Skip to main content

M&L_26_2.pdf

Page 1

MONUMENTEN, LANDSCHAPPEN & ARCHEOLOGIE 2 6 / 2 MAART-APRIL 2007 —*

TWEEMAANDELIJKS

M.va Rr^


N A T U U R L I J K E KLEUREF MAKEN HET VERSCHIL

IIHlIlll hydraulische kalkmortels, kallei en tad Sim S i •Tail .jieistenng L. kalkverven CORICAL silicaatverven CORISILK en KEIM marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL en DECORLUX stucco venetiano PLASTELUX en VENESTUK

Vil erkend VIBE-lid www.vibe.be - info@vibe.be Tel. +32 (0)3 239.74,23

Arte Constructo bvba Molenberglei 18 - B-2627 Schelle - Belgium Tel. +32 (0)3 880.73.73 - Fax +32 (0)3 880.73.70 www.arteconstructo.be - info@arteconstructo.be


MONUMENTEN, LANDSCHAPPEN EN ARCHEOLOGIE

Redactie

Coyer; Opgraving op het Sint-Pieterspldn in Gent (foto stad Gent. Dienst Sladsareheotogie)

Abonnementsvoorwaarden 2007 België; 35 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 60 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Phoenix-gebouw, Koning Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 2007". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd

Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 12 E-mail: luc.tack@rwo.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel Celis Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: Luc Tack Secretariaat: Diane Torbeyns

Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: casier.jan@tiscali.be - www.jancasier.be

Internet Website: www.onroerenderfgoed.be

Druk

Redactiecomité*

Die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 (

Ere-voorzitter: Edgard Goedleven Voorzitter: Luc Tack Kernredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Celis, Luc Tack, Herman Van den Bossche Redactie: Anna Bergmans, Jo Bracken, Marc De Borgher, Jo De Schepper, Jos Gijselinck, Catheline Metdepenninghen, Marijke Michiels, Dieter Nuytten, Greet Plomteux, Suzanne Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Paul Van den Bremt, Peter Van den Hove, Mira Van Olmen, Christine Vanthillo, Linda Wylleman

Verantwoordelijke uitgever Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Luc Tack Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax:02-553 16 05

• Het redactiecomité is samengesteld uit erfgoedconsulenten

De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uit-

van het Agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed,

sluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen

en van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed

of herwerken zijn voorbehouden

I n ho h d Stadsarcheologie in Vlaanderen.

4 8 Stadsarcheologie in Antwerpen johan Veeckman en Tim Bellens

Een k o r t e i n l e i d i n g

Werner Wouters

Het geheugen van een s t a d : drie decennia Gentse stadsarcheologie

58

Stadsarcheologie i n Maaseik

Hubert Heymans en Anja Neskens

Marie Christine Laleman

2 4 Archeologie in Brugge. Van stedelijke naar i n t e r g e m e e n t e l i j k e dienst

Bieke Hillewaert 35

Mechelen en de stedelijke dienst Archeologie

Bart Robbercchts, Liesbeth Ttoubleyn, Rat Ribbens en Ftank Kinnaer

6 7 Summary


Loofde Heer,,, De vloerverrijzenis bestaat.

Restauratie en Monumentenzorg

Een oude natuursteen- of terracottavloer en een versleten parket zijn niet verloren. Solar nv renoveert vloeren en parket zonder breken. Het resultaat is vaak beter dan nieuw en toch blijven de kosten beperkt tot een fractie hiervan. Solar nv beschikt over het gespecialiseerde vakmanschap en hoogstaande technologie om uw vloer opnieuw in haar oorspronkelijke staat te brengen of te reanimeren met behoud van het historisch aspect.

Natuursteen-, terracotta- en parketvloeren,,. mat geworden, beschadigd, loopsporen, ... Wij brengen het verleden met glans terug !! BELnu 03-766.11.66

slijpen - schuren - herpolijsten - kristalliseren - restaureren van natuursteen-, terracotta- en parketvloeren - wanden - trappen

p. Nijs www.pnfjs.be E3-LAAN 49 - 9800 Deinze

TEL 09 386 07 63 - FAX 09 380 35 71

p.nijs.nv@pandora.be


Generiek Erosion of history Gent speelde met de officiële oprichting in 1975 van een Dienst Archeologie en Historische Monumenten in België een pioniersrol. Figuren als Firmin De Smidt, AdelbertVan de Walle en Siegfried De Laet hadden weliswaar het pad gebaand, maar na de stadsarcheologische verkenning van de buitentuin van de Sint-Pietersabdij zou niets meer zijn zoals het was. Joan Vandenhoute en Patrick Raveschot, pioniers van het eerste uur, kunnen het niet meer navertellen, maar met Marie Christine Laleman wordt het verleden meer dan ooit een gesprekspartner voor de toekomst.

Wie geen geheugen heeft bestaat niet De belangrijke archeologische verzameling van de Brugse Stedelijke Musea vormde de achtergrond voor de oprichting in 1977 van een eigen Stedelijke Archeologische Dienst. Nog maar pas in 2004 ging deze op in Raakvlak, een interlokale vereniging -tussen polders en zandstreek- voor archeologie in Brugge en Ommeland. Vanuit de nieuwe vestiging in de Pakhuizen aan de Komvest legt Bieke Hillewaert de link tussen de Société Archéologique de Bruges en de Lokale Archeologische Advieskaart, met duidelijke klemtoon op het bodemonderzoek.

13de eeuw in 3D Heel wat water vloeide door Zenne en Dijle sinds de vroegste graafwerken in de Mechelse SintRomboutskathedraal, nauwelijks een eeuw terug, en het recente archeologisch onderzoek van de Grote Markt, Veemarkt en het Minderbroederklooster. In het zog van een lange traditie aan archeologische verenigingen en voor een alerte bevolking werd in 2004 het onwaarschijnlijke bewaarheid: de oprichting van een stedelijke dienst Archeologie zonder eigen stadsarcheoloog: een uitdaging waar Bart Robberechts, Liesbeth Troubleyn, Raf Ribbens en Frank Kinnaer intussen met succes vaste vorm aan gaven.

Blik in de bodem Na een blitse start in 1952, in de schaduw van het Steen, belandde het stadsarcheologisch onderzoek in de Scheldestad voor lange jaren in de spreekwoordelijke steeg. De ruim 400 publicaties wijzen immers ook tegelijk op de keerzijde van de medaille: archeologie gelieerd met museale werking en niet met ruimtelijke ordening. Sinds 1995 vonden archeologie en monumentenzorg elkaar in de huidige Stadsontwikkeling. Johan Veeckman en Tim Bellens juichen de evolutie met recente resultaten toe.

Tot pedagogische waarde voor de Maaslandse jeugd Hiertoe gestimuleerd door lokale privé-sponsoring en de creatie van een eerste archeologisch museum nam de stad Maaseik reeds in 1984 de moedige beslissing tot aanstelling van een stadsarcheoloog annex conservator. Beperkte middelen beperkten ook de interventies tot noodopgravingen, occasioneel tot ruimer onderzoek. Wat kaarslicht en een Agnus Dei zoal vermogen verneemt de lezer met Hubert Heymans en Anja Neskens hierbij uit eerste bron.


Werner

STADSARCHEOLOGIE IN VLAANDEREN. EEN KORTE INLEIDING • Bouwwerven m historische stadskernen roeren vaak diep in de bodem en brengen voortdurend archeologische sporen aan het licht

Wouters


In Europa is het netwerk

van steden met op

zijn minst middeleeuwse

wortels nergens

dicht als in Noord Italië en in onze eigen Landen. Onze Vlaamse steden zijn voor (buitenlandse) indrukwekkende achteloze erfgoed

toeristen

bezoeker

staat

minder in de

erfgoed.

het

tief potentieel, technieken

Voor de

schijnwerpers.

toeristisch

dat slechts met

vertaald

van het

ondergrondse

Nochtans beschikt het stedelijk over een niet onaardig

Lage

trekpleisters

omwille

bouwkundig

zo

en leesbaar

bodemarchief en

informa-

archeologische gemaakt

worden voor de lokale en de globale

samengaand met de uitgesproken eigen identiteit van de stadsbevolking, dat sommige Vlaamse steden reeds vroeg, voor er sprake was van enige archeologische wetgeving, aanspoorde een eigen archeologische dienst uit te bouwen. In enkele gevallen bleef dit bij pogingen, die continuïteit en wellicht ook visie ontbeerden; in andere gevallen werd een stevige archeologische dienst uitgebouwd, pas recent voor het buitengebied gecounterd door de oprichting van intergemeentelijke archeologische diensten.

kan

burger.

Het stedelijk bodemarchief heeft bovendien, vergeleken met de doorsnee archeologische sites op het platteland, eigen kenmerken. Zo is het bodemarchief er doorgaans zeer gestratifieerd, opgebouwd door de opeenvolgende generaties stadsbewoners. Door de graduele verhoging van de grondwaterspiegel, veroorzaakt door de massale ontginningsbewegingen aan de bovenlopen van de rivieren die bossen deden verdwijnen, is de bewaringstoestand van archeologische vondsten doorgaans van een uitstekende kwaliteit. Elke bouwwerf in de stad, die in tegenstelling tot het verleden niet meer opbouwt op de voorgaande cultuurlagen, roert diep in de bodem van het bodemarchief. Elke geplande bouw in dergelijk complexe sites, de 'historische stadskernen', zorgt tevens voor kansen om meer te weten te komen over het verleden. Zelfs in steden die beschikken over een rijk stadsarchief, zoals bijvoorbeeld Gent en Mechelen, brengen archeologische bronnen volstrekt nieuwe gegevens aan die lacunes in het historische bronnenmateriaal aanvullen, beter duiden en vaak overstijgen. In steden zoals Dendermonde, leper en Aarschot, waar het archief de opeenvolgende wereldoorlogen nauwelijks heeft doorstaan vormt het bodemarchief haast de enige historische bron. Nergens anders is het bodemarchief zo tastbaar en zichtbaar door zijn in het oog springend muurwerk — vaak ook nog bovengronds bewaard - dat vrijkomt bij bouwwerken. Het is wellicht dit facet.

Binnen de Raad van Europa, auteur van de Conventie van Malta (La Valetta, 1992), heeft de Cultural Heritage Committee in 2000 het - zelfs in archeologische middens minder bekende - Archaeology and the urban project: a European code of good practice goedgekeurd. Daarin wordt voortdurend een synergie gepropageerd tussen publieke autoriteiten/ruimtelijke planners, architecten/ontwikkelaars en archeologen, omdat dit de enige mogelijkheid is om een stad kwaliteitsvol en duurzaam verder te laten ontwikkelen vanuit zijn historisch fundament. De vraag stelt zich dan ook hoe een grootschalig, zeer gestratifieerd en bijgevolg complex bodemarchief, temidden van constante stedenbouwkundige ontwikkelingen, in Vlaanderen benaderd wordt door de diverse gemeentelijke archeologische diensten. Hoe organiseert een archeologische dienst zich binnen een stad? Hoe schakelt dergelijke dienst zich in in het proces van ruimtelijke planning en stedenbouwkundig beleid? Hoe licht zij de stadsbewoner in over hun activiteiten en over de resultaten van het archeologisch onderzoek? Welk zijn de hoogtepunten in hun werking? Vanwaar komen ze en waar willen ze naar toe? In dit themanummer laten we de lezer van het tijdschrift kennis maken met zowel de overeenkomsten als de eigenheden van een aantal stedelijke diensten, hun ontstaan, evolutie, werking en onderzoek.

Werner Wouters is als erfgoedconsulent archeologie verbonden aan het Agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed.


Marie Christine Laleman

HET GEHEUGEN VAN EEN STAD: DRIE DECENNIA GENTSE STADSARCHE0LGG1E Syntheseplan van

Het gaat om de site

archeologische

Ganda ten oosten

bevindingen m de van de samenvloeiSint-Machanuswijk

ing van Leie en

met de middeleeuw-

Schelde, bakermat

se abdijgebouwen

van de nederzetting

en de begrenzing

van waaruit Gent

van het I6d'-eeuwse

zich tot stad

Nieuw Kasteel of

ontwikkelde

Spaniaardenkasteei.

(plan Stad Gent,

geprojecteerd op

dienst Stadsarchco-

een hedendaags

logie)

kadasterplan.

Steeds meer blijkt

dat men de

geschiedenis

VOORGESCHIEDENIS

van een stad niet ten volle kan kennen met de overgebleven beschikbare

geschreven bronnen en het beeldmateriaal.

ontwikkelingslijn menselijke

Om de hele

vanaf de eerste sporen

aanwezigheid

te kunnen

van

vatten,

heeft men ook de kennis uit de materiële nen nodig: gelaagd

bodemarchief,

sporen, muur- en gebouwresten, vondstengoed. bronnen,

Archeologen

grond archeologisch

herkennen

kunnen ze lezen en in nieuwe

kennis vertalen.

Een stad die kennis wil

wen, neemt archeologische heid en investeert dit sinds 1973

deze stadsopbou-

verantwoordelijk-

in archeologie.

(1).

bron-

Cent

doet

De belangstelling voor de materiële bronnen van een stad is geen 20 stt -eeuwse uitvinding. Ontstaan uit een eerder romantisch heimwee naar de middeleeuwse stad met haar heroïsche verleden, heeft de archeologie een ware evolutie doorgemaakt tot een wetenschappelijke discipline met eigen onderzoeks- en interpretatiemethodes die permanent worden bijgestuurd. Gent is volledig in die ontwikkeling in te schrijven (2). Van midden 19' L eeuw tot aan de Eerste Wereldoorlog was archeologie voornamelijk het verhaal van verzamelaars die mooie of interessante objecten recupereerden zonder registratie van de vondstomstandigheden. Een gedeelte van die verzamelingen kwam terecht in het stedelijke oudheidkundige museum - thans de Bijlokecollectie van het STAM - en in het archeolo-


gisch museum van de Gentse Rijksuniversiteit. Wie interesse had voor het verleden van de stad en zijn omgeving verenigde zich, voerde discussie en publiceerde bevindingen in geschriften zoals de Messager des sciences historiques, de Inventaire archéologique en de publicaties van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde. Opvallend is tevens dat zowel bodemvondsten als bouwarcheologie er gelijkwaardig vertegenwoordigd zijn. Tussen beide wereldoorlogen, en eigenlijk tot in de jaren 1970, was van dit dynamisme en de wetenschappelijke interesse voor het materiële verleden van de stad niet veel te merken. De groei naar een wetenschappelijke discipline dateert van na de Tweede Wereldoorlog, hetgeen ook blijkt uit de opeenvolgende opleidingsprogramma's van de Gentse Universiteit, zij het dat de stad als archeologisch onderzoeksobject toen nog niet aan de orde was. Toch waren een aantal projecten uit die periode niet zonder belang. Zo was er het kerkenonderzoek van Firmin De Smidt (1904-1983) (3), waarbij hij opgravingen combineerde met muurarcheologie. Onder invloed van de buitenlandse castellologie (het onderzoek van burchten en kastelen) nam Adelbert Van de Walle (1920-2006) het initiatief om in 1950-1954 voor het eerst opgravingen te verrichten in het Gravensteen (4). Bijzonder betekenisvol was ook het onderzoek van de Gentse Rijksuniversiteit dat Sigfried Jean De Laet (1914-1999) leidde op de wijk Eenbeekeinde in Destelbergen en dat uitmondde in een vraagstelling rondom het Romeinse verleden van Gent en haar regio (5).

PinNIERSOPDRArHT Belangrijk voor de vernieuwde en vernieuwende belangstelling in de stad was de inbreng van het stadsarcheologische onderzoek. De Dienst Archeologie en Historische Monumenten (DAHM) werd op 1 juni 1975 opgericht. Aanleiding daartoe waren de resultaten van opgravingen in de oostelijke buitentuin van de Sint-Pietersabdij (1973-1976) (6). Het ontsluiten van secundaire abdijgebouwen -geen kerk of kruisgang- was nieuw. De bevindingen waren niet alleen belangrijk voor de ontwikkeling van de abdijsite met haar Romeinse en Merovingische voorgangers, maar pikten ook in op de vraagstelling rond het ontstaan en de ontwikkeling van de middeleeuwse stad. Daarenboven leidden ze tot de studie van vondstengoed dat in Vlaanderen nooit eerder was bestudeerd. Maar de betekenis was site-overschrijdend: via de materiële bronnen doken

Deie oude bodem-

STAM. Archeologisch

vondst. in 1864

gezien is het een

ten uit andere

gerecupereerd bi|

van de talri|ke

steden zoals Brugge,

werken op de

ridderbeelden die

Tournai (Doornik)

Vri|dagmarkt, kreeg

adelli|ke hoven in

en Lille (Rijsel)

een gekoesterde,

de 13de eeuw deco- (foto Stad Gent.

museale bestemming

reerden. Deze stoere

dienst Stadsarcheo-

in de Bijloke-

ridders in hoogver-

logie)

collectie, thans

sierd aardewerk

onderdeel van het

contrasteren met

hun frêle tijdgeno-

tal van vragen op over het ontstaan van Gent en de relatie tussen de monastieke sites van Sint-Pieters en Sint-Baafs met een zich tot stad ontplooiende nederzetting aan de samenloop van Leie en Schelde. De historici van het geschreven woord werden opnieuw aan het werk gezet en worden sindsdien steeds weer gestimuleerd om teksten te herbekijken en andere interpretaties voor te stellen, nu in samenhang met wat de materiële sporen en hun contexten aanreiken. Naast het beheer van enkele monumenten in stadsbezit (Gravensteen, Belfort, Stadhuis) kreeg de nieuwe dienst in 1975 de opdracht archeologisch onderzoek uit te voeren op historisch belangrijke plaatsen in de stad. Stadsarcheologie was in het begin van de jaren 1970 een nog jonge tak binnen de wetenschappelijke archeologie. De specialisatie was ontstaan vanuit de belangstelling voor de middeleeuwse steden en wilde een antwoord bieden op de erosion of history (7) door de explosie van bouwinitiatieven in en rond


1

„ "tuM

MMa

•--..• •.--'.-

A De Gentse stads-

^ek

archeologie ontstond

de infirmerieën

opeenvolgen-

waren te relateren

uit de opgravingen

werden opgegraven,

aan de functie

in de oostelijke

Een gedeelte van

van de plek

buitentum van de

het vondstengoed

(foto Studio

Sint-Pietersabdij

ul

waar onder meer

deleeuwse beerput-

' twee postmid-

ten zoals alborelli,

Claerhout Gent)

de steden. Van in 1973 lag in de Gentse atcheologie de klemtoon op de ontwikkeling van de stad en de histofisch-wetenschappelijke vraagstelling, hetgeen er toe leidde dat Gent zich meteen in een Europese context inschreef. Deze aanpak verschilde van de traditionele en thans eigenlijk verouderde museumvisie. Archeologische objecten komen eerder uitzonderlijk in een museum terecht. Voor archeologen is de context van het object belangrijker dan het object zelf. Iets opbouwen aan de hand van uitgelezen archeologische objecten, zelfs in uitstekende museale omstandigheden, of een archeologisch museum zijn geen synoniem voor een degelijk archeologisch beheer. Er zijn ook veel meer communicatiemogelijkheden dan een museum, zoals

M&L

de publiekswerking in en op de onderzoeksplaatsen, evenals de blijvende integratie van relicten in situ. Toen de Gentse ploeg in 1975 haar gemeentelijk mandaat kreeg, had ze in eigen land geen voorbeelden. Het internationale forum, met vooral steden als Rotterdam, Oxford en Douai, vormde het referentiekader. Onder het stimulerende dynamisme van Joan Vandenhoute (1951-1981) kreeg de stadsarcheologische aanpak in zeer korte tijd erkenning en waardering. Na zijn vroegtijdig overlijden werd het beheer van het materiële erfgoed in Gent verder uitgebouwd en de 21 s r e eeuw ingeloodst. Gent was de eerste stad in België die archeologische verantwoordelijkheid op gemeentelijk vlak opnam en opteerde voor een professioneel geleid beheer van het bedreigde archeologische en historische erfgoed in een stad die wereldwijd bekend staat om haar rijke verleden.


ADMINISTRATIFVF ONTWIKKELING Na de fusie van Gent met tien omringende gemeenten in 1977 omvat het Gentse studiegebied een oppervlakte van 15469 hectare. Ais logisch gevolg van de ontwikkelingen binnen de dienstwerking werden de bevoegdheden van de vroegere Dienst Archeologie en Historische Monumenten op 1 januari 1978 uitgebreid en werd de naam omgevormd tot Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie (DMSA). Deze wijziging leidde tot de ontwikkeling van de culturele monumentenzorg en de culturele inbreng in de stadsontwikkeling. O p 23 maart 1993 volgde er terug een opsplitsing tussen de afdelingen monumentenzorg en stadsarcheologie. Dit leidde opnieuw tot een volwaardige ontplooiing van de Gentse Dienst Stadsarcheologie (DA). Sinds 13 mei 2005 zijn het Stadsarchief en de Dienst Stadsarcheologie samen gehuisvest in De Zwarte Doos aan de Dulle-Grietlaan in Gentbrugge. Ze hebben de opdracht er gezamenlijk een historisch kenniscentrum voor de Stad Gent uit te bouwen. Naast kantoren en ateliers omvat De Zwarte Doos ook het archeologisch archief en het gemeentelijk depot van de archeologische vondsten afkomstig uit de opgravingen van de laatste drie decennia.

Sinds het begin van de opgravingen in de Sint-Pietersabdij waren meer dan 300 mensen tewerkgesteld in de Gentse stadsarcheologie. Het voortdurend opnieuw aantrekken van personeel, in diverse contracten en steeds wisselende ploegen - en dit geldt ook voor het systeem van projectarcheologie zoals het de jongste jaren werd toegepast - was geen goede culturele investering. Er ging ontzettend veel expertise en kennis verloren, zonder return voor die investering. Een kwaliteitsvolle implementatie van de archeologische opdrachten is niet mogelijk met een voortdurende mobiliteit van mensen en middelen. De archeologie van de stad is dus niet te reduceren tot het aanleveren van objecten voor een museum of tentoonstelling. Een goed beheer van het archeologisch patrimonium overstijgt deze beperkte culturele visie die ook vandaag nog vaak vanuit museum- of erfgoedwerking wordt vooropgesteld. Een verantwoorde stadsarcheologie sluit voornamelijk aan bij stedenbouw en bouwbedrijf. De cultuursector kan in belangrijke mate bijdragen tot de waardering van het archeologische erfgoed door bijvoorbeeld in allerhande culturele activiteiten, tentoonstellingen, stadspromotie, publicaties en

webapplicaties rekening te houden met de resultaten van archeologisch en bouwhistorisch onderzoek. De grote archeologische tentoonstellingen vonden plaats in de Kunsthal Sint-Pietersabdij. In de aanloop naar het nieuwe stadsmuseum of STAM, waartoe de Dienst Stadsarcheologie indringend bijdraagt, kwamen verscheidene initiatieven met stadsarcheologische inbreng tot stand. Zeer belangrijk was de realisatie van een eigen webstek Archeoweb Gent (8) waarbij ook een virtueel museum van archeologische objecten in een chronologisch overzicht aan het grote publiek wordt voorgesteld.

ARCHEOLOGIE VAN DF STAD Van bij de start in 1973 werd geopteerd voor een archeologie 'van de stad'. Het gaat om totaliteitsonderzoek, hetgeen inhoudt dat de materiële bronnen vanaf de eerste prestedelijke nederzettingsvormen worden behandeld binnen het volledige werkveld of de context van de huidige stad. Elke interventie vormt een schakel van dit totaliteitsonderzoek dat hoe dan ook een meerjarenproject is. De Gentse stadsarcheologie beperkt zich niet tot het beschrijven van de onderzochte sporen en vondsten. In de mate van het mogelijke wotdt er gepoogd ze te situeren ten opzichte van de bekende geschreven bronnen en het beeldmateriaal. Tevens wordt er nagegaan wat hun betekenis was voor de onderzochte plek, maar ook voor de ruimere context van stad, regio en (toenmalig) rijk (9). Stadsarcheologie is een bijzondere vorm van stadshistorisch onderzoek waarbij het bodemarchief en het bovengronds bewaarde archeologisch erfgoed als bron worden gebruikt. Veel onderzoeksprogramma's die de archeologische interventies omkaderen hebben te maken met het ontstaan en de vroege ontwikkeling van de middeleeuwse stad. Het verste verleden komt in de eeuwenlang beroerde vindplaatsen slechts sporadisch aan bod. Toch hebben ook uiterst fragmentarische gegevens zoals de atypische stenen kling van het Goudenleeuwplein of de grote concentratie scherven uit de La Tem die op de Kouter werden opgegraven, een uitzonderlijke wetenschappelijke betekenis. Dit geldt nog meer voor de site Hogeweg met onder meer de restanten van circulaire structuren uit de bronstijd, een opgraving die onder de wetenschappelijke leiding van Jan Vanmoerkerke werd gerealiseerd. Verschillende onderzoeken brachten nieuwe gegevens aan voor de kennis van Gent in de Romeinse


Overzicht van de ingetekende sporen op de site Hogeweg, opgegraven nadat de plek met de cirkelvormige structuren uit de Bronstijd met luchtfotografie ontdekt was door Jacques Semey en jan Vanmoerkerke (plan Stad Gent, dienst Stadsarcheologiel

VROEGE TOT BEGIN LATE BRONSTIJD LATE BBONSTUD (GRACHTVULLING) EWOE LATE BRONSTUO

VROEGE UZERTIJD

LATE UZERTUD ROMEWS ONBEPAALDE

PERIODE

MODELEEUWS RECENT NATUURLIJKE SPOREN

tijd. Het meest betekenisvol waren de opgravingen in de Sint-Baafsabdij en de Sint-Machariuswijk, ten oosten van de samenloop van Leie en Schelde. Hoewel zeer fragmentarisch zijn er naast nederzettingssporen gegevens over artisanale bedrijvigheid geattesteerd. Maar ook op tal van andere plaatsen werd Romeinse aanwezigheid vastgesteld. Wellicht kende Gent in de Romeinse tijd verscheidene nederzettingskernen met een ongelijke bestaansduur en met verschillende functies. Geen enkele ervan blijkt de site aan de samenvloeiing in belang te evenaren. De overgang van de Romeinse tijd naar de volle middeleeuwen blijft nog heel wat problemen stellen. Vroegmiddeleeuwse sporen werden met zekerheid vastgesteld op de sites van Sint-Baafs en SintPieters, respectievelijk de kloosters van Ganda en Blandinium, die een belangrijke rol speelden in het ontstaan en de vroege ontwikkeling van de middeleeuwse stad. Een concentratie aan Merovingische sporen is ook te lokaliseren op de hoge zandrug parallel aan de Schelde (omgeving Gouvernementstraat). Meer concrete gegevens bevestigen het bestaan van een omwalde middeleeuwse handelsstad bij de Schelde, vermoedelijk vanaf de tweede helft van de 9 e eeuw. Vanuit deze kern ontwikkelde zich de middeleeuwse (groot)stad met een tweede grachtenomwalling rond een gebied van 80 ha en een laatmiddeleeuwse expansie met een omwalling van bij de 14 km en een oppervlakte van 644 ha. In de 14 e eeuw behoorde Gent tot de grootste binnenlandsteden van Europa. Dit vertolkte zich eveneens in de stadsordening (het type van een ville

pluricellulairê), de aard van de bebouwing, economische bedrijvigheden en artisanale activiteiten, het consumptiegedrag, kortom de hele cultuur. Steeds weer blijkt dat bepaalde aspecten van stedelijke ontwikkeling in andere en kleinere steden niet voorkomen of pas enkele decennia later een bloei bereikten. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor vergelijkingen met Brugge en leper, sinds de 19 e eeuw samen met Gent ten toneel gevoerd als de drie Vlaamse zustersteden. De wetenschappelijke kennis op basis van de materiële bronnen en hun historische context dwingt op zijn minst tot heel wat nuancering, bijvoorbeeld over de betekenis van de lakenhandel en de plaats van de stad in het internationale handelsgebeuren tussen de 10 c en de I4 d c eeuw. De opeenvolgende stadsuitbreidingen vormen een ankerpunt, maar mogen niet doen vergeten dat er zich buiten die omwallingen ook menselijk leven en bewoningskernen bevonden. Dit werd nog eens duidelijk bij het onderzoek van de site rond de Berg van Barmhartigheid. Dit buitengebied kende al goed georganiseerde nederzettingskernen vanaf de 12 e eeuw hoewel het gebied pas midden 14 c eeuw binnen de stadsfortificatie werd opgenomen. Het is één van de vele voorbeelden die er op wijzen dat kaartmateriaal en klassieke stadsliteratuur niet als leidraad voor het al dan niet archeologisch begeleiden van bouwprojecten in bepaalde gebieden kunnen gehanteerd worden. Er is een veel grotere stadskennis nodig, waarbij vooral plekken waarover niets bekend is, ook de nodige archeologische aandacht moeten krijgen.


Visualisering van it drie opeenvolgende stadsontwikkelingen, gepro|ecteerd op een luchtfoto van vandaag (foto Stad Gent, dienst Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening en pro|ectie Stad Gent, dienst Stadsarcheologie)

RFSCUE ARCHAFOLOGY Het archeologisch onderzoek in stedelijk milieu wordt bemoeilijkt door de manier waarop de materiële bronnen zich aandienen en de wijze waarop ze kunnen worden onderzocht. De doorgaans eeuwenlange bewoning, de complexe stratigrafie en/of relatieve chronologie en de veelal fragmentarische bewaringstoestand beïnvloeden meestal de lectuur en de interpretatie van het archeologische erfgoed. De sterke urbanisatie en de industriële ontplooiing van het stedelijke randgebied en de peri-urbane zones van de deelgemeenten sinds het midden van de 19 e eeuw, vergemakkelijken evenmin de archeologische opdrachten in het zogenoemde buitengebied of de stad buiten de vroegere stadsfortificaties. In Gent vormen die opeenvolgende stadsgrenzen geen reden om een structureel onderscheid te maken tussen bepaalde deelgebieden. Ook in de rand en de deelgemeenten zijn er buiten de bekende dorpscentra archeologische sites en zones die bijzondere aandacht vragen. De stadsarcheoloog kiest zijn interventies niet. De onderzoeksplaatsen worden aan de archeoloog opgedrongen wanneer er archeologisch erfgoed dreigt verloren te gaan door infrastructuurwerken, renovatie, restauratie of nieuwbouw. Omwille van het

grote aanbod en de uiterst bescheiden middelen inzake personeel, tijd en budget, moeten et keuzes gemaakt worden. O p basis van een historischwetenschappelijke vraagstelling en de mogelijkheden voor onderzoek worden prioriteiten bepaald. De voorkeur gaat daarbij uit naar goed geprogrammeerde projecten die hetzij voorafgaand aan de werken, hetzij als scharnierfase in de bouwwerkzaamheden worden geïntegreerd. Jaarlijks is de Gent-

T In de Bijlokesite

die Gillis van de

een type dat ook

werd productieafval

Vyvere in 1661 aan

in de nabije Sint-

van majolica en

de Tijkstraat

Pietersabdij werd

faience opgegraven.

(nu Kortrijksepoort-

opgegraven

Oeze materiële

straat) oprichtte.

(foto Stad Gent,

bronnen konden

De productie bevat-

dienst Stadsarcheo-

worden gekoppeld

te onder meer acht-

logie)

aan de manufactuur

zijdige borden van


nPfiRAVINGEN DP HFT SINT-PIFTFRSPLEIN

De opgravingen op het Sint-Pietersplein, 20032006, verliepen in meerdere fazen. Na onderzoek van het noordelijke deel van het midden-plein gingen daar opnieuw de pleinfuncties door, terwijl ondertussen het centrale gedeelte opgegraven werd. In het grafveld van het atrium ten westen van de monnikenkerk van Sint-Pieters, 10 M 2 c eeuw werden 285 graven onderzocht. Daarvan waren er 92 van het antropomorfe type: met losse stenen bouwde men een grafkelder die aan de schouders breder is dan aan de voeten en vaak was er voor het hoofd een afronding of een nis voorzien. Tot nog toe waren er slechts enkele voorbeelden van antropomorfe graven in Vlaanderen bekend. Het grote aantal bij de Sint-Pieterskerk, in die periode grafkerk van de grafelijke familie, verwijst wellicht naar de adellijke of gegoede onmiddellijke entourage van de graven van Vlaanderen.

Foto's Stad Gent. dienst Stadsarcheologie

M&L

In een van de antropomorfe graven in het grafveld van het atrium van Sint-Pieters, graf S1647, was onder het hoofd van de overledene een identificatiesteentje bewaard. Uit het Latijnse opschrift dat alle zijden van het steentje omvatte, blijkt dat dit het graf was van Vulferus, een leek die overleed op 10 februari 1013.


•4 Het grootste archeologische project in stedelijke context, mede mogelijk dank ZIJ financiering door de bouwheer, omvatte de opgravingen op het SintPietersplein. Op de voorgrond verwijst het muurwerk in visgraatverband naar het grote atrium ten westen van de monnikenkerk, IO'*-II'^ eeuw (foto Stad Gent, dienst Stadsarcheologie)

se stadsarcheologische dienst betrokken bij de uitvoering van 25 tot 45 projecten, hetgeen zeer veel is. Ze zijn verspreid over de hele stad, alhoewel de archeologische sites en historische kernen in de deelgemeenten nog eerder ondervertegenwoordigd zijn.

Dienst Stadsafcheologie 1 Stad G<nt

Syntheseplan van de opgravingen op het Sint-Pietersplein

^m

met naast de vele graven ook de lokalisatie van de middeleeuwse Onze-

Het grootst geprogrammeerde onderzoek dat in Gent werd gerealiseerd omvatte opgravingen op het Sint-Pietersplein voorafgaand aan de bouw van een ondergrondse parkeergarage en de heraanleg van het plein en zijn omgeving. De opgravingen behoorden tot de eerste fase van de vooronderzoeken en startten op 31 juli 2002, lang voor concept en definitief ontwerp waren afgerond. In een periode van 21 kalendermaanden werd er 5389 m 3 bodemarchief onderzocht en werden er 3086 archeologische sporen geregistreerd (10). In een uitgestelde fase werd tussen 13 februari en 23 mei 2006 nog eens een zone van 1000 m 3 met 159 sporen onderzocht. De bouwheer, het Stedelijke Parkeerbedrijf, stelde een budget van ca. 720 000 euro ter beschikking voor de uitvoering van het terreinwerk en voor de aanwerving van projectpersoneel, waar onder drie archeologen voor de duur van 21 maanden.

üeve-Vrouwekerk en de westbouw met het atrium van de Ottoonse monnikenkerk (plan Stad Gent, dienst Stadsarcheolope)

bdijKerk

Sint-Pietersplein

0

ID

a

10

40

5Jm

A


OOK KLEINSCHALIGE PROJECTEN De goed geprogrammeerde projecten zijn niet enkel grootschalig. In een dergelijk versnipperd en gefragmenteerd onderzoeksveld kunnen ook kleinere interventies waardevolle resultaten aanreiken. Immers werden er ook zo interessante vaststellingen gedaan. De opgraving die op de plaats van de panden Gouvernementstraat 30-32, tussen sloop en nieuwbouw werd ingelast, was vrij kleinschalig. En toch leidde dit bodemonderzoek tot de bevestiging van een historische hypothese waarbij deze percelen op het tracé van een eerste middeleeuwse stadsomwalling konden gelegen zijn. Een tweede voorbeeld van een relevant kleinschalig onderzoek wordt aangereikt door een pand aan de Posteernestraat. Na het opruimen van enkele kleine bijgebouwen konden de stadsarcheologen bovengronds de funderingen van een stadsmuur onderzoeken. Hij maakte deel uit van de 13 ^eeuwse stenen verdediging bij de westelijke stadsgracht die omstreeks 1100 was gegraven. Van deze stadsfortificatie blijft enkel de gegraven Ketelvest in het stadsbeeld bewaard. In de bouwblokken langsheen de (Oude) Houtlei konden sinds de 19 e eeuw verscheidene delen archeologisch worden gedocumenteerd, alle via kleinschalig onderzoek (11).

In een tuin aan de

na studie bleek het

Gandaklooster

Sint-Machanusstraat

te getuigen van de

(foto Stad Gent,

vond de eigenaar

hoogstaande

dienst Stadsarcheo-

dit bijzonder

Karolingische hof-

logie)

gesculpteerde stuk:

cultuur binnen het

Na een het slopen

van een stadsmuur.

van bijgebouwen bi{

De bogen droegen

een huis aan de

de weergang van

(foto Stad Gent,

Posteernestraat

een stenen fortifica-

dienst Stadsarcheo-

konden de archeolo-

tie die in de late

logie)

gen bovengronds de

13* eeuw aan de

resten intekenen

grachtengordel van

Li^.Jz^'m ™

omstreeks 11 DO was

;

IL P

f


^ M # ^.»-i.*-*i'

*

*

•

•

*

Het eerste archeolo-

aan de Vrouwe-

lige kloosterkeuken

gische project met

broersstraat.

met zicht op een

bijdrage van de

In de kamers van

brede wandhaard

opeenvolgende ker-

private sector werd

drie kloostervleugels

(foto Geert

ken van Sint-Vecrie

gerealiseerd in het

werd ook het muur- Vermeiren, Gent)

klooster van de ge- werk onderzocht schoeide karmelieten zoals m de voorma-

• Pro)ectie van de

licht kwamen in het bouwblok ten zuiden van het Sint-

(foto Stad Gent. dienst Stedenbouw en Ruimtelijke

op basis van de

Veerleplcin. De colle-

Ordening en plan

archeologische spo-

giale Sint-Veerlekerk

Stad Gent, dienst

ren die bij opgra-

behoorde tot het

vingen en bouw-

voorhof van het

archeologie aan het

Stadsarcheologie)

Gravensteen

M&L


Het opvolgen van bouwactiviteiten wordt ervaren als een zeer arbeids- en tijdsintensieve opdracht, wat zelden in verhouding staat tot de verworven resultaten. Dit geldt evenzeer voor waarnemingen ter gelegenheid van niet gemelde bouwwerkzaamheden often gevolge van meldingen. Als voorbeeld van een dergelijke vondstmelding met verrassende resultaten kan verwezen worden naar een mooi bewerkt kapiteel van 15 cm hoog, dat in een tuin aan de Sint-Machariusstraat werd gevonden. Bij studie bleek het een uiterst merkwaardige sculptuur te zijn, wellicht een onderdeel van de Karolingische kloosterkerk van Ganda (latere Sint-Baafsabdij) die op initiatief van lekenabt Einhard ( + 840) ontstond. Het kapiteeltje sluit aan bij een hele reeks bouwwerken die getuigen van de Karolingische hofcultuur (12).

PROIFCTARCHFOlOfilF Elk jaar verdwijnt er archeologisch patrimonium voor nieuwe ontwikkelingen. Welk antwoord kan de archeologie geven op die honger naar vernieuwing? Wie draagt de maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de vernietiging en/of het onderzoek voorafgaand aan de vernietiging? Geheel conform de voorschriften van het Europese Verdrag van Malta (1992) dragen steeds meer private bouwheren en bouwpartners bij tot de archeologische terreininterventies die in Gent altijd onder leiding en coördinatie van de Dienst Stadsarcheologie worden gerealiseerd. De al vermelde opgravingen op het Sint-Pietersplein waren tot nog toe het meest omvangrijke project dat dank zij de financiële inbreng van de bouwheer kon worden gerealiseerd. Het oudste voorbeeld waarbij de private sector mee investeerde in preventief archeologisch onderzoek, dagtekent van 1999 en had betrekking op de eerste pandhof van het klooster van de geschoeide karmelieten, een eigendom van de Provincie Oost-Vlaanderen. De via bodem- en bouwarcheologie gedetecteerde gegevens van het reftergebouw, de middenvleugel en de vleugel aan de Plotersgracht moesten in samenhang met de bekende geschreven informatie en het vroeger uitgevoerde archeologisch onderzoek binnen hetzelfde klooster een goede basis leveren voor de opmaak van een nieuw restauratiedossier. De geregistreerde, veelal zeer fragmentarische sporen lieten toch toe de evolutie van de bebouwing rond de pandhof tussen de 15 ': en de 18 ^ eeuw te volgen (13). Een ander voorbeeld van projectarcheologie vond tussen augustus tot oktober

tie die in de I 0 d '

Sedert 1980 worden

Bij de eerste (ase

alle restauratie-

kwamen in de kei-

eeuw kan worden

ingrepen in het

der van de donjon

gesitueerd

Gravensteen vooraf-

restanten van een

(Foto Stad Gent.

gegaan door archeo-

centrale houtbouw

Dienst Stadsarcheo-

logisch bodem- en

aan het licht, een

logie)

muuronderzoek.

tweelagige construc-

1999 plaats op de Vismijnsite aan het Sint-Veerleplein. Voorafgaand aan de geplande renovatie door de N V Vismijn kon een 669m 3 archeologisch bodemarchief worden onderzocht (14). Het onderzoek maakte het mogelijk nieuwe gegevens in te winnen over het voorhof van het Gravensteen en over de middeleeuwse collegiale Sint-Veerlekerk met haar ten westen gelegen begraafplaats. Archeologische waarnemingen en kleinschaliger onderzoek in het zuidelijke bouwblok van het Sint-Veerleplein maakten het verder mogelijk de opeenvolgende Sint-Veerlekerken precies te lokaliseren en wat er nog overbleef aan sporen duidelijk in kaart te brengen.

BnUWPROIFCTFN In 1978 besliste de Stad Gent om de restauratie en renovatie van stadseigendommen te laten voorafgaan door grondig archeologisch en bouwhistorisch onderzoek Deze afspraak gold in de eerste plaats


voor het monumentale patrimonium. Hoewel de basisvisie over archeologisch patrimonium in monumentensites duidelijk wordt vastgelegd in documenten als het Charter van Venetië (1964), bleek het samengaan van archeologie en monumentenzorg geen vanzelfsprekende aangelegenheid (15). Elke discipline heeft immers specifieke opdrachten met eigen methodes, geëigende technieken en andere fmaliteiten. De monumenten zijn voor de archeologen een belangrijk, maar zeker niet het enige onderzoeksterrein. Voor de archeoloog primeert ook de hele ontwikkeling van de site, vanaf het eerste menselijke spoor. En dit is iets anders dan een soort van gespecialiseerd aannemersbedrijf dat belast wordt met het onderzoeken van funderingen of het opsporen van 'originele' vloerniveaus. Het archeologisch onderzoek van een monument in zijn totaliteit kan een beter inzicht aanreiken aan de monumentenzorger en beslissingen naar conservering en behoud ondersteunen. Anderzijds kan de monumentenzorg evenmin worden gereduceerd tot een archeologische bijdrage. Sinds 1978 zorgt Gent dus bij veel bouwprojecten, waarbij de stad op de een of andere manier betrokken is, voor een aanvaardbare integratie van de archeologische opdrachten: grondig preventief onderzoek voorafgaand aan de werken, permanente begeleiding en eventueel bijkomend onderzoek bij de uitvoering van de werken, kortom opname van de archeologische bevindingen in het totale concept. Een dergelijke samenwerking vraagt een continue samenspraak tussen de archeologie en het hele bouwgebeuren van een stad en veronderstelt dat de archeologie een volwaardige partner is. Pilootvoorbeelden waren voor de periode 19781980 de restauraties aan het Toreken aan de Vrijdagmarkt, het Caermersklooster of klooster van de geschoeide karmelieten aan de Lange Steenstraat, het Hof van Ryhove aan de Onderstraat en het Gravensteen. Inmiddels groeide dit samenwerkingsverband uit tot een goede samenwerking bij heel wat, ook grootschalige projecten.

De lokalisatie van

bouwarcheologie.

de l3''-eeuwse

De zuidelijke tran-

ontwikkelingen

momalenkerk in de

septmuur bleef in

(foto Stad Gent, dienst Stadsarcbeo-

Bijloke berust op

opstand bewaard,

een samenhang van

maar onderging

opgravingen en

aanpassingen bij

jongere bouw-

jaar lang al beginnen in Gent alle grote bouwprojecten met een bevraging van alle betrokken partners en wordt de archeologie hierbij als volwaardige deelgenoot betrokken. Zo dagtekent bijvoorbeeld al een eerste advies met betrekking tot de mogelijkheid van een ondergrondse parkeergarage onder het Sint-Pietersplein van 1997, zowat zes jaar voorafgaand aan de start van de bouwwerken.

Tussen gebouwen uit diverse periodes leidden opgravingen en muurarcheologie tot de precieze lokalisatie van een ^''-eeuwse, dnebeukige cisterciënzennnenkerk (plan Stad Gent, dienst Stadsarcheo-

Elke legislatuur duikt in Gent wel eens de vraag op waar de archeologie in de ambtelijke structuren thuis hoort. Omdat de archeologie zich door visie, inhoud en praktijk op een kruispunt van vele beleidsdomeinen beweegt, is er geen eenduidig antwoord. Een goed beheer vraagt een degelijke aansluiting bij stedenbouw, openbare werken, bouwprocedures en bouwprojecten. Dit wordt in elke gemeente anders georganiseerd en is ook afhankelijk van de grootte van de stad. Zo wat tien

M&L


Bouwarcheologie Van meet af aan heeft de Gentse stadsarcheologie opgravingen gecombineerd met archeologisch muur- en dakonderzoek van bovengronds bewaard erfgoed. Deze aanpak heeft te maken met toestanden in de pioniersjaren (1973-1976). O p dat ogenblik waren de restauratie en renovatie van historische panden een puur technische aangelegenheid. De originele sporen in de bodem en het bovengronds gebouwenpatrimonium werden vernietigd en/of vernieuwd zonder registratie van oorspronkelijke gegevens, contexten en verbanden. Er bestonden ook nog geen monumentendiensten. Die werden pas opgericht op 1 januari 1978. Als antwoord op die vernietiging en vernieuwing, ook in wettelijk beschermde monumenten zoals het Belfort, het Stadhuis en de Sint-Niklaaskerk, bracht de Gentse equipe archeologisch muur- en dakonderzoek tot ontwikkeling, lang voor dit elders in Vlaanderen gebruikelijk werd. De gezamenlijke benadering van bodemarchief en bovengronds patrimonium wordt tevens ondersteund door de redenering dat het loopniveau van vandaag een kunstmatige grens trekt, een grens die inhoudelijk eigenlijk geen betekenis heeft. Bij ongeveer de helft van de Gentse interventies worden opgravingen gecombineerd met Bauarchaologie. Bij een beperkt aantal projecten vormen de gebouwanalyses een eerste verkenning voor vervolgonderzoek.

Uit de veelheid aan projecten die deze aanpak over de voorbije dertig jaren illustreren, kan het voor-

Archeologisch onderzoek in het Hof van Ryhove leidde tot de reconstructie van het l3''-eeuwse Simon sRijkensteen dat een ouder natuurstenen huis opvolgde (maquette Stad Gent, dienst Stadsarcheologie)

22

20

18

16

14

12

10

Het interdisciplinaire

sporen als uitgangs-

(3) vermoedeli)ke

huizenondenoek

punt, leidde tot een

bouwcampagnes,

van het bouwblok

synthese:

(4) eerste geschre-

gevormd door de

(1) belangrijke

ven vermelding

huizen Kammer-

bouwcampagnes,

(tekening Stad Gent,

straat 2 tot 22,

(2) niet-structurele

dienst Stadsarcheo-

met de materiele

veranderingen.

logie)

beeld van de Bijlokesite worden aangehaald. De terreininterventies onder leiding van de Dienst Stadsarcheologie van de Stad Gent omvatten er zowel opgravingen als archeologische waarnemingen bij werken, alsook bouwarcheologie en dakkaponderzoek met dendrochronologie. Voor elk deelonderzoek vormde een renovatie- of restauratieproject de aanleiding. De eerste interventie dagtekent van 1988 en omvatte het archeologische vooronderzoek van de 13 c -eeuwse ziekenzaal met haar unieke kapconstructie (16). Het archeologisch onderzoek van 2005 en 2006 concentreert zich op de gebouwen van de voormalige cisterciënzerinnenabdij en kadert in de voorbereidende werkzaamheden voor de inrichting van het nieuwe stadsmuseum of STAM (17). Dit onderzoek maakte het mogelijk de 13 t c eeuwse monialenkerk, waarover zo goed als geen informatie bestaat, juist te lokaliseren en de plattegrond te reconstrueren. O p één in opstand bewaard muurdeel van het zuidelijke transept na werd de hele abdijkerk in de 16 c eeuw afgebroken. Alle archeologische interventies in de Bijloke kaderen overigens in de wetenschappelijke vraagstelling over de betekenis van deze site voor het ontstaan en de ontwikkeling van Gent, de evolutie van het Bijloke-areaal doorheen de eeuwen en de betekenis van zowel ziekenhuis als abdij in ruimer Europees perspectief.

HUIZFNQNDFRZOFK Door het verrichten van bodemonderzoek en muurarcheologie in stedelijk milieu worden de archeolo-


Het interdisciplinaire onderzoeksproiect van de deelgemeente Sint-Kruis-Winkcl omvatte ook archeologische aspecten zoals de registratie van muursporen tussen de gewelven en de dakkap van de Heilig-Kruiskerk: daar bleven immers de oudste, nog niet beroerde of herstelde sporen bewaard van een unieke gotische kerk uit het landelijke gebied ten noorden van Gent (foto Stad Gent, dienst Stadsarcheo-

logie)

gen dagelijks geconfronteerd met huizen en huisresten, evenals met de materiële context waarin deze relicten thuishoren. De studie van de materiële sporen maakt het mogelijk de evolutie van een site, in casu de bebouwing, te reconstrueren. Verschillende archeologische onderzoeksprojecten vormden een leerproces in een zoektocht naar een betere koppeling tussen materiële bevindingen en geschreven informatie. Door de grote rijkdom aan archiefbronnen over Gent anders te bekijken, door als basis aanvankelijk weinig benutte fiscale en kadastrale bronnenreeksen te raadplegen, is het sinds 1992 mogelijk om op een betrouwbare en vooral meer exhaustieve manier aan huizenonderzoek te doen. De materiële sporen vormen nog steeds het uitgangspunt en dit blijkt ook absoluut noodzakelijk om de link te kunnen leggen met de geschreven bronnen. De dode materie krijgt even wel een nieuwe dimensie omdat ze kan worden gekoppeld aan mensen met hun leven en hun activiteiten. De interdisciplinaire samenhang van het onderzoek bepaalt de kwaliteit van het eindresultaat. Telkens weer blijkt verder dat de resultaten van een huisproject de genese van het pand overstijgen. Via de eigenaar/bewoner, zijn woon- en leefcultuur wordt men geconfronteerd met de hele politieke, economische, sociale, culturele en levensbeschouwelijke context (18). Het eerste interdisci-

plinaire huizenproject dat tot onverwachte resultaten leidde, had betrekking op het Hof van Ryhove aan de Onderstraat, ontstaan uit het Simons sRijkensteen (19). Meer grootschalige projecten van dergelijk huizenonderzoek omvatten de wijk van het Prinsenhof of de vroegere adellijke site van De Wal (20) en daar bij aansluitend de omgeving van de Berg van Barmhartigheid aan de Abrahamstraat (21), beide gelegen tussen het Gravensteen en

Oeze 17 '-eeuwse kruik, opgegraven in oostsector van de Sint-Pietersabdij en versierd met het huismerk van de abdij, vormde het embleem voor een eerste in 1976 opgestelde stotus «juaestionis rondom de betekenis van de archeologie voor de kennis van Gent (foto Stad Gent, dienst Stadsarcheologic)


-AM.

•r FjlgiK

iUl

tjlb t €

BiiJJii ui •,m

II

fis f il II I J

|

i - lie OU .

*

...

Ml \

§ 1"

I

ifï ifFtr i


de laatmiddeleeuwse, westelijke stadsomwalling. Een grootschalig interdisciplinair project dat thans in wording is, heeft te maken met de deelgemeente Sint-Kruis-Winkel of het oude Winkel, waarbij uitgetest wordt of de methode die voor het centrum van de stad kan gelden ook voor buitengebieden met tal van oudere historische kernen kan worden toegepast.

STATUS QDAFSTIQNIS O p regelmatige tijdstippen wordt er een status quaestionis opgemaakt. Graven naar Gents verleden gaf in 1976-1977 (22) een eerste overzicht van de ontwikkeling en de betekenis van het archeologisch onderzoek. Dit leidde tot een visie over het implementeren van de stadsarcheologie in Gent als essentieel onderdeel van een herwaardering voor de stedelijke leefomgeving. Met Wat 'n leven binnen die muren'. Gent 7700-/350(1986-1987) (23) werd gekozen voor een focus op de middeleeuwse stad en de ontwikkeling van de 12 e tot de 14 ': eeuw. De daarin verantwoorde toekomstvisie onderstreepte de noodzaak voor een koppeling met het beleidsinstrumentarium van stedenbouw en ruimtelijke ontwikkeling om tot een degelijk archeologisch beheer te komen. Het blijft ook thans nog de betrachting om een betere beheersstrategie uit te bouwen met meer aandacht voor behoud, voor de aanleg van archeologische reserves en voor het uitbouwen van een betere preventieve onderzoeksstrategie. Maar ook de kennis van de stad als basis voor de keuzes en prioriteiten moet permanent worden bijgesteld. Opties voor lange termijn blijken niet altijd realistisch. Nieuwe bevindingen kunnen leiden tot wijziging van prioriteiten. De voortschrijdende erosion of history noopt tot regelmatige reflectie. Een recent voorbeeld uit de stadsgeschiedenis is de casus van de Korenmarkt. Tot voor een tweetal jaren werd dit plein nog altijd en enkel als een belangrijke middeleeuwse markt beschouwd. Een eerste opgraving, vooronderzoek voorafgaand aan een project voor heraanleg met bodemingrepen, leverde al enkele nuances. Zo rees toen het vermoeden dat de Korenmarkt misschien op een oudere gedichte Leie-arm was ontstaan (24). De vondst van meekrap en wouw, planten die voor het textielverven werden benut (25), evenals een muntvondst (26) verruimden de economische betekenis van deze stedelijke ruimte. Nieuw onderzoek van geschreven bronnen wees voorts op het bestaan van twee middeleeuwse kapellen, een ommuurd kerkhof en heel wat verkoopsstallen in de zone ten wes-

ten van de Sint-Niklaaskerk tot het einde van de 16 ': eeuw (27), zonder een precieze lokalisatie aan te geven. Deze nieuwe visie vanuit de geschreven bronnen impliceerde een bijsturing van advies en aanpak voor de integratie van archeologisch onderzoek bij de komende heraanleg. Thematische projecten waarbij de status quaestionis wordt opgesteld van een bepaald onderwerp, dat verder kan worden bestudeerd, dragen eveneens bij tot de noodzakelijke reflectie. Een aantal van de meer uitgediepte thema's die leidden tot een heroriëntering van vraagstelling, beheer- en onderzoekaanpak zijn: de ontwikkeling van het stenen huizenbestand in de late middeleeuwen (28), de evolutie van het stadscentrum met zijn patricische domeinen ten opzichte van nieuwe stadsgebieden met stedelijke verkavelingen en deelgebieden waar de ontwikkeling vanuit adellijke domeinen plaats vond, de betekenis van de open ruimte in de stad met aandacht voor het onderscheid tussen verschillende periodes uit het verleden en de hedendaagse situatie, de kennis over de beide abdijen en de rol die ze vervulden bij het ontstaan van de middeleeuwse stad, de betekenis van deelgebieden zoals Winkel, Afsnee, Herlegem of Meulestede, economische themata zoals de betekenis van 17 c -eeuwse manufacturen van Hollands porselein versus de lokale pottenbakkersateliers die nog oxiderend gebakken aardewerk vervaardigden (29).

VERENIGINGEN De ruime publieksenquête rond de tentoonstelling Graven naar Gents verleden en vooral het debat dat daarover in december 1976 plaats vond, lieten de noodzaak voelen om alle geïnteresseerden in de Gentse archeologie samen te brengen. Aanvankelijk werd er een aansluiting gezocht bij bestaande verenigingen, maar dit bleek niet evident. Vooral de bundeling van professionelen en amateurs bleek een onoverbrugbare hindernis. Met de oprichting van de Gentse Vereniging voor Stadsarcheologie in mei 1977 lukte dit wel. Sindsdien heeft deze vereniging een essentiële rol vervuld in de ontwikkeling van de archeologie in Gent: initiatieven rond vorming en opleiding, het invullen van lacunes zoals bij de introductie van de informatie, het uitgeven van publicaties. Hoewel de vereniging aanvankelijk ook de idee had zelfstandig opgravingen uit te voeren, hield deze optie niet lang stand en dit had voornamelijk te maken met de professionalisering van de stadsarcheologische werking. Van in


1973 werken geïnteresseerden vaak mee op opgravingterreinen en in projecten, maar deze worden steeds geleid door de professionele archeologen. Overigens werkt de Dienst Stadsarcheologie ook samen met een hele reeks andere cultuurhistorische verenigingen zoals de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde die in 1893 werd opgericht. Bij het begin van de 2 r t e eeuw dringt zich evenwel de vraag op of de traditionele verenigingen kunnen overleven en of er geen nieuwe samenwerkingsvormen moeten worden gecreëerd om alle belangstellenden krachtiger te verenigen.

Rl AUWDRÜK VOOR EEN TOEKOMST Vanuit de Gentse ervaringen kunnen een aantal algemene bedenkingen worden geformuleerd. Elke gemeente beschikt over een archeologisch erfgoed dat in grote mate nog onbekend is. Het gaat om sporen die te maken hebben met het gemeenschappelijke verleden van die gemeente, met het collectieve geheugen van de lokale leefgemeenschap, en daarom is het ook logisch dat in eerste instantie de gemeente zelf haar archeologische verantwoordelijkheid opneemt (30). Vanuit een totale (dit wil zeggen: niet periodegebonden) visie op het onderzoeksgebied biedt de professionele (inter)gemeentelijke archeologie de meeste en de beste mogelijkheden om het archeologische patrimonium te beheren en in een vroeg stadium in de plan- en bouwprocessen te integreren als behoud in situ niet evident of niet mogelijk is. Dit betekent geen carte blanche voor de gemeente. Het is belangrijk dat ze voor de verantwoordelijkheid die ze opneemt door de hogere overheden gestimuleerd en gesteund wordt en dat alles geschiedt binnen het algemene kader van de sectoriële wet- en regelgeving, waarvan het Verdrag van Malta (1992) maar één van de beleidsinstrumenten is. O m een volwaardig archeologisch management op gemeentelijk vlak kansen te geven, moeten even wel een aantal belangrijke randvoorwaarden geëerbiedigd. De historisch-wetenschappelijke vraagstelling die alle adviezen en onderzoeken zou moeten omkaderen, veronderstelt een zeer grondige kennis van het onderzoeksgebied en een continuïteit in zake goed gekwalificeerd personeel en budgettaire middelen. Een goed archeologisch management veronderstelt, op het gemeentelijke niveau, een beleidsinstrumentarium dat afgestemd is op stedenbouw, ruimtelijke planning en bouwprocedures met een tijdig onderzoek indien dit vanuit vraagstelling,

plek en bedreiging op het archeologische patrimonium nodig blijkt. De Gentse ervaring pleit voor het gezamenlijke voortbestaan van beheer, onderzoek, uitwerking, kennisopbouw, archief en depot, evenals communicatie binnen eenzelfde duidelijk herkenbare instelling, omdat dit de beste garanties biedt voor zowel een degelijk onderbouwde als historisch-wetenschappelijk verantwoorde aanpak. Het is belangrijk te beseffen dat archeologie meer is dan administratie, procedures, techniek of terreinonderzoek. Het onderzoek van de stad, de kennisopbouw, blijft één van de belangrijkste opdrachten, maar dreigt door een overwicht aan andere, in se vaak zeer secundaire taken, verloren te gaan. Die kennisopbouw is ook alleen mogelijk vanuit een goede coördinatie binnen het hele onderzoeksveld van de stad. Gent is zeker geen ideale stad. De resultaten van het archeologische management sinds 1973, vaak gerealiseerd in 'onmogelijke' omstandigheden mogen er evenwel zijn en getuigen van een bijzonder grote kennisverrijking over de ontwikkeling en de betekenis van Gent in verleden en heden.

Marie Christine Laleman is stadsarcheoloog en adviseur van de Stad Gent, en doceert stadsarcheologie en bouwarcheologie.

EINDNOTEN (1)

Deze bijdrage kwam tot stand met de medewerking van de archeologen Marie-Anne Bru, Gunter Stoops en Geert Vermeiren, allen verbonden aan de Dienst Stadsarcheologie van de Stad Gent. Georges Antheunis en Peter Steurbaut stonden in voor de afbeeldingen. Met dank ook aan alle andere medewerkers van de Gentse stadsarcheologie.

(2)

LALEMAN M.C., Een kwarteeuw stadsarcheologie in Gent. Verleden, heden en toekomst, in Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent, jg. 22, nr. 4, 1998, p. 5-22, met de daarin opgenomen referenties.

(3)

LALEMAN M.C., Prof. Dr. Firmin De Smidt (1904-1983) en het archeologisch onderzoek in Gent, in Stadsarcheologie, jg. 7, nr. 2, 1983, p.29-35, met de daarin opgenomen referenties.

(4)

Zie voornamelijk: VAN DE WALLE A.L.J., Le Chateau des Comtes de Flandre a Gand. Quelquesproblèmes archéologtques, in Chateau Gatllard, nr. 1, 1964, p. 163-169.

(5)

DE LAET S.J., Lesfouilles de Destelhergen. Origines de la villegalloromaine de Gand, in Archéologia, 1969, p. 57-69; DE LAET S.J., THOEN

H. & BOURGEOIS J., Les fouilles de Séminaire


d'Archéologte de k Rijksuniversiteit te Gent a Destelhergen-Eenbeekeinde (1960-1984) et l'histom la plus ancienne de la region de Gent (Gand), {Dtssertationes arehaeologieaegandenses 25), Brugge, 1986. (6)

VANDENHOUTE ] . , ca., De Sint-Pietersabdij te Gent. Historisch en archeologisch onderzoek, Gent, 1977-1979; LALEMAN

Gentse Bijloke, in Vobov-lnfo, nr. 62, 2005, p. 38-45. (18) CHARLES L., e.a., Erf, huis en mens. Huizenonderzoek in Gent, Gent, 2001.

M.C., RAVESCHOT P. & VAN DE WALLE R. (red.). De Sint-

(19) BOONE M., LALEMAN M.C. en LIEVOIS D., Van Simon

Pietersabdij te Gent. Het njke leven van zieke monniken. Twee af-

sRijkensteen tot Hof van Ryhove. Van erfachtige lieden tot dienaren

valputten uit de infirmerie 1600-1780, Gent, 1985; LALEMAN

van de centrale Bourgondische staat, in Handelingen der Maat-

M.C., De Sint-Pietersabdtj te Gent. Dertien eeuwen geschiedenis en

schappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, XLIV, 1990,

cultuur. Gent, 1992; LALEMAN M.C., Het stenen verleden. Een

p. 47-86.

beknopt overzicht van bouwactiviteiten, bouwkundige ontwikkeling

(20) LALEMAN M.C. (dit.). Het prinselijk Hof ten Walle in Gent,

en monastieke architectuur, in DECLERCQ G. (red.), Ganda &

Gent, 2000; LALEMAN M.C., Het prinselijk Hof ten Walle in

Blandinium, De Gentse abdijen van Sint-Pieters en Sint-Baafs,

Gent: recent onderzoek en nieuwe inzichten, in Handelingen der

Gent, 1997,p. 115-146;IALEUAN

Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, LV,

U.C., De ontwikkelingvan

Blandinium, in Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, nr. LVIII, 2004, p. 3-22. (7)

et dArchéologie de Belgique (Liège), dl. 11,1992, p. 129-135. (17) LALEMAN M.C. en STOOPS G., Archeologisch onderzoek in de

HEIGHWAY C., The Erosion of History. Archaeology and Planning in Towns, London, 1982.

2001, p. 199-236. (21) CHARLES L , e.a.. De Berg van Barmhartigheid in Gent, Gent, 2003. (22) VANDENHOUTE J. (dir.). Graven naar Gents verleden, Gent, 1976.

(8)

www.archeoweb.gent.be

(9)

LALEMAN M.C., L'approchepluridisciplinairedune ville: Gent, in Les cahiers de Turbanisme. Mélanges d'archéologie médiévale. Liber amicorum en hommage'aAndré Matthys, Liège, 2006, p. 112-121.

(10) VAN DEN BREMT A. en VERMEIREN G., Archeologisch vooronderzoek op het Sint-Pietersplein en aan de Tweekerkenstraat, in

(23) LALEMAN M.C. en RAVESCHOT P. (dir.). Wat 'n leven binnen die muren! Gent 1100-1350, Gent, 1986. (24) LALEMAN M.C. en STOOPS G., Korenmarkt, in Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent, jg. 22, nr. 1, 1998, p. 31-33 & nr. 2, p.60; LALEMAN M.C., Espaces publics dans les villes fla-

Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde

mandes au moyen age: Tapport de Tarchéologie urbaine, in BOONE

te Gent, nr. LVIII, 2004, p. 23-58.

M. en STAB EL P. (eds). Shaping Urban Identity in late Medieval

(11) LALEMAN M.C. en STOOPS G., Ontwikkelingen verdediging in Gent. Een beknopt overzicht van de stadsarcheologische bijdrage (ca. 9de-17de eeuw), in Uit Vlaamse bodem: 10 archeologische verhalen, Sint-Niklaas, 1996, p. 120-140.

Europe. Leuven-Apeldoorn, 2000, p. 26-41. (25) BASTIAENS J., Verven met wouw en meekrap. Archeobotanisch onderzoek van de Korenmarkt te Gent, in Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent, jg. 22, nr. 2, 1998, p. 43-50.

(12) LALEMAN M.C., Karolingisch kapiteel, in Stadsarcheologie, jg. 3, nr. 1,1979, p. 47-53.

(26) BEECKMANS L., Een 12de-eeuwse omloopschat op de Korenmarkt te Gent, in Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent, jg. 22,

(13) VERMEIREN G., Het Caermersklooster, Onderzoek van de eerste

nr. 2, 1998, p. 33-41.

pandhof in Monumentenzorg en Cultuurpatnmonium. Jaarverslag

(27) LIEVOIS D., Kapellen, huisjes, fruit en bloemen bij de westgevel

van de provincie Oost-Vlaanderen 1999, Gent, 2000, p. 106-110.

van de Sint-Niklaaskerk in Gent, in Handelingen der Maatschappij

(14) BAUTERS L , PYPE R en VERMEIREN G., Kranen vervangen

voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, nr. LIX, 2005, p. 71-

troffels. De toepassing van mechanische middelen bij het archeologisch onderzoek, in Monumentenzorg en

115.

Cultuurpatnmonium.

(28) LALEMAN M.C. en RAVESCHOT P, Inleiding tot de studie van

Jaarverslag van de provincie Oost-Vlaanderen 1999, Gent, 2000,

de middeleeuwse huizen in Gent Periode 1100-1300. De Kelders,

p. 51-56; BRU M.A. en VERMEIREN G., Gent. Sint-Veerlekerk,

(Verhandelingen Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschap-

{Erfgoedmemo 8), Gent, 2004; LALEMAN M.C., Témoins de bas-

pen. Letteren en Schone Kunsten van België), Brussel, 1991; LALE-

ses-cours seigneunales dans Ie tissu urbain dune ville: Texemple de

MAN M.C., De Gentse Stenen: getuigen van handel in laken, graan

Gent (Gand, Flandre oriëntale, Belgique), in Chateau Gaillard,

en bouwstenen, in Rotterdam Papers, nr. 7, 1992, p. 61-73; BAR-

nr. 21,2004, p. 179-189.

BRY N., e.a.. Middeleeuws Manhattan. Rijkdom in Gentse Stenen,

(15) LALEMAN M.C., Monumenten

en archeologisch erfgoed, in

Vlaamse archeologie. Opgravingen in binnen- en buitenland, Oudenburg, 1990, p. 51-55.

(Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen), Gent, 1999. (29) LALEMAN M.C., e.a., Hollands porselein uit Gent, in Stadsarcheologie. Bodem en monument in Gent, jg. 20, nr. 3, 1996, p. 5-55;

(16) HOFFSUMMER P., La charpente de la salie des malades de

ACKE B., LALEMAN M.C. en STOOPS G., Mobiliteit van

Thöpital de la Byloque d Gand, in Actes du Lie Congres de la Fede-

mensen, grondstoffen, technieken en kennis: het Hollandse porselein

ration des Cercles dArchéologie et d'Histoire de la Belgique (LTege),

in het Ilde-eeuwse Cent, in Open Monumentendag Gent. Import

dl. 1, 1992, p. 94-95; LALEMAN M.C. en RAVESCHOT P,

Export, 2006, p. 36-45.

L'hêpital de la Bijloke a Gent: premier bilan de la recherche archéologique, in Actes du Lie congres de la Federation des Cercles d'Histoire

(30) Cf. ook mijn nota voor de Vlaamse Verenging van Steden en Gemeenten, eind 2001.


Bieke

Hillewaert

ARCHEOLOGIE IN BRUGGE. VAN STEDELIJKE NAAR INTERGEMEENTELIJKE DIENST • Sporen van een grafmonument uit de Bronsti|d op de hoek van de Glstelse Steenweg en de Expressweg te Sint-Andnes/Brugge

((oto Raakvlak)

Brugge beschikt archeologische gebracht

sedert

1977 over een

dienst, die structureel

bij de Stedelijke

Musea.

aan de Brugse stadsarcheologie niet beperkt

eigen is onder-

Kenmerkend is dat ze zich

tot de stadskern.

Reeds een tien-

tal jaren wordt ruime aandacht

besteed

aan

de Brugse rand. De stad kan immers

slechts

'begrepen'

worden als de relatie met

het

hinterland

eveneens

Het voordeel

wordt

van de stad is de meestal toestand

in de

werd in dezelfde

periodes

bewaringszeker

betreft.

de Intergemeentelijke

van

stap

Raakvlak,

Dienst voor

Ommeland.

voor

In 2004

lijn een belangrijke

door de oprichting

in Brugge en

omgeving

betere

van het bodemarchief,

wat de vroegste gezet

bestudeerd.

van onderzoek

GESCHIEDENIS

Archeologie

Ontstaan "Wiegeen geheugen heeft bestaat niet, wie het kwijt is bestaat niet langer, wie het verwaarloost zet zijn voortbestaan op het spel", zo stelt Theo Holleman in zijn boek over de Nederlandse archeologie (1). Het geheugen van een gemeenschap zit voor een deel vervat in de bodem. In dit verband wordt de term bodemarchief gebruikt voor het geheel aan informatie over het verleden dat zich in de bodem bevindt. De stad Brugge was, na Gent, één van de eerste lokale besturen die zich op structurele wijze om haar bodemarchief bekommerde (2). De Brugse Stedelijke Archeologische Dienst werd in 1977 opgericht als een onderafdeling van de Stedelijke Musea, die reeds een behoorlijke archeologische verzameling in haar collecties had (3). Het aanvankelijk personeelsbestand telde één archeoloog (4).


Sporen van een grafmonument uit de Bronstijd op de hoek van de Glstelse Steenweg en Expressweg te Sint-Andnes/Brugge (foto Raakvlak)

Nadien groeide de dienst uit tot een erkende waarde. Gedurende een twintigtal jaren werd het accent hoofdzakelijk op het onderzoek in de binnenstad gelegd. De resultaten zijn zeer gevarieerd en beslaan het domein van het ontstaan van de stad, de bewoningsgeschiedenis, de geschiedenis van ambachten, de materiële cultuur en nog veel meer. Het zou ons te ver voeren om een opsomming te geven van alle opgravingen. We beperken ons tot enkele mijlpalen in het toenmalige onderzoek, zoals het onderzoek naar de grafkelders in de Onze-Lieve-Vrouwekerk, met onder meer een aantal beschilderde graven en het graf van Maria van Bourgondië (5), de opgravingen op de Brugse Burg, waarbij resten van de Sint-Donaaskerk en sporen van de oudste grafelijke burcht aan het licht kwamen (6) en de studie van laatmiddeleeuwse ambachtelijke resten, zoals de ovens en het afval van de pottenbakkers aan de Potterierei (7) en de looikuipen en het afval van de leerlooiers in de omgeving van de Eekhoutstraat en de Garenmarkt (8). Vanaf 1996 gebeurde ook systematisch archeologisch onderzoek in de Brugse rand. Grote verkavelingen werden opgegraven vooraleer de bouwwerken van start gingen. Het onderzoek in de rand bracht informatie over periodes waar in de binnenstad door eeuwenlange bebouwing nauwelijks nog iets van over blijft. De resultaten overstegen bovendien het lokale belang.

Zo werd naar aanleiding van graafwerken voor een nieuwbouw in 2000 op de hoek van de Gistelse Steenweg en de Expresweg te Sint-Andries een geheel van drie concentrische grachten aangetroffen, te dateren in de bronstijd. De middelste cirkel vertoonde een onderbreking. Midden deze cirkel werden ook de sporen van een (uitgetrokken?) palenkring waargenomen. De vondst is onder te brengen in de funeraire sfeer en wekte de aandacht van specialisten in binnen- en buitenland. Bij verder onderzoek werden in de onmiddellijke omgeving van de expresweg nog meer cirkels gevonden, waardoor we kunnen afleiden dat er zich op deze plaats in de Bronstijd een grafveld moet bevonden hebben (9). Het onderzoek op de terreinen achter de Refuge, eveneens in Sint-Andries, was in 1996 het eerste in noordelijk West-Vlaanderen waarbij Romeinse nederzettingssporen over een areaal van meer dan 3 ha werden onderzocht. De sporen zijn in verband te brengen met een agrarische omgrachte nederzetting, waarbinnen de plattegronden van een tiental hoofdgebouwen en verscheidene bijgebouwtjes of spijkers werden aangetroffen. Een vierkante houten waterput kon via dendrochronologie in de jaren '80 van de VK eeuw na Christus gedateerd worden. In de zuidoostelijke periferie werd vermoedelijk het grafveld aangesneden dat bij de nederzetting moet hebben gehoord. Overeenkomstig het toen gangbare ritueel gaat het om crematies en meer bepaald


• Een Romeinse ' •

•

houten waterput. aangetroffen op de terreinen achter de Refuge te SintAndrles/Brugge (foto Raakvlak)

Houten spaakwlel

Sint-Andnes/Brugge

uit de eerste helft

(foto Stedelijke

van de 6 d ' eeuw.

Fotografische Dienst

aangetroffen op de site Kosterijstraat te

• Sporen van de standgreppel van een gebouw uit de vroege middeleeuwen, op de site Kosterijstraat te Slnt-Andnes/Brugge (foto Raakvlak)

om zogenaamde brandrestengraven, waarbij de verbrande beenderen samen met een kleine hoeveelheid brandstapelresten in een rechthoekig kuiltje werden bijgezet. Het onderzoek op deze terreinen gebeurde in samenwerking met het toenmalige Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP) en bracht naast de vermelde Romeinse resten ook een Karolingische nederzetting en een boerderij uit de hoge middeleeuwen aan het licht (10). Wat de vroege middeleeuwen betreft, tenslotte, behoren de opgravingen in Molendorp en aan de

Korte Molenstraat te Sint-Andries (1996-1999), samen met die in Jabbeke en Oudenburg, tot de belangrijkste in Vlaanderen. Ten oosten van de Kosterijstraat werden de resten van een vroegmiddeleeuwse nederzetting, bestaande uit minstens een tiental gebouwplattegronden waargenomen. Doorgaans is er sprake van een standgreppel - een lineair spoor dat de plaats van de wand aangeeft - vaak in combinatie met losse paalsporen. De nederzetting dateert uit de 6 c -7 ^ eeuw, wat kan worden afgeleid uit de resultaten van het dendrochronologisch onderzoek van de talrijke waterputten. Een bijzondere waterput vertoonde een cirkelvormige aflijning met verticale planken en bevatte onderaan een houten spaakwiel. De eikenhouten planken van de ronde put die op het wiel rustte werden gedateerd in het najaar of de winter van 539/540 na Christus (11).

Raakvlak:

intergemeentelijke archeologische dienst Een belangrijke evolutie vond plaats in 2004. De Stedelijke Archeologische Dienst maakte toen plaats voor een intergemeentelijke archeologische dienst: Raakvlak, de Interlokale Vereniging voor Archeologie in Brugge en Ommeland. De vereniging kadert in een ruimer initiatief van de Vlaamse overheid om intergemeentelijke samenwerking aan te moe-

M&L


digen en financieel te ondersteunen. Voorlopig bestaat het samenwerkingsverband uit Brugge, Jabbeke en Zedelgem. Een geleidelijke groei zal het mogelijk maken om een stevige structurele basis te leggen. Een dergelijke samenwerking is zonder twijfel te verantwoorden. Niet alleen bestonden er reeds samenwerkingsovereenkomsten die de gemeentes van het arrondissement Brugge - met uitzondering van de kustgemeentes - omvatten. We denken hierbij aan de vzw Regionaal Landschap Houtland en de samenwerking rond toerisme in het Brugse Ommeland. De gebiedsomschrijving is ook historisch te verantwoorden. De regio die het werkgebied van de Interlokale Vereniging voor Archeologie in Brugge en Ommeland zou moeten uitmaken, beslaat het poldergebied ten noorden van Brugge en de rand van de aanpalende zandstreek. Reeds vanaf de prehistorie is het raakvlak - vandaar de naam Raakvlak die voor de nieuw opgerichte vereniging werd gekozen - tussen polders en zandstreek een zeer aantrekkelijk gebied voor bewoning, doordat men er van de twee landschappen kan profiteren. Hoe contradictoir ook, de grens tussen zandstreek en polders is het element dat het hele gebied verbindt. De nieuwe intergemeentelijke archeologische dienst betekent geenszins dat er een eind is gekomen aan de Brugse stadsarcheologie. De stad kan slechts 'begrepen' worden als de relatie met het hinterland eveneens wordt bestudeerd, via het onderzoek van het bodemarchief in het omliggende platteland. Steunend op de ervaring en expertise van meer dan 25 jaar stadsarcheologie kan een efficiënt beheer van het archeologische patrimonium in de verschillende gemeentes worden uitgebouwd. De stad Brugge stelt haar volledige archeologische dienst, met personeel, huisvesting en werkingsmiddelen ter beschikking van de nieuwe vereniging en treedt op als beherende gemeente. Aangezien Raakvlak een interlokale vereniging is, een samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid, sluit de Stad Brugge als beherende gemeente alle contracten af voor de vereniging en werft personeel aan, dat ter beschikking wordt gesteld van de intergemeentelijke dienst. De vereniging wordt bestuurd door een beheercomité, waarin gemeentelijke mandatatissen en de archeologen binnen Raakvlak zetelen, en een adviescomité. Dankzij de financiële bijdragen van de gemeentes en de toelage van de Vlaamse Gemeenschap was het mogelijk om een bijkomend voltijds archeoloog aan te stellen. Heden telt Raakvlak twee archeologen, één tekenaar, één halftijdse technisch assistent,

drie voltijdse arbeiders en één halftijdse arbeider die — dankzij een gespecialiseerde opleiding - kan ingeschakeld worden voor het digitaal opmeten en intekenen van sporen. Geregeld wordt de ploeg versterkt door projectmedewerkers, zowel archeologen als arbeiders. Daarnaast werkt Raakvlak met een waaier aan mensen uit de niet-reguliere tewerkstellingssector: personen die een werkstraf werden opgelegd, mensen die om één of andere reden geen gewone werksituatie aankunnen, personen die onder het zogenaamde art. 60 vallen, stagairs uit de kantooropleiding van het Koninklijk Instituut Spermalie die aan autisme leiden en vrijwilligers van allerlei aard, waarbij bijzondere aandacht gaat naar jongeren en senioren. Uiteraard gaat het in al deze gevallen om één of andere vorm van personeelsuitbreiding die op de reguliere manier niet mogelijk zou zijn. Er is echter meer aan de hand. In het kader van het verbreden van het draagvlak voor archeologie, beschouwt Raakvlak het als een uitdaging om mensen te bereiken die normaal gezien nooit met archeologie geconfronteerd zouden worden.

De Pakhuizen De recentste mijlpaal in de geschiedenis van de Brugse archeologie is de verhuis in 2006 naar de Pakhuizen aan de Komvest te Brugge. Deze stapelplaatsen werden gebouwd tussen 1756 en 1781, vlakbij de in 1665 gegraven Handelskom. De nog bewaarde Pakhuizen zijn zowat het enige monumentale relict in Brugge van de handelsactiviteit langs de Oostendse Vaart, die samen met de Gentse Vaart de verbinding Oostende-Gent vormde. In het verlengde van de pakhuizen werd omstreeks het midden van de 20 5tt eeuw een nieuwbouw gerealiseerd, bekend als het 'sociaal gebouw' van de vroegere Gistfabriek, nu Genencor (12). De kantoren en ateliers van Raakvlak, evenals die van de Brugse Erfgoedcel, verhuizen naar het zogenaamde 'sociaal gebouw'. Een gedeelte van de Pakhuizen zal gebruikt worden als depot. Met de verhuis naar de Pakhuizen wordt een belangrijke stap gezet. De nieuwe locatie biedt talloze mogelijkheden wat de opslag en verwerking van vondsten betreft. Dankzij een betere bereikbaarheid en voldoende ruimte om ook de vondsten uit de partnergemeentes - met inbegrip van vondsten uit de periode vóór 2004 — op te slaan, ontstaat er meer openheid naar de nietBrugse gemeentes toe. Dit sluit aan bij het streven van Raakvlak om alle gemeentes aan bod te laten komen, zowel op het vlak van de integratie in de ruimtelijke ordening, de opgravingen en de publiekswerking. De zware belasting van allerhande


bouwprojecten op Brugs grondgebied (zowel wat het verwerken van de resultaten van de voorbije jaren betreft, als voor de nieuwe projecten) blijft evenwel het grootste deel van de tijd van de ploeg in beslag nemen. Tenslotte opent het 'samen huizen' met de Brugse Erfgoedcel perspectieven voor samenwerking naar de toekomst toe.

Archeologisch museum Kenmerkend voor de archeologische werking in Brugge en bepalend voor de plaats van de archeologie in het stedelijke organigram, is de aanwezigheid van een archeologisch museum (13). De geschiedenis van dit museum gaat ver terug. De nu niet meer bestaande Société Archéologique de Bruges was reeds op het einde van de 19 e eeuw gestart met de collectievorming - met onder meer spectaculaire vondsten uit de ijzertijd en Romeinse periode op de site Fort Lapin - en had gedurende tientallen jaren archeologische vondsten in haar verzameling opgenomen. In 1954 werd de volledige verzameling van het Oudheidkundig Genootschap overgedragen aan het Brugse stadsbestuur. De collectie werd aanvankelijk tentoongesteld in het paleis van de heren van Gruuthuse en later in het Steenmuseum. In 1988 werd een overzichtstentoonstelling geotganiseerd in de 'documentaire zalen' van de archeologische dienst aan de Mariastraat; gevolgd door een herinrichting in 1997 (14). In het voorjaar van 2004 opende het Bruggemuseum-Archeologie haar deuren (15). Bij de start van dit nieuwe museum zorgde de ploeg van de archeologische dienst vanzelfsprekend voor de inhoudelijke input. Ook de verdere uitbreidingen en/of aanpassingen van het museum zullen vanuit Raakvlak inhoudelijk gestuurd worden. Het museum biedt voor de archeologische dienst een ditecte uitweg van de resultaten naar het publiek toe.Het feit dat zowel de archeologische dienst (via de interlokale vereniging) als het archeologische museum betoelaagd worden (de archeologische dienst via het Agentschap R-O Vlaanderen-Onroerend Erfgoed; het archeologische museum via de administratie Cultuur op basis van het museumdecreet) zorgt er evenwel voor dat het belangrijk is beide functies duidelijk van elkaar te onderscheiden.

WERKING Ruimtelijke ordening De archeologische dienst heeft als prioritaire taak het beheer van het archeologisch erfgoed in de aangesloten gemeentes, met de bedoeling om archeolo-

gie te integreren in hun ruimtelijke planning. O m deze integratie te bereiken, wordt een intense samenwerking op touw gezet met de gemeentelijke diensten voor stedenbouw en ruimtelijke ordening. In het kader van het gemeentelijk ruimtelijk sttuctuurplan (GRS) worden voorwaarden in verband met archeologie opgenomen (16). Vooral het verankeren van de Lokale Archeologische Advieskaart (LAA) met zonering (17) wordt als een doelstelling ervaren. Wat de planning betreft, kunnen voorwaarden met betrekking tot archeologisch onderzoek en behoud van archeologische sites reeds in de Bijzondere Plannen van Aanleg (BPA) worden ingeschreven, waardoor de zorg voor het archeologisch patrimonium vanaf een zeer vroeg stadium een stem kan hebben bij elke aantasting van het bodemarchief. O p het niveau van de stedenbouwkundige vergunningen kan de archeologische dienst sedert een tiental jaren advies verstrekken bij alle werken waar een structurele wijziging van de bodem mee gepaard gaat. Dit is het geval voor werken in opdracht van de overheid, zoals door het decreet op het archeologisch erfgoed wordt voorgeschreven, maar ook voor privé-projecten. Het opmaken van Lokale Archeologische Advieskaarten (zie hoger), die de gemeentelijke administratie moeten begeleiden bij het vragen om advies, is hierbij een hulpmiddel. De kaart bevat geen archeologische informatie en veronderstelt geen enkele archeologische voorkennis, maar toont de stedenbouwkundige diensten wanneer er archeologisch advies moet gevraagd worden. Het gebruik van de kaart mag voor de gemeentelijke administratie slechts een minimum aan tijd in beslag nemen.

Uiteraard kunnen niet alle werken opgevolgd worden en moeten er bij het adviseren keuzes gemaakt worden van werken die een archeologische controle vereisen. Adviezen worden opgemaakt volgens een systeem, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen een gunstig advies met verwijzing naar het decreet op het archeologisch erfgoed van 1993 en een gunstig advies onder bepaalde voorwaarden (18). De voorwaarden variëren van het opvolgen van de werken door de archeologische dienst, tot het uitvoeren van proefonderzoek, eventueel gevolgd door opgravingen. Alhoewel de Conventie van Malta (19) in Vlaanderen nog niet geïmplementeerd werd, wordt er 'in de geest van Malta' gewerkt en wordt de bouwheer bij grote bouwwerken reeds in het advies gewezen op de mogelijke financiële implicaties van het archeologisch onderzoek. Bij grootschalige werken richt Raakvlak ook een schrijven aan de bouwheer. Zo wordt men bij


het verkrijgen van de bouwvergunning niet voor voldongen feiten gesteld. In de meeste gevallen wordt aangestuurd op overleg in een vroeg stadium, waardoor het mogelijk is financiering en planning nog bij te sturen. Archeologie in Brugge en ommeland vandaag is in de meeste gevallen niet langer meer een zaak van 'gelukkig toeval' of 'frustrerend te laat komen' is. Archeologische monumentenzorg is een zaak van planning, van ruimtelijke ordening. Deze zienswijze dringt stilaan ook door in de administratie en de wereld van projectontwikkelaars, studiebureaus, aannemers en architecten. In de praktijk blijkt het mogelijk om bij de meeste grote bodembedreigingen, zoals verkavelingen, wegeninfrastructuur, nieuwbouwprojecten en dergelijke, op de hoogte gesteld te worden, de dossiers te kunnen adviseren en archeologisch onderzoek in de procedure op te nemen.

Inventarisatie In het kader van de planning en de advisering, is het van belang voldoende zicht te hebben op het gekende archeologisch erfgoed binnen het werkingsgebied. Een belangrijke opdracht is dan ook de inventarisatie van de gekende archeologische monumenten. Dit gebeurt aan de hand van de stu-

die van oude kaarten en literatuur, maar vooral door het onderzoek van luchtfoto's. De Universiteit Gent beschikt over een omvangrijk archief luchtfotografische opnames, vooral uit West- en Oost-Vlaanderen, die evenwel niet ontsloten zijn. In samenwerking met de Vakgroep voor Archeologie en Oude Geschiedenis van Europa van de Gentse Universiteit wordt een inventaris van de luchtfoto's van het werkingsgebied opgemaakt. Hiervoor worden tijdelijke contractuele archeologen in dienst genomen. De inventaris van de luchtfoto's is een belangrijke informatiebron bij de opmaak van de Lokale Archeologische Advieskaarten. O p Vlaams niveau wordt gewerkt aan een Centraal Archeologisch Inventaris (CAI) (20). Vondstmeldingen, archeologische waarnemingen en nieuw onderzoek worden in het CAI gerapporteerd.

Uitvoering van het archeologisch onderzoek De uitvoering van het archeologisch onderzoek van bedreigde terreinen gebeurt in twee grote fasen. In een eerste fase wordt voorafgaandelijk aan alle graafwerken een verkennend en evaluerend mechanisch onderzoek uitgevoerd. In de binnenstad gaat het vaak om één of meer proefputten om inzicht te krijgen in de stratigrafie en de verstoringsgraad van het terrein. Soms gebeurt er in de binnenstad geen vooronderzoek omdat dit door de bestaande be-

Proefsleuvenonderzoek in de Zeebrugse achterhaven (foto J. Semey, Vakgroep Archeologie en Oude Geschiedenis van Europa, U.G.)


Overzicht van de resten van de verversateliers aan de Verversdijk

bouwing niet mogelijk is of omdat er voldoende andere gegevens beschikbaar zijn om het terrein te evalueren. Wat de buitengebieden betreft worden over het hele terrein door een graafmachine proefsleuven gettokken (21). De bedoeling is op deze manier inzicht te krijgen in de archeologische potentie van het terrein en conclusies te kunnen trekken naar eventueel verder onderzoek toe. De resultaten van dit proefonderzoek, zowel in de binnenstad als in de rand, worden vervolgens geëvalueerd, ten einde samen met de betrokken partijen beslissingen te kunnen nemen over eventuele verdere opgravingen, timing en dergelijke. Na evaluatie kan blijken dat het bewaarde bodemarchief voldoende kan gedocumenteerd worden aan de hand van een werfcontrole. In een aantal gevallen is het echter nodig gebleken om grote oppervlakken op te graven.

Sleutelgatvormige,

Verversdijk

bakstenen verfstook-

te Brugge

plaats op de site

(foto Raakvlak)

te Brugge (foto Raakvlak)

Enkele voorbeelden van dit grootschalige onderzoek situeren zich in de deelgemeente Sint-Andries, meer bepaald op de reeds eerder vermelde terreinen aan de Kosterijstraat, achter het OCMW-rusthuis Fabiola, waar een vroegmiddeleeuwse nederzetting werd opgegraven (22) en langs de expresweg, waar andermaal de resten van een grafheuvel uit de bronstijd aan het licht kwamen (23). Ook in Jabbeke bleek het na proefonderzoek nodig om grotere vlakken op te graven. Hier kwamen nederzettingssporen uit de ijzertijd en de Romeinse periode aan het licht (24).

Financiering Een belangrijke recente evolutie zijn de grote projecten, waarbij de bouwheer bijdraagt in de kosten voor het archeologisch onderzoek (25). Een eerste stap werd gezet in 1996 bij het reeds vermelde onderzoek in de grote verkaveling achter de Refuge in de deelgemeente Sint-Andries. De financiering van de machinekosten gebeurde grotendeels door de bouwheer, de toenmalige Westvlaamse Intercommunale voor Huisvesting (nu Wvi) (26). In Zeebrugge betaalt de Maatschappij van de Brugse Zeevaartinrichtingen NV(MBZ) het archeologisch onderzoek in de Zeebrugse achterhaven. De vele bedreigde hectaren kunnen sedert 1999 systematisch onderzocht worden aan de hand van proefonderzoek en opgravingen. Het onderzoek gebeurde aanvankelijk door het voormalige IAP, maar werd recent verder gezet door Raakvlak. Als belangrijkste resultaten vermelden we een aantal middel-


Een selectie van de I8d'-eeuwse munten

J^* I i t

Het archeologisch

(foto Ste(ieli|kc

onderzoek op de

Fotografische Dienst

site Prinsenhof

Brugge)

te Brugge

eeuwse bewoningssites, resten van middeleeuwse baksteenovens en sporen van Romeinse aanwezigheid (27). In 2003 en 2004-2005 nam het Europacollege de wedde van twee archeologen op zich voor het archeologisch onderzoek op de site Verversdijk in de Brugse binnenstad, waarbij resten van het voormalige jezuïetencollege en de voorafgaande laatmiddeleeuwse ververswijk werden opgegraven. Bij dit onderzoek werden ateliers van ververs aangetroffen, met sleutelgatvormige bakstenen verfstookplaatsen en allerlei bakken en kuipen uit hout of baksteen, wellicht verf- of mengbaden. Daarnaast werden ook resten gevonden van de planten waarmee geverfd werd: meekrap, waarvan de wortels werden gebruikt om rood te verven, en zaadjes van wouw als gele kleurstof (28). Ook P&V Verzekeringen, de financierder achter het project Prinsenhof, betaalde in 2004 het grootste deel van de kosten voor de opgravingen. Bij het onderzoek zijn een aantal ondergrondse, maar ook bovengrondse resten van de toren en andere oorspronkelijke gebouwen van het Prinsenhof aan het licht gekomen. Zo was het mogelijk om de exacte locatie te bepalen van de gebouwen die door

Sanderus (1641) en Marcus Gerards (1562) werden afgebeeld. Daarnaast werd ook informatie verkregen over de bewoners van dit gebied vóór de Bourgondische periode. Uit latere tijden valt vooral de muntschat te vermelden, bestaande 578 zilveren munten, zogenaamde Kronen, geslagen tussen 1755 en 1787(29).

die op de site Prinsenhof aan het licht kwamen (foto Stedelijke fotografische Dienst

Tenslotte betaalden ook de vzw Volkswelzijn, Huyzentruyt nv het Brugse O C M W en nog andere private bouwheren een bijdrage voor het archeologisch onderzoek op hun terreinen. Wanneer één van de gemeentes daarentegen zelf bouwheer is, wordt geprobeerd om de kosten zoveel mogelijk zelf te dragen. Dit was het geval bij de recente opgravingen te Jabbeke, waarbij Romeinse bewoningssporen aan het licht kwamen.

Bouwhistorisch en historisch onderzoek Traditioneel gaat de aandacht grotendeels naar het bodemonderzoek. In tegenstelling tot Gent, waar het bouwhistorisch onderzoek -en meer bepaald de muurarcheologie- een belangrijk onderdeel van de werking inneemt, maakt dit aspect in Brugge slechts in uitzonderlijke gevallen deel uit van de opdracht. Dit heeft in belangrijke mate te maken met een gebrek aan ervaring in deze specialisatie. Er zijn evenwel goede contacten met de Dienst Monumentenzorg en Stadskernvernieuwing van de stad Brugge en met het Agentschap R-O Vlaanderen, Onroerend Erfgoed (de voormalige afdeling Monumenten en Landschappen) (30). Wat de integratie van archeologie en geschiedenis betreft, zijn er nauwe banden met de Openbare Bibliotheek en het Stadsarchief. In het kader van een project wordt vaak beroep gedaan op de kennis

1VI&L


en ervaring van de collega's binnen deze stadsdiensten. In bepaalde gevallen wordt de medewerking ingeroepen van al dan niet geschoolde historici die vrijwillig onderzoek uitvoeren (31). Vanuit het Stadsarchief startte enkele jaren geleden bovendien het project huizengeschiedenis, dat aandacht besteedt aan het bouwhistorische aspect én de bewoningsgeschiedenis van Brugse huizen. Het archiefonderzoek in deze jonge geschiedenistak wordt in Brugge gecoördineerd in het Stadsarchief waar de belangrijkste bronnen en de kennis aanwezig zijn. Het huizenonderzoek kenmerkt zich als interdisciplinaire wetenschap, waarbij historici, kunsthistorici, bouwhistorici en archeologen de handen in elkaar slaan (32). Daarnaast werden ook enkele educatieve projecten in samenwerking met de collega's historici en bouwhistorici uitgevoerd. Onder meer het OMD-project rond het jezuiëtencomplex aan de Verversdijk, de tentoonstelling Chineesche gezichten voor de Open Monumentendag en de permanente opstelling over het Hof van Watervliet kregen veel weerklank.

werd van onder het stof gehaald. In de loop van het inventarisatieproces werd duidelijk dat een update van het programma noodzakelijk was. Met de medewerking van de informaticadienst van de stad Brugge werd het programma herwerkt naar een hedendaagse programmatuur. Het resultaat is een inventarisatieprogramma voor vondsten van allerlei aard en verschillende datering dat aan de hedendaagse noden beantwoord. Archeologie zal op termijn een snelle ontsluiting van het vondstenmateriaal mogelijk maken (33). De derde actie richt zich op de publicatie van de resultaten. Sedert het Jaarboek van de Stedelijke Musea niet meer verschijnt, worden de jaarverslagen van de archeologische dienst niet meer gepubliceerd. Het is de bedoeling om een nieuwe reeks rapporten op te starten die grootschalig of gebundeld kleinet archeologisch onderzoek op een wetenschappelijk verantwoorde manier naar een ruim publiek moeten brengen. Het eerste nummer van de nieuwe reeks behandelt het Prinsenhof en zal begin 2007 voorgesteld worden.

Vondsten ver werking

Depotwerking

Een heikel punt binnen de archeologische monumentenzorg is de verwerking van de opgegraven vondsten. Men kan stellen dat er voor de verwerking van alle vondsten uit een opgraving ongeveer een even lange tijd moet worden gerekend als voor de opgraving zelf. Er is evenwel nooit voldoende tijd en personeel om alle gegevens te verwerken, laat staan te publiceren. O m aan dit euvel tegemoet te komen, werd in 2005 door Raakvlak een drievoudig actieplan ontwikkeld en aangevat. Een eerste actie moest de vondstenverwerking zelf aanpakken: het wassen, puzzelen en plakken van aardewerk en glas, het geven van een eerste conserverende behandeling aan metaal en organisch materiaal. Hiervoor werd een vrijwilligerswerking worden opgestart, die -naar het voorbeeld van verschillende Nederlandse diensten- op termijn zelfdragend op vlak van kennis en ervaring zal moeten worden. De werking neemt voorlopig slechts een halve dag per week in, maar moet geleidelijk aan kunnen groeien. Het betreft hier uiteraard een actie die over meerdere jaren moet worden gezien, vooraleer ze vruchten zal afwerpen. De tweede actie sluit nauw bij de eerste aan en omvat de inventarisatie van de vondsten. In de loop van 2005 werd gestart met de verwerking van de vondsten van de site Prinsenhof. Hiervoor werd tijdelijk een projectarcheoloog in dienst genomen. Het meer dan tien jaar oude inventarisatieprogramma ^rc/w/ogic van de Brugse Archeologische Dienst

Bij de indeling van de archeologische dienst onder het Bruggemuseum, kwam ook het archeologische depot onder de hoede van dit museum. Dit depot bevat de vondsten die, sedert de oprichting van de archeologische dienst, bij opgravingen op Brugs grondgebied werden gedaan. Daarnaast is er ook een depot oud fonds Gruuthuse waarin zich prehistorische, Romeinse en middeleeuwse stukken bevinden uit de hele provincie, maar ook uit Brugge. Sommige vondsten werden reeds in de 19de eeuw verzameld. In 1972 werd de collectie aangevuld met laat-Romeins materiaal van het grafveld te Oudenburg, dat door de toenmalige Nationale Dienst voor Opgravingen in bruikleen werd gegeven. Het is noodzakelijk om een duidelijke scheiding te maken tussen archeologische dienst (onroerend erfgoed) en museumdepot (roerend erfgoed), dit alleen al naar de subsidiërende overheden toe. In het nieuwe depot in de Pakhuizen is deze scheiding in de praktijk merkbaar aan het verpakkingsmateriaal: kartonnen dozen voor het museumdepot, plastiek bakken voor het materiaal dat nog in het verwerkingsstadium is. Eenmaal geïnventariseerd gaan de vondsten over naar het museumdepot.

Publiekswerking Het bewust maken van de burger van de waarde van de archeologische monumenten - als onderdeel van het culturele verleden - betekent bouwen aan het maatschappelijke draagvlak voor de archeolo-


-/

gie. O m de verbreding van dit draagvlak te bekomen, is een voortdurende stroom van informatie naar de burger noodzakelijk. Verscheidene evaluaties tonen aan dat publieksgerichte acties wel degelijk vruchten afwerpen en dat er zonder twijfel genoeg belangstelling is voor het verleden om een groeiend besef van de waarde van het bodemarchief te kunnen creëren. Dankzij de website, die met medewerking van de Brugse Erfgoedcel tot stand kwam, heeft Raakvlak een bijzonder contact met het publiek. Geïnteresseerden krijgen recente informatie en kunnen ook van nabij betrokken worden bij het archeologisch onderzoek. De nieuwsbrieven maken het voor het publiek mogelijk om als het ware over de schouder van de archeoloog heen, het onderzoek van nabij volgen. Ook de pers maakt hier dankbaar gebruik van en zorgt voor een ruimere verspreiding van de informatie. Het betrekken van het grote publiek bij de opgravingen is mogelijk dankzij de organisatie van opendeur-dagen. Naar aanleiding van de grote projecten Prinsenhof en Verversdijk is dit een vaste waarde in het culturele aanbod van de stad Brugge geworden. O m de jongere generatie in contact te brengen met de archeologie als wetenschap en een bewustzijn te creëren van de archeologische rijkdom van de regio, organiseerde Raakvlak tijdens het najaar van 2005 workshops. In een eerste fase kwamen de gemeentes Zedelgem en Brugge aan de beurt, in 2007 volgt ookjabbeke. Het zogenaamde vuilniszakprojectlcgt aan de hand van een moderne afvalzak en echte archeologische vondsten uit hoe het kleinste zaadje en botje een verhaal kunnen vertellen; de kinderen onderzoeken zelf het schervenmateriaal en de zeefstalen uit verschillende contexten en leren een interpretatie opbouwen. Tenslotte kan ook de rol die het BruggemuseumArcheologie speelt niet worden onderschat bij de

publiekswerking. O p deze manier is een rechtstreeks contact van de belangstellenden met de onderzoeksresultaten mogelijk.

Bieke Hillewaert is archeoloog bij Raakvlak, de intergemeentelijke dienst voor archeologie in Brugge en ommeland

EINDNOTEN (1)

HOLLEMAN T., Een verleden op de schop. Beheer en studie van het

(2)

De eerste stappen werden gezet toen M. Rogge - als vrijwilliger -

Nederlandse archeologische bodemarchief, Amsterdam, 1996, p. 4. van het Brugse schepencollege toestemming kreeg om archeologisch onderzoek uit te voeren op het terrein Biekorf, waar kort nadien een ondergrondse parking en een nieuwe stadsbibliotheek zouden gebouwd worden. (3)

Vroeger hadden reeds geïsoleerde opgravingen plaatsgevonden, zoals op de Burg. DEVLIEGHER L,, Op de Burg te Brugge, in Archeologie, 1965, p. 54-56.

(4)

In november 1977 kwam H. De Witte in dienst als stadsatcheoloog. Pas een dtietal jaren later werd de plaats van stadsarcheoloog in het personeelskader opgenomen.

(5)

DE WITTE H. e.a., Maria van Bourgondië. Brugge. Een archeologisch-historisch onderzoek in de Onze-Lieve-Vrouwekerk, Brugge, 1982.

(6)

DE WITTE H. (ed.). De Brugse Burg. Van Grafelijke versterking

(7)

DE WITTE H., Archeologisch jaarrapport 1982 (Jaarboek 1982.

tot moderne stadskern. Archeo-Brugge, 2, Brugge, 1991.

Stad Brugge. Stedelijke Musea), Brugge, 1983, p. 169-172. en DE WITTE H., Archeologisch jaarrapport 1983-84 (Jaarboek 198384. StadBrugge. Stedelijke Musea), Brugge, 1985, p. 158-182. (8)

HILLEWAERT B., Leerlooierskmpen langs de Eekhoutstraat (Jaarboek 1989-90. Stad Brugge. Stedelijke Musea) Brugge, 1991, p. 109-123.

(9)

HILLEWAERT B., Archeologie Brugge, Brugge, 2004, p. 10.

(10) HOLLEVOETY.en B. HILLEWAERT, Het archeologisch onderzoek achter de voormalige vrouwengevangenis Refuge te Sint-Andries/Brugge (prov. W.Vl). Nederzetttngenssporen uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen (Archeologie in Vlaanderen 6), 1997-98, p. 191-207. (11) HOLLEVOET Y. en B. HILLEWAERT, Archeologisch onderzoek

•4

in de Korte Molenstraat - St.-Andries, in Museumbulletin. Brugge Ook het kleinste stedelijke musea & museumvrienden, jg. 19, nr. 1, 1999, p. 9-10. bot|e vertelt een (12) BEERNAERT B., Import/Export. OMD 2006, Brugge, 2006, verhaal... p. 106-122. (13) In 2002 werden de Brugse Stedelijke Musea onderverdeeld in vier

Het vuilniszakproject in een school in de gemeente Zedelgem

museumgroepen. Het Archeologisch Museum, met inbegrip van (foto Raakvlak) de Stedelijke Archeologische Dienst werd samengevoegd met de museumentiteit Gruuthuse (met de erbij horende locaties Belfort, Stadhuis en Brugse Vrije) onder de noemer 'historische musea'. In 2003 werd de oprichting van het stadshistorische museum goedgekeurd, waarvan het 'Bruggemuseum - Archeologie' één locatie is en waar de archeologische diensr ook onderdeel van uitmaakt.

M&L


(14) DE WITTE H. (ed.), Tien jaar Stedelijke Archeologische Dienst. (21) Ontstaan en doelstellingen (Brugge Onder-zocht. Tien jaar stadsarcheologisch onderzoek 1977-1987. Archeo-Brugge, 1), Brugge, 1988, p. 5-10. (15) Het kwam in de plaats van het archeologische museum dat ter gelegenheid van het 10-jarige bestaan van de archeologische dienst in 1988 was ingericht. Het congres Medieval Europe, dat in 1997 in Brugge plaats vond, was de aanleiding om de opstelling op te frissen en gedeeltelijk opnieuw in te richten, zij het met bescheiden middelen. (16) In het GRS van de stad Brugge en in dat van de gemeente Jabbeke werd archeologie opgenomen in het informatieve en het richtinggevende gedeelte. Het GRS van de gemeente Zedelgem werd onlangs aangevat en zal archeologie eveneens opnemen. (17) Er is in Vlaanderen beslist geen eenvormigheid onder de noemer Lokale Archeologische Advicskaart. Raakvlak hanteert her begrip voor een kaarr die de gemeentelijke administratie aantoont wanneer er aan de archeologische dienst om advies moet worden gevraagd. Er worden vier zones onderscheiden: de zone zonder advies (verstoorde gebieden), de zone met vroeger advies (reeds beschermde sites, monumenten of landschappen) , de zone met advies vanaf 2500 m' en de zone waarbij steeds advies moet worden gevraagd. De indeling van de zones is onder meer gebaseerd op de inventaris van archeologische sporen aan de hand van luchtfoto's en op basis van vroegere vondsten. (18) Een ongustig advies komt slechts uitersr zelden voor. (19) Bezorgd om de toenemende aantasting van de archeologische erfgoedwaarden, onderrekenden de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa het Europese verdrag ter bescherming van het archeologisch erfgoed op 20 januari 1992 te la Valletta op Malta. Het zgn. verdrag van Malta werd op 12 oktober 2001 door de Vlaamse regering goedgekeurd en door de federale regering op 30 januari 2002 ondertekend. In het verdrag worden de integrale archeologische monumentenzorg en het maximale behoud van de archeologische erfgoedwaarden in situ centraal gesteld. Et wotdt tevens aangestuurd op een grorere betrokkenheid van de archeologen in alle fasen van planvorming op het gebied van de ruimrelijke ordening. In navolging van het principe uit de milieuwetgeving 'de vervuiler betaalt', stuurr het verdrag van Malta daarnaast ook aan op de veralgemening van het zgn. veroorzakersprincipe. Waar archeologische erfgoedwaarden door de uitvoering van werkzaamheden verloren dreigen te gaan, moeten de kosten van een voorafgaand wetenschappelijk verantwoord onderzoek ervan verhaald worden op degene die baat heeft bij de werken. Het kan hierbij gaan om overheden zowel als om particulieren. (20) In 2000 werd in het kader van de archeologische inventarisatie van het Vlaamse grondgebied een samenwerkingsverband opgericht. Naast het IAP (nu VlOE), de provincies en de universiteiten ondertekenden ook de stadsarcheologische diensten, waaronder ook Brugge, het samenwerkingscontract. Op deze manier kon de Centraal Archeologische Inventaris (CAI), een centraal beheerde darabank voor alle gekende archeologische vindplaatsen in Vlaanderen, van start eaan.

In dit gedeelte van zandig Vlaanderen laat de dikte van de natuurlijke sedimenten bijna altijd toe om proefsleuven te trekken. In de kustvlakte wordt deze methode aangevuld met boringen, om de natuurlijke opbouw van het terrein te kunnen karteren.

(22) HOLLEVOET Y. en B. HILLEWAERT, Archeologisch onderzoek in de Korte Molenstraat - St.-Andries, in Museumbulletin. Brugge stedelijke musea & museumvrienden, jg. 19, nr. 1, 1999, p. 9-10 en HOLLEVOET Y., Romeinse off site-fenomenen en vroegmiddeleeuwse nederzettingssporen in de verkaveling Molendorp te St.Andries/Brugge (prov. W.Vl.) (Archeologie in Vlaanderen 7), 19992000, p. 65-82. (23) (24) (25) (26)

http://www.raakvlak.be/nieuwsbriefarchief.php http://www.raakvlak.be/nieuwsbriefarchief.php Op basis van de Conventie van Malta. Zie noot 20. HOLLEVOET Y. en B. HILLEWAERT, Het archeologisch onderzoek achter de voormalige vrouwengevangenis Refuge te Sint-Andries/Brugge (prov. W.VL). Nederzettingenssporen uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen (Archeologie m Vlaanderen 6), 1997-98, p. 191-207.

(27) HILLEWAERT B. en Y HOLLEVOET, Recent noodonderzoek in het Brugse havengebieden jaarboek 1985-86 van de Stedelijke Musea, 1978, Brugge, p. 136-149. HOLLEVOET Y, Archeologisch noodonderzoek in de Zeebrugse achterhaven: de Romeinse vondsten, in Westvlaamse Archaeologica, 5, 1989, 2, p. 33-48. PATROUILLE E., Laatmiddeleeuwse baksteenindustrie te Zeebrugge (prov. West-Vlaanderen) (Archeologie in Vlaanderen 6), 1997-1998, p.243-260. (28) HILLEWAERT B., Bakstenen vertellen hun verhaal. Resten van ververswoningen onder de keldervloer van het voormalige jezuïetencollege, in Musea@brugge/bijschrifi. Museumnieuwsbrief, jg. 22, nr. 4, 2002, p. 13-14 en HILLEWAERT B., J. DE GRYSE en J. VANDEVELDE, Het bodemarchief aan de Verversdijk belicht. Recent archeologisch onderzoek op de terreinen van het voormalige jezuïetencomplex te Brugge, in Musea@brugge/bijschrift. Museumnieuwsbrief, jg. 23, nr. 3, 2003, p. 3-6. (29) www.raakvlak.be/nieuwsbriefarchief.php (30) Op het vlak van het bouwhistorisch onderzoek wordt er vooral samengewerkt met D. Van Eenhooge, van het Agentschap R-0 Vlaanderen, onroerend erfgoed. (31) Naar aanleiding van de opgravingen op de sire Verversdijk voerden Heidi Deneweth en Yvette Kernel historisch onderzoek uit. (32) Via de recente website www.huizenonder7.oekbrugge.be kan men voor het Brugse stadscentrum de histotische kadastrale perceelskaarten uit de periode 1830-1890 consulteren. Bij heel wat percelen kan men bovendien gegevens opvragen over de eigenaars en/of bewoners uit de prekadastrale periode van de stad (15801800). (33) Kenmerkend voor her concept is enerzijds de visuele voorstelling van allerlei elementen uit de thesaurus en anderzijds de koppeling aan een typologie. Wat het aatdewerk en het glas betreft, werd er aangesloten bij het Nederlandse Classificatiesysteem voor Middeleeuws en Postmiddeleeuws Aardewerk en Glas (het voormalige Deventer sysreem).


Nr. 143 Bijlage bij M6tL 26/2 maart-april 2007


B 1 N N E N K R A N T

Literatuur ]o

Braeken

DF KFU7F VAN MFfL

Zeventiende-eeuwse Architectuurtekeningen De tekening in de ontwerp- en bouwpraktijk in de Nederlandse republiek Elske Gerritsen Zwolle, Waanders Uitgevers, 2006, 288 p., ISBN 978-90-400-9117-9 Studie over architectuurtekening in Nederland ten tijde van de 'Gouden Eeuw', een periode waarin niet alleen veel gebouwd werd, maar ook een nieuwe groep ontwerpers voor het voetlicht trad die zich voor het eerst 'architect' gingen noemen. Zij waren niet langer afkomstig uit het traditionele bouwvak, maar hadden, zoals Jacob van Campen, Pieter Post en Philips Vingboons, een achtergrond als kunstenaar of mathematicus. Daarnaast wilden de opdrachtgevers - de steden, het stadhouderlijke hof of particulieren - steeds nauwer betrokken worden bij het bouwproces, en raakte ook het bouwbedrijf steeds verder gespecialiseerd. De rol van de tekening als communicatiemiddel tussen alle betrokken partijen won daarbij gaandeweg aan belang, en

Zeventiende-eeuwse Architectuur tekeningen De tekening in de ontwerp- en bouwpraktijk in de Nederlandse Kipnbliek

E-Kkc G e r r i U c n

M&L

stelde steeds hogere eisen aan het uiterlijk en de leesbaarheid, een evolutie waar de nieuwe generatie architecten vanuit hun kunstenopleiding toe bijdroegen. Na een korte terugblik op de 16de-eeuwse ontwerppraktijk, wordt nagegaan welke beroepsgroepen ontwerpen en tekeningen maakten voor welk soort opdrachten, welke functie de tekening vervulde in de verschillende stadia van planning en uitvoering van het bouwwerk, onder meer toegepast op de ontwerper Pieter Post en de stadspoort als ontwerpopgave. Tot slot wordt ingegaan op aard en techniek van de tekening zelf.

Joseph Gandy An Architectural Visionary in Georgian England Brian Lukacher Londen, Thames Et Hudson, 2006, 222 p., ISBN 978-0-500-34221-3 Monografie over Joseph Gandy (17711843), een 'architect' en zelfverklaard genie, wiens loopbaan veelbelovend begon maar uiteindelijk zou stranden in totale vergetelheid. Pas anderhalve eeuw later zou zijn werk worden erkend als één van de meest oorspronkelijke uitingen van de Engelse Romantiek. Gandy, een leerling van James Wyatt en de Royal Academy, maakte zich de klassieke architectuur eigen in Rome. Hals over kop gevlucht bij de Napoleontische inval, met achterlating van al zijn ontwerpen en schetsboeken, voorspelde hij voor zichzelf een glansrol in een toekom-

JOSEPH GAND1 An Architectural Visional in Georgian Eng

stig Brits Elysium, een missie die, in tijden van economische neergang, wegens zijn karakter en inefficiëntie nooit van de grond kwam. Hij realiseerde slechts een handvol bouwwerken, en kon zijn ambities en uitzonderlijk talent enkel grafisch waarmaken als tekenaar van de welbekende, monumentale presentatietekeningen van sterarchitect Sir John Soane, als een kunstenaar die de tot ruïne vervallen wereld van de klassieke oudheid en het gotische verleden tot leven kon wekken, en bovenal als een visionair in de lijn van William Blake, die met hypnotische kracht een picturale vorm wist te verlenen aan oude mythes, epische poëzie en utopische mystiek. Het boek combineert een diepgravende biografie met een kritische analyse van het werk, boeiend gesitueerd in de historische context van Georgian Engeland.

Europaischer Kirchenbau 1900-1950 Aufbruch zur Moderne Wolfgang Jean Stock (red.) Miinchen, Prestel Verlag, 2006, 224 p., ISBN 978-3-7913-3687-9 Overzicht (tweetalig Duits/Engels) van de Europese kerkenbouw in de eerste helft van de 20ste eeuw, als pendant van een eerder verschenen werk over de tweede eeuwhelft (Stock WJ. red., Europaischer Kirchenbau 1950-2000, Miinchen, Prestel Verlag, 2002). In tegenstelling tot deze publicatie, die een ruime keuze bracht van zowat


B 1 N N E N K R A N T

140 kerken met ook voorbeelden uit België, beperkt het huidige deel zich tot een selecte presentatie van 23 baanbrekende voorbeelden, die de verschillende etappes in de evolutie van de moderne architectuur van art nouveau tot modernisme vertegenwoordigen. Deze kerken, iconen als de Kirche am Steinhof van Wagner, de Garnisonskirche van Fischer, Notre Dame (Le Raincy) van Perret, de Sankt Engelbert van Böhm of de Grundtvigkirche van Klint, naast kerkgebouwen van Sonck, Lechner, Ple nik, Wahlman, Berlage, Moser, Bartning, Schwarz, Hoger, Janak, Holzmeister, Huttunen, Asplund, Lewerentz en Bryggman, worden voorgesteld met een beknopte toelichting en een uitermate verzorgde iconografie, met prachtige foto's, grondplannen en doorsneden of ontwerpschetsen. Buiten een algemene inleiding die de verschillende tendensen en regionale kenmerken duidt, omvat het boek nog twee essays die dieper ingaan op de invloed van respectievelijk de katholieke en de protestantse liturgie en theologie op de kerkenbouw en het zoeken naar een nieuwe sacraliteit in de behandelde periode.

Erich Mendelsohns Wohnhausbauten Architekturkonzepte in den internationalen Tendenzen der klassischen Moderne Ann Grünberg München, Deutscher Kunstverlag, 2006, 256 p., ISBN 978-3-422-06544-4 Studie over een deelaspect van het oeuvre van de Duitse architect Erich Mendelsohn (1887-1953), dat niet eerder in detail bestudeerd werd, namelijk de privé-woning. Met uitzondering van de eigen woning 'Am Ruperhorn', concentreert de literatuur over Mendelsohn zich vooral op zijn status als wegbereider van de expressionistische architectuur, met de Einsteinturm als icoon, en als schepper van grootstedelijke modernistische bouwprogramma's als de Schockenwarenhuizen of de Universum-Kino. Ontstaan tussen 1915 en 1953 in Duitsland en later in Engeland, Pales-

tina en de Verenigde Staten, waar Mendelsohn tijdens de diaspora zijn toevlucht zocht, laten de privé-woningen nochtans het meest volledige overzicht van zijn oeuvre toe. In het vooroorlogse Berlijn gold hij als één van de meest succesvolle architecten in dienst van een vooruitstrevende Joodse burgerij, een reputatie die hem toeliet ook in het conservatieve Londen bij te dragen tot de introductie van het modernisme. In Jeruzalem bouwde hij residenties voor de latere president Chaim Weizmann en zijn vroegere opdrachtgever Salomon Schocken, en tenslotte in San Francisco voor de jeansfabrikant LeviStrauss. Zowel de woningontwerpen als de uitgevoerde bouwprojecten worden gesitueerd in hun tijd en context, gerelateerd aan de internationale stromingen, en vervolgens volgens een vast stramien in detail geanalyseerd met de nadruk op de historiek, het ontwerpproces en de architectonische kenmerken.

Raadhuis Hilversum Een gebouw voor eeuwen Max Cramer en Arie den Dikken Zwolle, Waanders Uitgevers, 2006, 352 p., ISBN 978-90-400-8278-2 Monografie over het Raadhuis van Hilversum, gepubliceerd naar aanleiding van de 75ste verjaardag van dit gebouw, dat met de jaren is uitge-

groeid tot één van de hoogtepunten van de Nederlandse en de internationale architectuurgeschiedenis. In 1915 kreeg architect Willem Marinus Dudok als pas benoemd directeur publieke werken de opdracht voor Hilversum een raadhuis te ontwerpen, in samenhang met het uitbreidingsplan van de gemeente. Tussen 1915 en 1924 zagen een tiental ontwerpen voor diverse locaties het licht, in stijl evoluerend van Berlage over de Amsterdamse School, tot geleidelijk de contouren van het huidige gebouw met zijn plastische, orthogonale volumes en hoog oprijzende toren herkenbaar werden. Het gebouw dat tussen 1928 en 1931 werd opgetrokken, en waarvan de plannen nog voor de bouw uitvoerig waren gepubliceerd in het tijdschrift Wendingen, oefende van meet af aan een grote invloed uit op de jongere generatie modernisten, ook in België waar de typische Dudok-voeg een begrip werd, en markeerde decennialang de typologie van het gemeentehuis. De eerste helft van dit lijvige boek gaat uitvoerig in op de ontwerpen de bouwgeschiedenis, en de complexe polemiek binnen het gemeentebestuur, prachtig geïllustreerd met talloze ontwerptekeningen en eigen geschriften en conceptnota's van Dudok zelf. De tweede helft volgt de gebruiksgeschiedenis van het Raadhuis, vanaf de inhuldiging tot de restauratie, en analyseert in woord en beeld de architectonische kenmerken en het interieur van de belangrijkste zalen en vertrekken.


B 1 N N E N K R A N T

vormen het onderwerp van twee korte essays, naast een beschouwing over de architectuurfotografie.

Voor alle reacties: jozef.braeken@rwo.vlaanderen.be De boeken liggen ter inzage in de bibliotheekvan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel (tijdens de kantooruren) Carlo Scarpa Architecture and Design Guido Beltramini en Italo Zannier (red.) New York, Rizzoli, 2007, 320 p., ISBN 978-0-8478-2911-8 Monografie over de Venetiaanse architect Carlo Scarpa (1906-1978), uitgegeven ter gelegenheid van zijn 100s,c geboortejaar. Scarpa, een virtuoos van het licht, een meester van het detail, een expert in materiaalbeheersing en een onovertroffen scenograaf, geldt als één van de belangrijkste architecten van Italië en van de twintigste eeuw. Tot zijn bekendste werken behoren de talrijke restauraties en inrichtingen van musea zoals het Castelvecchio in Verona, het Canovamuseum in Possagno en de Fondazione Querini Stampalia in Venetië, verder de Olivetti-toonzaal in Venetië, en grafmonumenten zoals het verbluffende Brion-mausoleum in Treviso. Aan zijn jarenlange betrokkenheid bij de Biënnale van Venetië herinneren het inkompaviljoen en het paviljoen van Venezuela. Minder bekend zijn de privé-woningen zoals Veritti in Udine, Zentner in Zurich, Ottolenghi in Bardolino en het Scatturin-appartement in Venetië, die hier bijzondere aandacht krijgen met nooit geziene interieurfoto's. Het boek is opgevat als een atlas van het gerealiseerde oeuvre van Scarpa, 58 gebouwen die vooral worden gevisualiseerd met prachtige foto's vergezeld van een heldere situering en een gedetailleerde bibliografie. De historiografie van Scarpa en een analyse van zijn architectuur

M&L

E lis e Hooft

ARCHITECTUURARCHIEVEN IN VLAANDEREN Het Centrum Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa) werd opgericht naar aanleiding van het Archiefdecreet van 2002 en kreeg de opdracht "het Vlaams archiefcoördinatiecentrum voor architectuur te zijn". Het CVAa bracht in 2004-2005 het landschap van de Vlaamse architectuurarchieven gedetailleerd in kaart. De resultaten van deze intensieve verkenning werden in januari 2006 voorgesteld in de publicatie Architectuurarchieven in Vlaanderen. Het boek biedt een overzicht van de diverse bewaarplaatsen van alle gekende architectuurarchieven en de specifieke moeilijkheden die gepaard gaan met hun bewaring. Het wil tevens een hefboom zijn naar de toekomst, door de krijtlijnen uit te zetten van een toekomst- en publieksgericht beheer van deze archieven. In een eerste hoofdstuk lichten de onderzoekers de methodologie toe die ze hanteerden bij hun "kwalitatieve veldbeschrijving en analyse van het Vlaamse architectuurlandschap". Daarop volgt een overzicht van de veelheid aan decreten en wettelijke regelingen die in Vlaanderen van toepassing zijn op het beleidsveld van de

architectuurarchieven, dit in vergelijking met de buurlanden. Het derde hoofdstuk schetst de ontstaansgeschiedenis, de diversiteit en de complexiteit van de Vlaamse architectuurarchieven en brengt de interactie tussen de verschillende actoren in het veld van de architectuur en dat van de archieven in kaart. Na een grondige analyse van de spanningsvelden tussen het beleid en de Vlaamse realiteit van de architectuurarchieven, worden in een laatste hoofdstuk een aantal toekomstperspectieven voorgesteld. In de bijlagen zijn een aantal erg boeiende overzichten opgenomen. Vooral de lijst van alle archiefbestanden die werden onderzocht is meteen bruikbaar voor de archiefonderzoeker en doet reikhalzend uitkijken naar de globale registratie van de gegevens in de Archiefbank Vlaanderen.

VAN AEVERMAETE 1 , NEVELANS A , PROVO B., Architectuurarchieven in Vlaanderen. Kwalitatieve veldbeschrijving en analyse van het Vlaamse architectuurarchleflandschap, Antwerpen, Uitgave Centrum Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa) en Vlaams Architectuurinstituut (VAi), 2006, 253 p. Het boek is gratis, en kan aangevraagd worden via het bestelformulier op de website van het CVAa (www. cvaa.be). Daar is ook meer informatie over de Archiefbank Vlaanderen en over de nationale en internationale architectuurarchieven te vinden

DF K i l N S T F N A A R F N DE D O K T E R . A N D E R S K M K F N NAAR SCHILDERIIFN. Het is een ongewoon gezichtspunt om oude schilderijen te bekijken met een medisch oog. Dankzij het realisme van een belangrijke periode van de schilderkunst is het mogelijk om, vooral


B 1 N N E N K R A N T

maar niet uitsluitend op portretten, een groot aantal ziektebeelden te onderkennen. Dat dit belangrijk is voor de geschiedenis van de ziekteleer en de geneeskunde hoeft geen betoog. Door jarenlange observatie van de oorspronkelijke kunstwerken kon de reumatoloog Jan Dequeker nauwkeurige diagnoses stellen van de voorgestelde figuren. De stelling dat veel zogenaamde moderne ziektes ontstaan zouden zijn door ons contact met de Nieuwe Wereld (na 1492) kon hierdoor al meteen naar het rijk der fabelen verwezen worden. Visuele kunsten, vooral in combinatie met historische documentatie over de geportretteerde personen, leveren belangrijke gegevens voor het paleopathologisch onderzoek, met andere woorden de pathologie die zich bezighoudt met ziektes uit vroeger tijden zoals die blijken uit menselijke en dierlijke resten. De auteur bestudeerde een groot aantal schilderwerken van 1300 tot 1800, telkens voorgesteld met een volledige afbeelding van het kunstwerk met iconografische duiding, en daarbij details die de ziektebeelden illustreren. Het boek is ingedeeld volgens de traditionele medische onderverdeling van ziektes. Enige kritische zin is uiteraard nodig als men medische conclusies wil trekken uit geschilderde voorstellingen. Sommige details, zoals de karakteristieke vorm van handen, kunnen ook typerend zijn voor een bepaalde schilder of school. Denken we maar aan de uitzonderlijk lange en dunne vingers van personages op Botticelli's werken. Ook de maniëristische stijl (1520-1590) ziet er geen graten in om bepaalde l i chaamsdelen te vervormen om stilistische redenen.

DEQUEKER Jan, De kunstenaar en de dokter. Anders kijken naar schilderijen, Leuven, 2006, uitg. Davidsfonds, 413 pagina's, talloze illustraties, prijs 74,50 €.

STADSHFRSTEL IN BFRfiFN OP ZOOM De Lievevrouwestraat in Bergen op Zoom is een stedenbouwkundig boeiende straat, met een groot aantal interessante laatmiddeleeuwse huizen. De straat wordt zorgvuldig in de historische context gesitueerd, waarbij aandacht wordt besteed aan architecturale ontwikkelingen, functies en functiewijzigingen, rampen en vernielingen zoals oorlogsschade, stadsbranden en de ontploffing van een kruitmagazijn in 1831. Daarna wordt ingegaan op enkele bijzondere gebouwencomplexen en tenslotte worden de belangrijkste panden voorgesteld vanuit historisch en bouwkundig perspectief, met een recente foto en soms een historische opname, en een opmetingsplan. Ook op karakteristieke interieurelementen wordt ingegaan zoals een beschilderde balkenzoldering. Interessant is ook het archiefonderzoek dat van een groot aantal panden het beroep van de achtereenvolgende bewoners in kaart bracht, waarbij teruggegaan wordt tot de '\5d't eeuw.

•

/

I NI

[/•'

werd het idee gekoesterd om een Natuurpark Dijle op te richten. De eigenheid van het Dijleland wordt voorgesteld op basis van de landschapsopbouw, de geschiedenis en het landgebruik vandaag. Vervolgens wordt ingegaan op de landbouwplateaus, het bos, de heide, de rivier en beekvalleien, de waterlopen en tenslotte de stedelijke omgeving.

WEYTSJ.LC, De Lievevrouwestraat. Zes eeuwen

VERCOUTERE B., BOONE N en HENSM., Het Dijleland,

stadsstraat in Bergen op Zoom, Bergen op Zoom, 2006, een uitgave van de Stichting Stadsherstel Bergen op Zoom.

uitg. door de Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud en Davidsfonds/Leuven, Leuven, 2006, 135 p., prijs 42 €.

DIJLELAND Sinds 1969 bekommeren de Vrienden van het Heverleebos en Meerdaalwoud zich om de natuur in het Dijleland. Het boscomplex werd verschillende malen bedreigd door onder andere de plannen voor de aanleg van een autoweg dwars door het woud. Bij de opmaak van de gewestplannen verkreeg het gebied een zekere bescherming als groen-gebied. Samen met de vzw Natuurpunt werd het natuurreservaat Doode Bemde uitgebouwd. Om de eigenheid van het hele Dijleland voldoende te beschermen.

M&L


B 1 N N E N K R A N T

Beschermingen

burgerhuis met een wit gepleisterde lijstgevel met neoclassicistische stijlkenmerken, ingeplant op een beeldbepalende plaats in het dorpsbeeld.

Marcel M. Celis, naar Kathleen Lanchis en Greet Plomteux

KIJNSTENAARSWONINGEN Vlaams minister Dirk Van Mechelen ondertekende op 13 maart 2006 het definitieve besluit tot bescherming als monument van een reeks kunstenaarsateliers in Sint-Martens-Latem en Deurle, en dit omwille van de historische en sociaal-culturele waarde. Latem is in de Belgische context een uniek voorbeeld van een kunstenaarskolonie of -dorp, ontstaan naar het voorbeeld van het legendarische Barbizon in Frankrijk. Het belang van de Latemse kunstenaarskolonie is met zijn internationale uitstraling onmiskenbaar. In Sint-Martens-Latem en Deurle is de voormalige aanwezigheid van de kunstenaars nog tastbaar in de gebouwen waarin zij gewoond en gewerkt hebben, en in de landschapssites die het onderwerp vormden van hun kunst. Kenmerkend voor deze kunstenaarsdorpen is dat kunstenaars er vaak onderdak vonden in bestaande woningen of boerderijtjes, die thans ook zeldzame getuigen zijn van het kleinschalig bouwkundig erfgoed van de vroegere plattelandsgemeenten, nu uitgegroeid tot residentiële villadorpen. De huizen en ateliers die in opdracht van de kunstenaars zelf werden gebouwd -George Minne, Albert Servaes, Gustave De Smet- zijn representatief voor de typologie van de kunstenaarswoning. De schilderateliers maakten integrerend deel uit van de woning. Dergelijke atelierwoningen waren duidelijk herkenbaar door het daklicht of de grote atelierramen op het noorden. Het beeldhouwatelier van George Minne was ondergebracht in een afzonderlijk gebouw, nu verdwenen, in de woning kwamen talrijke tekeningen tot stand. Albijn Van den Abeele Het woonhuis Latemstraat 12, in SintMartens-Latem, werd gebouwd in

1881 door Albijn Van den Abeele, burgemeester, gemeentesecretaris, schrijver en landschapsschilder en "stamvadervan de Latemse schoof'; onder zijn hoede kwamen immers de eerste kunstenaars zich te Latem vestigen. Het huis was een belangrijk trefpunt van 'Latemse' schilders, beeldhouwers, schrijvers en dichters tussen 1884 en 1914. Vanuit het atelier op de eerste verdieping heeft Binus van den Abeele een hele reeks schilderijen gemaakt die een zicht geven op de omgeving. Het woonhuis behield het authentiek karaktervan een stijlvol 19de-eeuws

Leon De Smet Het zogenaamde Schildershuis, Koperstraat 20 in Sint-Martens-Latem, in kern een 19de-eeuwse hoeve, was van 1906 tot 1913 het woonhuis en atelier van Leon De Smet, en tussen 1922 en 1940 het buitenverblijf van kunstcriticus Georges Chabot. De woning met atelier bevindt zich in nagenoeg dezelfde staat waarin Leon De Smet haar in 1913 heeft achtergelaten. Op tal van schilderijen van de kunstenaar en van zijn broer Gustave De Smet, is het huis goed te herkennen. Het betreft een haaks op de straat ingeplant, voormalig hoevetje, in een omhaagde tuin afgesloten door een ijzeren hek; vermoedelijk in oorsprong een boerenhuis van één bouwlaag, aangepast en met een verdieping verhoogd toen de kunstenaar er kwam wonen. Ook het atelier, opzij van de woning, is in die periode gebouwd. De woning is een zeldzame getuige van het kleinschalige bouwkundig erfgoed met landelijk karakter van de vroegere plattelandsgemeente, uitgegroeid tot residentieel villadorp. De gevels zijn traditiegetrouw gewit op een gepikte


B 1 N N E N K R A N T

aanleunend achter de toren bevond zich het atelier, met hoge ramen uitziend op het noorden. De drie gevels die naar analogie van een kloosterpand de binnenplaats omsluiten worden gekenmerkt door rondboogvensters in rondboognisjes, op de begane grond van elkaar gescheiden door steunberen.

plint, de vensters met kleine roedeverdeling zijn voorzien van groen-witte luiken; het geheel wordt afgedekt met een rood pannen zadeldak. Het voorkomen beantwoordt volledig aan de streekeigen kenmerken van de agrarische architectuur. De aan de noordoostzijde aangebouwde atelierruimte is met zijn typische brede ramen tot in de geveltop eveneens typisch voor een schildersatelier uit die periode. Albert Servaes Het Torenhuis, Baarle-Frankrijkstraat 10 in Sint-Martens-Latem, voormalig woonhuis en atelier van de kunstschilder Albert Servaes, is gebouwd in 1917, naar een ontwerp van professor ingenieurarchitect August Desmet. Voor het ontwerp inspireerde Desmet zich in samenspraak met Servaes op de romaanse kloosterarchitectuur en de traditionele hoevebouw. De toren draagt het jaaranker 1917, maar werd pas na het einde van de oorlog, in 1919 voltooid. Mede vanwege de markante toren houdt het gebouw nog in sterke mate de herinnering vast aan Albert Servaes. In het Torenhuis heeft Albert Servaes, één der belangrijkste expressionistische Latemse schilders, onder andere de hand gelegd aan de befaamde getekende Kruisweg voor de kapel van Luithagen. Hier ontving Servaes ook een groot aantal prominente gasten, zoals Felix Timmermans, Ernest Claes, Stijn Streuvels, Marnix Gijsen, Pieter van

der Meer de Walcheren, Lieven Duvosel, Emile Claus, Hubert Malfait, Constant Permeke, George Rouault en Paul Claudel. De kunstenaarswoning vormt een belangrijk voorbeeld van een atelierwoning door een kunstenaar gebouwd naar een ontwerp van een gerenommeerd architect, in een unieke bouwstijl die volkomen beantwoordde aan de levensstijl van de kunstenaar. Het gebouw is tevens een representatief werk in het oeuvre van architect Desmet. Het complex gebouwen op U-vormige plattegrond met aangelegd binnenpleintje heeft aan de straatkant een vierkante toren met de zogenaamde 'tekenzolder'. In de vleugel

George Minne Het voormalig woonhuis van beeldhouwer en tekenaar George Minne, Kortrijksesteenweg 62 in Sint-Martens-Latem, werd door hem ontworpen en gebouwd in 1907 en uitgevoerd door de Latemse schrijnwerker en aannemer Jules Maebe. De kunstenaar ontwierp een vrijstaand herenhuis van twee bouwlagen met een strenge witgepleisterde lijstgevel, naar classicistisch model gemarkeerd door een middenrisaliet onder driehoekig fronton met oculus en guirlande. Het ontwerp van de woning, ook binnenshuis, getuigt in vormgeving en afwerking van uiterste soberheid, wars van alle overbodige decoratie, in overeenstemming met de levenshouding van de kunstenaar. In het huis kwam een belangrijk deel van zijn tekenwerk tot stand.

Xower De Coc<r De historische, en meer bepaald architectuurhistorische waarde, en de sociaal-culturele waarde van het voormalig woonhuis van Xower De Cock, Xa-

M&L


B 1 N N E N K R A N T

vier De Cocklaan 5, Deurle; nu dienstencentrum, met uitzondering van het erachter gelegen ontmoetingscentrum; Het huidige dienstencentrum van Deurle, Xavier De Cocklaan 5, was het woonhuis van kunstenaar Xavier De Cock, dieren- en landschapsschilder die samen met Emile Claus mede aan de oorsprong ligt van de Leieschilderkunst en de latere Latemse kunstenaarskolonie. Het huis aan de steenweg fungeerde voor de gebroeders César en Xavier De Cock als uitvalsbasis voor de reizen die ze omstreeks 1870 naar Parijs en het Franse artiestendorp Barbizon ondernamen. Het alleenstaand herenhuis van 1789 was oorspronkelijk een dubbelhuis met een bovenverdieping, bepleisterd en witgeschilderd en afgedekt met

een zadeldak, thans met gecementeerde gevels en schilddak. Links en rechts achter het huis, voormalige bijgebouwen met bepleisterd parement, lage zadeldaken en korfboogpoorten. Gusf De Smef Het sobere, deels houten huis van Gust De Smet dat nu zijn museum is, Gustaaf de Smetlaan 1 in Deurle, werd gebouwd naar plannen en onder leiding van zijn vriend en dorpsgenoot, burgerlijk conducteur René Van Der Plaetsen. Hier woonde en werkte de schilder in het atelier met weids panorama over de Leiemeersen van 1936 tot zijn dood in 1943. Krachtens de laatste wilsbeschikking van haar man vermaakte zijn weduwe in 1948 bij

legaat het huis met al de meubelen, mobilaire voorwerpen en een aantal schilderijen aan de gemeente, die verplicht wordt het schildershuis voor het publiek open te stellen en het voortaan Museum Gust De Smet te noemen. Het museum bevat als bestendige huldeblijk de volledig ingerichte huiskamer en voorts het atelier en de slaapkamer op de eerste verdieping. Aan de wanden hangt een selectie van honderd werken, voornamelijk kleine doeken en tekeningen die bij de dood van de schilder in het atelier achterbleven. Het huidige museum ademt nog de authentieke sfeer van het kunstenaarshuis met het behoud van het oorspronkelijk meubilair en is representatief voor een bescheiden landelijke atelierwoning uit de jaren dertig. HFRENHUIS MFRCKX-VFRFLLEN Op 16 februari 2006 ondertekende Vlaams minister Dirk Van Mechelen het definitieve besluit tot bescherming als monument van het herenhuis Rotterdamstraat 53-55 in Antwerpen. De Rotterdamstraat is gelegen in de "vijfde wijk" die na het slechten van de Spaanse wallen vanaf 1866 volop tot ontplooiing kwam. Het kleinste en oudste gedeelte van de straat, gelegen tussen Sint-Jansplein en Olijftakstraat werd aangelegd circa 1867. Het beschermde herenhuis, opgetrokken in 1912 op een plaats waar in het begin van hetzelfde jaar drie huizen werden afgebroken, ligt in het tweede segment. De meest voorkomende bebouwing bestaat er uit burgerhuizen van het enkelhuistype, opklimmend tot de tweede helft van de 19de en het begin van de 20ste eeuw en vertoont overwegend neoclassicistische stijlkenmerken. In de Van Maerlantstraat, de straat die ten westen aan de Rotterdamstraat paalt, werd in 1886-1887 recht tegenover de stadsschool die in 1878-1879 gebouwd was en onder meer met vijfpuntige sterren en obelisken werd versierd- in het binnenblok van de nrs. 31-33 de Grote Tempel van de vrijmetselaarsloge Les Elè-

M&L


B I N N E N K R A N T

vesde Tftém/s opgericht; hieruit zou in 1889-1890 de loge Marnix van SintAldegonde ontstaan, de eerste loge die in België uitsluitend in het Nederlands zou werken. De prominente aanwezigheid van verschillende Egyptiserende voorstellingen op de voorgevel van het huis aan de Rotterdamstraat, interieurdecoraties die in verband kunnen worden gebracht met de Rozenkruisers, de medaillons met winkelhaak, passer en Ionisch kapiteel op de achtergevel plus het feit dat de opdrachtgevers, het echtpaar Merckx-Verellen, van huize uit aannemers van bouwwerken, hun woning vlakbij de Grote Tempel in de Van Maerlantstraat liet optrekken, wekt sterk de indruk van een grote betrokkenheid, mogelijk ook een belangrijke functie en graad binnen deze loge. De familie Merckx-Verellen is vooral bekend door haar rol in het tot stand komen van het gehucht Buitenland in Bornem. De mandenvlechterij die hier midden de eeuw opkwam en er door de familie Frans Merckx-Broeckx tot bloei werd gebracht, gaf het ontstaan aan een woonkern met bedrijfsgebouwen, doch zonder kerk, school of andere gemeenschapsvoorzieningen. Eind 19de eeuw werd onder impuls van Victor Merckx-Verellen, de oudste van de negen zonen (1852-1910), een fantasierijke reconstructie gerealiseerd van een aantal gebouwen die op de wereldtentoonstelling in Antwer-

pen van 1894 de wijk Oud-Antwerpen hadden weergegeven. Met 'tijdelijke' bouwwerken van hout en plaaster en het van de tentoonstelling van 1897 in Brussel afkomstige Reuzenhuis, imiteerde hij hier in een landelijke context een historische, stedelijke omgeving uit protest tegen de toenmalige kaalslag in de Antwerpse binnenstad. Zijn eigen woning in het Buitenland bouwde hij in 1895 en in 1927 liet hij architect Jos Goeyvaerts hier een 'buitenwoning' voor de familie oprichten. Op de historische reconstructies na zijn de meeste huizen, die door de familie Merckx in het Buitenland werden gebouwd, in eclectische stijl met traditionele en cottage-inslag. Jos Goeyvaerts, die vermoedelijk in 1912 de opdracht kreeg om twee huizen -de nrs. 51 en 53/55- op te richten in de Rotterdamstraat, werd in de periode 1905-1942 meermaals aangezocht voor bouw- en verbouwingswerken in Antwerpen, zoals blijkt uit de meer dan 200 dossiers waarover het stadsarchief beschikt, maar hij was ook actief buiten het territorium van deze stad. Echte uitschieters vindt men niet terug. Zijn oeuvre, voor zover bekend, sluit aan bij de gangbare architectuur en speelt in de eerste plaats in op de vraag van de klant. Het verrassende decor van het herenhuis aan de Rotterdamstraat moet dan ook toe te schrijven zijn aan de uitdrukkelijke wensen van de opdrachtgevers.

Inventaris Veerle Cherretté, Elise Hooft, Hilde Kennes en Hans Thomas

ACTUAIISATIF FN nPTIMAIISATIF VAN DE INVFNTARIS VAN HET BOUWKUNDIG ERFGOED:

STAND VAN ZAKEN EN EERSTE RESULTATEN VOOR ?nnfi Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) is intensief bezig met het actualiseren en optimaliseren van de databank van de inventaris van het bouwkundig erfgoed. Deze databank bevat alle gegevens die binnen de publicatiereeks Bouwen door de Eeuwen Heen in Vlaanderen werden verzameld. In de MEtL Binnenkrant van mei-juni 2006 werden de doelstellingen en algemene principes van de projecten uiteengezet. Een halfjaar later willen we graag een overzicht geven van de eerste resultaten die we in 2006 behaalden. Uitbreiding van het team Om het actualisatieprojectte kunnen realiseren tegen het einde van de legislatuur van minister Dirk Van Mechelen in 2009, werd het team van het VIOE in 2006 sterk uitgebreid. Vanaf juli 2006 staan Det Jacobs en Marlies De Schutter halftijds in voor het voorbereiden van het intekenen op de GIS-laag. Zij zoeken de kadastergegevens op van gebouwen die niet automatisch gegeorefereerd worden omdat ze bijvoorbeeld een onvolledig of verouderd adres hebben. Daarvoor combineren zij de gegevens van kadscan en topografische kaarten met veldwerk ter plaatse. Mieke De Poortere en Linda Cochez hebben als prioriteit het aanvullen van de databank met het fotomateriaal van Kris Vandevorst. Veerle Cherretté, Hilde Kennes en Elise Hooft zijn voltijds bezig met het actualiseren van de gegevens van de oudste boeken en coördineren daarbij ook de inbreng van externe partners.


B 1 N M E N K R A N T

Een belangrijke uitdaging in 2006 was de optimalisering van de ontsluiting van de onlineversie van Bouwen door de eeuwen heen. Hiertoe werd een t/7esot/n/s ontwikkeld, waarbij aan elk item vaste zoektermen worden gekoppeld. Sarah Depestel, Hans Thomas en Eva Van Regenmortel werken sinds juli 2006 voltijds aan het toekennen van typologieën, bouwperiodes, stijlen en architecten aan elk gebouw of object dat in de inventaris is opgenomen. Stand van zaken van de actualisatie Uit het pilootproject van 2005 concludeerden we dat de gegevens uit de boeken van de jaren 1970 en 1980 prioritair aan bod moesten komen voor een totale administratieve controle. Er moet nagekeken worden of de adresgegevens nog actueel zijn en of het gebouw al dan niet bewaard is gebleven. Deze gegevens zijn nodig als basis voor de automatische aanmaak van een GIS-puntenlaag voor de inventarisgegevens. In 2006 werden de zeven oudste boeken nagekeken. Boekdelen 1 en 2n behandelen samen de ruim zestig gemeenten van de provincie VlaamsBrabant. In de boekdelen 3na, 3nb en 3nc wordt de volledige stad Antwerpen behandeld. Voor de stad Gent werden de delen 4na en 4nb (zuidwest) gefinaliseerd; 4nb (noord-oost) is voor de helft verwerkt. De recentere inventarissen, grosso modo de gegevens verzameld vanaf de jaren 1990, vergen minder intensief onderzoek. Koen Vandaele ontwikkelde een programma dat nagaat welke inventarisitems niet automatisch kunnen gelokaliseerd worden. Enkel de items die uit dit programma gefilterd worden, dienen administratief aangevuld te worden. Op die manier werden zeven gemeenten van de provincie Antwerpen (arrondissement Mechelen) geactualiseerd. Zoals vooropgesteld bij het begin van het project, zou getracht worden de gemeentelijke administraties en erfgoedverenigingen maximaal in te schakelen. Via oproepen op de website, in VCM-contact en via WSG, werd om spontane medewerking gezocht. Op die manier kan voor Meche-

len, Antwerpen (boekdeel 3nd), Merelbeke en Oosterzele in 2007 resultaat verwacht worden. Gerichte brieven met een vrijblijvende vraag tot inbreng aan Ninove en Denderleeuw, leverden tot nog toe enkel voor de tweede gemeente resultaat op. Tot nog toe kregen we te weinig gegevens binnen om de kwaliteit van de gegevens van externe partners te kunnen evalueren. De verwerking van de verzamelde gegevens is een knelpunt. Omdat het materiaal enorm uitgebreid (ruim 80.000 items) en complex is, staan de systemen voor online verwerking en vertaling naar een GIS-puntenlaag nog niet op punt. Jammer genoeg kunnen we de resultaten van ons werk nog niet presenteren aan het publiek. We hopen dit in het voorjaar van 2007 wel te kunnen. Ondertussen geeft een overzichtskaartje van Vlaanderen de stand van zaken weer. Wel zichtbaar op de online databank is het fotomateriaal dat fotograaf Kris Vandevorst maakt van de geactualiseerde gemeenten. Hij maakte foto's van de meeste items van de provincie Vlaams-Brabant en van boekdeel 3na (Antwerpen, oudste kern). Tot nog toe werden voor tien Vlaams-Brabantse gemeenten de foto's verwerkt en gekoppeld. Ook werd een gedetailleerde handleiding uitgewerkt, zodat externen in de toekomst hun beeldmateriaal kunnen koppelen aan hun actualisatiegegevens. Eerste conclusies Vlaams-Brabant Aangezien de boekdelen 1 en 2n, handelend over Vlaams-Brabant, al dateren uit de jaren 1970 werden, rekening houdend met het opzet van het actualisatieproces, alle gegevens in de loop van 2006 volledig ter plaatse gecontroleerd. Uitzondering hierop vormen de geherinventariseerde gemeenten Asse, Grimbergen, Leuven zonder de deelgemeenten, Machelen en Vilvoorde. Dilbeek en Sint-PietersLeeuw, waarvoor het veldwerk van de herinventarisatie werd uitgevoerd maar nog niet volledig verwerkt, werden gecontroleerd aan de hand van de reeds verzamelde gegevens.

Naar aanleiding van het onderzoek werd het inventaristeam geconfronteerd met een opvallende paradox. Enerzijds was het deprimerend vast te stellen hoeveel erfgoed er jaarlijks verdwijnt. Ruwe schattingen en telwerk naar aanleiding van het pilootproject in 2005 lieten ons toe te besluiten dat ongeveer 1 % van het geïnventariseerde erfgoed verdwijnt per jaar dat het betreffende boekdeel werd gepubliceerd. Voor VlaamsBrabant lijkt de toestand iets gunstiger: bij het einde van het onderzoek kwamen we op slechts 26,5 procent gesloopte of niet geïdentificeerde items. Dit valt vermoedelijk gedeeltelijk te verklaren door de eertijds beperkte opname van gebouwen, waarbij in de eerste plaats het voor de hand liggende, en dus minder aan afbraak onderhevige patrimonium is geïnventariseerd. Kerken, pastorieën, kapellen en kastelen uit het ancien régime vormen immers de hoofdmoot van het geselecteerde erfgoed. We konden vaststellen dat de toch al in beperkte mate opgenomen architectura minor, meedogenloos uit het straatbeeld is verdwenen. In de behandelde regio gaat het dan voornamelijk om leembouw of resten ervan. Kleine arbeidershuisjes en hoeven die op het ogenblik van de inventarisatie nog vrij gaaf waren bieden vandaag een verwaarloosde of vervallen indruk of werden volledig verbouwd tot fermettes. Anderzijds konden we vaststellen dat een omvangrijk deel van het erfgoed niet werd opgenomen omdat het niet voldeed aan de toenmalig gebruikte criteria of inzichten. 19d!'-eeuwse landhuizen, monumentale vierkanthoeven uit dezelfde periode en 20ste-eeuwse architectuur kwamen nagenoeg niet aan bod. De noodzaak van herinventaristie dringt zich hier overduidelijk op. Wat betreft de administratieve (adres)gegevens, kan algemeen gesteld worden dat op enkele uitzonderingen na, vooral dan in de steden als Diest, Tienen en Halle, ruim de helft en in vele gevallen zelfs twee derde of meer van de adressen van de bewaarde items gewijzigd is. Rekening hou-


B I N N E N K R A N T

Sint-Pleters-Leeuw.

Sint-Pieters-Leeuw. Bergensesteenweg nrs. 217-219.

Bergensesteenweg nrs. 217-219.

toestand in 1973.

toestand in 2004.

Sint-Pieters-Leeuw (Vlezenbeek).

Sint-Pieters-Leeuw (Vlezenbeek), Nederstraat nr. 55.

Nederstraat nr. 55.

Het Baljuwhof, toestand in 2004.

Het Baljuwhof. toestand in 1973. Sint-Pieters-Leeuw. Bergensesteenweg nrs. 2-6. Toestand in 1973, thans verdwenen.

dend met de fusie van gemeenten die plaats vond op 1 januari 1977, is dit helemaal niet verwonderlijk. Op een totaal van de circa 2518 bewaarde items hadden er ruim 1400 een gewijzigd adres. De verouderde gegevens bemoeilijken natuurlijk het opzoeken van het geïnventariseerde erfgoed, temeer omdat het fotomateriaal in de eerste boekdelen vrij beperkt was. In deze context werden de items van nagenoeg alle geactualiseerde gemeenten gefotografeerd door Kris Vandevorst; de nieuwe foto's worden momenteel gekoppeld aan de databank door Mieke De Poortere. Eerste conclusies Antwerpen Het derde boekdeel in de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaande-

M&L


B 1 N N E N K R A N T

ren is gewijd aan het bouwkundig patrimonium van de binnenstad van Antwerpen. Er is een duidelijke evolutie in de werkwijze te zien, waarbij het toevoegen van een uitgebreid fotoregister van alle opgenomen items het opvallendste element is. Dit materiaal was van grote waarde bij het actualisatieproces, omdat het de mogelijkheid gaf de meeste gebouwen in een oogopslag te herkennen. Enkel in de weinige gevallen waar de omgeving of de gevel van het gebouw zelf sterke wijzigingen vertoonde, was de consultatie van de bijhorende tekst nodig. De teksten zijn in vergelijking met de eerste twee boekdelen ruimer opgevat en bevatten meer details over functie, materialen en afwerking. Dezelfde werkwijze werd aangehouden door de auteurs van boekdelen 3nb en 3nc, die respectievelijk het gedeelte van de stad binnen de leien en de 19de- en 20ste-eeuwse stadsuitbreidingen behandelen.

De actualisatie van de 3681 gebouwen van de drie boekdelen verliep zeer vlot. Het fotoregister stelde ons in staat snel te werken, er werden weinig opgenomen gebouwen afgebroken er zijn weinig adreswijzigingen doorgevoerd. De resultaten zijn voor het hele grondgebied van Antwerpen ongeveer gelijk: zowel in de historische stadskern als in de stadsuitbreidingen van de 19de en 20ste eeuw kan het erfgoedbeleid met een percentage van 90 % bewaarde inventarisitems zeer goede resultaten voorleggen. Voor de stadskern heeft dit te maken met het grote aandeel aan beschermde monumenten onder de geïnventariseerde gebouwen, meer bepaald 388 van de 817 panden of 47 %. In de rest van het gebied, waar beduidend minder monumentale gebouwen aanwezig en geselecteerd zijn, is dit geen bepalende factor. Er werden drie items niet teruggevonden ter plaatse. Twee Onze-Lieve-Vrouwebeelden staan in een stadsdepot, een eind-20ste-eeuws herdenkingsmonumentje verdween bij de heraanleg van een winkelstraat. De adressen ondergingen weinig wijzingen, met een klein verschil tussen het gebied binnen en buiten de leien, met respectie-

velijk 89 % en 80 % ongewijzigde straatnamen of huisnummers. De wijzigingen in de binnenstad worden vooral veroorzaakt door enkele grote stedenbouwkundige projecten die in de laatste decennia van de 20ste eeuw werden uitgevoerd. De nieuwe wijk in de buurt van het Vleeshuis is hier het opvallendste voorbeeld van. De recente stadssaneringen in het Schipperskwartier houden rekening met het cultuurhistorische erfgoed in de buurt, maar desalniettemin moest een aantal huizenrijen plaats ruimen voor grote huisvestingsprojecten. De selectiecriteria die in de inventarissen werden gehanteerd, voldoen in hoge mate aan de huidige inzichten: er wordt ruim aandacht besteed aan moderne en hedendaagse architectuur, ook bescheiden bebouwing wordt naar waarde geschat. Een aandachtspunt voor Antwerpen is het reeds in onze pilootprojecten opgedoken probleem van het artificiële onderscheid tussen gebouwen opgenomen in de straatinleidingen en de individuele beschrijving van panden (zogenaamde items). Omdat bij de toekomstige juridische vaststelling van de inventaris enkel de zelfstandige items in beschouwing worden genomen, valt in Antwerpen een groot deel van het waardevolle bouwkundig erfgoed uit de boot. Het duidelijkste voorbeeld is het Zuidkwartier, waar honderden prachtige burgerhuizen uit de Belle Epoque in de straatinleiding worden getypeerd. In de interbellumwijken aan de stadsrand komt hetzelfde probleem naar boven. De globale herevaluatie van de gebouwen in de straatinleidingen vormt een prioriteit in functie van een efficiënt erfgoedbeleid.

Eerste conclusies Gent Voor Gent werd in 1976 het eerste boekdeel gepubliceerd met de resultaten van de inventarisatie van de historische stadskern. De methodiek van de boeken over Antwerpen werd verder gezet met een ruime opname van gebouwen, voorzien van gedetailleerde beschrijvingen en een fotore-

gister. Voor het volledige patrimonium van de stad Gent waren vijf boekdelen nodig, die gepubliceerd zijn tussen 1976 en 1982. Gestart in juni 2006, is de actualisatie van de eerste twee boekdelen 4na en 4nb (zuid-west) afgerond, waarbij ook het actualisatiewerk voor de boekdelen 4nb (noord-oost) en 4nc volledig is voorbereid. Het eerste boekdeel 4na omvat het bouwkundig erfgoed in de Kuip van Gent. In totaal zijn in deze inventaris 1720 objecten opgenomen. Na actualisatie van de binnenstad blijkt bij benadering 7% gesloopt, terwijl een verwaarloosbaar percentage niet kon worden geïdentificeerd. Ruim 90% van het geïnventariseerde erfgoed is dus bewaard gebleven. Tegen alle verwachtingen in werd maar een ruime helft van de gebouwen teruggevonden op hun inventarisadres: zowat 40% van de adressen wijzigde de afgelopen 30 jaar. In het tweede boekdeel 4nb (zuidwest) is het bouwkundig erfgoed opgenomen van de 16de-eeuwse stadsuitbreidingen. Dit boekdeel telt 1454 objecten, waarvan ongeveer 86,5 % bewaard is gebleven. Er zijn in de stadsuitbreidingen meer gebouwen gesloopt dan in de Kuip van Gent: hier is 12% van het geïnventariseerde erfgoed tegen de vlakte gegaan. Ook het aantal adreswijzigingen ligt hoger dan in de Kuip: 56% van de adressen is gewijzigd.

De actualisatie van de Gentse boekdelen was in vergelijking met Antwerpen veel complexer, wat vooral te wijten was aan de grondige wijziging van de adressen in de binnenstad. Zo verliep bijvoorbeeld het veldwerk in de straten in en rond het Patershol traag, doordat deze wijk eind jaren '70 door de overheid werd hergewaardeerd. Naast fysieke veranderingen aan de gebouwen, wijzigden ook de adressen grondig. Een erg positieve conclusie is wel dat Gent wordt gekenmerkt door een beperkt patrimoniumverlies. Uit de actualisatiegegevens van de eerste twee boekdelen blijkt dat ongeveer 90% van de in de jaren 1970 opgenomen gebouwen bewaard bleef, wat


B I N N E N K R A N T

wijst op een efficiënt monumentenbeleid van de stad. Dit staat in schril contrast met de algemene resultaten voor Vlaanderen die onze proefprojecten uit 2005 opleverden en waaruit bleek dat er na 30 jaar 30% van de inventarisgebouwen gesloopt is. Wat de bouwfysische toestand betreft van het geïnventariseerde erfgoed, lijkt Gent de tand des tijd te hebben doorstaan: het merendeel van het patrimonium bevindt zich in een goede 'gezondheid', al dan niet te danken aan een restauratiecampagne. In het Gentse opteerde men er tevens voor voldoende aandacht te besteden aan de burgerlijke architectuur: niet alleen de monumentale architectuur werd belicht, talrijke woonhuizen kregen eveneens een plaats in de inventarissen. Het eerste boekdeel met de Kuip heeft de minste veranderingen ondergaan, wat vooral te danken is aan de opname van historische en bijgevolg ook toeristisch aantrekkelijke gebouwen. De kans dat dergelijke gebouwen in het stadscentrum verdwijnen is eerder klein. In het boekdeel 4nb (zuid-west) is zorgvuldig aandacht besteed aan wijken die dateren uit het einde van de 19 de of de vroege 20ste eeuw. Het aantal opgenomen objecten per straat ligt wel lager: veel items worden in een straatinleiding beschreven, en vallen op die manier buiten het actualisatieproject. Denken we bijvoorbeeld maar aan de betere arbeidershuizen in de Alpacastraat, Keviestraat, Takkebosstraat,...

Stand van zaken betreffende de thesaurus Een thesaurus is een dynamische trefwoordenlijst, bedoeld als zoekinstrument. Bestaande kunsthistorische thesauri, zoals de Art en Architecture Thesaurus (AAT), waren te algemeen om voor het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen gebruikt te kunnen worden. Een eerste opdracht van het VIOE was dus de ontwikkeling van een nieuwe thesaurus, die volledig zou aansluiten bij de inhoud van Bouwen door de Eeuwen Heen. Waar het VIOE afgelopen zomer begon met het toekennen van de thesaurus met typologieën, werd al snel de nood

aangevoeld om de items bijkomend te ontsluiten via bouwperiodes en stijlen. De combinatie van zoektermen uit deze drie thesauri kunnen tevens gecombineerd worden met gegevens uit de lijst met architecten, die volgens een strikte methodologie op hun eenvormige schrijfwijze worden gecontroleerd. Van zodra de fiches van alle opgenomen gebouwen op deze manier zullen zijn aangevuld, zal de gebruiker een performant onderzoekssysteem ter beschikking hebben, waarmee hij uit meer dan 80.000 gebouwfiches snel de gewenste resultaten kan filteren. Het toekennen van de trefwoorden uit de verschillende thesauri bleek vooral voor de oudste twee boeken niet evident. De gebouwen worden daarin op een erg bondige manier beschreven en zijn niet door een foto geïllustreerd. Zonder bijkomende informatie was het vaak niet mogelijk om zowel typologie, stijl als periode aan te vullen. Momenteel is de helft van de geïnventariseerde Vlaamse gemeenten behandeld. De volledige afronding van het project is voorzien in de loop van mei 2007. Planning 2007 De planning voor 2007 stelt de afwerking van de gemeenten van de provincie Oost-Vlaanderen en een deel van de provincie Antwerpen voorop evenals de verdere aanvulling van het beeldmateriaal op de databank. Een absolute prioriteit vormt de verwerking van alle verzamelde gegevens op de online inventarisdatabank en op de GIS-laag, zodat het publiek de geactualiseerde gegevens kan consulteren. Ondertussen wordt de ontsluiting van de gepubliceerde boekdelen in de reeks Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen niet vergeten. Wij hopen in 2007 een volledig plaatsnamenregister op de boekenreeks ter beschikking te kunnen stellen. Inventaris bouwkundig Erfgoed Veerle Cherretté, Elise Hooft, Hilde Kennes en Hans Thomas ACTUALISATIE EN OPTIMALISATIE VAN DE INVENTARIS VAN HET BOUWKUNDIG ERFGOED: STAND VAN ZAKEN EN EERSTE RESULTATEN VOOR 2006

VIOE

HET V I A A M S INSTITUUT VOOR HFT ONRDFRFND EREGÜED

Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed of VIOE is een wetenschappelijke instelling van de Vlaamse Overheid, met als missie het onderzoek van, kennisbeheer en -verspreiding over, en ontsluiting van het onroerend erfgoed (zowel monumenten, landschappen, archeologie, als varend erfgoed). Ontstaan Het VIOE is opgericht bij besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 als een Vlaamse Wetenschappelijke Instelling (VWI). Op 23 juni 2006 kreeg het VIOE het statuut van Intern Verzelfstandigd Agentschap (IVA) zonder rechtspersoonlijkheid binnen het Beleidsdomein Ruimtelijke ordening. Wonen en Onroerend erfgoed (RWO). Het vormt samen met de overige IVA's, zoals het Agentschap R0 Vlaanderen, het ministerie van RWO dat onder het directe gezag en de bevoegdheid van de minister staat. Missie en Visie De missie en visie die recentelijk binnen het VIOE werd opgesteld kan worden weergegeven in 5 kernzinnen: • Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed streeft naar toonaangevend wetenschappelijk onderzoek van monumenten, landschappen en archeologisch erfgoed. • Het instituut formuleert wetenschappelijk onderbouwde adviezen die bijdragen tot verantwoorde beleidskeuzes. • Door kwalitatieve kennisverspreiding ontwikkelt het een maatschappelijk perspectief voor een integer omgaan met het erfgoed. • Het VIOE toetst zijn onderzoek en expertise aan een internationale context.


B I N M E N K R A N T

• Met een hart voor erfgoed willen we samen met anderen de zorg ervoor vanzelfsprekend maken. Organisatie Het Instituut telt 160 medewerkers gaande van opgravingsarbeiders tot wetenschappelijk onderzoekers, centraal gehuisvest in Brussel en daarnaast zeven andere locaties te Raversijde, Zarren, Ename, Zellik, Tongeren, Tienen, Gent. Daar zijn de provinciale registratiecellen archeologie, het archeologisch depot en conservatie, de ploeg modelrestauratie en het bezoekers- en onderzoekscentrum voor het maritieme erfgoed ondergebracht. Taken Beleidsmatig kunnen drie kerntaken worden onderscheiden, namelijk onderzoek, ontsluiting en beleidsondersteuning. Onderzoek Het VIOE heeft een inhoudelijke onderzoeksopdracht voor het archeologisch, bouwkundig, landschappelijk, maritiem en varend erfgoed. De onderzoeksresultaten dienen als basis voor gefundeerd beleidsadvies. De primaire onderzoeksactiviteiten zijn registratie en veldwerk, onder meer in de vorm van: • archeologische (nood)opgravingen en werfcontroles inclusief het postexcavation onderzoek; • praktijkgericht onderzoek naar bouwkundig erfgoed door kunsthistorisch, architectuurhistorisch en bouwhistorisch onderzoek, restauratiewerven en in welbepaalde omstandigheden restauratieopdrachten; • geïntegreerd onderzoek naar historische landschappen in Vlaanderen en de studie van bijzondere bomen en waardevolle muurflora op historische gebouwen; • opgraving, berging en beschrijving van maritiem en varend erfgoed op land, in zee en op het water; • natuurwetenschappelijk onderzoek van organische archeologische resten. Niet alleen de registratie en documentatie van het erfgoed staat cen-

traal. Ook de conservatie en restauratie gaande van archeologische vondsten over muurschilderingen tot gebouwen kent een belangrijke plaats binnen het VIOE. Algemeen wordt gestreefd naar een integrale wetenschappelijke studie van het onroerend erfgoed. Het eigen onderzoek wordt indien nodig aangevuld met extern onderzoek naar specifieke of strategische onderzoeksthema's. Ontsluiting Onderzoek zonder ontsluiting blijft dode letter. Daarom worden de onderzoeksresultaten verspreid binnen het vakgebied en vertaald naar een ruim publiek onder meer in de vorm van wetenschappelijke publicaties. Informatie over onderzoek en werking van het VIOE wordt ook via de website of via themaspecifieke sites aan het publiek voorgesteld. Actieve publiekswerking en -voorlichting vormen een belangrijk onderdeel van erfgoedontsluiting. Dit gebeurt in de vorm van tentoonstellingen, studiedagen en colloquia, vaak ook in samenwerking met externe (onderzoeks)partners. De voorlichting van specifieke doelgroepen neemt hierbij vaak een prominente plek in, zoals het geval is voor erfgoed in het onderwijs, kortweg erfgoededucatie.

Het VIOE beschikt over een uitgebreide en actuele onderzoeksbibliotheek die vrij toegankelijk is voor het publiek en beheert ook verschillende archieven, zoals het tekeningenarchief van de KCML en het archief van Renaat Braem. Beleidsondersteuning Inventarissen zijn belangrijke beleidsondersteunende instrumenten, omdat ze toelaten kennislacunes en actuele aandachtspunten te bepalen. Doel van de inventarissen is het creëren van een overzicht van alle bekende gegevens over waardevolle erfgoedelementen. Zo kunnen ze gebruikt worden als de wetenschappelijke basis voor beschermingen. Voor alle inventarissen geldt dat momenteel wordt gezocht naar een betere afstemming en/of integratie van de gegevens. De inventarisatie en actualisatie van de inven-

tarisgegevens is een opdracht van het VIOE. • De CAI De Centrale Archeologische Inventaris (CAI) is een inventaris van alle bekende archeologische sites in Vlaanderen. De kern van het project is een internetapplicatie met een databank en een GIS-laag (Geografisch Informatiesysteem), die aangevuld en geraadpleegd kan worden door de verschillende partners. Het belang van het project rust vooral in de sector van het erfgoedbeleid. De inventaris is immers een instrument voor de integratie van archeologie in de ruimtelijke ordening, het uitvoeren van beschermingen en het behandelen van bouwaanvragen. Daarnaast biedt de CAI ook de mogelijkheid om lacunes in de archeologische kennis te herkennen. Op basis hiervan worden wetenschappelijke programma's ontwikkeld.

• De inventaris van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen De inventaris werd gedigitaliseerd in een databank van alle gegevens die binnen de publicatiereeks "Bouwen door de Eeuwen Heen in Vlaanderen" werden verzameld. Het VIOE is verantwoordelijk voor het beheer en de optimalisatie van het gebruik van de inventarisgegevens in de databank. Anderzijds zorgt het Instituut voor de inhoudelijke aanvulling van de gegevens in het kader van herinventarisatie of aanvullende thematische inventarisatie. • De inventaris van het varend erfgoed Vele schepen zijn gezonken en bewaren hun geheim op de zeebodem of onder metersdikke afzettingen. Sommige worden gesloopt en enkele bewaard, aangepast aan nieuwe noden, hersteld... Om de kennis over en het voortbestaan van het nog bestaande patrimonium veilig te stellen wordt een interactieve databank voorzien die alle informatie zal kunnen bevatten over de historische schepen in Vlaanderen.


B I N N E N K R A M T

• De Landschapsatlas De landschapsatlas, de inventaris van de waardevolle landschappen in Vlaanderen, is een onmisbaar instrument bij de bescherming van landschappen. Ook de gevolgen van ruimtelijke ingrepen in het landschap kunnen met behulp van de landschapsatlas voortaan beter worden ingeschat. De actualisatie van de atlas houdt een kwaliteitsvolle benadering van zowel inhoudelijke als kwantitatieve aspecten in. Doel van de actualisatie is eveneens het opnemen van de 'inventaris van houtige landschapselementen met erfgoedwaarde'. • Inventaris van tuinen en parken van Vlaanderen Met de toenemende aandacht voor dit deel van ons erfgoed groeit ook de noodzaak van een gebiedsdekkende inventaris voor Vlaanderen. Deze lacune wordt momenteel stelselmatig ingevuld. Met het verschijnen van de eerste delen van Historische Tuinen en Parken van Vlaanderen in de reeks MBL Cahiers, is de gefaseerde publicatie van de systematische inventaris gestart. Vanaf 2009 zal de inventaris tuinen en parken van Vlaanderen die momenteel nog door het Agentschap R-0 Vlaanderen wordt gemaakt, volledig door het VIOE worden behartigd. Het VIOE heeft een sturende rol bij het opstellen van standaarden en richtlijnen, zogenaamde Best Practices, voor de onderzoeksgebieden binnen de brede onroerenderfgoedsector. Onder meer op het vlak van kwaliteitsbewaking van opleidingen en vorming en modelrestauratie en presentatie. Daarnaast vervult het VIOE ook een trekkersrol bij het opstellen van een methodiek en 'goede praktijk' richtlijnen voor actuele thema's als digitale erfgoedroutes en erfgoededucatie. Op internationaal vlak brengt het VIOE mee de Europese normen voor de conservatie en restauratie van het cultureel erfgoed tot stand.

Samenwerking Het VIOE werkt zowel structureel als projectmatig samen met verscheidene partners. In de eerste plaats met de directe partners binnen de Vlaamse Overheid zoals het Agentschap R-0 Vlaanderen en het departement RWO in functie van het beleid (vb. Verdrag van Malta). Maar ook op wetenschappelijk gebied met de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen en andere instellingen zoals het Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf {restauratieopleidingen), het Interdisciplinair instituut voor BreedBand Technologie (digitale erfgoedroutes), het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (conservatie), het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (natuurwetenschappelijk onderzoek), het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (natuur en landschappen). Tenslotte maakt het VIOE deel uit van netwerken en samenwerkingsverbanden met buitenlandse partners in het kader van Europese projecten.

Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed wordt sinds 1 augustus 2006 geleid door Sonja Vanblaere, administrateur-generaal. Zij begint haar loopbaan in het onderwijs als licenciaat Germaanse Filologie. Tussen 1981 en 1985 werkt zij als bestuursecretaris onder andere mee aan de overheveling van het ministerie van Nederlandse Cultuur naar het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en aan het opstellen van het organiek reglement en het personeelskader van het nieuwe ministerie. Na tussenstops bij de gezondheidsinspectie Antwerpen en Gezin en Maatschappelijk Welzijn, is zij van 1991 tot 1998 HRM-opdrachthouder bij het departement WVC. Vanaf 1998 tot haar aanstelling in het VIOE is zij personeelshoofd van het departement LIN, waar zij onder meer de personeelsadministratie van 7500 personeelsleden leidt, aan de voorbereiding en vormgeving van het algemeen personeelsbeleid meewerkt, de ingewikkelde P6t0dossiers in verband met onder meer het loodswezen, de Vloot, de wetenschappelijke instellingen behartigt en de overdracht van personeel naar de externe verzelfstandigde agentschappen opvolgt en stuurt.


"In point of fact I had never so much as seen an excavation, I had never studied archaeological methods even from books (there were none at the time dealing with the subject), and I had not any idea of how to make a survey or a groundplan; apart from being used to handling antiquities in a museum, and that only fora few months, I had no qualification at all." "In feite had ik nog niet eens een opgraving gezien, had ik nooit archeologische technieken gestudeerd, zelfs niet aan de hand van boeken (in die tijd waren boeken over dit onderwerp onbestaande), en had ik niet het geringste benul hoe een opmeting of grondplan te maken; behalve enige ervaring in het manipuleren van antiquiteiten in een museum, en dan nog slechts enkele maanden lang, beschikte ik over niet de minste kwalificatie."

Leonard Woolley. Spadeworks in Archaeology. 1953, p. 14-15, geciteerd in BISHOP M.C., Corstopitum.An Edwardian Excavation. Photographs from the 1906-14 excavations of the Roman Site at Cartridge, Northumberland. English Heritage. Londen. 1994. Leonard Wootley (1880-1960} was ten tijde van de opgraving adjunct conservator aan het Ashmolean Museum in Oxford. Zijn latere faam bouwde hij op in het Nabije Oosten met opgravingen van ondermeer de Hittietische stad Carcemish en het Chaldeische Ur (Irak), waar hij sindsdien wereldbefaamde Mesopotamische koningsgraven op het spoor kwam (nvdr).


Bart Robberechts, Liesbeth Troubleyn, Raf Ribbens en Frank Kinnaer

1VIECHELEM EN DE STEDELIJKE DIENST ARCHEOLOGIE

Het Mechels stadhuis met in het midden de belforttoren (Stad Hechelen, 2006)

Vraag een Mechelaar

naar het verleden

zijn stad en hij noemt onmiddellijk van enkele illustere

figuren: Sint

Keizer Karet, Margareta

van

Vlaamse stad die qua beschermde

Mechelen

Rombout,

geen

Mechelen

enkele

Veel van deze

geschiedenis zit nog verborgen gevels, maar dankzij

maar

liefst vier maal voor op de lijst van het Unesco

monumentale achter

enkele recente

grijze planolo-

ingrepen

wordt

het rijke verleden van Mechelen stilaan zichtbaar toerist,

met

komt

werelderfgoed.

gische en stedenbouwkundige

monumenten

de vergelijking

kan doorstaan.

namen

Oostenrijk,

Rembert Dodoens, etc. Er bestaat

per oppervlakteenheid

de

van

in het straatbeeld. die ieder jaar

naar de stad afzakt, appreciëren.

Ook de

in groteren

weer cultuur

getale

weet dit blijkbaar

te


Het historisch besef van de Mechelaar en de manier waarop hij zijn verleden koestert, zijn bovendien een ware zegen voor de stedelijke dienst Archeologie. We mogen met recht zeggen dat archeologie populair is in de Dijlestad. Dat merk je onder meer aan het aantal archeologische verenigingen en amateur-archeologen die hier actief zijn - of dat ooit waren —, de grote publieke belangstelling voor het archeologisch onderzoek en het succes van de halfjaarlijkse nieuwsbrief van de dienst Archeologie. O m tegemoet te komen aan de stijgende vraag naar archeologische informatie moest vorig jaar nog de oplage van deze nieuwsbrief— die overigens gratis verstrekt wordt - opgetrokken worden van 3.500 naar 5.000 exemplaren. Met bijna 80.000 inwoners betekent dit een per 16 Mechelaars.

DF STAD EN OMGEVING IN TIJD FN RUIMTE De landschapsgenese Het luisterrijke verleden van de stad speelde zich af in een al even intrigerend landschappelijk decor. Mechelen ligt in een oostelijke uitloper van de Vlaamse Vallei, een brede vlakte die het resultaat is van fluviatiele erosie (insnijding door rivieren) en sedimentatie (opvulling) tijdens het Pleistoceen (1). In deze periode van ijstijden en iets warmere tussenijstijden veranderde het landschap voortdurend. Pas op het einde van het Pleistoceen, tijdens de laatste ijstijd (Wurm) en de overgang naar het Holoceen, kreeg het landschap zijn definitieve vorm. De rivieren vonden hun huidige bedding en door de wind werden zand en loss (leem) aangevoerd die in de dalen en op de hoger gelegen delen

van het landschap werden afgezet. In de beek- en rivierdalen werd bij het begin van het Holoceen een veenpakket gevormd. Latere wijzigingen van het landschap waren meestal het gevolg van menselijk handelen, bijvoorbeeld als gevolg van de massale ontbossing na het Atlanticum (ca. 5000 jaar geleden) en de indijking van de rivieren vanaf de late middeleeuwen.

Het buitengebied De omgeving van Mechelen wordt gekenmerkt door een grote landschappelijke diversiteit. Het gebied ten zuiden van Mechelen bestaat voornamelijk uit zandleemgronden en wordt gedraineerd door de Zenne en de Dijle. Langs de Zenne zijn een aantal fossiele riviermeanders zichtbaar (2), onder meer bij het Provinciaal Domein Vrijbroekpark. O p de bodemkaart (3) tekenen deze meanders zich duidelijk af als bodems met zware klei. Ten westen van de Zenne bevinden zich de dorpen Hombeek, Leest en Heffen. Deze zijn ontstaan uit middeleeuwse landbouwnederzettingen. H u n ligging is zeer typerend: de bewoning concentreert zich op de grens tussen het natte weiland langs de Zenne (beemden) en het hoger gelegen akkerland (kouters) met daarachter de woeste gronden (heide en bos). Deze laatste waren bestemd voor gemeenschappelijk gebruik. Ook langs de Dijle zijn een aantal fossiele meanders in het landschap bewaard. De rivier stroomt door een breed dal waarin tal van beken en slootjes samenvloeien. Vlak voor hij Mechelen bereikt volgt de Dijle de meest oostelijke rand van het dal. Links,

• Het landschap rond

en de Grote Markt

Meedelen met de

(rood)

ligging van de

(F. Kinnacr, Stad

stadskern (blauw)

Mechelen. 2006)


bovenop de flank van het rivierdal, bevindt zich de dorpskern van Muizen. Deze gaat terug tot de vroege middeleeuwen (4). Rechts bevindt zich de natte, moerassige laagte van het Mechels Broek en de Nekkerspoel. Het gebied wordt gekenmerkt door extensieve graslanden, enkele venrestanten en stuifzandruggen.

De steilrand op de Imker Dijleoever (B. Robberectm, Stad Mechelen. 2006)

Verder naar het noorden, richting Zuiderkempen (zandgronden), wordt het landschap gedomineerd door lintbebouwing en tuinbouwbedrijven. In tegenstelling tot het zuiden is dit in oorsprong een gebied met verspreide bewoning: losstaande boerderijen (hoeven) die omringd worden door bijhorend weiland, akkerland en boomgaarden (5). De oudste van deze ontginningen dateren uit de 13 e eeuw. In het gebied komen een aantal kastelen voor die mogelijk teruggaan op zogenaamde mottes of moates sites. Je vindt ze in de lager gelegen, natte delen van het landschap, net als de vluchtschansen die her en der verspreid liggen en een tijdelijk onderkomen boden aan de boeren en hun veestapel in tijden van oorlog (16 e t/m 18 e eeuw) (6). Helemaal in het noorden grenst Mechelen aan de fortengordel rond Antwerpen (onder meer het Fort van Walem). Even verderop vloeit de Nete samen met het water van de Dijle en de Zenne naar de Rupel en vervolgens richting Schelde.

Het vlietenplan op basis van de kadasterkaart van 1824 (F. Kinnaer, Stad Mechelen, 2006)

De historische kern Het stedelijke centrum, gevat binnen de tweede stadsomwalling die teruggaat tot het einde van de 13 e eeuw, kan worden opgedeeld in een hoger gelegen deel op de linker Dijleoever en een lager gelegen deel op de rechteroever. Het hoger gelegen deel wordt gemarkeerd door een opvallende steilrand en maakt landschappelijk deel uit van een uitgestrekte rug tussen de Zenne en de Dijle. O p de flank van dit interfluvium zou de stad gegroeid zijn, vanuit een of meer vroeg-middeleeuwse nederzettingen. Volgens een aantal auteurs ligt de oorsprong van Mechelen bij een castrum dat zich in de omgeving van de Korenmarkt bevond, op het kruispunt van twee Romeinse wegen (7). Hiervoor ontbreken echter archeologische bewijzen. Verder stroomafwaarts, bij de Winketkaai, werden in de jaren 1980 enkele aardewerkfragmenten uit de 10 c eeuw gevonden die vermoedelijk verband houden met de ontginning van het interfluvium. In 2006 deed de dienst Archeologie opgravingen in de buurt van deze locatie, in de hoop meer aanwijzingen te vinden voor het ontstaan van Mechelen. De verwachte 10 eeeuwse nederzetting bleef echter uit. De oudste bewoningssporen die bij dit onderzoek werden aangetroffen, dateren uit de 14' c eeuw.

De rechter Dijleoever was oorspronkelijk plaatselijk zeer drassig en dus minder geschikt voor bewoning. Toch ontstond hier een tweede bewoningskern. Volgens de overlevering stichtte de heilige Rumoldus op deze plaats omstreeks het midden van de 8 ,re eeuw een abdij. O f deze abdij zich bevond op de plaats van de huidige Sint-Romboutskathedraal is niet met zekerheid geweten. In de 13 e eeuw verschoof het centrum van de stad van de linker- naar de rechteroever. In de loop van de late middeleeuwen ontwikkelde dit stadsdeel zich verder met als centrum het kapitteldomein van Sint-


Rombouts en de omgeving van de Grote Markt. Het Digitaal Hoogtemodel ( D H M , ontwikkeld door het OC-GIS) (8) laat zien dat de Grote Markt zich situeert op een uitloper van een kleine rug die zich vanuit het oosten doorzet tot in het centrum van de stad. Het lager gelegen stadsdeel werd bewoonbaar gemaakt door de aanleg van een systeem van afwateringskanalen (vlieten). Mechelen bezit alle kenmerken van een historische stad. De talrijke momumenten die bewaard zijn, getuigen van een rijke geschiedenis (9). Naast de SintRomboutskathedraal telt de stad nog tal van andere kerken. Verder zijn nagenoeg alle mogelijke kerkelijke instanties vertegenwoordigd. Zo is er - om maar enkele te noemen - een Augustijnenklooster, een Commanderij van de Duitse Orde, een Groot en een Klein Begijnhof (werelderfgoed) en een Aartsbisschoppelijk Paleis. Typerend zijn ook de vele refugia of vluchthuizen, onder meer van de abdijen van Tongerlo, Sint-Truiden en Villers. De wereldlijke macht is onder meer vertegenwoordigd met het Schepenhuis, twee belforten (eveneens werelderfgoed en de paleizen van Margareta van York en Margareta van Oostenrijk. Deze laatste verbleef als landvoogdes bij het begin van de 16 c eeuw met haar ganse hofhouding in Mechelen, op dat moment de hoofdstad van de Nederlanden. De stad was ook een belangrijk handelscentrum met verschillende markten, verkoopshallen en overslagplaatsen.

;

ANTHOIOfilF VAN HET ARCHFOLQGISCH ONDERZOEK De pioniers Voor de oudste opgravingen in Mechelen moeten we meer dan 100 jaar terug in de tijd. Omstreeks 1 900 werd in de Sint-Romboutskathedraal al een eerste archeologisch onderzoek uitgevoerd (10). Opmerkelijker waren de resultaten van een onderzoek dat enkele jaren later onder leiding van baron A. de Loë werd uitgevoerd bij Nekkerspoel (11). Aanleiding voor het onderzoek was de aanleg van de Afleidingsdijle, een kunstmatige aftakking van de rivier die een eind moest maken aan de steeds weerkerende overstromingen van de binnenstad. De vondsten dateren hoofdzakelijk uit de late ijzertijd [La Tèné). Dankzij de natte moerassige bodem waren veel organische resten uitzonderlijk goed bewaard gebleven. De nederzetting bleek gebouwd op een kunstmatig eilandje, aangelegd met takken en aangestampte aarde, temidden van een grote poel. De eilandbewoners leefden voornamelijk van veeteelt, getuige daarvan de grote hoeveelheid dierlijke botresten: hond, varken, everzwijn, schaap, geit, rund en paard. De meest spectaculaire vondst was een ca. 8,40 m lange boomstamkano met spits toelopend voorsteven. Het vaartuig bleek met behulp van metalen werktuigen uit één eiken stam gehakt. De kano van Nekkerspoel maakte lange tijd deel uit van de permanente tentoonstelling in de Koninklijke


project werd de vereniging in 2005 beloond met de aanmoedigingsprijs van de Koning Boudewijnstichting. In 2006 verscheen de 4 e editie van Opgetekend Verleden, het jaarboek van de MVSA (12).

De Vlaamse overheid

Een detail van de houten beschoeiing van de oude vesten (W. Wouters, IAP, 2001)

Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) en zijn voorganger, het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP), verrichten sinds 1995 archeologisch onderzoek in Mechelen. Het gaat doorgaans om grootschalig onderzoek, zoals op de Zoutwerf (1995-1997 en 2002), bij de Noker (1997-1998), het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis (2000) en de voormalige brouwerij Lamot (2001). O p deze laatste site werden voor het eerst in Mechelen sporen gevonden van een belangrijke handelsnederzetting {portus} die teruggaat tot de 10 c eeuw (13). Bovendien werd bij deze opgravingen een stuk van de eerste omwalling aangesneden, die in schepenakten van de late 13 c en de vroege 14 c eeuw vermeld staat als vetus fossatum. De aanleg van deze halfcirkelvormige vest, waarvan de vorm nog herkenbaar is in het huidige stratenpatroon, kon gedateerd worden omstreeks 1200. Met de opgravingen op de Grote Markt in 2001 begon een periode van nauwe samenwerking tussen het IAP en de Stad Mechelen. Tot 2006 waren er semipermanent een vijftal arbeiders van het VIOE werkzaam bij de dienst Archeologie. Vandaag verleent het V I O E nog ondersteuning in de vorm van wetenschappelijke expertise.

• De restanten van het Steen op de

Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel, maar is momenteel ondergebracht in het museumdepot.

Grote Markt (Stad Mechelen, 2002)

De verenigingen In de loop der jaren hebben tal van verenigingen en amateur-archeologen zich het lot aangetrokken van het archeologisch erfgoed in hun stad. H u n bevindingen werden onder meer gepubliceerd in de Handelingen van de Koninklijke Kring voor O u d heidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen ( H K O M ) . In de jaren 1970-1980 kende het archeologisch onderzoek in de oude stadskern een ware explosie, dankzij het werk van de Mechelse Vereniging voor Archeologie (MVA) en de Archeologische Vereniging O u d Mechelen (AVOM). Deze laatste had zelfs een archeologisch museum op het SintRomboutskerkhof. Beide verenigingen zijn echter niet langer actief. De fakkel werd overgenomen door de Mechelse Vereniging voor Stadsarcheologie (MVSA, sinds 1992). In 2002 begonnen zij met een systematisch muurarcheologisch, archeologisch en historisch onderzoek naar de bouwevolutie van enkele woningen in het Paardenstraatje. Voor dit

IVI&L


..--..-«^

*

- «-^?

H> 1

•

f i .

'H^H

-S^^

..

• >

HÉf

WÉHHJ

•

•% i

D

De gotische muurnissen in het huis aan de Zakstraat (L. Iroubleyn, Stad

PF STEDFIIIKE DIENST ARCHEOIOGIE DOORGELICHT

Hechelen, 2003)

Het ontstaan Met de opgravingen op de Grote Markt (20012002) en de Veemarkt (2002) deed de Stad Mechelen een eerste stap in de richting van de uitbouw van een eigen archeologische werking. Kenmerkend voor het Mechelse onderzoek is de grootschaligheid. Aanleiding voor het archeologisch onderzoek was de bouw van twee grote ondergrondse parkeergarages en de heraanleg van beide marktpleinen. Projectcoördinatie, logistiek en publiekswerking werden verzorgd door de Stad Mechelen. Voor de wetenschappelijke leiding en expertise werd beroep gedaan op het IAP. De dagelijkse leiding was in handen van een terreinarcheoloog van het IAP en twee archeologen op de loonlijst van de Stad Mechelen. Zij kregen de hulp van acht tot tien stadsarbeiders, drie tot vier arbeiders van het IAP en enkele studenten en vrijwilligers. De archeologen kwamen tot de vaststelling dat de Grote Markt van de 12 c tot de 15 l eeuw niet het open plein was zoals we dat vandaag kennen, maar eerder een kruispunt van wegen (14). In de noordoostelijke hoek van het plein werden de resten opgegraven van het Steen, een gebouw dat in de 14 tL eeuw gebruikt werd als gevangenis. Ondertussen had het stadsbestuur de plannen ontvouwd voor de bouw van het Huis van de Mechelaar, een nieuw administratief centrum in de Zakstraat, de Befferstraat en de Reuzenstraat. Ook hier bleek een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het onderzoek (2003-2004) werd uitgevoerd in twee fasen, weliswaar door een sterk afgeslankt op-

gravingsteam, maar met de hulp van een groot aantal stagiairs. In een eerste fase, voorafgaand aan de afbraak van enkele oude huizen, werd een muurarcheologisch onderzoek uitgevoerd. Daarbij werden onder meer een hele reeks muurnissen ontdekt. In een tweede fase, na de sloop, werden de ondergrondse resten blootgelegd van een aantal gebouwen uit de B ^ ' tot de 19 dc eeuw (15). Sinds 2001 was bij het Mechelse stadsbestuur stilaan het besef gegroeid dat de oprichting van een eigen stedelijke dienst Archeologie een belangrijke meerwaarde kon bieden voor de stad. Onder meer in het strategisch plan voor toerisme van de stad Mechelen komt de onsluiting van het bouwkundig en cultureel erfgoed van de stad duidelijk naar voor (16). Mechelen profileert zich immers als actieve cultuur- en erfgoedstad. Tot dan toe beschikten in Vlaanderen nagenoeg alleen grotere steden over een eigen archeologische dienst. In de loop van 2004 was de Mechelse stedelijke dienst Archeologie een feit. De dienst nam zijn intrek in de voormalige gebouwen van de Groendienst, in de stedelijke Kruidtuin. Daar was niet alleen plaats voor een kantoor en een atelier, maar bovendien voldoende ruimte voor de uitbouw van een depot voor het vondstmateriaal. Dankzij de inspanningen van het stadsbestuur en met de hulp van andere diensten en het VIOE groeide de dienst Archeologie al snel uit tot een vootbeeld voor andere middelgrote steden.

De werking In het organigram van de Mechelse stadsdiensten valt de dienst Archeologie onder de afdeling Erfgoedontwikkeling die op haar beurt deel uitmaakt van het departement Culturele Zaken. De dienst Monumentenzorg daarentegen behoort samen met de dienst Ruimtelijke Planning en Mobiliteit en de Bouwdienst tot het departement Stedelijke O n t wikkeling. Dit blijkt af en toe een behoorlijke hindernis, vooral wanneer je archeologie wil verankeren in de planologische en stedenbouwkundige besluitvorming, maar tegelijk creëert het unieke kansen. Zo bestaan er binnen het departement Culturele Zaken veel meer mogelijkheden om aan publiekswerking te doen: tentoonstellingen, publicaties, evenementen, etc. Voor het voortbestaan van de dienst Archeologie is dit van essentieel belang, want op die manier kan aan de Mechelaars getoond worden dat het beetje geld dat zij via de gemeentebelasting in de werking van de dienst Archeologie investeren ook werkelijk goed besteed wordt. O p die manier raken mensen stilaan vertrouwd met het werk van archeologen en creëer je een steeds breder wordend maatschappelijk draagvlak voor de arche-


ologische erfgoedzorg. Als stedelijke dienst geniet je bovendien het vootdeel dichter bij de mensen te staan. De nieuwsbrief, die inmiddels aan een 10 ^ editie toe is, blijkt daarbij een gepast communicatiemiddel. Begin 2007 bestaat de dienst Archeologie uit een kleine vaste kern van twee archeologen en twee arbeiders. Bij de onderlinge taakverdeling was het uitgangspunt een zo ruim mogelijk dienstenpakket te kunnen aanbieden. - Bart Robberechts neemt als diensthoofd-archeoloog de dagelijkse leiding voor zijn rekening. Hij staat onder meer in voor de jaarlijkse opmaak van de begroting en onderhoudt contacten met andere diensten, hogere overheden en derden. Hij heeft de voorbije jaren in Nederland en Vlaanderen heel wat ervaring opgedaan met de diverse aspecten van het archeologisch vooronderzoek - voornamelijk in het buitengebied - en bij het opstellen van archeologische advieskaarten en beleidsadviezen. - Liesbeth Troubleyn doet sinds 2001 aan archeologisch onderzoek in Mechelen. Als archeologe neemt ze op het terrein de wetenschappelijke leiding op zich. Na de opgraving zorgt ze voor de verdere verwerking en de publicatie van de onderzoeksresultaten. Ze is specialiste in het stadsarcheologisch onderzoek: (post-)middeleeuwse archeologie, complexe stratigrafische verbanden, opeenvolgende bewoningslagen, kruisverwijzingen tussen archeologische en historische bronnen, bouwblokonderzoek, etc. - Het takenpakket van Els Caljon en Frank Kinnaer bestaat voor het overgrote deel uit opgraven en vondstverwerking (zeven, wassen, nummeren, plakken). Els is bovendien depotbeheerder en heeft zich bekwaamd in het tekenen van keramiek. Daarnaast staat ze ook in voor het transport. Frank, van opleiding historicus, is gestart met het georefereren van historische kaarten en kadasterplannen in een Geografisch Informatiesysteem (GIS). Verder besteedt hij een aanzienlijk deel van zijn tijd aan archiefonderzoek. Deze vaste kern wordt bijgestaan door een wisselend aantal projectmedewerkers. Waar mogelijk zoekt de dienst aansluiting bij sociale tewerkstellingsprojecten.

De samenwerking De werking van de dienst Archeologie steunt voornamelijk op twee pijlers: archeologisch onderzoek

(1) en publiekswerking (2). Voor beide disciplines werkt de dienst nauw samen met een aantal vakspecialisten die verbonden zijn aan verschillende diensten, instanties en verenigingen. Voor het wetenschappelijk onderzoek doet de dienst onder meer beroep op de expertise die aanwezig is bij het VIOE. O o k worden specialisten geconsulteerd die als docent of onderzoeker verbonden zijn aan een universiteit of een andere onderwijsinstelling. We kunnen bovendien steeds vaker beroep doen op een groeiend aantal commerciële bedrijfjes in Vlaanderen en Nederland die zich bijvoorbeeld hebben toegelegd op de consolidatie en restauratie van archeologische voorwerpen, de topografische opmeting van cultuurhistorische relicten of de uitvoering van geofysisch onderzoek. In het hart van de Mechelse binnenstad opende eind 2005 het Erfgoedcentrum Lamot voor het eerst zijn deuren. Het erfgoedcentrum is onder meer ontworpen als centrale ontmoetingsplaats voor iedereen die interesse heeft voor alle mogelijke vormen van erfgoed uit Mechelen en de ruime regio: archieven, kunstverzamelingen, orale geschiedenis, genealogie en dus ook archeologie. Van 11 tot 26 maart 2006 kon je er terecht voor het evenenment De stad onder je voeten. Archeologie in Mechelen, een organisatie van de Erfgoedcel en de Stedelijke Musea in samenwerking met de Katho-


lieke Hogeschool Mechelen, de MVSA, de provincie Antwerpen, het V I O E en de dienst Archeologie. Naar aanleiding van deze veertiendaagse werd een nieuw archeologisch wandelparcours uitgestippeld doorheen de stad (17). Gelijktijdig werd ook de archeologische website van de stad Mechelen boven de doopvont gehouden, in navolging van de steden Antwerpen en Gent (18). Samen met de MVSA staat de dienst Archeologie in voor de inhoud van deze website. Rond kwesties die gerelateerd zijn aan het archeologiebeleid op Vlaams niveau en deze waarop het decreet van 1993 van toepassing is, wordt vooral samengewerkt met archeologen van het Agentschap R-O Vlaanderen, Onroerend Erfgoed (de voormalige afdeling Monumenten en Landschappen van de Vlaamse Overheid). O p provinciaal niveau is er regelmatig overleg met de archeologen van de dienst Cultureel Erfgoed van de provincie Antwerpen. Verder bestaat er nog de Vereniging voor gemeentelijke en Intergemeentelijke Archeologen (VIA) waar indien nodig gezamelijke standpunten kunnen worden ingenomen en ervaringen worden uitgewisseld. Steeds vaker wordt ook overleg gepleegd met de stedelijke Bouwdienst, de dienst Monumentenzorg, de dienst Ruimtelijke Planning en Mobiliteit en het departement Stedelijke Inftastructuur. Hoewel deze diensten tot dezelfde stedelijke overheid behoren, bleek dat in het verleden niet altijd een garantie voor een goede samenwerking.

De toekomst In tegenstelling tot Gent draagt de archeologische & De muur van het - i • I4d'-eeuwse Spiiker dienst in Mechelen niet de naam Stadsarcheologie, (L. Troubleyn, Stad Mechelen, 2005)

maar spreekt men kortweg van de dienst Archeologie. O f het hier gaat om de bewuste keuze voor een ruimer begrip, is niet geheel duidelijk. Hoewel het hoofd van de dienst Archeologie vaak als dusdanig wordt aangesproken, beschikt Mechelen niet eens over een stadsarcheoloog in de strikte zin van het woord. Met de tetm stadsarcheologie wordt immers meestal een specifieke discipline van het archeologisch onderzoek bedoeld. Een stadsarcheoloog moet dus iemand zijn die zich uitsluitend of minstens in eerste instantie kan toeleggen op de studie van stedelijke contexten en alle daarvan afgeleide onderwerpen. Dat is in Mechelen niet het geval. Hoewel het onderzoek zich tot op heden grotendeels in de stedelijke kern heeft afgespeeld, behoort het uitgestrekte buitengebied evengoed tot het werkterrein van de dienst Archeologie. Uit het Mechelse buitengebied zijn trouwens een aantal belangrijke archeologische sites bekend. Eerder was in dit artikel al sprake van de boomstamkano van Nekkerspoel en de vroegmiddeleeuwe kern van Muizen. O p andere plaatsen werden onder meer prehistorische werktuigen en talrijke sporen uit de Romeinse tijd aangetroffen. Bovendien bevinden zich in het buitengebied tal van zones met een grote archeologische potentie, zoals plaggenbodems, rivierduinen en fossiele meanders. Wanneer je dit beschouwt in het licht van de toenemende vraag naar bijkomende woongebieden en de uitbreiding van kantoor- en dienstenzones, zoals aangegeven in het voorontwetp van het Gewestelijk • De opstelling in het stedelijk museum Brusselpoort (Stad Mechelen,


Tjli

Ruimtelijk Uitvoeringsplan (GRUP) voor de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Mechelen (19), wordt al snel duidelijk dat de dienst Archeologie op een bepaald moment zijn activiteiten zal moeten verleggen naar het gebied buiten de vesten. Met een archeologisch vooronderzoek in het kader van het RUP Papenhof hoopt de dienst eind 2006 een eerste stap in die richting te zetten. Voor zowel het buitengebied als de historische kern geldt dat er een archeologische advieskaart moet worden opgemaakt. Het is de bedoeling dat niet alleen archeologen die kaart gaan gebruiken, maar dat ze ook voor andere stedelijke diensten consulteerbaar en richtinggevend is, bijvoorbeeld bij het verlenen van een bouwvergunning. O m die reden zal de kaart worden opgemaakt in een GIS en wordt ze uitgewerkt tot op perceelsniveau. O p die manier willen we een brug slaan tussen het departement Culturele Zaken en de departementen Stedelijke Ontwikkeling en Stedelijke Infrastructuur, zodat archeologie in de toekomst steeds kan worden meegenomen in de planologische en stedenbouwkundige besluitvorming. Ook moet het mogelijk zijn om in de toekomst meer werk te maken van publiek-private samenwerking (PPS). Natuurlijk kijken we ook reikhalzend uit naar wat de implementatie van het verdrag van Malta in deze kan betekenen. Een eerste kennismaking met de mogelijkheden van PPS, weliswaar met beperkte inbreng van private zijde, hadden we bij de opgravingen op de terreinen van het G D O in de Begijnenstraat (2005) (20). Aanleiding van het onderzoek was de bouw van nieuwe appartementen met een halfondergrondse parking. O p deze locatie bevond zich in de middeleeuwen het Spijker, een gebouw uit de 14 e eeuw waarvan bovengronds nog een zandstenen gevel bewaard was. Dankzij de goede samenwerking met de projectontwikkelaar kon een groot deel van de site worden opgegraven. Bij de opgravingen werden onder meer ook de resten gevonden van een gebouw uit de 13 e eeuw en van het refugium van Heylissem dat uit de 16 e eeuw dateert.

nMWiimwn

onderzoek van de laatmiddeleeuwe gevangenis van Mechelen. Deze publicatie vormt het voorlopig laatste luik van het communicatieproces rond de opgravingen op de Grote Markt. Dat dit boek nu pas verschijnt, vijf jaar na het einde van de werken, heeft enerzijds te maken met de onophoudelijke reeks opgravingen die zich sinds 2001 in de stad hebben aangediend en anderzijds met de enorme hoeveelheid vondstmateriaal die de medewerkers van het V I O E en de dienst Archeologie te verwerken kregen. De opstelling in het stedelijk museum Brusselpoort, waar het verhaal van het Steen een prominente plaats kan krijgen, moet in de komende jaren grondig worden aangepakt. Het gebruik van multimedia en eigentijdse vormgeving mag daarbij niet ontbreken. Met het beleefbaar maken van het verleden aan de hand van interactieve 3 D toepassingen en andere innovatieve informatiedragers, wil de dienst Archeologie een belangrijke bijdrage leveren aan de opwaardering van het museum en de realisatie van het strategisch plan voor toerisme.

RECENT ONDERZOEK: HET MINDERRRQEDERSKLQOSTFR De meeste Mechelaars kennen de minderbroederskerk als een deel van Cultuurcentrum A. Spinoy. De oudere generatie spreekt nog van het hooimagazijn. Deze benaming houdt verband met haar vroegere rol als kazerne. Dat bij deze kerk ooit een groot

Hel minderbroedersklooster volgens J.B. De Noter (Beeldbank Mechelen)

O p het vlak van publiekswerking wil de dienst Archeologie een ruime doelgroep bereiken. Voor wie op de hoogte wil blijven van het archeologisch onderzoek in de stad is er de reeds vermelde nieuwsbrief. Een eerste synthese van de resultaten van de opgravingen op de Grote Markt en de Veemarkt kwam er in 2003 met Het Ongeschreven Mechelen. In 2007 verschijnt het boek Het Steen en de burgers.

1VI&L


klooster hoorde, is echter minder bekend. In november 2005 ging een team onder leiding van projectarcheoloog Raf Ribbens van start met een grootschalig onderzoek op dit voormalige kloosterdomein. Door de geplande uitbreiding van het Cultuurcentrum dreigden de resten van het klooster immers voorgoed verloren te gaan. Ondanks de barre weersomstandigheden wisten de archeologen, bijgestaan door arbeiders van het V I O E en vrijwilligers, de opgravingen begin maart 2006 met succes af te ronden.

Een bewogen geschiedenis Een beperkt historisch onderzoek bracht heel wat aan het licht over de geschiedenis van het klooster. Zo vestigden de minderbroeders zich al in 1233 in de stad. Bij het begin van de 14 c eeuw werden een nieuwe kerk en nieuwe kloostergebouwen opgetrokken. Dit complex werd op het einde van de 16 eeuw door de beeldenstormers verwoest, maar kort na 1600 met vereende krachten weer opgebouwd. Het einde van de kloostergeschiedenis werd ingeluid door de Franse revolutie: de Franse militairen stuurden de Minderbroeders weg, de kerk werd omgevormd tot paardenstal en het complex ging dienst doen als kazerne. Later waren in de gebouwen achtereenvolgens ook het Nederlandse en het Belgische leger gekazerneerd. Met de bouw van het Cultuurcentrum en de Academie voor Beeldende Kunsten in de jaren 1960-1970 verdwenen uiteindelijk de laatste kloostergebouwen, met uitzondering van de kerk.

schijn: een vliet. Uit de Mechelse binnenstad zijn wel meer vlietjes bekend, maar deze was voorheen onbekend. De exacte loop viel niet te achterhalen. Wel weten we dat ze uit de richting van de Wollemarkt kwam en van daaruit naar de Meiaan liep. De vliet moet zowat vier meter breed geweest zijn. Een van de oevers was verstevigd met een houten beschoeiing: een constructie van zware houten palen waartegen dikke planken bevestigd waren om te voorkomen dat de oever zou inzakken door erosie. Het is best mogelijk dat deze constructie ook bedoeld was als loskade voor boten. Kleine slakjes waarvan de huisjes nog tegen de houten beschoeiing kleefden, vertellen ons dat het water van de vliet redelijk proper moet geweest zijn. Door de hoge grondwaterspiegel waren heel wat organische resten uitzonderlijk goed bewaard. Uit de vele plantenresten kan afgelezen worden met welke bomen en struiken de oevers zoal begroeid waren. Etensresten zoals visgraten, dierlijk bot en ander keukenafval kunnen meer leren over de eetgewoonten van die tijd. Een datering van de jaarringen van de houten palen (dendrochronologie) bracht meer duidelijkheid over de bouwperiode van de beschoeiing. Deze moet rond 1270 aangelegd zijn. Het dempen van de vliet gebeurde niet veel later. Voor de bouw van de nieuwe kerk in 1306 was dit immers noodzakelijk. Dit wordt trouwens bevestigd door het aardewerk dat we in de vulling van de vliet hebben aangetroffen.

Het eerste klooster Een vliet? • De oeverbeschoeimp

Helemaal onderaan de werkput, op een diepte van .

,

i

vier meter, kwam een onverwacht spoor tevoorvan de vliet (R, Ribbens, Stad Mechelen. 2006)

r

Tijdens het onderzoek bleek dat opmerkelijk veel resten van het oudste klooster waren bewaard. Van twee gebouwen kon het volledige grondplan gereconstrueerd worden: het ene gebouw evenwijdig en vlak naast de kerk en het andere er dwars op. Beide vleugels bleken identieke afmetingen te hebben: ca. 20 m lang en drie meter breed. Samen met twee andere vleugels, die slechts gedeeltelijk werden opgegraven, vormden ze een vierkant. Waarschijnlijk hebben we hier te maken met een zogenaamde pandgang: overdekte wandelgangen die via met bogen opengewerkte muren uitgeven op een centrale binnentuin. Ze werden vooral gebruikt om van het ene kloostergebouw naar het andere te gaan, maar daarnaast was het ook de ideale plek voor gebed en meditatie. O m te voorkomen dat er door de natte ondergrond verzakkingen zouden optreden, was het muurwerk ter hoogte van de gedempte vliet met een aantal grondbogen en steunberen verstevigd. Als bouw-


•*

Het opgraven en bergen van de skeletten (R. Ribbens, Stad Hechelen, 2006)

materiaal voor de funderingen was gebruik gemaakt van ruw bewerkte stukken witte kalksteen. Bovengronds waren de muren afgewerkt met een laag lichtgele pleister. De vloer was bedekt met eenvoudige rode tegels. Aan de zijde van de kunstacademie sloot de pandgang aan bij een nog onbekend gebouw. De dikke muren (meer 1,70 m dik) doen vermoeden dat we hier te maken hebben met een belangrijk gebouw. Was het een oudere kapel? Stond het gebouw er al toen de Minderbroeders hier aankwamen? Verder onderzoek moet dit uitwijzen.

teerd tussen 1210 en 1235. Koolstof-14 dateringen van de skeletresten plaatsen deze overigens eveneens in de 13 ' eeuw.

Een groeiende gemeenschap De historische bronnen vermelden dat de Minderbroeders kort na 1300 een nieuw klooster bouwden. Bij het onderzoek werd een aanzienlijk deel van dit 14 e -eeuwse klooster teruggevonden. Het grondplan van het klooster uit de 13 e eeuw met vier wandelgangen rond een centrale binnentuin werd herhaald, maar dan op grotere schaal. De

• De I4de-eeuwse muur. voornamelijk uit kloostermoppen

Uit onderzoek van gesculpteerde bouwelementen (zuiltjes, kapitelen en bogen) blijkt dat deze gebouwen teruggaan tot de vroege 13 c eeuw. Uit die tijd werden trouwens niet alleen bouwresten gevonden. Ook met de toenmalige bewoners mochten we kennismaken. De Minderbroeders hadden immers de gewoonte om hun overleden medebroeders op het kloosterdomein te begraven, vaak zelfs onder de vloer van de pandgang. In totaal zijn uit die vroegste periode circa 25 skeletten geborgen. In een aantal gevallen was de houten kist na meer dan 750 jaar nog steeds bewaard. In één van de kisten werd een zilveren muntje gevonden, geslagen tussen 1180 en 1223. Een andere munt werd geda-

(R Ribbens, Stad Mechelen, 2006)

M&L


Een aantal arctaectuurfragmenten in Doornikse kalksteen (R. Ribbens, Stad Mechelen, 2006)

nieuwe pandgang was vier meter breed en de lengte van een zijde bedroeg 25 m. Voor de bouw werden grote bakstenen gebruikt, zogenaamde kloostermoppen. Daarnaast werden ook gerecupereerde bouwstenen van het oudere klooster gebruikt. De nieuwe kerk werd minstens voor een deel in witte kalkzandsteen opgetrokken.

n WS^^w ** 1 Wtr ~mÊ $jB v -—„^^^j^B

- '^sifl

^

^^v

Wzèjmf

«•^-.•-^p'^ii

]

•^Hp^mp

Het minderbroedersklooster volgens A. Sanderus (Beeldbank Mechelen)

Na de bouw van het nieuwe complex werden, in tegenstelling tot de voorgaande periode, naast kloosterlingen ook burgers op het kloosterdomein begraven. Het begraven van leken vormde trouwens een niet te onderschatten bron van inkomsten (schenkingen). Wegens plaatsgebrek werd er niet alleen in de kerk en onder de pandgangen begraven, maar ook in de binnentuin en onder de vloer van de andere kloostergebouwen. Uit deze periode konden circa 150 individuele graven onderscheiden worden. De graven waren verschillend georiënteerd: oost-west (hoofd naar het oosten, voeten naar het westen), west-oost en zelfs noord-zuid. Wat hiervoor de achterliggende reden is, is niet bekend. Wordt hiermee een onderscheid gemaakt tussen broeders en leken?

kloostergebouwen, onder meer de kerk, het refectorium of de eetzaal, het dormitorium of de slaapzaal en de kapittelzaal. Daarachter zijn nog een aantal bijgebouwen te zien: de ziekenboeg, het gastenverblijf, opslagplaatsen, etc. De rest van het domein werd ingenomen door tuinen. Ook uit de 19 ': en 20 stc eeuw, toen het klooster dienst deed als militaire kazerne, werden slechts een paar sporen teruggevonden, onder andere een grote kelder vlak langs de kerk.

De teloorgang

Verder onderzoek

Van de verwoestingen in de 16 c eeuw werden bij de opgravingen weinig sporen teruggevonden. Alleen de kerk getuigt nog van deze periode. Het gebouw zoals we dat nu kennen, werd immers opgetrokken in 1610. De andere kloostergebouwen kennen we dankzij een gravure van de hand van A. Sanderus. Die vertoont een schikking die typerend is voor zowat alle minderbroederkloosters in Vlaanderen en Brabant: in het midden de binnentuin en de pandgang en daaromheen de andere

Enkele van de resterende onderzoeksvragen werden hierboven al aangehaald. Voor meer diepgaand onderzoek lijken twee pistes alvast veelbelovend: het onderzoek van de vele menselijke hottesten die werden opgraven op het terrein (1) en de reconstructie van delen van het 13 '-eeuwse kloostet aan de hand van gerecupereerde stukken Doornikse kalksteen uit het 14 e -eeuwse muurwerk (2). Voor de eerste piste moet eerst een specialist in de forensische archeologie aangezocht worden. Die kan een gedetailleerd beeld schetsen van de kloostergemeenschap -samenstelling, geslacht, leeftijd, eetgewoontes, gezondheidstoestand- aan de hand van het botmateriaal.

.

Aan de reconstructie van het 13 ^eeuwse klooster wordt momenteel gewerkt. De verschillende architectuurelementen - zuiltjes, kapitelen, dekplaten, basissen en halve bogen — werden nauwkeurig ingemeten en opgetekend. Vervolgens werden alle tekeningen ingevoerd in de computer en omgezet naar een 3D-model. Na heel wat puzzelwerk bleken de zuiltjes en bogen mooi op elkaar te passen. Samen lijken ze deel uit te maken van de pandgang van het eerste klooster. We hopen binnenkort een virtuele reconstructie te maken van het ganse gebouw. Voor de stedelijke dienst Archeologie wordt het gebruik van computermodellen en 3D-technologie een vol-


gende belangrijke stap in het onderzoek en de ontsluiting van het archeologisch erfgoed van Mechelen.

(11) DE LOÉ A., Belgitjue ancienne. Catalogue descriptifet raisonné. TSme II, les Hges du métal, Musées Royaux d'Art et d'Histoire a Bruxelles, Brussel, 1931. (12) YPERMAN W., W. TIRI en W. DEVOS (red.), Opgetekend verleden 4. jaarboek van de Mechelse Vereniging voor Stadsarcheologie,

Bart Robberechts, Liesbeth Trouhleyn en Raf Ribbens zijn als archeologen verbonden aan de dienst Archeologie van Stad Mechelen. Frank Kinnaer is historicus en werkt eveneens bij de dienst Archeologie.

Mechelen, 2006. (13) LETTANY L. (red.). Het ongeschreven Mechelen. Archeologisch onderzoek op de Grote Markt en de Veemarkt 2001-2003 (met een bijdrage van Werner Wouters), Mechelen, 2003. (14) LETTANY L. (red.), Het ongeschreven Mechelen. Archeologisch onderzoek op de Grote Markt en de Veemarkt 2001-2003, Mechelen, 2003.

EINDNOTEN

(15) KINNAER R, L. LETTANY, L. TROUBLEYN en W WOUTERS, Het archeologisch onderzoek op de site "Huis van de Meche-

(1)

GYSELS H., De landschappen van Vlaanderen en Zuidelijk Neder-

laar" Befferstraat-Reuzenstraat-Zakstraat. Nieuwsbrief 5, Meche-

land. Een landschapsecologische studie, Leuven-Apeldoorn, 1993.

len, 2004. LETTANY, L. en L. TROUBLEYN, Het archeologisch

(2)

Nationaal Geografisch Instituut, Mechelen. Kaartblad 2314 Zuid,

onderzoek op de site "Huis van de Mechelaar" Befferstraat-Reuzen-

schaal l:W.000,ümssd,

straat-Zakstraat. Nieuwsbrief?, Mechelen, 2004.

1994.

(16) WES Onderzoek & Advies, Strategisch plan voor het toerismebeleid

(3)

geo-viaanderen.agiv.be/geo-vlaanderen/bodemkaart/

(4)

MERTENS J., De oudheidkundige opgravingen in de Sint-Lamher-

van Mechelen (onuitg. studie in opdracht van vzw Toerisme Pro-

tuskerk te Muizen, in Archaeologica Belgica, 1950, deel III.

vincie Antwerpen in samenspraak met het stadsbestuur Mechelen

(5)

Pro Civitate, Kabinetskaart van de Oostelijke Nederlanden opgenomen op initiatief van graaf de Ferraris. Kaartblad 91 Mechelen, séaalca.

(6)

1:25.000, Brussel, 1965.

Luys W., Schansen, eens vluchtplaatsen voor de plattelandsbewoners

en met steun van Toerisme Vlaanderen), 2004.

(17) Stad Mechelen, Departement Culturele Zaken, Erfgoedcel en dienst Archeologie, Wandelen langs het opgegraven Mechelen (wandelgids), Mechelen, 2006.

tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). In Jaarboek Heem-

(18) archeoweb.mechelen.be

kundeverenigingMaas- en Swalmdal, 5, 1985, p. 108-132.

(19) Minisrcrie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmi-

(7) VANDENBERGHES., De oudste archeologische sporen, in R. van

lieu en Infrastructuur, Adminisrratie Ruimtelijke Ordening,

Uytven (red.), De geschiedenis van Mechelen. Van heerlijkheid tot

Huisvesting en Monumenten & Landschappen, Afdeling Ruim-

stadsgewest, Tieh, 1991, p. 27-31.

telijke Planning, Gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening

(8)

geo-vlaanderen.agiv.be/geo-vlaanderen/dhm/

regionaalstedelijk gebied Mechelen: toelichtingsnota (voommv/erp),

(9)

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Ruimte-

Brussel, 2005.

lijke Ordening en Leefmilieu, Monumenten- en Landschapszorg, Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in

(20) TROUBLEYN L. en B. ROBBERECHTS, Het archeologisch onderzoek op de sites Begijnenstaat en Meiaan, St.-Rombout. Nieuws-

België. Architectuur. Deel 9n, Stad Mechelen. Binnenstad, Gent,

brief 8, Mechelen, 2005, p. 1-5. TROUBLEYN L , R. RIBBENS

1984.

en B. ROBBERECHTS, Het archeologisch onderzoek op de sites

(10) VAN CASTER G., Découverte archéologique a l'église mélropolitaine de Saint-Romhaut a Matines, in HKOM, 10, 1900, p. 11-20.

Minderhroedersklooster en Begijnenstraat. Nieuwsbrief 9, Mechelen, 2006, p. 6-9.


Johan en Tim

Veeckman Bellens

STADSARCHE0L0G1E IN ANTWERPEN

Recente opgravingen op het Falconplem (foto 0. Pauwels)

Gedurende

de voorbije

stadsarcheologie in werking, structuur.

decennia

een belangrijke

doelstellingen Een eerder

museale invalshoek beheersmatige

kende de

organisatie-

evolueerde

naar

een

en dit vanuit de

relatie

beleid van de stad.

Binnen dit veranderend rijkste bekommernis

kader bleef de

zoveel mogelijk

belanginforma-

tie over het verleden van het stedelijk gebied te verzamelen

grond-

en te synthetiseren,

basis van materiële

resten. Bij de opmaak

een chronologische

bibliografie

lijke afdeling

archeologie

dertig jaar kwamen

Een vliegende start

wetenschappelijke,

aanpak

met het ruimtelijk

en

venchuiving

over de

tot meer dan 400 publicaties, de actieve en vruchtbare

op van

van de stede-

de samenstellers

laatste in

als bewijs

DE QNTWIKKFMNn VAN DF ANTWFRPSF STADSARrHEQLQGIE

2004 van

onderzoeksactiviteit.

Al eeuwen verzamelen geïnteresseerden archeologische objecten uit de Antwerpse bodem als curiosa. Deze vondsten belandden zowel in openbare als privé-collecties. In 1952 start in Antwerpen het eerste systematisch stadsarcheologisch onderzoek langsheen de Scheldekaaien, pal in het kerngebied van de middeleeuwse stad. Onder leiding van Adelbert Van de Walle wordt een meerjarig, relatief grootschalig onderzoeksproject opgezet met de bedoeling het ontstaan en de vroegste ontwikkeling van de stad te ontrafelen. Gedurende een decennium onderzoekt Van de Walle respectievelijk het Steen en de onmiddellijke omgeving daarvan, de site van de verdwenen SintWalburgiskerk en een zone met woningen in het


noordelijk deel van de middeleeuwse nederzettingskern. De resultaten zijn spectaculair en vinden weerklank in heel Europa. Vooral de uitzonderlijk goed bewaarde middeleeuwse houtstructuren spreken tot de verbeelding. De wetenschappelijke verwerking en de interpretatie van de opgravingsgegevens blijven echter beperkt tot een aantal syntheseartikels. Een volledig opgravingsrapport wordt nooit gepubliceerd. Begin jaren '60 van de 20 st ' : eeuw valt het Antwerps stadsarcheologisch onderzoek stil. De aandacht voor het ondergronds, maar wellicht in gelijke mate ook voor het bovengronds erfgoed deemstert weg ten voordele van de dynamiek van nieuwbouw in de historische binnensteden, gebaseerd op economisch nut zonder daarbij voldoende vooruit te denken. De vooruitgangsgedachte van de golden sixties maakt een terugblik op het verleden niet prioritair.

Een nieuwe take off Begin jaren '70 groeit stilaan het besef dat met het vernieuwen van de historische binnensteden een wezenlijk deel van ons gemeenschappelijk erfgoed systematisch dreigt te verdwijnen. Schoorvoetend ontstaan nieuwe initiatieven binnen de stedelijke overheid om meer oog voor het archeologisch en monumentaal erfgoed te ontwikkelen. Na de detachering van één arbeider voor de archeologische opvolging van enkele grote infrastructuurwerken betekent de aanstelling van een archeoloog in 1975, naar aanleiding van de bouw van een grote parkeergarage in de middeleeuwse stadskern, een fundamentele stap naar een stedelijke archeologische dienst. Zoals in enkele andere steden staat het onderzoek volledig in functie van noodingrepen naar aanleiding van kleine en grotere bouw- of infrastructuurprojecten, waarbij de onderzoeksactiviteit zich meestal beperkt tot de historische stadskern. Het geplande onderzoek in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, gestart in 1987 en voorafgaand aan de tweede fase van de restauratie, vormt een keerpunt: voor het eerst worden in Antwerpen structureel tijd en middelen voorzien voor archeologie. De resultaten zijn opnieuw belangwekkend en het onderzoek zorgt voor een bredere bewustwording bij het grote publiek.

Consolidatie van de archeologische werking Reorganisaties binnen de stedelijke administratie

Opgravingen door Van de Walle ter

bemoeilijken begin jaren '90 de stadsarcheologi sche werking, maar tegelijk wordt langzaam verder gebouwd aan een meer structurele aanpak. De aanhoudende bouwactiviteit noodzaakt enerzijds voortdurend noodonderzoek, terwijl anderzijds via een bredere bewustmaking van het publiek aan een groter draagvlak wordt gewerkt. De overzichtstentoonstelling Blik in de bodem zet in 1992 met meer dan 20.000 bezoekers het begrip stadsarcheologie op de kaart. De uitgave van een eigen publicatiereeks is een initiatief waarmee op regelmatige basis informatie naar het geïnteresseerde publiek wordt gebracht. De reeks Berichten en Rapporten over het Antwerps Bodemonderzoek en Monumentenzorg, waar-

hoogte van het Steen

M&L


• Tentoonstellingsruimte in het Stedelijk informatiecentrum archeologie & monumentenzorg

Archeologisch onder-

van onlangs het zesde volume verscheen, geeft de kans niet alleen eigen onderzoek maar ook bijdragen van derden te publiceren, zowel met betrekking tot het ondergronds als het bovengronds monumentaal patrimonium. De verhuisoperatie van de afdeling archeologie naar het historische Mercator-Orteliushuis is een opportuniteit met verschillende positieve gevolgen. In de eerste plaats beschikt de afdeling nu over een volwaardige huisvesting, maar daarnaast versterkt de nieuwe locatie de publiekswerking. De inrichting van het Stedelijk informatiecentrum archeologie en monumentenzorg, de permanente tentoonstellingsruimte waar kleinschalige initiatieven de resultaten van het onderzoek tonen, de deelname aan tal van opendeuractiviteiten, de eigen website met een heus virtueel museum, het zijn allemaal initiatieven die dankzij de nieuwe huisvesting realiteit worden.

Van onderzoeks- naar beheersarcheologie Rond de millenniumwende is de archeologie toe aan een fundamentele heroriëntering. Gezien de beperkte middelen dient een beheersmatige aanpak ontwikkeld te worden, die toelaat om keuzes te maken en prioriteiten te stellen. Alle bedreigd bodemarchief ook effectief onderzoeken lijkt onmogelijk, gezien de intensieve verstoringen ten gevolge van stedelijke uitbreidingen, ontwikkeling van industriegebieden en grootschalige infrastruc-

zoek bij de uitbreiding van goederenspoor 27A In Ekeren

tuurwerken. Onder impuls van de Vlaamse overheid start in Antwerpen de archeologische inventarisatie van het grondgebied, een inventaris die op zijn beurt de basis vormt voor de totstandkoming van een archeologische advieskaart. Ondertussen krijgt het principe om bodemverstoorders de kosten voor archeologisch onderzoek te laten betalen stilaan ingang. Daar waar vanuit de regelgeving een bindend advies inzake archeologisch onderzoek wordt uitgebracht volgt de logische stap om ook de kosten voor dit onderzoek op de respectievelijke bouwheren te verhalen. O p het grondgebied van de stad Antwerpen is op dit vlak de NMBS een pionier, in eerste instantie naar aanleiding van de voorbereiding van de aanleg van de hogesnelheidslijn en daarna ook bij de verbreding van goederenspoor 27a in Ekeren. Ondertussen neemt ook de stedelijke overheid haar verantwoordelijkheid op om in verschillende gevallen de nodige middelen voor archeologisch vooronderzoek te voorzien. Dit is onder meer het geval bij de bouw van het Museum aan de Stroom (MAS), waar vooraf de resten van het voormalig Hanzehuis gedocumenteerd worden. In het kader van zuiver private ontwikkelingen blijft zonder implementatie


van het Europese verdrag van Malta de afdwingbaarheid van archeologisch onderzoek problematisch, hoewel ook hierin verandering lijkt te komen. O p enkele private bouwprojecten ontstaan partnerships tussen de bouwheer en de afdeling archeologie, met garanties voor al dan niet gedeeltelijke financiering van onderzoek.

Ontwikkeling van het archeologiebeleid In de vijftiger jaren van vorige eeuw werd een wetenschappelijke vraagstelling als uitgangspunt van een gepland en doordacht onderzoek genomen. Alhoewel een stedelijke omgeving andere (meestal zeer praktische en beperkende) randvoorwaarden oplegt aan de mogelijkheden tot archeologische opgravingen dan een open landschap, kon op het lege kadeplateau een relatief systematisch onderzoek opgezet worden. Dit resulteerde in een geconcentreerd databestand waaruit aan de hand van goed gekozen locaties een samenhangend verhaal kon gedistilleerd worden. Door praktische, vooral materiële beperkingen is eenzelfde aanpak sindsdien uitgesloten. De volgende decennia worden gekenmerkt door noodonderzoek, waarbij vaak achter graafmachines moest aangehold worden. Gelukkig kwam daarin stilaan verandering, een proces waarin de totstandkoming van de archeologische wetgeving een belangrijke rol speelde. Voor het eerst kregen archeologen de kans om in een aantal gevallen een archeologisch (voor)onderzoek af te dwingen en ook bij andere bouwheren het belang van dit onderzoek aan te tonen.

Zolang de stedelijke afdeling archeologie administratief bij de musea was ondergebracht, bleef een wisselwerking met ruimtelijke ordening problematisch. Tot aan de reorganisatie van de stedelijke administratie in 1995 kenden de dienst monumentenzorg en de afdeling archeologie een totaal gescheiden werking. De eerste legde in zijn werking vooral de nadruk op de advisering van bouwdossiers en ruimtelijke ontwikkelingen, terwijl de werking van de laatste weinig verankerd was in stedelijke administratieve procedures en de nadruk vooral op (nood) onderzoek lag. Toen de beide entiteiten samengebracht werden in het stedelijk ontwikkelingsbedrijf, nu stadsontwikkeling, droeg deze herschikking de mogelijkheid tot een betere afstemming en integratie in zich. Ondertussen had bovengronds bouwhistorisch en bouwfysisch onderzoek een plaats gekregen in de studie van het cultuurhistorisch patrimonium van onze steden. Door materiële beperkingen was het zowel voor de dienst monumentenzorg als voor de afdeling archeo-

logie onmogelijk om deze ontwikkeling te verankeren in de werking. In Antwerpen bleef het (weinige) bouwhistorisch onderzoek te danken aan enkele gedreven verenigingen, waarvan de Antwerpse Vereniging voor Bodem- en Grotonderzoek de belangrijkste resultaten boekte. In de nabije toekomst is er de intentie een grotere synergie tussen boven- en ondergronds onderzoek te ontwikkelen en een verdere verankering van de archeologie in het ruimtelijk beleid te realiseren. De opname van de archeologische advieskaart in het ruimtelijk structuutplan voor Antwerpen is hiervoor een belangrijke concrete stap.

FFN GRFFP UIT DE ONDERZOEKSRESULTATEN Antwerpen en het Antwerpse in de GalloRomeinse periode In de historische literatuur is het bestaan van een Gallo-Romeins Antwerpen zowel aangetoond als weerlegd, telkens op basis van onduidelijke of zelfs foutieve bronnen. Het komt dan ook de archeologie toe om enig licht in deze duisternis te laten schijnen. Van de Walle trof bij het onderzoek langsheen de Scheldekaaien een laag met Gallo-Romeinse vondsten aan. Toen in 1975 de graafwerken voor de parkeergarage in de driehoek tussen het stadhuis, het vleeshuis en de Scheldekaaien uitgevoerd werden, kwamen de eerste duidelijke nederzettingssporen aan het licht. Verschillende waterputten en (afval)kuilen, vaak met een rijke inhoud aan archeologische mobilia, toonden aan dat zich op de plaats

• Een waterput uit

de Wllgehoeve

de tweede eeuw

in Ekeren

na Christus nabi)

M&L


Gallo Romcinsi' begraving onder het stadscentrum

van de huidige stadskern in de 2 t en 3 ': eeuw van onze tijdrekening een nederzetting bevond. In de voorbije decennia werden meer in situ sporen onderzocht. Het lijkt erop dat het kerngebied van de nederzetting zich tussen de Grote Markt en de Veemarkt bevond, met uitlopers tot aan de huidige kathedraal in het oosten en de Reyndersstraat in het zuiden. Zowel de aard van de sporen, de analyse van de vondsten als het archeozoölogisch en archeobotanisch onderzoek laten vermoeden dat de bewoners van het Gallo-Romeins Antwerpen wellicht een agrarische gemeenschap vormden die door landbouw en veeteelt in zijn levensonderhoud voorzag. Tot dusver blijft dit een hypothetisch beeld waarbij meerdere vragen onbeantwoord blijven. In de jaren '70 was ook op het grondgebied van het district Ekeren een nederzettingskern uit de GalloRomeinse periode aan het licht gekomen in de omgeving van de huidige Wilgehoeve. Hier ging het duidelijk om een gemeenschap van landbouwers die in woonstalhoeves verbleven. Naar aanleiding van recent onderzoek in het kader van de verbreding van goederenspoor 27A door de NMBS, de aanleg van de hogesnelheidslijn ten noorden van Antwerpen en de archeologische begeleiding van een verkaveling vlakbij de Wilgehoeve werd het beeld van Ekeren in de protohistorie en de eerste eeuwen van onze jaartelling steeds duidelijker. Behalve Gallo-Romeinse sporen uit de 2CL en 3 c eeuw kregen de onderzoekers ook inzicht in het verdere verleden van deze regio. Zowel sporen uit de (late) bronstijd en de vroege en late ijzertijd werden opgetekend.

M&L

Een middeleeuwse houten straat, opgegraven in 1956

In 2002 kon in het stadscentrum bij het onderzoek op de site van het voormalig augustijnenklooster een crematiegraf onderzocht worden, waardoor we nu wellicht ook de locatie van de begraafplaats bij het Gallo-Romeinse Antwerpen kennen. Tussen de graven van de monniken bevond zich een urn met de crematieresten van een jonge vrouw, samen met enkele grafgiften. Buiten dit ene graf maken andere scherven Romeinse ceramiek die op deze site en in de onmiddellijke omgeving gevonden werden de hypothese van een necropolis plausibel.

Het ontstaan van de middeleeuwse stad Het belangrijkste onderzoek naar het ontstaan van de middeleeuwse stad vormde tegelijk het startpunt van het Antwerps stadsarcheologisch onderzoek. Het onderzoek dat in de jaren '50 op poten werd gezet, vertrok van een duidelijke wetenschappelijke vraagstelling waarvoor enkele cruciale plekken uitgekozen werden. De resultaten waren zoals hoger al vermeld spectaculair. De halfcirkelvormige versterking die zich na het bezoek van de Noormannen in 836 ontwikkelde had al gauw typische pre-stedelijke kenmerken die vooral in de georganiseerde bebouwing van het burchtareaal tot uiting kwam. De meest spectaculaire resultaten van dit onderzoek waren ongetwijfeld de houtbouwresten die op


Middeleeuwse houtbouw op de Guldenberg

•4 Onóenoek van de middeleeuwse :

-

^

-

-•-• ..,•>

Alhoewel in de laatste decennia de nadruk vooral burchtmuur: op noodonderzoek lag en de mogelijkheden tot 0Pmetmgvan " i

de plaats van de voormalige Sint-Walburgiskerk en langsheen de voormalige Mattestraat werden opgegraven. De uitzonderlijke bewaringstoestand zorgde voor een unieke bron over de vroegste fases van de middeleeuwse bebouwing. Van drie woningen, gelegen langsheen een straat met een houten wegdek, kon de evolutie tussen de 9 ^ en 12 ^ eeuw in detail gevolgd worden.

i

•

r

•

' i

i i"i

strategische keuzes in functie van een innouaelijke vraagstelling beperkter werden, werd meermaals aanvullende informatie op het onderzoek van Van de Walle opgetekend. De bouw van de waterkeringsmuur langsheen de Schelde maakte het mogelijk een dwarsdoorsnede door de oudste nederzettingskern te maken, waarbij eveneens middeleeuwse houtbouwresten tevoorschijn kwamen. Maar ook buiten de burchtzone ontwikkelde zich, wellicht reeds in de 11 " e n 12 ' eeuw, een dense bewoning en daarbij horende bebouwing. Bij de nieuwe stedenbouwkundige ontwikkeling van de Guldenberg leverde het begeleidend archeologisch onderzoek in dit verband interessante resultaten. Ook hier werd een houtbouwfase aangetroffen: resten van huizen met lemen vloeren, vlechtwerk- en vakwerkwanden op houten liggers. Momenteel staan er plannen op stapel om tussen de Jordaenskaai en de Burchtgracht, gedeeltelijk binnen de middeleeuwse burchtzone, een nieuwbouwproject te realiseren. Na de sloop van de bestaande bebouwing bleek de eerste stadsmuur uitzonderlijk goed bewaard te zijn. In afwachting van verder onderzoek werd deze uitvoerig gedocumenteerd en zal ze geïntegreerd worden in het nieuwbouwproject. De verwachtingen rond het gepland archeologisch onderzoek op deze site zijn hoog gespannen.

buitenzijde aan de B

L.

h.

M&L


tiecampagne voor de kruisbeuk en het hoogkoor wordt een speciale scharnierfase in functie van het archeologisch onderzoek tussengevoegd. De rijke resultaten geven een beter inzicht in de bouwgeschiedenis van de kerk. Zowel van de oorspronkelijke kapel als van de daarop volgende Romaanse bouwfase komen de resten aan het licht. Deze Romaanse Onze-Lieve-Vrouw was een driebeukige kerk met een drielobbige koorpartij, ongeveer 80 bij 40 meter groot. Behalve over de ontwikkeling en de aankleding van het gebouw geeft het onderzoek tevens een interessante kijk op het begrafenisgebeuren door de eeuwen heen.

Opgravingen m het Sint-Paulusklooster

Kerken in de kijker Kerken vormen de emanatie van een belangrijk deel van de geesteswereld van onze voorouders en nemen daarnaast een cruciale plaats in bij de ontwikkeling van het stedelijk weefsel, waarbij ze vaak als ankerpunt fungeren. In de voorbije decennia droeg de Antwerpse stadsarcheologie sterk bij aan de kennis over het ontstaan en de ontwikkeling van verschillende religieuze instellingen, onder meer de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, Sint-Pauluskerk en -klooster, Sint-Augustinuskerk, de voormalige Sint-Michielsabdij, maar ook het bisschoppelijk paleis, oorspronkelijk refugium van de abdij van Hemiksem. Over de vroegste geschiedenis van de Onze-LieveVrouwekathedraal zijn weinig historische bronnen beschikbaar. We weten dat de kerk in 1124, bij de oprichting van de Sint-Michielsabdij, parochierechten krijgt wanneer een aantal kanunniken van de Sint-Michielsabdij naar een - reeds bestaand bedehuis verhuizen, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Meer gedetailleerde historische informatie over de belangrijkste Antwerpse kerk krijgen we pas op het einde van de middeleeuwen. De inbreng van de archeologie in de zoektocht naar het kerkelijk verleden is daarom van groot belang. De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal was de voorbije decennia vrijwel continu in restauratie. Wanneer in de jaren zeventig de binnenrestauratie van het schip plaatsvindt is er voor het eerst ook aandacht voor de ondergrond van de kerk, alhoewel niet van een echt archeologisch onderzoek kan gesproken worden. Tussen de voltooiing van het schip en de restaura-

M&L

Aansluitend op het onderzoek in de Onze-LieveVrouwekathedraal was Sint-Paulus, oorspronkelijk kloosterkerk van het dominicanenklooster, aan de beurt. Ook hier stond de zoektocht naar de voorganger(s?) van het huidige gebouw centraal. Bij de eerste onderzoekscampagne onder het overwelfde hoogkoor werd de koorpartij van de eerste kerk uit het midden van de 13 c eeuw gelokaliseerd. Aansluitend kon enkele jaren later bij de werkzaamheden voor de aanleg van een verwarmingssysteem ook het kloostergebouw geïdentificeerd worden. Zowel kerk als klooster waren oorspronkelijk in Doornikse kalksteen opgetrokken. De kerk lag binnen de huidige kerk en het kloostergebouw sloot er ten nootden daarvan haaks op aan. Alhoewel de totale lengte van de kerk niet met zekerheid kon bepaald worden ging het om een driebeukig gebouw met een langgerekt koor. Enkele van de zuilen die schip en zijbeuk scheidden kwamen bij het onderzoek aan het licht. O p het gelijkvloers van het kloostergebouw bevonden zich de kapittelzaal en de refter, terwijl op de verdieping wellicht het dormitorium gesitueerd was. Bij het onderzoek bleek dat op bepaalde plaatsen nog opgaand metselwerk tot op de verdieping bewaard was. Ook het onderzoek in de Sint-Pauluskerk leverde heel wat informatie over grafritueel en doodsgebruiken. Vooral uit de IS11" eeuw werden talrijke elementen verzameld: van religieuze textilia uit de graven van geestelijken, over zowel religieuze als eerder heidense grafgiften, waaronder munten, kammen, schapulieren en rozenkransen, tot informatie over grafkelders en doodskisten.

De omvorming van Sint-Augustinuskerk tot Augustinus Muziekcentrum (AMUZ) bracht tussen 2002 en 2006 werken met zich mee die tijdens twee kortstondige archeologische campagnes begeleid werden. Aan de achterzijde van de kerk, waar het 1 7 C 'eeuws kloosterpand stond, bleek een grote grafkei-


"W

Na het terremwerk volgt de verwerking: puzzelen van scherven

der te zitten met daarin de stoffelijke testen van 18 c -eeuwse augustijnen. Ondet de vloer van de grafkelder bevonden zich oudere kloostergraven. De augustijnen richtten in volle contrareformatie op deze plaats in het eerste kwart van de 17 c eeuw hun kerk en klooster op. Hiervoor moest de bestaande bebouwing gesloopt worden. Bij het onderzoek in de kerk kwamen, naast graven en grafkelders, resten van die bebouwing aan het licht en tot grote verwondering van de opgravers ook het afval van een majolicabakker.

Materiële cultuur en dagelijks leven De scherven en andere vondsten die bezoekers naar aanleiding van opendeurdagen in het atelier van de afdeling archeologie te zien krijgen bepalen in belangrijke mate de perceptie van het archeologisch onderzoek bij het grote publiek. Geduldig worden voorwerpen gereinigd, gepuzzeld en opnieuw samengesteld. Vaak vertellen deze voorwerpen hun eigen verhaal en werpen ze een nieuw licht op een aantal aspecten van het verleden die vanuit andere bronnen weinig of niet gekend zijn. Het afval dat onze voorouders wegwierpen vormt een unieke bron van informatie over het toenmalig dagelijks leven. Tot het einde van de middeleeuwen werden

hoofdzakelijk (op het eigen perceel?) kuilen gegraven waarin huishoudelijke resten en afgedankt huisraad gestort werden. Behalve relatief goed dateerbare vondstcomplexen geven dergelijke afvalkuilen een mooi beeld van (een deel van) het gangbare huisraad uit een bepaalde periode. Parallel met de verstening van de stad komt ook het gebtuik van bakstenen afvalputten in zwang. Ook deze afvalcontexten zijn een boeiende bron die verschillende aspecten van het dagelijks leven belichten, alhoewel het beeld hier vaak vertroebeld wordt door residuele vondsten of door de grote chronologische vork die het materiaal uit de beerput vertegenwoordigt. De studie van deze vondstcomplexen gebeurde regelmatig in samenwerking met de archeologieopleidingen aan onze verschillende universiteiten, waar ze een dankbaar onderwerp voor eindverhandelingen vormden. Behalve artefacten bevatten de afvalcontexten ook talrijke ecofacten die ons op hun beurt inlichten over de ecologie van de omgeving of het dieet van onze voorouders. Systematisch onderzoek van zaden en vruchten en studie van het dierlijk botmateriaal zijn de belangrijkste vondstencategorieën

M&L


om deze aspecten van het dagelijks leven te reconstrueren. Hierbij wordt samengewerkt met verschillende specialisten en instellingen, wat tegelijk het multidisciplinair karakter van het modern archeologisch onderzoek beklemtoont.

Ambachtelijke activiteiten Archeologie is een rijke, diverse en originele bron voor informatie over tal van ambachtelijke activiteiten. Behalve gegevens over het geproduceerde en het productieproces geeft het afval ook een kijk op de verspreiding van goederen op de markt en de evolutie daarin. De ambachtsman neemt immers deel aan een economisch proces dat gebaseerd is op vraag en aanbod. In de loop der jaren werden in Antwerpen van tal van ambachtelijke of industriële activiteiten de archeologisch overgeleverde resten opgegraven. De oudste archeologische sporen van ambachtelijke activiteiten situeren zich in de prestedelijke nederzettingskern, waar ondermeer afvalproducten van een beenbewerker uit de volle middeleeuwen verzameld werden. Maar ook in de 16 e eeuw waren beenbewerkers in Antwerpen actief. In de Schoytestraat werden de resten van een kleinschalige productie van oorlepeltjes en tandenstokers aangetroffen.

• Resten van majolicaproductie: oefeningen op een bord in biscuit

Archeologische gegevens over de nochtans zeer belangrijke textielindustrie zijn zeldzaam. Van leerbewerkers en/of schoenmakers werden dan weer tal van resten verzameld, onder meer uit een laatmiddeleeuwse ophogingslaag op de Grote Markt en recent uit een poel die vlak buiten de middeleeuwse stadswal lag.

Pottenbakkerijen spelen vaak een belangrijke rol in het onderzoek naar de materiële cultuur van onze voorouders. Een belangrijk deel van het dagelijks huisraad was eeuwenlang uit aardewerk vervaardigd en het alom aanwezige aardewerk wordt door de archeoloog als dateringsmiddel gebruikt. Voor de late middeleeuwen is vooral de pottenbakkersindustrie die zich aan de zuidzijde van de toenmalige stad bevond van groot belang voor gegevens over de lokale aardewerkmarkt. Bij een bouwproject aan de Korte Ridderstraat werd in 1987 een grote hoeveelheid pottenbakkersafval en misbaksels gevonden die een beeld schetsen van de productie aan dagelijks gebruiksaardewerk: borden, kookpotten, kommen, kannen, kruiken, braadpannen en minder frequente vormen zoals olielampjes. Deze productie situeert zich in de tijd wanneer het roodbakkend en geglazuurd aardewerk het oudere, overwegend grijsbakkend aardewerk vrij snel van de markt verdringt. Voor Antwerpen was de 16 e -eeuwse majolicaproductie van uitzonderlijk belang. Aangetrokken door de gunstige economische vooruitzichten emigreren enkele Italiaanse ambachtslui naar de Scheldestad. Ene Guido di Savino - hij vernederlandste zijn naam later tot Andries - richt een majolicabakkerij op naar Italiaans model. Het bontgekleurde majolica veroverde snel een plaats op de markt. Oorspronkelijk vooral gericht op een publiek van edelen en hoge geestelijkheid kent deze aardewerksoort na het midden van de 16 c eeuw een duidelijke popularisering en vinden we majolica ook in een meer burgerlijk milieu. Het stadsarcheologisch onderzoek leverde in de voorbije jaren een rijke oogst aan voorwerpen in majolica, maar ook belangrijke informatie over de productie. Ondertussen werden twee ovens opgegraven en kwamen ook op andere plaatsen afval en misbaksels aan het licht. Dit archeologisch materiaal geeft een duidelijk beeld van de gebruikte technologie en van de producten, waardoor het Antwerps majolica nu beter kan geduid worden. Reeds in de 16 e eeuw speelde Antwerpen een cruciale rol in de import en productie van suiker, eerst uit de Canarische eilanden, later uit de Nieuwe Wereld. De productietechniek is verantwoordelijk voor grote hoeveelheden industrieel ceramisch afval. Bij de raffinage wordt onder meer gebruik gemaakt van trechters, waarin de suiker kristalliseert, en van strooppotten, waarin het overtollig vocht opgevangen wordt. O p verschillende plaatsen in de Antwerpse binnenstad werden (vaak gro-


i -Hl • - '• •

.

'-;

-

M

%

-

f 1 "'jb*^gfc

r ii

d

^

Een majolica-oven in de Aalmoezenier

.

straat

ps%

.v-.j^P9 ^ P 9 H |

S*MM'I '1

'

Sfe^j'

.

^3

i nB^lKl^-^^^B

te) hoeveelheden van dergelijke suikertrechters en strooppotten bij archeologisch onderzoek aangetroffen, variërend in datering van de 16 L tot de 19 c eeuw. De vondsten illustreren het grote belang vanuit archeologische hoek van deze zoete industrie voor de Scheldestad.

onderzoek in de Antwerpse binnenstad, Antwerpen, 1982, p. 9-13; - OOSTT., BUNGENEERS J., VEECKMAN J., ERVYNCK A. en SORBER E, Onder de kathedraal. Archeologisch bodemonderzoek tijdens de restauratiewerken, in AERTS W. (red.), De Onze-LieveVrouwekathedraal van Antwerpen, Antwerpen, 1993, p. 305-338; -

Van nederzetting tot metropool. Archeologisch-historisch onderzoek in de Antwerpse binnenstad, Antwerpen, 1982;

- VEECKMAN J., Stadsarcheologie: van toevallige bodemvondst tot systematische opgraving, in VEECKMAN J. (red.). Blik in de bodem.

Johan Veeckman is adjunct-coördinator archeologie en monumentenzorg voor de stad Antwerpen. Tim Bellens is als consulent archeologie verbonden aan de stad Antwerpen

Recent stadsarcheologisch onderzoek in Antwerpen, Antwerpen, 1992,

p.7-12; - ID., Een klooster komt weer tot leven. Archeologisch onderzoek in de Antwerpse Sint-Patduskerk, in Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, 1996, 3, p. 38-39; - ID., Urban archaeology in Antwerp (Belgium). Results and prospects for the future, in GlASERM. (red.), Liibecker Kolloquium zur Stadsarchiiologie im Hanseraum h Stand, Aufgaben und Perspektiven,

BIBLIDGRAFIF

Liibeck, 1997, p. 67-74; - ID., Gallo-Romeins Antwerpen, de mythe voorbij, in CUYT G. en

- BELLENS T. en VANDENBRUAENE M., HetAllerheiligenkloosUr van de Antwerpse augustijnen: archeologische enfysischantropologische gegevens, in Relicta, 2, 2006, p. 197-234; - BELLENS T., VANDENBRUAENE M. en ERVYNCK A., Een Gallo-Romeins crematiegraf in Antwerpen, in Relicta, 3 (in voorbereiding); - DE WINTER N. en VEECKMAN J. (red.), In goeie aarde ... Een archeologische verkenning van Ekeren, Antwerpen, 2005; - OOST T , Stadsarcheologie: een haastklus tussen graafmachine en betonmolen?, in Van nederzetting tot metropool, Archeologisch-historisch

SAS K. (red.), Vlekken in het zand. Archeologie in en rond Antwerpen, Antwerpen, 2003, p. 115-123; - VEECKMANJ. en BELLENS T. (red.). Vijftig jaar stadsarcheologie in Antwerpen. Wat nuf, Antwerpen, 2002; - VEECKMAN J., BELLENS T. en GEERTS K. (red.), Archeologie in Antwerpen. Een chronologische bibliografie, Antwerpen, 2004; - VEECKMAN J., JENNINGS S., DUMORTIER C , WHITEHOUSE D. en VERHAEGHE E (red.). Majolica and glass: from Italy to Antwerp and beyond. The transfer of technology in the lothearly 17th century, Antwerpen, 2002.


Hubert Heymans en Anja Neskens

STADSARCHE0L0G1E IN MAASEIK

Uit geschreven bronnen weet men dat de stad

De historische informatie over Maaseik in de

Maaseik 760 jaar geleden werd gesticht door

middeleeuwen

Arnoid IV, graaf van Loon. Toch is deze gezel-

Voor de oudere periodes is men echter aange-

lige, historische stad niet uit het niets

wezen op archeologisch onderzoek, wat niet

ontstaan. Maaseik wordt immers ook wel eens

vanzelfsprekend

aangeduid als het Nieuwe Eyck,

Maaseik, die anno 2007 slechts 24.000 inwo-

ontsprongen

is goed

gedocumenteerd.

is in een kleine stad als

uit het Oude Eyck, of liever Aldeneik.

ners telt. Toch is men erin geslaagd om in

Dit dorpje aan de Maas wordt ook nu nog

1984 als eerste stad in Limburg een stads-

beheerst door een kerk, laatste getuige van

archeoloog aan te werven. Hoe men hiertoe

een belangrijke vroegmiddeleeuwse

gekomen is en wat de verdere gevolgen

abdij,

waren

waarvan de oorsprong teruggaat tot de

van deze beslissing lichten we hieronder graag

8ite eeuw toen de grootgrondbezitter

toe, evenals een kort overzicht van de belang-

Adalard

een abdij stichtte voor zijn dochters Harlindis en Relindis.

rijkste

ontdekkingen.


iififiiNn Maaseik is gelegen aan de rand van een laagplateau, meer bepaald daar waar de nauwe Maasvallei, na het Lotharings Cuëstaland, het Ardens massief en de vruchtbare leemplateaus te hebben doorkruist, trechtervormig in de wijde Europese vlakte uitmondt. Vanuit het Maasland kan men gemakkelijk doordringen naar de vruchtbare leemstreken met talrijke bijrivieren, zoals de Roer en de Geleen. Dit was echter niet het geval langs de kant van het Kempisch plateau. Over een afstand van 30 km mondt er aan de westzijde geen enkele bijrivier uit in de Maas. Dwars door het grondgebied van Maaseik loopt in zuidwest-noordoostelijke richting een interfluviale rug van enkele kilometers breed. De bodem van dit gebied varieert daarbij van een zandige ondergrond in het zuidwesten tot een licht leemhoudende ondergrond in het noordoosten. Deze eolische formaties uit het Würmtijdvak werden ongeveer 100.000 jaar geleden afgezet op grindformaties die deel uitmaakten van het laagterras van de Maas, dat tijdens het Rissglaciaal ongeveer 180.000 a 250.000 jaar geleden werd opgebouwd. Dwars door deze heuvelrug vloeien de Bosbeek en de Sint-Jansbergbeek, die beide een cruciale rol gespeeld hebben in de ontwikkeling van Maaseik. De Maas, een ideale manier om goederen snel en goedkoop te transporteren, was uiteraard één van de belangrijkste aanleidingen voor de aanleg van een nederzetting of een stad. In de Romeinse periode werd een heirbaan aangelegd die grotendeels parallel liep met de Maas, en Tongeren verbond met Nijmegen. Slechts op enkele plaatsen benadert

de heirbaan vrij dicht de rivier, voornamelijk op de concave oevers van de verlaten meanders. O p deze punten werden de meeste Romeinse nederzettingen gebouwd. De Romeinse vondsten uit Maaseik en Geistingen zijn hiervan voorbeelden. De alluviale vlakte van de Maas is een viertal kilometer breed. Deze strook is opgebouwd uit recente rivieraanslibbingen uit het Holoceen, leem en klei, rustend op grindbanken; de stroom werd dan ook gevreesd omwille van de steeds terugkerende overstromingen, een gevaar dat nu beperkt werd door de aanleg van dijken. Nagenoeg de helft van het grondgebied van Maaseik is in deze alluviale strook gelegen. In de Romeinse periode, en verder tot in de Merovingische periode, concentreerde de bewoning zich voornamelijk rond Geistingen en Ophoven. Het site in Geistingen was gelegen aan de oostelijke rand van het terras, waar de Witbeek door de interfluviale rug heen uitmondde. Reden voor de verschuiving in de bewoning was de verlegging van de loop van de Maas binnen zijn alluviale vlakte, waar de Romeinen een kamp zouden oprichten. Een grafveld in Ophoven bleek bij onderzoek vanaf de vroeg-Romeinse periode tot in de Merovingische periode in gebruik te zijn gebleven. Romeinse begravingen werden gelokaliseerd in het Noorden van Maaseik en op het Geistingerterras aan de Hepperpoort. In de vroege en de volle Middeleeuwen zouden eerst Aldeneik en later Maaseik een grotere rol gaan spelen; in eerste instantie vanuit kerkelijk oogpunt, maar nadien ook op economisch vlak.

Legende: Pleinbegijnhof en Agnetenkiooster

A (opgraving Kloosterbempden)

Twee post-middeleeuwse torens

A • van de omwalling (Kol. Aertsplein) / ^

Capucinessenklooster

/ y ^ Romeins grafveld Maaseik /Q\ Leerlooierij (Project Hepperstaete) / ^ \ Romeins grafveld 't Meulke /TV Merovingisch grafveld Ophoven


ONTSTAAN VAN EEN ARCHEQLQGISrHF DIENST Vóór 1850 is niet veel informatie gekend over mogelijke vondsten in en rond Maaseik. Pas in de tweede helft van de 19 c eeuw, wanneer plaatselijke amateurarcheologen en wetenschappers uit Luik en Brussel in de Maasvallei op zoek gingen, zouden de eerste vondsten worden geregistreerd, voornamelijk prehistorische en Romeinse artefacten. Dit archeologisch materiaal, dat bijdroeg tot de vorming van de Maaseikse geschiedenis, werd overgebracht naar musea in Luik, Brussel, Hasselt en Tongeren. Als reactie hierop ontstonden er in de eerste helft van de 205tL eeuw in Maaseik en onmiddellijke omgeving enkele privé-collecties, ondermeer op initiatief van Philips, Nyssens, Geerkens en Joseph Gielen. Ze zouden langzaam maar zeker de weg banen naar een Stedelijk Museum. Het Stedelijk Museum, dat vlak vóór de Tweede Wereldoorlog ingericht werd in het Koetshuis langs de Eikerstraat, herbergde vanaf het begin naast historische, ook archeologische voorwerpen. Deze bezienswaardigheden werden geschonken of in bruikleen gegeven door de reeds vermelde verzamelaars en inwoners van de stad Maaseik. De collectie werd op 23 mei 1964 overgebracht naar een nieuwbouw. Deze bouw is annex aan de oudste private apotheek van België (vermoedelijk gestart rond 1695), die twee jaar eerder door de Stad Maaseik was aangekocht. Men kan dus stellen dat er een vrij groot belang gehecht werd aan archeologische vondsten, weliswaar verworven door amateur-archeologen. Al deze resten waren echter slechts losse vondsten en niet afkomstig van wetenschappelijk onderzoek.

Kruisheer-historicus Willem Sangers, goed gekend in de beide Limburgen, had altijd al belangstelling getoond voor de boven- én ondergrondse geschiedenis van Maaseik. Als oud-leraar geschiedenis vond hij het vanzelfsprekend dat er meer aandacht diende besteed te worden aan de archeologie. Naar aanleiding van de vondsten in Ophoven en Maaseik wist hij de stad Maaseik te overtuigen van het nut van een eigen stadsarcheologische dienst. Naast grote steden als Antwerpen, Brugge en Gent werd Maaseik in 1984 de eerste kleine stad die een eigen stadsarcheoloog aanstelde, die ook als opdracht kreeg om als conservator een regionaal archeologisch museum op te starten. Na lange discussies over de bewaarplaats van de archeologische vondsten, werd in 1982 door N . Tonnaer-Van Echteld, een plaatselijke mecenas, het gelijkvloers van een pand aan de Markt in erfpacht ter beschikking gesteld. Haar uitdrukkelijke wens was 'de belangrijke archeologische vondsten uit de regio niet verloren te laten gaan, maar voor altijd in Maaseik te bewaren tot educatieve en pedagogische waarde voor de maaslandse jeugd'. Het pand bleek na de opening op 18 decemberl982 snel té klein, waarop dezelfde maecenas een stuk grond aanbod voor de bouw van een nieuw archeologisch museum. De uitwerking van dit project werd mede gefinancierd door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. Het Museactron, geopend op 22 september 1987, werd een vooruitstrevend educatief medium, dat de archeologie een nieuw elan bezorgde naar het grote publiek toe.

DE STADSARCHFOLOfilSCHE DIENST In 1973 werd bij de uitgraving van een bouwput in Ophoven een Merovingisch grafveld ontdekt. Het site werd wetenschappelijk onderzocht door de toenmalige Nationale Dienst voor Opgravingen. Twee jaar later volgde een nieuwe belangrijke archeologische ontdekking toen in Maaseik, meer bepaald langs de Oude Ophoverbaan, een Romeins grafveld werd getraceerd. Ook dit onderzoek werd uitgevoerd door de Nationale Dienst voor Opgravingen. De gegevens van beide opgravingen werden behalve door de N D O onderzocht en geanalyseerd door A. Claassen en H. Heymans. O o k de voortdurende noodonderzoeken (19731984) in de ontgrindingszone langs de Maas tussen Kessenich en Maaseik bewezen op een pijnlijke manier hoeveel informatie er dagelijks verloren ging zonder een plaatselijk archeologisch toezicht.

Personeelsbezetting Vanaf 1985 kreeg de stadsarcheoloog/conservator een aantal personeelsleden toegewezen voor de goede werking van het museum en de archeologische opgravingen. Hierbij kon hij rekenen op drie arbeiders op het archeologisch veld, aangevuld met vrijwilligers en één tekenaar. Dit team werd aangevuld met drie personen, waarvan twee in dienst van de stad Maaseik en één vrijwilliger, die de archeologische vondsten verwerkten. Ze werden tevens aangesteld voor de museumwerking. Sindsdien worden jaarlijks noodopgravingen uitgevoerd, beperkt in ruimte en tijd. Naargelang het aantal opgravingen werd ook het archeologisch team aangepast. In 2007 bestaat de archeologische dienst in Maaseik uit een archeoloog/conservator, een co-archeoloog.


Graf 127 uit het Romeins grafveld te Maaseik (foto Musea Maaseik)

een tekenaar en twee arbeiders. Daarnaast beschikt de dienst over zes personeelsleden, voor de goede werking van de Musea Maaseik.

Resultaten Terugkijkend op meer dan 20 jaar stadsarcheologie in Maaseik kan men stellen dat het onderzoek zich grotendeels beperkte tot noodonderzoek op kleine percelen die vrijkwamen voor bebouwing in de historische stadskern of, in geval van verbouwingswerken, van bestaande historische panden. Vermeldenswaard zijn ondermeer de opgravingen in 1990 in het oud Capucijnenklooster, naar aanleiding van de bouw van appartementen. Hierbij werd een beerput leeggemaakt met keramiek en glazen vondsten uit de I6dc, 17 de en 18 de eeuw. In 2000 werden bij werken op de markt twee oude kelders in mergel gevonden. Oude schetsen van Maaseik geven inderdaad aan dat het markplein in de middeleeuwen een kleinere omvang kende. Beide kelders situeerden zich aan de zuidkant van de markt. Eerder, in 1990, werden de grondvesten van de middeleeuwse Hepperpoort vrij gelegd. Merkwaardig was dat de fundering in mergel steunde op -grotendeels verrotte- houten palen. Dit gedeelte van het poortcomplex, dat verder nog twee ronde torens omvat, werd immers gebouwd in een moerassig gebied.

Naast deze noodopgravingen zijn er in Maaseik ook een aantal grootschalige opgravingen doorgevoerd vóór de aanvang van bouwwerken. Zo kon er ondermeer van september 1985 tot augustus 1986 op de terreinen van het huidige Rijksadministratief Centrum langs de Bleumerstraat uitgebreid onderzoek verricht worden naar het voormalige capucinessen- of Sionklooster. Ook de realisaties van enkele winkelprojecten (Kloosterbempden, Hepperstaete en Kol. Aertsplein) werden voorafgegaan door archeologisch onderzoek. Stadsarcheologie beperkt zich niet tot archeologie binnen de stadsmuren, maar kijkt ook naar de regio waarbinnen die stad zich ontwikkeld heeft. Zo werden er sinds 1970 enkele Gallo-Romeinse graven onderzocht in Geistingen, op een plaats genaamd 't Meulke. Diezelfde zone werd in 1989 bedreigd door woningbouw, waarop de dienst stadsarcheologie onmiddellijk ingreep en een nieuw onderzoek uitvoerde. Hierbij werd een Romeins grafveld vrijgelegd met 87 structuren, waarvan 77 aan de hand van crematieresten met zekerheid als graven geïdentificeerd konden worden. Er werden 425 bijgaven aangetroffen, waaronder keramiek, metaal en glas. Het grafveld werd in de eerste helft van de lst<: eeuw na Christus in gebruik genomen en werd verlaten in de 3 I C eeuw.


FFN RErFNTF RFAI ISATIF: KinOSTFRBEMPDEN In het begin van de 2 r K eeuw werden er plannen gemaakt om een groots winkelcentrum te bouwen, ter bevordering van de economische welvaart van Maaseik. Dit winkelcomplex zou aangelegd worden op het terrein van Kloosterbempden, tussen de Koningin Fabiolalaan en het stadspark en gedeeltelijk tot aan de Heppersteenweg, waarvan de archeologische dienst na archiefonderzoek vermoedde dat de bodem historische informatie te bieden had met betrekking tot de eventuele resten van een voormalig pleinbegijnhof. Een uitgebreid prospectieonderzoek aan de hand van proefsleuven leidde echter niet tot het gewenste resultaat en werd na 6 maanden beëindigd. In 2005 waren er opnieuw financiële mogelijkheden om het archeologisch onderzoek op Kloosterbempden verder te zetten. Door de goede samenwerking tussen de archeologische dienst van Maaseik en de projectleiders van het bouwproject was er voldoende tijd om alle archeologische resten aan een grondig onderzoek te onderwerpen.

Het zou een pleinbegijnhof worden waarbij verschillende houten huisjes gebouwd werden rond een centraal plein met daarbij een stenen kerkgebouw. In de bloeiperiode van het begijnhof woonden er ongeveer 70 begijnen. In 1425 was dit aantal teruggevallen op amper acht. In 1429 besloten twee begijnen het agnetenklooster op te richten, dat volgens de overgeleverde teksten in de omgeving van het kerkhof van het voormalige pleinbegijnhof gesitueerd was. Het bestond uit een kloostergebouw omgeven door een omheiningmuur. In 1482 werd het geheel verwoest door een brand. In de 20iK eeuw, bij de aanleg van het schoolgebouw van de Kruisheren op het terrein van Kloosterbempden, werd een altaarsteen aangetroffen. Waarschijnlijk behoort deze altaarsteen tot de kerk van het pleinbegijnhof uit de 13 e eeuw. Het pleinbegijnhof beschikte over drie verschillende altaren, met name het altaar van Sint-Agnes, het altaar van Sint-Barbara en het altaar van het Heilig Kruis. Behalve de naam Kloopsterbempden was de informatie over het pleinbegijnhof, waarvan noch plannen noch schetsen bewaard bleven, zeer beperkt.

Geschiedenis In 1245 stelden graaf Arnold IV van Loon en zijn echtgenote Johanna van Chiny grond ter beschikking om er een begijnhofparochie op te richten.

Inmetingsplan archeologische punten

HFT PIFINRFGIJNHQF FN HET AGNETFIMKinOSTFR De vondsten die mogelijk te relateren zijn aan het pleinbegijnhof en het agnetenklooster zijn ondermeer een rechthoekig gebouw, een grachtstructuur, een greppel en enkele waterputten.

Rechthoekig gebouw In het zuidoostelijk deel van het terrein Kloosterbempden werden de mergelstenen fundamenten aangetroffen van een gebouw dat 8 meter breed en 30 meter lang was. Het materiaal uit de kuilen die tegen het gebouw aanliggen en welke brandsporen T

Legende: I.WP3: rechthoekig gebouw 8m op 30m 2.WPI: waterput met tinnen servies 3.WP4: middeleeuwse greppel met waterput 4. WP9: leerlooierij 5.WPS: deel vestingmuren volgens Vauban 6. sleuf S: grachtstructuur

Rechthoekig gebouw

Agnetenklooster

behorend tot het

(tekening Musea

begijnhof of

Maaseik)


vertonen, geven de duidelijke datering weer van de ingebruikname van het gebouw in de 13 e eeuw en de brand in 1482. De oudste keramiek die men aantreft in de kuilen is Andenne-aardewerk. Daarnaast vond men ook heel wat dierlijk afval en een zilveren munt terug. Binnenin de structuur werden sporadisch ook enkele dierlijke resten ontdekt. Aan de hand van het vondstmateriaal kan men afleiden dat dit gebouw zowel een onderdeel was van het pleinbegijnhof als van het gnetenklooster. Ten noorden van dit gebouw werd er een waterput aangetroffen die uit dezelfde periode dateert. In de houten waterput lag een houten emmer met ijzeren

beslag, gedeeltelijk beschadigd, en wat scherven die dateren uit de l4e-15 e eeuw.

Grachtstructuur Bij de opgravingen op het voormalige voetbalterrein, gelegen tussen het park en terrein Kloosterbempden, kon over een lengte van 28 meter een grachtstructuur gevolgd worden. Het materiaal dat verzameld werd uit deze gracht is zeer gevarieerd. De grootste groep vondsten bestaat uit botmateriaal, voornamelijk van paarden, schapen, varkens en runderen. Daarnaast is er ook heel wat aardewerk, metaal en glas gevonden. Het aar-

EEN AGNUS DEI Bij het schoonmaken van een profiel in de gracht ontdekte men enkele stukjes metaal en een aantal witte fragmenten van een 'ivoren munt' met onleesbare opschriften. Bij het afleveren in het restauratieatelier zag de vondst er dus heel kwetsbaar uit: enerzijds was er de 'munt' en anderzijds vormeloze fragmenten metaal. De metalen fragmenten, aangetast door bronsrot, werden gereinigd en bleken afkomstig te zijn van een doosje vervaardigd uit een koperlegering. Van de boven- en onderzijde van dit doosje ontbreken delen en van de opstaande rand zijn slechts 5 stukjes bewaard gebleven. De boven- en onderzijde van het doosje zijn door middel van tin gesoldeerd geweest aan een opstaande rand, waarvan slechts een klein fragment bewaard is gebleven. De voorzijde is voorzien van een gravering die Christus voorstelt, terwijl de keerzijde het Lam Gods vertoont.Het cirkelvormige zegel met een diameter van 5,5 cm is vervaardigd uit was en is gebroken in enkele grote en een aantal kleinere fragmenten. O p het zegel bevindt zich aanslag en koperoxide van het doosje, dat aan de voor- en keerzijde een identieke voorstelling van het Lam Gods weergeeft.

De keerzijde is minder scherp afgedrukt dan de voorzijde.Onder het Lam Gods is de naam van de regerende Paus EUGENIUS P.P. IIII weergegeven. Het randschrift is te lezen als volgt: AGNE DEI MISERERE MEI QUI CRIMINA TOLLIS +. Deze uitzonderlijke vondst is een zogenaamde Agnus Dei, een medaillon dat vervaardigd wordt uit de witte was van de paaskaars van het jaar voordien. Een Agnus Dei wordt door de paus in de Sint-Pietersbasiliek in Rome plechtig gewijd op Beloken Pasen, de eerste zondag na Pasen en dit uitsluitend tijdens het eerste jaar van zijn pontificaat en vervolgens elk zevende jaar daarna. Zulke medaillons werden door de Paus geschonken aan voorname personen als dank en/of erkenning. Het doel van een Agnus Dei is de bezitter te beschermen tegen 'slechte invloeden' zoals storm, pest, vuur, overstromingen en het gevaar waaraan vrouwen zijn blootgesteld bij de gebootte van een kind. De alleroudste exemplaren worden respectievelijk bewaard in Rome en in de kerkschatten van Tongeren en Maaseik. Alle drie werden ze gewijd door Johannes XXII, de tweede paus van Avignon, wiens pontificaat liep van 1316 tot 1334.

•4

-4

Het Agnus Dei

Het doosje Agnus

(foto restauratie-

Dei (foto restaura-

atelier Kempkens)

tieatelier Kempkens)

IVI&L


dewerk uit deze gracht is vergelijkbaar met het materiaal uit de kuilen rond het rechthoekige gebouw, in het zuid-oostelijk deel van het terrein Kloosterbempden. Er is dus een relatie tussen het pleinbegijnhof, het Agnetenklooster en deze gracht. De gracht is verschillende eeuwen in gebruik geweest voor het dumpen van voedselresten en gebruiksaardewerk en van het puin van het verwoeste klooster. Een opmerkelijke vondst was een oxiderend gebakken kaarsenbak met een groene laag loodglazuur. Het meest bijzondere voorwerp uit dit geheel was zonder twijfel een zogenaamde Agnus Dei uit de 15 c eeuw.

Een waterput met tinnen servies In het noordwestelijk deel van het terrein Kloosterbempden werd een tweede waterput ontdekt. Deze put was slechts tot op een hoogte van 70 cm bewaard gebleven. Daarnaast waren er nog drie houten planken bewaard, weliswaar niet meer aaneensluitend. Er werd in de put één stuk laatmiddeleeuws steengoed gevonden. O p de bodem werden drie grote en enkele kleine fragmenten aangetroffen van mergelblokken. Deze blokken zijn vermoedelijk afkomstig van het eerder vermelde rechthoekige gebouw. Daarnaast lag er ook een groot stuk blauwe hardsteen, dat aan één zijde duidelijk bewerkt is. Eerst bestond er een vermoeden dat dit de bodem zou zijn van de waterput. Maar nadat men de grote stenen verwijderd had kwam er een tinnen servies aan de oppervlakte. Het tinnen servies was erg aangetast door tinpest en moest een restauratie ondergaan. Dit werk werd beëindigd in december 2006. Het uitgebreid assortiment betreft een kan, 24 borden van diverse afmetingen, enkele fragmenten van tinnen borden en tot slot een kleine pot met deksel. In de rand van

twee borden zijn de stempels van de tingieter bewaard gebleven. Deze stempels zorgen voor een datering op het einde van de 15 c eeuw, hetgeen wordt bevestigd door de typologische kenmerken van de tinnen kan. Dit alles laat vermoeden dat in 1482, toen het agnetenklooster geteisterd werd door een hevige brand, deze kostbare bezittingen in de waterput werden gedumpt, met de bedoeling ze nadien weer te recupereren.

Greppelstructuur In Werkput 4 werd er een doorlopend spoor opgemerkt, dat van het oosten naar het westen liep. In het oosten maakt dit spoor een opmerkelijke bocht naar het noorden, waarna het verdwijnt. Waarschijnlijk deed het dienst als een vrij ondiepe greppel rond een structuur. Van de vermoedelijke structuur kon echter niets teruggevonden worden. Binnen de greppel was echter wel een waterput ingesloten. De wand van deze put was opgebouwd uit mergelblokken, met in het centrum enkele scherven Pingsdorfaardewerk. Het aardewerk dat in de greppel aangetroffen werd is gelijkaardig aan de keramiek uit de verbrande sporen rond de rechthoekige structuur en dus dateerbaar tussen de 13 c en 15 e eeuw.

Vauban O p 15 mei 1672 zou Maaseik volgens de historische teksten veroverd zijn door de Franse troepen. Diezelfde maand werd er gestart met de aanleg van versterkingen volgens de plannen van Vauban, een Franse militaire ingenieur die in opdracht van Lodewijk XIV een groot aantal steden en legerplaat-

T Vestmgmuur van Vauban (foto Musea Haaseik)


ze immers in de putten gestapeld met gemalen ei- •< kenschors en looizuur. Het veldhuisje en de gracht Zl<:ht 0 P e n k e l e leerlooiersputten waarin het afval gedumpt werd, bevonden zich bui(foto Musea ten de Hepperpoort. Tijdens de zomer 2005 wer- Maaseik) den van deze leerlooierij 28 putten ontdekt in het noordwesten van het terrein Kloosterbempden. Naast de putten bleef er tevens een deel van de ommuring van de leerlooierij bewaard. De putten waren gevuld met materiaal uit de 19 e en zelfs de 20stL eeuw. Bijgevolg kan men er van uitgaan dat deze putten nog lange tijd dienst gedaan hebben.

AANVULLENDE INITIATIFVEN De stadsarcheologische dienst was van in het begin overtuigd van het belang om de bewoners van de stad Maaseik op de hoogte te houden van het onderzoek en de activiteiten binnen het museum. Voor dit doel werden de RAM-rapporten opgericht. Dit tijdschrift gaf uiteenlopend informatie over archeologische vondsten en museale voorwerpen.

sen versterkte. Deze muren zouden echter maar drie jaar dienst gedaan hebben, waarna het geheel werd gesloopt . De structuur is zichtbaar op een schilderij uit 1672. Toch werd lang volgehouden dat deze versterking alleen op papier had bestaan en nooit in de praktijk werd uitgevoerd. In de zomer van 2005 kon de archeologie hier uitsluitsel over brengen. De versterkingsmuren rond Maaseik kenden in de Franse periode een stervormig verloop. Binnen de grote driehoeken, was er een kleinere vijfhoek voorzien als extra bescherming. O p het terrein van Kloosterbempden werd er een duidelijke vijfhoekige binnenconstructie van Vauban aangetroffen. De muren waren aan de binnenzijde opgebouwd uit mergel; de buitenmuur bestond uit een bakstenen parement. Het vondstmateriaal beperkt zich tot enkele scherven uit de 17 e eeuw, wat de datering van de constructie bevestigd.

Een leerlooierij Tot slot kunnen we nog een archeologische vondst toevoegen aan dit geheel. Volgens historische teksten was er in de 18 * eeuw een leerlooierij gevestigd, buiten de wallen van Maaseik; dit omwille van de kwalijke geuren die het met zich meebracht. Nadat de huiden gewassen en onthaard waren, werden

Daarnaast is er in de beginjaren van de archeologische dienst tevens een verdienstelijke poging ondernomen om in Maaseik archeologische congressen te organiseren. In 1986 werd het 40ste congres van de Federatie van Geschied- en Oudheidkundige Kringen in Maaseik gehouden. De bijeenkomst stond in het teken van De Prehistorische mens in de Maasvallei. Dit congres werd in 1988 gevolgd door een archeologisch congres met het tweevoudige thema Beenbewerking en stadsarcheologie. Naast deze congressen werden er in de voorbije 20 jaar met succes meerdere archeologische tentoonstellingen georganiseerd. Een voorbeeld daarvan is de tentoonstelling rond Ötzi, de gletsjermummie in 2006 en 100.000 jaar SEX in 2004. Ook de tentoonstelling over de baardmankruiken in 2002 en 2003 kon op veel geïnteresseerde bezoekers rekenen. In 2006 werd in samenwerking met het Drents Museum in Assen een tentoonstelling ontwikkeld rond experimentele archeologie. Hierbij krijgt het grote publiek een indruk van een deel van het wetenschappelijk onderzoek na het archeologische veldwerk. Bouwhistorisch onderzoek vormt een onmisbare schakel tussen historisch en archeologisch onderzoek. In 1992 werd het initiatief genomen voor een bouwhistorische inventarisatie van de bebouwing

M&L


rond de historische markt van Maaseik. D e c o n -

- CLAASSEN A. en HEYMANS H., Merovingischegraven op Romeinse

crete aanleiding voor dit o n d e r z o e k werk g e v o r m d

begraafplaats te Ophoven, in: Het Oude Land van Loon, 24, 1974,

d o o r de s l o p i n g van een huis, waarbij achter de ge-

p. 173-216;

cementeerde

19

c

- e e u w s e gevel

een

laat-middel-

e e u w s vakwerkhuis bleek schuil te gaan. D e gevestigde o p v a t t i n g dat m i d d e l e e u w s Maaseik d o o r de 17 c - e e u w s e

stadsbranden

geheel

verwoest

was,

kreeg h i e r m e e een ferme knauw. Uiteindelijk k o n d e n 5 9 p a n d e n o n d e r z o c h t w o r d e n : dit ' g e b o u w d e archief'

kan m e t e e n

in de t o e k o m s t

aangewend

w o r d e n voor een aangepast m o n u m e n t e n b e l e i d .

- DURSIN L., i d collection Fernand Philips a Maeseyck, in Bulletin de la Société d'Anthropologic de Bruxelles, 46, 1931, p. 118-136; - GEERKENS H. J., Voorhistorische en Gallo-Romeinse vondsten in de Maasvallei en de omgeving van Maaseik, in Het Oude Land van Loon, 3, 1948, p. 75-78; - ID., De Romeinse Heirbaan tussen Maaseik en Ophoven-Geistingen opgegraven, in Limburg, 30,1, 1951, p. 13-17; - GLAUDEMANS R., Verborgen vakwerk. 59 historische verkenningen in de binnenstad van Maaseik, Maaseik, 2001; - JANSSENS D., Een Gallo-Romeins grafveld en oudere bewoningsresten te Maaseik, in Archaeologia Belgica 186, Brussel, 1976;

Hubert

Heymans

te Maaseik. te

Anja

is

stadsarcheoloog-conservator

Neskens

is

co-stadsarcheoloog

Maaseik.

- HEYMANS H. en VERMEERSCH P., Siedlungsspuren aus Mittelund Spdtneolithicum, Bronzezeit und Eisenzeit in Geistingen, Huizerhof (Provincie Limburg), in Archaeologica Belgica, 255, 1983, p. 1564; - ID., Van put naar kluis. Maaseik, 1989; MINTEN G., Het hydrografisch net van het Domein "Eyck" in relatie tot de historische ontwik-

BIBLIOGRAFIE

keling van het Maasland, meer bepaald hoe het "Land van Eyck" in het graafschap Loon terecht kwam en er mee ten onderging [ca. 1000 v.C.-

-

BAUWENS-LESENNE M , Bibliografisch repertorium van de oudheidkundige vondsten in Limburg, behoudens Tongeren-Koninksem (Oudheidkundige RepertonaS), Brussel, 1968;

-

BOONEN M., HEYMANS H. en HANSON M.., Maaseik, ontstaan en groei van een grensstad, Antwerpen, 1994;

M65«.C.), Maaseik, 2003; - ROOSENS H., Merovingisch grafveld te Ophoven, in Archaeologica Belgica, 186, 1976, p. 80-84; - ID., Merovingisch grafveld te Ophoven, in Archaeologica Belgica, 206, 1978, p. 98-100.


•Sfc

SUMIVIARY A CITY'S MEMORY: THREE DECADES OF CITY ARCHAEOLOGY IN GHENT In 1975, Ghent was the first city in Belgium taking archaeological responsibility on a municipal level and opting for a professional management of threatened archaeological and historic heritage in a city renowned for its rich history. The set-up of a city archaeological service was a consequence of the excavations in the eastern outside garden of Saint Peter's abbey, which were led as of November 2 3 , 1973 by Joan Vandenhoute. From the beginning the scope has been archaeology 'of the city'. Material sources as of the very first pre-urban settling were treated within the entire work field or the context of the actual city. Many research programs regarding the archaeological fieldwork, are related to the beginning and earliest development of the mediaeval city. The centuries of habitation, the complex stratigraphy and/or relative chronology as well as the mostly fragmentary conservation usually interfere with the comprehension and interpretation of archaeological heritage in an urban environment. It is preferable to have well-programmed projects which either precede the works, or else are integrated as a pivoting phase in building projects. Until now, the largest project in Ghent has been the excavation on Saint Peter's square. T h e different themes like small- and large-scale projects, emergency research, project archaeology with private funding, building projects, building archaeology, building studies and scientific reflection, are illustrated with the results of a number of projects.

ARCHAEOLOGY IN BRUGES. FROM URBAN TO INTER-MUNICIPAL SERVICE Since 1977 Bruges disposes of a proper archaeological service, which ranges under the structure of the City Museums. Typical for the archaeology in Bruges, is that it is not limited to the city centre. Over the past decade, a lot of attention has been paid to the outskirts of Bruges. The town can only be understood if the relation with the surrounding area is also studied. The advantage of research of the city's surroundings is the superior preservation condition of the soil's archive, especially for the earliest periods. In 2004 an important step was taken in the same line, by establishing of "Raakvlak" (common ground), the inter-municipal Archaeology Service for Bruges and environs. The most recent milestone in the history of Bruges archaeology has been the move in 2006 to the Warehouses at the Komvest in Bruges. This new location offers numerous opportunities for the storage and treatment of findings.

If w»

The primary task of the archaeological service is the management of the archaeological heritage in the affiliated municipalities. The scope is integration within the commune's environmental planning, BPA's [special zoning scheme) as well as consulting. In practice it appears feasible to be informed of most major soil threats like allotments, road infrastructure, building projects, to give advice in files, and to include archaeological research in the process. T h e work of archaeological research, with an assessment phase and large-scale excavations is an important task. There has recently been an important evolution whereby the principal contributes to the cost of archaeological research. Traditionally most of the attention goes to soil research. For the building historical research however, there are excellent contacts with the Bruges Administration for Monument Care and city centre renovation as well as with the R-O agency Flanders, Onroerend Erfgoed (immovable heritage). As for the integration of archaeology and history, there are close links with the Public Library and the city archives. Also the treatment of findings, often a weak point, is not neglected. It is noteworthy that a voluntary organisation has been set up for the practical aspects of the excavations, the start of a program for the inventory of findings of different kinds and dates, which in the long run should enable a swift determination of findings, and the beginning of a new series publishing the results. Finally, a lot of attention is paid to public events, with the installation of a website, open house for excavations, getting youth involved with archaeological research and substantive support of the Bruges museum - archaeology.

M&L I'JN^


f^%

^

MECHELEN AND THE MUNICIPAL ARCHAEOLOGY SERVICE Mechelen, situated between Brussels and Antwerp, is a medium-sized town with an important regional range of influence. In Flanders it is nowadays among the best performers as to economic and demographic growth. Besides that, the city has quite some touristic growth potential. T h e most impressive number of monuments (no other Flemish town compares to it as for listed monuments on such surface) is the main focus for the strategic tourism plan. Less visible, but equally rich, is the soil archive in the late mediaeval city centre. Over the years, many associations and amateur archaeologists have been involved with the archaeological heritage in their town. T h e Flemish Government has carried out archaeological research since 1995 in Mechelen and since 2001 the city of Mechelen disposes of its own permanent archaeological service. Archeological excavations are the main activity for the municipal archaelogy service. In the future, there are plans for a closer cooperation with other services, communes and public partners. A major part of the service's budget goes to public activities, expositions, publications, events, etc. Thus people become acquainted with the archaeological work, and a broader social support develops for archaeological heritage.

CITY ARCHAEOLOGY IN ANTWERP Over the years, city archaeological research in Antwerp has undergone quite an evolution: from a scientific, museological method, it evolved to a management approach in communication with the city's environmental planning. After making a flying start in the 1950's, the city

M&L

archaeology declined in the 1960's. In the seventies, several major building sites gave a new boost to city archaeology. Over the past decades, this has consolidated in an active archaeological service, which combines management and research, as well as public initiatives. T h e excavations provided important new information on numerous aspects of Antwerp's history. T h e research of a residential nucleus in the actual city centre and the discovery of a cremation grave on the site of the former Augustinian cloister, illustrates the town's Gallo-Roman history. Already in the 1950's, there had been extensive research into the creation of the mediaeval town on the embankment near the city centre. The research in Our Lady's Cathedral, Saint Paul's and Saint Augustin church not only revealed new information on church history, but also on death and burial rituals over the past centuries. The numerous interventions resulted in a rich collection of archaeologica documenting the material culture of Antwerp's inhabitants. These material remnants also provide information on a number of crafts like the pottery industry, bone treatment, sugar refinery, ...

CITY ARCHAEOLOGY IN MAASEIK There is plenty of historic information on mediaeval Maaseik and later, but for earlier periods archaeological research is the primary source. Although amateur archaeologists have registered Maaslandic findings as early as the second half of the 19th century, and that a City Museum opened in Maaseik after the second World War, it was not before 1984 that Maaseik took on a city archaeologist. Looking back on more the twenty years of city archaeology in Maaseik, one can conclude that the research was mainly limited to (emergency) excavations on small parcels in the historical city centre which were cleared for building, or in the case of renovation, research of existing historical buildings. Besides these smaller investigations, the archaeological service has also carried out some major excavations over the years, within as well as outside the city walls. In 19851986 for example, research was done on the grounds of the former Capuchin cloister along the Bleumerstreet. Another major project took place in Geistingen, a borough of Kinrooi. Following the discovery of some GalloRoman graves in 1970, the archaeological service was able to expose a large burial place in 1989, which dates from the first to the third century. T h e most recent research was carried out in 2005 on the grounds of the terrain Kloosterbempden/Hepperstaete and the Kolonel Aerrs square. O n both places excavations could be done prior to the construction of a shopping mall. T h e findings on the Kloosterbempden/Hepperstaete terrain could possibly be related to a beguinage and an Agnet cloister which would have been located on these grounds, resp. in the 13th and 15th century.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook