Samenvatting van het exploratieve VIONA-onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’ september 2006 Promotoren: Prof. dr. Lieve De Lathouwer en Prof. dr. Bea Cantillon Onderzoekers: Mieke Augustyns en Hanne Dillen Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck(Universiteit Antwerpen)
Inleiding Deze studie handelt over levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs en heeft tot doel, in het kader van het beleid inzake levenslang leren, inzichten te ontwikkelen over herintreders in het hoger onderwijs. De onderzoeksvraag is: “Wat biedt het Nederlandstalige hoger onderwijs aan herintreders die een basisopleiding wensen te volgen vandaag aan (aanbod), wie zijn deze studenten (gebruikers), waarom gaan ze opnieuw studeren (motivaties) en welke faciliterende beleidsinstrumenten zijn er voorhanden (beleid)?” Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden hebben de onderzoekers een inventaris gemaakt van (basis)opleidingen die omwille van hun organisatie interessant zijn voor volwassenen die een studie willen combineren met activiteiten in andere levenssferen (hoofdstuk 1). Op basis van een webenquête bij 2673 studenten werd daarnaast een profiel geschetst van de herintreders1 in het hoger onderwijs tussen 25 en 64 jaar oud (hoofdstuk 2). Er werd ook gepeild naar de motieven van volwassenen om terug te gaan studeren (hoofdstuk 3). Tot slot werd er ook aandacht besteed aan het gebruik van beleidsmaatregelen die de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs vergemakkelijken (hoofdstuk 4). Hieronder wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste bevindingen van het onderzoek. Hoofdstuk 1 Het aanbod in Vlaanderen Internationaal onderzoek heeft het belang aangetoond van een voldoende flexibele onderwijsstructuur ter bevordering van het levenslang leren. Vlaanderen heeft hier recent op ingespeeld met de invoering van de BaMa-structuur en met het flexibiliseringsdecreet. Dit heeft ervoor gezorgd dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor herintreders sterk is toegenomen. 1
Een herintreder in het hoger onderwijs is een student die reeds actief was op de arbeidsmarkt (en/of werkte op het moment van de bevraging) en die zijn of haar loopbaan onderbreekt om hogere studies aan te vatten of die studeren en werken combineert. Iemand die onafgebroken studeert sinds de middelbare school is dus geen herintreder.
1
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
Een aantal hogescholen en universiteiten leveren sedert enige tijd inspanningen om flexibele opleidingen aan te bieden die de combinatie van gezin en / of werk met hogere studies op latere leeftijd moeten vergemakkelijken. Naast de opleidingen die worden aangeboden door de Open Universiteit Nederland, werden in het academiejaar 2005-2006 49 opleidingen georganiseerd die omwille van hun organisatie interessant zijn voor mensen die op latere leeftijd (opnieuw) een studie willen aanvatten in het hoger onderwijs. Deze opleidingen kennen een groot succes: niet minder dan 5195 studenten maken er gebruik van. Binnen de hogescholen werden in totaal 29 opleidingen geïdentificeerd als aanbod. Deze initiatieven waren verspreid over 13 hogescholen. De meeste initiatieven die werden aangeboden aan een hogeschool concentreren zich binnen de studiegebieden ‘Onderwijs’, ‘Sociaal-agogisch werk’ en ‘Gezondheidszorg’. Het grote aanbod binnen deze studiegebieden kunnen we verklaren door een sterke vraag naar geschoolde werknemers binnen de overeenkomstige arbeidssectoren. Blijft de vraag waarom er niet binnen alle opleidingen die leiden tot knelpuntberoepen wordt voorzien in een aanbod naar herintreders in het hoger onderwijs. Binnen de universitaire opleidingen (m.i.v. de Open Universiteit Nederland) vallen bijna alle initiatieven onder de humane wetenschappen. De quasi afwezigheid van het aanbod in de wetenschappelijke richtingen is treffend. De meeste opleidingen uit het aanbod zijn niet vrij toegankelijk voor alle potentiële herintreders. Binnen de hogeschoolopleidingen worden er vaak diplomavereisten ingevoerd, bij de universitaire opleiding moeten studenten daarnaast vaak actief zijn op de arbeidsmarkt. De toegang tot de bacheloropleidingen die in de Vlaamse studiecentra van de Open Universiteit Nederland worden aangeboden is daarentegen erg open. Alle mogelijke herintreders kunnen instappen in 7 opleidingen op voorwaarde dat ze 18 jaar oud zijn. Hoofdstuk 2 Profiel van de herintreders in het hoger onderwijs In het kader van dit onderzoek werden drie bronnen gebruikt om een profielschets te maken van de herintreders in het hoger onderwijs: de Databank Tertiair Onderwijs2 (DTO), een aanbodstudie3 en een webenquête. De eerste bron is een administratieve
2
De studenten van de Open Universiteit worden niet opgenomen in dit databestand. De initiële lerarenopleiding van academisch niveau en de academische initiële lerarenopleiding werden buiten beschouwing gelaten bij de aanbodstudie. In de aanbodstudie worden alle studenten die een opleiding volgen die interessant is voor volwassenen die een studie willen combineren met 3
2
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
gegevensbank. De overige twee bronnen werden in het kader van dit onderzoek verzameld. Uit de analyse van de Databank Tertiair Onderwijs blijkt dat de overgrote meerderheid van de studenten in het hoger onderwijs in Vlaanderen jonger is dan 25 jaar. We stellen wel vast dat het aandeel 25- tot 64-jarigen in de totale studentenpopulatie de laatste jaren sterk is toegenomen: het aandeel studenten tussen 25 en 64 jaar in de basisopleidingen en initiële lerarenopleidingen evolueerde van 5,0% in het academiejaar 1999-2000 naar 7,1% in het academiejaar 2003-2004. Binnen de universiteiten is het aandeel 25- tot 64-jarigen beduidend groter dan binnen de hogescholen. Dit verschil kunnen we hoofdzakelijk toeschrijven aan de sterke positie van de academische initiële lerarenopleidingen binnen deze instellingen. Verder kunnen we vaststellen dat de opleidingen waarbinnen 25- tot 64-jarigen in het hoger onderwijs studeren zich concentreren binnen enkele studiegebieden. De meeste herintreders die studeren aan een hogeschool volgen een opleiding binnen de domeinen ‘Onderwijs’ en ‘Gezondheidszorg’. Daarnaast worden ook vaak opleidingen gevolgd binnen de studiegebieden ‘Sociaal-agogisch werk’ en ‘Handelswetenschappen en bedrijfskunde’. Herintreders die studeren aan een universiteit kiezen erg vaak voor een opleiding binnen de studiegebieden ‘Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen’, ‘Politieke en sociale wetenschappen’ en ‘Psychologie en pedagogische wetenschappen’. Wanneer we deze studiegebieden vergelijken met de studiegebieden waarbinnen de jongere studenten uit de basisopleidingen en initiële lerarenopleidingen studeren, stellen we een significant, doch zwak, verband vast. Binnen de hogescholen zijn studenten tussen 25 en 64 jaar sterker vertegenwoordigd in de studiegebieden ‘Onderwijs’ en ‘Gezondheidszorg’. Jongere studenten zijn daarentegen beter vertegenwoordigd in de studiegebieden ‘Handelswetenschappen en bedrijfskunde’ en ‘Industriële wetenschappen en technologie en nautische wetenschappen’. Binnen de universiteiten zijn er vier studiegebieden die vaker worden gevolgd door studenten tussen 25 en 64 jaar dan door jongere studenten. Het betreft de studiegebieden ‘Wijsbegeerte en moraalwetenschappen’, ‘Archeologie en kunstwetenschappen’, ‘Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht’ en ‘Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen’. De omgekeerde situatie doet zich voor bij de studiegebieden ‘Toegepaste wetenschappen’, ‘Psychologie en pedagogische wetenschappen’ en ‘Economische en toegepast economische wetenschappen’. activiteiten en verantwoordelijkheden in andere levenssferen gerekend tot de herintreders uit het aanbod, ongeacht hun leeftijd.
3
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
Zoals we reeds vermeldden, heeft de aanbodstudie aangetoond dat 5196 studenten in het academiejaar 2005-2006 een opleiding volgden die de combinatie van gezin en / of werk met hogere studies op latere leeftijd moeten vergemakkelijken. 40% van deze studenten studeerden binnen de Open Universiteit Nederland, 16% studeerden aan een Vlaamse universiteit en 44% van de studenten kozen voor een Vlaamse hogeschool. De helft van de studenten uit het aanbod is jonger dan 30 jaar. In het aanbod dat wordt georganiseerd aan de hogescholen zijn vrouwen oververtegenwoordigd. In het aanbod dat wordt georganiseerd door de universiteiten is deze verdeling evenwichtiger. Net als bij de 25- tot 64-jarigen in het hoger onderwijs zijn de opleidingen die studenten uit het aanbod volgen geconcentreerd binnen een aantal studiegebieden. Dit zijn grotendeels dezelfde studiegebieden als bij de 25- tot 64-jarigen in het hoger onderwijs (zie hoger). We stellen een significant verband vast tussen het studiegebied en het geslacht van de studenten uit het aanbod (exclusief Open Universiteit Nederland): vrouwen kiezen eerder voor opleidingen binnen de studiegebieden ‘Onderwijs’, ‘Gezondheidszorg’ en ‘Psychologie en pedagogische wetenschappen’, terwijl mannen vaker kiezen voor opleidingen binnen de studiegebieden ‘Handelswetenschappen en bedrijfskunde’, ‘Industriële wetenschappen en technologie en nautische wetenschappen’, ‘Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen’ en ‘Wijsbegeerte en moraalwetenschappen’. De meeste herintreders die studeren aan de Open Universiteit Nederland volgen modules uit de opleiding psychologie. Op de tweede plaats komt de studierichting algemene cultuurwetenschappen. De webenquête stelt ons in staat om het profiel van de herintreders in het hoger onderwijs dat naar voor komt uit de andere twee bronnen verder aan te vullen. Door de webenquête kunnen we ons in de eerste plaats ook een beeld vormen van de persoons- en gezinssituatie van de herintreders. Niet-Belgen zijn goed vertegenwoordigd binnen de groep herintreders tussen de 25 en 64 jaar in het hoger onderwijs. Vooral de niet-Belgen met een nationaliteit van een andere EU-lidstaat zijn, in vergelijking met heel Vlaanderen, oververtegenwoordigd. Naar afkomst kunnen we stellen dat iets meer dan één op zeven herintreders geen Belg was bij de geboorte of minstens één ouder heeft die bij de geboorte de Belgische nationaliteit niet had. Verder zijn er onder de herintreders, in vergelijking met alle 25- tot 64-jarigen in het Vlaams Gewest, twee en een half keer meer ongehuwden. Weduwen en weduwnaars 4
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
komen daarentegen proportioneel veel minder voor bij de herintreders tussen 25 en 64 jaar in het hoger onderwijs, dan bij dezelfde leeftijdsgroep in het Vlaams Gewest. Onder de herintreders die een eerste diploma van het hoger onderwijs wensen te behalen, zijn er relatief gesproken meer alleenwonende studenten, alleenstaande ouders en studenten die inwonen bij de ouders. De groep herintreders die reeds een hoger onderwijsdiploma hebben, telt daarentegen proportioneel meer studenten die samenwonen met een partner of met een partner en kinderen. Gezinnen met twee of meer kinderen zijn oververtegenwoordigd bij de herintreders in het hoger onderwijs, ongeacht het feit of ze reeds een diploma van het hoger onderwijs behaalden of niet. De overgrote meerderheid van de herintreders heeft bovendien jonge kinderen: 3/4de heeft minstens één kind jonger dan 12 jaar. Wanneer de herintreders naar de les gaan, zijn het, in volgorde van belangrijkheid, voornamelijk de partner, de school (tijdens de schooluren) en de grootouders die instaan voor de opvang van de kinderen. Naast informatie over de persoonlijke en familiale achtergrond van de herintreders, verschaft de webenquête ook bijkomende informatie over de studies van de herintreders op het moment van de bevraging en over hun studieverleden. Bijna de helft van de herintreders in het hoger onderwijs is ingeschreven aan een hogeschool. Bij de herintreders die nog geen hoger onderwijs diploma hebben, ligt dit percentage zelfs nog hoger. Herintreders die in het verleden reeds een diploma van het hoger onderwijs behaalden, kiezen relatief gesproken iets vaker voor een opleiding aan een universiteit. Herintreders die een studie volgen aan een hogeschool kiezen meestal voor een professioneel gerichte opleiding. Herintreders die reeds een hogeschool- of universitair diploma hebben behaald, opteren wel vaker voor een academisch gerichte opleiding dan herintreders zonder diploma van het hoger onderwijs. Eén op vijf herintreders volgt een opleiding aan de Open Universiteit Nederland. De overgrote meerderheid van hen wenst een volledig opleidingstraject af te werken, wat impliceert dat ze diplomagericht studeren. Uit de analyse van de Databank Tertiair Onderwijs en uit de aanbodstudie is reeds naar voor gekomen dat de herintreders voornamelijk opleidingen volgen binnen een beperkt aantal studiegebieden. 5
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
Wanneer we het studiegebied van de herintreders bekijken in het licht van het onderwijsniveau van de student (exclusief Open Universiteit Nederland), veranderen deze studiegebieden niet sterk. Hogeschoolstudenten zonder diploma van het hoger onderwijs kiezen iets vaker voor opleidingen uit de studiegebieden ‘Onderwijs’ en ‘Sociaal-agogisch werk’ dan de studenten met een diploma van het hoger onderwijs. Deze laatste groep kiest dan weer vaker voor het studiegebied ‘Gezondheidszorg’. Voor de universiteitsstudenten die een eerste diploma van het hoger onderwijs willen behalen is de dominantie van het studiegebied ‘Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen’ opvallend. De studenten die reeds een diploma van het hoger onderwijs op zak hebben, zitten meer gespreid over de verschillende studiegebieden. Voor bijna 40% van de herintreders was er maximum 5 jaar verlopen tussen het afronden of stopzetten van de vorige studie en de huidige studie. Voor een kwart van de herintreders is het tussen de 6 en de 10 jaar geleden dat ze nog eens op de schoolbanken zaten. 51,4% van de herintreders die een eerste diploma van het hoger onderwijs wensen te behalen, heeft zijn diploma secundair onderwijs behaald in het Algemeen Secundair onderwijs (ASO), tegenover 75,1% van de herintreders die reeds een hoger onderwijs diploma hadden. Daartegenover heeft één op drie herintreders zonder diploma van het hoger onderwijs het diploma secundair onderwijs behaald in het Technisch Secundair onderwijs (TSO), tegenover één op vijf herintreders met diploma van het hoger onderwijs. De overgrote meerderheid van de herintreders heeft voor de huidige inschrijving reeds in het hoger onderwijsgestudeerd. De meeste herintreders (60,7%) hadden immers al een diploma van het hoger onderwijs behaald voor ze zich inschreven voor hun huidige opleiding. De meerderheid van hen had een diploma van het hoger onderwijs van het korte type (professioneel gerichte bachelor) behaald. Een kwart had reeds een universitair diploma. Daarnaast had, van de herintreders die nog geen diploma hadden van het hoger onderwijs, bijna iedereen een diploma van het hoger middelbaar onderwijs. Daarenboven heeft 60% van de herintreders die, voor ze zich inschreven voor hun huidige opleiding nog geen diploma hadden van het hoger onderwijs, in het verleden wel al een studie gevolgd aan een hogeschool of aan een universiteit, maar deze opleiding vroegtijdig beëindigd, zodat ze het hoger onderwijs in het verleden ongediplomeerd verlaten hebben. De belangrijkste redenen waarom een kleine groep herintreders nooit eerder studeerde aan een hogeschool of universiteit zijn (1) dat men het beu was om te studeren, (2) dat 6
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
men moest gaan werken om geld te verdienen, (3) dat men dacht dat verder studeren te moeilijk was en (4) dat men er het nut niet van inzag. De belangrijkste reden waarom een aantal herintreders in het verleden wel instroomden in het hoger onderwijs, maar de opleiding niet hebben afgemaakt en het onderwijs dus zonder diploma verlaten hebben, is dat de opleiding niet voldeed aan de verwachtingen. Dit zou erop kunnen wijzen dat men meer moet investeren in het informeren van toekomstige studenten zodat de verwachtingen van studenten over hun opleiding realistischer worden. In de 12 maanden die de bevraging vooraf gingen, heeft één op drie respondenten, naast de opleiding in het hoger onderwijs, nog een bijkomende opleiding gevolgd. Deze bijkomende opleidingen worden voornamelijk georganiseerd door werkgevers of koepelorganisaties van werkgevers en non-profitorganisaties. Relatief gesproken zijn er meer herintreders die reeds een diploma hebben van het hoger onderwijs dan herintreders die nog geen diploma hebben van het hoger onderwijs die minstens één bijkomende opleiding gevolgd hebben. De webenquête laat, tot slot, ook toe een beeld te vormen van de arbeidsmarktsituatie van de herintreders. De meerderheid van alle herintreders (67,3%) heeft een betaalde baan. Bovendien werkt de grote meerderheid van hen voltijds. Slechts iets meer dan één op tien van hen onderbreekt zijn loopbaan om opnieuw te gaan studeren. Daarnaast hebben nagenoeg alle herintreders in het hoger onderwijs die geen betaalde arbeid verrichten, dit in het verleden wel gedaan. We kunnen hieruit afleiden dat de overgrote meerderheid van de 25- tot 64-jarige herintreders in het hoger onderwijs reeds in aanraking is gekomen met de arbeidsmarkt. Naar arbeidsmarktsituatie blijken er grote verschillen te bestaan naargelang men reeds een hoger onderwijs diploma heeft of niet (statistische significant verband). Zo zijn de niet-werkenden, in vergelijking met alle 25- tot 64-jarigen in het Vlaams Gewest, oververtegenwoordigd bij de groep herintreders die nog geen diploma heeft van het hoger onderwijs, terwijl het verschil met de herintreders die wel reeds een hogeschool- of universitair diploma hebben veel kleiner is. Naar sector van tewerkstelling kunnen we stellen dat de quartaire sector bij de werkende herintreders tussen 25 en 64 jaar oververtegenwoordigd is, in vergelijking met alle loontrekkenden tussen 18 en 64 jaar in het Vlaams Gewest. De secundaire en 7
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
tertiaire sector zijn ondervertegenwoordigd. Dit verschil is nog groter wanneer we uitsluitend kijken naar de herintreders die reeds een hoger onderwijsdiploma hebben. Meer dan een kwart van de herintreders is, ongeacht of ze reeds een diploma hebben van het hoger onderwijs, tewerkgesteld binnen de sector ‘gezondheidszorg en maatschappelijke diensten’. Van de herintreders met een hoger onderwijs diploma is één op vijf bovendien tewerkgesteld binnen de sector ‘onderwijs’. Werknemers en ambtenaren zijn, in vergelijking met alle 15- tot 64-jarigen in het Vlaams Gewest, oververtegenwoordigd bij de herintreders. Van de herintreders die nog geen diploma hebben van het hoger onderwijs en die tewerkgesteld zijn als werknemer of ambtenaar werken er relatief gesproken veel meer in de privé-sector dan bij de overheid. Bij de herintreders die reeds een hoger onderwijs diploma hebben is dit verschil veel kleiner. De groep herintreders zonder diploma van het hoger onderwijs bevat relatief gesproken veel meer arbeiders dan de groep herintreders met een hoger onderwijsdiploma. Aan de andere kant zijn er verhoudingsgewijs veel meer hogere bedienden en kaderleden onder de herintreders die reeds een diploma hebben van het hoger onderwijs. Eén op vijf herintreders die tewerkgesteld zijn als werknemer of ambtenaar heeft vaste werktijden en één op drie heeft glijdende uren. In vergelijking met herintreders die reeds een diploma hebben van het hoger onderwijs zijn er relatief gesproken meer herintreders die nog geen diploma hebben van het hoger onderwijs die onregelmatige werktijden (afhankelijk van de nood dienst/klant) hebben of die werken in een ploegenstelsel. Dit kan verklaard worden doordat deze groep verhoudingsgewijs ook meer arbeiders telt. In tegenstelling tot werknemers en ambtenaren zijn zelfstandigen ondervertegenwoordigd bij de herintreders. Slechts een kleine minderheid van de herintreders oefent een zelfstandige activiteit uit. Van de zelfstandigen die reeds een diploma hebben van het hoger onderwijs oefent 65,5% een vrij beroep uit. Bij de zelfstandige herintreders die nog geen hogeschool- of universitair diploma hebben is dit slechts 35%. Eén op vijf herintreders die een zelfstandige activiteit uitoefenen heeft minstens één helper of werknemer in dienst.
8
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
De meeste herintreders die hun arbeidsprestaties tijdelijk onderbreken om opnieuw te gaan studeren, onderbreken hun loopbaan volledig. Meestal doen ze dit via het stelsel van tijdskrediet of het stelsel van loopbaanonderbreking. De meeste herintreders zonder betaalde baan zijn uitkeringsgerechtigd werkloos of staan in voor het huishouden. Het aandeel uitkeringsgerechtigd werklozen is veel groter bij de herintreders die nog geen diploma hebben van het hoger onderwijs. Daarentegen zijn er veel meer studenten die instaan voor het huishouden onder de herintreders die reeds een diploma hebben van het hoger onderwijs die geen betaald werk hebben. Hoofdstuk 3 Motivaties en hinderpalen van herintreders in het hoger onderwijs Uit het onderzoek blijkt dat het voornamelijk intrinsieke (leer)motivaties zijn die een invloed hebben op de beslissing van volwassenen om (opnieuw) te gaan studeren in het hoger onderwijs. Interesse in een bepaald onderwijs, de drang om iets nieuws bij te leren en de wil om iets te realiseren wat men altijd al had willen doen, zorgen ervoor dat volwassenen terugkeren naar de schoolbanken. Ook professionele en financiële motieven spelen een rol bij de beslissing om (opnieuw) te gaan studeren. Herintreders verwachten immers dat het behalen van een diploma van het hoger onderwijs het vinden van een nieuwe job zal vergemakkelijken, de taakinhoud van hun werk zal verbeteren en hun verdienpotentieel zal doen stijgen. Professionele en financiële motieven zijn belangrijker voor studenten die een eerste diploma van het hoger onderwijs wensen te verwerven dan voor studenten die reeds een diploma hebben van het hoger onderwijs. Motieven die minder belangrijk zijn houden verband met de verwachtingen van hun werkgever, familie en vrienden, en kinderen. Toch geeft een aanzienlijke groep studenten zonder diploma van het hoger onderwijs aan dat het voldoen aan verwachtingen van familie en vrienden heeft meegespeeld in hun terugkeer naar het onderwijs. De meeste respondenten verwachten dat hun opleiding een positief effect zal hebben op hun werksituatie. Vooral t.a.v. het vinden van een (nieuwe) job en de taakinhoud van hun (nieuwe) job verwachten de studenten een positieve verandering. Wat alle bevraagde werkgerelateerde aspecten betreft, verwachten de studenten zonder diploma van het hoger onderwijs vaker een positief effect dan de studenten met een diploma van het hoger onderwijs. Verwachte arbeidsgerelateerde aspecten spelen dus zeker voor studenten zonder diploma van het hoger onderwijs een rol. Op het moment van de bevraging gaven de meeste studenten aan dat ze nog geen effecten ervaren van het volgen van hun opleiding op arbeidsgerelateerde aspecten. 9
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
De grootste problemen waarmee de respondenten geconfronteerd worden situeren zich in volgende drie domeinen: de combinatieproblematiek van het studeren en andere levenssferen, het aspect tijd, en de financiële moeilijkheden. Respondenten zonder diploma van het hoger onderwijs hebben vaker moeite met de financiële aspecten dan respondenten met een diploma van het hoger onderwijs. Wat de houding van de werkgever betreft, kunnen we stellen dat de overgrote meerderheid van de werkgevers op de hoogte is van de studies van hun werknemer. De helft van deze werkgevers staat daarenboven positief tegenover het feit dat hun werknemer studeert. Voor de grootste groep studenten financiert zijn of haar werkgever de opleiding niet. Hoofdstuk 4 Het beleid ter ondersteuning van levenslang leren Uit dit onderzoek blijkt dat 1/5de van de herintreders van geen enkel beleidsinstrument gebruik maakt. Alle andere herintreders maken van minstens één beleidsinstrument ter ondersteuning van levenslang leren gebruik. Algemeen kunnen we stellen dat de beleidsinstrumenten die beter gekend zijn ook meer worden gebruikt. Van alle beleidsmaatregelen ter ondersteuning van levenslang leren zijn de stelsels van loopbaanonderbreking en tijdskrediet, de opleidingscheques voor werknemers en het betaald educatief verlof het best gekend bij de herintreders in het hoger onderwijs. Deze beleidsinstrumenten worden ook het meest gebruikt. Er zijn verschillen tussen de beleidsinstrumenten die voornamelijk worden gebruikt door herintreders die reeds een diploma hebben van het hoger onderwijs en herintreders die nog geen hoger onderwijs diploma hebben, maar deze verschillen kunnen bijna allemaal worden verklaard door de arbeidsmarktsituatie van de studenten. Zo is het aandeel niet-werkenden en het aandeel uitkeringsgerechtigd werklozen groter bij de herintreders die nog geen diploma hebben van het hoger onderwijs. Deze groep maakt dan ook meer gebruik van beleidsmaatregelen ter ondersteuning van werklozen zoals bv. de vrijstelling in geval van werkloosheid en de premie betaald door de VDAB voor het volgen van een opleiding die leidt naar een knelpuntberoep. Herintreders die reeds een hoger onderwijs diploma hebben, maken daarentegen meer gebruik van regelingen ter ondersteuning van werknemers en ambtenaren, zoals de opleidingscheques voor werknemers en de stelsels van loopbaanonderbreking en tijdskrediet. 10
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
Het studeren met behoud van loon in de non-profit sector om een diploma verpleegkunde te behalen en de regeling van vrijstelling in geval van werkloosheid zijn de meest motiverende beleidsinstrumenten ter ondersteuning van levenslang leren. Dit wil zeggen dat ze het meest invloed hebben gehad op de beslissing om opnieuw te gaan studeren. Wanneer we kijken naar het mogelijke verband tussen het gebruik van beleidsinstrumenten en de moeilijkheden waarmee studenten tijdens hun studies worden geconfronteerd, kunnen we voor de opleidingscheques voor werknemers en ambtenaren stellen dat de gebruikers minder vaak moeite hebben met het inkomensverlies door minder te werken. Studenten die loopbaanonderbreking of tijdskrediet opnemen hebben dan weer vaker financiële problemen dan hun medestudenten die ook aanspraak zouden kunnen maken op deze verlofstelsels. Opmerkelijk is dat wat de combinatieproblematiek betreft, de stelsels van loopbaanonderbreking en tijdskrediet er enkel voor de hoger opgeleiden, en enkel voor de combinatie tussen studeren en werken, geldt dat de gebruikers significant minder problemen ondervinden dan de niet-gebruikers. Hoewel de vrijstellingenreling voor werklozen een erg motiverende maatregel voor gebruikers bleek te zijn, en het het enige beleidsinstrument dat we meer in detail bekeken, dat meer gekend is onder rechthebbenden zonder diploma van het hoger onderwijs dan rechthebbenden met een diploma van het hoger onderwijs, hebben we statistisch bekeken geen grote verbanden kunnen terugvinden tussen het al dan niet gebruik van de maatregel door de rechthebbenden en het ondervinden van tijdsproblemen en de combinatie van studeren met andere levenssferen. Ook voor de regeling van het betaald educatief verlof voor werknemers geldt dat de gebruikers niet minder moeilijkheden ervaren in hun studies dan de rechthebbenden die geen betaald educatief verlof opnemen. Voor de VDAB-premie voor opleidingen die leiden tot een knelpuntberoep geldt daarentegen, onder studenten met een diploma van het hoger onderwijs, wel dat de gebruikers veel minder vaak hinder ondervinden van de kostprijs van de opleiding dan de rechthebbenden die de premie niet ontvangen. Op basis van deze analyses konden we enkel uitspraken doen over de samenhang tussen het gebruik van beleidsinstrumenten en de moeilijkheden die studenten ervaren. Een eventuele samenhang wijst niet steeds op een oorzakelijk verband. Zo is het denkbaar dat de financiële en andere moeilijkheden waarmee studenten worden geconfronteerd verminderen ten gevolge van de maatregelen zonder volledig te verdwijnen. Daarnaast is het mogelijk dat beleidsinstrumenten voor studenten afzonderlijk onvoldoende voordelen opleveren maar dat ze wanneer ze gecombineerd 11
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
worden gebruikt mogelijk een veel groter effect genereren. Wat er ook van zij, voor alle maatregelen geldt dat ze het herintreden zelf bevorderen. Ze worden ervaren als stimuli met een vaak grote invloed op de herintredingsbeslissing. Conclusies Hoewel een groot deel van de herintreder reeds een hoger onderwijsdiploma heeft en/of betaald werk verricht, zijn ook een aantal kansengroepen, zoals niet-Belgen en Belgen van allochtone afkomst (15,4%4) uitkeringsgerechtigd volledig werklozen (18,3%) en niet hogergeschoolden (39,2%) niet afwezig binnen de groep 'levenslang lerenden' die het voorwerp uitmaakten van deze studie. Ook vrouwen zijn goed vertegenwoordigd onder de herintreders (61,6%). Desalniettemin zou het aantal volwassenen in het hoger onderwijs wellicht nog vergroot kunnen worden, in het bijzonder onder niet hoger opgeleiden (en studenten die nooit eerder instroomden in het hoger onderwijs), werklozen en andere kansengroepen. De meeste herintreders studeren diploma- en arbeidsmarktgericht. Voor veel herintredende studenten in de basisopleidingen is studeren een manier om hun kennisniveau te verhogen (83,5%5), een (nieuwe) job te vinden (60,2%2), om hun mogelijkheden te vergroten om door te stromen in hun huidige job (45,2%2) of om hun financiële toestand te verbeteren op lange termijn (43,4%2). Voor een (overigens niet te verwaarlozen) minderheid is studeren uitsluitend een hobby (36,5%2) of een manier om nieuwe mensen te leren kennen (20,3%2). Veel studenten combineren hun studie met werk en het hebben van (meerdere) kinderen. Bijna 40% van de studenten heeft inwonende kinderen en in ¾ van deze gezinnen woont bovendien meer dan één kind. Hoewel de meesten aangeven gebruik te kunnen maken van kinderopvang blijkt de combinatie studeren/gezin voor de meeste herintreders problematisch. Een aantal hogescholen en universiteiten leveren reeds inspanningen om flexibele opleidingen aan te bieden die de combinatie van gezin en / of werk met hogere studies op latere leeftijd moeten vergemakkelijken. Meestal zijn dit opleidingen via afstandsonderwijs of opleidingen die ’s avonds en in het weekend worden gegeven. Instellingen voor hoger onderwijs richten deze flexibele opleidingen in vanuit een democratiseringsdoelstelling: door flexibele opleidingen aan te bieden willen ze 4
De student of één van zijn of haar ouders werd als niet-Belg geboren Deze studenten gaven aan dat dit motief voor hen een grote tot zeer grote invloed heeft gehad op hun terugkeer naar het hoger onderwijs 5
12
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
studenten die om welke reden ook nooit eerder studeerden in het hoger onderwijs én studenten die in het verleden wel aan een hogeschool of universiteit studeerden, maar die hun opleiding niet hebben voltooid en het onderwijs dus ongediplomeerd verlaten hebben, de kans geven om later in hun leven alsnog een hoger onderwijsdiploma te behalen. Deze opleidingen kennen een groot succes: niet minder dan 5195 studenten maken er gebruik van. Het aanbod is evenwel onevenwichtig gespreid, zowel regionaal als inhoudelijk. In sommige regio's is het aanbod groot, in andere sterk onderontwikkeld. Het aanbod is bovendien eenzijdig gericht op opleidingen in de menswetenschappen. Uit interviews met bevoorrechte getuigen kwam naar voor dat veel van deze initiatieven tot stand zijn gekomen door enkele gemotiveerde docenten. De plaats waar deze flexibele opleidingen worden ingericht, lijkt derhalve eerder toevallig en ad hoc te zijn. Om het aantal volwassenen in het hoger onderwijs te vergroten, zou het aantal flexibele opleidingen in Vlaanderen uitgebreid en beter gespreid moeten worden over het grondgebied. De meerderheid van de herintreders vindt dat de mogelijkheden voor afstandsonderwijs zouden moeten vergroot worden. Ook in het flexibiliseringsdecreet werd afstandsonderwijs reeds aangehaald om het levenslang leren te vergemakkelijken. Een betere samenwerking tussen de Vlaamse hogescholen en universiteiten (binnen en over associaties heen) en de Open Universiteit Nederland en een grotere financiële ondersteuning van de inspanningen die de instellingen leveren zouden hiertoe bijdragen. Bij de uitwerking van het nieuwe aanbod is het wellicht aangewezen om ook aandacht te hebben voor de aansluiting bij de noden van de arbeidsmarkt. De initiatieven die werden opgestart binnen het studiegebied ‘Gezondheidszorg’ kunnen hierbij als leidraad dienen. Om het tekort aan verpleegkundigen op te vullen, worden volwassenen via allerlei kanalen aangespoord om op latere leeftijd verpleegkunde te gaan studeren. Niet enkel werkloze studenten worden (d.m.v. de VDAB-premie voor knelpuntberoepen) gestimuleerd om verpleegkunde te gaan studeren. Ook nietverpleegkundigen uit de non-profit sector kunnen verpleegkunde studeren met behoud van hun loon. Verpleegkundigen die reeds een A2-diploma op zak hebben kunnen instappen in een verkort traject. De hogescholen leveren bovendien inspanningen om de combinatie van verpleegkunde studeren en werken te vergemakkelijken door middel van avond- en afstandsonderwijs. Deze inspanningen vanwege de hogescholen, de non-profit sector en de overheid hebben hun doel duidelijk niet voorbij geschoten; de gegevens uit de Databank Tertiair Onderwijs geven aan dat er in academiejaar 2003-2004 21,4% van de hogeschoolstudenten tussen 25 en 46 jaar een 13
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
opleiding volgden binnen het studiegebied ‘Gezondheidszorg (t.o.v. 9,3% onder de studenten jonger dan 25 jaar oud). Zowel de Vlaamse als de federale overheid voorzien in verschillende regelingen om de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs te vergemakkelijken. Zowel studenten die hun studies combineren met betaalde arbeid als studenten die werkloos zijn kunnen gebruik maken van deze beleidsinstrumenten6. Vooral de opleidingscheques, de loopbaanonderbreking en het tijdskrediet en het betaald educatief verlof zijn erg goed gekend onder herintreders. De nieuwe regelingen inzake EVC’e en EVK’s zijn reeds door zo’n 40% van deze studenten gekend. Hoewel de meeste beleidsinstrumenten zeer goed gekend zijn onder de herintreders, worden ze niet allemaal even frequent gebruikt. Van de vijf beleidsinstrumenten die meer in detail werden besproken wordt de vrijstellingenregeling voor volledig werklozen het meest gebruikt door de herintreders die er recht op hebben (70,7%). Ook de opleidingscheques voor werknemers en ambtenaren (62,8%) en het betaald educatief verlof (51,9%) worden gebruikt door meer dan de helft van de rechthebbenden. In mindere mate wordt er gebruik gemaakt van de VDAB-premie voor het volgen van een opleiding die leidt naar een knelpuntberoep (31,3%) en de loopbaanonderbreking of het tijdskrediet (16,1%) door de herintreders die op deze regelingen aanspraak zouden kunnen maken. Een aantal bestaande beleidsmaatregelen ter ondersteuning van levenslang leren zouden moeten bijgesteld worden. Werknemers in de privé-sector die afstandsonderwijs wensen te volgen, kunnen volgens de huidige regeling bijvoorbeeld geen aanspraak maken op betaald educatief verlof. Ook binnen deze vorm van onderwijs is er echter een aanzienlijke tijdsinvestering van de studenten vereist. Het uitwerken van een aangepaste regeling voor deze groep studenten is dan ook wenselijk. Ook de voorwaarden om binnen de werkloosheidsverzekering in aanmerking te komen voor de vrijstellingenregeling omwille van studies, zouden moeten worden versoepeld zodat volledig werklozen gemakkelijker kunnen instromen in het hoger onderwijs.
6
opleidingscheques voor werknemers, studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap, premie betaald door de VDAB voor het volgen van een opleiding die leidt naar een knelpuntberoep, Vlaamse aanmoedigingspremie bij de federale stelsels van loopbaanonderbreking en tijdskrediet, korting op het inschrijvingsgeld bij de Open Universiteit Nederland, terugbetaling van de inschrijvingskosten en vergoeding voor een zaterdag- of avondopleiding door CEVORA, vrijstelling op basis van EVC’s; vrijstelling op basis van EVK’s, loopbaanonderbreking/tijdskrediet, betaald educatief verlof, werklozen met regelingen van vrijstellingen, studeren met behoud van loon in de non-profit sector om een diploma verpleegkunde te behalen;, vormingsverlof voor ambtenaren
14
Samenvatting van het onderzoek ‘Levenslang leren en de terugkeer van volwassenen naar het hoger onderwijs’
Studenten die nog geen diploma hebben van het hoger onderwijs én in het bijzonder volwassenen die in het verleden nog nooit in het hoger onderwijs studeerden, vinden maar moeilijk aansluiting. Voor mensen die nooit eerder studeerden aan een hogeschool of een universiteit is het immers geen sinecure om hun weg te vinden in het Vlaamse hoger onderwijslandschap. Een betere informatiedoorstroming lijkt noodzakelijk, bijvoorbeeld door een website, zoals deze van ‘word wat je wil’ en/of een informatiebrochure. Om de evolutie voor het levenslang leren in Vlaanderen te monitoren zijn een aantal aanpassingen aan de Databank Tertiair Onderwijs (DTO) nodig. De huidige opbouw van de databank laat immers geen inhoudelijke selectie toe van herintreders in het hoger onderwijs. De hervorming van een databank met daarin gegevens per academiejaar naar een databank waarin studenten doorheen hun studietraject kunnen worden gevolgd of waarin het academiejaar van laatste inschrijving verplicht zou worden opgenomen, zou het bestuderen van herintreders in het hoger onderwijs vergemakkelijken. Het zou ook erg interessant zijn als er in de databank een variabele zou worden opgenomen die het hoogste behaalde diploma van de student weergeeft (ongeacht het jaartal van afstuderen).
15