Skip to main content

M&L_21_3.pdf

Page 1

^


/e Coatin u. tevisstraai z - i ÖOO Vilvoor TEL: 52(0)2/254.25.60 \X: 52(0)2/254.22,96

fin


LANDSCHAP

Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 BRUSSEL Tel. (02)553 82 34 - Fax (02)553 80 95 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be Coördinatie: LucTack Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns Coyer: De olifantenbrug ontworpen door Smolderen, gebeeldhouwd door A. Collin

Abonnementsvoorwaarden 2002

Internet

Druk

Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be

Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050)47 12 72 - Fax: (050)34 37 68

Redactiecomité

België: 32 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 49,50 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten £t Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw, Albert ll-laan 20 - Bus 7, 1000 Brussel met vermelding "MftL-jaarabonnement 2001". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be

Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gyselinck, A. Malliet, V. Meul, G. Plomteux, L Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo, L Wylleman.

Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050)36 25 89 - Fax: (050)37 33 64

k

—

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Afdeling Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 BRUSSEL Tel.: (02)553 82 36 - Fax: (02)553 80 95 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden

Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd

_

Verantwoordelijke uitgever

a

Een A r t - D e c o f e s t i v a l : de i n t e r n a t i o n a l e t e n t o o n s t e l l i n g van Antwerpen in 1 9 3 0 . Het d r o o m b e e l d van h o o f d a r c h i t e c t Jos Smolderen L. Smolderen

30

De Bredase B o u l e v a r d s . Brussel als voorbeeld voor Breda Gerard Otten

56

Summary


Kalk voor de restauratie, renovatie en decoratie van ons patrimonium!

UNILIT

CORIbECOR • CORICAL: een minerale verf op basis van vette luchthardende kalk, marmerpoeder en natuurlijke kleurstoffen

• Bindmiddelen op basis van natuurlijke hydraulische kalk om te metselen, voegen en pleisteren

• Marmerafwerkingen MARMOLUX, COR1ST1L, DECORLUX, VENESTUK

• Kant en klare mortels op basis van natuurlijke hydraulische kalk

te

ËE

W1%Z*S*dr~

^'•«^^-•cw* i^ï^-g^l^. • Hecht-, grond- en afwerkmortels • Saneringsmortels tegen optrekkend vocht & vochtige muren • Thermische & akoestische isolatiemortels • Injectiemortels voor stabilisatie en statische verankering

HD SYSTEM GRUPPO TASSULLO spa

^Ainiere

Chris VOET Tel.: 052 46 02 43 Fax : 052 46 35 77 GSM : 0475 26 72 89 B-mail : chris.ady^compaqnet.be Maud BONNEVIE Tel./Fax:081 58 35 99 GSM : 0475 26 73 25 E-mail : berfon'V/;tiscalinet.be

ii

San (Ègmedio

Arte Arte Constructo bvba Molcnbergiei 18 B-2627 Schelle Tel.: 00 32 3 880 73 73 Fax : 00 32 3 880 73 70 E-mail : intbö)arteconstructo.be Web : www.arteconstrueto.be


ALPHA VOCHTTECHNIEK

VEELZIJDIG EN AL MEER DAN 23 JAAR ERVARING Injectiewerken - constructief - waterdkhtend Waterdicht maken van kelders Injekteren tegen opstijgend vocht Hygrothermische kelderisolatie Bestrijden van vochtoverlast in kruipruimten Hydrofoberen en verharden van natuur- en baksteen Betonreparatiesystemen Renovatie- en restauratiepleisters Kunststof-vloersystemen

ALPHA VOCHTTECHNIEK B.V.B.A. Riyadhstraal 1-2321 Meer Tel. 03/315.11.13 - Fax 03/315.11.15 www.alphavochttechiek.com - email: lnfo@alphavochtfechniek.com

Uw patrlmonitint... onze zorg Reeds meer dan 20 jaar restaureren, renoveren en beschermen wij gebouwen en waardevolle monumenten. Reiniging, restauratie en renovatie van gevels Restauratie en conservatie van steen Traditionele zuivere kalkpleisters en kaleilagen Mineraalverven en silicaatpleisters Cement- en kunststofgebonden gevelpleisters Warmte-isolerende pleistersystemen Betonherstelling en -bescherming

Duivenwering Houtworm- en zwambestrijding Polylneerchemlsche houtrestauratie en -versteviging Brandremming op hout, beton en metaal Injectiewerken Vochtwering en waterdichting Renovatie- en verbouwingswerken Referenties op aanvraag

Onze vaklui worden begeleid door gespecialiseerde ingenieurs en kunsthistorici

Solar Tel.: 03-766.11.66 - Fax: 03-777.35.09 Kleine Breedstraat 3 3 - B-9100 SINT NIKLAAS Erkend aannemer cat D kl 1, o cat Dl kl 3, D21 kl 3. D24 kl 4

E3-Laan 49 - 9800 Deinze - Tel 09/386 07 63 p.nijs@cobonet.be

Evenwicht tussen wetenschap en vakmanschap

Specialiteit: Beschermde monumenten


L.

Smolderen

EEN ART-ÜEC0FEST1VAL: DE INTERNATIONALE TENTOONSTELLING VAN ANTWERPEN IN 1 9 3 0

HET DROOMBEELD VAN HOOFDARCHITECT JOS SMOLDEREN Ontwerp voor het Eeuwfeestpleln. november 1926

Tot twee keer toe, in 1885 en in 1894, was er in

van België. Drie andere steden - Brussel, Cent en

Antwerpen

Luik - koesterden

een Wereldtentoonstelling

gehouden.

evenwel dezelfde

In de lente van 1914 vatte de Stad het plan op er

Er moest dus onderhandeld

een derde te organiseren

De concurrentie

verwachtingen

in 1920, maar

werden doorkruist

Wereldoorlog.

haar

door de Eerste

In 1923 stelde burgemeester

Van Cauwelaert

de Gemeenteraad

besluit goed te keuren waarin

Frans

voor een

Antwerpen

de eer

worden.

werd uiteindelijk

typisch Belgisch compromis: - Vlaanderen

en Wallonië!

Eeuwfeest vieren met een internationale

ambitie.

beslecht met een

Antwerpen

en Luik

- zouden beide het gespecialiseerde

tentoonstelling,

terwijl

Brussel

opeist een Wereldtentoonstelling

te mogen

de locatie zou worden voor een Wereld-

organiseren

in 1930 (1), het jaar

van de

tentoonstelling

honderdste

verjaardag

onafhankelijkheid

van de

in

1935.


World's Fairs met een thematisch programma waren erg in de mode in die tijd: in 1922 werd in Marseille een koloniale tentoonstelling gehouden, die van 1925 in Parijs was gewijd aan de Arts décoratifs (Kunstnijverheid). Men kende zich dus specifieke thema's toe. Het thema in Antwerpen was: Koloniën, Zeevaart en Vlaamse Kunst, Luik werkte rond Industrie, Toegepaste Wetenschappen en Waalse Kunst. Deze programma's weerspiegelden vrij goed hun imago en waren tegelijk ook complementair. De — typisch Belgische — discussie was nauwelijks uitgeklaard of een nieuw probleem dook op: Frankrijk was namelijk ook van plan een koloniale tentoonstelling te organiseren, met name in Vincennes in 1929. Het Antwerpse Comité was beducht voor concurrentie van hetzelfde thema op tijdstippen die zo dicht bij elkaar lagen. Er werd onderhandeld in Parijs, met als enig resultaat de belofte dat Frankrijk intensiever zou deelnemen in Antwerpen in 1930 (2). Uiteindelijk zou de tentoonstelling in Vincennes pas in 1931 plaatsvinden, maar om andere redenen (3). Het is niet onze bedoeling hier in detail het verhaal van de Internationale Tentoonstelling van Antwerpen te schrijven. Hoewel deze Tentoonstelling veel steun kreeg van de overheid, was zij vóór alles toch het werk van de privé-sector. O p 30 oktober 1923 riep burgemeester Frans Van Cauwelaert in zijn kabinet enkele prominente vertegenwoordigers van de commerciële, industriële en maritieme kringen bijeen om te polsen naar de mogelijkheden om in Antwerpen een Internationale Tentoonstelling te organiseren in 1930. Gezien hun enthousiaste reacties keurde de Gemeenteraad op 26 november bijna unaniem een besluit daartoe goed. Op 3 oktober 1924 werd een Initiatiefnemend Comité samengesteld onder impuls van Alfred Martougin, voorzitter van de Kamer van Nijverheid. Deze onvervalste Waal, die zich een twintigtal jaar eerder in de Metropool gevestigd had waar hij een bekend chocoladebedrijf had opgericht, zou de spil worden van de World's Fair. Het Initiatiefnemend Comité werd spoedig omgevormd tot een Uitvoerend Comité, nadat bij notariële akte van 7 april 1926 een Naamloze Vennootschap Tentoonstelling voor Koloniën, Zeevaart en Vlaamsche Kunst, Antwerpen 1930 was opgericht. De eerste twee opdrachten van dit Comité waren vanzelfsprekend het verzamelen van startkapitaal en het kiezen van een locatie. Een eerste bedrag van

vijftien miljoen frank kon in een recordtijd worden bijeengebracht, maar een geschikt terrein vinden bleek moeilijker. Er moest een wijk gevonden worden die zich leende voor verstedelijking achteraf. Drie locaties werden geselecteerd (4): • in het zuiden: de vlakte van Wilrijk in de buurt van het Nachtegalenpark; maar daar lagen in die tijd militaire gronden met kazernes en een oefenveld; • in het noorden: de omgeving van de nieuwe haveninfrastructuur, maar met moeilijke toegangswegen als nadeel; • op Linkeroever: de gronden langs de Schelde. Deze verleidelijke optie kon pas in aanmerking komen nadat er een tunnel was gegraven. Gezien elk van die drie oplossingen bezwaren opriep, stelde gemeentesecretaris Hippolyte Gyselynck (5) op 4 juni 1926 drie alternatieve locaties voor: • de wijk van het Kiel, meer bepaald de terreinen tussen de Schelde, de - toen nog bestaande versterkte stadswal en de spoorweglijn van Antwerpen-Zuid die omgelegd zou moeten worden;


• de terreinen tussen de stadswal, de Jan Van Rijswijcklaan en de spoorweglijn naar Wilrijk (de huidige Jan de Voslei); • het oefen veld van Wilrijk. Na de verschillende plaatsen te hebben bezocht, sprak de Commissie zich op 25 juni unaniem uit in het voordeel van de tweede oplossing (6). De gronden, die eigendom waren van de Stad, werden op 21 augustus ter beschikking gesteld van de N. V. Wereldtentoonstelling Antwerpen 1930 en al op 17 november stuurde de Belgische Regering de officiële uitnodigingen naar de andere landen met het oog op hun mogelijke deelname. Al op 18 juni 1926 had stadsarchitect Emiel Van Averbeke (1876-1946) met zijn diensten een eerste voorontwerp klaar voor de aanleg van het terrein, gevolgd door twee niet-gedateerde varianten waarin rekening werd gehouden met de opmerkingen geformuleerd door het Comité voor de Aanleg en het Uitvoerend Comité van de Wereldtentoonstelling (7). Dit eerste plan (8) is opgebouwd rond het bastion dat later voorbehouden zou worden aan het Britse paviljoen; de huidige Kamiel Huysmanslaan (de vroegere Kolonielaan) is nog niet duidelijk weergegeven en de toekomstige Vlaamse Kunstlaan bestaat nog helemaal niet. Er is geen enkele uitgang voorzien aan de kant van het viaduct van Wilrijk en de hoofdingang ligt niet in de as van de Jan Van Rijswijcklaan maar rechts van deze verkeersader, zodat het auto- en tramverkeer er niet gehinderd wordt. Daarentegen vervullen de grote tentoonstellingshallen van de Belgische afdeling wel al hun rol als afsluiting om de spoorweg Antwerpen-Zuid - Brussel aan het oog te onttrekken: deze oplossing drong zich onvermijdelijk op. Een ander plan, dat niet gedateerd is maar ongetwijfeld kort nadien is opgemaakt, voorziet een groepering van de buitenlandse paviljoenen langs de toekomstige Kamiel Huysmanslaan en de vestiging van een Scheepvaartmuseum langs de grachten van de militaire vesting, maar niets in het bastion zelf. Deze verschillende schetsen geven de indruk van een 'tuinwijk' veeleer dan van een wereldtentoonstelling: de gebouwen — van beperkte afmetingen — staan wat verloren opgesteld in een attractiepark waaruit een Koloniaal Museum en een Feest- en Conferentiepaleis oprijzen. Het was echter niet de bevoegdheid van de stadsdiensten om opdracht te geven voor de tentoon-

stelling, die immers een privé-onderneming was. De benoeming van een hoofdarchitect drong zich dan ook op. O p de vergadering van 6 augustus 1926 verduidelijkt het Technisch Comité dat die architect "belast zal worden met het uitwerken van een globaal plan en van de plannen voor de hoofdingang en voor de Belgische hallen; ook zal zijn taak erin bestaan te waken over de architecturale en artistieke eenheid die het geheel moet uitstralen" (9). De voorzitter van het Comité, architect Jos Hertoghs, draagt vervolgens de kandidatuur voor van Jos Smolderen, die sterk gesteund wordt door stadsarchitect Van Averbeke. Dit voorstel wordt unaniem aangenomen door het Uitvoerend Comité op de vergadering van 12 augustus 1926 in het Stadhuis (10). Het voorstel voor de overeenkomst met de hoofdarchitect wordt goedgekeurd op 18 november, nadat gouverneur Holvoet er de clausule in had laten opnemen dat "de hoofdarchitect al zijn activiteiten en al zijn tijd moet besteden aan de uitvoering van de werken voor de Tentoonstellingen" {s\c) (11).

DE HOQFDARCHITECT Architect Jos Smolderen (1889-1973), de vader van de auteur, was in die tijd geen onbekende (12). Hij studeerde aan de Academie en aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten van Antwerpen, waar hij in 1927 baron Victor Horta zou opvolgen als titularis van het Architectuuratelier. In juni 1914 sleepte hij de Grote Prijs van Rome in de wacht, nadat hij enkele weken voordien de Prijs Leonard Blomme had behaald, en het jaar daarvoor de Driejaarlijkse Prijskamp van de Koninklijke Maatschappij der Antwerpsche Bouwmeesters had gewonnen. Zijn opgemerkte deelname aan talrijke architectuurwedstrijden had hem onder de aandacht gebracht: in 1913, eerste prijs voor de aanleg van de stad Lier (in samenwerking met zijn confrater architect Pol Berger); in 1919, buiten mededinging, voor de Inrichting Meirbrug en omgeving, en eerste prijs te Londen (op 80 deelnemers) voor de realisatie van het Monument ter Nagedachtenis van de Britse Raid op de Legerschuilplaats van Duitse Onderzeeboten te Zeebrugge, in samenwerking met beeldhouwer Arthur Dupon, ontwerper van de kolossale verpersoonlijking van de Grondwet A\c de Triomfboog op de tentoonstelling van 1930 zou sieren; in 1923, bijzondere melding van de Jury in de wedstrijd voor de inrichting van het RivierenhofuAn de Oostrand van de Stad en tweede prijs voor de


bouw van het Gezondheidsinstituut te Antwerpen; in 1924-'25, laureaat van de drievoudige wedstrijd voor de oprichting van het Memoriaal voor de Intergeallieerden te Cointe-Luik (burgerlijke en religieuze monumenten); in 1926, deelname aan de internationale wedstrijd voor het Paleis van de Volkenbond te Genève. Het jaar nadien werd hij briefwisselend lid (provincie Antwerpen) van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en in 1928 werd hij benoemd tot architect voor de Belgische deelname aan de Wereldtentoonstelling Pressa te Keulen. Gezien de omvang van zijn opdracht vond het Uitvoerend Comité van de Wereldtentoonstelling het nodig hem de medewerking te verzekeren van architect Jan Robert Van Hoenacker (1875-1958), zijn vennoot (13). Samen bouwden zij in diezelfde periode het Torengebouw van Antwerpen. Helaas betekende de Wereldtentoonstelling - die de hiërarchie en de verantwoordelijkheden tussen hen beiden overhoop haalde — het einde van deze meer dan tien jaar durende samenwerking, die in 1931 uiteenviel. T Het Congopaleis.

ZIJN OPDRACHT De hoofdarchitect van een tentoonstelling is een theaterman, tegelijk regisseur en toneelmeester. Hij zet een decor neer dat maar één seizoen stand moet houden. Maar deze beperking opent tegelijk de weg voor gedurfde en fantasierijke realisaties van gebouwen die men zich in het alledaagse leven niet kan inbeelden. Het is de wereld van de droom, de Sprookjestuin die architect Blommaert naar aanleiding hiervan voor de geest haalde (14). Maar de hoofdarchitect is niet alleen de man met een toverstokje. Hij heeft ook de ondankbare taak om de disparate stukjes van een groot mozaïek in elkaar te doen passen. In zijn functie van coördinator van de verscheidene deelnemers, zal hij te maken krijgen met een dertigtal andere architecten die allen hun eigen concept en hun eigen stijl hebben. Dit is in het bijzonder duidelijk in de jaren 1920. Waar de ouderen, opgeleid vóór 1914, trouw blijven aan het traditionele classicisme, worden de jongeren gefascineerd door de Arts Decoratifs op de tentoonstelling van Parijs in 1925, terwijl nog anderen al naar een sober modernisme hellen. Dat geldt voor de buitenlandse afdeling (23 deelnemers) waar de paviljoenen van Italië en GrootBrittannië verrassen door hun conservatisme, die van Brazilië en Frankrijk door hun art-decokarak-

zoals gebouwd door architect Caluwaers

M&L


ter, terwijl Nederland, Duitsland en Noorwegen opteren voor een sobere stijl. Hetzelfde doet zich voor in de Belgische afdelingen, waar het paviljoen van de stad Antwerpen van Emile Van Averbeke en dat van de Sierkunsten van Léon Stynen opvallen door hun kubistische karakter, terwijl het Kongopaleis van Joseph Caluwaers getuigt van een overladen academisme en het Sunlight paviljoen van architect Paul Jaspar de uitdaging heeft aangegaan om art nouveau te koppelen aan oriëntalisme en de stijl van Gaudi. Alles in aanmerking genomen is deze confrontatie veelzeggend voor de toenmalige tendensen, waarin de hoofdarchitect trachtte wat orde te brengen en enige eenheid op te leggen. Daarvoor beschikte hij over een zekere vrijheid en soepelheid, afhankelijk van het vertrouwen dat zijn opdrachtgevers in hem stelden en van hun openheid van geest. In Antwerpen 1930 beschikte de architect over een zeer grote bewegingsvrijheid en hij slaagde erin, ondanks de budgettaire beperkingen, zijn visie op te leggen. Toen architect Raymond Moenaert zich afvroeg wat de redenen waren voor het succes van de tentoonstelling van Antwerpen — in tegenstelling tot die van Luik die gelijktijdig plaatsvond - noemde hij er één die hem van primordiaal belang leek: "In Antwerpen heeft het Uitvoerend Comité een verdienstelijk architect gekozen [Joseph Smolderen] en de commissaris-generaal van de regering heeft zijn volle vertrouwen in hem gesteld. Enerzijds was er een kunstenaar, begeesterd door een enorme overtuiging, anderzijds een buitengewoon bezieler [AlfredMartougin] ", terwijl er in Luik "vanaf het begin wrijvingen blijken te zijn geweest tussen de kunstenaar die aangesteld was om het plan uit te werken en de Directeur-Generaal. Het plan

werd meerdere keren gewijzigd en ging door vele handen, zodat het moeilijk is er de bedoeling van te beoordelen, want hoofdassen ontbraken en de verkeersstromen waren niet precies aangeduid, en de paviljoenen waren willekeurig gegroepeerd op plaatsen zonder aandacht te besteden aan perspectieven... "(15). Concreet omvatte de opdracht van Smolderen: — het globale aanlegplan; dat werd in de loop van de tijd dikwijls gewijzigd om rekening te kunnen houden met de verschillende deelnemers waarvan sommigen (zoals de stad Antwerpen, Frankrijk, Italië, Nederland, Groot-Brittanië en Brazilië) veel plaats innamen, en ook herschikt als gevolg van deelnemers die erbij kwamen of zich terugtrokken. Tot in augustus 1930 (dus volop tijdens de openingsperiode van de Wereldtentoonstelling) werden 'aanpassingen' van het globale plan verspreid; — de opstelling van de exposanten op het terrein (met inbegrip van de contacten met de architecten die aangesteld waren door de buitenlandse overheden); — het ontwerp van de tuinen, de fonteinen en de verlichting; — de monumentale toegangen (Van Rijswijcklaan en Kiel); — het Feestpaleis en de gebouwen voor de administratie (het Eeuwfeestplein dat een eenheid vormt met de Triomfboog); — de verschillende tentoonstellingshallen van de Belgische Afdeling (16); — de latere Christus-Koningkerk die onderdak moest bieden aan een deel van de afdeling Oude Vlaamse Kunst (een opdracht die achteraf werd gegeven, zoals verder zal blijken).

T

T

Ontwerp van een

Ontwerp van

tnomboog,

een triomfboog,

I I maart 1919

I april 1919


Naast dit officiële mandaat werd de hoofdarchitect gevraagd ontwerpen te maken voor verscheidene exposanten. In de archieven vinden we inderdaad massa's plannen voor de bouw van niet gerealiseerde paviljoenen (17), met name een Marokkaans paleis bestemd voor het bastion maar waar uiteindelijk het paviljoen van Groot-Brittannië zou komen, een plan voor het Kongopaleis, dat verder nog ter sprake komt, en een ander voor het paviljoen van Japan (18). We weten anderzijds dat hij het Cuperuspaviljoen in exotische stijl heeft gerealiseerd en dat hij in één van de hoekrotondes van de Belgische hallen de deelname van Zweden heeft ondergebracht, dat meende zich geen eigen gebouw te kunnen veroorloven. Onmiddellijk na zijn aanstelling toog hij aan het werk, zonder zelfs te wachten tot zijn contract ondertekend was. Zijn eerste ontwerpen, die al ver uitgewerkt waren, zijn gedateerd in november 1926. Het betreft een voorontwerp voor het Eeuwfeestplein, met name de monumentale toegang en de plaza schrijlings over de Jan Van Rijswijcklaan. Wij hebben gezien dat in de eerste schetsen van stadsarchitect Van Averbeke, de hoofdingang gesitueerd was aan de rechterkant van die laan, waardoor de bezoeker die van het stadscentrum kwam, geen enkel perspectief meer had. Dit aspect werd lang besproken door het Uitvoerend en het Technisch Comité, niet om esthetische redenen maar uit vrees voor de kosten. Maar zodra de hoofdarchitect de verantwoordelijkheid krijgt, houdt hij het been stijf. Wanneer het Uitvoerend Comité op 2 december 1926 de pers contacteert, is er al sprake van "een monumentale hoofdingang op de Jan van Rijswijcklaan" en men preciseert: "het Komiteit stelt er prijs op aan dien ingang het uitzicht te geven van een Triomfboog van

het Eeuwfeest", terwijl er voorzichtig aan wordt toegevoegd; "het vraagstuk van het openbaar verkeer op die plaats wordt in beraming gehouden" 19). Een maand na de eerste schetsen heeft de architect al de helft van de stemmen voor zich gewonnen. De onderbreking van de Jan Van Rijswijcklaan en de integratie van het terreplein links ervan voor wie van de stad komt, stuiten lange tijd op financiële bezwaren. O p de vergadering van het Technisch Comité op 27 juni 1927 breekt voorzitter Martougin nog een lans voor de oplossing van Van Averbeke, die erin bestaat loketten te installeren evenwijdig met de Jan Van Rijswijcklaan, die dan vrij zou blijven voor het verkeer (20). Blijkbaar heeft men zich kort nadien bedacht, op aandrang van burgemeester Van Cauwelaert. O p 20 december 1928 maakt Smolderen voor de minister van Openbare Werken, een schets die toont hoe het verkeer (met name tramlijn 2) wordt omgeleid rond het Eeuwfeestplein, gelegen op de Van Rijswijcklaan, wat inhoudt dat een stuk van de weg, ongeveer 330 meter lang, opgenomen zal worden in het terrein van de tentoonstelling (21). Zo zijn alle stemmen definitief voor hem gewonnen en kan hij op 25 januari 1929 zijn volledige plannen voorleggen voor de aanbesteding van de Triomfboog, waarvoor de kosten geraamd worden op 1.400.000 frank (22).

DE TRIOMFBOOG Het 'hoogtepunt' van de Wereldtentoonstelling, haar visitekaartje, was ongetwijfeld de Triomfboog die de bezoekers welkom heette. Het is een knappe vondst van de hoofdarchitect, ondanks de paradox een modern werk te maken vertrekkend van een antiek schema.

Wedstrijd-ontwerp voor de ingang van het 'Monument Interallié' te Cointe-Luik, 1924

%

1i

,.

: ./^V %••{.


.

*

IS

.

Eerste ontwerp van

12 maart 1927

de Tentoonstelling

(APA, Fonds

(Are de l'Exposltion),

J. Smolderen)

Het idee voor een monumentale poort met een herdenkingsfunctie, achtervolgde de architect sinds lang. Al in maart 1919, zelfs nog voor hij uit het leger ontslagen was (23), maakte hij schetsen voor dergelijke bogen om de overwinning van de geallieerde legers te vieren. Ondanks hun klassieke vormgeving getuigen deze twee tekeningen toch van een zeker modernisme in vergelijking met het merendeel van de Romeinse prototypes en hun afstammelingen (de Carrouselboog in Parijs, of de Jubelboog in Brussel) versierd met halfzuilen of zuilen tegen de wand, die geen andere structurele functie hadden dan het ondersteunen van een de-

i.<t

M&L

.

li-

Tweede ontwerp

bekroning, s.d.

met driedubbele

(APA, Fonds

hemlsferischc

J. Smolderen)

Af Binnengezichten op de galerijen van de Belgische sectie


coratief hoofdgestel of te dienen als sokkel voot standbeelden. Tijdens de wedstrijd voor het Memoriaal voor de Intergeallieerden te Cointe-Luik in 1924 voegde Smolderen bij zijn inzending een ontwerp voor een triomfpoort als toegang tot het domein. De eerste schets voor het Eeuwfeestplein (november 1926) toont nog steeds een boog met een massieve bovenbouw en daarbovenop een gebeeldhouwde groep. Maar in een variant, ook uit 1926, duikt voor de eerste keer een bekroning op die bestaat uit drie koepels - wat ook het geval zal zijn voor de Christus-Koningkerk waar we het verder nog over zullen hebben -, een oplossing die de definitieve keuze aankondigt voor drie octogonale tamboeren, die voor de eerste maal aanwezig zijn op het vgelvluchtgezicht van 1 juli 1927. Maar andere tekeningen, gedateerd in 1928, houden het bij een belangrijke vloerplaat die dienst doet als basis voor een vierspan en voorzien vreemd genoeg vierkante bogen die wijd uitlopen in trappen, een typisch art-decomotief dat later gebruikt zal worden voor de galerijen van de hallen van de Belgische Afdeling. De Antwerpse World's Fair van 1930 zal het idee van een triomfboog een totaal nieuwe dimensie geven: het gaat niet alleen om een monumentale poort voor een tentoonstelling maar ook om de viering van het eeuwfeest van de Belgische onafhankelijkheid (vandaar de naam EeuwfeestboogAie hij zal krijgen (24) en om de verheerlijking van onze eerste drie koningen van wie een ruiterstandbeeld onder elk van de drie bogen zal worden geplaatst. Voor die standbeelden had men gehoopt gebruik te kunnen maken van afgietsels van bestaande werken: de Leopold / / v a n Thomas Vingotte (18501925), in 1926 opgesteld op het Troonplein in Brussel, kwam in aanmerking, alsook trouwens de Koning Ridder <ïiz Edouard Deckers (1873-1956) voorzien had in het midden van zijn Monument voor de Gesneuvelden te Antwerpen (opgetrokken in 1931 tegenover de Nationale Bank, Frankrijklei, en later verplaatst naar de ingang van het stadspark). Daarentegen beschikte men niet meer over de gietvormen (mallen) van de mooie Leopold Ivan Joseph Geefs (1808-1885) die sinds 1868 prijkt op de Leopoldplaats in Antwerpen. Men moest dus zijn toevlucht nemen tot een eigentijdse beeldhouwer, in dit geval Georges Collard (1881-1961), die zich heel plichtsbewust kweet van zijn moeilijke taak (25). De reusachtige portiek was 44,5 meter breed, 19 meter diep en 33 meter hoog. De bogen waren

19 meter hoog en hadden een spanwijdte van 9 meter (26). Het massieve karakter werd gecompenseerd door de fijne profilering met rolwerk op de drie octogonale tamboeren, die boven op de bogen geplaatst waren. Deze voorlopige constructie bestond uit platen samengesteld uit een mengsel van pleister, cement en glycerine, dat erg goed de witte steen imiteerde. Die illusie werd nog versterkt door een motief in steenverband. Deze bekleding rustte op een metalen skelet dat stevig verankerd was aan de grond door een onderbouw van zand, want men vreesde dat de lichte structuur door de wind meegesleurd zou worden (27). Binnenin waren de plafonds en de gewelfzwikken, die een uitgesproken art-decomotief vertoonden, verguld.

T Beeldhouwer

beeld ïan koning

Georges Collard, In

Albert, waarvan de

zi|n atelier werkend

maquette zichtbaar

aan de armatuur

is op de achter-

van het rulterstand-

grond


Dit schrijn van wit en goud voor het standbeeld van de drie vorsten, beoogde Totaalkunst te zijn. De ontwerper, professor aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten, voelde zich hier verbonden met alles wat toen telde in de Antwerpse kunstkringen. De Nieuwe Zakelijkheid, die vreemd genoeg begunstigd zou worden door de crisis van 1929, had nog geen ravage aangericht en de meerderheid van de estheten geloofde in de noodzaak van een samenwerking tussen architecten, beeldhouwers, schilders en goudsmeden, om tot een globale synthese te komen. De tentoonstelling van Parijs in 1925 had het voorbeeld gegeven. Maar in België zijn er weinig realisaties uit het interbellum die dit experiment zo ver hebben doorgedreven als de tentoonstelling van Antwerpen in 1930. De Triomfboog eerst, bekroond door de allegorische figuur van de Grondwet, zeven meter hoog, van de hand van beeldhouwer Arthur Dupon (18901972), die al voordien met Smolderen had samengewerkt (realisatie van het monument van de Engelsen in Zeebrugge, 1919-1925; eerste prijs in De Feestzaal ^ e wedstrijd voor het Monument voor de Gesneuvelden in Antwerpen, 1922) (28). Boven elk van de frontale, dorsale of laterale bogen (acht in totaal) was een rechthoekig bas-reliëf geplaatst van 3 bij 3,60 meter, met onderwerpen die de drie vorsten symboliseerden, met name De Wijsheid ('La Sagesse'), De Welvaart ('Le Progrès') en De Eer ('L'Honneur'). Zij waren het werk van twee jonge kunstenaars: Charles Verhasselt (29) en Raoul Lambeaux. Deze reliëfs, die lijken verdwenen te zijn samen met de Triomfboog (30), herinnerden aan degene die Antoine Bourdelle in 1912 had ontworpen voor het theater van de Champs-Elysées te Parijs. Tot twee keer toe, in 1930 ingevolge een belofte van burgemeester Van Cauwelaert aan koning Albert (31) en na een grote publiciteitscampagne (32), en verder in 1944, bij de herdenking van de bevrijding van de stad die plaatsvond langs de Jan Van Rijswijcklaan, waar de bezetter zijn laatste patronen afschoot precies op de plek waar ooit de Triomfboog had gestaan, werd voorgesteld om de Triomfboog herop te richten in duurzame materialen. De eerste gelegenheid ging verloren als gevolg van de wereldcrisis die zich aftekende vanaf 1929, de tweede door de bezorgdheid om deze brede verkeersweg naar Brussel vrij te laten. De gegrondheid van een monumentale poort op deze plaats hangt inderdaad af van de opvatting van een stedelijke gemeenschap. Tot aan de Eerste Wereldoorlog heeft de 'gesloten stad' binnen een welomlijnd gebied.

omringd door versterkingen, duidelijk de overhand. In het urbanisme van Leopold II blijven vergezichten nooit 'open': zij lopen altijd uit op een opmerkelijk monument dat er het richtpunt voor vormt (de Sint-Mariakerk in Schaarbeek, de Arcaden van het Jubelpark, het Justitiepaleis, het Pantheon of de gotische kerk op de hoogte van Koekelberg). Sindsdien overheerst het idee van de stad die openbarst, die zijn voorsteden opslorpt en zich voortzet in alle richtingen, langs de toegangswegen.

HFT FFUWFFFSTPIFIN Eens voorbij deze monumentale poort, bevond de bezoeker zich op het Eeuwfeestplein, het enige homogene geheel op de Tentoonstelling, die per definitie in het teken stond van diversiteit. Dit plein werd immers volledig ontworpen door de hoofdarchitect (ook al zijn de hallen die schuilgaan


Hoekmotief van het overkragend plafond van de feestzaal, ontwerp van juni 1928

' ^

^.^i:'-

,* '

n-'

ibd Ü ijl * -i lip ..

Hoekpaviljoenen van het Eeuwfeestplein. ontwerp van augustus 1927

Pyramidale gevelopstand van de Feestzaal, ontwerp van juni 1928 (APA. Fonds J. Smolderen)

mCA-DÏ. PR I MC 1 PAUL-.

M&L


Het restaurant van het Eeuwleestplein

M&L


achter fa^adearchitectuur opgetrokken door de Stad en verbergen sommige hoekpanden bestaande gebouwen, zoals het huis van de familie Gheeiand, dat geïsoleerd raakte op het deel van de Jan Van Rijswijcklaan dat opgenomen was in de tentoonstelling). De allereerste ontwerpen van 1926 zijn gewijd aan dit plein, dat zich gedeeltelijk uitstrekte over de Jan Van Rijswijcklaan en dat Smolderen, zoals we hebben gezien, niet zonder problemen heeft kunnen doordrukken. We merken er al een groot Feestpaleis op de achtergrond, het restaurant in de vorm van een rotonde links, de overdekte galerijen die de verschillende gebouwen verbinden, en de verplichte doorkijk langs de huidige Kamiel Huysmanslaan. De Feestzaal, tegenover de Eeuwfeestboog, heeft een uitgesproken art-decoritmering dankzij het maaswerk in zijn grote raamopeningen. De eerste plannen waren om budgettaire redenen gereduceerd: zij voorzagen een piramidale overkoepeling met aan de binnenzijde een opeenvolging van overstekken. Smolderen had in 1924 een constructie in de vorm van een piramide gebruikt in zijn plan voor het Memoriaal van de Intergeallieerden in Cointe-Luik en in 1926 in het project dat hij indiende voor de wedstrijd voor het Paleis van de Volkenbond in Genève (33), nauwelijks enkele weken voor hij zich toelegde op de Tentoonstelling van Antwerpen. Voor het overige zijn er in de eerste schetsen uit 1926 voor het Eeuwfeestplein talrijke paviljoenen

voorzien met een getrapte dakbedekking. De trapvorm duikt trouwens overal op: in de vorm van de vensters, de overwelving van de open galerijen en de profdering van de kroonlijsten. Ook hier zijn beeldhouwwerk en schilderwerk het resultaat van deze esthetische 'Spielerei': de Feestzaal wordt voorafgegaan door twee grote haut-reliëfs toegeschreven aan G. Verhasselt (de Belgische Provincies en de Kolonie), terwijl de galerijen en de aangrenzende hallen, voorbehouden aan de deelneming van de Belgische steden en provincies, versierd werden door de leerlingen van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten van Antwerpen. Zij werden ter beschikking gesteld van de architect door zijn collega, de schilder Isidoor Opsomer (34). Links van de ingang bevindt zich een groot restaurant in de vorm van een rotonde (ter hoogte van het huidige Bouwcentrum), waarvan de art-decostijl eveneens het uitzicht en de versiering bepaalt. Het Eeuwfeestplein wordt kracht bijgezet door vier hoekconstructies waarvan er één een bestaande woning - die niet onteigend werd - aan het oog onttrekt.

T Wedstrijd-ontwerp van architect Smolderen voor het Palcis van de 'Soclété des Nations' te Genève, 1926


VI

Panoramisch gczic op tentoonstelling, september 1927

^ . W ,' V" j

DF WITTE WIJK Het Eeuwfeestplein is de antichambre van de Witte Wijk ('Cité blanche')- Het was er de hoofdarchitect om te doen een homogeen geheel te realiseren, daarbij ruime vergezichten te voorzien en ervoor te zorgen dat de exposanten elkaar niet voor de voeten liepen. Sommigen hadden een minder geürbaniseerde maar meer thematische opstelling verkozen, • door een groepering in eigen wijken van de buitenVariante op het landse deelnemers, de officiële paviljoenen en de ontwerp voor een commerciële firma's. Dat is met name terug te palels van de Electnciteit, 1928 vinden op de eerste schetsen van architect Van Averbeke, als een verkaveling bedacht. Maar Smolderen was gehecht aan eenheid, aan sfeer, aan betovering. Hij zou van zijn Tentoonstelling een 'sprookjeswereld' maken en zou alles in het werk stellen om die illusie in stand te houden: de aanleg van de tuinen die in overeenstemming is met het feestelijke en monumentale architecturale deel, spuitende fonteinen die de knooppunten verlevendigen, de nachtelijke verlichting die het feeërieke schouwspel langer laat duren. De tijdgenoten lijken onder de indruk te zijn geweest van deze opstelling. Commentator C. Vandentoren vat goed de gevoelens samen die in die tijd in de pers te horen waren (35): "Wat vooral opvalt hij het bezoeken van de Wereldtentoonstelling te Antwerpen is hare blijde ruimheid, haren weidsden aanleg, hare

majestatische grootschheid. Het ontwaren en nabijkomen van de driedubbelen triomfboog maakt reeds een diepen indruk door de machtige massiefheid van dit ontzagwekkend werk... En wat daarna de groote bekoring van die manifestatie uitmaakt is de eenheid van streven op gebied van bouwkunde".


In het aanlegplan, afgewerkt op 1 juli 1927 (36) en verduidelijkt met een weergave in vogelperspectief, liggen de grote assen al vast en zijn de hoofdvolumes verdeeld. We vinden er het tracé op terug van de Kamiel Huysmanslaan, de Vlaamse Kunstlaan en de Tentoonstellingslaan en we onderscheiden er de toekomstige Onafhankelijkheidslaan en de Eugeen Casteleinstraat. De huidige verstedelijking van de wijk vindt volledig haar oorsprong in deze schets. De geschiedenis maakt rare sprongen, want dertig jaar later is het precies architect Smolderen die een definitief punt zet achter de reconversie van de site door op de locatie van de hallen van de Belgische Afdeling de Jan de Voslei (37) aan te leggen. Hij had het tracé van deze weg al in 1927 voorzien, wat blijkt uit het feit dat de ChristusKoningkerk opgetrokken werd met de hoofdgevel gericht naar de nieuwe verkeersweg en het koor gekeerd naar de Tentoonstelling. Tot op het laatste moment zullen er nog kleine wijzigingen in het oorspronkelijke plan opduiken. Toen de architect zijn plan opmaakte in 1927 had hij immers nog geen weet van het uitzicht van de paviljoenen die zijn droomstad zouden innemen. Verschillende bouwwerken zijn echter gemakkelijk te herkennen: de Christus-Koningkerk met haar drie koepels, de school in de Pestalozzistraat, de hallen van de Belgische Afdeling, de ingang van het Kiel met de fabelachtige Olifanten brug, alsook het Eeuwfeestplein waarvoor de architect zo hardnekkig had gestreden. De hallen van de Belgische Afdeling onxh\x\\e.n in dit opzicht al veel van de intenties van de hoofdarchitect. Door hun grootse uitwerking versterken zij het beeld van de Witte Wijk ('Cité blanche'), door hun esthetiek vormen zij de synthese van de voornaamste motieven: de hoekpaviljoenen herinneren aan de polygonale bekroningen van de Triomfboog, hun grote vensteropeningen met geajoureerde versieringen beantwoorden aan die van het Feestpaleis, en de galerijen die uitgeven op de zuilengangen bieden het uitzicht van kinderbalken uitgesneden 'in trapvorm'. Deze galerijen spelen een essentiële rol in de compositie: zij vormen een overgang tussen de decoratieve gevel ontworpen door de architect, en de metalen hallen voor de exposanten die wat achterin liggen. In de vroegste projecten was de locatie tussen de twee grote hallen, die het perspectief afsloot van de huidige Kamiel Huysmanslaan, voorbehouden aan een Paleis voor de Elektriciteit. Als richtpunt en als


* yk

Ontwerp voor de

ingang van het Kiel, centrum van de Belgische Afdeling was dat beslist 1927 een bevoorrechte plek. Smolderen maakte er talrijke schetsen voor, waar fabelachtige paleizen veranderden in fonteinen (wellicht om de witte steenkool te symboliseren) en waar talloze elektrische lampen stralen uitzonden in een sterrennacht. Nog een ander belangrijk perspectief, dat vertrok van de Christus-Koningkerk en verder liep langs de hallen van de Belgische Afdeling, had zijn aandacht getrokken. Nabij de ingang van het Kiel en tegenover de kerk die in de verte ligt, had hij de bouw voorzien van een Kongopaleis met aan weerskanten een inheems dorp (dat traditioneel aanwezig was op vroegere tentoonstellingen). Dit Paleis, opgevat als een enorme Afrikaanse hut voorzien van totems (naar het voorbeeld van de lemen paleizen in Soedan en Nigeria), geflankeerd door vier kleinere hutten in een diagonaal, gaf uit op een grote poort in art-decostijl met vooruitspringende nissen voor Bakuba beelden en twee olifanten. Daar is een erg

M&L

mooi perspectivisch zicht van bewaard alsook meerdere schetsen van de plattegrond en van de opstand. Helaas liet het ministerie van Koloniën, dat opdrachtgever was, het paviljoen door zijn architect, Joseph Caluwaers (1863-1948), uitvoeren. Hij trok een paleis op met een klassieke ordonnantie met vage reminiscenties aan de pseudoMarokkaanse stijl geïntroduceerd door de medewerkers van maarschalk Lyautey in Rabat en Casablanca (38). Maar in deze monumentale gevel is het vergeefs zoeken naar enige verwijzing naar Zwart Afrika. Er werd beslist dat dit Paleis, opgedragen aan onze koloniale onderneming - een van de hoofdthema's van de Tentoonstelling — symbolisch opgericht zou worden tussen de twee hallen van de Belgische Afdeling, terwijl de locatie die er aanvankelijk voor gereserveerd was, nabij de ingang van het Kiel, uiteindelijk aan Brazilië werd toegekend. Dat is de reden waarom de latere Kamiel Huysmanslaan, die in rechte lijn naar het Kongopaleis liep, zo lang Kolonielaan werd genoemd. Van


het Paleis gewijd aan de sprookjesachtige Elektriciteit, zou geen sprake meer zijn. Zo werd een einde gemaakt aan een eigenaardig koloniaal debat. In de plaats van de Afrikaanse versie van de Hoofdbouwmeester (die in zijn eerste schetsen zelfs een Kongolees dorp voorzien had in de nabijheid van de grote hut) had het Ministerie van Koloniën de voorkeur gegeven aan een paleis dat de beschavingszending van België moest bezingen. Maar naast deze meningsverschillen, moet men ook rekening houden met het streven van Smolderen naar een gewestelijke bouwkunst, al was het maar Afrikaans. Ook al zijn enkele projecten van de hoofdarchitect onuitgevoerd gebleven - om politieke of budgettaire redenen — ze behoren daarom niet minder tot de mooiste die hij heeft ontworpen. Wie die ontwerpen aandachtig heeft kunnen bestuderen, prijst ze om hun knappe lijnvoering, met pastel of met kleurpotlood en soms opgehoogd met een streepje gouache waarbij de volumes en de silhouetten gearceerd weergegeven zijn, wat ze doet zinderen en hun lineaire ritme versterkt (39). In deze tekeningen vertonen alle elementen, inbegrepen de vegetatie, de accessoires, de wolken en zelfs de personages, kenmerken van de art deco. Maar het is een art decostijl die herinnert aan een zekere Antwerpse Barok, welderig en geraffineerd. Er bestaat geen twijfel over dat de periode 1920-1930 de meest creatieve was van de kunstenaar, waarin hij zich duidelijk in zijn element voelde. Andere gebouwen, zoals het paviljoen van de tijdelijke tentoonstellingen, dat van de Landbouw oidit

van het Transport - dit laatste met de Minervatoren die te zien is achter de Olifantenbrug- zijn minder beladen en ogen moderner. De architect doet inderdaad zijn uiterste best om de 'accenten' te verdelen over de gekozen plaatsen en breidt het aantal ritmische elementen uit (verlichting, fonteinen, muziekkiosken en straatmeubilair) om meer eenheid te brengen in het geheel. Vanuit die gezichtshoek werd ook oordeelkundig en optimaal gebruikgemaakt van de omgeving. Het klassieke voorbeeld is dat van het Britse paviljoen, dat opgetrokken werd op een oud bastion omringd door grachten, wat het leek te isoleren op een eiland. De Engelsen bleken hierover zo tevreden dat zij de hoofdarchitect bedankten door hem te benoemen tot Member of the Order of the British Empire (MBE). Een ander voorbeeld: de braakliggende terreinen langs de Desguinlei en de Van Rijswijcklaan werden ter beschikking gesteld van het Oude België, dat op die manier afgezonderd werd en over bestaande kanalen beschikte om een Brugs decor te creëren (40).

VERLICHTING Kort na de eerste wereldoorlog treedt de elektriciteit — die tot dan slechts in beperkte mate werd gebruikt in het huishouden en in de industrie — meer naar voren en dringt ze door tot de buitenwereld. Het gebruik van krachtige schijnwerpers en indirecte verlichting zullen bijdragen tot de magie van de nacht. De Tentoonstelling van Antwerpen

-

:

:

^ Perspectiefgezicht op een tuinontwerp,

1927!


Hij zag er een nieuwe kans in om een harmonisch geheel te creëren, waar hij boven alles aan gehecht was. De brede lanen, de verkeerspunten, de tuinen — uitgesneden in de vorm van bouwwerken — komen tot leven en dragen bij tot een zelfde streven naar eenheid, dankzij hun lichtgevende masten, hun fosforescerende lantaarns, hun glazen bollen en tuilen, hun veelkleurige fonteinen die, ondanks de diversiteit in vormen, blijk geven van een gemeenschappelijke vormgeving

• Bundelvormige lichlarmatuur

DE QLIFANTENBRUG We kunnen deze te korte opsomming van deze vergankelijke creaties niet afronden zonder melding te maken van de ongetwijfeld meest buitengewone maar ook meest populaire van allemaal: de Olifantenbrug.

van 1930 zal in dit opzicht een beslissende stap betekenen: het is niet toevallig dat Smoldeten een Paleis van de Elektriciteit in het centtum van zijn compositie wou plaatsen en dat hij zoveel petspectieven heeft getekend met nachtelijke gezichten. Hij had dat zotgvuldig vootbereid. Samen met stadsingenieur Fernand Kinart had hij de laatste vernieuwingen terzake bestudeerd die getoond werden Ontwerp voor de brug over de op de Tentoonstellingen van Sevilla en Barcelona Kielsevest, genaamd (1929). Uit hun gemeenschappelijke ervaringen OLfantenbrug, h d d zs Ae v o i g e n c l e doctrine afgeleid (41): iuli l 9 " -uu I - A A • zichtbare lampen vermijden; de voorwerpen zoveel mogelijk indirect verlichten; • het aantal verlichte fonteinen en waterstralen uitbreiden; • de masten van onder naar boven verlichten en er schijnwerpers bovenop plaatsen; • waken over de beweeglijkheid van de verlichting en de diversiteit van het lichtspel (meer bepaald door het gebruik van gekleurd glas). Dit alles droeg bij tot een heus 'lumineus schouwspel' dat zich uitbreidde tot de belangrijkste verkeersaders van de stad en dat één van de meest originele toepassingen kreeg tijdens de opmerkelijke nautische stoet die later nog ter sprake komt. Voor de hoofdarchitect bracht het probleem van de verlichting meteen dat van het straatmeubilair mee.

De Stad had zich ertoe verbonden het viaduct van het Kiel aan te leggen, dat rechtstreeks naar één van de hoofdingangen van de Tentoonstelling leidde. Daarvoor diende Smolderen in juli 1927 een voorstel in (sindsdien overgenomen in alle overzichtsplannen van de World's Fair) dat een monumentaal decor voorzag bestaande uit twaalf steles (zes aan elke kant van de reling) die twee soorten van olifanten droegen: de vier buitenste met een hangende slurf, de acht andere met een opgerichte slurf.

m


De keuze voor dit dier was niet uit de lucht gegrepen: één van de thema's van de Tentoonstelling was immers de Kolonie, en de olifant werd één van haar leidmotieven (naast het karveel voor de Scheepvaart en de stier van Sint-Lucas, allegorie van de Schone Kunsten (42)). De uitvoeringvan de sculpturen werd toevertrouwd aan de belangrijkste Belgische dierenbeeldhouwer van die tijd, Albéric Collin (1886-1962) (43). Maar de Stad deed er lang over om haar akkoord te geven (44). Het zal dan ook niet verwonderen dat de dikhuiden van gips, met een vergulde mantel, pas op 9 en 10 juni 1930 op hun plaats konden worden gezet (45). Ze zouden toen 195.000 frank gekost hebben, of 16.250 frank per stuk. Hoewel ze pas laat op het toneel zijn verschenen, kenden ze een reusachtig succes. Een dagblad publiceerde geregeld "open brieven van een olifant"v2Xi een satirische toonaard, die ondertekend waren met Pharaild {AG).

De traagheid waarmee de groep olifanten werd uitgevoerd vormde een uitzondering. In werkelijkheid werd de opdracht die de hoofdarchitect was toevertrouwd, stipt uitgevoerd binnen de voorziene termijnen, wat - in tegenstelling tot wat meestal wordt geloofd — veeleer uitzonderlijk is voor een internationale tentoonstelling (47). Koning Albert en koningin Elisabeth huldigden, in het bijzijn van de hele koninklijke familie, de volledig voltooide World's Fair van Antwerpen in op zaterdag 26 april 1930 en plaatsten hun handtekening onder het verslag in het Gouden boek van de Stad, dat de hoofdarchitect voor de gelegenheid versierd had met een tekening van zijn hand.

T De Olifantenbmg. ontworpen door Smolderen, gebeeldhouwd door A. Collm


HF CHRISTUS-KQNINGKFRK Een Tentoonstelling werd verondersteld enig spoor na te laten van haar tijdelijke bestaan. In Antwerpen zouden de Christus-Koningkerk en de school in de Pestalozzistraat de permanente gebouwen worden. Dat was aanvankelijk echter niet vanzelfsprekend. Het luik Oude Vlaamse kunst van de Tentoonstelling veronderstelde inderdaad dat men over lokalen beschikte met optimale veiligheidsgaranties voor de geleende werken (48). Men had aanvankelijk gedacht aan het Museum voor Schone Kunsten aan het Leopold De Waelplein, maar de organisatoren gaven er de voorkeur aan alle evenementen op één locatie te concentreren. En zo werd - heel spontaan - een nieuw 'Belgisch compromis' bereikt, in dit geval de bouw van een normaalschool en een kerk als voorzieningen voor de latere woonwijk die de Tentoonstelling zou opvolgen. In deze koppeling van het laïcisme aan het klerikalisme heeft men een afspiegeling willen zien van de alliantie tussen socialisten en christen-democraten in het Schepencollege. Ongetwijfeld schuilt er heel wat waarheid in deze toespeling op het pact Huysmans-Van Cauwelaert, waarmee zij de Stad sinds 1921 konden besturen. Maar de nieuwe kerk was niet zo eenvoudig te realiseren als werd gedacht, omdat de ideologische conflicten hardnekkiger waren dan de politieke tegenstellingen: op 19 maart 1928 stemde de Gemeenteraad, nadat hij zijn bijdrage van één vijfde, of 1.400.000 frank in de bouw van de kerk, had goedgekeurd, negatief over de toekenning van een bijkomende subsidie van 1.600.000 frank, hoewel de Provincieraad al


•*

Binnengezicht van de ChristusKoningkerk.

toonstellingsruimte voor religieuze kunst

verbouwd tot ten-

een bedrag van 2.500.000 frank had toegekend. O p aandrang van Van Cauwelaert kende de Stad in augustus uiteindelijk een subsidie van 1.500.000 frank toe voor de tentoonstelling over de Oude Vlaamse Kunst, waardoor uiteindelijk iedereen in de gelegenheid was zijn gezicht te redden (49). Het Uitvoerend Comité van de Wereldtentoonstelling schoot 1.600.000 frank voor aan de vzw Kerkgebouw-Wereldtentoonstelling, belast met het verzamelen van middelen en met de oprichting van de nieuwe parochiekerk, en stemde ermee in 500.000 frank over te maken als lening. De spil van de vzw Kerkgebouw was niemand minder dan E.H. Camiel Van Herck, kapelaan van Sint-Joris (die toen de parochiekerk was van de hoofdarchitect) en de latere pastoor van de Christus-Koningkerk. Voor de realisatie van de kerk werd een beroep gedaan op de hoofdarchitect van de Tentoonstelling, terwijl de bouw van de school - zoals het hoorde - toevertrouwd werd aan de stadsarchitect, E. Van Averbeke. Er werd gezegd dat deze kerk Romaans-Byzantijns van inspiratie was, ongetwijfeld wegens de drie koepels die haar bekroonden (50). Maar in de eerste plaats verwijzen die drie koepels naar de drie octogonale tamboeren (die aanvankelijk halfrond waren) van de Triomfboog, een vorm die overigens ook overgenomen wordt in het voorportaal van de kerk, met drie bogen. Ook hier blijkt een streven naar eenheid. De kerk doet veeleer denken aan de katholieke Kathedraal van Westminster of aan het werk van Berlage, voor wie Jos Smolderen een hevige bewondering koesterde. Later zal de Christus-Koningkerk van Antwerpen op haar beurt een inspiratiebron zijn voor andere religieuze bouwwerken, met name de SintOdillakerk te Parijs die er een identieke kopie van is, met uitzondering van de klokkentoren, waarvoor te leen gegaan werd bij de torens van de basiliek van Koekelberg (51).

•4 Gevel van de

lijk bekronende

Christus-Koningkerk

klokkentoren,

met de oorspronke-

1928-1930


•4

WATERQPTQCHT

Saint-Odillekerk te Parijs, gebouwd in 1935-1937 door architect Jacques

Het betreft een gebouw van grote afmetingen, 74 m lang, 38 m breed, met een toren van 70 m, dat niet enkel bestemd was voor de eredienst maar ook - vergeten we dat niet! - als tentoonstellingsruimte. Het gebouw omvat één beuk en acht zijkapellen, die een overvloedige lichtinval mogelijk maakten (52). De eerste steen werd gelegd in mei 1928 en de werken waren op twee jaar voltooid, wat voor die tijd een hele krachttoer was. O p 30 mei 1930 werd het gebouw voor een periode van zes maanden ter beschikking gesteld van het Uitvoerend Comité van de Tentoonstelling om de retrospectieve van de Vlaamse Kunst ondct te brengen (53). Foto's uit die tijd tonen ons het interieur dat omgevormd was tot museum. De afdeling Vlaamse Kunst vizs de laatste die in gebruik genomen werd, wegens bruiklenen die uit het buitenland kwamen: de vorsten huldigden ze in op 7 juni en woonden bij die gelegenheid een concert bij in de kerk gedirigeerd door meester Lode De Vocht. De Christus-Koningkerk oogt vandaag niet meer zoals haar ontwerper het had gedroomd: de koepels en de plafonds hebben nooit de voorziene mozaïekversiering gekregen; de mooie glasramen van de meesters-glazeniers J.J. Vosch, Camiel A. AnnysDhondt, J. Wijss, Josephus Blockhuys, P. Tuerlinckx, Florent Colpaert en Eugeen Yoors werden vernield door V-bommen tijdens de laatste oorlogsdagen, en last but not least werd de bekroning van de klokkentoren, ontworpen in de vorm van een Vlaams belfort, op een ongelukkige wijze afgeknot tijdens een restauratie uitgevoerd in 1973, nadat Smolderen was overleden.

De vorsten, die zich in 1930 al vaker naar Antwerpen hadden begeven, met name op 26 april voor de inhuldiging van de Tentoonstelling en op 7 juni voor de opening van de afdeling Vlaamse Kunst, brachten een derde officieel bezoek aan de Tentoonstelling op 26 juli (54). O p die dag, in de namiddag, woonden zij 'Romeinse spelen' bij (met figuranten in toga en harnas) op de vlakte van Wilrijk. Onmiddellijk daarna wachtte hen nog een verrassing. O m 20u45 werden ze aan boord gebracht van een schip op het nr. 15 van het Kattendijkdok, om deel te nemen aan een nachtelijk schouwspel uitgewerkt door architect Smolderen en ingenieur Kinart, de twee verantwoordelijken voor de verlichting van de Wereldtentoonstelling, bijgestaan door beeldhouwer A. Dupon. Dat schouwspel wordt de Wateroptocht of de Stoet van de Zeemonsters genoemd. De architect had een reeks van gestileerde vissen ontworpen - zeepaardje, zaagvis, knorhaan, schorpioenvis... - die uitgevoerd werden in beschilderde doeken die over een houten getaamte werden gespannen, en gemonteerd op kranen of op schuiten. Er werden er zes uitgevoerd, maar de kunstenaar had er verschillende tientallen ontworpen (54), stuk voor stuk in de zuiverste art-decostijl. De ingenieur verlichtte deze monsters van binnenuit. Zij moesten enkel nog door motorbootjes voortgetrokken worden wanneer de nacht aanbrak. Deze tocht op de Schelde werd gevolgd door een indrukwekkend vuurwerk dat afgestoken werd van op de linkeroever van de

Schelde. De Tentoonstelling van Antwerpen 1930 blijkt een massasucces te zijn geweest. Er werden inderdaad ongeveer 4 miljoen bezoekers genoteerd, zonder rekening te houden met de abonnementen. De tentoonstelling over de Vlaamse Kunst, met een apart toegangsticket, had bijna een half miljoen bezoekers. De World's Fair sloot haar deuren op 4 november 1930. Zij had één van de schitterendste pagina's geschreven in de geschiedenis van Antwerpen, en heeft geleid tot de ontwikkeling van een volledig nieuwe wijk rond haar kerk en haar school, die zo eindelijk hun echte bestemming kregen.


Ontwerp voor een

zeehaan op een

architect Smolderen

zeepaard, gemon-

sleepboot, voor het

gedateerd 12 juni

teerd op een

Nachtfeest van

1930

havenkraan, met

26 juli 1930 op het (APA, Fonds

"rascasse" (één of

Kanaaldok.

andere zeevis) en

Tekening van

J. Smolderen)

| Het voorbi|dri|vcnd

.-: ~v,.; ,.-,:\

lCDt».Vl

m

zeepaard tijdens het

:

'<- .. M&xi

Nachtfeest van 2 i | u l l 1930

'%'\

1

ew1.

r . ^ * ^ ^ 1

--.•,.-!l.v

-jr.L

wat

ouw van de zeemonsters langs-

Ondernemingen Van Riel en Van den

heen de kaaien, door de Algemene

Rode zeehaan

A Zaagvis

1VI&L


(3)

Maarschalk Lyautey, Hoge Commissaris van de Tentoonstelling van Vincennes, heeft de World's Fair van Antwerpen uitvoerig bezocht op 15 oktober 1930.

(4)

Deze drie mogelijkheden waren al ter sprake gebracht tijdens een voordracht op 5 novembet 1925 door de heer Auguste Mennes, ingenieur van de provincie (zie Le Matin en Het Laatste Nieuws van 6 november alsook de Volksgazetvnn 6 en 7 november 1925.)

(5)

Het Livre d'or de l'Exposition gaat twee keer (op p. 23 en 68) nader in op dit geestelijke vaderschap. Hippolyte Gyselynck (1867-1946) was een expert in deze materie, want hij was meer dan twintig jaar directeur van de gemeentelijke eigendommen voor hij in november 1918 verkozen werd tot gemeentesecretaris. Hij zou deze betrekking uitoefenen tot hij in 1941 doot de bezetter gedwongen wetd met pensioen te gaan. Sinds 1923 was hij de schoonvadet van architect Smolderen en de keuze van het terrein werd ongetwijfeld gemaakt in samenspraak met zijn schoonzoon.

"Rascasses"

(6)

EINDNOTEN

De uiteenzetting van de drie voorstellen van Gyselynck, het relaas van de debatten hierover en het verslag van de genomen beslissingen zijn vermeld in de verslagen van de Commissie voor

(1)

de locatie van de Wereldtentoonstelling van 4, 8, 18 en 25 juni

Voor meer informatie over de Wereldtentoonstelling zie: Le Livre dor de ['Exposition internationale, coloniale, maritime et

1926 (SAA, MA 2953, A4). De oplossing die gekozen werd was

d'ArtflamandAnvers 1930 (uitgegeven onder de hoge bescher-

wellicht de enig mogelijke, rekening houdend met de toen

ming van het Uitvoerend Comité van de Wereldtentoon-

bestaande vetkeetsmogelijkheden naar het centrum van de stad.

stelling), Antwerpen, 1930.

Sommigen betreurden echtet dat er weggegaan werd van oevers

Het dagblad Antwerpen 1930, uitgegeven door Gazet van

van de Schelde, vooral omdat één van de thema's van de

Antwerpen tijdens de hele duur van de Tentoonstelling, in totaal

Tentoonstelling de Zeevaart was (Jos. Ritzen in K.M.B.A., nr. 2,

189 afleveringen van 27

juli 1930, p. 17).

april tot 5 november 1930 (deze

dagelijkse publicatie werd vanaf 1 januari 1931 een Antwerps

(7)

Deze plannen zijn te vinden in SAA, MA 4443.

weekblad onder de titel Zondagsvriend tn vanaf 1965 onder de

(8)

Afgebeeld in Antwerpen 93- De Panoramische Droom, afb. 52,

(9)

Verslag van het Technisch Comité van de Tentoonstelling {SAA,

titel Zte.).L'Émulatton (tijdschrift van de 'société centrale d'Architecture de Belgique'), 1930, nr. 12, p. 205-220 en 1931, nr. 2, p. 27-30.

p. 86. MA 2953, A4).

(10) Register van de verslagen van het Technisch Comité (SAA, MA Antwerpen 93 - De Panoramische Droom. Antwerpen en de Wereldtentoonstellingen 1885-1894-1930 (Tentoonstelling Antwerpen,

2953,A4,p. 10). Tijdens de vergaderingvan 18 november 1926

Bouwcentrum, 12juni-31 augustus 1993).

signaleerden enkele leden van het Technisch Comité dat de heer

De volgende bewaarplaatsen bezitten talrijke onuitgegeven wer-

Max Winders (1882-1982), een bekend architect in Antwerpen,

ken: Stadsarchief Antwerpen (SAA), Modern Archief (MA),

ook zijn kandidatuur zou hebben ingediend voor de functie van

nr. 2953, A4 (registers van de verslagen van de vergaderingen

hoofdarchitect van de Wereldtentoonstelling, maar hem werd

van het Uitvoerend Comité en van het Technisch Comité van de

(2)

geantwoord dat die niet meer beschikbaar was (Ihid., p. 13).

Tentoonstelling), 2955 C12 (Commissie voor de locatie van de

(11) Lbid.p. 13-14.

Tentoonstelling), 4444 (aanlegplannen en diverse projecten).

(12) Over het leven en het werk van de architect, zie: Jos Smolderen

Architectuurarchief van de Provincie Antwerpen (APA), Fonds J.

(Cataloog van de tentoonstelling Antwerpen, 24 februari-12

Smolderen (bevat de meeste uitvoeringstekeningen van de hoofd-

maart 1976, Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en

architect van de Tentoonstelling alsook verscheidene niet uitge-

Stedebouw (met belangrijke inleiding door arch. lic. Victot

voerde projecten).

BLOMMAERT).

Archives familiales L. Smolderen (Brussel) (bevatten een vijftien-

Ronald VERSPREEUWEN, jos Smolderen en zijn tijd (Eind-

tal perspectivische zichten op de Tentoonstelling, meestal inge-

verhandeling Architectuur, Nationaal Hoger Instituut voor

kleurd en ingelijst, talrijke schetsen, een verzameling van ver-

Bouwkunst en Stedebouw), Antwerpen, 1977.

scheidene honderden foto's alsook dossiers over diverse bouw-

Annelies WOUTERS, Tussen Traditionalisme en Modernisme.

werken).

De kerken van jos Smolderen (1889-1973) (Verhandeling voorge-

Zie het register van de verslagen van het Uitvoerend Comité van

legd aan de Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte, Universiteit

de Tentoonstelling, 1927 [SAA, MA 2953, A4).

Gent, Academiejaar 1998-1999 - 3 boekdelen: tekst - afbeeldingen -bijlagen).

M&L


(13) Het Architectenbureau Smolderen-Van Hoenacker telde een derde vennoot in de persoon van John Van Beurden (18801967) - zoon van beeldhouwer Alfons Van Beurden (18541938), en broer van de schilder met dezelfde voornaam als zijn

gebouwen waaruit een toren oprijst die herinnert aan die van de toegang van het Kiel. Japan liet in extremis een heel bescheiden, traditioneel paviljoen optrekken. (19) Zie de Volksgazet en Het Laatste Nieuws van 3 december 1926.

vader, Alfons (1878-1962) - die blijkbaar geen rol gespeeld heeft

(20) SAA, MA 2953, A4 (verslag van het Technisch Comité).

in de geschiedenis van de Tentoonstelling.

(21) SAA, MA 4443, (de kopie van het ontwetp komt voor in het

(14) TemoonsteWingJos SmoUeren, NHIBS, 1976, p. 5. (15) L'Emulation, 1931, p. 28-29.

dossier). (22) SAA, MA 2953, A4 (verslag van het Technisch Comité).

(16) In Antwerpen 93 - De Panoramische Droom, p.229, signaleett (23) Volgens zijn militair zakboekje zou hij dat pas zijn op 4 juli N. POULAIN, terecht, de anomalie in de bewering in het Livre d'or, p. 112, dat Van Averbeke de hoofdarchitect zou zijn van de Belgische Afdeling, terwijl de hallen die deze Afdeling onderdak

1919. (24) Ongetwijfeld naar het voorbeeld van de Jubelboog in Brussel, waarvan de eerste versie, gemaakt van pleistet op een houten

bieden herinneren aan de Triomfboog van Smolderen. De ver-

structuur, en met één enkele boog, opgetrokken was volgens de

warring komt door het feit dat de Stad de realisatie op zich heeft

plannen van Gédéon Bordiau (1832-1904) ter gelegenheid van

genomen van de hallen van de Belgische Afdeling (steden en pro-

de vijftigste verjaardag van onze Onafhankelijkheid in 1880.

vincies) gelegen

Maar in 1905, ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van

rond het Ecuwtcestplein (1 l/4de ha) en waar-

van Smolderen de gevels heeft ontworpen om de eenheid op het

België, werd zij vervangen door het huidige monument met drie

plein te realiseren. Er bestaat echter geen twijfel over dat de hal-

bogen, een ontwerp van de Franse architect Charles Girault

len van de Belgische Afdeling, aan weerszijden van het Kongo-

(1851-1932). Vermelden we nog dat Bordiau ook de architect

paleis, van Smolderen zijn, gezien het volledige pakket gesig-

was van de monumentale toegang van de Antwerpse Wereldten-

neerde plannen bewaard wordt in het Architectuurarchief van de

toonstelling in 1885 (afgebeeld in Antwerpen 93 - De

Provincie Antwerpen (Fonds J. Smolderen). Overigens meldt

Panoramische Droom, f. 16).

het verslag van het Technisch Comité dat deze architect de plan-

(25) We hebben in onze atchieven een merkwaardige foto terugge-

nen voor de gevels en voor de hoekpaviljoenen van de hallen van

vonden van de kunstenaar die poseert voor het geraamte van zijn

de Belgische Afdeling heeft voorgelegd op de vergadering van 27 januari 1929 (SAA, MA 2953, A4). (17) SAA, MA 4444 (dossier van de buitenlandse paviljoenen). Het betreft een project voor de 'aanleg van het kleine fort', gedateerd in mei 1929, met twee gevelschetsen en een plattegrond. (18) Ibidem. Dit project, gedateerd in december 1929, dat een platte-

werk met een maquette ervan op de achtergrond. (26) Ter vergelijking geven we de maten van enkele bekende triomfbogen: Breedte

Diepte

Hoogte

Ttiomfboog van Titus (Rome), één boog 13 m

5,45 m

14,34 m

grond en een gevel omvat, doet erg modern aan: een hoofdge-

Triomfboog van Septimus Severus (Rome), drie bogen

bouw benadrukt door vier verticale stijlen, geflankeerd door bij-

23,25 m

7,10 m

21,20 m


>. Dejubelboog. . .,, Tentoonstelling van T

Antwerpen 1930

Triomfboog van Constantijn (Rome), drie bogen 24,73 m

6,45 m

20,30 m

Are de triomphe du Carrousel (Parijs), drie bogen ' ^ i " t> 17,88 m

6,54 m

14,63 m

Are de triomphe de l'Etoile (Parijs), één boog 44,82 m

22,80 m

49,55 m

Jubelboog (Brussel), drie bogen 54,80 m

16,50 m

46,5 m

(met vierspan) (27) Een hevige storm op 14 augustus 1930 bracht het ruiterstandbeeld van Leopold I, toegeschreven aan Georges Collard, uit evenwicht; her moest dagenlang met balken gestut worden in afwachting dat het verstevigd kon worden {Antwerpen 1930, nr. 110 van 16 augustus, p. 6 en 7; nr. 117 van 24 augustus, p. 10). (28) Over Arthur Dupon, zie de noritie van A. BONTRIDDER in Annuaire de ['Académie royale de Belgique, 1922, kol. 119-158 (Figuur van de Grondwet afgebeeld in kol. 141 en beschreven in kol. 142). (29) Deze 28-jarige beeldhouwer (1902-1993) had les gevolgd aan

(35) Het artikel, verschenen in Antwerpen 1930, nr. 20 (18 mei),

het Hoger Insrituut voor Schone Kunsten te Antwerpen en had

p. 10, heeft als titel De harmonische Eenheid in de Verscheidenheid

in 1921 de Prijs van Rome behaald. Hij zou professor worden

onzer Eeuwfeesttentoonstelling wat goed de bedoeling van de

aan de Academie van Brussel. (30) Er zijn twee reproducties van te vinden in Le Livre d'or de [.'Exposition, p. 373. (31) Deze belofte wordt vermeld in verscheidene publicaties zonder

1928). (37) Over deze realisatie van de jaren 1950-1965 zie Wonen, nr. 13-

dat er gepreciseerd wordt of ze gemaakt werd tijdens een toe-

14, okt. 1960, p. 85-94; La Maison, 13, nov. 1957, p. 341-347

spraak of tijdens een privé-gesprek met de Koning.

en 360; ld, 18, nov. 1962, p. 365-370 en 376; La Techniquedes

(32) Er waren echrer enkele reserves. Die werden georkestreerd door het tijdschrift K.M.B.A (Orgaan der Kon. Mpij voor Bouwmeesters

Travaux, 38, nr. 5-6, mei-juni 1962, p. 145-152; Vijftig jaar De Goede Woning, Antwerpen, 1969, p. 49-82.

van Antwerpen); de redactie ging zo ver dat ze een referendum

(38) Dat mag echter niet al te veel venvondering wekken. Caluwaers,

voorstelde over de eventuele heroprichting van de Triomfboog

een leerling van Beyaert en medewerker van Girault voor de

in duurzame materialen (nr. 3, aug. 1930, p. 31). De bezwaren

oprichting van dejubelboog, werd in 1922 in Brussel verkozen

hadden minder te maken met de esthetica dan met de kostprijs

tot voorzitter van de Société centrale dArchitecture.

van een dergelijke consrructie en vooral met de verkeersproblemen (nr. 5, okt. 1930, p. 63-68, en nr. 6, nov. 1930, p. 83-90; opinies van F. Dermond, W. Niet; Dr. Akers en archirecr Jos

A/l&L

auteur weergeeft. (36) SAA, MA 4443 (plannen van de Wereldtentoonstelling, 1926-

(39) Tentoonstelling/os Smolderen, NH1BS 1976, p. 16, en VERSPREEUWEN, p. 75. (40) De plantenmin van de Leopoldstraat, bekrompen en van elke

Ritzen). Na verloop van tijd was het argument van het verkeer

uitbreiding beroofd, beantwoordde niet meer aan de eisen van

erg bijkomstig geworden, gezien er overal inspanningen werden

zijn bestemming. Zo werd beslist dat, na afsluiting van de

gedaan om grote verkeersrotondes te verwezenlijken met een ver-

Tentoonstelling, een nieuwe plantenmin zou aangelegd worden

plichte rijrichting, om de voertuigen op de kruispunten in goede

op de terreinen van de oude vestingen, vanaf het Kiel tot de

banen te leiden. Wat er ook van zij, de campagne van de

Wesenberg (voorbehouden aan Alpenplantage). Het is in ver-

K.M.B.A. schoot haar doel voorbij: er waren slechts vijf ant-

band met dit project - dat ook het bouwen van broeikassen en

woorden en verschillende spraken zich dan nog uit in het voor-

van een Museum om de plantenboeken te bewaren voorzag- dat

deel van een permanent monument.

een heel programma voor aanplantingen werd aangevat en dat

(33) De projecten van de zeventien Belgische deelnemers voor deze

twee bruggen leidende naar het Britse paviljoen door de Stad

zeer controversiële internationale wedstrijd werden tentoonge-

werden opgetrokken. Spijtig genoeg werd de uitvoering ervan

steld in het Jubelparkmuseum in Brussel en gepubliceerd in

nooit voortgezet: de terreinen van de oude omwallingen werden

L'Emulation, XLV111, 5, mei 1928 p. 41-64 (projeer Smolderen,

gebruikt voor de aanleg van de kleine ring en de Wesenberg voor

p. 44-45).

het bouwen van een nieuw muziekconservatorium.

(34) Le Livre d'or de l'Exposition geeft op p. 374 de beeldhouwwerken

(41) SAA, MA 2953 , A4 (register van de verslagen van het Uit-

van Verhasselt weer en geeft op p. 372- 375 enkele voorbeelden

voerend Comité van de Wereldtentoonstelling, p. 106 en 109,

van decoratieve schilderingen gerealiseerd door de leerlingen van

vergaderingen van 15 oktober 1929 en 14 januari 1930; Dhr.

het Instituut.

Kinart complimenteerr de architect wiens projecten rekening


de heilige Barbara & , ©Antwerpen KN5K | **is>v


B

B 1 N N E N K R A N T

Beschermingen MONLJMFNTFN. 1ANDSCHAPPFN. STADSFN nORPSRF7irHTFN. RFsrHFRMD I N lUNi ? n n i MIDDELKERKE (Westende) VILLA Priorijlaan 5 Monument 07/06/2001 De acht villa's aan de Priorijlaan vormen een schaars relict uit de periode van het elitaire kusttoerisme waarbij het rijke - veelal Brusselse - cliënteel onderdak vond in individuele vakantieverblijven. Het prestige van deze vakantiewoningen werd in belangrijke mate bepaald door de nabijheid van de zeedijk en tenniscourts van de "N.V. Westend Tennis Club" waar vooral tijdens het Interbellum toernooien met internationaal allure werden gehouden. De villa nr. 5 is opgevat als een breedhuis met souterrain van twee bouwlagen onder een zadeldak, getypeerd door een klokvormige dakkapel met voluten waarboven een kleinere dakkapel onder plat dak. MIDDELKERKE (Westende) VILLA "L'ABRI" Priorijlaan 7 Monument 07/06/2001 Eenheidsbebouwing in cottagestijl uit ca. 1922-1924 n.o.v. architect Francois Roussel. Breedhuis met arduinen souterrain en bordes waarboven een gevelparement in gele siersteen met bel-etage met twee erkers. In de bekronende puntgevel werd pseudo-vakwerk aangewend. MIDDELKERKE (Westende) VILLA Priorijlaan 9 Monument 07/06/2001 Breedhuis met souterrain en twee bouwlagen onder (kunst)leien zadeldak, getypeerd door een klokvormige dakkapel met voluten waarboven een

M&L

kleinere dakkapel onder plat dak. Boven het arduinen souterrain werd het gevelparement in gele siersteen opgetrokken. MIDDELKERKE (Westende) "BUTTERFLY" Priorijlaan 15 Monument 07/06/2001 Architect Francois Roussel ontwierp ca. 1922-1924 een eclectische villa in opdracht van de befaamde tennisspeler Paul de Borman. Een arduinen souterrain en bordes en met schijnvoegen gecementeerd gevelparement, een rechtertravee met driezijdige doorgetrokken erker, uitlopend op een belvédère en de verdiepte inkompartij typeren de woning. MIDDELKERKE (Westende) VILLA "LE GUI" Priorijlaan 19 Monument 07/06/2001 Villa in cottagestijl uit ca. 1922-1924, opgevat als een breedhuis met twee bouwlagen, bel-etage en loggia onder een geknikt en overkragend leien zadeldak met dakkapellen. De Brusselse architect Picquet maakte gebruik van arduin voor souterrain, bordes en bel-etage en gele siersteen voor het gevelparement. MIDDELKERKE (Westende) "LA JOSETTE" Proirijlaan 23 Monument 07/06/2001 Fraaie eclectische villa, in 1921 wederopgebouwd naar vooroorlogs ontwerp en gesigneerd door architect F. Symons. Breedhuis met souterrain en twee bouwlagen onder een ruim en op dubbele en uitgelengde consoles overkragend leien zadeldak. De art nouveau-invloed is zichtbaar bij de uitwerking van de similivenster- en deuromlijstingen. De originele parketvloer en deels beglaasde paneeldeuren op de bel-etage bleven bewaard.

MIDDELKERKE (Westende) VILLA "SHAMROCK" Priorijlaan 25 Monument 07/06/2001 Villa met cottagestijlkenmerken - mogelijk initieel ontworpen als appartementsgebouw - van vier bouwlagen onder pannen pseudomansardedak. Boven de in arduin uitgewerkte begane grond lopen de als doorlopende erker opgevatte verdiepingen in de vierde bouwlaag uit op een balkon met fraaie houten borstwering van pseudo-vakwerk. MIDDELKERKE (Westende) VILLA "MIRANDOLA" Proirijlaan 29 Monument 07/06/2001 Eclectische villa in 1922-1924 naar vooroorlogs ontwerp wederopgebouwd en gesigneerd door architect J. Picquet. Het pand heeft een als toren opgevatte hoektravee onder bolvormige torenhelm, langs weerszijden geflankeerd door twee traveeën. De gevarieerde geveluitwerking met doorlopende erkers met pseudo-vakwerk in de borstweringen en gesuperposeerde loggia's met verzorgde houten balkonleuningen bepalen het karaktervan de villa.


B 1 N M E N K R A N T

KORTEMARK (Handzame) 18DE-EEUWSE WONING DEWULF Edewallestraat 24 Monument 11/06/2001

HAACHT (Tildonk) DE OMMUURDE PASTORIETUIN Pastoor Lambertzdreef 8

Dit vrij gaaf bewaarde, 18de-eeuws boerenhuis met behouden volume en indeling is gelegen op een begraasde

Monument 11/06/2001

Gelegen te midden van een grote siertuin vormt de rentenierswoning uit

De met een bakstenen muur en smeedijzeren hekken omsloten pastorietuin vormt typologisch en

site met omringende, hoefijzervormige omwalling, waarvan de huidige configuratie teruggaat op het oudst gekende plan daterend van 1629. De site vormde Kanegems centrum van de nauw met de dorpsgeschiedenis verbonden Sint-Baafsheerlijkheid.

1783 een gaaf bewaard voorbeeld van landelijke architectuur. Het pand werd in de 19de eeuw voorzien van een nieuwe voorgevelbekleding. In het interieur bleven IBde-eeuwse en 19de-eeuwse interieurelementen zoals het getelmerkt krukgebinte, een keukenschouw, Boomse tegelvloeren en stucplafonds bewaard.

ruimtelijk-visueel één geheel met de reeds eerder beschermde pastorie.

TIELT (Kanegem) "'T GROOT VIGGEZELE" Vigzellestraat 2 Monument 11/06/2001

TIELT (Kanegem) HET STRICHTENSGOED Strichtensgoedstraat 1 Monument 11/06/2001

KORTEMARK (Handzame) OMGEVING WONING DEWULF Dorpsgezicht 11/06/2001

Dit vrij gaaf bewaard opperhof met boerenhuis op een omwalde terp is het restant van een historische site die reeds in de 12de eeuw als Tempeliersgoed werd vermeld en later als leengoed van de heerlijkheid Vlaagt gekend was.

Het ontstaan van de site van het voormalige 17de-eeuws kasteelcomplex gebouwd door Jan van Hames - bestaande uit een opperhof met kasteel en een neerhof met hoeve midden een achtvormige omwalling en met omgevende bossen, vijvers en weiland - gaat volgens geschreven bronnen terug tot het einde van de 13de eeuw. Het monumentale poortgebouw annex duiventil met 17deeeuwse kern bewaart het fraai uitgewerkte, arduinen wapenschild van de vooraanstaande families de Hane en Seranders.

De omgeving - die reeds sinds twee eeuwen dé omkadering van het IBdeeeuwse woonhuis vormt - heeft als belangrijke componenten het gietijzeren hek aan de straatzijde, de cichorei-ast, de Mariagrot en de buxusbeplanting. HAACHT (Tildonk) DE SINT-JAN-DE-DOPERKERK EN KERKHOF dorpsstraat ZNR. Monument 11/06/2001

TIELT (Kanegem) OMGEVING "'T GROOT VIGGEZELE" Dorpsgezicht 11/06/2001 Het omringende weiland, de hagen. de boomgaard, de moestuin en hoevebestanddelen vormen van oudsher dé hoeve-omgeving van het 't Groot Viggezele.

TIELT (Kanegem) STRICHTENSGOED EN OMGEVING

GISTEL HERBERG DE GODELIEVE Tempelhofstraat 1 Monument 08/06/2001

Dorpsgezicht 11/06/2001

De groots opgevatte driebeukige kruiskerk is een opmerkelijk voorbeeld van een stilistisch overwegend gotische plattelandskerk, bestaande uit een vierkante westtoren (14de eeuw), een driebeukig schip (16de eeuw) met als dwarskapellen uitgewerkte zijbeuken en een ca. 1750 te dateren, polygonaal koor met oostsacristie. Het interieur - ruimtelijk gestructureerd door spitsboogarcades waarboven een met Louis XV-motieven opgehoogd tongewelf - wordt verrijkt met waardevol meubilair dat de periode 16de-19de eeuw bestrijkt.

De huidige configuratie met het omwald opperhof, neerhof, de ovale buitengracht herkenbaar in de perceelsgrens en de vorm van de omgevend percelen van de site gaat terug op de afbeelding in 'Het Lantboec der Prochie Caeneghem' u\t 1762. Het gaaf bewaard omwald opperhof met 18de-eeuws boerenhuis op terp is aan erfgevelzijde bekleed met het wapenschild van de proost Van der Stricht, de toenmalige eigenaar.

V

_J ^ÊÊ

i

TIELT (Kanegem) GOED TEN BROUCKEN Neringenstraat 29 Monument 11/06/2001 i

•• 1

/ ft

1»rUk 1

^

mi ^••M

•

M&L

^


B 1 N N E N K R A N T

Deze herberg met een laat 18deeeuws uitzicht, in kern opklimmend tot de 17de eeuw, vormt een representatief voorbeeld voorde landelijke architectuur van de kuststreek. Het ensemble is opgebouwd uit wit gekalkte, bakstenen bestanddelen op een gepikte plint onder pannen zadeldaken. Dit hoekcomplex heeft, mede door zijn afmetingen en typische ligging aan de westelijke uitvalsweg, een belangrijke stedenbouwkundige impact op het straatbeeld. KOKSIJDE ZG. "VILLAGE SÉNÉGALAIS" Dorpsgezicht 11/06/2001 Te Koksijde-Bad dient de zogenaamde "Village Sénégalais" zich aan als een stedenbouwkundige tussenvorm tussen de strakke opvatting van het dambordschema zoals dat in NieuwpoortBad werd toegepast en de eerste urbanisatiefase van de Panne, gekenmerkt door een landelijke vormgeving met residentieel karakter. Deze "pittoreske" verkaveling van 1908 met kronkelwegen conform het duinenrelief, werd geënt op een eerder formele aanleg met vanuit een rondpunt uitstralende, vlakke lanen. Het stedenbouwkundig opzet - een tuinwijk naar Engels model - vond zijn architecturale uitwerking in de vorm van duinhuizen, die in de ontwikkeling van de kustarchitectuur een nieuwe woonvorm en -stijl introduceerden. Tegen de bestaande traditie in werden losstaande woningen liefst boven op de duinen gebouwd, de bouwstijl hing af van de heersende smaak. De bewaarde cottages dateren van kort voor W0I tot na WOU.

KOKSIJDE VILLA "CASA BLANCA" Wilde Rozenvoerpad 1 Monument 11/06/2001 De "Casa Blanca" is een klein, rechthoekig duinhuisvan 1910-1911. De typerende indeling, optimaal voor een beperkte levensruimte op een bepaald perceel, evenals de spaarzame interieurinrichting bleven bewaard.

KOKSIJDE VILLA "JAN-POL", nu "LOXLEY" en "LA GUADELOUPE" Bauwenslaan 2-4 Monument 11/06/2001 De villa's uit 1913 vormen een samenstel van twee duinhuizen van het bel-etagetype in spiegelbeeld, naar ontwerp van Gaston Lejeune. Deze architect is vóór W0I en tijdens het interbellum dé architect van duinhuizen te Koksijde-Bad. Als blikvanger aan een driesprong wordt de villa gekarakteriseerd door het veelvuldig gebruik van beschilderd houtwerk, pseudo-vakwerk, het wisselend dakenspel met dakkapellen en in- en uitspringende muurpartijen met erkers en loggia's. Het samenstel bewaart de typische indeling en opstand van de eerste generatie duinhuizen aan de westkust. HULDENBERG (Neerijse) DORPSWONING Dorpsstraat 58 Monument 12/06/2001 Een rijkere dorpswoning uit het laatste kwart van de 18de eeuw bewaart in zijn interieur nog een kamer met 18de-eeuwse gestucte schouwboezem en grote schouw. Typerend voor de bouwperiode is de symmetrische gevelordonnantie met centrale inkomdeur in de vorm van een classicistisch portiektravee, geflankeerd door hoge rechthoekige vensters in een vlakke omlijsting met vooruitspringende sluitsteen. ZAVENTEM (Sterrebeek) KASTEEL TER MEEREN Mechelsesteenweg 98 Monument 12/06/2001 Het reeds in 1381 vermelde kasteel Ter Meeren belichaamt een gangbare evolutie waarbij een 14de-eeuws strategisch ingeplante, omgrachte en in plaatselijke natuursteen opgetrokken donjon in de loop van de 16de17de eeuw door uitbreiding met een L-vormige woonvleugel en aanleunen-

de traptoren in bak- en zandsteenstijl werd omgevormd tot een zuiver residentieel adellijk verblijf. In opdracht van baron Aloys de Fierlant werd het kasteel in 1860 gerestaureerd en gevoelig uitgebreid door de Antwerpse architect-archeoloog Joseph Schadde. ZAVENTEM (Sterrebeek) PARKUITRUSTING Mechelsesteenweg 98 Monument 12/06/2001 Het wagenhuis, de stalvleugel, hovenierswoning met aansluitende ommuring van moes- en fruittuin, tuinhuisje, ijskelder, evenals de gietijzeren boogbrug en parkommuring vormen karakteristieke elementen die integrerend deel uitmaken van de kasteelsite. Deze vrijwel intact bewaarde elementen werden in 1862 in ecclectische stijl opgetrokken als onderdeel van een globale restauratie- en herinrichtingscampagne van Joseph Schadde. GALMAARDEN (Vollezele) HET HOF TE LEISBROEK Repingenstraat 89-91 Monument 12/06/2001 Het hof van Leisbroek is reeds sinds 1231 gekend als afhankelijkheid van het hof van Edingen en behoort tot de oudste hoeves van de streek. Typologisch illustreert het de evolutie van een volledig omgracht hof met losse bestanddelen naar de huidige gesloten structuur met een vijverpartij als enig relict van de omgrachting. Het overwegend 18de- en 19deeeuwse complex met woonhuis, stallen en langsschuur gegroepeerd rond een rechthoekig erf, wordt gedomineerd door het markante woonhuis annex stalvleugel uit het derde kwart van de 18de eeuw. Het onderscheidt zich van de gebruikelijke hoevewoning door de naar buiten gerichte "facade", de hoogte van de bouwlagen en de rijke detaillering van de hardstenen omlijsting en modillons waarmee het zich de allures van een bescheiden maar voornaam herenhuis aanmeet.


B 1 N N E N K R A N T

DIEST WONING Schaffensestraat 7 Monument 12/06/2001

KOKSIJDE (Oostduinkerke-Bad) VILLA "BELVÉDÈRE" La Charitélaan 12 Monument 12/06/2001

Het drie traveeën breed en drie bouwlagen hoge diephuis is voorzien van een volledig in natuursteen uitgewerkte Louis XVI lijstgevel met driehoekige frontonbekroning. De eind 18de- begin 19de-eeuwse rijke burgerwoning heeft een belangrijke documentaire waarde, daar slechts een vijftal voorbeelden van dergelijke met zandhoudende kalksteen beklede Louis XVI-gevels bewaard bleven.

Dit duinhuis werd ca. 1923 opgetrokken naar ontwerp van Gaston Lejeune. Deze blikvanger bovenop één der hoogste duinen in het centrum van Oostduinkerke-Bad, wordt voornamelijk gekarakteriseerd door de oplopende houten loggia en erker, gecementeerde hoogvelden, dito pseudo-vakwerk en een wisselend dakenspel. Binnenshuis vormt de schouwwand in de leefkamer, uitgewerkt als een kleine erker met houten hoekzitbanken, het meest typische element. Rondom de woning bleef de fixerende duinvegetatie bewaard, evenals de bakstenen steektrap, een typisch toegangselement van duinhuizen.

DIEST DIEST WONING Schaffensestraat 19 Monument 12/06/2001

COMPLEX "IN DE LAATSTEN STUIVER" Schaffensestraat 59 Monument 12/06/2001

Opgetrokken in bak- en kunststeen (cement) vormt dit breedhuis een goed bewaard voorbeeld uit 1932 van "provinciale" art déco-architectuur. De strak geritmeerde en horizontaliserende gevel wordt doorbroken door overhoeks geplaatste erkers en verlevendigd met sobere geometrische art deco-motieven.

Deze voormalige afspanning, gelegen binnen de stadswallen aan de Schaffensepoort, verwijst naar de trafiek langs één van de belangrijke invalswegen van Diest. De gevel van het pand is door haar sterke ritmiek en breedte bepalend voor het straatbeeld.

DIEST COMPLEX "DE ROODE LEEUW" Schaffensestraat 21 Monument 12/06/2001 het gebouwencomplex, bestaande uit een breedhuis (ca.1700) met aanleunende dienstvleugel (ca.1800), is een voormalige brouwerij en herberg. De aanpalende dienstvleugel, die werd ingeplant op de oevers van de Demer en de vrijstaande zijgevel van het hoofdpand verwijzen naar de voormalige brouwersfunctie van het huis. Architectuurhistorisch vormt dit een representatief en goed bewaard voorbeeld van een rijkere burgerwoning in classicerende barokstijl met decoratief uitgewerkt middenrisaliet.

KOKSIJDE (St.-ldesbald) VILLA "SURSUM CORDA" Koniginnelaan 53 Monument 12/06/2001 De villa naar ontwerp van Ch. Van Nueten (ca. 1938) is een uitzonderlijk voorbeeld van een duinhuis in de inter-


B

B 1 N N E M K R A N T

nationaal "moderne stijl", bedoeld als alternatief voor de toen meer in zwang zijnde cottage-achtige interpretaties. Typerend voor deze vakantiewoning is de kubusvorm met uitstekende dakrand. De plaats van de vensters werd bepaald door de bijzondere aandacht voor lichtinval, bezonning en een variërend uitzicht op het duin en de zee. De interieurinrichting is spaarzaam en functioneel. In de kleurrijk uitgewerkte badkamer contrasteren de donkerblauwe en beige betegeling met de muren in donker oranje. KOKSIJDE (Koksijde-Bad) VILLA "RAVENSTEEN" Koninklijke Plaats 7 Monument 12/06/2001 Opgetrokken in 1914 werd de villa "Ravensteen" in 1937 uitgebreid in aansluitende bouwtrant. De typische indeling, opstand, plattegrond en architecturale uitwerking bleven bewaard. Dit duinhuis wordt voornamelijk gekarakteriseerd door het gebruik van houtwerk voor het art-

nouveaugetinte deurportaal, muuropeningen en dakrand. ALVERINGEM, LO-RENINGE (Stavele) BRUG OVER DE DODE IJZER Vleterenstraat ZNR. Monument 12/06/2001 De ca. 1780 opgetrokken brug werd aangelegd in functie van een steenweg die als onderdeel van een vooral door de Oostenrijkse overheid gepropageerd dicht wegennet, een belangrijke rol heeft gespeeld in de sociaaleconomische ontwikkeling van de Westhoek en in het transitoverkeer op europees vlak. De brug is opgetrokken in baksteenmetselwerk en natuursteen met twee bogen en één middenpijler. KOKSIJDE (koksijde-Bad) VISSERSWONING Tulpenlaan 46 Monument 12/06/2001 Deze streekeigen woonvorm uit de pre-toeristische periode van de kust is relevant voor de huisvesting van vissers

in de 19de en het begin van de 20ste eeuw. De visserswoning, in kern opklimmend tot 1855-1865, wordt gekenmerkt door één bouwlaag van witgekalkte baksteen met gepikte plint en een zadeldak. Zij bewaart bovendien nog grosso modo de typische indeling met een schuurtje, stal en een woongedeelte dat oorspronkelijk uit een leefkamer, keuken en een laag slaapvertrek en voorraadkamertje bestond. POPERINGE SPOORWEGSTATION N.M.B.S leperstraat 167 Monument 12/06/2001 Het station van Poperinge uit ca. 1855 is één van de oudste spoorwegstations met nog bewaarde perronluifel. Het station, aangelegd door een particuliere spoorwegmaatschappij, vormde een belangrijk grensstation op een spoorverbinding met Frankrijk. Tijdens WGI werden oorlogsmaterieel en manschappen aan geallieerde zijde langs deze lijn vervoerd. ZOTTEGEM (Strijpen) POPULIER BIJ DE VIERSCHAAR Monument 12/06/2001 Deze Populus x canadensis cv. 'Marilandica' heeft een stamomtrek van 458 cm. en is tussen de 60 en 90 jaar oud. De boom werd aangeplant op de heuvelrug van de Vollanderkouter en vormt een baken in het landschap. Op dit kruispunt van oude wegen werd vroeger ook de vierschaar gehouden. De 'Marilandica' is een zeer oude populierenkloon, die vroeger in Vlaanderen veel werd aangeplant NINOVE SINT-JORISHOF Sint-Jorisstraat 45 Monument 12/06/2001 Het gebouw uit het tweede kwart van de 17de eeuw maakte deel uit van het schuttershof van de Sint-Jorisgilde


B I N N E N K R A N T

dat teruggaat tot het midden van de 13de eeuw. De voorgevel van het bakstenen gebouw met rondbogige inrijpoort, werd in de late 19de eeuw gecementeerd. De inrichting in rococoen neoclassicistische stijl dateert uit het laatste kwart van de 18de eeuw. Binnen bleven ook fragmenten van neogotische beschildering in een laat19de-eeuwse kapel bewaard. WORTEGEM-PETEGEM (Elsegem) SINT-MAURUSKERK MET GRAFKAPEL Elsegemplein ZNR. Monument 12/06/2001 Dorpskerk waarvan uit de 12de-eeuwse romaanse bouwfase de vieringtoren en uit de 13de-14de eeuw het vroeggotisch koor bewaard bleef, beide opgetrokken uit Doornikse breuksteen. De driebeukige benedenkerk met hangkoepelgewelven en sacristie dateert uit het derde kwart van de 18de eeuw. Binnen treft men een rococokoor uit het derde kwart van de 18de eeuw en een in neoclassicistische stijl ingerichte benedenkerk met waardevolle interieurelementen, zoals een orgel uit ca. 1650 en een laat19de-eeuwse neogotische grafkapel van de familie de Ghellinck d'Elseghem.

WORTEGEM-PETEGEM (Elsegem) KERKHOF BIJ DE ST.-MAURUSKERK Elsegemplein ZNR. Monument 12/06/2001 Het bij de Sint-Mauruskerk horend kerkhof met bakstenen muur waarin

ommegangskapelletjes zijn ingewerkt, dateert uit het derde kwart van de 19de eeuw. WORTEGEM-PETEGEM (Elsegem) PASTORIE, BIJGEBOUWEN, OMWALLING Elsegemplein 13 Monument 12/06/2001 Volledig omwalde pastorie uit het derde kwart van de 19de eeuw, L-vormig aangelegd en gebouwd in neotraditionele baksteenstijl. Bij de pastorie horen een vroegere bakstenen duiventoren en gebouwtje, een beboomde tuin met bakstenen pomp en brugje. WORTEGEM-PETEGEM (Elsegem) DE OMGEVING VAN DE SINT-MAURUSKERK Dorpsgezicht 12/06/2001 De omgeving van de kerk kenmerkt zich door een aantal beeldbepalende gebouwen: het midden 19de-eeuws dorpsschooltje van het voormalige klooster van de Apostolinnen, vijf aaneengesloten tweelaagse woningen die met hun met rotscement bezette gevels een oorspronkelijk ensemble vormen, twee eenlaagse woningen (Elsegemplein 5 en 22), een tweelaagse bakstenen woning uit het midden van de 19de eeuw en een tweelaagse woning met gecementeerde gevels met schijnvoegen en sierbanden bij de ramen.

SINT-NIKLAAS ECCE HOMO-KAPEL DeCastrodreefZNR. Monument 12/06/2001 De kleine, goed bewaarde kapel werd in de 18de eeuw in opdracht van de adellijke familie De Castro aangebouwd aan de zijgevel van een woning. De kapel bestaat uit een beeldnis waarin zich het gepolychromeerd beeld van een Christus op de koude steen bevindt, evenals zilveren ex-voto's en andere devotiesymbolen. SINT-NIKLAAS WONING Nieuwstraat 28 Monument 12/06/2001 Eénlaags gebouw uit de 18de eeuw met op het gelijkvloers 19de eeuwse bewaarde aankleding, zoals sierpleisterwerk, schouwen en deuren. Het pand is één der laatste 18deeeuwse gepleisterde woningen in de Nieuwstraat. Een aantal typerende elementen zoals de gevelopbouw, gevelindeling, de deur- en raamomlijsting bleven bewaard. HERENTALS (Noorderwijk) DE GHELLINCKLAAN Monument 12/06/2001 De ongeveer 800 meter lange, grotendeels onverharde, dubbele lindendreef met 382 bomen werd in 1870 aangeplant. De omvang, het intacte uniforme karakter, de herkenbare structuur en de typische bermbegroeiingen maken de dreef tot een imposant landschapselement. BEERSEL HET SINT-VICTORINSTITUUT Brusselsesteenweg 20/ Pastoor Bolsstraat 15 Dorpsgezicht 14/06/2001 Victor Scheppers (1802-1877), stichter van de congregatie van de Broeders van Barmartigheid, richtte in 1861 het instituut op als eerste filiaal

M&L


B l N N E l ^ K R A N T

van het Scheppersinstituut te Mechelen. Het conglomeraat van rijzige, overwegend eind 19de-eeuwse, rond de speelplaats gegroepeerde gebouwen, illustreert het fenomeen van een klein begonnen school die stelselmatig en zonder vast patroon werd uitgebreid tot een indrukwekkend, straatbelijnend complex dat de ganse dorpskern domineert. WERVIK SPOORWEGSTATION N.M.B.S. Stationsstraat ZNR. Monument 14/06/2001 Klein station van het wederopbouwtype, opgetrokken ca. 1924 op de plaats van een ouder station. Opgericht in een baksteenarchitectuur met natuurstenen gevelelementen, waarvan het oorspronkelijke sanitair huisje nog is bewaard.

ALKEN ONMIDDELLIJKE OMGEVING BOERDERIJ Dorpsgezicht 14/06/2001

BORGLOON (Kerniel) ABDIJSITE KOLEN-KOLENBERG Colenstraat ZNR. Landschap 29/06/2001

De omgeving die reed > bij aanvang bij de hoeve hoorde, maakt integrerend deel uit van het hoevecomplex.

Dit ongeveer 25 ha. g 'ote gebied maakt deel uit van het zachtglooiend vruchtbare landbouwgebied op de grens van droog en vochtig Haspengouw en is gesitueerd rond de abdij van Kolen, ook het Mariënlof genaamd. die in 1438 door de Kruisheren van

TURNHOUT KANTOORGEBOUW BREPOLS Baron Frans du Fourstraat ZNR. Monument 18/06/2001 Gaaf bewaard modernistisch kantoorgebouw uit 1937 met een opmerkelijk functionalistisch interieur. Het pand maakt deel uit van de voormalige fabriek van Brepols, het oudste en grootste papierverwerkende en grafische bedrijf van Turnhout.

KORTRIJK ( Bissegem) SPOORWEGSTATION N.M.B.S. Vlaswaagplein +4 Monument 14/06/2001 Opgericht op de plaats van een ouder station, heeft dit klein station van het wederopbouwtype uit 1924 een uitbreiding van de dorpskern van Bissegem gegenereerd.

Hoei gesticht werd. Ten westen van de abdijgebouwen bevindt zich de nutstuin, in het noorden, oosten en zuiden is de abdijsite omgeven door een omtuinde hoogstamboomgaard. Een historische holle weg verbindt de vallei van de Vilsterbeek met het plateau en de abdij. De asymmetrische vallei van de Kleine Herk met graften op de steilste helling en een amfitheatervormig dalhoofd, hoogstamboomgaarden, hagen en het panora-

ttjP / ^ •'/tT *

ALKEN HOEVE Grootstraat 133 Monument 14/06/2001 Hoevecomplex bestaande uit twee evenwijdige vleugels met rechthoekig erf. Het woonhuis uit het begin van de 19de eeuw kende een uitbreiding ca. 1930. Dwarsschuur, inrijpoorten stallingen dateren uit de tweede helft van de 19de eeuw. De gebouwen zijn opgetrokken in traditioneel stijl- en regelwerk met gekalkte lemen vullingen.

•-*mmm: .•

^ J

mi

i

41

i


B I N I M E N K R A N T

misch uitzicht van op de Kolenberg bieden een hoge visuele belevingswaarde. BILZEN GROENENDAAL-ZANGERHEI Landschap 29/06/2001 De gaafheid van het domeinencomplex Groenendaal en Zangerhei is een gevolg van de geïsoleerde ligging van deze aaneengesloten groene ruimte tussen Munsterbilzen en het Albertkanaal. In het gebied treft men het in classicistische stijl opgetrokken kasteel van Groenendaal en de in vierkantsvorm opgetrokken dienstgebouwen van het 19de-eeuwse kasteel Zangerhei, gelegen in een landschappelijk park. Het voorkomen van verschillende bodemseries met hun respectievelijke vochtklassen op een beperkte oppervlakte ligt aan de basis van de verscheidenheid aan biotopen. In de zure Eikenbossen leven planten kenmerkend voor het voedselarme Kempische Eiken-Berkenbos samen met Haspengouwse soorten.

GEEL HET LANDSCHAP VAN BEL Landschap 29/06/2001 In het landschap van Bel herinneren zowel de algemene structuur en zonatie als de talrijke details aan het middeleeuws grondgebruik en de verdere ontwikkelingsgeschiedenis. Zo is het akkercomplex het "Belsveld" een prachtig voorbeeld van een openveldcomplex, vermoedelijk in de vroege middeleeuwen als gemeenschappelijke akker ontstaan. De Belseheide, nu een weidecomplex, is een voorbeeld van een recente heideontginning. Het paraboolduincomplex dat de Belseheide omsluit en de natuurlijke scheiding tussen het "Belsveld" en de Belseheide vormt, werd in dezelfde periode beplant met grove den. De twee paraboolduinen zijn, zeker in de Antwerpse Kempen, erg zeldzaam geworden.

BEERSEL (Alsemberg)

Tentoonstellingen

DE NEOGOTISCHE VLEUGEL Brusselsesteenweg 20/ Pastoor Bolsstraat 15 Monument 14/06/2001 Deze vleugel (ca. 1897) is één van de vroegste ontwerpen van de leperse stadsarchitect en oudleerling van Helleputte, Jules Coomans (18711937). De pittoresk uitgewerkte bak- en hardstenen vleugel toont een goed bewaard voorbeeld van eind 19de eeuwse school- en internaatsarchitectuuur waarbij werd geopteerd voor een onder invloed van de SintLucasscholen gepropageerde neogotische vormgeving. BEERSEL (Alsemberg) DE VOORMALIGE NORMAALSCHOOL Brusselsesteenweg 20 Monument 14/06/2001 De school uit het interbellum (19311932), ontworpen voor de vorming van de eigen broeders door broeder Valentijn, is terzelfdertijd een laat voorbeeld van art deco-architectuur. Karakteristiek voor deze rond drie trapkokers georganiseerde longitudinaalbouw met betonskelet en bakstenen vullingen, is de rastervormige gevelstructuur met dominant verticaliserende werking van gevelhoge bakstenen lisenen. WEVELGEM SPOORWEGSTATION N.M.B.S. Stationsstraat 1 Monument 14/06/2001 De staatsspoorwegen bouwden dit dorpsstation van het derde type op de plaats van een ouder station dat er in 1855 door een privé-maatschappij was opgetrokken. In 1924 werd de halte voorzien van een goederenstation als aanzet voor de uitbreiding van de dorpskern van Wevelgem, dat ooit van grote regionale economische betekenis was door het vervoer van kolen en vlas.

HFFRIIIKF PRIMITIEVEN IN ANTWERPEN 2002 viert de betoverende Middeleeuwen. Antwerpen doet dit met het zomerproject Heerlijke Primitieven. Acht weken lang staan de Vlaamse Primitieven centraal: hun meesterwerken op papier, hun schilderkunst in onderzoek en restauratie, werk van Europese tijdgenoten. Drie musea bieden nooit eerder geziene presentaties aan rondom de fabelachtige kunst van de vijftiende eeuw: het Rubenshuis, het museum Mayer van den Bergh en het museum Smidt van Gelder. Ter gelegenheid van Heerlijke Primitieven stapt ook het Koninklijk Museum voor schone kunsten tijdelijk mee in de bestaande cluster van de kunstmusea. Met zijn originaliteit en de bijzonder hoge kwaliteit van de getoonde werken, plaatst Heerlijke Primitieven zich tussen de lentetentoonstelling Jan van Eyck, het Zuiden en de Vlaamse Primitieven in Brugge en de najaarsexpositie Meesterlijke Middeleeuwen in Leuven, gewijd aan de miniatuurkunst.Magistrale tekeningen, doorgelichte panelen en engelen die hun glans van weleer terugvinden: een ambitieuze 'drievuldigheid' van tentoonstellingen.

RUBENSHUIS MEESTERTEKENINGEN VAN JAN V A N EYCK TOT HIERONYMUS BOSCH De Oudnederlandse schilderkunst geldt als een van de meest invloedrijke ontwikkelingen in de Europese kunstgeschiedenis. Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Dirk Bouts, Hugo van der Goes, Hans Memling, Hiëronymus Bosch: als grondleggers van een nieuw realisme is hun kunst in het collectieve geheugen geprent. Niet zonder reden, deze kunstenaars maakten immers elk op zich werk van


B I N N E N K R A N T

kend bij een kleine groep ingewijden. Ze vormen een terra incognita van de kunstgeschiedenis. En net rond die tekeningen wordt in Antwerpen tijdens de zomer van 2002 de tentoonstelling Meestertekeningen van Jan van Eyck tot Hiëronymus Bosch georganiseerd. Dankzij deze tentoonstelling kan een breed publiek kennis maken met een beperkt maar wezenlijk deel van het wetenschappelijk onderzoek, uitgevoerd door het Weense kunsthistorisch instituut, dat een corpus samenstelt van Duitse en Vlaamse tekeningen.

A Anonymus, H. Chmtoltel. ca. MOO © Antwerpen Museum Mayer van den Bergh

M&L

universeel belang. Het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck, het Portinaridrieluik van Hugo van der Goes en De tuin der lusten van Hiëronymus Bosch zijn mijlpalen in de kunst van de Nieuwe Tijd. Merkwaardig genoeg zijn tekeningen uit diezelfde 15de eeuw slechts be-

De in verhouding geringe waardering voor de tekenkunst van de Vlaamse Primitieven heeft op de eerste plaats te maken met de aard van het gebruikte materiaal. Vanwege hun fragiele beelddragers en delicate tekenmiddelen, vaak zilverstift op gegrondeerd papier, mogen de tekeningen maar in beperkte mate aan het daglicht worden blootgesteld. Ze worden in prentenkabinetten gekoesterd als kostbaar bezit en zijn daarom slechts in een kleine kring van deskundigen bekend. Een andere reden waarom ze weinig gekend zijn, ligt in de bijzondere moeilijkheid om ze te beoordelen. De tekenkunst in strikte zin ontstond pas goed aan het einde van de 14de eeuw. De idee dat tekeningen behoren tot de meest authentieke kunstuitingen omdat ze een zo goed als spontane vertaling vormen van de ideeën van de kunstenaar, is modern en geenszins van toepassing op de laatgotische kunst. De moderne manier van tekenen mag dan wel haar wortels hebben in de vijftiende eeuw, ze heeft er zich slechts zeer langzaam uit ontwikkeld. Eertijds bestond immers de kunstopvatting dat een solide ambachtelijke vorming een onontbeerlijk onderdeel van het atelierbedrijf vormde en dat traditie primeerde op individuele vernieuwing. Laatmiddeleeuwse tekeningen zijn dan ook in de meeste gevallen kopieën en atelierherhalingen. Hoogstzelden dienden ze als spontane schetsen van ideeën ter voorbereiding van een beeldcompositie, noch beschouwde men ze als de autonome kunstwerken die latere kenners en verzamelaars wilden bezitten. Toch


B 1 N M E 1 M K R A N T

kreeg de artistieke evolutie een heel eigen dynamiek toen de geestelijke en historische realiteit in de loop van de eeuw snel wijzigde. Hiervan heeft ook het tekenen op papier geprofiteerd. Zo ontplooide zich vanaf het begin een veelvoud van nieuwe expressievormen in de tekenkunst. De bladen die in de tentoonstelling worden getoond, behoren tot de oudste voorbeelden in het genre buiten Italië. Een van de hoogtepunten van de tentoonstelling vormt ongetwijfeld Jan van Eycks 1437 gedateerde schilderijtje met de heilige Barbara uit het Koninklijk Museum voor schone kunsten in Antwerpen. Dit kleine paneeltje bleef onvoltooid en bevindt zich nog in het stadium van de voortekening. Het werkje, tegelijk schilderij en tekening, kan beschouwd worden als één van de belangrijkste getuigen van de Oudnederlandse tekenkunst. Jan van Eyck is de eerste kunstenaar uit de Nederlanden die als tekenaar school heeft gevormd. Een vijfentwintigtal tekeningen zijn in zijn onmiddellijke omgeving ontstaan. Petrus Christus was de bekendste navolger van Jan van Eyck. Vooral actief als portretschilder, leverde hij binnen dit domein een belangrijke bijdrage tot de evolutie van de Oudnederlandse kunst.

Rogier van der Weyden speelde een beslissende rol in de evolutie van de Nederlandse kunst van de vijftiende eeuw. Verschillende generaties Nederlandse en Duitse kunstenaars wisten zich aangesproken door zijn tekenkundige schilderstijl. Ook voor de evolutie van de tekenkunst als zodanig was hij van primordiaal belang. In zekere zin legde hij de basis voor de lineaire tekenstijl van Albrecht Dürer. Waarschijnlijk is slechts één enkele tekening van zijn hand bewaard gebleven, het Portret van een jonge vrouw uit het British Museum in Londen. Als eigenhandig werk van deze wezenlijk lineair denkende kunstenaar is het onbetwistbaar van onschatbare waarde. Vrancke van der Stockt behoort als Rogiers opvolger als stadsschilder van Brussel nog meer tot diens onmiddellijke artistieke omgeving. Van der Stockt heeft een

heel persoonlijke tekenstijl en is de eerste kunstenaar uit de Nederlanden van wie zo een groot aantal tekeningen bewaard bleef. De tentoonstelling toont alle bewaarde authentieke tekeningen van Hugo van der Goes. De ontmoeting van Jacob en Rachel uit de Christ Church van Oxford is een van de allermooiste tekeningen uit de vijftiende eeuw. Dit grote blad, uitgevoerd met penseel op voorgekleurd papier, behoort waarschijnlijk tot het vroege werk van de kunstenaar. Het kan zowel het ontwerp zijn voor een wandschildering, een zelfstandig schilderij of een glasraam. Voor het grote publiek is deze tekening waarschijnlijk zo goed als geheel onbekend. Een andere tekening van hem is een anatomische studie van de gekruisigde Christus uit de verzameling van koningin Elizabeth van Engeland. Tijdens het onderzoek dat aan de tentoonstelling voorafging, werd in een Engelse museumcollectie een tekening ontdekt die gedeeltelijk door van der Goes getekend is. Dit is de allereerste keer dat het blad wordt tentoongesteld.

Hiëronymus Bosch is door zijn fascinerende, surrealistisch aandoende beeldtaal alom bekend. Hoe middeleeuws zijn demonische beeldenuniversum ook mag overkomen, hij is in velerlei aspecten, zeker ook als tekenaar, een kunstenaar van de Nieuwe Tijd. De tentoonstelling biedt een groot deel van Bosch' eigenhandige tekeningen. Tijdloze meesterwerken zoals de Boommens uit de Albertina, het Uilennesf uit Rotterdam en een schetsblad met gedrochtelijke mengwezens kondigen duidelijk de tekenkunst van de Renaissance aan. Een belangwekkend aanknopingspunt met de locatie van het Rubenshuis biedt de persoon van Rubens zelf. Als geleerde kenner schatte hij het werk van zijn voorgangers buitengewoon hoog. Enkele van hun tekeningen waren in zijn persoonlijk bezit. Daarvan werden sommige zelfs door hem overwerkt, zoals twee tekeningen die op de tentoonstelling te zien zullen zijn.

A Him Hmlwg, Christus tussen de engelen ©Antwerpen KMSK

DE SCHATKAMER VAN HET M U S E U M MAYER VAN DEN BERGH De groep van middeleeuwse schilders is veel minder gedocumenteerd dan kunstenaars die later werkten. Kunstenaars werkten immers bijna zonder uitzondering anoniem. Daarom legt de kunstgeschiedenis meer dan ooit de nadruk op de confrontatie met de objecten zelf. Fragmenten uit een grotendeels onbekend verleden bieden ons keer op keer nieuwe mogelijkheden tot interpretatie. Eigentijdse onderzoeksmethoden helpen ons daarbij en lokken nieuwe vragen uit. Dateringen, herkomsten en toeschrijvingen kunnen daardoor vaak herzien of gepreciseerd worden. Daardoor ontstaat een steeds meer genuanceerd beeld. Naast de enkele bekende, grote namen, treden steeds meer anoniem gebleven kunstenaars op de voorgrond.

1VI&L


B 1 1 \ 1 \ E N K R A N T

Naar aanleiding van de tentoonstelling worden in het museum de schilderijen uit de 14de en de 15de eeuw uit het eigen bezit onder de aandacht gebracht en voorgesteld in het licht van de resultaten van dit recent onderzoek. Opgevat als een soort staalkaart van de diverse onderzoeksmethoden waaraan elk van de schilderijen werd onderworpen, zal de tentoonstelling zowel een aantal nieuwe gegevens brengen als inzicht bieden in de hedendaagse methoden van wetenschappelijk onderzoek. Elk werk zal voorzien worden van een korte samenvatting, die voor elk soort publiek toegankelijk is en geen bepaalde voorkennis vereist. Bij ieder werk wordt telkens een ander specifiek aspect gekozen en belicht. Zo komen alle diverse disciplines aan bod die in de wetenschappelijke studie systematisch worden behandeld. De tentoonstelling zal twee luiken omvatten: op kunsthistorisch gebied zal er ingegaan worden op stijl en iconografie, functie, atelierpraktijken, opdrachtgevers, herkomst, het toeschrijven van niet gesigneerde werken, het probleem van de eigenhandigheid en het sociaal-economische karakter. Daarnaast zijn ook analyse met röntgenstralen, met infrarood-reflectografie, het dendrochronologisch onderzoek en de pigmentanalyse onontbeerlijke hulpmiddelen geworden voor de interpretatie van de authenticiteit, de bewaringstoestand, de datering, en het ontstaansproces van de werken. Een uiteenzetting over dit materieel-technisch aspect is aldus eveneens van essentieel belang voor een beter begrip van het verrichte onderzoek. De tentoonstelling blijft lopen tot 20 oktober. Een dergelijk opzet van exposeren is slechts mogelijk dankzij een interdisciplinaire benadering. Zowel de tentoonstelling als de voorgenomen publicatie komen tot stand dankzij de samenwerking van het museum met het Koninklijk Instituut voor het kunstpatrimonium en het Internationaal Studiecentrum voor de middeleeuwse schilderkunst in het Scheldeen Maasbekken.

Het K.I.K. staat hierbij in voor de materieel-technische onderzoeksaspecten, en zet met dit initiatief de traditie verder van nauwe samenwerking met en bijzondere aandacht voor het museum. Deze samenwerking draagt al sinds vele jaren aanzienlijk bij tot de evaluatie en appreciatie van de collectie in wetenschappelijke middens en wordt daarom alleen al hoog gewaardeerd. Aan de andere kant staat het Internationaal Studiecentrum in voor het kunsthistorisch onderzoek, de documentatie. Het studiecentrum is ook de uitgever van de prestigieuze reeks van het Corpus van de Vlaamse Primitieven.

VAN JAN VAN EYCK TOT HANS M E M L I N G IN HET KONINKLIJK MUSEUM Als Antwerps burgemeester ridder Florentvan Ertborn in 1841 zijn kunstcollectie aan het Museum voor schone kunsten schenkt, dan zijn daar heel wat werken van Vlaamse Primitieven bij. Van Ertborn had namelijk grote bewondering voor de ongecultiveerde houding van deze kunstenaars tegenover de natuur. Omdat de kunst van deze meesters in die periode enkel op onverschilligheid en afwijzen kon rekenen, had hij zijn verzameling kunnen aanvullen met werken uit Belgische en Nederlandse kerken en van handelaars uit Duitsland, Frankrijk en Engeland. De werken werden immers ver beneden hun prijs op de kunstmarkt aangeboden. Zo werd Van Eycks Heilige Barbara slechts op 30 gulden geraamd, de waarde van Fouquets onlangs gerestaureerde Maria en Jezus omringd door serafijnen en cherubijnen werd niet hoger dan 80 gulden geacht, terwijl de Sint Christoffel van Quinten Metsijs zowaar 500 gulden geprijsd was! Eerder al had het museum de hand kunnen leggen op werken die geconfisqueerd waren door de Fransen tijdens de Franse Revolutie. Werken die oorspronkelijk de kathedraal of de minderbroederkerk hadden verfraaid, kwamen zo terug in Antwerpse

handen en vormden de kern van het museumbestand. Vandaag bezit het museum dan ook een 50-tal werken uit de 15de eeuw, verspreid over twee zalen. Ter gelegenheid van Heerlijke Primitieven wordt de indeling van die zalen herschikt. In tegenstelling tot vroeger zullen de werken nu chronologisch gerangschikt zijn. Zo gaan Jan van Eyck en andere meesters uit de Lage Landen, of toch hun kunst, de confrontatie aan met Europese tijdgenoten als Jean Fouquet en Antonello da Messina om aldus de verschillen en gelijkenissen beter te belichten. Maar dat is niet alles. Tijdens de duur van het project zal de collectie Vlaamse Primitieven aangevuld worden met belangrijke bruiklenen. Een daarvan, een langdurige bruikleen werd op 31 mei voorgesteld aan het publiek. Het betreft hier acht panelen, toegeschreven aan Goswin van der Weyden, die het martelaarschap van de heilige Dymphna voorstellen. Dymphna was de dochter van een heidense Ierse koning. Na de dood van haar moeder zou ze haar vader moeten huwen. Het meisje vluchtte echter met de priester Gerebernus naar België. Haar vader wist haar echter op te sporen en werd door hem in Geel onthoofd. In Geel zijn trouwens in de naar haar vernoemde kerk prachtige middeleeuwse retabels bewaard.

Daarnaast staan de werken van de Vlaamse Primitieven eveneens centraal in een langdurig restauratieproject dat plaatsvindt in het museum. Het doel hiervan is, behalve de effectieve restauratie, vooral een betere conservatie van werken op paneel. Een belangrijk onderdeel van deze campagne is gewijd aan de restauratie van Hans Memlings' Christus met de zingende en musicerende engelen. In een vrijgemaakte tentoonstellingszaal van het museum worden de drie panelen gedurende vijfjaar gerestaureerd. De tentoonstelling biedt een blik achter de schermen. Niet alleen krijgt het publiek de mogelijkheid om de dagelijkse vorderingen van de vier restaurateurs van nabij te volgen, maar ook het vooronderzoek van de


•

B 1 N N E N K R A N T

restauratie wordt in de kijker geplaatst. Om de panelen deskundig te kunnen behandelen, moet men immers eerst op de hoogte zijn van de technische ontstaansgeschiedenis en de latere ontwikkelingen. De evolutie van het werk wordt aldus ontdekt door gebruik te maken van strijklicht, infrarood-, röntgen- en UV-stralen.

Madeleine

Manderyck

MADONNA.

ANTWERPSF MARIA-GEVELBEELDEN. HEDENDAAGS BEKEKEN Openluchttentoonstelling in de Antwerpse binnenstad 8 juni - 8 september 2002

PRAKTISCH De tentoonstellingen lopen van 14juni tot 18 augustus 2002. Het Rubenshuis bevindt zich aan de Wapper 9-11, het museum Mayer van den Bergh aan de Lange Gasthuisstraat 19 en het museum voor schone kunsten aan de Leopold De Waelplaats en zijn geopend van dinsdag tot zondag, 10-17u. Speciaal voor de individuele bezoeker van de tentoonstellingen werd een combinatieticket ontwikkeld aan een voordelig tarief: € 11 (+60, CJP, Studentenkaart, BIG-kaart, werkzoekende € 8). Voorverkoop en inlichtingen 070/233 799 of bij Info Cultuur Prospekta, Grote Markt 13 in Antwerpen of bij alle FNAC-filiaicn (niet voor groepen en -18) In samenwerking met de NMBS wordt de individuele bezoeker een B-Dagtrip aangeboden, geldig voor een retourticket 2de klas naar Antwerpen Centraal, een dagkaart van De Lijn Antwerpen en toegang tot de drie tentoonstellingen zonder gebonden te zijn aan tijdsblokken. Te koop in alle Belgische stations.

De openluchttentoonstelling Madonna is een hedendaags eerbetoon aan een bijzonder Antwerps patrimonium. Jonge kunstenaars van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Hogeschool Antwerpen) plaatsen 'installaties' of doen artistieke ingrepen om en rond bestaande of verdwenen Maria-gevelbeelden in de Antwerpse binnenstad. Eigenzinnige, artistieke en respectvolle commentaren op een cultureel erfgoed waarvan de waarde(n) en de betekenis(sen) ons niet altijd (meer) duidelijk zijn. Antwerpen heeft gedurende eeuwen, overvloedig en opvallend, Maria, de moeder Gods, in de kijker geplaatst. Ze is niet alleen de patroonheilige van de stad, ze tooit vele huisgevels op straathoeken, steegjes en binnenplaatsen, in de eerste plaats het stadhuis zelf. Vroeger vooral een uiting van devotie, fungeerden Madonnagevelbeelden ook als een sociaal bindmiddel vooreen buurt. Buurtgenootschappen plaatsten het beeld en bleven ook instaan voor het onderhoud en de versiering. Vaak ging het om eenvoudige anonieme volkskunst, soms ook om prachtig - veelal barok - beeldhouwwerk toegeschreven aan belangrijke kunstenaars zoals Walter Pompe, Artus II Quellin en Pieter Verbrugghen (de Oude). Met het uitdoven van het buurtleven verdween ook de sociale controle op de gevelbeeldjes. Op het einde van de IS 05 eeuw waren er om en nabij de zeshonderd madonnabeelden. Nu zijn er in de binnenstad nog amper honderdvijftig. Zowel vandalisme, diefstal, ouderdom maar vooral het slopen van de gebouwen waartegen ze waren geplaatst, zijn de oorzaak hiervan.

Gelukkig worden steeds meer beelden beschermd als monument. De vereniging Voor Kruis en Beeld vzw werkt gestadig aan het onderhoud en de restauratie van de overblijvende beelden die vandaag in grote mate de charme en de sfeer van de stad bepalen. Eertijds was het gebruikelijk dat meestergraad beeldhouwers van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten afstudeerden met een Mariagevelbeeld als eindwerk. Deze zomer, zoveel generaties later, wordt dit gebruik door een aantal meestergraad studenten 'In Situ3' van diezelfde Koninklijke Academie in zekere zin hernomen. Twaalf jonge kunstenaars hebben, onder begeleiding van docente Annemie Spaans, hun commentaar op dit historische, religieuze cultureel erfgoed artistiek vormgegeven om en rond bestaande of verdwenen Madonna-beelden . Het is een actuele kijk op ons cultureel erfgoed, een confrontatie van hedendaagse kunst met historisch erfgoed. Het zijn stuk voor stuk discrete ingrepen van jonge mensen, zoekend als kunstenaar, die een respectvolle 'dialoog' aangaan met een stuk van hun cultureel en religieus erfgoed. Het is een dialoog tussen heden en verleden, een aparte manier om de stad te verkennen en te (her)ontdekken. Madonna is één van de erfgoedprojecten van de stad Antwerpen en kadert in het erfgoedconvenant dat door de

1VI&L


B

B 1 N N E N K R A N T

1

stad werd afgesloten met de Vlaamse Gemeenschap. De erfgoedprojecten beogen een betere publleksontsluiting en -bewaring van het Antwerpse cultureel erfgoed. Het Madonna-project werd gerealiseerd door de studenten van de richting In Situ3 van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Hogeschool Antwerpen), Voor Kruis en Beeld vzw, Toerisme Antwerpen en de Erfgoedcel Antwerpen (coördinatie). Naar aanleiding van de openluchttentoonstelling wordt ook een publicatie over Madonna's in Antwerpen voorbereid. Het wordt een verzameling van 'wetenswaardigheden' over het hoe, het wat en het waarom van Mariagevelbeelden waarbij de nodige anekdotes niet ontbreken. Er is bovendien ook een literaire bijdrage van Koen Peeters die zijn hoogst persoonlijk, dus eigenzinnige, Madonnawandeling beschrijft. De fotografie van Oswald Pauwels wordt doorspekt met rijk historisch beeldmateriaal. Tenslotte bevat het boek de lang gevraagde en hoogstnoodzakelijke inventaris van de overblijvende Madonna-beelden binnen de leien. Het boek is een waardige opvolger van het sinds lang uitverkochte boek van Piet Schepens over Antwerpse Madonna's.

Madonna. Antwerpse-Mariagevelbeelden Openluchttentoonstelling van 8 juni tot 8 september 2002 Op verschillende plaatsen in de Antwerpse binnenstad, om en rond historische Maria-gevelbeelden. Gratis: Madonna tentoonstellingsparcours voor individuele bezoekers: verkrijgbaar bij Toerisme Antwerpen, Grote Markt. Rondleidingen voor groepen: - t.g.v. de tentoonstelling: combinatiewandeling historische Madonnabeelden en hedendaagse installaties: 45 Euro - na de tentoonstelling: wandeling historische Madonna-beelden: 45 Euro Zomeravondwandellngen: van juni tot eind september: 4 Euro - 5 Euro

M&L

Wandelbrochure historische Madonna-beelden:],50 Euro Madonna. Maria-gevelbeelden in Antwerpen Een rijk geïllustreerd boek (fotografie van Oswald Pauwels gecombineerd met prachtig historisch beeldmateriaal) met tekstbijdragen van onder meer Koen Peeters, Jos Van den Nieuwenhuyze, Wim Strecker, Piet Schepens. ±200 pagina's. Prijs: +/- 15 Euro (te bevestigen). Verschijningsdatum begin september. intekenen mogelijk vanaf 8 juni 2002 bij Toerisme Antwerpen en bij de Erfgoedcel Antwerpen. Vanaf begin september verkrijgbaar bij Toerisme Antwerpen, de Stadswinkel, Erfgoed Vlaanderen, Voor Kruis en Beeld vzw ... Vrienden voor de Antwerpse Madonna's De vereniging Voor Kruis en Beeld vzw zet zich al jaren in voor de goede bewaring en de restauratie van Mariabeelden (en van religieuze beelden in het algemeen) in openbare ruimte. De vriendenkring wenst 'Voor Kruis en Beeld' in haar opdracht te steunen en aan te moedigen. Als vriend investeert u in een mooier Antwerpen met respect voor het erfgoed. In ruil voor uw financiële ondersteuning (fiscaal aftrekbaar vanaf 30 Euro) krijgt u bovendien tal van voordelen. Voor Kruis en Beeld vzw, Secretariaat, Vremdesesteenweg 92,2530 Boechout Tel. 03/455 58 44 E-mall lha@yucom.be

Inlichtingen en reserveringen bij Toerisme Antwerpen, Grote Markt 03/203.95.30

Buitenkrant Luc Tack ' l O O D O M OUD IIZFR' IAARLIIKS INSTANDHOUDINGSSYMPOSIUM V A N DE R D M Z • n november 2002 in Rotterdam Op woensdag 13 november aanstaande vindt het landelijke symposium van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) plaats onder de titel 'Lood om oud ijzer'. Het symposium is een aflevering van de inmiddels tot traditie geworden reeks kennis- en expertisedagen van de afdeling Instandhoudingstechnologie van de RDMZ. Het thema dit jaar is dat van de metalen in de monumentenzorg. Het accent komt te liggen bij de toepassing van non-ferrometalen (voor monumenten zijn dat vooral lood, zink en koper), maar ook historisch smeedwerk - zoals in de vorm van hekken. ankers, versieringen - komt aan de orde. Besteksomschrijvingen voor herstel van historisch smeedwerk staan daarbij centraal. Sprekers uit het werkveld en uit de markt zullen vanuit verschillende invalshoeken het onderwerp belichten. Half juli is het definitieve programma bekend. Goed verzorgde catering hoort tot de vanzelfsprekende symposiumformule.

Dofum: woensdag 13 november 2002 P/oots; Hulstkamp Gebouw Rotterdam Kostenindicatie:€ 180,(programma, congresmap, lunch, borrel) Voor meer informatie: Rijksdienst voor de Monumentenzorg; E.J. Nusselder, tel.:+31-(0)30-6983211 Aanmeldingen: Verstegen £t Stigter Culturele Projecten, tel.: +31-(0)20-6235451 of via de website www.verstigt.nl


B 1 N N E N K R A N T

Marjan Buy Ie

V E R S L A G V A N HET ARAAFU-CQNGRES

ZICHTBAARHEID VAN DE RESTAURATIE. LEESBAARHEID VAN HET KUNSTWERK Na de meer technische onderwerpen als "Behandeling van de dragers, interdisciplinaire aanpak" in 1989, "Preventieve conservering" in 1992 en "Restauratie, de-restauratie en re-restauratie" in 1995, opteerde de ARAAFU (Association des Restaurateurs d'Art et d'Archéologie de Formation Universitaire) ditmaal voor een meer theoretisch onderwerp: de zichtbaarheid van de restauratie en de leesbaarheid van het kunstwerk. Het was de bedoeling om dit thema te benaderen vanuit alle specialisaties van de conservatie-restauratie, om na te denken over het intellectuele proces dat een restauratie begeleidt en onderbouwt. Al naargelang de aard van het object (archeologisch of etnologisch kunstwerk, hedendaags werk, monument), zijn functie (cultusvoorwerp, tentoonstellingsobject, reserve, studieobject) en zijn statuut, openbaar of privé, kunnen de keuzes en de graad van interventie variëren. Dit laatste wordt ook bepaald door de culturele en geografische herkomst van het voorwerp. Ook de opdrachtgevers kunnen bepaalde criteria hanteren.

Het was spijtig dat de lezing van Ségolène Bergeon niet als eerste geprogrammeerd was, omdat zij met precisie en eruditie een aantal termen definieerde Een aantal lezingen had soms onvoldoende met het eigenlijke thema te maken, en een precieze definitie van de terminologie van in het begin (of beter nog, vóór het congres) had wellicht bijgedragen tot een betere toespitsing op het eigenlijke thema. Volgens Bergeon is de leesbaarheid (lisibilité) van een kunstwerk bij uitstek een cultureel begrip. Het gaat niet alleen om het 'lezen', maar veel

breder om 'toegang hebben tot'. De term zichtbaarheid (visibilité) is alleen visueel. Een zichtbare retouche is een retouche die herkenbaar is als een toevoeging. De vroegste 'restauraties' gingen uit van het idee dat de restauratie onzichtbaar moest zijn. overschilderingen en toevoegingen waren niet zichtbaar, maar versmolten met het originele werk. Later vond men dat toevoegingen zichtbaar moesten zijn, zelfs niet alleen voor de vakman maar eveneens voor iedereen, hetgeen bekomen werd door het gebruik van verschillend materiaal en vereenvoudigde vormen. Op deze manier werd bijvoorbeeld de boog van Titus op het Forum Romanum hersteld, in een ander soort marmer en zonder bijvoorbeeld cannelures op de zuilen of beeldhouwwerk op de reliëfs. Bij dit soort restauraties wordt de aandacht soms volledig in beslag genomen door deze duidelijk zichtbare retouches, hetgeen nu ook weer niet de bedoeling is. De huidige tendens ligt tussen de twee: retouches moeten zichtbaar, of tenminste herkenbaar zijn van op korte afstand (en voor een min of meer geoefend oog).

Buiten het bestek van dit onderwerp, maar toch wel belangrijk, pleitte Bergeon ook voor het schrappen van 'onzinnige' (in de letterlijke betekenis van non-sens) termen als de-restauratie en re-restauratie: het wegnemen van storende overschilderingen van een vroegere restauratie, het verwijderen van schadelijke producten, al deze operaties behoren integraal tot wat men gewoon restauratie noemt en daarvoor moeten dus geen nieuwe termen uitgevonden worden. Een andere term die ze graag zou zien verdwijnen, is het begrip 'neutrale tint'. Ook dit is iets dat volgens haar niet bestaat: geen enkele tint is neutraal, maar is het resultaat van een bewuste en subjectieve keuze van de restaurateur, en gericht op het terugdringen van lacunes naar de achtergrond. Wij nemen nota van haar suggesties en ondersteunen volledig haar pleidooi voor een algemeen aanvaarde en duidelijk gedefinieerde

A Retouche van hemes in chromatische abstractie

terminologie voor de conservatierestauratie. De voorzitter van de eerste zitting, Catheline Perier d'leteren van de ULB, betreurde het kleine aantal museumconservators en kunsthistorici in het publiek. De zo nagestreefde interdisciplinariteit verliest inderdaad aan betekenis, wanneer dergelijke theoretisch inhoudelijke congressen alleen de belangstelling krijgen van conservators-restaurateurs. Zoals Paul Philippot aanhaalde, is restauratie op de eerste plaats een cultureel probleem, eerder dan een technisch probleem. Perier d'leteren wees, in het kader van het thema van dit congres, op het feit dat sommige kunstwerken totaal gedefigureerd zijn om ten allen prijze de restauratie 'zichtbaar' te maken. De eerste spreker, William Whitney, wees op het feit dat veel kunstwerken zich niet meer op hun oorspronkelijke plaats bevinden, maar een nieuw leven begonnen zijn als museumobjecten. Een kunstwerken is een immaterieel gegeven: er is het concept van de kunstenaar en de perceptie van de toeschouwer enerzijds en het object anderzijds. Een werk is mooi als materie en beeld samenvallen, zowel voor de kunstenaar als voor de toeschouwer. Deze dualiteit tussen materie en idee werd reeds door Plato onderkend. Bij de praktische voorbeelden konden we het echter niet meer met de spreker eens zijn, wanneer hij bijvoorbeeld

M&L


B I N ^ E N K R A N T

Michelangelo's onafgewerkte madonna uit de National Gallery, waarbij de alleen de ondertonen van de engelen werden gezet, uitlegt als zou Michelangelo hier wellicht de immaterialiteit van deze efemere wezens hebben willen aantonen. Een interessant geval van het probleem van leesbaarheid werd gesteld door Elisabeth Chauvrat, in verband met de restauratie van een museumtriptiek met de Bewening van Christus. Dit oorspronkelijk middenpaneel werd tijdens de contrareformatie volledig overschilderd met een sobere Christus aan het kruis. Tijdens een vroegere behandeling werd de originele Bewening herontdekt en gedeeltelijk vrijgelegd, waardoor tezelfdertijd een Christus aan het kruis en een bewening zichtbaar werd. Men was van oordeel dat een dergelijk niet coherent beeld 'niet paste in de tentoongestelde collectie'. Twee opties werden voorgesteld: de overschildering bewaren en daar bovenop het originele landschap terug schilderen in een illusionistische retouche (dit droeg de voorkeur weg van de conservatorrestaurateur) ofwel de optie van 'archeologische' restauratie waarbij de status quo bewaard werd. Er werd geopteerd voor dit laatste, al werd het wel nodig geoordeeld om dit schilderij naar een andere zaal te verplaatsen "omwille van de esthetiek van de collectie". Dit is een typisch geval waarbij ten eerste het voorwerp, ons inziens ten onrechte, wordt herleid tot een esthetisch voorwerp, dat bovendien 'in de collectie moet passen' (een verregaand en extreem uitgangspunt). Het voorstel van de restaurateur houdt dan weer geen rekening met de belangrijke geschiedenis van het kunstwerk en de impact van een ingrijpende cultuurhistorische en religieuze stroming die de contrareformatie toch was. Het overschilderen van een overschildering leek ons op zijn minst het resultaat van een dubieuze en verwarde gedachtegang.

Myriam Chataignère besprak de problematiek van de behandeling van meesterwerken. Niets roept zoveel weerstand en reactie op als restaura-

tie van meesterwerken, niet in het minst omdat het publiek gehecht is aan een bepaalde visie van een kunstwerk, al is dit dan het resultaat van eeuwenlange vervuiling, vergeelde vernissen, overschilderingen en ingrijpende restauraties. Denken we maar aan de polemiek rond de reiniging van de Sixtijnse kapel, grotendeels veroorzaakt door het feit dat dit niet meer de Michelangelo is die men 'kent'. Het vertrouwde beeld is weg en er komt een ongekende maniëristische kunstenaar tevoorschijn, waar men geen blijf mee weet. Chataignère besprak de restauratie van enkele gekende Egyptische beelden uit de Louvre en de Mozesput in Dijon met de prachtige sculpturen van Claus Sluter. De behandeling van de Egyptische beelden getuigt van een genuanceerde pragmatische opstelling: er wordt geen drastisch teruggaan naar de eerste polychromie voorgestaan, en ook niet het verwijderen van alle sporen van gebruik of van latere behandelingen, zoals het instrijken met was. Het resultaat is homogeen. Ze wees ook op de expliciete nieuwe opdracht van de musea: niet alleen bewaren maar ook presenteren. Het publiek en het maatschappelijk draagvlak zijn dus heel belangrijk geworden. Tijdens het hele congres bleek trouwens de zware druk van criteria buiten het kunstwerk om: het publiek, de collectie, de smaak van de museumconservator, de eisen van tentoonstellingen.

Soms kreeg ik de indruk dat het voor de conservator-restaurateur toch essentiële uitgangspunt dat voor elke behandeling het kunstwerk zelf centraal staat, een beetje uit het oog verloren werd en dat zoveel externe factoren en personen doorwegen op hoe een restauratie wordt uitgevoerd, dat men zich de vraag kan stellen naar de verantwoordelijkheid van dergelijke ingrepen. Er schijnen zoveel compromissen gesloten te moeten worden, vooral naar het publiek, dat de deontologie van de restauratie naar een wel zeer verre uithoek wordt verdrongen. Vooral bij museale voorwerpen is de druk van de nieuwe maatschappelijke verplichtingen zeer

zwaar geworden en bestaat het gevaar dat de manier van restaureren aangepast wordt aan het veronderstelde verwachtingspatroon van dit publiek, met andere woorden: mooi, gereinigd, volledig en liefst nog glanzend ook. Het herinnert me aan de oeverloze discussie en controverse rond de restauratie van koor en transept van de Antwerpse kathedraal waar de tegenstanders van het bewaren van de muurafwerkingslagen vooral (uitsluitend) bevreesd waren voor de reactie van het publiek. Ten onrechte trouwens, want dit publiek kiest bijna onvoorwaardelijk voor de 'nieuwe' aanpak en aanvaardt zonder problemen deze evolutie in de manier van restaureren, op voorwaarde dat het hun wordt uitgelegd. De opdracht van de musea zou in deze optiek vooral een taak van voorlichting en educatie zijn, eerder dan het verwringen van de restauratiedeontologie om het voor dit publiek zo gemakkelijk en mooi mogelijk te maken. Uitgangspunt van elke restauratie is nog altijd het kunstwerk zelf, al moeten we ons wel rekenschap geven dat onze manier van restaureren zowel technisch als deontologisch, zeer cultureel bepaald is. De actuele tendens van minimale ingreep is een opvatting die kadert in ons huidig denkpatroon, waar waarden als authenticiteit en respect voor originele materie en betekenis centraal staan.

De bijdrage van Hiltrud Schinzel was merkwaardig, al kon ze zelf spijtig genoeg niet aanwezig zijn en werd haar tekst voorgelezen door iemand anders. Enige discussie over deze opmerkelijke lezing was dus evenmin mogelijk. Ze gaat ervan uit dat een restauratie wel herkenbaar, maarzo weinig mogelijk zichtbaar moet zijn. De restaurateur moet steeds bepaalde, soms tegenstrijdige premissen voor ogen houden: de ontwikkeling van het werk in de geschiedenis van de kunst, de notie van originaliteit, de moeilijkheden van definities en beschrijvingen, het mengsel van individuele en omgevingsgegevens, de diversiteit en verandering van perceptie, de diversiteit en de veranderingen van de functie.


B 1 N N E N K R A N T

en tenslotte de traditionele link van de restauratie met de onbereikbare objectiviteit, zowel voor de restaurateur als voor de toeschouwer. Ze waarschuwt voor de overwaardering van wetenschappelijk resultaten. De 'beelden' zoals we die van de wetenschap krijgen zijn zeer verschillend van het 'beeld' van het werk als totaliteit. Vanuit deze verschillende 'doorsneden' moet de restaurateur teruggaan naar het volledige werk. Ook het kunsthistorisch onderzoek kan vele gegevens aanreiken, maar ook bepaalde aspecten overwaarderen. De balans tussen deze tendensen kan alleen door de restaurateur gemaakt worden: een zeer moeilijke taak die tevens tijds- en cultuurgebonden is. Het meest interessante aan een kunstwerk is juist datgene wat door geen enkele wetenschap kan worden bepaald; het mysterie! De huidige status quo is als volgt samen te vatten: 1. Het dilemma van de restaurateur in het postmoderne denken 2. De nieuwe functie van cultuur als massa-entertainment 3. De pro's en contra's van de huidige veranderde bewustwording van cultuur, met daarbij het gevaar van manipulatie en nivellering in deze huidige consumentenmaatschappij. Als conclusie stelt ze voor om het beroep te ontsluiten door het gebruik van de nieuwe media, de restaurateur te bevrijden van utopische eisen en van opnieuw te focussen op het unieke karaktervan het kunstwerk. Kunst is namelijk te waardevol om gereduceerd te worden tot een 'te consumeren product'. Teneinde de discussie uit te lokken, werd ook een lezing ingelast die het standpunt van de maker, de schilder, moest weergeven. Onafgezien van het feit of dit een goed idee was, heeft deze bijdrage vooral geleid tot vrij steriele discussies, waarbij de schilder enerzijds en de restaurateurs anderzijds een volledig verschillende taal spraken. Alhoewel het theoretisch luik van de lezing van Jean-Sébastien Still, in casu de schilder, steek hield, ging het mis bij zijn ongenuanceerde afwijzing van onder andere de restauratie

van de Sixtijnse kapel, waarbij hij niet gehinderd werd door enige voorkennis noch van Michelangelo's schildertechniek noch van het onderzoek en de uitvoeringstechnieken van de restaurateurs van dit ensemble. Zijn interpretatie van het 'oorspronkelijk' werk had namelijk niets met het origineel concept van Michelangelo te maken, maar bijna alles met een zwaar vervuilende laag oude restauratieproducten, overschilderingen en een algehele aantasting door roet en andere verontreinigingen. Een interessant geval, maar een soms onevenwichtige benadering hoorden we van Julia Riecke en Mare Maire over een zwaar gedegradeerd en verwaarloosd schilderij, dat nochtans een merkwaardige geschiedenis achter de rug had. Het zou namelijk in de 19de eeuw 'gebloed' hebben voor een bepaalde persoon. Later werd deze jongedame veroordeeld voor oplichting, hetgeen een nationale polemiek ontketende. Zowel de dame als het schilderij vielen uit de gratie en het verval van het kunstwerk werd ingezet. De optie van de restaurateurs getuigde van een enigszins misplaatste romantische visie van een werk, waarvan de gedegradeerde bewaringstoestand met talloze plooien en scheuren werd verheven tot een nieuwe esthetiek. Zo werd het in Avignon tentoongesteld met een schrijnende belichting in scheerlicht, waardoor het volledig onleesbaar werd gemaakt. De optie die hier genomen werd om het schilderij (voorlopig?) niet te behandelen, heeft nog maar weinig te maken met het kunstwerk zelf, maar alles met een pseudo-filosofische en puur theoretische gedachtespielerei

Een pragmatische en genuanceerde visie op het restaureren van kerkschilderijen van middelmatige artistieke kwaliteit werd voorgesteld door Anne Laure Feher. Ze wordt in haar praktijk geconfronteerd met lage gemeentelijke budgetten voor de behandeling van deze werken, voorwerpen waar al heel veel aan geprutst is en tenslotte een zeer hoog verwachtingspatroon van de opdrachtgever, die een volledig nieuw prachtig beeld wil bekomen.

De leesbaarheid moet groot zijn, omdat de iconografie van de lokale heilige voor hen immers prioritair is. Een strikte conservering is meestal niet ideaal, omdat deze werken, opgesteld in donkere kerken, hun leesbaarheid en dus hun betekenis verloren zijn. Een doorgedreven restauratie is anderzijds, om budgettaire en andere beperkingen, ook niet mogelijk. Dus wordt het zoeken naar een minimale interventie die toch aan de verwachtingen van leesbaarheid voldoet, om het fragiele evenwicht terug te vinden tussen leesbaarheid en de bedoeling van de kunstenaar. Dit soort interventies, die eerder aan missioneringwerk doen denken (de 'arme' restaurateurs uit de provincie tegenover de 'rijke' restaurateurs van de steden en grote musea!), vragen nieuw denkwerk en nieuwe uitvoeringstechnieken voor elk schilderij: een eenmalige methodiek heeft hier geen zin. Overschilderingen op middelmatige werken storen vaak niet of niet veel. Ze moeten niet noodzakelijk verwijderd worden, maar

1VI&L


B 1 N N E N K R A 1 \ T

kunnen ook afgedund worden. De aandacht van grotere lacunes kan afgeleid worden met weinig middelen en weinig materie. De retouches moeten lichter en transparanter blijven dan het origineel. Eerder een illusionistische retouche dan een reële. "Révéler l'oeuvre sans l'étouffer!". Het restaureren van ceramiek in het Amsterdamse Rijksmuseum werd voorgesteld door Isabelle Garachon, die de vroegere onzichtbare retouchering met aërograaf en penseel beschreef en ook de huidige evolutie, dankzij betere producten en een andere mentaliteit, waarbij de retouches van dichtbij wel zichtbaar zijn. Ook wordt er nu minder interventionistisch gerestaureerd, door bijvoorbeeld de lacunes, veroorzaakt door intensief gebruik bijvoorbeeld aan de randen, niet meer bij te werken en te camoufleren. Toch kwamen sommige restauraties ons nog als zeer (te?) verregaand over, zoals het bijmaken van vingers en andere onderdelen. Men kan zich afvragen of dat, zeker in een museale context, nodig is. Ze vermeldde overigens dat, toen ze nog privé werkte, door de opdrachtgevers in casu de antiquairs en kunsthandelaars, expliciet om vervollediging en onzichtbare ingreep werd verzocht omdat dit de marktwaarde van de stukken verhoogde. Hier zitten we dan op het wankele terrein van het achteruitschuiven van de restauratiedeontologie ten voordele van financiële motieven met verkoopargumenten.

Een goed onderbouwde en correcte benadering van lacuneopvulling werd ons voorgesteld door Elisabeth Delange en Stephanie Nisole, bij de restauratie van Egyptische blauwe nijlpaardjes. Lacunes in deze zeer complexe techniek van Egyptische glazuren zijn zeer moeilijk te herstellen. Veel van de vroegere retouches zijn storend verkleurd. Een oplossing werd gevonden in het gebruik van acrylplamuur met glasvezels, waarbij het in een zeer lichte tinten visueel laten doorlopen van de tekeningen terecht belangrijk werd geacht voor de leesbaarheid en verstaanbaarheid van de funeraire symbolen zoals de lotus-

bloem, die op deze objectengeschilderd zijn. Myriam Serck van het KIK behandelde de retouche op driedimensionale werken zoals sculpturen, waarbij in tegenstelling tot tweedimensionale werken een maximum aan leesbaarheid kan bereikt worden met een minimale retouche. Ze benadrukt dat het probleem van retouchering rechtstreeks gelinkt is aan het probleem van reiniging. Door een niet te ver doorgedreven reiniging kan men in veel gevallen een te groot aantal lacunes vermijden. De mate van retouchering kan afhangen van de opdrachtgever en van de context (museaal of religieus). Een 'eerlijke' retouche wordt niet aangebracht op originele materie, is zichtbaar (of tenminste herkenbaar) en is gedocumenteerd. Ze klaagt het oneigenlijk gebruik te pas en te onpas aan van hetgeen, soms onterecht, als tratteggio wordt aangeduid, vooral op verguldingen. Retoucheringen op mat, absorberend materiaal zijn moeilijk uit te voeren. Ze houdt een pleidooi voor een betere en meer doorgedreven opleiding in lacune-invulling met de meest diverse materialen en methodes. In de discussie, die overigens zeer geanimeerd verliep, werden verschillende pijnpunten aangehaald, onder andere het bepalen van het juiste moment in het restauratieproces wanneer men moet ophouden. Het gevaar van over-restauratie is niet denkbeeldig en het is moeilijk om juist te weten wanneer het kritieke punt bereikt is. We zijn namelijk verankerd in een culturele omgeving, waardoor ook onze blik geconditioneerd is. Nog niet zo lang geleden wilde men de conservatie-restauratie herleiden tot een puur wetenschappelijk beroep. Nu komt men daar enigzins van terug en beseft ook wel dat ons denken over restauratie en de uitvoeringspraktijk heel cultureel bepaald zijn. Ségolène Bergeon klaagt de 'flou' van de restauratieterminologie aan: soms wordt een kleine toevoeging een vervalsing genoemd en soms wordt zonder probleem een heel deel toegevoegd. Wat is dan de definitie van

authenticiteit en van vervalsing? Ze beweert eveneens dat conservatierestauratie pas dan een volwaardige discipline zal zijn als de terminologie duidelijk gedefinieerd is en gelijklopend voor alle betrokkenen (restaurateurs, kunsthistorici, wetenschappelijke onderzoekers). Men moet hierbij ook rekening houden met het feit dat bepaalde termen in de loop van de geschiedenis van betekenis veranderd zijn. Voor elke conservator-restaurateur is trouwens de kennis van de geschiedenis van de restauratie een absolute vereiste. Ze kan eveneens niet akkoord gaan met bepaalde van de voorgestelde restauraties, omdat deze de volledige waarde van de objecten vereenvoudigen tot loutere kunstwerken, waarbij bijna exclusief waarde wordt gehecht aan esthetische criteria en veel te weinig aan oorspronkelijke functie en symboliek. Zo mogen, volgens Bergeon, de functie en de context van het kunstwerk geen doorslaggevende rol spelen in de keuzes van de conservator-restaurateur. In haar niet aflatende kruistocht tegen verkeerd woordgebruik vraagt ze zich ook af wat bedoeld wordt met 'archeologische restauratie'. De archeologie is een wetenschappelijke methode van blootleggen van objecten die op één of andere manier zijn 'achtergelaten' (in de zee, in de ondergrond, op een vuinisbelt,...). De term archeologische restauratie gebruiken voor een minimale restauratie is verkeerd woordgebruik.

Ook de term tratteggio wordt te pas en te onpas gebruikt, bijvoorbeeld voor de 'Florentijnse' manier van retoucheren, waarbij veel gebruik gemaakt wordt van de chromatische abstractie. Wie hierover meer wil weten, leze Umberto Baldini's 'Teoria del Restaura' of het meer recente werk van Ornella Casazza 'II restaura pittorico nell' unita di metodologia' en uiteraard het standaardwerk van Laura en Paolo Mora en Paul Philippot over de restauratie van muurschilderingen. Men moet er ook rekening mee houden dat 'leesbaarheid' een heel verschillend begrip is voor vakmensen


B 1 N N E N K R A N T

en voor het publiek. Het behoort tot de opdracht van de conservatorrestaurateur om hierover uitleg te verschaffen en om te 'leren zien'. Het is niet genoeg om vanuit de hoogte te zeggen 'ze moeten maar moeite doen om het te lezen'. Een conservatorische ingreep moet gerechtvaardigd worden, niet alleen ten opzichte van het kunstwerk, maar ook maatschappelijk. Anderzijds is het ook niet de bedoeling om altijd en overal, bij elk werk, een overaanbod aan explicatieve panelen en informatie te plaatsen en het publiek te wijzen op elke kleine retouche die is uitgevoerd. Een nogal felle, maar vreemd genoeg niet eenvormige reactie was er tegen een bepaald aspect van de restauratie van een merkwaardig kunstwerk in glas, voorgesteld door Frédérique Berson e.a. De geduldige recuperatie van ontelbare kleine fragmentjes werd gewaardeerd, maar dit gold iets minder voor de aanvulling, weliswaar met herkenbare (?) reversibele materialen, van de handtekening van de kunstenaar. Hier begeeft de restaurateur zich op een gevaarlijk pad. De laatste congresdag was gewijd aan muurschilderingen en aan etnografische en toegepaste kunst. Lidia Rissotto besprak de geduldige recuperatie van duizenden stukjes beschilderde mortel in de San Francescobasiliek in Assisi, beschadigd door een aardbeving. Deze nachtmerrie, zelfs voor een gedreven puzzelaar, leidde toch nog tot een bevredigend resultaat, waarbij de overgebleven fragmenten op een nieuwe drager geplaatst werden en de blauwe achtergrond en de architecturale omlijsting werden geretoucheerd, zodat de figuren opnieuw leesbaar werden zonder deze zelf te moeten retoucheren. Het probleem van de leesbaarheid van muurschilderingen stelt specifieke problemen omwille van de onuitwisbare link met de architectuur, het werken in groepsverband (en het 'stroomlijnen' van de retouches), de coördinatie van de werkzaamheden en de noodzaak van een gelijklopend

vocabularium, zowel theoretisch als praktisch. Rosalia Varoli Piazza bestudeerde de vroegere restauraties en de degradatie van de muurschilderingen in de loggia van de Villa Farnesina in Rome, uitgevoerd door Raffael en zijn atelier. Volgens geschiedschrijver Vasari, van wie de historische en kunsthistorische gegevens met de nodige kritische zin gelezen moeten worden maar die vrij secuur is wat technische gegevens betreft, zou Raffael alle kartons en ook een groot aantal figuren zelf geschilderd hebben. De blauwe luchtpartijen hadden oorspronkelijk een preparatielaag in smalt en een tweede laag a secco in azuriet. Deze tweede laag verdween in de loop van de geschiedenis en werd tijdens een vroegere restauratie herschilderd, dit keer in smalt. In de twintiger jaren is deze ingreep dan ook weer verwijderd (en hiermee ook wat nog restte van het oorspronkelijk azuriet van Raffael) en tekenen de figuren zich nu af tegen een bleke ondergrond. De andere tinten, en vooral de groene, zijn trouwens ook verbleekt door eeuwenlange blootstelling aan het felle Italiaanse licht (de loggia was vroeger open op de tuin en is pas sinds kort met glas dichtgemaakt). Om het oorspronkelijk contrast te kunnen inschatten, volstaat het trouwens om naar de schilderingen binnen in de villa te gaan kijken (een aanrader trouwens!).

De lezing van Julien Assoun riep enige controverse op, waarschijnlijk vooral door de stijl van zijn nogal ontoegankelijk betoog over de montering van fragmenten muurschildering uiteen Chinese opgraving en de arbitraire montage van bepaalde fragmenten van de voorstelling op een manipuleerbaar paneel. Vanuit het publiek kwam de nogal laconieke opmerking dat deze lezing precies geschreven was door iemand die jarenlang alleen in de woestijn opgegraven had. Vooral de overweging dat op deze manier niets overbleef van het sacrale karaktervan deze Boeddhaschilderingen, werd als negatief ervaren. De montering was immers voor studie-

doeleinden bedoeld, eerder dan voor de esthetiek, hetgeen nochtans niet verhinderde dat ze onlangs toch tentoongesteld werden in Parijs. Het was in elk geval duidelijk dat de specifieke problematiek van het restaureren van archeologisch materiaal nog veel reflectie en studie vraagt.

•

Rosalie Godin, Fran^oise Morin en Anne Rigaud stelden de behandeling voor van een moeilijk leesbaar ensemble muurschilderingen in een kasteel in de Dordogne. Om ongekende technische reden is een groot gedeelte van de picturale laag verloren gegaan, waardoor nu plaatselijk de gedetailleerde ondertekening zichtbaar is. De uiteindelijke afwerking is wellicht iets te confuus: soms is de tekening enigszins weggeretoucheerd soms niet. Er werd opgemerkt dat de restaurateurs zich wellicht in een te lang geïsoleerde positie bevonden om een meer evenwichtige en doordachte oplossing te vinden. Het ware wellicht beter geweest om in dit stadium van onvoltooid onderzoek (kunsthistorisch, laboratoriumtechnisch), zich voorlopig te beperken tot een strikte conservering en proberen uit te zoeken welke de reden kan zijn van deze vreemde degradatie. Het kan immers zijn dat deze zich in de toekomst nog zal uitbreiden.

Het congres had plaats in de Musée des arts et traditions populaires in Parijs van 13 tot 15 juni 2002. De postprints zijn in de maak en kunnen besteld worden op het secretariaat van het colloquium: Nathalie Richard, 7, rue du pot de fer, F-75005 Paris, France. Tel en fax 00/33/1 43 31 43 69 of per mail: nathalierichard@mageos.com

M&L


B 1 N N E N K R A N T

Literatuur DE KEUZE VAN M£tL

Building on Ruins The Rediscovery of Rome and English Architecture Frank Salmon Aldershot, Ashgate, 2000, 264 p., ISBN 0-7546-0358-X Boeiende studie over de hernieuwde fascinatie van jonge Britse architecten voor de overblijfselen van het Antieke Rome in de jaren na 1815, periode die samenviel een grote vooruitgang in het archeologisch en topografisch onderzoek, en de invloed ervan op de openbare architectuur uit de jaren 1830, aan de hand van een analyse van 'neoklassieke' openbare monumenten: het stadhuis van Birmingham, het Fitzwilliam Museum in Cambridge, de Royal Exchange in Londen en St George's Hall in Liverpool.

Biopolis Patrick Geddes and the City of Life Volker M. Welter Cambridge, The MIT Press, 2002, 355 p., ISBN 0-262-23211-1 Monografie over de Schotse stedenbouwkundige en bioloog Patrick Geddes (1854-1932), die mede het 'regionalisme' introduceerde in architectuur en stedenbouw, verdediger van de 'town planning', actief participant in het debat over de toekomst van de stad omstreeks de eeuwwisseling, en pionier in de erkenning van het belang van de historische stadscentra. Zijn stedenbouwkundige opvattingen worden geanalyseerd in het licht van zijn biologisch denken.

Haus eines Kunstfreundes Mackay Hugh Baillie Scoff, Charles Rennle Mackintosh, Leopold Bauer Gerda Breuer (red.) Stuttgart, Edition Axel Menges, 2002, 160 p., ISBN 3-930698-88-9

Studie over het Haus eines Kunstfreundes, een reeks van drie portfolio's gewijd aan het ideale huis, in 1902 naar aanleiding van een architectuurprijsvraag uitgegeven door Alexander Koch uit Darmstadt, met de inzendingen van Charles Rennie Mackintosh, Mackay Hugh Baillie Scott en Leopold Bauer. Integrale, verkleinde heruitgave van één van de fraaiste architectuurpublicaties uit de art nouveau periode, met een inleidend essay waarin het initiatief uitvoerig wordt toegelicht en gesitueerd in het artistieke klimaat van de Mathildenhöhe en de toenmalige fascinatie voor 'Das Englische Haus'.

bouwvraagstuk. Het winnend ontwerp van Howells en Hood, geïnspireerd op de kathedraal van Rouen, droeg bovenal een boodschap van 'corporate identity' uit en bevestigde de rol van de zakenwereld en de suprematie van de Verenigde Staten in de naoorlogse wereld.

Luigi Moretti Works and Writings Frederico Bucci en Marco Mulazzani New York, Princeton Architectural Press, 2002,231 p., ISBN 1-56898-306-9

Art Nouveau and the Social Vision of Modern Living Belgian Artists in a European Context Amy F. Ogata Cambridge, Cambridge University Press, 2001,239 p., ISBN 0-521-64328-7 Studie over de architectuur en de toegepaste kunsten in België in de periode 1880-1910, in de context van het toenmalige artistiek klimaat en het eigentijdse debat over wonen en leven in de moderne tijd. De klemtoon ligt op het wijdverbreide fenomeen van de 'cottage'-villa, een rustieke en ontspannen variant van de stedelijke art nouveau, dat met name aan de kust de traditie van het landleven en het kunstambacht koppelde aan het nieuwe ideaal van de 'garden city'.

The Chicago Tribune Tower Competition Skyscraper Design and Cultural Change in the 1920s Katherine Solomonson Cambridge, Cambridge University Press, 2001, 370 p., ISBN 0-521-59056-6 Studie over de Chicago Tribune Tower Competition uit 1922, met 263 inzendingen van Byzantijns tot Bauhaus één van de grootste en meest controversiële architectuurwedstrijden van zijn tijd, die de Europese architectuurwereld confronteerde met het hoog-

Monografie over Luigi Moretti (19071973), die met diverse gebouwen voor de fascistische jeugdbeweging ONB, waaronder de Coso delleArmi op het Foro Mussolini, mee de architecturale canon definieerde in het Italië van Mussolini. Zijn naoorlogse werk balanceerde tussen het lyrisch purisme van het appartementsgebouw // Girasole naar het informeel organische van de villa LaSaracena. Essays over leven en werk geïllustreerd met een selectie uit zijn geschriften en een collectie eigentijdse opnamen.

Berthold Lubetkin John Allan en Morley von Sternberg Londen, Merrell, 2002, 144 p., ISBN 1-85894-171-7 Monografie over Berthold Lubetkin (1901-1990), Russisch emigrant geworteld in de revolutionaire avant-


B 1 N N E N K R A N T

Paul Rudolph The Florida Houses Christopher Domin en Joseph King New York, Princeton Architectural Press, 2002, 248 p., ISBN 1-56898-266-6

garde en opgeleid in het Parijs van de jaren '20, medestichter en stuwende kracht achter de Tecton groep, die met iconen als de Penguin Pool, High PointItn //en het FinsburyHealth Centre het modernisme introduceerde in Londen. Biografisch essay en een overzicht van zijn nog bestaande werk aan de hand van actuele foto-opnamen, uitgegeven naar aanleiding van zijn 100ste verjaardag, als aanvulling op Allans magistrale biografie uit 1992.

Call for Action Mitglieder des Bauhauses in Nordamerika Gabriele Diana Grawe Kromsdorf-Weimar, Verlag und Datenbank für Geisteswissenschaften, 2002, 412 p., ISBN 3-89739-143-0 Studie over de grote groep voormalige Bauhaus-docenten, waaronder grote namen als Walter Gropius, Marcel Breuer, Laszló Moholy-Nagy en Joseph Albers, die na de opheffing door het Nazi-regime een nieuwe toekomst trachtte op te bouwen in de Verenigde Staten. De individuele ontwikkeling van hun werk en gedachtegoed in confrontatie met de cultuur van het nieuwe gastland, vormt het uitgangspunt voor een hernieuwde visie van de Bauhaus-erfenis, mede op basis van hun persoonlijke correspondentie, die zich eerder als een breuk dan een voortzetting manifesteert.

Overzicht van het vroege werk van Paul Rudolph (1918-1997), best bekend van grootse gebouwen als de Yale Arts and Architecture Building in New Haven (1958-1964). Hij begon zijn loopbaan in 1941 in Sarasota Florida waar hij gedurende twee decennia, eerst als partner van Ralph Twitchell en later als zelfstandig architect een zestigtal projecten, vooral woningen, realiseerde, in een uitgepuurd modernisme dankzij innoverende constructietechnieken.

Swiss Furniture and Interiors in the 20th Century Arthur Rüegg (red.) Basel, Birkhauser, 2002, 456 p., ISBN 3-7643-6483-1

representatieve interieurs. Een geïllustreerde catalogus van 300 objecten en 150 biografische notities sluiten het boek af.

Fachwerk als historische Bauweise Ein Materialleitfaden und Ratgeber G. Ulrich GroBmann en Hubertus Michels Suderburg, Edition:anderweit, 2002, 312 p., ISBN 3-931824-18-7 Zesde in een reeks bevattelijke compendia over historische bouwtechnieken en -materialen, ditmaal gewijd aan de vakwerkbouw. Naast een heldere definitie en een historisch overzicht van de vakwerkbouw vanaf de middeleeuwen tot vandaag, worden in detail de bestanddelen en de gebruikte materialen, de typologie en de constructiemethoden behandeld, en wordt ruim ingegaan op het bouwhistorisch onderzoek en de restauratietechnieken.

Rijk gedocumenteerd naslagwerk over de geschiedenis van het interieur en het meubel in Zwitserland, vanaf het einde van de 19de eeuw tot vandaag. Opgedeeld in perioden van telkens vijftien jaar wordt de algehele ontwikkeling van het design geschetst, en in detail toegelicht aan de hand van de meest tijdbepalende objecten - Moser, Haefeli, Roth, Coray, Bill, Bellmann, Botta... - en een twintigtal

Edited by Arthur Rüegg

Foundation Good Goods Birkhauser

rïeriors

Nachkriegsmoderne Schwelz Architektur von Werner Frey, Franz Füeg, Jacques Schader, Jakob Zweifel Walter Zschokke en Michael Hanak (red.) Basel, Birkhauser, 2001, 232 p., ISBN 3-7643-6638-9 Publicatie bij een tentoonstelling gewijd aan vier vertegenwoordigers


B I N N E N K R A M T

van de eerste naoorlogse generatie Zwitserse modernisten, Werner Frey (1912-1989), FranzFüeg(1921), Jacques Schader (1917) en Jacob Zweifel (1921). Hun werk uit de jaren '50 en '60 introduceerde nieuwe begrippen als structuralisme, flexibiliteit, systeembouw en ruimtelijke interpenetratie. Bundel essays en een selectie van veertien representatieve gebouwen onder meer geïllustreerd met video-opnamen op een bijgevoegde DVD.

Hekken in Nederland Peter Meijer Zwolle, Waanders Uitgevers, 2002, 207 p., ISBN 90-400-9495-0

Lijvige monografie samengesteld door Alison (1928-1993) en Peter Smithson (1923), met een becommentarieerd visueel overzicht van zowat 125 architectuurprojecten, ingedeeld in vijftien thematisch-chronologische secties. Hun Hunstanton Secondary Modern Sc/700/introduceerde het 'New Brutalism' en met Team X lagen zij aan de basis van een reëvaluatie van het modernisme, onder meer in praktijk gebracht in de Economist Building en Robin Hood Gardens. Een tweede deel gewijd aan hun stedenbouwkundige praktijk is in voorbereiding. Alle boeken, een greep uit de recente aanwinsten, liggen ter inzage in de Bibliotheek Monumenten en Landschappen Graaf de Ferrarisgebouw Koning Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 Brussel (tijdens de kantooruren) Tel. 02/553.82.27 - fax. 02/553.82.05 E mail: Jozef.Braeken@lin.vlaanderen.be

JULES WABRFS

Representatief overzicht van het ornamentele toegangshek uit de laatste vier eeuwen in Nederland, aan de hand van honderd voorbeelden, zowel de 'topstukken' als het 'kleinere werk', die veelal met virtuoos ijzersmeedwerk de toegang tot paleizen, parken, buitenplaatsen, begraafplaatsen of boerderijen markeren. De selectie wordt veelzijdig geïllustreerd en historische geannoteerd, en voorafgegaan door inleidende hoofdstukken over stijlevolutie, typologie, materialen en ambacht.

The Charged Void: Architecture Alison en Peter Smithson New York, The Monacelli Press, 2002, 600 p., ISBN 1-58093-050-6

M&L

Nog tot 11 augustus loopt in het Musée d'Architecture La Loge en de Fondation pour l'Architecture te Brussel de tentoonstelling De goede en de slechte smaak, Belgische interieurs van art nouveau tot de hedendaagse /oft. Eén van de naoorlogse ontwerpers die hierbij prominent aan bod komt is Jules Wabbes (19191974), van wie een representatieve selectie meubels en ontwerpen wordt getoond. In de marge van dit evenement verscheen ook de eerste monografie over Wabbes, geschreven door

zijn dochter Marie Ferran-Wabbes. Jules Wabbes wordt vandaag erkend als één van de belangrijkste Belgische designers van de eerste naoorlogse generatie. Zijn meubels worden in binnen- en buitenland verzameld, en brachten het inmiddels tot museumstuk. Hoewel belangrijke interieurs verdwenen, dringt bescherming van enkele gave ensembles zich zonder meer op. Jules Wabbes begon zijn loopbaan als portretfotograaf, maar ruilde dit beroep al snel voor dat van antiquair, na een ontmoeting met de actrice Louise Carrey, die hem in artistieke kring introduceerde. Zijn omgang met traditionele meubelstukken maakte Wabbes vertrouwd met diverse houtbewerkingstechnieken, een kennis die hij als autodidact aanwendde om eigentijdse meubels te vervaardigen. Hij stelde zich hierbij tot doel aan het industriële meubel de waardigheid en de gaafheid, de degelijkheid en de rijkdom van een elitevoorwerp te verlenen. In 1951 richtte hij samen met architect André Jacqmain (1921) een bureau voor architectuur en design op, dat in 1954 de opdracht in de wacht sleepte voor het Foncolingebouw (Koloniaal Invaliditeitsfonds) in de Brusselse Leopoldswijk. Voor dit verfijnde gebouw, met de eerste dragende gevels in geprefabriceerd beton in België, ontwierp Wabbes een reeks kantoormeubelen die op onnavolgbare wijze conventie en moderniteit versmolten. Om de hoge kwaliteitsstandaard van deze ontwerpen te waarborgen en met een regelmatige productie tegemoet te komen aan de stijgende vraag, richtte hij in 1957 het meubelbedrijf Mobilier Universel op, waarin hij een leidende rol zou spelen tot 1969. Zijn beide deelnames aan de prestigieuze Triënnale van Milaan werden bekroond met zilveren en gouden medailles. In 1957 presenteerde hij een ensemble van werktafels, waaronder het model "Gérard Philippe", bibliotheekkasten en een bureau, samengesteld uit gelamelleerd hout en geweerloopzwart hout dat zijn handelsmerk zou worden. In 1960 volgde een speels ensemble school-


B 1 N N E N K R A N T

meubilair in gebogen multiplex. Deze internationale erkenning bezorgde hem in de jaren '60 tal van opdrachten, zowel voor de inrichting van privé-woningen als voor banken, bedrijfspanden en overheidsgebouwen. Zo realiseerde hij de inrichting van de Amerikaanse ambassades in Den Haag, Rabat en Dakar, en van de nieuwe hoofdzetels van Glaverbel, CBR, Royale Beige, het Gemeentekrediet van België (1968) en de Generale Bank (1971-1973). De monografie van Marie FerranWabbes schetst het leven en de persoonlijkheid van Jules Wabbes, en doorloopt in afzonderlijke hoofdstukken de belangrijkste stappen in zijn carrière: de samenwerking met Jacqmain, de Triënnales, de productie van zijn meubelontwerpen in eigen beheer, en geeft een overzicht van zijn interieurontwerpen zowel in de privé-sfeer als voor het bedrijfsleven. Een summiere oeuvrelijst en een bibliografie sluiten dit rijk gedocumenteerde boek af, dat uitvoerig wordt geïllustreerd met eigentijdse foto's, veelal interieuropnamen zowel in zwart-wit als in kleur, en ontwerptekeningen, met uittreksels uit brieven en onuitgegeven interviews. Een volledige inventaris van zijn uitgevoerde interieurs ontbreekt weliswaar. Wie wil weten welke interieurs tijd en mode hebben doorstaan, moet dus alsnog zelf op ontdekkingstocht.

Jules Wabbes 1919-1974 Interieurarchitect Marie Ferran-Wabbes Doornik, La Renaissance du Livre; Brussel, Dexia, 2002 168 p., 180 111. ISBN 90-5066200-5 (Nederlandstalige uitgave) ISBN 2-8046-0564-7 (Franstalige uitgave) Prijs: 45 Euro

Herman-J.

van den Bossche

FRIK D H O N T TUINFN. ONZICHTRARF LANDSCHAPPEN Bij uitgeverij LUDION verscheen eind 2001 een boek met tekeningen en tuinen van landschapsarchitect Erik DHONT. Het eerste in een reeks over tuinarchitectuur. Tekst en foto's zijn van de ervaren groenauteur JeanPierre GABRIEL, het voorwoord is van de franse cultuurfilosoof Philippe NYS. Erik DHONT - Tuinen, onzichtbare landschappen is een fraai boek geworden, waarin kunstzinnige schetsen en tekeningen van de ontwerper afwisselen met raak fotowerk, zoals dat van Jean-Pierre GABRIEL verwacht wordt. Het interview achterin van de auteur met ontwerper Erik DHONT is fris en openhartig en biedt inzicht in de persoonlijkheid en de bevlogenheid van de ontwerper, zijn achtergrond, de inspiratiebronnen, zijn aanpak en werkwijze, zijn lievelingsplanten, zijn 'coups de coeur' wanneer het over rozen gaat en over de figuur van wijlen Louis LENS, de wereldvermaarde rozenveredelaar uit Onze-LieveVrouw-Waver.

Erik DHONT benut zijn vooropleiding van graficus/typograaf ten volle om zijn ruimtelijke ideeën gestalte te geven: de interactie tussen de individuele, volle letter met andere letters en de lege ruimte er tussenin en langszij, het onorthodoxe kaft met de eerste aanzetten van een project in wit en vermiljoen zetten de juiste toon van bij het begin De geselecteerde tuinprojecten zijn niet chronologisch behandeld en daar zullen sommige lezers het wellicht moeilijk mee hebben. Maar wat is de relevantie van een louter chronologische opeenvolging van projecten. Mij stoort dit niet, wel in tegendeel, het onbevangen flaneren van project naar project heeft iets van hoe opdrachtgevers met hun tuin omgaan; genietend, feestelijk. Het is niet enkel een heerlijk kijkboek, het is ook eerlijk en tegelijk leerrijk: pagina 72 toont

een schets waarbij het knip-, schuiten plakwerk niet verdoezeld zijn. De tuinen van Erik DHONT tonen nooit trendy, uit de grabbelton van de globalisatie gegraaide ontwerpoplossingen die elders -jaren geleden soms reeds te zien waren, geen citaten van anderen, geen fin-de-siècle cross-over statements. Men kan het werk van Erik DHONT echter bezwaarlijk visionair noemen en ook niet echt vernieuwend. Het is gewoon anders. Maar tegelijk is het nooit eerder gezien, het is niet gedateerd en het laat zich niet dateren. En dat niet gedateerd of tijdloos zijn hebben wij de laatste jaren nog te weinig mogen zien, zelfs niet in de ons omringende landen. Paradoxaal, zeker, maar een zeldzame kwaliteit in de monumenten en landschapszorg! Het is dan ook niet toevallig dat een aanzienlijk aantal projecten uit het boek zich situeren in beschermde landschappen, stads- of dorpsgezichten of monumenten. De begeleidende teksten van JeanPierre GABRIEL zijn sec en het moet gezegd, de Nederlandse vertaling is soms houterig. Het boek eindigt met een aflopende zwart/wit foto van een bejaarde, blakende hovenier, steunend zijn schoffel in een verzorgde bloemenhof, als willen de auteur en de ontwerper aan de lezer duidelijk maken dat - alle tuinontwerpen ten spijt - het laatste woord steeds bij de hovenier ligt. Een afsluiten in bescheidenheid na zoveel moois?

Erik DHONT-Tuinen, onzichtbare landschappen - Erik DHONT Jardins, paysages de I'lnvisible is een tweetalige uitgave van uitgeverij LUDION Gent-Amsterdam in 2001 met ISBN 90-5544-376-x en is te vinden in de betere boekhandel. Webside www.erikdhont.com

M&L


M&L

citaat

"Les naïfs admirateurs des beaux paysages ne comprendront-ils done jamais qu'en venant planter leurs villas encombrantes dans un beau site, ils sontdes destructeurs inconscients de ce qui les y attire et que v/te viendra Ie moment oü ils n'auront plus de raison d'y rester." "Zullen de naïeve liefhebbers van mooie landschappen dan nooit begrijpen dat als ze hun in de weg staande villa's komen inplanten in een mooie omgeving, ze onbewust datgene vernietigen wat hen er naartoe aantrekt? Het zal niet lang duren of ze hebben geen reden meer om er te blijven."

(Citaat van Karel Buis (1837-1914), Vlaams liberaal gemeenteraadslid van Brussel van 1877 tot 1879, Schepen van 1879 tot 1881 en burgemeester van 1881 tot 1899. Ch. Buis "Le Pare de Bruxelles au point de vue esthétique" in l'Art Moderne, revue critique hebdomadaire van 28 juli 1907).


FLEMIiH

houden met alle desiderata en die van grote artistieke waarde

I03O;WLRELD

worden geacht). Zie ook het artikel van P. LOMBAERDE in De

TENiOüNfTEUING

Panoramische Droom, 1993, p. 93 ("De indirecte verlichting was

XKOUDNUEN:-:

op de Tentoonstelling van 1930 een der belangrijkste vernieuwin-

SCHEEPVAART

gen bij de inrichting van de openbare ruimte... Smolderen werkte

VLAAMICHEKUNJT

een gevarieerde typologie van verlichtingselementen en palen uit in

ANTWERPEN

prachtige Art Déco,"). (42) De architect ontwierp een zegel voor de Tentoonstelling waarop deze drie symbolen afgebeeld zijn (afb.52). (43) Albéric Collin was een vaste bezoeker van de Antwerpse Zoo. In zijn atelier heb ik een deel van mijn kindertijd mogen doorbrengen toen we buren waren in de Van Putlei.

Vignet-zegel van de Tentoonstelling, ontworpen door architect Smolderen

EXPCUmON

INTERNATIONAL

INTERNATIONALE

EXHIBITION

: COLON! ALE : MARITIME CTD ART FLAMAND ANVERS 1050

:-:COLONIE;:-: NAVIGATION

FLEMIiH ART ANTWERP 1030

(44) SAA, Ma 2953, A4 (verslagen van het Uitvoerend Comité van de Wereldtentoonstelling, p. 107: 15 oktober 1924. (45) Antwerpen 1930, nr. 45 (12 juni 1930), p. 12, dat foto's publiceert van de plaatsing van de beeldhouwwerken op de sokkels die er al lang op wachtten. (46) Ibidem, nr. 123 (29 augustus 1930), p. 12-13, en nr. 175 (20 oktober) en volgende. (47) De tentoonstellingen van Antwerpen in 1885 en van Parijs in 1937 werden geopend terwijl ze nog in de stellingen stonden. (48) Het gevaar dat tijdelijke constructies inhielden, opgetrokken uit

(51) Gebouwd van 1935 tot 1937 door architect Jacques Barge (zie La Technique des Travaux, 23, nr. 3-4, maart-april 1947, p. 66). (52) Een goede beschrij\ ing van dit wetk is te vinden in La Technique des Travaux, 6, nr. 9, sept. 1930, p. 558-569. (53) Aan de tentoonstelling wetd een monumentale catalogus gewijd: Trésor de TArtflamanddu

moyen age au XVLII'eme siècle door een

team van specialisten, 2 vol. (t. I: peintures; t. II: dessins, miniatures, gravures, tapisseries, mobilier, médailles), Brussel, 1932.

lichte materialen die een houten structuur bedekten, moet niet

(54) De Koning had daarbuiten nog een bezoek gebracht aan de

onderschat worden. Het vuur vernielde de wijk "Oud Antwerpen"

Belgische Afdeling en aan het Kongopaleis op 18 juni 1930 en

in de Wereldtentoonstelling van 1894 en verwoestte bijna het

hij woonde op 4 oktober de plechtige vergadering bij waarop de

geheel van de gtote hallen van de Belgische Sectie in de Tentoonstelling van 1910 in de Hoofdstad. In 1930 had men in Antwerpen af te rekenen met een brand, veroorzaakt door een

prijzen werden uitgedeeld. (55) Bewaard in de familiearchieven alsook in het APA {Fonds J. Smolderen).

kortsluitingen de koepel van het Sunlightpaviljoen (13 juli); met een verwoestende storm die het standbeeld van Leopold I onder de Triomfboog dreigde te destabiliseren, talloze daken meesleurde en de tuinen vernielde (14 augustus) alsook met een overvloedige regenval die de geschilderde gevels bezoedelde met talrijke vochtige plekken {Antwerpen 1930, nr. 189, nov. 1930, beëindigt haar reeks afleveringen over de Tentoonstelling met een weeroverzicht dat de dagen met zon en de dagen met regen weergeeft tijdens de zomet van 1930). (49) Stad Antwerpen - Gemeenteblad 1928, nr. 10 (zitting van 19 maart), p. 640-641; nr. 19 (zitting van 27 augustus), p. 248-250. (50) In de voorbereidende schetsen voor het project dat hij indiende voor de basiliek van Koekelberg tijdens een wedstrijd van 1919 ontwierp Smolderen een kerktype met een opeenvolging van talrijke koepels (L. SMOLDEREN, Un concours d'architecture en 1920 pour I edification de la Basilicjue de Koekelberg, in Revue des Archéologues et Historiens dArt de Louvain, XXXIII, 2000, p. 74,

L. SMOLDEREN, Ere Ambassadeur en Voorzitter van de Koninklijke Academie voor Oudheidkunde van België

Fig. 6).

M&L


Gerard

Otten

DE BREDASE BOULEVARDS BRUSSEL ALS VOORBEELD VOOR BREDA • Het landhuis

Anneville was dus

Anneville bij het bedoeld als zomerdorp Ulvenhout

verblijf.

in de omgeving

Het huis is

van Breda.

ontworpen door de

De eerste steen

Brusselse architect

werd gelegd

Antoine Trappemers

in 852 De eigenaar.

(1824-1887) (Fotocollectie

'rasper Cuypers van

Nieuw-Gmneken,

Velthoven. woonde

Stadsarchief Breda)

in Brussel en

Breda, een stad in de Nederlandse Noord-Brabant,

ontwikkelde

provincie

zich aan het einde

Als een Brusselaar in Breda komt, zal hij verbaasd zijn wanneer hij leest over de pretentie dat Breda

van de 19de eeuw in een korte tijd van een kleine

op Brussel zou lijken. Vanuit Brussel kijk je

vestingstad

natuurlijk door de verkeerde kant van de verre-

tot een aangename

gefortuneerde uit Nederlands

nieuwelingen

en

woonstad

voor

gepensioneerden

Oost-lndië.

kijker. De stedenbouwkundige

ontwikkeling

van

Breda aan het einde van de 19de en het begin

De kleine elite die in Breda de macht in handen

van de 20ste eeuw is echter alleen goed te

had, was voor een groot deel protestant

begrijpen als we de verwantschap

en libe-

raal. Deze elite spiegelde zich aan Den Haag en

het oog

met Brussel in

houden.

ook wel aan Arnhem. Hét grote voorbeeld aan het

Over niet al te lange tijd zal een groot deel van

einde van de 19de eeuw was echter de

deze 19de-eeuwse uitbreidingen

van België, Brussel. Breda presenteerde een luxestad, met parken, singels en

hoofdstad zich als boulevards.

van beschermd

stadsgezicht.

de status

krijgen


BRUSSEL IN DE 19DE EEUW De grootste stad in Europa en de meest toonaangevende wat betreft architectuur en stedenbouw in het begin van de 19de eeuw, was uiteraard Parijs. Ook al vóór baron Haussmann zijn boulevards door Parijs trok, waren hier paleizen in neoclassicistische stijl, brede straten en met bomen beplante lanen. Voor de Nederlanden was Brussel wat Parijs was voor Europa. De nieuwste uitingen van architectuur en stedenbouw waren hier te vinden. Een burger die het zich kon permitteren naar Parijs te reizen zou dat natuurlijk niet laten, maar het voorbeeld van Brussel was in de Nederlanden in veel bredere kring bekend. In 1815 werd Brussel een van de twee hoofdsteden van het nieuwe koninkrijk der Nederlanden. Vanaf 1830 was het de hoofdstad van de zelfstandige Belgische staat (1). Aan het begin van de 19de eeuw werden de vestingwerken ontmanteld en werden de buitenboulevards aangelegd. Het Oranjeplein, het huidige Barricadenplein, werd aangelegd in 1818. De Leopoldwijk, de eerste wijk buiten de buitenboulevards, werd ontworpen in 1837 in neoclassicistische stijl en werd gerealiseerd vanaf 1842. In 1846 werd de Passage geopend, de Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen. In de eerste helft van de 19de eeuw werd ook de Congreszuil gebouwd. In de tweede helft van de 19de eeuw kende Brussel grote veranderingen en uitbreidingen. Vaak worden de namen van koning Leopold II en burgemeester Jules Anspach hiermee in verband gebracht. Er werden doorbraken verricht, nieuwe wegen aangelegd en grote monumenten gebouwd. Het voorbeeld hierbij was nog steeds Parijs. Het doel was, de stad te moderniseren en de steeds groeiende bevolking te huisvesten en bovendien het aanzien van Brussel als hoofdstad en daarmee het aanzien van België in de wereld te vergroten. Minstens even belangrijk in de nieuwe ontwikkelingen was echter winst te maken door onroerendgoedspeculaties en de opkomende burgerij aanzien te verschaffen. Onder burgemeester Jules Anspach, die van 1863 tot 1879 aan het hoofd van het stadsbestuur stond, werd een programma van verkeersverbetering en stadsverfraaiing ter hand genomen. Tussen 1 867 en 1871 werd het riviertje de Zenne, in het centrum van Brussel, overwelfd en werden hier de zogenaamde binnenboulevards aangelegd. Buiten de ring van de buitenboulevards werden grote avenues aangelegd, onderbroken door squares —Óxt in Brussel niet noodzakelijk vierkant zijn maar vaak rond of ovaal! Vanuit de oude stad waaierden die uit over het omringende platteland en brachten daar de

verstedelijking op gang. De Louizalaan werd al in 1858 aangelegd. Met actieve steun van koning Leopold II kwam in 1895-1897 de Tervurenlaan tot stand en in 1907-1910 de aansluitende, naar hem genoemde Vorstlaan. Er was echter een groot verschil tussen Parijs en Brussel. Parijs werd omgeven door vestingwerken en de ruimte binnen de stad was dus in principe beperkt, maar Brussel kon zich onbeperkt over het omringende platteland uitbreiden. De Parijse boulevards vormen dan ook een netwerk, terwijl de Brusselse lanen meer de vorm hebben van een spin. De bebouwing van Brussel werd onderbroken door uitgestrekte parken. Bij de aanleg hiervan speelde Leopold II weer een invloedrijke rol. Die aanleg werd ook gesteund door onroerendgoedmaatschappijen, zoals de Compagnie Immobilière de

Villa Vrcdeburcht bij Princenhage bij Breda, door zi|n eigenaar, naar het voorbeeld van chateaux in België, aangeduid als Kasteel Vredeburcht (Collectie Stadsarchief Breda)

Belgique, die daarmee de waarde van de omringende bouwterreinen zagen stijgen. Het Park van Vorst en het Dudenpark werden aangelegd vanaf 1875 en het Josaphat park werd ingewijd in 1904. Het Koninklijk Domein van Laken, het privé-park rond het Koninklijk Paleis en het openbare Park van Laken, werden door Leopold II aanzienlijk uitgebreid. Grote monumenten moesten indruk maken op de bezoeker. De bouw van het Justitiepaleis werd begonnen 1866 en was pas in 1883 voltooid. De arcade in het Jubelpark werd ingezegend in 1905. In 1905 ook legde de koning de eerste steen van de Heilig-Hartbasiliek in Koekelberg, die pas na de Eerste Wereldoorlog werd voltooid. De verbouwing van het Koninklijk Paleis eindigde in 1909. Het Congomuseum in Tervuren werd geopend in 1910.

M&L


OF INVLOED VAN RRIJSSFl IN 7[JID-NEDERLAND De nieuwe doorbraken en uitbreidingen van Brussel, en ook waarschijnlijk het rechtstreekse voorbeeld van Parijs, hadden een grote invloed op de Nederlandse stadsuitbreidingen, vooral in het zuiden van het land. Verschillende steden legden een stelsel aan van boulevards, parken en pleinen. In 1869 maakte de Ingenieur der Domeinen voor de Ontmanteling der Vestingen, RW. van Gendt, een Plan van Uitleg voor de te slechten vestingwerken van Maastricht. In 1872 ontwierp stadsbouwmeester A.J.F. Cuypers voor deze plaats een 'plan van aanleg van boulevards, avenues en straten op de voormalige vestinggronden'{2). In beide plannen werd Maastricht omringd door boulevards. O p de kruis-

Het Plan van Uitleg

stratenpatroon,

voor de geslechte

met geïnspireerd op

vestinggronden van

Pari|s of Brussel.

Breda, ontworpen

Desalniettemin

door de Ingenieur

beschreef men de

der Domeinen voor

'nieuwe kwartieren'

de Ontmanteling

graag in termen

der Vestingen,

van quartiers,

F.W. van Gendt.

squares en

Van Gendt ontwierp

boulevards

een sober plan met

(Collectie Breda's

een eenvoudig

Museum)

punten van de uitvalswegen waren ronde en ovale pleinen gedacht. Al vóór 1867 correspondeerde het gemeentebestuur van Maastricht uitgebreid met vooral Belgische steden zoals Doornik, Brussel, Bergen en Namen, over voorbeelden voor de nieuwe uitbreidingen. In 1881 werd vanaf het station een doorbraak gemaakt naar de binnenstad, met een Franse naam de TVrc^V'genoemd. In 1884 ten

slotte werd ten zuiden van de stad het Villapark gebouwd, ontworpen door stadsingenieur W.J. Brender a Brandis, met beboomde boulevards en een groot 'rondpoint. Rond 1880 werd het Stadspark gereorganiseerd door de Leuvense tuinarchitect Lieven Rosseels (3). In Nijmegen werd in 1878 voor de geslechte vestinggronden een groots plan ontworpen door architectingenieur L.A. Brouwer (4). De Ingenieur der Domeinen, Van Gendt, had aanvankelijk een simpel plan ontworpen met een groot aantal straten in een rasterpatroon, maar Brouwer concentreerde alle beschikbare openbare ruimte in één grootschalig plan met enkele brede boulevards en een groot 'rondpoint', het Keizer Karelplein. Het Kronenburgerpark werd aangelegd in 1880 door onder andere de reeds bekende tuinarchitect Lieven Rosseels. Hij

ontwierp ook het plantsoen op het Keizer Karelplein. Tijdens de ontmanteling van Bergen op Zoom, vanaf 1869, werd ten noorden van de stad een brede ringweg aangelegd, de Ooster en Wester Boulevard genoemd — thans Bolwerk Noord en Zuid en Rijtuigweg (5). Vanaf 1877 legde Lieven Rosseels een aangrenzend stadspark aan, het huidi-


ge Anton van Duinkerkenpark, aanvankelijk Het Park genoemd. Dwars op de Boulevard stond de Avenue Princes Wilhelmina (sic!), de huidige Burgemeester Stulemeijerlaan. In 's-Hertogenbosch werd vanaf 1890 een nieuwe wijk aangelegd tussen de oude stad en het station (6). De ingenieur-architect der gemeente, F.M.L. Kerkhoff, ontwierp in 1892-1893 twee boulevards, een van het station naar de binnenstad en één dwars erop, allebei met twee rijwegen met daartussen plantsoen en bomen. Later werd op het kruispunt van de twee boulevards een monument opgericht. Ook werden er twee pleinen aangelegd. Zelfs in Roosendaal, een kleine plaats die in de tweede helft van de 19de eeuw in opkomst was als spoorwegknooppunt, kwam er al in 1876 een Boulevard {7).

EEN BUITENPLAATS VAN BRUSSEL Ook Breda is een goed voorbeeld van de Brusselse en — indirect - de Parijse invloed op de stadsuitbreidingen in het 19de-eeuwse Nederland. Tot 1830 was Brussel één van de twee hoofdsteden van het koninkrijk der Nederlanden. De koning en de regering reisden geregeld heen en weer tussen Den Haag en Brussel, altijd via Breda. In 1819 probeerde Breda daarom aangewezen te worden tot vestigingsplaats van het hoogste gerechtshof in de Nederlanden, de Hoge Raad (8). De stad lag immers centraal in het koninkrijk en zowel Noord- als Zuid-Nederland zou daar vrede mee kunnen hebben. Waarschijnlijk werd gehoopt dat Breda op den duur de residentie zou worden van allerlei rege-

ringsinstanties. Door de onafhankelijkheid van België ging het plan niet door. In het midden van de 19de eeuw hadden veel bewoners van Breda banden met Brussel. Het dorp Ginneken, ten zuiden van Breda, omgeven door bossen, leek wel een buitenplaats van Brussel. In 1852 bijvoorbeeld, legde rentenier Prosper Cuypers van Velthoven de eerste steen van een landhuis, dat naar de echtgenote van de bouwheer de Franse naam Anneville kreeg (9). Het werd ontworpen door de Brusselse architect Antoine Trappeniers (1824-1887), een leerling van Tilman Francjois Suys, Auguste Payen en Jean-Pierre Cluysenaar. Zijn belangrijkste werk is het neoclassicistische gebouwencomplex aan het Luxemburgplein in de Leopoldswijk. In 1854 was het huis voltooid. Cuypers woonde sinds 1847 in Brussel (Koningsstraat 130) en Anneville was dus bedoeld als zomerverblijf. Cuypers overleed in 1882 in Etterbeek, zijn vrouw in 1887 in Laken. Ook zijn zoon Edouard Cuypers had tot 1914 zijn domicilie in Brussel, maar door de Eerste Wereldoorlog verhuisde hij naar Anneville. In 1866 werd het park rond het landhuis opnieuw ontworpen door "den heer Fuchs te Brussel". Louis Fuchs was professor in de tuinarchitectuur aan de Rijkstuinbouwschool van Vilvoorde (1814-1873). Cuypers was volledig verfranst en al zijn nagelaten stukken zijn in die taal gesteld. De Bredanaar jonkheer mr. J.L. de Grez was vanaf 1856 eigenaar van het landhuis Valkrust in Ginneken (10). Ook hij had een huis in Brussel. De volgende eigenaar van Valkrust, zijn neef jonkheer mr. J.M.H.J. de Grez, overleed in Brussel in 1910. Jonkheer Van Nispen tot Sevenaer woonde een tijd

Oc Nieuwe Ginne-

dertig meter breed,

woord boulevard.

Breda naar Ginue-

De Wilhelmmastraat

kenstraat in Breda,

met een middenpad.

Rechts een paarden-

ken werd geopend

te Breda, genoemd

vestmggronden

een van de nieuwe

beplant met bomen,

tram van de Ginne-

in 1884

naar de Nederlandse

(Foto: L. Ie Grand,

straten, aangelegd

Dit soort straten

op de geslechte

werd wel aangeduid

Maatschappij.

kensche Tramweg-

vestmggronden:

met het Franse

De tramlijn van

(Collectie Stadsarchief Breda)

op de geslechte

koningin, een

Breda, circa 1920 -

van de brede

Collectie Stadsarchief

straten, aangelegd

Breda)


• De Nieuwe Boschstraat, een van de straten in het Plan van Uitleg van Van Gendt, beplant met kastan)ebomen. Nog steeds is deze straat een gewilde woonstraat (Foto: Bas ünssen, Stadsarchief Breda, 2002)

lang in Brussel (Sint-Joost-ten-Node) en verhuisde in 1893 naar Princenhage bij Breda, waar hij een grore villa kocht (11). In België werd in die tijd elk landhuis van vijf ramen breed met een beetje park eromheen, een chateau genoemd en onze jonkheer noemde zijn villa dan ook Kasteel Vredeburchtl Het landgoed Hondsdonk ten zuiden van Ginneken was sinds 1908 in handen van de Belgische adellijke familie Frisse, die in Brussel woonde (12). Verschillende Belgische grootgrondbezitters hadden in de buurt van Breda uitgestrekte eigendommen, zoals de families De Merode, Van Arenberg, Montens en De Marnix van Sint Aldegonde. In de buurt van Breda liggen nog meer herinneringen aan Brussel. Bij het Liesbos ligt een kruispunt dat op oudere topografische kaarten aangeduid wordt als Quatre Bras. Waarschijnlijk is de naam ontleend aan de veldslagen tegen Napoleon bij Quatre Bras en Waterloo.

DF ONTMANTELING VAN BREDA

• De Soptiiastraat, een van de straten In het Plan van Uitleg van Van Gendt Links de Wllhelmmafonteln, op deze plaats geplaatst in 1909. In de verte zien we het appartementengebouw De Poort van Breda, ontworpen door Charles Vandenhove in de |aren negentig

Tot 1869 was Breda een klein vestingstadje, dat sluimerde binnen zijn wallen. In dat jaar werd echter een begin gemaakt met de slechting van de vestingwerken (13). O p de vrijgekomen gronden werd een nieuw stratenplan ontworpen, het Plan van Uitleg, door de Ingenieur der Domeinen voor de Ontmanteling der Vestingen, F.W van Gendt uit Arnhem. In 1878 was de aanleg hiervan voltooid. Het plan van Van Gendt was tamelijk eenvoudig. Rond de stad werd een brede singelring gelegd die het water van de rivier de Mark om de stad moest voeren. De singels vormden tegelijk een groene wandelweg. In het gebied binnen de ring ontwierp hij een stelsel van straten, 30 meter breed, met twee rijwegen en een dubbele rij bomen in het midden, aangevuld met een raster van straten van 16 meter breed met bomen aan weerszijden. Van Gendt heeft zijn ideeën niet ontleend aan Brussel of Parijs. In het gebied binnen de singels ontbreken namelijk de vistas, de sterpleinen en de monumentale gebouwen die zo kenmerkend zijn voor de twee hoofdsteden. Hij heeft zich louter laten leiden door ideeën van hygiëne en gezondheid. Zijn straten waren breed en recht, waar de wind doorheen kon waaien en waar men bomen kon planten en riolen kon aanleggen. Het waren gezonde straten, in tegenstelling tot de smalle, kronkelende, duistere en ongezonde straten in de oude binnensteden.

(Foto: Bas Linssen, Stadsarchief Breda, 2002)

Dat nam niet weg dat men in Breda de vergelijking zocht met de Franse en Belgische hoofdsteden.

Geregeld komen we in beschrijvingen de woorden quartiers, squares, boulevards en faubourgs tegen, allemaal termen die verwijzen naar Parijs en Brussel. De Bredanaar mr. P.D. van Hal bijvoorbeeld schreef in 1879 al een aantal artikelen in de Nieuwe Bredasche en Oosterhoutsche Courant. Breda was volgens hem minder ouderwets geworden. Moderne huizen waren gebouwd en hij prees de moderne kwartieren, de singels en de squares.

'GINNEKEN. HET IXELLES VAN BREDA' Na de ontmanteling van de vesting werd er meteen gebouwd aan de weg die van Breda naar Ginneken liep, de Ginnekenweg (14). Al in 1880 werd er in de Nieuwe Bredasche en Oosterhoutsche Courant geschreven dat de buurtschap de Zandberg, waar de Ginnekenweg doorheen liep, de "faubourg"van Breda werd. De moderne technieken die hun intrede in Breda deden, vaak vanuit Parijs, werden bij voorkeur hier toegepast. Vanaf 1878 werden er concessies aangevraagd om een tramlijn te mogen


aanleggen van Breda naar Ginneken. In 1881 werd zo'n concessie aangevraagd door Simon Brons. Hij wilde een elektrische tramweg aanleggen van hetzelfde model als in dat jaar op de Wereldtentoonstelling in Parijs had gereden tussen de Place de la Concorde en het Palais de l'Industrie. De elektrotechniek was echter nog niet zovet ontwikkeld dat een dergelijke tramlijn zonder problemen aangelegd kon worden. Uiteindelijk slaagde de gepensioneerde majoor der artillerie van het Indische leger, M.A. Kuytenbrouwer, er werkelijk in een paardentramlijn aan te leggen. Behalve in paardentramlijnen was Kuytenbrouwer nog actiefin diverse functies in het maatschappelijk leven, onder andere in de Hervormde gemeente.

ontwikkelingen uit eigen aanschouwing. Breda was volgens de baron bestemd een grote stad te worden. Weldra zou haar bevolking gestegen zijn tot 20.000 zielen, over tien jaar misschien wel tot 30.000 en over twintig jaat tot 40.000. Breda zou dan gerangschikt kunnen worden onder de eerste steden des Rijks. Het was te voorzien dat Ginneken een voorstad zou worden van Breda, net als vele kleine gemeenten zich langzamerhand verenigd hadden met Brussel en daarvan nu voorsteden uitmaakten, aldus de baron. Ginneken zou dan voor Breda zijn wat Eisene was voor Brussel, "eene voorstad of uitspanningsoord". Van der Borch duidde de gemeente overigens aan met de Franse naam 'Ixelles'. Eisene is de Brusselse gemeente waar de Louizalaan doorheen loopt.

De Mauritsstraat In het Plan van Uitleg van Van Gendt, gefotografeerd vanaf de Singelgracht. Deze straat is als één van de weinige Bredase boulevards nog voorzien van een plantsoen in het midden (Foto: Bas Lmssen, Stadsarchief Breda, 2002)

Kuytenbrouwer had blijkbaar de Wereldtentoonstelling in Parijs van 1889 bezocht. Het vervoer op deze tentoonstelling werd verzorgd door een ringlijn. Daarop reden smalspoortreinen, getrokken door stoomlocomotieven, van de Parijse firma Decauville. Die waren eigenlijk bedoeld voor suikerrietplantages in de koloniën en dergelijke. In hetzelfde jaar legde Kuytenbrouwer een tramlijn aan in Decauvillespoor van Ginneken naar het Mastbos. De tramrijtuigen die hierop reden werden echter getrokken door paarden.

O p 24 maart 1884 werd de tramlijn van Breda naar Ginneken geopend (15). De burgemeester van Ginneken, W.H.E. baron van der Borch, tevens president-commissaris van de Ginnekensche TramwegMaatschappij, hield in de Bredase schouwburg Concordia een bezielde toespraak. De zuster van Van der Borch was getrouwd met de Belgische baron Prisse en woonde in Brussel. Van der Borch kwam blijkbaar vaak in Brussel en kende de nieuwe

A

•4 De Sophiastraat,

Schets voor een

Een elektrische

tramwagen, aange-

tramwagen van het-

Tekening: Simon Brons. 1881

dreven door

zelfde model reed

(Stadsarchief Breda,

elektriciteit, die zou

in 1881 in Parijs

Archief van de

moeten gaan rijden

tussen de Place de

gemeentesecretarie

tussen Breda en

la Concorde en het

te Breda, 1815-

Ginneken.

Palais de l'Industrie.

1925 (Afd. 1-3/4), inv. nr. 3632)

gefotografeerd in de richting van de Wilhelminafontem (Foto: Bas Linssen, Stadsarchief Breda, 2002)

M&L


• De Sophiastraal in Breda (genoemd naar de echtgenote ran koning Willem lil), een van de straten in het Plan van Uitleg, aan het einde van de negentiende eeuw. Rechts een paardentram van de Gmnekensche TramwegMaatschappij, op weg van het station Breda naar Gmneken (Collectie Stadsarchief Breda)

HH^HHi

Rond 1890 was de Ginnekenweg inderdaad volgebouwd en waren Breda en Ginneken door een ononderbroken bebouwing met elkaar verbonden. In 1894 werden er plannen gemaakt voor elektrische verlichting in het nieuw aangelegde Wilhelminapark en op de Ginnekenweg. Ook hier was Kuytenbrouwer weer bij betrokken. De Nieuwe Bredasche en Oosterhoutsche Courant zag de Ginnekenweg al als "een der mooiste en best verlichte avenues, die in ons land bestaan". In 1899 ondernam de gemeente Breda een poging om de gemeentegrenzen te verwijden (16). In de discussies in de gemeenteraad werd over de Ginnekenweg geregeld gesproken als "de voorsteden" zn als een "faubourg" van Breda. Deze poging leidde echter niet tot resultaat.

DF ZtJID-NEDFRlANDSCHE STOOMTRAMWEG-MAATSCHAPPIJ België was in de 19de eeuw al vroeg voorzien van een dicht net van buurtspoorwegen, geëxploiteerd met stoomtrams. Al spoedig gingen het Belgische kapitaal en de Belgische ingenieurs op zoek naar nieuwe markten. O p 14 mei 1890 werd in Breda een paardentramlijn geopend naar Princenhage en het Liesbos als begin van een uitgebreid net van stoomtramlijnen (17). De tramlijn was aangelegd door de Zuid-Nederlandsche Stoomtramweg-Maatschappij. Die was opgericht in Breda op 3 november 1889 (18). De aandelen waren onder andere in

M&L

handen van de Société anonyme de chemins de fer économiques de Liège-Seraing et extensions en de Compagnie générale de railways a voie étroite. Van de Raad van Directeuren woonden twee leden in Breda, twee in Brussel, één was afkomstig van Luik en één van 's-Gravenhage. De lijnen werden aangelegd door de bekwame ingenieur Julien Pirau uit Luik. O p die heuglijke dag in 1890 reden twee paardentramrijtuigen van de Grote Markt in Breda naar Princenhage en het Liesbos. Tegenwoordig waren onder andere Adolphe Dupont-Rucloux, directeur deliqué, Bourgois Pirau, ingenieur-directeur, en mr. E. de Man, burgemeester van Breda. In Princenhage werd de feesttram opgewacht met het Belgische en het Nederlandse volkslied. De burgemeester van Princenhage hield een toespraak, waarna de heer Dupont het publiek toesprak in het Frans, met excuses dat hij het Nederlands niet machtig was. De Bredase elite hanteerde echter het Frans zonder problemen. De burgemeester van Breda hield een redevoering in het Frans waarbij hij de nadruk legde op de spreuk "Eendracht maakt macht", de zinspreuk van zowel Nederland als

België. Al op 24 juli 1890 werd de lijn Breda-PrincenhageWuustwezel geopend, waarmee een directe verbinding met Antwerpen tot stand gekomen was. Vanaf 1891 reden er trams rechtstreeks van Breda naar Antwerpen zonder overstappen. De centrale werkplaats in Princenhage werd in de volksmond met het Franse "de dipot" aangeduid. De gebouwen waren opgetrokken naar Belgische tekeningen. De


Locomotief nummer

werden geleverd

5 van de Zuid-

door de S.a. de

Nederlandsche

Construction

Stoomtramweg-

La Métallurgique

Haatschappij

in Tubize

De ZNSM was in

(foto: B. Dijkman,

Belgische handen en

i932 - Collectie

deze locomotieven

BBA, Stadsarchief

met hun typisch gische uiterlijk

Breda)

In 1889 werd een

de Wereldtentoon-

tramlijn aangelegd

stelling in Parijs

m Decauvillespoor

met dit smalspoor

van Ginneken naar

kennis gemaakt,

het Mastbos.

(foto: A.B. Bijnen,

De eigenaar, majoor

Breda, 1905 -

M.A. Kuytenbrouwer,

Collectie Stadsarchief

had in dat jaar op

Breda)

locomotieven met hun typisch Belgische uiterlijk waren afkomstig van de S.A. de Construction La Métallurgique in Tubize. De rijtuigen kwamen uit Nijvel. De stedenbouwkundige gevolgen van deze Belgische interventie waren echter gering, Aan het eindpunt van de paardentramlijn bij het Liesbos ontstond een klein villaparkje met een hotel. In 1899 werd een tweede tramlijn van Breda naar België geopend. Die liep via Rijsbergen en MeerselDreef naar Hoogstraten en van daar naar Antwerpen. Hiervoor werd in 1898 in Breda voor notaris Verheggen een speciale maatschappij opgericht, de N. V. Exploitatie van Buurtspoorwegen in Nederland{Xty). De oprichters waren onder andere senator baron C.E.F, de Gruben, grondeigenaar te Antwerpen, Georges Dupret, advocaat en grondeigenaar te Brussel, Alexis Montens, burgemeester te Messenhoven en de Brusselse ingenieur Edgard Blomme, "ijverige en klaar ziende mannen". Dupret was eigenaar van het 'kasteel' Sint-Jorisburcht onder Meerle (20). In werkelijkheid was dit een jachthuis of een villa, omgeven door uitgestrekte bossen en woeste gronden. De tramlijn liep vóór zijn voordeur! Montens bezat veel grond tussen Breda en Rijsbergen. Blomme was natuurlijk ver-

antwoordelijk voor de aanleg van de lijn. De waarde van de aandelen was vastgesteld in Belgische frank. In 1899 stoomde de tram van Hoogstraten door naar Breda.

'IN BRÜSSFL ZIET MEN DE PARKEN OPEN I IGGEN1 Aan de noordzijde van de stad, aan de zijde van het station, ligt vanouds het stadspark Valkenberg (21). Na de sloop van de vestingwerken ging het gemeentebestuur zich beraden op een nieuwe aanleg. Door de ontmanteling was het park uitgebreid. Gronden van de geslechte vestingwerken waren bij het park gevoegd. Men was van mening dat een fraai en vernieuwd park gepensioneerden en hun families zou verleiden zich in Breda te vestigen. In 1885 legde het gemeentebestuur contact met Lieven Rosseels uit Leuven. Hij ontwierp voor het Valkenberg een landschappelijke aanleg. Midden in het park kwam een slingervijver met een rotspartij met een fontein. Het park werd doorsneden door slingerpaden en de grasvelden werden verlevendigd door heestergroepen. De werkzaamheden namen verschillende jaren in beslag.

M&L


De Parkstraat,

M&L

steeds een plant-

een van de twee

soen in het midden,

straten waarmee

beplant met

het Willielminapark

kastanjebomen.

in 1894 aangesloten

In 1896 werd deze

werd op de

straat aangeduid als

bestaande bebou-

de Boulevard

wing. Veertig meter

{Foto: Bas Linssen,

breed is deze

Stadsarchief Breda,

straat, met nog

2002)

'In Brussel ziet men

Breda in 1895.

gesloopt en in 1896

de parken open

De gebouwen voor

werd de nieuwe

liggen', zei burge-

de ingang van het

ingang opgeleverd

meester Guljé in de

stadspark Valken-

(Collectie Stads-

gemeenteraad van

berg werden

archief Breda)


Na de uitvoering was aan de noordzijde, in aansluiting op de nieuwe stadsaanleg, een royale toegang tot stand gekomen. Aan de zijde van de stad moest de wandelaar zich echter behelpen met een smalle tunnel onder de Arrondissementsrechtbank aan de Catharinastraat. In 1893 werd deze instelling overgebracht naar een nieuw gebouw aan het Sophiaplein en kreeg het gemeentebestuur de beschikking over het gebouw. In 1895 werd in de gemeenteraad voorgesteld in het oude gebouw het gymnasium onder te brengen. Burgemeester E.H.A. Guljé was hier fel op tegen (22). "De bevolking der gemeente neemt gaandeweg toe. Waarschijnlijk zal die omstreeks 1900 30.000 zielen belopen. En moet nu voor een park, als Breda heeft, zulk een toegang blijven bestaan? In Brussel bijvoorbeeld ziet men de parken open liggen en hier is het nagenoeg geheel bedekt. " Als het aan Guljé lag zouden naast het oude gebouw van de rechtbank zelfs nog twee huizen worden aangekocht om de toegang nog breder te maken en "het Valkenberg in het volle gezicht te stellen. " Het toegangshek in de verbrede ingang werd inderdaad opgeleverd in 1896 en siert nog steeds het park aan de zijde van de Catharinastraat.

• Een gedrukte

grond-Maatschappi|,

weg van Breda naar

een rondpoim

plattegrond van de

met daarop aange-

het Mastbos met

aangelegd

Boulevard Breda-

geven de bouw-

zijn Frans klinkende

(Collectie Breda's

Mastbosch. uitgege-

terreinen van de

naam werd aan-

Museum)

ven m 1899 door

maatschappij.

besteed in 1897.

de Bredasche Bouw-

De aanleg van de

Halverwege werd

HET WILHELMINAPARK EN ZIJN 'BOULEVARD' Aan de noordzijde van de stad was het oude stadspark volledig vernieuwd en aan de zuidzijde werd een nieuw park aangelegd, het Wilhelminapark. De opdrachtgever was de Staat der Nederlanden, die eigenaar was van een strook geslechte vestinggrond buiten de Singelgracht. Die werd doorsneden door de restanten van een vestinggracht en om de grond productief te maken rees het idee hier een villapark aan te leggen met vijvers. In 1892 werd de opdracht gegeven aan de bekende Nederlandse tuinarchitect Leonard Anthony Springer uit Haarlem. Hij heeft in Nederland heel wat parken en villaparken ontworpen. Zijn definitieve ontwerp, in Engelse landschapsstijl, dateert van 1894. Het park werd in eigendom overgenomen door de gemeente en in 1895 werd het genoemd naar de koningin der Nederlanden. Door twee brede straten, de huidige Vijverstraat en de Parkstraat, werd het park aangesloten op de bestaande bebouwing. De Vijverstraat is, in aansluiting op de straten in het Plan van Uitleg van Van Gendt, 30 meter breed. De Parkstraat is zelfs nog breder: 40 meter. De huizen langs het park zouden oorspronkelijk gebouwd worden op de rooilijn, maar een gedeelte is later, in afwijking van


De ingang van de Baromelaan aan de zijde van Breda rond 1910. De weg bestond uit twee rgbanen met daartussen een wandelpad met bomen. De hoekpanden waren verplicht uitgerust met hoektorentjes. Op de achtergrond de Heilig Hartkerk (Collectie Stadsarchief Breda)

de plannen, naar achteren geschoven en voorzien van voortuintjes met ijzeren hekjes. De Staat verkocht de terreinen rond het park als bouwgrond. Men had de smaak nu goed te pakken, want in de catalogus van de 19de veiling van geslechte vestinggronden van 1896 wordt de huidige Parkstraat aangeduid als de "Boulevard" {25).

• Het begin van de

storm der tijden

Baromelaan negen-

overleefd. Zelfs de

tig |aar later.

Heilig Hartkerk, die

De indeling van de

gesloten werd in

laan is gewijzigd,

1986, neemt zijn

het middenpad is

markante plaats m

vervallen en de gas-

het stadsbeeld nog

lantaarns zijn ver-

steeds In

dwenen, maar de

(foto: Bas Linssen,

bebouwing heeft de

Stadsarchief Breda, 2002)

&L

DE 'ALLIANCF FRAN^AISF' De Franse taal had aan het einde van de 19de eeuw in Nederland een positie die te vergelijken was met het Engels nu. De taal stond in hoog aanzien. Het was de taal waarin de internationale contacten plaatsvonden, met name met België en Frankrijk.


De Boulevard

gemeente Tetermgen.

Breda-Hastbosch viel

Een paardcntram

1905 onderweg naar het bos.

tot 1927 gedeelte-

van de Tramweg-

Rechts ligt nog

lijk onder de aan

maatschappij Breda-

bouwterrein braak.

Breda grenzende

Hastbosch Is vóór

(Collectie Stadsarchief Breda)

Culturele, maar ook technische vernieuwingen werden in het Frans verspreid. De Franse taal werd in Nederland onderwezen op de middelbare scholen. Ook lagere scholen met enige 'standing' onderwezen het Frans. O p exclusieve kostscholen in Nederland was Frans zelfs de enige toegestane taal. In 1896 werd in Breda de Alliance frangaise opgericht (24). Die werd beschouwd als een vereniging voor de elite. De bankier J.M. IngenHousz-Bootz was wethouder van Breda en jarenlang penningmeester van de vereniging. Voor zijn verdiensten kreeg hij de Médaille d'argent en later het Franse Legioen van Eer. Behalve met de elite was de Alliance frangaise sterk verbonden met de Waalse gemeente, dat wil zeggen Hervormden van Franse afkomst die in de kerkdiensten nog steeds de Franse taal gebruikten. A. Allard, de predikant van de Waalse gemeente, was voorzitter van de vereniging vanaf 1909.

•HET PETIT-PARIS VAN DE LAGE LANDEN' Een sleutel tot het begrip van de ontwikkelingen in deze tijd wordt gevormd door twee teksten uit 1897, namelijk de toespraak die prins Carnaval in dat jaar hield tot zijn medeburgers (25), en het welkomstwoord dat staat afgedrukt in het toeristische gidsje Breda en omstreken in woord en beeld [IG). De macht was in Breda in handen van een liberale burgerij. De meerderheid van de bevolking was katholiek, maar de bovenlaag was voor een groot deel protestants. De bourgeoisie was echter niet gebonden aan de kerk. Alle belangrijke verenigingen waren neutraal: Bonus Eventus, Concordia, de Groote Sociëteit... Onder de mannen en vrouwen die in deze tijd het gezicht van Breda bepaalden treffen we katholieken aan, hervormden, maar ook doopsgezinden en zelfs personen die geen lid waren van een kerk. Deze vooraanstaanden kenden Brussel

Het rondpomt, sinds

meest Brusselse

1905 het Engelbert

onderdeel van de

kastan|ebomen

van Nassauplein

Baronielaan.

(Foto: Bas Lmssen.

genaamd, is het

Op het plantsoen

Stadsarchief Breda,

TETERINQEN

Soulevard Mactbosch

Ultnre C O. Aartt, Breda.

uit eigen aanschouwing en deze stad was voor hen het ideaal waarnaar zij streefden: nieuw, modern, met veel groen en burgerlijk van karakter. De toespraak van prins Carnaval is afgedrukt in De Bazuin, de Carnaval-Reclame-Courant voor het zotte Breda met zijn elf omliggende Negarijen, van 27 februari 1897. Hij duidt Breda aan als het "Brabantsche Haagje" en zelfs als het "Petit-Paris van de lage landen". "Het heeft zijne wedrennen zoogoed als Longchamps; zijne modderbaden als Spa — en gratis nog wel voor het volk. (...) Het heeft zijne voorsteden als Brussel en Parijs, en Ginneken steekt Ixelles en Belleville naar de kroon" Belleville is een wijk van Parijs. Breda had volgens prins Carnaval nog meer dan Wenen en Parijs, want het had een goed humeur. Die blijmoedige vrolijkheid maakte volgens hem dat nóch politiek, nóch godsdienstig verschil, nóch onderscheid van stand en ras in staat waren die onderlinge harmonie te verstoren en die onderlinge verdraagzaamheid te verbreken, waarin en waardoor Breda groot was geworden en nog groter zou worden.

staan vier enorme

2002)

M&L


•

•

Een van de sierlijke art-nouveauhekjes die de voortuinen afsluiten aan de Baromelaan (Foto: Bas Lmssen, Stadsarchief Breda, 2002)

Smith en Janssen, de schrijvers van Breda en omstreken in woord en beeld, riepen de vreemdelingen in Breda een welkom toe, onverschillig van welke politieke kleur of van welke godsdienst ze waren. Verdraagzaamheid in 't openbare leven is onze leus, de voorwaarde onzer algemeene welvaart. De moderne maatschappij aan het eind van de 19de eeuw werd gekenmerkt door verandering, snelheid, schaalvergroting en een snelle jacht naar geluk. De

liberale burgerij voelde zich hier echter wel bij. Onze kleine wereld van thans, die cosmopolitisch is en cosmopolitisch moet blijven om Breda te doen zijn in de toekomst wat het is in dit uur. Vreemdelingen, en dan uiteraard gefortuneerde vreemdelingen, waren welkom in Breda, waar "de natuur der omstreken schoon is, en de aangenaamheden des levens ruimschoots (...) vertegenwoordigd zijn." "Wie Parijs kent en Brussel en 's-Gravenhage, zegge daarna: Breda!", concludeerden Smith en Janssen overmoedig.

DF WFRFI DTENTQONSTFI I INfi VAN 1897 De invloed die de Wereldtentoonstellingen hebben uitgeoefend op de technische en maatschappelijke ontwikkelingen in de 19de eeuw is moeilijk te overschatten. O p 1 mei 1897 werd in het Jubelpark in Brussel de Wereldtentoonstelling geopend. In het park in Tervuren was de Koloniale Tentoonstelling gehuisvest. Vanuit Nederland liet de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen speciale 'pleiziertreinen' naar Brussel lopen (27). Veel Bredanaars zullen van die mogelijkheid gebruik hebben gemaakt. De tentoonstelling was tegelijk aanleiding om van het Jubelpark naar Tervuren de beroemde Tervurenlaan aan te leggen. De eerste plannen voor deze laan

M&L


werden al gemaakt in 1885. De Wereldtentoonstelling, die aanvankelijk voorzien was voor 1895, werd speciaal om die laan te kunnen aanleggen enkele Jaren uitgesteld. De gronden langs de weg werden verkaveld en de ontsluiting werd verzorgd door een elektrische tram. Doordat de Wereldtentoonstelling werd gehouden in het Jubelpark en de Koloniale Tentoonstelling in Tervuren, was de Tervurenlaan als het ware het pronkstuk en het bindende element van de gebeurtenissen van 1897. Ook de Brusselse Wereldtentoonstelling van 1910 trok in Breda de nodige aandacht. Ook nu organiseerden de spoorwegen 'pleiziertreinen' naar Brussel en Broese's Boekhandel maakte dagelijks reclame in de Bredasche Courant voor de gids Brussel en de tentoonstelling.

DE BOULEVARD BREDA-MAST BOSCH De jaren rond 1900 vormen het hoogtepunt van de Brussellomanie in Breda, maar het absolute hoogtepunt is toch de aanleg van de huidige Baronielaan. De Ginnekenweg en het Wilheminapark boden niet genoeg bouwgrond om aan de vraag te voldoen en een groots gebaar was nodig. Aan het einde van 1897 werd de aanleg aanbesteed van een nieuwe boulevard die Breda moest verbinden met het Mastbos (28). De weg kreeg de Frans klinkende naam Boulevard Breda-Mastbosch. Halverwege was een 'rondpoint' ontworpen. De boulevard zou bestaan uit twee rijbanen met een

Baronielaan -

Ginneken

middenstrook met een plantsoen. De huizen zouden worden voorzien van voortuintjes, afgesloten door ijzeren hekjes. De Boulevard, zoals hij kortweg genoemd werd, verbond de stad met het Mastbos en legde daarmee het platteland open voor verstedelijking. Het enigszins slingerende verloop, het 'rondpoint', de ligging van de boulevard tussen het centrum van Breda en het bos, alles doet denken aan de Tervurenlaan. De journalist van de Nieuwe Bredasche Courant kwam woorden te kort om zijn enthousiasme te beschrijven (29). "Veertienhonderd meter lang is die boulevard, waarover de Ginnekensche tram hare rijtuigen zal doen rollen, waar in de lente alles vol groen en bloemen zal wezen, waar de auto-car's en velocipedes in grooten getale zullen te zien zijn en het va-et-vient van duizenden wandelaars op den beschaduwden weg (...) den verbaasden Bredanaar in gedachten zullen verplaatsen naar Brussel of Parijs!" Onze journalist zag Breda al flink uitgebreid door een annexatie van gedeelten van Teteringen en Princenhage en van geheel Ginneken. Aan het eind van zijn artikel riep hij uit: "Breda de hoofdstad van Noord-Brabant!" Het meest 'Brusselse' onderdeel van de nieuwe Boulevard was het 'rondpoint'. Aanleg van groenvoorzieningen was in de 19de-eeuwse stad volstrekt niet vanzelfsprekend. Parken en plantsoenen werden gezien als investeringen die zichzelf terug moesten verdienen. Het Valkenberg moest zichzelf terugbetalen uit de grotere opbrengst van de belastingen en het Wilhelminapark en het 'rondpoint' in de Baronielaan moesten zichzelf betalen uit de meeropbrengsten van de omliggende bouwgrond.

Hel einde van de

gemeente Ginneken.

boulevard aan de

(foto: Aug. Helai,

zijde van het Mast-

Ginneken - Collectie

bos. Dit gedeelte

Stadsarchief Breda)

viel onder de


EFN BOULEVARD NAAR HET LIESBQS? Deze boulevard smaakte naar meer. Van verschillende zijden werd voorgesteld vanaf het 'rondpoint' een tweede boulevard aan te leggen naar Princenhage en het Liesbos en tussen de boulevard en de rivier de Mark een park aan te leggen. De boulevard werd aangelegd door een particuliere maatschappij, de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij, zoals ook bij de ontwikkelingen in Brussel op dat moment het geval was. De aandeelhouders woonden echter haast allemaal in Den Haag. De weg was ontworpen door één van de directeuren, architect C.M.G. Nieraad uit Arnhem. De Bredase makelaar G.A.J. Soeter was de andere directeur en hij was verantwoordelijk voor de verkoop van de grond. In 1899 werd de macadam aangebracht en was de weg voltooid. Soeter was blijkbaar sterk georiënteerd op Brussel. In 1899 gaf hij een plattegrond uit van de Boulevard, versierd met prachtige art-nouveaukrullen waarop de potentiële kopers konden zien welke terreinen nog beschikbaar waren. O p de Baronielaan werden reclameborden aangebracht, waarop de bouwgrond te koop werd aangeboden. De taal waarin de aankondigingen waren gesteld, was blijkbaar een mengsel van het Nederlands en het Frans, want een carnavalskrantje uit 1908 zegt: "Bij de Boulevard-Maatschappij kunnen bekwame schilders worden geplaatst voor het schilderen van

• Niet lang na de Boulevard Mastbosch werd in 1898 de Boulevard Zandberg aanbesteed, tegenwoordig de Zandberglaan genaamd. Prentbnefkaart uit ongeveer 1930 (Collectie Stadsarchief Breda)

M&L

reclameborden. Zij die de Hollandsche taal niet machtig zijn genieten de voorkeur. " Bij de aanleg van de boulevard werden plannen gemaakt om hem te ontsluiten door een elektrische tram. De nieuwe boulevard had blijkbaar grote aantrekkingskracht op lieden die nieuwe technieken wilden uitproberen, want er werden ook plannen gemaakt voor een automobielendienst. Autobussen met massieve banden reden op dat moment al in Parijs. Ondanks alle plannen werd de Baronielaan uiteindelijk slechts ontsloten door een paardentram. In 1902 nam E. de Bruijne, de directeur van de tramwegmaatschappij Breda-Mastbosch, het initiatief om de Bredasche Wielerbaan te bouwen aan de boulevard. Dit sportcomplex zou een stimulans kunnen betekenen voor zijn tramlijn, te vergelijken met die van de paardenrenbaan van Stokkel voor de Tervurenlaan. Het pakte echter anders uit. De wielerbaan ging in 1904 failliet. De Bruijne zelf ging failliet in 1907 en vluchtte daarna naar Brussel.

DE BOULEVARD ZANDBERG Niet lang na de aanbesteding van de Boulevard Mastbosch werd, op 3 maart 1898, een tweede boulevard aanbesteed, de Boulevard Zandberg, ook wel de Boulevard De Roy genoemd (30). Deze weg heeft maar enkele jaren de naam Boulevard gedragen. In 1902 wordt hij al aangeduid met de huidige naam Zandberglaan. Hij was wat bescheidener


•*

Het gebouw van N.V. Industriéele

A De Zandberglaan

door servituten of

door de architect

Maatschappij F.J.

vormt nog steeds

erfdienstbaarheden

J A van Dongen als

Stulemeijer S Co,

een groene enclave

die op de grond

zijn eigen woning

gebouwd in 1901 in

in de stadsbebou-

liggen. De villa met

(Foto: Bas Linssen,

fraaie Art-Nouveau-

wing van Breda.

het rieten dak is

Stadsarchief Breda,

stijl in het industrie-

De villabebouwing

Zandberglaan 38,

2002)

gebied ten noorden

wordt beschermd

ontworpen in 1920

van Breda. In 1909 richtten de gebroeders Stulemei|er de

aangelegd dan de Boulevard Mastbosch. De laan was 15 meter breed, met bomen aan weerszijden. De huizen en villa's die hier gebouwd werden hadden een voortuin van vijf meter diep, van de straat gescheiden door een ijzeren hek. De initiatiefnemers waren civiel-ingenieur W.J. van Geer, leraar in de waterbouwkunde aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda, en civiel-ingenieur C.F. Loder, directeur van de Zuider Stoomtram-Maatschappij, de ZSM. Van Geer was ook aandeelhouder van de ZSM. Een gedeelte van de aandelen van de ZSM was in handen van Brusselse aandeelhouders, die door Van Geer werden vertegenwoordigd. We mogen veronderstellen dat Van Geer Brussel kende uit eigen ervaring. Het stratenplan werd voor een groot deel gerealiseerd op het eigendom van notaris De Roy, voluit jonkheer R.F.M.A. de Roy van Zuidewijn. Een heterogeen gezelschap: Van Geer was niet kerkelijk, Loder was doopsgezind en De Roy was katholiek.

•BRFDA GEMODERNISEERD FN VOORZIEN VAN BOULEVARDS!' In 1903 vierde de Koninklijke Militaire Academie, de KMA, haar 75-jarig bestaan (31). De cadetten die aan de Academie hun opleiding hadden genoten, zouden de stad niet meer herkennen, aldus de schrijver van het herdenkingsboek. "Breda geen vesting meer, de wallen gedeeltelijk gesloopt, de stad in alle richtingen uitgebouwd! Hoe zullen straks de

Société Beige des Bétons op, die in Brussel belangrijke werken heeft

(Foto: B. Speekenbrink, Breda, 1967 Collectie Stadsarchief Breda)

réunisten van 1903 niet staan te kijken als zij Breda terugzien, gemoderniseerd, uitgebreid, voorzien van boulevards, één aaneengebouwd geheel vormende met Ginneken en Princenhage, in het bezit van paarden- en stoomtram-verbindingen naar alle richtingen!" Het meest in het oog springende verschil tussen Breda en Brussel is dat in Breda nooit pogingen zijn ondernomen om een ringboulevard aan te leggen. Breda was ten eerste te klein en ten tweede ontbrak een drijvende kracht, zoals een krachtig gemeentebestuur of een vorst, om een dergelijk grootschalig plan te verwezenlijken. De term boulevard was in Breda echter aan devaluatie onderhevig. Bovendien begon het Frans uit de gratie te raken. In 1906 werd de Boulevard Boeimeer aangelegd die, naar de bouwer, ook wel bekend stond als de Hirdesboulevard. Het was een eenvoudige straat met arbeiderswoningen en fabrieken. Er stonden aanvankelijk zelfs geen bomen. Niemand zal de huidige Balfortstraat nog een boulevard durven noemen. De Boulevard Mastbosch kreeg in 1905 officieel de naam Baronielaan.


De Wilhelmlnabrug te Breda, verbreed

DF 'SnCIFTE BELGE DES BETONS'

en omgebouwd in 1912 in ArtNouveauslijl. De reden voor de verbreding was de verwachte komst van de elektrische tram. De Brussel ingenieurs Pnsse en Preiswerk dienden hier in 1906 plannen voor in. Op de foto zien wi| slechts een paardentram. Prentbnefkaart, afgestempeld m 1920 (Collectie Stadsarchief Breda)

Waar voorbeelden van stedenbouw, architectuur, techniek en kunst zich meestal van Brussel naar Breda bewogen, ging het verkeer soms de andere kant op. In 1898 richtten de gebroeders Stulemeijer in Breda een zaak op voor de handel in cement (32). Het bedrijf was gevestigd in het toenmalige industrieterrein van Breda, op Princenhaags grondgebied bij de Suikerfabriek, ten noorden van de stad. De gebroeders Stulemeijer lieten hier in 1901 een fraai art-nouveaupand bouwen. In 1905 werd de firma omgezet in de N. V. Industriëele Maatschappij F.]. Stulemeijer & Co, een van de eerste gewapendbetonfabrikanten in Nederland. In 1918 werd de

De Wilheminabrug

M&L

achtergrond de

is in de jaren

ingang van de

negentig gesloopt

Wilhelmmastraat

en opnieuw

(Foto: Bas Lmssen,

opgebouwd m

Stadsarchief Breda

naam veranderd in N. V. Internationale Gewapendbéton Bouw, IGB. De gebroeders Stulemeijer sloegen al spoedig de vleugels uit en richtten in 1909 de Société Beige des Bétons op. Aanvankelijk was deze maatschappij gevestigd in Antwerpen maar na enkele jaren verhuisde ze naar Brussel. In 1911 legde ze de zogenaamde Rue Courbe zun in Brussel, de huidige Ravensteinstraat, een viaduct van gewapend beton, 106 meter lang en 20 meter breed, dat een hoogteverschil van 10 meter tussen de bovenen de benedenstad moest overbruggen. Het viaduct maakte onderdeel uit van de werken rond de aanleg van de Noord-Zuidverbinding, die zoals bekend pas na de Tweede Wereldoorlog in gebruik is genomen. Stulemeijer ér Co. was op de Brusselse Wereldtentoonstelling van 1910 vertegenwoordigd met betonproducten en kreeg daarvoor een gouden medaille, een gebeurtenis waar in de prospectus van 1911 duchtig reclame mee werd gemaakt (33). Het belangrijkste betonwerk dat Stulemeijer in Breda voor de Eerste Wereldoorlog heeft uitgevoerd is de verbreding van de Wilheminabrug in 1912. De brug is enkele jaren geleden gesloopt en herbouwd, maar gereconstrueerd in de oude artnouveauvormen.

Het m 1910 door

Vanaf 1913 maakte

oorlog verhinderde

dige Ginnekenweg.

de gemeenteraad

de maatschappij

de uitvoering van

Links boven zien we

van Gmneken vast-

Bernheim Frères et

de plannen.

het rondpoint in de

gestelde plan voor

Fik in Brussel plan-

De 'Wilhelmmastraat'

Baromelaan

de aanleg van de

nen voor de realisa-

is niet de huidige

(Stadsarchief Breda,

latere Burgemeester

tie van deze weg.

Wilhelmmastraat m

Nieuw-archief Gm-

Passtoorsstraat.

De Eerste Wereld-

Breda, maar de hui-

neken I 8 I I - I 9 2 S )


De ingang van de

miniatuuruitvoering

met bomen, maar

Burgemeester

van de Baromelaan:

hij is smaller en de

Passtoorsstraat aan

aan de ingang

de zijde van de Baromelaan. Deze straat is een

De villa Mon Plaisir

'grand magasin' in

in Ginneken,

Breda. Architecten

huizen zijn kleiner

in 1910 nieuw

waren P.A. Domes

bevinden zich twee

(foto: Bas Linssen.

opgetrokken in

en L van der Pas

hoektorentjes, de

Stadsarchief Breda,

opdracht van

(foto: Bas Linssen,

straat is beplant

2002)

J.C. Raming,

Stadsarchief Breda,

eigenaar van een

BFRNHFIM FRERES ET FILS De Boulevard Mastbosch en de Boulevard Zandberg zijn de belangrijkste getuigen van de invloed van Brussel. Een boulevard naar het Liesbos werd nooit aangelegd. De derde boulevard (eigenlijk boulevard-tje) die onder Brusselse invloed ontstond is de Prinses Julianalaan, de huidige Burgemeester Passtoorsstraat. In 1910 stelde de gemeenteraad van Ginneken het tracé vast van een nieuwe straat van 16 meter breed, die af zou moeten takken van de Baronielaan en aansluiting zou moeten geven op het dorp Ginneken. Langs de straat zouden bomen worden geplant en de huizen zouden voortuintjes krijgen. Aanvankelijk werd de weg aangeduid met de grootse naam Prinses Julianalaan. De jonge prinses was geboren in 1909 en de Boulevard Mastbosch droeg sinds 1905 de naam Baronielaan. De eigenaar van de Baronielaan, de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij onder leiding van directeur Soeter, probeerde de benodigde grond aan te kopen om de nieuwe weg aan te leggen, maar zijn opzet mislukte in 1913. In datzelfde jaar trad de gemeente Ginneken via Soeter in contact met de maatschappij Bernheim Freres et Fils te Parijs, vertegenwoordigd door de heer I. Alexandre te Brussel (96, Boulevard de Waterloo) (34). De firma Bernheim exploiteerde gronden in Luik aan de Avenue de l'Exposition en had nog een villapark in eigendom, het Pare de Péville, de la

2002)

Chartreuse et de Robermont in de gemeente Grivegnée bij Luik. Dat laatste plan is erg interessant. De firma Bernheim zou hier een weg aanleggen met wijde bochten, ontsloten door een (waarschijnlijk elektrische) tramlijn. De onvermijdelijke kerk Simr-Cofwr ontbrak ook hier niet. Verder had de maatschappij gronden in eigendom in diverse voorsteden van Brussel, zoals Laken, Schaarbeek, Bosvoorde en Sint-Pieters-Woluwe. De firma Bernheim had een grote oppervlakte bouwgrond overgenomen van de erfgenamen van Edmond Parmentier, die de Tervurenlaan had aangelegd. Zij had daarom, volgens de kaarten met door haar geëxploiteerd bouwterrein die ze aan de gemeente Ginneken stuurde, nog al wat grond te koop aan de Tervurenlaan en de Parmentierlaan. In 1914 waren de plannen in Ginneken al ver gevorderd. De laatste brief van de firma Bernheim is gedateerd 28 juni 1914. O p 4 augustus 1914 viel Duitsland België binnen en dat maakte een einde aan alle plannen. Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog is het plan verder in een meer bescheiden opzet uitgevoerd door een lokale aannemer uit Ginneken. De straat kreeg later de naam van Burgemeester Passtoorsstraat, naar de Ginnekense burgemeester die zich voor de aanleg van de straat heeft ingezet. De verdere plannen van de firma Bernheim met Ginneken zijn onbekend.

M&L


De bouwtekening

A/oiriyCiiAf^i.

van het mooiste Art-Nouveaupand In Breda, Prinsenkade 2. Het huis is ontworpen door de Bredase architecten P.A. Oomes en L. van der Pas in opdracht van de steenhouwer Jean

worden gesteld. Breda was volgens hen te klein voor een elektrische centrale. In 1912 werd, onder andere vanwege de verwachte komst van de elektrische tram, de Wilhelminabrug verbreed. Van uitstel kwam echter afstel. In 1918 werd Breda aangesloten op het provinciale elektriciteitsnet van de Provinciale Noord-Brabantse Electriciteits-Maatschappij, de P N E M , met een centrale in Geertruidenberg, maar toen had de Eerste Wereldoorlog al een einde gemaakt aan de tramplannen.

Baptiste Petit (Stadsarchief Breda, Collectie Bouw-

TRIANON

tekeningen)

DF FIFKTRISCHF TRAM VAN PRISSF FN PRFISWERK Van het begin af aan werden er pogingen gedaan de 'suburbs' van Breda te ontsluiten door elektrische trams. Toch moest Breda het in het begin van de 20ste eeuw nog steeds doen met trams die voortbewogen werden door paardentractie. De plannen kwamen in een stroomversnelling toen jonkheer E.H. Frisse en M. Preiswerk, ingenieurs te Brussel, de gemeenteraad van Breda in 1906 verzochten de concessies voor de paardentramlijnen in Breda aan hen over te dragen (35). H u n plan was de beide tramwegmaatschappijen in Breda over te nemen en de paardentractie te vervangen door elektrische. Prisse was bekend in Breda. Zijn oom was baron Van der Borch, burgemeester van Ginneken. Het tramvraagstuk heeft Breda enkele jaren beziggehouden. Breda had nog geen elektriciteit. Voor de aanleg van een net van elektrische tramlijnen zou dus een centrale gebouwd moeten worden. De bestaande concessies zouden echter in 1913 aflopen. Het College van Burgemeester en Wethouders was van mening dat hier beter op zou worden gewacht en dat dan nieuwe voorwaarden konden

De meeste gebouwen die in deze tijd gerealiseerd werden in Breda, waren ontworpen in een eclectische bouwstijl. Verschillende architecten uit Breda, zoals J.M. Marijnen en J.A. van Dongen, hadden hun opleiding genoten in Antwerpen en bouwden dan ook vaak in neo-Vlaamse-renaissancestijl. De Parijse en Brusselse invloed kunnen we het beste proeven in enkele villa's die ontworpen zijn in Lodewijk XVI-stijl. Deze stijl was in Parijs en Brussel zeer populair, zie bijvoorbeeld het Koninklijk Paleis, het Congomuseum in Tervuren en vele andere gebouwen die architect Charles Girault ontworpen heeft voor Leopold II. Villa Trianon aan de Baronielaan doet zo sterk denken aan het Petit Trianon bij Versailles dat zij er haar naam aan ontleent. De villa wordt omringd door Franse geometrische tuinen en is in 1909 gebouwd in opdracht van W J . Verschure, die een margarinefabriek had in Oosterhout met vestigingen in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Antwerpen en Londen. J.C. Raming, eigenaar van het manufacturenmagazijn van die naam in Breda, liet in 1910 zijn villa Mon Plaisir in Ginneken afbreken en er een nieuwe villa bouwen in neoclassicistische stijl, ontworpen door de Bredase architecten P.A. Oomes en L. van der Pas (36). De villa vormde een bevestiging van de maatschappelijke positie van Raming, die opklom van winkelier tot eigenaar van een grootwinkelbedrijf. Rond zijn villa trad hij op bescheiden schaal op als projectontwikkelaar. Hij kocht een hoveniersbedrijf tegenover zijn villa op en verkavelde de grond als bouwgrond voor villa's.

DF ART NOUVFAU De Brusselse stijl bij uitstek rond de eeuwwisseling was de art nouveau. Aan de straten die rond 1900 werden bebouwd, zoals de Baronielaan en de Academiesingel, is een aantal panden ontworpen in


De erker van het

(Foto: Bas Lmssen,

art-nouveaupand

Stadsarchief Breda.

Prinsenkade 2

2002)

deze stijl, maar het blijft voor Breda toch een tamelijk zeldzaam verschijnsel. In deze tijd waren kunstenaar Bart Klunne en architect Jan van Dongen actief (37). Zij richtten in 1900 de Bredasche Kunstkring op om met een aantal geestverwante art-nouveaukunstenaars te komen tot een structurele verbetering van het kunstklimaat in de stad. Van Dongen had zijn opleiding genoten in Antwerpen en ontwierp in Breda enkele winkelpanden in curvilineaire art nouveau. Na 1902 inspireerde hij zich echter meer op de constructieve stijl van Berlage en de Arts and Crafts. Breda maakte ook kennis met de art nouveau door het Stads Teekeninstituut en de Ambachtsschool. Aan het Teekeninstituut werden cursussen bouwkunde gegeven en aan de Ambachtsschool werden schilders, meubelmakers en smeden opgeleid. In de bibliotheek van het Teekeninstituut en de Ambachtsschool bevinden zich verschillende boeken en tijdschriften uit Brussel. De enige architecten die de 'Brusselse' art nouveau trouw bleven, waren de eerder genoemde P.A. Oomes en L. van der Pas. Van hun hand is het mooiste art-nouveaupand in Breda. Het staat aan de Prinsenkade en is gebouwd in opdracht van steenhouwer Jean Baptiste Petit. Hij was geboren in Breda, maar zijn vader, steenhouwer Ch. Ph. Petit, was afkomstig van Seneffe. Petit zal zijn steen nog steeds betrokken hebben uit de Waalse steengroeven. Met dit pand met zijn vele natuursteen liet de steenhouwer zien waartoe hij technisch in staat was. Een ander fraai art-nouveaupand is Huize Ter Leij aan de Ginnekenweg en twee woonhuizen daarnaast, in 1912 door Oomes en van der Pas ont-

worpen in opdracht van B.W.F, de Haan te Brussel. Aan de Baronielaan en de Vijverstraat bij het Wilhelminapark vinden we nog een aantal ijzeren tuinhekjes in art-nouveaustijl. Het hek rond het Baroniemonument, eveneens in art-nouveaustijl, is in 1905 vervaardigd door leerlingen van de Ambachtsschool.


'GRAND MAGASINS' De invloed van de wereldsteden Brussel en Parijs uitte zich in Breda vooral in de winkels. Breda had vanouds de functie van marktstad voor de omgeving. De Korte en Lange Brugstraat, de Tolbrugstraat, de Karrestraat, de Eindstraat en de Veemarktstraat waren al aan het einde van de 19de eeuw de winkelstraten bij uitstek. De Franse hoofdstad gaf de toon aan voor de mode. De kledingwinkels in Breda duidden zichzelf dan ook aan als 'magazijnen' (magasins), noemden zichzelf graag "Maison" en de eigenaar was vaak een "propriétaire". Maison Rouge in de Lange Brugstraat verkocht in 1895 "al het nieuws wat Parijs in damesmantels heeft voortgebracht" en de dames konden in dit magazijn volgens de eigenaar even goed hun keus maken als in een der grootste steden van Europa. Au Bon Marché, op de hoek van de Ridderstraat en de Eindstraat, verkocht in 1914 Engelse herenmode en nouveautés. Aanvankelijk werden winkelpuien met grote spiegelruiten doorgebroken onder bestaande panden. Later werden oude panden helemaal afgebroken en vervangen door winkelpanden met bovenwoningen, vaak in art-nouveaustijl. Een fraai voorbeeld is het pand van de firma Dalinghaus, Lange Brugstraat 42, in 1902 ontworpen door een onbekende

• De voorgevel van net 'grand magasm' Tolbrugstraat 8 en

architect. De winkelpuien zijn helaas meestal gemoderniseerd, maar daarboven zijn nog vaak mooie gevels te zien. Sommige winkeliers pakten de zaken groter aan en lieten winkelpanden bouwen met verkoopruimtes over meerdere verdiepingen. Deze werden wel aangeduid als 'Grand Magasins'. Franz Derwig liet in 1901 door Oomes en Van der Pas een magazijn bouwen, waar hij ameublementen, matrassen, ledikanten en wastafels verkocht. Het pand, Tolbrugstraat 8 en 10, is uitgevoerd in art-nouveauvormen en heeft verkoopruimtes over twee bouwlagen, waarboven zich nog een woning bevindt. Karrestraat 6, het kledingmagazijn van de gebroeders Janzing, werd ontworpen in 1903 door J.A. van Dongen en heeft een zelfde opbouw. Het meest imposante magazijn was echter dat van J.C. Raming. In 1907 liet hij een winkel met bovenwoning bouwen voor zijn manufacturenmagazijn. Later liet hij hiernaast een werkelijk groots magazijn bouwen van glas en gietijzer. De bouwtekening is helaas verloren gegaan. In 1910 liet Raming voor zichzelf een nieuwe villa bouwen in Ginneken en woonde hij dus niet meer bij zijn zaak. Het art-nouveaupaleis in de Lange Brugstraat werd in 1937 al weer gesloopt en vervangen door een moderne betonconstructie die op haar beurt enkele jaren geleden het veld heeft moeten ruimen voor het grote winkelcentrum De Barones. In 1903 werden er zelfs plannen gemaakt voor een heuse passage van de Markt naar de Karrestraat, evenwijdig aan de Ridderstraat (38). Een dergelijke overdekte winkelgalerij was rechtstreeks geïnspireerd op Brussel en Parijs. Het bleef echter bij plannen.

10, ontworpen in 1901 door Domes en Van der Pas. De invloed van de

BREDA AIS MQNUMENTA1 F STAD

wereldsteden Parijs en Brussel uitte zich vooral in de winkels. De verkoopruimte strekt zich uit over meerdere bouwlagen (Stadsarchief Breda, Collectie Bouwtekeningen)

In de jaren tussen 1905 en 1912 heeft het Bredase gemeentebestuur veel geld geïnvesteerd in de belangrijkste stedelijke as, die van het Stationsplein via de binnenstad en de Baronielaan naar het Mastbos. De verfraaiing bestond uit een pakket ogenschijnlijk losse maatregelen. Een totaalplan is niet bekend. Wij weten dan ook niet wie voor deze visie verantwoordelijk is. Waarschijnlijk heeft burgemeester Guljé hierin een belangrijke rol gespeeld. Hij was tot 1907 burgemeester van Breda en tijdens zijn bewind werd Breda "aangepast aan den voortschrijdenden tijdgeest en de doorgaande ontwikkeling (...) op velerlei gebied", aldus zijn In Memoriam (39). Tijdens zijn bewind werden tramwegen aangelegd, nieuwe straten ontworpen, de


Het kledingmagazijn

Het 'grand magasin'

van de gebroeders

in de Tolbrugstraat

Janzing, ontworpen

heeft nog steeds

in 1903 door de

een verkoopruimte

architect J.A. van

over twee lagen.

Dongen, eveneens

In 1998 is de vide,

voorzien van een

die bij een eerdere

verkoopruimte over

verbouwing was

twee bouwlagen,

dichtgemaakt, weer

verbonden door

opengemaakt.

een vide

In dat {aar zyn

(Foto: Bas Lmssen,

bovendien de

Stadsarchief Breda,

vervallen boven-

2002)

woningen van deze ri| winkels, die leeg stonden, verbouwd tol appartementen en ontsloten door een centrale opgan (Foto: Bas Lmssen, Stadsarchief Breda, 2002)

Wilhelminafontein op de Grote Markt en het Baroniemonument in het Valkenberg onthuld en werden er plannen gemaakt voor de oprichting van een standbeeld van koning-stadhouder Willem III. Hij was ook verantwoordelijk voor het annexatieplan van 1899, dat echter niet tot stand kwam, In 1904 werden er plannen gemaakt voor de oprichting van een standbeeld van Willem III, prins van Oranje, stadhouder van Nederland en koning van Engeland. Door geldgebrek en door de Eerste Wereldoorlog zou het echter pas in 1921 worden onthuld op het Kasteelplein, het plein voor de Militaire Academie. In 1905 werd in het stadspark Valkenberg het Baroniemonument onthuld ter herinnering aan het

In 1905 werd in

maakt deel uit van

het stadspark

een belangrijke

Valkenberg in Breda

stedelijke as van

het Baroniemonu-

het station, via het

ment onthuld.

Valkenberg en de

Naar aanleiding

binnenstad, naar de

hiervan kreeg de

Baronielaan en

Boulevard Mastbosch

het Mastbos

de naam Baronie-

(Collectie Stads-

laan. Het monument

archief Breda)

feit dat vijfhonderd jaar daarvóór Engelbert van Nassau ingehuldigd was als heer van Breda, waarmee de Nassaus, de voorvaders van het huidige Nederlandse vorstenhuis, vaste voet in de Nederlanden hadden gekregen (40). Het monument werd geplaatst in het verlengde van de Willemstraat, de toegangsweg van het station tot de stad, op het midden van een rond plein. De onthulling werd verricht "door de Koninklijke Hand van Hare Majesteit", zoals het verslag zegt, met andere woorden door koningin Wilhelmina zelf. De initiatiefnemer tot de oprichting van het monument, Johan Rabo, baron van Keppel, verhuisde later naar Brussel, waar hij overleed in Ukkel. Naar aanleiding van de onthulling kreeg de Boulevard


De Wilhelmmafontem op het kruispunt van de Sophiastraat en de Mauntsstraat, het zogenaamde Sophiaplem. De fontein stond oorspronkelijk op de Grote Markt en herinnert aan de troonsbestijging van koningin Wilhelmma in 1898. In 1909 werd de fontein verplaatst naar de huidige plaats. waar hij beter tot zi|n recht komt (Foto: Bas Lmssen. Stadsarchief Breda, 2002)

Het Baroniemonument aan de ingang

binnenstad naar de Baronielaan en het

van het Valkenberg.

Mastbos.

Het maakt deel uit

Het neo- gotische

van een belangrijke

monument is omge-

negentiende-eeuwse

ven met een art-

stedelijke as van

nouveauhekwerkje

het station via het

(Foto: Bas Linssen,

Valkenberg en de

Stadsarchief Breda, 2002)

Breda-Mastbosch van de Bredasche BouwgrondMaatschappij de nieuwe naam Baronielaan en het 'rondpoint' de naam Engelbert van Nassauplein. In 1908 begon het gemeentebestuur van Breda onderhandelingen met de Bredasche BouwgrondMaatschappij over de koop van de Baronielaan en in 1909 werd de gemeente eigenaar van de weg naar het Mastbos. In 1898 werd op de Grote Markt de Wilhelminafontein opgericht, ontworpen in art-nouveaustijl. De fontein kwam op het middeleeuwse plein toch minder tot zijn recht en werd in 1909 verplaatst naar het kruispunt Sophiastraat-Mauritsstraat. Dit kruispunt, dat eigenlijk geen plein genoemd mag

worden, kreeg daardoor meer allure en wordt sinds die tijd wel het Sophiaplein genoemd. In 1912 werd de verbreding van de Wilhelminabrug aanbesteed, die vanuit het centrum van Breda de verbinding vormt in de richting van de Baronielaan. De brug werd uitgevoerd in een zeer representatieve art-nouveaustijl. In 1919 ten slotte maakte architect J.A. van Dongen een ontwerp voor een nieuwe schouwburg in het verlengde van de Parkstraat in het Wilheminapark. Het plan werd niet uitgevoerd, maar het zou een van de weinige monumentale vistas in Breda opgeleverd hebben.


De Passage aan de

steedsche allures op

Nieuwe Ginneken-

na ( . . . ) , zi| geven

straat in Breda,

mij soms plotseling

geopend in 1935,

den indruk, in het

op een prentbnef-

buitenland te zijn,

kaan uit die tijd.

in Brussel of zelfs

'Bijna al de Zuidelij- in Parijs.'

&

# ^ ^

ZUIDPOORT

ke steden houden

(Collectie Stads-

er van die groot-

archief Breda)

De ligging van de

Dat betekent wél

uit 1935 daterende

dat de originele

Passage is minder

passagesfeer hier

gunstig. Hij ligt

ongerept bewaard

afgelegen van het

is gebleven

voetgangersdomein

(Foto: Bas Linssen,

en de doorloop, zo

Stadsarchief Breda,

essentieel voor een

2002)

passage, ontbreekt hier nagenoeg

•GROOTSTEEDSF AUIJRFS' Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, werd Breda overstroomd door Belgische vluchtelingen. Merkwaardigerwijze markeert deze solidariteit juist het einde van de invloed van Brussel als stadsbeeld op Breda. Na de oorlog werden de bakens in de architectuur en de stedenbouw in Nederland definitief verzet. Niet Parijs en Brussel, maar de tuinsteden in Engeland werden het grote voorbeeld. De wijken die na 1920 werden aangelegd vertonen een compacte bebouwing met gebogen straten, straten die in de vorm van een letter T op elkaar aansluiten, kleine pleintjes en 'closes', een en

ander volgens de theorieën van Raymond Unwin. Daar komt nog bij dat de meerderheid in de gemeenteraad na de Eerste Wereldoorlog toeviel aan de katholieken en de socialisten, tetwijl de liberalen door het algemeen mannenkiesrecht teruggebracht werden tot een kleine minderheid. Voor de katholieke meerderheid waren Brussel en Parijs synoniem met zonde en verdorvenheid. Voor voorbeelden oriënteerde men zich voortaan op Nederlandse steden. Tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog zijn in Breda Uitbreidingsplannen gemaakt, voortvloeiende uit de Nederlandse Woningwet van 1901. De directeur Publieke Werken, ir. W. van Veen, ont-

M&L


wierp in 1915 buiten de singelring een aantal kor-

EINDNOTEN

re boulevards van 30 meter breed met een middenberm met bomen (41). Hiervan zijn er later inder-

(1) RANIERI Liane. Leopold II urbamste. Bruxelles, 1973. LOM-

daad enkele aangelegd: de Helenastraat, de Paulina-

BAERDE Piet, Een stad kan niet alles bezitten, in TAVERNE Ed

straat, de Lovensdijkstraat en de Sint-Ignatiusstraat.

en VISSER Irmin (red.), Stedebouw. De geschiedenis van de stad in

In 1922 ontwierp de Dienst van het Staatsbos-

de Nederlanden van 1500 tot heden. Nijmegen, 1993 en

beheer een villapark in het Montensbos, een ge-

WAGF.NAAR Michiel, Stedebouw en burgerlijke vrijheid,

deelte van het Mastbos (42). Het villapark bestond

De contrasterende carrières van zes Europese hoofdsteden.

uit enkele boulevards van 30 meter breed en wegen

Bussum, 1998.

van 12 meter breed. O o k was een rondpoint

voor-

zien met een doorsnede van ongeveer 67 merer.

(2) KOREMAN J.G.J., Maastrichts eerste stap buiten de veste, in De Maasgouw, 1979, nummer 5/6 en MARTIN A.M., De ruimtelij-

In 1935 kreeg Breda eindelijk zijn passage. De eer-

ke ransformaties van Maastricht na 1800, in Bulletin KNOB 1989,

ste

nummer 3.

plannen

werden

"Breda wereldstad" (43).

in

1933

bekendgemaakt.

kopte de Bredasche

Courant

De ligging van de Passage aan de Nieuwe

Ginnekenstraat is echter minder gunstig en hij heeft

nooit

zo gefloreerd

als de

bouwer

had

gehoopt. Dat betekent wél dat de originele passa-

(3) OLDENBURGER-EBBERS Caria S. e.a.. Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, Deel Zuid. Rotterdam, 2000. (4) FINALY Isja, Doorbroken barrières, Architect F.W. van Gendt (1831-1900) en de negentiende-eeuwse stadsuitbreidingen. Bussum,

gesfeer hier ongerept bewaard is gebleven.

1996 en OLDENBURGER-EBBERS Caria S., BAKKER Anne

Ginneken en Breda hadden nog steeds een grote

Mieke en BLOK Eric, Gids voor de Nederlandse tuin- en land-

protestantse minderheid. Cora Westland schreef

schapsarchitectuur. Deel Oost en Midden, Gelderland, Utrecht.

een roman die speelt in dit milieu (44). Literair is

Rotterdam, 1996.

deze overigens niet de moeite waard, maar als tijdsdocument heeft hij veel waarde. "Ook de groote en welvoorziene

winkels en magazijnen

aandacht getrokken. "(...)

hadden

hun

"Het komt mij voor, dat

er voor Breda als woonstad zéér veel te zeggen zou zijn. Het ligt temidden de stad zelfheeft

van een pracht-omgeving

en

al de voordeelen en gemakken

de grootstad. "{...)

"Bijna al de Zuidelijke

houden er van diegrootsteedsche

van steden

allures op na; voor

mij hebben ze zeer veel bekoring. Ik zou niet

kun-

nen zeggen, hoe het komt, maar zij geven mij soms plotseling den indruk,

in het buitenland

Brussel of zelfs in Parijs. "

te zijn,

in

(5) KARSTKAREL Peter, VAN DER MEIDE Diederik en CREMERS Elisabeth, Van ontmanteling tot 'wandeling', in Vesting, Vier eeuwen vestingbouw in Nederland. Zutphen, 1982. (6) Bossche stadsuitbreidingen, 1880-1980. Den Bosch, 1981. (7) MICHELS j.C.M. en PEETERS P.E.H., Ontwerpen aan een stad, Roosendaal 1930-2000, in jaarboek de Ghulden Roos 2000. (8) VAN BOVEN M.W., Breda versus Den Bosch. Strijd om de verkiezing tot hoofdstad van het Departement Brabant in 1802, in jaarboek De Oranjeboom, XL (1987). (9) BREKELMANS F.A., Prosper Cuypers van Velthoven en het landgoed "Anneville", m Jaarboek De Oranjeboom, XXXVI 1983); VERHAGEN Jac., Vrosper Cuypers en zijn liefhebberijen, in Jaarboek De Oranjeboom, LI (1998) en TROMP Heimerick, "Thuis dat ik liefhad". Prosper en Edouard Cuypers van Velthoven en Anneville, in De Woonstede door de eeuwen heen, 1999, nr. 124. (10) BREKELMANS F.A., Valkrust, in Jaarboek De Oranjeboom, XXXIV (1981). (11) OTTEN Gerard, Villa Vredeburcht aan de Lieshoslaan en Jonkheer Van Nispen tot Sevenaer, in Engelbrecht van Nassau, 1998. (12) BREKELMANS F.A. en Baron FRISSE F.B.E., üe buitenplaats Hondsdonk te Ulvenhout en haar eigenaren, in Jaarboek De Oranjeboom, XXXIX (1986). (13) OTTEN Gerard, De ontmanteling van Breda en het Plan van Uitlegvan Van Gendt, 1869-1881, in Jaarboek De Oranjeboom,UV{m\). (14) OTTEN Gerard, De verstedelijking van de Ginnekenweg in de negentiende eeuw, in Engelbrecht van Nassau, 1993 en 1994. (15) Opening van de Ginnekensche Tramweg-Maatschappij, 24 maart 1884, in Bredasche Courant, 27 maart 1884 en Nieuwe Bredasche en Oosterhoutsche Courant, 27 maart 1884. 16) STADSARCHIEF BREDA, Afd. 1-3/4, inv. nr. 3009.


(17) Opening van den paardentram Breda-Lieshosch, in Bredasche (34) STADSARCHIEF BREDA, Nieuw-archief van Ginneken, 1811-1925, inv. nr. 1922.

Courant, 15 mei 1890 en De opening van den paardentram

Breda- 's Princenhage-Liesbosch, in Nieuwe Bredasche Courant,(35) STADSARCHIEF BREDA, Afd. 1-3/4, inv. nrs. 3633 en 3635. 18 mei 1890.

(36) OTTEN Gerard, Het villalandschap rond het Markdal te Ginneken, 1840-1940, in Jaarboek De Oranjeboom, LIV (2001).

(18) LEIDERITZ W.J.M., De tramwegen van Noord-Brabant. Leiden,

1978; LEIDERITZ W.J.M., De Zuid-Nederiandsche Stoomtram- (37) DIRVEN Ron en VAN DER POL Pierre, Bart Klunne (1875weg-Maatschappij, een historische terugblik op bijna 100jaar regio- 1924), Kunstenaar tussen idealen en zakelijke realiteit, in Jaarnaal openbaar vervoer (1889-1985), in Jaarboek De Oranjeboom.

boek De Oranjeboom, XLIX (1996).

XLIV (1991); Bredasche Courant, 26 januari 1890 en De Tram (38) Een passage?, in Dagblad van Noord-Brabant, 23 april 1903. naar Antwerpen, in Nieuwe Bredasche Courant, 23 februari 1890.(39) Burgemeester E.H.A. Guljé herdacht, in Verslag van den toestand (19) STADSARCHIEF BREDA, Afd. 111-50, Archieven van de notarissen te Breda, 1843-1905, inv. nr. 168, akte 43. (20) JANSEN J.E. en VAN NUETEN L, Meerle door de eeuwen heen. Turnhout, 1922. (21) DRAGTG., Park Valkenberg te Breda. Breda, 1993. (22) Notulen van den raad der gemeente Breda, 1895, p. 146.

der gemeente Breda over het jaar 1907. (40) OTTEN Gerard, Het Baroniemonument en de Baronie van Breda, Een verzonnen traditie, in Jaarboek De Oranjeboom, 1(1997). (41) BARTELS Nel, De stedenbouwkundige ontwikkeling van Breda, 1870-1930, in Jaarboek De Oranjeboom, XLIX (1996).

(42) OTTEN Gerard, De villa-ontwikkeling rond het Mastbos na (23) Catalogus voor de negentiende veiling van geslechte vestwggronden gelegen onder Breda. Breda, 1896. (24) VERMEEREN-ROS Elisabeth R., Daar ts een woord Frans bij.

de Eerste Wereldoorlog en de aanleg van het Montenspark, in Engelbrecht van Nassau, 7999.

Honderd jaar Franse invloed op het sociaal-culturele leven in (43) Breda wereldstad, Grootsche plannen. Overdekte passage in de Breda. Breda, 1999. (25) STADSARCHIEF BREDA, Afd. V-2, inv. nr. 30, volgnummer 24.

Nieuwe Ginnekenstraat, in Bredasche Courant, 15 juli 1933. (44) WESTLAND Cora, De schat in het Mastbosch. Breda, circa 1934.

(26) SMITH K.M. en JANSSEN G.L., Breda en omstreken in woord m teW. Breda, 1897. (27) Advertentie in Bredasche Courant, 1 augustus 1897. (28) OTTEN Gerard, 100 jaar Baromelaan, Boulevard Breda-Mastbosch, 1897-1997. ütedi, 1997. (29) De Nieuwe Boulevard, in Nieuwe Bredasche Courant, 27 juni 1897. (30) OTTEN Gerard, De aanleg van de Zandberglaan en omringende straten (...), in Engelbrecht van Nassau, 1992, p. 36 en 126. (31) VAN STEIJN G., Gedenkboek KMA. Breda, 1903. (32) VAN DAL A.J.M., Bouwen en spinnen, 1898-1948, De geschiedenis van een ondernemersgeneratie. Breda, 1948. IGB, 19051955. Breda, 1955. (33) N.V. Industriëele Maatschappij van F.]. Stulemeijer en Co., Breda. Constructeurs van werken in gewapend beton. Breda, 1911.

Gerard Otten is archivist en werkzaam op het Stadsarchief Breda.


SUMMARY An Art Deco festival: the International Exhibition of Antwerp in 1930 The one-hundredth anniversary of Belgian Independence was commemorated in 1930 with two international exhibitions, one at Liege and another at Antwerp. The latter had as its themes: the Colonies, Navigation and Flemish Art. The Exhibition's location, in between the Jan van Rijswijck Avenue and the railroad to Wilrijk, was the property of the city of Antwerp, who had planned a new residential quarter on the spot. The chief architect of the World's Fair, Joseph Smolderen, was charged with the overall planning. His plan would be the basic scheme for the urbanisation of this part of the town, which is still apparent today. In the northern section of this parcel, the same architect would also construct the Jan de Vos Avenue between 1950 and 1965. Smolderen also designed the main entrance to the World's Fair, a ttiumphal arch leading to the Centenary Square, encircled by a Feast Palace and administrative premises. The whole proved a monumental Art Deco composition. His other contributions were elaborated in the same spirit: the halls of the Belgian section, the Transports pavilion, the disposition of the gardens, the fountains and the lighting. The access on the Kiel side was one the most eye-catching achievements of the World's Fair: it consisted of twelve steles supporting a row of elephants with their trumps either erected or hanging down. Those statues were created by the well-known sculptor Alberic Collin. Two permanent constructions - the result of a political compromise - were put up for accommodating the Flemish Art's section: the church of Christ the King, designed by Smolderen, and a new municipal school, created by the Antwerp town architect E. Van Averbeke. In those days, people were struck by the unity of the whole, since such events usually offer a heterogeneous picture. The coherence was mainly due to the skilfulness and rigidity displayed in grouping the participants but also to the style the chief architect adopted not only for his own creations but also for the urban furniture such as the lighting, conceived as a leitmotiv linking the whole. The Art Deco climate was also present in the festivities organised by the township such as the famous 'Water Parade', with half a dozen sea monsters, designed by the architect of the World's Fair, parading on the river Scheldt on 26 July, 1930.

The Breda Boulevards. Brussels as a model for the city-planning of Breda Brussels was in the nineteenth century for Belgium and the Netherlands what Paris was for Europe: the leading city with regard to architecture and city-planning. Early in the nineteenth century the fortifications of Brussels where torn down and boulevards laid out instead. In the second half of the century boulevards were broken through the city. Outside the city, avenues, parks and suburbs were constructed. Magnificent edifices had to enlarge the prestige of Brussels as a capital and with that the esteem of Belgium in the world. The city-planning of Brussels (and indirectly of Paris) had a large influence in Belgium and in the south of the Netherlands. The towns of Maastricht, Nijmegen, Bergen op Zoom and 's-Hertogenbosch laid out new districts with parks, boulevards and rondpoints. Even Roosendaal, a little railway town, had its Boulevard. Breda also was, around 1900, inspired heavily by Brussels. In the new districts, built between the existing town and the Mastbos

Forest, different boulevards were laid out. Within a short time these quarters will be classified as a Historic District in pursuance of the Dutch Monument Law. In respect to architecture however, Breda conformed itself mainly to Antwerp (Belgium) and The Hague (The Netherlands). Breda was in this time sometimes indicated as the 'Petit-Paris of the low countries' and, somewhat haughtilv, arranged in order of superiority after Paris, Brussels and The Hague. The power in Breda was in the hands of a libetal upper class. The majority of the population was Roman Catholic, but the élite was for the greater part protestant or even of no religion. These prominents knew Brussels by their own observation and this was what they expected from a town to live in: new, modern, cosmopolitan, green, with shops, electricity, trams and boulevards. The French language had a position, around 1900, which was comparable to that of English nowadays. French was also the language, spoken by the upper classes in Brussels, while the ordinary people spoke Dutch. In the beginning of the nineteenth centutv the connections between Bteda and Brussels already were close. Breda still was a fortified town, but it was surrounded by vast forests. The village of Ginneken, south of Breda, had many country houses. Many of these were owned by proprietors, who resided in the winter in town houses in Brussels. Between 1869 and 1878 the fortifications of Breda were demolished. The Dutch government, owner of the levelled fortifications, constructed new, broad streets here, lined with trees. In many descriptions of Breda at this time we see the French words qmrtiers, squares, boulevards and faubourgs. After the dismantling, Ginneken developed itself readily as a suburb of Breda. In 1884 a horse tramway was opened. The burgomaster of Ginneken predicted that his village would quickly be a suburb of Breda, like 'Ixelles' (the Ftench name for Eisene) was a suburb of Brussels. Between about 1890 and 1914 Breda was marked strongly by Brussels, mainly on the axis between the railway station and the Mastbos Forest. Here we find the Barony Monument, the Valkenberg Park, the city centre, the Wilhelmina Bridge, Wilhelmina Park and the Boulevard Breda-Mastbosch, nowadays Baronielaan. In 1905 queen Wilhelmina of the Netherlands hetself unveiled the Barony Monument, situated on a monumental axis. In 1895 the entrance to Valkenberg Park was enlarged, 'like in Brussels'. In 1912 the Wilhelmina Bridge was reconstructed in Art Nouveau fashion by the Stulemeijer company, a Breda consttuction company which also built in Brussels. In 1896 Park Street, the entrance to Wilhelmina Park, was indicated with the French name 'Boulevard'. In 1897 in Brussels the Avenue de Tervueren was opened, on the occasion of the International Exhibition. In the same yeat a start was made with the construction of the Boulevard Breda-Mastbosch between Breda and the Mastbos Potest, using as an example the Avenue de Tervueren. Several other new roads were indicated as 'boulevards', such as the Boulevard Zandberg, nowadays Zandberglaan. The Bernheim et Fils company in Paris and Brussels developed new suburbs in Brussels and Liège and made, in 1913, also plans for Ginneken. The outbreak of the First World War prevented tealisation of these. A project of Brussels engineers for electtic tramways for Breda and its suburbs failed for the same reason. The shops in the town centre conformed to Brussels and Paris. The proprietors called themselves 'propriétaire' and theit shops a 'magasin', or better, a 'grand magasin'. Brussels Art-Nouveau was the favourite architecture for these buildings. A shopping arcade was planned but never built. The outbreak of the First World War marked the end of the Brussels influence on Breda. The town modelled itself on examples of English and German city-planning. The place of the liberals was taken in by the Catholics and the socialists. For the Catholics Brussels and Paris were identical with sin and petdition.


RESTAURATIE & MONUMENTENZORG Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie.

Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek) ONDERZOEK & BEHANDELING 09/372 63 03 03/771 44 66

Lauwers M. Van Der Biest L. Vandenborre H. FAX

09/372 63 03 09/372 63 03

Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...

Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendeliike afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijbliivend contact met ons op.

P.E.C. International n.v. Verbindingsstraat 2, B-9100 St.-Niklaas Tel.: (03)776 84 39 - Fax: (03)777 35 09

HI

%

•

NATIONAAL GEOGRAFISCH INSTITUUT INSTITUTGEOGRAPHIQUE NATIONAL


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_21_3.pdf by Vlaanderen-be - Issuu