Skip to main content

Invulling_VARIO_kernindicatoren_advies.pdf

Page 1

ADVIES NR 24

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

INVULLING VARIO-KERNINDICATOREN ADVIES

NOVEMBER 2021 //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

www.vario.be


De Vlaamse Adviesraad voor Innoveren en Ondernemen (VARIO) adviseert de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement over het wetenschaps-, technologie-, innovatie-, industrie-, en ondernemerschapsbeleid. De raad doet dit zowel op eigen initiatief als op vraag. VARIO werd bij besluit opgericht door de Vlaamse Regering op 14 oktober 2016. VARIO werkt onafhankelijk van de Vlaamse Regering en de partijen in het werkveld. De voorzitter en de negen leden van VARIO zetelen in eigen naam: Lieven Danneels (voorzitter)

Leen Van den Neste

Dirk Van Dyck (plaatsvervangend voorzitter)

Koen Vanhalst

Katrin Geyskens

Vanessa Vankerckhoven

Wim Haegeman

Marc Van Sande

Johan Martens

Reinhilde Veugelers

Het secretariaat is gevestigd in Brussel: Koning Albert II-laan 35 bus 9 1030 Brussel +32 (0)2 553 24 40 info@vario.be www.vario.be


INVULLING VARIO-KERNINDICATOREN ADVIES

NOVEMBER 2021


COLOFON Ontwerp: Vlaamse Overheid/VARIO November 2021 Alle publicaties zijn gratis te downloaden via www.vario.be of via https://www.vlaanderen.be/nl/publicaties Coverfoto © www.shutterstock.com

AUTEURSRECHT Alle auteursrechten voorbehouden. Mits de bronvermelding correct is, mogen deze uitgave of onderdelen van deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van VARIO. Een correcte bronvermelding bevat in elk geval een duidelijke vermelding van organisatienaam en naam en jaartal van de uitgave.


INHOUD Managementsamenvatting ............................................................................................................................................................... 1 Executive summary ............................................................................................................................................................................. 4 Advies…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………7 1. Inleiding 7 1.1. 1.2. 1.3.

Context Invulling kernindicatoren Leeswijzer

2.

Doelstelling 1: Voldoende middelen voor W&I

2.1.

Indicator 1: GERD als % bbp

10

3.

Doelstelling 2: Talent cruciaal voor een kennismaatschappij

15

3.1. 3.2. 3.3. 3.4.

Indicator 2: Aandeel diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs 15 Indicator 3: Totaal O&O-personeel per 1.000 beroepsbevolking 17 Indicator 4: Gemiddelde PISA-score op lezen, wiskunde en wetenschappen 20 Indicator 5: Aandeel bevolking 25-64 jaar dat deelneemt aan opleidingen 26

4.

Doelstelling 3: Wetenschap en kennis als fundamenten

30

4.1. 4.2. 4.3. 4.4.

Indicator Indicator Indicator Indicator

30 34 41 45

5.

Doelstelling 4: Kennis-, innovatie- en productievaardigheden van bedrijven

50

5.1. 5.2. 5.3.

Indicator 10: Aandeel jonge ondernemingen met hoge groeiambitie Indicator 11: Aandeel innoverende bedrijven Indicator 12: Aandeel intern innoverende kmo’s

50 51 53

6.

Doelstelling 5: Linkages tussen W&I-actoren

54

6.1. 6.2. 6.3.

Indicator 13: HERD privaat gefinancierd Indicator 14: GOVERD privaat gefinancierd Indicator 15: Aandeel innovatieve bedrijven die samenwerken

54 56 58

7.

Doelstelling 6: Een open en internationaal Vlaanderen

62

7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5.

Indicator Indicator Indicator Indicator Indicator

62 63 67 68 70

8.

Conclusies en aanbevelingen

6: Aandeel publicaties in de top 10% highly cited articles 7: Aantal aangevraagde EPO & PCT-octrooien en toegekende USPTO-octrooien 8: Aandeel buitenlanders in het ZAP-kader 9: Aandeel buitenlanders onder nieuw aangestelden binnen het ZAP-kader

16: Aandeel innovatieve bedrijven die internationaal samenwerken 17: Deelnametoelage EU-kaderprogramma 18: Aandeel deelnemers aan de Marie Sklodowska-Curie acties 19: Te ontwikkelen – Stayrate 20: Te ontwikkelen – Aandeel internationaal O&O-personeel in ondernemingen

7 9 9

10

75

Bijlage – Geconsulteerde partijen……….................................................................................................................................... 77


MANAGEMENTSAMENVATTING Context Het Vlaamse Regeerakkoord 2019-2024 volgt de aanbeveling van VARIO zijn memorandum 2019-2024 ‘Vlucht vooruit Bestemming top 5 kennisregio’s (december 2018) om door te stoten tot de top van innovatieve kennisregio’s in Europa. Deze ambitie wordt de centrale toetssteen van ons innovatiebeleid. De Vlaamse Regering erkent daarbij de behoefte aan een set van strategische beleidsindicatoren om de realisatie van de ambities op te volgen en op basis waarvan ze het beleid m.b.t. wetenschap en innovatie kan sturen, vormgeven en evalueren. Dit resulteerde in een gecoördineerde adviesvraag van ministerpresident van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Buitenlandse Zaken Jan Jambon en van viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw Hilde Crevits (28 januari 2020) voor het opstellen van ‘ transparante strategische beleidsindicatoren die periodiek beschikbaar zijn, ook op het niveau van Vlaanderen’ . In juli 2020 overhandigde VARIO zijn advies 13 ‘Een kwaliteitsvolle set indicatoren voor wetenschap en innovatie’1 aan beide ministers. Dit betreft een set van een vijftigtal indicatoren die het brede spectrum van het wetenschaps- en innovatiesysteem zo volledig mogelijk afdekken. Hieruit werd een selectie van 20 kernindicatoren gemaakt. Deze laten toe om structurele evoluties in het Vlaamse W&I-landschap systematisch te volgen. In opvolging hiervan vroeg Vlaams minister voor Innovatie Hilde Crevits aan VARIO om in 2021 een nulmeting uit te voeren voor deze kernindicatoren. Invulling kernindicatoren Voorliggend advies bevat een eerste invulling van de 20 kernindicatoren inclusief een toelichting. In VARIO-advies 10 ‘Innovatieve benchmarklanden en -regio’s in Vlaanderen’2 werden door VARIO vijf benchmarklanden en 17 benchmarkregio’s geselecteerd. In voorliggende advies wordt meer in detail ingegaan op de positionering van Vlaanderen tussen de benchmarklanden3. Tevens, wordt er waar mogelijk een invulling gegeven voor de benchmarkregio’s4. Voor twee kernindicatoren (en subindicatoren) is er momenteel nog geen invulling mogelijk. Voor deze indicatoren wordt kort ingegaan op wat er (al of niet) beschikbaar is en wat er eventueel mogelijk is in de toekomst. Conclusies Op basis van de invulling van de VARIO-kernindicatoren kunnen we een aantal eerste observaties doen (zie ook onderstaande Figuur 1).

https://www.vario.be/nl/publicaties/advies-13-een-kwaliteitsvolle-set-indicatoren-voor-wetenschap-innovatie https://www.vario.be/nl/publicaties/advies-10-innovatieve-benchmarklanden-regio%E2%80%99s-voor-vlaanderen 3 Denemarken, Finland, Nederland, Zweden en Zwitserland. 4 2 regio’s in Zweden, 1 in Finland, 1 in Denemarken, 7 in Zwitserland, 4 in Duitsland en 2 in Nederland. 1

2

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 1 van 77


Figuur 1: Overzichtsfiguur VARIO-kernindicatoren voor wetenschap en innovatie

Noot: Indicatoren in grijs (15, 16, 17 en 18) kunnen niet vergeleken worden doorheen de tijd

-

Voor het aandeel innovatieve bedrijven, GERD als percentage van BBP en het O&O-personeel (als aandeel van de totale beroepsbevolking) observeren we doorheen de tijd een positieve evolutie. Voor deze indicatoren bevinden we ons vandaag bij de top van de EU. Voor het aandeel HERD privaat gefinancierd en de top 10%-publicaties observeren we geen grote toename doorheen de tijd. We behoorden in het verleden al tot de Europese top en dit is nog altijd het geval. Voor de indicatoren m.b.t. levenslang leren en STEM scoren scoort Vlaanderen niet goed en observeren we geen verbetering overheen de tijd. Voor de PISA-score scoort Vlaanderen nog altijd gemiddeld. Het is echter wel zorgwekkend dat Vlaanderen tot de groep van sterkste dalers behoort. Daarnaast zijn er ook een aantal indicatoren die we nog niet doorheen de tijd kunnen observeren maar waar we wel een internationale vergelijking kunnen uitvoeren. Voor de Vlaamse deelname aan het Europese kaderprogramma (in dit geval Horizon 2020), Marie Sklodowska-Curie individual fellows, en (internationale) samenwerking van de bedrijven scoort Vlaanderen goed. Er is wel nog marge voor verbetering.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 2 van 77


Aanbevelingen VARIO wil hier nog eens aanhalen dat indicatoren beperkingen hebben en dat het belangrijk is om indicatoren in de juiste context te plaatsen. VARIO herhaalt graag dat het belangrijk is om voldoende te investeren in de ontwikkeling van (nieuwe) indicatoren. Er moet tijdig ingespeeld worden op nieuwe evoluties (zie ook VARIO-advies 13 ‘Een kwaliteitsvolle set indicatoren voor wetenschap en innovatie’). Aanbeveling: Hou rekening met beperkingen van indicatoren en plaats ze in een context VARIO wil graag wijzen op de limieten en de beperkingen van het gebruik van indicatoren. Ondanks de inspanningen van VARIO om de complexe W&I-realiteit genuanceerd in kaart te brengen, en hiervoor zo robuust mogelijke indicatoren voor te stellen, zijn deze indicatoren slechts een ‘snapshot’ van de realiteit. Er wordt geen causale relatie aangetoond tussen een beleidsmaatregel en een bepaald resultaat. Indicatoren zijn ‘pointers’; een ‘zwart-wit’ weergave van een complexe realiteit, waarbij voldoende rekening moet worden gehouden met de context. Het is dan ook belangrijk om deze indicatorenset aan te vullen met (meer kwalitatieve) impactanalyses. Het negeren van de context kan leiden tot ongenuanceerde en foutieve conclusies, waarschuwt VARIO. Correcte interpretatie van indicatoren vereist voldoende achtergrondkennis en omzichtigheid. We vragen dus de nodige voorzichtigheid bij het gebruik en de interpretatie van de voorgestelde indicatoren. Zeker bij benchmarken en het vergelijken van rankings speelt dit een zeer belangrijke rol. Aanbeveling: Investeer voldoende in de verdere ontwikkeling van monitoring-tools De uitwerking van de nieuwe set van indicatoren (in 2020) liet toe om voorstellen te formuleren over wat we idealiter zouden moeten meten om een optimaal beeld te krijgen van de Vlaamse performantie op het vlak van W&I. De oefening legt dus ook hiaten bloot op het vlak van indicatorontwikkeling zelf: voor een aantal geïdentificeerde beleidsaspecten bestaan nog geen indicatoren en is dataverzameling en/of verder ontwikkelwerk nodig. VARIO vraagt om voldoende te investeren in de ontwikkeling van (nieuwe) indicatoren. Er moet tijdig ingespeeld worden op nieuwe evoluties. VARIO beseft dat zoiets niet ‘van vandaag op morgen kan gerealiseerd worden’, dat hier vaak grondig studiewerk aan vooraf dient te gaan en hiervoor ook in de nodige capaciteit moet worden voorzien. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met andere mogelijke hinderpalen, die de uitwerking kunnen vertragen, zoals de privacywetgeving en technische problemen bij koppelen van bestaande databanken. In voorliggend advies worden reeds eerste verkennende stappen genomen voor een aantal indicatoren.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 3 van 77


EXECUTIVE SUMMARY Context The Agreement of the Flemish Government 2019-2024 follows VARIO's recommendation from its memorandum 2019-2024 ‘Flight forward Destination top 5 knowledge regions’ (December 2018) to move to the top of innovative knowledge regions in Europe. This ambition will be the central touchstone of our innovation policy. The Flemish Government recognizes the need for a set of strategic policy indicators to monitor the realization of the ambitions and based on which it can steer, shape and evaluate the policy with regard to science and innovation. This resulted in a coordinated request for advice from the MinisterPresident of the Flemish Government and Flemish Minister of Foreign Affairs Jan Jambon and from the Vice-Minister-President of the Flemish Government and Flemish Minister for Economy, Innovation, Work, Social Economy and Agriculture Hilde Crevits (January 28, 2020) for composing transparent strategic policy indicators that are periodically available, also at the level of Flanders. In July 2020, VARIO presented its advice 13 'A high-quality set of indicators for science and innovation’5 to both ministers. This concerns a set of about fifty indicators that cover the broad spectrum of the science and innovation system as completely as possible. A selection of 20 core indicators was made from this. These allow to systematically monitor evolutions in the Flemish S&I-landscape. As a follow-up, Flemish Minister of Innovation Hilde Crevits asked VARIO to perform a baseline measurement for these core indicators in 2021. A set of 20 core indicators for science and innovation The present advisory report contains an first monitoring of the 20 core indicators, including an explanation. In VARIO advice 10 'Innovative benchmark countries and regions in Flanders’6, VARIO selected five benchmark countries and 17 benchmark regions. This advisory report examines in more detail the positioning of Flanders among the benchmark countries7. Where possible, information is also provided for the benchmark regions8. For two core indicators (and sub-indicators) there is currently no data available. For these indicators, we briefly discuss what is (or is not) available and what may be possible in the future. Conclusions Based on the interpretation of the VARIO core indicators, we can make a number of observations (see also Figuur 2 below):

https://www.vario.be/nl/publicaties/advies-13-een-kwaliteitsvolle-set-indicatoren-voor-wetenschap-innovatie https://www.vario.be/nl/publicaties/advies-10-innovatieve-benchmarklanden-regio%E2%80%99s-voor-vlaanderen 7 Denmark, Finland, The Netherlands, Sweden and Switzerland. 8 Two regions in Sweden, one in Finland, one in Denmark, seven in Switzerland, four in Germany and two in The Netherlands. 5 6

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 4 van 77


Figuur 2: Overview VARIO core indicators for science and innovation

Note: Indicators in grey (15, 16, 17 and 18) cannot be compared throughout time

-

For the share of innovative companies, GERD as a percentage of GDP and R&D personnel (as a share of the total workforce), we observe a positive evolution over time. For these indicators Flanders positions itself among the top in the EU. For the share of HERD privately funded and the top 10% publications we do not observe a large increase over time. Flanders was among the European top in the past and this is still the case. For the indicators on lifelong learning and STEM, Flanders does not score well and we do not observe any improvement over time. For the PISA score, Flanders still has an average score. However, it is worrying that Flanders belongs to the group of strongest decliners. In addition, there are also a number of indicators that we cannot yet observe over time, but where we can conduct an international comparison. For the Flemish participation in the European Framework Program (in this case Horizon 2020), Marie Sklodowska-Curie individual fellows, and (international) cooperation of the companies, Flanders scores well. However, there is still room for improvement.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 5 van 77


Recommendations VARIO would like to point out once again that indicators have limitations and that it is important to place indicators in the right context. VARIO likes to repeat that it is important to invest sufficiently in the development of (new) indicators. A timely response must be made to new developments (see also VARIO Advice 13 'A qualitative set of indicators for science and innovation'). Recommendation: Take into account the limitations of indicators and place them in context VARIO would like to point out the limits and restrictions of using indicators. Despite VARIO's efforts to map the complex S&I reality in a nuanced way, and to propose indicators that are as robust as possible, these indicators are only a 'snapshot' of reality. No causal relationship is demonstrated between a policy measure and a particular result. Indicators are 'pointers'; a 'black and white' representation of a complex reality, in which context must be sufficiently taken into account. It is therefore important to supplement this set of indicators with (more qualitative) impact analyses. Ignoring the context can lead to oversimplified and wrong conclusions, warns VARIO. Correct interpretation of indicators requires sufficient background knowledge and caution. We therefore ask for the necessary caution in the use and interpretation of the proposed indicators. This is especially important when benchmarking and comparing rankings. Recommendation: Invest sufficiently in the further development of monitoring-tools The compositions of the new set of indicators (in 2020) allowed us to formulate proposals on what we ideally should measure in order to get an optimal picture of Flemish performance in the field of S&I. The exercise therefore also reveals gaps in terms of indicator development itself: for a number of identified policy aspects, indicators do not yet exist and data collection and/or further development work is required. VARIO calls for sufficient investment in the development of (new) indicators. It is important to respond to new development in a timely manner. VARIO realizes that this cannot be achieved overnight, that it often requires thorough study and that the necessary capacity must be provided. In addition, other possible obstacles must also be taken into account, which can delay the development, such as privacy legislation and technical issues in linking existing databases. This advisory report already takes the first exploratory steps for a number of indicators.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 6 van 77


ADVIES 1. 1.1.

INLEIDING Context

VARIO wil als adviesraad voor innoveren en ondernemen bijdragen tot de Vlaamse ambitie om uit te groeien tot de top van de innovatieve kennisregio’s. In zijn memorandum 2019-2024 ‘Vlucht vooruit. Bestemming top 5 kennisregio’s’ (december 2018) was de kernboodschap dan ook het belang van een overkoepelende langetermijnstrategie voor innovatie met duidelijke doelstellingen en slimme KPI’s (key performance indicators) als krachtige tools. Het Vlaamse Regeerakkoord 2019-2024 volgt de aanbeveling van VARIO om door te stoten tot de top van innovatieve kennisregio’s in Europa. Deze ambitie wordt de centrale toetssteen van ons innovatiebeleid. De Vlaamse Regering erkent daarbij de behoefte aan een set van strategische beleidsindicatoren om de realisatie van de ambities op te volgen en op basis waarvan ze het beleid m.b.t. wetenschap en innovatie kan sturen, vormgeven en evalueren. Dit resulteerde in een gecoördineerde adviesvraag van ministerpresident van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Buitenlandse Zaken Jan Jambon en van viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw Hilde Crevits (28 januari 2020) voor het opstellen van ‘transparante strategische beleidsindicatoren die periodiek beschikbaar zijn, ook op het niveau van Vlaanderen’ . In juli 2020 overhandigde VARIO zijn advies 13 ‘Een kwaliteitsvolle set indicatoren voor wetenschap en innovatie’9 aan beide ministers. Dit betreft een set van een vijftigtal indicatoren die ingedeeld zijn volgens een aantal grote categorieën van doelstellingen (zie Figuur 3), en die het brede spectrum van het wetenschaps- en innovatiesysteem zo volledig mogelijk afdekken.

Figuur 3: Bouwblokken

Hieruit werd een selectie van 20 kernindicatoren gemaakt, die weergegeven wordt in Tabel 1. Deze laten toe om structurele evoluties in het Vlaamse W&Ilandschap systematisch te volgen. In opvolging hiervan vroeg Vlaams minister voor innovatie Hilde Crevits aan VARIO om in 2021 een nulmeting uit te voeren voor deze kernindicatoren. Voorliggend advies betreft een eerste invulling van de nieuwe set kernindicatoren.

9

https://www.vario.be/nl/publicaties/advies-13-een-kwaliteitsvolle-set-indicatoren-voor-wetenschap-innovatie

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 7 van 77


Tabel 1: Overzicht VARIO-kernindicatoren voor Wetenschap en Innovatie per bouwblok (1) Voldoende middelen voor W&I

(4) Kennis-, innovatie-, en productievaardigheden van bedrijven

(2) Talent cruciaal voor een kennismaatschappij

(5) Linkages tussen W&I-actoren

(3) Wetenschap en kennis als fundamenten

(6) Een open en internationaal Vlaanderen

VARIO-kernindicator 1

2 3

4 5

6

7

8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

18 19

20

GERD (Gross Expenditure on R&D; O&O-bestedingen) als % bbp ‐ a: Aandeel GERD gefinancierd door publieke sector – 1% ‐ b: Aandeel GERD gefinancierd door private sector – 2% Aandeel diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs in het totaal van de diploma’s hoger onderwijs Totaal O&O-personeel per 1000 beroepsbevolking ‐ a: O&O-personeel per sector (hoger onderwijs, publieke onderzoekscentra en bedrijven) Gemiddelde PISA-score op lezen, wiskunde en wetenschappen van Vlaamse 15-jarigen Aandeel bevolking 25-64 jaar dat deelneemt aan opleidingen tijdens referentieperiode van 12 maanden voorafgaand aan enquête a: te ontwikkelen: Aandeel bevolking 25-64 jaar dat deelneemt aan opleidingen tijdens referentieperiode van 12 maanden weken voorafgaand aan enquête verfijnd naar de vormen van leren, naar de motivatie,.. Aandeel publicaties in de top 10% highly cited articles ‐ a: te ontwikkelen: Aandeel publicaties in de top 10% highly cited articles; opgesplitst per domein Aantal aangevraagde EPO & PCT-octrooien en toegekende USPTO-octrooien met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager per miljoen inwoners ‐ a: Aantal aangevraagde EPO & PCT-octrooien en toegekende USPTO-octrooien met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager per miljoen inwoners opgesplitst per sector Aandeel buitenlanders in het ZAP-kader Aandeel buitenlanders onder nieuw aangestelden binnen het ZAP-kader Aandeel jonge ondernemingen met hoge groeiambitie Aandeel innoverende bedrijven Aandeel intern innoverende kmo’s Aandeel HERD privaat gefinancierd Aandeel GOVERD privaat gefinancierd Aandeel innovatieve bedrijven die samenwerken ‐ a: Aandeel innovatieve bedrijven die samenwerken per type partners Aandeel innovatieve bedrijven die internationaal samenwerken, per regio Deelnametoelage EU-Kaderprogramma ‐ a: Deelnametoelage EU-Kaderprogramma in functie van bbp ‐ b: Deelnametoelage EU-Kaderprogramma in functie van aantal inwoners ‐ c: Deelnametoelage EU-Kaderprogramma per deelnemerscategorie Aandeel deelnemers aan de Marie Sklodowska-Curie acties - individual fellowshipsTe ontwikkelen: Stayrate - aandeel internationale studenten hoger onderwijs dat na afstuderen nog in het land verblijft ‐ a: Te ontwikkelen: Stayrate – na 1 jaar ‐ b: Te ontwikkelen: Stayrate – na 4 jaar

Te ontwikkelen: Totaal O&O-personeel per nationaliteit in ondernemingen

1 X X X

2

Bouwblok 3 4

5

6

X X X X

X

X X X X X X

X

X X

X X X X X X X X X

X X X X X X X

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 8 van 77


1.2.

Invulling kernindicatoren

Een eerste invulling van de kernindicatoren werd opgenomen in het Vlaams Indicatorenboek 202110. Dit betreft een voorstelling van de 20 kernindicatoren met, waar mogelijk, een vergelijking doorheen de tijd met andere landen. Via voorliggend advies wordt door VARIO meer in detail ingegaan op deze eerste invulling. -

-

1.3.

Er wordt een voorstelling gegeven van de 20 kernindicatoren (zoals in het Vlaamse indicatorenboek) inclusief een toelichting; In VARIO-advies 1011 werden door VARIO vijf benchmarklanden en 17 benchmarkregio’s geselecteerd. Er wordt meer in detail ingegaan op de positionering van Vlaanderen tussen de benchmarklanden. Tevens, wordt er waar mogelijk een invulling gegeven voor de benchmarkregio’s. o Landen: Denemarken, Finland, Nederland, Zweden en Zwitserland o Regio’s: twee in Zweden, één in Finland, één in Denemarken, zeven in Zwitserland, vier in Duitsland, twee in Nederland Voor twee kernindicatoren (en subindicatoren) is er momenteel nog geen invulling mogelijk. Voor deze indicatoren wordt kort ingegaan op wat er (al of niet) beschikbaar is en wat er eventueel mogelijk is in de toekomst.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 t.e.m. 7 worden de verschillende kernindicatoren weergegeven per bouwblok: -

Hoofdstuk 2: Voldoende middelen voor W&I Hoofdstuk 3: Talent cruciaal voor een kennismaatschappij Hoofdstuk 4: Wetenschap en kennis als fundamenten Hoofdstuk 5: Kennis-innovatie- en productievaardigheden van bedrijven Hoofdstuk 6: Linkages tussen W&I-actoren Hoofdstuk 7: Een open en internationaal Vlaanderen.

In hoofdstuk 8 worden een aantal bevindingen en aanbevelingen geformuleerd.

https://www.vlaamsindicatorenboek.be/6/de-20-vario-kernindicatoren Advies 10: Innovatieve benchmarklanden en -regio’s voor Vlaanderen: https://www.vario.be/nl/publicaties/advies-10-innovatieve-benchmarklandenregio%E2%80%99s-voor-vlaanderen 10 11

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 9 van 77


2.

DOELSTELLING 1: VOLDOENDE MIDDELEN VOOR W&I

Toenemende internationale uitdagingen en druk op het economisch concurrentievermogen zorgden begin 2000 voor een groeiend bewustzijn in Europa m.b.t. het belang van het stimuleren van O&O. Het verhogen van de O&O-investeringen naar 3% van het bruto binnenlands product (bbp) was een sleutelelement in de Lissabonstrategie. Is de inzet van middelen voor W&I vanuit de publieke en private sector voldoende?

2.1.

Indicator 1: GERD als % bbp

Vlaanderen heeft zich sinds 200312 geëngageerd om 3% van haar bbp te besteden aan onderzoek en ontwikkeling. In 2019 doorbreekt Vlaanderen voor het eerst de norm van 3% van het bbp aan onderzoek en ontwikkeling. Meer specifiek hebben alle bedrijven, overheden en kennisinstellingen in Vlaanderen in 2019 samen 3,35% van het bbp geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling (Tabel 2). Deze O&O-intensiteit is gestaag toegenomen in de laatste 10 jaar.

Tabel 2: Totale intramurale uitgaven voor O&O (GERD) als percentage van het bbp* in Vlaanderen, in lopende prijzen (2009-2019) 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 Vlaams Gewest 2,08% 2,23% 2,35% 2,54% 2,56% 2,60% 2,67% 2,75% 2,88% 2,93% 3,35% Vlaamse Gemeenschap 2,13% 2,28% 2,40% 2,60% 2,61% 2,66% 2,72% 2,83% 2,96% 3,01% 3,43% Bron: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021) Noot: * volgens ESR2010-rekeningstelsel Opmerking: GERD is samengesteld uit BERD, GOVERD, HERD gewest of gemeenschap en PNP. Het verschil tussen de gewest- en de gemeenschapscijfers voor de HERD ligt in het al dan niet meerekenen van de Vlaamse onderwijsinstellingen die gelegen zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: de Vrije Universiteit Brussel, de Brusselse campus(sen) van KU Leuven, de Erasmushogeschool Brussel, LUCA-School of Arts en Odisee (campus(sen) Brussel). Deze instellingen zijn niet opgenomen in de HERDgewest, maar wel in de HERDgemeenschap13.

Vlaanderen scoort hiermee ver boven het Europese gemiddelde van 2,1% en laat Zweden met 3,4% als enige EU-land voorgaan (Figuur 4). De andere benchmarklanden Zwitserland (3,18%) (data voor 2017), Denemarken (2,96%), Finland (2,79%) en Nederland (2,16%) scoren lager dan Vlaanderen. Israël (4,93%) en Zuid-Korea (4,64%) hebben een O&O-intensiteit hoger dan Vlaanderen. We geven graag mee dat het hier nog vaak over geschatte of provisionele, voorlopige waarden gaat.

12 13

Innovatiepact ondertekend in maart 2003 ECOOM 3%-nota 2009-2019, juni 2021

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 10 van 77


Figuur 4: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de O&O-intensiteit (als percentage van het bbp) (2019) Israël (de)

4,93%

Zuid-Korea

4,64%

Zweden (e)

3,40%

Vlaanderen

3,35%

Japan

3,24%

Oostenrijk (p)

3,19%

Zwitserland*

3,18%

Duitsland (e)

3,18%

België

3,17%

Verenigde Staten (d,e)

3,07%

Denemarken (p)

2,96%

Finland

2,79%

China

2,23%

Frankrijk (e)

2,19%

Nederland (p)

2,16%

Europese Unie (28) (e)

2,10%

Verenigd Koninkrijk (p)

1,76%

Italië (p)

1,45%

Spanje (p)

1,25%

Ierland (e)

1,23%

0,0%

1,0%

2,0%

3,0%

4,0%

5,0%

*: data voor 2017 Bron Vlaanderen en België: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021) Bron internationaal: OECD MSTI (download 30 juni 2021) Noot: (e) geschatte waarde; (p) provisionele, voorlopige waarde; (d) definitie verschilt

In Tabel 3 wordt een overzicht opgenomen van de internationale positionering van Vlaanderen doorheen de tijd. Zuid-Korea is het land met de grootste procentpunten toename, gevolgd door Vlaanderen. Finland situeert zich aan het andere eind van het spectrum met een daling van de O&O-intensiteit van 3,73% in 2009 tot 2,79% in 2019.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 11 van 77


Tabel 3: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de O&O-intensiteit (2009-2019) Israël Zuid-Korea Zweden Vlaanderen Japan Oostenrijk Duitsland Zwitserland België Verenigde Staten Denemarken Finland China Frankrijk Nederland Europese Unie (28) Verenigd Koninkrijk Italië Spanje Ierland

2009 4,14% 3,29% 3,40% 2,08% 3,36% 2,60% 2,74%

2010 3,94% 3,47% 3,17% 2,23% 3,25% 2,73% 2,73%

2011 4,01% 3,74% 3,19% 2,35% 3,24% 2,67% 2,81%

2,00% 2,81% 3,06% 3,73% 1,66% 2,21% 1,67% 1,86% 1,67% 1,22% 1,36% 1,61%

2,06% 2,74% 2,92% 3,71% 1,71% 2,18% 1,70% 1,86% 1,64% 1,22% 1,36% 1,59%

2,17% 2,77% 2,94% 3,62% 1,78% 2,19% 1,88% 1,91% 1,65% 1,20% 1,33% 1,56%

2012 4,16% 4,03% 3,23% 2,54% 3,21% 2,91% 2,88% 3,08% 2,28% 2,68% 2,98% 3,40% 1,91% 2,23% 1,92% 1,96% 1,58% 1,26% 1,30% 1,56%

2013 4,10% 3,95% 3,26% 2,56% 3,31% 2,95% 2,84%

2014 4,17% 4,08% 3,10% 2,60% 3,40% 3,08% 2,88%

2,33% 2,71% 2,97% 3,27% 2,00% 2,24% 2,16% 1,98% 1,62% 1,30% 1,28% 1,57%

2,37% 2,72% 2,91% 3,15% 2,02% 2,27% 2,17% 2,00% 1,64% 1,34% 1,24% 1,52%

2015 4,26% 3,98% 3,22% 2,67% 3,28% 3,05% 2,93% 3,26% 2,43% 2,72% 3,05% 2,87% 2,06% 2,27% 2,15% 2,01% 1,65% 1,34% 1,22% 1,18%

2016 4,52% 3,99% 3,25% 2,75% 3,16% 3,12% 2,94% 2,52% 2,79% 3,09% 2,72% 2,10% 2,22% 2,15% 1,99% 1,66% 1,37% 1,19% 1,17%

2017 4,69% 4,29% 3,36% 2,88% 3,21% 3,06% 3,05% 3,18% 2,67% 2,85% 3,03% 2,73% 2,12% 2,20% 2,18% 2,03% 1,68% 1,37% 1,21% 1,22%

2018 4,85% 4,52% 3,32% 2,93% 3,28% 3,14% 3,12%

2019 4,93% 4,64% 3,40% 3,35% 3,24% 3,19% 3,18%

2,67% 2,95% 3,02% 2,75% 2,14% 2,20% 2,14% 2,07% 1,73% 1,42% 1,24% 1,17%

3,17% 3,07% 2,96% 2,79% 2,23% 2,19% 2,16% 2,10% 1,76% 1,45% 1,25% 1,23%

Bron Vlaanderen en België: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021) Bron internationaal: OECD MSTI (download 30 juni 2021)

Voor O&O-intensiteit is het ook mogelijk om Vlaanderen te vergelijken met andere regio’s (zie Tabel 4). We merken hier op dat de door VARIO-geselecteerde benchmarkregio’s allemaal zeer sterk scoren op deze indicator. Terwijl Vlaanderen in 2019 de 3%-norm behaalde, observeren we dat de geselecteerde benchmarkregio’s in Denemarken, Duitsland, Finland en Zweden deze norm al in 2009 behaalden. Enkel de regio’s in Nederland, waarvoor maar data beschikbaar zijn tot 2012, hadden deze norm nog niet gehaald in 2012.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 12 van 77


Tabel 4: Interregionale positionering van Vlaanderen inzake de O&O-intensiteit (2009-2019) Land

Regio

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

België

Vlaanderen

2,08%

2,23%

2,35%

2,54%

2,56%

2,60%

2,67%

2,75%

2,88%

2,93%

3,35%

Denemarken

Hovedstaden

5,30%

4,86%

4,96%

4,98%

4,73%

4,66%

4,75%

4,88%

4,58%

4,59% (p)

Stuttgart

5,89%

6,06%

5,89%

6,13%

7,49%

7,34%

Karlsruhe

4%

4,13%

4,30%

4,55%

4,87%

5,32%

Tübingen

4,5%

4,72%

4,65%

4,55%

4,77%

5,27%

Oberbayern

4,35%

4,13%

4,35%

4,3%

3,99%

4,49%

Utrecht

1,71% (e)

1,91%

1,92%

(c)

(c)

(c)

(c)

(c)

Noord-Brabant

2,29% (e)

2,47%

2,64%

(c)

(c)

(c)

(c)

(c)

4,14%

3,91%

3,84%

3,55%

3,47%

3,47%

3,52%

3,82%

3,72%

3,75%

3,31%

3,19%

3,18%

3,68%

Duitsland

Nederland Finland Zweden

Helsinki-Uusimaa

4,11%

Stockholm

3,51%

4,17%

3,48%

4,41% 4,2% 3,75% Sydsverige Bron Vlaanderen: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021) Bron: OECD (download 10 november 2021) Noot: (e) geschatte waarde; (p) provisionele, voorlopige waarde; (c) confidentieel Noot: Er is geen data beschikbaar voor de regio’s in Zwitserland

2.1.1.

3,41%

Indicator 1a: Aandeel GERD gefinancierd door publieke sector en gefinancierd door private sector

Conform een subdoelstelling moet de overheid 1/3 van de O&O-bestedingen voor haar rekening nemen, de bedrijven de overige 2/3. Opsplitsen van deze O&O-intensiteit volgens financieringssector (publieke of private) levert de zgn. 1%-norm, respectievelijk 2%-norm. Voor Vlaanderen observeren we dat de bedrijven in 2019 instaan voor 2,55% en dat de overheid instaat voor 0,80% (Tabel 5). Het aandeel private financiering overschrijdt dus de 2%-norm (dit was echter ook al het geval in 2017). De overheid behaalt de 1%-norm nog niet. Beide aandelen nemen echter toe overheen de tijd en de verdeling tussen het private (25%) en publieke (75%) aandeel blijft min of meer gelijk doorheen de tijd.

Tabel 5: O&O-intensiteit (als percentage van bbp) - private versus publieke financiering (2011-2019) 2011 1,77% 0,58%

Privaat gefinancierd Publiek gefinancierd

2013 1,95% 0,61%

2015 1,99% 0,68%

2017 2,15% 0,72%

2019 2,55% 0,80%

Bron: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021)

In tabel 6 wordt de internationale positionering van de opdeling van de 1%- en 2%-norm (voor 2017) weergegeven. In 2017 had Vlaanderen met een O&O-intensiteit van 2,88% nog net niet de 3%-norm gehaald. We observeren dat de benchmarklanden Zweden, Zwitserland en Denemarken toen al de 3%-norm behaald hadden. Voor alle drie de landen stonden de bedrijven ook in voor minimaal 2%. Ook de 1%-norm werd in deze landen (zo goed als) behaald. Enkel Nederland scoort hier beduidend lager, met een aandeel

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 13 van 77


private financiering van 1,4% en aandeel publieke financiering van 0,78%. Een vergelijking van de 1%- en de 2%-norm voor verschillende regio’s is niet mogelijk.

Tabel 6: Internationale positionering van de O&O-intensiteit (als percentage van bbp) - private versus publieke financiering (2017)

Zweden Japan* Zwitserland* Oostenrijk Duitsland Denemarken Vlaanderen Verenigde Staten* Finland België Frankrijk Nederland China* Verenigd Koninkrijk Italië Ierland Spanje

Aandeel privaat (binnen en buitenland uitgezonderd voor de landen met een *) 2,32% 2,50% 2,19% 2,11% 2,14% 2,00% 2,16% 1,76% 1,77% 2,00% 1,32% 1,40% 1,61% 1,06% 0,82% 0,88% 0,62%

Aandeel publiek

Totaal

1,04% 0,71% 0,99% 0,95% 0,92% 1,03% 0,72% 1,08% 0,96% 0,67% 0,88% 0,78% 0,51% 0,62% 0,55% 0,34% 0,59%

3,36% 3,21% 3,18% 3,06% 3,05% 3,03% 2,88% 2,85% 2,73% 2,67% 2,20% 2,18% 2,12% 1,68% 1,37% 1,22% 1,21%

Bron: Op basis van informatie van ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021) *: Betreft enkel de private investeringen binnenland (zonder private investeringen buitenland) Noot: Geen informatie beschikbaar voor Israël en Zuid-Korea

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 14 van 77


3.

DOELSTELLING 2: TALENT CRUCIAAL VOOR EEN KENNISMAATSCHAPPIJ

Voldoende kwantiteit en relevante kwaliteit van 'human capital’ staan centraal in een kennisregio. Hebben we voldoende kritische massa aan menselijk kapitaal met de juiste skills en vaardigheden?

3.1.

Indicator 2: Aandeel diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs

Voor de ontwikkeling van O&O-activiteiten en de absorptie ervan, en voor de totstandkoming van een kenniseconomie in ruimere zin, is een stevige basis aan gediplomeerden in wetenschap en technologie essentieel. We observeren echter dat het aandeel diploma’s wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs (t.o.v. alle diploma’s hoger onderwijs in Vlaanderen) maar een beperkte toename kent in 2019 t.o.v. 2015 (Tabel 7).

Tabel 7: Evolutie aandeel diploma's wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs t.o.v. alle diploma's hoger onderwijs in Vlaanderen (Vlaams Gewest) (2015-2019) Vlaanderen

2015 18,5%

2016 18,8%

2017 18,6%

2018 19,2%

2019 19,6%

Bron: Departement Onderwijs en Vorming, Vlaamse overheid, Statistiek Vlaanderen14 Noot: Diploma's hoger onderwijs: ISCED 5: HBO 5 ISCED 6: bacherloropleidingen ISCED 7: masteropleidingen ISCED 8: doctoraten Opdat de ISCED fields of education in 2013 werden herzien en dat deze herziene classificatie werd geïmplementeerd vanaf de dataverzameling academiejaar 2014-2015, zijn enkel de jaren vanaf 2015 vergelijkbaar.

Een internationale positionering (voor 2018) wordt weergegeven in onderstaande Figuur 5. Duitsland is koploper in de EU wat betreft het aandeel diploma’s wiskunde, wetenschappen en technologie. De andere benchmarklanden Finland (28,1%), Zweden (26,7%) en Zwitserland (25,1%) scoren opmerkelijk hoger dan Vlaanderen (19,2%). Vlaanderen (en België met 16,6%) vormt samen met Nederland (16,6%) de ‘bodem’ van de ranking.

14

https://www.statistiekvlaanderen.be/nl/diploma%E2%80%99s-in-wiskunde-wetenschappen-en-technologische-richtingen-in-het-hoger-onderwijs

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 15 van 77


Figuur 5: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel diploma's wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs t.o.v. alle diploma's hoger onderwijs in Vlaanderen (2018) Duitsland

32,9%

Finland

28,1%

Verenigd Koninkrijk

26,9%

Zweden

26,7%

Frankrijk

25,4%

Zwitserland

25,1%

Italië

24,2%

Ierland

24,1%

Denemarken

22,2%

Spanje

22,0%

Vlaanderen

19,2%

Nederland*

16,6%

België

16,6%

0,0%

5,0%

10,0%

15,0%

20,0%

25,0%

30,0%

35,0%

*: data 2017 Bron: Dept. Onderwijs en Vorming, Vlaamse overheid

In Tabel 8 wordt een overzicht van deze internationale positionering doorheen de tijd meegegeven. Opmerkelijk is dat Duitsland, alhoewel het hoogste aandeel, ook een sterke daling (3,8 procentpunten) kent overheen de periode 2015-2018. Ook Spanje kent een gelijkaardige daling (3,5 procentpunten). Denemarken en Nederland kennen de sterkste toename met respectievelijk 2,6 en 1,9 procentpunten.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 16 van 77


Tabel 8: Internationale vergelijking van het aandeel diploma's wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs t.o.v. alle diploma's hoger onderwijs in Vlaanderen (2015-2018) 2015 36,7% 28,6% 26,2% 25,9% 25,3% 24,4% 23,3% 24,5% 19,6% 25,5% 18,5% 16,8% 14,7%

Duitsland Finland Verenigd Koninkrijk Zweden Frankrijk Zwitserland Italië Ierland Denemarken Spanje Vlaanderen België Nederland

2016 36,0% 29,6% 26,3% 26,6% 25,5% 24,5% 23,2% 24,0% 20,4% 23,9% 18,8% 17,1%

2017 35,5% 27,3% 26,5% 27,5% 25,7% 24,8% 23,4% 23,9% 21,1% 23,5% 18,6% 16,7% 16,6%

2018 32,9% 28,1% 26,9% 26,7% 25,4% 25,1% 24,2% 24,1% 22,2% 22,0% 19,2% 16,6%

Bron: Dept. Onderwijs en Vorming, Vlaamse overheid

3.2.

Indicator 3: Totaal O&O-personeel per 1.000 beroepsbevolking

O&O-personeel is de drijvende kracht bij kennisontwikkeling, -verspreiding, en -toepassing. Daarom is het ook belangrijk dat het innovatie-potentieel versterkt wordt door investeringen in human capital. We observeren dat het aandeel O&O-personeel in de beroepsbevolking gestaag toegenomen is van 12,90 per 1000 beroepsbevolking tot 19,08 in 2019.

Tabel 9: Totaal O&O-personeel per 1000 van de beroepsbevolking in Vlaanderen (Vlaams Gewest) (20092019) 2009 2010 2011 2012 Totaal eigen O&O-personeel 37508 37878 39307 40505 Beroepsbevolking per 1000 2907 2929 2938 2949 O&O-personeel per 1000 12,90 12,93 13,38 13,73 beroepsbevolking

2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 41806 44815 46517 47959 50847 54318 59283 2964 2985 3003 3025 3057 3075 3107 14,10

15,01 15,49 15,86

16,63

17,67

19,08

Bron O&O-personeel: ECOOM 3% nota 2009-2019, juni 2021 Bron beroepsbevolking: Vlaamse Arbeidsrekening o.b.v. RSZ-DMFA, RSZPPO, RSVZ, RIZIV, CBS, IGSS, OEA, SEE, RVA, IWEPS, FOD Economie - Bevolkingsstatistieken, DWH AM&SB bij de KSZ (Bewerking Steunpunt Werk) Noot: in voltijdse equivalenten

Een internationale vergelijking wordt weergegeven in Figuur 6. Zoals bij indicator 1 geven we graag mee dat voor de andere landen het nog vaak over geschatte of provisionele, voorlopige waarden gaat. Denemarken (19,57) heeft het hoogste aandeel O&O-personeel per 1000 beroepsbevolking, op de voet gevolgd door Vlaanderen (en België). Andere benchmarklanden, Finland (18,59), Nederland (17,14), Zweden (16,57) en Zwitserland (15,44), scoren lager.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 17 van 77


Figuur 6: Internationale positionering van Vlaanderen inzake O&O-personeel (‰ van de beroepsbevolking) (2019) Denemarken (e)(p)

19,57

Vlaanderen

19,08

België (e)(p)

18,87

Zuid Korea (e)

18,77

Finland (e)

18,59

Oostenrijk (d)(e)(p)

18,44

Nederland (e)(p)

17,14

Duitsland (e)

16,81

Zweden (e)

16,57

Ierland (e)

15,81

Frankrijk (e)

15,61

Zwitserland** (e)

15,44

Verenigd Koninkrijk (e)(p)

14,31

Italië (d)(e)(p)

13,71

Europese Unie (e)

13,65

Japan (d)(e)

13,17

Spanje (d)(e)(p)

10,05

China*

5,44 0,00

5,00

10,00

15,00

20,00

25,00

**: data voor 2017 Bron O&O-personeel: ‐ Vlaanderen: ECOOM 3% nota 2009-2019, juni 2021 ‐ Internationaal: OECD, MSTI (download 31 mei2021) Bron beroepsbevolking: Vlaamse Arbeidsrekening o.b.v. RSZ-DMFA, RSZPPO, RSVZ, RIZIV, CBS, IGSS, OEA, SEE, RVA, IWEPS, FOD Economie – Bevolkingsstatistieken, DWH AM&SB bij de KSZ (Bewerking Steunpunt Werk) Noot: de methodologie voor de berekening van de beroepsbevolking in Vlaanderen verschilt van die van de andere landen; de waarde van deze indicator is daardoor een onderschatting (d) definitie verschilt; (e) schatting; (p) provisionele, voorlopige waarde

De grootste toename overheen de periode 2013-2019 situeert zich in Vlaanderen (en België) en Italië. Japan heeft een status quo terwijl er zich in Denemarken en Finland een (beperkte) daling voordoet (zie Tabel 10).

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 18 van 77


Tabel 10: Internationale vergelijking totaal O&O-personeel (per ‰ van de beroepsbevolking) (2013-2019) Denemarken Vlaanderen België Zuid Korea Finland Oostenrijk Nederland Duitsland Zweden Ierland Frankrijk Zwitserland Verenigd Koninkrijk Italië Europese Unie Japan Spanje China

2013 19,83 14,1 13,72 15,52 19,66 15,26 15,07 14,12 15,83 14,68 14,17

2014 19,93 15,01 14,66 16,24 19,31 16,10 15,21 14,43 16,10 15,53 14,40

11,67 9,77 11,20 13,16 8,77 4,46

12,14 9,78 11,42 13,59 8,72 4,66

2015 20,35 15,49 15,59 16,42 18,60 16,23 15,51 15,21 16,00 15,74 14,52 15,72 12,57 10,15 11,76 13,26 8,76 4,69

2016 20,93 15,86 15,82 16,42 17,54 16,74 16,01 15,32 17,19 15,46 14,60 12,56 11,25 12,05 13,12 9,02 4,81

2017 20,88 16,63 16,41 17,09 17,97 16,86 16,53 15,89 16,54 16,01 14,89 15,44 13,29 12,24 12,65 13,31 9,49 5,00

2018 21,15 17,67 17,43 18,08 18,11 17,79 17,04 16,35 16,91 15,65 15,21

2019 19,57 19,08 18,87 18,77 18,59 18,44 17,14 16,81 16,57 15,81 15,61

13,76 13,30 13,29 13,18 9,90 5,44

14,31 13,71 13,65 13,17 10,05

Bron O&O-personeel: ‐ Vlaams: ECOOM 3% nota 2009-2019, juni 2021 ‐ Internationaal: OECD, MSTI (download 31 mei 2021) Bron beroepsbevolking: Vlaamse Arbeidsrekening o.b.v. RSZ-DMFA, RSZPPO, RSVZ, RIZIV, CBS, IGSS, OEA, SEE, RVA, IWEPS, FOD Economie - Bevolkingsstatistieken, DWH AM&SB bij de KSZ (Bewerking Steunpunt Werk) Noot: de methodologie voor de berekening van de beroepsbevolking in Vlaanderen verschilt van die van de andere landen; de waarde van deze indicator is daardoor een onderschatting

3.2.1.

Indicator 3a: O&O-personeel per sector

We observeren dat het meeste O&O-personeel actief is in de bedrijven, namelijk 65% (Figuur 7). De instellingen voor hoger onderwijs zijn een tweede belangrijke tewerkstellingsplaats voor O&O-personeel (26%) terwijl de publieke onderzoekscentra volgen als derde (9%). In Tabel 11 wordt een overzicht gegeven van het eigen O&O-personeel in VTE. In absolute aantallen is het O&O-personeel in alle sectoren toegenomen. Het aandeel O&O-personeel actief in bedrijven is doorheen de tijd echter toegenomen terwijl het aandeel O&O-personeel in het hoger onderwijs (gewest-benadering) afgenomen is.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 19 van 77


Figuur 7: Eigen O&O-personeel (Vlaams Gewest) (in VTE) (2019)

25,7% Totaal bedrijven Publieke onderzoekscentra Instellingen zonder winstoogmerk

0,5% 64,8%

9,1%

Hoger onderwijs (gewest)

Bron: O&O-personeel: ECOOM 3% nota 2009-2019, juni 2021

Tabel 11: Eigen O&O-personeel (in VTE) (2009-2019) Totale bedrijvensector

2009

2010

21954

21568 22621 23255 24026 26134 27599 29286 31694

Bedrijven

21530

Collectieve centra voor bedrijven

424

2011

2012

2013

2014

2015

2016

21116 22160 22652 23397 25389 26866 28725 452

461

603

629

745

733

561

2017

2018

2019

34179 38386

31131 33614 37813 563

564

573

Publieke onderzoekscentra

3196

3262

3365

3722

3832

4141

4212

4486

4767

5149

5372

Instellingen zonder winstoogmerk

153

167

172

120

131

241

252

269

280

279

302

Hoger onderwijs (gemeenschap)

13794

14499

14749

14966

15358

15821

16022

16127

16312

16732

17325

Hoger onderwijs (gewestbenadering)

12205

12881

13149

13408

13817

14299 14454

13917

14107

14711

15223

Totaal gemeenschap

39098

39496 40907 42063 43347 46337 48085 50168 53502 56338 61385

Totaal gewest

37508 37878 39307 40505 41806 44815 Bron: O&O-personeel: ECOOM 3% nota 2009-2019, juni 2021

3.3.

46517 47959 50847 54318 59283

Indicator 4: Gemiddelde PISA-score op lezen, wiskunde en wetenschappen van Vlaamse 15-jarigen

Zoveel mogelijk jongeren moeten voldoende bagage meekrijgen om een hogere opleiding te kunnen aangaan. Een stevige basiskennis en vaardigheden zijn hierbij van groot belang. We observeren dat de gemiddelde PISA-scores van 15-jarigen over de periode 2003-2018 systematisch gedaald zijn, dit zowel voor leesvaardigheden als voor wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid (Tabel 12). De Vlaamse 15jarigen scoren nog steeds gemiddeld beter voor wiskundige geletterdheid dan voor leesvaardigheid, maar de wiskundige geletterdheid gaat nog sneller achteruit.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 20 van 77


Tabel 12: PISA-scores van 15-jarigen per domein (Vlaams Gewest) (2003-2018) Leesvaardigheid Wiskundige geletterdheid Wetenschappelijke geletterdheid

2003 530 553 529

2006 522 543 529

2009 519 537 526

2012 518 531 518

2015 511 521 515

2018 502 518 510

Bron: Statistiek Vlaanderen aan de hand van OECD-data https://www.statistiekvlaanderen.be/en/pisa-scores

Leesvaardigheid In Figuur 8 wordt een internationale positionering van Vlaanderen opgenomen inzake de gemiddelde PISA-scores van 15-jaren voor lezen. We observeren dat de score voor Vlaanderen zich hier ergens ‘in het midden’ situeert. Finland en Zweden scoren beter terwijl Denemarken, Nederland en Zwitserland een slechtere score hebben.

Figuur 8: Internationale positionering inzake de gemiddelde PISA-scores van 15 -jarigen voor leesvaardigheid (2018) Singapore Finland Ierland Zuid-Korea Zweden Verenigde Staten Verenigd Koninkrijk Japan Vlaanderen Denemarken Duitsland België Frankrijk Nederland Oostenrijk Zwitserland Rusland Italië Israël 0

100

200

300

400

500

600

Bron Vlaanderen: Statistiek Vlaanderen Bron internationaal: OECD (download 31 mei 2021) Noot: Geen data beschikbaar voor Spanje voor 2018

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 21 van 77


In Tabel 13 wordt een evolutie doorheen de tijd weergegeven. We observeren dat Vlaanderen hier wel bij de sterkste dalers behoort, samen met Nederland en Finland. Ook in Zweden en Zwitserland wordt een daling geobserveerd over de laatste jaren. Enkel Denemarken tekent een stijging op.

Tabel 13: Internationale vergelijking gemiddelde PISA-scores van 15-jarigen voor lezen (2003-2018)

België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Israël Italië Japan Nederland Oostenrijk Rusland Singapore Spanje Verenigd Koninkrijk Verenigde Staten Vlaanderen Zuid-Korea Zweden Zwitserland

2003 507 492 491 543 496 515 — 476 498 513 491 442 — 481 495 530 534 514 499

2006 501 494 495 547 488 517 439 469 498 507 490 440 — 461 495 — 522 556 507 499

2009 506 495 497 536 496 496 474 486 520 508 470 459 526 481 494 500 519 539 497 501

2012 509 496 508 524 505 523 486 490 538 511 490 475 542 488 499 498 518 536 483 509

Lezen 2015 499 500 509 526 499 521 479 485 516 503 485 495 535 496 498 497 511 517 500 492

2018 493 501 498 520 493 518 470 476 504 485 484 479 549 — 504 505 502 514 506 484

2003-2018 -2,79% 1,79% 1,41% -4,30% -0,72% 0,50% 7,24% 0,13% 1,15% -5,52% -1,28% 8,21% 4,48% 3,13% 1,79% 2,05% -5,28% -3,75% -1,65% -3,04%

Bron Vlaanderen: Statistiek Vlaanderen Bron internationaal: OECD (download 31 mei 2021)

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 22 van 77


Wiskundige geletterdheid In Figuur 9 wordt een internationale positionering van Vlaanderen opgenomen inzake de gemiddelde PISA-scores van 15-jaren voor wiskunde. Vlaanderen positioneert zich hier samen met Nederland, Zwitserland en Denemarken bij een aantal top Europese landen. Niet-Europese landen zoals Singapore, Japan en Zuid-Korea scoren echter beter, terwijl Vlaanderen in 2003 deze landen nog achter zich liet en aan de absolute top stond.

Figuur 9: Internationale positionering inzake de gemiddelde PISA-scores van 15 -jarigen voor Wiskunde (2018) Singapore Japan Zuid-Korea Nederland Vlaanderen Zwitserland Denemarken België Finland Zweden Verenigd Koninkrijk Duitsland Ierland Oostenrijk Frankrijk Rusland Italië Spanje Verenigde Staten Israël 0

100

200

300

400

500

600

Bron Vlaanderen: Statistiek Vlaanderen Bron internationaal: OECD (download 31 mei 2021)

In Tabel 14 wordt een internationale vergelijking doorheen de tijd toegevoegd. Ook voor wiskunde, net zoals voor lezen, situeert Vlaanderen zich tussen de sterkste dalers samen met Finland. Geen enkele van de andere benchmarklanden noteren een toename in de gemiddelde PISA-scores voor wiskunde.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 23 van 77


Tabel 14: Internationale vergelijking gemiddelde PISA-scores van 15-jarigen voor wiskunde (2003-2018)

België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Israël Italië Japan Nederland Oostenrijk Rusland Singapore Spanje Verenigd Koninkrijk Verenigde Staten Vlaanderen Zuid-Korea Zweden Zwitserland

2003 529 514 503 544 511 503 — 466 534 538 506 468 — 485 ‡ 483 553 542 509 527

2006 520 513 504 548 496 501 442 462 523 531 505 476 — 480 495 474 543 547 502 530

2009 515 503 513 541 497 487 447 483 529 526 496 468 562 483 492 487 537 546 494 534

Wiskunde 2012 2015 515 507 500 511 514 506 519 511 495 493 501 504 466 470 485 490 536 532 523 512 506 497 482 494 573 564 484 486 494 492 481 470 531 521 554 524 478 494 531 521

2018 508 509 500 507 495 500 463 487 527 519 499 488 569 481 502 478 518 526 502 515

2003-2018 -4,01% -0,95% -0,58% -6,80% -3,01% -0,64% 4,79% 4,49% -1,34% -3,46% -1,32% 4,14% 1,24% -0,77% 1,28% -0,96% -6,33% -3,01% -1,31% -2,13%

Bron Vlaanderen: Statistiek Vlaanderen Bron internationaal: OECD (download 31 mei 2021)

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 24 van 77


Wetenschappelijke geletterdheid In Figuur 10 wordt een internationale positionering van Vlaanderen opgenomen inzake de gemiddelde PISA-scores van 15-jaren voor wetenschappen. Singapore, Japan en Zuid-Korea nemen hier de leiding. Finland en Vlaanderen vervolledigen de top 5.

Figuur 10: Internationale positionering inzake de gemiddelde PISA-scores van 15 -jarigen voor Wetenschappen (2018) Singapore Japan Finland Zuid-Korea Vlaanderen Verenigd Koninkrijk Nederland Duitsland Verenigde Staten Zweden België Ierland Zwitserland Frankrijk Denemarken Oostenrijk Spanje Rusland Italië Israël 0

100

200

300

400

500

600

Bron Vlaanderen: Statistiek Vlaanderen Bron internationaal: OECD (download 31 mei 2021)

In Tabel 15 wordt de evolutie doorheen de tijd weergegeven. Finland en Vlaanderen behoren tot de groep van sterkste dalers in de periode 2003-2018, samen met Oostenrijk, Nederland en Zwitserland. De Verenigde Staten, Israël en Singapore noteren hier een toename.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 25 van 77


Tabel 15: Internationale vergelijking gemiddelde PISA-scores van 15-jarigen voor wetenschappen (20032018)

België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Ierland Israël Italië Japan Nederland Oostenrijk Rusland Singapore Spanje Verenigd Koninkrijk Verenigde Staten Vlaanderen Zuid-Korea Zweden Zwitserland

2003 — — — — — — — — — — — — — — — — 529 — — —

2006 510 496 516 563 495 508 454 475 531 525 511 479 — 488 515 489 529 522 503 512

2009 507 499 520 554 498 508 455 489 539 522 494 478 542 488 514 502 526 538 495 517

Wetenschap 2012 2015 505 502 498 502 524 509 545 531 499 495 522 503 470 467 494 481 547 538 522 509 506 495 486 487 551 556 496 493 514 509 497 496 518 515 538 516 485 493 515 506

2018 499 493 503 522 493 496 462 468 529 503 490 478 551 483 505 502 510 519 499 495

2006-2018 -2,27% -0,66% -2,46% -7,36% -0,45% -2,40% 1,83% -1,55% -0,42% -4,09% -4,12% -0,37% 1,71% -1,06% -1,96% 2,76% -3,59% -0,60% -0,77% -3,18%

Bron Vlaanderen: Statistiek Vlaanderen Bron internationaal: OECD (download 31 mei 2021)

3.4.

Indicator 5: Aandeel bevolking 25-64 jaar dat deelneemt aan opleidingen tijdens referentieperiode van 12 maanden voorafgaand aan de enquête

“Geen enkele werknemer van de toekomst zal kunnen blijven teren op de kennis opgedaan op de

schoolbanken en moet levenslang blijven leren. Een cultuur van levenslang leren zal in toenemende mate belangrijk worden door de veranderende jobmarkt, omwille van de steeds hogere digitaliseringsgraad en de vierde industriële revolutie die zich steeds meer doorzet” (VARIO-memorandum). In 2020 nam 21,1% van de inwoners van het Vlaamse Gewest tussen 25 en 64 jaar deel aan een opleiding tijdens de laatste 12 maanden voorgaande aan de bevraging. Dit aandeel fluctueerde licht de laatste tien jaar, met een kleine piek van 23% in 2019 en een lager aandeel van 20,7% in 2012, 2013 en 2015.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 26 van 77


Tabel 16: Aandeel bevolking 25-64 jaar dat deelneemt aan opleidingen tijdens referentieperiode van 12 maanden voorafgaand aan enquête (Vlaams Gewest) (2010-2020) Vlaanderen

2010 21,3%

2011 21,4%

2012 20,7%

2013 20,7%

2014 22,2%

2015 20,7%

2016 20,9%

2017 22,9%

2018 22,4%

2019 23,0%

2020 21,1%

Bron: Statistiek Vlaanderen - Levenslang leren (opleidingsdeelname) Bron: EAK Statbel, bewerkingen Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen Noot: de gegevens zijn schattingen gebaseerd op een enquête. Daardoor moet rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. Breuk in de tijdreeks tussen 2016 en 2017.

Deze indicator is momenteel (nog) niet internationaal vergelijkbaar. De Enquête voor Arbeidskrachten (EAK) (Belgische versie van de Labor Force Survey die in andere EU-landen uitgevoerd wordt) bevraagt deze indicator evenals deze voor een referentieperiode van 4 weken voorafgaand aan de enquête al een tijdje. De Labor Force Survey (LSF), uitgevoerd in andere Europese landen, onderzocht tot nu toe echter enkel de deelname aan opleidingen tijdens referentieperiode van 4 weken voorafgaand aan de enquête. In de volgende editie van de LFS in 2022 zullen beide vragen (referentieperiode van 4 weken en 12 maanden) opgenomen worden zodat vanaf dan een internationale vergelijking mogelijk zal zijn.

Box 1: EAK/LFS – AES – PIAAC De EAK/LFS is een gereguleerde enquête die in alle landen van de Europese Unie wordt afgenomen15. Het voordeel ervan - in vergelijking met de Adult Education Survey (AES) en Programme for the International Assessment of Adult Competencies (PIAAC), twee andere databronnen die gebruikt worden voor indicatoren m.b.t. levenslang leren - is het groot aantal respondenten en de hoge afname frequentie. “The figures by the LFS are probably the most reliable in a statistical sense, as it has a

relatively large sample size (about 10 times as large as the AES and PIAAC samples) and as it reports relatively high response rates (as participation is often compulsory).”16,17 De EAK/LFS is een bredere

survey bij de beroepsbevolking terwijl de AES en PIAAC zich specifiek richt op opleidingen. Een bredere survey kan mogelijks de zelf-selectie bias van (antwoorden van) deelnemers aan opleidingen reduceren. Een nadeel van de LFS is de mindere graad van detail en context informatie dan bij de AES en PIAAC.

3.4.1.

Additionele indicator: bevolking 25-64 jaar dat deelneemt aan opleidingen tijdens referentieperiode van 4 weken voorafgaand aan de enquête

Een referentieperiode van 12 maand werd geselecteerd omdat die toelaat een zo breed en omvangrijk mogelijk beeld te krijgen op levenslang leren. Deze langere referentieperiode maakt het mogelijk om meer (en verschillende) leeractiviteiten te meten. Een referentieperiode van 4 weken kan echter ook een indicatie geven van de intensiteiten van het volgen van opleidingen. We geven hieronder nog graag de cijfers weer voor het aandeel van de bevolking dat aan een opleiding deelgenomen heeft tijdens een referentieperiode van 4 weken voorafgaan aan de enquête (Tabel 17). Het aandeel ligt lager bij de deelname aan een opleiding in de laatste 4 weken (ongeveer 8%) t.o.v. de deelname in de laatste 12 https://www.statistiekvlaanderen.be/nl/KSMD-137-levenslang-leren Jeroen Lavrijsen & Ides Nicaise (2015). PATTERNS IN LIFE-LONG LEARNING PARTICIPATION A descriptive analysis using the LFS, the AES and PIAAC. Steunpunt Studie en schoolloopbanen. https://steunpuntssl.be/Publicaties/Publicaties_docs/ssl-2014.19-1-1-1-patterns-in-life-long-learning-participation 17 Deelname is in België verplicht. 15 16

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 27 van 77


maanden (ongeveer 21%, zie Tabel 16). Beide indicatoren fluctueren lichtjes doorheen de tijd. Over de periode 2010-2020 observeren we een daling van 0,7 procentpunten.

Tabel 17: Aandeel bevolking 25-64 jaar dat deelneemt aan opleidingen tijdens referentieperiode van 4 weken voorafgaand aan enquête (Vlaams Gewest) (2010-2020) Vlaanderen

2010 8,4%

2011 7,9%

2012 7,1%

2013 7,3%

2014 7,7%

2015 7,0%

2016 7,1%

2017 8,7%

2018 8,7%

2019 8,6%

2020 7,7%

Bron: Statistiek Vlaanderen - Levenslang leren (opleidingsdeelname) Bron: EAK Statbel, bewerkingen Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen Noot: de gegevens zijn schattingen gebaseerd op een enquête. Daardoor moet rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. Breuk in de tijdreeks tussen 2016 en 2017.

In Figuur 11 wordt een internationale vergelijking weergegeven van deelname aan een opleiding tijdens de laatste 4 weken voorafgaand aan de enquête. We merken hier op dat de benchmarklanden Zweden (28,6%), Finland (27,3%), Denemarken (20%) en Nederland (18,8%) allemaal hoog scoren. Vlaanderen (7,7%) scoort hier samen met Italië (7,7%) en Duitsland (8%) laag.

Figuur 11: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de deelname aan opleiding tijdens referentieperiode van 4 weken voorafgaand aan enquête (2020) Zweden

28,6%

Finland

27,3%

Denemarken

20,0%

Nederland

18,8%

Frankrijk

13,0%

Oostenrijk

11,7%

Spanje

11,0%

Ierland

11,0%

Europese Unie (27)

9,7%

Duitsland

8,0%

Italië

7,7%

Vlaanderen

7,7%

België

7,7%

0,0%

5,0%

10,0%

15,0%

20,0%

25,0%

30,0%

Bron: Statistiek Vlaanderen - Levenslang leren (opleidingsdeelname) Bron: EAK Statbel, bewerkingen Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen Noot: de gegevens zijn schattingen gebaseerd op een enquête. Daardoor moet rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. Breuk in de tijdreeks tussen 2016 en 2017.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 28 van 77


3.4.2.

Indicator 5a: te ontwikkelen – aandeel bevolking 25-64 jaar dat deelneemt aan opleidingen tijdens referentieperiode van 12 maanden voorafgaand aan de enquête verfijnd naar de vormen van leren, naar de motivatie enz.

Voorgaande twee indicatoren met betrekking tot levenslang leren zijn echter nog altijd eng. Er is geen zicht op de verschillende vormen van leren, de incentives, de barrières,… wat de ontwikkelingen op het terrein weergeeft. De AES en PIAAC-vragenlijst laten toe om hier wat meer inzicht in te krijgen. De eigenschappen van de vragenlijsten (cfr. Box 1) maken het echter minder opportuun om deze op te nemen in de VARIO-kernindicatoren. Er werden voorstellen gedaan om de EAK-enquête, waarop de VARIO-kernindicator is gebaseerd, uit te breiden naar de motivatie, een meer uitgebreide meting van formeel versus informeel leren, en naar de leerintenties. Het is momenteel onduidelijk of deze voorstellen opgenomen zullen worden in de volgende editie van de EAK.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 29 van 77


4.

DOELSTELLING 3: WETENSCHAP EN KENNIS ALS FUNDAMENTEN

Cruciaal in een kenniseconomie, is kenniscreatie. Innovatie en ondernemerschap kunnen maar gedijen wanneer er een voedingsbodem van kennis aanwezig is. Is ons onderzoek voldoende excellent en dynamisch?

4.1.

Indicator 6: Aandeel publicaties in de top 10% highly cited articles

Het in kaart brengen van citaties is een bibliometrisch middel bij uitstek om de impact van publicaties te meten. Citaties zijn primair een belangrijke vorm van de mate waarin gebruik gemaakt wordt van wetenschappelijke informatie in het kader van gedocumenteerde wetenschappelijke communicatie. Ze weerspiegelen de acceptatie en de erkenning van gepubliceerde onderzoeksresultaten door de wetenschappelijke gemeenschap. Ze zijn onrechtstreeks ook een maat voor de kwaliteit/excellentie van het onderzoek. Het aandeel Vlaamse publicaties in de top 10 highly cited articles wordt weergegeven in Tabel 18. We observeren hier een lichte fluctuatie overheen de jaren.

Tabel 18: Aandeel Vlaamse publicaties in de top 10% highly cited articles (Vlaams Gewest) (2008-2018) 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 14% 14,4% 15,1% 14,5% 15,1% 15,3% 14,6% 15,6% 13,9% 14% 13,3%

Vlaanderen

Bron: Regional Innovation Scoreboard (2021)

Figuur 12: Internationale vergelijking van het aandeel publicaties in de top 10% highly cited articles Nederland Zwitserland Verenigd Koninkrijk Denemarken Vlaanderen Verenigde Staten Zweden België Finland Ierland China Italië Oostenrijk Duitsland Europese Unie (27) Israël Spanje Frankrijk Zuid Korea Japan 0,0%

15,0% 14,6% 14,1% 13,7% 13,3% 13,3% 12,7% 12,4% 12,2% 11,4% 11,1% 11,1% 10,7% 10,5% 9,9% 9,5% 9,2% 9,0% 7,8% 5,8% 2,0%

4,0%

6,0%

8,0%

10,0%

12,0%

14,0%

16,0%

Bron: European Innovation Scoreboard (2021) en Regional Innovation Scoreboard (2021)

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 30 van 77


Een internationale vergelijking (zie bovenstaande Figuur 12) toont ons dat Nederland, Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken hoger scoren dan Vlaanderen. Zweden en Finland volgen snel na Vlaanderen. Resultaten in Tabel 19 illustreren dat bij de meeste landen er lichte fluctuaties zijn doorheen de tijd.

Tabel 19: Internationale vergelijking aandeel publicaties in de top 10% highly cited articles (2011-2018) 2011

Nederland Zwitserland Verenigd Koninkrijk Denemarken Vlaanderen Verenigde Staten Zweden België Finland Ierland Italië China Oostenrijk Duitsland Europese Unie (27) Israël Spanje Frankrijk Zuid Korea Japan

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

16,1%

16,0%

15,8%

15,4%

15,4%

15,5%

15,1%

15,0%

15,9%

15,0%

15,1%

14,8%

14,9%

14,8%

14,4%

14,6%

13,6%

13,6%

14,0%

14,1%

14,4%

14,7%

14,6%

14,1%

14,8% 14,5%

15,4% 15,1%

14,4% 15,3%

14,6% 14,6%

14,4% 15,6%

15,1% 13,9%

13,7% 14,0%

13,7% 13,3%

15,0%

14,9%

14,9%

14,8%

14,5%

14,1%

13,7%

13,3%

13,3%

13,3%

13,6%

13,3%

12,9%

13,3%

12,8%

12,7%

13,0%

13,6%

13,7%

13,2%

13,7%

12,6%

12,8%

12,4%

11,1%

11,5%

11,7%

11,6%

11,3%

12,1%

11,9%

12,2%

11,7%

12,3%

12,5%

11,8%

12,4%

12,3%

11,9%

11,4%

9,8%

10,1%

10,2%

10,4%

10,8%

10,8%

10,9%

11,1%

7,3%

7,6%

7,9%

8,3%

8,9%

9,4%

10,3%

11,1%

11,1%

10,9%

11,1%

11,6%

10,8%

11,1%

11,3%

10,7%

11,4%

11,3%

11,4%

11,2%

11,3%

11,1%

10,8%

10,5%

10,0%

10,2%

10,1%

10,0%

10,0%

10,1%

9,9%

9,9%

11,1%

10,3%

9,9%

9,9%

9,8%

9,3%

9,7%

9,5%

9,4%

9,5%

9,4%

9,2%

9,2%

9,2%

8,9%

9,2%

10,3%

10,2%

10,3%

9,8%

9,7%

9,7%

9,2%

9,0%

8,0%

8,2%

7,9%

7,9%

8,0%

8,1%

7,9%

7,8%

6,2%

6,1%

6,2%

6,1%

5,9%

5,9%

5,8%

5,8%

Bron: European Innovation Scoreboard (2021) en Regional Innovation Scoreboard (2021)

Box 2: Citatie-performantieklassen (CSS) In Vlaanderen wordt in het kader van o.a. de BOF-sleutel en evaluaties van SOC’s, Vlerick… gebruik gemaakt van de citatie-performantieklassen. De indeling van de ‘mate van citatie’ wordt gemaakt op basis van een drempelwaarde; een gewicht aan de hand van gemiddelde citaties. Deze methode wordt ‘Characteristic Scores and Scales’ (CSS) genoemd. Er worden vier citatie-performatieklassen gebruikt: -

CCS1: Weinig-niet geciteerd CCS2: Matig geciteerd CCS3: Opmerkelijk geciteerd

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 31 van 77


-

CCS4: Uitzonderlijk geciteerd

In het Vlaams Indicatorenboek 2021 en in onderstaande figuur worden deze citatie-performantieklassen voor Vlaanderen en een aantal andere EU-landen weergegeven. Het aandeel opmerkelijk geciteerde (CCS3) en uitzonderlijk geciteerde (CCS4) publicaties ligt het hoogst in Nederland (CCS3 = 10,2% ; CCS4 = 5,2%) en Denemarken (CCS3 = 10,3%; CCS4 = 5,1%). Daarna volgt Vlaanderen met CCS3 9,5% en CCS4 4,9%.

Figuur 13: Verdeling over citatie-performantieklassen (CSS)

Bron: Vlaams Indicatorenboek 2021, figuur 6 https://www.vlaamsindicatorenboek.be/4.1.4/citatie-impact

In onderstaande tabel 20 wordt Vlaanderen vergeleken met een aantal benchmarkregio’s. Vlaanderen situeert zich hier ‘in het midden’. Drie Zwitserse regio’s, één Nederlandse, één Deense en één Zweedse regio scoren beter dan Vlaanderen. We merken op dat de score van de andere benchmarkregio’s ook lichtjes fluctueert doorheen de tijd.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 32 van 77


Tabel 20: Interregionale vergelijking aandeel publicaties in de top 10% highly cited articles (2011-2018) België

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

14,5%

15,1%

15,3%

14,6%

15,6%

13,9%

14,0%

13,3%

15,8%

16,7%

15,5%

16,0%

15,2%

15,9%

14,6%

14,6%

Stuttgart

11,8%

10,1%

11,1%

11,2%

10,9%

10,9%

10,6%

9,3%

Karlsruhe

12,8%

13,6%

13,4%

13,3%

13,3%

13,0%

13,1%

12,1%

Tübingen

11,2%

10,8%

11,7%

11,7%

12,0%

11,3%

10,8%

10,6%

Oberbayern

12,7%

14,3%

13,4%

13,4%

13,3%

13,2%

12,8%

12,1%

Utrecht

17,0%

16,2%

15,7%

16,2%

16,2%

17,2%

14,8%

16,1%

Noord-Brabant

14,6%

14,9%

14,5%

13,6%

13,5%

13,9%

14,4%

13,2%

Helsinki-Uusimaa

12,0%

12,3%

12,9%

12,5%

12,1%

13,0%

12,7%

12,6%

Stockholm

13,6%

13,9%

14,1%

14,3%

14,1%

14,3%

14,1%

13,9%

Sydsverige

12,7%

13,6%

13,0%

12,5%

13,6%

12,5%

12,3%

11,6%

Région lémanique

16,8%

14,8%

15,4%

15,0%

15,0%

15,6%

14,3%

14,5%

Espace Mittelland

13,9%

13,0%

13,2%

12,6%

12,4%

13,6%

13,0%

12,7%

Nordwestschweiz

15,4%

14,4%

15,0%

13,7%

14,5%

14,4%

14,7%

14,4%

Zürich

17,4%

17,4%

17,1%

17,5%

17,7%

16,0%

15,8%

16,7%

Ostschweiz

11,5%

13,5%

12,6%

12,2%

13,0%

11,6%

12,7%

11,6%

Zentralschweiz

11,9%

9,8%

8,2%

8,3%

8,4%

11,8%

11,5%

9,9%

Ticino

14,1%

12,7%

10,4%

10,6%

8,8%

11,4%

13,5%

13,2%

Vlaams Gewest

Denemarken Hovedstaden

Duitsland

Nederland Finland Zweden

Zwitserland

Bron: Regional Innovation Scoreboard (2021)

4.1.1.

Indicator 6a: te ontwikkelen– aandeel publicaties in de top 10% highly cited articles opgesplitst per domein

Deze indicator is momenteel niet beschikbaar.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 33 van 77


4.2.

Indicator 7: Aantal aangevraagde EPO & PCT-octrooien en toegekende USPTOoctrooien met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager per miljoen inwoners

Octrooien zijn een gevestigde indicator voor de inventieve, technologische output van de geleverde onderzoeksinspanningen van bedrijven/kennisinstellingen. Octrooi-gebaseerde indicatoren bieden een inzicht in het proces van technologische vooruitgang. Daarbij kunnen ze gebruikt worden om een zicht te krijgen op de mate van innovatie binnen een organisatie, een regio, een land… (zie ook Vlaams Indicatorenboek)18. We observeren een licht stijgende trend van het aantal EPO-aanvragen met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager sinds 2009 (M.b.t. de PCT-octrooi aanvragen met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager observeren we eveneens een licht stijgende trend over de periode 2009-2014.

Tabel 21). Voor de cijfers na 2017 dient men rekening te houden met de EPO-publicatiepraktijk waarbij octrooiaanvragen pas 18 maanden na de aanvraag van het octrooi bekendgemaakt worden. Dit verklaart de daling in aantallen die zich manifesteert in 2018 en vooral in 201919. Het aantal toegekende USPTO-octrooien kent ook een toename tussen 2009 en 2014, gevolgd door een lichte daling. Deze lichte daling is te verklaren door de lange duur van de USPTO-toekenningsprocedure. M.b.t. de PCT-octrooi aanvragen met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager observeren we eveneens een licht stijgende trend over de periode 2009-201420.

Tabel 21: Aantal aangevraagde EPO-octrooien, aantal toegekende USPTO-octrooien en aantal aangevraagde PCT-octrooien met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager per miljoen inwoners (2009-2019) EPO USPTO PCT

2009 239,17 156,71 190,05

2010 241,36 160,27 194,34

2011 250,41 166,15 199,66

2012 249,94 176,26 209,41

2013 243,74 188,55 186,83

2014 264,56 204,14 207,57

2015 268,87 185,03 205,18

2016 266,79 152,65 201,48

2017 258,50 96,23 207,17

2018 97,11 32,47 206,27

2019 16,22 2,27 82,17

Bron: ECOOM Noot: Vanwege vertragingseffecten omwille van de publicatietermijn bij EPO-octrooien en de toekenningstermijn bij USPTOoctrooien zijn de cijfers na 2016 nog niet volledig

Als we vergelijken met de benchmarklanden dan observeren we dat zowel Zwitserland, Zweden, Finland, Nederland als Denemarken hoger scoren dan Vlaanderen m.b.t. de drie patent-indicatoren (Figuur 14). Oostenrijk scoort tevens hoger dan Vlaanderen. We verwijzen hier graag naar het Vlaams indicatorenboek 2021 voor meer duiding.

Vlaams Indicatorenboek (2019); https://www.vlaamsindicatorenboek.be/4.3/de-vlaamse-technologiepositie-analyse-aan-de-hand-van-octrooien De data voor de analyse betreft de data voor octrooiaanvragen gepubliceerd tot december 2019. 20 ECOOM gebruikt de (OECD) REGPAT databank (PATSTAT, herfst 2020). 18 19

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 34 van 77


Figuur 14: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aantal aangevraagde EPO-octrooien, aantal toegekende USPTO-octrooien en aantal aangevraagde PCT-octrooien met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager per miljoen inwoners (2016) 900 800 700 600 500 400 300 200 100 0

Aangevraagde EPO-octrooien

Toegekende USPTO-octrooien

Aangevraagde PCT-octrooien

Bron: ECOOM, KU Leuven Noot: Vanwege vertragingseffecten omwille van de publicatietermijn bij EPO-octrooien en de toekenningstermijn bij USPTOoctrooien zijn de cijfers na 2016 nog niet volledig

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 35 van 77


Tabel 22: Internationale vergelijking EPO-octrooiaanvragen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager België China Denemarken Duitsland Europese Unie (27) Finland Frankrijk Groot-Brittannië Ierland Israël Italië Japan Nederland Oostenrijk Spanje Verenigde Staten Vlaanderen Zuid-Korea Zweden Zwitserland

2009 207,7 2,9 302,3 328,7 350,3 173,3 115,4 155,9 185,4 78,3 164,8 340,7 258,1 36,5 122,4 239,2 89,8 415,2 853,3

2010 220,9 3,9 295,9 343,7 134,9 364,0 173,1 116,9 155,4 180,7 80,4 168,8 319,2 262,5 40,9 121,7 241,4 108,4 424,7 846,7

2011 224,3 4,1 338,8 356,1 137,3 365,6 172,3 114,2 155,1 185,8 83,6 184,8 292,2 282,1 37,3 124,9 250,4 120,4 470,4 857,8

2012 232,3 4,7 331,0 347,3 138,8 394,2 177,7 116,3 163,2 166,1 82,0 184,2 306,7 295,8 39,0 130,9 249,9 120,6 459,7 837,9

2013 207,8 5,8 320,9 332,0 135,9 392,9 176,6 113,9 166,6 197,1 80,3 175,4 293,6 298,3 39,5 138,3 243,7 133,5 481,0 833,7

2014 208,7 6,6 308,0 326,3 136,2 399,0 178,9 117,7 171,6 183,6 78,1 166,9 305,3 298,3 39,0 143,5 264,6 138,5 454,5 788,2

2015 213,1 6,5 297,9 318,6 136,6 358,0 180,7 118,4 168,7 190,0 81,2 170,5 314,4 297,8 41,3 131,7 268,9 141,0 447,7 801,0

2016 214,9 7,4 299,8 316,9 136,4 329,5 171,6 114,2 172,0 194,5 84,7 170,4 323,3 313,5 43,9 131,8 266,8 139,4 431,4 802,1

2017 206,3 6,8 303,0 313,4 137,0 310,5 158,7 107,5 167,4 176,9 82,1 156,2 327,5 311,4 37,8 125,0 258,5 133,0 344,5 766,7

2018 71,1 2,4 95,8 137,4 119,3 101,2 59,8 32,5 54,2 57,1 36,0 56,0 98,4 118,9 14,1 39,3 97,1 62,5 89,9 237,3

2019 11,8 0,4 13,3 32,8 35,6 20,8 14,5 8,5 19,0 13,8 12,7 18,0 15,2 28,6 2,3 10,6 16,2 12,6 13,1 38,9

Bron: ECOOM, KU Leuven Noot: Vanwege vertragingseffecten omwille van de publicatietermijn bij EPO-octrooien en de toekenningstermijn bij USPTO-octrooien zijn de cijfers na 2016 nog niet volledig

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 36 van 77


Tabel 23: Internationale vergelijking USPTO-octrooitoekenningen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager België China Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Groot-Brittannië Ierland Israël Italië Japan Nederland Oostenrijk Spanje Verenigde Staten Vlaanderen Zuid-Korea Zweden Zwitserland

2009 131,3 5,1 206,5 182,9 261,3 108,3 95,0 172,3 347,2 38,7 347,9 218,5 132,7 15,2 352,0 156,7 248,9 315,2 497,4

2010 136,0 6,4 193,9 195,3 271,1 112,0 104,5 224,0 344,8 41,5 342,3 212,1 140,1 19,6 373,9 160,3 264,1 327,2 531,5

2011 145,9 7,4 225,3 213,4 301,9 113,4 108,0 232,1 426,1 43,4 372,1 206,8 166,4 19,6 404,2 166,1 285,7 348,0 568,6

2012 148,4 8,3 247,3 225,4 341,4 121,9 120,6 229,7 480,8 46,5 378,6 232,4 186,5 20,6 456,2 176,3 296,5 381,1 619,1

2013 158,7 9,7 237,7 229,4 321,6 121,4 120,7 251,4 523,6 47,9 368,8 243,2 202,3 22,6 478,3 188,5 345,4 399,5 652,6

2014 160,7 11,3 217,5 221,4 289,7 116,2 124,9 283,3 490,7 47,7 372,8 262,6 219,2 21,8 469,0 204,1 388,4 394,7 594,4

2015 143,3 11,8 194,7 201,3 265,4 100,5 115,7 300,4 516,3 43,7 361,6 230,7 188,5 19,2 450,6 185,0 402,6 329,7 561,4

2016 113,6 11,7 135,4 151,4 177,1 69,3 89,3 267,0 426,5 35,2 304,9 169,4 150,5 14,7 402,9 152,6 323,8 223,3 425,8

2017 71,1 10,1 90,3 94,2 105,4 38,0 59,6 202,5 302,3 22,0 215,7 103,7 85,5 8,5 297,1 96,2 208,8 135,9 261,4

2018 23,7 4,2 36,3 30,5 39,4 12,7 21,9 96,9 115,1 7,5 90,2 38,4 31,6 2,9 115,6 32,5 67,6 50,6 83,1

2019 1,5 0,5 2,1 2,6 2,4 1,0 2,4 6,9 15,9 0,5 6,8 3,6 2,6 0,3 11,9 2,3 7,4 4,3 8,7

Bron: ECOOM, KU Leuven Noot: Vanwege vertragingseffecten omwille van de publicatietermijn bij EPO-octrooien en de toekenningstermijn bij USPTO-octrooien zijn de cijfers na 2016 nog niet volledig

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 37 van 77


Tabel 24: Internationale vergelijking PCT-octrooiaanvragen per miljoen inwoners naar origine van uitvinder en/of aanvrager 2009 176,7 6,9 292,3 240,7

België China Denemarken Duitsland Europese Unie (27) Finland Frankrijk Groot-Brittannië Ierland Italië Israël Japan Nederland Oostenrijk Spanje Verenigde Staten Vlaanderen Zuid-Korea Zweden Zwitserland

427,1 144,8 127,6 144,9 56,4 263,2 237,9 355,9 178,6 40,7 163,3 190,1 157,3 447,6 619,5

2010 172,8 10,3 261,6 252,2 110,0 419,1 142,1 124,9 137,4 57,2 247,6 257,4 307,8 190,1 45,2 160,0 194,3 189,7 419,7 614,1

2011 180,5 13,7 276,2 275,7 115,0 416,5 146,5 127,9 131,5 59,1 274,9 310,6 273,9 216,0 46,4 173,2 199,7 203,4 439,9 652,1

2012 187,2 15,5 298,5 275,3 119,6 480,6 157,1 128,6 145,1 61,5 247,6 349,4 309,6 223,7 43,8 182,3 209,4 230,2 442,8 688,0

2013 163,1 17,4 267,9 263,3 117,7 435,4 155,4 124,2 142,5 62,0 291,0 351,5 305,8 210,6 44,0 199,4 186,8 242,3 484,8 732,3

2014 167,3 20,3 268,7 261,0 119,0 387,6 158,1 128,7 150,9 63,3 265,5 340,0 317,8 225,6 44,1 212,4 207,6 253,1 484,2 662,4

2015 164,0 23,0 264,7 259,4 119,0 334,8 160,9 126,8 153,3 63,7 282,3 353,7 318,6 224,7 44,8 196,9 205,2 276,8 473,4 656,1

2016 169,0 31,3 270,7 261,3 119,5 322,0 154,7 126,4 153,2 66,9 286,2 363,0 340,8 230,0 45,5 193,8 201,5 296,1 451,7 684,9

2017 173,4 35,9 291,0 272,5 120,4 366,9 145,8 126,2 169,5 65,7 298,2 388,4 302,7 235,0 41,5 194,3 207,2 299,9 465,8 643,4

2018 169,1 29,2 285,2 270,4 123,2 352,6 141,3 128,8 171,2 63,4 261,9 365,1 274,1 228,2 39,7 183,8 206,3 292,2 391,1 606,7

2019 69,0 7,1 116,4 105,5 110,8 124,9 55,2 56,1 79,5 29,3 111,8 142,1 113,7 86,6 15,5 78,3 82,2 102,7 137,1 240,3

Bron: ECOOM, KU Leuven

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 38 van 77


In onderstaande tabel wordt de regionale weergave opgenomen voor het aandeel aangevraagde EPOoctrooien. We observeren hier dat Vlaanderen samen met Utrecht de laagste score opneemt tussen de benchmarkregio’s. Als we de absolute aantallen aangevraagde EPO octrooien bekijken dan merken we dat Vlaanderen zich ergens in het midden positioneert21.

Tabel 25: Aantal aangevraagde EPO octrooien met een regionale uitvinder en/of aanvrager per miljoen inwoners land regio België Vlaanderen Denemarken Hovedstaden Stuttgart Karlsruhe Duitsland Tübingen Oberbayern Finland Helsinki-Uusimaa Utrecht Nederland Noord-Brabant Stockholm Zweden Sydsverige Région lémanique Espace Mittelland Nordwestschweiz Zwitserland Zürich Ostschweiz Zentralschweiz Ticino

2009 2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018 2019

239,2

241,4

250,4

249,9

243,7

264,6

268,9

266,8

258,5

97,1

16,2

584,7

514,2

600,2

577,4

591,8

560,2

563,9

517,6

525,1

151,4

22,9

965,0

1044,5

1102,4

1016,8

902,8

870,7

850,0

821,7

780,6

306,5

73,6

961,6

1006,7

1016,7

981,5

896,7

881,7

855,9

795,8

707,0

370,9

98,0

870,3

887,9

853,8

830,0

816,3

757,4

751,3

712,3

741,3

286,0

90,5

1256,5

1317,6

1411,9

1369,4

1321,7

1309,1

1294,9

1314,0

1240,4

532,7

98,6

993,0

1041,8

1023,3

1071,6

1035,2 1053,3

906,2

836,9

773,4

231,3

41,9

352,6

306,3

303,5

272,4

290,7

230,5

231,9

262,2

190,7

54,8

12,2

1122,6

975,8

797,0

909,2

848,2

923,3

994,9

1001,7

1209,1

371,8

51,9

1005,4

1012,3

1079,2

1088,2

1188,5

1047,6

1031,4

1010,6

702,5

172,0

19,6

611,6

563,0

627,3

670,7

607,6

610,4

647,2

645,9

591,4

137,6

19,1

875,8

949,2

948,3

876,0

869,5

835,2

869,1

872,1

794,5

243,0

34,1

731,9

676,1

678,1

653,6

676,3

614,9

659,3

693,7

648,5

194,8

33,0

1999,0

1976,9

1906,9 2029,8 2044,3 1962,2

1917,4

1885,3

1770,3

447,9

46,5

1199,0

1108,6

1140,5

1183,6

1111,1

1013,0

954,1

975,2

922,7

319,7

68,4

832,6

862,7

901,6

864,5

833,0

814,3

902,5

821,9

844,6

306,2

52,7

1313,5

1191,0

1204,8 1040,2 1087,6

1079,9

1119,7

1146,2

1174,8

347,4

65,2

492,9

512,3

455,4

479,0

596,5

582,5

507,9

197,9

48,1

492,7

544,4

Bron: ECOOM, KU Leuven

4.2.1.

Naar een meer ‘kwalitatieve’ indicator?

In VARIO-advies 13 ‘Een kwaliteitsvolle set indicatoren voor W&I’ werd reeds aangehaald dat het louter tellen van patentaanvragen en/of toekenningen niet altijd een goed zicht geeft op de impact van een patent. Daarom wordt voorgesteld om in de toekomst, gelijkaardig aan de publicatie-impact ook het aandeel Vlaamse patenten in de top 10% highly cited patents te monitoren. Deze indicator is momenteel nog niet beschikbaar.

21

Vlaanderen betreft een NUTS 1 gebied terwijl de andere benchmarkregio’s NUTS 2 gebieden zijn.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 39 van 77


Box 3: Patent citaties Het louter tellen van patentaanvragen en/of toekenningen geeft echter niet altijd een goed zicht op de impact van een patent en volstaat dus niet de om innovatieoutput in kaart te brengen. Een patentaanvraag leidt immers niet altijd tot een patenttoekenning, een patent kan bv. teruggetrokken worden na een paar jaar of kan ook ‘on the shelf’ blijven liggen…. Het is daarom goed om daarnaast te kijken naar de mate waarin de ontwikkelde technologie relevant is in het kader van follow-up(technologisch) onderzoek en ontwikkelingen. Naast het tellen van patenten (volume) is het ook mogelijk om te kijken naar de citaties in patenten naar andere patenten; in welke (daaropvolgende) patenten wordt een verwijzing opgenomen naar het respectievelijke patent. (forward citations). Deze indicator kan bv. aangeven of een bepaalde patentaanvrager een leider is in een domein. INDICATOR 21 – te ontwikkelen: Aandeel Vlaamse patenten in top 10% highly cited patents INDICATOR 21a–te ontwikkelen: Aandeel Vlaamse patenten in top 10% highly cited patents opgesplitst per domein Er zijn echter nog een aantal parameters die verder gespecificeerd moeten worden zoals het tijdsvenster (3 of 5 jaar), het patentsysteem, de aanpak m.b.t. zelfcitaties, de geografische dekking…. Een belangrijke opmerking bij deze indicator is ook dat er sterke verschillen tussen sectoren/disciplines kunnen optreden. Zo zal in een klein niche-segment een patent waarschijnlijk niet veel citaties genieten. Bovendien zijn bepaalde sectoren ook minder gebaat met octrooieren omdat de technologie te snel evolueert en het octrooisysteem niet kan volgen. Bron: Extract uit VARIO-advies 13 ‘Een kwaliteitsvolle set indicatoren voor W&I’

4.2.2.

Indicator 7a: Aantal aangevraagde EPO-octrooien met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager per miljoen inwoners opgesplitst per sector

In onderstaande Figuur 15 wordt een opsplitsing weergeven van het aantal EPO-octrooiaanvragen met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager per miljoen inwoners per sector. De bedrijven nemen een aandeel van 81% voor zich en de universiteiten 13%.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 40 van 77


Figuur 15: Aandeel aangevraagde EPO-octrooien met een Vlaamse aanvrager (2016), per sector 1%

0%

2%

13%

3% Bedrijf Overheid; non-profit Ziekenhuis Individu Universiteit 81%

Onbekend

Bron: ECOOM, KU Leuven Noot: Vanwege vertragingseffecten omwille van de publicatietermijn bij EPO-octrooien en de toekenningstermijn bij USPTOoctrooien zijn de cijfers na 2016 nog niet volledig

4.3.

Indicator 8: Aandeel buitenlanders in het ZAP-kader

Het aandeel internationale doctoraatsstudenten en postdoctorale onderzoekers aan de Vlaamse universiteiten is reeds sterk toegenomen, wat vooral de internationale openheid van het Vlaamse onderzoekssysteem weerspiegelt. Deze sterke internationalisering lijkt zich echter nog niet in dezelfde sterke mate door te trekken onder het ZAP-korps (docent, hoofddocent, (gewoon) hoogleraar) van de universiteiten (zie Figuur 16). Het aandeel ZAP kader met EU-nationaliteit (buiten België) neemt maar gestaag toe van 5,9% in 2010 tot 9,9% in 2020. Vooral het aandeel en de toename van het ZAP kader met niet-EU-nationaliteit is zeer beperkt; van 0,8% in 2010 tot 1,9% in 2020. In 2020 had dus ongeveer 11,8% van het ZAP-kader een buitenlandse nationaliteit.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 41 van 77


Figuur 16: Aandeel buitenlanders in het ZAP-kader van Vlaamse universiteiten

100%

0,8%

1,0%

1,2%

1,4%

1,4%

1,4%

1,5%

1,6%

1,5%

1,6%

1,9%

5,9%

6,2%

6,4%

7,0%

7,8%

8,4%

8,7%

9,3%

9,7%

9,9%

9,9%

90% 80% 70% 60%

Niet EU EU

50% 93,3%

92,9%

92,4%

91,6%

90,8%

90,2%

89,8%

89,1%

88,8%

88,5%

88,2%

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Belg

40% 30% 20% 10% 0% Bron: VLIR-personeelsstatistieken Noot: De cijfers betreffen het statuut ZAP in strikte zin; omvat tenure track docent, docent, hoofddocent, hoogleraar, (buiten)gewoon hoogleraar Het ander ZAP wordt niet meegenomen (o.a. gastprofessor, gepensioneerd ZAP-lid die als bezoldigd emeritus verder werkt ten laste van de werkingsuitkeringen, hoofdbibliothecaris).

Deze indicator is momenteel niet internationaal te vergelijken (er is geen informatie beschikbaar via bv. Eurostat of OECD).

4.3.1.

Exploratieve benchmarkoefening

We hebben voor de specifieke benchmarklanden (Nederland, Zweden, Denemarken, Zwitserland en Nederland) geïnformeerd of er informatie voor deze indicator beschikbaar is. Hieronder geven we kort de informatie weer die verzameld werd. We merken op dat door een verschil in classificatie van het professor-statuut het niet mogelijk is om de cijfers van verschillende landen met

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 42 van 77


elkaar te vergelijken. Om dit te doen moet een meer gedetailleerd onderzoek plaatsvinden. Onderstaande gegevens moeten met voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Voor Denemarken is dergelijke informatie niet beschikbaar. Voor Zwitserland is deze informatie beschikbaar maar werd de data niet tijdig bekomen. Finland22 In onderstaande Figuur 17 wordt een overzicht gegeven van de ’level 4-staf’ aan Finse universiteiten per nationaliteit. Dit betreft professoren, onderzoeksdirecteurs en ‘academy research fellows’. Het aandeel level 4-staf met Finse nationaliteit neemt gestaag af over de periode 2010-2020 van 94,6% tot 90,6%. Voornamelijk het aandeel level 4-staf met Europese nationaliteit aan Finse universiteiten is toegenomen; van 3,7% in 2010 tot 7,3% in 2020. Het aandeel level 4-staf met niet-Europese nationaliteit neemt toe van 1,7% tot 2,1%.

Figuur 17: Onderwijs en onderzoeksstaf aan Finse universiteiten – level 4 - per nationaliteit 100%

1,7%

1,4%

1,7%

1,9%

1,6%

1,5%

1,7%

1,8%

1,9%

2,1%

2,1%

3,7%

4,4%

5,0%

5,5%

5,4%

6,1%

6,3%

6,5%

6,5%

6,8%

7,3%

90% 80% 70% 60% 50%

Niet-Europees 94,6%

94,2%

93,3%

92,5%

93,1%

92,4%

92,1%

91,6%

91,5%

91,0%

90,6%

Europees

40% Finse nationaliteit

30% 20% 10% 0% 2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Bron: Education Statistics Finland23 Noot: Level 4 betreft professors, Research director, Academy research Fellow. Dit betreft geen part-time lecturers and university lecturers (level 3)

22 23

https://vipunen.fi/en-gb/university/Pages/Henkil%C3%B6st%C3%B6.aspx Excel Web Access - /en-gb/Reports/Yliopistojen opetus- ja tutkimushenkilökunta - tutkijanuravaihe_en.xlsb (vipunen.fi)

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 43 van 77


Nederland24 Het personeel aan de Nederlandse universiteiten wordt steeds internationaler. Dit geldt ook voor de universitaire (hoofd)docenten en hoogleraren. De sterkste toename wordt geobserveerd bij de universitaire docenten, namelijk van 14% in 2005 tot 43% in 2020. Ook bij de universitaire hoofddocenten is een sterke internationalisering aan de gang met een toename in het aandeel buitenlandse universitair hoofddocenten van 9% in 2005 tot 31% in 2020. Bij de Hoogleraren doet zich een (kleinere) toename voor van 12,2% in 2005 tot 21,5% in 2020.

Tabel 26: Percentage buitenlands (wetenschappelijk) personeel naar functiecategorie (vte) UD Universitair docent 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020

14,0% 15,7% 18,6% 21,1% 23,6% 25,4% 26,6% 27,4% 29,0% 30,4% 32,0% 34,0% 36,9% 38,8% 40,6% 43,4%

UHD Universitair hoofddocent 9,0% 9,6% 10,6% 11,5% 13,1% 14,1% 15,8% 16,4% 18,4% 20,0% 22,6% 23,3% 24,6% 26,3% 29,3% 31,0%

HGL Hoogleraar 12,2% 12,3% 13,1% 13,5% 14,2% 14,5% 14,9% 15,1% 15,6% 16,4% 17,1% 17,5% 18,4% 19,2% 20,4% 21,5%

Bron: VSNU/WOPI, bewerking Rathenau Instituut25 Noot: Exclusief HOOP-gebied gezondheid26 Legende: UD = Universitair docent in dienst bij de universiteit, Assistant Professor/Lecturer/Researcher (tenured staff) UHD = Universitair hoofddocent in dienst bij de universiteit, Associate Professor/Senior lecturer/senior researcher (tenured staff) HGL = Hoogleraar (professor) in dienst bij de universiteit

Academische carrière van wetenschappers | Rathenau Instituut https://www.rathenau.nl/nl/wetenschap-cijfers/wetenschappers/personeel-aan-de-universiteiten-en-umcs/academische-carriere-van 26 In de loop van de jaren is van bijna alle academische ziekenhuizen het personeel van de medische faculteiten overgegaan van de universiteit als werkgever naar het academische ziekenhuis ofwel het Universitair Medisch Centrum. Het HOOP-gebied gezondheid laat om die reden een inconsistent beeld zien van universitair personeel, met name het vergelijking van jaren. Om die reden werd het HOOP-gebied niet mee opgenomen in de data en grafieken. https://www.rathenau.nl/nl/wetenschap-cijfers/wetenschappers/personeel-aan-de-universiteiten-en-umcs/academische-carriere-van 24

25

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 44 van 77


Zweden27 In onderstaande tabel wordt een buitenlandse achtergrond gedefinieerd als ofwel in het buitenland geboren ofwel in Zweden geboren maar met twee ouders die in het buitenland geboren zijn. Het aandeel personeel met een buitenlandse achtergrond verschilt per categorie van tewerkstelling. Specifiek voor ‘professorer’ (equivalent aan ‘full professor’ in andere landen) betreft het aandeel met buitenlandse nationaliteit 28% en voor ‘lektorer’ (‘senior lecturers’) betreft dit 27%. De categorie ‘meriteringsanställningar’ bevat een positie voor een beperkte tijd voor onderzoekers met een doctoraat (‘time limited employments for those who have a PhD’). Meer specifiek betreft het de volgende categorieën: -

Postdokterer (postdoctoral appointment); Forskarassistenter (postdoctoral research fellows – non-tenure track assistant professors)28 Biträdande lektorer (associate senior lecturer) – tenure track assistant professors)

Tabel 27: Percentage werknemers met onderzoeks- en onderwijstaken met een buitenlandse nationaliteit, in voltijdse equivalenten (naar categorie van tewerkstelling en geslacht) Anställningskategori29 Meriteringsanställningar Lektorer Professorer

Totaal 73% 27% 28%

n-waarden 12 96 72

Bron: https://scb.se/contentassets/0a9d33648fcc46e687972e241eaff5c6/uf0202_2019a01_sm_uf23sm2001.pdf figuur 30 Noot: Personen die geen informatie over hun achtergrond voorzien zijn buiten beschouwing gelaten voor deze berekeningen.

4.4.

Indicator 9: Aandeel buitenlanders onder nieuw aangestelden binnen het ZAPkader

Uit Figuur 16 konden we reeds afleiden dat het aandeel ZAP-kader met niet-Belgische nationaliteit maar gestaag toeneemt doorheen de tijd. Om meer inzicht te krijgen in deze ‘flow’ werd meer in detail gekeken naar de nieuw aangestelden binnen het ZAP-kader. In Tabel 28 worden de ‘nieuw’ aangestelden binnen het ZAP-kader opgenomen die voor het eerst ZAP waren aan een Vlaamse universiteit binnen de afgebakende periode30. Dit kan via doorstroom uit een andere niet-ZAP positie of door instroom van buiten uit (externe aanstelling). Het betreft enkel personen die voor het eerst ZAP werden in Vlaanderen, dus één persoon zal niet in verschillende tijdsperiodes meegerekend worden. We merken een stijging van het aantal ZAP-nieuwe aanstellingen met EUnationaliteit van 13,3% in de periode 2010-2013 tot 17,6% in de periode 2013–2016. Evenals bij indicator 8 zien we hier maar een beperkte toename bij de nieuw aangestelde ZAP-leden van buiten de EU.

https://scb.se/publikation/40961 De forskarassistenter worden langzaamaan vervangen door biträdande lektorer. 29 Zie ook https://academicpositions.com/career-advice/swedish-academic-job-titles-explained 30 Er werd gekozen om een tijdsvenster van 4 jaar toe te passen. Dit om fluctuaties beperkt te houden en de anonimiteit te bewaren. De data wordt om de 2 jaar geüpdatet 27

28

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 45 van 77


Tabel 28: Aandeel nieuw aangestelden binnen het ZAP-kader van Vlaamse universiteiten per nationaliteit Nationaliteit Belg EU Niet EU Totaal

2010-2013 83,1% 13,2% 3,8% 100,0%

2011-2014 80,6% 15,7% 3,6% 100,0%

2012-2015 80,0% 16,6% 3,4% 100,0%

2013-2016 78,2% 17,6% 4,2% 100,0%

Bron: ECOOM, UGent Noot: De 'nieuw aangestelden binnen het ZAP-kader' omvatten de personen die voor het eerst ZAP waren binnen de afgebakende periode

Het is tevens mogelijk om te kijken naar de nieuw aangestelden en nieuwe aanstellingen binnen het ZAPkader (Tabel 29). Een persoon die bv. een nieuwe aanstelling krijgt binnen het ZAP in de periode 2010-2013 en dan verder ‘doorgroeit’ naar een andere positie binnen het ZAP-kader (bv. in de periode 2013-2016) zal in dit geval dubbel voorkomen in de cijfers. We merken hier dan ook nog een groter aandeel ZAP-leden met Belgische nationaliteit op in vergelijking met de puur nieuwe aangestelden in Tabel 29.

Tabel 29: Aandeel nieuw aangestelden en nieuwe aanstellingen binnen het ZAP-kader van Vlaamse universiteiten per nationaliteit Nationaliteit Belg EU Niet EU Totaal

2010-2013 87,4% 9,7% 2,9% 100,0%

2011-2014 86,1% 11,2% 2,8% 100,0%

2012-2015 85,9% 11,6% 2,6% 100,0%

2013-2016 84,5% 12,4% 3,1% 100,0%

Bron: ECOOM, UGent Noot: De 'nieuw aangestelden en nieuwe aanstellingen binnen het ZAP-kader' omvatten de personen die voor het eerst ZAP waren of een nieuwe aanstelling binnen het ZAP kregen binnen de afgebakende periode

4.4.1.

Indicator 9a: Aandeel buitenlanders onder nieuw aangestelden binnen het ZAPkader, per statuut

Tevens is het mogelijk om de opdeling per ZAP-statuut meer in detail te bekijken (zie Tabel 30 en Tabel 31). We geven hier graag mee dat de aantallen voor bepaalde categorieën zeer beperkt zijn (bv. bij de categorie andere nationaliteiten). Daarom lijkt het ons minder opportuun om hier een vergelijking doorheen de jaren mee op te nemen.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 46 van 77


Tabel 30: Aandeel nieuw aangestelden binnen het ZAP-kader van Vlaamse universiteiten per nationaliteit (2013-2016) Instroom Personen die voor het eerst docent waren. Personen die voor het eerst hoofddocent waren. Personen die voor het eerst hoogleraar waren. Personen die voor het eerst gewoon hoogleraar waren.

Belg 82,1% 76,3% 59,1% 43,5%

Nationaliteit EU Ander 14,2% 3,7% 19,1% 4,7% 39,8% 1,1% 30,4% 26,1%

Totaal 100% 100% 100% 100%

Bron: ECOOM, UGent

Tabel 31: Aandeel nieuw aangestelden en nieuwe aanstellingen binnen het ZAP-kader van Vlaamse universiteiten per nationaliteit (2013-2016) Instroom en doorstroom Personen die voor het eerst docent waren. Personen die voor het eerst hoofddocent waren. Personen die voor het eerst hoogleraar waren. Personen die voor het eerst gewoon hoogleraar waren.

Belg 82,1% 85,3% 86,1% 89,5%

Nationaliteit EU Ander 14,2% 3,7% 11,8% 2,9% 12,1% 1,9% 7,3% 3,2%

Totaal 100% 100% 100% 100%

Bron: ECOOM, UGent

4.4.2.

Exploratieve benchmarkoefening

Deze indicator is niet standaard internationaal te vergelijken (er zijn geen data beschikbaar via bv. Eurostat of OECD). Evenals voor indicator 8 hebben we specifiek voor de benchmarklanden (Nederland, Zweden, Denemarken, Zwitserland en Finland) geïnformeerd of het mogelijk is om dergelijk infor te bekomen. In Denemarken worden de nieuwe aanstellingen aan de universiteit in detail gemonitord. Denemarken31 In onderstaande Tabel 32 wordt een overzicht gegeven van de aanwerving van onderzoekers met een buitenlandse nationaliteit. Van het totaal van professor-, lektor- en adjunktniveau hebben 50% een buitenlandse nationaliteit. Op het professorniveau betreft dit 28%, op het lektorniveau 38% en op het adjunktniveau betreft dit 60%. De verschillende niveaus sluiten niet één-op-één aan met deze voor Vlaanderen, dus een directe vergelijking is niet mogelijk. -

‘Adjunktniveau’: o

31

Dit is equivalent aan ‘Assistant professor’ (in Verenigde Staten). Ze hebben een contract van beperkte duur. Het kan een tenure track positie betreffen of niet. Deze posities zijn het

https://ufm.dk/forskning-og-innovation/statistik-og-analyser/forskere-ved-universiteterne/forskerrekruttering-pa-universiteterne-2016-2018.pdf

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 47 van 77


o -

‘Lektorniveau’ o o

-

eerste ‘echte’ niveau in de academische loopbaan met de combinatie van onderzoek en op onderzoek-gebaseerd onderwijs. Post Docs. Post docs worden op hetzelfde niveau gezet als ‘assistant professors’ (dit werd echter recent gewijzigd maar is in onderstaande data nog niet toegepast). Dit is equivalent aan ‘Associate Professor’ (in de Verenigde Staten). Ze kunnen deel uitmaken van de faculteit maar hun salaris kan ook van externe financiering komen. Senior onderzoekers. In 2007 werden veel van de onderzoeksinstellingen van de overheid samengevoegd met de universiteiten. De onderzoekers aan deze instellingen hadden andere academische categorieën dan de universiteiten. De senior onderzoekers werden gedefinieerd als gelijkwaardig aan universitaire ‘Associate professors’.

‘Professorniveau: o o o

Dit is equivalent aan ‘full professor’ (in de Verenigde Staten). Klinische professoren: het betreft hoogleraren aan de universiteit die verbonden zijn met het klinisch onderzoek, de opleiding en de behandeling in de universitaire ziekenhuizen. Professoren met specifieke verplichtingen betreffen tijdelijke professoren met een specfieke taak. Ze hebben wel een professor beoordeling en ze worden gezien als normale professoren.

Tabel 32: Percentage aanwervingen in de functies van hoogleraar, universitair, hoofddocent en assistenthoogleraar in 2016-2018 waarbij de medewerker een buitenlandse nationaliteit had, per functieniveau Professorniveau aantal aandeel 231 28%

Totaal

Lektorniveau aantal aandeel 508 38%

Adjunktniveau aantal aandeel 2147 60%

Totaal aantal aandeel 2886 50%

Bron:https://ufm.dk/forskning-og-innovation/statistik-og-analyser/forskere-ved-universiteterne/forskerrekruttering-pauniversiteterne-2016-2018.pdf figuur 3.37. De informatie werd opgemaakt door het Deense Ministerie van Hoger Onderwijs en Wetenschappen en is gebaseerd op verslagen van universiteiten.

4.4.3.

Naar een meer kwalitatieve indicator?

Een excellent en performant onderzoekssysteem zal bijdragen tot de aantrekkingskracht voor internationale onderzoekers op hoog niveau. De aanwezigheid van internationaal toptalent aan onze instellingen kan op zijn beurt de excellentie en de aantrekkelijkheid ervan nog verhogen. Indicatoren 8 en 9 geven meer informatie weer over het aandeel buitenlanders in het ZAP-kader en de instroom van aantal buitenlanders in het ZAP-kader. De indicator omvat echter geen maatstaf voor de kwaliteit van het ZAPkader. Resultaten van een onderzoek rond internationale mobiliteit van onderzoekers en hun impact (Veugelers and Baltensperger, 2019)32 tonen het belang aan van internationale mobiliteit voor excellent

Veugelers, R., Baltensperger, M. Europe – The Global Centre for Excellent Research, Study for the Committee on Industry, Research and Energy, Policy Department of Economic, Scientific and Quality of Life Policies, European Parliament, Luxembourg, 2019 – pp.28-30. 32

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 48 van 77


onderzoek. De citatie-impact van ‘inward-mobile’ onderzoekers is groter dan die van onderzoekers die niet mobiel zijn (‘stayers’). Een databank met publicaties en citaties alleen maakt het niet mogelijk om dit te onderzoeken aangezien enkel de affiliatie van een onderzoeker opgenomen is en niet de nationaliteit. Het is dus nodig om de VLIR/ECOOM UGent database te koppelen aan een publicatie databank om dergelijke meer gedetailleerde onderzoeksvraag te beantwoorden.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 49 van 77


5.

DOELSTELLING 4: KENNIS-, INNOVATIE- EN PRODUCTIEVAARDIGHEDEN VAN BEDRIJVEN

Gelet op het toenemende belang van innovatie voor de competitiviteit van de Vlaamse bedrijven, blijft het stimuleren van innovatie in Vlaamse bedrijven een belangrijk aandachtspunt. Hebben we voldoende ambitieus ondernemerschap en innovatiekracht?

5.1.

Indicator 10: Aandeel jonge ondernemingen met hoge groeiambitie

De meeste jobs worden door een beperkt aantal snelgroeiende bedrijven gecreëerd, terwijl bij de grote meerderheid van de ondernemingen de werkgelegenheid stabiel blijft (VARIO-advies 4)33. Hoge groeibedrijven zijn bovendien cruciaal voor een levendige en dynamische economie. In 2019 gaf 8% van de jonge ondernemers (maximaal 3 jaar) aan binnen de 5 jaar 10 of meer werknemers tewerk te stellen én 50% of meer te groeien qua tewerkstelling. Dit betreft een kleine toename t.o.v. 2016.

Tabel 33: Aandeel van de jonge ondernemers die verwacht binnen de 5 jaar 10 of meer werknemers tewerk te stellen én 50% of meer verwacht te groeien qua tewerkstelling 2016 7,55%

Vlaanderen

2017 7,90%

2018 5,00%

2019 8,00%

Bron: Steunpunt Economie en Ondernemen. Financiering van jonge ondernemingen in Vlaanderen

Deze indicator is momenteel niet internationaal vergelijkbaar. Er zijn wel een aantal internationale indexen m.b.t. entrepreneurship.

Box 4: Entrepreneurship indexen -

-

-

Global Entrepreneurship index34 (GEI). Deze index bevat een pijler (12) ‘high growth’: “High growth

is a combined measure of percentage of high-growth business that intend to employ at least 10 people and plan to grow more than 50 percent in five years (gazelle variable) with business strategy sophistication (business strategy variable) and venture capital financing possibility (venture capital)”. Dit betreft echter enkel een geaggregeerde variabele waarbij we geen informatie hebben

over de drie aparte bouwblokken. Regional Entrepreneurship and Development index (REDI)35. Deze index bevat een pijler ‘high growth’: “Percentage of the Total Early entrepreneurs businesses having high job expectations average (over 10 more employees and 50% in 5 years)”. De Vlaamse definiëring van de indicator werd afgestemd op deze indicator. De REDI is echter maar beschikbaar t.e.m. 2013. Global Entrepreneurship Monitor (GEM)36. Deze index bevat een pijler ‘Business Growth’: “Job growth

expectations – total early-stage entrepreneurs expecting to employ an additional 0, 1-5, or 6 or more people in five years’ time (all % of adults aged 18-64)”. Deze definiëring gaat dus breder dan de Vlaamse definiëring.

VARIO-advies 4 ‘innovatieve hoge groeibedrijven met impact (2018); https://www.vario.be/nl/publicaties/advies-4-innovatieve-hoge-groeibedrijven-met-impact https://thegedi.org/wp-content/uploads/2021/02/2019_GEI-2019_final_v2.pdf 35 REDI: The Regional Entrepreneurship and Development Index - Measuring regional entrepreneurship - Regional Policy - European Commission (europa.eu) 36 https://www.gemconsortium.org/report/gem-20202021-global-report 33 34

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 50 van 77


In onderstaande tabel wordt een overzicht gemaakt van informatie die verzameld wordt in de GEM. Om internationale vergelijkbaarheid op te bouwen én de historische vergelijkbaarheid te behouden van de Vlaamse cijfers zou het mogelijk zijn om de huidige vraagstelling voor Vlaanderen (in beperkte mate) aan te passen. In de enquête m.b.t. de financiering van jonge ondernemingen in Vlaanderen wordt momenteel geïnformeerd bij jonge ondernemingen of ze plannen om binnen de vijf jaar 10 of meer werknemers tewerk te stellen én 50% of meer te groeien qua tewerkstelling. Dit is equivalent met puntje 4 in onderstaande tabel. Door ook puntje 1 t.e.m. 3 te bevragen zou het mogelijk zijn om historische cijfers te blijven vergelijken en internationale vergelijkbaarheid op te bouwen.

Tabel 34: Overzicht vraagstelling Global Entrepreneurship Monitor 1)

Total early-stage entrepreneurs expecting to employ an additional 0 people in five years’ time 2) Total early-stage entrepreneurs expecting to employ an additional 1-5 people in five years’ time 3) Total early-stage entrepreneurs expecting to employ an additional 6-9 people in five years’ time 4) Total early-stage entrepreneurs expecting to employ an additional 10 or more people in five years’ time

5.2.

International vergelijkbaar International vergelijkbaar International Historisch vergelijkbaar vergelijkbaar voor Vlaanderen

Indicator 11: Aandeel innoverende bedrijven

Om Vlaanderen tot een dynamische en innovatieve topregio te maken en te houden, is het nodig dat de omzetting van kennis in producten en diensten vlot verloopt en de innovatiekracht van de Vlaamse ondernemingen voldoende sterk is. Een hogere innovatiekracht van de Vlaamse economie bewerkstelligen is dus een belangrijk streefdoel. Het aandeel innoverende bedrijven is doorheen de tijd gestaag toegenomen; van 61% in de periode 2006-2008 tot 70% in de periode 2016-2018. 90% van de grote bedrijven hebben een product en/of bedrijfsprocesinnovatie versus 69% van de kmo’s. In de hightech sectoren is het aandeel innoverende bedrijven hoger (83%) dan in de lowtech sectoren (67%) De internationale vergelijking in Figuur 18 toont ons dat Vlaanderen hier bij de top behoort. De benchmarkregio’s Zwitserland en Nederland scoren hier beduidend lager (50%).

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 51 van 77


Tabel 35: Aandeel innoverende bedrijven in Vlaanderen (% bedrijven die een product en/of bedrijfsprocesinnovatie hebben)

Alle bedrijven Kmo's37 Grote bedrijven Hightech38 Lowtech Industrie39 Diensten

CIS 2009 2006-2008 61% 61% 85% 78% 58% 64% 60%

CIS 2011 2008-2010 61% 60% 85% 79% 58% 69% 55%

CIS 2013 2010-2012 56% 56% 80% 71% 53% 62% 52%

CIS 2015 2012-2014 68% 68% 87% 78% 66% 75% 63%

CIS 2017 2014-2016 68% 68% 88% 83% 65% 76% 63%

CIS 2019 2016-2018 70% 69% 90% 83% 67% 76% 66%

Bron: ECOOM, KU Leuven Noot: Resultaten geëxtrapoleerd naar de totale doelpopulatie op basis van weging Noot: Breed gedefinieerde bedrijfsprocesinnovatie omvat het oude concept van meer technologisch-georiënteerde procesinnovatie evenals organisatorische en marketinginnovatie

Figuur 18: Internationale positionering m.b.t. het aandeel innoverende bedrijven (2016-2018) Vlaanderen

70,0%

Duitsland

67,8%

België

67,8%

Italië

63,2%

Zweden

63,1%

Oostenrijk

62,6%

Finland

61,9%

Denemarken

57,1%

Frankrijk

51,5%

Europese Unie (27)

50,3%

Zwitserland

49,9%

Nederland (d)

49,7%

Ierland

45,5%

Spanje 0,0%

31,1% 10,0%

20,0%

30,0%

40,0%

50,0%

60,0%

70,0%

80,0%

90,0%

100,0%

Bron Vlaanderen: ECOOM, KU Leuven Bron internationaal: Eurostat (download 6 juli 2021) Noot: (d) definitie verschilt

Kmo’s betreffen ondernemingen met met minder dan 250 werknemers. Grote bedrijven betreffen ondernemingen met meer dan 250 werknemers. Hightech betreft ondernemingen met nace-code 20-21, 26-30, 59-63 en 71-72. 39 Industrie betreft ondernemingen met nace-code 01-33 en 35-43; diensten betreft ondernemingen met nace-code 45-47, 49-99. 37

38

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 52 van 77


5.3.

Indicator 12: Aandeel intern innoverende kmo’s

Het Vlaamse ondernemerslandschap bestaat voor een groot deel uit kmo’s. Een pijnpunt voor Vlaanderen, is de lage absorptiecapaciteit van Vlaamse ondernemingen, vooral dan van kmo’s40. Om van Vlaanderen een top kennis- en innovatie regio te maken is het dus heel belangrijk om ook de kmo’s mee in het innovatiebad te trekken. Zo’n 53% van de Vlaamse kmo’s innoveren intern (Tabel 36). Deze indicator is niet meer vergelijkbaar doorheen de tijd door een wijziging in de vraagstelling in de CIS 2019. Sinds CIS 2019 werd de set intern innoverende ondernemingen ruimer genomen: het gaat nog steeds om ‘interne activiteiten’ in de zin van ‘ontwikkeling door de onderneming zelf of door de onderneming samen met andere ondernemingen of instellingen’ maar het innovatieproces is ruimer gezien. Het innovatieproces omvat nu zowel productinnovatie als de ruimer gedefinieerde bedrijfsprocesinnovatie; met daarin dus ook vervat organisatorische en marketinginnovatie

Tabel 36: Aandeel intern innoverende kmo's (als % van het aantal kmo's in de industrie- en dienstensector) CIS 2019 52,7%

Vlaanderen Bron Vlaanderen: ECOOM, KU Leuven

Deze indicator is recent ook niet meer internationaal vergelijkbaar. Voorheen werd deze indicator mee opgenomen in de Regional Innovation Scoreboard/European Innovation Scoreboards. Dit is sinds de editie 2021 niet meer het geval.

40

‘Soete II’-rapport: Expertgroep voor de doorlichting van het Vlaams innovatie-instrumentarium (april 2012)

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 53 van 77


6.

DOELSTELLING 5: LINKAGES TUSSEN W&I-ACTOREN

Het innovatie-ecosysteem vormt een complex geheel waarin internationale, collaboratieve, open innovatie modellen en kennismarkten een belangrijke plaats opnemen. Zijn de verschillende W&I-actoren voldoende met elkaar geconnecteerd?

6.1.

Indicator 13: HERD privaat gefinancierd

Via contractonderzoek en wetenschappelijke dienstverlening is er een toenemende interactie tussen de kennisinstellingen en bedrijven. Om dergelijke samenwerking in kaart te brengen, kan gekeken worden naar het aandeel van de uitgaven voor O&O uitgevoerd door instellingen van hoger onderwijs. In Tabel 37 wordt een overzicht weergegeven van de financiering van de HERD (Higher Education Expenditures on R&D – hoger onderwijs dat zowel de universiteit, als onderzoeksinstellingen verbonden aan universiteiten en hogescholen omvat). Het aandeel private financiering van de HERD fluctueert lichtjes doorheen de tijd met een aandeel van 16,3% in 2009 tot 15,1% in 2019.

Tabel 37: Aandeel publieke en private financiering van HERDgew (2009-2019) 2009 83,69% 16,31%

Publiek Privaat

Binnenlandse bedrijven

16,10%

2010 85,21% 14,79%

2011 84,34% 15,66%

13,50%

2013 83,97% 16,03%

15,80%

2015 82,70% 17,30%

17,00%

2017 84,55% 15,45%

2019 84,94% 15,06%

15,00%

14,57%

Bron: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021) en Vlaams indicatorenboek

Onderstaande figuur geeft een internationale vergelijking weer van het aandeel financiering van de HERD door private (binnenlandse) bedrijven voor 2018. We observeren dat Vlaanderen hier hoog scoort en al de benchmarklanden achter zich laat. Enkel China scoort met 26,6% aandeel financiering van de HERD door private binnenlandse bedrijven hoger. Zoals bij voorgaande indicatoren geven we graag mee dat voor de andere landen het nog vaak over geschatte of provisionele, voorlopige waarden gaat. In onderstaande grafiek wordt de waarde voor 2017 mee opgenomen voor Vlaanderen, dit om consistent te zijn met andere landen waarvoor voor 2018 geen data beschikbaar is (België, Zwitserland, Zweden, Denemarken en Oostenrijk). Een gebruik van de waarde voor 2019 zou voor Vlaanderen geen invloed hebben op de positie in de ranking.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 54 van 77


Figuur 19: Internationale positionering inzake de financiering van de HERDgew door (binnenlandse) bedrijven (2018) China

26,6%

Vlaanderen*

15,0%

Zuid-Korea

14,3%

Duitsland (d)

13,5%

België*

11,7%

Zwitserland*

9,7%

Nederland

8,7%

Europese Unie (e)

7,3%

Israël (e)

6,9%

Italië (e)

6,0%

Spanje

5,5%

Verenigde Staten…

5,4%

Oostenrijk*

5,1%

Verenigd…

4,4%

Ierland

3,6%

Zweden*

3,6%

Japan (b)

3,2%

Finland

2,9%

Frankrijk (p)

2,8%

Denemarken* (p)

2,7%

0,0%

5,0%

10,0%

15,0%

20,0%

25,0%

30,0%

*: Data voor 2017 Bron: Vlaanderen: Vlaams indicatorenboek 2021 Internationaal: OECD MSTI (download 14 juli 2021) Noot: (e) geschatte waarde; (p) provisionele, voorlopige waarde; (d) definitie verschilt

6.1.1.

Naar een meer kwalitatieve indicator?

Het aandeel HERD privaat gefinancierd betreft een ‘input-indicator’. Het zou goed zijn om ook een meer ‘output-gerichte indicator’ met focus op kennistransfer te monitoren. De doorstroom van getrainde onderzoekers – doctoraatshouders - naar de Vlaamse bedrijven is bijvoorbeeld een belangrijke schakel voor kennistransfer. In VARIO-advies 13 werd indicator 26 ‘aandeel doctoraatshouders tewerkgesteld in de ondernemingssector’ naar voor geschoven. De data voor deze indicator bestaat momenteel echter nog niet.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 55 van 77


6.2.

Indicator 14: GOVERD privaat gefinancierd

Naast het aandeel private financiering van de HERD kunnen we ook kijken naar het aandeel private financiering van de GOVERD (Government expenditures on R&D – overheden; i.e; de publieke onderzoekscentra41) om de interactie via contractonderzoek, dienstverlening en dergelijke in kaart te brengen. Dit aandeel is lichtjes toegenomen in 2019 (47,5%) t.o.v. 2009 (44,8%) (Tabel 38).

Tabel 38: Aandeel publieke en private financiering van GOVERD (2009-2019) Publiek Privaat

Binnenlandse bedrijven

2009 55,19% 44,81%

8,70%

2010 55,83% 44,17%

2011 55,75% 44,25%

2013 58,57% 41,43%

6,50%

2015 55% 45%

7,1%

2017 55,05% 44,95%

2019 52,46% 47,54%

7,35%

7,66%

Bron: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021) en Vlaams indicatorenboek

Een internationale positionering wordt weergegeven in onderstaande figuur. Vlaanderen situeert zich hier ‘in het midden’ tussen de benchmarklanden; Nederland (9,2%) en Finland (7,8%) hebben een hoger aandeel private financiering van de overheidsuitgaven in R&D en Zweden (6,8%), Zwitserland (3,9%) en Denemarken (3,9%) een lager aandeel. Zoals bij indicator 13 geven we graag mee dat voor de andere landen het nog vaak over geschatte of provisionele, voorlopige waarden gaat.

De publieke onderzoekscentra omvatten de vier grote onderzoekscentra (SOC’s), de Vlaamse wetenschappelijke instellingen gelegen in het Vlaams Gewest, de federale onderzoeksinstellingen die in het Vlaams Gewest gelegen zijn en de lokale onderzoeksinstellingen die aan de provincie gelinkt zijn. Meer detail in bijlage 1 van de 3%nota. https://www.ecoom.be/assets/336 41

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 56 van 77


Figuur 20: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de financiering van de GOVERD door (binnenlandse) bedrijven (2018) Duitsland (d)

9,9%

Nederland (d)

9,2%

Oostenrijk*

8,7%

Frankrijk (p)

8,0%

Finland

7,8%

Europese Unie (e)

7,7%

Vlaanderen*

7,4%

Spanje

6,9%

Zweden*

6,8%

België*

5,4%

China

4,4%

Zwitserland* (d)

3,9%

Denemarken* (p)

3,9%

Italië

3,8%

Zuid-Korea

3,0%

Ierland

3,0%

Verenigd…

2,8%

Japan

2,7%

Israël (d) Verenigde Staten… 0,0%

2,0% 0,3% 5,0%

10,0%

15,0%

20,0%

25,0%

30,0%

*: Data voor 2017 Bron: Vlaanderen: Vlaams indicatorenboek 2021 Internationaal: OECD MSTI (14/07/2021) Noot: (e) geschatte waarde; (p) provisionele, voorlopige waarde; (d) definitie verschilt

6.2.1.

Naar een meer kwalitatieve indicator?

Deze indicator, aandeel GOVERD privaat gefinancierd, betreft tevens een ‘input-indicator’. Ook hier zou het interessant zijn om meer output/resultaat te monitoren. In VARIO-advies 13 werd reeds het belang van kennistransfer via commercialisatie aangehaald. Het aantal nieuw opgerichte spin-offs is hier een mogelijkheid. In het advies werd het volgende aangehaald: ‘Het louter tellen van het aantal spin-offs gaat

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 57 van 77


echter voorbij aan de kwaliteit, meent VARIO in zijn advies 6 ‘Waardecreatie door samenwerking’ 42. Wat zegt dit bv. over de groei van die start-ups of hun ambitie? Of over de impact op het Vlaamse weefsel? In datzelfde VARIO-advies wordt opgemerkt dat het belangrijk is om de loutere ‘count’ - indicatoren aan

te vullen met meer kwaliteit reflecterende informatie. VARIO stelt dan ook voor de bestaande indicatoren te verfijnen en naast het tellen van de nieuw opgerichte spin-offs, systematisch data te verzamelen op een geaggregeerd niveau rond bv. het aantal spin-offs dat ‘overleeft’ na vijf jaar, de groei bv. qua werkgelegenheid, …’ Concreet betekent dit dat een indicator ontwikkeld moet worden aan de hand van kwaliteits-reflecterende data m.b.t. spinoffs van kennisinstellingen.

6.3.

Indicator 15: Aandeel innovatieve bedrijven die samenwerken

Meer ondernemerschap en samenwerking zijn sleutelelementen voor een betere doorstroom van wetenschap naar mogelijke commerciële of non-for-profit toepassingen. Succesvol ondernemen is in toenemende mate afhankelijk van de capaciteit van een onderneming tot externe samenwerking. Netwerken dienen deze voorwaarden te creëren om innovatie en meer valorisatie te stimuleren. Door de kennisexplosie en de stijgende complexiteit van innovatietrajecten hebben de individuele spelers ook niet altijd de nodige competenties/kennis in huis. Zo’n 41% van de innovatieve bedrijven in Vlaanderen werkt samen voor innovatie en/of O&O-activiteiten. Dit aandeel is opmerkelijk hoger bij grote bedrijven (73%) dan bij kmo’s (39%). Ook innovatieve bedrijven in de high tech sectoren (52%) werken frequenter samen voor innovatie en/of O&O-activiteiten dan innovatieve bedrijven in de low tech sectoren (37%). Wegens een wijziging in de (volgorde van) vraagstelling tussen de CIS 2019 en de voorgaande CIS is het niet opportuun om doorheen de tijd te vergelijken43.

Tabel 39: Aandeel innovatieve bedrijven die samenwerken voor innovatie en/of O&O-activiteiten (t.o.v. totaal aantal innovatieve bedrijven) CIS 2019: 2016-2018 41% 39% 73% 52% 37% 45% 38%

Totaal Kmo's Grote bedrijven High tech Low tech Industrie Diensten Bron: ECOOM, KU Leuven

VARIO-advies 6 ‘Waardecreatie door samenwerking’ (2019); https://www.vario.be/nl/publicaties/advies-6-waardecreatie-door-samenwerking De vragen m.b.t. samenwerking in de vroegere CIS hebben enkel betrekking op technologische innovatie. In de CIS 2019 heeft de vraag m.b.t. samenwerking betrekking op alle soorten innovatie; op technologische innovatie maar ook op (vroegere concepten) organisatorische innovatie en marketinginnovatie. De oude concepten van organisatorische innovatie en marketing innovatie zitten vanaf de CIS 2019 vervat in het bredere concept van bedrijfsprocesinnovatie. 42 43

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 58 van 77


In onderstaande Figuur 21 wordt de internationale positionering weergegeven. We observeren hier dat Vlaanderen met 41% van de innovatieve bedrijven die samenwerken voor O&O&I-activiteiten bij de top van een aantal Europese landen hoort. Enkel Ierland (48,8%) en Finland (47,3%) gaan Vlaanderen voor. Benchmarklanden Denemarken (25,8%) en Zweden (24,8) hebben een veel kleiner aandeel.

Figuur 21: Internationale positionering van het aandeel innovatieve bedrijven die samenwerken voor innovatie en/of O&O-activiteiten Ierland

48,8%

Finland

47,3%

België

41,5%

Vlaanderen

41,0%

Nederland (d)

29,4%

Frankrijk

28,9%

Oostenrijk

28,4%

Europese Unie

26,4%

Denemarken

25,8%

Spanje

25,0%

Zweden

24,8%

Duitsland

24,3%

Italië 0,0%

23,6% 5,0%

10,0%

15,0%

20,0%

25,0%

30,0%

35,0%

40,0%

45,0%

50,0%

Bron Vlaanderen: ECOOM, KU Leuven Bron internationaal: Eurostat (download 15 oktober 2021) Noot: er is geen informatie beschikbaar voor Zwitserland

6.3.1.

Indicator 15a aandeel innovatieve bedrijven die samenwerken per type partners

De innovatieve bedrijven die samenwerken voor innovatie en/of O&O-activiteiten werken het vaakst samen met leveranciers (25%), consultants, commerciële laboratoria/onderzoeksinstellingen (23%) en ondernemingen binnen de eigen groep (20%). 15% werkt samen met universiteiten of hogescholen en 9% met overheids- of publieke onderzoeksinstellingen. De samenwerking is het laagst met andere ondernemingen (7%), concurrenten (5%), klanten uit de openbare sector (3%) en non-profit organisaties.

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 59 van 77


Tabel 40: Aandeel innovatieve bedrijven die samenwerking, per type partner Samenwerkingspartners

Totaal

Leveranciers* Consultants, commerciële laboratoria/onderzoeksinstellingen* Ondernemingen binnen de eigen groep Klanten uit private sector* Universiteiten of hogescholen Overheids- of publieke onderzoeksinstellingen Andere ondernemingen* Concurrenten, andere ondernemingen uit dezelfde sector* Klanten uit de openbare sector Non-profit organisaties Totaal

25% 23% 20% 12% 15% 9% 7% 5% 3% 2% 41%

Bron: ECOOM, KU Leuven Noot: * = Dit betreft ondernemingen buiten de eigen groep Noot: Meerdere antwoordopties zijn mogelijk

In onderstaande Tabel 41 wordt een internationale vergelijking gegeven van het aandeel innovatieve bedrijven dat samenwerkt per type partners (meerdere antwoordopties zijn mogelijk):

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 60 van 77


Tabel 41: Internationale vergelijking aandeel innovatieve bedrijven die samenwerken, per type partner Concurrenten, Consultants, Klanten Andere Ondernemingen andere Universiteiten commerciële uit de ondernemingen binnen de eigen Leveranciers ondernemingen of laboratoria/ private (buiten de groep uit dezelfde hogescholen onderzoek sector groep) sector Ierland 26,6% 37,6% 39,2% Finland 19,4% 29,4% 27,5% België 21,0% 22,7% 25,0% Vlaanderen 20,0% 23,0% 25,0% Nederland (d) 14,8% 15,5% 20,0% Frankrijk 13,0% 15,3% 17,0% Oostenrijk 13,3% 15,7% 14,0% Europese Unie 9,6% 13,5% 15,1% Denemarken (d) 31,9% 30,0% 32,0% Spanje 6,9% 9,7% 9,8% Zweden 15,1% 17,8% 24,0% Duitsland 7,9% 7,7% 9,2% Italië 5,8% 17,3% 15,0% Zwitserland 3,6% 8,5% Bron: Vlaanderen: ECOOM, KU Leuven Bron internationaal: Eurostat (download 15 oktober 2021) Noot: (d) definitie verschilt ; (c) confidentiële informatie Noot: Meerdere antwoordopties zijn mogelijk

31,9% 22,6% 11,8% 12%% 6,7% 11,8% 9,6% 10,1% 31,5% 5,1% 24,6% 6,7% 9,2% 8,6%

19,5% 7,5% 5,4% 5,0% 8,1% 3,3% 3,9% (c) 29,5% 2,3% 4,8% 6,9% 3,1% 4,8%

20,9% 15,2% 7,1% 7,0% 8,1% 6,1% 5,0% 6,8% 29,9% 5,6% 8,9% 2,6% 9,1% 6,1%

25,0% 23,8% 15,9% 15,0% 10,2% 11,3% 17,3% 12,0% 30,5% 7,1% 12,5% 15,3% 7,9% 12,6%

Overheidsof publieke onderzoeksinstellingen 22,6% 13,9% 9,3% 9,0% 6,1% 5,6% 7,4% 6,3% 28,9% 4,8% 7,3% 7,2% 4,2%

Klanten uit de Non-profit openbare organisaties sector 16,8% 6,4% 3,0% 3,0% 4,0% 6,7% 4,0% 4,1% 29,4% 1,3% 6,0% 3,3% 3,5%

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 61 van 77

12,1% 5,4% 2,2% 2,0% 3,3% 2,8% 2,3% (c) 29,0% 1,9% 4,2% 6,1% 3,0%


7.

DOELSTELLING 6: EEN OPEN EN INTERNATIONAAL VLAANDEREN

Om zijn positie als kennisregio te kunnen waarborgen moet Vlaanderen zich internationaal profileren. Problemen en maatschappelijke uitdagingen, maar ook oplossingen, ideeën en kennis, kennen geen grenzen. Is Vlaanderen voldoende aanwezig op de internationale scène en voldoende internationaal performant?

7.1.

Indicator 16: aandeel innovatieve bedrijven die internationaal samenwerken

Naast samenwerking met lokale partners (indicator 15) is ook samenwerking met internationale partners heel belangrijk. De nodige competenties en kennis zijn niet altijd beschikbaar in onze eigen (kleine) regio en dan is internationale samenwerking noodzakelijk. In indicator 15 (Tabel 40) werd al aangehaald dat 41% van de innovatieve bedrijven samenwerkt voor O&O- en innovatie-activiteiten. Het grootste aandeel van de innovatieve bedrijven (35%) werkt samen met partners in België, 22% werkt samen met partners uit de EU en slechts 10% werkt samen met partners buiten de EU (Tabel 42).

Tabel 42: Aandeel innovatieve bedrijven die innovatieactiviteiten, per regio (2016-2018)

internationaal samenwerken voor O&O- en

Plaats van samenwerkingspartners België (inclusief Vlaanderen) Europa Rest van de wereld Totaal

Totaal 35% 22% 10% 41%

Bron: ECOOM, KU Leuven Noot: Meerdere antwoordopties zijn mogelijk

In Tabel 43 wordt een internationale positionering opgenomen. We merken op dat in Ierland , Denemarken en Zweden opvallend meer innovatieve bedrijven samenwerken voor O&O&I-activiteiten met actoren buiten EU/EFTA dan voor de andere EU-landen en Vlaanderen .

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 62 van 77


Tabel 43: Internationale positionering van het aandeel innovatieve bedrijven die internationaal samenwerken voor O&O- en innovatieactiviteiten, per regio (2016-2018) Plaats van samenwerkingspartners Land

Nationaal 44,1% 45,7% 35,9% 35,0% 27,5% 27,6% 26,1% 25,1% 31,8% 22,8% 23,6% 23,2% 23,4% 16,6%

Ierland Finland België Vlaanderen Nederland (d) Frankrijk Oostenrijk Europese Unie Denemarken (d) Spanje Zweden Duitsland Italië Zwitserland

EU of EFTA 32,9% 20,4% 23,4% 22,0% 14,1% 10,7% 16,1% 9,9% 19,8% 6,6% 13,9% 6,6% 5,5% 10,4%

Buiten de EU/EFTA44 20,6% 11,7% 11,3% 10,0% 7,0% 5,9% 6,2% 5,5% 30,7% 2,7% 17,8% 3,7% 2,9% 5,4%

Bron: Vlaanderen: ECOOM, KU Leuven Bron internationaal: Eurostat (download 15 oktober 2021) Noot: (d) definitie verschilt ; Noot: Meerdere antwoordopties zijn mogelijk

7.2.

Indicator 17: Deelnametoelage EU-kaderprogramma

“Als Vlaanderen op de internationale onderzoekscène iets te betekenen heeft, betekent dit een maximale vertegenwoordiging van onderzoeksgroepen en bedrijven in internationale en Europese onderzoeksprogramma’s” (VRWI-advies 197). Niettegenstaande het feit dat de ‘return’ voor Vlaanderen van Europese financieringsprogramma’s op vandaag positief is, blijkt de drempel naar Europese financiering vaak nog te hoog voor kennisinstellingen maar vooral voor bedrijven en zeker de kmo’s, en kan Vlaanderen haar ambities hoog zetten (VARIO-memorandum 2019-2024).

44

EFTA betreft Liechtenstein, Noorwegen, IJsland en Zwitserland. In de Vlaamse CIS2019 wordt in de vraag verwezen naar Europa (en niet EU/EFTA)

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 63 van 77


7.2.1.

Indicator 17a: Deelnametoelage EU-Kaderprogramma in functie van bbp

M.b.t. de deelnametoelage van het EU-kaderprogramma in functie van bbp staan Vlaanderen en België aan de top. Benchmarklanden Finland en Nederland volgen op de voet. Grote (voormalige) EU-landen zoals Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk scoren hier relatief laag.

Figuur 22: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de deelnametoelage (duizend euro) m.b.t. Horizon 2020 in functie van het bbp (in miljard euro) België

6166

Vlaanderen

5999

Finland

5837

Nederland

5814

Denemarken

5073

Spanje

4584

Zweden

4362

Oostenrijk

4353

Zwitserland

3235

Ierland

3065

Verenigd Koninkrijk

2895

Italië

2856

Frankrijk

2824

Duitsland

2643 0

1000

2000

3000

4000

5000

6000

7000

Deelnametoelage (duizend euro) in functie van het bbp (miljard euro) Bron: Departement Economie, Wetenschap en Innovatie, Vlaamse overheid Selectie uit Horizon 2020: er werd gebruik gemaakt van de tussentijdse versie van 1/1/2014 tot 8/10/2020, waarbij op dat moment ongeveer 82% van het totale voorzien deelnamebudget is toegekend

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 64 van 77


7.2.2.

Indicator 17b: Deelnametoelage EU-Kaderprogramma in functie van aantal inwoners

Als we kijken naar de deelnametoelage in functie van het aantal inwoners dan vormen Denemarken, Nederland en Finland de top 3, gevolgd door Vlaanderen (en België) en Zwitserland. Hier scoren grotere (voormalige) EU-landen zoals Italië, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Spanje eveneens laag.

Figuur 23: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de deelnametoelage m.b.t. Horizon 2020 in functie van het aantal inwoners Denemarken

273,3

Nederland

272,6

Finland

254,2

Vlaanderen

250,3

België

249,7

Zwitserland

247,4

Ierland

222,5

Zweden

202,3

Oostenrijk

195,4

Spanje

121,6

Duitsland

109,8

Verenigd Koninkrijk

109,7

Frankrijk

102,0

Italië

85,5 0,0

50,0

100,0

150,0

200,0

250,0

300,0

Deelnametoelage in functie van het aantal inwoners Bron: Departement Economie, Wetenschap en Innovatie, Vlaamse overheid Selectie uit Horizon 2020: er werd gebruik gemaakt van de tussentijdse versie van 1/1/2014 tot 8/10/2020, waarbij op dat moment ongeveer 82% van het totale voorzien deelnamebudget is toegekend

7.2.3.

Indicator 17c: Deelnametoelage EU-Kaderprogramma per deelnemerscategorie

Een opdeling van de deelnametoelage van het EU-kaderprogramma per deelnemerscategorie wordt weergegeven in Figuur 24. 43,8% van de deelnametoelage van Vlaanderen gaat naar instellingen van hoger onderwijs en 28,9% naar onderzoekscentra. Bedrijven nemen een aandeel van 21,7% voor hun rekening. Enkele observaties: -

In Zwitserland (61,9%), Denemarken (57,7%), Zweden (55,4%) en Nederland (48,6%) is het aandeel van de hoger onderwijs instellingen ook het grootst en hoger dan dit van Vlaanderen (43,8%). In Finland is het aandeel voor de hoger onderwijs instellingen ook het grootst (33,4%) maar lager dan dit van Vlaanderen (43,8%).

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 65 van 77


-

In Frankrijk (44,1%), Spanje (36,4%) en Duitsland (33,8%) is het aandeel van de onderzoeksinstellingen hoger dan 30%. Voor Vlaanderen bedraagt dit aandeel 28,9%. In Italië (37,6%), Frankrijk (35,7%), Spanje (35,3%) en Oostenrijk (33,2%) nemen de private ondernemingen een grotere aandeel in (>30%) dan in de andere landen. Voor Vlaanderen bedraagt dit aandeel 21,7%.

Figuur 24: Internationale positionering van het aandeel hoger onderwijsinstellingen, onderzoeksinstellingen, bedrijven en 'andere' in de deelnametoelage m.b.t. Horizon 2020 Verenigd Koninkrijk

67,9%

Zwitserland

18,2%

61,9%

Denemarken

57,7%

Ierland

55,9%

Zweden

55,4%

Nederland

34,4%

België

33,7%

Finland

33,4%

Italië

0%

10%

5,6% 5,6% 6,0%

33,8%

24,9%

25,3%

23,4%

3,8% 16,1%

21,6%

21,6%

37,6%

HES

8,8%

21,0%

27,9%

30%

2,2%6,5%

23,7%

25,3%

5,2%

36,4%

35,7% 20%

9,2%

28,9%

35,3%

14,3%

7,7%

44,1% 40% PRC

50% REC

4,7% 5,3%

8,7%

33,2%

20,6%

Frankrijk

6,8%

21,7%

32,0%

Spanje

26,3%

24,9%

37,1%

Duitsland

14,1%

27,2%

43,8%

Oostenrijk

18,7%

35,4%

48,6%

Vlaanderen

9,1%

60%

70%

5,9% 80%

90%

100%

OTH

Bron: Departement Economie, Wetenschap en Innovatie, Vlaamse overheid Selectie uit Horizon 2020: er werd gebruik gemaakt van de tussentijdse versie van 1/1/2014 tot 8/10/2020, waarbij op dat moment ongeveer 82% van het totale voorzien deelnamebudget is toegekend Noot: HES: Higher Education Services PRC: Private for profit REC: Research centres OTH: others (public, international organisations…)

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 66 van 77


7.3.

Indicator 18: Aandeel deelnemers aan de Marie Sklodowska-Curie acties individual fellowships

De Marie Skłodowska-Curie-acties bieden uitstekende en innovatieve onderzoeksopleidingen en aantrekkelijke mogelijkheden voor loopbaan- en kennisuitwisseling door middel van internationale en intersectorale mobiliteit van onderzoekers om hen optimaal voor te bereiden op de huidige en toekomstige maatschappelijke uitdagingen. Indicator 18 is een nieuwe indicator die ontwikkeld werd in lijn met een ‘slimme analyse’ dat het departement EWI uitgevoerd heeft op de deelnames aan het EU-kaderprogramma. Het aandeel Marie Sklodowska-Curie individual fellowships (toekenningen in de periode 2014-2020) t.o.v. het gemiddeld aantal onderzoekers (per 10.000) betreft 163 (Tabel 44). We hebben in Vlaanderen dus gemiddeld 163 Marie Sklodowska-Curie individual fellows per 10.000 onderzoekers.

Tabel 44: Aandeel deelnemers aan de Marie Sklodowska-Curie acties - individual fellows - aan Vlaamse instellingen Aantal 'individual fellowships' aan Vlaamse instellingen Gemiddelde aantal onderzoekers Aandeel individuel fellowships

2014-2020 245 15042 163

Bron: Departement Economie, Wetenschap en Innovatie, Vlaamse overheid Selectie uit Horizon 2020: er werd gebruik gemaakt van de tussentijdse versie van CORDA van 1/1/2014 tot 8/10/2020, waarbij op dat moment ongeveer 82% van het totale voorzien deelnamebudget is toegekend Noot: Het aantal onderzoekers betreft de onderzoekers in instellingen van hoger onderwijs en overheid. Voor Vlaanderen betreft het een gemiddelde voor de jaren 2015, 2017 en 2019

In onderstaande Figuur 25 wordt de internationale vergelijking weergegeven. Denemarken neemt de leiding in deze ranking met 248 Marie Sklodowska-Curie individual fellowships per 10.000 onderzoekers, gevolgd door Nederland (197) en Zwitserland (173). Zweden (99) en Finland (59) scoren hier lager dan Vlaanderen evenals een aantal grote EU-landen Duitsland (41), Frankrijk (76), Italië (79) en Spanje (113).

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 67 van 77


Figuur 25: Internationale positionering van het aandeel deelnemers aan de Marie Sklodowska-Curie acties - individual fellows (per 10.000 onderzoekers) Denemarken

248

Nederland

197

Zwitserland

173

Ierland

166

Vlaanderen

163

Verenigd Koninkrijk

130

België

128

Spanje

113

Zweden

99

Oostenrijk

98

Italië

79

Frankrijk

76

Finland

59

Duitsland

41 0

50

100

150

200

250

300

Bron: Departement Economie, Wetenschap en Innovatie, Vlaamse overheid Selectie uit Horizon 2020: er werd gebruik gemaakt van de tussentijdse versie van CORDA van 1/1/2014 tot 8/10/2020, waarbij op dat moment ongeveer 82% van het totale voorzien deelnamebudget is toegekend Noot: Het aantal onderzoekers betreft de onderzoekers in instellingen van hoger onderwijs en overheid. Er wordt een gemiddelde genomen over de periode 2014-2019. Voor Vlaanderen betreft het een gemiddelde over de jaren 2015, 2017 en 2019

7.4. 7.4.1. 7.4.2.

Indicator 19: Te ontwikkelen – Stayrate – aandeel internationale studenten hoger onderwijs dat na afstuderen nog in het land verblijft indicator 19a: Te ontwikkelen – Stayrate – aandeel internationale studenten hoger onderwijs dat 1 jaar na afstuderen nog in het land verblijft indicator 19b: Te ontwikkelen – Stayrate – aandeel internationale studenten hoger onderwijs dat 4 jaar na afstuderen nog in het land verblijft

VARIO wees in het verleden al op het feit dat we niet weten hoe groot het percentage is van ‘internationale top studenten’ (inclusief doctorandi en postdocs) dat na hun studies in Vlaanderen (tijdelijk) blijft wonen en werken (de zgn. stayrate) en duidde op de nood aan systematische registratie en monitoring. Deze indicator is momenteel niet beschikbaar. In 2020 werd er een studie uitgevoerd ‘De economische effecten van internationalisering in het hoger onderwijs’ door K. De Witte, M. Soncin, S. Vansteenkiste en L. Sels in opdracht van de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad (VLUHR) en de Vlaamse Adviesraad

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 68 van 77


voor Innoveren en Ondernemen (VARIO). De resultaten van de studie gaven interessante inzichten in het topic maar geven ook een aantal databeperkingen weer. ‘We observeren een hoge blijfkans, die 1 jaar na het afstuderen gelijk is aan 52,8% van de afgestudeerde

internationale studenten. Zoals weergegeven in Figuur 26 blijft ongeveer 45,9% van de internationale studenten 2 tot 5 jaar in Vlaanderen, 37,2% blijft 6 tot 10 jaar, 29,4% blijft tussen de 11 en 20 jaar, terwijl ongeveer 22,3% van de internationale studenten nog langer blijft.’ (De Witte et al. 2020). Figuur 26: Geschatte blijfkans van internationale studenten in Vlaanderen

Bron: De Witte et al. (2020) ‘De economische effecten van internationalisering in het hoger onderwijs’ – eindrapport

Dit betreft het percentage internationale studenten hoger onderwijs dat na hun afstuderen nog in het land verblijft over het totale aantal internationale studenten. ‐

‐

Teller: Internationale studenten hoger onderwijs (bachelor, master en doctoraatsstudenten). • Die na afstuderen 1 jaar blijft • Die na afstuderen 4 jaar blijft Noemer: Totaal aantal internationale studenten (bachelor, master en doctoraatsstudenten – ISCED 6,7 en 8))

Daarbij wordt door De Witte et al. 2020 gebruik gemaakt van de volgende databronnen: ‐ ‐

45

Blijfkans één jaar na afstuderen: Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ) Blijfkans vier jaar na afstuderen: Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ) en database on immigrants (DIOC)45 (OECD)

http://www.oecd.org/els/mig/dioc.htm

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 69 van 77


Met betrekking tot de robuustheid van deze data formuleren we graag de onderstaande bevindingen: ‐ ‐

Deze cijfers voor Vlaanderen werden maar éénmalig verzameld in de context van het VARIOVLUHR-onderzoeksproject. Deze cijfers zijn niet internationaal vergelijkbaar. De methodologieën die toegepast worden in verschillende landen is niet gelijk (zie ook De Witte et al. 2020). o ‘Een recente Nederlandse studie rapporteert een blijfkans variërend van 36% tot 42%

gemeten vijf jaar na het afstuderen (Nuffic, 2017). Specifiek voor doctoraatsstudenten stelt Nederlands onderzoek een blijfkans na 10 jaar vast van 32%’ (Centraal Planbureau, 2015).

‐

7.5.

o De cijfers variëren tussen 3% en 64% voor het Verenigd Koninkrijk (Weisser, 2016). Betrouwbaarheid: o De blijfkans na 4 jaar wordt berekend op basis van de DIOC (OECD) – database on migration. Aan de hand van deze database wordt een proxy gemaakt voor de verblijfsduur van internationale studenten, onder de assumptie dat de gemiddelde verblijfsduur van hoogopgeleide immigranten in het verleden het gedrag van afgestudeerde studenten in de toekomst weerspiegelt. Deze DIOC bevat dus informatie over het hoogste onderwijs bereikt door een individu (migrant) maar bevat dus geen informatie over wie in Vlaanderen gestudeerd heeft en wie niet.

Indicator 20: Te ontwikkelen – aandeel internationaal O&O-personeel in ondernemingen

Als internationale studenten in Vlaanderen blijven (cfr indicator 19), zal dit resulteren in een groter aandeel buitenlanders actief in zowel de academische als de bedrijfswereld. Over het aandeel buitenlanders tewerkgesteld aan de universiteiten is al redelijk wat informatie beschikbaar. Bij indicator 9 en 10 wordt specifiek ingegaan op het aandeel buitenlanders binnen het ZAP-kader. Over het aandeel buitenlanders tewerkgesteld in ondernemingen, zeker specifiek in een O&O-functie is er minder robuuste informatie beschikbaar. Veel internationale bedrijven stellen ook internationale onderzoekers tewerk. Dit is echter vaak in een deeltijdse functie, waarbij ze een deel in een Vlaamse vestiging werken en een deel in een buitenlandse vestiging. De aflijning van functies en activiteiten blijkt hier echter veel moeilijker te zijn dan in de academische wereld. Voor het totaal O&O-personeel in ondernemingen per nationaliteit is momenteel geen data beschikbaar. We hebben hierbij twee pistes onderzocht (1) via de O&O-vragenlijst of (2) via de fiscale maatregel ‘vrijstelling doorstoring bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers’. 1)

O&O-vragenlijst (georganiseerd door ECOOM voor Vlaanderen, Belspo voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Service Public de Wallonie (SPW) voor het Waals Gewest)

In de O&O-survey 2016 (met referentieperiode 2014-2015) werd geïnformeerd naar het aandeel onderzoekers en O&O-managers in de onderneming verdeeld over verschillende nationaliteiten; i.e. Belgische staatsburgers, Europese en niet-Europese (zie Box 5). Deze vraag wordt echter niet recurrent opgenomen in de O&O-vragenlijsten en is dus momenteel niet te monitoren over tijd. De redenen waarom deze vraag niet recurrent opgenomen is in de O&O-vragenlijsten zijn:

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 70 van 77


-

-

Dit betreft geen verplichte informatie die moet aangeleverd worden aan Eurostat (terwijl dit voor bepaalde andere indicatoren wel het geval is). Het aantal vragen gerelateerd aan O&O-personeel is reeds uitgebreid. Er zijn reeds voorafgaande aan onderstaande vraag in Box 5 een hele reeks vragen die heel belangrijk zijn voor het aanleveren van internationaal vergelijkbare statistieken (aan Eurostat). Bij iedere subvraag daalt (mogelijks) telkens de nauwkeurigheid van de antwoorden. Het nauwkeurig invullen van een vraag m.b.t. de nationaliteiten van de Onderzoekers en O&Omanagers door ondernemingen is ook niet voor de hand liggend aangezien personeelsgegevens met info over diploma en nationaliteit doorgaans niet onmiddellijk beschikbaar zijn. De O&O-vragenlijst is geen verplichte vragenlijst. Daarom wordt gestreefd om de vragenlijst zo beperkt mogelijk te houden om de kans op een hoge response rate niet negatief te beïnvloeden.

Box 5: Extract uit O&O-vragenlijst 2016

2) Fiscale maatregel: Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers (Belspo) In België kunnen bedrijven in bepaalde gevallen een vrijstelling van doorstorting bedrijfsheffing voor onderzoekers aanvragen46. Dit betreft een federale fiscale maatregel. Werkgevers uit de privé sector en kennisinstellingen worden vrijgesteld om 80%47 van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing op de lonen van onderzoekers met een bepaald master en doctoraatsdiploma die zij tewerkstellen door te storten aan de fiscus. Deze maatregel is tevens mogelijk bij bepaalde bachelordiploma’s maar het totale bedrag van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers met een bachelorsdiploma is beperkt tot 25% van het totale bedrag van de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing voor de onderzoekers met een kwalificerend diploma van doctor of master (voor uitzonderingen en meer info zie Box 6).

46 47

https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/subsidiedatabank/vrijstelling-doorstorting-bedrijfsvoorheffing-voor 80% pro rata de O&O-activiteiten

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 71 van 77


Deze maatregel heeft betrekking op bepaalde bachelor, master en doctoraatsdiploma’s in specifieke ‘fields of science’48: -

Doctoraatsdiploma’s in de Vlaamse Gemeenschap: exacte wetenschappen, toegepaste wetenschappen, (dier)geneeskunde, farmaceutische wetenschappen, burgerlijk ingenieurs, industriële wetenschappen, biotechniek, architectuur en productontwikkeling. Masterdiploma's in de Vlaamse Gemeenschap: exacte wetenschappen, toegepaste wetenschappen, (dier)geneeskunde, farmaceutische wetenschappen, burgerlijk ingenieurs, industriële wetenschappen, biotechniek, architectuur en productontwikkeling. Bachelor diploma's in de Vlaamse Gemeenschap: o Academische bachelors: deze dienen behaald te zijn in één van de studiegebieden zoals bepaald voor masterdiploma’s (of gelijkwaardig). o Professionele bachelor diploma's: biotechniek, gezondheidszorg, nautische wetenschappen; industriële wetenschappen en technologie; (toegepaste informatica) en productontwikkeling (zie ook onderstaande Box 6).

Box 6: Toelichting voor onderzoekers met bachelordiploma en wijzigingen vanaf 1/1/2020 Vanaf 1 januari 2020 kunnen ondernemingen, die de vrijstelling van storting van bedrijfsvoorheffing toepassen voor onderzoekers die tewerkgesteld zijn in onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of – programma’s en die een kwalificerend doctor- of masterdiploma hebben, eenzelfde vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing ten belope van 80% van die bedrijfsvoorheffing toepassen voor onderzoekers met een bachelorsdiploma in de studiegebieden biotechniek, gezondheidszorg, industriële wetenschappen en technologie, nautische wetenschappen, productontwikkeling en informatica. (Vanaf 1 januari 2018 tot 31 december 2019 was deze vrijstelling voor de bachelors beperkt tot 40%). Het totale bedrag van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers met een bachelorsdiploma is beperkt tot 25% van het totale bedrag van de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing voor de onderzoekers met een kwalificerend diploma van doctor of master. Dit percentage wordt verdubbeld voor de kleine vennootschappen (artikel 15 §§ 1 tot 6 Wetboek van vennootschappen). Deze beperking is niet veranderd op 1 januari 2020. Bron: Belspo

Bedrijven die hiervoor in aanmerking willen komen hebben een aanmeldingsplicht bij Belspo. Tevens kunnen bedrijven advies vragen bij Belspo. Belspo heeft een databank met informatie over de onderzoekers (die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma’s) en hun diploma. De informatie over de diploma’s (field of science, universiteit enz.) is momenteel wel niet gestandaardiseerd in de databank en dus niet op grote schaal bruikbaar. Het gebruik van deze informatie m.b.t. de vrijstelling van doorstorting voor onderzoekers als proxy voor het aandeel O&O-personeel in ondernemingen heeft een aantal beperkingen: -

48

Het is niet mogelijk om het totale O&O-personeel te kennen maar enkel een selectie van O&Opersoneel met een bepaald diploma in een bepaalde field of science.

De lijsten met kwalificeerbare bachelor- en masteropleidingen kunnen geraadpleegd worden op http://www.belspo.be/belspo/fiscal/fisc_dipl_nl.stm

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 72 van 77


-

Tevens is er mogelijks een bias omdat niet alle ondernemingen die in aanmerking komen voor de maatregel ook degelijk gebruik maken van de maatregel. De bekendheid van deze maatregel is de laatste jaren serieus toegenomen en er is het vermoeden dat dit aandeel ondernemingen maar beperkt is. Er wordt vastgesteld dat kleinere ondernemingen vaak een beroep doen op belastingconsultants voor de aanmelding. Gezien de bijkomende kosten die dit met zich meebrengt, zou dit ertoe kunnen leiden dat kleine ondernemingen minder geneigd zijn gebruik te maken van de fiscale voordelen. Tevens is er het vermoeden dat (strenge) controles en de complexiteit van de fiscale wetgeving er soms voor zorgen dat (kleinere) ondernemingen geen beroep doen op deze maatregel.

-

Tevens bevat deze database geen informatie over de nationaliteit van de onderzoekers. Om daar meer inzicht in te hebben zou de database m.b.t. de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers gekoppeld moeten worden aan de RSZ-databank. Aan de hand van het rijksregisternummer zou dan de nationaliteit van de onderzoekers gekoppeld kunnen worden aan het O&O-personeel waarvoor een vrijstelling van doorstoring van bedrijfsvoorheffing bekomen wordt. o

-

Een opmerking hierbij is dat nationaliteit niet altijd een volledig beeld geeft. Sommige mensen hebben een dubbele nationaliteit, of andere mensen een buitenlandse nationaliteit maar een permanent verblijf in België.

Daarnaast is er voor de maatregel vrijstelling doorstoring bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers momenteel geen informatie over voor welk gewest dit van toepassing is. o o

Dit zou ‘eenvoudig’ kunnen bekeken worden aan de hand van de btw-nummers en de domiciliëring van het hoofdkantoor. In België gebeurt het echter dat ondernemingen hun hoofdkantoor in Brussel hebben terwijl belangrijke O&O-activiteiten in Vlaanderen (of Wallonië) plaatsvinden. Een andere, complexere, aanpak zou kunnen zijn om de informatie (BTW-nummers) van de databank met informatie over de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing te koppelen aan de resultaten van de O&O-vragenlijst. In de context van deze O&O-vragenlijst wordt meer informatie verzameld over waar de hoofd O&O-activiteiten binnen een onderneming plaatsvinden. De indeling volgens regio op basis van waar de belangrijkste O&O-activiteiten plaatsvinden lijkt ons meer opportuun aangezien we specifiek het O&O-personeel (en hun nationaliteit) willen bekijken.

Van het diplomaniveau kan worden afgeweken voor "Young Innovative Companies" (YIC) en voor bedrijven die op projectbasis samenwerken met universiteiten en andere erkende wetenschappelijke instellingen (zie onderstaande Box 7).

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 73 van 77


Box 7: Overzicht uitzonderingen op de diploma-vereisten bij de maatregel vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers 1)

Bij samenwerkingen tussen bedrijven en universiteiten of onderzoeksorganisaties kan de vrijstellingsmaatregel ook worden toegepast op O&O-personeel (tewerkgesteld in het samenwerkingsverband bij het bedrijf) dat niet over de diplomakwalificatie beschikt, maar deze kwalificatie door ervaring verworven heeft (minimum een bachelordiploma).

2) Voor YIC-bedrijven kan de vermindering van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (80%) behalve op de kenniswerkers met de kwalificerende diploma's ook worden toegepast op het technisch/ ondersteunend personeel (administratieve en commerciële functies zijn uitgesloten). Voor YIC-bedrijven kunnen naast onderzoekers ook onderzoekstechnici en projectbeheerders inzake onderzoek en ontwikkeling van de maatregel genieten, met uitsluiting van het administratief en commercieel personeel. Binnen het kader van de vermindering van doorstorting van bedrijfsvoorheffing is het YIC-statuut enkel interessant voor onderzoekers zonder kwalificerend masterdiploma, FOD Financiën controleert (bepaalt) of een bedrijf voldoet aan de voorwaarden. -

-

Onderzoekstechnici zijn personen die in nauwe samenwerking werken met de onderzoekers om de noodzakelijke technische ondersteuning te leveren bij onderzoeks- en ontwikkelingswerk. Deze directe medewerkers van de wetenschappers of ingenieurs moeten een wetenschappelijke of technische vertrouwdheid hebben die erkend wordt door de activiteitssector, door diploma’s of door professionele verworvenheden en ze moeten rechtstreeks toegewezen zijn aan onderzoekstaken. Projectbeheerders inzake onderzoek en ontwikkeling zijn personen die de leiding hebben over organisatie, coördinatie en planning van het project zowel op administratief, juridisch, financieel als technologisch vlak

Een YIC dient te voldoen aan de voorwaarden van een kleine vennootschap zoals gedefinieerd in art. 15 §1 van het Wetboek Vennootschappen; m.n. mag een YIC niet meer dan één van de volgende criteria overschrijden: • • •

een jaargemiddelde van 50 personeelsleden; een jaaromzet - exclusief BTW - van 7.300.000 Euro; een balanstotaal van 3.650.000 Euro.

Bovendien dient een YIC: • • •

minder dan 10 jaar te bestaan, voorafgaand aan 1 januari van het referentiejaar, niet opgericht te zijn in het kader van een concentratie, herstructurering, uitbreiding van een vroegere activiteit of een overname van dergelijke activiteiten, minstens 15% van de totale kosten van het voorgaande belastbaar tijdperk is aangewend voor onderzoek en ontwikkeling.

De YIC dient aan deze vereisten te voldoen aan het einde van het vorige belastbaar tijdperk, voorafgaand aan het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de bezoldigingen zijn uitbetaald. Bron: Belspo

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 74 van 77


8.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Op basis van de invulling van de VARIO-kernindicatoren kunnen we een aantal observaties doen (zie onderstaande Figuur 27):

Figuur 27: Overzichtsfiguur VARIO-kernindicatoren

Noot: indicatoren in grijs (15, 16, 17 en 18) kunnen niet vergeleken worden doorheen de tijd

-

Voor het aandeel innovatieve bedrijven, GERD als percentage van BBP en het O&O-personeel (als aandeel van de totale beroepsbevolking) observeren we doorheen de tijd een positieve evolutie. Voor deze indicatoren bevinden we ons vandaag bij de top van de EU. Voor het aandeel HERD privaat gefinancierd en de top 10%-publicaties observeren we geen grote toename doorheen de tijd. We behoorden in het verleden al tot de Europese top en dit is nog altijd het geval. Voor de indicatoren m.b.t. levenslang leren en STEM scoren scoort Vlaanderen niet goed en observeren we geen verbetering overheen de tijd. Voor de PISA-score scoort Vlaanderen nog altijd gemiddeld. Het is echter wel zorgwekkend dat Vlaanderen tot de groep van sterkste dalers behoort. Daarnaast zijn er ook een aantal indicatoren die we nog niet doorheen de tijd kunnen observeren maar waar we wel een internationale vergelijking kunnen uitvoeren. Voor de Vlaamse deelname

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 75 van 77


aan het Europese kaderprogramma (in dit geval Horizon 2020), Marie Sklodowska-Curie individual fellows, en (internationale) samenwerking van de bedrijven scoort Vlaanderen goed. Er is wel nog marge voor verbetering. VARIO wil hier ook nog eens aanhalen dat indicatoren beperkingen hebben en dat het belangrijk is om indicatoren in de juiste context te plaatsen. VARIO herhaalt graag dat het belangrijk is om voldoende te investeren in de ontwikkeling van (nieuwe) indicatoren. Er moet tijdig ingespeeld worden op nieuwe evoluties (zie ook VARIO-advies 13 ‘Een kwaliteitsvolle set indicatoren voor wetenschap en innovatie’). Aanbeveling: Hou rekening met beperkingen van indicatoren en plaats ze in een context VARIO wil graag wijzen op de limieten en de beperkingen van het gebruik van indicatoren. Ondanks de inspanningen van VARIO om de complexe W&I-realiteit genuanceerd in kaart te brengen, en hiervoor zo robuust mogelijke indicatoren voor te stellen, zijn deze indicatoren slechts een ‘snapshot’ van de realiteit. Er wordt geen causale relatie aangetoond tussen een beleidsmaatregel en een bepaald resultaat. Indicatoren zijn ‘pointers’; een ‘zwart-wit’ weergave van een complexe realiteit, waarbij voldoende rekening moet worden gehouden met de context. Het is dan ook belangrijk om deze indicatorenset aan te vullen met (meer kwalitatieve) impactanalyses. Het negeren van de context kan leiden tot ongenuanceerde en foutieve conclusies, waarschuwt VARIO. Correcte interpretatie van indicatoren vereist voldoende achtergrondkennis en omzichtigheid. We vragen dus de nodige voorzichtigheid bij het gebruik en de interpretatie van de voorgestelde indicatoren. Zeker bij benchmarken en het vergelijken van rankings speelt dit een zeer belangrijke rol. Aanbeveling: Investeer voldoende in de verdere ontwikkeling van monitoring-tools De uitwerking van de nieuwe set van indicatoren (in 2020) liet toe om voorstellen te formuleren over wat we idealiter zouden moeten meten om een optimaal beeld te krijgen van de Vlaamse performantie op het vlak van W&I. De oefening legt dus ook hiaten bloot op het vlak van indicatorontwikkeling zelf: voor een aantal geïdentificeerde beleidsaspecten bestaan nog geen indicatoren en is dataverzameling en/of verder ontwikkelwerk nodig. VARIO vraagt om voldoende te investeren in de ontwikkeling van (nieuwe) indicatoren. Er moet tijdig ingespeeld worden op nieuwe evoluties. VARIO beseft dat zoiets niet ‘van vandaag op morgen kan gerealiseerd worden’, dat hier vaak grondig studiewerk aan vooraf dient te gaan en hiervoor ook in de nodige capaciteit moet worden voorzien. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met andere mogelijke hinderpalen, die de uitwerking kunnen vertragen, zoals de privacywetgeving en technische problemen bij koppelen van bestaande databanken. In voorliggend advies worden reeds eerste verkennende stappen genomen voor een aantal indicatoren.

Danielle Raspoet Directeur

Lieven Danneels Voorzitter

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 76 van 77


BIJLAGE – GECONSULTEERDE PARTIJEN Tabel 45: Geconsulteerde partijen Petra Andries Raf Boey Karl Boosten Julie Callaert Kristof De Witte Noëmi Debacker Isabelle Erauw Danielle Gilliot Hugo Hollanders Machteld Hoskens Matti Kajaste Ditte Kimps Karin Kjær Madsen Angelina Nystrom Jana Stockman Guy Stoffelen Ann Vanhorenbeeck Monica Vanlangenhove Sarah Vansteenkiste Peter Viaene Suzanne Vogelzang Bart Thijs Elene Zafarana Ward Ziarko

ECOOM, UGent Departement Werk en Sociale Economie Belspo ECOOM, KU Keuven KU Leuven ECOOM, UGent Departement Onderwijs en Vorming VLIR Maastricht University ECOOM, KU Leuven Research and Innovation council Finland Departement Werk en Sociale Economie Deense raad voor onderzoek en innovatiebeleid Statistics Sweden (via Noëmi Debacker) Departement Onderwijs en Vorming Departement Onderwijs en Vorming Belspo Departement Economie, Wetenschap en Innovatie KU Leuven, steunpunt werk Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Rathenau Instituut (via Noëmi Debacker) ECOOM, KU Leuven Swiss Federal Statistics Office Belspo

////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// November ‘21

VARIO ADVIES NR 24 Invulling VARIO-kernindicatoren

pagina 77 van 77


Dit advies is voorbereid door de VARIO-staf: Annelies Wastyn Danielle Raspoet


Vlaamse Adviesraad voor Innoveren en Ondernemen Koning Albert II-laan 35 bus 9 1030 Brussel +32 (0)2 553 24 40 vario@vlaanderen.be www.vario.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Invulling_VARIO_kernindicatoren_advies.pdf by Vlaanderen-be - Issuu