan volgens de EU2030-definitie beschouwd worden als arm of sociaal uitgesloten. Bij de personen geboren buiten de EU gaat het om 27%. Figuur 30. Armoede of sociale uitsluiting (EU2030-indicator) naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2021, in % Nationaliteit
Geboorteland
België
12
12
EU
26
25
Niet-EU
35
27
Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
101
Inzake armoede onder personen geboren buiten de EU berekend volgens deze samengestelde EU2030-indicator, situeert het Vlaamse Gewest in 2020 zich in de lagere middenmoot van de EU14‑landen. Maar het verschil tussen armoede of sociale uitsluiting bij personen geboren buiten de EU en personen geboren in het land zelf, ligt enkel in België en Spanje nog hoger dan in het Vlaamse Gewest. Tabel 66. Armoede of sociale uitsluiting (EU2030-indicator) bij bevolking van 18 jaar en ouder naar geboorteland Europees vergeleken Belgische gewesten en EU14‑landen, 2020, in %
Figuur 31. Aandeel personen in huishouden met achterstallige betalingen naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2021, in % Nationaliteit
Geboorteland
België
2
2
EU
8
7
Niet-EU
12
8
Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
PERSONEN GEBOREN PERSONEN GEBOREN IN HET LAND (1) BUITEN DE EU (2)
VERSCHIL IN PPT. TUSSEN (2) EN (1)
Vlaams Gewest
12
41
+29
Waals Gewest
24
39
+15
Portugal
20
20
=
Ierland
19
27
+8
Finland
15
32
+17
Denemarken
16
37
+21
Luxemburg
13
34
+21
Nederland
14
36
+22
Italië
22
44
+22
Duitsland
19
43
+24
Frankrijk
15
39
+24
Griekenland
25
50
+25
Zweden
12
39
+27
Oostenrijk
11
39
+28
België
16
47
+31
Spanje
22
53
+31
Noot: geen cijfers beschikbaar voor het Brusselse Gewest (te kleine aantallen in steekproef). Bron: EU‑SILC Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.3.4 SOCIALE BIJSTAND De overheid probeert via sociale bijstandsuitkeringen de inkomenssituatie van de minst gegoede groepen te verbeteren. Het gaat onder meer om het leefloon en het equivalent leefloon. Het equivalent leefloon is er voor personen die geen recht hebben op een leefloon, maar die zich in een vergelijkbare noodsituatie bevinden. Op basis van de administratieve gegevens van het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming van de KSZ zijn gegevens beschikbaar over het aantal (equivalent) leefloontrekkers naar herkomstgroep. Bij de personen van Belgische herkomst bleef het aandeel (equivalent) leefloontrekkers in 2020 beperkt tot 0,2% van de bevolking. Bij de EU15groepen ging het telkens om 0,5%. Bij personen afkomstig van de EU13-landen lag dat aandeel duidelijk hoger (1,1%). Dat is ook het geval bij personen met Turkse en Maghrebijnse herkomst (respectievelijk 1,1% en 1,6%). Het zijn echter de personen afkomstig uit ‘overig Afrika’ (5,8%), ‘overig Azië’ (5,6%), DR Congo, Burundi en Rwanda (5,0%) en de Europese niet‑EU‑landen (4,0%) die de hoogste percentages leefloontrekkers kennen. Het relatieve aandeel (equivalent) leefloontrekkers is bij nagenoeg alle herkomstgroepen gedaald tussen 2010 en 2020. De enige uitzondering hierop vormen de personen met een herkomst van ‘overig Azië’. Daar is het aandeel beperkt gestegen.
2.3.3 BETALINGSPROBLEMEN In de EU‑SILC-survey wordt jaarlijks ook gevraagd naar achterstallige betalingen voor huur of hypotheek, elektriciteit, water of gas, aankopen op afbetaling of een andere lening. Ook hier scoren personen met een nietBelgische nationaliteit en personen geboren in het buitenland duidelijk minder goed dan Belgen en personen geboren in België. Het aandeel personen in een huishouden met betalingsproblemen lag in 2021 bij personen met een niet‑EU‑nationaliteit 6 keer hoger dan bij personen met een Belgische nationaliteit. Een iets kleiner verschil is er tussen personen geboren buiten de EU en personen geboren in België.
103
Tabel 67. Personen met (equivalent) leefloon naar herkomst Vlaams Gewest, 2010 en 2020, aantal en in % van totale bevolking per herkomstgroep 2010 AANTAL
2020
% VAN BEVOLKING
AANTAL
% VAN BEVOLKING
België
14.079
0,3
11.160
0,2
Buurlanden
1.685
0,6
1.727
0,5
West- en Noord‑EU15
159
0,5
133
0,5
Zuid‑EU15
545
0,5
663
0,5
EU12/EU13
1.512
2,4
1.597
1,1
Europa niet‑EU
6.361
9,3
3.181
4,0
Turkije
1.627
1,4
1.647
1,1
Maghreb
3.204
2,1
3.448
1,6
DR Congo, Burundi en Rwanda
1.718
7,3
1.754
5,0
Overig Azië
3.772
4,6
12.908
5,6
Overig Afrika
2.610
6,8
5.014
5,8
Noord-Amerika en Oceanië
42
0,4
42
0,4
Zuid- en Midden-Amerika
508
2,5
641
1,7
Ander en onbekend
208
2,6
1.023
5,2
Totaal EU (excl. België)
3.901
0,8
4.120
0,6
20.050
3,9
29.658
3,2
Totaal niet‑EU
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.3.5 KANSARMOEDE-INDEX Kind en Gezin gaat aan de hand van 6 criteria bij elke geboorte na of het gezin waarin het kind geboren wordt al dan niet kansarm is: het maandinkomen van het gezin, de opleiding en de arbeidssituatie van de ouders, de ontwikkeling van de kinderen, de huisvesting en de gezondheidssituatie van het gezin. Een gezin wordt als kansarm beschouwd als het op minstens 3 van de voorgenoemde criteria zwak scoort. Op basis van deze gegevens wordt een kansarmoede-index berekend die aangeeft hoeveel kinderen die in Vlaanderen wonen tijdens de afgelopen 3 jaar geboren werden in een kansarm gezin (ongeacht waar ze geboren werden). De resultaten van deze kansarmoede-index kunnen worden opgedeeld op basis van de geboortenationaliteit van de moeder. De kansarmoede-index lag in 2020 bij kinderen met een moeder met een Belgische geboortenationaliteit (6%) goed 5 keer lager dan bij kinderen met een moeder met een buitenlandse geboortenationaliteit (32%). Het zorgt ervoor dat 69% van de kinderen die in de periode 2018-2020 in kansarmoede geboren zijn, een moeder hebben met een buitenlandse geboortenationaliteit. Dat is veel hoger dan hun aandeel in het totaal aantal geboorten tijdens die periode (29%).
Tussen de buitenlandse herkomstgroepen bestaan er duidelijke verschillen. Bij kinderen met een moeder met een geboortenationaliteit van een EU‑land lag de kansarmoede-index in 2020 op 18%, bij kinderen met een geboortenationaliteit van buiten de EU op 39%. Figuur 32. Kansarmoede-index naar geboortenationaliteit van de moeder Vlaams Gewest, 2020, in %
België
5,7
Totaal buitenland
32,4
EU
18,1
Niet-EU
38,6 0
10
20
30
Bron: Kind en Gezin, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.4 WONEN EN HUISVESTING In dit hoofdstuk worden voornamelijk gegevens gebruikt afkomstig van de European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU‑SILCsurvey) van het Belgische statistiekbureau Statbel. De EU‑SILC-gegevens maken het mogelijk om internationaal te vergelijken, onder meer op vlak van eigendomsstatuut, betaalbaarheid en kwaliteit van de woning. De EU‑SILC-cijfers opgenomen in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de EU‑SILCsurvey van 2020. Cijfers over de woonsituatie en de betaalbaarheid van wonen naar nationaliteit en geboorteland op basis van de EU‑SILC-survey van 2021 zijn nog niet beschikbaar. De EU‑SILC-gegevens kunnen opgedeeld worden naar huidige nationaliteit (Belg, EU zonder België, niet‑EU) en geboorteland (België, EU zonder België, buiten de EU). In de EU‑SILC-steekproef van 2020 waren er bij de ongeveer 6.500 bevraagde personen van 18 jaar en ouder in het Vlaamse Gewest circa 190 personen met een EU27-nationaliteit (zonder België) en 160 personen met een niet‑EU27-nationaliteit opgenomen. Naar geboorteland ging het om ongeveer 250 personen geboren in de EU27 buiten België en circa 340 personen geboren buiten de EU27. Voor meer info over de EU‑SILC-survey: zie hoofdstuk 2.1. Daarnaast kan men op basis van administratieve gegevens van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) het aantal huurders van een sociale woning in kaart brengen. De gegevens van de VMSW kunnen worden opgedeeld naar huidige nationaliteit (Belg, EU zonder België, niet‑EU). Voor de resultaten van de Woonsurvey 2018 van het Steunpunt Wonen verwijzen we naar de publicatie ‘Wonen in Vlaanderen anno 2018’ waarin ook cijfers naar nationaliteit zijn opgenomen. Een volgende editie van een dergelijk groot woononderzoek in opdracht van de Vlaamse overheid is voorzien voor 2022-2023.
105
2.4.1 EIGENAARSCHAP De EU‑SILC-survey biedt gegevens over het aandeel huishoudens in het Vlaamse Gewest dat eigenaar is van de woning waarin men woont, dat huurt (aan marktprijs of verminderd tarief) of dat aangeeft gratis te wonen. Hieruit blijkt dat bij de niet-Belgische bevolking een kleiner aandeel eigenaar is van de woning en een groter aandeel huurder is dan bij de bevolking met Belgische nationaliteit. Bij de buitenlandse bevolking is het aandeel eigenaars bij de niet‑EU‑burgers met 4 op de 10 het laagst, bij de EU‑burgers gaat het om 6 op de 10. Bij de Belgen zijn bijna 8 op de 10 personen eigenaar. Ook naar geboorteland bestaat er een kloof, al is die kloof iets kleiner dan op basis van nationaliteit. Bij de personen geboren in België is 80% eigenaar, bij de personen geboren in de EU (buiten België) en buiten de EU gaat het respectievelijk om 63% en 48%.
EU14‑landen. Als gekeken wordt naar het verschil in het aandeel eigenaars tussen personen geboren buiten de EU en personen geboren in het land zelf, schuift het Vlaamse Gewest meer op naar de middenmoot. Tabel 68. Aandeel eigenaars bij bevolking van 18 jaar en ouder naar geboorteland Europees vergeleken Belgische gewesten en EU14‑landen, 2020, in % PERSONEN GEBOREN PERSONEN GEBOREN IN HET LAND (1) BUITEN DE EU (2)
VERSCHIL IN PPT. TUSSEN (2) EN (1)
Vlaams Gewest
80
48
-32
Waals Gewest
73
45
-28
Portugal
78
66
-13
Denemarken
59
38
-21
Omgekeerd is het aandeel huurders groter onder de buitenlandse bevolking of de bevolking geboren in het buitenland, met de grootste aandelen bij de niet‑EU‑burgers en personen geboren buiten de EU.
Ierland
79
55
-24
Duitsland
55
29
-26
Nederland
69
43
-26
Bij de huurders is er een opmerkelijk verschil tussen de huurders aan marktprijs en de huurders aan verminderd tarief (vooral sociale huurders). Het aandeel huurders aan marktprijs ligt duidelijk hoger bij zowel de EU‑ als de niet‑EU‑groepen. Bij de sociale huurders is dat enkel het geval bij de groepen van buiten de EU.
Frankrijk
69
39
-30
Finland
71
35
-37
België
77
39
-37
Oostenrijk
62
24
-38
Zweden
71
32
-39
Luxemburg
85
44
-41
Griekenland
80
38
-42
Italië
82
31
-51
Spanje
84
32
-52
Figuur 33. Eigendomsstatus bij bevolking van 18 jaar en ouder naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2020, in % Naar nationaliteit Eigenaar
Huurder aan marktprijs
Huurder aan verminderd tarief
Gratis bewoner
België
79
6
1
EU
59
36
4
0
Niet-EU
41
35
24
0
14
Naar geboorteland Eigenaar België
80
EU
63
Niet-EU
48
Huurder aan marktprijs 13
Huurder aan verminderd tarief
Gratis bewoner
5
1
31
7
0
27
25
0
Noot: geen cijfers beschikbaar voor het Brusselse Gewest (te kleine aantallen in steekproef). Bron: EU‑SILC Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.4.2 SOCIALE HUISVESTING Administratieve gegevens van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) brengen het aantal huurders van een sociale woning in het Vlaamse Gewest naar huidige nationaliteit in beeld. Deze cijfers kunnen worden afgezet tegenover het totaal aantal huurders en tegenover de totale bevolking per nationaliteitsgroep. Hieruit blijkt dat eind 2020 86% van de sociale huurders een Belgische nationaliteit had, 4% een EU‑nationaliteit (buiten België) en 8% een niet‑EU‑nationaliteit.
Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De resultaten van de EU‑SILC-survey maken het mogelijk internationaal te vergelijken. Met een aandeel eigenaars bij de personen geboren buiten de EU van 48% haalt het Vlaamse Gewest een plaats bij de beter scorende
Afgezet tegenover de totale bevolking per nationaliteitsgroep lag eind 2020 het aandeel sociale huurders bij de personen met een Belgische nationaliteit en bij de personen met een EU‑nationaliteit telkens op 2%. Bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit ging het om 5%.
107
Het aandeel sociale huurders met een niet‑EU‑nationaliteit tegenover de totale bevolking is tussen 2012 en 2020 afgenomen. Bij de huurders met een Belgische of EU‑nationaliteit is dat aandeel min of meer stabiel gebleven.
Figuur 34. Hoge woonquote (>40%) bij personen van 18 jaar en ouder naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2020, in %
Tabel 69. Huurders van een sociale woning naar nationaliteitsgroep Vlaams Gewest, 2012 en 2020, aantal en in % van totaal huurders en totale bevolking per nationaliteitsgroep
België
5
5
EU
20
16
Niet-EU
20
15
2012
België
2020
AANTAL
% VAN TOTAAL HUURDERS
% VAN BEVOLKING
AANTAL
% VAN TOTAAL HUURDERS
% VAN BEVOLKING
115.955
84,4
2,0
124.263
85,8
2,1
EU
4.312
3,1
1,5
6.169
4,3
1,6
Niet‑EU
11.104
8,1
6,2
12.275
8,5
5,1
Onbekend
5.980
4,4
-
2.105
1,5
-
Bron: VMSW, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.4.3 BETAALBAARHEID VAN WONEN Een vaak gebruikte maatstaf voor de betaalbaarheid van wonen is de woonquote: de verhouding tussen de woonuitgaven en het beschikbare huishoudinkomen. Men spreekt van een betaalbare woning indien de woonquote een bepaald percentage niet overschrijdt. Er bestaan verschillende varianten voor de berekening van de woonquote. In de hier gepresenteerde gegevens van de EU‑SILC-survey wordt bij de woonuitgaven niet alleen rekening gehouden met de huurprijs of de afbetalingslast (‘naakte woonuitgaven’) maar ook met bijkomende woonkosten, zoals kosten voor nutsvoorzieningen (water, gas, stookolie, elektriciteit) en de kosten voor het onderhoud van de gemeenschappelijke delen (indien men huurder is in een appartementsgebouw). Er wordt daarbij klassiek gewerkt met een woonquote van 40% als drempel voor een haalbare woonkost. Op basis van gegevens uit de EU‑SILC-survey blijkt dat personen met een niet-Belgische nationaliteit vaker kampen met een woonquote van meer dan 40% dan personen met een Belgische nationaliteit. Zowel bij personen met een EU‑nationaliteit (buiten België) als bij personen met een niet‑EU‑nationaliteit lag het aandeel met een te hoge woonquote in 2020 op 20%. Bij personen met een Belgische nationaliteit ging het om 5%. Naar geboorteland is een gelijkaardig verschil te zien, zij het minder uitgesproken. Het aandeel personen met een te hoge woonquote bedraagt respectievelijk 16% en 15% voor personen geboren binnen de EU (buiten België) en personen geboren buiten de EU, tegenover 5% bij personen geboren in België.
Nationaliteit
Geboorteland
Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In de EU14‑landen ligt het aandeel personen geboren buiten de EU dat leeft in een huishouden met een te hoge woonquote veruit het hoogst in Griekenland (61%). Het laagste aandeel wordt gerapporteerd in Finland en Portugal (telkens 8%). Het Vlaamse Gewest bevindt zich in de middenmoot van de EU14‑landen. Wat betreft het verschil tussen het aandeel personen met een te hoge woonquote bij personen geboren buiten de EU en personen geboren in het land zelf scoort het Vlaamse Gewest iets minder goed. Tabel 70. Hoge woonquote (>40%) bij personen van 18 jaar en ouder naar geboorteland Europees vergeleken Belgische gewesten en EU14‑landen, 2020, in % PERSONEN GEBOREN PERSONEN GEBOREN IN HET LAND (1) BUITEN DE EU (2)
VERSCHIL IN PPT. TUSSEN (2) EN (1)
Vlaams Gewest
5
15
+10
Waals Gewest
9
14
+5
Finland
5
8
+3
Frankijk
6
11
+5
Portugal
3
8
+5
Denemarken
16
21
+5
Zweden
8
15
+7
Ierland
2
9
+8
Nederland
8
17
+9
Oostenrijk
4
14
+9
Duitsland
19
29
+10
Italië
6
17
+11
Luxemburg
5
16
+11
België
7
18
+12
Spanje
4
28
+23
Griekenland
29
61
+33
Noot: geen cijfers beschikbaar voor het Brusselse Gewest (te kleine aantallen in steekproef). Bron: EU‑SILC Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen.
109
Naast de woonquote kan om de betaalbaarheid van wonen in beeld te brengen ook gekeken worden naar de eventuele aanwezigheid van betalingsproblemen in verband met de woning. Het betreft hier een meting van de subjectieve ervaring van betaalbaarheid. Gevraagd naar de mate waarin de totale woonkosten een last vormen voor het huishoudbudget, gaven in 2020 in het Vlaamse Gewest 4 op de 10 personen met een niet‑EU‑nationaliteit aan dat de woonkosten een zware last vormen. Bij personen met een EU‑nationaliteit (buiten België) ging het om 2 op de 10 personen, bij de personen met Belgische nationaliteit om 1 op de 10. Gelijkaardige resultaten zijn er ook bij de opdeling naar geboorteland. Figuur 35. Personen van 18 jaar en ouder in huishouden waar woonkosten zware last vormen naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2020, in % Nationaliteit
Geboorteland
België
11
10
EU
22
17
Niet-EU
38
39
Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.4.4 WOONKWALITEIT Op basis van de EU‑SILC-bevraging kan ook de woonkwaliteit in kaart worden gebracht. Een eerste indicator ‘woningdeprivatie’ geeft het aandeel personen weer dat aangeeft te leven in een huis met één of meerdere van volgende problemen: gebrek aan elementair comfort (bad of douche en een toilet met waterspoeling in de woning zelf), een structureel probleem (lekkend dak, schimmel en vocht, rottende ramen en deuren) of een te donkere woning. Daarnaast kan het aandeel personen berekend worden dat leeft in een huis met een ‘gebrek aan ruimte’. Daarbij wordt rekening gehouden met de grootte en de samenstelling van het gezin. Een gezin leeft niet in een huis met gebrek aan ruimte als het minstens 1 kamer heeft voor het huishouden plus 1 kamer per koppel, 1 kamer per alleenstaande van 18 jaar of ouder, 1 kamer per duo van jongeren van hetzelfde geslacht tussen 12 en 17 jaar en 1 kamer per duo van kinderen tot 12 jaar. Het aandeel personen dat leeft in een huishouden met woningdeprivatie was in 2020 met 19% het hoogst bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit. Dat aandeel lag lager bij de personen met een EU‑nationaliteit (14%) en Belgische nationaliteit (16%). Naar geboorteland is er een gelijkaardig verschil. Het aandeel ligt er het hoogst bij de personen geboren buiten de EU en lager bij de personen geboren binnen de EU en in België. Wat gebrek aan ruimte betreft, liggen de aandelen duidelijk hoger bij de groepen met nietBelgische nationaliteit of geboren in het buitenland.
Figuur 36. Woningdeprivatie en gebrek aan ruimte bij personen van 18 jaar en ouder naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2020, in % Naar nationaliteit Woningdeprivatie
Gebrek aan ruimte
België
16
2
EU
14
7
Niet-EU
19
19
Naar geboorteland Woningdeprivatie
Gebrek aan ruimte
België
15
2
EU
15
6
Niet-EU
23
13
Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In vergelijking met de EU14‑landen ligt het ruimtegebrek bij personen geboren buiten de EU in het Vlaamse Gewest relatief laag (13%). Griekenland en Italië scoren het hoogst (telkens 47%). Ook het verschil tussen het aandeel personen met ruimtegebrek geboren binnen België en geboren buiten de EU ligt in het Vlaamse Gewest relatief laag in vergelijking met de EU14‑landen. Tabel 71. Gebrek aan ruimte bij personen van 18 jaar en ouder naar geboorteland Europees vergeleken Belgische gewesten en EU14‑landen, 2020, in % PERSONEN GEBOREN PERSONEN GEBOREN IN HET LAND (1) BUITEN DE EU (2)
VERSCHIL IN PPT. TUSSEN (2) EN (1)
Vlaams Gewest
2
13
+11
Waals Gewest
3
10
+7
Ierland
3
6
+3
Nederland
3
12
+9
Portugal
7
16
+9
Finland
7
18
+11
Luxemburg
4
16
+13
Denemarken
8
21
+13
België
2
20
+18
Frankrijk
6
25
+19
Duitsland
6
25
+19
Spanje
4
23
+19
Griekenland
25
47
+23
Zweden
9
34
+25
Italië
21
47
+26
Oostenrijk
7
43
+36
Noot: geen cijfers beschikbaar voor het Brusselse Gewest (te kleine aantallen in steekproef). Bron: EU‑SILC Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen
111
Tot slot kan op basis van de EU‑SILC-survey ook iets gezegd worden over de kwaliteit van de woonomgeving. Het aandeel personen dat problemen ervaart in de woonomgeving omwille van lawaaihinder, vervuiling of criminaliteit ligt bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit iets hoger dan bij de personen met een Belgische of EU‑nationaliteit. Naar geboorteland liggen de aandelen iets hoger bij personen die niet in België zijn geboren. Maar de verschillen naar nationaliteit en geboorteland blijven hier relatief beperkt. Figuur 37. Personen van 18 jaar en ouder met problemen in de woonomgeving naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2020, in % Nationaliteit
Geboorteland
België
21
21
EU
21
24
Niet-EU
25
24
Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.5 GEZONDHEID EN WELZIJN De gegevens over subjectieve gezondheid, mentale gezondheid, welbevinden en gezondheidsgedrag zijn gebaseerd op de resultaten van de 5-jaarlijkse Gezondheidsenquête van Sciensano. De betaalbaarheid van de gezondheids zorg wordt in beeld gebracht op basis van de resultaten van de European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU‑SILC-survey) van het Belgische statistiekbureau Statbel. De gegevens over de verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering zijn gebaseerd op de administratieve gegevens van het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming (DWH AM&SB) van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ). De gegevens van de Gezondheidsenquête kunnen voor de bevolking van 16 jaar en ouder opgedeeld worden naar huidige nationaliteit (Belg, EU zonder België, niet‑EU) en naar geboorteland (België, EU zonder België, buiten EU). In de steekproef van 2018 zijn er 3.598 respondenten waarvan de huidige nationaliteit gekend is en 3.597 waarvan het geboorteland gekend is. Van die respondenten hebben 142 een EU‑nationaliteit (zonder België) en 111 een niet‑EU‑nationaliteit. Naar geboorteland gaat het om 168 personen geboren in de EU (buiten België) en 240 personen geboren buiten de EU. Deze groepen zijn relatief klein, waardoor enige voorzichtigheid geboden is bij de interpretatie van de gegevens.
nationaliteit en geboorteland op basis van de EU‑SILC-survey van 2021 zijn nog niet beschikbaar. Voor meer info over de EU‑SILC-survey: zie hoofdstuk 2.1. en 2.4. De administratieve KSZ-gegevens over de verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering kunnen opgedeeld worden naar herkomst. Dat is mogelijk door een koppeling van de gegevens van het Rijksregister over de nationaliteitshistoriek van een persoon en diens ouders aan de gegevens van het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming van de KSZ. Om de herkomst van een persoon te bepalen worden 4 criteria in rekening gebracht: de huidige nationaliteit van de persoon, de geboortenationaliteit van de persoon, de geboortenationaliteit van de vader en de geboortenationaliteit van de moeder. Strikt genomen gaat het niet om de geboortenationaliteit, maar om de eerste in het Rijksregister gekende nationaliteit. Is 1 van deze 4 criteria een niet-Belgische nationaliteit, dan wordt de persoon beschouwd als een persoon van buitenlandse herkomst. Deze operationalisering sluit aan bij de doelgroep zoals omschreven in artikel 3 van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse Integratie- en Inburgeringsbeleid. Meer informatie over de bij deze KSZ-gegevens gehanteerde herkomstdefinitie en de samenstelling van de herkomstgroepen is te vinden in hoofdstuk 2.1.
2.5.1 SUBJECTIEVE GEZONDHEID De gezondheidstoestand wordt hier in beeld gebracht via de subjectieve gezondheid (hoe men de eigen gezondheid evalueert) en de aan- of afwezigheid van een functiebeperking. Personen met een functiebeperking zijn personen die aangeven in hun dagelijks leven hinder te ondervinden door een langdurige handicap, ziekte of aandoening. De resultaten van de Gezondheidsenquête van 2018 wijzen op beperkte verschillen tussen de nationaliteitsgroepen op het vlak van subjectieve gezondheid. Personen met een niet‑EU‑nationaliteit geven vaker aan dat hun gezondheid goed tot zeer goed is (83%). Bij de personen met een EU‑nationaliteit (buiten België) ligt dat aandeel het laagst (74%). Het cijfer van personen met een Belgische nationaliteit (78%) ligt tussen beide andere groepen in. Naar geboorteland zijn die verschillen er niet. Figuur 38. Personen van 16 jaar en ouder met (zeer) goede gezondheid naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2018, in % Nationaliteit
De EU‑SILC-gegevens kunnen voor de bevolking van 18 jaar en ouder opgedeeld worden naar huidige nationaliteit (Belg, EU zonder België, niet‑EU) en naar geboorteland (België, EU zonder België, buiten de EU). De EU‑SILCcijfers opgenomen in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de EU‑SILC-survey van 2020. Cijfers over de betaalbaarheid van de gezondheidszorg naar
Geboorteland
België
78
78
EU
74
77
Niet-EU
83
77
Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen
113
Bij personen met een niet‑EU‑nationaliteit en personen geboren buiten de EU is het aandeel personen met een functiebeperking duidelijk lager dan bij de andere groepen. Dat hangt ten dele ook samen met hun jonger demografisch profiel. Het zijn vooral de oudere leeftijdsgroepen die melding maken van een functiebeperking. Figuur 39. Personen van 16 jaar en ouder met functiebeperking naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2018, in % Nationaliteit
Geboorteland
België
17
17
EU
14
17
Niet-EU
7
10
een angststoornis geboren in België of in een ander EU‑land is ongeveer gelijk (respectievelijk 8% en 10%). Bij personen geboren buiten de EU ligt dat aandeel hoger (16%). Ten slotte kan op basis van 9 items van de ‘Patient Health Questionnaire’ het aandeel berekend worden met een ernstige depressieve stoornis. Ook hier ligt het aandeel personen met een depressieve stoornis hoger bij personen met een niet-Belgische nationaliteit. En naar geboorteland is het hoogste aandeel ook hier te vinden bij de personen geboren buiten de EU. Figuur 40. Mentale gezondheid bij personen van 16 jaar en ouder naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2018, in % Naar nationaliteit
Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.5.2 MENTALE GEZONDHEID EN WELBEVINDEN Op basis van de Gezondheidsenquête kunnen ook een aantal dimensies van de mentale gezondheid en het welbevinden in beeld gebracht worden. Het gaat dan onder meer om de aanwezigheid van psychische problemen, angststoornissen en ernstige depressieve stoornissen. Aansluitend wordt hier ook gekeken naar de algemene levenstevredenheid. Op basis van de antwoorden op 12 items van de ‘General Health Questionaire’ kan de psychische gezondheid beoordeeld worden. De gegevens van 2018 geven aan dat 40% van de personen met een niet-Belgische nationaliteit kampt met psychische problemen. Het gaat om personen die op minstens 2 van de 12 items aangeven dat ze geconfronteerd worden met psychisch onwelbevinden. Bij personen met de Belgische nationaliteit ligt het aandeel met psychische problemen duidelijk lager (29%). Naar geboorteland situeert het verschil zich tussen personen geboren buiten de EU en de andere groepen. Het aandeel personen geboren in België of in een andere EU‑land die kampen met psychische problemen is ongeveer gelijk (telkens 29%). Bij personen die geboren zijn buiten de EU ligt dat aandeel hoger (38%). Het aandeel van de bevolking met een gegeneraliseerde angststoornis wordt berekend aan de hand van 7 items van de ‘Generalized Anxiety Disorder’schaal. Daaruit blijkt dat in 2018 14% van de personen met een niet-Belgische nationaliteit een angststoornis had, tegenover 8% van de personen met een Belgische nationaliteit. Naar geboorteland situeert het verschil zich opnieuw tussen de personen geboren buiten de EU en de andere groepen. Het aandeel personen met
Psychische problemen
Angststoornis
Depressieve stoornis
België
29
8
EU
40
14
10
Niet-EU
40
14
7
3
Naar geboorteland Psychische problemen
Angststoornis
Depressieve stoornis
België
29
8
EU
29
10
5
Niet-EU
38
16
8
3
Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen
De algemene levenstevredenheid betreft het subjectieve oordeel van de respondent over het leven in het algemeen. Dat gebeurt aan de hand van een 11 puntenschaal gaande van 0 (helemaal niet tevreden) tot 10 (helemaal tevreden). Uit de gegevens van 2018 blijkt dat personen met een Belgische nationaliteit zichzelf gemiddeld een score gaven van 7,6 op 10, bij personen met een EU‑nationaliteit (buiten België) was dat 7,4 op 10 en bij personen met een niet‑EU‑nationaliteit 7,2 op 10. Het verschil is minder groot naar geboorteland. Personen geboren in België geven zichzelf een score van 7,6 op 10, personen geboren in een ander EU‑land 7,5 op 10 en personen geboren buiten de EU 7,4 op 10. De antwoorden kunnen ook gegroepeerd worden in 3 categorieën (laag, matig en hoog tevreden). Naar nationaliteit ligt het aandeel met lage tevredenheid bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit duidelijk hoger dan bij de andere groepen. Een gelijkaardig beeld komt ook terug bij de opdeling naar geboorteland. Ook daar ligt het aandeel met een lage levenstevredenheid duidelijk hoger bij de personen geboren buiten de EU, al is het verschil met de andere groepen hier kleiner dan bij de opdeling naar nationaliteit.
115
Figuur 41. Algemene levenstevredenheid (schaal van 0 tot 10) bij personen van 16 jaar en ouder naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2018, in %
Figuur 42. Aandeel van bevolking van 16 jaar en ouder met aanbevolen hoeveelheid groenten/fruit en minuten lichaamsbeweging naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2018, in %
Naar nationaliteit
Naar nationaliteit
Lage tevredenheid (0 tot 5)
Matige tevredenheid (6 tot 8)
Hoge tevredenheid (9 tot 10)
Groenten en fruit
Lichaamsbeweging
België
8
67
25
België
12
38
EU
11
67
22
EU
9
26
Niet-EU
26
52
22
Niet-EU
12
20
Naar geboorteland Lage tevredenheid (0 tot 5)
Naar geboorteland Matige tevredenheid (6 tot 8)
Hoge tevredenheid (9 tot 10)
Groenten en fruit
Lichaamsbeweging
België
9
67
25
België
12
37
EU
9
70
21
EU
7
29
Niet-EU
17
57
26
Niet-EU
14
24
Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.5.3 GEZONDHEIDSGEDRAG De hierna gepresenteerde indicatoren inzake gezondheidsgedrag hebben betrekking op gezonde voeding, lichaamsbeweging, alcoholgebruik, rookgedrag en overgewicht. De Gezondheidsenquête vraagt respondenten hoeveel porties groenten en fruit zij dagelijks eten. De aanbevolen dagelijkse portie groenten en fruit ligt op 5 stuks. Het aandeel personen met een EU‑nationaliteit dat voldoende groenten en fruit eet, ligt lager dan bij de andere nationaliteitsgroepen. Dat is ook het geval bij de opdeling naar geboorteland. Daar ligt het aandeel het laagst bij de personen geboren in de EU (buiten België). Wat lichaamsbeweging betreft, raadt de Wereld Gezondheidsorganisatie (WGO) aan wekelijks minstens 150 minuten aan lichaamsbeweging te doen. Het aandeel personen dat deze norm haalt, ligt duidelijk hoger bij de personen met een Belgische nationaliteit of geboren in België dan bij de andere groepen.
Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen
Ook het aantal glazen alcohol dat wekelijks gedronken wordt, wordt bevraagd in de Gezondheidsenquête. Men spreekt van overmatig alcoholgebruik bij mannen bij een consumptie van meer dan 21 glazen per week, bij vrouwen meer dan 14 glazen per week. Personen van binnen de EU (buiten België) drinken iets vaker overmatig alcohol, maar de verschillen tussen de nationaliteits- en geboortelandgroepen blijven al bij al vrij beperkt. Ook het aandeel dat dagelijks rookt ligt bij personen van binnen de EU iets hoger dan bij de andere groepen. Hier zijn de verschillen iets groter. Figuur 43. Overmatig alcoholgebruik en dagelijks roken bij personen van 16 jaar en ouder naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2018, in % Naar nationaliteit Overmatig alcoholgebruik
Dagelijks roken
België
6
11
EU
7
15
Niet-EU
6
12
Naar geboorteland Overmatig alcoholgebruik
Dagelijks roken
België
6
11
EU
8
15
Niet-EU
5
12
Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen
117
Overgewicht ten slotte wordt bepaald op basis van de Body Mass Index (BMI). Bij een waarde van 25 of meer is er sprake van overgewicht. Het aandeel personen met overgewicht ligt hoger bij de buitenlandse nationaliteits- en geboortelandgroepen dan bij de personen met een Belgische nationaliteit of geboren in België. De personen van buiten de EU scoren het hoogst. Figuur 44. Overgewicht (BMI>25) bij personen van 16 jaar en ouder naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2018, in % Nationaliteit
Geboorteland
België
48
47
EU
53
54
Niet-EU
55
58
Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen
2.5.4 TOEGANG TOT DE GEZONDHEIDSZORG Het aandeel personen dat leeft in een huishouden dat medische zorg (bezoek aan arts of tandarts) moet uitstellen om financiële redenen, verschilt volgens de EU‑SILC-survey naar nationaliteit en naar geboorteland. Bij de Belgen ging het in 2020 om 2%, bij de groepen met een niet-Belgische nationaliteit telkens om 5%. Een gelijkaardig verschil is er ook naar geboorteland. Figuur 45. Personen van 18 jaar en ouder in huishouden dat zorg heeft moeten uitstellen om financiële redenen naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2020, in % Nationaliteit
Geboorteland
ontvangen, langdurig werklozen, arbeidsongeschikten of personen in een eenoudergezin) en personen in huishoudens met een bescheiden inkomen komen hiervoor in aanmerking. De 2 laatstgenoemde groepen moeten dit statuut wel zelf aanvragen, maar een gedeelte onder hen deed dit (nog) niet. Bij alle bovenvermelde groepen hebben zowel de titularissen als hun personen ten laste recht op de verhoogde tegemoetkoming. Het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming van de KSZ bevat gegevens over het aantal personen met een verhoogde tegemoetkoming naar herkomstgroep. Bij de personen van Belgische herkomst ging het begin 2020 om 11% van de bevolking. Bij de EU‑groepen ligt dat aandeel iets hoger (13%), met het hoogste aandeel bij personen van Zuid‑EU15-herkomst (15%). Bij de niet‑EU‑herkomstgroepen ligt het aandeel met een verhoogde tegemoetkoming nog hoger. Algemeen ging het in 2020 om 33% van de personen met een herkomst van buiten de EU. Daarbinnen zijn de hoogste aandelen te zien bij personen van Maghrebijnse herkomst en personen met een herkomst van ‘overig Azië’ en ‘overig Afrika’. De laagste percentages zijn te vinden bij personen met een herkomst van Zuid- en Midden-Amerika, Noord-Amerika en Oceanië. Het relatieve aandeel personen met een verhoogde tegemoetkoming is bij alle herkomstgroepen gestegen tussen 2010 en 2020. Die stijging is het grootst bij de niet‑EU‑groepen en het kleinst bij de personen van Belgische herkomst. Tabel 72. Verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering naar herkomst Vlaams Gewest, 2010 en 2020, aantal en in % van totale bevolking per herkomstgroep 2010
2020
AANTAL
% VAN BEVOLKING
AANTAL
% VA BEVOLKING
België
567.349
10,8
578.585
11,4
Buurlanden
21.590
7,8
40.483
12,5
West- en Noord‑EU15
2.536
7,9
4.324
12,7
10.693
9,9
21.751
14,8
België
2
2
Zuid‑EU15
EU
5
5
EU12/EU13
5.880
9,3
19.698
11,4
Niet-EU
5
4
Europa niet‑EU
19.582
28,7
36.113
31,5
Turkije
20.048
17,8
36.875
24,8
Maghreb
47.008
30,2
91.421
37,9
DR Congo, Burundi en Rwanda
6.171
26,2
13.524
31,9
Overig Azië
16.142
19,5
67.996
37,1
Overig Afrika
9.187
24,1
33.028
37,4
Noord-Amerika en Oceanië
1.259
12,5
1.981
17,1
Zuid- en Midden-Amerika
2.299
11,5
6.409
16,7
Ander en onbekend
1.406
17,8
5.736
36,0
Totaal EU (excl. België)
40.699
8,5
86.256
12,7
Totaal niet‑EU
123.102
23,7
293.083
33,1
Bron: EU-SILC Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Om de toegang tot de gezondheidszorg te verzekeren, bestaat er in België voor bepaalde groepen het statuut van de verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering. Dat geeft recht op een hogere terugbetaling voor geneeskundige zorg en geneesmiddelen, een derdebetalersregeling bij artsen die daarmee instemmen en een gunstiger stelsel voor het persoonlijk aandeel (remgeld) in geval van hospitalisatie. Dit statuut wordt automatisch toegekend aan personen die een bepaald sociaal voordeel ontvangen zoals een leefloon of equivalent leefloon, een inkomensgarantie voor ouderen, een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of een uitkering voor personen met een handicap. Ook personen met een specifieke hoedanigheid van wie het huishoudinkomen een bepaalde grens niet overschrijdt (verweduwden, gepensioneerden, personen met een erkende handicap die geen uitkering
Bron: DWH AM&SB KSZ, bewerking Statistiek Vlaanderen.
119
2.6 SOCIALE PARTICIPATIE De verschillende aspecten van sociale participatie worden in dit rapport in beeld gebracht aan de hand van de Survey ‘Sociaal-Culturele Verschuivingen in Vlaanderen’ (SCV-survey) van Statistiek Vlaanderen. Voor de beoordeling van de mate van sociale ondersteuning wordt ook gebruik gemaakt van de gegevens van de 5-jaarlijkse Gezondheidsenquête van Sciensano. De SCV-survey - voor het laatst afgenomen in 2018 - was een jaarlijkse face-to-face enquête naar opvattingen, overtuigingen en handelingen rond diverse maatschappelijke en beleidsrelevante thema’s die tot 2018 werd afgenomen bij een toevalssteekproef van ongeveer 1.500 Nederlandstalige inwoners van het Vlaamse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 18 jaar en ouder. In de loop van 2020 ontwikkelde Statistiek Vlaanderen (SV) een nieuwe algemene bevraging met een vernieuwde methodologie. De eerste resultaten van deze nieuwe SV-bevraging werden gepubliceerd in 2021. Omdat er nog geen evolutie geschetst kan worden op basis van de SV-bevraging en verschillende jaargangen dus niet gepoold kunnen worden (zie verder), wordt in dit rapport enkel gebruik gemaakt van de resultaten van de SCV-survey. De resultaten van de SCV-survey kunnen opgedeeld worden naar herkomstgroep. Om de herkomst van een persoon te bepalen worden 4 criteria in rekening gebracht: de huidige nationaliteit van de persoon, de geboortenationaliteit van de persoon, de geboortenationaliteit van de vader en de geboortenationaliteit van de moeder. Is 1 van deze 4 criteria een niet-Belgische nationaliteit, dan wordt de persoon beschouwd als een persoon van buitenlandse herkomst. Deze operationalisering sluit aan bij de doelgroep zoals omschreven in artikel 3 van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse Integratie- en Inburgeringsbeleid. In de steekproef van de SCV-survey zijn jaarlijks 200 tot 250 personen van buitenlandse herkomst opgenomen. Door de 3 meest recente edities (2016, 2017 en 2018) van de survey samen te nemen (poolen), worden de aantallen van de verschillende herkomstgroepen groot genoeg om uitspraken te doen over mogelijke verschillen tussen personen van Belgische herkomst (circa 3.500 respondenten), personen van EU‑herkomst (390 respondenten) en personen van niet‑EU‑herkomst (300 respondenten). Bij de indeling van de respondenten naar herkomstgroep wordt gewerkt met een cascadesysteem. Er wordt eerst gekeken naar de geboortenationaliteit van de vader. Is dat een bekende niet-Belgische nationaliteit, dan wordt de persoon ingedeeld in de herkomstgroep die met die nationaliteit overeenstemt. Is de geboortenationaliteit van de vader onbekend of Belgisch, dan is de geboortenationaliteit van de moeder bepalend voor de indeling naar herkomstgroep. Is die onbekend of Belgisch dan wordt gekeken naar de nationaliteit van de persoon zelf.
gemaakt van een Nederlandstalige vragenlijst, waardoor personen van buitenlandse herkomst die onvoldoende Nederlands kennen, automatisch afvallen als mogelijke respondenten. Met deze elementen dient men bij de interpretatie van de resultaten rekening te houden. De hier gepresenteerde surveyresultaten zijn ook onderhevig aan de gebruikelijke statistische foutenmarge. De vermelde percentages moeten gezien worden als schattingen van de overeenkomstige populatieparameters binnen een bepaald betrouwbaarheidsinterval. Dit betrouwbaarheidsinterval is groter naarmate de steekproef waarop de percentages berekend worden, kleiner is. Om een vlotte leesbaarheid van de tekst te garanderen, worden deze intervallen hier niet vermeld. De gegevens van de Gezondheidsenquête kunnen voor de bevolking van 16 jaar en ouder opgedeeld worden naar huidige nationaliteit (Belg, EU zonder België, niet‑EU) en naar geboorteland (België, EU zonder België, buiten EU). Voor meer info over de Gezondheidsenquête: zie hoofdstuk 2.5. De deelname van personen met een buitenlandse nationaliteit aan de gemeenteraadsverkiezingen wordt in kaart gebracht op basis van de administratieve gegevens over ingeschreven en potentiële kiezers van de Algemene Directie Instellingen en Bevolking (ADIB) van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken. Op basis van de huidige nationaliteit kunnen de kiezers bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 en 2018 ingedeeld worden in personen met een EU‑nationaliteit en personen met een niet‑EU‑nationaliteit. Het Verenigd Koninkrijk wordt in deze cijfers nog bij de EU gerekend.
2.6.1 SOCIALE CONTACTEN In de SCV-survey werd jaarlijks gepeild naar de frequentie van contacten met buren, vrienden en familie. Daaruit blijkt dat op het vlak van contacten met buren en vrienden de verschillen tussen de herkomstgroepen eerder beperkt blijven. De verschillen zijn het meest uitgesproken bij de contacten met familieleden. Bij de buitenlandse herkomstgroepen ligt het aandeel dat weinig contact heeft met de familie duidelijk hoger dan bij de personen van Belgische herkomst.
Voor de SCV-survey geldt wel dat er geen specifieke inspanningen werden gedaan om de relatief hogere non-respons-graad bij de groep personen van buitenlandse herkomst tegen te gaan. Daarnaast werd enkel gebruik
121
Figuur 46. Sociale contacten bij bevolking van 18 jaar en ouder naar herkomst Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, in %
Tabel 73. Beoordeling door personen van 18 jaar en ouder van de kwaliteit van de sociale contacten naar herkomst Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, in % (helemaal) eens
Contacten met buren Minder dan maandelijks
Minstens wekelijks
BELGISCHE HERKOMST
EU‑ HERKOMST
NIET‑EU‑ HERKOMST
Belgische herkomst
13
68
Er zijn mensen met wie ik goed kan praten.
96
94
92
EU-herkomst
15
62
Ik voel me van andere mensen geïsoleerd.
6
6
12
Niet-EU-herkomst
14
69
Er zijn mensen bij wie ik terecht kan.
95
94
92
Er zijn mensen die me echt begrijpen.
93
91
84
Ik maak deel uit van een groep vrienden.
78
73
74
Mijn sociale contacten zijn oppervlakkig.
18
20
27
Contacten met vrienden Minder dan maandelijks
Minstens wekelijks
Belgische herkomst
17
54
EU-herkomst
16
54
Niet-EU-herkomst
15
57
Contacten met familie Minder dan maandelijks
Minstens wekelijks
Belgische herkomst
12
63
EU-herkomst
21
49
Niet-EU-herkomst
32
46
Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen
Er werden in de SCV-survey ook enkele stellingen voorgelegd ter beoordeling van de kwaliteit van de sociale contacten. Een grote meerderheid binnen elke herkomstgroep beoordeelt die contacten als positief. Telkens geeft een grote meerderheid aan mensen te kennen ‘met wie ze goed kunnen praten’, ‘bij wie ze terecht kunnen’ en ‘die hen echt begrijpen’. Ongeveer driekwart stelt ‘deel uit te maken van een groep vrienden’. Toch geven ongeveer 2 op de 10 aan dat hun sociale contacten ‘oppervlakkig’ zijn en voelt een kleine groep zich van andere mensen geïsoleerd. De verschillen tussen de herkomstgroepen wijzen er wel telkens op dat personen van niet‑EU‑herkomst iets minder tevreden zijn over hun sociale contacten. Dat blijkt ook als op basis van de 6 stellingen over de kwaliteit van de sociale contacten een samengestelde index wordt berekend. Het gaat om een gemiddelde score op de 6 stellingen. Hoe hoger de score op deze index (variërend van 1 tot 5), hoe positiever de sociale contacten door de respondenten worden geëvalueerd. Personen van niet‑EU‑herkomst scoren gemiddeld 4,0 wat significant lager is dan de andere herkomstgroepen (telkens 4,2).
Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen
Die minder kwaliteitsvolle beoordeling van sociale contacten door personen van buiten de EU komt ook naar voor in de resultaten van de Gezondheidsenquête. Op basis van een set vragen over het aantal personen waarop men kan rekenen bij zware problemen, over de mate waarin mensen aandacht en interesse hebben in wat de persoon doet en over de mate waarin praktische hulp van buren beschikbaar is, kan een inschatting gemaakt worden van de gepercipieerde kwaliteit van de sociale ondersteuning. Daaruit blijkt dat het aandeel dat aangeeft over weinig sociale ondersteuning te beschikken duidelijk hoger ligt bij personen van buiten de EU dan bij de andere groepen. Dat blijkt zowel uit de opdeling naar nationaliteit als naar geboorteland. Figuur 47. Beoordeling door personen van 18 jaar en ouder van de mate van sociale steun naar nationaliteit en geboorteland Vlaams Gewest, 2018, in % Naar nationaliteit Weinig steun
Matige steun
Veel steun
België
12
51
36
EU
17
52
31
Niet-EU
31
33
36
Naar geboorteland Weinig steun
Matige steun
Veel steun
België
12
51
37
EU
17
53
30
Niet-EU
28
42
30
Bron: Gezondheidsenquête Sciensano, bewerking Statistiek Vlaanderen
123
2.6.2 DEELNAME AAN HET VERENIGINGSLEVEN
2.6.3 CULTURELE PARTICIPATIE
In de SCV-survey werd ook gevraagd naar het lidmaatschap van verenigingen. Uit de resultaten blijkt dat personen van buitenlandse herkomst minder vaak actief lid zijn van een vereniging. Daarmee wordt bedoeld dat men actief deelneemt aan de activiteiten van een vereniging. Zij zijn ook minder vaak bestuurslid van een vereniging. In beide gevallen scoren personen van niet‑EU‑herkomst nog iets minder goed dan personen van EU‑herkomst.
Om cultuurparticipatie in beeld te brengen, werd in de SCV-survey gepeild naar de frequentie waarmee de respondenten in het jaar voorafgaand aan de bevraging de volgende 10 culturele activiteiten hadden ondernomen: het bijwonen van een opera of klassiek concert, een pop- of rockconcert, een jazz- of bluesconcert, een folkoptreden of concert met traditionele muziek, een dans- of balletvoorstelling, een theatervoorstelling of het bezoeken van een museum, een bibliotheek of een bioscoop.
Figuur 48. Lidmaatschap van verenigingen bij bevolking van 18 jaar en ouder naar herkomst Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, in % Actief lid
Bestuurslid
Belgische herkomst
54
11
EU-herkomst
44
8
Niet-EU-herkomst
37
3
Op basis van de frequentie en diversiteit van de participatie aan deze culturele activiteiten kan een opdeling gemaakt worden in 4 verschillende publieksgroepen. Het ‘kernpubliek’ participeert minstens 3 keer per jaar aan 3 van de 10 activiteiten. De ‘belangstellende participanten’ nemen minstens 1 keer per jaar aan 3 verschillende soorten activiteiten deel. Een derde groep zijn de ‘incidentele participanten’ die minder intensief en minder divers aan cultuur deelnemen. Ten slotte is er ook een groep die aan geen enkele culturele activiteit deelneemt.
Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen
Bij alle herkomstgroepen zijn sportverenigingen het meest populair. Zij voeren telkens de top 5 aan van de verenigingen waar men het vaakst actief lid van is. Bij de personen van Belgische herkomst volgen daarna op grote afstand de hobbyclubs, de artistieke verenigingen, de vakbonden of werkgeversorganisaties en de socio-culturele verenigingen. De hobbyclubs en de vakbonden of werkgeversorganisaties halen ook de top 5 bij de buitenlandse herkomstgroepen. Bij de personen van EU‑herkomst wordt de top 5 verder aangevuld met de artistieke verenigingen en milieuverenigingen. Bij de personen van niet‑EU‑herkomst gaat het om de religieuze verenigingen en de migrantenverenigingen. Tabel 74. Top 5 van verenigingen waar personen van 18 jaar en ouder actief lid van zijn naar herkomst Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, in % BELGISCHE HERKOMST SOORT VERENIGING
EU‑HERKOMST %
SOORT VERENIGING
SOORT VERENIGING
Figuur 49. Cultuurparticipatie bij bevolking van 18 jaar en ouder naar herkomst Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, in %
Kernpubliek
Belangstellend participant
Incidenteel participant
Non-participant
Belgische herkomst
12
36
34
18
EU-herkomst
13
36
36
15
31
48
16
Niet-EU-herkomst
6
Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey.
NIET‑EU‑HERKOMST %
Uit de cijfers van 2016-2018 blijkt dat de cultuurparticipatie bij personen met een niet‑EU‑herkomst iets lager ligt dan bij de andere herkomstgroepen. Het aandeel van het kernpubliek ligt bij personen van niet‑EU‑herkomst lager dan bij de andere herkomstgroepen. Omgekeerd ligt het aandeel van de incidenteel participanten bij personen van niet‑EU‑herkomst duidelijk hoger. Het aandeel dat helemaal niet aan cultuur participeert, is ongeveer gelijk bij de verschillende herkomstgroepen.
%
1
Sportvereniging
23
1
Sportvereniging
20
1
Sportvereniging
16
2
Hobbyclub
7
2
Hobbyclub
6
2
Religieuze vereniging
10
3
Artistieke vereniging
7
3
Artistieke vereniging
5
3
Vakbond of werkgeversorganisatie
6
4
Vakbond of werkgeversorganisatie
6
4
Vakbond of werkgeversorganisatie
5
4
Hobbyclub
4
5
Socio-culturele vereniging
5
5
Milieuvereniging
4
5
Migrantenvereniging
3
Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen
Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen
2.6.4 INTERNETGEBRUIK Een belangrijke voorwaarde om volwaardig te kunnen deelnemen aan het hedendaagse maatschappelijke leven is het beschikken over voldoende ICT-toegang en voldoende digitale geletterdheid. De frequentie van internetgebruik vormt hiervoor een belangrijke indicator. Uit de resultaten van de SCV-survey blijkt een duidelijk verschil naar herkomst. Personen met een buitenlandse herkomst gebruiken vaker het
125
internet dan personen van Belgische herkomst. De personen met een niet‑EU‑herkomst gebruiken het vaakst het internet, gevolgd door de personen van EU‑herkomst. Respectievelijk 93% en 88% doet dat minstens wekelijks. Bij de personen van Belgische herkomst ligt dat aandeel op 82%. Figuur 50. Internetgebruik bij bevolking van 18 jaar en ouder naar herkomst Vlaamse Gemeenschap, 2016-2018, in % Minstens wekelijks
Minder dan maandelijks
Belgische herkomst
82
17
EU-herkomst
89
9
Niet-EU-herkomst
93
5
Noot: de cijfers zijn gebaseerd op een gepoolde dataset van de edities 2016, 2017 en 2018 van de SCV-survey. Bron: SCV-survey, Statistiek Vlaanderen
Personen van buitenlandse herkomst vertonen echter geen breder of gevarieerder internetgebruik dan personen van Belgische herkomst. Dat blijkt als aan de respondenten die minstens wekelijks internet gebruiken gevraagd wordt om aan te geven welke van 14 verschillende internetactiviteiten ze de voorbije 3 maanden al dan niet hebben gedaan. Het gaat daarbij onder meer om communiceren met anderen via e-mail of chat, informatie opzoeken, financiële activiteiten, goederen kopen of verkopen, spelletjes spelen, deelnemen aan sociale media of kijken of luisteren naar films of muziek. Het gemiddeld aantal internetactiviteiten was in de periode 2016-2018 bij personen van Belgische herkomst (7,4) nagenoeg gelijk aan dat van personen van buitenlandse herkomst (7,5).
2.6.5 POLITIEKE PARTICIPATIE Sinds 2004 kunnen inwoners van een Belgische gemeente die niet over de Belgische nationaliteit beschikken de hoedanigheid van kiezer bij de gemeenteraadsverkiezingen verwerven. Deze mogelijkheid gold al langer voor de inwoners met een niet-Belgische EU‑nationaliteit. Beide groepen moeten daarvoor een schriftelijke aanvraag indienen bij de gemeente. Specifiek voor de niet‑EU‑burgers zijn nog een aantal bijkomende voorwaarden voorzien: • in België niet het voorwerp geweest zijn van een veroordeling of een beslissing die zou leiden tot een schorsing of uitsluiting van de kiesrechten. • bij de aanvraag een verklaring afleggen waarin men zich ertoe verbindt de Grondwet, de wetten van het Belgische volk en het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden na te leven. • op het ogenblik van de indiening van de aanvraag 5 jaar ononderbroken een hoofdverblijfplaats in België gedekt door een wettelijk verblijf kunnen laten gelden.
Slechts 11% van de personen met een niet-Belgische nationaliteit die aan de hierboven opgesomde voorwaarden voldoen, hebben zich bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2018 ingeschreven als kiezer. Dat aandeel lag iets hoger bij de personen met een EU‑nationaliteit (12%) dan bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit (10%). Het aandeel ingeschreven kiezers met een niet-Belgische nationaliteit lag in 2018 lager dan in 2012. Toen ging het om 13% van de potentiële kiezers. Die daling was groter bij de personen met een EU‑nationaliteit dan bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit. De cijfers hebben geen betrekking op de personen die effectief zijn gaan stemmen, maar op diegenen die zich hebben laten registreren als kiezer. Maar voor diegenen die zich bij de verkiezingen van 2012 en 2018 lieten inschrijven op de kiezerslijsten, gold net zo zeer de stemplicht als voor alle andere kiezers. Tabel 75. Deelname aan gemeenteraadsverkiezingen van personen met nietBelgische nationaliteit Vlaams Gewest, 2012 en 2018, aantal en in % van potentiële kiezers 2012
2018
INGESCHREVEN KIEZERS
POTENTIËLE KIEZERS
%
INGESCHREVEN KIEZERS
POTENTIËLE KIEZERS
%
EU28
32.216
232.042
13,9
33.663
290.674
11,6
Niet‑EU28
6.315
62.531
10,1
8.092
85.162
9,5
Totaal
38.531
294.573
13,1
41.755
375.836
11,1
Bron: ADIB, bewerking Statistiek Vlaanderen
Politieke participatie kan ook ruimer geïnterpreteerd worden dan enkel deelname aan verkiezingen. In de SCV-survey werden daarom periodiek volgende 13 activiteiten van politieke participatie bevraagd: deelnemen aan politieke manifestaties of demonstraties, schenken of verzamelen van geld voor politieke actie, lid zijn van een politieke partij, kandideren op een verkiezingslijst, lid zijn van een lokaal advies-, inspraak- of overlegorgaan, een buurt- of actiecomité of bewonersgroep, tekenen van een petitie, boycotten of opzettelijk kopen van producten omwille van politieke redenen, zijn mening uiten bij een politicus of ambtenaar of in de media, deelnemen aan een politiek forum of discussiegroep op internet en informatie verzamelen over de plannen of beslissingen van de overheid. Personen die aangeven minstens 1 van deze activiteiten te hebben ondernomen in het jaar voorafgaand aan de bevraging, worden hier beschouwd als politieke participanten. In de periode 2016-2018 kon 45% van de personen van Belgische herkomst beschouwd worden als politieke participanten. Bij de personen van EU‑herkomst ging het om 43%. Bij de personen van niet‑EU‑herkomst lag dat aandeel duidelijk lager (31%).
127
BESLUIT
3
In dit SV-rapport werd aan de hand van een brede waaier van statistieken, gebaseerd op zowel administratieve gegevens als resultaten van bevolkingsenquêtes, een beeld geschetst van de omvang van de groep personen van buitenlandse herkomst in Vlaanderen en hun maatschappelijke positie en participatie. Doorheen het rapport werd duidelijk dat de maatschappelijke positie en participatie van personen van buitenlandse herkomst op tal van domeinen minder goed is dan die van personen van Belgische herkomst. Dat is vooral het geval voor personen van niet‑EU‑herkomst. In wat volgt, worden de belangrijkste bevindingen van dit rapport nog eens samengevat.
BEVOLKING MET BUITENLANDSE NATIONALITEIT Begin 2021 woonden er in het Vlaamse Gewest 633.983 personen met een buitenlandse nationaliteit, wat overeenkomt met 9,5% van de totale bevolking. In 2010 lag dat aandeel op 6,4%. Het Vlaamse Gewest is vandaag het gewest met het hoogste absolute aantal personen met een buitenlandse nationaliteit in België. Het relatieve aandeel daarentegen ligt het laagste in het Vlaamse Gewest. In het Waalse Gewest ging het in 2021 om 10,4% van de bevolking, in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om 35,5%. In totaal woonden er begin 2021 in België 1.447.853 personen met een buitenlandse nationaliteit. Dat is 12,6% van de totale bevolking. Het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit in de totale bevolking in België lag in 2020 hoger dan het EU14‑gemiddelde (9,9%). In het Vlaamse Gewest ligt het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit het hoogst i1 de grensstreek met Nederland, in de provincies Antwerpen en Limburg en in de rand rond Brussel. Ook de centrumsteden scoren relatief hoog. In 2021 hadden bijna 2 op de 3 van het totaal aantal personen met een buitenlandse nationaliteit in het Vlaamse Gewest een nationaliteit van één van de EU‑landen. De Nederlanders zijn veruit de grootste buitenlandse nationaliteitsgroep (23% van het totaal aantal personen met een buitenlandse nationaliteit). Daarna volgen de Roemenen (8%), de Polen (7%), de Marokkanen (5%), de Bulgaren (4%), de Italianen (4%) en de Spanjaarden (4%). Het totaal aantal personen met een buitenlandse nationaliteit in het Vlaamse Gewest is tussen 2010 en 2021 toegenomen met 59%. De algemene toename heeft zich niet gelijkmatig voorgedaan bij alle nationaliteiten. Binnen de top 10 van buitenlandse nationaliteiten was de relatieve toename veruit het grootst bij de Roemenen. Hun aantal in 2021 ligt 8
129
keer hoger dan in 2010. Het aantal Bulgaren ligt 4 keer hoger dan in 2010. De aantallen bij Polen, Spanjaarden en Portugezen zijn meer dan verdubbeld tussen 2010 en 2021. Daartegenover staat dat het aantal Marokkanen, Italianen, Fransen en Turken in vergelijking met 2010 slechts beperkt is toegenomen. Het leeftijdsprofiel van de bevolking met een buitenlandse nationaliteit in het Vlaamse Gewest verschilt duidelijk van dat van de bevolking met een Belgische nationaliteit. De leeftijdsgroepen van 18 tot en met 49 jaar zijn opvallend meer vertegenwoordigd bij de bevolking met een buitenlandse nationaliteit. Dat is ook het geval bij de jongste leeftijdsgroep (0-5 jaar) en in mindere mate bij de 6- tot 11-jarigen. Bij de leeftijdsgroepen vanaf 50 jaar is het omgekeerd. Het aandeel 65-plussers ligt bij de bevolking met een Belgische nationaliteit (22%) bijna 3 keer hoger dan bij de bevolking met een buitenlandse nationaliteit (8%). Daarmee samenhangend verschilt ook het profiel naar huishoudsamenstelling tussen de bevolking met een buitenlandse nationaliteit en de bevolking met Belgische nationaliteit. Het verschil is het grootst tussen de personen met Belgische nationaliteit en de personen met een niet‑EU‑nationaliteit. Die laatste groep woont vaker in een huishouden samengesteld uit een paar met kinderen en minder vaak in een huishouden bestaande uit een paar zonder kinderen.
NATIONALITEITSVERWERVINGEN In 2020 verwierven in het Vlaamse Gewest 18.142 personen met buitenlandse nationaliteit, de Belgische nationaliteit. Het aantal nationaliteitsverwervingen vertoont een daling tussen 2010 en 2014, en daarna opnieuw een stijging tot 2019. In 2020 lag het aantal opnieuw iets lager dan in 2019. Naast het aantal nationaliteitsverwervingen per jaar, kan ook gekeken worden naar het totaal personen met een buitenlandse nationaliteit dat inmiddels de Belgische nationaliteit heeft verworven. Begin 2021 woonden er in het Vlaamse Gewest bijna 498.000 personen die geboren werden met een niet-Belgische nationaliteit en ondertussen Belg zijn geworden. Dat komt overeen met ruim 7,5% van de totale bevolking in het Vlaamse Gewest.
BEVOLKING VAN BUITENLANDSE HERKOMST Als de som wordt gemaakt van het aantal personen met een huidige buitenlandse nationaliteit, van het aantal personen die met een buitenlandse nationaliteit zijn geboren en ondertussen Belg zijn geworden en van het aantal als Belg geboren personen met minstens 1 ouder met een buitenlandse geboortenationaliteit, dan komt men tot het totaal aantal personen van buitenlandse herkomst. Begin 2021 woonden er in het Vlaamse Gewest 1.609.034 personen van buitenlandse herkomst. Dat is 24% van de bevolking. In absolute aantallen waren er in het Vlaamse Gewest in 2021 meer personen van buitenlandse herkomst dan in het Waalse Gewest
(1.244.228 personen) of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (914.976 personen). Het relatieve aandeel daarentegen is echter groter in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (in 2021 ging het om 75% van de inwoners) en in het Waalse Gewest (34%). Samen woonden er begin 2021 in België bijna 3,8 miljoen personen van buitenlandse herkomst. Dat is 33% van de totale bevolking. Het aantal personen van buitenlandse herkomst in het Vlaamse Gewest is tussen 2010 en 2021 sterk toegenomen (+61%). Die toename is echter niet bij alle herkomstgroepen even groot. Het aantal personen met een niet‑EU‑herkomst (+73%) is sterker gestegen dan het aantal personen met een EU‑herkomst (+47%). Opgedeeld per herkomstgroep is de grootste stijger de groep personen met een EU13-herkomst (+191%). In een beperkt aantal Vlaamse gemeenten lag het aandeel personen van buitenlandse herkomst begin 2021 boven de 50%. De top 5 van gemeenten in het Vlaamse Gewest met het hoogste aandeel personen van buitenlandse herkomst in de totale bevolking wordt gevormd door Baarle-Hertog (72%), Machelen (61%), Maasmechelen (60%), Drogenbos (59%) en Genk (58%). De meeste personen van buitenlandse herkomst hebben een herkomst van buiten de EU (58%). Opgesplitst naar herkomstland vormen de personen van Nederlandse herkomst de grootste buitenlandse herkomstgroep (15% van het totaal aantal personen van buitenlandse herkomst). De top 5 wordt vervolledigd door personen van Marokkaanse herkomst (14%), van Turkse herkomst (9%), van Italiaanse herkomst (5%) en van Poolse herkomst (4%). De groei tussen 2010 en 2021 situeert zich vooral bij personen van Poolse en van Roemeense herkomst. Het totaal aantal personen van buitenlandse herkomst lag in het Vlaamse Gewest begin 2021 2,5 keer hoger dan het aantal personen met een huidige buitenlandse nationaliteit. Die verhouding is niet gelijk over de herkomstgroepen heen. Vooral het grote verschil bij personen met Turkse en Maghrebijnse herkomst valt hier op. Het aantal personen van Turkse en Maghrebijnse herkomst ligt telkens meer dan 7 keer hoger dan het aantal personen met een huidige Turkse en Maghrebijnse nationaliteit. De bevolking van buitenlandse herkomst is beduidend jonger dan de bevolking van Belgische herkomst. De leeftijdsgroepen tot 50 jaar zijn opvallend meer vertegenwoordigd bij de personen van buitenlandse herkomst. Het aandeel minderjarigen ligt bij de personen met buitenlandse herkomst op 31%, bij de bevolking van Belgische herkomst op 16%. Het aandeel 65-plussers ligt bij de bevolking van buitenlandse herkomst op 6% en bij de bevolking van Belgische herkomst op 25%. Het jongere leeftijdsprofiel van de buitenlandse bevolking heeft als gevolg dat het aandeel personen van buitenlandse herkomst in de totale bevolking bij de jongste leeftijdsgroepen nog duidelijk hoger ligt dan het algemene
131
percentage van 24%. Begin 2021 was 41% van de 0- tot 5-jarigen in het Vlaamse Gewest van buitenlandse herkomst. Bij de 6- tot 11-jarigen ging het om 39% en bij de 12- tot 17-jarigen om 36%. Iets minder dan de helft van de personen van buitenlandse herkomst die begin 2021 in het Vlaamse Gewest woonden, is in België geboren (47%). Dat aandeel ligt bij de personen afkomstig uit de Zuid‑EU14‑landen, Turkije en de Maghreb-landen beduidend hoger (rond 60%), bij de personen met herkomst uit de EU13-landen, ‘overig Azië’, en in mindere mate ook ‘overig Afrika’ en Zuid- en Midden-Amerika duidelijk lager.
TEWERKSTELLING EN ARBEID Volgens de EAK-enquête waren er in 2021 circa 3,83 miljoen inwoners op arbeidsleeftijd (tussen 20 en 64 jaar) in het Vlaamse Gewest. Dat zijn er bijna 78.800 meer dan in 2010 (+2%). Die stijging is niet bij alle bevolkingsgroepen even groot. Bij personen met Belgische nationaliteit is er sprake van een lichte afname (-1%), bij personen met een buitenlandse nationaliteit van een duidelijke toename (+51%). Bij de EU‑burgers (+56%) is de stijging nog groter dan bij de niet‑EU‑burgers (+42%). Het geeft aan dat de Vlaamse arbeidsmarkt in toenemende mate verkleurt. Uit de beschikbare gegevens blijkt echter dat de sociaaleconomische positie van personen afkomstig van buiten de EU nog steeds duidelijk minder goed is dan de positie van personen van Belgische of EU‑herkomst. Verschillende bronnen wijzen vooreerst op een lagere werkzaamheidsgraad bij de niet‑EU’ers. Volgens de EAK-enquête was in 2021 ruim 76% van de personen tussen 20 en 64 jaar die geboren zijn in België aan het werk. Dat ligt ongeveer op hetzelfde niveau als de werkzaamheidsgraad van personen geboren in de EU. Bij de personen geboren buiten de EU ligt de werkzaamheidsgraad wel duidelijk lager (60%). De KSZ-gegevens bevestigen de resultaten van de EAK-enquête. In 2020 lag de werkzaamheidsgraad bij de personen van Belgische herkomst op 78%. Dat is ruim 12 procentpunten hoger dan bij personen met een EU‑herkomst en 21 procentpunten hoger dan bij personen met een niet‑EU‑herkomst. Bij de relatief lage werkzaamheidsgraad van de personen met een EU‑herkomst dient opgemerkt te worden dat een deel van deze groep tewerkgesteld is als uitgaande grensarbeider, als werknemer van een organisatie of onderneming die geen bijdragen verschuldigd is aan de Belgische sociale zekerheid of als Europees ambtenaar en daardoor in de gebruikte KSZ-gegevens niet beschouwd wordt als werkend. Internationale vergelijking maakt duidelijk dat in de meeste EU14‑landen de werkzaamheidsgraad van personen geboren buiten de EU hoger ligt dan in het Vlaamse Gewest. Enkel in België, Spanje, Griekenland en Frankrijk ligt de werkzaamheidsgraad van personen geboren buiten de EU lager.
Wat nog opvalt, is dat de werkzaamheidsgraad bij alle herkomstgroepen beduidend lager ligt bij vrouwen dan bij mannen. Het grootste verschil is volgens de KSZ-gegevens te vinden bij de herkomstgroepen van buiten de EU. Daar lag de werkzaamheidsgraad van vrouwen in 2020 op 49%. Bij de personen van Turkse en Maghrebijnse herkomst is de kloof tussen de werkzaamheidsgraad van mannen en vrouwen het grootst (respectievelijk 24 en 23 procentpunten). De werkzaamheidsgraad van vrouwen is in de periode 2010-2020 bij het merendeel van de herkomstgroepen sterker gestegen dan bij de mannen, waardoor de genderkloof in die groepen is afgenomen. Opgesplitst naar geboorteland ligt de werkzaamheidsgraad bij het merendeel van alle herkomstgroepen duidelijk hoger bij personen die geboren zijn in België dan bij personen geboren in het buitenland. Enkel bij de personen met een herkomst van Zuid- en Midden-Amerika, van ‘overig Afrika’, DR Congo, Rwanda en Burundi en bij de personen met een EU13-herkomst is dat niet het geval. Algemeen genomen lag in 2020 de werkzaamheidsgraad van personen met een EU‑herkomst geboren in België 11 procentpunten hoger dan bij personen met een EU‑herkomst geboren buiten België. Bij de personen met een niet‑EU‑herkomst lag de werkzaamheidsgraad van wie geboren is in België 7 procentpunten hoger dan de werkzaamheidsgraad van wie geboren is in het buitenland. De KSZ-gegevens geven daarnaast ook informatie over onder meer de sector van tewerkstelling, het arbeidsregime en de dagloonklasse per herkomstgroep. Daaruit blijkt dat de verdeling van de herkomstgroepen over de 4 economische hoofdsectoren verschilt. Het aandeel in de secundaire sector ligt vooral bij de personen van Turkse herkomst hoger dan bij de andere herkomstgroepen. Terwijl het aandeel loontrekkenden in de tertiaire sector bij de personen van Belgische herkomst beduidend lager ligt dan bij de andere herkomstgroepen, is dat in de quartaire sector bij nagenoeg alle herkomstgroepen net omgekeerd. Opgedeeld naar subsector blijken personen van buitenlandse herkomst oververtegenwoordigd in onderhoud van gebouwen, tuinen en landschapsverzorging, de primaire sector, horeca en toerisme, uitzendbureaus en arbeidsbemiddeling, overige diensten aan personen, logistiek en transport. Ook uit de cijfers over tewerkstelling bij de overheid blijken er verschillen naar herkomst. Eind 2020 waren 12% personeelsleden van de Vlaamse overheid van buitenlandse herkomst. Bij de 300 Vlaamse gemeenten ging het in 2019 om 13% van het personeel. Het aandeel personen van buitenlandse herkomst ligt het hoogst bij de OCMW’s (21%). Dat is dubbel zo hoog als bij de gemeentediensten in strikte zin (10%) en ruim 4 keer hoger dan bij het personeel van de politiezones (5%). Het aandeel personen van buitenlandse herkomst in het gemeentepersoneel ligt duidelijk lager dan in de totale bevolking van 18 tot 64 jaar (24%). Naar arbeidsregime blijken vooral bij de loontrekkenden in een speciaal regime opvallende verschillen. Het aandeel personen met een niet‑EU‑herkomst in dat regime ligt 4 keer hoger dan het aandeel personen
133
van Belgische herkomst. Bij de EU‑groepen ligt dat aandeel 3 keer hoger dan bij de personen van Belgische herkomst. Bij de EU‑groepen ligt het aandeel bij de personen van EU13-herkomst nog duidelijk hoger dan bij de andere groepen. De loontrekkenden kunnen ten slotte ook opgedeeld worden naar dagloonklasse. Daaruit blijkt een tweedeling tussen de groepen met een Belgische herkomst, een herkomst van de buurlanden of van de andere Westen Noord‑EU15-landen enerzijds en de groepen met een EU13-herkomst of een niet‑EU‑herkomst anderzijds. Het aandeel van de laagste dagloonklasse ligt bij de EU13- en niet‑EU‑groepen beduidend hoger. Bij de personen met Belgische herkomst en de personen afkomstig uit de buurlanden of de andere West- en Noord‑EU15-landen ligt het aandeel van de hoogste dagloonklasse hoger. De precaire positie op de arbeidsmarkt van personen van buiten de EU blijkt ook uit de werkloosheidscijfers. De werkloosheidsgraad op basis van de EAK-enquête ligt bij personen geboren buiten de EU 3 keer hoger dan bij personen geboren in België en bijna 2 keer hoger dan bij personen geboren in de EU. De administratieve KSZ-data die enkel rekening houden met uitkeringsgerechtigde werklozen maken duidelijk dat de werkloosheidsgraad in 2020 het hoogst lag bij personen met een herkomst van DR Congo, Burundi en Rwanda (10%), ‘overig Afrika’ (10%), de Maghreb-landen (10%) en Europa niet‑EU (9%). Bij de personen van Belgische herkomst ligt de werkloosheidsgraad het laagst (2%). Bij alle buitenlandse herkomstgroepen ligt de werkloosheidsgraad lager bij personen geboren in België dan bij personen geboren in het buitenland. Dat verschil is het grootst bij de niet‑EU‑groepen. Het verschil in arbeidssituatie op individueel niveau tussen de herkomstgroepen vertaalt zich ten slotte ook naar een verschil in werkintensiteit op huishoudniveau. Volgens de EU‑SILC-survey leefde in 2021 11% van de personen (tot 64 jaar) geboren buiten de EU in een gezin waar door de aanwezige volwassenen niet of nauwelijks wordt gewerkt. Bij de personen geboren in België en in de EU gaat het respectievelijk om 6% en 10%. Internationale vergelijking maakt duidelijk dat het Vlaamse Gewest op vlak van zeer lage werkintensiteit van het huishouden bij de personen geboren buiten de EU niet goed scoort. Het Vlaamse Gewest bekleedt op dit vlak een plaats in het achterste gedeelte van het peloton van EU14‑landen.
ONDERWIJS EN VORMING Het aandeel leerlingen met een buitenlandse nationaliteit in het gewoon kleuter- en lager onderwijs lag in het schooljaar 2020-2021 respectievelijk op 12% en 10%. Dat komt overeen met hun aandeel bij de 3- tot 5-jarigen en bij de 6- tot 11-jarigen in de totale bevolking begin 2021. In het buitengewoon kleuter- en lager onderwijs ligt het aandeel leerlingen met een buitenlandse nationaliteit 7 en 4 procentpunten hoger dan het aandeel personen met buitenlandse nationaliteit in de overeenkomende leeftijdsgroep. Het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse thuistaal in het kleuteren lager onderwijs ligt duidelijk hoger dan het aandeel leerlingen met een buitenlandse nationaliteit. In het gewoon kleuter- en lager onderwijs ging het in het schooljaar 2019-2020 respectievelijk om 25% en 22% van de leerlingen. Die aandelen zijn tegenover het schooljaar 2009-2010 met respectievelijk 8 en 9 procentpunten toegenomen. Cijfers over thuistaal in het buitengewoon onderwijs zijn niet beschikbaar. In het voltijds gewoon secundair onderwijs waren er in het schooljaar 20202021 9% leerlingen met een buitenlandse nationaliteit en in het schooljaar 2019-2020 18% leerlingen met een niet-Nederlandse thuistaal. Dat komt overeen met het aandeel personen van buitenlandse nationaliteit in de groep van 12 tot 17 jaar. Er blijken in de 2de en 3de graad wel duidelijke verschillen in het aandeel personen met buitenlandse nationaliteit naar studierichting. In het aso, tso en kso ligt het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit lager. In het bso, maar ook in het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs ligt dat aandeel (veel) hoger. Er is een gelijkaardig verschil naar studierichting tussen leerlingen met een Nederlandse en een niet-Nederlandse thuistaal. In het onthaalonderwijs voor anderstalige kinderen (okan) krijgen anderstalige minderjarige nieuwkomers een jaar lang een Nederlands taalbad om daarna over te stappen naar het regulier secundair onderwijs. In het basisonderwijs worden de anderstalige nieuwkomers deels in de reguliere klas en deels afzonderlijk onderwezen. In het schooljaar 2020-2021 volgden 4.843 leerlingen les in okan. In 2021 had bijna 4% van de leerlingen met een buitenlandse nationaliteit 2 of meer jaren vertraging opgelopen in het laatste jaar van het gewoon lager onderwijs. Bij de leerlingen met Belgische nationaliteit was dat minder dan 1%. In het laatste jaar van het secundair onderwijs ging het om 28% van de leerlingen met een buitenlandse nationaliteit en 6% van de leerlingen met een Belgische nationaliteit. De Vlaamse resultaten van het PISA-onderzoek over de onderwijsprestaties van 15-jarigen geven aan dat autochtone leerlingen veel beter scoren dan leerlingen die in het buitenland geboren zijn (1ste generatie) of leerlingen die zelf in het land geboren zijn maar wiens beide ouders in het buitenland geboren zijn (2de generatie). De resultaten van 2018
135
op de leesvaardigheidsschaal wijzen op een verschil van respectievelijk 82 en 67 punten tussen autochtone leerlingen en leerlingen van de 1ste en 2de generatie. Dat is een aanzienlijk verschil, wetende dat 1 jaar scholing gelijkgesteld wordt met ongeveer 25 à 30 punten. Ook op vlak van wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid zijn er min of meer gelijkaardige verschillen.
met het aandeel laagopgeleiden bij de personen geboren in het land zelf ligt enkel in Oostenrijk, Zweden en Duitsland nog hoger dan in het Vlaamse Gewest.
Uiteindelijk verlaten jongeren met een buitenlandse nationaliteit en een nietNederlandse thuistaal veel vaker het secundair onderwijs zonder diploma. In 2020 ging het bij de leerlingen met een EU‑nationaliteit om 20%, bij de leerlingen met een niet‑EU‑nationaliteit om 35%. Bij de leerlingen met een Belgische nationaliteit lag dat op 8%. Opgesplitst naar thuistaal gaat het om 20% bij de personen met een niet-Nederlandse thuistaal tegenover 6% bij de personen met het Nederlands als thuistaal.
De gegevens van de EU‑SILC-survey van 2020 maken duidelijk dat het mediaan inkomen van personen met een niet‑EU‑nationaliteit en personen geboren buiten de EU beduidend lager ligt dan het mediaan inkomen van de andere groepen. Naar nationaliteit is er sprake van een verschil tussen Belgen en niet‑EU‑burgers van bijna 9.300 euro per jaar. Als gekeken wordt naar geboorteland wordt dat verschil iets kleiner. Het mediaan inkomen van personen geboren buiten de EU ligt in het Vlaamse Gewest hoger dan in de meeste EU14‑landen. Tegelijk ligt ook het verschil tussen het mediaan inkomen van personen geboren buiten de EU en van personen geboren in het land zelf relatief hoog in het Vlaamse Gewest in vergelijking met de EU14‑landen.
Het aandeel personen met een buitenlandse nationaliteit in het Vlaamse hoger onderwijs lag in het schooljaar 2020-2021 op 9%. Dat aandeel varieert van 6% in de professioneel gerichte bachelor tot 16% in de masteropleidingen. Een aanzienlijk deel van de personen met buitenlandse nationaliteit ingeschreven in het Vlaamse hoger onderwijs komt hier enkel om te studeren en vertrekt daarna weer. Als enkel gekeken wordt naar de deelname aan het hoger onderwijs van de personen die in Vlaanderen voorafgaand secundair onderwijs hebben gevolgd, blijkt een duidelijk verschil tussen Belgen en personen met buitenlandse nationaliteit. Zo volgden ruim 7 op de 10 leerlingen met een Belgische nationaliteit die in Vlaanderen in 2017 een diploma secundair onderwijs hebben gehaald, in het daaropvolgende academiejaar een professionele of academische bacheloropleiding. Bij de niet-Belgen ging het om nagenoeg de helft van de leerlingen. De deelname aan levenslang leren ligt volgens de EAK-gegevens van 2021 het hoogst bij de groep met een niet‑EU‑nationaliteit. Bekeken naar geboorteland ligt dat verschil tussen de groepen duidelijk lager. De relatief hoge score van de niet‑EU‑burgers hangt mogelijk samen met het feit dat ook rekening gehouden wordt met taalcursussen. In Europees perspectief ligt het levenslang leren bij personen geboren buiten de EU boven het EU‑gemiddelde. Als ten slotte naar de algemene scholingsgraad of het onderwijsniveau van de bevolking wordt gekeken, blijken personen met een niet‑EU‑nationaliteit of personen geboren buiten de EU lager geschoold. In 2021 was 42% van de niet‑EU‑burgers tussen 25 en 64 jaar laagopgeleid. Bij de Belgen en de EU‑burgers ging het respectievelijk om 15% en 20%. Een vergelijkbare kloof is er ook naar geboorteland: bij de personen geboren buiten de EU bedraagt het aandeel laagopgeleiden 37%, bij de personen geboren in België 13% en bij de personen geboren in een ander EU‑land 20%. Vergeleken met de EU14‑landen ligt het aandeel laagopgeleiden bij de personen geboren buiten de EU in het Vlaamse Gewest vrij hoog. Het verschil
INKOMEN EN ARMOEDE
Het aandeel personen dat moeten rondkomen met een inkomen onder de armoededrempel verschilt sterk naar nationaliteit en geboorteland. Bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit ligt dat aandeel bijna 4 keer hoger dan bij personen met een Belgische nationaliteit, bij de personen geboren buiten de EU 3 keer hoger dan bij personen geboren in België. De score van de personen met een EU‑nationaliteit en personen geboren binnen de EU ligt tussen beide andere groepen in. Het Vlaamse Gewest situeert zich op het vlak van armoederisico bij personen geboren buiten de Europese Unie in de middenmoot van de EU14‑landen. Maar het verschil tussen het armoederisico van personen geboren buiten de EU en personen geboren in het land zelf, ligt enkel in Spanje en België in zijn geheel nog hoger dan in het Vlaamse Gewest. Ook als het aandeel in armoede of sociale uitsluiting berekend wordt aan de hand van de samengestelde indicator gebruikt ter opvolging van de Europa 2030-strategie, blijkt dat personen met een niet‑EU‑nationaliteit en personen geboren buiten de EU minder goed scoren dan de andere nationaliteitsen geboortelandsgroepen. Dat is ook het geval bij het aandeel personen in een gezin dat zelf aangeeft (zeer) moeilijk rond te komen, dat kampt met ernstige en sociale materiële deprivatie of dat problemen heeft om rekeningen op tijd te betalen. De overheid probeert via sociale bijstandsuitkeringen de inkomenssituatie van de minst gegoede groepen te verbeteren, onder meer via toekenning van het (equivalent) leefloon. Op basis van de administratieve KSZ-gegevens wordt duidelijk dat personen van buitenlandse herkomst relatief gezien vaker een (equivalent) leefloon trekken. Bij de personen van Belgische herkomst blijft het aandeel (equivalent) leefloontrekkers beperkt tot 0,2% van de bevolking. Bij de EU15-groepen gaat het telkens om 0,5% van de bevolking.
137
Bij de personen afkomstig van de EU13-landen ligt dat aandeel hoger (1,1%). Dat is ook het geval bij de personen met Turkse en Maghrebijnse herkomst (respectievelijk 1,1% en 1,6%). Het zijn echter de personen afkomstig uit ‘overig Afrika’ (5,8%), ‘overig Azië’ (5,6%), DR Congo, Burundi en Rwanda (5,0%) en de Europese niet‑EU‑landen (4,0%) die de hoogste percentages kennen. De zwakkere socio-economische positie van personen van buitenlandse herkomst blijkt ten slotte ook uit de cijfers van Kind en Gezin over geboorten in kansarme gezinnen. Van de kinderen met een moeder die als Belg is geboren, werd 6% geboren in een kansarm gezin. Bij de kinderen met een moeder die niet als Belg werd geboren, loopt dat op tot 32% van de kinderen. Het zorgt ervoor dat 69% van de kinderen die in de periode 2018-2020 in het Vlaamse Gewest in kansarmoede geboren werden, een moeder had met een buitenlandse geboortenationaliteit.
WONEN EN HUISVESTING Surveyresultaten geven aan dat bij de bevolking met een buitenlandse nationaliteit – en dan vooral de niet‑EU‑burgers - een kleiner aandeel eigenaar is van de woning en een groter aandeel huurder is dan bij de bevolking met Belgische nationaliteit. Volgens de EU‑SILC-gegevens ligt het aandeel eigenaars bij personen met de Belgische nationaliteit bijna dubbel zo hoog ligt als het aandeel eigenaars bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit. Ook naar geboorteland bestaat er een zeer duidelijke kloof: bij de personen geboren in België zijn 8 op 10 eigenaar van de woning, bij de personen geboren buiten de EU 5 op 10. Omgekeerd is het aandeel private huurders beduidend groter onder de buitenlandse bevolking of de bevolking geboren in het buitenland, met de grootste aandelen bij de niet‑EU‑burgers en personen geboren buiten de EU. Het aandeel huurders aan verminderd tarief (vooral sociale huurders) ligt dan weer beduidend hoger bij de niet‑EU‑burgers en personen geboren buiten de EU. De resultaten van de EU‑SILC-survey maken het mogelijk internationaal te vergelijken. Met een aandeel eigenaars bij de personen geboren buiten de EU van 48% haalt het Vlaamse Gewest een plaats bij de beter scoren EU14‑landen. Als gekeken wordt naar het verschil in het aandeel eigenaars tussen personen geboren buiten de EU en personen geboren in het land zelf, schuift het Vlaamse Gewest meer op naar de middenmoot. Uit administratieve gegevens van de VMSW blijkt dat het aandeel personen dat een sociale woning huurt sterk verschilt per nationaliteitsgroep. Bij de Belgen ging het eind 2020 om 2% van de bevolking, bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit om 5%. Volgens de EU‑SILC-survey leven 2 op 10 personen met een niet-Belgische nationaliteit in een gezin met een te hoge woonquote. Het gaat om gezinnen
waarvan de totale woonkosten meer dan 40% bedragen van het beschikbare huishoudinkomen. Dat aandeel ligt bij de personen met een Belgische nationaliteit 4 keer lager. De kloof wordt iets kleiner als men de groepen opdeelt naar geboorteland. Maar ook dan blijft er een duidelijk verschil bestaan tussen de personen geboren in België en de personen geboren in het buitenland. Ook naar kwaliteit van de woning bestaan er opvallende verschillen naar nationaliteit en geboorteland. Het aandeel personen dat leeft in een huishouden met woningdeprivatie verschilt naar nationaliteit en geboorteland. Het gaat om huizen met een gebrek aan elementair comfort, met een structureel probleem of een gebrek aan licht. Bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit ligt dat aandeel hoger dan bij de andere groepen. Een gelijkaardig verschil is ook te zien naar geboorteland. Wat gebrek aan ruimte betreft, liggen de aandelen duidelijk hoger bij de niet-Belgische groepen dan bij de Belgen. Dat blijkt zowel bij de opdeling naar nationaliteit als bij de opdeling naar geboorteland. Tot slot kan op basis van de EU‑SILC-survey ook iets gezegd worden over de woonomgeving. Het aandeel personen dat problemen ervaart in de woonomgeving omwille van lawaaihinder, vervuiling of criminaliteit ligt bij de personen met een niet-Belgische nationaliteit iets hoger dan bij de personen met een Belgische nationaliteit. Naar geboorteland liggen de aandelen iets hoger bij personen die niet in België zijn geboren. Wel is het zo dat in vergelijking met de andere indicatoren inzake woonkwaliteit de verschillen naar nationaliteit en geboorteland hier relatief beperkt blijven.
GEZONDHEID EN WELZIJN Er bestaat volgens de gegevens van de Gezondheidsenquête weinig verschil tussen de verschillende nationaliteitsgroepen en geboortelandsgroepen als het gaat over het aandeel personen dat de eigen gezondheid als goed of zeer goed omschrijft. Maar het aandeel met een functiebeperking is wel duidelijk lager bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit en bij personen geboren buiten de EU. Dat hangt ten dele ook samen met hun jonger demografisch profiel. Het zijn vooral de oudere leeftijdsgroepen die melding maken van een functiebeperking. Wat betreft mentale gezondheid wijzen de cijfers over psychische problemen, angststoornissen en ernstige depressieve stoornissen allen in dezelfde richting: personen met een niet-Belgische nationaliteit en geboren in het buitenland scoren op deze aspecten telkens minder goed dan Belgen en personen geboren in België. De algemene levenstevredenheid ligt iets lager bij personen met een niet‑EU‑nationaliteit en bij personen geboren buiten de EU. Het aandeel dat zichzelf een score lager dan 5 op 10 geeft ligt bij deze groepen hoger dan bij de andere nationaliteitsgroepen.
139
De indicatoren inzake gezondheidsgedrag geven geen eenduidig beeld. Personen met een niet-Belgische EU‑nationaliteit of geboren in de EU buiten België eten iets minder vaak dan de andere groepen dagelijks de aanbevolen hoeveelheid fruit en groenten. Zij halen ook iets hogere scores op vlak van overmatig alcoholgebruik en dagelijks roken. Inzake lichaamsbeweging zijn het de Belgen en de personen geboren in België die duidelijk beter scoren dan de andere groepen. Op vlak van de toegang tot de gezondheidszorg blijven verschillen bestaan. Het aandeel personen dat leeft in een huishouden dat medische zorg moet uitstellen om financiële redenen verschilt naar nationaliteit en geboorteland. Bij de Belgen ging het in 2020 om 2%, bij de groepen met een niet-Belgische nationaliteit telkens om 5%. Een gelijkaardig verschil is er ook naar geboorteland. Om de toegang tot de gezondheidszorg te verzekeren, bestaat er voor bepaalde groepen het statuut van de verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering. Het geeft recht op een hogere terugbetaling voor geneeskundige zorg en geneesmiddelen, een derdebetalersregeling bij artsen die daarmee instemmen en een gunstiger stelsel voor het persoonlijk aandeel (remgeld) in geval van hospitalisatie. De administratieve KSZ-gegevens geven inzicht in het aandeel personen met een verhoogde tegemoetkoming naar herkomstgroep. Bij de personen van Belgische herkomst ging het begin 2020 om 11% van de bevolking. Bij de EU‑groepen ligt dat aandeel iets hoger (13%), met het hoogste aandeel bij personen van Zuid‑EU15-herkomst (15%). Bij de niet‑EU‑herkomstgroepen ligt het aandeel met een verhoogde tegemoetkoming nog hoger (33%). Het relatieve aandeel personen met een verhoogde tegemoetkoming is bij alle herkomstgroepen gestegen tussen 2010 en 2020. Die stijging is het grootst bij de niet‑EU‑groepen en het kleinst bij de personen van Belgische herkomst.
SOCIALE PARTICIPATIE De resultaten van de SCV-survey geven aan dat op vlak van contacten met buren en vrienden de verschillen tussen de herkomstgroepen eerder beperkt blijven. De verschillen zijn het meest uitgesproken bij de contacten met familieleden. Bij de buitenlandse herkomstgroepen ligt het aandeel dat weinig contact heeft met de familie duidelijk hoger dan bij de personen van Belgische herkomst.
Wat lidmaatschap van verenigingen betreft, blijkt dat personen van buitenlandse herkomst minder vaak actief lid zijn van een vereniging. Bij de personen van niet‑EU‑herkomst is 37% actief lid, bij de personen van Belgische herkomst 54%. De personen van EU‑herkomst nemen een middenpositie in tussen beide groepen. Cultuurparticipatie ligt bij personen met een niet‑EU‑herkomst lager dan bij de andere herkomstgroepen. Het aandeel van het kernpubliek ligt bij personen van niet‑EU‑herkomst lager dan bij de andere herkomstgroepen. Omgekeerd ligt het aandeel van de incidenteel participanten bij personen van niet‑EU‑herkomst duidelijk hoger. Het aandeel dat helemaal niet aan cultuur participeert, is ongeveer gelijk bij de verschillende herkomstgroepen. De buitenlandse herkomstgroepen gebruiken vaker het internet dan de personen van Belgische herkomst. De personen met een niet‑EU‑herkomst gebruiken het vaakst internet, gevolgd door de personen van EU‑herkomst. Personen van buitenlandse herkomst vertonen echter geen breder of gevarieerder internetgebruik dan personen van Belgische herkomst. Om ten slotte de politieke participatie van de verschillende groepen in beeld te brengen kan vooreerst gekeken worden naar de deelname van niet-Belgen aan de gemeenteraadsverkiezingen. Bij de meest recente lokale verkiezingen in oktober 2018 hebben slechts 11% van de personen met een buitenlandse nationaliteit die aan de wettelijk opgelegde voorwaarden voldoen, zich ingeschreven als kiezer. Dat aandeel lag iets hoger bij de personen met een EU‑nationaliteit (12%) dan bij de personen met een niet‑EU‑nationaliteit (10%). Het aandeel ingeschreven kiezers met een vreemde nationaliteit lag in 2018 lager dan in 2012. Toen ging het om 13% van de potentiële kiezers. Politieke participatie kan echter ook ruimer geïnterpreteerd worden. Als de participatie aan een hele lijst van mogelijke politieke activiteiten bevraagd wordt, blijkt dat 45% van de personen van Belgische herkomst beschouwd kan worden als politieke participanten. Bij de personen van EU‑herkomst gaat het om 43%. Bij de personen van niet‑EU‑herkomst ligt dat aandeel duidelijk lager (31%).
De kwaliteit van de sociale contacten wordt door een grote meerderheid binnen elke herkomstgroep als positief beoordeeld. De verschillen tussen de herkomstgroepen blijven beperkt, maar wijzen er toch telkens op dat de personen van niet‑EU‑herkomst iets minder tevreden zijn over hun sociale contacten dan de andere herkomstgroepen. De SCV-resultaten hierover worden bevestigd door de resultaten van de Gezondheidsenquête over de mate van de sociale ondersteuning. Ook die ligt minder hoog bij de personen van buiten de EU.
141
COLOFON Verantwoordelijke uitgever Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100, 1000 Brussel Auteurs Annelies Jacques, Dirk Moons, Jo Noppe, Jan Pickery, Ingrid Schockaert, Lisa Van Landschoot, Christine Van Peer & Myriam Vanweddingen Concept & grafische vormgeving The Oval Office Statistiek Vlaanderen Depotnummer D/2022/3241/147
Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100 1000 Brussel www.vlaanderen.be/statistiek-vlaanderen