Skip to main content

ORP_leertraject.pdf

Page 1

Het open ruimte platform I. Leertraject

KU Leuven - onderzoeksgroep PLEN Architecture Workroom Brussels


I. Leertraject

Inhoudstafel Leertraject 1. Bevraging en analyse van nieuwe actoren

7

3WatEr 11 Boeren en Buren 17 Bolhuis 23 Buitengoed Oostende 29 De Landgenoten 35 Dorpsdienst Nestor 41 Loket Onderhoud Buitengebied 45 Parkveldgroep 51 Pit / Z33 57 Pro Natura 63 Samenhuizen vzw 69 Stadsboerderij Kortrijk 75 Steunpunt Groene Zorg 83 Trage Wegen 89 Voedselteams 95 Volterra 103 Vrienden van de Zwalmse dorpen 109 Waterconservering Wuustwezel 115 Werkgroep Bos ‘t Ename 121 Werkgroep Stadslandbouw Gent 127 Wervel 133 Tafelgesprek nieuwe actoren (26.02.2016) Burgerinitiatieven doorgelicht

2. Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

139 145

153

Veldgebied Brugge 157 De Cirkel 165 Kanaalpark Bossuit-Kortrijk 171 Landelijke Mobiliteit Westhoek 177 Liereman 183 Rivierpark Maasvallei 191 Intervisie 1 Intervisie 2 Intervisie 3 Intervisie 4 Intervisie 5

3

(27.10.2015) (19.11.2015) (15.12.2015) (19.01.2016) (02.02.2016)

199 209 217 225 235


I. Leertraject

In het Leertraject brengt het Open Ruimte Platform via zijn partners en hun netwerken initiatieven en projecten samen waaruit lessen kunnen worden getrokken en waarbij kennis kan worden gedeeld. De bedoeling van het leertraject binnen het Open Ruimte Platform is de bestaande kennis te bespreken en te ontsluiten via analyse en intervisie en de conclusies ervan door te vertalen tot beleidsaanbevelingen.Het leertraject wordt opgezet en aangestuurd door de onderzoeksgroep PLEN van de KU Leuven en bestaat uit twee werkvormen: 1. Bevraging en analyse van nieuwe actoren. Door ‘nieuwe actoren’ in de open ruimte op te nemen, benadrukken de vier initiatiefnemers van het Open Ruimte Platform hun interesse en bewondering voor de dynamiek die van ht groeiende aantal burgerinitiatieven in Vlaanderens open ruimte uitgaat. KU Leuven-PLEN interviewde in het najaar van 2015 21 van deze nieuwe actoren*, stelde op basis van deze interviews voor elke actor een fiche op, hield met de nieuwe actoren een tafelgesprek op 26/02/2016 en vatte dit traject in een synthesetekst. 2. Intervisiemomenten met innovatieve trajecten. De zes opgaven uit het Open Ruimte Offensief vomen de basis voor het selecteren van zes innovatieve trajecten rond open ruimte in Vlaanderen. Deze innovatieve trajecten worden niet alleen geanalyseerd en beschreven, maar ook actief geëngageerd in vier thematische en één synthetiserend intervisiemoment. Op deze intervisiemomenten gaan zij in gesprek met vertegenwoordigers van de cases uit het testtraject, met nieuwe actoren, met drie openruimte-experten en met de leden van de werkgroep van het Open Ruimte Platform. Het doel van deze intervisiemomenten is om de deskundigheid van alle deelnemers te vergroten en de kwaliteit van hun werkign hierdoor te verbeteren.

5


I. Leertraject

1. Bevraging en analyse van de nieuwe actoren Naast de vertrouwde werking van de overheden op verschillende bestuursniveaus en de traditionele middenveldorganisaties die zich profileren rond een of meerdere deelaspecten van de open ruimte, duiken er de voorbije jaren talrijke nieuwe actoren in dit beleidsveld op. Deze nieuwe actoren kunnen vanuit of naar aanleiding van een concreet initiatief ontstaan en na het beëindigen van dit initiatief opnieuw verdwijnen. Andere nieuwe actoren willen een structurele inhoudelijke of organisatorische werking opzetten en stellen geen tijdelijkheid in hun werking voorop. Gemeenschappelijk voor de meeste nieuwe actoren is dat zowel overheden als traditionele middenveldorganisaties worstelen met hun rol en positionering ten opzichte van deze nieuwe actoren. Deze nieuwe actoren zijn namelijk de verpersoonlijking van een toenemende mate aan maatschappelijke zelforganisatie (De Rynck, 2014). Als gevolg van het achterwege blijven van initiatieven van een terugtredende overheid, wordt steeds meer ‘publieke waarde’ vandaag gecreëerd door de markt en/of de samenleving zelf. De Nederlandse School voor Openbaar Bestuur benoemt dit fenomeen als “pop-up publieke waarde”(Van der Steen et al., 2013) en wijst tegelijk op de gevaren die aan deze maatschappelijke zelforganisatie verbonden zijn. Zo worden de belangen van minderheden of zwakkere groepen binnen de samenleving niet altijd even goed gegarandeerd. En voor de samenleving als geheel is het niet altijd goedkoper als burgers zelf taken uitvoeren in het publieke domein. Dit verklaart in ieder geval de twijfelende houding van de overheid ten opzichte van nieuwe actoren. De traditionele middenveldorganisaties zien de flexibiliteit van deze actoren

7


I. Leertraject

8


I. Leertraject

en hun initiatieven vooral als maatschappelijk succesvolle concurrentie voor hun eigen, vaak verstarde werking. Deze nieuwe actoren zijn zeker niet uniek voor de open ruimte. Ze duiken op in relatie tot verschillende beleidsdomeinen en in verschillende ruimtelijke contexten. In opdracht van het Kenniscentrum Vlaamse Steden werd in 2013 een verkenning gemaakt van gelijkaardige initiatieven in de stedelijke context . Om de initiatieven te differentiëren, maakten de onderzoekers destijds gebruik van de rol die ze opnemen: een eerder expressieve rol of een eerder dienstverlenende rol. Dit onderscheid draagt heel wat potentie in zich om deze ook in het kader van het leertraject te hanteren om de nieuwe actoren met betrekking tot de open ruimte te analyseren en te vergelijken. De differentiatie van de nieuwe actoren kan nog worden vergroot door ze tevens qua inhoudelijke focus te koppelen aan de zes opgaven van het Open Ruimte Offensief. Dit moet resulteren in een onderlinge, tweeledige positionering van de belangrijkste rol en de belangrijkste inhoudelijke focus van nieuwe actoren. Het woord ‘belangrijkste’ wijst erop dat heel wat nieuwe actoren niet zomaar in één vakje zullen te situeren zijn.

9


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

3WatEr (European Land Owners’ organization) 1. Identiteit Jaar van ontstaan Jaar van opstart ELO: 1972 Jaar van opstart project ‘3WatEr’: 2006

Aanleiding voor ontstaan In het werkingsgebied van ‘3WatEr’ waren er competieve visies voor het landschap. Natuurorganisaties stelden een conservatievere houding voorop terwijl andere actoren (lokale landeigenaren, landbouwers) meer wilden inspelen op de economische potenties van het gebied.

Beknopte omschrijving van focus en werking De restauratie van het vijvergebied Midden-Limburg door middel van een 3E-filosofie waarin een juiste balans tussen ecologie, educatie en economie centraal staat. Al sinds de voorbereiding begon in 2006, houdt ELO zich bezig met het management en een deel van de communicatie over het project. Het project is voor ELO een uitgelezen kans om het belang en de bijdrage van landeigenaren en –managers voor natuur en biodiversiteit te laten zien aan een Belgisch en Europees publiek. Voor ELO staat samenwerken met verschillende partners aan een positief resultaat voorop. Samenwerken kan meer tijd vergen, maar de resultaten en vriendschappen die blijven duren na het project, zullen positieve resultaten blijven leveren.

Rechtsvorm Vzw

Institutionele partners (oprichtende partners) - - - - - - -

European Landowners’ organisation (ELO) VZW Ontwikkeling vijvergebied Midden-Limburg (OVML) Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) Limburgs Landschap VZW (LiLa) Regionaal Landschap Lage Kempen (RLLK) Stad Hasselt Gemeente Zonhoven

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: European Landowners’ organisation (ELO) - 1 VTE: Projectcoördinator - 0,5 VTE: Communicatie-assistent (tijdens opstart)

11


3WatEr

Achtergrond medewerkers: Robert de Graeff heeft een Master in de Engelse literatuur met daarbij een Master in de politiek en communicatie.

Schaal van werking Europees

Inbedding in koepelorganisatie ELO

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

Ecologie, economie, educatie, communicatie, recreatie, toerisme, natuur- en landschapsbeheer, natuur- en landschapsherstel, integraal waterbeheer, predatie, jacht (eend, vos en marter)

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

De puur technische coĂśrdinatie van het werk op het terrein kan zeker door een andere actor worden opgenomen. De sterke kracht van ELO is communicatie en management, met andere woorden het opzetten van de projectorganisatie door alle partners te bundelen en betere connecties te hebben met andere Europese organisaties (Life+project, Natura2000). Het is wel mogelijk om de rol door een traditionale middenveldorganisatie te laten opnemen indien ze een projectcoĂśrdinator en communicatieassistent inhuren.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

De overkoepelende visie omvat de 3E-filosofie: ecologie, economie en educatie in balans. Er is in formele zin geen ad hoc ondersteuning van lokale initiatieven. ELO participeert wel mee in lokale initiatieven zoals bijvoorbeeld de Wijersdagen.

12


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

European Landowners’ organisation (ELO) VZW Ontwikkeling vijvergebied Midden-Limburg (OVML) Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) Limburgs Landschap VZW (LiLa) Regionaal Landschap Lage Kempen (RLLK) Stad Hasselt Gemeente Zonhoven

Andere partners

Provincie Limburg Gemeente Heusden Zolder Vzw De Wijers Vlaamse Landmaatschappij (VLM) Natuurpunt Limburg vzw Landelijk Vlaanderen vzw

Potentiële partners

Geen

Wijze van besluitvorming

Horizontaal

Leider

Robert De Graeff, projectcoördinator 3WatEr

Boegbeeld

Twee Europese natuurdoelsoorten: roerdomp en boomkikker

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Afhankelijk van de affiniteit met een bepaalde overheidsinstantie wordt de tussenfiguur bepaald: - ANB: Bert van Hoylen - Vlaamse overheid - ELO: Robert de Graeff - Formele competentie (EU) - Milieuambtenaren van Hasselt en Zonhoven - lokale diensten en provincie.

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Geen

Financiering

50% EU 50% door partners

13


3WatEr

Communicatie

Doelgroep: Lokale bewoners, kinderen, wandelaars, natuurliefhebbers, vogelspotters Middelen: Infokrant (1x/j.), documentaire (https://www. youtube.com/watch?v=WuvauwHKGi4), Europees jaarverslag, ELO’Countryside (blad), infoavond (lokale bewoners), bewegwijzerde wandelroutes, infoborden, informatiezuilen,

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Samenwerking Het grondgebruik tussen verschillende actoren is zeer versnipperd (bebouwde oppervlakte <-> beschermde natuur). Samenwerking staat hier dus voorop.

Duurzame economie Het is belangrijk te vermelden dat mensen kunnen blijven wonen en werken binnen een Natura 2000-gebied – in tegenstelling tot nationale parken bijvoorbeeld. Een belangrijk aandachtspunt is dat, wanneer er geen geld van de partners komt, er ook geen natuurbeheer kan plaatsvinden.

Wetenschappelijke onderbouwing Goed wetenschappelijke onderbouwde natuurinrichting. In overleg met experts, keuzes in beheer gebaseerd op recente studies.

Educatie / communicatie Vindt plaats op twee niveaus. - Educatie naar de overheid met als functie om te informeren. - Educatie naar de partners om van elkaar te weten te komen wat hen drijft. Als er problemen zijn tussen de partners, moet men de achterliggende factor hiervan kennen, ...

Rigide kader, maar flexibel zijn. Dus weten wat men wilt, welke doelstellingen men wilt bereiken, gekoppeld aan bereidheid om zich niet star vast te houden aan één concept.

14


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Bevraging en analyse nieuwe actoren

15


© Thomas Louagré - Boeren en Buren


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Boeren en buren 1. Identiteit Jaar van ontstaan Boeren en Buren is de Vlaamse versie van een Frans initiatief (‘La Ruche qui dit Oui’) dat begon in 2011 met de lancering van de eerste webversie van het onlineplatform dat La Ruche aanbiedt aan mensen die lokaal een voedselgemeenschap willen opstarten. Dit jaar werd versie 3 gelanceerd. Deze is al veel performanter, complexer en solider dan de eerste versie. Het bereik is ook sterk gegroeid sinds het ontstaan. De nieuwe versies werden gelanceerd vanuit de wens om een steeds betere dienstverlening te realiseren. La Ruche qui dit Oui begon met een groep van vijf mensen uit de buurt van Toulouse. Iemand stond in voor het webdesign, twee mensen waren verantwoordelijk voor de webontwikkeling, een andere tekende de visie uit en nog iemand was communicatie/wervingsverantwoordelijke. Vandaag zitten die componenten nog steeds in de organisatie. La Ruche kon aanvankelijk beroep doen op een subsidie voor een vernieuwende start-up- en privéfinanciering. Na 2 jaar bestaan in Frankrijk is dit model overgewaaid naar Franstalig België. Groei in Frankrijk was heel dynamisch: met vijf mensen begonnen, drie jaar later waren er vijfhonderd buurderijen actief. Sinds begin dit jaar is de start-up in Vlaanderen open. Ook in andere Europese landen worden momenteel platformen opgestart, onder andere in Duitsland, Nederland, Italië en Portugal.

Aanleiding voor ontstaan Het Franse initiatief ontstond in 2011 vanuit de vaststelling dat de situatie voor veel producenten erg penibel was, en de drive om hier iets aan te doen. Verder is er natuurlijk een sterke tendens naar lokaal geproduceerd, gezond en eerlijk voedsel. Die twee maken samen de korte keten. Vanaf het begin was de droom mensen samen te brengen rond lokaal voedsel, en zo de landbouwproducenten en ambachtelijke verwerkers een platform te geven om te communiceren met lokale consumenten. Buren en Boeren en hun Franse voorganger staan in voor de technische webtools die nodig zijn om dit platform uit te bouwen, zodat mensen via het internet producten kunnen aankopen van producenten uit hun omgeving.

Beknopte omschrijving van focus en werking De korteketenlandbouw wordt bij Boeren en Buren heruitgevonden door de focus op een technologische en kwalitatieve dienstverlening. De website moet gebruiksvriendelijk, performant en toegankelijk zijn. Twee pijlers worden in Boeren en Buren samengebracht: - een internetstart-up die een platform uitbouwt voor de korte keten - een organisatie die voortbouwt op de principes van de sociale economie. Zoeken naar een sociale en maatschappelijke meerwaarde van werk, bijvoorbeeld in de

17


Boeren en Buren

vorm van de verantwoordelijke van een buurderij. Boeren en Buren zorgt er ook voor dat er lokale verantwoordelijken worden gezocht die zelf een buurderij, een groep van mensen die wekelijks samenkomen, willen opstarten en uitbaten om consument en producent dichter bij elkaar te brengen. De focus van Boeren en Buren is de korte keten maar centraal staat ook het samenbrengen van mensen omwille van het feit dat de betaling van de producten online en dus op voorhand al betaald is. De ontmoeting tussen de consument en de buurderijverantwoordelijke en eventueel de producent is om die reden intenser dan bv. bij voedselteams. De gesprekken gaan verschillende kanten uit, maar kunnen gaan over de kwaliteit van het voedsel of andere tips. Boeren en Buren is de fairtrade van het Noorden, producenten kiezen zelf een eerlijke prijs voor hun product. De producent kiest zelf of hij al dan niet biologisch produceert, het belangrijkst is dat hij transparant is hierover. De meest voor de hand liggende zaken kunnen niet: geen overmatige antibiotica in veeteelt enz.

Rechtsvorm BVBA - In Frankrijk is men erkend als Sociale en Solidaire Onderneming (ESS).

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: Medewerkers van de organisatie worden verloond volgens een eerlijk model. Het gaat hierbij op een Europese schaal over een honderdtal medewerkers. De verantwoordelijken staan niet in loondienst maar krijgen een verloning uit de verkoop. Achtergrond medewerkers: Heel uiteenlopende profielen. Het laatste jaar kwamen er vijftig mensen bij. Er zijn een 25-tal ontwikkelaars, dit zijn informaticacodeurs, en een 15tal designers. Elke regio en land heeft een ondersteunend team. Het zijn gepassioneerde mensen die bijdragen aan een zinvol project.

Schaal van werking Europees netwerk. De eenvoud van het systeem zorgt voor een goede werking op de lokale schaal van de buurderij (buurtniveau). Producenten zetelen in BelgiĂŤ gemiddeld op 32 km van de buurderij. Lokaal betekent soms ook 250 km, bv. voor vis in Brussel.

Inbedding in koepelorganisatie Boeren en Buren is de Vlaamse implementatie van het Franse initiatief. Binnen het bedrijf is er dus veel samenwerking. Buiten het bedrijf en dus met andere initiatieven in de korte keten is er geen organisatie, wel contacten met andere actoren rond de korte keten. Een koepelorganisatie bestaat nog niet maar zou wel interessant kunnen zijn in de toekomst.

18


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Bevraging en analyse nieuwe actoren

2. Inhoudelijke Werking Themaâ&#x20AC;&#x2122;s

Korteketenlandbouw, maar ook draagvlakvorming, duurzaamheid en sociale werking (de buurderij is een ontmoetingsplaats, ook voor activiteiten die niet louter over korte keten gaan).

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Het unieke aspect schuilt in de manier waarop de korte keten wordt ingebed in een modern jasje, met name een online platform dat heel erg gebruiksvriendelijk is en zich opent naar een groot aantal klanten. Dit is de vernieuwende rol van Boeren en Buren, naast het ondersteunen van de korte keten waarbij producenten zelf een eerlijke prijs maken en een ontmoeting stimuleren met de consumenten.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Er is een duidelijke visie waaraan verschillende zaken kunnen vastgekoppeld worden naargelang de initiatieven die worden aangedragen vanuit de verantwoordelijken van buurderijen en het internationaal netwerk.

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

Ofwel zoekt Boeren en Buren een verantwoordelijke, ofwel vindt de verantwoordelijke Boeren en Buren. De buurderijverantwoordelijke is de belangrijkste partner.

Andere partners

Andere partners zijn soms de uitbaters van de locatie van ontmoeting. Vaak zijn dit dan gemeentebesturen (zwembaden, culturele centra, parochiezalen, enz.)

PotentiĂŤle partners

Vrouwenverenigingen, ouderverenigingen, organisaties rond kansarmen: dit zijn vaak partners met interessante locaties maar dit zijn vaak ook de minder voor de hand liggende groepen om in aanraking te komen met de korte keten.

19


Boeren en Buren

Wijze van besluitvorming

Er is een kader in de vorm van de website waarop constant vanuit alle hoeken feedback op komt. Er wordt op een zo horizontaal mogelijke manier tot besluiten gekomen. De producenten en consumenten zijn in die zin geen ondergeschikten maar gelijken. Te veel democratie doodt echter de democratie: belangrijke beslissingen worden genomen door een centraal team.

Leider

Oprichter en starters van het model. De netwerkcoĂśrdinator van Vlaanderen is de belangrijkste netwerker voor de consumenten en producenten voor Vlaanderen.

Boegbeeld

Zeker niet in Vlaanderen door opstartfase. Het kan zeker een meerwaarde zijn, bv. in de vorm van een bekende tv-kok.

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/â&#x20AC;Ś

NetwerkcoĂśrdinator neemt deze taken op zich.

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Opstartfase. Hier moet werk van gemaakt worden

Financiering

In de buurderijen worden de producten rechtstreeks en zonder tussenpersonen verkocht aan de consumenten. Wel is er een servicekost van 16,7 procent: 8,35 procent gaat naar de verantwoordelijke van de buurderij voor het organiseren van de verkoop. 8,35 procent gaat naar de dienstverlening van Boeren en Buren, oa. voor het onderhoud van het online platform.

Communicatie

Website, nieuwsbrief, een recent artikel in De Standaard, sociale media.

20


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

4. Belangrijkste aandachtspunten/knelpunten Ruimte Meer publieke of semi-publieke ruimte die onmoeting tussen producenten en consumenten toelaat rond de korte keten. Het vergemakkelijken van de ruimtelijke ontmoeting.

Naamsbekendheid Aandacht van de openbare oproep en/of kwaliteitsmedia om meer naamsbekendheid, zichtbaarheid en steun te krijgen van lokale besturen. De openbare oproep heeft de taak tendenzen in de samenleving te tonen. Korte keteninitiatieven maken hier deel van uit en verdienen dus ook spreektijd in duidingsprogramma’s. Op vlak van landbouw gaat het vaak nog over de polemieken in de industriële landbouw en de boerenprotesten. En dat terwijl er zoveel mooie initiatieven te belichten zijn.

Toegang tot grond Een strijdpunt voor veel van de producenten. Veel jonge mensen willen vandaag ondanks alles de landbouw in omdat ze in een project geloven, alleen is de prijs van grond zo ontzettend duur dat dit bijna onmogelijk is.

Innovatie Innovatie wordt eigenlijk nog weinig gestimuleerd. De druk van een industrieel landbouw- en distributiemodel blijft tot op de dag van vandaag groot. De Europese Unie bewijst nogmaals dat ze hierin heel erg kwetsbaar is voor lobbywerk van de grote landbouwindustrie. Vrijhandelsverdragen maken dit streven nog moeilijker.

Regelgeving Federaal Agentschap voor de Veiligheid in de Voedselketen legt de korte keten veel in de weg. Er zijn allerlei regelgevingen opgelegd aan producenten die grote distributie en thuisverkoop willen combineren (bv. aparte koelruimtes). Dit is economische chantage onder het mom van voedselhygiëne om af te stappen van nieuwe modellen. FAVV heeft recent wel een omzendbrief gestuurd met een afgezwakte regelgeving voor voedselveiligheid in de korte keten.

21


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Bolhuis 1. Identiteit Jaar van ontstaan Gestart in 2001, na voorbereidend werk vanaf 1997. In 1997 gaven de schoonouders van Kurt Sannens broer te kennen dat zij de boerderij niet meer draaiende konden houden (pensioen). Kurt Sannen werkte op dat moment nog bij Agentschap Natuur en Bos als diensthoofd Beleid maar kocht het huis en enkele gronden errond. Dit engagement is het begin van bioboerderij Het Bolhuis. Sinds 2011 werkt hij voltijds op de boerderij. De verblijfsaccomodatie is er sinds 2006, maar wordt sinds kort afgebouwd. Vele gronden rondom de boerderij werden opgekocht door Natuurpunt. Dit sloot uiteraard aan bij Kurts passies: natuur en landbouw, en hoe deze te verzoenen. Het bedrijf groeide van een 15-tal hectare tot ca. 120 hectare. Het merendeel zijn natuurgronden, beheerd door ANB of Natuurpunt, waarop Kurt zijn dieren kan laten grazen, maaien en hooien. Een vijftal hectare zijn gewone landbouwgronden (zonder strenge natuurbeperkingen) die Kurt pacht.

Aanleiding voor ontstaan Aanleiding was de categorische imperatief van Immanuel Kant: „Handle nur nach derjenigen Maxime, durch die du zugleich wollen kannst, dass sie ein allgemeines Gesetz werde.“. (Kritik der praktischen Vernunft) Kurt Sannen beschouwt het als een belangrijk ethisch principe niet van een ander te verlangen wat je zelf niet kan inwilligen. Dit vergt inlevingsvermogen. Het is al te gemakkelijk om vanuit de milieubeweging te roepen wat boeren moeten doen. Net zo gemakkelijk om als ambtenaar regels op te stellen waar een landbouwer zich aan moet houden. Kurt Sannen gaf zelf zijn job bij de overheid op om zichzelf de strengste milieu- en natuureisen op te leggen als landbouwer. Zou het dan nog mogelijk zijn om een mooi landbouwbedrijf te leiden? Kan landbouw een positieve bijdrage leveren aan natuur en milieu in plaats van er roofbouw op te plegen?

Beknopte omschrijving van focus en werking Het Bolhuis wil begrijpen hoe het is kunnen gebeuren dat medio twintigste eeuw landbouw de biodiversiteit begon te vernietigen. Voordien gingen die twee harmonieus hand in hand. De huidige reflex in Vlaanderen past binnen een scheidingsmodel, vanuit de gedachte dat boeren natuur vernietigen. Landbouw en natuur zijn niet te verzoenen. Hoe meer scheiding, hoe meer landbouw en natuur echter uit elkaar groeien. Landbouw wordt industriëler. Men moet de totaliteit van een landschap/open ruimte bekijken om de functies meer gecombineerd te zien. Resultaat is dat de som op landschapsniveau voor alle

23


Bolhuis

ecosysteemdiensten groter is dan wanneer dezelfde open ruimte gescheiden zou ingevuld worden. Het scheidingsmodel is een dwaas model. De innovatie in het open ruimtedenken zal er pas komen als we functies combineren om zo de open ruimte te versterken. Het Bolhuis is één grote zoektocht naar dit model waarbij verschillende lagen (natuur, veeteelt voor vleesverwerking, recreatie, verkeersontsluiting voor schoolgaande jeugd, waterbergingsgebied) elkaar niet uitsluiten maar elkaar versterken. De andere functies bestaan enkel dankzij elkaar.

Rechtsvorm Eénmanszaak

Institutionele partners (oprichtende partners) Natuurpunt is een structurele partner. Het idee voor deze bioboerderij ontstond in de periode toen Kurt Sannen bij Natuurpunt werkte en zijn netwerk zit nog steeds daar. Natuurpunt steunt hem nog steeds. Het initiatief komt echter van Kurt Sannen alleen.

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers Eén betaalde medewerker (Kurt Sannen) met steun van enkele vrijwilligers Achtergrond medewerkers Landbouwingenieur, medewerker bij Natuurpunt en Agentschap Natuur en Bos

Schaal van werking Verkoop van hoeveproducten en thuisverkoop is lokaal (eigen gemeente + buurgemeenten + buurgemeenten van buurgemeenten). Afzet van vlees: 60 procent via thuisverkoop, 30 procent via een afzetkanaal in Brussel, 10 procent via groothandel naar Nederlandse supermarkten. Overnachtingsaccomodatie, staptocht met ezels, … overspannen ook Vlaanderen en Nederland.

Inbedding in koepelorganisatie Kurt Sannen is bezig met de oprichting van een lokaal samenwerkingsverband van bioboeren, de Biogenoten. Dit netwerk is reeds actief op logistiek vlak. Materiaal en diensten worden geleverd via een alternatief muntsysteem. Nu wordt gewerkt aan een afzetsamenwerkingsverband en een sociaal verband voor kennisuitwisseling.

24


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

Na het voorlezen van alle thema’s op de bijgevoegde vragenlijst, antwoordt Kurt Sannen beslist: “Alle opgesomde thema’s.” Het overkoepelende thema van het Bolhuis is duurzaamheid en dit is een systeemkwestie. Het is niet in delen te knippen om vervolgens één aspect lineair te benaderen. Het is een onevenwicht in veel aspecten (waarvan klimaatsverandering, biodiversiteitsverlies en stikstofcyclus de meest prangende problemen stellen aan de draagkracht van onze planeet). Een oplossing voor het niet-duurzaam-zijn van onze planeet komt door in te zetten op duurzaamheid, op alle aspecten tegelijkertijd.

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Het Bolhuis heeft een unieke rol aangezien de bioboerderij nog steeds werkt als een experiment, een poging om het landschap in zijn meerlagigheid te begrijpen. Het werk is een onderzoek waarvan de resultaten een weerwoord moeten vormen tegen verweving en zeker tegen het scheidingsmodel. In verband met innovatie wou Kurt nog twee zaken kwijt die zijn rol duiden met het Bolhuis: 1/ Low-techinnovatie werkt op grote schaal. In veel gebieden en door veel actoren kan het worden toegepast omdat het eenvoudig is. 2/ Retro-innovatie werkt. Welke technieken uit het verleden zijn nog relevant vandaag, en kunnen ons helpen in ons streven naar duurzaamheid? Bv. Kempense techniek in de veehouderij van de potstal was 100 jaar verlaten. Nu terug gangbaar bij bioboeren.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

De overkoepelende visie richt zich op duurzaamheid, veerkracht en agro-ecologie. Het menselijk handelen moet passen binnen binnen de ecologische draagkracht van de planeet.

25


Bolhuis

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

Natuurpunt en Agentschap Natuur en Bos. Daarnaast ook de vele klanten en vrijwilligers.

Andere partners

Ook Bioforum is belangrijk omdat het het netwerk vormt voor de biologische landbouw. Daarnaast ook het beperkte clubje van High Nature Value Farming (Europa).

Potentiële partners

Financiers om meer middelen te hebben en onderzoekinstellingen die bevindingen kunnen staven. Partners die onderzoek kunnen financieren zijn ook meer dan welkom.

Wijze van besluitvorming

Kurt Sannen beslist op zijn eentje. Zijn boerderij is zijn individueelste expressie van waar hij dagelijks mee bezig is en wil zijn. Er ontbreekt elke structuur maar dit zorgt ook voor een extreme vrijheid die nodig is om creativiteit en innovatie te ondersteunen.

Leider Wie?

Kurt Sannen - Landbouwingenieur. Specialisatie Ruimtelijke Ordening & Landbeheer, maar ook Tropische & Bosbouw.

Boegbeeld

Geen

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Kurt Sannen

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Biogenoten

Financiering

Het gezin van Kurt financieert het Bolhuis (verkoop, verhuur accommodatie, enz.). Net als elke boer krijgt Kurt ook overheidssteun. 15 procent van zijn inkomen komt hieruit, toch hindert deze overheidsteun Kurt in alles wat hij zou willen. De overheid vraagt (in)direct om te specialiseren, de schaal te vergroten, de natuur te vernietigen,…

26


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Communicatie

Voornaamste medium is de website. Er is geen budget voor marketing dus elke kans om in de publiciteit te komen is mooi, zoals onlangs een vermelding in “Het Kletske”, het stadsblad van Diest. Daarbuiten is ook de community building met de klanten heel belangrijk. Een tevreden klant is de beste reclame.

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Financiering Meer middelen en ondersteuning zouden de situatie op het land, op de boerderij, in het gezin vergemakkelijken. Een bioboerderij runnen is slopend, ook door een voortdurend gebrek aan geld . Enkel de liefde voor het vak houden het Bolhuis en zijn onderzoek draaiende. Een landbouwer die het op een andere manier wil doen (minder winstmaximalisatie, meer duurzame optimalisatie) krijgt verhoudingsgewijs te weinig overheidssteun.

Innovatie Innovatie buiten een bestaand kader kan moeilijk ergens terecht. Van zodra een innovatief project niet in een regel te vatten is of niet in te delen is, kan je moeilijk ergens terecht. Elke onderzoeksinstelling of universiteitsfaculteit stuurt Kurt van het kastje naar de muur, precies omdat duurzaamheid niet lineair in een hokje te vatten is. Het is systeemdenken en dus alomvattend. Het doel is een brede groep van wetenschappers bijeen te krijgen die elk hun licht laten schijnen op de bevindingen van Kurt. Enkel zo is een onderzoekssamenwerking nuttig.

Focus De focus behouden op wat essentieel is voor het bedrijf. De belangrijkste missie van het Bolhuis is niet het gezin kunnen onderhouden, wel het onderzoek. De focus moet dus meer gebalanceerd worden in een commercieel model waarin Kurt de boel ook commercieel draaiende kan houden.

Naamsbekendheid Durven uit het isolement stappen. Het Bolhuis en Kurt broeden al lang op een ei, het moment moet binnenkort komen om deze resultaten te delen met de buitenwereld.

Regelgeving Kill the designer, word ruimtelijk facilitator! Er is een grote noodzaak om de bestaande synergieën beter te benutten. De open ruimte wordt meer en beter vormgegeven door mensen die kennis van zaken hebben en ecosysteemdiensten uitwisselen, dan de planner die nog al te vaak achter zijn tekentafel een mooi plan uittekent. Aan de ruimtelijke bestemmingen zijn vervolgens te vaak verbodsbepalingen verbonden die de realiteit van meerlagigheid tegenwerken in plaats van ze te stimuleren. Een ruimtelijke facilitator verschilt van een planoloog aangezien deze eerste gebiedsspecifiek (niet generiek) kan bijdragen aan een duurzame toekomst. Minder beknottende regels, minder afbakening en minder eindtoestandsplanning moet de ruimtelijke planning vernieuwen door meerlagigheid en synergieën te faciliteren. 27


© Roy Verhaeghe


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Buitengoed Oostende 1. Identiteit Jaar van ontstaan In de periode 2003 – 2004 ontstond de coöperatie ‘Buitengoed Oostende’. Een aantal actoren uit Oostende vond dat er door de beleidsmakers ook een inspanning mocht worden gedaan voor natuur en groen rond de stad. Samen met mensen uit de natuursector is het idee ontstaan om een coöperatieve op te richten met het oog op het behoud van de ‘groene gordel’ rond Oostende. Mensen uit de natuursector hebben samen met de harde sectoren de handen in elkaar geslagen om middelen te zoeken om de coöperatieve op te starten met de bedoeling om initiatieven te stimuleren in de groene gordel rond de stad om de ontwikkeling van het stadsrandbos te versnellen, projecten te initiëren rond natuureducatie, duurzame landbouw,… Binnen de Stad is uiteindelijk de beslissing (in de vorm van een samenwerkingsovereenkomst) gevallen dat Buitengoed Oostende het beheer uitvoert van het bos en de Stad de gronden aankoopt. Ondertussen werden diverse projecten in de buitenrand van Oostende opgestart.

Aanleiding voor ontstaan Conflict over gebruik van open ruimte in polder tussen industrie en natuurbehoud. Begin jaren 2000 was er een discussie rond het toekomstig industriegebied Plassendale 3. Delen van de polder zouden moeten verdwijnen. Na hevige discussies werd er een compromis gevonden waarbij de harde grenzen voor de industrie (autostrade, spoorlijn,…) werden aangeduid.

Beknopte omschrijving van focus en werking Opstarten van natuurontwikkelingsprojecten in groene gordel rond Oostende (van Mariakerke tot de Oosteroever). Concrete projecten rond duurzame landbouw, educatie, stadsrandbos, hoevetoerisme, kinderboerderij,… Een pilootproject rond begrazing van natuurgebied diende als voorbeeldproject in de hoop dat landbouwers dit zouden overnemen. Een deel van het inkomen zou kunnen worden verworven door verkoop via het natuurvleescircuit. Dit heeft momenteel nog weinig navolging gekregen…

Rechtsvorm Volkscoöperatieve. Iedereen die aandeelhouder wil worden kan dat (1 aandeel = 100 euro voor momenteel 110 aandeelhouders). Aandeelhouders krijgen geen winst uitbetaald. Lid worden betekent betrokkenheid bij de werking en inspraak. 25% van leden vormt de vaste kern die zeer geëngageerd is en aan tal van activiteiten deelneemt.

29


Buitengoed Oostende

Institutionele partners (oprichtende partners) - Haven van Oostende (industriële tak) - P&V-verzekeringen - ABVV-West-Vlaanderen - Natuurpunt Deze brachten startkapitaal samen. Grootste inbreng kwam vanuit de haven.

Professionalisering Aantal vrijwillige medewerkers: Werking van de coöperatie valt en staat met een 25-tal vrijwilligers waarvan enkelen ook aandeelhouder zijn. Bv. 75% van gesponsorde bomen werd aangeplant door vrijwilligers op grond die werd aangekocht door de Stad. Aantal vergoede medewerkers: Er zijn een aantal vergoede vrijwilligers, voornamelijk op de kinderboerderij, voor de begeleiding van scholen en groepen Achtergrond medewerkers: Grote verscheidenheid.

Schaal van werking Gemeentelijk: grondgebied Oostende en omliggende gemeenten (Gistel, Oudenburg, Bredene en Middelkerke).

Inbedding in koepelorganisatie Geen.

2. Inhoudelijke Werking

Thema’s

Duurzaamheid Participatie (betrekken van de burgers bij projecten). Projecten moeten van onderuit groeien. bv. Vesche Vis. Mensen hadden een visie op korte-keten-visproductie (afzetten van vis rechtstreeks van het schip). Buitengoed heeft hun als coöperatie ondersteund op vlak van inhoudelijk uitwerking, verzekering, facturatie,…

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Flexibel kunnen inspelen op nieuwe zaken, ideeën. ‘Laboratorium’ voor nieuwe projecten. Zeer gekend in Oostende: heel vaak komen mensen langs met hun ideeën en hopen ze dat Buitengoed hierbij kan helpen.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Concrete visie !

30


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

- Stad Oostende, - Vlaamse overheid (ANB, Vlaamse Landmaatschappij) - Natuurpunt

Andere partners

- Provinciebestuur (Gebiedsgerichte Werking en Westtour)

Potentiële partners

Geen

Wijze van besluitvorming

Piramidaal Raad van bestuur komt tweemaandelijks samen. Algemene aandeelhoudersvergadering is twee keer per jaar.

Leider Wie?

Voorzitter van de raad van bestuur

Achtergrond?

Socioculturele sector (ngo’s, laatste job bij Natuurpunt)

Boegbeeld

Geen

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Iedereen doet de communicatie ! Iedereen helpt waar nodig !

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Dagcentra voor mensen met mentale beperkingen, alsook time-outprojecten. Men wil de samenwerking met dergelijke projecten uitbreiden omwille van de enorme behoefte. Momenteel zijn er echter niet genoeg financiële middelen om iemand tewerk te stellen; ook hun vrijwilligers kunnen niet steeds van dienst zijn.

Financiering

- Overheidssubsidies: Werkingssubsidie door de Stad en beperkt door de Provincie voor kinderboerderij en beheer stadsrandbos. - Sponsoring: aangeplante bomen - Aandeelhouders: 110 leden. - Andere: eigen inkomsten via cafetaria op de kinderboerderij, verkoop eigen vlees, biopluktuin (moet in principe zelf bedruipend zijn), verhuur van de gîte.

31


Buitengoed Oostende

Communicatie Doelgroep

- Bevolking en consumenten in Oostende. - Buitengoed probeert ook het beleid te beïnvloeden. Momenteel heeft de Stad Oostende het project ‘groene gordel’ overgenomen en wordt er een masterplan opgemaakt.

Middelen

Website, nieuwsbrief, folders, klassieke persberichten, aanwezigheid op buurtfeesten, mail

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten

Ontwerp versus beheer Stad zet ontwerper op standsrandbos (park, fietspad,…). De idee van de wilde natuur gaat verloren door de beperkte feeling die de ontwerper heeft met het bos. Momenteel zit men in de fase waarbij de projecten van Buitengoed Oostende moeten geïntegreerd worden in het Masterplan Groen Lint. Coöperatie pleit voor wilde natuur en de ontwerpers pleiten voor park waarbij een compromis zal moeten worden gemaakt.

Landbouw Hoe kunnen klassieke landbouwers de klik maken en inzien dat men ook op een andere manier van landbouw (korte keten) voldoende inkomsten kan verkrijgen? Omschakeling naar de korte keten (producent-consument) in Oostende wordt zoveel mogelijk gestimuleerd en aangespoord. Vandaag lukt dit niet.

Prijzen Wanneer iets eco, duurzaam of bio is, betaal je direct een veel hogere prijs. Buitengoed wil hier tegenin gaan en het elitaire doorbreken met betaalbare prijzen voor eigen natuurvlees.

Draagkracht Er is nood aan meer inspiratoren binnen de coöperatieve. Zij hebben heel veel mensen die de handen uit de mouwen willen steken. Ngo’s missen vandaag echter mensen die een totaal engagement willen leveren, die een organisatie willen dragen.

Concurrentie Boerenbond werkt tegen omdat de gronden voor de aanplanting van het stadsrandbos gekocht worden door de Stad. Maar er is ook wel samenwerking met de weinige boeren die meedoen met de korte ketenlandbouw, met bioboeren en duurzame landbouwers, met een boer wiens runderen deelnemen aan het natuurbegrazingsproject.

32


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Bevraging en analyse nieuwe actoren

33


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

De Landgenoten 1. Identiteit Jaar van ontstaan Na een drietal jaar voorbereiding en het op punt stellen van de visie, werd in 2014 de CVBA-so De Landgenoten opgericht. De oprichting werd versneld omdat de kans voor een eerste project zich reeds aanbood. In het najaar van 2014 werd de stichting opgericht.

Aanleiding voor ontstaan Zowel vanuit de praktijk als vanuit de opleiding tot bio-boer (landwijzers), werd er een hiaat opgemerkt in de traditionele werking van de (bio)landbouw. Pas afgestudeerde boeren vonden maar moeilijk toegang tot grond en hadden daarnaast weinig zekerheid. Dat laatste geldt ook voor bestaande boeren.

Beknopte omschrijving van focus en werking De opzet van De Landgenoten is drieledig. - Er zou nog een vzw moeten worden opgestart die vooral focust op sensibilisering. - De stichting bewaakt de visie en fungeert als een goed doel voor schenkingen. - Tenslotte is er de coöperatieve vennootschap die toelaat gronden aan te kopen en te verhuren. Concreet kopen De Landgenoten via de vennootschap gronden aan en verhuren ze deze aan bio-boeren. Dit gebeurt met het geld van schenkingen, aandeelhouders, verhuur van gronden en occasionele inkomsten (bijvoorbeeld begeleiding van een gemeentebestuur). Door de gronden te verhuren blijft de grond voor bio-landbouw bestemd. Landbouw mag zich immers pas biologisch noemen twee jaar na de omschakeling. Daarnaast biedt het de boeren meer zekerheid op lange termijn en wordt grond toegankelijker voor bioboeren.

Rechtsvorm - Stichting - Coöperatieve vennootschap (CVBA-so) laat toe dat aandeelhouders eenvoudig toetreden. Door het statuut van CVBA-so kan de vennootschap zelf slechts een beperkte winst maken en kunnen ook aandeelhouders geen winst maken met hun aandelen.

Institutionele partners (oprichtende partners) De coöperatie van De Landgenoten werd opgericht door een netwerk van middenveldorganisaties: BioForum Vlaanderen, Bond Beter Leefmilieu, CSA Netwerk, De Kollebloem, De Wassende Maan, FIAN Belgium, Hefboom, Land-in-zicht, Landwijzer, Natuurpunt, Oxfam Solidariteit, Terre de Liens, Terre-en-vue, Velt, Voedselteams, Wervel en Widar.

35


De Landgenoten

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers De Landgenoten hebben drie medewerkers in dienst die samen net geen twee voltijdse jobs invullen. Achtergrond medewerkers Hun achtergrond is erg divers en aanvullend (talen, economie en bio-ingenieur).

Schaal van werking Het werkingsgebied is Vlaanderen. Al is het niet echt strikt afgelijnd. Bij sites in Brussel of op de grens met Wallonië, wordt afgestemd met hun Waalse collega’s van Terre-envue.

Inbedding in koepelorganisatie Geen

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

De Landgenoten focust zich op biologische landbouw in functie van grond(kwaliteit) en toegang tot grond. Daarnaast houden ze bij de selectie van projecten rekening met het korteketenverhaal waarbij een lokaal netwerk en een lokale afzetmarkt centraal staan. Verder trachten ze in de vennootschap consumenten en producenten dichter bij elkaar te brengen door beide een plaats te geven als aandeelhouder.

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Het is geen innovatief concept. Het bestond immers al in Wallonië. Het zou vandaag misschien door andere actoren kunnen opgenomen worden, maar dat is nog niet gebeurd. Organisaties als Boerenbond staan ook mee achter het concept, maar vinden dat het niet enkel op bioboeren dient te focussen. Anderzijds zorgt het biologische en korteketenverhaal op een eenvoudige manier voor aandeelhouders die vandaag bewuster willen omgaan met voedsel.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

De eerste jaren werd er gewerkt aan de visievorming waardoor De Landgenoten vandaag hun werking kunnen sturen vanuit deze visie. Het is voor hen ook belangrijk steeds terug te koppelen naar de visie, aangezien de aandeelhouders niet achter één project, maar achter de gehele organisatie staan. Daarnaast waakt ook de adviesgroep en de raad van bestuur hierover.

36


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

Hun netwerk bestaat deels uit de oprichtende partners.

Andere partners

Daarnaast werken ze samen met openbare besturen, regionale landschappen en de Vlaamse Landmaatschappij.

Potentiële partners

Potentiële partners zien ze in nieuwe openbare besturen en andere regionale landschappen. Al zijn ze vandaag nog zoekende naar wat De Landgenoten net kan betekenen voor hen.

Wijze van besluitvorming

Piramidaal. Besluitvorming gebeurt via de adviesgroep die zijn advies verleent bij de ontvankelijkheid van een project en later bij het indienen van een uitgebreider dossier. Daarna beslist de raad van bestuur of ze het advies al dan niet volgt.

Leider

Kaat Segers is bio-ingenieur van opleiding en neemt het voortouw bij De Landgenoten.

Boegbeeld

De voorzitter van de raad van bestuur (landbouwer Tom Trombeeckx) steekt vaak zijn nek uit voor De Landgenoten.

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Inhoudelijke medewerkers

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Geen.

Financiering

De oprichting gebeurde met subsidies en met kapitaal van de oprichtende partners. De werking (en aankoop van gronden) gebeurt via schenkgeld, aandeelhouders, verhuringen en occasionele inkomsten. Daarnaast genieten De Landgenoten voor de komende twee jaar van een IWT subsidie voor innovatie. Wanneer deze subsidie afloopt, zou de vennootschap op eigen benen moeten kunnen staan.

37


De Landgenoten

Communicatie Doelgroep

De doelgroep zijn vooral toekomstige aandeelhouders en schenkers.

Middelen

De communicatie gebeurt algemeen via de website, Facebook, persberichten en beurzen. Verder hebben ze ook een nieuwsbrief voor aandeelhouders en sympathisanten.

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Zoektocht schaalgrootte en financiering De Landgenoten zijn nog aan het aftasten hoeveel nieuwe aandeelhouders ze nog kunnen overtuigen. Dit zal immers niet onbeperkt zijn. Wanneer er geen aandeelhouders meer bijkomen, betekent dat geen bijkomende projecten. Dit hangt samen met het financieel aspect: weinig projecten maakt het geheel erg duur, maar een grote organisatie maakt het dan weer erg onpersoonlijk. Een schaalvergroting zorgt anderzijds voor meer projecten, waardoor er meer werkkracht is en er extra zaken aan De Landgenoten gekoppeld kunnen worden. Voorlopig blijft het zoeken naar een ideale schaal die het financieel haalbaar maakt en tegelijk de visie van De Landgenoten trouw blijft.

Balans producenten – consumenten Doordat aandeelhouders zowel bestaan uit consumenten als producenten, wil men beide partijen dichter bij elkaar brengen. In realiteit betekent dit dat er vandaag veel consumenten en weinig boeren deel uit maken van de vennootschap. Daarbij blijft het zoeken naar de belangen van beide groepen. De oprichtende partners zijn de boer en zijn werk wel genegen, maar anderzijds moet het aandeel ook een bepaalde waarde behouden. Zo zou men huurprijzen drastisch kunnen verminderen, wat ten koste van iets anders zal gaan. Of men zou een degelijke huurprijs kunnen vragen en wat meer winst creëren opdat men aandeelhouders een dividend kan uitkeren. Hierbij aansluitend is het belangrijk dat elke aandeelhouder slechts één stem heeft, waardoor het zoeken blijft naar een evenwicht tussen de belangen. Bij de zoektocht naar een balans tussen boeren en consumenten, wordt het financiële luik tegenover het ideologische luik geplaatst om producenten en consumenten samen te brengen.

Knelpunt: Overgang van ideologie naar de praktijk Na een fase van visievorming is de vennootschap nu opgericht en duiken er praktische bezwaren en administratieve zaken op. Daarnaast wordt het duidelijk dat de realiteit niet zo zwart-wit is. Biologische landbouw is dan wel beschreven in de wet, elke aandeelhouder houdt er zijn eigen visie op na. Daarnaast bevinden sommige projecten zich ook in een grijze zone. Zo bestaat een van de projecten uit een biologische boomgaard die uitgebaat wordt door een niet-biologische boer. Deze boer werkt namelijk met restproducten uit de brouwerij in Leuven, waardoor er een gesloten keten ontstaat. Zulke situaties roepen vragen op: gaat men ook een traditionele boer steunen?

38


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Kans: Sneeuwbaleffect De Landgenoten zien een mooie kans in de groei van de organisatie door meer projecten en bijgevolg meer naambekendheid. Ze zijn er van overtuigd dat ze de ideale schaalgrootte nog niet bereikt hebben. Ze bekijken het een beetje als het ‘kip of het ei verhaal’. Een groter bedrijf, kan meer projecten uitvoeren, waardoor er meer bio-boeren zullen zijn en dus meer biologische landbouw. Dit kan meer interesse in de opleiding tot bio-boer creëren, wat weer tot meer boeren leidt. Ze geloven dus in een sneeuwbaleffect, wanneer de organisatie volledig op dreef zal zijn.

Kans: Mentale transitie bij de consument De Landgenoten hoopt via hun projecten een mentale transitie bij de consument teweeg te brengen. Vandaag weten we niet meer vanwaar ons voedsel komt en hoeveel het kost. Ze kijken hierbij naar Community Supported Agriculture waarbij de risico’s gedeeld worden. Kwalitatief voedsel en een correct inkomen voor de boer staan hierbij centraal. Dit zijn concepten die haaks op de economische realiteit van vandaag staan. Door de projecten steeds te voorzien van een lokaal netwerk (van aandeelhouders), willen ze het bewustzijn bij de consumenten vergroten ten opzichte van de kostprijs van kwalitatieve landbouwproducten. Hierbij wordt de logica omgedraaid: hoeveel kost het ons per persoon om kwaliteitsvolle groenten te produceren en de boer een correct inkomen te geven in plaats van het goedkopere setje van drie paprika’s in de supermarkt.

39


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Bevraging en analyse nieuwe actoren

Dorpsdienst Nestor 1. Identiteit Jaar van ontstaan 2002

Aanleiding voor ontstaan - Resultaten leefbaarheidsonderzoek dorpen in Westhoek (1997) door Provincie WestVlaanderen - Centralisatie dienstverlening en verdwijnende voorzieningennetwerken in de dorpen (bv. bakker verdwijnt), met een versnipperd en gespecialiseerd dienstenaanbod en een afbrokkelen van sociale netwerken als gevolg. - Door de mobiliteitsproblematiek vallen kwetsbare groepen door de mazen van het net.

Beknopte omschrijving van focus en werking Dorpsdienst Nestor (Netwerk voor Steun aan Ouderen in Ruraal gebied) is een pionier in het zorgnetwerk. Nestor is een lokale voorziening die, via nauwe samenwerking met vrijwilligers en lokale actoren, een aanvullend dienstenaanbod brengt voor kwetsbare mensen. De focus bestaat erin om aanvullende dienstverleningen aan te bieden, via het inzetten van vrijwilligers, zodat mensen kwaliteitsvol en zelfredzaam thuis kunnen blijven wonen. Aanvullende hulp wordt aangeboden in de vorm van vervoer, boodschappen, klusjes, gezelschap, verjaardagsbezoeken. Hiermee worden sociale contacten versterkt en isolement/eenzaamheid tegengegaan.

Rechtsvorm Project van OCMW Poperingeen kunnen ook aandeelhouders geen winst maken met hun aandelen.

Institutionele partners (oprichtende partners) De Gemeente Poperinge i.s.m. de Provincie West-Vlaanderen o.b.v. onderzoeksresultaten, waarna er zich drie OCMWâ&#x20AC;&#x2122;s hebben verzameld om tot de dorpsdienst Nestor te komen.

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: 2,15 VTE Achtergrond medewerkers: Maatschappelijk assistent, sociaal assistent, administratief deskundige

41


Dorpsdienst Nestor

Schaal van werking Intergemeentelijk (Alveringem, Heuvelland, Lo-Reninge, Poperinge, Vleteringen, Mesen)

Inbedding in koepelorganisatie OCMW

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

Zorg, sociaal welzijn, senioren en zorgbehoevenden

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Deels. Het OCMW kan met buurtbewoners en opbouwwerkers een zorgnetwerk uitbouwen of met de Ziekenzorg (vereniging met vrijwilligers, maar met andere accenten)

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Dorpsdienst Nestor hanteert een overkoepelende visie voor de OCMW’s en vrijwilligers in de zes gemeenten

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

6 OCMW’s, zorgcoach, Heilig Hart Ieper (vzw Gezondheidszorg Bermhertigheid Jesu) en een gebiedswerker van de Provincie

Andere partners

Thuiszorgdiensten, sociale diensten

Wijze van besluitvorming

Hiërarchisch (OCMW-raden)

Leider

Voorzitters van de OCMW-raden

Boegbeeld

Jan Leicher is provinciaal gebiedswerker welzijn van de Westhoek en secretaris van een OCMW-raad.

42


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Vergoede medewerkers van Nestor en provinciale gebiedswerker

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Geen.

Financiering

Subsidies: - Leader: Erkenning als autonome vrijwilligersorganisatie (€12.000) - Personeelssubsidie sociaal maribel (€38.000) - Facturen klanten: +/- €40.000 (recuperatie kilometervergoeding vrijwilligers, etc.)

Communicatie Doelgroep

Senioren, zorgbehoevenden, vrijwilligers, thuiszorgdiensten (poetsdienst, seniorvereniging OKRA, zelfstandige artsen, wit-gele kruis,...)

Middelen

Folder, mail, vrijwilligerskrant (4x/seizoen)

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Financiering Nestor heeft geen structurele middelen. Subsidies voor lange termijn zouden welkom zijn.

Administratie Tijdsinvestering administratieve taken

Continuiteit Blijvend aanbod van diensten door vrijwilligers verzekeren en manier van werk kunnen behouden Blijven vrijwilligers vinden en manieren vinden om nieuwe vrijwilligers te betrekken: - Jonge mensen die pas op pensioen gaan betrekken. - Breng iemand mee (een vrijwilliger introduceert iemand bij Nestor) - Bedankingsmoment

Samenwerking Intergemeentelijk werken. Sommige gemeenten hebben beperktere inbreng dan andere.

43


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Loket Onderhoud Buitengebied 1. Identiteit Jaar van ontstaan Het Regionaal Landschap West-Vlaamse Heuvels ontstond in 1992 en het Regionaal Landschap Ijzer en Polder in 2004-2005.

Aanleiding voor ontstaan Het Regionaal Landschap stelde vast dat er subsidies werden gegeven aan nieuwe initiatieven, maar dat de financiële middelen die nodig zijn om concrete realisaties op lange termijn te onderhouden, niet aan bod kwamen. Landschapsontwikkeling in het landinrichtingsproject Westhoek krijgt van de Vlaamse Landmaatschappij drie jaar nazorg en werd dan overgedragen aan de gemeenten voor het beheer. Het merendeel van de gemeenten beschikt niet over de gewenste mankracht, financiële middelen en kennis inzake beheer. Recreatieve paden zijn bovendien gemeentegrensoverschrijdend, waardoor een uniform beheer ontbreekt. Deze probleemstelling is voorgelegd aan het Interbestuurlijk Plattelandsoverleg. Binnen een werkgroep ‘regulier onderhoud van landschappelijke en recreatieve infrastructuren op het platteland’ is geadviseerd hiertoe een bovengemeentelijk coördinatiepunt uit te bouwen. Dit heeft in de regio geleid tot een ‘Loket onderhoud buitengebied’.

Beknopte omschrijving van focus en werking Het doel van het Loket Onderhoud Buitengebied is een betere afstemming tussen beleid en praktijk. Het modelproject stimuleert lokale besturen tot een effectievere en vlottere vertaling van de beleidsvisies van bestaande beleidsplannen naar een concrete uitvoering van het onderhoud en beheer op het terrein. De doelstellingen van het modelproject zijn: - Meer zekerheid bieden aan het voortbestaan van landschapsinfrastructuren en komen tot een gebiedsdekkend en efficiënt regulier landschapsonderhoud. Eerst is er lang gewerkt aan achterstallig onderhoud in het buitengebied, vervolgens meer aan landschapsopbouw zoals aanplantingen bij landbouwers en particulieren in nauwe samenwerking met gemeenten. - Vergroten van het maatschappelijk draagvlak rond landschapsonderhoud via natuureducatie. - Stimuleren van de lokale bevolking voor landschapsonderhoud. - Recreatief medegebruik stimuleren en coördineren omwille van de toenemende vraag van recreatie in het open ruimtegbied. ‘Ecotoets’: Toetsing in hoeverre draagt recreatie bij aan de ontwikkeling van het landschap en welke invloed recreatie heeft op de landschappelijke kwaliteit. Deze doelstellingen worden bereikt door het oprichten van een zogenaamd ‘Loket Onderhoud Buitengebied’ (LOB). Dit is op te vatten als een territoriaal loket, één bovengemeentelijk adres of knooppunt, waar het regulier landschapsonderhoud

45


Loket Onderhoud Buitengebied

gebiedsdekkend wordt georganiseerd binnen het werkingsgebied. Het is aan de regio in kwestie om te bepalen of er nood is aan een LOB. De werking van het LOB wil de hiaten in het beheer van de kleine landschapselementen, kleine houtachtige elementen en RRI invulllen. Het LOB staat in voor de regie: - Een inventarisatie in een GIS-systeem lokaliseert alle beheerelementen in het werkingsgebied en koppelt deze direct aan de beheerkost. - Elke gemeente ontvangt een specifiek beheerplan van het LOB voor het regulier onderhoud in het buitengebied. - De controle van de beheerwerken gebeurt door de gemeente en een medewerker van het regionaal landschap.

Rechtsvorm Het ‘Loket onderhoud buitengebied’ is een nieuwe werking binnen de VZW van het Regionaal Landschap West-Vlaamse Heuvels.

Institutionele partners (oprichtende partners) Themagroep ‘regulier onderhoud van landschappelijke en recreatieve infrastructuren op het platteland’, MINA-raad, Natuurpunt, gemeenten binnen het werkingsgebied.

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: Binnen het Regionaal Landschap ontfermen er zich twee medewerkers over het LOB. Xavier Vlaemynck is projectmanager van het LOB. Achtergrond medewerkers: Xavier Vlaemynck is tuin- en landschapsarchitect en landschapsontwikkelaar. Zijn eerste project was het opstarten van het eerste wandelnetwerk in Vlaanderen (Heuvelland).

Schaal van werking Bovengemeentelijk. Veertien gemeenten verspreid over het werkingsgebied van Regionaal Landschap West-Vlaamse Heuvels en Regionaal Landschap Ijzer en Polder.

Inbedding in koepelorganisatie Regionale Landschappen Vlaanderen

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

46

- Duurzaam landschapsbeheer: beheer landschappelijke kwaliteit op lange termijn - Draagvlakvorming: natuureducatie (infoborden, begeleide wandelingen) - Recreatief medegebruik: wandel- en fietsroutes - Natuurbeheer: biodiversiteit, autochtone aanplantingen - Erfgoed: Atlas der Buurtwegen, vlechthagen,... - Energie: beheer houtkanten voor biomassaproductie


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Het Regionaal Landschap West-Vlaamse Heuvels wilt het idee van het LOB ook overdragen naar andere regionale landschappen.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Werking vanuit een overkoepelende visie waarin aandacht wordt geschonken om via een duurzaam beheer de identiteit en kwaliteit van het landschap voorop te stellen.

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

Voor elk project wordt een projectpromotor aangeduid. Deze projectpromotor is een intergemeentelijk samenwerkingsverband, een lokaal openbaar bestuur of een vereniging zonder winstoogmerk (b.v. een regionaal landschap) die een samenwerkingsverband afsluit.

Andere partners

Partners vormen samen met de promotor het LOB en helpen de promotor met het uitvoeren van het takenpakket. Lokale besturen en organisaties hebben een sterke voeling met wat er lokaal leeft aan verzuchtingen en potenties. Deze aanpak zorgt ook voor een opwaartse spiraal en heeft een positief effect op het maatschappelijk en politiek draagvlak en genereert een economische meerwaarde. Het is wenselijk dat alle opdrachtgevers van landschapsonderhoud, actief binnen het werkingsgebied, samen in het LOB participeren

Potentiële partners

Bosgroepen

Wijze van besluitvorming

Piramidaal, raad van bestuur en algemene vergadering

Leider

Voorzitter raad van bestuur

Boegbeeld

Gedeputeerde leefmilieu Provincie West-Vlaanderen: Guido Decorte

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

De medewerkers van het regionaal landschap en de leden van de IPO-themagroep

47


Loket Onderhoud Buitengebied

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Het is van belang dat andere regionale landschappen dit idee van het ‘LOB’ overnemen om zo het beheer van het buitengebied te verzekeren.

Financiering

50 % LEADER, EU-middelen tot 2018 (erna gemeenten op basis van oppervlakte/inwoner) 50% Provincie

Communicatie Doelgroep

Openbare besturen, Vlaamse Landmaatschappij, toeristische sector

Middelen

Landschapskrant, nieuwsbrief, persoonlijke contacten door projectmanager

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Financiering Het beleid heeft op lange termijn weinig aandacht en financiële middelen voor het beheer van het buitengebied. De voortschrijdende verstedelijking in Vlaanderen leidt tot een ruimtetekort, terwijl de stedeling snakt naar open ruimte met passende recreatieve voorzieningen. De stad is niet bereid om mee te investeren in het platteland.

Continuiteit In de toekomst zullen er meer elementen in het landschap zijn die om beheer vragen. Kleine monumenten uit de Tweede Wereldoorlog, zoals veldkapelletjes, worden bijvoorbeeld nu vaak beheerd door de aanpalende bewoners. De toekomst van dit beheer is onduidelijk omdat men niet zeker is of de volgende eigenaar hier evenveel aandacht aan zal schenken.

Ontwerp versus beheer Bij ruimtelijke uitvoeringsplannen dient het landschap als onderlaag te worden beschouwd. De ontwerper moet samen zitten met de beheerder om een duurzame toekomst te verzekeren.steunen?

Focus Door het pesticidenverbod leggen de gemeenten meer de focus op het openbaar groen, waardoor het beheer van het buitengebied wordt genegeerd.

48


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Bevraging en analyse nieuwe actoren

49


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Parkveldgroep 1. Identiteit Jaar van ontstaan Zomer 2012. Klimaatactiekamp wordt georganiseerd op het Parkveld voor mensen die begaan zijn met de klimaatproblematiek op een plek die Belgen (100 à 200 mensen) met dezelfde interesses verbindt. Rond het Parkveld was dan al veel te doen (zie ‘Aanleiding voor ontstaan’). Na het kamp engageerden een 15-tal mensen zich verder om actief te blijven rond het ecologisch behoud van het Parkveld. Na 2012 werd besloten deze claim niet meer los te laten.

Aanleiding voor ontstaan Concrete aanleiding waren de bedreiging van Parkveld als open ruimte en het klimaatactiekamp op de percelen die bekend staan als het Parkveld in Heverlee, Leuven. De samenkomst was deels een protest tegen de plannen die de Stad Leuven heeft met Parkveld. Aan de kant van Heverlee wil vastgoedmakelaar EXTENSA een woonwijk inplanten. Aan de kant van het industrieterrein wil Stad Leuven het industrieterrein uitbreiden. Bovendien (maar deze plannen heeft men al laten vallen) was het de bedoeling 7 appartementsblokken op te trekken langs de drukke Geldenaaksebaan. Het resultaat zou het verdwijnen van alle open ruimte zijn in deze buurt. Enkel een corridor zou worden gelaten om de ecologische schakels Meerdaalwoud, Heverleebos en Abdij van het Park te verbinden. Na 2012 werd besloten toenadering te zoeken tot de actoren die eveneens de claim van EXTENSA en Stad Leuven op dit gebied in vraag stelden (grosso modo de buurtbewoners en de boeren). Naast het burenprotest en het boerenprotest tegen deze plannen schaarde zich nu ook het ecologische protest. Parkveld is al langer dan 2012 een twistappel. Politieke plannen zijn al oud, maar de juridische documenten zijn nog ouder (gewestplan). De destijds toegekende bestemmingen komen niet langer overeen met de ecologische en waterrijke waarde van dit gebied waarin nu plaats is voor wonen, landbouw en bedrijvigheid. Er ontbreekt eigenlijk een visie op de ontwikkeling van het Parkveld vanuit de Stad Leuven. De bedoeling van de Parkveldgroep is hiervan werk te maken, zonder daarbij te vervallen in logische keuzes om dit gebied om te vormen naar woongebied met een smalle natuurcorridor. Wel ligt de nadruk op natuurontwikkeling en het openstellen van het Parkveld voor de gemeenschap.

Beknopte omschrijving van focus en werking De focus is zeer beperkt: “Parkveld blijft. De plannen van Leuven en EXTENSA gaan niet door.” Drie jaar geleden werd besloten aanwezig te blijven op het Parkveld op twee manieren. Enerzijds is er sprake van een politieke strijd: dossier- en lobbywerk. Dit houdt in dat er veel informatie werd en wordt verzameld om zo het stadsbestuur een andere

51


Parkveldgroep

richting te doen opgaan. Druk uitoefenen, bv. door handtekeningen te verzamelen voor spreekrecht op de gemeenteraad (april 2014). Er werd gevraagd om een standpunt in te nemen over het Parkveld, wat niet gebeurde. Wel sprak een meerderheid haar steun uit voor deze plannen. Stilaan is een positieve kentering merkbaar. Steeds meer politieke figuren stellen de invulling van Parkveld vandaag ook in vraag. Drie jaar geleden werd ook beslist niet enkel tegen iets te zijn maar ook een alternatief aan te reiken. Er werd in een groep van een tiental mensen begonnen met een samentuin, één grote volkstuin. De concrete focus en de werking van elke actor in het Parkveld verschillen. De buurtbewoners, de boeren waarvan percelen in dit gebied liggen en de activistische groep hebben allemaal een ander idee over de invulling van het Parkveld. Een plek zet aan om te dromen over de verweving van landbouw, publieke ruimte en natuurontwikkeling. Recent werd beslist de concrete toekomstscenario’s achterwege te laten omdat dit verdeeldheid bracht. Wel treden de verschillende claims elkaar bij in de politieke groep die het lobbywerk op zich neemt. De tuinierdersgroep heeft in die zin een veel sterkere identiteit aangezien zij uniform groeide uit de milieuactivisten. De werking rond het Parkveld is in die zin verdeeld: - De buurtbewoners hebben zich verenigd in een buurtcomité waar geld wordt samengebracht om een advocaat in te huren die juridische stappen onderneemt tegen de plannen van de Stad Leuven. Deze strijd is al jaren aan de gang, en laait zo nu en dan op. Zo behaalde het comité al gelijk voor de Raad van State. Het plan werd vernietigd. De buurt gaat consequent in beroep zodra er iets beweegt omdat dit een negatieve invloed zou hebben op de verkeersbelasting van de buurt en het vergroten van de bestaande wateroverlast. - De landbouwers pachten de grond van het OCMW van Leuven. Drie van de vier landbouwers gaan niet akkoord met een vergoeding die hen afscheid doet nemen van hun percelen. Allicht zouden zij wel akkoord gaan met een ruilverkaveling die hetzelfde areaal aan landbouwgrond garandeert binnen dezelfde straal van hun gebouw. - De Parkveldgroep ziet de plek als een belangrijke plek voor de stad Leuven. Ze kan hitte-eilandeffecten tegengaan, korteketenlandbouw toelaten voor de stad en recreatie huisvesten in de stadsrand. - Bovendien was Parkveld altijd een gemeenschapsgrond als onderdeel van de gronden van de Abdij van ’t Park. Later zijn zij in het bezit gekomen van het Leuvense OCMW. Het is zonde deze te verpatsen voor privatisering in de vorm van verkavelingen en industrieterreinen om de Leuvense begroting te doen kloppen.

Rechtsvorm Feitelijke vereniging

Institutionele partners (oprichtende partners) Geen. Standpunt van Parkveldgroep werd ondertekend door een twintigtal organisaties.

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: Enkel niet-vergoede vrijwilligers. Achtergrond medewerkers: Wim Merckx is coördinator van Voedselteams VZW. Een andere vrijwilliger heeft op politieke kabinetten gewerkt. Vele leerkrachten en onderwijzend personeel van de KU Leuven

52


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Schaal van werking Buurtniveau maar het werk heeft een weerklank voor gans Leuven. Sommigen zien het als een voorbeeldproject voor andere protestgroepen. Reclaim the Fields is zelf een referentiekader.

Inbedding in koepelorganisatie Geen. Reclaim the Fields is een inhoudelijk referentiekader. Als referentiekader wordt ook burgerzin aangehaald, een manier om te zeggen dat er niet sowieso moet gewacht worden op de politiek om concrete stappen te ondernemen. Dit fenomeen duikt steeds meer en meer op; mensen maken beleidsvoerders duidelijk dat ook zij met beide voeten in de ruimte staan, er gebruik van maken en er dus ook hun zeg over willen doen.

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

Recreatie, mensen sociaal verenigen, duurzame ontwikkeling, ecologie, natuur- en landschapsbeheer, korte keten,… Dit zijn allemaal thema’s die voor de Parkveldgroep relevant zijn. Parkveld is een erg waardevol natuurlijk en landschappelijk gebied. Vandaag wordt de natuurcorridor niet ingegeven door een natuurlijke logica, maar wordt deze zo smal mogelijk gehouden vanuit de logica om zoveel mogelijk grond privaat te verkavelen. Dit staat haaks op de manier waarop fauna en flora bewegen. Parkveldgroep zou deze invulling heel anders doen. De groep ziet de open ruimte in het gebied ook als publieke ruimte, waarvan de gemeenschap kan profiteren en er een invulling aan kan geven. Ook waterbeheer is relevant. Vandaag ligt het Parkveld nog steeds in watergevoelig gebied. Verderop in de buurt staan regelmatig huizen blank omdat ze ooit zijn ingeplant in overstromingsgebied. Vandaag wordt deze waterproblematiek gesust door EXTENSA door de inplanting van drie nietszeggende poelen in de verkavelingen. Ze zijn onlogisch ingeplant tov. de hoogtelijnen. Mobiliteitsproblematiek (opstoppingen) is groot op de Geldenaaksebaan waar alle verkeer door een flessenhals moet. Voor het buurtcomité is dit ook een reden om te zeggen dat hier geen nieuwe woonwijk kan worden ingeplant. De bovenstaande thema’s zijn groot in aantal. De realiteit is meer verweven.

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Wat Parkveldgroep onderscheidt, is hun horizontale organisatie en de betrokkenheid bij de ruimte. Voor Natuurpunt of de Boerenbond zou dit een van de zovele projecten zijn. De Parkveldgroep kan het zich veroorloven om volledig te focussen op het Parkveld. Parkveldgroep wil het gebied ook niet controleren maar vindt het net fijn om te merken dat het Parkveld evengoed een plek is waar (jonge) mensen zich ongecontroleerd kunnen amuseren.

53


Parkveldgroep

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Het uiteindelijke doel/visie is dat het Parkveld blijft. Hier worden geen compromissen over gemaakt. Om dit doel te bereiken wordt er gelobbyd en was er ook de start-up van de gemeenschappelijke tuin. Voor het overige staat de organisatie open voor inbreng van buitenaf om initiatieven aan te dragen.

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk

VELT is een belangrijke partner om de beginnende tuinierders de basisbegrippen van het ecologisch tuinieren bij te brengen. Ecowerf haalt regelmatig compost op. Bond Beter Leefmilieu komt op geregelde basis lezingen geven. Zij worden soms ook gecontacteerd met vragen over bepaalde dossiers. Verder worden er relaties onderhouden met milieuorganisaties, Noord-Zuidorganisaties, GECORO, buurtcomités, oppositieleden die terugkoppelen naar de kabinetten in Brussel.

Wijze van besluitvorming

Binnen de politieke/juridische/akkergroep moet er eerst voor gezorgd worden dat men op dezelfde golflengte zit. Vaak komt het tot een unaniem besluit.

Leider

Er is sprake van informeel leiderschap door de mensen die het meest betrokken zijn.

Boegbeeld

Voorzichtigheid om een politicus op te werpen als het boegbeeld van dit project want ze hebben zelf vaak een (verborgen) agenda.

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Deze zijn zeker actief. Vooral de politieke groep is hiermee bezig.

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Structureel geen samenwerking met nieuwe actoren, wel wordt er natuurlijk samengewerkt met het buurtcomité en de landbouwers uit de buurt.

Financiering

Voor het bewerken van de akker wordt er jaarlijks een bedrag afgesproken (ca. 30 euro) waarmee de akkergroep zich een jaar kan redden. Het financiële buurtcomité rond het Parkveld (niet opgenomen in de Parkveldgroep) zorgt er om de zoveel tijd voor dat er voldoende geld vloeit naar de advocaat die de buurtbelangen verdedigt.

54


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Communicatie Doelgroep

Er is een blog en een facebookpagina. Die laatste is belangrijker want daarop kennen foto’s van het gebied een groter gevolg. Het leeft op die manier wel.

Middelen

Binnenkort is er een fase van het openbaar onderzoek. Dan zou men een versnelling hoger willen schakelen met een infoavond, meer artikels, het contact versterken met de Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud.

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Visie van het beleid In de ruimtelijke ordening zitten heel wat fouten. Woonuitbreidingsgebieden en woongebieden zijn ingeplant in overstromingsgebieden en gebieden met een hoge biologische en natuurlijke waarde. Via planbaten en planschade moet er een herschikking komen, en liefst natuurlijk niet via een RUP. Als het op een andere manier kan, zoveel te beter. Het nieuwe Beleidsplan Ruimte Vlaanderen zou deze gebieden beter moeten inplannen. Nieuwe ontwikkelingen in de landbouw zouden beter ondersteund moeten worden door de overheid in plaats van afgeremd. De landbouw in de stadsrand biedt enorme kansen om een krachtig stedelijk toekomstbeeld te formuleren.

Vrijwilligerswerking – continuiteit Meer geëngageerde mensen zouden de groep verder vooruit stuwen. Het feit dat alles op vrijwillige basis plaatsvindt, maakt dat vooruitgang slechts traag bereikt wordt. Het aanspreken van burgers om hen ook te activeren zou zeker en vast een meerwaarde zijn voor de strijd om Parkveld te behouden. Dit is het permanent werken aan een draagvlak bij de bevolking. Voor de leden van de Parkveldgroep gaat het engagement veel verder. Sommigen van hen zien het project als een manier om te bewijzen dat een postkapitalistisch en postmaterieel leven mogelijk is. De vrije tijd is kostbaar. Alles wat de Parkveldgroep doet is op vrijwillige basis. Het zou al helpen als een deel van het onderhoud van het gebied zou gebeuren door bv. de groendienst van de stad.

Naamsbekendheid Grotere bekendheid in naam verwerven. Dit geldt ook voor een grotere mobilisatie. Een voorbeeldproject hiervoor is het gebied in Haren waar de Brusselse overheid een grote gevangenis plant. Een grootschalige protestactie groeide uit tot een ware volksverhuizing en -feest waar aardappelen werden geplant.

Focus Parkveldgroep heeft een grote verscheidenheid aan actoren waardoor de meer concrete focus en de werking van elke actor in het Parkveld verschilt. De buurtbewoners, de boeren waarvan percelen in dit gebied liggen en de activistische groep hebben allemaal een ander idee over de invulling van het Parkveld. 55


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Pit - Z33 1. Identiteit Jaar van ontstaan Sinds 2002 is Z33 - Huis voor actuele kunst – opgestart als een provinciaal initiatief. Het kunstencentrum staat bekend voor haar projecten en tentoonstellingen die de bezoeker aanmoedigen om te kijken naar alledaagse zaken op een nieuwe manier. Het is een uniek laboratorium en een ontmoetingsplaats voor experiment en innovatie waar men cuttingedge tentoonstellingen met hedendaagse kunst en design kan ontdekken. Reeds in 2006 werden de voorbereidingen voor Z33: kunst in de open ruimte aangevat. Een goed vooronderzoek was de basis van het project waarin op internationaal, regionaal en lokaal niveau studies werden uitgevoerd voor kunst in de open ruimte. Z33 - kunst in de open ruimte werd ingeleid door de beroemde Badeend (2008) van Florentijn Hofman en de megasculptuur INNERCOMA (2010) van Philip Metten. In 2011 ging PIT van start in de regio Borgloon-Heers.

Aanleiding voor ontstaan De initiator van het idee was de Provincie Limburg. Gouverneur Steve Stevaert stelde in 2005 voor om langs het fietsroutenetwerk kunstwerken te plaatsen. Het project kende zijn voor- en tegenstanders, toch besloot de Vlaamse overheid geld vrij te maken uit het fonds voor Culturele Infrastructuur. Kort hierna werd onder de hoede van Z33 een werkgroep samengesteld, onder de naam Z-OUT. Z-OUT is een verlengstuk van de Z33 en wilt mensen in aanraking brengen met hedendaagse kunst in de open(bare) ruimte. De opdracht om een beeldenproject in de Provincie Limburg landschappelijk te integreren, leidde tot een vooronderzoek op verschillende schaalniveaus: - Internationaal: Eerst bekeek men het fenomeen kunst in de open ruimte met behulp van literatuur en bezoeken aan buitenlandse projecten. Dit onderzoek culmineerde in het symposium ‘Out of the Studio’ waar specialisten zich over het thema bogen. De samengebrachte expertise fungeerde als fundament voor Z33 - kunst in de open ruimte. Vooral de interactie tussen kunstwerk en omgeving bleek een belangrijke indicator voor het welslagen van een project. Kunst die op een bewuste manier, zowel vormelijk als inhoudelijk, in dialoog treedt met de omgeving, verankert zich en wordt meer gewaardeerd. - Regionaal: Bij de eerste interventie bleek het onrealistisch om kunstwerken naast alle fiets- en wandelroutes uit te werken, omdat in Limburg honderden kilometers fiets- en wandelroutes aanwezig zijn. Om goed op de omgeving in te spelen was een regionaal onderzoek noodzakelijk. De Limburgse open ruimte is immers bijzonder divers: de provincie bestaat uit verschillende regio’s met hun eigen identiteit. Het is niet opportuun één samenhangend verhaal voor de provincie te zoeken. Het is in de verschillende regio’s dat kunst in dialoog kan treden met een eenduidige maar gelaagde context.

57


Pit - Z33

- Lokaal (clusters): De gebieden waar men de projecten rond kunst in de open ruimte wil realiseren, zijn bepaald aan de hand van verschillende kaarten (historisch, erfgoedkundig, fysieke ontsluiting, stedelijke ontwikkeling, natuurwaardes). Op deze manier werden verdichtingen of clusters gekozen. Elke cluster brengt een eigen verhaal dat aansluit bij de verschillende gezichten van de provincie. Bovendien worden de clusters relatief klein gehouden zodat de werken makkelijk te bezoeken zijn. Ieder jaar wordt een nieuwe cluster actief, zodat op steeds meer plaatsen kunst in de open ruimte wordt gepresenteerd. De groepering in clusters moet garanderen dat de werken met elkaar en de omgeving interageren zodat er in de wijde omtrek een dynamiek ontstaat. a. Cluster cultureel erfgoed (Midden-Haspengouw) = PIT b. Cluster mobiliteit (Zuid-Willemsvaart, Spartacus) c. Cluster stedelijkheid (bipool Genk-Hasselt) d. Cluster landschappelijkheid (Maasland)

Beknopte omschrijving van focus en werking Het fruitspoor in Midden-Haspengouw markeert de agrarische ontwikkeling van de afgelopen eeuw. De Romeinse weg met daartussen het middeleeuws landschap met de burchtheuvel ‘Loon’ zijn de inhoudelijke assen/lijnen/lagen waarop het tentoonstellingsproject ‘Pit’ wordt gepresenteerd. Pit speelt in op de fricties die in het landschap van Borgloon en Heers aanwezig zijn. • Snelle en trage landbouw • Ontwikkeling van het toerisme die een andere economische realiteit binnenbrengt dan die er vroeger was • Het veranderen van de lokale dorpen naar slaapdorpen • Het verdwijnen van het religieus erfgoed (leegloop/herbestemming van de lokale kerken). Het zijn deze thema’s die relevant zijn voor deze gemeenschap en onlosmakelijk met het landschap verbonden zijn. Het lokale leven bepaalt hoe het landschap er uit ziet en zal bepalen hoe dat landschap in de toekomst er zal uitzien. De volgende stap was de selectie van een twaalftal kunstenaars. De inhoudelijke samenhang tussen het oeuvre van de kunstenaars en de thema’s van de cluster was een belangrijk selectiecriterium. Na een grondige briefing en rondleiding ter plaatse formuleerden de kunstenaars een voorstel. Zodoende laten de kunstenaars een dynamisch Haspengouw zien, waarin deze nieuwe dynamiek binnen het landschap artistiek wordt voorgesteld. Van de twaalf voorstellen, werden in 2011 zeven projecten gerealiseerd. In 2012 werden er nog vier projecten gerealiseerd. Sommige werken zijn tijdelijk, andere hebben een meer permanent karakter.

Rechtsvorm Z33 is momenteel een provinciale instelling, maar zal in de toekomst omgevormd worden tot een vzw ten gevolge van de interne staatshervorming.platteland’, MINA-raad, Natuurpunt, gemeenten binnen het werkingsgebied.

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: geen

Schaal van werking Bovengemeentelijk: Borgloon, Heers en Provincie Limburg

Inbedding in koepelorganisatie Z33 – Huis voor actuele kunst 58


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

(Religieus) erfgoed, natuur, recreatie, cultuur, toerisme, publieke ruimte, regionale werking, landschapsbeheer

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Nee

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Z-OUT hanteert de basisfilosofie van Z33 en vormt daarbij overkoepelende visie.

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

Z33, Vlaamse Overheid, Provincie Limburg, Stad Borgloon, Gemeente Heers, groepc, levis, Regionaal Landschap Haspengouw en Voeren, Agentschap voor Natuur en Bos, Vlaamse Landmaatschappij.

Andere partners

-

Potentiële partners

Afhankelijk van het kunstwerk kunnen hogescholen, universiteiten, vzw’s, cultuurorganisaties, etc. worden aangesproken.

Wijze van besluitvorming

Hiërarchisch model waarin de curator van het project samen met de voorzitter van de stuurgroep een doorslaggevende rol heeft in samenspraak met de bevindingen van de stuurgroep.

Leider

Jan Boelen - Jan Boelen studeerde af als productontwerper aan de Media en Design Academie (KHLim). Hij is momenteel artistiek directeur bij Z33, huis voor actuele kunst in Hasselt (B) en hoofd van de masterafdeling ‘Social Design’ en de masteropleiding ‘Design Curating and Writing’ van de Design Academy in Eindhoven (NL).

59


Pit - Z33

Boegbeeld

De kunstwerken zijn de boegbeelden, met als voornaamste boegbeeld het Doorkijkkerkje van het architectenduo Gijs Van Vaerenbergh

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/â&#x20AC;Ś

Jan Boelen

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Geen. Een artistieke stuurgroep werd opgericht naar aanleiding van het ontstaan van Z-OUT. Het is een inhoudelijke klankbordgroep waarin men de overkoepelende visie van de Z33 relateert aan de verschillende projecten (clusters) en aan de kunstwerken.

Financiering

Z33 heeft een subsidie van 6 miljoen euro ontvangen voor Z-OUT. Vanuit de Vlaamse overheid kwam er steun van het departement CJSM via het Fonds Culturele Infrastructuur, dat normaliter aangewend wordt voor het bouwen of verbeteren van culturele gebouwen. Vanuit het idee van een openluchtmuseum voor kunst in de publieke ruimte konden er toch subsidies toegekend konden worden aan Z-OUT. Daarnaast zijn er subsidies van de Provincie Limburg uit het cultuurfonds.

Communicatie Doelgroep

Iedereen, kunst vertalen voor een groot publiek

Middelen

Nieuwsbrieven van gemeentelijke, provinciale en gewestelijke toeristische diensten. Infobrochures van de Z33, Nationale televisie (Vlaanderen Vakantieland), Regionale televisie (TVL).

60


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Bestaansreden Detecteren en formuleren van een noodzaak. Is het nodig om kunstwerken te presenteren? Beter geen kunst in de open ruimte? Verrommeling van het landschap tegengaan.

Methodologie Betrekken van alle stakeholders via participatie maakt hen medeplichtig aan het project.

Financiëring Moeilijk proces om de financiëring op een juiste manier aan de kunstenaars te geven. De financiëring is een zeer technisch verhaal waaraan verschillende jaren aan gewerkt is om er voor te zorgen dat dit ook voor kunstenaars werkt. De financiëring van een project bepaalt altijd de vorm van het project.

Expertise Het hebben van kennis, ervaring, en internationaal netwerk. Over de nodige knowhow beschikken hoe men kunstenaars kan betrekken bij een project.

61


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Pro Natura 1. Identiteit Jaar van ontstaan Pro Natura startte in 1993 als Econet met de realisatie van haar ecologische en sociale objectieven “Werk maken van Natuur !”. Meer dan 20 jaar later weerspiegelt dit duurzaam en sociaal gedachtegoed zich nog meer dan ooit tevoren in de dagelijkse werking van Pro Natura. Op de algemene vergadering van 15 juni 2004 werd beslist om de groep Econetwerk op te splitsen in 2 groepen, enerzijds Natuur & Landschapsbeheer en anderzijds Pro Natura. Beide groepen ontwikkelen zich volgens eigen dynamiek en visie rond hetzelfde thema ‘grondgebonden milieu’.

Aanleiding voor ontstaan Naar aanleiding van de klimaattop in Rio in 1993 werd de focus gelegd op ‘duurzaamheid’ en ‘duurzame ontwikkeling’. Als beleidsmedewerker van het toenmalige Natuurreservaten diende Johan De Beule een voorstel van economisch impulsproject in om te bewijzen dat duurzaamheid ook economisch een hefboom kon betekenen onder de naam ‘Duurzame ontwikkeling in een plattelandsregio en de economische en sociale return’. Toen Natuurreservaten zich uit het project terugtrok werd via een Lifeproject het Regionaal Landschap Zenne Zuun en Zoniën opgestart (nu RL Pajottenland en Zennevallei) en het sociaal-economiebedrijf Econet. Het Regionaal Landschap ging zelfstandig zijn weg en Econet is Pro Natura (2004) geworden.

Beknopte omschrijving van focus en werking Missie: Pro Natura wil zich profileren als een groep die in haar werkingsgebied heel consequent het creëren van zinvolle nieuwe kansentewerkstelling en het verbeteren van de ecologische kwaliteit van onze leefomgeving als volstrekt evenwaardige maatschappelijke doelen nastreeft. Kernwaarden: In 2009 heeft de hele organisatie (bedienden + arbeiders) de kernwaarden voor Pro Natura bepaald: 01. Samenwerking - 02. Verantwoordelijkheid - 03. Werkmotivatie - 04. Respect voor mens, natuur, machine Het doel van de vereniging bestaat erin: • Een maatschappelijk draagvlak te creëren voor de groep Pro Natura • Een netwerk uit te bouwen van stakeholders rond Pro Natura en ‘Werk maken van Natuur!’ • Financiële middelen te verzamelen om de (mede)financiering en/of de voorfinanciering mogelijk te maken van projecten van organisaties die als doelstelling hebben de combinatie te realiseren tussen natuurontwikkeling, landschapszorg, duurzame streekontwikkeling enerzijds en opleiding en werkcreatie voor laaggeschoolde langdurig werklozen en kansarmen anderzijds. Om dit doel te realiseren kan de vereniging zelf alle mogelijk initiatieven nemen

63


Pro Natura

of in haar naam en onder haar controle door derden laten nemen. De vereniging zal eveneens overeenkomsten afsluiten met alle structuren die deel uitmaken van de groep Pro Natura met de bedoeling alle leden volledige informatie te verstrekken over de activiteiten en de financiële situatie van de groep Pro Natura.

Rechtsvorm Het netwerk van Pro Natura bestaat uit 3 vzw’s en een CVBA met Sociaal Oogmerk. Het management gebeurt via een managementvennootschap: 01. vzw Pro Natura Sociale Werkplaats, met werking in Eeklo, Halle, Vilvoorde en Pamel (Roosdaal) 02. vzw Pro Natura, voorheen Econet Vlaams-Brabant, met werking in Eeklo, Halle, Vilvoorde en Pamel (Roosdaal) 03. vzw Pro Natura Steunfonds, de structuur waarin de Raad van Advies is ondergebracht 04. CVBASO Werk maken van Natuur! 05. BVBA Pronat, management van de groep Pro Natura

Institutionele partners (oprichtende partners) Johan De Beule

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: 120 mensen, 80 arbeiders (= doelgroep), 40 bedienden (= sociale cel, vnl. sociaal assistenten + operationele cel (= diverse combinatie van mensen met technische & organisatorische kwaliteiten) + cel project ontwikkeling (= experten in biologie, landschapsarchitectuur) Achtergrond medewerkers: Het is van groot belang dat de medewerkers de attitudes dragen om een maatschappelijke meerwaarde te creëren: principes van het maatschappelijk verantwoorden ondernemen (sociaal, ecologisch en commercieel)

Schaal van werking Bovengemeentelijk: 30-40 gemeenten waarbij er een structurele samenwerking is met de milieudienst en/of de groendienst

Inbedding in koepelorganisatie Pro Natura laat zich ondersteunen en begeleiden door de koepelverenigingen die de expertise en know-how van de sector hebben: Bond Beter Leefmilieu, Vlaams netwerken van ondernemingen (VOKA), Koepel Lokale Diensteneconomie (de basisidee van de lokale diensteneconomie is de uitbouw van een dienstenaanbod vanuit de overheid dat nauw aansluit bij de maatschappelijke trends en noden waarbij tegelijk kansen worden gecreëerd voor doelgroepwerknemers), Sociare (Socioculturele Werkgeversfederatie die bemiddelt in paritair comité 329), Samenwerkingsverband Sociale Tewerkstelling (SST vzw, de koepel van de Sociale Werkplaatsen en Arbeidszorginitiatieven in Vlaanderen), Trividend cvba (het Vlaams Participatiefonds voor de sociale economie), De Werkplekarchitecten (partner voor de overheid en zijn met meer dan 100 niet-winstgedreven organisaties die, verspreid over heel Vlaanderen, mensen coachen, opleiden en begeleiden op de werkplek), Biogas-E vzw (koepelvereniging voor biogas; het platform voor anaerobe vergisting in Vlaanderen en wordt daarvoor gesubsidieerd uit het Fonds Hernieuwbare Energiebronnen. Biogas-E vzw omvat drie hoofdtaken zoals het fungeren als kenniscentrum, beleidsondersteuning en vorming.

64


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

- Duurzaamheid - Energie (biomassaproductie uit bermmaaisel en houtkanten) - Biodiversiteit en milieu (exotenbestrijding (vooral Amerikaanse vogelkers), pesticidenvrij beheer, “Grondgebonden milieu” - Landschapsinrichting/-beheer en -onwikkeling - Publiek domein (creatief inrichten van openbaar groen) - Draagvlakvorming (informatie, educatie en sensibilisatie) - Integraal waterbeheer (integrated constructed wetland; waterzuivering i.s.m. VLM (ecologische inpassing van bufferbekkens), erosie: holle wegen en (vooral) landbouwgronden in het Pajottenland

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Momenteel vormt Pro Natura een uniek concept binnen Vlaanderen. De combinatie van sociale economie en de expertise in ecologie zorgt voor een zeer gericht ecologisch beheer. Er zijn andere organisaties binnen Vlaanderen die onder de noemer van beschutte werkplaatsen eveneens groenbeheer uitvoeren (De Wroeter, Bewel Limburg, De Winning), maar het valt op dat er binnen Pro Natura continu wordt gestreefd naar een zó ecologisch en duurzaam mogelijk beheer, daardoor trekken ze hier het voortouw. Pro Natura is winnaar van Award Best Belgian Sustainability report 2013 & Groene Lente, de beste groenrealisaties in de categorie ‘Landschapsgroen’ 2013

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Een overkoepelende visie heerst zowel in de bedrijfsvoering als in de uitvoerende projecten → toetsing aan economische haalbaarheid in functie van een zo duurzaam en ecologisch mogelijke aanpak.

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk

Op zoek naar schaalvergroting, kapitaalkrachtige actoren in functie van structurele samenwerking.

Wijze van besluitvorming

Piramidaal: algemene vergadering, raad van bestuur, dagelijks bestuur, staf

65


Pro Natura

Leider

Hilde Vanbeckbergen, algemeen directeur (dagelijks beleid) Hilde was voorheen zorgkundige en boekhoudkundige. Binnen Pro Natura is ze gestart als trajectbegeleidster omtrent het financieel en organisatorisch luik. Johan De Beule, gedelegeerd bestuurder (strategisch beleid) Johan was adjunct-secretaris generaal binnen Vogelbescherming Vlaanderen en beleidsmedewerker van het toenmalig Natuurreservaten. In de nasleep van de klimaattop in â&#x20AC;&#x2122;93 gaf hij de aanleiding voor het ontstaan van Pro Natura.

Boegbeeld

CoĂśrdinator Johan De Beule

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/â&#x20AC;Ś

Momenteel is Johan ook de persoon naar derden toe.

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Vier ecologische sociaal-economiebedrijven: Pamel, Eeklo, Vilvoorde en Halle Samenwerking in het kader van Europese projecten met de Universiteit van Gent, Inagro, Agrarisch adviesbureau DLV Belgium, ... Trage Wegen vzw

Financiering

50 % overheidsmiddelen van het Vlaams gewest (socioeconomische loonsubsidies) 50% economische activiteiten. Minimum 2/3 van de uit de activiteiten van de vereniging verworven inkomsten, worden na aftrek van de kosten, toegewezen aan projecten van Pro Natura.

Communicatie Doelgroep

Vooral openbare besturen (gemeenten, provincies)

Middelen

Duurzaamheidsverslag, nieuwsbrief via website en sociale media (facebook en twitter), workshops

66


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Juridische aspecten Huidige evolutie van inzichten in verband met klimaat en duurzaamheid. Frustratie: beleid blokkeert in plaats van stimuleert (OVAM)

Concurrentie met traditionele actoren Natuurpunt en Boerenbond hebben bijna een monopolie op de open ruimte binnen Vlaanderen. Natuurpunt en Boerenboed hebben een overgewicht aan hun eigen belang, waardoor verlies aan potentiële (innovatievere) projecten.

Burgemeesterconvenant Koolstofkringloop, duurzaamheid, ... geven dynamiek in het landschap. Actoren zijn latent voor die dynamiek

Samenwerking De samenwerking binnen sociaal-economie bedrijven kan beter. Er worden kansen gemist.

Overheidsopdrachten Domme toepassing van de wet van openbare aanbestedingen. Zwak opgestelde bestekken zorgen voor “loophole’s” in het groenbeheer, waardoor niet altijd de milieuvriendelijkste manier van beheer wordt toegepast. Bovendien kan de opdracht gewonnen worden door een organisatie, maar is deze inhoudelijk niet de beste (qua kennis van beheer, ecologie en biologie). Voorstel tot betere gunningscriteria. Beide argumenten komen de kwaliteit in de landschapszorg niet ten bate.

67


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Samenhuizen vzw 1. Identiteit Jaar van ontstaan Samenhuizen vzw is opgericht in 2000 vanuit een gemeenschappelijke interesse (huisdelen, cohousing). Het bestond destijds uit ongeveer 5 mensen, samen in een Raad van Bestuur, met als doel hun kennis bij elkaar te houden. Na verloop van tijd werden steeds meer activiteiten georganiseerd. Sinds 2011 wordt de vzw gesubsidieerd als socio-culturele beweging. Dit was het moment waarop er ook meer structuur en organisatie kwam in de werking.

Aanleiding voor ontstaan Er was – zeker in 2000 – nog weinig geweten over de mogelijkheden van cohousing. Een belangrijke bron van kennis was destijds het boek van Kathryn McCamant en Charles Durrett: Creating Cohousing: Building Sustainable Communities. De ideeën in dit boek werden door de vzw opgepikt en bediscussieerd. Het vormde tevens de trigger voor geïnteresseerden om in het buitenland op bezoek te gaan bij gerealiseerde projecten. Vandaag leeft dit geloof in het samenhuizen sterk als een antwoord op de individualistische cultuur van de Vlaming. Delen wordt in progressieve middens gezien als het nieuwe bezitten, ook wat betreft het delen van grond, een woning of een pand. Bovendien bestond en bestaat er nog steeds geen goed wettelijk kader voor cohousing. Zorgwonen is zowat de enige erkende vorm van cohousing. Samenhuizen vzw werd opgericht om de gang van zaken voor toekomstige samenhuizers te vergemakkelijken, o.a. door hen zeer goed te informeren, door burgers te sensibiliseren en door de overheid warm maken voor deze nieuwe wooncultuur.

Beknopte omschrijving van focus en werking Gemeenschappelijk wonen (huisdelen, cohousing, zorgwonen,…) bekender maken en projecten gemakkelijker realiseren. Samenhuizen vzw is de eerste lijn bij vragen. Bovendien zet Samenhuizen vzw in op het sensibiliseren van de bevolking. Een solidaire woonvorm combineert gemeenschappelijke en individuele delen. Vaak moeten hierrond vooroordelen worden weggewerkt. Samenhuizen vzw heeft bovendien een startgids opgemaakt met verschillende tips, onder andere juridisch advies. Samenhuizen vzw stimuleert een gunstiger overheidsbeleid voor diverse vormen van gemeenschappelijk wonen. Soms wordt Samenhuizen vzw door overheidsinstanties geraadpleegd voor hun expertise. Zo haalde het Steunpunt Wonen een opdracht binnen rond gemeenschappelijk wonen, met inbreng van Samenhuizen vzw.

Rechtsvorm vzw (socio-culturele beweging)

69


Samenhuizen vzw

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: Er zijn drie deeltijds betaalde werknemers, en daarnaast vele vrijwilligers. Vrijwilligers staan o.a. in de regiokernen in voor lokale netwerken, lokaal beleidswerk, administratie, lay-outwerk, sensibilisering,…

Schaal van werking Samenhuizen vzw is werkzaam in Vlaanderen en Nederlandstalig Brussel. Regiokernen werden uitgebouwd in Brugge, Gent en Mechelen. Het ontstaan van regiokernen wordt niet door de organisatie aangestuurd: ze moeten bottom-up ontstaan en groeien spontaan aan. Een regiokern probeert nieuw geïnteresseerden warm te maken door hen gerealiseerde projecten te tonen. Een kernteam van een regiokern bestaat uit ongeveer acht personen die de meerwaarde van gemeenschappelijk wonen inzien en beleidsmatig werken. Een netwerk van een regiokern bestaat uit ongeveer 15 personen, terwijl een 200-tal personen de nieuwsbrief van een regiokern ontvangt.

Inbedding in koepelorganisatie Bond Beter Leefmilieu, Netwerk Bewust Verbruiken, Vlaams Instituut voor BioEcologisch Bouwen.

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

70

- Wonen - Zorg en welzijn: Een goede, herkenbare en vriendelijke omgeving van een cohousingproject heeft met de sociale contacten een positieve invloed op het welzijn (gaat isolement en eenzaamheid tegen); - Voorzieningen: Sterk geloof in buurtwerking waar gemeenschappelijke voorzieningen worden gestimuleerd; - Energiebesparing/duurzaamheid: Duurzaam wonen en bouwen; - Draagvlakvorming: werken aan perceptie bij bevolking en sturing van overheidsbeleid; - Erfgoed: Vele locaties die geschikt zijn voor cohousing zijn vaak oude industriële panden, hoeves, scholen,… Deze zijn niet altijd interessant voor projectontwikkelaars wegens veel investeringen. Deze gebouwen zijn niet altijd beschermd. Als een hoeve beschermd is én gelegen in landbouwgebied, is het niet vanzelfsprekend daar met meerdere gezinnen te leven. Onderhandelen met het Agentschap Onroerend Erfgoed kan dit proces wel versnellen als zij inzien dat bewoning een goede manier is om een pand te behoeden voor verder verval.


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Samenhuizen vzw heeft een grote expertise en know-how in gemeenschappelijk wonen. Dit kan niet door een andere actor worden overgenomen. Samenhuizen is bovendien een onafhankelijke VZW, er is geen politieke inmenging.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Er is een beleidsplanning voor vijf jaar, en een aanvullende jaarplanning voor elk jaar met doelstellingen naar sensibilisering, vorming en netwerking.

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

Bond Beter Leefmilieu en burgers.

Andere partners

Lokale besturen (OCMW’s, kerkfabrieken, stadsontwikkelingsbedrijven), intercommunales (Samenlevingsopbouw, sociale huisvestingsmaatschappijen), Abbeyfield Vlaanderen vzw,…

Potentiële partners

Belangrijke middenveldorganisaties die ook sterk bottom-up werken met bepaalde doelgroepen (KVLK en OKRA).

Wijze van besluitvorming

Raad van Bestuur en Algemene Vergadering (inspraak van vrijwilligers) zorgen voor piramidale besluitvorming.

Leider

Voorzitter van Samenhuizen vzw is Luk Jonckheere. Hij is groepsbegeleider en van opleiding psychiater.

Boegbeeld

Geen. Wel openlijk steun van de Vlaams Bouwmeester Peter Swinnen, Vera Dua, Nic Balthazar, Herman Van Molle, Joost Vandecasteele en vele anderen wiens positieve meningen werden opgenomen in de Folder Lokaal Beleid.

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

De tussenfiguren hangen af van project tot project. Wel is er een regionale focus onder de betaalde medewerkers en heeft iedere medewerker nog zijn eigen netwerk (bv. bij instanties als Ruimte Vlaanderen).

71


Samenhuizen vzw

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Op vlak van (nieuwe) actoren zijn de Franstalige collega’s van Habitat Groupé en Symbiosis belangrijk. Bovendien is er ook een samenwerking en overlap in gelijkaardige thema’s met Community Land Trust Gent, TuinDelen en Autopia vzw.

Financiering

Het grootste deel van de financiering komt uit de basisfinanciering, voorzien door de Vlaamse overheid. Daarnaast komt er nog een kleine som geld binnen uit boekenverkoop en de jaarlijkse reis naar cohousingprojecten in Denemarken (ca. 50 deelnemers).

Communicatie

Er is een nieuwsbrief voor geïnteresseerden. Verder wordt er gecommuniceerd via facebookpagina’s en de website. Het is voornamelijk de Open Dag die in lokale media wordt opgepikt.

4. Belangrijkste aandachtspunten/knelpunten

Juridisch statuut Blijven inzetten op het statuut van samenhuizers. Voor veel mensen is samenhuizen financieel nog te precair. Een officieel erkend statuut als samenhuurder zou hier verandering in kunnen brengen. Samenhuizen blijft zo bovendien zitten in het hoekje van een privilege voor de (betere) middenklasse Samenhuizen zou moeten gestimuleerd worden in plaats van ontmoedigd. Zeker voor mensen die een grotere kans maken om sociaal geïsoleerd te raken.

Cohousing toegang doen vinden in de sociale huisvesting Een zeer moeilijk traject aangezien sociale huisvesting werkt met een wachtlijst en toewijzingen. Om een sociaal cohousing-project op te starten, zou er een heel lang voortraject moeten mogelijk zijn om een bewonersgroep te leren kennen en samen te stellen.

Regelgeving Er moet een algemeen kader en definitie komen van samenhuizen in de Vlaamse wooncode. Samenhuizen streeft naar een houvast voor lokale besturen in het gemeenschappelijk wonen. Vandaag is er veel onduidelijkheid wegens het ontbreken van een duidelijke regelgeving. Vandaag komt samenhuizen nog te weinig naar voren in de ambitie van de regering.

72


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Continuïteit Er ligt weinig vast over de doelen op lang termijn. Waar wil Samenhuizen vzw naartoe? Een eigen en grotere bron van inkomsten is zo een belangrijk aandachtspunt.

Naambekendheid Naambekendheid en communicatie is een aandachtspunt. Samenhuizen mag zijn werking gerust wat beter en meer ‘in the picture’ zetten. Men is misschien nog wat te terughoudend. Als socio-culturele beweging is het belangrijk dat mensen weten waar ze terecht kunnen met vragen over cohousing in Vlaanderen en Nederlandstalig Brussel.

73


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Stadsboerderij Kortrijk 1. Identiteit Jaar van ontstaan De coöperatieve Stadsboerderij Kortrijk bestaat sinds maart 2014. Een concrete aanleiding voor het ontstaan is er niet. Enige tijd geleden werd er door de trekker, met Europese middelen, een blauwdruk uitgeschreven over de boerderij van de toekomst. Het zijn deze ideeën die ook de basis vormen voor de activiteiten die nu en in de toekomst plaatsvinden op de boerderij in Bissegem. Na het uitschrijven van de blauwdruk werden mensen gezocht die enthousiast zouden zijn om in een dergelijk verhaal mee te stappen in het Kortrijkse. Dit waren uiteindelijk een tiental personen. Hierna begon de zoektocht naar een gepaste site voor een stadsboerderij. In eerste instantie vond men een boerderij aan de rand van de stad. Op het laatste moment bleek deze site niet te kunnen dienen door projectontwikkeling. Na deze teleurstelling kwam men terecht in een oude garage die tijdelijk gebruikt kon worden in het stadscentrum. De aandacht verschoof hierdoor van de productie van biologisch geteelde groenten en fruit naar de distributie ervan. De wens om zelf te produceren en landbouw te verbinden met andere functies (recreatie, culturele evenementen, een zomerbar voor de buurt, natuurbehoud, kinderopvang, onderwijs,…) bleef bestaan. Deze wens is voorlopig uitgekomen in de vorm van de oude Hoeve Armengoed.

Aanleiding voor ontstaan De aanleiding was samengevat een intrinsieke motivatie van de oprichters van de stadsboerderij. De gedeelde mening was dat er een hoge nood was aan een dergelijk project, en dat de landbouw en de open ruimte in het algemeen opnieuw hun maatschappelijk belang en hun zichtbaarheid moeten bewijzen.

Beknopte omschrijving van focus en werking De kerntaak is vandaag de verkoop van groenten, fruit en allerhande van biologische oorsprong. Daarnaast is er nog een belangrijke component: de beleving van een verhaal dat werd geconstrueerd door de Stadsboerderij Kortrijk. Niet enkel wordt gefocust op de vele voordelen van biologisch geteelde groenten en fruit (korte keten e.a.), ook sensibilisering, recreatie in de vorm van onder meer ezeltochten en het stimuleren van sociale interactie (bv. de zomerbar) komen te pas. In de toekomst zal meer worden ingezet op de productie van voedsel op de boerderij in plaats van loutere distributie. Verder mag de nadruk nog meer komen te liggen op sensibilisering (bv. in de vorm van zelfpluktuinen).

75


Stadsboerderij Kortrijk

Rechtsvorm Stadsboerderij is een coöperatieve (winkel en landbouwactiviteit). De coöperatie is een geschikte vorm: mensen kunnen kapitaal investeren om projecten te realiseren in cocreatie met de overheid en particulieren. Zomerbar en andere zaken zijn verenigd als een vzw.

Institutionele partners (oprichtende partners) Geen institutionele partners. Dit was een bewuste keuze. De initiatiefnemers wilden enkel geëngageerde en verantwoordelijke particulieren, ondanks de interesse van actoren zoals Velt en Wereldwinkel. Het was vanaf het begin duidelijk dat men ervoor koos om programma’s en agenda’s van partnerorganisaties niet de werking van de stadsboerderij te laten beïnvloeden. Na de oprichting zijn er wel een aantal organisaties aandeelhouder geworden zo bv. het nabijgelegen jeugdverblijfcentrum De Warande, Oxfam Wereldwinkel, Natuurpunt. Zij hebben vaak een aandeel, maar zijn niet structureel betrokken bij de werking. Vanya Verschoore geeft toe dat veel van de oprichters lid of voorzitter zijn van middenveldorganisaties. Toch was het een bewuste keuze de coöperatieve niet op te richten onder de vleugels van bv. Natuurpunt.

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: De CVBA werkt zonder subsidies. Vanya Verschoore werkt als zelfstandige in het project en krijgt zodanig een loon uitbetaald. Daarbuiten is er nog één deeltijds betaalde werkkracht. De stadsboerderij kan gelukkig teren op veel vrijwilligers. Achtergrond van de medewerkers: Vanya Verschoore is van opleiding maatschappelijk assistent en biolandbouwer. Hij werkte voordien als opvoeder.

Schaal van werking Bovengemeentelijk (Kortrijk en randgemeenten)

Inbedding in koepelorganisatie Stadsboerderij Kortrijk is lid van Coopkracht, een organisatie van coöperatief organiseren, en Unizo omwille van de voordelen. Voorts is men ook lid van Bioforum in zoverre dat kan tellen als een koepelorganisatie. Vanya Verschoore haalt aan dat deze laatste organisatie niet echt een meerwaarde betekent: ze ontvangen enkel een nieuwsbrief en bij specifieke vragen of problemen kan men er terecht.

76


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

77

Beperkte voedselproductie in harmonie met de natuur, een netwerk voor voedseldistributie via een webwinkel en fietskoerierdienst, een zomerbar, en ezeltochten en andere recreatieve mogelijkhedenw - Korte ketenlandbouw - Gezondheid: sterke bewustwording over wat voedsel doet met ons lichaam en onze geest. Men durft kritische vragen te stellen. Is bio gezonder? Is vegetarisme gezonder? Bij bezoeken van groepen (scholen, bedrijven,…) op de boerderij worden deze zaken aangehaald. Het gezondheidsparadigma gaat verder dan gezond eten, ook een gezonde leefomgeving waar natuur en landbouw niet tegengesteld zijn aan elkaar maar elkaar kunnen versterken, maakt hier deel van uit. - Educatie en sensibilisering: zie het vorige punt. - Landbouw en natuur: Zie ook ‘Gezondheid’. Op de site is er een sterk partnerschap met Natuurpunt dat eigenaar is van verschillende natuurgronden rondom de boerderij. Er worden nu pogingen ondernomen om samen te lobbyen bij de Stad Kortrijk om in de toekomst het totaalproject van de Klimaathoeve te kunnen realiseren onder het overkoepelende thema van duurzaamheid. - Landschapsbeheer: De nadruk ligt op de integrale werking. De grootte van de site rondom de boerderij is 10 hectare. Een deel is bestemd voor woningbouw, een deel voor natuur en de rest voor landbouw. Het zou al te gemakkelijk zijn deze drie domeinen los van elkaar te realiseren. Het is interessanter een totaalvisie te creëren waarbij duurzaamheid centraal staat en er verwevenheid is. De lokale afdeling van Natuurpunt is bereid gronden ter beschikking te stellen om aan verantwoorde landbouw te doen. - Erfgoedbeheer: De hoeve Armengoed werd vroeger gebruikt door geestelijken om eten te voorzien voor de omliggende ziekenhuizen. Het goed heeft dus steeds een belangrijke maatschappelijke relevantie gehad. De stadsboerderij zet deze traditie verder en is m.a.w. de beste manier om de dynamiek en het erfgoed van het gebouw en de site te bewaren. Zij blazen het historisch erfgoed nieuw leven in.


Stadsboerderij Kortrijk

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

In Vlaanderen is deze hoeve een innovatief in vergelijking met de vastgeroeste traditie van het ‘in hokjes denken’. In vergelijking met het buitenland is de stadsboerderij al minder vernieuwend. In Vlaanderen wordt een dergelijk initiatief nog vaak scheef bekeken door de klassieke landbouw en door natuurorganisaties. In die zin zijn zij vandaag in Vlaanderen innovatief. Een ander aspect is dat zij beleidsdomeinoverschrijdend te werk gaan wat de heilige muurtjes tussen de bevoegde schepenen probeert te slopen. Beleidsdomeinoverschrijdend werken wordt niet geapprecieerd terwijl dit wel de sterkte van het project is. Het pleidooi voor verweving en het beleidsdomeinoverschrijdend werken maakt van Stadsboerderij Kortrijk een innovatieve actor. Haar rol wordt het best vervuld vanuit een coöperatieve en niet vanuit de overheid of klassieke middenveldorganisaties die er hun eigen invulling aan willen geven. Dit sluit niet uit dat beide een faciliterende rol kunnen spelen in dit verhaal - bv. op het gebied van toegang tot grond. Bovendien is de groep rond de stadsboerderij zeer gedreven, zij kijken niet op hun uren. Dit kan ook een reden zijn om te zeggen dat de rol niet zomaar kan worden overgenomen door een andere actor.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

78

Er is een duidelijke visie en die luidt als volgt: “Stadsboerderij Kortrijk verbindt boer en burger, stad en platteland.” Er werd een visie en een missie uitgewerkt als een groter verhaal. Het doel is te werken aan een sociale en duurzame regio die een transitie op gang kan brengen rond duurzaamheid, sociaal en creatief ondernemerschap. Het doel op korte termijn bestaat erin boer en burger dichter bij elkaar te brengen door middel van het verkopen van biologische groenten en fruit van boeren uit de regio, en hier een community rond te bouwen. Dit wil niet zeggen dat er niet verschillende initiatieven kunnen worden opgestart om deze visie te verwezenlijken. De hoofddoelstelling vandaag is meer te kunnen verkopen. Soms worden er wel initiatieven opgezet vanuit de persoonlijke achtergronden waar de boerderij een rol in speelt. Vanya Verschoore is zelf sterk betrokken bij de vluchtelingencrisis in Calais. Onlangs konden mensen uit de buurt materiaal verzamelen om de vluchtelingen te helpen. De infrastructuur van de boerderij deed dan dienst als opslagruimte hiervan. Soms worden in de gebouwen van de boerderij vergaderingen belegd van Hart boven Hard. Als sociaal-activistische coöperatieve is het mogelijk hierop in te spelen. De Stadsboerderij verbindt zich echter tot geen enkele politieke partij, toch vinden ze zelf dat ze een politieke rol spelen.


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

Stad Kortrijk en OCMW. Zij bieden kansen of nemen kansen weg voor dit project.

Andere partners

In verband met de verkoop zijn particulieren en bedrijven heel belangrijk.

Potentiële partners

Graag ook projectontwikkelaars met een visie op de ontwikkeling van de open ruimte.

Wijze van besluitvorming

De coöperatieve wordt gestuurd vanuit de Algemene Vergadering (alle 100 coöperanten – grote lijnen). Buiten de AV is er een Raad van Bestuur (5 belangrijkste personen waaronder Vanya – lijnen vastleggen en besturen in consensus (!)). Dagelijks bestuur van het project gebeurt in onderling overleg met de werknemers. Vanya werkt dan overkoepelend als manusje-van-alles.

Leider

Vanya Verschoore is de leider en trekker van het project. Hij is particulier. Vanya studeerde biologische landbouw aan het opleidingscentrum De Landwijzer. Daarnaast is de stadsboerderij simpelweg ontstaan uit zijn kritische geest. Het feit dat hij ook trekker is van het cohousingproject ‘Cohousing Kortrijk’ zegt veel.

Boegbeeld

Geen. Zou wel kunnen interessant zijn naar marketing.

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

De leden van de Raad van Bestuur vormen de tussenfiguren. Vanya beschikt zelf over het grootste netwerk, meestal gaat het dan ook zo dat hij de andere leden inleidt bij een actor en ze dan hun gang mogen gaan. Vanya heeft ook al gemerkt dat hij zichzelf vaak ideologisch iets te onbuigbaar opstelt, de andere leden van de Raad van Bestuur zijn betere tussenfiguren want diplomatieker.

79


Stadsboerderij Kortrijk

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Geen structurele samenwerkingen. Er wordt zelden vergaderd met soortgelijke initiatieven omdat de coöperatieve niet toelaat te palaveren. Er moet gewerkt worden. Er zijn een aantal nieuwe actoren in Kortrijk waarmee wordt samengewerkt. Zo bv. De Stuiverij, Bolwerk vzw,… Vaak nemen zij dan groenten af van de boerderij. Met klassieke middenveldorganisaties zijn de banden wat formeler, zij zijn vaak wat stugger, minder jong en minder flexibel.

Financiering

De financiering van de coöperatieve (dus niet de vzw) komt puur uit verkoop. Er was een startkapitaal door de aankoop van aandelen ter waarde van 40.000 euro. Er loopt ook nog een lening 35.000 euro. De drie inkomstenbronnen zijn te weinig op dit moment, er moet meer verkocht worden.

Communicatie Doelgroep

Buiten de nieuwsbrief en sociale media wordt er ook regelmatig gesproken op spreekavonden. De belangrijkste (en meer subtiele) communicatiebron is de boerderij zelf en de rondleidingen die erop worden gegeven.

Middelen

Opvallend is dat er nergens wordt gecommuniceerd dat de producten 100 procent bio zijn (wat wel het geval is). Veel mensen haken af bij het woord ‘bio’, zonder ooit de kwaliteit te hebben geproefd. Deze niet-communicatie moet de doelgroep ruimer maken dan de rijke, bewuste middenklasse. Er zijn nog veel vooroordelen te overwinnen.

80


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

4. Belangrijkste aandachtspunten/knelpunten Continuiteit Een ruimere verankering. Moest er een belangrijke institutionele partner of een groot bedrijf in de sociale economie zijn waar de stadsboerderij haar karretje kan aanhangen, dan zou dit meer financiële zekerheid geven. Voor veel mensen gaat dit financiële engagement dan ook te ver. De stadsboerderij bestaat gelukkig uit koppige mensen die doorzetten.

Financiering De kapitaalsbasis was in het begin te klein, dit laat zich nu nog voelen. Eigenlijk heb je meer financiële zuurstof nodig in een project zoals dit om creativiteit en innovatie ten volle te laten spelen. Schaarste van middelen leidt te vaak tot een angstcultuur. Alleszins moet de verkoop stijgen, wil men dit blijven volhouden.

Politieke cultuur Een pleidooi voor beleidsdomeinoverschrijdend initiatief moet aangemoedigd worden bij de Stad Kortrijk. Al te vaak wordt men nu doorgestuurd van de ene stadsdienst naar de andere om iets te kunnen realiseren met het argument dat het project niet duidelijk in één hokje te vatten is. Bovendien is het moeilijk werken op lange termijn als een politiek project wisselt om de 5 jaar. Het grotere verhaal van duurzaamheid moet ook een kans krijgen in het beleid en het politiek beslissen. Een schepen die voor 5 jaar een mandaat krijgt moet kunnen lef tonen, al te vaak wordt er gekozen voor veilige oplossingen (bv. volkstuintjes).

Innovatie Basissubsidiëring voor nieuwe innovatieve actoren en projecten zou handig zijn. Er moet ruimte zijn om te experimenteren. Innovatie wordt te weinig ondersteund in Vlaanderen. De creativiteit zit meestal niet bij de overheid dus moet de overheid die creativiteit erkennen buiten het eigen domein en hier subsidies voor geven. De verwachting naar de overheid is dat ze dit stadslabo ondersteunt en zijn bestaan verzekert.

Draagvlakvorming De vooroordelen van klassieke landbouwers en overheden verhinderen om stappen vooruit te zetten. De Boerenbond zou in de ban moeten zijn van innovatie, toch vertegenwoordigen zij de oude cutuur. Hier komt nog bij dat minister Schauvlieghe (CD&V) sterk gelinkt is aan de Boerenbond wat maakt dat er weinig zuurstof is voor landbouw die het over een heel andere boeg gooit. Hier is geen budget voor, ondanks het feit dat het budget voor landbouw niet klein is. De argwaan van landbouwers richt zich in de eerste plaats op het feit dat natuur niet langer wordt gezien als de vijand. Ook de keuze voor bio zorgt voor veel tegenkanting. De publieke opinie zit tegen terwijl iedereen het recht heeft een coöperatieve zelf op te richten en in zijn eigen geld te voorzien.

Toegang tot grond en gebouwen Dit is een struikelblok. Grond en gebouwen zijn zeer duur, wat resulteert in een grote afhankelijkheid van de eigenaars. Dit is ook een constante zoektocht naar steun bij overheden en andere mecenassen.

81


© Provincie Vlaams-Brabant


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Bevraging en analyse nieuwe actoren

Steunpunt Groene Zorg 1. Identiteit Jaar van ontstaan Het Steunpunt Groene Zorg werd op 1 februari 2004 opgericht.

Aanleiding voor ontstaan Voorafgaand aan 2004 analyseerde een onderzoeksproject hoe het werkveld rond zorgboerderijen in elkaar zat, zowel vanuit de landbouw als vanuit welzijn. Daaruit kwam enerzijds de nood aan een steunpunt naar voren en anderzijds de nood aan een wettelijk kader voor boeren. In deze context werd het Steunpunt Groene Zorg opgericht om informatie te geven aan zowel de landbouw- als de welzijnssector. Daarnaast werd eind 2005 een subsidie vanuit de landbouwsector voor zorgboeren ingesteld en legde een Besluit van de Vlaamse Regering een wettelijk kader voor zorgboerderijen vast. Dit alles paste in de verbredingsgedachte van het toenmalige Europees landbouwbeleid en in de tendens tot vermaatschappelijking die bezig was binnen de zorgsector.

Beknopte omschrijving van focus en werking Het steunpunt biedt informatie aan zowel landbouwers als welzijnsvoorzieningen. Daarnaast screenen ze nieuwe zorgboeren zodat ze een profiel kunnen opmaken van wat voor werk er ter beschikking is, wat voor personen het zijn en waarvoor ze al dan niet open staan. Op deze manier kunnen ze zorgboeren matchen met de juiste zorgvragen, een taak waar het grootste deel van hun tijd naar toe gaat. Deze zorgvragers komen steeds via een zorgvoorziening (CLB, psychiatrie, begeleider, thuiszorg,â&#x20AC;Ś) bij het steunpunt terecht. Door de matching van boer en zorgvrager op zich te nemen, wil het steunpunt de kwaliteit van en voor zorgboerderijen garaderen en vormen zij daarnaast een tussenpersoon tussen de welzijns- en landbouwsector. Verder biedt het steunpunt ook vorming voor de zorgboeren aan, infosessies voor de welzijnssector en verrichten zij onderzoekswerk. Door het toenemende aantal zorgboerderijen lag de focus de laatste jaren ook op het digitaliseren en professionaliseren van de werking binnen de vzw. Wie zijn de zorgboeren? De zorgboeren zijn voor 75% subsidiabele boeren (zij voldoen aan de definitie van landbouwer, zij produceren voldoende) uit de land- of tuinbouw. De overige 25% bestaat uit andere groene omgevingen die niet voldoen aan landbouw in de strikte zin zoals maneges, gepensioneerde boeren, kinderboerderijen, tuinaanleggers en anderen. Wie zijn de zorgvragers? Zorgvragers zijn erg divers: zowel volwassenen met een psychiatrische problematiek (20%), mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke handicap (25%), als jongeren met problemen op school, thuis of in de instelling waar ze verblijven (50%), maar ook ouderen (2%) en mensen in kansarmoede (3%).

83


Steunpunt Groene Zorg

Rechtsvorm Vzw

Institutionele partners (oprichtende partners) Het steunpunt werd opgericht door Cera, Boerenbond en Ons (toen nog Groep KVLV).

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: De vzw heeft vijf vergoede medewerkers over heel Vlaanderen. Oorspronkelijk werkte men met twee medewerkers vanuit Leuven waarbij één iemand focuste op welzijn en de andere op landbouw. Vandaag is er één aanspreekpunt per provincie die instaat voor zowel de welzijns- als de landbouwsector. Achtergrond van de medewerkers: Ze hebben een achtergrond in sociaal werk, pedagogie of een bachelor in de landbouw.

Schaal van werking De schaal van de werking is Vlaams met een aanspreekpunt per provincie en de hoofdzetel in Leuven. Hierbij is er een gemeenschappelijk aanspreekpunt voor VlaamsBrabant en Limburg.

Inbedding in koepelorganisatie Nee.

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

Het steunpunt werkt voornamelijk rond zorgboerderijen waardoor ze zich vooral toeleggen op het thema landbouw als activerende zorg en de vermaatschappelijking van de zorg.

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Nee. Steunpunt Groene Zorg is de enige organisatie in Vlaanderen die zich hierop toelegt. Ze hebben geen concurrentie of zusterorganisaties. Er zijn enkel een aantal onderzoeksinstellingen.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

De vzw beschikt over voldoende concrete visie om de richting van de dagelijkse werking te bepalen. Zij zijn m.a.w. niet afhankelijk van andere initiatiefnemers. Ze nemen steeds een ondersteunende rol op zich en laten ondernemers ondernemer zijn. Wanneer er interessante initiatieven zijn, zullen zij wel steeds voor de nodige informatie en ondersteuning zorgen.

84


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

De hoofdpartners zijn de zorginstellingen en de zorgboeren voor de basiswerking.

Andere partners

Op beleidsmatig niveau zijn dit het departement landbouw en het departement welzijn en het departement onderwijs, koepelorganisaties (landbouw en welzijn)

Potentiële partners

Momenteel is het Steunpunt Groene Zorg in gesprek via VVSG om mogelijke samenwerking met OCMW’s te onderzoeken

Wijze van besluitvorming

Voorstellen worden meestal door de medewerkers voorgelegd. Zij komen elke maand samen voor een werkoverleg. De uiteindelijke beslissingen worden dan genomen door de raad van bestuur op voorzet van de medewerkers.

Leider

De voorzitter van de raad van bestuur is Joris Van Olmen. Hij maakt deel uit van Boerenbond.

Boegbeeld

Geen.

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Eén van de medewerkers verzorgt de algemene werking van het steunpunt. Hij staat zo ook in voor het onderhouden van relaties. Maar meestal gebeurt overleg met derden met minimum twee medewerkers.

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Geen samenwerking met nieuwe actoren. Wel gaat de vzw afhankelijk van het thema telkens opzoek naar een expert of partner ter zake.

Financiering

Het steunpunt kan rekenen op een toelage provinciale werking vanuit het departement landbouw in elke provincie. Daarnaast krijgen zij steun van de Vlaamse overheid voor algemene werking vanuit het departement welzijn. Wanneer ze niet rondkomen, past de Boerenbond het overige bij.

85


Steunpunt Groene Zorg

Communicatie Doelgroep

De doelgroep bestaat zowel uit de landbouw- als de welzijnssector.

Middelen

Communicatie gebeurt via website, brochures en nieuwsbrieven. Verder is het steunpunt ook aanwezig op beurzen en werken ze mee aan studiedagen.

4. Belangrijkste aandachtspunten/knelpunten Financiering Steunpunt Groene Zorg Aangezien het steunpunt de enige organisatie is die inzet op zorg in de groene omgeving, heeft de vzw nood aan budget om te kunnen groeien. Het aantal zorgboerderijen is de laatste jaren enorm toegenomen (van 46 zorgboerderijen in 2003, naar 807 eind 2014). De groei van het steunpunt wordt echter tegengehouden door haar beperkte budget. Wanneer er geen extra middelen vrijgemaakt worden, zal de limiet van het aantal zorgboerderijen en matchingsdossiers die de vzw kan ondersteunen bereikt zijn.

Financiering zorgboerderijen De financiering gebeurt nu enkel vanuit de landbouwsector. Die is daarbij ook beperkt in vergelijking met bijvoorbeeld zorgboeren in Nederland. Enerzijds is het concept interessant voor de boeren waarvan de bedrijfsvoering primeert en de zorgboerderij een nevenactiviteit is, zonder extra investeringen. Anderzijds is de vergoeding erg laag wat het financieel niet erg aantrekkelijk maakt om er een volwaardige neventak van te maken. Daarnaast zijn zorginstellingen erg positief over het concept, maar dragen zij vandaag niet bij tot de financiering van zorgboerderijen. Daarom vallen zorgboeren die niet aan de definitie van landbouwer voldoen (bijvoorbeeld manege of kinderboerderij) ook uit de boot voor een subsidie of vergoeding. Er zijn heel zeker bedrijven, die meer willen inzetten op zorg, maar omwille van het ontbreken van middelen per geproduceerde “zorg voor de gast”, lukt dit niet. Daarnaast maakt ook onderwijs gebruik van zorgboerderijen als een time-out project. Toch ontvangen zij hier geen subsidies voor, hoewel andere ‘time-out organisaties’ deze wel krijgen.

Concept De kleinschaligheid en de één op één aanpak zijn een succesformule voor de begeleiding van deze kwetsbare groepen. Daarnaast past het concept perfect in de vermaatschappelijking van de zorg en biedt het een antwoord aan de grote nood aan opvang in de zorgsector. Onderzoek bewees reeds meermaals dat activerende zorg in een groene omgeving werkt.

86


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Erkenning Het steunpunt wordt wel degelijk erkend door vele actoren. Ze worden gehoord, maar missen een statuut. Ze trachten de kwaliteit voor zorg in de groene omgeving te garanderen. Toch zijn zorgboeren en zorgvragers niet verplicht het steunpunt te raadplegen. Hoe kan zo de kwaliteit van dergelijke projecten gegarandeerd worden?

Grenzen Het steunpunt stelt dat het concept zeker kansen biedt. Er is nog veel groene ruimte die ingezet kan worden voor groene zorg waarbij de beleving centraal staat. Anderzijds is het zoeken naar een balans tussen boeren die er een extra zorgfunctie bijnemen tegenover ondernemers die zich hierop gaan focussen (zoals reeds in Nederland gebeurd). Wie mag in de open ruimte ondernemen? Waar liggen de grenzen? Verder biedt het systeem ook een kans om meer zekerheid te creëren voor landbouwers, waar vandaag grote nood aan is. Het blijft ook moeilijk omdat het steeds over sectoroverschrijdende projecten gaat. Zo zijn er vandaag boeren die verder willen gaan. Ideeën gaan dan meer in de richting van kortopvang, een dagcentrum in de groene, open ruimte of woon-zorgboerderijen. Dat is vandaag nog niet mogelijk door de sectorale scheiding. Zo dienen woon-zorgboerderijen nu steeds privaat georganiseerd en gefinancierd te worden. Daartegenover staat dat het ook onmogelijk is dat elk landbouwbedrijf zomaar een zorginstelling kan worden. Het steunpunt tracht vandaag de grenzen zowel inhoudelijk als ruimtelijk af te tasten van groene zorg.

87


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Bevraging en analyse nieuwe actoren

Trage Wegen 1. Identiteit Jaar van ontstaan 2002

Aanleiding voor ontstaan Trage Wegen vzw is gegroeid uit verschillende verenigingen. Zowat gelijktijdig stelden verschillende actoren in het middenveld (wandel-, natuur- en jeugdbewegingen) vast dat te veel trage wegen verloren gingen. Ze sloegen de handen in elkaar en richtten een nieuwe organisatie op om het tij te keren. Trage Wegen vzw is sindsdien de megafoon voor de vraag van deze verenigingen, die allemaal lid geworden zijn.

Beknopte omschrijving van focus en werking Het behoud, herstel en multifunctioneel ontwikkelen van trage wegen in Vlaanderen en Brussel. - Behoud/herstel: verdwijnen van de trage wegen tegengaan, oude wegen terug nuttig maken. - Multifunctioneel ontwikkelen: missing links oplossen, zoals nieuwe trage wegen ontwikkelen waar nooit wegen hebben gelegen. Wanneer een nieuwe woonwijk wordt gepland, worden de wegen geanalyseerd en onderzocht welke woonblokken doorsteekbaar zijn. Het combineren van de landbouwontsluitende functie met economische functies, zoals hoeveverkoop. Een trage weg is meer dan een weg: een sociale functie, verblijfsfunctie, recreatieve functie (ruiters, fietsers,...) Participatieprocessen met burgers, leden, verenigingen, ... Dag van de Trage Weg Rechtstreekse samenwerking met lokale besturen (wegen digitaliseren) en met Vlaamse Landmaatschappij (als studiebureau).

Rechtsvorm Vzw

Institutionele partners (oprichtende partners) Twintig verenigingen waaronder Natuurpunt, Scouts & Gidsen Vlaanderen VZW, Bond Beter Leefmilieu, verschillende recreatie- en sportverenigingen.

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: Binnen de vzw Trage wegen zijn er 10 medewerkers, waarvan 6,5 VTE. (In Vlaanderen zijn er verschillende openbare diensten die tragewegen-ambtenaren aanstellen, medewerkers in de regionale landschappen, ...)

89


Trage Wegen

Achtergrond van de medewerkers: Binnen de vzw Trage Wegen hebben alle medewerkers een universitaire opleiding genoten (multidisciplinaire mix van geoloog, socioloog, landschapsarchitect, ingenieurs, bioloog, licentiaat geschiedenis en kunstgeschiedenis, ruimtelijke planner en moraalwetenschapper).

Schaal van werking Op Vlaams en Brussels niveau, zowel stedelijk als ruraal.

Inbedding in koepelorganisatie Bond Beter Leefmilieu, Herita, Publieke Ruimte Partner, Netwerk Duurzame Mobiliteit

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

Mobiliteit, recreatie, natuur, landbouw, publieke ruimte, landschapsbeheer, landschapsontwerp, energie, landschap als onderlaag

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Ja, Trage Wegen vzw is een platform dat een open-source aanpak hanteert door het maken van modellen die worden gedeeld met alle belangengroepen. De open-source aanpak heeft als gevolg dat de eigen praktijken kopieerbaar worden. De vzw heeft een voortrekkersrol. Wanneer enkele praktijken ‘mainstream’ worden, zijn er meerdere diensten die dit graag willen gebruiken in hun dagelijkse werking of projecten. Veel actoren zijn (semi-)institutionele organisaties en vervullen een lichtjes andere rol in plaats van Trage Wegen die een belangenrol vervult en een juridische bescherming voorziet voor trage wegen. (bv. Een regionaal landschap kan niet tegen de haren van het beleid strijken, wanneer de medewerker zelf lid is van de raad van bestuur.)

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Trage wegen vzw is een gewestelijke thematische vereniging. Enerzijds hanteren ze een top-down aanpak doordat de toekomstvisie op basis van strategische keuzes wordt vastgelegd via een decreet. Anderzijds een bottom-up aanpak door lokale initiatieven te stimuleren.

90


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

ABLLO VZW, AKTIVIA, ATB De Natuurvrienden, Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, BOS+, Buurtwegen Groot Lebbeke, De Bron VZW, De Sterrestapppers, De Torenvalk, De trage weg Neerpelt, Durme VZW, Grote Routepaden VZW, Heemkring Amalia van Solms, Heemkunde Vlaanderen VZW, Houtlandse Milieuvereniging VZW, Interessegroep Natuur VZW, Jeugdbond voor Natuur en Milieu VZW, Johanna.be, Koninklijke verenging Natura Limburg VZW, Milieufront Omer Watez VZW, Natuurpunt, Natuurpunt Denderstreek (Kern Affligem-Liedekerke), Natuurpunt Oost-Brabant VZW, Ons Streven VZW, Pasar VZW, Pro Natura Netwerk, Regionaal Landschap Grote en Kleine Nete VZW, Regionaal Landschap Kempen en Maasland VZW, Regionaal Landschap Lage Kempen VZW, Regionaal Landschap Meetjesland VZW, Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen VZW, Regionaal Landschap Zennen, Zuun en Zoniën VZW, Ronsers-trekking. be, Ruiterclub Rodeberg, Scouts & Gidsen Vlaanderen VZW, Trage wegen Destelbergen, Trekkersgroep Schampavie VZW, Vlaams Compostelagenootschap VZW, Vlaamse Wandelfederatie, Voetgangersbeweging VZW, Weg... Weg... Wegen, Werkgroep Trage Wegen Kapelle-Op-DenBos, Werkgroep Trage Wegen Merelbeke, West-Vlaamse Milieufederatie VZW

Andere partners

Hangt af van de thematiek, toegetreden leden en/of steunende leden.

Potentiële partners

VLM

Wijze van besluitvorming

Piramidaal. Algemeen bestuur en Raad van Bestuur

91


Trage Wegen

Leider

Andy Vandevyvere is sinds 2007 algemeen coördinator van Trage Wegen vzw. Andy Vandevyvere is socioloog met een aanvullende opleiding ‘Ville et Conflits’ in Straatsburg (2000-2001, relatie mens-omgeving). Hij werkte voor de Task Force Duurzame Ontwikkeling van het Federaal Planbureau, coördineerde een vrijwilligersproject in IJsland en deed onderzoek aan de ULB. Bij Trage Wegen vzw is hij verantwoordelijk voor het zakelijke en financiële beheer. Steven Clays is inhoudelijk coördinator, beleidsverantwoordelijke en een van de juridische specialisten. Steven Clays is hydrogeoloog met een rijke achtergrond in het verenigingsleven (oud-bondsvoorzitter van JNM), het onderzoek (Universiteit Gent, Haskoning België) en bij een NGO.

Boegbeeld

Afhankelijk van project. Trekker van een lokaal initiatief (schepen, milieuambtenaar, gedeputeerde, …)

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Elke medewerker van de VZW, afhankelijk van de affiniteit met beleid, project,...

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Nationaal Park Hoge Kempen, Stilte, Harelbeke VZW, Peerby,...

Financiering

Basissubsidie als gewestelijk thematische vereniging Studieopdrachten voor gemeenten Projectgebonden subsidies van de provincies Steunende leden

Communicatie Doelgroep

Leden, partners, openbare diensten

Middelen

Website, facebook, projectsite, maandelijkse nieuwsbrief (4000 abonnees), Dag van de Trage Wegen

92


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

4. Belangrijkste aandachtspunten/knelpunten Koppeling met toekomstvisie Trage wegen is ontstaan vanuit een behoudsgezinde reflex, de trage wegen waren aan het verdwijnen en dit blijft in eerste instantie ook het hoofddoel. Nu is er de tendens om ook het ontwikkelingsmodel in te schakelen: missing links oplossen, een ontwerp dient landschappelijk ingepast worden o.b.v. soort materiaal, breedte, verbinding, zichten en uitsluitend voor trage weggebruikers.

Context Meer dan een weg alleen, een weg in zijn omgeving. Huidige en nieuwe trage wegen dienen worden bekeken in een brede context. De kijk op een trage weg verschilt naargelang men in de stad, de randstad of het ruraal gebied is. De landschappelijke onderlaag van een trage weg is via deze kijk verbonden aan de inrichting, het beheer en de samenwerking met de potentiële actoren in het gebied.

Verbreding De zoektocht naar nieuwe mate van betrokkenheid. Een nieuwe vorm van participatie om een andere doelgroep te bereiken, nl. de blinden. De vraag hierin is hoe we blinden kunnen betrekken bij het participatieproces (bv: met blinden gaan wandelen op trage wegen).

Naambekendheid Bekendmaking, uitstraling van de vzw en trage wegen in het algemeen. De mensen informeren waar alle trage wegen liggen (in hun buurt,... ). De huisstijl van de vzw, één uniforme huisstijl voor alle projecten, nieuwsbrieven, elektronische middelen.

Werking De vzw wilt blijvende inspraak hebben in het huidig beleid. De digitalisatie van alle trage wegen in Vlaanderen en Brussel. middelen vrijgemaakt worden, zal de limiet van het aantal zorgboerderijen en matchingsdossiers die de vzw kan ondersteunen bereikt zijn.

93


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Voedselteams 1. Identiteit Jaar van ontstaan Voedselteams ontstond in 1996 als experiment. In 2001 werd het een vzw. 2001 was ook de start van de zoektocht naar erkenning als zelfstandige organisatie, los van het moederhuis ‘Vredeseilanden’. 2001 markeerde ook een groei naar een tiental Voedselteamgroepen in de regio rond Leuven. Nadien volgden Limburg en de steden Antwerpen en Gent. De laatste vijf jaar is Voedselteams enorm gegroeid (vandaag 165 lokale groepen). Er komen zo’n tien groepen per jaar bij.

Aanleiding voor ontstaan Het aanvoelen van een gebrek aan een nieuwe blik op het louter economische landbouwbedrijf. Bij Vredeseilanden ondervond men ondervond dat dezelfde marktmechanismen zich voordeden in Noord en Zuid. Niet enkel de boeren zijn het slachtoffer van de voedingseconomie, ook de consumenten zijn dat. Voedselteams ontstond uit deze verontwaardiging. Het heeft steeds tot doel gehad concrete actie te ondernemen tegen al te evidente (geglobaliseerde) marktrelaties die de lokale markt doen lijden. Een actor die zich specifiek bezighield met een actief herstel van de korte keten (en ontstaan was uit een N-Z-beweging), ontbrak destijds in Vlaanderen. Je had een tiental jaar geleden wel al hoeveverkopers, lokale markten en seizoensverkopers langs de steenwegen, maar een moderner verhaal ontbrak. Voedselteams heeft dit hiaat (een alternatief discours op de overheersende landbouweconomie) (toen) gedeeltelijk opgevangen.

Beknopte omschrijving van focus en werking De focus ligt op korte keten, ingebed in een verhaal van lokale voedselstrategieën. Voedselsoevereiniteit (als rechtsprincipe), een democratische benadering van voedsel, en een regionalisering van een voedselbeleid spelen hierin een belangrijke rol. Voedselbeleid bestaat niet. Er zijn geen schepenen of ministers van Voedsel. Er is een landbouwbeleid (vaak Europa) en er zijn consumentenzaken. Een tussenliggend voedselbeleid wordt ervaren als een gemis. Voedselteams zet in op het lokale niveau. De voedselteamgroepen verbinden mensen door hun kleinschaligheid. De verzamelplekken (vaak garages, tuinhuisjes, depots enz. van de weekverantwoordelijke) worden gebruikt als platformen om nieuwe voedselgewoonten te ontwikkelen. Deze groepsdynamiek is aanstekelijk op sociaal vlak maar is ook de basis voor de efficiënte werking van de Voedselteams. De groepen maken bijvoorbeeld zelf een taakverdeling op.

95


Voedselteams

Steeds vaker wordt er geprobeerd om gezamenlijke transporten te organiseren tussen de verschillende producenten en de Voedselteams. In de praktijk is het vaak zo dat ĂŠĂŠn landbouwer het transport doet voor meerdere, in de buurt gelegen, landbouwbedrijven. Dit is kostenbesparend en ecologisch, wat wordt aangemoedigd door de regiowerkers. Het respect van de landbouwers voor Voedselteams is groot. Ze krijgen een eerlijke prijs en hun producten worden verhandeld aan gezinnen die in hun kleinschaligheid opnieuw een gezicht krijgen in plaats van voor een anonieme markt.

Rechtsvorm Vzw. Voedselteams is een sociaal-culturele beweging. Ze werken volgens het Decreet Sociaal-Cultureel Werk (werken aan activering, sensibilisering, educatie en informatisering) en dit steeds op een lokaal niveau (buurt/wijk/dorp). Een Voedselteamgroep bestaat uit ca. max.20 gezinnen. Zodra deze limiet wordt overschreden, wordt een nevengroep opgericht die opnieuw kan groeien.

Institutionele partners (oprichtende partners) Vredeseilanden: enkele mensen binnen deze NGO beschouwden Voedselteams als een nieuw, dynamisch project. Het nieuwe project kreeg vorm samen met Vormingplus (het vroegere Elckerlyc) en Wervel.

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: Enkel de vaste medewerkers ontvangen een loon. Teamverantwoordelijken staan organisatorisch in voor een voedselteam van 20 gezinnen en zijn vrijwilligers. Deze teamverantwoordelijken worden ondersteund door betaalde regiowerkers (ca. 4,3 deeltijdse tewerkstellingen) die een aanspreekpunt vormen voor producenten en consumenten en mee het logistieke verhaal bepalen. Achtergrond van de medewerkers: De regiowerkers zijn ongelijk verdeeld. Leuven en Gent nemen al een groot deel van de verantwoordelijkheden op. Zij organiseren ook in de opstartfase van een groep een achttal vergaderingen om een nieuw Voedselteam op weg te zetten. De regiowerkers worden betaald als sociaal-cultureel werker. Er zijn drie bijna-voltijdse (2,3) tewerkstellingen in de centrale functies (communicatie, beleid, (logistieke) innovatie), zij werken vanuit het hoofdkantoor van Voedselteams in Leuven.

Schaal van werking Vlaanderen

Inbedding in koepelorganisatie Er is een Platform voor de Korte Keten, bestaande uit middenveldorganisaties en overheidsinstanties die adviezen uitbrengen aan de bevoegde minister. Vandaag is het pijnpunt dat het een gebrek heeft aan middelen en een luisterend oor bij de minister.

96


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

97

- Korte keten: hoofdthema - Educatie is gericht op een broodnodige gedragsverandering. Educatie hangt sterk samen met de uitbreiding van het draagvlak voor Voedselteams. Er wordt geleerd wat de voordelen zijn van collectief werken, en welke vormen van korte keten er bestaan (boerenmarkten, zelfplukboerderijen,…). Veel mensen zijn op de hoogte van de voordelen van korte keten in navolging van de sterk gemediatiseerde, gezonde keuken met de nadruk op lokaal geproduceerde groenten. Voedselteams biedt geïnteresseerden een efficiënt handelingskader. - Toegang tot grond: Voedselteams ijveren samen met andere partners mee voor een betere toegang tot ruimte om deze in te schakelen voor voedselproductie (cf. brochure ‘Allemaal BOER(in)’, een thema dat vooral wordt aangedragen door de landbouwers. Om alternatieve manieren van landbouw te kunnen ontwikkelen, is er grond nodig in de open ruimte. Deze wordt jammer genoeg ook geclaimd door bebouwing en industrie. - Draagvlakvorming: Zoeken naar een draagvlak voor korte keten door in te zetten op een sociaal handelbare microschaal - Duurzaamheid van bedrijfsvoering: Producenten worden slechts toegelaten na een ecologische screening. Sinds twee jaar wordt meer diepgang gezocht in duurzame identiteit. Er werd een project opgestart genaamd Participatieve Garantie Systemen (PGS), naar het voorbeeld van buitenlandse projecten. Een groep vrijwilligers is nu opgeleid om gedurende twee jaar te werken rond duurzaamheid binnen de Voedselteams. Zij voeren landbouwbedrijfsbezoeken uit en zijn opgeleid om de dialoog aan te gaan met de producenten over duurzaamheid. Deze nieuwe aanpak is meer gericht op dialoog en actiepunten en moet de producent garanderen dat hij duurzaam bezig is. - In het verhaal rond korte keten profileren Voedselteams zich samen met Bioforum als partner niet enkel als een economisch interessant verhaal voor de bedrijven, maar ook als maatschappelijk relevant, onder andere door in te zetten op duurzaamheid maar ook groepsvorming.


Voedselteams

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Rond de commerciële verbinding met korte keten ontstaan er nu al nieuwe initiatieven (bv. Fermet). Zij steunen echter vooral op ‘de pure verhandeling via de webwinkel’. Voedselteams verschilt hiervan aangezien ze een deel van de organisatie werkelijk toevertrouwt aan een lokale voedselgroep. Als Voedselteams zou wegvallen zou dat dus niet enkel een gemis zijn voor de verhandeling van producten uit de korte keten maar ook een sociaal-culturele werking die verdwijnt en die daarenboven ook de overheid durft te appeleren.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Er is sprake van een middellange termijnstrategie (ca. 5 jaar). Deze termijn hangt samen met de opdracht als sociaalculturele beweging die ondersteund wordt door de overheid. Er is geen langetermijnvisie. De missie, beschreven in de statuten, dient wel als een vast ankerpunt waar naartoe moet worden gewerkt.

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

Om tot uitvoering van projecten te komen zijn de projectmiddelen belangrijk. De Europese en Vlaamse overheid (landbouwbudgetten) en provincies zijn de hoofdpartners.

Andere partners

Ook onderzoeksinstellingen (universiteiten) zijn belangrijk, net als bedrijven en NGO’s.

Potentiële partners

Potentiële partners zijn meer op lokale schaal de mogelijke buurten en wijken die geïnteresseerd zijn om het netwerk van de Voedselteams verder uit te breiden.

Wijze van besluitvorming

Piramidaal. De vzw beschikt over een Raad van Bestuur die bestaat uit vrijwilligers. Zowel producenten als consumenten zijn vertegenwoordigd. Zij zetten de strategische lijnen en termijnplanningen uit. Het is de bedoeling dat er meer horizontale inspraak wordt gegeven door een Algemene Vergadering op te richten om iedereen inspraak te gunnen.

Leider

Er is geen expliciet leiderschap. Wim Merckx is een aanspreekpunt. Hij heeft een achtergrond bij een NGO.

98


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Boegbeeld

Geen. Dit wordt soms ervaren als een mankement, aangezien er toch wel wat bekende koppen actief lid zijn. Dit wordt echter niet uitgespeeld.

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Medewerkers

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Op dit moment is er een sterke samenwerking met het Boerenforum, een verzameling aan activistische jonge boeren onder andere uit het netwerk van Voedselteams. Zij verdedigen samen het nieuwe type landbouw, de boerenlandbouw. De brochure ‘Allemaal BOER(in)’ toont alle ad hoc partnerschappen waar Voedselteams vandaag aan gelinkt is. Vandaag zijn er nauwe contacten met onder andere Flemish Milk Board, en het internationale ‘Reclaim the Fields’.

Financiering

50 à 60 procent overheidsfinanciering. De rest komt uit eigen inkomsten (lidgelden, voedselverhandeling via distributie en webwinkel).

Communicatie Doelgroep

Een uitgesproken profiel van leden: vaak hoogopgeleid, tweeverdieners, jonge gezinnen, stad of stadsrand. Concentratie van (zelf)bewuste burgers. Passieve leden verzwaren enkel de groep. Actieve leden zijn de basis van de sociaal-culturele werking.

Middelen

Geen. Voornamelijk mond-aan-mondreclame, sporadische aanwezigheid op standen, beurzen en enkele spreekavonden. Trage groei is de basis.

99


Voedselteams

4. Belangrijkste aandachtspunten/knelpunten Blijven werken aan de uitbouw van de korte keten Dit is een begrip geworden mede dankzij Voedselteams als sociaal-culturele beweging. Het wordt dan ook dringend tijd dat overheden hier meer middelen en mogelijkheden aan besteden. Binnen de Voedselteams is dit een belangrijke pijler: hoe krijgen we meer gedaan van de overheid? Waar vinden we meer en betere partners? Dit is een maatschappelijke opdracht.

Logistieke operaties rendabel krijgen Meer een interne uitdaging voor de voedselteams. Soms zijn de (gezamenlijke) transporten naar de groepen nog te veel verlieslatend en/of ecologisch onhoudbaar. De microschalen bemoeilijken dit. Om de rendabiliteit op te trekken zou er meer moeten worden ingezet op de concentratie van depots.

Is het huidige distributiemodel het juiste? Sommigen beschouwen de verdeling in de depots als een zwakte ten opzichte van het consumentgerichte model van de supermarkt die urenlang openblijft. Er wordt op dit moment nagedacht over de mogelijkheid grotere depots te voorzien waar de kleinschalige dynamiek wordt opgeschaald, bijvoorbeeld met vaste openingsuren in de steden. Er moeten meerdere modellen komen dan het ene micromodel.

Samenwerking met de producenten Het engagement op vrijwillige basis moet hier beter ondersteund worden, aangezien zij vaak heel drukbezet zijn. In de Raad van Bestuur is er steeds een oververtegenwoordiging van de consumenten t.o.v. producenten. Veel moeite om producenten te engageren voor Voedselteams wegens hun tijdsgebrek.

Coรถperatief model Zou een manier zijn om de producenten gemakkelijker over de streep te trekken. Dit laat investeringen toe, alsook de mogelijkheid van coรถperanten om mee te investeren in aandelen. Het logistieke probleem dat nu wordt afgeschoven op de producenten kan door investeringen worden bijgestuurd.

100


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Bevraging en analyse nieuwe actoren

101


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Volterra 1. Identiteit Jaar van ontstaan In 2014 werd Volterra officieel een coöperatieve.

Aanleiding voor ontstaan In 2013 stuurt Marc De Vos een mail naar de Provincie Oost-Vlaanderen waarin hij protesteert tegen de trage ontwikkeling van duurzame energie. Ook pleit hij voor een bouw van windturbines door de burgers zelf. De basisgedachte is dat elk dorp in het Meetjesland energieonafhankelijk zou moeten worden.

Beknopte omschrijving van focus en werking De mail die Marc De Vos in 2013 naar de provincieraad verstuurde, werd goed onthaald. De Provincie was op dat moment bezig met een project langs de E34 (30 windturbines in een lijnopstelling) en zocht naar een draagvlak. Alle gronden in Oost-Vlaanderen waar er nog windturbines mogen gebouwd worden, zijn in handen van de grote maatschappijen (Electrabel, Luminus,…) waardoor het dus onmogelijk is om de basisgedachte (lokale zelfvoorziening op vlak van energie) van Volterra verder te zetten. De vraag om over de helft van de te bouwen windturbines te kunnen beschikken, is uiteindelijk door de provincieraad herleid tot 20%. 10 % wordt overgedragen aan de burger, 10 % aan de gemeenten. In principe krijgt Volterra dus zes windturbines langs de E34 (drie voor de burger en drie voor de gemeenten). Het grote probleem is echter dat de vergunningen voor de windturbines uiteindelijk door de Vlaamse overheid worden afgeleverd.

Rechtsvorm CVBA met sociaal oogmerk wat wil zeggen dat winst naar sociale initiatieven moet gaan Volterra zou de winst het liefst in een schoolproject investeren om jongeren bewust te maken van duurzamer energie en om de ouders, familie,… mede-coöperanten te maken van Volterra.

Institutionele partners (oprichtende partners) Marc De Vos. Hij heeft als eerste een mail gestuurd naar zijn mededorpsbewoners, de bedrijfswereld en de provincie.

Professionalisering Aantal medewerkers: Veertien vrijwilligers (mail werd naar 30 mensen verstuurd, 18 kwamen naar de eerste bijeenkomst en uiteindelijk bleven er 14 over). Achtergrond van de medewerkers: Familie, lokale bewoners, sociaal geëngageerd,… Verscheiden achtergrond (journalist, bankier, boekhouder, veearts, kinesist, …)

103


Volterra

Schaal van werking Voorlopig beperkt tot Meetjesland. Volterra denkt eraan haar geld (20 000 euro) te incorporeren in Beauvent (ook een coĂśperatieve werkzaam rond duurzame energie in de regio Ieper, ongeveer 10 jaar werkzaam en veel dieper ingeworteld).

Inbedding in koepelorganisatie RESCOOP (http://www.rescoopv.be/index.php/nl/)

2. Inhoudelijke Werking Themaâ&#x20AC;&#x2122;s

Duurzame energie, momenteel enkel en alleen via windturbines. De reden is dat windenergie op dit ogenblik de enige winstgevende, duurzame energiebron is (8-9 % rendement/windturbine). Eventuele winst zou Volterra inzetten voor sociale doeleinden of verder besteden in duurzame energie.

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

De oorspronkelijke ambitie was innovatief (lokale autonome energievoorziening op duurzame manier). Na onderhandeling met de Provincie is dit uiteindelijk traditioneel vertaald naar zes windturbines op vaste plekken.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Concrete visie over duurzame energie.

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

Veertien vrijwilligers

Andere partners

-

104


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Potentiële partners

350 mensen uit bijna alle dorpen van Meetjesland hebben toegestemd dat Volterra hen mag contacteren wanneer er concrete acties zullen worden uitgevoerd. Kort na de eerste mail stuurde Marc De Vos alle bewoners van het Meetjesland een mail en deed hij een flyeractie. Wie geïnteresseerd was of ooit mee zou willen participeren, kon deze flyer invullen. Uiteindelijk kwamen er zeven vergaderingen (in verschillende dorpen) waar groepjes van dorpen en gemeenten samenkwamen.

Wijze van besluitvorming

Horizontaal

Leider

Marc De Vos. Zaakvoerder van bedrijf.

Boegbeeld

Geen.

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Sommigen voelen zich hier meer voor geëngageerd dan andere. Afhankelijk van welke vraag, doel,… worden mensen hiervoor aangesproken.

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

RESCOOP BEAUVENT

Financiering

Overheidssubsidies: Volterra is opgericht voor de vorige verkiezingen toen Freya Van den Bossche aan elke burgercoöperatie 25 000 euro gaf. Uiteindelijk heeft Volterra hiervan 8 000 euro gekregen. Aandeelhouders: 24 (wie weet in de toekomst 350) Men kan aandelen kopen voor minimum 125 euro/5 jaar. Gedurende die 5 jaar kan je dit geld niet terugvragen. Bij eventuele winst zou met alle aandeelhouders samen worden beslist wat ermee wordt gedaan.

Communicatie Doelgroep

Iedereen

Middelen

Flyer, mail, website.

105


Volterra

4. Belangrijkste aandachtspunten/knelpunten Beleid – Regelgeving Wanneer de regel van de 20% niet wordt doorgevoerd, heeft de coöperatie Volterra geen zin meer omdat er op geen andere plekken in Oost-Vlaanderen windturbines mogen worden gebouwd.

Draagvlakvorming Er is momenteel geen draagvlak voor Volterra. Indien er reeds een windturbine aanwezig zou zijn in een dorp/cluster van verschillende dorpen, dan zou deze coöperatie al veel sterker verankerd zijn.

Financiering Macht van het geld.

Interne samenwerking Het verschil binnen Volterra tussen de dorpsbewoners en de financieel sterkere coöperanten kan af en toe voor wrevel zorgen. Hierbij zijn de dorpsbewoners met net iets meer zodat geld absoluut niet als het belangrijkste wordt beschouwd binnen de coöperatie.

Schaal Schaalvergroting is enkel en alleen interessant op een schaal die werkt. Volterra staat vooreerst voor lokale verankering alvorens men ergens anders kan beginnen.

106


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Bevraging en analyse nieuwe actoren

107


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Vrienden van de Zwalmse Dorpen 1. Identiteit Jaar van ontstaan April 2014: De naam, Vrienden van de Zwalmse dorpen, wordt voor een eerste keer gebruikt voor de toenmalige groep. Informeel waren ze al vroeger bezig voornamelijk Anna Verhoeve en Geert Pauwels. Zo werd in januari 2014 gemobiliseerd door aan iedereen uit te leggen wat de ‘gele brieven’ van de gemeente betekenden en wat ze hieraan konden doen. Dit was als het ware een openbaring voor velen. Op 1 jaar tijd zijn momenteel al 4 hoeves gevrijwaard.

Aanleiding voor ontstaan De eerste aanleiding was de reactie op de volledige afbraak van de hoeve op het dorpsplein van Rozebeke. Dit werd dan uiteindelijk ook het symbooldossier van de werking. Zwalm telt 12 dorpen waarbij elk dorp ongeveer een tweetal dorpshoeves heeft. Deze hebben allemaal éénzelfde typologie en bepalen als het ware het beeld van de gemeente. De Vrienden van de Zwalmse dorpen streeft naar behoud van erfgoed binnen Zwalm, alsook een onderbouwde en gepaste visie voor nieuwe ontwikkelingen.

Beknopte omschrijving van focus en werking De focus ligt op reageren op! De Vrienden van de Zwalmse dorpen willen geen protestgroep zijn, maar willen wel tonen hoe het ook anders kan. Sociale cohesie opwekken door activiteiten, acties, evenementen,… De Vrienden van de Zwalmse dorpen willen opnieuw een positief verhaal brengen naar de dorpsbewoners aan de hand van sfeeropwekking (laatste evenement, ‘Allez Freddy’ een retrokoers in Rozebeke (https:// www.facebook.com/retrokoers?fref=ts ) waardoor bewoners opnieuw hun trots krijgen en er draagvlak ontstaat. Centrale elementen in de werking: - apolitieke werking - lokale pers aanspreken - voldoende draagvlak ontwikkelen - met alle partijen praten die ook maar enig belang hebben bij de situatie

Rechtsvorm Vzw in oprichting. De oprichting van de vzw is nodig om als belangenorganisatie in beroep te kunnen gaan. Nu kunnen enkel de directe belanghebbenden in beroep gaan en de belangenorganisatie kan enkel en alleen bezwaar indienen. De oprichting biedt ook een juridisch kader.

109


Vrienden van de Zwalmse Dorpen

Institutionele partners (oprichtende partners) Geert Pauwels en Anna Verhoeve hebben samen gereageerd op de geplande afbraak van een dorpshoeve (op het dorpsplein) in Rozebeke. Dit perceel ging verkaveld worden in 8 loten, loodrecht op de straat, een ruimtelijke invulling volledig losstaand van de bestaande historiek en context. De deputatie heeft deze verkaveling dan uiteindelijk geweigerd, wat zorgde voor een grote euforie en boost binnen de organisatie.

Professionalisering Aantal vrijwillige medewerkers: Kern van 10 mensen. Bij activiteiten, hoorzittingen,… bereikt men meer dan 50, 100, 400 mensen Aantal vergoede medewerkers: Geen. Het is zelfs zo dat de kern van 10 mensen geen geld mag verdienen binnen de eigen gemeente. Dit is een interne afspraak binnen de VZW (een aannemer, architect, communicatiedesigner,… die binnen actor actief is, mag geen opdrachten binnen Zwalm aannemen). Achtergrond van de medewerkers: Diversiteit in mensen!! Deze burgerorganisatie heeft van alles in huis. Dit is zeer boeiend en werkt ook heel goed. De binding van al deze personen is dan ook het ijveren voor de bescherming van erfgoed en ontwikkelingen.

Schaal van werking Gemeentelijk (Zwalm). Andere gemeentes komen ook vragen of de actor dit bij hun zou willen doen, maar dit gaat gewoon niet. Zelfs nu zijn ze met te weinig om al het werk in de eigen gemeente te volbrengen.

Inbedding in koepelorganisatie Nee.

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

110

Open collectief dat ijvert voor een kwalitatieve omgang met erfgoed en ontwikkelingen in Zwalm. Rechtstreeks reageren en communiceren. Socio-cultureel luik waarmee de Vrienden van de Zwalmse dorpen de binding met erfgoed willen verbeteren.


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

De Vrienden van de Zwalmse dorpen zijn geschrokken van de enorme impact die ze uitoefenen binnen hun gemeente. De kracht van hun netwerk en de evenementen die ze organiseren is groot. Het constant verbeteren en hulp vragen om te kunnen verbeteren. Enkele maanden geleden hebben ze gevraagd aan 6 experten om een rondleiding bij te wonen. Ze kijken momenteel oprecht uit naar hun kritische feedback. De Vrienden van de Zwalmse dorpen hebben een apolitieke werking: ze willen alle politiekers aanspreken binnen Zwalm zodat ze niet in een hoek van de oppositie worden gesloten. Ook hebben al enkel partijen gevraagd om hun werking in te zetten voor hun politiek voordeel, maar elke keer wimpelen ze deze vragen af. Alle theorieën die bestaan omtrent participatie, brengen zij in de praktijk. De kennis die Geert en Anna hebben uit hun professionele carrière, brengen zij naar hun medebewoners. De openheid die ze toelaten naar iedereen voor nieuwe ideeën,… Ze willen een zo breed mogelijk gedeeld eigenaarschap, het is een verhaal van iedereen.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Concrete visie is ontstaan uit een noodzaak: streven naar goede reconversies van de 80 hoeves binnen Zwalm en het stopzetten van ‘slechte voorbeelden’. De Vrienden van de Zwalmse dorpen willen het 12 dorpen paradijs behouden op de manier hoe het vroeger was, gecombineerd met de noden van nu.

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

10 heel diverse bewoners uit 5 à 6 verschillende dorpen.

Andere partners

Vlaamse Ardennen gidsen

Potentiële partners

Natuurpunt, heemkundige kring, minderheidsgroepen, … maar er moet wel een lokale binding zijn. De Vrienden van de Zwalmse dorpen staan zeker en vast open voor nieuwe partnerschappen maar je moet eerst een eigen identiteit hebben alvorens je een goede partner kan zijn.

Wijze van besluitvorming

Horizontaal

111


Vrienden van de Zwalmse Dorpen

Leider

Anna Verhoeve en Geert Pauwels (inhoudelijke werking) Hans Van der Meeren (voorzitter, sociale en inhoudelijke werking)

Boegbeeld

Geen.

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Deze rol ligt volledig bij Hans en zijn vrouw Marie (eigen bedrijf in communicatiedesign). Hans ligt politiek goed en heeft een verbindende rol binnen de organisatie.

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Niet.

Financiering

Sponsoring: kan enkel en alleen gevraagd worden voor de evenementen. Andere: Op dit moment enkel en alleen nog maar inkomsten op basis van de twee grote evenementen.

Communicatie Doelgroep

Bewoners van de Zwalmgemeente. De Vrienden van de Zwalmse dorpen willen opnieuw dat iedereen elkaar kent (cfr. dorpsgevoel) en dat de inwoners fier zijn op hun dorp.

Middelen

Goede flyers Facebook Zeker en vast mond-aan-mond reclame Lokale en regionale pers (den Beiaard, AVS, Weekend in De Morgen, Radio 2, film ‘Allez Eddy’ is opgenomen in Rozebeke) Ter verdediging van hun bezwaren merken ze dat 3D beelden veel beter werken dan 2D plannen. Geert als architect maakt deze dan, zowel van wat men voor ogen heeft als de alternatieven die zij als burgerorganisatie voorstellen.

112


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

4. Belangrijkste aandachtspunten/knelpunten Interne Samenwerking Moeilijkheid bij burgerinitiatieven ligt vooral bij de grote diversiteit aan betrokken mensen. Een groep van gelijkgestemden en gelijkgevormden zal veel sneller en makkelijker tot een compromis komen. Maar deze grote verschillen zorgen nu ook net voor een boeiend en interessant gegeven.

Ruimtelijke kwaliteit Een aandachtspunt is het bewaken en vergroten van de ruimtelijke en sociale kwaliteit op het platteland.

Draagvlakvorming Vrienden van de Zwalmse dorpen willen zowel de burgers, het bestuur, de besluitvorming, de middenveldorganisaties,… aanspreken. Maar toch blijft er een duidelijk onderscheid tussen politiekers en burgers op het vlak van informeren en sensibiliseren. De burgers van Zwalm willen ze in hoofdzaak aanspreken, de politiekers aanspreken is over heel België.

Werkbelasting Het tempo en aantal te beantwoorden vragen zijn momenteel te groot. Er is te weinig man voor teveel vraag. Zij hebben een deel van de ‘lege’ ruimte tussen de burgers en de overheid ingevuld, waardoor er heel wat werk bovenop hun professioneel werk komt. In anderhalf jaar tijd hebben ze 6 grote dossiers afgewerkt en de sociale cohesie aangesterkt binnen Zwalm.

Financiering Het grootste knelpunt op dit moment is de kans om een financieel risico te lopen. De vrijwilligers offeren hun vrije tijd op in dit initiatief, maar hun persoonlijke financiële middelen inzetten gaat een stap te ver. Daarom zoeken we momenteel allerhande financiële middelen. Dit zit echter op het einde! * Dossier “Boeren op den buiten” ingediend bij de Koning Boudewijnstichting. * LEADER Vlaamse Ardennen = Europees subsidiebeleid Tijdens de evenementen willen we ook niet gaan voor iets exclusiefs, evenmin massaproductie. Wel zoveel mogelijk lokaal (korte keten verhaal). Dit leidt dan natuurlijk niet naar grote winsten.

113


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Waterconservering Wuustwezel 1. Identiteit Jaar van ontstaan Het project ‘waterconservering Wuustwezel’ is slechts één project van de vzw ‘Regionaal Landschap De Voorkempen’. In 1990 werd een eerste project m.b.t. waterbeheer opgestart in Wuustwezel. Het project duurde drie jaar en vond plaats in vier gemeenten. In 2012 werd een vervolgproject met Europese fondsen opgestart waarbij agrobeheersgroepen werden opgericht om het project voort te zetten.

Aanleiding voor ontstaan Een ruilverkavelingsproject in Loenhout (deelgemeente van Wuustwezel) hervormde het landschap volledig. Kleine percelen werden samengevoegd, kleine bosjes verdwenen en kanaaltjes werden rechtgetrokken opdat het gebied optimaal ingezet kon worden voor landbouw. Door de aanwezige zandbodem en de artificiële kanalen, droogden de akkers echter uit. Daarom werd een eenmalig project opgestart om stuwtjes te plaatsen. Deze zorgen ervoor dat het regenwater langer in de bodem vastgehouden wordt.

Beknopte omschrijving van focus en werking Het algemene doel van de vzw Regionaal Landschap De Voorkempen bestaat uit het behoud, het beheer en het verbeteren van natuur(-) en landschap(swaarde). Dit gebeurt via concrete en lokaal verankerende projecten met een bottom-up benadering. Deze kunnen tot stand komen door een vraag van de overheid (provincie/gemeente) die bijvoorbeeld op zoek is naar een draagvlak voor een eigen project, maar ook door voorstellen vanuit bewoners of particulieren zelf. De vzw functioneert zo als tussenpersoon tussen de lokale actoren en het beleid, maar ook als facilitator tussen verschillende actoren of domeinen zoals bijvoorbeeld natuur en landbouw. Hierbij ligt de nadruk meer op een gebiedsgerichte dan een thematische aanpak.

Rechtsvorm Vzw Regionaal Landschap De Voorkempen

Institutionele partners (oprichtende partners) Vzw Regionaal Landschap De Voorkempen werd opgericht door de Provincie Antwerpen.

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: Er zijn zes vergoede medewerkers (en één coördinator) bij het Regionaal Landschap De Voorkempen. Achtergrond van de medewerkers: De medewerkers hebben een achtergrond als bioloog, landschapsarchitect of bio-ingenieur bosbeheer.

115


Waterconservering Wuustwezel

Schaal van werking De schaal van werking van Regionaal Landschap De Voorkempen is regionaal en bestaat uit volgende gemeenten gelegen aan de rand van Antwerpen: Essen, Kalmthout, Wuustwezel, Kapellen, Berendrecht – Zandvliet – Lillo, Stabroek, Ekeren, Brasschaat, Schoten, Wijnegem, Deurne, Wommelgem, Ranst, Schilde, Zandhoven, Zoersel, Malle en Brecht. De schaal van werking van Waterconservering Wuustwezel is intergemeentelijk en bestaat uit een samenwerking tussen de volgende gemeenten: Brecht, Essen, Kalmthout en Wuustwezel.

Inbedding in koepelorganisatie Het project ‘Waterconservering Wuustwezel’ is ingebed in de vzw ‘Regionaal Landschap De Voorkempen’. Er zijn zeventien gelijkaardige kleine vzw’s in Vlaanderen maar deze zijn niet ingebed in een grotere koepelorganisatie.

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

De vzw Regionaal Landschap De Voorkempen focust op projecten op diverse schaalniveaus, van regionaal tot erg lokaal, van het groen inrichten van een speelterrein tot het realiseren van instandhoudingdoelstellingen voor een oppervlakte van dertig hectare bos. Algemeen komen volgende thema’s aan bod: erfgoed en landschap, trage wegen, milieu op school (MOS), duurzaamheid, waterbeheer en landschapsbeheer. Waterconservering Wuustwezel is bezig met waterbeheer.

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

De inhoud van de projecten van Regionaal Landschap De Voorkempen is niet echt origineel. Wel overstijgt deze vzw het “verkokerd denken” door te zoeken naar een kruisbestuiving tussen natuur en landbouw. Daarnaast opereren zij op regionale schaal, los van administratieve grenzen. Waterconservering Wuustwezel was voordien enkel in Nederland gekend en is daarom een innovatief en vergroenend initiatief voor Vlaanderen.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Regionaal Landschap De Voorkempen focust vooral op de ad hoc ondersteuning van initiatieven. De vzw tracht de regionale potenties maximaal te benutten en gaat in op vragen van particulieren, bewoners of de overheid.

116


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

De hoofdpartners van Waterconservering Wuustwezel zijn de betrokken gemeenten en de lokale boeren.

Andere partners

VLM, Boerenbond en Agentschap Natuur en Bos.

Potentiële partners

Aangezien de vzw Regionaal Landschap De Voorkempen reeds een breed draagvlak kent, zijn er geen hiaten in hun netwerk. Wel zijn er enkele gemeenten die liever niet meewerken.

Wijze van besluitvorming

Raad van bestuur van de vzw Regionaal Landschap De Voorkempen, met voorzitter député Rik Röttger.

Leider

De coördinator is Ines Van Limbergen. Zij deed reeds vijftien jaar ervaring op bij één van de eerste vzw’s ‘regionaal landschap’ in Limburg.

Boegbeeld

Geen.

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

De coördinator verzorgt de relaties, naast haar andere werk.

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

De vzw Regionaal Landschap De Voorkempen heeft geen structurele samenwerking met andere nieuwe actoren. Wel werken zij afhankelijk van project tot project samen met andere nieuwe actoren. De samenwerking is dan meestal kort en eenmalig en leverde reeds positieve ervaringen op. Daarnaast volgen zij andere nieuwe actoren op de voet. Enkele nieuwe actoren met wie zij reeds samenwerkten en/of opvolgden: Trage Wegen, Geel Landbouwhoeve, Stadsboerderij Deurne en Velt vzw.

Financiering

De basisfinanciering van vzw Regionaal Landschap De Voorkempen gebeurt door de Provincie Antwerpen. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van Europese subsidies voor de realisatie van projecten. Ook voorziet de Vlaamse overheid in de financiering van een erfgoedconsulent.

117


Waterconservering Wuustwezel

Communicatie Doelgroep

De doelgroep bestaat uit het regionaal gebied De Voorkempen. De specifieke doelgroep is afhankelijk van het project: boeren, scholen, verenigingen, bewoners, e.a.

Middelen

Deze doelgroep wordt bereikt via een jaarlijks krantje, een website en infoborden. Daarnaast organiseert de vzw ook evenementen zoals een zomerpicknick (200-500personen), fietstochten en wandelingen.

4. Belangrijkste aandachtspunten/knelpunten Financiering De budgetten nemen steeds verder af. Zo kreeg de vzw vroeger nog personeelsmiddelen, maar moet ze het vandaag zonder stellen. Hierdoor zal voor de VZW concurrentie doorheen de tijd een belangrijker element worden.

Schaalvergroting/koepelorganisatie Er bestaat reeds een spreiding van zeventien regionale landschappen in Vlaanderen, toch kennen zij geen overkoepelende organisatie op Vlaams niveau. Hierdoor is profilering moeilijk, hoewel zij actief zijn in tachtig percent van de gemeenten in Vlaanderen. Een naam als Natuurpunt kent iedereen, dit mist Regionaal Landschap De Voorkempen nog. Zo zou ook een boegbeeld zich voor de organisatie kunnen inzetten.

Groot draagvlak Doordat zij zelf geen belanghebbende partij zijn (zo zullen zij nooit zelf gronden aankopen), maar steeds als tussenpersoon functioneren, kent de vzw een groot draagvlak. Deze grote lokale appreciatie zien zij zelf als een erg grote kwaliteit. Zowel lokale spelers als de overheid vinden hun weg naar Regionaal Landschap De Voorkempen.

Professionalisering Elke medewerker van Regionaal Landschap De Voorkempen heeft zijn eigen specialisatie en vult zijn/haar kennis continu aan via bijscholingen.

Samenwerking met de overheid De overheid erkent het Regionaal Landschap De Voorkempen en is vaak vragende partij bij projecten. Moeilijk is wel dat agentschappen zich nog steeds binnen hun koker profileren, aangezien de vzw vaak tracht een samenwerking te vinden tussen landbouw en natuur. Dit komt ook naar voor in bijvoorbeeld ruimtelijke uitvoeringsplannen.

118


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Bevraging en analyse nieuwe actoren

119


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Werkgroep Bos ‘t Ename 1. Identiteit Jaar van ontstaan 1992.

Aanleiding voor ontstaan De voorlopers van het Agentschap Onroerend Erfgoed en het Agentschap Natuur en Bos voerden een onderzoek uit naar historische ecologie (verband tussen biodiversiteit en erfgoed/cultuurhistorie) van bossen in Vlaanderen. Het onderzoek met het bos ’t Ename als proefproject, vervat in één groot boek, heeft heel wat weerklank gekregen. Bos ’t Ename is destijds als proefproject gekozen als gevolg van de reeds beschikbare documentatie en de kennis over de biodiversiteit. Door de publicatie van dit boek is dit gebied opnieuw/nog eens extra in de picture gekomen. Ter zelfde tijd vierde VZW Wielewaal hun 60-jarig bestaan. Wielewaal was op zoek naar een nationaal aankoopproject naar aanleiding van hun jubileum. Door het boek is de keuze gevallen op bos ’t Ename op voorwaarde dat Guido Tack zelf genoeg mensen zocht en vond voor het beheer van het gebied. Guido Tack nodigde telefonisch of per brief mensen uit de vier dorpen rond het bos (Ename, Nederename, Mater en Volkegem) uit voor een startvergadering. Van de 30 aangeschrevenen kwamen er 23 opdagen, met heel veel enthousiasme. Hier is snel een bestuur uit gegroeid. De werkgroep breidde snel uit via mondelinge reclame. Sinds 1992 is de werkgroep uitgegroeid van 23 naar 350 leden.

Beknopte omschrijving van focus en werking Het behoud van het gebied in alle mogelijke wetgevingen verankeren, bv. via ruimtelijke planning en sectorale statuten uit de wetgeving natuur (VEN gebied, habitatrichtlijngebied en een erkend natuurreservaat). Het gebied wordt nog steeds uitgebouwd: momenteel is het 270 hectare groot waarvan 145 hectare ‘veilig’ gesteld is door aankoop door de werkgroep, de Vlaamse overheid en de Stad Oudenaarde. De rest is nog in privé-eigendom maar is beschermd door het statuut natuurgebied op het gewestplan, VEN gebied, ... Het aangekochte gebied moet natuurlijk ook worden beheerd, wat betreft cultuurhistorische waarde en natuurbehoudswaarde. Uniek voor bos ’t Ename is de dubbele focus: natuur en erfgoed. Dit klinkt vanzelfsprekend maar is niet zo. Beslissingen worden zodanig genomen dat ze niet in conflict met elkaar gaan, dat ze in evenwicht zijn en verstrengeld (bv. de landschappelijke zichten bewaren maar toch ook de biodiversiteit versterken). Ondertussen heeft de werkgroep een aantal prijzen gewonnen voor beide sectoren, o.a. Vlaamse monumentenprijs in 2013, als enige landschap tot nu toe. In de werking hanteert Guido Tack de strategie van PIMBY (Please In My BackYard) in plaats van NIMBY (Not In My BackYard). Mensen zijn te activeren voor zaken die als positief ervaren worden in hun dichte omgeving. 121


Werkgroep Bos ‘t Ename

Rechtsvorm Werkgroep bos ’t Ename heeft een dubbel statuut. Van de 350 leden is er een 80-tal lid van Natuurpunt. Voor Natuurpunt vormen zij een plaatselijke kern en zijn zij (juridisch, verzekeringen, …) gedekt. De andere, 270 leden zijn geen lid van Natuurpunt. Samen met de grote groep (350) vormen zij een feitelijke vereniging. Deze 350 leden geven slagkracht wat betreft werking en maatschappelijk draagvlak (politieke slagkracht).

Institutionele partners (oprichtende partners) Guido Tack en de groep starters.

Professionalisering Aantal vrijwillige medewerkers: 350 mensen, maar hiervan is natuurlijk een groot aantal ‘papieren’ lid. Op jaarbasis zijn er 100 à 150 mensen die effectief iets uitvoeren (bv. planten, kappen, maaien, monitoringsprogramma’s, gidsen, catering, …). Aantal vergoede medewerkers: 1/3 = arbeidersploeg van Natuurpunt, 2/3 = vrijwillig. Achtergrond van de medewerkers: Gemengde achtergrond.

Schaal van werking Gebied van 270 hectare en alles wat daar invloed op heeft (bv. leemontginning).

Inbedding in koepelorganisatie Gedeeltelijk Natuurpunt.

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

Natuur en erfgoed. Recreatie (70 geleide wandelingen/jaar en 4 geleide wandelingen/seizoen, 10 km publiek wandelpad)

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Gedeeltelijk door Natuurpunt

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Concrete visie vloeit voort uit het boek ‘Bossen in Vlaanderen’. Guido Tack werkt momenteel aan een volgende boek.

122


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

Natuurpunt; Vlaamse overheid: Agentschap Onroerend Erfgoed en Agentschap Natuur en Bos; Stad Oudenaarde.

Andere partners

Lokale sociaal-culturele verenigingen; Jagersgroepen; Landbouwers; Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen; Privé-eigenaars.

Potentiële partners

Milieufront Omer Wattez; Bos +; Hérita

Wijze van besluitvorming

Horizontaal. De stuurgroep voor bos ’t Ename (12 mensen) komt maandelijks samen. Guido & Pieter zijn het aanspreekpunt voor Natuurpunt en staan in voor de dagelijkse beslissingen.

Leider

Guido Tack (ambtenaar Vlaamse Overheid) en Pieter Blondé (Natuurpunt-educatie)

Boegbeeld

Geen.

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Guido Tack en Pieter Blondé, maar kan ook iemand van de vaste kern (12 man) zijn.

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Niet.

Financiering

Overheidssubsidies voor Natuurpunt: subsidie voor aankoop en beheer, subsidie als vereniging; Sponsoring van specifieke acties door Werkgroep Bos ’t Ename; Lidgeld van Werkgroep Bos ‘t Ename; Andere voor Werkgroep Bos ‘t Ename: eindejaarsreceptie, jaarlijks spaghettifeest;

Communicatie Doelgroep

123

Mensen die in de nabije omgeving van het bos wonen


Werkgroep Bos ‘t Ename

Middelen

Maandelijkse nieuwsbrief (digitaal en analoog); Sociale media (Facebook); Website; Flyers; Regionale en nationale pers

4. Belangrijkste aandachtspunten/knelpunten Uitbouw van het reservaat Momenteel 270 hectare waarvan 145 hectare in eigen bezit. Doelstelling is om alles in het bezit te krijgen.

Beheer van erfgoed en natuur in het gebied Habitatrichtlijn en instandhoudingsdoelstellingen worden door Vlaanderen vertaald in bosuitbreiding. Dit is in tegenstelling tot de doelstellingen van de werkgroep voor het gebied (behoud zichten, sociale redenen, erfgoed, …). Vlaanderen wil van de 270 hectare in het gebied 260 hectare bebossen. Werkgroep Bos ’t Ename wil maar 210 hectare bebossen.

Draagvlakvorming Zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak creëren. Momenteel stagneert dit omdat de werkgroep geen ledenverwervingsacties voert. Zoveel mogelijk politieke steun.

124


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Bevraging en analyse nieuwe actoren

125


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Werkgroep Stadslandbouw Gent 1. Identiteit Jaar van ontstaan Uit de transitiegroep, opgericht door de Stad Gent in 2010, groeide de Werkgroep Stadslandbouw Gent. Na twee jaar discussie over de inhoud van ‘stadslandbouw’, startte de werkgroep eind 2012 met het uitschrijven van een visie. Deze stond volledig op punt in 2013, waarna de tekst aan de bevoegde schepenen bezorgd werd. Dit moment kan gezien worden als het ontstaan van de Werkgroep Stadslandbouw Gent.

Aanleiding voor ontstaan De Stad Gent richtte in 2010 een aantal transitiegroepen op naar aanleiding van het klimaatneutraal beleidsplan. De transitiegroep mobiliteit groeide uit tot het Lab van Troje en de transitiegroep stadslandbouw tot de Werkgroep Stadslandbouw Gent.

Beknopte omschrijving van focus en werking De werkgroep bestaat uit een kerngroep van negen vrijwilligers die omringt worden door een groter netwerk van organisaties en individuele personen. Ze stelt geen einddoel voorop, maar heeft als doel de bottom-up zoektocht naar slimme voedselstrategieën voor Gent gaande te houden. Dit willen ze realiseren door te informeren, inspireren en samen te brengen. Zo organiseren ze maandelijkse fora waarop telkens een uitwisseling tussen een spreker, beleidsmakers en enkele stadslandbouwinitiatieven plaatsvindt. De organisatie van avondfora (en excursies) is een van de vier themagroepen binnen de werkgroep. De andere zijn: peri-urbane landbouw, grondloze boeren en scholen als hefboom. Verder stellen ze ook een aantal speerpunten voorop die evolueren in de tijd en afhankelijk zijn van de trekkers. Vandaag ligt de focus op acties rond duurzame maaltijden op school, democratisering van het landbouwsysteem en denken ze na over acties rond ruimte. Daarnaast representeert de werkgroep ook lokale initiatiefnemers in de food council. Dit is een raad die door de Stad Gent in de laatste legislatuur werd opgericht en als doel heeft een voedselstrategie voor Gent te ontwikkelen.

Rechtsvorm Feitelijke vereniging

Institutionele partners (oprichtende partners) De oorspronkelijke transitiegroep werd opgericht door de Stad Gent.

127


Werkgroep Stadslandbouw Gent

Professionalisering Aantal vrijwillige medewerkers: De werkgroep heeft geen vergoede medewerkers, maar bestaat uit negen vrijwilligers. Zij zijn allemaal in meer of mindere mate verbonden zijn met (stads)landbouw in het dagelijkse leven. Achtergrond van de medewerkers: Maarten Crivits is onderzoeker landbouw en politieke filosofie; Noémie Benoit is consultant stadslandbouw & duurzaame stadsontwikkeling; Benny Van de Velde is medewerker “Eiwittransitie” bij Wervel vzw en toekomstig bio-boer; Tine Tomme: Eigenares van vegetarisch restaurant Avalon, kernlid van Fair Field en voorzitter van Fair Festival; Nathalie Snauwaert: coördinator vzw Het Spilvarken, consultant voedselverlies en co-creatie in lokale voedselkringlopen; Zjef Van Acker: tuinbouwingenieur, indoor landbouw expert; Han Vandermaelen : ruimtelijk planner, geograaf; Jan Van Loo: post-industrieel ontwerper

Schaal van werking De werking focust zich op Gent, hieronder wordt de stad zelf en het peri-urbaan gebied verstaan.

Inbedding in koepelorganisatie Nee.

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

De werkgroep focust zich op stadslandbouw in de brede betekenis van het woord: zowel in de stad (daken, gevels, collectieve moestuinen, enz.) als in het peri-urbane gebied. Daarbij wordt (stads-)landbouw in verband gebracht met andere thema’s zoals ruimtelijke ontwikkeling, ondernemerschap, korte keten en educatie. Een ander item dat vooraan op de agenda staat, is de politieke emancipatie van betrokken actoren.

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

De Werkgroep Stadslandbouw Gent maakt zich innovatief doordat ze een netwerk vormen tussen stad en burger, tussen diensten en stedelijke initiatieven. Doordat het netwerk geen juridische structuur kent en zonder verloningen werkt, zijn ze volledig onafhankelijk en onpartijdig. Enkel de inhoud is van belang voor de werkgroep. Op deze manier kunnen ze zowel informele als formele (besluitvorming) dialogen voeren met diverse partijen. Inhoudelijk stellen zij ook vast dat de meeste acties rond stadslandbouw zich focussen op het economische aspect (lucratieve activiteit). De werkgroep tracht stadslandbouw ruimer te bekijken. Door aandacht te besteden aan andere kwaliteiten van stadslandbouw zoals ruimtelijke kwalitatieve planning, sociale cohesie en educatie, brengt de werkgroep ook inhoudelijke innovatie in het veld.

128


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

De werkgroep werkt vanuit een overkoepelende visietekst van waaruit de fora en actiepunten georganiseerd worden. Daarnaast ondersteunen ze ook Gentse initiatieven en trachten ze hun stem te vertegenwoordigen in de food council.

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

De partners waarmee samengewerkt wordt is erg afhankelijk van project tot project. Stad Gent en de Gentse lokale initiatieven rond stadslandbouw in de brede zin, vormen de hoofdpartners.

Andere partners

Een andere partner waarmee samengewerkt wordt, zijn scholen.

Potentiële partners

Potentie ziet de werkgroep in de samenwerking met andere werkgroepen stadslandbouw in België (analoog met Nederland), nog meer landbouwers en internationale initiatiefnemers of projecten rond stadslandbouw.

Wijze van besluitvorming

De besluitvorming gebeurt horizontaal, alles wordt in onderling overleg beslist.

Leider

Geen.

Boegbeeld

Geen.

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Maarten Crivits verzorgt voornamelijk de relaties met stad Gent en vertegenwoordigt de werkgroep ook in de food council.

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Momenteel niet. Eventueel zien zij een samenwerking met het Gents Milieufront en/of Wervel vzw in de toekomst.

Financiering

Geen.

129


Werkgroep Stadslandbouw Gent

Communicatie Doelgroep

De communicatie is voornamelijk gericht op iedereen die interesse heeft. De fora zijn meer doelgericht in functie van het onderwerp.

Middelen

Communicatie gebeurt voornamelijk via Facebook, de website en de aanwezigheid op beurzen.

4. Belangrijkste aandachtspunten/knelpunten Vrijwilligers Dit is zowel een positief als een negatief aspect. De werkgroep hoeft geen verantwoording af te leggen. Daarnaast mist de vereniging zo wel enige standvastigheid en vergt het veel energie van de vrijwilligers. Daarom overwegen ze de feitelijke vereniging om te vormen tot een vzw. Vooral een partime communicatiemedewerker zou erg welkom zijn.

Tussenplatform De werkgroep werkt als een tussenplatform dat intermedieert bij het opstellen van een voedselstrategie voor Gent. Ze brengen actoren samen die reeds actief zijn in het veld. Doordat de werkgroep weet wat er vandaag leeft op het gebied van stadslandbouw, kan ze bestaande lokale initiatieven naar voor schuiven die binnen de voedselstrategie een belangrijke rol kunnen innemen. Zo zijn er bijvoorbeeld actoren die werken rond voedselverspilling. Door deze actoren, die reeds veel kennis rond dit topic verworven hebben, te steunen en te waarderen, kunnen ze misschien een grotere rol opnemen in de voedselstrategie en zo Gent iets dichter bij de klimaatneutraliteit brengen.

Beleid Het beleid vormt voor de werkgroep als actor geen knelpunt, wel voor de stadslandbouw zelf. Bestemmingsplannen blijven stugge instrumenten om multifunctionele stadslandbouwprojecten te realiseren en er ontbreekt een regionale visie van de stad om grootschalige projecten op te zetten.

Schaalvergroting Er zijn reeds andere werkgroepen rond stadslandbouw in Vlaanderen. Het zou dus interessant zijn een groter Vlaams netwerk te ontwikkelen, zodat kennis ook op gewestelijk niveau uitgewisseld kan worden.

Financiering De werkgroep stelt het volledig zonder financiĂŤle middelen. Ze blijven het enerzijds zien als een grote vrijheid, anderzijds zou de beschikbaarheid van een budget voor sommige projecten toch wel een extra duwtje in de rug kunnen zijn.

130


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Bevraging en analyse nieuwe actoren

131


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Wervel 1. Identiteit Jaar van ontstaan Wervel bestaat dit jaar 25 jaar (dus sinds 1989-1990).

Aanleiding voor ontstaan Wervel ontstond in de periode waarin de landbouw en vooral de varkenshouderij (varkenspest, mestactieplannen) een diepe crisis doormaakten. Het begon destijds met opiniestukken in De Standaard. Deze krantendebatten werden gebundeld in ‘Het Varkenstribunaal’. Het was de bedoeling de beperkte duurzaamheid van het landbouwmodel aan te kaarten. Gaandeweg verbreedde Wervel zijn interessegebied naar de eiwitafhankelijkheid van Europa. Deze problematiek gaat ver terug. In 1962 zorgde een vrijhandelsakkoord ervoor dat Europa haar graanmarkt mocht beschermen op voorwaarde dat het de grenzen openzette voor eiwitproducten (soja). Vandaag is Europa nog steeds heel afhankelijk van haar eiwitimport. Dit zorgt op de grootste schaal én op de kleinste schaal voor grote problemen (o.a. nutriënten e.d.) Gelijktijdig steeg ook de aandacht voor het recht op grond voor de landbouwer, en niet voor teelten van internationale concerns. Vruchtbare grond is een schaars goed, toch wordt het vandaag slecht(s) aangewend om er mest op te slaan of producten te kweken zoals maïs dat de veestapel moet voeden. Grond wordt, naar de mening van de Wervel-sympathisanten, te weinig gebruikt waarvoor het zou kunnen dienst doen m.n. lokale, ethische en faire voedselproductie (cf. supra) Wervel bracht en brengt noch steeds inhoudelijke stukken over deze problematieken naar buiten. Ze voeren actie tegen beslissingen en wantoestanden.

Beknopte omschrijving van focus en werking Kernboodschap: de enige landbouw met toekomst is landbouw met LEF (Lokaal, Ecologisch, Fair). Deze landbouw durft moeilijkere keuzes te maken om de toekomst te vrijwaren. Lokaal verankerd: Voedsel uit de korte keten is de toekomst. Boer en consument treden met elkaar in contact. Vlaanderen is hiervoor de uitgesproken omgeving, iedere consument woont steeds relatief dichtbij een producent van voedsel door onze doorgedreven verstedelijking. Ecologisch: Pleidooi voor respect voor draagkracht van een ecosysteem, dit wil zeggen dat je rekening houdt met de productiekracht van de grond waarop je teelt (je teelt niet meer dieren dan de grond aankan). Ecologisch houdt ook in dat er wordt geïnvesteerd in het landschap. De natuur wordt aangewend als een partner (cf. supra). Zo worden bijvoorbeeld landbouwdieren en akkerranden ingezet om mee te werken aan een verzoenend landbouwmodel met de natuur. Fair: Een eerlijke prijs voor de landbouwer is het streefdoel. Deze is vandaag nog te vaak een zwakke schakel aangezien hij vaak nog maar weinig te zeggen heeft op zijn

133


Wervel

eigen boerderij (macro-economische mechanismen). Bovendien zou de landbouwer zijn inkomen moeten halen uit een faire prijs (i.p.v. uit subsidies), en hij heeft het recht te produceren op een kleine schaal en niet voor de wereldmarkt.

Rechtsvorm Vzw.

Institutionele partners (oprichtende partners) Stichter Luc Vankrunkelsven. Er zijn geen partners vermeld in de statuten.

Professionalisering Aantal vergoede medewerkers: In totaal zijn er 3,5 voltijdse arbeidskrachten. Aantal vrijwillige medewerkers: Daarnaast zijn er nog een 80 à 100 vrijwilligers werkzaam waarvan de bezigheden sterk verschillen. Achtergrond van de medewerkers: De achtergrond van de betaalde, inhoudelijke medewerkers is relatief uniform. Drie van hen zijn landbouwingenieurs. Stichter Luc Vankrunkelsven is theoloog en filosoof. Hij heeft een achtergrond als geestelijke. De achterban van vrijwilligers bestaat deels uit landbouwers die sterk geïnteresseerd zijn in de landbouw met LEF. Anderen hebben een achtergrond als ambtenaar, zij versterken vanuit hun expertise de werking van Wervel. Sommige vrijwilligers zijn simpelweg bezorgde burgers die hun keuze uitdrukken voor een ander landbouwmodel. Een minderheid van de vrijwilligers behoort tot de zogenaamde kansengroepen. Deze belanden bij Wervel om enige werkervaring en vorming op te doen.

Schaal van werking Moeilijk te benoemen. Vrijwilligersteams (5 tot 15 personen) werken per provincie rond een bepaald thema (provinciaal). Een team in Gent werkt rond stadslandbouw en LEF, terwijl het Antwerpse team focust op lokale voedselstrategieën. In Brussel zijn verschillende teams actief. Eén daarvan werkt rond de Cerrado in Brazilië. Wervel is in zijn werking dus ook voorzichtig op mondiale schaal actief. De bedoeling is indrukken op te doen over het landbouwbedrijf aldaar, en specifieker de wederzijdse afhankelijkheid tussen de landbouw in Brazilië en deze in onze contreien (sojaproducten zijn de basis van onze klassieke veehouderij). Wervel werkt op geregelde tijdstippen samen met Europese actoren. De nadruk ligt hier vandaag voornamelijk op een platform rond agroforestry.

Inbedding in koepelorganisatie Wervel neemt als onafhankelijke actor deel aan een overlegplatform voor transitiegroepen. Een van de thema’s binnen dit platform is landbouw. In deze groep zitten ze samen met Bioforum, Voedselteams, Natuurpunt, BBL, Velt, Vredeseilanden. Verder zijn er goede contacten met Oxfam Solidariteit en milieubewegingen zoals Climaxi. Het gaat hierbij niet steeds om structurele samenwerkingen. Wel ondersteunen deze actoren elkaar wanneer er positieteksten worden geschreven. Wervel maakt deel uit van het Europese platform EURAF (European Agroforestry Federation).

134


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

Korte keten, of meer, een verbeterd contact tussen producent en consument: een nadruk op lokale voedselproductie. Regelmatig worden vrijwilligers en andere boeren uitgenodigd om te leren van ‘pioniers’ (geïnspireerde producenten die een ander landbouwmodel bewust praktiseren) via sitebezoeken. Educatie: De pioniers en de ideeën van Wervel (cf. communicatie) worden ingeschakeld als goede voorbeelden. Deze vorming gebeurt via excursies, lezingen of simpelweg door er over te schrijven in de Wervelkranten, Wervelkaternen en andere informatieve en educatieve publicaties. Landschapsbeheer in een pleidooi voor verweving: Wervel heeft steeds sterk een opsplitsing of begrenzing van landbouw en natuur aangekaart in de open ruimte. Ook de overheid beschouwt landbouw en natuur als tegenstrijdig aan elkaar. Deze scheiding is enkel relevant voor het onderscheid tussen natuur en industriële landbouw (zoals grootschalige varkenskwekerijen, die in een industriezone zoals de haven thuishoren). Er zijn weinig stemmen in het middenveld die zich uitspreken voor verweving. Een actor als Natuurpunt spreekt zich uit over natuur, en pleit voor een ander landbouwmodel, zolang deze ver genoeg gelegen is van de natuurgebieden. Wervel is een unieke stem in het verweven van activiteiten in de open ruimte. De boer kan volgens Wervel essentieel deel uitmaken van het landschap door de aanleg van houtkanten, de inschakeling van dieren en rekening te houden met de draagkracht van de bodem. Toegang tot grond: een thema waarin Wervel vooral betrokken wordt via partnerorganisaties. Ze zijn stichtend lid van De Landgenoten. Wervel stelt zich expliciet de vraag of grond voor voedselproductie wel privébezit kan zijn. Duurzaamheid: op vele niveaus; voor de mens, voor het ecologische en het economische. Er moet buiten de nadruk op de korte keten ook gewerkt worden aan faire relaties in de lange keten.

Kan rol ook door andere actor worden opgenomen?

Wervel heeft altijd de rol op zich genomen van die vervelende luis in de pels. Deze rol wordt ook erkend door andere actoren die werken rond dezelfde thematieken. Wervel is bovendien totaal onafhankelijk, waardoor het op iedereen onderbouwde kritiek kan hebben. Zo heeft Wervel een grote expertise en kennis kunnen opbouwen. Zij kunnen het volledige verhaal vertellen. Een organisatie als EVA focust sterk op vegetarisme. Wervel erkent de rol van een dier op een landbouwbedrijf en de verminderde consumptie van vlees. Daarom pleit Wervel met campagnes als “Zondag Vleesdag”.

135


Wervel

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Aan een nieuwe middellange termijnvisie wordt gewerkt. Wervel werkt in termijnen van vijf jaar. Net als Voedselteams zijn zij een sociaal-culturele beweging wat hen verplicht met deze termijnen om te gaan. De doelstellingen voor het beleidsplan 2016-2020 zullen nog sterker focussen op landbouw met LEF.

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk

Er wordt geen onderscheid gemaakt in het belang van de partners. Rond agro-ecologie probeert Wervel een platform op te starten met partners zoals Bioforum, Velt, Voedselteams,…

Wijze van besluitvorming

Raad van Bestuur. Het beleidsplan wordt besproken met de achterban; zij beslissen onder andere welke projecten worden binnengehaald.

Leider

Er is geen uitgesproken leiderschap, Luc Vankrunkelsven is de stichter en wordt algemeen gezien als het gezicht van Wervel (zonder dat hij dit zelf zo beschouwt). Iedereen treedt naar buiten op zijn eigen thema.

Boegbeeld

Ontbreekt. Wordt binnen Wervel beschouwd als een zwakte maar ook als een kracht. Het feit dat Wervel altijd het gehele plaatje wil brengen en gehecht is aan onafhankelijkheid, maakt dat het moeilijk is een BV voor de kar te spannen.

Tussenfiguren naar andere actoren/ overheid/…

Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen specialisatie: eiwittransitie en landbouwbeleid, LEF, Brazilië, agro-ecologie. Contacten met andere instanties gebeurt telkens vanuit de eigen thematieken.

Structurele samenwerking met andere nieuwe actoren

Niet.

Financiering

3/5 van de gelden komen uit overheidssteun. 1/5 zijn giften en 1/5 zijn projecten.

Communicatie Doelgroep Middelen

136

Via diverse publicaties zoals de Wervelkaternen en de Wervelkranten (per kwartaal). Men communiceert ook via Facebook en andere sociale media.


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

4. Belangrijkste aandachtspunten/knelpunten Financiering 250.000 euro werkingsmiddelen is te weinig om hetgeen Wervel zou willen doen, goed te doen. Het grootste deel van het geld gaat naar personeel, ondanks het feit dat er maar 3,5 voltijdse arbeidskrachten zijn. Het Vlaams Instituut voor Biotechnologie krijgt elk jaar 44 miljoen euro dotaties om onderzoek te doen naar genetisch gemodificeerde organismen, en andere. Via de media probeert Wervel meer naambekendheid te krijgen. Wervel werd uitvoerig geconsulteerd door De Standaard in hun reeks over landbouw en economie. Het jammere is dat hun naam dan nauwelijks wordt vermeld. Het is steeds moeilijker om projectfinanciering binnen te halen door de grote onderlinge concurrentie. Wervel zou één iemand moeten kunnen aannemen die voltijds inzet op communicatie naar de buitenwereld, om zo meer projecten en fondsen op te halen. Benny geeft nog mee dat sociaal-culturele bewegingen zoals Wervel zijn vernieuwende stemmen, en deze stemmen zouden financieel beter ondersteund moeten worden door de overheid.

Politiek De landbouw is nog een van de laatste sectoren die sterk verzuild is. De christelijke zuil (Boerenbond, CD&V,…) heeft veel te zeggen vanuit een conservatieve grondstroom wat de werking van Wervel bemoeilijkt. Er spelen vaak grote belangen en die krijgen voorrang op een alternatieve stem. Door de beperkte middelen van Wervel is het advies dat boeren krijgen vaak nog te eenzijdig.

Landbouw versus Natuur Er is een sterke tweespalt tussen landbouwers en milieubewegingen. Er is te weinig achtergrond gekend bij de overheid. Vlaanderen wordt al jaren door Europa op de vingers getikt dat de lucht- en waterkwaliteit ondermaats is. Ondertussen blijft men vergunningen afleveren en nitraten toelaten. Achteraf werden de milieubewegingen met de vinger gewezen. De vijandigheid tov. de ‘groene jongens’ wordt bij landbouwers met de paplepel ingegeven. Er is een groot gebrek aan genuanceerde informatie. Wervel moet al te vaak vechten tegen het vooroordeel dat de natuur de vijand is van de landbouw omdat ze haar gronden inpikt.

Regelgeving Het is bijvoorbeeld zeer moeilijk om aan verweving van functies en invullingen van gronden in de open ruimte te doen als de besluitvorming hier niet op afgestemd is. Nochtans zou dit een grote meerwaarde kunnen zijn voor de open ruimte.

137


138


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Verslag Tafelgesprek nieuwe actoren vrijdag 26 februari 2016 VLM Guldenvlieslaan 72, 1060 Brussel

Aanwezig Hannes Van den Eeckhout Guido Tack Tom Kockx Rebecca Vandemaele Dirk Cuvelier Anna Verhoeve Hans Van der Meeren Sofie Deberdt Frederic Schobben Ben Vandeput Charlotte Jacobs Sylvie Fosselle Griet Celen Rik Samyn Liesbet Belmans Tine Segers Filip De Rynck Hans Leinfelder (verslag) Marjolijn Claeys (verslag)

Boeren en Buren Werkgroep Bos ‘t Ename De Landgenoten Dorpsdienst Nestor Loket Onderhoud Buitengebied Vrienden van de Zwalmse Dorpen Vrienden van de Zwalmse Dorpen Samenhuizen vzw Student KULeuven (interviewer) Student KULeuven (interviewer) Student KULeuven (interviewer) VLM (werkgroep Open Ruimte Platform) VLM (werkgroep Open Ruimte Platform) VVP (werkgroep Open Ruimte Platform) VVSG (werkgroep Open Ruimte Platform) AWB (werkgroep Open Ruimte Platform) UGent (expert) KULeuven-PLEN KULeuven-PLEN

Verontschuldigd Joachim Declerck (AWB), Christophe Vandevoort (Ruimte Vlaanderen – werkgroep Open Ruimte Platform), Jan Bloemen (Pit-Z33), Steven Clays (Trage Wegen vzw), Marc De Vos (Volterra), Willem Rombout (Steunpunt Groene Zorg), Johan Debeule (ProNatura), Maarten Crivits (werkgroep stadslandbouw Gent)

Agenda 09u30 - 10u00 10u00 - 12u00

12u00-12u30

139

Inloop en inleiding ‘Zorgende Zorro’s’ door Hans Leinfelder Tafelgesprek – ingeleid en gemodereerd door Hans Leinfelder 1. Hét politieke - wie zijn de nieuwe actoren? 2. Professionalisering - wanneer worden nieuwe actoren oude actoren? 3. Verwachtingen naar overheden - hoe kunnen ze nieuwe actoren koesteren? Uitleidende beschouwing door Filip De Rynck


Tafelgesprek nieuwe actoren

Verslag In het kader van het leertraject van het Open Ruimte Platform werden 21 nieuwe actoren geïnterviewd door studenten van KULeuven – PLEN. Deze interviews werden verwerkt en de conclusies van het onderzoek werden opgenomen in het artikel ‘Zorgende Zorro’s’ in Ruimte nr. 29. Vandaag worden de resultaten van dit onderzoek voorgesteld aan de nieuwe actoren en wordt hierover met hen in debat gegaan. Dit tafelgesprek moet toelaten om de conclusies van de bevraging te verfijnen en zo voeding te geven aan de beleidsaanbevelingen voor het Open Ruimte Platform. In een algemene inleiding wordt de bevraging van de nieuwe actoren kort gesitueerd binnen het leertraject van het Open Ruimte Platform, wordt aangegeven wie er bevraagd is en wat de eerste conclusies in grote lijnen zijn. Tijdens het tafelgesprek wordt dieper in gegaan op 3 grote punten uit het onderzoek. Deze punten worden kort ingeleid aan de hand van een tweetal slides.

1.

Het politieke – Wie zijn de nieuwe actoren?

Nieuwe actoren kunnen ontstaan als alternatief voor het falen of ontbreken van overheidsbeleid (vb. Loket onderhoud Buitengebied, Pit/Z33, Nestor, …). Soms ontstaan deze initiatieven zelfs in de schoot van overheden zelf. Ze worden opgezet als proeftuinof pilootprojecten, krijgen van overheden kansen en middelen om een werking op te bouwen, nemen hiervoor het initiatief en groeien uit tot een meer zelfstandige organisatie. Na verloop van tijd evolueren deze initiatieven tot meer klassieke middenveld- of overheidsorganisaties. De politiek en/of overheden proberen vat te krijgen op deze creatieve initiatieven en vragen om een rapportage, regels, kader… Het kader waarbinnen zij moeten werken en de reglementering waaraan zij moeten voldoen noodzaken hen dikwijls om te evolueren naar een meer klassieke organisatie. Nieuwe actoren kunnen ook ontstaan vanuit onvrede met overheidsbeleid (vb. Vrienden van de Zwalmse Dorpen, Werkgroep Bos ’t Ename , Landgenoten, …). De nieuwe actoren geven echter aan dat dit gevoel van onvrede dubbel is. Het is niet alleen een onvrede t.o.v. overheden, maar ook een onvrede over verzuring bij burgers. Zij begrijpen de onvrede van burgers over het functioneren van overheden op bepaalde vlakken, maar willen tegelijk ook een constructief alternatief bieden voor het ‘klagen en zagen’, en appelleren aan de verantwoordelijkheid van de burger zelf. In Vlaanderen wordt, in vergelijking met andere landen (vb. Groot-Brittannië), veel van de overheid verwacht. Bepaalde nieuwe actoren willen echter ook Vlaamse burgers oproepen om zelf initiatief te nemen en mee in te staan voor de uitbouw van de maatschappij. Deze oproep tot het opnemen van de burgerverantwoordelijkheid is één van de aspecten die de nieuwe actoren anders maakt dan andere burgerinitiatieven. Ze organiseren niet enkel protest, maar stellen ook een alternatief voor, nemen zelf het beheer in handen, produceren zelf, … Andere nieuwe actoren ontstaan uit onvrede met de marktwerking. Zij zijn veel minder betrokken bij dé politiek, maar ageren meer vanuit Life politics (vb. Boeren en buren). De confrontatie met bv. bepaalde mechanismen in de globale voedselproductie in hun eigen dagelijks leven zet deze nieuwe actoren ertoe aan om zelf actie te ondernemen en een alternatief uit te werken. Deze nieuwe actoren zijn in dit opzicht misschien veel meer ‘burgerondernemers’. De burgerinitiatieven en het vrijwilligerswerk professionaliseren vaak in die mate dat deze burgers ‘professionele vrijwilligers’ worden en zelfs administratieve en logistieke taken op zich nemen. Deze nieuwe actoren functioneren ook onafhankelijk van overheden, staan zelf in voor hun financiering of gaan deze meer op de private markt

140


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

zoeken. De ervaring van Boeren en Buren leert dat de pogingen tot samenwerking met lokale overheden veeleer tot frustraties leiden. De organisatiestructuur van overheden vertraagt namelijk de werking en de dynamiek van hun eigen werking. De diversiteit aan ontstaansredenen en doelstellingen van de nieuwe actoren maakt ook dat zij andere posities innemen en relaties aangaan met overheden. Bepaalde nieuwe actoren zullen concrete acties opzetten, los van de werking van overheden en politiek; anderen werken nauw samen met overheden of trachten bij overheden te lobbyen voor een ommekeer in het beleid en nog anderen starten vanuit een concrete werking, maar groeien geleidelijk aan uit tot een belangenverdediger; … In het tafelgesprek worden twee concrete strategieën in het omgaan met overheden aangehaald: - Werkgroep Bos ’t Ename geeft aan dat zij met hun werking op het snijvlak van dé politiek en het politieke zitten. De kern van de organisatie is deel van Natuurpunt, maar daarrond zit ook een grote groep van vrijwilligers en actieve burgers. In haar werking zet de Werkgroep Bos ’t Ename beide kanalen in, zowel de werking en het netwerk van de middenveldorganisatie als deze van het burgeractivisme. Ze gebruiken beide kanalen pragmatisch. Dit maakt de slagkracht van de organisatie groter. Nestor kent een gelijkaardige werking waarbij de samenwerking tussen lokale overheidsdiensten en vrijwilligers centraal staat. - Landgenoten en Boeren en Buren zetten daarentegen zelf als nieuwe actor vooral in op concrete acties. De belangenverdediging bij overheden laten zij over aan andere, meer klassieke middenveldorganisaties die hierop beter zijn georganiseerd.

2. Professionalisering - Wanneer worden nieuwe actoren oude actoren? Wanneer nieuwe actoren uitgroeien, worden zij geconfronteerd met vragen naar samenwerking van verschillende partijen, waaronder ook traditionele middenveldorganisaties en overheden. Om bij dergelijke vragen te bepalen of ze er wel of niet op kunnen ingaan, is het hebben van een missie/visie belangrijk. Ook nieuwe actoren kunnen evolueren naar een dienstverlener en er kan een grote verwevenheid ontstaan met de werking van overheden. Zolang de missie/visie wordt bewaakt, zolang de nieuwe actoren hun slagkracht niet verliezen en hun onafhankelijkheid blijven behouden, is samenwerking met overheden perfect mogelijk. In de praktijk is het onderscheid tussen ‘oude actoren’ (overheden, klassiek middenveld) en ‘nieuwe actoren’ vaak niet zo scherp afgelijnd. In veel gevallen zijn er ambtenaren (als burger) betrokken in de werking van burgerinitiatieven. Nieuwe actoren werken vaak samen met overheden en/of krijgen overheidssubsidies. Zo is Nestor eigenlijk een samenwerkingsverband tussen OCMW’s of lokale overheden. Samenhuizen vzw is erkend als socio-culturele beweging en krijgt overheidsmiddelen om de werking te ondersteunen. Omdat overheden de nieuwe actoren met subsidies ondersteunen, organiseren en stimuleren ze in zekere zin zelf ‘protestinitiatieven’ tegen het overheidswerken. Op zich hoeft deze verwevenheid niet problematisch te zijn. Er is wel een kritische grens voor samenwerking of ondersteuning die wordt bepaald door de mogelijkheid van nieuwe actoren om kritiek te geven op het overheidsfunctioneren. In dat opzicht is de manier waarop overheden nieuwe actoren ondersteunen belangrijk. Nieuwe actoren hebben middelen nodig om hun werking te kunnen bestendigen. Uit de interviews blijkt duidelijk dat enkel op vrijwilligerswerk draaien heel moeilijk is. In Vlaanderen zijn er voor niet-commerciële initiatieven, behalve overheidsfinanciering, weinig andere structurele mogelijkheden om middelen te verzamelen. In België/Vlaanderen zijn overheden en middenveld heel erg verweven en is er in het verleden een systeem van overheidsondersteuning van het middenveld gegroeid. Dit is een gans andere situatie dan in bv. Groot-Brittanië waar er wel meer

141


Tafelgesprek nieuwe actoren

private fondsen bestaan die initiatieven ondersteunen. Hoewel er een groeiende bereidheid is van burgers om bij te dragen aan maatschappelijke initiatieven (vb. via crowdfunding), blijven subsidies in Vlaanderen een van de belangrijkste kanalen in fondsenwerving. Om als nieuwe actor een onafhankelijkheid te bewaren, zijn subsidies voor werkingskosten dan ook beter dan projectsubsidies. Het is met andere woorden beter om de werking van nieuwe actoren te subsidiëren omwille van hun vernieuwend en innoverend karakter, dan om ze te ondersteunen vanuit inhoudelijke overwegingen. Er is ook een soort jojo-beweging tussen traditionele middenveldorganisaties en nieuwe actoren. Nieuwe actoren groeien, professionaliseren en gaan zich vanuit hun piloot- of proefproject steeds meer conformeren aan het bestaande, regelgevend kader om subsidies te kunnen krijgen. Op deze manier evolueren nieuwe actoren naar meer traditionele middenveldorganisaties en worden de burgerinitiatieven geïnstitutionaliseerd. Hierdoor ontstaan er opnieuw andere, nieuwe burgerinitiatieven als reactie op deze meer traditionele organisaties die te dicht bij de overheid staan. Die op hun beurt groeien, … Voor een aantal nieuwe actoren is het in zekere zin ook de ambitie dat overheden hun doelstellingen overnemen. Deze ambitie geldt alleen voor initiatieven die ontstaan zijn als reactie op een hiaat in het overheidsfunctioneren (vb. Vrienden van de Zwalmse Dorpen, Samenhuizen vzw, …). Voor andere initiatieven die het functioneren van de markt willen bijstellen (vb. Boeren en Buren, Landgenoten, …) of die burgers willen activeren om zelf initiatief te nemen, geldt dit veel minder. Wanneer overheden de doelstellingen of werking van de nieuwe actoren overnemen, hebben deze geen bestaansreden meer. Op dat moment worden zij overgenomen door ‘oude actoren’ waarbij de vraag zich stelt of overheden en klassieke middenveldorganisaties de doelstellingen en werking van nieuwe actoren kunnen overnemen. Ook stelt zich de vraag of de politieke overheden wel een in de tijd betrouwbare en duurzame partner zijn, aangezien zij bij iedere nieuwe legislatuur van visie kunnen veranderen.

3.

Verwachtingen naar overheden - Hoe kunnen ze nieuwe actoren koesteren?

De vraag naar de verwachtingen van nieuwe actoren ten aanzien van overheden lijkt te veronderstellen dat overheden actie moeten ondernemen. Is dat echt wel zo? Moeten overheden altijd iets doen voor/met nieuwe actoren of kunnen ze ook intelligent niets doen? Het intelligent niets doen verschilt duidelijk van het negeren van de nieuwe actoren. Het is een bewuste keuze van overheden om niet te interfereren en de nieuwe actoren te laten begaan. Het intelligent niets doen impliceert dat overheden kennis hebben van de nieuwe actoren, dat zij positief staan t.o.v. de werking of acties van deze actoren en dat zij een visie hebben ontwikkeld op het omgaan met deze nieuwe actoren die er bewust voor kiest om als overheid niet tussen te komen. Met het intelligent niets doen, erkennen overheden de nieuwe actoren. Het is een positieve houding waarbij nieuwe actoren en overheden als partners worden gezien die elk een eigen rol vervullen in een maatschappelijk verhaal. Het is echter ook een minimalistische houding van overheden t.o.v. nieuwe actoren. Er is erkenning, maar nog geen echte dialoog of partnerschap. Een meer doorgedreven vorm van partnerschap is het actief faciliteren van nieuwe actoren door overheden. Overheden kunnen dit vooral doen door regelgeving te vereenvoudigen. Het overheidsdenken en –functioneren zit vaak vast in bepaalde patronen, waar nieuwe actoren proberen op in te breken. Overheden kunnen nieuwe actoren faciliteren door beperkende regelgeving weg te werken en, nog een stap verder, door ondersteunende regelgeving uit te werken. Dit vraagt wel om een expliciete visie

142


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

en houding van de overheid t.o.v. de werking van (bepaalde) nieuwe actoren en roept ook vragen op: kan je als overheid bepaalde initiatieven steunen via regelgeving (en dus wellicht ook andere niet)? Gaat dit in tegen het gelijkheidsbeginsel? Moet een overheid neutraal zijn? Ook op het vlak van communicatie zouden overheden nieuwe actoren kunnen faciliteren. Overheden zouden de nieuwe actoren een forum kunnen bieden binnen de eigen communicatiekanalen (vb. stads- of gemeentemagazine). Dit gebeurt vandaag echter zelden. Voor de nieuwe actoren zelf is het vooral van belang om op zoek te gaan naar de ‘juiste’ overheden, naar de ‘juiste’ partners die hen verder op weg kunnen helpen. Het uitbouwen van een netwerk is daarbij heel belangrijk en helpt om de weg te vinden naar overheden. De betrokkenheid van ambtenaren, als burger, in de werking van bepaalde nieuwe actoren helpt ook.

143


© Biodroom Antwerpen Toerisme & Congres

144


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Burgerinitiatieven doorgelicht KU Leuven-PLEN interviewde in het najaar van 2015 21 nieuwe actoren. Samen met de initiatiefnemers van het platform werd gekozen voor een zo breed en divers mogelijk spectrum. Kernthema

Burgerinitiatief

Behoud van open ruimte Behoud van erfgoed Hernieuwbare energie Kunst in open ruimte Landschapsonderhoud en -beheer

Buitengoed Oostende, Parkveldgroep Vrienden van de Zwalmse dorpen Volterra Pit 3WatEr, Loket Onderhoud Buitengebied, Pro Natura, Werkgroep Bos ’t Ename De Landgenoten Trage Wegen Boeren en Buren, Bolhuis, Stadsboerderij Kortrijk, Voedselteams, Werkgroep Stadslandbouw Gent, Wervel Waterconservering Wuustwezel Samenhuizen Dorpsdienst Nestor, Steunpunt Groene Zorg

Toegang tot grond voor bio-landbouw Toegankelijkheid Voedselproductie en –distributie

Water Wonen Zorg en welzijn

Deze burgerinitiatieven zijn niet allemaal even ‘nieuw’. Sommige, zoals Wervel, Pro Natura en Werkgroep Bos ’t Ename, dateren al van de jaren negentig. Andere, zoals Boeren en Buren (2015), Stadsboerderij Kortrijk, Vrienden van de Zwalmse dorpen, Volterra en De Landgenoten (2014), zijn nog zeer pril. Maar het verschil met gevestigde middenveldorganisaties, zoals Boerenbond, Algemeen Boerensyndicaat, Natuurpunt en Bond Beter Leefmilieu, zit in het feit dat ze zich gewoon ‘anders’ intern organiseren en ‘anders’ positioneren ten opzichte van overheden.

Politieke actoren De meest genoemde aanleiding voor het ontstaan van burgerinitiatieven in de open ruimte is ontevredenheid over het overheidsbeleid. Sommige initiatieven zijn een reactie op het mogelijk verdwijnen van open ruimte of erfgoed. Andere kwamen tot stand als alternatief voor het ontbreken of het falen van beleid. Concrete voorbeelden hiervan zijn het zelf organiseren van beheersmaatregelen voor waterhuishouding, landschapselementen en (recreatieve) paden in de open ruimte, het aanbieden van dienst- en zorgverlening aan kwetsbare groepen op het platteland die het slachtoffer zijn van verregaande centralisering van deze diensten, het economisch haalbaar maken van opstartende korte-keten- en/of bio-landbouwinitiatieven. Nog andere initiatieven

145


Burgerinitiatieven doorgelicht

vullen hiaten in zoals de afwezigheid van een voedselbeleid of onduidelijkheid door het ontbreken van een wetgevend kader. Heel vaak vertalen ze zich in de levering van concrete producten en diensten. Het meest gekend zijn vanzelfsprekend de productie, distributie en/of verkoop van (biologisch geteelde) groenten en fruit binnen een verkorte keten tussen voedselproducent en -consument. Opvallend is toch dat een groot aantal van deze burgerinitiatieven in de open ruimte hun oorsprong vinden in een positieve motivatie, dikwijls van een individu of een beperkt aantal burgers, om maatschappelijk een verschil te maken. Concrete projecten als het opstarten van een stadsboerderij, het beheer van het landschap via sociale tewerkstelling, het combineren van erfgoed en natuurbehoud, het produceren van hernieuwbare energie door burgers zelf, het verweven van natuur en landbouw, … vormen de afspiegeling van een visie van enkelingen op een betere wereld.

Sommige initiatieven worden bewust of onbewust door de overheid zelf geïnitieerd, bijvoorbeeld via een nieuwe subsidieregeling voor zorgboerderijen of voor kunst in de open ruimte. Niet alle geïnterviewde ‘nieuwe actoren’ zijn bijgevolg volwaardige burgerinitiatieven, maar ze zijn wel in ruime mate zelfstandig in het bepalen van hun prioriteiten en hun dagelijkse werking. Voor alle ondervraagde initiatiefnemers geldt in ieder geval dat ze politieke actoren zijn. Relevant hierbij is het onderscheid tussen ‘de politiek’ en ‘het politieke’. Debruyne en Van Bouchaute (2014) maken dit onderscheid op basis van de inzichten van de Franse filosoof Jacques Rancière (1998). ‘De politiek’ is ‘de kunst van het mogelijke’ of het beheer van de maatschappelijke orde binnen de bestaande kaders en sociale verhoudingen. In ‘de politiek’ spelen overheden en traditionele middenveldorganisaties hun vertrouwde rol. ‘Het politieke’ is daarentegen ‘de kunst van het onmogelijke’ of een vorm van politiek handelen die de bestaande kaders verandert; de opgelegde contouren van ‘de wereld zoals hij is’ worden opengebroken, de bestaande maatschappelijke orde wordt verstoord en in vraag gesteld. Het is hier dat zich heel wat van de burgerinitiatieven situeren. De Britse socioloog Anthony Giddens (1991) noemt het op zijn beurt ‘life politics’: een koppeling van politieke en

146


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

maatschappelijke doelen aan het project van het eigen leven van initiatiefrijke burgers. Hun politiek-maatschappelijke betrokkenheid krijgt niet enkel meer gestalte in het lidmaatschap van grote (politieke) bewegingen, maar in hun betrokkenheid bij morele onderwerpen en sociale verbanden die sterk gericht zijn op zelfverwerkelijking en op eenvoudige onderwerpen die een grote relevantie hebben in hun alledaagse leven. Deze levenspolitiek is geen vervanging van, maar een aanvulling op de klassieke overheidspolitiek. (Van Dam et al., 2008a)

Professionalisering Net zoals de overheid zelf, hanteren ook burgerinitiatieven in de open ruimte strategieën om hun omgeving te beïnvloeden en hun ambities te realiseren. (Van Dam et al., 2008b) Door zowel initiatieven van recente als van minder recente datum in dit onderzoek te betrekken, werd ons duidelijk dat een burgerinitiatief tijd nodig heeft om te kunnen groeien en gebaat is bij een vrij homogene mix van strategieën. Een eerste belangrijke strategie is communicatie en uitstraling. Nagenoeg alle onderzochte burgerinitiatieven hebben een eigen website en vele onder hen maken creatief gebruik van sociale media zoals Facebook. Bruikbare informatie op het internet leidt vaak tot een wonderbaarlijke vermenigvuldiging van het aantal supporters. Slechts een enkeling opteert nog bewust voor trage groei, gebaseerd op mond-aanmondreclame. Verzorgde, regelmatige nieuwsbrieven, leuke events of excursies, interviews in lokale en regionale pers maken het plaatje af. Hoe meer aanhangers, hoe meer middelen en hoe meer politieke slagkracht. Het vormen van coalities met overheden en andere organisaties en initiatieven is een tweede strategie om de eigen ambitie te realiseren en samen meer gewicht in de schaal te kunnen leggen. Opvallend veel burgerinitiatieven zoeken aansluiting bij gemeentelijke, provinciale of zelfs Vlaamse overheidsinstanties, bij regionale landschappen en bij meer traditionele middenveldorganisaties. Kennisdeling en uitwisseling van ervaringen, schaalvergroting van het werkingsgebied en van de organisatiestructuur, de rol van de overheid als klant en ten slotte de financiering van het eigen initiatief vormen voor ‘het politieke’ belangrijke redenen om op een constructieve manier toenadering te zoeken tot ‘de politiek’. Het valt op dat, naast de burgerinitiatieven die concrete diensten en producten leveren en hiervoor ook een financiële vergoeding krijgen, de meeste initiatieven overheden als voornaamste geldschieters hebben. Behalve Europese projectmiddelen en Vlaamse generieke middelen voor bijvoorbeeld sociaal-culturele bewegingen, landbouwbedrijven of burgercoöperaties, zijn het vooral de provincies en in mindere mate de gemeenten die het bestaan van de burgerinitiatieven verzekeren. Het maakt deze initiatieven evenwel minder onafhankelijk dan ze misschien zelf zouden willen. En de onzekerheid over de continuïteit van de middelen is vaak een rem op hun professionalisering. 147


Burgerinitiatieven doorgelicht

Een belangrijk element in de professionalisering van een burgerinitiatief is het in dienst nemen van competente, betaalde medewerkers. Hoewel dat in vele gevallen niet meteen mogelijk is, is de aanpak er toch al opmerkelijk professioneel omdat de initiatiefnemers in een stedelijke context vaak hoogopgeleide burgers zijn, met een uitgebreid netwerk binnen de overheid, middenveldorganisaties en andere burgerinitiatieven. Bij burgerinitiatieven in de open ruimte is dat soort figuren echter schaarser en zoiets is natuurlijk niet bevorderlijk voor de slagkracht of de duurzaamheid. Professionalisering vraagt om een duidelijke visie. Sommige burgerinitiatieven in de open ruimte zijn daartoe verplicht omwille van hun statuut als sociaal-culturele beweging. Een beperkt aantal beschikt over een uitgeschreven strategische visie of missie die hun werking richting geeft of een kader vormt voor eventuele concrete acties. De meesten beperken zich echter tot een meer operationele visie die enige flexibiliteit in werking en keuzes garandeert. Tenslotte is het institutionaliseren van het burgerinitiatief – vooral als vzw, maar ook als coöperatie met of zonder sociaal oogmerk of als feitelijke vereniging – een belangrijk aandachtspunt in het rijpingsproces. Wat misschien begon als een bevlieging wordt op die manier verankerd en ernstig genomen door de omgeving. Vaak is het ook een noodzakelijke voorwaarde om in aanmerking te komen voor overheidssubsidies. Ook op het vlak van communicatie zouden overheden nieuwe actoren kunnen faciliteren. Overheden zouden de nieuwe actoren een forum kunnen bieden binnen de eigen communicatiekanalen (vb. stads- of gemeentemagazine). Dit gebeurt vandaag echter zelden. Voor de nieuwe actoren zelf is het vooral van belang om op zoek te gaan naar de ‘juiste’ overheden, naar de ‘juiste’ partners die hen verder op weg kunnen helpen. Het uitbouwen van een netwerk is daarbij heel belangrijk en helpt om de weg te vinden naar overheden. De betrokkenheid van ambtenaren, als burger, in de werking van bepaalde nieuwe actoren helpt ook.

Een beperkte financiële basis en andere kwalen Van Dam et al. (2008b) komen in hun onderzoek naar burgerinitiatieven in de open ruimte in Nederland tot de vaststelling dat deze uitblinken door uithoudingsvermogen. Uit de bevraging van de 21 Vlaamse burgerinitiatieven in de open ruimte blijkt dat hier evenzeer te gelden. De geïnterviewden kregen op het einde van het gesprek de mogelijkheid om hun vijf belangrijkste aandachtspunten te formuleren. De beperkte financiële basis werd het vaakst genoemd. De afname en de tijdelijkheid van overheidssubsidies, de keiharde onderlinge competitie voor het binnenhalen van die subsidies en de vanzelfsprekendheid waarmee geldstromen altijd bij goed geoliede organisaties terechtkomen, maken het burgerinitiatieven niet gemakkelijk. Private financiering door bedrijfssponsoring, giften van burgers en bijdragen van eigen leden zijn ontoereikend als structurele kapitaalsbasis. Gevolg is dat verschillende actief geëngageerde, vrijwillige medewerkers niet alleen veel tijd, maar ook nog eens persoonlijke middelen investeren in de werking van het burgerinitiatief. Dit laat zich voelen in een groot verloop van vrijwilligers, gebrekkige communicatie, te weinig tijd en energie voor nieuwe fondsenwerving, maar ook in angst voor het voortbestaan die de kenmerkende creativiteit en innovatie fnuikt. Verschillende initiatiefnemers wijzen ook op het gebrek aan erkenning bij politici, in de media en in het onderzoek. Gevestigde middenveldorganisaties krijgen nog altijd de meeste aandacht. Dat maakt het voor nieuwe burgerinitiatieven niet makkelijk om een maatschappelijk draagvlak en een vertrouwensbasis binnen de samenleving op te bouwen. Hun veelal kleine schaal en beperkte naambekendheid maken het lastig om particuliere middelen aan te boren, vrijwilligers te ronselen, leden te werven, nieuwe doelgroepen te bereiken of een sneeuwbaleffect met betrekking tot de eigen ambitie te creëren. 148


I. Leertraject – Bevraging en analyse nieuwe actoren

Van de overheid verwachten de burgerinitiatieven in de open ruimte vooral duidelijkheid, beleidsruimte en respect. Het ontbreken van regionale overheidsvisies, het interfereren van top-down besluitvormingsprocessen met de werking van een burgerinitiatief, ruimtelijk plannen in plaats van ruimtelijk te faciliteren, stugge beleidsinstrumenten en regelgeving in relatie tot een multifunctionele bedrijfsvoering en invulling van de open ruimte, het ontbreken van gepaste regelgeving, overheidsopdrachten die prijs doen primeren op duurzaamheid, …, het zijn allemaal verzuchtingen van geëngageerde initiatiefnemers. De overheid heeft hier duidelijk nog werk voor de boeg. Verschillende geïnterviewden zijn echter ook streng voor zichzelf. Velen klagen over een stroeve interne besluitvorming door de grote diversiteit aan betrokkenen. Zeker in een startfase staan burgerinitiatieven open voor elke helpende hand, maar dat blijkt achteraf niet altijd een zegen. Ook de succesvolle voedselproductie- en distributieinitiatieven worstelen met uiteenlopende belangen van producenten en consumenten en een onevenwichtige verdeling van beide groepen in hun interne beslissingsorganen. Burgerinitiatieven zijn volgens Van Dam et al. (2008b) een werk van lange adem. Het zijn bijna altijd de oorspronkelijke ‘trekkers’ die blijven volhouden en steeds weer opnieuw actie ondernemen. Dat kan op den duur ook contraproductief en verlammend werken. Een van de ondervraagde initiatiefnemers zei bijvoorbeeld dat hij van zichzelf wist dat hij vaak te principieel was en dat hij om die reden regelmatig andere leden van het initiatief naar gevoelige vergaderingen stuurde.

Burgerinitiatieven zijn er om te koesteren Uit het voorgaande blijkt dat burgerinitiatieven in de open ruimte over de bezetenheid, de volharding en de creativiteit beschikken die burgers en politici in de eerste plaats van de overheid verwachten maar niet altijd krijgen. Het wordt daarom tijd dat de volhardende ambtenaren, bezeten politici en creatieve ontwerpers en planners die ook in Vlaanderen rondlopen, beseffen dat deze burgerinitiatieven hun bondgenoten zijn, dat ze hen dienen te omarmen en hen alle ondersteuning dienen te bieden om hun maatschappelijk potentieel ten volle te ontplooien.

149


Burgerinitiatieven doorgelicht

Bronnen Architecture Workroom Brussels (red.) (2013). Het Open Ruimte Offensief. Vlaamse Landmaatschappij, Brussel. Debruyne, P. & Van Bouchaute, B. (2014). De bestaande orde verstoren; over de politieke opdracht van het middenveld. Oikos, 69 (2), p. 19-31. De Rynck, F. (2014). De geest van Elinor. Lokaal, nr. 9, p. 23-31. Giddens, A. (1991). Modernity and self-identity: self and society in the late modern age. Polity Press, Cambridge. Rancière, J. (1998). Disagreement, politics and philosophy. University of Minnesota Press, Minneapolis/London. Van Dam, R., During, R. & Salverda, I. (2008a). Burgers en landschap; trends en theorieÍn over betrokkenheid van burgers. Alterra & Wageningen UR, Wageningen. Van Dam, R., Salverda, I. & During, R. (2008). Burgers en landschap; strategieÍn van burgerinitiatieven. Alterra & Wageningen UR, Wageningen. Van der Steen, M., van Twist, M., Chin-a-Fat, N. & Kwakkelstein, T. (2013). Pop-up publieke waarde: overheidssturing in de context van maatschappelijke zelforganisatie. Nederlandse School voor Openbaar Bestuur. Verschuere, B., Segers, J. & Van Bruystegem, S. (2013). Stedelijk coalitie-denken: een verkennende studie. Studie door Universiteit Gent en CityMine(d) in opdracht van Kenniscentrum Vlaamse Steden.

150


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Bevraging en analyse nieuwe actoren

151


I. Leertraject

2. Intervisiemomenten met innovatieve trajecten To do: inleidende tekst op de intervisies - eerst fiches van de innovatieve trajecten, dan verslagen intervisies: 4 thematisch, laatste is een synthese van de 4 voorgaande.

153


I. Leertraject

154


I. Leertraject

INTERVISIEMOMENTEN - PROCESDOORBRAKEN

INNOVATIEVE TRAJECTEN

GEINTEGREERD WERKEN

TAAK VAN DE OVERHEID

27/10/2015

19/11/2015

x

1. VELDGEBIED BRUGGE Liesbeth Gellinck 2. CIRKEL Wim Vandenrijt

x

3. KANAALPARK BOSSUIT-KORTRIJK Koenraad Marchand, Tim Denutte

x x

4. LANDELIJKE MOBILITEIT WESTHOEK Dieter Hoet, Lien Devos 5. LIEREMAN Piet Struyf

ROL VAN ONTWERP/ VISIEVORMING 15/12/2015

x

6. RIVIERPARK MAASVALLEI Lambert Schoenmaekers

KOPPELING VISIE & INSTRUMENTEN 19/01/2016

SYNTHESE: INNOVATIE 02/02/2016

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

TESTCASES 1. MIDDEN WEST-VLAANDEREN Bruno Tricot

x

2. PAJOTTENLAND Sylvie Fosselle

4. PANNENFABRIEK Peggy De Wit, Christophe Vandevoort

x x

3. ELECTRABEL SCHELLLE Kate Vanderstraeten

x x

x

INHOUDELIJKE DOORBRAKEN 1. FUNCTIONELE LOGICAâ&#x20AC;&#x2122;S

x

2. STIMULEREN LOKALE CREATIVITEIT

x

155

x

x

3. HERBESTEMMING

4. OMGAAN MET GRONDEIGENAARS

x

x

x

x

x

x

x


156


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Veldgebied Brugge 1. Identiteit Aanleiding Eind jaren 1990 werden verschillende pilootlandinrichtingsprojecten opgestart met de bedoeling een frisse kijk te ontwikkelen op het omgaan met de open ruimte. Begin 2000 was het tijd voor een nieuwe reeks openruimteprojecten. Tegelijk kwam de provincie West-Vlaanderen vanuit het opstarten van de structuurplanning met de vraag welk gebied in de open ruimte interessant zou zijn om te ontwikkelen. Vanuit deze twee vragen is het project van de Brugse Rand/Veldgebied Brugge ontstaan. Er was hier een belangrijke koppeling tussen een inhoudelijke insteek van de VLM en een beleidsmatige insteek vanuit de Provincie West-Vlaanderen. De provincie nam een intermediërende rol op in dit verband. Buiten het landelijke gebied rondom Brugge leek ook dat rond Kortrijk en de Kuststreek interessant. De Brugse Rand was het meest aantrekkelijk door de combinatie van een verstedelijkt gebied, landbouwgebieden, bosgebieden en natuurgebieden, en een groot aandeel aan recreatie. Bovendien beschikte niet enkel Brugge over een bestuur dat hier voor zou openstaan, ook Jabbeke en Oostkamp konden overtuigd worden. Werken aan een grote visie op de open ruimte in het Brugse zou erin kunnen slagen de geïsoleerde gemeentebesturen beter te doen samenwerken.

Ambitie Er zijn vier grote onderdelen in dit project: de Brugse Rand, Bulskampveld, Veldgebied Jabbeke-Wingene en de Mobiliteitsas Gent – Brugge –Zeebrugge. Voor elk van deze delen is de ambitie om de ruimtelijke kwaliteit van de open ruimte ten volle tot zijn recht te laten komen, maar de nadruk ligt bij elk deelproject op een ander aspect. De groene gordel moet de Brugse Rand versterken om zo ook de leefbaarheid van economisch Brugge te verzekeren. In het Bulskampveld ligt de nadruk op de intergemeentelijke uitbouw van een bestemmingsgebied voor recreatie. Het Veldgebied Jabbeke-Wingene legt de nadruk op verweving van wonen, landbouw ea. De mobiliteitsas vormt de verkeersverbinding en de goede inpassing van deze gebieden met oa. de aanleg van de A11.

Proces - korte historiek van de belangrijkste fases Agendering en verkenning In de voorbereidingsfase vormen beleidsmakers en inhoudelijke krachten zich een idee over het gebied. Daarbij is het project en traject rond de Brugse Rand voorafgaand intensief afgetoetst bij lokale partners, gemeenten, de provincie en verschillende landbouworganisaties. De agendering neemt voor de VLM als onderdeel van de Vlaamse Overheid met andere woorden een lang voortraject in beslag. Onderzoek en overleg Na de zoektocht naar een lokaal draagvlak bij de verschillende partners, zijn bij de VLM een aantal thematische studies voorbereid om een visie te kunnen ontwikkelen op

157


Veldgebied Brugge

het gebied. In deze fase is ook een planprogramma opgemaakt met de vier regionale klemtonen. De bevindingen zijn gecommuniceerd naar de Vlaamse Overheid en de Vlaams Minister van Landinrichting. De volgende fase bestond uit een voorbereiding van het planprogramma, het opmaken van een gebiedsvisie. Besluitvorming Het uiteindelijke goedkeuringstraject verloopt zeer formeel. Alle gemeenten en Vlaamse overheden (Agentschap Wegen en Verkeer, Vlaamse Milieumaatschappij, Aquafin, …) geven advies. Alle beleidsvisies waaronder structuurplannen zijn door de VLM gebundeld in een planprogramma als een ‘ideeënboek’ voor het gebied van de Brugse Rand. De VLM heeft dan voor zichzelf duidelijk gemaakt wat er in verband met de open ruimte moet gebeuren om het overeengekomen beleid vorm te geven. Een gebiedsvisie wordt vastgelegd en goedgekeurd door de partners en de minister.

Concrete realisaties Ruilverkaveling i.k.v. de aanleg van de A11. Binnen het deelgebied Mobiliteitsas Gent-Brugge-Zeebrugge wordt de snelweg A11 (Knokke-Westkapelle-Gent) aangelegd door het Agentschap Wegen & Verkeer. Alle landbouwers die hinder ondervinden van deze aanleg worden door de VLM zo veel mogelijk vergoed door ruilverkaveling. De VLM neemt hier zijn rol op als bemiddelaar in de open ruimte. Bufferzone Zwankendamme i.k.v. de aanleg van de A11. De dorpskern van Zwankendamme komt vlakbij de nieuwe autosnelweg te liggen. In het gebied tussen snelweg en dorp was nood aan een bufferzone. VLM heeft samen met de burgers van het dorp gesprekken gevoerd naar hun verwachtingen voor deze bufferzone. Zo wordt er een bos aangeplant, maar is er ook plaats voor landbouwgronden en een speelterrein voor de lokale jeugdbeweging. De Groene Gordel. De aanleg van een fietsnetwerk rondom Brugge dat de randdorpen op een recreatief interessante manier verbindt. Langs de Gordel zijn verschillende speelterreinen en picknickplaatsen gerealiseerd. Ook hier was de inspraak van burgers doorslaggevend. Oproepen plattelandsontwikkeling met steun van projectsubsidies. Binnen het projectgebied zijn oproepen gelanceerd om via een lokaal draagvlak en initiatief te werken aan omgevingskwaliteit. Voor deze oproepen zijn projectsubsidies vrijgemaakt. De initiatiefnemers van de Brugse Rand schrijven allereerst alle werkzame scholen, verenigingen, ondernemers en landbouwers aan in het projectgebied. De oproep is m.a.w. ruim verspreid. Een aantal gemeenten, lokale landbouwers, een vzw,… hebben hierop ingeschreven. De overkoepelende visie is niet te opzichtig meegedeeld. Dit was belangrijk om voldoende ruimte te laten voor creativiteit. De oproepen zijn wel beoordeeld door een jury die de visie van het landinrichtingsproject heel goed kent en de projecten zijn ook beoordeeld op hun meerwaarde voor het Veldgebied Brugge. De oproepen hebben geleid tot een aantal concrete realisaties: het ontwikkelen van een interactief model in Beernem waarbij geïnteresseerden een tablet konden uitlenen om het gebied te leren kennen; een speelruimte op een hoeve waar ijs wordt verkocht; oplaadpalen voor elektrische fietsen; het Regionaal Landschap Houtland deed beroep op de subsidie om verspreid kleinschalige landschapselementen toe te voegen bij particulieren om zo het landschap te versterken; wandelpaden en infoborden werden gerealiseerd; … Het gaat dus niet steeds over grote gebaren. Overheidsinitiatief blijft echter ook steeds belangrijk om het burgerinitiatief aan te vullen en projecten aan te sturen.

158


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Wat is er innovatief aan het traject? De innovatie ligt vooral in de manier waarop is omgegaan met groene infrastructuren in de stedelijke omgeving. Het project werd opgenomen in het Europees project VALUE en kreeg hierdoor feedback vanuit Engeland, Duitsland en Nederland over het omgaan met een groene stadsrand. Een andere innovatief aspect is de open communicatie. De overheid heeft het aangedurfd om open te communiceren en informatie te delen met diverse partijen en burgers. De oproepen plattelandsontwikkeling zijn ook innovatieve kortetermijnsprojecten (2 jaar tussen indienen en uitvoeren project). Het zijn zogenaamde ‘quick wins’ in het langetermijnsproject van de Brugse Rand. De oproepen waren een succes, ook als leertraject en onderzoeksmateriaal voor de VLM. Het zijn pioniersprojecten in WestVlaanderen die navolging kunnen hebben.

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

159

Het Veldgebied Brugge draait om het versterken van de open ruimte rondom een stad. De Brugse rand kan enkel belangrijk worden voor de stad als ze goed onsloten is voor fietsers. Bereikbaarheid was dus een belangrijk thema. De fietsroute ‘De Groene Gordel’ is aangelegd om de stedeling te laten kennismaken met de groene rand. De rand profiteert op zijn beurt van een goede en veilige bereikbaarheid (school- en woon-werkfietsverkeer) met de stad. Buiten bereikbaarheid waren volgende thema’s ook belangrijk. Deze thema’s werden aangedragen door de lokale partners waardoor het project uitsteeg boven de thematiek van fietsbereikbaarheid: - mobiliteit: problematiek van sluipverkeer in de rand; - natuurinrichting, landschapszorg, recreatie: voornamelijk in de regio Assenbroek en Damme werd om voldoende aandacht gevraagd voor het visuele van het landschap, omwille van de grote aanwezigheid van natuurwaarden maar met beperkte zichtbaarheid; - cultuurhistorie: er zijn veel kasteeleigenaars aanwezig in de Rand. Zij zijn uiteraard betrokken in het traject om hun eigendommen in hun eigenheid tot recht te laten komen; - draagvlakvorming: het betrekken van de burger bij de visie van de overheid is een belangrijke leidraad van hedendaags handelen; - gezondheidszorg: twee ziekenhuizen in de buurt hadden ook problemen met hun fietsverbinding. Ook was er een tekort aan picknick- en speelplaatsen die een welkome afwisseling zouden vormen voor de therapie van de patiënten van de jeugdafdeling psychiatrie.


Veldgebied Brugge

Operationele doelen

Het planprogramma stelt dat de open ruimte moet worden ontwikkeld en goed ontsloten zonder de economische dynamiek van Brugge te bedreigen. De projectdoelstelling is om voldoende ruimtelijke kwaliteit te realiseren in het volledige plangebied. Als dit project een voorbeeld en illustratie kan zijn van ‘omgevingskwaliteit’, dan is het zeer geslaagd en is dit de grootste beloning.

Inzet van ontwerp

De inzet van ontwerp als communicatie- en onderzoeksmiddel was een heel belangrijk apect van dit project. Er werden 3D-beelden, kaarten en fly-overs (helikoptervluchten over een bepaald gebied om luchtbeelden op te nemen en deze later te bewerken) gemaakt. Jonge studenten werden aangespoord deel te nemen aan een ontwerpwedstrijd voor een fietsverbinding aan de Brugse vesten. Op deze ontwerpen werd verdergewerkt door een studiebureau om mensen opnieuw te doen dromen over hun omgeving. Dit was een ontwerpwedstrijd die veel beeldmateriaal heeft opgeleverd en het belang van ontwerpen toont. Er werd ook een luchtfototapijt gemaakt van de Groene Gordel waarop mensen zonder professionele ontwerpopleiding hun ideeën mochten voorstellen. Een publicatie over het Bulskampveld werkte met verhaallijnen, verschillende scenario’s voor de bestemming van het gebied. Dit werd opnieuw ondersteund door fotomateriaal en ontwerpen.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Het project Veldgebied Brugge beschikt over een overkoepelende visie die zo weinig mogelijk uit het oog wordt verloren. Hierbinnen is plaats voor de ondersteuning van initiatieven zoals de aangehaalde oproepen plattelandsontwikkeling.

160


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

De VLM werkt in het algemeen vanuit de Vlaamse Overheid en zijn bevoegde minister. De andere Vlaamse overheden (Agentschap Wegen en Verkeer, Vlaamse Milieumaatschappij, ...), de provincie en lokale gemeentebesturen vormen de hoofdpartners. Er wordt maw. intensief samengewerkt met ambtenaren op verschillende niveaus. De VLM ziet het als haar taak de banden tussen deze niveaus te versterken.

Andere partners

Middenveldorganisaties zoals Natuurpunt, VOKA, ACW, … In dit traject waren er ook belangrijke private partners waaronder de vele kasteeleigenaars.

Potentiële partners

RESOC, de West-Vlaamse Intercommunale (WVI). Samenwerken met hen is moeilijker omdat zij eenzelfde intermediërende rol opnemen als de VLM.

Projectorganisatie

VLM-projectteam (interne werking) en planbegeleidingsgroep als aansturend adviesorgaan.

Projectleider

Een viertal collega’s van de VLM hebben intensief op dit traject gewerkt. Liesbeth Gellinck (bioloog), Wim Vanysacker (bio-ingenieur en projectleider Bulskampveld en de mobiliteitsas), Frans Pauwels (ruimtelijk planner, plattelandsbeleid) en Hilde Van Leirsbergh (bio-ingenieur, Hoofd Dienst Projecten VLM).

Boegbeeld

Liesbeth Gellinck is zelf het gezicht geweest naar de buitenwereld. Zij was het boegbeeld van de Groene Gordel.

Mandaat vanuit overheid/gebied

De VLM heeft een duidelijk mandaat van de lokale overheden. Het traject wordt erkend en gedragen door de lokale beleidsvoerders. De VLM heeft hier zeker aan gewerkt door een goede communicatie. Een benadering met open vizier maakt duidelijk aan lokale beleidsvoerders dat de VLM niet zomaar top-down overheidsmaatregelen neemt een gebied.

161


Veldgebied Brugge

Verwachtingen t.a.v. overheid

Er leeft de verwachting dat de andere overheidsinstanties (ANB, VMM,…) dit project mee ondersteunen. Van gemeenten wordt een grote betrokkenheid verwacht om het project mee uit te voeren. Het beheer en de verdere opvolging is hun verantwoordelijkheid.

Financiering

Overheidssubsidies, grotendeels Europese subsidies. Particulier kapitaal, o.a. landbouwers en kasteeleigenaars.

Draagvlakvorming

Krantenartikels, interviews, blog, … Het belangrijkste is echter dat er pas wordt gecommuniceerd wanneer er iets gerealiseerd of te melden is. Dit is een verschil met een maandelijkse nieuwsbrief.

VELDGEBIED BRUGGE

Regionaal Landschap

Infrabel WVI

Private eigenaars

WenZ BLOSO

ANB

PROJECTGROEP BRUGSE RAND

PROJECTGROEP MOBILITEITSAS

PROJECTGROEP BULSKAMPVELD

PROJECTGROEP VELDGEBIED

Lokale landbouwers

Natuurpunt

Brugge, Oostkamp, Beernem, Jabbeke, Zedelgem, Ruiselede, Torhout, Damme, ...

AWV

Westtoer

162

VLM

Provincie West-Vlaanderen

MBZ

RESOC

VMM

Agentschap Onroerend Erfgoed

FINANCIERING

DRAAGVLAKVORMING

(Europese) subsidies

Persberichten Blog


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Complexiteit van een groot gebied Het is soms moeilijk op basis van een sterke visie het overzicht te bewaren op een dergelijke grote schaal. Het project is nu in de uitvoeringsfase. Het overzicht hier bewaren is een ware uitdaging. De planningsfase had een zeer duidelijke focus op één gebied. Er werd gewerkt aan een quasi constante snelheid. Dit ontbreekt om verschillende redenen in een uitvoeringsfase met verschillende projecten.

Een overvloed aan wetgeving Een grote frustratie. Als agentschap van de Vlaamse overheid moet de VLM natuurlijk aan alle regels voldoen. Dit neemt niet weg dat het ook hen soms in de weg staat om creatief en innovatief aan de slag te gaan. Niet enkel de ondernemers hebben de indruk dat de wet telkens maar verstrengt, ook binnen de Vlaamse overheid voelt men dit.

Focus blijven houden Het is al te gemakkelijk eeen zijspoor op te gaan en daar veel aandacht aan te verliezen. Dit geldt des te meer in een traject dat ook inspraak en initiatief toelaat van de burger. De overkoepelende visie moet in het oog gehouden worden. Bovendien gaat inspraak en tijdsefficiëntie niet goed samen wat bij de burgers vaak tot frustratie leidt, ook hier is het belangrijk de focus op de doelstellingen te behouden om kritiek te weren.

Rekening houden met de traagheid van uitvoering Dit is een punt dat van toepassing is bij alle drie bovenstaande aandachtspunten.

Spanningsveld burger - overheidsdienst - beleid Een democratisch proces uitvoeren in een gebied vraagt nu eenmaal soms om innovatieve manieren om hiermee om te gaan. De ontwerpwedstrijd voor studenten en de oproepen met projectsubsidie tonen aan dat dit beproefde manieren zijn om de burger en de overheid naar elkaar te doen toegroeien door initiatief van een overheidsdienst.

163


164


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

De Cirkel 1. Identiteit Aanleiding Dit traject is opgestart in 2013 door de VLM naar aanleiding van de ruilverkaveling in Jesseren. De creatie van nieuwe natuurgebieden in de ruilverkaveling Jesseren legt grote druk op lokale natuurverenigingen voor het toekomstig beheer. In het verleden heeft de VLM minder goede ervaringen met het beheer na inrichting van gebieden en ze wil dit voorkomen door in dit gebied een innovatief traject op te zetten.

Ambitie De Cirkel is ‘ruilverkaveling buiten de lijntjes’. De Cirkel wil samenwerking stimuleren tussen natuurbeheerders en andere actoren in de open ruimte die ook kunnen bijdragen aan het beheer. Zij hoopt hierdoor zowel het beheer efficiënter te laten verlopen (schaalvoordelen door samenwerking), als ook voor de lokale actoren een ‘vermarkting’ van (rest)producten van het landschapsbeheer te kunnen aanbieden. Op deze manier moet ook het draagvlak voor landschapsbeheer vergroten.

Proces - korte historiek van de belangrijkste fases 2013 – Verkenning: intentieverklaring en eerste overleg Januari 2013, voorbereiding intentieverklaring ‘De Cirkel Voorjaar 2013, eerste overleg met partners (lokale beleidsmensen, landerbouwers, natuurverenigingen) April 2013, eerste voorstel voor ‘intentieverklaring’ aan partners bezorgd Mei-juni 2013, verfijning tekst ‘intentieverklaring’ en verder overleg met partners Juni 2013, startmoment met ondertekening ‘intentieverklaring’ door partners 2013 - 2014 – Onderzoek/overleg Verdere uitdieping van de verschillende thema’s i.s.m. alle partners (60-tal) in werkateliers, waar wordt besproken wat goed gaat en waar nieuwe ingrepen of samenwerkingsverbanden kunnen worden opgestart. Op basis van de interesses van de partners onstaan er focusgroepen met elk een eigen thematiek: - Graslanden: beheer en creëren van waardevolle graslanden - Hoogstamboomgaarden: beheer, behoud en ontwikkeling - Energie: biomassaproductie uit hout - Recreatie en toerisme in het landschap 2015 – Start werking ‘De Cirkel’

165


De Cirkel

Concrete realisaties - Agrobeheersgroep opgestart: natuurbeheer, behoud en beheer KLE’s - Platform (De Cirkel) waar inrichting wordt getoetst aan kennis van de leden - PDPO: schaapskudde - NME, avontuurlijke toerisme, verblijfstoerisme (bnb - Hooibank - Sapmobiel - Biomassaproductie: houtsnippers voor lokale landbouwers

Wat is er innovatief aan het traject? De Cirkel anticipeert als het ware op het einde van de ruilverkaveling. Dit doet de scheiding tussen inrichting en beheer van het gebied vervagen. Het is ruilverkaveling via een nieuw proces. De veelheid aan initiatieven binnen het werkingsgebied en de opgezette samenwerking zorgen voor een groot draagvlak. Een belangrijke aandachtspunt is ook dat de lokale economie wordt ondersteund.

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

Ruilverkaveling, landbouw, ecosysteemdiensten, energie, recreatie, toerisme, integraal waterbeheer, educatie, dorpskernvernieuwing, streekontwikkeling, natuur- & landschapsbeheer, erfgoed

Operationele doelen

De projectdoelstelling is ‘duurzaam landschapsbeheer’. Concreet wil men door samenwerkingsverbanden het landschap beheren en zo een positieve ecologische en economische return realiseren.

Inzet van ontwerp

Ja, via het inrichtingsplan door de VLM. Het inrichtingsplan wordt gebruikt bij de participatieprocessen tijdens de werkateliers en de resultaten worden nadien teruggekoppeld naar de focusgroep.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Het realiseren van een ruilverkavelingsplan omvat een overkoepelend visie. Daarbij worden lokale individuen/ verenigingen die mee willen stappen in het verhaal ondersteund.

166


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

- VLM: coördinator ruilverkaveling - Regionaal Landschap Haspengouw & Voeren: kennis van toerisme, beheer boomgaarden, lokale en regionale ondersteuning - INBO: in het kader van een Europees project omtrent biomassaproductie en ecosysteemdiensten - Limburgs Landschap VZW: lokale ondersteuning - Provincie Limburg – dienst milieu en natuur - Borgloon - Kortessem

Andere partners

- Nationale boomgaardenstichting - De Wroeter (sociale economie): natuurbeheer - Bioboerderij Alverberg: rondtrekkende schaapskudde - Agrobeheerscentrum Eco2: Opzetten van een lokale Agrobeheergroep - Lokale landbouwers

Potentiële partners

- Bosgroepen

Projectorganisatie

De hoofdpartners vormen de kerngroep, daaonder zijn er verschillende thematische focusgroepen over thema’s zoals natuurbeheer, landbouw, recreatie/toerisme, ecosysteemdiensten, …

Projectleider

Wim Vandenrijt. Wim is geograaf en beschikt over een master-na-master in de Menselijke Ecologie. Nadien heeft hij een master in de stedenbouw en ruimtelijke ordening gevolgd maar niet beëindigd. In 2005 startte Wim bij de VLM op de dienst beheersovereenkomsten.

Boegbeeld

Niet van toepassing.

Mandaat vanuit overheid/gebied

Engagement ondertekend met lokale beleidsmensen.

Verwachtingen t.a.v. overheid

Een blijvend engagement met de overheid om initiatieven te ondersteunen op basis van cofinanciering.

167


De Cirkel

Financiering

LEADER

Draagvlakvorming

Werkateliers met de verschillende focusgroepen, geleide wandelingen, schoolvoorstellingen, inpassing zone voor natuurlijk spelen, dorpsboomgaard, speelplaats voor lagere school, website, overzichtsverslag.

CIRKEL

Bosgroepen

Bioboerderij Alverberg

De Wroeter

Nationale boomgaardenstichting

Lokale landbouwers

VLM Regionaal Landschap Haspengouw & Voeren INBO

Agrobeheer centrum Eco2

Limburgs Landschap Provincie Limburg dienst milieu en natuur Borgloon Kortessem KERNGROEP

168

FOCUSGROEP NATUURBEHEER

FOCUSGROEP LANDBOUW

FOCUSGROEP RECREATIE

FOCUSGROEP ECOSYSTEMEN

FINANCIERING

DRAAGVLAKVORMING

Leader

Werkateliers geleide wandelingen schoolvoorstellingen dorpsboomgaard speelplaats lagere school website


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Praktische realisatie op het terrein De ondersteuning van lokale initiatieven.

Duurzaam voortbestaan op lange termijn van de projectmatige samenwerking • de (tijdelijke) samenwerkingsverbanden en/of organisatie hiervan • uitvoerbaarheid binnen een projectorganisatie • de doelgerichtheid van de samenwerking en de werkzaamheden (beheer etc.)

Zelfstandige organisatie De medewerkers van de VLM willen het platform ‘De Cirkel’ uit handen geven in de toekomst. Het functioneel laten doorlopen van het huidige platform naar de eigen organisatie van De Cirkel is daarbij een aandachtspunt.

Schaalvergroting Het werkingsgebied van De Cirkel extrapoleren over meerdere delen van Kortessem en zelfs over heel Haspengouw.

Inzetten op recreatief medegebruik Meer hoogstamboomgaarden, nieuwe/avontuurlijke wandel- en fietsroutes, belangrijke zichtassen waarborgen en eventueel picknickbanken integreren, meer lokale streekproducten (eigen jenever stoken), ...

169


170


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Kanaalpark Bossuit-Kortrijk 1. Identiteit Aanleiding Dit traject is opgestart in 2005 door de gebiedsgerichte werking van de provincie WestVlaanderen. Zij voelden de nood aan een integrale visie op het kanaal (+/- 15km) en zijn omgeving omdat dit kanaal door verschillende sectoren werd ‘geclaimd’. In het PRS was het kanaal zowel geselecteerd als economische as, als natuurlijke corridor, als toeristisch-recreatieve as, … maar werd er niet verduidelijkt hoe met deze soms tegenstrijdige ontwikkelingen zou worden omgegaan.

Ambitie Opmaak van een integrale (mens, natuur, economie), gebiedsgerichte visie op de ruimtelijke ontwikkeling die gedragen is en tot uitvoering leidt.

Proces - korte historiek van de belangrijkste fases 2005 – Agendering Idee ontstaan om vanuit de provincie een geïntegreerde gebiedsgerichte visie te maken van het Kanaalpark Bossuit-Kortrijk. Wegens tijdsgebrek en personeelstekort komt dit er niet van. 2008 - 2012 – Onderzoek/overleg 2008, start van de studie die wordt uitbesteed aan de intercommunale Leiedal. Maart 2011, op de viering van het 150 jarig bestaan van het kanaal wordt de ondertussen afgeronde studie van intercommunale Leiedal voorgesteld aan alle Leiedoelgroepen (activiteiten langs en op het kanaal). 2012, gemeente- en provincieraadverkiezingen. De 3 besturen en de deputatie moeten opnieuw worden overtuigd Oktober 2013, in de 4 regio’s van West-Vlaanderen (momenteel zijn dit er 5) beslist de deputatie om in te zetten op een geïntegreerd gebiedsprogramma. Het was de eerste keer dat de provincie als een geïntegreerd bestuur op een gebied. Nadien beginnen werken aan een startnota voor de uitvoering. Ook een actieplan zit bij deze geïntegreerde visie. 2014 - heden – Start werking Juni 2014, startnota afgerond. Vandaag, wordt het meest gewerkt aan het opladen van het programma Gavers-kanaalTransfo.

171


Kanaalpark Bossuit-Kortrijk

Concrete realisaties - duiktank op Transfosite - deel van het jaagpad - percelen aangekocht voor de uitbreiding van de Gavers - opmaak PRUP

Wat is er innovatief aan het traject? Dit project heeft geen groot, gedetailleerd plan, maar wel een aantal stevige ambities. Het plan krijgt in de loop van het proces vorm, wordt hervormd en er ontstaan ook afgeleiden. Het masterplan is belangrijk als richtinggevend geheel waarover er bij de meeste spelers consensus is, maar met dit plan alleen is het nog niet gerealiseerd. Het is een methodiek waarbij niemand zegt dat dit moet uitgevoerd worden (op die en die manier). Bij de gebiedsgerichte visie is geen harde lijn getrokken. Het gaat over het kanaal in relatie tot zijn omgeving. Voluntarisme bij alle partners opwekken en geen hiërarchische aansturing van de actoren maakt deel uit van het management bij een gebiedsgerichte werking. De openheid om mee te surfen op de opportuniteiten die zich in het gebied aanbieden. Het is altijd een interactie tussen zaken die zich op het terrein afspelen, waar de overheid geen directe impact op heeft, maar waarin ze wel faciliterend kan optreden en dit kan consolideren in overheidsinstrumenten en met hun eigen diensten kunnen uitvoeren. Het is een volledige andere manier van werken dan wanneer je als overheid volledig alles zelf in handen hebt.

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

Integratie, toerisme, recreatie en landschap, economie, landbouw, wonen. En vooral hoe je deze kan laten samenvloeien.

Operationele doelen

Door de keuze voor een ‘geïntegreerde gebiedsgericht visie’ worden verschillende operationele doelen ingezet. Voor de operationele doelen worden projecten uitgeschreven en hieraan wordt een instrumentarium gekoppeld. Per project of concrete actie wordt ingezet wat nodig is.

Inzet van ontwerp

De visie, het eindresultaat van het ontwerpend onderzoek, is een communicatiemiddel, een middel dat er wil voor zorgen dat alle neuzen in dezelfde richting staan. De procedure om de visie op te maken en aan te passen is een onderzoeksmiddel.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Deze gebiedsgerichte visie wil een realistisch kader opbouwen om maximaal uitvoering te geven aan een gedragen visie. Tweerichtingsverkeer is hierbij uitermate belangrijk: zowel uitvoering geven aan wat gepland is, als het plan aanpassen aan de mogelijkheden en de realiteit van het terrein.

172


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

- Gebiedsgerichte werking, provincie West-Vlaanderen (trekker) - Coördinator Gavers - Waterwegen & Zeekanalen (W&Z) - Gemeentebesturen (voornamelijk in het begin van projecten, acties, visievoorstellen,…) - Dienst Ruimtelijke planning, provincie West-Vlaanderen - Dienst Mobiliteit, provincie West-Vlaanderen - Ruimte Vlaanderen (complex project) - Boerenbond - Natuurpunt

Andere partners

Partners per project/concrete acties, operationele partners. bv. kajakvereniging in Zwevegem

Potentiële partners

Partners die in de toekomst zullen worden ingeschakeld voor nieuwe projecten.

Projectorganisatie

Projectleider

173

- Stuurgroep met vertegenwoordiging van lokale besturen, provincie, Vlaamse administraties en belangrijkste middenveldorganisaties - Af en toe uitgebreidere klankbordgroepen - Provinciaal, intern projectteam met de verschillende diensten die betrokken kunnen worden bij de uitvoering van het gebiedsprogramma (innoverend). Het is iets realiseren als provincie en niet als dienst. Wordt getrokken door de dienst gebiedsgerichte werking. - Projectteams per operationele actie opgericht wanneer ze van toepassing zijn (verdwijnen dan nadien opnieuw). Of er wordt gesprongen op bestaande overlegorganen. Er wordt geen overkoepelende, nieuwe structuur gevormd. - Opgenomen in het streekpact waarbij het een belangrijke hefboom is om de streek te ontwikkelen. Een formele terugkoppeling wordt voorzien in de opvolging van het streekpact Zuid-West-Vlaanderen. - Interne terugkoppeling binnen de provincie door regiocommissies (politiek vlak): alle provincieraadsleden komen twee keer per jaar samen om dossiers toe te lichten en te bespreken en zien dat er dan op politiek vlak een consensus en feedback wordt verkregen. Tim Denutte, Provincie West-Vlaanderen


Kanaalpark Bossuit-Kortrijk

Boegbeeld

Deputé in 2011. Momenteel niet. Is wel een piste waarover wordt nagedacht omdat vanaf 2016 zal worden ingezet op de communicatie naar de buitenwereld toe. Het is net een sterkte dat er tot nu geen boegbeeld is. Hiedoor kon iedereen zich er gemakkelijk mee verzoenen, toch zeker om de moeilijke legislatuurovergang te overbruggen.

Mandaat vanuit overheid/gebied

Momenteel gedragen door de provincie, de lokale beleidsvoerders en alle partners in het project. Het heeft veel energie gekost om (bijna) iedereen op dezelfde lijn te krijgen. 2012 was een dieptepunt. De toenmalige bestuursleden werden niet herverkozen bij de gemeente- en provincieraadverkiezingen van de nieuwe legislatuur. De nieuwe bestuursleden moesten opnieuw worden overtuigd, geïnformeerd en meegekregen in het verhaal.

Verwachtingen t.a.v. overheid

Openheid en participatie voor oplossings- en afstemmingsbereidheid.

Financiering

Overheidssubsidies: middelen vanuit de gebiedsprogramma’s van de provincie; Projectgebonden middelen (W&Z betaalt het jaagpad, budgetten van de gemeentes, crowdfunding, sponsoring, … )

Draagvlakvorming

Momenteel is er nog geen communicatiebeleid binnen het innovatieve traject. Het voorjaar 2016 wordt een scharnierpunt, vanaf dan zal er veel meer gecommuniceerd worden in samenspraak en –werking met iedereen: bewoners (en bezoekers) van de regio Zuid-West-Vlaanderen, betrokkenen van de verschillende claims, …

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Draagvlakvorming Wanneer men elke keer opnieuw begint met een project (zowel qua visie als uitvoering) komt de grote vraag aan bod: ‘Hoe kunnen we deze keer proberen om alle partners achter hetzelfde verhaal te krijgen?’ Continu, constructief overleg met alle partners binnen een project is hiervoor cruciaal.

Visievorming Strategisch nadenken en goed voorbereiden. Strategisch niveau mag absoluut niet uit het oog worden verloren. Voeling hebben met de gevoeligheden van politiek, belangenverenigingen, …

174


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten KANAALPARK

BOSSUIT-KORTRIJK

PROVINCIE WEST-VLAANDEREN Coördinator Gavers

Regiocommissies van de provincie

Gemeentebesturen Provincie West-Vlaandren dienst ruimtelijke planning Provincie West-Vlaanderen dienst mobiliteit W&Z Ruimte Vlaanderen Boerenbond Natuurpunt STUURGROEP

Streekpact GEBIEDSGERICHTE WERKING verschillende provinciale diensten Operationele Partners per project/actie

PROJECTGROEP

wordt opgericht per operationele actie PROJECTTEAM FINANCIERING

DRAAGVLAKVORMING

gebiedsprogramma’s Provincie West-Vlaanderen

Communicatiebeleid vanaf 2016 naar bewoners/bezoekers/betrokkenen

overheidssubsidies (partners) zoeken naar middelen per project

Mentaliteitswijziging De verschillende interne diensten overtuigen om samen te werken aan dit ene project. Verandering van cultuur en denken, loskomen van hun eiland.

Terreinkennis Noodzakelijk als gebiedsgerichte werker is de kennis van het terrein. Je moet als het ware tot in het kleinste detail besef hebben over het gebied waarop je werkt.

175


176


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Landelijke mobiliteit Westhoek 1. Identiteit Aanleiding Landelijke Mobiliteit Westhoek is een initiattief van de intercommunale Westhoekoverleg en is gestart in 2014. De aanleiding is de problematische mobiliteitssituatie in de Westhoek, vooral voor de niet-actieve bevolking en kansengroepen (personen zonder een wagen), die worden geconfronteerd met een gestage afname van het aanbod aan openbaar vervoer. Een goed mobiliteitskader dat ook rekening houdt met die mensen die geen toegang hebben of willen tot de wagen is onontbeerlijk voor de Westhoek maar ontbreekt tot op vandaag. Mobiliteit is in die zin ook geen probleem van gisteren maar doet zich al voor sinds de jaren ’70-’80 zonder ooit structurele oplossingen te hebben gekend.

Ambitie De ambitie van dit traject is om een mobiliteitsaanbod uit te werken dat is afgesteld op de noden van de individuele gebruiker. Het traject heeft zowel mobiliteits- als sociale doelstellingen en wil een waardig alternatief aanbieden voor de wagen met aandacht voor efficiëntie van het aanbod, maar ook voor gemeenschapsvorming. Het algemene uitgangspunt is dat de bewoner van een dorps- of stadskern in landelijk gebied over een evenwaardige dienstverlening en mobiliteit mag beschikken als elders in Vlaanderen.

Proces - korte historiek van de belangrijkste fases 2012 – Agendering De kiem van dit innovatief traject ligt in de besparingsoefening van De Lijn in 2012. Westhoekoverleg reageerde op deze besparingen naar De Lijn en de Vlaamse overheid. Door deze gezamenlijke reactie slaagde Westhoekoverleg erin een aantal vooropgestelde besparingen terug te schroeven, alhoewel niet kon worden vermeden dat het totale aanbod verder achteruitging (afbouw van de belbus). Deze maatregel heeft een grote indruk gemaakt op de lokale beleidsmakers en het heeft er hen toe aangezet om zelf over oplossingen na te denken. 2012-2014 – Verkenning en besluitvorming Er werd een nieuwe, innovatieve visie opgemaakt rond mobiliteit op intergemeentelijk niveau (begin 2014). Daarnaast maakte de Westhoek ook een streekpact (socioecononmisch visiedocument) op dat de afronding vormde van de beleidsintentie rond mobiliteit. De startovereenkomst voor Landelijke Mobiliteit Westhoek wordt getekend door Design Vlaanderen, De Lijn, Westhoekoverleg ism. RESOC en Fietsberaad. Zij engageren zich om een onderzoekstraject op te starten, waarvoor uiteindelijk Yellow Window wordt aangesteld. 2015 – Onderzoek: servicedesigntraject door Yellow Window

177


Landelijke mobiliteit Westhoek

Fase 1, Luisterfase: in het begin van het onderzoekstraject brengt Yellow Window alle mobiliteitsproblemen in kaart (deskresearch en luisterfase bij betrokken burgers). De focus ligt op de verhouding tussen de vraag naar alternatieve mobiliteitsvormen (buiten de individuele wagen om), het aanbod op dit vlak (vb. busjes van het OCMW) en de frustraties die voortkomen uit het gebrek aan afstemming tussen beide. Fase 2, Ontwerpfase: de servicedesignbenadering verwerkt de conclusies van deze eerste fase door voor vier fictieve persona’s die symbool staan voor de groepen met een moeilijke niet-wagengebaseerde mobiliteit (jonge, ingeweken moeder/bejaarde gehandicapte/’early adopter’/jongere) alternatieve transportmodi uit te werken. Momenteel zit het traject Landelijke Mobiliteit Westhoek in de overgangsfase tussen fase 2 en 3. De komende fases zijn: fase 3, Testfase en fase 4, Monitoringfase.

Concrete realisaties Er zijn op vandaag nog geen concrete realisaties, maar vanuit het onderzoek worden wel een aantal mogelijke pilootprojecten naar voor geschoven (zie operationele doelen).

Wat is er innovatief aan het traject? Het innovatieve schuilt in de servicedesignbenadering die niet meer bij de pakken blijft zitten door het tekortschietende aanbod vanuit de Vlaamse overheid, maar zelf op een innovatieve manier naar oplossingen zoekt. De designbenadering doet dit door goed te luisteren naar de transportvraag. Ze vertrekt vanuit de vraag van de gebruiker en probeert op basis van deze vraag het mobiliteitsaanbod beter te moduleren (te vergelijken met het meer ergonomisch maken van een stoel).

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

Mobiliteit, verkeersarmoede, alternatieve vervoersmodi en mobiliteitsvormen, regionale samenwerking, draagvlakvorming, service design.

Operationele doelen

Vanuit het onderzoek worden volgende pilootprojecten naar voor geschoven: - Uitwerken van hiërarchie in vervoersmodi (snelle en trage assen) - Multimodaliteit (transportmodi moeten op elkaar afgestemd zijn) - Minder verplaatsingen door sensibilisering - Verder zelfhulp oa. door vrijwilligersvervoer - Dorpshubs combineren multimodaliteit met ontmoetingsplaatsen - Leesbaarheid van het alternatief vervoer bevorderen (oa. uurroosters van de bus) - Ontwikkelen van apps met TaxiStop: aanbieders van vervoer kunnen zich melden om een aantal mensen op een bepaalde plaats op te pikken.

178


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

- Infrastructuur van de elektrische fiets uitwerken (stallingen, oplaadpunten,…) - Fietsenmakers moeten, naar het voorbeeld van de steden, meer aanbieden dan enkel fietsherstel

Inzet van ontwerp

Er wordt geen ontwerp ingezet op de traditionele manier, maar in het traject wordt wel ontwerpend onderzoek (= service design) ingezet om tot mogelijke oplossingen voor het gestelde probleem te komen.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Er is niet gewerkt vanuit een vooropgestelde visie, maar wel vanuit een probleemstelling. Door ontwerpend onderzoek wordt gezocht naar oplossingen voor deze probleemstelling die de visie zullen vormen. Vanuit deze visie zullen concrete initiatieven worden opgestart.

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

- Westhoekoverleg, als vertegenwoordiger van de lokale besturen - Design Vlaanderen, als opdrachtgever van Yellow Window - De Lijn - Fietsberaad - RESOC Westhoek

Andere partners

VVSG

Potentiële partners

- NMBS - Nestor, gemeenschappelijk vervoer van de lokale OCMW’s - TaxiStop - Autopia vzw - Cambio - Dorpsplatformen

Projectorganisatie

Er is een projectgroep en een stuurgroep waarin de hoofdpartners zetelen

179


Landelijke mobiliteit Westhoek

Projectleider

Dieter Hoet van Westhoekoverleg is het centrale aanspreekpunt.

Boegbeeld

Christof Dejaegher, burgemeester van Poperinge. Hij is ook voorzitter van RESOC West en was een van de trekkers van het Streekpact.

Mandaat vanuit overheid/gebied

VVSG, en vooral Annelies Van Der Donckt is een trekker geweest van dit traject. Zij heeft contact opgenomen met Design Vlaanderen en zo mee gezorgd voor de broodnodige vernieuwende aanpak. Roger Kesteloot, directeur-generaal van De Lijn, gelooft sterk in dit traject. Vanuit de hogere overheden is er een mandaat, aanzienlijke financiering en vertrouwen in het traject. Er wordt gewerkt aan een grotere gedragenheid bij de lokale beleidsmakers.

LANDELIJKE MOBILITEIT WESTHOEK

Taxistop

Autopia vzw

NMBS

Nestor

Dorpsplatform

Cambio

Westhoekoverleg Design Vlaanderen

VVSG

De Lijn Fietsberaad RESOC

PROJECT- EN STUURGROEP

Yellow Window

180

FINANCIERING

DRAAGVLAKVORMING

subsidies van hoofdpartners

designservice-methodiek


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Verwachtingen t.a.v. overheid

Van de partners en lokale overheden wordt verwacht dat ze de nodige maatregelen ondernemen om de voorgestelde acties op te nemen in het beleid en te realiseren. Dit vraagt durf van de lokale beleidsvoerders en een engagement van de hogere overheden om hun verantwoordelijkheden op te nemen (bv. realiseren van snelle verbindingen door De Lijn).

Financiering

Subsidies van de vier hoofdpartners: Design Vlaanderen (40.000€), De Lijn (10.000€), Fietsberaad (10.000€) en Westhoekoverleg (10.000€).

Draagvlakvorming

Draagvlakvorming zit verweven in de designservicemethode, waarbij o.a. workshops worden georganiseerd. Daarnaast communiceren sensibiliseren de vier hoofdpartners elk naar hun eigen achterban.

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Financiering Voldoende (financiële) middelen om testtrajecten op te zetten en structureel maatregelen door te voeren. De middelen zijn beperkt, waardoor er keuzes moeten worden gemaakt (vb. tussen snelbussen en ‘zigzagbussen’ langs zoveel mogelijk kernen) tussen oplossingen, die eigenlijk allemaal nodig zijn. Het is m.a.w. een uitdaging om creatieve oplossingen te bedenken om de bestaande middelen anders in te zetten.

Regierol waarmaken Het is een uitdaging iedereen voordelen te gunnen en erop te wijzen dat in de toekomst de voordelen toch groter zullen zijn dan de nadelen. Er mogen ook geen nadelen over het hoofd worden gezien. Het werken op streekniveau (en niet op een hoger bestuursniveau) zorgt voor veel traagte, omdat de enige manier om vooruitgang te boeken, een consensus is tussen de 18 gemeenten van de Westhoek.

Draagvlakvorming, ook bij behoudsgezinde geesten Senioren en kansengroepen zijn in het algemeen niet de gemakkelijkste groepen om grote veranderingen mee door te voeren. Het is een uitdaging ook hen duidelijk te maken dat het loont. Het slagen van dit traject hangt af van de bereidheid van iedereen.

Continuïteit van het traject De verderzetting van dit traject, ook na het aflopen van de opdracht van Yellow Window, is een bezorgdheid. Er zal voldoende daadkracht moeten zijn bij Westhoekoverleg. Zij hebben wel een sterke traditie inzake mobiliteit in deze streek.

181


182


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

De Liereman 1. Identiteit Aanleiding Dit traject is opgestart in 2006 door het kabinet van leefmilieu en natuur na een klacht van enkele landbouwers en landeigenaars over de manier waarop Natuurpunt gronden aan het verwerven was in de Liereman. Zij kwamen vergezeld van volksvertegenwoordiger Tine Rombouts langs op het kabinet van milieu. Op dat moment lag het erkenningsdossier voor het reservaat op het kabinet. Daarom besloot de minister de aankoopperimeter van Natuurpunt te halveren en de erkenning op te schorten totdat er een oplossing was gevonden.

Ambitie De ambitie van de Liereman was om tot een compromis te komen tussen alle betrokkken en deze compromis ook te realiseren op het terrein.

Proces - korte historiek van de belangrijkste fases 2006 – Agendering De klacht van landbouwers en landeigenaars in het gebied van de Liereman. 2006-2007 – Verkenning De eerste gesprekken vonden plaats onder leiding van Jan Verheeke, toen verantwoordelijk voor natuurbehoud in het kabinet van milieu. Er zaten drie partijen rond de tafel: boeren, Natuurpunt en de gemeente Oud-Turnhout. Jan Verheeke schreef na de eerste vergaderingen een intentieverklaring, die na onderhandelingen werd ondertekend. Inhoudelijk was het een erg open akkoord dat vooral focuste op goede wil. Zo zouden alle partijen elkaar met respect behandelen en zouden alle ontwikkelingen in de streek samen besproken worden (bv. wetenschappelijke rapporten). 2008-heden – Onderzoek & overleg 2008, AGNAS: in de AGNAS beslissing is een voorlopige afbakening van de verdeling tussen natuurbehoud (o.a. voor de speciale beschermingszone) en landbouw opgenomen. Er werd bepaald dat landbouwgebied enkel bevestigd kon worden als er ook natuurgebied werd bevestigd en omgekeerd. Er moest in opdracht van minster Van Mechelen ook een raamakkoord worden opgemaakt. September 2011, Raamakkoord: in het raamakkoord werd overeengekomen om een aantal studies uit te voeren en de partijen ondertekenden hierin hoffelijk te zijn en elkaar steeds op de hoogte te brengen van hun activiteiten. De VLM deed zijn intrede in het traject. Zij namen de secretarisrol op zich ter ondersteuning van Jan Verheeke en gaven zo het raamakkoord mee vorm. Jan Verheeke geeft het voorzitterschap door aan Ria Gielis (VLM). Juni 2012, infosessie voor de eigenaars: de eigenaars waren tot dan buiten het overleg gehouden. Daarom werd een infosessie georganiseerd om hen op de hoogte te brengen van de ontwikkelingen en afspraken. Zij konden mee in het traject stappen, mits

183


De Liereman

zij achter het raamakkoord stonden en niet enkel uit eigen belang handelen. Zij moesten zich ook verenigen en laten vertegenwoordigen. 2014, opname vertegenwoordiging eigenaars in het overlegtraject: de feitelijke vereniging De Zwarte Specht, ter vertegenwoordiging van de eigenaars, werd niet meteen tot de overleggroep toegelaten. Er werd een parallel traject opgezet waarbij de vergadering telkens werd overgedaan met de eigenaars. Na twee jaar en onder druk van het nieuwe natuurdecreet, waarin eigenaars mogelijkheden kregen om aan natuurontwikkeling en –beheer te doen, werden twee vertegenwoordigers van de eigenaars toegelaten in de overleggroep (De Zwarte Specht en Landelijk Vlaanderen). Juni 2014, natuurinrichtingsproject ‘De Liereman’: op 13 juni 2014 stelde de minister van Leefmilieu Joke Schauvliege het natuurinrichtingsproject ‘De Liereman’ in. Sindsdien ligt het werkingsgebied vast, zijn de belanghebbenden gekend en geldt een recht van voorkoop natuurinrichting binnen dit gebied. Eind 2014, Beleidsplan Ruimte Vlaanderen: in het kader van het Beleidsplan Ruimte werd eind 2014 een gebiedsgericht proces opgestart waarvan het (werk)gebied iets ruimer is dan de afbakening van het natuurinrichtingsproject ‘De Liereman’. 2015, On hold: vandaag is de werkkracht bij het VLM teruggeschroefd wegens bevallingsverlof van twee medewerkers die zich mee inzetten voor de Liereman. De vergaderingen van de overleggroep staan voorlopig on hold. Het dagelijks bestuur is wel nog actief. Ondertussen werd het onderzoek naar de haalbaarheid van de natuurinrichting wel afgerond en werden commissies en comités ingesteld.

Concrete realisaties Het project kent vandaag voornamelijk sociale realisaties. De sociale structuur van het gebied is veranderd. Doordat de verschillende partijen rond de tafel zijn gaan zitten om tot een compromis te komen, wordt er nu veel meer met elkaar gepraat in plaats van tegen elkaar processen aan te spannen. - Raamakkoord - Haalbaarheidsstudie natuurinrichting - Enkele PDPO-projecten o.a. aanleg van bloemenranden en de uitmijningspercelenproject UGent)

Wat is er innovatief aan het traject? De onorthodoxe rol van de overheid. De overheid neemt een trekkende en oplossingsgerichte rol op. De voorzitter (overheid) werkte steeds vanuit het belang van het middenveld en vervulde de rol van katalysator. Ze voerde niet enkel uit, maar bezorgde de nodige middelen om het project te realiseren en gaven het project vorm zodat het paste binnen het wettelijk kader. Omgang met eigenaarschap. De eigenaars krijgen een rol in het project en worden niet buiten gehouden door bijvoorbeeld onteigeningsprocedures. Dit kan enkel door ze verantwoordelijk te maken voor enkele doelen. In de Liereman zijn er voornamelijk boseigenaars die graag willen meewerken aan de natuurdoelstellingen, maar ze willen ook een uitzicht op rendement of minimum een verliesvermindering. Daarom werden de bosdoelen aan de eigenaars toegekend en heide- en moerasdoelstellingen aan Natuurpunt toevertrouwd. Daarnaast ligt er vandaag een idee op tafel dat eigenaars van bosgebied dat voorzien wordt voor een heidedoel de kans geeft hun grond uit te ruilen. Een interessant experiment i.h.k.v. de realisatie van de IHD-doelstellingen in heel Vlaanderen. In het project wordt eerst naar oplossingen gezocht die pas daarna worden bevestigd in de ruimtelijke ordening.

184


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

2. Inhoudelijke Werking Thema’s

Landbouw, natuurbeheer, erfgoed, water. Ook eigenaarschap wordt als een belangrijk thema gezien.

Operationele doelen

Het doel van de Liereman is om een compromis te maken met alle betrokkenen en dat ook te realiseren op het terrein, opdat iedereen zijn eigen activiteit op het terrein kan waarmaken congruent met of afgegrensd van de andere. Het GRUP is hierbij enkel een instrument om dit te bevestigen en juridische zekerheid te bieden.

Inzet van ontwerp

In samenwerking met Ruimte Vlaanderen is ontwerpend onderzoek ingezet om het toekomstperspectief van twee landbouwbedrijven te bepalen. Het ontwerp was een communicatietool om na te denken over de toekomst.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

Het traject is gestart vanuit een erg concrete situatie die later aan grote overheidsvisies (AGNAS, SBZ, …) werd gekoppeld. Het traject lijkt dus eerder vanuit een ad hoc ondersteuning van initiatieven gegroeid. Anderzijds is het traject ook gegroeid vanuit de visie dat conflicten moeten worden opgelost voordat ze ontsporen in een negatief beeld en hierdoor ook negatieve gevolgen kunnen hebben voor andere gelijkaardige projecten in de toekomst.

185


De Liereman

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

- Landbouwers - Eigenaars: de Zwarte Specht en Landelijk Vlaanderen - Natuurpunt - 3 gemeenten: Oud-Turnhout, Arendonk en Ravels

Andere partners

- Boerenbond - Algemeen boerensyndicaat - Provincie Antwerpen – Landbouw - Provincie Antwerpen – Leefmilieu - Departement Landbouw en Visserij - Agentschap voor Natuur en Bos - Vlaams Landmaatschappij - Agentschap Onroerend Erfgoed - Ruimte Vlaanderen

Projectorganisatie

Het dagelijks bestuur (=hoofdpartners) komt 1 keer per maand samen. De overleggroep (= andere partners) probeert alle lopende processen in het gebied bij te houden (IHDafbakening, pilootproject Ruimte Vlaanderen, …) en af te stemmen en komt 3 tot 4 keer per jaar samen. Commissies en comités zijn instrumentgebonden en via hen worden de procedures opgestart.

Projectleider

De overleggroep wordt geleid door de VLM (Magie Lodts) en de commissies en comités worden getrokken door ANB.

Boegbeeld

Niet echt. Tine Rombouts wordt wel beschouwd als de moeder van het project. Zij ondersteunt het project nog steeds, maar pakt hier niet mee uit.

Mandaat vanuit overheid/gebied

Er is erkenning van de gemeente. Zij ondertekende mee de akkoorden en de burgemeester is ook ondervoorzitter van de overleggroep.

Verwachtingen t.a.v. overheid

Het grote voordeel van de afwezigheid van financiering, is dat er geen verantwoording moet worden afgelegd. Op dit vlak wordt dus niets van de overheid verwacht.

Financiering

De inspraak- en beslissingsprocedure kent geen financiering. Enkel de projectleider (VLM) en enkele deskundigen worden via subsidies vergoed.

186


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Draagvlakvorming

Het draagvlak bevindt zich bij drie actoren – eigenaars, landbouw en natuur – en op drie niveaus – de gesprekpartners, de lokale achterban en het hoger Vlaams niveau (Boerenbond, Natuurpunt). Vanuit de Liereman is de overleggroep een middel om het draagvlak te vergroten bij de gesprekspartners. Daarnaast werkt elke actor op de andere niveaus aan zijn draagvlak. Dit gebeurt vaak via hun eigen websites.

LIEREMAN

VLM Provincie Antwerpen dienst Landbouw

Provincie Antwerpen dienst Leefmilieu

Vlaamse Landmaatschappij

Departement Landbouw en Visserij

Landbouwers Oud-Turnhout Arendonk Ravels Natuurpunt

Boerenbond

Algemeen Boerensyndicaat

De Zwarte Specht Landelijk Vlaanderen Agentschap Natuur en Bos

HOOFDPARTNERS DAGELIJKS BESTUUR

Agentschap Onroerend Erfgoed

Ruimte Vlaanderen

OVERLEGGROEP

187

FINANCIERING

DRAAGVLAKVORMING

subsidies (enkel projectleider VLM)

elke partner naar eigen netwerk 3 actoren: eigenaar, landbouw, natuur 3 niveaus: gebied, gemeente, Vlaanderen


De Liereman

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Juridische aspecten Onderschatting van het eigenaarschap. Het eigenaarschap is een blinde vlek in de ruimtelijke ordening. In plaats van promotie zijn er enkel processen als onteigening voor handen. Omgaan met eigenaarschap was dan ook een belangrijk aspect van het traject. Door de eigenaars ook een rol te geven, worden ze niet buiten spel gezet. (kans) Het IHD proces. De instandhoudingsdoelstellingen deden pas later in het traject hun intrede. Een zeer top-down gegeven waar het lokale traject ingepast moest worden. (knelpunt)

Wil tot slagen Een cruciaal onderdeel van het traject was de wil tot slagen. De verschillende actoren moesten de legitimiteit van elkaars doelen en besognes erkennen. Zonder dit aspect zou het traject niet kunnen slagen zoals bijvoorbeeld gebeurde in het project de Blankaart (West-Vlaanderen).

Engagement van de overheid Er zijn specifieke vormen van engagement vanuit de overheid vereist: een werkkracht op feitelijke basis, politieke wil, ambtenaren die zich vrijwillig en lokaal inzetten, ... Deze laatste vormen een neutrale partij die toch het nodige gezag en kennis bezitten vanuit hun functie.

Top-down versus bottom-up Het project vertrok vanuit een lokale vraag die in de beginfase erg top-down benaderd werd. Toch is er tijdens het project steeds een wisselwerking geweest tussen het lokale en het Vlaamse niveau. Op deze manier blijft het project lokaal verankerd en wordt daarbij ook de kwaliteit gegarandeerd met de VLM als trekker. Zoâ&#x20AC;&#x2122;n sturing door een organisatie is broodnodig voor de realisatie van rapporten en studies, maar ook voor het aanreiken van instrumenten.

Realisaties zijn noodzakelijk Het is belangrijk dat er op een gegeven moment iets gerealiseerd wordt. Dit kan enkel door instrumenten in te zetten waar ook geld aan vasthangt. Het mag niet bij mooie voornemens blijven, er zijn nu en dan (quick)wins nodig.

188


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

189


190


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Rivierpark Maasvallei 1. Identiteit Aanleiding Het Maasland kende al grote aaneengesloten landschappelijke eenheden, met name Kempen en Broek (het eerste project) en het Nationaal Park Hoge Kempen. Deze twee voorlopers vormden de aanleiding om ook voor het Rivierpark Maasvallei een gebiedsvisie op te maken om de potenties voor erfgoed, natuur, landschap en recreatie te ontwikkelen en/of te herstellen. De tendens om water terug bij de stad te betrekken in de jaren 2000 gaf de stadsbesturen van het Maasland inspiratie om te investeren in de open ruimte kwaliteit. In 2005 kozen de gedeputeerden bevoegd voor leefmilieu en voor toerisme van de provincie Limburg voor een integrale aanpak van de Grote Landschappelijke Eenheid ‘Maasvallei’. Het Regionaal Landschap Kempen en Maasland vzw (RLKM) kreeg de opdracht om i.s.m. Toerisme Limburg een ‘Plan van aanpak Maasvallei’ uit te werken. Dat plan vormt de leidraad om, op een grensverleggende wijze, werk te maken van meer landschappelijke kwaliteit en duurzaam toerisme in de Maasvallei.

Ambitie Het ontwikkelen van een ‘ecolonomisch landschap’. Het ruime rivierbed van de Maas ontwikkelen tot een ecologische hoofdweg en toeristische topper. Dit betekent dat de ecologische waarde wordt versterkt met het idee hiervoor een return te krijgen door inkomsten uit toerisme en recreatie.

Proces - korte historiek van de belangrijkste fases 2005 – Agendering Het traject is opgestart in 2005 met de opmaak van een plan van aanpak door het RLKM, de provincie Limburg (gedeputeerden Leefmilieu en Toerisme), de 5 Maasgemeenten en verschillende actoren uit de Maasregio. Het beoogt het ontwikkelen van meer ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit in de Maasvallei. Verkenning Door het RLKM wordt er actief gezocht naar verschillende en potentiële actoren door middel van streekwerking en werking op het terrein. Onderzoek en overleg Het onderzoek kadert binnen het Strategisch Open Ruimte Project ‘Rivierpark Maasvallei’ dat een algemene gebiedsvisie opstelt die verder wordt gedetailleerd en uitgewerkt door diverse themagroepen. Besluitvorming De stuurgroep beslist of een idee verder wordt uitgewerkt of een project a prioiri moet worden behandeld.

191


Rivierpark Maasvallei

Concrete realisaties - Dorpskernvernieuwing in Leut met herstel van enkele erfgoedelementen (i.s.m. de gemeente); - Wijziging van het grinddecreet i.f.v. natuur en waterveiligheid; - Visieontwikkeling om te komen tot 2500 ha natuuroppervlakte (België & Nederland). Hiervan is al 850 ha effectief bestemd; - Één huisstijl voor de recreatieve randinfrastructuur van het Rivierpark Maasvallei. Dit is voorlopig alleen uitgewerkt aan de Belgische zijde, Nederland volgt.

Wat is er innovatief aan het traject? Het ecolonomisch landschap. Het project zet in op een landschap dat toeristisch kwalitatief is ontsloten, door het voorzien van infrastructuur op maat. Het ontwikkelt een regio met een sterke ruimtelijke herkenbaarheid (historische identiteit) waar ook ecologisch veel te beleven is, waardoor er op duurzame of ‘slimme’ wijze een toeristisch-economische meerwaarde ontstaat. Een ecolonomisch landschap vereist een kwaliteitsvolle landelijkheid in de dorpen en een argeloos natuurrijk landschap –mét uitdagingen- in het rivierbed. Hierbij hoort een grensoverschrijdende en internationale marketing van de Maasvallei met zijn ecologische en toeristisch-recreatieve potenties. Verbinden van beleid met praktijk door zowel zelf samenhangende acties (die landschap, natuur en toerisme wederzijds versterken) te plannen en uit te voeren, als lopende processen en sectorale beleidsdoelen die raakvlakken hebben met het project, op elkaar af te stemmen en waar mogelijk te versterken. Het werken vanuit een langetermijnvisie is sturend en voorkomt foute keuzes op korte termijn. Het vermogen tot anticiperen voor een langere tijd (trends op langere termijn) en grotere ruimte (de volledige vallei en niet per gemeente) is van groot belang voor het verwerven en behouden van een kwalitatief landschap en leven voor de inwoners van het Maasland. Van NIMBY (Not In My Backyard) naar PIMBY (Please In My Backyard). Een samenhangende projectontwikkeling impliceert een degelijke inhoudelijke afstemming tussen alle relevante beleidsdomeinen binnen de opdracht van het project en de mogelijkheid voor betrokken maatschappelijke actoren om een passende inbreng te leveren in de besluitvorming. Het streven naar evenwicht en zelfs synergie tussen de economische, sociale en ecologische belangen moet er toe leiden dat de weerstand van actoren (bestuurders, middenveld, burger, …) wordt omgebogen naar inspiratie om oplossingen of acties uit te werken.

192


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

2. Inhoudelijke Werking Themaâ&#x20AC;&#x2122;s

Toerisme, recreatie, landschapsbeheer en -zorg, erfgoed, natuurbeheer, landbouw, grind, publieke ruimte, energie (biomassaproductie), educatie (natuur, water en erfgoed), waterbeheer, draagvlakvorming, regionale en internationale werking

Operationele doelen

In onderlinge afstemming tussen de verschillende verenigingen en eigenaars een grote eenheid van herkenbare en leefbare natuur ontwikkelen in het winterbed onder de noemer Rivierpark Maasvallei. Faciliteren van het natuur- en landschapsbeheer in de natuurgebieden en opzetten van een plattelandsproject dat mogelijkheden biedt voor uitruil landbouw, omzetten landbouw naar beheerlandbouw in delen van het winterbed en landschappelijke inrichtingsmaatregelen van de landbouwgebieden in het winterbed. Een kwaliteitsvolle recreatieve ontsluiting realiseren die de toeristische belevingswaarde van de Maasvallei en het snoer van Maasdorpen verhoogt. Ontwikkelen van een uniforme communicatie voor het Maasland binnen Toerisme Limburg, versterken van de streekidentiteit en (inter)nationaal promoten van het toeristisch aanbod van het Maasland.

Inzet van ontwerp

Ruimtelijk ontwerp wordt ingezet afhankelijk van de acties. Daarnaast zijn er wandelingen op terrein waarin het ontwerp wordt besproken.

Werking vanuit overkoepelende visie of ad hoc ondersteuning van initiatieven

De werking is gebaseerd op een overkoepelende visie, waarin de krijtlijnen zijn beschreven. Deze visie wordt toegepast op deelgebieden in het projectgebied, maar ook lokale initiatieven worden gestimuleerd (bv. streekevenementen zoals Maaslandse gordel).

193


Rivierpark Maasvallei

3. Organisatie, besluitvorming en financiering Netwerk Hoofdpartners

- RLKM vzw - 5 Maaslandse gemeenten: Lanaken, Maasmechelen, Dilsen-Stokkem, Maaseik en Kinrooi - Provincie Limburg (diensten toerisme, ruimtelijke ordening, natuur(-educatie), waterbeheer, plattelandsbeleid, ...) - Toerisme Limburg - Vlaamse overheid: Agentschap voor Natuur en Bos, Ruimte Vlaanderen, Agentschap Onroerend Erfgoed, Afdeling Land en bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen - nv De Scheepvaart (rivierbeheerder) - Grindcomité (Herstructureringscomité) - Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij (eigenaar gronden grindontginning voor het grinddecreet) - Intercommunale Maatschappij voor Ruimtelijke Ontwikkeling in Limburg (eigenaar en herinrichtingverantwoordelijke van de grindwinningsgebieden voor het grinddecreet)

Andere partners

- Grindwinningbedrijven - Landbouwbedrijven en -organisaties - Natuurbehoudorganisaties Limburgs Landschap (LiLa vzw), Natuurpunt en Orchis - Nederlandse ‘De Nieuwe Grensmaas’ - Toeristisch-recreatieve sector met o.m. de sportvissers - Vlaamse Milieumaatschappij - Internationale Maascommissie - Vlaamse Maatschappij voor watervoorziening (Maasvallei als waterwingebied)

Projectorganisatie

Een stuurgroep met als voorzitter de gedeputeerde toerisme en recreatie van de provincie Limburg. Dit is momenteel Igor Philtjens. Een projectgroep. Diverse themagroepen die 2 keer per jaar samenkomen.

Projectleider

Lambert Schoenmaekers, coördinator Rivierpark Maasvallei Ignace Schops, directeur RLKM

Boegbeeld

Bv’s die promotie gemaakt hebben: Saartje Vandendriessche, Nic Balthazar

194


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Mandaat vanuit overheid/gebied

Rivierpark Maasvallei is erkend als Strategisch Open Ruimte Project voor de periode 2011 – 2014 en 2015 – 2018.

Verwachtingen t.a.v. overheid

Een actieve inbreng en de nodige financiële middelen van de gemeenten, de provincie en de Vlaamse overheid.

Financiering

5% van de gemeenten Vlaams: grindfonds, Toerisme Vlaanderen, PDPO, … Europees: Interreg (A), Leader, …

Draagvlakvorming

Landschapskrant, nieuwsbrief, wandelkaarten, wandelbox, RIVIERPARK huisstijl (infoborden, RRI,... ), geleide wandelingen, MAASVALLEI streekevenementen,... Op basis van de steun van gemeentebesturen kan er extra worden ingezet.

Deputé Provincie Limburg 5 Maaslandse gemeenten RLKM vzw STUURGROEP

Grindwinningsbedrijven

‘De Nieuwe Grensmaas’

RLKM vzw Lokale landbouwers

Landbouworganisaties

verschillende provinciale diensten ANB Ruimte Vlaanderen Agentschap Onroerend Erfgoed nv De Scheepvaart Grindcomité POM IML

Natuurpunt

Toerisme Limburg

VMM

PROJECTGROEP

wordt opgericht per operationele actie THEMAGROEP FINANCIERING

DRAAGVLAKVORMING

5 Maaslandse gemeenten Grindfonds Toerisme Vlaanderen PDPO Interreg LEADER

Landschapskrant, nieuwsbrief, wandelkaarten, infoborden in huisstijl, geleide wandelingen, streekevenementen, ...

zoeken naar middelen per project

195


Rivierpark Maasvallei

4. Belangrijkste aandachtspunten / knelpunten Continuïteit Op korte termijn is er de vrees dat huidig personeelsbestand zou slinken en op lange termijn zullen de subsidies uit de delfstofwinningsbedrijven (grind) stoppen.

Ecolonomie Er moet blijvende aandacht zijn voor de toeristische promotie van het Maasland en het Rivierpark Maasvallei. Door in te zetten op deze marketingsvorm zal er terug een financiële return komen door toerisme en recreatie die in het landschap kan worden geïnvesteerd.

AGNAS Het afbakeningsproces van het buitengebied op Vlaams niveau kan een hefboom zijn voor realisatie van natuur in het Rivierpark Maasvallei. Er moet in Vlaanderen 28.000 ha natuur bijkomen. Het Rivierpark Maasvallei zou hieraan kunnen bijdragen want in het rivierbed van de Maas moet er meer natuur komen in functie van de waterveiligheid. Grensoverschrijdende samenwerking De grensoverschrijdende samenwerking met Nederland is een grote kans en potentie van het project en zou het terug een boost moeten geven.

Ecosysteemdiensten Het verder werken met het ecosysteemdienst “TESSA”: Toolkit voor Ecosystem Site based Assessment. De toolkit biedt toegankelijke begeleiding op low-cost methoden op welke wijze beheerders voordelen kunnen ontvangen van de natuur. Op bepaalde sites kan de toolkit gebruikt worden om de besluitvorming te beïnvloeden. TESSA is vooral gericht op beheerders die het behoud van een gebied willen beschermen, hoewel de methoden van toepassing kunnen zijn op een breed scala van gebruikers, natuurbeheerders , ruimtelijke planners , organisaties en particulieren.

196


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

197


198


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Intervisie 1 dinsdag 27 oktober 2015 VLM Guldenvlieslaan 72, 1060 Brussel

Aanwezig Wim Vandenrijt Koenraad Marchand Tim Denutte Piet Struyf Christophe Vandevoort Geert De Blust Elke Vanempten Sylvie Van Damme Griet Celen Peter Vleugels Tine Segers Hans Leinfelder (verslag) Marjolijn Claeys (verslag)

VLM (innovatief traject ‘De Cirkel’) Provincie West-Vlaanderen (innovatief traject ‘Kanaalpark Bossuit-Kortrijk’) Provincie West-Vlaanderen (innovatief traject ‘Kanaalpark Bossuit-Kortrijk’) VLM (innovatief traject ‘Liereman’) Ruimte Vlaanderen (testcase Pannenfabriek) INBO (expert) ILVO/Team Vlaams Bouwmeester (expert) School of Arts, HoGent (expert) VLM (werkgroep Open Ruimte Platform) VLM (werkgroep Open Ruimte Platform) AWB KULeuven-PLEN KULeuven-PLEN

Verontschuldigd Sylvie Fosselle (VLM), Rik Samyn (VVP), Joachim Declerck (AWB), Liesbet Belmans (VVSG), Jan Verheeke (Minaraad), Gert Jansen (VVP)

Agenda 9u30 - 10u00 10u00 - 11u30

11u30 - 13u00 14u00 - 15u00 15u15 - 16u30

199

Inleiding – Hans Leinfelder, KULeuven-PLEN Voorstelling innovatieve trajecten: 1. De Cirkel – Wim Vandenrijt, VLM 2. Kanaalpark Bossuit-Kortrijk – Koenraad Marchand, Provincie West-Vlaanderen 3. Liereman – Piet Struyf, VLM Tafelgesprek 1 - functionele logica’s Tafelgesprek 2 - stimuleren lokale creativiteit Testcase Pannenfabriek – voorstelling & leerpunten – Christophe Vandevoort, Ruimte Vlaanderen


Intervisie 1

Verslag Vandaag vindt een eerste intervisie in een reeks van vijf plaats. Er worden vier intervisies georganiseerd rond een bepaald thema en een vijfde synthese intervisie. Het thema van deze eerste intervisiedag is geïntegreerd werken. Samen met de innovatieve trajecten willen wij dieper ingaan op de geïntegreerde werking binnen hun traject. We doen dit aan de hand van twee tafelgesprekken, die elk focussen op een inhoudelijke doorbraak: - Tafelgesprek 1 - functionele logica’s - Tafelgesprek 2 - stimuleren lokale creativiteit Om deze gesprekken tussen de innovatieve trajecten vlot te laten verlopen, stellen zij zichzelf en het tot nu doorlopen traject eerst voor.

Tafelgesprek 1 – Functionele logica’s Gebiedsgerichte processen in de open ruimte lijken op het eerste gezicht vaak te worden geïnspireerd door en gevoerd vanuit een ruimtelijke logica. Dit vindt ongetwijfeld een verklaring in de vaak weerkerende en prominent aanwezige discussies over de verdeling van de ruimte tussen landbouw en natuur. Vele processen worden immers vroeg of laat geconfronteerd met deze beladen discussie, zelfs indien deze processen vanuit een andere invalshoek of logica starten. Het tafelgesprek beoogt inzicht te verwerven in types van te integreren (functionele) logica’s, de onderlinge verzoenbaarheid of onverzoenbaarheid van deze logica’s en de mogelijke benaderingen om logica’s met elkaar te integreren.

Uiteenlopende types van logica’s We starten het tafelgesprek met de vraag aan de trekkers van de innovatieve trajecten om de (functionele) logica’s die in hun traject spelen, op te lijsten. De trekkers krijgen bij de start bewust geen definitie van ‘functionele logica’ voorgeschoteld om beïnvloeding te vermijden. Deze aanpak heeft als gevolg dat heel uiteenlopende types van logica’s aan de tafel ter sprake komen: - Inhoudelijke logica’s o Ruimtelijk-economische ontwikkeling o Automobiliteit o Recreatief medegebruik o Natuur en ecologie o Landbouw o Water en hydrologie o Wonen in dorpen o Landschap - Instrumentele logica’s o Wetgeving o Eigendomstoestand o Recht van voorkoop o Agrobeheer o Jacht o Sociale economie o Educatie o Budgetten o Zelfredzaamheid - Maatschappelijke logica’s

200


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

o Dorpsleven o Stadsleven o Streekidentiteit o Gebied o Politiek o Beleid In die zin is het wellicht beter om te spreken over ‘logica’s’ in plaats van over ‘functionele logica’s’. Logica’s zijn dan verschillende invalshoeken waarmee naar een gebied of een uitdaging wordt gekeken. Eénzelfde actor kan in een innovatief traject verschillende types van logica’s tegelijkertijd hanteren. Zo kan een actor een inhoudelijke landbouwlogica combineren met een instrumentele logica van rechtszekerheid en een (maatschappelijke) beleidslogica. Binnen één type van logica kiest een actor voor een bepaalde dominante logica, alhoewel hij/zij ook kan opteren om meerdere logica’s te combineren in een logica op een iets abstracter niveau. Zo kan een actor een inhoudelijke natuurlogica met een inhoudelijke hydrologielogica combineren in een ‘fysisch systeem’-logica.

Verzoenbaarheid en onverzoenbaarheid van logica’s Als een tweede oefening wordt aan de gesprekspartners gevraagd om de logica’s die zij in een kolom noteerden letterlijk te kopiëren in een tweede kolom en om vervolgens de logica’s te verbinden die in hun innovatief traject makkelijk (groene stift) en moeilijk (rode stift) met elkaar te verzoenen zijn. Deze individuele oefening vormt vervolgens de basis voor een gesprek over de verzoenbaarheid van enkele logica’s. De gesprekspartners kiezen zelf welke combinaties van logica’s zij wensen te bespreken. De bespreking wordt in de vorm van een mind map op de A0 genoteerd.

Verzoenbare Logica’s INHOUDELIJKE LOGICA’S Ruimtelijk-economische ontwikkeling Automobiliteit Recreatief medegebruik Natuur en ecologie Landbouw Water en hydrologie Wonen in dorpen Landschap INSTRUMENTELE LOGICA’S Wetgeving Eigendomstoestand Recht van voorkoop Agrobeheer Jacht Sociale economie Educatie Budgetten Zelfredzaamheid MAATSCHAPPELIJKE LOGICA’S Dorpsleven Stadsleven Streekidentiteit Gebied Politiek Beleid

INHOUDELIJKE LOGICA’S Ruimtelijk-economische ontwikkeling Automobiliteit Recreatief medegebruik Natuur en ecologie Landbouw Water en hydrologie Wonen in dorpen Landschap INSTRUMENTELE LOGICA’S Wetgeving Eigendomstoestand Recht van voorkoop Agrobeheer Jacht Sociale economie Educatie Budgetten Zelfredzaamheid MAATSCHAPPELIJKE LOGICA’S Dorpsleven Stadsleven Streekidentiteit Gebied Politiek Beleid

Ruimtelijk-economische ontwikkeling & Automobiliteit Deze logica’s haperen nagenoeg nooit. Ze lopen in innovatieve trajecten vaak gezamenlijk voorop op andere logica’s. 201


Intervisie 1

Soms gemakkelijk, soms moeilijk verzoenbare logica’s INHOUDELIJKE LOGICA’S Ruimtelijk-economische ontwikkeling Automobiliteit Recreatief medegebruik Natuur en ecologie Landbouw Water en hydrologie Wonen in dorpen Landschap INSTRUMENTELE LOGICA’S Wetgeving Eigendomstoestand Recht van voorkoop Agrobeheer Jacht Sociale economie Educatie Budgetten Zelfredzaamheid MAATSCHAPPELIJKE LOGICA’S Dorpsleven Stadsleven Streekidentiteit Gebied Politiek Beleid

INHOUDELIJKE LOGICA’S Ruimtelijk-economische ontwikkeling Automobiliteit Recreatief medegebruik Natuur en ecologie Landbouw Water en hydrologie Wonen in dorpen Landschap INSTRUMENTELE LOGICA’S Wetgeving Eigendomstoestand Recht van voorkoop Agrobeheer Jacht Sociale economie Educatie Budgetten Zelfredzaamheid MAATSCHAPPELIJKE LOGICA’S Dorpsleven Stadsleven Streekidentiteit Gebied Politiek Beleid

Recreatief medegebruik & Natuur en ecologie Op het eerste gezicht lijken deze twee inhoudelijke logica’s vlot verzoenbaar. Van zodra recreatief medegebruik naar actievere vormen neigt zoals avonturensporten en speelbossen, kan de draagkracht van natuur en ecologie worden overschreden. Landbouw & Natuur en ecologie In de individuele oefening duiden drie van de vier gesprekspartners de onverzoenbaarheid van deze twee inhoudelijke logica’s. In het tafelgesprek worden hier duidelijk nuances bij gemaakt. Het blijkt vooral van belang om rekening te houden met de gelaagdheid in de inhoudelijke logica’s van ‘landbouw’ enerzijds en ‘natuur en ecologie’ anderzijds. Beide inhoudelijke logica’s kennen immers vaak een verschillende invulling naargelang het abstractieniveau. De inhoudelijke logica van Boerenbond is duidelijk verschillend van deze van de individuele landbouwer. De inhoudelijke logica van Natuurpunt is vaak verschillend van deze van de lokale beheerder. Individuele landbouwers hanteren een rentabiliteitslogica en zijn vaak bereid om in lokale natuur-landbouwinitiatieven in te stappen wanneer dit hen een bijkomend inkomen oplevert: het aanleggen en beheren van een energiehoutkant, het beheren van een hoogstamboomgaard met het oog op het maken van stroop of fruitsap, agrarisch natuurbeheer, … Het is dan ook van belang om bewust om te gaan met deze gelaagdheid in functie van de doelstellingen die je wenst te bereiken met het innovatieve traject. Gaat het over abstracte, beleidsmatige ambities die tussen Boerenbond en Natuurpunt worden vastgelegd in een raamakkoord zoals bij de Liereman? Neem dan de tijd… zonder dergelijk ‘gewapend vredesakkoord’ zijn er geen winnaars. Of gaat het over heel concrete realisaties op het terrein die afspraken vergen tussen lokale actoren (Cirkel)?

202


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Onverzoenbare logica’s INHOUDELIJKE LOGICA’S Ruimtelijk-economische ontwikkeling Automobiliteit Recreatief medegebruik Natuur en ecologie Landbouw Water en hydrologie Wonen in dorpen Landschap INSTRUMENTELE LOGICA’S Wetgeving Rechtszekerheid Recht van voorkoop Agrobeheer Jacht Sociale economie Educatie Budgetten Zelfredzaamheid MAATSCHAPPELIJKE LOGICA’S Dorpsleven Stadsleven Streekidentiteit Gebied Politiek Beleid

INHOUDELIJKE LOGICA’S Ruimtelijk-economische ontwikkeling Automobiliteit Recreatief medegebruik Natuur en ecologie Landbouw Water en hydrologie Wonen in dorpen Landschap INSTRUMENTELE LOGICA’S Wetgeving Rechtszekerheid Recht van voorkoop Agrobeheer Jacht Sociale economie Educatie Budgetten Zelfredzaamheid MAATSCHAPPELIJKE LOGICA’S Dorpsleven Stadsleven Streekidentiteit Gebied Politiek Beleid

Rechtszekerheid & Gebied Innovatieve trajecten kennen succes in een gebied wanneer ze erin slagen om gemeenschappelijke doelen voor de betrokken actoren te formuleren. Als deze doelen tot stand komen als een antwoord op uitdagingen op het terrein, zijn ze voldoende concreet om het onbetaalde engagement van lokale (particuliere) actoren te activeren. Deze manier van werken vergt kennis over hoe het systeem van besluitvorming in een gebied functioneert. Deze logica op het niveau van een gebied wordt te vaak doorkruist door strategische keuzes op een hoger beleidsniveau. Kwantitatieve doelen die top down in een gebied neerdalen vanuit een wet- of regelgevend kader (bv. de instandhoudingsdoelstellingen) verstoren dan danig het proces van lokale doelstellingenformulering die bottom up in een gebied plaatsvindt. Politiek & Beleid Waar een politiek bestuur om de zoveel tijd kan wijzigen als gevolg van verkiezingen, overspant een overheidsadministratie verschillende legislaturen. Hierdoor houdt een beleidslogica in het algemeen langer aan dan een politieke logica. Deze laatste kan immers bij elke verkiezing wijzigen. Deze decalage in logica’s is volgens de gesprekspartners in innovatieve trajecten vooral merkbaar voor de input vanuit het Vlaamse niveau. Het speelt volgens hen minder nadrukkelijk voor de input vanuit het provinciale niveau. Naast deze onverzoenbaarheid tussen de beleidslogica en de politieke logica, merken ze bovendien op dat er ook vaak een onverzoenbaarheid is van politieke logica’s op een zelfde bestuursniveau. Politiek & Budgetten Helaas merken de trekkers van innovatieve trajecten een onverzoenbaarheid tussen de politieke logica en de financiële logica. Politici zijn zeer vlot in het nemen van een politiek engagement, maar het bijbehorende financiële engagement blijft vaak achterwege. De budgetten blijken vaak onbestaande of onvoldoende groot om het politieke engagement

203


Intervisie 1

na te komen. De gesprekspartners beschouwen particuliere initiatieven in het kader van hun innovatief traject dan ook vaak als een welkome opportuniteit. Het risico op onverzoenbaarheid van de twee logica’s kan ook worden vermeden door als bestuursniveau met een voortschrijdende programmatie te werken waarbij politieke engagementen ook budgettair worden afgedekt. Stadsleven & Dorpsleven Vrij onverwachts komt de onverzoenbaarheid van de dorpslogica en deze van de stadslogica op tafel. De indruk bestaat bij bepaalde gesprekspartners dat heel wat processen in de open ruimte vanuit een stedelijke behoefte vertrekken, bv. naar ruimte om te recreëren. Dit leidt regelmatig tot stedelijke vormen van recreatie die de draagkracht van dorpen en landelijke gebieden dreigt te overschrijden. Het wordt als een belangrijke rol van de overheid gezien om de behoeften van de lokale bewoners en gebruikers te integreren in een innovatief traject. Dit wordt te vaak over het hoofd gezien. De overheid moet een emanciperende rol naar deze groepen opnemen en hen helpen om expertise op te bouwen en te borgen zodat zij kunnen meedraaien in deze trajecten.

Benaderingen die logica’s integreren Tenslotte krijgen de gesprekspartners de vraag welke methodes zij toepassen om de logica’s op elkaar af te stemmen in hun innovatief traject. Deze vraag wordt in een open gesprek bediscussieerd. Zoeken naar gemeenschappelijke verlangens In de beginfase van een innovatief traject komt het er vooral op aan om te zoeken naar de zaadjes voor gemeenschappelijke initiatieven. Een eerste methode bestaat erin om als trekker ideeën te strooien in de hoop dat ze door geïnteresseerde actoren worden opgepikt Een tweede methode bestaat erin ruimte te creëren voor opborrelende initiatieven. Vervolgens komt het erop aan om deze losstaande initiatieven en verlangens te koppelen tot gemeenschappelijke initiatieven en verlangens. Een beproefde methode is open fora/events/bijeenkomsten te organiseren waar op een informele manier kennis en ervaring worden uitgewisseld en waar samenwerkingsverbanden kunnen ontstaan. Streven naar ‘win-win’ is hierbij vaak onmogelijk, maar in de meeste gevallen blijkt een ‘gelijk-win’-verhouding te volstaan voor samenwerking tussen actoren. In de loop van het innovatief traject kan de stap worden gezet om deze gemeenschappelijke verlangens en initiatieven af te stemmen op gemeenschappelijke verlangens en doelstellingen op een hoger abstractieniveau. De tijd nemen en ruimte geven Bij het zoeken naar gemeenschappelijke verlangens en doelen is tijd een cruciale factor. Tijdsdruk werkt nefast voor de hierboven beschreven benadering. Trekkers van een innovatief traject moeten de tijd krijgen om te snuffelen, te verkennen, te temporiseren als de omstandigheden niet optimaal zijn, te vallen en weer op te staan. Naast tijd is ook (beleids)ruimte belangrijk. Een gezond pragmatisme houdt het besef in dat het resultaat van een innovatief traject nooit 100 % zal overeenkomen met de vooropgestelde verwachtingen. Opportunistisch moet op bepaalde momenten durven gekozen worden voor suboptimale resultaten. Het is dan ook niet aangewezen om de te bereiken resultaten vooraf zeer expliciet te definiëren. Het is veel beter om een aantal strategisch belangrijke doelstellingen te bepalen als een raamwerk voor een voortdurend iteratief besluitvormingsproces. Ook dit raamwerk moet bovendien in de tijd kunnen worden bijgesteld.

204


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Opkomen voor zwakkere logica’s De gesprekspartners zijn akkoord dat de overheid in innovatieve trajecten een belangrijke rol te vervullen heeft als verdediger van de belangen van zwakkere logica’s. Dit hoeft niet onmiddellijk te betekenen dat de overheid deze belangen vertolkt, maar er zorg voor draagt dat de andere, sterkere logica’s op zoek gaan naar afstemmingsmogelijkheden met deze zwakkere logica’s. INTERVISIE 01 - 27/10/2015 - GEÏNTEGREERD WERKEN

TAFELGESPREK 2 STIMULEREN LOKALE CREATIVITEIT

Tafelgesprek 2 – Stimuleren lokale creativiteit

1. GEEF EEN 5-TAL CONCRETE INITIATIEVEN WAARBIJ LOKALE ACTOREN ZIJN BETROKKEN IN JOUW INNOVATIEF TRAJECT (1 post-it per initiatief + situering post-its op onderstaande as)

Positionering van lokale initiatieven en creativiteit We starten het tafelgesprek met de vraag aan de trekkers van de twee innovatieve trajecten De Cirkel en Kanaalpark Bossuit-Kortrijk om de lokale initiatieven die bij hun traject betrokken zijn, op post-its te zetten, en om deze te situeren op onderstaande as.

BOVENLOKAAL

LOKAAL

TOP - DOWN VISIE

BOTTOM - UP AD HOC

De gesprekspartners merken op dat ze de directe koppeling tussen bovenlokaal/topdown en visie en tussen lokaal/bottom-up en ad hoc niet evident vinden. Soms kunnen bovenlokale initiatieven immers ook ad hoc zijn. Een voorbeeld vanuit het traject Kanaalpark Bossuit-Kortrijk is het regionaal overslagcentrum dat bovenlokaal is van schaal en top-down is uitgevoerd door W&Z, maar wel een ad hoc ingreep is. Daarom wordt voorgesteld om niet met één aslijn maar met onderstaand assenkruis te werken, waarbinnen de verschillende initiatieven worden geplaatst (wit, Kanaalpark BossuitKortrijk – grijs, De Cirkel):

L ecologische visie

VISIE

NI bijen

PRUP

gebundeld sportaanbod 3bekenplan

samenwerking gaverboeren

genetisch materiaal boomgaard

beheer wachtbekken

kanaaldorp Bossuit

sociale economie hoogstam boomgaard

jaagpad energie stroopfabriek uit snoeisel houtkanten

schaapskudde

begraafplaats Zwevegem

BOVENLOKAAL

LOKAAL

TOP - DOWN

BOTTOM - UP ontmoetings boomgaard

regionaal overslag centrum (W&Z)

bijenhallen avontuurlijk kamperen

publieksevent 150 jaar kanaal

AD HOC

205

omgevingsaanleg transfo

exotische dierentuin Hemelpark

pop-up café transfo


Intervisie 1

De trekkers van de innovatieve trajecten zetten elk met gemak een 10-tal lokale initiatieven op papier. Er is duidelijk veel lokale dynamiek aanwezig in het werkingsgebied van de innovatieve trajecten.

L ecologische visie

VISIE

NI bijen

2

gebundeld sportaanbod 3bekenplan

PRUP

BOVENLOKAAL

kanaaldorp Bossuit

sociale economie hoogstam boomgaard

jaagpad energie stroopfabriek uit snoeisel houtkanten

samenwerking gaverboeren

genetisch materiaal boomgaard

beheer wachtbekken

schaapskudde

1

3

omgevingsaanleg transfo

begraafplaats Zwevegem

LOKAAL

TOP - DOWN

BOTTOM - UP ontmoetings boomgaard

regionaal overslag centrum (W&Z)

bijenhallen avontuurlijk kamperen

publieksevent 150 jaar kanaal

exotische dierentuin Hemelpark

pop-up café transfo

AD HOC

Detectie van lokale initiatieven en creativiteit Wellicht zijn de opgesomde initiatieven nog maar een fractie van wat er allemaal leeft en beweegt in het gebied. Veel lokale initiatieven blijven immers voor overheden onbekend. Dat overheden niet altijd weet hebben van alle lokale dynamiek, is op zich ook geen probleem. Het is perfect mogelijk dat in een gebied beleid en lokale initiatieven los van elkaar bestaan en vanuit hun eigen invalshoek en aanpak werken. De lokale initiatieven kunnen perfect op zichzelf bestaan. Belangrijk is dat overheden vertrouwen hebben in deze lokale dynamiek. Het is aan overheden om door veldwerk kiemen voor lokale initiatieven of voor samenwerking tussen lokale initiatieven op te sporen. Voor dit veldwerk kan inspiratie worden gevonden bij de bescheiden manier van werken van het opbouwwerk. Het draait vooral om luisteren, aanwezig zijn en dingen oppikken. Als opbouwwerker heb je wel een visie op het gebied of streef je naar de realisatie van bepaalde doelstellingen, maar je brengt dit niet per se ter sprake. Opbouwwerken is aanwezig zijn in een gebied. Het is heel goed weten wat er waar speelt en hierdoor in staat zijn om verschillende puzzelstukken samen te leggen die tot de realisatie van je eigen visie/doelstelling kunnen leiden. Een opbouwwerker voert geen rechtstreeks beleid, maar werkt in de eerste plaats aan het uitbouwen van een netwerk. De basis van opbouwwerk is vertrouwen: vertrouwen hebben in initiatieven die lokaal worden ondernomen, maar ook vertrouwen krijgen van mensen om een samenwerking te kunnen opzetten. Het mogelijk maken van synergieën tussen actoren kan zo leiden tot het realiseren van een gebiedsvisie. De overheden realiseren hiermee niet rechtstreeks hun eigen visie, maar nemen een rol op als facilitator van mogelijke samenwerkingen. Ze zetten verschillende partijen samen en gaan zo op zoek naar samenwerkingen die een gebiedsvisie kunnen realiseren. Festiviteiten (zoals 150 jaar Kanaal Bossuit-Kortrijk, maar ook buurtfeesten) kunnen een belangrijke rol spelen in het uitbouwen van een netwerk en opsporen van synergieën. Samen feesten zorgt er voor dat mensen elkaar leren kennen en het brengt mensen ook dichter bij elkaar. 206


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Naast facilitator van samenwerkingen, kunnen overheden ook een rol hebben als conflictoplosser. Bij conflicten tussen private initiatieven worden overheden vaak als derde partij ingeroepen. Overheden spelen ook een rol als bewaker van het publiek belang en/of ondersteuner van ‘zwakkere’ partijen, actoren of ruimtegebruikers (zoals bv. natuur of erfgoed) binnen het conflict.

Houding van overheden t.o.v. lokale initiatieven en creativiteit Algemeen kan de houding van overheden t.o.v. lokale initiatieven door drie pijlen op het assenkruis worden weergegeven: 1. Detectie van opportuniteiten en synergieën tussen lokale ad hoc-initiatieven die kunnen worden ingezet binnen (de realisatie van) een gebiedsgerichte visie; 2. Een lokale, gebiedsgerichte visie wordt bovenlokaal opgepikt, opgeschaald en meegenomen in een bovenlokale visie; 3. Een bovenlokale visie wordt mee gerealiseerd door lokale initiatieven met een noodzakelijke tussenschakel van een gebiedsgerichte visie. Het inzetten van lokale ad hoc-initiatieven binnen een bovenlokale visie lukt alleen door de tussenschakel van een regionale gebiedsgerichte visie. Via een gebiedsvisie kan er een eerste ‘integratie’ of samenwerking tussen lokale initiatieven ontstaan, waardoor het duidelijk wordt hoe een samenspel van lokale initiatieven ook bovenlokale doelen kan realiseren. De gebiedsvisie is nodig als eerste meer lokaal kader, voordat de stap naar een bovenlokale visie kan worden gezet. Om dit te kunnen doen, moet een context worden gecreëerd waarbinnen deze lokale initiatieven elkaar kunnen ontmoeten en tot samenwerking kunnen komen. Het creëren van deze context binnen een gebiedsgerichte werking om zo de lokale initiatieven op te schalen, is één van de taken van overheden. Binnen de innovatieve trajecten van de Cirkel en het Kanaalpark nemen overheden een andere houding aan t.o.v. de lokale initiatieven. - De Cirkel legt vooral de nadruk op het detecteren van opportuniteiten en synergieën tussen lokale actoren. De Cirkel organiseert in de eerste plaats een forum waar actoren en overheden elkaar kunnen ontmoeten en bepaalde zaken bespreken. Vanuit de overheid wordt geen visie vooropgesteld, maar worden er vragen of problemen voorgelegd aan de lokale actoren. Vanuit dit forum en vanuit het opbouwwerk en de lokale dynamiek ontstaan er oplossingen voor deze vragen. De taak van de trekkers van het innovatieve traject is vooral om een context te creëren waarbinnen de vragen aan bod kunnen komen en kunnen worden besproken. - Het Kanaalpark Bossuit-Kortrijk heeft in eerste instantie een visie ontwikkeld die als kader wordt ingezet om lokale initiatieven te faciliteren, te financieren, ... Vanuit het Kanaalpark Bossuit-Kortrijk wordt getracht om deze visie ook door de lokale actoren te laten oppikken. Zo kunnen ook zij bijdragen aan de realisatie. In beide innovatieve processen is het als overheid aanwezig zijn op het terrein/in het gebied belangrijk. Beide trajecten geven aan dat speelruimte en tijd nodig zijn om op maat van een gebied te kunnen werken. Er moet gewerkt kunnen worden buiten de vaststaande, regulerende kaders. Het moet mogelijk zijn om even buiten de lijntjes te kleuren, zonder dat je op de vingers wordt gekeken. En er moet ook tijd zijn om een netwerk uit te bouwen en vertrouwen te winnen. Een duidelijke sterkte van de overheden die vandaag aan tafel zitten - VLM en provincie West-Vlaanderen - is dat zij werken vanuit een integrerende agenda. Zij hebben geen specifieke sectorale doelstellingen (zoals bv. ANB, W&Z, Agentschap Onroerend erfgoed, … ) en staan hierdoor meer open in het proces. Zij pikken meer op in een proces, hebben meer oog voor opportuniteiten, synergieën, … omdat zij niet zo toegespitst zijn op eigen ‘sectorale’ doelstellingen. Zij hebben geen eigen ‘sectorale’ agenda en kunnen hierdoor een intermediaire positie innemen tussen de diverse partijen in een proces. (idem voor TOP–projecten, regionale landschappen, … ).

207


208


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Intervisie 2 donderdag 19 november 2015 VLM Guldenvlieslaan 72, 1060 Brussel

Aanwezig Liesbeth Gellinck Dieter Hoet (voormiddag) Lambert Schoenmaekers (voormiddag) Steven Clays (voormiddag) Anna Verhoeven Hans Van der Meeren Elke Vanempten Sylvie Van Damme Sylvie Fosselle Griet Celen Rik Samyn Tine Segers Hans Leinfelder (verslag) Marjolijn Claeys (verslag)

VLM (innovatief traject ‘Veldgebied Brugge’) Westhoekoverleg (innovatief traject ‘Landelijke Mobiliteit Westhoek’) Regionaal Landschap Kempen en Maasland (innovatief traject ‘Rivierpark Maasvallei’) Trage Wegen (nieuwe actor) Vrienden Zwalmse Dorpen/ILVO (nieuwe actor) Vrienden Zwalmse Dorpen (nieuwe actor) ILVO/Team Vlaams Bouwmeester (expert) School of Arts, HoGent (expert) VLM (werkgroep Open Ruimte Platform) VLM (werkgroep Open Ruimte Platform) VVP (werkgroep Open Ruimte Platform) AWB KU Leuven-PLEN KU Leuven-PLEN

Verontschuldigd Geert De Blust (INBO), Liesbet Belmans (VVSG), Christophe Vandevoort (Ruimte Vlaanderen), Joachim Declerck (AWB)

Agenda 9u30 - 10u00 10u00 - 11u15

11u15 - 12u30 13u15 - 13u45 13u45 - 15u00 15u15 - 16u30

209

Inleiding – Hans Leinfelder, KULeuven-PLEN Voorstelling innovatieve trajecten en nieuwe actor: 1. Veldgebied Brugge – Liesbeth Gellinck 2. Landelijke Mobiliteit Westhoek – Dieter Hoet 3. Rivierpark Maasvallei – Lambert Schoenmaekers 4. Trage Wegen – Steven Clays Tafelgesprek 1 – omgaan met grondeigenaars Voorstelling nieuwe actor: Vrienden Zwalmse Dorpen – Anna Verhoeven Tafelgesprek 2 - stimuleren lokale creativiteit Testcase Pajottenland – voorstelling & leerpunten – Sylvie Fosselle, VLM


Intervisie 2

Verslag Vandaag vindt een tweede intervisie in een reeks van vijf plaats. Er worden vier intervisies georganiseerd rond een bepaald thema en een vijfde synthese intervisie. Het thema van deze tweede intervisiedag is de taak van overheden. Samen met de innovatieve trajecten willen wij dieper ingaan op de taak van overheden binnen hun traject. We doen dit aan de hand van twee tafelgesprekken, die elk focussen op een inhoudelijke doorbraak: - Tafelgesprek 1 – omgaan met grondeigenaars - Tafelgesprek 2 – stimuleren lokale creativiteit Om deze gesprekken tussen de innovatieve trajecten vlot te laten verlopen, stellen zij zichzelf en het tot nu doorlopen traject eerst voor.

Tafelgesprek 1 – Omgaan met grondeigenaars Om het gesprek te starten, vragen we aan de innovatieve trajecten en nieuwe actoren om een aantal voorbeelden te geven hoe in hun innovatief traject of organisatie wordt omgegaan met grondeigenaars. Deze voorbeelden worden op een aslijn geplaatst met mogelijke houdingen van overheden. In het gesprek dat hierop volgt, worden de voorbeelden vooral gebruikt als

ONTEIGENEN

OVERTUIGEN

BEVRAGEN

VRIJWILLIGE VERKOOP REALISATIE DOOR EIGENAAR

SAMENWERKEN SAMENWERKINGSOVEREENKOMST CONTRACT

FACILITEREN BEHEERSOVEREENKOMST

AMBITIE

Overheid voert zelf uit, wordt gemonitord door private actoren

Overheid neemt eigendom over

Overheid subsidieert aankoop door ‘juiste’ partner

Grondeigenaar blijft

Private actor voert uit, overheid handhaaft

UIT COMFORTZONE STURENDE OVERHEID

OPENBAAR GOED ALGEMEEN BELANG

nood aan durf, creativiteit investeren in netwerken, faciliteren en inspireren

COLLECTIEF GOED ‘COMMONS’ individuen in samenwerkingsverband verantwoordelijk maken voor beheer/onderhoud ZELFORGANISATIE

TERUGTREKKENDE OVERHEID

PRIVAAT GOED INDIVIDUEEL BELANG

illustraties. Het gesprek zelf focust op de houding van overheden ten opzichte van grondeigenaars en private actoren.

Terugtrekkende overheden De nieuwe actoren merken op dat de houding van overheden vooral ‘positief’ is, maar dat ook een ‘negatieve’ houding mogelijk is. Deze is niet vermeld op de uitgezette as. Overheden kunnen ook private actoren tegenwerken of ze kunnen zich bewust terugtrekken uit een proces of werking. Overheden schermen vaak ook met het begrip ‘rechtszekerheid’, waarmee onrechtstreeks wordt bedoeld dat ze van mening zijn dat private actoren op hun eigendom mogen doen wat ze zelf willen als dit past binnen de heersende regelgeving. Wanneer het gaat over ingrepen op private eigendom, schieten overheden m.a.w. vaak in een kramp en plooien ze zich terug op het wetgevend kader. 210


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

De rol van overheden zou in dit geval kunnen omschreven worden als controlerend. Daarbij laten overheden het initiatief aan private actoren, maar voeren zij zelf controle uit op de naleving van het wetgevend kader door die private actoren. Faciliterende overheden spelen vooral een rol in samenwerkingsverbanden met private actoren. Samenwerken lukt namelijk vooral als beide partijen er belang bij hebben. Het faciliteren (subsidies, betoelaging in het kader van beheersovereenkomsten, …) maakt in die zin samenwerking mogelijk. Private actoren willen zeker meewerken, maar vragen daar wel een return voor: voor wat, hoort wat. Om tot samenwerking te komen, moet daarom vaak naar een concrete win-win worden gezocht (vb. oude douanepost die wordt herbestemd tot infopunt voor het regionaal landschap en horecazaak). Een generiek (subsidie)beleid kan vaak niet genoeg inspelen op deze individuele win-win’s.

Sturende overheden Aan het ander uiterste van de as staan overheden die alles zoveel mogelijk zelf in handen houden en sterk sturen. Dit is zeker het geval bij onteigening, waar overheden het privaat eigendom overnemen en het goed tot een openbaar goed maken waarin ze zelf hun doelstellingen realiseren. In bepaalde gevallen wordt nadien het beheer wel in handen gegeven van een private actor. Overheden doen dan niet meer alles zelf, maar blijven wel sterk sturen door zelf de ‘juiste’ partner te kiezen. Daarbij lijken ze ook een onderscheid te maken tussen private actoren. Overheden lijken gemakkelijker vertrouwen te hebben in terreinbeherende verenigingen (vb. natuurverenigingen) dan in andere (nieuwe) actoren. De keuze voor samenwerking met geïnstitutionaliseerde organisaties, zoals Natuurpunt of regionale landschappen, is evidenter omdat de overheden er meer vertrouwd mee zijn of er meer controle over hebben (bv. overheid zetelt in de raad van bestuur, vereniging wordt gesubsidieerd, …). De deelnemers opperen dat geïnstitutionaliseerde organisaties in bepaalde gevallen misschien ook als een soort buffer of tussenpersoon werken tussen overheden en nieuwe actoren. Wanneer de overheden zelf sturen/uitvoeren, moeten ook zij worden gemonitord. Dit is een rol die ze zelf kunnen opnemen, maar die ook vaak door nieuwe actoren wordt opgenomen. De controle op het overheidsfunctioneren rond een bepaald thema is vaak zelfs de ontstaansreden voor deze nieuwe actoren.

Inspirerende overheden Op de aslijn van mogelijke houdingen van overheden is er tussen de uitersten van de sturende en de faciliterende/controlerende overheid een gamma aan mogelijke houdingen, waarbij overheden buiten hun comfortzone treden. Vanuit de samenleving is er een grote vraag naar een ‘middenweg’ in het omgaan met grondeigendom. Het idee van de ‘commons’, van formules waarbij eigendom op een andere manier wordt gecollectiviseerd (bv. boerse poort, eco2, …) kent steeds meer maatschappelijke aanhang. De samenleving is vaak ook bereid om verantwoordelijkheid op te nemen en mee te stappen in een verhaal van collectief beheer van natuur of landschap. En ook grondeigenaars (zeker grotere grondeigenaars) zijn bereid om hun eigendom te collectiviseren in die zin dat niet de eigendom zelf, maar wel het beheer van deze eigendom wordt afgestaan aan een collectief. Er is bij de private actoren een grote wil om natuur en landschap te realiseren en er zijn vaak ook meer investeringsmogelijkheden dan bij overheden. Overheden zouden hier meer moeten op inspelen. Het inspireren en begeleiden van dergelijke particulieren wordt nu nog te weinig gedaan. Overheden beschikken vaak niet over voldoende capaciteit of over de juiste competenties om deze taak op te nemen. Dit vraagt immers om mensen die aanwezig zijn op het terrein, in het veld. Mensen die dicht staan bij de private actoren en hun vertrouwen hebben. En om veel ‘masseerwerk’ om een draagvlak op te bouwen door te informeren, te inspireren en te begeleiden. Dit vraagt ook van overheden de nodige durf en creativiteit om buiten hun vertrouwde rollen

211


Intervisie 2

te stappen. Dit hoeft niet per se een opdracht voor de Vlaamse overheid te zijn. Het zou ook een taak kunnen zijn waarvoor bv. aan de regionale landschappen of provinciale diensten gebiedsgerichte werking worden gefinancierd.

Ambitieniveau (duurzaamheid in tijd, collectief belang, inhoud) De houding die overheden innemen in bepaalde trajecten, hangt af van de ambities die ze zelf hebben. Wanneer de ambities groot zijn en/of wanneer dit gepaard gaat met complexe processen (vb. inrichten van heidegebieden), zullen overheden eerder opteren om zelf zoveel mogelijk in handen te houden (vb. opkopen van de gronden om zelf heide in te richten). Overheden stellen vaak terecht hoge ambities, maar in bepaalde gevallen moet zij deze ook durven loslaten. Immers, door de lat te hoog te leggen, riskeren zij geen resultaten te boeken. In die gevallen is een suboptimaal resultaat vaak beter dan geen resultaat. Een voorbeeld van een dergelijke aanpak is ‘nieuw groen – vrij groen’. Door landbouwers vrij te laten om de nieuwe kleine landschapselementen die zij aanplanten op termijn terug te verwijderen, worden meer boeren bereikt die willen meestappen in het project. Een ander aspect dat de houding van overheden zal bepalen, is de afweging naar duurzaamheid van het proces. Wanneer processen een grote continuïteit moeten hebben, zal eerder geopteerd worden om als overheid zelf de touwtjes in handen te houden. Ook hier moet een kanttekening worden gemaakt. In tijden van besparing is het immers niet evident om als overheden zelf, voor een lange termijn, te investeren in een project. Een echt duurzame manier van werken vraagt in dit opzicht veeleer om een andere manier van werken. Het vraagt om de uitbouw van netwerken, waarbij lokale trekkers van een traject tijd en ruimte krijgen om duurzame relaties met lokale, private actoren uit te bouwen. Deze manier van werken zorgt voor een draagvlak voor de beleidsbeslissing en doet duurzame samenwerkingen ontstaan, die in veel gevallen een grotere continuïteit van het project kunnen garanderen. In bepaalde gevallen moeten overheden soms ook durven erkennen dat ze niet alles zelf kunnen opnemen, maar moeten zij ook durven een netwerk uitbouwen van partners aan wie zij de uitvoering van deeltaken toevertrouwen, ook als dit gaat om private actoren als partners.

Tafelgesprek 2 – Stimuleren lokale creativiteit Als voorbereiding op het gesprek zijn een aantal mogelijke houdingen van overheden t.o.v. lokale initiatieven op papier gezet. Aan de innovatieve trajecten en nieuwe actoren wordt gevraagd hoe zij de houding van overheden in hun werking ervaren en of zij hiervan voorbeelden kunnen geven.

REGISSEREN – RECUPEREREN – FACILITEREN – NEGEREN Overheden negeren De houding van overheden t.o.v. lokale initiatieven is vaak een van negatie. Overheden negeren de lokale initiatieven om verschillende redenen, omdat: - overheden een andere mening hebben dan de nieuwe actor en dus niet akkoord zijn met de standpunten die de nieuwe actor inneemt of met de acties die deze voert; - overheden de lokale initiatieven niet kennen of er te weinig voeling of contact mee hebben (onbekend is onbemind); - de lokale initiatieven vaak vragen stellen bij het heersende primaat van het politieke dienstbetoon en de macht van het heersende netwerk; - overheden de eigen expertise hoog inschatten en meer vertrouwen hebben in de eigen kennis dan in die van de lokale creativiteit;

212


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

- overheden rekening moeten/willen houden met alle burgermeningen en niet alleen die van de vaak hoger opgeleide leden van het lokale initiatief, die maar een beperkt deel van de samenleving vertegenwoordigen; - overheden onvoldoende vertrouwd zijn met het omgaan met lokale creativiteit en zich machteloos voelen t.o.v. deze lokale initiatieven; Overheden kunnen nieuwe actoren/actiegroepen negeren wanneer ze vermoeden dat deze niet representatief zijn voor de bevolking. Wanneer overheden vrezen dat het lokaal initiatief enkel gedragen is door een kleine groep (vaak hoger opgeleiden) van de bevolking, kunnen zij dit gemakkelijk negeren. De politici zijn immers democratisch verkozen en wel representatief. Overheden redeneren vanuit het algemeen belang en kunnen daardoor ook lokale initiatieven die enkel ageren vanuit een eigen belang (NIMBY) gemakkelijk negeren. Moeilijker is het wanneer beide pretenderen te ageren vanuit het algemeen belang. ‘NIMBY’ is immers niet altijd negatief. Initiatief nemen vanuit de betrokkenheid met de directe omgeving hoeft niet negatief te zijn. Meer nog deze betrokkenheid is in bepaalde gevallen zelf vereist om te mogen reageren (vb. bezwaar indienen bij een openbaar onderzoek). Het negeren van de lokale initiatieven ontstaat soms ook uit een schrik om fouten te maken of om te falen. De kans op mislukking is echter een onoverkomelijk deel van een experiment. Alleen als falen mag, kan er ruimte zijn voor creativiteit en vernieuwing. Overheden moeten daarom soms ook leren dat fouten maken niet zo erg is , maar dat dit een noodzakelijk deel is van het leerproces. Het toelaten van vernieuwing houdt ook steeds een mogelijkheid tot falen in. De kans op mislukking is een onoverkomelijk deel van het experiment. Fouten maken is deel van het leerproces.

Overheden faciliteren of stimuleren (‘Freinet’- overheden) De nieuwe actor ‘Vrienden van de Zwalmse Dorpen’ ziet een evolutie in de houding van overheden: van negeren, over faciliteren naar recupereren. Als we spreken over overheden moeten we ook een onderscheid maken tussen de administratie en het beleid. Vaak faciliteert de ambtenaar eerder dan de politicus, tenminste wanneer er bij de administratie voldoende capaciteit en competentie is. Het omgaan met lokale initiatieven vergt een zeker kwaliteit van de administratie, maar maakt wel heel veel mogelijk. Er zijn in het verleden reeds vele positieve voorbeelden van samenwerking, van vb. dorpsontwikkeling via samenlevingsopbouw, netwerkcafés bij de A11, … De rol van faciliterende overheden begint in deze gevallen bij de opmaak van een visie die de marges bepaalt waarbinnen overheden de lokale initiatieven zullen faciliteren. Overheden kunnen echter alleen maar faciliteren, als er ook een lokale dynamiek is. Daarom introduceert de groep een nieuw begrip: de overheid stimuleert. Deze rol van stimulerende overheden werd bijvoorbeeld opgenomen door het innovatief traject Veldgebied Brugge met de lancering van de oproep naar projecten. Overheden roepen initiatieven op en gaan op zoek naar quick wins. Hierdoor kan er in een gebied een heel grote dynamiek ontstaan die overheden zelf niet op gang zouden kunnen brengen. Het blijft uiteraard wel belangrijk om deze dynamiek ook op lange termijn vol te houden en niet te blijven steken in de quick wins. Om dit te kunnen doen moet er ook worden geïnvesteerd in een structurele instandhouding van de lokale initiatieven. Naast stimuleren, moet de overheid dus ook blijven faciliteren.

Overheden recupereren Recupereren kan op een negatieve manier worden geïnterpreteerd: nieuwe actoren kunnen lokaal gemakkelijk worden gerecupereerd als deel van de oppositievoering. Dit komt vaak niet overeen met wat de nieuwe actoren zelf willen. Recupereren kan ook positief worden beschouwd: veel burgerinitiatieven hebben er geen probleem mee dat ze zichzelf op termijn overbodig zouden maken. De rol van

213


Intervisie 2

de recupererende overheid is in deze betekenis positief. Overheden werken op een constructieve manier samen met de lokale initiatieven, ondersteunen ze en nemen geleidelijk aan de standpunten/acties/taken over. Samenwerking tussen lokale initiatieven en overheden is mogelijk, maar vraagt wel om kennis van de lokale initiatieven door overheden. Elkaar kennen is een eerste voorwaarde voor samenwerking. Overheden moeten de ruimte nemen om veldwerk te doen en om de nodige tijd te investeren in het uitbouwen van een netwerk. Deze ruimte en tijd ontbreken dikwijls. Hierdoor is de kennis over de lokale initiatieven vaak beperkt, wat samenwerking bemoeilijkt. Nochtans kunnen lokale actoren ook een belangrijke bron van kennis zijn voor overheden. Uit gesprekken met â&#x20AC;&#x2DC;localsâ&#x20AC;&#x2122; kan vaak veel meer en veel vlugger de nodige informatie bekomen worden, dan door de klassieke deskresearch. Bovendien zorgt deze bevraging en waardering van de lokale kennis ook voor een draagvlak voor het project. (vb. project VLM in Averbode) Bovendien is er ook een grote bereidheid vanuit de lokale initiatieven om met overheden mee te denken. Lokale initiatieven zijn vaak een waakhond voor overheden en pleiten voor de realisatie van het algemeen belang, maar dit wil niet zeggen dat zij tegen ontwikkeling zijn. Vaak is het ook vanuit de lokale initiatieven echter niet evident om toegang te krijgen tot overheden. Het is niet alleen niet evident om gekend te zijn, maar ook niet om erkend te worden. Het lijkt er op dat lokale initiatieven eerst een zekere bekendheid en identiteit moeten hebben, vooraleer ze door overheden als geloofwaardig worden beschouwd. Lokale initiatieven moeten vaak ook eerst kunnen aantonen dat ze in staat zijn om het beleid mee te realiseren, vooraleer ze erkenning krijgen en zeker vooraleer ze inhoudelijk geĂŻntegreerd worden in het beleid. Het gebrek aan kennis lijkt dus een wederzijds probleem. Overheden hebben het moeilijk om voldoende op de hoogte te zijn van de lokale initiatieven, maar ook de lokale actoren slagen er moeilijk in zich bekend te maken bij overheden.

Overheden regisseren De houding van overheden als regisseur, veronderstelt dat overheden een visie hebben en dat zij de regie in handen nemen om deze visie te realiseren. Overheden kunnen zelf realiseren. De visie is dan een kader voor de eigen overheidsinvesteringen. Maar er kan ook een visie worden opgemaakt die de marges bepaalt waarbinnen overheden lokale initiatieven toelaten, faciliteren en stimuleren. Bij het vastleggen van deze marges of doelstellingen speelt vaak de vraag naar de mate van detail waarmee dit moet gebeuren. Hoeveel moet er worden vastgelegd in het programma of de visie? Wat is echt van (algemeen) belang? En wat kan losgelaten

214


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

215


216


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Intervisie 3 dinsdag 15 december 2015 VLM Guldenvlieslaan 72, 1060 Brussel

Aanwezig Koenraad Marchand Lien De Vos Piet Struyf Xavier Vlaemynck Henk Schaut Geert De Blust Elke Vanempten Sylvie Van Damme Sylvie Fosselle Griet Celen Rik Samyn Liesbet Belmans Tine Segers Hans Leinfelder (verslag) Marjolijn Claeys (verslag)

Provincie West-Vlaanderen (innovatief traject ‘Kanaalpark Bossuit-Kortrijk’) Westhoekoverleg (innovatief traject ‘Landelijke mobiliteit Westhoek’) VLM (innovatief traject ‘Liereman’) Loket Onderhoud Buitengebied (nieuwe actor) Loket Onderhoud Buitengebied (nieuwe actor) INBO (expert) ILVO/Team Vlaams Bouwmeester (expert) School of Arts, HoGent (expert) VLM (werkgroep Open Ruimte Platform) VLM (werkgroep Open Ruimte Platform) VVP (werkgroep Open Ruimte Platform) VVSG (werkgroep Open Ruimte Platform) AWB KULeuven-PLEN KULeuven-PLEN

Verontschuldigd Christophe Vandevoort (Ruimte Vlaanderen), Joachim Declerck (AWB), Tim Denutte (Provincie West-Vlaanderen), Wim Merckx (Voedselteams), Kate Vanderstraeten (Provincie Antwerpen)

Agenda 9u30 – 10u00 10u00 – 11u00

11u00 – 12u30 13u15 – 14u45 15u00 – 16u00 217

Inleiding/reflectie vorige intervisies – Hans Leinfelder, KULeuven-PLEN Voorstelling innovatieve trajecten en nieuwe actoren: 1. Kanaalpark Bossuit-Kortrijk – Koenraad Marchand, Provincie West-Vl 2. Landelijke Mobiliteit Westhoek – Lien Devos, Westhoekoverleg 3. Liereman – Piet Struyf, VLM 4. Loket Onderhoud Buitengebied – Xavier Vlaemynck Tafelgesprek 1 – afstemmen van functionele logica’s door ontwerp/visie Tafelgesprek 2 – wat is (de meerwaarde van) een ontwerp/ visie? Testcase Pajottenland – voorstelling & leerpunten – Sylvie Fosselle, VLM


Intervisie 3

Verslag Vandaag vindt een derde intervisie in een reeks van vijf plaats. Er worden vier intervisies georganiseerd rond een bepaald thema en een vijfde synthese intervisie. Het thema van deze derde intervisiedag is de rol van ontwerp/visievorming. Samen met de innovatieve trajecten en nieuwe actoren willen wij dieper ingaan op de rol van ontwerp/visievorming binnen hun traject. We doen dit aan de hand van twee tafelgesprekken: – Tafelgesprek 1 – afstemmen van functionele logica’s door ontwerp/visievorming – Tafelgesprek 2 – wat is (de meerwaarde van) een ontwerp/visie? Om deze gesprekken tussen de innovatieve trajecten en nieuwe actoren vlot te laten verlopen, stellen zij zichzelf en het tot nu doorlopen traject heel kort voor.

Tafelgesprek 1 – (Functionele) Logica’s In de eerste intervisie werd een tafelgesprek gevoerd over de verzoenbaarheid van bepaalde (functionele) logica’s binnen een gebiedsgericht proces. Tijdens dit gesprek werden ‘soms gemakkelijker, soms moeilijker verzoenbare’ logica’s en ‘onverzoenbare’ logica’s aangegeven en in het verslag grafisch weergegeven. Aan de innovatieve trajecten en nieuwe actoren die vandaag rond de tafel zitten, wordt gevraagd om aan te geven op welk paar van niet zo gemakkelijk te verzoenen logica’s zij willen ingaan om de rol van ontwerp en visievorming te bespreken. Er worden twee paren van logica’s naar voor geschoven: – Gebied t.o.v. beleid – Ruimtelijk-economische ontwikkeling (harde logica’s) t.o.v. natuur-ecologie, landbouw, water-hydrologie, landschap (zachte logica’s)

Gebied t.o.v. beleid Uit de presentaties van de innovatieve trajecten en het gesprek blijkt een duidelijke andere inzet van ontwerp en visievorming bij Landelijke Mobiliteit Westhoek dan bij Kanaalpark Bossuit-Kortrijk en de Liereman. Het innovatief traject Landelijke Mobiliteit Westhoek vertrekt vanuit een probleemstelling, vanuit behoeften van de bewoners/gebruikers in het gebied (nl. hoe kunnen mensen uit de Westhoek, ook zij die niet over een auto beschikken, zich verplaatsen binnen een aanvaardbare tijdspanne?). Vanuit deze probleemstelling wordt vanuit de methodiek van service design een participatief ontwerpproces opgestart waarbij, samen met diverse stakeholders (Westhoekoverleg, De Lijn, Fietsberaad, steekproef van bewoners, lokale politici), een visie en een oplossingsgerichte aanpak wordt ontwikkeld. Deze manier van werken zorgt voor een gedragenheid van de visie bij de gebruikers en bewoners van het gebied omdat hun ideeën de basis vormen voor de voorgestelde oplossingsaanpak. Ook de gedragenheid bij de lokale overheden is groter dan bij aanvang. Lokale politici worden mee betrokken in workshops en gingen mee op stap met de bus (wat zij anders zelden of nooit doen). Door het participatief traject van service design wordt de urgentie van het probleem meer erkend door de lokale politiek. Door de gebruikers en bewoners rechtstreeks te betrekken in het proces van visievorming is er niet alleen een gedeelde visie, maar ontstaat ook een gedeelde verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze visie. Er wordt niet alleen naar de overheid gekeken om het mobiliteitsaanbod te optimaliseren (vb. De Lijn), ook

218


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

particuliere initiatieven kunnen een uitweg bieden (vb. aanzet van dorpshub in Watou, Poperinge vanuit bestaande horeca en organisaties). Er wordt samengewerkt met, maar ook verantwoordelijkheid gelegd bij de gebruikers en bewoners. Door hen zelf te betrekken (en niet via belangenorganisaties of middenveld) wordt de stap naar uitvoering veel rechtstreekser gezet, zonder tussenpersonen. Bij de innovatieve trajecten Kanaalpark Bossuit-Kortrijk en Liereman wordt de visievorming geïnitieerd door overheden (Provincie West-Vlaanderen en VLM). De nood aan visievorming ontstaat hier meer vanuit een ambitie of belang van overheden dan vanuit een directe behoefte van de gebruikers van het gebied. De ambitie die door de overheden in deze gebieden wordt nagestreefd, wordt niet altijd gedeeld door de eigenaars, gebruikers en bewoners van het gebied. In deze innovatieve trajecten verbeeldt de visie veel meer een droom van overheden. Vanuit deze droom wordt dan de toets met de realiteit gemaakt en bekeken wat al of niet kan worden gerealiseerd. Deze trajecten vertrekken meer vanuit een technocratisch proces, waarin overheden in samenspraak met andere partners en op basis van bevragingen van stakeholders een visie ontwikkelen en daarna met deze visie ‘de boer opgaan’. De brug naar uitvoering door particulieren is bij deze trajecten groter omdat de partners in de visievorming eerder belangenorganisaties zijn en er pas bij de uitvoering naar eigenaars/gebruikers wordt gestapt. Anderzijds verdedigen overheden in deze processen ook een algemeen belang dat misschien (nog) niet (helemaal) door de eigenaars en gebruikers wordt gedeeld, maar wel noodzakelijk is. In het innovatief traject van Landelijke Mobiliteit Westhoek wordt de visievorming geïnitieerd vanuit de behoeften in het gebied, bij de twee andere trajecten wordt zij opgestart vanuit een ambitie of belang van overheden. In het eerste traject ligt er hierdoor nog een opgave in het afstemmen met de belangen van de lokale overheden. Bij een initiatief dat van onderuit ontstaat, bestaat steeds de mogelijkheid dat overheden

219


Intervisie 3

het overnemen of integreren in de eigen werking voor de realisatie van eigen belangen. Dit kan zowel een bedreiging als een kans zijn voor deze initiatieven. Het komt er in deze gevallen vooral op aan om de belangen van overheden zo in te zetten dat zij het oorspronkelijke initiatief vooruit helpen. In de twee andere trajecten ligt er een grotere opgave in het zoeken naar draagvlak bij de eigenaars en gebruikers in het gebied zelf. Soms is het vinden van draagvlak voor de doorvertaling van strategische doelstellingen vanuit de Vlaamse overheid naar een gebied niet eenvoudig. In die gevallen moet deze doorvertaling misschien niet per sé door de Vlaamse overheid zelf gebeuren. Op Vlaams niveau - meer nog dan provinciaal of lokaal niveau –kan de overheid sterk verkokerd zijn, waardoor werken vanuit een integrerende agenda niet evident is. Gebiedsgericht werken vraagt echter net om het opentrekken van de agenda’s. De andere inzet van visievorming vraagt bij deze trajecten ook om een andere rol van de ontwerper. In het traject van Landelijke Mobiliteit Westhoek heeft de ontwerper veel meer een neutrale rol. Hij verdedigt niet een bepaald belang of een bepaalde ambities, maar is eerder een ‘bemiddelaar’. De ontwerper zet zijn knowhow in om vanuit alles wat in het gebied leeft tot slimme koppelingen en zo oplossingen of optimalisaties te komen. In de andere twee trajecten is de ontwerper meer een ‘visionair’. Hij ontwikkelt vanuit bepaalde ambities of belangen een visie op het gebied.

Ruimtelijk-economische ontwikkeling (harde logica’s) t.o.v. natuur-ecologie, landbouw, water-hydrologie, landschap (zachte logica’s) Ook hier komt het er op aan om slim om te gaan met de belangen/behoeftes van de diverse logica’s in een gebiedsgericht proces en om te proberen deze in te zetten in functie van het proces. Of zoals iemand aan tafel het verwoordt: ‘de opportunistische vermenging van strategische subsystemen’. Het is anderzijds ook niet mogelijk om iedereen mee te trekken in het gebiedsgerichte, ruimtelijke proces. Daarom is het belangrijk om ook engagementen op te nemen in andere processen van visievorming (vanuit andere systeemlogica’s) op een gebied. Door ook in andere processen mee te stappen, kunnen de verschillende visies elkaar beïnvloeden en evolueert ook de visievorming binnen het eigen proces. Ontwerp en visievorming moeten dan ook als een continu proces worden gezien. De visie wordt steeds verder op punt gesteld en bijgesteld op basis van nieuwe inzichten in confrontatie met andere partners, visies, praktijken, … Bij deze manier van werken kan men zich de vraag stellen of het wel zo efficiënt is om vanuit diverse invalshoeken een visie te ontwikkelen om deze dan met elkaar te confronteren. Is het niet beter is om gewoon

220


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

onmiddellijk samen aan tafel te zitten en samen tot een gedragen visie te komen? Conclusie: Visievorming in een gebied is een integrerend en continu proces dat op verschillende schaalniveaus plaatsvindt. Visievorming kan een rol spelen bij de totstandkoming van strategische doelstellingen die opkomen voor bepaalde (zwakkere) logica’s of een algemeen maatschappelijk belang. Het opstellen van deze strategische doelstellingen is een taak van de hogere overheden. Zij moeten bepaalde maatschappelijke noden en belangen verdedigen en mogen daar streng in zijn. Maar bij de concrete doorvertaling van deze doelstellingen naar een specifiek gebied, moet er maatwerk mogelijk zijn. Het maken van een gebiedsgerichte visie kan beter opgenomen worden door een regionale speler of bovenlokale overheidsinstantie die werkt met een integrerende agenda (zoals VLM, provincie). Vandaag wordt ook het gebiedsgerichte nog te vaak door de sectorale Vlaamse overheidsinstanties opgenomen. Er wordt nog teveel vanuit de strategische

Bijschrift schema

doelstellingen en programma’s geredeneerd en ‘neergedaald’ in een gebied.

Tafelgesprek 2 – Wat is (de meerwaarde van) een visie? het tweede tafelgesprek gaat in op de betekenis die in de verschillende gebiedsgerichte processen aan visie(vorming) wordt gegeven. Ter voorbereiding van het gesprek zijn een aantal mogelijk invullingen van het begrip ‘visie’ of ‘ontwerp’ op papier gezet. Aan de innovatieve trajecten en nieuwe actoren wordt gevraagd om met post-its aan te duiden welke invullingen visievorming binnen hun traject krijgt. Op het schema valt een vijftal betekenisgroepen te onderscheiden.

Doelstellingen/principes Visievorming in de vorm van doelstellingen of principes kan aan het begin van een proces worden ingezet. Doelstellingen bepalen dan het kader waarbinnen wordt gewerkt. Aan de start van een proces samen met alle partners de principes bepalen, zorgt voor een gedeeld eigenaarschap. Het is belangrijk dat alle partners aan het begin van een proces helder formuleren waarvoor zij staan en dat er duidelijke gezamenlijke doelstellingen worden geformuleerd. Dit wordt vaak ook op dat moment al geconsolideerd in een charter of princiepsakkoord. Een dergelijk charter bevestigt de gezamenlijke doelstellingen van het komende proces en expliceert de ontstaansreden. Doelstellingen vormen de bouwstenen en de lijm van een proces. Ze bepalen wat iedereen verbindt en vormen zo de start van een proces, maar de doelstellingen of principes mogen geen dogma’s zijn. Het moet mogelijk zijn om ze in de loop van het proces te herdefiniëren. In een proces zijn verschillende fases van

221


Intervisie 3

visievorming te onderscheiden, waarbij in eerste instantie alles heel vrij en open wordt gehouden, maar er steeds concreter naar een resultaat wordt gewerkt (trechtering visievorming is een continu proces). Doelstellingen/principes kunnen ook het eindresultaat vormen van een proces. Zo vormt het wiel met de 4 doelstellingen in het traject van Landelijke Mobiliteit Westhoek het eindresultaat van het Service Design Traject.

Spelregels Ook deze kunnen aan het begin van een proces worden bepaald om de samenwerking te kaderen, te faciliteren. Aan tafel wordt een voorbeeld van een proces aangehaald waarbij werd afgesproken om geen uitspraken te doen als die niet kunnen worden gelegitimeerd. Ook spelregels worden best geëxpliciteerd aan het begin van een proces en kunnen voor een versnelling van de werking zorgen. Zij verschillen van doelstellingen in die zin dat het meer over praktische ‘werkafspraken’ gaat en minder om ‘inhoudelijke doelstellingen’. De Bijschrift schema spelregels gelden om het proces vlot te doen verlopen en kunnen losgelaten worden of veranderen wanneer zij deze taak niet meer vervullen. Spelregels verschillen op dit vlak van doelstellingen of principes die wel veel meer inhoudelijke voorwaarden bepalen en minder gemakkelijk worden losgelaten.

Narratief / Verhaal / Toekomstbeeld / Scenario’s In het gesprek wordt de inzet van visievorming in de vorm van een verhaal vanuit twee invalshoeken benaderd: – als een (communicatie)middel, een verhaal om het ontwerp beter te begrijpen; – als resultaat van een ontwerpproces, het ontwerpen van een verhaal. Het verhaal als (communicatie)middel legt het ontwerp uit, maakt het meer begrijpelijk en dus ook aannemelijk voor derden. Vaak is de inzet van een verhaal nodig om vertrouwen te creëren en draagvlak voor een project op te bouwen. Een verhaal kan de betekenis van maatregelen of ambities beter duiden. Het maakt het ontwerp meer begrijpelijk voor burgers en kan ook de meerwaarde aantonen. Hierdoor kan een verhaal ook wervend of mobiliserend werken (vb. wandelnetwerk Streuvels, instandhouding van het landschap koppelen aan historisch – toeristisch – recreatief verhaal en zo ook het financieel plaatje haalbaar maken). Het samen ontwerpen van een verhaal is vooral belangrijk in de fase van vertrouwensvorming en inleving. Een verhaal laat verweving toe van verschillende logica’s/verhaallijnen en laat zo ook toe aan verschillende partners om er hun ambities of ideeën in te vertalen. Met een verhaal kunnen gemakkelijker verbanden en linken worden gelegd en een verhaal laat ook gemakkelijker toe om er iets aan toe te voegen. Verhalen kunnen hierdoor groeien in de loop van een proces. Het is wel belangrijk dat een verhaal niet op zich staat, wil het zijn geloofwaardigheid niet verliezen. Een verhaal mag niet het idee geven maar een droom te zijn, maar wordt best gekoppeld aan goede referentievoorbeelden, 3D-beelden, een grafisch ontwerp, … die de haalbaarheid of realiteitszin van het verhaal duiden.

222


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Plankaart/beheerplan Deze vormen van ontwerp worden meer als een instrument in de operationalisering of uitvoering gezien, dan als vorm van strategische visievorming.

Grafisch beeld/3D-ontwerp Zowel deze betekenisgroep van visievorming als ‘beeld’, als de groep van visievorming als ‘verhaal’ krijgen door de gesprekspartners een zelfde rol toebedeeld. Het zijn ‘communicatiemiddelen’ om ideeën aan anderen duidelijk te maken, om de samenwerking tussen partners tot stand te laten komen, te ondersteunen om draagvlak te verkrijgen bij ‘burgers’, …

Ontwerpend onderzoek Het ontwerpend onderzoek speelt een belangrijke rol in het leerproces van een gebiedsgericht proces. Ontwerpend onderzoek heeft ook de verdienste dat het tot nieuwe inzichten kan leiden. Het kan verschillende logica’s integreren en is zo soms in staat om nieuwe oplossingen voor te stellen. Het stelt in staat om zonder schroom (‘alle remmen los’) verschillende scenario’s te onderzoeken, de impact van bepaalde maatregelen of acties te testen, het ontwerp te evalueren en bij te stellen. Ontwerpend onderzoek is een vorm van experimenteren, testen in een labo-omgeving, durven fouten maken, deze evalueren en vooral hieruit leren voor het verdere proces. Dit testen hoeft zich ook niet te beperken tot het maken van een ontwerp op papier. Een experiment door Oswald Devisch wordt aangehaald waarin bepaalde ruimtelijke ingrepen met bamboestokken in het dorp worden uitgezet om zo de ruimtelijke impact te testen en voor mensen te verduidelijken. Bij dergelijke experimenten is er niet zozeer sprake van ‘durven falen’, maar wordt in tegendeel geëxperimenteerd om ‘falen’ te voorkomen. Bij het ‘durven falen’ als kenmerk voor ontwerpend onderzoek moet de kanttekening worden gemaakt dat ook de klassieke planologische aanpak niet per sé bewezen heeft feilloos te zijn (vb. Uplace !?). Service Design lijkt zich te situeren tussen ontwerpend onderzoek en visievorming in de vorm van principes. Een service design traject houdt immers een iteratief proces in met een constante terugkoppeling tussen theorie en praktijk, tussen het exploreren van mogelijkheden (=dromen) en het uittesten van wat praktisch haalbaar is. Maar tegelijk wordt dit proces ingezet om tot de doelstellingen of principes voor het verdere proces te komen.

Conclusie Er zijn verschillende vormen en methodieken van visievorming. Alle hebben hun verdienste, maar het is vooral belangrijk om de juiste afweging te maken welke methodiek, wanneer en voor wie wordt ingezet. Een voorbeeld van een methodiek kan bv. zijn om een andere, voor iedereen ‘nieuwe’ taal te introduceren in het project. Dit zorgt er voor dat iedereen uit zijn vertrouwde jargon en context moet treden. Dit verplicht als het ware om ‘out of the box’ te denken en de vertrouwde disciplinering achterwege te laten. Dit kan een methodiek zijn in een proces waarbij verschillende specialisten samen tot een visie/oplossing moeten komen. Voor het ontwerpen met burgers lijkt dit een veel minder geschikte methodiek omdat dit voor nog meer vervreemding zorgt. Voor een breed participatief proces kan het inzetten van ‘spelen’ (gaming) dan wel weer een goede methodiek zijn.

223


224


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Intervisie 4 dinsdag 19 januari 2016 VLM Guldenvlieslaan 72, 1060 Brussel

Aanwezig Liesbeth Gellinck Wim Vandenrijt Lambert Schoenmakers Tom Kockx Bruno Tricot Geert De Blust Elke Vanempten Sylvie Van Damme Sylvie Fosselle Griet Celen Rik Samyn Tine Segers Hans Leinfelder (verslag) Marjolijn Claeys (verslag)

VLM (innovatief traject ‘Veldgebied Brugge’) VLM (innovatief traject ‘De Cirkel’) Regionaal Landschap Kempen Maasvallei (innovatief traject ‘Rivierpark Maasvallei’) De Landgenoten (nieuwe actor) Provincie West-Vlaanderen (testcase Midden WestVlaanderen) INBO (expert) ILVO/Team Vlaams Bouwmeester (expert) School of Arts, HoGent (expert) VLM (werkgroep Open Ruimte Platform) VLM (werkgroep Open Ruimte Platform) VVP (werkgroep Open Ruimte Platform) AWB KULeuven-PLEN KULeuven-PLEN

Verontschuldigd Christophe Vandevoort (Ruimte Vlaanderen), Joachim Declerck (AWB), Guido Vandenbroucke (Buitengoed Oostende), Kate Vanderstraeten (Provincie Antwerpen), Liesbet Belmans (VVSG)

Agenda 9u30 - 10u00 10u00 - 11u00

11u00 - 12u15 13u15- 15u00 15u15 - 16u00

225

Inleiding/reflectie vorige intervisies – Hans Leinfelder, KU Leuven-PLEN Voorstelling innovatieve trajecten en nieuwe actoren: 1. Veldgebied Brugge – Liesbeth Gellinck 2. De Cirkel – Wim Vandenrijt 3. Rivierpark Maasvallei – Lambert Schoenmakers 4. De Landgenoten – Tom Kockx Tafelgesprek 1 – van visie naar realisatie Tafelgesprek 2 – omgaan met grondeigenaars en herbestemming Testcase Midden West-Vlaanderen – Bruno Tricot


Intervisie 4

Verslag Vandaag vindt een vierde intervisie in een reeks van vijf plaats. Er worden vier intervisies georganiseerd rond een bepaald thema en een vijfde synthese intervisie. Het thema van deze vierde intervisiedag is de koppeling van visie en instrumenten. Samen met de innovatieve trajecten en nieuwe actoren willen wij dieper ingaan op het proces van visievorming naar realisatie. Wij willen met deze intervisie op zoek gaan naar de ‘instrumenten’ die worden ingezet om tot de realisatie van een visie te komen. Met de term ‘instrumenten’ bedoelen we alle mogelijke middelen. Dit kan gaan om klassieke instrumenten zoals RUP, ruilverkaveling, inrichtingsplan, maar ook om methodieken, projecten, processen, inzet van actoren, debatavonden, politieke acties, … Om de gesprekken tussen de innovatieve trajecten en nieuwe actoren vlot te laten verlopen, stellen zij zichzelf en het tot nu doorlopen traject heel kort voor. Daarna bevragen we de innovatieve trajecten en nieuwe actoren naar hun ‘instrumenten’ aan de hand van twee tafelgesprekken: - Tafelgesprek 1 – van visie naar realisatie - Tafelgesprek 2 – omgaan met grondeigenaars en herbestemming

Tafelgesprek 1 – Van visie naar realisatie We starten het tafelgesprek met de vraag aan de innovatieve trajecten en nieuwe actoren naar succesvolle voorbeelden van ‘instrumenten’ die leiden tot realisatie van een visie.

Financiering Financiering komt in het gesprek naar voor als een noodzakelijk instrument in de realisatie van een visie. Overheidsmiddelen zijn vaak ook een hefboom om andere middelen binnen te halen. Er worden twee vormen van financiering aangehaald. 1. Bij ‘bladerdeegfinanciering’ wordt via verschillende kanalen van Europese en Vlaamse subsidies, project- en werkingsmiddelen, samenwerkingen, sponsoring, … naar de nodige middelen gezocht om het project te financieren. Deze vorm van financiering is een overlevingsstrategie. Er wordt niet bewust gekozen om op deze manier naar middelen te zoeken; het is eerder de enige manier om aan de nodige middelen te geraken. Wanneer het volledige budget in één keer bij één overheid wordt aangevraagd, wordt dit immers vaak als een veel te groot budget gepercipieerd. Een spreiding in tijd en over overheden/organisaties is dan vaak de enige mogelijkheid. Deze manier van werken is echter niet zonder risico. Door de vele inkomstenstromen is de kans op het maken van vormelijke fouten in de boekhouding, subsidiedossiers, … reëel. Het nauwgezet opvolgen van de financiering is in deze gevallen ongelooflijk belangrijk en ook dit vergt veel energie en personeelsinzet met de juiste capaciteit waarvoor ook de nodige middelen moeten worden voorzien. De overdreven bureaucratisering die het indienen van project- of subsidiedossiers vraagt, zorgt er soms voor dat het niet de moeite loont om de middelen aan te vragen. De administratieve processen vragen te veel tijd en middelen voor wat ze opbrengen. Ook vraagt elk van die projecten om een werking, die soms de middelen overstijgt. Het loont niet altijd om meer projecten binnen te halen omdat de inkomsten niet opwegen tegen het meerwerk dat erdoor wordt gecreëerd. Bij elk mogelijk project zou daarom eigenlijk eerst een kosten-batenanalyse moeten worden gemaakt. Loont het om dit project binnen te halen? Weegt de financiering op tegen de meerkosten aan personeel? …

226


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Ook overheden werken meer en meer met bladerdeegfinanciering. Door de schaarste aan middelen (minder Europese subsidies, minder financiering van de strategische projecten, …) zoeken ze financiering waar die te vinden is.

2. Bij een ‘gebiedsenveloppe’ wordt een vast budget gekoppeld aan een planprogramma om de doelstellingen in een gebied te realiseren. Dit lijkt een veel comfortabelere manier van werken, maar zekerheid van middelen is er ook hier niet. Nadat de beslissing genomen is om het budget voor een gebied vrij te maken, wordt het budget zelf uiteraard maar geleidelijk aan opgebruikt. Gebiedsprocessen zijn immers processen die over lange termijn lopen. Hierdoor kan het gebeuren dat er op een bepaald moment toch nog een deel van de op dat moment nog niet gebruikte middelen uit de gebiedsenveloppe worden gehaald om op een ander project in te zetten. Noch de financiële zekerheid van een gebiedsenveloppe, noch de impact van deze budgetten mag in de realiteit mag worden overschat. Het jaarlijks budget voor landinrichting in Vlaanderen is 3 tot 4 miljoen euro. Dit is te vergelijken met het OCMW-budget van een landelijke gemeente zoals Oostkamp. In bepaalde gevallen lukt het echter ook met financiering niet om de visie te realiseren. In veel gevallen is dit omdat er geen overeenstemming is tussen de ambities en de middelen. Wanneer de doelstellingen te ambitieus zijn t.o.v. de middelen die ter beschikking zijn, worden enkel de meest eenvoudige projecten aangepakt. Alleen het laaghangend fruit wordt in die gevallen geplukt. Wanneer er een schaarste is aan middelen, wanneer de budgetten krimpen, moet er ook de durf zijn om kleinschaliger te werken of om bewust keuzes te maken.

Relaties - Netwerken – Synergie Een beperkte financiering kan echter ook productief werken. Het voordeel van bladerdeegfinanciering is dat de zoektocht naar budgetten zorgt voor een grote uitbouw van het netwerk aan partners. Door de schaarste aan middelen kom je ook bij minder evidente partners terecht en dit leidt vaak wel tot goede resultaten. In de realisatie van een visie is het netwerk van partners vaak belangrijker dan de klassieke instrumenten en financiering. Het uitbouwen van een voldoende sterk netwerk loont vaak meer en leidt vlugger tot resultaten dan het inzetten op klassieke instrumenten. Ook hier zorgt de bureaucratisering van planningsprocessen om een grote inzet van personeel en middelen, die niet altijd opweegt tegen het resultaat. Vaak wordt er teveel energie gestoken in ‘klassieke instrumenten’ (zoals masterplan, visie, …). Deze processen worden vaak als te ‘zwaar’ en te traag gepercipieerd. Om tot effectieve realisaties te komen, is het beter om ‘opportunistischer’ om te gaan met de klassieke instrumenten en ze pas in te zetten, wanneer dit effectief nuttig en/of nodig is. In het uitbouwen van partnerschappen staat het zoeken naar een ‘win’ of minstens ‘win’-‘gelijk’ voor de verschillende partijen centraal. Er moeten synergieën worden gezocht om tot een globale aanpak te komen waarin iedereen zich kan vinden. In het voeren van een open ruimtebeleid wordt best afgestapt van de verkokerde, sectorale benadering. Bij een sectorale benadering worden de tegenstellingen tussen deze sectoren te veel benadrukt, terwijl er net gezocht moet worden naar wat partners bindt en niet naar wat hen scheidt. Het open ruimtebeleid heeft nood aan een integrerende aanpak. Het voeren van een integrerend beleid is echter politiek niet interessant. De Vlaamse politiek en administratie zijn verkokerd georganiseerd. Elke minister heeft zijn bevoegdheden, maar niemand is verantwoordelijk voor de integratie en afstemming. Er valt geen electorale winst te halen uit het voeren van een integrerend beleid, want je bemoeit je met de bevoegdheden van andere ministers en er is pas resultaat van het beleid op lange termijn, na een aantal legislaturen. Misschien kunnen integrerende ministerportefeuilles een oplossing zijn? Of misschien kunnen er ook meer

227


Intervisie 4

gebiedsgerichte ministerportefeuilles komen, gebiedsministers? Het opentrekken van de sectorale vraag naar een gebiedsvraag houdt automatisch een stap in naar meer integrerend werken en helpt in het uitbouwen van een netwerk en het winnen van vertrouwen. Mensen meenemen naar een voorbeeldgebied en hen kleine realisaties tonen, laat de meerwaarde van een aanpak inzien en wekt vertrouwen. Investeren in kleine realisaties helpt zo om draagvlak uit te bouwen. De traagheid van klassieke instrumenten en procedures is vaak te groot om politici te kunnen overtuigen. Door in te zetten op kleine realisaties slaag je er vaak wel in om hen te overtuigen en hen de meerwaarde van een geïntegreerde aanpak te laten inzien. Dergelijke kleine realisaties kunnen de bestaande kloof tussen het bestuurlijk draagvlak en het maatschappelijk draagvlak voor bepaalde acties of maatregelen vaak verkleinen. Het inzetten op kleine realisaties houdt wel het risico in dat enkel de eenvoudige zaken worden gerealiseerd. Mede daarom blijft het opmaken van een visie cruciaal. Een visie is nodig als leidraad, om bij de les te blijven en om de globale doelstellingen niet uit het oog te verliezen. Een visie is cruciaal, mits lichter voortraject (het proces voor de opmaak van de visie mag niet verzanden in een te lange administratieve procedure) en mits dit wordt aanzien als een ‘work in progress’. De visie moet bovendien niet altijd helemaal gerealiseerd worden, ook hierin mag het proces zich niet vergalopperen.

Grondbeleid Een sterk grondbeleid is een sleutelelement om tot realisatie te komen. Grondpositie is een sterk ‘instrument’. Om natuurdoelstellingen te realiseren koopt de Vlaamse overheid terecht gronden op, maar lokale overheden moeten hun gronden niet te duur willen verkopen aan de Vlaamse overheden. De kracht van een klassiek instrument als ruilverkaveling moet niet worden onderschat. Het is een van de oudste, maar heel effectieve instrumenten in het realiseren van de visie, zeker wanneer het gaat om projecten van een zekere schaal. Bij een ruilverkaveling moeten er immers voldoende gronden zijn die kunnen worden uitgeruild om voor het geheel tot een evenwichtige ruil te komen. Deze minimale schaalgrootte van het gebied is misschien een nadeel van het instrument, een duidelijk voordeel is dat er op het einde van het proces een balans is. Iedereen houdt op het einde evenveel over als in het begin. De schaal van Vlaamse (ruilverkavelings)projecten en -instrumenten is vaak te groot voor nieuwe actoren. Zo is de werking van de Landgenoten vandaag niet verenigbaar met de schaal van het ruilverkavelingsinstrument. Wellicht is het wel mogelijk om Vlaamse middelen aan te trekken voor de werking van de Landgenoten, maar dan zou deze werking ook op Vlaams niveau moeten worden getrokken. Dit wil echter zeggen dat de rol van Landgenoten ook verandert. Zij worden dan veel meer consultant of bemiddelaar tussen actoren in het veld en de Vlaamse overheid. De afstand tussen de werking van (Vlaamse) overheden, tussen de decretale kaders en de werking van nieuwe actoren is vandaag groot. Beide zouden dichter bij elkaar kunnen komen door het: - downscalen van Vlaamse procedures - upscalen van de initiatieven van nieuwe actoren.

228


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Tafelgesprek 2 – Omgaan met grondeigenaars en herbestemming Omgaan met grondeigenaars – ‘commons’ In de tweede intervisie werd een tafelgesprek gevoerd over ‘omgaan met grondeigenaars’. Tijdens dit gesprek werden twee traditionele houdingen van overheden t.o.v. grondeigenaars gedetecteerd. Tussen deze houdingen bevindt zich een grijze zone van ‘commons’ of ‘samenwerkingsvormen tussen overheden en particulieren’. Vandaag willen we nog iets meer ingaan op deze grijze zone. Aan de innovatieve trajecten INTERVISIE 04 - 19/01/2015 - KOPPELING VISIE EN INSTRUMENTEN TAFELGESPREK 2 OMGAAN MET EN zitten, HERBESTEMMING en nieuwe actoren dieGRONDEIGENAARS rond de tafel wordt gevraagd of zij kennis hebben van ‘instrumenten’ die in deze grijze zone worden ingezet? 1. OMGAAN MET GRONDEIGENAARS GEBEURT VAAK VANUIT 2 TRADITIONELE ‘OVERHEIDSHOUDINGEN’.TUSSEN DEZE HOUDINGEN IS EEN ‘GRIJZE ZONE VAN COMMONS’. KUNNEN ER UIT DE INNOVATIEVE TRAJECTEN/NIEUWE ACTOREN VOORBEELDEN GEGEVEN WORDEN VAN ‘COMMONS’ - SAMENWERKINGSVORMEN TUSSEN OVERHEID EN PRIVE? WELKE INSTRUMTEN (TERUG IN BREDE ZIN) ZIJN HIERBIJ INGEZET? WAREN DEZE SUCCESVOL? WAAROM? STRUIKELBLOKKEN? ZIJN ER ANDERE INSTRUMENTEN DAN PPS IN HET OMGAAN MET ONTWIKKELAARS?

ONTEIGENEN

OVERTUIGEN

BEVRAGEN

VRIJWILLIGE VERKOOP REALISATIE DOOR EIGENAAR

SAMENWERKEN SAMENWERKINGSOVEREENKOMST CONTRACT

FACILITEREN BEHEERSOVEREENKOMST

AMBITIE

Overheid voert zelf uit, wordt gemonitord door private actoren

STURENDE OVERHEID

OPENBAAR GOED ALGEMEEN BELANG

Overheid neemt eigendom over

Overheid subsidieert aankoop door ‘juiste’ participatie

UIT COMFORTZONE nood aan durf, creativiteit investeren in netwerken, faciliteren en inspireren

COLLECTIEF GOED ‘COMMONS’ individuen in samenwerkingsverband verantwoordelijk maken voor beheer/onderhoud ZELFORGANISATIE

Grondeigenaar blijft

Private actor voert uit, overheid handhaaft

TERUGTREKKENDE OVERHEID

PRIVAAT GOED INDIVIDUEEL BELANG

De gesprekspartners benadrukken dat privaat-publieke samenwerkingen enkel mogelijk zijn als beide partijen er voordeel bij hebben. Dus niet alleen de publieke overheden, ook de particulier moet een ‘win’ zien in de samenwerking. Er worden verschillende voorbeelden en mogelijkheden aangehaald. - In het Regionaal Landschap Kempen en Maasvallei wordt de grindwinning ingezet om tot natuurontwikkeling te komen. Er is samen met de grindwinners een procesnota overeengekomen, die ook decretaal is verankerd (grinddecreet). De procesnota legt het ‘draaiboek’ voor de grindwinning vast. Ze bepaalt dat de natuurdoelstellingen, het eigenaarschap, het beheer van de gronden, … na de grindwinning gekend moeten zijn, vooraleer er toestemming kan worden gegeven om te ontginnen. Hierdoor wordt het grind niet meer een doel op zich, maar wel een middel om tot natuurontwikkeling te komen. De natuurontwikkeling wordt betaald door de grindwinning. Dit is een vorm van paars voor groen. - Een voorbeeld van rood voor groen is het proces dat in het Veldgebied Brugge werd opgestart voor de versoepeling van de functiewijzigingen van kastelen en kasteelparken. De eigenaars werden begeleid in de herbestemming van hun kasteeldomeinen en in ruil werd bv. gevraagd om het kasteelpark publiek toegankelijk te maken. Ook vandaag biedt de VLM nog aan om beheerplannen op te maken voor de kasteelparken in ruil voor publieke toegankelijkheid van (delen van) het park. - Bij de kasteelparken wordt de publiek-private samenwerking ingezet om publieke belangen of overheidsdoelstellingen te realiseren op private gronden, maar ook het omgekeerde is mogelijk. Bij De Cirkel zijn de gronden in eigendom van

229


Intervisie 4

diverse overheden en worden er beheerovereenkomsten gesloten met private partijen voor bv. begrazing, beheer van de hoogstamboomgaarden waarbij de boomgaardenstichting het fruit verwerkt tot fruitsap en het verkoopt. - Een ander voorbeeld zijn de erfdienstbaarheden van openbaar nut die de VLM op een private grond kan instellen in ruil voor een vergoeding. Dit wordt bv. gebruikt in het kader van de vernatting van gronden. Het grote verschil tussen een erfdienstbaarheid t.o.v. een beheer- of gebruiksovereenkomst (zoals in de voorbeelden van de kasteelparken en hoogstamboomgaarden) is dat de erfdienstbaarheid opgelegd wordt op het perceel en dus ook op lange termijn (ook bij verkoop van de gronden) blijft gelden. Overeenkomsten worden afgesloten tussen partijen (overheden, personen of verenigingen) en stoppen dus ook wanneer deze partijen er niet meer zijn of zich niet meer willen engageren. - Een nog lossere vorm van publiek-private samenwerking is het virtueel eigenaarschap. In het Veldgebied Brugge wordt de groene gordel als een ‘common good’ gepromoot om zo een ‘mindset’ te creëren waarbij de verschillende eigenaars binnen dit gebied het belang van de groene gordel inzien en trots zijn om er deel van uit te maken. Het virtueel eigenaarschap zorgt er voor dat particulieren bereid zijn om private engagementen aan te gaan die bijdragen tot de realisatie van de groene gordel, dus van een publiek belang. Bij dit instrument kan dezelfde kanttekening worden gemaakt als bij de beheer- en gebruiksovereenkomsten: wat met de continuïteit op lange termijn? Bovenstaande voorbeelden van ‘instrumenten’ zijn het resultaat van een zoektocht naar oplossingen op maat van het gebied. In de ‘grijze zone van de commons’ zijn er geen generieke regels of algemene procedures, maar wordt er steeds afgewogen welk ‘instrument’ binnen de omstandigheden het meest geschikt is om de doelstellingen te realiseren. Het te strikt volgen van algemene procedures zou contraproductief kunnen werken voor het realiseren van de doelstellingen. Binnen de ‘commons’ geldt dezelfde aanpak als in het gebiedsgericht werken, nl. een netwerk en vertrouwen opbouwen, tijd nemen en speelruimte krijgen om te zoeken naar oplossingen op maat van het gebied en de actoren. Een voorbeeld van deze werking is het voorstel ‘nieuw groen – vrij groen’. Dit concept stelt voor om landbouwers vrij te laten beslissen over het kappen van het groen dat zij zelf aanplanten in de vorm van kleine landschapselementen of houtkanten. Door hen meer vrijheid te geven, kunnen meer landbouwers worden overgehaald om nieuw groen aan te planten. Dit is een voorbeeld van hoe onderhandelen, sturen, coachen vaak meer oplevert dan strikt reglementeren. Reglementering zou slechts een vangnet moeten zijn voor excessen. Wanneer het echt de spuigaten uitloopt, wanneer het echt niet anders kan, wordt er streng opgetreden. In eerste instantie moet er echter gewerkt worden vanuit vertrouwen en moeten mensen worden begeleid in een goed beheer van de open ruimte: coachen naar succes in plaats van beteugelen van het suboptimale. Deze benadering is vooral succesvol wanneer er gewerkt wordt op maat van een gebied en met individuele cases/actoren. In die gevallen is er onderhandelingsmarge nodig en werkt het coachen en begeleiden beter dan het reglementeren. Maar ook hier is er terug een gelaagdheid in de samenleving. Een dergelijke individuele benadering is goed voor de actoren zelf, maar is voor de belangenorganisaties van die actoren niet altijd aanvaardbaar. Zij willen geen individuele benadering die is verbonden aan een bepaalde ambtenaar, maar eisen voor hun achterban rechtszekerheid en dus ook vastgelegde procedures.

230


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Herbestemming De bestemming (en dus ook herbestemming) van percelen moet steeds worden gezien in relatie tot het huidige gebruik, het toekomstige of gewenste gebruik en tot de ‘waarde’ (landschappelijke waarde, natuurwaarde, landbouwwaarde, … ) van de percelen. De planologische bestemming van een perceel komt niet steeds overeen met het feitelijk gebruik. Planologisch groen verschilt van feitelijk groen. Wanneer de bestemmingen in een gebied helemaal niet overeenkomen met het bestaande gebruik en/of de waarde van de gronden, dan kan herbestemming heel moeilijk zijn. Wanneer de bestemmingen in grote lijnen overeenkomen met de visie of het gewenste toekomstige gebruik, is het veel gemakkelijker om te herbestemmen. In bepaalde gevallen werken bestemmingen (het gewestplan) contraproductief. In een ruilverkaveling kan de bestemmingskleur op het gewestplan beperkend werken, omdat er enkel mag worden geruild binnen één bestemming. Gronden in agrarisch gebied kunnen enkel worden geruild met andere gronden in agrarisch gebied, gronden in natuurgebied enkel met andere gronden in natuurgebied, ongeacht of het feitelijk gebruik van deze gronden landbouw of natuur is. Bij een ruilverkaveling van gronden met eenzelfde feitelijk gebruik maar een andere planologische bestemming, moet daarom steeds eerst een proces worden opgestart voor de planologische herbestemming vooraleer tot een ruilverkaveling kan worden overgegaan. Dit kan deze processen administratief heel zwaar maken. Het is vaak eenvoudiger om te werken vanuit de gewenste inrichting/ de gewenste vorm van gebruik van het gebied en in eerste instantie de bestemmingen los te laten. Het is eenvoudiger om op basis van de gewenste inrichting en/of het beheer van het gebeid tot onderlinge overeenkomsten te komen tussen de verschillende gebruikers omdat inrichting en beheer meer flexibiliteit, maatwerk en nuance verdragen. Bij inrichting is er meer speelruimte om natuur en landbouw te verweven, om beheer van houtkanten langs of vernatting van landbouwgronden te bespreken, … Er wordt dan ook gepleit om het stramien van de klassieke procedures (eerst bestemming, dan inrichting, dan beheer) niet te strikt sequentieel te benaderen. Sommige processen zijn gebaat om eerst te werken aan de inrichting en het beheer van gebieden. Daarna kan de bestemming worden afgestemd door een herbestemming. Dit zou veel procedures soepeler doen verlopen. Deze finale herbestemming in een RUP lijkt nog steeds nodig om de eigenaars/gebruikers voldoende rechtszekerheid te geven wat vandaag niet kan worden geboden met een andere instrument. Vandaag maken Ruimte Vlaanderen, provinciale en gemeentelijke diensten ruimtelijke planning werk van de bestemming van gebieden. Andere overheidsinstanties, onder meer de VLM maakt werk van de inrichting van open ruimtegebieden. Maar wie neemt het beheer op zich? Naast het vastleggen van bestemming en inrichting is het belangrijk om afspraken te maken over het beheer én het monitoren/controleren van het beheer, ook op lange termijn. Agentschap Natuur en Bos, de regionale landschappen en Natuurpunt, maar ook nieuwe actoren kunnen hier een rol in spelen. Vandaag wordt op veel plaatsen een oplossing gevonden in de sociale economie, maar dit zou veel structureler ingezet en ondersteund kunnen worden. Wanneer het gaat om processen waarbij ‘openruimtebestemmingen’ in de weegschaal worden gelegd t.o.v. meer ‘harde/stedelijke’ bestemmingen kunnen deze bestemmingen net wel een krachtig instrument zijn in het beschermen van de open

231


Intervisie 4

ruimte. De ruimteboekhouding uit het RSV, waarin een objectief van ruimtebeslag voor de verschillende bestemmingen is opgenomen, kan een krachtig instrument zijn om de open ruimte te beschermen. Het echt vasthouden aan de objectieven uit de ruimteboekhouding als een strategische doelstelling kan het beleid meer daadkracht geven. Vandaag geldt er in de open ruimte echter een generiek beleid t.a.v. functiewijzigingen en wordt de inname van de open ruimte door wonen, bedrijfszetels, … gefaciliteerd. Op dit vlak is er momenteel weinig daadkracht in het openruimtebeleid. Om dit te kenteren moet er veel meer vanuit één gezamenlijk open ruimtebeleid worden gewerkt en minder aandacht gaan naar de tegenstellingen binnen de open ruimte tussen natuur en landbouw. Dit geldt ook voor de open ruimte in verstedelijkt gebied. Er zijn reeds veel goede voorbeelden waarbij aandacht is voor de bestaande open ruimte structuur in woonen bedrijfsontwikkelingen, maar voor elk goed voorbeeld is er ook een minder goed

232


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

233


234


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Intervisie 5 dinsdag 02 februari 2016 VLM Guldenvlieslaan 72, 1060 Brussel

Aanwezig Liesbeth Gellinck Lambert Schoenmakers Lien De Vos Dieter Hoet Bruno Tricot Peggy De Wit Eddy Vermeerbergen Geert De Blust Elke Vanempten Sylvie Van Damme Sylvie Fosselle Griet Celen Rik Samyn Liesbet Belmans Joachim Declerck Tine Segers Hans Leinfelder (verslag) Marjolijn Claeys (verslag)

VLM (innovatief traject ‘Veldgebied Brugge’) Regionaal Landschap Kempen Maasvallei (innovatief traject ‘Rivierpark Maasvallei’) Westhoekoverleg (innovatief traject ‘Landelijke Mobiliteit Westhoek’) Westhoekoverleg (innovatief traject ‘Landelijke Mobiliteit Westhoek’) Provincie West-Vlaanderen (testcase Midden West-Vlaanderen) Gemeent Oud-Turnhout (testcase Pannenfabriek) VLM (testcase Electrabel Schelle) INBO (expert) ILVO/Team Vlaams Bouwmeester (expert) School of Arts, HoGent (expert) VLM (werkgroep Open Ruimte Platform) VLM (werkgroep Open Ruimte Platform) VVP (werkgroep Open Ruimte Platform) VVSG (werkgroep Open Ruimte Platform) AWB AWB KULeuven-PLEN KULeuven-PLEN

Verontschuldigd Wim Vandenrijt (VLM - innovatief traject ‘De Cirkel’ ), Piet Struyf (VLM – innovatief traject ‘Liereman’), Christophe Vandevoort (Ruimte Vlaanderen – werkgroep Open Ruimte Platform), Kate Vanderstraeten (Provincie Antwerpen – testcase Electrabel Schelle), Koenraad Marchand (Provincie West-Vlaanderen - innovatief traject ‘Kanaalpark BossuitKortrijk’)

235


Intervisie 5

Agenda Inleiding/reflectie vorige intervisies – Marjolijn Claeys Voorstelling van en debat over 5 aanbevelingen van het leertraject naar het beleidstraject van het Open Ruimte Platform – Hans Leinfelder 1. Het open ruimtebeleid is gebaat met een integrerende agenda 2. Een programmatische aanpak zorgt voor meer daadkracht 3. Overheden en nieuwe actoren zoeken best vrijblijvend toenadering 4. Veranderingsprocessen starten beter met inrichting, los van de bestemming 5. We moeten de open ruimte meer in de markt zetten als ‘commons’

9u30 - 10u00 10u00 - 12u30

Verslag Vandaag vindt de laatste intervisie in een reeks van vijf plaats. Er werden vier intervisies georganiseerd rond een bepaald thema. Deze vijfde intervisies is een syntheseintervisie, waarin de kernpunten uit de voorbije intervisies aan de projectleiders van de innovatieve trajecten en testcases worden voorgesteld. Deze voorstelling is opgebouwd volgens de inhoudelijke doorbraken en toont een aangepaste versie van een aantal schema’s uit de vorige intervisies. (FUNCTIONELE) LOGICA ‘s

STIMULEREN LOKALE CREATIVITEIT

intervisie 1 en 3

intervisie 1 en 2

verschillende logica’s bij één actor verzoenbaarheid kent gelaagdheid in functie van ambitie juiste laag aanspreken en middelen inzetten TOP-DOWN LOGICA

GEBIEDSLOGICA

strategische doelstellingen opkomen voor zwakke logica’s of algemeen belang

belangen van overheden ?

relatie van overheden t.o.v. lokale creativiteit: - negeren omwille van gebrek kennis, andere visie, NIMBY, ... - detecteren door opbouwwerk, investeren in inventarisatie - faciliteren door subsidies structureel in stand houden - stimuleren door ideeën te strooien wederzijds gebrek aan kennis van elkaars logica, nood aan tussenstap van gebiedsgerichte visie

durven experimenteren suboptimale resultaten zijn resultaten

ontwerper als visionair

strategische doelstellingen

OPTIMALISATIE door TEST en evaluatie VISIE als DROOM

VISIE als KADER voor SAMENWERKING

VISIES ANDERE LOGICA’S

afstand te groot geen kennis elkaars logica tussenstap nodig

ontwerper als bemiddelaar

visievorming als een continu proces

realisatie op terrein ? omgaan met individuele initatieven ? resultaten ?

lokale initiatieven en dynamieken

behoeften en logica’s actoren integrerende agenda doelstellingen als raamwerk

ORP Intervisie 5 - 02/02/2016 - synthese: innovatie

3

ORP Intervisie 5 - 02/02/2016 - synthese: innovatie

OMGAAN MET GRONDEIGENAARS

intervisie 4

sterk grondbeleid is sleutelelement om tot realisatie te komen kracht van klassieke instrumenten niet onderschatten, maar nood aan duidelijk programma en schaal

open ruimte in relatie tot andere ‘sectoren’ kracht van bestemmingen in het verdedigen van de open ruimte

klassieke houding van overheid vanuit twee uitersten grote vraag naar ‘middenweg’ - omgaan met ‘commons’ Overheid neemt eigendom over

Overheid subsidieert aankoop door ‘juiste’ partner

Overheid laat grondeigenaar ongemoeid

Overheid handhaaft uitvoering door private acto

interne relaties binnen de open ruimte dominantie van herbestemming doorbreken, starten vanuit inrichting en beheer: - meer speelruimte en flexibiliteit voor verweving, ... - eenvoudiger om tot overeenkomsten te komen - nadien wel nog nood aan herbestemmig i.f.v. rechtszekerheid - monitoring van het beheer

RECHTSZEKERHEID

AMBITIE

INSPIRERENDE, STIMULERENDE OVERHEID STURENDE OVERHEID

uit comfortzone, nood aan durf, creativiteit investeren in netwerken

CONTROLERENDE FACILITERENDE OVERHEID

COLLECTIEF GOED ‘COMMONS’

OPENBAAR GOED ALGEMEEN BELANG

beheer collectiviseren met PPS, BO, GO flexibiliteit en maatwerk nodig coachen i.p.v. beteugelen reglementering enkel vangnet voor excessen

ORP Intervisie 5 - 02/02/2016 - synthese: innovatie

4

PRIVAAT GOED INDIVIDUEEL BELANG

5

ORP Intervisie 5 - 02/02/2016 - synthese: innovatie

236

4

HERBESTEMMING

intervisie 2 en 4

Overheid voert zelf uit, wordt gemonitord door private actoren

GEBIEDSGERICHTE VISIE opbouwwerk, netwerk uitbouwen tijd nemen en beleidsruimte geven vertrouwen zoeken gedeelde verlangens

6


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Vanuit de verschillende gesprekken in de intervisies worden ook een 5-tal aanbevelingen geformuleerd die vanuit het leertraject kunnen worden meegenomen naar het beleidstraject. Deze 5 aanbevelingen worden aan de projectleiders van de innovatieve trajecten en testcases voorgelegd en over elke aanbeveling wordt ongeveer een half uur gedebatteerd.

Aanbeveling 1 Het Open Ruimtebeleid is gebaat met een integrerende agenda - niet alleen gebiedsgericht, maar ook op strategisch niveau - meer dan meekoppelende belangen, integrerend beleid dat synergieën legt tussen de logica’s van de open ruimte: VLM, RL, Provincies, TOP-projecten van Ruimte Vlaanderen - een integrerende agenda kan niet zonder werking: gebiedsministers? Intendant van de open ruimte? Met deze aanbeveling wordt algemeen ingestemd, maar er zijn wel nog een aantal vragen. Is enkel het open ruimtebeleid gebaat met een integrerende agenda? Is de ruimte in Vlaanderen, in het algemeen, niet gebaat bij een integrerende agenda? Waarom wordt deze vraag naar integratie vooral vanuit de open ruimte of vanuit de ruimtelijke planning gesteld? Waarom komt die vraag zelden van bv. het beleidsdomein openbare werken? Is het open ruimtebeleid zo hulpeloos? Een deel van het antwoord ligt in het feit dat er vele actoren zijn in de (open) ruimte en dat er hierdoor ook verschillende partners nodig zijn om iets te realiseren. Dit is in zekere zin een gebrek aan autonomie en een vorm van ‘hulpeloosheid’ die andere beleidsdomeinen of –sectoren minder kennen. Bij veel van deze overheden zien we vandaag geen evolutie naar meer integrerend werken, maar net de omgekeerde beweging. Er wordt teruggeplooid op de kerntaken omwille van besparingen. Anderzijds zijn er voorbeelden van integrerend werken in de open ruimte. Door de VLM, Regionale Landschappen, Provincies, … wordt een integrerend beleid gevoerd tussen de verschillende logica’s in de open ruimte. Op gebiedsniveau wordt o.a. ontwerpend onderzoek ingezet om met diverse partners tot een gezamenlijke agenda te komen. Maar hoe kunnen we dit doen op een hoger, meer strategisch niveau? Hoe wordt er ook een integrerende agenda opgemaakt tussen de logica van de open ruimte en andere logica’s? Is er hier een rol voor ontwerpend onderzoek? Is hier een taak voor Ruimte Vlaanderen weggelegd? Of heeft een integrerend open ruimtebeleid nood aan ministerportefeuilles met meer thematische, sectoroverschrijdende bevoegdheden? Zoals er een staatssecretaris voor administratieve vereenvoudiging was, zou er ook een minister van klimaat, energie, voedsel, water, … kunnen zijn. Een andere mogelijkheid kan ook bestaan in gebiedsministers. Zowel ministers met thematische bevoegdheden als gebiedsministers zijn voorstellen en pogingen om de bevoegdheden complexer te maken. Een minister die enkel bevoegd is voor één sector, bant de complexiteit. Een gebiedsminister moet continu met complexiteit omgaan. De verandering naar meer complexe bevoegdheden kan een eerste stap zijn naar een andere vorm van beleid. Ministers met een thematische of gebiedsgerichte portefeuille zullen projectleiders ook een meer integrerende opdracht meegeven. Hierdoor zou het integrerend werken ook regionaal en lokaal doorwerken tot in de uitvoering van projecten. Vanuit deze complexere bevoegdheden lijkt het vanzelfsprekender om een integrerend beleid te voeren, maar dit is geen garantie. Een meer integrerend beleid vraagt ook om een andere attitude bij beleidsmakers. Beleidsmakers moeten de meerwaarde van de open ruimte erkennen. Het kan in dit opzicht ook een aanbeveling zijn om politici en beleidsmakers te coachen en zo te stimuleren in het anders denken over de open ruimte.

237


Intervisie 5

Ook het opmaken van een agenda op Vlaams niveau kan een integrerende beleidsaanpak versterken. Een integrerende of thematisch georganiseerde agenda zorgt voor een offensiever open ruimtebeleid en legt de basis voor het voeren van een aanbodbeleid binnen de open ruimte. Er wordt met andere woorden afstand genomen van de nu overwegend defensieve houding waarbij de open ruimte moet worden verdedigd tegen nieuwe ‘harde’ ontwikkelingen. Er wordt werk gemaakt van een integrerende beleidsaanpak die op Vlaams niveau mogelijkheden schept waar men lokaal mee aan de slag kan. In kleinere gemeenten wordt trouwens vandaag al veel meer integrerend gewerkt. De schaal van deze gemeenten verplicht beleidsmakers om verschillende bevoegdheden te combineren. Voor deze gemeenten kan een fusie, waarvan de laatste tijd soms sprake is, een risico inhouden naar meer verkokering op lokaal niveau.

Aanbeveling 2 Een programmatische aanpak zorgt voor meer daadkracht - - - -

heldere strategische doelstellingen koppelen aan een programmatische inzet van middelen kan de (financiële) samenwerking met andere sectoren vergemakkelijken (cfr. pilootprojecten) laat toe om gebiedsgericht en thematisch te werken zonder te vervallen in ad hoc (1+1=3) werkt als een uitnodiging naar nieuwe actoren: zorgt voor duidelijk beleidskader waarbinnen ondersteuning of samenwerking met overheden mogelijk is

Een belangrijke vraag bij deze aanbeveling is hoe de uitvoering van het programma kan worden gegarandeerd en dus effectief voor meer daadkracht kan zorgen. Een eerste voorwaarde lijkt het koppelen van programma en middelen. Zonder de nodige middelen voor realisatie, blijft de opmaak van een programma een vrijblijvende strategische oefening. Een programmatische aanpak heeft ook nood aan duidelijke baathebbers. Er is een zeker ‘sense of urgency’ nodig bij actoren/sectoren die een duidelijk voordeel zien in het programma en bijgevolg inzetten op de realisatie. De vraag is dan ook wie het programma bepaalt? Heeft de politieke top voldoende baat bij een programmatische aanpak van de open ruimte en zal zij hiervan te overtuigen zijn? De effecten van een open ruimtebeleid zijn immers maar op lange termijn voelbaar. Binnen de termijn van een politieke legislatuur kan er heel moeilijk met zichtbare resultaten naar buiten getreden worden. De aanbeveling voor een programmatische aanpak is ook een poging om de sociale innovatie binnen dit thema/programma te mobiliseren. Door in het programma vanuit het beleid duidelijke prioriteiten te definiëren, is het een uitgestoken hand naar alle initiatieven die hiermee bezig zijn en biedt het hen de kans om hun werking te versterken. Het voordeel van een programmatische aanpak kan indirect zijn dat er minder overheidsmiddelen nodig zijn voor de realisatie omdat de bestaande maatschappelijke dynamiek wordt gestimuleerd en gefaciliteerd. De krachten worden m.a.w. gebundeld en gericht ingezet. Een programmatische aanpak speelt op die manier in op de trend van vermaatschappelijking van overheidstaken. Dit laatste impliceert echter niet dat overheden geen verantwoordelijkheid meer zouden hebben (zie ook aanbeveling 3). Een programmatische aanpak heeft nood aan een duidelijke agenda, een duidelijk kader waarbinnen kan worden gewerkt. Waar de agenda nog algemeen/generiek blijft, is het programma veel concreter. Tot een akkoord komen over een programma lijkt soms eenvoudiger dan tot een akkoord komen over een agenda. Op het meer strategisch niveau van de agenda lopen veel gesprekken vast op ideologische tegenstellingen (zoals tussen natuur en landbouw). Voor een deel worden deze ideologische tegenstellingen doorprikt wanneer het gesprek over een concreet gebied wordt gevoerd. Een programma

238


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

wordt daarom best geconcretiseerd in (type-)gebieden. Op die manier kan met een programma veel beter een koppeling worden gemaakt tussen belanghebbenden. Een programma kan voor elk wat wils bevatten, waardoor iedereen er baat bij heeft. Een mooi voorbeeld van een programmatische aanpak is het Nederlandse M.I.R.T. (Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport). Analoog zou er een Vlaams M.O.R. (Meerjarenprogramma Open Ruimte) kunnen komen. Belangrijk bij een dergelijk M.O.R. is dat de link tussen de open en bebouwde ruimte niet uit het oog verloren wordt. De open ruimte mag niet worden gebruikt voor de afwenteling van bv. stedelijke klimaatproblemen. Vanuit een integrerende agenda lijkt het ook beter om meer thematische programma’s naar voor te schuiven over bv. klimaat, voedsel, … dan een programma ‘open ruimte’ (zie aanbeveling 1).

Aanbeveling 3 Overheden en nieuwe actoren zoeken best vrijblijvend toenadering overheden faciliteren stimuleren incorporeren

nieuwe actoren Relatie tussen beide?

schalen op vermenigvuldigen heroriënteren

De formulering van deze aanbeveling is nog niet correct. Dit wordt door de projectleiders van de innovatieve trajecten en testcases bevestigd. Vooral de term vrijblijvend zit niet goed. Overheden hebben wel degelijk een verantwoordelijkheid ten overstaan van nieuwe actoren. Ze moeten in eerste instantie de dynamiek van actoren in het veld erkennen. Dit vraagt om een basishouding van openheid en nieuwsgierigheid naar de drijfveren van deze nieuwe actoren. De toenadering tussen overheden en actoren mag niet vrijblijvend zijn, maar moet wel zonder vooringenomenheid zijn. Overheden hebben een verantwoordelijkheid in het koesteren en onvoorwaardelijk faciliteren van nieuwe actoren, ook als deze nieuwe actoren weerstand organiseren. Deze tegenstand houdt overheden immers alert. Weerstand zorgt voor het noodzakelijke, maatschappelijke debat, bevraagt overheden naar hun doelstellingen en houdt hen scherp. Nieuwe actoren moeten hiertoe over middelen kunnen beschikken, en toch onafhankelijk blijven in hun werking. Het onvoorwaardelijk faciliteren veronderstelt uiteraard wel dat deze nieuwe actoren niet louter uit een eigen, privaat belang ageren. Deze toenadering van overheden naar nieuwe actoren vraagt om een andere attitude van overheden. Het vereist dat ze toenadering zoeken en streven naar coproductie met nieuwe actoren. Nu lijkt de stap naar nieuwe actoren vaak te worden gezet vanuit een besparingslogica, waarbij de vermaatschappelijking van overheidstaken gekoppeld wordt aan het terugtrekken van overheden. De toenadering tot nieuwe actoren en het opnemen van bepaalde ‘overheidstaken’ door deze actoren, mag geen ‘afwentelingstactiek’ zijn. Overheden blijven in de eerste plaats verantwoordelijk voor het opstellen van een strategisch kader waarbinnen het maatschappelijk ageren mogelijk is. Dit vraagt om een andere attitude bij overheden. Het veronderstelt kennis en vaardigheden waarover overheden vandaag niet altijd beschikken. Het vraagt ook om een andere manier van werken. Hoe bekom je die? Hoe zorg je hiervoor? Bij deze aanbeveling wordt ook de vraag gesteld wanneer nieuwe actoren, oude actoren worden? Het ‘incorporeren’ van de nieuwe actoren door overheden betekent eigenlijk het einde voor deze nieuwe actoren. Op dat moment kan er niet meer gesproken worden van ‘nieuwe actoren’ want dan hebben ze ofwel hun doelstelling bereikt of zijn ze niet meer in de mogelijkheid om weerstand te organiseren.

239


Intervisie 5

Aanbeveling 4 Veranderingsprocessen starten beter met inrichting, los van de bestemming - veranderingsprocessen in de open ruimte verlopen vlotter als ze starten vanuit de inrichting en het beheer van het gebied omdat er meer ruimte is voor onderhandeling en flexibiliteit - ‘bestemmingsplannen’ zijn vandaag hét middel om (rechts)zekerheid te bieden, kan dit anders? contractbenadering; erfdienstbaarheid; ‘mindset’ Deze aanbeveling lijkt iets te hard geformuleerd. Veranderingsprocessen helemaal los zien van bestemming is wellicht overdreven. Wel zijn de projectleiders van de innovatieve trajecten en testcases akkoord dat de focus op bestemmingen in veranderingsprocessen nadelen kent: - De dominantie van een bestemmingslogica in sommige processen (vb. AGNAS) kan zorgen voor een te harde standpuntvorming die niet altijd strookt met de realiteit op het terrein. Deze veranderingsprocessen verzanden hierdoor soms in een boekhoudkundig proces waarbij vooral de ruimtebegroting centraal staat. - Procedures voor een bestemmingswijziging duren vaak lang waardoor ze het veranderingsproces afremmen en de dynamiek in een gebied verlammen. Deze nadelen gelden niet alleen voor bestemmingen. Ook andere reguleringen die verplichtingen met zich mee brengen, zoals SBZ (Speciale Beschermingszones) of IHD (Instandhoudingsdoelstellingen) zorgen voor weerstand en kunnen een negatieve invloed hebben op het vlot verloop van een proces. De weerstand is vaak ingegeven vanuit onzekerheid over de concrete consequenties van deze bestemmingen, zoneringen en reguleringen voor de eigenaar en/of de landbouwbedrijfsvoering. Anderzijds kunnen bestemmingen ook voordelen hebben. Zo zorgt de ‘juiste’ bestemming voor een sterkere onderhandelingspositie in veranderingsprocessen. Bovendien zijn er aan bestemmingen ook andere instrumenten/regels verbonden, die vaak heel nuttig kunnen zijn (bv. voorkooprecht). Bestemmingen helemaal overboord gooien, gaat daarom te ver. Het gaat er vooral om dat we veranderingsprocessen niet mogen opsluiten in een bestemmingslogica. Vaak biedt het voordelen om eerst naar een akkoord te zoeken over de concrete inrichting en het beheer op het terrein, en pas nadien de gevolgen voor de bestemming te evalueren. Veranderingsprocessen mogen zich dus niet beperken tot een gevecht tussen bestemmingen, maar nemen beter het totaalpakket van bestemming-inrichtingbeheer mee in een gebiedsgerichte aanpak. Dit houdt samengevat in dat met de diverse partners in een gebied samen naar een consensus gezocht wordt over de concrete aanpak van het gebied. Een gebiedsgerichte aanpak van veranderingsprocessen waarbij onderhandeld wordt over de concrete inrichting en het beheer van een gebied op perceelsniveau, biedt ook meer mogelijkheden voor nieuwe actoren om in dergelijke processen een rol te spelen. Actoren op het terrein denken immers zelden in de eerste plaats aan de bestemming van percelen, maar zijn wel bezig met de inrichting en het beheer. Ook hier is het denkbaar dat het proces strandt en dat er geen consensus wordt bereikt. Een mogelijke strategie van overheden bij veranderingsprocessen kan zijn om consensusstreven te belonen. De actoren in een gebied kunnen worden uitgedaagd om binnen een bepaald tijdsbestek zelf naar consensus te zoeken over het beoogde veranderingsproces en binnen een door de overheden vooropgesteld strategisch kader.

240


I. Leertraject – Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

Overheden steken de hand uit om het veranderingsproces intensief te begeleiden en belonen zij die bereid zijn samen te werken. Wanneer de partners in het gebied er niet in slagen om binnen de termijn tot een consensus te komen, stopt de begeleiding en worden investeringen uitgesteld. Noodzakelijke voorwaarden voor deze manier van werken zijn: dat er een termijn wordt vastgelegd, dat er een strategisch kader is en dat er duidelijkheid is over de instrumenten en financiële middelen die ter beschikking zijn of kunnen komen.

Aanbeveling 5 We moeten de open ruimte meer in de markt zetten als ‘commons’ - de open ruimte levert maatschappelijke meerwaarde, ze levert verschillende diensten - vermijden dat de open ruimte een sector op zich wordt: budgeten !? - iedereen is verantwoordelijk voor de open ruimte, meer virtueel eigenaarschap: particulieren realiseren overheidsdoelstellingen - we komen overeen, meer gedeeld eigenaarschap: particulier beheert overheidsgronden, overheden bepalen mee beheer van private gronden Deze aanbeveling wordt door de projectleiders van de innovatieve trajecten en testcases als de meest centrale beschouwd. Van alle aanbevelingen zet deze het meest in op een omslag in de attitude t.a.v. open ruimte. Tegelijk is dit een vrij algemene stelling. De vraag is dan ook: hoe realiseer en concretiseer je het idee van een open ruimte als ‘commons’? Doorheen het gesprek worden twee mogelijke insteken aangehaald.

1. Werken aan de uitbouw van meer solidariteit met de open ruimte in tegenstelling tot de huidige overheersende kostenperceptie over de open ruimte. Vandaag wordt de open ruimte vooral gezien als een kostenpost voor overheden die weinig meerwaarde oplevert. De maatschappelijke relevantie van open ruimte wordt nog te weinig erkend. Om de open ruimte in de markt te zetten als ‘commons’ is het belangrijk om mensen te overtuigen van de maatschappelijke meerwaarde van open ruimte. Er zal pas sprake zijn van virtueel eigenaarschap van de open ruimte of van een verantwoordelijkheidsbesef voor de inrichting en het beheer ervan, wanneer mensen overtuigd zijn van de meerwaarde van de open ruimte. Het benadrukken en uitspelen van de zeldzaamheidswaarde van de open ruimte in Vlaanderen kan een belangrijke incentive zijn om het verantwoordelijkheidsgevoel voor de open ruimte te vergroten. Door sensibilisering en communicatie zouden we tot een groter zorgdragerschap voor de open ruimte kunnen komen. In plaats van het discours van rechtszekerheid en eigenaarschap over het individuele perceel zou veel meer het idee van de ‘goede huisvader’ gepromoot moeten worden: de bewustwording van private eigenaars dat zij door een goed beheer van hun eigendom bijdragen aan de maatschappelijke meerwaarde van de open ruimte. Een dergelijke inzet gebeurt in de praktijk al in de vorm van: - Streekbranding: door een streek commercieel op de kaart te zetten ontstaat er een zekere streekfierheid bij de inwoners, waardoor ook zij bijdragen aan de kwalitatieve uitbouw van de streek. Hier speelt eenzelfde mechanisme als bij bv. stadsvernieuwing. Ook daar zie je dat, wanneer er een nieuw plein wordt aangelegd, bewoners rondom hun gevel gaan vernieuwen, … Deze aanpak kan werken voor onderhoud en instandhouding van erfgoed of voor het beheer van kleine

241


Intervisie 5

landschapselementen, … Voor een aantal andere meer technische ontwikkelingen, zoals bv. waterpeilverhoging, zal een andere aanpak nodig zijn. - Samenlevingsopbouw: op deze manier van werken is in de vorige intervisies uitgebreid ingegaan. Door te investeren in relaties en mensen te overtuigen van de baten van de open ruimte, kan een netwerk van partners ontstaan dat meewerkt aan de instandhouding en ontwikkeling van de open ruimte.

2. Het werken aan een andere ‘mindset’ over en virtueel eigenaarschap van de open ruimte kan aanzien worden als een ‘soft’ verhaal. Daartegenover staat een (harde) economische realiteit waar ook de open ruimte niet onderuit kan. Daarom rijst de vraag of de maatschappelijke meerwaarde van de open ruimte niet meer financieel moet worden gewaardeerd. Is het mogelijk om tot een meer billijke verdeling van lusten en lasten in de open ruimte te komen? Nu heerst het gevoel dat in de open ruimte de lasten gedragen worden door overheden en dat de lusten en diensten (landschappelijke waarde, zuurstof, wateropvang, hittebestrijding, …) die de open ruimte levert als vanzelfsprekend worden gezien door de vele actieve (recreanten, horeca, …) en passieve gebruikers (stedelijke omgevingen, industrie, …). Een mogelijke aanpak kan liggen in het uitwerken van een financieel mechanisme dat ecosysteemdiensten waardeert. Vandaag kennen we alleen bij bestemmingswijzigingen een systeem waarbij lusten en lasten financieel worden gecompenseerd: planbaten, planschade en bestemmingswijzigings-compensatie. Op basis van ecosysteemdiensten zou ook een systeem kunnen worden ontwikkeld waarbij de inrichters en beheerders van de open ruimte worden vergoed door de gebruikers/ genieters voor de maatschappelijke meerwaarde die ze creëren. Dit kan ook een stimulans zijn voor landbouwers in het omschakelen naar een andere bedrijfsvoering en inkomensverwerving. Als zij ook een volwaardig inkomen kunnen verwerven uit hun bijdrage aan de open ruimte als ‘commons’, kan een verbreding van de landbouw misschien eenvoudiger worden. De maatschappelijke meerwaarde van landbouw vergroot, omdat er meerdere diensten worden geleverd door één zelfde perceel (voedselproductie, landschapsopbouw, waterretentie, … ). Een inherent gevaar bij het monetariseren van ecosysteemdiensten is dat de stedelijke problematieken, zoals klimaatverandering, worden afgewenteld op de open ruimte. De inzet op ecosysteemdiensten mag niet verglijden in een verhaal waarbij de open ruimte in dienst staat van stedelijke omgevingen, maar moet net de nadruk leggen op de intrinsieke (economische) waarde van de open ruimte

242


I. Leertraject â&#x20AC;&#x201C; Intervisiemomenten met innovatieve trajecten

243


Dit rapport is opgemaakt door KULeuven onderzoeksgroep PLEN en Architecture Workroom Brussels in het kader van het Open Ruimte Platform een gedeeld initiatief van Vlaamse Landmaatschappij, Vlaamse Vereniging voor Steden en Gemeenten, Vereniging voor Vlaamse Provincies en Ruimte Vlaanderen

244


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook