Skip to main content

220429 Eindrapport Sorteergedrag Vlaamse bevolking 2021.pdf

Page 1

PREVENTIE- EN SORTEERGEDRAG VAN DE VLAAMSE BEVOLKING KWANTITATIEVE EN KWALITATIEVE BEVRAGING 2021


////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

PREVENTIE- EN SORTEERGEDRAG VAN DE VLAAMSE BEVOLKING Kwantitatieve en kwalitatieve bevraging 2021 publicatiedatum 29.04.2022 ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

pagina 2 of 210

29.04.2022


DOCUMENTBESCHRIJVING Titel van publicatie: Sorteergedrag van de Vlaamse Bevolking – Kwantitatieve en kwalitatieve bevraging 2021 3 Wettelijk Depot nummer: 2022/8165 1

2

Verantwoordelijke Uitgever: OVAM

4

Trefwoorden: Sorteergedrag, huishoudelijk afval, restafval, profielen sorteergedrag, informatie, stimuleren/voorkomen huishoudelijk afval

Samenvatting: Dit is het rapport met de resultaten van de kwantitatieve en kwalitatieve bevraging van de Vlaamse bevolking. De bevraging peilt naar het sorteergedrag en preventiemaatregelen die de burger al neemt, evenals naar mogelijke motivatoren en demotivatoren die belangrijk zijn voor de optimalisatie van afvalpreventie en sorteren. Op basis van de bevraging is een clusteranalyse gebeurd om te komen tot zes types. Met deze kennis kan men meer gericht acties ondernemen richting preventie en sorteren van afval. Het rapport eindigt dan ook met enkele concrete aanbevelingen. 6 Aantal bladzijden: 210 7 Aantal tabellen en figuren: / 5

8

Datum publicatie: 29 april 2022

10 Begeleidingsgroep en/of auteur:

Anita Claes, Nele Van Der Donckt, Kathleen Schelfhout, Gust Michiels, Eva Gijsegom, Piet Coopman, Adriaan Lowet

9

Prijs*: /

11 Contactpersonen:

Kathleen Schelfhout, Gust Michiels

U hebt het recht deze brochure te downloaden, te printen en digitaal te verspreiden. U hebt niet het recht deze aan te passen of voor commerciële doeleinden te gebruiken. De meeste OVAM-publicaties kunt u raadplegen en/of downloaden op de OVAM-website: http://www.ovam.be * Prijswijzigingen voorbehouden.

29.04.2022

pagina 3 of 210


INHOUD Achtergrond, voorwerp & doelstellingen................................................................................................ 7 1 Achtergrond van het onderzoek .............................................................................................. 8 2 Voorwerp van het onderzoek .................................................................................................. 8 3 Doelstellingen van het onderzoek ........................................................................................... 9 4 Opbouw van het rapport ....................................................................................................... 10 Luik 1: Kwantitatieve bevraging ............................................................................................................ 11 5 Methodologie ........................................................................................................................ 12 5.1

Voorbereiding van de kwantitatieve bevraging

13

5.1.1 5.1.2

Opmaak van de vragenlijst Vaststelling steekproef & quota

13 15

5.2 5.2.1

Set-up & uitvoering van het veldwerk Set-up van de online bevraging

18 18

5.2.2 5.3

Realisatie van de online interviews Verwerking & analyse

18 20

5.3.1 5.3.2

Controle en kwaliteit van de enquêtes Representativiteit van de steekproef

20 20

5.3.3

Analyse van de gegevens

23

6

Resultaten .............................................................................................................................. 26

6.1 6.1.1

Beschrijvende analyse Profiel van de respondenten

26 26

6.1.2 6.1.3

Gedrag: beperken, vermijden en sorteren van afval Motivatoren & demotivatoren

38 67

6.1.4 6.2

Informatie Multivariate analyse

80 91

6.2.1 6.2.2

Principale componenten analyse Regressie analyse

91 97

6.2.3

Cluster analyse

102

Luik 2: Kwalitatieve bevraging ............................................................................................................. 123 7 Methodologie ...................................................................................................................... 124 7.1

Opmaak van het draaiboek

124

7.2 7.2.1

Voorbereiding en organisatie van de focusgroepen Afbakening van de focusgroepen

126 126

7.2.2 7.3

Rekruteringscriteria deelnemers Realisatie van de focusgroepen

126 128

8

Resultaten ............................................................................................................................ 129

8.1

Focusgroep 1: Actieve tweeverdieners zonder (thuiswonende) kinderen

130

8.1.1 8.1.2

Afvalinzameling in gemeente Sorteren – Praktisch

130 131

8.1.3 8.1.4

Sorteren – Motivatie Sorteren – Mogelijke belemmeringen

132 132

8.1.5 8.1.6

Kostprijs afvalophaling / recyclagepark Huis-aan-huis ophaling – Mogelijke verbeterpunten

134 135

8.1.7

Recyclagepark – Mogelijke verbeterpunten

135

pagina 4 of 210

29.04.2022


8.1.8

Communicatie

135

8.1.9 8.2

Afvalpreventie & hergebruik Focusgroep 2: Gezinnen (incl. éénoudergezinnen) met jonge kinderen (<6 jaar)

135 138

8.2.1 8.2.2

Afvalinzameling in gemeente Sorteren – Praktisch

138 139

8.2.3 8.2.4

Sorteren – Motivatie Sorteren - Mogelijke belemmeringen

140 140

8.2.5 8.2.6

Huis-aan-huis ophaling - mogelijke verbeterpunten Recyclagepark - mogelijke verbeterpunten

142 142

8.2.7 8.2.8

Communicatie Afvalpreventie & hergebruik

142 143

8.3 8.3.1

Focusgroep 3: Huishoudens met gezinslid van 50 jaar en ouder (met 75+ jaar!) Afvalinzameling in gemeente

145 145

8.3.2 8.3.3

Sorteren - Praktisch Sorteren – Motivatie

146 147

8.3.4 8.3.5

Sorteren - Mogelijke belemmeringen Kostprijs afvalophaling / recyclagepark

147 149

8.3.6 8.3.7

Huis-aan-huis ophaling - Mogelijke verbeterpunten Recyclagepark - Mogelijke verbeterpunten

150 150

8.3.8 8.3.9

Communicatie Afvalpreventie & hergebruik

150 150

8.4 8.4.1

Focusgroep 4: JONGE ALLEENSTAANDEN, studerend / afgestudeerd met of zonder beroep, in cohousing Afvalinzameling in gemeente

152 152

8.4.2 8.4.3

Sorteren – Praktisch Sorteren – Motivatie

153 154

8.4.4 8.4.5

Sorteren - Mogelijke belemmeringen Kostprijs afvalophaling / recyclagepark

154 156

8.4.6 8.4.7

Huis-aan-huis ophaling - Mogelijke verbeterpunten Recyclagepark - Mogelijke verbeterpunten

156 157

8.4.8 8.4.9

Communicatie Afvalpreventie & hergebruik

157 157

8.5 8.5.1

Focusgroep 5: Huishoudens van niet-Belgische herkomst van 35 jaar en ouder Afvalinzameling in gemeente

159 159

8.5.2 8.5.3

Sorteren – Praktisch Sorteren – Motivatie

160 161

8.5.4 8.5.5

Sorteren - Mogelijke belemmeringen Kostprijs Afvalophaling / Recyclagepark

161 163

8.5.6 8.5.7

Huis-aan-huis ophaling - Mogelijke verbeterpunten Recyclagepark - Mogelijke verbeterpunten

163 163

8.5.8 8.5.9

Communicatie Afvalpreventie & hergebruik

163 164

Besluiten en Aanbevelingen ................................................................................................................ 165 9 Besluiten .............................................................................................................................. 166 9.1 9.1.1

Bevraging Vlaamse bevolking Gedrag: beperken, vermijden en sorteren van afval

166 166

9.1.2

Motivatoren om te sorteren

167

29.04.2022

pagina 5 of 210


9.1.3

Demotivatoren om te sorteren

167

9.1.4 9.1.5

Informatie Stimulansen

167 167

9.1.6 9.2

Waargenomen huishoudprofielen inzake vermijden, beperken en sorteren van huishoudelijk afval Focusgroepen

168 176

9.2.1 9.2.2

Afvalinzameling in gemeente Sorteren – Praktisch

176 176

9.2.3 9.2.4

Sorteren – Motivatie Sorteren - Mogelijke belemmeringen

177 177

9.2.5 9.2.6

Sorteren – Demotivatie Sorteren – Stimulansen

177 177

9.2.7 9.2.8

Afvalophaling / recyclagepark - Kostprijs Afvalophaling / recyclagepark - Mogelijke verbeterpunten

178 178

9.2.9 9.2.10

Communicatie Afvalpreventie & hergebruik

178 178

9.2.11

Prioritair te nemen maatregelen

179

10

Aanbevelingen ..................................................................................................................... 180

10.1 10.2

Maatregelen tot stimuleren van meer/beter sorteren van huishoudelijk afval Maatregelen tot stimuleren van voorkomen van afval

180 182

10.3

Flankerende maatregelen inzake beperken, vermijden en sorteren van huishoudelijk restafval

182

Bijlagen ………………………………………………………………………………………………………………………………………..184 11 Vragenlijst online enquête ................................................................................................... 185 12 Draaiboek focusgroepen ...................................................................................................... 200

pagina 6 of 210

29.04.2022


ACHTERGROND, VOORWERP & DOELSTELLINGEN

29.04.2022

pagina 7 of 210


1 ACHTERGROND VAN HET ONDERZOEK Betreffende de context van de opdracht wordt door OVAM aangegeven: “Vlaanderen staat al lang tussen de goede voorbeelden rond sorteren en selectieve inzameling van afval. Nochtans zit er in het huisvuil nog steeds meer dan de helft selectief inzamelbaar materiaal. Het meeste van dat materiaal is recycleerbaar of composteerbaar. Een klein deel is zelfs nog bruikbaar, waaronder nietvervallen verpakte voedingsmiddelen. Dit weten we uit de sorteeranalyses die de OVAM laat uitvoeren. Ook de kwaliteit van het grofvuil noopt een verdere verbetering. Nog al te veel recupereerbare stromen komen terecht bij deze fractie en de sorteerboodschap wordt niets altijd correct gevolgd waardoor huisvuil in het grofvuil terechtkomt. De hoeveelheid restafval wordt voornamelijk bepaald door deze hoeveelheden huisvuil en grofvuil, aangevuld met veegvuil (zwerfvuil…), sluikstort en afval uit straatvuilbakjes. De OVAM wil enerzijds verder blijven evolueren naar een circulaire economie en anderzijds de hoeveelheid afval die nog naar verbranding gaat, doen dalen.. Het Uitvoeringsplan Huishoudelijk Afval en Gelijkaardig Bedrijfsafval bevat daarom doelstellingen voor een maximale hoeveelheid restafval per inwoner die een stad of gemeente tegen 2022 moet behalen of behouden. Ondertussen werkt de OVAM aan een nieuw uitvoeringsplan waarmee ze de hoeveelheden restafval nog verder wil doen dalen. Ondanks de vele inspanningen op verschillende niveaus (o.a. sensibiliserings- en informatiecampagnes, aangepaste prijszetting voor afvalfracties) blijkt een verdere daling van het restafval allerminst eenvoudig te behalen. De strategie heeft dus nood aan verdere verfijning en accurate inzichten. Daarvoor is het noodzakelijk dieper in te gaan op de beweegredenen van de burger om al dan niet hun restafval te reduceren via afvalvoorkoming en/of sortering. Dit onderzoek moet dus meer inzicht geven in de factoren die invloed hebben op dit gedrag van de burger. Met deze kennis kunnen we gerichter acties opzetten. Deze acties zijn vervolgens in te passen in het nieuwe uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval.”

2 VOORWERP VAN HET ONDERZOEK De opdracht betreft het opzetten en uitvoeren van zowel een kwantitatieve, als een kwalitatieve bevraging van burgers in Vlaanderen, met als doelstelling om meer te weten te komen over de drijfveren van hun gedrag inzake sorteren, beperken en vermijden van afval. Deze kennis dient tot meer efficiënte acties naar verschillende socio-demografische profielen1 te leiden.

1 Volgend op de studie van OVAM “Invloed van demografische ontwikkelingen op het afvalbeheer”.

pagina 8 of 210

29.04.2022


3 DOELSTELLINGEN VAN HET ONDERZOEK Concreet moet het onderzoek de opdrachtgever toelaten handvaten te bekomen om de burger aan te moedigen, te overtuigen en te leiden naar minder productie van restafval via het voorkomen en sorteren ervan. De bevraging moet de beweegredenen achterhalen van burgers in Vlaanderen om al dan niet afval correct te sorteren en afval te voorkomen. Middels het onderzoek wenst de opdrachtgever inzicht te bekomen in wat de burger zou kunnen overhalen om het gedrag te optimaliseren. Met de resultaten uit de bevraging, zowel kwalitatief als kwantitatief, krijgen de OVAM, Fost Plus, de intercommunales en de lokale besturen een beter beeld van de drijfveren van de burger. Deze analyse maakt het destilleren van meer gerichte acties mogelijk op verschillende thema’s zoals service, prijs, communicatie, argumentatie, infokanalen…, rekening houdend met de verschillende drijfveren en opgesplitst volgens de verscheidenheid van de bevolking / socio-demografische profielen. Het onderzoek moet een antwoord bieden op volgende vragen, indien relevant per socio-demografisch profiel: – Waarom komt een bepaalde selectieve fractie soms nog bij huisvuil of grofvuil terecht? – Wat zijn de motivatoren en demotivatoren voor het beperken van restafval via voorkomen/sorteren van afval dat thuis kan vrijkomen? – In welke mate verschilt dit per fractie, per locatie (buiten, werkplek, thuis…) waar het afval kan vrijkomen? – In welke mate speelt bewust of onbewust gedrag (attitude versus gedrag)? – Wat trekt de burger over de streep om restafval (huisvuil en grofvuil) toch te voorkomen? – Via welke infokanalen wordt informatie opgepikt?

Voorliggend eindrapport geeft een antwoord op bovenstaande vragen en geeft ook beleidsaanbevelingen mee. De uiteindelijke uitvoering van acties of uitwerking van nieuwe communicatie-accenten (niet in dit onderzoek vervat) moet leiden tot een verdere daling van de hoeveelheid restafval.

29.04.2022

pagina 9 of 210


4 OPBOUW VAN HET RAPPORT We onderscheiden binnen de opbouw van het rapport drie luiken, te weten: −

−

−

Luik 1: de kwantitatieve bevraging, met een beschrijving van: •

de gehanteerde methodologie

•

de resultaten

Luik 2: de kwalitatieve bevraging, met een beschrijving van: •

de gehanteerde methodologie

•

de resultaten

Luik 3: besluiten en beleidsaanbevelingen op basis van bevindingen luik 1 en luik 2.

pagina 10 of 210

29.04.2022


LUIK 1: KWANTITATIEVE BEVRAGING

pagina 11 of 210

29.04.2022


5 METHODOLOGIE Het kwantitatieve onderzoek werd uitgevoerd in drie fasen, met name:

1

2

Voorbereiding van de kwantitatieve bevraging a opmaak van de vragenlijst b vaststelling steekproef en quota

Set-up en uitvoering van het veldwerk a set-up van de online bevraging (CAWI) b realisatie van de online-interviews

3

Verwerking van de online-interviews en analyse van de resultaten a datacleaning b validatie van de steekproef en wegingen c analyse

In dit hoofdstuk wordt de gevolgde methodologie op transparante wijze uitgelegd met als doel de resultaten van het onderzoek zo correct mogelijk te interpreteren.

pagina 12 of 210

29.04.2022


5.1 VOORBEREIDING VAN DE KWANTITATIEVE BEVRAGING 5.1.1 Opmaak van de vragenlijst Een adequate vragenlijst is een noodzakelijke voorwaarde voor een succesvol onderzoek. Een kwantitatief onderzoek kan maar zo goed zijn als de vragenlijst is. De vragenlijst van het onderzoek werd opgesteld door M.A.S. op basis van: – bronnen aangeleverd door de opdrachtgever2 – input van middenveld middels telefonisch diepte-gesprek & feedback via mail – overleg met stuurgroepleden Een laatste fase bij de opmaak van een vragenlijst betreft het uitvoeren van een zogenaamde ‘pré-test’, wat zoveel betekent als een verstaanbaarheids- en interpretatieonderzoek. De opzet van het uittesten van de vragenlijst in een verstaanbaarheids- en interpretatieonderzoek is de vragenlijst te valideren door te verifiëren of alle vragen en geformuleerde antwoordmogelijkheden verstaan en begrepen worden door respondenten van allerlei achtergrond. In totaal werden 10 (face-to-face) proefinterviews afgenomen bij respondenten, waarbij rekening werd gehouden met een verdeling naar geslacht, leeftijd en woonsituatie. De interviews duurden gemiddeld bijna 10 minuten. De resultaten van het verstaanbaarheidsonderzoek en bijhorende (kleine) aanpassingen aan de vragenlijst werden gerapporteerd aan de opdrachtgever, waarna deze door OVAM definitief gevalideerd werd. De vragenlijst bestaat uit 5 delen, te weten: 1 2 3 4 5

Socio-demografisch profiel; Gedrag inzake sorteren, beperken en vermijden van afval; Motivatoren inzake sorteren, beperken en vermijden van afval; Demotivatoren inzake sorteren, beperken en vermijden van afval; Informatie(noden) inzake sorteren, beperken en vermijden van afval.

In wat volgt, wordt beknopt de inhoud van de vragenlijst per onderscheiden deel overlopen. De vragenlijst is in bijlage opgenomen. Noot Leeswijzer : betreffende de term “restafval” zoals opgenomen in de vragenlijst en hier verder in de rapportage : hieronder dient feitelijk de correcte term “huisvuil” begrepen te worden; bij de opmaak van de vragenlijst werd evenwel geopteerd de term “restafval” te gebruiken omdat dit voor de burger de courant gebruikte en begrepen term is. Indien verder in het rapport de term “restafval” wordt vernoemd, dan wordt hieronder verstaan “huisvuil”. 2 Onder

meer: https://www.ovam.be/sites/default/files/atoms/files/Invloed-demografische-ontwikkeling-op-afvalbeheer-DEF.pdf (incl. tussentijdse rapporten), https://www.limburg.net/nieuws/grote-bevraging-over-afval-limburg-en-diest en https://www.wrap.org.uk/content/recycling-tracker-report-0.

29.04.2022

pagina 13 of 210


Deel 1: Socio-demografisch profiel Het eerste gedeelte van de vragenlijst beoogt het verzamelen van socio-demografische gegevens nodig voor een statistische analyse van de gegevens. Het betreft vragen naar geslacht, leeftijd, gezinssituatie, woonsituatie, inkomenssituatie, enz. Deel 2: Gedrag inzake sorteren, beperken en vermijden van afval Om een zicht te krijgen op het huidig sorteergedrag van de respondenten werd een lijst met specifieke (huishoudelijke) afvalfracties voorgelegd met de vraag aan te geven in welke mate deze consequent gesorteerd worden, of al eens bij het restafval thuis of in de vuilbak op het werk terecht gooien, of thuis verbrand worden. Bijkomend werd gevraagd aan te geven welk afval men in huis sorteert (i.c. keuken, badkamer, woonkamer, ...). Dit gedeelte omvat tot slot ook vragen aangaande het afvalvermijdend/-beperkend gedrag van respondenten. Zo kon men aan de hand van een lijst met mogelijkheden aangeven welke acties momenteel reeds ondernomen worden om afval thuis te verminderen. Deel 3: Motivatoren inzake sorteren, beperken en vermijden van afval Om na te gaan wat iemand motiveert om afval te sorteren, te beperken en te vermijden werden aan de respondenten 15 uitspraken voorgelegd waarop men middels een score van 0 tot 10 gaat aangeven in welke mate men er al dan niet akkoord mee gaat. Een voorbeeld van een dergelijke uitspraak is “Ik sorteer omdat dit volgens mij goedkoper is dan wanneer ik alles bij het restafval zou gooien”. Motivatoren om afval te sorteren, te beperken en te vermijden die middels de uitspraken aan bod komen: prijs, sociale controle, verplichting, voldoening, milieubewustzijn, enz. Deel 4: Demotivatoren inzake sorteren, beperken en vermijden van afval In een volgend onderdeel wordt onderzocht – via 12 uitspraken (score 0 tot 10) – welke demotivatoren of drempels iemand tegenhouden om afval te sorteren, te beperken of te vermijden; dit kunnen fysieke belemmeringen zijn (bijv. weinig plaats in of rond de woning om afvalzakken/-containers te bergen, moeilijkheden om naar het recyclagepark te gaan omwille van minder mobiel, ...), maar tevens psychologische drempels (bijv. sorteren vraagt te veel tijd, sorteren heeft geen zin, anderen sorteren ook niet, ...). Bijkomend werd nagegaan hoe iemand reageert wanneer die twijfelt over de zak of container waarin iets thuis hoort: zoekt men het op, vraagt men het aan iemand, wordt het zonder meer bij het restafval gegooid, ... Tot slot werden aan de respondent heel concrete redenen voorgelegd waarom iemand al eens iets bewust foutief bij het restafval kan gooien (bijv. “Af en toe gooi ik iets fout bij het restafval omdat ik het dan sneller kan buiten zetten voor ophaling.”), waarbij de respondent kon aangeven of dit voor hem/haar al eens van toepassing is of niet. Bij het opstellen van deze vraag werd bijzondere aandacht besteed om sociaal-wenselijke antwoorden zoveel als mogelijk te vermijden.

pagina 14 of 210

29.04.2022


Deel 5: Informatie(noden) inzake sorteren, beperken en vermijden van afval Het laatste gedeelte van de vragenlijst gaat enerzijds over welke kanalen men raadpleegt wanneer men op zoek is naar informatie over afval-ophaling en sortering in de gemeente of stad, via welke kanalen men bij voorkeur informatie en tips zou willen ontvangen om het huishoudelijk afval te verminderen, alsook via welke kanalen men het afgelopen jaar in contact is gekomen met informatie over afval-ophaling, sorteren, beperken en vermijden van afval. Tot slot gaat dit onderdeel in op mogelijke stimulansen vanwege de stad of gemeente om meer / beter te sorteren en zo restafval te verminderen enerzijds, om afval te voorkomen anderzijds. Er werden concrete voorstellen geformuleerd waarbij de respondent kan aangeven of dit voor hem/haar wel of geen stimulans zou zijn.

5.1.2 Vaststelling steekproef & quota 5.1.2.1 Populatie De populatie omvat de inwoners van het Vlaams Gewest, vanaf 18 jaar oud; er werd geen bovengrens inzake leeftijd ingesteld. 5.1.2.2 Steekproefgrootte De nauwkeurigheid van de resultaten is afhankelijk van de steekproefgrootte: des te groter de steekproef, des te nauwkeuriger het resultaat zal zijn. Tabel 1 geeft een overzicht van de maximale foutenmarge bij verschillende steekproefgroottes. Tabel 1: Overzicht van maximale foutenmarge, naar netto gerealiseerde steekproefgrootte

3 Maximale

Steekproefgrootte

Foutenmarge3

4.000

1,55%

2.500

1,96%

1.500

2,53%

1.000

3,10%

750

3,58%

500

4,38%

250

6,20%

foutenmarge (%) bij een betrouwbaarheidsinterval van 95%, onderzoekspopulatie van 5.000.000 en antwoordpercentage van 50%.

29.04.2022

pagina 15 of 210


De opdrachtgever opteerde voor een netto steekproefgrootte van N=2.500, wat een maximale foutenmarge van 1,96% impliceert. Een maximale foutenmarge van 1,96% houdt in dat “indien 50% van de respondenten een bepaald antwoord geeft, met 95% zekerheid kan gesteld worden dat het resultaat in de populatie tussen 48% en 52% zal liggen”4. Een steekproefgrootte van 2.500 is voldoende groot om significante en statistisch betrouwbare resultaten te bekomen voor de gehele steekproef (Vlaanderen) en laat bovendien toe om op het niveau van subpopulaties (bijv. mannen vs. vrouwen) betrouwbare statistische uitspraken te doen. Merk wel op dat de maximale foutenmarges bij de subpopulaties groter zullen zijn gezien de kleinere sample size waarop ze betrekking zullen hebben.

5.1.2.3 Aard van de steekproef In theorie kan er gekozen worden tussen een quota-steekproef en een proportionele steekproef. Bij een quota-steekproef wordt op voorhand bepaald hoeveel enquêtes er per subgroep worden afgenomen, zodanig er voldoende enquêtes zijn op het niveau van de betreffende subgroep om statistisch relevante uitspraken te kunnen doen. In voorliggend onderzoek werd geopteerd voor een proportionele steekproef volgens de parameters provincie en leeftijd. De te realiseren steekproef vormt aldus een weerspiegeling van de populatie inzake verdeling naar provincie en leeftijd. Op basis van de te realiseren steekproefgrootte (N=2.500) en op basis van de verdeling van de populatie in functie van provincie en leeftijd werd de steekproef opgedeeld in 25 ‘cellen’. Deze 25 cellen vormen een proportionele afspiegeling van de corresponderende 25 cellen in de populatie. Tabel 2 geeft een overzicht van de populatie en te realiseren steekproef, opgedeeld naar provincie en leeftijd.

4 Want:

50%-1,96%=48% en 50%+1,96%=52%

pagina 16 of 210

29.04.2022


Tabel 2: Overzicht van de populatie en te realiseren steekproef, naar provincie en leeftijd Populatie (N) Antwerpen

Limburg

Vlaams-Brabant

Oost-Vlaanderen

West-Vlaanderen

Totaal

18-34 jaar

386 287

167 593

231 171

314 329

228 873

1 328 253

35-49 jaar

359 454

170 342

226 500

300 077

215 877

1 272 250

50-64 jaar

382 545

195 166

238 389

312 912

257 002

1 386 014

65-79 Jaar

260 006

133 697

158 610

214 268

197 666

964 247

≥ 80 jaar

109 616

51 869

69 201

93 135

88 490

412 311

Totaal

1 497 908

718 667

923 871

1 234 721

987 908

5 363 075

Antwerpen

Limburg

Vlaams-Brabant

Oost-Vlaanderen

West-Vlaanderen

Totaal

18-34 jaar

7,2

3,1

4,3

5,9

4,3

24,8

35-49 jaar

6,7

3,2

4,2

5,6

4,0

23,7

50-64 jaar

7,1

3,6

4,4

5,8

4,8

25,8

65-79 Jaar

4,8

2,5

3,0

4,0

3,7

18,0

≥ 80 jaar

2,0

1,0

1,3

1,7

1,6

7,7

Totaal

27,9

13,4

17,2

23,0

18,4

100,0

Populatie (%)

Te realiseren steekproef (N) Antwerpen

Limburg

Vlaams-Brabant

Oost-Vlaanderen

West-Vlaanderen

Totaal

18-34 jaar

180

78

108

147

107

619

35-49 jaar

168

79

106

140

101

593

50-64 jaar

178

91

111

146

120

646

65-79 Jaar

121

62

74

100

92

449

≥ 80 jaar

51

24

32

43

41

192

Totaal

698

335

431

576

461

2 500

29.04.2022

pagina 17 of 210


5.2 Set-up & uitvoering van het veldwerk 5.2.1 Set-up van de online bevraging Voor het kwantitatieve luik van dit onderzoek ging de voorkeur uit naar een CAWI-bevragingsmethodiek, wat staat voor Computer Aided Web Interviewing. Bij deze interviewvorm worden de antwoorden door de respondent zelf – zonder tussenkomst van een interviewer – ingetikt in de computer, tablet of smartphone. Het softwareprogramma dat M.A.S. voor de programmatie van de online bevraging gebruikt (i.c. Limesurvey), is voor dit doel ontworpen. Het softwareprogramma is dusdanig geschreven dat de respondent op het scherm de vragenlijst in een mooie lay-out te zien krijgt (net zoals het op ‘papier’ zou zijn), en deze doorheen het interview geleid wordt waarbij de respondent enkel de voor hem/haar relevante vragen te zien krijgt (bijv. in geval van conditionele vragen). Bovendien biedt het programma de mogelijkheid om antwoorden onmiddellijk te valideren en een foutmelding weer te geven (bijv. indien de respondent bij de vraag naar leeftijd waarde ‘1972’ zou intypen), bestaat de mogelijkheid om het beantwoorden van vragen verplicht te maken (zodat de respondent geen vraag vergeet in te vullen) alsook de lijst met meerdere antwoordkeuzes in willekeurige volgorde weer te geven (randomiseren) voor elke respondent die de enquête ‘opent’ (om subjectieve antwoorden te voorkomen), enz. Via een unieke link wordt erover gewaakt dat een respondent slechts éénmaal de online vragenlijst kan invullen. Eens de volledig ingevulde enquête online is doorgestuurd, is het uitgesloten dat een andere “derde” inzage heeft in de antwoorden en/of deze kan wijzigen, zodanig de vertrouwelijkheid van de gegevens gegarandeerd is. Alvorens van start te gaan met de online bevraging werd de programmatie uitvoerig getest, zowel intern door medewerkers van M.A.S., als extern door de opdrachtgever. Hierbij werd gelet op een goede routing van de vragen enerzijds, een goede vormgeving/werking op verschillende types apparaten (pc, tablet en smartphone) en browsers anderzijds. Pas na validatie door de opdrachtgever werd de online bevraging opgestart.

5.2.2 Realisatie van de online interviews De online enquête werd afgenomen bij leden van ons internetpanel. Over de laatste 15 jaar werd dit panel samengesteld middels een mix van rekruteringskanalen en omvat het momenteel reeds meer dan 350.000 leden. De omvang en mixed-method samenstelling van het panel waarborgen de representativiteit. Bij het trekken van een steekproef uit deze populatie wordt er voor gezorgd dat de selectie gealigneerd is op de data van Statbel – FOD Economie, Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium. Dit is mogelijk omdat een aantal karakteristieken van de panelleden (bijv. woonplaats, leeftijd, geslacht, ...) gekend zijn, waardoor heel gericht e-mails met uitnodigingen kunnen verzonden worden.

pagina 18 of 210

29.04.2022


De uitnodigingen worden gradueel verstuurd, waardoor nauwkeurig kan worden opgevolgd hoe de 25 desbetreffende cellen (i.c. de quota naar provincie en leeftijdscategorie) geleidelijk aan ingevuld geraken; dit laat toe om verder selectief uitnodigingen te versturen naar subgroepen die moeilijker bereikbaar blijken (bijv. 80plussers). De online bevraging werd opgestart op donderdag 19 augustus en liep over een periode van 3 weken, tot en met donderdag 9 september. In totaal werden 2.554 online vragenlijsten gerealiseerd; dit betreft een brutoaantal vóór nazicht (‘cleaning’) van de data.

29.04.2022

pagina 19 of 210


5.3 VERWERKING & ANALYSE 5.3.1 Controle en kwaliteit van de enquêtes De kwaliteit van het onderzoek volgt tevens uit het uitvoeren van de noodzakelijke controles op het databestand die toelaten om aberraties te detecteren; de antwoorden en antwoordpatronen moeten immers coherent zijn. Dit wordt geëvalueerd op databaseniveau middels het softwareprogramma SPSS en omvat o.a. het nagaan van inconsistenties of tegenspraak (bijv. iemand die stelt in een 2-persoonshuishouden te wonen en vervolgens aangeeft samen te wonen met een partner en kinderen). Merken we hierbij op dat het programmeren van de online vragenlijst middels Limesurvey reeds op voorhand toelaat vele van dergelijke inconsistenties te voorkomen. Na cleaning / controle van de 2.554 online ingevulde enquêtes, werden er uiteindelijk 2.500 als valide weerhouden.

5.3.2 Representativiteit van de steekproef De representativiteit van de steekproef heeft alles te maken met de samenstelling van de steekproef en de mate waarin deze afwijkt van de samenstelling van de populatie. Er werd gekozen voor een proportionele steekproef in functie van een aantal belangrijke parameters, zijnde provincie en leeftijd. In tabel 3 wordt de verdeling in de populatie en de verdeling in de gerealiseerde netto-steekproef bekeken voor wat betreft de parameters provincie en leeftijd. Het valt onmiddellijk op dat de verdeling naar provincie in de gerealiseerde netto-steekproef een perfecte weerspiegeling is van diezelfde verdeling in de populatie. Inzake leeftijd is er wel enige afwijking: het aandeel van de jongste en oudste leeftijdscategorie (resp. 18-34 jaar en ≥80 jaar) ligt iets lager in de gerealiseerde steekproef vergeleken met de populatie (resp. 20% t.o.v. 25% 18-34 jaar, en 6% t.o.v. 8% ≥80 jaar); anderzijds kent de steekproef een iets hoger aandeel van de overige leeftijdscategorieën (i.c. 35-49 jaar, 50-64 jaar en 65-79 jaar) vergeleken met de verdeling in de populatie. Dat de verdeling in de gerealiseerde steekproef niet geheel overeenkomt met deze in de populatie voor de betreffende parameters provincie en leeftijd, hoeft echter geen onoverkomelijk probleem te zijn. Een gangbare procedure in sociaalwetenschappelijk onderzoek betreft immers het uitvoeren van een weging op specifieke, relevante parameters. Door aan de respondenten een bepaald gewicht (i.c. wegingscoëfficiënt) toe te kennen – berekend op basis van provincie en leeftijdscategorie – worden in de resultaten de juiste verhoudingen hersteld: subgroepen die oververtegenwoordigd zijn in de steekproef ten aanzien van de populatie zullen iets minder doorwegen in de resultaten, en omgekeerd zullen subgroepen die in verhouding iets minder aanwezig zijn in de steekproef ten aanzien van hun aandeel in de populatie, wat meer gewicht krijgen in de resultaten.

pagina 20 of 210

29.04.2022


Tabel 3: Overzicht van de populatie en de gerealiseerde steekproef, naar provincie en leeftijd Populatie (N) Antwerpen

Limburg

Vlaams-Brabant

Oost-Vlaanderen

West-Vlaanderen

Totaal

18-34 jaar

386 287

167 593

231 171

314 329

228 873

1 328 253

35-49 jaar

359 454

170 342

226 500

300 077

215 877

1 272 250

50-64 jaar

382 545

195 166

238 389

312 912

257 002

1 386 014

65-79 Jaar

260 006

133 697

158 610

214 268

197 666

964 247

≥ 80 jaar

109 616

51 869

69 201

93 135

88 490

412 311

Totaal

1 497 908

718 667

923 871

1 234 721

987 908

5 363 075

Antwerpen

Limburg

Vlaams-Brabant

Oost-Vlaanderen

West-Vlaanderen

Totaal

18-34 jaar

7,2

3,1

4,3

5,9

4,3

24,8

35-49 jaar

6,7

3,2

4,2

5,6

4,0

23,7

50-64 jaar

7,1

3,6

4,4

5,8

4,8

25,8

65-79 Jaar

4,8

2,5

3,0

4,0

3,7

18,0

≥ 80 jaar

2,0

1,0

1,3

1,7

1,6

7,7

Totaal

27,9

13,4

17,2

23,0

18,4

100,0

Antwerpen

Limburg

Vlaams-Brabant

Oost-Vlaanderen

West-Vlaanderen

Totaal

18-34 jaar

142

63

88

121

88

502

35-49 jaar

178

87

113

147

110

635

50-64 jaar

195

98

123

160

132

708

65-79 Jaar

136

72

83

109

100

500

≥ 80 jaar

47

17

20

34

37

155

Totaal

698

337

427

571

467

2 500

Antwerpen

Limburg

Vlaams-Brabant

Oost-Vlaanderen

West-Vlaanderen

Totaal

18-34 jaar

5,7

2,5

3,5

4,8

3,5

20,1

35-49 jaar

7,1

3,5

4,5

5,9

4,4

25,4

50-64 jaar

7,8

3,9

4,9

6,4

5,3

28,3

65-79 Jaar

5,4

2,9

3,3

4,4

4,0

20,0

≥ 80 jaar

1,9

0,7

0,8

1,4

1,5

6,2

Totaal

27,9

13,5

17,1

22,8

18,7

100,0

Populatie (%)

Gerealiseerde steekproef (N)

Gerealiseerde steekproef (%)

29.04.2022

pagina 21 of 210


In tabel 4 wordt een overzicht gegeven van de wegingcoëfficiënten. De wegingscoëfficiënten worden berekend op het geheel van alle 25 cellen samen (i.c. 5 provincies x 5 leeftijdscategorieën), waarbij enerzijds het aandeel van elke cel in de populatie bepaald wordt en vervolgens het aandeel van elke cel in de gerealiseerde steekproef. Door per cel beide aandelen tegenover elkaar af te zetten, wordt de wegingscoëfficiënt voor die cel bekomen. Nemen we als voorbeeld 18 tot 34-jarige respondenten woonachtig in de provincie Limburg: uit Tabel 3 lezen we af dat hun aandeel in de populatie 3,1% bedraagt, maar ze in de gerealiseerde steekproef ‘slechts’ 2,5% uitmaken. De wegingscoëfficiënt voor deze specifieke subgroep wordt bekomen door hun aandeel in de populatie te delen door hun aandeel in de steekproef, concreet: 0,031/0,025=1,24. Elke respondent van 18 tot 34 jaar uit Limburg in de steekproef zal aldus het gewicht 1,24 toegekend krijgen, waardoor bij de berekening van de resultaten de antwoorden van deze respondenten iets meer zullen doorwegen; dit is logisch, aangezien ze in de steekproef ondervertegenwoordigd zijn (2,5%) vergeleken met de populatie (3,1%). Omgekeerd, zullen respondenten die in de steekproef oververtegenwoordigd zijn ten opzichte van hun aandeel in de populatie een wegingscoëfficiënt kleiner dan 1 toegekend krijgen. Het resultaat van de weging is tevens opgenomen in tabel 4. Om te vermijden dat de antwoorden van een te klein aantal respondenten worden geëxtrapoleerd naar de betreffende subgroep in de populatie en op die manier de representativiteit van de resultaten in het gedrang wordt gebracht, is het noodzakelijk de wegingsfactoren zo klein mogelijk te houden. In voorliggend onderzoek bedraagt de kleinste wegingcoëfficiënt 0,87 (i.c. 65-79 jaar in Limburg) en de grootste wegingscoëfficiënt 1,61 (i.c. ≥ 80 jaar in Vlaams-Brabant), zijnde ruim binnen de aanvaardbare marge van |2,5|. Tabel 4: Overzicht van de weegcoëfficiënten en gerealiseerde steekproef na weging, naar provincie en leeftijd Weegcoëfficiënten Antwerpen

Limburg

Vlaams-Brabant

Oost-Vlaanderen

West-Vlaanderen

18-34 jaar

1,27

1,24

1,22

1,21

1,21

35-49 jaar

0,94

0,91

0,93

0,95

0,91

50-64 jaar

0,91

0,93

0,90

0,91

0,91

65-79 Jaar

0,89

0,87

0,89

0,92

0,92

≥ 80 jaar

1,09

1,42

1,61

1,28

1,11

Antwerpen

Limburg

Vlaams-Brabant

Oost-Vlaanderen

West-Vlaanderen

Totaal

18-34 jaar

180

78

108

147

107

619

35-49 jaar

168

79

106

140

101

593

50-64 jaar

178

91

111

146

120

646

65-79 Jaar

121

62

74

100

92

449

Steekproef na weging (N)

≥ 80 jaar

51

24

32

43

41

192

Totaal

698

335

431

576

461

2 500

pagina 22 of 210

29.04.2022


5.3.3 Analyse van de gegevens De analyse van de gegevens gebeurt middels het softwareprogramma SPSS en omvat: – univariate analyses; – bivariate analyses; – significantietoetsen; – multivariate analyses. 5.3.3.1 Descriptieve analyse: uni- en bivariate analyses In een eerste fase worden univariate analyses uitgevoerd. Hierbij worden de resultaten bekeken op het niveau van de gehele steekproef, zonder rekening te houden met specifieke karakteristieken van de afzonderlijke respondenten. In een volgende fase volgen bivariate analyses, waarbij de resultaten gerelateerd worden aan specifieke karakteristieken van de respondenten. In voorliggend onderzoek gebeurden standaard bivariate analyse naar: – provincie; – belfius-indeling; – geslacht; – leeftijd; – gezinsgrootte; – gezinssamenstelling; – leeftijd van de kinderen; – woningtype; – aantal jaren woonachtig in gemeente/stad; – hebben van een ruimte om afvalzakken/-bakken te plaatsen; – herkomst; – subjectief inkomen5; – objectief inkomen.

5.3.3.2 Significantietoetsen Bij elke bivariate analyse werd nagegaan of er een statistisch significant verband tussen de variabelen is. De term significantie geeft aan of men kan aannemen dat een resultaat niet door toeval is ontstaan, maar statistisch relevant is. Een verschil is significant als de kans dat het gevonden resultaat aan toeval te wijten is, kleiner is dan 5% (p<0,05). Met andere woorden, er is 95% zekerheid dat het in de steekproef gevonden verschil, ook in realiteit (i.c. in de populatie) een verschil betreft. Of omgekeerd, er is minder dan 5% kans dat een in de steekproef gevonden verschil in realiteit toch geen verschil betreft.

5 Met subjectief inkomen wordt bedoeld dat de respondent hier zelf aangeeft in welke mate hij/zij rond komt met het beschikbare inkomen (van zeer moeilijk tot zeer gemakkelijk), ongeacht de grootte van het beschikare inkomen (cfr. objectief inkomen).

29.04.2022

pagina 23 of 210


Volgende significantietoetsen worden in de analyse gebruikt: – chi-kwadraat; – independent-samples T test; – correlatietoets. 5.3.3.3 Multivariate analyses Naast hoger vermelde analyses worden in het kader van het bepalen van profielen, op de gegevens ook multivariate analyses doorgevoerd, waarbij een hoeveelheid aan variabelen samen bekeken worden. Dergelijke analyses laten toe na te gaan welke attitudes en houdingen inzake sorteren, beperken en vermijden van afval kunnen onderscheiden worden, in welke mate deze het sorteergedrag beïnvloeden, alsook welke profielen van respondenten een gelijkaardige attitude / houding en daarmee samenhangend sorteergedrag hebben. Volgende multivariate analyses worden in voorliggend onderzoek uitgevoerd: − Principale componenten analyse; − Lineaire regressie analyse; − Cluster analyse. 5.3.3.3.1 Fase 1: vinden van onderliggende dimensies In een eerste analysefase maken we gebruik van een factormodel6, meer bepaald een principale componentenanalyse. Het betreft in feite een reductie van het aantal beschrijvende kenmerken (bijv. “Sorteren maakt deel uit van mijn (dagelijkse) routine”, “Ik sorteer om een bijdrage aan het milieu te leveren”, “Sorteren schenkt mij voldoening”, enz.) tot een geringer aantal nieuwe beschrijvende kenmerken (i.c. componenten). Hierbij dient een component gezien te worden als een numerische functie van de initiële kenmerken. 5.3.3.3.2 Fase 2: vinden van causale verbanden tussen attitude en gedrag In een tweede fase kan worden nagegaan middels een meervoudige lineaire regressie of, en zo ja in welke mate, gevonden onderliggende attitudes (i.c. componenten) het sorteergedrag van respondenten beïnvloeden. Bovendien kan middels diezelfde analyse de causale sterkte van elke component afzonderlijk afgewogen worden ten aanzien van de overige componenten.

6 Factoranalyse is een verzamelnaam voor een klasse van multivariaat analysetechnieken waarbij het de bedoeling is de omvang van een set van kenmerken te reduceren of te herleiden tot een wezenlijke onderliggende dimensionaliteit.

pagina 24 of 210

29.04.2022


5.3.3.3.3 Fase 3: naar een typologie In deze fase wordt gebruik gemaakt van cluster analyse7. Het betreft het groeperen van de respondenten in verschillende clusters of groepen, zodanig dat een hoge mate van gelijkenis bestaat tussen elementen in dezelfde groep, alsook een lage mate van overeenkomst tussen elementen behorend tot verschillende clusters of groepen. Vervolgens wordt bekeken welke personen er tot eenzelfde cluster behoren, inzake socio-demografische (bijv. leeftijd) en economische (bijv. inkomenssituatie) kenmerken enerzijds, inzake attitude en gedrag ten aanzien van sorteren, beperken en vermijden van afval anderzijds. Tot slot kan voor elk van de gevonden clusters van respondenten worden nagegaan via welke kanalen ze bij voorkeur informatie en tips willen ontvangen aangaande sorteren, beperken en vermijden van afval, alsook in welke mate en op welke manier ze gestimuleerd kunnen worden om meer / beter te sorteren en afval te verminderen.

7 Clusteranalyse is een exploratieve classificatiemethode. Het doel van een clusteranalyse is om een mogelijk aanwezige, doch niet bekende, structuur in de gegevens bloot te leggen.

29.04.2022

pagina 25 of 210


6 RESULTATEN 6.1 BESCHRIJVENDE ANALYSE 6.1.1 Profiel van de respondenten 6.1.1.1

Woonplaats

6.1.1.1.1 Provincie De verdeling naar provincie vormt een perfecte afspiegeling van deze in de populatie, omdat de steekproef op deze parameter gewogen werd. De provincies die het meest vertegenwoordigd zijn in de steekproef zijn Antwerpen en Oost-Vlaanderen (resp. 28% en 23%), gevolgd door West-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en tot slot Limburg (resp. 18%, 17% en 13%). Figuur 1: In welke provincie woont u? – Totaal

18%

Antwerpen 28% Limburg

17% 13% 23%

Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant West-Vlaanderen

Basis: alle respondenten (N=2.500)

6.1.1.1.2 Typologie van gemeente (Belfius-indeling) De Belfius-indeling verdeelt de Vlaamse gemeenten in 6 types van gemeenten. Het betreft een sociaaleconomische indeling waarbij de categorieën van gemeenten voornamelijk verschillen in levensstandaard en socioprofessionele positie van de bevolking, in verstedelijkingsgraad, zowel “morfologisch” (belang van bebouwing) als “functioneel” (aantrekkingskracht, centrumfunctie), in belang van de economische activiteit (industrie, tertiaire sector, toerisme) en in demografische dynamiek (natuurlijk saldo en migratiesaldo, mate van vergrijzing van de bevolking).

pagina 26 of 210

29.04.2022


De 6 types van gemeenten zijn: 1 Woongemeenten; 2 Landelijke gemeenten; 3 Gemeenten met concentratie van economische activiteit; 4 Verstedelijkte gemeenten; 5 Grote en regionale gemeenten; 6 Kustgemeenten. 3 op de 10 respondenten (30%) die aan het onderzoek hebben meegewerkt, blijken in grote of regionale steden te wonen. Een vierde van de respondenten (26%) woont in een gemeente met een concentratie van economische activiteit en bijna evenveel respondenten (23%) wonen in een zogenaamde ‘woongemeente’. Tot slot woont 10% van de respondenten in een verstedelijkte gemeente, 7% in een landelijke gemeente en 3% in een kustgemeente. Uit tabel 5 blijkt, dat de verdeling van de steekproef naar typologie van gemeenten goed aansluit bij deze in de populatie8. Figuur 2: Verdeling naar typologie van gemeente (Belfius-indeling) – Totaal

Woongemeenten 3% 30%

23%

Landelijke gemeenten 7%

10%

26%

Gemeenten met concentratie van economische activiteit Verstedelijkte gemeenten Grote en regionale steden Kustgemeenten

Basis: alle respondenten (N=2.500)

8Bron:

Rijksregister, gehele Vlaamse bevolking op 01/08/2021.

29.04.2022

pagina 27 of 210


Tabel 5: Verdeling naar typologie van gemeente (Belfius-indeling) – Steekproef vs. populatie Belfius-indeling

Populatie

Steekproef

1. Woongemeenten

25,8%

22,8%

2. Landelijke gemeenten

9,8%

7,4%

3. Gemeenten met concentratie van economische activiteit

27,1%

26,4%

4. Verstedelijkte gemeenten

10,0%

10,3%

5. Grote en regionale steden

25,1%

30,2%

6. Kustgemeenten

2,2%

2,8%

Totaal

100%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500)

6.1.1.1.3 Aantal jaren woonachtig in gemeente 9 op de 10 respondenten wonen reeds meer dan 2 jaar in hun gemeente of stad. 7% woont sinds 1 tot 2 jaar in de gemeente en 4% is minder dan 1 jaar geleden naar de huidige gemeente of stad verhuisd. Figuur 3: Hoe lang woont u al in uw stad of gemeente? – Totaal

4% 7%

< 1 jaar

1 tot 2 jaar 89% > 2 jaar

Basis: alle respondenten (N=2.500)

6.1.1.2

Socio-demografische kenmerken

6.1.1.2.1 Geslacht Ook de steekproef-verdeling naar geslacht sluit goed aan bij deze in de populatie9. Bijna de helft van de respondenten in de steekproef zijn mannen (47%), wat impliceert dat iets meer dan de helft vrouwen zijn (52%). 9

Op 01/01/2021 bedroeg het aandeel mannen van 18 jaar of ouder 49% in Vlaanderen en het aandeel vrouwen van 18 jaar of ouder 51% (bron: Statbel.be).

pagina 28 of 210

29.04.2022


Figuur 4: Hoe identificeert u zich? – Totaal 0,2% Man 47% 52%

Vrouw

Anders

Basis: alle respondenten (N=2.500)

6.1.1.2.2 Leeftijd De verdeling naar leeftijd vormt een perfecte afspiegeling van deze in de populatie, omdat de steekproef ook op deze parameter – in combinatie met provincie – gewogen werd. Een vierde van de steekproef (25%) betreft respondenten tussen 18 en 34 jaar oud. Ongeveer evenveel respondenten vinden we terug in de twee daaropvolgende leeftijdscategorieën van 35 tot 49 jaar (24%) en 50 tot 64 jaar oud (26%). Tot slot is18% van de respondenten tussen 65 en 79 jaar oud, en 8% is 80 jaar of ouder. De gemiddelde leeftijd bedraagt 50 jaar; de minimumleeftijd is 18 jaar, de oudste respondent is 93 jaar oud. Figuur 5: Wat is uw leeftijd? – Totaal

8% 18%

18 tot 34 jaar 25% 35 tot 49 jaar 50 tot 64 jaar

26%

24% 65 tot 79 jaar 80 jaar of ouder

Basis: alle respondenten (N=2.500)

29.04.2022

pagina 29 of 210


6.1.1.2.3 Herkomst Van 9 op de 10 respondenten hadden beide ouders bij hun geboorte de Belgische nationaliteit; 1 op de 10 respondenten heeft een niet-Belgische herkomst (i.c. minstens één van beide ouders had een andere dan de Belgische nationaliteit). Figuur 6: Welke nationaliteit had uw vader / uw moeder bij zijn/haar geboorte? – Totaal 100%

94%

92%

91%

80%

Belgisch

60%

Niet-Belgisch

40%

Weet niet

20%

6%

7%

1%

9%

0%

1%

0% Vader

Moeder

Beide

Basis: alle respondenten (N=2.500)

6.1.1.3

Samenstelling van het huishouden

6.1.1.3.1 Grootte van het huishouden Iets meer dan een vijfde van de respondenten (22%) in de steekproef geeft aan alleen te wonen. Het grootste aandeel van de respondenten in de steekproef (40%) woont samen met een andere persoon (hetzij een volwassene, hetzij een kind). 17% van de respondent woont in een 3-persoonshuishouden, 15% in een 4-persoonshuishouden; een kleine minderheid woont in nog een groter huishouden: 4% in een 5-persoonshuishouden en 2% in een huishouden van minstens 6 personen. De gemiddelde huishoudengrootte bedraagt 2,5 personen. Figuur 7: Met hoeveel personen woont u op uw adres, uzelf inbegrepen? – Totaal 2% 4% 15%

1 persoon 22%

2 personen 3 personen

17% 40%

4 personen 5 personen 6 of meer personen

Basis: alle respondenten (N=2.500)

pagina 30 of 210

29.04.2022


Uit tabel 6 lezen we af dat de huishoudens in de steekproef gemiddeld iets groter zijn dan deze in de populatie (resp. 2,5 t.o.v. 2,3 personen)10. Voornamelijk het aandeel alleenwonenden is in de steekproef ondervertegenwoordigd ten aanzien van de populatie (resp. 22% t.o.v. 32%). Tabel 6: Verdeling naar grootte van het huishouden – Steekproef vs. populatie Grootte van het huishouden

Populatie

Steekproef

1 persoon

32,5%

21,7%

2 personen

34,3%

39,8%

3 personen

13,8%

17,2%

4 personen

12,9%

14,5%

5 personen

4,5%

4,3%

6 of meer personen

2,0%

2,5%

Totaal

100%

100%

2,3

2,5

Gemiddelde

Basis: alle respondenten (N=2.500)

6.1.1.3.2 Inwonende kinderen (<18 jaar) Drie kwart van de respondenten (73%) heeft geen inwonende kinderen van 0 tot 17 jaar11; wat niet wegneemt dat deze huishoudens inwonende kinderen van 18 jaar of ouder kunnen hebben. Bijna 3 op de 10 respondenten (27%) heeft aldus wel inwonende kinderen jonger dan 18 jaar. Bekeken op de gehele steekproef vinden we eenzelfde aandeel respondenten – ongeveer 1 op de 8 – met één of meerdere kinderen in de leeftijdscategorie 0 tot 5 jaar, 6 tot 11 jaar en 12 tot 17 jaar. Figuur 8: Wonen er kinderen jonger dan 18 jaar op uw adres? – Totaal 6% Van 0 tem 2 jaar

5% 12%

Van 3 tem 5 jaar 13%

73%

Van 6 tem 11 jaar Van 12 tem 17 jaar Geen inwonende kinderen <18 jaar

Basis: alle respondenten (N=2.500)

10Bron: 11In

https://statistieken.vlaanderen.be (cijfers 2021)

de populatie heeft 76% van de Vlaamse huishoudens geen kinderen (al dan niet inwonend) tussen 0 en 17 jaar oud

(bron: https://statistieken.vlaanderen.be – cijfers 2021).

29.04.2022

pagina 31 of 210


6.1.1.3.3 Type huishouden Zoals hierboven reeds aangehaald, woont een vijfde van de respondenten (22%) alleen. Een derde van de respondenten (34%) woont samen met een partner, zonder kinderen. Een vijfde (25%) woont samen met een partner én kinderen; 7% is alleenstaand met inwonende kinderen. Eén op de 10 respondenten (11%) geeft aan inwonend te zijn bij de ouders. 1% tot slot doet aan cohousing en 0,1% woont in nog een andere situatie. Figuur 9: Welke situatie is op u van toepassing? – Totaal 1% 25%

Alleenwonend Inwonend bij ouder(s) Alleenstaand met kinderen Koppel zonder kinderen Koppel met kinderen Cohousing Andere situatie

22% 11%

34%

7%

Basis: alle respondenten (N=2.500)

Vergeleken met de verdeling in de populatie (zie tabel 7)12, bedraagt het aandeel huishoudens zonder kinderen in de steekproef 56% (tegenover 61% in de populatie); het aandeel huishoudens met kinderen bedraagt in de steekproef 43% 13(tegenover 37% in de populatie). Tabel 7: Verdeling naar samenstelling van het huishouden – Steekproef vs. populatie Grootte van het huishouden

Populatie

Steekproef

Alleenstaand zonder kinderen

32,4%

21,7%

Koppel zonder kinderen

29,1%

34,0%

Alleenstaand met kinderen

8,2%

7,1%

Koppel met kinderen

28,6%

25,2%

Inwonend bij ouders

--

10,6%

Ander type huishouden

1,7%

1,3%

Totaal

100%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500)

12 13

Bron: https://statistieken.vlaanderen.be (cijfers 2021) inclusief het aandeel respondenten inwonend bij de ouders.

pagina 32 of 210

29.04.2022


6.1.1.4

Socio-economische kenmerken

6.1.1.4.1 Beroepsactiviteit De helft van de respondenten geeft aan momenteel tewerkgesteld te zijn. De tewerkstellingsgraad ligt iets hoger bij de partner van de respondenten, met name 56% t.o.v. 44% van de partners die niet beroepsactief zijn. Figuur 10: Bent u / uw partner momenteel tewerkgesteld? – Totaal 100% 80%

50%

56%

60% 40% 20%

Beroepsactief Niet beroepsactief

50%

44%

Respondent

Partner

0%

Basis: alle respondenten / eventuele partner (resp. N=2.500; N=1.484)

Aan de respondenten die momenteel niet tewerkgesteld zijn, werd bijkomend gevraagd of ze een uitkering (werkloosheidsuitkering, pensioen, ...) ontvangen: 8 op de 10 van hen antwoordde hierop positief. Ook bij de partner van de respondenten vinden we eenzelfde aandeel die een uitkering ontvangt, met name 78%. Figuur 11: Ontvangt u / uw partner een uitkering (werkloosheidsuitkering, pensioen, ...)? – Totaal 100% 80% 60%

79%

78%

40%

Ja Neen

20%

21%

22%

Respondent

Partner

0%

Basis: respondenten / eventuele partner van de respondent, die niet tewerkgesteld zijn (resp. N=1.247; N=652)

29.04.2022

pagina 33 of 210


Maken we abstractie van de respondenten die inwonend zijn bij de ouders14, dan blijkt dat bijna 9 op de 10 respondenten in een huishouden woont waar beide partners (of de alleenstaande respondent) een inkomen hebben (uit arbeid, een uitkering, ...). Voorts woont 1 op de 10 respondenten in een huishouden waar één van beide partners een inkomen heeft en 2% tot slot in een huishouden waar geen van beide partners (of de alleenstaande respondent) over een inkomen beschikt. Figuur 12: Verdeling naar aantal verdieners in het huishouden – Totaal 2% Beide partners (of alleenstaande) hebben inkomen

10%

Eén van beide partners heeft inkomen

88%

Geen van beide partners (of alleenstaande) heeft inkomen

Basis: alle respondenten, met uitzondering van zij die inwonend zijn bij ouder(s) (N=2.235)

6.1.1.4.2 Inkomenssituatie Gevraagd naar de mate waarin men maandelijks kan rondkomen met het netto beschikbare gezinsinkomen, geven 4 op de 10 respondenten aan het makkelijk tot heel erg makkelijk te hebben. Laatstgenoemden (40%) vindt het niet moeilijk, niet makkelijk om elke maand rond te komen. Een vijfde van de respondenten (21%) laat weten het moeilijk tot heel erg moeilijk te hebben om elke maand rond te komen met het beschikbare gezinsinkomen. Figuur 13: In welke mate kan u met het totale beschikbare inkomen van uw huishouden, zoals het nu is, maandelijks rondkomen? – Totaal

16%

Heel erg gemakkelijk

4% 7% 33%

Gemakkelijk Niet moeilijk, niet gemakkelijk

40%

Moeilijk Heel erg moeilijk

Basis: alle respondenten (N=2.500) 14 Niet

alle respondenten die inwonen bij hun ouder(s) hebben de vraag op eenzelfde manier geïnterpreteerd: sommigen hebben de vraag vanuit hun eigen perspectief

beantwoord, anderen hebben – zoals beoogd – de vraag vanuit het perspectief van de ouders beantwoord. Het is evenwel niet altijd af te leiden vanuit welk perspectief de vraag beantwoord werd.

pagina 34 of 210

29.04.2022


Naast een subjectieve inkomensbeleving, werd de respondent tevens gevraagd het netto beschikbare gezinsinkomen per maand aan te geven. De inkomenscategorieën werden vervolgens gegroepeerd in een objectieve inkomensschaal15. Maken we opnieuw abstractie van de respondenten die inwonen bij de ouder(s), stellen we vast dat een vierde van de respondenten (24%) zich in een hogere inkomensschaal bevindt (hoger middeninkomen: € 3.500-4.999; hoger inkomen: € ≥5.000); iets meer (28%) heeft een middeninkomen (€ 2.500-3.499) en bijna de helft tot slot (48%) bevindt zich in een lagere inkomensschaal (lager middeninkomen: € 1.500-2.499; lager inkomen: € ≤1.499). Figuur 14: Verdeling naar inkomensklasse o.b.v. totale beschikbare netto inkomen per maand van het huishouden – Totaal

14% 34%

4%

Hoge inkomens 20% 28%

Hogere middeninkomens Middeninkomens Lagere middeninkomens Lage inkomens

Basis: alle respondenten, met uitzondering van zij die inwonend zijn bij ouder(s) (N=2.235)

Er is een positieve samenhang tussen het subjectief inkomen (i.c. maandelijks rondkomen) en het objectief inkomen (i.c. netto inkomen) van de respondent: hoe hoger het maandelijks beschikbaar netto gezinsinkomen van de respondent, hoe gemakkelijker men maandelijks kan rondkomen (0,416)16. Bij de laagste netto gezinsinkomens (€ ≤1.499) heeft de helft (48%) van de respondenten het (heel erg) moeilijk om maandelijks rond te komen; niettemin vinden we in de laagste inkomensklasse ook een groep respondenten (10%) die het (heel erg) gemakkelijk hebben om maandelijks rond te komen. Bij de middeninkomens komt 15% (heel erg) moeilijk rond, 43% (heel erg) gemakkelijk en 41% tussenin. 8 op de 10 respondenten (81%) in de hoogste inkomensklasse (€ ≥5.000) hebben het (heel erg) gemakkelijk om maandelijks rond te komen, 14% heeft het niet moeilijk, niet makkelijk, maar ook hier geeft nog 6% (i.c. 6 respondenten) te kennen het (heel erg) moeilijk te hebben om maandelijks rond te komen.

15

Overeenkomstig het onderzoek van OVAM “Invloed van demografische ontwikkelingen op het afvalbeheer”

(bron: https://ovam.be/sites/default/files/atoms/files/Invloed-demografische-ontwikkeling-op-afvalbeheer-DEF.pdf). 16 Spearman’s

29.04.2022

Rho correlatiecoëfficiënt

pagina 35 of 210


Tabel 8: Samenhang tussen subjectief en objectief inkomen – Totaal Lage inkomens

Lagere middeninkomens

Middeninkomens

Hogere middeninkomens

Hoge inkomens

N

%

N

%

N

%

N

%

N

%

(heel erg) Moeilijk

155

48,3%

194

25,7%

94

15,3%

39

8,7%

6

5,5%

Niet moeilijk, niet gemakkelijk

133

41,5%

356

47,2%

255

41,5%

141

31,6%

14

13,6%

(heel erg) Gemakkelijk

33

10,2%

204

27,1%

266

43,2%

265

59,7%

81

80,9%

Totaal

322

100,0%

754

100,0%

615

100,0%

445

100,0%

100

100,0%

Basis: alle respondenten, met uitzondering van zij die inwonend zijn bij ouder(s) (N=2.235)

Bekijken we de respondenten met een hoger (midden)inkomen, die het (heel erg) moeilijk hebben om maandelijks rond te komen (i.c. het betreft 44 respondenten), dan valt op dat dit veelal beroepsactieve koppels zijn, met (jongere) kinderen. Meer in detail, betreft het – vergeleken met de gehele steekproef17 – vaker respondenten die: – in Limburg (21% t.o.v. 13%) of Oost-Vlaanderen (36% t.o.v. 23%) wonen; – 1 tot 2 jaar in hun stad of gemeente wonen (44% t.o.v. 13%); – in een verstedelijkte gemeente (15% t.o.v. 10%) of in een grote en regionale stad (38% t.o.v. 30%) wonen; – jonger zijn (gemiddeld 37 jaar t.o.v. 53 jaar); – met meer personen samenwonen (gemiddeld 3,5 personen t.o.v. 2,3 personen); – (jongere) kinderen hebben (82% heeft een kind <12 jaar t.o.v. 34%; 28% heeft geen kind t.o.v. 62%); – een partner en kind(eren) hebben (68% t.o.v. 33%); – in een studio of (studenten)kamer wonen (15% t.o.v. 5%); – tewerkgesteld zijn (100% t.o.v. 52%), alsook een tewerkgestelde partner hebben (95% t.o.v. 62%).

6.1.1.5

Kenmerken van de woning

6.1.1.5.1 Type woning Een kwart van de respondenten (26%) geeft aan in een appartement of loft te wonen; voorts woont nog 2% in een studio en 0,3% in een (studenten)kamer. De overige 7 op de 10 respondenten wonen in een huis: 21% in een rijwoning, evenzoveel (21%) in een halfopen bebouwing en 30% tot slot in een open bebouwing.

17

Alle respondenten, met uitzondering van zij die inwonend zijn bij ouder(s) (N=2.235).

pagina 36 of 210

29.04.2022


Deze verdeling is zo goed als een weerspiegeling van de reële situatie in Vlaanderen18: in februari 2019 bedroeg het aandeel appartementen (incl. lofts en studio’s) 27%, met de verwachting dat dit aandeel rond 2022 naar ongeveer 29% à 30% zou stijgen. Het aandeel rijwoningen bedroeg in februari 2019 23%, met de verwachting dat dit aandeel verder zal dalen (ten voordele van appartementen). De open bebouwing was in februari 2019 nog steeds de voornaamste woonvorm, zijnde 30%. Figuur 15: In welk type woning woont u? – Totaal

Appartement / loft 30%

26%

Studio 2%

21%

(studenten)Kamer Gesloten bebouwing

21%

Halfopen bebouwing Open bebouwing

Basis: alle respondenten (N=2.500)

6.1.1.5.2 Ruimte om afval te bergen De overgrote meerderheid van de respondenten (96%) beschikt over een afzonderlijke ruimte om afvalzakken/-containers te plaatsen: drie kwart van de respondenten (76%) kan deze buiten kwijt, 4 op de 10 respondenten (40%) beschikken over een private kelder of garage waarin ze hun afvalzakken/-containers kunnen plaatsen en 8% tot slot heeft toegang tot een gemeenschappelijke kelder of garage. Figuur 16: Heeft u ...? – Totaal 100% 80%

76%

60%

40% 40% 20%

8%

4%

Gemeenschappelijke kelder / garage

Geen van deze

0% Buitenruimte

Private kelder / garage

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk 18

Bron: https://www.tijd.be/netto/vastgoed/in-2022-meer-flats-dan-vrijstaande-huizen-in-vlaanderen/10099913.html

29.04.2022

pagina 37 of 210


Van de respondenten die in een studio of (studenten)kamer wonen (i.c. 56 respondenten), geeft 1 op de 10 (11%) aan niet over een buitenruimte te beschikken, noch over een kelder of garage (hetzij privé, hetzij gemeenschappelijk) waar ze hun afvalzakken/-bakken kunnen zetten; eenzelfde aandeel (10%) vinden we terug bij respondenten die op een appartement wonen. Bij de respondenten die in een huis wonen, bedraagt dit aandeel 2%. Figuur 17: Verdeling naar ruimte om afval te bergen – Naar type woning

100%

86%

82%

83%

80% 60% 40%

60%

58% 38%

38%

21%

20%

40% 30% 28%

28% 14%

11%

10%

44% 38%

3% 4%

0%

3% 1%

1% 2%

0% Appartement of loft

buitenruimte

Studio

private kelder/garage

Kamer

Rijwoning

gemeenschappelijke kelder/garage

Halfopen bebouwing

Open bebouwing

geen van deze

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk

6.1.2 Gedrag: beperken, vermijden en sorteren van afval 6.1.2.1 Sorteren van specifieke afvalfracties Respondenten werd voor een aantal specifieke afvalfracties gevraagd aan te geven of ze deze: – sorteren, en/of – thuis bij het restafval 19gooien, en/of – in de vuilbak op het werk gooien, en/of – thuis verbranden, ook indien dit slechts af en toe gebeurt. Voor een goed begrip, volgens de huidige sorteerregels hoort geen enkele van voorgelegde afvalfracties bij het restafval, en dienen ze aldus allen gesorteerd te worden.

19De

term “restafval” zoals opgenomen in de vragenlijst en hier verder in besluiten : hieronder dient “huisvuil” begrepen te worden; bij de opmaak van de vragenlijst werd

geopteerd de term “restafval” te gebruiken omdat dit voor de burger de courant gebruikte en begrepen term is. Indien verder in het rapport de term “restafval” wordt vernoemd, dan wordt hieronder verstaan “huisvuil”.

pagina 38 of 210

29.04.2022


6.1.2.1.1 Altijd gesorteerd De afvalfracties die het best gesorteerd worden, zijn glazen flessen of bokalen (94% sorteert dit altijd) en papier en karton (93% sorteert dit altijd). Voorts sorteren 9 op de 10 respondenten altijd: plastieken flessen, klein elektro, batterijen, drankkartons en blikken (drank, conserven, ...). Afvalfracties die in iets mindere mate – doch nog steeds door meer dan 8 op de 10 respondenten – altijd gesorteerd worden, zijn: lampen (89%), textiel (kledij, schoenen, lakens, ...) (87%), spuitbussen van voedingsmiddelen of cosmetica (86%), tuinafval (gras, takken, bladeren, ...) (85%), plastieken potjes en schaaltjes (84%) en plastiek folies en zakjes (82%). De 3 afvalfracties die het minst consequent gesorteerd worden, zijn: etensresten, groenten- en fruitafval (61% sorteert dit altijd), aluminium schaaltjes en bakjes (77% sorteert dit altijd) en kleine harde plastiek (80% sorteert dit altijd). Gemiddeld sorteert de respondent 13,6 van de 16 afvalfracties altijd; 37% van de respondenten sorteert alle 16 afvalfracties altijd, 24% sorteert 15 van de 16 afvalfracties altijd en 13% sorteert 14 van de 16 afvalfracties altijd. 6.1.2.1.2 Thuis bij het restafval De afvalfracties die het vaakst thuis (soms) bij het restafval terecht komen, zijn: etensresten, groenten- en fruitafval (36% - in de regio’s zonder gft-inzameling bedraagt dit aandeel 55% tegenover 28% in de regio’s met gft-inzameling), aluminium schaaltjes en bakjes (20%), kleine harde plastiek (18%) en plastiek folies en zakjes (16%). Het zijn niet telkens dezelfde respondenten die wel eens een afvalfractie foutief bij het restafval thuis gooien: in totaal geven 1.557 respondenten (zijnde 62%) aan minstens 1 afvalfractie (soms) thuis bij het restafval te gooien. Van deze 1.557 respondenten gooit 40% slechts 1 afvalfractie foutief bij het restafval thuis, 36% gooit 2 tot 3 afvalfracties bij het restafval thuis, bij 13% gaat het om 4 tot 5 afvalfracties, en 11% tot slot gooit 6 of meer afvalfracties foutief bij het restafval thuis (met 22 respondenten die alle 16 afvalfracties (soms) bij het restafval thuis gooien). Het aandeel respondenten dat aangeeft het afval in de vuilbak op het werk te gooien, is voor alle afvalfracties hetzelfde, met name 2%. 6.1.2.1.3 Thuis verbrand De afvalfracties die het vaakst thuis verbrand worden, zijn: tuinafval (gras, takken, bladeren, ...) (1,9% verbrandt dit (soms) thuis), etensresten, groenten- en fruitafval (1,7%) en papier en karton (1,5%). Het aandeel respondenten dat aangeeft (soms) een afvalfractie thuis te verbranden, betreft 6% (i.c. 138 respondenten). Van deze 138 respondenten geeft een derde aan ‘slechts’ 1 afvalfractie thuis te verbranden (35%), 17% verbrandt 2 tot 3 afvalfracties thuis, 31% verbrandt 4 tot 5 afvalfracties en 17% tot slot verbrandt meer dan 6 afvalfracties thuis (het maximum bedraagt het verbranden van 10 afvalfracties door 1 respondent).

29.04.2022

pagina 39 of 210


Figuur 18: Kan u voor onderstaande afvalsoorten die u thuis heeft, aanduiden wat u hier mee doet, ook al is het slechts af en toe? – Totaal Thuis bij restafval

Vuilbak v/h werk

Thuis verbranden

Sorteren (niet bij restafval)

Glazen flessen of bokalen 3%

94%

Papier en karton 4%

93%

Plastieken flessen 6%

92%

Batterijen 5%

91%

Kleine elektro 6%

91%

Drankkartons 6%

91%

Blikken (drank, conserven, …) 6%

91%

Lampen

8%

89%

Textiel (kledij, schoenen, lakens, …)

10%

87%

Spuitbussen voedingsmiddelen of cosmetica

11%

86%

Tuinafval

12%

85%

Plastieken potjes en schaaltjes

13%

84%

Plastiek folies en zakjes

16%

82%

Kleine harde plastiek

18%

80%

Aluminium schaaltjes en bakjes

20%

Etensresten, GFT-afval

77%

36%

0%

20%

61%

40%

60%

80%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk

6.1.2.1.3.1 Significante verschillen: verbranding 6.1.2.1.3.1.1 Provincie We stellen vast dat significant meer respondenten uit Antwerpen en Oost-Vlaanderen aangeven minstens 1 van de 16 afvalfracties thuis te verbranden (beiden 7%) vergeleken met respondenten in West-Vlaanderen (2%).

pagina 40 of 210

29.04.2022


6.1.2.1.3.1.2 Belfius-indeling Respondenten die in grote en regionale steden wonen, stellen significant vaker thuis minstens een afvalfractie te verbranden (8%), vergeleken met respondenten die wonen in gemeenten met een concentratie van economische activiteit of in een verstedelijkte gemeente (resp. 3% tot 4%; ook in woongemeenten, landelijke gemeenten en kustgemeenten vinden we deze percentages, zij het niet significant verschillend). 6.1.2.1.3.1.3 Leeftijd Respondenten in de 2 jongste leeftijdsgroepen (i.c. 18-34 jaar en 35-49 jaar) verbranden significant vaker thuis minstens een afvalfractie (8% tot 12%), vergeleken met respondenten die 50 jaar of ouder zijn (1% tot 2%). 6.1.2.1.3.1.4 Gezinsgrootte Kleine huishoudens (1 tot 2 personen) verbranden significant minder vaak afval bij hen thuis (2%) in vergelijking met grotere huishoudens (8% tot 14%). 6.1.2.1.3.1.5 Gezinssamenstelling Respondenten zonder inwonende kinderen (hetzij alleenstaand, hetzij met partner), verbranden thuis significant minder vaak afval dan de overige respondenten (inwonend bij ouders, cohousers, alleenstaand/koppel met kinderen): respectievelijk 1% tot 2% verbrand (soms) afval ten opzichte van 10% tot 13%. 6.1.2.1.3.1.6 Kinderen Respondenten met thuiswonende kinderen (<18 jaar) verbranden thuis significant vaker afval vergeleken met respondenten zonder (thuiswonende) kinderen (2%). Opvallend is het zéér hoge aandeel bij respondenten met kinderen tussen 3 en 5 jaar (i.c. 28% verbrandt thuis afval), terwijl dit bij de respondenten met jongere (0-2 jaar) of oudere (6-11 jaar en 12-17 jaar) kinderen 8% tot 14% bedraagt. 6.1.2.1.3.1.7 Woningtype Een derde van de respondenten (32%) die in een studio wonen, geven aan thuis soms afval te verbranden; dit is een significant hoger aandeel dan bij respondenten die in een appartement of huis wonen (3 tot 7%). In laatstgenoemde categorie kan nog een onderscheid gemaakt worden tussen respondenten in een rijwoning (7% verbrandt thuis soms afval) en respondenten in een halfopen bebouwing (3% verbrandt soms afval). 6.1.2.1.3.1.8 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Respondenten die meer dan 2 jaar in hun gemeente of stad wonen, verbranden significant minder vaak afval (3%) dan zij die minder lang in de gemeente wonen, waarbij we nog een significant onderscheid kunnen maken tussen zij die minder dan 1 jaar in de stad of gemeente wonen (16% verbrandt soms afval), en zij die er 1 tot 2 jaar wonen (32% verbrandt soms afval). 6.1.2.1.3.1.9 Subjectief inkomen Iets meer dan 1 op de 10 respondenten (12%) die maandelijks (heel erg) moeilijk rondkomen, verbrandt thuis wel eens afval; dit is een significant hoger aandeel dan zij die het niet moeilijk, niet makkelijk of (heel erg) makkelijk hebben (beiden 4%).

29.04.2022

pagina 41 of 210


6.1.2.1.3.1.10 Objectief inkomen Eén op de 10 respondenten (11%) met een hoog inkomen laat weten thuis (soms) afval te verbranden; dit is een hoger aandeel dan bij respondenten met een lager (midden)inkomen, zij het enkel significant verschillend ten aanzien van respondenten met een lager middeninkomen (5%). Van de 16 voorgelegde afvalfracties belandt 6% tot 39% wel eens bij het restafval (thuis of op het werk), of wordt thuis verbrand (zie tabel 9). De afvalfracties die nog het vaakst bij het restafval terecht komen of verbrand worden, zijn: etensresten, groenten- en fruitafval (39% - in de regio’s zonder gft-inzameling bedraagt dit aandeel 57% tegenover 32% in de regio’s met gft-inzameling), aluminium schaaltjes en bakjes (23%) en kleine harde plastiek (20%). Komen voorts ook nog te vaak bij het restafval terecht (of worden verbrandt): plastiek folies en zakjes (18%), plastieken potjes en schaaltjes (yoghurt, boter, ...) (16%), tuinafval (gras, takken, bladeren, ...) (15%), spuitbussen van voedingsmiddelen en cosmetica (14%), textiel (kledij, schoenen, lakens, ...) (13%) en lampen (11%). Tabel 9: Verdeling naar afvalfracties die wel eens bij het restafval (thuis of op het werk) terecht komen of thuis verbrand worden – Totaal Afvalfractie

N

%

Etensresten, groenten- en fruitafval

982

39,3%

Aluminium schaaltjes en bakjes

574

23,0%

Kleine harde plastiek (emmer, speelgoed, ...)

505

20,2%

Plastiek folies en zakjes

462

18,5%

Plastieken potjes en schaaltjes (yoghurt, boter, ...)

394

15,8%

Tuinafval (gras, takken, bladeren, ...)

387

15,5%

Spuitbussen van voedingsmiddelen of cosmetica

358

14,3%

Textiel (kledij, schoenen, lakens, ...)

330

13,2%

Lampen

269

10,8%

Blikken (drank, conserven, ...)

234

9,3%

Drankkartons (melk, fruitsap, ...)

234

9,3%

Klein elektro (wekker, radio, speelgoedauto, gsm, ...)

217

8,7%

Batterijen

216

8,6%

Plastieken flessen

211

8,4%

Papier en karton

171

6,8%

Glazen flessen of bokalen

152

6,1%

2.500

100%

Totaal

Basis: alle respondenten (N=2.500)

pagina 42 of 210

29.04.2022


6.1.2.1.3.2 Significante verschillen: sorteren afvalfracties20 6.1.2.1.3.2.1 Leeftijd Hoe ouder de respondent, hoe meer van de vermelde afvalfracties altijd gesorteerd worden (0,159)21. Het is voornamelijk de jongste leeftijdscategorie van 18 tot 34 jaar die – in negatieve zin – afwijkt van de overige (oudere) leeftijdscategorieën, met respectievelijk 13,2 van de 16 afvalfracties die altijd gesorteerd worden versus 14,0 tot 14,6 afvalfracties door 35-plussers. 6.1.2.1.3.2.2 Belfius-indeling: Respondenten in grote of regionale steden sorteren gemiddeld minder afvalfracties dan de overige respondenten (m.u.v. kustgemeenten), met name respectievelijk 13,5 van de 16 afvalfracties versus 14,1 tot 14,3 afvalfracties. 6.1.2.1.3.2.3 Gezinsgrootte Respondenten in huishoudens met 3 of 4 personen sorteren gemiddeld minder afvalfracties dan respondenten in 2-persoonshuishoudens (resp. 13,6 tot 13,7 van de 16 afvalfracties t.o.v. 14,4 afvalfracties. 6.1.2.1.3.2.4 Gezinssamenstelling Respondenten die samenwonen met een partner, maar geen (thuiswonende) kinderen hebben, sorteren gemiddeld de meeste afvalfracties, met name 14,5 van de 16. Ook alleenstaande respondenten (zonder kinderen) sorteren beter (14,0 afvalfracties) dan respondenten die inwonen bij de ouder(s) (13,3 afvalfracties). Huishoudens (alleenstaand of koppel) met kinderen sorteren gemiddeld 13,7 tot 13,8 van de 16 afvalfracties. 6.1.2.1.3.2.5 Kinderen Respondenten met kinderen tussen 3 en 5 jaar sorteren gemiddeld het minste afvalfracties, met name 12,4 van de 16 voorgelegde fracties; de overige respondenten met kinderen in andere leeftijdscategorieën sorteren gemiddeld 13,3 tot 13,9 afvalfracties. Respondenten zonder (thuiswonende) kinderen sorteren gemiddeld 14,2 van de 16 afvalfracties en doen het beter dan zij met kinderen tussen 3 en 5 jaar, alsook zij met kinderen tussen 6 en 11 jaar. 6.1.2.1.3.2.6 Herkomst Respondenten met een Belgische herkomst sorteren gemiddeld meer van de 16 voorgelegde afvalfracties (i.c. 14,1 afvalfracties) dan respondenten met een niet-Belgische herkomst (13,1 afvalfracties). 6.1.2.1.3.2.7 Hoe lang woonachtig in gemeente of stad Respondenten die reeds langer dan 2 jaar in hun stad of gemeente wonen, sorteren gemiddeld meer afvalfracties (14,2 van de 16 afvalfracties) dan respondenten die minder dan een jaar of 1 tot 2 jaar in hun stad of gemeente wonen (resp. 13,1 en 11,8 afvalfracties); ook het verschil tussen beide laatstgenoemden is significant.

20Een

selectie van de meest opvallende verschillen; voor een gedetailleerd overzicht verwijzen we naar het tabellenboek.

21 Pearson

correlatiecoëfficiënt

29.04.2022

pagina 43 of 210


6.1.2.1.3.2.8 Woningtype Respondenten die in een appartement, studio of (studenten)kamer wonen, sorteren gemiddeld minder van de 16 voorgelegde afvalfracties, vergeleken met respondenten die in een huis wonen (resp. 13,2 t.o.v. 14,3 afvalfracties). 6.1.2.1.3.2.9 Ruimte Respondenten die ruimte hebben om afvalzakken/-containers te plaatsen sorteren gemiddeld 14,0 van de 16 voorgelegde afvalfracties; bij respondenten die deze ruimte niet hebben, is dit significant lager (13,4 afvalfracties). 6.1.2.1.3.2.10 Subjectief inkomen Respondenten die het (heel erg) moeilijk hebben om maandelijks rond te komen met het beschikbare netto gezinsinkomen, sorteren gemiddeld minder afvalfracties (13,4 van de 16 afvalfracties) dan zij die het niet moeilijk, niet makkelijk (14,2 afvalfracties) of (heel erg) makkelijk hebben (14,2 afvalfracties). 6.1.2.2 Sorteren van afval dat vrijkomt in huis Alle respondenten geven aan het afval dat thuis vrijkomt, te sorteren; slechts 1% van alle respondenten (i.c. 28 respondenten) laat weten thuis geen afval te sorteren. Afval dat ontstaat in de keuken wordt het vaakst gesorteerd, met name door 94% van de respondenten. Ook afval dat ontstaat in de badkamer en de woonkamer wordt door 8 op de 10 respondenten gesorteerd. Twee derde van de respondenten (66%) sorteert het afval dat ontstaat in de slaapkamer. Figuur 19: Welk afval sorteert u? – Totaal 94%

100%

82%

81%

80%

66%

60% 40% 20%

3%

1%

Afval dat nog ergens anders ontstaat

Ik sorteer geen afval

0% Afval dat ontstaat Afval dat ontstaat Afval dat ontstaat Afval dat ontstaat in keuken in badkamer in woonkamer in slaapkamer

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk

pagina 44 of 210

29.04.2022


6.1.2.2.1 Significante verschillen: sorteren binnenshuis 6.1.2.2.1.1 Ruimte Respondenten die ruimte hebben om hun afvalzakken/-containers te zetten, sorteren vaker hun afval dat ontstaat in de keuken (94% tot 95%) en afval dat ontstaat in de badkamer (82%), dan respondenten die niet over een dergelijke ruimte beschikken (resp. 90% en 71%). 6.1.2.2.1.2 Geslacht Vrouwen sorteren, vaker dan mannen, afval dat ontstaat in de keuken (resp. 96% t.o.v. 93%), afval dat ontstaat in de badkamer (resp. 84% t.o.v. 79%) en afval dat ontstaat in de slaapkamer (resp. 69% t.o.v. 61%). 6.1.2.2.1.3 Gezinsgrootte Grotere huishoudens (3 personen of meer) sorteren vaker afval dat ontstaat in de slaapkamer (69% tot 82%), vergeleken met kleinere huishoudens (1 tot 2 personen: 61% tot 62%). 6.1.2.2.1.4 Gezinssamenstelling Koppels zonder kinderen sorteren vaker hun afval dat ontstaat in de keuken (97%) dan huishoudens met kinderen (89% tot 93%). Wie inwoont bij de ouder(s) sorteert minder vaak afval dat ontstaat in de badkamer (72% t.o.v. 80% tot 84%), maar wel vaker afval dat ontstaat in de slaapkamer (75% t.o.v. 69%). 6.1.2.2.1.5 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Respondenten die 1 tot 2 jaar in hun stad of gemeente wonen, sorteren minder vaak hun afval dat ontstaat in de keuken, in de badkamer en in de woonkamer (resp. 75%, 69% en 64%), in vergelijking met zij die er reeds 2 jaar of langer wonen (resp. 96%, 83% en 82%). 6.1.2.2.1.6 Leeftijd Respondenten in de jongste leeftijdsgroep (18-34 jaar) sorteren minder vaak afval dat ontstaat in de keuken (91%), in vergelijking met 50-plussers (96% tot 97%); ook afval dat ontstaat in de badkamer wordt door eerstgenoemden (alsook door 80-plussers) minder vaak gesorteerd (76% tot 77%) vergeleken met respondenten van 35 tot 79 jaar (83% tot 85%). Omgekeerd, vinden we dat 18 tot 49-jarigen vaker het afval dat ontstaat in de slaapkamer sorteren (72% tot 73%) dan 50-plussers (46% tot 63%). 6.1.2.2.1.7 Subjectief inkomen Wie het (heel erg) moeilijk heeft om maandelijks rond te komen sorteert minder vaak het afval dat ontstaat in de keuken (91%), dan zij die het (min of meer) makkelijk hebben (95%). 6.1.2.2.1.8 Type bebouwing Wie in een appartement, studio of (studenten)kamer woont, sorteert minder vaak afval dat ontstaat in de keuken (91%), afval dat ontstaat in de badkamer (79%) en in de slaapkamer (63%), dan respondenten die in een huis wonen (resp. 96%, 83% en 67%).

29.04.2022

pagina 45 of 210


6.1.2.3 Specifieke acties om afval te verminderen- preventie Zoals blijkt uit figuur 20, doen – op een uitzondering na (i.c. 1% of 30 respondenten) – alle respondenten (of hun huishouden) minstens iets om minder (rest)afval te hebben. Op de eerste plaats probeert men zo goed mogelijk te sorteren (83% van de respondenten). Voorts geven 7 op de 10 respondenten (69%) kledij of spullen, die ze niet meer gebruiken, weg (aan vrienden, familie, kringloopwinkel, textielinzameling, ...) of verkopen ze deze tweedehands. De top 3 van acties die respondenten en hun huishouden ondernemen om minder afval te hebben, wordt vervolledigd door het zoveel mogelijk gebruik maken van herbruikbare zakken, brooddoos, drinkbus, enz. (61%). Ongeveer de helft van de respondenten gebruikt tevens herbruikbare fruit- en groentenzakjes, verwerkt etensresten in nieuwe gerechten, drinkt kraantjeswater in plaats van water uit flessen, en koopt enkel wat ze nodig hebben door spontane of trendgevoelige aankopen te vermijden. Vier op de tien respondenten kiest bij de aankoop voor goederen met een lange levensduur, en evenzoveel koopt wel eens tweedehandsspullen. Een derde van de respondenten tot slot koopt bewust producten zonder, met weinig of met herbruikbare verpakking, verwerkt zelf hun groenten-, fruit- en tuinafval (bijv. via thuiscomposteren, houden van kippen, snoeihout verhakselen, ...), en/of herstelt kleding, schoenen, meubels, toestellen, of laat het herstellen om het niet te moeten weggooien. Minder ingeburgerd, is het lenen, delen of huren van gebruiksvoorwerpen in plaats van ze zelf aan te kopen (6% van de respondenten). We zullen verder in dit rapport zien, dat hier wel degelijk interesse voor bestaat (zie 6.1.4.5 Stimuleren om afval te voorkomen).

pagina 46 of 210

29.04.2022


Figuur 20: Wat doet u zelf of doet uw huishouden om minder (rest)afval te hebben? – Totaal

Ik sorteer zo goed mogelijk.

83%

Kledij of spullen die ik niet meer gebruik, geef ik weg [...] of verkoop ik tweedehands.

69%

Ik gebruik zoveel mogelijk herbruikbare zakken, brooddoos, drinkbus, ...

61%

Ik verwerk etensresten / overschotten in nieuwe gerechten.

54%

Ik gebruik herbruikbare fruit- en groentenzakjes.

51%

Ik koop enkel wat ik nodig heb en vermijd spontane of trendgevoelige aankopen [...].

49%

Ik drink kraantjeswater in plaats van flessen water te kopen.

46%

Bij een aankoop kies ik voor goederen met een lange levensduur.

40%

Ik koop wel eens tweedehands.

39%

Ik verwerk zelf mijn groenten-, fruit- en tuinafval [...].

32%

Ik koop bewust producten zonder of met weinig verpakking of met herbruikbare verpakkingen.

32%

Ik herstel kleding, schoenen, meubels, toestellen, of laat het herstellen zodat ik ze niet moet weggooien.

32%

Ik leen, deel of huur gebruiksvoorwerpen, toestellen, ... in plaats van ze zelf aan te kopen.

6%

Andere

0%

Geen van bovenstaande

1%

0%

25%

50%

75%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk

29.04.2022

pagina 47 of 210


6.1.2.3.1

Significante verschillen: in specifieke acties om afval te verminderen - in preventie22

6.1.2.3.1.1 Woningtype Algemeen genomen, geven respondenten die in een studio wonen minder vaak aan de vernoemde acties te ondernemen om hun afval te verminderen. Het lenen, delen of huren van goederen in plaats van ze zelf aan te kopen, wordt het minst gedaan door respondenten die in een open bebouwing wonen (3%). Het verwerken van groenten-, fruit- en tuinafval wordt dan wel weer vaker gedaan door respondenten die in een (half-)open bebouwing wonen (4 tot 5 respondenten op 10). 6.1.2.3.1.2 Belfius-indeling Respondenten die in een kustgemeente of stad wonen, verwerken minder vaak hun groenten-, fruit- en tuinafval (resp. 12% en 21%). In verstedelijkte gemeenten of gemeenten met een concentratie van economische activiteit is dit ongeveer een derde van de respondenten. In woongemeenten en landelijke gemeenten verwerkt 40% tot 50% van de respondenten het groenten-, fruit- en tuinafval. 6.1.2.3.1.3 Geslacht Mannen geven vaker dan vrouwen aan enkel te kopen wat ze nodig hebben (resp. 54% t.o.v. 45%), alsook eerder te kiezen voor goederen met een lange levensduur (resp. 43% t.o.v. 37%). De overige acties worden – over het algemeen – vaker door vrouwen opgegeven. 6.1.2.3.1.4 Gezinsgrootte Iets meer dan de helft (53% tot 59%) van de kleine huishoudens (max. 2 personen) geeft aan enkel te kopen wat ze nodig hebben; bij de overige (grotere) huishoudens beperkt 33% tot 41% de aankopen tot het noodzakelijke. Anderzijds, koopt een derde van de kleine huishoudens tweedehands, terwijl dit bij de grotere huishoudens oploopt tot 50% à 60%. 6.1.2.3.1.5 Gezinssamenstelling Koppels zonder kinderen geven vaker aan hun GFT-afval, alsook etensresten te verwerken, bovendien gebruiken ze vaker herbruikbare fruit- en groentenzakjes, geven ze vaker kledij of spullen weg die ze niet meer gebruiken en opteren vaker voor het herstellen van goederen in plaats van ze weg te gooien. Samen met alleenstaanden (zonder kinderen) geven ze bovendien ook vaker aan zo goed mogelijk te sorteren, enkel aan te kopen wat ze nodig hebben, bij een aankoop te kiezen voor goederen met een lange levensduur en bewust producten te kopen met weinig of geen verpakking. Anderzijds, stellen koppels zonder kinderen het minst vaak wel eens tweedehands te kopen. 6.1.2.3.1.6 Herkomst Respondenten met een niet-Belgische herkomst drinken vaker dan respondenten met een Belgische herkomst kraantjeswater (resp. 54% t.o.v. 45%), en kopen vaker wel eens tweedehandsspullen (resp. 48% t.o.v. 38%).

22Een

selectie van de meest opvallende verschillen; voor een gedetailleerd overzicht verwijzen we naar het tabellenboek.

pagina 48 of 210

29.04.2022


6.1.2.3.1.7 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Respondenten die reeds 2 jaar of lager in hun stad of gemeente wonen, duidden over het algemeen vaker de vernoemde acties i.k.v. afvalvermindering aan dan respondenten die minder lang in de stad of gemeente wonen (het verschil situeert zich voornamelijk t.o.v. zij die er 1-2 jaar wonen). De uitzondering betreft het lenen, delen of huren van goederen: dit doen ze minder vaak dan respondenten die minder dan 2 jaar in de gemeente of stad wonen. 6.1.2.3.1.8 Subjectief inkomen Respondenten die het (heel erg) moeilijk hebben om maandelijks rond te komen met het beschikbare netto gezinsinkomen, duidden minder vaak de vernoemde acties i.k.v. afvalvermindering aan dan zij die niet moeilijk, niet makkelijk rondkomen en (vooral) zij die (heel erg) makkelijk rondkomen. De enige uitzondering hierop is het wel eens kopen van tweedehandsgoederen (moeilijk: 45% t.o.v. makkelijk: 33%). 6.1.2.3.1.9 Ruimte Respondenten die ruimte hebben om afvalzakken/-containers te plaatsen, duidden vaker aan dat ze: goederen weggeven die ze niet meer gebruiken, goederen herstellen in plaats van ze weg te gooien, herbruikbare (fruiten groenten)zakjes, brooddoos, drinkbus, enz. gebruiken, GFT-afval en etensresten verwerken. 6.1.2.3.1.10 Kinderen Respondenten zonder (thuiswonende) kinderen geven vaker – dan respondenten met thuiswonende kinderen (<18 jaar) – aan zo goed mogelijk te sorteren, enkel te kopen wat ze nodig hebben, alsook herbruikbare fruiten groentenzakjes te gebruiken. Respondenten met kinderen tussen 3 en 5 jaar duidden minder dan de overige respondenten aan dat ze zo goed mogelijk sorteren, spullen weggeven die ze niet meer gebruiken, of zoveel mogelijk herbruikbare zakken, brooddoos, drinkbus, enz. gebruiken. 6.1.2.3.1.11 Leeftijd Oudere respondenten geven over het algemeen vaker aan: enkel te kopen wat men nodig heeft, zo goed mogelijk te sorteren, bij aankoop te kiezen voor goederen met een lange levensduur, goederen weg te geven die men niet meer gebruikt, herbruikbare fruit- en groentenzakjes te gebruiken en GFT-afval te verwerken. Omgekeerd, geven jongere respondenten vaker aan wel eens tweedehands te kopen, alsook goederen te lenen, delen of huren in plaats van ze aan te kopen.

29.04.2022

pagina 49 of 210


Dat de grote meerderheid van de respondenten bewust bezig is met het vermijden / beperken van afval wordt ook bevestigd door de resultaten op enkele uitspraken hieromtrent. Respondenten konden aangeven in welke mate ze het eens of oneens waren met de uitspraak door een score van 0 (helemaal niet eens) tot 10 (helemaal eens) toe te kennen. 8 op de 10 respondenten (81%) geven aan dat afval in hun huishouden nauwkeurig gesorteerd wordt (score ≥7). Slechts 3% laat weten dat afval in hun huishouden niet nauwkeurig gesorteerd wordt (score ≤3) en 15% geeft hun huishouden een neutraal cijfer (score 4 tot 6). De gemiddelde score bedraagt 7,9 op 10. Driekwart van de respondenten (76%) laat middels een score van minstens 7 op 10 weten dat hun huishouden zoveel mogelijk probeert de hoeveelheid afval te beperken; 4% doet dit niet (score ≤3) en een vijfde van de respondenten (20%) geeft hun huishouden een neutrale score van 4 tot 6 op 10. De gemiddelde score bedraagt 7,7 op 10. Het zoveel mogelijk vermijden van overbodige verpakkingen, folies, plastieken zakjes, enz. wordt getracht door iets meer dan de helft van de respondenten (56% geeft score ≥7). Een derde van de respondenten (34%) antwoordt hierop niet oneens, niet eens (score 4 tot 6), en 1 op de 10 respondenten laat middels een score van 0 tot 3 weten dat hun huishouden niet (echt) probeert overbodige verpakkingen en dergelijke te vermijden. De gemiddelde score van 6,6 op 10 blijft positief, zij het niet overtuigend. Kijken we naar het financiële aspect, dan blijkt iets minder dan de helft van de respondenten (46%) bewust in de gaten te houden hoeveel geld het huishouden uitgeeft aan het kwijtraken van hun afval (score ≥7). Een vierde van de respondenten (24%) kijkt niet (echt) naar het financiële aspect (score ≤3), en 30% houdt dit min of meer in de gaten (score 4 tot 6). De gemiddelde score bedraagt 5,7 op 10 en geeft aan dat het financiële aspect – gemiddeld genomen – minder belangrijk is. Figuur 21: In welke mate bent u het eens met elk van onderstaande uitspraken [inzake afvalbeperkend en sorteergedrag]? (schaal: 0=’helemaal niet eens’ en 10=’helemaal eens’) – Totaal 0-1

2-3

4-5-6

Afval wordt bij mij/ons huishouden nauwkeurig 12 gesorteerd. Ik/mijn huishouden probeer(t) zoveel mogelijk om onze hoeveelheid afval te beperken.

15

2

9-10

38

44

20

Ik/mijn huishouden probeer(t) zoveel mogelijk overbodige verpakkingen, folies, plastic zakjes, ... te vermijden.

4 6

Ik hou bewust in de gaten hoeveel geld mijn huishouden uitgeeft aan het kwijtraken van mijn/ons afval.

14

0%

7-8

40

34

30

20%

40%

7,9 7,7

37

35

10

Gemiddelde:

25

60%

80%

21

6,6

21

5,7 100%

Basis: alle respondenten (N=2.500)

pagina 50 of 210

29.04.2022


6.1.2.3.2

Significante verschillen: in acties om afval te verminderen – in preventie

6.1.2.3.2.1 Afval wordt bij mij/ons huishouden nauwkeurig gesorteerd: 7,9 op 10 6.1.2.3.2.1.1 Geslacht Mannen geven een hogere score op de uitspraak dat in hun huishouden het afval nauwkeurig gesorteerd wordt (8,1 t.o.v. 7,8 bij vrouwen). 6.1.2.3.2.1.2 Gezinsgrootte Hoe kleiner het huishouden, hoe meer men van mening is dat in het huishouden nauwkeurig gesorteerd wordt (-0,101)23; het zijn voornamelijk de kleinere huishoudens van 1 tot 2 personen die gemiddeld meer vinden dat in hun huishouden nauwkeurig gesorteerd wordt, vergeleken met de overige huishoudens (resp. 8,0 tot 8,2 t.o.v. 7,4 tot 7,8). 6.1.2.3.2.1.3 Gezinssamenstelling Alleenstaanden zonder kinderen, alsook koppels zonder kinderen, gaan gemiddeld meer akkoord met de uitspraak dat in hun huishouden nauwkeurig gesorteerd wordt (resp. 8,0 en 8,3 t.o.v. 6,8 tot 7,7 in overige huishoudtypes). 6.1.2.3.2.1.4 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Respondenten die 2 jaar of langer in hun stad of gemeente wonen, geven een gemiddeld hogere score (8,0) dan zij die minder dan een jaar (7,2) of 1 tot 2 jaar (7,5) in hun stad of gemeente wonen. 6.1.2.3.2.1.5 Leeftijd Hoe ouder de respondent, hoe meer deze vindt dat in zijn/haar huishouden nauwkeurig gesorteerd wordt (0,260)24; de gemiddelde score gaat van 7,2 (18-34 jaar) tot 8,7 (80-plussers). 6.1.2.3.2.1.6 Subjectief inkomen Respondenten die (heel erg) makkelijk rondkomen, vinden significant meer dat in hun huishouden nauwkeurig gesorteerd wordt (8,1), dan respondenten die (heel erg) moeilijk rondkomen (7,7). 6.1.2.3.2.1.7 Ruimte Wie een buitenruimte, kelder of garage heeft om afvalzakken/-containers te zetten, geeft een hogere score op de uitspraak dat in het huishouden nauwkeurig gesorteerd wordt (8,0), vergeleken met respondenten die niet over een dergelijke ruimte beschikken (7,0). 6.1.2.3.2.1.8 Type bebouwing Respondenten die in een huis wonen, vinden gemiddeld meer dat in hun huishouden nauwkeurig gesorteerd wordt (8,0), dan respondenten die in een appartement, studio of (studenten)kamer wonen (7,8).

23 Pearson 24

correlatiecoëfficiënt

Ibid.

29.04.2022

pagina 51 of 210


6.1.2.3.2.2 Ik/mijn huishouden probeer(t) zoveel mogelijk om onze hoeveelheid afval te beperken: 7,7 op 10 6.1.2.3.2.2.1 Geslacht Mannen geven een hogere score op de uitspraak dat hun huishouden zoveel mogelijk probeert de hoeveelheid afval te beperken (7,8 t.o.v. 7,5 bij vrouwen). 6.1.2.3.2.2.2 Gezinsgrootte Hoe kleiner het huishouden, hoe meer men van mening is dat het huishouden zoveel mogelijk probeert de hoeveelheid afval te beperken (-0,133)25. We zien voornamelijk een tweedeling tussen eenpersoons- en tweepersoonshuishoudens enerzijds (resp. 7,8 en 8,0 op 10), en huishoudens bestaande uit 3 personen of meer anderzijds (6,9 tot 7,3 op 10). 6.1.2.3.2.2.3 Gezinssamenstelling Respondenten (alleenstaand of koppel) zonder kinderen geven een gemiddeld hogere score op dan overige respondenten (resp. 8,0 en 7,8 op 10) en geven aldus in hogere mate aan dat in hun huishouden zoveel mogelijk getracht wordt afval te beperken. Bij respondenten met kinderen bedraagt de gemiddelde score 7,5 op 10. De laagste gemiddelde score noteren we voor respondenten die inwonen bij hun ouder(s) of aan cohousing doen (resp. 6,7 en 6,8 op 10). 6.1.2.3.2.2.4 Leeftijd Hoe ouder de respondent, hoe meer deze aangeeft dat in zijn/haar huishouden zoveel mogelijk getracht wordt de hoeveelheid afval te beperken (0,286)26. Bij de jongste respondenten (18-34 jaar) bedraagt de gemiddelde score 6,9 op 10; bij 50 tot 64-jarigen is de gemiddelde score reeds 7,9 op 10, en bij 80-plussers is dit 8,8 op 10. 6.1.2.3.2.2.5 Ruimte Wie ruimte heeft om afvalzakken/-containers te plaatsen (hetzij buiten, hetzij in een kelder of garage), geeft in hogere mate aan dat het huishouden probeert om zoveel mogelijk afval te beperken (7,7 op 10), in vergelijking met respondenten die niet over dergelijke ruimte beschikken (7,2 op 10). 6.1.2.3.2.3 Ik/mijn huishouden probeer(t) zoveel mogelijk overbodige verpakkingen, folies, plastiek zakjes, ... te vermijden: 6,6 op 10 6.1.2.3.2.3.1 Leeftijd Respondenten van 50 jaar of ouder geven in hogere mate aan dat in hun huishouden getracht wordt om zoveel mogelijk overbodige verpakkingen, folies, plastiek zakjes, enz. te vermijden (6,8 tot 7,2 op 10), in vergelijking met respondenten tussen 18 en 49 jaar oud (6,3 tot 6,4 op 10).

25

Pearson correlatiecoëfficiënt

26

Ibid.

pagina 52 of 210

29.04.2022


6.1.2.3.2.4 Ik hou bewust in de gaten hoeveel geld mijn huishouden uitgeeft aan het kwijtraken van mijn/ons afval: 5,7 op 10 6.1.2.3.2.4.1 Woningtype Respondenten die in een studio wonen, geven vaker aan dat hun huishouden bewust in de gaten houdt hoeveel geld het uitgeeft aan het kwijtraken van afval (7,1 op 10). Hoewel het verschil enkel significant is ten aanzien van wie in een appartement of rijwoning woont (beiden 5,6 op 10), ligt ook bij de overige woningtypes de gemiddelde score veel lager (5,7 tot 6,0 op 10). 6.1.2.3.2.4.2 Geslacht Mannen hebben een gemiddeld hogere score dan vrouwen (resp. 5,9 en 5,5 op 10), en geven aldus in belangrijker mate aan in de gaten te houden hoeveel geld in het huishouden wordt uitgegeven aan kwijtraken van afval. 6.1.2.3.2.4.3 Gezinssamenstelling Respondenten die inwonen bij de ouder(s) of cohousen kennen een gemiddeld lagere score (5,0 tot 5,1 op 10) dan overige respondenten (5,6 tot 5,9 op 10). 6.1.2.3.2.4.4 Objectief inkomen Respondenten met een laag inkomen of lager middeninkomen houden gemiddeld meer bewust in de gaten hoeveel geld hun huishouden uitgeeft aan het kwijtraken van het afval (6,1 op 10) dan de overige respondenten (5,3 tot 5,4 op 10). 6.1.2.3.2.4.5 Subjectief inkomen Hoe moeilijker men rondkomt met het maandelijks beschikbaar netto inkomen, hoe meer men bewust in de gaten houdt hoeveel geld men uitgeeft aan kwijtraken van afval ((heel erg) moeilijk: 6,3 op 10; niet moeilijk, niet makkelijk: 5,8 op 10; (heel erg) makkelijk: 5,3 op 10).

6.1.2.4 Sorteren van afval bij twijfel Bij twijfel in welke afvalzak of -container iets thuis hoort, zal iets meer dan de helft van de respondenten (55%) dit opzoeken om het vervolgens in de correcte zak/container te kunnen gooien (of naar het recyclagepark te brengen), en een vierde van de respondenten (25%) zal te rade gaan bij familie, vrienden, de parkwachter op het recyclagepark, enz. In totaal betreft het 7 op de 10 respondenten (68%) die bij twijfel moeite (zouden) doen om na te gaan in welke afvalzak/-container iets thuis hoort. Bijna 3 op de 10 respondenten (28%) gooien – bij twijfel – het afvalproduct in de zak of container waarvan ze vermoeden dat dit juist is. Een vierde van de respondenten (24%) gooit bij twijfel het afvalproduct zonder meer bij het restafval.

29.04.2022

pagina 53 of 210


Figuur 22: Wat doet u of zou u doen als u twijfelt in welke afvalzak of afvalcontainer iets thuis hoort? – Totaal

Ik zoek het op en gooi het in de correcte zak of container (of recyclagepark).

55%

Ik gooi het in de zak of container waarin ik vermoed dat het thuis hoort.

28%

Ik vraag het aan vrienden, familie, de parkwachter op het recyclagepark, …

25%

Ik gooi het bij het restafval.

24%

0%

25%

50%

75%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk

6.1.2.4.1

Significante verschillen: in sorteren van afval bij twijfel

6.1.2.4.1.1 Ruimte Respondenten die over ruimte beschikken om hun afvalzakken/-containers te plaatsen, geven significant vaker aan dat ze het bij twijfel opzoeken en/of vragen aan anderen (resp. 55% en 26%), vergeleken met zij die niet over ruimte beschikken (resp. 41% en 14%). Laatstgenoemden gooien bij twijfel de afvalverpakking vaker in de zak of container waarvan ze vermoeden dat het de correcte is (resp. 39% t.o.v. 28% van zij die ruimte hebben). 6.1.2.4.1.2 Subjectief inkomen 6 op de 10 respondenten (59%) van zij die (heel erg) makkelijk rondkomen met hun beschikbaar gezinsinkomen, zoeken bij twijfel op in welke zak of container iets thuis hoort; bij zij die (heel erg) moeilijk rondkomen is dit 49%. 6.1.2.4.1.3 Provincie Respondenten woonachtig in Vlaams-Brabant of Oost-Vlaanderen zoeken significant vaker op in welke zak of container iets thuis hoort wanneer ze hierover twijfelen, vergeleken met respondenten uit West-Vlaanderen (resp. 59% en 58% t.o.v. 49%). 6.1.2.4.1.4 Leeftijd 50-plussers zijn het meest geneigd op te zoeken in welke zak of container ze hun afval moeten gooien wanneer ze hierover twijfelen (resp. 57% tot 62% t.o.v. 44% 18-34j) en 52% (35-49j); eerstgenoemden zijn ook minder geneigd om dit zonder meer bij het restafval te gooien (resp. 18% tot 24% t.o.v. 28% tot 30% bij 18-49 jarigen). De jongste (18-34j) en oudste leeftijdsgroep (≥80j) gaan vaker dan de overige te rade bij anderen (resp. 31% tot 33% t.o.v. 21% tot 23%), of – zeker wat de oudste leeftijdsgroep betreft – gooien het afval vaker in de zak of container waarvan ze vermoeden dat het correct is (resp. 33% (18-34j) en 45% (≥80j) t.o.v. 24% tot 27%).

pagina 54 of 210

29.04.2022


6.1.2.4.1.5 Gezinssamenstelling Respondenten die inwonen bij hun ouders, gaan significant vaker te rade bij familie (of anderen) wanneer ze twijfelen in welke zak of container een afvalverpakking thuis hoort (resp. 40% t.o.v. 18% tot 32%). 6.1.2.4.1.6 Kinderen Bijna 6 op de 10 respondenten (58%) zonder (thuiswonende) kinderen jonger dan 18 jaar, zoeken bij twijfel op in welke zak of container iets thuis hoort; dit is een significant hoger aandeel dan bij respondenten met thuiswonende kinderen jonger dan 12 jaar (41% tot 48%).

6.1.2.5 Niet sorteren van afval: redenen 3 op de 10 respondenten (31%) gaan akkoord (≥7 op 10) met de uitspraak dat in hun huishouden wel eens iets bij het restafval gegooid wordt, dat er eigenlijk niet in thuishoort. 36% van de respondenten gaat niet (echt) akkoord met deze uitspraak (≤3 op 10) en geven aldus te kennen dat in hun huishouden zelden iets bij het restafval terecht komt dat er eigenlijk niet in thuishoort. De overige respondenten (33%) antwoordden neutraal op deze uitspraak (score 4 tot 6). De gemiddelde score bedraagt 4,7 op 10. Figuur 23: In welke mate bent u het eens met elk van onderstaande uitspraken [inzake afvalbeperkend en sorteergedrag]? (schaal: 0=’helemaal niet eens’ en 10=’helemaal eens’) – Totaal 0-1

2-3

4-5-6

Ik/mijn huishouden gooi(t) wel eens iets bij het restafval dat er eigenlijk niet in thuishoort.

21

0%

7-8

16

20%

9-10

33

40%

22

60%

80%

Gemiddelde:

4,7

9

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500)

6.1.2.5.1

Significante verschillen: in niet sorteren

6.1.2.5.1.1 Gezinsgrootte Kleinere huishoudens van 1 tot 2 personen geven gemiddeld minder aan dat in hun huishouden al eens iets bij het restafval gegooid wordt dat er eigenlijk niet in thuishoort (4,2 tot 4,3 op 10), vergeleken met grotere huishoudens (5,2 tot 5,4 op 10). 6.1.2.5.1.2 Gezinssamenstelling Alleenstaanden zonder kinderen, alsook koppels zonder kinderen, gooien minder vaak iets bij het restafval dat er eigenlijk niet in thuishoort (resp. 4,3 en 4,0 op 10), vergeleken met huishoudens met kinderen of cohousers (5,2 tot 5,8 op 10).

29.04.2022

pagina 55 of 210


6.1.2.5.1.3 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Respondenten die reeds 2 jaar of langer in hun stad of gemeente wonen, gooien minder vaak iets bij het restafval dat er eigenlijk niet in thuishoort (4,5 op 10), dan respondenten die minder lang in hun stad of gemeente wonen (5,5 tot 5,8 op 10). 6.1.2.5.1.4 Kinderen Respondenten zonder thuiswonende kinderen jonger dan 18 jaar, gooien minder vaak iets bij het restafval dat er niet in thuis hoort (4,3 op 10), vergeleken met respondenten met thuiswonende kinderen tussen 0 en 18 jaar. Bij deze laatstgenoemden kunnen we bovendien ook nog een onderscheid maken: wie kleine kinderen heeft (≤ 5jaar) gooit vaker iets bij het restafval dat er niet in thuis hoort (6,0 tot 6,1 op 10) dan wie kinderen heeft tussen6 en 17 jaar (5,2 tot 5,5 op 10).

pagina 56 of 210

29.04.2022


Respondenten werden middels een aantal uitspraken verscheidene redenen voorgelegd om ‘al eens iets niet correct te sorteren’. Bij de opmaak van de vraagstelling werd getracht deze zo min mogelijk als bedreigend te laten overkomen, zodoende sociaal wenselijke antwoorden zoveel als mogelijk te vermijden. Figuur 24: Kunt u voor elk van onderstaande redenen [om iets niet correct te sorteren] aangeven of deze voor u af en toe van toepassing zijn? – Totaal Van toepassing

Niet van toepassing

Af en toe gooi ik etensresten, groenten- en fruitafval bij het restafval omdat ik het dan sneller kan buiten zetten voor ophaling.

38%

62%

Af en toe gooi ik voedsel in de verpakking bij het restafval omdat ik het voedsel niet wil scheiden van de verpakking.

37%

63%

Af en toe gooi ik iets fout bij het restafval omdat ik het dan vol kan buiten zetten voor ophaling.

28%

72%

Af en toe gooi ik iets fout bij het restafval omdat dit volgens mij goedkoper is dan naar het recyclagepark te gaan.

28%

72%

Af en toe gooi ik iets fout bij het restafval omdat dit minder inspanning vraagt dan naar de juiste vuilbak in huis te gaan of naar het recyclagepark.

24%

76%

Af en toe gooi ik iets fout bij het restafval omdat dat minder moeite kost (vuilbak in andere ruimte, nadenken…).

23%

77%

Af en toe gooi ik iets fout bij een gratis of goedkopere fractie om geld te besparen.

16%

84%

Af en toe gooi ik iets fout bij het restafval omdat ik geen zin heb om het in de correcte zak of container te sorteren.

16%

84%

Af en toe gooi ik mijn afval van thuis in een straatvuilbakje.

13%

0%

87%

25%

50%

75%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500)

29.04.2022

pagina 57 of 210


Eén van de belangrijkste redenen die respondenten opgeven om af en toe iets bewust foutief te sorteren, betreft het bij het restafval gooien van etensresten, groenten- en fruitafval omdat ze het dan sneller kunnen buiten zetten voor ophaling, i.c. 38% en in de regio’s zonder gft-inzameling bedraagt dit aandeel 47% tegenover 34% in de regio’s met gft-inzameling. Evenveel respondenten (37%) gooien af en toe voedsel in de verpakking bij het restafval omdat ze het voedsel niet willen scheiden van de verpakking. Andere redenen die door 25% tot 30% van de respondenten als reden wordt opgegeven om af en toe iets bewust foutief bij het restafval te gooien, zijn: om het vol te kunnen buiten zetten voor ophaling (28%), omdat men denkt dat dit goedkoper is dan naar het recyclagepark te gaan (28%), omdat het minder inspanning vraagt dan naar de juiste vuilbak in huis of naar het recyclagepark te gaan (24%), of omdat het minder moeite kost (vuilbak in andere ruimte, nadenken, …) (23%). Minder dan 2 op de 10 respondenten gooien af en toe iets bij een gratis of goedkopere fractie om geld te besparen (16%), gooien af en toe iets fout bij het restafval omdat ze geen zin hebben om het in de correcte zak of container te sorteren (16%), of gooien af en toe hun afval van thuis in een straatvuilbakje (13%). Een derde van de respondenten (32%) gaf geen enkele reden op om al eens iets bewust foutief te sorteren; evenzoveel (32%) gaf 1 tot 2 redenen op en een vijfde van de respondenten (19%) gaf 3 tot 4 redenen op om af en toe iets foutief te sorteren. 18% van de respondenten gaf 5 of meer redenen op, met 2% (i.c. 61 respondenten) die zelfs alle redenen aanduidden en zodoende de slechtste sorteerders uitmaken. Respondenten die tot de slechte sorteerders behoren (≥5 redenen): – wonen vaker in grote of regionale steden (37%) dan de betere sorteerders (≤2 redenen) (27% tot 28%); – wonen vaker ≤2 jaar in hun gemeente of stad (23%) dan de overige respondenten (7% tot 10%); – zijn gemiddeld jonger; hoe jonger de respondent, hoe slechter deze sorteert (0,226)27; – wonen in een groter huishouden (2,6 personen) dan de beste sorteerders (0 redenen) (2,3 personen); – wonen vaker in een huishouden met kinderen (54%) vergeleken met de beste sorteerders (35%); – hebben vaker jongere kinderen (<12j) dan de betere sorteerders (resp. 37% t.o.v. 17%); – wonen vaker in een appartement, studio of (studenten)kamer (39%) dan de betere sorteerders (24%); – hebben minder vaak een buitenruimte (69%) en vaker een gemeenschappelijke kelder of garage (12%) om hun afvalzakken/-containers te bergen vergeleken met overige respondenten (resp. 77% tot 80% en 6% tot 7%); – hebben minder vaak een moeder van Belgische herkomst (90%) dan de beste sorteerders (94%); – hebben het vaker (heel erg) moeilijk om maandelijks rond te komen (29%) in vergelijking met de betere sorteerders (17% tot 19%); – behoren vaker tot een gezin waarvan beide partners (of alleenstaande respondent) tewerkgesteld zijn (89%) vergeleken met overige respondenten (82% tot 84%).

27

Spearman’s Rho correlatiecoëfficiënt

pagina 58 of 210

29.04.2022


6.1.2.5.2

Significante verschillen: in argumenten voor fout sorteren

6.1.2.5.2.1 Af en toe gooi ik etensresten, groenten- en fruitafval bij het restafval omdat ik het dan sneller kan buiten zetten voor ophaling: 38% 6.1.2.5.2.1.1 Ruimte Wie geen buitenruimte, kelder of garage heeft om afvalzakken/-containers te bergen, gooit significant vaker etensresten en GFT bij het restafval om het sneller voor ophaling te kunnen buitenzetten (resp. 54% t.o.v. 37% van zij die wel ruimte hebben). 6.1.2.5.2.1.2 Type bebouwing Respondenten die in een appartement, studio of (studenten)kamer wonen, doen dit significant vaker (52% tot 64%) dan respondenten die in een huis wonen (27% tot 41%); binnen laatstgenoemde groep kan bijkomend nog een onderscheid gemaakt worden: wie in een rijhuis woont, gooit significant vaker etensresten en GFT bij het restafval om het sneller voor ophaling te kunnen buitenzetten (41%) vergeleken met respondenten die in een (half)open bebouwing wonen (27% tot 31%). 6.1.2.5.2.1.3 Subjectief inkomen Niet zozeer met het netto-inkomen dan wel met het subjectief inkomen kan een verband worden vastgesteld: wie het (heel erg) moeilijk heeft om maandelijks rond te komen, gooit vaker etensresten en GFT bij het restafval om het sneller voor ophaling te kunnen buitenzetten, dan zij die niet moeilijk, niet makkelijk of (heel erg) makkelijk rondkomen (resp. 45% t.o.v. 34% tot 38%). 6.1.2.5.2.1.4 Leeftijd Naar leeftijd kan een onderscheid gemaakt worden tussen de jongste leeftijdsgroep van 18 tot 34 jaar en de overige respondenten: in de jongste leeftijdsgroep gooit 47% wel eens etensresten of GFT bij het restafval om het sneller voor ophaling te kunnen buitenzetten, terwijl dit bij de overige (oudere) respondenten 32% tot 39% is. 6.1.2.5.2.1.5 Gezinssamenstelling Wie alleen woont of alleenstaande ouder is, gooit vaker etensresten, groenten- en fruitafval bij het restafval om het sneller te kunnen aanbieden (44%), dan wie samenwoont met een partner en geen kinderen heeft (32%). 6.1.2.5.2.1.6 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Respondenten die nog niet zolang in hun stad of gemeente wonen (≤2 jaar) gooien vaker etensresten en GFT bij het restafval (49% tot 51%) dan zij die er al 2 jaar of langer wonen (36%). 6.1.2.5.2.1.7 Provincie De helft van de respondenten in West-Vlaanderen (49%) gooit af en toe etensresten en GFT bij het restafval in vergelijking met 34% tot 36% van de respondenten in de overige Vlaamse provincies.

29.04.2022

pagina 59 of 210


6.1.2.5.2.2 Af en toe gooi ik voedsel in de verpakking bij het restafval omdat ik het voedsel niet wil scheiden van de verpakking: 37% 6.1.2.5.2.2.1 Type bebouwing Respondenten die in een appartement, studio of (studenten)kamer wonen, gooien vaker voedsel in de verpakking bij het restafval dan zij die in een huis wonen (resp. 42% t.o.v. 35%). 6.1.2.5.2.2.2 Inkomensklasse Respondenten die een hoger middeninkomen hebben, gooien vaker voedsel in verpakking bij het restafval dan respondenten in de laagste inkomensklasse (resp. 43% t.o.v. 31%). 6.1.2.5.2.2.3 Gezinssamenstelling Respondenten die inwonen bij hun ouder(s) of alleenstaand zijn met kinderen, doen dit vaker (46% tot 47%) dan zij die alleen wonen (34%) of samenwonen met een partner zonder kinderen (31%). 6.1.2.5.2.2.4 Geslacht Vrouwen gooien al eens vaker voedsel in de verpakking bij het restafval omdat ze het niet willen scheiden van de verpakking, vergeleken met mannen (resp. 40% t.o.v. 34%). 6.1.2.5.2.2.5 Leeftijd De leeftijdsgroep die het vaakst voedsel in de verpakking bij het restafval gooien, zijn de 18 tot 34-jarigen (51%). Ook 35 tot 49-jarigen doen dit nog significant vaker (41%) dan de overige, oudere respondenten (26% tot 30%). 6.1.2.5.2.2.6 Kinderen Respondenten zonder thuiswonende kinderen jonger dan 18 jaar gooien minder vaak voedsel in de verpakking bij het restafval, omdat ze het niet willen scheiden (34%), vergeleken met respondenten die kinderen jonger dan 12 jaar hebben (45% tot 54%). 6.1.2.5.2.3 Af en toe gooi ik iets fout bij het restafval omdat ik het dan vol kan buiten zetten voor ophaling: 28% 6.1.2.5.2.3.1 Type bebouwing Respondenten die in een appartement, studio of (studenten)kamer wonen of in een rijhuis, gooien significant vaker iets bij het restafval om het dan vol te kunnen buiten zetten voor ophaling (33% tot 34%) in vergelijking met respondenten die in een (half)open bebouwing wonen (23% tot 25%). 6.1.2.5.2.3.2 Subjectief inkomen Respondenten die het (heel erg) moeilijk hebben om maandelijks rond te komen, gooien vaker al eens iets bij het restafval om het vol te kunnen buiten zetten voor ophaling (35%) in vergelijking met de overige respondenten (25% tot 28%).

pagina 60 of 210

29.04.2022


6.1.2.5.2.3.3 Leeftijd Een derde (34%) van de respondenten in de jongste leeftijdsgroep (18-34 jaar) gooien af en toe iets bij het restafval om het vol te kunnen buiten zetten voor ophaling; dit is een significant hoger aandeel dan bij de 50-plussers (24% tot 25%). 6.1.2.5.2.3.4 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Respondenten die nog niet zolang in hun stad of gemeente wonen (≤2 jaar), gooien vaker al eens iets bij het restafval om het vol te kunnen buiten zetten voor ophaling (40% tot 41%) dan zij die er al 2 jaar of langer wonen (27%). 6.1.2.5.2.3.5 Kinderen 4 op de 10 respondenten (41%) met kinderen tussen 3 en 5 jaar gooien wel eens iets bij het restafval om het vol te kunnen buiten zetten voor ophaling; dit is een significant hoger aandeel dan respondenten met kinderen tussen 12 en 17 jaar, alsook respondenten zonder (thuiswonende) kinderen (26% tot 27%).

6.1.2.5.2.4 Af en toe gooi ik iets fout bij het restafval omdat dit volgens mij goedkoper is dan naar het recyclagepark te gaan: 28% 6.1.2.5.2.4.1 Gezinssamenstelling Koppels met kinderen gooien vaker iets fout bij het restafval omdat dit volgens hen goedkoper is dan naar het recyclagepark te gaan (33%) in vergelijking met koppels zonder kinderen (24%). 6.1.2.5.2.4.2 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad 4 op de 10 respondenten (42%) die 1 tot 2 jaar in hun stad of gemeente wonen, gooien soms iets bij het restafval omdat dit volgens hen goedkoper is dan naar het recyclagepark te gaan; dit is een significant hoger aandeel dan bij respondenten die minder dan 1 jaar of meer dan 2 jaar in hun stad of gemeente wonen (25% tot 27%). 6.1.2.5.2.4.3 Leeftijd Respondenten tussen 18 en 49 jaar gooien vaker iets bij het restafval omdat ze denken dat dit goedkoper is dan naar het recyclagepark te gaan (31% tot 32%), dan respondenten van 65 jaar of ouder (21% tot 23%). 6.1.2.5.2.4.4 Kinderen 45% van de respondenten met kinderen tussen 3 en 5 jaar gooien wel eens iets bij het restafval omdat dit volgens hen goedkoper is dan naar het recyclagepark te gaan; dit is een significant hoger aandeel dan respondenten met oudere kinderen (6-11 jaar en 12-17 jaar), alsook respondenten zonder (thuiswonende) kinderen (26% tot 32%).

29.04.2022

pagina 61 of 210


6.1.2.5.2.5 Af en toe gooi ik iets fout bij het restafval omdat dit minder inspanning vraagt dan naar de juiste vuilbak in huis te gaan of naar het recyclagepark: 24% 6.1.2.5.2.5.1 Leeftijd Hoe jonger de respondent, hoe vaker deze al eens iets bij het restafval gooit omdat dit minder inspanning vraagt dan naar de juiste vuilbak in huis of het recyclagepark te gaan (0,135)28. We stellen vast dat 3 op de 10 respondenten (27% tot 33%) tussen 18 en 49 jaar dit af en toe doen, terwijl dit bij respondenten van 50 jaar of ouder 16% tot 19% is. 6.1.2.5.2.5.2 Gezinssamenstelling 3 op de 10 alleenstaanden met kind(eren) (31%) gooien wel eens iets bij het restafval omdat dit minder inspanning vraagt dan naar de juiste vuilbak in huis te gaan of naar het recyclagepark; dit is een significant hoger aandeel dan bij alleenstaanden zonder kinderen (21%). 6.1.2.5.2.5.3 Kinderen Respondenten met jonge kinderen (≤5 jaar) gooien significant vaker (36% tot 37%) wel eens iets bij het restafval omdat dit minder inspanning vraagt dan te sorteren, vergeleken met respondenten zonder (thuiswonende) kinderen (21%). 6.1.2.5.2.5.4 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Een derde van de respondenten (35%) die 1 tot 2 jaar in hun stad of gemeente wonen, gooien soms iets bij het restafval omdat dit minder inspanning vraagt dan te sorteren; dit is een significant hoger aandeel dan bij respondenten die reeds meer dan 2 jaar in hun stad of gemeente wonen (23%). 6.1.2.5.2.5.5 Woningtype 3 op de 10 respondenten (31%) die in een appartement, studio of (studenten)kamer wonen, gooien af en toe iets bij het restafval omdat dit minder inspanning vraagt; dit is een significant hoger aandeel dan bij respondenten die in een huis wonen (21%). 6.1.2.5.2.5.6 Objectief inkomen Een derde (34%) van de respondenten in de hoogste inkomensklasse gooit wel eens iets bij het restafval omdat dit minder inspanning vraagt dan te sorteren (in huis of naar recyclagepark); bij de respondenten in de twee laagste inkomensklassen ligt dit aandeel significant lager (20% tot 21%). 6.1.2.5.2.5.7 Subjectief inkomen 28% van zij die het (heel erg) moeilijk hebben om maandelijks rond te komen, gooit wel eens iets bij het restafval omdat dit minder inspanning vraagt dan te sorteren; bij zij die het niet moeilijk, niet makkelijk hebben, ligt dit significant lager (i.c. 21%).

28 Pearson

correlatiecoëfficiënt

pagina 62 of 210

29.04.2022


6.1.2.5.2.6 Af en toe gooi ik iets fout bij het restafval omdat dat minder moeite kost (vuilbak in andere ruimte, nadenken…): 23% 6.1.2.5.2.6.1 Leeftijd Hoe jonger de respondent, hoe vaker deze al eens iets bij het restafval gooit omdat dit minder moeite kost (0,173)29. Respondenten in de jongste leeftijdscategorie (18-34 jaar) geven het vaakst (34%) aan dit gedrag wel eens te stellen; ook 35 tot 49-jarigen doen dit vaker (26%) dan oudere respondenten (50-plussers) (14% tot 17%). 6.1.2.5.2.6.2 Gezinsgrootte Grotere huishoudens van 4 of meer personen gooien al eens vaker (28% tot 34%) iets bij het restafval omdat dit minder moeite kost, dan respondenten in kleine huishoudens (max. 2 personen) (20%). 6.1.2.5.2.6.3 Gezinssamenstelling Huishoudens met kinderen gooien vaker (26% tot 32%) iets bij het restafval in plaats van het te sorteren omdat het minder moeite kost, in vergelijking met alleenstaanden en koppels zonder kinderen (18% tot 20%). 6.1.2.5.2.6.4 Kinderen Respondenten met inwonende kinderen, ongeacht de leeftijd van die kinderen, gooien vaker al eens iets bij het restafval omdat dit minder moeite kost, dan respondenten zonder thuiswonende kinderen (resp. 28% tot 38% t.o.v. 20%). 6.1.2.5.2.6.5 Herkomst 3 op de 10 respondenten van niet-Belgische herkomst (30%) gooien al eens iets bij het restafval omdat dit minder moeite kost dan sorteren; bij respondenten met een Belgische herkomst ligt dit aandeel significant lager (22%). 6.1.2.5.2.6.6 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Een derde van de respondenten (34%) die 1 tot 2 jaar in hun stad of gemeente wonen, gooien soms iets bij het restafval omdat dit minder moeite kost; dit is een significant hoger aandeel dan bij respondenten die reeds meer dan 2 jaar in hun stad of gemeente wonen (22%). 6.1.2.5.2.6.7 Woningtype 3 op de 10 respondenten (28%) die in een appartement, studio of (studenten)kamer wonen, gooien af en toe iets bij het restafval omdat dit minder moeite kost; dit is een significant hoger aandeel dan bij respondenten die in een huis wonen (21%). 6.1.2.5.2.6.8 Objectief inkomen Een derde (35%) van de respondenten in de hoogste inkomensklasse gooit wel eens iets bij het restafval omdat dit minder moeite kost dan te sorteren; bij de respondenten met een laag inkomen of (laag) middeninkomen ligt dit aandeel significant lager (20% tot 22%).

29

Pearson correlatiecoëfficiënt

29.04.2022

pagina 63 of 210


6.1.2.5.2.6.9 Subjectief inkomen 28% van zij die het (heel erg) moeilijk hebben om maandelijks rond te komen, gooit wel eens iets bij het restafval omdat dit minder moeite kost dan te sorteren; bij de overige respondenten (die het niet moeilijk, niet makkelijk of (heel erg) makkelijk hebben), ligt dit significant lager (i.c. 21% tot 22%). 6.1.2.5.2.7 Af en toe gooi ik iets fout bij een gratis of goedkopere fractie om geld te besparen: 16% 6.1.2.5.2.7.1 Leeftijd Hoe jonger de respondent, hoe vaker deze al eens afval bij een gratis of goedkopere fractie gooit om geld te besparen (0,157)30. Het zijn voornamelijk de respondenten in de jongste leeftijdscategorie van 18 tot 34 jaar die dit gedrag significant vaker stellen (25%) dan respondenten van 35 jaar of ouder (7% tot 18%). 6.1.2.5.2.7.2 Gezinsgrootte Hoe groter het huishouden, hoe vaker al eens iets bij een gratis of goedkopere fractie wordt gegooid om zo geld te besparen (-0,107)31. Bij huishoudens van 3 personen of meer stelt 20% tot 24% dit gedrag wel eens; bij kleinere huishoudens (1 of 2 personen) is dit slechts 12% tot 13%. 6.1.2.5.2.7.3 Gezinssamenstelling Respondenten die inwonen bij de ouder(s), alsook respondenten die samenwonen met een partner en kinderen, gooien vaker (21% tot 25%) iets bij een gratis of goedkopere fractie om geld te besparen, dan respondenten zonder kinderen (al dan niet met partner) (11% tot 13%); ook bij alleenstaanden met kinderen ligt dit aandeel beduidend – zij het niet significant – lager (15%). 6.1.2.5.2.7.4 Kinderen Respondenten met inwonende kinderen, ongeacht de leeftijd van die kinderen, gooien vaker al eens iets bij een gratis of goedkopere fractie om geld te besparen, dan respondenten zonder (thuiswonende) kinderen (resp. 20% tot 31% t.o.v. 13%). 6.1.2.5.2.7.5 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Respondenten die nog geen 2 jaar in hun stad of gemeente wonen, gooien vaker af en toe iets bij een gratis of goedkopere fractie om geld te besparen, in vergelijking met respondenten die reeds 2 jaar of meer in hun stad of gemeente wonen (resp. 30% t.o.v. 14%). 6.1.2.5.2.7.6 Objectief inkomen Een vierde (25%) van de respondenten in de hoogste inkomensklasse gooit wel eens iets bij een gratis of goedkopere fractie om geld te besparen; bij de overige respondenten ligt dit aandeel lager, met een significant verschil ten aanzien van respondenten met een (lagere) middeninkomen (14% tot 15%).

30 Pearson 31

correlatiecoëfficiënt

Ibid.

pagina 64 of 210

29.04.2022


6.1.2.5.2.7.7 Subjectief inkomen Een vierde (23%) van zij die het (heel erg) moeilijk hebben om maandelijks rond te komen, gooit wel eens iets bij een gratis of goedkopere fractie om geld te besparen; bij de overige respondenten (die het niet moeilijk, niet makkelijk of (heel erg) makkelijk hebben) ligt dit significant lager (i.c. 13% tot 15%).

6.1.2.5.2.8 Af en toe gooi ik iets fout bij het restafval omdat ik geen zin heb om het in de correcte zak of container te sorteren: 16% 6.1.2.5.2.8.1 Leeftijd Hoe jonger de respondent, hoe vaker deze iets bij het restafval gooit wegens geen zin om het in de correcte zak of container te sorteren (0,175)32. Een vierde (26%) van de respondenten in de jongste leeftijdscategorie (18-34 jaar) geeft aan dit wel eens te doen; ook 35 tot 49-jarigen doen dit nog significant vaker (19%) dan respondenten van 50 jaar of ouder (8% tot 11%). 6.1.2.5.2.8.2 Gezinsgrootte Bijna een vierde (23%) van de respondenten waarvan het huishouden uit 3 personen bestaat, gooit af en toe iets bij het restafval omdat ze geen zin hebben om het in de correcte zak of container te sorteren; bij respondenten in een kleiner huishouden (1 tot 2 personen) is dit slechts (12% tot 14%). 6.1.2.5.2.8.3 Gezinssamenstelling Huishoudens met kinderen gooien vaker iets bij het restafval omdat ze geen zin hebben om het te sorteren (19% tot 23%), in vergelijking met huishoudens zonder kinderen (al dan niet met partner) (10% tot 14%). 6.1.2.5.2.8.4 Kinderen Respondenten met inwonende kinderen, ongeacht de leeftijd van die kinderen, gooien vaker al eens iets bij het restafval omdat ze geen zin hebben om te sorteren (21% tot 30%), dan respondenten zonder (thuiswonende) kinderen (13%). 6.1.2.5.2.8.5 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Respondenten die nog geen 2 jaar in hun stad of gemeente wonen, gooien vaker af en toe iets bij het restafval omdat ze geen zin hebben om het in de correcte zak of container te sorteren, in vergelijking met respondenten die reeds 2 jaar of meer in hun stad of gemeente wonen (resp. 29% tot 31% t.o.v. 14%). 6.1.2.5.2.8.6 Woningtype Een vijfde (21%) van de respondenten die in een appartement, studio of (studenten)kamer wonen, gooit af en toe iets bij het restafval wegens zin om te sorteren; dit is een significant hoger aandeel dan bij respondenten die in een huis wonen (13%).

32 Pearson

correlatiecoëfficiënt

29.04.2022

pagina 65 of 210


6.1.2.5.2.8.7 Objectief inkomen Een vierde (25%) van de respondenten in de hoogste inkomensklasse gooit wel eens iets bij het restafval omdat ze geen zin hebben om het te sorteren; bij de overige respondenten ligt dit aandeel lager, met een significant verschil ten aanzien van respondenten met een (lagere) middeninkomen (14% tot 15%). 6.1.2.5.2.8.8 Subjectief inkomen Een vijfde (21%) van zij die het (heel erg) moeilijk hebben om maandelijks rond te komen, gooit wel eens iets bij het restafval omdat ze geen zin hebben om het te sorteren; bij de overige respondenten (die het niet moeilijk, niet makkelijk of (heel erg) makkelijk hebben) ligt dit significant lager (i.c. 14% tot 15%). 6.1.2.5.2.9 Af en toe gooi ik mijn afval van thuis in een straatvuilbakje: 13% 6.1.2.5.2.9.1 Leeftijd Hoe jonger de respondent, hoe vaker deze aangeeft af en toe afval van thuis in een straatvuilbakje te gooien (0,159)33. Een vijfde (21%) van de respondenten in de jongste leeftijdscategorie (18-34 jaar) geeft aan dit wel eens te doen; ook 35 tot 49-jarigen doen dit nog significant vaker (15%) dan respondenten van 50 jaar of ouder (7% tot 9%). 6.1.2.5.2.9.2 Gezinsgrootte Een vijfde (20%) van de respondenten waarvan het huishouden uit 3 personen bestaat, gooit af en toe afval van thuis in een straatvuilbakje; bij respondenten in een kleiner huishouden (1 tot 2 personen) is dit slechts (10% tot 11%). 6.1.2.5.2.9.3 Gezinssamenstelling Huishoudens met kinderen gooien vaker afval van thuis in een straatvuilbak (16% tot 20%), in vergelijking met koppels zonder kinderen (al dan niet met partner) (9% tot 11%). 6.1.2.5.2.9.4 Kinderen Respondenten met inwonende kinderen, ongeacht de leeftijd van die kinderen, gooien vaker afval van bij hen thuis in een straatvuilbakje (17% tot 27%), dan respondenten zonder (thuiswonende) kinderen (10%). 6.1.2.5.2.9.5 Herkomst Bijna een vijfde (18%) van de respondenten van niet-Belgische herkomst gooit al eens afval van thuis in een straalvuilbakje; bij respondenten met een Belgische herkomst ligt dit aandeel significant lager (12%). 6.1.2.5.2.9.6 Belfius-indeling Respondenten die in een grote of regionale stad wonen, gooien vaker afval van bij hen thuis in een straatvuilbakje, in vergelijking met respondenten die in een woongemeente wonen (resp. 16% t.o.v. 10%).

33 Pearson

correlatiecoëfficiënt

pagina 66 of 210

29.04.2022


6.1.2.5.2.9.7 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Respondenten die nog geen 2 jaar in hun stad of gemeente wonen, gooien vaker afval van bij hen thuis in een vuilbakje op straat, in vergelijking met respondenten die reeds 2 jaar of meer in hun stad of gemeente wonen (resp. 24% tot 28% t.o.v. 11%). 6.1.2.5.2.9.8 Woningtype Bijna een vijfde van de respondenten die in een appartement, studio of (studenten)kamer wonen (18%), gooit af en toe afval van bij hen thuis in een straatvuilbak; dit is een significant hoger aandeel dan bij respondenten die in een huis wonen (11%). 6.1.2.5.2.9.9 Objectief inkomen Bijna een vierde van de respondenten in de hoogste inkomensklasse (23%) gooit wel eens afval van thuis in een straatvuilbak; bij de overige respondenten ligt dit aandeel significant lager, met name 12% tot 13%. 6.1.2.5.2.9.10 Subjectief inkomen Een vijfde (19%) van zij die het (heel erg) moeilijk hebben om maandelijks rond te komen, gooit wel eens afval van thuis in een vuilbak op straat; bij de overige respondenten (die het niet moeilijk, niet makkelijk of (heel erg) makkelijk hebben) ligt dit significant lager (i.c. 11% tot 12%).

6.1.3 Motivatoren & demotivatoren 6.1.3.1 Motivatoren Respondenten kregen een hele reeks van mogelijke redenen voorgelegd waarom ze mogelijks sorteren. Er werd hen gevraagd middels een cijfer van 0 tot 10 aan te geven in welke mate ze al dan niet akkoord gingen met de betreffende reden. De belangrijkste redenen om te sorteren, zijn: – het is het juiste om te doen (akkoord: 85%; gemiddelde: 8,3 op 10), – het maakt deel uit van de dagelijkse routine (akkoord: 80%; gemiddelde: 8,0 op 10), – om een bijdrage aan het milieu te leveren (akkoord: 77%; gemiddelde: 7,9 op 10), en – de huidige sorteerregels zijn duidelijk (akkoord: 79%; gemiddelde: 7,8 op 10). Redenen die voorts ook vaak (i.c. gemiddelde ≥7,0 op 10) worden aangehaald om te sorteren, zijn: – goederen […] die langer meegaan en daardoor vaak wat duurder zijn, zorgen ervoor dat je op termijn toch geld bespaart (akkoord: 71%; gemiddelde: 7,4 op 10), – de verkoop van tweedehandsspullen is niet enkel goed voor de portemonnee, ook voor het milieu betekent het een belangrijke meerwaarde (akkoord: 71%; gemiddelde: 7,4 op 10), – het is zinvol om kleding, toestellen, enz. te herstellen indien mogelijk, zodat het minder snel afval wordt (akkoord: 69%; gemiddelde: 7,3 op 10), – ergeren aan al die verpakkingen, daar geen nood aan hebben (akkoord: 69%; gemiddelde: 7,3 op 10), – houden van het idee dat nieuwe dingen gemaakt worden van oude dingen (akkoord: 68%; gemiddelde: 7,3 op 10), en – sorteren schenkt voldoening (akkoord: 66%; gemiddelde: 7,2 op 10).

29.04.2022

pagina 67 of 210


De reden die het minst vaak wordt opgegeven om te sorteren, is omdat mensen rondom hen dit ook doen (buren, vrienden, familie, collega’s): slechts een vierde van de respondenten (26%) geeft aan dat dit voor hen een reden is om te sorteren (score: ≥7 op 10), terwijl 45% (helemaal) niet akkoord gaat (score: ≤3 op 10) met deze uitspraak. Van alle voorgelegde redenen waarom men (mogelijks) sorteert, is dit de enige die een gemiddelde score van minder dan 5 op 10 kent, zijnde 4,0 op 10. Een andere reden die weinig invloed heeft op het sorteren, is omdat het moet in de gemeente/stad: 3 op de 10 respondenten (30%) geven aan dat dit voor hen geen reden is om te sorteren (score: ≤3 op 10), 40% gaat hier wel mee akkoord (score: ≥7 op 10). De gemiddelde score bedraagt slechts 5,2 op 10. Een laatste reden die minder vaak wordt aangehaald om te sorteren en waar 17% van de respondenten het niet eens mee is, betreft “Volgens mij is het duurder om al het groenten-, fruit- en tuinafval bij het restafval te gooien dan het te sorteren als GFT-afval”; de gemiddelde score bedraagt 6,5 op 10.

pagina 68 of 210

29.04.2022


Figuur 25: In welke mate bent u het eens met elk van onderstaande uitspraken [inzake redenen om wel te sorteren]? (schaal: 0=’helemaal niet eens’ en 10=’helemaal eens’) – Totaal

0-1

2-3

4-5-6

7-8

9-10 Gemiddelde:

Ik sorteer omdat dit het juiste is om te doen. 2 12 Sorteren maakt deel uit van mijn (dagelijkse) routine. 2

31

16

Ik sorteer om een bijdrage aan het milieu te leveren. 3

54 33

18

31

17

36

8,3

47

8,0

47

7,9 7,8

De huidige sorteerregels zijn duidelijk voor mij.

3

Goederen […] die langer meegaan en daardoor vaak wat duurder zijn, zorgen ervoor dat je op termijn toch geld…

2

25

39

32

7,4

De verkoop van tweedehandsspullen is niet enkel goed voor de portemonnee, ook voor het milieu betekent…

3

24

36

34

7,4

Soms erger ik mij aan al die verpakkingen. Ik heb daar geen nood aan.

34

24

34

35

7,3

Het is zinvol om kleding, toestellen, enz. te herstellen indien mogelijk, zodat het minder snel afval wordt.

3

26

38

31

7,3

Ik hou van het idee dat nieuwe dingen gemaakt worden 33 van oude dingen.

26

35

33

7,3

34

33

7,2

Sorteren schenkt mij voldoening.

44

26

Ik zie het als een fijne uitdaging om zo weinig mogelijk 35 afval te produceren.

32

Ik sorteer omdat mijn gemeente/stad dit aan huis ophaalt.

8 5

23

Ik sorteer omdat dit volgens mij goedkoper is dan wanneer ik alles bij het restafval zou gooien.

7 6

Ik vraag me soms af waarom mensen zoveel kopen. Ik ben tegen overconsumptie.

Ik sorteer omdat het moet in mijn gemeente/stad.

12 5

28

20%

6,9

30

6,8

30 29

40%

60%

6,8

34 23

12

6,8

28

22

9

28

33

30

26

33 0%

35

33

21

Ik sorteer omdat mensen rondom mij dit ook doen (buren, vrienden, familie, collega’s).

31

26

4 5

Volgens mij is het duurder om al het groenten-, fruit- en tuinafval bij het restafval te gooien dan het te sorteren…

43

6,5 5,2

17 17 80%

10

4,0

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500)

29.04.2022

pagina 69 of 210


6.1.3.1.1

Significante verschillen: in motivatoren (1 van 2)

Tabel 10: Motivatoren – Significante verschillen tussen subgroepen

Totaal

Geslacht

Leeftijd34

Gezinsgrootte35

Ik sorteer omdat dit het juiste is om te doen.

8,3

--

0,18636

--

Sorteren maakt deel uit van mijn (dagelijkse) routine.

8,0

--

0,238

-0,11937

Ik sorteer om een bijdrage aan het milieu te leveren.

7,9

--

0,121

--

De huidige sorteerregels zijn duidelijk voor mij.

7,8

--

0,173

--

Kinderen

Gezinssamenstelling

Neen: 8,3

Koppel z kind: 8,6

3-5j: 7,8

Inwonend: 7,7

Neen: 8,1

Koppel z kind: 8,4

Rest: 7,4-7,7

Inwonend: 7,1

3-5j: 7,3 Rest: 7,5-7.9

--

Herkomst ----

Inwonend&cohousing: --

7,0-7,1

--

Rest: 7,7-8,1 Goederen [...] die langer meegaan en daardoor vaak wat duurder zijn, zorgen ervoor dat je op termijn toch geld bespaart.

7,4

De verkoop van tweedehandsspullen is niet enkel goed voor de portemonnee, ook voor het milieu betekent het een belangrijke meerwaarde.

7,4

Soms erger ik mij aan al die verpakkingen. Ik heb daar geen nood aan.

7,3

Het is zinvol om kleding, toestellen, enz. te herstellen indien mogelijk, zodat het minder snel afval wordt.

7,3

M: 7,6 V: 7,3 V: 7,6 M: 7,2 V: 7,4 M: 7,2 --

0,154

--

≤5j: 7,0 Rest: 7,3-7,5

Koppel z kind & alleen: --

7,6-7,7 Rest: 6,7-7,3

Subj. inkomen

Obj. inkomen

Pos.: 8,4

Hoog: 7,7

Rest: 8,1-,8,2

Rest: 8,2-8,4

Pos.: 8,2 Rest: 7,7-,7,9 Pos.: 8,0 Rest: 7,7-,7,8 Pos.: 8,0 Rest: 7,6-,7,7 Pos.: 7,7 Rest: 7,1-,7,3

---

--

--

Hoog: 6,8

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

Rest: 7,3-7,5

34 Pearson correlatiecoëfficiënt (enkel weergave indien ≤-0,100 of ≥0,100) 35 Ibid. 36 Hoe te lezen : bv. 0,186 -> hoe ouder de respondent, hoe meer men akkoord gaat en hoe hoger het cijfer (zowel in positieve zin als in negatieve zin), hoe sterker het verband 37 Hoe te lezen : bv. -0,119 -> hoe kleiner de gezinsgrootte, hoe meer men akkoord gaat en hoe hoger het cijfer, hoe sterker het verband.

pagina 70 of 210

29.04.2022


Totaal Ik hou van het idee dat nieuwe dingen gemaakt worden van oude dingen.

7,3

Geslacht V: 7,4

Leeftijd34

Gezinsgrootte35

--

--

M: 7,1

Kinderen

Gezinssamenstelling

≤2j: 6,5

--

≥6j: 7,3

Herkomst

Subj. inkomen

Obj. inkomen

--

--

Pos.: 7,3

--

N-B: 7,7 B: 7,2

Neen: 7,3 Sorteren schenkt mij voldoening.

Ik zie het als een fijne uitdaging om zo weinig mogelijk afval te produceren.

7,2 6,9

--

0,203

M: 7,1

0,235

---

V: 6,7

Neen: 7,3

Koppel z kind: 7,5

≤2j: 6,3

Inwonend: 6,6

≤2j: 6,1

Koppel z kind: 7,3

Neen: 7,0

Inwonend, cohousing

--

Neg.: 6,9 --

--

--

--

Pos.: 7,0

--

& alleen+kind: 6,3

Ik sorteer omdat mijn gemeente/stad dit aan huis ophaalt.

6,8

Ik sorteer omdat dit volgens mij goedkoper is dan wanneer ik alles bij het restafval zou gooien.

6,8

V: 7,0

--

--

--

--

M: 6,7 --

Neut.: 6,7 --

--

--

Inwonend&cohousing:

--

--

--

--

--

5,9-6,1 Rest: 6,5-7,0 6,8

M: 7,0

0,228

-0,108

V: 6,6

Ik vraag me soms af waarom mensen zoveel kopen. Ik ben tegen overconsumptie.

≤2j: 6,0

Koppel z kind & alleen:

Neen: 6,9

7,0-7,2

L. (midden): 7,0

Inwonend&cohousing:

H. midden: 6,5

5,9-6,1 Volgens mij is het duurder om al het groenten-, fruit- en tuinafval bij het restafval te gooien dan het te sorteren als GFT-afval. Ik sorteer omdat het moet in mijn gemeente/stad.

6,5

--

--

Neen: 6,3

Alleen/koppel+kind:

Rest: 6,9-7,0

6,8-7,1

--

--

L. midden: 6,6 L: 6,0

Alleen: 6,2 5,2

--

-0,129

--

3-5j: 6,2

Inwonend &

Neen: 5,1

koppel+kind: 5,5-5,8

--

Pos.: 5,6

--

Neg.: 5,0

Koppel z kind: 4,8 4,0

Ik sorteer omdat mensen rondom mij dit ook doen (buren, vrienden, familie, collega’s).

--

--

-0,216

0,104

3-5j: 5,6

Inwonend&cohousing:

Rest: 3,8-4,7

5,2-5,5

--

--

--

Koppel z kind: 3,5 Rest: 3,8-4,3

29.04.2022

pagina 71 of 210


6.1.3.1.2

Significante verschillen: in motivatoren (2 van 2) # jaar in gemeente/stad

Totaal

Provincie

Belfius-indeling

Ik sorteer omdat dit het juiste is om te doen.

8,3

--

--

Sorteren maakt deel uit van mijn (dagelijkse) routine.

8,0

Ik sorteer om een bijdrage aan het milieu te leveren.

7,9

--

--

--

--

De huidige sorteerregels zijn duidelijk voor mij.

7,8

--

--

--

--

Goederen [...] die langer meegaan en daardoor vaak wat duurder zijn, zorgen ervoor dat je op termijn toch geld bespaart.

7,4

--

--

De verkoop van tweedehandsspullen is niet enkel goed voor de portemonnee, ook voor het milieu betekent het een belangrijke meerwaarde.

7,4

--

--

--

--

Soms erger ik mij aan al die verpakkingen. Ik heb daar geen nood aan.

7,3

--

--

--

--

--

Het is zinvol om kleding, toestellen, enz. te herstellen indien mogelijk, zodat het minder snel afval wordt.

7,3

--

--

--

--

--

Ik hou van het idee dat nieuwe dingen gemaakt worden van oude dingen.

7,3

--

--

--

--

Sorteren schenkt mij voldoening.

7,2

--

--

--

Ik zie het als een fijne uitdaging om zo weinig mogelijk afval te produceren.

6,9

--

--

--

pagina 72 of 210

Antw.: 7,8 Rest: 8,0-8,1

O- & W-Vl: 7,3-7,5 Antw: 6,9 --

--

>2j: 8,3

Woningtype Wel: 8,3

Kamer: 6,2

1-2j: 7,9

Ruimte

Geen: 7,4

>2j: 8,0

Kamer: 4,0

Wel: 8,0

Rest: 7,4-7,5

Rest: 7,4-8,1

Geen: 7,0

>2j: 7,5

--

<1j: 6,8

Wel: 7,9 Geen: 7,0 Wel: 7,9 Geen: 6,9 Wel: 7,4 Geen: 6,8

Wel: 7,4 Geen: 6,9

Wel: 7,3 Geen: 6,4 Wel: 7,2 Geen: 6,4 --

29.04.2022


Provincie

Ik sorteer omdat mijn gemeente/stad dit aan huis ophaalt.

6,8

--

Ik sorteer omdat dit volgens mij goedkoper is dan wanneer ik alles bij het restafval zou gooien.

6,8

--

--

--

--

--

Ik vraag me soms af waarom mensen zoveel kopen. Ik ben tegen overconsumptie.

6,8

--

--

--

--

--

Volgens mij is het duurder om al het groenten-, fruit- en tuinafval bij het restafval te gooien dan het te sorteren als GFT-afval.

6,5

--

Ik sorteer omdat het moet in mijn gemeente/stad.

5,2

Ik sorteer omdat mensen rondom mij dit ook doen (buren, vrienden, familie, collega’s).

4,0

29.04.2022

Belfius-indeling

# jaar in gemeente/stad

Totaal

Kust: 5,6

--

Rest: 6,5-7,2

Stad & kust: 5,7-6,2

--

Rest: 6,5-6,8

Woningtype App. & studio: 7,0-7,4 Kamer: 4,3

(half)Open: 6,6-6,8 App.: 6,1

Antw.: 5,5

Stad: 5,6

1-2j: 6,3

App. & rijw.: 5,4-5,5

W-Vl. & Vl-Br.: 4,8-4,9

Kust: 4,2

>2j: 5,1

Half-O.: 4,8

Stad: 4,3

≤2j: 4,8-5,4

Kust: 3,1

>2j: 3,8

--

--

Ruimte

--

--

--

--

pagina 73 of 210


6.1.3.2 Demotivatoren Evenzeer werden aan de respondenten twaalf redenen voorgelegd waarom ze misschien niet sorteren. De drie redenen waarmee men het meest akkoord gaat (score: ≥7 op 10), en zodoende de drie vaakst aangehaalde redenen om niet te sorteren, zijn: – ik denk dat veel afval dat gesorteerd wordt achteraf toch op dezelfde afvalberg terecht komt (akkoord: 32%; gemiddelde: 5,1 op 10), – ik sorteer al voldoende, dus het is niet erg als ik soms iets fout sorteer (akkoord: 30%; gemiddelde: 4,6 op 10), en – van bepaalde afvalsoorten heb ik te weinig om er een aparte zak/container mee te vullen (akkoord: 31%; gemiddelde: 4,6 op 10). Merk op, dat zelfs de sterkste demotivatoren – met ongeveer 30% van de respondenten die akkoord gaat – slechts het niveau halen van de minst motiverende reden (i.c. “Ik sorteer omdat mensen rondom hen dit ook doen (buren, vrienden, familie, collega’s)”: 26% akkoord). Overige redenen om niet te sorteren, waar ongeveer 20% van de respondenten mee akkoord gaat, zijn: – de sorteerregels zijn te ingewikkeld, – als ik alles correct zou sorteren, dan is dat volgens mij duurder dan wanneer ik wat minder nauwkeurig sorteer, – indien ik alle regels rond sorteren nauwkeurig zou volgen, zou dat me te veel tijd kosten, – het maakt mij weinig uit hoeveel ik moet betalen voor het ophalen van mijn afval, – ik heb te weinig plaats in of rond mijn woning om alles correct te sorteren, en – ik geraak niet tot bij een sorteerstraatje en/of recyclagepark omdat ik geen vervoer heb en/of fysiek niet zo mobiel ben. Met bovenvernoemde redenen gaat de helft tot twee derde van de respondenten trouwens niet akkoord; dit weerspiegelt zich in de gemiddelde scores die schommelen tussen 2,8 en 3,6 op 10. Demotivatoren die het minst onderschreven worden en dus voor de meerderheid van de respondenten geen reden zijn om niet te sorteren: – ik hou mij niet bezig met sorteren, omdat mijn huishoudpersoneel (bijv. poetsvrouw/-man) dit regelt (akkoord: 10%; gemiddelde: 1,5 op 10), – sorteren interesseert me niet (akkoord: 10%; gemiddelde: 1,9 op 10), en – ik sorteer niet omdat anderen dit ook niet doen (akkoord: 15%; gemiddelde: 2,1 op 10).

Merk op dat “peer pressure” – i.c. al dan niet sorteren omdat anderen in de omgeving dit ook (niet) doen – weinig wordt gerapporteerd als belangrijk38: Het is de minst motiverende reden (26% akkoord als motivator), maar tevens één van de minst demotiverende redenen (14% akkoord als demotivator).

38 Althans

in hoofde van de respondent.

pagina 74 of 210

29.04.2022


Figuur 26: In welke mate bent u het eens met elk van onderstaande uitspraken [inzake redenen om niet te sorteren]? (schaal: 0=’helemaal niet eens’ en 10=’helemaal eens’) – Totaal

0-1

2-3

4-5-6

7-8

9-10 Gemiddelde:

Ik denk dat veel afval dat gesorteerd wordt achteraf toch op dezelfde afvalberg terecht komt.

15

Ik sorteer al voldoende, dus het is niet erg als ik soms iets fout sorteer.

12

20

Van bepaalde afvalsoorten heb ik te weinig om er een aparte zak/container mee te vullen.

16

25

De sorteerregels zijn te ingewikkeld.

22

10

5,1

34

21

9

4,6

31

20

11

4,6

6

3,6

40

13

33

14

27

19

Als ik alles correct zou sorteren, dan is dat volgens mij duurder dan wanneer ik wat minder nauwkeurig…

37

17

29

11 6

3,4

Indien ik alle regels rond sorteren nauwkeurig zou volgen, zou dat me te veel tijd kosten.

37

17

27

13 5

3,3

Het maakt mij weinig uit hoeveel ik moet betalen voor het ophalen van mijn afval.

39

16

27

11 6

3,3

17

13 6

2,8

16

10 9

2,8

8 7

2,1

Ik heb te weinig plaats in of rond mijn woning om alles correct te sorteren.

15

49

Ik geraak niet tot bij een sorteerstraatje en/of recyclagepark omdat ik geen vervoer heb en/of fysiek…

12

54

Ik sorteer niet omdat anderen dit ook niet doen.

66

9

Sorteren interesseert me niet.

64

14

Ik hou mij niet bezig met sorteren, omdat mijn huishoudpersoneel (bijv. poetsvrouw/-man) dit regelt.

72 0%

20%

40%

11

9 60%

12

7 3

1,9

9

7 3

1,5

80%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500)

29.04.2022

pagina 75 of 210


6.1.3.2.1

Significante verschillen: in demotivatoren (1 van 2 )

Tabel 11: Demotivatoren – Significante verschillen tussen subgroepen

Ik denk dat veel afval dat gesorteerd wordt achteraf toch op dezelfde afvalberg terecht komt.

Totaal

Geslacht

Leeftijd39

Gezinsgrootte40

5,1

--

-0,135

--

Ik sorteer al voldoende, dus het is niet erg als ik soms iets fout sorteer.

4,6

--

--

--

Van bepaalde afvalsoorten heb ik te weinig om er een aparte zak/container mee te vullen.

4,6

--

-0,184

--

De sorteerregels zijn te ingewikkeld.

3,6

Als ik alles correct zou sorteren, dan is dat volgens mij duurder dan wanneer ik wat minder nauwkeurig sorteer.

3,4

Indien ik alle regels rond sorteren nauwkeurig zou volgen, zou dat me te veel tijd kosten.

3,3

Het maakt mij weinig uit hoeveel ik moet betalen voor het ophalen van mijn afval.

3,3

--

--

--

--

-0,191

-0,191

-0,260

-0,198

--

--

0,131

0,143

Kinderen

3-5j: 6,0 Neen: 4,9 ≤5j: 5,4-5,6 Rest: 4,5-5,0 3-5j: 5,6 Rest: 4,4-4,9

Gezinssamenstelling

Herkomst

Koppel z kind: 4,7

--

-Inwonend & cohousing: 5,4-6,0 Koppel z kind: 4,1

Rest: 3,4-3,7

Koppel z kind: 3,0

3-5j: 4,7

Inwonend: 4,4

Neen: 3,2

Koppel z kind: 2,9

3-5j: 4,5 Neen: 3,0

Neut.: 5,1

--

Pos.: 4,7

Inwonend: 4,5

Neen: 3,0

Obj. inkomen

Neg.: 5,8

≤11j: 4,2-4,7

3-5j: 4,8

Subj. inkomen

-N-B: 5,1 B: 4,5

--

Neg.: 5,2 Neut.: 4,6

--

Pos.: 4,2

Neut.: 3,6

--

Pos.: 3,2 Neg.: 4,0 --

Neut.: 3,4

--

Pos.: 3,0 Neg.: 3,9 --

Alleen & koppel z Inwonend: 4,6

Pos.: 4,5

Neg.: 4,3 --

Inwonend & cohousing: 4,3-4,5

Neg.: 4,9

Neut.: 3,4

--

Pos.: 3,0 --

Pos.: 3,5 Rest: 3,1

(H.) Midden & H.: 3,4-4,1 L. (midden): 2,9-3,0

39 Pearson correlatiecoëfficiënt (enkel weergave indien ≤-0,100 of ≥0,100) 40 Ibid.

pagina 76 of 210

29.04.2022


Totaal

Ik heb te weinig plaats in of rond mijn woning om alles correct te sorteren.

Ik geraak niet tot bij een sorteerstraatje en/of recyclagepark omdat ik geen vervoer heb en/of fysiek niet zo mobiel ben.

Ik sorteer niet omdat anderen dit ook niet doen.

Sorteren interesseert me niet.

2,8

2,8

2,1

1,9

Geslacht

--

--

--

--

Leeftijd41

-0,261

-0,136

-0,183

-0,291

Gezinsgrootte42

--

--

--

0,123

Kinderen

Gezinssamenstelling

3-5j: 4,6

Koppel z kind: 2,2

Neen: 2,5

Rest: 2,9-3,6

3-5j: 4,3 Rest: 2,6-3,2

3-5j: 3,6 Neen: 1,8

3-5j: 3,9 Neen: 1,5

Koppel z kind: 2,0 Koppel+kind: 2,7 Rest: 3,2-3,5

Herkomst

Neg.: 4,0 --

N-B: 3,4 B: 2,7

--

Rest: 2,4-2,9 Alleen & koppel z kind: 1,2-1,6

--

Rest: 2,3-2,9 Inwonend & met

Ik hou mij niet bezig met sorteren, omdat mijn huis-houdpersoneel (bijv. poetsvrouw/-man) dit regelt.

1,5

--

-0,259

0,142

3-5j: 3,6

kind: 1,9-2,5

Neen: 1,2

Alleen & koppel z kind: 1,0-1,2

Neut.: 2,9 Pos.: 2,2

Alleen & koppel z kind: 1,6-1,8

Subj. inkomen

Obj. inkomen (H.) Midden: 2,5-2,7 L. (midden) & H.: 3,0-3,2

Neg.: 4,1

L.: 4,1

Neut.: 2,7

H. midden: 2,0

Pos.: 2,1

Rest: 2,4-2,8

Neg.: 2,5

--

Rest: 1,9-2,1

Neg.: 2,5

H.: 2,5

Rest: 1,6-1,8

Rest: 1,7-1,9

Neg.: 2,0 --

Neut.: 1,6

--

Pos.: 1,3

41 Pearson correlatiecoëfficiënt (enkel weergave indien ≤-0,100 of ≥0,100) 42 Ibid.

29.04.2022

pagina 77 of 210


6.1.3.2.2

Significante verschillen in demotivatoren (2 van 2)

Ik denk dat veel afval dat gesorteerd wordt achteraf toch op dezelfde afvalberg terecht komt.

Ik sorteer al voldoende, dus het is niet erg als ik soms iets fout sorteer.

Totaal

Provincie

Belfius-indeling

5,1

--

--

4,6

--

--

# jaar in gemeente/stad 1-2j: 6,0 >2j: 5,0

1-2j: 5,6 >2j: 4,5

Woningtype

Ruimte

Studio: 6,5 App.: 5,4

--

Rest: 4,9-5,0 Studio: 6,0 App.: 5,0

--

Rest: 4,4-4,5 Studio: 6,6

Van bepaalde afvalsoorten heb ik te weinig om er een aparte zak/container mee te vullen.

4,6

--

--

≤2j: 5,4-6,0

App.: 5,1

Geen: 5,7

>2j: 4,4

Rijw.: 4,7

Wel: 4,5

(half)O.: 4,0-4,3

De sorteerregels zijn te ingewikkeld.

3,6

Als ik alles correct zou sorteren, dan is dat volgens mij duurder dan wanneer ik wat minder nauwkeurig sorteer.

3,4

Indien ik alle regels rond sorteren nauwkeurig zou volgen, zou dat me te veel tijd kosten.

3,3

Het maakt mij weinig uit hoeveel ik moet betalen voor het ophalen van mijn afval.

3,3

--

--

--

--

Antw.: 3,7

--

Rest: 3,2-3,3

Kust & stad & land.: --

3,4-3,7 Rest: 3,0-3,2

29.04.2022

≤2j: 4,6-4,9 >2j: 3,4

Studio: 5,9 App.: 3,8

--

Rest: 3,3-3,5

≤2j: 4,3-4,6

Studio: 5,2

Geen: 4,0

>2j: 3,2

Rest: 2,9-4,0

Wel: 3,3

≤2j: 4,2-5,0

Studio: 5,7

Geen: 4,2

>2j: 3,2

Rest: 3,1-3,6

Wel: 3,3

1-2j: 4,9 Rest: 3,1-3,6

--

--

pagina 78 of 210


Totaal

Ik heb te weinig plaats in of rond mijn woning om alles correct te sorteren.

2,8

Provincie

--

Belfius-indeling

Stad & kust: 3,1-3,6

# jaar in gemeente/stad

≤2j: 4,3-4,7 >2j: 2,6

Woningtype Studio: 5,6 App.: 4,0 Rijw.: 2,8 (half)O.: 2,0-2,2

Ruimte

Geen: 5,0 Wel: 2,7

Studio: 6,4 Ik geraak niet tot bij een sorteerstraatje en/of recyclagepark omdat ik geen vervoer heb en/of fysiek niet zo mobiel ben.

2,8

--

Stad: 3,4

≤2j: 3,8-4,3

App.: 3,7

Geen: 4,8

Rest: 2,3-2,6

>2j: 2,6

Rijw.: 2,7

Wel: 2,7

(half)O.: 2,1-2,3 Ik sorteer niet omdat anderen dit ook niet doen.

2,1

--

Sorteren interesseert me niet.

1,9

--

--

≤2j: 3,0-3,9

Studio: 3,9

>2j: 1,9

Rest: 1,9-2,6

1-2j: 3,9 Stad: 2,2

<1j: 2,6 >2j: 1,7

Ik hou mij niet bezig met sorteren, omdat mijn huishoudpersoneel (bijv. poetsvrouw/-man) dit regelt.

Stad: 1,8 1,5

--

Kust & woong.: 1,1-1,3

29.04.2022

--

Studio: 4,3

Geen: 2,7

Rest: 1,6-2,0

Wel: 1,8

≤2j: 2,7-3,5

Studio: 3,6

>2j: 1,3

Rest: 1,3-1,6

--

pagina 79 of 210


6.1.4 Informatie 6.1.4.1 Informatie zoeken over afvalophaling en -sortering Het meest gebruikte kanaal om informatie terug te vinden over afval-ophaling en -sortering in de stad of gemeente, is de papieren afvalkalender (58% van de respondenten). Het tweede meest geraadpleegde kanaal is de website van de stad of gemeente (49%), en op een gedeelde derde plaats vinden we de website van de intercommunale (27%), een zoekmachine op internet (bijv. Google) (26%) en de online afvalkalender (25%). Minder vaak zou men dergelijke informatie zoeken via: het stedelijk of gemeentelijk informatieblad (17%), sociale media (12%), de app Recycle! (8%), het streeknieuws over de stad of gemeente in de (papieren of online) krant (8%), regionale televisie (6%), gratis magazines (3%), de infolijn of mailbox van de stad of gemeente, intercommunale, ... (3%), lokale radio (1%), of via nog een ander kanaal (1%). Slechts 1% van de respondenten (i.c. 18 van de 2.500 respondenten) weet niet waar ze dergelijke informatie kunnen terugvinden. Het betreft respondenten die het financieel moeilijker hebben en bewust bezig zijn met hun uitgaven voor afval (bijv. gooien vaker iets foutief bij een goedkopere fractie om geld te besparen); zij vinden de sorteerregels bijkomend veel te ingewikkeld. Deze respondenten sorteren minder goed, maar kunnen gestimuleerd worden door: eenvoudiger regels, duidelijker informatie, alsook tegemoetkomingen (bv. gratis zakken, gratis beurten voor recyclagepark, …). Tot slot geeft 6% van de respondenten (i.c. 152 respondenten) aan geen extra informatie nodig te hebben. In vergelijking met respondenten die wel informatie zoeken, stellen we vast dat deze 152 respondenten: – minder goed sorteren; – minder interesse hebben in sorteren (alsook minder interesse in milieu-aspect / duurzame); – vaker denken dat gesorteerd afval toch op dezelfde afvalberg terecht komt; – minder overtuigd zijn dat sorteren goedkoper is dan niet sorteren; – de sorteerregels minder duidelijk vinden; – meer praktische obstakels kennen (minder ruimte, geen transport naar recyclagepark); – vaker van mening zijn dat ze reeds voldoende sorteren; – minder vaak gestimuleerd willen worden om (beter) te sorteren of afval te voorkomen.

pagina 80 of 210

29.04.2022


Figuur 27: Via welke kanalen zoekt u informatie of zou u informatie zoeken over afvalophaling en sortering in uw gemeente/stad? – Totaal De papieren afvalkalender

58%

Website van mijn stad/gemeente

49%

Website van mijn intercommunale

27%

Zoekmachine op internet (bijv. Google)

26%

De online afvalkalender

25%

Stedelijk/gemeentelijk informatieblad

17%

Sociale mediakanalen van mijn stad/gemeente (bijv. Facebook)

12%

De app Recycle!

8%

Streeknieuws over mijn stad/gemeente in de krant (papier of… 8% Regionale televisie

6%

Gratis magazines

3%

Infolijn, mailbox van gemeente, stad, intercommunale, …

3%

Lokale radio

1%

Andere

1%

Ik weet niet waar ik deze informatie kan vinden.

1%

Ik heb geen extra info nodig.

6%

0%

25%

50%

75%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk

6.1.4.2 Informatie om afval te verminderen Het kanaal waarlangs men informatie en tips wil krijgen om zijn/haar afval te verminderen, is ook hier in de eerste plaats de papieren afvalkalender (voor 50% van de respondenten). Voorts wenst ongeveer 30% van de respondenten deze informatie te ontvangen: via de website van de stad of gemeente, via het magazine of krantje van de stad of gemeente, of via de online afvalkalender. Andere kanalen die door meer dan 10% van de respondenten vernoemd worden, zijn: een app (bijv. Recycle!) (18%), de website van de intercommunale (16%) en de Facebookpagina van de stad of gemeente (11%). Drie kanalen die door slechts 5% van de respondenten vermeld werden, zijn: reportages op de regionale radioof televisiezender; informatiemomenten in de buurt, en online sociale buurtnetwerken (bijv. Hoplr); de respondenten die deze kanalen aanduidden, kunnen bijna allen (92%) via (minstens) één van de overige kanalen bereikt worden. 1 op de 7 respondenten (15%) laat weten geen nood te hebben aan informatie of tips om zijn/haar afval te verminderen.

11.03.2022

pagina 81 of 210


Figuur 28: Hoe zou u informatie en tips willen krijgen om uw afval te verminderen? – Totaal Via de papieren afvalkalender

50%

Via de website van mijn stad/gemeente

29%

Via het magazine of krantje van mijn gemeente/stad

28%

Via de online afvalkalender

28%

Via een app (bijvoorbeeld Recycle!)

18%

Via de website van mijn intercommunale

16%

Via de Facebookpagina van mijn stad/gemeente

11%

Via nationale televisie of radio

10%

Via artikels, advertenties, reportages in de… 10% Via filmpjes op sociale media (Facebook, Youtube, ...)

8%

Via informatiemomenten in mijn buurt

5%

Via reportages op de regionale radio- of televisiezender

5%

Via online sociale buurtnetwerken (bijvoorbeeld Hoplr)

5%

Op nog een andere manier

1%

Ik heb daar geen nood aan.

15%

0%

25%

50%

75%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk

Significante verschillen: in informatiewinning Hoewel er tussen subgroepen significante verschillen zijn in het aandeel respondenten dat via een bepaald kanaal informatie en tips wil krijgen om afval te verminderen, zijn het toch telkens dezelfde kanalen die tot de top 4 behoren (i.c. papieren & online afvalkalender, en de website of het magazine/krantje van de stad/gemeente), met de papieren afvalkalender steevast op de eerste plaats. Bijkomend kunnen we opmerken dat: – online kanalen (i.c. sociale media en online filmpjes enerzijds, een app anderzijds) vaker worden opgegeven door jongere respondenten (resp. 10%-16% en 21%-25%), alsook respondenten die inwonen bij hun ouder(s) (resp. 19% en 22%); – respondenten van niet-Belgische herkomst, alsook respondenten zonder ruimte om afvalzakken/containers te zetten, minder nood hebben aan extra informatie aangaande afvalophaling en sortering (resp. 21% en 27% geen nood t.o.v. 14% bij Belgische herkomst en 14% bij zij die wel ruimte hebben).

pagina 82 of 210

29.04.2022


6.1.4.3 ONTVANGEN INFORMATIE INZAKE AFVALSORTERING EN -RECYCLAGE Acht op de tien respondenten (78%) kwamen in de voorbije 12 maanden in aanraking met informatie over afvalophaling, -sortering of –recyclage: de helft van de respondenten (48%) ontving in het afgelopen jaar informatie over afvalophaling van zijn/haar stad of gemeente (bijv. afvalkalender, folder, ...) en drie op de 10 respondenten (31%) zochten in de voorbije 12 maanden zelf informatie op over afvalophaling, -sortering of recycleren. Een vijfde van de respondenten las er een artikel over en/of sprak erover met anderen. Ongeveer 15% van de respondenten zag een advertentie of affiche over sorteren of recycleren, spoorde zelf anderen aan om te sorteren of te recycleren of zag/hoorde iets op televisie/radio over sorteren of recycleren. Voor een vijfde van de respondenten (22%) was geen enkele van bovenvernoemde uitspraken van toepassing: zij hebben het afgelopen jaar niets gehoord, gezien, gelezen, gekregen of opgezocht over afvalophaling, sorteren of recycleren. Figuur 29: Welke van onderstaande uitspraken zijn op u van toepassing in de voorbije 12 maanden? – Totaal Ik heb informatie gekregen van mijn stad/gemeente over afvalophaling (bijv. afvalkalender, folder, ...).

48%

Ik heb informatie opgezocht over afvalophaling, afvalsortering of recycleren.

31%

Ik heb een artikel gelezen over sorteren of recycleren.

22%

Ik heb met familie, vrienden, buren, collega’s... gesproken over sorteren of recycleren.

21%

Ik heb een advertentie of affiche gezien over afvalsortering of recycleren (hoe het moet, waar dit kan, ...).

16%

Ik heb mensen aangespoord om te sorteren of te recycleren.

15%

Ik heb op televisie of radio iets gezien/gehoord over sorteren of recycleren.

Ik heb op sociale media iets gezien over sorteren of recycleren.

14%

10%

Geen van bovenstaande

22%

0%

25%

50%

75%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk

11.03.2022

pagina 83 of 210


6.1.4.3.1

Significante verschillen: in informatie ontvangst 43

6.1.4.3.1.1 Geslacht Mannen geven vaker dan vrouwen aan dat ze in het afgelopen jaar informatie gekregen hebben van hun stad of gemeente inzake afvalophaling (resp. 54% t.o.v. 43%), en/of een artikel gelezen hebben over sorteren of recycleren (resp. 27% t.o.v. 18%). Omgekeerd, hebben vrouwen vaker dan mannen, met anderen gesproken over sorteren of recycleren (resp. 23% t.o.v. 20%), alsook anderen aangespoord om te sorteren of recycleren (resp. 17% t.o.v. 13%). 6.1.4.3.1.2 Leeftijd Hoe ouder de respondent, hoe vaker deze in het afgelopen jaar: – informatie heeft gekregen van de stad of gemeente inzake afvalophaling (gaande van 30% bij 18 tot 34jarigen, tot 75% bij 80-plussers); – een artikel heeft gelezen over sorteren of recycleren (gaande van 15% bij 18 tot 34-jarigen, tot 35% bij 80-plussers). De jongste respondenten (van 18 tot 34 jaar) hebben dan weer vaker dan de overige respondenten: – met anderen gesproken over sorteren of recycleren (resp. 29% t.o.v. 15% tot 22%); – iets op sociale media gezien over sorteren of recycleren (resp. 18% t.o.v. 5% tot 9%). 6.1.4.3.2 Gezinsgrootte De helft van de huishoudens bestaande uit 1 of 2 personen (52% tot 54%) geeft aan in het afgelopen jaar informatie gekregen te hebben van hun stad of gemeente over afvalophaling; dit is een significant hoger aandeel dan bij huishoudens bestaande uit 3 personen of meer (32% tot 41%). Voorts stellen we nog vast dat: – huishoudens van 4 tot 5 personen vaker met anderen gesproken hebben over sorteren en recycleren, in vergelijking met huishoudens bestaande uit 1 of 2 personen (resp. 27% tot 35% t.o.v. 18% tot 20%); – huishoudens bestaande uit 5 personen vaker anderen hebben aangespoord om te sorteren of recycleren in vergelijking met huishoudens bestaande uit 2 of 3 personen (resp. 26% t.o.v. 13%); – grotere huishoudens vaker iets gezien hebben op sociale media inzake sorteren of recycleren (gaande van 6% bij eenpersoonshuishoudens tot 19% bij 5-persoonshuishoudens). 6.1.4.3.2.1 Gezinssamenstelling Respondenten die inwonen bij de ouder(s) hebben significant vaker iets op sociale media gezien over sorteren of recycleren (22%) dan andere huishoudtypes (6% tot 12%). Samen met cohousers geven eerstgenoemden ook vaker aan er met anderen over gesproken te hebben (31% tot 35%) vergeleken met andere huishoudtypes (17% tot 23%). Omgekeerd, ontvingen respondenten die bij de ouder(s) inwonen minder vaak informatie over afvalophaling van hun stad of gemeente, in vergelijking met respondenten in andere huishoudtypes (resp. 29% t.o.v. 43% tot 54%).

43Een

selectie van de meest opvallende verschillen; voor een gedetailleerd overzicht verwijzen we naar het tabellenboek.

pagina 84 of 210

29.04.2022


6.1.4.3.2.2 Kinderen De helft van de respondenten zonder thuiswonende kinderen (52%) geeft aan in het afgelopen jaar informatie te hebben gekregen van de stad of gemeente inzake afvalophaling; dit is een significant hoger aandeel dan bij respondenten met thuiswonende kinderen (ongeacht de leeftijd van deze kinderen) (33% tot 39%). 6.1.4.3.2.3 Herkomst Bijna een vijfde van de respondenten met niet-Belgische herkomst (18%) heeft het afgelopen jaar iets gezien op sociale media inzake sorteren en recycleren; bij de respondenten met een Belgische herkomst ligt dit aandeel significant lager (9%). 6.1.4.3.2.4 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Respondenten die reeds langer dan 2 jaar in hun stad of gemeente wonen, hebben significant vaker in het afgelopen jaar informatie gekregen van hun stad of gemeente inzake afvalophaling (i.c. 50% t.o.v. 34% tot 35% indien ≤2 jaar). Voorts stellen we nog vast: – een derde van de respondenten die minder dan een jaar in hun stad of gemeente wonen (33%), heeft vaker met anderen gesproken over sorteren of recycleren, ten opzichte van respondenten die er reeds meer dan 2 jaar wonen (21%); – 18% van de respondenten die 1 tot 2 jaar in hun stad of gemeente wonen, heeft het afgelopen jaar iets op sociale media gezien inzake sorteren of recycleren; bij zij die er meer dan 2 jaar wonen, is dit 9%; – 19% van de respondenten die 1 tot 2 jaar in hun stad of gemeente wonen, heeft het afgelopen jaar iets op televisie/radio gezien/gehoord inzake sorteren of recycleren; bij zij die er minder dan een jaar wonen, is dit 8%; 6.1.4.3.2.5 Ruimte Respondenten die ruimte hebben om afvalzakken/-containers te plaatsen, hebben – in vergelijking met zij die geen ruimte hebben – vaker: – informatie gekregen van hun stad/gemeente over afvalophaling (resp. 49% t.o.v. 35%); – met familie, vrienden, buren, collega’s, ... gesproken over sorteren of recycleren (resp. 22% t.o.v. 12%); – op televisie of radio iets gezien/gehoord over sorteren of recycleren (resp. 15% t.o.v. 7%). 6.1.4.3.2.6 Objectief inkomen Een derde van de respondenten in de hoogste inkomensklasse (33%) heeft in het afgelopen jaar met anderen gesproken over sorteren of recycleren; bij de overige respondenten ligt dit aandeel lager, met een significant verschil ten aanzien van respondenten met een (lagere) middeninkomen (19% tot 21%). 6.1.4.3.2.7 Subjectief inkomen De helft van de respondenten die (heel erg) makkelijk rondkomen (51%) heeft in het afgelopen jaar informatie gekregen van de stad of gemeente over afvalophaling; bij respondenten die (heel erg) moeilijk rondkomen ligt dit aandeel significant lager (44%). Bijkomend las een vierde van eerstgenoemde groep (25%) in het afgelopen jaar een artikel over sorteren of recycleren, terwijl dit significant lager ligt bij de respondenten die (heel erg) moeilijk of niet moeilijk, niet makkelijk rondkomen (beiden 20%).

11.03.2022

pagina 85 of 210


6.1.4.4 Stimuleren van sorteren en verminderen van restafval Meer dan acht op de tien respondenten geven aan dat ze gestimuleerd kunnen worden om meer / beter te sorteren en zo hun restafval te verminderen. De twee vaakst opgegeven stimulansen – door 4 op de 10 respondenten – betreffen: het goedkoper maken van de huis-aan-huis ophaling van PMD, GFT- en groenafval, en het duidelijker aangeven op de verpakking of product hoe het gesorteerd dient te worden. Overige stimulansen die vaak werden vermeld, zijn: frequenter ophalen aan huis van gesorteerd afval (24%), sorteren belonen (24%), tarieven van het recyclagepark duidelijker communiceren (22%), de sorteerregels eenvoudiger maken (21%), ruimere openingsuren voorzien van het recyclagepark (19%), de afstand tot afvalinzamelingspunten verkleinen (18%) en duidelijker informeren over de sorteerregels (17%). Minder vaak aangehaalde mogelijke stimulansen zijn: meer hulp voorzien op het recyclagepark (13%), vervoer voorzien naar het recyclagepark (11%), meer/beter informeren over het belang van sorteren (10%) of nog iets anders (3%). De drie vaakst genoteerde ‘andere redenen’ zijn: goedkoper of gratis maken van het recyclagepark (19 respondenten), huis-aan-huis ophaling van restafval goedkoper maken (7 respondenten) en het aantal fracties dat aan huis wordt opgehaald uitbreiden (7 respondenten). 17% van de respondenten wensen geen stimulansen om meer / beter te sorteren. Dit zijn voornamelijk respondenten (79%) die momenteel reeds tot de betere sorteerders behoren (i.c. 48% duidde geen enkele reden aan om af en toe iets foutief bij het restafval te gooien en 32% duidde 1 of 2 redenen aan).

pagina 86 of 210

29.04.2022


Figuur 30: Hoe kan U gestimuleerd worden om meer / beter te sorteren en zo uw restafval te verminderen? – Totaal De huis-aan-huis ophaling van pmd, gft- en groenafval goedkoper maken.

40%

Op de verpakking of product duidelijk aangeven hoe te sorteren.

38%

Meer frequent gesorteerd afval aan huis ophalen.

24%

Mij belonen omdat ik sorteer (bijv. een wedstrijd, een challenge, een award, ...).

24%

Tarieven op het recyclagepark duidelijker communiceren.

22%

De sorteerregels eenvoudiger maken.

21%

Ruimere openingsuren voorzien van het recyclagepark.

19%

De afstand tot afval-inzamelingspunten verkleinen door bijvoorbeeld […]

18%

Mij duidelijker informeren over de sorteerregels.

17%

Meer hulp voorzien op het recyclagepark zodat duidelijk is welk afval waar hoort. Vervoer naar het recyclagepark voorzien door vrijwilligers omdat ik minder mobiel ben. Mij meer/beter informeren over het belang van sorteren.

13% 11% 10%

Nog iets anders

3%

Ik hoef geen stimulansen.

17%

0%

25%

50%

75%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk

Ongeacht de mate waarin de respondent momenteel reeds sorteert (o.b.v. hoeveel redenen worden opgegeven om af en toe iets foutief bij het restafval te gooien), zijn het telkens dezelfde stimulansen die terugkomen, weliswaar met (iets) meer of minder impact. Zo zou het goedkoper maken van de huis-aan-huis ophaling van PMD, GFT- en groenafval, een derde (35%) van de slechte sorteerders (≥5 redenen om niet te sorteren) ertoe kunnen aanzetten om meer / beter te sorteren, maar zou deze maatregel tot bijna de helft van de minder goede (47%), alsook 43% van de goede sorteerders kunnen stimuleren.

11.03.2022

pagina 87 of 210


Hetzelfde geldt voor het duidelijker aangeven op de verpakking of product van hoe het gesorteerd dient te worden: 28% van de slechte sorteerders zou hierdoor gestimuleerd kunnen worden, terwijl dit bij de minder goede en goede sorteerders meer dan 4 op de 10 respondenten (43% tot 46%) ertoe zou kunnen aanzetten om beter te sorteren. Significante verschillen: in stimulans sorteren 44 Respondenten die aan de kust of in een stad wonen, geven minder vaak aan dat het goedkoper maken van de huis-aan-huis ophaling van PMD, GFT- en groenafval hen zal stimuleren om meer of beter te sorteren (28% tot 32%), in vergelijking met andere respondenten (41% tot 48%). Respondenten die het moeilijker hebben om maandelijks rond te komen, zouden hierdoor wel meer gestimuleerd worden om te sorteren (46%), vergeleken met zij die het neutraal of makkelijker hebben om maandelijks rond te komen (36% tot 40%). Een vierde van de respondenten (24%) die in een appartement, studio of (studenten)kamer wonen, kan gestimuleerd worden om meer / beter te sorteren door de afstand tot afval-inzamelingspunten te verkleinen; bij zij die in een rijwoning wonen, is dit een vijfde (i.c. 20%). – – – – – – – – –

Volgende respondenten zijn – vaker dan anderen – vragende partij om vervoer naar het recyclagepark te voorzien door vrijwilligers: behoren tot de laagste inkomensklasse (21% wenst vervoer); 80-plussers (21%); alleenstaanden zonder (inwonende) kinderen (19%); zonder ruimte om afvalzakken/-containers te zetten (19%); wonend in een appartement of studio (18%); van niet-Belgische herkomst (18%); wonend in een kustgemeente (17%); hebben het (heel erg) moeilijk om rond te komen (17%).

Respondenten van 18 tot 34 jaar, en dan voornamelijk zij die nog inwonen bij de ouder(s), kunnen meer dan andere respondenten gestimuleerd worden om te sorteren door: meer/betere informatie over belang van sorteren (17% tot 20%), alsook duidelijker informatie over sorteerregels (23% tot 32%). Bijna 3 op de 10 respondenten (28%) van niet-Belgische herkomst geven aan gestimuleerd te kunnen worden om meer /beter te sorteren door de sorteerregels eenvoudiger te maken; bij respondenten van Belgische herkomst is dit 2 op de 10 (i.c. 21%).

44Een

selectie van de meest opvallende verschillen; voor een gedetailleerd overzicht verwijzen we naar het tabellenboek.

pagina 88 of 210

29.04.2022


6.1.4.5 Stimuleren om afval te voorkomen Gevraagd naar welke van de opgegeven stimulansen de respondent zouden aanzetten om afval te voorkomen, duidde drie kwart van de respondenten er minstens 1 aan. De twee meest aangeduide stimulansen – door een derde van de respondenten – zijn, het door de gemeente of stad aanbieden van compostvaten en -bakken (34%), alsook het voorzien van herbruikbare boodschappentassen (32%). Een vierde van de respondenten geeft aan dat de gemeente of stad hen kan stimuleren om afval te voorkomen door: het organiseren van een tweedehandsbeurs / rommelmarkt (28%), gratis of goedkoop uitlenen van gereedschap (27%) en het organiseren van een repaircafé (23%). 17% van de respondenten wil graag informatie ontvangen over duurzame aankopen, 8% wil dat de gemeente of stad herbruikbare luiers subsidieert, en 2% noteerde nog een andere stimulans (waarvan het merendeel niet relevant was i.k.v. afvalvoorkoming, bijv. goedkopere tarieven voor afvalophaling en recyclagepark). Een vierde van de respondenten (27%) geeft aan geen stimulansen nodig te hebben om afval te voorkomen. Figuur 31: Hoe kan uw gemeente/stad U stimuleren om afval te voorkomen? – Totaal

Compostvaten en -bakken aanbieden

34%

Herbruikbare boodschappentassen voorzien

32%

Tweedehandsbeurs / rommelmarkt organiseren

28%

Gratis of goedkoop uitlenen van gereedschap

27%

Repaircafé organiseren

23%

Informeren over duurzame aankopen Herbruikbare luiers subsidiëren

17% 8%

Nog iets anders

2%

Ik hoef geen stimulansen.

27%

0%

25%

50%

75%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk

In detail Van de respondenten die middels compostvaten en -bakken gestimuleerd kunnen worden (i.c. 848 respondenten), doen er 6 op de 10 (59%) momenteel nog niet aan thuiscomposteren. Een vijfde (21%) woont momenteel op een appartement, en 84% beschikt momenteel over een buitenruimte om afvalzakken/containers te plaatsen.

11.03.2022

pagina 89 of 210


Van de 806 respondenten die aangeven gestimuleerd te kunnen worden door het voorzien van herbruikbare boodschappentassen, maakt een derde (32%) momenteel nog geen gebruik van herbruikbare zakken, brooddoos, drinkbus, enz. 4 op de 10 maken op dit moment tevens nog geen gebruik van herbruikbare fruiten groentenzakjes. Van de respondenten die gratis of goedkoop gereedschap willen uitlenen (670 respondenten), doet 87% dit op dit moment nog niet. Een derde van deze 670 respondenten (34%) is tussen 18 en 34 jaar oud, en 6 op de 10 (59%) zijn vrouwen. Een vierde van deze respondenten (25%) komt maandelijks (heel erg) moeilijk rond en de helft (50%) bevindt zich in de lagere (midden)inkomensklasse. Van zij die graag een repaircafé georganiseerd willen zien (i.c. 565 respondenten), is de helft (51%) op dit moment nog niet bezig met het herstellen van goederen om ze niet te moeten weggooien. 7 op de 10 (72%) is tussen 35 en 79 jaar oud. Het inkomen (subjectief of objectief) van de respondent speelt geen rol bij de interesse in een repaircafé. Van de 204 respondenten die vragende partij zijn voor het subsidiëren van herbruikbare luiers: is bijna de helft (47%) tussen 18 en 34 jaar oud, heeft 40% minstens één kind (24% een kind <6 jaar, 18% een kind <12 jaar en 15% een kind <18 jaar), en woont 21% nog bij de ouder(s). Het inkomen (subjectief of objectief) van de respondent speelt geen rol bij het al dan niet voorstander zijn van gesubsidieerde herbruikbare luiers.

pagina 90 of 210

29.04.2022


6.2 MULTIVARIATE ANALYSE In het vorige hoofdstuk werd een beschrijvende (univariate) analyse gegeven van de resultaten en dit voor elk van de gestelde vragen afzonderlijk. Bijkomend werd telkens ingezoomd op eventuele significante verschillen tussen subgroepen (i.c. bivariate analyse). Voorliggend hoofdstuk gaat over multivariate analyse, waarbij wordt gekeken naar meerdere variabelen (i.c. vragen) tegelijkertijd. Bij het verklaren van bepaalde fenomenen (bijv. sorteergedrag) dienen immers vaak meerdere factoren tegelijkertijd (bijv. socio-demografische kenmerken, attitudes, enz.) in rekening te worden gebracht. Middels multivariate analysetechnieken – principale componenten analyse, lineaire regressie analyse en cluster analyse – kan een antwoord geformuleerd worden op volgende vragen: – Welke componenten kunnen onderscheiden worden inzake vermijden, beperken en sorteren van afval? En hoe groot is hun invloed op het sorteergedrag van respondenten? – Welke verschillende profielen van respondenten kunnen geïdentificeerd worden in relatie tot hun attitude over vermijden, beperken en sorteren van huishoudelijk afval? – Welke noden en verwachtingen hebben deze specifieke doelgroepen? En hoe kunnen ze gestimuleerd worden om huishoudelijk afval te voorkomen enerzijds, te beperken anderzijds?

6.2.1 Principale componenten analyse Eén van de doelstellingen van dit onderzoek is een antwoord te bieden op de vraag: hoe kan huishoudelijk restafval beperkt worden; wat zijn de motivatoren enerzijds, en de demotivatoren anderzijds, om huishoudelijk afval te voorkomen en te sorteren? Hiertoe werden in de vragenlijst 34 uitspraken opgenomen die mogelijks een rol spelen bij het wel of niet beperken van restafval middels voorkoming en/of sortering van huishoudelijk afval. Middels een principale componenten analyse kan de latente structuur van een set van variabelen – hier 34 uitspraken – achterhaald worden, waarbij aldus de set van variabelen gereduceerd wordt tot één of meerdere dimensies (componenten). Eenvoudig gesteld, het doel van een principale componentenanalyse is om het aantal variabelen in een dataset te beperken, en dit met behoud van zoveel mogelijk informatie. Na het identificeren van de componenten kan vervolgens in een tweede fase (zie verder) worden nagegaan welke componenten (de grootste) invloed hebben op het sorteergedrag van respondenten.

11.03.2022

pagina 91 of 210


6.2.1.1 Componenten Middels de principale componenten analyse45 kunnen finaal vijf componenten onderscheiden worden, bestaande uit minstens drie tot maximaal acht uitspraken. 6.2.1.1.1 Component 1: Milieubewustzijn & duurzaamheid Een eerste component wordt gevormd door uitspraken (motivatoren) die verband houden met milieu(bewustzijn) en duurzaamheid. Zo omvat de component enerzijds uitspraken inzake de voordelen van tweedehandsspullen, duurzame goederen en het herstellen van spullen en anderzijds uitspraken met kritische bedenkingen aangaande overconsumptie en de hoeveelheid aan verpakkingen. De acht uitspraken die deze component vormen, zijn: – De verkoop van tweedehandsspullen is niet enkel goed voor de portemonnee, ook voor het milieu betekent het een belangrijke meerwaarde. – Het is zinvol om kleding, toestellen, enz. te herstellen indien mogelijk, zodat het minder snel afval wordt. – Soms erger ik mij aan al die verpakkingen. Ik heb daar geen nood aan. – Ik vraag me soms af waarom mensen zoveel kopen. Ik ben tegen overconsumptie. – Goederen (toestellen, meubels, kledij, ...) die langer meegaan en daardoor vaak wat duurder zijn, zorgen ervoor dat je op termijn toch geld bespaart. – Ik hou van het idee dat nieuwe dingen gemaakt worden van oude dingen. – Ik sorteer om een bijdrage aan het milieu te leveren. – Ik zie het als een fijne uitdaging om zo weinig mogelijk afval te produceren. 6.2.1.1.2 Component 2: Bezwaren Een tweede component wordt gevormd door uitspraken die als demotivatoren kunnen gelabeld worden en allerlei bezwaren aangeven waarom sorteren niet of minder gebeurt, zoals bijvoorbeeld tijd- en/of plaatsgebrek, te ingewikkeld, kostprijs, enz. De acht uitspraken die deze component vormen, zijn: – Ik denk dat veel afval dat gesorteerd wordt achteraf toch op dezelfde afvalberg terecht komt. – Indien ik alle regels rond sorteren nauwkeurig zou volgen, zou dat me te veel tijd kosten. – De sorteerregels zijn te ingewikkeld. – Van bepaalde afvalsoorten heb ik te weinig om er een aparte zak/container mee te vullen. – Ik sorteer al voldoende, dus het is niet erg als ik soms iets fout sorteer. – Als ik alles correct zou sorteren, dan is dat volgens mij duurder dan wanneer ik wat minder nauwkeurig sorteer. – Ik heb te weinig plaats in of rond mijn woning om alles correct te sorteren. – Ik/mijn huishouden gooi(t) wel eens iets bij het restafval dat er eigenlijk niet in thuishoort.

45

Extractie methode: Principal Axis Factoring; Rotatie methode: Oblimin with Kaiser Normalization.

pagina 92 of 210

29.04.2022


6.2.1.1.3 Component 3: Beperken/vermijden van afval, al dan niet met financieel motief Een volgende component houdt verband met het beperken en vermijden van afval in het huishouden, in combinatie met een financiële component, zijnde het bewust bijhouden van hoeveel geld uitgegeven wordt aan het ‘kwijtraken’ van het huishoudelijk afval. De drie uitspraken die deze component vormen, zijn: – Ik hou bewust in de gaten hoeveel geld mijn huishouden uitgeeft aan het kwijtraken van mijn/ons afval. – Ik/mijn huishouden probeer(t) zoveel mogelijk om onze hoeveelheid afval te beperken. – Ik/mijn huishouden probeer(t) zoveel mogelijk overbodige verpakkingen, folies, plastiek zakjes, ... te vermijden. 6.2.1.1.4 Component 4: Desinteresse Een vierde component hangt samen met uitspraken die op een desinteresse duiden aangaande sorteren. De vier uitspraken die deze component vormen, zijn: – Ik hou mij niet bezig met sorteren, omdat mijn huishoudpersoneel (bijv. poetsvrouw/-man) dit regelt. – Het maakt mij weinig uit hoeveel ik moet betalen voor het ophalen van mijn afval. – Ik sorteer niet omdat anderen dit ook niet doen. – Sorteren interesseert me niet. 6.2.1.1.5 Component 5: Plichtsbesef & routine Een laatste component betreft uitspraken waaruit een zeker plichtsbesef blijkt inzake sorteren, alsook dat het sorteren deel uitmaakt van de dagelijkse routine en de respondenten aangeven vertrouwd te zijn met de sorteerregels. De vier uitspraken die deze component vormen, zijn: – Ik sorteer omdat dit het juiste is om te doen. – Sorteren maakt deel uit van mijn (dagelijkse) routine. – De huidige sorteerregels zijn duidelijk voor mij. – Afval wordt bij mij/ons huishouden nauwkeurig gesorteerd. Het finale model omvat 27 van de 34 uitspraken. Zeven uitspraken werden uit de principale componenten analyse verwijderd, omdat ze geen (duidelijke) bijdrage leverden aan het model46: – Volgens mij is het duurder om al het groenten-, fruit- en tuinafval bij het restafval te gooien dan het te sorteren als GFT-afval. – Ik sorteer omdat het moet in mijn gemeente/stad. – Ik sorteer omdat mijn gemeente/stad dit aan huis ophaalt. – Sorteren schenkt mij voldoening. – Ik sorteer omdat mensen rondom mij dit ook doen (buren, vrienden, familie, collega’s). – Ik sorteer omdat dit volgens mij goedkoper is dan wanneer ik alles bij het restafval zou gooien. – Ik geraak niet tot bij een sorteerstraatje en/of recyclagepark omdat ik geen vervoer heb en/of fysiek niet zo mobiel ben. 46De

uitspraak laadde op geen enkele van de onderscheiden componenten of laadde op meer dan één component, waardoor er geen eenduidige relatie is tussen de uitspraak

en de component (i.c. kruislading).

11.03.2022

pagina 93 of 210


6.2.1.2 Samenhang tussen component en uitspraak Per component kan vervolgens worden nagegaan hoe hoog de uitspraken laden op die specifieke component, wat een indicatie geeft van de belangrijkheid van die uitspraak voor die component47. De grootte van de ladingen in tabel 12 geeft weer in welke mate de parameters laden op de component, dit is de correlatie tussen de parameter en de component. Hoe groter de lading – in negatieve of positieve zin – hoe meer deze parameter met de component gecorreleerd is. Nemen we als voorbeeld component 1 ‘Milieubewustzijn & duurzaamheid’ in beschouwing, dan kan worden vastgesteld dat de uitspraken: – ‘De verkoop van tweedehandsspullen is niet enkel goed voor de portemonnee, ook voor het milieu betekent het een belangrijke meerwaarde’, en – ‘Het is zinvol om kleding, toestellen, enz. te herstellen indien mogelijk, zodat het minder snel afval wordt’, sterker laden (resp. 0,730 en 0,691) en aldus sterker de component bepalen, dan de uitspraken: – ‘Ik zie het als een fijne uitdaging om zo weinig mogelijk afval te produceren’, en – ‘Ik sorteer om een bijdrage aan het milieu te leveren’. Met respectievelijke ladingen van 0,465 en 0,504 zijn beide laatstgenoemde uitspraken ontegensprekelijk ook met de component ‘Milieubewustzijn & duurzaamheid’ gecorreleerd, zij het in mindere mate bepalend. 6.2.1.3 Consistentie van de componenten Op elke component wordt tevens een Cronbach’s alpha reliability test uitgevoerd om na te gaan hoe betrouwbaar de component is. Cronbach's alpha geeft een indicatie van de samenhang van de component, met andere woorden in welke mate de uitspraken waaruit de component is opgebouwd, met elkaar gecorreleerd zijn. Hoe groter Cronbach’s alpha, hoe betrouwbaarder of consistenter de component is. Indien nodig, kunnen uitspraken die minder goed samenhangen met de component verwijderd worden om op die manier de betrouwbaarheid van de component (de samenhang/correlatie tussen de uitspraken waaruit hij is opgebouwd) te verbeteren. In tabel 12 is voor elke component de Cronbach’s alpha opgenomen. De samenhang van elk van de vijf componenten is goed tot zeer goed48, met een Cronbach’s alpha gaande van 0,73 voor de component ‘Beperken/vermijden van afval, al dan niet met financieel motief’ tot een Cronbach’s alpha van 0,86 voor de component ‘Milieubewustzijn & duurzaamheid’.

47

In andere woorden gezegd, wat het gewicht is van de specifieke uitspraak binnen de specifieke component.

48

In sociaal-wetenschappelijk onderzoek wordt een Cronbach’s alpha van 0,70 of meer als goed beschouwd

(bron: https://data.library.virginia.edu/using-and-interpreting-cronbachs-alpha/).

pagina 94 of 210

29.04.2022


Tabel 12: Principale componenten analyse o.b.v. motivatoren & demotivatoren – Totaal Component Motivatoren / Demotivatoren

1

2

3

4

5

Cronbach’s Alpha: 0,86

Component 1: Milieubewustzijn & duurzaamheid De verkoop van tweedehandsspullen is niet enkel goed voor de portemonnee, ook voor het milieu betekent het een belangrijke meerwaarde.

0,730

-0,005

0,083

-0,022

0,025

Het is zinvol om kleding, toestellen, enz. te herstellen indien mogelijk, zodat het minder snel afval wordt.

0,691

-0,046

-0,003

0,023

-0,031

Soms erger ik mij aan al die verpakkingen. Ik heb daar geen nood aan.

0,641

0,105

-0,072

-0,071

-0,083

Ik vraag me soms af waarom mensen zoveel kopen. Ik ben tegen overconsumptie.

0,587

-0,011

-0,232

0,024

-0,084

Goederen (toestellen, meubels, kledij, ...) die langer meegaan en daardoor vaak wat duurder zijn, zorgen ervoor dat je op termijn toch geld bespaart.

0,561

-0,086

-0,028

0,047

0,034

Ik hou van het idee dat nieuwe dingen gemaakt worden van oude dingen.

0,551

0,002

0,022

0,012

0,147

Ik sorteer om een bijdrage aan het milieu te leveren.

0,504

-0,089

0,000

0,013

0,287

Ik zie het als een fijne uitdaging om zo weinig mogelijk afval te produceren.

0,465

-0,087

-0,392

0,059

0,023

Cronbach’s Alpha: 0,84

Component 2: Bezwaren Ik denk dat veel afval dat gesorteerd wordt achteraf toch op dezelfde afvalberg terecht komt.

-0,018

0,644

-0,031

-0,089

0,034

Indien ik alle regels rond sorteren nauwkeurig zou volgen, zou dat me te veel tijd kosten.

-0,052

0,606

-0,021

0,143

-0,079

De sorteerregels zijn te ingewikkeld.

0,026

0,593

-0,010

0,040

-0,194

Van bepaalde afvalsoorten heb ik te weinig om er een aparte zak/container mee te vullen.

0,065

0,582

0,006

0,014

0,017

Ik sorteer al voldoende, dus het is niet erg als ik soms iets fout sorteer.

-0,084

0,570

0,040

0,055

0,154

Als ik alles correct zou sorteren, dan is dat volgens mij duurder dan wanneer ik wat minder nauwkeurig sorteer.

-0,060

0,568

-0,093

0,166

-0,008

Ik heb te weinig plaats in of rond mijn woning om alles correct te sorteren.

0,024

0,482

-0,044

0,253

-0,115

Ik/mijn huishouden gooi(t) wel eens iets bij het restafval dat er eigenlijk niet in thuishoort.

0,031

0,463

0,093

0,080

-0,082

11.03.2022

pagina 95 of 210


Component Motivatoren / Demotivatoren

1

2

3

Component 3: Beperken/vermijden van afval, al dan niet met financieel motief

4

5

Cronbach’s Alpha: 0,73

Ik hou bewust in de gaten hoeveel geld mijn huishouden uitgeeft aan het kwijtraken van mijn/ons afval.

-0,027

0,056

-0,69249

0,011

-0,072

Ik/mijn huishouden probeer(t) zoveel mogelijk om onze hoeveelheid afval te beperken.

0,098

0,001

-0,637

-0,116

0,209

Ik/mijn huishouden probeer(t) zoveel mogelijk verpakkingen, folies, plastiek zakjes, ... te vermijden.

0,187

-0,063

-0,626

0,068

0,035

overbodige

Component 4: Desinteresse

Cronbach’s Alpha: 0,76

Ik hou mij niet bezig met sorteren, omdat mijn huishoudpersoneel (bijv. poetsvrouw/-man) dit regelt.

-0,075

0,154

-0,161

0,694

-0,023

Het maakt mij weinig uit hoeveel ik moet betalen voor het ophalen van mijn afval.

0,058

-0,008

0,111

0,573

0,091

Ik sorteer niet omdat anderen dit ook niet doen.

-0,018

0,111

-0,095

0,539

-0,118

Sorteren interesseert me niet.

-0,113

0,233

-0,005

0,526

-0,192

Component 5: Plichtsbesef & routine

Cronbach’s Alpha: 0,80

Ik sorteer omdat dit het juiste is om te doen.

0,388

0,015

0,009

-0,143

0,515

Sorteren maakt deel uit van mijn (dagelijkse) routine.

0,249

-0,026

-0,104

-0,127

0,511

De huidige sorteerregels zijn duidelijk voor mij.

0,041

-0,336

-0,220

0,162

0,415

Afval wordt bij mij/ons huishouden nauwkeurig gesorteerd.

0,068

-0,134

-0,363

-0,083

0,403

Basis: alle respondenten (N=2.500)

49

Negatieve lading component 3 : als alle items van een component hetzelfde teken hebben (hetzij positief, hetzij negatief), dan heeft dit geen belang; enkel indien – binnen één component - sommige items positief laden en anderen negatief, dan dient men hier rekening mee te houden bij de benaming.

pagina 96 of 210

29.04.2022


6.2.2 Regressie analyse In de vragenlijst werden 34 uitspraken opgenomen die mogelijks een motiverende of een demotiverende rol kunnen spelen bij het al dan niet voorkomen, beperken en/of sorteren van huishoudelijk afval. Via de principale componenten analyse konden deze 34 uitspraken herleid worden tot vijf componenten (of dimensies) (zie hoger). In een volgende stap wordt bekeken of, en in welke mate, deze vijf componenten het sorteergedrag van respondenten beïnvloeden. Hiervoor worden de vijf componenten als onafhankelijke variabelen opgenomen in een (lineaire) regressie analyse, met als afhankelijke variabele het sorteergedrag van de respondent. Het sorteergedrag van de respondent werd bepaald aan de hand van de antwoorden op vraag 23 (i.c. “Er zijn verschillende redenen waarom mensen al eens iets niet correct sorteren. Kunt u voor elk van onderstaande redenen aangeven of deze voor u af en toe van toepassing zijn?”). Deze vraag omvatte 9 uitspraken die elk een reden kunnen zijn om af en toe iets bij het restafval te gooien, wetende dat het eigenlijk gesorteerd dient te worden. Er werd een sommatie gemaakt van het aantal keer de respondent aangaf dat een uitspraak ‘niet van toepassing’ is. De afhankelijke variabele betreft aldus een numerische variabele gaande van 0 tot 9, waarbij geldt dat hoe hoger de score, hoe beter gesorteerd wordt (want hoe minder redenen om niet te sorteren ‘van toepassing’ blijken voor de respondent). 6.2.2.1 Model met vijf componenten Uit de regressie analyse (zie tabel 13) blijkt dat van de vijf componenten, er vier een significante invloed hebben op het sorteergedrag van de respondent; de component ‘Milieubewustzijn & duurzaamheid’ heeft als enige geen significant invloed op het sorteergedrag van de respondent. Een belangrijke kanttekening hierbij, is dat de component ‘Milieubewustzijn & duurzaamheid’ op zichzelf beschouwd wél een significante invloed uitoefent op het sorteergedrag van de respondent50, maar deze invloed verdwijnt wanneer we de andere componenten mee in rekening brengen. Uit deze analyse komt aldus naar voor dat – wil men het sorteergedrag van respondenten verbeteren – op andere componenten dan ‘Milieubewustzijn & duurzaamheid’ moet worden ingezet. Tabel 13: Regressie analyse: invloed van componenten op sorteergedrag – Totaal B

Std. error

Beta

t

Sig.

Constante

6,781

,040

Component ‘Bezwaren’

-,992

,064

-,388

171,369

,000

-15,374

,000

Component ‘Afvalbeperking’

-,431

,056

-,164

-7,703

,000

Component ‘Plichtsbesef’

,287

,064

Component ‘Desinteresse’

-,171

,060

,104

4,468

,000

-,065

-2,862

,004

Component ‘Milieubewust’

-,028

,061

-,011

-,453

,651

Basis: alle respondenten (N=2.500)

50 R²=8,2%;

B=0,725 (p<0,001)

11.03.2022

pagina 97 of 210


Door naar de gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten te kijken (i.c. Beta), kan bepaald worden welke componenten het belangrijkst zijn in het voorspellen van sorteergedrag. Van de vier componenten die een significante invloed uitoefenen op het sorteergedrag, blijkt de component ‘Bezwaren’ de grootste gestandaardiseerde regressiecoëfficiënt te hebben (i.c. Beta=|-0,388|)51. De invloed van deze component is dubbel zo groot als de invloed van de tweede belangrijkste component, zijnde ‘beperken/vermijden van afval, al dan niet met financieel motief’ (Beta=|-0,164|). Vervolgens volgt de component ‘Plichtsbesef & routine’ (Beta=|0,104|), en tot slot de component ‘Desinteresse’ (Beta=|-0,065|). De component ‘Plichtsbesef & routine’ heeft als enige component een positieve regressiecoëfficiënt: een toename van ‘het plichtsbesef bij de respondent / het inbedden van sorteren in de dagelijkse routine van de respondent’ zal leiden tot een toename in het sorteergedrag van de respondent. De overige drie componenten kennen een negatief teken: – hoe meer bezwaren een respondent aanhaalt, of – hoe minder men afval beperkt/vermijdt, of – hoe meer desinteresse een respondent vertoont in sorteren, hoe minder goed het sorteergedrag zal zijn. De vijf componenten samen verklaren 29% van de variantie in het sorteergedrag van de respondenten. 6.2.2.2 Belangrijkste component ‘Bezwaren’ in detail De component die de grootste invloed heeft op het sorteergedrag van de respondent is ‘Bezwaren’. Zoals we eerder zagen, omvat deze component acht uitspraken: – Ik denk dat veel afval dat gesorteerd wordt achteraf toch op dezelfde afvalberg terecht komt. – Indien ik alle regels rond sorteren nauwkeurig zou volgen, zou dat me te veel tijd kosten. – De sorteerregels zijn te ingewikkeld. – Van bepaalde afvalsoorten heb ik te weinig om er een aparte zak/container mee te vullen. – Ik sorteer al voldoende, dus het is niet erg als ik soms iets fout sorteer. – Als ik alles correct zou sorteren, dan is dat volgens mij duurder dan wanneer ik wat minder nauwkeurig sorteer. – Ik heb te weinig plaats in of rond mijn woning om alles correct te sorteren. – Ik/mijn huishouden gooi(t) wel eens iets bij het restafval dat er eigenlijk niet in thuishoort.

Door een regressie analyse uit te voeren met sorteergedrag als afhankelijke variabele en de acht afzonderlijke uitspraken die de component ‘Bezwaren’ omvat, wordt een beter zicht verkregen op welke uitspraken van de betreffende component meer of minder het sorteergedrag beïnvloeden.

51 De gestandaardiseerde regressiecoëfficiënt van -0,388 houdt in dat met elke toename van één standaardafwijking in de component ‘Bezwaren’, het sorteergedrag zal

afnemen met 0,4 standaardafwijkingen.

pagina 98 of 210

29.04.2022


Tabel 14 leert dat de volgende vijf uitspraken een significante invloed hebben op sorteergedrag: – Ik/mijn huishouden gooi(t) wel eens iets bij het restafval dat er eigenlijk niet in thuishoort. – Indien ik alle regels rond sorteren nauwkeurig zou volgen, zou dat me te veel tijd kosten. – Ik heb te weinig plaats in of rond mijn woning om alles correct te sorteren. – Ik sorteer al voldoende, dus het is niet erg als ik soms iets fout sorteer. – Van bepaalde afvalsoorten heb ik te weinig om er een aparte zak/container mee te vullen. Uitspraken die geen significante invloed hebben op sorteergedrag zijn: De sorteerregels zijn te ingewikkeld.52 Ik denk dat veel afval dat gesorteerd wordt achteraf toch op dezelfde afvalberg terecht komt. Als ik alles correct zou sorteren, dan is dat volgens mij duurder dan wanneer ik wat minder nauwkeurig sorteer.

– – –

Tabel 14: Regressie analyse: invloed uitspraken van component ‘Bezwaren’ op sorteergedrag – Totaal B

Std. error

Constante

9,123

,100

Ik/mijn huishouden gooi(t) wel eens iets bij het restafval dat er eigenlijk niet in thuishoort.

-,205

,016

Indien ik alle regels rond sorteren nauwkeurig zou volgen, zou dat me te veel tijd kosten.

-,099

Ik heb te weinig plaats in of rond mijn woning om alles correct te sorteren.

Beta

t

Sig.

91,043

0,000

-,257

-13,091

,000

,018

-,126

-5,455

,000

-,092

,016

-,122

-5,664

,000

Ik sorteer al voldoende, dus het is niet erg als ik soms iets fout sorteer.

-,086

,016

-,108

-5,444

,000

Van bepaalde afvalsoorten heb ik te weinig om er een aparte zak/container mee te vullen.

-,048

,015

-,066

-3,316

,001

De sorteerregels zijn te ingewikkeld.

-,037

,017

-,047

-2,155

,031

Als ik alles correct zou sorteren, dan is dat volgens mij duurder dan wanneer ik wat minder nauwkeurig sorteer.

-,019

,017

-,024

-1,118

,264

Ik denk dat veel afval dat gesorteerd wordt achteraf toch op dezelfde afvalberg terecht komt.

,003

,017

,003

,150

,881

Basis: alle respondenten (N=2.500)

52

In dit model heeft de uitspraak een significante invloed op sorteergedrag (p<0,05). Wanneer alle uitspraken (i.c. 34 uitspraken) in rekening worden gebracht, verdwijnt

echter deze significantie.

11.03.2022

pagina 99 of 210


6.2.2.3 Profilering van de componenten Onderstaand wordt voor elke component afzonderlijk bekeken welke subgroepen er hoog – of daarentegen minder hoog – op scoren53. Samengevat, kunnen we reeds stellen dat: – milieubewustzijn en plichtsbesef toenemen met de leeftijd, en groter zijn bij kleine huishoudens, alsook bij huishoudens zonder kinderen; – bij een jongere leeftijd, in een groter huishouden (met inwonende kinderen), alsook bij huishoudens die moeilijker rondkomen, bezwaren en desinteresse toeneemt en het beperken van afval afneemt 6.2.2.3.1 Component 1: Milieubewustzijn & duurzaamheid We stellen vast dat respondenten hoger scoren (i.c. meer belang hechten aan milieu en duurzaamheid) naarmate ze: – ouder zijn (0,170) – waarbij tevens opvalt dat de oudste leeftijdscategorie (80+) een significant hogere score heeft dan alle overige leeftijdscategorieën (resp. 7,9 op 10 t.o.v. 6,9 tot 7,4); – een kleiner huishouden hebben (-0,057) – waarbij 1- of 2-persoonhuishoudens significant hoger scoren dan 3-persoonshuishoudens (resp. 7,3 op 10 t.o.v. 6,9); – geen (inwonende) kinderen hebben (resp. 7,3 op 10 t.o.v. 7,1); – over een (buiten)ruimte beschikken om afvalzakken/-containers te plaatsen (resp. 7,2 op 10 t.o.v. 6,7). 6.2.2.3.2 Component 2: Bezwaren We stellen vast dat respondenten hoger scoren (i.c. meer nadruk leggen op bezwaren) naarmate ze: – jonger zijn (-0,298) – waarbij tevens opvalt dat de jongste leeftijdscategorie (18-34 jaar) een significant hogere score heeft dan alle overige leeftijdscategorieën (resp. 4,9 op 10 t.o.v. 3,3 tot 4,3); – een groter huishouden hebben (0,114) – waarbij we voornamelijk een breuk zien tussen 1- tot 2-persoonhuishoudens (3,7 tot 3,9 op 10) en grotere huishoudens (4,2 tot 4,6 op 10); – inwonende kinderen hebben (resp. 4,6 op 10 t.o.v. 3,8) – waarbij respondenten met kinderen tussen 3 en 5 jaar het hoogst scoren op deze component (resp. 5,3 op 10 t.o.v. 4,3 tot 4,7); – op een appartement, studio of (studenten)kamer wonen (resp. 4,5 op 10 t.o.v. 3,9 in een huis); – maximaal 2 jaar in hun stad of gemeente wonen (resp. 4,8 tot 5,3 op 10 t.o.v. 3,9 indien >2 jaar); – geen (buiten)ruimte hebben om afvalzakken/-containers te plaatsen (resp. 4,8 op 10 t.o.v. 4,0) – waar we bij zij die wel over een ruimte beschikken nog een onderscheid kunnen maken tussen zij die over een private (buiten)ruimte beschikken en zij die over een gemeenschappelijke (buiten)ruimte beschikken (resp. 4,0 op 10 t.o.v. 4,5); – het moeilijker hebben om maandelijks rond te komen ((heel erg) moeilijk 4,7 op 10; niet moeilijk, niet makkelijk 4,1; (heel erg) makkelijk 3,7).

53Op

basis van de componenten score – herschaald van 0 tot 10 voor een intuïtiever interpretatie.

pagina 100 of 210

29.04.2022


6.2.2.3.3 Component 3: Beperken/vermijden van afval, al dan niet met financieel motief We stellen vast dat respondenten hoger scoren (i.c. minder aan afvalbeperking doen) naarmate ze: – jonger zijn (-0,207) – waarbij tevens opvalt dat de jongste leeftijdscategorie (18-34 jaar) een significant hogere score heeft dan alle overige leeftijdscategorieën (resp. 4,2 op 10 t.o.v. 3,3 tot 4,3), en de oudste leeftijdscategorie de laagste score heeft (resp. 3,0 op 10 t.o.v. 3,4 tot 4,2); – vrouw zijn (resp. 3,9 op 10 t.o.v. 3,6 bij mannen); – een groter huishouden hebben (0,096) – waarbij we voornamelijk een breuk zien tussen1- tot 2persoonhuishoudens (3,6 op 10) en grotere huishoudens (3,9 tot 4,3 op 10); – inwonende kinderen hebben (resp. 3,8 op 10 t.o.v. 3,7) – waarbij respondenten met kinderen tussen 0 en 2 jaar hoger scoren dan alle overige respondenten (resp. 4,3 op 10 t.o.v. 3,7); – in een hogere inkomensklasse vallen (≥ middeninkomen 3,9 tot 4,0 op 10 t.o.v. lager (midden)inkomen 3,5 op 10). 6.2.2.3.4 Component 4: Desinteresse We stellen vast dat respondenten hoger scoren (i.c. meer desinteresse vertonen) naarmate ze: – jonger zijn (-0,311) – waarbij tevens opvalt dat de jongste leeftijdscategorie (18-34 jaar) een significant hogere score heeft dan alle overige leeftijdscategorieën (resp. 3,9 op 10 t.o.v. 2,3 tot 3,2), en ook de daaropvolgende leeftijdscategorie (35-49 jaar) significant hoger scoort dan de overige oudere respondenten (resp. 3,2 op 10 t.o.v. 2,3 tot 2,5 op 10); – een groter huishouden hebben (0,168) – waarbij we voornamelijk een breuk zien tussen 1- tot 2-persoonhuishoudens (2,6 tot 2,7 op 10) en grotere huishoudens (3,3 tot 3,6 op 10); – inwonende kinderen hebben (resp. 3,7 op 10 t.o.v. 2,7) – waarbij respondenten met kinderen tussen 3 en 5 jaar het hoogst scoren op deze component (resp. 4,5 op 10 t.o.v. 3,4 tot 3,6); – nog inwonen bij de ouder(s) (resp. 3,8 op 10 t.o.v. 2,5 tot 3,3 op 10); – in een studio wonen (resp. 4,7 op 10 t.o.v. 2,7 tot 3,1 in een appartement/huis); – maximaal 2 jaar in hun stad of gemeente wonen (resp. 3,7 tot 4,5 op 10 t.o.v. 2,8 indien >2 jaar); – geen (buiten)ruimte hebben om afvalzakken/-containers te plaatsen (resp. 3,4 op 10 t.o.v. 2,9); – het heel erg moeilijk hebben om maandelijks rond te komen (resp. 3,9 op 10 t.o.v. 2,8 tot 3,1 indien moeilijk of makkelijk rondkomen); – in de hoogste inkomensklasse vallen (resp. 3,5 op 10 t.o.v. 2,8 tot 3,0 indien ≤ middeninkomen). 6.2.2.3.5 Component 5: Plichtsbesef & routine We stellen vast dat respondenten hoger scoren (i.c. meer plichtsbesef en routine vertonen) naarmate ze: – ouder zijn (0,242) – gaande van 6,4 op 10 bij 18 tot 34-jarigen tot 7,3 op 10 bij 80-plussers; – een kleiner huishouden hebben (-0,082) – waarbij 1- of 2-persoonhuishoudens significant hoger scoren dan 3-persoonshuishoudens (resp. 6,9 tot 7,1 op 10 t.o.v. 6,6 tot 6,8); – geen (inwonende) kinderen hebben (resp. 7,0 op 10 t.o.v. 6,7); – samenwonen met een partner, maar zonder kinderen (resp. 7,2 op 10 t.o.v. 6,3 tot 6,9); – niet in een (studenten)kamer wonen (resp. 5,3 op 10 t.o.v. 6,8 tot 7,0 in een appartement/huis); – reeds meer dan 2 jaar in de stad of gemeente wonen (resp. 6,9 op 10 t.o.v. 6,5 tot 6,6 op 10); – over een (buiten)ruimte beschikken om afvalzakken/-containers te plaatsen (resp. 6,9 op 10 t.o.v. 6,1); – het makkelijker hebben om maandelijks rond te komen ((heel erg) moeilijk 6,6 op 10; niet moeilijk, niet makkelijk 6,8; (heel erg) makkelijk 7,1).

11.03.2022

pagina 101 of 210


6.2.3 Cluster analyse Om groepen van respondenten te kunnen onderscheiden die eenzelfde attitude en gedrag vertonen ten aanzien van sorteren – en bij uitbreiding vermijden en beperken – van afval, werd met de verkregen componenten scores een cluster analyse uitgevoerd. In de steekproef kunnen aldus zes groepen (i.c. clusters) van respondenten onderscheiden worden. Hieronder worden voor elke cluster de belangrijkste kenmerken naar socio-demografische karakteristieken, alsook gedrag & attitude ten aanzien van sorteren, beperken en vermijden van afval weergegeven. 6.2.3.1 Cluster 1: Onverschillige-ongeïnteresseerde burgers (N=244) Respondenten in cluster 1 zijn de op één na minst goede sorteerders. Ze zijn het minste bezig met milieubewustzijn & duurzaamheid, en kennen het minste plichtsbesef & routine inzake sorteren. Daarentegen halen ze vaker bezwaren aan om te sorteren en vertonen ze een hogere mate van desinteresse in sorteren. De respondenten in deze cluster zijn gemiddeld jonger, met een aanzienlijk aandeel in de leeftijdsklasse 18 tot 34 jaar oud. Ze hebben vaker dan andere clusters (m.u.v. cluster 4) kinderen tussen 3 en 5 jaar. Niettegenstaande een grotere aanwezigheid in de lagere inkomensklassen, geeft de helft aan niet moeilijk, niet makkelijk rond te komen. 6.2.3.1.1 Socio-demografische & economische karakteristieken 6.2.3.1.1.1 Leeftijd 4 op de 10 respondenten (40%) in deze cluster zijn tussen 18 en 34 jaar oud; de overige respondenten in deze cluster zijn gelijkmatig verdeeld over de leeftijdscategorieën 35-49 jaar en 50-64 jaar. Slechts 1 op de 10 respondenten (10%) in deze cluster is ouder dan 65 jaar. De gemiddelde leeftijd bedraagt 42 jaar, waardoor deze cluster één van de ‘jongere clusters’ betreft. 6.2.3.1.1.2 Gezinsgrootte De respondenten in deze cluster zijn vrij gelijkmatig verdeeld over 1-, 2-, 3- en 4-persoonshuishoudens. De gemiddelde gezinsgrootte bedraagt 2,7 personen. 6.2.3.1.1.3 Kinderen Twee derde van de respondenten (64%) in deze cluster hebben geen inwonende kinderen (<18 jaar). De overige respondenten geven iets vaker aan kinderen van 3 tot 5 jaar (14%), 6 tot 11 jaar (14%) of 12 tot 17 jaar (15%) te hebben, eerder dan 0 tot 2 jaar (7%). Samen met cluster 4 kent deze cluster het hoogste aandeel respondenten met kinderen tussen 3 en 5 jaar (resp. 14% en 21% t.o.v. 2% tot 6% voor wat de overige clusters betreffen). 6.2.3.1.1.4 Woningtype Deze cluster omvat in verhouding iets meer respondenten die in een studio of (studenten)kamer wonen.

pagina 102 of 210

29.04.2022


6.2.3.1.1.5 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad 1 op de 7 respondenten (13%) in deze cluster woont 1 tot 2 jaar in de stad of gemeente; dit is een groter aandeel dan in de meeste overige clusters. Omgekeerd, kent de cluster in vergelijking met de overige 5 clusters een lager aandeel respondenten (81%) die reeds meer dan 2 jaar in hun stad of gemeente wonen. 6.2.3.1.1.6 Ruimte De cluster bevat in verhouding iets minder respondenten met een buitenruimte (68%), en iets meer respondenten die geen ruimte hebben (noch buiten, noch een kelder of garage) om afvalzakken/-containers te zetten (10%). 6.2.3.1.1.7 Subjectief inkomen De helft van de respondenten (51%) hebben het niet moeilijk, niet makkelijk om maandelijks rond te komen; dit is een groter aandeel dan in de meeste overige clusters. Bijkomend, kent de cluster in verhouding een lager aandeel respondenten (26%) die het (heel erg) makkelijk hebben om maandelijks rond te komen. 6.2.3.1.1.8 Objectief inkomen Samen met cluster 2 en 6, kent deze cluster een hoger aandeel respondenten in de lagere (midden) inkomensklassen (55%). 6.2.3.1.2 Gedrag & attitude t.a.v. sorteren, beperken en vermijden van afval 6.2.3.1.2.1 Gedrag Respondenten in deze cluster sorteren gemiddeld – na de respondenten in cluster 4 – het minste aantal afvalfracties, met name 11,8 van de 16 voorgelegde fracties sorteert men altijd. We vinden tevens dat respondenten in deze cluster – samen met de respondenten in cluster 4 – het vaakst wel eens iets bij het restafval gooien, wetende dat het eigenlijk gesorteerd dient te worden: gemiddeld geeft men 4 van de 9 redenen op om wel eens iets bewust foutief bij het restafval te gooien. 6.2.3.1.2.2 Attitude In vergelijking met de overige clusters kennen respondenten in cluster 1 de laagste score inzake milieubewustzijn & duurzaamheid, alsook de laagste score inzake plichtsbesef & routine. Ze kennen tevens de tweede hoogste score – na cluster 4 – qua aanhalen van bezwaren, alsook mate van desinteresse. Ze scoren eerder gemiddeld wanneer het aankomt op het beperken / vermijden van afval (al dan niet met financieel motief).

11.03.2022

pagina 103 of 210


6.2.3.2 Cluster 2: Modale burgers (die relatief goed sorteren) (N=775) Met 775 respondenten is cluster 2 de grootste van de 6 onderscheiden clusters. Respondenten in deze cluster behoren tot één van de betere sorteerders (samen met cluster 5 & 6), maar halen nog iets vaker (dan cluster 5 & 6) redenen aan om af en toe iets foutief te sorteren. Het is een groep die qua attitude niet opvalt: men scoort overal gemiddeld op. Ook inzake socio-demografische karakteristieken zijn er geen opvallende vaststellingen: we vinden ze in gelijke mate terug in alle leeftijdsklassen en alle huishoudtypes; wel behoren ze iets vaker tot de 2persoonshuishoudens. Hoewel ze net als cluster 1 wat vaker tot de lagere inkomensklassen behoren, resulteert dit niet in een lager subjectief inkomen. 6.2.3.2.1 Socio-demografische & economische karakteristieken 6.2.3.2.1.1 Leeftijd De respondenten in deze cluster zijn vrij gelijkmatig verdeeld over de verscheidene leeftijdscategorieën, met telkens een vijfde tot een vierde van de respondenten in de leeftijdscategorie 18 tot 34 jaar, 35 tot 49 jaar, 50 tot 64 jaar en 65 tot 79 jaar. 80-plussers maken 8% uit van de respondenten in deze cluster, zijnde – samen met cluster 5 – het op twee na hoogste aandeel. De gemiddelde leeftijd bedraagt 51 jaar, waardoor deze cluster – één van de ‘oudere clusters’ betreft. 6.2.3.2.1.2 Gezinsgrootte Deze cluster kent een iets groter aandeel 2-persoonshuishoudens (41%) en een kleiner aandeel 3- tot 4persoonshuishoudens. De gemiddelde gezinsgrootte bedraagt 2,4 personen. 6.2.3.2.1.3 Kinderen Drie kwart van de respondenten (75%) in deze cluster heeft geen inwonende kinderen (<18 jaar). Bij wie wel inwonende kinderen heeft, stellen we geen opvallende zaken vast met betrekking tot de leeftijdscategorie van de inwonende kinderen (0-2 jaar: 4%; 3-5 jaar: 5%; 6-11 jaar: 11%; 12-17 jaar: 12%). 6.2.3.2.1.4 Woningtype Bijna één op drie van de respondenten in deze cluster wonen in een appartement; evenveel (30%) woont in een open bebouwing, en telkens een vijfde in een gesloten (20%) of halfopen bebouwing (22%). 6.2.3.2.1.5 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad 9 op de 10 respondenten (91%) wonen reeds meer dan 2 jaar in hun stad of gemeente; 5% woont 1 tot 2 jaar in de stad of gemeente en 4% minder dan een jaar. 6.2.3.2.1.6 Ruimte 5% van de respondenten in deze cluster geeft aan geen ruimte te hebben (noch buiten, noch een kelder of garage) om hun afvalzakken/-containers te zetten.

pagina 104 of 210

29.04.2022


6.2.3.2.1.7 Subjectief inkomen Ook inzake subjectief inkomen kent deze cluster geen opvallende aandelen: 22% heeft het (heel erg) moeilijk om maandelijks rond te komen, 42% heeft het niet moeilijk, niet makkelijk, en 36% komt elke maand (heel erg) makkelijk rond. 6.2.3.2.1.8 Objectief inkomen Samen met cluster 1 en 6, kent deze cluster een hoger aandeel respondenten in de lagere (midden) inkomensklassen (42%). 6.2.3.2.2 Gedrag & attitude t.a.v. sorteren, beperken en vermijden van afval 6.2.3.2.2.1 Gedrag Respondenten in deze cluster sorteren gemiddeld – samen met cluster 5 en 6 – het meeste aantal afvalfracties, met name 14,3 van de 16 voorgelegde fracties sorteert men altijd. We vinden tevens dat respondenten in deze cluster – ná cluster 5 en 6 – het minst vaak wel eens iets bij het restafval gooien, wetende dat het eigenlijk gesorteerd dient te worden: gemiddeld geeft men 2 van de 9 redenen op om wel eens iets bewust foutief bij het restafval te gooien. 6.2.3.2.2.2 Attitude In vergelijking met de overige clusters kennen respondenten een gemiddelde score op elk van de vijf onderscheiden componenten. Men springt er nergens bovenuit, niet in positieve, noch in negatieve zin. 6.2.3.3 Cluster 3: Achteloze goedverdieners (N=363) Respondenten in deze cluster zijn niet de beste sorteerders, maar ook niet de slechtste; ze geven wel eens een reden op om iets bewust foutief te sorteren. Ze hebben weinig aandacht voor milieubewustzijn & duurzaamheid, wat zich tevens uit in de minst goede score inzake vermijden & beperken van afval (al dan niet met financieel motief). Op de overige componenten (i.c. aanhalen van bezwaren om te sorteren, desinteresse in sorteren, alsook sorteren uit plichtsbesef & routine) scoren ze eerder gemiddeld. Cluster 3 omvat eerder jongere respondenten, met een groot aandeel tussen 18 en 49 jaar oud; tevens valt op dat deze cluster meer vrouwelijke respondenten omvat. Hoewel geen opvallende gezinssamenstelling, zien we een iets grotere aanwezigheid van huishoudens met kinderen tussen 0 en 2 jaar. De respondenten behoren vaker tot de hogere inkomensklassen en geven ook vaker aan maandelijks gemakkelijk rond te komen. 6.2.3.3.1 Socio-demografische & economische karakteristieken 6.2.3.3.1.1 Leeftijd 6 op de 10 respondenten (62%) in deze cluster behoren tot de 2 jongste leeftijdscategorieën (i.c. 18-34 jaar en 35-49 jaar). Een vijfde (22%) is tussen 50 en 64 jaar oud. Het aandeel 65-plussers bedraagt 16%. De gemiddelde leeftijd bedraagt 45 jaar, waardoor deze cluster – één van de ‘jongere clusters’ betreft.

11.03.2022

pagina 105 of 210


6.2.3.3.1.2 Geslacht Hoewel geen significant verschil, valt op dat deze cluster bijna 60% vrouwen omvat, ten opzichte van 48% tot 54% vrouwen in de overige clusters. 6.2.3.3.1.3 Gezinsgrootte Deze cluster kent geen opvallende verdeling inzake gezinsgrootte. De gemiddelde gezinsgrootte bedraagt 2,6 personen. 6.2.3.3.1.4 Kinderen 7 op de 10 respondenten (70%) in cluster 3 hebben geen inwonende kinderen (<18 jaar). Bij wie wel inwonende kinderen heeft, vinden we in verhouding iets meer respondenten met kinderen tussen 0 en 2 jaar (0-2 jaar: 8%; 3-5 jaar: 6%; 6-11 jaar: 14%; 12-17 jaar: 13%). 6.2.3.3.1.5 Woningtype 3 op de 10 respondenten (30%) in deze cluster wonen in een appartement; een vijfde tot een vierde woont in een gesloten (22%), halfopen bebouwing (21%) of open bebouwing (26%). Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad 9 op de 10 respondenten (90%) wonen reeds meer dan 2 jaar in hun stad of gemeente; 3% woont 1 tot 2 jaar in de stad of gemeente en 7% minder dan een jaar. 6.2.3.3.1.6 Ruimte 4% van de respondenten in deze cluster geeft aan geen ruimte te hebben (noch buiten, noch een kelder of garage) om hun afvalzakken/-containers te zetten. 6.2.3.3.1.7 Subjectief inkomen Cluster 3 is één van de clusters met een hoger aandeel respondenten die het (heel erg) makkelijk hebben om maandelijks rond te komen (47%). Een vijfde van de respondenten (19%) komt (heel erg) moeilijk rond en een derde (34%) niet moeilijk, niet makkelijk. 6.2.3.3.1.8 Objectief inkomen Samen met cluster 4 en 5, kent deze cluster een hoger aandeel respondenten in de hogere (midden) inkomensklassen (31%). 6.2.3.3.2 Gedrag & attitude t.a.v. sorteren, beperken en vermijden van afval 6.2.3.3.2.1 Gedrag In vergelijking met de overige respondenten, kennen de respondenten in cluster 3 een gemiddeld sorteergedrag: ze sorteren altijd gemiddeld 13,7 van de 16 voorgelegde fracties en geven gemiddeld 3 van de 9 voorgelegde redenen op waarom ze wel eens iets bewust foutief bij het restafval gooien.

pagina 106 of 210

29.04.2022


6.2.3.3.2.2 Attitude In vergelijking met de overige clusters kennen respondenten in cluster 3 de tweede laagste score inzake milieubewustzijn & duurzaamheid. Bijkomend doen deze respondenten het minst aan afvalbeperking/vermijding (al dan niet met financieel motief). Op de overige componenten – plichtsbesef & routine, aanhalen van bezwaren, en vertonen van desinteresse – scoren de respondenten in cluster 3 eerder gemiddeld. 6.2.3.4 Cluster 4: Jonge gezinnen met kinderen die moeilijk rondkomen & niet goed sorteren (N=204) Met 204 respondenten is cluster 4 de kleinste van de 6 onderscheiden clusters. De respondenten in deze cluster zijn de minst goede sorteerders van alle respondenten en halen dan ook het vaakst – net zoals respondenten in cluster 1 – redenen aan om af en toe iets bewust foutief bij het restafval te gooien. Hun minder goed sorteergedrag gaat samen met de minst goede attitude inzake sorteren: we noteren de hoogste score op het aanhalen van bezwaren om niet te sorteren, alsook de hoogste score inzake desinteresse in sorteren. In tegenstelling tot die andere cluster met een minder goed sorteergedrag (i.c. cluster 1), scoren respondenten in cluster 4 niet zo slecht op milieubewustzijn & duurzaamheid, alsook niet op plichtsbesef & routine; ze noteren een eerder gemiddelde score op beide. Ze kennen een tevens vrij goede attitude inzake het vermijden & beperken van afval (al dan niet met financieel motief). Nog meer dan in cluster 1, kent cluster 4 voornamelijk jongere respondenten. Het is de cluster met het grootste aandeel gezinnen met kinderen (in verscheidene leeftijdscategorieën) en de grootste gemiddelde gezinsgrootte. Het betreft een groter aandeel respondenten die aangeven nog thuis te wonen bij hun ouders enerzijds, of reeds samenwonen met een partner en kinderen anderzijds. Een groter aandeel dan in de overige clusters geeft aan in een studio te wonen. Het betreft ook vaker respondenten die nog niet zo lang in hun stad of gemeente wonen. Hoewel we de respondenten in deze cluster in de verschillende inkomensklassen terugvinden (en zelfs eerder in de hogere inkomensklassen), geven ze het vaakst aan het (heel erg) moeilijk te hebben om maandelijks rond te komen. 6.2.3.4.1 Socio-demografische & economische karakteristieken 6.2.3.4.1.1 Leeftijd De helft van de respondenten (52%) in deze cluster behoort tot de jongste leeftijdscategorie van 18 tot 34 jaar. Een derde van de respondenten (34%) vinden we terug in de daaropvolgende leeftijdscategorie (35-49 jaar), waardoor slechts 14% 50 jaar of ouder is. Met een gemiddelde leeftijd van 36 jaar is cluster 4 dan ook de jongste cluster 6.2.3.4.1.2 Gezinsgrootte Deze cluster kent het laagste aandeel 1-persoonshuishoudens (12%), alsook een lager aandeel 2-persoonshuishoudens (23%). Anderzijds vinden we een opvallend hoog aandeel 3-persoonshuishoudens (32%), alsook een hoger aandeel 4 en 5 persoonshuishoudens (resp. 23% en 8%). Cluster 4 kent de grootste gemiddelde gezinsgrootte, met name 3,0 personen

11.03.2022

pagina 107 of 210


6.2.3.4.1.3 Kinderen Cluster 4 heeft het grootste aandeel respondenten met inwonende kinderen jonger dan 18 jaar, zijnde 56%. 7% heeft een kind tussen 0 en 2 jaar, 21% tussen 3 en 5 jaar, 23% tussen 6 en 11 jaar en 21% tussen 12 en 17 jaar. 6.2.3.4.1.4 Gezinssamenstelling De cluster kent een opvallend hoog aandeel respondenten die aangeven in te wonen bij hun ouder(s) (23%), alsook een hoger aandeel dat stelt samen te wonen met een partner en kinderen (39%). Anderzijds kent deze cluster een lager aandeel respondenten die alleen wonen (12%) of samenwonen met een partner zonder kinderen (14%). 6.2.3.4.1.5 Woningtype Cluster 4 omvat een hoger aandeel respondenten die aangeven in een studio te wonen (7%). 6.2.3.4.1.6 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad Een opvallend hoger aandeel respondenten geeft aan 1 tot 2 jaar in de stad of gemeente wonen (24%); ook het aandeel dat minder dan een jaar in de gemeente woont, ligt hoger (7%) dan in een aantal overige clusters. 7 op de 10 respondenten (68%) wonen reeds 2 jaar of meer in de stad of gemeente, zijnde het laagste aandeel van alle clusters. 6.2.3.4.1.7 Ruimte 5% van de respondenten in deze cluster geeft aan geen ruimte te hebben (noch buiten, noch een kelder of garage) om hun afvalzakken/-containers te zetten. 6.2.3.4.1.8 Subjectief inkomen Cluster 4 kent het hoogste aandeel respondenten (36%) die het elke maand (heel erg) moeilijk hebben om rond te komen, met 23% die het moeilijk heeft en bijkomend 13% zelfs heel erg moeilijk. Een derde (34%) heeft het (heel erg) makkelijk en 30% niet moeilijk, niet makkelijk. 6.2.3.4.1.9 Objectief inkomen Niettegenstaande een lager subjectief inkomen, kent deze cluster een vrij gelijkmatige verdeling naar objectief inkomen: 38% heeft een lager (midden)inkomen, 27% heeft een middeninkomen, en 35% heeft een hoger (midden)inkomen. Samen met cluster 3 en 5, kent deze cluster een hoger aandeel respondenten in de hogere (midden) inkomensklassen. 6.2.3.4.2 Gedrag & attitude t.a.v. sorteren, beperken en vermijden van afval 6.2.3.4.2.1 Gedrag Cluster 4 omvat de respondenten met het minst goede sorteergedrag in combinatie met financieel moeilijk hebben. In vergelijking met de overige clusters sorteren ze gemiddeld het minste aantal van de 16 voorgelegde afvalfracties (i.c. 9,5 fracties). Bijkomend duidden ze – net zoals respondenten uit cluster 1 – gemiddeld 4 van de 9 voorgelegde redenen aan om af en toe iets bewust foutief bij het restafval te gooien, zijnde een significant groter aantal redenen dan in de overige clusters.

pagina 108 of 210

29.04.2022


6.2.3.4.2.2 Attitude Respondenten in cluster 4 scoren het hoogst op de componenten ‘bezwaren’ en ‘desinteresse’: ze halen meer dan de overige clusters bezwaren aan inzake sorteren, en vertonen meer dan overige clusters desinteresse in sorteren. Qua milieubewustzijn & duurzaamheid, alsook plichtsbesef & routine, scoren deze respondenten eerder gemiddeld. Inzake het beperken/vermijden van afval (al dan niet met financieel motief) scoren de respondenten wel vrij goed. 6.2.3.5 Cluster 5: goede sorteerders uit plichtsbesef & routine, met goed inkomen (N=319) Cluster 5 omvat (samen met cluster 6) de respondenten met het beste sorteergedrag: ze sorteren gemiddeld het meeste afvalfracties, en halen het minst vaak redenen aan om al eens iets bewust foutief bij het restafval te gooien. Hun sorteergedrag wordt gedreven door plichtsbesef & routine, eerder dan milieubewustzijn & duurzaamheid; ze scoren dan ook eerder matig inzake het beperken/vermijden van afval (met een financieel motief). Ze kennen de laagste score inzake aanhalen van bezwaren om te sorteren, en halen – samen met cluster 6 – de laagste score op de component ‘desinteresse in sorteren’. Cluster 5 omvat eerder oudere respondenten, die we in verschillende huishoudtypes kunnen onderbrengen. Ze wonen vaker in een open bebouwing, eerder dan in een appartement en hebben een goed inkomen (zowel objectief als subjectief). 6.2.3.5.1 Socio-demografische & economische karakteristieken 6.2.3.5.1.1 Leeftijd Na cluster 6, kent deze cluster het laagste aandeel 18 tot 34-jarige respondenten (17%). In de daaropvolgende leeftijdscategorieën vinden we telkens 21% tot 28% respondenten terug. Bijna 1 op de 10 respondenten (9%) is 80 jaar of ouder. Met een gemiddelde leeftijd van 53 jaar is cluster 5 een eerder ‘oudere’ cluster. 6.2.3.5.1.2 Gezinsgrootte Deze cluster kent geen opvallende verdeling qua gezinsgrootte: 22% woont alleen, 40% woont in een 2-persoonshuishouden, 16% in een 3-persoonshuishouden, 15% in een 4-persoonshuishouden en 7% in een huishouden bestaande uit 5 personen of meer. De gemiddelde gezinsgrootte bedraagt 2,5 personen. 6.2.3.5.1.3 Kinderen Driekwart van de respondenten (76%) in cluster 5 heeft geen (inwonende) kinderen jonger dan 18 jaar. Bij de overige respondenten met inwonende kinderen vinden we 4% met een kind tussen 0 en 2 jaar, 5% met een kind tussen 3 en 5 jaar, en telkens 12% met een kind van 6 tot 11 jaar en een kind van 12 tot 17 jaar. 6.2.3.5.1.4 Woningtype In verhouding kent cluster 5 een lager aandeel respondenten die in een appartement, studio of (studenten)kamer wonen (21%), en een hoger aandeel dat in een open bebouwing woont (35%).

11.03.2022

pagina 109 of 210


6.2.3.5.1.5 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad In vergelijking met de overige clusters – uitgezonderd cluster 6 – kent cluster 5 een vrij hoog aandeel respondenten die reeds langer dan 2 jaar in de stad of gemeente wonen (93%). 6.2.3.5.1.6 Ruimte Slechts 1% van de respondenten in deze cluster geeft aan geen ruimte te hebben (noch buiten, noch een kelder of garage) om afvalzakken/-containers te plaatsen. 6.2.3.5.1.7 Subjectief inkomen 1 op de 10 respondenten (10%) in deze cluster heeft het (heel erg) moeilijk om maandelijks rond te komen; dit is het laagste aandeel van alle clusters. Bijna de helft van de respondenten heeft het integendeel (heel erg) makkelijk om elke maand rond te komen – samen met cluster 3 en 6 één van de hoogste aandelen. Tot slot laat 4 op de 10 weten het niet moeilijk, niet makkelijk te hebben. 6.2.3.5.1.8 Objectief inkomen Samen met cluster 3 en 4, kent deze cluster een lager aandeel respondenten in de lagere (midden) inkomensklassen (41%), en een hoger aandeel in de hogere (midden)inkomensklassen (31%). 6.2.3.5.2 Gedrag & attitude t.a.v. sorteren, beperken en vermijden van afval 6.2.3.5.2.1 Gedrag Respondenten in deze cluster sorteren gemiddeld – samen met cluster 2 en 6 – het meeste aantal afvalfracties, met name 14,7 van de 16 voorgelegde fracties sorteert men altijd. We vinden tevens dat respondenten in deze cluster – net als zij in cluster 6 – het minst vaak wel eens iets bij het restafval gooien, wetende dat het eigenlijk gesorteerd dient te worden: gemiddeld geeft men slechts 1 van de 9 redenen op om wel eens iets bewust foutief bij het restafval te gooien. 6.2.3.5.2.2 Attitude Respondenten in cluster 5 kennen de hoogste score op de component ‘plichtsbesef & routine’. Ze hebben een eerder gemiddelde attitude qua milieubewustzijn & duurzaamheid, en scoren ook eerder matig inzake het beperken/vermijden van afval (met een financieel motief). Van alle clusters kennen de respondenten in cluster 5 de laagste score op de component ‘bezwaren’, alsook – samen met cluster 6 – de laagste score inzake ‘desinteresse’. 6.2.3.6 Cluster 6: Goede sorteerders die wat ouder zijn met milieubewuste levensstijl (N=595) Net zoals cluster 5, omvat cluster 6 de respondenten met het beste sorteergedrag inzake consequent sorteren van specifieke afvalfracties, alsook inzake het minst vaak opgeven van redenen om af en toe iets bewust foutief bij het restafval te gooien. In tegenstelling tot zij in cluster 5, vertonen de respondenten in cluster 6 wel een hoge mate van milieubewustzijn & duurzaamheid, en daaruit volgend een veel grotere mate van afvalbeperkend/-vermijdend gedrag (al dan niet met financieel motief). Voorts scoren ze ook vrij hoog inzake plichtsbesef & routine.

pagina 110 of 210

29.04.2022


Hoewel in cluster 5 nog iets nadrukkelijker, kennen ook respondenten in cluster 6 een lage score op de component ‘bezwaren’, en – samen met cluster 5 – de laagste score op de component ‘desinteresse’. Cluster 6 omvat de respondenten met de hoogste gemiddelde leeftijd. Het betreft in hoofdzaak koppels zonder kinderen, alsook een groot aandeel alleenstaanden; dit uit zich in de kleinste gemiddelde gezinsgrootte van alle clusters. Niettegenstaande een groot aandeel van deze cluster tot de lagere inkomensklassen behoort, laat evenzeer een groter aandeel respondenten in deze cluster weten (heel erg) makkelijk rond te komen. 6.2.3.6.1 Socio-demografische & economische karakteristieken 6.2.3.6.1.1 Leeftijd Samen met cluster 5, kent cluster 6 het hoogste aandeel respondenten in de twee oudste leeftijdscategorieën: 27% is tussen 65 en 79 jaar oud, en 15% is 80 jaar of ouder. Anderzijds kent deze cluster het laagste aandeel 18 tot 34-jarigen (9%), alsook 35 tot 49-jarigen (17%). Cluster 6 kent de hoogste gemiddelde leeftijd, met name 60 jaar. 6.2.3.6.1.2 Gezinsgrootte De helft van de respondenten in deze cluster (51%) woont in een 2-persoonshuishouden. Bijkomend woont een vierde (25%) in een 1-persoonshuishouden. Laatstgenoemden (25%) woont in een huishouden bestaande uit 3 personen of meer. Cluster 6 kent de kleinste gemiddelde gezinsgrootte met 2,2 personen. 6.2.3.6.1.3 Kinderen Met 8 op de 10 respondenten (83%) die geen (inwonende) kinderen jonger dan 18 jaar hebben, kent cluster 6 – samen met cluster 5 – het laagste aandeel respondenten met inwonende kinderen (17% – waarvan meer dan de helft kinderen tussen 12 en 17 jaar). 6.2.3.6.1.4 Gezinssamenstelling Bijna de helft van de respondenten (47%) in deze cluster woont samen met een partner zonder kinderen. Een vierde (25%) woont alleen (zonder kinderen) en een vijfde (20%) woont samen met een partner én kinderen. 6.2.3.6.1.5 Woningtype De cluster kent een vrij gelijkmatige verdeling naar woningtype: 24% woont in een appartement, 21% in een rijhuis, 22% in een halfopen bebouwing en 31% tot slot in een open bebouwing. 6.2.3.6.1.6 Aantal jaren woonachtig in gemeente of stad In vergelijking met de overige clusters – uitgezonderd cluster 5 – kent cluster 6 een vrij hoog aandeel respondenten die reeds langer dan 2 jaar in de stad of gemeente wonen (95%). 6.2.3.6.1.7 Ruimte 3% van de respondenten in deze cluster geeft aan geen ruimte te hebben (noch buiten, noch een kelder of garage) om afvalzakken/-containers te plaatsen.

11.03.2022

pagina 111 of 210


6.2.3.6.1.8 Subjectief inkomen Cluster 6 kent in verhouding een lager aandeel respondenten die het (heel erg) moeilijk hebben om maandelijks rond te komen (18%), en een hoger aandeel respondenten die elke maand (heel erg) makkelijk rondkomen (43%). 6.2.3.6.1.9 Objectief inkomen Niettegenstaande respondenten in cluster 6 – in verhouding – makkelijker rondkomen, behoort de helft (53%) tot de lagere (midden) inkomensklasse. Een vierde van de respondenten (25%) behoort tot de middeninkomensklasse en een vijfde (21%) tot de hogere (midden)inkomensklasse. 6.2.3.6.2 Gedrag & attitude t.a.v. sorteren, beperken en vermijden van afval 6.2.3.6.2.1 Gedrag Respondenten in deze cluster sorteren gemiddeld – samen met cluster 2 en 5 – het meeste aantal afvalfracties, met name 14,7 van de 16 voorgelegde fracties sorteert men altijd. We vinden tevens dat respondenten in deze cluster – net als zij in cluster 5 – het minst vaak wel eens iets bij het restafval gooien wetende dat het eigenlijk gesorteerd dient te worden: gemiddeld geeft men slechts 1 van de 9 redenen op om wel eens iets bewust foutief bij het restafval te gooien. 6.2.3.6.2.2 Attitude Respondenten in cluster 6 kennen de hoogste score op de component ‘milieubewustzijn & duurzaamheid’, alsook de tweede hoogste score – na cluster 5 – op de component ‘plichtsbesef & routine’. In tegenstelling tot zij in cluster 5 echter, doen de respondenten in cluster 6 in veel grotere mate aan afvalbeperkend/-vermijdend gedrag (al dan niet met financieel motief): van alle clusters scoren ze het laagst (i.c. best) op deze component. Hoewel in cluster 5 nog iets nadrukkelijker, kennen ook respondenten in cluster 6 een lage score op de component ‘bezwaren’, en samen met cluster 5 kennen ze ook de laagste score op de component ‘desinteresse’. 6.2.3.7 Profiel-overzicht van de 6 clusters In tabel 15 wordt een vergelijkend overzicht gegeven van het gedrag en de attitude van de verscheidene clusters ten aanzien van sorteren, alsook hun socio-demografische en economische kenmerken.

pagina 112 of 210

29.04.2022


Tabel 15: Overzicht van gedrag & attitude inzake sorteren van afval, alsook socio-demografische & economische kenmerken – Totaal, naar cluster Cluster54 1

2

3

4

5

6

Altijd sorteren van specifieke afvalfracties

-

+

+-

--

++

++

Afval bewust foutief bij restafval gooien

--

+

-

--

++

++

Milieubewustzijn & duurzaamheid

--

+-

--

+-

+-

++

Plichtsbesef & routine Beperken/vermijden van afval (al dan niet met financieel motief)

--

+-

+-

+-

++

+

-

+-

--

+

-

++

Bezwaren

+

+-

+-

++

--

--

Desinteresse

+

+-

+-

++

--

--

42j

51j

45j

36j

53j

60j

SORTEER-GEDRAG

SORTEER-ATTITUDE

SOCIO-DEMOGRAFISCHE & ECONOMISCHE KENMERKEN Leeftijd (gemiddeld) Gezinsgrootte (gemiddeld)

Inwonende kinderen

Subjectief inkomen Objectief inkomen

2,7

2,4

2,6

3,0

2,5

2,2

0 tot 2 jaar 3 tot 5 jaar 6 tot 11 jaar 12 tot 17 jaar

7% 14% 14% 15%

4% 5% 11% 12%

8% 6% 14% 13%

7% 21% 23% 21%

4% 5% 12% 12%

3% 2% 6% 11%

Geen

64%

75%

70%

43%

76%

83%

Moeilijk

23%

22%

19%

36%

10%

18%

Makkelijk

26%

36%

47%

34%

49%

43%

Lager (midden)

55%

52%

36%

38%

41%

53%

Hoger (midden)

23%

21%

31%

35%

31%

21%

90%

95%

96%

96%

99%

97%

Studio / kamer App. / loft Rijwoning

6% 25% 25%

2% 27% 20%

1% 30% 22%

7% 28% 19%

0% 20% 20%

2% 24% 21%

(half-)Open bebouwing

44%

52%

47%

46%

59%

53%

244

775

363

204

319

595

Heeft ruimte om afval te plaatsen

Woningtype

Aantal respondenten55

Basis: alle respondenten (N=2.500); gaande van ++ (beste gedrag / sterkste lading) tot – (minst goede gedrag / zwakste lading) 54 Cluster 1: Onverschillige – ongeïnteresseerde burgers Cluster 2: Modale burgers (die relatief goed sorteren) Cluster 3: Achteloze goedverdieners Cluster 4: Jonge gezinnen met kinderen die moeilijk rondkomen en niet goed sorteren Cluster 5: Goede sorteerders uit plichtsbesef en routine, met goed inkomen Cluster 6: Goede sorteerders die wat ouder zijn met milieubewuste levensstijl

11.03.2022

pagina 113 of 210


6.2.3.8 Informeren & stimuleren van de 6 clusters Nu het profiel van de onderscheiden zes clusters gekend is – welk sorteergedrag vertonen ze, welke attitudes drijven hen, hoe ziet hun socio-demografische achtergrond eruit –, kan voor elke cluster worden nagegaan in welke mate ze bereid zijn om: hun gedrag inzake sorteren van afval enerzijds, beperken & vermijden van afval anderzijds aan te passen, via welke maatregelen dit het best kan bewerkstelligd worden, en via welke informatiekanalen ze kunnen bereikt worden. Informatie zoeken over afvalophaling en -sortering De twee meest aangehaalde kanalen via dewelke respondenten informatie zoeken over afvalophaling en sortering in de stad of gemeente, zijn voor alle clusters dezelfde: de website van de stad of gemeente, en de papieren afvalkalender. Evenwel zijn er verschillen tussen de clusters inzake de volgorde van deze top 2 kanalen, alsook het aandeel respondenten die er gebruik van maken. Zo vinden we dat vier van de zes clusters de papieren afvalkalender het vaakst gebruiken (60% tot 72% van de respondenten binnen de cluster), en dat met toevoeging van het tweede belangrijkste kanaal (i.c. de website van de stad of gemeente) het aandeel bereikte respondenten stijgt tot 76% tot 87%. In cluster 1 en 4 daarentegen staat de website van de stad of gemeente bovenaan, maar ligt het aandeel respondenten die dit aanduidden een stuk lager, met name 32% tot 33%. Door het tweede belangrijkste kanaal toe te voegen (i.c. de papieren afvalkalender) stijgt het aandeel bereikte respondenten tot 47% tot 50%, wat nog steeds een stuk lager is dan de +-80% bereikte respondenten in de overige vier clusters. Het aandeel bereikte respondenten kan in alle clusters verhoogd worden door ook de kanalen ‘website van de intercommunale’ en ‘online afvalkalender’ in rekening te brengen. In de vier clusters waar we reeds +-80% van de respondenten bereikten met de top 2 kanalen, wordt dit aandeel nog opgedreven tot 86% à 92%. Bij de twee overige clusters zorgt het toevoegen van deze 2 extra kanalen tot een bereikt aandeel respondenten van 61% tot 69%, wat inhoudt dat nog steeds 3 tot 4 op de 10 respondenten niet bereikt worden. In cluster 1 kan het aandeel bereikte respondenten met 9% verhoogd worden (van 61% tot 70%) door het kanaal ‘zoekmachine op internet’ mee in rekening te brengen. Merken we tevens op dat 18% van de respondenten in cluster 1 aangeeft geen extra informatie nodig te hebben. In cluster 4 kan een extra aandeel van 11% bereikt worden via het kanaal ‘zoekmachine op internet’; het bijkomend aanbieden van informatie via de sociale mediakanalen van de stad of gemeente zorgt voor een extra bereikt aandeel respondenten van nog eens 7%, waardoor het totaal op 87% komt te liggen.

pagina 114 of 210

29.04.2022


Figuur 32: Via welke kanalen zoekt u informatie of zou u informatie zoeken over afvalophaling en sortering in uw gemeente/stad? (Top antwoorden) – Totaal Cl.1: Onverschillige-ongeïnteresseerde burgers (N=244) Website stad/gemeente

Cl.2: Modale burgers (die relatief goed sorteren) (N=775) Papieren afvalkalender

33%

Papieren afvalkalender

70% (*)

Website intercommunale 16%

62%

Website stad/gemeente

26%

Cl.3: Achteloze goedverdieners (N=363) Papieren afvalkalender

54%

Internet zoekmachine

28%

60%

Website stad/gemeente

46%

93% (*)

90% (*)

Internet zoekmachine Internet zoekmachine

16%

Website intercommunale

27%

Online afvalkalender

15%

Online afvalkalender

26%

Geen extra info nodig.

18%

Informatieblad stad/gemeente

0%

25%

50%

75%

100%

Cl.4: Jong gezin/kind+moeilijk rondkomen+slecht sorteren (N=204) Website stad/gemeente Papieren afvalkalender

22%

Internet zoekmachine

22%

Website intercommunale

18% 0%

25%

50%

75%

100%

Cl.5: Goede sorteerders+plichtsbese/routinee+ goed Y (N=319)

18% 0%

25%

50%

56% 39%

91% (*)

95% (*)

Online afvalkalender

29% 29%

95% (*)

Online afvalkalender

27%

Informatieblad stad/gemeente

24% 23%

Online afvalkalender

19%

Website intercommunale

Sociale media stad/gemeente

19%

Informatieblad stad/gemeente

16%

Internet zoekmachine

Regionale tv

15%

App Recycle!

13%

Sociale media stad/gemeente

0%

25%

50%

75%

100%

72%

Website intercommunale

32%

75%

Cl.6: Goede sorteerders+iets ouders+milieubewust (N=595)

Website stad/gemeente

50%

Internet zoekmachine

27%

Papieren afvalkalender

67%

Website stad/gemeente

26%

Website intercommunale

Online afvalkalender

Papieren afvalkalender

32%

30%

100%

0%

25%

50%

75%

100%

14% 0%

25%

50%

75%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk (*) Is totaal aandeel van de resp. topantwoorden

29.04.2022

pagina 115 of 210


6.2.3.9 Informatie om afval te verminderen In elke cluster staat de papieren afvalkalender met stip bovenaan waarlangs men informatie en tips wil ontvangen om het huishoudelijk afval te verminderen. Dit neemt niet weg dat er toch aanzienlijke verschillen zijn tussen de clusters inzake het aandeel respondenten die dit wensen. Zo vinden we dat in cluster 6 bijna twee derde van de respondenten (64%) dergelijke informatie via de papieren afvalkalender wil ontvangen, vervolgens zijn er drie clusters waar dit aandeel ongeveer de helft van de respondenten omvat (i.c. 48% tot 54%), in de overige twee clusters tot slot (i.c. cluster 1 en cluster 4) bedraagt het aandeel ‘slechts’ een vierde van de respondenten (25% tot 26%). Overige kanalen die – toch voor wat vier van de zes clusters betreft – in mindere mate, maar nog door een behoorlijk aandeel respondenten worden aangeduid, zijn: de website van de stad/gemeente (24% tot 38%), het magazine of krantje van de gemeente/stad (23% tot 38%) en de online afvalkalender (20% tot 33%). Door het aanbieden van informatie en tips om het huishoudelijk afval te verminderen langs de vier voornoemde kanalen, kan in de betreffende vier van de zes clusters, 66% (i.c. cluster 3) tot 86% (i.c. cluster 6) van de respondenten bereikt worden. We zagen reeds dat het aandeel respondenten die middels de papieren afvalkalender dergelijke informatie willen ontvangen, in cluster 1 en cluster 4 relatief beperkt is (i.c. 25% tot 26%). Het bijkomend aanbieden van de informatie via de website van de stad/gemeente, het magazine of krantje van de gemeente/stad en de online afvalkalender, verhoogt het aandeel bereikte respondenten in beide clusters tot respectievelijk 44% en 57%. In cluster 1 kan het aandeel bereikte respondenten verder verhoogd worden tot 51% (dus +7%) door het bijkomend aanbieden van informatie en tips via een app (bijvoorbeeld Recycle!). Rekening houdend met maar liefst 31% van de respondenten in cluster 1 die aangeven geen nood te hebben aan dergelijke informatie (in de overige vijf clusters bedraagt dit aandeel 8% tot 22%), bekomen we – door toevoeging van een app – een bereikt aandeel van 82%. Merk op dat een app ook in cluster 3 en cluster 5 – waar reeds respectievelijk 66% en 74% van de respondenten bereikt worden via de 4 voornoemde kanalen – nog respectievelijk 7% en 8% extra respondenten zou bereiken. In cluster 4 zou het aanbieden van informatie en tips om huishoudelijk afval te verminderen via een app slechts een beperkte impact hebben, met name een extra bereik van 4%. Een belangrijker kanaal voor deze cluster zijn filmpjes op sociale media (bijvoorbeeld Facebook, Youtube, ...): hiermee kunnen 9% extra respondenten bereikt worden (t.o.v. de 4 initieel vernoemde kanalen). Bekijken we tot slot de respondenten die slechts één kanaal aangeduid hebben waarlangs ze informatie en tips willen ontvangen om het huishoudelijk afval te verminderen, dan zijn de kanalen met de grootste ‘impact’: de papieren afvalkalender (een bereik van 8% tot 13% per cluster), de online afvalkalender (een bereik van 3% tot 10% per cluster) en een app (een bereik van 2% tot 5% per cluster). Merken we nog op dat in cluster 4 nog telkens 5% aangaf enkel via de website van de stad/gemeente of enkel via filmpjes op sociale media geïnformeerd wenst te worden.

pagina 116 of 210

29.04.2022


Figuur 33: Hoe zou u informatie en tips willen krijgen om uw afval te verminderen? (Top antwoorden) – Totaal Cl.1: Onverschillige-ongeïnteresseerde burgers (N=244) Papieren afvalkalender

Cl.2: Modale burgers (die relatief goed sorteren) (N=775) Papieren afvalkalender

25%

Online afvalkalender 15%

App (bv. Recycle!)

Website stad/gemeente

34%

Magazine/krantje gemeente/stad

32%

Online afvalkalender

31%

84% (*)

14%

13%

Geen nood aan

31% 0%

25%

50%

75%

25%

Online afvalkalender

75%

100%

54%

29%

Magazine/krantje gemeente/stad

29%

App (bv. Recycle!)

27%

Website intercommunale

16%

Filmpjes op sociale media 13%

Geen nood aan

15%

100%

17% 22% 0%

0%

83% (*)

Magazine/krantje gemeente/stad

38%

Website stad/gemeente

38%

App (bv. Recycle!) 50%

75%

100%

50%

75%

100%

64%

90% (*)

33%

Website intercommunale

25%

25%

Cl.6: Goede sorteerders+iets ouders+milieubewust (N=595)

Online afvalkalender

Website stad/gemeente 13%

73% (*)

Papieren afvalkalender

32%

Website stad/gemeente 75% (*)

75%

50%

Cl.5: Goede sorteerders+plichtsbese/routinee+ goed Y (N=319)

24%

50%

20%

Geen nood aan

Online afvalkalender

25%

Online afvalkalender

16%

Papieren afvalkalender

0%

23%

Website intercommunale

26%

Magazine/krantje 15% gemeente/stad Online sociale 14% buurtnetwerken

Magazine/krantje gemeente/stad

App (bv. Recycle!)

Papieren afvalkalender

Website intercommunale 15%

24%

18%

0%

48%

Website stad/gemeente

App (bv. Recycle!)

100%

Cl.4: Jong gezin/kind+moeilijk rondkomen+slecht sorteren (N=204)

Papieren afvalkalender

52%

Website stad/gemeente 49% (*)

Cl.3: Achteloze goedverdieners (N=363)

26% 17% 0%

25%

50%

75%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk (*) Is totaal aandeel van de resp. topantwoorden

29.04.2022

pagina 117 of 210


6.2.3.10 Stimuleren van sorteren en verminderen van restafval Een maatregel die kan aanzetten tot meer en/of beter sorteren om zo restafval te verminderen, en die bij elke cluster tot de top 2 behoort, is het goedkoper maken van de huis-aan-huis ophaling van PMD, GFT- en groenafval. In vier van de zes clusters zou deze maatregel een stimulans vormen voor ongeveer 40% van de respondenten (i.c. 36% tot 46%); in cluster 1 en 4 – zijnde de twee clusters die het minst goed sorteren – zou deze maatregel 21% tot 29% van de respondenten kunnen stimuleren. In vier van de zes clusters – cluster 1 en cluster 4 uitgezonderd – wordt de top 2 steevast vervolledigd door de maatregel ‘op de verpakking of product duidelijk aangeven hoe te sorteren’: 42% tot 46% van de respondenten in deze clusters zou hierdoor gestimuleerd kunnen worden om meer / beter te sorteren. Het nemen van enkel deze 2 maatregelen, zou in vier van de zes clusters – cluster 1 en cluster 4 uitgezonderd – 58% tot 66% van de respondenten kunnen stimuleren om meer en/of beter te sorteren. In cluster 1 en cluster 4 zou het nemen van beide maatregelen respectievelijk 40% en 32% van de respondenten stimuleren om meer en/of beter te sorteren. Cluster 1 – omvattende de op één na (na cluster 4) minst goede sorteerders – geeft naast bovenvernoemde maatregelen nog aan dat het eenvoudiger maken van de sorteerregels hen ertoe zou kunnen aanzetten om meer en/of beter te sorteren (21%); deze maatregel zou extra 8% respondenten stimuleren, waardoor de 3 maatregelen samen 49% van de respondenten in cluster 1 zouden stimuleren om meer en/of beter te sorteren. Overige maatregelen die daarnaast de grootste netto-impact zouden hebben op het sorteergedrag van de respondenten in cluster 1 zijn: duidelijker informeren over de sorteerregels, meer hulp voorzien op het recyclagepark zodat duidelijk is welk afval waar hoort, alsook de tarieven op het recyclagepark duidelijker communiceren. Door het extra in rekening brengen van deze 3 maatregelen zouden in cluster 1 extra 15% respondenten gestimuleerd kunnen worden om meer en/of beter te sorteren, waardoor het totaal 64% zou bedragen. Merk bovendien op dat 24% van de respondenten in cluster 1 stelt geen stimulansen nodig te hebben om meer en/of beter te sorteren. In cluster 4 vinden we de respondenten terug die gemiddeld het minst goed sorteren. Ook bij hen vinden we dat een goedkopere huis-aan-huis ophaling van PMD, GFT- en groenafval het meeste respondenten zou stimuleren om meer en/of beter te sorteren, zij het met 21% een veel bescheidener aandeel dan in de overige clusters. Het duidelijk aangeven op de verpakking of product hoe te sorteren zou bijkomend 11% respondenten stimuleren, waardoor het totaal van beide maatregelen 32% bedraagt. Twee andere maatregelen die – net als in cluster 1 – een belangrijk aandeel respondenten van cluster 4 bijkomend kan stimuleren om meer en/of beter te sorteren, zijn: meer hulp voorzien op het recyclagepark zodat duidelijk is welk afval waar hoort, alsook de tarieven op het recyclagepark duidelijker communiceren. Het nemen van beide maatregelen zou bijkomend 20% respondenten van cluster 4 kunnen stimuleren om meer en/of beter te sorteren, waardoor het totale aandeel op 52% zou komen te liggen. In gelijke mate zouden ook de maatregelen ‘meer/beter informeren over het belang van sorteren’, alsook ‘meer frequent gesorteerd afval aan huis ophalen’ een belangrijk aandeel respondenten (i.c. 15%) van cluster 4 er bijkomend toe kunnen aanzetten om meer en/of beter te sorteren. De 6 maatregelen samen zouden bijna 7 op de 10 respondenten van cluster 4 (de gemiddeld minst goede sorteerders) kunnen stimuleren om meer en/of beter te sorteren.

pagina 118 of 210

29.04.2022


Figuur 34: Hoe kan U gestimuleerd worden om meer / beter te sorteren en zo uw restafval te verminderen? – Totaal Cl.1: Onverschillige-ongeïnteresseerde burgers (N=244) Gesorteerd afval goedkoper ophalen

Cl.2: Modale burgers (die relatief goed sorteren) (N=775) Gesorteerd afval goedkoper ophalen

29%

Eenvoudiger sorteerregels

Hoe sorteren op verpakking/product

46%

Hoe sorteren op verpakking/product

21%

Cl.3: Achteloze goedverdieners (N=363)

46%

Gesorteerd afval goedkoper ophalen

42%

42%

Hoe sorteren op verpakking/product

18%

Belonen

30%

Gesorteerd afval frequenter ophalen

26%

Gesorteerd afval frequenter ophalen

17%

Eenvoudiger sorteerregels

28%

Eenvoudiger sorteerregels

25%

Duidelijker info over sorteerregels

16%

Gesorteerd afval frequenter ophalen

28%

Belonen

24%

Belonen

15%

Duidelijker tarieven recyclagepark

26%

Ruimere openingsuren recyclagepark

23%

Duidelijker tarieven 13% recyclagepark

Duidelijker info over sorteerregels

21%

Duidelijker tarieven recyclagepark

23%

Ruimere openingsuren recyclagepark

20%

Kleinere afstand tot inzamelingspunten

19%

Kleinere afstand tot inzamelingspunten

19%

Duidelijker info over sorteerregels

18%

Kleinere afstand tot inzamelingspunten

13%

Vervoer naar recyclagepark

11%

Ruimere openingsuren recyclagepark

9%

Hulp op recyclagepark 15%

Hulp op recyclagepark

11%

Hulp op recyclagepark

9%

Info over belang van 11% sorteren

Vervoer naar recyclagepark

10%

Info over belang van sorteren

8%

Vervoer naar 11% recyclagepark

Info over belang van sorteren

Hoef geen stimulansen

24% 0%

29.04.2022

25%

Hoef geen stimulansen 50%

75%

100%

Hoef geen stimulansen

13% 0%

25%

50%

75%

100%

6% 14% 0%

25%

50%

75%

100%

pagina 119 of 210


Cl.4: Jong gezin/kind+moeilijk rondkomen+slecht sorteren (N=204)

Cl.5: Goede sorteerders+plichtsbese/routinee+ goed Y (N=319)

Cl.6: Goede sorteerders+iets ouders+milieubewust (N=595) Gesorteerd afval goedkoper ophalen

42%

Hoe sorteren op verpakking/product

42%

Gesorteerd afval goedkoper ophalen

21%

Hoe sorteren op verpakking/product

Duidelijker tarieven recyclagepark

20%

Gesorteerd afval goedkoper ophalen

Belonen

19%

Belonen

22%

Gesorteerd afval frequenter ophalen

26%

Hoe sorteren op verpakking/product

18%

Gesorteerd afval frequenter ophalen

20%

Duidelijker tarieven recyclagepark

24%

Gesorteerd afval frequenter ophalen

16%

Ruimere openingsuren recyclagepark

20%

Belonen

23%

Info over belang van sorteren

16%

Duidelijker tarieven recyclagepark

Kleinere afstand tot inzamelingspunten

21%

Vervoer naar recyclagepark

15%

Kleinere afstand tot 16% inzamelingspunten

Duidelijker info over sorteerregels

15%

Eenvoudiger sorteerregels 13%

Kleinere afstand tot inzamelingspunten

15%

Duidelijker info over sorteerregels

12%

Ruimere openingsuren 14% recyclagepark

Hulp op recyclagepark

11%

Eenvoudiger sorteerregels

13%

Vervoer naar recyclagepark

Hulp op recyclagepark

13%

Info over belang van sorteren

Hoef geen stimulansen

25%

36%

19%

50%

75%

100%

Ruimere openingsuren 18% recyclagepark

4%

25%

17%

Hulp op recyclagepark

15%

Info over belang van sorteren

11%

Vervoer naar recyclagepark

11%

Hoef geen stimulansen

26% 0%

Eenvoudiger sorteerregels

Duidelijker info over 14% sorteerregels

7%

Hoef geen stimulansen

10% 0%

42%

50%

75%

100%

20% 0%

25%

50%

75%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk

pagina 120 of 210

29.04.2022


6.2.3.11 Stimuleren om afval te voorkomen Bij vier van de zes clusters – uitgezonderd cluster 1 en cluster 4 – is de meest aangeduide maatregel die een stad of gemeente kan nemen om respondenten te stimuleren om afval te voorkomen, het aanbieden van compostvaten en -bakken (31% tot 39% van de respondenten). Bij de respondenten in cluster 1 en cluster 4 – de minst goede sorteerders, alsook de respondenten die momenteel gemiddeld het minste aantal acties ondernemen om het huishoudelijk afval te verminderen56 – staat deze maatregel op plaats 3 (resp. 21% en 28%). De tweede meest opgegeven maatregel die respondenten zou stimuleren om afval te voorkomen, is het voorzien van herbruikbare boodschappentassen: 29% tot 37% van de respondenten binnen elke cluster gaf dit op; de enige uitzondering is cluster 1 waar deze maatregel op plaats 4 staat (18%). Indien de stad of gemeente beide maatregelen zou nemen, zou 45% tot 52% van de respondenten binnen vier van de zes clusters ertoe aangezet kunnen worden om afval te voorkomen; bij cluster 1 en cluster 4 zou respectievelijk 31% en 39% door beide maatregelen gestimuleerd worden. Twee bijkomende maatregelen die in cluster 1 en (vooral) in cluster 4 respondenten zou stimuleren om afval te voorkomen, zijn: ‘gratis of goedkoop uitlenen van gereedschap (bijv. boormachine, tuingereedschap, ...)’, alsook ‘organiseren van een tweedehandsbeurs of rommelmarkt’ door de stad of gemeente. Beide maatregelen samen, zouden in cluster 1 bijkomend 23% en in cluster 4 bijkomend 32% van de respondenten stimuleren; merken we bovendien op dat ook in de overige vier clusters het netto-effect van deze 2 maatregelen 13% tot 19% bedraagt. Het aanbieden / ondernemen door de stad of gemeente van bovenvernoemde 4 maatregelen zou in elke cluster 55% tot 72% van de respondenten kunnen aanzetten om afval te voorkomen. De clusters met het grootste aandeel respondenten (34% tot 36%) die geen stimulansen wensen om afval te voorkomen, zijn cluster 1 (i.c. een cluster die momenteel reeds weinig onderneemt om afval te voorkomen), cluster 3 (i.c. een cluster met een huidig ‘gemiddeld’ gedrag inzake voorkomen van afval) en cluster 5 (i.c. behoort tot de betere clusters inzake voorkomen van afval). In cluster 2 en cluster 6 – tevens behorend tot de betere clusters inzake huidig gedrag ter voorkoming van afval – geeft 22% tot 24% aan geen nood te hebben aan verdere stimulansen. Tot slot vinden we dat respondenten in cluster 4 – die samen met cluster 1 gemiddeld het minste ondernemen om afval te voorkomen – in belangrijke mate kunnen aangespoord worden om hun gedrag te verbeteren, aangezien slechts 12% van de respondenten stelt geen stimulansen te willen (t.o.v. 35% van de respondenten in cluster 1).

56De respondenten in cluster 1 en cluster 4 duidden gemiddeld 3 van de 13 acties aan bij vraag 18 “Wat doet u zelf of doet uw huishouden om minder afval te hebben?”; in

cluster 3 duidde men gemiddeld 5 acties aan, in cluster 2 en cluster 5 gemiddeld 6 acties, en in cluster 6 gemiddeld 8 acties.

29.04.2022

pagina 121 of 210


Figuur 35: Hoe kan uw gemeente/stad U stimuleren om afval te voorkomen? – Totaal Cl.1: Onverschillige-ongeïnteresseerde burgers (N=244) Tweedehandsbeurs / rommelmarkt

24%

Gratis / goedkoop gereedschap

22%

Compostvaten en -bakken

21%

Compostvaten en -bakken

Herbruikbare luiers 11%

35% 0%

25%

50%

75%

Herbruikbare boodschappentassen Gratis / goedkoop gereedschap

28%

Compostvaten en -bakken

28%

Tweedehandsbeurs / rommelmarkt Informeren over duurzame aankopen Repaircafé Herbruikbare luiers

28%

Herbruikbare luiers

7%

Herbruikbare luiers

Hoef geen stimulansen

22%

Hoef geen stimulansen

50%

75%

100%

Cl.5: Goede sorteerders+plichtsbese/routinee+ goed Y (N=319)

Repaircafé

50%

75%

100%

36% 0%

25%

Herbruikbare boodschappentassen

37%

28%

Repaircafé

6% 34% 25%

50%

75%

100%

50%

75%

100%

Cl.6: Goede sorteerders+iets ouders+milieubewust (N=595)

29%

21%

0%

4%

39%

26%

Hoef geen stimulansen

16%

Compostvaten en -bakken

32%

Herbruikbare luiers

16%

25%

25%

Informeren over duurzame 14% aankopen

Hoef geen stimulansen 12%

21%

Informeren over duurzame 12% aankopen

20% 20%

22%

18%

0%

Repaircafé

31%

Informeren over duurzame aankopen

Herbruikbare boodschappentassen Tweedehandsbeurs / rommelmarkt Gratis / goedkoop gereedschap

24%

0%

32%

Compostvaten en -bakken

30%

Herbruikbare boodschappentassen Gratis / goedkoop gereedschap Tweedehandsbeurs / rommelmarkt

35%

25%

100%

Cl.4: Jong gezin/kind+moeilijk rondkomen+slecht sorteren (N=204)

31%

Repaircafé

9%

Hoef geen stimulansen

Cl.3: Achteloze goedverdieners (N=363) Compostvaten en -bakken

38%

Herbruikbare boodschappentassen Tweedehandsbeurs / rommelmarkt Gratis / goedkoop gereedschap

Herbruikbare 18% boodschappentassen Informeren over duurzame 11% aankopen

Repaircafé

Cl.2: Modale burgers (die relatief goed sorteren) (N=775)

31%

Tweedehandsbeurs / rommelmarkt Gratis / goedkoop gereedschap Informeren over duurzame aankopen

22%

Herbruikbare luiers

9%

Hoef geen stimulansen

24%

31% 30%

0%

25%

50%

75%

100%

Basis: alle respondenten (N=2.500); meerdere antwoorden mogelijk pagina 122 of 210

29.04.2022


LUIK 2: KWALITATIEVE BEVRAGING

pagina 123 of 210

29.04.2022


7 METHODOLOGIE Zoals reeds aangegeven bestaat de opdracht naast het opzetten en uitvoeren van een kwantitatieve bevraging, uit de organisatie en uitvoering van een kwalitatieve bevraging. Bij “kwalitatief onderzoek” gaat het om het begrijpen van welbepaalde fenomenen, het geven van verklaringen, het duiden van die factoren die tot een welbepaald gedrag of houding leiden (of juist niet). De resultaten van het kwantitatieve onderzoek zullen derhalve uitgediept, verfijnd en aangevuld worden met de resultaten van het kwalitatieve onderzoek dat uitgevoerd wordt middels het opzetten van focusgroepen. Betreffende de uitvoering van het kwalitatieve onderzoeksdeel, onderscheiden we ook hier 3 delen: 1.

Opmaak van het draaiboek;

2.

Voorbereiding en organisatie van de focusgroepen: a b

3.

Afbakening van de focusgroepen; Rekruteringscriteria deelnemers;

Realisatie van de focusgroepen.

7.1 OPMAAK VAN HET DRAAIBOEK Het draaiboek werd opgesteld door M.A.S. op basis van: – de HIVA-studie: Ingnace Pollet, Luc Van Ootegem & Kris Bachus, Invloed van demografische ontwikkelingen op het afvalbeheer, Fase 3: Bevindingen vanuit de Focusgroepen, Onderzoek in opdracht van OVAM, 2014, HIVA-KU Leuven; – de resultaten van de kwantitatieve bevraging; – de feedback van de stuurgroepleden.

pagina 124 of 210

29.04.2022


Het draaiboek is opgebouwd rond 12 grote delen: 1

Verwelkoming – introductie – voorstelling deelnemers – terminologie;

2

Afvalinzameling in de gemeente → wijze van organisage;

3

Afvalinzameling: sorteren – praktisch → focus ligt hier op het onbewust fougef sorteren omwille van onvoldoende kennis: − Huis-aan-huis ophaling; − Recyclagepark; − Andere inzamelpunten;

6

Afvalinzameling: sorteren – motivatie: − Drie belangrijkste redenen voor deelnemers om hun afval te sorteren;

7

Afvalinzameling: mogelijke belemmeringen → focus ligt hier op het bewust fougef sorteren en de redenen hiervoor: − Huis-aan-huis ophaling; − Recyclagepark; − Andere inzamelpunten; − Drie belangrijkste redenen of obstakels voor deelnemers om hun afval niet (allemaal) te sorteren of niet correct te sorteren;

8

Open vraag: Hoe kan men gemotiveerd worden om minder afval te hebben en het afval dat men heeft, beter te sorteren?

9

Kostprijs van afvalinzameling: − Huis-aan-huis ophaling; − Recyclagepark;

10 Mogelijke verbeterpunten: − Huis-aan-huis ophaling; − Recyclagepark; 11 Communicatie → hoe zich informeren over afvalophaling en -sortering: − Huidige situatie; − Hoe wenst men geïnformeerd te worden; 12 Afvalpreventie & Hergebruik & Beter sorteren → hoe zorgen om minder afval te hebben; 13 Afronding: − Open vraag: waar moet op ingezet worden / wat heeft grootste effect opdat meer mensen hun afval

(nog beter) gaan sorteren; 14 Uitleiding.

Het draaiboek is in bijlage opgenomen

pagina 125 of 210

29.04.2022


7.2 VOORBEREIDING EN ORGANISATIE VAN DE FOCUSGROEPEN 7.2.1 Afbakening van de focusgroepen Er werden vijf focusgroepen georganiseerd bestaande uit telkens 7 (tot 8) personen. Het betreft volgende focusgroepen: – Focusgroep 1: “Actieve tweeverdieners zonder (thuiswonende) kinderen”; – Focusgroep 2: “Gezinnen (incl. éénoudergezinnen) met jonge kinderen (< 6 jaar)”; – Focusgroep 3: “Huishoudens met gezinslid van 50 jaar en ouder (met 75+ jaar!)”; – Focusgroep 4: “Jonge alleenstaanden, studerend / afgestudeerd met of zonder beroep, in cohousing”; – Focusgroep 5: “Huishoudens van niet-Belgische herkomst van 35 jaar en ouder”. De drie eerste focusgroepen werden afgebakend / gedefinieerd op basis van de in de HIVA-studie afgebakende negen huishoudprofielen57 in combinatie met de bevindingen van de kwantitatieve bevraging aangaande sorteergedrag 2021 (i.c. de cluster- en segmentatie-analyse). De definiëring van de vierde focusgroep is eveneens gebeurd op basis van de HIVA-studie in combinatie met de vraag vanuit de stuurgroep (reeds bij de opmaak van de vragenlijst) het sorteergedrag van studenten of jonge afgestudeerden die niet (meer) thuis wonen extra te belichten. Dit was ook het geval voor de vijfde focusgroep met hier nog als extra beweegreden dat de online respons op de kwantitatieve bevraging van deze groep niet groot was.

7.2.2 Rekruteringscriteria deelnemers Zoals vermeld, werden 5 focusgroepen afgebakend waarbij de deelnemers aan de onderscheiden focusgroepen aan een reeks vooraf vastgelegde criteria dienden te voldoen. In wat volgt, worden voor elke focusgroep de hierbij horende rekruteringscriteria opgenomen. 7.2.2.1 Focusgroep 1: “Actieve tweeverdieners zonder (thuiswonende) kinderen” Met volgende rekruteringscriteria: – Leeftijd tussen 35 en 55 jaar; – Samenwonend met partner; – Geen thuiswonende kinderen; – Beide partners zijn beroepsactief; – Netto gezinsinkomen tussen € 2.500 en € 5.000 per maand; – Mix naar woontype: appartement/studio vs. gesloten bebouwing vs. (half)open bebouwing; – Mix naar woonplaats: (groot-)stedelijk vs. landelijk.

57 Invloed van demografische ontwikkelingen op het afvalbeheer. Fase 3: bevindingen vanuit de Focusgroepen, HIVA

(i.o.v. OVAM), 2014.

pagina 126 of 210

29.04.2022


7.2.2.2 Focusgroep 2: “Gezinnen (incl. éénoudergezinnen) met jonge kinderen (< 6 jaar)” Met volgende rekruteringscriteria: – Gezinnen met jonge kinderen (<6 jaar); – Leeftijd <40 jaar; – Mix naar gezinstype: koppels vs. alleenstaanden; – Minstens één beroepsactieve ouder in gezin; – Mix naar woontype: appartement/studio vs. gesloten bebouwing vs. (half)open bebouwing; – Mix naar woonplaats: (groot-)stedelijk vs. landelijk. 7.2.2.3 Focusgroep 3: “Huishoudens met gezinslid van 50 jaar en ouder (met 75+ jaar!)” Met volgende rekruteringscriteria: – Mix naar leeftijd: 50-64 jaar vs. 65-74 jaar vs. 75 jaar of ouder; – Mix naar gezinstype: koppels vs. alleenstaanden; – Mix naar inwonende kinderen: wel vs. geen; – Mix naar inkomen: moeilijk vs. gemakkelijk rondkomen; – Mix naar woontype: appartement/studio vs. gesloten bebouwing vs. (half)open bebouwing met relatief meer appartement; – Mix naar woonplaats: (groot-)stedelijk vs. landelijk. 7.2.2.4

Focusgroep 4: “Jonge alleenstaanden, studerend / afgestudeerd met of zonder beroep, in cohousing” Met volgende rekruteringscriteria: – Leeftijd: 18-29 jaar; – Mix naar beroepsactiviteit: studerend vs. werkzoekend / beroepsactief; – Woontype: studerend op kot/gemeenschapshuis vs. cohousing. 7.2.2.5 Focusgroep 5: “Huishoudens van niet-Belgische herkomst van 35 jaar en ouder” Met volgende rekruteringscriteria: – Alle gezinsleden zijn van niet-Belgische herkomst; – Nederlands is niet de (hoofd)spreektaal in gezin; – Leeftijd: vanaf 35 jaar; – Mix naar gezinstype: alleenstaanden vs. kleine vs. grote gezinnen; – Mix naar beroepsactiviteit: beroepsactief vs. niet-beroepsactief; – Mix naar inkomen: moeilijk vs. neutraal vs. gemakkelijk rondkomen; – Mix naar woontype: appartement/studio vs. gesloten bebouwing vs. (half)open bebouwing; – Mix naar woonplaats: (groot-)stedelijk vs. landelijk.

pagina 127 of 210

29.04.2022


7.3 REALISATIE VAN DE FOCUSGROEPEN Betreffende de effectieve realisatie van de focusgroepen: de twee eerste focusgroepen hebben plaatsgevonden in Gent op maandag 25 oktober 2021, de derde en vierde focusgroep ging door in Antwerpen op woensdag 3 november 2021 en de vijfde focusgroep tot slot werd eveneens georganiseerd in Antwerpen en dit op maandag 15 november. Iedere focusgroep duurde ca. 2 uur (met een half uurtje pauze). De deelnemers werd gevraagd een kwartier op voorhand aanwezig te zijn. De focusgroepen konden in de volgkamer (one-way mirror) gevolgd worden, alsook op een intern tv-circuit. De discussies werden eveneens digitaal opgenomen en tegelijkertijd werden er notities genomen door de projectverantwoordelijke van M.A.S. De focusgroepen werden gemodereerd door Dirk De Martelaere (directeur M.A.S); tijdens drie focusgroepen waren ook andere leden van het projectteam aanwezig – belangrijk voor wat de interpretatie van de outcome van de focusgroepen betreft. Uiteraard werd ook aan de stuurgroepleden de mogelijkheid geboden aanwezig te zijn tijdens de focusgroepen (vanuit de volgkamer). Het draaiboek – zoals door M.A.S. ontworpen – bepaalde het verloop van de focusgroepen en werd ook gevolgd voor wat de verslaggeving van iedere focusgroep betreft.

pagina 128 of 210

29.04.2022


8 RESULTATEN Op basis van de digitale opnames, alsook de notulen van de focusgroepen, werd een verslag opgemaakt waarbij elke focusgroep afzonderlijk wordt besproken.

pagina 129 of 210

29.04.2022


8.1 FOCUSGROEP 1: ACTIEVE TWEEVERDIENERS ZONDER (THUISWONENDE) KINDEREN Coördinaten deelnemers

Gent, 25 oktober 2021 – 18u-20u30

Aantal deelnemers

8 (4 mannen / 4 vrouwen)

Demografische kenmerken

Leeftijd: 35-39j: 5 // 40-49j: 2 // 50+: 1 Allen samenwonend/gehuwd zd kind; beiden beroepsactief Netto gezinsinkomen: € 2.500-5.000: 7 // >5.000: 1 Makkelijk rondkomen: 6 // niet moeilijk, niet makkelijk: 1 // moeilijk:1

Type woning

Open bebouwing: 1 // halfopen: 2 // gesloten: 2 // appartement: 3

Woonplaats

Oosterzele, Ledeberg, Gent (3), Wondelgem, Sint-Niklaas, Melle

Alle deelnemers dienden zelf (deels) verantwoordelijk te zijn voor het afvalsorteren, vuilnis buitenzetten en/of naar het recyclagepark gaan.

8.1.1 Afvalinzameling in gemeente [Bedoeling hier is enkel na te gaan in welke mate deelnemers op de hoogte zijn / kennis hebben van de afvalinzameling in hun gemeente (i.k.v. verwerking/analyse achteraf). Het is dus niet de bedoeling hen te corrigeren of aan te vullen indien hun kennis zou afwijken van de reële situatie in hun gemeente.] De deelnemers zijn zeer goed op de hoogte van de afvalinzameling in hun gemeente. De afvalinzameling is niet in elke gemeente hetzelfde. Er zijn verschillen in de manier van inzamelen (zakken versus containers), het soort afval dat aan huis wordt opgehaald, de frequentie van ophaling, de wijze waarop het recyclagepark georganiseerd is, enzovoort. PMD, restafval en papier en karton wordt bij iedereen thuis opgehaald. Mensen hebben voor GFT zelf de keuze om enerzijds een container te gebruiken of anderzijds GFT-afval bij het restafval te gooien. Ook de ophaling van glas is verschillend naargelang de woonplaats. Zo wordt dit bij sommigen opgehaald en bij anderen niet. PMD wordt bij iedereen in zakken opgehaald en GFT in containers. Het restafval wordt op verschillende wijzen opgehaald. Bij sommige personen gebeurt dit via containers, bij anderen dan weer via zakken. Personen die in een appartementsgebouw wonen, moeten individueel hun zakken aankopen, maar kunnen deze wel in de kelder van het gebouw in een gezamenlijke rolcontainer gooien; deze container wordt dan buiten gezet door de conciërge. In de Gent wordt restafval wekelijks opgehaald, GFT en PMD om de 14 dagen. In de gemeenten Oosterzele, Sint-Niklaas en Melle wordt het restafval om de 14 dagen opgehaald, zoals dit ook het geval is voor GFT en PMD. Bij deelnemers waar ook glas wordt opgehaald, gebeurt dit om de twee weken. De personen die hun afval in een gemeenschappelijke container verzamelen, kunnen hier gebruik van maken 7/7. Isomo, hout, glas, grotere attributen, klein gevaarlijk afval en een oude matras worden naar het recyclagepark gebracht. Net zoals grote en kleine elektro, alsook plastiek dat niet in de PMD-zak past. Batterijen en oliën kunnen dan weer worden gebracht naar de supermarkt.

pagina 130 of 210

29.04.2022


8.1.2 Sorteren – Praktisch [In dit onderdeel wensen we na te gaan 1. in welke mate de deelnemers sorteren, en 2. in welke mate de deelnemers op de hoogte zijn van de huidige sorteerregels. De focus hier ligt op het onbewust foutief sorteren omwille van onvoldoende kennis.] 8.1.2.1 Algemeen De deelnemers sorteren zoveel mogelijk, en zo goed mogelijk, maar indien dit niet het geval is of in geval van twijfel, dan komt het resp. residu bij restafval terecht. Er is ook twijfel over wat nu precies de juiste regels van sorteren zijn – bij verandering van regels weet niemand meer, waar wat en hoe gesorteerd moet worden. “Mensen gaan er vaak van uit “het zal zo wel zijn””. De sorteerregels voor particulieren blijken te verschillen van deze voor bedrijven, dit verhoogt de onduidelijkheid van de regels. 8.1.2.2

Huis-aan-huis ophaling

8.1.2.2.1 Betreffende PMD Met de nieuwe PMD-zakken is er veel twijfel over wat er al dan niet in mag. Vooral gemengde verpakking zorgt vaak voor verwarring bij de deelnemers. Bij twijfel wordt het vaak (snel) bij het restafval gegooid. Enkelen gaan het opzoeken via het internet of op de afvalkalender. Bij de deelnemers die in een appartementsgebouw wonen en die werken via een systeem met een gezamenlijke rolcontainer, hangt er soms een brief van de conciërge dat mensen moeten sorteren en dat sluikstorten wordt beboet. Het is echter wel moeilijk om te weten wie welke zak in de rolcontainer gooit. We hebben een aantal lege verpakkingen meegebracht. Bij welk soort afval denken jullie dat deze horen: Aluminium bakje  sommigen gooien het in de PMD-zak als het proper is, zo niet bij restafval anderen doen dat altijd bij het restafval; Boterbakje  volgens de volledige groep: met de nieuwe PMD-zak mag dat nu wel bij de PMD; Plastiek zakje (supermarkt)  verdeelde mening: ofwel PMD ofwel restafval; Zilverkleurige folie (gemalen) koffie  allen: PMD; Yoghurtpotje  allen: PMD; Folie waar een koekje in heeft gezeten  PMD Klikspeelgoed groenblauw (Duplo – harde plastiek)  sommigen: PMD; anderen: restafval; Duplo-blokje  sommigen: als het maar één blokje is → bij restafval; anderen: PMD; 1 deelnemer: kringloopwinkel; Gemalen koffiecilinder  meesten: PMD; Luchtverfrisser spuitbus  indien leeg: PMD; Scheerschuim spuitbus  deelnemers twijfelen tussen PMD of recyclagepark; Stylo  restafval.

pagina 131 of 210

29.04.2022


8.1.2.2.2 GFT Het GFT-afval wordt voornamelijk in een GFT-container gegooid. De deelnemers die hier geen gebruik van maken, wonen op een appartement. Zij gooien hun GFT-afval doorgaans bij het restafval. Er zijn ook deelnemers die hun GFT zoveel mogelijk composteren of aan de kippen voeren. Over eierschalen werd al eens getwijfeld of het al dan niet bij het GFT hoort; deze komen dan terecht bij het restafval. Ook oud brood wordt niet altijd bij het GFT-afval gedaan, sommigen gooien dit bij hun restafval. Etensresten worden ook soms in het toilet gegooid. 8.1.2.2.3 Restafval Twijfel is er over verpakkingen of afvalproducten van eten of ze wel of niet bij het restafval horen. Scheiden of niet? Of alles samen bij het restafval? Dit laatste wordt vaak gedaan wanneer het gaat om vervallen producten. 8.1.2.3 Recyclagepark Er wordt niet vaak naar het recyclagepark gegaan. Wanneer mensen wel gaan, dan is dit vooral voor isomo, ijzerafval en dingen die echt niet meer bruikbaar zijn.

8.1.3 Sorteren – Motivatie -> Open vraag: Waarom sorteert u? Wat zijn voor u de 3 belangrijkste redenen om uw afval te sorteren? Een belangrijke reden waarom de deelnemers sorteren is vooral één van financiële aard: zo wordt aangegeven dat het goedkoper is om te sorteren (PMD is goedkoper dan restafval). Ook het milieu vormt een belangrijke stimulans. Door te sorteren krijgt men het gevoel iets nuttig te doen. Het is de som van de individuen die het verschil maakt. Het hoort zo – afvalberg moet kleiner worden – bewust omgaan met afval. Verder geven de meeste deelnemers aan dat ze sorteren uit gewoonte enerzijds en omdat ze verplicht worden vanuit de gemeente / overheid anderzijds.

8.1.4 Sorteren – Mogelijke belemmeringen [In dit onderdeel wensen we na te gaan welke problemen men ervaart bij het inzamelen van afval. Hoe komt het dat afval dat gesorteerd kan worden, toch bij het restafval terecht komt. De focus hier ligt op het bewust foutief sorteren & de reden(en) hiervoor.] 8.1.4.1 Huis-aan-huis ophaling Bij twijfel over wat waar thuishoort, gaan veel deelnemers dit eerst opzoeken op het internet. De site waar je het soort afval intypt om te zien in welke zak, wat hoort, wordt door de deelnemers gebruikt, maar omdat volgens hen niet alle afvalsoorten hier terug te vinden zijn, wordt er ook nog vaak naar de afvalkalender gekeken. De kleine vuilbakken die in de verschillende ruimtes staan, zoals het toilet en de keuken, worden al snel leeggemaakt bij het restafval zonder te sorteren. Wc-rolletjes en shampooflessen worden wel goed gesorteerd en afzonderlijk gehouden.

pagina 132 of 210

29.04.2022


Een aantal deelnemers die in de stad wonen of langs een steenweg, gooien hun GFT sneller bij het restafval, omdat ze hun GFT-container niet graag buitenzetten (uit schrik dat deze gestolen wordt). 8.1.4.2 Recyclagepark Op de vraag of er zaken zijn die de deelnemers (soms) tegenhouden om naar het recyclagepark te gaan, wordt door de meerderheid het gebrek aan vervoer (geen eigen wagen) vermeld. Ook de openingsuren vormen een barrière voor veel mensen. Als mensen voltijds werken is het moeilijk om in de week naar het recyclagepark te gaan. Op zaterdag is er dan weer heel veel volk waardoor het soms wel een halfuur of een uur aanschuiven is. Zeker tijdens corona is deze drukte toegenomen. De gratis beurten blijken voor een aantal deelnemers een pluspunt te zijn, waardoor men wel sneller / frequenter naar het recyclagepark gaat. 8.1.4.3 Algemeen Een mogelijke belemmering om beter te sorteren (minder restafval te hebben) is dat het niet zo duidelijk is wat er allemaal met het gesorteerd afval gebeurt – dat hier ter zake weinig transparantie / informatie over is. Iedereen wil wel geloven dat het gesorteerde afval wordt gerecycleerd, maar toch denkt men dat een groot deel ervan ook wordt verbrand. PMD zal niet altijd worden omgevormd tot een nieuw blikje bijvoorbeeld. Ook leeft de overtuiging dat een groot deel van het afval op schepen naar Afrika gevoerd wordt. Volgens een aantal deelnemers wordt niet alles gerecycleerd, omdat er simpelweg nog niet de juiste technieken voor bestaan. Het vormt alleszins geen stimulans om het afval correct / meer te sorteren als er “niets” met dit gesorteerd afval wordt gedaan. Goed sorteren kost ook veel geld!  werkt sluikstorten in de hand! -> Open vraag: Wat zijn voor u de 3 belangrijkste redenen of obstakels om uw afval NIET (allemaal) te sorteren – of niet correct – te sorteren? Een gebrek aan ruimte / plaatsgebrek is een belangrijke reden om (niet) correct te sorteren – althans voor de deelnemers die in een appartement wonen of zij die over geen of weinig buitenruimte beschikken of ruimte in de keuken. Niet enkel ruimte, maar ook een gebrek aan tijd, wordt als reden gegeven om niet altijd (correct) te sorteren. De reden die ook vaak vernoemd wordt, is gemakzucht: men heeft geen zin om naar buiten te gaan voor wat het GFT-afval betreft of bijvoorbeeld naar de garage voor de PMD-zak. Dit afval wordt dan bij het restafval gegooid. Anderen zeggen dan weer dat ze soms te lui zijn om op te zoeken in welke zak wat mag en wat niet en het dan gewoon bij het restafval gooien. Het gaat hier ook om de onduidelijkheid van de sorteerregels (twijfel wat waar hoe). De combinatie van verschillende verpakkingsmaterialen (en bijgevolg het scheiden van de verschillende verpakkingen) is ook wel een reden om afval bij het restafval te gooien. Het gebrek aan transparantie over wat er met het gesorteerd afval gebeurt, houdt ook deelnemers tegen om correct(er) te sorteren.

pagina 133 of 210

29.04.2022


[In wat volgt, is het de bedoeling de focus meer te leggen op de oplossingen. Hoe kan ervoor gezorgd worden dat men meer of beter gaat sorteren?] -> Open vraag: Hoe zouden mensen gemotiveerd kunnen worden om enerzijds minder afval te hebben, en anderzijds het afval dat ze hebben beter te sorteren? [rondje tafel] Een belangrijke motivator is het sorteren minder betalend te maken; bijvoorbeeld: een deel van het recyclagepark is niet-betalend en een ander deel wel. Mensen gaan dan proberen zo veel mogelijk afval in het niet-betalend deel te gooien. Ook zou het goedkoper maken van de zakken een optie kunnen zijn, zo voorkom je dat mensen sluikstorten, maar dit kan ook tot gevolg hebben dat de motivatie om te sorteren afneemt. Het probleem dat mensen veel afval hebben, ligt vooral bij de producenten. Door producten met verpakkingen duurder te maken en bulkgoederen goedkoper te maken, zouden klanten hun gedrag kunnen aanpassen en minder producten met verpakkingsafval kopen. Ook zouden producenten duidelijker op hun verpakking kunnen vermelden waar en hoe de verpakking te sorteren. Veel deelnemers zijn alleszins de mening toegedaan dat de sorteerregels duidelijker moeten gemaakt worden. Het voorzien in een beloningsstrategie om mensen meer te laten sorteren, kan ook een motivator zijn; zo bestaat het bijvoorbeeld ergens dat men door het inleveren van lege plastieken flessen een metroticket kan kopen. Statiegeld op plastieken flessen zou ook kunnen leiden tot minder afval. Ongeacht de omvang van sensibilisering, betere regels, enzovoort, de juiste mentaliteit t.a.v. sorteren is een belangrijk gegeven bij het beter / meer sorteren, zo wordt aangehaald door een deelnemer.

8.1.5 Kostprijs afvalophaling / recyclagepark [Hoe staat men ten aanzien van de huidige tarifering en welk effect heeft dit (of kan dit hebben) op het beperken en sorteren van afval.] 8.1.5.1 Huis-aan-huis ophaling Een aantal deelnemers vindt de prijs van restafval een correcte prijs. De prijs stimuleert ook om te sorteren, aangezien de prijs van PMD lager is waardoor men zo weinig mogelijk afval bij het restafval probeert te gooien. Voor zij die het financieel minder hebben, is - volgens de deelnemers - sorteren niet gemakkelijk. Voor mensen met een laag inkomen (of zij die moeilijk financieel rondkomen), is sorteren geen prioriteit en dit omwille van de kostprijs van het sorteren – zij hebben andere zorgen en prioriteiten. Maar volgens een aantal deelnemers is sorteren ook niet steeds een prioriteit voor de ‘hogere’ inkomensklassen, wat deels toegeschreven kan worden aan hun opvoeding. Een beloningstrategie zou hier een oplossing kunnen zijn? 8.1.5.2 Recyclagepark De deelnemers gaan weinig naar het recyclagepark. In Gent krijgt men ook 12 gratis beurten. In andere gemeenten krijgt men x kg gratis. Toch wordt aangegeven dat afleveren van betalende fracties in het recyclagepark duur is geworden. De kostprijs vormt niet echt een barrière aangezien het thuis laten opstapelen geen optie is. Men gaat er wel voor zorgen zoveel mogelijk weg te gooien bij het niet-betalend deel van het park.

pagina 134 of 210

29.04.2022


8.1.6 Huis-aan-huis ophaling – Mogelijke verbeterpunten Men wenst een frequentere ophaling van papier/karton (van bijv. 1x/maand naar 2x/maand), alsook voorzien in een ophaling van het glas. Ook wenst men terug (zoals dit vroeger het geval was) een tweejaarlijkse ophaling aan huis van het grof vuil. Nu moet men een afspraak maken en ervoor betalen.

8.1.7 Recyclagepark – Mogelijke verbeterpunten De deelnemers zien een mogelijk verbeterpunt m.b.t. het recyclagepark in de inrichting van een pop-up containerpark; dit geldt ook voor de organisatie van een mobiel recyclagepark. Als bemerking geeft men mee dat men de indruk heeft dat het personeel van de parken, ook niet altijd weet in welke container het afval thuishoort. Velen zijn het ook eens dat de openingsuren later mogen zijn dan 18 uur.

8.1.8 Communicatie De meeste deelnemers worden vooral via de afval-, sorteerkalender geïnformeerd. Ook de foldertjes die men kan ophangen (maar niet de brochure van IVAGO) zijn een goede informatiebron. Naast de afvalkalender, zou men ook (beter) geïnformeerd kunnen worden middels een folder op hard papier, geïllustreerd met prenten, ... Nieuwe informatie kan misschien ook handig worden gecommuniceerd via een folder die wordt toegevoegd bij nieuwe zakken. Mail kan ook, maar de meeste geven toch aan dat ze eerder een folder zouden lezen dan iets digitaal. Communicatie kan ook bijvoorbeeld via de stadskrant gebeuren. Al zal een persoonlijk bericht – bijv. “aan de bewoner van dit huis” – meer aandacht trekken dan iets via een krant of tv, wat meestal niet blijft hangen.

8.1.9 Afvalpreventie & hergebruik -> Open vraag: Op welke manier zorgen jullie er momenteel al voor dat jullie minder afval (heel ruim: GFT, kledij, textiel, speelgoed, …) hebben? Welke bijkomende inspanningen zouden jullie nog kunnen doen om afval te beperken of te vermijden? 8.1.9.1 Betreffende wat men momenteel doet om minder afval te hebben – minder kopen – bewuster kopen; – hergebruiken / repareren / producten doorverkopen (2ehands / Vinted ..) / kringloopwinkel  duurzaam omgaan met producten; – kiezen voor een product met minste verpakking; – producten kopen bij verpakkingsvrije winkels; – composteren; – producten kopen bij hoevewinkels; – kraantjeswater drinken;

pagina 135 of 210

29.04.2022


–

twee deelnemers geven aan dat ze proberen om minder rommel aan te nemen waar men finaal niets mee doet, zoals bijv. gratis speelgoed dat je krijgt bij het kopen van producten of aannemen van goodie bags op beurzen.

8.1.9.2 Bijkomende inspanningen nog doen – minder kopen; – minder verpakte producten kopen; – instappen in deeleconomie; – duurzame producten kopen; – bewuster gaan winkelen in winkels die producten aanbieden met minder of zonder verpakking; – eigen moestuin; – bereid zijn om statiegeld te betalen. Vooral het financiële aspect zal een stimulans zijn om het gedrag van mensen te veranderen. Wanneer de grote spelers, zoals bijvoorbeeld Carrefour, een meer “centrale” plaats geven aan onverpakte producten, dan gaan de mensen dat sneller kopen. Ongeveer de helft van de deelnemers heeft geen anti-reclame sticker. Ze vinden het leuk om door folders te bladeren. Tegenwoordig worden er wel minder folders in de bus geleverd dan vroeger. Wanneer de deelnemers iemand anders aanspreken op hun niet-sorteergedrag is dat vaak hun partner. Eén respondent is leerkracht en spreekt soms leerlingen aan als ze bijvoorbeeld hun sigarettenpeuken op de grond gooien. Ook omgekeerd, zullen de deelnemers vooral door hun partners worden aangesproken over hun eigen niet-sorteergedrag; maar zowel het aanspreken als het aangesproken worden, gebeurt niet zo vaak. De meeste deelnemers geven aan dat ze nu meer moeite doen om te sorteren (cfr. minder restafval) in vergelijking met vroeger. Zij sorteerden al goed, maar nu zijn ze er wat extremer in geworden. Het verschil met vroeger is vooral dat men nu meer geneigd is om na te denken over hoeveel afval een bepaald product produceert. Ook gelinkt aan respect voor milieu en klimaat!

-> Afrondende open vraag : Als we ervoor willen zorgen dat meer mensen hun afval gaan sorteren of hun afval nog beter gaan sorteren, waar moet volgens jullie in de eerste plaats op ingezet worden / wat zou het grootste effect kunnen hebben? [rondje tafel] – – – – – – –

Probleem aan de bron aanpakken; Statiegeld voor bijvoorbeeld plastieken flessen en glas; Sensibiliseringscampagne voeren; Iets gratis schenken door de afvalbedrijven zoals gratis vuilniszakken; Indien men een nieuw product koopt en het oude inlevert (bijv. GSM) een kleine compensatie geven (payback?); Duidelijker / eenvoudiger maken van de sorteerregels; Meer transparantie over wat gebeurt met gesorteerd afval en dat ook duidelijk tonen (film / spot / …);

pagina 136 of 210

29.04.2022


– – – – – – –

Het inzetten van een beloningsstrategie; De prijs van niet gesorteerd afval, dus restafval en grof vuil, verhogen; De prijs van gesorteerd afval (aan huis + recyclagepark) verlagen; Meer fracties ophalen tegen een prijs; Stimuleren van repaircafés; Recuperatie van edele metalen bijv. in GSM; Meer verantwoordelijkheid leggen bij producenten.

pagina 137 of 210

29.04.2022


8.2 FOCUSGROEP 2: GEZINNEN (INCL. ÉÉNOUDERGEZINNEN) MET JONGE KINDEREN (<6 JAAR) Coördinaten deelnemers

Gent, 25 oktober 2021 – 20u15-22u45

Aantal deelnemers

8 (4 mannen / 4 vrouwen)

Demografische kenmerken

Leeftijd: <30j: 1 // 30-34j: 4 // 35-39j: 3 Samenwonend/gehuwd met jonge kinderen (<6 jaar): 5 // Alleenstaand met jonge kinderen (<6 jaar): 3 Netto gezinsinkomen: <2.500: 3 // € 2.500-5.000: 5 Makkelijk rondkomen: 3 // noch moeilijk, noch makkelijk: 5

Type woning

Open bebouwing: 2 // halfopen: 1 // gesloten: 2 // appartement: 3

Woonplaats

Gentbrugge (2), Ledeberg, Gent, Lochristi (2), Erpe-Mere, Ronse

Alle deelnemers dienden zelf (deels) verantwoordelijk te zijn voor het afvalsorteren, vuilnis buitenzetten en/of naar het recyclagepark gaan.

8.2.1 Afvalinzameling in gemeente [Bedoeling hier is enkel na te gaan in welke mate deelnemers op de hoogte zijn / kennis hebben van de afvalinzameling in hun gemeente (i.k.v. verwerking/analyse achteraf). Het is dus niet de bedoeling hen te corrigeren of aan te vullen indien hun kennis zou afwijken van de reële situatie in hun gemeente.] De deelnemers zijn zeer goed op de hoogte van de afvalinzameling in hun gemeente. De afvalinzameling is niet in elke gemeente hetzelfde. Er zijn verschillen in de manier van inzamelen (zakken versus containers), het soort afval dat aan huis wordt opgehaald, de frequentie van ophaling, de wijze waarop het recyclagepark georganiseerd is, enzovoort. Bij alle deelnemers wordt restafval, PMD, papier en karton aan huis opgehaald. Glas en GFT wordt bij sommigen ook thuis opgehaald, bij anderen dan weer niet (bijv. Ronse geen GFT en Lochristi en Beervelde geen glas). PMD wordt bij iedereen opgehaald in zakken. Restafval en GFT werd bij sommige deelnemers tot voor kort in zakken opgehaald maar nu in containers. Bij anderen wordt restafval wel nog steeds opgehaald in zakken. Glas wordt opgehaald in een oranje emmer of container; de personen bij wie het glas niet wordt opgehaald brengen dit naar de glascontainer/-bollen. De frequentie waarmee het afval wordt opgehaald hangt af van de woonplaats. Restafval, GFT en PMD wordt in Ronse, Lochristi en Erpe-Mere om de 14 dagen opgehaald, in Gent gebeurt de ophaling van het restafval wekelijks en PMD en GFT om de 14 dagen. Papier /karton worden één keer in de maand opgehaald in het Gentse, Erpe-Mere en Lochristie; in Ronse is dit om de 14 dagen.

pagina 138 of 210

29.04.2022


Groot tuinafval, zoals snoeiafval, kan worden opgehaald (op afspraak en tegen betaling). Dit geldt ook voor groot huisvuil (voor sommigen één keer per jaar gratis). Textiel wordt naar containers gebracht of binnen gebracht in bepaalde kledingwinkels waarvoor men in ruil een bon van 15% korting krijgt op de volgende aankoop. Bouwafval brengen de deelnemers naar het recyclagepark.

8.2.2 Sorteren – Praktisch [In dit onderdeel wensen we na te gaan 1. in welke mate de deelnemers sorteren, en 2. in welke mate de deelnemers op de hoogte zijn van de huidige sorteerregels. De focus hier ligt op het onbewust foutief sorteren omwille van onvoldoende kennis.] 8.2.2.1

Huis-aan-huis ophaling

8.2.2.1.1 Betreffende PMD De deelnemers geven aan te weten wat al dan niet in de PMD-zak mag. Toch is er ook twijfel, en dit toen ze de PMD-zak veranderd hadden (toen was het moeilijker …). Bij twijfel wordt vaak opgezocht hoe te sorteren (via de flyer) maar het gebeurt ook wel eens dat het afval dan gewoon bij het restafval verdwijnt. Bij twee deelnemers heeft men de zakken al eens geweigerd (en een rode sticker op geplakt): beiden waren verhuisd naar een andere gemeente en hadden toen de PMD-zakken van hun oude gemeente gebruikt en buiten gezet. Alles was wel mooi gesorteerd, maar het waren dus de foute zakken. We hebben een aantal lege verpakkingen meegebracht. Bij welk soort afval denken jullie dat deze horen: Aluminium bakje  allen: PMD; Boterbakje  sommigen: PMD; anderen: doen het bij hun restafval omdat anders de restafvalzakken niet vol geraken (voor de volgende ophaling); Plastiek zakje (supermarkt)  allen: PMD; Zilverkleurige folie (gemalen) koffie  allen: PMD; Yoghurtpotje  allen: PMD (indien het leeg is); Folie waarmee koekje is verpakt  allen: PMD; Klikspeelgoed groenblauw (Duplo harde plastiek)  sommigen: PMD; anderen: restafval; Duplo speelgoed-blokje  2 deelnemers: PMD; 4 deelnemers: zeker niet bij het PMD, maar bij het restafval ofwel verzamelen en naar het recyclagepark brengen; Koffiecilinder  5 deelnemers: PMD; 3 deelnemers: restafval – zeker niet bij PMD; Luchtverfrisser (spuitbus)  bijna allen: PMD; Scheerschuim (spuitbus)  allen: PMD; Stylo  niet iedereen is het eens of het bij PMD hoort, sommigen zouden het bij het restafval gooien. 8.2.2.1.2 GFT Betreffende sorteren van GFT, is er veel onduidelijkheid over wat er al dan niet bij mag. Zo twijfelt men over het groen van wortels, bananenschillen, (bereide) etensrestjes; toch wordt het allemaal bij het GFT gedaan. Eierschalen mag dat? Of enkel groenten en fruit? Vlees en vis?

pagina 139 of 210

29.04.2022


8.2.2.1.3 Restafval In geval van vervallen producten (hier potje yoghurt): sommigen gooien dit bij het restafval (verpakking met inhoud), anderen doen het potje bij PMD en de inhoud bij het restafval, of ook nog afval bij GFT of ook nog in het toilet, ... Bij vervallen vlees zijn de deelnemers het wel allemaal eens dat het vlees van de verpakking moet worden gescheiden: het vlees bij GFT en de verpakking bij PMD. Door de groep wordt aangegeven dat er toch veel twijfel bestaat rond hoe correct te sorteren, niet enkel bij henzelf maar ook bij de mensen ‘rondom’ hen. 8.2.2.2 Andere afvalinzamelpunten (betreft afval, geen producten die voor 2dehands in aanmerking komen) Iedereen maakt gebruik van zowel de glascontainer (indien het niet wordt opgehaald) als van Recupelinzamelpunten. Ook geeft iemand aan al 2x het mobiel recyclagepark te hebben gebruikt hetgeen als zeer handig en nuttig wordt ervaren ingeval dat men weinig afval heeft of geen auto.

8.2.3 Sorteren – Motivatie -> Open vraag: Waarom sorteert u? Wat zijn voor u de 3 belangrijkste redenen om uw afval te sorteren? Als belangrijkste beweegredenen wordt kostprijs en milieu opgegeven. Als men goed sorteert, zal men ook minder moeten betalen aangezien restafval het meeste kost. Ook gaat men door de “prijs/kilogram” nagaan hoe men ervoor kan zorgen dat men 1) minder afval heeft en 2) of er een andere meer efficiënte manier is om ‘zwaarder’ afval te recycleren. Sorteren wordt ook ingegeven vanuit een soort van sociale verplichting naar het milieu en de samenleving toe. Sorteren is eigenlijk een basisprincipe, een gewoonte, dat wordt doorgegeven aan de volgende generatie. Men heeft daar ook een voorbeeldfunctie op te nemen.

8.2.4 Sorteren - Mogelijke belemmeringen [In dit onderdeel wensen we na te gaan welke problemen men ervaart bij het inzamelen van afval. Hoe komt het dat afval dat gesorteerd kan worden, toch bij het restafval terecht komt. De focus hier ligt op het bewust foutief sorteren & de reden(en) hiervoor.] 8.2.4.1 Algemeen Wat de deelnemers vaak tegenhoudt om te sorteren is gemakzucht. Vooral wanneer de verpakking uit elkaar moet worden gehaald, gooien een aantal deelnemers de gehele verpakking bij het restafval, wetende dat dit fout is. Gebrek aan tijd is een andere belangrijke belemmering om te correct te sorteren. Niet enkel tijd maar ook de ‘nonchalance’ van sommigen (zo zeggen zij zelf) werkt het goed sorteren niet in de hand. Ook zijn er geen uniforme en duidelijke sorteerregels: in één gemeente mag men bepaalde dingen wel en in een andere gemeente wordt men voor dat zelfde beboet. Daardoor is het verwarrend en kan men al eens fout zijn.

pagina 140 of 210

29.04.2022


Op de vraag wat men denkt dat er gebeurt met het afval dat gesorteerd wordt opgehaald, stelt men dat een groot deel hiervan verbrand wordt, zeker het restafval. Over klein elektro denkt men dat waardevolle te recycleren zaken er wel worden uitgehaald hier bij ons of in een derde wereldland (cfr. de afvalschepen). 8.2.4.2 Huis-aan-huis ophaling Iedereen heeft verschillende afvalbakken staan in de keuken: ééntje voor het restafval en een ander voor de PMD. Sommigen hebben daarnaast nog een klein bakje voor GFT dat dan elke dag wordt geledigd in de GFTcontainer. Iedereen sorteert dus op het moment dat ze iets weggooien. Dit gebeurt ook bij de wc-rolletjes die direct naar het karton gaan. Ook de bussen scheerschuim worden gesorteerd. Door de regelgeving die steeds verandert (zo wordt dit toch ervaren door de deelnemers), is men niet altijd meer mee en wordt het afval dan bij het restafval gegooid – terwijl het er eigenlijk niet echt thuis hoort. 8.2.4.3 Recyclagepark Niettegenstaande de werking van het recyclagepark door alle deelnemers goed is gekend, zijn er toch enkele zaken die sommige deelnemers ertoe weerhouden om naar het recyclagepark te gaan, zoals bijv. de manier waarop de tarieven worden bepaald. Het recyclagepark is geopend tijdens de kantooruren (tot 17u); dit is duidelijk een belemmering indien men gaat werken. Er zijn ook deelnemers die enkel naar het recyclagepark kunnen gaan op afspraak, wat als vervelend wordt ervaren.

-> Open vraag: Wat zijn voor u de 3 belangrijkste redenen of obstakels om uw afval NIET (allemaal) te sorteren – of niet correct – te sorteren? Gemakzucht en tijdsgebrek worden door veel deelnemers aangehaald als belangrijke redenen om minder (of niet correct) te sorteren. Als men moe is, het druk heeft met de kinderen of gewoon al laat is ’s avonds, dan worden al vlugger sommige fracties bij het restafval gegooid die er niet thuishoren. Een andere reden die ook wordt aangehaald, is de onwetendheid over het sorteren. De regels zijn niet altijd even duidelijk en daarenboven weet men ook niet altijd wat er nadien met het gesorteerd afval gebeurt. Deze twee zaken werken demotiverend om zelf goed te sorteren. Mogelijke geurhinder komt ook vaak terug als reden om niet correct te sorteren: men gooit al snel bedorven producten met verpakking bij het restafval in plaats van de verpakking van de inhoud te scheiden. Als laatste geeft ook iemand aan dat PMD bij restafval wordt gegooid als de PMD-zak vol zit en opgehaald gaat worden.

pagina 141 of 210

29.04.2022


[In wat volgt, gaan we de focus meer leggen op de oplossingen. Hoe kan ervoor gezorgd worden dan men meer of beter gaat sorteren?] -> Open vraag: Hoe zouden mensen gemotiveerd kunnen worden om enerzijds minder afval te hebben, en anderzijds het afval dat ze hebben beter te sorteren? [rondje tafel] Volgende motivatoren werden vernoemd: – Het invoeren van statiegeld op plastieken flessen waardoor men minder snel zijn/haar flessen zal weggooien en eerder zal binnenbrengen in de winkel; dit zal ook voor minder afval in het openbaar zorgen. – Alles wat niet restafval is, zou gratis moeten worden opgehaald of toch zeker goedkoper dan nu het geval is. – Of misschien beter omgekeerd? Namelijk dat men wordt beboet wanneer men niet sorteert. Er zijn ook deelnemers die dan weer voorstander zijn van het sensibiliseren van de mensen. Als men meer bewust wordt van de impact van sorteren, dan zal men ook meer gemotiveerd worden om te sorteren.

8.2.5 Huis-aan-huis ophaling - mogelijke verbeterpunten De frequentie van glas en karton mag hoger. Verder wordt als algemeen verbeterpunt om beter te sorteren het uniformiseren van de sorteerregels over heel België aangegeven: dit kan ervoor zorgen dat sorteren een automatisme wordt en dat er geen verwarring meer is. Ook zouden mensen die niet overal zo snel van op de hoogte zijn en/of zij die een andere taal spreken en/of het financieel niet zo breed hebben, beter moeten worden geïnformeerd.

8.2.6 Recyclagepark - mogelijke verbeterpunten Op de vraag wat er zou kunnen gebeuren, opdat men meer / beter gebruik van het recyclagepark zou maken, wordt betere / frequentere / langere openingsuren aangehaald. Waarom kan het recyclagepark, bijvoorbeeld in de zomer, niet langer dan 19 uur open blijven of één zondag in de maand? ’s Zaterdags is het vaak veel te druk (met wachtrijen).

8.2.7 Communicatie De deelnemers informeren zich over de afvalinzameling op diverse manieren, zoals via een folder die jaarlijks in december in de brievenbus wordt bedeeld met daarop de dagen waarop het afval wordt opgehaald. Ook de app Recycle wordt gebruikt, waarbij men ’s avonds een melding krijgt wanneer de vuilbakken buiten moeten. Via Facebook wordt men geïnformeerd over de mobiele recyclageparken. Er zijn ook deelnemers die gaan kijken naar de oprit van hun buren om te weten welk afval moet worden buiten gezet. In geval dat sorteerregels of andere zaken veranderen, dan willen de deelnemers hierover op de hoogte worden gebracht via alle mogelijke kanalen: per e-mail, folder in de brievenbus maar ook via het account waarop ze hun afvalverbruik kunnen volgen.

pagina 142 of 210

29.04.2022


8.2.8 Afvalpreventie & hergebruik -> Open vraag: Op welke manier zorgen jullie er momenteel al voor dat jullie minder afval (heel ruim: GFT, kledij, textiel, speelgoed, …) hebben? Welke bijkomende inspanningen zouden jullie nog kunnen doen om afval te beperken of te vermijden? 8.2.8.1 Betreffende wat men momenteel doet om minder afval te hebben De meeste deelnemers geven aan dat ze zoveel mogelijk de spullen die ze niet meer gebruiken, tweedehands proberen te verhandelen (via Ebay, vinted, Facebook marketplace,…). Er wordt niet enkel tweedehands verkocht maar ook aangekocht. Door bewust minder goederen te kopen of meer kwaliteitsgericht te kopen, produceert men momenteel minder afval. Ook drinken een aantal deelnemers over de ganse lijn thuis vooral kraantjeswater om PMD-afval te vermijden. Deelnemers die dit niet doen, vinden de smaak van kraantjeswater niet lekker. Er zijn ook enkele deelnemers die met eigen potjes naar de winkel gaan om verpakking te vermijden. De andere deelnemers willen dit op termijn ook meer doen maar nu nog niet omdat er te weinig winkels zijn die dat aanbieden. Iemand zou ook graag eigen groenten kweken in de tuin. Composteren wordt door niemand van de deelnemers gedaan, niettegenstaande drie deelnemers over een tuin beschikken. 8.2.8.2 Betreffende wat men nog zou kunnen doen Afval zou men meer kunnen beperken door bewuster te winkelen in verpakkingsloze winkels alsook meer bulk en losse producten i.p.v. voorverpakte producten. Eerder producten in glas kopen dan in plastiek is ook een goed voornemen. Een aantal deelnemers denkt ook aan composteren. Een wormenbak gebruiken wordt door een deelnemer aangehaald. Meer delen (deeleconomie) wordt aangehaald als optie om afval te vermijden. De anti-reclame sticker op de brievenbus vinden we terug bij de helft van de deelnemers. Zij hebben dit gedaan om minder (papier en plastieken) afval te hebben; de nieuwsbrieven waar men in geïnteresseerd is, krijgt men digitaal. Mensen zonder sticker geven dan weer aan dat ze graag folders krijgen om prijsbewust te blijven maar ook omdat het leuk is om erin te bladeren. Een digitale folder is volgens hen niet hetzelfde en soms moeilijker te ‘lezen’. Op de vraag of men al iemand heeft aangesproken over de manier waarop zij/hij afval al dan niet sorteert, antwoorden alle deelnemers positief. Het gaat dan vooral en in hoofdzaak om de ‘partner’. Omgekeerd is iedereen ook al eens aangesproken op hun eigen sorteergedrag. Algemeen wordt door alle deelnemers gesteld dat hun sorteergedrag wel veranderd is doorheen de jaren; men is alerter. Ook wilt een respondent het (correct) sorteren (en beperken van restafval) duidelijk meegeven met de opvoeding van haar kinderen.

pagina 143 of 210

29.04.2022


-> Afrondende open vraag: Als we ervoor willen zorgen dat meer mensen hun afval gaan sorteren of hun afval nog beter gaan sorteren, waar moet volgens jullie in de eerste plaats op ingezet worden / wat zou het grootste effect kunnen hebben? [rondje tafel] – – – – – – – – –

De sorteerregels duidelijker en eenvoudiger maken; De sorteerregels beter communiceren en dit geldt ook voor het belang van sorteren; Het belang van (correct) sorteren beter communiceren; Meer fracties aan huis ophalen; Minder verpakking van producten door de producenten; De gesorteerde fracties goedkoper maken zodat er meer gesorteerd wordt; Meer sensibiliseren; Het beboeten van sluikstorten; Statiegeld op blikjes.

Als extra opmerking wordt door sommige deelnemers vermeld dat het private bedrijven verboden moet worden om (te) veel verpakking te produceren, of private bedrijven die veel verpakking ‘gebruiken’ (beter of meer) te sensibiliseren. Door deelname aan de focusgroep hebben sommige deelnemers hun mening t.a.v. afval en sorteren veranderd. Zo geeft iemand aan voortaan kraantjeswater te zullen drinken (i.p.v. water uit flessen) en nog iemand gaat zich een anti-reclame sticker aanschaffen.

pagina 144 of 210

29.04.2022


8.3 FOCUSGROEP 3: HUISHOUDENS MET GEZINSLID VAN 50 JAAR EN OUDER (MET 75+ JAAR!) Coördinaten deelnemers

Antwerpen, 3 november 2021 – 14u-16u45

Aantal deelnemers

8 (4 mannen / 4 vrouwen)

Demografische kenmerken

Leeftijd: 56-59j: 2 // 60-69j: 3 // ≥70j: 3 Samenwonend/gehuwd met kinderen uit huis / thuis: 5 // Alleenstaand kinderen uit huis: 3 Pensioen: 6 // Actief: 2 Makkelijk rondkomen: 4 // Niet moeilijk, niet makkelijk: 1 // Moeilijk: 3

Type woning

Open bebouwing: 2 // halfopen: 1 // gesloten: 1 // appartement: 3

Woonplaats

Antwerpen (2), Schilde, Niel, Ekeren, Brecht, Schoten, Mortsel

Alle deelnemers dienden zelf (deels) verantwoordelijk te zijn voor het afvalsorteren, vuilnis buitenzetten en/of naar het recyclagepark gaan.

8.3.1 Afvalinzameling in gemeente [Bedoeling hier is enkel na te gaan in welke mate deelnemers op de hoogte zijn / kennis hebben van de afvalinzameling in hun gemeente (i.k.v. verwerking/analyse achteraf). Het is dus niet de bedoeling hen te corrigeren of aan te vullen indien hun kennis zou afwijken van de reële situatie in hun gemeente.] De frequentie waarmee de verschillende soorten afval worden opgehaald is verschillend. Zo wordt restafval bij sommige deelnemers wekelijks opgehaald en GFT, PMD en papier/karton om de twee weken. Bij anderen wordt papier dan weer maandelijks opgehaald. Er zijn ook deelnemers waar alles om de 14 dagen wordt opgehaald. PMD wordt bij iedereen verzameld in zakken. Restafval ofwel in zakken ofwel in een grijze container. GFT wordt bij allen (die hier gebruik van maken) opgehaald in containers. De kostprijs van de afvalophaling is afhankelijk van enerzijds het volume van de container en anderzijds het gewicht van het afval. Niet iedereen heeft een idee van wat de exacte kostprijs is van de verschillende soorten afval. Voor wat de containers betreft, hier weet men niet of men betaalt per keer ophaling of per kg. Wat wel geweten is, is het bedrag dat men ongeveer per jaar betaalt. Bij sommigen is dat € 50 per jaar bij anderen dan weer € 100 per jaar. De kostprijs voor één rol zakken is daarentegen iets duidelijker en beter geweten: 20 zakken restafval kosten volgens de deelnemers - 35 euro en 25 zakken PMD 10 euro. Glas, KGA, spuitbussen en grote huishoudtoestellen brengt men naar het recyclagepark.

pagina 145 of 210

29.04.2022


Sommige afvalfracties mag men er gratis binnen brengen, zoals tuinafval en hout; andere soorten afval dan weer niet. Dit is echter wel afhankelijk van de woonplaats. Zo is bij sommigen tuinafval enkel betalend als het boven de 10 kg is. De prijs wordt dan bepaald per gewicht. Ook de frequentie dat men naar een recyclagepark gaat, is sterk verschillend: sommigen om de 14 dagen, anderen slechts 2 keer per jaar.

8.3.2 Sorteren - Praktisch [In dit onderdeel wensen we na te gaan 1. in welke mate de deelnemers sorteren, en 2. in welke mate de deelnemers op de hoogte zijn van de huidige sorteerregels. De focus hier ligt op het onbewust foutief sorteren omwille van onvoldoende kennis.] 8.3.2.1

Huis-aan-huis ophaling

8.3.2.1.1 Betreffende PMD Iedereen geeft aan dat ze PMD sorteren. Men twijfelt wel of men het goed doet of niet; wat mag nu wel of niet in de zak en inzonderheid sinds de nieuwe PMD-zak is ingevoerd. De verpakkingen waar men over twijfelt, is bijvoorbeeld het aluminium schaaltje waar het vlees in verpakt zit, de verpakking van koffie maar ook een plastieken bus met javel. Bij twijfel gooit men het ofwel toch gewoon in de PMD-zak ofwel bij het restafval. Bij één persoon werd de zak PMD eens geweigerd. De reden hiervan was omdat ze vroeger een plastieken zak als vuilbak hadden; die zak deden ze dan in de PMD-zak hetgeen niet mag omdat het afval los in de zak moet zitten. Wij hebben een aantal lege verpakkingen meegebracht. Bij welk soort afval denken jullie dat deze horen: Aluminium bakje  volgens de groep mag dit niet bij de PMD  restafval; Aluminiumfolie  de meesten zeggen dat dit niet bij PMD mag; Boterbakje allen: PMD; Metalen koffiecilinder  allen: niet bij de PMD  restafval; Yoghurtpotje  PMD; Klikspeelgoed groenblauw(Duplo – harde plastiek)  volgens sommigen: niet bij PMD omdat het harde plastiek is – volgens anderen: wel bij PMD omdat het plastiek is; Duplo-blokje  idem; Luchtverfrisser (spuitbus)  weet men niet; Scheerschuim  men twijfelt – volgens sommigen: bij PMD – volgens anderen: niet bij PMD; Stylo  weet men niet; Betreffende batterijen: iedereen weet dat men die moet brengen naar recyclagepunten bij de Carrefour (supermarkt) of het recyclagepark. 8.3.2.1.2 Betreffende GFT Een minderheid maakt gebruik van GFT. Zij die geen GFT-container hebben, composteren hun GFT of gooien het bij het restafval. Eén deelnemer gebruikt geen GFT-container wegens de gebrekkige kwaliteit van deze containers.

pagina 146 of 210

29.04.2022


Ook weet men van sommige fracties niet of dit bij het GFT hoort of niet bijv. kippenbotjes, eierschalen en de kaasrandjes. 8.3.2.1.3 Betreffende restafval Ook betreffende restafval heeft men soms twijfels. Vooral bij voorwerpen als spuitbussen of isomo. Anderen geven dan weer aan niet te twijfelen aangezien ze zich baseren op de afvalkalender. Er zijn ook deelnemers die alles wat niet bij de GFT mag, bij het restafval gooien. Ingeval van vervallen producten gooien praktisch alle deelnemers zowel inhoud als verpakking bij het restafval (één deelnemers scheidt dit). 8.3.2.1.4 Algemeen Er wordt inderdaad opgemerkt dat mensen soms moeite hebben met het sorteren. Zo zegt iemand dat bij haar in de buurt tijdens de afvalophaling 1/3de van de mensen de foute vuilbak buiten zetten. Anderen hebben dan weer een gebrek aan tijd om te sorteren. Ze proberen wel te sorteren, maar ze gaan niet hun hand in het vuur steken om ervoor te zorgen dat alles correct wordt gesorteerd.

8.3.2.2 Recyclagepark Over welk afval al dan niet betalend is (op het recyclagepark) bestaat twijfel. Volgens een aantal deelnemers dient men te sorteren vóór men naar het recyclagepark gaat – volgens nietbetalend en betalend afval, maar ook volgens soort afval bijv. of de ijzeren haak van een kapstok al dan niet moet worden verwijderd van de houten kapstok. 8.3.2.3 Andere afvalinzamelpunten (betreft afval, geen producten die voor 2dehands in aanmerking komen) Glas wordt naar de glascontainer gebracht. En oude kleren naar een kledingcontainer. Soms zijn evenwel de glascontainers vol en krijgt men zijn/haar glas er niet meer bij – zou niet mogen (geeft aanleiding tot sluikstorten)!

8.3.3 Sorteren – Motivatie -> Open vraag: Waarom sorteer u? Wat zijn voor u de 3 belangrijkste redenen om uw afval te sorteren? Er wordt gesteld dat men sorteert omdat men hiertoe verplicht is, maar anderzijds ook omdat het goed is voor het milieu en enkel zo de afvalberg kan worden verkleind. Andere redenen die vermeld worden, zijn: door te composteren en/of recuperatie van grondstoffen en materialen zijn er minder grondstoffen nodig; door te sorteren vermijdt men een boete. Sorteren omdat het goedkoper is (i.p.v. alles bij restafval te gooien) wordt eerst niet vermeld. Wanneer hierover wordt doorgevraagd, is niet iedereen zeker of sorteren goedkoper is.

8.3.4 Sorteren - Mogelijke belemmeringen [In dit onderdeel wensen we na te gaan welke problemen men ervaart bij het inzamelen van afval. Hoe komt het dat afval dat gesorteerd kan worden, toch bij het restafval terecht komt. De focus hier ligt op het bewust foutief sorteren & de reden(en) hiervoor.]

pagina 147 of 210

29.04.2022


8.3.4.1 Huis-aan-huis ophaling Betreffende de praktische organisatie van sorteren van afval thuis, geven een aantal deelnemers aan dat men enkel en alleen een extra vuilnisbak voor restafval in de keuken heeft staan en wanneer deze vol is, dan wordt deze leeggemaakt in de restafvalcontainer. Voor anderen is dit ook zo het geval maar zij hebben daarnaast nog een kleine(re) PMD-vuilnisbak in de keuken staan. Het afval in het vuilbakje van de badkamer wordt niet bij iedereen gesorteerd; dit gaat soms integraal bij het restafval. Een lege bus scheerschuim wordt evenwel nooit in het badkamerbakje gegooid; de lege bus wordt wel gesorteerd (apart meegenomen en in de juiste zak gestoken). 8.3.4.2 Recyclagepark Op de vraag wat de deelnemers soms tegenhoudt om naar het recyclagepark te gaan, is een gebrek aan tijd. Zo zijn er soms lange wachtrijen aan het recyclagepark. Nu moet er ook altijd een afspraak gemaakt worden en dit komt niet altijd goed uit met de persoonlijke agenda; soms is het ook volzet. Groot huishoudelijk afval en matrassen worden ervaren als moeilijk te recycleren producten (‘moeilijk vanaf te geraken’). Niemand geeft aan een probleem te hebben met het vervoer naar het recyclagepark of de afstand naar het recyclagepark. 8.3.4.3 Algemeen Op de vraag wat men denkt dat er gebeurt met het afval dat gesorteerd wordt, stellen de meeste deelnemers dat papier naar papierverwerkende bedrijven gaat en PMD naar industrie dat gerelateerd is aan het produceren van pvc (polyvinylchloride), het kan ook zijn dat het wordt opgebrand of gemalen. Van groenafval denkt men dat dit wordt gecomposteerd en het restafval zo veel als mogelijk verbrand. Glas wordt gerecycleerd: het wordt gemalen of gesmolten, zoals ook het geval is met harde plastiek. Er heerst hierbij wel toch de schrik dat alles wordt samengesmolten op één hoop. Sommigen geven aan hierover iets te hebben gelezen in de krant en anderen hebben het dan weer zelf zien gebeuren (nl. dat bij de ophaling de verschillende soorten afval in één bak werden gegooid). Dit laatste wordt evenwel door een deelnemer ‘genuanceerd’ door te stellen dat er procedures zijn om die materialen nadien te verwerken en de materialen die er dan niet in thuis horen, eruit te halen.

-> Open vraag: Wat zijn voor u de 3 belangrijkste redenen of obstakels om uw afval NIET (allemaal) te sorteren – of niet correct – te sorteren? Tijdsgebrek en gemakzucht vormen vaak een obstakel om niet of niet alles juist te sorteren. Zo mag een pizza doos – volgens een deelnemer - niet bij het papier en karton en toch doet hij het toch soms. Ook de onduidelijkheid over de sorteerregels (wat, waar hoort) vormt een belangrijk obstakel om niet te sorteren (of niet correct te sorteren). Correct sorteren wordt ook niet in de hand gewerkt door ‘samengestelde’ producten waarbij inhoud van de verpakking moet worden gescheiden. Grote stukken afval en afval dat niet wordt opgehaald, bemoeilijken recycleren.

pagina 148 of 210

29.04.2022


[In wat volgt, gaan we de focus meer leggen op de oplossingen. Hoe kan ervoor gezorgd worden dan men meer of beter gaat sorteren?] -> Open vraag: Hoe zouden mensen gemotiveerd kunnen worden om enerzijds minder afval te hebben, en anderzijds het afval dat ze hebben beter te sorteren? [rondje tafel] Producten met minder verpakking zouden goedkoper moeten worden gemaakt en iedereen moet zijn eigen herbruikbare zakken mee nemen: er is namelijk te veel verpakking rond de producten. Meer kennis hebben over hoe men (correcter) moet sorteren zou ook een motivator kunnen zijn. Aan het sorteren een meer dwingend karakter geven, zou ook kunnen helpen volgens de groep. Nagenoeg heel de groep vindt dat er een bredere invoering mag zijn van statiegeld op plastieken flessen / blikjes enz. Ook moeten in de openbare ruimte de faciliteiten om te sorteren (meer) aanwezig zijn of (meer) bruikbaar. Zo zijn vuilbakken en glasbakken vaak helemaal vol maar ook zouden er meer verschillende soorten vuilnisbakken (PMD, papier en rest) geplaatst moeten worden zodat niet alles in één vuilbak moet gegooid worden (ongesorteerd).

8.3.5 Kostprijs afvalophaling / recyclagepark [Hoe staat men ten aanzien van de huidige tarifering en welk effect heeft dit (of kan dit hebben) op het beperken en sorteren van afval.] 8.3.5.1 Huis-aan-huis ophaling Betreffende de kostprijs: hier zijn de meningen verdeeld. Een aantal deelnemers geven aan dat correct sorteren toch wel redelijk duur is geworden. Anderen vinden het dan wel weer oké aangezien de prijs wordt bepaald door het eigen consumptiegedrag. Het mag evenwel niet té duur worden en dit om sluikstorten te voorkomen. Blijkbaar is de prijs ook verschillend naargelang het gaat om containers of zakken. De containers vallen volgens de deelnemers duurder uit dan de afvalzakken. Het duurder maken van restafval kan mensen ertoe aanzetten creatiever om te gaan met afval of meer naar het recyclagepark te gaan als dit goedkoper blijkt te zijn. Zolang de prijs redelijk blijft, zal men blijven betalen en tegelijkertijd gestimuleerd worden om minder afval te hebben. Als de prijs echter te hoog wordt (of hoger), zou het kunnen dat een aantal mensen dit misschien niet meer kunnen betalen en hun afval dan gaan sluikstorten. Of wordt het afval misschien in een bak / zak gegooid waarvan de ophaling het goedkoopste is. 8.3.5.2 Recyclagepark Over de prijs van het binnen brengen van afval in het recyclagepark is de meerderheid wel tevreden. Veel afvalsoorten kan men er gratis afzetten en het afval dat betalend is, is – volgens de deelnemers – vaak geen alledaags afval.

pagina 149 of 210

29.04.2022


8.3.6 Huis-aan-huis ophaling - Mogelijke verbeterpunten De meerderheid is niet tevreden over de frequentie dat het afval wordt opgehaald: PMD wordt slechts om de 14 dagen opgehaald en dat is voor de meesten te weinig omdat deze zak snel vol raakt. Ook de personen bij wie het restafval om de 14 dagen wordt opgehaald, prefereren hier een wekelijkse ophaalfrequentie.

8.3.7 Recyclagepark - Mogelijke verbeterpunten De lagere kostprijs wordt als een mogelijk verbeterpunt van het recyclagepark opgegeven. Ook het minder wijzigen van de sorteerregels wordt hier aangehaald. Ook de organisatie van de werking van het park wordt vermeld: de recyclageparken werken thans enkel met afspraken waardoor men ruim op voorhand een afspraak moet maken (vaak helemaal volzet); en dit terwijl de mensen niet altijd hun afspraak nakomen waardoor er soms weinig mensen in het recyclagepark zijn. Zij die hun afspraken niet nakomen, zouden een forfait moeten betalen.

8.3.8 Communicatie Het merendeel van de deelnemers informeert zich voornamelijk door de afvalkalender via de postbedeling. Anderen zoeken de informatie over de afvalinzameling en het sorteren dan weer op via de site van de gemeente (hier: stad Antwerpen). Een aantal deelnemers zou – als de regels zouden veranderen (die dan voor iedereen uniform zouden zijn) – geïnformeerd willen worden via een tv-spotje. Anderen zouden dan weer graag geïnformeerd worden via een folder, ofwel via de post ofwel digitaal via het internet. De groepen van mensen die niet of weinig bereikt worden, zijn volgens de deelnemers vooral ouderen, jongeren die er hun voeten aan vegen en anderstaligen (of beter vreemde herkomst). Nieuwe informatie of tips om te sorteren zouden dus het best via een papieren folder worden gecommuniceerd.

8.3.9 Afvalpreventie & hergebruik -> Open vraag: Op welke manier zorgen jullie er momenteel al voor dat jullie minder afval (heel ruim: GFT, kledij, textiel, speelgoed, …) hebben? Welke bijkomende inspanningen zouden jullie nog kunnen doen om afval te beperken of te vermijden? 8.3.9.1 Betreffende wat men momenteel doet om minder afval te hebben – de helft van de deelnemers geeft aan te composteren en heeft kippen; – duurzame producten kopen – meer milieubewuste aankopen; – meer bulk kopen; – glas i.p.v. plastiek; – langer gebruiken van zaken; – doorverkopen of weggeven van kledij en andere producten.

pagina 150 of 210

29.04.2022


8.3.9.2 Bijkomende inspanningen nog doen – er wordt teveel afval geproduceerd → verpakkingen; men zou minder producten moeten kopen met veel verpakking, bijv. geen plastieken flessen, maar kraantjeswater drinken; – producten langer gebruiken en niet altijd inspelen op trends en nieuwigheden; – producten 2dehands verkopen / kopen – naar kringloop brengen; – koopgedrag wijzigen. De burgers zouden gesensibiliseerd moeten worden over de werking achter de ‘verpakking’ en transport; dat zou mensen misschien aanzetten tot aankoop van meer of de meest duurzame producten. De organisatie / aanleg van meer daktuinen kan mensen misschien meer aanzetten tot het nemen van kippen. Slechts 1 deelnemer heeft een anti-reclame sticker op zijn brievenbus. Er zijn deelnemers die dit wel willen maar niet weten waar deze sticker verkrijgbaar is; anderen hebben hier geen behoefte aan – zij bladeren graag door de reclame. Er komt ook minder reclame in de bus in vergelijking met vroeger. Niemand van de deelnemers is al eens aangesproken geweest over de manier waarop hij/zij sorteert. Wel heeft één iemand thuis zijn medebewoners aangesproken over de manier ze hun afval sorteren. Iedereen geeft aan beter te sorteren dan vroeger. Zo zegt iemand dat vroeger alles op één hoop werd gegooid maar dat er nu een grotere bewustwording is over het feit dat sorteren wel nuttig is. Nu is het – in tegenstelling tot vroeger - een gewoonte geworden. Volgens de groep vraagt sorteren ook niet vele tijd. Of men meer / minder afval heeft dan de buren, weet men niet zeker … Sommigen zeggen minder afval te hebben en dit omdat men veel afval aan hun kippen kunnen geven en ook omdat hun buren twee kinderen hebben.

-> Afrondende open vraag: Als we ervoor willen zorgen dat meer mensen hun afval gaan sorteren of hun afval nog beter gaan sorteren, waar moet volgens jullie in de eerste plaats op ingezet worden / wat zou het grootste effect kunnen hebben? [rondje tafel] Vooral een beloningsstrategie zal ervoor zorgen dat men meer gaat sorteren. Dit kan ook door mensen beter te sensibiliseren via een tv-spotje waarbij het nut van sorteren wordt benadrukt. Prijs verhogen vindt iedereen een slecht idee. Liever eerst beginnen met tegemoetkomingen en sluikstorten harder te bestraffen. Het containerpark goedkoper maken, bijvoorbeeld, zal ervoor zorgen dat mensen minder gaan sluikstorten. Wanneer restafval duurder wordt gemaakt, dan gaat men meer afval steken bij PMD, waar het eigenlijk niet thuis hoort. Frequenter afval ophalen kan helpen, zoals glas en snoeihout bijvoorbeeld. Er zou meer aandacht moeten besteed worden aan de andere afval-inzamelpunten: glasbollen stinken, je kan er niet naar toe met de auto anders heb je een platte band, het is moeilijk bereikbaar voor mensen die geen vervoer hebben en het zorgt ook voor geluidsoverlast. Meer mobiele containerparken zouden ervoor kunnen zorgen dat mensen sneller / meer sorteren. Men geeft ook nog als afsluiter aan dat er een totaal gebrek is aan uniformiteit betreffende het sorteren; hier dient aan gewerkt te worden.

pagina 151 of 210

29.04.2022


8.4 FOCUSGROEP 4: JONGE ALLEENSTAANDEN, STUDEREND / AFGESTUDEERD MET OF ZONDER BEROEP, IN COHOUSING Coördinaten deelnemers

Antwerpen, 3 november 2021 – 17u30-20u15

Aantal deelnemers

8 (4 mannen / 4 vrouwen)

Demografische kenmerken

Leeftijd: 20-24j: 4 // 25-29j: 4 Studerend:4 // Recent afgestudeerd + beroepsactief: 4 Makkelijk rondkomen: 3 // Niet moeilijk, niet makkelijk: 2 // Moeilijk: 3

Type woning

Cohousing: 5 // Kot: 3

Woonplaats

Deurne (2), Antwerpen (3), Borgerhout, Berchem, Rijmenam

Alle deelnemers dienden zelf (deels) verantwoordelijk te zijn voor het afvalsorteren, vuilnis buitenzetten en/of naar het recyclagepark gaan.

8.4.1 Afvalinzameling in gemeente [Bedoeling hier is enkel na te gaan in welke mate deelnemers op de hoogte zijn / kennis hebben van de afvalinzameling in hun gemeente (i.k.v. verwerking/analyse achteraf). Het is dus niet de bedoeling hen te corrigeren of aan te vullen indien hun kennis zou afwijken van de reële situatie in hun gemeente.] Papier, PMD en restafval worden bij iedereen opgehaald: papier, PMD 2-wekelijks en restafval wekelijks. Hoewel GFT ook bij alle deelnemers aan huis wordt opgehaald, gooien sommigen hun GFT-afval bij het restafval. Een aantal deelnemers geven aan dat hun afval niet wordt opgehaald maar dat ze hun afval, wanneer hun zak vol is, altijd kunnen brengen naar een sorteerstraatje in de buurt. Ze hebben dus de vrijheid om te kiezen wanneer ze hun afval wegbrengen. Bij een kotstudent wordt het afval verzameld in een gemeenschappelijke afvalruimte; dit wordt dan leeggemaakt door de kotbeheerder. De kostprijs voor de ophalingsrecipiënten is niet voor iedereen even duidelijk en is ook blijkbaar bij iedereen verschillend. Zo koopt iemand afvalzakken van de Aldi, geen speciale zakken dus58. Deze kosten minder dan één euro voor een rol. PMD-zakken kosten, volgens een aantal deelnemers, 50 cent per zak en voor het restafval betaalt men 25 cent per zak. Voor een rol van 10 witte restafvalzakken betaalt dan weer een deelnemer 8 euro. Iemand geeft aan 60 euro te betalen iedere twee à drie maanden.

58 Dit kan, ingeval van ondergrondse containers, waarbij men per volume betaalt dat men in de container deponeert.

pagina 152 of 210

29.04.2022


Ook de prijs van het recyclagepark is niet bij iedereen geweten. Dit omdat niet veel deelnemers er naar toe gaan. Sommigen geven aan dat men 12 gratis beurten krijgt per persoon. Al hangt dit blijkbaar wel af van de hoeveelheid en soort afval dat men binnen brengt. Anderen stellen dan weer dat men gratis het recyclagepark kan binnenrijden en dat de prijs bepaald wordt door het aantal afgeleverde kilogram afval. Het afval dat zelf wordt weggebracht is voornamelijk glas (cfr. de glascontainer). KGA moet ook zelf worden weggebracht naar het recyclagepark, al gebeurt dit niet vaak omdat men dit afval niet veel heeft. Kleine harde plastiek wordt in de PMD zak gestoken, een ander brengt dat dan weer naar het recyclagepark. Textiel wordt vooral naar 2dehandswinkels gebracht of naar andere grote ketens zoals H&M waar je dan een kortingsbon krijgt op je volgende aankoop. Grof huisvuil wordt ook naar het recyclagepark gebracht. Klein elektro wordt naar een speciaalzaak zoals Vandenborre gebracht. Frituurolie brengen de deelnemers naar de Carrefour waar dat uitgegoten wordt – iemand twijfelt of we dit niet in de afwasbak mogen gieten?

8.4.2 Sorteren – Praktisch [In dit onderdeel wensen we na te gaan 1. in welke mate de deelnemers sorteren, en 2. in welke mate de deelnemers op de hoogte zijn van de huidige sorteerregels. De focus hier ligt op het onbewust foutief sorteren omwille van onvoldoende kennis.] 8.4.2.1

Huis-aan-huis ophaling

8.4.2.1.1 Betreffende PMD Driekwart van de deelnemers zijn wel zeker over wat men al dan niet in de PMD zak mag steken. De overigen stellen dat zij hierover zijn beginnen te twijfelen sinds de invoering van de nieuwe PMD-zak – via het internet wordt dan opgezocht wat de correcte manier is. Wij hebben een aantal lege verpakkingen meegebracht. Bij welk soort afval denken jullie dat deze horen: Aluminium bakje  allen: PMD; Botervlootje  allen: bij PMD als het uitgewassen is; Plastiek zakje (supermarkt)  enkelen doen het de PMD; anderen bij het restafval; Zilverkleurige folie (gemalen) koffie  allen: restafval; Yoghurtpotje  allen: PMD, maar wordt eerst uitgewassen; Folie waar een koekje in heeft gezeten  de helft doet het bij de PMD, de anderen bij restafval; Klikspeelgoed groenblauw (Duplo – harde plastiek)  PMD; Metalen koffiecilinder  volgens sommigen hoort dit niet bij de PMD; iemand anders denkt van wel aangezien het om metaal gaat; Duplo-blokje  allen: PMD; Luchtverfrisser (spuitbus)  volgens sommigen mag dit niet omdat het niet op de huid mag – als het op de huid mag, mag de spuitbus bij de PMD; Scheerschuim (spuitbus)  praktisch allen: PMD – één deelnemer twijfelt of het niet bij KGA hoort; Stylo  bij PMD als de stylo leeg is.

pagina 153 of 210

29.04.2022


8.4.2.1.2 Betreffende GFT Het merendeel van de deelnemers gooit hun GFT bij het restafval. De overigen sorteren GFT in het sorteerstraatje en slechts één iemand maakt gebruik van de GFT-ophaling. 8.4.2.1.3 Betreffende restafval Deelnemers geven aan soms te twijfelen wat wel en wat niet bij het restafval mag. Vaak gaat het dan om verschillenden soorten afval in één product (verschillende verpakkingen). Zoals een balpen met nog inkt erin of een verfborstel met er nog wat verf aan. Dit is ook het geval voor vervallen producten. Finaal wordt restafval gezien als de ‘zak’ waar bijna alles in mag en zo wordt dan ook vaak afval waarover men twijfelt bij het sorteren, bij het restafval gegooid. 8.4.2.2

Recyclagepark

De deelnemers aan deze focusgroep gaan amper of niet naar het recyclagepark. De meesten hebben niet het resp. afval maar ook omdat men niet beschikt over een wagen (of aanhangwagen). De drukte op het recyclagepark is ook een reden om een bezoek uit te stellen. 8.4.2.3 Andere afvalinzamelpunten (betreft afval, geen producten die voor 2dehands in aanmerking komen) Iedereen maakt gebruik van de glasbol om er het glas te deponeren.

8.4.3 Sorteren – Motivatie -> Open vraag: Waarom sorteert u? Wat zijn voor u de 3 belangrijkste redenen om uw afval te sorteren? Milieu is een belangrijke beweegreden om te sorteren. Ook het verminderen van de afvalberg in de toekomst is een belangrijke reden. Voor een aantal deelnemers is gerecycleerd materiaal beter dan nieuw materiaal en ook de lagere kostprijs van 2dehandsproducten blijkt bij enkele deelnemers een drijfveer te zijn om te sorteren. Er wordt ook gesteld dat ingevolge het sorteren, het verwerken van huisafval wordt vergemakkelijkt en het tekort van grondstoffen tegen gegaan. Andere redenen zijn dat voor elk soort afval, men een plaats heeft hetgeen bevorderlijk is voor de netheid in huis alsook dat ingevolge het sorteren men een moreel schuldgevoel vermijdt.

8.4.4 Sorteren - Mogelijke belemmeringen [In dit onderdeel wensen we na te gaan welke problemen men ervaart bij het inzamelen van afval. Hoe komt het dat afval dat gesorteerd kan worden, toch bij het restafval terecht komt. De focus hier ligt op het bewust foutief sorteren & de reden(en) hiervoor.] 8.4.4.1 Huis-aan-huis ophaling Kotstudenten geven aan dat het afval wordt verzameld in verschillende gemeenschappelijke containers. Als bijvoorbeeld de papiercontainer vol was, werd al het papier bij de PMD gegooid. Het was een kwestie van luiheid.

pagina 154 of 210

29.04.2022


Bij sommige deelnemers staat een vuilbak voor restafval in de keuken (bij één iemand ook PMD en GFT); als deze vol is, wordt het afval overgebracht naar de grote gemeenschappelijke container. PMD en papier/karton staan vaak ergens anders zoals in de berging. Bij anderen gebeurt het sorteren dadelijk en gooit men alles direct in de juiste zak. In de badkamer heeft iedereen wel een klein vuilbakje staan. Daar wordt al het afval ingegooid dat niet bij de PMD hoort. PMD wordt direct in de juiste zak gegooid. De kleine vuilbakjes aan het bureau dienen in feite voor papierafval. Er wordt vaak ook andere soorten afval in gegooid. Aangezien er meer papier inzit dan een ander soort afval belandt de inhoud van deze kleine vuilbakjes vaak gewoon bij het papier.

8.4.4.2 Recyclagepark Het gebrek aan vervoer om grote spullen, zoals matrassen, naar het recyclagepark te brengen, is een belemmering om niet naar het park te gaan. Men gaat dan te voet maar dit is niet zo praktisch. 8.4.4.3 Algemeen Een respondent zegt dat haar huisgenoten moeite hebben met sorteren. Ze probeert dat dan aan te leren maar dat lukt moeilijk. Volgens haar komt dit deels door de opvoeding. De meeste deelnemers denken dat vooral PMD gerecycleerd wordt, GFT gecomposteerd of omgezet naar kunstmest en restafval verbrand. Eén respondent denkt dan weer dat alles verbrand wordt in één grote verbrandingsoven. Papier en karton wordt gerecycleerd tot nieuw papier. Glas wordt fijngemalen en gesmolten tot iets nieuws. IJzer wordt ook gesmolten. Door gemakzucht belandt soms afval bij het restafval terwijl dit wel gesorteerd had kunnen worden.

-> Open vraag: Wat zijn voor u de 3 belangrijkste redenen of obstakels om uw afval NIET (allemaal) te sorteren – of niet correct – te sorteren? Gebrek aan informatie is voor een aantal deelnemers een reden om niet altijd even goed te sorteren; zo is het niet altijd duidelijk welke verpakking waar thuishoort. De weinige transparantie in het sorteerbeleid enerzijds en niet goed weten wat er allemaal gebeurt met het afval na het sorteren zijn ook redenen om niet altijd (correct) te sorteren. Gebrek aan informatie is evenwel niet altijd dé reden; soms wordt er door de deelnemers niet gesorteerd uit gemakzucht, zo stelt men dat bij grote hoeveelheden afval het bijv. gemakkelijker is om alles rechtstreeks bij het restafval te gooien dan te sorteren. Twee deelnemers geven ook aan dat sorteren in de publieke ruimte niet altijd mogelijk is: er is vaak een gebrek aan vuilbakken en als er wel zijn, zijn ze vol en/of zijn het vaak vuilbakken voor of met enkel restafval.

pagina 155 of 210

29.04.2022


[In wat volgt, gaan we de focus meer leggen op de oplossingen. Hoe kan ervoor gezorgd worden dan men meer of beter gaat sorteren?] -> Open vraag: Hoe zouden mensen gemotiveerd kunnen worden om enerzijds minder afval te hebben, en anderzijds het afval dat ze hebben beter te sorteren? [rondje tafel] Volgens het merendeel van de deelnemers kunnen mensen vooral gemotiveerd worden op financieel vlak. Misschien overwegen mensen meer te belonen om te sorteren? Een korting geven in bepaalde winkels als men sorteert? Anderen denken dat het systeem van statiegeld een motivator kan zijn om hun afval te verminderen (of zelfs verplicht maken). De mensen die het financieel moeilijk hebben, zouden kunnen gemotiveerd worden door sommige zakken gratis aan te bieden? Eén respondent vindt dat er teveel afwijkende meningen zijn in de politiek betreffende afval en sorteren; wat de motivatie om te sorteren niet in de hand werkt.

8.4.5 Kostprijs afvalophaling / recyclagepark [Hoe staat men ten aanzien van de huidige tarifering en welk effect heeft dit (of kan dit hebben) op het beperken en sorteren van afval.] 8.4.5.1 Huis-aan-huis ophaling De kostprijs van het restafval wordt als eerlijk gezien, zeker als de kost van de verwerking van afval in rekening wordt gebracht. In feite, zo vindt een respondent, betalen we te weinig. De prijs vormt dus geen drempel om te sorteren aangezien de meesten het niet te duur vinden. Door de prijs per kilogram (restafval) gaat men omzichtiger om met afval en het sorteren. De mensen die het financieel moeilijk hebben, zullen hier wel degelijk problemen ervaren – een tegemoetkoming of een subsidie of een tegoed bon op te nemen in bepaalde winkels zou hier een mogelijke oplossing kunnen bieden en motiveren om correct / meer te sorteren. Wanneer de prijs duurder wordt, zal er meer worden gelet wat er allemaal in de PMD zak kan (in plaats van bij het restafval). Mensen zullen ook hun koopgedrag aanpassen. 8.4.5.2 Recyclagepark Een respondent vindt dat de prijzen van het recyclagepark te sterk verschillen naar gemeente. Een hoge prijs voor gevaarlijk afval vindt men begrijpelijk maar het feit dat men dit afval tot daar brengt, zou ook een stimulans kunnen zijn om het nog niet duurder (of niet té duur) te maken.

8.4.6 Huis-aan-huis ophaling - Mogelijke verbeterpunten Deelnemers zijn over het algemeen tevreden over de huis-aan-huis ophaling - toch zouden er nog meer verschillende soorten afval, bijv. glas en snoeihout, mogen worden opgehaald.

pagina 156 of 210

29.04.2022


Ook de afvalophaling in containers in plaats van zakken zou ook een verbetering zijn. Dit lijkt makkelijker om te sorteren en de zakken scheuren vaak. Dat de kwaliteit van de zakken niet zo goed is, wordt door meerdere deelnemers beaamd (of kan dit ook zijn, zo stelt men zelf, dat men ze te vol propt?).

8.4.7 Recyclagepark - Mogelijke verbeterpunten Op de vraag wat zou kunnen gebeuren, opdat men er meer / beter gebruik van het recyclagepark zou maken, antwoordt men dat dezelfde faciliteiten in elk recyclagepark handig zou zijn.

8.4.8 Communicatie Hoe men moet sorteren, is volgens de meesten aangeleerd op school. Betreffende de kotstudenten, er hangt vaak een papiertje aan de vuilbakken met wat in welke vuilbak mag. Informatie krijgt men ook via de maandelijkse infokrant van de gemeente. Op de vraag hoe men wenst geïnformeerd te worden in geval er bijv. iets verandert aan de afvalinzameling, geeft men aan dat dit bij voorkeur gebeurt via het nieuws, sociale media of een aangetekende brief. Misschien te overwegen om mensen te informeren via een berichtje dat gehecht wordt aan nieuwe zakken. Mensen die niet of moeilijk bereikt worden, zijn volgens de groep vnl. oudere mensen, anderstaligen die geïmmigreerd zijn (mensen met vreemde herkomst die Nederlands-onkundig zijn) of laaggeschoolden. Er wordt ook aangedrongen op uniforme regels voor alle gemeenten: zakken of containers? Wekelijks of 2-wekelijks? Enzovoort.

8.4.9 Afvalpreventie & hergebruik -> Open vraag: Op welke manier zorgen jullie er momenteel al voor dat jullie minder afval (heel ruim: GFT, kledij, textiel, speelgoed, …) hebben? Welke bijkomende inspanningen zouden jullie nog kunnen doen om afval te beperken of te vermijden? 8.4.9.1 Betreffende wat men momenteel doet om minder afval te hebben – kwaliteitsvolle producten (bijv. kledij) kopen die langer meegaan (geen massaconsumptie); – textiel niet weggooien, maar doorgeven of verkopen (bijv. doorgeven aan familieleden, verkopen op vinted of brengen naar de kringloopwinkel); – naar een verpakkingsloze winkel gaan; – composteren; – minder plastieken verpakte producten kopen; – kraantjeswater filteren; – grote bulk kopen (en dan bijv. invriezen); – de anti-reclame sticker wordt door drie personen gebruikt; iemand geeft aan dat ze dit niet heeft omdat ze graag door de folders bladert.

pagina 157 of 210

29.04.2022


8.4.9.2 Bijkomende inspanningen doen in de toekomst – eigen groenten en fruit kweken; – minder consumeren (overconsumptie stoppen); – proberen om zo min mogelijk producten met verpakking te kopen; – hervulbare producten kopen; – producten met plastieken verpakkingen vermijden; – proberen om minder flessen water te kopen en kraantjeswater te drinken (al vindt men de smaak van kraantjeswater niet zo lekker). Om meer mensen te motiveren om zelf te composteren zou de overheid gratis compostbakken kunnen aanbieden, dit moet niet per huishouden maar kan ook bijvoorbeeld per straat of buurt. Op de vraag of men zelf al eens aangesproken is geweest over zijn/haar sorteergedrag, antwoordt één deelnemer hier affirmatief op: dit gebeurde bij het sorteerstraatje waar ze een (vettige) pizzadoos bij het restafval wou gooien en een man haar erop wees dat het eigenlijk bij het karton hoort. Als men op straat mensen hun blikje op de grond zien gooien of in de verkeerde vuilbak, dan gebeurt het wel eens dat men de resp. mensen hierop aanspreekt. Sommige deelnemers geven aan dat hun sorteergedrag de laatste jaren niet echt veranderd is, omdat ze namelijk altijd al hebben gesorteerd. Voor anderen is dit wel het geval: inzonderheid voor een respondent die vroeger op kot zat waar er amper werd gesorteerd tegenover nu hij alleen woont en verplicht wordt tot sorteren. Er is ook een deelnemer die stelt dat hij vroeger als puber zeer nonchalant was maar nu met volwassen te worden beseft hij dat het eigenlijk geen of weinig moeite kost om te sorteren.

-> Afrondende open vraag: Als we ervoor willen zorgen dat meer mensen hun afval gaan sorteren of hun afval nog beter gaan sorteren, waar moet volgens jullie in de eerste plaats op ingezet worden / wat zou het grootste effect kunnen hebben? [rondje tafel] Transparantie, eenvoudigere communicatie en uniforme regels voor alle gemeenten zijn de belangrijkste reden om meer / beter te gaan sorteren. Zo zal ook de onwetendheid verdwijnen. Het opzetten van een beloningsstrategie of het duurder maken van de zakken kan het gedrag van de mensen veranderen. Belangrijk vindt men ook dat kinderen al van jongs af aan worden gesensibiliseerd.

pagina 158 of 210

29.04.2022


8.5 FOCUSGROEP 5: HUISHOUDENS VAN NIET-BELGISCHE HERKOMST VAN 35 JAAR EN OUDER Coördinaten deelnemers

Antwerpen, 15 november 2021 – 17u-20u00

Aantal deelnemers

7 (2 mannen / 5 vrouwen)

Demografische kenmerken

Leeftijd: 35-39j: 2 // 40-49j: 3 // 50-60j: 2 Gehuwd, geen kinderen: 1 Alleenstaand met kind(eren): 3 Alleenstaand met kinderen (niet thuiswonend): 1 Alleenstaand / weduwe: 2 Beroepsactie: 5 // Niet beroepsactief: 2 Makkelijk rondkomen: 1 // Niet moeilijk, niet makkelijk: 5 // moeilijk: 1 Herkomst: Portugal, Marokko (3), Turkije (2), Albanië

Type woning

Gesloten bebouwing: 2 // Appartement: 5

Woonplaats

Deurne, Hamme, Antwerpen (2), Wilrijk, Mortsel, Borgerhout

Alle deelnemers dienden zelf (deels) verantwoordelijk te zijn voor het afvalsorteren, vuilnis buitenzetten en/of naar het recyclagepark gaan.

8.5.1 Afvalinzameling in gemeente [Bedoeling hier is enkel na te gaan in welke mate deelnemers op de hoogte zijn / kennis hebben van de afvalinzameling in hun gemeente (i.k.v. verwerking/analyse achteraf). Het is dus niet de bedoeling hen te corrigeren of aan te vullen indien hun kennis zou afwijken van de reële situatie in hun gemeente.] Zowel PMD, restafval, papier, karton als GFT wordt bij alle deelnemers opgehaald. De frequentie van ophaling is dan weer sterk verschillend. Bij sommigen worden de groene containers wekelijks opgehaald, PMD en restafval om de 14 dagen en papier/karton maandelijks. Bij anderen wordt restafval en papier/karton wekelijks opgehaald. Eén bewoonster van een appartement kan 3 keer per week haar afval (PMD, restafval en papier en karton) gesorteerd naar containers in de kelder van de blok brengen. Afhankelijk van de woongemeente wordt restafval opgehaald ofwel in containers ofwel in zakken. PMD dient gesorteerd te worden in zakken. De soorten afval die zelf moeten worden weggebracht zijn vooral KGA, glas en bouwafval. Kleine harde plastiek wordt door de deelnemers, als het klein genoeg is, bij het restafval gestoken. Niet iedereen heeft zicht op wat de exacte kostprijs is. Wel weten sommigen dat vooral restafval duur is. Een aantal deelnemers vinden de prijs best oké; men is er eigenlijk niet echt ‘mee bezig’. Eén deelnemer die over afvalcontainers beschikt, geeft aan 10,60 euro per drie maanden te betalen voor het restafval (= prijs die per kilogram wordt bepaald).

pagina 159 of 210

29.04.2022


Een ander deelnemer gebruikt dan weer wekelijks één zak; de prijs schommelt dan tussen € 20 en € 25 per 3 maanden. Voor een andere deelnemer bedraagt de prijs per zak slechts één euro en is GFT gratis. In Hamme moeten ze dan weer wel betalen voor de GFT, zo’n 75 cent per keer. Iemand van de groep geeft aan dat vooral zakken voordelig zijn; enkel wanneer je 15 zakken per week buiten zet, zou een container voordeliger zijn.

8.5.2 Sorteren – Praktisch [In dit onderdeel wensen we na te gaan 1. in welke mate de deelnemers sorteren, en 2. in welke mate de deelnemers op de hoogte zijn van de huidige sorteerregels. De focus hier ligt op het onbewust foutief sorteren omwille van onvoldoende kennis.] 8.5.2.1

Huis-aan-huis ophaling

8.5.2.1.1 Betreffende PMD Iedereen maakt gebruik van PMD-zakken. Soms twijfelt men toch over wat er nu wel en niet in de PMD-zak mag. Het nieuwe systeem zorgt voor verwarring, bijv. melkbrik mét dop → PMD; zonder dop → restafval. Bij twijfel gooit men het doorgaans bij het restafval (of ‘moffelt’ men het weg in een ander (grotere) verpakking); men wilt geen PV riskeren. Eén deelnemer gaat – bij twijfel – op zoek op het internet. Anderen vragen het dan weer aan de buren. Iedereen heeft de folder met afbeeldingen als voorbeeld gekregen, maar niet iedereen heeft deze al eens gebruikt. Het steeds veranderen van wat waar moet gesorteerd, werkt zonder meer de verwarring in de hand. Regel: indien het afval verpakking is, moet het bij PMD, zo niet ofwel bij restafval ofwel naar recyclagepark (dit is het geval voor het duplo-blokje (zie hieronder)). Wij hebben een aantal lege verpakkingen meegebracht. Bij welk soort afval denken jullie dat deze horen: Aluminium bakje  allen: PMD – uitgezonderd 1 deelnemer → restafval; Boterbakje  sommigen: PMD; anderen: restafval (om zak restafval op te vullen omdat ze niet vol geraken → alleenstaanden); Plastiek zakje (supermarkt)  twijfel; beter niet bij de PMD; soms bij restafval en soms PMD; Zilverkleurige folie (gemalen) koffie  sommigen: PMD; anderen: bij het restafval; Yoghurtpotje  allen: PMD; Folie waar een koekje in heeft gezeten  sommigen: PMD; anderen: restafval (omdat het zo klein is); Klikspeelgoed groenblauw (Duplo – harde plastiek)  iemand zegt PMD; overigen: restafval; Metalen koffiecilinder  Meningen verschillen. Bijna niemand is zeker: PMD? restafval? Duplo-blokje  allen: restafval, uitgezonderd 1 deelnemer die niet wist dat harde plastiek bij restafval moet; Luchtverfrisser (spuitbus)  merendeel: PMD; overigen: recyclagepark en soms bij restafval; Scheerschuim  sommigen: PMD; overigen: gaan niet naar recyclagepark voor een paar dingen → bij PMD; Stylo  allen: restafval.

pagina 160 of 210

29.04.2022


8.5.2.1.2 Betreffende GFT Alles van tuinafval, groenten en fruit gaat in de GFT bak. Ook oud brood wordt bij de GFT gegooid. Maar betreffende GFT-afval zijn er ook twijfels: wat met eierschalen en kattenzand? Harde vruchten zoals bijv. noten? GFT of restafval? Bij twijfel gooit men het toch bij de GFT en bedekt men dit met veel gras en takken, ... 8.5.2.1.3 Betreffende restafval Over restafval bestaat er niet echt twijfel. Er wordt vanuit gegaan dat er bijna alles in mag, uitgezonderd gevaarlijke producten. Betreffende isomo: één deelnemer verscheurt dit tot kleine stukjes en gooit het dan bij restafval; de rest brengt isomo naar het recyclagepark. 8.5.2.1.4 Algemeen Sorteren is voor sommige mensen een probleem, zo wordt opgemerkt. In sociale appartementsgebouwen wordt er vaak aan sluikstorten gedaan. Anderen zien dan weer een groot verschil in het sorteren naargelang leeftijd: ouderen sorteren wel maar zijn daar niet zo hard mee bezig als de jongere leeftijdsgroepen. Voor sommige mensen is het ook moeilijk om te recycleren/sorteren, omdat ze het niet begrijpen (cfr. taal). Met dit laatste is een deelnemer het niet eens aangezien zij (als tewerkgestelde bij een sociale woningmaatschappij) 2 keer per jaar workshops gaat geven bij sociale huurders over hoe te sorteren. Zomaar stellen dat ze niet kunnen sorteren omdat ze de taal niet begrijpen, mag dus geen excuus zijn. 8.5.2.2 Recyclagepark Er zijn deelnemers die regelmatig naar het recyclagepark gaan en anderen dan weer nooit. De hoofdreden voor het niet naar het recyclagepark te gaan, is dat ze geen wagen hebben; zij geven dan het resp. afval mee met familielid of kennis.

8.5.3 Sorteren – Motivatie -> Open vraag: Waarom sorteert u? Wat zijn voor u de 3 belangrijkste redenen om uw afval te sorteren? Men sorteert afval omwille van het milieu, om hygiënische redenen, om boetes te vermijden, omdat het goedkoper is, omdat het een goed gevoel geeft / een gewoonte die men heeft meegekregen via de opvoeding, omdat men de regels moet volgen, …

8.5.4 Sorteren - Mogelijke belemmeringen [In dit onderdeel wensen we na te gaan welke problemen men ervaart bij het inzamelen van afval. Hoe komt het dat afval dat gesorteerd kan worden, toch bij het restafval terecht komt. De focus hier ligt op het bewust foutief sorteren & de reden(en) hiervoor.] 8.5.4.1 Huis-aan-huis ophaling Iedereen heeft wel in de keuken een vuilbak voor het restafval staan. Sommigen hebben daarnaast ook nog een extra PMD- en/of GFT- bakje staan in de keuken.

pagina 161 of 210

29.04.2022


Wanneer er enkel een restafval-vuilbak in de keuken staat, staan de andere vuilbakken buiten op het terras of in de veranda. In de badkamer staat er een pedaalemmer, deze wordt gesorteerd in de overige bakken. Indien iemand alleen woont en dus weinig afval produceert, is het “handig” om alle afval bij het restafval te gooien omdat deze 2-wekelijks wordt opgehaald en men dan slechts 1 zak dient te gebruiken. Dit wordt zeker gedaan in de zomer wanneer afval snel begint te ruiken. Hoe sneller dit wordt opgehaald, hoe beter. 8.5.4.2 Recyclagepark Zoals reeds gesteld gaan een aanzienlijk aantal deelnemers niet naar het recyclagepark omdat ze geen wagen hebben en ook nog dat men een afspraak moet maken. Er is ook een deelnemer die ’s nachts werkt en derhalve niet binnen de openingsuren naar het recyclagepark kan gaan. 8.5.4.3 Algemeen Bouw-, steenafval is zeer duur in recyclageparken en je mag maar twee keer per dag het gaan wegbrengen. Op de vraag wat men denkt dat er gebeurt met het gesorteerd opgehaald afval, antwoorden een aantal deelnemers dat zij ervan uitgaan dat het gesorteerd afval nog eens extra gesorteerd wordt maar ook dat een groot deel zal worden verbrand. Hergebruiken zal ook wel gebeuren. Met restafval en GFT kan men niets / weinig doen, zij het dat het GFT wordt gecomposteerd.

-> Open vraag: Wat zijn voor u de 3 belangrijkste redenen of obstakels om uw afval NIET (allemaal) te sorteren – of niet correct – te sorteren? Gemakzucht en tijdsnood zijn belangrijke redenen waarom het sorteren niet altijd correct gebeurt; zo geeft iemand aan dat sorteren wel een grote inspanning vraagt, zeker als je 7/7 werkt en weinig tijd hebt. Ook wanneer mensen op vakantie vertrekken, wordt al sneller alles bij het restafval gegooid: zo wordt een zak uitgespaard en is ook hygiënischer. De alleenstaanden gooien ook sneller alles bij het restafval i.p.v. te sorteren omdat ze maar één zak gevuld krijgen (i.p.v. verschillende half lege zakken buiten te moeten zetten). Betreffende gemakzucht (of omdat men moe is en ’s avonds laat of …), men zal al eens vlugger afval bij het restafval gooien dat er niet thuishoort, omdat men zich niet wilt verplaatsen naar het terras of garage.

[In wat volgt, gaan we de focus meer leggen op de oplossingen. Hoe kan ervoor gezorgd worden dan men meer of beter gaat sorteren?] -> Open vraag: Hoe zouden mensen gemotiveerd kunnen worden om enerzijds minder afval te hebben, en anderzijds het afval dat ze hebben beter te sorteren? [rondje tafel] Een belangrijke motivator voor het beter sorteren is – volgens de hele groep – de zakken goedkoper maken. Dit is, volgens sommigen, ook het geval voor weten wat er allemaal met het gesorteerd afval gebeurt. Voor anderen dan weer niet: mensen zijn enkel geïnteresseerd, als er voor hun ook een voordeel inzit. De helft van de deelnemers is ook voor het invoeren van statiegeld.

pagina 162 of 210

29.04.2022


Meer duidelijkheid over welk afval waar moet gesorteerd worden – eventueel middels pictogrammen op de verpakking – kan ook mensen ertoe aanzetten (beter) te sorteren (omdat ze er dan minder over moeten nadenken). Mochten mensen hun eigen ‘fruitnetjes’ (zakjes) meebrengen, zou dit ook een effect hebben op het verminderen van afval.

8.5.5 Kostprijs Afvalophaling / Recyclagepark [Hoe staat men ten aanzien van de huidige tarifering en welk effect heeft dit (of kan dit hebben) op het beperken en sorteren van afval.] 8.5.5.1 Huis-aan-huis ophaling Niet iedereen vindt de prijs van het restafval correct. Maar het idee dat wanneer afval duurder wordt, er minder afval zal zijn, wordt door het merendeel van de deelnemers gedeeld. Idem dito voor het idee van hogere prijzen, meer sluikstorting. Indien de prijzen stijgen, wordt het voor sommige mensen moeilijk – financieel zwaar om voor hun afval te kunnen betalen, zo stelt een alleenstaande moeder. Door het duurder maken van restafval, zal men beter uitzoeken wat er al dan niet in de PMD mag.

8.5.6 Huis-aan-huis ophaling - Mogelijke verbeterpunten Verhoging van de frequentie voor de huis-aan-huis ophaling wordt door veel deelnemers als een verbeterpunt gesteld, bijv. wekelijks i.p.v. 2-wekelijks. Graag ook ophaling van glas. De glasbollen worden nl. nu niet vaak leeggemaakt waardoor iedereen zijn/haar glas er naast neerlegt. Verder vinden sommige deelnemers dat de kwaliteit van de vuilniszakken te wensen overlaat; ze scheuren snel. Ook is het formaat van de kleine zakken te klein en die van de grote zakken dan weer te groot.

8.5.7 Recyclagepark - Mogelijke verbeterpunten Naar het recyclagepark gaan zonder afspraak, het goedkoper maken, mensen beter informeren over wat gratis is en wat betalend, zijn mogelijke verbeterpunten voor de recyclageparken.

8.5.8 Communicatie De deelnemers worden op verschillenden manieren over de afvalinzameling geïnformeerd namelijk door de kalender in de bus, folders, YouTube, de buren, familie, collega’s, ... De flyer die in de bus wordt geleverd, wordt door menig deelnemers bijgehouden en opgehangen (bijv. in de berging). Op de vraag hoe men wenst geïnformeerd te worden als er bijv. iets verandert aan de afvalinzameling, antwoorden de meesten dat zij informatie willen ontvangen op een laagdrempelige manier, zoals bijvoorbeeld YouTube of afbeeldingen via de vuilbakken zelf. Ook de flyers en kalenders in de bus worden als zeer handige informatiemiddelen beschouwd.

pagina 163 of 210

29.04.2022


8.5.9 Afvalpreventie & hergebruik -> Open vraag: Op welke manier zorgen jullie er momenteel al voor dat jullie minder afval (heel ruim: GFT, kledij, textiel, speelgoed, …) hebben? Welke bijkomende inspanningen zouden jullie nog kunnen doen om afval te beperken of te vermijden? 8.5.9.1 Betreffende wat men momenteel doet om minder afval te hebben – geen onnodige zaken kopen – duurzamer en zuiniger (enkel kopen wat men nodig heeft); – kledij en speelgoed naar de kringloopwinkel brengen; – doorverkopen, gratis weggeven; – kraantjeswater filteren (minder plastieken flessen). 8.5.9.2 Bijkomende inspanningen doen in de toekomst – meer glas (geen blikjes, geen plastieken flessen); – zelf koken en minder eten bestellen; – minder kopen; – statiegeld voor glas; – grotere verpakkingen kopen; – proberen om zo min mogelijk producten met verpakking te kopen. Kraantjeswater wordt door nog niet de helft van de deelnemers gedronken (niet lekker, wantrouwen over kwaliteit n.a.v. PFOS-schandaal van 3M). Niemand heeft een anti-reclame sticker; men vindt het ‘leuk’ om te bladeren in de fysieke folder; een digitale versie vinden ze niet hetzelfde. Deelnemers die worden aangesproken op hun sorteergedrag geven aan dat voornamelijk hun partner of een collega is dat hen hierover aanspreekt. Omgekeerd gebeurt dit niet zoveel. De groep is alvast de mening toegedaan dat ze allen strenger (voor henzelf) zijn geworden en nu meer dan vroeger sorteren (en bijgevolg minder restafval hebben).

-> Afrondende open vraag: Als we ervoor willen zorgen dat meer mensen hun afval gaan sorteren of hun afval nog beter gaan sorteren, waar moet volgens jullie in de eerste plaats op ingezet worden / wat zou het grootste effect kunnen hebben? [rondje tafel] Volgens de groep moeten mensen die het financieel moeilijk hebben, meer worden ondersteund door het sorteren en inzamelen van afval goedkoper te maken. Restafval duurder maken zodat mensen meer naar alternatieven gaan zoeken, zou ook effect kunnen hebben op het sorteergedrag van mensen. Meer sensibilisering (middels een goede campagne) om een soort van sorteergewoonte aan te maken, lijkt ook aangewezen door de groep. Tenslotte wordt ook gevraagd de sorteerregels te uniformiseren over heel België om verwarring te voorkomen, weg te werken.

pagina 164 of 210

29.04.2022


BESLUITEN EN AANBEVELINGEN

pagina 165 of 210

29.04.2022


9 BESLUITEN In wat volgt worden de belangrijkste bevindingen opgenomen voor wat betreft de bevraging van de Vlaamse bevolking enerzijds en de focusgroepen anderzijds.

9.1 BEVRAGING VLAAMSE BEVOLKING Achtereenvolgens komen aan bod: 1. het gedrag van de Vlaming inzake beperken, vermijden en sorteren van huishoudelijk afval; 2. de motivatoren en demotivatoren om (niet) te sorteren; 3. de aangewende en gewenste informatiekanalen; 4. mogelijke stimulansen om meer/beter te sorteren / afval te voorkomen; 5. de zes waargenomen huishoudprofielen inzake beperken, vermijden en sorteren.

9.1.1 Gedrag: beperken, vermijden en sorteren van afval59 –

De respondenten werd een lijst van 16 afvalfracties voorgelegd die allen gesorteerd dienen te worden. Uit de bevraging blijkt dat de overgrote meerderheid (≥80%) deze afvalfracties consequent sorteert. De fracties die het minst gesorteerd worden en bij het restafval terecht komen (16% tot 36%), zijn etensresten en GFT-afval60,, aluminium schaaltjes en bakjes, kleine harde plastiek, en plastieken folies en zakjes. Nog 6% van de Vlamingen geeft toe wel eens een afvalfracties thuis te verbranden (in hoofdzaak GFT-afval en papier/karton).

–

Drie kwart van de Vlamingen probeert zoveel als mogelijk hun hoeveelheid afval te beperken. Om minder huisvuil te hebben, sorteren vier op de vijf Vlamingen zo goed als mogelijk. Veel Vlamingen hebben de weg gevonden naar de tweedehandsmarkt om goederen die ze niet meer gebruiken, weg te geven of te verkopen (7 op de 10); daartegenover gebeurt het zelf aankopen van tweedehandsgoederen in mindere mate (4 op de 10). Van zij die een nieuw goed aankopen, stelt 40% te kiezen voor een goed met langere levensduur.

–

Drie op de tien Vlamingen gooien wel eens iets bij het restafval waarvan ze weten dat het er eigenlijk niet in thuishoort. De twee belangrijkste redenen om af en toe iets bewust foutief te sorteren, zijn: het bij het restafval gooien van etensresten, groenten- en fruitafval om dit sneller te kunnen buitenzetten voor ophaling, alsook het bij het restafval gooien van voedsel in de verpakking omdat men het niet wil scheiden van de verpakking. Andere redenen zijn: het vol kunnen buitenzetten voor ophaling, niet naar het recyclagepark willen gaan (is duurder & vraagt meer inspanning), of thuis de moeite niet willen doen. Bij twijfel in welke afvalzak of -container iets thuis hoort, gooit een vierde van de Vlamingen het afval bij het restafval.

59 de term “restafval” zoals opgenomen in de vragenlijst en hier verder in besluiten : hieronder dient “huisvuil” begrepen te worden; bij de opmaak van de vragenlijst werd geopteerd de term “restafval” te gebruiken omdat dit voor de burger de courant gebruikte en begrepen term is. Indien verder in het rapport de term “restafval” wordt vernoemd, dan wordt hieronder verstaan “huisvuil”. 60 GFT wordt niet overal selectief ingezameld; in dit geval is het wel terecht dat GFT bij het huisvuil terechtkomt. Het aandeel etensresten en GFT-afval dat bij restafval terechtkomt in de regio’s zonder GFT-inzameling bedraagt hier 55% tegenover 28% in de regio’s met GFT-inzameling.

pagina 166 of 210

29.04.2022


9.1.2 Motivatoren om te sorteren –

De vier belangrijkste redenen om huishoudelijk afval te sorteren (voor circa 80% van de Vlamingen), zijn: het is het juiste om te doen; het maakt deel uit van de dagelijkse routine; het levert een bijdrage aan het milieu; en de huidige sorteerregels zijn duidelijk. De verplichting vanuit de lokale overheid enerzijds, en de sociale controle vanuit de omgeving anderzijds, zijn voor veel minder Vlamingen (30% tot 40%) redenen om te sorteren.

9.1.3 Demotivatoren om te sorteren –

De drie vaakst aangehaalde redenen om huishoudelijk afval niet te sorteren (voor circa 30% van de Vlamingen), zijn: denken dat veel gesorteerd afval uiteindelijk toch op dezelfde afvalberg terechtkomt; van mening zijn reeds voldoende te sorteren en bijgevolg het niet erg is af en toe iets fout te sorteren; en tot slot het te weinig hebben van bepaalde afvalsoorten om er een aparte zak/container mee te vullen. De antwoorden zijn hier niet zo sterk uitgesproken – noch in positieve, noch in negatieve zin; een grote groep Vlamingen (30% tot 40%) stelt zich ten aanzien van bovenstaande redenen neutraal op. Demotivatoren die het minst worden opgegeven om afval niet te sorteren (door 10% tot 15% van de Vlamingen), zijn: zich niet bezig houden met sorteren omdat het huishoudpersoneel dit regelt; geen interesse hebben in sorteren; en tot slot de omgeving sorteert ook niet.

9.1.4 Informatie –

De papieren afvalkalender, gevolgd door de website van de stad of gemeente, zijn de meest gebruikte kanalen om informatie terug te vinden over afvalophaling en –sortering (voor circa 50% tot 60%). Overige kanalen die (ook) door circa een vierde van de Vlamingen worden geraadpleegd, zijn: de website van de intercommunale; een zoekmachine op internet; en de online afvalkalender. 6% van de Vlamingen zoekt géén informatie op over afvalophaling en -sortering.

–

Hét kanaal waarlangs men informatie en tips wil krijgen om afval te verminderen, is eveneens de papieren afvalkalender (50%). De overige informatiekanalen, zij het minder uitgesproken (circa 30%), zijn: de website van de stad of gemeente; het magazine of krantje van de gemeente; en de online afvalkalender. Eén op zeven Vlamingen wenst dergelijke informatie niet te ontvangen.

–

Acht op de tien Vlamingen heeft in het afgelopen jaar iets gehoord, gezien, gelezen, gekregen of opgezocht over afvalophaling, -sortering of -recyclage. Zo kreeg bijna de helft van de Vlamingen dergelijke informatie van de stad of gemeente (bijv. via de afvalkalender, een folder, ...), en zocht een derde deze informatie zelf op.

9.1.5 Stimulansen –

Meer dan acht op de tien Vlamingen geven aan dat ze gestimuleerd kunnen worden om (nog) meer / beter te sorteren en zo hun restafval te verminderen. De twee vaakst opgegeven stimulansen (voor circa 4 op de 10 Vlamingen), zijn: het goedkoper maken van de huis-aan-huis ophaling van PMD, GFT- en groenafval en het duidelijk aangeven op de verpakking of op product hoe het gesorteerd moet worden.

pagina 167 of 210

29.04.2022


Overige vermelde stimulansen (door 20% tot 25% van de Vlamingen), zijn: het meer frequent ophalen van gesorteerd afval aan huis; het duidelijker communiceren van de tarieven op het recyclagepark en ruimere openingsuren; alsook het eenvoudiger maken van de sorteerregels en hierover duidelijker informeren. Minder vaak aangehaalde stimuli (door circa 1 op de 10 Vlamingen), zijn: meer hulp voorzien op het recyclagepark; vervoer voorzien naar het recyclagepark; en meer/beter informeren over het belang van sorteren. –

Inzake het voorkomen van afval, zijn de voornaamste stimulansen waarin de gemeente of stad kan voorzien (voor circa 30% van de Vlamingen): het aanbieden van compostvaten en –bakken; het voorzien van herbruikbare boodschappentassen; het organiseren van tweedehandsbeurzen / rommelmarkten; alsook het gratis of goedkoop uitlenen van gereedschap. Ongeveer een vierde van de Vlamingen hoeft géén dergelijke stimulansen om afval te voorkomen.

9.1.6 Waargenomen huishoudprofielen inzake vermijden, beperken en sorteren van huishoudelijk afval –

Achterliggend de 34 motivatoren en demotivatoren inzake het beperken van huishoudelijk restafval, kunnen vijf componenten onderscheiden worden: (1) milieubewustzijn en duurzaamheid, (2) bezwaren, (3) beperken/vermijden van afval, met financieel motief, (4) desinteresse, en (5) plichtsbesef en routine. Wanneer de invloed van deze vijf componenten samen op het sorteergedrag van de Vlaming bekeken wordt, blijkt dat van deze vijf componenten er vier een significante invloed hebben; de component ‘milieubewustzijn en duurzaamheid’ heeft als enige geen significante invloed of met andere woorden, zal weinig tot geen effect ressorteren op het sorteergedrag van de Vlaming. De component met de grootste invloed op het sorteergedrag van de Vlaming, is de component ‘bezwaren’ waarvan vijf van de acht achterliggende uitspraken een betekenisvolle invloed hebben op het sorteergedrag: af en toe iets bewust foutief bij het restafval gooien; nauwkeurig volgen van sorteerregels vraagt te veel tijd; te weinig plaats in of rond de woning hebben om alles correct te sorteren; reeds voldoende sorteren waardoor af en toe iets fout sorteren niet erg is; en tot slot van bepaalde afvalsoorten te weinig hebben om een aparte zak/container te vullen.

–

Betreffende de socio-demografische profilering van de vijf componenten afzonderlijk, kan algemeen gesteld worden dat: enerzijds de componenten ‘milieubewustzijn & duurzaamheid’ en ‘plichtsbesef & routine’ toenemen met de leeftijd, en groter zijn bij kleine huishoudens, alsook bij huishoudens zonder kinderen; en anderzijds dat de componenten ‘bezwaren’ en ‘desinteresse’ toenemen, en ‘het beperken/vermijden van afval (met financieel motief)’ daarentegen afneemt: bij een jongere leeftijd, in een groter huishouden (met inwonende kinderen), alsook bij huishoudens die moeilijker rondkomen.

–

Wanneer de vijf componenten samen beschouwd worden, kunnen volgende zes huishoudprofielen of ‘clusters (van personen)’ onderscheiden worden die op basis van door de respondenten gerapporteerde uitspraken, eenzelfde attitude en gedrag vertonen ten aanzien van vermijden, beperken en sorteren van huishoudelijk afval. Vervolgens kan voor elke cluster worden nagegaan via welke maatregelen deze kan gestimuleerd worden om meer en/of beter te sorteren en afval te voorkomen, en via welke informatiekanalen de cluster kan bereikt worden.

pagina 168 of 210

29.04.2022


9.1.6.1

Cluster 1: Onverschillige – ongeïnteresseerde burgers (N=244)

9.1.6.1.1 Profiel – Cluster 1 omvat de op één na minst goede sorteerders: ze zijn het minst bezig met milieubewustzijn & duurzaamheid, en kennen het minste plichtsbesef & routine inzake sorteren; daarenboven halen ze vaker bezwaren aan om te sorteren en vertonen ze een hogere mate van desinteresse in sorteren. – Personen in deze cluster zijn gemiddeld jonger (aanzienlijk aandeel in de leeftijdsklasse 18 tot 34 jaar oud) en hebben vaker dan andere clusters (m.u.v. cluster 4) kinderen tussen 3 en 5 jaar. Niettegenstaande een grotere aanwezigheid in de lagere inkomensklassen, geeft de helft aan niet moeilijk, niet makkelijk rond te komen. 9.1.6.1.2 Informatiebehoeften – In cluster 1 is de website van de stad of gemeente het vaakst gebruikte kanaal (33%) om informatie op te zoeken over afvalophaling of -sortering; het tweede belangrijkste kanaal is de papieren afvalkalender (26%). Door beide voornoemde kanalen te combineren, kan tot de helft van de cluster bereikt worden. Het bijkomend aanbieden van informatie via de website van de intercommunale en de online afvalkalender verhoogt het aandeel bereikte personen in cluster 1 tot 61%. Merk op dat 18% van de personen in cluster 1 géén extra informatie wenst. – Cluster 1 wenst bij voorkeur informatie en tips over het verminderen van huishoudelijk afval te ontvangen via de papieren afvalkalender (25%). Het bijkomend aanbieden van dergelijke informatie via de website van de stad/gemeente, via het magazine of krantje van de gemeente/stad, en via de online afvalkalender, verhoogt het bereikte aandeel in cluster 1 tot 44%. In cluster 1 kan het aandeel bereikte respondenten verder verhoogd worden tot 51% (dus +7%) door het bijkomend aanbieden van informatie en tips via een app (bijvoorbeeld Recycle!). Maar liefst 31% van de personen in cluster 1 heeft geen nood aan dergelijke informatie (in de overige vijf clusters is dit 8% tot 22%). 9.1.6.1.3 Stimuleren: sorteren van afval en verminderen van restafval – De maatregelen die in cluster 1 het meeste effect zouden ressorteren op meer en/of beter sorteren en zo het restafval verminderen, zijn op de eerste plaats het goedkoper maken van de huis-aan-huis ophaling van PMD, GFT- en groenafval, gevolgd door het eenvoudiger maken van de sorteerregels en het duidelijk aangeven op de verpakking of het product hoe te sorteren. Het nemen van deze drie maatregelen samen zou circa de helft van de Vlamingen van cluster 1 – zijnde een cluster die het minst goed sorteert - stimuleren om meer en/of beter te sorteren. – Overige maatregelen die daarnaast de grootste netto-impact zouden hebben op het sorteergedrag van cluster 1 zijn: duidelijker informeren over de sorteerregels; meer hulp voorzien op het recyclagepark zodat duidelijk is welk afval waar hoort; alsook de tarieven op het recyclagepark duidelijker communiceren. Door het extra in rekening brengen van deze drie maatregelen zouden in totaal 64% van de personen in cluster 1 gestimuleerd kunnen worden om meer en/of beter te sorteren. – Circa een kwart van de Vlamingen in cluster 1 stelt daarnaast géén stimulansen nodig te hebben om meer en/of beter te sorteren.

pagina 169 of 210

29.04.2022


9.1.6.1.4 Stimuleren: voorkomen van afval – Cluster 1 is niet enkel de groep van de op één na minst goede sorteerders, maar tevens de groep die gemiddeld het minste aantal acties onderneemt om het huishoudelijk afval te verminderen. Eén derde van de personen in cluster 1 stelt hier dan ook dat ze géén stimulansen wenst om afval te voorkomen. – De drie maatregelen die een stad of gemeente kan nemen om de personen in cluster 1 alsnog in aanzienlijke mate te stimuleren om afval te voorkomen, zijn: het organiseren van een tweedehandsbeurs of rommelmarkt; het gratis of goedkoop uitlenen van gereedschap (bv. boormachine, tuingereedschap, ...) en het aanbieden van compostvaten. Indien de lokale overheid bovenstaande drie maatregelen zou nemen, in combinatie met de maatregel ‘voorzien van herbruikbare boodschappentassen’, zou circa iets meer dan de helft van de Vlamingen in cluster 1 aangezet kunnen worden om afval te voorkomen.

9.1.6.2

Cluster 2: Modale burger (die relatief goed sorteert) (N=775)

9.1.6.2.1 Profiel – Personen in cluster 2 behoren tot de één van de betere sorteerders (samen met cluster 5 & 6), maar halen nog iets vaker (dan cluster 5 & 6) redenen aan om af en toe iets foutief te sorteren. Het is een groep die qua attitude niet opvalt: men scoort overal gemiddeld op. – Ook inzake socio-demografische karakteristieken zijn er geen opvallende vaststellingen: we vinden ze in gelijke mate terug in alle leeftijdsklassen en alle huishoudtypes; wel behoren ze iets vaker tot de 2persoonshuishoudens. Hoewel ze net als cluster 1 wat vaker tot de lagere inkomensklassen behoren, resulteert dit niet in een lager subjectief inkomen. 9.1.6.2.2 Informatiebehoeften – In cluster 2 zijn (net als in clusters 3, 5 en 6) de twee vaakst gebruikte kanalen om informatie over afvalophaling en -sortering te zoeken de papieren afvalkalender (62%) en de website van de stad of gemeente (54%); de beide samen bereiken circa 8 op de 10 personen in deze cluster. – Indien ook de kanalen ‘website van de intercommunale’ en ‘online afvalkalender’ in rekening worden gebracht, dan kan het aandeel bereikte personen in cluster 2 (alsook in clusters 3, 5 en 6) verhoogd worden tot circa 90%. – Cluster 2 wenst bij voorkeur informatie en tips over het verminderen van huishoudelijk afval te ontvangen via de papieren afvalkalender (52%). Het bijkomend aanbieden van dergelijke informatie via de website van de stad/gemeente, via het magazine of krantje van de gemeente/stad, en via de online afvalkalender, verhoogt het bereikte aandeel in cluster 2 tot circa 80%. 9.1.6.2.3 Stimuleren: sorteren & verminderen van afval – De twee belangrijkste maatregelen die de personen in cluster 2 kunnen aanzetten tot meer en/of beter sorteren, zijn: het goedkoper maken van de huis-aan-huis ophaling van PMD, GFT- en groenafval enerzijds, en duidelijk aangeven op de verpakking of product hoe te sorteren anderzijds. Het nemen van enkel deze twee maatregelen zou 64% van de personen in cluster 2 kunnen stimuleren tot beter sorteren. – Nog andere maatregelen die een belangrijk effect kunnen ressorteren, zijn: belonen omdat men sorteert; het eenvoudiger maken van de sorteerregels; meer frequent gesorteerd afval ophalen en het duidelijker communiceren van de tarieven op het recyclagepark – dit geeft een additioneel netto-effect van 18%. – In cluster 2 stelt circa 1 op de 10 géén stimulansen nodig te hebben.

pagina 170 of 210

29.04.2022


9.1.6.2.4 Stimuleren: voorkomen van afval – In cluster 2 is de meest aangeduide maatregel die een lokale overheid kan nemen tot stimuleren om afval te voorkomen: het aanbieden van compostvaten en -bakken. – Andere maatregelen die een belangrijke impact kunnen hebben, zijn: het voorzien van herbruikbare boodschappentassen; het organiseren van een tweedehandsbeurs of rommelmarkt en het gratis of goedkoop uitlenen van gereedschap. – Het samen aanbieden / organiseren van deze vier vermelde maatregelen zou 7 op de 10 Vlamingen in cluster 2 kunnen aanzetten tot (meer) afvalvoorkoming. – Circa 1 op de 5 personen in cluster 2 geeft aan géén stimulansen te wensen om (meer) afval te voorkomen.

9.1.6.3

CLUSTER 3: ACHTELOZE GOEDVERDIENERS (N=363)

9.1.6.3.1 PROFIEL – Personen in cluster 3 kennen een eerder gemiddeld sorteergedrag: het zijn niet de beste sorteerders, maar ook niet de slechtste; ze geven wel eens een reden op om iets bewust foutief te sorteren. – Ze hebben weinig aandacht voor milieubewustzijn & duurzaamheid, wat zich tevens uit in de minst goede score inzake vermijden & beperken van afval (met financieel motief). Op de overige componenten (i.c. aanhalen van bezwaren om te sorteren, desinteresse in sorteren, alsook sorteren uit plichtsbesef & routine) scoren ze eerder gemiddeld. – Cluster 3 omvat eerder jongere respondenten, met een groot aandeel tussen 18 en 49 jaar oud; met meer vrouwelijke respondenten. Hoewel geen opvallende gezinssamenstelling, zien we een iets grotere aanwezigheid van huishoudens met kinderen tussen 0 en 2 jaar. De respondenten behoren vaker tot de hogere inkomensklassen en geven ook vaker aan maandelijks gemakkelijk rond te komen. 9.1.6.3.2 INFORMATIEBEHOEFTEN – In cluster 3 zijn (net als in clusters 2, 5 en 6) de twee vaakst gebruikte kanalen om informatie over afvalophaling en -sortering te zoeken de papieren afvalkalender (60%) en de website van de stad of gemeente (46%); de beide samen bereiken circa 8 op de 10 personen in deze cluster. – Indien ook de kanalen ‘website van de intercommunale’ en ‘online afvalkalender’ in rekening worden gebracht, wordt het aandeel bereikte personen in cluster 3 (alsook in clusters 2, 5 en 6) opgedreven tot ca. 90%. – Cluster 3 wenst bij voorkeur informatie en tips over het verminderen van huishoudelijk afval te ontvangen via de papieren afvalkalender (48%). Middels het bijkomend aanbieden van dergelijke informatie via de website van de stad/gemeente, via het magazine of krantje van de gemeente/stad, en via de online afvalkalender, kan twee derde van de personen in cluster 3 bereikt worden. – Via een app (bijv. Recycle!) kunnen in cluster 3 nog 7% extra personen bereikt worden met dergelijke informatie. 9.1.6.3.3 STIMULEREN: SORTEREN & VERMINDEREN VAN AFVAL – De maatregelen die reeds een aanzienlijk aandeel personen binnen cluster 3 zouden stimuleren om meer en/of beter te sorteren en zo het restafval te verminderen, zijn: het duidelijk aangeven op de verpakking of het product hoe te sorteren en het goedkoper maken van de huis-aan-huis ophaling van PMD, GFT- en groenafval; het gaat hier om een netto-effect van 66%.

pagina 171 of 210

29.04.2022


–

–

De Vlamingen in cluster 3 kunnen bijkomend gestimuleerd worden door: het frequenter aan huis ophalen van gesorteerd afval, het eenvoudiger maken van de sorteerregels, het belonen omdat men sorteert en ten aanzien van het recyclagepark, het voorzien van ruimere openingsuren en het duidelijker communiceren van de tarieven – additioneel netto-effect van 15%. Iets meer dan circa 1 op de 10 personen in cluster 3 wenst géén stimulansen om meer of beter te sorteren.

9.1.6.3.4 STIMULEREN: VOORKOMEN VAN AFVAL – Ook in cluster 3 wordt het aanbieden van compostvaten en -bakken het meest vernoemd als maatregel die een lokale overheid kan nemen tot stimuleren om afval te voorkomen. – De andere maatregelen die een belangrijke impact kunnen hebben, zijn: het voorzien van herbruikbare boodschappentassen, het gratis of goedkoop uitlenen van gereedschap en het organiseren van een tweedehandsbeurs of rommelmarkt. – Indien de gemeente of stad deze vier vermelde maatregelen samen zou nemen, zouden 6 op de 10 Vlamingen in cluster 3 aangezet kunnen worden om (meer) afval te voorkomen. – Cluster 3 is de cluster met een huidig ‘gemiddeld’ gedrag inzake voorkomen van afval; dit blijkt ook uit het grote aandeel personen (circa 1 op 3) dat géén stimulansen wenst om meer afval te voorkomen.

9.1.6.4

Cluster 4: Jonge gezinnen met kinderen die moeilijk rondkomen en niet goed sorteren (N=204)

9.1.6.4.1 Profiel – In cluster 4 vinden we de minst goede sorteerders: ze halen het vaakst – net zoals personen in cluster 1 – redenen aan om af en toe iets bewust foutief bij het restafval te gooien. – Hun minder goed sorteergedrag gaat samen met de minst goede attitude inzake sorteren: ze kennen de hoogste score betreffende het aanhalen van bezwaren om niet te sorteren, alsook de hoogste score inzake desinteresse in sorteren. In tegenstelling tot die andere cluster met een minder goed sorteergedrag (i.c. cluster 1), scoort cluster 4 niet zo slecht (maar eerder gemiddeld) op ‘milieubewustzijn & duurzaamheid’ en ‘plichtsbesef & routine’. Ze kennen een tevens vrij goede attitude inzake het vermijden & beperken van afval (met financieel motief). – Nog meer dan in cluster 1, kent cluster 4 voornamelijk jongere personen. Het is de cluster met het grootste aandeel gezinnen met kinderen (in verscheidene leeftijdscategorieën) en de grootste gemiddelde gezinsgrootte. Een groter aandeel personen geeft aan nog thuis te wonen bij de ouders, of reeds samen te wonen met een partner en kinderen. Een groter aandeel dan in de overige clusters geeft aan in een studio te wonen. Het betreft ook vaker personen die nog niet zo lang in hun stad of gemeente wonen. Hoewel de personen in deze cluster in de verschillende inkomensklassen zijn terug te vinden (en zelfs eerder in de hogere inkomensklassen), geven ze het vaakst aan het (heel erg) moeilijk te hebben om maandelijks rond te komen. 9.1.6.4.2 Informatiebehoeften – Net zoals in cluster 1, is in cluster 4 de website van de stad of gemeente het vaakst gebruikte kanaal om informatie op te zoeken over afvalophaling of –sortering (32%); het tweede belangrijkste kanaal is de papieren afvalkalender (26%). Door beide voornoemde kanalen te combineren, kan tot de helft van de cluster bereikt worden.

pagina 172 of 210

29.04.2022


–

Het bijkomend aanbieden van informatie via de website van de intercommunale en de online afvalkalender verhoogt het aandeel bereikte personen in cluster 4 tot 69%. Ook cluster 4 wenst bij voorkeur informatie en tips over het verminderen van huishoudelijk afval te ontvangen via de papieren afvalkalender (26%; cfr. cluster 1 een lager aandeel dan in de overige clusters). Het bijkomend aanbieden van dergelijke informatie via de website van de stad/gemeente, via het magazine of krantje van de gemeente/stad, en via de online afvalkalender, verhoogt het bereikte aandeel in cluster 4 tot 57%. Via filmpjes op sociale media (bijvoorbeeld Facebook, Youtube, ...) kunnen in cluster 4 nog 9% extra personen bereikt worden met dergelijke informatie.

9.1.6.4.3 Stimuleren: sorteren & verminderen van afval – In cluster 4 bevinden zich – zoals dit ook het geval is voor cluster 1 – diegenen die gemiddeld het minst goed sorteren. Ook hier is een goedkopere huis-aan-huis ophaling van PMD, GFT- en groenafval de meeste vermelde maatregel teneinde meer en/of beter te sorteren, zij het dat het aandeel hier veel bescheidener is dan in de overige clusters. Een tweede belangrijke stimulansmaatregel betreft het duidelijker communiceren over de tarieven op het recyclagepark. – Andere maatregelen die een belangrijk aandeel personen van cluster 4 bijkomend kunnen stimuleren om meer en/of beter te sorteren, zijn: belonen omdat men sorteert; duidelijk aangeven op de verpakking of product hoe te sorteren; meer frequent ophalen aan huis van gesorteerd afval en meer/beter informeren over het belang van sorteren. – Deze zes maatregelen samen, zou twee derde van de Vlamingen in cluster 4 (de gemiddeld minst goede sorteerders) kunnen stimuleren om meer en/of beter te sorteren. 10% van de personen in cluster 4 wenst géén stimulansen om meer en/of beter te sorteren. 9.1.6.4.4 Stimuleren: voorkomen van afval – Hoewel in cluster 4 t.o.v. de andere clusters thans gemiddeld het minste ondernomen wordt om afval te voorkomen, kunnen de personen in deze cluster in belangrijke mate aangespoord worden om hun gedrag inzake afvalvoorkoming te verbeteren, aangezien slechts 1 op de 10 stelt géén stimulansen te willen. – De maatregelen die de lokale overheid kan opzetten om hen er in aanzienlijke mate toe aan te zetten om afval te voorkomen, zijn: het voorzien van herbruikbare boodschappentassen, het gratis of goedkoop uitlenen van gereedschap en het aanbieden van compostvaten en -bakken. – Het samen aanbieden van bovenstaande drie maatregelen zou in cluster 4 bijna twee derde van de respectievelijke groep kunnen stimuleren tot afvalvoorkoming.

9.1.6.5

Cluster 5: Goede sorteerders uit plichtsbesef en routine met goed inkomen (N=319)

9.1.6.5.1 Profiel – Cluster 5 omvat (samen met cluster 6) de personen met het beste sorteergedrag: ze sorteren gemiddeld de meeste afvalfracties, en halen het minst vaak redenen aan om al eens iets bewust foutief bij het restafval te gooien. – Hun sorteergedrag wordt gedreven door plichtsbesef & routine, eerder dan milieubewustzijn & duurzaamheid; ze scoren dan ook eerder matig inzake het beperken/vermijden van afval (met een financieel motief). Ze kennen de laagste score inzake aanhalen van bezwaren om te sorteren, en kennen – samen met cluster 6 – de laagste score op de component ‘desinteresse in sorteren’.

pagina 173 of 210

29.04.2022


–

Cluster 5 omvat eerder oudere personen, die we in verschillende huishoudtypes kunnen onderbrengen. Ze wonen vaker in een open bebouwing, eerder dan in een appartement en hebben een goed inkomen (zowel objectief als subjectief).

9.1.6.5.2 Informatiebehoeften – In cluster 5 zijn (net als in clusters 2, 3 en 6) de twee vaakst gebruikte kanalen om informatie over afvalophaling en -sortering te zoeken de papieren afvalkalender (67%) en de website van de stad of gemeente (50%); de beide samen bereiken circa 8 op de 10 personen in deze cluster. Indien ook de kanalen ‘website van de intercommunale’ en ‘online afvalkalender’ in rekening worden gebracht, wordt het aandeel bereikte personen in cluster 5 (alsook in clusters 2, 3 en 6) opgedreven tot circa 90%. – Cluster 5 wenst bij voorkeur informatie en tips over het verminderen van huishoudelijk afval te ontvangen via de papieren afvalkalender (54%). Middels het bijkomend aanbieden van dergelijke informatie via de website van de stad/gemeente, via het magazine of krantje van de gemeente/stad, en via de online afvalkalender, kan drie vierde van de personen in cluster 5 bereikt worden. Via een app (bijv. Recycle!) kunnen in cluster 5 nog 8% extra personen bereikt worden met dergelijke informatie. 9.1.6.5.3 Stimuleren: sorteren & verminderen van afval – De twee belangrijkste maatregelen die de personen in cluster 5 kunnen stimuleren om meer en/of beter sorteren, zijn: het duidelijk aangeven op de verpakking of product hoe te sorteren en het goedkoper maken van de huis-aan-huis ophaling van PMD, GFT- en groenafval. Het nemen van enkel deze twee maatregelen zou 58% van de personen in cluster 5 kunnen stimuleren tot beter sorteren. – Andere maatregelen die ook een belangrijk effect kunnen ressorteren, zijn: belonen omdat men sorteert; meer frequent gesorteerd afval ophalen; en ten aanzien van het recyclagepark, ruimere openingsuren voorzien en duidelijker communiceren over de tarieven – dit geeft additioneel een netto-effect van 11%. – Circa een kwart van de personen in cluster 5 wenst géén stimulansen om meer en/of beter te sorteren. 9.1.6.5.4 Stimuleren: voorkomen van afval – Het aanbieden van compostvaten en -bakken, samen met het voorzien in herbruikbare boodschappentassen, het organiseren van een tweedehandsbeurs of rommelmarkt, en het gratis of goedkoop uitlenen van gereedschap, zijn voor de personen in cluster 5 de belangrijkste maatregelen die de lokale overheid kan nemen om hen ertoe aan te zetten afval te voorkomen; het betreft een aandeel van 61%. – Aangezien cluster 5 tot de betere clusters behoort inzake voorkomen van afval, stelt dan ook iets meer dan 1 op de 3 personen, terzake géén stimulansen te behoeven.

9.1.6.6

Cluster 6: Goede sorteerders die wat ouder zijn (N=595)

9.1.6.6.1 Profiel – Net zoals cluster 5, omvat cluster 6 de personen met het beste sorteergedrag inzake consequent sorteren van specifieke afvalfracties, alsook inzake niet (af en toe) bewust iets foutief bij het restafval te gooien.

pagina 174 of 210

29.04.2022


–

–

In tegenstelling tot zij in cluster 5, vertonen de personen in cluster 6 wel een hoge mate van milieubewustzijn & duurzaamheid, en daaruit volgend een veel grotere mate van afvalbeperkend/vermijdend gedrag (met financieel motief) ten opzichte van cluster 5. Voorts scoren ze ook vrij hoog inzake plichtsbesef & routine. Hoewel in cluster 5 nog iets nadrukkelijker, kent ook cluster 6 een lage score op de component ‘bezwaren’, en – samen met cluster 5 – de laagste score op de component ‘desinteresse’. Cluster 6 omvat de personen met de hoogste gemiddelde leeftijd. Het betreft in hoofdzaak koppels zonder kinderen, alsook een groot aandeel alleenstaanden; dit uit zich in de kleinste gemiddelde gezinsgrootte van alle clusters. Niettegenstaande een groot aandeel van deze cluster tot de lagere inkomensklassen behoort, laat evenzeer een groter aandeel personen in deze cluster weten (heel erg) makkelijk rond te komen.

9.1.6.6.2 Informatiebehoeften – In cluster 6 zijn (net als in clusters 2, 3 en 5) de twee vaakst gebruikte kanalen om informatie over afvalophaling en -sortering te zoeken de papieren afvalkalender (72%) en de website van de stad of gemeente (56%); de beide samen bereiken circa 8 op de 10 personen in deze cluster. Indien ook de kanalen ‘website van de intercommunale’ en ‘online afvalkalender’ in rekening worden gebracht, zou het aandeel bereikte personen in cluster 6 (alsook in clusters 2, 3 en 5) verhoogd kunnen worden tot circa 90%. – Van alle clusters staat in cluster 6 de papieren afvalkalender het meest uitgesproken bovenaan als voorkeurkanaal om informatie en tips over het verminderen van huishoudelijk afval te ontvangen (64%). Door het bijkomend aanbieden van dergelijke informatie via de website van de stad/gemeente, via het magazine of krantje van de gemeente/stad, en via de online afvalkalender, kunnen bijna 9 op de 10 personen in cluster 6 bereikt worden. 9.1.6.6.3 Stimuleren: sorteren & verminderen van afval – Circa 1 op de 5 personen in cluster 6 wenst géén verdere stimulansen om meer en/of beter te sorteren. – Voor zij die dat wel willen, valt de eerste keuze op het goedkoper maken van de huis-aan-huis ophaling van PMD, GFT- en groenafval, gevolgd door het duidelijk aangeven op de verpakking of product hoe te sorteren. Het nemen van enkel deze twee maatregelen zou 62% van de personen in cluster 6 kunnen aanzetten tot meer en/of beter sorteren. – Dit aandeel kan nog verhoogd worden indien het gesorteerd afval frequenter wordt opgehaald; er duidelijker gecommuniceerd wordt over de tarieven van het recyclagepark; het sorteren beloond wordt; alsook de afstand tot afvalinzamelingspunten verkleind wordt –> dit geeft additioneel een netto-effect van 12%. 9.1.6.6.4 Stimuleren: voorkomen van afval – De twee belangrijkste maatregelen die volgens de personen in cluster 6 door de lokale overheid kunnen worden genomen om hen te stimuleren meer afval te voorkomen, zijn: het aanbieden van compostvaten en -bakken, gevolgd door het voorzien van herbruikbare boodschappentassen; deze twee maatregelen samen zou 55% van cluster 6 kunnen aanzetten om afval te voorkomen. – Ook het organiseren van een repaircafé, een tweedehandsbeurs of rommelmarkt, en het uitlenen van gratis of goedkoop gereedschap, worden in ruime mate vernoemd als mogelijke maatregelen. Door het extra in rekening brengen van laatstgenoemde drie maatregelen zouden in cluster 6 extra 18% personen aangezet kunnen worden tot afvalvoorkoming, waardoor het totaal 73% zou bedragen. – Circa een kwart van de personen in cluster 6 wenst géén (bijkomende) maatregelen van de lokale overheid ter voorkoming van hun huishoudelijk afval.

pagina 175 of 210

29.04.2022


9.2 FOCUSGROEPEN Hiernavolgend worden de belangrijkste bevindingen uit de groepsgesprekken opgenomen inzake: 1. kennis van afvalinzameling door de stad/gemeente; 15 kennis van (praktisch) sorteren; 16 motivatoren en demotivatoren om (niet) te sorteren; 17 stimulansen om meer/beter te sorteren; 18 kostprijs van afvalinzameling; 19 mogelijke verbeterpunten m.b.t. afvalinzameling; 20 aangewende en gewenste communicatiemiddelen; 21 inspanningen m.b.t. (nog meer) beperken, vermijden en sorteren; 22 prioritair te nemen maatregelen.

Over het algemeen – i.c. over de vijf focusgroepen heen – kan gesteld worden dat er weinig verschillen naar voor kwamen tussen de verscheidene huishoudprofielen inzake kennis, gedrag en perceptie ten aanzien van afvalsortering, -beperking en -voorkoming.

9.2.1 Afvalinzameling in gemeente – –

Men is over het algemeen goed op de hoogte van de praktische regeling (welke fracties wanneer) van afvalophaling in de stad of gemeente. De (exacte) kostprijs van de verschillende afvalfracties, inclusief huisvuil, die aan huis worden ingezameld, maar zeker van deze die op het recyclagepark worden ingezameld, is minder goed gekend.

9.2.2 Sorteren – Praktisch −

−

− − −

De deelnemers geven aan goed op de hoogte te zijn van de huidige sorteerregels voor PMD en GFT. Niettemin bestaan er bij vrijwel elk huishoudprofiel twijfels over hoe specifieke soorten afval gesorteerd dienen te worden (bijv. aluminiumschaaltjes, isomo, eierschalen, enz.). De invoering van de nieuwe PMD-zak en de bijhorende nieuwe sorteerregels, zorg(d)en bijkomend voor veel verwarring. Bij twijfel wordt het afval doorgaans bij het restafval gegooid of moffelt men dit weg in een andere verpakking (PMD). Ook nieuwe GFT-regels zorgen voor vragen: eierschalen, kattenbakvulling, vleesresten,… Vervallen voedingsproducten in verpakking belanden bij alle huishoudprofielen hoofdzakelijk bij het restafval. Over alle huishoudprofielen heen kan worden vastgesteld dat men niet vaak naar het recyclagepark gaat; dit omwille van diverse redenen (zie verder). Glas wordt consequent naar de glasbol (of het recyclagepark) gebracht.

pagina 176 of 210

29.04.2022


9.2.3 Sorteren – Motivatie −

−

De belangrijkste redenen waarom de deelnemers sorteren, zijn: de kostprijs (sorteren is goedkoper / restafval is duurder dan PMD/GFT/papier en karton), uit milieu-overwegingen, uit gewoonte en omwille van (sociale / wettelijke) verplichting. Hoewel men veelal niet op de hoogte is van de exacte kostprijs van de verschillende afvalfracties die worden ingezameld, zijn vrijwel alle deelnemers ervan overtuigd dat sorteren goedkoper is dan alles bij het restafval steken.

9.2.4 Sorteren - Mogelijke belemmeringen − −

−

−

In de keuken heeft men doorgaans aparte afvalbakken voor restafval en PMD, en sommigen ook voor GFT; keukenafval wordt dan ook doorgaans goed gesorteerd. Merken we wel op, dat wie (1) op een appartement woont, (2) en/of minder (buiten)ruimte heeft om afvalzakken/-containers te plaatsen, en/of (3) weinig afval heeft (bijv. alleenstaande), vaker het GFT bij het restafval gooit (zeker in de zomer cfr. geurhinder). Afval dat op andere plaatsen in huis vrijkomt (bijv. toilet, badkamer, slaapkamer) en waar doorgaans één vuilbakje staat, wordt minder goed gesorteerd en belandt bij het restafval; de uitzonderingen hierop zijn wc-rolletjes en grotere PMD-verpakkingen (bijv. shampoofles, scheerschuimbus, enz.). De twee belangrijkste belemmeringen om naar het recyclagepark te gaan, zijn een gebrek aan (eigen) vervoer (inzonderheid in geval van grote stukken), en de beperkte openingsuren (binnen de kantooruren, op zaterdag te druk, verplichting om op afspraak te komen). Bijkomend wordt door sommigen ook gewezen op de onduidelijkheid van de tarifering (welke kostprijs, welke afvalfracties zijn betalend en welke niet).

9.2.5 Sorteren – Demotivatie −

−

De belangrijkste redenen om niet – of niet correct – te sorteren, zijn: gebrek aan tijd, gemakzucht, onduidelijke sorteerregels, maar ook onduidelijkheid over wat met het gesorteerd afval gebeurt. De perceptie leeft dat veel gesorteerd afval, alsook restafval wordt verbrand, gesmolten, vermalen, en/of ‘verscheept’ naar de derde wereld. Voor sommigen is ook de combinatie van verschillende verpakkingsmaterialen (en bijgevolg het scheiden van de verschillende verpakkingen) een reden om afval niet te sorteren en bij het restafval te gooien.

9.2.6 Sorteren – Stimulansen −

−

Op de vraag hoe mensen gemotiveerd kunnen worden om minder afval te hebben en/of hun afval (beter) te sorteren, worden als belangrijkste stimulansen opgegeven: invoeren van statiegeld en het goedkoper maken van de inzameling (huis-aan-huis, alsook recyclagepark) van gesorteerd afval (inzonderheid voor wie het financieel moeilijk heeft, bijv. gratis PMD-zak of middels tegemoetkoming). Overige stimulansen die meermaals worden aangehaald, zijn: duidelijkere sorteerregels; het duurder maken van producten met veel verpakking of goedkoper maken van producten met geen of weinig verpakking; voorzien in een beloningsstrategie versus sanctioneringsstrategie voor wie respectievelijk goed en slecht sorteert; en tot slot burgers sensibiliseren / informeren over het belang van goed sorteren (incl. wat met gesorteerd afval gebeurt).

pagina 177 of 210

29.04.2022


9.2.7 Afvalophaling / recyclagepark - Kostprijs − −

− −

Over het algemeen is men van mening dat de huis-aan-huisophaling van restafval correct geprijsd is gezien – zo stelt men – de kostprijs grotendeels gerelateerd is aan het eigen consumptiegedrag. Niettegenstaande een prijsverhoging volgens de deelnemers tot minder afval kan leiden, is het gevaar dat dit sluikstorten in de hand zal werken en/of het ‘wegmoffelen’ van afvalverpakkingen in een goedkopere zak/container. In het bijzonder voor wie het financieel moeilijk heeft, wordt in geval van een prijsverhoging door de focusgroepen dan ook aangedrongen op een tegemoetkoming. Een aantal deelnemers vindt dat het inzamelen van betalende afvalfracties in het recyclagepark duur is geworden, met uitzondering van zij die over gratis beurten of x-aantal kilogram gratis beschikken. In dit kader wordt ook opgemerkt dat er geen uniformiteit is naar organisatie en tarifering over de stadsen gemeentegrenzen heen.

9.2.8 Afvalophaling / recyclagepark - Mogelijke verbeterpunten − − − −

−

Een meer frequente huis-aan-huis ophaling van gesorteerd afval, alsook restafval wordt door alle huishoudprofielen aangehaald als mogelijk verbeterpunt inzake afvalinzameling huis-aan-huis; er is tevens een grote vraag naar het aan-huis-ophalen van glas. Ook een gratis ophaling van grofvuil aan huis (bijv. halfjaarlijks) wordt door een aantal deelnemers vermeld. Voor een aantal deelnemers laat de kwaliteit van de vuilzakken te wensen over en zouden hierdoor eerder opteren voor een container. Ruimere openingsuren (bijv. buiten kantooruren, niet op afspraak) en een minder hoge kostprijs (of meer gratis afvalfracties) worden als mogelijke verbeterpunten inzake de afvalinzameling via het recyclagepark aangehaald. Naast het uniformiseren van de werking en organisatie van de recyclageparken in België, wordt ook het inrichten van een pop-up of mobiel recyclagepark als een mogelijk verbeterpunt gezien.

9.2.9 Communicatie − − −

−

Alle huishoudprofielen informeren zich op de eerste plaats via de (papieren) afvalkalender. Ook het infoblad van de stad of gemeente wordt hiervoor aangewend. Volgende digitale tools worden ook vermeld: sociale media, app Recycle! en de website van de stad of gemeente. Indien de sorteerregels of andere zaken met betrekking tot de afvalinzameling wijzigen, wenst men bij voorkeur schriftelijk op de hoogte te worden gesteld; dit bijvoorbeeld middels een folder bij de aankoop van nieuwe vuilzakken of een folder in de bus. In tweede instantie kan dergelijke informatie ook worden aangereikt via sociale media, e-mail of tvspotje.

9.2.10 Afvalpreventie & hergebruik −

Om minder afval te hebben, levert men – over alle huishoudprofielen heen – momenteel reeds volgende inspanningen: minder / bewuster aankopen; hergebruiken / repareren / verkopen van goederen; aankopen van producten met minder of geen verpakking; composteren en drinken van kraantjeswater.

pagina 178 of 210

29.04.2022


−

−

Om naar de toekomst toe nóg minder afval te hebben, stelt men – over alle huishoudprofielen heen – dat dit gerealiseerd kan worden door nóg minder / bewuster aan te kopen; alsook nóg meer producten met weinig of geen verpakking aan te kopen. Bijkomend – zij het in mindere mate – is men bereid volgende inspanningen te leveren: statiegeld betalen; instappen in deeleconomie; moestuin aanleggen / composteren; en minder plastieken verpakking aankopen (eerder glas). Alle huishoudprofielen zijn de mening toegedaan dat ze beter sorteren dan vroeger en bijgevolg minder restafval hebben.

9.2.11 Prioritair te nemen maatregelen − − −

Volgens de deelnemers dient – ter verbetering van de afvalsortering/-beperking – prioritair ingezet te worden op: communicatie rond het belang van sorteren; hoe te sorteren (PMD en GFT); alsook wat met gesorteerd afval gebeurt. Verder verwacht men ook een effect op het sorteergedrag middels financiële maatregelen, zoals het duurder maken van restafval versus goedkoper maken van gesorteerd afval, het belonen van goed sorteergedrag versus sanctioneren van minder goed sorteergedrag, alsook het invoeren van statiegeld. Meer afvalfracties aan huis ophalen; meer uniformiteit over de stads- en gemeentegrenzen heen inzake afvalinzameling en –sortering; alsook producenten ertoe aanzetten minder verpakking te gebruiken, worden ook nog als mogelijk te nemen maatregelen aangehaald.

pagina 179 of 210

29.04.2022


10 AANBEVELINGEN De finaliteit van het sorteergedragonderzoek is inzicht te geven in wat de burger zou kunnen overhalen om zijn/haar sorteergedrag te optimaliseren. Het onderzoek dient de OVAM handvaten aan te reiken om de burger (verder) aan te moedigen, te overtuigen en te leiden naar minder productie van restafval via het voorkomen en sorteren ervan. In wat volgt, worden dan ook terzake een reeks aanbevelingen van te nemen maatregelen opgenomen, waarbij volgende opdeling kan gemaakt worden: 1. maatregelen tot stimuleren van meer/beter sorteren van huishoudelijk afval; 2. maatregelen tot stimuleren van voorkomen van afval; en 3. flankerende maatregelen inzake beperken, vermijden en sorteren van huishoudelijk restafval

10.1 MAATREGELEN TOT STIMULEREN VAN MEER/BETER SORTEREN VAN HUISHOUDELIJK AFVAL

1

Goedkoper maken van huis-aan-huis ophaling gesorteerd afval, gekoppeld aan duurder maken huishoudelijk restafval

De Vlaming is zich bewust dat de huis-aan-huis ophaling van restafval61 duurder is dan de overige gesorteerde afvalfracties. Niettemin, worden bepaalde te sorteren afvalfracties toch nog bewust bij het restafval gegooid. Bij alle in het onderzoek onderscheiden huishoudprofielen komt een prijsverlaging van gesorteerd afval als één van de belangrijkste maatregelen – zo niet dé belangrijkste – naar voor die hen zal stimuleren om meer/beter te sorteren. Deze maatregel wordt onderschreven in alle focusgroepen, zij koppelen evenwel deze maatregel aan een prijsverhoging van de huis-aan-huis ophaling van huishoudelijk restafval. Om een mogelijke negatieve impact te ondervangen, kan inzonderheid voor Vlamingen met financieel beperkte middelen voorzien worden in een tegemoetkoming.

61 de term “restafval” zoals opgenomen in de vragenlijst en hier verder in besluiten : hieronder dient “huisvuil” begrepen te worden; bij de opmaak van de vragenlijst werd

geopteerd de term “restafval” te gebruiken omdat dit voor de burger de courant gebruikte en begrepen term is. Indien verder in het rapport de term “restafval” wordt vernoemd, dan wordt hieronder verstaan “huisvuil”.

pagina 180 of 210

29.04.2022


2

Sorteerregels : eenvoudiger maken & betere communicatie Responsabalisering en sensibilisering van producenten

Uit de bevraging, alsook uit de focusgroepen, blijkt dat sommige te sorteren afvalfracties bij het restafval terechtkomen omwille van twijfels; het betreft vnl. PMD (bijv. aluminium schaaltjes, plastieken zakjes, ...), maar tevens keukenafval (bijv. eierschalen). Het eenvoudiger maken en meer uniform maken (tussen gemeenten) van de sorteerregels kan hieraan verhelpen en zodoende huishoudelijk restafval verminderen. In alle focusgroepen wordt hier als kanttekening aangehaald dat de sorteerregels voldoende constant moeten zijn (verandering schept verwarring & meer restafval). Hier is ook een rol weggelegd voor de producent en dit inzake: het produceren van minder verpakking in het algemeen, en in het bijzonder voor wat betreft samengestelde verpakkingen, alsook het op de verpakking aangeven hoe te sorteren. Responsabilisering en sensibilisering van de producent is terzake aangewezen. Aangezien er nood is aan duidelijke informatie over de sorteerregels – i.c. praktische schikkingen – concrete voorbeelden en aanduiding wat waar thuis hoort –, zo blijkt uit de bevraging én de focusgroepen, dient ingezet te worden op een betere communicatie & informatievoorziening hieromtrent. Voor alle huishoudprofielen is het meest aangewezen kanaal de papieren afvalkalender; aangevuld met de website en infokrant van de gemeente, alsook de online afvalkalender. In geval nieuwe sorteerregels worden uitgevaardigd, wordt men hierover bij voorkeur ingelicht via een folder in de brievenbus en/of een infofiche gehecht aan de PMD-zakken. Deze tools kunnen uiteraard ook ingezet worden om de afvalfracties die thans vaak foutief gesorteerd worden, onder de aandacht te brengen.

3

Tarifering van het recyclagepark

Uit de focusgroepen blijkt dat de tarifering van de verschillende afvalfracties die op het recyclagepark worden ingezameld minder goed gekend is; daarentegen is de perceptie dat de afvalinzameling op het recyclagepark duur is. Een betere communicatie over de prijszetting van de verscheidene fracties (i.c. tarief, al dan niet betalend) kan hiervoor een antwoord bieden – zeker, zo blijkt uit de bevraging, kan dit voor de slechtst sorterende huishoudprofielen een stimulans tot meer/beter sorteren zijn.

pagina 181 of 210

29.04.2022


10.2 MAATREGELEN TOT STIMULEREN VAN VOORKOMEN VAN AFVAL Uit de bevraging blijkt dat de lokale overheid burgers kan stimuleren om afval te voorkomen. De twee maatregelen die over alle huishoudprofielen heen het grootste effect zouden hebben, zijn het voorzien van compostvaten en -bakken, en het aanbieden van herbruikbare boodschappentassen. Het voorzien van beiden door de lokale overheid zou circa de helft van goede sorteerders en circa een derde van de minder goede sorteerders ertoe aanzetten om (nog meer) afval te voorkomen. Twee bijkomende stimuli vanuit de lokale overheid – die voornamelijk de minst goede sorteerders zou aanzetten tot afvalvoorkoming –, zijn het organiseren van een tweedehandsbeurs of rommelmarkt, alsook het gratis of goedkoop uitlenen van gereedschap. Hierdoor bereikt men in zijn totaal minstens de helft van de minst goede sorteerders. Het voorzien van bovenstaande vier maatregelen kunnen aldus behoorlijk effectief zijn; en dit voor alle huishoudprofielen.

10.3 FLANKERENDE MAATREGELEN INZAKE BEPERKEN, VERMIJDEN EN SORTEREN VAN HUISHOUDELIJK RESTAFVAL −

Naast een betere communicatie over de sorteerregels en tarifering van het recyclagepark, kan ook (betere) communicatie over het belang van sorteren, maar zeker over wat met het gesorteerde afval gebeurt, een effect teweegbrengen. Zowel uit de bevraging, als uit de focusgroepen, blijkt immers dat het belang van sorteren in twijfel wordt getrokken, omdat men niet (met zekerheid) weet wat er met gesorteerd afval gebeurt (verbrand, verscheept, ... ?).

−

Betreffende de organisatie en werking van de recyclageparken zouden ruimere en flexibelere openingsuren een maatregel kunnen zijn die enerzijds drempelverlagend kan zijn voor zij die momenteel amper of niet naar het recyclagepark gaan, en anderzijds bevorderend kan zijn voor zij die er momenteel reeds gebruik van maken (i.c. beroepsactieve betere sorteerders).

−

Naast uniformiteit inzake sorteerregels over de gemeentegrenzen heen, wordt vanuit de focusgroepen de vraag gesteld naar het creëren van meer uniformiteit inzake organisatie en werking van de recyclageparken tussen de gemeenten.

−

Naast sanctioneren van zij die niet (goed) sorteren, is er tevens een duidelijke vraag naar een beloningsstrategie voor zij die wel goed sorteren (bijv. inleveren van lege plastieken flessen in ruil voor een ticket, een tegoedbon, ...). Hierbij aansluitend wordt vanuit de focusgroepen het invoeren van statiegeld als een te nemen maatregel aangehaald in het kader van verminderen van restafval.

pagina 182 of 210

29.04.2022


−

Tot slot zou het frequenter ophalen van de courant gesorteerde afvalfracties een andere maatregel zijn die in de marge de gehele bevolking kan treffen, en inzonderheid zij die in een stedelijke omgeving wonen, in een appartement of klein huis (zonder tuin), relatief veel afval hebben (bijv. gezinnen met (jonge) kinderen), relatief weinig afval hebben (bijv. alleenstaanden en dit dan in combinatie met kleinere afvalzakken/-containers).

pagina 183 of 210

29.04.2022


BIJLAGEN

pagina 184 of 210

29.04.2022


11 VRAGENLIJST ONLINE ENQUÊTE

pagina 185 of 210

29.04.2022


pagina 186 of 210

29.04.2022


pagina 187 of 210

29.04.2022


pagina 188 of 210

29.04.2022


pagina 189 of 210

29.04.2022


pagina 190 of 210

29.04.2022


pagina 191 of 210

29.04.2022


pagina 192 of 210

29.04.2022


pagina 193 of 210

29.04.2022


pagina 194 of 210

29.04.2022


pagina 195 of 210

29.04.2022


pagina 196 of 210

29.04.2022


pagina 197 of 210

29.04.2022


pagina 198 of 210

29.04.2022


pagina 199 of 210

29.04.2022


12 DRAAIBOEK FOCUSGROEPEN

pagina 200 of 210

29.04.2022


pagina 201 of 210

29.04.2022


pagina 202 of 210

29.04.2022


pagina 203 of 210

29.04.2022


pagina 204 of 210

29.04.2022


pagina 205 of 210

29.04.2022


pagina 206 of 210

29.04.2022


pagina 207 of 210

29.04.2022


pagina 208 of 210

29.04.2022


pagina 209 of 210

29.04.2022


pagina 210 of 210

29.04.2022


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook