TUSSEN GELIJKHEID EN VERSCHIL EEN EMPIRISCHE TOETS VAN HET GENDER-EFFECT Christine Ceulemans en Thérèse Jacobs INLEIDING 1998 is een belangrijk jaar voor de vrouwenbeweging: het is een jaar van vieringen. Zo is het precies 50 jaar geleden dat het stemrecht werd verleend; het is ook 50 jaar geleden dat voor vrouwen de mogelijkheid werd geschapen om rechter te worden. In de loop van de voorbije halve eeuw werd de wereld waarin voordien enkel mannen geduld werden, steeds kleiner. Het publieke domein is – althans principieel – een sekseneutraal gebied geworden: vrouwen zowel als mannen hebben het recht erin te vertoeven en er initiatieven te ontplooien. Toch was het nodig dat in 1997 de minister van Gelijkekansenbeleid een quotasysteem invoerde om erover te waken dat de sekseneutraliteit geen dode letter zou blijven. De legitimiteit van de beslissingen in allerlei raden hangt nu mede af van de aanwezigheid van een minimale vertegenwoordiging van de beide seksen in die raden. Impliciet gaat men ervan uit dat de aanwezigheid van vrouwen in dergelijke raad verschil uitmaakt; dat zij een eigen, typisch “vrouwelijk” perspectief hebben en daardoor het beleid kunnen sturen naar besluiten die ook voor vrouwen zinvol en acceptabel zijn. Voor de vrouwelijke rechter formuleert Luc Huysse (Column in de Standaard, 21 februari 1998) het verschil als volgt: ‘Nogal wat mensen geloven dat mannelijke en vrouwelijke magistraten verschillend recht spreken. Mannen laten zich, zo luidt het, leiden door abstracte regels en prinicipes om een geschil te beslechten. Wie een recht schendt moet gestraft worden, ongeacht de omstandigheden. Bij de vrouwen zou de voorkeur uitgaan naar procedures waarin meer aandacht is voor de context. Er zou ook meer ruimte zijn voor overleg en verzoening. Maar niet alle waarnemers delen deze mening.’ Tegenover dit vermoeden van verschil op grond van het geslacht, staat het vermoeden dat het geslachtsverschil – als het ooit aanwezig was – in de loop van de opleiding vervaagt: vrouwen worden in de faculteiten rechtsgeleerdheid en tijdens de gerechtlijke stage immers onderworpen aan dezelfde training als mannen. Men is “jurist” en pas in tweede instantie “man” of “vrouw”. Uiteindelijk komt hier aan de orde in welke mate “man” en “vrouw” sociale categorieën zijn: kenmerken van een persoon die veel verder raken dan het biologische verschil, die met name refereren aan een welbepaalde “Sitz im Leben” die dan op zijn beurt specifieke waarden, normen, bekommernissen en prioriteiten zou opleveren. In de Vrouwenstudies wordt in dit verband het concept “gender” gebruikt: het begrip drukt uit dat er verschillen zijn tussen vrouwen en mannen maar, bijkomend, dat deze verschillen sociale constructies zijn, gegroeid en te begrijpen vanuit een welbepaalde historische setting en dus deconstrueerbaar. Een interessante these over het ontstaan van genderverschillen in de westerse samenleving vinden we bij Beck. Deze auteur beschrijft hoe in een eerste fase van de modernisering (eind 18e, begin 19e eeuw) oorspronkelijk nieuwe vaste culturele kaders werden aangeboden. In de transitie van de Gemeinschaft naar een Gesellschaft heeft de Gesellschaft in een eerste fase nieuwe tradities geschapen, moderne equivalenten van de traditionele samenlevingsvorm1.
2 (Laermans, 1994; 359) In het moderniseringsproces vond een tweevoudige verandering plaats. Ten eerste kwam er een nieuwe vorm van stratificatie. Er ontstonden nieuwe klassen (burgerij, kleinburgerij en arbeidersklasse) met elk een eigen klassebewustzijn en levensstijl. Zo kwam een nieuwe standenordening tot stand. Daarnaast vormde zich ook een nieuwe sexuele arbeidsdeling. Deze resulteerde in een specifiek geslachtsbewustzijn. Samen met de verzelfstandiging van economie, politiek, onderwijs correspondeerde dat met een radicale uitsluiting van vrouwen uit het publieke domein. De geslachtsstereotypen werden geïnstitutionaliseerd. “De grens tussen het mannelijke publieke terrein en de vrouwelijke privésfeer werd gedurig gereproduceerd - en zo versterkt - binnen de alledaagse leefwereld.” (Laermans, 1991; 103) Dit proces vond vooral plaats in de middenklasse, minder in de arbeidersklasse. Vrouwen en mannen verwierven een aparte sociale identiteit: mannen waren hard en rationeel, vrouwen emotioneel en weinig beheerst. Zo onstonden twee geslachtsculturen. (idem; 103-104) Deze ‘geslachtsstandorde’ verwierf zijn legitimatie vanuit de natuur. De traditionele rolverdeling was gerechtvaardigd, want steunde op ‘natuurlijke’ en ‘psychologische’ verschillen tussen mannen en vrouwen. Op grond van een inherente vrouwelijke neiging tot zorgen werd zij tot zorgdraagster voor het gezin benoemd. Van de man werd een kostwinnerschap geëist: hij moest carrière maken. Deze rolverdeling heeft op haar beurt de opvatting over het bestaan van vrouwelijke versus mannelijke eigenschappen versterkt en aangevuld. (Bussemaker, 1993; 47) Vanaf het midden van de jaren ’50 verliezen beide culturele kaders - klasse en geslacht - aan bindingskracht. Het is dit proces dat Beck als individualisering (de-traditionalisering) definieert. “Als Beck de notie ‘individualisering’in eerste instantie nader articuleert middels het neologisme ‘de-traditionalisering’ dan beoogt hij voor alles een samenvattende beschrijving van de erosie van de zojuist genoemde moderne restricties op het individuele handelen tijdens de naoorlogse periode.”(Laermans, 1991; 359) De bestaande geslachtsculturen verliezen hun sociale plausibiliteit omdat meer vrouwen de arbeidsmarkt en universitaire instituten betreden. Deze vrouwen bewezen dat ze evengoed als hun mannelijke collega’s over een flinke portie rationaliteit beschikten. (Laermans, 1991; 105) Détraditonalisering betekent dus enerzijds het verzwakken van deze vormen van cultureel bewustzijn, maar anderzijds ook een groeiende keuze- en beslissingsvrijheid. Het aantal beslissingsgesloten keuzemogelijheden neemt af, en het aantal beslissingsopen keuzemogeljkheden stijgt. (idem; 105) Deze beslissingsvrijheid heeft wel enkel betrekking op de persoonlijke leefwereld. Binnen andere domeinen, bijv. de arbeidsmarkt blijven afhankelijkheidsprocessen bestaan. Aan de hand van de analyse van de enquête “Culturele verschuivingen in Vlaanderen” onderzoeken we in deze bijdrage in welke mate het geslacht (nog steeds) verschil uitmaakt. We selecteerden 3 schalen die enkel in 1996 aan de respondenten werden voorgelegd (de individualisme schaal, de post-materialisme schaal en de schaal van de gelijkheid inzake rollenpatronen). Zijn vrouwen minder of meer individualistisch, minder of meer materialistisch, minder of meer voor gelijkheid dan mannen, en dit rekening houdend met leeftijd, opleiding, sociaal milieu en faze in de gezins- en/of beroepsloopbaan? In de volgende drie paragrafen bespreken we de analyse van elke waardenschaal afzonderlijk. In een afsluitende reflexie keren we terug naar het beginpunt: wat zijn de gevolgen van een grotere aanwezigheid van vrouwen in de publieke sfeer?
3
1. INDIVIDUALISME 1.1. Achtergrond Een eerste waardedomein dat we willen onderzoeken is het individualisme. Het is belangrijk dat het onderscheid tussen het individualisme als waarde en de individualisering als maatschappelijk proces duidelijk wordt gemaakt. (Laermans, 1994; 357 en Waege, 1994; 328) Het proces duidt op de hogervermelde toename van beslissingsvrijheid binnen de persoonlijke sfeer. Dit impliceert niet noodzakelijk dat mensen er ook individualistische waarden op zullen nahouden. In tegendeel misschien, want de reflexiviteit die aan de basis ligt van de keuzemomenten is zeker ook een sociale aangelegenheid. “Juist in een geïndividualiseerde wereld zal (...) de onderlinge dwang tot het reflexief legitimeren van zichzelf in het tussenmenselijk verkeer toenemen.” (Laermans, 1994; 364) Houden we bij het construeren van onze identiteit niet erg veel rekening met de anderen? Ook binnen het individualisme als waarde moeten er nuanceringen worden aangebracht. Zo moet het onderscheid worden gemaakt tussen expressief en utilitair individualisme. Beide soorten individualisme hebben een verschillende oorsprong. Het utilitair individualisme sluit aan bij de filosofische denktraditie van de Verlichting. De nadruk ligt op de menselijke Rede. Men wil zijn eigenbelang nastreven; om dit te verwezenlijken zal men contracten sluiten met de anderen. Deze contracten vormen de basis voor de gemeenschap. Er wordt uitgegaan van een economisch begrip van het menselijk bestaan. (Bussemaker, 1993; 64) Elchardus definieert het utilitair individualisme als een houding waarin drie elementen centraal staan: “(1) het belang van het ongehinderd en individueel nastreven van het eigenbelang; (2) het belang van extern, materieel succes; (3) de idee dat iedereen uit eigenbelang handelt, dat zoiets maar normaal (menselijk, natuurlijk,...) is, dat mensen zelfs een beetje dom moeten zijn het niet te doen.” (Elchardus, 1990; 155) Het expressief individualisme is eerder ontstaan vanuit de kunst, vanuit de Romantiek. Dit individualisme ontstaat deels als reactie op het utilitarisme. Het benadrukt de waarde van menselijke gevoelens, individuele expressie en zelfontplooiing. (Bussemaker, 1993; 64) Ook in deze vorm van individualisme staan volgens Elchardus drie elementen centraal, m.n.: (1) de individuele autonomie, zelfbeschikking en vrijheid; (2) de idee dat het individu de belangrijkste bron van kracht en creativiteit is en zich als dusdanig moet ontplooien; (3) het belang dat wordt gehecht aan persoonlijke originaliteit of authenticiteit.” (Elchardus, 1990; 155) Uit vroeger onderzoek blijkt dat vrouwen minder utilitair individualistisch zijn. Bij jonge generaties zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen nog groter dan bij oudere.2 (Elchardus, 1990; 165) Dit kan worden verklaard vanuit de hoger vermelde geslachtsstandorde. Hierdoor werden vrouwen immers naar terreinen verwezen waar het individualisme niet van toepassing werd geacht. Immers, in de privésfeer van het gezin staat de zorg voor anderen centraal terwijl in de publieke sfeer, waar vooral mannen handelden, het utilitaire (instrumentele) individualisme een belangrijke houding is. (Bussemaker, 1993; 5668) Sommige klassieke sociologen waren de vrouwen dankbaar dat ze minder individualistisch waren: het was immers dankzij hen dat het individualisme niet in egoïsme zou uitlopen. Zo noemde De Tocqueville (1849) vrouwen ‘superieur’ als het ging om het verdedigen van
4 morele waarden. Deze superioriteit is echter problematisch; enerzijds constateerde de auteur dat deze superioriteit te danken is aan hun positie binnen de huiselijke sfeer, anderzijds erkende hij dat vrouwen ‘opgesloten zijn in de cirkel van het huiselijk leven.’ (idem; 56) Ook Comte had het over de vrouwelijke kwaliteit van altruïsme, die het kwalijke egoïsme en individualisme moet overwinnen. “De vrouwelijke aanleg voor sociaal gedrag, liefde en nederigheid moet de samenleving van een ruig individualisme redden.” (idem; 68) In die zin werden vrouwen beschouwd als de hoedsters van de traditie. Vrij recent waardenonderzoek toont aan dat hoger opgeleiden er minder individualistische waarden op nahouden. Met de toenemende scolarisatiegraad zou het individualisme dus verminderen. Dit betekent dat vrouwen met hun solidarisme misschien niet zozeer de traditie bewaken, maar wel mee trend zetten. (Elchardus, 1990; 164-166) 1.2. Analyse In de enquète werd het utilitaire individualisme gemeten a.h.v. verschillende uitspraken.3 We hebben onze analyse toegepast op de uitspraken afzonderlijk. Daarnaast hebben we ook een schaal geconstrueerd. Voor meer uitleg bij de schaalconstructie verwijzen we naar bijlage 1. In onderstaande tabel wordt de verdeling van solidaristen (mensen die géén individualistisch antwoord gaven) per uitspraak weergegeven. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
De mensheid, onze naasten, solidariteit...wat een onzin allemaal, iedereen moet eerst voor zichzelf zorgen en zijn belangen verdedigen Men voelt zich pas echt gelukkig als men regelmatig iets voor anderen kan doen zonder van hen iets terug te verwachten Men moet steeds zijn eigen belang nastreven, en zich niet teveel van anderen aantrekken Ik voel me pas echt goed als ik me kan inzetten voor een gemeenschappelijk doel Wat telt zijn geld en macht, al de rest zijn praatjes Een mens kan zich maar gelukkig voelen als zijn medemens ook gelukkig is Het nastreven van persoonlijk succes is belangrijker dan te zorgen voor een goede verstandhouding met anderen
Tabel A: de verdeling van solidaristen over de verschillende items (N=1576) Totaal Items 1. 2. 3. 4. 5. 6. *7. *N=1575
Freq. 935 1219 977 785 1009 1191 1095
% 60.0 78.2 62.5 50.7 64.8 76.4 70.4
Vrouwen Freq. % 470 58.46 636 79.10 501 62.00 426 53.12 527 65.63 630 78.16 580 72.23
Mannen Freq. % 465 61.67 583 77.32 476 62.96 359 48.19 482 64.01 561 74.50 515 68.48
Geslacht*item4: chi2=3.887 p=0.049
Wat eerst opvalt is het feit dat op elke uitspraak een erg grote groep respondenten een solidaristisch antwoord geeft. De uitpraak “Ik voel me pas echt goed als ik me kan inzetten voor een gemeenschappelijk doel” wordt het minst solidaristisch beantwoord. Dit is trouwens de enige uitspraak waar mannen en vrouwen significant verschillend antwoord op gaven. Net iets meer dan de helft vrouwen is het met deze uitspraak (helemaal) eens, terwijl van de mannen net iets minder dan de helft akkoord gaat. Het percentageverschil is dus vrij klein.
5 Ook als we het geheel van antwoorden overzien, hebben we geen enkele reden om vrouwen minder individualistisch te noemen. Ongeveer 20% van de totale bevolking geeft het solidaristisch antwoord op alle items van de schaal (22% van de vrouwen, 19% van de mannen).4
Figuur 1 : De solidarisme schaal. Percentages (werkenden) (N=825)
Percentages (niet-werkenden) (N=750)
Chi2: 9.056 p= 0.249
Chi2: 6.698 p=0.461
werkenden
niet-werkenden
De conclusie dat het geslacht niet terzake doet blijft overeind na controle voor andere kenmerken. We hebben de variantie-analyse afzonderlijk 30 30 uitgevoerd voor de niet-werkenden en 20de werkenden. In dit laatste geval konden we ook 20 het beroep en het arbeidsvolume in de analyse betrekken. 10
10
0
0 1
2
3
4
5
6
7
8
9
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Tabel B: Variantie-analyse op de solidarisme schaal; p-waarden voor werkenden en vrouwenafzonderlijk mannen samen vrouwen mannen samen niet-werkenden Geslacht Leeftijd Opleiding Partner(samenwonend of niet) Kinderaantal Statuut Beroep Volume R2
Werkenden (N=725) .343 .099 .000 .193 .000 .114 .041 .09
Niet-Werkenden (N=594) .753 .234 .001 .496 .001 .149 .07
Uiteindelijk kunnen we het min of meer utilitair individualistisch zijn van de respondenten niet afdoende verklaren: waarden van 9%, respectievelijk 7% om de variantie te verklaren, zijn lage waarden. De belangrijkste invloed gaat uit van de opleiding, het kinderaantal en (voor de werkenden) het aantal uren dat men werkt. Uit de bivariate analyses5 blijkt dat mensen met een opleiding “hoger onderwijs buiten de universiteitâ€? het meest solidaristisch zijn, en laaggeschoolden6 het minst. Dit komt vrij goed overeen met de resultaten van Elchardus, die vaststelde dat mensen minder utilitair individualistisch zijn naarmate ze een hoger onderwijspeil hebben. Uit de bivariate analyses kan ook worden afgeleid dat het solidarisme recht evenredig stijgt met het aantal kinderen. Toch is de samenhang tussen kinderaantal en solidarisme gedifferentieerd volgens geslacht: vrouwen zonder kinderen zijn het minst solidaristisch, bij de mannen zijn degenen met 1 kind het minst solidaristisch. Inzake aantal uren dat men werkt, blijken mensen die 19 tot 37 uur per week werken het meest solidaristisch. De andere factoren: leeftijd, beroep, sociaal statuut en het al dan niet samenwonen met een partner beĂŻnvloeden het individualisme amper.
6
2. MATERIALISME 2.1. Achtergrond Op het eind van de jaren ‘70 stelde Inglehart op basis van opiniepeilingen vast dat er zich een ‘stille revolutie’ had voltrokken in de West-Europese en Amerikaanse samenleving. Een deel van de jongeren zou een waardenpatroon aanhangen dat afwijkt van dat van hun ouders: waar de ouders een meer materialistische ingesteldheid hebben, hecht de jongere generatie meer waarde aan geestelijke ontplooiing en de kwaliteit van het leven. Dit waardenpatroon wordt als ‘postmaterialistisch’omschreven. Inglehart verklaarde deze stille revolutie via twee hypothesen: ten eerste een schaarstehypothese. Hier baseert Inglehart zich op de behoeftenhiërarchie van Maslow. Voor de generatie van de jaren ‘60 zouden de materialistische behoeften vrij gemakkelijk vervuld zijn, waardoor zij sneller dan de ‘wederopbouw-generatie’ naar een ‘hoger’ niveau op de behoeftenladder kan opklimmen. Daarnaast is er ook de socialisatiethese: het zijn vooral de materiële omstandigheden die men tijdens zijn jeugd ervaart die bepalen of iemand eerder materialist dan wel postmaterialist wordt. De materiële situatie die men als volwassene kent is minder determinerend. (de Graaf, 1988 en Elchardus, 1990) Wat betreft deze hypothesen komen De Graaf en Elchardus, ondanks gelijklopende uitgangspunten, tot verschillende conclusies. Het uitgangspunt is de vraag of iemands materialisme ook niet bepaald kan worden doorheen levensloopsituaties. M.a.w. kan de socialiatie tijdens de jeugd als enige determinant worden beschouwd? Of kan iemand van waardeopstelling veranderen omdat hij/zij bijvoorbeeld kinderen heeft gekregen? Ook maken beide auteurs het onderscheid tussen de materiële welvaart op maatschappelijk niveau (conjunctuur) en op het niveau van het gezin waarin men opgroeit. Beide auteurs hebben empirisch onderzoek verricht naar het materialisme. De Nederlandse auteur De Graaf stelt dat de belangrijkste invloed komt vanuit de jeugd. Hoewel de auteur vaststelt dat mensen die verantwoordelijkheid voor kinderen dragen, minder materialistisch zijn, stelt hij toch dat het waardenpatroon constant blijft na de jeugd. De causale samenhang tussen levensloop en postmaterialisme ligt volgens De Graaf immers omgekeerd: het is bijvoorbeeld niet omdat iemand veel bezit verworven heeft dat hij/zij eerder materialistisch ingesteld is, maar wel omdat iemand eerder materialistisch is ingesteld dat hij/zij meer bezit verwerft. Het feit dat iemand veel kinderen heeft, zal die persoon niet minder materialistisch maken, maar iemand die minder materialistisch is, zal wel eerder kinderen wensen. M.a.w. het waardenpatroon beïnvloedt de levensloop en niet omgekeerd. “Daarom is het aan te bevelen om in causale modellen postmaterialistische waardenpatronen te laten fungeren als determinant voor het nastreven van materiële en niet-materiële doelen, zoals inkomen en statusverwerving, gezinsvorming en cultuurdeelname. (De Graaf, 1988; pg. 413) Elchardus beweert net het omgekeerde. Hij stelt vast dat bij de mannen de postmaterialisten de grootste groep vormen en bij de vrouwen de tussencategorieën: semi-postmaterialistisch of semi-materialistisch. Bovendien daalt het aantal postmaterialisten bij vrouwen nog na een aantal levenslooptransities als het samenwonen met een partner en het krijgen van kinderen. Hier is sprake van een levensloopeffect dat zich bij mannen niet voordoet. Elchardus besluit: “Omdat er bij de mannen geen noemenswaardig verband bestaat tussen huwelijk en ouderschap enerzijds, en materialisme anderzijds, lijkt het ons hoogst onwaarschijnlijk dat de
7 materialistische of postmaterialistische houding de bereidheid tot huwelijk of ouderschap beïnvloedt. Het omgekeerde lijkt ons veel plausibeler. Huwelijk en ouderschap zetten de vrouwen tot een meer materialistische houding aan.” (Elchardus, 1990; 178) Juist vanwege deze vaststellingen heeft Elchardus het materialisme een eigen definitie gegeven. Hij omschrijft materialisme als een houding “waarbij de maatschappij eigenlijk beschouwd wordt als een context die het streven naar individuele welvaart en/of gezinswelvaart moet garanderen. Men acht het heel belangrijk dat die context veilig en stabiel is en de nodige economische garanties en mogelijkheden aan de individuen en de gezinnen biedt. Een postmaterialist beschouwt de maatschappij daarentegen in grotere mate als een gemeenschap waarvan alle leden hun mening moeten kunnen zeggen en moeten kunnen deelnemen aan de collectieve besluitvorming; een gemeenschap ook die een aantal collectieve verantwoordelijkheden draagt, ondermeer ten overstaan van het milieu.” (Elchardus, 1990; 180) Precies door deze definities wordt het verschil tussen mannen en vrouwen verklaard: “er is duidelijk een vrouwelijk materialisme dat nagenoeg volkomen aan de gezinsgebondenheid van vrouwen kan worden toegeschreven.” (Elchardus, 1990;181) Het materialisme is dus vooral een zaak van de moeders, een máter-ialisme7. Elchardus stelt dus niet enkel dat de causaliteit anders ligt, de samenhang blijkt uit zijn onderzoek ook anders te liggen; volgens De Graaf zijn mensen met kinderen minder materialistisch, volgens Elchardus zijn vrouwen met kinderen méér materialistisch. 2.2. Analyse In de enquète wordt gebruik gemaakt van een meetinstument dat door Inglehart is ontwikkeld. Dit meetinstrument bestaat uit een lijst van 12 politieke doelstellingen, waarvan er 6 eerder materialistisch zijn en 6 eerder postmaterialistisch. Oorspronkelijk werd aan de respondenten gevraagd om deze te ordenen naar belangrijkheid. In de survey die wij gebruiken, moesten de respondenten geen ordening aanbrengen, maar wel de 5 belangrijkste doelstellingen selecteren. Elk item heeft zo twee mogelijkheden; ofwel werd het vernoemd, ofwel werd het niet vernoemd. In onderstaande tabel wordt voor elk item het percentage respondenten weergegeven die dit heeft vernoemd.
8
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
Misdadigheid bestrijden De leefomgeving van de mensen verbeteren Een stabiele economie behouden Prijsstijgingen tegengaan Orde handhaven De vrije meningsuiting beschermen Het behouden van een hoge graad van economische groei De mensen meer inspraak geven in regeringsbeslissingen Een vriendelijkere en minder onpersoonlijke samenleving uitbouwen Een samenleving uitbouwen waar ideeën belangrijker zijn dan geld De mensen meer inspraak geven in beslissingen op het werk Het land verzekeren van een sterk leger Weet niet
Tabel C. Frequentieverdeling materialistische antwoorden, algemeen en naar geslacht (N= 1574) Item 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
Algemeen freq. % 1150 73.1 916 58.2 884 56.2 824 52.4 777 49.4 601 38.2 569 36.1 530 33.7 530 33.7 470 29.9 448 28.5 60 3.8 17 1.1
Vrouwen freq. % 602 73.87 478 58.65 436 53.50 457 56.07 381 46.75 300 36.81 270 33.13 273 33.50 288 35.34 245 30.06 248 30.43 31 3.80 11 1.35
Nmissing=3 item3:chi2=4.878 p=0.027 item4: chi2=9.391 p=0.002
Mannen freq 548 438 448 367 396 301 299 257 242 225 200 29 6
% 72.20 57.71 59.03 48.35 52.17 39.66 39.39 33.86 31.88 29.64 26.35 3.82 0.79
item5: chi2=4.628 p=0.031 item7:chi2=6.683 p=0.01
Vrouwen selecteren dezelfde politieke doelstellingen als mannen, met slechts een lichte wijziging in rangorde. Volgens de chi2 -toets zijn vier uitspraken wel significant verschillend beantwoord door mannen en vrouwen. Mannen benadrukken meer de items ‘orde handhaven’, ‘het behouden van een hoge graad van economische groei’ en ‘het behouden van een stabiele economie’. Dit zijn materialistische waarden. Vrouwen benadrukken meer het tegengaan van prijsstijgingen. Ook dit is een materialistische waarde. Toch zijn er nuanceverschillen tussen deze ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ materialistische waarden; de mannen benadrukken meer abstracte economische waarden, terwijl de vrouwen meer de klemtoon leggen op concrete doelstellingen. Prijsstijgingen worden meteen gevoeld in de (huidhoud)portemonnee, terwijl ‘een stabiele economie’ verder van het dagelijks leven af staat. Uit deze uitspraken hebben we een schaal samengesteld.8 Respondenten met score 1 hebben enkel materialistische waarden geselecteerd, mensen met score 6 enkel postmaterialistische.
9
Figuur 2: de Materialisme schaal. Percentages: vrouwen en mannen Werkenden (N=802)
Niet-werkenden (N=724)
Chi2 = 8.791 p=0.118
chi2 =0.570 p=0.989
De frequentieverdeling over de schaal heeft de vorm van een Gauss-curve.niet-werkenden Dat wil zeggen dat werkenden de meeste mensen niet echt uitgesproken materialistisch of postmaterialistisch zijn. Wel is de 40 40 curve eerder naar links toe geörienteerd. Dit betekent dat meer mensen eerder materialistisch 30 30 dan postmaterialistisch zijn. Uit de vergelijking van de percentages van vrouwen en mannen 20 20 blijkt dat deze nergens erg verschillend zijn. Dit is vreemd, aangezien Elchardus in zijn onderzoek tot de conclusie is gekomen dat het geslacht één 10van de belangrijkste effecten op 10 materialisme heeft. 0 0 1
2
3
4
5
6
1
2
3
4
5
6
De resultaten van de APS-survey liggen in dezelfde lijn als die van de Panelstudie van de vrouwen mannen samen mannen samen Belgische Huishoudens (Vlaamse subset). Dezelfde items werdenvrouwen aan de respondenten voorgelegd, met dezelfde techniek. We voerden de analyse uit op de gegevens van 1992 en deze van 1995. We komen tot de bevinding dat de schaal een normale verdeling vertoont, met iets meer nadruk op de materialistische items. In 1992 bevindt 54% van de respondenten zich in de groep zeer materialistisch tot eerder materialistisch, in 1995 64%. Het materialisme neemt dus toe. Vermits het hier gaat over dezelfde respondenten kunnen we stellen dat het materialisme toeneemt naarmate de levensloop verder schrijdt. Dit geldt zowel voor mannen als voor vrouwen. Voorts lezen we ook in de grafieken dat er slechts geringe verschillen zijn naar geslacht en dat – anders dan bij Elchardus (1990) – de vrouwen eerder naar het postmaterialisme neigen en mannen eerder naar het materialisme.
10 Figuur 3: Materialisme: percentages mannen en vrouwen (bron=PSBH) 1992 (N=3670)
1995 (N=2454)
Omdat de intercorrelatie tussen de items niet zo groot is (Cronbach’s alpha=0.55) lijkt het ons 1992 1995 zinvol om ook met de items apart verder te werken9. 40
40
De variantie-analyse voor de werkenden en niet-werkenden afzonderlijk is in de meeste 30 30 gevallen een maat voor niets. Voor de niet-werkenden kunnen we maximaal slechts 10% 20 verklaren, met name voor het item “Prijsstijgingen 20tegengaan” (3). Het geslacht van de respondent doet niet ter zake. Dit geldt ook voor het 10 totaal van de schaal. Hetzelfde item 10 differentieert het meest bij de werkenden: we kunnen0 19% van de variantie verklaren. Ook 0 hier speelt het 2geslacht geen4 rol. De totale schaal bij de werkenden kunnen we 1 2 3 4 voor5 10% 6 1 3 5 6 verklaren: het geslacht biedt een significante bijdrage in de verklaring, naast opleiding, vrouwen mannen samen beroepscategorie, arbeidsvolume en aantal kinderen. vrouwen mannen samen Uit de bivariate analyse10 blijkt dat het materialisme stijgt met de leeftijd. Maar in de multivariate analyse verdwijnen deze effecten grotendeels. Het postmaterialisme neemt toe naarmate het opleidingsniveau stijgt. Dit strookt met de onderzoeken van Elchardus (1990) en De Graaf (1988). Er is echter hoegenaamd geen verschil tussen mensen met een HOBU- of universitaire opleiding. Wat beroep betreft, blijken de kleine zelfstandigen het meest materialistisch zijn. Ook dit strookt met de resultaten van Elchardus. (1990; 181). Bedienden zijn het meest postmaterialistisch. Uitgesplitst naar geslacht stellen we echter vast dat de vrouwen in de hoogste beroepen het meest postmaterialistisch zijn (m.n. hoger bediende-kader en ondernemingsleidsters). De mannelijke ondernemingsleiders zijn veel minder postmaterialistisch. Naarmate men meer uren werkt, wordt men meer materialistisch. Maar de arbeidsuur heeft slechts op twee uitspraken effect, namelijk “een vriendelijkere en minder onpersoonlijke samenleving uitbouwen” en “een samenleving uitbouwen waar ideeën belangrijker zijn dan geld”.
11 De spreiding van het individualisme en van het postmaterialisme in de Vlaamse samenleving ontsnapt grotendeels aan de klassieke sociologische analyse. We kunnen nauwelijks subgroepen afbakenen die homogeen denken. De kans dat we in Vlaanderen mensen aantreffen die het “eigenbelang” steevast boven de nood aan verbondenheid plaatsen is klein. We zullen ze iets minder ontmoeten bij de hoger opgeleiden en bij de mensen met kinderen, maar de kans dat we ons vergissen blijft groot. Belangrijk voor onze invalshoek is dat vrouwen in deze weinig van mannen verschillen: haar houding is even onvoorspelbaar. De kans dat we in Vlaanderen mensen aantreffen die of een uitsluitend materialistische of een uitsluitend postmaterialistiche visie hebben is evenzeer klein: meestal zijn elementen uit beide waardenkaders gecombineerd. Postmaterialisten zullen we eerder tegenkomen bij hoger opgeleiden en bij mensen met kinderen, maar de kans om ons te vergissen dan is beslist niet kleiner dan in het geval van het individualisme. Werkende vrouwen kiezen meer postmaterialistische waarden dan werkende mannen, maar ook hier is het verschil beperkt. De derde groep van stellingen peilt naar de mate waarin de respondenten aan vrouwen en mannen specifieke rollen, verantwoordelijkheden, vaardigheden toeschrijven. Uiteindelijk gaat het over het minder of meer ondersteunen van het streven naar gelijkheid tussen mannen en vrouwen.
3 ROLPATRONEN 3.1. Achtergrond De moderniseringstheorie (zie inleiding) stelt dat vrouwen en mannen geleidelijk aan minder gebonden worden aan specifieke rolverwachtingen. Als bewijs wordt veelal de toenemende participatie van de vrouwen aan de arbeidsmarkt genoemd; vele onderzoeken komen tot de conclusie dat de deelname van mannen aan onbetaalde arbeid slechts zeer langzaam evolueert. (Vanherck et.al., 1997, De Bruyn, 1997) In deze materie speelt het individualiseringsproces dus vooral door in de levensloop van de vrouwen. Het is interessant om na te gaan of er zich in de mentaliteit een toenadering voordoet. Langs de ene kant kunnen we wel verwachten dat mannen en vrouwen steeds meer dezelfde opvattingen delen, en met name opvattingen die de gelijkheidsgedachte ondersteunen. Immers het kostwinnersgezin is een historische constructie die slechts tijdens de eerste helft van de 20e eeuw de modale leefwijze was in de bevolking. (Van Dongen, 1996) Langs de andere kant mogen we de herverdeling van de onbetaalde arbeid niet als een neutrale aangelegenheid bekijken. Als vrouwen betaalde arbeid verrichten, dan is er overduidelijk een materiële baat aan verbonden: een eigen inkomen, meer zeggingsmacht in het gezin. Als mannen onbetaalde arbeid verrichten dan liggen de baten veeleer in de symbolische orde: een blijk van dankbaarheid van de partner. De “incentives” om van gedachte en van gedrag te veranderen zijn eerder beperkt. Elisabeth Beck- Gernsheim stelt zelfs dat de verschillen inzake rolverwachtingen tussen mannen en vrouwen toenemen omdat vrouwen de gelijkheidsideeën sneller internaliseren dan mannen. Bij mannen verloopt het emancipatieproces langzamer. Daarenboven is dit proces bij hen veeleer een zaak van abstracte ideeën, terwijl vrouwen het (willen) toepassen in hun dagelijks leven. “Onderzoek toont aan dat vrouwen zichzelf nog meer geëmancipeerd willen zien dan ze zijn en hun mannen willen het tegendeel; mannen willen slechts in geringe mate
12 zich ontwikkelen in de richting van ‘nieuwe man’, hun vrouwen willen dat ze veel sterker veranderen.” (Beck -Gernsheim, 1992) Dat vrouwen ‘vooruitstrevend’ blijken te zijn op het vlak van de rollenpatronen, wordt ook bevestigd door ander onderzoek. Zo blijkt uit de Europese waardenstudie dat vrouwen toleranter zijn voor een vrouwelijke tewerkstelling (Mok en Van Goethem, 1992) Ander onderzoek naar arbeidsoriëntaties en rolmodellen toont aan dat tussen 1985 en 1990 ongeveer 11% mannen is geëvolueerd naar een meer moderne visie op rolmodellen, terwijl dit bij de vrouwen 22% is. Dit sluit aan bij de idee dat vrouwen ‘sneller’evolueren. (Zanders e.a., 1994; 122) 3.2. Analyse De respondenten zijn voor elke uitspraak in twee groepen gedeeld. De eerste groep bevat de respondenten die t.a.v. die uitspraak een egalitaristische houding hebben. Zij zijn het helemaal eens of eens met deze stellingen waarin een gelijk rollenpatroon wordt voorgesteld. Bijvoorbeeld “Strijken is evengoed een taak van de man als van de vrouw.” Zij zijn het helemaal oneens of oneens met stellingen die een ongelijke rollenverdeling voorstaan. Bijvoorbeeld: “Een vrouw is beter geschikt om kinderen op te voeden dan een man.” De tweede groep bevat de respondenten die géén egalitaristisch antwoord geven. In de onderstaande tabel staan de frequenties van de egalitaristen per item weergegeven, zowel algemeen als voor mannen en vrouwen apart. Via de chi-kwadraattoets is nagegaan of er significante verschillen zijn tussen beide geslachten. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Strijken is evengoed een taak van de man als van de vrouw Een vrouw is beter geschikt om kinderen op te voeden dan een man Voor een meisje is het niet zo belangrijk als voor een jongen om een goede schoolopleiding te hebben De vaat doen is evengoed een taak van de man als van de vrouw Jongens kun je nu eenmaal vrijer opvoeden dan meisjes Het is onnatuurlijk als een vrouw in een bedrijf leiding uitoefent over mannen Een man is beter geschikt om een lekke band te vervangen dan een vrouw Mannen en vrouwen zijn even geschikt om kleine kinderen op te voeden
Tabel D: De verdeling van egalitaristen over de verschillende items (N=1577) totaal 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
freq. 974 663 1404 1398 1162 1373 444 1081
% 61.8 42.0 89.0 88.6 73.7 87.1 28.2 68.5
vrouwen freq. % 512 62.67 4261 52.14 734 89.84 2 743 90.94 2 628 76.87 721 88.25 2631 32.19 1 599 73.32
mannen Freq. % 462 60.79 237 31.18 670 88.16 655 86.18 534 70.26 652 85.90 181 23.82 482 63.42
1 p<=0.001 2 p<=0.005 (volgens chi2-toets) (Item 6: N=1576)
Uit deze tabel kunnen we concluderen dat er bij elk item meer egalitaire vrouwen dan egalitaire mannen zijn. Er zijn slechts 3 uitspraken waar de verschillen tussen mannen en
13 vrouwen weinig betekenisvol zijn, namelijk inzake de strijk, de schoolopleiding en het vrouwelijk leiderschap. Daarnaast is er een groot verschil tussen de items onderling: op sommige stellingen geeft de grote meerderheid een ‘egalitair’ antwoord. Zo is 89% van de respondenten het (helemaal) oneens met de stelling dat een goede schoolopleiding voor een meisje minder belangrijk is dan voor een jongen. In Nederland vond men in 1990 gelijkaardige resultaten: daar bleek 90% van de mannelijke en 92% van de vrouwelijke respondenten het (helemaal) oneens met deze stelling. (Zanders e.a. 1994; 120) Ook inzake leidinggevende vrouwen wordt eerder ‘progressief’ gedacht. 87% van de respondenten gaat niet akkoord met de stelling dat het onnatuurlijk zou zijn dat vrouwen leiding uitoefenen. Ook hier werden gelijkaardige resultaten gevonden in Nederland: 88% van de mannen en 90% van de vrouwen was het niet eens met deze stelling in het Nederlandse onderzoek. (Zanders e.a., 1994; 120) Andere stellingen blijken nog een drempel te vormen: zo is slechts 28% van de respondenten het (helemaal) oneens met de stelling dat mannen beter geschikt zijn om een lekke band te vervangen. Een verklaring hiervoor kan zijn dat het vervangen van een lekke band fysieke kracht vereist. Ook mensen die ‘egalitair’ denken zijn het er mee eens dat de domeinen waartoe fysieke kracht vereist is, mannelijke domeinen zijn. Het opvoeden van kinderen blijkt dan weer een ‘vrouwelijk’domein te zijn. Dat vrouwen beter geschikt zijn voor de opvoeding van kinderen wordt door minder dan de helft van de respondenten betwist. Het is nochtans op dit vlak dat de verschillen tussen mannen en vrouwen het grootst zijn: slechts 31 % van de mannen is het oneens met deze stelling t.o.v. 52% vrouwen. M.a.w. meer vrouwen dan mannen achten mannen evengoed geschikt om kinderen op te voeden. Deze percentages sluiten dicht aan bij het Nederlandse onderzoek: op de vraag of vrouwen beter geschikt zijn om kinderen op te voeden, antwoordt daar 54% van de vrouwen negatief, t.o.v. 34% van de mannen. (Zanders e.a., 1994; 120) Vreemd is wel dat men inzake de opvoeding van kleine kinderen wel meer progressief denkt. Misschien speelt de richting waarin de uitspraak is geformuleerd wel een rol: mensen die het eens zijn met uitspraak 2 (vrouwen zijn beter geschikt...) zijn immers niet egalitair, mensen die het eens zijn met uitspraak 8 (mannen en vrouwen zijn even geschikt...) wel. Wat zuiver huishoudelijke taken betreft, m.n. de vaat en de strijk, merken we dat de vaat een minder hoge drempel vormt voor mannen dan de strijk. Dit is een goede weerspiegeling van het feitelijke rolgedrag. Immers, van den Akker toont op basis van een opiniepeiling in Nederland aan dat de was en strijk nauwelijks door mannen worden gedaan. “Een relatief groter aandeel wordt aangetroffen bij de afwas doen en de boodschappen.” (van den Akker, 1994; 143) Ook in de studie van R. Vanherck wordt aangetoond dat “de herverdeling van wassen en strijken het hardnekkigst blijft.” (Vanherck, 1997; 62) Uit de items hebben we ook een schaal samengesteld.11 In figuur 4 staat de verdeling van mannen en vrouwen weergegeven over de rollenschaal. Hoe hoger de X-waarde, hoe meer men voor een gelijke verdeling van rollen is.
Figuur 4: De rollenschaal. Percentages mannen en vrouwen Werkenden (N= 825)
Niet werkenden (N=751)
14
Chi2 =78.542 p= 0.001
Chi²=13.344 p=0.101
Uit bovenstaande figuur blijkt dat de respondenten overwegend egalitair denken. In de groep werkenden niet-werkenden meest egalitairen zitten echter duidelijk meer vrouwen dan mannen. Vooral de werkende vrouwen denken egalitair. Hierbij moet wel de bedenking worden geplaatst dat het niet is 25 25 omdat mensen egalitair denken dat ze ook egalitair handelen. Uit onderzoek blijkt dat de link 20 tussen opvattingen en concreet gedrag niet overdreven 20 mag worden: zo stelt van de Akker vast 15 15 dat opvattingen van mannen en vrouwen over de rolverdeling minder traditioneel zijn dan 10 10 opvattingen en gedragingen minder gedragingen. Verder toont hij aan dat de relatie tussen 5 aantoonbaar is dan verwacht. “Vaak zeggen mannen5 en vrouwen het juist te vinden dat vrouwen verantwoordelijkheden buitenshuis aanvaarden, 0 0 maar zij verbinden daaraan niet de 1 2die daar 3 4voor 5hun 6eigen7 functioneren 8 consequentie uit zouden 1 2 moeten 3 4 vloeien.”(van 5 6 7 den 8 Akker, 1994;162) Daarenboven stelt de auteur dat de richting van het verband tussen vrouwen mannen samen vrouwen mannen samen opvattingen en gedragingen niet duidelijk is. De samenhang tussen het geslacht en de items afzonderlijk of tesamen zou een artefact kunnen zijn van de samenstelling van de groep vrouwen en mannen in het sample. Dit is evenwel niet het geval. Er blijft een overduidelijk netto-effect van het geslacht na controle met de andere kenmerken. We voerden de analyse uit voor elk item en de schaal afzonderlijk voor de werkenden en niet werkenden. In onderstaande tabel worden enkel de resultaten i.v.m. de schaal weergegeven, voor de uitspraken apart verwijzen we naar de bijlagen. De verklaringskracht van het model is zeer behoorlijk; 22% voor de groep van de werkenden; 25% voor de groep van de nietwerkenden. De bijdrage van het al dan niet samenwonen met een partner en van het kinderaantal aan de verklaring is klein. De andere factoren blijken de opvattingen over rolpatronen sterk te bepalen. Tabel E: Variantie-analyse op de rollenschaal; p-waarden voor werkenden en nietwerkenden Geslacht Leeftijd Opleiding Partner (samenwonend of niet) Kinderaantal Statuut Beroep Volume R²
Werkenden (N=725) .000 .000 .000 .259 .117 .000 .000
Niet-werkenden (N=596) .001 .000 .000 .695 .143 .000 -
.22
.25
Uit de bivariate analyse12 kunnen we opmaken dat mensen meer egalitair denken naarmate ze jonger zijn én naarmate ze hoger zijn opgeleid. Dit sluit aan bij voorafgaand onderzoek, waar men vaststelt dat lager geschoolden eerder een traditioneel rollenpatroon voorstaan. (Vanherck, 1997) Een opmerkelijke vaststelling is echter dat de verschillen tussen mannen en
15 vrouwen het grootst zijn bij de jongste groep respondenten én bij de groep hoogstgeschoolden13. Dit sluit aan bij wat E. Gernsheim beweert, m.n. dat de verschillen tussen mannen en vrouwen toenemen. Inzake beroep, blijken de hogere bedienden en kaderleden het meest progressief. Vrouwelijke ondernemingsleidsters, groothandelaars of vrije beroepsuitoefenaars sluiten hier echter dicht bij aan. Mannelijke ondernemingsleiders echter niet. Het verschil tussen mannen en vrouwen binnen deze categorie is erg groot. Wat aantal uren dat men werkt betreft, stellen we vast dat de groep die tussen 19 en de 37 uur werkt het meest egalitair denkt. In tegenstelling tot de opvattingen over wat een mens moet leiden in zijn levenskeuzen (individualisme-schaal) en over wat de taak van de samenleving is in de bevordering van het welzijn van de burgers (materialisme-schaal) zijn de opvattingen over de specificiteit van de maatschappelijke positie van vrouwen en mannen te binden aan het geslacht van de respondent. Vrouwen en mannen verschillen niet van elkaar op grond van hun geslacht inzake levensfilosofie en inzake politieke filosofie, maar wel omdat ze minder goed opgeleid zijn, eerder kinderen hebben, een lager arbeidsvolume hebben. Maar ze verschillen wél van elkaar op grond van hun geslacht waar het gaat over de rolverwachtingen. Deze verschillen vervagen niet met de komst van nieuwe cohorten en met de democratisering van het onderwijs; ze worden nog verscherpt. We sluiten deze bijdrage af met een discussie van deze onderzoeksresultaten, waarbij we teruggrijpen naar de moderniseringstheorie die we beknopt weergaven in de inleiding.
4. DISCUSSIE In de tweede helft van de twintigste eeuw werden vele grenzen verlegd, ook de grenzen van wat vrouwen en mannen behoren te doen om hun geslachtsidentiteit te bewaren. Je kunt “mannelijke’ waarden beleven, en toch vrouw blijven en – vooral – vice versa. Althans, zover de thesis van het individualiseringsproces. Het begrip “gender” zou minder en minder relevant worden; de verscheidenheid binnen de groep van vrouwen en binnen de groep van mannen zou groter worden dan het verschil tussen vrouwen en mannen. Kortom de waarden, normen, bekommernissen en prioriteiten zouden niet meer afgeleid kunnen worden vanuit het geslacht. Als we de twee eerste onderzoeksresultaten bekijken dan ziet het ernaar uit dat voorgaande thesis bevestigd wordt. Waar vroeger onderzoek aantoonde dat vrouwen minder utititair individualistisch denken, nemen we nu geen verschillen meer waar. Waar het materialisme in vroeger onderzoek eerder een zaak van de vrouwen bleek te zijn (vooral na de gezinsvorming) observeren we nu nog enkel nuanceveschillen. Deze verschillen zijn niet eenduidig interpreteerbaar in die zin dat vouwen of mannen meer materialistisch denken; het zijn eerder accentverschillen binnen de materialistische items zelf. In levensfilososofie en politieke filosofie verschillen de geslachten niet van elkaar. Opmerkelijk is daarbij dat vrouwen en mannen zich in meerderheid bevinden op posities die in vroeger onderzoek aan de vrouwen werden toegedicht. Het lijkt dat de evolutie de richting uitgaat van het vrouwelijke waardenpatroon. D.w.z. mannen nemen hoe langer hoe meer de vrouwelijke waarden over. Dit is verrassend, want doorgaans wordt aangenomen dat het de
16 mannen zijn die de samenleving maken, veranderen en vernieuwen. Vrouwen worden verondersteld de traditie over te dragen. (Felling, Peters, Schreuder, 1983; 163) Uit ons onderzoek blijkt dat vrouwen eerder bepalen welke waarden vernieuwend zijn. Zo blijkt dat een groot deel van de bevolking ‘solidaristisch’ is, i.p.v. individualistisch. Vroeger waren de vrouwen vooral minder utilitair individualistisch. Daarnaast stellen wij ook vast dat er terug meer mensen materialistisch zijn, terwijl Elchardus vaststelde dat de meerderheid van de bevolking postmaterialistisch was en dat het materialisme vooral een zaak van vrouwen was. Ook inzake rollenverdeling zien we dat jongere generaties mannen en vrouwen meer egalitair denken terwijl dit vroeger bijna uitsluitend een zaak van vrouwen was. De aanwezigheid van vrouwen in de besluitvormingscenakels van overheid en industrie zal dus geen aardverschuiving teweeg brengen. Het gaat over hoger geschoolden die, net als hun mannelijke collega’s, iets meer dan de doorsnee burger solidaristisch denken en – misschien – iets meer oordelen dat de samenleving verantwoordelijk is voor het welzijn, de levenskwaliteit van de bevolking. De antwoordpatronen op de rollenschaal - en dan vooral het significante verschil tussen vrouwen en mannen, na controle voor andere omstandigheden – tonen aan dat we het begrip “gender” toch maar best niet naar de prullenbak slepen. Daar gaat het immers niet over filosofie, wél over de verdeling van arbeid en verantwoordelijkheid. Daar gaat het over botsende opvattingen over wat vrouwen en mannen behoren te doen, over normen inzake de organisatie van het dagelijks leven. Mannen accepteren slechts met mondjesmaat dat zij een taak hebben in het huishouden en bij de opvoeding; maar vrouwen hebben massaal de gedachte van gelijkheid in gezinsrollen geïnternaliseerd. Het ritmeverschil in de verspreiding van deze ideeën maakt dat de verschillen toenemen: de verschillen tussen mannen en vrouwen zijn het grootst bij de jongste categorie respondenten en bij de meest opgeleiden. De jongere mannen en hoger opgeleide mannen zijn wel meer egalitair dan de anderen, maar ze halen zeker het niveau van de vrouwen niet. Het lijkt alsof in de wedren naar meer egalitarisme, vrouwen dubbel zo snel lopen dan mannen. De levensloop van vrouwen is losgewrikt: zij zijn het die vooral te maken krijgen met de keuzedwang van de moderniteit. Er is daarbij een flagrante tegenstelling tussen haar overtuigingen en deze van haar omgeving (mannelijke werkgever, collega, partner). We mogen niet uit het oog verliezen dat deze opvattingen over de rolpatronen niet enkel door het geslacht worden verklaard, maar evenzeer door leeftijd, opleiding en bijkomend door aard van het beroep en arbeidsvolume voor de werkenden of door het statuut voor de nietwerkenden. Concreet betekent dit dat er binnen de vrouwengroep minstens evenveel verschillende opvattingen leven als tussen vrouwen en mannen. Kortom, het begrip “gender” werkt nog wel, maar het effect wordt versterkt of afgezwakt met de aanwezigheid van andere kenmerken. Ook dit is het gevolg van het individualiseringsproces. Jet Bussemaker stelt het als volgt: ééndimensionale kenmerken zoals sekse zijn steeds minder een vanzelfsprekende categorie. De categorie vrouwen vertoont onderling grote verschillen; dit komt omdat iemands positie evengoed mee wordt bepaald door leeftijd, leefsituatie en etnische achtergrond. Wegens de ‘verknoping’ van verschillende kenmerken, zijn groepen minder gemakkelijk dan vroeger van elkaar te onderscheiden. (Bussemaker, 1996; 14-15) Dit gegeven vormt een uitdaging voor de sociologie : we zullen dieper moeten graven dan de schijnbare gelijkheid (bv. voltijds werken of deelname aan vrijwilligerswerk) om de sociale
17 ongelijkheid naar boven te halen. Bovendien heeft het onverwachtse gevolgen voor het beleid, in dit geval speciaal voor het gelijkekansenbeleid. Doelgroepen - of achterstellingsbeleid wordt bijvoorbeeld steeds moeilijker. “Het kan bovendien leiden tot onbedoelde effecten, bijvoorbeeld door stereotypering en stigma-vorming in plaats van emancipatie en acceptatie.” (Bussemaker, 1996; 15) Een achterstellingsbeleid kan ertoe leiden dat bepaalde perspectieven uit het oog worden verloren, bijvoorbeeld dat er verschillende soorten achterstelling kunnen zijn (bijv. ook mannen kunnen een achterstand hebben). Wanneer dit achterstellings- of doelgroepenbeleid wordt losgelaten, betekent dit een breuk met beleid waarin verschillen per definitie als negatief worden gezien. Deze erkenning van verschillen impliceert ook dat ‘sekse’ gerelativeerd wordt; het sekse-onderscheid is niet altijd het meest onderscheidende criterium : leeftijd of etniciteit kan dit ook zijn. (idem; 95) De erkenning van verschillen betekent echter niet dat men de ongelijkheid mag verwaarlozen. Er moet zeker een alertheid inzake ongelijkheid blijven bestaan. Het probleem is echter dat deze ongelijkheid minder herkenbaar is, omdat ze niet meer binnen één categorie kan worden gesitueerd. In dat verband spreekt Jet Bussemaker over de ‘individualisering van de ongelijkheid.’ (idem; 95) De hooggeschoolde vrouwen in de diverse raden en in hogere kaderfuncties zullen wellicht zéér overtuigd zijn van de principiële gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Dit gevoel zal wellicht versterkt worden omdat ze “gemengde” coalities zullen vormen rond bepaalde strijdpunten van het beleid. Maar ze zullen tegen veel onbegrip botsen als het zal aankomen op het nemen van de consequenties van de gelijkheid. Zullen de vergaderuren aangepast worden aan haar gezinsverantwoordelijkheden? Zal haar gezinsorganisatie aangepast worden aan het ritme en de eisen van een hooggekwalificeerde job? O.i. zal het verschil gemaakt worden op dit heel concrete niveau van de organisatie van het dagelijks leven. En precies daar wringt het schoentje: een palet aan mogelijkheden van combinatie tussen betaald en onbetaald werk wordt aan de vrouwen aangeboden; mannen hebben slechts een zeer beperkte keuze. Indien dit zo blijft, kan er geen schot komen in de afstemming van de bedrijfscultuur op de gezinscultuur.
18
BIBLIOGRAFIE BECK-GERNSHEIM, E. (1992) Arbeitsteilung, selbstbild und lebensentwurf. Neue Konfliktlagen in der familie. In: Kolner zeitschrift fur sociologie und sozialpsychologie. Jg.44, 273-291 BERGER, P. L. en BERGER, B. (1993) Sociologie. Een biografische opzet. (20e druk) Baarn: Ambo. BUSSEMAKER, J. (1993). Betwiste zelfstandigheid: individualisering, sekse en verzorgingsstaat. Amsterdam: SUA BUSSEMAKER, J. (red.) (1996) Struikelblokken en verbindingswegen. Nieuwe oriëntaties voor het emancipatiebeleid. ‘s Gravenhage: VUGA. DE BRUYN, S. (1997) De herverdeling van huishoudelijke arbeid: introductie van een interactiemodel. PSW-Papers, Antwerpen, UIA DE GRAAF, N. D. en DE GRAAF., P.M. (1988). De samenhang tussen leeftijd en postmaterialistische waardenpatronen. Sociologische Gids. Nr.35, 1988, 397-417 ELCHARDUS, M. and HEYVAERT, P. (1990). Soepel, flexibel, ongebonden. Een vergelijking van twee laat-moderne generaties. Brussel: VUB-press ELCHARDUS, M., HUYSSEUNE, M. En SCHEYS, M (1991) Vrouwelijkheid en universitaire studiekeuze pg. 27 - 56 in: Scheys, M. (ed.) Rapporten en perspectieven omtrent vrouwenstudies. Brussel: VUB press FELLING, A., PETERS, J. en SCHREUDER O. (1983). Burgerlijk en onburgerlijk Nederland. Een nationaal onderzoek naar waardenorientaties op de drempel van de jaren tachtig. Deventer, Van Loghum Slaterus. LAERMANS, R. (1991) Van collectief bewustzijn naar indivdiuele reflexiviteit. Media, consumptie, en identiteitsconstructie binnen ‘de reflexieve moderniteit’. In: Vrijetijd en samenleving. 9e jg. Nr. 3-4: 99-118. LAERMANS, R. (1994) Discussie: De ene individualisering is de andere niet. Kanttekeningen bij Waeges poging tot empirische toetsing. In:. Tijdschrift voor sociologie, vol.15, nr. 3-4. 357-369. LAUWERS, J., De Belg aan het werk. Pp. 151-180 in: Kerckhofs, J. en Rezsohazy, R. (red.) (1984) De stille ommekeer. Oude en nieuwe waarden in het België van de jaren 80. Tielt, Weesp: Lannoo Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (1997). De duale samenleving: percepties van de Vlamingen anno 1996. Resultaten op basis van de APS-survey ‘Culturele verschuivingen in Vlaanderen’. Staticana 17, Brussel. MOK, A.L. en VAN GOETHEM, Red. J. Kerckhofs en R. Rezsohazy W. Werken in de prestatiemaatschappij. Pp. 69-92 in: Kerckhofs, J. en Dobbelaere, K.(1992) De versnelde ommekeer. Waarden van Vlamingen, Walen en Brusselaars in de jaren negentig. Tielt; Lannoo VAN DEN AKKER, P. en VAN DEN AVORT, A. en VAN DEN ELZEN, A. (1994). “Rolgedrag van mannen en vrouwen: gemankeerde emancipatie.” Pp. 135-166 in De cultuur van de verzorgingsstaat. Een sociologisch onderzoek naar waardenorientaties in Nederland., edited by P. H. Ester, L. Tilburg.: Tilburg University press VAN DONGEN, W. EN PAUWELS, K. (1996) Hoofdstuk 7: Gezinnen, arbeid en inkomen. Pp. 180-201 in: R. CLIQUET (red.) CBSG-Monografie 1996/2 Gezinnen in de verandering. Veranderende gezinnen. Brussel, CBGS
19 VANHERCK, R., JACOBS, Th. En DUYSTERS, A. (1997). Emancipatie en Arbeid: in de schaduw van het kostwinnersgezin? Een onderzoek naar de verdeling van arbeid in de Vlaamse huishoudens. Antwerpen: Centrum voor Vrouwenstudies, UIA WAEGE, H. (1994) Individualisering, sociale integratie en solidariteit: enkele thesen empirisch getoetst.in Tijdschrift voor sociologie, vol. 15, nr. 3-4 ZANDERS, H., VAN DEN ELZEN, A. en VASTENHOUT, S. Arbeid in beweging. Veranderende arbeidsoriĂŤntaties en rolmodellen. Pp. 101-134 in: Ester, P. En Halman, L.(1994) De cultuur van de verzorgingsstaat. Een sociologisch onderzoek naar waardenoriĂŤntaties in Nederland. Tilburg: University Press.
20
Bijlagen Bijlage 1: Solidarisme Om vanuit de verschillende uitspraken een schaal te construeren, zijn we als volgt tewerk gegaan. We behielden de tweedeling solidaristen-rest. Elke respondent kreeg 10 punten voor de items waarop hij/zij een solidaristisch antwoord gaf en 1 punt indien zij een nietsolidaristisch antwoord gaven. Dan werd per respondent de totaalscore berekend. Deze varieerde van 7 tot 70 (70 voor de respondenten die 7 keer een solidaristisch antwoord gaven, 61 voor de respondenten die 6 keer een solidaristisch antwoord gaven enz...) De resultaten werden omgezet zodat een schaal van 1 tot 8 werd bekomen. De mensen met score 8 zijn het meest solidaristisch, de mensen met score 1 het minst. Het voordeel van deze verwerking van de schaal is enerzijds het respect voor het meetniveau en anderzijds de reproduceerbaarheid: van iemand met score 8 weet je exact hoeveel ‘solidaristische’ antwoorden hij/zij gegeven heeft. Er waren geen respondenten met een afwijkende totaalscore. De frequentieverdeling van de schaal is weergegeven in tabel 1. Tabel F: De solidarisme-schaal. Waarden en hun frequenties (N=1575) Individ. 8 (70) 7 (61) 6 (52) 5 (43) 4 (34) 3 (25) 2 (16) 1 (7)
Algemeen Freq. % 328 20.8 290 18.4 271 17.2 239 15.2 183 11.6 118 7.5 75 4.8 71 4.5
Vrouw Freq. 182 153 137 109 90 71 41 32
Man % 22.33 18.77 16.81 13.37 11.04 8.71 5.03 3.93
Freq. 146 137 134 130 93 47 34 39
% 19.21 18.03 17.63 17.11 12.24 6.18 4.47 5.13
NMissing=2. Cronbach’s alpha voor de correlatie tussen de verschillende items=0.72 Geslacht*schaal: Chi2= 11.079
p=0.135
In onze analyse hebben we de volgende variabelen betrokken: leeftijd, opleiding, sociale categorie, samenwonen een partner en het kinderaantal. Voor elke variabele geef ik de klasseindeling met telkens het gemiddelde op de solidarisme- schaal, apart voor mannen en vrouwen. De gemiddelden die onderstreept zijn, verschillen significant van elkaar volgens de T-toets voor het vergelijken van gemiddelden. Tabel G: Leeftijd. Frequenties en gemiddelden op de solidarisme-schaal Leeftijd <25 25-34 35-44 45-54 55-64 >65 Totaal
Algemeen Freq. Gemidd. 203 5.42 284 5.36 334 5.80 273 5.61 233 5.70 248 5.48 1575
Vrouwen Freq. Gemidd. 101 5.43 127 5.53 179 5.85 146 5.68 122 5.67 140 5.43 815
Freq. 102 157 155 127 111 108 760
Opmerking: dit is de leeftijd op 1/1/1997. Missing Values=2 Leeftijd*solidarisme-schaal. Chi2=31.51 p=0.64
Mannen Gemidd. 5.41 5.23 5.74 5.53 5.74 5.54
21 Voor de verdere analyses beperken we ons tot de groep 25 tot 64-jarigen (de eerste en laatste klasse laten we buiten beschouwing). Het aantal respondenten komt dan op N=1124 te liggen.
Tabel H: Opleiding. Frequenties en gemiddelden op de solidarisme-schaal Opleiding Laaggesch. Hoger Sec. Hobu Unif
Algemeen Freq. Gemidd. 455 5.32 303 5.63 215 6.23 106 5.91
Vrouwen Freq. Gemidd. 243 5.35 170 5.74 112 6.45 35 5.77
Mannen Freq. Gemidd. 212 5.28 133 5.50 103 5.99 71 5.98
Totaal
1079
560
519
Missing values= 45 Opleiding*solidarisme: chi2=50.90 p=0.001
Tabel I: Professionele categorie. Frequenties en gemiddelden op de solidarisme-schaal Algemeen Freq. Gemidd. 194 5.35 314 5.85 96 5.67
Prof. Cat. Arbeider Bediende Hoger bediende/ Kader Kleine zelfst. Ond.leider Andere
78 27 41
Totaal
Vrouwen Freq. Gemidd. 47 4.87 169 5.95 27 6.15
5.32 5.70 5.19
32 6 20
750
5.34 6.67 5.40
301
Mannen Freq. Gemidd. 147 5.50 145 5.74 69 5.48 46 21 21
5.30 5.43 5.00
449
*Ondernemingsleider, groothandelaar, vrij beroep
Tabel J: Uren arbeid. Frequenties en gemiddelden op de solidarisme-schaal Aantal uren <19u 19-37u >37u
Algemeen Freq. Gemidd. 38 5.21 139 6.02 505 5.54
Totaal
682
Missing values=68 Uren arbeid*solidarisme chi2= 11.991
Vrouwen Freq. Gemidd. 32 5.09 107 6.02 143 5.73
Mannen Freq. Gemidd. 6 5.83 32 6.03 362 5.46
252
400
p= 0.607
22
Tabel K: Sociale categorie. Frequenties en gemiddelden op de solidarisme-schaal Soc. Cat. Huisvrouw/man Werkloos Pensioen Andere
Algemeen Freq. Gemidd. 160 5.73 70 6.03 105 5.58 39 5.00
Vrouwen Freq. Gemidd. 160 5.73 45 6.07 47 5.55 21 4.76
Mannen Freq. Gemidd. 25 5.96 58 5.60 18 5.28
Totaal
374
273
101
Opleiding*solidarisme-schaal: chi2=15.220 p= 0.812
Tabel L: Woont u samen met een partner? Frequenties en gemiddelden op de solidarisme-schaal (N=1124) Partner Ja Neen
Algemeen Freq. Gemidd. 923 5.69 201 5.32
Vrouwen Freq. Gemidd. 475 5.80 99 5.19
Mannen Freq. Gemidd. 448 5.57 102 5.45
Totaal
1124
574
550
Partner* solidarisme-schaal: chi2=13.096 p= 0.070
Tabel M: Aantal kinderen. Frequenties en gemiddelden op de solidarisme-schaal Kinderaantal 0 1 2 3 of meer*
Algemeen Freq. Gemidd. 259 5.34 226 5.41 403 5.65 236 6.09
Vrouwen Freq. Gemidd. 119 5.24 123 5.701 214 5.61 118 6.32
Vrouwen Freq. Gemidd. 140 5.42 103 5.07 189 5.70 118 5.86
Totaal
1124
574
550
*Max. 12 kinderen 1 p=0.02
Kinderaantal*solidarisme: chi2=40.227 p=0.007
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
De mensheid, onze naasten, solidariteit...wat een onzin allemaal, iedereen moet eerst voor zichzelf zorgen en zijn belangen verdedigen Men voelt zich pas echt gelukkig als men regelmatig iets voor anderen kan doen zonder van hen iets terug te verwachten Men moet steeds zijn eigen belang nastreven, en zich niet teveel van anderen aantrekken Ik voel me pas echt goed als ik me kan inzetten voor een gemeenschappelijk doel Wat telt zijn geld en macht, al de rest zijn praatjes Een mens kan zich maar gelukkig voelen als zijn medemens ook gelukkig is Het nastreven van persoonlijk succes is belangrijker dan te zorgen voor een goede verstandhouding met anderen
23 Tabel N: Variantie-analyse, solidarisme, de items apart (werkenden) Item geslacht 1 0.491 2 0.962 3 0.513 4 0.372 5 0.418 6 0.305 7 0.214
leeftijd 0.621 0.001 0.342 0.534 0.060 0.459 0.411
opleid. 0.000 0.292 0.000 0.020 0.000 0.452 0.002
Beroep 0.001 0.022 0.149 0.313 0.269 0.117 0.261
Uur 0.035 0.576 0.332 0.641 0.038 0.541 0.171
partner 0.255 0.311 0.742 0.213 0.682 0.307 0.218
kinder. 0.030 0.113 0.004 0.183 0.001 0.245 0.004
R2 0.09 0.06 0.07 0.04 0.09 0.04 0.06
Tabel O: Variantie-analyse, solidarisme: de items apart (niet werkenden) Item geslacht 1 0.014 2 0.765 3 0.899 4 0.746 5 0.075 6 1.000 7 0.057
Bijlage 2.
leeftijd 0.892 0.049 0.946 0.007 0.001 0.024 0.789
opleid. 0.026 0.156 0.000 0.259 0.018 0.203 0.012
statuut 0.362 0.229 0.514 0.004 0.000 0.148 0.128
Partner 0.368 0.376 0.760 0.989 0.551 0.670 0.568
kinder. 0.415 0.022 0.154 0.053 0.274 0.022 0.002
R2 0.04 0.05 0.05 0.07 0.09 0.05 0.06
Materialisme
Om uit de aparte items een schaal af te leiden, zijn we als volgt tewerkgegaan. De respondenten kregen voor elke materialistische waarde die ze vernoemden 1 punt. Voor elke postmaterialistische waarde kregen ze 10 punten. De items die niet vernoemd werden kregen 0 punten. De respondenten die op 1 of meerdere items een missing value hadden, werden uit de steekproef verwijderd. Dan werden de punten voor elke respondent opgeteld. Deze optelsom gaf vijf mogelijke scores1; gaande van 5 (voor de respondenten die 5 keer een materialistische waarde selecteerden) tot 40 (voor de respondenten die 5 keer een postmaterialistische waarde selecteerden). Deze scores werden nadien omgezet zodat een schaal met waarden van 1 tem 6 werd bekomen. Hoe meer iemands’ score naar 1 neigt, hoe meer materialistisch die persoon is, hoe meer de score naar 6 neigt, hoe meer postmaterialistisch. De enkelvoudige frequentie voor deze tabel is als volgt.
1
In de praktijk bleken er 48 respondenten met een andere score te zijn. Deze werden, samen met de 3 personen die deze vragen niet hebben beantwoord, als missing value beschouwd. Het aantal respondenten kwam voor deze schaal aldus op N= 1526 te liggen.
24
Tabel P: De materialisme-schaal. Waarden en hun frequenties (N=1526) Mater. 1 (5) 2 (14) 3 (23) 4 (32) 5 (41) 6 (50)
Algemeen Freq. % 58 3.8 296 19.4 567 37.2 422 27.7 160 10.5 23 1.5
Materialisme-schaal*geslacht: chi2= 7.494
Vrouwen Freq. % 25 3.17 153 19.42 295 37.44 211 26.78 92 11.68 12 1.52
Mannen Freq. 33 143 272 211 68 11
% 4.47 19.38 36.86 28.59 9.21 1.49
p= 0.186 Cornbach’s alpha=0.55
In onze analyse hebben we de volgende variabelen betrokken: leeftijd, opleiding, sociale categorie, hebben van een partner en het kinderaantal. Voor elke variabele geef ik de klasseindeling met telkens het gemiddelde op de materialisme-schaal, apart voor mannen en vrouwen. De gemiddelden die onderstreept zijn, verschillen significant van elkaar volgens de T-toets voor het vergelijken van gemiddelden.
Tabel Q: Leeftijd. Klassen: frequenties en gemiddelden LEEFTIJD <25 25-34 35-44 45-54 55-64 >65
Algemeen Freq. Gemidd. 197 3.66 278 3.38 322 3.35 265 3.26 227 3.01 237 2.91
Vrouwen Freq. Gemidd. 97 3.71 126 3.521 172 3.39 144 3.25 118 3.03 131 2.90
Mannen Freq. Gemidd. 100 3.61 152 3.26 150 3.31 121 3.28 109 2.99 106 2.92
totaal
1526
788
738
1 p=0.03 Opmerking: dit is de leeftijd op 1/1/1997. Missing Values=51 Leeftijd*materialismeschaal: Chi2 = 79.627 p= 0.001
Tabel R: Opleiding. Frequenties en gemiddelden op de materialisme-schaal Opleiding Laaggeschool Hoger sec. Hobu Unif
Algemeen Freq. Gemidd. 440 3.07 296 3.28 210 3.52 103 3.50
Vrouwen Freq. Gemidd. 236 3.09 167 3.411 109 3.61 35 3.60
Mannen Freq. Gemidd. 204 3.04 129 3.15 101 3.43 68 3.44
Totaal
1049
547
502
Missing values=43 1 p= 0.05
Opleiding*Materialisme: p= 0.001
Tabel S: Professionele categorie. Frequenties en gemiddelden op de materialisme-schaal
25 Algemeen Freq. Gemidd. 188 3.21 307 3.45 92 3.44
Prof. Cat. Arbeider Bediende Hoger bediende/ kader Kleine zelfst. Ondern.Leider* Andere
75 27 39
Totaal
Vrouwen Freq. Gemidd. 46 3.30 167 3.47 27 3.70
3.07 3.18 3.15
32 6 18
728
3.19 3.83 3.11
296
Mannen Freq. Gemidd. 142 3.18 140 3.42 65 3.34 43 21 21
2.98 3.00 3.19
432
* Ondernemingsleider, groothandelaar, vrij beroep.
Tabel T: Uren arbeid. Frequenties en gemiddelden op de materialisme-schaal Aantal uren <19u 19-37u >37u
Algemeen Freq. Gemidd. 37 3.49 138 3.50 491 3.26
Vrouwen Freq. Gemidd. 31 3.45 106 3.49 142 3.39
Mannen Freq. Gemidd. 6 3.67 32 3.53 349 3.21
totaal
666
279
387
Missing values=62 Uren arbeid * materialisme-schaal: chi2=18.51 p=0.047.
Tabel U: Sociale categorie. Frequenties en gemiddelden op de materialisme-schaal Sociale Cat. Huisvrouw/man Werkloos Pensioen Andere
Algemeen Freq. Gemidd. 155 3.17 70 3.16 100 3.05 39 3.33
Vrouwen Freq. Gemidd. 155 3.17 45 3.20 43 3.07 21 3.43
Mannen Freq. Gemidd. 0 25 3.08 57 3.04 18 3.22
Totaal
364
264
100
Sociale categorie*materialisme-schaal: chi2=21.68 p=0.12
Tabel V: Woont u samen met een partner. Frequenties en gemiddelden op de materialisme-schaal Partner ja neen totaal
Algemeen Freq. Gemidd. 901 3.26 191 3.30
Vrouwen Freq. Gemidd. 467 3.32 93 3.23
Mannen Freq. Gemidd. 434 3.19 98 3.38
1092
560
532
Partner*materisalismeschaal: chi2=3.96 p=0.56
Tabel W: Aantal kinderen. Frequenties en gemiddelden op de materialisme-schaal Algemeen
Vrouwen
Mannen
26 Kinderaantal 0 1 2 3 of meer
Freq. 251 218 397 226
totaal
1092
Gemidd. 3.38 3.12 3.24 3.33
Freq. 115 120 211 114
Gemidd. 3.41 3.18 3.30 3.35
560
Freq. 136 98 186 112
Gemidd. 3.35 3.05 3.16 3.31
532
kinderaantal* materialisme chi2=29.93 p=0.029
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13.
Orde handhaven De mensen meer inspraak geven in regeringsbeslissingen Prijsstijgingen tegengaan De vrije meningsuiting beschermen Het behouden van een hoge graad van economische groei Het land verzekeren van een sterk leger De mensen meer inspraak geven in beslissingen op het werk De leefomgeving van de mensen verbeteren Een stabiele economie behouden Misdadigheid bestrijden Een vriendelijkere en minder onpersoonlijke samenleving uitbouwen Een samenleving uitbouwen waar ideeĂŤn belangrijker zijn dan geld Weet niet
Tabel X: Variantie-analyse voor de werkenden Item geslacht 1 0.005 2 0.058 3 0.261 4 0.509 5 0.001 6 0.880 7 0.003 8 0.733 9 0.271 10 0.810 11 0.048 12 0.720 schaal 0.003
leeftijd 0.010 0.098 0.272 0.260 0.371 0.101 0.675 0.343 0.570 0.714 0.189 0.565 0.196
Schaal, variantie-analyse N=709
opleid. 0.024 0.792 0.000 0.000 0.291 0.102 0.001 0.000 0.082 0.012 0.002 0.232 0.000
Beroep 0.137 0.547 0.000 0.001 0.784 0.332 0.000 0.000 0.042 0.039 0.116 0.896 0.009
uren 0.196 0.119 0.214 0.085 0.394 0.113 0.031 0.903 0.748 0.453 0.006 0.009 0.024
partner 0.111 0.962 0.134 0.038 0.916 0.703 0.590 0.940 0.537 0.208 0.045 0.063 0.538
kinder 0.897 0.045 0.001 0.303 0.986 0.085 0.516 0.412 0.401 0.328 0.012 0.543 0.032
R2 0.06 0.04 0.19 0.09 0.03 0.04 0.09 0.07 0.04 0.05 0.08 0.04 0.10
27
Tabel Y: Variantie-analyse. De items apart en de materialismeschaal (niet-werkenden) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 schaal
Geslacht 0.040 0.378 0.503 0.688 0.742 0.354 0.284 0.737 0.998 0.949 0.026 0.512 0.163
Leeftijd 0.001 0.431 0.001 0.431 0.846 0.003 0.017 0.319 0.092 0.436 0.100 0.318 0.006
Opleid. Statuut Partner Kinder. 0.554 0.003 0.190 0.966 0.193 0.278 0.679 0.600 0.000 0.030 0.138 0.693 0.000 0.492 0.573 0.011 0.393 0.995 0.590 0.957 0.711 0.025 0.904 0.762 0.793 0.007 0.029 0.694 0.144 0.682 0.399 0.824 0.014 0.229 0.030 0.733 0.179 0.373 0.747 0.241 0.400 0.481 0.099 0.066 0.673 0.582 0.708 0.084 0.102 0.012 0.910 0.753
R2 0.07 0.03 0.10 0.05 0.01 0.06 0.06 0.03 0.05 0.03 0.05 0.03 0.06
Schaal, variantie-analyse N=575
Bijlage 3.
De rollenschaal
We hebben voor de items i.v.m. rollenpatronen een gelijkaardige schaal geconstrueerd als voor het solidarisme. De respondenten krijgen per item waarop ze een egalitair antwoord gaven 10 punten en voor de andere items 1 punt. De totaalscore van elke respondent kan dus ĂŠĂŠn van de volgende waarden hebben 80 (voor de repondenten die 8 keer een egalitair antwoord gaven) 71 (voor de respondenten die 7 keer een egalitair antwoord gaven), 62, 53, 44, 35, 26, 17, 8. Deze scores werden nadien omgerekend zodat een schaal van 1 tot 9 werd bekomen. Mensen met score 9 zijn het meest egalitair, mensen met score 1 het minst. De frequentieverdeling van de schaal ziet er als volgt uit: Tabel Z: De rollen-schaal. Waarden en hun frequenties (N=1576)
9 (80 8 (71) 7 (62) 6 (53) 5 (44) 4 (35) 3 (26) 2 (17) 1 (8)
Algemeen Freq. % 195 12.4 273 17.3 330 20.9 315 20.0 226 14.3 137 8.7 66 4.2 25 1.6 9 0.6
Vrouwen Freq. % 128 15.67 170 20.81 177 21.66 138 16.89 106 12.97 56 6.85 31 3.79 6 0.73 5 0.61
Mannen Freq. 67 103 153 177 120 81 35 19 4
% 8.83 13.57 20.16 23.32 15.81 10.67 4.61 2.50 0.53
Geslacht*rollenschaal: Chi2=52.579 P=0.001 Cronbach’s alpha voor de correlatie tussen de items =0.63
In onze analyse hebben we de volgende variabelen betrokken: leeftijd, opleiding, professionele categorie, aantal uren arbeid, sociale categorie, het hebben van ene partner en kinderen. We geven telkens de klasse-indeling van de variabelen met binnen elke klasse het gemiddelde voor vrouwen en mannen op de rollenschaal. De gemiddelden die significant verschillen volgens de T-toest voor het vergelijken van gemiddelden zijn onderstreept.
28
Tabel AA: Leeftijd. Frequenties en gemiddelden op de rollenschaal
<25 25-34 35-44 45-54 55-64 >65
Algemeen Freq. Gemidd. 203 6.87 284 6.91 333 6.81 274 6.29 234 5.99 248 5.32
Vrouwen Freq. Gemidd. 101 7.341 127 7.371 179 7.131 147 6.582 123 6.233 140 5.38
Mannen Freq. Gemidd. 102 6.41 157 6.54 154 6.43 127 5.96 111 5.73 108 5.24
Totaal
1576
817
759
Leeftijd*rollenschaal: Chi2= 205.073 p=0.001 1 p<= 0.0001 2 p=0.001 3 p=0.02
Bij de volgende analyses beperken we ons tot de leeftijdscategorie 25-64 jaar. Het totaal aantal respondenten komt dan op N=1125 te liggen. Tabel BB: Opleiding. Frequenties en gemiddelden op de rollenschaal
Laaggeschoold Hoger sec. Hobu Unif
Algemeen Freq. Gemidd. 455 6.11 304 6.71 215 7.07 106 6.94
Vrouwen Freq. Gemidd. 244 6.351 171 7.032 112 7.552 35 7.632
Freq. 211 133 103 71
Totaal
1080
562
518
Missing values= 45 Opleiding*rollenschaal : Chi2=78.105 p=0.001 1 p<=0.002
Mannen Gemidd. 5.84 6.28 6.55 6.60
2 p<=0.0006
Tabel CC: Professionele categorie. Frequenties en gemiddelden op de rollenschaal (N=750)
Arbeider Bediende Hoger bediende/ kader Kleine zelfs Ond.leider* Andere
Algemeen Freq. Gemidd. 193 6.39 315 6.98 96 7.00 78 27 41
5.65 6.11 6.58
Vrouwen Freq. Gemidd. 47 6.47 170 7.461 27 7.703 32 6 20
6.441 7.672 7.403
Freq. 146 145 69 46 21 21
Mannen Gemidd. 6.36 6.43 6.72 5.11 5.67 5.81
Totaal *Ondernemingsleider, groothandelaar, vrij beroep
1 p<=0.0006 2 p=0.02 3 p=0.001
Tabel DD: Aantal uren arbeid. Frequenties en gemiddelden op de rollenschaal (N=682)
29
<19u 19 t/m 37u >37u
Algemeen Freq. Gemidd. 38 6.79 139 7.16 505 6.53
Vrouwen Freq. Gemidd. 32 6.87 107 7.391 144 7.152
Mannen Freq. Gemidd. 6 6.33 32 6.41 361 6.29
totaal
682
283
399
Missing Values=68 Aantal uren arbeid*rollenschaal: Chi2= 25.514 p=0.061 1 p= 0.01 2 p =0.0001
Tabel EE: Sociaal statuut. Frequenties en gemiddelden op de rollenschaal (N=375)
Huisvrouw/man Werkloos Pensioen Andere
Algemeen Freq. Gemidd. 161 6.33 70 6.70 105 6.06 39 6.51
Vrouwen Freq. Gemidd. 161 6.33 45 6.91 47 6.32 21 6.71
Mannen Freq. Gemidd. 25 6.32 58 5.84 18 6.28
Totaal
375
274
101
Aantal uren arbeid*rollenschaal: chi2=32.394 p=0.118
Tabel FF:Woont u samen met een partner: frequenties en gemiddelden op de rollenschaal (N=1125)
ja neen
Algemeen Freq. Gemidd. 924 6.51 201 6.69
Vrouwen Freq. Gemidd. 477 6.861 99 6.84
Mannen Freq. Gemidd. 447 6.14 102 6.54
totaal
1125
576
549
Woont u samen* rollenschaal: chi2=9.507 p=0.301 1 p=0.0001
Tabel GG: Kinderaantal. Frequenties en gemiddelden op de rollenschaal (N=1125)
0 1 2 3 of meer
Algemeen Freq. Gemidd. 259 6.73 227 6.33 403 6.54 236 6.54
Vrouwen Freq. Gemidd. 119 7.031 124 6.822 215 6.792 118 6.831
Mannen Freq. Gemidd. 140 6.47 103 5.74 188 6.25 118 6.25
totaal
1125
576
549
Kinderaantal*rollenschaal chi2=39.515 p=0.024 1 p=0.01 2 p<=0.009
Tabel HH: Variantie-analyse. De items apart van de rollenschaal (werkenden)
30 item Geslacht leeftijd 0.042 1 0.017 0.005 2 0.000 0.403 3 0.033 0.427 4 0.000 0.003 5 0.004 0.319 6 0.000 0.000 7 0.000 0.078 8 0.000 0.000 schaal 0.000
Opleid. 0.005 0.003 0.037 0.053 0.014 0.004 0.193 0.816 0.000
Beroep 0.003 0.000 0.034 0.017 0.049 0.664 0.071 0.010 0.000
uur 0.004 0.000 0.213 0.061 0.268 0.133 0.044 0.050 0.000
Partner 0.001 0.500 0.683 0.409 0.093 0.534 0.283 0.895 0.259
kinder. 0.087 0.561 0.144 0.049 0.356 0.450 0.589 0.016 0.117
R2 0.10 0.20 0.05 0.08 0.08 0.06 0.08 0.07 0.22
Tabel II: Variantie-analyse. De items apart van de rollenschaal (niet-werkenden) item Geslacht 0.313 1 0.000 2 0.431 3 0.693 4 0.077 5 0.885 6 0.012 7 0.043 8 0.001 schaal
1
leeftijd 0.000 0.000 0.047 0.260 0.001 0.000 0.000 0.002 0.000
opleid. 0.004 0.000 0.163 0.215 0.004 0.001 0.000 0.344 0.000
statuut 0.003 0.000 0.041 0.111 0.001 0.004 0.006 0.110 0.000
partner Kinder. 0.003 0.032 0.778 0.067 0.014 0.753 0.791 0.298 0.023 0.116 0.000 0.857 0.386 0.559 0.157 0.120 0.695 0.143
R2 0.12 0.27 0.05 0.04 0.10 0.10 0.13 0.07 0.25
De begrippen ‘Gemeinschaft’ en ‘Gesellschaft’ zijn geïntroduceerd door de socioloog Tönnies. In een ‘gemeinschaft’ zijn er directe, spontane en affectieve relaties tussen de mensen: iedereen kent iedereen. Er primeren gemeenschappelijke gevoelens en overtuigingen. Een voorbeeld van een Gemeinschaft is het dorp. In de ‘gesellschaft’ zijn de relaties vooral indirect, oppervlakkig en instrumenteel. Primair zijn de rationele wil en de gewilde keuze van middelen om doelen te bereiken. Een voorbeeld hiervan is een grootwarenhuis. Volgens Tönnies kenmerkt het proces van modernisering zich door een verschuiving van de Gemeinschaft- naar Gesellschaftsvormen. Erg beknopt kan je deze verschuiving omschrijven als de overgang van het dorpsleven naar het stadsleven. (Berger; 1993; 258) 2 Vrouwen zijn ook minder expressief individualistisch. De verschillen zijn hier echter minder groot. 3 Het expressieve individualisme is niet bnevraagd in de enquète. 4 Zie bijlage 1 voor meer uitleg voor het samenstellen van de schaal. 5 Zie bijlage 1 6 Laaggeschoold= maximum diploma lager middelbaar. 7 Volledigheidshalve moet hieraan worden toegevoegd dat Elchardus ook bij marktgebonden beroepen een hogere graad van materialisme heeft vastgesteld. 8 Zie bijlage 2 voor meer uitleg bij het samenstellen van de schaal. 9 Zie bijlage 2 10 Zie bijlage 2 11 Zie bijlage 3 voor meer uitleg bij het samenstellen van de schaal. 12 Zie bijlage 3 13 Zie bijlage 3